-ocr page 1-
-ocr page 2-
l\'bOCj?
mrn
-ocr page 3-
-ocr page 4-
UBU
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
ODJ
A06000030888394B
„._                            3088 839 4
651 /
-ocr page 5-
\\
\\\\*
HANDLEIDING
TOT DE
s
11
\'Amm
J
VOOR DE
CADETTEN DER CAVALERIE EN ARTILLERIE
DOOli
W. C. SCHIMMEL,
Leeraar aan \'s llijks Veeartsenijschool.
MET MEDEWERKING VAN
D. F. TAN ESVELD, J. ff. KNEL, SI. ff. J. P. THOMASSEN,
Ucriir aai \'i Hijl* Ttnrlsraijsrliod. k.ipilrin i>r Vdd-Arlillerir. L«raar aag \'s Rijks Virartsmijschnol.
TWEEDE, GEHEEL OMGEWERKTE DRUK.
. . •\'.. •
iXv           (f
>§£&».
TE BREDA,
TER STOOMDRUKKERIJ VAN GEBR». OUKOOP
VOOR REKENING VAN DE
KON 1NKLTJ KE MILITAIRE ACADEMIE.
1895.
Bibliotheek der
Hjksuniversiteit te Utrecht
Aid. Diergeneeskunde
-ocr page 6-
-ocr page 7-
V O O R B E KI C H T.
Van bevoegde zijden werd my de wenschelijkheid betoogd, om bij
de bewerking van den tweeden druk dezer Handleiding het natuur-
historisch en het anatomisch-physiologisch gedeelte (Boek I en II)
der eerste uitgaaf in te krimpen en een ruimer plaats open te stellen
voor de bewegingsleer en, in verband daarmede, voor de leer da-
spieren. Hieraan is voldaan. Als gevolg daarvan is de atlas van
vele nieuwe platen voorzien; door haar betere uitvoering zijn zij
gemakkelijk van de oude te onderscheiden. Ook de eerste plaat,
van het geraamte , werd geheel vernieuwd, terwijl voor de ouderdom-
kennis een nieuwe werd ingevoegd.
De heer Thomassen belastte zich met de bewerking van Boek I en II;
de heer
Knel schreef het Derde Hoofdstuk van Bock III, ierivijl
de heer
Van Esveld het Vijfde Hoofdstuk daarvan weder voor zijn
rekening nam. Gaarne breng ik hun, evenals zooveel anderen, die
mij met hun kennis toelwiUend ter zijde stonden, mijn hartelijken
dank.
Utrecht , April 1895.
W. C. SCHIMMEL.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
INHOUD.
Voorrede...............UI. lil.
Inhoud...............» V.
EERSTE BOEK.
NATUURHISTORISCH GEDEELTE.
EERSTE HOOFDSTUK.
Het Paardengeslacht.
De plaats van het paard in het natuurlijk stelsel. . ,    •»      t.
Kenmerken van liet paardengeslacht.......     y>      1.
Indeeling van het paardengeslacht.......    »      2.
Ista afdeeling: Gestreepte paarden......    »      2.
(Quagga, dauw en zebra, bl. 3.)
II\'le afdeeling: Ezels..........    »      3.
(De tamme ezel of huisezel en de wilde ezels,
bl. 4; de hemionen of halfezels, bl. 5.)
IIIde afdeeling: Het gewone paard......    »      6.
Dastaarden van het paardengeslacht.......    »      6.
Het muildier.............    »      6.
De muilezel..............    »      9.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Het paard.
De paarden in het voorhistorisch tijdperk.....» 10.
-ocr page 10-
VI
De huisdierwording van het paard en zijn gebruik bij de
volken der oudheid...........131, 13.
(Bij de Ariërs, bl. 13; Iraniërs, bl. 14; Skyten,
bl. 14; Egyptenaren, bl. 15; Hebreërs of
Israëlieten, bl. 15; in Assyrië en Mesopotamië,
bl. 15; bij de Perzen, bl. 15; Grieken, bl. 16;
Etrusken (later Romeinen), bl. 17; Galliërs,
bl. 19; Germanen (oude), bl. 20; in Spanje,
bl. 20, en in Arabië, bl. 20.)
De hedendaagsche wilde en halfwilde paarden. . . . » 21.
A.    De hedendaagsche wilde paarden.....» 21.
(De tarpans en muzins van Midden-Azië, bl. 21;
de koemrah van Afrika, bl. 22, en de wilde
paarden van Amerika, bl. 22)
B.    Halfwilde paarden.........» 22.
Bijzondere eigenschappen en hoedanigheden van het paard. » 23
TWEEDE BOEK.
INWENDIGE PAARDEN KENNIS.
BOUW EN VERRICHTINGEN DER VOORNAAMSTE ORGANEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
De bewegingstoestel.
De beenderenleer............    »    28.
Het geraamte.............    »    29.
(Het hoofd, bl. 29; de romp, bl. 30; de voor-
beenen, bl. 31, en de achterbeenen, bl. 33.)
De gewrichten.............    »    34.
De voornaamste spieren en haar werking.....    »    36.
De halsspieren.............    »    38.
(Tweede laag, bl. 38, en derde laag, bl. 40.)
De rugstrekkers. ............    »    43.
De vierde en vijfde laag halsspieren.......    »    45.
De buikspieren.............    »    47.
Gemeenschappelijke spieren van de voorste ledematen .    »    48.
De bijzondere spieren der voorste ledematen . . . .    »    50.
A. Spieren aan de buitenzijde van het voorheen.    »    50.
(Eerste laag, bl. 50, en tweede laag, bl. 53).
-ocr page 11-
vu
B. Spieren aan de binnenzijde van het voorheen .   BI.   54.
(Eerste laag, hl. 54, en tweede laag, bl. 5G).
De gemeenschappelijke en de bijzondere spieren van het
achterheen.............    »    58.
De inwendige lendenspieren.......    »    58.
Spieren aan de binnenvlakte van het dijbeen . .    »    59.
Tweede laag aan het dijbeen en schenkelbeen (binnen -
vlakte).............»    60.
Spieren aan de buitenzijde van het dy- en schenkelbeen    »    61.
De tweede laag van spieren aan het dijbeen, schenkel-
been en pijpbeen..........
    »    63.
De derde laag (spieren van het dijbeen). ...»    64.
Spieren aan de vóór- en buiten vlak te van het onderbeen    »    65.
Spieren aan de achter* en binnenzijde van het
onderbeen............    »    67.
De staartspieren.............    »    69.
De werking van spiergroepen.........    »    70.
1°. De bewegingen van hoofd en hals.....    »    70.
2°. De bewegingen der voorbeenen.....    »    71.
3°. De bewegingen der achterbeenen.....    »    73.
4°. De bewegingen van den romp.....    »    74.
5°. De bewegingen van den staart.....    »    75.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De voedingstoestellen, en de voedingsverrichtingen.
Voedingsstoffen, voedingsmiddelen en voedsel ...»    75.
lste Afdeeling: De spijsvertering.
De spijsverteringswerktuigen.........    »    77.
De opneming van het voedsel........    »    80.
Maag- en darmdigestie...........     »    81.
De opslorping uit het darmkanaal.......    »    83.
Honger en dorst.............    »    83.
2de Afdeeling: De vochtstroom.
De circulatie- organen...........    »    85.
Het bloed en de lymphe, resp. de chijl.....    »    86.
De bloedbeweging.....\' . . ... . .    »    87.
-ocr page 12-
VIII
3d8 Afdeeling: Do ademhaling.
De ademhalingsorganen...........    BI. 90.
De in- en uitvoer van lucht in de luchtwegen of het
mechanisme der ademhaling........    »      94.
liet chemisme der ademhaling of de gaswisseling tusschen
lucht en bloed en tusschen bloed en weefsels .    »      9G.
De stem..............    »      97.
iAe Afdeeling: De af- en uitscheidingen.
De huid en haar samenstelling (textuur).....    »      99.
De verrichtingen der huid.........    »    100.
De haren en de haarwisseling........    »    103.
De piswerktuigen, de pisuitscheiding en de pisontlasting.    »    10i.
De stofwisseling en de dierlijke warmte.....    »    105.
DERDE HOOFDSTUK.
liet zenuwstelsel, de zenuwwerking en de zintuigen.
Het zenuwstelsel............    »    107.
De zenuwwerking.......• .    »    108.
Gevoel en tastzin. Zintuigzenuwen en zintuigen in het
algemeen..............    »    110.
Het oog en het zien...........    »    112.
Het oor en het hooien..........    »    117.
De reuk en de smaak...........    »    118.
De slaap..............    »    119.
DERDE BOEK.
UITWENDIGE PAARDENKENN1S.
EERSTE HOOFDSTUK.
De uitwendige lichaamsdeelen.
Doel der uitwendige paardenkennis. Verdeeling van
het paard.............    »    121.
Het hoofd..............    »    122.
De verschillende hoofdvormen. Verdeeling van het hoofd.    »    123.
De nek...............    »    125.
De kruin...............    »    127.
-ocr page 13-
IX
De maantop.............   BL    1\'27.
De ooren..............    »    127.
Het voorhoofd.............    »    "130.
De slapen..............    »    131.
De slaapgroeven............    »    131.
De oogbogen.............    »    131.
De oogen..............    »    \'132.
De uitdrukking van het oog.........     »    132.
Onderzoek en ziekten der oogen........    »    134.
(Zwarte staar, bl. 134; groene staar, bl. 135;
grauwe staar, bl. 135, en maanblindheid,
bl. 137.)
De kaken..............    »    141.
De wangen..............     »    141.
Het aangezicht.............    »    142.
De neus..............    »    143.
De neusgaten.............    »    143.
De lippen..............    »    14G.
De mondspleet.............    »    147.
De mondholte met de daarin besloten deelen. . . .     >>    148.
(De lagen, bl. 148; het gehemelte, bl. 149; de
tong, bl. 150, en het tandvleesch, bl. 151.)
De kin...............     »    151.
De keelgang..............    »    152.
Verbinding van het hoofd met den hals.....     »    153.
De hals...............    »    155.
De verschillende halsvormen.........    »    150.
Verbinding van den hals met den romp.....    »    101.
De schoft..............    »    162.
De borst..............    »    165.
De voorbeenen............    »    108.
De schouder.............    »    160.
De elleboog.............    »    173.
De onderarm.............    »    174.
De voorknie.............    »    176.
De pijp...............    »    180.
(Schuifeltjes, bl. 182.)
De kogel en de koot...........    »    183.
(De vetlok, bl. 188, en de spoor, bl. 180.)
De kroon...............    »    180.
(Overhoef, bl. 190.)
-ocr page 14-
X
De rug...............  Bl.   191.
De lenden..............     »    197.
De ribben..............    •»    200.
De flanken..............    »    204.
De lies...............    »    206.
De buik..............     »    206.
De uier...............    »    209.
De mannelijke geslachtsdeelen........     »    209.
(De koker, bl. 209; de roede, bl. 210; de balzaken
de ballen, bl. 211.)
Het kruis..............    »    212.
De heupen..............    »    220.
De staart..............    »    221.
De aars...............    »    225.
De dam...............    »    226.
De kling..............    »    226.
De achterbeenen............    »    227.
De dij...............    »    228.
De knie...............    »    231.
De schenkel...............    »    232.
Het spronggewrichl............    »    236.
(De bolspat, bl. 240; de dikke hak, bl. 242; de
spat, bl. 242; de hazenhak , bl. 245, en het
reebeen, bl. 246.)
De pijp...............    »    247.
De kogel en de koot...........    »    248.
De kroon..............    »    248.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De ouderdomkennis.
Algemeene kenmerken voor de ouderdomsbepaling . .    d    249.
De tanden..............    »    250.
Uitbotting en sl\'yting der veulensnijtanden                     .    »    252.
De tandwisseling............    »    253.
De vulling der paardentanden........    ï    255.
Kenmerken na den 8-jarigen leeftijd......    »    258.
De haaktanden.............    »    263.
De kiezen..............    »    264.
Onregelmatigheden in de uitbotting, de wisseling, het
aantal, den vorm en de afslijting der tanden ...»    265.
Het schijnbaar ouder en jonger maken der paarden. .    »    268.
-ocr page 15-
xt
DERDE HOOFDSTUK.
Evenredigheden, houdingen, standen, lichaamsbewegingen en gangen.
Evenredigheden............BI. 270.
Houdingen..............» 276.
Standen.............\' . . » 286.
De lichaamsbewegingen zonder verplaatsing van het
lichaam ..............» 290.
(Het steigeren, bl. 291; het omhoog werpen van
het achterstel met achteruitslaan, bl. 293, en
het bokken, bl. 294.)
De lichaamsbewegingen met verplaatsing van het
lichaam. De gangen in het algemeen.....» 295.
De gangen in het bijzonder. De stap......» 305.
De telgang..............» 314.
De gebroken telgang...........» 315.
De draf...............» 317.
Het achteruitgaan............„ 320.
De galop..............» 328.
De rengalop.............» 332.
De overgangen.............» 335.
De sprongen.............» 338.
Het trekken.............» 343.
De schoolgangen en schoolsprongen......» 346.
De gebrekkige gangen..........» 350.
De gebroken draf............» 351.
Het doorslaan.............» 353.
De drieslag..............» 353.
De verkorte viertempo-galop.........» 355.
De overkruische galop..........» 356.
Gebreken der gangen..........» 357.
(Aan de voorbeenen: onvoldoend oplichten, bl. 357;
te hooge kniebeweging, stijve schouders en het
kruisen, bl. 358 ; aan de achterbeenen: hane-
tred en draaien in de hakken, bl. 359; af-
zonderlijk of gelijktijdig voor en achter: wag-
gelen, bl. 360, en kruiszwakte, bl. 361; aan
elk been: maaien en strijken, bl. 361; het
kreupel loopen, bl. 362.)
-ocr page 16-
XII
VIEUDE HOOFDSTUK.
De kleureil en afteekeningen.
I. De kleuren.
De haren..............   BI.   365.
(Dekharen, bl. 365; beschuttende haren en tast-
of voejharen, bl. 368.)
De kleuren in het algemeen en haar verdeeling. . .    »    369.
A. Effen haar.
Het bruine haar............    »    370.
Het roode of voshaar...........    »    372.
Het gele of isabelhaar..........    »    373.
Het muisvale haar............    »    375.
Het zwarte haar............    »    375.
Het witte haar............    »    376.
B. Gemengd haar
Het stekelhaar.............    »    376.
Het onveranderlijk schimmelhaar.......    »    377.
Het veranderlijk schimmelhaar........    »    377.
Het tijgerhaar.............    »    379.
Het bonte haar............    »    380.
II. Afteekeningen.
Afteekeningen in het algemeen........    »    380.
Afteekeningen aan het hoofd........    »    381.
Afteekeningen aan de beenen........    »    383.
Verkregen afteekeningen..........    »    384.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Paardenrassen.
I.     Paardenrassen in het algemeen.
Indeeling der rassen...........» 385.
II.    Paardenrassen in het bijzonder.
l»te Afdeeling: Oostersche paarden.
Algemeene eigenschappen.........    »    387.
Het Arabische paard...........    »    388.
Het Perzische paard...........     i>    390.
Paaiden in Klein-Azië..........    »    391.
-ocr page 17-
XIII
Paaiden in de Nijllanden.........  BI.   393.
Paarden in Noord-Afrika..........    »    395.
2de Afdeeling: Paardenrassen in Europa.
Groot-Brittannië en Ierland........    »    396.
Frankrijk............    »    407.
Spanje e/i Portugal..........    »    413.
Italië.............    »    417.
Zwitserland............    »    419.
Oostenrijk en Gallicië.........    »    421.
Hongarije en Zevenbergen........    »    428.
Turkije en aangrenzende Staten.......    »    433.
België.............    »    436.
Nederland............    »    438.
Duitschland in het algemeen.......    »    451.
Pruisen . ........    »    452.
Oldenburg............    »    461.
Mecklenburg...........    »    461.
Wurtemberg...........    »    462.
Beieren.............    »    464.
Elzas Lotharingen..........    »    467.
Andere Duitsche Staten.........    »    468.
Denemarken............    »    470.
Zweden en Noorwegen.........    »    472.
Rusland.............    »    474.
3de Afdeeling: Paardenrassen in de overige werelddeelen.
Het vaste land van Azië........    »    485.
De Indische Archipel.........    »    487.
Afrika.............    »    501.
Amerika............    »    502.
Australië............    »    506.
-ocr page 18-
X I V
VIERDE BOEK.
DE HOEF EN HET HOEFBESLAG.
EERSTE AFDEELINtf.
Bouw en verrichtingen van den hoof.
EERSTE HOOFDSTUK.
De bouw van den hoef.
De beenderen van den hoef........   BI. 508.
De verbinding der beenderen van den hoef. ...»    509.
De bewegingsorganen van den hoef......    »    510.
De elastische deelen van den hoef......    »    511.
De bloedvaten en de zenuwen van den hoef . . .    »    512.
De hoornvormende deelen van den hoef .    »    513.
De toornige deelen..........    »    515.
(De hoornwand, bl. 515; de hoornzooi, bl.518,
en de hoornstraal bl. 519.)
TWEEDE HOOFDSTUK.
De verrichtingen van den hoef.
De samenstelling van den hoorn......» 521.
De groei van den hoef.........» 522.
De mechanische verrichtingen van den hoef ...» 523.
TWEEDE AFDEELINU.
liet hoef beslag.
DERDE HOOFDSTUK.
Het beslag van gezonde hoeven.
Eigenschappen van goede hoefijzers......» 527.
(Vorm en breedte, bl. 527; dikte en vlakten,
bl. 528; nagelgaten, bl. 529; lip en kal-
koenen, bl. 531; stoot, bl. 532.)
Bepalingen omtrent het beslag van militaire paarden . » 533.
-ocr page 19-
XV
(.4. Het ijzer, bl. 533; B. bevestiging van het
ijzer, bl. 535, en C. bewerking van den hoef,
bl. 535).
Winterbeslag.............BI. 536.
(T.Tsnagels, bl. 537; scherpen van gewone kal-
koenen, stooten en schroefkalkoenen, bl.
538; stiftkalkoenen, bl. 539; kalkoenen van
Neuss, bl. 540; winterbeslag van Van Hor-
sen, en van Meijerink, bl. 541.)
Behandeling der paarden bij het beslag.....» 542.
Onderzoek van den stand, de hoeven en de oude ijzers
van het paard vóór het nieuwe beslag.....» 543.
(De voorbeenen , bl. 543; de achterbeenen, bl. 540).
Het afnemen der oude ijzers en het gereedmaken van
den hoef voor het nieuwe beslag......» 548.
Het passen der ijzers...........» 550.
De hoefnagels.............» 554.
Het onderslaan der ijzers..........» 555.
Andere beslagmethoden. Geschiedenis van het hoef-
beslag..............» 556.
De verpleging van den hoef.........» 566.
VIERDE HOOFDSTUK.
Het beslag van zieke hoeven.
Ziekten der hoeven in het algemeen.....» 569.
A. Vormveranderingen van den hoef.
Plathoef en volhoef..........    »    572.
De bokhoef............    »    574.
De klemhoef...........    »    575.
(Klemhoef bij wijde hoeven en zoolklemhoef,
bl. 581).
De scheeve hoef...........    »    582.
B. Stoornissen in den samenhang van den hoef
De hoornscheuren..........» 583.
De hoornkloof...........» 586.
De losse en de holle wand........» 587.
-ocr page 20-
XVI
C. Ziekten van den straal.
De rotstraal............   BI.  588.
De straalkanker...........    »    589.
D. Ziekten der in den hoef besloten deelen.
De vernageling...........    »    591.
De nageltred...........    »    593.
De kroonbetrapping..........    »    595.
De steengallen...........    »    596.
De hoef kraakbeenfistel.........    »    600.
Ontsteking der ballen.........    »    601.
De rheumatische hoefontsteking.......    »    603.
De verbeening der hoef kraakbeenderen (zijbeen) .          »    605.
De chronische straalbeenskreupelheid.....    »    607.
Breuk van het hoef en straalbeen......    »    608.
E. Beslag bij gebrekkige gangen.
Het strijken............    »    609.
Het in de ijzers klappen........    »    611.
VIJFDE BOEK.
GEZONDHEIDSLEER.
Inleidi ng.
Gezondheid en haar voorwaarden......» 613.
EERSTE HOOFDSTUK.
De voeding en de voedingsmiddelen in het algemeen.
OnderhoudS" en productievoedsel. De verschillende voe-
dingstoestanden..........» 618.
De samenstelling der voedingsmiddelen. . .            • » 620.
-ocr page 21-
XVII
Natuurlijk voedsel voor het paard. Eigenschappen der
voedingsmiddelen..........BI. 622.
De rations en de voedertijden.......» 625.
(De dagelijksche hoeveelheid voor de paarden
van het Nederlandsche leger, bl. 626).
De toebereiding der voedingsmiddelen.....» 630.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De voedingsmiddelen in het bijzonder.
De granen......•.....» 633.
(De haver, bl. 633; de gerst, bl. 638; de rogge,
bl. 639; de tarwe, de spelt, de boekweiten
de maïs, bl. 640; de rijst, bl. 641).
De peulvruchten...........» 643.
Meel, zemelen, brood, beschuit en robur                      . » 644.
(Meel, bl. 644; zemelen, bl. 646; brood en be-
schuit, bl. 647; robur, bl. 648).
Knollen en wortels..........» 648.
Fabrieksafval en andere weinig gebruikelijke voedings-
middelen............» 649.
Het groenvoeder en de weiden.......» 651.
(In Indië, bl. 656).
Voorwaarden van aanbesteding omtrent het weiden van
officiers- en rijkspaarden........» 658.
liet hooi .............» 660.
(Schadelijke bestanddeelen in het hooi, bl. 664).
Het stroo............» 666.
Voorschriften omtrent het leveren en verstrekken van
fourages bij ons leger.........» 668.
De drank............» 674.
De specerijen...........» 677.
DERDE HOOFDSTUK
De lucht.
De bestanddeelen der lucht........» 679.
De physische eigenschappen der lucht.....» 682.
(Drukking en temperatuur, bl. 682; licht, bl. 683;
vochtigheid en wind, bl. 684; jaargetijde,
bl. 685.)
-ocr page 22-
XVIII
VIERDE HOOFDSTUK.
De stalling en verzorging van het jyaard.
De stal.............BI. 686.
(Ligging, bl.686; grootte, buitenmuren en zolder,
bl. 687; bodem, bl. 688; goten, riolen en
deuren, bl. 689; vensters, bl. 690; ventilatie,
bl. 691; standen, bl. 692; bevestigen, bl. 695;
ruiven, bl. 696; kribben, bl. 697; stallen in
Indië, bl. 698).
Het ligstroo............» 699.
(Beschikking van den Minister van Oorlog dd.
11 October 1894, VI«« Afd., n°. 50, omtrent liet
gebruik van stroo en turfstrooisel, bl. 701.)
De verpleging der huid.........» 702.
(Het poetsen, bl. 703; baden en scheren, bl. 704;
dekens en bandages, bl. 707.)
Beweging en rust..........» 708.
De arbeid............» 710.
Aanhangsel. Verklaring van eenige woorden en uitdruk-
kingen bij het rennen en harddraven gebruikelijk . » 712.
ZESDE BOEK.
KOOP, VERKOOP en SIGNALEMENT VAN PAARDEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
Het koop en van paarden.
Remonteering bij het Nederlandsche leger                      . » 717.
1°. Openbare aanbesteding......» 717.
2°. Onderhandsche aanbesteding.....» 718.
3°. Aankoopen uit de vrije hand.....» 718.
Instructie voor de remonteering der bereden
artillerie, vastgesteld bij aanschrijving van den
Minister van Oorlog dd. 5 Januari 1889, IIde
afd., n°. 22. Gewijzigd bij Ministeriëele aan-
schrijvingen van 23 Februari 1891, IIde afd.,
n°. 61 en van 23 Juli 1891, IIde afd., n°. 104. » 720.
-ocr page 23-
8
XIX
(Algemeene bepalingen, bl. 7-20; aankoopen in
het binnenland, bl. 722, en aankoopen in het
buitenland, bl. 726).
Merken van rijkspaarden......Bl. 726.
4U, Het leveren van paarden in geval van oorlog
of oorlogsgevaar........» 727.
Wet van 14 September 18G6 (Staatsblad n". 138),
wat betreft de artt. 32 en 32bis                       . » 727.
Koninklijk besluit van den 10de" November 1892,
houdende vaststelling der reglementaire be-
palingen ter uitvoering van de wet van 14
September 1866 en haar wijzigingen, wat be-
treft de artt. 13—52.......» 728.
Vaststelling der eischen, waaraan een paard moet
voldoen om geschikt te zijn voor den militairen
dienst...........» 743.
Aanschaffing van paaiden (bl. 161, en vv. van
de «Bepalingen en voorschriften omtrent orga-
nisatie, garnizoensindeeling en mobilisatie van
het leger».).........» 746.
Het overnemen van rijkspaarden door officieren . » 750.
Remonteering bij het leger in Nederlandsch Oost-Indiö. » 751.
Het overnemen van Gouvernementspaarden door
officieren..........» 757.
Aanschaffen van muildieren voor de bergbatterijen van
het Indisch leger..........» 758.
Remonteering in het buitenland.......» 764.
(Frankrijk, bl. 764; Duitschland, bl. 765; Oosten-
rijk—Hongarije, bl. 766; Italië, bl. 767;
Engeland, bl. 768; België, bl. 769, en Dene-
marken, bl. 769.)
Het monsteren van paarden. Bedriegerijen in den
paardenhandel...........» 770.
Handelwijze bij het onderzoek........» 776.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Het verkoopen van paarden.
Het op reform stellen bij het Nederlandsche leger, en
het afmaken van rijkspaarden.......» 781.
-ocr page 24-
XX
Instructie betreffende den veterinairen dienst bij
liet leger, vastgesteld bij beschikking van den
Minister van Oorlog van \'12 November 4894,
III\'1» afd., n°. 105, wat betreft de artt. 24 tot
en met 29..........BI. 782.
Het op reform stellen bij het leger in Nederlandsch
Oost-Indië............» 785.
Het verkoopen van paarden door particulieren. . . » 78(3.
DEUDE HOOFDSTUK.
liet signalement.
Het signalement...........» 788.
ZEVENDE BOEK.
WETSBEPALINGEN AANGAANOE PAARUENIIANDEL
EN BESMETTELIJKE ZIEKTEN VAN HET
MILITAIRE PAARD.
EERSTE HOOFDSTUK.
Wetsbepalingen aangaande den paardeniiahdel.
Inleiding. Oud-Romeinsch en Oud-Germaansch recht. » 792.
Wetgeving in verschillende landen......» 796.
(Tabel, aangevende de waarborgtijden voor de
koopvernietigende gebreken bij het paard in de
onderscheidene landen, bl. 799.)
Wetgeving in Nederland.........» 800.
(Artikelen van het Burgerlijk Wetboek van toepas-
sing op den paardenhandel: algemeene bepalin-
gen, bl. 801; van de verplichtingen der
verkoopers, bl. 802; van de verplichtingen
van den kooper, bl. 805; van ruiling, bl. 806.)
Verborgen gebreken. Gerechtelijk onderzoek. ...» 807.
De gang van zaken bij een procedure over een verbor-
gen gebrek. Verslag der deskundigen.....» 807.
Korte beschrijving van de meest voorkomende koopver-
nietigende ziekten en gebreken......» 813.
Duizeligheid, bl. 813; vallende ziekte, bl. 814; steeg-
heid, bl. 814; kolder, bl. 815; maanblindheid,
-ocr page 25-
XXI
bl. 817; zwarte staar, bl. 817; kwade-droes, bl.
817; worm, bl. 819; dampigheid, bl. 820; lucht-
of windzuigen, bl. 821; schurft, bl. 823, en
chronische, intermitteerende kreupelheid, bl. 824.)
Het dooden van dieren, het toebrengen van schade en
verwondingen, en het mishandelen van dieren. . . Bl. 825.
TWEEDE HOOFDSTUK
Wetsbepalingen aangaande besmettelijke ziekten bij het militaire paard.
Wet van den 20*t«> Juli 1870 (Staatsblad n°. 131), ge-
wijzigd bij de wetten van 1 Augustus 1880 (Staats-
blad
n°. 123), en van 15 April 1886 (Staatsblad n°.
64), tot regeling van het veeartsenijkundig staatstoe-
zicht en de veeartsenijkundige politie.....» 827.
Bekendmaking van den Minister van Binnenlandsche
Zaken van 24 December 1870: Kenteekenen te bezigen
voor hoeven, erven, stallen of weiden, waar zich
door een besmettelijke ziekte aangetast of daarvan
verdacht vee bevindt of bevonden heeft.....» 833.
Wet van den 2>ien Juni 1875 (Staatsblad n°. 94), houdende
bepalingen betreffende de veeartsenijkundige politie
ten opzichte van paarden van het leger, in verband
met de wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad n°. 131),
zooals die is gewijzigd bij de wet van 15 April 1886
{Staatsblad n°. 64)...........» 834.
Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van
21 Juni 1875, betrekkelijk de invoering der wet van
2 Juni 1875 (Staatsblad n°. 94), houdende bepalingen
betreffende de veeartsenijkundige politie ten opzichte
van paarden van het leger........» 830.
Voorschrift van den Minister van Oorlog van 21 Mei
1890, lste Afd., Secretariaat n°. 61, omtrent de
autoriteit, bevoegd tot het nemen van maatregelen bij
besmettelijke ziekte onder de paarden van het leger. » 837.
Voorschrift van den Minister van Oorlog van 24 Juli
1883, 1»\'« Afd., Secretariaat n°. 22, ter voorkoming
van besmettelijke ziekten onder de paarden van het
leger...............» 837.
Beschikking van den Minister van Oorlog van 15 Juni
1894 l"tB Afd., n°. 35, ten vervolge op de Minis-
-ocr page 26-
XXII
terieele beschikkingen van 94 Juli 1883, lfte Afd.,
n°. 22 (N. B. U., bl. 809) en van 16 April 1885,
U\' Afd., n°. 99 (N. B. U., bl. 881).....Bl. 838
Koninklijk besluit van den 27st"> Maart 1888 (Staats-
blad
n°. 67), waarbij nader wordt bepaald welke
ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden
en welke der in de wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad
n°. 131) genoemde maatregelen bij het dreigen of
heerschen van elk dier ziekten moeten toegepast wor-
den. (Zooals dat bij de besluiten van 12 Mei 1889
(Staatsblad n°. 62), 9 October 1889 (Staatsblad n". 128),
20 Mei 1890 (Staatsblad n°. 92) en van 17 November
1892 (Staatsblad n". 254) is gewijzigd en aangevuld.)
(Betreffende het gedeelte van toepassing op eenhoevige
dieren)..............» 839.
Besluit van den 9den Juni 1885 (Staatsblad n°. 125),
houdende voorschriften betreffende het begraven, ver-
branden of op andere wijze vernietigen van het volgens
de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n°. 131) afge-
maakt, aan een besmettelijke ziekte gestorven of
wegens zoodanige ziekte geslacht vee, of volgens de
wet van 5 Juni 1875 (Staatsblad n°. 110) afgemaakte
honden en katten, en van andere voorwerpen en de
ontsmetting van stallen en andere gebouwen en het
onschadelijk maken van mestvaalten......» 849.
Instructie betreffende den veterinairen dienst bij het leger
in tijd van vrede. (Vastgesteld bij beschikking van den
Minister van Oorlog van 12 November 1894, III\'le Afd.
n°. 105) (Ree. Mil. 1894, bl. 407). (Wat betreft de
artt. 3, 13, 19—23 en 30.)........» 856.
Beschikking van den Minister van Oorlog dd. 22 Mei
1894, Il-ie Afd., n°. 83.........» 859.
Veeartsenijkundige politie in Nederlandsch-Indië. (Maat-
regelen tegen de verbreiding van kwade-droes en
huidworm).............» 861.
Reglement voor den militairen veterinairen dienst in Ne-
derlandsch-Indië 1890 (Hoofdstuk V).....» 863.
-ocr page 27-
EERSTE BOEK.
NATUURHISTORISCH GEDEELTE.
EERSTE HOOFDSTUK.
HET PAARDENGESLACHT.
§ 1. De plaats van het paard in het natuurlijk stelsel.
Het paard behoort tot de groote klasse der Zoogdieren
(Mammifera)
en tot de onderklasse der Hoef dieren {Vngulata),
d. w. z. dieren waarvan de teenen elk met een hoornigen schoen
zijn bekleed. Deze hoefdieren kan men nader in drie orden
verdeelen: de e\'e\'n-, twee- en vedhoeuigen.
De orde der Eenhoevigen (Solidwijula) bestaat slechts uit één
familie, die der Paarden (Equiden). Andere voorwereldlijke dieren
van dit geslacht zijn uitgestorven.
§ 2. Kenmerken van het paardengeslacht.
De dieren van het geslacht equus zijn slank, hoogbeenig en
raken slechts den bodem met het eindlid van den drieledigen
middenteen, dat door een sterken, breeden hoef is ingesloten.
De tweede en derde teen zijn rudimentair en tot de griflel-
beentjes gereduceerd. Alle equiden zijn ongeveer op 5-jarigen
leeftijd volwassen. Zij hebben dan in de boven- en in de onderkaak
G boogvormig geplaatste snijtanden en 12 maaltanden of kiezen.
Het mannelijk dier heeft daarenboven twee haaktanden.
Als verdere geslachtskenmerken gelden: de z. g. valsche neusgaten
of neustrompetten, zijnde twee zakken, die door een instulping dei-
huid aan den buitenwand in den neus, nabij liet neusgat, worden
gevormd; de luuhtzakken, die tusschen den schedel en de keelholte
1
-ocr page 28-
2
liggen en uit de laatste met lucht worden gevuld; de lange haren
op den bovenrand van den hals, de manen, en op een gedeelte
van de middellijn van het voorhoofd, de maantop genaamd, en
ten slotte de staart der equiden, welke, geheel of gedeeltelijk, lang
behaard is.
Paarden zijn planteters; gebit en darmkanaal toonen dit
aan. De bovenlip is zeer beweeglijk en wordt als tast- en gr\'yp-
werktuig gebruikt. De maag is in verhouding tot de lichaams-
grootte zeer klein; hoewel zij slechts één holte bevat, bestaat
zij uit twee, aan de binnenzijde in voorkomen en bouw zeer
verschillende afdeelingen. De ingangsopening is gesloten op een
wijze, die het terugkeeren van voedsel uit de maag onder gewone
omstandigheden belet. De equiden bezitten geen galblaas en hun
dikke darmen (de blinde en de karteldarm) zijn buitengewoon ruim.
Na een draagtijd van 11\'/, maand brengen zij in den regel
eiken keer slechts één jong ter wereld. Hun uier is ver naar ach-
teren geplaatst en slechts van twee tepels voorzien. In wilden
staat leven zij in troepen of kudden.
§ 3. Indeeling van het paardengeslaciit.
Het geslacht equus of de familie der equiden wordt in 3 groe-
pen verdeeld :
1°. de gestreepte of tijgerpaarden (equus zebra s. hippotigris);
2°. de ezel (equus asinus);
3°. het eigenlijke paard (equus caballus).
jste A f d e e 1 i n g.
§ 4. Gestreepte paarden.
Algemeene kenmerken.
De gestreepte, ook tijgerpaarden (hippotigriden) genaamd, ken-
merken zich, zooals de naam reeds aanduidt, door een geheel of
ten deele gestreepte huid. Zij hebben een gedrongen lichaamsbouw
en een korten, zwaren hals met rechtopstaande manen; de ooren
zijn langer dan die van het paard en korter dan die van den
ezel; alleen aan het einde van den staart dragen zij lange haren.
Hun stem verschilt van het gehinnik van het paaid en van het
gebalk van den ezel. Zij leven in kudden, zijn zeer schuw en
veelal te zwak voor rij- of trekdienst; daarbij zijn zij lastig te
temmen.
-ocr page 29-
9
Ër zijn drie soorten van gestreepte paarden: de quagga, de
dauw en de eigenlijke zebra.
i. De quagga (equus quagga of quacha) is het grootst van alle
tijgerpaarden. Hij gelijkt meer op liet paard dan op den ezel en
heeft korte ooren, benevens een zwaarder behaarden staart dan
de andere soorten. De grondkleur is lichtbruin; het voorstel alleen
is gestreept, naar achter wordt de kleur steeds lichter. In Zuid-
Afiïka worden zij soms gebruikt voor den arbeid en verder om de
kudden \'s nachts te bewaken tegen de aanvallen van wilde dieren,
hetgeen zij doen door bij naderend gevaar te schreeuwen.
2.    De dauw (equus Burchellü) is klein (1 M. hoog), doch heeft
de sierlijkste vormen en gelijkt het meest op het paard. Degrond-
kleur is lichtgeel (isabel) en de strepen zijn zwartbruin. Alleen de
beenen zijn niet gestreept. De buik, de onderbeenen en de staart
zijn wit. Tusschen de breedere donkere, liggen smallere lichtbruine
strepen. De rechtopstaande manen zijn afwisselend licht en donker
gekleurd. Het dier is gemakkelijk te temmen en af te richten.
Het maakt een blaffend geluid.
3.    De zebra of het bergpaard (equus zebra s. montanus) ge-
lijkt in lichaamsvorm meer op den ezel dan op het paard, en
is ongeveer 1,20 M. hoog. Hij heeft lange ooren, een sterk ont-
wikkelde achterlip, een breed, zwaar hoofd, droge beenen en
een met korte haren bezetten staart. De grondkleur is wit, vooral
onder den buik en aan de binnenvlakte der dijen. Zijn geheele
lichaam is zwart gestreept; zelfs op de beenen bevinden zich
smalle, donkere kringen. De zwilwratten ontbreken bij den zebra;
aan de voorbeenen vindt men in plaats hiervan onbehaarde, don-
ker gekleurde huidplekken. De dieren leven in bergstreken en
zijn zeer schuw.
IIJ» Afdeeling.
§ o. Ezels.
De ezel is meestal lichtgrijs en grijsrood of meer donker, tot
zelfs zwart gekleurd. Over den rug loopt een donkere aalstreep,
die zich aan beide zijden langs de schouders voortzet. Het hoofd
is groot en breed, de lippen zijn langer dan die van het paard,
de ooren zeer lang, de hoeven smal en steil, de staart dun be-
haard en aan de punt voorzien van een pluim. Aan de achter-
-ocr page 30-
4
beenen ontbreken de zwilwratten. Het eigenaardig geluid, dat
zij voortbrengen, is bekend onder den naam van balken.
Tot deze groep behooren twee soorten: de ezel en de half ezel
of hemione. Behalve de tamme ezel bestaan er verschillende varië-
teiten van wilde ezels. Omtrent de soorten van halfezels heerscht
nog steeds eenige verwarring.
«. De tamme ezel of huisezel.
De ezel werd door de Semieten tot huisdier gemaakt. Bij de
oude Ariërs was dit dier nog niet bekend, de Egyptenaren echter
maakten reeds vroeg van den ezel gebruik. Algemeen worden daar-
van twee stemsoorten aangenomen. Van de kusten der Middelland-
sche Zee is hij langzamerhand meer noordwaarts verbreid. In de
noordelijkste landen van Europa kwam hij in het begin onzer
jaartelling nog niet voor.
De ezel heeft een zwaar hoofd met lange, breede ooren, een
nauwe borst, een scherpen rug, hooge heupen, een afhangend
kruis en smalle, hooge, harde hoeven. Zijn kleur is aschgrauw
of donkerbruin. Bij de lichtgekleurde ezels is op den rug en langs
de schouders nog duidelijk een donkere aalstreep, in den vorm
van een kruis, merkbaar. De staart is slechts aan het uiteinde
voorzien van lange haren, in den vorm eener pluim. De slechte
verpleging en de ruwe behandeling, waaraan de ezel over het
algemeen bij ons is blootgesteld, hebben hem tot een dom, traag,
koppig, onhandelbaar dier gemaakt. In het Zuiden, waar hem
meer zorg ten deel valt, is hij beter gebouwd en leerzamer. Hij
onderscheidt zich door zijn taaiheid en groote soberheid, zoodat
hij met weinig en moeilijk verteerbaar voedsel kan volstaan.
Wegens zijn vasten en zekeren tred is hij in bergstreken een ge-
zocht en nuttig rijdier. Zijn stem is hoogst onaangenaam.
In Europa worden de beste soorten in Spanje en Italië gefokt.
In Frankrijk vindt men vooral in Poitou hengsten van buitenge-
wone grootte, die voor het fokken van muildieren worden gebruikt.
Men treft er exemplaren aan, die met 10,000—12,000 franken
worden betaald.
b De wilde ezels.
De wilde ezel is grooter en daarbij sterker gebouwd en schooner
van vorm dan onze lamme ezel. Hy leeft vooral in Noord- en
-ocr page 31-
5
Oost-Afrika in groote kudden. De kleur wisselt af tusschen licht-
grijs, grijsbruin en grijsgeel of isabel. Ken zwarte aalstreep loopt
over den rug en langs de schouders rechthoekig benedenwaarts.
De onderbuik, de binnenvlakten der beenen en de omtrek van
den mond zijn veel lichter gekleurd. Meestal hebben deze dieren
witte kringen boven de hoeven. Sommige schrijvers onderscheiden
den equiits asinun taenioptu, die isabelkleurig is, en den equus onager,
die meer wit is gekleurd.
De wilde ezels zijn moeilijk te temmen; de getemde dieren
worden vooral voor den rijdienst gebruikt. De kruising van wilde
en tamme ezels levert uitstekende producten op.
c. De hemionen ok halfezels.
Men onderscheidt verschillende hemione\'s, waarvan sommige
door enkele schrijvers als wilde ezels (Aziatische soorten) worden
beschouwd. Het meest bekend is de dehiggetai van Mongolië, die
in grootte ongeveer met het muildier gelijk staat. Hij heeft een
zwaar hoofd, een korten hals, een eenigszins opgebogen rug,
hooge beenen en een hoekig kruis. De kleur is, vooral in den
zomer, isabel en \'s winters meer grijsachtig. De rugstreep is zwart.
De staart is aan het bovengedeelte geheel kaal en lager met
borstelig haar bezet, dat ter zijde de kleur van den romp vertoont,
terwijl over het midden de zwarte rugstreep voortloopt en in een
ruim 20 cM. langen zwarten haarbos eindigt.
De dehiggetai loopt buitengewoon snel, is zeer schuw en als
het ware ontembaar. De dieren leven in troepen, bestaande uit een
tiental merriën onder aanvoering van één hengst.
Men heeft verder nog onderscheiden den hemlone van China,
die als een variëteit van den vorigen kan worden beschouwd.
De koelan van Tartarye wordt door sommigen equus onager ge-
naamd en onder de wilde ezels gerangschikt. Hij verschilt zoo
weinig van den dshiggetai, dat beide voor een variëteit van dezelfde
soort kunnen worden gehouden. De koelan is niet zoo schoon
gebouwd als de dshiggetai. Hij heeft een donkere aalstreep. om-
geven door een witten zoom, die niet alleen op de schouders,
maar ook op de lenden dwarsstrepen vormt.
De ghor of de wilde ezel van Perziö, de ijhorkhur van Voor-
Indië, de kiang van Tibet en de hemippe van Syrië zijn alle varië-
teiten, die onderling zoo weinig verschil aanbieden, dat nadere
bijzonderheden hier achterwege kunnen blijven.
-ocr page 32-
Ü
III* Afdeeling.
§ 6. Het gewone paabd (equus cauallus).
Het gewone paard onderscheidt zieli van de andere soorten
van het paardengeslacht door de volgende kenmerken.
Het hoofd is betrekkelijk klein, de ooren zijn klein en smal,
de oogbogen steken weinig uit, zoodat de oogen zeer oppervlakkig
liggen De manen zijn lang en de staart is over de geheele
lengte met lange haren bezet. Het begin van den rug is onmid-
dellijk achter den hals meer of minder verheven, welk gedeelte
de schoft wordt genoemd. De aalstreep ontbreekt meestal. Het
aantal lendenwervelen bedraagt 6 ; slechts b\'y enkele paarden zijn
er 5 aanwezig. De zwilwrat is aan de vier beenen ontwikkeld.
Het paard brengt een eigenaardig geluid voort, hiwieken genaamd.
§ 7. Bastaarden van het paardengeslacht.
Alle soorten van het paardengeslacht zijn onderling vruchtbaar.
Onze belangstelling verdienen alleen de paarden-hvbriden liet
muildier en de muilezel, welke van gewone paarden en gewone
ezels afstammen.
§ 8. Het muildier (equus mulus).
Het muildier (Ie mulet; das Maülthxer; the mule) is de bastaard,
voortgebracht door de paring van een ezelhengst met een paarden-
merrie.
Het muildier was reeds in de hooge oudheid bekend. De ge-
schiedenis vermeldt, dat de Assyriërs het bezigden ten tijde van
Semiramis (2000 v. C.), en dat het in Griekenland en Troje reeds
vóór den Trojaanschen oorlog (1200 v. C.) voorkwam. De bijbel
gewaagt tot aan den tijd der Koningen niet van muildieren In
Indië was het muildier ten tijde van Alexander algemeen bekend.
De Carthagers kregen hun muildieren van de Balearische eilanden,
waar zij omstreeks de 3de eeuw v. C. op groote schaal werden
gefokt. Bij de Romeinen, zoowel in Italië als in Spanje, was de
muildierfokkerij van groote beteekenis; zij fokten hun beste
soorten met wilde ezels.
Eigenschappen. Het muildier gelijkt in het algemeen meer op
den ezel dan op het paard ïlet hoofd is lang en dik; de ooren zijn
meestal zeer lang, hangen dan af en waggelen bij de beweging;
de oogbogen zijn breed en steken sterk uit; de neusgaten zijn
-ocr page 33-
7
nauw. Hun korte en rechte hals is niet zeer korte manen bezet.
De schoft is laag, de rug recht of opgebogen, de voorborst smal,
de ribben zijn weinig gewelfd, maar de buik is zeer omvangrijk.
Ue lengte der lenden verschilt naar het aantal lenden wervelen,
dat 5, zooals bij den ezel, of 6, zooals bij het paard kan bedra-
gen. Het kruis is smal en afhangend, de staart laag aangezet en
alleen aan het ondereinde met lange haren bezet. De beenen zijn
lang en zeer droog; de hoeven hard, cvlindervormig, niet hooge,
steile verzenen. De zwilwratten bepalen zich, gelijk bij den ezel,
tot vlakke, ronde plekken. Aan de achterbeenen ontbreken zij
dikwijls.
Het haar is kort en stroef; de kleur is meestal vuilzwart of
donkerbruin, niet zelden grijs of zelfs geheel wit en enkele
malen voskleurig, niet donkere rugstreep en soms ook donkere
strepen op de beenen.
Het muildier brengt een schel geluid voort, dat plotseling in
een dof geknor overgaat. Zijn stem nadert het gebalk van den ezel.
Men vindt bij hem vereenigd de kracht van het paard en de
soberheid en duurzaamheid van den ezel. Dit voor vele landen
zoo nuttige dier kan langen tijd honger en dorst verduren, biedt
weerstand aan zware vermoeienissen, vereischt weinig zorg en is
zelden ziek. Het munt uit door zijn zekeren gang op moeilijke
en gevaarlijke wegen en bergpaden, zoodat de ruiter zich steeds
met volle vertrouwen op dit dier kan verlaten. Ook als trekdier
laat het niet te wenschen over.
In weerwil van zijn stompzinnig uiterlijk is het zeer bevattelijk,
maar in den regel ook prikkelbaar en koppig. De muildierhengst
kan vooral in het voorjaar, als hij, ofschoon onvruchtbaar, door
een sterk opgewekte geslachtsdrift geplaagd wordt, dikwijls zeer
koppig en daardoor niet alleen lastig, maar zelfs gevaarlijk in
liet gebruik zijn. Om deze reden worden hengsten veelal ge-
castreerd. De muildiermerrie veroorzaakt minder last en zorg,
en is daarom \'/3 hooger in prijs dan de hengst.
Wanneer het muildier niet te vroeg, d. i. vóór den vierjarigen
leeftijd, tot zwaren arbeid wordt gebezigd, dan blijft het 20—30,
zelfs 40 jaren in volle kracht.
In Zuid-Europa en Zuid-Amerika, in de noordelijke landenvan
Afrika en in sommige landen van Azië wordt op groote schaal,
tot zelfs bij het leger, van muildieren gebruik gemaakt.
In Frankrijk, Spanje, Italië en andere Zuid-Europeesche landen
bewijst het muildier als last-, trek- en rijdier, vooral in bergstreken,
-ocr page 34-
8
uitnemende diensten. In Spanje wordt liet algemeen als trekdier
gebezigd en staat aldaar in waarde gelijk met het paard. In dit land
worden veel muildieren gefokt, maar ook (evenwel vroeger meer dan
thans) in groot aantal uit het Zuiden van Frankrijk ingevoerd.
In Italië levert Toskane de beste muildieren. Frankrijk brengt de
meeste en daarbij tevens de sterkste en schoonste muildieren voort.
Deze fokkerij wordt vooral gedreven in het land van Poitou, dat
vroeger jaarlijks ongeveer 15,000 muildieren opleverde. In de
laatste jaren is dit getal belangrijk verminderd. De merriën
worden gedekt in particuliere inrichtingen, ateliers genaamd, die
elk 4—8 ezelhengsten bezitten.
Het muildier is in deze streken 1,50—1,58 M. hoog en meestal
geschikt voor zwaren trekdienst. liet voldoet in het Fransche
leger uitnemend voor de artillerie, den trein en de genie.
In de zuidelijke staten van Oostenrijk komt het muildier nog
in gering aantal voor; meer noordwaarts wordt het gaandeweg
zeldzamer.
In Zuid-Amerika, waar het gebruik van dit dier door de Span-
jaarden werd ingevoerd, wordt het vooral in de bergstreken in
grooten getale aangetrollen. De meeste muildieren worden in
Paraguay, de Argentijnsche republiek en Uruguay gefokt en van
daar naar Peru, Brazilië en zelfs naar de West-Indische eilanden
uitgevoerd. Het wordt er als rij- en lastdier gebruikt.
Zoowel in de oostelijke als westelijke landen van Azië worden
muildieren gebruikt. Zoo vindt men ze in sommige provinciën
van China, terwijl in den omtrek van Bassora schoone witte
muildieren worden gefokt.
De muildieren in het Noorden en Noordoosten van Afrika onder-
scheiden zich door schoone, slanke vormen, vooral van het hoofd,
de borst en het kruis, door een overigens krachtigen, gespierden
bouw en een fijne, bloedryke huid. In het algemeen zijn zij meer
rijdier en worden minder dan in Spanje, Frankrijk of Italië als
last- en trekdier gebruikt. Het Algerijnsche muildier is, hoewel
schoon van vorm, te licht en te klein (1,25 —1,45 M.) voor zwa-
ren lastdienst; vandaar dat voor het leger in Afrika de muildieren
grootendeels in Frankrijk worden aangekocht.
De schoonste muildieren der Nijllanden worden in de berg-
streken van Abessinië gevonden. De Abessiniërs schatten het
muildier, vooral de merrie, hooger dan het paard. Het wordt
door hen prachtig opgetuigd en op een eigenaardige manier ge-
schoren , met behoud van de haren op enkele plaatsen, in den vorm
-ocr page 35-
9
van arabesken. In Egypte is het muildier groot, zeer sterk enge-
woonlijk grijs. Voorname personen gebruiken bet er als rijdier;
de artillerie en de trein zijn meerendeels met muildieren uit Syrië
en Abessinié\' geremonteerd.
§ 9. De muilezel (eqlus iiinnus).
De muilezel (Ie bardot ou bardeau; der Maulesel; the hinny)
is de bastaard, voortgebracht door de paring van den paarden-
hengst met de ezelin.
Hij is kleiner dan het muildier en grooter dan de ezel, maar
zijn lichaamsvorm is in het algemeen schooner dan die van ge-
noemde dieren. Het hoofd is fijn en gelijkt, wat de proporties
betreft, veel op dat van het paard; de ooren zijn veel korter
dan bij het muildier en worden rechtop gedragen, de oogbogen
steken weinig uit en de neusgaten zijn tamelijk wijd. De maan-
top en de manen zijn vrij zwaar; de eerste reikt soms tot over
de oogen, de laatste hangen meer of minder golvend ter zijde
van den hals. De rug en de lenden zijn recht en scherp;
dikwijls zijn slechts 5 lendenwervelen aanwezig; het kruis is smal,
maar hangt minder af dan bij het muildier. De staart is over zijn
geheele lengte met middelmatig lange haren bezet, die echter
minder dicht staan dan bij het paard. De fijne beenen gelijken
veel op die van den ezel; ronde zwilwratten bevinden zich soms
aan alle beenen, gewoonlijk echter alleen aan de voorbeenen.
Het verschil in grootte en zwaarte in aanmerking genomen,
evenaart de muilezel het muildier in kracht, soberheid en duur-
zaamheid.
Niet zelden wordt hij met het muildier verward; bij ons te
lande gaat het muildier door onder den naam van muilezel. Zelfs
is door hippologen van naam herhaaldelijk beweerd, dat er geen
muilezels bestaan en dat de dieren, welke men daarvoor houdt,
niets anders zijn dan mooie ezels of kleine muildieren. Uiterst
zelden zou de paring van een hengst met een ezelin een waren
muilezel hebben voortgebracht. — Zeer vertrouwbare mededeelingen
hebben evenwel allen twijfel dienaangaande opgeheven. Op Sicilië
onder anderen, vooral in de provincie Caltanisetta, wordt de muil-
ezel geregeld gefokt. Ook in Istrië en andere kuststreken der
Adriatische Zee drijft men de muilezelfokkerij.
De muilezel was in de oudheid, bij de Grieken en Romeinen,
reeds zeer goed bekend.
-ocr page 36-
10
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET PAARD (equus caballus.)
§ 10. De paarden in het voorhistorisch tijdperk.
De onderzoekingen van den schoot der aarde hebben langza-
inerhand aan het licht gebracht, welke de voorouders van het
huispaard zijn geweest, dat wil zeggen, uit welke diervormen na
verloop van tijd en onder allengs opgetreden wijzigingen, het
hedendaagsche paard is voortgekomen.
In alle werelddeelen, met uitzondering van Australië, zijn fos-
sielen van paarden gevonden. De belangrijkste vondsten werden
in Amerika gedaan.
De palaeontologische ontdekkingen in Kuropa hebben geleerd,
dat in de oudste tertiaire (eoceene) en in het begin van
de middelste tertiaire (mioceene) periode diersoorten leefden, die
in sommige opzichten met de hedendaagsche paarden overeen-
kwamen. Zij hadden echter aan ieder voorheen 3 teenen, waar-
van 2 op den grond steunden, en vormen één geslacht, waaraan
men den naam Palaeotheriuni heeft gegeven. Uit dezen diervorm
ontwikkelde zich in liet begin van de middelste tertiaire periode een
diergeslacht, Anehitherium (Meijer) of Palaeotherium hippoïden (Lartet)
genoemd , waarbij de middelste teen, de eenige die het been steunde,
veel sterker ontwikkeld was dan de beide zijdelingsche, die nog
slechts even den grond raakten. Het Anchiterium komt overeen
met den Atiohippus der Nieuwe Wereld, waarover nader.
Kenmerkend voor al de soorten van deze geslachten was, dat
zij driehoevige dieren waren, waarvan de onderarm en de schenkel
elk uit twee beenderen bestonden, die beide nog hun volle lengte
hadden.
In het begin van de jongste tertiaire (plioceene) periode leefde
een uit den inioceenen vorm ontstaan diergeslacht, dat aan elk
been slechts één waren teen (hoef) bezat en dus reeds tot de
orde der ecnhuevigen of de familie der paarden kan worden gebracht.
Deze voorwereldlijke paarden vormen het geslacht Hipparion (de
Christol), ook Hippotherium (Kaup) geheeten, dat, ongeveer zestig
jaren geleden, in Provence en in Duitschland werd ontdekt. Later
werden dergelijke fossielen ook eldeis in Midden- en Zuid-Europa
-ocr page 37-
11
gevonden. Vier uren van Alhene, nabij het klooster Pikermi,
zijn onder anderen, in buitengewoon groote hoeveelheden, overblijfsels
van Uipparion opgedoken. Ue Hipparions schijnen in aanzienlijke
kudden te hebben geleefd. Men kan een lichtere en een zwaardere
soort onderscheiden, waarvan de eerste vooral in Frankrijk en
de andere in Duitschland is gevonden. Dit voorwereldlijk paard
verschilde van het hedendaagsche, behalve in het aantal en den
vorm der kiezen, nog daarin, dat het elleboogbeen en het kleine
schenkelbeen hun oorspronkelijke lengte hadden, en dat zich aan
weerszijden van den éënen waren teen een duidelijke bijteen
of neventeen bevond. Elke neventeen bestond uit drie kleine
teenleden en eindigde in een hoef (bij- of nevenhoef), die echter
niet ver beneden het kootgewiicht reikte en bijgevolg den grond
niet raakte. De grilTelbeenderen onzer paarden zijn de overblijf
selen van de beenderen, waaraan de nevenvingers der Hipparions
gezeten waren. Enkele malen ontwikkelen zij zich thans nog, een
of beide, in ongewone mate en dragen teenleden met een hoef.
Bij Uipparion antilopinum zijn de neventeenen niet geleed.
Deze variëteit, alleen in Indiö gevonden, vormt dus een overgang
van de Hipparions tot het paard.
Men heeft den stamboom van het hedendaagsche paard nog
verder kunnen vervolgen uit de overblijfselen der voorwereld, die
gedurende de laatste jaren in het midden en het westelijk deel van
Noord-Amerika zijn opgegraven. Hiermede zijn de leemten, door
de vondsten in de Oude Wereld achtergelaten, aangevuld.
In de alleroudste tertiaire (diepste eoceene) lagen heeft men
verschillende soorten van een voorwereldlijk paard, ter grootte van
den vos aangetroffen, thans als Eohippus bekend, met 5 voorteenen ,
waarvan 2 den grond raakten, en 3 achterteenen, die alle op den
bodem kwamen.
In de iets jongere, hoogste eoceene laag zijn de overblijfselen
ontdekt van een ander voorwereldlijk paard, ter grootte van het
schaap, thans Orohippus genoemd, met 4 voorteenen, waarvan
twee den grond raakten.
Gedurende de middelste tertiaire periode leefden er achtereen-
volgens dieren, die thans de fossiele paardengeslachten Mesohippus
en Miohippus vormen. Van het eerste, ter grootte van den wolf,
met 3 voorteenen, waarvan 2 den grond raakten, komen de
overblijfselen in de onderste inioceene lagen voor en stemmen
veel overeen met die van Palaeotherium in Europa; terwijl die van
het laatste, dat in alle opzichten met het geslacht Anckitherium
-ocr page 38-
i\'2
der Oude Wereld overeenkomt, uit de bovenste miuceene lagen
worden opgedolven. Evenals bij Ancldierium bestonden bij Miuhippun
3 teenen, waarvan hoofdzakelijk de middelste het been steunde
en de beide zijteenen sleehls even den grond raakten; ook waren
elleboog" en kleine sehenkelbeen in volle lengte aanwezig.
Kvenals in Kuropa, en ook in Azië (Oost-Indië) en Afrika,
de lagen uit de jongste tertiaire periode verschillende vormen
(z. g. soorten) van het geslacht Hipparion bevatten, leveren in
Noord-Ameiika de oudste gedeelten dezer lagen de geslachten
PUokippus en Protuhippus op, die de grootte van den ezel hadden
en met Hipparion overeenkwamen.
In de allerjongste tertiaire lagen (jongste plioceene, z. g. pleinto-
ceene
periode) leefden door geheel Noord- en Zuid-Amerika heen
de paarden, die thans het fossiel geslacht Equua vormen. De ont-
dekking van dit feit hebben wij te danken aan Darwin, die on-
middellijk de groote beteekenis van de vondst eener paardekies aan
de oevers der Parana doorgrondde. Zij was het uitgangspunt van
vele naspoiingen en rijke vondsten. De meening dat liet paard
oorspronkelijk alleen in de Oude Wereld leefde, verloor daardoor
haar recht van bestaan. Dat de langzame overgang van den
eoceeitcn Eohippus tot het hedendaagsche paard in de aangege-
ven volgorde plaats vond, is aanschouwelijk voorgesteld door de
meikwaardige paleontologische verzameling te New-IIaven.
De opvolgende veranderingen, welke deze voorwereldlijke voor-
ouders van het hedendaagsche paard ondergaan hebben, laten zich
samenvatten als volgt. De elleboog- en kleine sehenkelbeenderen
werden voortdurend dunner en kleiner, totdat zij eindelijk als
zelfstandig been geheel buiten gebruik raakten. De teenen of
vingers zijn geheel of gedeeltelijk verdwenen en tot één teen of
hoef gereduceerd. De schedelholte werd ruimer en de oogkassen
werden gesloten. De tanden namen af in getal en kregen in plaats
van de kegelvormige gedaante, breede en golvende wrijfvlakten.
Reeds in het begin van het quaternaire tijdperk leefden dieren,
die met de hedendaagsche paarden overeenstemden. Voor Amerika
is zelfs bewezen, dat aldaar op het einde van liet tertiaire
tijdperk dieren van liet geslacht Equua voorkwamen.
De paarden uit het quaternaire tijdperk onderscheiden zich
vooral van de hedendaagsche door hun taille en de afmeting van
het hoofd. Meestal vindt men een klein, gedrongen paard van
1,35—1,45 M., met grove ledematen en zwaar hoofd, dat veel op
jiet hedendaagsche Aziatische paard gelijkt.
-ocr page 39-
13
In sommige landen van Europa, als Engeland en Oostenrijk,
maar vooral in Amerika, zijn ook grooter exemplaren {Equus
major
en Eq. padficus) gevonden.
§ 11. DE IIUISDIERWORDING VAN HET PAARD EN ZIJN
GEBRUIK BIJ DE VOLKEN DER OUDHEID.
Het staat vast, dat de mensch in Europa reeds van het begin
van liet quaternaire tijdperk {steenperiode) tot den bronstijd
jaclit maakte op wilde paarden en zich daarmede voedde. Hij was
in dit tijdvak nog onbekend met metalen en bediende zich uit-
sluitend van steenen werktuigen. Ook hebben paleontologische
naspoiïngen (in verschillende landen) aan het licht gebracht, dat
liet paard in den bronstijd en in het derde tijdvak, den ijzertijd,
in Europa reeds als huisdier voorkwam.
Het oudste huisdier van Europa is zonder twijfel de hond,
waarvan men overblijfselen heeft gevonden in de Kjnkkenmiiddings
(het z. g. keukenafval) in Denemarken en in de ouderepaaldorpen
uit den steentijd. Sedert den jongsten steentijd, den tijd der gepolijste
steenen, hadden de bewoners der Zwitsersche paaldorpen den hond ,
het varken, het rund, het schaap en de geit tot huisdieren gemaakt;
maar op het wilde paard maakten zij nog jacht en het strekte
hun tot voedsel gedurende den geheelen steentijd. Eerst in den
bronstijd waren zij in het bezit van een klein ras van getemde paarden,
die met ons gewone paard overeenkwamen. In Europa heeft het
gebruik van liet paard als huisdier dus een aanvang genomen
te gelijk met de aanwending van metalen, waarvan het brons het
eerst werd gebezigd. Beide gebruiken zijn in het Westen ingevoerd
door de Aziatische volkstammen {Ariërs), die herwaarts togen.
Ofschoon de temming van verschillende plaatselijke variëteiten
of van rassen der wilde paarden hoogstwaarschijnlijk op vele
punten der aarde zelfstandig heeft plaats gevonden, valt toch
niet te ontkennen, dat sommige volken het gebruik van het paard
als huisdier van anderen hebben overgenomen. Tot de verspreiding
van dit gebruik droegen de groote volksverhuizingen veel bij. De
huisdierwording van het paard in Europa dagteekent vermoedelijk,
zooals werd opgemerkt, van de komst der Ari-Europeërs in dit
werelddeel.
In de geschiedenis dier volken ontmoeten wij het eerst het
paard als huisdier, gespannen voor den strijd wagen en den ploeg
-ocr page 40-
u
der oude Ariërs, de stamouders van het Indo-Europeesche ras,
in een tijd dat zij nog de hoogvlakte van Midden-Azië be-
woonden. Hun Veda\'» en inzonderheid het boek Rig-Veda, dat
ongeveer 2000—1500 v. C. werd geschreven, leeren ons tevens,
dat hun vijanden, de üasius (Mongolen), eveneens paard en wagen
voor den oorlog gebruikten.
Het paard stond, gelijk het rund, bij de Ariërs hoog in aan-
zien en werd aan Indra, Agni en andere goden geofferd; zijn
vleesch werd als voedsel gebruikt.
Nadat de Ari-Kuropeërs hun broeders hadden verlaten, trokken
deze Indo-lraniërs, ongeveer 3000 v. Chr., naar de westelijke hel-
ling van den Himalaya. Omstreeks 1500 v. Chr. hadden ook zij
zich in twee stammen gescheiden, waarvan de Indiërs nog meer
zuidwaarts naar den Indus en de Iraniërs naar het Westen tot
in het hedendaagsche Perzië en Aziatisch-Turkije trokken. De
oudste gegevens omtrent de laatsten levert ons de Zend-Avesta, een
soort heilige schrift, welke tot ons is gekomen.
Bij de Iraniërs was het paard vooral hooggeschat voor den
krijgsdienst. Het woord aspa (paard) werd veelvuldig gebruikt
voor de vorming van eigennamen. Bovenaan stelden zij de witte
paarden, die als heilig werden beschouwd en volgens hun leer
ten dienste der goden stonden. Ook Herodotus deelt ons mede,
dat de Perzen de witte paarden voor heilig hielden. Wedrennen
met wagens waren bij de Iraniërs zeer in zwang. In sommige
Sanskiïtische handschriften wordt zelfs melding gemaakt van stoe-
ter\'yen bij de oude Indiërs.
Boven werd opgemerkt dat de Dasius (een Mongoolsche staru),
die de westelijke helling van den Himalaya bewoonden, zich van
paarden en wagens bedienden in den tijd, dat zij door de Ariërs
werden bevochten.
De overlevering leert, dat het paard in China omstreeks 2350
v. Chr., onder de regeering van Yao, door zijn wetgever Folii als
huisdier werd ingevoerd. Afbeeldingen van paarden vindt men in
dit land als karakterteeken op de oudste monumenten.
De Sbjthen, die later tot in het Zuidoosten van Europa door-
drongen, behoorden ook tot het Mongoolsche ras en stonden reeds
vroeg als stoute ruiters bekend. Zij hadden uitstekende paarden,
die, hoewel klein, zich door hun groot weerstandsvermogen onder-
scheidden.
Sommige volken, als de Egyptenaren en Israëlieten, maakten
nog geen gebruik van het paard, terwijl zij reeds een hoogen trap
van beschaving hadden bereikt.
-ocr page 41-
15
In Egypte, hoewel rijk aan fossielen van het paardengeslacht,
vindt men op de monumenten uit de eerste historische periode
tot den inval der Hyksos, geen figuren van paarden. Op
monumenten van lateien tijd, na de verdrijving der Herdersko-
ningen, spelen paarden en krijgswagens de hoofdrol. De gedenk-
teekenen leeren ons dus niets omtrent het gebruik van paarden
tijdens de overheersching der Hyksos. Misschien ligt de oorzaak
hierin, dat onder deze barbaren, die ongeveer 500 jaren over
Egypte heerschten, geen monumenten werden opgericht.
Later (omstreeks 1900 v. Chr.) zijn paarden uit Azië ingevoerd
en zelfs stoeterijen opgericht in de vruchtbare vlakten van Beneden-
Egypte. De Egyptische paarden waren, te oordeelen naar de
teekeningen, groot met langen, uitgerekten hals, langen, zwaar
behaarden staart en meestal wit. Veelal zijn zij voorgesteld als
tweespan voor lage, vierkante, bakvormige wagens, waarin een
krijgsman rechtop staat, gedekt tot aan de heupen. Zijn beide
handen zijn vrij, aangezien de leidsels aan de borst bevestigd zijn,
zoodat hij de dieren eenvoudig door lichaamsbewegingen bestuurt.
Het hoofd der paarden is met pluimen versierd en de leidsels
schijnen aan de mondhoeken bevestigd.
De Hebreërs of Israëlieten maakten tot den tijd der Koningen
geen gebruik van het paard. Voor den rijdienst bezigde men ezels en
muilezels; het gebruik van witte ezelinnen was bij hen een onder-
scheiding. Saul bezat nog geen paarden, David voerde de eerste
paarden mede van zijn tocht naar den Euphraat. Onder Salomo
werd het gebruik algemeen en deze koning liet zelfs een uitge-
breiden paardenhandel drijven. Wij vinden vermeld dat (\'\'én paard
150 en een vierspan 600 zilverlingen kostte. In het IIIüe Doek
der Koningen wordt gezegd, dat Salomo 40,000 trekpaarden en
12,000 rijpaarden bezat.
Omtrent de paarden van Assyrië en Mesopotamië geven ons de
bas-reliefs, te Ninive gevonden, eenige voorstelling. Vergeleken
met de menschen die naast ken staan, schijnen zij klein. De
manen zijn gekruld en de staart is versierd met strikken. Meestal
worden zij voorgesteld, gespannen voor wagens, waarin twee per-
sonen staan, waarvan de een vermoedelijk de strijder en de ander
de menner is.
Bij de eigenlijke Pei-zen was, volgens Xenophon, de ruiterij
tot aan Cyrus onbekend. Deze wist de liefhebberij voor de rijkunst
bij zijn volk op te wekken, zoodat spoedig geen voorname Pers
zelfs den kleinsten afstand te voet aflegde. Reeds op zevenjarigen
-ocr page 42-
10
leeftijd leerden de knapen der Parthen en der Perzen paardrijden.
De Medische ruiterij had reeds vóór Cvrus een goeden naam. Hij
maakte hiervan vooral gebruik bij de organisatie van zijn leger,
dat volgens het deeimaalstelsel werd ingedeeld. Ook zijn opvolgers
onderhielden de liefhebberij voor wedrennen en ruiterspelen. Aan
liet hol\' der Perzische koningen werden paaiden uit alle landen
aangetroffen
Bij vele schrijvers vindt men melding gemaakt van de paaiden
van Nisae in Medië. Strabo spreekt van de weide hippobothos,
waarin ten tijde der Perzen vijftig duizend merriën graasden.
Herodotus zegt, dat de paarden der Indiërs kleiner waren dan de
Medische, die men Nisaeërs noemt. In zijn beschrijving van den
tocht van Xerxes wordt gezegd : «daarna volgden tien prachtig
opgetuigde heilige paarden van Nisae". Dezelfde schrijver deelt
ons mede, dat Xerxes in Thessalië, bekend om zijn uitstekende
paarden, wedstrijden met paarden hield, waarin de zijne over-
winnaar bleven. Xerxes\' leger zou, behalve de wagens en de
kameelen, 80,000 ruiters hebben geteld.
In Europa hebben de Grieken de oudste histoi ische herinnerin*
gen nagelaten; bij dit volk vindt men dan ook de eerste gegevens
omtrent het paard en zijn gebruik in ons werelddeel. Vermoedelijk
had de invoer in Griekenland langs twee wegen plaats: over zee
in Attika en in het Noorden uit Thracië en Thessalië door de
Skvthen. De laatsten werden door de Grieken als monsters, paard*
menschen, voorgesteld. Hieraan heeft haar ontstaan te danken de
legende der Centauren, die half menscli half paard zijn afgebeeld.
De Skvthen streden als boogschutters te paard en bij enkele
stammen hadden de vrouwen het zelfs zeer ver in deze kunst ge-
bracht. Zij maakten volgens Herodotus veel gebruik vanpaarden-
melk, waaruit zij ook een sterken drank wisten te bereiden.
De Grieksche dichters hebben het paard bezongen, vooral dat uit
Cappadocië als het beste en krachtigste; evenwel schijnt het
paard uit Thessalië door zijn sierlijke vormen alle andere o ver-
troffen te hebben. Een Grieksch spreekwoord zegt, dat Thessalië
nooit fatsoenlijke menschen noch slechte paarden heeft opgeleverd.
Het klimaat was in sommige streken van Griekenland zeer ge-
schikt voor de paardenfokkerij. Epiros, Argos en Mycenae waren in
het bezit van beroemde stoeterijen. Men hield streng de hand aan
de genealogie der paarden, zoodat van hen geslachtsregisters
(stamboeken) werden aangelegd. Tevens werden de dieren op de
dij of den hoef met een gloeiend ijzer van een onuitwischbaar
-ocr page 43-
il
teeken voorzien om steeds hun afkomst te kunnen bewijzen. l)e
meest gebruikelijke teekens bestonden uit een letter van liet alphabet
of uit de voorstelling van een diersoort, waarnaar die paarden
een bepaalden naam droegen. Het paard Bucephaal van Alexander
den Grooten had zijn naam te danken aan de afbeelding van een
ossekop, waarmede het gemerkt was.
Bij de Olympische spelen werden sedert G00 v. Chr. wedrennen
met wagens en te paard gehouden. De Grieken hielden merriën
geschikter voor de renbaan dan ruinen of hengsten. Er werd ge-
rend in rechte lijn, op een baan ter lengte van 370 meter, en aan
het uiteinde onmiddellijk gewend, om langs denzelfden weg terug
te keeren. Deze afstand werd minstens G-, soms 12maal achter
elkander afgelegd. Op de baan konden, volgens Pausanias,
veertig wagens naast elkander rijden. Tal van beroemde mannen
staan te boek als overwinnaars bij de Olympische spelen.
De Grieksche cavalerie stond niet hoog aangeschreven en was
weinig talrijk. Miltiades had bij Marathon geen ruiterij tegenover
die der Perzen te stellen. Tijdens den Peloponesischen oorlog
kwam het gebruik der cavalerie bij de Grieken langzamerhand meer
in zwang; zij beschikten evenwel nauwelijks over duizend paarden.
Philippus was de eerste, die meer werk van zijn ruiterij maakte
en reeds was Alexander, op zijn tocht naar Azië, vergezeld van
ongeveer zes duizend ruiters, waarvan hij het aantal in de onder-
worpen gewesten nog vermeerderde.
Xenophon (geb. 450 v. G), een Grieksch veldheer, heeft onder
meer een werk over rijkunst geschreven, waarvan een gedeelte aan
de uitwendige paardenkennis is gewijd. Uit zijn beschrijving
leert men welke eischen destijds aan een goed rijpaard werden
gesteld, verder hoe men bij de dressuur van jonge paarden te
werk ging, en de regels die bij de verpleging in het algemeen
in acht moesten worden genomen.
Naast den landbouw legden de Romeinen zich vooral toe op
krijgskunde. Voor het landbouwbedrijf werd van ossen en muil-
dieren gebruik gemaakt. Gelijk bij alle volken der oudheid werd
liet paard door hen vooral voor den oorlog en de jacht, en bij op-
tochten of spelen gebruikt.
Omtrent de oudste bewoners van Italië, deEtrusken, is bekend
dat zij zich met rijkunst bezighielden. Romulus (750 v. Chr.) vormde
reeds eenige ruiterij, die als lijfwacht voor den koning diende.
Van 300 man (Celeres) werd zij, onder Tarquinius Priscus, op 1200
gebracht. De Celeres behoorden tot de voornaamste familiën;
2
-ocr page 44-
18
hun aanvoerders bekleedden de hoogste staatsbetrekkingen. Öp
hen volgden, als minder in rang, de equites. Door de oorlogen
met de Carthagers, Galliërs en Numidiërs werden de Romeinen
gedwongen een meer geregelde cavalerie te organiseeren; onder
de Keizers bestond deze hoofdzakelijk uit vreemden.
De rijkunst stond bij de Romeinen hoog in aanzien en werd
met voorliefde beoefend. Het werd iemand die het in deze kunst
niet tot zekere hoogte had gebracht, tot schande aangerekend.
Dit gebrek in de opvoeding werd op één lijn gesteld met niet
kunnen lezen. Van Julius Caesar wordt onder anderen verhaald,
dat hij reeds als knaap met losse teugels en de handen op den
rug rende.
In navolging van den Griekschen hippodroom werden in Rome de
Consualla, later Circensische spelen genoemd, ingevoerd. Bij deze cir-
cusspelen, die als gymnastische en militaire oefeningen dienden,
werd veelal door de zoogenaamde desultoren een buitengewone
vaardigheid in het mennen, tot 20 paarden te gelijk , aan den
dag gelegd.
Andere spelen dienden tot militaire oefening en werden door
één man of door velen te gelijk uitgevoerd. Het wagenrennen, hun
meest geliefkoosd spel, werd enkel als uitspanning beoefend;
immers maakten zij nooit van strijdwagens gebruik.
De liefhebberij voor paarden van sommige Keizers grensde aan
het waanzinnige. Caligula zag er niet tegen op zijn rijpaard,
Indtatus, tot de priesterlijke waardigheid te verheffen en het dier
voedsel te laten gebruiken uit gouden en zilveren vaatwerk.
Augustus, Verus en Hadrianus lieten op het graf hunner viervoe-
tige lievelingen kostbare monumenten oprichten. Ook later in het
Byzantijnsche rijk werd de rijkunst met hartstocht beoefend.
In navolging der Perzen onderhielden de Romeinen naar alle
richtingen een vrij geregelden postdienst, waarbij van paarden
gebruik werd gemaakt. De dienst welke van de dieren werd gevergd,
was niet zeer zwaar. Zoo vindt men als iets buitengewoons vermeld,
dat Caesar in één dag 20 mijlen afstands te paard aflegde. Langs de
heerbanen waren dan ook voor één dagreis 5—8 posten, elk met
40 paarden, opgesteld. Er wordt vermeld, dat ruiters, onder de regee-
ring der Keizers, 40—50 mijlen afstands in één dag aflegden.
Uit sommige afbeeldingen, die bewaard zijn gebleven, zou men
kunnen opmaken, dat het Romeinsche paard iets grooter en zwaarder»
maar minder ede! was dan het Gricksche. Voor Italië kan echter
geen bepaald ras worden aangenomen, aangezien de paarden bij
-ocr page 45-
19
duizenden uit verschillende landen werden ingevoerd. Onder de
Keizers zag men in den circus te Rome paarden van alle rassen;
zelfs streefde men er naar om bij de wedrennen te dien opzichte
zooveel mogelijk verscheidenheid te vertoonen. Voor Sicilië kan
men van een bijzonder ras spreken, dat zich, volgens sommige
schrijvers, door deugdelijkheid en vlugheid, vooral in bergstreken
kenmerkte. De Romeinen maakten, behalve voor goederenvervoer,
zeer weinig gebruik van wagens. In de hoofdstad was het gebruik
daarvan voor personenvervoer alleen geoorloofd aan hooge be-
ambten, priesters, overwinnaars en aan de Vestaalsche maagden.
Tot het einde der 4de eeuw n. Chr. reden de Romeinen uit-
sluitend op kussens, die veelal sierlijk bewerkt waren. Omstreeks
.385, onder Theodosius den Grooten, vindt men voor het eerst
melding gemaakt van een soort zadel; hiervan wordt gezegd, dat
het niet boven de 60 pond mag wegen. Stijgbeugels waren on-
bekend. Voor het opstijgen werd , wanneer de ruiter de noodige
vlugheid miste, gebruik gemaakt van de lans, voorzien van een
zijstuk, of van den rug van een slaaf, en op reis van de mijlpalen,
die langs den weg stonden. In de 6de en 7do eeuw wordt melding
gemaakt van scalae (trappen), die aan het zadel bevestigd waren.
De toom, voorzien van een gebit dat veel overeenkomst heeft
met onze hedendaagsche trens, was bij de Grieken en Romeinen
reeds in gebruik. Vermoedelijk kenden de laatsten den kinketting
ook al. Xenophon geeft een beschrijving van een zeer straf bit,
waarbij het mondstuk van kralen of puntige uitsteeksels was
voorzien. Sporen en zweepen schijnen reeds in de vroegste tijden
in gebruik te zijn geweest.
De paarden der Galliërs waren, te oordeelen naar de af beeldin-
gen, die men op munten vindt, grooter en krachtiger dan die
der Romeinen. Hun ruiterij stond reeds ten tijde van Julius Caesar
bekend als de beste der wereld. Zoo leest men dat gedurende
den Afrikaanschen oorlog 30 Gallische ruiters, onder Caesar, 2000
Numidiërs op de vlucht joegen en hen tot onder de muren van
Andrumelas vervolgden.
Volgens Pausanias (170 n. Chr.) was elk ruiter vergezeld van
twee wapendragers, die hem in het gevecht niet verlieten; hun
rol was om de slagen af te weren, wapens aan te reiken, zoo
noodig versche paarden te bezorgen en, in geval hun meester ver-
wond werd, hem te redden en in zijn plaats te strijden.
Caesar vermeldt ons met welke vaardigheid de bewoners der
Britsche eilanden hun strijdwagens, bespannen met kleine, wilde
-ocr page 46-
\'20
gaarden, bestuurden. In snelle vaart maakten zij korte wendin-
gen en stonden nu en dan strijdende op den disselboom. De
Romeinen wisten spoedig party te trekken van de goede eigen-
schappen der Gallische paarden en haalden hun remonten ge-
deeltelijk uit deze provincie.
Bij de oude Germanen stonden de paarden hoog in aanzien;
sommige, die bestemd waren om bij feestelijke gelegenheden den
wagen der goden te trekken, werden in heilige plaatsen gehouden
en verpleegd.
Reeds lang vóór onze tijdrekening was de Germaansche ruiterij
om haar degelijkheid bekend, hoewel zij in vergelijking met het
voetvolk niet zeer talrijk was. Ieder ruiter was vergezeld van een
strijder te voet, gekozen uit de vlugste en behendigste jongelin-
gen. Dikwijls sprongen de Germaansche ruiters midden in het
gevecht van hun paarden om te voet te strijden. De dieren
waren zóó afgericht, dat zij rustig bleven staan. Julius Caesar
verhaalt dat zij, in slagorde geplaatst, zich gedeeltelijk dekten
door een versterking, bestaande uit de wagens, welke rondom
hen waren opgesteld. Hij prijst vooral de ruiterij der Ussipiërs
en Tenderen. Eerst schatte hij hun paarden niet hoog, doch later
werden de Romeinsche remonten uit dit land gekozen.
Spanje was buitengewoon rijk aan paarden, die zich door een
sierlijken bouw en hooge beweging onderscheidden. Hoewel snel
in hun gang, waren zij niet zoo bestand tegen langdurige ver-
moeienis als de noordelijke rassen. De groote rijkdom aan paarden
in dit gewest heeft vermoedelijk aanleiding gegeven tot het verhaal,
dat de merriën in Spanje door den wind werden bevrucht.
In Arabië, dat door sommige schrijvers als het oorspronkelijk
vaderland van het paard wordt gehouden, is zijn gebruik als huis-
dier nog van betrekkelijk jonge dagteekening. Omstreeks het begin
van onze jaartelling werden in Arabië de eerste paarden (vooral
uit Perzië) ingevoerd. In de 7d« eeuw bezaten nog maar enkele
Arabische stammen eenige ruiterij van beteekenis, en eerst in de
14de eeuw zouden de paardenfokkerij der Arabieren en de uitste-
kende eigenschappen hunner raspaarden die hoogte hebben bereikt,
welke thans nog zoo wordt gewaardeerd. Toch verraadt de kennis
der ziekten van het paard in de middeleeuwen in het algemeen
haar Arabischen oorsprong. De Arabieren putten omstreeks de
8,te eeuw hun medische kennis voor een groot deel uit de werken
der oude Indiërs.
De meest gebruikelijke gangen der paarden in de oudheid
-ocr page 47-
t>L
waren stap, galop en telgang. Dat de draf minder in zwang was,
moet aan liet gemis van stijgbeugels worden toegeschreven. De
telgang werd den dieren geleerd door middel van touwen, waar-
mede liet correspondeerende vóór» en achterbeen aan elkander
waren bevestigd, zoodat de beweging over kruis onmogelijk was.
Xenophon wijst reeds op het gewicht van het cirkelrijden bij
de dressuur. Voor het wagen- en paardenrennen werden de dieren
gedurende minstens 30 dagen geoefend en geëntraineerd.
In de oudheid werden de paarden te velde onder den man,
voor den strydwagen en voor transporten gebruikt. De strijdwa-
gens waren bij de Indiërs, de Egyptenaren en in Griekenland,
ten tijde der Homerische helden, algemeen in gebruik. Later vindt
men ze in den vorm van zeiswagens bij de Libvers, Galliërs en
Drittanniërs. De Grieken en Romeinen hebben nooit strijdwagens
gebruikt. De Egyptenaren en Aziatische volken schaften ze af. De
Galliërs hadden strijdwagens, waarop twee man stonden, en die
door een tweespan werden getrokken.
§ 12. De hedendaagsche wilde en halfwilde paauden.
Onder wilde paarden verstaat men de zoodanige, die in vry-
heid leven en in geen enkel opzicht aan den mensch onderworpen
zijn. Van vele dezer is het bekend, dat zij afstammen van huis-
paarden, die, vrij geraakt zijnde, weder de levenswijze van wilde
dieren hebben aangenomen en dan verwilderde paarden heeten.
Onder half wilde verstaat men paarden, die wel een vrijer leven
leiden dan het huispaard gewoonlijk doet. maar toch in meerdere
of mindere mate aan den wil van den mensch zijn onderworpen.
Door sommige schrijvers der oudheid wordt dikwijls melding
gemaakt van wilde paarden en ezels. Het is moeilijk uit te maken
of zij echte wilde dan wel verwilderde paarden op het oog hadden.
Herodotus spreekt van de witte wilde paarden in het land der
Scythen; Varro maakt gewag van wilde paarden in Spanje,
Pliaius in Germanië, enz. Alleen in Griekenland en in 1 talie kwamen
geen wilde paarden voor.
A. De hedendaagsche wilde paarden.
Hiertoe behooren:
1. De tarpans en muzins van Midden-Azië.
De tarpan leeft in de steppen van Midden-Azië (Tartarije,
Mongolië, Tibet), waar hij in talrijke kudden rondzwerft. Vroeger
kwam hij nog verder noord- en westwaarts voor.
-ocr page 48-
2-2
Zij zijn middelmatig groot en hebben een groot, dik hoofd, een
gewelfd voorhoofd, vrij lange ooi-en, kleine levendige oogen en
korte, dikke, gekroesde manen. Over het geheele lichaam zijn zij
zwaar behaard, des zomers bruin en des winters lichter gekleurd.
De manen en de staart zijn gelijkmatig donker.
De Mongolen en Tartaren maken jacht op de tarpans. Zij zijn
zeer wild en uiterst moeilijk te temmen; in gevangen staat kwij-
nen zij meestal. De getemde veulens blijven woest en koppig.
2. De Koemrah van Afrika.
Deze leeft in de westelijke berglanden van Noord-Afrika. Het
is een paardje van 1,10 M. hoogte met kort, dik hoofd, ingebo-
gen neus, breed voorhoofd, lange ooien, kleine oogen, korten,
zwaren hals, lage schoft, korte, ruwe manen en staartharen en
een aschgrauwe of witte kleur.
Hoewel zeer schuw in wilden staat, kan hij goed worden getemd.
3. De wilde paarden van Amerika.
a.    De cimm arrones van Zuid-Amerika hebben de grootte der
liuispaarden, maar zijn minder schoon. Zij worden ontsierd door
een zwaar hoofd, lange ooien, een langen hals en zware beenen.
De kleur is gewoonlijk bruin, bij uitzondering zwart.
b.    De mustanga van Noord-Amerika komen in groot aantal
voor op de zoogenaamde prairieën der Vereenigde Staten (Z.-W.
gedeelte), Mexico en Texas.
De wilde paarden van Noord- en Zuid-Amerika stammen alle
af van paarden, die, na de ontdekking van dit werelddeel, uit
Spanje en Portugal medegebracht en ontsnapt of vrijgelaten zijn.
B. H a 1 f w i 1 d e paarden.
Vele bewoners der steppen van Midden-Azië, als Kirgizen,
Tartaren, enz., houden enkel hun rijpaarden tehuis, terwijl de
andere zomer en winter vrij in kudden leven en zelf hun voedsel
moeten zoeken. De eigenaars letten er echter op of hun kudden
zich te ver van huis verwijderen; in dat geval worden zij terug-
gehaald.
-ocr page 49-
23
§ 13. Bijzondere eigenschappen en hoedanigheden
van het paard.
Het schijnt niet gewaagd het paard het schoonste van alle
dieren te noemen. De algemeen bekende dichterlijke beschrijving
van den Franschen natuurkundige Buflbn bewijst, dat ook hij
reeds die meening was toegedaan. Onder de dieren, die de mensen
aan zijn wil heeft weten te onderwerpen, munt het paard niet
alleen uit door schoonheid, maar ook door kracht, leerzaamheid,
gevoeligheid en vooral door het nut, dat zijn gebieder van hem
weet te trekken.
Niet overal bezitten de paarden den sierlijken en bevalligen
lichaamsbouw, dien wij bij sommige rassen zoo bewonderen. De
onderscheidene rassen en landslagen bieden onderling, zoowel in
uitwendig voorkomen als in eigenschappen, groote verschillen aan.
De oorzaken hiervan liggen vooreerst in de invloeden van het
klimaat; verder dragen daartoe bij de bemoeiingen van den mensch,
als de voeding, verpleging en gebruikswijze, en vooral de stelsel-
matig gedreven fokkerij, welke ten doel heeft gewijzigde eigen-
schappen in liet leven te roepen en te onderhouden. Men onder-
scheidt daarnaar natuurrassen en door den mensch gewijzigde
natuurrassen, die in zekeren zin hunstrassen mogen heeten.
Het paard is bestand tegen groote hitte en verdraagt ook felle
koude. Niet overal echter zijn de voorwaarden voor een krachtige
ontwikkeling even gunstig. In het algemeen kan men zeggen, dat
het paard op dezelfde breedte beter tiert in hooge en droge dan
in vochtige en lage streken. Bergpaarden en de paarden der
hooglanden zijn wel kleiner, maar sterker; die der laaglanden in
het algemeen zwaarder, doch zwakker en minder duurzaam. Ook
op eilanden zijn de paarden klein; zelfs de nakomelingen van
grootere zag men langzamerhand in maat afnemen. De oorzaak
hiervan meent men te moeten zoeken in gebrek aan voldoend en
verschillend voedsel en de daarmede in verband staande leefwijze.
Het is zeer waarschijnlijk, dat ook de verwantschapsteelt hier
haar nadeeligen invloed doet gelden.
Het paard is een plantetend dier. Zijn gewone voedsel bestaat
hoofdzakelijk uit groene of gedroogde grassen en andere weide-
planten , alsmede uit de zaden van granen en peulvruchten; het
moet in het algemeen, in verhouding tot zijn volume, veel voedende
bestanddeelen bevatten.
-ocr page 50-
24
In liet Noorden van Europa, in Noorwegen , Lapland en IJsland
leeft het gedurende een groot deel van liet jaar van mos. Dierlijk
voedsel kan liet paard ook verteren; niet alleen eieren en melk,
maar zelfs viscli en vleerch,
De grootte, hoogte of maat (taille) van het paard verschilt
aanmerkelijk naar het ras. Zij wordt bepaald door het meten
van den afstand tusschen het hoogste punt van de schoft en den
bodem. Stellen wij de gemiddelde hoogte op 1,5 M., dan kan men
aan den eenen kant groote, van 1,0—\'1,7 M , en zeer groote paar-
den, van 1,7—2 M. onderscheiden; terwijl aan den anderen kant
kleine, van 1,4—1,2 M., en zeer kleine paarden, van 1,2—0,8 M.,
worden aangetroffen.
Het veulen komt na een dracht van 11 \'/3 maand ter wereld.
Reeds na weinige minuten kan het staan en zelfs gaan. Gedurende
de eerste maanden mist het jonge dier de gewenschte evenredig-
heid in de afmetingen der verschillende lichaamsdeelen. Het hoofd,
de buik en de gewrichten hebben betrekkelijk te grooten omvang
en de beenen zijn te lang. Het eerste jaar heeft het veulen dichte,
wollige haren, die in het tweede jaar door glad en glanzig haar
worden vervangen, terwijl de korte manen en staartharen voor
lange plaats maken.
De tandwisseling begint op twee en een half jaar en is met vijf
jaar afgeloopen. Het paard wordt dan als volwassen beschouwd,
wat echter alleen geldt voor koudbloedige rassen. Zijn volle kracht
bezit het paard van het 6d<! tot het 15<i5 jaar. Verreweg de meeste
zijn reeds vóór hun 20s,e jaar zoogenaamd versleten; enkele malen
bereiken zij den leeftijd van 30—40 jaar.
In het tweedejaar, en somtijds veel vroeger, ontwaakt de ge-
slachtsdrift. Merriën blijven gemiddeld tot den leeftijd van 20jaar
vruchtbaar, niet zelden echter tot hooger leeftijd. In den regel
werpen zij slechts één veulen, zelden tweelingen.
Het paard is zeer bevattelijk en bezit veel leerzaamheid. Het
wordt daarin schier door geen ander dier overtroffen. Met het
noodige beleid, onder gepaste belooning en bestraffing, gelukt het
in den regel zonder groote moeite om het paard, zelfs op de geringste
aanwijzingen, bepaalde handelingen te leeren volbrengen. De vele
kunststukken in den circus vertoond, geven ons hiervan de tref-
fendste voorbeelden. De leerzaamheid, die het grootst is op jeug-
digen leeftijd, kan door opvoeding en goede behandeling belangrijk
worden ontwikkeld en bij mishandelde dieren aanzienlijk afnemen.
Genoemde eigenschap is grootendeels het gevolg van het scherp
-ocr page 51-
25
waarnemingsvermogen en het sterk geheugen, die bij deze diersoort
worden aangetroffen. Met de grootste opmerkzaamheid neemt het
paard, vooral in een vreemden stal, zijn omgeving op. Zelfs geeft
de scherpte zijner zintuigen zich door waarnemingen op vrij grooten
afstand te kennen. Soms laten eenmaal gedane waarnemingen bij
dit dier een sterken indruk achter, waardoor het in staat is zaken
te herkennen en zich voorvallen te herinneren met de daaraan
verbonden aangename of onaangename gewaarwordingen. Het
herkent, dikwijls onder duidelijke teekenen van vreugde, zijn
ouden stal en zijn meester, en verzet zich met kracht bij het
naderen van de plek, waar het eenmaal bevreesd werd of mis-
handeling ondervond. Dagelijks blijkt hoe sterk het plaatsgeheugen
bij dit dier ontwikkeld is, hoe het wegen en plaatsen, waarmede
het slechts een enkelen maal heeft kennis gemaakt, zelfs\'s nachts,
beter dan de mensen, weet terug te vinden.
Aangename gewaarwordingen geeft het door duidelijke teekenen
in houding en stem te kennen. De muziek stemt het paard niet
onaangenaam. Reformpaarden winden zich soms op bij het hooren
van trompetgeschal, dat hun herinnert hoe hierdoor de draf, de
galop, het voeren, enz. werden aangekondigd.
In het algemeen heeft het paard een goedaardig karakter.
Zelden wordt het boosaardig geboren; in den regel wordt het
door mishandeling aldus gemaakt. Dij het naderen van den mensch
of van andere dieren verraadt het kwaadaardige paard zijn karakter-
trek door de volgende teekenen. Het richt het hoofd op, legt
de ooien in den nek, houdt den blik, welke een eigenaardige
uitdrukking heeft, gericht op het voorwerp van zijn toorn, en
maakt zich gereed om te bijten of te slaan.
Haat van twee paarden onderling wordt vooral gezien tusschen
hengsten van denzelfden eigenaar en is meestal door naijver op-
gewekt.
Het paard is zeer vatbaar voor vrees. Geringe, doch ongewone
indrukken, doen het dier schrikken als het ze plotseling, maken het
angstig, als het die allengs waarneemt. Het blijft staan, snuift,
trekt zijn lichaam terug, richt het hoofd op, legt de ooien naar
achteren of spitst ze, en beziet angstig het voorwerp zijner vrees;
of wel het staat plotseling stil en keert meestal, ten einde het
gevaar te ontwijken. Onder een gepaste behandeling legt het,
hoewel langzaam, zijn vrees af voor vreemde voorwerpen en in-
drukken. Eenmaal door schrik ontsteld of door angst aangedaan,
en dientengevolge door groote vrees bevangen, laat het paard ziel»
-ocr page 52-
•20
dikwijls door niets weerhouden, en is dan veelal gevaarlijk voor
den persoon, die het begeleidt.
Het paard heeft instinctmatig neiging tot samenleven; het
bezit gezelligheid voor andere dieren, vooral voor paaiden en voor
menschen. Paarden, die zich slechts door bepaalde personen be-
hoorlijk laten behandelen en berijden, zijn niet zeldzaam. De
aanhankelijkheid van spanpaarden, die jaren lang samen verkeerd
hebben, merkt men dagelijks op; soms bestaat zij zelfs in zulke
mate, dat het ondoenlijk wordt hen afzonderlijk te gebruiken.
Opmerkelijk is soms ook de aanhankelijkheid van een paard
voor een hond, een kat, enz. Meermalen zag men paarden treu-
ren, wanneer zij van menschen of dieren, waaraan zij gehecht
waren, gescheiden werden. Het verlangen naar den stal verraden
de dieren door hun versnelden gang, wanneer zij huiswaarts
keeren. Het sterkst zien wij dit bij de merrie, die haar veulen
heeft achtergelaten.
Gemoedsaandoeningen uiten zich min of meer in houding en
bewegingen, in de lichting der ooien, de uitdrukking der oogen
en in de stem. Dikwijls kan men enkel door de uitdrukking van
het gelaat het karakter van een dier bepalen.
-ocr page 53-
TWEEDE BOEK.
INWENDIGE PAARDENKENNIS.
§ 14. BOUW EN VERRICHTINGEN DER VOORNAAMSTE ORGANEN
(ANATOMIE EN PHYSIOLOGIE).
Het dierlijk organisme bestaat uit vorm- of\' weefselelcmenten en
verder uit vochten en gassen.
Gedeelten van het lichaam, die uit hetzelfde weefsel zijn op-
gebouwd, vormen samen een stelsel (systeem). Zoo spreekt men van
beenstelsel, zenuwstelsel, vaatstelsel, enz.
Orgaan noemt men elk deel van het lichaam, dat een bepaal*
den vorm heeft en een zekere functie verricht. Verschillende
organen, die tot het bereiken van één einddoel samenwerken,
krijgen den naam van een toestel (apparaat). Zoo onderscheidt men
een bewegings; S2)ijsverterings-, ademhalings-, circulatie-apparaat, enz.
Op het gebied der paardenkennis neemt de bewegingstoestel
de eerste plaats in; daarna zullen de voedingstoestellen worden
behandeld.
HOOFDSTUK I.
§ 15. DE BEWEGINGSTOESTEL.
Het locomotie-apparaat bestaat uit alle organen, die voor de
uitvoering van bewegingen dienen. Hiertoe worden gerekend de
beenderen en de spieren met de pezen, banden en peesscheeden.
De beenderen zijn hard en dienen als hefboomen. Zij zijn
onderling vast, of min of meer beweeglijk verbonden. In het laatste
geval spreekt men van een gewricht; daardoor wordt beweging
mogelijk, zonder dat de beenderen uit hun onderling verband
wijken. Hun beweging is volkomen passief.
De spieren omgeven de beenderen en hechten er zich aan vast.
Zij bezitten het vermogen zich samen te trekken en de beenderen,
waaraan zij bevestigd zijn, in beweging te brengen.
De leer der verschillende beenderen, waaruit het lichaam is
opgebouwd, draagt den naam van beenderenleer (osteologie).
-ocr page 54-
28
§ 1(5. De UEENDEKENLEER.
Hoewel de beenderen hard zijn, bezitten zij toch een zekere
mate van elasticiteit en buigzaamheid. Sommige dienen als dek-
of besehuttingsmiddel voor gewichtige organen, bijv. de beenderen
van den schedel; het meerendeel vormt het steun apparaat en dient
vooral voor de beweging.
Naar den vorm onderscheidt men:
1°. lange of pijpbeenderen, 2°. platte beenderen en 3°. korte
ot\' dobbelsteenvormige beenderen.
De lange beenderen hebben grootendeels een min of meer
evlindervormige gedaante. De uiteinden (epiphysen) zijn meestal
verbreed en met kraakbeen bedekt. Het middengedeelte bestaat
uit een mantel van hard en dik beenweefsel, het bastgedeelte,
waartegen inwendig een sponsachtig beenweefsel is gelegen, dat
de mergruimte omgeeft. Aan de uiteinden zijn zij inwendig met
sponsachtig weefsel gevuld.
De platte of breede beenderen bestaan uit twee vaste been-
platen, waartusschen een sponsachtig weefsel is gelegen. Hiertoe
behooren de schedeU en aangezichtsbeenderen, het schouderblad,
de ribben, het borstbeen en de bekkenbeenderen.
De korte beenderen hebben een onregelmatigen vorm en zijn
inwendig ook met sponsachtig weefsel gevuld. Hiertoe behooren
de wervelen, de voorste en achterste voetwortelbeenderen, de
sesambeenderen en hoefbeenderen.
Uitwendig zijn de beenderen, met uitzondering der gewriehts-
uiteinden, overtrokken met een vast bindweefselvlies, dat den naam
van beenvlies (periosteum) draagt. Zij zijn voorzien van ruwighe-
den en verhevenheden voor de aanhechting van banden, spieren
en pezen, en van verdiepingen, groeven en gaten, waarlangs vaten
en zenuwen aan de oppervlakte of naar binnen loopen.
De grondstof der beenzelfstandigheid is een, door afzetting
van kalkzouten, hard, duidelijk laagsgewijze geordend weefsel, dat
kanaaltjes en kleine amandelpitvormige holten bevat. Deze ka-
nalen (Haver\'sche) loopen in overlangsche richting en herbergen
bloedvaten.
De holten der lange beenderen, alsook de mazen van het
sponsachtig beenweefsel, zijn met beenmerg gevuld, dat geel of
meer rood gekleurd, hoofdzakelijk uit vetcellen en weinig bloed-
yaten beslaat.
-ocr page 55-
20
Be hardheid en de omvang der beenderen verschillen naar
het ras. Fijne en edele paarden hebben dunne, doch zeer vaste
beenderen; bij grove paarden, uit lage streken afkomstig, zijn zij
daarentegen dikker, maar van een veel losser weefsel. Bij jeugdige
dieren zijn de beenderen steeds weeker dan bij volwassene
§ 17. Het geraamte.
Alle beenderen te zamen, in hun natuurlijke ligging, vormen
het geraamte (skelet) (Plaat I).
Aan het geraamte, door een denkbeeldig overlangsch middel-
vlak in twee gelijke zijhelften, een linker en rechter, gescheiden,
zijn alle beenderen die niet in dit vlak liggen, dubbel aanwezig
(gepaard); die welke door het vlak worden gesneden, zijn enkel
(ongepaard), maar bestaan uit twee gelijke helften.
Het geraamte wordt verdeeld in vier afdeelingen: het hoofd,
de romp, de voorbeenen en de achterbeenen.
Het Hoofd(^4) bestaat uit verschillende beenderen, die samen
een schedelgedeelte (a) en een aangezichtsgedeelte (b) vormen. Het
eerste ligt, bij horizontalen stand van het hoofd, achter de plaats
der oogen; het laatste ligt vóór en ten deele onder liet eerste.
De beenderen, waaruit het schedelgedeelte is samengesteld,
vormen den wand eener holte, de schedel\' of hersenholte, waarin
de hersenen zijn gelegen. Aan dat gedeelte zijn op te merken :
het kruinuitsteeksel (c), de bovenste punt van het hoofd, en het
tepelvormig uitsteeksel (d).
Van het aangezichtsgedeelte (b) verdienen vermelding: de oog-
holte {e),
die door eenige beenderen in aansluiting met den oogboog
wordt gevormd en het oog bevat; de jukboog (/) en de kaak-
boord (g),
twee overlangsche uitsteeksels die ter zijde van liet
hoofd, het eerste achter, het laatste vóór en onder het oog zijn
gelegen; het neusuitsteeksel (h), dat met dat van de andere zijde
in een gemeenschappelijke punt uitloopt; de bovenkaakbeenderen,
waarin de bovenkiezen, de bovenhaaktandcn en de bovensnijtanden in
eigen holten (de tandkassen) zijn bevestigd; en de neusholte {i), die
omgeven is door de neus- en de bovenkaakbeenderen, welke laat-
ste haar door een beenige plaat (het hemeltegewelf) van de mondholte
scheiden.
Behalve de bovenkaak behoort tot het aangezichtsgedeelte nog
de onderkaak (&\'), die uit twee V-vormig uiteenwykende, platte
-ocr page 56-
30
gedeelten, de onderkaaktakken, bestaat; deze bevatten in hun tand-
kassen de onderliezen. Elke tak buigt zich achter de kiezen met
een afgeronden hoek, de kaakronding (/.•), naar boven om, en vormt
aldaar met een gedeelte van den schedel het kaakgewricht; dit is
een volkomen scharniergewricht, dat behalve op- en neergaan,
ook zijdelingsche beweging van de onderkaak toelaat.
De Romp (JB) bestaat uit de ruggegraat of wervelkolom en de ribben
met het borstbeen. (Het bekken, dikwijls als deel van den romp be-
schouwd, behoort eigenlijk tot de achterbeenen).
De ruggegraat wordt gevormd door een rij van 51—54 achter
elkander verbonden beenderen, wervelen geheeten, die ondeischei-
den worden in: halswervelen (e), rug- of borstwervelen (d), lenden-
of buikwervelen
(e), kruiswervelen (f) en staartwervelen (g). Het
halsgedeelte van de ruggegraat is S-vormig gebogen; het rug- en
lendengedeelte is meer of minder gewelfd.
De wervelen zijn ongepaarde beenderen, die van voren naar
achteren doorboord zijn, zoodat zij, tot ruggegraat vereenigd,
gezamenlijk een doorloopend kanaal, het ruggemergkanaal of de
ruggemergholte vormen. Zij zijn aan elkander bevestigd door banden,
door vezelkraakbeen en door vlakke gewrichten. De geheele ver-
binding is van dien aard, dat tusschen elke twee wervels slechts
weinig beweging mogelijk is, terwijl over een grooter gedeelte
van de ruggegraat een meer of minder aanmerkelijke buiging, in
verschillende richtingen, kan plaats hebben.
De halsivervelen (c) zijn 7 in getal. De eerste wordt de atlas (1)
genoemd; deze bezit twee breede zijranden, de vleugels, en neemt
van voren in twee zijdelingsche verdiepingen, twee bolle uitsteek-
sels van het hoofd op, waardoor het hoofd- of nekgewricht wordt
gevormd. In dit gewricht wordt het hocfd hoofdzakelijk op en
neer, maar ook eenigszins zijdelings bewogen, en gaat de schedel-
holte, door middel van een groote opening tusschen de genoemde
bolle uitsteeksels (het achterhoofdgat), over in de ruggemergholte.
De tweede halswervel heet de draaier (2), wijl hij naar voren
eindigt in een tandvormig uitsteeksel, waarom de atlas, en
daarmede het geheele hoofd, als om een spil draait; het eenige
spil- of draaigeivricht. De overige halswervelen (3—7) missen der-
gelijke bijzonderheden.
De nekband. De schedel en de halswervelen zijn aan de schoft-
wervelen bevestigd door een sterken, elastischen band, die
van het kruinuitsteeksel van den schedel naar de doornvormige
uitsteeksels van laatstgenoemde wervelen gaat en een breede,
-ocr page 57-
31
platronde streng vormt. Daaraan zijn van onderen, door een
sterke overlangsche bandplaat, de halswervelen verbonden.
De rug- of borstwervelen (d) zijn 18 in getal. Zij bezitten van
boven elk een doornvormig uitsteeksel (d, a). Het 2de tot hel \\Qit: van
deze uitsteeksels zijn het langst; deze vormen den beenigen grond-
slag van de schoft en heeten schoftuitsteeksels.
De ribben (E), aan elke zijde eveneens 18 in getal, zijn van
boven aan de borstwervelen verbonden door dubbele gewrichten,
die een beperkte op- en neergaande en voor- achterwaartsche
beweging toelaten. Zij eindigen naar beneden in de ribk~raakbeen-
deren (e, e\'),
die bij de 8 eerste of ware ribben elk een vlak
gewricht vormen met het borstbeen (h), terwijl zij bij de 10
laatste of valsche ribben door bindweefselvezelen met elkander ver-
bonden zijn.
Het borstbeen (h) is een langwerpig been, dat tusschen de ware
ribkraakbeenderen ligt, en naar voren in een plat, vooruitstekend
kraakbeen, het snavelvormig tdtsteeksel (h), eindigt.
De ribben vormen met de borstwervelen en het borstbeen de
borstkas.
De lenden- of buikwervelen (e) zijn G in getal. Zij bezitten van
boven doornvormige uitsteeksels (a) en, aan weerszijden, een lang
dwars uitsteeksel (b).
De kruisiverveUn (ƒ), 5 in getal, zijn bij het volwassen paard
samengegroeid tot één geheel, het krnis- of heiligbeen; dit bezit
van boven eveneens doornvormige uitsteeksels en is door banden,
benevens door een zwakke geleding aan weerszijden van zijn breed
vooreinde, beweeglijk verbonden met het bekken en de dwarse
uitsteeksels van den laatsten lenden wervel (het kruisgeivricht).
(Het bekken wordt beschreven bij de achterbeenen.)
De staartivervelen (g) zijn 15—18 in getal. De vier eerste gelijken
op de andere wervelen, wijl zij eveneens in hun midden hol
zijn. De overige nemen naar achteren allengs meer den vorm
aan van langwerpige, rolronde beentjes met effen oppervlakte; zij
zijn door kraakbeen met elkander verbonden.
De VOORBEENEN (C).
Wij onderscheiden aan een voorheen vier gedeelten of streken,
namelijk: het schoudergedeelte, het bovenarmgedeelte, het onderarm-
gedeelte
en het voor-voetgedeelte.
Het schoudergedeelte bestaat uit het schouderblad (1), een lang-
werpig, plat been, dat aan zijn breed boveneinde verlengd is door
een kraakbeen, het schond er kraakbeen (a). Het ligt in een schuinsche
v
-ocr page 58-
:t\'2
richting, van achteren naar voren en beneden tegen de voorste
ribben, en is door spieren met den romp verbonden. Over de
buitenvlakte loopt een overlangsche beenkam, de schouderbladkam (b);
aan zijn ondereinde bezit het naar voren een beenknobbel, de
schouderbladknobbel (c); daarachter een gewrichtskoni, waarin het
hoofd van liet opperarmbeen is opgenomen.
Het boven- of opperarmgedeelte bestaat uit het boven- of opper-
armbeen{2),
dat juist in tegengestelde richting van het schouderblad
ligt en mede door spieren aan den romp is verbonden. Zijn ge-
wrichtshoofd vormt met de schouderkom een komgewricht, het
schouder- of boeggewricht («). Vóór dit hoofd bezit het, te midden
van twee ruwe knobbels, een door kraakbeen bekleed gedeelte,
dat naar zijn vorm de katrol (b) wordt genoemd. Op de buiten-
vlakte bevindt zich een achterwaarts gekromd uitsteeksel, de
draaier (c). Het ondereinde is naar achteren in twee knobbels ge-
scheiden, en naar voren met het onderarmgedeelte tot een vol-
komen scharniergewricht
, het ellebooggewricht, verbonden.
Het onderarmgedeelte bestaat uit het rechtstaand onderarmbeen
(3) en het aan de achterzijde daarmede samengegroeide elleboogbeen (4).
Het laatste eindigt naar boven in een dikken knobbel, den
elleboogknobbel (b). Beide beenderen vormen met het bovenarmbeen
het ellebooggewricht (</).
Het voor-voetgedeelte (de hand van den mensch) bestaat voor-
eerst uit den handwortel (e) (ook voorkniegewricht genoemd, het
polsgewricht van den mensch), die samengesteld is uit twee lagen,
elk van 4 beentjes. In de bovenste laag ligt van buiten het naar
achteren uitstekende haakbeentje (5). De bovenste laag vormt met
het onderarmbeen een volkomen scharniergewricht; zij is op der-
gelijke wijze verbonden met de onderste laag, maar deze vormt
met het pijpbeen (6) en de griffelbeenderen (7 het uitwendige, 8 het
inwendige) een strak of vlak gewricht. De beentjes van dezelfde laag
vormen ook onderling vlakke gewrichten. De griffelbeenderen
loopen naar beneden dun uit en eindigen in een knopje.
Het ondereinde van het pijpbeen vormt met de twee daarachter
gelegen sesambeentjes (9) en het kootbeen (10), een nagenoeg vol-
komen scharniergewricht, het kootgewricht of den kogel {f). Het
kootbeen is door een onvolkomen scliamiergewricht, het kroongewricht
((/), met het kroonbeen (11) verbonden. En het kroonbeen vormt
weder een dergelijk gewricht, het hoefgewricht (h), met het hoef-
been
(12) en liet achter beide gelegen straalbeentje (13). (Zie nader:
De bouw van den hoef.)
-ocr page 59-
33
De ACHTEfttiEENEN (D).
Evenals aan een voorheen, onderscheidt men ook aan eert
achterbeen vier gedeelten of streken, namelijk: het kruis- of bekken-
gedeelte,
het dijgedeelte, het schenkelgedeelte en het achter-voetgedeelte.
Het krids- of bekkengedeelte {k) bestaat uit het darm- of heup-
been
(1), het zitbeen (2), en het schaambeen (3), die echter bij het
volwassen paard tot één geheel zijn samengegroeid.
Het breede, platte boveneinde van het darmbeen is uitwendig
in het midden verdiept en vormt aan weerszijden een sterk uit-
stekenden hoek: den inwendigen darmbeenshoek (a) en den breeden
uitwendigen darmbeenshoek of heupknobbel (b, b). Het horizontaal
liggend zitbeen (2), waarvan de dikke zitbeensknobbel (d) naar
achteren in de bil uitsteekt, en het daarvóór gelegen schaambeen
(3) gaan ter zijde over in het ondereinde van het darmbeen; hier
bevindt zich de heupkom(c), die het dijbeenshoofd (e) bevat.
Het rechter en het linker bekkengedeelte maken één geheel
uit (het bekken), daar de beide zit- en schaambeenderen in
de overlangsche middellijn van het lichaam stevig verbonden
en op later leeftijd samengegroeid zijn. Tusschen de inwendige
darmbeenshoeken ligt de ruggegraat, waaraan het bekken door
banden is bevestigd. Bovendien is een sterke, vliezige band, de breede
bekkenband,
aan weerszijden tusschen het darmbeen, het kruisbeen,
de eerste staartwervelen en het zitbeen uitgespannen, waardoor
het bekken een kanaal (de bekkenholte) vormt, waarin zich de
buikholte naar achteren voortzet.
Het dijgedeelte (»•) bestaat uit het dijbeen (4) en de knieschijf (5).
Aan het boveneinde van het dijbeen bevindt zich het kogelvormig
dijbeenshoofd {e), dat met de heupkom, waarin het door een sterken
band bevestigd is, een kogelgewricht, het heupgewricht vormt.
Daarachter bezit het twee beenuitsteeksels, en lager nog een
derde: de groote (f), de middelste (g) en de kleine (A) draaier.
Het ondereinde bestaat naar voren uit een katrolvormige vlakte,
waartegen de knieschijf (5) ligt, en is naar achteren gescheiden in
twee groote, ronde knokkels (i).
Het schenkelgedeelte (s) bestaat uit het groote schenkelbeen (6),
dat op zijn voorvlakte een sterken kam (a) bezit, en het kleine
schenkelbeen
(7), dat tegen de buitenzijde van het groote is bevestigd.
De knokkels van het dijbeen vormen met het boveneinde van het
groote schenkelbeen een onvolkomen scharniergewricht, het knie-
gewricht,
dat van voren gesteund wordt door de knieschijf (5).
Deze is naar boven door de knieschijfspieren verbonden aan het
3
-ocr page 60-
\'M
darmbeen en het dijbeen, en naar onder door drie sterke banden
aan liet groote schenkelbeen; bij de beweging glijdt zij tegen de
katrolvlakte van het dijbeen op en neer.
Het achtervoet-gedeelte («) bestaat vooreerst uit het spronggewricht
(of den voetwortel) {t), dat samengesteld is uit: het hatrolbeen (8),
dat met het ondereinde van het groote schenkelbeen een volkomen
schamiergewricht vormt, het daarachter gelegen hielbeen (9), waar-
van het knobbelig boveneinde de hiel heet, en nog 4 andere
beentjes, die naar boven met het katrol- en het hielbeen, naar
onderen met het pijpbeen en de griflelbeenderen, en bovendien
onder elkander, zeer beperkte gewrichten vormen.
De overige beenderen van het achter-voetgedeelte: het pijpbeen
(10) met de griffelbeenderen (11, 12), de sesambeentjes (13), het
lootbeen (14), het I.roonbeen (15), het hoef been (10) en het straal-
beenlje
(17), alsmede de door deze beenderen gevormde gewrichten:
het kootgewricht (a), het Iroongewricht (b) en het hoe/gewricht (c),
komen vrij wel overeen met de gelijkvormige onderdeelen van het
voorvoetgedeelte.
§ 18. De gewrichten.
Waar beenderen met elkander verbonden zijn, is deze verbin-
ding op sommige plaatsen vast of slechts weinig beweeglijk; op
andere plaatsen is zij beweeglijk, in dier voege, dat de niet on-
middellijk samenhangende, maar los tegen elkander liggende deelen
over elkander kunnen glijden.
In het laatste geval heet de verbinding een gewricht. Twee
beenuiteinden, die samen een gewricht vormen, zijn, ter plaatse
waar zij elkander raken (de gewrichtsvlakten), met een laag lraak-
been
overtrokken en daardoor glad. Zij worden aan elkander
bevestigd door een breeden ring of koker van stevig bindweefsel,
den beursband, die van den omtrek van het eene naar dien van
het andere beenuiteinde loopt en de holte tusschen beide, de
gewrichtsholte, luchtdicht omsluit. De binnenvlakte van den beurs-
band is bekleed met een vlies, het gewrichtsvlies (synoviaalvlies),
dat een kleurloos of lichtgeel, slijmerig vocht voortbrengt, het
gewrichts- of lidvocht {synovia, leewatei\'), waardoor de tegen elkander
glijdende gewrichtsvlakten glibberig blijven. Behalve door den
beursband, zijn de beenderen welke een gewricht vormen, bijna
alt\\jd aan elkander bevestigd door banden, die uit bundels zeer
-ocr page 61-
&
sterk bindweefsel bestaan en in den regel tegen de buitenzijde
van den beursband zijn gelegen.
Het kraakbeen, dat de gewrichtsvlakten der beenderen als een
korst overtrekt, bestaat uit een vrij vast, doch buigzaam enveer-
krachtig, glanzig weefsel. Ook op vele andere plaatsen van liet
lichaam worden, hetzij zelfstandig, hetzij als aanhangsels van
beenderen of als een weinig beweeglijk verbindingsmiddel tusschen
twee beenderen, kraakbeenderen aangetroffen, die echter ten deel e
vezelig en zeer taai z\'yn (vezelkraakbeenderen). Schyfvormige stukken
van zulk vezelkraakbeen liggen in enkele gewrichten tusschen de
beenuiteinden.
In vele kraakbeenderen wordt op later leeftijd beenaarde afge-
zet, waardoor zij z. g. verbeenen, namelijk tot been worden of
althans het aanzien en de hardheid van been verkrijgen.
De gewrichten worden, naar den vorm der beenuiteinden en
de wijze waarop deze tegen elkander kunnen worden bewogen,
in de volgende soorten onderscheiden :
1.   Het kom- of kogelgewricht, waarbij een kogelvormig uiteinde
(gewrichtshoofd) van het eene been in een komvormige verdieping
(gewrichtskom) van het andere is gelegen. Een dusdanig gewricht
laat beweging toe in alle richtingen (schoudergewricht, heupgewricht).
2.    Het volkomen scharniergew richt, waarbij de meer of minder
katrolvormige beenuiteinden volkomen in elkander sluiten, daar
hun verhevenheden nauwkeurig passen in de correspondeerende
verdiepingen, terwijl de beenderen aan weerszijden door banden
(z\'y\'banden) z\'yn verbonden. Het laat, als een scharnier, slechts
beweging in twee lichtingen toe, namelijk buiging en strekking
(ellebooggewricht, spronggewricht, kootgewricht, enz.).
3.    Het onvolkomen schar nier gew richt, waarbij gewoonlijk tus-
schen de beenuiteinden, die bovendien veel vlakker z\'yn dan bij
het volkomene, nog schijven van vezelkraakbeen (tusschengewrichts-
kraakbeenderen)
liggen. Door de mindere ineensluiting der beenderen
laat het, behalve buiging en strekking, ook eenige z\'y\'delingsche
beweging toe (achter-kniegewricht, kaakgewricht, nekgewricht).
4 Het draai- of spilgewricht, waarbij een spilvormig uitsteeksel
in een holte draait, zooals enkel tusschen den eersten en tweeden
halswervel voorkomt.
5. Het vlakke, strakke of beperkte gewricht, waarbij twee vlakke
beenuiteinden slechts zeer weinig over elkander kunnen glijden,
zooals b. v. het geval is tusschen sommige beenderen van het
voorknie- en het spronggewricht, in het kruisgewricht, enz.
-ocr page 62-
§ 19. De voornaamste spieren en uaar werking.
De spieren (het vleesch) liggen om de beenderen gerangschikt
en doen de hoekigheid van het geraamte onder meer afgeronde
vormen verdwijnen. Zij bestaan uit microscopisch kleine vezelen,
de spiervezelen, die door bind weefsel tot bundels, deze weer tot
dikkere bundels, en de laatste tot een geheel, de spier, vereenigd
zijn.
Sommige spieren zijn geheel of ten deele met een peesvlies
overtrokken, dat in vele spieren ook om en tusschen de grove
spierbundels wordt aangetroffen.
De meeste spieren verbinden verschillende gedeelten van het
geraamte onderling; slechts weinige eindigen in zachte deelen,
als de oogleden, de lippen, enz. Bovendien heeft men kring-
spieren,
die tot sluiting van openingen dienen. Meestal beginnen
en eindigen de spieren met pezen; sommige, waaronder vooral
de platte spieren, bezitten peesvliezen. De aanhechting aan het
been geschiedt op ruwe, verdiepte of verheven plaatsen. De pezen
zijn nagenoeg niet uitrekbaar en niet veerkrachtig. Op vele plaatsen,
waar pezen tegen harde deelen liggen, en inzonderheid aan de
gewrichten, zijn zij omgeven door x>ees- of slijmscheeden, die een
slijmig vocht afscheiden, dat de tegen elkander glijdende deelen
glibberig houdt. Voor hetzelfde doel dienen de hier en daar
voorkomende slij\'mbeurzen.
De spiervezelen bezitten het vermogen zich te kunnen samen-
trekken of verkorten (contractiliteit). De verrichting der spieren
bestaat in deze samentrekking of verkorting (contractie), die onder
den invloed van beweegzenuwen wordt opgewekt. Zij nemen
daarbij in dikte toe, naarmate zij in de richting van haar vezelen
in lengte afnemen.
Gaat een spier uit haar toestand van rust in dien van werking
over, d. i. trekt zij zich samen, dan worden de deelen, waaraan
haar beide uiteinden bevestigd zijn, dichter bij elkander gebracht\',
bij verslapping der samengetrokken spier geraken deze deelen
weder even ver van elkander verwijderd. Waar slechts één van
beide deelen verplaatst wordt, heet het uiteinde der spier, dat
aan dit deel bevestigd is, haar beweeglijk of eindpunt, het andere
uiteinde haar vaste of oorsprongspunt. Zoo zijn dus de spieren,
waarvan de beweging uitgaat, de actieve, de beenderen, die be-
wogen worden, de passieve organen van het bewegingstoestel.
-ocr page 63-
1
37
Wanneer kringspieren zich samentrekken, wordt de opening
die zij vormen, verkleind of geheel gesloten; zij worden daarom
ook sluitspieren genoemd.
De beenderen worden door de spieren in beweging gebracht
als hefboomen, wier steunpunt in den regel in een of ander
gewricht ligt. Bijna altijd zijn de spieren of haar pezen op zoo-
danige punten der beenderen ingeplant, dat deze bewogen worden:
of, en wel gewoonlijk bij de buigspieren, als eenarmige hefboomen,
waarvan het aangrijpingspunt der kracht betrekkelijk dicht bij
het steunpunt is gelegen (hefboom der 3<le soort), óf, hetgeen
in den regel bij de strekspieren liet geval is, als tweearmige
hefboomen, waarbij de kracht aan een betrekkelijk korten arm
werkt (hefboom der lste soort). (Voorbeelden van het eerste ge-
val zijn de buigspieren van het onderarnibeen en die van het
achter-pijpbeen; van het tweede, de werking der pypstrekkers
of die van het hielbeen bij beweeglijk onderbeen). In beide om-
standigheden wordt tegenover een betrekkelijk geringen weerstand
groote kracht aangewend, wordt bijgevolg veel kracht verbruikt,
om naar evenredigheid in snelheid te winnen. Geringe spierver-
korting levert aldus aanzienlijke verplaatsing van beenderen; in
liet eerste geval te meer, naarmate het spiereinde onder een
scherper hoek op het been is ingeplant, zooals vooral aan de
ledematen wordt waargenomen. De hefboom der 2de soort,
waarbij de kracht aan een betrekkelijk langen arm werkt, is in
het lichaam van het paard slechts op enkele punten vertegen*
woordigd. Meermalen komt het echter voor, dat de hefboom-
werking, naar de ligging van het vaste en het beweeglijke punt
der spier, van soort verandert. Over een en ander zal nader
worden gehandeld bij de bewegingen der lichaamsdeelen.
Spieren en spiergroepen, die in tegenovergestelde richting
werken, b. v. de strekspieren en de buigspieren van hetzelfde
lichaamsdeel, worden ten opzichte van elkander antagonisten of
tegenwerkers genoemd. Wanneer de eerste zich samentrekken,
worden de laatste uitgerekt, en omgekeerd. In rust houden zij
elkander in spanning.
De door de spieren verrichte arbeid is uitgedrukt in de kracht
en de grootte van haar verkorting, bijgevolg, het product van
den bewogen last en den afgelegden weg. De kracht der spieren
is in het algemeen evenredig aan het aantal spiervezelen waaruit
zij bestaan, dus aan de dikte der spier ot de grootte harer
dwarse doorsnede. De grootte der verkorting is evenredig aan de
-ocr page 64-
38
lengte der spieren; zij kan in het algemeen tot de helft, soms
zelfs ook \'/, en meer, van de lengte bedragen.
De snelheid waarmede de spieren zich samentrekken, en de
tijd gedurende welken zij samengetrokken kunnen blijven of zich
bij herhaling kunnen samentrekken, alvorens zij vermoeid of uit-
ijeput
worden, verschillen in hooge mate naar het ras der paarden,
doch ook geheel individueel. Men weet hoe de zoogenaamde
energie in de spierwerking afhangt van een krachtige gevoedheid
van het spierstelsel, en bovenal van de geschiktheid der spieren
tot arbeid, zooals die in zoo hoogen graad door stelselmatige
oefening, door gymnastiek, ook b. v. bij het entraineeren van
het paard, kunnen worden verkregen.
Krachtig gevoede en geoefende spieren kenmerken zich reeds
in rust door haar dikte en, bij betasten, tevens door hardheid.
Het paard heet dan gespierd. Bij het spierzwakke paard, dat
daarom nog geenszins mager behoeft te wezen, zijn zij daaren*
tegen week en slap.
De spieren, waarvan verder sprake zal zijn, worden willekeurige
genoemd, omdat zij willekeurig in werking kunnen worden ge-
bracht; zij heeten ook animale, omdat juist de willekeurige beweging
een hoofddeel van de z. g. animale levensverrichtingen uitmaakt.
Er bestaan echter nog tal van spieren, die onwillekeurige genoemd
worden, omdat haar verrichting niet aan den wil onderworpen
is, of wel organische, omdat zij bij de z, g. organische levensver-
richtingen werkzaam zijn. De meeste daarvan bestaan uit kringswijs
loopende vezelen en worden gevonden in maag- en darmwand,
pisblaas, bloedvaten, enz.
In de volgende §§ zullen de voornaamste willekeurige spieren,
voornamelijk in zoover ze voor de plaatsbeweging (locomotie)
dienen en dus voor de rijkunst en de paardenkennis van belang
zijn, kort worden beschreven.
§ 20. De halsspieren \'),
Na wegneming der huidspier vindt men als tweede laag:
1". De borstbeen-kaakspier (mtiscle sterno-maxillaire; Brttst-Kinn-
backenmuskel; sterno-maxillaris) (PI. II, fig. 1, a). Een lange,
slanke, eenigszins ronde spier, die haar oorsprong neemt, ver-
groeid met die der andere zijde, aan den snavel van het borst-
(I) De spieren zullen eerst laagsgewijze beschreven en daarna groepsgewijze,
naar haar functies, bij elkander gevoegd worden,
-ocr page 65-
•
been; zij loopt naar boven, eerst aan de voorvlakte van de luchtpijp,
scheidt zich, loopt verder zijdelings van de luchtpijp en eindigt in
een platte pees aan den achterland der kaak.
Deze spier trekt de kaak naar beneden en, bij eenzijdige wer-
king, ter zijde. Wanneer de achterkaak gefixeerd is, buigt zij
hoofd en hals.
?- 2°. De schouder-tongbeenspier (m. sous-scapulo-hi/oïdien; Schulter-
Zungenbeinmuskel; omo-hyoideus)
(PI. II, fig. 1, b) neemt haar
oorsprong onder het schouderblad, is door de arm-wervel-tepelspier
bedekt en tot de hoogte van den derden halswervel daarmede
verbonden; aan het bovenste derde gedeelte van den hals gaat
zij in schuine richting over de adergroeve en eindigt gemeen-
schappelijk met die der andere zijde en met de borstbeen-tong-
beenspier aan het tongbeen.
Na het slikken trekt zij de zwelgkeel naar beneden.
3°. De arm- wervel-tepelspier (m. niastoidu-huméral; Arm- Wirbel- W<ir-
zenmuskel; m. mastoido-humeralis)
(PI. II, fig. 1, e\\ Dit is een lange,
krachtige spier, die aan den draaier en den kam van het opper*
armbeen begint, daarna over het boeggevvricht, langs de zijvlakten
van den hals naar boven gaat, zich vasthecht aan de dwarse
uitsteeksels van den 4llen tot den 2den halswervel, en zich naar
achter met het halsgedeelte van de bovenste nekband-schouderspier
en naar voren met het vleezig gedeelte der halshuidspier verbindt.
In de buurt van den eersten halswervel gaat zij in een pees over,
welke met die der miltvormige spier samensmelt en zich aan het
dwarse uitsteeksel van het achterhoofd been en aan het rotsbeen
vasthecht.
De functie van deze spier is verschillend, naarmate zij haar
vaste punt boven of onder heeft; in het eerste geval strekt zij
den opperarm of helpt zij het geheele lidmaat naar voren en
boven brengen. In het laatste geval worden hoofd en hals ge-
strekt, wanneer de spieren van beide zijden samenwerken; trekt
zich slechts één spier samen, dan worden hoofd en hals ter zijde
bewogen.
4°. De bovenste nekband-schouderspier (»». trapeze; oberste Nacken-
band-Schutter muskei; m. dorsal and cervical trapezius)
(PI. II, fig. 1, d, d\').
Hieraan onderscheidt men een voorste of hals- en een achterste
of ruggedeelte. Het eerste is dun en breed, en bestaat uit een
driehoekig vleezig gedeelte, dat geheel omgeven is door eenpees-
vlies, hetwelk van den 2deD halswervel tot den 3den rug wervel
aan den nekband ontspringt; het eindigt, eveneens pezig, aan den
-ocr page 66-
40
kam van het schouderblad. Naar achter is het met het rug-
gedeelte verbonden.
Het halsgedeelte beweegt den schouder naar voren en boven,
en ondersteunt, wanneer het lidmaat gefixeerd is, de halsstrekkers.
Het ruggedeelte begint pezig, van den 3den tot den 13den rug-
wervel, aan het ruggedeelte van den nekband, wordt weldra vleezig
en gaat op den schouder in een pezige uitbreiding over, die ook
aan den kam van het schouderblad eindigt.
De vezelen loopen van achteren naar voren en beneden, waar-
door de schouder, indien dit gedeelte werkt, naar achteren en
boven wordt getrokken.
Indien beide gedeelten samenwerken, wordtdeschouder gefixeerd.
5°. De rug-opperarmbeenspier of bree.de rugspier (muscle grand
dorsal; breite Rüchenmuskel; great dorsal)
(PI. II, fig. i, e). Deze
breede, driehoekige spier begint met een zware peesplaat aan de
rugfascie, tusschen den 5den en 14de» rugwervel. Ter hoogte van
de 14d» rib krijgt de peesplaat spiervezelen, die schuin naar voren
en beneden loopen. Daarna gaat ze onder de strekkers van den
elleboog door, alwaar ze een uitholling voor laatstgenoemde spieren
bezit. In de nabijheid van het opperarmbeen verandert ze in een
zwakke pees, die met den langen elleboogstrekker in verbinding
staat en gemeenschappelijk met de groote schouder-opperarmbeen-
spier aan de binnenzijde (den naad) van het opperarmbeen eindigt.
Wanneer de romp het vaste punt is, kan ze het voorheen
terugtrekken; is daarentegen het voorste lidmaat het vaste punt,
dan zal ze den romp tusschen de voorbeenen kunnen schuiven.
Tevens gaat ze het sterk opbuigen van den rug bij zwaar trek-
ken tegen.
Tot de derde laag rekent men:
4°. De borstbeen-tongbeenspier {m. sterno-hyoïdien; Brust-Zungen-
beinmuskel; sterno-hyoideus)
(PI. II, fig. 2, a). Een lange, slanke
spier, vóór op de luchtpijp gelegen, die, vergroeid met de gelijk-
namige spier van de andere zijde en met de borstbeen-schildkraak-
beenspier, aan het borstbeen ontspringt. Op het midden van de
luchtpijp gaan beide spieren in een gemeenschappelijke pees over.
Hooger scheiden zich de beide weer vleezig geworden spieren,
zoodat elk der borstbeen-tongbeenspieren van haar kant met de
schouder-tongbeenspier samensmelt en met deze aan het handvat
van het tongbeen eindigt.
Ze trekt het tongbeen, alsmede de tong, naar achteren en be-
neden, en bemoeilijkt het slikken bjj opgeheven hoofd.
-ocr page 67-
41
2°. Borslbeen-schildkraakbeenspier (m. sterno thyroidien; Brustbein-
Schildmuskel; steriw-thyrcoideus)
(PI. II, fig. 2, b). Dit is eveneens een
lange en slanke spier, die met de vorige aan den snavel van liet
borstbeen ontspringt. Ze scheidt zich op de hoogte van den 3den
halswervel van de borstbeen-tongbeenspier en eindigt met een dunne
pees aan de buitenvlakte van het schildkraakbeen.
Ze trekt het strottenhoofd naar beneden.
3°. De onderste nekband-schouderspier (muscle cervko-sous-scapulaire
ou releveur propre de Vépaule ; unterer Nackenband-Schultermuskel; small
rhomboideus)
(PI. II, fig. 2, e). Deze spier ligt zijdelings van den hals,
boven aan den nekband, en wordt bedekt door het halsgedeelte van de
bovenste nekband-schouderspier. Op de hoogte van den 2de" hals-
wervel ontspringt ze aan den nekband met een platte, smalle
pees, loopt dan naar achteren en beneden, waarbij de spier in
breedte en dikte toeneemt, en hecht zich, vergroeid met de ruit-
vormige spier, vast aan de binnen vlakte van den voorsten schouder-
bladhoek.
Ze kan den voorsten hoek van het schouderblad naar voren
en boven trekken; ook ondersteunt ze, als het been vaststaat,
de strekkers en zijwaartstrekkers van den hals.
4°. De rug-schouderspier of ruitvormige spier (»». rhomboïde;
Rücken-Schultcrmuskei: rhomboideus)
(PI. II, fig. 2, d). Deze spier
vormt als het ware een voortzetting van de vorige; zij ontspringt
met korte peesvezelen aan de doornvormige uitsteeksels van de
schoft en aan den nekband, loopt van hier in schuine richting
naar achteren en beneden, en hecht zich vast aan de inwendige
vlakte van het schouderbladkraakbeen.
Zij trekt het schouderblad naar voren en boven en het voor-
been naar achteren
5°. De miltvormige spier (m. ceroico-trachélien; Milzförmiger Muskei;
splenius)
(PI. II, fig. 2, e). Dit is een groote, platte, driehoekige
spier, die zijdelings aan den hals gelegen, ten deele bedekt
wordt door het halsgedeelte van de bovenste nekband-schouderspier,
door de onderste nekband-schouderspier en door de hals-huidspier.
De miltvormige spier bedekt op haar beurt het hoofd-gedeelte van
de dwarse doornspier, ook groote doorvlochten spier geheeten.
Ze ontspringt op de hoogte van de schoft met een bieede pees,
gemeenschappelijk met de groote doorvlochten spier, en tevens met
korte peesstrooken aan den nekband. Ze hecht zich met afzon*
derlijke peestakken aan de dwarse uitsteeksels van den 5den, 4ae"
en 3den halswervel vast, verbindt zich verder met den hoofd-tak
-ocr page 68-
43
van de lange rugspier (rug-tepelspier) en eindigt met een dunne,
breede peesplaat aan liet dwarse uitsteeksel van liet achter-
hoofdbeen.
Weiken de spieren aan beide zijden tegelijk, dan worden hals
en hoofd gestrekt; werkt slechts de spier van ééne zijde, dan
kromt ze den hals naar dien kant.
6°. De rib-halsioervelspier (m. scalhne; llippen-llalswirbelmuskel;
scalenus)
(PI. II, fig. 2, ƒ). Dit is een driehoekige spier, die
aan het onderste gedeelte van den hals ligt en uit twee af-
zondeiTyke deelen bestaat, die aan het boveneinde en wel aan
den voorrond van de eerste rib ontspringen. Het onderste ge-
deelte gaat naar de dwarse uitsteeksels van den C,len, 5llen en 4ll\'\'n
halswervel; het bovenste deel, dat het kortst, maar het dikst is,
gaat alleen naar het dwarse uitsteeksel van den 7(len halswervel.
Haar functie is den hals te buigen, als de spieren aan beide
zijden te gelijk werken. Bij werking aan één zijde trekt ze den
hals naar dien kant.
De halsivervel-schouderspier (angulaire de Vomoplate; llals-
wirbel-Schultermuskel; angularis muscle of the scapula)
(PI. II, lig. 2, (/).
Men kan deze als het halsgedeelte van de breede getande spier
beschouwen, doch ze is ook als een afzonderlijke spier op te
vatten. Ze is vleezig, ontstaat met vijf afzonderlijke takken aan
de dwarse uitsteeksels van den 3den tot den liea halswervel,
voorts met twee onduidelijke takken aan het boveneinde der
eerste twee ribben, en eindigt aan de binnenzijde van den voorsten
schouderbladhoek.
Ze trekt den schouder naar voren en beneden, en staat deze
vast, dan ondersteunt ze de strekkers en zijwaartstrekkers van
den hals.
8°. De halswervel-kruinbeenspier of lange hoofdbuiger (in. grand
droit ante\'rieur de la tête; llalswirbel-Oberhauptsmuskel; great anterior
straight muscle of the head)
(PI. II, fig. 2, h). Deze spier ligt
zijdelings van den hals en kan worden beschouwd als een
voortzetting van de rug-atlasspier (atlas = l8tc halswervel). Ze
ontspringt aan de dwarse uitsteeksels van den Aiea, 3den en 2dcn
halswervel, en eindigt met die van den anderen kant, sterk pezig,
aan den spierknobbel van het grondstuk (onderste gedeelte) van
het achterhoofd been.
Ze kan het hoofd buigen.
Alvorens de vierde laag spieren aan den hals te beschrijven,
volgen hier, duidelijkheidshalve, eerst de spieren van den rug.
-ocr page 69-
43
§ 21. De rugstrekkers.
Na wegneming van liet dunne peesvlies van «Ie huidspier en
de peesplaat van de kleine getande ontmoet men:
1°. De lange rugspier (»». ilio-spinal; der Darmbein-Dornmuakel;
the ilio-spiaalis nuscle)
(PI. II, fig. 3, a en a). Dit is een zeer
lange, dikke spier, die ten deele met een sterk, glanzend peesvlies
is overtrokken. Men onderscheidt er aan: het rug-, lials- en
hoofdgedeelte.
a.    Het ruggedeelte vult de ruimte op tusschen de doornvor-
mige uitsteeksels der lenden- en rugwervels, de dwarse uitsteek-
sels van de lendenwervels en de boveneinden van de ribben. Het
neemt zijn oorsprong aan den voorrond en den uit- en inwendi-
gen hoek van het darmbeen, loopt over de dwarse uitsteeksels
van de lendenwervels en de boveneinden van de ribben naar
voren, bevestigt zich daarbij aan de dwarse en doornvormige
uitsteeksels van de genoemde wervels en aan den puntband, terwijl
liet zicli met afzonderlijke takken aan de boveneinden der ribben
vasthecht, en eindigt met onderscheidene platte pezen aan den
7dcn en fyien halswervel. In de lendenstreek bezit dit gedeelte een
langwerpige, driehoekige verdieping, waarin het begin van de
groote darmbeen-draaierspier wordt opgenomen.
b.   Het halsgedeelte ontspringt, in gemeenschap met de groote
doorvlochten spier, aan de ruwigheden der eerste zeven rugwervels ,
en eindigt met los verbonden peestakken aan de dwarse uitsteeksels
der laatste vier halswervels. Tot dit gedeelte moet men nog de
meer of minder zelfstandig geworden takken voor den 3iea, 2den
en lsten halswervel rekenen. De laatste tak (atlas-tak) verbindt
zich met een tak van de miltvormige spier.
c.    Het hoofdgedeelte van de lange rugspier vormt den tak
voor het hoofd en wordt ook wel de rug-tepelspier geheeten. Het
is gedeeltelijk met den atlas-tak verbonden, ontspringt met
pezige takken, gemeenschappelijk met de groote doorvlochten
spier, aan de ruwigheden van den 3den rugwervel tot den 3dcn
halswervel, en eindigt met een smalle pees aan het tepeluitsteeksel
van het rotsbeen. Op de hoogte van den lsten halswervel verbindt
zich met deze spier een tak van de miltvormige
De werking dezer spieren is verschillend. Staan de achterste
ledematen vast en werken de spieren van beide zijden gelijktijdig,
dan kunnen ze het voorstel opheffen (steigeren); staan omgekeerd
de voorste ledematen vast, dan zal het achterstel in de hoogte
-ocr page 70-
44
worden geworpen. Indien voor- en acliterbeenen vaststaan, dan
zullen de lange rugspieren, zooals bij sterk aanleggen, het naar
boven krommen van den rug tegengaan. Werkt slechts de spier
van één zijde, dan kan ze den rug zijwaarts buigen. Het hals-
en liet hoofdgedeelte ondersteunen de werking van de strekkers
van hals en hoofd.
2°. De doornspier (m. spinalis do7-si et cervicis; Dornmuskel)
(PI. II, fig. 3, a). De takken van deze spier ontspringen middellijk
of onmiddellijk aan de doornvormige uitsteeksels en eindigen, terwijl
zij minstens één wervel overslaan, weer aan de doornvormige uitsteek-
sels. Ze is bij het paard, van de lendenstreek tot het achtereinde
van de schoft, innig verbonden met de lange rugspier; ze kan daarvan
evenwel worden gescheiden. Van den laatsten lenden- en eersten
kruisbeenwervel tot den 42dcn rugwervel ziet men lange, dunne
pezen ontspringen, die, meer of minder met elkander vereenigd,
een deel vormen van het sterke peesvlies, dat de lange rugspier
bedekt. Van den llaen rugwervel worden die peestakken vleezig
en hechten zich, naar voren gaande, vast. Op de hoogte van den
j3den rugwervel ontstaan van het peesvlies der lange rugspier
sterke spierbundels, welke uitloopen in peestakken, die met el-
kander zijn verbonden en aan de knobbels van de doornvormige
uitsteeksels der schoftwervels eindigen. De spier bereikt haar einde,
met steeds zwakker wordende takken, aan den kam der laatste5
halswervels.
Ze ondersteunt de lange rugspier in haar werking.
3°. De dwarse doornspier (m. transvérsaire epincux du dos et des
lombes; Quer dornmuskel; transverse spinous muscle o f the back and loins)
(PI. II, fig. 4, a). De takken van deze spier kenmerken zich
daardoor, dat ze van voren naar achteren loopen en wel zijdelings
van de doornvormige uitsteeksels naar de ruwigheden (het tepel-
uitsteeksel) der wervels, waarbij op zijn minst één wervel, inden
regel 2—0, worden overgeslagen. Men kan duidelijk een rug-,
hals- en hoofd-gedeelte onderscheiden.
a.    Het ruggedeelte ligt onmiddellijk op de wervels en bestaat
uit vele takken, die, vleezig aan de doornvormige uitsteeksels ont-
springende, schuin naar achteren loopen en sterk pezig aan de
ruwigheden (het tepeluitsteeksel) der wervels eindigen. In de
schoftstreek liggen ze het schuinst, alwaar ze meestal zes wervels
overslaan, en staan aldaar met de doornspier in verbinding. Van
achteren is deze spier met de opheflers van den staart verbonden.
b,    Het halsgedeelte is een voortzetting van de vorige spier, doch
-ocr page 71-
45
laat zich daarvan duidelijk scheiden. Het reikt tot den kam van
den 2iea halswervel; de vleezige takken slaan slechts één wervel
over en loopen dan van de ruwigheden der schuine uitsteeksels
naar den kam.
c. Het hoofdgedeelte of de groote doorvlochten spier (PI. III, fig. 1, a).
Deze spier is bedekt door de miltvormige en ze bedekt op haar beurt
het halsgedeelte van de doorn- en dwarse door nspier; voor het overige
ligt ze onmiddellijk op den nekband. Ze ligt alzoo zijdelings van
den hals, is een zeer groote en sterke spier, die door schuinloo-
pende peesstrooken in groote tusschenruimten wordt verdeeld. Ze
ontspringt aan de dwarse uitsteeksels der eerste zeven rugwervels,
alsmede aan die der laatste zes halswervels. Ze eindigt met een
sterke pees, waaraan zich de lange draaier-kruinbeenspier beves-
tigt, onmiddellijk naast den nekband aan het achterhoofdbeen.
Deze spieren strekken den rug; het halsgedeelte strekt de hals-
wervels. De groote doorvlochten spier strekt het hoofd en bij
werking aan één zijde trekt zij het hoofd naar dien kant. Werken
beide groote doorvlochten spieren te gelijk, dan kunnen ze het
hoofd mede in de hoogte helpen bewegen.
§ 22. De vierde en vijfde laag halsspieres.
Daartoe behooren:
1°. De rug-kruinbeenspier of groote doorvlochten spier (grand com-
plexus; grosse durchjlochtene Muskei; the great complexus)
(PI. III,
fig. 1, a). Deze spier is reeds besproken als het hoofdgedeelte van
de dwarse doornspier (zie boven).
2°. Rug-tepelspier of lange en korte strekker van den hals (PI. III,
fig. 1, b). De atlastak en het hoofdgedeelte van de lange rugspier
vormen samen de rug-tepelspier (zie boven).
3°. De rug-atlasspier of lange buiger van den hals (long du cou;
Rückentrügermuskel; long muscle of the neck)
(PI. III, fig. 3, a).
Dit is een lange spier, die op de ondervlakte van de eerste
vijf borstwervels en op de ondervlakte van alle halswervels
ligt. Ze ontspringt binnen de borst, aan de lichamen van de
eerste 5 of 6 rugwervels, en loopt tusschen de beide eerste
ribben door naar de gezamenlijke halswervels. Ze bestaat uit een
reeks van meer of minder zelfstandig geworden bundels, die aan
weerszijden aan de onderste takken van de dwarse uitsteeksels
ontspringen, naar boven samenloopen en aan den kam van den
l»ten 0f 2den hooger gelegen wervel eindigen. De geheele spier
-ocr page 72-
40
eindigt deels pezig, deels vleezig, aan den ondersten knobbel van
den 1sten halswervel.
Zij kan zoowel iederen halswervel afzonderlijk bewegen, als
ook den geheelen hals buigen.
4°. De atlas-gri£elspier, kleine of scheeve buiger (pelit fléchtsseur
de la téte, petit droit latéral; Trdger-Griff\'elmuskel; small lat er al
straight muscle)
(PI. III, fig. 3, b). Dit is een kleine, vleezige
spier, die aan de ondervlakte van den l9ten halswervel ontspringt,
ter zijde van het hoofdgewricht naar boven en buiten gaat, en
aan de inwendige vlakte van het griffel uitsteeksel van het achter-
hoofdbeen eindigt.
Ze buigt het hoofd en ondersteunt de zijwaartstrekkers.
5°. De onderste atlas-kruinbeenspier of korte hoofdbuiger (court
flrchisseur de la téte; petit droit anterieur; untere Trdger-Oberhaupts-
muskei; small anterior straight muscle of the hcad)
(PI. III, fig.3,c).
Deze kleine, vleezige spier ligt onder het hoofd-atlasgewricht en
ontspringt op de ondervlakte van den eersten halswervel, loopt
over het hoofdgewricht, zich met den beursband daarvan verbin-
dende, naar boven, en eindigt aan het basilair uitsteeksel van
het achterhoofd been.
Zij buigt het hoofd.
Tot de vijfde laag halsspieren behooren:
1°. De atlas-draaierspier of schuine halsspier {grand oblique de
la téte; Achsen-Tragermuskel; great oblique muscle of the head)
(PI. III, fig. 2, a). Dit is een dikke, korte, langwerpig vierhoekige
spier, die zijdelings van het draaigewricht (gewricht tusschen den
l»ten en 9im halswervel) ligt. Ze begint aan den kam en de schuine
uitsteeksels van den 2de" halswervel, loopt schuin naar boven en
eindigt aan de uitwendige vlakte van den vleugel van den lsten
halswervel.
Ze bewerkstelligt hoofdzakelijk draaibewegingen tusschen den
l»ten en 2de" halswervel.
2". De zijdelingsche atlas-kruinbeenspier of schuinsche hoofdspier
{petit oblique; Seitentrager-Oberhauptsmuskel; small oblique)
(PI. III,
fig. 2, b). Deze korte, maar dikke spier ligt zijdelings van het
hoofd-atlas-gewricht; ze begint aan den voorrand en aan de in-
wendige vlakte van den vleugel van den lsten halswervel, gaat
van hier schuin naar voren en boven, en eindigt deels zijdelings
aan het dwarse uitsteeksel, deels aan het grid\'eluitsteeksel van het
achterhoofdbeen (kruinbeen).
Ze ondersteunt de strekspieren van het hoofd in haar werking.
-ocr page 73-
47
3°. De lange draaier-kruinbeenspier of groote rechte hoofdspier
(long axoidio-occipilal; langer Achsen-Oberhauptsmuskel; long axoido-
occipitalis)
(PI. III, fig 2, c). Dit is een kleine, lange, smalle
spier, die bedekt wordt door de eindpees der groote doorvlochten
spier; ze ontspringt vleezig aan den kam van den 2Je" halswervel,
loopt naar boven en eindigt, na zich met de pees van de groote
doorvlochten spier te hebben verbonden, naast den nekband aan
het dwarse uitsteeksel van het achterhoofdbeen.
Zij strekt het hoofd.
4°. De korte draaier-kruinbeenspier of middelste i-echte hoofdspier
(court axoïdio-occipital; kurzer Achsen-Oberhauptsmuskel; short axoido-
occipitalis)
(PI. III, fig. 2, d). Deze ligt naast de vorige spier,
maar is kleiner. Ze ontspringt aan het vooreinde van den kam
van den 2den halswervel en eindigt, met de vorige, onder het dwarse
uitsteeksel van het achterhoofdbeen, naast den nekband.
Ze helpt liet hoofd strekken.
5°. De bovenste atlas-kruinbeenspier of kleine rechte hoofdspier
(petit droit postérieur de la téte ou atloido-occipital; obcre Trüger-
Oberliauptsmuskel; small posterior straight muscle)
(PI. III, fig. 2, e).
Ze is korter dan de beide vorige en ligt op den beursband
van het hoofdgewricht, waarmede ze tamelijk vast is verbonden.
Ze is bedekt door de korte draaier-kruinbeenspier en ontspringt
aan de uitwendige vlakte van den bovensten atlasboog, loopt dan
naar boven en bevestigt zich boven liet gewrichtsuitsteeksel van
het achterhoofdbeen.
Zij is eveneens een strekker van het hoofd.
§ 23. De buikspieren.
Tot deze groep behooren een viertal spieren, namelijk: de uit-
wendige
of groote schuine buikspier, de inwendige of kleine schuine
buikspier, de rechte buikspier en de dwarse buikspier.
Hiervan zal
alleen de rechte buikspier worden besproken, daar deze bij de
beweging in aanmerking komt, terwijl de overige drie meer als
ademhalings-spieren dienst doen en tevens de ingewanden dragen.
De rechte buikspier of borst schaambeenspier (grand droit de Vabdomen;
gerader Bauchmuskel; great rectus muscle of the abdomen)
(PI. III, fig. 4, g).
Deze spier ligt onder aan den borst- en buikwand, tusschen liet
peesvlies van de kleine schuine en de dwarse buikspier. Het
is een lange, rechte spier, die aan de ondervlakte van hetschub-
vormig kraakbeen van het borstbeen, alsmede aan de aangevoegde
-ocr page 74-
kraakbeenderen van de 4de tot de 7de rib ontspringt. Naar achteren
wordt ze breeder en bedekt ze de ribkraakbeenderen; op de
hoogte van de 13de rib wordt ze echter weer smaller en eindigt
met twee pezen. De ééne, een korte maar breede pees (de buikpees
geheeten), hecht zich vast aan den voorrand van het schaambeen
en wel aan den schaambeensknobbel. De tweede pees loopt door
de peesgleuf op de ondervlakte van het schaambeen, doorboort de
voorste schaambeen- dij beenspier en eindigt, gemeenschappelijk met
den ronden band, in de bandgroeve van het dijbeenshoofd. De
spier zelf is met 9—11 dwarse peesstrooken doorvlochten.
De rechte buikspier vormt een vaste verbinding tusschen de
borst en het bekken en ondersteunt de rugspieren tot vastzetting
van de wervelkolom. Bij zwaar trekken voert ze het bekken naar
voren en ondersteunt aldus het naar voren plaatsen der ledematen.
§24. Gemeenschappelijke spieben van de yoobste ledematen.
Behalve de reeds genoemde spieren, die aan den romp ont-
springen en aan het voorste lidmaat eindigen, behooren hiertoe
nog de volgende:
1°. De breede getande spier of rib-schouderspier (dentelé de
repetitie; breiter gezahnter Muskei; great serratus)
(PI. II, fig. 2, g).
Deze spier ligt voor een groot gedeelte onder den schouder en
staat met de halswervel-schouderspier in innige verbinding. Ze
ontspringt met acht tanden, die een boog vormen aan de eerste
acht ribben. De eerste tanden zijn onduidelijk, de laatste vier daar-
entegen zeer regelmatig; zij grijpen tusschen de tanden van de
uitwendige schuine buikspier in. Soms komt nog een kleine
Dde tak voor. Bij haar verderen loop naar boven wordt ze smaller
en eindigt deels pezig, deels vleezig aan de inwendige vlakte
van het schouderblad.
Deze spier bevestigt den schouder aan den romp; ze kan het
schouderblad naar achteren en beneden trekken. Bij vaststaand
been trekt ze den romp naar voren. Zij is de voornaamste spier,
die den romp tusschen de voorbeenen hangende houdt.
2°. De breede of oppervlakkige borstspier (pectoral superficiel;
breiter Brustmuskel; superjicial pectoral)
(PI. III, fig. 3, d en e)
Deze bestaat uit twee deelen, een voorste en een achterste
gedeelte. Sommigen beschouwen ze evenwel als afzonderlijke
spieren en heeten het voorste deel kleine borst-opjyerarmbeenspier
en liet achterste borst-onderarmbeenspier.
a. Het voorste deel vormt den voorrand van de geheele spier,
die aan de binnenvlakte van den opperarm is gelegen, onmiddel"
-ocr page 75-
49
lijk onder de huid. Het voorste deel, dat vrij vast met het achterste
is verbonden, is een ronde spier, die zijdelings en aan den onder-
rand van den snavel van het borstbeen ontspringt, dan naar achteren
en beneden loopt, en, gemeenschappelijk met het begin van de
arm-wervel-tepelspier, aan de binnenzijde van den opperarm eindigt.
b. Het achterste deel is dunner, maar grooter en vierhoekig
van vorm, en ontspringt aan den onderrand van den borstbeens-
kam (l,te—6de rib), loopt dan naar buiten en beneden tot het
ellebooggewricht, waar ze in een peesplaat overgaat, die de spieren
van den onderarm als een scheede omgeeft.
De werking van beide deelen is ongeveer dezelfde. Beide dienen
om het zijdelings geplaatste voorheen naar den romp te trekken
of omgekeerd den romp over te trekken. Het zijn dus overtrek-
kers van de zwaartelijn.
3°. De groote borstbeen-opperarmbeenspier of groote borstspier (pectoral
profond; grosse Brust-Armbeinmuskel; deep pectoral)
(PI. III, fig. 3, ƒ,ƒ\').
Deze en de volgende spier behooren tot de diepe laag dei-
borstspieren.
De groote borstspier is een lange, sterke spier, die ten deele
op den ondersten en zijdelingschen borstwand ligt en wier voorste
deel door den schouder bedekt wordt. Ze ontspringt met een
groot hoofd, ter hoogte van de 9de rib op het gele buikbekleedsel,
verder aan het schubvormig kraakbeen, aan den kam en op de
spiervlakte van het borstbeen, loopt naar voren, treedt, na op de
hoogte van de 4de rib smaller te zijn geworden, onder den opper-
arm en hecht zich vast aan de inwendige katrol van den opperarm,
aan de peesplaat van de voorste kamspier, en pezig aan de pees
van de ravenbekswijze spier en onder den inwendigen spierknobbel
van den opperarm.
Deze spier dient om het voorheen naar achteren te trekken;
staat daarentegen het been vast, dan kan ze den romp naar voren
trekken. Zij houdt den boeg gestrekt en belet dus het doorzakken
in den schouder.
4". De hor stbeen-schouder spier {petit pectoral ou sterno-préscapulaire ;
Br ustbein-Schutter muskei; sterno-prescapularis)
(PI. III, fig. 3, g en
PI. II, fig. 2, k).
Dit is een lange, vleezige spier, die aan de zij vlakte van het
borstbeen en aan de eerste vier ribkraakbeenderen ontspringt,
daarna in een boog naar voren en boven gaat, over de voorvlakte
van het boeggewricht, vervolgens aan den voorrand van het
schouderblad naar boven loopt en aan den halshoek van het
4
-ocr page 76-
fco
schouderblad eindigt. De spier wordt in haar ligging gehouden
door een peesplaat, die van haar afgaat en zich aan de voorste
kamspier, den kam van het schouderblad en aan den medialen
knobbel van den opperarm vasthecht.
Zij ondersteunt de vorige in haar werking; tevens verhindert
ze het te sterk doorzakken van het boeggewricht.
§ 25. De bijzondere spieren der voorste ledematen.
A. Spieren aan de buitenzijde van het voorheen.
Tot de eerste laag behooren:
4°. De voorste kamspier (sus-épineux; vorderer GrütenmusJcel;
snperspinatus)
(PI. IV. fig. 1, a). Dit is een lange, sterk vleezige
spier, die, met een peesvlies overtrokken, in de voorste kamgroeve
van het schouderblad is gelegen. Ze ontspringt op de uitwendige
vlakte van het schouderbladkraakbeen en in de voorste kamgroeve ,
hecht zich vast aan den kam en aan den voorrand van het
schouderblad, en puilt zelfs buiten dezen voorrand uit. Ze loopt
dan naar beneden en verdeelt zich boven de oorsprongspees van
den rechten onderarmbeenbuiger in twee takken, waarvan de een
zich aan het uitwendige en de andere aan het inwendige katrol-
uitsteeksel van het opperarmbeen vasthecht.
Ze fixeert en strekt het boeggewricht, het laatste bij het
achteruitgaan.
2°. De achterste kamspier (sous-épineux; hinterer Griitenmuskel ;
subspinatus) (PI. IV, fig. 1, b). Deze is grooter dan de vorige, door
een breed peesvlies van de groote schouder-draaierspier bedekt,
en in de achterste kamgroeve van het schouderblad gelegen. Ze
ontspringt aan de uitwendige vlakte van het schouderbladkraak-
been, bevestigt zich in de geheele achterste kamgroeve, alsook
aan den kam en den achterrand van het schouderblad, en eindigt
met twee takken aan den opperarm. De grootste (oppervlakkige)
tak gaat in een sterke pees over, loopt over den uitwendigen
spierknobbel en eindigt onder dezen aan den naad (ruwigheid) van
den opperarm. De dieper gelegen, zwakke, vleezige tak eindigt
aan den vrijen rand van den uitwendigen spierknobbel.
Ze fixeert het boeggewricht en brengt het vrije been naar buiten.
3°. De groote schouder-draaierspier of de uitwendige lange buiten-
waarts-draaier van den opperarm {long abduc
, du bras; grosser
Schidter-Umdrehcrmuskel; long abduvtur of the arm)
(PI. IV, fig. 1, c).
Deze spier ligt achter de vorige en begint met een breed
-ocr page 77-
51
peesvlies, dat de achterste kamspier bijna geheel bedekt, aan den
kam, en met een vleezig deel aan den achterrand van het
schouderblad, gaat dan naar beneden en eindigt deels pezig,
deels vleezig aan den draaier van den opperarm.
Ze buigt en trekt den opperarm naar buiten.
4°. De groote schouder- elleboogspier of de dikke strekker van den
opperarm (gros extenseur de Vavant-bras; grosse Schulter-]ülenbogen-
muskei; large extensor of the jore-arm)
(PI. IV, fig. 1, d). Dit
is een groote, dikke, driehoekige spier, die de ruimte tusschen
het schouderblad, den opperarm en het elleboogbeen opvult.
Ze ontspringt pezig aan den achterrand van het schouderblad,
heeft uitwendig een groeve voor de beide schouder-opperarmbeen-
spieren (schouder-draaierspieren) en eindigt pezig en vleezig aan
den knobbel van het elleboogbeen.
Ze strekt den onderarm.
5". De uitwendige opperarm elleboogspier (court eitenseur de Cavant•
bras; dussere Armbein-Ellenbogenmuskél; short extensor ofthe f ore-arm)
(PI. IV, fig. 1, e). Deze spier ligt deels buiten op den opperarm,
deels in een verdieping van de vorige. Ze heeft een langwerpig
vierhoekigen vorm, ontspringt aan den opperarm en wel aan de ruwe
lijn tusschen den uitwendigen spierknobbel en den draaier, gaat dan
op de uitwendige vlakte in een schuine richting naar beneden en
achteren naar den elleboog, waar ze zich met de pees van de vorige
spier verbindt, en eindigt aan den knobbel van het elleboogbeen.
Ze heeft dezelfde werking als de vorige.
6°. De schouder-onderarmbeenspier of rechte onderarmbeenbuiger
(biceps; Schulter-Vorarmbeinmitskel; biceps)
(PI. IV, fig. 1, f en fig 2,
c, c). Deze neemt haar oorsprong, bedekt door de voorste kamspier,
met een sterke pees aan den knobbel van het schouderblad, gaat
over het katroluitsteeksel van den opperarm en heeft hier een
overeenkomstige kraakbeenige katrol. De dikke, spoelvormige spier,
die over haar geheele lengte van een sterke peesstreng is voor-
zien, loopt nu over de voorvlakte van den opperarm en het elleboog-
gewricht, en eindigt met een sterke pees aan het boveneinde
van den onderarm en tevens aan het peesvlies van den rechten
pij pst rekker.
Ze buigt den onderarm, ondersteunt het naar voren brengen
van het voorheen en verhindert het sterk doorzakken van het
boeggewricht. \' **
7". De opperarm-pijpbeenspier of de strekker van den voor-midden-
voet (extenseur antérieur du métacarpe; Arm-Schienbeinmuskel; anterior
-ocr page 78-
m
extensor of the metacarpus) (PI. IV, fig. 1, g). De rechte pyp~
strekker, zooals ze ook wel genoemd wordt, ontspringt aan den
strekknobbel (uitwendig) en aan den kam van den opperarm,
krijgt een sterken spierbuik, die over het ellebooggewricht en op
de voorvlakte van den onderarm loopt, en een handbreed boven
het voorkniegewricht in een sterke, platte pees verandert, die
aldaar door een peesscheede omgeven is en zich aan het boven-
einde van het pypbeen bevestigt.
Ze strekt het pypbeen.
8". De onderarm-pijpbeenspier of omwonden pijpstrekker (extenseur
oblique du métacarpe ; Vorarm-Schienbeinmuskel; oblique extensor of the
metacarpus)
(PI. IV, fig. 1, h) ontspringt als een dunne, breede,
deels pezige, deels vleezige spier aan den uitwendigen rand, iets
boven het midden van den onderarm, gaat van hier naar beneden
en binnen, en verandert in een platte pees, die door een pees-
scheede wordt omgeven. In schuine richting gaat ze nu over de
pees van de vorige spier naar het hoofdje van het binnengrilTel-
been en eindigt aldaar.
Z\'y\' strekt het voorkniegewricht.
9". De uitwendige opperarm-haakbeenspier {Jléchisseur externe du
métacarpe; ausserer Arm-IIakenbeinmuskel; external Jlexor of the
metacarpus)
(PI. IV, fig. 1, i).
Dit is een platte, met vele peesstrooken doorvlochten spier,
die aan de achter- en buitenzijde van den onderarm ligt. Ze
ontspringt vleezig en pezig aan den strekknobbel (uitwendige
knobbel) van den opperarm, loopt naar beneden en verandert
kort boven het haakbeen in een platte pees, die zich in twee
takken splitst. De korte tak gaat naar het haakbeen en de lange
bevestigt zich aan het hoofdje van het buitengrifïelbeen, alsmede
aan den uitwendigen langen zijband van het voorkniegewricht.
Ze buigt de beenderen van de knie en de pijp en kan het
kniegewricht helpen fixeeren.
10°. De opperarmbeensjner van het koot; kroon- en hoef been of
lange teenstrekker {extenseur antérieur des phalanges; langerer gemein-
schaftlicher Zehenstrecker; anterior extensor of the phalanges)
(PI. IV,
fig. 1, k, k\'). Deze spier ligt aan de voor-buitenzijde van den
onderarm, en ontspringt aan den strekknobbel van den opper-
arm, aan den uitwendigen z\'y\'band van het ellebooggewricht en
aan den uitwendigen bandknobbel van den onderarm, loopt naar
beneden en verandert, een handbreed boven de voorknie, in een
platte pees, die, door een scheede omgeven, zich meer naar de
-ocr page 79-
53
voorvlakte van het pijpbeen begeeft, zicli op liet koot- en kroon-
been verbreedt, en aan het kroonuitsteeksel van het hoef been
eindigt.
Op het onderste derde gedeelte van het kootbeen komt rechts
en links een peestak van den kootbeenbuiger, die zich met de
pees van den langen teenstrekker verbinden.
Deze spier vereenigt zich nog met twee kleinere, die eigenlijk
als hoofden daarvan zijn te beschouwen, en de spieren van Phillips
en van Thiernesse worden geheeten.
De spier van Phillips ontspringt aan den buitenrand van den
onderarm, en gaat weldra in een peesje over, dat met de pees
van den langen strakker door dezelfde scheede over het knie-
gewricht loopt en zich daarna met de pees van den korten teen-
strekker verbindt of wel als een zelfstandig peesje tusschen den
langen en den korten teenstrekker blijft loopen, om met den
laatsten aan het bovengedeelte van het kootbeen te eindigen
(PI. IV, fig. 2, h, h\').
De spier van Thiernesse is kleiner dan de vorige, ontspringt
ook aan den onderarm, loopt naar beneden en gaat weldra in
een dun peesje over, dat zich met de pees van den langen teen-
strekker verbindt (PI. IV, fig. 3, g).
De lange teenstrekker (met de twee hoofdjes) strekt de onderste
beenderen van het voorheen; tevens ondersteunt hij den pijpstrek-
ker in zijn werking.
11°. De onderarmbeenspier van het koot-, kroon- en hoef been, de korte
teenstrekker
of kootbcenstrekker (extenseur latéral desphalanges; kurzer
gemeinschaftlicher Zehenstrecker; lateral extensor of the phalanges)
(PI. IV,
fig, 1, l, l\') begint aan den uitwendigen knobbel van den onder-
arm, loopt aan de buitenzijde van dit been naar beneden en gaat,
een handbreed boven het voorkniegewricht, in een pees over, die
op dit gewricht een peesscheede bezit; zij loopt vervolgens op de
voorvlakte van het pijpbeen, parallel aan de pees van den langen
strekker, en eindigt aan het boveneinde van het kootbeen.
Ze strekt het kootbeen en ondersteunt de werking van den
langen teenstrekker.
Tot de 2e laag behooren:
1°. De middelste schouder-draaierspier of de uitwendige korte buiger
van den opperarm [court abducteur du bras
; mittlerer Schulter-
Umdrehermuskel; short abductor of the arm or ter es minor)
(PI IV,
fig. 2, a). Deze spier ontspringt aan het onderste derde deel
van den achtersten schouderbladsrand met een breede, platte pees,
-ocr page 80-
54
die naar beneden in een dikken, vleezigen spierbuik overgaat en
aan den draaier van liet opperarmbeen eindigt.
Ze ondersteunt de groote schouderblad" draaierspier in haar
werking.
2°. De opperarmbeen-onderarmbeenspier of korte buiger van het
onderarmbeen (court fléchisseur defavant-bras; Arm-Vorarmbeinmuskel;
short flexor of the f ore arm)
(PI. IV, fig. 2, (/). Deze spier, ook
de omwonden buiger van den onderarm genaamd, begint vleezig
op de mediale en de aclitervlakte, onder het gewrichtshoofd van
den opperarm, en windt zich onder den draaier in schuine richting
van boven naar beneden, over de uitwendige en voorvlakte van
den opperarm. Ze wordt daarna dunner en gaat over de voorvlakte
van het ellebooggewricht naar de binnenzijde van den onderarm,
waar ze met een zwakke pees eindigt.
Zij buigt den onderarm.
3°. De kleine opperarmbeen-elleboogspier of de kleine strekker van
den onderarm (petit extenseur de Vavant-bras; kleiner Armbein-Ellbogen-
muskei; small extensor of the f ore-arm; anconeus)
(PI. IV, fig. 2, e).
Een korte spier, die op de achtervlakte boven de ellebooggroeve
van den opperarm ontspringt en voor aan den knobbel van het
elleboogbeen eindigt.
Ze helpt den onderarm strekken.
B. Spieren aan de binnenzijde van het voorheen.
(Spieren van den opperarm, den onderarm en van het p\'ypbeen.)
Tot de llte laag behooren:
1°. De onderschouderbladspier {in. sous-scapülaire; Unter-Schidter-
blattmuskel \\ subscapularis)
(PI. IV, fig. 3, o). Ze ontspringt onder
de aanhechting van de breede getande spier, aan de binnenvlakte
van het schouderblad. Aan haar boveneinde is ze drietakkig en
haar ondereinde gaat in een breede, tamelijk sterke pees over,
die zich aan den inwendigen knobbel van het opperarmbeen vast-
hecht. Deze spier is deels pezig, deels vleezig, en haar vrije
vlakte is met een blauwachtig, glinsterend peesvlies overtrokken.
Zij trekt den opperarm naar binnen en ondersteunt ook de
opperarmbeenbuigers. Deze spier is de antagonist van de achterste
kamspier.
2°. De groote schouder-opperarmbeempier (adducteur du bras;
grosser Schutter• Armbeinmuskel; teres major; adductor of the arm)
(PI. IV, fig. 3, b). Deze neemt haar oorsprong sterk pezig, boven
aan den achterrand van het schouderblad, innig verbonden met
-ocr page 81-
55
de vorige spier, gaat, terwijl ze breeder wordt, naar beneden
en verandert, nadat ze weer smaller is geworden, in de nabijheid
van den opperarm, in een breede, platte pees, welke met die van
de breede rugspier vergroeid is en aan den naad (binnenzijde)
van den opperarm eindigt.
Haar werking bestaat in het buigen van het opperarmbecn,
dat zij tevens naar binnen trekt.
3°. De middelste schouder-oppei\'armbeenspier of ravenbekswij\'ze spier
(m. coraco bracMal; Ileber des Armbeins; coraco-humeralis)
(PI. IV,
fig. 3, c) ontspringt met een sterke, tamelijk lange pees aan het
ravenbekswijze uitsteeksel van het schouderblad, gaat schuin over
de binnenvlakte van het boeggewricht en over de pees van de
onderschouderbladspier naar beneden en achteren, wordt vleezig en
eindigt aan een ruwe plaats, op de voorvlakte van den opperarm.
Ze kan dezen strekken en naar binnen draaien.
•4°. Be lange schouder-elleboogspier of de lange strekker van den
onderarm {long extenseur de tavant-bras; langer Strerker des Vorarmes;
long extensor of the f ore-arm)
(PI. IV, fig. 3, d). Dit is een breede,
lange, dunne spier, die aan de binnenvlakte van de grooteschouder-
elleboogspier is gelegen. Haar vleezig deel ontspringt aan den rug-
hoek van het schouderblad en reikt tot aan de binnenzijde van het
ellebooggewricht; haar pezig gedeelte ontspringt aan den achter-
rand van het schouderblad, en verbindt zich naar achteren met den
voorsten en ondersten rand van het vleezig gedeelte. Beide deelen
eindigen gezamenlijk aan den elleboogknobbel en vormen tevens
een pezige scheede om de spieren van den onderarm.
Ze ondersteunt de elleboogstrekkers in hun werking.
5°. De opperarm-griffelbeenspier of buiger van de voor-midden-
voetbeenderen (fie\'chisseur interne du métacarpe; Arm-Griffelbein-
muskel; intemal jlexor of the metacarpus)
(PI. IV, fig. 3, e). Deze
spier ligt aan de binnenzijde van den onderarm vóór de inwendige
opperarm-haakbeenspier; ze ontspringt pezig aan den inwendigen
knobbel van den opperarm. Naar beneden vormt ze een platten
spierbuik, die op het midden van den onderarm in een ronde
pees overgaat, welke aan de binnenzijde van het voorkniege-
wricht een eigen peesscheede bezit en zich aan het hoofdje van
het binnengriffelbeen vasthecht.
Het is een buiger van het p\'ypbeen.
6°. De inwendige opperarm-haakbeenspier {fie\'chisseur oblique du
métacarpe; innerer Arm-Hakenbeinmuskel; oblique Jlexor of the meta-
carpus)
(PI. IV, fig. 3,/). Ze ontspringt met de vorige spier,
-ocr page 82-
56
eveneens pezig, aan den inweniligen knobbel van den opperarm,
en met een kleiner vleezig deel aan de binnenzijde van den
elleboogknobbel. Aan de binnenzijde van den onderarm vormt
ze een platten spierbuik, die in de nabijheid van het haakbeen
in een korte, sterke pees overgaat, welke met den korten tak
van de uitwendige opperarm-haakbeenspier vergroeid, zich aan het
achtereinde van het haakbeen vasthecht.
Ze buigt de beenderen van de voorknie en het pijpbeen.
De 2de laag: spieren van den onderarm, het pijp-, koot en
kroonbeen.
1°. De inwendige opperarm-elleboogspier of korte strekker van den
onderarm (petit extenseur de C avant-bras ou anconé; innerer Armbein-
Ellbogenmuskel; small extensor of the f ore-arm or anconeus)
(PI. IV,
fig. 4, a). Deze is betrekkelijk klein en begint, bedekt door de
middelste schouder-opperarmbeenspier, aan de inwendige vlakte boven
den naad van den opperarm, gaat dan naar achteren en beneden,
om met een platte pees aan de binnenzijde van den elleboog-
knobbel te eindigen.
Ze helpt den onderarm strekken.
Deze spier wordt met drie andere, namelijk met de kleine opper •
arm-elleboogspier, de groote schouderblad-elleboogspier en de uit-
wendige opperarm-elleboogspier, ook wel de vierhoofdige elleboog-
strekker geheeten; men beschouwt dan de vier genoemde spieren
als hoofden daarvan. Men heet de groote schouderblad-elleboog-
spier het schouderbladshoofd; de uitwendige opperarm-elleboogspier
het uitwendig opperarmbeenshoofd; de inwendige opperarmbeen-
elleboogspier het inwendig hoofd, en de kleine opperarmbeen-
elleboogspier het diepe of kleine hoofd.
2°. De opperarmbeen-kroonbeenspier of kroonbeenbuiger (jlêchisseur
superjiciel des phalanges ou perforc; Arm-Kronbeinmuskel; super-
ficial flexor, sublimis of the phalanges)
(PI. IV, fig. 4, b, b\', b").
Men heet deze spier ook wel de doorboorde buiger. Ze is zeer
lang en ontspringt pezig met de volgende spier aan den inwendigen
knobbel (buigknobbel) van het opperarmbeen, treedt dan, door
de beide opperarm-haakbeenspieren bedekt, op de achtervlakte van
den onderarm, waar ze een ronden spierbuik vormt, die op den
hoefbeenbuiger ligt. Op de achtervlakte van het voorkniegewricht
verandert ze in een sterke, platte pees, die door peesvezelen met
den hoefbeenbuiger is verbonden. Tevens krijgt de pees hier
een pezigen versterkingstak, die van de achtervlakte (ondereinde)
van den onderarm komt. De pees, door een peesscheede omgeven,
-ocr page 83-
57
gaat nu door den kniering op de achtervlakte van het pijpbeen, en
verder tusschen de huid en den hoefbeenbuiger, over de peesvlakte
van de sesambeenderen; op de achtervlakte van het, kootbeen
gekomen, splitst zij zich in twee takken, waarvan de een zich aan
de linker, de andere aan de rechter zyvlakte van het kroonbeen
vasthecht. Op de sesambeenderen, waar de pees door een ring-
band gaat, vormt ze een sterke scheede, waardoor de pees van
den hoef beenbuiger gaat; tevens wordt ze door een bovensten en
ondersten dwarsband aan weerszijden van het kootbeen bevestigd.
De werking bestaat in het buigen van het kroonbeen en tevens
van het koot- en hoefbeen.
3°. De opperarmbeen-onderarmbeenspier van het hoefbeen of de
hoefbeenhdger (fléchisseur profend des phalanges ou perforant; Arm-
Vorarmbeinmuskel des Hu f beines; deep jlexor of the phalanges or
perforans)
(PI. IV, fig. 4, c, c\', c", c"). Een lange, sterke spier,
die ook wel de doorborende buiger wordt geheeten. Men kan aan
den hoefbeenbuiger vijf hoofden of takken onderscheiden, waar-
van het eerste aan de binnenzijde van den elleboogknobbel, het
tweede, derde en vierde met elkander en met de vorige spier
aan den inwendigen knobbel van den opperarm, en het vijfde
op de achtervlakte van den onderarm ontspringt. Deze hoofden
gaan gezamenlijk op de achtervlakte van den onderarm, bedekt
door den kroonbeenbuiger, naar beneden en vereenigen zich even
boven het voorkniegewricht tot een sterke pees, die, door een
scheede (carpaalscheede) omgeven, vóór de pees van de vorige
spier door den kniering, op de achtervlakte van het pijpbeen gaat,
en hier van den achtersten gemeenschappel\'yken band van het
kniegewricht, een pezigen versterkingstak opneemt. Deze ver-
sterkingstak belet een te sterk doortreden. Hierop gaat ze tus-
schen de pees van den kroonbeenbuiger en kootbeenbuiger, door
de scheede van den kroonbeenbuiger (een gedeelte der sesam-
scheede), op de achtervlakte van het kootbeen, doorboort alhier
de pees van den kroonbeenbuiger, loopt verder over de peesvlakte
van het straalbeen en eindigt waaiervormig aan de zoolvlakte
van het hoefbeen.
Deze spier buigt het hoefbeen en ondersteunt ook de vorige
in haar werking.
4°. De pijpbeenspier van het kootbeen of kootbeenbuiger of\'bovenste
ophangband van de sesambeenderen (ligament suspenseur du boulet;
Spannband; suspensoi-y ligament).
Ze ligt in de sleuf, die gevormd
wordt tusschen het pijpbeen en de beide griffelbeenderen, on-
-ocr page 84-
58
middellijk op liet been. Ze is gelieel pezig en werkt bij het paard
slechts als spanband. Ze ontspringt aan den achtersten band van
de voorknie en splitst zich beneden gaffelvormig in twee takken,
die aan de uitwendige vlakten van de sesambeenderen eindigen.
Aan weerszijden zet zich een peesstrook op de voorvlakte van het
k ootbeen voort, die zich verbindt met de pees van den hoefbeen-
strekker.
De kootbeenbuiger is slechts als een band te beschouwen, die
het kootgewricht fixeert en een te sterk doortreden belet; tevens
draagt ze bijna den geheelen lichaamslast.
§ 20. DE GEMEENSCHAPPELIJKE EN DE BIJZONDERE SriEREN
VAN HET ACHTERBEEN.
Tot de gemeenschappelijke spieren van het achterbeen rekent
men in het algemeen de om het bekken en aan de binnenzijde
van de lenden gelegen spieren, die van den romp naar het bekken
en het lidmaat of van het bekken naar het lidmaat gaan.
De inwendige lendenspieren.
Hiertoe belmoren drie sterke spieren, die alle aan de inwendige
vlakte van de lenden liggen en tot bevestiging van het bekken
aan den romp dienen.
1°. De kleine lendenspier of lenden-darmbeenspier (petit psoas;
Lenden-Darmbeiumuskel; small psoas muscle)
(PI. V, fig. 2, b).
Eerst nadat de buikholte geopend is, krijgt men haar te zien.
Het is een half vedervormige spier, die zijdelings van de lichamen
der lenden wervels, op de groote lendenspier is gelegen. Ze
begint aan de lichamen der drie laatste rugwervels en aan alle
lendenwervels, met uitzondering van den zesden. De vezelen
loopen naar achteren en beneden, en veranderen in een pees, die
zich vasthecht aan een kam bij den achtersten darmbeenshoek.
Ze is een tegenwerker van de buikspieren en ondersteunt de
rugspieren. Ze kan het bekken iets naar voren en de lenden-
wervels naar beneden trekken.
2". De groote lendenspier of de groote lenden-dijbeenspier {grand
psoas; Lenden-Backbeinmuslcel; great psoas muscle)
(PI. V, fig. 2, c).
Deze spier ligt eveneens in de buikholte, aan den uitwendigen
rand van de vorige; ze is zeer vleezig en ontspringt aan den
achterrand en wel aan het boveneinde van de laatste twee ribben,
bevestigt zich aan de lichamen en de dwarse uitsteeksels van de lenden-
-ocr page 85-
r»-i
wervels en gaat clan, smaller wordende, tusschen de groote en
middelste darmbeen-dybeenspier, waarmede ze zich verbindt, naar de
binnenzijde van het dijbeen en hecht zich aldaar aan den kam vast.
Staat het been vast, dan kan ze den rug naar beneden
trekken; is daarentegen de rug het vaste punt, dan buigt ze het
dijbeen en trekt het geheele lidmaat naar voren en binnen.
3°. De groote darmbeen-dijbeenspier (psoas iliaque; grosser Darm-
Backbeinmuskel; iliac psoas)
(PI. V, fig. 2, d). Ze ligt aan de
buitenzijde van de vorige, is dik en vleezig, en ontspringt aan de
binnenvlakte van het darmbeen. Naar beneden wordt ze smaller en
eindigt met de vorige aan den kam van het dijbeen; ze helpt dit
buigen.
4°. De middelste darmbeen-dijbeenspier (mittlere Darm-Backbein-
muskel)
(PI. V, fig. 2, e) ontspringt aan de pees van de kleine
lendenspier, verder aan de binnenvlakte van het darmbeen en
aan den vleugel van het kruisbeen, loopt daarna iets gewonden
naar achteren en beneden, en eindigt met de beide vorige spieren
aan den kam van het dijbeen.
Ze ondersteunt deze beide in haar werking.
De twee laatstgenoemde spieren zijn, zooals ze nu zijn beschre-
ven, feitelijk geen lendenspieren, doch wijl sommigen de laatste
drie spieren als hoofden van de lenden-darmbeen-dij beenspier be-
sehouwen, zullen ze ook hier daartoe worden gerekend.
5°. De vierhoekige lendenspier {carré des lombes; viereckige Lenden-
muskei; square muscle of the .oins)
(PI. V, fig. 2, a, a\'). Ze ligt
onmiddellijk op de ondervlakte van de dwarse uitsteeksels der lenden-
wervels en vormt aldaar de 3\'le spierlaag. Ze ontspringt in de
nabijheid van de gewrichten der laatste twee ribben, beschrijft dan
een boog naar buiten, hecht zich vast aan de dwarse uitsteek-
sels der lendenwervels en aan den vleugel van het kruisbeen, en
eindigt aan de binnenvlakte van het darmbeen.
Bij eenzijdige werking kromt ze het lendengedeelte van de wervel»
kolom naar ter zijde.
Spieren aan de binnenvlakte van het dijbeen.
Tot de eerste laag behooren:
1°. De inwendige darmbeen schenkelbeenspier of de dunne bin-
nenwaarts-br enger (long adducteur de la jambe; inner er Darm-Schen-
kelbeinmuskel; long adductor of the leg)
(PI. V, fig. 1, b). Het
is een lange, smalle spier, die in de buikholte, met een breede
-ocr page 86-
«50
peesplaat, aan de lenden-darmbeenspier ontspringt, dan een slanken
spierbuik vormt, die naar beneden, langs de binnenzijde van het
dijbeen loopt. Ze gaat hier naar den voorrand van de schaambeen-
schenkelbeenspier, verbindt zich boven het kniegewricht met de
peesplaat van laatstgenoemde spier en hecht zich met deze vast
aan den binnensten rechten band van de knieschijf.
Ze trekt den schenkel en daarmede het geheele achterbeen
naar binnen en voren.
2°. De schaambeen-schenkelbeenspier of de breede binncnwaarts-
brenger (cowt adducteur de la cuisse; Scham-Schenkelbeinmuskel; short
adductor of the leg)
(PI. V, fig. 1, c). Deze spier is breeder en
sterker dan de vorige. Ze ontspringt met de gelijknamige spier
van de andere zijde aan de vereeniging van de beide schaam* en
zitbeenderen, gaat dan, de geheele binnenvlakte van het dijbeen
bedekkende, naar beneden in een breede peesplaat over, die zich
met haar voorrand verbindt met die van de vorige spier en aan
den binnensten rechten band van de knieschijf, alsmede aan de
binnenvlakte van het schenk elbeen eindigt.
Ze trekt den schenkel naar binnen; staat deze vast, dan trekt
ze den romp over.
Tweede laag aan het d ij been en schenkelbeen
(binnenvlakte).
1°. De voorste schaambeen-dijbeenspier (pectine; der vorder e Scham-
Backbeinmuskel; pectineus)
(PI V, fig. 2, ƒ). Ze is spoelvormig en
ontspringt aan den voorrand en den kam van het schaambeen,
gaat naar beneden en iets naar buiten, en hecht zich pezig vast
onder den kam, aan de binnenzijde van het dijbeen.
2°. De middelste schaambeen-dijbeenspier (petit adducteur de la
cuisse; mittlerer Scham-Eackbeinmuskel; smal adductor of the thigh)
(PI. V, fig. 2, g). Deze spier ligt achter de vorige, is iets grooter
en wordt geheel door de schaambeen schenkelbeenspier bedekt.
Ze ontspringt aan de schaambeensvereeniging, gaat dan naar be-
neden en buiten, en eindigt, onmiddellijk bij de vorige, aan de
binnenvlakte van het dijbeen.
3°. De achterste schaambeen-dijbeenspier (grand adducteur de la
cuisse; hintere Scham-Backbeinmuskel; great adductor of the thigh)
(PI. V, fig. 2, h). Het is een lange, sterke spier, die tusschen
de vorige en de groote zitbeen-dijbeenspier ligt. Ze ontspringt ter
zijde van de schaam zitbeens-vereeniging en eindigt deels aan de
-ocr page 87-
01
achtervlakte van het dijbeen, deels boven het inwendige gewrichts-
uitsteeksel daarvan.
De laatste drie spieren trekken het dijbeen naar binnen; staat
het been vast, dan trekken zij den romp over.
4°. De groote zitbeen-dijbeenspier (demi-membraneux; grosse Gesüss-
Backbeinmuskel; semimembranosut)
(PI. V, fig. 2, ï). Het is een
groote, breede spier, die aan de binnen vlakte en den achter-
rand van het dijbeen ligt. Ze ontspringt met twee hoofden. Het
eene hoofd komt van den breeden bekkenband en het andere,
dat veel sterker is, ontspringt aan de ondervlakte en den knobbel
van het zitbeen, loopt dan eenigszins in een boog naar voren en
beneden, en eindigt boven het inwendige gewrichtsuitsteeksel van het
dijbeen en aan den binnen-zijband van het dy-schenkelbeen-gewricht.
Ze strekt het heupgewricht en brengt het onderste gedeelte
van het dijbeen iets naar binnen; bij samentrekking van onderen
uit, zal ze het bekken doen kantelen en medewerken tot het
opheffen van het voorstel.
5°. De inwendige dij - schenkelbeenspier (vaste interne; inner er dicker
Schenkelmuskel; vastus interims)
(PI. V, fig 2, k). Deze spier
ontspringt onder het gewrichtshoofd van het dijbeen, gaat op de
binnenvlakte van dit been naar beneden en is aan haar voorrand
met de voorste darmbeen-schenkelbeenspier vergroeid. Ze eindigt
aan den binnenhoek van de knieschijf. De binnenste rechte band
van de knieschijf is als een pees van deze spier te beschouwen.
6°. De voorste darmbeen-schenkelbeenspier (droit (intérieur de la
cuisse; der vordere Darm-Schenkelbeinmuskel; anterior straight mttscle
of the thigh)
(PI. V, fig. 2, l). Dit is, evenals de vorige, een dikke,
sterke spier, die met twee peestakken in de peesgroeve van den
achtersten darmbeenshoek ontspringt, en op de voorvlakte van het
dijbeen, tusschen de vorige en de uitwendige dijbeen-schenkelbeen-
spier, waarmede ze vergroeid is, verder loopt. Ze eindigt aan den
middelsten hoek van de knieschijf. De middelste rechte band van
de knieschijf dient haar als pees.
De beide laatstgenoemde spieren trekken de knieschijf naar
boven, waardoor het been gestrekt wordt.
Spieren aan de buitenzijde van het dij-
en schenkel been.
Tot de eerste laag behooren:
1°. De uitwendige darmbeen-schenkelbeenspier {inuscle du fascia
lata; aeusserer Darm-Schenkelbeiumuskel; muscle of the fascia lata)
-ocr page 88-
(\'»2
(PI. V, fig. 3, a). Deze ontspringt vleezig aan den uitwendigen darm-
beenslioek en is aan haar achterrand vergroeid met de uitwendige
darmbeen-draaierspier. Ze gaat naar beneden en verandert
boven het acliterkniegewricht in een breede peesplaat, die de
spieren aan het dijbeen en schenkelbeen omgeeft.
Ze helpt den schenkel strekken en naar buiten trekken en
ondersteunt de werking der knieschijfspieren
2°. De uitwendige dar mbeen-draaierspier {fessier superficiel; aeusserer
DarmbeinUmdrehermuskel; superficial gluteus)
(PI. V, fig. 3, b). Ze
heeft een driehoekigen vorm en ontspringt met twee hoofden;
het inwendige hoofd neemt zijn oorsprong aan den inwendigen,
en het uitwendige hoofd aan den uitwendigen darmbeenshoek.
Vervolgens gaat ze op het achterste gedeelte van de groote darmbeen-
draaierspier naar achteren en beneden, en eindigt met een platte
pees aan den ondersten draaier van het dijbeen.
Dit kan ze strekken en brengt daarbij de knieschijf iets naar binnen.
3°. Voorste kruisbeen-zitbeenspier van den schenkel {long vaste:
portion postérieure du, fessier superficiel; vorderer Kreuz-Sitzbeinmuskel
des Schenkels)
(PI. V, fig 3, f7, d\', d). Dit is een lange, sterke
spier, die tusschen de vorige en de volgende ligt. Ze ontspringt
aan de laatste drie doornvormige uitsteeksels van het kruisbeen
en aan de dwarse uitsteeksels van de eerste twee tot drie staart-
wervels, voorts aan den breeden bekkenband en eindelijk nog
met een vleezigen tak aan den zitbeensknobbel. Ze loopt daarna
naar beneden en eindigt met drie takken. De bovenste ligt eerst
aan den achter- en dan aan den buitenkant van het dijbeen, en
eindigt pezig aan de knieschijf en aan den uitwendigen rechten
band daarvan. Haar breede pees staat met de peesplaat van den
middelsten tak in verbinding. De middelste tak eindigt deels
ook aan den rechten band, deels met een breed peesvlies aan
den kam van den schenkel; tevens staat hij nog met den onder-
sten tak in verbinding. De onderste tak is lang en smal, en
verbindt zich aan zijn voorrand met den middelsten tak, terwijl
zijn achterrand met de achterste kruisbeen-zitbeenspier vergroeid
is; deze tak gaat eveneens in een breede peesplaat over, die naar
de binnenvlakte van den schenkel gaat en naar achteren met de
Achillespees naar het hielbeen loopt. De peesuitbreiding van de laatste
twee takken vormt een deel van de diepe peesplaat van den schenkel.
Ze kan den schenkel buigen, het spronggewricht strekken en
ook het geheele lidmaat iets naar buiten trekken. Als het achter-
been vast staat, werkt ze als strekker van den romp en heft dezen op.
-ocr page 89-
03
4°. De achterste kruisbeen zitbeenspier van den schenkel (demi-
tendineux; hinterer Kreuz-Sitzbeinmuskel des Schenkels; semitendinosus)
(PI. V, fig. 3, e, e\'). Het is een zeer lange, tweehoofdige spier, die
den achterrand helpt vormen van de eigenlijke bil. Haar bovenste
hoofd ontspringt aan de toppen der laatste doornvormige uit-
steeksels en aan den zijrand van het kruisbeen; dit hoofd gaat
naar beneden en verbindt zich met het tweede, dat veel sterker
is en aan den knobbel van het zitbeen ontspringt. Op de hoofden
van de kuitspier verandert de spier in een peesplaat, die zich
met de pees van de voorste kruisbeen-zitbeenspier van den schenkel
verbindt en tevens een platte pees naar voren afgeeft, welke zich
aan de binnenvlakte en den kam van den schenkel vasthecht. Ook
loopt er nog een peestak met de Achillespees mede.
Ze trekt het achterbeen naar binnen en achteren, en buigt
den schenkel.
De tweede laag van spieren aan het dij been,
schenkelbeen en pijp been.
1°. De groote darmbeen-draaiei\'spier (grand fessier; grosser Darmbein-
Umdrehermuskei; middle gluteus)
(PI. V, fig. 4, «). Het is de
grootste en dikste spier van het achterbeen, die voor een groot
deel onder de uitwendige darmbeen-draaierspier ligt. Ze ontspringt
op de hoogte van den 2den lendenwervel met een driehoekig
hoofd, in een verdieping van de lange rugspier. Daarna gaat ze
naar achteren en beneden, bevestigt zich op de uitwendige vlakte
en aan den binnen- en buitenhoek van het darmbeen , en tevens
aan den zijrand van het kruisbeen. Ze eindigt met een sterke
pees aan den grooten draaier, met een zwakkere aan den mid-
delsten (alwaar die pees een slijmbeurs bezit), en met een drie-
hoekig hoofd pezig achter den kleinen draaier.
Ze strekt het dijbeen en kan de knie iets naar binnen brengen.
Als het achterbeen vaststaat, kan ze den romp helpen opheffen.
2°. De uitwendige dijbeen-schenkelbeenspier (vaste externe; aeusserer
Back-Schenkelbeinmuskel; external vastus)
(PI. V, fig. 4, b) ont-
springt pezig onder den middelsten draaier en aan de buitenvlakte
van het dijbeen. Ongeveer in het midden van het dijbeen verbindt
ze zich met de voorste darmbeen-schenkelbeenspier en eindigt aan
den buitenhoek van de knieschijf.
Ze trekt de knieschijf naar boven en strekt daarbij den schenkel.
3°. De dijbeen-hielbeenspier of de kuitspier (jumeauic de la jambe;
Zwillinge oder Wadenmuskel; gastrocnemii or gemelli of the tibia)
-ocr page 90-
ü
(PI. V, fig. 4, c, e\'). Ze bestaat uit twee hoofden. Het uitwen-
dige hoofd ontspringt naast de peesgroeve van den kroonbeenbuiger
van het dijbeen, terwijl het binnenste hoofd iets lager naast die
groeve zijn oorsprong neemt. Beide zijn ovaal op doorsnede en
vormen te zamen een sterke pees, welke zich met die van den kroon-
beenbuiger spiraalsgewijze opwindt tot de zoogenaamde Achillespees.
De pees van de kuitspier eindigt aan den hielbeensknobbel.
Ze strekt het spronggewicht en het p\'y\'pbeen.
4°. De schenkel-hielbeenspier (soleair e; plantairc gréle; Schenkel-
Fersenbeinmuskel; solearis)
(PI. V, fig. 4, d) ontspringt aan het
hoofdje van het kleine schenkelbeen, loopt langs de buitenzijde
van den schenkel naar beneden en achteren, en verandert dan in
een kleine pees, welke zich met die van de vorige spier verbindt.
Het is een strekker van het hielbeen.
De derde laag (spieren van het dijbeen).
1°. De middelste darmbeen draaierspier (mitllerer Kruppenmuskel;
glulaeus minimin)
(PI. VI, fig. 2, o). (Wordt door de Franschen
tot de groote croupspier gerekend.) Deze spier ontspringt vleezig
op de bovenvlakte van het darmbeen, tusschen den uit- en in-
wendigen hoek; ze loopt dan naar achteren en beneden, en gaat,
smaller wordende, in een pees over, die zich aan den middelsten
draaier van het dijbeen vasthecht.
Ze strekt het dijbeen.
2°. De kleine darmbeen draaierspier (petit fessier; kleiner Krup-
penmuskel; deep ghiteal)
(PI. VI, fig. 2, b). Deze spier ontspringt
aan den kam van den achtersten darmbeenshoek en aan den
bovenrand van den uitwendigen zitbeenstak, gaat dan over de
buitenzijde van het heupgewricht, alwaar ze met den beursband
is verbonden, en hecht zich vast aan den middelsten draaier van
het dijbeen. Ze ondersteunt de vorige spieren in haar werking.
3°. De tweelingspieren (jumeaux du bassin; Zwillingsmuskel;
gemelli of the pelvis)
(PI. V, fig 2, d). Ze bestaan meestal uit
twee spieren, van daar den naam tweelingspier. Ze ontspringen
aan den onderrand van de uitwendige zitbeensuitsnyding en ein-
digen in de draaiergroeve van het dijbeen.
Ze helpen het kniegewricht naar buiten draaien.
4". De kleine zitbeen-dij beenspier (carré crural; kleiner Gesüss-
backbeinmuskel; square crural)
(PI, VI, fig. 2, c). Het is een
kleine spier, die aan de ondervlakte en den kam van liet zitbeen
-ocr page 91-
G5
ontspringt, dan naar voren en beneden loopt en zich op de
achtervlakte van het dijbeen, in de buurt van den kleinen draaier
vasthecht.
Ze helpt het dijbeen strekken en het been naar achteren trekken.
5°. De kruisbeen-draaierspier of de piramidale spier (muscle pira-
midal; Kreuzbeinumdreher)
(PI. VI, fig. 3, a). Ze ligt binnen
de bekkenholte en ontspringt aan den vleugel van het kruis*
been en aan het darmbeen, loopt vervolgens naar de uitwendige
zitbeensuitsnyding en gaat aldaar over in een platte pees, welke
met die van de inwendige verstoppende spier vergroeid is. De
gemeenschappelijke pees dezer beide spieren treedt dan buiten de
bekkenholte en eindigt in de draaiergroeve van het dijbeen.
Ze draait het kniegewricht naar buiten.
6°. De inwendige verstoppende spier (obturateur interne; innerer
Verstopfungsmuskel; internal obturator)
(PI. VI, fig. 3, b). Ze ligt
in de bekkenholte onder de vorige. Haar oorsprong neemt ze
in den omtrek van het ovale gat, op de bovenvlakte van het
schaam- en zitbeen. De spierbundels loopen naar de uitwendige
zitbeensuitsnyding in een pees samen, welke met die van de
vorige vergroeid, in de draaiergroeve van het dijbeen eindigt.
Ze heeft dezelfde werking als de vorige.
7°. De uitwendige verstoppende spier (obturateur externe; aeusserer
Verstopfungsmuskel; extemal obturator)
(PI. VI, fig. 3, e). Ze ont-
springt met grove spierbundels in den omtrek van het ovale gat,
op de ondervlakte van het schaarn- en zitbeen, wordt naar haar
einde toe smaller, en bevestigt zich pezig in de draaiergroeve.
Ze ondersteunt de beide vorige spieren in haar werking.
3°. De kleine darmbeen-dijbeenspier (gréle antérieur; kleiner Darm-
backbeinmuskel; anterior gracilis)
(PI. VI, fig. 3, d). Dit is een
dunne, slanke spier, die boven de gewrichtskom, aan de buiten-
vlakte van den achtersten darmbeenshoek ontspringt, over de
voorvlakte van het heupgewricht loopt, waar ze zich met den
beursband verbindt en met een zwakke pees op de voorvlakte aan
het boveneinde van het dijbeen eindigt.
Ze ondersteunt de buigers van het dijbeen.
Spieren aan de vóór- en buitenvlakte van
het onderbeen.
Eerste laag.
1°. De dij-schenkelbeenspier van het pijpbeen (fléchisseur du m>:ta-
tarse; Schienbeinbeuger; jlexor of the metatarsus)
(PI. VI, fig. 4, a, a).
5
-ocr page 92-
m
Deze spier ligt op de voor-buitenvlakte van het schenkelbeen,
waar ze door den langen teenstrekker wordt bedekt Ze bestaat
uit twee deelen: een oppervlakkig pezig, en een daaronder liggend
vleezig gedeelte. Het pezig gedeelte ontspringt in de onderste
peesgroeve van het dijbeen, gaat over het kniegewricht en verbindt
zich op het midden van den schenkel met het vleezig gedeelte.
Even boven het spronggewricht splitst dit pezig gedeelte zich
in twee takken en laat de pees van het vleezig gedeelte door. De
buitenste tak van het pezig gedeelte hecht zich vast aan hetdob-
belsteenvormig been en aan het hielbeen; de binnenste tak gaat
naar den knobbel van de pijp.
Het vleezig gedeelte ontspringt aan de buitenvlakte van het
schenkelbeen en verbindt zich op het midden van dit been met het
pezig gedeelte. De pees van het vleezig deel treedt dan op het
spronggewricht door de twee takken van het pezig deel en verdeelt
zich eveneens in twee takken, waarvan de een (de voorste tak)
zich aan den knobbel van het pijpbeen, de andere (de binnentak)
aan het piramidale been en aan het hoofdje van het binnengriflel-
been vasthecht. Boven het spronggewricht worden de pezen van
het vleezig en pezig deel, gezamenlijk met de pees van den langen
teenstrekker, door een dwarsband (bovenste dwarsband) in haar
ligging gehouden.
Ze buigt het pijpbeen.
2". De dijbeenspier van het koot-, kroon- en hoef been of de lange
teenstrekker {extenseur commun des phalanges
; langer Zehenstrecker;
anterior extensor of the phalanges) (PI. VI, fig. 4, b, b\'). Ze ont-
springt met het pezig gedeelte van de vorige spier in de onderste
peesgroeve van het dijbeen, gaat dan over de voorvlakte van den
schenkel en verandert, een handbreed boven het spronggewricht, in
een sterke platte pees. Deze wordt boven het spronggewricht door
den bovensten dwarsband, in het midden van dit gewricht door den
snoerband en aan het boveneinde van het pijpbeen door den
ondersten dwarsband in haar ligging gehouden Ze gaat dan meer
naar de voorvlakte van het pijpbeen, op welks midden ze zich met
de pees van den middelsten strekker verbindt. De pees gaat verder
naar het koot- en kroonbeen, alwaar ze zich verbreedt door samen-
smelting met de peestakken van den schortband, en eindigt aan
het kroonuitsteeksel van het hoef been.
Ze strekt het koot-, kroon- en hoefbeen.
3°. De schenkelbeenspier van het koot-, kroon- en hoefbeen of de
middelste teenstrekker {extenseur latéral des plialanges; mittlerer Zehen-
-ocr page 93-
67
streeleer; lateral extensor of the phalanges) (PI. VI, fig. 4, c, c\'). Deze
spier ontspringt aan den buiteriz\'y\'band van het d\'y\'been-schenkelbeen-
gewricht en tevens aan het hoofdje en het lichaam van het kleine
schenkelbeen. Ze loopt aan de buitenzijde van den schenkel tus-
schen de vorige spier en den hoefbeenbuiger naar beneden, en
gaat boven het spronggewricht in een slanke pees over. Deze
gaat meer naar de voorvlakte van het py\'pbeen en verbindt zich
op het midden van dit been met de pees van den grooten teen-
strekker, wier werking ze ondersteunt.
4°. De korte teenstrekker of katrolspier {tarso-pré-phalangien; Roll-
beinmuskel)
(PI VI, fig. 4, d). Ze ontspringt aan de buitenvlakte
van het katrolbeen en loopt in de driehoekige ruimte, waar de
pezen der beide vorige spieren bijeenkomen. Aan de binnenzijde
hecht ze zich aan die strekpezen vast.
Ze ondersteunt de werking der beide vorige spieren.
De uitwendige griffelbeenspier (tusschen p\'y\'p- en giïflelbeenl en
de uitwendige wormvormige spier zijn, evenals aan de voorbeenen,
van weinig beteekenis.
Spieren aan de achter- en binnenzijde van
het onderbeen.
Eei\'ste laag.
1°. De omwonden dijbeen-schenkelbeenspier of \'knieholtespier (poplité ;
Kniekehlmuskel; popliteus) (PI. VI, fig. 5, a). Ze ligt in de knie-
holte en wordt door de kuitspier en den kroonbeenbuiger bedekt. Ze
ontspringt pezig onder den uitwendigen zijband van het kniegewricht
in een aldaar gelegen groeve van het dijbeen, wendt zich daarna
over het gewricht naar achteren, en hecht zich vast op de achter-
vlakte en aan den binnenrand van het groote schenkelbeen.
Ze draait den schenkel om zijn lengte-as naar binnen.
2°. De dijbeen-kroonbeenspier of de kroonbeenbuiger (jléchisseur
superficiel des phalanges ou pérforé
; Kronbeinbeuger ; superficial Jlexor
of the phalanges or perforatus)
(PI. VI, fig. 5, b, b", b\'). Dit is een
lange, grootendeels pezige spier, die, bedekt door de hoofden van
de kuitspier, haar oorsprong neemt in de achterste peesgroeve van
het dijbeen. Haar pees omwindt die van de kuitspier; beide pezen
vormen te zamen de pees van Achilles. Op de punt van het hielbeen
breidt ze zich plaatvormig uit, heeft daar een sly\'mbeurs en wordt
door twee steunbanden in haar ligging gehouden. Ze loopt
dan verder aan de achtervlakte van het py\'pbeen naar beneden
-ocr page 94-
08
en verhoudt zich nu als de overeenkomstige pees aan het voorheen
(zie blz. 57). Als spier heeft ze weinig beteekenis; ze werkt meer
als spanband.
Toch kan ze het kroonbeen buigen.
3°. De hoefbeeiibuiger {fléchisseur profond des phalaiiges ou
perforant
; Ilufbeinbeuger; deep Jlexor of the phalanges or perfovans)
(PI. VI, fig. 5, c, c). Het is een sterke driehoofdige spier, wier
vleezig gedeelte grootendeels op de achtervlakte van den schenkel
ligt. De drie hoofden zijn: het groote, het achterste en het
binnenste hoofd.
er. Het groote hoofd ontspringt aan de buitenzijde en onder de
gewrichtsvlakte van het schenkelbeen; dit deel neemt tevens zijn
oorsprong op de achtervlakte van het groote schenkelbeen en even-
eens aan het kleine schenkelbeen.
b. Het achterste hoofd ligt op het vorige, waarmede het grooten-
deels is vergroeid; diens zwakke pees verbindt zich weldra met
die van het groote hoofd.
De gemeenschappelijke pees dezer beide hoofden loopt over de
binnenvlakte van het hielbeen en vormt hier een peesscheede, die
door een kraakbeenplaat van den beursband van het sprongge-
wricht wordt gescheiden. De pees wordt hier in haar ligging
gehouden door een voortzetting van den achtersten band van het
spronggewricht; zij loopt verder op de achtervlakte van het pijp-
been tusschen den kroon- en kootbeenbuiger en verbindt zich op
het midden van dit been met de pees van het volgende hoofd,
alsmede met een versterkingsband, die van den achtersten sprong-
gewrichtsband komt. Ze verhoudt zich dan in haar verderen loop
als de pees van den hoefbeenbuiger aan het voorheen.
c. Het binnenste hoofd ontspringt aan het hoofdje van het
kleine schenkelbeen en ligt in een groeve van het groote hoofd.
Het is volkomen van de beide vorige hoofden gescheiden. Het
gaat op het midden van den schenkel in een pees over, die over
de binnenvlakte van het spronggewricht door een lange peesscheede
loopt en zich op het midden van het pijpbeen met de gemeenschap-
pelijke pees der beide vorige hoofden verbindt. (Zie boven).
Het groote en achterste hoofd wordt door sommigen geheeten
de groote schenkelbeen-hoef beenspier; ze worden dus als één spier
beschouwd, terwijl het binnenste hoofd dan ook als een afzon-
derlijke spier opgevat en de kleine schenkelbeen-hoef beenspier ge-
noemd wordt (PI. VI, fig. 5, d, d\').
De hoefbeenbuiger buigt het hoefbeen.
-ocr page 95-
60
A". De inwendige griffelbeenspier en 5°. de inwendige woruivormige
spier
zijn voor ons van weinig beteekenis
6°. De pijpbeenspier van het kootbeen of de kootbeenbuiger.
Deze verhoudt zich als die van het voorheen (zie blz. 57).
§ 27. De staartspieren.
1°. De bovenste kruisbeenspier van den staart of de korte opheffer
van den staart (sacro-coccygien supérieur
; kurzer Hebei\' des Schtveifes ;
sacro-coccygeus superior)
(PI. VI, fig. 1, a). Deze spier ligt boven
op de staartwervels, is zeer lang en tweehoofdig. Het lange hoofd
begint boven en zijdelings aan alle doornvormige uitsteeksels van
het kruisbeen; het korte hoofd daarentegen begint pezig aan de
toppen der laatste twee doornvormige uitsteeksels, vormt dan een
ronden spierbuik, die in zijn verderen loop langzamerhand smaller
wordt en zich met afzonderlijke peestakken aan alle staartwervels
vasthecht. Met de gelijknamige spier van den anderen kant heft
ze den staart in de hoogte.
2°. De zijdelingsche kruisbeenspier van den staart of de lange
opheffer van den staart (sacro -coccygien latêral
; langer Ileber des
Schweifes; sacro-coccygeus lateralis)
(PI. VI, fig. 1, b). Ze ligt
zijdelings van den staart en ontspringt op de zij vlakte van het
kruisbeen, gaat dan naar de zij vlakte van den staart, tusschen
de vorige en de volgende spier, en hecht zich aan den 5deD tot
den laatsten staartwervel vast. Werken de spieren van beide zijden
te gelijker tijd, dan wordt de staart opgeheven ; bij éénzijdige wer-
king wordt de staart naar dien kant en iets naar boven gebogen.
3°. De onderste lange kruisbeenspier van den staart of de lange
nedertrekker van den staart (sacro coacygien inférieur; langer Nieder-
zieher des Schweifes; sacro-coccygeus in/erior)
(PI. VI, fig. 1, c).
Deze spier ligt onder op de staartwervels. Ze ontspringt op de onder-
vlakte van het achtereinde van het kruisbeen, gaat naar de onder-
vlakte van den staart tot den laatsten staartwervel en bevestigt
zich aan alle wervels met een korte pees.
Ze trekt den staart naar beneden.
3°. De onderste korte kruisbeenspier van den staart of de korte
nederwaartstrekker van den staart.
Ook deze ontspringt op de
ondervlakte van het kruisbeen met een platten spierbuik en ligt
onder de vorige. Naar achteren wordt ze smaller en hecht zich
aan de ondervlakte der eerste acht staartwervels vast.
Ze ondersteunt de werking van de vorige spier.
-ocr page 96-
70
2°. De zitbeenspier van den staart of zijwaartstrekker (muscle
ischio-coccygien
; Seitwartszieher des Schweifes ; ischio-coccygeus) (PI. VI5
lig. 1, \'/). Dit is een platte spier, die met een platte pees aan
de binnen vlakte van den breeden bekken band ontspringt. Ze loopt
daarna in schuine richting naar achteren en boven en hecht zich
vast aan de dwarse uitsteeksels der eerste vier staartwervels.
Ze trekt den staart naar beneden en zijwaarts.
§ 28. De werking van spiergroepen.
Bepaalde bewegingen der lichaamsdeelen worden meestal uit-
gevoerd door samenwerking van verschillende spieren. Bij uitzon-
dering geschieden deze door samentrekking van een enkele spier.
Als bewegingen, die op het gebied der uitwendige paardenkennis
belangstelling verdienen, noemen wij de volgende.
1°. De bewegingen van hoofd en hals.
Het hoofd kan zelfstandig worden bewogen in het nekgewricht
en wel: gestrekt, gebogen en zijwaarts gebogen. Het strekken
van het hoofd alleen, terwijl de hals vaststaat, geschiedt door de
lange en de korte draaier-kruinbeenspier, en de bovenste atlas-
kruinbeenspier. Zij worden in haar werking ondersteund door de
zijdelingsche atlas-kruinbeenspier. De laatste spier kan ook het
hoofd zijwaarts afbuigen tegen den hals.
Het hoofd wordt ten opzichte van den hals gebogen door de
atlas-griffelspier, de onderste atlas-kruinbeenspier en de halswervel-
kruinbeenspier.
Het draaien van het hoofd op den hals geschiedt door de
draaier-atlasspier. Deze draaibeweging heeft plaats tusschen den
l«t"> en den 2don halswervel.
Bovendien wordt het hoofd gelijktijdig met den hals in ver-
schillende richtingen bewogen. Het paard kan aan zijn hals zeer
uiteenloopende standen geven, waarbij de richting van het hoofd
tevens verandert. Vooreerst geschieden de halsbewegingen door de
eigenlijke halsspieren en in de tweede plaats door de gemeenschap-
pelijke spieren, die van den hals naar het schouderblad en het
opperarmbeen loopen.
Het neerbuigen van hals en hoofd geschiedt door de borstbeen-
kaakspier, wanneer de kaak gefixeerd is; de rib-halswervelspier,
wanneer de spieren zich aan beide zijden gelijktijdig samentrekken;
-ocr page 97-
71
de rug-atlasspier, die iederen halswervel afzonderlijk kan bewegen
en ook den hals in zijn geheel kan buigen.
Hoofd en hals worden opgericht door de miltvormige spier, de
groote doorvlochten spier (het hals en hoofdgedeelte van de dwarse
doornspier) en de rug-tepelspier (hals- en hoofdgedeelte van de lange
rugspier). De arm-wervel-tepelspier strekt hoofd en hals, wanneer
zij haar vaste punt aan het lidmaat heeft; de onderste nek band-
schouderspier ondersteunt de halsstrekkers, als het lidmaat vast-
staat; hetzelfde kan worden gezegd van de halswervel-schouderspier.
Het zijwaartsbuigen van hoofd en hals vindt plaats als de
oprichtende en de neerbuigende spieren derzelfde zijde zich samen-
trekken.
Wanneer de oplichters en buigers aan beide zijden gelijktijdig
werken, dan zetten zij hals en hoofd vast en strekken deze rechtuit,
zooals men soms bij het rennende paard waarneemt.
2°. De bewegingen der voorbeenen.
De voorbeenen zijn met den romp verbonden door gemeen-
schappelijke spieren, die naar het schouderblad en den opperarm
loopen. Bovendien dragen hiertoe bij peesplaten, die het schou-
derblad aan de schoftuitsteeksels bevestigen.
De voorbeenen dienen in rust tot steun van liet voorstel; bij
bepaalde bewegingen gedurende korten tijd van het geheele lichaam;
in den galop moet het vooruitgestrekte voorheen den lichaamslast
zelts een oogenblik alleen dragen. De romp is tusschen de voor-
beenen opgehangen, vooral aan de groote getande spier (hals- en
borstgedeelte), de groote borstbeen-opperarmbeenspier en de
borstbeen-schouderspier, en wel zoo, dat men zich het schouderblad
kan denken als te draaien om een dwarse as, die ongeveer ter
hoogte van den kamknobbel is gelegen.
Het boeggewricht wordt bij het in rust zijnde dier gefixeerd
door de kamspieren en de onderschouderbladspier, maar vooral door
de groote borstbeen-opperarmbeenspier, de borstbeen-schouderspier,
de groep van elleboogstrekkers en de schouderblads-onderarmbeen-
spier (biceps).
Het voorheen wordt door gemeenschappelijke spieren als één
geheel bewogen; de bijzondere verplaatsen de beenderen der lede-
maten ten opzichte van elkander.
Het vooruitbrengen van het voorheen in zijn geheel geschiedt
-ocr page 98-
72
door de arm-wervel-tepelspier, wanneer deze namelijk haar vaste
punt aan den hals heeft; verder door de buigers of neertrekkers
van het schouderblad. Als zoodanig dient aangemerkt de breede
getande of rib-schouderspier.
Tot de achteruitbrengers van het voorbeen behooren: de breede
rugspier of de rug-opperarmbeenspier, wanneer de romp het vaste
punt is, de groote borstspier of borstbeen-opperarmbeenspier en de
kleine borstspier of borstbeen-schouderspier. Genoemde spieren
worden hierbij gesteund door de strekkers of oprichters van het
schouderblad, zijnde de groote getande spier (halsgedeelte), de
miltvormige spier, de onderste nekband-schouderspier, terwijl de
bovenste nekband-schouderspieren bij het vooruit- en achteruit-
brengen werkzaam zijn , naarmate het achterste of voorste gedeelte
daarvan werkt.
Het binnenwaartsbrengen geschiedt door de onderschouderbladspier
en de breede of oppervlakkige borstspier, die uit twee deelen bestaat.
Het recht buitenwaartsbrengen kan slechts in geringe mate
plaats hebben, wanneer het dier niet speciaal hierin geoefend is.
Deze beweging geschiedt door de achterste kamspier, de groote
schouderblad-draaierspier, de middelste schouderblad-draaierspier
en de schouder-huidspier.
Verder kunnen de beenderen ten opzichte van elkander worden
verplaatst, zooals aangaande den schouder is vermeld.
De buigers van den bovenarm of van het boeggewricht zijn de
schouderblad-draaierspieren en de groote schouder-opperarmbeenspier.
De bovenarm (het boeggewricht) wordt gestrekt door de voorste
kamspier, de middelste schouder-opperarmbeenspier en de schouder-
onderarmbeenspier of rechten onderarmbeenbuiger.
Het onderarmbeen wordt gebogen door de schouder-onderarm-
beenspier (biceps) en de opperarm-onderarmbeenspier (korte buiger).
Het strekken van den onderarm geschiedt door de groote
schouder-elleboogspier, de uitwendige opperarm-elleboogspier, de
kleine opperarm-elleboogspier, de lange schouder-elleboogspier en
de inwendige opperarm-elleboogspier. De drie spieren, die van
den opperarm komen, strekken tevens het boeggewricht, onder
medewerking van den langen buiger van den onderarm.
De handwortel en het pijpbeen worden gestrekt door de opper»
arm-pijpbeenspier en de onderarm-pijpbeenspier.
De buigers van den handwortel en het pijpbeen zijn: de uit-
wendige opperarm-haakbeenspier, de inwendige opperarm-haak-
beenspier en de opperarm-griffelbeenspier.
-ocr page 99-
73
Als buigen voor de koot-, kroon- en hoefbeenderen dienen de
opperarm-kroonbeenspier of kroonbeenbuiger, de opperarm-onder-
armbeenspier van het hoef been of de hoefbeenbuiger en de pijp-
beenspier van het kootbeen.
Het strekken van genoemde beenderen heeft plaats door de
opperarmbeenspier van het koot-, kroon- en hoefbeen of den
langen teenstrekker en de onderarmbeenspier van het koot-, kroon-
en hoefbeen of den korten teenstrekker.
3°. De bewegingen der achterbeenen.
Het achterbeen wordt ook als een geheel door gemeenschap-
pelijke spieren bewogen, en de beenderen, waaruit het lidmaat
bestaat, ten opzichte van elkander, door bijzondere spieren. De
gemeenschappelijke spieren loopen van den romp naar het dijbeen,
de knieschijf en het schenkelbeen.
De vooruitbrengers van het achterbeen zijn: de borst-buik huidspier
en de buigers van het dij been (zijnde de groote lenden-dijbeenspier,
de groote darmbeen-dijbeenspier en de middelste darmbeen-dijbeen-
spier), de strekkers van het schenkelbeen (zijnde de uitwendige
darmbeen-schenkelbeenspier, de inwendige dijbeen-schenkelbeen-
spier, de voorste darmbeen-schenkelbeenspier en de uitwendige
dij been-schenkelbeenspier). Is het been vastgezet, dan voeren de
buigers van het dijbeen den romp achteruit. De strekkers van het
schenkelbeen steunen het kniegewricht en voorkomen zijn sluiting.
Van deze spieren wordt, vooral bij het steigeren en den galop,
veel inspanning gevergd.
De achteruitbrengers van het achterbeen zijn de strekkers van
het dijbeen (de groote darmbeen-draaierspier, de middelste darm-
been-draaierspier, de kleine darmbeen-draaierspier, de groote en
kleine zitbeen-dij beenspier) en de buigers van het schenkelbeen
(de voorste kruisbeen-zitbeenspier van den schenkel en de achterste
kruisbeen-zitbeenspier van den schenkel). Werken deze spieren
samen, terwijl de achterbeenen vaststaan, dan wordt de romp
van voren opgelicht. Zijn de achterbeenen naar voren vastgezet,
dan drijven zij met groote kracht het lichaam in die richting,
zooals dat bij het zwaar aantrekken, het rennen, enz. geschiedt.
Het oplichten en dragen van het voorstel en het vooruitwerpen
van den romp kunnen door de beide groepen, zelfs van één achter-
been uit, b.v. bij den galop, worden volbracht.
Het binnenwaartsbrengen van het achterbeen geschiedt door de
-ocr page 100-
74
inwendige darmbeen-schenkelbeenspier, de schaambeen-schenkel-
beenspier, de voorste, de middelste en de achterste schaambeen-
dijbeenspier. Deze spieren helpen het been ook achter* en voor-
uitbrengen, naarmate het voor- of achteruit is geplaatst.
Het buitenwaarts brengen geschiedt in geringe mate door de
darmbeen-draaierspieren en door de voorste kruisbeen-zitbeenspier
van den schenkel.
Van het schenkelbeen tot den hoef wordt het achterbeen
soms naar binnen gedraaid, b.v. bij zwaar trekken en bij het
urineeren. Deze draaiing heeft plaats door de omwonden dijbeen-
schenkelbeenspier of knieholtespier.
Het spronggeivricht wordt gebogen door de dijbeen-schenkelbeen-
spier van het p\'ypbeen en gestrekt door de dijbeen-hielbeenspier
(kuitspier) en de schenkel-hielbeenspier.
De strehkers van de koot-, kroon- en hoef beenderen zijn de
dij beenspier en de schenkel beenspier van het koot-, kroon- en hoef-
been, en de korte teenstrekker of katrolspier. Het buigen van
genoemde beenderen geschiedt door de dijbeen-kroonbeenspier of
kroonbeenbuiger en door den hoefbeenbuiger of doorborenden
buiger. Laatstgenoemde spieren drukken bij het aantrekken den
hoef met kracht tegen den grond en strekken dan tevens het
schenkelbeen en het pijpbeen, zoodat zij den gewrichtshoek van
het spronggewricht vergrooten.
4°. Bewegingen van den romp.
Meermalen werd reeds vermeld, dat wanneer zich een bepaalde
groep gemeenschappelijke spieren samentrekt, terwijl het betreffende
lidmaat vaststaat, niet het been, maar de romp boven het vast-
staande been wordt bewogen. De beweeglijke punten liggen in dit
geval aan den romp, waarvan de verplaatsing geschiedt in tegen-
overgestelde richting aan die, waarin, bij werking van dezelfde
spieren, het been bewogen wordt, indien dit vrij is.
Enkele rompspieren spelen bij bepaalde bewegingen, gesteund
door de spieren der ledematen, een voorname rol, onder anderen de
lange rugspier, de rechte buikspier en de inwendige lendenspieren.
De lange rugspier werkt als een geheel met de groote bilspier
en kan lendenen, rug en hals van uit de achterbeenen, of
omgekeerd liet achterstel van uit den hals, den rug en de lendenen
bewegen. Trekt één der lange rugspieren zich samen, dan zal zij
den rug zijwaarts krommen. Door de doomspieren wordt zij in
haar werking ondersteund.
-ocr page 101-
75
De rechte buikspier ondersteunt de rugspieren tot vastzetting
van de wervelkolom. Bij sterke inspanning trekt ze het bekken
naar voren.
Die borstspieren, welke onder gewone omstandigheden slechts
voor de ademhaling dienen, ondersteunen bij sterke inspanning de
rug-, buik- en gemeenschappelijke spieren. Zij zetten de borstkas
vast, de adem wordt ingehouden, zoodat genoemde spieren uit haar
vaste punten krachtig aan de borstkas kunnen werken.
5°. De bewegingen van den staart.
De staart wordt opgericht door de bovenste en de zijdelingsche
kruisbeenspier van den staart, en neet-getrokken door de onderste
lange en de onderste korte kruisbeenspier van den staart en tevens
door de zitbeenspier.
Wanneer de oprichtende en neertrekkende spieren van één
zijde gelijktijdig werken, dan wordt de staart zijwaarts bewogen-
Hiertoe draagt de zitbeenspier van den staart veel bij. Trekken
alle spieren zich te gelijk samen, dan wordt hij rechtuit gestrekt\'
HOOFDSTUK II.
DE VOEOINGSTOESTELLEN EN DE VOEDINGS
VERRICHTINGEN
§ 29. Voedingsstoffen, voedingsmiddelen en voedsel.
Ter vervanging van verbruikte stoffen moeten voortdurend
nieuwe in het lichaam worden gevoerd. Zij dienen om het orga-
nisme binnen de grenzen der normale samenstelling te houden
en om in het noodige voor de verschillende levensverrichtingen
te voorzien.
Zoodanige stoffen, die aan genoemde behoeften kunnen vol-
doen, noemt men voedingsstoffen. Na haar opneming worden zij
als zoodanig of na de noodige scheikundige omzettingen te hebben
ondergaan, tot normale bloed- en verder tot weefselbestanddeelen.
Hiertoe worden gerekend eiwitstoffen, vetten, koolhydraten, zouten,
water
en verder de zuurstof der dampkringslucht.
Tot de eiwitstoffen in het plantaardig voedsel behooren hoofd-
-ocr page 102-
76
zakelijk: de eigenlijke planteneiioitstof (albumine, de plantenvezelstof
{fibrine),
de z.g. kleefstof en de plantenkaasstof (legumine). Door
een rijkelijk gehalte aan deze stoffen wordt het voedsel krachtig
of sterk voedend.
Eiwitten worden in tegenstelling der koolhydraten met den
naam van stikstofhoudende voedingsstoffen bestempeld.
Vetstoffen behoeven niet direct in het lichaam te worden ge-
voerd. Zij kunnen binnen het lichaam, onder anderen uit eiwit-
stoffen, worden gevormd.
Tot de koolhydraten behooren: het zetmeel, de dextrine, de
suiker en de plantencelstof (cellulose). Zij dragen den naam van
koolhydraten, omdat zij behalve uit koolstof, uit zuurstof en
waterstof bestaan. In beide laatstgenoemde koolhydraten komen
genoemde elementen in dezelfde verhouding voor als in het water
(H\'0). Aangezien de stikstof (N) in de vetstoffen en de koolhydraten
ontbreekt, worden deze als stikstoflooze voedingsstoffen aangemerkt.
Aan de zouten (minerale stoffen of aschbestanddeelen wordt in
het algemeen als voedingsstof minder beteekenis gehecht, omdat zij
in het voedsel en drinkwater steeds in voldoende hoeveelheid aan-
wezig zijn. Zij behoeven dus niet afzonderlijk te worden verstrekt.
Ontbreken evenwel stoffen als ijzer, keukenzout, phosphaten, enz.,
dan zal het organisme weldra de nadeelen hiervan ondervinden.
Het water, dat ongeveer 60 percent van het geheele lichaam
uitmaakt, is een onmisbare voedingsstof. Dieren sterven bij gebrek
hieraan spoediger dan bij onthouding der andere reeds genoemde
voedingsstoffen.
De zuurstof rekent men gewoonlijk niet onder de bestanddee-
len van het voedsel; toch sterven menschen en dieren onmiddel-
lijk, zoodra de aanvoer van de noodige hoeveelheid lucht ophoudt.
(Hierover nader bij de ademhaling.)
Voedingsstoffen en niet voedende bestanddeelen tot een natuur-
lijk geheel vereenigd, vormen een mengsel, dat den naam van
voedingsmiddel draagt. Als zoodanig noemen wij haver, gerst, boo-
nen, gras, klaver, hooi, enz. Ook een kunstmatig mengsel, als
brood, is een voedingsmiddel.
Dezelfde voedingsstoffen vindt men terug in verschillende voe-
dingsmiddelen, maar in zeer uiteenloopende percentsverhouding.
Voedsel noemen wij het geheel dat, met inbegrip van den drank,
voldoende is om in de behoeften van het lichaam te voorzien,
zoowel wat betreft den groei als het onderhoud daarvan. De melk der
merrie is gedurende zekeren tijd het voedsel van het veulen. Gras
-ocr page 103-
77
of hooi en water kunnen het voedsel voor een paard zijn. Voor
het arbeidende dier zijn bovendien dikwijls haver, gerst of brood
onmisbaar.
Enkele stoffen, ofschoon zelve geen voedingsstoffen, zijn voor
een regelmatige spijsvertering en voeding van zeer veel gewicht.
Als zoodanig verdienen vermelding de aromatische bestanddeelen
van de haver, het gras en het hooi.
Het voedsel te verteren, d. i. de voedingsstoffen geschikt te
maken om in het bloed en van daar in de weefsels opgenomen te
kunnen worden, is de taak der spijsverteriiigswerktuigeii die geza-
menlijk het spijsverteringstoestel (digestie-apparaat) uitmaken.
1»\'<= AFDEELING. DE SPIJSVERTERINCx.
(Digestie.)
§ 30. De spijsverteringswerktuigen.
(Digestie-organeii.)
Tot het digestie apparaat behooren: de mondwerktuigen, de
zwelgkeel, de slokdarm, de maag en het darmkanaal, en verder
klieren, als de speekselklieren, de lever, enz. De mondholte, gevormd
door de ruimte tusschen de voor- en de achterkaak, wordt voor
een groot deel ingenomen door de tong, die uit spieren bestaat
en daardoor, aan de punt vooral, zeer beweeglijk is. Verder vindt
men hierin de tanden, die nader in snij* en maaltanden of kiezen
worden onderscheiden. De correspondeerende snytanden en kiezen
der beide kaken komen door middel van hun wryfvlakten met
elkander in aanraking.
De mondholte is van twee openingen voorzien. De voorste of
mondopening, ook mond genoemd, wordt door de boven- en de
onderlip begrensd. Deze beslaan grootendeels uit een kringspier,
welke bij samentrekking den mond sluit; door andere spieren,
afkomstig van het voorhoofd en den neus, worden de lippen van
elkander verwijderd en zijdelings bewogen.
De achterste of keelopening ligt tusschen het achtereinde van
het harde gehemelte en dat der tong. Zij wordt gesloten door het
zachte gehemelte, dat van het harde gehemelte naar beneden
hangt en zijdelings aan dit orgaan en aan den wand der mond-
holte bevestigd is.
De achterkaak is in het kaakgewricht, een onvolkomen schar-
niergewricht, met de voorkaak verbonden en wordt door ver-
-ocr page 104-
78
schillende spieren bewogen. De voornaamste daarvan sluiten door
haar samentrekking den mond; sommige kunnen de achterkaak
zijdelings bewegen, waarbij de tanden over elkander schuiven;
andere dienen om den mond te openen. Al deze bewegingen ge-
schieden hoofdzakelijk ten behoeve van het kauwen, reden waarom
de kaakspieren ook den naam van kauwspieren dragen. De voor-
naamste is de uitivendige kauwspier (masseter) (PI. II, fig. 1, f),
die van buiten op het breedste gedeelte der achterkaaktakken is
gelegen, en zich van de kaakronding naar boven en voren tot den
jukboog, den kaakboord en de wang uitstrekt. Tegen de binnen-
vlakte ligt een andere sterke spier, de inwendige kauwspier of
vleugelspier. Deze beide spieren dienen hoofdzakelijk voor het
sluiten van den mond en de zydelingsche beweging der achterkaak.
De mondholte is inwendig met een slijmvlies bekleed, dat het
mondslijm voortbrengt. Het epithelium, dat dit slijmvlies bedekt,
is op sommige plaatsen dik en hard, en dientengevolge weinig
doorschijnend en wit van kleur.
Het vocht, dat zich in de mondholte bevindt, bestaat niet
alleen uit slijm, maar voor het grootste gedeelte uit speeksel, dat
door de speekselklieren wordt afgescheiden. Deze worden nader
onderscheiden in de oorspeekselklieren, ook oorklieren genoemd;
de onderkaakspeekselklieren, die aan de binnenzijde van eiken kaak-
tak liggen, en in de ondertongspeekselklieren, die aan weerszijden
onder de tong zijn gelegen.
Langs de achterste of keelopening heeft de mondholte ge-
meenschap met de keelholte, waarvan de wanden inwendig uit
het keelsl\'ymvlies en overigens voor een groot deel uit spieren,
de zwelgkeelspieren, bestaan. Uit de keelholte voeren twee
openingen in de Eustachiaansche gehoorbuizen en in de luchtzakken.
Naar voren staat de keelholte in onmiddellijke gemeenschap met
de neusholte, naar onderen met het strottenhoofd en de luchtpijp.
De keelholte gaat naar achteren en beneden over in den
slokdarm. Deze bestaat uit een dikke laag overlangs, ringvormig
en spiraalsgewy\'s loopende spiervezelen en is van binnen met een
slijmvlies, de voortzetting van het keelsl\'y\'mvlies, bekleed. De
slokdarm loopt eerst tegen de voorvlakte der halswervelen, daarna
meer naar links en treedt tusschen de twee eerste ribben door in de
borstholte. Hij loopt door het bovengedeelte dezer holte in rechte
richting naar achteren en geraakt door het middelrif in de buik-
holte, waar hij in de maag eindigt.
Buikorganen. De buikholte wordt voor het grootste gedeelte
-ocr page 105-
79
ingenomen door de spijsverteringsorganen. Als vervolg van den
slokdarm treft men het eerst de maaj aan, zijnde een langwerpig
ronde, halvemaanvormig gekromde zak, die met zijn hollen rand
naar het middelrif is gekeerd.
De maag van het paard is, in verhouding van de grootte van het
dier, bijzonder klein ; gemiddeld kan zij slechts 10—12 liter inhoud
bevatten. Zij heeft twee openingen; nabij haar linker uiteinde
(blinde zak) plant zich de slokdarm in. Deze slokdarmopening, de
z. g. maagmond, wordt vast gesloten door een sluitspier, die het
terugkeeren van het voedsel uit de maag naar den slokdarm belet.
Dit is de voornaamste der vele oorzaken, waarom een paard onder
gewone omstandigheden niet kan braken. Het rechter uiteinde van de
maag zet zich door de darmopening {portier) voort in het darmkanaal.
Het darmkanaal bestaat uit de dunne en dikke darmen. De
dunne darmen hebben een gemiddelde lengte van 22 meter: hun
inhoudsruimte bedraagt gemiddeld 60 liter. De dikke darmen,
waarvan de omvang bij het paard bijzonder groot is, hebben een
lengte van gemiddeld 8 meter, met een inhoudsruimte van onge-
veer 150 liter. Zij worden onderscheiden in den blinden darm
(coecum),
die een zeer groot, langwerpig, zakvormig aanhangsel
van het darmkanaal vormt, den karteldarm (colon), die \'/, van
de ruimte beslaat, door de dikke darmen ingenomen, en den enkel-
of aarsdarm {rectum).
De geheele lengte van het darmkanaal bedraagt gemiddeld 32
meter en diens inhoudsruimte ongeveer 225 liter. Het spreekt
van zelf, dat deze afmetingen, naar de grootte der dieren, zeer
niteenloopende verschillen aanbieden.
De wand van maag en darmen is samengesteld uit het weivlies
als buitenste laag, uit een spierrok, die uit ringvormig en over-
langs loopende vezelen bestaat en de peristaltische darmbeweging
volbrengt als middelste laag, en het slijmvlies als binnenste laag.
De laatste bevat slijmklieren, die voor de slijmafscheiding dienen.
Het maagslijmvlies bezit bovendien in het portiergedeelte de maag-
of lebklieren,
die het maagsap afscheiden. Het slijmvlies der dunne
darmen brengt in eigenaardige klieren een waterig, alcalisch
vocht voort, dat den naam van darmsap draagt.
Het buikspeeksel, een alcalisch, kleverig vocht, wordt door de
buikspeekselklier {pancreas) gevormd en langs een ontlastbuis in
de dunne darmen gevoerd.
In de lever, die onmiddellijk tegen de achtervlakte van het
middelrif is gelegen, wordt de gal gevormd, die insgelijks op
-ocr page 106-
80
korten afstand van de maag door den galleider, waaraan bij het
paard de galblaas wordt gemist, in de dunne darmen stroomt.
De buikholte is met een fijn, doorschijnend, glad bindweefseU
vlies, het buikvlies, bekleed, dat voortdurend met eenig waterig
vocht, zoogenaamde wei, is bedekt en daarom weivlies wordt
genoemd. Het bekleedt den buikwand en slaat zich aan weers-
zijden op de ondervlakte der wervelkolom naar beneden om. Beide
platen komen dan tegen elkander te liggen en vereenigen zich,
om later weer van elkander te scheiden en de darmen in hun
geheele lengte op te nemen. Die vereenigde platen vormen het
darmscheil, waaraan de darmen als het ware hangen.
Alle buikorganen zijn met dit weivlies omkleed, waardoor zij
gemakkelijk over elkander glijden.
§ 31. De opneming van het voedsel.
Onder voedsel-verteren verstaat men een zoodanige omzetting
van voedingsmiddelen, door mechanische en phvsisch-chemische
invloeden tot stand gebracht, dat de voedingsstoffen in de circu-
leerende sappen kunnen worden opgenomen.
Het mechanisch gedeelte der digestie bestaat in: a) de opneming,
b)
het kauwen en de speekselvermenging, c) het doorslikken van het
voedsel en d) de maag- en darmbeweging, door welke laatste de
vermenging van het voedsel met digestiesappen, de voortbeweging
van maag- en darminhoud en de ontlasting van het niet verteerde
voedsel tot stand komen.
«). Het paard vat het voedsel, bijv. het gras, met de snij-
tanden, klemt het daartusschen en bijt of rukt het af. Kan dit
niet, dan weet het paard het voedsel met zijn beweeglijke lippen
te grijpen en tusschen de snij tanden te brengen. Met behulp van
de tong wordt het verder in de mondholte gevoerd. Het grazende
paard neemt een eigenaardige positie aan, waarbij één voorheen
onder het lijf, het andere voorwaarts geplaatst en min of meer
gebogen wordt.
Het opgenomen voedsel wordt tusschen de wrijfvlakten der
kiezen of maaltanden gekauwd en vermalen. Gelijktijdig heeft een
overvloedige afscheiding plaats van speeksel, dat zich met het
voedsel vermengt. De speekselafscheiding wordt bevorderd door
de prikkeling van het mondslijmvlies en door andere zenuwinvloeden.
De hoeveelheid afgescheiden speeksel verschilt naar den aard van
het voedsel. Zij bedraagt gemiddeld 40 kilogram per dag.
-ocr page 107-
SI
Het speeksel bevordert vooreerst het kauwen; het verweekt
de voedseldeelen en lost sommige bestanddeelen van het voedsel
op. Bij het paard kan van een monddigestie geen sprake zijn,
wanneer men hieronder ten minste verstaat fermentatieve en che-
mische processen, waardoor onoplosbare voedselstofTen oplosbaar
worden. De tijd, noodig voor het malen en de speekselvermen-
ging, is te kort voor het tot stand komen van genoemde veran-
deringen. De chemische invloed van het speeksel op het voedsel
begint bij het paard eerst in de maag.
Van het gekauwde en innig met speeksel vermengde voedsel
wordt op het lichaam der tong een langwerpig ronde brok gevormd.
Nadat de mond gesloten is, legt de tong zich van voren naar achteren
tegen het harde gehemelte en schuift den glibberigen voedselbrok
onder het zachte gehemelte door in de keelholte. De zwelgkeel wanden
trekken zich onmiddellijk samen en drijven den brok over de
afgesloten opening van het strottenhoofd in den slokdarm. Deze
trekt zich eveneens onwillekeurig van boven naar beneden samen
(peristaltische beweging), en voert den brok naar de maag, zooals
bij het etende paard gemakkelijk aan de linkerzijde van den hals
is waar te nemen.
Rij het drinken brengt het paard de lippen gedeeltelijk in het
water, terwijl mond- en keelholte zooveel mogelijk luchtledig
worden gemaakt. Daarna trekt het dier de tong naar achteren
en boven terug, zoodat tusschen het harde gehemelte en de tong
een luchtledige ruimte ontstaat, waar het water, langs de ten
deele geopende mondspleet, indringt. Is de mond met vloeistof
gevuld, dan wordt de tong naar het harde gehemelte gebracht
en het slikken heeft plaats. Onmiddellijk daarna valt de tong
weer terug op den bodem der mondholte.
§ 32. Maaq- en darmdiqestie.
De maagdigestie is zeer gecompliceerd en laat zich als volgt
samenvatten.
Tijdens het kauwen en nog 1—2 uur daarna heeft in de maag
de omzetting van zetmeel in dextrine en suiker plaats. Deze
omzetting (amylolysis) geschiedt in de eerste plaats onder invloed
van het doorgeslikte speeksel en gaat door tot een zekere hoeveel-
heid vrij zoutzuur aanwezig is. Zij komt tot stand door toedoen
van een eigenaardig ferment (de pUaline), dat in het speeksel
wordt aangetroffen.
0
-ocr page 108-
82
Het melkzuur, dat in Je maag gevormd wordt, heeft eveneens
een zetmeel verterende kracht, die ongeveer na 2 uur haar hoog-
ste punt bereikt. Tevens wordt in den omtrek van den nuagmond
een diastatisch ferment geproduceerd.
Deze zetmeeldigestie heeft plaats door de geheele maag en neemt
het eerst af nabij de darmopening. De duur zal grootendeels af-
hangen van de hoeveelheid opgenomen voedsel dat met een groote
hoeveelheid alcalisch speeksel is vermengd.
Daarna volgt de zoutzuur- of eiwitdigestie (proteolysis), die haar
hoogste punt heeft bereikt 3—4 uur na opneming van een matige,
en G—8 uur na opneming van een groote hoeveelheid voedsel. De
eiwitstoffen worden in pepton omgezet en opgelost. Dit geschiedt
in de rechter maagafdeeling onder invloed van het pepsine-ferment
en het zoutzuur, terwijl in het maagmondgedeelte de zetmeeU
digestie nog eenigen tijd voortgaat.
Na het gebruik van een groote hoeveelheid voedsel gaat een
gedeelte daarvan onverteerd in het darmkanaal over.
Tijdens de digestie wordt de maaginhoud, na sluiting der beide
openingen, heen en weer bewogen en met de digestiesappen ver-
mengd. Dit is het gevolg van contracties, die, uitgaande van de
beide openingen, naar het midden voortschrijden en van hieruit
weer in tegenovergestelde richting plaats hebben. Daardoor vormt
zich in het middengedeelte een insnoering.
Onder niet met zekerheid bekende invloeden opent zich de
darmopening (pjlorus), en de zure maaginhoud gaat over in de
darmen. Het voedsel vertoeft gemiddeld 6—12 uur in de maag
en in de voorste afdeeling der dunne darmen, en even lang in de
achterste helft van de dunne darmen. Sommige voedselsoorten, als
haver, hooi en haksel, blijven ongeveer 36—48 uur in de dikke
darmen (blinden - en karteldarm).
Darmdigestie. De darmvertering is bij het paard van het grootste
gewicht en kan de maagdigestie zelfs tijdelijk vervangen. Onder
gewone omstandigheden gaat steeds een gedeelte van het voedsel
onverteerd uit de maag in het darmkanaal. Een groot gedeelte
der eiwitten en koolhydraten wordt eerst aldaar verteerd.
De darmdigestie komt tot stand onder invloed van gal, buik-
speeksel en darmsap.
De gal laat de eiwitachtige stoffen onveranderd. Vetlen wor-
den onder haar invloed geëmulgeerd en gedeeltelijk ontleed, en
zetmeel zet z\'y om in een oplosbaren vorm. De gal dient tevens
als prikkel voor de darmbeweging en voorkomt rottingsprocessen.
-ocr page 109-
83
Het buikspeeksel speelt een voorname chemische rol. Het zet
de eiwitten verder om, splijt de vetten en bevordert de vorming
van suiker uit zetmeel, alsmede de ontwikkeling van melkzuur.
Het darmsap, meer speciaal dat der dunne darmen en van
den blinden darm, heeft alleen invloed op de zetmeeldigestie.
De blinde darm verteert gemiddeld 10—30°/o der opgenomen
voedselstoffen, ongerekend de cellulose. Deze wordt tot een be-
drag van 40—60°/0 in den blinden darm en in het buikgedeelte
van den karteldarm verwerkt en in een suikerachtige stof omgezet.
In de maag en de dunne darmen wordt slechts een onbeduidende
hoeveelheid cellulose verteerd.
De spysbrij in de darmen wordt voortbewogen door de worm-
vormige spiercontractie (peristaltiek) van den darmwand, gedeeU
telijk als gevolg van prikkeling van het slijmvlies door den inhoud.
In het achterste gedeelte van den karteldarm gekomen, is het
voedsel door resorptie van het vloeibare gedeelte meer ingedroogd.
De meststoffen pakken ten slotte in den endeldarm samen en
worden in den vorm van ballen ontlast.
Zoowel in de maag als in de darmen worden steeds gassen
aangetroffen. Ten deele geraken zij met het voedsel naar binnen,
voor het grootste deel ontstaan zij, ten gevolge van gisting en
uitdroging van de voedselbrij, vooral bij trage vertering.
§ 33. De opslorping uit het darmkanaal.
Zijn de voedingstoffen voor de opneming geschikt gemaakt,
dan gaan zij over in de bloedbaan. Deze opslorping van vloeibare
en gasvormige stoffen geschiedt of onmiddellijk door de wanden
der fijnste bloedvaten öf middellijk door de lymphvaten, hier
chijlvaten genaamd.
Deze chijlvaten nemen een aanvang in de dunne darmen, aan de
fijne tepelvormige verhevenheden, de darmvlokken, waarmede het
slijmvlies dicht bezaaid is. In de dikke darmen ontbreken deze
darmvlokken; de chijlvaten beginnen er zonder duidelijke aan-
vangspunten. Het geëmulgeerde en ontlede vet wordt uitsluitend
door de chijlvaten opgenomen. Andere voedingstoffen, als water,
zouten, koolhydraten en eiwitten worden ten deele door de darm-
vlokken, maar vooral door de bloedvaten van het darmslijmvlies
opgeslorpt.
§ 34. Honger en dorst.
Honger en dorst zijn de bekende gewaarwordingen, waardoor
de behoefte aan voedsel en drank zich te kennen geeft. Beide
-ocr page 110-
84
kunnen van zuiver localen oorsprong zijn of de uiting van een
behoefte, die liet geheele lichaam geldt
Is de maag ledig en overigens gezond, dan ontstaat de gewone
honger, de eigenlijke maaghonger. Vulling der maag, zij het ook
met onverteerbare en tot onderhoud van het lichaam volkomen
nuttelooze stoffen, is op zichzelf in staat het gevoel van honger
te doen ophouden of althans te verminderen; evenwel slechts
tijdelijk, niet op den duur wordt daarmede de honger gestild.
Gebrek aan voedingstoflen in het lichaam b. v. door onthou-
ding van voedsel, doet, onafhankelijk van den toestand der maag,
eveneens de gewaarwording van honger ontstaan; en deze kan
enkel worden gestild door opneming van voedingstoffen in het bloed.
Droogte van het keelslijmvlies veroorzaakt de gewaarwording
van dorst. Ligt de oorzaak dezer droogte, zooals gewoonlijk, in
een algemeen gebrek aan vocht in het lichaam, dan wijkt de dorst
eerst bij voorziening in deze behoefte, dus door genoegzaam drin-
ken. Maar in andere gevallen, waar de droogte van het keelslijm-
vlies het gevolg is van plaatselijke omstandigheden, is het bevochtigd
worden van dit slijmvlies, b. v. door vochtig voedsel, reeds vol-
doende om den dorst (keeldorst) te lesschen.
De behoefte aan voedsel doet zich bij het volwassen paard minstens
tweemaal in de 24 uur gevoelen; bij het veulen echter meermalen,
daarentegen bij oude paarden minder dikwijls. Evenwel oefenen
hierop tal van omstandigheden grooten invloed uit; b. v. koude
en warmte, arbeid en rust, en inzonderheid de gewoonte. Van
de gewoonte hangt het ook in de eerste plaats af, dat het gevoel
van honger op bepaalde tijden terugkeert. Het militaire paard,
aan geregelde voedertijden gewend, bewijst dit ten duidelijkste;
bij het naderen van den voedertijd toch geeft het door onrustige
bewegingen en hinneken zijn ongeduld te kennen. Voor den dorst
geldt in hoofdzaak hetzelfde.
Het hongerlijden brengt meer of minder spoedig, naar den
voedingstoestand van het dier, lusteloosheid, zwakte en vermage-
ring teweeg. In het algemeen kan echter het paard de volkomen
onthouding van voedsel, vooral wanneer het wel wordt gedrenkt,
vrij lang verdragen. Bij proeven, welke dienaangaande door een
Fransche militaire commissie zijn genomen, zag men paarden die
8—10 dagen lang geen voeder, maar wel drank ontvangen hadden,
nog draven en galoppeeren, zonder dat daarbij belangrijke zwakte
merkbaar werd; na 15 dagen gevast te hebben, bezweken zij
meerendeels aan uitputting.
-ocr page 111-
85
De dorst werkt spoediger nadeelig dan de honger. Paarden,
die enkel water krijgen, houden het veel langer uit dan zij, welke
niets dan droog voeder ontvangen.
De dood door honger en dorst treedt bij een goed gevoed paard
na ongeveer twee weken in. Het dier, dat enkel honger lijdt,
kan soms tot vier weken in het leven blijven.
Het vermogen om tegen ontberingen bestand te zijn, verschilt
ook naar het ras. Oostersche paaiden kunnen geruimen tijd honger
en dorst lijden zonder uitgeput te geraken. Het is echter waar-
schijnlijk, dat ook bij deze dieren de gewoonte een groote rol speelt.
2<ie AFDEKLING. DE VOCHTSTRÖOM.
§ 35. De circulatie-organen.
Aanhoudend stroomen twee vochten, liet bloed en de lymphe,
door het dierlijk lichaam.
Het centraalorgaan van het bloedvatenstelsel is het hart. Dit
is een krachtige holle spier, van kegelvormige gedaante, gelegen
in de borstholte, naar de linker zijde, iets boven en achter de
plaats, waar zich van buiten de elleboog bevindt. De hartspier
dient als pomp werktuig, om het bloed voortdurend in het vaat-
stelsel te doen rondstroomen.
De holte van het hart is in twee helften verdeeld (linker en
rechter harthelft), die ieder een kamer en een boezem bevatten.
De kamers zijn naar boven door horizontale middenschotten, die
van openingen voorzien zijn, van de boezems gescheiden. Ge-
noemde openingen zijn gesloten door kleppen, die zich naar be-
neden openen.
Los om het hart ligt het hartezaJcje, bestaande uit een bind-
weefselvlies, dat van binnen met een weivlies is bekleed. De
holten van het hart staan in directe verbinding met de groote
vaatstammen; de communicatie-openingen zijn van kleppen voorzien.
De bloedvaten worden onderscheiden in slagaderen, haarvaten en
aderen. Door de slagaderen (arteriëa) stroomt het bloed vooreerst
van het hart naar de velschillende organen; het verlaat de kamers
langs twee hoofdstammen, de aorta en de longslagader. Na het
haarvatennet gepasseerd te zijn, gaat het bloed over in ruimere
vaten, die zich ten slotte tot enkele hoofdstammen vereenigen,
welke in het hart uitmonden. Deze vaten, waarin het bloed uit de
haarvaten naar het hart terugstroomt, zijn de aderen (venae), waar-
-ocr page 112-
86
van de hoofdstammen, de twee holle aderen en de longaderen, in
de boezems eindigen.
In de verschillende organen bevinden zich nog andere fijne
vaten, de lymph- of watervaten, die in de weefsels zelve een aan-
vang nemen. Ook zij vereenigen zich tot een tweetal dunne hoofd-
stammen, die in de groote aderen uitmonden.
Onder de lvmph vaten zijn mede begrepen de chijlvaten, die in
het darmslijmvlies een aanvang nemen en tot afvoer der chijl die-
nen. Zij loopen tusschen de platen van het darmscheil en vormen,
met lymphvaten vereenigd, de achterste der genoemde hoofd-
stammen (de borstbuis).
§ 36. Het bloed en de lymphe, resp. de chijl.
Het bloed is eenroode, ondoorschijnende vloeistof van alcalische
reactie en zeer gecompliceerde samenstelling. Door circulatie-
apparaten in beweging gehouden, voert het vooreerst de van buiten
opgenomen voedingstoffen naar de weefsels, ten einde de levens-
verrichtingen en de daaraan gebonden stofwisseling mogelijk te
maken; het moet verder de bestanddeelen aanvoeren, waaruit
de noodzakelijke afscheidingen, als die der verteringsvochten, worden
onderhouden. Bovendien neemt het de stofwisselingsproducten,
die langs verschillende wegen uit het lichaam worden verwijderd
grootendeels met de lymphe in zich op.
Het bloed bestaat uit gevormde elementen de bloedlichaampjes,
en uit het bloedvocht of plasma. De bloedlichaampjes worden onder-
scheiden in rcode en in kleurlooze of witte bloedcellen. Zij vormen
ongeveer 1jl van het geheele bloedvolume, zoodat 1000 gewichts-
deelen blced ongeveer 354 gewichtdeelen aan vochtige bloedcellen
bevatten. De roode bloedlichaampjes zijn ronde, biconcaveschijfjes
met een dunner middengedeelte en een gezwollen rand. Hun
roode kleur hebben zij te danken aan een ijzerhoudende kleurstof,
die den naam bloedkleurstof (haemoglobine) draagt. Het bloedvocht
is samengesteld uit ruim 90 pet. water en verder hoofdzakelijk uit
eiwit, fibrinogene en fibrinoplastische stof en zouten.
De bloedkleurstof neemt in de longen uit de ingeademde lucht
de zuurstof op en geeft ze in de haarvaten af ten behoeve van
de stofwisseling in de weefsels. Omgekeerd wordt het koolzuur
bij de stofwisseling gevormd, in het bloed opgenomen en aan de
koolzure soda van het bloedvocht gebonden, om verder langs de
longen, waar het weder vrij geraakt, bij de uitademing het lichaam
-ocr page 113-
SI
te verlaten. De zuurstof is dus aan de roode bloedcellen en het
koolzuur aan de koolzure soda van het bloedplasma gebonden.
De kleurlooze of witte bloedlichaampjes zijn in veel geringer
aantal aanwezig dan de roode en wel in verhouding van 1: 400—500.
Zij zijn veel grooter dan de roode en gewoonlijk bolvormig, maar
ondergaan in het levende bloed door eigen samentrekking of be-
weging belangrijke vormveranderingen. Waarschijnlijk onstaan de
roode bloedlichaampjes uit de wit! e.
Gewoonlijk wordt gezegd, dat het gewicht van het bloed ruim
\'/jj van het lichaamsgewicht bedraagt, zoodat een paard van 400
kilogram ruim 33 kilogram bloed zou hebben. Van deze ver-
houding komen echter belangrijke afwijkingen voor, zoodat zij
van 1:9 —1:15 kan uiteenloopen. Hierop zijn van invloed voor-
eerst de verhoudingen waaronder Let dier leeft, als voeding, ver-
pleging, gebruik, en verder het ras, de leeftijd, het geslacht, enz.
Bovendien is de bepaling der juiste hoeveelheid bloed geheel on-
mogelijk.
De lymphe (wit bloed) is een helder doorschijnend vocht, uit
verschillende organen afkomstig en bestaat hoofdzakelijk uit
voedingstoffen, en stofwisselingsproducten die naar het bloed
worden teruggevoerd. Het vocht uit het digestiekanaal afkomstig,
chijl genaamd, bevat de aldaar verwerkte voedselbestanddeelen.
Die chijl heeft meer melkkleur dan de gewone lymphe en dient
vooral tot bloedvorming. Op haar weg van de darmen naar het
bloed passeert zij de darmscheilskliereu, waaruit zij kleine lichaampjes
medevoert, die in deze klieren worden gevormd. De lymphe
bevat ook dergelijke lichaampjes, uit de overige lymphklieren
afkomstig. Na opneming in het bloed krijgen deze den naam
van witte bloedlichaampjes. Het vloeibaar gedeelte der chijl en
lymphe wordt het bloed vocht (bloedplasma). Vele stoffen evenwel,
die in de lymphe in opgelosten toestand voorkomen en niet meer
tot onderhoud van de stofwisseling en de voeding geschikt zijn,
worden door tusschenkomst van liet bloed uit het lichaam ver-
wijderd.
Behalve door de chijl* en lymphklieren, wordt het bloed door
de milt en het beenmerg van witte bloedcellen voorzien.
§ 37. De bloedreweging.
Voortgestuwd door de drijfkracht van het hart, wordt het
bloed aanhoudend door het lichaam gevoerd. Uit de kamers
stroomt het door de slagaderen naar de haarvaten; uit de haar*
-ocr page 114-
SS
vaten keert het door de aderen naar de boezems van het hart
terug, en in elke helft van het hart stroomt het van den boezem
in de daaronder gelegen kamer. Aangezien het bloed, dat de
linker helft van liet hart verlaat, in de rechter helft terugkeert
(en omgekeerd), moet het, voor het volbrengen van den geheelen
omloop, tweemaal het hart passeeren. Vandaar de indeeling van
den bloedsomloop in tweeën, die als de groote en de kleine worden
onderscheiden.
Het doel waarvoor het bloed uit het hart naar de haarvaten
wordt gedreven, is voor elk der beide gedeelten van den omloop
verschillend. Reeds werd gezegd, dat de hoofdoorzaak van den
omloop gelegen is in de werking van het hart, dat als centraal-
werktuig in zijn boezems bloed uit de aderen opneemt en dit
weder uit zijn kamers in de slagaderen drijft. Het trekt zich
daartoe periodiek samen, onder den invloed van zekere hartzenuwen,
zoodanig, dat, bij elke contractie, zich eerst het bovenste gedeelte
met de boezems en daarna het onderste met de kamers samen-
trekt. Eenmaal uit de boezems in de kamers gedreven, kan het
bloed niet terug, omdat het alsdan door de gespannen kleppen
wordt tegengehouden. Is het vervolgens in de slagaderstammen
geperst, dan wordt de terugkeer, zoodra de samentrekking der
kamers ophoudt, belet door andere op dergelijke wijze werkende
kleppen, die zich in het begin van de genoemde vaatstammen
bevinden.
Uit de linker kamer wordt het bloed in de aorta en al haar
takken (de gezamenlijke slagaderen) gedreven; deze voeren het
naar de haarvaten. Daarin geeft het de bestanddeelen af voor de
voeding en de stofwisseling, en neemt daarentegen andere, onbruik-
baar geworden stoffen op; vervolgens keert het door de aderen
in den rechter boezem terug. Dit gedeelte van den bloedsomloop
wordt als de groote omloop onderscheiden.
Op zijn teiugweg naar het hart ontvangt het bloed nieuwe
bestanddeelen ter vergoeding van het verlies in de haarvaten.
Deze bestanddeelen worden ten deele door laatstgenoemde vaten
zelve geabsorbeerd, voor een ander deel worden zij als chijl en
lymphe en als producten der milt in de aderen ontlast.
Maar het bloed heeft, ten behoeve van de stofwisseling, ook
voortdurend zuurstof aan te voeren, terwijl het tevens van het
koolzuur, waarmede het in de haarvaten wordt bedeeld, moet
worden bevrijd. En voor dit. doel wordt het in afzonderlijke
vaten door de longen gevoerd, waar de wederkeerige uitwisseling
-ocr page 115-
80
dezer gassen (tusschen het bloed binnen, en de ingeademde lucht
buiten de haarvaten) plaats grijpt. Het wordt namelijk uit den
rechter boezem in de rechter hamer, en van daar in de longslagader
en haar takken gedreven, doorloopt vervolgens de bedoelde haar-
vaten in de longen, en keert door de longaderen in den linker
boezem
van het hart terug, van waar het in de linker kamer vloeit.
Het doorloopen van dit veel kleiner gedeelte van het vaatstelsel
wordt de kleine omloop genoemd.
Het bloed, in de longen met zuurstof bedeeld en van koolzuur
bevrijd, en daardoor lichter van kleur geworden, heet slagaderlijk
(arteriëel)
bloed, en wordt na zijn aankomst in het hart door de
slagaderen (arteriëiï) van den grooten omloop naar de lichaamsdeelen
gevoerd. Het in de haarvaten van den grooten omloop met kool-
zuur bedeelde en van zuurstof beroofde bloed, dat daardoor don-
kerrood is geworden, heet aderlijk (yeneus) bloed, omdat het als
zoodanig door de aderen van den grooten omloop naar het hart
terugkeert. Gedurende den kleinen omloop door de longen wordt
het aderlijk bloed weder tot slagaderlijk of, wat hetzelfde zegt,
wordt het bloed weder gearterialisserd.
Het hart raakt bij de samentrekking der kamers den linker
borstwand, ongeveer tegenover den elleboog. Men voelt deze
aanraking of aanslag als hartslag of hartstoot, en wel te sterker,
naarmate door versterkte hartswerking (b. v. bij beweging en
andere inspanning, bij verschillende zenuwaandoeningen) deze
aanslag krachtiger en tot een werkelijk stooten of zelfs gemakkelijk
hoorbaar bonzen geworden is.
Telken male als door de samentrekking der kamers het daarin
bevatte bloed in de slagaderen wordt gedreven, zetten deze
uit; haar wanden bestaan namelijk ten deele uit elastisch weefsel
en zijn derhalve zeer rekbaar. De vermeerdering van haar in-
houd doet ze van het hart naar de haarvaten meer of minder
opzwellen, totdat weder een evenredig gedeelte van haar bloed in
de haarvaten gedreven en daardoor haar inhoud op het vroeger
peil teruggebracht is. Deze uitzetting is het, die men als een
slag (polsslag of pols genoemd) voelt, als men een vinger op een,
daarom aldus genoemde, slagader (of polsader) legt en zacht aan-
drukt; te beter, naarmate de slagader die men onderzoekt, grooter
en wegens haar ligging krachtiger samen te drukken is. De meest ge-
wone plaats voor dit onderzoek is de inwendige vlakte der achterkaak,
daar, waar de aangezkhtsslagader is gelegen. Maar ook aan vele
andere slagaderen kan het meer of minder gemakkelijk geschieden.
-ocr page 116-
90
Elke samentrekking van het hart, namelijk van de hartkamers,
doet dus een hartslag en een polsslag ontstaan, zoodat in dezelfde
tijdseenheid evenveel hartslagen als polsslagen zijn te voelen. Hun
aantal verschilt, inzonderheid naar leeftijd, geslacht en ras; het
volwassen paard heeft gemiddeld 32—40 polsslagen in de minuut.
Volbloedpaarden hebben er dikwijls enkele minder dan gewone
paarden; veulens hebben er meer, naarmate zij jonger zijn; zeer
oude paarden hebben weder enkele slagen minder. De genoemde
getallen gelden echter alleen voor het rustige dier; inspanning\'
beweging, alsmede allerlei invloeden, die opwekkend op het zenuw-
stelsel en verder door tusschenkomst van zekere hartzenuwen op
het hart werken, doen het aantal hart- en polsslagen zelfs tot
het twee- en drievoudige toenemen.
Zeer merkwaardig is de snelheid, waarmede het bloed door
het vaatstelsel wordt gevoerd. Immers de tijd, waarin eenig gedeelte
bloed den geheelen bloedsomloop (den grooten en den kleinen)
volbrengt, bedraagt bij het paard, dat in rust is, slechts een
halve minuut. Beweging en sterke inspanning doen deze snel-
heid toenemen; de omloop kan daardoor zelfs de dubbele snelheid
bereiken.
3de AFDEEL1NÜ. DE ADEMHALING.
§ 37. De ademhalingsorganen.
Tot de ademhalingsorganen behooren de neusholten, ten deele de
keelholte, het strottenhoofd, de luchtpijp en de longen.
Aan den neus onderscheidt men de neusgaten en de eigenlijke
neusholten.
De neusgaten hebben het voorkomen van halvemaanvormige
spleten, met een nauwen bovenhoek en een meer wijden, afge-
ronden onderhoek, een bollen binnenrand en een hollen buiten-
rand. De buitenste neusvleugel hangt bij rustige ademhaling slap
neer; de binnenste, die een kraakbeenplaat bevat, is eenigszins
klepvormig naar binnen gebogen. Bij ingespannen ademhaling
worden de beide neusvleugels sterk opgelicht en gespannen, zoodat
beide randen hol en de neusgaten rond worden. Het opensperren
der neusgaten („neusgaten maken") komt tot stand door de samen-
trekking van spieren, die in de neusvleugels eindigen. "Wijde
neusgaten krijgt men te zien kort na snelle bewegingen, bij ziekten
gepaard met benauwdheid, o. a. ook bij het snuivende paard.
-ocr page 117-
01
In den bovenhoek der neusgaten bevindt zich op de binnen-
vlakte van den neusrand een insluiping der huid, waardoor blinde
zakken, de valsche neusgaten worden gevormd.
Elk neusgat voert in een afzonderlijke neusholte, die door de
beenderen van het aangezicht en liet harde gehemelte omsloten is.
Het kraakbeenig neusmiddenscUot scheidt de beide neusholten.
Tegen den buitenwand der neusholten liggen twee schelpvormig
opgerolde beenplaten, de neusschelpen, die in een voorste en
achterste worden onderscheiden. Zij vormen drie gangen: een
voorste, een middelste en een achterste neusgang.
De wanden der neusholten zijn bedekt met een slijmvlies, dat
een dun waterig slijm voortbrengt, waardoor het steeds vochtig
wordt gehouden. Het vocht, dat vooral bij koud weer en na in-
spanning uit den neus vloeit, kan ook voor een gedeelte uit
traanvocht bestaan. Dit ontlast zich langs de traanbuis, nabij
den onderhoek van de neusgaten.
De voorste en de middelste ueusgaiigen voeren de lucht naar de
reukorganen; de middelste, die tusschen de neusschelpen loopen,
hebben door een kleine spleet gemeenschap met de kaak- en
voorhoofdboezems, die zich boven de kaakboorden en vóór en
tusschen de oogkassen, binnen de aangezichtsbeenderen bevinden.
De achterste neusgangen zijn de ruimste en voeren langs de neus-
keelopeningen in de keelholte.
De keelholte is, zooals reeds werd vermeld, de weg waarlangs
het voedsel uit den mond in den slokdarm geraakt, maar is tevens
de weg, dien de lucht neemt, om uit de neusholten door de
neuskeelopeningen in het strottenhoofd te komen. Beide wegen
kruisen elkander dus in de keelholte.
De opening, waarmede het strottenhoofd op den bodem der
keelholte een aanvang neemt, kan van boven worden gesloten
door een beweeglijk lip- of tongvormig kraakbeen, de strotklep
geheeten. De onderlinge kruising van den weg voor het voedsel
met dien van de lucht maakt deze voorziening noodig. De strot-
klep staat namelijk ten behoeve der ademhaling open, behalve
op het oogenblik, dat een voedselbrok wordt doorgeslikt. Is de
weg bij het slikken niet behoorlijk afgesloten, dan bestaat er
gevaar, dat het dier zich verslikt en dat voedsel of drank in de
longen geraakt. Gelukkig worden deze vreemde stoffen meestal
door een hoestbui uitgeworpen.
Iets dergelijks bewerkt het zachte gehemelte; deze beweeglijke en
onvolkomen scheiwand tusschen mond- en keelholte, is bij het paard
-ocr page 118-
92
zeer lang en rust met zijn vrijen rand op de tong, maar komt op het
oogenblik van het slikken achter- en bovenwaart» te liggen en sluit
dan den weg naar de neusholten af. Zoodra voedsel of drank achter
het zachte gehemelte is gekomen, gaat het laatste weder naar voren
en sluit den terugweg van de keel- naar de mondholte af. Dit is
ook de reden waarom het paard uitgebraakte stoffen door de
neusholten ontlast. Hetzelfde geldt ook voor de lucht, die uitge-
ademd wordt, zoodat het paard groot gevaar loopt te stikken als
de weg langs beide neusholten versperd raakt. Het paard kan
uiterst moeielijk door den mond ademen.
Het strottenhoofd is een uit kraakbeenderen samengestelde cylinder,
die den aanvang uitmaakt van de luchtpijp, welke uit een vijftigtal,
door bindweefsel verbonden ringen bestaat. Beide zijn inwendig
met een slijmvlies bekleed. De luchtpijp, vóór den slokdarm, aan
den voorrand van den hals gelegen , treedt tusschen de beide eerste
ribben door in de borstholte. De kraakbeenderen van het strotten-
hoofd zijn onderling meer of minder beweeglijk. Hun verschillende
standen hebben een vaneen wij ken, resp. tot elkander naderen van
twee plooien of banden ten gevolge, die aan weerszijden op de
binnenvlakte van het strottenhoofd uitsteken. Deze plooien zijn
de stembanden, waarvan de stand verandert ten behoeve van de
ademhaling en van de stemvorming. De driehoekige opening,
die de stembanden tusschen zich laten, is de stemspleet.
De longen liggen binnen de borstkas, waarvan de wanden voor-
eerst bestaan uit de rugwervelen, liet borstbeen en de ribben,
die onderling door spieren zijn verbonden. De achterwand der
borstkas wordt gevormd door een groote vliezige spier, die de
borst- van de buikholte scheidt {het middelrif).
De binnenvlakte van de borstkas is bekleed met een weivlies,
het borstvlies (pleura), waarvan een ingestulpt gedeelte de organen
der borstholte bekleedt. Bijgevolg liggen de met dit weivlies be-
kleede longen, met gladde oppervlakten, vrij tegen de inwendig
even gladde borstkas en het tusschen haar gelegen gladde harte-
zakje.
De longen zijn twee in getal, een rechter en een linker. Zij
vullen verreweg het grootste gedeelte der borstholte en bevatten
het hart tusschen zich. Klke long vormt, van ter zijde gezien,
een lange kwab, met een dun en smal vooreinde en een breed
achtereinde, voorts met een dikken bovenrand en een scherpen
onder- en achterrand. Op het gevoel is deze kwab elastisch en
\\\\eek, als een luchtkussen.
-ocr page 119-
93
In elke long zet zich een der beide buizen voort, waarin de
luchtpijp zich binnen de borstkas verdeelt. Deze buis, die evenals
de luchtpijp uit een rij onderling verbonden kraakbeenringen be-
staat, verdeelt zich in kleinere buizen, deze splitsen zich op haar
beurt in nog kleinere, enz.; al deze luchtbuizen heeten luchtpijp-
takken (bronchiëti).
De allerfijnste dezer takjes, die slechts \'/,„
millimeter dik zijn, eindigen ten laatste elk in een peervormig
groepje van zeer fijne, onderling gemeenschap hebbende blaasjes,
de longblaasjes. De wanden van dit uitgebreide stelsel van boom-
takvormig verdeelde luchtkanalen, dat verreweg het grootste ge-
deelte der longen uitmaakt, hebben als inwendige laag een slijmvlies
(het longslijmvlies), de voortzetting van dat der luchtpijp. Kanalen
en blaasjes zijn onderling tot een geheel vereenigd door bindweefsel,
waarin de bloedvaten der longen zijn gelegen; het geheel is met
het reeds vermelde gedeelte van het borstvlies overtrokken, dat
longenvlies (longcnpleura) heet, terwijl het andere gedeelte van het
borstvlies, dat de borstwanden van binnen bekleedt, den naam
ribbenvlies (ribbenpleura) draagt.
De bloedvaten der longen zijn, behalve de voedingsarteriën, de
takken der longslagader, waarin het uit de rechter hartkamer
komende bloed toestroomt, en de takken der longaderen, waarin
het bloed weder uit de longen naar den linker hartboezem vloeit.
Om uit de slagaderen in de aderen te komen, passeert het de
haarvaten der longen, die zich, in den vorm van fijne netten van
kronkelende vaatjes, in de uiterst teere wanden der longblaasjes
bevinden.
De wanden der longblaasjes bestaan ten deele uit veeikrachtig
weefsel en bevinden zich in een meer of minder opgeblazen toe-
stand. Vandaar, dat de longen binnen de borstkas steeds de
neiging hebben om kleiner van omvang te worden of in te krimpen,
hetgeen echter wordt belet door de drukking van de buitenlucht
in de longen tegenover de luchtledigheid van de borstkas. Maar
vandaar ook, dat, zoodra na opening van de borstkas de buiten-
lucht in de borstholte treedt, zelfs bij het doode paard de longen
ophouden tegen de borstwanden aan te liggen en de borstholte
te vullen; integendeel, krachtens haar elasticiteit, krimpen zij dan
aanmerkelijk in. De longen van een gezond paard zijn bijgevolg,
als men ze na den dood te zien krijgt, aanzienlijk kleiner dan zij
tijdens het leven waren. Bij de meeste dampige paarden is de
elasticiteit van een groot gedeelte der longen verloren zoodat zij
bij de opening der borstkas minder samenvallen.
-ocr page 120-
m
§ 39. DE IN- EN UITVOER VAN LUCHT IN DE LUCHTWEGEN
OF HET MECHANISME DER ADEMHALING.
De ademhaling (respiratie) voorziet in de twee voornaamste
behoeften van het organisme, namelijk de opneming van zuurstof
uit, en de afgifte van koolzuur aan de dampkringslucht. De lucht
wordt door de ademhaling in de longen opgenomen, namelijk
ingezogen en daarna hieruit weder verwijderd, als het ware uit-
geblazen. De ingezogen lucht verliest na haar aankomst in de
longblaasjes zuurstof, die door de wanden der haarvaten in het
bloed dringt; zij neemt in de plaats hiervan Looizuur op, dat langs
denzelfden weg ontwijkt, dien de zuurstof heeft gevolgd om in
het bloed te geraken. Het eerste onderdeel (de in- en uitvoer
van lucht) is het mechanisme, het andere (de uitwisseling van gassen)
is het chemisme der ademhaling.
Het eenmaal inademen (inspireeren) en opvolgend uitademen
(exspireeren) vormen te zamen één ademtocht {respiratie). Het
aanhoudend periodiek optreden der ademtochten komt als volgt
tot stand. In het verlengde merg bevindt zich een plekje, delevens-
knoop, zoo genoemd, omdat de ademhaling onmiddellijk ophoudt,
wanneer het ernstig beleedigd wordt. Dit zenuwcentrum, door
stofwisselingsproducten geprikkeld, doet, door tusschenkomst van
beweegzenuwen, de borstspieren in werking komen, die de borst-
kas in alle afmetingen vergrooten (de inademingsspieren). Hiertoe
belmoren vooral het middelrif en de oplichters van de ribben.
De borstkas is luchtledig gesloten, zoodat de daarin bevatte
organen des te minder worden gedrukt, naarmate haar ruimte
toeneemt. Hierdoor zetten de longen zich bij vergrooting der
borstholte uit en blijven zij dus de borstkas steeds opvullen;
daarbij wordt de lucht, die zij nog bevatten, natuurlijk ijler. In
de longen ontstaat alzoo een negatieve drukking, die echter wordt
opgeheven door het inzuigen van een evenredige hoeveelheid
buitenlucht. Bij deze eerste phase van een ademtocht, de i»-
ademing, zijn ook de verwijders van neus en strottenhoofd werk-
zaam om de buitenlucht, zooveel als noodig is, toegang te ver-
schaffen.
Daarna volgt onmiddellijk de tweede phase, de uitademing,
waartoe de vernauwers der borstkas, onder anderen de schuinsche
buikspieren
bijdragen. De borstkas wordt reeds kleiner, wanneer
de verwijders verslappen, enkel door de elasticiteit der ribkraak-
beenderen. Naarmate de borstholte kleiner wordt, krimpen de
-ocr page 121-
05
opgeblazen longen in. Gedeeltelijk worden zij samengedrukt door
de zwaarte der terugvallende borstwanden, en voor een ander
deel trekt het elastische longweefsel zich samen. Het gevolg hiervan
is, dat de lucht grootendeels ontwijkt, met andere woorden, uit-
geblazen wordt. Bij elke ademtocht wordt slechts een gedeelte
der longenlucht door dampkringslucht vervangen; zelfs na de
krachtigste uitademing blijft nog veel in de longen achter.
In rust heeft het volwassen paard onder normale omstandig-
heden gemiddeld 12 ademtochten in de minuut; vrouwelijke dieren
hebben meer ademtochten dan mannelijke, jonge meer dan oude
dieren. Inspanning doet het aantal ademtochten aanmerkelijk
vermeerderen; dit neemt toe in evenredigheid van de kracht en
de snelheid der bewegingen van het dier. Intusschen kan door
oefening, door entraineeren, het aantal ademtochten belangrijk
worden verminderd. Het ademen kan ten slotte in een hoorbaar
hijgen ontaarden, waarbij de buikwanden zich bij elke uitademing
sterk samentrekken (z.g. slaan met de flanken). Opwekkingen van het
zenuwstelsel en ziekelijke toestanden kunnen ook aanmerkelijke
wijzigingen brengen in de ademhalingsfrequentie.
Als eigenaardig gewijzigde ademtochten verdienen vermelding:
Het snuiven, zooals het bevreesde paard soms doet, waarbij,
na een diepe inademing, stootsgewys een krachtige, met een
snuivend geluid gepaarde uitademing plaats heeft. Dit mag niet
worden verwisseld met het ziekelijk z.g. snuiven (cornage), dat meestal
door een vernauwing van het strottenhoofd ontstaat.
Het proesten (niezen), een plotseling optredende, korte, krach-
tige en luide uitademing, die het gevolg is van prikkeling dei-
zenuwen van het neusslijmvlies, waarbij al de lucht langs den
neus ontsnapt.
Het hoesten, een krachtige stootsgewijze uitademing, vooraf-
gegaan door een korte inademing, door prikkeling van het slijmvlies
der diepere luchtwegen en inzonderheid van het strottenhoofd.
Om het paard willekeurig te doen hoesten, wordt het strottenhoofd
of het bovenste gedeelte der luchtpijp samengedrukt. Uit den
opgewekten hoest kan men den toestand der longen beoordeelen.
Het snuffelen, waarbij om scherp te ruiken, het inademen
meestal met gestrekt hoofd en hals, in een reeks van kleine zetten
geschiedt.
Het geeuwen, waarbij een zeer diepe inademing plaats heeft,
gevolgd door een minder langzaam uitademen, dat soms met
rekken gepaaid gaat.
-ocr page 122-
96
§ 40. Het chehishe der ademhaling of de qaswis-
seling tusschen lucht en bloed en tusschen
bloed en weefsels.
In de longblaasjes, wier uiterst teere wanden kronkelend
verloopende haarvaten bevatten, heeft een uitwisseling van gassen
plaats tusschen de lucht en het bloed, dat door deze longhaar-
vaten stroomt. Het donkerroode, van de rechter kamer aange-
voerde, aderlijke bloed wordt tijdens zijn loop door deze haarvaten
in helderrood, slagaderlijk bloed veranderd (gearterialiseerd) of
gezuiverd, dat is: het verkrijgt uit de longenlucht zuurstof,
waaraan het zeer arm, en verliest koolzuur, waaraan het zeer
rijk geworden was.
In de longen wordt de dampkringslucht in volume gemiddeld
ongeveer 5 pet. armer aan zuurstof; zij verliest namelijk ongeveer
\'/» gedeelte harer zuurstof. Daarentegen wordt zij gemiddeld
ruim honderdmaal rijker aan koolzuur, waarvan z\'y bij de uit-
ademing in volume ongeveer 4,5 pet. bevat. Het bijgekomen
koolzuur neemt aldus nagenoeg de plaats van de verloren zuurstof
in, terwijl het gehalte aan stikstof niet noemenswaardig verandert.
Een en ander blijkt duidelijk uit het volgend schema der
gemiddelde samenstelling van:
Zuurstof.        Koolzuur.         Stikstof
0,04 pet.
4,5 »
inademingslucht = 20,8 pet.
2°. uitademing slucht = 46,0 »
79,2 pet.
79,2 »
Bovendien wordt de lucht in de longen rijk aan walerdamp,
zoodat het lichaam door de ademhaling een groote hoeveelheid
water verliest (de z g. longuitwaseming).
De zuurstof wordt in het bloed tijdelijk gebonden aan een be-
standdeel der roode bloedlichaampjes, de bloedkleur stof\' (haemoglobine),
en vormt daarmede de als oxyhaemoglobine bekende stof. Het kool-
zuur,
dat afgegeven is, was te voren gebonden aan in het bloed-
plasma aanwezige zouten, inzonderheid aan de koolzure soda, die
daardoor tijdelijk tot dubbel-koolzure soda geworden was, maar die
in het bloed, dat de longen verlaat, weder als enkel-koolzure soda
voorkomt.
Aldus stroomt het weder slagaderlijk geworden bloed naar de
verschillende lichaamsdeelen en ten laatste door de haarvaten.
Binnen die haarvaten treedt het in scheikundige wisselwerking
-ocr page 123-
07
met de weefsels, met hun cellen en hun vochten; het verliest
daarbij zuurstof, die door de wanden heen in de weefsels treedt,
tot onderhouding van de verschillende oxydatieproeessen en de
daarop berustende functiën. De weefsels worden daarentegen
bevrijd van koolzuur, dat er als een der producten van de stof-
wisseling werd opgehoopt, en thans door bemiddeling van de
koolzure soda wordt weggevoerd.
Zoo worden dus aanhoudend aan-, resp. weggevoerd, de zuur-
stof
van de longen naar de weefsels door de roode bloedlichaampjes
(eigenlijk de haemoglobine), en het koolzuur van de weefsels naar de
longen, grootendeels door de koolzure soda van het bloedvocht.
Tweemaal wisselt het bloed deze stoffen tegen elkander uit: voor-
eerst in de haarvaten der longen (kleine bloedsomloop), waar het
zuurstof opneemt en koolzuur verliest, en vervolgens in de voe-
dingshaarvaten van alle weefsels
(groote bloedsomloop), waar het
zuurstof afgeeft en koolzuur ontvangt. Van daar de onderscheiding
der ademhaling, voor zoover haar chemisme, de gaswisseling in
het bloed aangaat, in een uitwendige of Longen-ademhaling en een
inwendige of weefsel-ademhaling.
Een ruime borstkas met groote longen en krachtige longen-
ademhaling, met spoedige bloedzuivering, is van het meeste gewicht
voor het paard, dat dagelijks onder belangrijke krachtsproductie
een groote stofomzetting ondergaat.
Wordt de lucht in de longen te arm aan zuurstof en te rijk
aan koolzuur, gelijk door tal van omstandigheden kan ontstaan,
dan wordt de ademhaling benauwd. Naarmate de behoefte aan
lucht zich sterker doet gevoelen, stijgt de benauwdheid, de zooge-
naamde luchthonger, en ten laatste geraakt het dier in stikkingsnood
(asphyxie)
en wordt bewusteloos; de stikkingsdood (suffocatie) is dan
nabij. Hetzelfde zal natuurlijk geschieden, indien de longen
buiten staat geraken om de noodige hoeveelheid lucht op te
nemen, gelijk bij ziekelijke veranderingen het geval kan zijn.
Een dergelijke gaswisseling als in de longblaasjes plaats grijpt,
bestaat ook, doch in betrekkelijk geringe mate, tusschen de lucht
en het bloed, in de haarvaten der huid. Deze z. g. huidademhaling
wordt bij de bespreking der huidwerkzaamheid nader behandeld.
§ 41. De stem.
De stemvorming heeft plaats in het strottenhoofd; hierbij ver-
schilt de hoogte der tonen naar de spanning der stembanden.
Deze geraken in trilling door de uitstroomende lucht.
7
-ocr page 124-
98
Het gewone stemgeluid van het paard is het gehinnik, bestaande
in een reeks van spoedig op elkander volgende, kort afgebroken
tonen. Het hinneken is een teeken van vreugde of van verlangen,
dat zich op deze wijze het sterkst uit bij de merrie, die haar
veulen mist. Het hinnekende paard houdt in den regel het hoofd
omhoog en de ooren gespitst.
Het eigenaardige, meer zachte geluid, dat de paarden doen
hooren als het tijd van voederen of drinken is, heeft een heel
ander karakter en wordt met den naam van grinneken bestempeld.
De scherpe toon, dien het paard doet hooren, terwijl het bijt
of slaat, mag schreeuwen worden genoemd. Kittelige paarden
maken een dergelijk schreeuwend geluid, wanneer men ze hier
of daar aanraakt. Schreeuwen of kermen van pijn is uiterst
zeldzaam; wel hoort men paarden, die pijn lijden, somtijds kreunen
of steunen.
4*« AFDEELING. DE AF- EN UITSCHEIDIN GEN.
(5e- en excreties).
Onder afscheiding verstaat men het vrijgeraken van stoffen
uit het bloed, nadat deze vooraf in bepaalde organen, de af-
scheidingsorganen,
de noodige veranderingen hebben ondergaan.
De meeste afscheidingsproducten zijn nog nuttig en voorzien
in bepaalde behoeften, bv. speeksel, maagsap, traan vocht, slijm,
enz. Deze heeten afscheidingsstoften in den nauweren zin van het
woord; haar vorming noemt men afscheiding {secretie). Andere
producten hebben geen nut meer, bv. de urine, het zweet, het
koolzuur; zij heeten uitscheiding sstoffen en haar vorming wordt
uitscheiding (excretie) genoemd. Sommige producten behooren tot
beide categorieën, bv.degal, waarvan sommige bestanddeelen voor
de vertering dienen, terwijl andere enkel in het darmkanaal komen
om het lichaam te verlaten.
Vele af- en uitscheidingen kwamen reeds ter sprake. Andere,
als de afscheidingen der huid en de urine-afscheiding, dienen nog
te worden behandeld.
Bijna alle af- en uitscheidingen komen tot stand in klieren;
daarin vinden bijzondere scheikundige omzettingen plaats, waarbij
de eigenaardige producten der klierwerkzaamheid, de se- en excretie-
stoffen,
worden gevormd uit bloed bestanddeelen.
-ocr page 125-
öö
§ 42. De huid en haar samenstelling (textuur).
De huid vormt het uitwendig bekleedsel van het lichaam en
bestaat uit drie lagen.
De buitenste laag, de opperhuid {epidermis), is uit meer of
minder verdroogde hoorncellen opgebouwd. Zij bevat, evenals
haren en hoorn, geen bloed en is wegens gemis aan zenuwen
volmaakt ongevoelig. Haar doorsnede bedraagt \'/»—V» millimeter,
behalve op plaatsen die aan voortdurende prikkeling blootstaan,
waar zij aanmerkelijk dikker is en eelt wordt genoemd. Zij vormt
de beschuttende laag der huid.
De opperhuid schilfert voortdurend in fijne, zemelachtige schub-
betjes af, die zich bij slecht verpleegde paarden tusschen de haren
ophoopen. Hieruit volgt, dat zij ook voortdurend wordt vernieuwd.
Uit de eigenlijke huid vormen zich nieuwe lagen van opperhuid-
cellen, die op haar beurt verhoornen en afgestooten worden. De
jongste, niet verhoornde, weeke lagen der opperhuid heeten de
slijmlaag van Malpighi.
De opperhuid bedekt onmiddellijk de eigenlijke huid, de Ieder-
huid (derma of corium) geheeten, bestaande uit elastisch bind-
weefsel, dat rijk is aan zenuwen en bloedvaten. De dikte van
deze middelste laag verschilt aanzienlijk naar het ras der paarden,
alsmede bij elk paard naar de plaats van het lichaam. Zoo is de
huid van den rug dik en moeilijk plooibaar, die van den buik,
den omtrek der geslachtsdeelen, de buigzijde der gewrichten en
de oogleden dun en zacht.
Het bovenste gedeelte der lederhuid bestaat uit tepeltjes
(tepellaag), waarin het tastgevoel zetelt en die aan de bovenlip
en aan de uiteinden der ledematen sterk ontwikkeld zijn.
De binnenste laag wordt gevormd door het onderhuidsch bind-
weefsel,
dat de huid aan de onderliggende deeleu bevestigt. Dit
bindweefsel is op vele plaatsen zeer los en de huid daardoor
gemakkelijk verschuifbaar; elders is het dichter en vaster,
waardoor de huid minder verschuifbaar en plooibaar is. Bij vette
dieren bevat dit bindweefsel groote hoeveelheden vet en vormt
alsdan de zoogenaamde vetlaag der huid. Waar uitstekende
beenderen onmiddellijk onder de huid liggen, zooals aan de punt
van den elleboog en van de hak, bevinden zich dikwijls sUjm-
beurzen
onder de huid.
Onder de huid ligt een spierlaag (de huidspier, met haar
door peesvezelen verbonden), waardoor zij kan worden bewogen.
-ocr page 126-
100
Op enkele plaatsen is deze duidelijk ontwikkeld, onder anderen
op de voorste helft van den hals en een deel der onderkaak;
sterker nog in de streek van het schouderblad en het opperarm-
been, en van de spieren, die achterwaarts tusschen beide zijn
gelegen, en het sterkst op de geheele zijvlakten van den borst- en
den buikwand. Samentrekkingen der schouderhuidspier en der
buikhuidspier kunnen sterke schuddingen of schokken der huid
teweegbrengen.
De lederhuid bevat behalve de haren twee soorten van klieren:
1°. De huidsmeerklieren, waarvan er twee naast elk haar zijn
gelegen; deze hebben door een kort ontlastbuisje gemeenschap
met de haarzakjes, welke zich in de huid dieper uitstrekken dan
de kliertjes.
2°. De zweetklieren zijn dieper gelegen dan de vorige en be-
staan uit een opgerold fijn buisje, dat naar de oppervlakte loopt
en daar met een zeer kleine, trechtervormige opening (zweetporie)
eindigt. Op sommige plaatsen zijn beide kliersoorten zeer sterk
ontwikkeld en talrijk, onder anderen in de liesstreek, nabij den
aars en aan de geslachtsorganen.
In elk haarzakje is een haar met zijn wortel op den gezwollen
bodem van het zakje (de haartepel) bevestigd. Het deel, dat
zich boven de opperhuid verheft, draagt den naam haarschacht.
De haarkiem brengt de hoorncellen voort, die zich gaandeweg
tot een haar vereenigen.
Kleine, aan den bodem der haarzakjes bevestigde spiertjes,
kunnen de huid doen samentrekken, waarbij de haren overeind
gaan staan, en tevens uitpuilen. Dit is het geval bij het paard,
dat pas sterk is afgekoeld, doordat het b. v. veel koud water
heeft gedronken, of bij het dier, dat aan koortskoude lijdt. De
gerimpelde huid, welke hierbij ontstaat, noemt men bij den
mensch kippenvel. Op enkele plaatsen brengt de lederhuid, in
plaats van opperhuid en haren, in samenhangende massa hoorn-
weefsel voort, als de hoorn- of zwilwratten, de sporen of horentjes
aan de beenen, en de hoeven.
§ 43. De verrichtingen der huid.
De huid voorziet in talrijke behoeften. Zij dient:
a. Als beschuttend orgaan.
De opperhuid beschut het organisme tegen nadeelige invloeden.
Is zij verloren gegaan en de huid zoogenaamd ontveld, dan zullen
uitwendige prikkels zich daar ter plaatse sterker doen gevoelen
-ocr page 127-
101
en tot stoornissen aanleiding geven. Daarom vorderen de geringste
ontvellingen op plaatsen, die aan drukking van het tuig onder-
hevig zijn, onmiddellijk voorziening, ten einde gevaarlijke ge-
volgen te voorkomen.
b.    Als gevoelsorgaan.
Van het gevoel der huid in het algemeen en van de huid als orgaan
van het tastgevoel of den tastzin wordt later melding gemaakt.
c.    De huid als regulator der lichaamstemperatuur.
Voorzien van een rijk bloedvatennet, is de huid voor de
regeling van den warmtegraad van het organisme van groote
beteekenis. Zij is in staat bij overvulling met bloed in korten
tijd veel warmte te doen ontwijken, eensdeels door uitstraling,
anderdeels door binding aan den uitwasemenden waterdamp
en aan het dampend zweet. Omgekeerd kan zij door kramp van
de huidspiertjes en van de huidbloedvaten, het verlies van warmte
naar buiten, waar noodig, aanmerkelijk beperken.
d.     Voor de huidademing.
Evenals door de longen, wordt ook door de huid zuurstof in
het bloed opgenomen en koolzuur uit het bloed afgegeven. Met
de ademhaling der longen vergeleken, is de huidadeinhaling be-
lrekkelijk gering te noemen; zij wordt echter bij hooge lucht-
temperatuur, door beweging van het paard, enz. aanmerkelijk
sterker. Maar veel grooter dan langs de longen, is het verlies
van water langs de huid, in den vorm van waterdamp.
e.     Voor het zweeten.
Het zweet, door de zweetklieren uitgescheiden, bestaat voor
meer dan 99 pet. uit water; als eigenlijke zweetbestanddeelen be-
vat het hoofdzakelijk eenige zouten en pisstof, alsmede vluchtige
vetzuren, die den eigenaardigen reuk van het zweet veroorzaken.
Bovendien kunnen er in voorkomen verschillende vreemde be-
standdeelen die, in het bloed geraakt, met het iweet het lichaam
verlaten. De overeenkomst met de pisuitscheiding is in alle op-
zichten vrij groot. Beide verrichtingen staan in zoodanig weder-
keerig verband, dat als de eene zeer sterk plaats grijpt, de andere
gering is, en omgekeerd.
De zweetuitscheiding heeft voortdurend plaats. Voor zoover
het zweet niet in druppels of in schuim zichtbaar wordt, ver-
dampt het, en dan vormt deze uitscheiding met die van het kool-
zuur de onzichtbare huiduitwaseming. Komt het water in den vorm
van druppels (druipend zweet), of in dien van vocht, dat met fijne
luchtblaasjes vermengd is {schuimend zweet), of eindelijk als een
-ocr page 128-
102
zich spoedig vormende nevel van zweetblaasjes (dampend zweet)
voor den dag, dan wordt deze zichtbare huiduitwaseming zweeten,
de uitgescheiden stof zweet genoemd.
Uit de samenstelling van het zweet volgt, dat niet alles wat
zweet is, ook verdampen kan. Het paard, dat sterk gezweet heeft,
vindt men later, als het opgedroogd is, bedekt met zoogenaamd
gedroogd zweet. Intusschen bestaan de met dien naam aangeduide
fijne, schilferige korstjes, die de haren doen samenbakken, slechts
voor een klein deel werkelijk uit bestanddeelen van het zweet,
en wel uit zouten; voor het grootste deel bestaan zij uit door
verweeking losgelaten en afgestooten opperhuid, alsmede uit huid-
smeer en bovendien uit meer of minder vuil.
De zweetuitscheiding, en in het algemeen het afgeven van
waterdamp door de huid, regelt zich naar het watergehalte van
het bloed en naar de hoeveelheid bloed, die in een bepaalden tijd
door de huid stroomt. Deze hoeveelheid is in warme stallen, bij
warme bedekking steeds groot, maar kan door inspanning en
beweging nog aanmerkelijk worden vermeerderd. De huiduitwase-
ming hangt bovendien af van het watergehalte der lucht, dus
ook van haar temperatuur (die immers hel maximum van haar
watergehalte bepaalt), alsmede van het in rust of in beweging
zijn der lucht. Zwakke paarden zweeten spoediger dan krachtige,
waarvan de oorzaak ten deele in de huid, anderdeels in het bloed
gelegen is.
Sterke afkoeling der warme, inzonderheid der zweetende huid
geeft aanleiding tot kou vatten, dat soms zware ziekten na zich sleept,
f. Tot afscheiding van huidsmeer.
Het huidsmeer is een dikke olieachtige stof, die in de huidsmeer-
klieren wordt voortgebracht en voor ongeveer de helft uit vetstojjen,
voor het overige uit water en eenige organische stoffen en zouten
bestaat. Hel wordt in de haarzakjes ontlast, waar het zich, door
nieuw aankomende hoeveelheden voortgeschoven, rondom eiken
haarwortel verspreidt, totdat het ten laatste aan de oppervlakte
der huid rondom de haarschacht te voorschijn komt. Haren en
opperhuid worden aldus door huidsmeer vettig en lenig gehouden,
waardoor èn het uitdrogen en scheuren, èn het spoedig door-
weekt worden der opperhuid worden tegengegaan.
Waar zeer veel huidsmeer wordt voortgebracht, heeft de huid
een vettigen glans, zooals b. v. met de huid der geslachtsdeelen
het geval is. Hetzelfde merkt men op in de oorschelp, waar zich
soms groote hoeveelheden huidsmeer (oorsmeer) ophoopen. In de
-ocr page 129-
103
sterkste mate wordt echter de ophooping van huidsmeer aange-
trofien in de voorhuid.
§ 44. De haren en de haarwisseling.
De haren dienen voor het grootste gedeelte tot bekleeding van
het lichaam. Zij beschutten de huid tegen te sterke afkoeling en
beperken den nadeeligen invloed van het vocht.
De korte, vlak liggende haren, tot bekleeding en beschutting
dienende, worden dekharen genoemd. Bovendien onderscheidt
men nog: 1°. de lange haren, waarmede de bovenrand van den hals,
een gedeelte van het voorhoofd, de staart wortel, de achtervlakte
der kootgewrichten, enz. bezet zijn (onderscheidenlijk genoemd:
maanharen, maantopharen, staartkaren, kootharen); 2". de minder lange
haren, die zich in de oorschelpen, aan de ooglidranden en hier
en daar om de neusgaten bevinden {oorharen, oogharen of wimpers,
neushoren); en 3". de enkele rechtuitstaande, stijve en borstelige
haren, welke in den omtrek van de lippen en de oogen worden
aangetroffen en waarvan de minste aanraking door het dier
wordt gevoeld, omdat zij op zeer zenuwrijke en gevoelige haar-
tepels zijn ingeplant {voelhoren of tastharen).
De dekharen wisselen geregeld, terwijl de haren, die niet tot
dekmiddel dienen, slechts op onregelmatige tijden uitvallen,
wanneer zij hun grootste lengte hebben bereikt. Eenmaal \'sjaars,
namelijk in het voorjaar, verliest het paard langzamerhand al zijn
dekharen. De winterharen, die gedurende den herfst en den
winter lang zijn geworden, vallen in het voorjaar in eenige
weken uit en worden door nieuwe vervangen. Deze jaarlijksche
vervanging van dekharen heet de haarwisseling (het verharen).
De haarwisseling heeft gewoonlijk plaats gedurende de maanden
Maart en April, maar wordt meermalen ook in de maand Mei
en zelfs nog later gezien. Dit hangt af van de weersgesteldheid
en, meer nog, van individueele omstandigheden.
Tijdens de haarwisseling is de huid veelal minder beschut,
daar de haren meerendeels uit zijn gevallen, terwijl de nieuwe
nog niet voldoende zijn aangegroeid. Dit „dun in het haar zijn"
heeft ten gevolge dat veel paarden dan gevoeliger zijn voor kou vatten.
De huid oefent een grooten invloed uit op den geregelden gang
der overige levenswerkingen. De gevolgen van deze verhouding
liggen voor de hand. In de gesteldheid van huid en haren
spiegelen zich niet alleen gezondheid en ziekte af, maar slechte
huidverpleging is dikwijls ook het uitgangspunt van kwalen,
waarvoor de oorzaken dan veelal elders worden gezocht.
-ocr page 130-
104
§ 45. De piswerktuigen, de pisuitscheiding en de
tisontlasting.
De nieren, gelegen aan weerszijden der wervelkolom, onder de
laatste rug- en de eerste lendenwervelen, dienen voor de uitschei-
ding der urine uit het bloed. Uit de fijne buisjes der nier-
zelfstandigheid verzamelt zich de urine in het nierbekken en wordt
van daar door de piswegen ontlast. Van elk nierbekken voert een
lange buis, de pialeider, naar de pisblaas. De blaas, die in ge-
vulden toestand eivormig is, ligt in het bekken met haar bodem
naar den buik gekeerd; haar achterste gedeelte, de z.g. hals, is
nauw en door een sluitspier (sphincter) gesloten.
Bij de merrie zet de hals zich voort in een zeer korte pisbuis,
die op den onderwand der scheede uitmondt, waar haar opening
gemakkelijk met een vinger langs de schaamspleet te bereiken is.
Bij het mannelijk paard gaat de hals der blaas daarentegen in
een ongeveer 70 Cm. lange pisbuis over, die zich over den uit-
gesneden achterrand der zitbeenderen naar beneden en voren om-
slaat en verder de roede, waarmede zij een geheel uitmaakt,
vergezelt.
De urine bestaat gemiddeld voor •/,„ uit water, terwijl de
overige 10 pCt. voor de grootste helft bestaan uit organische
stoffen {pisstof en paardenpiszuur) en voor de kleinste helft uit
zouten, meerendeels koolzure zouten.
Sommige bestanddeelen hebben het lichaam slechts gepasseerd
en zijn, na opneming in het bloed, weder onmiddellijk langs de
nieren verwijderd. Dit is het geval met een deel van het water,
met vele zouten en tal van vreemde bestanddeelen, bijv. genees-
middelen, die grootendeels langs dezen weg het organisme verlaten.
De voornaamste urine-bestanddeelen zijn stofwisselingsproducten,
als: 1°. de pisstof {ureum), die in het lichaam ontstaat door om-
zetting en oxydatie van eiwitstoffen. Uit de weefsels wordt zij
in de haarvaten opgenomen en komt van daar langs de aderen
in het slagaderlijk bloed, waaruit zij in de nieren wordt verwijderd.
2°. Het paardenpiszuur (hippuurzuur) en meer andere stoffen,
waaraan de urine een bepaalde kleur en reuk te danken heeft.
De uitgescheiden urine wordt door samentrekking der pisleiders
gaandeweg voortgedrukt, droppelsgewijs in de pisblaas ontlast en
aldaar verzameld. Gemiddeld worden 4—6 kilogr. per dag uit-
gescheiden; deze hoeveelheid verschilt evenwel aanmerkelijk naar
het opgenomen en langs andere wegen uitgescheiden water. Is
-ocr page 131-
105
de blaas tot zekere hoogte gevuld, dan ontstaat een samen-
trekking van haar spierrok, gaande van den bodem naar den hals,
waardoor de urine, bij ontsluiting van den hals, wordt ontlast.
Bij overvulling der blaas gedurende eenigen tijd raakt haar
spierwand, door de sterke rekking, gedeeltelijk verlamd. Het
dier doet dan vergeefsche pogingen om urine te lozen en is zoo-
genaamd „over het water gereden."
De urine zet zich, inzonderheid in warme stallen, spoedig
om, waarbij zich uit de pisstof koolzure ammoniak ontwikkelt.
Hierdoor ontstaat de ammoniak-lucht, die men, vooral \'s morgens,
in sommige stallen waarneemt.
§ 46. De stofwisseling en de dierlijke warmte.
Uit hetgeen omtrent de voedingsverrichtingen gezegd is, blijkt
dat het bloed terecht als het centrum der stofwisseling mag
worden beschouwd. Alle stoffen, dienende voor de voeding en
de functies der lichaamsdeelen, worden eerst in het bloed opge-
nomen. Voor de eiwitstoflen, vetten, koolhydraten, zouten en
het water geschiedt deze opneming in het digestiekanaal; de
zuurstof treedt in het bloed langs de longen. Die voedingsstolïen
geraken uit de haarvaten in het voedingsvocht, waarmede alle
organen doortrokken zijn. Uit dit voedingsvocht worden zij opge-
nomen door de cellen, die zich er mede voeden. De voedingsstoffen
en inzonderheid de eiwitstoüen worden bestanddeelen der cellen.
De verrichtingen der verschillende organen hebben scheikundige
veranderingen ten gevolge, waarbij de bestanddeelen der cellen
ontleed en in andere stoffen omgezet worden. Haar producten
zijn vooreerst de afscheidingsvochten, die nog verder in het
lichaam nuttig moeten zijn, en in de tweede plaats overblijfselen
van de stofwisseling, die weer in het bloed opgenomen worden,
om zoo spoedig mogelijk het lichaam te verlaten. Als zoodanig
kent men het koolzuur, de urine-bestanddeelen, enz., die vooral
in de spieren tijdens den arbeid worden gevormd. Voor een
groot deel geschieden deze omzettingen onder de oxydeerende
werking der zuurstof.
De stofwisseling komt dus neer op voortdurenden aanvoer van
materiaal, om te worden omgezet, namelijk grootendeels geoxy-
deerd (de voedingsstoffen), en van het middel om de oxydatie te
bewerken (de zuurstof); verder op aanhoudende uitscheiding van,
omzettings- en oxydatie-productei}.
-ocr page 132-
106
Hoe levendiger stofwisseling, m. a. w. hoe meer omzetting,
des te grooter zal de behoefte van het organisme zijn aan
voedsel en lucht. Voor een groot deel zal de intensiteit der
stofwisseling afhangen van den leeftijd en verder van de hoeveel-
heid arbeid, die van het dier wordt gevorderd. Bij het jeugdige
dier zijn steeds voedingsstoffen noodig voor den opbouw van het
niet ten volle ontwikkeld lichaam.
Door dit aanhoudend oxydatie- of verbrandingsproces wordt
de dierlijke warmte onderhouden. De eigen warmte van het dier
wordt door de temperatuur der omgeving weinig of niet geïnilu-
enceerd, en is daarom in de koudste zoowel als in de warmste
streken nagenoeg dezelfde, zoolang de dieren gezond zijn.
De inwendige lichaamstemperatuur neemt men bij het paard
waar door een thermometer in den endeldarm te plaatsen. Zij
bedraagt bij deze diersoort gemiddeld 37,5—38,5° C., maar kan
bij ziekten onder dit cijfer dalen of zich 2°—3\' er boven ver-
heffen. In het laatste geval heeft het dier koorts.
De normale temperatuur verschilt naar tal van omstandigheden,
waarvan hier, behalve de luchttemperatuur, de leeftijd en bovenal
de lichaamsbewegingen vermelding verdienen.
Aangezien de lucht, die het lichaam omgeeft, in den regel
kouder is dan het lichaam zelf, verliest het laatste voortdurend
warmte; toch blijft de lichaamswarmte haar gewone peil behouden.
Hieruit volgt van zelf, dat het lichaam ook evenveel warmte
voortbrengt als het verliest. De scheikundige omzettingen, waarop
de stofwisseling berust, gaan met productie van warmte gepaard.
Onder die omzettingen worden er zelfs onderscheiden, waarvan
men aanneemt, dat zij, ofschoon voor tal van verrichtingennood-
zakelijk, mede voor de warmteproductie plaats grijpen. Eengroot
deel der koolhydraten en der vetstoffen wordt namelijk bij de
weefselademhaling door de zuurstof geoxydeerd, d. i. tot koolzuur
en water verbrand.
Een bepaalde warmtegraad van het lichaam — bijgevolg ook
een voortdurende nauwkeurige regeling van de eigen temperatuur —
is een onmisbaar vereischte om gezond te blijven. De regeling
van de temperatuur des lichaams is in de eerste plaats de taak
der huid. "Vandaar de zeer bloedrijke, zweetende huid (die veel
warmte uitstraalt en aan waterdamp bindt) bij het paard, dat
zich door beweging verhit heeft; en omgekeerd de samengetrokken
huid, met ovei eindstaande haren (het kippenvel) en zeer vermin-
derd warmteverlies bij het paard, dat meer warmte verloren heeft
-ocr page 133-
107
dan het te gelijker tijd heeft kunnen voortbrengen. Hieruit volgt
van zelf de groote hygiënische beteekenis van de keuze der voedsels,
van het gebruiken van dekkleeden en baden, van het scheren der
huid, enz. voor de regeling van de lichaamstemperatuur onder
verschillende uitwendige omstandigheden.
HOOFDSTUK III.
HET ZENUWSTELSEL, DE ZENUWWERKING EN DE
ZINTUIGEN.
§ 47. Het zenuwstelsel.
Het zenuwstelsel bestaat uit een centraal en een peripherinch
gedeelte. Tot het eerste behooren de hersenen, die in de schedel-
holte liggen en liet ruggemerg, waarvan het vooreinde, het verlengde
merg,
in de hersenen overgaat. Beide zijn door drie vliezen om-
sloten en vormen een samenhangend geheel.
De hersenen bestaan uit vele paarsgewijs in haar beide helften
(hemispheren) gelegen onderdeden, waarvan elkeen afzonderlijke
functie heeft. De centraalorganen staan met de verschillende
lichaamsdeelen in gemeenschap door de zenuwen, die het periphe-
risch gedeelte van het zenuwstelsel vormen.
Het geheele zenuwstelsel is uit zenuwcellen en zenuwvezelen
opgebouwd. De hersenen en het ruggemerg bestaan ten deele uit
zenuwvezelen, maar vooral uit zenuwcellen, waarin de vezelen
voor een deel aanvangen en voor een ander deel eindigen. De
zenuwen worden door bundels van saamgevoegde vezelen gevormd.
Hier en daar treft men ook in de zenuwen groepen van zenuw-
cellen, z. g. zenuwknoopen aan, die verbindingspunten tusschen
verschillende zenuwvezelen vormen.
Al de zenuwen van het lichaam gaan van de centraalorganen
uit als een betrekkelijk klein aantal hoofdstammen: 12 aan weers-
zijden van de hersenen en het verlengde merg (de hersen-
zenuwen) en 42 aan weerszijden van het ruggemerg (de rugge-
mergzenuwen). Deze 54 paren hoofdstammen verlaten het cen-
traalgedeelte door openingen, die zich aan de ondervlakte van
den schedel en ter zijde in de ruggegraat bevinden,
-ocr page 134-
108
Een bepaalde afdeeling van het zenuwstelsel staat niet onmid-
dellijk met de centraalorganen in gemeenschap. Deze afdeeling,
welke hoofdzakelijk het zenuwstelsel voor de ingewanden en het
vaatstelsel uitmaakt, en die zeer rijk is aan groote zenuwknoopen
en vereenigingen van zulke knoopen (z. g. zenuwvlechten), heet de
groote sympathische zenuw of wel het zenuwknoopenstelsel.
§ 48. De zenuwwebkino.
De hersenen zijn het orgaan voor de verrichtingen van den
geest, de psychische verrichtingen of zielswerkingen; de gewaar-
wordingen
komen er tot stand , de voorstellingen worden er gevormd ,
de wil treedt er op. Zij zijn de zetel van het geheugen of herin-
neringsvermogen, van de gemoedsbewegingen en hartstochten, van
alle psychische eigenschappen of zielshoedanigheden.
Zal het paard kennis krijgen van hetgeen buiten of in zijn
lichaam geschiedt, dan zijn daartoe in de eerste plaats noodig
indrukken, welke de uiteinden treilen van zenuwen, die met zoo-
danige hersendeelen gemeenschap hebben, waar gewaarwordingen
kunnen ontstaan. Zulke zenuwen heeten gewaarivordingszenuwen;
zij worden, in algemeenen zin, ook gevoelszenuwen genoemd. Zij
geleiden de indrukken naar de hersenen, waar het dier zegewaar-
wordt,
d. i. er bewustheid van krijgt. Zoo krijgt het gewaarwording
van werktuiglijke aanraking of beleediging, van warmte en koude,
van electrieke schokken; zoo ook van licht, geluid, smaak en
reuk, en evenzoo van behoefte aan voedsel en drank (honger en
dorst), en van indrukken die het gevoel van wellust opwekken.
Uit gewaarwordingen ontstaan voorstellingen aangaande ontvangen
indrukken en hun oorzaken. Andere voorstellingen vormen zich
door het weder optreden en het onderling in verband gebracht
worden van vroegere gewaarwordingen en voorstellingen, en de
toen opgedane ervaring.
Leidt een voorstelling tot het ontstaan van een bewuste han-
deling van het dier, dan geschiedt deze als uiting van den wil.
De wilsuiting bestaat daarin, dat in de hersenen indrukken
worden gegeven aan zenuwen, die met spieren in verbinding
staan, namelijk in de spiervezelen eindigen. Zulke zenuwen
heeten beweegzenuwen. Zij geleiden de ontvangen wilsindrukken
naar de spieren, die zich dientengevolge samentrekken en daar-
door lichaamsdeelen in beweging brengen.
Over het geheugen, alsmede over de gemoedsbewegingen en
hartstochten, is het noodige medegedeeld in § 13.
-ocr page 135-
109
Sommige zenuwen of zenuwstammen bestaan uit zenuwvezelen,
die gewaarwordingen doen ontstaan (gewaarwordingsvezelen), en
uit andere, door wier bemiddeling bewegingen tot stand komen
(beweegvezelen); zij heeten derhalve gemengde zenuwen.
De als wilsuitingen volbrachte handelingen dragen den naam
van willekeurige of bewuste, ter onderscheiding van de onwillekeurige
of onbewuste. De laatste komen tot stand doordat opwekkingen
van gewaarwordingszenuwen , door tusschenkomst van zenuwcellen ,
in de centraalorganen onmiddellijk worden overgebracht op be-
weegzenuwen, zonder dat daarbij zoodanige hersendeelen worden
betrokken, waar gewaarwordingen kunnen ontstaan. De door
indrukken op gewaarwordingszenuwen teweeggebrachte onwille-
keurige bewegingen heeten reflexbewegingen. Zoo b.v. het knippen
met de oogleden, bij het z. g. in het oog geraken van vreemde
voorwerpen of bij het invallen van sterk licht; zoo het proesten,
als vreemde stoffen zich in den neus bevinden; het samentrekken
der huidspieren, waardoor schudding der huid, bij het steken
der vliegen; zoo ook menige plotselinge beweging na de werking
van spoor of zweep, enz.
Het verlengde merg en het ruggemerg zijn ten deele niet anders
dan een centrale streng, die door middel van degewaarwordings-
en de beweegzenuwstrengen waaruit zij bestaat, de hersenen in
verbinding stelt met al die zenuwen, welke daarmede niet on-
middellijk in gemeenschap staan. Anderdeels zijn ze echter tevens
organen, door wier bemiddeling tal van onwillekeurige handelingen
(refiexbewegingen) ontstaan. Zoo b. v. worden van het verlengde
merg uit, langs bepaalde zenuwen, de adembewegingen voortdu-
rend opgewekt, de hartsbeweging en de werking der bloedvaten
geregeld, de gangbewegingen in haar bepaalde combinatiën tot
onderlinge samenwerking gebracht, enz.
Door de groote sympathische zenuw worden zeer vele voedings-
verrichtingen geregeld. Zij bestaat uit zenuwen, die indrukken
ontvangen en naar bepaalde zenuwknoopen geleiden, en uit andere
zenuwen, welke van deze knoopen uit in werking gebracht, in
onwillekeurige spieren bewegingen opwekken of wel op de ver-
richtingen van afscheidende organen werken. Haar verschillende
werkingen zijn bijgevolg reflexwerldngen, die door tusschenkomst
van de zenuwcellen harer zenuwknoopen tot stand komen.
De in haar aard geheel onbekende werking, die in de zenuw-
vezelen plaats grijpt, terwijl zij geleiden (hetzij van de aanvangs-
punten der gewaarwordingszenuwen naar de centraalorganen,
-ocr page 136-
HO
hetzij van de aanvangpunten der beweegszenuwen naar de spieren,
hetzij in het gebied der groote sympathische zenuw), heet in het
algemeen zenuwstroom of innervatie.
Men kan zich dit geleiden voorstellen als de werking in den
telegraafdraad. Evenals daar, wordt ook hier telkens geseind
tusschen twee stations; echter met dit verschil, dat het seinen
in dezelfde zenuwdraden (de innervatie) steeds in een zelfde richting
geschiedt, namelijk van het eene uiteinde of aanvangspunt der
zenuw (begin-station) naar het andere uiteinde of eindpunt (eind-
station). Bij de gewaarwordingszenuwen ligt het eerste in de
peripherie, het laatste in de hersenen; bij de beweegzenuwen ligt
het eerste in de centraalorganen, het laatste in de spieren. Deze
voorstelling der zenuwwerking is evenwel niets meer dan een
vergelijking. De zenuwstroom loopt in elk geval oneindig lang-
zamer dan de electrieke werking in den telegraafdraad; en geheel
ten onrechte worden dan ook menigmaal gewaarwordingen en
wilsuitingen, enkel op den schijn af, als „bliksemsnel" aangeduid.
§ 49. GEVOEL EN TASTZIN. ZINTUIGZENUWEN EN ZINTUIGEN
IN HET ALGEMEEN.
Wanneer een zenuw in werking verkeert, dat is, het onmid-
dellijk effect van eenigen ontvangen indruk voortgeleidt, doet zij
ten slotte de verrichting ontstaan, die eigen is aan het orgaan,
waarin zij eindigt. Aldus doen zenuwen, die in spiervezelen
eindigen, beweging ontstaan en heeten daarom beweegzenuwen;
terwijl die, welke in de hersenen eindigen, gewaarwordingen doen
optreden en derhalve gewaarwordingszenuwen worden genoemd.
De in de vorige § opgesomde gewaarwordingen worden, met
uitzondering van het zien, het hooren, het ruiken en het smaken,
ook gezamenlijk als gevoel aangemerkt. Het dier heeft gevoel van
mechanieke indrukken, van temperatuur; het heeft gevoel van
honger en dorst, gevoel van wellust.
Alle zenuwen, die aldus een of ander gevoel doen ontstaan,
heeten in het bijzonder gevoelszenuwen {sensibele zenuwen). Zoodanig
gevoel wordt tot pijn, wanneer de zenuw, hetzij aan haar begin,
hetzij in haar verloop, in te hevige mate wordt aangedaan, na-
melijk te sterke indrukken ontvangt.
De gevoelszenuwen zijn door het geheele lichaam verspreid,
maar in zeer ongelijke mate, zoodat het eene deel veel gevoeliger
is dan het andere. Zoo b. v. is de huid aan de binnenvlakte van
-ocr page 137-
Ui
het bovenste gedeelte der achterbeenen, en evenzoo aan de bo-
venlip en in de oorschelp, veel gevoeliger dan op menige andere
plaats van het lichaam; als uiterst gevoelige plekken moeten zekere
gedeelten van het oog en van de keel worden aangemerkt.
De overige gewaarwordingszenuwen, door wier werking de
gewaarwordingen van licht, geluid, reuk en smaak in de hersenen
worden veroorzaakt, hebben dit eigenaardigs, dat zij elk slechts
één soort van gewaarwording, een z. g. specifieke gewaarwording
in de hersenen doen ontstaan, en dat zij elk aanvangen in een
eigen toestel, een zintuig. Vandaar de namen specifieke zenuwen en
zintuigzenuwen {sensueele zenuwen). Vandaar ook, dat de door haar
teweeggebrachte gewaarwordingen in het bijzonder als zinsgewaar-
wordingen
worden aangeduid. Elke zintuigzenuw, bijgevolg ook
elk zintuig, is in dubbeltal aanwezig.
Een zintuig is een samengesteld werktuig, dat wel is waar
door allerlei invloeden van buiten kan worden getroffen, maar
toch speciaal is ingericht om te bemiddelen, dat één soort van
invloeden zijn zenuw kan treffen, zoodat deze indrukken van één
bepaalden aard kan ontvangen. Zulk een indruk is voor elk
zintuig de gewone of normale zinsindruk.
Zoo b. v. is het oog alléén bestemd om mogelijk te maken,
dat lichtgolven een indruk teweegbrengen op de zenuw van dit
zintuig, de oog- of gezichtszenuw, wier werking in zeker onderdeel
de gewaarwording van licht doet ontstaan. "Wordt het oog door
een anderen indruk dan dien van lichtgolven, b. v. door een slag
getroffen, dan ontstaat wel is waar (geheel afgezien van het
gevoel van pijn) eveneens een gewaarwording van licht, maar
daartoe is het zintuig zelf van volstrekt geen nut; de indruk op
de oogzenuw is alsdan een ongewone. Het oog is het opnemings-
orgaan, uitsluitend voor de lichtgolven.
Gelijk het oog er voor ingericht is om lichtgolven op het begin
der gezichtszenuw te laten inwerken, zijn de andere zintuigen,
het oor-, het reuk- en het smaakwerktuig, uitsluitend bestemd om
in hun zenuwen het ontstaan te veroorzaken van indrukken,
resp. door geluidgolven, door riekende en door smaakgevende stoffen.
En deze indrukken zijn dan ook weder de gewone en eenige
normale voor het doen ontstaan van de gewaarwordingen van
geluid, reuk en smaak.
Ten slotte zij echter nog opgemerkt, dat het gevoel voor
mechanische indrukken, in lichaamsdeelen waar het bijzonder
sterk ontwikkeld is, ook wel als tastgevoel of als tastzin onder-
-ocr page 138-
112
scheiden wordt, wanneer zulke deelen bij uitnemendheid geschikt
zijn en gebruikt worden om voorwerpen te betasten, om tastge-
waarwordingen
te doen verkrijgen en aldus van sommige eigen-
schappen dier voorwerpen kennis te verschaften.
Wat voor ons in dit opzicht de vingers zijn, is voor het
paard de bovenlip; een zeer gevoelige plek niet alleen, waaraan
wij het door middel eener praam zoo dikwijls in bedwang houden,
maar tevens een lichaamsdeel, dat wegens zijn groote beweeg-
lijkheid bijzonder geschikt is om als tastwerlctuig te worden gebruikt.
Naast de bovenlip dient hier echter nog een orgaan te worden
vermeld, dat in zijn inwendige deelen uitermate fijngevoelig is.
Ook de hoef namelijk wordt door het paard als tastwerktuig ge-
bezigd. Op zeer ongelijk of onvast terrein neemt het hiermede
blijkbaar de gesteldheid van den bodem op en vergewist het zich
van een veiligen steun, alvorens verder te gaan. Het is dan ook
in zoover juist, als van het blinde paard gezegd wordt, dat het
„met zijn hoeven ziet." Dit tastgevoel in den hoef is het sterkst
ontwikkeld bij paarden, muildieren en ezels, die in bergstreken
tehuis behooren en derhalve in dat opzicht het meest geoefend zijn.
§ 50. Het oog en het zif.n.
Het gezichtswerktuig is de oogbol, die gelegen is op een
kussen van vetweefsel in de oogholte, waar hij door verschillende
spieren (de oogspieren) in alle richtingen kan worden gedraaid.
Van voren wordt hij door de oogleden beschut en door de tranen
vochtig gehouden.
De wand van den oogbol bestaat voor het grootste gedeelte uit
een vast, ondoorschijnend, bolvormig vezel vlies, het ondoorschijnend
hoornvlies
(de sclera), dat aan de voorzijde een ronde opening
bezit, die geheel gesloten wordt door een veel kleiner, meer uit-
puilend en volkomen doorzichtig gedeelte, het doorschijnend hoorn-
vlies
(de cornea), waarvan de rand innig met dien der genoemde
opening is verbonden.
Van de plaats, waar de ringvormige randen dezer beide ge-
deelten zich vereenigen, ligt naar binnen, dwars door de holte
van den oogbol een vlies uitgespannen, het regenboogvlies (deiris),
dat in zijn midden een in dwarse richting langwerpig ronde
opening bezit, de oogappel of pupil. De ruimte tusschen de cornea
en de iris heet de voorste oogkamer; zij is gevuld met een helder
waterig vocht, het waterig oogvocht of het oogwater. Bij het levende
-ocr page 139-
4l3
paard ziet men, door de cornea en de voorste oogkamer heeft,
als den achterwand der laatste, de gewoonlijk bruin gekleurde iris
met haar zwarte pupil; aan de randen van deze, inzonderheid aan
den bovenrand, bevinden zich eenige korrelvormige, zwart gekleurde
aanhangsels der iris, die in de pupil uitpuilen, de z. g. druif pitten.
In de ruimte tusschen de achtervlakte der iris en de sclera
ligt vooreerst, onmiddellijk achter de pupil, een glashelder, veer-
krachtig, biconvex, lensvormig lichaam, de lens of kristallens. Zij
is omsloten door een even doorzichtig vliesje, de lenskapsel.
De iris ligt geheel vrij tegen de voorvlakte der lens, behalve
aan het randgedeelte, waar tusschen beide een smalle, ringvormige
ruimte bestaat, de achterste oogkamer, die bijgevolg met de voorste
gemeenschap heeft en insgelijks met oogwater is gevuld.
De binnenvlakte der sclera is met een vlies bekleed, dat zeer
rijk is aan bloedvaten, het vaatvlies. Dit vlies is naar voren, bij
den rand der lens, aan de lenskapsel bevestigd door een ring-
vormig verlengsel, dat er uitziet als een krans van fijne, zwarte
plooien, die alle straalsgewijs naar binnen loopen. De rekking,
die dit verlengsel achterwaarts op de lenskapsel uitoefent, is oorzaak
dat deze zoodanig in spanning wordt gehouden, dat daardoor de
in haar bevatte veerkrachtige lens van voren in zekere mate samen-
gedrukt, bijgevolg afgeplat wordt. Aan den omtrek van dit verlengsel
is echter tevens bevestigd een fijne ring van grootendeels overlangs
loopende spiervezelen, die mede verbonden is aan de sclera en
aan den omtrek van de iris. Als deze kringspier (de spanspier van
het vaatvlies) zich samentrekt, wordt het beschreven verlengsel
naar voren getrokken en ontspannen, waarvan het gevolg is, dat
alsdan ook de lenskapsel minder gespannen en de lens zelve van
voren meer gewelfd, dus boller wordt. Door deze spiersamen-
trekking, in verschillenden graad, wordt het oog geaccommodeerd,
dat is, in staat gesteld, voorwerpen op verschillende afstanden
duidelijk te zien.
Tegen de binnenvlakte van het vaatvlies ligt een uiterst samen-
gesteld vlies, het nelvlies (de retina), dat rijk is aan zenuwcellen
en waarin talrijke zenuwvezelen (de gezichtszenuwvezelen) een aan-
vang nemen. Deze loopen van alle zijden samen naar één punt,
waar zij zich tot een dikken zenuwstam, de gezichtszenuw, ver-
eenigen, die door een opening in de sclera buiten den oogbol
treedt. De gezichtszenuw geraakt verder in de diepte der oogkas,
door een opening in de schedelholte, waar zij in de hersenen
eindigt.
8
-ocr page 140-
414
De in het oog meest buitenwaarts gelegen laag van het netvlies
bemiddelt de inwerking van de lichtgolven op de vezelen der
gezichtszenuw, wier werking vervolgens in zekere hersendeelen de
lichtgewaarwordingen doet ontstaan, die het zien uitmaken.
De geheele ruimte tusschen de achtervlakte der lens en de
binnenvlakte van het netvlies is gevuld met een glasheldere,
slijmige stof, het glasachtig lichaam of het glasvocht.
Zal het dier een bepaald voorwerp zien, dan moet (ten deele
door den stand van het hoofd, anderdeels door de werking der
oogspieren) de oogbol zoodanig geplaatst of, wat hetzelfde zegt,
de blik zoodanig gericht zijn, dat lichtstralen, van dit voorwerp
afkomstig, door de pupil tredende, het netvlies bereiken en daarop
een beeld van het voorwerp teekenen. De oogbol werkt daarbij
op dezelfde wijze als een camera obscura. De van de verschillende
punten van het voorwerp afkomstige lichtstralen worden namelijk
bij hun doorgang door de doorzichtige gedeelten van den oogbol
(het zoogen. lichtbrekend stelsel van het oog: hoornvlies, oogwater,
lens en glasvocht), met uitzondering van den centraal invallenden
en in de as van het lichtbrekend stelsel gelegen straal, zoodanig
gebroken en ten laatste op liet netvlies geprojecteerd, dat daar
ter plaatse een verkleind, omgekeerd beeld van het voorwerp ont-
staat. En met de vorming van dit netvliesbeeld ontvangt het net-
vlies de lichtindrukken, die zijn zenuwcellen en zenuwvezelen in
werking brengen. Is dit beeld scherp geteekend, heeft het scherpe
omtrekken, dan wordt het ook scherp, d. i. zeer duidelijk gezien.
De grootte van het netvlie.sbeeld is evenredig aan de grootte
van het voorwerp en omgekeerd evenredig aan den afstand tusschen
het voorwerp en het oog. Zij bepaalt de voorstelling, die in de
hersenen aangaande de grootte van het geziene voorwerp wordt
gevormd. Het duidelijk zien heeft echter zijn grenzen. Voorwerpen ,
die te klein zijn of zoodanige, die te ver van het oog zijn verwij-
derd (en alsdan betrekkelijk te klein zijn), kunnen slechts door
het gewapend oog worden gezien, namelijk door middel van mi-
croscoop of verrekijker, onder wier medewerking alsdan eersteen
netvliesbeeld van voldoende grootte en scherpte kan worden
gevormd.
Binnen zekere grenzen bezit het oog echter het vermogen
voorwerpen op verschillende afstanden duidelijk te kunnen zien
{accommodatie-vermogen). Het wordt namelijk telkens ingericht {aecom-
modeert zich)
naar den afstand d, i. zijn lichtbrekende werking
(refractie) wordt dienovereenkomstig gewijzigd. Zooals hiervoren,
-ocr page 141-
diè
bij de beschrijving van de kristallens en het vaat vlies en van hun
onderling verband, reeds is aangeduid, wordt, naarmate het voor-
werp zich dichter bij bevindt, door het van voren boller worden
der kristallens, haar lichtbreking zooveel sterker gemaakt, dat in
elk geval een netvliesbeeld met scherpe omtrekken ontstaat.
Met toenemenden leeftijd wordt het accommodatie-vermogen
zwakker; dichtbij scherp te zien wordt daardoor allengs minder
mogelijk, en er ontstaat de zoogen. verziendheid (presbyopie), die
aan den ouderdom eigen is.
Heeft de oogbol niet den gewonen vorm, maar is hij in voor-
achterwaartsche richting te lang, of wel is de cornea veel boller
dan gewoonlijk, zoodat in het algemeen het netvlies te ver van
de cornea verwijderd is, dan komt, bij gelijken afstand van een
voorwerp, het beeld, dat in een normaal gevormd oog op het
netvlies ontstaat, in dit geval meer of minder ver vóór dit vlies
te liggen. Het netvlies ontvangt dan slechts een meer of minder
onduidelijk beeld, en nu worden alleen die voorwerpen duidelijk
gezien, welke dichter bij zijn gelegen dan voor een normaal ge-
vormd oog noodig is. Dit is het gebrek in de lichtbreking van
het oog, dat als bijziendheid {myopie) bekend is, en waaraan dik-
wijls te wijten zijn de vrees- en de schrikachtigheid van sommige
paarden bij het zien van voorwerpen, die zij eerst duidelijk her-
kennen, wanneer zij ze meer van nabij kunnen waarnemen.
De iris bestaat hoofdzakelijk uit spiervezelen, waarvan een deel
kringsgewijs, een ander deel straalsgewijs loopt. Zij is daardoor be-
weeglijk, in dien zin, dat door samentrekking dezer spiervezelen
haar opening, de pupil, kleiner of grooter kan worden gemaakt.
Dit geschiedt onwillekeurig, naarmate er meer of minder licht in
het oog valt en dus de lichtindruk op de gezichtszenuw grooter
of kleiner is. De iris is dus niets anders dan een ringvormig
scherm, dat breeder of smaller wordt, naarmate het invallend
licht sterker of zwakker is en van dit licht een dunnere of
dikkere bundel stralen noodig zal wezen, om in de gezichtszenuw
een indruk te doen ontstaan, sterk genoeg voor het duidelijk
zien, maar niet zóó sterk, dat het zintuig of zelfs de hersenen
er nadeel van ondervinden.
De spierwerking in de iris wordt, bij wijze van reflexbeweging,
uit het netvlies geregeld. Is het laatste verlamd, d. i. ongevoelig
voor lichtindrukken, dan blijft de pupil uitermate verwijd, en be-
staat de soort van blindheid, die als zwarte staar (amauro.ns) be-
kend is.
-ocr page 142-
11fi
De oogleden, een bovenste en een onderste, bedekken het voorste
gedeelte van den oogbol. Tusschen hun vrije randen vormen zij
samen de ooglidspleet met den binnen- en den buitenooghoek. Zij
worden bewogen door spieren, die van de omringende beenderen
afkomstig zijn, en bestaan in hoofdzaak uit een kring of sluitspier,
die van buiten bekleed is met de huid en op de binnenzijde met
een bloedrijk, lichtrood, steeds vochtig vlies, dat zich achterwaarts
van de oogleden op den oogbol omslaat en ook dezen ten deele
bekleedt. Het verbindt aldus den oogbol met de oogleden; van-
daar zijn naam bindvlies {conjunctiva). Het behoort tot de vliezen,
die een slijmig vocht afscheiden, de slijmvliezen.
Op den rand van het bovenooglid staan fijne haartjes inge-
plant, de oogharen (ciliën); deze ontbreken aan het onderooglid.
Op het laatste bevinden zich eenige lange, stijve, z.g. voelhoren.
De randen worden vettig gehouden door het z.g. ooglidsmeer, af-
komstig uit de vele smeerkliertjes, die zij in een dichte rij bevatten.
De oogleden kunnen willekeurig worden bewogen, maar hun
beweging geschiedt toch meestal onwillekeurig, bij wijze van
reflexbeweging. Zoo ontstaan namelijk èn het „knippen met de
oogleden," ón het vast sluiten of „dichtknijpen der oogleden," öf
na indrukken op de gevoelszenuwen van het oog, b.v. bij mechani-
sche beleediging, bij het iu het oog, dat wil zeggen tusschen de
oogleden geraakt zijn van vreemde voorwerpen, óf wel, evenals
de vernauwing der pupil, na sterke of plotselinge lichtindrukken,
waarbij derhalve de eigen zenuw van het zintuig werd getroffen.
Nabij den binnenooghoek ligt tegen den oogbol een dunne,
schelpvormig gebogen kraakbeenplaat, die op haar beide vlakten
met het bindvlies bekleed is en wier bolle voorrand naar de
cornea is gekeerd. Zij kan ten deele over de voorvlakte van den
oogbol worden geschoven en draagt den naam van wenkvlies of
derde ooglid. Tegen haar binnenvlakte ligt een kleine klier, die
een dik, slijmig vocht voortbrengt.
Het traanvocht, een waterige vloeistof met een gering gehalte
aan zouten, wordt in een onder den oogboog gelegen bijzonder
orgaan, de traanklier, afgescheiden en op de binnenvlakte van
het bovenooglid uitgestort Het vloeit over de cornea, houdt deze
vochtig, draagt er toe bij dat zij door de verschuivende oogleden
van daarop geraakte stofdeeltjes wordt bevrijd, en verzamelt zich
ten laatste in den binnenooghoek, nabij de daarin gelegen ronde
verhevenheid, den traanheuvel. Van daar geraakt het traanvocht
verder in een lange, dunne buis, het traankanaal, dat van de
-ocr page 143-
117
oogholte naar de neusholte voert en in deze met één of twee
openingen, nabij den onderhoek van het neusgat eindigt. Uit
deze openingen ziet men nu en dan druppels vocht zich ontlasten,
die niets anders zijn dan tranen. Wordt echter, b.v. bij een ge-
prikkelden toestand van den oogbol of de oogleden, het traanvocht
in zoo groote hoeveelheid afgescheiden, dat het niet spoedig ge-
noeg langs den aangegeven weg kan afvloeien, dan loopt het over
den rand van het onderooglid naar buiten (het tranen der oogen).
§ 51. Het oor en het hooren.
Men onderscheidt een uit- en een inwendig; en een daartusschen
gelegen middenoor.
Het uitwendig oor bestaat uit de oorschelp, het ringkraakbeen
en de beenige gehoorgang, die samen een kanaal, de uitwendige
gehoorgang
vormen, dat blind aan het trommelvlies eindigt.
De oorschelp, het uitwendig zichtbaar gedeelte van de gehoor-
organen, bestaat uit een dunne, met huid bekleede en schelp-
vormig gebogen plaat kraakbeen. Op de binnenvlakte is de huid
met lange haren bezet en bijzonder gevoelig; zij scheidt een vettige,
kleverige stof af, het oorsmeer. Door het ringkraakbeen is de oor-
schelp aan de beenige gehoorgang bevestigd. Vele spieren voorzien
in de beweging der schelp en doen haar voor-, achter- ofbinnen-
waarts kantelen, ofwel buiten- of binnenwaarts draaien.
Het middenoor is aan de binnenzijde van het trommelvlies ge-
legen en bestaat uit een luchthoudende holte, de trommelholte,
met de daarin aanwezige deelen. Door een reeks kleine beentjes,
de gehoorbeentjes, is het trommelvlies verbonden met een ander
vlies, dat een opening sluit, welke naar het inwendig oor voert.
Bovendien heeft de trommelholte gemeenschap met de keelholte,
door middel van de Eustachiaan\'sche gehoorbuis. Die buizen
zijn bij de dieren van het paardengeslacht tusschen haar openingen
(in keel- en trommelholte) aanzienlijk zakvormigverwijd, waardoor
de luchtzakken, waarvan reeds sprake was, worden gevormd.
Het inwendig oor, het meest belangrijke gedeelte van het
gehoororgaan, heeft een zeer samengestelden bouw. Het bestaat
vooreerst uit een spiraalgewys om een spil gewonden plaat, het
slakkenhuis, waarop, door vocht omgeven, de gehoorzenuw haar
eindorganen heeft. De talrijke zenuwuiteinden nemen hier de
geluidsindrukken op, en voeren deze naar de groote hersenen,
-ocr page 144-
118
waar zij een geluidsgewaarwording doen ontstaan. De geluids*
indrukken zijn het gevolg van de voortplanting der luchttrillingen
tot op de aanvangspunten der gehoorzenuw, die zij op zuiver
mechanische wijze prikkelen.
Het trommelvlies geraakt eerst in trilling en zijn trillingen
worden door de gehoorbeentjes op het vocht van het inwendig
oor overgebracht. Bovendien planten de trillingen der buitenlucht
zich voort langs de Eustachiaan\'sche gehoorbuizen tot in de trom-
melholte, waar zij zich door een vliesje insgelijks aan het inwen-
dig oor mededeelen. Het trillende vocht oefent een specifieken
prikkel uit op de gehoorzenuw, die zich langs haar banen over-
plant op de groote hersenen; deze nemen de indrukken waar,
met andere woorden het dier hoort.
Om goed of scherp te hooren, plaatst het paard het hoofd,
en in het bijzonder de oorschelpen met haar openingen zoodanig,
dat deze de meest mogelijke geluidsgolven opvangen. Men ziet
dit vooral wanneer de te hooren geluiden bij het dier gemoeds-
aandoeningen opwekken, als vreugde of angst. In het algemeen
is dit zoogenaamde „oorenspel" bijzonder sterk bij vreesachtige
en bij blinde paarden en soms onregelmatig bij stilkolderige dieren.
Dat het paard de beteekenis zoowel van sterke (de signalen
der trompet) als van zwakke geluiden onmiddellijk onderkent,
leert de dagelijksche waarneming.
§ 52. De reuk en de smaak.
Riekende stoffen, welke tot het slijmvlies van het bovenste
gedeelte der neusholte doordringen, brengen op de reukzenuwen
in dit vlies eigenaardige indrukken teweeg, die, in de hersenen
tot gewaarwording gekomen, het dier doen ruiken. Naar het
verschil in qualiteit van deze reukgewaarwordingen worden ver-
schillende soorten van reuk of geur onderscheiden.
Het paard beruikt het voedsel, en naar de daarbij verkregen
gewaarwording neemt het dit b.v. met graagte of weigert het.
Het beruikt echter ook allerlei voorwerpen, die het niet kent,
inzonderheid als zij vrees verwekken. Om beter te ruiken, snuift
het door de verwijde neusgaten herhaaldelijk de lucht, die de
riekende stoffen bevat, met kracht op.
Bij sommige sterke reukgewaarwordingen trekt het op eigenaar-
dige manier de bovenlip sterk op, zoo zelfs dat zij naar den neus
omgekruld wordt. Bijzonder sterk treden de uitwerkselen enkel
-ocr page 145-
II!)
der reukgewaarwording bij den hengst te voorschijn, als deze door
de nabijheid eener merrie in geslachtsopwekking geraakt.
Smakende stoffen brengen in zekere gedeelten van het vlies
dat het achtereinde der tong bekleedt, op de daar beginnende
vezelen der smaakzenuiven, eigenaardige indrukken teweeg, welke
in de groote hersenen gewaarwordingen doen optreden, die als
smaak worden aangeduid. Het verschil in qualiteit dezer gewaar-
wordingen
bepaalt de verschillende soorten van smaak.
Bij het paard is de smaak in het algemeen vrij sterk ont-
wikkeld. Het weigert voedsel en drank, als deze slechts weinig
onaangenaam of ongewoon smaken. Zuur, olieachtig en in den
regel ook bitter smakende stoffen zijn het paard bijzonder onaan-
genaam. Met zeldzame uitzonderingen, houdt het daarentegen
veel van suiker, en het is bekend, hoe men zich hiervan bij de
dressuur als middel ter belooning bedient.
In het algemeen geldt, zoowel voor den smaak als voor den
reuk, dat deze zintuigwerkingen en gewaarwordingen meer ont-
wikkeld zijn, naarmate het dier edeler en zijn zenuwstelsel voor
allerlei indrukken vatbaarder is. Vandaar dan ook, dat het eene
paard voedsel en drank met graagte neemt, dat door een ander,
wegens den reuk of smaak, wordt geweigerd; dat het eene
zich niet bekommert om den toestand van krib, ruif, bak of
emmer, terwijl het andere weigeren zal er uit te eten of te
drinken, wegens een bijzonderen reuk dien het daaraan waar-
neemt.
De gewoonte speelt hierbij evenwel een voorname rol. Bij de
wilde en verwilderde paarden, en in het algemeen bij paarden,
ezels en muildieren, die altijd of meestal in de buitenlucht ver-
keeren, is de reuk, tengevolge van voortdurende oefening, zeer
scherp.
Het verdient ten slotte opmerking, dat er tusschen den reuk
en den smaak een nauw verband bestaat. Bij de keuze en het
opnemen van het voedsel zijn beide werkzaam; de eerste echter
veel meer dan de laatste. Als het paard het voedsel weigert, is
zulks veeleer omdat het er iets onaangenaams aan ruikt, dan wel
aan proeft.
§ 53. De slaap.
Bij mensch en dier wisselen twee toestanden elkander regel*
matig af: het waken en het slapen.
-ocr page 146-
1*20
Gedurende den slaap rusten de betrekkingsverrichtingen: gewaar-
wording, voorstelling, wil; daarentegen gaan de voedingsverrichtingen,
spijsvertering, ademhaling, bloedsomloop, enz. ongestoord voort.
Een dergelijke toestand van rust is voor het dierlijk leven een
onmisbaar vereischte; te meer, naarmate mensen of dier zich heb-
ben ingespannen en meer vermoeid zijn.
Maar in de behoefte aan slaap bestaat toch in het algemeen
groot verschil, eensdeels afhankelijk van de diersoort, anderdeels
als gevolg der gewoonte. Het paard heeft over het geheel weinig
behoefte aan slaap; in de 24 uur slechts 3 a 4 uur. Zijn slaap
is niet vast en het dier wordt licht gewekt. Sommige dieren
sluimeren slechts met half gesloten oogen, hetzij liggende of in
staande houding. Er zijn dieren, die zich nooit nedeileggen. Dit
ziet men vooral bij zulke, die met moeite opstaan, soms ook nadat
zij een langdurige ziekte hebben doorstaan.
-ocr page 147-
DERDE BOEK.
UITWENDIGE PAARDENKENNIS.
Exterieur.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE UITWENDIGE LICHAAMSDEELEN.
§ 54. Doel der uitwendige taaudenkennis.
Verdeefoig van het paard.
De leer van het exterieur (i\'exterieur; das Aeussere; the <onfor-
mation)
van het paard heeft ten doel ons zijn betrekkelijke waarde
te leeren beoordeelen naar zijn uitwendige vormen en de wijze
van werking zijner afzonderlijke deelen.
Bij de beschrijving van het lichaam heeft men het paard ver-
deeld in:
1°. De voorhand of het voorstel (V avant-main; die Vorhand; the
fore-quarters),
het gedeelte, dat zich bij het gezadelde paard vóór
het zadel bevindt;
2°. De middelhand of het lijf (Ie corps; der Leib; the body),
welke zich uitstrekt van de schoft tot het kruis en nagenoeg ge-
heel onder het zadel is gelegen.
3°. De achterhand of het achterstel (V\'arrière-main; die Hinter-
hand; the hind quarters),
die zich achter het zadel bevindt.
Tot de voorhand behooren: het hoofd (PI. VII), de hals (PI. VII
n°. 19), de schoft (PI. VII n°. 23), de borst (PI. VII n°. 24) en de
voorbeenen (PI. VII).
-ocr page 148-
1 \'22
Tot de middelhand: de rug (PI. VII n°. 37), de lenden (PI. VII
nn. 38), de ribben (PI. VII n°. 39), de flanken (PI. VII n°.40J, de
liezen (PI. VII n°. 41), de Jut* (PI. VII n°. 42), bij de merrie de
nier en bij den hengst de mannelijke geslachtsdeelen (PI. VII nos. 43
en 44).
Tot de achterband: het kruis (PI. VII n°. 45), de heupen (PI. VII
n". 46), de staart (PI. VII n°. 47), de aars (PI. VII n°. 48), de
kling, de dam en de achterbeenen (PI. VII).
In deze volgorde zullen de afzonderlijke lichaamsdeelen nader
worden behandeld.
§ 55. Het hoofd.
Het hoofd (la tête; der Kopf; the head) verschilt aanmerkelijk
in vorm en in de gesteldheid zijner afzonderlijke deelen naar den
ouderdom, het geslacht, het ras en de individualiteit van het paard.
Zoo zijn bij het veulen de schedel en het voorhoofd sterk ont-
wikkeld, neus en mond echter weinig, deze loopen spits toe; de
kaken zijn smal en alle deelen hebben een afgeronden vorm.
Bij het volwassen paard is het geheele hoofd meer gelijkmatig
ontwikkeld en zijn alle deelen scherper omschreven; in den ouder-
dom is het hoofd mager, zijn de bovenoogkuilen ingevallen, de
oogbogen, de achterkaak, enz. steken scherp uit en de achterlip
hangt af.
Het hoofd van den hengst is in den regel krachtig gebouwd,
kort en breed, en bezit een levendige uitdrukking; dat van de
merrie daarentegen is fijn, droog en gerekt, terwijl de blik min-
der vurig is.
Het hoofd van den ruin nadert meer of minder dat van den
hengst, naarmate de castratie vroeger of later heeft plaats gehad.
De vorm van het hoofd behoort tot de gewichtige onderschei-
dingsteekenen van het ras.
Voor een rijpaard moet het hoofd droog, licht, van voren breed
en ter zijde, vooral wat de achterkaak betreft, smal zijn; het
moet recht wezen en aan de punt van den neus zooveel mogelijk
rechthoekig in de bovenlip overgaan. Indien het voorhoofd breed is,
kunnen de hersenen goed ontwikkeld zijn; het hoofd krijgt daar-
door een verstandig en edel aanzien en bij de paarden, die intel-
lectueel het hoogst staan, is dit een ras-eigenschap. Bovendien
ziet men bij een breed voorhoofd meestal een wijde keelgang.
Een rechte, breede neus gaat gewoonlijk gepaard met ruime neus-
-ocr page 149-
P23
gangen en groote neusgaten, waardoor de ademhaling gemakkelijk
wordt gemaakt.
Het hoofd van een trekpaard, dat nagenoeg uitsluitend voor
stapvoets werk wordt gebruikt, mag zwaar zijn met breede kaken
geheel in overeenstemming met den overigen sterken lichaams-
bouw, welke het dier tot dezen dienst geschikt maakt. Toch
neemt men ook bij deze paarden (bijv. bij de Condroz) dikwijls
een betrekkelijk fijn hoofd waar.
Bij trekpaarden, die zich in snelle gangen moeten bewegen,
ziet men het hoofd liefst als voor het rijpaard is aangegeven.
§ 56. De verschillende hoofdvormen.
Verdeeling van het hoofd.
De lijn, die van de kruin van het hoofd over het voorhoofd en
den neus naar de lippen gaat — de profiellijn — vertoont in haar
richting veel verschil; hiernaar onderscheidt men:
1°. Het rechte hoofd (la tcte carrée; der gerade Kopf; the straight
or well bred head)
(PI. VII). Daarbij is de profiellijn nagenoeg recht,
terwijl zij bijna rechthoekig in de bovenlip overgaat; het voorhoofd
en de neus zijn breed en recht, de laatste soms ook op het mid-
den eenigszins ingedrukt, gelijk bij vele, Arabische en andere
Oostersche rassen niet zeldzaam is. De neusgaten zijn breed en
voorop geplaatst. Deze hoofdvorm is de fraaiste, vooral indien
daarmede een levendig oorenspel, groote oogen, beweeglijke neus-
gaten en lippen, smalle kaken en een wijde keelgang gepaard
gaan; bij de edelste Arabische paarden is deze vorm het best
vertegen wo ord igd.
2°. Het halve ramshoofd (la tcte demi-busquée; der halbe Ramms-
kopf)
(PI. VIII en IX). De profiellijn loopt van de kruin tot het
midden van den neus bijna recht en gaat dan zacht gewelfd in de
bovenlip over. Dit is de meest algemeene hoofdvorm; indien het
voorhoofd daarbij breed, de keelgang wijd is, de neusgaten groot
en naar voren gericht zijn en het hoofd over het geheel fijn en
droog is, dan ziet men dezen vorm gaarne. Het komt zoowel bij
de edele als meer gemeene paarden voor.
Wanneer dit hoofd lang en smal is met lange en dicht bij
elkander staande ooren, dan noemt men het een hazenhoofd (tcte
de liivre; Hasenkopf).
-ocr page 150-
124
3". Het volkomen ramshoofd (la téte busquée ; der Rammskopf;
the RoiiKM-nose)
(PI. X fig. 1). De profiellijn is van de kruin tot
de lippen convex en beschrijft dus een meer of minder grooten
boog; daarmede gaan gewoonlijk een smal voorhoofd, kleine oogen,
breede kaken en een nauwe keelgang gepaard. Men ziet dit hoofd
niet gaarne; vroeger was het aan de Holsteinsche en andere
rassen eigen en toen zeer gezocht.
4°. Het schaapshoofd (la téte moutonnée; der Schafskopf) (PI. X
lig. 2). De profiellijn is ook bij dit hoofd convex, het sterkst
echter aan het voorhoofd, dat daarbij zeer breed is, waardoor de
gewoonlijk ver naar buiten staande oogen meer ter zijde van het
hoofd liggen; de mond en de kin zijn smal. Dit hoofd geeft aan
het paard een dom uiterlijk.
5°. Eet snoekshoofd (la tete camuse ; der Hechtskopf) (PI. X fig. 3).
De profiellijn is onder het voorhoofd, langs den neus concaaf;
het voorhoofd is breed, de neusgaten liggen niet zelden hoog, de
mond is meestal eenigszins opgetrokken, de kaken zijn breed en
de keelgang is gewoonlijk wijd. Men vindt dit hoofd het meest bij
warmbloedige paarden, voornamelijk bij sommige Oostersche rassen.
6°. Het varkenshoofd (la téte de cochon ; der Schweinskopf) (PI. X
fig 4). De profiellijn komt met die van het snoekshoofd over-
een, doch overigens is dit hoofd tamelijk zwaar, metgroote, laag
aangezette ooren, breed en plat voorhoofd, kleine, diepliggende
oogen, zware en breede kaken, nauwe keelgang, opgetrokken
mond en kleine, ter zijde van het hoofd liggende neusgaten. Men
vindt dit hoofd algemeen leelijk; het meest komt het bij koud-
bloedige rassen voor.
7°. Het wigvormig hoofd (la téte conique; der Keilkopf oder
SchlegelkopJ)
(PI. X fig. 5). Daarbij is de profiellijn recht of nabij
den neus in geringe mate convex; van ter zijde gezien is dit
hoofd van boven breed en loopt naar onderen spits toe, zoodat
het den vorm eener wig heeft. De kaken zijn breed en zwaar, de
neus en de lippen meestal fijn. Men ziet dit hoofd niet gaarne.
8°. Het ossen- of stierenhoofd (la téte plate; der Bullen- oder
Ochsenkopf)
(PI. XI). De profiellijn is aan het voorhoofd eenigs-
zins convex, aan den neus recht of een weinig concaaf; het ge-
heele hoofd is zwaar, grof van beenderen en vertoont in zijn
zachte deelen geen scherpe grenzen. De oogleden zijn dik, de
oogen klein, neus, mond en kin breed en dik, de neusgaten klein,
de kaken zwaar. Dit hoofd is leelijk, doch voor zware trekpaar-
den, waaraan het dikwijls eigen is, zonder nadeel.
-ocr page 151-
\\%
9". Het rhinoceroshoofd (la tête de rhinoeeros) (PI. X fig. 6).
Daarbij is de profiellijn op het midden van den neus concaaf,
terwijl deze laatste aan zijn onderste gedeelte naar boven gericht is.
De ingedrukte neus, welke mechanisch, door een te sterke werking
van den kaptoom of door te vast aanhalen van den neusriem kan
ontstaan, gelijkt eenigszins op dezen hoofdvorm.
10°. Het oudewijvenhoofd (la tête de vieille; der alte Weiberkopf).
De profiellijn is zeer verschillend , aangezien dit hoofd door ziekten
of ouderdom uit alle hoofdvormen kan ontstaan. Het is gerekt,
mager, met diepe oogkuilen, ingevallen o ogen, magere kaken,
slappe lippen en dikwijls afhangende achterlip en ooren; op
verschillende plaatsen, voornamelijk op de oogbogen, in de
bovenoogkuilen en op den neus zijn, bij donkere paarden, de
haren grijs.
Behalve bovengenoemde verscheidenheden in de uitwendige ge-
daante van het hoofd bestaan er menigvuldige overgangen; deze
komen echter steeds den een of anderen der genoemde vormen
nabij, zoodat hiervoor geen nieuwe benamingen gebezigd behoe-
ven te worden.
De deelen, die men aan het hoofd onderscheidt, zijn: de nek,
de bruint de maantop, de ocren, het voorhoofd, de slapen, de
slaapgroeven, de oogbogen, de oogen met de oogleden, de kaken, de
wangen, het aangezicht, de neus, de neusgaten, de lippen, de mond-
spleet,
de mondholte, de kin en de schaar of keelgang.
§ 57. De nek.
De vereeniging van het hoofd met den bovenrand (den kam)
van den hals vormt den nek (la nuque; das Genick; the poll)
(PI. VII n°. 17). Het kruinbeen en de eerste halswervel maken
daarvan den beenigen grondslag uit. Van zijn gesteldheid hangt
voor een groot deel de houding van het hoofd af.
De nek moet lang en bijna horizontaal zijn, zoodanig, dat de
vereeniging van het hoogste gedeelte van den kam van den hals
met de kruin een slechts weinig naar voren oploopende lijn vormt
(PI. VII n". 17 en PI. VIII). Met zulk een nek gaat gewoonlijk een
goed gevormde hals gepaard, zoodat het hoofd van nature in een
gewenschte houding wordt gedragen.
Een korte nek (PI. XII fig. 1) heeft ten gevolge, dat de on-
derrand van den hals, nabij den overgang in de keelgang, geen
•
-ocr page 152-
d2fi
voldoende uitsnijding (keeluitsnijding) bezit, waardoor een goede
houding van het hoofd moeielijk wordt. De kruin van het hoofd
komt bijna loodrecht boven de keeluitsnijding te liggen, terwijl
bij een goed gevormden nek de lijn van het hoogste punt dezer
uitsnijding tot de kruin zeer schuin naar voren en boven loopt
en dus lang is.
Gewoonlijk gaat een korte nek samen met een rechten of ook
wel met een herten* of een verkeerden hals. In de beide laatste
gevallen wijkt de nek tevens meer van de horizontale richting af,
zoodat de kam van den hals in de richting naar de kruin sterker
oploopt en de laatste dus ver boven den kam uitsteekt. Somtijds
ligt de kruin hierbij zelfs achter het hoogste punt der keeluitsnij*
ding. Het gevolg daarvan is, dat het paard den neus in den wind
steekt,
waardoor rug en achterband veel te lijden hebben.
Is de nek hooger gelegen dan de kruin van het hoofd (PI. XII
fig. 2), zoodat het hoogste gedeelte van den kam met de kruin
een naar beneden en voren loopende lijn vormt, dan toomt het
paard gemakkelijk te veel bij.
De nek is bij den hengst gewoonlijk zwaarder dan bij den
ruin en de merrie; bij veulens en oude paarden is hij zwakker
dan bij paarden van gemiddelden leeftijd.
Indien de haren op den nek en het bovenste gedeelte van den
hals wit of afgeschaafd zijn, doet dit vermoeden, dat het paard
een wind* of luchtzuiger is, omdat men dezen dikwijls van een
vast aangehaalden keelriem voorziet, ten einde de kwade gewoonte
af te leeren.
Op den nek komt soms een gezwel voor, nekbuil of varent
(mal de taupe; Genickbeule oder Mauhvurfsgeschwulst; jioll-evil)
ge-
noemd, dat tot hardnekkige fistels aanleiding kan geven.
Onder nekbreken verstaat men een breuk van het tandvormig
uitsteeksel van den tweeden halswervel, waardoor het ruggemerg
zoodanig wordt gekneusd, dat de dood gewoonlijk onmiddellijk
volgt. Deze breuk kan ontstaan, indien een paard in snellen gang
op zijn sterk gebogen hoofd valt.
Aan den nek bevindt zich tusschen het achterhoofdbeen en
den eersten halswervel een open, slechts met zachte deelen be-
dekte plaats van het ruggemergkanaal, welke door sterke buiging
van het hoofd belangrijk wordt vergroot. Hier wordt de nel-steek
verricht, d. i. het verlengde merg afgesneden, waardoor plotseling
verlamming van alle willekeurige spieren ontstaat en spoedig de
dood volgt.
i
-ocr page 153-
127
§ 58. De kruin.
De kruin (Ie sommet de la tête; der Gipfel; the top of the head)
is het bovenste gedeelte van het hoofd en wordt gevormd door
den dwars geplaatsten verheven rand van het achterhoofdbeen,
het kruinuitsteeksel genaamd. De kruin wordt bedekt door den
maantop en zijdelings begrensd door de ooren.
§ 59. De maantop.
De maantop (Ie toupet; der Schop f; the forelock) (PI. YII n°. 1)
is een bosje lange haren, een gedeelte der manen, dat op het
voorhoofd afhangt. De haren van den maantop zijn bij edele
paarden gewoonlijk fijn en zacht, bij koudbloedige meestal grof en
dik. De maantop van den hengst is doorgaans zwaarder dan van
den ruin en de merrie. Men ziet gaarne een langen maantop,
welke uit fijne, zachte haren bestaat
en naar beneden in een punt
uitloopt.
Dikwijls worden de haren van den maantop op den nek af-
geschoren, om aan het kopstuk van het hoofdstel of den halster
een betere ligging te geven: dit is echter verkeerd, want de
haarstoppels worden nu door het leder in de huid gedrukt, wat
soms tot hevige jeukte aanleiding kan geven. Een dergelijke
huidprikkeling ontstaat ook wel door stof, hooizaad, enz., dat
zich in den maantop verzamelt; het paard gaat hierdoor schuren,
leert den halster afstroopen of beleedigt zich soms ernstig, vooral
indien het met de achterbeenen den prikkel tracht te verwijderen.
Is door het schuren eindelijk een verwonding aan den nek of de
kruin ontstaan, dan worden de paarden niet zelden kopschuw.
Een dagelijksche reiniging van den maantop met spons en borstel
is dus noodzakelijk.
Tiet gebeurt wel, dat paardenhandelaars een hoofdstel met
daaraan bevestigden fraaien maantop gereed hebben hangen, om
hiermede hun minder met een maantop bedeelde paarden te monste-
ren. Soms moet dit hoofdstel ook dienen om gebreken aan een
oog te verbergen; het zieke oog wordt dan door den langen maan-
top zorgvuldig bedekt.
§ 60. De ooren.
De ooren (les oreilles; die Ohren; the ears) (PI. VII n". 2) bestaan
uit trechtervormige, van binnen met een fijne, zeer gevoelige
huid bekleede kraakbeenderen, die door hun onderste, nauwer
-ocr page 154-
42S
wordende gedeelten toegang verleenen tot de eigenlijke gehoor-
werktuigen (vergel. § 51). Inwendig bezit de oorschelp, vooral
bij koudbloedige paarden, veel lange zachte haren, die met hun
punt naar de uitwendige opening van het oor gekeerd zijn en
daardoor het indringen van stof, insecten, enz. belemmeren; deze
mogen dus niet worden verwijderd.
De ooren worden door verschillende spieren in alle richtingen
bewogen. Haar meerdere of mindere werking geeft een gewichtig
middel aan de hand, om den toestand en het karakter van het
dier te beoordeelen.
Gezonde en vroolijke paarden spitsen de ooren voortdurend,
hebben, zooals men zegt, een levendig oorenspel {des oreilles hardies)
en geven hierdoor hun opmerkzaamheid voor de omgeving te ken-
nen; slaperige en trage dieren bewegen de ooren weinig, ze laten
ze afhangen; goedaardige, makke paarden houden de ooren rustig
gekeerd naar de voorwerpen, die zij op hun weg ontmoeten;
schrikachtige en bevreesde paarden bewegen ze afwisselend vóór- en
achterwaarts; valsche, boosaardige paarden, die willen bijten of
slaan, leggen de ooren in den nek; indien zij dit laatste doen
zonder te bijten of te slaan, zegt men, dat zij grimmig zijn. Blinde
of gebrekkig ziende paarden zijn dikwijls zeer opmerkzaam en houden
de ooren voortdurend in beweging.
Terwijl gezonde paarden zeer gevoelig in de ooren zijn, zoodat
zij, indien men daarin een vinger steekt, met het hoofd schudden,
hebben kolderige paarden meestal geheel gevoellooze ooren; dit-
zelfde is soms het geval met hevig zieke en vermoeide paarden.
Bij stillen kolder ziet men dikwijls het eene oor naar voren ge-
keerd en het andere in den nek liggen en deze houding gedurig,
doch langzaam, afwisselen.
Men ziet gaarne lange, smalle, fijne, scherp gerande ooren, die
met een dunne, zachte huid—waar de aderen doorschijnen — en kort,
glanzend haar bedekt
zijn; zij moeten rechtop worden gedragen, op
behoorlijken afstand van elkander verwijderd staan en levendig worden
bewogen. Bij het volbloed paard vindt men zulke ooren niet zelden.
Zeer kleine, afgeronde ooren noemt men muizenooren; in de
vorige en in het begin van deze eeuw waren die zoo gezocht,
dat zij zelfs kunstmatig, door besnijden der ooren (Mauseln), wer-
den gemaakt.
Ezelsooren noemt men zeer lange en breede ooren. Door het
afknippen der haren aan de randen tracht men ze kleiner te doen
schijnen. Vroeger besneed men de oorschelpen langs een in de
-ocr page 155-
120
ooien aangebrachten blikken vorm; de randen blijven dan eciiter
van haren ontbloot.
Hazenooren zijn lange, smalle, te dicht bij elkander staande
ooren, waarvan de punten naar binnen zijn gekeerd. Zij gaan
gewoonlijk gepaard met een gerekt en smal voorhoofd en doen het
geheele hoofd daardoor nog langer schijnen.
Koeoor en zijn breed, dik en zwaar, met veel en lang haar be-
dekt en staan ver van elkander (wijdoorig); in rust worden ze
slecht gedragen. Indien deze ooren naar beneden en buiten af han-
gen, noemt men ze hang- of lobooren (oreillcs pendantes; Sohlapp-
ohren; lob-ears).
Varkensoor en zijn ook breed en slaan ver van elkander, doch
daarbij zijn zij laag geplaatst, hangen naar beneden en voren af,
en bewegen zich bij het loopen slap heen en weer. Rij zware
trekpaarden komen deze veel voor.
Men kan een gebrekkige richting der ooren onzichtbaar maken
door hoog geplaatste en vast aangehaalde frontriemen aan het
hoofdstel of den halster; ook heeft men wel een pikdraad, onder
den maantop verborgen, door de beide oorschelpen getrokken.
Bij lobooren kan men de nedertrekkende spier van het oor door-
snijden of wel tusschen de beide ooren een stukje huid uitsnijden
en de wondranden hechten; het resultaat van beide operaties is
echter in den regel onvoldoende.
Het afhangen van één oor kan het gevolg zijn van spierver-
scheuring, veroorzaakt door ruw pramen van het oor of door
daaraan te blijven hangen, wanneer de paarden zich verzetten; het
kan echter ook het gevolg zijn eener hersenaandoening, b. v.
beroerte, doch gaat dan gewoonlijk gepaard met verlamming van
de gelijknamige aangezichtszij de.
Door ruwe behandeling kunnen aan de ooren verschillende.
ziekten en gebreken ontstaan, waardoor de paarden niet zelden
zoodanig oorenschuw worden, dat zij zich slechts met groote
moeite laten opstangen.
Aan het grondstuk van het oor komt soms een oorjistel voor,
welke aangeboren is en eerst na een operatie geneest. Zij geeft
zich te kennen door een kleine opening, waaruit een witte, taaie
vloeistof sijpelt, die de daaronder liggende haren aanéén doet kleven;
de opening leidt naar beneden in een ongeveer 5 cM. diep kanaal,
op den bodem waarvan men meermalen een tand heeft aangetroffen.
Tndien de ooren van binnen vuil zijn, mogelijk parasieten her•
bergen, dan kan dit aanleiding geven tot z. g. koptchudden.
9
-ocr page 156-
irso
[n Frankrjjk spleet men vroeger bij de op reform gestelde
paarden een oor overlangs, terwijl men in JJuitscliland bij deze
(nusrnngirten) paarden een stukje uit liet oor sneed.
Doofheid komt bij bet paard zelden voor. In den regel boort
het uiterst scherp en doet de soldaat in den oorlog dus verstandig
zijn paard in dit opzicht, evenals de Kozakken en Redouinen,
nauwkeurig gade te slaan en te leeren begrijpen.
§ 61. Het voorhooft»
Het voorhoofd (Ie front: the fore-head) (PI. VII n°. 3) noemt
men het gedeelte, dat zich van de kruin tot de binnenooghoeken
en den neus uitstrekt en zijdelings door de slapen, de slaapgroe-
ven en de oogen wordt begrensd. Het bovenste of het schedel-
gedeelte van het voorhoofd heeft tot beenigen steun de wand-
beenderen en wordt door de Duitschers der Scheitel oder der Vorkopf
genoemd, terwijl zij aan het gedeelte, dat de voorhoofdbeenderen
tot grondslag heeft, den naam Stime geven. Het eerste moet
breed en hoog zijn, hetgeen een ruime ontwikkeling der hersenen
aanduidt. Bij de edelste Arabische, met name de Nedjed-paarden,
vindt men hier zelfs een zeer in het oog vallende welving, die
door iemand, welke ze niet kent, voor abnormaal zou worden
gehouden. Het tweede gedeelte moet evenzoo breed en recht, en
aan beide zijden van de middeHijn gelijkmatig gewelfd zijn; daar-
onder bevinden zich de voorhoofdsboezems, die bij ziekelijke aan-
doening van het slijmvlies, waarmede deze bekleed zijn, dikwijls
groote hoeveelheden slijm en etter bevatten, welke langs den neus
afvloeien en tot klierzwelling in de keelgang aanleiding geven.
Bij hengsten is het voorhoofd gewoonlijk breeder dan bij mer-
riën en ruinen; bij veulens is het schedelgedeelte van het voorhoofd
sterk gewelfd, welke welving vermindert, naarmate de aange-
zichtsbeenderen zich meer ontwikkelen.
Op het midden van het voorhoofd bevindt zich steeds een
haarwervel; zijn de haren daarvan wit bij een donkere grondkleur,
dan noemt men dezen een kol. Bij het afmaken van paarden door
middel van een kogel legt men gewoonlijk op deze plaats aan in
de richting naar achteren en boven. Men kan echter ook onmid-
dellijk onder het oor inschieten in de richting naar het overeen-
komstige punt aan de andere zijde.
Ter zijde van den haarwervel komen soms kleine, harde, door
de huid bedekte knobbels voor, die hoomtjes worden genoemd. Zij
zijn erfelijk, doch schaden het paard volstrekt niet.
-ocr page 157-
131
§ 62. De slapen.
De slapen (les tempes; die Schlöfen; the temples) (PI. VIT n". A)
liggen ter zijde van het voorhoofd boven de slaapgroeven. Zij mogen
niet sterk uitsteken, zooals men dit voornamelijk bij een smal
voorhoofd waarneemt. Bij koliek, hersenontsteking, enz. ontstaan
op deze plaatsen licht verwondingen; ook liggen de paarden zich
hier, bij hevige en langdurige ziekten, gemakkelijk door.
§ 63. De slaapgroeven.
De slaapgroeven of bovenougkuilen (les salières; die Augengruhen;
the hollows over the e>/es) (PI. VII n°. 5) zijn meer of minder
duidelijke verdiepingen, boven de oogbogen gelegen. In deze
groeven bewegen zich de kroonuitsteeksels der achterkaak, zooals
bij het kauwen duidelijk is waar te nemen; bovendien ligt daarin
liet oog-vetkussentje, dat het oog van achteren beschut.
Men ziet de slaapgroeven gaarne vlak of slechts weinig ver-
diept ; diepe bovenoogkuilen geven aan het hoofd een oud aanzien.
Deze vindt men meestal slechts bij oude of zeer magere paarden;
evenwel kunnen ze ook bij jonge, goed gevoede paarden voorko-
men en zijn dan gewoonlijk het gevolg van een sterke welving
der oogbogen. Zulke diepe bovenoogkuilen tracht men soms te
verbergen door den maantop of den frontriem van het hoofdstel,
of wel, door met een fijn buisje lucht onder de huid te blazen,
waardoor het aldaar gelegen bindweefsel gedurende korten tijd
opzwelt.
De dekharen worden op deze plaats, evenals op het voorhoofd,
de oogbogen en den neus grijs, zoodra de paarden ongeveer den
15-jarigen leeftijd hebben bereikt. Bij handelspaarden worden ze
soms uitgetrokken of geverfd.
§ 64 De oogbogen.
De oogbogen (les apophyses orhitaires; die Augenbogen; the supra*
orbital processes)
zijn de meer of minder gewelfde, harde, uitste-
kende deelen boven de oogen, die bijdragen tot vorming der
oogholten en den oogbol van boven tegen mechanische inwerk in-
gen beschutten. Hun vorm heeft grooten invloed op de gedaante
van het hoofd en de uitdrukking der oogen. Zijn de oogbogen
namelijk fijn en zacht gewelfd, dan krijgt het oog een vrije lig-
ging en wordt de uitdrukking levendig en zacht; zijn zij daaren-
-ocr page 158-
f
132 , .
tegen grof en steken zij .sterk uit, dun liggen de oogen diep,
waardoor de blik donker en valseh wordt.
Donker geboren schimmelveulens krijgen aan de oogbogen het
eerst witte haren, waarom dit gedeelte bij voorkeur wordt gebe-
zigd. om te onderkennen of\' het veulen een schimmel zal worden.
§ G5. De oogen.
Omtrent den bouw en de verrichtingen der oogen zij verwezen
naar § 50. Op deze plaats zullen de oogen worden besproken, in
zoover hun uitwendig voorkomen en hun inwendige gesteldheid
eenigen invloed op de waarde van het paard uitoefenen.
§ G6. De uitdrukking van het oog.
In het oog spiegelt zich voor een groot deel het karakter en
de geaardheid van het paard af; daarom heeft de uitdrukking
daarvan, de blik, een groote beteekenis voor de onderkenning
van den zielstoestand.
Men ziet gaarne een levendigen, vurigen blik, welke zich door
een wijd geopende ooglidspleet en beweeglijke, onafgebroken op
de omgeving gerichte oogen te kennen geeft. De oogleden moeten
zoo fijn en dun zijn, dat de plooien, die zich daarin bij het ope-
nen vormen, door den ooglidrand worden bedekt. Deze droge
oogleden treft men bij warmbloedige paarden aan; bij koudbloe-
dige rassen zijn zij zoo dik, z.g. vet, dat zij slechts weinig kun-
nen worden geopend, waardoor de oogbol dieper komt te liggen
en kleiner schijnt. Men spreekt dan van varkensoogen (yeux de
cochon ; Schiveinsaugen ; pig-eyes).
Een trage, matte blik openbaart zich door slappe oogleden en
geringe beweging der oogen; deze is licht te onderscheiden van
den dommen blik, welke onopmerkzaamheid voor de omgeving
te kennen geeft — zooals men zegt, „zonder uitdrukking" is —
en van den strakken blik, waarbij liet dier als in zich zelf ge-
keerd is, zich onverschillig toont voor de omgeving en de oogen
een lijdende uitdrukking bezitten; de laatste wordt gewoonlijk
door hevige pijn veroorzaakt.
Makheid en goedaardigheid geven zich te kennen door een be-
daarde, zachte beweging en een, enkel nieuwsgierige opmerkzaam-
heid der oogen, terwijl schuwheid en vrees zich verraden door een
onrustigen blik, door snelle en heftige bewegingen der oogen,
waarbij zij zich nu op dit, dan op dat voorwerp vestigen. Boos-
-ocr page 159-
133
aardigheid en valschheid eindelijk herkent men tuin den heimelijken
blik, waarmede liet paard een voorwerp van ter zijde bekijkt,
alsof het de belangstelling, die dit inboezemt, tracht te verbergen.
In dit geval wordt het oog dikwijls zoo ver naar buiten gedraaid,
dat een groot gedeelte van de sclera zichtbaar wordt; men zegt
dan, dat het paard „het wit van zijn oog" laat zien.
Dit laatste is steeds het geval bij de z.g. ringoogen, omdat
hierbij de bruine kleur van het bindvlies rondom de cornea ont-
breekt, en de witte kleur van de sclera zich dus tot. aan de cornea
uitbreidt. Het spreekt wel van zelf, dat hier hoegenaamd geen
samenhang van het uiterlijk met eenige gemoedsaandoening
bestaat.
De kleur van de oogen (die door de iris wordt veroorzaakt) is
gewoonlijk donkerbruin; doet zich hierin eenige afwijking voor,
dan verkrijgen de oogen een eigenaardige uitdrukking. Zeldzaam
is de iris lichtbruin, meer is zij lichtgrijs, blauw- of paarImoer-
achtig. In het eerste geval spreekt men van valk- of korhoender-
(Birkaugen)
, in het laatste van glasoogen (yeux vairons; Glassaugen).
Een lichtgrijze of paarlmoerachtige kleur kan zich over de geheele
iris van beide oogen of van slechts één oog uitbreiden, zij kan
echter ook een grooter of kleiner gedeelte daarvan innemen en
zelfs pleksgewijze met de normale kleur afwisselen. Daarnaar
onderscheidt men nog halve glasoogen en bonte of harlekijnsoogen.
Glasoogen treft men niet zelden aan bij paarden met groote
afteekeningen, b.v. een breede bles, evenzoo bij bonte paarden
en hun nakomelingen, ook al hebben de laatste slechts één
kleur van haar. Isabellen met een vleeschkleurige huid hebben,
evenals de wit geboren paarden, in den regel glasoogen; slechts
bij uitzondering zijn deze echte albino\'s of kakerlaken, d. w. z.
ontbreekt de donkere kleurstof (het pigment) niet alleen in de
iris, maar ook in het vaatvlies, waardoor de pupil een rood aan-
zien verkrijgt. Zulke roode oogen zijn zeer zeldzaam; zij zijn ge-
voeliger voor het licht dan gewoon gepigmenteerde en dan glas-
en korhoenderoogen De laatste schaden, wat het gezichtsvermogen
betreft, volstrekt niet, evenmin als ringoogen.
Bij vele paarden is de hoornvliesrand geheel of ten deele wit;
dit mag geenszins als een bewijs van ouderdom worden aange-
merkt, gelijk bij den mensch geschiedt, waar men dien ring
ourlerdomsboog noemt. Men treft dit wit namelijk dikwijls bij
jonge paarden aan, terwijl het zich niet, als bij den mensch,
in den ouderdom ontwikkelt.
-ocr page 160-
134
!j 07. Onderzoek en ziekten deb oog en.
Hij liet onderzoek der oogen moet men vooral op de volkomen
helderheid en doorschijnendheid van alle middenstoffen en op de
beweging der pupil letten. Het best geschiedt dit onderzoek,
althans voor dengene, die met liet gebruik van den oogspiegel
niet vertrouwd is, op een weinig verlichte plaats, omdat de pupil
dan verwijd is en men dus beter in de diepte van het oog kan
zien. De ingang van een donkeren stal is hiertoe het meest ge-
schikt; het paard wordt daarin met liet hoofd naar buiten ge-
plaatst, zoodat men afwisselend veel en weinig licht in het oog
kan doen vallen.
Indien men wil nagaan of de pupil zich bij sterk invallend
licht vernauwt en omgekeerd verwijdt, moet men telkens één oog
blinddoeken, omdat de pupil van een blind oog dikwijls, door
rellex, de beweging der pupil van het normale oog volgt.
Dit onderzoek is van groot belang, omdat het onbeweeglijk
blijven der pupil een zeker bewijs is öf van blindheid öf van
een ernstige oogziekte, waardoor het dier gemakkelijk blind kan
worden. Bij een ontsteking van de iris nl. ontstaat een gedeel-
telijke vergroeiing van haar achtervlakte met de lenskapsel, waar-
door de gewoonlijk vernauwde en niet meer horizontale, doch
onregelmatig hoekige pupil volkomen of nagenoeg onbeweeglijk
blijft bij veel of weinig invallend licht. Zijn deze aanhechtingen
pas ontstaan, dan kunnen zij bij een doelmatige behandeling loslaten ,
zoodat de pupil weder normaal wordt; in andere gevallen, vooral
bij gedurige herhaling der ontsteking, zooals bij maanblindheid,
kan een volkomen vergroeiing van iris en lenskapsel ontstaan en
het dier daarna blind worden.
Bij zwarte staar of staande oojen (amaurose ou goutte sereine;
Scliónblindheit ; amaurosis)
vernauwt de sterk verwijde pupil zich niet
meer, ten gevolge van onwerkzaamheid der gezichtszenuw of van
het netvlies; niettegenstaande men overigens, bij oppervlakkige
beschouwing, niets abnormaals aan het oog waarneemt, is dit
gewoonlijk toch volkomen blind. Aan deze ziekte kunnen ver-
schillende omstandigheden, als ontsteking der gezichtszenuw of
van het netvlies, bloeding in dit laatste, of zelfs een hersenl\'yden
te gronde liggen. Zwarte staar is dus eigenlijk een collectiefnaam
voor onderscheidene ziekten, die alle dit gemeen hebben, dat het
paard aan een of beide oogen, gewoonlijk volkomen blind is en,
dat men zonder oogspiegel niets abnormaals kan waarnemen dan
-ocr page 161-
ia5
een verwijde, niet meer op licht reageerende pupil. Meestal is de
ziekte ongeneeslijk.
Het bewegen van een vinger of de hand voor het oog geeft
een onjuisten maatstaf ter beoordeeling van het gezichtsvermogen;
de hierdoor teweeggebrachte verplaatsing der lucht heeft soms ten
gevolge, dat volkomen blinde paarden nog met de oogleden knip-
pen, terwijl zeer phlegmatische paarden hierop dikwijls volstrekt
geen acht slaan.
Volkomen blinde paarden lichten bij beweging de beenen soms
hoog op, alsof zij in het water gaan, en loopen, indien zij aan
zichzelven worden overgelaten, tegen alles aan wat zij op hun
weg ontmoeten.
Groene staar (glaucoma) is een oogziekte, die bij het paard nog
niet met zekerheid is aangetoond. Vroeger, toen men de verschijn-
selen daarvan minder nauwkeurig kende, meende men, dat een
paard aan groene staar leed, indien het aan één of beide oogen
nagenoeg of geheel blind was en de pupil daarbij groenachtig was
gekleurd. Deze verkleuring kan worden veroorzaakt door een
loslating van het netvlies ; hierdoor wordt de breking der licht-
stralen zoodanig gewijzigd, dat men de uit het oog teruggekaatste
lichtstralen groen gekleurd ziet. Bovendien kan hieraan een troe-
beling van het glasvocht te gronde liggen.
Het wezen van glaucoom, zooals het bij den mensch voorkomt,
berust echter op een verhoogde inwendige drukking van den oog-
bol, welke een vormverandering en een gedeeltelijk verdwijnen
van de gezichtszenuw ten gevolge heeft. Het oog is daarbij steeds
harder dan normaal, soms zelfs steenhard. Meestal ontstaat bij
glaucoom eerst langzamerhand volkomen blindheid; dit is voor-
namelijk het geval indien het zich zonder ontsteking ontwikkelt.
Behalve een doorgaans verwijde pupil en een verzwakt of opge-
heven gezichtsvermogen bespeurt men dan, met het bloote oog,
weinig abnormaals.
Grauwe staar (cataract) noemt men een geheele of gedeeltelijke
troebeling van de kristallens of de lenskapsel of van beide, zoodat
de pupil, in plaats van donkerblauw of zwart, volkomen grijs of
wit schijnt Gewoonlijk begint de verduistering met enkele punten,
staarpunten genoemd, en breidt zij zich langzamerhand over de
geheele lens uit; evenwel kunnen de partiëele troebelingen ook
stationnair blijven.
Naar gedaante, kleur en plaats van voorkomen der troebeling
onderscheidt men, behalve de genoemde staarpunten: gestreepte of
-ocr page 162-
13fi
balkenntaar, als ze in dezen vorm voorkomt; melkstaar of rijpe
cataract, indien ze geheel wit is; kapselstaar, wanneer de troebe-
ling alleen in de lenskapsel, lensstaar, als ze alleen in de lens
voorkomt; kernstaar, indien het midden der lens, corticale staar,
als de omtrek daarvan verduisterd is, enz.
De cataract kan aangeboren zijn, doch ontstaat meer op hoogen
leeftijd. Een der meest voorkomende oorzaken is bij het paard de
maanblindheid.
Ook al is het gezichtsvermogen nog niet volkomen opgeheven,
zooals bij een gedeeltelijke troebeling der lens, dan moet men
toch zulke paarden afwijzen, daar het onmogelijk is te bepalen of
geen geheele blindheid zal volgen. Bovendien zijn gebrekkig
ziende paarden dikwijls zeer schuw en schrikachtig en dus moeielijk
te gebruiken.
Bij dieren is de grauwe staar ongeneeslijk, daar men bij hen
de verwijderde lens niet door een bril kan vervangen ; daarenboven
gaat zij bij paarden dikwijls samen met loslating van het netvlies,
d. w. z. het netvlies heeft zich van het vaatvlies gescheiden, dry ft
in het glasvocht en is onwerkzaam geworden.
Men zij op zijn hoede staarpunten te verwisselen met weer-
kaatsingen van het licht in het oog; de laatste verplaatsen zich
bij de verschillende bewegingen van het hoofd, wat met de staar •
punten niet het geval is. Bij wijd geopende pupil ziet men dik-
wijls de plaats waar de gezichtszenuw in den oogbol treedt (de
blinde vlek of vlek van Mariotte) als een grauwe plek; natuurlijk
mag deze niet voor troebeling der lens worden gehouden. Vol-
komen zekerheid omtrent de doorschijnendheid der lens verschaft
de oogspiegel; bij zwak doorvallend licht kan geen troebeling,
hoe klein ook, aan de aandacht ontsnappen.
Van hoornvliesvlekken kan men de grauwe staar gemakkelijk
onderscheiden door langs het oog te zien; in dit geval kan men
wel een troebeling van de cornea, doch niet van de lens waar-
nemen. Beter echter nog geschiedt het onderzoek bij focale
verlichting
Deze vlekken ontstaan meestal door beleediging en kunnen in
grootte, gedaante en kleur verschillen. Zij belemmeren het ge-
zicht te meer, naarmate zij grooter zijn en meer vóór de pupil
zijn gelegen. Vooral nadeelig is de onregelmatige verkromming
der cornea, die zij ten gevolge hebben; daardoor worden de licht-
stralen niet meer normaal gebroken (onregelmatig astigmatismus)
en dus onjuiste beelden op het netvlies afgedrukt. De schuwheid
-ocr page 163-
137
der paarden vindt hierin dikwijls haar grond. Wat de genezing
aangaat, zij zijn ongunstiger te beoordeelen. indien zij geheel wit
of ook zwart en scherp begrensd zijn en bij overigens gezonde
oogen voorkomen, dan wanneer zij meer donkergrijs en diffuus
zijn en met een acute oogontsteking gepaard gaan. In dit laatste
geval spreekt men eigenlijk niet van vlekken, doch van een ont-
stehing der cornea (keratitis);
bij het genezen dezer ontsteking
verdwijnen gewoonlijk ook de troebeling en de ondoorschijnend-
heid der cornea.
Ook litteekens na verwonding, door zweepslagen, stroohalmen,
en dergelijke veroorzaakt, of als gevolg van voorafgegane hoorn-
vliesontsteking, hoornvlieszweren, enz. kunnen op de cornea aan-
wezig zijn en het zien meer of minder storen.
Het bindvlies kan zelfstandig, of te gelijk met andere deelen
van het oog, in ontsteking geraken en is dan donkerrood gekleurd
en gezwollen, terwijl een groote hoeveelheid tranen en slijm wordt
afgescheiden. Dit slijm wordt niet zelden etterachtig en is dan
besmettelijk. Bij eenigen duur der ontsteking kunnen op het
bindvlies woekeringen ontstaan; in dit geval spreekt men vaneen
granulaire of granuleuse bindvliesontstehing.
De maanblindheid of periodische oogontsteking (jluxion lunatique
ou pcriodique; Mondblindheit
; speci/ic ophthalmid) is een zeergevaar-
lijke oogziekte, daar zij in den regel met blindheid eindigt. Zij
treedt in verschillende, periodiek terugkeerende aanvallen op, totdat
het gezichtsvermogen van het aangetaste oog geheel of nagenoeg
geheel is opgeheven. In de vrije tusschentyden is — ten minste
bij een oppervlakkig onderzoek — soms weinig ziekelijks aan het
oog waar te nemen. Vroeger meende men, dat de aanvallen in
verband stonden met den stand der maan, omdat het wel
gebeurt, dat zij zich na ongeveer vier weken herhalen. Trouwens
kende men vroeger aan de maan een groote kracht toe in zake
het ontstaan van ziekten, ook van andere lichaamsdeelen.
Deze ziekte bestaat in een ontsteking van bijna alle deelen van
het oog, voornamelijk echter van het regenboogvlies, het ciliaire
lichaam en het vaatvlies, en geeft zich gedurende een aanval door
de volgende verschijnselen te kennen: geringe zwelling en eenigs-
zins verhoogde warmte der oogleden, lichtschuwheid, vermeerderde
traanafscheiding, roodheid en lichte zwelling van het bindvlies,
troebeling van het hoornvlies, geel-groenachtige verkleuring van
liet regenboog vlies, vernauwing en mindere beweeglijkheid der
pupil; het waterachtig vocht is troebel, meestal drijven er gele,
-ocr page 164-
138
dikke vlokken in, die zich bij beweging van het hoofd verplaatsen
en zich daardoor van etter onderscheiden. Door de zwelling dei-
oogleden schijnt het oog kleiner; het wenkvlies is gewoonlijk ver
over den oogbol geschoven. Steeds kleeft de pupilrand gedeeltelijk
aan de lenskapsel vast, zoodat de pupil bij verwijding (bijv. na
indruppelen van een atropine-oplossing) door een bochtige lijn is
omschreven; versche aanéénklevingen worden door een atropinisee-
ï\'ing in den regel losgescheurd, doch verraden dan haar vroeger
bestaan door het achterlaten van pigmentvlekken op de lenskapsel.
In enkele gevallen vergroeit de pupilrand geheel met de lenskapsel,
zoodat de gemeenschap tusschen de voorste en achterste oogkamer
wordt opgeheven; hierdoor kunnen de ontstekingsproducten van
de achtervlakte der iris en van het ciliaire lichaam niet meer in
de voorste oogkamer afvloeien, hetgeen een welving van het
regenboogvlies naar voren ten gevolge heeft. Bij een zijdelingsche
beschouwing van het oog — voornamelijk bij focale verlichting —
is deze verandering gemakkelijk waar te nemen; terwijl de pupil-
rand bij het gezonde oog, door de welving der lens, het meest
verheven gedeelte der iris vormt, heeft nu het omgekeerde plaats.
Niet zelden hoopt zich een zoodanige hoeveelheid ontstekings-
producten achter de lens op, dat deze naar voren wordt gedrongen.
Meestal is het oog zeer pijnlijk bij drukking op de grens tus-
schen cornea en sclera, zooals trouwens gewoonlijk bij ontsteking
van het ciliaire lichaam het geval is.
De veranderingen in het vaatvlies en het glas vocht, die van
groot belang zijn voor de onderkenning van maanblindheid, kun-
nen nagenoeg alleen met behulp van den oogspiegel worden waar-
genomen. Door middel van dit instrument kan men, indien althans
de voorste deelen van het oog doorschijnend genoeg zijn, dikwijls
beweeglijke vlokken in het glasvocht, en somtijds ook witte exsu-
daat-massa\'s in het vaatvlies waarnemen, terwijl zich in andere
gevallen zwarte of witachtig gekleurde vlekken op dit vlies bevin-
den. De vlokken in het glasvocht blijven na een aanval, hoewel
in mindere mate, bestaan en zouden oorzaak zijn van het telkens
terugkeeren der oogontsteking; zeer waarschijnlijk zijn zij echter
niet de eenige oorzaak. Daarbij vervloeit het glasvocht meer of
minder, zoodat de oogbol weeker wordt dan in normalen toestand;
zelfs hebben de diep ingrijpende voedingsstoornissen dikwijls een
loslating van het netvlies ten gevolge.
Niet altijd is de troebeling van de cornea even duidelijk waar
te nemen; in vele gevallen ziet men slechts een groenachtig-
-ocr page 165-
439
blauwe tint, die meestul ook gedurende den tijd tusschen de aan-
vallen blijft bestaan.
Zulk een aanval gaat slechts zelden met koorts of gestoorden
eetlust gepaard; de duur daarvan bedraagt gewoonlijk 8—10 dagen.
Daarna nemen alle verschijnselen af, zoodat het oog na verloop
van ongeveer 8 dagen dikwijls weder geheel helder is, vooral
indien de voorafgaande aanval zacht was; met het bloote oog is
de ziekte dan moeielijk of niet te onderkennen. Bestaande pig-
mentvlekken op de lenskapsel en troebelingen in het glasvocht
toch, ontdekt men slechts door middel van den oogspiegel.
Was de aanval echter hevig of zijn er reeds veel aanvallen ge-
weest, dan ziet men duidelijke veranderingen aan het oog: het
schijnt kleiner, omdat de oogbol, door omvangsvermindering van
het oog vetkussentje, dieper in de holte is gelegen; het boven-
ooglid krijgt op zijn oppervlakte een plooi, die aan den rand van
het lid een stompen hoek, een zoogenaamden 3den ooghoek vormt;
de cornea en het waterachtig vocht hebben een groenachtige tint;
de pupil is steeds nauwer dan in het gezonde oog en soms — na
of ook zonder atropiniseering — van onregelmatigen vorm door
vergroeiingen van den pupilrand met de lenskapsel; de oogbol is
gewoonlijk weeker en pijnlijker dan in normalen toestand en in
de kristallens hebben zich enkele staarpunten gevormd of de lens
is zelf reeds volkomen verduisterd. In den regel herhalen de
aanvallen zich zoo lang, totdat het oog geheel blind is; meestal
gebeurt dit binnen \'/,—2 jaar. Het oog is dan in al zijn deelen
in voeding achteruitgegaan; het is kleiner geworden, het netvlies
heeft zich meestal losgelaten, enz., doch het meest treedt op den
voorgrond de grauwe staar, die zich gewoonlijk, nu spoediger
dan langzamer, heeft ontwikkeld.
Slechts zelden komt maanblindheid aan beide oogen te gelijk
voor; dikwijls echter wordt later, soms zelfs geruimen tijd nadat
het eene oog blind is geworden en dus vrij blijft van verdere
aanvallen, ook het andere oog aangetast.
Maanblindheid geldt tot heden voor ongeneeslijk. De meening
dat een operatie (iridectomie), in het begin der ziekte toegepast,
beterschap zou kunnen aanbrengen, heeft geen stand kunnen
houden; zij berustte op de onjuiste identificeering van dit lijden
met het glaucoom van den mensch. Evenzoo mist de bewering,
dat een tijdige extirpatie van het aangetaste oog het ontstaan van
die ziekte aan het andere zou kunnen voorkomen, allen grond.
Deze wortelde in de veronderstelling, dat de maanblindheid over-
-ocr page 166-
140
eenkwam met sympathisclw opthalmie van den mensch, eenmee*
ning, die men trouwens nog telkens Jioort verkondigen.
Dit ooglijden komt het meest voor in lage, moerassige streken
of zoodanige, die door overstroomingen hebben geleden. Ook het
voedsel, uit dergelijke plaatsen afkomstig, schijnt de ziekte te
kunnen veroorzaken. Bij het Pruisische leger kent men onder -
scheidene garnizoenen, waar de paarden veel aan maanblindheid
lijden; Oost-Pruisen, Elzas Lotharingen, vooral het Saardal zijn
in dit opzicht ongunstig bekend. Bij verplaatsing der paarden uit
deze streken zag men de ziekte verminderen.
Men neemt een infectie als oorzaak aan ; evenwel is daarom-
trent het laatste woord nog niet gesproken. In verband hiermede
begint het geloof aan de erfelijkheid der ziekte, die vroeger als
een der voornaamste oorzaken werd beschouwd, meer en meer te
wankelen.
Ook aan de uitwendige deelen van liet oog kunnen verschil-
lende ziekelijke toestanden voorkomen, die het gezicht meer of
minder belemmeren. Zoo kan een ooglid verlamd zijn of geheel
of gedeeltelijk ontbreken, de oogharen kunnen naar binnen ge-
keerd zijn (entropium), zoodat zij den oogbol voortdurend prikkelen ,
ofwel naar buiten (ectropiwn), waardoor zij het oog niet voldoende
beschutten, enz. Soms is de traanklier ontstoken, zijn de traan-
buisjes door vreemde lichamen, b v. kafnaalden verstopt, het
traanheuveltje gezwollen, enz.
Het bepalen der lichtbreking {refractie) kan alleen door middel
van den oogspiegel geschieden. Indien een oog zoodanig is ingericht,
dat het hoofdbrandpunt van den brekingstoestel, bij volkomen rust
van de accommodatie spier, juist in het netvlies ligt, dan noemt men
het emmetropisch; het is dan in de maat. Ligt het hoofdbrandpunt
achter het netvlies, dan heet het oog hypermetropisch {buiten de
maat),
omdat de oogas nu kleiner is dan bij het emmetropische
oog. Dit is gewoonlijk bij het paardenoog het geval. Is de oogas
echter langer, dan ligt het hoofdbrandpunt, onder bovengenoemde
omstandigheden, vóór het netvlies en wordt het dier myopisch ge-
noemd. Terwijl door een myopisch oog alleen dichtbij gelegen
voorwerpen duidelijk kunnen worden gezien, heeft bij een hyper -
metropisch het omgekeerde plaats. Het is duidelijk, dat een onder-
zoek hiervan bij liet paard niet van belang ontbloot is, hoewel
de myopie niet door concave of de hypermetropie door convexe
brillenglazen kan worden gecorrigeerd, gelijk dit bij den mensch
geschiedt. Myopie is echter dikwijls gebleken de oorzaak van
-ocr page 167-
441
schuwheid bij het paard te zijn; de hvpermetropie schijnt daartoe
nooit aanleiding te geven.
§ G8. De kaken.
De kaken (les ganaehes; die Ganaschen oder Wangen; the jaws)
(PI. VII n08. 9 en 10) liggen boven de wangen, achter den kaak-
boord en de oogen, en onder de slapen; zij worden voornamelijk
gevormd door de bovenste verbreede gedeelten der achterkaak en
de daarop gelegen uitwendige kauwspieren.
Zij moeten Jijn, smal en droog zijn. Zware, vleezige kaken
(cheval chargé de ganaehes) maken het hoofd leelijk. Zijn zij tevens
breed, dan wordt het paard hierdoor niet alleen ontsierd, doch
zij zullen dan ook de buiging, het z. g. bijbrengen van het hoofd ,
belemmeren, vooral wanneer (wat hiermede dikwijls samengaat)
de keelgang bovendien nauw en de nek kort, dus de keeluitsnij-
ding gering is.
Hengsten hebben in het algemeen sterker ontwikkelde kaken
dan ruinen en merriën.
Onmiddellijk onder de kaken, daar waar de kaakronding inliet
rechte gedeelte van het achterkaakbeen overgaat, liggen in een
verdieping van dit been, de vaatuitsnijding genoemd, ie uitwendige
kaakslagader,
de aangezichtsader en de ontlastbuis der oorspeeksel-
klier, de buis van Stenon. De eerste wordt gebruikt tot het voelen
van den pols, wat aldaar gemakkelijk kan geschieden, omdat de
slagader onmiddellijk op het been ligt en alleen door de huid is bedekt.
§ (59. De wangen.
De wangen (les joues; die Backen; the cheeks) (PI. VII n". 7) lig-
gen onder de kaken, boven de lippen en achter het aangezicht;
zij vormen de beweeglijke zijwanden der mondholte.
Bij droge hoofden is de huid der wangen fijn en zijn de daaronder
gelegen spieren en bloedvaten duidelijk zichtbaar.
Op de wangen treft men soms kleine openingen aan, waaruit
een meer of minder stinkend vocht sijpelt en die óf met de buis
van Stenon óf met een tandkas in verband staan. De eerste zijn
speeksel-, de laatste tandfistels; beide verminderen een paard be-
langrijk in waarde.
De wang kan uitwendig gezwollen zijn ten gevolge van het
maken van proppen (faire magasin), d.i. het zich verzamelen van
voedsel achter de kiezen, hetgeen voornamelijk voorkomt bij oude
-ocr page 168-
UI
paarden; deze hebben nl. op hun kiezen, door ongelijkmatige
afslijting, dikwijls z. g. haken gekregen en kunnen daardoor hun
voedsel niet meer behoorlijk kauwen. Het proppen maken kan
echter ook bij andere tandziekten aanwezig zijn. Men vindt deze
ballen half gekauwd voedsel dikwijls in de krib liggen; indien zij
eenigen tijd achter de kiezen hebben gezeten, rieken zij, ten ge-
volge van ontbinding, zeer onaangenaam, zoodat zulke paarden
gewoonlijk ook uit den mond stinken.
§ 70. Het aangezicht.
Het aangezicht (das Gesicht; the face) (PI. VII n". 8) ligt onder
de oogen, tusschen de wangen en den rug van den neus, en
strekt zich naar beneden tot aan de voorlip uit.
Het moet zacht gewelfd en mager zijn en de onder de huid
gelegen spieren en bloedvaten duidelijk doen doorschijnen.
Bij jonge paarden, wier kiezen nog niet zijn gewisseld, is het
onderste gedeelte van het aangezicht steeds bol door de in ont-
wikkeling zijnde paardenkiezen; bovendien is het bij drukking
pijnlijk, daar de beenplaat, die hier de wortels der voorste kiezen
bedekt, zeer dun is of gedeeltelijk zelfs ontbreekt, en dus de
drukking gemakkelijk op deze wortels wordt overgeplant. Bij oude
paarden valt dit gedeelte meer en meer in.
Aan de bovenste aangezichtshelft zijn de wortels der achterste
kiezen door de kaakboezems bedekt en dus geheel beschut. Bij
opvulling dezer boezems met ziekelijke stoffen kan het been naar
buiten worden gedrongen; in plaats van den gewonen helderen
toon zal men dan, bij het kloppen op deze plaats, een gedempten
toon waarnemen. Zijn, gelijk meestal het geval is, de boezems
slechts aan één zijde uitgezet, dan ontstaat asymmetrie der beide
aangezichtshelften.
Fistels aan de 4de bovenkies kunnen op de aangezichtsvlakte
doorbreken; aan de overige kiezen der bovenkaak banen zij zich
gemakkelijk een weg naar de neusholte (voor de lste—3de kies) of
naar de kaakboezems (voor de 5de en 6de kies).
De haakboord, een voortzetting van den jukboog, behoort tot
het aangezicht; deze is bij edele paarden fijn, smal en scherp
geteekend. Bij jonge paarden is hij gewoonlijk afgerond en nog
weinig ontwikkeld. Door mechanische inwerkingen is de huid op
den kaakboord dikwijls, vooral bij oude paarden, eeltachtig ver-
dikt en van haren ontbloot.
-ocr page 169-
143
§ 71. De netts.
De neus (die Nase: the nose) (\') (PI. VII n". 11) is dat gedeelte
van het hoofd, dat tusschen het voorhoofd en de voorlip is ge-
legen en aan weerszijden door het aangezicht wordt begrensd.
Het bovenste gedeelte van den neus heet de wortel, het middelste
de rug en het onderste de punt.
Naar de gedaante van het hoofd is ook de profiellijn van den
neus verschillend; een rechte, breede, droge, naar de punt lang-
zamerhand smaller wordende neus
vindt men fraai en wordt bij
edele paarden aangetrolïen. Daarbij ziet men den rug van den
neus soms ook eenigszins ingedrukt, hetgeen wel onderscheiden
moet worden van die indrukking, welke door den neusriem van
den halster of het veelvuldig gebruik van den kaptoom is ont-
staan. In dit geval is de huid aldaar meestal eeltachtig verdikt
en van haren ontbloot. Bij wevers en onrustige, lastige paarden,
die steeds in de halsters hangen of door den kaptoom moeten
worden bedwongen, komt dit niet zelden voor.
§ 72. De neusgaten.
De neusgaten (les naseaux; die Nasenlöcher oder Niistern ; the
nostrils)
(PI. VII n". 12) worden gevormd door de punt van den
neus, die zich naar beneden en buiten uitbreidt in vleugelvormige
randen, de zoogenaamde neusvleugels; deze bevatten de vleugel-
vormige kraakbeenderen, waardoor de neusgaten, bij het rustig
ademende paard, zonder spierinspanning open worden gehouden.
Aan ieder neusgat onderscheidt men een uit- en inwendigen
vleugel
en een boven- en onderhoek.
De uitwendige vlakte der vleugels is bezet met korte, fijne
haren, waartusschen enkele borstelachtige voelharen zijn geplaatst,
die niet mogen worden verwijderd. Aan de inwendige vlakte
wordt de huid naar binnen toe langzamerhand fijner en verdw\'y-
nen de dekharen, doch nabij den rand steken van alle zijden
lange beschuttende haren, neusharen genoemd, zoodanig in de
neusholte uit, dat zij elkander bij een bedaarde ademhaling aan-
raken en alzoo eenigermate beletten, dat stof, insecten, enz. met
de ingeademde lucht vrij naar binnen kunnen dringen. Bjj een
versnelde ademhaling met sterk verwijde neusgaten verliezen zij
(1) Den neus met liet aangezicht noemen de Fransclien Ir chaiifrriu.
-ocr page 170-
iU
hun beteekenis; in dit geval worden ingedrongen vreemde lichamen
door de sterke Btrooming der uitgeademde lucht weder verwijderd.
Geschiedt het laatste met een krachtigen stoot en een eigenaardig
trillende beweging van lippen en neusvleugels, dan ontstaat het
zg. proesten, iets dat men bij vele zieke paarden niet of althans
slechts zwak waarneemt. Op de inwendige vlakte van den uit-
wendigen vleugel, op of nabij de plaats waar de huid in het
neusslijmvlies overgaat, vindt men één, soms twee of drie kleine
openingen, de levensteekens genoemd; dit zijn de mondingen van
het traankanaal, die wel eens voor zweerljes zijn aangezien.
Aan den bovenhoek der neusgaten worden door een omstuI-
ping der huid twee kegelvormige, blind eindigende zakken ge-
vormd, die de valsche neusgaten of neustrompetten worden genoemd.
Zij zijn alleen aan het paardengeslacht eigen; hun nut is onbekend.
De neusgaten moeten bij het paard, dat bijna alleen door den
neus kan ademen, groot (\') zijn, als trechters op de voorvlakte van
het hoofd geplaatst, zoodat zij bij beweging iets boven de lijn van den
neus uitsteken; zij moeten scherpe randen hebben, met een jijne huid
en zachte haren bedekt, en zeer beweeglijk zijn.
Zulke neusgaten,
die gewoonlijk met een ruime, diepe borstkas gepaard gaan, treft
men aan bij edele paarden, terwijl zij bij koudbloedige rassen
klein en weinig beweeglijk zijn, dikke randen en grove dekharen
hebben en ter zijde van het hoofd liggen.
De beweeglijkheid, het spel, der neusgaten is voor de on-
derkenning van het temperament van gewicht; levendige, vurige
paarden hebben zeer beweeglijke neusgaten, terwijl bij slappe,
trage paarden het omgekeerde het geval is. Bij het zien van
vreemde voorwerpen worden de neusgaten somtijds levendig be-
wogen en snuift of snuffelt het paard tevens, ten einde zich door
den reuk omtrent den aard van het vrees-aanjagende voorwerp
te overtuigen.
Dit spel der neusgaten is gemakkelijk te onderscheiden van de
gewone beweging bij de ademhaling. Hoe minder hierbij de neusgaten
worden bewogen, des te beter is het paard op adem. Bij gezonde,
in rust verkeerende paarden worden de neusgaten niet merkbaar
bewogen en na eenige lichaamsinspanning komen zij spoedig weer
tot bedaren; te spoediger, naarmate het dier krachtiger is en
meer geoefende ademhalingswerktuigen bezit. Bij ziekten van die
(1) De Arabieren weiiBchcn Je neungnten ïrai groot als de muil van ilru treitm en
uaarJen met zulke neusgaten noemen zij tnchlilr\'mlrta (Dititmms, Cien.uu ilu t\'oAara),
-ocr page 171-
445
organen echter, b. v. longontsteking, borstwaterzucht, dampigheid,
enz , verkeeren de neusgaten, reeds bij liet rustige paard, voort-
durend in beweging, soms zelfs zeer belangrijk, indien de ziekte
hevig is. Moeten zulke dieren, b.v. dampige paarden, zich bijzon-
der inspannen, dan worden de neusgaten telkens krampachtig
opengesperd, ten einde met iederen ademtocht zooveel lucht te
kunnen opnemen als slechts mogelijk is.
De uitgeademde lucht moet matig warm en reukeloos zijn; zij
is zeer warm bij sommige ontstekingachtige toestanden der adem-
halingsorganen, koud daarentegen bij zeer geringe levens werk -
zaamheid; zeer onaangenaam riekt zij soms bij keelontsteking,
longverettering, enz. Langs beide neusgaten moet de lucht even
gemakkelijk worden in- en uitgeademd, hetgeen men onderzoekt
door afwisselend een neusgat te sluiten. Bij zwelling van het
slijmvlies, poliepen, enz., zal de doortocht der lucht aan die
zijde meer of minder belemmerd zijn en een snorkend geluid
teweegbrengen.
De beide neusholten zijn van elkander gescheiden door een
kraakbeenig neusmiddelschot, dat bij edele paarden ver naar voren
staat en met een scherpe buiging, een wezenlijke neuspunt, in de
lippen overgaat; bij koudbloedige paarden is dit gedeelte vlak af-
gerond. De neusholten zijn met een fijn, bleekrood gekleurd en
zeer gevoelig slijmvlies, het neusslijmvlies, bekleed, dat talrijke
slijmkliertjes bevat, die door hun afscheiding het slijmvlies vochtig
houden. Bij snelle beweging wordt het neusslijmvlies hoogrood
gekleurd en blijkt dan van talrijke puntjes, overeenkomende met
de uitmondingen der slijmklieren, voorzien; na eenige rust keert het
tot zijn vorigen toestand terug. Bij ziekten ondergaat de kleur
van dit slijmvlies vele veranderingen; zoo kan het zijn: hoogrood
en gezwollen bij ontstekingachtige toestanden, geelachtig bij lever-
ziekten , enz.
Terwijl het slijmvlies in gezonden toestand steeds matig vochtig
is, en nu en dan eenige druppeltjes traanvocht uit den neus
vloeien, is het bij enkele ziekten, als in het begin van verkoud*
heid, geheel droog, bij andere daarentegen met een groote hoe-
veelheid waterachtig en dik, zelfs etterachtig slijm bedekt, b. v. in
een later tijdperk van verkoudheid , bij goedaardigen droes, enz.
Door proesten wordt dit uit den neus geworpen. Dit uitwerpsel
droogt soms gedeeltelijk aan de neusranden tot korsten op, zooals
bij kwaden droes; bij deze ziekte is het vuil groengeel gekleurd
en bevat het dikwyls bloedstrepen.
10
-ocr page 172-
14fi
Bij keelontsteking komen voedsel en drank niet zelden door
den neus terug.
Neusbloeding kan ontstaan door uitwendige beleedigingen, b. v.
door stroohalmen; door zweren, die een bloedvat doorknagen,
zooals bij kwaden droes; door snelle en aanhoudende bewegingen
en dergelijke oorzaken.
Het slijmvlies moet geheel glad zijn; er mogen geen knobbeltjes,
zweren en litteekens op voorkomen, daar deze het paard van
kwaden droes verdacht maken.
§ 73. De lippen.
De lippen {les lèvres; die Lippen; the Ups) (PI. VII n°. 44) wor-
den onderscheiden in de grootere voor- of boven- en de kleinere
achter- of onderlip, die door de mondspleet van elkander zijn ge-
scheiden. Zij bezitten talrijke spieren en zenuwen en zijn daardoor
zeer beweeglijk en gevoelig. Wegens de laatste eigenschap — de
gevoeligheid — worden zij dikwijls gebezigd om een paard, door
middel van een praam, pijn te veroorzaken, ten einde daardoor
de opmerkzaamheid van andere zaken, b. v. bij het beslaan, af te
leiden. Het pramen mag echter alleen aan de voorlip geschieden,
daar de achterlip bij weerspannige paarden gemakkelijk zou kunnen
inscheuren; bovendien is zij gevoeliger dan de laatste.
De voorlip is uitwendig met korte, fijne haren bedekt, waar-
tusschen lange voelharen zijn geplaatst, welke wel mogen wor-
den verkort, doch geenszins verwijderd. In het midden is de
voorlip door de lipgroeve in twee gelijke deelen verdeeld en naar
beneden eindigt zij in een punt. Zij is zeer beweeglijk, vooral
bij den hengst, waar zij bij het beruiken van hengstige merriën
snuitvormig in de hoogte kan worden getrokken — het zg. fleem en
{das Flehmen)
—; ook bij het opnemen van voedsel en drank en
bij het hinneken speelt zij door haar beweeglijkheid een groote
rol. De uitwendige vlakte gaat met een scherpen, soms gekartel-
den rand in de inwendige, met een slijmvlies bekleede vlakte
over; de laatste is glad, lichtrood gekleurd of dikwijls ook zwart
gemarmerd en wordt door het mondslijm vochtig gehouden.
De achterlip is slapper en gaat in de kin over; evenals de
voorlip bevat zij talrijke voelharen, die de lippen in haar werking
als tastwerktuig ondersteunen. Inwendig is zij, gelyk de voorlip,
met een slijmvlies bekleed.
-ocr page 173-
147
Bij warmbloedige paarden zijn de lippen dun, zacht en nagenoeg
kaal,
terwijl zij bij koudbloedige dik en met veel haar bedekt zijn.
Bij de laatste zijn zij aan de inwendige vlakte soms geplooid; in-
dien zulk een plooi de lagen bedekt en daardoor de werking van
het gebit vermindert, zegt men, dat het paard dubbele lippen heeft.
Bij zwakke en afgeleefde paarden hangt de achterlip dikwijls slap
af, waardoor de mond niet meer gesloten wordt en het speeksel
afvloeit; bij krachtige paarden echter zijn de lippen vast gesloten
en de voorlip steekt iets over de achterlip heen.
Op de voorlip komt soms een verzameling lange, dikke haren
voor, die een knevel vormer. Boor sterk en aanhoudend of ge-
durig herhaald pramen, vooral met te dun touw, kan op de voorlip
een kring van witte haren ontstaan.
Enkele paarden hebben de slechte gewoonte om de lippen,
buiten den voedertijd, onder het voortbrengen van een tamelijk
sterk geluid, op elkander te klappen; andere spelen met de lippen
op den halsterketting, den latierboom of de krib en leeren daar*
door gemakkelijk kribbebyten. Bit is een gevolg van te weinig
bezigheid; paarden, die veel moeten arbeiden en op stal altijd
voor een gevulde ruif staan, krijgen zulke aanwensels hoogst
zeldzaam.
§ 74. Bk mondspleet.
Be mondspleet {t ouverture de la bouche; der Maulspalt the ope-
ning of the moutli)
(PI. VB n°. 13) vormt den ingang der mond-
holte en eindigt naar boven in de mondhoeken {les commissures; die
Maultvinkel; the corners or angles of the Ups).
Bij een goed ge-
spleten mond liggen de laatste op gelijke hoogte met het midden
der lagen; een grootere mondspleet brengt echter geenerlei nadeel
aan. Is zij daarentegen kleiner, dan worden de mondhoekendoor
het gebit gedrukt en alzoo licht beleedigd. Somtijds zijn deze zelfs
geplooid en verhard, zooals door te hoog opstangen, herhaald
mondpramen of door gedurige verwonding met den haak van den
kinketting kan ontstaan. Be mondpraam, ook wel Poolsche
praam genoemd, bestaat uit een touw, dat door de mondspleet
en over den nek gaat en ter zijde van het hoofd door een
stokje wordt aangedraaid, zoodat de mondhoeken worden op-
getrokken. Het gebruik van deze praam is, in het algemeen, af
te keuren.
-ocr page 174-
1/iS
§ 75. Dp. MONIillOl.TK MET DE DAARIN BESLOTEN DEEI.EN.
De mondholte {la bouche; die Maidh\'öhle; the mouth) begint aan
de mondspleet en voert naar achteren door de keel in den slok-
darm en de luchtpijp; zij is met een lichtrood gekleurd slijmvlies
bekleed, dat door speeksel en slijm vochtig wordt gehouden. Is
de speekselafscheiding bij het rijden vermeerderd en zijn de lippen
door het af kauwen niet schuim bedekt, waarbij het paard, met
een meer of minder lichte aanleuning op den teugel, met het bit
speelt, dan heeft het een aangenomen, verschen mond. Intusschen
kan het paard ook zeer sterk schuimen, wanneer het met het bit
speelt zonder daarop zg. aanleuning te nemen; het is dan achter
het bit,
waarbij van een aangenamen mond geen sprake kan zijn,
omdat er dan geen behoorlijke voortdurende verbinding tusschen
den mond van het paard en de hand van den ruiter bestaat.
Met schuim bedekte lippen geven dus geen zekerheid van een
goeden mond; zijn daarentegen de lippen bij het gereden paard
droog, dan heeft het gewoonlijk een dooven mond.
De speeksel-afscheiding kan ook ziekelijk verhoogd of omgekeerd
verminderd zijn; in het eerste geval ontstaat speelselvloed en loopt
het speeksel in strengen uit den mond; in het laatste daarentegen
is de mond geheel droog en gewoonlijk tevens heet, zooals bij
ziekten van maag en darmkanaal dikwijls voorkomt.
Een nauwkeurig onderzoek van de mondholte en de daarin
gelegen deelen, door middel van het gezicht, het gevoel en den
reuk, is steeds noodzakelijk; door den laatsten alleen reeds kan
men dikwijls een ziekte der kiezen ontdekken, die het paard na-
genoeg alle waarde doet missen. Het bezichtigen en betasten kan
men door een mondspiegel gemakkelijk maken. Daarbij moet men
letten op: de lagen, het gehemelte, de tong. het tandvleesch en de tanden.
De lagen of gebitrunden {les barres; die Laden oder Trager; the
bars)
zijn die tandelooze randen der achterkaak, welke zich bij
hengsten en ruinen van den haaktand tot de eerste kies en bij
merriën van den hoektand tot deze kies uitstrekken. Zij zijn met
een dik, onmiddellijk op het been gelegen slijmvlies, het tand-
vleesch
bekleed, nabij den haak- en hoektand afgerond en worden
naar de kiezen toe scherper. De lagen zijn uitstekend geschikt
om het mondstuk van het gebit te dragen; zij zijn gevoelig genoeg
om elke aanraking van het bit te doen waarnemen, doch aan
den anderen kant niet zóó gevoelig, dat een voortgezet contact
een onaangename prikkeling of ontsteking zou teweegbrengen.
-ocr page 175-
149
Hooge en scherpe lagen vermeerderen de gevoeligheid van het
paard voor de inwerking van het gebit, of maken het, zooala
men zegt, zacht of week in den mond, terwijl omgekeerd paarden
met lage, ronde en vleezige lagen dikwijls hard in den mond zijn.
De lagen zijn bij jonge paarden steeds scherper dan bij oude. De
gevoeligheid van den mond wordt soms aanzienlijk verhoogd door
de aanwezigheid van een scherp beenuitsteeksel in de kinketen-
groeve; men zegt dan wel, dat het paard weinig mond, of geen
mond (bouche e\'garue)
heeft. Daarentegen vermindert die gevoelig-
heid, indien een paard z. g. dubbele lippen of een breedeen dikke
tong heeft, die het mondstuk van het gebit geheel verhinderen
met de lagen in aanraking te komen. Ditzelfde geschiedt ook bij
een gewone tong, bij een nauwe keelgang en dus weinig af-
stand tusschen de beide lagen, zoodat zij niet in deze smalle
ruimte {Ie canaï) kan worden opgenomen. Dat de gevoeligheid
van den mond in vele gevallen gewijzigd kan worden door de
stangen en de hand van den ruiter is bekend; men spreekt dan
ook van een zachte of harde hand.
Intusschen hangt de gevoeligheid van den mond niet alleen
van de genoemde deelen af, maar ook en wellicht nog meer van
den bouw van het geheele lichaam, van den hals, den rug, de
achterhand, enz. Evenzoo oefent het algemeen gevoelsleven hierop
grooten invloed uit; zeer phlegmatische en aan stillen kolder lij—
dende paarden zijn gewoonlijk hard in den mond.
Door ruwe behandeling of slecht opstangen kunnen de lagen
worden verwond; deze wonden genezen, indien zij oppervlakkig
zijn, gemakkelijk, wanneer ingedrongen voedseldeelen telkens ver-
wijderd en zij ook overigens zuiver gehouden worden. Paarden-
handelaars verwonden de lagen soms opzettelijk bij zeer gevoellooze,
doove monden, b. v. bij stillen kolder.
Het gehemelte of de rooster {Ie palais; der Gaumen; the palatc)
wordt onderscheiden in het ha rde en zachte gehemelte; het eerste
vormt de boven- of voorvlakte der mondholte, begint aan de
voorsn\'ytanden en gaat nabij de 5<le kies in het zachte gehemelte
over. Het bezit 16—18 dwarse groeven, die door een overlangsche
sleuf in haar midden gedeeld worden; de hierdoor ontstane ver-
hevenheden dienen de tong tot steun. Het zachte gehemelte is
een lichtrood gekleurd, geplooid, naar binnen hangend vlies, dat
de mondholte van de keelholte scheidt; het is bij het paard zoo
lang, dat de ademhaling bijna niet door den mond kan plaats
hebben, en gebraakte stollen nagenoeg alleen door den neus naar
buiten moeten komen.
-ocr page 176-
1LÖ
Het harde gehemelte kun zoodanig opzwellen, dat liet onder
de snijtanden uitsteekt; men noemt dit het hangen van den rooster
(Ie lampas ou la fèue; die Froscbjesehwulst; the lampas),
terwijl het
in sommige streken van ons land nog andere namen draagt, b. v.
het schuil in Noord-Brabant. Dit komt veel voor bij jonge paarden
in het tijdperk der tandwisseling; door de pijn, die hiermede ge-
paard gaat, wordt de opneming van voedsel dan meer of minder
belemmerd. Evenzoo ziet men het wel bij gebrekkigen eetlust,
veroorzaakt door maag-of darmaandoeningen. Vroeger beschouwde
men het hangen van den rooster (en velen doen dit zelfs nog
heden ten dage) als de oorzaak van het slechte eten; men brandde
toen het gezwel met een rood gloeiend ijzer (das Kernbrenneii), of
sneed er eenige overlangsche wonden in, ten einde een plaatselijke
bloedsontlasting te bewerkstelligen. Deze operaties zijn echter
meestal niet alleen nutteloos, doch kunnen zelfs ook een gevaar-
lijke bloeding ten gevolge hebben. Volstrekt niet zelden hangt de
rooster sterk, terwijl de eetlust der paarden niet te wenschen
overlaat; dan let men er echter niet op.
De tong (la langue; die Zunge; the tongue) is gelegen tusschen
de achterkaaktakken, achter het harde en zachte gehemelte. Het
grondstulc of het bovenste gedeelte is , evenals het lichaam of het
middelste gedeelte, met de omliggende deelen verbonden, terwijl
alleen de punt vrij is. Onder de punt ziet men een plooi van het
slijmvlies, het tongriempje genoemd en ter zijde daarvan liggen
twee wratvormige verhevenheden met zeer fijne openingen, honger-
tepels (barbillons; Hungersitzen; barbs)
geheeten, die men vroeger
voor iets abnormaals hield en bij gebrek aan eetlust uitrukte; het
zijn echter de uitmondingen van de ontlastbuizen der achterkaak-
speekselklieren.
De tong dient behalve tot het opnemen en inslikken van voedsel
en drank, ook als smaakorgaan; op haar voorvlakte bezit zij een
groot aantal verschillend gevormde smaaktepeltjes, die aan de
tong een fluweelachtig aanzien geven. De kleur van de voorvlakte
der tong is nabij de punt nagenoeg wit en op den rug, al naar
het voedsel, geelachtig" bruin of groen; zij moet steeds vochtig zijn.
Bij ziekten der spijsverteringsorganen is zij soms, vooral nabij den
rug, met een dik, geel beslag bedekt en droog.
Sommige paarden hebben de slechte gewoonte om de tong óf
alleen bij het rijden öf zelfs ook op stal van ter zijde of van voren
uit den mond te laten hangen (langue pendante; Zungenblöcker oder
Zungenstrecker);
in den beginne kan men dit dikwijls afleeren door
-ocr page 177-
151
het gebruik van een mondstuk met rollen of door aan het midden
van het mondstuk, in de tongvrijheid, een z. g. tongenspel, bestaande
uit kettinkjes of beweeglijke looden kogeltjes, te bevestigen. Dit
geldt voornamelijk, indien het hangen van de tong het gevolg is
van een dooven of dooden mond, d.i. een zoodanige, waarbij het
gevoel voor de werking van het gebit nagenoeg geheel is afge-
stompt; de tong geraakt dan dikwijls door de tongvrijheid en het
tongenspel in beweging, zoodat het paard begint af te kauwen en
aldus weer een verschen mond krijgt. Het branden der uithan-
gende punt helpt doorgaans slechts voor korten tijd. Is het uit-
hangen een gevolg van geheele of gedeeltelijke verlamming, dan
is meestal niet op herstel te hopen.
Andere paarden steken de tong herhaaldelijk uit en trekken
ze met een eigenaardig geluid, op dat bij kribbebijten gelijkend,
weder in; men noemt dit slangetong (langue serpentine; Schlangenzunge).
Het belikken van voorwerpen heeft, evenals het z.g. speeksel-
slurpen
(waarbij de paarden het in strengen uit den mond ge-
vloeide slijm, met lucht gemengd, weer door de lippen opzuigen)
dikwijls ten gevolge, dat zij leeren kribbebijten.
De tong wordt niet zelden verwond door uitstekende deelen
van kiezen, door scherpe gebitten of touwen, die men bij het
monsteren in den mond doet; indien het touw dun is en het
paard zich verzet, kan zelfs de punt der tong worden afgesneden.
Kleine wonden genezen meestal gemakkelijk, indien zij zuiver wor-
den gehouden. Men wordt veelal op verwonding van de tong en
van andere in de mondholte gelegen deelen opmerkzaam gemaakt
door een sterk kwijlen uit den mond.
Het tandvleesch (la gencive; das Zahnfleisch; the gum) bestaat uit
hard, met een slijmvlies bekleed bindweefsel, dat den hals der
tanden omringt en ook de lagen bedekt. In de jeugd is het glad,
gezwollen en lichtrood gekleurd, terwijl het in den ouderdom bleek
wordt en inkrimpt, zoodat de tanden langer schijnen. Evenals
de andere deelen in de mondholte kan het tandvleesch in ontste-
king geraken door in het voedsel aanwezige kafnaalden. Bij som-
mige ziekten wordt ook het tandvleesch aangetast en krijgt het
een gele of vuile kleur.
De tanden zullen bij de ouderdomkennis worden behandeld.
§ 76. De kin.
De kin (Ie menton; das Kinn; the chin) (PI. VII n°. 45) is die
ronde, vaste verhevenheid, welke achter en boven de achterlip is
-ocr page 178-
152
gelegen en door de kinspier wordt gevormd; zij is met enkele
lange voelbaren, de baard genoemd, bedekt. Bij bloedpaarden is
de kin klein, afgerond, door spierwerking verheven en met weinig
fijne haren bedekt; bij koudbloedige rassen daarentegen is zij breed
en vlak en bezit zij een grooteren baard.
Boven de kin, op de plaats waar de beide kaaktakken zich
met elkander vereenigen, vindt men een verdieping, de kinketen-
groeve (la barbe; die Kinnkettengrube)
genoemd; deze is met een
dunne, gevoelige huid bedekt en biedt een geschikte ligging aan
voor de kinketen. Komt deze, door te hoog opstangen, daar
boven te liggen, dan drukt zij op de beide scherpe randen der
achterkaaktakken en veroorzaakt pijn, waaraan het paard zich
tracht te onttrekken door den neus in den wind te steken of zich
op een andere wijze tegen de teugelwerking te verzetten. Het is
daarom zaak de stang zoodanig te plaatsen, dat het mondstuk
juist tegenover de kinketengroeve op de lagen rust.
In het midden der kinketengroeve komt soms een door de
huid bedekt, scherp beenuitsteeksel voor, dat de gevoeligheid van
den mond zeer vermeerdert, daar de huid in dit geval, bij een
sterke werking van de kinketen, gemakkelijk gekneusd of verwond
wordt. Omgekeerd is de gevoeligheid verminderd, indien deze
plaats vlak en afgerond is.
Verwonding of verharding der huid in de kinketengroeve doet
vermoeden, dat het paard hard in den mond is.
Zijdelings van en boven de kinketengroeve komen soms fistels
van de 2de en 3lle benedenkies voor.
§ 77. De keelgang.
De keelgang of schaar (l\'auge; der Kehlgang; the jowl or channel)
(PI. VII n°. 1G) is de driehoekige ruimte, die gelegen is tusschen
de beide achterkaaktakken en zich van de kinketengroeve tot het
strottenhoofd uitstrekt. In de jeugd is deze holte gewoonlijk
geheel gevuld en ligt de huid los over de onderliggende deelen;
op later leeftijd echter is de keelgang diep en de huid vast ge-
spannen.
De keelgang moet wijd, een weinig verdiept en droog zijn. Een
wijde keelgang is noodzakelijk voor een goede houding van het
hoofd, daar in dit geval het strottenhoofd en de voorrand van
den hals tusschen de beide achterkaaktakken kunnen worden
opgenomen. Bij een nauwe keelgang drukken deze deelen tegen
-ocr page 179-
153
de achterkaak en belemmeren daardoor de buiging van het hoofd;
dwingt men het paard echter aan zijn hoofd een goede houding
te geven, dan worden de langs den voorrand van den hals loo-
pende groote aderen gedrukt, waardoor bloedsovervulling der
hersenen en duizeligheid kunnen ontstaan.
De boven de kaken, achter de ooren en vóór den eersten hals-
wervel gelegen oorspeekselklieren, ook wel de klieren of vijvels
(les parotides ou avives; die Ohrspeicheldrüsen; the parotid glands)
(PI. VII n°. 18) genoemd, kunnen bij een nauwe keelgang de buiging
van het hoofd nog meer verhinderen of, zooals men zegt, het paard
veel dwang geven, door gedurende de buiging naar binnen tusschen
de kaken te dringen; deze moeten daarom naar buiten worden
gebracht, iets wat men het bewerken der klieren noemt.
Bij een langen nek bestaat dikwijls een wijde keelgang, zoodat
de klieren meestal zonder bezwaar een plaats kunnen vinden tus-
schen de beide kaken.
De watervatsklieren, die aan beide zijden in de keelgang lig-
gen, zijn in gezonden toestand niet ot slechts als kleine korrels
voelbaar. Bij goedaardigen- of kooierdroes en soms ook bij ver-
koudheid zwellen zij meer of minder op, meestal aan beide zijden,
zijn warm, pijnlijk, verschuifbaar en kunnen in ettering overgaan.
Bij kwaden droes echter (welke, wat het wezen der ziekte betreft,
met goedaardigen droes niets gemeen heeft) bestaat gewoonlijk
slechts eenzijdige klierzwelling, veelal links; daarbij is de klier
meer omschreven, harder, minder warm, tamelijk gevoelloos, zit
aan den resp. achterkaaktak vast en gaat nooit in ettering over.
Indien de watervatsklieren in de keelgang op eenige wijze ge-
zwollen zijn, zegt men, dat het paard geklierd of geladen is.
§ 78. Verbinding van het hoofd met den hals.
De verbinding van het hoofd met den hals wordt gewoonlijk
de aanzetting (t\'attaché; der Ansatz; the setting on) van het hoofd
genoemd. Van deze hoofdaanzetting hangt voornamelijk de houding
van het hoofd en daarvan weder de geschiktheid tot verschillende
diensten af.
Men noemt het hoofd goed aangezet (wellput on) (PI. VII en XIII),
indien het zonder dwang een nagenoeg verticale houding kan
aannemen. Dit is het geval, wanneer de nek lang is en een
slechts weinig oploopende lijn vormt van het hoogste gedeelte van
den kam van den hals naar de kruin van het hoofd; indien verder
-ocr page 180-
15i
de voorrand van den hals smal is en met een sterke uitsnijding
in de wijde, door smalle kaken begrensde keelgang overgaat.
Hierbij is de lijn, die het hoogste punt der keeluitsnijding met
de kruin vereenigt, lang en loopt schuins naar voren en naar
boven. Paarden met zulk een aanzetting van het hoofd hebben
ook een goed gevormden hals en dragen hun hoofd zonder eenige
africhting zoo fraai, dat men daarvan, doelende op hun afkomst,
wel eens zegt: „de hengst is hun beste ruiter geweest".
Naarmate deze deelen meer van den aangegeven vorm afwijken,
is de vereeniging van hoofd en hals ook meer gedwongen. Bij
een slecht aangezet hoofd (tcte plaquie) (PI. X fig. 4, PI. XI en PI. IX)
is de nek kort, terwijl de voorrand van den hals dik is en zonder
keeluitsnijding in de, dikwijls nauwe , keelgang overgaat. De lijn
van de plaats van overgang van den hals in de keelgang tot de
kruin is kort en loopt bijna verticaal; het hoofd schijnt op den,
gewoonlijk zwaren, korten hals geplakt en mist de vrije beweeglijk-
heid van een zoodanig, dat goed is aangezet. Dit neemt echter
niet weg, dat deze voor rijpaarden slechte aanzetting voor zware
trekpaarden bruikbaar kan zijn.
Men noemt het hoofd te hoog aangezet (PI. X fig. 2 en 3;
PI. XII fig. 1), indien de nek kort is en van den kam van den
hals tot de kruin een sterk oploopende lijn vormt. Daarbij zijn
de kaken en de voorrand van den hals gewoonlijk breed, terwijl
de keeluitsnijding ontbreekt en de kruin loodrecht boven of zelfs
achter het strottenhoofd is gelegen. Het is duidelijk, dat zulke
paarden, die gewoonlijk een snoekshoofd met een herten- of ver-
keerden hals bezitten, hun hoofd geen goede houding kunnen
geven, maar, zooals men het noemt, hun neus in den wind steken
(porter au vent; to carry the nose in the air)
en daarom wel sterre-
kijkers (Stemgucker; star gazer)
worden genoemd. Het mondstuk
van het gebit komt daardoor, in plaats van op het midden dei-
lagen, in de richting naar de kiezen te liggen, zoodat zulk een
paard zich gemakkelijk aan de hand van den ruiter kan onttrek-
ken. Daarbij zien zij de oneffenheden van het terrein niet en
stooten dus gemakkelijk aan of struikelen zelfs, te meer, daar
hiermede — indien de hals, in plaats van opgericht, meer voor-
uitgestrekt wordt — in den regel weinig kniebuiging gepaard
gaat. Voor renpaarden schaadt een dergelijke plaatsing van hoofd
en hals nog het minst; bij het rennen toch wenscht men, ter
verkrijging van de grootste snelheid (waarnaar trouwens alleen bij
het einde wordt gestreefd), dat hoofd, hals en romp, zooveel
-ocr page 181-
155
mogelijk, een rechte lijn vormen, en deze biedt een dergelijke
uanzetting, wat hoofd en hals betreft, als van zelf aan. Het be-
roemde renpaard Eclipse had ook een hoog aangezet hoofd. Dit
neemt niet weg, dat men toch ook voor renpaarden liever een
goede aanzetting wenscht.
Te laag aangezet (PI. XII fig. 2) daarentegen neemt men het
hoofd, indien de nek lang is en van den kam van den hals tot
de kruin een naar beneden loopende lijn vormt. Overigens is de
bouw doorgaans als b\'y\' een goed aangezet hoofd. Meestal gaat
daarmede een zwanenhals gepaard, zoodat de voorhand van zulk
een dier er fraai uitziet, te meer, daar het dan gewoonlijk een
hooge kniebeweging heeft. Het hoofd wordt daarbij echter te
veel gebogen, waardoor het paard achter het bit geraakt en dus
geheel uit de hand is. Men noemt dit bij toornen (s\'encapuchonner
ou s\'armer; verkappen, überzawnen oder sich hinter die Hand stellen;
to get behind the hand).
Soms komt hierbij de achterlip zelfs tegen
de borst, en het is moeiely\'k zulke paarden op den duur aan het
bit te krijgen. Hebben zij daarom neiging tot keeren of tot door-
gaan, dan kan men dit niet gemakkelijk beletten.
§ 79. De hals
De hals (l\'encolure; der Hals; the neck) (PI. VII n°. 19) verbindt
het hoofd met den romp en strekt zich van boven tot de schoft,
ter zijde tot de schouders en van onderen tot de borst uit. Hij
wordt voornamelijk gevormd door de halswervelen, den nekband
en verschillende spieren.
Men onderscheidt aan den hals: den bovenrand of den inanenkam
met de manen, de zijvlakten met de halsader groeven en den onder-
of voorrond.
De inanenkam of de kam van den hals (Ie bord superieur; der
Kamm; the crest)
(PI. VII n°. 20) is bedekt met de manen en
bevat onder de huid meer of minder vet, manenvet genoemd,
dat zich tot den nekband uitstrekt en daarmede de manen-
streng
vormt. Indien deze manenstreng zeer sterk ontwikkeld is,
zegt men, dat het paard een spekhals of speknek (PI. XI) heeft.
Soms is de manenstreng zelfs zóó zwaar, dat zij naar ter zijde
overhelt, zoodat men een staanden en liggenden spekhals (une encolure
penche\'e ou penchante)
onderscheidt
Voor rij- en koetspaarden ziet men gaarne een vasten, doch
scherpen of smallen manenkam met weinig ontwikkelde manenstreng,
-ocr page 182-
156
terwijl voor zware trekpaarden een breeder en zwaarder manen-
kam wordt gewenscht.
Bij hengsten is de manenkam doorgaans sterker ontwikkeld
dan bij merriën of ruinen.
Naar de onderscheidene halsvormen is de manenkam verschil -
lend gebogen.
De manen (la crinière; die Mahne; the mane) bestaan uit lange,
ter zijde van den hals neerhangende haren, die zich van den
maantop tot de schoft uitstrekken en op den bovenrand van den
hals zijn ingeplant.
Bij warmbloedige paarden zijn de maanharen fijn, zacht, zijde-
achtig en op een smalle lijn ingeplant; bij koudbloedige daaren-
tegen gewoonlijk dik en ruw, terwijl zij op een breede vlakte
ontspringen en niet glad naar beneden hangen.
Bij rijpaarden gewent men de manen om op de linkerzijde van
den hals af te hangen, ten einde bij het opstijgen behulpzaam te
zijn; bij spanpaarden echter steeds aan de buitenzijde, alzoo voor
het bijdehandsche paard links en voor het vandehandsche paard
rechts. Bij paarden, waaraan weinig zorg wordt besteed, ziet
men de manen dikwijls naar beide zijden afhangen, hetgeen dub-
bele manen
genoemd wordt. Om de rnanen aan één zijde te ge-
wennen, vlecht men ze en bevestigt onder aan de vlechten stukjes
lood; men doet dit dikwijls ook om ze een fraai gegolfd aanzien
te geven.
De maanharen kunnen verschillend ontwikkeld zijn; in liet
algemeen ziet men ze gaarne lang. Hengsten hebben gewoonlijk
lange en zwaardere manen dan ruinen en merriën. Bij pony\'s
worden ze soms met den maantop zoo kort afgeknipt, dat ze
recht in de hoogte staan; men noemt dit borstelmanen (crinière en
brosse ou a la hussarde; hog-mane).
Dit geschiedt ook wel met de
korte, wollige, overeind staande manen der veulens, doch hier
met het doel om de maanharen beter te doen groeien.
De maanharen kunnen soms in één nacht zoodanig in elkander
worden gedraaid, dat ontwarren nagenoeg onmogelijk is; men
noemt dit hehsenvlechten of duivelsknoopen (Weichsel-, FiehteU oder
Kladerzöpfè)
en zegt van zulke paarden wel, dat zij de nachtmerrie
hebben gehad. Het bijgeloof speelde hierbij vroeger een belang-
rijke rol; intusschen ontstaat het gewoonlijk doordat paarden met
vuile, kleverige maanharen en een dergelijke huid zich aan den
hals schuren. Bij paarden, die niet of slecht worden gepoetst,
b. v. weidepaarden, komt het dan ook het meest voor.
-ocr page 183-
1f>7
De manen zijn bij voorkeur de zitplaats voor luizen. Bij paar-
den, die in de weide hebben geloopen, ziet men in liet najaar
dikwijls talrijke gele eitjes van de paardenhorzel aan de maan-
haren hangen; deze worden gedeeltelijk afgelikt, ontwikkelen zich
in de maag tot larven en worden in den voorzomer met den
mest ontlast.
De zijvlakten van den hals worden hoofdzakelijk gevormd
door verschillende groote spieren, waarvan de oppervlakkig gele-
gene bij warmbloedige paarden duidelijk van elkander gescheiden
door de huid zichtbaar zijn, terwijl zij bij koudbloedige rassen
één massa schijnen uit te maken. Het eerste noemt men een
drogen, het laatste, waarbij de spieren dikwijls, ondanks haar
omvang, minder krachtig zijn, een vetten of vleezigen hals. Een
der voornaamste van deze spieren is de vooruitbrenger der voor-
beenen, de arm-wervel-tepelspier (zie blz. 39). Deze veroorzaakt
de volheid van den hals; haar onderste rand begrenst de halsader-
groeve en is bij het levende paard duidelijk waar te nemen.
Op onderscheidene plaatsen van de zijvlakten van den hals
kunnen door een bijzonderen haargroei verschillende figuren ont-
staan, die men naar hun vorm haarwervels, Romeinsche degens
of korenaren heeft genoemd. Deze hebben echter geen beteekenis,
zooals men vroeger wel eens beweerde. Ook komt hier soms,
vooral bij bloedpaarden, een langwerpige of driehoekige verdieping
in de huid en de spieren voor, overeenkomende met een vinger-
indruk, welke is blijven staan; deze is bekend onder den naam
van lanssteek. Zij is aangeboren, dus zonder litteeken van de
huid, en wordt, hoewel zeldzamer, ook aan de schouders en de
dijen waargenomen.
Stoeterijpaarden worden dikwijls en onze rijkspaarden steeds
aan de linkerzijde van den hals onder de manen gebrand.
De halsadergroeve (la gouttieré de la jugulaire; die Drosselrinne;
the jugular channel or furrow) (PI. VII n°. 22) scheidt aan weers-
zijden de zijvlakten van den onderrand, en bevat, dicht onder de
huid, de halsader, die tot aderlaten wordt gebruikt. Door met
den vinger op dit bloedvat te drukken, vult het zich ingezonden
toestand boven deze plaats gelijkmatig met bloed op; vertoonen
zich daarentegen veelvuldige uitzettingen, dan bewijst dit, dat het
paard herhaaldelijk gelaten en dus waarschijn lijk ziek is geweest.
Het aderlaten geschiedt tegenwoordig echter weinig meer.
De onderrand (Ie gosler), waarvan het bovenste gedeelte de keel
(la gorge; die Kehle; the throat)
wordt genoemd, bevat de luchtpijp
-ocr page 184-
158
met het strottenhoofd, den slokdarm en de buigspieren van den
hals. Deze onderrand moet bij ry- en koetspaarden van de borst
tot de keel ongeveer een rechte lijn vormen en aan de keel met
een sterke uitsnijding, lceeluitsnijding (PI. VII n°. 21) genoemd, in
de keelgang overgaan; verder moet hij smal zijn, ten einde bij de
buiging van het hoofd, in de keelgang te kunnen worden opge-
nomen. Een breede onderrand gaat gewoonlijk gepaard met te
weinig keeluitsn\'yding, dus met een slechte aanzetting van het
hoofd; bij een herten- en varkenshals is de onderrand steeds
breed.
Onder het strottenhoofd liggen, aan weerszijden van de lucht*
pijp, de beide schildklieren, die soms opzwellen en dan den krop
vormen. Door op den achter bovenhoek van het strottenhoofd te
drukken, laat men het paard hoesten, ten einde den meer of
minder gezonden toestand der ademhalingsorganen te beoordeelen.
Voor rijpaarden wenscht men een langen, drogen hals, die van
onderen, d. i. van de schoft tot de borst, tamelijk breed is en naar
het hoofd toe langzamerhand smaller
wordt; de scherpe hovenrand
moet steil uit de schoft naar boven gaan en op korten afstand vóór
den langen nek met dezen
en de kruin een bijna horizontale lijn vormen.
De onderrand moet smal zijn, tot de keel recht hopen en hier met
een sterke uitsnijding in de keelgang verdwijnen. Daarbij heeft de
bovenrand bijna de dubbele lengte van den onderrand. De zij-
vlakten
moeten goed ontwikkeld, doch droog zijn, zoodat de vleugels
van den lsten halswervel duidelijk kunnen worden onderscheiden en
de overgang van den hals in de schouders scherp geteekend is.
Bij zulk een halsvorm (PI. VII en XIII) zal het hoofd gemak-
kel\'yk een nagenoeg verticale houding aannemen , zoodat het gebit
gunstig op de lagen inwerkt. Hierdoor krijgt het paard, indien
de overige lichaamsbouw daarmede in overeenstemming is, een
vrije beweging der voorhand, verkeert van nature in evenwicht
en komt daarin gemakkelijk terug; het is dus geschikt tot eiken
dienst, waarbij een zekere gang een eerste voorwaarde is.
Ook voor koetspaarden heeft men gaarne een dergelijken hals\'
vorm,
doch over het geheel, overeenkomstig den overigen lichaams-
bouw, iets 7ninder lang en wat zwaarder. In het algemeen wenscht
men hiervoor een nog steileren hals dan voor rijpaarden (PI. VIII).
Daarbij toch hebben zij gewoonlijk een hooge kniebeweging; zijn
tevens de schouders goed gebouwd dan bestaat er alle kans, dat de
beenen ook ver vooruit zullen worden geworpen. De arm-wervel-
tepelspier werkt dan n.1. uit een hoog punt op de voorheen en en trekt
-ocr page 185-
f
459
deze dus in de hoogte, terwijl zij bij een in de richting van den romp
Joopenden hals de beenen meer vooruit, doch dichter langs den grond
zou doen bewegen. De eerste gang — hooge kniebeweging en
daarna krachtig vooruitwerpen — is voor koetspaarden zeer ge-
wenscht, terwijl de laatste — weinig kniebuiging en sterk vooruit-
grijpen dicht langs den grond — alleen voor renpaarden te ver-
kiezen is. Voor deze heeft men daarom gaarne een langen, minder
steilen hals
(PI. XIV).
Voor zware trekpaarden echter (PI. XI) moet de hals kort, dik,
zwaar
en breed zijn; de bovenrand moet zich ?ninder sterk uit de
schoft naar boven krommen dan bij koetspaarden, veel breeder en
met een korteren nek verbonden zijn; de onderrand moet diep uit de
borst
komen, breed en naar de keel toe recht of eenigszins gebogen
zijn, en nagenoeg zonder keeluit snij ding in de keelgang overgaan.
De kruin komt dus bijna loodrecht boven de keel te liggen. De
zijvlakten moeten zoo dik zijn, dat zij langzamerhand en geheel
vlak met de schouders ineenvloeien
§ 80. De verschillende halsvormen.
De goed gevormde hals (Cencolure bien roue\'e; der schone Hals;
the well formed or perfect neck)
(PI. VII, VIII en XIII) is de boven
voor rijpaarden aangegeven vorm, die bij het Arabische paard het
best vertegenwoordigd is; dikwijls gaat hij, evenals de zwanenhals,
in de schoft over met een zachte verdieping (coup dehache; Axen-
hieb),
welke daardoor ontstaat, dat de vetmassa in de buiging
onmiddellijk vóór de schoft, bij een hoog opgerichten hals, op
zijde wordt gedrongen.
De zwanenhals (Pencolure de cygne; der Schwanenhals; the arched
neck)
(PI. XII fig. 2) komt veel met den vorigen overeen; desteil
oploopende kam vormt, hierbij, op het hoogste punt gekomen,
echter geen nagenoeg horizontale lijn met de kruin, doch gaat
meer of minder dalende in den langen nek en de kruin over. De
bovenrand vormt alzoo een ongelijkmatig gekromden boog; daarbij
is de keel sterk uitgesneden. Het hoofd is bij dezen halsvorm
dus te laag aangezet, zoodat het paard gemakkelijk achter het bit
geraakt. Niettegenstaande dit ziet men dezen halsvorm toch gaarne
bij koetspaarden, daar hij aan de voorhand een fier voorkomen
geeft, wat nog aanzienlijk wordt bevorderd door de hiermede in
den regel gepaard gaande hooge kniebeweging. Deze kan te
sterker zijn, hoe meer de hals, zooals men het noemt, er bovenop
-ocr page 186-
160
zit, of wel, deze richting bij de beweging aanneemt. Bij onze
Friescïie paarden is een zwanenhals niet zelden; bij het oude
Spaansche (Andalusische) ras komt hij echter sterker ontwikkeld voor.
De rechte hals (Cencolure droite; der rechte Hals; the straight
nech)
(PI. IX en XIV en PI. X fig. 2) heeft een nagenoeg rechten
boven- en onderrand, zoodat hij in plaats van naar boven gericht,
recht naar voren gestrekt is. Het verschil in lengte tusschen den
boven- en onderrand is veel geringer dan bij de vorige halsvormen.
Het lichaam bezit bij den rechten hals een meer of minder voorover
hangende houding, waardoor de beweging minder vrij is dan bij
een goed gevormden hals. Aldus gebouwde paarden kunnen zich
slechts met veel inspanning „verzamelen" en zijn daarom voor de
manege weinig geschikt. Zij zijn dit echter des te meer voor den
snellen draf en den ren. De naar voren overhangende houding
is hiervoor eer voor- dan nadeelig, terwijl de recht naar voren
gestrekte hals de voorbeenen ver vooruit doet grijpen; de arm-
wervel-tepelspier toch trekt in dit geval het ondereinde van het
schouderblad naar voren en niet, zooals bij de vorige halsvormen,
naar boven. Renpaarden hebben daarom meestal een recht naar
voren gestrekten hals. Ook voor een koetspaard schaadt deze
halsvorm niet, wanneer men ten minste een snelle beweging boven
een hooge verkiest; immers wordt hierbij een gedeelte van de te
veel belaste voorhand door het gareel gedragen.
Bij dezen halsvorm is het meestal moeielijk om het hoofd een,
voor de juiste werking van het gebit gewenschte, d. i. nagenoeg
verticale houding te geven. Wil men dit toch beproeven, dan zal
de hals in het midden worden gebogen, in plaats van in den nek,
zooals bij den goed gevormden hals. Hierdoor vermindert echter
de invloed, dien de hals op het opheffen der voorhand uitoefent,
en dit is nog meer het geval, indien het paard een lossen en naar
voren geschoven schouder heeft. Onder deze omstandigheden zal
de verticale houding van het hoofd alleen te verkrijgen zijn ten
koste van een evenredig naar beneden buigen van den ondersten
halsrand, waardoor liet evenwicht nog meer verloren gaat.
De hertenhals (Veneolure de cerf; der Hirschhals; the ewe neck)
(PI. XII fig. 1) heeft een geheel of nagenoeg rechten, naar boven
gerichten manenkam, die door een korten nek met een hoog aan-
gezet hoofd verbonden is, en een naar voren gebogen breeden
onderrand, die zonder keeluitsnijding in het recht naar voren ge-
strekte hoofd overgaat. Dikwijls is daarbij de onderrand even
lang of zelfs nog langer dan de manenkam. Dat paarden met een
-ocr page 187-
101
hertenlials niet in de hand zijn, is vroeger reeds aangetoond. Voor
uitsluitend snelle gangen is zulk een lialsvorm echter zeergeschikt;
men vindt dezen dan ook in de slerkste mate bij het wilde paard,
evenals bij het hert, den antiloop, den kameel en in het algemeen
bij alle zoogdieren, die zich in snelle gangen bewegen en den
hals gebruiken als een middel om het evenwicht van het lichaam
te regelen. Hoe meer het paard dezen hals bij beweging opricht,
zooals b. v. het Kozakken-paard, des te sterker wordt de knie-
buiging en des te minder dus het gevaar voor aanstooten.
De verkeerde hals (Vencolure renversée; der verkehrte Hals; the
upshle down neck)
(PI. X fig. 3) is een hoogere graad van herten-
hals. De bovenrand is hierbij n.1. in plaats van recht, naar bene-
den gebogen en de onderrand is nog sterker naar beneden of
eigenlijk naar voren gekromd. Bij den kameel ziet men dezen
halsvorm, die aan de paarden der steppen van zuid-oostelijk Europa
eigen is, zoo duidelijk, dat men hem ook wel kameelen-hals heeft
genoemd.
De ganzenhals (Cencolure grule; der Gansehals; the goose neck) is lang,
doch mager, zwak, en bovendien niet voldoende opgericht; in dit
laatste opzicht houdt hij het midden tusschen den goedgevormden
en den rechten hals. Hier is de groote lengte van den hals zeer
nadeelig, te meer, daar met dezen vorm dikwijls een groot en
zwaar hoofd gepaard gaat en dit dus aan een langen hef booms •
arm werkt. Een rustige, opgerichte houding van hals en hoofd bij
de beweging is hierbij dus niet te verwachten.
De varkenshals {Cencolure épaisse ; der Schu-einehals ; the thick neck)
(PI. XI) is die vorm, welke boven als type voor zware trekpaar-
den is aangegeven en dien wij bij het Vlaamsche paard en het
Suflblkras uitstekend vertegenwoordigd vinden. Dikwijls is daarbij
de kam, vooral bij hengsten — die in het algemeen zwaardere hal-
zen hebben dan ruinen of merriën — tot een staandenof liggenden
speknek ontwikkeld. Met dezen hals gaat gewoonlijk gepaard een
slecht aangezet varkens- of ossenhoofd.
§ 81. Verbinding van den hals met den romp.
De verbinding van den hals met de schoft, de schouders en de
borst noemt men de aanhechting (la sortie; der Aufsatz) van den hals.
Deze aanhechting is vrij of hoog (PI. VII en VIII), indien de boven-
rand onmiddellijk vóór de schoft in de hoogte gaat, de zijvlakten
droog, van onderen fijn en over de geheele breedte duidelijk van
11
-ocr page 188-
1(52
de schouders gescheiden zijn; daarbij moet de onderrand smal we-
zen en recht uit de borst naar boven stijgen. Dit gaat gewoonlijk
samen met een langen, schuinen en vastliggenden schouder;
hierbij kan namelijk het halsgedeelte van de groote getande spier,
die van den bovensten voorsten hoek van het schouderblad naar
de vier laatste halswervelen gaat, het onderste gedeelte van den
hals helpen dragen en aldus de opgerichte houding daarvan onder-
steunen.
Laag of diep aangehecht (encolure fausse ou mal sortie) (PI. XI)
daarentegen noemt men den hals, als de bovenrand meer recht
naar voren gestrekt is, en de breede onderrand laag uit de borst
komt en zich met een buiging in de hoogte begeeft; de zijvlakten
zijn dan gewoonlijk dik en gaan zonder duidelijke afscheiding in
de schouders over. Hierbij vindt men dikwijls een lage, ronde schoft
en een lossen schouder; het halsgedeelte van de groote getande
spier kan nu den zwaren, voorwaarts gestrekten hals niet helpen
oprichten, doch heeft omgekeerd zijn vaste punt aan den hals en
trekt het bovenste gedeelte van den schouder naar voren, waar-
door het paard voorboegig wordt en zijn z. g. natuurlijk evenwicht
verliest.
§ 82. De schoft.
De schoft {Ie garrot; der Widerrist; the withers) (PI. VII n". 23)
wordt gevormd door de doornvormige uitsteeksels van den 2den tot
den 88ten a 12den rugwervel, over wier toppen, dicht onder de
huid, de nekband loopt, terwijl hun zij vlakten dienen tot aan-
hechting van spieren.
Zij moet hoog, lang en smal zijn, naar de basis toe allengs bree-
der worden
en langzamerhand in den rug overgaan.
Men noemt de schoft hoog (PI. VII en XIII), indien zij bij een
niet overbouwd paard 2\'/»—4 cM. hooger is gelegen dan het
hoogste punt van het kruis; vooral voor rijpaarden is een hooge
schoft van groot belang, daar zij in den regel een waarborg is
voor een goede halsvorming, een langen schouder, een behoor-
lijken evenwichtstoestand van het lichaam en een juiste zadel-
ligging; bovendien zal een paard met een hooge schoft zich
gemakkelijk kunnen „verzamelen".
Aan de doornvormige uitsteeksels der schoft zijn de voornaamste
strekspieren van hals en rug ingeplant; op het hoogste punt
verlaat de van de lendenwervels komende nekband — die den
-ocr page 189-
i6.r<
hals, zuiver mechanisch, in een meer of minder opgerichte
houding doet dragen — de ruggegraat, en loopt naar voren en
hoven, om zich met een plaatvormig gedeelte aan de vijf mid-
delste halswervelen en met een strengvormig gedeelte aan het
kruinbeen vast te hechten. Hieruit vloeit van zelf voort, dat een
liooge schoft nauw samenhangt met een vrije houding van denhals.
Ligt het kruis even hoog of zelfs hooger dan de schoft (PI. IX
en XI), dan kan dit een gevolg zijn van een te lage schoft, doch
ook van een te hooge achterhand, z.g. overbouwd zijn van het
paard. In het laatste geval hangt het lichaam naar voren over,
waardoor deels de bruikbaarheid als rijpaard vermindert, deels
strengere eischen aan de kracht der voorhand worden gesteld.
Bij een lage schoft heeft het boveneinde van den schouder een
minder vaste ligging; de rug kan daarbij echter nog nagenoeg
recht zijn, terwijl deze bij een overbouwd paard een naar achteren
oploopende richting bezit, waardoor het zadel gemakkelijk naar
voren glijdt en de schoft gekneusd, of, zooals men het noemt,
gedrukt wordt. Vooral echter bestaat er gevaar voor het naar
voren schuiven van het zadel, indien de schoft scherp en mager is;
een goed ontwikkelde spiermassa onder en achter de schoft is
daarom voor een rijpaard van overwegend belang.
Een lange, ver naar achteren gelegen schoft (PI. VII, XIII en
XIV) gaat steeds gepaard met een langen, schuinen schouder,
en dikwijls ook met een hoog aangehechten hals, terwijl rug en
lenden daardoor kort worden, omstandigheden, voor rijpaarden
van het grootste gewicht. Bij een korte schoft (PI. XII fig. 3)
heeft men juist het omgekeerde. Hierbij zal de schouderstreek
(waarvan men de lengte verkrijgt door zich van den boeg, hori-
zontaal naar achteren, een lijn getrokken te denken tot op de
plaats waar deze gesneden wordt door een van het achtereinde
der schoft neergelaten loodlijn) korter zijn dan de rugstreek (d. i.
van het achtereinde der schoft tot het kruis), terwijl bij een goed
gebouwd rijpaard de schouder-, rug-en kruisstreek (d. i. de grootste
horizontale lengte van het kruis) even lang zijn. Hoe korter nu
de schoft is, des te langer wordt de rugstreek en des te slechter
ieder paard, doch vooral een rijpaard. Hoe langer omgekeerd de
schoft is en hoe verder deze naar achteren is gelegen, des te meer
wint de schouderstreek het in lengte van de rugstreek, zooals b.v.
bij den hunter en het Engelsche volbloedpaard (PI. XIII en XIV).
L\'en hooge en lange schoft neemt grootendeels de nadeelen weg ,
die uit een te hooge achterh
5
and voortvloeien (PI, IX).
-ocr page 190-
m
Ken smalle of scherpe schoft (PI. VII, XIII en XIV), d. i. een
zoodanige, die geen grootere breedte heeft dan de dikte der
doornvormige uitsteeksels bedraagt, is het bewijs van een goed
vastliggenden schouder. Hierbij legt het schouderblad zich, van
den 3den tot den 89ten of 9aen rugwervel, dicht tegen de doorn-
vormige uitsteeksels aan, waardoor de gunstigste voorwaarden
gegeven zijn voor het breken van den stoot der voorbeenen door
den schouder, maar ook voor een recht voorwaartsche beweging
van deze, zonder mxalen (billarder; fuchteln; paidenschlagen; to
disk),
d. i. het naar buiten werpen van de ondereinden der
beenen, de z. g. onderbeenen. Daarentegen heeft men bij een
ronde schoft (PI. XI) veelal losse schouders, die bij het neerzetten
van liet been stijgen, zoodat de borst tusschen de schouders
wegzakt; hierbij komen de ellebogen te vast tegen liet lijf te
liggen en krijgen de beenen alzoo een buitenwaartsche richting,
welke men vooral bij de beweging (door het maaien) waarneemt.
Indien de borst zeer breed is, zooals bij zware trekpaarden, dan
is de schoft steeds rond. Evenzoo hebben veulens gewoonlijk
een lage, ronde schoft, wat veroorzaakt wordt door krachteloos-
heid der spieren, die nog niet in staat zijn het doorzakken van
den romp tusschen de voorbeenen te belemmeren.
Intusschen moet een scherpe schoft een breede basis hebben,
daar in dit geval de bovenrand van het schouderblad langs de
geheele lengte van de schoft ligt en men dus met een schuin
liggenden schouder te doen heeft. Is de schouder echter naar
voren geschoven en dus het paard voorboegig, dan kan er aan
den achterhoek van het schouderblad een meer of minder groote
holte ontstaan, die vooral duidelijk is waar te nemen, indien
zulke paarden mager zijn. Intusschen komt hierbij ook vóór den
schouder dikwijls een sterke uitholling voor, zooals bij het Nor-
mandische paard niet zelden is; men spreekt dan van liazeboegen.
De schoft moet langzamerhand in den rug overgaan; hierdoor
kan het zadel een goede ligging krijgen. Indien zij plotseling
met een sterke helling eindigt, ontstaat licht een sclwftdruhlang
{mal de garrot; Widerristschaden; saddlegall).
Door zoodanige drukkingen ontstaan op deze plaats dikwijls
witte haren (PI. VIII en XIII); deze kunnen echter ook na zulk
een geringe kneuzing te voorschijn treden, dat men ze niet eens
heeft opgemerkt. Ook grootere of kleinere stukken huid kunnen
door drukking afsterven; deze zijn dan droog, perkamentachtig,
met verwarde, overeindstaande haren bedekt, en laten zich ge-
-ocr page 191-
16.r>
woonlijk eerst langzaam van de omgeving los (« sitt-fast). Door
hevige of verwaarloosde drukkingen kunnen zelfs abscessen, listels
(fistulous witherts), enz. ontstaan, die een paard voor langen tijd
onbruikbaar maken.
§ 83. De borst.
Door de rugwervelen, de ribben en het borstbeen wordt een
groote holte gevormd, de borstholte (la poitrine; die Brusthii/de; the
c/test or the counter)
genoemd, waarin zeer gewichtige organen, als
de longen, het hart, de groote bloedvaten, enz. zijn gelegen. Aan
de borstholte onderscheidt men uitwendig de zijwanden, welke
men de ribben of ribbenstreek noemt, en het voorste gedeelte, dat
onder den naam van borst (poitrail; Brust; the breast) (PI. VII n".
t24) bekend is. De laatste strekt zich uit van den onderrand van
den hals, tusschen de voorbeenen door, tot den buik en wordt
zijdelings door de schouders en de opperarmen begrensd. Het
voorste gedeelte, dat men ziet, indien men vóór het paard staat,
heet men wel voorborst, ter onderscheiding van het andere, dat
zich tusschen de voorbeenen naar achteren uitstrekt en dan onder-
borst
wordt genoemd; wanneer men echter alleen van de borst
spreekt, bedoelt men daarmede gewoonlijk de voorborst.
De borst is met een fijne, los liggende huid bekleed. Nabij
den overgang van den onderrand van den hals in de borst vindt
men een verdieping, de borsthuü of hartehuil (la fossette; die Britst-
grube)
(PI. XI) genoemd. In het midden der borst verdeelt de
borstgroeve (die Brustfurche) de daar gelegen spiermassa in een lin-
ker en rechter helft. De onderborst is van den voorarm gescheiden
door de armgroeve; de huid vormt hier losse plooien (ars) (\'),
waaraan dikke, vette paarden, vooral gedurende warm weder en
bij veel stof, zich somtijds smetten (fraijer aux ars). Onder deze
huidplooien ligt de boegader, die vroeger veel tot aderlaten (saignei\'
aux ars)
werd gebruikt.
In het algemeen kan men zeggen , dat elk paard een breede
borst moet hebben met sterk ontwikkelde spieren bedekt, waaraan
men de bovengenoemde groeven duidelijk kan onderscheiden. Hoe-
wel de breede borst van het zware trekpaard bij een rijpaard zeer
misplaatst zou zijn en men dus voor dit laatste, in vergelijking
met het eerste, een smalle borst wenscht, kan men toch als regel
(1) Het gedeelte, dat lussclien deze huidplooien is gelegen, noemen deKrnnsclien inler-ais.
-ocr page 192-
166
stellen, dat men voor een rijpaard gaarne een betrekkelijk breede
borst wil hebben. Indien een paard namelijk overigens den bouw
van een rijpaard bezit, zal men het wel zelden behoeven af te
keuren, omdat de borst te breed, doch zeer dikwijls, omdat deze
te smal is.
Bij een breede borst in dezen zin opgevat, d. i. in evenredig-
heid met den overigen lichaamsbouw, heeft men vooreerst een
breede borstkas, zoodat de longen goed ontwikkeld kunnen zijn,
en tevens een evenwijdige ligging der beide opperarmen met
vrije ellebogen, waarbij de beenen recht vooruit geworpen kunnen
worden. Is deze echter zeer smal, zooals zoo dikwijls bij in de
jeugd schraal gevoede paarden voorkomt, dan kunnen de longen
onmogelijk groot genoeg zijn, om het paard kracht en volharding
te schenken; bovendien naderen de boeggewrichten elkander en
komt het paard van voren nauw te staan, waardoor de beweging
onregelmatig wordt en het gewoonlijk kruist (chevaucher, s\'entre•
crolser; krenten),
d. i. de hoeven vóór of zelfs over elkander plaatst.
Zulke paarden kunnen gemakkelijk, zooals men het noemt, over
hun eigen beenen vallen.
Indien dit convergeeren der beide boegen sterk is, ontstaat
een diepe groeve tusschen de spieren, die van den borstbeenskam
naar den schouder gaan, zoodat de borst, in plaats van een gelijke
vlakte of zelfs den kam te vertoonen, uitgehold is. Men noemt
dit een holle of geitenborst. Deze kan door veel arbeid, waardoor
de schouders meer en meer naar voren worden getrokken en al-
zoo het geheele lichaam voorover gaat hangen, zeer toenemen.
Evenwel ontstaat zij ook, zelfs bij een minder smalle borst, ten
gevolge van spierrheumatisme; de daarbij dan in hooge mate be-
perkte schouderbeweging wordt weder vrijer, zoodra het dier wat
geloopen heeft. Bij afgewerkte, versleten paarden, die oorspron-
kelijk reeds een smalle borst hadden, is een holle borst zeer
gewoon; talrijke reformpaarden bewijzen dit óf reeds bij hun ver-
koop, óf ten minste eenigen tijd later.
Een zeer breede, z. g. leeuwenborst (PI. XI) echter, zooals aan
zware trek paarden eigen is, gaat steeds gepaard met een ronde
schoft en dus ook met losse schouders, zoodat de gang waggelend
en meer of minder maaiend wordt. Daarbij is het paard wijd van
voren, wat den waggelenden of z. g. ganzengang nog bevordert.
Gewoonlijk staan de beenen niet naar buiten gericht, doch dik-
wijls recht of zelfs met de toonen eenigszins binnenwaarts, zoodat
men zulk een paard een toontreder (aheval cagneux; ein Zehentreter,
-ocr page 193-
l<)7
Budenemjii; piijcuii ur in-tued) noemt. Deze stand kan echter ook,
evenals omgekeerd de Fransche stand, alleen van den kogel uit-
gaan, onafhankelijk van de richting van den onderarm. Bij den
Franschen stand of de z. g. snij der sbeenen staan de toonen van den
hoef naar buiten gericht; men noemt zulk een paard ook wel een
dansmeester (cheval panard ; Tammeister, Schneider, Bodenweite, Zehen-
weite
; dancingniaster).
Voor snelle bewegingen is deze borst volmaakt ongeschikt;
daarentegen is zij voor het zware trekpaard voordeelig, omdat
daardoor niet alleen de vlakte, waarmede het paard op den last
drukt, vergroot wordt, maar ook de massa en het lichaamsgewicht,
die bij het voortschuiven van den last medewerken, toenemen.
Bovendien hebben de gevolgen van zulke losse schouders slechts
weinig beteekenis voor den langzamen stap, waarin het zware
trekpaard zijn dienst verricht.
In geen geval mag de borst bij een rijpaard voorover hangen;
heeft dit in hooge mate plaats, zooals vooral bij zware paarden
dikwijls voorkomt, dan is het boveneinde van den schouder naar
voren getrokken, waardoor de opperarm meer de horizontale lig-
ging nadert en dus het been onder het lijf staat. Bij zulk een
stand zou het paard gemakkelijk vallen, waarom het een steun
zoekt door de ellebogen vast tegen de borst te drukken. Hierdoor
krijgt het paard echter een Franschen stand en een onregelma*
tigen, maaienden of kruisenden gang, waardoor het zich gemak-
kel\'yk strijkt {se couper; sich streifen; to cut); bovendien heeft de
drukking van de ellebogen tegen den borstwand een geringe
schouderbeweging en een korten gang ten gevolge. Deze gebrek-
kige gang neemt toe, naarmate de borst meer voorover hangt en
dus de beenen meer onder het lijf komen te staan. Hoewel dit
voor zware trekpaarden en — als de schouderbeweging slechts
weinig beperkt wordt — ook voor het koetspaard minder schaadt,
is het voor een rijpaard zeer slecht, daar het gewicht van den
ruiter den op de voorbeenen vallenden last nog vermeerdert en
de snelle bewegingen, door de op den borstwand uitgeoefende
drukking, zoowel vermoeiend als pijnlijk voor het dier maakt.
Bij deze voorover hangende houding van de borst treedt de
borstbeenskam soms zoo sterk te voorschijn, dat hij het paard in
het trekken kan hinderen. Is de borst tevens smal, zoodat de
boegen naar elkander gekeerd zijn en de borstspieren daardoor
weggevallen schijnen, dan noemt men ze een havlkslorst; is
zij daarentegen breed en gewelfd, zooals bij zware trekpaarden
-ocr page 194-
1(18
niet zelden voorkomt, dan wordt ze een Idppeborst geheeten. In
liet eerste geval is de schouder slechts weinig naar voren geseho-
ven en mist het paard zijn ondersteuning door de voorbeenen
niet, daar deze nog tamelijk recht onder het lijf staan; in het
laatste geval echter staan ze naar achteren en tracht het dier dit
te vergoeden door de ellebogen vast tegen den borstwand te
drukken. Paarden met een haviksborst zijn in het algemeen slechte
rijpaarden, terwijl die met een kippeborst nog goede trekpaarden
kunnen zijn. Soms echter hangen de beide borstvormen, doch
vooral de eerste, meer af van een sterkere ontwikkeling van den
borstbeenskam, en zijn dan natuurlijk minder nadeelig. Sommigen
letten ter onderscheiding dezer borstvormen enkel op het gespierd
zijn en spreken van haviksborst bij geringe, van kippeborst bij
sterke spierontwikkeling.
Ten gevolge van een verouderde kreupelheid aan een voorheen
kunnen de spieren aan de lijdende zijde zoodanig in omvang af-
nemen, dat de borst een meer of minder scheef aanzien krijgt.
Drukkingen aan de borst zijn niet zelden, vooral bij paarden,
die aan het trekken nog niet gewoon zijn; daardoor kunnen zich
zelfs onder de huid, voornamelijk op of nabij de boeggewrichten
harde ronde knobbels of vlakke gezwellen ontwikkelen, die de
paarden in het trekken belangrijk hinderen. Zij kunnen ook door
besmetting van het tuig ontstaan en zijn dan door een schimmel
veroorzaakt. Aan de onderborst worden soms drachten of fonta-
nellen gezet; evenwel was dit vroeger meer gebruikelijk dan thans.
§ 84 De voorbeenen.
De voorbeenen dienen voornamelijk tot ondersteuning van het
lichaam, terwijl de voortschuivende kracht van de achterbeenen
uitgaat.
Men onderscheidt aan elk voorheen: den schouder, den boeg,
den opperarm, den elleboog, den onder\' of voorarm, den handwortel
of de knie, de pijp, den kogel, de koot, de krcon en den hoef.
Hiervan dient het middelste gedeelte, dat verticaal staat indien
de lichaamslast er op rust, en gevormd wordt door den onderarm,
den handwortel en de pijp, eigenlijk tot ondersteuning, terwijl
de boeg en de onder de pijp gelegen deelen den stoot breken,
die bij het neerzetten van den hoef op den bodem wordt teweeg-
gebracht. Het door het schouderblad en het opperarmbeen ge-
vormde boeggewricht wordt zoodanig door spieren en pezen
-ocr page 195-
1Ü9
gesteund, dat het kan veeren, docli zich weinig kan openen of
sluiten , terwijl de koot, kroon en hoef door schuine ligging,
onderlinge gewrichten, en vooral door hun wijze van verbinding
met de pijp, in staat zijn den stoot belangrijk te breken.
§ 85. De schouder.
De schouder (PI. VII n°. \'25) ligt achter den hals, onder de
schoft, in een schuine richting op de voorste ribben en vereenigt
zich van onderen door een gewricht, de boeg (PI. III n°. \'26)
genoemd, met den opperarm. Gewoonlijk noemt men echter den
schouder en opperarm samen, dus het bovenste gedeelte van een
voorheen tot den elleboog, eenvoudig schouder, of ook wel schou-
derstreek. Men kan dit te veiliger doen, omdat de gesteldheid
van den opperarm geheel afhankelijk is van den schouder en men
dus, bij beschouwing van dit lichaamsdeel, den opperarm van
zelf daaronder begrijpt. Zij vormen n.1. bij hetzelfde dier, in het
boeggewricht, altijd een nagenoeg even groot en hoek, zoodat,
indien het schouderblad steiler komt te staan, de opperarm meer
de horizontale ligging nadert. Evenzoo is de al of niet evenwij-
dige ligging der beide opperarmen van den eigenlijken schouder
afhankelijk. Bij den schouder zullen daarom tevens de opperarm
en de boeg worden behandeld.
De schouder moet lang, breed, schuin en ver naar achteren
gelegen, vast, droog, krachtig gespierd en goed beweeglijk zijn.
Door de wijze waarop het schouderblad zich door middel van
de groote getande spier met den romp vereenigt, beweegt het
zich als om een as, die men zich ongeveer ter hoogte van den
kamknobbel, ook wel trekring genoemd, door den schouder ge-
trokken denkt. Hoe langer dus het onderste gedeelte, d. i. van
den kamknobbel tot den boeg is, des te grooter boog kan het
ondereinde van den schouder bij het vooruitwerpen van het been
beschrijven. Bij een ruime, gestrekte beweging heeft men daarom
steeds een langen schouder; in dit opzicht wordt het Engelsche
volbloedpaard door geen ander ras overtroffen (PI. XIV).
De schouder kan opgeheven en zóóver naar voren gebracht
worden, dat de opperarm verticaal komt te staan en, van ter zijde
gezien, vóór de borst uitsteekt. Door deze beweging, in vereeniging
met het buigen van den voorarm in het ellebooggewricht, krijgt
het voorbeen een gestrekte, soms bijna horizontale houding, het-
geen een voorwaarde is voor een zooveel mogelijk ruimen gang.
-ocr page 196-
170
Bij een groote breedte van ilen schouder bestaat er gelegenheid
lot krachtige ontwikkeling der spieren; gewoonlijk gaat deze met
een langen schouder samen.
Een lange schouder is meestal ook schuin gelegen. Een lange
en schuine schouder waarborgt een groote schouderstreek (zoodat
deze even lang of zelfs nog langer is dan de rugstreek) en boven-
dien een lange schoft en diepe borstkas (PI. VII, XIII en XIV).
Door de schuine ligging van den schouder zal het boeggewricht
sterk kunnen veeren en dus den stoot goed helpen breken; daar\'om
hebben zulke paarden een zachtere, meer veerkrachtige beweging
dan die met steile schouders. Het boeggewricht bezit n.1. zijn
grootste veerend vermogen, indien schouderblad en opperarm
een even grooten hoek met het platte vlak maken; naarmate het
schouderblad echter steiler wordt, nadert het opperarmbeen meer
de horizontale ligging, waardoor het been onder het lyt komt te
staan, de ellebogen tegen den borstwand worden gedrukt en de
veerkracht van den boeg verloren gaat (PI. XII fig. 3). Het nadeel
hiervan wordt nog vergroot, daar de stoot niet door de schouders
gebroken, doch onmiddellijk door de ellebogen op de borst over-
gebracht wordt.
Lichte paarden hebben gewoonlijk een schuinen, doch volstrekt
niet altijd een langen schouder; b\'y* het Engelsche volbloedpaard
ziet men deze beide eigenschappen in de hoogste mate vereenigd.
Zware trekpaarden hebben meestal een korten en tevens steilen
schouder (PI. XII fig. 3). Heeft men b\'y korte schouders een kor-
ten, sterk opgerichten hals, dan kan de knie wel sterk worden
gebogen, doch de beenen grijpen niet vooruit; men zegt dan, dat
het paard onder zich draaft, onder zich iverkt of krabbelt (troite sur place).
De schouders moeten ver naar achteren, z. g. vast liggen, d. i.
zich van boven met hun kraakbeen dicht tegen de doornvormige
uitsteeksels van den 3don tot den 8,ten of 9den rugwervel aanleggen,
zoodat de schoft scherp of droog wordt. Terwijl zij dus van boven
slechts door de doornvormige uitsteeksels van elkander gescheiden
zijn, hebben zij van onderen de breedte der borst tusschen zich. De
schouder krijgt daardoor een steun tegen de schoft, hetgeen vooral
van belang is in snelle gangen, omdat hierbij de boeg, door den
vermeerderden stoot van het lichaamsgewicht, sterker moet vee-
ren. Niet alleen echter wordt de stoot het meest gebroken door
een vastliggenden schouder, doch deze geeft ook een waarborg
voor een recht voorwaartsche beweging van schouder en opperarm
en dus ook van het onderbeen, zonder maaien of kruisen.
-ocr page 197-
171
Indien de schouders echter bij het neerzetten van het been in
de hoogte gaan en de borst tusschen hen wegzakt, dan zegt men,
dat het paard losse schouders heeft. De schoft is daarbij steeds rond
en de beide opperarmen liggen niet meer evenwijdig aan elkan-
der, doch wijken aan hun ondereinden zoodanig naar binnen af,
dat de ellebogen tegen de borst worden gedrukt; hierdoor komt
het voorbeen meer of minder naar buiten te staan, dat zich vooral
bij beweging door een evenredig maaien openbaart. Zulke losse
schouders zijn aan vele trekpaarden in meerdere of mindere mate
eigen (PI. XI); van daar, dat recht vooruitgrijpende bewegingen
bij deze ook zoo zeldzaam zijn.
Door de nauwe ligging der ellebogen worden de tusschen schou-
der en opperarm gelegen strekspieren van den voorarm sterk naar
buiten gedrukt en zijn daardoor schijnbaar krachtiger ontwikkeld
dan bij rijpaarden met vrijliggende ellebogen. De borst is door de
vaneenwijking der boegen steeds breed. Dat zulke paarden voor
den trekdienst zeer geschikt kunnen zijn , doch als rijpaard minder
waarde hebben, naarmate de schouders losser zijn, is bij de be-
schoirwing van de borst reeds vermeld. Inmiddels schijnt voor een
renpaard het vastliggen van den schouder minder noodzakelijk dan
zijn lengte, althans verscheidene beroemde renners, b. v. Eclipse,
hadden een breede, ronde schoft. Voor gewone rijpaarden echter,
waarbij een meer opgerichte houding van den hals wordt ver-
eischt, geldt het omgekeerde; bij de Oostersche rassen en in het
bijzonder bij de Arabische paarden (PI. VII), vindt men dan ook
een vastliggenden, drogen schouder, al is deze soms wat kort,
zooals b. v. bij het Andalusische paard.
Behalve door een lange, scherpe schoft kenmerkt een vastlig-
gende schouder zich daardoor, dat zijn achterste hoek zoo dicht
tegen de rugspieren is gelegen, dat hij niet zichtbaar is, doch
onmerkbaar in den rug overgaat. Zulk een vasten schouder noemt
men droog, in tegenstelling van een vetten, vleezigen of overladen
schouder, welke meer of minder naar voren is geschoven, zoodat
de achterhoek van het schouderblad met een verdieping in den
romp overgaat. Deze verschuiving kan zoo sterk zijn, dat niet
alleen de voorste hoek, maar zelfs het grootste gedeelte van het
schouderblad vóór de eerste rib uitsteekt en het onderste gedeelte
van den hals bedekt. Daarbij hangt de borst naar voren over en
krijgt men den stand en gang, welke bij de beschrijving van
dezen borstvorm zijn aangegeven.
-ocr page 198-
172
De naam svette of vleezige schouder» is zeer onjuist, want noch
liet vet, nocli de spieren zijn hierbij gewoonlijk sterker ontwik-
keld. Dit schijnt echter zoo, omdat de hals, door het naar voren
schuiven van den schouder, zijn steun verliest en zijn onderrand
zich dus naar beneden kromt, waardoor tevens de spier, die den
hals helpt dragen (het halsgedeelte van de groote getande spier)
vóór den schouder komt te liggen en alzoo de duidelijke grens
tusschen den voorrond van den schouder en den hals opheft. Wordt
de hals echter vrij opgericht gedragen, dan sluit deze spier zich
vlak en onmerkbaar langs de zijde van den hals, bij den overgang
in den schouder, aan en de schouder heet dan droog.
Bij zware trekpaarden komen deze overladen schouders veel
voor; het bovenste gedeelte van het schouderblad kan daarbij zoo
sterk naar voren getrokken, dus de schouder zóó steil gelegen
zijlij dat de opperarm bijna horizontaal ligt en dus de voorbeenen
ver onder het lichaam staan. Terwijl een uit den kamknobbel
neergelaten loodlijn bij een langen , schuinen, vastliggenden schou*
der door het elleboog- en kogelgewricht gaat en achter of in het
achterste gedeelte van den hoef den bodem raakt (PI. XV fig. 1),
zal deze hierbij langs de voorzijde van het ellebooggewricht en
liet geheele onderbeen gaan en in of vóór het toongedeelte van
den hoef op den bodem komen (PI. XV fig. 2). Dezen onvoldoen-
den steun tracht het paard te vergoeden door de ellebogen tegen
den borstwand te drukken, waardoor echter de beweging onregeU
matig en zeer beperkt wordt.
Een paard met zulk een overladen schouder zal voor rijpaard
wel nooit in aanmerking komen; dit kon echter wel het geval
zijn, indien de verschuiving slechts in geringe mate plaats heeft
gehad, zoodanig, dat de schouder in zijn geheel naar voren is
geplaatst en dus het paard niet of slechts weinig onder zich staat
(PI. XV fig. 3, links). Dit komt zeer dikwijls bij lichtere paarden
voor, die dan ook wel voorboegig worden genoemd. Hierbij is de
schouder steil en de boeg naar binnen gekeerd, zoodat de borst
smal wordt. Niettegenstaande dezen bouw kan de beweging der
voorbeenen tamelijk ruim zijn, doch door de naar binnen gerichte
boegen zijn deze paarden nauw van voren, waardoor zij dikwijls
kruisen en zich gemakkelijk strijken. Door den grooteren afstand
van den achtersten schouderhoek tot het kruis schijnt de rug
langer, en deze is in dit geval ook werkelijk eenigermate verzwakt.
Indien zulke paarden overigens krachtig gebouwd zijn, kan een
goede africhting nog veel terecht brengen; in het omgekeerde geval
-ocr page 199-
17.1
wordt de schouder door den naar beneden gebogen ondersten
halsrand langzamerhand meer naar voren getrokken, zoodat de
borst hol en de gang meer en meer beperkt wordt.
Indien de schouderspieren weinig ontwikkeld zijn, spreekt men
van platte of kale schouders. Dit kan het gevolg zijn van alge-
meene zwakte, bovenmatig gebruik of ook van een rheumatische
aandoening {bevangenheid), en vooral in dit laatste geval zal de
schoudervrijheid aanzienlijk beperkt zijn, Men zegt dan, dat het
paard stijf in de schouders {pris dans les epaulet) is. Soms is dit
niet los van voren zijn het gevolg van te weinig oefening — ge-
bonden schouders {épaules froides)
—, zoodat men het bij jonge,
onafgerichte paarden dikwijls verbeteren kan door geregelde en
doelmatige beweging. Is de beperkte schouderbeweging echter het
gevolg van bevangenheid {épaules chevillées) — waarbij dikwijls niet
alleen de schouder-, maar ook de borstspieren in omvang zijn
afgenomen — dan vermindert deze wel en wordt de gang vrijer,
zoodra het paard warm is geworden, doch na eenige rust is het
dier weer even stijf of, na een voorafgeganen, vermoeienden tocht,
zelfs nog stijver dan te voren. Paardenhandelaars beproeven daarom
wel dergelijke stijve paarden eerst na eenige beweging aan den
kooper voor te stellen. Soms zijn de paarden door bovenmatigen
arbeid stijf in hun geheele voorbeenen en zelfs ook in hun achter-
beenen; in dit geval kan rust dikwijls veel herstellen, vooral indien
de dieren nog jong zijn.
Door verscheuring, uitrekking of rheumatisme van aan den
schouder gelegen spieren, door verstuiking of andere aandoeningen
van het boeggewricht, enz. kan een paard kreupel loopen {boiler;
lahmen oder lahmgehen; to go lame);
in het dagelyksch leven vat
men dit alles samen onder den naam van boeg- of ook wel schouder-
kreupelheid {boiterie OU claudication dans Vépaule
; Bug- oder Schulter-
lahme; lameness in the shoulder).
Het is duidelijk, dat men alleen
door nauwkeurige waarneming van een kreupel paard in rust en
in beweging tot de ontdekking van den aard der kreupelheid kan
geraken.
§ 86. De elleboog
De elleboog {Ie coude; der Jiïlenbogen; the elbow) (PI. VII n". 27)
is het achter en boven den onderarm uitstekend gedeelte, dat
door het boveneinde van het elleboogbeen en de daarover gelegen
huid wordt gevormd.
-ocr page 200-
\\U
Verschillende spieren hechten zich aan dit been vast. t)e
elleboog moet lang zijn, naar achteren geplaatst en met die der
andere zijde evenwijdig loopen;
door een groote lengte van den
elleboog werken de strekspieren van den onderarm aan een langen
hefboomsarm en dus onder gunstiger verhouding dan aan een
kort, steil geplaatst elleboogbeen, zooals men dit bij slechte
koudbloedige paarden zoo dikwijls aantreft.
Over afwijkingen van den elleboog naar binnen en naar buiten,
met de daaraan verbonden nadeelen, is reeds bij den schouder
gesproken.
Aan de punt van den elleboog ligt onmiddellijk onder de huid
een slijmbeurs, die dikwijls wordt gekneusd en dan een gezwel
vormt, dat onder den naam van legger (loupe, épo/ige; Stollbeule;
capped-elboiv)
bekend is. Dit kneuzen geschiedt gewoonlijk door de
kalkoenen of de achtereinden der ijzers bij paarden, die als een
koe gaan liggen of als deze opstaan. Indien de leggers klein en
week zijn en reeds eenigen tijd bestaan hebben, storen zij de
beweging in den regel niet; zijn zij echter versch of hebben zij
een aanzienlijke grootte bereikt, dan kunnen zij de bruikbaar-
lieid van het paard meer of minder beperken. In ieder geval
echter vormen zij gewichtige schoonheidsgebreken, te meer, daar
zij dikwijls langen tijd hardnekkig iedere behandeling weerstaan
en dan nog sporen — b. v. een huidplooi, een litteeken, enz. —
achterlaten.
Het elleboog", opper- en onderarmbeen vormen onderling een
sterk, volkomen scharniergewricht, het ellebooggewricht genoemd.
§ 87. De onderarm.
De onder- of voorarm {Vavant-bras; der Vorarm, Unterarm oder
Kegel; the fore-arm)
(PI. VII n°. 28) ligt tusschen den opperarm
en de voorknie, en wordt gevormd door het onderarmbeen en het
elleboogbeen met de hen bedekkende spieren.
Hij moet een verticale richting hebben en zoodanig met sterke,
vaste, scherp geteekende spieren bedekt zijn, dat hij van terzijde
gezien breed en gewelfd is en van boven naar beneden slechts
weinig in breedte afneemt. Bovendien moet de onderarm lang
zijn. Hoe langer deze is, des te korter wordt betrekkelijk de pijp
en omgekeerd; in den regel vormt de knie het midden van de
lengte van het voorbeen, gerekend van den elleboog tot op den
-ocr page 201-
Ut
bodem, doch bij liet Arabische paard en nog meer bij het Ëngelsch
volbloed is de voorarm langer dan de halve hoogte van het voor-
been. Aangezien alleen de voorarm spieren bezit en zich aan de
pijp slechts de pezen van de meeste dezer spieren bevinden, is
het duidelijk, dat een lange voorarm een waarborg geeft voor
lange spieren; bovendien wordt hierdoor natuurlijk een groote
boog beschreven. Gaat hiermede nu een lange, schuine en be-
weeglijke schouder gepaard, dan wordt de gang der voorbeenen
zeer ruim.
Op zich zelf heeft de lengte van den voorarm echter weinig
invloed op de beweging; men is n.1. dikwijls geneigd aan den
langen voorarm een gestrekten gang met weinig kniebuiging toe
te schrijven en daarentegen aan den korten voorarm een hooge
beweging met sterk gebogen knieën, z.g. steppen. Deze gangen
zijn echter meer afhankelijk van den bouw van hals en schouder;
heeft het dier b.v. een langen, gestrekten hals, een langen,
schuinen en vrijen schouder en een langen voorarm, zooals het
Engelsch renpaard (PI. XIV), dan wordt de gang gestrekt en
laag over den grond, zoodat het paard, vooral in stap, gemak-
kelijk aanstoot; zit de hals echter bijna loodrecht op den romp,
is de schouder kort en steil en de onderarm kort, zooals dikwijls
bij ons inlandsch paard voorkomt, dan wordt de beweging
hoog met sterke kniebuiging en weinig vooruitgrijpend. Zijn
bij dezen laatsten halsvorm echter de schouder en onderarm als
in het eerste geval, dan wordt de gang hoog en toch ruim;
zulke paarden, steppers (steppeurs) genoemd, hebben vooral als
rijtuigpaarden groote waarde (PI. VIII). Doch ook als rijpaard
is een eenigszins hooge en daarbij vooruitgrijpende beweging te
verkiezen boven een, waarbij de hoeven in stap en ook in draf
nauwelijks van den bodem worden opgelicht; zulke paarden stoo-
ten gemakkelijk aan en zijn geen terreinpaarden. Op de renbaan,
maar ook hier alleen, kunnen zij uitstekend zijn.
In het algemeen moet hier worden opgemerkt, dat behalve de
bouw van het paard nog talrijke andere omstandigheden — b. v.
een vrij gebruik der spieren, het temperament, enz. — die wij
niet altijd kennen, invloed op de beweging uitoefenen. De regel:
„een paard gaat, zooals het staat" zou ons dus somtijds zeer
doen dwalen.
Bij hoogbeenige, snel ontwikkelde paarden is de voorarm ge-
woonlijk kort in evenredigheid met de pijp; meestal zijn deze
beenen dan ook minder sterk.
-ocr page 202-
\\n\\
Hen smalle, magere voorarm wijst op een slechte ontwikkeling
van alle, doch voornamelijk van de haakbeenspieren; de sterkste
dezer pijpbeenbuigers hecht zich hoofdzakelijk aan het haakbeenlje
vast, zoodat dit bij krachtige haakbeenspieren ver naar achteren
uitsteekt en de knie van ter zijde breed maakt (PI. XIII), terwijl
het in het omgekeerde geval klein, weinig ontwikkeld en naar
binnen gekeerd is en een smalle knie veroorzaakt. In dit laatste
geval zijn de voorbeenen zwak en gewoonlijk spoedig versleten
(PI. XV lig. 3).
Iets onder het midden van de inwendige vlakte van den voor-
arm vindt men in de huid een langwerpig, hoornachtig deel, de
hoor»\' of zwiltcrat (chataigne; Hormoarze; chestnut) (PI. VII n". 20)
genoemd, dat bij edele rassen kleiner is dan bij gemeenc. De
zwilwrat is wat haar genetische beteekenis aangaat, een verarmd
teenlid (de duim). Niet zelden ontwikkelt zij zich zoodanig, dat
men ze moet verkorten.
De aan de achtervlakte en iets onder het midden van den
voorarm ontspringende pezige versterkingsband, die schuin naar
beneden loopt en zich boven de knie met de pees van den kroon-
beenbuiger vereenigt, kan door sterke inspanning bovenmate
gerekt en zelfs verscheurd worden en veroorzaakt dan een kreu-
pelheid, die zich door pijn, warmte, enz. boven de kniebuiging
te kennen geeft.
{5 88. De voonknie.
Knie, voorhiie of beter handwortel (Ie genou; das Vorderknie;
the /.nee)
(PI. VII n". 30) noemt men het samengestelde gewricht,
dat tusschen den voorarm en de pijp ligt. Men onderscheidt daar-
aan een voor-, een uit- en inwendige en een achtervlakte, ook
wel de hiiebuiging (Ie \\tli dn genou; die Kniekehle oder Kniebeuge)
genoemd. De huid is op de knie weinig verschuifbaar en steeds
iets dikker dan op andere plaatsen van het been.
De knie moet in een verticale richting van den voorarm in de
pijp overgaan en zoowel van voren als van ter zijde gezien breed
zijn; door dit laatste wordt de stoot over een grootere vlakte
verdeeld en heeft het gewricht en ook het geheele voorheen,
vooral bij snelle bewegingen, minder te lijden. Bij een sterke knie
zijn de breedte-afmetingen der voor- en zij vlakte ongeveer aan
elkander gelijk. Pe voorvlakte is dan zoowel van boven naar be-
neden als ook naar ter zijde gewelfd en steekt, van ter zijde ge-
-ocr page 203-
Ml
zien, weinig of niet uit buiten de voorvlakte van den onderarm
en de pup.
De breedte van de zijvlakte wordt voornamelijk bepaald door
de grootte van het haakbeentje; is dit sterk ontwikkeld en recht
naar achteren gelegen, dan is de zijvlakte der knie breed (PI. XIII).
Onder het haakbeentje mag de breedte der knie slechts weinig en
langzamerhand afnemen, hetgeen wijst op een goede verbinding
met de pijp (PI. IX.). Bestaat echter onder het haakbeentje een
sterke verdieping, zooals dit gewoonlijk bij slappe buigspieren van
de knie voorkomt, dan geeft dit zwakheid van het voorheen te
kennen. Men zegt hiervan wel eens zeer oneigenlijk: „het paard
heeft geen goede achterknie" (tendon failli; eingesehnürte oder ge-
drosselte Knie)
en bedoelt daarmede dan . dat het achterste gedeelte
van de zijvlakte der voorknie, met name het haakbeentje en diens
overgang in de pezen, niet voldoende ontwikkeld is (PI. XV fig. 3).
Intusschen dient niet over het hoofd gezien, dat een grootere
breedte van onderarm en knie schijnbaar dikwijls een sterker uit\'
snijding onder het haakbeentje ten gevolge heeft. Het kan daarom,
voor een juist oordeel, nuttig zijn om den omvang van het been,
onmiddellijk onder het haakbeentje. te meten. Bedraagt deze bij
een paard van 1,60 M. 21—23 cM., dan is het aldaar krachtig
ontwikkeld.
Een kleine, ronde knie (genou de veait) gaat meestal ook met een
schralen voorarm gepaard en maakt het paard zwak op de voorbeenen.
De knieën kunnen in verschillende opzichten van de normale
richting afwijken.
Indien ze sterk naar elkander toegekeerd zijn, noemt men ze
ossen- of kalverknieëa (XVI fig. 1); de onderste gedeelten der beenen
staan daarbij naar buiten gericht, zoodat deze eenigermate den
vorm eener X vertoonen en daarom ook wel X-beenen worden
genoemd.
Zijn de knieën omgekeerd naar buiten gebogen — wijd in de
knieën {genoux trop ouvcrts
, genoux cambrés ; u-allbeinig) (PI. XVI fig. 2)
— dan is het paard toontreder; in dit geval spreekt men wel van
O-beenen. Bij deze beide knievormen heeft het eene gedeelte van
het gewricht meer van den lichaamslast te dragen dan het andere;
bovendien oefenen zij een nadeeligen invloed op de beweging uit.
Bij de ossenknieën is de gang gewoonlijk maaiend, terwijl een
paard, dat wijd in de knieën is, van onderen zeer nauw loopten
zich gemakkelijk strijkt. De eerste stand komt meer voor dan de
laatste.
12
-ocr page 204-
H8
Indien ile knieën van de verticale richting naar voren afwijken,
noemt men dit bokbeenigheid of in de knieën staan (PI. XV fig. 4).
Soms is deze stand aangeboren (chevul brassicourt); meestal is hij
door bovenmatig gebruik verkregen (cheval arqué). In het eerste
geval kan het been nog wel een vasten stand hebben, doch ver-
slijt spoediger dan bij een normalen bouw; in het laatste geval
knikt het paard meestal in de knieën en is feitelijk reeds meer of
minder versleten. Steeds mist een bokbeenig paard een vasten
stand op de voorbeenen, zoodat het gemakkelijk struikelt, vooral
indien het tevens overbouwd is. Staat het sterk in de knieën,
en treedt het, zooals gewoonlijk, gebrekkig in de kogels door,
dan is het als rijpaard zelfs gevaarlijk, terwijl het dan als koels-
paard soms nog goede diensten kan bewijzen, omdat de voorhand
hierbij een steun vindt in het gareel.
Paarden met een mageren voorarm en een smalle knie, waarbij
het weinig ontwikkelde haakbeentje niet horizontaal naar achteren
gericht is en met een sterke insnijding in de buigpezen overgaat,
hebben veel aanleg om vroeg in de knieën te gaan staan.
Ten einde de bokbeenigheid op te heffen, heeft men de haak-
beenspieren, die bij dit gebrek steeds sterk gespannen zijn, door-
gesneden; het is echter duidelijk, dat deze operatie alleen bij
jonge, niet versleten paarden een gunstig gevolg zal kunnen
hebben.
Holle knieën (genouv creux, effacés ou de mouton; rückbiegige Knien;
calf-legs)
(PI. XV fig. 5) noemt men die, welke naar achteren ge-
bogen, als doorgezakt zijn; deze zijn meestal aangeboren. Bestaan
zij slechts in geringe mate en gaan zij niet met te sterk doortre*
den in den kogel gepaard, dan verminderen zij de bruikbaarheid
van het paard weinig. Bij een hoogen graad echter treedt het
paard sterk door op het achterste gedeelte van den hoef, waardoor
de buigpezen veel te lijden hebben; bovendien klapt het dan
gemakkelijk in de ijzers , daar het te lang op een voorheen steunt,
zoodat dit, gedurende het opheffen, door het gelijkzijdige achter-
been wordt geraakt.
Indien de voorvlakte eener knie van haren ontbloot, verwond
of met een litteeken bedekt is, noemt men deze gekroond (genou
couronné; Glatzenknie, Knieschaden
; broken knee); dit is gewoonlijk
een bewijs, dat het paard gevallen is en doet dus zwakheid der
voorbeenen vermoeden. In dit opzicht moet de knie alzoo nauw-
keurig worden onderzocht, ten einde elke nog zoo geringe belee-
diging waar te nemen. De hevigheid der verwonding is hierbij
-ocr page 205-
\\%
van minder belang dan het feit, dat het paard gevallen is. Aan-
gezien de beweging tusschen de bovenste en de onderste rij der
handwortelbeenderen en tusschen deze laatste rij en het pijpbeen
zeer beperkt is, wordt bij het vallen, waarbij gewoonlijk het
onderste gedeelte der knie verwond wordt, de gewrichtsholte ge-
lukkig slechts zelden geopend; dit zou echter kunnen gebeuren,
indien een paard viel met sterk onder het lijf gebogen beenen.
omdat in dit geval de bovenste, wijd geopende gewrichtszak meer
onmiddellijk aan de beleedigende oorzaak is blootgesteld.
Door kneuzing van de voorvlakte der knie kunnen de zich
aldaar bevindende peesscheeden en evenzoo de dieper gelegen ge-
wrichtszakken in ontsteking geraken, waardoor zij zich met lidvocht
vullen en meer of minder groote, weeke gezwellen vormen, die
voorkniegaüen worden genoemd. Indien deze klein en zacht zijn,
schaden ze gewoonlijk weinig aan de beweging; zij zijn echter
moeielijk zoodanig te genezen, dat er geen spoor van achterblijft.
Dit geldt vooral van de gewrichts-, iets minder van de peesscheede-
gallen.
Wanneer een kneuzende oorzaak in geringe mate, doch ge-
durig herhaald, inwerkt, zooals bij paarden, die zich als het rund
nederleggen of als deze dieren opstaan, of in den stal onrustig
zijn en de knie telkens tegen de krib of den latierboom stooten,
dan kan ook de huid aan de voorvlakte der knie aanzienlijk ver-
dikken, waardoor deze, van ter zijde gezien, buiten den voorarm
en de pijp uitsteekt. Deze huidverdikking, kniezwam genoemd,
stoort de beweging in de gewoonlijk voorkomende gevallen niet,
doch is een belangrijk schoonheidsgebrek, omdat z\'y\' zeer in het
oog valt en moeielijk geheel te genezen is.
Ook aan de achterzijde der knie kan, door ontsteking der aldaar
gelegen peesscheede voor de buigpezen, een gal voorkomen, die
zich soms van het ondereinde van den onderarm tot ongeveer liet
midden van de pijp uitbreidt. Indien deze groot en gespannen is,
kan zij de buiging van de knie zeer belemmeren en kreupelheid
ten gevolge hebben.
In de kniebuiging treft men soms dwarsloopende, een kleverig
vocht ontlastende kloven in de huid aan , die dikwijls zeer moeilijk
te genezen zijn en kreupelheid veroorzaken. Deze bersten ontstaan
veelal zonder bekende oorzaak en worden rasp of krab (malandres,
rdpes; Baspe; mallenders)
genoemd.
Evenzoo kan op deze plaats een huidverwonding ontstaan door
het over den lialslerketting geraken met een voorheen; hierbij
-ocr page 206-
180
zijn echter, ten minste in den beginne, belangrijke zwelling en
warmte aanwezig, waardoor een onderscheiding van de rasp meestal
gemakkelijk is.
§ 89. Dn pi.ip.
De 2>VP (\'e canon; das Schienbein; the canon or shank) (PI. VII n°. 31)
ligt tusschen de voorknie en de koot en heeft tot grondslag liet
pypbeen met de beide grifïelbeenderen ; op de voorvlakte van het
pypbeen liggen de pezen van koot- en hoefbeenstrekker, terwijl
de achterzijde van dit been bedekt wordt door den bovensten
band der sesambeenderen , de pees van den hoef beenbuiger en de
pees van den kroonbeenbuiger. De eerste, ook wel schortband
genoemd, ligt onmiddellijk tegen het pypbeen, terwijl de pees
van den kroonbeenbuiger zich het meest naar achteren bevindt.
De pijp moet bij het vierkant geplaatste paard een verticale
richting bezitten, van voren smal en afgerond, van ter zijde breed
en droog zijn, d. i. het pypbeen moet van de grifïelbeenderen en
de buigpezen, en deze onderling, door duidelijk zichtbare sleuven
gescheiden zijn. Bovendien ziet men gaarne een korte pijp, omdat
de onderarm dan lang is.
De verticale lichting van de pijp is van groot belang, omdat
de ondersteuning der voorhand daarbij het gemakkelijkst plaats
vindt en zonder bijzondere inspanning van spieren, pezen en
banden tot stand komt, te meer daar de stoot door de pijp naar
die deelen wordt overgebracht, welke bestemd z\'y\'n dezen te bre-
ken. Wijkt de p\'yp echter van de loodl\'y\'n af, bijv. zooals het meest
voorkomt, naar achteren, dan wordt de lichaamslastvoornamelijk
door de voorste of de achterste helft der gewrichten gedragen en
hebben deze en de pezen meer te lijden dan bij een gelijkmatige
verdeeling; bovendien zal de stoot nu gedeeltelijk door de banden
en pezen worden gebroken en van de laatste dus meer dan anders
worden gevorderd. Bij zware trekpaarden, die gewoonlijk van
voren eenigszins onder zich staan, wordt dit nadeel (dat hier
echter minder groot is, omdat vooreerst de voorhand gedeeltelijk
door het tuig wordt gedragen, en vervolgens de stoot, bij het
stapvoets werk, dat deze paarden doorgaans verrichten, betrekkelijk
veel geringer is dan bij snelle bewegingen) opgewogen door den
grooteren lichaamslast, dien zij op deze w\'y\'ze in het gareel plaatsen.
De p\'yp rnoet van voren smal en afgerond zijn, omdat dunne
en fijne beenderen, zooals zij b\'y\' edele paarden voorkomen, in
-ocr page 207-
181
den regel uit vaster en dichter beenweefsel bestaan dan de zware
en grove beenderen der koudbloedige rassen. De fijnheid moet
echter niet overdreven zijn, zooals dit nu en dan bij zeer edele
dieren, zelfs bij renpaarden wordt aangetroffen, daar in dit geval
ook de pezen minder krachtig ontwikkeld zijn.
Van ter zijde moet de p\'yp breed zijn; de pezen zijn dan dik en
sterk en ver van het been verwjjderd (bien ditachés; boldly detached),
waardoor haar kracht belangrijk wordt verhoogd (PI. VII en IX).
Onder het haakbeentje mag geen sterke insnijding bestaan en de
pezen moeten vast en gespannen zijn; dunne, slappe pezen zijn
steeds krachteloos.
Indien de zijvlakte der pijp smal is, noemt men dit spilbeenig
{canon menu; Spindelbeinigkeit)
(PI. XV fig. 3); paarden met zulke
spillebeenen staan gewoonlijk vroeg in de knieën en zijn ook in
hun kogels meestal spoedig versleten.
Paardenhandelaars trachten de lange haren aan de achterzijde
der pijp, vooral nabij het haakbeentje, zoodanig bij te scheren,
dat de pezen daardoor breeder schijnen en een insnijding onder
het haakbeentje minder in het oog valt.
Bij warmbloedige paarden (PI. VII) is de pijp, evenals alle andere
lichaamsdeelen, gewoonlijk droger dan bij koudbloedige rassen
(PI. XI); bij deze laatste is de huid dikker, weeker, het onder-
huidsche bindweefsel ruimer ontwikkeld en vochtiger, de pees-
scheeden zijn eenigszins door lidvocht uitgezet, zonder dat nog
gallen aanwezig behoeven te zijn, de pezen zijn minder hard en
vast, enz., alle omstandigheden, die teweegbrengen, dat de pezen
op het eerste gezicht niet scherp van elkander en van de beenderen
afgescheiden schijnen. Deze bouw is voornamelijk ras-eigenschap,
doch een goede, krachtige opvoeding kan daarop een gunstigen
invloed uitoefenen. Zulke paarden zijn niet alleen zwakker en
minder volhardend in het gebruik dan paarden met droge beenen,
maar bezitten ook meer aanleg tot allerlei gebreken en zijn over
het algemeen spoediger versleten. Onder overigens gelijke om-
standigheden zullen zij namelijk lichter gallen krijgen dan paarden
met droge beenen.
Deze gallen (molettes; Sehnengallen oder Flussgallen; wind-galls)
zijn uitzettingen der peesscheeden door lidvocht; zoowel de bovenste
(de carpaalscliee.de) als de onderste peesscheede (de sesamscheede)
der p\'yp kan hiermede meer of minder gevuld zijn, zoodat de gallen
onder de knie en ook boven den kogel kunnen voorkomen. Op
de laatste plaats bespeurt men ze het meest; somtijds breiden zij
-ocr page 208-
182
zich dan zelfs tot onder den kogel, achter de koot uit. Indien
deze gallen zacht en niet bijzonder groot zijn, storen zij de bewe-
ging niet; zeer groote en harde gallen kunnen een paard doen
kreupel loopen. In dit laatste geval zijn zij meestal moeielijk te
genezen, doch pas ontstane en weeke gallen verdwijnen gemak-
kel\'yker, dikwijls zelfs alleen door rust; na eenig gebruik komen
ze evenwel licht terug. Men vreest de gallen echter niet zoo zeer,
omdat zij wel eens kreupelheid kunnen veroorzaken, dan wel
omdat zij aanduiden, dat het paard — indien het nog jong is —
slap en krachteloos of althans niet sterk genoeg is voor den dienst,
dien men daarvan vergt, of — indien het oud is — te veel arbeid
heeft moeten verrichten en reeds meer of minder versleten is.
Hieruit volgt, dat de gallen bij jonge paarden veel ongunstiger
moeten worden beoordeeld dan bij oude; met een gal toch, die
door bovenmatigen of langdurigen arbeid is ontstaan, kan zeer
goed een krachtige, vaste lichaamsbouw gepaard gaan, wat niet
het geval is met een zoodanige, die zich reeds na weinig inspan-
ning heeft vertoond. Dit geldt voor alle gallen, waar zij ook
mogen voorkomen.
De pezen en de haar omringende scheeden kunnen, evenals de
van den handwortel komende versterkingstak van den hoefbeenbuiger,
door sterke inspanning, springen, enz., waarbij zij bovenmate
worden gerekt, in ontsteking geraken, wat hevige kreupelheid
ten gevolge heeft. Na genezing van deze peesontsteking (sprain of
the flexor tendons or back sinews)
blijft dikwijls een verdikking van
de zieke plaats achter, die onder den naam van peesklap {nerf
férure, tendon féru; Sehnenklapp)
bekend is. Dit is een belangrijk
gebrek, omdat de kreupelheid daarbij zoo gemakkelijk, na een
betrekkelijk geringe aanleiding, terugkeert. Door met de vingers
langs de pezen te gaan, ontdekt men den peesklap, die meestal
iets boven het midden van de pijp voorkomt, gemakkelijk. Ook
vergroeiing der pezen met elkander of met de scheede en zelfs met
de huid kan na een peesontsteking achterblijven; indien deze echter
eenigszins uitgebreid voorkomt, zal zij de beweging storen en daar-
door te minder over het hoofd worden gezien.
Verkorting van een of beide buigpezen heeft ten gevolge, dat
het paard minder doortreedt in den kogel; in hoogen graad voor-
komende , kan hierdoor zelfs de z.g. peessteltvoet worden veroorzaakt.
Aan het pijpbeen komen soms, vooral aan de inwendige vlakte
van het bovenste derde gedeelte, kleinere of grootere beenuitstor-
tingen voor, welke schiefel- of schuifelbeentjes (suros; Ueberbeiu;
-ocr page 209-
183
splint) worden genoemd. Soms staan twee schuifeltjes aan de
binnen- en buitenzijde der pijp recht tegenover elkander, alsof\'zij
door het been heen gedrongen waren; men spreekt in dit geval
wel van een doorgaand schuif eitje (suros cheville\'; durchstehendes
Ueberbein).
Indien de schuifeltjes, zooals bijna regel is, aan de
binnenvlakte iets onder de knie, tusschen pijp-en griiïelbeen voor-
komen , veroorzaken zij geen kreupelheid, tenzij wellicht een korten
tijd bij hun eerste ontstaan; liggen ze echter hooger, nabij het
kniegewricht of meer naar achteren tegen de pezen of, wat nog
erger is, op de achtervlakte van het pijpbeen onder den schort-
band, dan kunnen zij de beweging aanzienlijk belemmeren en,
vooral in het laatste geval, dikwijls ongeneeslijke kreupelheid teweeg-
brengen. Doch ook de eerste zijn in den regel geen eenvoudige
schoonheidsgebreken ; zij ontstaan namelijk meestal door strijken
en zijn dan gewoonlijk een bewijs, dat het dier een onregelmatigen
gang heeft, dat het, öf bestendig of alleen als het moede wordt,
de beenen naar binnen ophaalt en zelfs over zijn eigen beenen
zou kunnen vallen. Bestaat eenmaal een schuifeltje, dan wordt
liet strijken bij de bedoelde onregelmatige beweging bevorderd.
Evenwel kunnen zij ook door andere, soms geheel onbekende
oorzaken ontstaan en somtijds verdwijnen zij ook van zelve weder
of na eenige massage, bijv. het wrijven met een zacht stuk hout.
Men moet zich wachten de soms sterk ontwikkelde knopvor.
mige ondereinden der grilïelbeenderen, die vooral bij droge pijpen
zeer in het oog vallen, te verwarren met schuifeltjes.
Verwonding, kale plekken of huidverdikking aan de binnenzijde
der pijp zijn voornamelijk dan van gewicht, als zij door strijken
zijn veroorzaakt. Soms vindt men juist boven den kogel, beiderzijds,
kleine, meestal gevoelige litteekens; deze zijn gewoonlijk het ge-
volg van voorafgegane zenuwsnede {neurectomie) en nopen dus tot
een nauwkeurig onderzoek.
§ 90. De kogel en de koot.
Deze beide deelen zullen wij gezamenlijk behandelen, daar hun
bouw en voorkomen, zooals straks nader zal blijken, in vele op-
zichten van elkander afhankelijk zijn.
De kogel of het kootgeioricht (Ie boulet; das Fesselgelenk; the
fetlock joint)
(PI. VII n°. 32) is een volkomen scharniergewricht,
dat gevormd wordt door het pijpbeen , het kootbeen en de beide
sesambeentjes. De aan de voorvlakte gelegen strekpezen ondersteunen
-ocr page 210-
18 i
dit gewricht en bemoeielijken het naar voren schuiven van liet onder-
einde van het pijpbeen. De sesambeentjes versterken liet gewricht
aan de achterzijde, zoodat dit door de daarop uitgeoefende druk-
king minder sterk wordt gebogen; zij verwijderen de, over hun
gladde achtervlakten gemakkelijk glijdende buigpezen van liet been
en versterken daardoor de werking van deze pezen belangrijk.
De koot (Ie patwon; der Fessel; the pastern) (PI. VII n". 34)
wordt gevormd door het kootbeen, dat van voren door de naar
beneden steeds breeder wordende strekpees en van achteren door
de buigpezen bedekt is, terwijl langs de zijvlakten de peestakken
van den schortband der sesambeenderen naar beneden en voren
loopen, ten einde zich met de strekpees te vereenigen.
Op deze wijze wordt de koot zoodanig in haar schuine ligging
bevestigd, dat zij in staat is b\'y* de beweging als een veer te
weiken en den stoot te helpen breken. Tot dit laatste is zij het
meest geschikt, indien haar plaatsing zoodanig is, dat zij het
midden houdt tusschen den verticalen en den horizontalen stand
en dus met den horizontalen bodem een hoek van 45° vormt. In
dit geval zal een door het midden van den kogel neergelaten
loodlijn onmiddellijk achter de ballen van den hoef den bodem
raken (PI. XV lig. 1), terwijl de lengte der koot daarbij ongeveer
gelijk zal zijn aan \',\', van de lengte der pijp.
Indien de koot schuiner staat, zal de stoot wel meer gebroken
worden en dus de beweging voor den ruiter zachter zijn, doch
de buigpezen hebben dan veel te lijden. De lengte der koot be-
draagt daarbij gewoonlijk meer dan \'/i van de lengte der pijp, en
de loodlijn, uit het midden van den kogel neergelaten, bereikt
meer of minder ver achter de ballen van den hoef den bodem.
In dit geval noemt men het paard lang gekoot (long-jointé) en zegt,
dat het te veel doorzakt of doortreedt in de kooten (assis sur les
boulets; weich- oder durchtreten)
(PI. XII fig. 3). Vooral voor 1rek-
paarden, waarbij de veerende beweging in den kogel geen enkel
voordeel oplevert, is dit een groot gebrek, doch ook voorrijpaar-
den kan de meer elastische gang in geenen deele opwegen tegen
het verlies aan kracht, dat hierdoor wordt teweeggebracht.
Geschiedt het doortreden zoo sterk, dat de koot nagenoeg
horizontaal is en de vetlok dus met den bodem in aanraking
komt, dan noemt men het paard beerooetig (tasjointé; barenfilssig)
(PI. XVI fig. 3). Zulke paarden zijn zeer krachteloos en voor geen
enkelen dienst geschikt. Sterk doortredende paarden klappen
bovendien licht in de ijzers, omdat zij met hun voorbeenen niet
-ocr page 211-
185
tijdig genoeg plaats kunnen maken voor de gelijkzijdige achter-
beenen. Veulens hebbon niet zelden een beervoetigen stand, welke
later, indien zij krachtiger zijn geworden, weder verdwijnt.
Staat de koot echter rechter dan boven als wenschelijk is aan-
gegeven — steil gekoot (ilroit jointc; hochgefesselt) (PI. XVI fig. 4) —
dan wordt de stoot meer door den kogel op de daarboven gelegen
beenderen overgebracht; hierdoor worden de buigpezen wel ver-
schoond, doch de kogel lijdt des te meer, vooral bij snelle gangen.
Deze verliest namelijk spoedig zijn natuurlijken stand; terwijl hij oor-
spronkelijk een geleidelijken overgang vormde tusschen de pijp en
de koot, zóó dat de voorvlakte van den kogel, van ter zijde be-
schouwd, een zachtgekromde lijn beschreef—eencirkelboog van groo-
ter of kleiner straal, naarmate de koot steiler of schuiner staat—,
wordt deze allengs sterker naar voren gekromd (PI. IX, XI en XIV),
terwijl ook de zijvlakten niet meer een zachten overgang vormen,
doch een sterke welving vertoonen. Hierdoor begint de kogel
meer en meer aan zijn naam te beantwoorden en geeft hij den
z.g. ronden kogel te aanschouwen.
De stand welke hierdoor ontstaat en waarbij het kootbeen in
het bovengedeelte als het ware teruggeschoven is, noemt men
overkoot zijn (boute, bouleté; überstützig, köthenschüssig; grogginesa).
Soms is deze overkoote stand zoo sterk, dat het paard niet meer
in den kogel doortreedt of vóór het zwakke doortreden telkens
naar voren overknikt. In dit geval is het nagenoeg voor eiken
dienst, doch vooral als rijpaard onbruikbaar (PI. XVI fig. 5). De
koot staat dan bijna of geheel verticaal, hetgeen steltvoet (droit sur
les membres; Stelzfuss)
wordt genoemd. Daarbij verkorten zich de,
nu te veel verschoond wordende buigpezen meer en meer en wor-
den — vooral de hoef beenbuigpees — sterk gespannen. Dit heeft
trouwens altijd plaats, indien een paard gedurende eenigen tijd,
hetzij mechanisch (bijv. door hooge verzenen, hooge kalkoenen, enz.),
hetzij door pijn (bijv. bij peesontsteking, mok aan de achterzijde
der koot, hoefontsteking, voornamelijk van het achterste gedeelte
en dergel.) verhinderd wordt naar behooren in den kogel door te
treden. Steeds trekken zich daarbij de buigpezen samen en in al
deze gevallen spreekt men dan ook van een peessteltvoet, onver-
schillig of de verkorting der pezen de onmiddellijke oorzaak van
den steltvoet of wel meer een gevolg daarvan is. Deze naam
dient ook meer ter onderscheiding van den beenigen steltvoet, welke
laatste door vergroeiing van het pijp- met het kootbeen en soms
tevens ook van dit laatste met het kroonbeen wordt veroorzaakt.
-ocr page 212-
I8H
Voor zware trek paarden, die steeds in langzamen slap gaan,
zijn eenigszins steile en korte kooten gewensclit, doch voor alle
dieren, die in snelle gangen moeten arbeiden, zijn zij zeer na-
deelig; gewoonlijk krijgen deze daardoor spoedig een overkooten
stand en worden alzoo onbruikbaar.
Soms ziet men jonge paarden, die nooit eenigen arbeid hebben
verricht en ook niet aan ziekten van de pezen of den hoef hebben
geleden, zelfs met tamelijk lange kooten, overkoot staan. Gewoon-
1\'yk is dit een gevolg van zwakte , veroorzaakt door een sterken
groei, vooral in de hoogte, en een schrale voeding; zulke paarden
zijn dan ook doorgaans hoog op de beenen en, zooals men wel
eens zegt, uit hun kracht gegroeid. Indien deze gebrekkige stand
zich nog slechts weinig heeft ontwikkeld, kan een goede voeding
dikwijls veel herstellen of, ten minste een toenemen daarvan
belemmeren.
Uit het voorafgaande volgt nu, dat de kogel lang moet zijn,
d. w. z. langzamerhand uit de pijp moet ontstaan en evenzoo
weder in de koot moet overgaan (PI. Vil). Een ronde kogel is
steeds ook kort; dit is vooral duidelijk, indien men de voorvlakte
van ter zijde beschouwt, deze vormt dan een korte, doch sterke
welving. Zooals wij boven reeds zagen, wordt de kogel het ge-
makkelijkst rond, indien kort en steil gekoote paarden in snelle
gangen en op een harden bodem moeten arbeiden; dit neemt
echter niet weg, dat ook lang gekoote en behoorlijk doortredende
paarden, onder deze verhoudingen, op den duur een ronden kogel
kunnen verkrijgen.
Dat de snelle bewegingen en de harde bodem van grooten
invloed zijn op het vroegtijdig rond worden van, of— watdaar-
mede gelykbeteekenend is — op het meer of minder versleten
raken in de kogels en bijgevolg in de geheele beenen, leert ons
de\'vergelijking van het troepen-, nog meer echter van het vigilante •
paard met het in bouw en leeftijd overeenkomende landbouwpaard.
Bijna regelmatig zal men waarnemen, dat het eerste, niettegen-
staande dit gewoonlijk krachtiger wordt gevoed, meer in zijn
kogels heeft geleden dan het laatste; niet zelden ziet men zelfs
landbouwpaarden van gevorderden leeftijd, die, zooals men het
wel noemt, nog nieuw in hun kogels zijn.
Behalve lang, moet de kogel breed en droog zijn. Een breede
kogel, die door sterk ontwikkelde gewrichtsvlakken van het onder-
einde van het pijpbeen en het boveneinde van het kootbeen wordt ver-
oorzaakt, geeft, evenals een dergelijke voorknie, kracht te kennen.
-ocr page 213-
187
Urouij noemt men den kogel, indien de banden, pezen enz.
scherp geteekend door de huid zichtbaar zijn en noch gallen,
noch beenuitstortingen, noch huid verdikkingen en dergelijke dit
verhinderen.
Zoowel aan de voor- als aan de zijvlakten kunnen namelijk gallen
voorkomen. Onder de strekpees, alzoo aan de voorvlakte van den
kogel, bevindt zich een slijmbeurs, die door kneuzing in ontsteking
kan geraken, zich dan door lidvocht uitzet en als z.g. voorkootgal
zichtbaar wordt. Deze gal, die ook door een onmiddellijk onder
de huid gelegen slijmbeurs veroorzaakt kan worden, stoort, indien
zij niet bijzonder sterk ontwikkeld is, de beweging weinig of niet;
ze verdwijnt echter moeielijk geheel en is daarom een belangrijk
schoonheidsgebrek.
De aan de zijvlakten en meer naar achteren voorkomende
gallen zijn óf peesscheede-gallen en clan eenigszins langwerpig en
tusschen en rondom de pezen gelegen, of gewrichtsgallen en dan
klein, rond en vóór de pezen aanwezig. Van de eerste geldt
alles, wat van de aan de pijp voorkomende gallen gezegd is; zij
zijn trouwens dezelfde. De gewrichtsgallen echter (die bij buiging
van het gewricht in omvang afnemen, terwijl de peesscheede-gallen
hierbij grooter worden) moeten nog ongunstiger worden beoordeeld,
zoowel wat aangaat de genezing, alsook wat betreft de bruikbaar-
heid der paarden.
Somtijds knikken jonge, slappe, pas in dressuur zijnde, of ook
wel oude, versleten paarden, gedurende de beweging, in den
kogel zoodanig naar voren over, dat de voorvlakte daarvan met
den bodem in aanraking komt en de huid gewond of van haren
ontbloot wordt. Evenals bij de knie spreekt men in dit geval
van een gekroonden kogel. Bij remontepaarden is dit overknikken —
waarvan de ruiter dan wel eens oneigenlijk zegt, dat het paard nu
en dan een been verliest — niet zeldzaam; het kan echter ver-
minderen en zelfs geheel verdwijnen, indien de paarden nog jong
zijn en, bij een krachtige voeding, matig worden gebruikt. Is
het echter een gevolg van den overkooten stand, dan zijn zulke
paarden, ten minste als rijpaard, onbruikbaar.
In zeldzame gevallen ontstaan aan de achterbeenen gekroonde
kogels door de slechte gewoonte der paarden om in den stal ge-
strekt te gaan staan, met de achterhoeven in de goot, welke
langs de standen loopt.
De huid aan de binnenzijde der kogels wordt niet zelden door
het strijken verwond en, bij gedurige herhaling, aanzienlijk verdikt.
-ocr page 214-
188
Deur de verwonding kunnen de paarden korter of langer tijd
kreupel loopen, terwijl door de verdikking der huid en der daar-
onder gelegen deelen dikke kogels ontstaan, waardoor het strijken
nog wordt bevorderd. Plotselinge kreupelheid, die na eenige passen
minder wordt en dan verdwijnt, wordt meestal door strijken ver-
oorzaakt.
De oorzaken van het strijken kunnen zeer verschillend zijn en
daarnaar moet het worden beoordeeld; in het algemeen echter is
het een belangrijk gebrek. Het ergst is, indien het een gevolg
is van een nauwen stand en van een gebrekkig vooruitwerpen
der beenen, bijv. als de paarden maaien of kruisen. Minder ernstig
kan het strijken zijn, wat de waarde-bepaling van het paard be-
treft, indien het door slecht beslag of bovenmatige vermoeienis is
veroorzaakt, of als het bij zeer jonge, goed gebouwde paarden
met regelmatige gangen voorkomt en dan alleen aan krachteloosheid
en gebrekkige oefening te wijten is. Niet zelden toch ziet men
in zulke gevallen, dat het strijken later geheel verdwijnt.
De wond, door het strijken veroorzaakt, komt gewoonlijk minder
in aanmerking dan het feit, dat het paard een slechten gang
heeft en zelfs over zijn eigen beenen zou kunnen vallen. Strijkijzers
en strijklappen kunnen hierbij dikwijls goede diensten bewijzen;
ditzelfde geldt ook van het zwachtelen der beenen, wat trouwens
niet alleen bij dikke kogels, maar ook bij gallen nuttig is.
De kogel is meer dan andere gewrichten aan verstuiking (effort,
éntorse, mémavchure; Verstauchung j sprain) onderhevig. Daarbij
zijn de banden en de strekpees uitgerekt, en staan de paarden,
evenals bij den overkooten stand, of zelfs alleen op den toon van
den hoef. Het paard is meer of minder kreupel, treedt in den
kogel niet door, doch knikt in dit gewricht, vooral instap, naar
voren over. Men noemt dit ook overkoot zijn; intusschen is het
gemakkelijk een kogelverstuiking van den boven besproken over-
kooten stand te onderscheiden, daar de eerste gewoonlijk plotseling
ontstaan is en met warmte, zwelling, kreupelheid, enz. gepaard gaat.
Steil gekoote paarden hebben meer aanleg tot deze verstuiking
dan die, welke van lange en schuine kooten zijn voorzien.
Aan de achterzijde van den kogel bevindt zich een bosje lange
haren, de vetlok of het behang (Ie fanon; die ITaarzotte, der Köthen-
zopf; the fetlock)
(PI. VH n". 33) genoemd. Bij edele paarden zijn
deze haren fijn en kort, doch bij koudbloedige paarden zijn zij
zeer sterk ontwikkeld en beginnen reeds aan de pijp. Depaarden-
handelaar tracht ze veelal door knippen zoodanig te fatsoeneeren,
-ocr page 215-
189
dat de kogel breed en lang schijnt en liet paard in dit gewricht
een goeden stand vertoont. Knipt men namelijk de liaren van den
vellok volkomen af, dan vallen ronde kogels en .steile kooten of
een eenigszins overkoote stand meer in het oog dan wanneer de
vetlok in een gelijkmatige punt is bijgeknipt. Bij „Shire-horses"
is een lange vetlok raskenmerk; de haren daarvan moeten echter
zacht, zijdeachtig zijn. Hierop wordt bij de beoordeeling speciaal
gelet.
In de huid onder de vetlok bevindt zich een hoornachtig deel,
de spoor of het vethorentje (l\'ergot; der Sporn; the ergot) genoemd,
dat soms wegens sterke ontwikkeling moet worden besneden.
Behalve dat de koot de boven als wenschelijk aangegeven lengte
en schuine richting moet bezitten, ziet men ook gaarne, dat zij
evenwijdig loopt met die van het andere voorbeen en tevens dat
zij droog is. Dikwijls gebeurt het namelijk, dat het ondereinde der
koot naar buiten en soms ook naar binnen gekeerd is. Door het
eerste ontstaat meer of minder een Fransche stand: wordt deze
niet veroorzaakt door vastliggende ellebogen of ossenknieën (PI. XVI
fig. i) en ligt het gebrek dus alleen in den kogel, dan oefent dit
meestal (behalve dat het dier zich niet zelden, soms zelfs nabij
de knie, strijkt) geen nadeeligen invloed op de beweging uit. Bij
lichte en vooral Oostersche paarden, waarbij deze stand zeer gewoon
is en zelfs noodig schijnt te zijn om het ondersteuningsvlak te
vergrooten, heeft men dikwijls gelegenheid dit waar te nemen.
Is het ondereinde der koot echter naar binnen gekeerd, dan
wordt het paard toontreder, waardoor het een maaienden gang
krijgt en zich gemakkelijk strijkt (PI. XVI fig. 2).
Aan de achterzijde der koot en ook daar boven en beneden
komt een eigenaardige huidontsteking voor, die onder den naam
van mok (eaux aux jambes; Mauke; grease) bekend is. Hierbij
ontstaan kloven in de zeer verdikte huid en wordt een kleverig
vocht uitgezweet, waardoor de haren somtijds aan elkander kleven
en overeind gaan staan; in dit geval spreekt men wel van een
struis- of egelvoet. Dikwijls sterven geheele stukken huid af en is
de etterachtige afscheiding zeer rijkelijk. Vooral in dit laatste
geval is de mok zeer langdurig en veroorzaakt zij hevige kreupelheid.
§ 91. De kroon.
Onder den naam van kroon {la couronne: die Krone: the coronet)
(PI. VII n\'\\ 35) verstaat men het zacht gewelfde gedeelte, dat
-ocr page 216-
490
onmiddellijk onder de koot en boven den hoef is gelegen en naar
achteren in de ballen overgaat. Het bovenste gedeelte van het
kroonbeen ligt hieraan ten grondslag , terwijl het ondereinde van
dit been door den hoef wordt omsloten.
De huid der kroon is bedekt met lange, fijne haren, kroon-
haren
genoemd, die over den bovenrand van den hoef hangen.
Deze mogen niet worden afgeknipt, vooreerst omdat het leelijk
staat en vervolgens omdat de hoorngroei, door de mindere be-
schutting van de hoorvoortbrengende deelen tegen de koude,
eenigermate zou kunnen worden belemmerd.
De huid der kroon is zeer gevoelig; alleen stilkolderige, afge-
matte of zeer zieke paarden kan men somtijds op de kroon trappen
zonder dat zij, door oplichten van het been, eenige gevoeligheid
verraden.
De beide z\'ydelingsche kraakbeenderen van den hoef steken
boven den laatsten uit, zoodat zij, ter zijde van de kroon, duidelijk
door de huid gezien en ook gevoeld kunnen worden.
De kroon moet breed en droog zijn en een zacht gewelfden
overgang vormen tusschen de koot en den hoef. Niet zelden echter
vindt men hier een harde verhevenheid, bekend onder den naam
van overhoef (forme; Schede oder Leist; ringboné). Dit is een
beenuitstorting, die meestal aan het boveneinde van het kroonbeen
en het ondereinde van het kootbeen, nabij het kroongewricht
voorkomt, doch zich somtijds ook naar beneden onder den hoorn-
wand of meer naar boven aan de koot uitbreidt; in dit laatste
geval spreekt men wel van een kootoverhoef. Behalve dat de
overhoef verschillend groot kan wezen, kan hij ook meer van
voren of meer ter zijde gelegen zijn of zich zelfs zoodanig rondom
het been uitstrekken, dat hij een ring schijnt te vormen; van-
daar de benaming ringbeen aan dezen vorm van overhoefgegeven.
Steeds is de overhoef een belangrijk gebrek, waaraan de paarden
dikwijls onherstelbaar kreupel loopen; dit laatste is voornamelijk
het geval, indien de kreupelheid, zooals meestal geschiedt, met
een gewrichtslyden gepaard gaat, minder als de beenuitstorting
het gevolg eener beenvliesontsteking is.
Hoewel de overhoeven op iederen leeftijd kunnen ontstaan,
ziet men dit toch het meest gebeuren op 2- a 3-jarigen leeftijd,
dikwijls nog vóór de dieren tot eenigen arbeid worden gebruikt;
het schijnt, dat de erfelijkheid dezer ziekte — die boven allen
twijfel verheven is — op dezen leeftijd het meest haar invloed
doet gelden.
-ocr page 217-
m
De beide hoef kraakbeenderen moeten elastisch en scherp orn-
schreven zijn. Soms zijn ze, vooral het buitenkraakbeen, geheel
of ten deele verbeend. Men zegt dan dat liet paard een zijbeen
(side-bone)
heeft, iets wat dikwijls met klemhoevigheid aan die
zijde gepaard gaat. Indien het zijbeen groot is, lijdt de gang
daardoor belangrijk; het dier loopt stram, wanneer aan beide
voorbeenen een zijbeen aanwezig is, en dikwijls kreupel, als het
aan één been voorkomt. Het lijden is ongeneeslijk en neemt
meestal langzamerhand toe (zie verder Boek IV, Hoofdstuk 4).
De kraakbeenderen van den hoef kunnen in ontsteking en
ettering geraken, waarbij de etter dikwijls aan de kroon door-
breekt en zich een hoef kraakbeenfistel (javart cartilagineux; Huf-
knorpelfistel; quittor)
vormt. Deze is meestal moeielijk te genezen
en veroorzaakt gewoonlijk hevige kreupelheid.
De hoef (PI. VII n°. 36) wordt later afzonderlijk behandeld (zie
Boek IV).
§ 92. De rug.
De rug {Ie dos; der Rücken; the back) (PI. VII n°. 37) ligt achter
de schoft en vóór de lenden en wordt van ter zijde door de ribben
begrensd. Hij heeft tot grondslag de achter de schoft gelegen
rugwervelen, die door verschillende spieren, waarvan de lange
rugspier de voornaamste is, bedekt zijn; de hierover gelegen huid
is zoo vast gespannen, dat zij zich niet tusschen de vingers laat
plooien.
De rug moet kort, bijna horizontaal, breed en krachtig gespierd
zijn en de doornvormige uitsteeksels der rugwervelen moeten zoo
hoog wezen, dat zij, niettegenstaande de krachtige ontwikkeling
der spieren, iets boven de laatste uitsteken.
Indien men van de lengte van den rug spreekt, bedoelt men
gewoonlijk rug en lenden samen; in dezen zin noemt men den
rug kort, indien de afstand van de schoft tot het kruis niet meer
bedraagt dan \'/3 der lengte van den romp, gerekend van den
boeg tot den achtersten zitbeensknobbel.
De lengte van den rug wordt hoofdzakelijk bepaald door de
schoft. Ligt deze namelijk ver naar achteren, zooals dit bij een lan-
gen, schuinen schouder gewoonlijk het geval is, dan is de rug kort
(PI. IX en XIV); heeft het paard echter een korte, ver naar voren
gelegen schoft, zooals men meestal bij korte, steile schouders
waarneemt, dan wordt de rug lang (PI. XII fig. 3). Een paard
kan dus een langen of een korten rug hebben, zonder dat de
-ocr page 218-
romp in lengte verandert of de afstand tusschen de voor- en
achterbeenen grooter of kleiner wordt. Het is daarom ook niet
juist, indien men zegt, dat een paard met een korten rug minder
geschikt is voor snelle gangen, of dat zulk een dier gemakkelijk
in de ijzers klapt. De afstand der voor- en achterbeenen kan
zeer groot zijn bij een korten rug, zooals bij het Engelsch ren-
paard, en omgekeerd ook klein bij een langen rug, zooals onze
minder goede inlandsche paarden dit niet zelden te aanschouwen
geven. Voor rijpaarden nu, en in het algemeen voor alle paarden,
die in snelle gangen moeten worden gebruikt, wenscht men een
grooten afstand tusschen de voor- en achterbeenen, alzoo een
langen romp; voor zware trekpaarden echter, die alleen stapvoets
werk te verrichten hebben, kunnen deze beenen dichter bij
elkander geplaatst zijn; in ieder geval evenwel moet de rug kort
wezen. Men ziet dan ook zoowel bij de beste ry- als koets- en
trekpaarden een korten rug; het Arabische paard (PI. Vil), de
Engelsche hunter (PI. XIII), het Anglo-Normandische koetspaard
(PI. IX) en het zware Condroz-paard (PI. XI) leveren hiervan
voorbeelden.
Vooral echter voor rijpaarden, die den ruiter te dragen hebben,
is het van het grootste belang, dat de brug, die de voor- met
de achterhand vereenigt, kort zij; een korte brug toch zal beter
zonder doorbuigen een zwaren last kunnen dragen dan een lange.
Bovendien komt het zadel bij een korten rug van zelf meer naar
achteren te liggen dan bij een langen, zoodat de voorhand minder
bezwaard en haar beweging dus vrijer wordt.
Een goed gebouwd rijpaard heeft echter en moet ook hebben,
zooals wij boven reeds zagen, een betrekkelijk langeren romp dan
een trekpaard; dit ontstaat door de grootere lengte van de schou-
derstreek en van liet kruis. Hoe langer deze zijn, des te langer
kan ook de rugstreek wezen, zonder meer dan \'/s der lengte van
den romp te bedragen. Hierdoor krijgen niet alleen de beenen
vrijer spel, doch ook de lengte-afmeting van de borstkas wordt
grooter, zoodat het paard, indien breedte en diepte der borst met
de lengte overeenkomen, een zeer ruime ademhaling kan hebben.
Een lang paard (PI. XVIII) — want aldus noemt men gewoonlijk
een paard, waarvan de lengte van rug en lenden veel grooter is
dan die van het schoudergedeelte of van het normaal gebouwde
kruis — is vooral als rijpaard ongeschikt, en dit te meer, naarmate
de lenden meer tot dit gebrek bijdragen. Deze laatste kunnen namelijk,
evenals de ligging der schoft, door ontwikkeling en aantal der
-ocr page 219-
193
wervels, van invloed zijn op rle grootte van den afstand tusschen
schoft en kruis; we zullen dat hij de beschouwing van dit lichaams-
deel nader bespreken.
liet langer zijn van iederen rugwervel of wel een rugwervel
meer heeft op zich zelf op de lengte van den rug weinig of geen
invloed; is het paard hierbij, wat schouder en schoft aangaat,
goed gebouwd, dan wordt daardoor ook de .schouderstreek langer
en mag eveneens de rugstreek een grootere lengte bezitten. Men
krijgt dan wel een langen romp, doch de rugstreek bedraagt niet
meer dan 1JS der lengte van den laatsten. Zoo heeft men 19
rugwervelen aangetroffen bij Arabische en Engelsche volbloed-
paarden, terwijl de eigenlijke rug kort en de lengte van rug en
lenden samen (hierbij neemt men dan gewoonlijk slechts vijf len-
denwervelen waar) geringer was dan die van de schouderstreek.
De rug moet verder recht zijn, zoodanig, dat hij langzaam
uit de lange schoft ontstaat en nagenoeg horizontaal in de lenden
en in het, 2\'/,—4 cM. lager dan de schoft gelegen kruis o ver-
gaat. Zulk een bouw, waarbij de rugstreek in den regel tevens
kort is, is voor rijpaarden en ook voor koetspaarden van groot
belang; er bestaat dan evenwicht in het lichaam en het draag-
vermogen van het paard is in hooge mate ontwikkeld.
Indien het kruis even hoog of hooger ligt dan de schoft, gaat
het evenwicht verloren en wordt de voorhand bezwaard ten koste
van de achterhand. Rijpaarden kunnen daardoor niet in een „ver-
zamelde" houding worden gereden, hetgeen nog meer belemmerd
wordt door het zoo gemakkelijk naar voren schuiven van het
zadel. Indien het echter niet schaadt, dat een paard, zooals
men wel eens zegt, .,op de voorhand wegloopt", gelijk bij ren-
paarden, dan hindert een schuin naar achteren oploopen van den
rug niet; ja, zelfs kan dit voordeelig zijn voor de snelheid, indien
de grootere hoogte der achterhand niet ontstaan is ten koste van
de gewrichtshoeken der achterbeenen, doch door een grootere
lengte, voornamelijk van de dij en den schenkel.
Ook voor zware trekpaarden is een dergelijk hooger dan de
schoft gelegen kruis niet nadeelig, zelfs al zijn daarbij de ge-
wrichtshoeken der achterbeenen, voornamelijk van het heup- en
kniegewricht, meer geopend. Bij deze dieren toch, die zich enkel
in langzamen stap bewegen, behoeven de achterbeenen telkens
slechts weinig vooruit te worden gebracht, terwijl het lichaam
door de lagere voorhand een grooteren last in het tuig plaatst,
waardoor de trekkracht wordt verhoogd. Bij de krachtigste trek-
13
-ocr page 220-
194
paaiden (Clydesdaler, SufTolk, Condroz (PI. XI), enz.) vindt men
dan ook steeds dezen bouw.
Indien de rug naar beneden gebogen is, zegt men, dat het
paard een zadelrug (don etisellé; Senkriicken; hollow baci) (PI. XVII
fig. 1) heeft; ook de uitdrukkingen: ..het paard heeft weinig rug",
..heeft geen rug", .,is een beetje in den rug", enz. zijn hierbij
gebruikelijk, vooral indien de doorbuiging slechts gering is.
Zadelruggen ontstaan het gemakkelijkst bij paarden met een hoog
aangeheehten hals, vooral wanneer zij als veulen uit een hooge
ruif moeten eten of te vroeg als rijpaard worden gebruikt.
Juist de bijna verticale hals is oorzaak, dat deze paarden, ondanks
hun overigen gebrekkigen bouw, soms al te veel worden ge-
waardeerd. Reeds door den zadelrug zelven, doch meer nog
door den veelal hoogen, bijna verticaal op den romp staanden
hals, komt de voorhand fraai uit en heeft het paard gewoonlijk
een hooge kniebeweging. Dergelijke paarden mogen nu als
koetspaard niet van waarde zijn ontbloot, als rijpaard zijn zij
echter ongeschikt, daar de rug onvermogend is den ruiter te
dragen en — ten koste van de voortbeweging — steeds een
groote spierinspanning wordt gevorderd, om het te veel doorzakken
van den rug te voorkomen. Zij moeten dus spoediger vermoeid
en ook vroeger versleten zijn dan die, waarbij de rug recht is en
het dragen van den ruiter slechts weinig spierkracht vordert. Bo-
vendien lijdt de beweging nog daardoor, dat het zadel steeds naar
voren schuift en alzoo de voorhand bezwaart, terwijl het gemak -
kelijk vooruitbrengen der achterbeenen wordt belemmerd door den
buik, welke evenredig aan den rug is doorgezakt; dit alles is dan
ook de reden, dat zulke paarden dikwijls prachtig gaan aan de
hand, doch het onder den ruiter, zooals men wel eens zegt,
spoedig „afleggen."
Gewoonlijk neemt liet doorzakken van den rug met den ouder-
dom toe; verschillende omstandigheden kunnen daartoe het hare
bijdragen, zooals het gebruik als rijpaard, vooral indien het daarbij,
hetzij door een gebrekkigen halsvorm, hetzij door slechte africh-
ting, den neus in den wind steekt; verder het hoog opzetten bij
koetspaarden, d. i. het kunstmatig hoog oprichten van den hals,
onverschillig of zulks met den bouw van dezen overeenkomt of
niet; dan herhaalde drachtigheid en eindelijk de vermagering van
alle, en hier in het bijzonder van de rugspieren.
Dikwijls beweert men, dat de rug van een ruin krachtiger is
dan van een merrie; waarschijnlijk berust deze meening op het
-ocr page 221-
196
feit, dat men niet zelden 4 a 5-jarige merriën koopt, die reeds
geveulend hebben, zonder dat men dit vermoedt en daarnaar
dus een onderzoek instelt.
Indien de rug naar boven is gebogen, noemt men hem een
karperrug (dos de carpe ; Karpfenrücken ; roachback) (PI. .WHfig. 2);
daarbij kan nu óf de geheele rugstreek gelijkmatig gewelfd zijn,
of, wat het meest plaats heeft, de kromming bepaalt zich tot de
lenden en wel zoodanig, dat liet midden der lenden het hoogste
punt van den boog vormt.
Evenals het ontstaan van een zadelrug wordt bevorderd door
een hoog aangehechten hals, kan omgekeerd de karperrug worden
veroorzaakt door alle omstandigheden, die hoofd en hals nood-
zaken steeds zooveel mogelijk den bodem te naderen. Men ziet
dezen dan ook dikwijls — ten minste, wat het lendengedeelte
betreft — zoowel bij het Engelsch renpaard met zijn langen,
laag aangehechten hals, welke nimmer, noch bij den arbeid,noch
in den stal hoog wordt opgericht, als bij het, te jong tot zwaren
arbeid gebruikte trekpaard of bij oude sleeperspaarden, die hun
leven lang veel en zwaren dienst hebben verricht. Bij deze laatste
heeft het geheele lichaam trouwens een vooroverhangende houding
aangenomen, de schouders zijn naar voren geplaatst, de voor-
beenen onder het lijf, terwijl de laag aangehechte hals door het
zware hoofd naar beneden wordt getrokken, alle eigenschappen,
die zeer geschikt zijn om groote lasten te verplaatsen, doch aan
den anderen kant niet zonder invloed blijven op de richting van
de rugstreek, welke door den ouderdom toch reeds haar span-
kracht heeft verloren. Het is duidelijk, dat het naar boven krom-
men van den rug bij trekpaarden des te gemakkelijker zal kunnen
geschieden, naarmate deze langer en oorspronkelijk minder door-
gezakt is.
Uit het voorafgegane volgt reeds, dat de karperrug in de bij-
zondere gevallen verschillend moet worden beoordeeld; terwijl een
licht opgebogen zijn van de lenden bij een renpaard gaarne wordt
gezien en zelfs eenigermate ras-eigenschap is, heeft men voor een
rijpaard, dat zich, zooals het in de rijkunst heet, gemakkelijk
moet kunnen „verzamelen" en dus in een natuurlijk evenwicht
moet verkeeren, liever een volmaakt rechte rugstreek. Paarden
met karperruggen kunnen goed zijn voor den langen weg, zij zijn
echter geen manege-paarden en dit niet alleen om hun rugvorm,
maar ook en voornamelijk wegens hun overigen bouw, in het
bijzonder wat betreft den gewoonlijk laag aangehechten hals en
-ocr page 222-
106
de hiermede meestal gepaard gaande lage beweging der voor-
beenen. Daarbij schuift het zadel gemakkelijk naar voren, zoodat
de evenwichtstoestand nog meer wordt verbroken. Niettegenstaande
dit alles is voor een rijpaard een geringe mate van karperrug te
verkiezen boven een zadelrug en lage lenden.
Bij een jong trekpaard moet een karperrug veel ongunstiger
worden beoordeeld dan bij een oud; in het eerste geval getuigt
deze namelijk meestal van groote zwakte, door slechte voeding als
anderszins veroorzaakt, terwijl hij bij een oud dier alleen bewijst,
dat de krachten door den arbeid, den ouderdom, enz. zijn afge-
nomen.
Bij alle paarden, voor welken dienst ook, ziet men gaarne een,
met den overigen lichaamsbouw evenredig breeden rug. Deze
getuigt van een sterke welving der ribben en alzoo van een
breede borstkas en ruime ademhaling; gewoonlijk voeden zulke
paarden zich ook beter dan zeer smalle.
Daarbij moet de rug steeds krachtig gespierd en de doornvor-
mige uitsteeksels zoodanig ontwikkeld zijn, dat zij eenigszins boven
de spieren uitsteken. Indien dit niet plaats heeft, dan ontstaat de
dubbele of gespleten rug, welke bij onze inlandsche paarden niet
zelden wordt aangetroflen. Hierbij zijn de rugspieren van beide
zijden door een groeve gescheiden en alzoo schijnbaar krachtig
ontwikkeld. Gewoonlijk echter zijn deze paarden niet sterk, en in
ieder geval zijn deze ruggen niet tot dragen geschikt.
Indien omgekeerd de doornvormige uitsteeksels zeer sterk ont-
wikkeld zijn, ontstaat de scherpe of ezelsrug (dos de mulet).
Terwijl nu bij den gespleten rug in den regel sterk gewelfde
ribben voorkomen, ziet men bij dezen rugvorm meestal platte
ribben; vandaar nog meer de overeenkomst met den rug vanden
ezel. Doch niet alleen in vorm, ook in eigenschappen gelijkt hij
hierop; hij bezit namelijk hetzelfde groote draagvermogen, maar
daarbij ook zijn onbuigzaamheid. Paarden met ezelsruggen kunnen
daarom als rijpaard worden gebruikt, doch zij zijn niet zelden
moeielijk te rijden; vooreerst is hun beweging minder veerend
dan bij een gewonen rug, maar dan ook kunnen zulke paarden,
indien hun overige bouw en hun temperament daarmede in over-
eenstemming zijn — en dit is niet zelden het geval — soms
krachtig bokken en daardoor den „zit" van den ruiter in gevaar
brengen.
Met den ouderdom kan de rug minder buigzaam worden; dit
ontstaat door een verminderde elasticiteit van de tusschen de
-ocr page 223-
407
lichamen der wervelen gelegen kraakbeenige schijven; soms heeft
men zelfs een gedeeltelijke verbeening daarvan tusschen de
lichamen der lendenwervelen waargenomen.
In enkele gevallen is de rug zóó gevoelig, dat het dier zich
voortdurend met alle macht tegen het dragen van eenigen last
verzet en daarom als rijpaard onbruikbaar is. Meermalen gebeurt
het echter, dat de verhoogde gevoeligheid zich alleen openbaart
gedurende de eerste oogenblikken, wanneer de ruiter is opge-
stegen; het paard loopt dan met een gekromden rug, of, zooals
men liet wel noemt, met een «opgetrokken rug» of »kattenpokkel»
en beweegt zich daarbij met korte passen en slechts zeer weinig
geopende gewrichten. Dikwijls ook bokt het en tracht zich op
deze wijze van den last te ontdoen. Het paard is hierdoor niet in
staat een regelmatigen draf aan te nemen en de ruiter krijgt een
gevoel, alsof het dier op stelten loopt. Spoedig evenwel, soms
reeds dadelijk bij het begin van den draf, vermindert de gevoeligheid
en »geeft de rug na» (\'), dat wil zeggen, geraakt hij in elastische
spanning, zonder echter door te zakken. In vele gevallen is het
eenigen tijd te voren opzadelen van het paard voldoende, om deze
gevoeligheid op te heffen; paardenhandelaars brengen peper of
gember in den anus, waardoor de staart hoog wordt gedragen,
zoodat het kruis zich strekt en dus de rug wordt ingebogen.
Evenals aan de schoft kunnen ook op den rug drukkingen met
haar verschillende gevolgtoestanden voorkomen. In het voorjaar
ziet men daar ter plaatse somtijds bij paarden, die het vorig
jaar in de weide hebben geloopen, een of twee, zelden meer
gezwellen, wormbuilen genoemd, die in den eersten tijd met een
drukking zouden kunnen worden verwisseld. Zoodanige wormbuil
bevat de larve van een horzel (hjpoderma), die weldra door een
opening naar buiten komt; om het verloop te verhaasten kan ze
worden uitgedrukt, waarna doorgaans spoedig genezing volgt.
§ 93. De lenden.
De lenden {les reins; die Lenden; the loins) (PI. VII n°. 38),
vormen den overgang van den eigenlijken rug in het kruis en
hebben tot grondslag de zes lendenwervelen met de daarover
gelegen spieren, waarvan de lange rugspier en het begin van de
groote bilspier de voornaamste zijn.
(1) Deze en andere germanismen, uls „zit" van den ruiter, „verzamelde" houding,
enz. liebben in de rijkunbt zulk een burgerrecht verkregen, dat wij ze, duidelijkheids-
Imlve, meenen te moeten behouden.
-ocr page 224-
198
Zij moeten kort, breed en niet krachtige spierea bedekt zijn en
in een horizontale of 2tfc/tf opkopende lijn van den rug in het kruis
overgaan (PI. VII, IX en XIII).
Van nog grooter belang dan een korte rug zijn korte lenden;
terwijl de rug namelijk nog overal, zij het achter ook slechts door de
valsche ribben, wordt gesteund, is dit met de lenden geenszins
het geval. Deze worden nergens geschraagd dan aan haar voorste
en achterste gedeelten. De vergelijking met een brug, waardoor
de voor- met de achterband wordt vereenigd, is dus in het bij-
zonder op de lenden van toepassing. Het naar boven of beneden
doorbuigen van deze brug moet door de spieren worden belem-
merd. Deze dienen daarvoor echter niet alléén, zelfs niet in
hoofdzaak; haar gewichtigste bestemming is de voor-, doch
voornamelijk de achterband te bewegen. Die taak kunnen zij
het best vervullen, indien de lenden zoo krachtig zijn, dat zij
als het ware een vast punt voor deze spieren opleveren. Dit nu
is alleen dan het geval, indien zij zeer kort, breed en horizontaal
of slechts een weinig opgebogen zijn.
Korte lenden ontstaan öf door geringe ontwikkeling der wer-
velen öf, wat in enkele gevallen bij Arabische en Engelsche
volbloedpaarden voorkomt, door bet ontbreken van een wervel,
zoodat er in plaats van zes, slechts vijf voorkomen, gelijk dit bij
den ezel steeds het geval is. Dit laatste dier nu is bij uitstek
een lastdier; zoo zullen ook paarden met dergelijke korte lenden
bijzonder geschikt zijn als rijpaard. Doch niet alleen hiervoor,
ook als koets- en trekpaard zijn zij gezocht, omdat de beweging
der achterhand daarbij krachtig en regelmatig wordt. Paarden
met lange lenden (PI. XVII fig. 1 en PI. XVIII) namelijk zijn zwak van
achteren, hebben een waggelenden gang en sleepen dikwijls de
toonen der achterhoeven over den grond, vooral indien de lenden —
wat gewoonlijk het geval is — daarbij schraal en laag zijn of zelfs
met een verdieping in het kruis overgaan. Voor welken dienst
ook, steeds zijn lange lenden een groot gebrek en verminderen in
hooge mate de waarde van het paard.
Evenzoo is de breedte der lenden voor elk paard van gewicht.
Zij wordt bepaald door de ontwikkeling van de dwarse uitsteeksels
der wervelen; hoe langer deze zijn, des te krachtiger zijn de
lenden en des te meer worden haar bewegingen naar ter zijde
beperkt, zoodat de bewegende kracht, die van de achterbeenen
uitgaat, onmiddellijk op den romp wordt overgebracht. Smalle
lenden zijn daarentegen zwak en gaan dikwijls samen met eeq
-ocr page 225-
199
waggelende beweging van het kruis. Dok ile breedte der dwarse
uitsteeksels is van belang; indien deze namelijk breed zijn, be-
staat er een groote vlakte voor spieraanhechting.
In den regel heeft men bij breede lenden ook een sterke ont-
wikkeling der spieren; deze vertoonen zich bij krachtige lenden
soms als kussentjes aan weerszijden van de doornvormige uitsteek-
sels, ja zelfs steken de spieren boven de laatste uit. Bij goede
lij paarden treft men zulk een ontwikkeling der lendenspieren
volstrekt niet zelden aan en zelfs kan men ze, bij doelmatige
oefening en krachtige voeding, in omvang en vastheid zien toe-
nemen. Dergelijke krachtig gespierde lenden kunnen zelfs ras-
eigenschap worden, zooals dit bij Engelsche volbloedpaarden is
waar te nemen.
Deze moeten echter wel worden onderscheiden van de gespleten
of dubbele lenden (reins doubles), waarbij, evenals bij den gespleten
rug, de sterke ontwikkeling der spieren slechts schijnbaar is,
aangezien de doornvormige uitsteeksels der wervelen zeer laag zijn.
Gespleten lenden zijn daarom gewoonlijk ook laag; bovendien zijn
de spieren hierbij doorgaans niet hard en droog, maar met veel
vet omgeven. Zoo krachtig nu de eerstgenoemde sterk gespierde
lenden zijn, zoo zwak zijn in den regel de gespleten lenden; ge-
lukkig echter komen de laatste zelden voor bij paarden, die
overigens als rijpaard in aanmerking zouden komen, doch meer
bij koudbloedige rassen.
Dat volmaakt horizontale lenden voor ry- en koetspaarden het
meest gewenscht zijn, doch dat zij bij renpaarden en in het al»
gemeen bij rijpaarden voor den langen weg, een weinig opge-
bogen (reins arc-boutês), in geringen graad karperrug mogen zijn,
is bij den rug reeds voldoende vermeld. Bij zware trekpaarden
mag het kruis, gelijk wij aldaar zagen, iets hooger zijn gelegen
dan de rug, zoodat de lenden naar het kruis moeten oploopen.
Zij moeten daarbij echter steeds een rechte, nimmer een kromme
lijn, vooral geen naar boven gekromde lijn beschrijven. Het laatste
is voor een zwaar trekpaard zeer nadeelig, temeer, daar de lenden,
bij het sterk trekken toch steeds naar boven worden gekromd en
de kracht van het dier een wijl verhoogd wordt door dit te be-
lemmeren, bijv. door — hoe barbaarsch het ook schijnen moge —
een oogenblik op de lenden van het zwaar trekkende paard te
gaan zitten.
Het nadeeligst echter van alles is, indien de lenden zeer laag
zijn of zelfs met een verdieping in het kruis overgaan; de laatste
-ocr page 226-
\'200
worden\' wolftleiuleti (PI. XVII hg. 3) genoemd en gaan steeds ge-
paard niet een waggelenden gang en zwakte van het achterstee
Paarden met wolfslenden zijn als rijpaard ongeschikt, te meer,
daar deze lenden gewoonlijk tevens lang zijn. Dikwijls klappen
zulke paarden in de ijzers (forger; schmieden oder in die Eisen
Iduten; to overreach)
en vangen zich (greifen) zelfs, vooral indien —
wat niet zelden het geval is — ook de voorhand zwak is gebouwd.
Het achteruitgaan geschiedt bij deze lenden zeer bezwaarlijk.
Somtijds knijpt men een paard in de lenden met het doel zijn
kracht te onderzoeken. Hierdoor worden namelijk de rugspieren ge-
spannen en alzoo het kruis gestrekt. Hoe krachtiger nu de rug-
spieren zijn, des te gemakkelijker en des te sterker strekt zich
het kruis. Bij zeer krachtige paarden met een levendig tempera-
ment is de natuurlijke spanning der rugspieren reeds voldoende,
om het kruis gestrekt te houden; zijn de rugspieren echter zwak,
en dus niet sterk genoeg om op den duur de werking van de
buigspieren van den schenkel — die het kruis naar de laagte trek-
ken — te overwinnen, dan heeft het paard een afhangend kruis.
Bij rijpaarden worden de lenden niet zelden gedrukt door
den mantelzak (mal de rognori).
Door vallen, sterke krachtsinspanning, enz. kan de normale
vereeniging van de lendenwervelen met het kruisbeen worden op-
geheven, waardoor de paarden een waggelenden gang verkrijgen
en slechts met veel moeite achteruit kunnen gaan. Indien het
ruggemerg beleedigd is, zooals dit kan ontstaan, wanneer een
onder den latierboom liggend paard met kracht opspringt en zich
aldus de lenden hevig tegen dezen boom kneust, volgt soms
een gedeeltelijke verlamming der achterhand, die het dier niet
zelden voor altijd onbruikbaar maakt.
§ 94. De ribben.
De ribben (les cötes; die Rippe; the ribs) (PI. VII n°. 39) vormen
de zijwanden der borstholte. Zij worden van voren bedekt door
de schouders, zoodat zij slechts van den achterrand der laatste tot
aan de flanken duidelijk zijn waar te nemen. De onder de schouders
gelegen ribben zijn weinig gekromd; de grootste welving bezitten
zij daarachter, ongeveer van de 12de tot de 18ae rib.
Zij moeten sterk gewelfd en lang zijn. Men noemt de ribben
goed gewelfd, indien zij van den rug uit sterk gekromd naar ter
zijde en achteren gaan en bijna in dezelfde ronding naar beneden
doorloopen. In dit geval zal men, van voren naar achteren langs
-ocr page 227-
201
den schouder ziende, de uitwendige vlakte van de dij niet kunnen
waarnemen, omdat dit lichaamsdeel door de ribben voor het oog
wordt verborgen. Zijn de ribben echter zoo weinig gewelfd, dat
men, in de aangegeven lijn zijn blik richtende, langs de ribben
heen de dij kan zien, dan noemt men het paard vlak-ofplalgeribd
(Jlat ribbed)
(PI. XVIII).
De tonvormige gedaante der ribben is voor elk paard van groot
belang; zij bewijst, dat de longen ruim ontwikkeld zijn en het
dier in de jeugd krachtig gevoed is geworden. Paarden, welke
gedurende hun 2ae en 3de levensjaar, hetzij quantitatief of, wat
het meest gebeurt, qualitatief gebrek hebben geleden, bezitten
steeds platte ribben. Na het 3ae jaar is de wasdom der ribben
grootendeels geëindigd; door een goede voeding en doelmatige
oefening kunnen zij zich nog wel iets meer welven en de borst
eenigszins in omvang doen toenemen, de fout van het 2delevens-
jaar, waarin de ontwikkeling der ribben het sterkst is, kan
evenwel nooit volkomen worden hersteld.
Zoowel bij de zeer breede borst van het zware trekpaard als
bij de meer smalle van het rijpaard moeten de ribben tonvormig
zijn; de breedte der borst namelijk is nog volstrekt geen bewijs, dat
de ribben de gewenschte welving bezitten.
Een breede, ruime borstkas is een teeken van kracht en vol-
harding; in dit geval toch kan telkens een groote hoeveelheid
lucht worden ingeademd, waardoor de bloedvorming begunstigd
wordt en van het bloed is alle stofwisseling in het lichaam af-
hankelijk. De breedte der borstkas is zeer verschillend; de uitersten
kunnen — bij gelijke hoogte — bijna de verhouding van 1: 2
bereiken. Intusschen is het duidelijk, dat voor het rijpaard de
breedte van de borstkas slechts relatief groot mag zijn, wijl de
gang anders waggelend zou worden en voor den ruiter overwe-
gende bezwaren zouden ontstaan.
Terwijl de grootte van de dwarse doorsnede der borstkas van
haar breedte afhangt, is de hoogte-afmeting, of, zooals men het
noemt, de diepte der borst, evenredig aan de lengte der ribben.
Men noemt de borst diep, indien haar onderste gewelfde vlakte
lager komt te liggen dan de horizontale lijn, die men zich door
het ellebooggewricht getrokken denkt; in dit geval zal de afstand
van het hoogste punt der schoft tot het ellebooggewricht gelijk
zijn aan den afstand van dit gewricht tot den kogel.
Indien het paard regelmatig gebouwd is en in evenwicht ver-
keert, zal de door het ellebooggewricht getrokken horizontale lijn
-ocr page 228-
t>0\'2
tevens liet kniegewricht raken, omdat deze gewrichten in dit
geval op gelijken afstand van den bodem zijn verwijderd.
Wanneer de ondervlakte der borst deze horizontale lijn niet
bereikt, noemt men haar ondiep en het paard hoogbeenig. Dit treft
men in den regel aan bij paaiden, welke slecht gevoed zijn ge-
worden op den tijd, dat de borst zich het meest ontwikkelt, alzoo
in het 2de levensjaar.
Bij zijn geboorte heeft het veulen hooge beenen, doch een
smalle en ondiepe borst. In het 4»te jaar groeien de beenen bijna
tot hun volle hoogte, terwijl de romp in vergelijking hiermede
slechts weinig in lengte en diepte toeneemt; een paard wordt dus
meestal daardoor hoogbeenig, dat het den vorm van het veulen
blijft behouden. In het 2de jaar ontwikkelt zich het meest de
borst en evenzoo de gewrichten en de korte beenderen; de romp
wordt dus dieper en de gewrichten worden breeder. Ongeveer
met het 3de jaar groeien deze deelen weinig of niet meer, terwijl
de lange beenderen en de wervelen, hoewel weinig, zich blijven
ontwikkelen tot het 5de jaar en daarboven. Een betere voeding
na het 3de jaar komt dus alleen aan deze beenderen ten goede
en veroorzaakt een wanverhouding in den lichaamsbouw.
Indien omgekeerd de wasdom tusschen het l8te en 3de jaar
sterker is dan na dezen tijd, kan de ondervlakte der borst lager
komen te liggen dan de horizontale lijn door het ellebooggewricht;
de afwijkingen, die op deze wijze kunnen ontstaan, vallen echter
binnen zeer nauwe grenzen.
In de meeste gevallen is de grootere diepte van de borst slechts
schijnbaar en wordt zij veroorzaakt door een vooroverhangende
houding van het lichaam, waardoor de romp dieper tusschen de
voorbeenen wegzakt. Een, op deze wijze ontstane diepe borst zal
men nooit aantreffen bij paarden met een rechte houding, die
in een natuurlijk evenwicht verkeeren, doch wel bij hetEngelsch
renpaard en ook bij zware trekpaarden.
Bij een vergelijking van de diepte der borst met de hoogte
van het been, denkt men zich een verticale lijn getrokken van
het hoogste punt der schoft dooi\' den onderarm en den kogel tot
op den bodem. In deze lijn geeft de afstand van de schoft tot
het ellebooggewricht de diepte der borst te kennen, welke bij een
goed gebouwd paard gelijk moet zijn aan den afstand van dit
gewricht tot den kogel. Indien echter de ontwikkeling in de jeugd
door een gebrekkige voeding belemmerd is geworden, dan wordt
het paard hoogbeenig, d. i. de afstand van den elleboog tot den
-ocr page 229-
203
kogel is grooter dan van den elleboog tot den bovenrami der
schoft. Sleclits bij uitzondering veroorzaakt een krachtige voeding
in de eerste jaren het omgekeerde en wordt het paard daardoor
laag op de beeneti. Hoogbeenige paarden kunnen zich soms wel —
indien de borst niet al te ondiep en dus de schouder niet zeer kort
is — met groote snelheid bewegen, zij bezitten echter nooit de
volharding, die aan een diepe borst eigen is
Bij een ondiepe borst schijnt de breedte steeds grooter te zijn
dan zij werkelijk is, omdat de kromming der ribben, over een
korteren afstand verdeeld, grooter is dan bij een diepe borst van
dezelfde breedte; iets overeenkomstigs is het geval, indien de
doornvormige uitsteeksels zeer kort zijn, bijv. bij een gespleten rug.
Deze schijnbaar sterkere ronding der ribben kan dus nooit de
ontbrekende diepte vergoeden.
Bij een regelmatig gebouwd paard met een krachtige ontwik-
keling der spieren aan de ondervlakte der borst vormt die vlakte
een horizontale lijn; is daarbij echter de borst tusschen de voor-
beenen gezakt, zooals bij het Engelsch renpaard, dan loopt deze
lijn naar achteren in de hoogte (PI. XIV).
Wanneer het paard rustig ademt, is de beweging der ribben
zoo gering, dat men ze nauwelijks bemerkt, doch bij snelle gan-
gen, bij ziekten der ademhalingsorganen, enz. wordt zij zeer in
het oog vallend en versneld. Het zijn voornamelijk de valsche
ribben, die dan bij de inademing naar buiten en naar voren
worden gekanteld, terwijl de ware ribben slechts zeer weinig tot
vergrooting van de borstkas bijdragen. Daarom kan het vast aan-
singelen van een op zijn plaats liggend zadel zonder nadeel ge-
schieden.
Hoe spoediger de ribben na een snelle beweging weer tot rust
komen, des te beter is het paard op adem.
Soms ziet men bij ziekten der longen, bijv. dampigheid, gedu-
rende de uitademing onder de valsche ribben een groeve, damp-
groeve (Dampfrinne)
genoemd, ontstaan, welke door een kramp•
achtige samentrekking der buikspieren wordt veroorzaakt. Deze
groeve komt echter ook bij andere ziekten en zelfs in gezonden
toestand, bijv. bij een sterk opgetrokken buik, voor.
Aan de onderzijde der ribben ligt, onmiddellijk onder de huid,
een bloedvat, de spoorader genoemd, dat vroeger bij borst- en
buikziekten tot aderlating werd gebezigd.
Een losliggende, gemakkelijk over de ribben verschuifbare huid
rnet glad en glanzend haar bedekt, is een teeken van gezondheid.
-ocr page 230-
20-i
Niet zelden ziet men aan den overgang van de ribben in de
llanken, nabij de valsche ribben, onder de huid, een groeve,
welke gewoonlijk van achteren en boven naar voren en beneden
loopt. Deze groeistreep, zooals men ze zou kunnen noemen, staat
in verband met een groot er vochtrjjkdom van het onderhuidsch
bindweefsel en toont aan, dat het paard gezond is en groeit, d. i.
vetter wordt. Men neemt ze daarom dikwijls waar, indien paarden
onder beter verhoudingen zijn gekomen, bijv. in de weide of bij
rust en goede voeding na zwaren arbeid.
Drukkingen en haar gevolgen zijn op de ribben geen zeldzaam-
lieden; soms bemerkt men daarop harde knobbels als gevolg van
genezen ribbenbreuken. Ook versche ribbenbreuken doen zicli
soms voor onder verschijnselen, die aan drukking kunnen doen
denken.
Kale plekken op den borstwand achter de ellebogen kunnen
het gevolg zijn van scherpe zalven of mostaardpappen, die tot
alleiding bij hevige borstziekten zijn aangewend.
Bij het aansingelen ziet men niet zelden, vooral bij kittelige
paarden, dat zij zich opblazen, d. i. de ribben na een krachtige
inademing, vastzetten, terwijl de rug naar boven wordt gekromd;
gewoonlijk bijten zij daarbij tevens op de ruif of de krib, trip-
pelen heen en weer en slaan met den staart. Dit kan zeer hin-
deiiijk zijn en een herhaald aansingelen noodig maken.
§ 95. De flanken.
De zijden of flanken (les flancs; die WeicJien oder Flanken; the
/lancs)
(PI. VII n°. 40) liggen onder de lenden, tusschen de laatste
ribben en de heupen.
Zij moeten smal zijn en een gelijkmatigen overgang vormen van
de ribben in de heupen. In dit geval noemt men ze goed gesloten
en zegt men van zulke paarden, dat zij kortgeribd (ribbed home)
zijn, waarmede men wil te kennen geven, dat de ribben kort bij
de heupen zijn gelegen. Dergelijke flanken heeft men alleen,
indien de ribben ver naar achteren gewelfd en de lenden korten
breed zijn; zij bezitten dus dezelfde voordeden als deze en zijn
daarom voor elk paard, zonder onderscheid, van groot belang.
Paarden met smalle flanken zijn krachtig en volhardend, zij
voeden zich gemakkelijk en worden daarom niet zelden gestopt of
vast genoemd,
-ocr page 231-
205
Indien omgekeerd de lenden lang zijn, worden de danken breed
en vormen zij aan weerszijden een grootere of kleinere verdieping,
de z.g. hongergroeve, tusschen de laatste ribben en de heupen.
Men spreekt dan van holle of ingevallen flanken (PI. X.VIII). Uier-
mede gaat steeds een zwakke vereeniging van de voor- met de
achterhand gepaard en mist de rug, zoowel onder den ruiter als
bij het zware trekken, de noodige kracht. Evenwel kunnen zeer
breede lenden eenigermate het nadeel vergoeden, dat door lange
lenden en dus breede flanken wordt veroorzaakt.
Paarden met holle flanken verkeeren, onder overigens gelijke
verhoudingen, gewoonlijk in een slechteren voedingstoestand dan
die, waarbij de laatste rib zeer dicht, bij de heup en daarmede
in één vlak is gelegen; men noemt ze daarom wel doorjagers en
wil daarmede te kennen geven, dat een groot gedeelte der voe-
dingsmiddelen hun lichaam onverbruikt weder verlaat. In
tegenstelling met kortribbigheid, spreekt men hier dikwijls van
langribbigheid (slack in the ribs), of men zegt van zulke paarden
oneigenlijk, dat zij een rib te veel hebben; zeer oneigenlijk, want
indien zij wezenlijk 19 in plaats van 18 ribben hadden, zouden
de lenden kort en dus de flanken smal zijn.
Bij magere paarden zullen breede flanken, vooral indien de
heupen daarbij sterk uitsteken, meer in het oog vallen dan bij
goed gevoede en rondheupige; ook bij drachtigheid, vooral in het
laatste tijdperk, is het invallen of wegzakken der flanken te
duidelijker, naarmate ze breeder zijn.
Indien de flanken zeer sterk zijn ingevallen en in het midden
een scherp uitstekende band, z g. een koord, wordt gevormd,
noemt men ze opgetr-okken (flancs cordés; aufgeschïrzte Flanken j
tucked flanks); deze kunnen soms bij overigens goed gevoede
paarden binnen eenige dagen ontstaan, indien zij aan belangrijke
spijsverteringsstoornissen, bijv. doorloop, lijden. Meestal ziet men
ze echter bij zeer magere dieren.
Omgekeerd kunnen de flanken door ophooping van gassen in
de spijsverteringsorganen — waarbij de paarden in den regel aan
windkoliek lijden — naar buiten gewelfd en gespannen, z.g.
opgezet zijn; bij windzuigers is dit niet zelden waar te nemen.
De flanken moeten in staat van rust of na een geringe be-
weging nauwelijks merkbaar en gelijkmatig worden bewogen; een
sterke, ongelijkmatige, krampachtige beweging der flanken, een
z.g. slag in het lijf of het jlankenslaan {battre des flancs; Flanken-
schlagen; action of the flanks)
is ziekelijk. Rij dampigheid ziet men
-ocr page 232-
200
dikwijls een dubbelen /lankenslag; gedurende één ademtocht gaan de
flanken dan tweemaal op en neder.
In enkele gevallen neemt men aan de flanken een meer of
minder uitgebreid gezwel onder de huid waar, dat zacht is en
ingedrukt kan worden, waarbij men dan een opening in den
buikwand voelt. Zoodra de drukking heeft opgehouden, keert het
gezwel weer tot zijn vorigen omvang terug. Dit is dan een flan-
kenbreuk,
waarbij een gedeelte der ingewanden door een scheur
in den buikwand is uitgezakt en dus alleen nog door de huid
wordt bedekt. Indien deze ingewanden in de opening van den
buikwand (de breukpoort) beklemd geraken {beklemde breuk), kan
daardoor de dood worden veroorzaakt.
§ 96. De lies.
De lies (Ie pli du grasset; die Leiste; the groin) (PI. VII n°. 41)
bestaat uit een zeer gevoelige, met korte, fijne haren bezette
huidplooi vóór de achterknie, die den overgang vormt van den
buik tot de dij. Bij zeer vermoeide, afgeleefde of stilkolderige
paarden is de gevoeligheid van deze plaats dikwijls geheel verdwenen.
§ 97. De buik.
De buik (Ie ventre; der Bauch ; the belly) (PI. VII n°. 42) strekt
zich van de onderborst tusschen de ribben naar achteren tot aan
het bekken en de achterbeenen uit. Men onderscheidt daaraan:
de voorste buikstreek, nabij het borstbeen en onder de valsche rib-
ben, de middelste of navelstreek en de achterste of schaamstreek.
Bij een goed gebouwd, gezond paard vormt de ondervlakte
van den buik een weinig gebogen lijn; bij het mannelijk dier is
de buik van achteren steeds meer opgetrokken dan bij de merrie.
Door o vervulling van maag en darmkanaal met extensief, volu-
mineus voedsel, bijv. hooi, gras, enz. of door herhaalde drachtig-
heid, verslapt de buikwand en zakt deze door. Zulk een sterk
uitgezette buik wordt hooi-, gras- of hangbuik (ventre avalê ou de
vache; Heu-
, Kuh- oder Hangebauch; belly hung down or pendulous
belly)
genoemd, naar de daaraan te gronde liggende oorzaken.
Een hangbuik onderscheidt zich van een hooi- of grasbuik door
sterk ingevallen flanken en het niet naar ter zijde uitsteken
der buikwanden. Bij een meer intensieve voeding kan de verslapte
buikwand weer belangrijk in elasticiteit toenemen en daardoor de
-ocr page 233-
art
buik zijn normalen omvang terugkrijgen. Van een hangbuik geldt
dit echter niet of slechts in geringe mate. Hooi- en hangbuiken
staan niet alleen leelijk, zij belemmeren ook de ademhaling, vooral
de uitademing en beperken de vrije beweging der achterbeenen;
in dubbel opzicht dus zijn zij voor een snellen gang nadeelig.
Bovendien zijn paarden met hooi- of grasbuiken doorgaans groote
eters, omdat zij gewoon zijn aanzienlijke hoeveelheden volumineus
voedsel op te nemen en maag en darmkanaal juist daardoor lang-
zamerhand zijn uitgezet.
Bij een zadelrug komt steeds in meerdere of mindere mate een
hangbuik voor (PI. XVII fig. 1) en omgekeerd veroorzaakt een
hooi- of hangbuik eenigszins een doorzakken van den rug.
De opgetrokken buik of het snoekenlijf {ventre retroussé ou levretté;
Jlechts-, Hirsch- oder Windhundbauch; tucked belly)
(PI. XIV) vormt
het tegenovergestelde van een hooibuik. De buik loopt hierbij
naar achteren sterk in de hoogte, zoodat zulke paarden, zooals
men het noemt, dun in het lijf {étroits de boyaux) zijn. Men ziet
dezen buik steeds bij geëntraineerde renpaarden; hierbij is hij
ontstaan door een intensieve voeding en langzamerhand in snel-
heid toenemende beweging, waarbij de buikspieren, ten behoeve
van de uitademing, steeds meer worden gespannen.
De opgetrokken buik kan echter ook het gevolg zijn van een
gebrekkige voeding, hetzij deze door spysverteringsstoornissen of
door een onvoldoende hoeveelheid voedsel wordt veroorzaakt;
daarbij kunnen de buikspieren zóó gespannen zijn, dat zich voort-
durend een groeve (Dampfschnw) vertoont onder de valsche ribben,
waardoor de grenzen van de laatste en de flanken zeer in het oog vallen.
Evenzoo hebben driftige, heete paarden, vooral indien hun
flanken tevens breed zijn, niet zelden, zooals men oneigenlijk wel
eens zegt, den buik of den navel aan den rug vastgegroeid; dit zijn
dan echte doorjagers, die bij eenige beweging telkens en steeds
dunner mest ontlasten. Dat zulke paarden geen volharding bezit-
ten, behoeft geen betoog; vooral voor rijpaarden zijn zij ongeschikt,
omdat, na eenige beweging, bovendien het zadel gemakkelijk
naai\' achteren glijdt.
In rust mag de buik bij de ademhaling niet of nauwelijks
merkbaar worden bewogen; trekken de buikspieren zich bij de
uitademing sterk samen, dan bestaat meestal een ziekte der
ademhalingswerktuigen. Bij snelle gangen is het buikademen ech-
ter noodzakelijk; in overeenstemming daarmede ziet men — om
weder de uitersten als typen te nemen — bij het Engelsch ren-
-ocr page 234-
208
paard (Pi. XIV) de buikspieren gespannen, krachtig ontwikkeld,
bij het zware trekpaard (PI. XI) daarentegen den buikwand ver-
slapt en doorgezakt.
Indien men bij een gezond paard het oor tegen den buikwand
legt, zal men steeds eenig darmgeruisch waarnemen; bij sommige
iekten der spijsverteringsorganen, bijv. doorloop, hoort men echter
de darmrommeüngen (borborygmes) reeds op eenigen afstand, terwijl
zij omgekeerd bij verstopping nagenoeg of geheel ontbreken. Deze
rommelingen ontstaan doordat de bij de vertering gevormde
gassen zich door vloeistoffen verplaatsen. Zij mogen niet worden
verwisseld met het klokken, dat men bij hengsten en ruinen,
voornamelijk in draf, dikwijls zelfs op eenige meters afstand, kan
hooren en dat veroorzaakt wordt door het heen en weer bewegen
der roede in den koker. Dit klokkend geluid, het z.g. kokeren,
zal dan ook te sterker zijn, naarmate de koker grooter en ruimer
is, en zou tijdelijk kunnen worden opgeheven door de vrije
beweging der roede te belemmeren, bijv. door den koker met vlas
of linnen op te vullen.
Zooals reeds is opgemerkt, zakt bij drachtige merriën, vooral
in de laatste maanden van den drachttyd, de buik sterk door en
vallen de flanken in. Dit kan echter ook onder andere omstandig-
heden gebeuren en men zal daarom alleen dan tot drachtigheid
mogen besluiten, indien men de bewegingen van het veulen ge-
zien of gevoeld heeft. Na de zesde maand namelijk kan men aan
de linkerzijde, vooral bij het drinken van koud water, dikwijls
beweging der vrucht waarnemen, en met de negende maand kan
men deze somtijds voelen, indien men de hand vóór den uier legt.
Intusschen is het dikwijls zeer moeielijk om, door het uitwendig
onderzoek alleen, met zekerheid te bepalen of een merrie moet
veulenen of niet.
Op elke plaats van den buik kunnen breuken voorkomen; het
meest ziet men echter navelbreuken. Deze neemt men nagenoeg
alleen waar bij veulens en ontstaan daardoor, dat de navelopening
te groot is of zich na de geboorte niet spoedig genoeg sluit; de
ingewanden kunnen dan gemakkelijk door deze opening uit de
buikholte zakken en de huid voor zich uit duwen, waardoor het
breukgezwel tot stand komt.
Bij verschillende ziekelijke toestanden ontwikkelt zich aan de
ondervlakte van den buik een zuchtige zwelling, die zich soms
zelfs over de onderborst kan uitbreiden; ook op het einde van
den drachttijd neemt men deze vrij regelmatig waar.
-ocr page 235-
\'209
§ 98. De uier.
De uier (la mameik: das Euter; the adder) ligt bij de merrie
in de schaamstreek en bestaat uit twee melkklieren, die dooreen
overlangsche groeve van elkander zijn gescheiden. Elk dezer klie-
ren bevat een tepel met twee kleine openingen, waardoor de melk
zich naar buiten ontlast.
Bij merriën (juments; Staten: mares), die nog niet gezoogd
hebben, zijn de uiers klein, vast en samengetrokken met korte
tepels; bij oude ibkmerriën daarentegen zijn zij slap, hangen naar
beneden en hebben lange tepels.
Behalve voor fokmerriën, moeten de uiers steeds zoo klein
mogelijk zijn. Paarden, die eens of meermalen hebben geveulend,
zijn steeds zwakker dan zulke, welke nimmer drachtig waren.
Voornamelijk als rijpaard hebben zij minder waarde, omdat er
geruime tijd na het veulenen verloopt, vóór zij weer op kracht
komen, en vooral rug en lenden dikwijls een blijvend nadeeligen
indruk behouden.
Korten tijd vóór het veulenen neemt de uier in omvang toe
en vult zich met melk. Deze bezit intusschen niet onmiddellijk
haar normale samenstelling; men ziet dikwijls eerst gele, op hars
gelijkende druppels aan de tepels kleven (het z. g. kegelen) of
een dun, meer of minder op melk gelijkend vocht uitvloeien.
Zoodra dit zichtbaar wordt, heeft de verlossing gewoonlijk binnen
48 uur plaats. Slechts zelden gebeurt het, dat ermelkafscheiding
bestaat zonder voorafgegane drachtigheid; intusschen is dit ver-
schijnsel, zelfs bij veulens, waargenomen.
In enkele gevallen weigert een veulenmerrie het veulen tot
zuigen toe te laten; hieraan kan een groote spanning van den
uier te gronde liggen, zoodat de pijn door uitmelken kan worden
opgeheven en het veulen vervolgens wordt aangenomen.
Indien een veulen (poulain; Filllen oder Fohlen; colt, filly orfoal)
niet gespeend, doch plotseling van de moeder verwijderd wordt,
kan de uier, door ophooping en omzetting der melk, in ontsteking
geraken; in den regel gaat deze echter spoedig voorbij en heeft
zij geen verdere nadeelige gevolgen.
§ 99. De mannelijke geslachtsdeelen.
Hiertoe behooren: de koker met de roede en de balzak met de
ballen.
De koker (Ie fourreau; der Schlauch; the sheath) (PI. VII n". 43)
is een vliezige scheede, die bij hengsten en ruinen de roede om-
14
-ocr page 236-
210
geeft; hij is met een lijne huid bekleed, welke talrijke smeer-
kliertjes bevat, waardoor een zwartachtig, taai smeer wordt
afgescheiden, dat de huid tegen de urine beschut.
Men ziet gaarne een grooten koleer, die zich met een verhevenheid
naar voren onder den huik
uitstrekt; dit wordt als een teeken van
kracht beschouwd. Het spreekt inlusschen van zelf, dat de koker
als zoodanig zonder invloed is op de kracht van het dier, doch
met een sterke ontwikkeling van dit deel gaat gewoonlijk een
krachtige bouw van het geheele lichaam gepaard. Hengsten, die
in hun jeugd goed gevoed zijn geworden en evenzoo laat ge-
sneden ruinen, hebben gewoonlijk een grooten koker. Niettegen-
staande zulke ruinen in het algemeen krachtiger zijn dan vroeg
ontmande hengsten en meer den bouw en het voorkomen van
een hengst bezitten, castreert men doorgaans reeds met het
eerste jaar, omdat het opvoeden van hengstveulens na dien tijd
met vele bezwaren gepaard gaat.
De koker kan zoo klein zijn, dat hij, van ter zijde gezien,
bijna geheel door de lies wordt bedekt; in den regel zijn zulke
paarden ook overigens, en in het bijzonder wat de achterband
betreft, weinig ontwikkeld.
De koker moet zoo wijd zijn, dat de roede gemakkelijk kan
worden uitgeschacht, daar de urine zich anders in den koker
ontlast, wat belangrijke nadeelen ten gevolge kan hebben. Het
belemmerd uitschachten kan echter ook zijn veroorzaakt door
vuil, dat zich langzamerhand in den koker heeft opgehoopt;
daarom is gedurige reiniging van dit lichaamsdeel noodzakelijk.
Zuchtige zwellingen, waardoor de koker een aanzienlijken om-
vang kan verkrijgen, komen niet zelden voor. Dikwijls zijn deze
van weinig beteekenis en kunnen zij het gevolg zijn van lang-
durige rust, vooral bij paarden, die daaraan niet gewoon zijn; in
andere gevallen echter zijn zij een verschijnsel van een ernstige,
meestal inwendige ziekte.
De roede (Ie membre, la verge; die Ruthe; the penis) bestaat uit
een sponsachtig weefsel en den pisweg; het voorste gedeelte, dat
de monding van den pisweg bevat, heet de eikel.
De pisweg moet zoo ruim zijn, dat de urine met een dikken
straal wordt ontlast; geschiedt dit met een dunnen straal of zelfs
druppelsgewijze, dan ligt hieraan gewoonlijk een vernauwing van
den pisweg, bijv. door steenen of door een drukking van buiten,
in enkele gevallen ook een ziekte van de blaas te gronde.
Niet zelden gebeurt het, dat hengsten en ruinen, die gewoon
-ocr page 237-
\'Jll
zijn ook over dag op s\'troo te staan, gedurende den arbeid niet
urineeren, zoolang zij niet in een stal op stroo worden geplaatst;
hierdoor toopen zij z.g. over het water, d. i. door overvulling der
blaas met urine zijn zij niet meer bij machte deze te ontlasten
en vertoonen daardoor koliekverschijnselen. Enkele paarden
urineeren in een vreemden stal niet ot\' eerst, nadat zij door een
daarbij gebruikelijk lluiten zijn gerustgesteld, of wel — als zij op
de steenen staan — nadat eenig stroo onder den buik gestrooid
of het aldaar liggend stroo opgeschud is. Indien de paarden
alleen gedurende den nacht op stroo (paillassè) staan, rijdt men
ze zeldzamer over het water, daar zij dan in den regel aan den
weg urineeren en daartoe zelfs uit den stap stilhouden. Slechts
in zeldzame gevallen kan een paard, voortstappende, zijn urine
ontlasten; het meest ziet men dit nog bij merriën, vooral indien
zij daarin geoefend zijn, zooals jaagpaarden.
De balzak (les bourses; der Ilodensack; the scrotum) (PI VII
n°. 44) is een vliezige zak, waarin de beide, van boven door de
zaadstreng bevestigde ballen zijn besloten.
Hij moet hard en glad zijn en vast tegen het lijf liggen; bij
oude hengsten is hij slap, afhangend en soms aanzienlijk vergroot.
Indien de opening, waardoor de balzak inwendig met de buik-
holte gemeenschap heeft en waarin de zaadstreng is gelegen —
het lieskanaal — te wijd is, kunnen de ingewanden in dit kanaal
en zelfs daar dóór tot in den balzak dringen. In het eerste geval
heeft men met een liesbreuk (hernie inguinale), in het laatste met
een balzakbreuk (hernie scrotalé) te doen; beide zijn ernstige ge-
breken, die zelfs — door beklemming — den dood ten gevolge
kunnen hebben. De eerste komt in enkele gevallen ook bij den
ruin voor.
Gelijktijdig met den koker is gewoonlijk ook de balzak zuchtig
gezwollen.
De bedien (les testicules; die Hoden; the testicles) dienen tot be-
reiding van het mannelijk zaad en moeten daarom, vooral bij
dekhengsten (étalons), normaal ontwikkeld en duidelijk in den
balzak voelbaar zijn. Kleine ballen zijn ten opzichte van het
voorttelingsvermogen niet nadeelig; zelfs zien sommige fokkers
niet gaarne, dat deze zeer groot zijn.
De ballen komen gewoonlijk vóór het veulen een jaar oud is
in den balzak; soms ziet men, dat zij eerst in het 2de jaar door
het lieskanaal gaan, zeldzaam echter dat een of beide ballen
voortdurend in het lieskanaal of de buikholte achterblijven. In
-ocr page 238-
212
deze laatste omstandigheid noemt men het paard een klophmgai
{cheval pij\', cryptorchide, monorchide; Spitzhengst; rig horse or ri/j),
onverschillig of een mogelijk in den balzak doorgezakte bal ver-
w\'yderd is geworden of niet. Is dit laatste geschied of zijn beide
ballen teruggebleven, dan zijn klophengsten onvruchtbaar; toch
hebben zij meestal een sterk opgewekte geslachtsdrift en ook
overigens den hengsten-aard, ja niet zelden zijn zij nog moeilijker
dan deze te gebruiken. De in het lieskanaal of de buikholte ach-
tergebleven bal is steeds abnormaal ontwikkeld en dikwijls slecht\';?
met levensgevaar voor het dier te verwijderen. Somtijds tracht
men een klophengst voor een ruin te doen doorgaan, door ook
aan de niet gecastreerde zijde in den balzak een huidsnede te
maken, zoodat het daardoor ontstane litteeken op het andere,
door de castratie veroorzaakt, gelijkt. Dit bedrog is echter te
ontdekken, o. a. ook daardoor, dat de stomp van de zaadstreng
aan die zijde niet te voelen zal zijn, beter echter door een onder-
zoek langs het rectum.
Indien men de ballen wegneemt — het zg. snijden oïcastreeren
{chdtrer
, hongrer; castriren; to castrate , to geld) — wordt het paard
ongeschikt voor de voortteling, en de hengst {Ie cheval entier ou
Ce\'talon; der Hengst
; the stcdlion or entire) wordt dan ruin {cheval
hongre
; Wallach; gelding) genoemd.
Hoe vroeger een hengst wordt gesneden, des te meer zal de
ruin in voorkomen en krachtsontwikkeling op een merrie gaan
gelijken; laat gecastreerde ruinen komen in eigenschappen en
bouw — vooral wat de voorhand betreft — meer met den hengst
overeen.
Ten gevolge van de castratie ontstaan aan het achtergebleven
gedeelte der zaadstreng soms moeielijk te genezen ivoekeringen
{champignons)
en fistels, waardoor de waarde van het dier belangrijk
wordt verminderd; het is dus zaak dit lichaamsdeel bij een ruin
nauwkeurig te onderzoeken.
§ 100. Het kruis.
Het kruis {la croupe; das Kreuz oder die Kruppe; the croup)
(PI. VII fig. 45) strekt zich uit van de lenden tot den staart en
wordt aan weerszijden begrensd door de uitwendige darmbeens-
hoeken en de bovenste draaiers van het dijbeen. De beenige
grondslag daarvan wordt gevormd door het kruisbeen, de darm-
beenderen en de zitbeendei en, terwijl ook de eerste 2—3 staart-
-ocr page 239-
\'213
wervelen hiertoe bijdragen. Het kruisbeen, dat als een onmiddellijke
voortzetting van de wervelkolom is te beschouwen, ligt daarmede
in eenzelfde verticaal vlak; het is van voren met den laatsten
lendenwervel, van achteren met den eersten staartwervel vereenigd
en vormt met de ondervlakte van het darmbeen het kruisgewricht
(zie bladz. 31). De darm- zit- en schaambeenderen vormen samen
het bekken (zie bladz. 33). Kruisbeen en bekken worden bedekt
door en verschaffen bevestigingspunten aan talrijke gewichtige,
vooral ook voor de beweging der achterbeenen dienende spieren;
de richting, lengte en breedte dezer beenderen moeten dus op de
gesteldheid van die spieren een grooten invloed uitoefenen.
Voor een rijpaard wenscht men een recht, lang en tamelijk
breed kruis, dat aan beide zijden gelijkmatig met krachtige, droge
spieren bedekt
is en ongeveer 3 c.M. lager ligt dan het hoogste punt
der schoft.
Men noemt het kruis recht, wanneer zijn bovenlijn geheel of
nagenoeg horizontaal is en daarbij de achterste zitbeensknobbels
lager zijn gelegen dan de heupen (PI. XIX fig. 2). Hierbij heeft
liet kruisbeen een horizontale richting, terwijl het bekken eenigszins
schuin is geplaatst.
In dit geval is èn het draagvermogen èn de voortbeweging van
den romp door de achterbeenen, zooveel als dit gelijktijdig mogelijk
is, verzekerd.
Beschouwt men namelijk het geraamte op plaat I, dan valt het
duidelijk in het oog, dat de wervelkolom van achteren gesteund
wordt door het bekken en dat dit den last op de achterbeenen
overbrengt. Deze steun zal het krachtigst zijn, indien hij verticaal
onder den last wordt geplaatst; hoe steiler dus het bekken ten
opzichte van de wervelkolom komt te staan, des te grooter zal
zijn draagvermogen zijn. De lichaamslast wordt dan geleidelijk,
van het eene been op het andere, d. i. van het kruisbeen, langs
het darmbeen, op het dijbeen overgebracht, zonder dat hiertoe
bijzondere spierinspanning wordt gevorderd.
De last moet echter niet alleen gedragen maar ook voortbe-
wogen worden. De voortbewegende kracht gaat in hoofdzaak van
de achterbeenen uit en wordt door het bekken op de wervelkolom
overgebracht. Is nu het bekken ten opzichte van het kruisbeen
steil geplaatst, dan zal dit laatste meer in de hoogte dan in de
richting der lenden wervelen, d. i. voorwaarts, worden geduwd.
Het omgekeerde moet echter geschieden; ook al is de opwaartsche
beweging van het lichaam bij sommige gangen, bijv. den galop,
-ocr page 240-
21 i
belangrijk. Doch dit is niet het eenige nadeel van een steil bekken
voor de beweging. De hoek in het heupgewricht wordt, bij gelijk
blijvende lichting van het dijbeen, te stomper en de hoek van
inplanting der strekspieren van de dij te ongunstiger, naarmate
het darmbeen steiler staat. Bovendien zijn bij een steil bekken
ook de zitbeensknobbels laag gelegen en dus de buigspieren van
den schenkel (die het achterbeen helpen strekken) niet lang
genoeg, terwijl tevens de horizontale afstand van het heupgewricht
tot den zitbeensknobbel, d. i. de hefboomsarm der kracht, die de
schenkelbuigers bij de draaiing van het bekken gebruiken, te kort
wordt. Daarom is een steil gelegen bekken, of zooals men het
noemt, een sterk afhangend kruis, vooral voor rijpaarden nadeelig.
Doch ook de horizontale richting van het bekken, zóó, dat de
heupen en zitbeensknobbels nagenoeg even hoog zijn gelegen, is
voor rijpaarden slecht. Het draagvermogen van den rug is dan
betrekkelijk gering en wanneer zulk een paard den lichaamslast
op de achterbeenen wil brengen, of, zooals men zegt, zich wil
„verzamelen", dan moet het of het voorstel sterk opheffen óf de
achterbeenen bovenmate buigen. Het kan daarom slechts met
moeite den stand aannemen, waaruit de romp door de zich strek-
kende achterbeenen naar voren en boven geduwd of zelfs geworpen
kan worden; het paard loopt dan z.g. uit elkander.
Indien het kruisbeen horizontaal ligt of naar achteren slechts
weinig afbelt, is de afstand tusschen dit been en de zitbeenderen
groot, en zijn dus ook de daartusschen uitgespannen spieren lang.
Deze ligging van het kruisbeen en een matig schuine stand van
het bekken zijn daarom voor een rijpaard het meest gewenscht.
Men noemt het kruis lang, indien de horizontale afstand van
de heup tot den zitbeensknobbel nagenoeg gelijk is aan */j van de
lengte van den romp (PI. VII en XIII). Het is verkeerd als de
lengte van het kruis te beschouwen den afstand van de binnen-
darmbeenshoeken tot het begin van den staart; deze kan namelijk
kort zijn, terwijl de eerstgenoemde afmeting toch de gewenschte
lengte bezit.
Indien de bekkenbeenderen lang zijn, hebben ook de spieren,
die er over loopen of daaraan haar oorsprong nemen, de gewenschte
lengte; daardoor zal de beweging der achterbeenen ruim kunnen
zijn, hetgeen bij rijpaarden zeer op prijs moet worden gesteld. In
dit geval zijn ook de zitbeenderen lang en zal het paard zich
gemakkelijk kunnen „verzamelen", steigeren, springen, enz. Immers
bij de opheffing van het voorstel, waarbij het bekken in de heup-
-ocr page 241-
215
kommen moet draaien, vormen de zitbeenderen hefbooinsarmen
der kracht. Daarbij worden ook de doornvormige uitsteeksels van
het kruisbeen, evenals die der wervelen, als hef boomsarmen dei-
kracht gebruikt en het is dus voordeelig, wanneer deze zoo lang
zijn, dat het kruis, zelfs bij sterke spierontwikkeling, in zijn mid-
dellijn verheven is (PI. XIV).
Zooals wij zagen, hangt de lengte van het kruis af van de
lengte van het bekken en niet van die van het kruisbeen. Toch
is de lengte van dit laatste niet van ondergeschikt belang. Dit
valt genoegzaam in het oog, wanneer men het deel van de wer-
velkolom, dat achter het kruisgewricht, als steunpunt, gelegen is,
als den bewegenden arm van een tweearmigen hefboom, het deel,
dat zich daar vóór bevindt, als den bewogen arm daarvan beschouwt;
hoe langer de eerste arm en hoe korter de tweede wordt, des te
grooter wordt de werking van de kracht.
Het kruis is breed, wanneer de afstand der beide grootedraaiers
van het dijbeen gelijk is aan de lengte van het kruis. Men let
dus bij deze beoordeeling op de breedte die het bezit aan de
heupgewrichten, en niet op de voorste breedte van het kruis, van
de eene heup tot de andere.
De breedte van het kruis hangt ten deele van de ontwikkeling
van den beenigen grondslag, ten deele van de dikte der spieren
af. Hoewel deze beide dikwijls vereenigd zijn, staat de dikte dei-
spieren toch niet in zoo nauw verband met de breedte van het
bekken als haar lengte met de lengte van het kruis. Men kan
namelijk bij gelijke breedte van het bekken zeer verschillend dikke
spieren hebben. Deze zijn natuurlijk voor eiken dienst van het
paard gewenscht; toch zijn zij meer noodig voor aanhoudenden,
zwaren arbeid in langzamen gang dan voor snelle, slechts korten
tijd durende gangen, daar een gedeelte der spiervezelen steeds
rust, terwijl een ander werkzaam is, en alleen bij uiterste krachts-
inspanning, die slechts voor korten tijd mogelijk is, alle vezelen
gelijktijdig in werking treden.
Bij een breed bekken is de afstand tusschen den grooten draaier
en het centrum van het dijbeenshoofd (de hefboomsarm der kracht
voor de beweging der extremiteit) meestal lang, wat ook voor
rijpaarden van gewicht is. Evenwel kan het kruis van deze ook te
breed
zijn. De beweging der achterband wordt dan moeielijk en wag-
gelend; door het veranderen der richting van de diagonalen van het
ondersteuningsvlak, waarin de beweging plaats heeft, wordt namelijk
de zijdelingsche afwijking des te grooter, hoe breeder dit vlak is.
-ocr page 242-
2lfi
Een smal kruis biedt geen plaats aan voor krachtige spieren.
Ook missen daarbij de lief boomsarmen der kracht, waaraan de
strekkers der dij werken, de gewenschte lengte, zoodat eengroot
deel der kracht ten gunste van de snelheid verloren gaat. Bij
dieren, die zich door groote snelheid kenmerken, zijn de bedoelde
draaiers dan ook kort.
Indien een paard tusschen de draaiers veel smaller is dan
tusschen de heupen, noemt men het kruis naar achteren toege-
spitst
(PI. XXIII fig. 4). Hierbij is de stand der dijen gewoonlijk
zoodanig, dat de knieën sterk buitenwaarts gericht en de paarden
dus koehakkig worden.
Bij de beoordeeling van het kruis dient men te letten op zijn
verhouding tot de overige deelen van het lichaam en verder op
het ras en het geslacht van het paard.
Het eerste valt genoegzaam in het oog. Wat het ras betreft,
onderscheidt zich het bekken van het Arabische paard sterk van
dat van het Norische, d. i. het zware Europeesche type, dat men
in Pinzgau, de Ardennen, enz. aantreft. Bij deze zware paarden
zijn de binnen-darmbeenshoeken meer verheven en verder van
elkander gelegen, de vleugels van het kruisbeen breeder en de
darmbeenderen uitwendig sterker uitgehold dan bij het Arabische
paard. Doch ook overigens biedt het geraamte dezer beide rassen,
die men wel eens als typen voor een verdeeling der paarden in
twee hoofdrassen — het Oostersche en het Norische — heeft
willen bezigen, belangrijke verschillen aan.
Het bekken van den hengst is smaller dan dat van de merrie
en tevens van boven naar beneden samengedrukt, waardoor de
heupgewrichten hooger zijn gelegen en het kruis in de darmbeen-
streek vlakker is. Bij merriën is de bovenlijn van het kruis hooger,
waarom zij meer overbouwd z\'yn dan hengsten; zij hebben ge-
woonlijk ook een langer kruisbeen. Het bekken van den ruin
nadert meer dat van de merrie of den hengst, naarmate het
paard vroeger of later gesneden is.
Bij elk paard, zonder onderscheid, moet het kruis aan beide
zijden gelijkmatig met krachtige, droge spieren bedekt zijn. Ter-
wijl echter voor zware trekpaarden een dikke spiermassa op de
darmbeenderen zeer gewenscht is, ziet men voor rijpaarden liever,
dat de buigspieren van den schenkel krachtig ontwikkeld zijn. In
dit geval is het achterste gedeelte van kruis en dijen (de eigenlijke
billen) sterk afgerond en neemt men aan den oorsprong dezer
buigers, d. i. aan weerszijden van het achtereinde van het kruis-
-ocr page 243-
217
been, een scherp geteekend spierkussen waar (PI. XX lig. 1). Is
daarbij liet voorste gedeelte van de groote bilspier goed ontwik-
keld en reikt liet ver naar voren op de lenden, zoodat het aldaar
een sterk spierkussen vormt, dan zal het paard gemakkelijk die
plotselinge en krachtige spiersamentrekkingen kunnen volbren-
gen, welke voor den galop, den sprong, het steigeren, enz. een
vereischte zijn.
Zooals bij de schoft reeds is opgemerkt, ligt het kruis bij een
in natuurlijk evenwicht verkeerend rijpaard ongeveer 3 cM. lager
dan het hoogste punt der schoft. Indien het daarmede op gelijke
hoogte is gelegen of boven de schoft uitsteekt, noemt men het
paard overbouwd. Daarbij kan nu öf de voorhand en in het
bijzonder de schoft te laag zijn öf de achterband is te hoog. Beide
omstandigheden zijn zeer nadeelig voor een rijpaard; door de
eerste heeft een paard een laag aangehechten hals, een weinig
schuinen en vastliggenden schouder, enz., terwijl door beide het
lichaam een vooroverhangende houding krijgt, waardoor het na-
tuurlijk evenwicht verloren gaat en het zadel naar voren schuift.
Renpaarden ziet men gaarne eenigszins overbouwd, wanneer
dit namelijk het gevolg is van een groote lengte der beenderen van
de achterste ledematen. De achterband wordt dan verlicht ten
koste van de voorhand, en de achterbeenen kunnen hierdoor, docli
vooral door hun groote lengte, het lichaam telkens ver vooruit werpen.
Het kruis van een zwaar trekpaard moet recht of matig schuin,
lang,
doch vooral breed zijn, in het bijzonder op het darmbeen
krachtige spieren
bezitten en iets hooger liggen dan de schoft.
Uit het voorafgegane volgt genoegzaam, dat een matig schuine
plaatsing van het bekken het voordeeligst is voor de vooruitbe-
weging van den romp door de zich strekkende achterbeenen. Men
verlangt echter voor trekpaarden, die zich slechts in langzamen
stap behoeven voort te bewegen, korter spieren dan voor rijpaar-
den; de strekkers van het dijbeen en de buigers van het schen-
kelbeen (de vooruitbrengers van den romp) nemen nu in lengte
af, indien bekken en kruisbeen beide eenigszins naar achteren
afhellen. Een slechts in geringe mate afhangend kruis, dat
minder door schuinen stand van het bekken dan door afhelling
van het kruisbeen is teweeggebracht, is voor een zwaar trekpaard
dan ook eer voor- dan nadeelig. Zeer verkeerd is echter de
meening, dat voor trekpaarden een sterk afhangend kruis ge-
wenscht is, ook al treft men dit dikwijls bij de zware rassen
aan. Wij komen hierop nog terug.
-ocr page 244-
\'218
De lengte komt bij de beoordeeling van hel kruis der zware
trekpaarden eerst in de tweede plaats in aanmerking; van veel
grooter belang is zijn breedte. Voor den trekdienst zijn korte,
dikke spieren noodig en deze kunnen aanwezig zijn, indien de
breedte zoodanig op den voorgrond treedt, dat zij in afmeting de
lengte overtreft. Dit wil nu echter niet zeggen, dat het kruis
kort moet zijn; integendeel, het moet alleen kort schijnen, indien
men het met de breedte vergelijkt.
Een breed kruis, waarbij de spieren op de darmbeenderen zoo
sterk ontwikkeld zijn, dat zich tusschen haar, in de middellijn
van het lichaam, een groeve vertoont (PI. XI), geeft groote kracht
en volharding te kennen. Het aantal spiervezelen in alle, doch
vooral de bilspieren is dan aanzienlijk; hierdoor zijn zulke paarden
in staat zoo lang achter elkander zware lasten te verplaatsen, als
dit van hen wordt gevorderd.
Zware trekpaarden ziet men gaarne eenigermate overbouwd,
indien dit een gevolg is van het geopend zijn der gewrichten van
de achterbeenen. De achterhand wordt hierdoor verlicht ten koste
der voorhand en door de stompe gewrichtshoeken geschiedt de
beweging der achterbeenen meer beperkt, doch met naar even-
redigheid grooter kracht en volharding.
Na het voorafgaande zal het niet moeielijk zijn in te zien, dal
het kruis van trekpaarden, die in snelle gangen gebruikt moeten
worden, bijv. van artillerie-paarden, in eigenschappen dat dei-
rijpaarden moet nabijkomen.
Men onderscheidt de volgende vormen van kruis:
1°. Het horizontale kruis (PI. XXI fig. 1). Het kruisbeen loopt
naar achteren eenigszins in de hoogte, zoodat de toppen der
doornvormige uitsteeksels, die van de binnen-darmbeenshoeken af
in lengte verminderen, op gelijke hoogte staan. De darmbeenderen
zijn zoo weinig schuin geplaatst ten opzichte van de wervelkolom,
dat de zitbeensknobbels nagenoeg even hoog zijn gelegen als de
heupen.
Deze vorm, die door velen voor fraai wordt gehouden, heeft
het nadeel, dat zij het „zich verzamelen" en dus ook het over-
brengen der kracht van de achterbeenen op den romp zeer
bemoeielijkt. Het draagvermogen en in het algemeen de bruik-
baarheid voor den rijdienst is bij zulke paarden des te geringer,
naarmate rug en lenden slechter zijn en niet zelden treft men
juist bij dit kruis weinig rug aan. Iudien sommige paaiden toch
uitstekend dienst doen, niettegenstaande zij een horizontaal kruis
-ocr page 245-
-219
liebben. dan is dit hieraan te danken, dat zij behalve dit eene
groote gebrek, vele voordeetal bezitten.
2°. Het rechte kruis beschreven we reeds als het voor rijpaarden
meest gunstige, indien het tevens de behoorlijke lengte en breedte
bezit. De staart is hierbij hoog aangezet en wordt gewoonlijk
goed gedragen. Het komt meestal bij edele paarden voor.
3". Het ovale kruis (PI. XIX fig. 1) is iets meer afgezakt dan
het rechte, de heupen zijn afgerond en eenigszins naar voren en
beneden hellend; het komt in waarde met het rechte kruis overeen.
Men vindt het voornamelijk bij edele paarden.
Indien zich in het midden van het ovale kruis een kleme ver-
dieping bevindt, noemt men het een meloenvormig kruis.
4°. Het afhangend kruis {la croupe avale\'e; die schiissige uder
abgedachte Kruppe
; the drooping or goose croup (PI. XXI fig. 2) ontstaat
door een zeer schuinen stand van kruisbeen en bekken ten opzichte
van de lenden. Reeds werd opgemerkt, dat het draagvermogen
hierbij groot is, doch dat de vooruitbeweging van den romp door
den schuinen stand van het bekken wordt belemmerd. Daar met
het schuiner staan der darmbeenderen ook de hoek in het heup-
gewricht stomper en de dij korter wordt, zal de stap der achter-
beenen naar evenredigheid in lengte afnemen. Hoewel het afhangend
kruis dikwijls voorkomt bij zware trekpaarden, die, dank zij hun
overigens krachtigen lichaamsbouw, uitstekend dienst doen, is
het toch te veroordeelen; deze paarden zouden nog beter zijn,
wanneer hun bekken minder schuin was geplaatst.
5°. Het varkenskruis (la croupe coupée; das ahgeschliffene oder
Schweinskreuz)
(PI. XX fig. 2) zakt van de binnen-darmbeenshoeken
naar achteren en ter zijde sterk af, is kort, smal, mager en dus
even slecht als leelyk.
6°. Het gespleten of dubbele kruis (la croupe doublé; die gespaltene
oder doppelte Kruppe)
(PI. XXI fig. 2) is in de middellijn goot-
vormig verdiept; meestal is het tevens afhangend en breed. De
splijting kan ontstaan zijn door korte doornvormigè uitsteeksels
bij matige spierontwikkeling en is dan ongunstig te beoordeelen;
is echter de sterke spierontwikkeling bij normale lengte der
doornvormigè uitsteeksels de oorzaak, dan is deze vorm van kruis
voor zware trekpaarden voordeelig
7°. Het spitse of hooge kruis (PI. X.X fig. 3) kenmerkt zich
door sterk uitstekende binnen-darmbeenshoeken; de doornvormigè
uitsteeksels zijn echter behoorlijk ontwikkeld, zoodat dit kruis,
-ocr page 246-
320
hoewel leelijk, niet bijzonder nadeelig is, indien, zooals meestal,
zijn lengte, breedte en spierontwikkeling voldoende zijn.
8°. Het sclierpe of ezelskruis (la croupe tranchante ou de mulet;
die schar/e, EseU- oder Maulthier-kruppe)
bezit zeer sterk ontwikkelde
doornvormige uitsteeksels, die in het midden een verheven,
eenigszins gewelfden kam vormen, waardoor het van ter zijde niet
afgerond is. Toch zijn de spieren gewoonlijk krachtig en daardoor
de paaiden met dit kruis, zooals de Kozakkenpaarden, sterk en
volhardend. Indien het tamelijk recht is en de staart goed wordt
gedragen, zooals bij vele Sandelwoods, dan is het tevens fraai.
Dikwijls echter hangt het af en is de staart door het naar beneden
gebogen kruisbeen, laag aangezet.
9°. Het ronde, appelvormige of koepelkruis (PI. XXII) is kort,
afgezakt, met laag aangezetten staart en afgeronde heupen, doch
met dikke spieren bedekt, waardoor het als een koepel gewelfd is.
Uit kruis, dat bij onze inlandsche paarden niet zelden voorkomt,
is niet fraai en, omdat het zoo kort is, ook niet deugdzaam
§ 101. De heupen.
De heupen (les hanches; die Jlüften oder Honken; the hips) (l\'l.
VII n". 46) liggen zijdelings van het kruis en worden gevormd
door de uitwendige darmbeenshoeken.
Zij moeten afgerond zijn, met de omliggende deelen zacht ineen-
vloeien,
beide op gelijke hoogte liggen en geheel met elkander overeen
komen.
Steken zij bij een goed gevoed paard sterk uit, dan noemt
men dit breed- of hoornheupig (cornu; geJiörnt oder hüftig; ragged-
hipped).
Dit is, bij overigens goeden bouw van het kruis, alleen
een schoonheidsgebrek; doch daar de heupen in het algemeen
des te lager zijn gelegen en des te sterker uitsteken, naarmate
het kruis meer van de rechte richting afwijkt, is onder zulke
omstandigheden de hoornheupigheid juist nadeelig door den ge-
brekkigen vorm van het kruis.
Paarden met breede heupen schijnen steeds magerder dan die
met ronde; gaan de uitstekende heupen gepaard met, of zijn zij
een gevolg van een sterk afhangend, bijv. varkenskruis (PI. XX
fig. 2), dan zal het dier zich nog moeielijker goed gevoed voor-
doen , omdat in dit geval de lenden langer en dus ook de flanken
breeder schijnen dan bij een recht kruis.
-ocr page 247-
224
Èij zeer magere paarden steken de heupen altijd sterk uit,
zonder dat de uitwendige darmbeenshoeken nog buitengewoon
ontwikkeld behoeven te zijn; is dit laatste echter tevens het geval,
dan spreekt men, op de heupen doelende, in het dagelijksch
leven wel van kapstokken.
Door uitwendige beleediging eener heup, bijv. door hot loopen
tegen den post eener deur, kan een breuk ontstaan van den
uitwendigen darmsbeenshoek; het afgestooten stuk been wordt
dan door de daaraan bevestigde spieren, o. a. door den spanner
van de schenkelscheede, eenigszins naar beneden en achteren ge-
trokken en het paard blijft voor het geheele leven, naar de
grootte van liet afgebroken beenstuk, meer of minder scheef,
zoogenaamd ontheupt of eenlieupig (éhanclié, épointé ou serre du train de
derrière; einhiiftig; hip-down or let down on the hip).
Dit ontheupen
ontstaat veel gemakkelijker in de jeugd dan op later leeftijd,
omdat de vereeniging van den uitwendigen darmbeenshoek met
het eigenlijk darmbeen dan nog niet geheel is verbeend. Indien
slechts een klein beenstuk afgebroken en door de spieren weinig
verplaatst is, ziet men het later nauwelijks en schaadt het ook
voor de beweging niet; is de eenheupigheid echter belangrijk,
dan ontsiert zij het paard en stoort tevens den regelmatigen gang.
Ook door breuken van andere gedeelten van het bekken kan
eenheupigheid, of zelfs belangrijke scheefheid van het kruis wor-
den veroorzaakt. Niet zelden echter ontstaat een scheef kruis door
spieratrophie aan één zijde, veroorzaakt door langdurige, pijnlijke
kreupelheid, bijv. door spat, nageltred, enz. Evenwel kan men
soms ook bij pas ontstane kreupelheid een geringe asymmetrie der
beide kruis-helften waarnemen.
In zeldzame gevallen treft men iets vóór en onder de heup
een beweeglijk sesambeentje aan, dat men gemakkelijk voor een
afgestooten darmbeenshoek zou kunnen houden; men heeft zelfs
aan iedere zijde een dergelijk beentje gezien, die geheel symme-
trisch ontwikkeld waren.
§ 102. De staart.
De staart (la queue; der Schweif; the tail) (PI. VII n°. 47) is
het lang behaarde uiteinde der wervelkolom, dat gevormd wordt
door een verschillend groot aantal staartwervelen.
Men onderscheidt, aan den staart den wortel (Ie trow-on ou Ie
couard; die Ilübe; the root)
en den waaier (Ie fouet ou les crins
-ocr page 248-
222
die Haar e; the hair). De eerste is aan het bovengedeelte der
voorvlakte onbehaard, doch overigens met de lange staartharen,
die den eigenlijken waaier vormen, bedekt.
Bij koudbloedige rassen is de wortel in den regel het zwaarst
en dichtst behaard, terwijl de haren zelven veelal grof en ruw
zijn en niet, zooals bij edele paarden, fijn en zacht.
De staart moet bij rijpaarden hoog zijn aangezet, d. i. de af-
stand van de achterste zitbeensknobbels tot het begin van den staart
moet groot zijn; het kruisbeen ligt dan horizontaal en gewoonlijk
zijn de zitbeenderen lang, zoodat zulke paarden in staat zijn zich
gemakkelijk op de achterhand te „verzamelen"\'. Een hoog aan-
gezette staart is echter voor een rijpaard niet alleen nuttig, doch
vermeerdert bovendien zijn schoonheid, daar deze gedurende de
beweging goed gedragen {portee en trompe) wordt, d. i. zich bij zijn
oorsprong uit het kruis in bijna horizontale richting naar achteren
strekt en vervolgens in een boog afhangt (PI. VII).
Laag aangezet (PI. XX fig. 2) noemt men den staart, indien
hij veel lager ligt dan de bovenlijn van het kruis en naar beneden
gericht is, zonder in een boog te worden gedragen. Steeds is
hierbij het kruisbeen iets hellend en dus het kruis meer of minder
afhangend. Hoewel een laag aangezette staart meestal bij een
kort en zeer schuin liggend bekken voorkomt, is dit niet nood-
zakelijk het geval. Bij het volbloed paard bijv. is de staart niet
hoog aangezet en toch het bekken lang en slechts matig schuin
gelegen.
Een laag aangezette staart wordt gedurende de beweging slecht
gedragen; wel is het mogelijk, dat een paard, door stalmoed en
uitwendige prikkels opgewekt, een dergelijken staart, zooals men
het noemt, in de lucht steekt, doch dit duurt slechts eenige oogen-
blikken, totdat de opgewektheid voorbij is en verschilt bovendien
aanzienlijk van het sierlijk dragen van een hoog aangezetten staart.
In het eerste geval namelijk wordt hij meer of minder, soms
volkomen omgekruld, zoodat hij op het kruis komt te liggen.
Enkele paarden met laag aangezetten staart krullen, bij be-
weging, het onderste gedeelte hiervan naar boven of tevens
eenigermate naar ter zijde; deze kondebrui, zooals zij wel eens
wordt genoemd, staat zeer leelijk, doch kan soms worden opge-
heven door den staart tot aan de plaats, waar hij zich naar boven
ombuigt, te verkorten.
Het scheef dragen van den staart valt, evenals het voorgaande,
vooral bij rijpaarden in het oog; door de te sterk gespannen
-ocr page 249-
223
zijwaartstrekkende spieren dooi\' te snijden, gelukt liet soms liet
evenwicht in samentrekking tusschen de antagonisten te herstellen,
zoodat de staart in het vervolg recht wordt gedragen.
Paardenhandelaars trachten bij het monsteren den staart goed
te doen dragen door het paard te peperen, d. w. z. peper, gem-
ber of een andere prikkelende stof in den aars (of ook wel in de
scheede) te brengen. Daarbij strekken zich rug en kruis, zoodat
het paard een fraaier, edeler aanzien krijgt; bovendien loopt het.
door den prikkel in den aars, van achteren iets wijder, wat echter
alleen bij van nature nauw loopende paarden voor den verkooper
voordeelig is. Gewoonlijk begint het paard evenwel spoedig te
mesten en verdwijnt de prikkel met zijn gevolgen.
Om het dragen van den staart op den duur te bevorderen,
maakt men den wortel dikwijls eenige wervelen korter, hetgeen
men coupeeren (to doek) noemt. Bovendien snijdt men wel, tegen-
woordig echter zelden, de benedenwaartstrekkende spieren door,
zoodat de antagonisten geen tegenstand meer ondervinden en zich
dus sterker kunnen samentrekken. Deze operatie, nicteeren (niqueter
ou anglaiser; englisiren; to nich)
genoemd, heeft evenals de voor-
gaande, alleen dan een voldoend resultaat, als de staart tamelijk
hoog uit het kruis te voorschijn komt.
Wanneer de staart zeer laag is aangezet, zoodat hij aan zijn
boveneinde tusschen de billen wordt geknepen, noemt men hem
ingestoken. Dit ontmoet men slechts bij koudbloedige rassen, voor-
namelijk, indien deze een kort, afhangend, doch sterk gespierd
kruis hebben, bijv. een appelvormig en een gespleten kruis; zoo
schijnt de staart bij ons inlandsch paard, vooral indien dit vet is,
niet zelden tusschen de achterbeenen ingestoken.
De gedaante van den staart wordt dikwijls gewijzigd naar de
heerschende mode. In vroeger tijd coupeerde men dezen zeer
kort en nicteerde men het paard tevens, zoodat het een kortstaart
(queue en catogan; Kurzschweif oder Bürste)
kreeg; om na het nicteeren
de weder-aaneengroeiing van de uiteinden der doorgesneden spieren
te voorkomen, hield men den staart gedurende eenigentijd, door
middel van een katrol of een onder den staart aangebracht bosje
stroo, zooveel mogelijk in horizontale richting.
Bij sommige rassen, als het Arabische, de Clevelanders, enz.
ziet men gaarne een langen staart, die naar beneden in éénpunt
uitloopt en goed wordt gedragen; men noemt dien fazantenstaarl
(queue en éventail; Fasanenschweif)
(PI. VII). Deze is dus, behalve
wellicht eenig bijknippen, in zijn natuurlijken staat (a totts crins)
-ocr page 250-
224
gelaten. Wordt een dergelijke lange staart echter slecht gedragen,
dan verkort men óf alleen de haren öf men coupeert tevens den
wortel; soms worden de haren daarbij halverwege den schenkel
of hooger gelijk afgesneden, zoodat de staart, vooral indien hij
dik is, op een bezem gelijkt (queue en balai) (PI. XIII). Dit ge-
schiedt tegenwoordig veel, niet alleen bij rij-, doch ook bij koets-
paarden (PI. IX), hoewel sommige ook voor de laatste liever een
langen, zwaren staart zien en dezen bij het inspannen z.g. opsteken
(trousser),
opdat hij de beweging der achterbeenen niet hindere.
Zulk een lange staart heeft het voordeel, dat de dieren zich
beter tegen vliegen en andere insecten kunnen beschermen.
Wanneer de staartwortel nagenoeg van haren ontbloot is, spreekt
men van een rattestaarf. deze kan aangeboren of door huidziekten ,
schuren, enz. zijn verkregen. Het laatste ontstaat dikwijls door
onvoldoende reiniging; behalve door wasschen, poetsen en de
aanwending van geneesmiddelen, die den prikkel in den staart
opheffen, tracht men het schuren te doen ophouden door de
latierpalen gedeeltelijk te bekleeden met leder, dat van talrijke
spijkers voorzien is, waarvan de punten naar het paard zijn ge-
richt. Ook het strikken van een wollen lap, ter breedte van een hand,
om het boveneinde van den staart, voldoende aangehaald, om te
blijven zitten, heft dikwijls het schuren op. Men verzuime niet den
lap minstens tweemaal in de 24 uur eenige oogenblikken af te nemen.
Men zegt wel eens, dat paarden met aangeboren rattestaarten
bijzonder deugdzaam zijn; natuurlijk oefent echter het meer of
minder behaard zijn van den staart als zoodanig geenerlei invloed
uit op de eigenschappen van het dier. In elk geval staat een ratte-
staart leelijk en hebben de paarden hierdoor minder handelswaarde;
zij worden daarom in den handel soms van kunstmatige staarten
voorzien. Ditzelfde geschiedt ook wel om twee koetspaarden
bij elkaar te doen spannen, d. w. z. geheel op elkander te doen
gelijken.
Sommigen meenen de kracht van een paard te kunnen afleiden
uit den tegenstand, dien zij ondervinden bij het oplichten van
den staart. Hoewel nu bij een sterke ontwikkeling van de staart-
spieren ook de kruis-, lenden-, enz. spieren wel krachtig zullen
zijn, moet men niet uit het oog verliezen, dat een paard met
sterke spieren volstrekt niet altijd zijn staart met kracht naar
beneden trekt, en omgekeerd, dat men , bij het oplichten van den
staart eener hengstige menie, ook al is deze zwak gespierd, steeds
veel tegenstand zal ontmoeten.
-ocr page 251-
225
De ondervlakte van den staart kan door den slaartriem worden
verwond. Bij oude schimmels treft men aldaar, rondom den aars,
somtijds eigenaardige, inwendig zwart gekleurde gezwellen, melanomen
genoemd aan, die zoo talrijk en groot kunnen zijn, dat zij de
mestontlasting bemoeielijken.
§ 103. De aars.
De aars of anus (Tonus; der Af ter; the atms) (PI. VII n°. 48)
is het achterste uiteinde van het darmkanaal, waardoor de mest-
ballen naar buiten worden ontlast.
Bij het jonge en gezonde paard is hij gesloten en omgeven
door een, naar achteren uitstekende, vaste wrong, die door de
kringspier wordt gevormd, terwijl hij, bij een bedaarde adem-
haling, niet wordt bewogen. Wanneer het paard echter oud of
door arbeid of ziekte verzwakt is, ziet men de kringspier ge-
woonlijk verslapt en weggezakt, zoodat de anus meer of minder
is geopend. Dikwijls gaat hij dan met de uit- en inademing resp.
voor- en achterwaarts, waarbij — soms zelfs hoorbaar— lucht in
het darmkanaal opgezogen en weder uitgestooten wordt. Voor-
namelyk bij in hoogen graad dampige paarden kan men dit
verschijnsel duidelijk waarnemen.
Bij de mestontlasting, vooral bij het uitpersen der laatste mest-
ballen, komt het slijmvlies naar buiten en vormt talrijke, geslin-
gerd verloopende plooien, waarom het de roos wordt genoemd.
Aan deze roos hangen in den zomer, bij paarden die het vooraf-
gaand jaar in de weide hebben geloopen, niet zelden larven van
de paar denhor zei {gastrophilus); bovendien worden onder deze
omstandigheden met den mest gedurig larven ontlast. Deze zijn
ongeveer 2 cM. lang, langwerpig rond en zoodanig van dwars-
loopende groeven voorzien, dat het lichaam uit elf ringen bestaat.
Zij ontwikkelen zich uit witte of zwart gekleurde eitjes, die voor-
namelijk in Juli en Augustus door de vlieg op de haren, vooral
van de voorhand, worden gelegd (zie § § 79 en 02) en daaraan zeer vast
kleven; de uit de eitjes te voorschijn komende larven worden voor
een grooter of kleiner gedeelte door het dier opgelikt en hechten
zich aan den maagwand vast, groeien verder en gaan in de
maanden Mei—September met den mest af. Een andere soort
bevestigt zich door middel van haar hakenkrans nog eenigen tijd
aan het slijmvlies van den anus. Daarna verpoppen zij en komt
na ruim één maand het volkomen insect — de horzel — weder
te voorschijn. Deze larven moeten natuurlijk de voeding eeniger-
15
-ocr page 252-
226
mate storen, gewoonlijk echter is dit zoo gering, dat men haar
bestaan volstrekt niet vermoedt; het is trouwens niet mogelijk
haar natuurlijken afgang door eenig geneesmiddel te verhaasten.
$ 104. De dam.
Dam {Ie pe\'rine\'e; das Mitteljleisch; the perinaewiï) noemt men de
fijne, weinig of niet behaarde huid, welke zich bij het mannelijk
dier van den aars tot de geslachtsdeelen, bij de merrie tot den
uier of, volgens sommigen, slechts tot de kling uitstrekt. In
het midden bevindt zich de naad {Ie raphé), d. i. een verheven lijn,
die den dam in twee gelijke deelen scheidt, en bij den hengst
onafgebroken van den aars tot den koker doorloopt.
§ 105. De kling.
De kling {la vulve; der Wurf; the vulva) is de onder den aars
gelegen uitwendige opening der vrouwelijke geslachtsdeelen en
urine-werktuigen. Zij vormt een overlangsche spleet, die door
de schaamlippen begrensd en, bij jonge, krachtige, nog niet ge-
veulend hebbende paarden, door de kringspier vast gesloten wordt.
Bij oude, zwakke dieren en vooral bij oude veulenmerriènhangen
de schaamlippen slap af, zoodat men door de meer of minder
openstaande kling in de scheede kan zien.
In den onderhoek der kling bevindt zich een donker gekleurde
verhevenheid, de kittelaar {clitoris) genoemd, die bij het uitpersen
der laatste urine en bij hengstigheid herhaaldelijk sterk naar
buiten gedrukt en weer teruggetrokken wordt. Bij oude merriën
met verslapte, geopende kling is zij steeds uitwendig zichtbaar.
Somtijds is de clitoris zoo sterk ontwikkeld, dat zij zelfs bij ge-
sloten kling tusschen de beide schaamlippen naar achteren uit-
steekt; zulke paarden, door sommigen hengst-merriën genoemd,
zijn niet zelden, evenals klophengsten, moeielijk te gebruiken.
De inwendige vlakte der schaamlippen is met een lichtrood
gekleurd, glad en glanzend slijmvlies bekleed, dat bij opgewekte
geslachtsdrift donkerrood wordt en een grootere hoeveelheid eigen-
aardig riekend slijm afscheidt dan onder gewone omstandigheden.
Daarbij wordt de kling gedurig geopend en telkens een geringe
hoeveelheid slijmige urine geloosd.
Een hengstige merrie is dikwijls, vooral als rijpaard, moeielijk
te gebruiken; in vele gevallen hinnikt zij steeds naar andere
-ocr page 253-
22?
paarden, dringt tegen deze aan, is weinig gevoelig voor de sporen
en vindt zelfs een lichte aanraking daarmede of met de beenen,
den jas, enz. aangenaam, zoodat zij blijft staan, met den staart
kwispelt en onder hevig persen eenige urine of slijm ontlast. In
normalen toestand geeft de hengstigheid zich door minder hevige
verschijnselen te kennen en keert zij slechts enkele malen in het
jaar voor korten tijd terug. Het komt echter ook voor, dat een
merrie bijna voortdurend hengstig is en alzoo noch als rij- noch
als tuigpaard kan worden gebruikt; zij slaat dan dikwijls achteruit
en komt daarbij niet zelden over de strengen. Zulke paarden
noemt men wel pismerrièn, omdat zij telkens een golf urine ont-
lasten. Dit laatste gebeurt echter somtijds ook, indien paarden,
die eenige dagen geleden hebben geveulend, in draf worden ge-
monsterd; in dit geval evenwel zal het paard niet kwispelstaarten
(jouer ou battre de la queue, quoailler; Schweifwedlen; to ivag the
tail),
waardoor het gebrek, dat gewoonlijk binnen 14 dagen na
de verlossing herstelt, gemakkelijk van het eerste kan worden
onderscheiden.
Hoewel de handelswaarde van een paard dikwijls ten deele
afhankelijk is van eenige heerschende mode, is het waarschijnlijk
toch wel aan het onaangename der hengstigheid toe te schrijven,
dat de vraag naar ruinen in het algemeen grooter is dan naar
merriën, niettegenstaande de stal bij deze laatste gemakkelijker
zindelijk kan worden gehouden dan bij de eerste, en de merriën,
bij ongeschiktheid voor eenigen dienst, soms nog voor de fokkerij
kunnen worden gebezigd.
Door een aandoening van het slijmvlies der baarmoeder kan
een uitvloeiing van slijm voorkomen, die de paarden in hooge
mate verzwakt en dikwijls, vooral indien zij reeds lang bestaat,
moeielijk te genezen is. Daarbij kunnen nu en dan aanzienlijke
hoeveelheden, soms zelfs een emmer vol slijm worden ontlast,
terwijl dan in de tusschentijden weinig of geen uitvloeiing is waar
te nemen. Aaneenklevende haren of kale plekken aan de achter-
beenen geven aanleiding een onderzoek in dit opzicht in te stellen,
vooral indien de algemeene voedingstoestand tevens slecht is.
§ 106. De achterbeenen.
Men onderscheidt aan een achterbeen (membre postérieur; Hin-
terglied oder Hinterschenkel; hind leg)
(PI. VII): de \'dij, de knie,
den schenkel, het spronggewrkht, de pijp, den kogel, de koot, de
kroon en den hoef.
-ocr page 254-
228
Sommigen rekenen ook liet kruis tot de achterbeenen te be-
liooren; het bekken vormt dan het bovenste gedeelte daarvan en
komt overeen met het schouderblad aan de voorbeenen. Deinwen-
dige vlakte van het darmbeen is namelijk met het kruisbeen
verbonden door middel van een gewricht — het kruisgewricht —
zoodat het achterste gedeelte der wervelkolom tusschen de beide
darmbeenderen is opgehangen, op overeenkomstige wijze als het
voorste gedeelte van den romp aan de beide schouderbladen, doch
minder vrij en beweeglijk. Door dit gewricht bezit het kruis
veerende eigenschappen en wordt de stoot, die, ondanks de
breking door het koot-, sprong-, knie- en heupgewricht, nog voor
een gedeelte op het darmbeen wordt overgeplant, weinig of niet
aan de wervelkolom medegedeeld, doch nagenoeg te niet gedaan
in den voorrand van het darmbeen. Ken grootere veerkracht dan
in dit gewricht bezit het achterstel echter in den hoek, gevormd
door het heupgewricht en ondersteund door de strekspieren;
vooral indien deze laatste lang zijn, wiegt de romp in het heup-
gewricht, zoodra een achterbeen wordt neergezet, evenals een
rijtuig op zijn veeren.
§ 107. De nu.
De dij (la cuisse; der Oberschenkel oder die Hinterbacke; the
thigh)
(PI. VII n". 50) is gelegen achter de flank en strekt zich uit
van het kruis tot de knie; haar achterste gedeelte, dat gevormd
wordt door de buigspieren van den schenkel, noemt men de bil
of de broek (la fesse; die Hose) (PI. VII n°. 49). Zij heeft tot
grondslag het dijbeen, dat door middel van een diep komgewricht,
het heupgewricht, met het bekken is vereenigd en met het schen*
kelbeen en de knieschijf een onvolkomen scharniergewricht, het
hiiegewricht, vormt.
Het dijbeen is zoodanig met spieren bedekt, dat zijn ligging
en lengte het best kunnen worden bepaald door zijn beide uiteinden
na te gaan: een rechte verbindingslijn tusschen heup- en kniege-
wricht geeft de lengte en richting van het dijbeen aan.
De dij moet voor rijpaarden lang zijn en schuin naar voren liggen,
terwijl zij in lengte en schuine richting moet afnemen, naarmate
het dier minder in snelle gangen wordt gebruikt. In elk geval
moeten de beide dijen evenwijdig loopen of naar beneden weinig van
elkander wijken en gelijkmatig met krachtige spieren bedekt
zijn.
-ocr page 255-
229
Men noemt de dij lang, indien de afstand tusschen den inwen-
digen darnibeenshoek en het heupgewricht groot is, terwijl een uit
den achtersten hoek der heup neergelaten loodlijn het kniegewricht
nog raakt. Voor een grooten afstand tusschen den inwendigen
darmbeenshoek en het heupgewricht is een lang darmbeen noodig
of m, a. w. een tamelijk lang en recht of slechts weinig afhangend
kruis. Hieruit volgt dus, dat de dij bij een kort en sterk af hangend
kruis steeds kort is. Doch ook bij een recht kruis ligt het knie-
gewricht soms ver achter bovengenoemde loodlijn en neemt de dij
dus, naar evenredigheid, in lengte af.
Indien de dij lang is, geldt ditzelfde van de haar bedekkende
spieren, zoodat een achterbeen bij de beweging telkens ver kan
worden verplaatst. Dit zal te meer het geval zijn, naarmate de
hoeken, gevormd in het knie- en spronggewricht, kleiner zijn
en dus het been bij het strekken langer kan worden gemaakt.
Dij zulk een bouw zijn de strekspieren van dij en schenkel niet
onder stompe hoeken aan de beenderen vastgehecht; reeds in
stap of korten draf zal dus meer kracht worden gevorderd dan
wanneer zij zich onder een grooteren hoek met de beenderen
vereenigden, doch hoeveel meer zal dit het geval zijn, wanneer
dij en schenkel tot het uiterste gestrekt moeten worden, zooals
dit voor den gestrekten draf en den ren noodzakelijk is. Deze
gangen kunnen o. a. ook daarom slechts kort worden volgehouden,
vooral indien deze spieren gebrekkig ontwikkeld zijn, d. w. z. bij
haar lengte den noodigen omvang missen en dus haar vezelen
gering in aantal zijn.
Bij zware trekpaarden moet liet strekken van een achterbeen
met zoo weinig mogelijk spierinspanning kunnen geschieden; alleen
dan is het dier in staat een, door een zwaren last belemmerde
verplaatsing toch tot stand te brengen en langen tijd achter elkander
te herhalen. De spieren moeten zich dus onder een rechten hoek
met de beenderen vereenigen, zooals dit bij een slechts weinig
schuin geplaatst bekken en een korte dij het geval is. De grootte
der excursie van een achterbeen moet daarbij noodzakelijk lijden,
doch een beperkte — en daardoor weer lang volgehouden —
beweging is voor het trekpaard juist gewenscht.
Hetzij een paard tot snelle beweging of tot zwaar trekken be-
stemd is, steeds moeten de spieren, welke op de dij liggen,
krachtig ontwikkeld zijn; men beoordeelt dit het best door na te
gaan of het vierkant geplaatste paard iets boven de knieën breeder
of minstens even breed is als in de heupen. In dit geval noemt
-ocr page 256-
2,10
men liet breed in de knieën, ijoed gebroekt of ook wel uitgebouwd.
Natuurlijk moet hierbij mogelijk voorkomende breedheupigheid in
aanmerking worden genomen.
Indien de breedte, van de heupen tot het midden der schen-
kels, langzamerhand en gelijkmatig afneemt, dan is het paard
krachteloos van achteren.
Bij een sterke spierontwikkeling zal de ruimte achter het
dijbeen en het kniegewricht zoodanig door een dik spierkussen
worden opgevuld, dat de inwendige vlakten der achterbeenen
elkander tot onder de knieën aanraken en eerst daarna gelijkmatig
vaneenwijken. Heeft het paard echter zwakke spieren dan ver-
wijderen deze spierkussens zich vroeger van elkander; soms zelfs
nemen de spieren reeds bij haar oorsprong een schuine richting
naar haar bevestigingspunt aan. Zulk een paard noemt men
slecht gebroekt (split up behind).
De volle en afgeronde vorm aan de uitwendige vlakte der dij
geeft echter een zekerder maatstaf ter beoordeeling van de ont-
wikkeling der spieren dan diezelfde gesteldheid aan de binnen-
z\'yde. De laatste plaats namelijk is dikwijls met een aanzienlijke
laag vet bedekt, wat aan den buitenkant nimmer zoo het geval is.
De billen, die, zooals boven reeds werd vermeld, doordebuig-
spieren van den schenkel worden gevormd, strekken zich verder
uit dan de dijen; deze spieren hechten zich namelijk, meer of
minder ver naar beneden, aan den schenkel vast. Hoe lager dit
geschiedt, des te krachtiger zijn deze buigspieren ontwikkeld en
des te gemakkelijker zal het paard kunnen springen of zich op
de achterhand kunnen „verzamelen". Bij renpaarden, doch voor-
namelijk bij goede rijpaarden, valt deze krachtige ontwikkeling
en groote lengte van de eigenlijke broek zeer in het oog. Zulk
een paard (PI. XXIII fig. 1) is dan tevens breed in de knieën en
wordt nu met recht goed gebroekt (bien gigotté; gut gekost, volle Ilose;
ivell let doivn in kis quarters)
genoemd. Bij onze slechtere inland-
sche paarden hechten de spieren zich gewoonlijk dicht onder de
knie vast, doch ook bij meer edele rassen treft men niet zelden
een gebrekkige ontwikkeling van de broek en de dij aan. Men
spreekt dan van windhondsbillen (mal gigotté; Windhund-, FwJis-
oder Hasenlenden; not well let doivn into the hoek)
(PI. XXIII fig. 2).
De spieren moeten aan beide dijen gelijkmatig ontwikkeld zijn;
ten gevolge van langdurige kreupelheid echter aan een achterbeen,
hetzij deze in of rondom het heupgewricht is gezeteld (heupkreu-
pelheid)
of wel door een spat, een hoefziekte, enz. wordt veroor»
-ocr page 257-
231
zaakt, kunnen namelijk de spieren van liet lijdende been aanzienlijk
in omvang afnemen. Door het vierkant geplaatste paard van
achteren nauwkeurig te beschouwen, overtuigt men zich hiervan
gemakkelijk.
Onze rijkspaarden werden vroeger op de dijen gebrand; stoete-
rijteekens treft men nog dikwijls daarop aan, hoewel in verschil-
lende stoeterijen niet meer wordt gebrand, omdat sommigen (bijv.
in België en Frankrijk) aan zulke paarden minder handelswaarde
toekennen. Zij beschouwen deze namelijk — terecht of ten on-
rechte — als reformpaarden of wantrouwen de echtheid van het
teeken, zelfs al kan men het bewijs van afstamming (Ie certificat;
der Schein; the pedigree)
vertoonen, omdat ook dit niet zelden
wordt nagemaakt.
§ 108. De knie.
Het kniegewricht, de achterknie of de knie (Ie grasset; dus Knie-
gelenk; the sti/le-joint)
(PI. Vil n". 51) is, zooals reeds vermeld
werd, een, door het dij- en schenkelbeen met de knieschijf ge-
vormd, onvolkomen scharniergewricht. Het laat dus niet alleen
buigen en strekken, doch ook eenige zijdelingsche beweging toe.
Tusschen de gewrichtsuiteinden van liet dij- en schenkelbeen
bevinden zich halvemaanvormige kraakbeenderen, die den stoot
helpen breken en de beweeglijkheid in dit gewricht bevorderen.
De knie moet bij ry- en koetspaarden ver naar voren, z.g.
onder het lijf liggen, zoodat de lies, bij liet vierkant staande
paard, zeer kort is; zij moet zich met het ellebooggewricht op gelijke
hoogte
bevinden en beide knieën moeten evenwijdig aan elkander
of, beter nog, een weinig naar buiten gekeerd zijn. In dit laatste
geval zal een uit den achtersten hoek der heup neergelaten lood-
lijn de inwendige zijde der knie raken.
Een ver naar voren gelegen knie waarborgt een lange, schuine
dij en schenkel en een goede hoekvorming in het kniegewricht,
zoodat het achterbeen, bij de beweging, lang kan worden gemaakt.
Indien het knie- en ellebooggewricht in een horizontale lijn liggen,
zijn de evenwichtsverhoudingen in liet lichaam gunstig gesteld,
wat vooral voor manege-paarden van groot belang is. Door een
evenwijdige ligging of geringe vaneenwijking der beide knieën
staan de achterbeenen evenzoo evenwijdig, resp. een weinig met
de punten der hielen naar elkander gekeerd; dit komt aan de
snelheid ten goede, daar de voor waai tsche beweging niet door
-ocr page 258-
232
den buikwand wordt belemmerd. Ken sterke vaneenwijking der
knieën zou een koehakkige en Fransche stand ten gevolge hebben.
Staat het paard echter nauw in de knieën, dan is het wijd in de
hielen en toontreder, en gewoonlijk zwak van achteren.
Bij goede sleeperspaarden is de knie meer naar achteren gelegen
en de hoek dien zij vormt, grooter dan bij zulke paarden, welke
voor snelle gangen geschikt zijn. Hoewel dij en schenkel hierbij
betrekkelijk kort zijn, komt het kniegewricht, door den rechten
stand in de achterbeenen, toch hooger te liggen dan het elleboog-
gewricht en is het paard dus overbouwd (PI. XI). Zooals wij
echter reeds vroeger zagen, is deze gestoorde evenwichtstoestand
voor het zware trekpaard juist voordeelig. Evenmin als een rijpaard
mag een sleeperspaard nauw in de knieën of, wat meer in het
oog valt, wijd in de hielen staan; in dit geval bezit het nooit
zooveel kracht als wanneer het evenwijdig of in geringe mate
wijd in de knieën is.
Kniegewrichtsgallen veroorzaken soms een langdurige en moeielijk
te genezen kreupelheid. De knieschijf kan naar boven en binnen
en ook naar buiten ontwrichten; in het eerste, meer voorkomend
geval (lïamm) blijft zij plotseling op den inwendigen kam van
den katrol van het dijbeen zitten en belet iedere buiging van liet
been. Bij eenige gedwongen beweging van het dier glijdt de knie-
schijf niet zelden weer naar beneden.
§ 109. De schenkel.
De schenkel (la jambe; der Unterschenkel; the tibia) (PI. VII n°. 52)
ligt tusschen het knie- en het spronggewricht.
Voor rij- en koetspaarden (PI. VIII, IX, XIII en XIV) moet hij
eenigszins schuin naar achteren gelegen , lang
, breed, krachtig gespierd
en van onderen een weinig naar binnen gericht zijn.
Men noemt den schenkel lang en behoorlijk schuin gelegen,
indien, bij het vierkant geplaatste paard, een uit den achtersten
hoek der heup en den achtersten zitbeensknobbel neergelaten
loodlijn resp. het kniegewricht en de punt van den hiel raakt.
Denkt men zich de eerste loodlijn naar beneden verlengd, dan zal
deze vóór den hoef op den bodem vallen; gemeten langs deze lijn
zal de afstand van het kniegewricht tot het spronggewricht gelijk zijn
aan den afstand van dit laatste tot den grond. De loodlijn uit den
y achtersten zitbeensknobbel neergelaten, moet de achlervlakte der pijp
overal aanraken; de laatste moet dus verticaal staan. Wanneer de
knie en de punt van den Hiel of alleen de laatste geheel binnen de
-ocr page 259-
\'233
genoemde Willijnen liggen, dan is de schenkel sleil en kort. Valt
de achterste loodlijn echter vóór de punt van het hielbeen, dan
is de schenkel te schuin en staat het paard van achteren gestrekt
of wel de hoek in het spronggewricht is te scherp, zoodat het
paard sabelbeenen (PI. XVIII) heeft. In het laatste geval is de knie
dikwijls ver naar achteren gelegen en dus de hoek, gevormd door
liet dij- en schenkelbeen, te stomp. Dit kan geenszins worden
vergoed door een grootere buiging in het spronggewricht; het
laatste zou dan bovenmate te lijden hebben en gemakkelijk ziekelijk
worden aangedaan (hazenhak).
Een matig schuine ligging van den schenkel, zooals boven als
gewenscht werd aangegeven (waarbij hij tevens lang zal zijn), is
vooral voor rijpaarden van groot belang. Ligt de schenkel terecht,
dan zal de beweging van het achterbeen door de minder gunstige
inwerking der spieren veel van haar actie en kracht verliezen; de
slingerwijdte is dan tevens gering. Ligt hij te schuin, dan zullen
de achterbeenen in snelle gangen te sterk moeten worden gebogen,
om voldoend terrein te kunnen overschrijden; ook zal het over-
brengen van den stoot op den romp onder minder gunstige om-
standigheden plaats hebben en dus de voortstuwing van het lichaam
minder krachtig geschieden, terwijl de spronggewrichten veel te
lijden zullen hebben.
Staat bij die al te schuine schenkelligging de pijp nog verticaal,
dan is het paard gestrekt van achteren (campé du derriere); is zij
echter naar voren gericht, dan heeft het sabelbeenen (jarrets coudés)
(PI. XVIII). Dikwijls zijn de spronggewrichten in beide gevallen
onvoldoende ontwikkeld, waardoor zij, bij de grootere inspanning ,
die van hen wordt gevergd, voorbeschikt zijn tot gebreken, vooral
tot hazenhak.
Een lange schenkel heeft lange spieren ten gevolge, en deze
zijn bevorderlijk aan een ruime verplaatsing van het achterbeen.
Die lengte mag niet worden gevonden ten koste van den sprong-
gewrichtshoek, zooals boven werd aangetoond, doch moet worden
verkregen doordat de knie ver naar voren is geplaatst. In dat
geval zal tevens de pijp lang kunnen zijn zonder dat de gewrichts-
hoek te klein zal worden of dat er voor het paard gevaar bestaat
hoogbeenig te worden. Is het spronggewricht door een korte pijp
laag aan den grond, dan zal de snelheid der beweging hieronder
lijden, omdat de hoef minder ver onder het lijf kan worden ge-
plaatst. Gaarne ziet men de paarden dan ook z. g. n. hoog in de
hakken.
-ocr page 260-
234
De breedte van den schenkel wordt van boven hoofdzakelijk
bepaald door den omvang en de lengte van zijn buigspieren;
een goed gebroekt paard heeft dus, zooals bij de dij reeds werd
opgemerkt, ten minste vanboven, een breeden schenkel (PI. XXIII
lig. 1). Onder de aanhechtingsplaats van deze spieren is de breedte
grootendeels afhankelijk van de lengte van het hielbeen; is dit
lang, dan kan zijn punt, en dus ook de zich daaraan vasthech-
tende Achillespees, ver van het schenkelbeen verwijderd zijn,
waardoor de schenkel breed wordt. Met de lengte van het hiel-
been is echter ook evenredig het vermogen om het onderbeen te
strekken, zoodat de breedte van den schenkel eenigermate een
maatstaf is ter beoordeeling van den omvang der voorwaarts-
schuivende bewegingen. Bij een kort hielbeen is de schenkel
steeds smal (PI. XXIII fig. 2) en de kracht van den strekker der
pijp dus gering.
De breedte van den schenkel hangt echter ook af van haar
meer of minder schuine ligging; hoe schuiner schenkel, hoe meer
de hoek, dien hiel- en schenkelbeen vormen, den rechten nadert,
en dus hoe breeder dit deel zich zal voordoen.
Gaarne ziet men, dat de spieren zoo krachtig ontwikkeld zijn,
dat zij op de uitwendige vlakte van den schenkel een kussen
vormen; de Engelschen noemen dit a second thigh. Men overtuigt
zich hiervan door achter het paard staande, langs de buitenvlakte
van den schenkel te zien. Is deze vlak en mager (jambe grêle,
plate ou de grenouille), dan is het paard van achteren meestal niet sterk.
De schenkels moeten zoodanig convergeeren, dat de afstand
tusschen de beide spronggewrichten slechts \'/,—\'/* bedraagt van
dien tusschen de kniegewrichten. Zijn zij van onderen te weinig
naar binnen gericht, dan wordt het paard wijd in de Melen (ouvert
du derrière; faszbeinig
; wide hoeks) (PI. XXIII fig. 3); het gaat dan
van achteren waggelend en strijkt zich gemakkelijk, indien zooals
meestal, de punten der hielen naar buiten en de toonen der hoeven
naar binnen gekeerd zijn. Niet zelden ontstaat deze stand door
bovenmatig gebruik.
Convergeeren de schenkels daarentegen te veel, dan staat het
paard nauw in de hielen; zijn hierbij de punten der hielen, ten
gevolge van een te scheef gewricht tusschen schenkel" en katrolbeen,
naar binnen gedraaid, terwijl de pijpen divergeeren, dan noemt
men den stand koehakkig (crochu, dos du derrière; kuhhessig; cow-
hocked)
(PI. XXIII fig. 4). Een zoodanig paard beweegt zijn
achterbeenen bij het loopen steeds buitenwaarts; bovendien hebben
-ocr page 261-
235
de spronggewrichten, dooide ongelijke verdeeling vanden licliaams-
last, veel te lijden. Dikwijls gaat deze stand gepaard met een
toegespitst kruis.
Bij trekpaarden (PI. XI) zijn de richting en de lengte van den
schenkel van minder groot belang, omdat de spierwerking ter
voortbeweging in hoofdzaak moet uitgaan van de dij en het kruis.
Bij het trekken wordt de romp, indien pijp en schenkel vaststaan,
door de dij- en croupe-spieren geschoven op de vooruitgeplaatste
voorbeenen. Van achteren gezien moeten de beide schenkels ook
voor dezen dienst convergeeren.
Ken geheel rechte stand in de spronggewrichten is echter nadeelig;
liet paard treedt dan te sterk door in zijn kogels, waardoor deze
bovenmate worden ingespannen, en het dier spoedig vermoeid raakt.
Bijna even ongunstig voor trekpaarden zijn echter sabelbeenen;
om bij het trekken een sterke buiging in het spronggewricht te
voorkomen, plaatsen zulke paarden hun achterbeenen slechts weinig
vooruit, of, indien zij voortdurend worden aangezet, treden zij
langzamerhand meer door in den kogel, ten einde alzoo den
spronggewrichtshoek grooter te maken.
Zooals wij reeds bij de dij zagen, is de broek bij zware trek-
paarden steeds korter dan bij rijpaarden; bovendien zal bij de eerste
het hielbeen, door den veelal stomperen hoek in het spronggewricht,
minder van het schenkelbeen verwijderd zijn, zoodat de schenkel
zoowel van boven als van onderen weinig breed is. Dit behoeft
evenwel aan de kracht niet te schaden, wanneer de schenkel
overigens goed gespierd is, zooals een sterke welving zijner uit-
wendige vlakte kan bewijzen.
De convergentie der schenkels moet gelijk zijn aan die, welke
voor rijpaarden is aangegeven. Gaarne ziet men daarbij de pijpen,
van achteren beschouwd, evenwijdig aan elkander loopen. Het
divergeeren daarvan (de koehakkige stand) is voer eiken dienst
slecht; toch heeft men dit nog liever dan dat een paard wijd in
de hielen is en de pijpen convergeeren. Bij dezen stand (PI. XXIII
Dg. 3) wordt het spronggewricht, zoodra het been is neergezet,
meer of minder sterk naar buiten en dus de toon van den hoef
naar binnen gedraaid. Vooral in stap is dit draaien in de hakken
(jarrets vacillants)
gemakkelijk waar te nemen; in draf houden
zulke paarden hun hakken dikwijls goed bij elkander, doch dit neemt
niet weg, dat zij van achteren minder sterk zijn dan die, welke
dit laatste ook in stap doen. Oorspronkelijk normaal staande
paarden worden door zwaren arbeid gemakkelijk wijd in de hielen ;
-ocr page 262-
236
hiervan kan men zich niet zelden bij uude rij- en trekpaarden
overtuigen.
Verwondingen aan de inwendige vlakte van den schenkel, zoo-
als ze soms door een slag van een naburig paard, onder den buik
door, worden aangebracht, zijn steeds gevaarlijk, omdat hierbij
niet zelden een of meer scheuren of bersten in het been ontstaan,
die bij de geringste aanleiding, bijv. gaan nggen of opstaan, een
beenbreuk ten gevolge kunnen hebben. Deze scheuren, welke
juist aan dit been meer dan aan eenig ander voorkomen, zijn
met zekerheid niet te onderkennen; men doet daarom goed een
paard na zulk een verwonding eenigen tijd rust te geven en aan
de ruif op te binden, opdat het zich niet kan nederleggen.
Volkomen breuken van dit been zijn, evenals van het dijbeen,
doorgaans ongeneeslijk, omdat het meestal onmogelijk is de breuk-
uiteinden, gedurende den noodigen tijd, door een verband, met
elkander vereenigd te houden.
Door sterke uitrekking van den buiger van het pijpbeen, bijv.
als een paard, bij het springen over een boom, hierop met een
achterbeen blijft hangen, kan deze spier verscheuren en het dier
vertoont dan verschijnselen, die op het eerste gezicht aan een
breuk van het schenkelbeen doen denken. Het been is geheel
recht in het spronggewricht en wordt met moeite, zonder buiging
in dit gewricht, slingerend voorwaarts gebracht en stampend
neergezet, de Achilles-pees is naar ter zijde geplooid, enz. Bij de
noodige rust herstelt deze spierverscheuring in den regel volkomen.
§ 110. Het spronggewricht.
Het spronggewricht {Ie jarret; dan Sprunggelenk; the hoek) (PI.
VII n°. 54) is zeer samengesteld en wordt gevormd door het
schenkelbeen, zes in drie rijen gelegen spronggelidsbeentjes en het
pijpbeen met de beide griifelbeenderen. Het laat alleen buigen
en strekken toe; de hoofdbeweging heeft plaats tusschen het
schenkelbeen en het katrolbeen, terwijl de geleding tusschen de
rijen onderling en de onderste rij met het pijpbeen en de griffel-
beenderen zeer beperkt is.
Het spronggewricht moet bij rij- en koetspaarden zoowel van
voren als van ter zijde gezien breed zijn, een hoek van 150\'—460°
vormen, droog en zonder gebreken zijn.
De zijdelingsche breedte van het spronggewricht is afhankelijk
van de lengte van het hielbeen, terwijl hieraan weder evenredig
-ocr page 263-
237
is de kracht van de dijbeen-hielbeenspier. Aangezien deze spier
echter hoofdzakelijk bijdraagt tot vooruitbeweging van het lichaam,
kan uit de lengte van het hielbeen of de breedte van het sprong-
gewricht eenigennate worden besloten tot de snelheid, waarmede
het paard zich kan verplaatsen.
Zoodra een achterbeen in snellen gang is neergezet, zal dit in
het spronggewricht doorbuigen, en wel te meer, naarmate de
schenkel en de pijp langer zijn. Onmiddellijk daarna treedt echter
de dijbeen-hielbeenspier — ondersteund door den kroonbeenbuiger —
in werking, welke het onderbeen meer of minder plotseling strekt
en daardoor den romp voor- en bovenwaarts duwt. De kracht,
waarmede dit strekken zal kunnen geschieden, is afhankelijk van
de lengte van het hielbeen; dit been vormt namelijk den korten
krachtsarm, waaraan genoemde spier werkt, terwijl de afstand
van het spronggewricht tot den bodem den lastarm van dezen
twee-armigen hefboom uitmaakt. De kracht werkt hier dus zeer
ongunstig in, en het is duidelijk, dat zelfs een gering verschil in
lengte van het hielbeen van grooten invloed moet zijn op de
energie, waarmede het strekken plaats vindt. Is het hielbeen
zeer lang, zooals men dit voornamelijk bij renpaarden aantreft,
dan zal het strekken met groote kracht en plotseling kunnen ge-
schieden en daardoor het paard niet alleen tot snelle gangen,
maar ook tot springen geschikt zijn.
Bij renpaarden nu houdt de ontwikkeling van het kruis ge-
lijken tred met die van het hielbeen en juist door de samen-
werking van beide, zijn deze in staat lange en spoedig op elkander
volgende sprongen te maken. Er bestaat echter geen noodzakelijk
verband tusschen beider ontwikkeling; bij dieren, die, zooals de
kat, slechts enkele, doch des te sterker sprongen maken, is
voornamelijk het spronggewricht werkzaam, en eveneens is dit het
geval bij hoogte-sprongen, die door herten, wilde en halfwilde
paarden, zoo bij uitstek (door een sterk samenbuigen en daarna
plotseling strekken van de spronggewrichten) kunnen worden uit-
gevoerd, niettegenstaande hun kruis kort is. Is dit laatste echter
recht, doch omgekeerd de veerkracht in het spronggewricht minder
ontwikkeld, dan kan het paard wel een snelle, doch geen lichte,
veerende beweging hebben.
De dwarse breedte van het spronggewricht is afhankelijk van
de ontwikkeling der beenderen, die dit gewricht samenstellen.
Men onderzoekt deze door zich vóór en ook achter het paard te
plaatsen.
-ocr page 264-
\'238
Bij een goed gebouwd spronggewricht neemt men zoowel aan
het gewrichtseinde van den schenkel als aan dat van de pijp
duidelijk omschreven bandknobbels waar; evenwel treden die van
den schenkel, de z.g. binnen- en buitenenkel, en vooral de eerste,
scherper te voorschijn dan die van de pijp. Steeds is de dwarse
breedte van het gewricht grooter nabij den schenkel dan nabij
de pijp, doch nog kleiner is deze tusschen die beide grenzen
in, zoodat men zoowel aan de uitwendige als aan de inwendige
vlakte van het gewricht, doch voornamelijk aan de laatste,
een geringe uitholling waarneemt. De inwendige gewrichts-
knobbel van het p\'ypbeen gaat onmerkbaar in het lichaam van
dit been over. De achtervlakte van dit gewricht ligt met de
achtervlakte der pijp in een rechte lijn, zoodat noch de verbinding
van het hielbeen met het daaronder gelegen dobbelsteenvormig
been, noch die van dit laatste met het pijpbeen zich door eenige
welving te kennen geeft.
Bij het onregelmatig gebouwde spronggewricht wijkt het pijp-
been meestal in dikte en breedte van de overige beenderen af.
Is dit been smal, als het ware ingedrukt, zooals men niet
zelden bij kruisingsproducten van een koudbloedig met een meer
edel ras waarneemt, dan steken de spronggewrichtsbeenderen
sterker uit, zoodat het onderste gedeelte der zijvlakten van het
gewricht, en voornamelijk van de inwendige, zich gewelfd
voordoet. Men noemt dit een ingesnoerd spronggewricht {jari\'et
étranglé; geschniirtes Sprunggelenk, slecht eingeschient; laced in hoeks).
De onderste rij spronggelidsbeentjes en de pyp-engriffelbeenderen
komen dan over een kleinere vlakte met elkander in aanraking,
zoodat de stoot en de drukking zich minder verdeden; zulk een
gewricht heeft dus meer te lijden dan een regelmatig gebouwd
en is meer aan gebreken onderhevig. Aangezien de overgang van
het spronggewricht in de pijp aan de voor-binnenvlakte niet ge-
leidelijk plaats heeft, doch met een verhevenheid op de plaats,
waar gewoonlijk de spat voorkomt, heeft het den schijn alsof deze
aanwezig is.
Zooals reeds bij den schenkel werd opgemerkt, moet de hoek
in het spronggewricht, vooral voor snelle gangen, stomp (150c—160")
zijn. Hij wordt gevormd door schuine ligging van den schenkel,
terwijl de pijp verticaal staat, onverschillig of deze deelen lang of
kort zijn, onverschillig ook voor welken dienst het paard wordt
gebruikt. Voor den trekdienst mag deze hoek echter wat minder
stomp zijn (145) dan voor rijpaarden. (De gewrichtshoeken worden
-ocr page 265-
239
gemeten door lijnen, welke de middelpunten der gewrichten ver-
eenigen.)
Een scherper hoek kan het gevolg zijn van te schuine ligging
van den schenkel of van het naar voren gericht zijn der pijp of
van beide. In het eerste geval komt het been te veel naar achteren
(ook wel gestrekte stand genoemd); hierdoor wordt de voorhand
te veel bezwaard, zakken rug en lenden in, zoodat hun spieren
minder voor de voortbeweging kunnen dienen, komt hethielbeen
meer evenwijdig te liggen met den schenkel en lijdt de snelheid.
Is de pijp naar voren gericht (sabelbeenigheid; coudure dujarret;
Sübelbeinigkeit; over bent, siclde shaped hoek or sickle-hocked)
, dan
dient het achterbeen minder goed tot steun van de achterhand
en hebben de pezen en gewrichten van het onderbeen, doch in
het bijzonder de achtervlakte van het spronggewricht, in de ver-
lenging van de schenkel-as, veel te lijden. Zooals reeds werd op-
gemerkt, is deze bouw vooral voor snelle gangen en het springen
nadeelig; voor lichten trekdienst schaden de sabelbeenen nog het
minst, althans, wanneer de pijp niet al te schuin staat en de dij
krachtig ontwikkeld is, met ver naar voren gelegen knie. In het
tegenovergestelde geval (PI. XVIII) heeft het paard voor eiken dienst
weinig waarde; het klapt dan niet zelden in de ijzers of vangt
zich zelfs.
Indien de hoek in het spronggewricht te stomp wordt, zoodat
schenkel en pijp bijna of geheel verticaal boven elkander zijn ge-
legen, of zelfs de voorvlakte van het spronggewricht, met name
de kammen van het katrolbeen, naar voren uitsteken, dan is de
schenkel te kort en zal het been slechts weinig vooruit kunnen
worden gebracht (rechte spronggewricht; jarret droit; gerades Sprung-
gelenk; upright or straight hoek).
De pas is dan kort, de stoot
wordt in het spronggewricht niet voldoende gebroken, het paard
treedt te veel door in de achterkogels, is soms zelfs beervoetig,
en staat van achteren onder zich. Indien zulke paarden voor
inspannenden arbeid worden gebruikt, ontwikkelen zich aan de
achterbeenen gemakkelijk allerlei gebreken, die de dieren nog
meer onbruikbaar maken.
Voor snelle gangen wenscht men de Iiakken hoog van den grond;
een lange schenkel en een lange pijp, in een stompen hoek ver-
eenigd, bieden de meeste kans op snelheid. In dit opzicht staan
het Kngelsch volbloed en de Clydesdaler tegenover elkander;
terwijl de laatste het lichaam dicht bij den grond heeft, schijnt
de eerste, wat de onderbeenen betreft, op stelten te staan. Vroeger
-ocr page 266-
\'240
.schatte men de korte pijp voor eiken dienst hoog; tegenwoordig
wenscht men zelfs reeds voor koetspaarden de hakken lioog van
den grond. In Oldenburg keurt men de hengsten af, welke hun
hakken laag aan den grond hebben. Onze harddravers staan
meestal steil in de spronggewrichten en hebben deze betrekkelijk
ver van den bodem verwijderd.
Droog noemt men een spronggewricht, wanneer al zijn deelen,
verhevenheden zoowel als verdiepingen, duidelijk kunnen worden
onderscheiden; de huid is dan fijn en schijnt als het ware op de
onderliggende deelen geplakt. Is de laatste echter dik en bevindt
zich onder haar veel bindweefsel en vet, of wel bevatten de ge-
wrichtszakken, peesscheeden of slijmbeurzen een abnormaal groote
hoeveelheid lidvocht, dan verloonen de verschillende deelen van
liet gewricht zich niet meer scherp omschreven, doch eenigermate
afgerond en wordt liet gewricht vol en vet genoemd. Het droge
spronggewricht is in liet algemeen aan de meer edele, het volle
daarentegen aan de koudbloedige rassen eigen; intusschen kan
een oorspronkelijk droog gewricht, vooral wanneer dit, ook wat
de hoekvorming betreft, slecht gebouwd is, door zwaren arbeid,
gebrekkige voeding, enz. zeer goed vol worden, evenals omgekeerd
minder edele paarden, door een krachtige voeding en matig gebruik,
drogere spronggewrichten kunnen krijgen.
Aan het spronggewricht kunnen talrijke gebreken (tares; Fehler;
diseases)
voorkomen, die het paard meer of minder onbruikbaar
maken en naar hun vastheid in zachte en harde worden onderscheiden.
Aan de eerste liggen zwellingen van banden en pezen, uitzettingen
van synoviaalzakken, enz., aan de laatste dikwijls beennieuw-
vormingen (exostosen) te gronde.
Tot de zachte gebreken behooren:
1°. De bolspat, de bos of de spronggewrichtsgal (Ie vessigon (\');
die Sprunggelenhgalle oder Pfannengalle; the bog spavin) is een uit-
zetting van den bovensten spronggewrichtszak door lidvocht, die
voornamelijk aan de voor-binnenzijde van het gewricht en gewoonlijk
ook uitwendig zichtbaar is, omdat de beursband hier niet door
beenderen of banden verhinderd wordt naar buiten uit te puilen.
Soms is zij ook tusschen den schenkel en den hiel waar te nemen,
in welk geval men van een doorgaande spronggewrichtsgal (vessigon
chcvillé; Kreuzgalle oder durchgehende Gallé)
spreekt.
(1) De onder 1", 2" en S* be»clireven prullen noemen de Kranschen: tnsigont.
-ocr page 267-
241
Wanneer deze gallen groot zijn en plotseling ontstaan, veroor•
zaken zij kreupelheid; in ieder geval beperken zij echter de vrije
beweging van het gewricht en bovendien nemen zij na sterke
inspanning gemakkelijk in grootte toe. Bij onze inlandsche paarden
komen zij, meer of minder ontwikkeld, dikwijls voor, doch ook
bij edele paarden kunnen zij na zwaren arbeid ontstaan. Zij zijn
gewoonlijk een bewijs van zwakte in dit gewricht en zelfs in den
geheelen lichaamsbouw.
2°. Waai- of\'vlntgal (Sprunggelenks-Beugesehneugalle ; thorough-pin)
noemt men een ziekelijke verwijding en bovenmatige vulling van
de peesscheede voor den hoefbeenbuiger, de z.g. tarsaalscheede.
Deze gal heeft een langwerpige gedaante en is gelegen tusschen
het hielbeen en het ondereinde van het schenkelbeen, doch strekt
zich soms ook meer naar boven en beneden uit. Zij kan evenals
de bolspat kreupelheid teweegbrengen en moet, ten opzichte van
de waarde van het paard, even ongunstig als deze worden beoor-
deeld. — Met den naam van waai- of vlotgal duidt men soms
ook wel aan:
3". De Achüles-peesgal (Fersen- oder Sprungbeingalle), welke
bestaat in een uitzetting van de peesscheede der Achilles-pees; zij
komt dus boven de punt van den hiel, naast de pees van den kroon-
beenbuiger voor. Deze gal is veel zeldzamer dan de voorgaande,
doch komt, wat haar aard betreft, daarmede overeen.
4°. De hielbeensgal (Courbungalle) is een verwijding van de
peesscheede van den hoefbeenbuiger aan de binnen-achtervlakte en
nabij het ondereinde van het hielbeen, zoodat de achtervlakte
van den hiel niet meer een rechte lijn vormt, doch met een
kromming in de pijp overgaat. Zij wordt dikwijls verward met de
hazenhak, doch onderscheidt zich hiervan gewoonlijk door meer*
dere uitbreiding naar boven en beneden en soms ook naar ter
zijde, doch voornamelijk door mindere vastheid en liet gevoel van
een onduidelijke golving in de diepte, als men de zwelling tusschen
de vingers drukt.
Deze gal heeft meestal kreupelheid ten gevolge; na eenige rust
neemt zij doorgaans in omvang af, terwijl zij na sterke inspanning
in grootte toeneemt.
5°. De uitwendige strekpeesgal (Sprunggelenks-StrecksehnengaUe)
ligt uitwendig, dicht onder het spronggewricht en wordt veroorzaakt
door een ziekelijke uitzetting van de scheede, welke de pees van
den uitwendigen strekker van het hoef been aldaar omgeeft. Zij is
meestal klein, doch kan, vooral bij paarden, die sterk op de ach*
10
-ocr page 268-
242
terhand worden gezet, een belangrijke grootte bereiken. In den
regel heeft deze gal geen kreupelheid ten gevolge.
6°. De dikke hak (Ie capelet ou passe-campane; die Piephacke;
the capped-hock)
wordt veroorzaakt door een abnormale vulling
van de slymbeurs, welke op de punt van het hielbeen onder de
huid is gelegen. Deze kan door kneuzing, bijv. door het slaan
tegen den latierboom, bij elk paard ontstaan, doch komt het meest
voor bij grove, slappe dieren. Kreupelheid heeft zij nagenoeg
nooit ten gevolge; zelfs beperkt zij in den regel de vrije bewe-
gingen van het gewricht niet en toch vermindert een dikke hak
de handelswaarde van een paard, omdat zij zeer in het oog valt,
moeielijk geheel te genezen is, vooral indien de oorzaak telkens
opnieuw inwerkt en omdat zij het vermoeden opwekt, dat het
paard, hetzij op stal, hetzij ingespannen, achteruitslaat.
Soms komen ook bij zuchtige zwellingen der achterbeenen
dikke hakken voor; deze verdwijnen echter weder, zoodra de oor-
zaak van deze sereuse drenking van het onderhuidsche bindweefsel
is opgeheven.
7°. Rasp of krab (solandres; Jtaspe; sallende7-s) komt, evenals
aan de voorknie, ook in de spronggelidsbuiging voor en bestaat
in een ontsteking der huid, waarbij deze gewoonlijk in dwars-
loopende kloven berst en een kleverig vocht uitzweet, dat de
haren aaneen doet kleven. Dikwijls loopt het paard hieraan
kreupel, vooral in den beginne, terwijl de genezing somtijds zeer
traag geschiedt.
Tot de harde gebreken behooren:
4". De spat, koespat of becnspat (l\'éparvin; der Spat; the spavin);
deze bestaat in een ontsteking van de onderste, beperkte geledingen
van het spronggewricht, welke in den regel een beennieuwvor-
ming aan de inwendige vlakte van dit gewricht en — ten minste
bij haar ontstaan — kreupelheid ten gevolge heeft. Deze been-
verdikking (exostose) kan vlak zijn en zich over het geheele onderste
gedeelte tamelijk gelijkmatig uitbreiden of, wat meer geschiedt,
zij is knobbel vormig, meer omschreven en ligt onmiddellijk
boven de pijp, onder of achter de aldaar naar de inwendige
vlakte van den schenkel loopende ader, de spatader genoemd.
Indien de spat onder of onmiddellijk achter deze ader is gelegen,
dringt zij haar naar voren en doet haar opzwellen; men zegt dan
wel, dat het paard bloedt aan zijn aderen of dat het een bloed- of
aderspat heeft en laat, in de meening, dat deze uitgezette ader
de oorzaak der kreupelheid is, haar boven en onder het sprong*
-ocr page 269-
243
gewricht onderbinden — het z.g. aderkorten. Deze ader staat
echter met de kreupelheid in geen verband; toch heeft bedoelde
operatie, bij jonge paarden, soms herstel ten gevolge. De oorzaak
daarvan moet worden gezocht in de gunstige werking, die het
aderkorten op de pas ontstane gewrichtsontsteking kan uitoefenen;
hetzelfde zou echter met een andere operatie kunnen worden
bereikt, evenals omgekeerd liet aderkorten ook bij andere sprong-
gewrichtsziekten nuttig zou kunnen zijn. In sommige streken van
Frankrijk heeft deze operatie dezelfde traditioneele reputatie tegen
de bolspat als bij ons tegen de koespat.
Ligt de spat meer of minder ver achter de ader (z.g. middel\' of
achterspat), zoodat dit bloedvat, gelijk men het noemt, vrij ligt, dan
meent men dikwijls, dat de spat geen nadeeligen invloed op de
beweging zal uitoefenen. De reden daarvan is, dat een ver naar
achteren gelegen spat meestal zonder kreupelheid voorkomt, ter-
wijl dit meer een uitzondering is, als zij zich onmiddellijk achter
de ader bevindt.
Aan de middel* of achterspat ligt gewoonlijk geen gewrichts-
1\'yden te gronde, zooals aan de eigenlijke spat; meestal zijn zij een
gevolg van onvoldoende voeding in de jeugd {rachitis). Eigenlijk
heeft dus datgene, wat men middel- en achterspat heet, met de
spat niets te maken. Zulke gewrichten mogen wellicht minder
sterk wezen dan die, welke volkomen rein en droog zijn, kreu-
pelheid ontstaat daardoor slechts zelden.
De spat kan zeer verschillend in grootte zijn, zonder dat de
kreupelheid daaraan steeds evenredig is. Soms namelijk loopt een
paard met een tamelijk grootespat volstrekt niet kreupel, terwijl dit
daarentegen bij een zeer kleine in hooge mate het geval kan zijn.
De onderkenning eener spat is voor den weinig geoefende niet
altijd gemakkelijk, omdat de inwendige vlakte van het sprongge-
wricht belangrijk in voorkomen kan verschillen, zonder dat men
het ziekelijk kan noemen; men denke slechts aan het ingesnoerde
spronggewricht. Tot dit onderzoek plaatse men zich ter zijde van
den schouder bij het, vooraf op een vlakken bodem vierkant ge-
plaatste paard, bezie nauwkeurig de inwendige vlakte van het
spronggewricht en vergelijke deze daarna met die van het andere
been. Indien beide vlakten niet volkomen aan elkander gelijk
zijn, is het waarschijnlijk, doch niet volstrekt zeker, dat de
grootere verhevenheid van de eene zijde door een spat wordt ver-
oorzaakt. Wanneer er echter geen verschil tusschen beide vlakten
is waar te nemen, dan is het nagenoeg zeker, dat geen spat
-ocr page 270-
244
aanwezig is, omdat een volkomen gelijke ontwikkeling van dit
gebrek aan beide gewrichten wel bijna nooit zal voorkomen.
Ten einde de geheele inwendige vlakten der spronggewrichten
met elkander te kunnen vergelijken, plaatst men zich, behalve
naast, ook achter en vóór het paard en beschouwt ze in het
laatste geval tusschen de beide voorbeenen door. Eindelijk kan
men zich door betasten van de vastheid eener ontdekte verhe-
venheid overtuigen, doch in het algemeen moet men bij het
onderzoek van een paard, den verkooper zoo weinig mogelijk
doen merken, waaraan men meer in het bijzonder zijn aandacht
schenkt.
Het ontstaan eener spat gaat meestal meer of minder met
kreupelheid gepaard; deze houdt somtijds op, zoodra de been-
knobbel zich geheel heeft ontwikkeld, doch in den regel blijft zij
ook daarna voortduren. De kreupelheid uit zich het meest bij het
begin der beweging, vooral als men het paard onmiddellijk van
de plaats laat draven, en wordt gewoonlijk langzamerhand minder
zichtbaar, zoo zelfs, dat zij in enkele gevallen bijna niet meer
wordt bespeurd. Na eenige rust loopt liet paard echter weer even
kreupel als te voren.
Onder andere omstandigheden blijft de kreupelheid voortdurend
bestaan en is soms heviger of geringer, naarmate het paard juist
te voren resp. veel of weinig heeft gearbeid. Zij is steeds zeer
aanzienlijk, wanneer men het zieke been gedurende2—3 minuten,
met sterk gebogen spronggewricht, laat ophouden en het paard
onmiddellijk daarna in draf van de plaats laat gaan. In stap is zij
gewoonlijk gering.
Een spatkreupel paard staat in rust met het lijdende been
meestal op den toon van den hoef, terwijl de heup gezakt en het
spronggewricht een weinig gebogen wordt gehouden. De spieren
van dit been nemen, door haar mindere werkzaamheid, spoedig in
omvang af, hetgeen vooral aan het kruis en de dij is waar te nemen.
Een spat vermindert in hooge mate de handelswaarde van een
paard, zelfs al loopt het niet kreupel, omdat het dit, na eenige
sterke inspanning, toch gemakkelijk kan gaan doen. Wanneer de
spatknobbel zich volkomen heeft ontwikkeld, blijft deze, ondanks
elke behandeling, gedurende het geheele leven bestaan; het is
echter mogelijk dat de spatkreupelheid na een doelmatige behan-
deling geneest en het paard in het vervolg rad blijft loopen. In
enkele gevallen gelukt het een nog in ontwikkeling zijnde been-
nieuwvorming geheel en duurzaam te doen verdwijnen.
-ocr page 271-
245
De oorzaak van de spat moet voor een groot deel worden ge-
zocht in een erfelijke voorbeschiktheid, welke nog toeneemt door
een gebrekkige voeding in de jeugd, en voor een ander deel in
een gebrekkigen bouw van het sprong- en kniegewricht en een met
de lichaamskrachten onevenredigen arbeid. Paarden met een spat
moeten dus van de fokkerij worden uitgesloten, ook al weet men
nu en dan voorbeelden aan te wijzen, dat de nakomelingen van
zulke dieren spatvrij zijn gebleven.
Een onzichtbare spat noemt men een zoodanige, waar wel de
spatkreupelheid, doch geen beennieuwvorming is waar te nemen.
Deze is in den regel zeer moeielijk te onderkennen, omdat de
spatkreupelheid zich niet scherp van sommige andere kreupelheden
onderscheidt. Gewoonlijk echter vormt zich spoedig een beenknobbel
en wordt de onzichtbare spat dus tot een zichtbare.
2°. De hazenhak (la jarde ou Ie jardon; die Hasenhacke oder
Courbe(\'); the curb);
men noemt aldus een harde verhevenheid
aan de achtervlakte van het spronggewricht, ongeveer 7—10 cM.
onder de punt van den hiel, op de plaats waar het hielbeen zich
met het daaronder gelegen dobbelsteenvormig been vereenigt. Die
achtervlakte gaat dus niet in een rechte lijn, doch met een meer
of minder sterke welving in de pijp over, zooals men, ter zijde
van het paard staande, gemakkelijk kan waarnemen.
De hazenhak bestaat in een onderlinge verschuiving naar
achteren van het ondereinde van het hielbeen en het boveneinde
van het dobbelsteenvormig been, waardoor deze beenderen een
hoek vormen en niet, gelijk in normalen toestand, recht boven
elkander zijn gelegen. Indien dit langzamerhand gebeurt, verlengt
de achterste spronggewrichtsband zich allengs meer, zonder in
ontsteking te geraken; het paard loopt dan niet kreupel, doch
wordt dit gemakkelijk door eenige inspanning, waarbij deze band
(die nu niet meer in staat is een sterkere verschuiving tegen te gaan)
bovenmate wordt gerekt. Geschiedt de verplaatsing echter (zooals
meestal) bij een groote krachtsaanwending, plotseling, dan geraakt
de genoemde band en een of meer der beperkte geledingen van
het spronggewricht in ontsteking en kan zelfs een beennieuwvorming
het gevolg zijn; de kreupelheid is dan niet zelden zeer hevig.
De achterste spronggewrichtsband is bij de voorwaartsschuivende
beweging juist op deze plaats aan de meeste drukking blootgesteld;
(1) De Fransclien noemen een sterk ontwikkelden binnen-enkel wie courbe; deze
heeft geenerlei invloed on de beweging.
-ocr page 272-
\'2i(>
wanneer men namelijk de as van den schuinstaanden schenkel
naar beneden verlengt, ziet men. dat deze langs de verbinding
van het hielbeen en het dobbelsteenvormig been buiten het gewricht
treedt. De lichaamslast rust dus voornamelijk op dit gedeelte
van het gewricht en dat zal te meer het geval zijn, naarmate de
spronggewrichtshoek kleiner is. Bij sabelbeenen ontstaan daarom
gemakkelijk hazenhakken. Ook bij jonge, slecht gevoede paarden,
die te vroeg tot dikwijls zwaren arbeid worden gebruikt, komt
dit gebrek meermalen voor; de band is dan niet krachtig genoeg
om aan de verschuiving weerstand te bieden. Krijgen zulke dieren
daarna rust en een goede voeding, dan kan het gebeuren dat de
hazenhak allengs verdwijnt naarmate de band sterker wordt.
Intusschen kan ook bij krachtige spronggewrichtsbanden en een
normalen gewrichtshoek een hazenhak ontstaan, indien dit deel
bijzonder wordt ingespannen, zooals bijv. bij het springen. Zeldzaam
ontstaat deze in den volwassen leeftijd bij zware trekpaarden met
zeer stompe spronggewrichtshoeken, omdat hierbij de drukking
door den lichaamslast meer langs de pijp naar beneden wordt
voortgeplant, en omgekeerd de werking van de kuitspier op liet
hielbeen, wegens de stomper inplanting der Achilles-pees, minder
groot is en dus niet zoo licht een verplaatsing van dit been ten
gevolge zal hebben.
Zooals wij reeds zagen, is een verwisseling mogelijk van een
hazenhak met een hielbeensgal; dit kan te meer gebeuren, wijl
beide gebreken niet zelden met elkander verbonden voorkomen.
Voor de beoordeeling der waarde van een paard is een nauw-
keurige onderscheiding hiertusschen van weinig belang; in elk
geval verminderen beide die belangrijk.
3U. Het reebeen {Ie jardon (\'); das Eehbein) is een tamelijk
omschreven, beenige zwelling aan het onderste gedeelte van de
uitwendige vlakte van het spronggewricht, ter plaatse van het
hoofdje van het buiten griffelbeen. Men ziet deze gemakkelijk,
wanneer men, achter liet paard staande, beide buitenvlakten van
het gewricht met elkander vergelijkt, doch nog beter overtuigt
men zich van het bestaan van een reebeen, indien men de uit-
wendige vlakte in een schuine richting van voren naar achteren
beschouwt: in plaats van een langzamen, gelijkmatigen overgang
van het onderste gedeelte dezer vlakte in de achterzijde, neemt
men, zoo dit gebrek aanwezig is, een meer of minder sterke
welving waar.
(1) Dit woord beiigeu de Franschen soms ook voor een hazenliuk.
-ocr page 273-
\'247
Dikwijls komt aan beide gewrichten een reebeen voor; deze
zijn dan in den regel verschillend in grootte. Kreupelheid hebben
zij niet ten gevolge; soms zijn zij een bewijs, dat het dier veel
heeft geleden, in andere gevallen staan zij in verband met een
gebrekkige beenvorming in de jeugd (rachitis). Dikwijls is dan
het geheele gewricht nabij zijn achterrand verdikt.
Meestal wordt te groote waarde gehecht aan een reebeen; dit
vindt zijn grond daarin, dat men het verwart met hazenhak,
waarmede het trouwens verbonden kan voorkomen.
§ 111. De pui\'.
De pijp (PI. VII n". 55) der achterbeenen ligt tusschen het
spronggewricht en de koot en is gewoonlijk \'/, langer dan die
der voorbeenen.
Voor eiken dienst zonder onderscheid moet zij verticaal of
slechts een weinig naar voren en iets naar buiten gericht zijn en
overigens dezelfde eigenschappen bezitten als voor de voorpijp zijn
opgegeven.
Haar lengte en richting zijn geheel afhankelijk van den schenkel
en het spronggewricht, zooals in de voorgaande §§ is aangetoond.
De breedte der pijp bepaalt ook hier de mate van werkzaamheid
van kroon- en hoefbeenbuiger en voornamelijk de grootte van de
rol, die zij bij het voorwaartsbewegen van het lichaam spelen.
Immers, deze breedte hangt grootendeels af van de lengte van
het hielbeen en de breedte van den kogel. Wanneer de pezen
zich dicht bij het been bevinden, moet het paard zijn spieren
sterk inspannen om een last voort te bewegen, terwijl ver daarvan
verwijderd liggende en goed afgescheiden pezen kracht besparen.
Evenwel liggen deze hier zelden zoover van het been af als aan
de voorbeenen. Daarbij moet steeds in aanmerking worden geno-
men, dat het pijpbeen der voorbeenen nagenoeg rond is, terwijl
dat der achterbeenen zijn grootste dwarse doorsnede bezit in de
lengte-richting van het lichaam. Doch ook die grootere breedte
van het been zelf is geenszins van belang ontbloot; de achterpijpen
krijgen hierdoor voldoende stevigheid om aan de drukking, die
in deze richting op haar inwerkt, weerstand te kunnen bieden.
Dezelfde gebreken als aan de voorpijp kunnen zich ook hier
voordoen; intusschen zijn schuifeltjes en peesklap aan de achterpyp
zeldzamer, terwijl zuchtige zwellingen door allerlei, dikwijls weinig
beduidende oorzaken teweeggebracht, hier meer voorkomen.
-ocr page 274-
•248
Aan de binnenzijde der pijp, juist onder liet spionggewrieht,
ligt de zwilwrat (PI. VII n". 53), welke dezelfde beteekenis heeft
als die der voorbeenen.
§ 112, De kogel en de koot.
De kogel (PI. VII n°. 50) en de koot (PI. VII n°. 58) der ach-
terbeenen komen evenzoo met die der voorbeenen overeen, doch
de hoek, gevormd door de pijp en de koot moet iets grooter,
en dus de koot van een achterbeen eenigszins korter zijn;
wanneer men namelijk de as van de pijp tot den bodem verlengt,
moet deze het achterste gedeelte der ballen raken. Dit geldt zoo-
wel voor rij- als voor trekpaarden; de stoot wordt hierdoor in
den kogel wel minder gebroken dan aan de voorbeenen, doch
dit wordt door het spronggewricht ruimschoots vergoed, terwijl
de voortschuivende kracht der achterbeenen er aanzienlijk door
wordt verhoogd.
Overigens moeten de kogel en de koot dezelfde eigenschappen
bezitten als die der voorbeenen; de afwijkingen hiervan hebben
een even nadeeligen invloed als voor de laatste is vermeld.
Kogelverstuiking en strijken, en daardoor dikke kogels , worden
meer aan de achter- dan aan de voorbeenen waargenomen.
De vetlok (PI. VII n°. 57) is gewoonlijk iets zwaarder dan die
der voorbeenen.
§ 113. De kroon.
Omtrent de kroon (PI. VII n°. 59) geldt alles, wat hiervan bij
de voorbeenen is vermeld; kraakbeenfistels komen echter aan de
achterbeenen zelden voor.
Bij paaiden, welke van achteren veel hebben geleden, kan,
evenals bij slecht gevoede, zwakke veulens, ten gevolge van een
verkorting der buigrpezen, het kroonbeen, soms zelf hoorbaar,
naar voren overknikken; bij oppervlakkige beschouwing zou dit
met een overhoef kunnen worden verwisseld.
De hoef (P\\. VII n°. CO) wordt later afzonderlijk behandeld
(zie Boek IV).
-ocr page 275-
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE OUDERDOMKENNIS.
§ 114. Algemeens kenmerken voor de ouderdoms-
bepalinq.
De leeftijd van het paard kan, met eenige zekerheid, alleen
door het onderzoek van de tanden worden bepaald. Wel is het
meestal mogelijk uit het uitwendig voorkomen van het dier te
besluiten of men met een jeugdig, een volwassen of een oud
paard te doen heeft, doch deze aanwijzingen zijn, ten minste boven
den 2- en onder den 18-jarigen leeftijd, niet nauwkeurig genoeg.
Veulens herkent men gemakkelijk aan hun lichaamsbouw; zij
hebben een wigvormig hoofd, door relatief sterke ontwikkeling
der schedelbeenderen teweeggebracht, geen scherp geteekende
beenuitsteeksels, weinig schoft, ten gevolge van het, door zwakte
der spieren, veroorzaakte wegzakken van den romp tusschen de
schouders; zij zijn hoogbeenig en hebben wollige, gekroesde haren,
voornamelijk aan de manen en den staart, welke laatste tevens
kort is en niet tot aan de hielen reikt.
Bij oude paarden zijn de lippen slap en, evenals de oogleden,
geplooid, de randen der achterkaak worden scherp, alle been*
uitsteeksels treden duidelijker te voorschijn, de rug zakt meestal
in, ter zijde van den aars vormen zich diepe groeven, de dijen
worden mager en hoog gespleten, de hoeven ruw en droog en
enkele groepen van haren beginnen, bij donkeikleurige paarden,
wit te worden. Gewoonlijk geschiedt dit het eerst aan de oogbogen
en bovenoogkuilen op 14—15-jarigen leeftijd. Ook donkere schim-
mels worden met den ouderdom meer en meer wit; de tijd hiervan
verschilt echter aanzienlijk, evenals dit trouwens ook met het te
voorschijn treden van de andere opgegeven ouderdoms-kenmerken
het geval is.
Het bepalen van den leeftijd naar het aantal rimpels in de
oogleden, de hoeveelheid zoogenaamde knoopen, d. w. z. harde,
-ocr page 276-
250
beenige verhevenheden in den staart, en naar de kleur van het
mond- en aarsslijmvlies is, wat men daarvan ook moge beweren,
geheel zonder waarde.
Daar de meeste veulens in het voorjaar geboren worden, houdt
men in het algemeen den l\'ten Mei voor den geboortedag van het
paard; in den militairen dienst worden de rijkspaarden echter
telkens na den l,ten Januari 1 jaar ouder op het stamboek inge-
schreven.
§ 115. De tanden.
De tanden zijn met hun wortels in de tandkassen van de voor-
en achterkaakbeenderen ingeplant en steken met hun kronen in de
mondholte uit.
Zij worden onderscheiden in : snijtanden (incisives ; Schneidezahne;
incisors or nippers)
, hanktanden (crochets; Hakenzahne; tusks) en
kiezen (molaires; Bach\'nztïhne; molars or grinders). Het paard heeft
12 snijtanden en 24 kiezen; de haaktanden komen, ten getale
van 4, alleen bij hengsten en ruinen voor (zie § 120).
De snijtanden bevinden zich in het voorste gedeelte van den
mond en vormen twee bogen, ieder van G tanden. Hiervan worden
de twee middelste de binnenste of grasbijters {pinces; Zangenzahne;
central nippers)
, de ter zijde van deze gelegene de middelste (initoyen-
nes; Mittelzahne; next nippers)
en de twee buitenste de hoektanden
(coins ; Eckzühne ; corner teeth)
genoemd.
Naar hun uitbotting worden de snijtanden verdeeld in melk-,
wissel-
of veulensnij tanden en paardensnijtanden. De eerste zijn klein,
smal, beitelvormig, wit, op de voorvlakte geribd, terwijl hun
kroon duidelijk door een insnijding, de hals genoemd, van den
wortel is afgescheiden (PI. XXIV fig. 1). De paardensnij tanden
bezitten geen hals, zijn sterk gekromd, vooral aan de kroon, lang,
breed en geelachtig, en schijnen aan de kroon van voren naar
achteren en aan de wortels van ter zijde platgedrukt (PI. XXIV
fig. 2).
De snijtanden, voornamelijk die van de achterkaak, geven ons
de zekerste kenmerken voor een juiste beoordeeling van den
ouderdom, na den 5-jarigen leeftijd.
Zij bestaan uit drieërlei zelfstandigheid: het cement, het glazuur
of émail en het ivoor of de dentine, waarvan het eerste het zachtst
en het tweede het hardst is. Het cement vormt de uitwendige,
aan de kroon zeer dunne, geelachtige laag; daarop volgt het
-ocr page 277-
\'251
glazuur, dat melkwit is en aan de kroon een dikkere laag vormt
dan aan den wortel, en het meest naar binnen ligt het ivoor, dat
bij den geheel ontwikkelden tand het hoofdbestanddeel uitmaakt.
Soms treft men aan de kroon der tanden bovendien een brok-
kelige, uit kalkzouten bestaande, geelbruine massa aan, die zich
uit het voedsel heeft afgezet, gemakkelijk kan worden verwijderd
en tandsteen wordt genoemd.
Het glazuur slaat zich van boven op den tand om en vormt
een trechtervormige holte, de kroonholte {cornet dentaire; Kunde;
mark)
genoemd, die naar beneden nauwer wordt en in een punt
van glazuur eindigt, dat nabij den achterrand van den tand is
gelegen (PI. XXIV fig. \'3 en Gg. 4, a). Deze holte is van binnen
met een voortzetting van de cementlaag bekleed, die door de
daarmede in aanraking komende stoffen zwart wordt gekleurd.
Bij de veulensnijtanden bezit de kroonholte slechts een diepte van
2—4 niM.; bij de paardensnijtanden echter, in de bovenkaak van
12—15 mM. en in de onderkaak van ongeveer G mM.
Daar de boven=nij tanden tevens sterker zijn ontwikkeld , bezitten
zij nog steeds een gedeelte der kroonholte, wanneer deze in de
ondersnijtanden — door afslijting — reeds geheel is verdwenen.
Een snijtand heeft van boven een breede, van voren naar
achteren af hellende vlakte, de wrijfvlakte genoemd, omdat de
tanden hiermede op elkander wrijven. Is de tand echter nog niet
in wrijving geweest en dus nog niets afgesleten, dan vertoont hij
twee meer of minder scherpe, door de kroonholte van elkander
gescheiden randen, waarvan de voorrand hooger en breeder is dan
de achterrand.
Wanneer een snijtand eenigen tijd aan wrijving onderworpen
is geweest, zoodanig, dat zijn voor- en achterrand even hoog zijn
geworden, dan bezit hij op zijn wrijfvlakte twee ovale ringen
van glazuur, namelijk een uitwendigen, het buitenglazuw (PI. XXIV
fig. 5, a) en een inwendigen, die de kroonholte begrenst en het
binnewjlazuur (PI. XXIV fig. 5, b) wordt genoemd. Deze zijn door
ivoor (PI. XXIV fig 5, d) van elkander gescheiden, dat door zijn
mindere hardheid meer is afgesleten dan het glazuur, waardoor
dit laatste zich steeds op de wrijfvlakte verheft.
De wortel van een pas uitgekomen snijtand is klein en geheel
hol; deze toortelholte strekt zich tot in de kroon uit en ligt vóór
de kroonholte (PI. XXIV fig. 4, b). Zij bevat een bloed- en
zenuwrijke massa, de tmulkiem of tandpulpe (PI. XXIV fig. 4, c)
genoemd, die naarmate de tand groeit, afneemt, om plaats te
-ocr page 278-
•252
maken voor tandivoor, waarmede eindelyk de geheele wortelholte
wordt opgevuld. Dit ivoor is, aan de oppervlakte gekomen, ge-
woonlijk iets donkerder gekleurd dan het overige, zoodat het
daarvan bij de afslijting kan worden onderscheiden. Het eerst
neemt men dit waar in den vorm van een gele streep tusschen
het binnenglazuur en den voorrond van den tand en evenwijdig
met den laatsten, terwijl deze streep, naarmate de tand afslijt,
korter wordt (PI. XXIV fig. 5, c) en tevens meer den achterrand
van den tand nadert, totdat zij eindelijk in een nagenoeg rond
punt is veranderd, dat ongeveer op het midden der wryfvlakte
zichtbaar is. Men noemt dit het tandsterretje (i\'toile dentaire;
Kernspur; j\'ang-hole or secondary mark);
het blijft gedurende het
geheele leven van het paard aanwezig.
§ HG. UlTBOTTIXQ EN SLIJTING DER VELLENSNIJT.VXDEN.
Het veulen brengt bij de geboorte niet zelden een paar snij-
tanden mede ter wereld. Gewoonlijk komen de binnentanden of
grasbijters met 6—8 dagen (PI. XXIV fig. 6), de middeltanden
met 30—40 dagen (PI. XXIV fig. 7), en de hoektanden met 6—10
maanden (PI. XXIV fig. 8) na de geboorte. Dit doorbreken heeft
zoowel aan de boven- als aan de onderkaak plaats, zoodat met
1 jaar alle veulensnijtanden aanwezig zijn.
De tanden der boven- en die der onderkaak breken of gelijktijdig
óf korten tijd na elkander door en in dit laatste geval zijn nu
eens die van de boven-, dan die van de onderkaak het eerst te
voorschjjn getreden. De uitbotting geschiedt in het algemeen
spoediger en regelmatiger, wanneer moederdier en veulen gezond
zijn en goed worden gevoed, dan onder de tegenovergestelde
omstandigheden.
De slijting der melktanden geeft slechts onzekere kenmerken
voor de beoordeeling van den ouderdom; dit wordt gedeeltelijk
veroorzaakt door het groote verschil, dat er bestaat in het tijd-
perk, waarop de hoektanden doorbreken, gedeeltelijk door den
verschillenden tijd, waarop de veulens worden gespeend en daarna
meer of minder hard voedsel ontvangen. In den regel echter is
de kroonholte der onder-binnentanden door afslijting verdwenen
of, zooals men het oneigenlijk noemt, zijn deze tanden gevuld
met 10 maanden, de middeltanden met 1 jaar en de hoektanden
met to—24 maanden. Op 2-jarigen leeftijd zijn alle veulensn\'y-
-ocr page 279-
2te
tanden, zoowel der voor- als die der achterkaak, gevuld; hun
wrijfvlakten zijn geheel glad, behoudens de eenigszins verheven
randen van het buitenglazuur en den bodem der kroonholte.
§ 117. De tand wisseling.
Na het 2de levensjaar worden de veulensn ij tanden successievelijk
vervangen door zoodanige, die het dier levenslang behoudt, namelijk
de paardensnijtanden. Achter en onder den wortel van iederen veulen-
snijtand ontwikkelt zich, op den bodem der tandkas, de kiem van
den paardensnijtand, die bij haar eerste ontstaan den vorm bezit
van een blaasje, dat later de kroon van den nieuwen tand uitmaakt.
Deze kiem of jonge tand verbeent langzamerhand, wordt allengs
grooter, vult de tandkas meer en meer en oefent een voortdurende
drukking uit op den wortel van den melktand, waardoor deze
eindelijk grootendeels verdwijnt. Het gevolg hiervan is, dat de
melktand losraakt, en meer en meer buiten de tandkas wordt
gedreven; daarbij wordt hij, door de opslorping in de tandkas,
gepaard met de voortdurende afslijting der kroon, kleiner, neemt
een bruingele kleur aan, begint te waggelen en valt eindelijk uit.
De voorrand van den paardentand is nu gewoonlijk reeds zicht-
baar, terwijl de achterrand meestal eerst 4—8 weken later komt.
De snijtanden der voorkaak breken doorgaans 1—3 weken vroeger
door dan die der achterkaak; soms heeft echter ook het tegendeel
plaats. De doorgebroken paardentand heeft in den regel 6 maanden
noodig, om zijn volkomen lengte te bereiken.
Het kan soms bezwaren opleveren om, bijv. in Januari of
Februari, sterk ontwikkelde 1\'/,-jarigen van 2\'/j-jarigen, die nog
niet hebben gewisseld, te onderscheiden. Bij de laatsten zullen
de binnen-veulentanden weldra uitvallen, zooals te voelen is aan
den scherpen rand tusschen het tandvleesch en het boveneinde
dier tanden; men kan met den nagel tusschen den tand en het
tandvleesch dringen. Bovendien is deze rand (door ingedrongen
voedselsap) zwart of althans donkerder gekleurd dan het overige
van den tand. Bij 1\'/,-jarigen bestaat nog geen loslating tut-schen
tand en tandvleesch, zoodat daarbij noch van een scherpen, noch
van een donker-gekleurden bovenrand der binnentanden sprake
kan zijn.
De snijtanden staan bij een regelmatig gebit niet even hoog
buiten het tandvleesch\'. aan de onderkaak hebben de kronen der
binnentanden — gemeten aan hun voorvlakte — een lengte van
-ocr page 280-
254
ongeveer 1,5 cM., der middeltanden van 1,3 cM. en der hoek-
tanden van 1 cM., terwijl de kronen van de snijtanden der boven-
kaak resp. 2—3 mM. langer zijn. AVanneer echter groei en afslijting
van de tanden geen gelijken tred met elkander houden, dan ver-
andert de lengte; zij worden te kort of, wat meer voorkomt, te
lang.
De wisseling geschiedt op de volgende wijze: de binnen tanden
komen uit met 2\'/,—3 jaar, de middeltanden met 3\'/,—4 jaar
en de hoektanden met 41/,—5 jaar.
Een 3-jarig paard (PI. XXV lig. 1) heeft dus zoowel in de
boven- als in de onderkaak, groote, breede, juist volgroeide,
nauwelijks eenigszins in slyting zijnde binnen-paardentanden, ter-
wijl de iniddel- en hoektanden kleine, gevulde, sterk afgesleten
veulentanden zijn.
Bij een i-jarigen mond (PI. XXV fig. 2) zijn de voor- en achter-
rand van de binnen-paardentanden duidelijk in slijting, zoodat
zich hierop een wrijfvlakte heeft gevormd, de middeltanden even-
als de binnentanden op 3-jarigen leeftijd en alleen de kleine,
gevulde, soms reeds eenigermate uit hun kassen gedreven hoek-
tanden zijn nog veulentanden.
Op ^jarigen leeftijd (PI. XXV fig. 3) zijn alle veulentanden
door paardentanden vervangen en deze hebben hun normale
hoogte bereikt. De binnentanden zijn nu reeds 2 jaar in slyting,
de middeltanden 1 jaar, terwijl de hoektanden nog van een scherpen
voor- en achtterrand zijn voorzien.
De snijtanden van ieder der beide kaken vormen nu te zamen
een regelmatigen halven boog; hoe ouder het paard wordt, des
te meer strekken zich de tanden, d. w. z. zij nemen langzamerhand
een meer schuine richting naar voren aan. Dit strekken is een
gevolg deels van de, met den ouderdom toenemende afplatting
der kaken, deels van de sterkere kromming der snijtanden aan
de kroon dan aan den wortel. Daar nu de snijtanden derboven-
kaak grooter zijn dan die der onderkaak, slijt het sterk gekromde
gedeelte der eerste minder spoedig af dan dat der laatste en heeft
het strekken der tanden dus het vroegst aan de achterkaak plaats.
Indien, gedurende de wisseling of ook later, een paard een
zekeren leeftijd, bijv. 5 jaar, nauwelijks bereikt of juist overschreden
heeft, gebruikt men wel de woorden jong en oud vóór het aantal
jaren geplaatst. Zoo wil de uitdrukking: „dit paard is jong 5"
(prenant 5 ans) zeggen, dat het ouder dan 4\'/,, doch jonger dan
5 jaar is, terwijl „oud 5" (5 ans faits) beteekent, dat het reeds
-ocr page 281-
255
ouder dan 5, doch nog geen 5\'/» jaar is. Beide uitdrukkingen
worden ook wel vervangen resp. door de woorden klein en vol.
§ 118. De vulling der paardentaxden.
Door het bijlen en het kauwen van voedsel slijten de tanden,
tot op omstreeks 12-jarigen leeftijd, jaarlijks ongeveer 2 mM af;
na dien tijd en in het algemeen naarmate de tanden zich meer
strekken, slijten zij minder, omdat zij dan zwakker met elkander
in wrijving komen. Zij worden echter nagenoeg in dezelfde lengte
uit de tandkassen gestooten, zoodat zij, bij een regelmatige afslij-
ting en uitstooting, even ver buiten het tandvleesch blijven steken.
Het uitstooten der snijtanden is deels een werkelijk groeien, daar
de tand zich tot 8 a 10 jaar aan zijn wortel verlengt, deels is
evenwel de wasdom na dezen leeftijd slechts schijnbaar, want nu
krimpen het tandvleesch en de randen der tandkassen langzamer-
hand in, waardoor de laatste verkleinen en dus een grooter ge-
deelte van de tanden zichtbaar wordt.
Aangezien de kroonholte van de tanden der achterkaak een
diepte heeft van 6 mM.. zal zij, daar de tand jaarlijks 2 mM.
afslijt, 3 jaar na het volgroeid zijn van den tand, geheel wegge-
sleten of, zooals men zegt, gevuld zijn. De binnentanden, die
met het 3de jaar geheel ontwikkeld zijn en dan in slijting komen,
zijn op 4-jarigen leeftijd voor V3 > met het 5de jaar voor 2/3 en met
het 6ae jaar geheel gevuld. Hetzelfde geschiedt een jaar later
met de middel- en nog een jaar later met de hoektanden, zoodat
de op 4-jarigen leeftijd in slijting gekomen middeltanden met
7 jaar en de met 5 jaar volgroeide hoektanden op 8-jarigen leef-
tijd gevuld zijn.
Ten onrechte noemt men dikwijls de tanden, wier kroonholten
voor *l3 zijn gevuld, half gevuld.
Ofschoon nu de diepte der kroonholten en dejaarlijksche afslij-
ting der tanden vrij regelmatig met de opgegeven maten overeen-
komen, doen zich intusschen in beide opzichten afwijkingen voor,
zoodat het niet steeds mogelijk is met volkomen zekerheid den
leeftijd te bepalen. Zoo gebeurt het wel eens, dat de kroonholten
der binnentanden reeds gevuld zijn, wanneer de hoektanden of,
zooals men ze op dien leeftijd dikwijls noemt, de 5-jarige tanden
nauwelijks volwassen zijn. Door in dergelijke en andere gevallen
alle tanden te raadplegen en in onderling verband te beschouwen ,
zal men zich zooveel mogelijk voor vergissing vrijwaren.
-ocr page 282-
256
Bij een G-jarigen mond (PI. XXV fig. 4) zijn, overeenkomstig
het bovenvermelde, de binnentanden geheel, de middeltanden voor
a/3 en de hoektanden voor \'/, gevuld. De laatste hebben dus niet
meer den scherpen voor- en achterrand, dien zij op 5-jarigen leef-
ty\'d bezaten, doch een duidelijke wrijf vlakte. In enkele gevallen
intusschen is de achterrand der hoektanden zeer laag en daardoor
nog niet in slijting; de voorrand toont dan echter duidelijk aan,
dat het paard ouder is dan 5 jaar.
Met het lAt jaar (PI. XXV fig. 5) zijn de binnen- en middel-
tanden geheel en de hoektanden voor J/3 gevuld. De tanden der
achterkaak beginnen zich reeds te strekken, waardoor de hoek-
tanden der bovenkaak niet meer volkomen met die der onderkaak
in wrijving komen en zich uitwendig aan de boven-hoektanden
een haak vormt. Deze ontstaat echter tevens door het in breedte
afnemen van den tandboog. De snytanden hebben namelijk het
aanzien alsof zij aan het bovenste gedeelte der kroon van voren
naar achteren waren samengedrukt, terwijl naar beneden deze
vorm langzamerhand zoodanig verandert, dat zij nabij de wortels
van ter zijde samengedrukt schijnen. Bovendien zijn de snijtanden
zoodanig in hun kassen geplant, dat de uiteinden der wortels elkan-
der naderen (PI. XXV fig. G). Hierdoor is de tandboog het breedst
op 5-jarigen leeftijd en neemt deze breedte af, naarmate de tanden
slijten. Aangezien nu de tanden der achterkaak spoediger afslijten
dan die der bovenkaak, zal reeds op 7-jarigen leeftijd de onderste
tandboog zooveel smaller zijn dan de bovenste, dat de buitenge-
deelten der boven-hoektanden weinig of niet in wrijving komen,
dus niet afgesleten worden en in den vorm van haken (échancrures)
achterblijven. Langzamerhand neemt een zoodanige haak in grootte
toe, totdat deze op 9jarigen leeftijd zijn grootsten omvang heeft
bereikt. Daarna wordt h\'y\' weer kleiner, omdat nu ook de tand-
boog der bovenkaak zich strekt en smaller wordt en na het 12de
jaar verdwijnt de haak gewoonlijk volkomen. De beide tandbogen
hebben dan nagenoeg een gelijke breedte en kromming.
Dikwijls ontstaat met het 15d8 jaar een tweede haak en soms
ziet men op een leeftijd van in de twintig jaren zelfs een derde.
Niet zelden ontwikkelt zich slechts aan óén zijde een haak, of
wel ontstaat die der andere zijde later of verdwijnt vroeger.
In veiband met andere kenmerken kan van deze haken voor de
ouderdomsbepaling een nuttig gebruik worden gemaakt; daarop
alleen kan men echter niet afgaan, daar z\'y\' dikwijls volkomen
ontbreken of op geheel andere tijden te voorschijn treden.
-ocr page 283-
257
Op 8-jarigen leeftijd (PI. XXVI fig. 1) zijn alle snijtanden der
onderkaak gevuld; in plaats van een kroonholte ziet men op de
wrijf vlak te een ovaal van glazuur, de bodem der kroonholte
genoemd.
Het binnenglazuur, dat de kroonholte vormt, loopt namelijk
naar beneden veel verder door dan de eigenlijke holte, zoo zelfs,
dat men nog ongeveer 7 jaar, nadat de laatste is verdwenen,
daarvan overblijfselen aantreft. Zoodra de tand gevuld is, neemt
de bodem der kroonholte een groot gedeelte der wrijfvlakte in,
zoodanig, dat binnen- en buitenglazuur overal slechts door een
smallen rand ivoor zijn gescheiden; intusschen is de afstand tus-
schen den voorrand van den tand en den bodem der kroonholte
steeds iets grooter dan tusschen den laatsten en den achterrand
van den tand. De vorm daarvan komt met dien van de wrijfvlakte
overeen en is alzoo op dien tijd ovaal. Naarmate de tand verder
afslijt, zal, overeenkomstig de gedaante en de richting van de
kroonholte, het op de wrijfvlakte zichtbare gedeelte van haar
bodem steeds van vorm veranderen, kleiner worden en meer den
achterrand van den tand naderen. Voor de onderkenning van den
leeftijd na 8 jaar zijn deze veranderingen, in verband met andere
kenmerken, van groot belang.
Met het 88te jaar neemt de bodem der kroonholte op alle tanden
nog bijna de geheele wrijfvlakte in en is dus, evenals deze, ovaal;
dikwijls intusschen is hij op de binnentanden reeds iets kleiner
en meer naar achteren geplaatst dan op de midden- en hoektanden.
Aangezien nu geen holten meer op de wrijfvlakten zijn waar te
nemen, noemt men het paard aftands, gelijktaiuls of van den tand
(Jiors d\'dge)
; die uitdrukkingen gelden echter niet uitsluitend voor
dezen leeftijd, doch worden voor het geheele volgend leven gebe-
zigd, niet zelden met het oogmerk daardoor een oud paard voor
jonger te doen doorgaan.
De tanden der bovenkaak, waarvan de kroonholten minstens
tweemaal zoo diep (12—15 mM.) zijn als die der onderkaak, zijn
nu nog niet gevuld; meestal heeft dit 3 jaar later dan aan de
gelijknamige onder-tanden plaats, zoodat de boven-binnentanden
met 9, de boven-middeltanden met 10 en de boven-hoektanden
met 11 jaar gevuld zijn. Intusschen zijn deze kenmerken, door de
ongelijke diepte der kroonholten en het verschil in ontwikkeling
en afsl\'yting der boven-tanden, veel minder zeker dan de genoemde,
betreffende de tanden der achterkaak.
17
-ocr page 284-
2Ê>8
§ H9. Kenmerken na den 8-jarigen leeftijd.
Wanneer men een snij tand van voren naar achteren of omge-
keerd beschouwt (PI. XXIV tig. 2), ziet men, dat hij van boven
het breedst is en naar beneden langzamerhand smaller wordt;
indien men dezen echter van ter zijde beziet, neemt men eeniger-
mate liet omgekeerde waar. Het gevolg hiervan is, dat de wrijf-
vlakte voortdurend van vorm verandert, naarmate de tand afslijt
(PI. XXVI fig. 2).
Terwijl namelijk de breedte-afmeting (van de eene zijde van den
tand tot de andere) van een pas uitgekomen snytand zich tot zijn
diepte (of lengte van voren naar achteren) verhoudt als 10 : 3,
ziet men, dat de breedte langzamerhand af- en de diepte daarentegen
toeneemt, zoodanig, dat deze verhouding, zoodra de kroonholte
gevuld is (voor de binnentanden op 6-jarigen leeftijd), gelijk 6:3
wordt, na de vulling der kroonholte en vóór de bodem hiervan
geheel verdwenen is (voor de binnentanden op 12—13-jarigen leef-
t\'yd) 5 : 4 bedraagt, ongeveer op het midden van de lengte van
den tand (den 15-jarigen leeftijd) gelijk 4 : 4 wordt, en naar het
worteleinde toe, vervolgens 4 : 5 (op 17—18-jarigen leeftijd voor
de binnen-tanden) en eindelijk (op ongeveer 24-jarigen leeftijd)
3 : G wordt.
Overeenkomstig deze veranderingen in de verhouding van de
breedte tot de diepte is de gedaante der wrijfvlakte van de snij-
tanden der achterkaak ovaal tot het 8ste jaar, wordt zij van het
9de tot het 13\'k jaar rond of rondachtig, vervolgens van het 14de
tot het 18de jaar driehoekig en eindelijk van het 19(,e jaar af ge-
durende den verderen levensduur verleerd ovaal. Het eerst beginnen
deze veranderingen steeds aan de binnentanden, een jaar later
aan de middel- en nog een jaar later aan de hoektanden.
De bodem van de kroonholte, die op 8-jarigen leeftijd nog bijna
de geheele wrijfvlakte inneemt, wordt, naarmate de tanden af-
sl\'y\'ten en van den ovalen vorm in den ronden overgaan, niet
alleen kleiner en meer nabij den achterrand van den tand ge-
plaatst, doch verandert tevens, evenals de wrijfvlakte, van vorm.
Ook hiervan kromt de achterrand zich meer en meer en wordt
de voorrand korter, zoodat de gedaante rond, zelfs eenigermate
driehoekig wordt, totdat eindelijk op 13-jarigen leeftijd het laatste
overblijfsel van het binnenglazuur aan de binnentanden verdwenen
is of wellicht nog ter grootte van een speldeknop wordt aange-
troffen. In den regel verdwijnt het een jaar later aan de middel-
-ocr page 285-
2ë9
en nog een jaar later aan de hoektanden; de laatste wijken echter
in dit opzicht en ook wat den vorm betreft, dikwijls zoodanig van
den regel af, dat men in het algemeen goed doet aan hun ken-
merken de minste waarde toe te kennen.
Het tandsterretje neemt men op 6—7-jarigen leeftijd het eerst
waar, en wel in den vorm van een lange streep, tusschen den
voorrand van den tand en den bodem der kroonholte. Deze streep
wordt, naarmate de tand afslijt en zijn wryfvlakte das van vorm
verandert, allengs korter en nadert meer het midden van den tand,
totdat zij op ongeveer 15-jarigen leeftijd in een rond punt is ver-
anderd, dat op het midden der wrijfvlakte is gelegen. Vóór het
ll(ll! jaar laat men het tandsterretje voor de ouderdomsbepaling
ongemoeid, omdat de overige kenmerken voldoende, in elk geval
beter zijn; zoodra echter de bodem der kroonholte bijna verdwenen
is, begint men ook hieraan zijn aandacht te schenken. Na het
15,,e jaar nadert het tandsterretje langzamerhand iets meer den
achterrand van den tand en gaat door uitzetting van zijn achter-
rand, dikwijls in een driehoekigen, zelfs eenigermate verkeerd-
ovalen vorm over.
Het tandsterretje is steeds gemakkelijk van den bodem der
kroonholte te onderkennen, omdat het nooit boven de wrijfvlakte
uitsteekt, doch met het omringend ivoor gelijk of zelfs eeniger-
mate verdiept gelegen is.
Na den 8-jarigen leeftijd wordt het strekken der tanden en het
versmallen van den tandboog meer in het oog vallend en bij de
bepaling van den ouderdom meer in rekening gebracht. Indien
dit, voor den leeftijd, abnorm sterk geschiedt, slijten de tanden
met hun wr\'yfvlakten minder op elkander en zullen deze dus een
jeugdiger leeftijd aantoonen, dan het dier bezit. Bovendien ver-
mindert de kromming van den tandboog naar evenredigheid, tot
eindelijk alle tanden op een nagenoeg rechte lijn ingeplant schijnen.
Het volk zegt dan, dat het paard lange tanden heeft en houdt dit,
gewoonlijk niet ten onrechte, voor zeer oud; evenwel is de groote
lengte der tanden onder deze omstandigheden dikwijls slechts schijn-
baar en alleen door hun recht vooruitstekenden stand veroorzaakt.
Door nu deze verschillende zaken, namelijk de veranderingen
van den vorm der wryfvlakte, van den bodem der kroonholte en
van het tandsterretje, het strekken der tanden en het versmollen
en rechter worden van den tandboog, in onderling verband te
beschouwen, is het mogelijk, met tamelijk groote zekerheid, den
leeftyd van het paard tot in de twintig jaren te bepalen. Ken
-ocr page 286-
260
vergissing loch van 1 of zelfs 2 jaar doet na hel 8»" jaar weinig
ter zake; iets anders evenwel zou het zijn, indien men bijv. een
17-jarig paard voor een 9-jarig aanzag.
De 9-jarige leeftijd (PI. XXVI fig. 3) onderscheidt zich van den
8-jarigen door het volgende: de binnentanden beginnen rond te
worden, hun voorrand is korter en hun achterrand meer gekromd,
de bodem der kroonholte neemt op deze tanden niet meer de
geheele wrijfvlakte in, doch is kleiner, evenzoo meer rond gewor-
den en meer naar achteren geplaatst. De middellanden en hoek-
tanden zijn nog ovaal en de bodem der kroonholte breidt zich op
deze tanden over bijna de geheele wrijfvlakte uit. De haak aan de
boven-hoektanden is nu gewoonlijk het grootst. De binnentanden
der bovenkaak zijn dikwijls, doch niet altijd gevuld.
Op 10-jarigen leeftijd zijn de binnentanden rond en beginnen
de middeltanden dit te worden, de bodem der kroonholte is in
de binnentanden kleiner en meer nabij den achterrand van den
tand gelegen dan met het 9de jaar, terwijl deze zich in de middel-
tanden niet meer over de geheele wrijfvlakte uitbreidt, doch
overeenkomt met dien der binnentanden in het voorafgaande jaar.
De boven-binnentanden zijn nu gewoonlijk gevuld en dikwijls is
dit ook met de middeltanden het geval.
Met het 11* jaar zijn de binnen* en middeltanden rond en
beginnen de hoektanden dezen vorm aan te nemen; zooals vroeger
echter reeds werd opgemerkt, kan men op de gedaante-verandering
der laatste tanden weinig rekenen, daar het niet zelden gebeurt,
dat hun wrijfvlakte nu reeds een driehoekigen vorm vertoont. De
bodem der kroonholte is in de binnen- en middeltanden in om-
vang afgenomen en heeft zich steeds meer van het midden der
wrijfvlakte verwijderd; in de hoektanden is deze nu gewoonlijk
ook rond. Het tandsterrelje treedt thans meer op den voorgrond;
men ziet het vóór den bodem der kroonholte als een kort,
donkergeel of bruin gekleurd streepje. Dikwijls zijn nu alle boven-
tanden gevuld.
Op 12-jarigen leeftijd (PI. XXVI fig. 4) zijn alle tanden rond
en de bodem der kroonholte is op alle, doch voornamelijk op de
binnentanden, slechts als een klein, ver naar achteren gelegen
punt zichtbaar. Niet zelden gebeurt het, zooals ook in de figuur,
dat de vorm van enkele of alle wrijfvlakten eigenlijk meer ovaal
dan rond, of, in andere gevallen, meer driehoekig is; de bodem
der kroonholte, het tandsterrelje en de gesteldheid van den tand-
boog beslissen dan echter en helpen meestal uit de moeielijkheid.
-ocr page 287-
?<)1
In den regel zijn alle tanden der bovenkaak nu gevuld; de haak
aan de boven-hoektanden komt in slijting.
Bij een 13-jat-iijen mond is de bodem der kroonholte op de binnen-
tanden verdwenen of nog ter grootte van een speldeknop aan-
wezig; op de middel- en hoektanden is deze zeer klein. De
breedte van den tand verhoudt zich tot zijn diepte als 5 : 4 en
soms is aan de binnenlanden de diepte reeds bijna gelijk aan de
breedte. Het tandsterretje vormt op de binnentanden een Iang-
werpig-rond punt, op de overige tanden is het nog een streepje.
De haak aan de boven-hoektanden is gewoonlijk verdwenen.
Met het 14(le jaar (PI. XXVI fig. 5) beginnen de binnentanden
een driehoekigen vorm aan te nemen, terwijl de overige tanden
nog rond zijn; de bodem van de kroonholte is van de binnen* en
meestal ook van de middeltanden verdwenen, terwijl deze aan de
hoektanden nog aanwezig is. Het komt intusschen ook voor, dat
de bodem der kroonholte reeds van een of beide hoektanden
verdwenen, daarentegen nog op een of beide middeltanden zicht-
baar is. Het tandsterretje is op de binnentanden bijna rond en
op de middeltanden ovaal, terwijl het op de hoektanden nog
streep vorm ig is.
Op 15 jaar zijn de binnentanden driehoekig en beginnen de
middeltanden dit te worden; de breedte van den binnentand is
nu gewoonlijk gelijk aan zijn diepte. De bodem der kroonholte
wordt in den regel op geen enkelen tand meer aangetroffen; het
tandsterrelje vormt op het midden der wrijfvlakte van de binnen-
tanden een rond en van de middeltanden een bijna rond punt,
terwijl het op de hoektanden ovaal is. Dikwijls ontstaan aan de
hoektanden der bovenkaak een tweede haak.
Op iG-jarigen leeftijd zijn de binnen- en middeltanden drie-
hoekig en nemen ook de hoektanden dezen vorm aan. Het tand-
sterrelje vormt een rond punt op het midden der wrijfvlakten van
de binnen* en middeltanden, op de hoektanden is het bijna rond.
De tandboog is smal, gestrekt en nadert de rechte lijn.
Met het il*" jaar (PI. XXVII fig. 1) zijn alle tanden driehoekig,
de breedte van de binnentanden verhoudt zich nu tot hun diepte
als 4 : 5. Het tandsterretje begint zich op deze tanden dikwijls
reeds eenigermate naar achteren te verlengen en het midden der
wrijfvlakte te overschrijden, terwijl het op de middel- en hoek-
tanden als een rond punt in het midden daarvan zichtbaar is.
Op het 48do jaar is de diepte van de tanden nog toe- en hun
breedte afgenomen, zoodat de binnentanden niet zelden reeds
-ocr page 288-
2ö2
eenigszins verkeerd ovaal zijn. Het tandsterretje kromt zich op
alle tanden sterker naar achteren.
Met het 19de jaar (PI. XXVII fig. 2) zijn de binnentanden ver-
keerd ovaal, de andere nog driehoekig; op 10-jarhjen leef tij tl zijn ook
de middeltanden en op 21 jaar (PI. XXVII fig. 3) de hoektanden
verkeerd ovaal. Het tandsterretje heeft zich thans op enkele of alle
tanden zoodanig naar achteren verlengd, dat men het ook verkeerd
ovaal zou kunnen noemen.
Naarmate nu het paard ouder wordt, neemt de breedte der
tanden af en hun diepte toe, waardoor de tandboog smaller wordt
en de recht vooruitstekende tanden eindelijk nagenoeg in een
rechte lijn zijn geplaatst. Door deze veranderingen is het mogelijk,
bij benadering, den verderen leeftijd van het paard vast te stellen.
Een nieuwe methode om den leeftijd te bepalen tusschen tien
en dertig jaar bestaat in het beoordeelen van de lengte eener
groeve, voorkomende in de hoektanden van de bovenkaak. Zij
is niet aanwezig vóór het paard tien jaar oud is; op dezen leeftijd
vertoont zij zich als een kleine, donker gekleurde verdieping op
het midden van de boven-hoektanden, juist onder het tandvleesch
(PI. XXVIII fig. 1, a).
Die groeve groeit met den tand langzamerhand naar beneden ,
zoodat zij zich op den leeftijd van 21 jaar over de geheele lengte
daarvan uitbreidt (PI. XXVIII fig. 3, c). Tusschen den 10- en
den 21-jarigen leeftijd schuift de verdieping jaarlijks regelmatig
iets af, deze is dus met 15—16 jaar ongeveer tot het midden
van den tand gekomen (PI. XXVIII fig. 2, b). Door eenige
oefening zou het nu mogelijk zijn om uit de lengte der groeve
van jaar tot jaar den leeftijd te bepalen.
Na den ouderdom van 21 jaar wordt het boveneinde der
boven-hoektanden langzamerhand weder glad; het gedeelte dier
tanden, dat verder uit de kassen voortschuift, bevat geen sleuf
meer. Het gevolg hiervan is, dat deze op ongeveer 30-jarigen
leeftijd bijna geheel is verdwenen (PI. XXVIII fig. 5, e). Tusschen
21 en 30 jaar zal de groeve zich dus langzamerhand meer van het
tandvleesch verwijderen, en door eenige oefening zou het hierdoor
weer mogelijk worden van jaar tot jaar te beslissen, hoeveel het
paard ouder is dan 21 jaar. Op 26jarigen leeftijd zouden de
boven-hoektanden een groeve hebben, gelijk PI. XXVIII fig. 4, d,
dit aantoont.
In verband met de andere aanwijzingen, die de tanden ons
bieden, kan dit bijdragen tot een juiste onderkenning van den
-ocr page 289-
2(\'>3
leeftijd. Er komen echter in de afslijting der tanden, vooral op
hoogeren leeftijd, zulke belangrijke verschillen voor, dat het tot
verkeerde resultaten zou leiden, indien men alleen dit kenteeken
in aanmerking nam en liet beschouwde als een onbedriegelijk
verschijnsel.
§ 120. De haaktanden.
De haaktanden komen alleen bij den hengst en den ruin voor;
zij bevinden zich, ten getale van 4, in de lagen, namelijk aan
iedere zijde in de boven- en onderkaak één.
Ieder paard echter, zonder onderscheid van geslacht, heefteen
begin van haak tand vorming; bij de merrie evenwel ontstaat in
een zekere periode van het leven een stilstand in de ontwikkeling,
soms zoo vroeg, dat het tandvleesch niet eens wordt doorboord.
Slechts bij 2—3 pCt. der merriën (\') treft men vier doorgebroken
haaktanden aan, terwijl bij 25—30 pCt. een enkele haaktand te
voorschijn is gekomen. De boven-haaktanden ontbreken veel meer
dan de onderste. Ook bij hengsten en ruinen ontbreken resp.
in 1 en 2 pCt. der gevallen de haaktanden.
Zij zijn van onderen steeds dichter bij de hoektanden geplaatst
dan van boven, hetgeen ten gevolge heeft, dat zij niet op elkander
wrijven. Evenwel slijten zij af, voornamelijk de boven-haaktanden;
het gebit en het voortdurend wrijven met de tong zijn hiervan
de voornaamste oorzaken.
Zoowel bij merriën als hengsten komen melk-haaktanden voor,
doch dit zijn kleine, nauwelijks 2 mM. lange en 0,5 mM. dikke,
ronde, witte tanden, die op de plaats der toekomstige blijvende
hoektanden zijn gelegen en meestal door het tandvleesch bedekt
zijn. Zij ontstaan in het eerste jaar en worden wat betreft de
onder-haaktanden op 3\'/2—<ïjarigen leeftijd door de blijvende of
eigenlijke haaktanden vervangen, terwijl de boven-haaktanden
dikwijls eerst op Sjarigen leeftijd verschijnen. Met het 89te tot het
10de jaar zijn zij geheel ontwikkeld.
Elke volwassen haaktand (PI. XVvVII fig. 4, A en B) heeft een
naar achteren gekromden vorm, doch de bovenste haaktanden
zijn sterker gekromd en tevens korter dan de onderste. Men onder-
(1) Merriën met haaktanden hield men vroeger voor onvruchtbaar en werden
daarom iu Frankrijk brchaignes genoemd, een verouderd woord, dat onvruchtbaar
beteekent. Hengsten zonder of met slechts zeer kleine haaktanden noemden de Fran-
sohen aaillom, met welken naam zij soms ook de haaktanden zelve aanduidden.
-ocr page 290-
2f>4
scheidt aan hun kroon een uit- en inwendige vlakte, die lang-
zamerhand smaller wordende, in een punt samenloopen. De
uitwendige vlakte (PI. XXVII fig. 4, A) is gewelfd en van fijne,
overlangsche strepen voorzien, de inwendige vlakte (PI. XXVII
fig. 4, B) bezit in het midden een verhevenheid en vóór en achter
de laatste langwerpige verdiepingen, die door scherpe zijranden
worden begrensd.
Zij bestaan uitwendig uit cement, daarop volgt een laag glazuur,
welke aan de zijranden het dikst is en naar de wortels allengs
dunner wordt, en inwendig ligt het ivoor.
Men heeft de vormveranderingen der haaktanden vroeger ook
gebezigd ter bepaling van den leeftijd, omdat hun scherpe zij-
randen en de punt langzamerhand afslijten, eindelijk ook de
kroon verdwijnt en op hoogen leeftijd slechts korte, ronde, gele
stompen in de kaken achterblijven. Deze afslijting is echter te veel
van de levenswijze en behandeling van het paard afhankelijk, om
eenigen juisten maatstaf ter beoordeeling van den ouderdom te
kunnen geven. De genoemde korte, stompe, sterk afgesletenhaak-
tanden worden echter alleen bij zeer oude paarden aangetroffen.
Niet zelden gebeurt het, dat enkel de bovenste haaktanden zich
in dezen toestand bevinden, terwijl de onderste lang, sterk naar
achteren gekromd en met tandsteen omgeven zijn.
•                           § 121. De kiezen.
Een volwassen paard heeft 24 kiezen, namelijk 12 in iedere
kaak, aan weerszijden 6. Zij staan in de tandkassen vast tegen
elkander en maken de zijgedeelten der mondholte uit.
De inwendige vlakte der bovenste kiezen is korter dan de uit-
wendige, terwijl aan de onderste kiezen het omgekeerde wordt
aangetroffen; hierdoor loopen haar wrijfvlakten aan de bovenkaak
schuin van buiten naar binnen en naar boven, terwijl deze aan
de onderkaak van binnen naar buiten afhellen. De oppervlakte
der wrijfvlakten wordt aldus vergroot.
De bovenkiezen zijn gewoonlijk iets grooter en zwaarder dan
die der onderkaak; haar tandboog is ook iets breeder, waardoor
zij aan de uitwendige zijde steeds eenigermate buiten de onder-
kiezen uitsteken. De laatste hebben een lengte van 8 cM, waar-
van de kroon slechts ongeveer 1,4 cM. bedraagt.
De kiezen bestaan, evenals de snlj- en haaktanden, uit cement,
glazuur en ivoor; deze zijn hierbij echter op een eigenaardige
-ocr page 291-
2G5
wijze gerangschikt. Het glazuur vormt namelijk overlangsche plooien
in de kies, welke uitwendig overal door cement, inwendig door ivoor
zijn bedekt. Het gevolg hiervan is, dat deze drie bestanddeelen
elkander op de wrijfvlakten afwisselen en wel op een verschillende
wijze, naarmate men de opeenvolging der lagen in deze of gene
dwarse richting onderzoekt. Aangezien nu het glazuur het hardst
en het cement het zachtst is, zal de wrijfvlakte juist door de
afslijting, ruw en scherp blijven en daardoor geschikt tot het
vermalen der voedsels.
De lBte en 2de kies van elke rij brengt het veulen gewoonlijk
mede ter wereld; is dit niet het geval, dan komen ze zeker eenige
dagen na de geboorte. De 3da kies is steeds vóór het einde der
l8te maand doorgebroken, zoodat een veulen van één maand
4 X 3 = 12 kiezen bezit. Dit zijn echter melk- of icissclkiezen
(inolaires caduques
, de lait uu de premiere dentition), waarvan de
|ste en 2<ic gemiddeld met 2\'/j jaar en de 3do op 3-jarigen leeftijd
door blijvende kiezen worden vervangen. Door deze wisseling
ontstaan, evenals bij het doorbreken der overige kiezen, niet zei •
den moeielijk kauwen en gestoorde eetlust.
Somtijds ontwikkelt zich vóór de l8t0 kies een blj-kiesje, waar-
van er dus 4 aanwezig kunnen zijn. Deze hebben weinig overeen-
komst met de andere kiezen en zijn veel kleiner. Zij breken met
de 5de of 6de maand door en vallen met de wisseling van de l»t0
kies uit, om niet vervangen te worden.
De 4de, 5de en 6de kies zijn blijvende kiezen (molaires persistantes);
daarvan komt de 4do ongeveer met 10 maanden, de 5de met 20
maanden en de 6dc met 3—\\ jaar of iets later te voorschijn.
De eerste drie kiezen noemt men de voorkiezen (pré-molaires,
avant-molair es),
de laatste drie de achterkiezen {inolaires, arrière-
molair es).
Voor de bepaling van den ouderdom zijn de kiezen van onder-
geschikt belang; vooreerst zijn de tijden van uitbotting en wisseling
veel minder bestendig dan van de snijtanden, vervolgens levert
de afslijting der kiezen geen enkel zeker kenmerk voor den leeftijd
op en eindelijk zijn zij voor een nauwkeurig onderzoek moeielijk
toegankelijk.
§ 122. Onregelmatigheden in de uitbotting, de wisseling,
het aantal, den vorm en de afslijting der tanden.
Wat de onregelmatigheden in de uitbotting betreft, ziet men
soms veulens met de binnen- en middeltanden ter wereld komen
-ocr page 292-
2fiG
en andere, die na eenige weken nog geen enkelen snij tand be-
zitten; evenzoo gebeurt het, dat eenige snytanden te gelijk door-
breken en in andere gevallen, dat de melk-hoektanden afwezig
blijven, doch de paarden-hoektanden later regelmatig te voorschijn
komen.
Menigvuldiger komen echter onregelmatigheden in de tandwis-
seling voor. Deze kan te vroeg of te laat plaats vinden; de binnen-
tanden kunnen gelijktijdig met de middeltanden of de laatste met
de hoektanden wisselen.
Indien de veulentanden niet uitvallen, doch met de paarden-
tanden een dubbele rij vormen, dan ontstaat het z.g. dubbelgebit;
dit komt meestal slechts aan enkele tanden, voornamelijk aan de
middel* en hoektanden voor. De bepaling van den leeftijd kan
hierdoor worden bemoeielijkt, aangezien men niet weet ofdeveu-
lentanden te lang zijn blijven staan of wel de paardentanden te
vroeg zijn doorgebroken. Er kunnen echter ook te veel blijvende
tanden aanwezig zijn, bijv. zeven of zelfs meer in een of beide kaken.
Een of meer tanden kunnen ontbreken, hetzij dat zij nooit
aanwezig zijn geweest of dat zij toevallig of opzettelijk verwijderd zijn
geworden. Slechts zelden vallen tanden op hoogen leeftijd uit.
In enkele gevallen is de achterrand der snytanden zeer laag of
zelfs gespleten (PI. X.XV lig. 1 , 2 en 3), hetgeen voornamelijk aan
de hoektanden, minder aan de overige voorkomt; zeldzamer is de
kroonholte van achteren open. In beide gevallen is de naar de
mondholte gekeerde zijde der tanden dikwijls vlakker dan onder
gewone omstandigheden, hetgeen ten gevolge heeft, dat de vorm-
veranderingen der wryfvlakten hieraan minder regelmatig worden
waargenomen. Bovendien zal de lage achterrand te laat in slyting
geraken, waardoor de tanden het aanzien behouden, alsof zij eerst
kort geleden te voorschijn waren gekomen. Zoo kan men 7-jarige
paaiden aantreffen, waarbij van de hoektanden alleen de voorrand
in slijting is.
De kroonholte bezit soms een te groote diepte en evenzoo kan
zich haar bodem te ver in den tand uitstrekken. Door de eerste
omstandigheid worden de tanden niet op den gewonen t\'yd gevuld;
men noemt het paard dan een twijfelaar (cheval be\'gu; Falschmerker
oder Zweijler).
Daarvan kan eerst met het Gie jaar sprake zijn,
meestal echter betreft het de middel- en hoektanden.
Indien de bodem der kroonholte zich dieper dan gewoonlijk in
de tanden uitstrekt, zal deze nog bestaan op een t\'yd, dat hij
geheel verdwenen moest zijn. Men spreekt dan van een valschen
-ocr page 293-
\'207
twijfelaar (ckeual faux bégu); deze komt op of na het 13dc levens-
jaar voor.
De diepte der kroonholte is soms ook te gering ; het meest neemt
men dit aan de binnentanden waar, zoodat deze op 4\'/j—5-jarigen
leeftijd reeds zyn gevuld. In al dergelijke omstandigheden tracht
men zich bij de ouderdomsbepaling uit de verlegenheid te redden
door van de overige kenmerken gebruik te maken.
Niet zelden zijn de tanden te weinig afgesleten, alzoo te lang,
of omgekeerd te veel afgesleten en dus te kort.
Het eerste, namelijk te lange tanden, komt het meest voor
en kan door verschillende oorzaken, als het voortdurend gebruik
van week voedsel, een van de jeugd af meer of minder gestrekt
staan der tanden, groote hardheid van deze, enz. worden teweeg-
gebracht. Dikwijls zijn de kronen 2,5—3 cM. lang, terwijl toch
de gewone maat aan de binnentanden 1,5 cM., aan de middel-
tanden 1,3 cM. en aan de hoektanden 1 cM. bedraagt. Indien
men dus alleen op de wrijfvlakten lette, zou men zulk een paard
veel jonger schatten dan het werkelijk is. Zulke tanden zijn echter
jaarlijks geen 2 mM. afgesleten; men kan daarom hierbij tot den
waren leeftijd geraken, wanneer men bij het aantal jaren, dat de
wrijfvlakte aangeeft, er zooveel telt als de helft der millimeters
bedraagt, die de tanden te lang zijn. Heeft uien bijv. een lü-jarigen
mond voor zich, waarvan de tanden 20 mM. te lang zijn (PI. X.XVH
fig. 5), dan zal men door deze 10x2 mM. korter temaken, een
mond van 20 jaar te zien krijgen.
Op deze wijze kan men zich voor grove dwalingen hoeden,
volkomen zekerheid kan hierdoor echter niet worden bereikt, daar
een sterk gebruik, een vermeerderde afslyting der tanden hun
groei bevordert, gelijk dit ook met andere lichaamsdeelen het geval
is. Bovendien is de aangegeven lengte slechts een gemiddelde maat-
staf; grove en breede tanden zijn dikwijls langer dan smalle en fijne.
Wanneer de tanden jaarlijks meer dan 2 mM. afslijten, worden
zij te kort; hun wrijfvlakten geven dan een hoogeren leeftijd aan
dan het paard bezit. In dit geval moet men van de jaren, die
de mond vertoont, zooveel aftrekken als het aantal mM. gedeeld
door 2, bedraagt, dat de tanden te kort zijn.
Dikwijls heeft een te sterke afslijting slechts aan enkele tan-
den, voornamelijk aan de hoektanden plaats; zoo komt het voor,
dat bij 9—10-jarige paarden de bodem der kroonholte op de hoek-
tanden reeds geheel verdwenen is en de wrijfvlakte een driehoe-
kigen vorm heeft aangenomen.
-ocr page 294-
2G8
Zeer moeielijk wordt de juiste beoordeeling van den ouderdom
bij een scheere afslijting der tanden, waardoor de eene rand te
lang en de andere te kort wordt en de gedaante der wrijfvlakte
dus geheel van den gewonen vorm afwijkt. Dit geschiedt bij het
varketisgebit en het snoeksgebit; in het eerste geval is de bovenkaak
langer dan de onderkaak, in het tweede merkt men het omgekeerde
op. Onder deze omstandigheden moet men zich bij de bepaling
van den leeftijd, niet door den vorm der wrijfvlakte, doch voor-
namelijk door de kroonholte, den bodem dier holte en het tand-
sterretje laten leiden.
Ditzelfde geldt ook van kribbebijters {tiqueurs (Vapjmi; Kopper
oder Krippensetzer; crib-biter)
en ivevers (tiqueurs de Cours; Barren-
wet zer; weaver).
Deze slijten namelijk öf alleen de voorvlakte en
den voorrand öf ook de wrijfvlakte van enkele of alle snijtanden
sterk op de krib of andere voorwerpen af, soms zelfs zoodanig,
dat alle kenmerken voor de ouderdomsbepaling verloren gaan.
Is slechts een gedeelte der wrijfvlakte verdwenen, dan kan men
dit ontbrekende in gedachten aanvullen en trachten uit het aldus
verkregen geheel den leeftijd vast te stellen.
§ 123. Het schijnbaar ouder en jonger maken
der paarden.
Niet zelden zijn veulens voor volwassen hitten verkocht ge-
worden; dit is echter alleen mogelijk bij volkomen gemis aan
kennis niet alleen van de tanden, maar ook van den uitwendigen
lichaamsbouw. Gemakkelijker zou men een sterk ontwikkeld 2-jarig
paard met groote, breede melktanden voor een 8-jarig kunnen
aanzien; evenwel zal de vorm der melktanden, hun, op dezen
leeftijd, weinig gesloten stand, het ten gevolge daarvan en tevens
van den hals der veulentanden, hoog tusschen de tanden opgroeien
van het tandvleesch en, bij mannelijke dieren, het ontbreken der
haaktanden voor vergissing kunnen behoeden.
Men tracht de tandwisseling dikwijls te bespoedigen door de
<
                veulentanden uit te trekken, het z.g. breken der tanden, en in-
snijdingen in het tandvleesch te maken, ten einde alzoo eiken
weerstand tegen het uitbotten der paardentanden op te heffen.
Indien men dit op 3\'/4—3\'/,-jarigen leeftijd met de middel- en
hoektanden doet, kan de 5-jarige tand reeds met het 4de jaar te
voorschijn komen. Meestal trekt men met 3\'/j jaar alleen de hoek-
tanden uit. Onder gewone omstandigheden is het paard, zoodra
-ocr page 295-
209
de 5-jarige tanden te voorschijn komen, 4\'/, jaar; zijn in dit geval
de veulentanden echter tijdig uilgetrokken of is, zooals men het
noemt, liet paard gebroken, dan zal het niet ouder dan 4 jaar zijn.
Dit is later meestal niet te ontdekken; in enkele gevallen ge-
beurt het, dat de tanden een scheeven stand aannemen, omdat
de kaken voor de breede, zware paardentanden nog niet genoeg-
zaam zijn ontwikkeld. Korten tijd na de operatie onderkent men
deze, afgescheiden van de verwonding, aan het geheel ontbreken
van tanden, iets wat bij de normale wisseling niet plaats vindt.
Bovendien zal, indien alleen aan de onderkaak de veulentanden
worden verwijderd, zooals wel eens gebeurt, het groote verschil
tusschen de wisseling van boven- en onderkaak noodzakelijk wan-
trouwen opwekken.
Oude paarden, waarvan de tanden reeds lang gevuld en dikwijls
zelfs de bodems der kroonholten verdwenen zijn, tracht men soms
een jong aanzien te geven door het maken van kunstmatige kronn-
holten (contremarquer, Gitschen oder Maullochen; bishoping).
Tot dit
doel verkort men de tanden, wanneer zij te lang zijn en brengt
op de wrijfvlakte door middel van een scherp stalen voorwerp een
holte aan, die zooveel mogelijk met de kroonholte overeenkomt.
Om deze gelijkenis nog te verhoogen, maakt men de holte zwart
met dikken inkt of door er met een roodgloeiend ijzer een rogge-
korrel of wat suiker in te verbranden.
Dit bedrog is echter gemakkelijk te ontdekken; vooreerst toch
is de wrijfvlakte niet meer ovaal, zooals dit bij nog niet gevulde
tanden het geval moet zijn en vervolgens is een natuurlijke
kroonholte steeds omgeven door een witten, glanzenden, boven
de wrijfvlakte verheven ring van glazuur, welke bij een kunst-
matige kroonholte immer ontbreekt. Bovendien kunnen de ge-
strekte stand der tanden, de gesteldheid van het tandsterretje en
het mogelijk nog aanwezig zijn van binnenglazuur achter de (kunst-
matige) kroonholten een misleiding doen voorkomen.
Zijn de tanden verkort geworden, dan komen zij bij het sluiten
van den mond niet meer op elkander; tevens verandert de vorm
der wrijfvlakte hierdoor op een ongunstige wijze.
Een nauwkeurig onderzoek wordt intusschen dikwijls daardoor
bemoeilijkt, dat de paarden na deze operatie meestal kopschuw
zijn of dit anders, door verschillende mishandeling, worden gemaakt;
daarbij laat men ze niet zelden sterk uit den mond schuimen
door op de tong prikkelende middelen aan te brengen.
-ocr page 296-
DERDE HOOFDSTUK.
EVENREDIGHEDEN, HOUDINGEN, STANDEN, LICHAAMS-
BEWEGINGEN EN GANGEN.
§ 124. Evenredigheden.
Vele schrijvers op hippologisch gebied hebben de verschillende
lichaamsdeelen van het paard gemeten, en getracht daaruit regels
af te leiden voor de onderlinge lengteverhouding dier deelen.
Bourgelat, Roloff, Settegast , St. Bel en anderen hebben
op die wijze elk een evenredigheidsleer samengesteld. De afbeel-
dingen, door de meeste dier schrijvers van hun ideaalpaarden
gegeven, zijn niet zeer gelukkig geslaagd; noch het paard van
BOURGELAT, noch dat van een der andere hierboven genoemden
maakt op den paardenkenner een gunstigen indruk. Bovendien is
men, in elk dier evenredigheidsleeren, te veel in de onderdeden
afgedaald en heeft men zich niet genoeg bepaald tot het aangeven
van de verhoudingen die, bij de meeste werkelijk goede paarden,
tusschen enkele lichaamsdeelen voorkomen. De practische waarde
van de zooeven genoemde theorieën is dan ook niet groot, vooral
daar de metingen niet uitsluitend hebben plaats gehad bij uitste-
kende paarden. Ware dit wel geschied, dan zou men bespeurd
hebben, dat voor elk type van paard een afzonderlijke evenredig-
heidsleer behoorde te worden aangenomen en dat deze zelfs wijzi-
gingen zou dienen te ondergaan voor paarden tot eenzelfde gebruik
bestemd, doch tot verschillende rassen behoorende.
Het is onmogelijk om een renpaard, een jachtpaard, een zwaar
trekpaard en een zwaar landbouwpaard naar eenzelfde schaal te
beoordeelen; elke soort moet min of meer voldoen aan bepaalde
eischen, die naar den te verrichten dienst verschillen; zelfs
kan een eigenschap, die bij een klasse van paarden als een
deugd wordt beschouwd, afkeuring verdienen bij paarden voor een
ander gebruik bestemd. Zoo zou bijv. een groote breedte van de
borst, die gewenscht is bij een zwaar trekpaard, nadeeligzyn voor
een rijpaard; dit zou daardoor iets waggelend» in den gang krijgen.
-ocr page 297-
271
Hierdoor zijn er weinig personen die, hoewel kenner van een
bepaalde klasse van paarden, verschillende typen kunnen beoordeelen.
Het is ondoenlijk wiskunstig juiste metingen aan het paard te
verrichten; dit kan alleen aan het skelet geschieden en dan nog
slechts met bepaald daartoe ingerichte instrumenten.
Wanneer hier toch over enkele evenredigheden wordt gehandeld,
moet men in het oog houden, dat daarbij geen sprake is van wiskun-
stige juistheid en dient men vooral niet te vergeten het spreekwoord :
„horses run in all forms." Het zal dikwijls voorkomen, dat een
paard, volgens een of andere evenredigheidsleer slecht gebouwd,
uitstekend blijkt te zijn, en dat een dier met een correct exterieur
volstrekt niet bruikbaar is. Het voldoen aan verschillende afme-
tingen is geen waarborg van deugdzaamheid, terwijl zelfs zeer
groote afwijkingen ruimschoots kunnen worden vergoed door buiten-
gewoon krachtige ontwikkeling van andere lichaamsdeelen.
Als een voorbeeld voor de waarheid van het gemelde spreek-
woord vergelijke men de afmetingen van enkele beroemde ren-
paarden als Eclipse en Ormonde. Van het eerste, Eclipse, was
o. a. de lichaamshoogte 8 cM. minder dan de lengte, het tweede
was 3 cM. korter dan hoog.
Ook bekende dravers uit den tegenwoordigen tijd verschillen
onderling dikwijls zeer veel in vorm en afmetingen. Zoo is Sunol
een 1.62 M. hooge, weinig fraai gevormde merrie, wier kruis 5 cM.
hooger is dan de schoft, terwijl Allerton zelfs 1.G5 meet, en
Nancy Hanks daarentegen een kleine, 4.52 M. hooge, vrij goed
gebouwde merrie is. Bovendien bestaat er bij vele dezer hard-
dravers, wier snelheid ongeveer gelijk is, een groot verschil in
actie; de een draaft met zeer lange, de ander met korte en naar
evenredigheid sneller passen.
Hoewel een evenredigheidsleer voor eerstbeginnenden een
grondslag kan zijn, om, daarop voortbouwende, paardenkenner
te worden, kan er toch niet genoeg worden gewaarschuwd tegen
de eenzijdigheid, die dikwijls ontstaat door zich te angstig aan
zulk een leer vast te houden. Daardoor zijn er zooveel besliste
tegenstanders van de leer der verhoudingen; zij gronden dezen
tegenstand op het feit, dat dikwijls middelmatige dieren, welke
aan de regels der schoonheidsleer voldoen, worden geprezen ten
koste van uitstekende paarden die, hoewel iets minder correct
gebouwd, uitmunten door gang, kracht en adel. Tegen zulk
een verkeerde en eenzijdige opvatting moet met kracht worden
opgekomen.
-ocr page 298-
272
Elk goed beoordeelaar zal op de verhoudingen van het paard
letten, doch daartoe geen duimstok of graadboog noodig hebben
en zich niet in details verliezen; hij zal nagaan of het paard in
gangen en kracht voldoet aan de eischen, welke moeten worden
gesteld aan de soort of de klasse waartoe het behoort, verder of
het de eigenschappen bezit, welke onmisbaar zijn voor den dienst,
waarvoor het moet worden gebezigd en of eventueele fouten en
gebreken door andere uitstekende hoedanigheden onschadelijk ge-
maakt of geheel te niet worden gedaan.
In Bourgelat\'s leer wordt aangenomen, dat het normaal-
paard even hoog is als lang, dus in een vierkant staat, de hoogte
gemeten van het hoogste punt der schoft, de lengte langs een
horizontale lijn van den boeg tot het zitbeen. Metingen gedaan
door den kolonel Duiiousset en overgenomen door Gouraux en
Barrier in hun werk „L\'extérieur du cheval" geven aan, dat bij
20 van de 50 Algerijnsche paarden, dus bij meer dan de helft,
de hoogte grooter was dan de lengte; 14 stonden in het vierkant
en bij 10 overtrof de lengte de hoogte. Daarentegen waren er
van de 40 Engelsche volbloedpaarden slechts 9, dus minder
dan 1ji, waarbij de hoogte grooter was dan de lengte, terwijl 28
in het vierkant stonden en slechts bij 3 de lengte de hoogte
overtrof. Hieruit volgt dus, dat de theorie van Bourgelat bij
iets meer dan \'/» der Algerijnsche paarden en bij \'/, der Engelsche
paarden zou doorgaan, terwijl er niet uit blijkt welke paarden de
beste waren.
Metingen door andere hippologen, o. a. door graaf Lehndorff
gedaan, hebben tot een andere gevolgtrekking geleid, namelijk
dat bij de meeste paarden de lengte de hoogte overtreft, een
gevoelen dat wij door metingen, gedaan bij een aantal goede vol-
bloed" en halfbloedpaarden, kunnen bevestigen. Ook het gezegde
van de Engelschen „a good horse must be long and low" wijst
hierop.
Bij zware trek- en landbouwpaarden zal de lengte de hoogte
dikwijls met verscheiden centimeters overtreden. Die paarden,
van welk type ook, waarbij het omgekeerde het geval is, behooren
meestal tot de minder goede.
Als regel mag worden aangenomen, dat bij de meeste goede
paarden, tot welke soort of welk ras ook behoorend, de lengte-afmeting
die der hoogte zal overtreffen; voorts dat deze beide afmetingen ook
wel eens aan elkander gelijk zullen zijn, doch dat de hoogte zeer zelden
meer zal bedragen dan de lengte. Ken uitzondering hierop maakt
-ocr page 299-
273
de bekende en beroemde volbloedhengst Ormonde, die volgens
metingen, in 1893 gedaan door den Engelschen paardenschilder
Palfrey, bij een hoogte van ruim 1.63 M., slechts een lengte
heeft van 1.60 M. \').
Plaat XXIX geeft een afbeelding van den uitstekenden volbloed-
hengst Weltmann uit de staatsstoeterij Graditz, een hengst o.a. bekend
door zijn fraai exterieur; de lengte van Weltmann bedraagt 7 c.M.
meer dan de hoogte.
Meet men den omtrek van de borstkas (girth), gaande verticaal
over het hoogste punt van de schoft en achter langs den elleboog,
dan moet deze maat de hoogte met minstens 20 cM. overtreden,
het paard hierbij in goeden voedingstoestand gedacht, zonder echter
vet te zijn. Zoowel in Oostenrijk als in andere landen van oostelijk
Europa en ook in Engeland bij de zware rassen, wordt aan deze
meting veel waarde gehecht. Zij is in Bulgarije bij den aankoop
van remontepaarden voorgeschreven ; paarden , waarbij het verschil
tusschen de hoogtemaat en den omtrek van de borstkas minder is
dan 20 c.M., mogen niet worden aangenomen.
In het algemeen bedraagt de omtrek van de borstkas bij paar-
den met veel volhardingsvermogen ongeveer 25 cM. meer dan de
hoogte.
Een andere maat, die in Engeland veel wordt genomen, is de
omtrek van de pijp, vlak onder de knie {bone); deze omtrek moet
bij een paard van 1,60 M. minstens 18 cM. zijn en gaat dikwijls
tot 22 cM., om bij de zwaardere rassen, vooral bij de hengsten,
nog met enkele cM. op te klimmen. Dit zou nog meer waarde
hebben wanneer men in plaats van den omtrek der pijp, op
diezelfde plaats den afstand mat van den voorkant der pijp tot
den achterkant van de pees, daar vooral een flinke ruimte tus-
schen pijp en pees van belang is.
"Wij zien op Plaat XXIX, dat de lengte van den schouder,
gemeten van de punt van den boeg tot op de schoft (a b), onge-
\') Ormonde en St. Simon werden door Haïes op 3-jarigen leeftijd gemeten.
Ormonde\'s hoogte was toen 1,62 M., de lengte 1,64 il., verschil 8 cM.
St. Simon\'s hoogle was 1,59 M., de lengte 1,4!) M., verschil 10 cM.
Ilij komt dan ook tot het besluit, dat bij goede renpaarden de hoogte grooter is dan
de lengte, en dat bij zware wcrkpaarden het omgekeerde plaats heeft.
Wij gelooveu, dat deze verhouding wel eens bij uitnemende volblocdpaarden voorkomt ,
doch weinig of niet bij goede halfbloudpaarden.
liet verschil in de metingen van IIavf.s en van I\'alfklt zal waarschijnlijk voort-
vloeien uit het meten op verschillenden leeftijd. Ken 3-jarig volbloedpanrd is niet vol-
wassen en de romp groeit dan nog; veulens zijn steeds hoogbeenig.
18
-ocr page 300-
274
veer gelijk is aan die van twee andere lijnen, waarvan de eerste
gaat in horizontale richting, van den achterkant van het schou-
derblad tot den voorsten heupknobbel (pk), en de tweede van de
voorzijde van het schouderblad tot op de kruin (vc). Verder is de
afstand van de kruin tot den overgang van de schoft in den rug
(c d) ongeveer gelijk aan dien van dit punt tot den achtersten zit-
beensknobbel (d e), gemeten langs een horizontale lijn.
De afstand van den heupknobbel tot den zitbeensknobbel is
meestal 7 a 10 cM. korter, terwijl dit verschil bij sommige rassen
of soorten nog grooter wordt, o. a. bij de paarden van den be-
kenden Hongaarschen Noniusstam; bij deze wordt de geringe
lengte van het kruis vergoed door de flinke breedte en de krachtig
ontwikkelde achterbeenen, waardoor zij uitmunten boven andere,
die meer harmonieus zijn gebouwd.
Natuurlijk heeft een minder schuine ligging of een mindere
lengte van den schouder veel invloed op de verscheidenheden in
bovengenoemde afstanden. Het type, dat wij hier beschouwden,
was het rijpaard en dit behoeft een langen en schuinen
schouder, terwijl een steilere schouder geen nadeeligen invloed zal
hebben bij het zware trekpaard. Bij vele dier paarden zal men
dan ook vinden, dat de lijn ok langer is dan ab, en dat ook vc
langer is dan ab, niettegenstaande de hals niet lang is; dit is
dan het gevolg van een korten schouder. Is de schouder lang
genoeg, dan zal, wanneer haar lengte wordt uitgezet van de punt
van den boeg op een verticaal uit dat punt neergelaten, het uit-
einde dier lijn beneden de knie vallen. De lijnen ab en bh zijn
dan aan elkander gelijk.
Daar de schoft bij vele inlandsche paarden ver naar voren
gelegen en de schouder dikwijls steil en kort-is, zal hiermede,
bij het doen van metingen, rekening moeten worden gehouden.
Is de hoogte van de borstkas, verticaal gemeten van het hoogste
punt der schoft tot den onderkant der borst, gelijk aan den afstand
hiervan tot den bodem, dan zal de borst diep en het paard laag op
de beenen zijn; bestaat er een groot verschil tusschen deze afme-
tingen ten nadeele van de diepte, dan is het hoogbeenig. De
diepte (eigenlijk hoogte) van de borstkas moet minstens gelyk zijn
aan den afstand van haar onderkant tot de koot. Op Plaat XXIX
is af = fg.
Bij de beschouwing der breedte zal het vooral noodzakelijk
blijken om na te gaan tot welk doel het paard bestemd is. Een
dier met smalle, doch zeer diepe borstkas en een breed kruis,
-ocr page 301-
275
kan een uitstekend rijpaard zijn, mits liet smal zijn in de borst
geen nadeeligen invloed uitoefent op de gangen, zooals door een
foutieven Franschen stand der voorbeenen of door een slecbte
ligplaats voor het zadel, waardoor dit naar voren zal schuiven,
kan geschieden. Daarentegen zal een trekpaard, en vooral een
trekpaard voor zware lasten, een grootere breedte van borst moeten
hebben, om zich beter in het tuig te kunnen leggen.
De breedte van de borst zal, bij hetzelfde paard, geheel ver-
schillend schijnen, naarmate men het in ren-conditie of in conditie
voor een tentoonstelling waarneemt.
Ook de hoekvorming der beenderen in de gewrichten is niet
van belang ontbloot. Hoewel hiervoor door velen bepaalde grootten
zijn aangegeven, heeft dit voor de practijk toch weinig nut, daar
het onmogelijk is deze hoeken bij het levende paard zuiver te meten.
Zooals reeds werd opgemerkt, komen er bij paarden verschil-
lende gebreken voor, die door buitengewoon krachtige ontwikkeling
of gunstigen bouw van andere lichaamsdeelen meer of minder kun-
nen worden vergoed.
Hoewel het onmogelijk is hiervoor vaste regels aan te geven
en men steeds den geheelen bouw en het ras van het paard in
aanmerking moet nemen, alsmede den dienst waarvoor het is
bestemd, mogen hier toch enkele voorbeelden van fouten in den
bouw en van haar compensaties een plaats vinden.
Een zwaar hoofd, geen gebrek bij een zwaar trekpaard doch
wel bij een luxe- en vooral bij een rijpaard, kan niet hinderlijk
zijn, wanneer de hals goed gevormd, krachtig gespierd , niet lang
is, en het hoofd goed is aangezet. Dit kan dan naar behooren
worden gedragen.
Een korte hals kan worden gecompenseerd door zijn juisten
vorm en door een goede aanzetting van het hoofd; een te lange
hals door gespierdheid en goede inplanting; een verkeerde hals
door een krachtigen rug, sterke lenden en gespierde achterband.
Een steile schouder kan gedeeltelijk worden vergoed door een
ver terugliggende schoft en een krachtige achterband, zoodat de
voorhand kan worden verlicht; een breede, platte schoft door een
schuinen, goed gespierden schouder, zonder overbouwd zijn, zoodat
een goede ligging van het zadel verzekerd is.
Een lange, holle rug vindt dikwijls compensatie in krachtige
lenden, goede beenen en weinig buik. Paarden, die met dit
gebrek zijn behept, moeten daarom intensief worden gevoed.
Platribbigheid is een gebrek waarin te gemoet kan wordei:
-ocr page 302-
276
gekomen door een groote diepte van de borstkas en door meer-
dere lengte en krachtiger ontwikkeling der valsche ribben.
Een nauwe borst kan eenigermate worden vergoed door een
diepe borstkas, een breede, flink ontwikkelde achterhand en een
goeden stand der voorbeenen.
Het trekpaard, vooral dat bestemd voor zware lasten, heeft
volume noodig; hierbij kunnen platribbigheid en een nauwe borst
dan ook door niets worden gecompenseerd.
Van een kort kruis kunnen de nadeelen worden opgewogen
door flinke, breede, krachtig ontwikkelde achterbeenen. Het is
merkwaardig dat vele der beste jachtpaarden voor zwaar gewicht
(weight-carrying hunter) aldus zijn gebouwd.
Is een paard sterk overbouwd, dan kunnen een schuine, lange
schouder, een goed ontwikkelde schoft en een krachtige achter-
hand veel van dit nadeel wegnemen; goede voorbeenen zijn dan
noodzakelijk. Onder de eerste klasse renpaarden vindt men som-
tijds overbouwde.
De te groote lengte der lenden kan worden gecompenseerd
door meerdere breedte en gespierdheid van dit lichaamsdeel en
door een krachtige achterhand.
Een grootere wijdte van de borst zal weinig schaden, indien
de gangen goed en niet waggelend zijn.
Korte gangen worden gecompenseerd door vlugheid en energie.
Wanneer een dunne pijp gepaard gaat met een goed gespierden
onderarm en schouder of met een flink spronggewricht en een
krachtigen schenkel, terwijl de pees vrij ligt, dan is dit gebrek
bij een paard met veel bloed minder nadeelig.
Het nadeel van lichte beenen kan worden gecompenseerd
door krachtige banden en pezen, gepaard met een goeden rug,
sterke lenden, een langen, schuinen schouder en een flink ont-
wikkeld kruis.
Voor enkele gebreken, als: slechte gangen, zwakke sprong-
gewrichten, een krachtelooze achterhand, gebrek aan energie en
een zwakke constitutie, bestaat geen voldoende compensatie; zij
zullen voor het paard, dat daarmede behept is, steeds een groot
nadeel zijn.
§ 125. Houdingen.
De toestand van het paard in rust wordt de lichaamshouding,
kortweg houding (attitude) genoemd; deze kan zijn: liggend of staand.
Ook de verschillende vormen, die het paardelichaam kan aan-
-ocr page 303-
277
nemen, zoowel op de plaats als in beweging, worden in de af-
richtingskunst met dien naam bestempeld.
Om zich neer te leggen, brengt het paard de vier beenen
langzamerhand iets dichter bij elkander en buigt ze daarna; het
hoofd wordt omlaag gebracht en de neerzakkende romp valt over
naar de zijde, waar de buiging der beenen het sterkst heeft plaats gehad.
Het gezonde en niet vermoeide paard ligt veelal in een houding
waarbij één zijde van den buik op den grond rust, terwijl het
aan dezelfde zijde steunt op het benedengedeelte der borstkas en
het dwars daaronder gelegen, in de voorknie dichtgebogen voor-
been. Het andere voorheen ligt eveneens in de voorknie gebogen,
en wel zoodanig dat de hoef zich buitenwaarts, ter zijde vanden
elleboog of wel juist tegen den elleboog bevindt. In het laatste
geval wordt de elleboog soms gekneusd door het hoefijzer, waar-
door een gezwel ontstaat dat als legger bekend is; dit geschiedt
te eer en zelfs aan beide zijden, wanneer het paard ook het onder-
liggend been meer ter zijde van de borst houdt en alsdan sterker
op beide voorbeenen steunt of, naarmate het meer ligt als de koe.
Nu er minder ijzers met kalkoenen worden gebezigd, komen de
leggers ook minder dikwijls en niet zoo sterk ontwikkeld voor.
Bij de beschreven houding, het gewone liggen, zijn de achter-
beenen onder het lijf gebogen; hals en hoofd zijn meer of minder
opgericht.
Het plat op zijde liggen, waarbij het geheele lichaam natuurlijk
de meeste rust geniet, ziet men inzonderheid bij zeer vermoeide
en ook bij sommige zieke paaiden. Des nachts zullen verscheiden
paarden deze houding voor eenigen tijd aannemen, wanneer de
standplaatsen ruim zijn of de paarden in boxen staan en bovendien
de stallen rustig en donker zijn.
Wil het paard opstaan, dan brengt het de voorbeenen, eerst
het vrije, daarna het onder de borst geslagene vooruit, terwijl de
borstkas meer recht wordt geplaatst; zij worden vervolgens uit
een toestand van halve buiging plotseling met kracht gestrekt en
lichten het voorstel op. Kort daarna, bij plotseling opgejaagde en
verschrikte paarden bijna gelijktijdig, worden ook de onder het lijf
getrokken achterbeenen onder meer of minder sterke inspanning
gestrekt en het achterstel opgelicht.
Dat een paard ongeveer als een koe ligt, is zeer gewoon;
maar dat het als een koe opstaat, namelijk eerst het achterstel
opricht, vervolgens zich op de knieën en eerst daarna geheel o ver-
eind plaatst, ziet men daarentegen zelden.
-ocr page 304-
-21H
Uit het voorgaande kan men afleiden op welke wijze men een
gevallen paard bij het opstaan het best behulpzaam kan zijn.
Is een aangespannen paard op zijde gevallen, dan zal men meestal
goeddoen door het zoo lang stil te houden tot het tuig is los-
gemaakt en het rijtuig teruggezet; hiertoe wordt het hoofd
op den grond gehouden, doordat iemand op hals en hoofd gaat
zitten en het laatste vasthoudt. Daarna kan het paard zich half
op zijde leggen en nu tracht men de voorbeenen naar voren
gestrekt te krijgen, terwijl men, wanneer het glad is, hierbij
zorg draagt om zand, een deken of iets dergelijks onder de voor-
hoeven te brengen, waardoor het paard zich beter kan opheffen.
Hierdoor wordt tevens voorkomen, wat anders dikwijls geschiedt,
dat namelijk een paard, door zijn eersten val niet verwond, bijzijn
pogingen tot opstaan herhaaldelijk uitglijdt, stort, zich couronneert
of op andere wijze verwond raakt.
Gewoonlijk zal het gezonde paard, dat goed is uitgerust,
na het opstaan de ruggegraat strekken en deze vervolgens min of
meer inbuigen, waarbij soms een achterbeen recht achteruit wordt
gestrekt; het rekt zich, zooals het heet, iets dat zieke paarden nooit
doen en dat daarom terecht als een teeken van gezondheid wordt
aangemerkt.
De meeste paarden liggen weinig, indien zij althans niet vermoeid
zijn. Het dikwijls en lang achtereen liggen, inzonderheid over
dag, is wel eens een teeken van zwakte of luiheid, hoewel ook
verscheiden paarden, met veel volhardingsvermogen, soms vrij
lang \'s nachts en daarbij zelfs plat op zijde liggen. Ontegen-
zeggelijk rusten zij hierdoor beter uit, zoodat dan ook ruiters,
die veel inspanning van hun paarden vergen, gaarne zien dat deze
\'s nachts gaan liggen. Stallen, waarin niet te veel paarden bijeen
zijn, waar kalmte heerscht en geen licht brandt, zijn hiervoor het
meest geschikt, zij stellen het paard in staat om uit te rusten.
Beschouwt men op Plaat 1 de richtingen van de beenderen der
ledematen, zoowel onderling als ten opzichte van den romp, dan
blijkt hieruit, dat het paard niet zou kunnen blijven staan, wan-
neer de doorbuiging in de gewrichtshoeken niet werd belet door
de strekspieren. In Boek II werden deze werkingen beschreven ,
vooral wat betreft de draaier-of z.g. bilspieren, de knieschijfspieren,
de hielbeenspier met den kroonbeenbuiger, het oprichten van
het schouderblad, de strekking van het boeggewricht door den
langen onderarmbuiger, enz.
Daar dus voortdurend spierwerking noodig is, zou het schijnen,
-ocr page 305-
279
dat er geen voldoende rust bestond voor het paard, dat weinig
of niet ligt; toch is dit niet het geval, omdat de genoemde spier-
groepen ten deele als banden of pezen werken en wijl het vrijstaande
paard op drie beenen steunt en deze dus beurtelings kunnen rusten.
Tusschen hun spierweefsel bezitten deze spieren zooveel pees-
en band vezelen of wel zij zijn dermate met peesvliezen overtrokken,
dat de spierwerking hierdoor gedeeltelijk wordt vervangen.
De schuine stand, dien het ondereinde van het been, van het
kootgewricht tot den bodem heeft, brengt mede, dat het boven-
einde van elk kootbeen en de daarachter gelegen sesambeentjes
een aanzienlijken last hebben te dragen. Het te sterk achterwaarts
doorbuigen in dit gewricht zou door spierwerking, althans op den
duur, onmogelijk kunnen worden tegengegaan. Daarom zijn dan
ook de sesambeentjes naar boven door den sterken schortband aan
het pijpbeen, naar beneden door krachtige banden aan het kootbeen
bevestigd. Ook de pezen der hoefbeenbuigers dienen, en in niet
geringe mate, tot steun der kootgewrichten. Deze pezen kunnen
daartoe dienen omdat zij derwijze aan de hand- en de voetwortels
zijn verbonden, dat zij tevens als het ware de rol van banden
vervullen, wanneer haar spieren niet zijn samengetrokken.
Toch zou deze bouw alleen niet voldoende zijn om het paard
langen tijd staande te houden; dit blijkt ook daaruit, dat wanneer
het paard zoodanig is geplaatst, dat de voorbeenen en de achter-
beenen respectievelijk naast elkander staan, het na korter of langer
tijd deze gegeven of gedwongen houding (station forcée) verlaat en zich
op drie beenen stelt, alzoo een vrije houding (station librè) aanneemt.
Op deze wijze kunnen de beenen elkander aflossen en derhalve
beurtelings uitrusten, en hierdoor kan een paard staande niet alleen
rusten, maar zelfs slapen.
De beweging van de ledematen ten opzichte van den romp
geschiedt, wat de achterbeenen betreft, in het heupgewricht en
wat de voorbeenen aangaat in een zeker punt van het schouder-
blad, dat echter niet even juist is te bepalen als het heupgewricht.
Hoe de romp tusschen de staande voorbeenen is opgehangen en
wel hoofdzakelijk door de breede getande spier met haar sterke
peesvlies, is uiteengezet in § 24. Brengt men een horizontaal vlak
door het midden der beide heupgewrichten, dan zal, bij een goed-
gebouwd paard, de zitbeensknobbel in dat vlak liggen, terwijl in
de snijding hiervan met het schouderblad, het draaipunt van het
voorbeen met den romp zal zijn gelegen (PI. XXXI fig. 1); hier-
door zal, uit een mechanisch oogpunt, de last het gelijk-
-ocr page 306-
\'280
matigst zijn verdeeld en de voortbeweging het best kunnen geschie-
den. Ligt dit draaipunt daarentegen lager dan het horizontale
vlak, dan zal de last, dien de voorbeenen hebben te dragen,
nog worden vergroot. Is liet draaipunt echter hooger gelegen,
dan hebben wel is waar de voorbeenen minder te dragen, doch
dit zal zijn ten koste van de snelheid der voortbeweging, daar de
achterbeenen nu meer zijn belast en dus minder gemakkelijk
kunnen voortstuwen.
Deze meening wordt door enkele hippologen niet gedeeld,
o. a. niet door Raabe en Bonnal. Zij nemen aan, dat hetdraai*
punt van den schouder met den romp hooger ligt en wel op \'/,
van de lengte van het schouderblad, zoodat de lijn AD volgens
hen naar achteren dalende zou zijn. Met wiskundige zekerheid
kan het draaipunt onmogelijk worden vastgesteld.
De richting der ledematen wordt bepaald door de denkbeeldige
lijnen, getrokken uit de draaipunten der beenen met den romp,
naar het midden van den hoef; deze lijnen AC en BD noemen
wij richtingslijnen, terwijl de punten A en B draaipunten zullen
worden geheeten en de lijn AB, die deze beide punten vereenigt,
de bewegingsruimte.
De bewegingsruimte is gewoonlijk gelijk aan het 4/s van de
hoogte van het paard, gemeten van de schoft, hoewel enkele
schrijvers de bewegingsruimte gelijk stellen aan het 3/4 van de
hoogte; bij korte, eenigszins hoogbeenige paarden zal dit laatste
veel voorkomen.
Het vrijstaand paard steunt op drie beenen en wisselt deze
nu en dan af. Een der achterbeenen is hierbij meer of minder
gebogen en rust meestal slechts met den toon van den hoef op
den grond; de heup aan die zijde is daardoor lager dan de andere.
Het voorheen aan de tegenovergestelde zijde van het rustend
achterbeen draagt gewoonlijk een kleiner deel van den lichaams-
last dan het voorheen aan dezelfde zijde; het rust dus ook.
Het rusten van een achterbeen is altijd beter waar te nemen
dan dat van een voörbeen, daar dit weinig of niet wordt gebogen,
meestal dicht naast het andere voorheen staat en de hoef niet
op den toon, doch vlak op den grond rust. Wordt een voorheen
telkens eenigszins gebogen, ter zijde en vooruit gebracht, dan
duidt dit gewoonlijk op een of anderen ziekelijken toestand van
dat been. Het paard .,schildert", zooals men zegt.
Soms nemen de achterbeenen tijdelijk meer den lichaamslast
op zich, en worden daartoe verder onder het lijf geplaatst; de
-ocr page 307-
\'281
voorbeenen worden hierdoor verlicht. Dit ziet men gewoonlijk in
sterke mate bij hoefontsteking, waarbij de voorbeenen dan beur-
telings iets worden opgelicht en weder neergezet. Bij zwakke of
vermoeide paarden, die zich niet nederleggen, wisselen de beenen
elkander telkens met korte tusschenpoozen af.
Het hoofd wordt min of meer opgericht gehouden. De daartoe
werkzame spieren (zie § 28) worden ondersteund en ten deele
vervangen door den sterken nekband, die den schedel en de
halswervelen aan de schoftuitsteeksels bevestigt.
Geheel vrijstaande zullen er ook oogenblikken zijn waarbij het
paard op de vier beenen rust en uit zichzelf een gedwongen hou-
ding aanneemt; dit kan geschieden wanneer het paard, door een
of ander geluid of voorwerp opmerkzaam gemaakt, met opgericht
hoofd ingespannen luistert of rondziet. In zulk een houding zal
het slechts korten tijd blijven staan, om spoedig daarna weder
een vrijere aan te nemen.
Thans zullen wij de verschillende houdingen nagaan, die aan
het paard kunnen worden gegeven, waarbij voornamelijk de plaat-
sing der beenen en de richting van de ruggegraat zullen worden
besproken, daar de houding van hoofd en hals meer behoort tot
het gebied der rijkunst; intusschen zal ook daarvan met een enkel
woord gewag worden gemaakt.
Wordt het paard zoodanig geplaatst, dat de richtingslijnen der
ledematen verticaal staan op het horizontale ondersteuningsvlak,
en ondersteunen de beenen het lichaam aan weerszij den evenveel,
dan staat het paard vierkant (station reguliere) (PI. XXX fig. 1). De
richting van de ruggegraat is nu van achteren naar voren dalende;
de voorhoeven staan op een afstand van de achterhoeven gelijk
aan de bewegingsruimte.
Wanneer de voorbeenen hun stand behouden, doch de achter-
beenen eenigszins voorwaarts worden gezet, z.g. ondergebracht zijn,
zoodat de loodlijn uit het heupgewricht iets achter den hoef valt,
dan moeten deze hiertoe in de gewrichten worden gebogen; de
richting van de ruggegraat zal ongeveer horizontaal zijn, de
achterzijde is gedaald, en daardoor en door het onderbrengen der
achterbeenen is de wervelkolom meer gewelfd, hoewel haar hoogste
punt lager is geworden (relatieve welving), de hals is gebogen en
min of meer in elkander geschoven. Dit is de evenivichtshouding
(station placée)
(PI. XXX fig. 2). De voorhoeven staan op een afstand
van de achterhoeven gelijk ongeveer 3/4 van de hoogte van het paard.
Worden de achterbeenen nog verder vooruitgebracht, bij ge-
-ocr page 308-
282
lijken stand der voorbeenen, dan zullen zij nog meer moeten
worden gebogen, waardoor de achterzijde van de ruggegraat verder
daalt, deze nog sterker gewelfd wordt en een richting aanneemt
(relatieve welving), die van achteren naar voren iets omhoog gaat;
de hals is meer in elkander geschoven en opgericht dan bij de vorige
houding. Het paard staat nu in de verzamelde houding van het
rijpaard {station rassemblée)
(PI. XXX fig. 3).
Bij deze beide houdingen is het ondersteuningsvlak telkens
kleiner geworden, dus ook de stabiliteit, doch daar de achterbeenen
dichter bij het zwaartepunt zijn gekomen, kan het paard zich in
die houdingen gemakkelijker naar elke gewenschte zijde bewegen;
uit de verzamelde houding natuurlijk het gemakkelijkst.
Is het ondersteuningsvlak kleiner geworden dan in fig. 4,
doordat niet alleen de achterbeenen eenigszins vooruit, maar ook
de voorbeenen wat terug werden gezet, dan zal de ruggegraat
van voren niet dalen, maar zelfs iets hooger worden en van ach-
teren wel zakken, doch weinig, omdat de achterbeenen slechts
eenigszins worden gebogen. De rug zal bij de lenden omhoog gaan,
terwijl hij zich, door het dicht bij elkander brengen van de voor-
en achterbeenen, zal welven; deze welving, waarbij het hoogste
punt der wervelkolom hooger is dan bij het vierkant staande paard,
heet daarom de absolute; de hals is wel gebogen doch niet opge-
richt, de profiellijn van het hoofd \') achter de loodlijn. Het paard
staat onder zich {sous lui). Dit is tevens de verzamelde houding van
het trekpaard en van het renpaard op de vlakke baan aan den start
(PI. XXX fig. 4).
Door het kleiner worden van het ondersteuningsvlak is de
stabiliteit natuurlijk verminderd, doch het paard kan zich nu óf
met kracht in het haam leggen of, wijl het zwaartepunt ver naar
voren ligt, door de kleinste rompbeweging eensklaps van de plaats
af voorwaarts snellen.
Worden daarentegen de voor- en achterbeenen verder van
elkander geplaatst dan bij het vierkant staande paard het geval was ,
dan wordt het ondersteuningsvlak grooter en vallen de loodlynen
uit de draaipunten, bij de voorbeenen achter den hoef en bij
de achterbeenen er vóór. Deze gestrekte houding {station campée)
(PI. XXX fig. 5) levert geen enkel voordeel op; het paard kan
zich niet verplaatsen, alvorens de voor- en achterbeenen dichter
bij elkander zijn gebracht. Zij is nadeelig voor den rug en de
l) Op de teekening is die proftellijn verkeerd; de hals moest racer zijn gebogen.
-ocr page 309-
283
lenden; deze worden ingebogen en verliezen daardoor veel van
hun draagkracht, terwijl ook de buigpezen en de drachten van
den hoef meer hebben te lijden. Die houding kan zijn ontstaan
door hooge ruiven of kribben of door het bezigen van te korte
opzetteugels, waardoor het paard genoodzaakt is hoofd en hals
meer op te richten dan met zijn bouw overeenkomt. Zij kan ook
aangeleerd zijn, zooals maar al te veel door koetsiers enpaarden-
handelaren geschiedt. Voor de paarden is het nadeelig, voor den
kenner staat het onooglijk en onnatuurlijk; nut heeft het niet en
men moet het uitsluitend beschouwen als een modezaak, tenzij
voor den paardenhandelaar, die door het strekken van het paard
een leelijk kruis iets rechter doet schijnen en een minder goeden
stand der voorbeenen tracht te verbergen.
In elk der beschreven houdingen, behalve de vrijstaande,
dragen de vier beenen een gedeelte van het gewicht van den
romp; de hoeven staan in de hoekpunten van een vierhoek, die
een rechthoek zou zijn als de voor- en de achterhoeven respectie-
velijk even ver van elkander stonden. Wij zullen later zien (§12G),
dat de achterhoeven in het algemeen iets dichter bij elkander staan
dan de voorhoeven, zoodat de vierhoek een trapezium is; dit
verschilt echter zoo weinig van een rechthoek, dat wij het onder -
steuningsvlak voortaan als zoodanig zullen beschouwen.
Het paard zal in de vierkante houding van zelf kunnen blijven
stilstaan, terwijl het dit reeds minder gaarne doet in de evenwichts-
houding. Is het echter sterk verzameld, dan zal het in die houding
bijna onmogelijk onbeweeglijk kunnen blijven; hiervan wordt gebruik
gemaakt om het paard te leeren piafleeren.
Voor het onder zich staande paard is het stilstaan niet moeielijk ,
daar hierbij, evenals bij het vierkant geplaatste, het lichaams-
gewicht normaal over de voor- en achterbeenen is verdeeld. De
belasting der achterbeenen is in de evenwichts- en in de verzamelde
houding meer dan de natuur dit heeft aangegeven; daarom zal
het paard trachten zich, door beweging, daaraan te onttrekken.
Door het onder zich staan is het paard voorbereid om te steigeren
en om te slaan, want het zwaartepunt ligt zoowel nabij den
voorkant als bij de achterzijde van het ondersteuningsvlak.
Wanneer de vier beenen van het paard elk een even groot
deel van den lichaamslast hadden te dragen, dan zou een verticaal,
uit het zwaartepunt op het ondersteuningsvlak neergelaten, dit in
het snijpunt der diagonalen van den rechthoek raken. Door
vele proeven is uitgemaakt, dat de voorbeenen een grooter last
-ocr page 310-
284
hebben te dragen dan de achterbeenen; derhalve ligt het zwaarte -
punt ook dichter bij de eerste dan bij de laatste. Dit is een
natuurlijk gevolg van het ver vóór de voorbeenen uitsteken van
hoofd en hals. Wijziging, gebracht in de houding dier beide, brengt
ook verandering teweeg in de ligging van het zwaartepunt, ten
opzichte van het ondersteuningsvlak.
De als hippoloog bekende generaal Morris heeft met Bauciier,
wiens dressuursysteem een korten tijd veel opgang heeft gemaakt,
doch thans bijna alleen in den circus wordt gebruikt, paarden in
verschillende houdingen gewogen, zoowel met als zonder ruiter.
Elk paard werd op twee bascules geplaatst, de voorbeenen op
de eene, de achterbeenen op de andere bascule, en op deze wijze
het verschil in gewicht tusschen voorhand en achterhand bepaald.
De bascules waren even hoog en het paard moest onbeweeglijk in
de aangegeven houding blijven. Door de ademhaling had echter
een geringe schommeling plaats, waardoor zich een gewicht van
3 tot 5 Kg. beurtelings van de voorbeenen naar de achterbeenen
en omgekeerd verplaatste.
Een enkel voorbeeld van deze wegingen zij hier ter verduide-
lijking aangehaald. Daarvoor werd een vrij goed gebouwd rijpaard
gebezigd, wegende 384 Kg.; het hoofd van het paard werd onder
45°, op gemiddelde hoogte, iets lager dan de heup gehouden,
dan was :
Gewicht voorhand:        Achterhand:        Overwicht voorhand:
210 Kg.                     174 Kg.                      36 Kg.
Het hoofd werd nu verder omlaag gebracht, de neus ter hoogte
van den boeg; in die houding werd:
Gewicht voorhand: Achterhand: Overwicht voorhand:
218 Kg.
                     166 Kg.                      52 Kg.
Nu werd het hoofd omhoog gebracht, de neus ter hoogte van
de schoft, en was:
Gewicht voorhand: Achterhand: Overwicht voorhand:
200 Kg.
                     184 Kg.                      16 Kg.
Het hoofd, geplaatst in de natuurlijke houding, werd door de
teugelwerking iets opgericht en tevens teruggebracht, waardoor de
hals eenigszins in elkander werd geschoven; nu was:
Gewicht voorhand:        Achterhand:        Overwicht voorhand:
202 Kg.                . 182 Kg.                      20 Kg.
-ocr page 311-
285
Wegingen door andere personen verricht, hebben de proeven
van Mo ruis en Baucher bevestigd, terwijl onderzoekingen van
Barrier hebben doen zien, dat het hooger of lager worden van
de schoft van het paard ten opzichte van de achterhand een groot
verschil brengt in de verdeeling van den lichaamslast over de beenen.
Van een paard met een gewicht van 465 Kg. was, bij horizon-
talen stand, het overwicht van de voorhand 35 Kg. De schoft
werd nu 10 c.M. hooger gebracht dan te voren, doch de achterhand
even hoog gehouden; het overwicht bedroeg dan slechts 25 Kg.,
terwijl dit door een verlaging der schoft met 10 cM. weder
51 Kg. werd.
Uit deze wegingen kunnen enkele gevolgtrekkingen worden
gemaakt, zooals hier volgen.
De voorhand is in het algemeen bij het vierkant staande paard
belast meteen overwicht gelijk aan \'/»tot \'/« van het geheele gewicht;
een hoogere houding van het hoofd brengt ongeveer 10 Kg. van
het gewicht van de voorhand naar de achterhand; een langere
hals bezwaart de voorhand meer dan een kortere en breedere;
hoe lager de voorhand, hoe meer gewicht de voorbeenen hebben
te dragen, een overwicht dat overbouwde paarden dus voortdurend
te dragen zullen hebben. Hoewel de houding van hoofd en hals
grooten invloed uitoefent op de ligging van het zwaartepunt, blijven
de voorbeenen toch in alle gevallen zwaarder belast dan de ach-
terbeenen; hierin kan alleen verandering worden gebracht door
een sterk en gebogen onder het lijf brengen van de achterbeenen,
zooals o. a. plaats vindt bij de later te beschrijven schoolgangen en
schoolsprongen.
Op overeenkomstige wijze zijn wegingen gedaan, waarbij het
paard met de beide rechter beenen op een bascule stond, met de
beide linker beenen op een andere; daardoor heeft men het ge-
wichtsverschil kunnen bepalen wanneer hoofd en hals van het
paard of wel het lichaam van den ruiter zijwaarts werden gebracht.
Het is duidelijk dat men het gemakkelijkst een last op de
schouders zal kunnen dragen, wanneer het zwaartepunt daarvan
boven ons eigen zwaartepunt wordt geplaatst; evenzoo is het met
het paard. Derhalve moeten het gewicht van den ruiter en dat
van zadel en bepakking zoodanig over de voor- en de achterhand
worden verdeeld, als overeenkomt met de natuurlijke belasting der
voor- en achterbeenen in de door ons gewilde houding; met andere
woorden: de loodlijnen, respectievelijk neergelaten uit het zwaarte-
punt van den last en uit het zwaartepunt van den ruiter, moeten
-ocr page 312-
286
samenvallen. Hieruit blijkt dus, dat de houding van den ruiter
zal moeten worden gewijzigd naar die van liet paard, wanneer
zadel en bepakking hetzelfde zijn en op dezelfde plaats blijven liggen.
Wil men weten waar het zwaartepunt van een zeker paard,
in een bepaalde houding ligt, dan zou men het op twee bascules
moeten wegen en tevens de bewegingsruimte moeten meten. Was
het geheele gewicht bijv. 450 Kg., had de vocrhand 50 Kg. o ver-
wicht, terwijl de bewegingsruimte 1,25 M. bedroeg, en stelde
men den afstand van het zwaartepunt tot het verticale vlak, dat
door de beide voorste draaipunten gaat = a, dan zal, omdat de
lengten der hefboomsarmen omgekeerd evenredig zijn aan de ge-
wichten, de volgende vergelijking waar zijn :
250:200 = 1,25— a:a,
waaruit blijkt, dat a = 0,55* M., zoodat het zwaartepunt, in dit
geval, op 0,55 M. achter de draaipunten der voorste ledematen en
op 0,70 M. vóór die der achterste ledematen ligt.
Hoe grooter het ondersteuningsvlak is, hoe lager het zwaarte-
punt ligt; hoe dichter het zich bij het midden van het onder-
steuningsvlak bevindt, hoe beter het evenwicht verzekerd is. Gaat
het in den gang verloren, doordien de verticaal, uit het zwaarte-
punt neergelaten, buiten het ondersteuningsvlak valt, dan zullen
de beenen naarmate dit sterker plaatsheeft, sneller vooruit moeten
worden gebracht, ten einde het lichaam te ondersteunen.
§ 126. Standen.
De wijze van staan van een paard, de stand zijner beenen,
eenvoudig ook stand (aplomb) genoemd, wordt als een maatstaf
van beoordeeling gebezigd. Het paard wordt daartoe in zijn
natuurlijke houding zooveel mogelijk vierkant geplaatst, teneinde
de standen van de voor- en achterbeenen zoowel van ter zijde als
van voren en van achteren te kunnen beschouwen.
Bezien wij eerst de voorbeenen van ter zijde en dan van voren,
om daarna de achterbeenen in profiel en vervolgens van achteren
te onderzoeken,
Wanneer de richtingslijnen der ledematen verticaal zijn, dan
is het paard vierkant geplaatst. De loodlijn uit het voorste
draaipunt, hier tevens de richtingslijn, op het horizontale vlak
neergelaten, valt nu in het midden van den hoef ^Pl. XXXI fig. 1).
Komt deze loodlijn vóór den hoef op den grond, dan staat het
paard van voren onder zich (sous lui du devant; unterstündig), valt
-ocr page 313-
287
daarentegen de genoemde verticaal achter den hoef, dan staat het
paard vóór gestrekt (campé du devant; vorstiindig oder gestreeld).
Is de stand vóór onder zich, de natuurlijke, dan zullen de
voorbeenen minder vooruitgrijpen, en is het evenwicht minder stabiel,
doordien het ondersteuningsvlak kleiner is geworden en dus de
loodlijn uit het zwaartepunt er spoediger buiten zal vallen; het
paard heeft hierdoor meer neiging tot vallen en zal ook eerder in
de ijzers klappen. Deze stand is minder nadeelig voor tuigpaarden
dan voor rijpaarden, daar de eerste bij eenigszins zwaren last het
gewicht in het haam moeten leggen en dus van zelf dien stand
zullen aannemen. In rust zijn de voorbeenen te zwaar belast,
terwijl de spieren zich daarbij meer moeten inspannen dan bij een
goeden stand.
Staat het paard daarentegen van nature gestrekt, dan duidt
dit gewoonlijk op een ziektetoestand der voorhoeven, die dikwijls
chronisch is geworden. Bij dezen stand heeft het achterste deel
van den hoef (de drachten) veel te lijden, evenals de pezen; het
ondersteuningsvlak is grooter geworden, doch de snelheid van
beweging zal veel zijn verminderd. De voorbeenen van zulke
paarden zullen gewoonlijk vroeg zijn versleten. Bij jonge paarden
komt deze stand slechts zelden voor, meer bij oudere, of bij
zulke, wier hoeven veel te wenschen overlaten.
Laat men uit het midden van den onderarm een loodlijn
neer {Gil, zie PI. XXXI fig. 1), dan zal deze ongeveer door het
midden van den voorarm, de knie, de pijp en den kogel gaan en
iets achter den hoef op den grond komen; die lijn dient voor-
namelijk ter beoordeeling van de standen van knie en koot.
Gaan wij den stand van de knie ten opzichte van deze lijn na,
dan kan de hand wortel zich vóór de loodlijn bevinden, waardoor
het paard bohbeenig staat. Ligt daarentegen de knie achter de lijn
GR, dan heeft het dier holle knieën. Ook de kogsl kan, hoewel
door de genoemde verticaal middendoor gedeeld, niet haar juiste
plaats innemen ten opzichte van den hoef. Valt de verticaal ver
achter den hoef, dan is het paard te lang gekoot of wel het treedt
te veel door in de hooten.
Valt daarentegen GR te veel naar voren
en in den hoef, dan is het paard te hort geloot of wel te steil ge-
koot.
Bij een goed gebouwd paard loopen de voorste ledematen
niet over hun geheele lengte volkomen evenwijdig; zij naderen
elkander eenigszins, gerekend van boven tot de knie, terwijl zij van
daar naar beneden weder parallel moeten zijn.
Twee loodlijnen, AB en GD (PI. XXXI fig. 2), neergelaten
-ocr page 314-
288
uit de punt van den boeg, moeten door het midden van de knie,
de pijp, den kogel, de koot en den hoef gaan, terwijl de afstand
tusschen de beide hoeven gelijk moet zijn aan de breedte van
één dezer.
Staat het been grootendeels buiten de verticaal, dan heet het
paard wijd van voren (trop ouvert du devant); dit is eveneens
het geval wanneer de hoeven verder van elkander zijn dan de
breedte van één der voorhoeven, niettegenstaande de onderbeenen
evenwijdig zijn. In het tegenovergestelde geval, wanneer het voor-
been binnen de verticaal staat of enkel de hoeven dichter bij
elkander zijn dan de breedte van een dezer, noemt men het paard
nauw van voren (trop serre du devant).
De zware trekpaarden zijn wijd van voren door de groote
breedte van de borst, die voor hen noodwendig is; de hoeven
komen dan verder van elkander. Zulke paarden hebben iets
waggelends in den gang; daarentegen zijn ook paarden met een
zeer smalle borst menigmaal wijd van onderen, iets dat gewoonlijk
gepaard gaat met te weinig gespierdheid, aangedrukte ellebogen
en een Franschen stand. Dit komt voor bij de minder goede
exemplaren, die men onder de volbloedpaarden of onder andere
rassen met veel bloed vindt. De beenen die van boven naar beneden
divergeeren, noemt men schraagbeenen.
Intusschen kan slechts een gedeelte van het been buiten de
verticaal liggen; is dit het geval met de knie, dan is het paard
wijd in de knieën en heeft het O-beenen (genoux cambrés); liggen enkel
de knieën binnen de loodlijnen, dan is het paard nauw in de knieën
en heeft het ossenknieën of X-beenen (genoux de boeuf). Begint de af-
w\'yking van de verticaal beneden de knie, zoodat de pijp, de kogel,
de koot en de hoef er buiten of er binnen liggen of wanneer dit uitsluitend
met de koot en den hoef het geval is, dan heeft het paard in het
eerste geval gewoonlijk een Franschen stand, en is in het tweede
geval een toontreder.
De voorste richtingslijn BD gaat ongeveer door het midden
van den opperarm en ligt even ver van de loodlijn EF, neerge-
laten uit de punt van den boeg, als van IK, de verticaal uit den
elleboog op het horizontale vlak.
Gaan wij nu den stand der achterste ledematen na, dan weten
wij dat de richtingslijn AG, bij het vierkant geplaatste paard,
tevens de loodlijn is uit het heupgewricht, neergelaten op het
ondersteuningsvlak; deze verticaal gaat door het midden van den
schenkel en ligt even ver van de loodlyn NO, neergelaten uit het
-ocr page 315-
289
zitbeen, als van de verticaal LM uit de knieschijf. Is het been
naar voren gericht, zoodat de loodlijn AG achter den hoef komt, dan
staat het paard van achteren onder zich {sous lui du derrière) ; komt
deze verticaal daarentegen vóór den hoef op den grond, dan is
het dier van achteren gestrekt {campé du derrière).
De „stand onder zich", duidt somtijds op een ziektetoestand
der voorbeenen en wel meestal van de hoeven; de achterbeenen
hebben dan meer te dragen en zijn dus meer blootgesteld aan het
ontstaan van gebreken, terwijl de snelheid verminderd zal zijn.
De voorwaartsche beweging wordt zeer belemmerd, omdat de
kracht, uitgaande van een achterbeen, ingevolge haar richting,
meer wordt gebezigd om het lichaam in de hoogte dan om het
vooruit te werpen; bovendien zal het naar voren staand achterbeen
noodzakelijk een korteren pas moeten maken dan een normaal
geplaatst.
De gestrekte stand is nadeelig voor den rug, geeft aanleiding tot
een zadelrug, en beneemt aan de achterhand een gedeelte van
haar voortstuwingsvermogen.
De hoef kan zich ook vóór de loodlijn AG bevinden, zonder
dat het geheele achterbeen aan het onder zich staan deelneemt;
dit is dan een gevolg van een lang gekoot zijn van het paard, of
van een veel doortreden in den kogel; terwijl een kort of steil gekoot
zijn de oorzaak kan wezen, dat de hoef achter de loodlijn komt of
dat de laatste niet in het midden, doch in het voorste gedeelte
van den hoef valt.
De loodlijn NO gaat langs de punt van den hiel en loopt ver-
volgens nagenoeg evenwijdig met de achtervlakte der pijp. Ligt
alleen deze punt eenigszins ver achter de lijn NO, waardoor de
pÜp hieraan niet meer evenwijdig loopt, of gaat NO wel langs de
punt van den hiel, maar verwijdert de pijp zich van deze lijn
sterk naar voren, dan heeft het paard sabelbeenen.
Bevindt de punt van den hiel zich ver vóór de lijn NO, dan
staat het paard recht in de sprong gewrichten; dit is ook het geval
wanneer de genoemde lijn wel door de punt van den hiel en
langs de pijp gaat, doch wanneer de richting van den schenkel
daarmede nagenoeg evenwijdig loopt.
Ook de achterste ledematen zijn niet over hun geheele lengte
evenwijdig; van boven loopen zij tot de spronggewrichten naar
elkander toe. De afstand tusschen de spronggewrichten mag slechts
\'/j—\'U van dien tusschen de kniegewrichten bedragen, terwijl de
hoeven op iets minder dan een hoefbreedte van elkander verwijderd
19
-ocr page 316-
2<X>
moeten blijven. Uit dit laatste volgt ten duidelijkste dat het onder -
steuningsvlak van het paard een trapezium en geen rechthoek is. De
achterhoeven toch zijn smaller dan de voorhoeven, en staan minder
dan de breedte van een achterhoef van elkander, derhalve is hun
normale onderlinge afstand ook geringer dan dien der voorhoeven.
De loodlijnen AB en CD (PI. XXXI fig. 3), neergelaten uit
de achterste zitbeensknobbels, moeten de beenen, te rekenen van
het spronggewricht, in twee ongeveer gelijke deelen snijden.
Is het been grootendeels buiten de verticaal, dan is het paard
wijd van achteren (trop ouvert du derrière). Het "wijd zijn kan echter
uitsluitend het gevolg wezen van het verder van elkander staan dei-
achterhoeven dan de normale houding aangeeft, hoewel de beenen
een goeden stand hebben; dit heeft betrekkelijk weinig nadeel,
ten minste voor zware werkpaarden, terwijl het wijd zijn, ten
gevolge van een abnormale richting van het been, meer kans geeft
tot het ontstaan van gebreken aan het spronggewricht, den kogel
en den hoef. Het paard zal in het laatste geval waggelen en van
achteren niet zoo krachtig kunnen zijn als bij den gewenschten
stand. Wijken alleen de spronggewrichten buiten de verticalen
uit, dan is het paard wijd in de hielen (jarrets cambrés). Hiermede
gaat meestal een draaien in de hakken gepaard, terwijl het paard
dan toontreder is.
Ook kan het van achteren een Franschen stand hebben, waarbij
dikwijls alleen de hoeven te ver van elkander komen. Staat het
achterbeen binnen de verticaal of zijn uitsluitend de hoeven te
dicht bij elkander, al hebben de ledematen de juiste richting, dan
heet het paard nauw van achteren (serre du derrière). Gewoonlijk
komt deze stand voor bij smalle en weinig krachtige paarden met
geringe spierontwikkeling. Minder nadeelig is het wanneer uit-
sluitend de spronggewrichten binnen de verticalen komen; men
noemt het paard dan koehakkig (cheval jarreté). Wel is ook deze
stand niet wenschel\'yk en is hij, vooral wanneer zulk een paard
zich in beweging stelt en daarbij van achteren wordt bezien voor
het oog minder fraai, doch hierbij kunnen voldoende gespierdheid
en een krachtige achterhand aanwezig zijn.
§ 127. De lichaamsbewegingen zonder verplaatsing
van het lichaam.
De lichaamsbewegingen, die niet met verplaatsing van liet lichaam
gepaard gaan (inouvements sur place) zijn het steigeren en het aclite7-uit-
-ocr page 317-
\'2iH
slaan met omhoogiverpen van het achterstel, terwijl ook het bokken ,
dat dikwijls uitsluitend op de plaats geschiedt, doch waarbij ook
een voortbeweging van het lichaam in een of andere richting kan
plaats hebben, hierbij zal worden behandeld.
1°. Het steigeren.
Het steigeren (Ie cabrer; das Steigen oder Bdumen; rearing) be-
staat in het oprichten van het lichaam op deachterbeenen, terwijl
deze naam eveneens wordt gegeven aan de hierdoor aangenomen
houding, waarin het paard korter of langer tijd vertoeft, dus aan
het staan op de achterbeenen.
Deze beweging, doch vooral die houding, vorderen een sterke
spierwerking van het voorstel, dat zich met kracht omhoog werpt,
doch nog meer, en wel hoofdzakelijk, van het achterstel, vanwaar
uit de romp met hoofd en voorbeenen worden bewogen als een
hefboom, die zijn steunpunt heeft in het heupgewricht en aldaar
op het dijbeenshoofd draait.
Het is duidelijk dat het paard deze houding slechts voor
zeer korten tijd kan aannemen; het ondersteuningsvlak wordt ge-
vormd door de beide achterhoeven en is dus zeer klein, zoodat
de loodlijn, uit het zwaartepunt op de basis neergelaten, dicht
bij de uiterste grenzen van dat vlak ligt en er alzoo bij een kleine
verplaatsing buiten zal vallen; hierdoor zal het paard genoodzaakt
worden het lichaam weder met de voorbeenen te steunen of wel
het zal achterwaarts of zijwaarts omslaan.
Als het paard wil steigeren, brengt het, ter voorbereiding, de •
achterbeenen dichter onder het lichaam en het hoofd omlaag , terwijl
het de voorbeenen eenigszins buigt; deze voorbereiding, welke zeer
kort is, wordt gevolgd door een snel en achtereenvolgens omhoog
werpen van hoofd, hals en romp, waarbij de voorbeenen zich,
evenals de achterbeenen, krachtig en plotseling strekken. Hierbij
treden dus in werking de strekspieren van de voorbeenen en
voornamelijk: 1°. de lange rugspieren, die de ruggegraat tot een
geheel vastzetten en den hals opgericht houden; 2°. de groote
draaierspieren, die, van de dijbeenderen uit op de darmbeenderen
en de lange rugspieren werkende, den romp als een hefboom der
3de soort oprichten; 3°. de buigers der schenkelbeenderen, die nu,
van de vaststaande achterbeenen uit op het kruisbeen werkende,
den romp als een hefboom der l8te soort op de dijbeenshoofden
doen draaien.
Komt bij het oprichten van het lichaam op de achterbeenen
het zwaartepunt niet boven de achterhoeven, dan zal het paard
-ocr page 318-
292
terstond weder op de voorbeenen moeten neerkomen, doch steigert
het zoodanig dat het zwaartepunt wel boven het ondersteunings-
vlak is gekomen, dan zal het eenigen tijd in die houding kunnen
blijven staan en zich zelfs daarin kunnen voortbewegen. Dit kan,
zooals wij in den circus zien, door de noodige oefening worden ver-
kregen, terwijl ook sommige dekhengsten het hierin ver hebben
gebracht en op de achterbeenen gaande de merrie naderen.
Paarden, die deze houding aannemen zonder de noodige spier-
kracht in de strekkers der achterbeenen, inzonderheid ook in de
knieschijf" en de hielbeenspieren te bezitten, buigen lichtelijk in
de achterbeenen door, zoodat bijv. de hielen den grond raken,
of vallen naar de eene of andere zijde over. Jonge paarden
die, hoewel sterk genoeg, uit schrik, pijn of door ruwe in-
werking van den ruiter steigeren, en niet de noodige oefening
bezitten, loopen groot gevaar van, door het lichaam te krachtig
omhoog te werpen, hun evenwicht te verliezen en achterover te
vallen.
Het gemakkelijk steigeren, waaronder men niet moet begrijpen
het dikwijls op de achterbeenen staan, maar wel het langzaam,
bedaard en met gemak aannemen van deze houding en het daarin
eenige oogenblikken volharden, zonder te wankelen, is op zich
zelf een teeken van kracht. Paarden, die hiertoe in staat zijn,
hebben ook aanleg om goed te leeren springen.
Het steigeren kan geschieden uit dartelheid of speelschheid,
zooals men dikwijls van jonge paarden in de weide ziet, uit on-
geduld en verlangen om vooruit te gaan, maar ook uit kwaadaardig-
heid en verzet, en niet zelden ten gevolge van pijn, veroorzaakt
door te sterke of ruwe werking van het gebit.
Bij het steigeren zijn de achterbeenen slechts weinig in de
spronggewrichten gebogen, terwijl de voorbeenen meestal eenigszins
gestrekt zijn en daarbij dikwijls een klauwende beweging maken;
later bij de behandeling der schoolgangen en schoolsprongen zullen
wij zien dat het paard, bij het verheffen van het voorstel op de
achterbeenen, deze sterk in de gewrichten buigt. Ditzelfde ge-
schiedt met de voorbeenen, welke daarbij geheel stil worden gehouden.
Terwijl in dit geval het opheffen der voorhand door geregelde
oefeningen geleerd is geworden, waardoor de gewrichtsbanden,
pezen en spieren niet zullen 1\'ijden, zal dit laatste wel geschieden
bij telkens herhaald gewoon steigeren; de lenden, de sprongge-
wrichten en de achterkogels hebben het meest te verduren, en
voornamelijk wanneer het paard uit verzet steigert Echter ook bij
-ocr page 319-
293
zwakke, weeke hengsten ontslaan aan de acliterbeenen, door liet
dekken, dikwijls gebreken, waarbij de kogels dik en rond worden
en liet paard zelfs overkoot kan gaan staan.
\'2°. liet omhoog werpen van het aehterstel met achteruitslaan.
Dit (la ruaile; das Hintenausschlagen; kicking) is de tegenover-
gestelde beweging van het steigeren; het paard ligt plotseling het
aehterstel op en slaat met beide acliterbeenen achteruit. De voor-
beenen worden hiertoe verder terug- of vooruitgebracht, naar-
mate het paard den slag laag of hoog wil toebrengen; hoofd en
hals gaan plotseling omlaag, waardoor een grooter gedeelte van
de lichaamszwaarte op de voorbeenen wordt overgebracht.
Vervolgens worden de acliterbeenen door samentrekking van
de groote draaier-, de knieschijf" en de hielbeenspieren, alsmede
van de koot-kroon-hoefbeenbuigers, plotseling en met groote
kracht gestrekt, waardoor het aehterstel omhoog wordt geworpen.
Onmiddellijk daarna worden de acliterbeenen door de schenkelbeen-
buigers en de lange rugspieren snel en min of meer ver achteruit
geworpen. Daar het ondersteuningsvlak, gevormd door de beide
voorhoeven, slechts klein is en het zwaartepunt daar nimmer juist
boven zal komen, kan deze beweging slechts zeer kort zijn en valt
het paard terstond weder op de acliterbeenen neer.
Alle dieren van het paardengeslacht bezigen deze beweging
als een hoofdmiddel tot verdediging, of wel zij doen het uit
kwaadaardigheid, uit vrees voor een voorwerp, dat zich achter
hen bevindt, of om den ruiter, het zadel of het tuig af te werpen.
Daar het paard om te steigeren het hoofd plotseling omhoog,
en om te slaan naar beneden brengt, volgt hieruit van zelf dat
men, om het eerste te beletten, moet trachten het hoofd van het
paard omlaag te houden, terwijl men het moet oprichten om het
slaan zooveel mogelijk te voorkomen. Ook het sterk doorzitten
van den ruiter zal het steigeren moeielijker maken en is een der
beste hulpmiddelen hiertegen; bij vele paarden is echter geen dezer
middelen afdoende. Terwijl het paard zijn voorstel het gemakkelijkst
omhoog kan werpen wanneer de voorbeenen naast elkander staan,
daar beide hiertoe dan gelijk en even krachtig kunnen medewerken,
zullen ver vooruitgebrachte voorbeenen het paard in staat stellen
om zeer hoog te slaan, daar hoofd en hals dan beter omlaag en
naar voren kunnen worden gebracht, zonder gevaar voor het dier
van te storten.
Het achteruitslaan geschiedt het gemakkelijkst terwijl het paard
stilstaat, het steigeren het best bij een achterwaartsche beweging;
-ocr page 320-
204
de voorbereiding tot steigeren gaat dan ook dikwijls gepaard met
een teruggaan of met een meer of minder doorbuigen in de ge-
wriehten der ledematen.
Is het zwaartepunt bij liet steigeren niet boven het ondersteu-
ningsvlak gebracht, doch zeer dicht daarbij, en wil het paard in
deze houding blijven, dan zal het, door beweging met de voor-
beenen en door achterwaarts brengen van hoofd en hals, trachten
het zwaartepunt meer terug te voeren of wel het zal de achter-
beenen wat voorwaarts plaatsen. Is het zwaartepunt daarentegen
iets verder gekomen dan het ondersteuningsvlak, dan zal het
paard, door hals, hoofd en voorbeenen omlaag te brengen, be-
proeven om niet achterover te vallen, of wel het zet zich af met
de achterbeenen en springt voorwaarts, maakt een lancade.
3°. Het bokken.
Het bokken (Ie bond, sant de mouton; das Boeken; buckjumping)
wordt voorbereid door een sterk, absoluut welven van den rug;
hoofd en hals worden ver omlaag gebracht, het eerste somtijds
tusschen de voorbeenen, de staart wordt vastgeklemd tegen liet
lichaam en alle spieren der ledematen worden krampachtig ge-
spannen, terwijl de voor- en achterbeenen zeer dicht bij elkander,
met weinig of niet gebogen gewrichten onder het 1\'yf zijn gebracht.
Nu volgt een verheffen van de voorhand en daarna een zoo krachtig
opwerpen van liet achterstel, dat de voorhand weder ter aarde
komt; ook hierbij worden de beenen stijf in de gewrichten ge-
houden, terwijl het voorstel zich terstond daarna weder afstoot,
zoodat het achterstel moet nederkomen. Snel volgen deze sprongen,
van de voorbeenen op de achterbeenen en omgekeerd, elkander
op. De kracht waarmede ze worden uitgevoerd, neemt toe en de
tusschenpoozen worden kleiner, totdat de ruiter eindelijk wordt
afgeworpen , of er in geslaagd is het hoofd van het paard op te
heflen en het dier tot snel voorwaarts gaan te brengen. Om
achteruitslaan en bokken te voorkomen, bedient de ruiter zich
dikwijls met goed gevolg van een soort opzetteugel, waarvan hij
de uiteinden in de hand heeft en die „Bocktrense\' of „gagsnajfle"
wordt geheeten, terwijl hij door één of twee krachtige slagen
met de karwats moet trachten het paard in snellen gang te
brengen.
De ergste bokkers in Europa vindt men onder de paarden uit
Moldavië, de Ukraine en Polen, terwijl de Australische paarden
en de wilde paarden uit Noord-Amcrika (mustangs) en die uit de
pampa\'s van Zuid-Amerika een vermaardheid hebben verkregen
-ocr page 321-
295
als „buckjumpers". Hun ruiters, de Australische „horsebreakers"
de cowboy\'s en de Cuacho\'s zijn in hooge mate bedreven in de
zware, bijna onmogelijke taak om den zit op zulke bokkende dieren
te bewaren en deze tot onderwerping te brengen.
§ 128. De lichaamsbewegingen met veiiplaatsing van
het lichaam.
De gangen in het algemeen.
De verschillende wijzen waarop het paard zicli geregeld voort-
beweegt, worden de gangen (allures; Gangarten; paces) genoemd ;
dit zijn dus lichaamsbewegingen met verplaatsing van het lichaam.
Alle beweging begint met een verbreken van het evenwicht,
waarin het stilstaande paard zich bevindt. De beweging gaat
voornamelijk uit van den romp, terwijl de beenen, in de richting
van de beweging, worden vooruit* of teruggebracht, om het lichaam
te ondersteunen en zoodoende het evenwicht te herstellen; vol-
brengen zij deze beweging niet tijdig, dan zal het evenwicht niet
worden hersteld, zoodat het paard moet vallen.
De gangen zijn als het ware een aaneenschakeling van toestan-
den, waarin het evenwicht telkens verbroken en weder hersteld
wordt; op verbreken volgt onmiddellijk herstellen, dan weder ver-
breken, enz. tot de gang eindigt.
Zoolang de gang duurt, zal de romp zich voortbewegen, terwijl
telkens één of meer beenen te gelijk ter ondersteuning zullen
dienen, die dan in hun onderste gedeelte een oogenblik stil-
staan. Hoewel de romp voortdurend in beweging is, verstaat
men door rompbeweging meer uitsluitend die, welke de romp maakt
op het oogenblik dat één of meer beenen op den grond steunen,
en wel voornamelijk de beweging ten opzichte van dat been of
die beenen. Men zegt bijv. „de romp gaat over het rechter voorbeen
heen," hetgeen zeggen wil, dat dit been steunt, terwijl de romp
zich voorwaarts blijft bewegen en de romp dus op dat oogenblik
verder gaat dan het been. De romp beweegt zich met een snelheid
voort, die wel niet steeds even groot, maar toch vrij regelmatig
is, terwijl de beenen het eene oogenblik zullen stilstaan om daarna,
niet alleen den romp in te halen, maar ook vóór hun respectieve
draaipunten te komen, waarop zij het lichaam dan weder zullen
steunen. De snelheid van beweging van den romp en die van de
beenen zijn dus niet aan elkander gelijk.
-ocr page 322-
296
De stand van den romp ten opzichte van de beenen bepaalt
de grootte van de „neiging in den gang": hoe dichter liet zwaarte-
punt bij het voorste gedeelte van het ondersteuningsvlak ligt, des
te grooter is zij, terwijl zij geringer wordt, naar gelang het
zwaartepunt het achterste gedeelte van dat vlak nadert. Derhalve
heeft een „vóór onder zich staand paard" veel neiging in den
gang, een „vóór gestrekt staand paard" daarentegen weinig.
De gangen worden onderscheiden in loopende en springende
{allures marchées et sautées),
naarmate hierbij één of meer lede-
maten met den grond in verbinding staan, of dat het lichaam
een korter of langer oogenblik ongesteund voortgaat; dit oogenblik
wordt het zwevingsmoment geheeten, dat zijn ontstaan te danken
heeft aan een veerkrachtig afzetten met de beenen en dat, naar
de soort van gang, ééns of tweemaal in een volkomen pas voorkomt.
Bij regelmatige gangen volgen de bewegingen elkander steeds
in dezelfde volgorde op.
De volgorde der bewegingen bepaalt de soort van gang, terwijl
de wijze van gaan wordt bepaald door de manier waarop de
bewegingen plaats hebben.
Daar de sprong een lichaamsbeweging is, gepaard met voort-
beweging, zal hij hier ook worden behandeld, al behoort hij,
door het niet regelmatig voortduren der beweging, eigenlijk niet
tot de gangen.
De tijdruimte , benoodigd voor één telkens wederkeerende reeks
bewegingen, heet een bewegingsperiode, en elk onderdeel daarvan
een bewegingsmoment.
Behalve door de werking van de zwaartekracht wordt de bewe-
ging grootendeels voortgebracht door de voortstuwende kracht, die
voornamelijk van de achterhand uitgaat, doch waaraan ook de
voorste ledematen meestal deelnemen, al is dit gewoonlijk niet
belangrijk. Bij de behandeling der „gangen in het bijzonder" zal
op deze werkzaamheid der voorbeenen nader worden terug-
gekomen.
De invloed van de voortstuwende kracht hangt niet alleen af
van haar sterkte, maar ook van de richting waarin zij werkt. Deze
richting hangt weder af van de plaats waar, op het oogenblik
van het afzetten der beenen, de hoeven zich ten opzichte van
den romp bevinden, dus van den stand der richtingslijnen ten
opzichte van de verticaal. Hoe meer de hoeven recht onder de
draaipunten zijn gelegen , des te minder zal het lichaam in hori-
zontale richting worden voortbewogen; hoe meer zij zich evenwel
-ocr page 323-
297
achter de draaipunten bevinden, des te meer zal het lichaam in
die richting worden voortgestuwd.
De wijze van beweging en de plaatsing der beenen ten opzichte
van den romp, op het oogenblik dat zij niet ter ondersteuning
dienen, noemt men de beenzetting.
Wij zullen eerst de beweging en verplaatsing van een been in
haar verschillende phasen beschouwen, om later bij de gangen een
overzicht te geven van de verplaatsingen der beenen ten opzichte
van elkander.
Bij het oplichten en vooruitbrengen van een voorbeen beweegt liet
schouderblad zich om het voorste draaipunt; terwijl de bovenarm
meer of minder wordt gestrekt, worden de knie en het onderbeen
eerst sterk gebogen en evenzoo de onderarm. Hierop wordt het
onderbeen vooruitgebracht, en wel te verder, naarmate deschou-
der en de onderarm langer zijn, de eerste schuiner ligt en de
hoek gevormd door het boeggewricht grooter wordt.
Bij het neerzetten van een voorbeen treden de strekspieren in
werking , om het vooruitgebrachte been weerstand te doen bieden
aan den stoot, dien het bij het neerkomen op den grond onder-
vindt, en om het geschikt te maken tot steun te dienen van den romp.
Bij het oplichten en vooruitbrengen van een achterbeen worden alle
gedeelten daarvan gebogen, waarna het geheele been vooruit
wordt gebracht.
Evenals bij het neerzetten van een voorbeen, treden bij het
neerzetten van een achterbeen de strekspieren in werking.
Er zijn derhalve in alle gangen voor een been twee hoofdperioden:
1°. die, waarin het is neergezet, dus tot steun dient van het
lichaam, of wel reeds weder werkzaam is om dit af te zetten;
2°. die, waarin het been is opgelicht, dus van den grond is
opgenomen en zweeft.
Deze beide perioden zijn niet altijd even lang; somtijds zal een
been langer zijn opgelicht dan het heeft ondersteund en omge-
keerd ; dit hangt voornamelijk af van de soort van gang, doch ook
van de wijze van gaan. Wij zullen later, bij den normalen stap,
zien dat de eerste periode iets, hoewel weinig, langer is dan de
tweede, terwijl bij den galop de eerste periode korter is dan de
andere.
In de eerste periode maakt het been een slingerbeweging om
het draaipunt, terwijl het zich dus het meest verplaatst aan het
ondereinde; in de tweede periode slingert het om den hoef die
steunt, en verplaatst het boveneinde zich het meest.
-ocr page 324-
2\'J8
Waar hier van slingerbeweging wordt gesproken, moet men dit
niet in letterlijken zin opvatten, daar het lidmaat niet als één
geheel werkzaam is, en de verschillende samenstellende deelen
van een been, niet alle evenwijdige wegen afleggen.
Zooeven zeiden wij, dat de romp de beweging inleidde; wij
zien dit duidelijk bij een man, die zich vooruit zal begeven. A1-
vorens hij het been oplicht, waarmede hij wil aanvangen (ver-
ondersteld dat dit het linker is), brengt hij het gewicht van het
lichaam op het rechterbeen over; de rompbeweging is derhalve
aan de beenzetting voorafgegaan. Op overeenkomstige wijze doet
het paard bij het in beweging stellen.
Bestaat er een zoodanige overeenstemming tusschen de romp-
beweging en de beenzetting, dat het verliezen en het herwinnen
van het evenwicht regelmatig plaats hebben en de gang geregeld
wordt onderhouden, dan is er evenwicht ia den gang. Dit heeft
niet plaats wanneer deze overeenstemming ontbreekt, bijv. als
de beenen den neerkomenden romp niet op het gewenschte oogen-
blik of op de juiste plaats ondersteunen; zulks kan een gevolg zijn
van een vertraging der beenzetting of van een te ver of niet ver
genoeg vooruit
neerzetten van het been. Ook een verandering van
houding, waardoor de ligging van het zwaartepunt ten opzichte
van het ondersteuningsvlak is gewijzigd, en de beweging van den
romp over de ondersteunende beenen bespoedigd of vertraagd
wordt, kan oorzaak zijn dat er geen evenwicht in den gang is.
Ieder tempo eischt een mate van verzameling, een zekere houding
van het paard, om in dat tempo in evenwicht te gaan. Wanneer
er evenwicht bestaat, dan zal de beenzetting zuiver zijn en de
beenen zullen elkander op de goede oogenblikken en op de ge-
wenschte plaatsen aflossen, waarvan een juiste verdeeling van spier-
arbeid het gevolg zal zijn.
Wanneer een achterbeen, nadat het vooruitgebracht en neer-
gezet is, met den hoef op den bodem steunt en de geheele
Isto periode doorloopt, dan zal, wanneer de beweging wordt voort-
gezet, het boveneinde en dus ook de romp, die er in het heup-
gewricht mede verbonden is, naar voren worden gebracht (romp-
beweging). Deze beweging wordt bewerkt door de strekkers van
het dijbeen en de buigers van het schenkelbeen of de kruis- en
zitbeen-schenkelbeenspieren, die dan ook de gezamenlijke vooruit-
brengers van den romp zijn; de overige strekkers van het been
en de buigers van de koot-, kroon- en hoef beenderen werken
hierbij mede.
-ocr page 325-
299
De achterbeenen verlichten hun arbeid óf beurtelings met ge-
lijke tusschenpoozen, zooals bij den stap en den draf, óf met on-
gelijke tusschenpoozen, doordien hun werking verschillend is, als
in den galop, óf ongeveer gelijktijdig, als bij den sprong. Zij
hebben zich het meest in te spannen op het oogenblik van het
achterwaarts strekken, daar zij dan het lichaam met kracht voor-
waarts moeten stuwen, een kracht die te grooter moet worden,
naarmate de gang sneller is en de zwevingsmomenten in dien
gang van langeren duur zijn.
De achterbeenen zijn de hoofdmotoren, de voornaamste werk-
tuigen om het lichaam voort te stuwen, de voorbeenen dienen
hoofdzakelijk om den romp te steunen; intusschen evenals de
achterbeenen het lichaam ook steunen, dragen de voorbeenen het
hunne bij tot de voortstuwing. Bij het steigeren zagen wij dat
zij het lichaam omhoog wierpen en ditzelfde doen zij ook eenigszins
in den galop, doch voornamelijk bij een hoogtesprong en bij zwaar
trekken; bij dit laatste toch ziet men de gebogen en op de toonen
staande voorbeenen zich met kracht strekken, om zoodoende mede
te werken tot het vooruitduwen van den last (PI. XXXVI fig. 1).
De stoot of schok, dien de beenen bij het neerkomen op den
grond ondergaan en die sterker is naarmate zij zwaarder zijn be-
last, wordt gebroken; met andere woorden, de stoot wordt bijzijn
voortplanting van den hoef naar de bovengelegen gedeelten van
het been en naar den romp langzamerhand zoodanig verzwakt,
dat het lichaam slechts een geringe schudding ondervindt.
Deze breking van den schok wordt bewerkt door:
a.    De elasticiteit van den hoef. In den hoef doet zich de stoot
natuurlijk het eerst en het sterkst gevoelen, maar wordt hij tevens
verzwakt door de veerkracht van sommige deelen, die later zullen
worden beschreven, wanneer de hoef wordt behandeld.
b.     De hoeken, die de samenstellende beenderen met elkander vormen.
Hierdoor plant de stoot zich niet rechtuit voort, doch neemt hij
bij eiken hoek af. Hij kan aldaar worden ontbonden in een kracht
die langs het been gaat en een die daar loodrecht op staat, en
waarvan alleen de eerste den schok voortplant, terwijl de andere
kracht aanleiding geeft tot uitrekking der banden, pezen en spieren,
die den gewrichtshoek steunen.
De inrichting van het onderste gedeelte der beenen, de onderlinge
stand namelijk en de verbinding van het pijpbeen, het kootbeen,
het kroonbeen en het hoef been, dit alles oefent grooten invloed
uit op het breken van den stoot.
-ocr page 326-
300
Reeds in het hoefgewricht wordt de schok gebroken en door
tusschenkomst van liet straalbeen gedeeltelijk overgebracht op de
buigpees en de veerkrachtige deelen waarop deze rust; ook heeft
een, hoewel zeer geringe breking plaats in het kroongewricht,
terwijl zij in veel sterker mate te voorschijn treedt in het koot-
gewricht. Onder de drukking van het lichaam buigt dit ge-
wiicht door {liet paard treedt door in de koot), te meer, naarmate
de stoot zich sterker doet gevoelen. Deze verliest daarbij echter
een zeer groot, en aan de mate van doorbuiging evenredig deel
zijner kracht, dat door tusschenkomst der sesambeentjes wordt
overgebracht op hun banden, inzonderheid op den veerkrachtigen
schortband en op de er achter gelegen buigpezen.
De doorbuiging in het kootgewricht en de breking van den
stoot zijn te sterker, naarmate het koot- en het kroonbeen langer
zijn en een schuiner stand hebben ; zij zijn te zwakker naarmate deze
beenderen korter zijn en steiler staan. De stoot van het been tegen
den grond zet zich alsdan in veel sterker mate tot in den romp
voort en wordt uit den rug van het paard overgebracht op den
ruiter, wanneer deze in het zadel neerkomt. Vandaar dat paarden
met steile, en gewoonlijk tevens korte kooten, een stootenden
gang hebben en daarentegen bij vele goede Engel?che halfbloed-
paarden, die meestal lange en schuine kooten hebben, de bewe-
gingen aangenaam en veerkrachtig zijn. Intusschen heeft ook de
rug hierop grooten invloed; het is duidelijk dat het neerkomen
op een veerend gespannen rug veel zachter en aangenamer zal
zijn dan op een krampachtig gespannen of op een doorgezakten rug.
Is de rug krampachtig gespannen, dan zal het paard stijf en
hard in zijn bewegingen zijn en daardoor eerder in de gewrichten
lijden, terwijl de ruiter een gevoel zal hebben alsof hij op een
houten dier rijdt. Worden daarentegen de spieren zoodanig los-
gelaten, dat de rug als het ware doorzakt, dan zal er noch veer-
kracht noch energie in de bewegingen zijn. Daarom streeft men
er bij de africhting ook steeds naar, dat de rug veerkrachtig ge-
spannen wordt; alleen daardoor kunnen de gangen elastisch blijven.
Weid vroeger dan ook gesproken van een „nageven van den rug"
als een vereischte voor het goed gaan van een paard, dan wordt
hiermede hetzelfde bedoeld, al is de uitdrukking wellicht minder
gelukkig gekozen.
Ook de hooger gelegen gewrichten dragen het hunne bij om
den schok te breken; intusschen is de bouw van het achterbeen
gunstiger dan die van het voorheen, hetgeen voornamelijk in het
-ocr page 327-
301
oog valt wanneer men het hierin bevoorrechte spronggewricht
vergelijkt met het handwortelgewricht.
De mindere hoekigheid der voorbeenen wordt echter ruimschoots
vergoed door:
c. De wijze van verbinding der voorste ledematen met den romp.
Deze verbinding geschiedt door vezelvliezen en gemeenschappelijke
spieren. Wij zagen reeds hoe deze spieren bedeeld zijn niet sterke
peesvliezen en hoe inzonderheid de beide groote getande spieren
zeer elastische peesvliezen bezitten, tusschen welke de romp is
opgehangen en waarin zich bijgevolg een groot deel van den schok
der voorbeenen verliest.
Waar de stoot door banden of andere meer of minder veer-
krachtige deelen wordt gebroken, roept het gedeelte zijner kracht,
dat de veerkracht dezer deelen in werking heeft gebracht, een
tegenschok te voorschijn , die de weerstoot wordt geheeten.
Dezelfde tegenwerking ziet men duidelijk bij het stilstaande en
steunende, maar min of meer gebogen been, dat plotseling en
krachtig wordt gestrekt. Dit geschiedt o. a. aan de voorbeenen bij
het steigeren, aan het laatst steunend voorheen (vóór het zwevings-
moment) bij den galop en aan de achterbeenen bij den sprong.
Door den veerkrachtigen weerstoot wordt de romp als het ware
onmiddellijk weder omhoog geworpen, waardoor de beenen gemak-
kelijker kunnen worden opgelicht en de bewegingen elastisch worden.
De gebruiks- en handelswaarde van een paard hangen voor-
namelijk af van de wijze waarop het gaat. De kracht en het
gemak waarmede het zich beweegt, bepalen grootendeels tot
welken dienst het geschikt is, terwijl de fraaiheid der bewegingen
grooten invloed uitoefent op de handelswaarde. Het is daarom
dan ook van het hoogste belang de gangen nauwlettend gade te
slaan, in verband met het gebruik waarvoor het paard is bestemd.
Een nauwkeurige kennis van de wijze van gaan en van de been-.
zetting in de verschillende gangen , zoowel in de normale als in
de gebrekkige, kan voor den ruiter een krachtig middel zijn om
zich het, voor het rijden zoo noodige gevoel eigen te maken.
Hierdoor zal hij, indien hij een goeden meegaanden zit heeft, op
de juiste oogenblikken de vereischte hulpen kunnen aanbrengen
en later bij de dressuur in staat zijn zich rekenschap te geven of
het paard al dan niet goed gaat.
De Franschen onderscheiden de gangen in „allures marchées"
en „allures sautées"; de Duitschers in „schreitenden" en „sprin-
genden Gangarten" en verdeelen deze beide weder in „schwung-
-ocr page 328-
302
hafte" en „schwunglose". Deze benamingen zijn vrij willekeurig
gekozen, zoodat dan ook de Franschen o. a. den draf tot de
„allures sautées" rekenen en de Duitschers dien onder de ,,schrei-
tende, schwunghafte Gangarten" rangschikken.
In verband met hetgeen zooeven over een elastisch gespannen
rug is gezegd, moeten alle gangen veerkrachtig zijn; daarom worden
zij door ons dan ook niet verdeeld in veerkrachtige en onveerkrachtige,
doch onderscheiden in springende en hopende, naarmate er al of
niet regelmatig terugkeerende oogenblikken in voorkomen, waarin
het lichaam zich geheel ongesteund door de lucht beweegt, ten
gevolge van de impulsie der beenen.
De verdeeling der gangen in natuurlijke en kunstmatige of ver-
kregene
is niet geheel juist, daar het paard de meeste der zoo-
genaamde verkregen gangen kan gaan en ook somtijds gaat, al
heeft het die nooit geleerd. Zoo zal bijv. een jong , ongereden
paard, dat in de weide loopt, uit opgewektheid een Spaanschen
draf (passage)
gaan, of al spelende met andere een pesade maken,
zooals deze in geen enkele rijschool zou kunnen worden verbeterd.
De z.g. kunstmatige gangen, beter gezegd schoolgangen en schoolsprongen
(ai/s de manége),
zullen afzonderlijk worden behandeld.
Men noemt de gangen:
Diagonaal, indien een diagonaal beenenpaar (bipede diagonal), bijv.
het linker voor* en het rechter achterbeen, gelijktijdig in dezelfde
richting wordt bewogen, zooals dit bij den draf de beide diagonale
beenenparen beurtelings doen. De diagonaal wordt genoemd naar
het voorste been; het rechter voor- en linker achterbeen vormen
dus de rechter diagonaal. De galop, en door sommigen ook de
stap, worden tot de diagonale gangen gerekend, hoewel zich bij
den tweeden gang geen diagonaal beenenpaar gelijktijdig verplaatst.
Lateraal, indien het zijdelingsch beenenpaar (bipède latéral)
zich gelijktijdig beweegt, zooals bij den telgang.
Lang of gestrekt {allures grandes ou allongées), indien de snelheid
groot is en de beenen zich zoover mogelijk verplaatsen.
Kort (cdlures petites ou raccourcies) in het tegenovergestelde geval.
Hoog (allures hautes ou enleve\'es), wanneer het zwaartepunt tel-
kens een meerdere verticale verplaatsing ondergaat dan gewoonlijk
en het lichaam dus meer van den bodem wordt verwijderd.
Laag (allures basses) wanneer het tegenovergestelde zich voordoet,
terwijl men hiermede ook aanduidt een beweging waarbij de hoeven
weinig worden opgelicht en over den bodem scheren (daisy-cutter).
Vei-heven of steppend, met hooge actie, ook wel kortweg, al is
-ocr page 329-
303
het niet eigenlijk, hoog, indien de voorbeenen sterk worden ge-
bogen; hierbij kunnen deze tevens ver vooruitgrijpen of dichter bij
het lijf worden neergezet, al naarmate de achterband krachtig werkt
tot het voortstuwen van den romp of niet.
Hard of stootend (allures dures), als zij den ruiter een sterke
reactie geven.
Zacht (allures doaces) in het omgekeerde geval.
Licht (allures legbres), wanneer de hoeven met weinig geraas
den bodem aanraken.
Zwaar (allures lourdes), indien het aanraken van den bodem
sterk waarneembaar is.
Fraai (allures belles), als zij het oog streelen door kracht, uit-
gebreidheid en sierlijkheid der bewegingen.
Gebrekkig (allures défectueuses), als zij het gevolg zijn van zwakte ,
bovenmatigen arbeid of slechte dressuur, bijv. de drieslag.
Regelmatig (allures régulières), wanneer de beweging dei\' beenen
en hun onderlinge samenwerking steeds plaats hebben op de wijze,
zooals de ondervinding en het wetenschappelijk onderzoek hebben
aangetoond, dat dit moet geschieden.
De basis van ondersteuning of basis, zooals wij het ondersteunings-
vlak zullen noemen, heet:
Diagonaal, wanneer een diagonaal paar beenen steunt en het
andere paar is opgelicht;
Lateraal, wanneer ditzelfde geschiedt door de laterale beenen.
Het paard kan, stilstaande, wel op een diagonale basis steunen,
doch niet op een laterale, daarom moet men bij onderzoek aan
een achterbeen, het voorheen aan dezelfde zijde doen oplichten
en het paard, door den hoef van dat been slechts bij den toon
vast te laten houden, beletten zich daarmede te steunen op de hand
van den helper. Op die wijze loopt men geen gevaar met het
achterbeen een klap te krijgen, daar het paard dan op een laterale
basis zou moeten steunen.
Bij den stap is de basis nu eens diagonaal, dan weder lateraal;
naarmate de gang langzamer is, zal dus de diagonale ondersteuning
langer moeten duren, terwijl daarentegen de laterale basissen lan-
ger kunnen dienen, wanneer de stap sneller wordt.
Een tripedale (drievoetige) basis rechts vóór en een tripedale
basis rechts achter
zijn ondersteuningen met drie beenen, waaraan
respectievelijk de beide achterbeenen en het rechter voorheen, en
de beide voorbeenen en het rechter achterbeen deelnemen, terwijl
het vierde been is opgelicht.
-ocr page 330-
304
Steunen de vier beenen, dan vormen zij een quadrupedale (vier•
voetige)
basis, en wordt de romp door één achterbeen of één voor-
been gesteund, als in den galop, dan heet dit een unipedale basis.
Hoefslag is de naam, die wordt gegeven aan den indruk van
den hoef op den bodem (empreinte) en ook aan het geluid, veroor-
zaakt door het op den grond komen van één hoef of van twee
hoeven tegelijk (battué). Hetzelfde woord wordt in de rijbaan ge-
bezigd om den weg aan te duiden langs de zijden, terwijl men
verder nog spreekt van den hoefslag van de groote volte en van
het gaan op twee hoefslagen, wanneer de voorhand en de achterhand
van het paard niet denzelfden weg gaan, maar de voorbeenen en
de achterbeenen afzonderlijke, doch evenwijdig loopende wegen
volgen, zooals bij de zijgangen het geval is. Naarmate men, wanneer
het paard zich op een bodem beweegt waarop de hoefslagen
voor het oor waarneembaar zijn, twee, drie of vier hoefslagen
hoort, heeft de gang in twee, drie of vier tempo\'s plaats. De Franschen
spreken van Ie temps, om de tijdruimte aan te duiden tusschen
twee hoorbare hoefslagen, en van une foidée, om den tijd aan te
geven dat een been met den grond in aanraking is ; zoo spreekt men
van „la première, deuxième foulée du galop". Door vele schrijvers
wordt echter foulée ook gebruikt in de beteekenis van hoefdindruk.
Nog zegt men: het paard
stapt over (se méjuge, se mécouwe), wanneer de hoefslagen der
achterbeenen bij het rechtuit gaande paard vóór die der voorbeenen
van dezelfde zijde komen;
stapt in (se juge, se couvrè), wanneer zij elkander bedekken, en
stapt achter (se déjuge, se découvrè), als de hoefslagen der achter-
beenen achter die der voorbeenen blijven.
Een been heeft een geheelen of volkomen pas afgelegd, wanneer
het, in den gang waarin het paard is, de beide hoofdperioden
van de beweging heeft doorgemaakt. Het paard heeft dus een
geheelen drafpas gedaan, wanneer een been weer in denzelfden stand
is teruggekomen, waaruit het dien pas begon.
Deze hoofdperiodes van zweven en steunen worden elk weder
verdeeld in drie gelijke onderdeden en wel op de volgende wijze:
f i,te moment: begin van het steunen.
1°. Hoofdperiode liet steunen. } 2de „
         midden „ „ „
(3d« „ einde „ „ „
|4de moment: begin van het zweven.
5de „ midden „ „ „
6<i« „
         einde „ „ „
-ocr page 331-
305
Raabe heeft deze verdeeling aangenomen, ten einde de onder-
linge plaatsing der beenen duidelijker te kunnen beoordeelen.
Lenodle du Teil heeft daarentegen de volgende indeeling
gemaakt.
Het oplichten................ } lste moment.
Het midden van het zweven.....
j 2de moment.
Het neerzetten................
} 3de moment.
Het begin van het steunen......
} 4de moment.
Het midden van het steunen... •
j 5de moment.
Het einde van het steunen.....
j 6de moment.
Het oplichten..................
Thans, nu photographische oogenbliksbeelden ons de opvolgende
bewegingsmomenten van een bepaalden gang duidelijk weergeven,
kan men daaruit de beenzetting gemakkelijker beoordeelen dan
door het naast elkander neerschrijven van de verschillende momenten,
waarin de vier beenen zich op zeker oogenblik bevinden. Evenwel
hebben deze indeelingen nog waarde, wanneer de platen ontbreken
en men het onderling verband der vier beenen eenigszins nauw-
keurig wil weergeven.
Intusschen heeft vooral de verdeeling van Raabe van haar
waarde verloren, daar proeven van Mabey hebben aangetoond,
dat de snelheid der beweging van den romp niet steeds dezelfde
is, doch zich, van het neerzetten van een been tot het afzetten,
vergroot, terwijl het been zich ook in het midden van het zweven
sneller beweegt dan op de oogenblikken onmiddellijk na het op-
lichten en vlak vóór het neerzetten. Daar de snelheden niet regel*
matig zijn, kunnen dus in gelijke tijdruimten geen gelijke afstanden
worden doorloopen, terwijl de indeeling in hoofdzaak juist op
deze gelijkheid berustte.
§ 129. De gangen in het bijzonder.
De stap.
Wil men de beweging en de beenzetting van het paard in de
verschillende gangen waarnemen, dan zal men, om tot een zuivere
beoordeeling te komen, dit op twee wijzen moeten doen, en wel
door eerst het paard gade te slaan als het in vryheid loopt en
20
-ocr page 332-
306
daarna wanneer het wordt gereden. De houding van een paard
toch oefent grooten invloed uit op de wijze van gaan; verplaatsing
van het zwaartepunt meer vóór- of achterwaarts , dus verandering in
houding, zal oorzaak zijn, dat de gang respectievelijk sneller of korter
wordt. De wijze waarop hoofd en hals worden gedragen, heeft, zooals
reeds werd gezegd, grooten invloed op de geheele houding van
het paard en op de ligging van het zwaartepunt, zoodat paarden,
die in verschillende houdingen worden gereden, niet op dezelfde
wijze zullen gaan en omgekeerd hetzelfde paard de houding zal
wijzigen naar den gang en het tempo, waarin het zich beweegt.
Door niet genoeg acht te slaan op het bovenstaande en door de
groote moeilijkheid om de beenzetting nauwkeurig waar te nemen,
zijn er zooveel verschillende theorieën over de leer der bewegingen
ontstaan, theorieën, waarvan vele thans ten deele onwaar blijken te
zijn, ja somtijds geheel verkeerd. Demoment-photographieheeft
ons in staat gesteld de verschillende oogenblikken, die bij de be-
weging voorkomen, naar waarheid op papier te brengen, en heeft
ons doen zien, dat de meeste voorstellingen, die men in de
schilder- en de beeldhouwkunst van in beweging zijnde paarden
heeft gegeven, volkomen onjuist zijn. Tevens heeft zij ons ge-
leerd, dat bij sommige gangen, op eenbepaald oogenblik, de onder-
linge stand van de beenen, dus de meerdere of mindere snelheid
waarmede de beweging van een been door die van een ander
wordt gevolgd, verschillend is naar het tempo waarin het paard
zich beweegt, terwijl dit tempo weder samenhangt met de houding.
Laat ons nu den stap wat nader beschouwen.
De stap is een langzame, loopende gang in vier tempo\'s, waarbij
het lichaam beurtelings door de diagonale en door de laterale
beenen wordt gesteund en daartusschen, in de overgangsperioden,
door drie.
Slaan wij eerst het in vrijheid stappende paard gade, dan zien
wij, dat de volgorde van het oplichten der beenen deze is:
1°. linker voorheen;
2°. rechter achterbeen;
3°. rechter voorheen;
4°. linker achterbeen.
Wanneer de voor- en ook de achterbeenen naast elkander
staan, dan begint het paard den stap meestal met een voorheen.
In de weide beweegt het zich langzaam vooruit, met hoofd en hals
omlaag; trekt een of andere zaak z\'yn opmerkzaamheid, dan richt
het dier zyn hoofd op en verandert somtyds den gang door óf plot-
-ocr page 333-
307
seling, óf na enkele drafpassen den galop aan te nemen. Laat ons
echter aannemen dat het paard regelmatig blijft voortgaan. De
achterbeenen zullen nu meestal overstappen. Het neerzetten der
beenen heeft plaats in dezelfde volgorde; de vier tempo\'s zijn
onderling gelijk en er verloopt evenveel tijd tusschen het neerzetten
van het l8te en het 2de been als tusschen dit en het 3de, enz.
Kortheidshalve heet dit: de hoefslagen zijn „isockroon", d. w. z.
de tijden tusschen de hoefslagen zijn gelijk.
Wordt het paard gereden, dan zal de stap hetzelfde blijven
wanneer de teugel geheel wordt losgelaten en dus de houding
niet is veranderd, doch geheel overeenkomt met die van het vrij-
gaande paard.
Neemt de ruiter den teugel aan en worden hoofd en hals van
het paard iets opgericht, dan zullen de achterbeenen minder ever-
stappen,
bij steeds vermeerderde oprichting instappen en eindelijk
achterstappen. Gaandeweg zijn nu ook de tijden tusschen de hoef-
slagen gewijzigd, de hoefslagen (battues) der diagonale beenen zijn
elkander genaderd, die der laterale hebben zich daarentegen onder-
ling verwijderd; deze wijziging kan men zoover voortzetten totdat
de diagonale hoefslagen slechts één hoefslag vormen en het paard
een verkorten draf, zonder zwevingsmoment, heeft aangenomen,
de verkorte loopende draf geheeten.
Stapt een paard ver over en moeten daarom de voorbeenen
spoediger vooruit, ten einde plaats te maken voor de achter-
beenen, dan zal de gelijkheid der tijden tusschen de hoefslagen
eveneens ophouden. De hoefslagen van de laterale beenen naderen
elkander en ten laatste hoort men slechts één hoefslag. Het paard
gaat dan telgang; beide beenen van dezelfde zijde worden tegelijk
opgelicht en evenzoo neergezet.
Alle soorten van den stap liggen dus tusschen den verkorten,
niet-zwevenden draf
en den telgang.
"Wilde men hiervan een juist denkbeeld ontvangen, dan zouden
daartoe tal van oogenbliksbeelden noodig zijn, genomen naar paar-
den in verschillende houdingen.
Den stap onder den ruiter, waarbij de indrukken der achter-
hoeven die der voorhoeven juist dekken, noemt men den normalen.
PI. XXXII geeft dezen niet geheel weer, daar lig. 8 doet zien
dat de rechter achterhoef voorbij den hoefslag van den rechter
voorhoef (zie fig. 2) wordt neergezet. Het paard op de afbeelding gaat
met een langen teugel en stapt over, waardoor de beweging meer
de natuurlyke van het vr\'y\'gaande paard nabykomt. De groote
-ocr page 334-
30K
bezwaren, verbonden aan het nemen van een reeks oogenbliksbeelden,
zijn niet alleen van technischen aard, doch spruiten eveneens voort
uit de moeielykheid om als object een goed gereden paard te ver-
krijgen , een paard dat geen enkele fout maakt, regelmatig voortgaat,
zonder eenig verschil in snelheid, en waarbij in stap en draf de
rechter en linker beenen juist even krachtig en op geheel over-
eenkomstige wijze functionneeren. Het gevolg hiervan is dan ook,
dat het aantal beelden waarin bijv. een rechter been steunt, niet
altijd volkomen gelijk is aan dat waarin een linker zulks doet;
zoo ook op onze plaat. Deze onnauwkeurigheden doen echter niets
af tot de beschouwingen over den stap; zij zijn dan ook uiterst
gering, daar toch de tijd van één stand op de plaat slechts Jjlk seconde
bedraagt.
De stap wordt in vier tempo\'s gegaan, die elkander met be-
paalde snelheden opvolgen. Bij de beenzetting in den normalen
stap zal, wanneer een voorheen op het punt is den grond te ver-
laten , het achterbeen aan dezelfde zijde ongeveer even ver verwijderd
zyn van het genoemde voorheen en van het ondersteunende achter-
been , dus op de helft van dien afstand tusschen die beide beenen
(Plaat XXXII fig. 4 en Og. 16).
Ook hierin zal men, bij verschillende paarden, niet volkomen
overeenkomstige standen vinden. Nu eens is het zwevend achter-
been iets achter de helft van den zooeven genoemden afstand,
evenals op de Plaat bij het niet juist normaal stappend paard,
dan weer, en dit geval doet zich meer voor, zal het opgelichte
achterbeen aan het einde van het zweven zijn en derhalve dicht
bij het laterale voorheen, wanneer dit wordt opgelicht. De bouw
van het paard, de wijze van gaan en het tempo van den stap
oefenen hierop grooten invloed uit.
Gaan wij nu op de Plaat de beweging van een achterbeen na,
om hieruit onze gevolgtrekkingen te maken.
Daar de opvolgende figuren een volkomen pas van den stap
voorstellen, zou men ze van 1—24 in een cirkel kunnen plaatsen.
Slaat men eerst lig. 23 gade, dan ziet men dat liet rechter achter-
been op het punt is van opgelicht te worden en in fig. 24 opgelicht
is. In de daaropvolgende figuren 24, 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7
blijft het opgelicht, terwijl het in de figuren 8, 9 en 10 te gelijk
met het andere achterbeen den grond raakt; in de figuren 11,
12, 13, 14, 15, 1G, 17 en 18 is het het eenige achterbeen dat
steunt, en in de figuren 19, 20, 21 en 22 zijn weder beide achter-
beenen met den grond in aanraking.
-ocr page 335-
309
De Pluat doet dus uitkomen , dat het rechter achterbeen bij
16 der figuren op den grond is en bij 8 er van is opgelicht, terwijl
bij 8 van de 10 liguren de romp door beide achterbeenen wordt
gedragen. De hoofdperiode van het steunen is hier dus langer
dan die van liet zweven, hoewel er natuurlijk oogenblikken zijn,
dat het been wel met den grond in aanraking is, doch niet
meer steunt, als bijv. in lig. 23.
De oogenblikken dat liet paard met beide achter* of voorbeenen
te gelijk den bodem raakt, worden gebruikt om het gewicht van
het eene been op liet andere over te brengen, alvorens het eerste
kan worden opgelicht; zij worden overgangsperioden geheeten. Deze
oogenblikken duren langer naarmate liet paard meer overstapt,
dus een grooteren pas maakt, daar er dan meer tijd noodig is
voor liet overbrengen van het gewicht. In den normalen en nog
meer in den verkorten stap, welke laatste weder dichter bij den
niet-zwevenden draf ligt, worden de passen korter; het gewicht
kan dus vlugger van het eene been op het andere worden over-
gebracht en de duur van de ondersteuning, door twee achter- of
voorbeenen te gelijk, zal worden verminderd.
In de figuren 24 en 1 was de basis diagonaal, in 2 en 3
tripedaal links achter, in 4, 5, 0 en 7 lateraal, in 8 en 9 tripedaal
links vóór, in 10, 11, 12 en 13 diagonaal, in 14 tripedaal rechts
achter, in 15, 10, 17, 18lateraal, in 19, 20 tripedaal rechts vóór,
in 22 en 23 diagonaal.
In de 24 figuren zijn dus ongeveer 8 ondersteuningen diagonaal,
8 lateraal en 8 tripedaal; worden de laatste korter, dus bij een
normalen stap, dan duren de diagonale langer. De duur van de
laterale basis is de helft van den gezamenlijken tijd der diagonale
en tripedale basissen; worden de tripedale dus zoo kort dat men
ze niet in rekening brengt, dan kan de duur van de zijdelingsche
ondersteuning de helft van\' dien der diagonale worden.
Het op de Plaat weergegeven paard gaat niet geheel regel-
matig, daar anders de duur der verschillende gelijknamige onder,
steuningen telkens even groot moest zijn. Vergelijkt men de
liguren 10 en 11 met 22 en 23, dan bespeurt men dat het rechter
achterbeen eenigszins sleept, daar het reeds tusschen de beide
laatste liguren had moeten worden opgelicht. Ook kunnen de
figuren 10 en 22 worden beschouwd als te zijn tripedaal onder-
steund in plaats van diagonaal; de tripedale basis zou daardoor
echter te lang van duur zijn en daarom werd de ondersteuning
als diagonaal aangemerkt. Deze en dergelijke fouten hadden
-ocr page 336-
310
natuorljjk in de teekening kunnen worden gewijzigd, doch daar-
door zou aan de waarheid der photograpliie te kort zijn gedaan,
terwijl het beter is juist zulke fouten, die ook in de werkelijkheid
voorkomen, op te merken.
Wanneer een been ongeveer in het midden van het steunen
is, wordt het been, dat den volgenden hoefslag moet maken,
neergezet; in fig. 7 en 8 is het linker voorheen op het midden van
het steunen en nu wordt het rechter achterbeen, dat moet volgen,
op den grond geplaatst; evenzoo is in fig. 13 en 14 het rechter
achterbeen op het midden van het steunen en wordt het rechter
voorheen neergezet.
Is een been ongeveer in het midden van het oplichten, dan
begint het been dat moet volgen, te zweven; in de figuren
15 en 16 is het linker achterbeen in die houding en wordt het
linker voorbeen opgelicht. Iintusschen wordt bij een normalen en
bij een verkorten stap het achterbeen sneller neergezet, het is dus
dicht bij het einde van het zweven, op het oogenblik dat het
laterale voorbeen wordt opgelicht.
Om den rhvtmus van den stap, op de Plaat voorgesteld, na te
gaan, beginnen wij met fig. 2; het linker voorbeen is daar juist
neergezet. Zes figuren later, in fig. 8, wordt het volgend been,
het rechter achterbeen neergezet, weder zes figuren later (fig. 44)
het rechter voorbeen, enz. De tusschenruimten zijn dus ongeveer
gelijk, wat overeenkomt met hetgeen in den aanvang is gezegd
omtrent den stap van het vrygaande paard dat overstapt; de
hoefslagen zijn isochroon.
Wordt intusschen de lengte van den stap verkort, zoodat het
paard niet meer overstapt, dan zullen de tusschenruimten niet
meer gelijk blijven. Begint de stap met het linker voorbeen, dan
komen achtereenvolgens de hoefslagen van het linker voor-, rechter
achter», rechter voor- en linker achterbeen; duidt men deze aan
door 1, 2, 3 en 4, den duur van een tusschenruimte door 0, dien
van de dubbele door 00, dan zal de rhytmus worden:
1_0—2—00—3—0—4—00—1, enz.,
zoodat de diagonale beenen elkander "telkens dubbel zoo snel op-
volgen als de laterale. Ten gevolge hiervan worden de diagonale
basissen langer van duur en de laterale korter, waardoor het
paard meer geschikt zal zijn om in draf aan te gaan dan in het
omgekeerde geval. Daarom kan het ook bij het in draf aangaan
noodig zijn den slap te verkorten; het aandraven zal op die wijze
gemakkelijker worden gemaakt dan wanneer de pas werd verlengd.
Later zal dit nog nader worden besproken.
-ocr page 337-
31i
De lengte van een volkomen pas in normalen stap schommelt
tusschen l.GO M. en 2 M. en is bij paarden van ongeveer 1.60 M.
hoogte meestal 1.70 of 4.80 M. Bij de verdere beschouwingen zullen
wij 1.80 M. als de lengte aannemen.
Wanneer de stap in PI. XXXII normaal was en de hoefslagen
der achterhoeven die der voorhoeven dekten, dan zou bijv. in
lig. 9 het rechter achterbeen midden tusschen het linker achter-
en het linker voorbeen op den grond komen, terwijl het linker
achterbeen daarna weder in den hoefslag van het linker voorbeen
stapt. De afstand der beide laterale beenen is dan even groot als
de volkomen paslengte of 1.80 M., terwijl de diagonale basis, die
in lig. 11 uit fig. 9 en 10 ontstaat, een lengte zal hebben gelijk
aan een halve paslengte of 0,90 Af.
Ken laterale basis ontstaat door het oplichten van een voorbeen,
terwijl een diagonale basis wordt gevormd door het oplichten van
een achterbeen. De tripedale ondersteuning ontstaat door het
neerzetten van een achterbeen of door het op den grond komen
van een voorbeen. Hieruit volgt dus, dat in een volkomen pas
viermaal een tripedale, tweemaal een laterale en tweemaal een
diagonale basis voorkomen. Een laterale ondersteuning wordt
voorafgegaan door een tripedale en gevolgd door een tripedale,
terwijl ditzelfde het geval is voor een diagonale basis. Wij zullen
in het vervolg de tripedale ondersteuning minder ter sprake
brengen, doch in den stap meestal alleen van diagonale en la-
terale basissen spreken.
De ruiter kan grooten invloed uitoefenen op de wijze van
stappen van het paard. Wanneer hij een steunend achterbeen
met karwats of beenhulp aanzet, dan zal het andere achterbeen
spoediger op den grond worden geplaatst en dus een kleineren pas
maken dan anders het geval ware geweest ; de lengte en ook
de tijd van de diagonale basis worden grooter. Op deze wijze zal
de overgang worden verkregen van den stap tot een verkorten
loopenden draf, waarbij dus altijd een diagonaal paar beenen
steunt.
Wordt een steunend voorbeen aangezet, dan wordt het
evenzoo sneller opgelicht, het andere eerder neergezet; de tijd
van de laterale ondersteuning zal dus worden verlengd, die der
diagonale verkort en het paard meer neiging krijgen tot telgang.
Thans zal nog met een enkel woord het in stap aangaan en
het halthouden worden besproken.
-ocr page 338-
312
Wanneer het paard uit de evenwichtshouding den normalen
stap met een paslengte van 1.80 II. zal beginnen, dan wordt
liet eerst een voorheen opgelicht. Verondersteld, dat dit het
rechter is, dan geschiedt de beweging als volgt:
lBte moment, oplichten rechter voorheen;
2de moment, oplichten linker achterbeen;
3de moment, rechter voorheen wordt neergezet op ongeveer
0,G0 M. vóór het linker, dat weldra moet worden opgenomen,
het linker achterbeen is reeds dicht bij de plaats, waar het zal
worden neergezet;
4dc moment, het rechter voorheen steunt, het linker voorheen
wordt opgelicht, het linker achterbeen zal bijna neergezet worden
en wel op 0.90 M. (halve paslengte) vóór het rechter achterbeen
dat nog steunt;
5de moment, het rechter voorheen is in het midden van het
steunen, het linker voorheen opgelicht en het linker achterbeen
neergezet, het rechter achterbeen wordt opgelicht;
6de moment, het linker voorheen wordt neergezet op 0.9Ü M.
vóór het rechter, het linker achterbeen is in het midden van het
steunen, het rechter in het midden van het oplichten.
Het paard is nu in den normalen stap gekomen met paslepgten
van 1.80 M.
Het 2dc moment of het oplichten van het diagonale achterbeen
geschiedt iets sneller dan wanneer het paard reeds eenigen tijd
in stap was geweest; dientengevolge zal het laterale voorheen wat
vroeger worden opgelicht om ruimte te maken voor het achterbeen.
Dit voorheen kan echter niet worden opgelicht vóór het andere
wordt neergezet, waardoor het linker voorheen een korter pas
maakt, ongeveer gelijk aan \'/3 van de geheele paslengte.
Wordt uit den stap haltgehouden, dan kan dit op verschillende
wijzen geschieden, naar het oogenblik waarop hiertoe de hulp wordt
gegeven.
Veronderstel, dat de hulpen worden aangebracht wanneer het
paard op een laterale basis steunt en het andere laterale paar beenen
zweeft, zooals in fig. 17, dan zal het linker achterbeen worden
neergezet op ongeveer 0.90 M. vóór het rechter achterbeen, en
liet linker voorheen ongeveer 0.30 M. vóór het rechter voorheen;
het rechter achterbeen wordt vooruitgezet en naast het andere
achterbeen geplaatst, terwijl het rechter voorheen naast het linker
wordt neergezet. De voor- en achterbeenen zijn daar op een onder -
lingen afstand van 1.20 M. of drie vierde van de hoogte, derhalve
op een afstand als bij het paard in de evenwichtshouding.
-ocr page 339-
313
Wordt de hulp gegeven op een oogenblik als in fig. 12, dan
wordt het rechter voorheen neergezet en daarna het linker achter-
been op ongeveer 0.90 M. van het eerste, het linker voorheen
komt naast het rechter voorheen, het rechter achterbeen wordt
op ongeveer 1.20 M. van het voorheen aan die zijde geplaatst en
er is stilstand; het linker achterheen is echter te ver onder den
romp en wordt nu ongeveer 0.30 M. teruggezet naast het andere
achterbeen.
Daar de beweging bij den overgang tot het halthouden lang-
zamer wordt, zal het paard trachten den duur van de diagonale
ondersteuning te verlengen en als het ware diagonaalsgewijze halt-
houden. Komt een paard uit zich zelf tot stilstand, dan zullen
gewoonlijk noch de voorbeenen noch de achterbeenen naast elkan-
der worden gezet; is het linker voorheen vóór het rechter , dan
zal het overeenkomende diagonale been, hier het rechter achterbeen,
meestal vóór het linker achterbeen staan. Dit toont dus mede aan,
dat het halthouden diagonaalsgewijze plaats heeft en dat het goede
oogenblik om de hulpen aan te brengen is, wanneer het paard
op een diagonale basis steunt.
In" den stap beweegt het zwaartepunt zich beurtelings naar
rechts en naar links voorwaarts, afhankelijk van het voorheen,
dat steunt; hoe breeder het paard is, hoe grooter deze schommelin-
gen zullen zijn.
Wanneer de romp zich over een steunend voorheen beweegt,
dan zal, op het oogenblik dat dit reeds iets voorbij den verticalen
stand is (fig. 9 en 10), de schoft het hoogst zijn; ditzelfde heeft
met het kruis plaats op het oogenblik dat de romp zich over een
iets minder dan loodrecht staand achterbeen (fig. 15 en 1G) beweegt.
Hieruit blijkt, dat nu eens de schoft dan weder het kruis opwaarts
gaat, zoodat de ruggegraat telkens van richting verandert. Deze
op- en neergaande bewegingen zijn voor den ruiter duidelijk
merkbaar aan zijn zit en hieraan kan hij het onderbrengen van
een achterbeen kennen. De wervelkolom zal zich naar rechts en
links buigen door het beurtelings dicht bij elkander komen van
de laterale beenen, terwijl zij meer of minder gewelfd zal zijn
naarmate de diagonale of de laterale beenen steunen.
De snelheid van den normalen stap is bij een paard van 1.60 M.
hoogte, gemiddeld 1.80 Af. in de seconde of één volkomen pas in
één seconde; het is echter uit den aard der zaak duidelijk dat èn
de lengte van den pas ön de snelheid van de beenzetting, niet
alleen bij de paarden onderling, mui ook bj eenzelf Ie paard zullen
-ocr page 340-
314
verschillen naar de houding waarin het gaat. In het algemeen
kan men aannemen dat de normale stap de langzaamste is, doch
de meest veerkrachtige, dus op den duur de beste.
Het tempo van den gewonen stap, het middeltempo, is in
Nederland voor de cavalerie en bereden artillerie 100 M. in de
minuut.
§ 130. De telgang.
De telgang (JCamble, der Pasz oder Zélt; the amble) wordt door von
Kbane onder de gebrekkige gangen gerekend; anderen, waaronder
de meeste Fransche hippologen, doen dit niet. Wij hebben het
voorbeeld der laatsten gevolgd, want al is de telgang geen ge-
wenschte gang voor een gebruikspaard, toch bestaan in Amerika
onder de harddravers telgangers (pacens), die een buitengewone
snelheid ontwikkelen; bovendien schijnt de telgang in vroeger
tijden aan meer paarden eigen te zijn geweest en is het voor het
grondig bespreken van den stap noodig, de beide grenzen waar-
tusschen alle soorten van dezen gang liggen, den telgang en den
verkorten, loopenden draf, eenigszins nauwkeurig gade te \'slaan.
De telgang is een natuurlijke of wel een aangeleerde gang,
waarbij de laterale beenen te gelijk worden opgelicht en te gelijk
worden neergezet. De ondersteuning heeft plaats door het niet
opgelichte laterale paar, de basis is derhalve smal en daardoor
het evenwicht weinig verzekerd; dientengevolge moet deze gang
vrij snel zijn. Hij wordt gegaan in twee tempo\'s. De snelheid
wordt door velen gesteld op 2.40 M. in de seconde, doch
deze is bij onderscheidene paarden natuurlijk zeer verschillend.
Dit is ook het geval met de lengte van den pas, die bij een
langzamen niet-zwevenden telgang gewoonlijk 1.80 M. bedraagt.
Wanneer de telgang langzaam is, zullen er oogenblikken zijn
dat het gewicht van het lichaam van het eene paar beenen op liet
andere wordt overgebracht; op deze momenten wordt het lichaam,
hoewel zeer kort, door de vier beenen gesteund.
Het zwaartepunt verplaatst zich telkens van rechts naar links
en omgekeerd, de gang heeft iets schommelends of waggelends,
de beenen worden weinig van den grond gelicht en daardoor is
de beweging voor den ruiter zeer zacht. In vroeger tijden, toen
het paard het eenige middel van vervoer was, waren telgangers
dan ook zeer gezocht. Daarentegen zullen de overgangen, die
voor het paard meestal het gemakkelijkst plaats hebben bij een
-ocr page 341-
315
diagonale ondersteuning, uit den telgang moeielijk zijn. Hierdoor
en ten gevolge van het weinig oplichten der beenen, zoodat zij
daarmede licht aanstooten, zijn telgangers noch voor het leger
noch voor de manege geschikt. Men kan het paard den telgang
leeren door de laterale beenen aan elkander te binden met een
touw, dat ongeveer een lengte heeft gelijk aan de bewegingsruimte.
Is de telgang snel en bereikt hij het tempo van den sterken
draf, dan bestaat er altijd een zwevingsmoment en vervallen dus
de oogenblikken van overgang van het eene paar laterale beenen
op het andere; de beide laterale ondersteuningen , die bij den niet-
zwevenden telgang, door een zeer korte quadrupedale worden
gescheiden , volgen elkander nu op, gescheiden door een zwevings-
moment van korter of langer duur. De Amerikaansehe pacer, Mascot,
heeft een record gemaakt van 2 min. 4 sec. over de Engelsche
mijl. Ook Directum heeft dit record, terwijl Manager voor de
halve Engelsche mijl slechts 1 min. \'/» sec- noodig heeft gehad.
Zoowel in den loopenden als in den zwevenden telgang heeft
een overstappen plaats; dit is bij den eersten gang gewoonlijk
0.60 M. voor een paard van 1.G0 M. hoogte.
§ 131. De gebroken telgang.
Men noemt gebroken telgang (amble rompu; Ilalbpass) den gang
die ontstaat, wanneer de beenzetting van den telgang zich zoodanig
wijzigt, dat de achterbeenen iets vroeger op den grond komen dan
de voorbeenen. De laterale beenen worden dus niet meer gelijk-
tijdig, doch kort na elkander opgelicht en neergezet. Hierbij zal
het paard niet zoo ver overstappen, terwijl de hoefslagen der gelijk-
namige beenen niet meer synchroon zijn. Tusschen de laterale
ondersteuningen komen nu telkens een tripedale, een diagonale
en nog een tripedale, waardoor de gang aan zekerheid wint.
Deze soort van beweging wordt door Lenoble du Teil en terecht
Ie pas rompxi ou traquenard genoemd; hierbij toch bestaat geen
zwevend moment, terwijl zij den overgang vormt van den stap
tot den telgang.
Wanneer, in den normalen stap, een achterbeen dat op-
gelicht is, wordt aangezet, dan zal het paard daarmede een
grooteren pas doen en dientengevolge overstappen; hoe verder
het overstapt, hoe eerder het voorheen aan dezelfde zijde moet
worden opgelicht, wil het niet met het achterbeen in aanraking
komen. Een laterale basis ontstaat door het oplichten van een
-ocr page 342-
316
voorheen; naarmate dit dus eerder wordt opgelicht, zal ook de
laterale ondersteuning vroeger ontstaan. Deze hasis wordt pasver-
hroken door het neerzetten van een achterheen, en dit op den
grond komen van het achterheen geschiedt ook later, daar het,
om verder voorwaarts te komen, langer in de lucht zweeft. De
zijwaartsche basissen zijn vroeger ontstaan en worden eerst later
opgeheven, waardoor de diagonale ondersteuningen korter worden.
Door een paard op deze wijze aan te drijven en het te gelijk met
een lossen teugel te rijden, zal het, hij eenigen aanleg, spoedig
een soort telgang gaan.
Bij den normalen stap volgt de hoefslag van een achterbeen
op dien van een diagonaal voorheen met een tusschenruimte, gelijk
aan de helft van die tusschen den hoefslag van een achterbeen
en dien van een gelijkzijdig voorheen.
Stappen de achterbeenen over, dan komt er een oogenblik dat
de vier hoefslagen synchroon zijn , zooals bij het zich in vrijheid be-
wegende paard; het gaat dan een z.g. verlengden stap {pas allowjc).
Wordt nog verder (ongeveer 0.30 M.) overgestapt, dan zal er
een oogenblik komen, dat de rhytmus der hoefslagen weder wordt
als bij den normalen stap, met dit verschil dat thans de tijd
tusschen den hoefslag van een achterbeen en van een lateraal
voorheen de helft bedraagt van dien tusschen het neerzetten van
een voorheen en dat van een diagonaal achterheen.
Op die wijze voortgaande komt men eindelijk , door vermeerderd
aanzetten van de opgelichte achterbeenen , tot een gang waarbij de
hoefslagen der laterale beenen samenvallen, den telgang.
De soorten van stap, gelegen tusschen den normalen stap en
den telgang, worden door de Fransche schrijvers in deze volgorde
geplaatst:
pas aüongé,
entrepas en
pas rompu.
Het tempo van den stap is geleidelijk sneller geworden van
den normalen stap tot den telgang. Na de behandeling van den
draf zal blijken, dat ditzelfde ook kan plaats hebben in de richting
van den niet-zwevenden draf; tevens zal dan het achteruitgaan
worden besproken.
Wanneer de telgang of de gebroken telgang een gevolg is van
zwakte of van verkeerde dressuur, met andere woorden wanneer liet
paard dien aanneemt zonder dat het gewenscht is, dan hehooren beide
-ocr page 343-
317
tot de gebrekkige gangen. Zoo komt o. a. de gebroken telgang
dikwijls voor bij jonge paarden, wier stap onoordeelkundig is
verhaast.
Ook bij de „pacers" neemt men, wanneer zij zeer snel gaan, een
gebroken telgang waar; hierdoor wijzigt zich dan de ondersteuning,
terwijl het zwevingsmoment nog korter is dan bij den gewonen gang
van den ,,pacer". Gewoonlijk wisselen nu de telgang en de gebroken
telgang elkander af. Na de laterale ondersteuning volgt een zeer
kort zwevingsmoment, dat somtijds onmiddellijk wordt voorafgegaan
door de kort durende unipedale\' ondersteuning van een voor-
been ; het achterbeen heeft zich dan reeds afgezet. Van tripedale
en diagonale basissen is thans geen sprake meer; de laterale
basissen zijn van elkander gescheiden door een zwevingsmoment,
dat somtijds nog wordt voorafgegaan door een unipedale onder-
steuning.
Later, bij de beschouwing van het harddraven, zal men zien
dat zich daarbij een soortgelijke wijziging van den gang, een verbreken
van den draf,
voordoet, evenals hier een verbreken van den telgang.
§ 132. De draf.
De draf (Ie trot; der Trab; the trot) is een gang in twee tempo\'s,
waarin de beide beenen van elk diagonaal paar gelijktijdig opgelicht
en weder neergezet worden. Elk paar geeft dan ook slechts één
hoefslag te hooren.
Het lichaam wordt beurtelings door een diagonaal paar beenen
gesteund, terwijl het andere is opgelicht; naarmate de draf ge-
sprongen of geloopen wordt, ligt hier, al dan niet, telkens een
zwevingsmoment tusschen.
Evenals bij den stap kan het paard ook bij den draf met de
achterhoeven achter, in of vóór de hoefslagen der voorhoeven
komen, derhalve achter-, in- of overstappen.
Dlijven de hoefslagen der achterbeenen achter die der voor-
beenen, dan behoeft de gang niet zwevend te zijn; de achterhoef
kan dan op den grond komen zonder dat nog de gelijkzijdige
voorhoef is opgelicht. Deze gang (petit trot, ook wel petit trot marehê
geheeten) is een draf zonder zwevingsmoment; wij zullen dien den
verkorten loopenden draf noemen; de ondersteuning is hierbij een
oogenblik quadrupedaal. Intusschen behoeft elke verkorte draf
niet op die wijze plaats te hebben. Het paard kan zich met
zooveel energie afzetten, dat er toch een zwevingsmoment ontstaat.
Op PI. XXXIII is de draf verkort, het paard stapt niet in, doch
-ocr page 344-
318
er is wel degelijk een zwevingsmoment. De Plaat geeft de voör-
stelling weder van één volkomen drafpas en hierin komt bij den
zwevenden draf tweemaal een zwevingsmoment voor, ééns na het
afzetten met het linker diagonaal paar beenen (fig. 7 en 8), en
ééns na het afzetten met het ander diagonaal paar (fig. 18 en 19).
Zooals reeds werd opgemerkt, is de draf op de Plaat niet
normaal, doch van nog meer belang is, dat de draf noch geheel
zuiver, noch bepaald regelmatig is; al zijn de fouten gering, toch
dient er de aandacht op te worden gevestigd. Zoo ziet men o. a.
in fig. 16, dat het rechter voorbeen reeds iets gebogen is, terwijl
de linker achterhoef nog geheel op den grond rust; het rechter
diagonaal paar beenen zet zich dus niet volkomen op hetzelfde
oogenblik af.
Verder is in fig. 9 de rechter achterhoef dichter bij den grond
dan het diagonale voorbeen, zoodat die ook eerder den bodem
zal raken.
Uit dit alles blijkt dat de draf niet geheel zuiver is.
Het zwevingsmoment na het afzetten met het linker diagonaal
paar beenen (fig. 8) duurt slechts half zoo lang als dat, ontstaan
door het afzetten met de rechter diagonale beenen (fig. 18 en 19).
Er is dus ook onregelmatigheid in den gang door het niet overeen-
komstig functionneeren van de beide paren diagonale beenen.
Het paard gaat met een te hooge houding van het hoofd voor
de geringe buiging in den nek; hierdoor zal de rug doorzakken
en zijn de achterbeenen te veel bezwaard, zoodat zij zich niet
krachtig genoeg kunnen afzetten.
In draf heeft de rompbeweging over een voorgezet voorbeen
en een ondergebracht achterbeen op hetzelfde oogenblik plaats,
waardoor de voorhand en de achterband even hoog ten opzichte
van elkander blijven. De ruggegraat kan dus wel in haar geheel iets
hooger of lager van den grond komen, doch zij verplaatst zich
evenwijdig aan zichzelf, behalve dat zij zijwaartsche buigingen
ondergaat, die het sterkst zijn naar de zijde waar en op het oogenblik
dat de laterale beenen het dichtst bij elkander komen (fig. 7 en 8
naar links en 17 en 18 naar rechts). Zij buigt zich dus beurtelings
iets links en rechts; de holle zijde is nu gekeerd naar dien kant,
waar de laterale beenen het dichtst bij elkander zijn.
De reacties van de schoft zijn gering en van weinig belang,
omdat schoft en kruis ten opzichte van elkander denzelfden stand
behouden en niet, zooals bij den stap of den galop, het kruis nu
eens hooger komt dan de schoft, en dan weer lager.
-ocr page 345-
51Ö
t)e gewone dra f, ook normale draf(trot ordinaire ounormal; Mittel-
trab)
genoemd, heeft altijd een zwevingsmoment. Om normaal te
zijn, moeten de hoefslagen van voor- en achterbeenen elkander
dekken. Wil het achterbeen op de plaats komen van het voor-
been aan dezelfde zijde, dan moet dit laatste weg zijn en dus op-
gelicht ; het achterbeen zelf is nog zwevend, en het neerzetten
geschiedt diagonaalsgewijze, derhalve zijn de vier beenen alle
te gelijk een oogenblik van den grond en er ontstaat een zwevings-
moment. Bij dezen draf is de neiging in den gang zoodanig,
dat, op het oogenblik dat een voorbeen het naaststaande been
voorbijgaat of kruist, dit laatste bijna, doch nog niet geheel lood-
recht staat.
Wanneer het zwevingsmoment bij den gewonen draf zoo kort
is, dat het bijna niet bestaat, en de achterhoef neerkomt als de
toon van den voorhoef nog op den grond is, dan zal het paard
in de ijzers klappen; uit de bewegingsleer kan worden afgeleid,
dat het paard, hetwelk dit doet, met den toon van het achterijzer
gewoonlijk tegen het toongedeelte van het voorijzer zal slaan en
slechts zelden tegen andere deelen van dit ijzer.
De lange, sterke of gestrekte draf (grand trot, trot allongastarkere
2\'rab)
is een zwevende draf, waarbij het paard zal overstappen.
Bij de verschillende hiervóór besproken soorten van draf heeft
het volgende plaats:
1°. De onderlinge afstand, waarop de diagonale beenen worden
neergezet, is gelijk aan de bewegingsruimte.
2°. De richtingslijnen der steunende beenen zijn evenwijdig.
Ieder tempo van draf heeft een verschillenden tijd van zweven;
deze kan hoogstens de helft zijn van den duur der ondersteuning
door een diagonaal paar beenen en is minstens iets meer dan 0.
Bij den zwevenden draf worden de basissen beurtelings gevormd
door het rechter en door het linker diagonaal paar beenen.
De lengte van één drafpas is bij den verkorten draf minder
dan de dubbele diagonale basis of minder dan de dubbele bewe-
gingsruimte; bij den gewonen draf is de volkomen pas gelijk aan
tweemaal de diagonale basis en bij den sterken draf is de pas
zelfs grooter dan die afstand.
Thans komen wij tot de draf bewegingen, waarbij de onder-
steunende beenen dichter bij elkander zijn dan de bewegingsruimte
en waarbij dus de richtingslijnen der steunende ledematen niet
meer evenwijdig loopen. Zij worden verkregen door het paard
meer en meer te verzamelen, zoodat de hoeven der achterbeenen
-ocr page 346-
320
verder naar voren, en dus dichter bij die der diagonale voorbeenen
liggen dan de afstand der draaipunten bedraagt.
De korte draf(trotraccourci-, Arbeitstrab) ontstaat, door het paard
in een kort tempo te verzamelen. De diagonale ondersteuning is
verkort, doch het neerzetten der diagonale beenen heeft, even-
als bij de andere soorten van draf, gelijktijdig plaats. Worden de
achterbeenen te veel bezwaard en ontbreekt hun de noodige bui-
ging, dan zullen zij worden neergezet alvorens de diagonale voor-
beenen dit doen; de zuiverheid van den draf is dan verloren
gegaan.
Men dient verschil te maken tusschen een verkeerd bezwaren
der achterbeenen en een rationeel belasten. Worden de achter-
beenen niet gebogen ondergebracht, maar wordt het gewicht
teruggebracht, door een overdreven oprichten van het hoofd, ge-
paard met een achteroverhellenden zit van den ruiter, dan zal de
rug inbuigen en worden de stijf gehouden achterbeenen belet goed
te functionneeren; zij worden als het ware gedwongen met de hoeven
op den grond te blijven. Daarentegen kunnen hals en hoofd, b\'y
goed gebogen ondergebrachte achterbeenen, zonder nadeel worden
opgericht en zal de rug, wanneer de houding van het hoofd naar eisch
is, elastisch gespannen zijn. Nu zullen de achterbeenen ook meer
gewicht dragen, doch zij zullen niet aan den bodem zijn genageld,
maar krachtig werkzaam kunnen zijn in de door den ruiter ver-
langde richting.
De Spaansche draf (Ie passage; Spanische Tritt, das Passagiren)
is de korte draf met een hooger en een langer durend oplichten
van het zwevend diagonaal paar beenen, terwijl het andere paar
ondersteunt. De gang is langzaam, verheven, veerkrachtig en
met korte passen; de opgelichte beenen worden niet verder dan
ongeveer 0.30 M. vóór de steunende geplaatst.
Uit de passage ontstaat de piaffe, draf op de plaats (Ie piaffer;
der Piaff, der 1\'rab au f der Stelle),
waarbij de lengte der passen 0 is.
De meeste Duitsche hippologen doen, in tegenstelling van de
Fransche, de passage uit de piaffe geboren worden. Men kan zich
dit verklaren, wanneer men weet dat de piaffe het gemakkelijkst
tusschen de pilaren wordt verkregen, terwijl het paard niet wordt
gereden. Zal de piafl\'e daarentegen zonder pilaren aan het paard
worden geleerd, dus onder den man, dan moet het tempo van
den korten draf meer en meer worden verkort en het paard
sterker worden verzameld, terwijl de achterbeenen worden gebogen,
zoodat de passen korter en meer verheven worden. Aldus ontstaat
-ocr page 347-
321
de passage, die door voortgaande verkorting van het tempo, in piall\'e
zal kunnen overgaan.
Hoe meer de achter- en voorbeenen op overeenkomstige wijze
werken, hoe minder de achterhand wordt onderdrukt ten koste van
het hooger treden der voorbeenen, en hoe langzamer, verhevener
en statiger de gang is, des te beter wordt de passage gereden.
Men neemt vrij algemeen aan, dat bij de passage eenzwevings*
moment, al is het ook zeer kort, bestaat; somtijds kan het
worden waargenomen bij een paard, dat in de weide een soort
verkorten monsterdraf, een z.g. Freudentrab, gaat.
Over het bestaan van een zwevend moment bij de piafle zijn
de gevoelens verdeeld; zoo het mocht voorkomen, is het in elk
geval voor het oog niet waarneembaar.
Met een enkel woord zal bij de schoolsprongen nog op deze
beide gangen worden teruggekomen.
De richting, waarin het zwaartepunt zich gedurende den draf
beweegt, hangt af van zijn ligging. Ligt het juist boven het
midden der diagonale basissen, dus in de verticaal uit het snijpunt
dier bassissen opgericht, dan zal het zich rechtuit bewegen; is het
echter, zooals gewoonlijk, min of meer voorwaarts gelegen, dan zal
het zich, om boven het ondersteuningsvlak te komen, van de eene
diagonaal naar de andere verplaatsen, derhalve telkens naar rechts en
naar links voorwaarts gaan. Het is duidelijk, dat de zijdelingsche
beweging sterker zal worden , naarmate het zwaartepunt meer naar
voren ligt en de voorbeenen tevens verder van elkander staan.
Het harddraven (Ie trot de couvse, trot de hippodronie; der
Renntrab; the flging trot)
is een draf, waarbij het paard zeer ver
overstapt, terwijl hierbij de langste zweefperioden voorkomen en
een zeer groote snelheid wordt ontwikkeld. Hoewel de diagonale
beenen bij dit draven ook gelijktijdig worden neergezet, heeft
dit niet geregeld plaats en zal het zuiver gelijk neerzetten somtijds
worden vervangen door een vervroegd neerkomen van een voorheen
en op een ander oogenblik door een eerder op den grond komen
van een achterbeen. De achterbeenen stuwen het lichaam met
groote kracht voorwaarts. Later zal nog op den „flying trot"
worden teruggekomen.
Om van de plaats in normalen gang aan te draven, zal het
paard zich met een paar diagonale beenen krachtig afzetten; de
eerste pas zal natuurlijk nog niet de gewone lengte kunnen hebben,
maar iets korter wezen. Gewoonlijk zal het paard, alvorens aan
te draven, enkele passen in stop hebben gedaan.
21
-ocr page 348-
322
Om uit den normalen slap aan te draven, moeten de achter-
beenen sneller worden neergezet en korter passen maken, de
hoorbare hoefslagen van de diagonale beenen zullen door deze
versnelling dichter bij elkander komen, en eindelijk samenvallen;
het paard is dan in draf.
Bij den overgang van den draf in den stap moet daarentegen
het zuiver diagonaal verband der beenen worden verbroken.
Hoewel het paard ook onmiddellijk uit den draf kan stilstaan,
gaat het gewoonlijk eenige passen in stap alvorens halt te houden.
Afgescheiden van de besproken soorten van draf, onderscheidt
men dezen gang nog naar de wijze van draven, voornamelijk naar
het oplichten der beenen. Zoo spreekt men o. a. van den steleenden
draf,
een gang, waarbij de voorbeenen, na met weinig kniebui*
ging opgelicht te zijn, worden gestrekt. Deze beweging schijnt
het oog van menigen waarnemer aangenaam aan te doen, niet-
tegenstaande het meestal een onveerkrachtige, houterige gang is,
die gewoonlijk gepaard gaat met weinig schoudervrijheid en een
weinig voortdrijvende werking van de achterhand. Is de beweging
van schouder- en ellebooggewricht echter ruim, en de voortstuwing
van de achterbeenen krachtig (beaucoup de chasse; gute Folge), dan
kan deze draf ook snel zijn; paarden, die een stekenden draf en
weinig schoudervrijheid hebben, stooten op oneffen terrein dik-
wijls aan.
De zivemdraf (der Schwimmt?-ab) ontstaat door een hoog en ge-
strekt vooruitbrengen van de voorbeenen. De achterhand wordt
hiertoe zwaar belast, waardoor haar voortstuwingsvermogen wordt
verminderd en zij slechts met moeite en sleepend de voorhand volgt.
Menigmaal wordt zulk een geheele foutieve gang in den circus
als „passage" voorgesteld, waarop hij in geen enkel opzicht gelijkt.
Ook deze gang kan somtijds vrij snel zijn, terwijl dan het gelijk
oplichten en neerzetten der diagonale beenen wordt verbroken.
Een paard met een steppenden draf (steppeur; high stepper) ken-
merkt zich door de hooge en krachtige buiging van de voorknie;
deze draf valt thans in den smaak en is voor tuigpaarden
zeer gezocht. Intusschen moet hij vooral naar de min of meer
krachtige werking van de achterhand worden beoordeeld. Is deze
goed ontwikkeld, stuwt zij het lichaam krachtig voort en is de
schouder van het paard lang, schuin en ruim beweegbaar, dan
zal de gang ook snel zijn. Men ziet deze wijze van gaan veel bij
de Norfolkdravers of Hackneys. Worden de voorbeenen hoog op-
gelicht, doch is het arbeidsvermogen van de achterhand gering en
-ocr page 349-
323
zijn de werking en bouw van den schouder het tegenovergestelde
van het gewenschte, dan is de gang onpractisch; veel kracht gaat
nutteloos verloren, het paard komt slechts matig vooruit en is
niet geschikt om flinke afstanden vlug af te leggen.
Men onderscheidt verder nog: den opgewekten draf\'(der Freuden-
tral),
dien men dikwijls door vrij-dravende paarden ziet gaan, en
den monsterdraf (der Mustertrab), die aan het paard wordt geleerd
door het kunstmatig op te wekken; door den laatsten is reeds
menig kooper gefopt geworden, wijl hij meende, dat dit de ge-
wone gang van het dier was. De zenuwachtige opgewektheid
van het paard kan bij deze beide wijzen van draven zoo groot
zijn, dat het, kreupel zijnde, voor een oogenblik de pijn vergeet en
volkomen rad draaft. Men kan zich zeer vergissen, wanneer men
den monsterdraf voor een bewijs van kracht of van goede kniebuiging
en schouderbeweging aanziet; zelfs aan krachtelooze paarden met
weinig schouder- of kniebeweging kan deze gang worden geleerd,
zoodat een juiste beoordeeling van het dier in dien draf onmogelijk is.
De gemiddelde snelheid van een goeden draver is 240 M. per
minuut, terwijl gerekend wordt dat de gemiddelde lengte van een
volkomen pas, bij een paard met een ondersteuningsvlak van 1.20 M.,
2.40 M. is, alzoo gelijk aan het dubbele van de basis.
Daar cijfers hier alleen een betrekkelijke waarde hebben, zoo
zullen wij 1.20 M. als de vaste basis voor een paard van 1.60 M.
hoogte aannemen, hoewel dit alleen in de evenwichtshouding het
geval zou zijn. Was de basis gelijk aan de bewegingsruimte, dan
zal zij dikwijls het */s van "1-60 M. of 1.28 M. zijn. Gemakshalve
zullen echter voortaan 1.60 M. voor de hoogte en 1.20 M. voor
de ondersteuning en de bewegingsruimte worden gebezigd, daar
een meerdere nauwkeurigheid hier onnoodig is.
In het algemeen kan een paard, dat voor een licht rijtuig is
gespannen, een sneller draftempo blijven gaan, dan een dat onder
den man wordt gereden. Voor dit laatste is, over een Hinken
afstand 240 a 250 M. in de minuut wel het maximum tempo,
terwijl vele Hackneys, ingespannen, 10 Engelsche mijlen in het uur
kunnen draven, of 268 M. in de minuut.
Het tempo van den gewonen draf (middeltempo) is in Neder-
land voor de cavalerie en bereden artillerie 225 M. in de minuut,
en van den sterken draf bij de artillerie 300 11.; bovendien is er
voor de cavalerie een marschtempo van 200 M.
De snelheid, door harddravers ontwikkeld, is zeer aanzienlijk ;
enkele opgaven daaromtrent mogen hier een plaats vinden.
-ocr page 350-
324
Terwijl vroeger, vooral in Nederland, veel op de korte banen
werd gedraafd, in Rusland daarentegen en vooral in Norfolk op
groote afstanden, staat tegenwoordig Amerika bekend als de
snelste dravers ter wereld (over de Engelsche mijl) te fokken. De
„records" hebben zich meer en meer verbeterd; omstreeks het jaar
1840 bedroeg de tijd, waarin de Engelsche mijl werd afgedraafd
2 minuten en 35\'/» seconden, in 1876 was deze reeds gedaald tot
2 min. 123/4 sec, door den hengst St. Julien; in 1885 draafde
Maud S de mijl in 2 min. 83/t sec., terwijl thans (1893) het laatste
record, dat van Nancy Hanks is: 2 minuten en 4 seconden, of on-
geveer 13 M. in de seconde. Dit is ontegenzeggelijk een buiten-
gewone vermeerdering van snelheid; in het begin toch onzer eeuw
legden de harddravers over de Engelsche mijl slechts 9 M. in de
seconde af. Vergelijkt men de drafsnelheid per seconde van Nancy
Hanks met de snelheden van renpaarden, die wij nader bij den
galop zullen bespreken, dan kan men nagaan welk een groote
vlugheid door zulke dravers wordt ontwikkeld.
De hier volgende opgave geeft een overzicht van de snelheden
van enkele paarden, waaronder ook de snelste records, gemaakt
tot in 1893.
Dravers:
Nancy Hanks in
29>/4
sec.
i
Eng.
mijl of 402 M
Sunol »
1
min.
2\'/»
V.
«
» » 804 »
Nancy Hanks »
2
»
4
1
»
» » 1609 v
Directum »
2
»
5\'/,
1
i>
» » 1609 »
Greenlander »
4
»
32
2
»
mijlen.
Nightingale »
G
»
55\'/,
3
v
»
Telgangers:
Johnson in
29\'/%
sec.
Eng.
mijl.
Manager »
1
min.
V*
y>
V.
»
»
Mascot »
2
»
4
»
ï
»
i)
Directum »
2
»
4
»
ï
»
«
Hieruit ziet men, dat de telganger nog sneller gaat dan de
draver, en dat Directum beter record heeft gemaakt alspacer dan
in den flying trot. Hierom zou het dan ook verkeerd zijn dezen
telgang onder de gebrekkige gangen te rangschikken.
Terwijl in § 131 de telgang als een grens van den stap werd
aangemerkt en aldaar de verschillende soorten van stap, die tusschen
dezen gang en den normalen stap zijn gelegen, werden beschreven,
moet thans nog worden nagegaan wat er zal geschieden, wanneer
-ocr page 351-
325
de achterbeenen kleinere passen maken dan normaal. Stappen
de achterbeenen achter, dan zullen, tegenovergesteld aan het be-
handelde in § 131, de diagonale ondersteuningen langer duren ten
koste van de laterale, terwijl de hoefslagen van een voorheen en van
een diagonaal achterbeen elkander sneller opvolgen, totdat deze
eindelijk isochroon worden, en aldus de verkorte hopende draf
ontstaat; hierdoor komen de hoefindrukken der achterbeenen circa
0.30 M. achter die der voorbeenen. Tusschen den normalen stap en
dezen draf bestaat nog als overgang de versnelde stap (pas relevé),
waarin het achterbeen gewoonlijk slechts 0.15 M. achterstapt.
Wanneer de ruiter een achterbeen aanzet op het oogenblik
dat het steunt, dan zal het paard het eerder oplichten en dus
het andere achterbeen vroeger moeten neerzetten; het dier maakt
daardoor met de achterbeenen korter passen, de diagonale onder-
steuning wordt langer en dit voortzettende, gaat het paard over
tot den versnelden stap en van dien in den zooeven beschreven draf.
Ook hierbij wordt het tempo steeds sneller; van alle soorten van
stap is derhalve de normale de langzaamste, tenzij de ruiter bij
de andere soorten het tempo kunstmatig verkort, door inwerking
op het paard met de teugels of den zit.
Lenoble du Teil geeft voor de hier volgende gangen de
daarbij geplaatste snelheden aan:
Telgang...........2.40 M. in de seconde.
Gebroken telgang.....2.25 » » » »
Entrepas...........2.10 » » » »
Verlengde stap.......1.95 » » » »
Gewone » .......1.80 » » » »
Versnelde t> .......1.95 » » » »
Verkorte loopende draf. . 2.10 » » » »
Noch deze snelheden noch de afstanden der hoefslagen in die
gangen moeten natuurlijk als vaststaande worden beschouwd; zij
dienen alleen ter onderlinge vergelijking van de tempo\'s en van
de gangen zelve.
De verschillende wijzigingen in den stap zijn wel is waar
meestal het gevolg van inwerkingen van den ruiter, doch het eene
paard heeft neiging om door aanzetten tot den telgang over te
gaan, het andere daarentegen om den niet-zwevenden draf aan te
nemen.
Bij de dressuur zal men dikwijls gebruik maken van een stap
met de beenzetting van den versnelden, doch in een langzamer
tempo. De afwijkingen van den stap, in de richting van den telgang,
-ocr page 352-
320
zijn niet bruikbaar voor de afriehting, daar liet zwaartepunt van
het paard zich telkens te veel zijdelings moet verplaatsen en de
ruiter dus niet vrij is om over de ligging er van te beschikken.
Hoe meer hij van deze beschikking verzekerd is, hoe beter hij
zich door het paard kan doen gehoorzamen.
§ 133. Het achteruitgaan.
Hoewel achteruitgaan niet wel een gang kan worden genoemd,
daar het geen natuurlijke beweging is, ten minste geen beweging,
die het paard licht uit zich zelf zal verrichten, dient daarvan toch
op deze plaats te worden gesproken.
liet teruggaan (Ie reuuier, la mobilité retrograde; das Zurücktreten;
backing)
heeft op verschillende wijzen plaats en wel naarmate het
paard is:
1°. onder den ruiter, of
2°. aangespannen.
Waarneming en photographie hebben aangetoond, dat het
paard ook onder den ruiter het achteruitgaan wijzigt. Veelal
wordt aangenomen, dat dit geheel afhangt van de houding van
het paard. Heeft het een lage hoofdstelling en is het ondersteunings-
vlak kort, als op PI. XXX f>g. 4, dan zal eerst een achterbeen
worden opgelicht, kort daarop gevolgd door het diagonale voor-
been, dan volgt na langer tusschenruimte het andere achterbeen
en dadelijk daarna het diagonale voorheen.
Kortheidshalve kan men zeggen: het paard gaat diagonaals-
gew\'yze terug, doch in vier hoefslagen met ongelijke tusschenruimten,
waarbij de hoefslagen der diagonale beenen elkander zeer snel
opvolgen, terwijl de achterbeenen iets eerder worden opgelicht en
neergezet dan de diagonale voorbeenen.
Is de hoofdstelling van het paard hoog en de basis eenigszins
lang, dan heeft het teruggaan eveneens diagonaalsgewijze plaats,
doch nu worden de voorhoeven iets eerder opgelicht en neergezet
dan de achterhoeven.
Bij een middelmatige hoofdstelling, met den neus ongeveer ter
hoogte van de heup of iets lager, gaat het paard zuiver diagonaals-
gew\'yze terug.
Intusschen zijn deze verschillen dikwijls niet waar te nemen
en zal hetzelfde paard, schijnbaar in dezelfde houding gebleven,
wanneer het eenige passen achter elkander teruggaat, van alle
drie wijzen van achterwaartsgaan gebruik maken. Men zal in
-ocr page 353-
327
de practijk trachten een diagonaalsgewijze, langzame achterwaart-
sche beweging te verkrijgen of een waarbij het achterbeen iets
eerder wordt opgelicht en neergezet dan het diagonale voorheen.
Heeft het paard een gestrekte houding, waarbij dus de basis
zeer lang is en het hoofd hoog wordt gehouden, dan kan het niet
achteruitgaan, alvorens deze houding wordt gewijzigd en het
ondersteuningsvlak verkort; de achterbeenen moeten hiertoe wor-
den aangezet om verder onder het lichaam te komen.
Wanneer het paard gestrekt staat, dan zullen de achterbeenen,
door een terugwerkende teugelhulp, nog meer worden belast,
zich nog meer terugzetten en onmogelijk kunnen worden opgelicht,
zoodat van achteruitgaan geen sprake kan zijn. Alvorens achter-
waarts kan worden gegaan, moet dan ook het hoofd van het
paard bijgebracht en de basis, door het onderbrengen der achter*
beenen, verkort worden.
Goede schoolruiters kunnen sommige paarden achterwaarts doen
draven en ze zelfs aldus laten galoppeeren.
Het vrijstaande paard zal zelden of niet uit zichzelf achter-
waarts gaan; toch doet het zich een enkele maal voor, o. a. bij
kwaadaardige paarden, die naar andere willen slaan, welke niet
volkomen onder het bereik hunner hoeven zijn. De beweging ge-
schiedt dan op overeenkomstige wijze als bij het gereden paard,
doch meestal zeer snel.
Wanneer het paard voor een zeer lichten last is gespannen,
die gemakkelijk achteruit kan worden gezet, dan zal het teruggaan
bijna op dezelfde wijze geschieden als zooeven is beschreven. Is
de last zwaar of moeiel\'y\'k verplaatsbaar, dan zal het een uiterst
inspannende taak voor het dier zijn. Het paard neemt nu een
houding aan als in PI. XXXVI fig. 2, het trekt aan den dissel-
riem, leunt tegen de broek en schuift zichzelf en den last langzaam
terug, waarbij de beenen het lichaam achteruitduwen. Zeer licht
zullen de achterhoeven hierbij voorwaarts uitglijden, waardoor
beleedigingen kunnen ontstaan van de lenden en de sprongge-
wrichten.
15\'y het langzaam terugbrengen van een zwaren last zal het
lichaam een wiegelende beweging vertoonen, een gevolg van de
betrekkelijk losse ligging van den romp tusschen de achteruit-
drukkende voorbeenen; tevens zal de beweging, door de zwaarte
van den last, meestal niet zeer regelmatig plaats hebben.
Kan een vrijstaand paard niet achterwaarts worden gezet, maar
brengt het op de terugwerkende teugelhulpen het hoofd öf hoog in
-ocr page 354-
328
de lucht óf tegen de borst en strekt het de voorbeenen voorwaarts,
terwijl het de achterbeenen ver onder het lijf heeft, dan is dit meestal
een teeken van een aandoening der ruggegraat of van een
liersenlijden, vooral wanneer bij een vermeerderden drang tot
teruggaan, zonder eenig geweld of rukken uitgevoerd, het paard
neiging toont om Of zijwaarts üf achterover te vallen.
§ 134. De galop.
De galop (Ie galop; der Galopp; the canter or gallop) is een
springende gang in drie of vier tempo\'s.
De galop wordt rechts of linies (adroite, agauche; rechts, links;
right, le/t)
genoemd, naar mate de beide rechter of de beide
linker beenen bij het neerzetten vóór hun nevenbeenen worden
geplaatst of wel naar het voorheen dat het lichaam onmiddellijk
vóór het zwevend moment alléén steunt.
Worden daarentegen beide beenen van een diagonaal paar vóór
hun nevenbeenen geplaatst, dan is de galop overkruis (de\'suni;
Kreuzgalopp);
komen bijv. bij het neerzetten, het rechter voorheen
en het linker achterbeen vóór hun respectieve nevenbeenen, dan
is de galop vóór rechts en achter links, derhalve overkruis.
De galop is goed, wanneer het paard bij rechtsche wendingen
rechts galoppeert en bij linksche wendingen links; terwijl hij
verleerd (a faux) wordt geheeten, wanneer het tegenovergestelde
het geval is. Rechtuit rijdende, is er dus van een goeden of
van een verkeerden galop geen sprake.
Het neerzetten en oplichten van de beenen heeft in den drie-
tempo-galop in deze volgorde plaats:
1°. een achterbeen en wel het tegenovergestelde van dat waar-
naar de galop wordt genoemd;
2°. het andere achterbeen en het diagonale voorheen te gelijk, en
3°. het voorheen waarnaar de galop is geheeten.
Hierop volgt het zwevend moment en daarna komen weder de
drie genoemde tempo\'s.
Op PI. XXXIV ziet men den rechter drie-tempo-galop; de been-
zetting heeft plaats als volgt:
1°. linker achterbeen;
2°. het linker diagonaal paar beenen;
3°. rechter voorheen en daarna het zwevend moment.
In de figuren 1,2, 3 en 4 is de ondersteuning unipedaal
links achter, in 5 en 6 tripedaal links vóór, in 7 diagonaal, in
-ocr page 355-
329
8, 9 en 10 tripedaal rechts achter, in 11 en 12 lateraal, in
13, 14 en 15 unipedaal rechts vóór, terwijl het paard in 16, 17,
18, 19 en 20 zweeft. Een zuivere drie tempo-galop is de galop op
PI. XXXIV niet, daar in de figuren 11 en 12 de beenen van het
linker diagonale paar niet te gelijk afzetten, zooals moest ge-
schieden; ware dit wel het geval geweest, dan zou ook in de
figuren 11 en 12 de basis niet lateraal hebben kunnen zijn. Wordt
de drie-tempo-galop naar behooren gegaan, dan kan er geen enkel
oogenblik een laterale basis bestaan.
Even vóór het neerzetten van het rechter voorheen wordt het
linker achterbeen weder opgelicht en daarna komt het linker
diagonaal paar beenen (fig. 13) van den grond, zoodat het paard
vóór het zwevend moment uitsluitend op het rechter voorheen
rust. Dat het paard zich vervolgens met dat been afzet, blijkt
wel uit de figuren 12, 13, 14, 15 en 16, waar de schoft achter-
eenvolgens hooger boven den grond is gekomen; in fig. 12 staat
het paard sterk doortredende in de koot en richt die in de fig.
13, 14 en 15 allengs meer op, om zich zoo af te zetten, waarbij
het been krachtig wordt gestrekt.
Het zwevend moment van den galop heeft een duur, af-
wisselend tusschen 0 bij den niet zwevenden galop, die later zal
worden besproken, en \'/3 van den tijd der ondersteuning bij den
sterken en den rengalop. De tijd van zweven bij een springenden
galop is zelden korter dan lls van den duur der ondersteuning.
Steeds zijn, bij alle soorten van galop, de vier beenen in het
zwevend moment dicht bij elkander en wel te dichter en te meer
gebogen, naarmate het tempo sterker is; hoe meer dit het geval
is, des te sterker zal de rug absoluut worden gewelfd.
Men ziet dat het paardelichaam zich, in den rechtschen drie-
tempo-galop , na het neerkomen, volgende op het zwevend moment,
van links achter naar rechts vóór beweegt, als het ware om het
linker diagonaal paar beenen basculeert; dit heeft gedurende het
zwevend moment in tegenovergestelde richting plaats. Het zwaar-
tepunt beweegt zich dan ook in dezen galop van links achter naar
rechts voor, waaruit de ruiter dus vanzelf kan afleiden in welken
galop hij is, wanneer hij die beweging in het zadel voelt. De
kennis der reacties van de schoft en van het kruis zijn dus voor
hem van belang.
Zagen wij dat de rug gedurende het zwevend moment absoluut
was gewelfd, na het neerkomen is hij dit minder; de grootste
welving is in fig. 16, 17, 18 en 19, de minste in fig. 6, 7 en 8,
-ocr page 356-
330
terwijl ook in die figuren de schoft respectievelijk het hoogst en het
laagst is. Door het basculeeren zijn de schoft en het kruis, ten
opzichte van elkander, beurtelings hooger en lager.
De opvolgende hoefslagen van den drie-tempo-galop zijn bijna
isochroon; ook dit kunnen wij weder uit de Plaat zien. In fig. 1
wordt het linker achterbeen neergezet, vier figuren later volgt het
linker diagonaal paar beenen*, drie figuren daarna het rechter
voorheen en hierop volgt, gedurend 12 figuren, een lange stilte.
Het tijdperk van zweven is voorgesteld in 5 figuren van de 20,
en is dus hier gelijk aan \'/i van den tijd der ondersteuning.
De drie-tempo-galop of vrije galop (galop franc) wordt onder-
scheiden in drie soorten: de verkorte (petit galop; abgekürzter Galopp);
de gewone of normale (galop nor mal; Mittelgalopp; canter)
en de lange
of gestrekte galop (grand galop; langer Galopp).
In den verkorten galop blijft de hoefslag (hoefindruk) van het
1»*»tempo achter dien van liet laatste tempo, dus zal bij den ver-
korten rechtschen galop de hoefslag van het linker achterbeen achter
dien van het rechter voorbeen blijven (Ie cheval au galop se de\'piste).
In den normalen galop komen die beide hoefslagen naast
elkaar (Ie cheval se piste).
Gaat het paard een sterken galop, dan komt de hoefslag van
het achterbeen voorbij dien van het diagonale voorbeen, waarnaar
de galop is genoemd (Ie cheval se mépiste).
De lengte van een volkomen galoppas bij den normalen galop
is gelijk aan den afstand tusschen den l8ten en den 3ae" hoefslag,
bij den verkorten galop verminderd met den afstand dien het paard
te kort heeft gestapt, en bij den langen galop vermeerderd met
den afstand, diende achterhoef voorbij den diagonalen voorhoef is
gekomen.
Wij hebben gezien dat het paard eenigen tijd alleen op het
linker achterbeen steunt en dat dit been het lichaam na het zwevend
moment opvangt. Wanneer een achterbeen dus met een of ander
gebrek is behept en het paard wil dat been sparen, dan zal het
altijd trachten den galop aan de zijde van dat achterbeen aan te
nemen, dus den rechtschen galop wanneer het rechter achterbeen
lijdende is, waardoor dit steeds te gelijk met een voorbeen werk-
zaam zal wezen. Omgekeerd zal een paard met een gebrek aan
het linker achterbeen derhalve het liefst links galoppeeren.
De sterkte van het middeltempo is in Nederland voor de bereden
artillerie: 350 M., en in den sterken galop 400 M. per minuut,
voor de cavalerie 400 M.
-ocr page 357-
331
De galopsprong op de Plaat is circa 3 M., terwijl de afstand
tussclien den eersten en den derden hoefslag bijna 2.70 M. is;
het paard stapt ongeveer 0,3 M. met het linker achterbeen voorbij
het rechter voorheen en is dus in een iets meer dan normalen galop.
Was het reeds moeiel\'yk een gemiddelde lengte voor een vol-
komen pas in stap of in draf vast te stellen, en werd er op ge-
wezen dat men niet absoluut aan de opgegeven getallen moet
hechten, doch deze alleen dient te beschouwen als geschikt om een
vergelijking te kunnen maken tusschen de snelheden van hetzelfde
paard in stap, draf, telgang, enz., dit is voor den galop nog
meer het geval. Men zal dat beter beseffen door een paar uiterste
gevallen te vergelijken, die hier zullen worden aangehaald. Een
stalmeester van koning Lodewijk XIV reed schoolgalop over een
afstand van 450 pas en had daarvoor 45 minuten noodig. Hij
legde dus per minuut 2,5 M. af, terwijl er thans renpaarden zijn,
die in den tijd van één minuut ongeveer 1000 M. zullen af-
galoppeeren. Waar dus zulke verbazende verschillen bestaan, kan
men begrijpen, dat het onmogelijk is een gemiddelde snelheid
vast te stellen.
Volgens een opgave van Gouiuux en BARBIER werd door
het Amerikaansche volbloedpaard Sally Gardner 1142 M. in de
minuut afgelegd of 19 M. per seconde.
Natuurlijk hangt de snelheid zeer veel af van de lengte van
den af te leggen weg en is zij daarmede wel niet omgekeerd even-
redig, maar neemt toch op grootere afstanden aanmerkelijk af.
Thans (1893) zijn de snelste records op de vlakke baan,
zoover ons bekend is, de volgende:
voor G furlongs (6/, Eng. mijl) of 1206 M. 1 min. Il1/, sec.
„ 1 Eng. mijl
                                           1 „ 35\'/, „
>> * >> »                                                                                          ** i» •* /i )>
Wanneer men deze tijden vergelijkt met vroegere, dan zou men
meenen dat ook hier in snelheid is gewonnen, daar bijv. inl85G
het snelste record over de Eng. mijl 1 min. 45 seconden was
(door Prioress) en in 1877 de Eng. mijl in 1 min. 39J/4 sec.
(door Ten Broek) werd afgelegd.
Het verhaal dat men wel eens hoort omtrent Eclipse, als zou
deze de Eng. mijl in één minuut hebben afgelegd, zal wel tot het
rijk der sprookjes behooren, zooals veel wat dien beroemden
hengst betreft.
De verschillen in het te dragen gewicht, in den toestand van
de baan, in de weersgesteldheid, de niet officieel gemeten records van
-ocr page 358-
332
vele renpaarden, enz. maken het intusschen hoogst moeielijk
om met zekerheid te bepalen of de snelheid op de vlakke baan
grooter is dan zij vroeger ooit is geweest en of de hier opgegeven
records de snelste zijn.
§ 135. De rengalop.
Door een uitstrekken van den langen drie-tempo-galop geraakt
het paard in den rengalop (galop de course). Hierbij worden wel
is waar de beenen in dezelfde volgorde opgelicht en neergezet,
doch de gelijkheid van den hoefslag van het diagonaal beenenpaar
vervalt. Deze galop heeft plaats in vier tempo\'s, en wel voor
den rechtschen in deze volgorde:
1°. linker achterbeen;
2°. rechter achterbeen;
3°. linker voorheen;
4°. rechter voorheen;
hierop volgt het zwevingsmoment.
Het vroeger denkbeeld dat de rengalop in twee tempo\'s werd
gegaan, is geheel onjuist gebleken.
De proeven van Marey met luchtdruk-registreertoestellen, de
photographie, en de beredeneering en verklaring der oogenbliks-
beelden door Lenoble du Teil, hebben ons thans tot een beter
en juister begrip van de beenzetting in den galop doen komen.
De eerste proeven van Mauey komen, wat den drie-tempo-galop
betreft, met de photographie overeen, doch niet wat aangaat den
ren, terwijl zijn latere onderzoekingen zich schijnen te hebben
bepaald tot de eerste soort van galop.
Zoowel de vroegere beschouwingen over deze gangen als de
nabootsingen er van door schilder» of beeldhouwkunst zijn geheel
conventioneel en bezijden de waarheid, en thans schijnt het ons
aan de hand der photographie vreemd, dat er zoolang twijfel en
onzekerheid hebben bestaan over vele zaken den galop betredende.
Terwijl het paard gewoonlijk werd voorgesteld als zwevend boven
den grond, met de voorbeenen voorwaarts, de achterbeenen
achterwaarts gestrekt, blijkt thans dat in het zwevend moment
de vier beenen, meer of minder sterk gebogen naarmate van het
tempo, juist in tegenovergestelde richting bij elkander onder het
lichaam van het paard komen. Ook van een verheffen van de
voorhand en een daarop volgend afzetten met de achterbeenen,
zooals dit bij den sprong plaats heeft, is geen sprake.
-ocr page 359-
333
De vroegere bepaling, dat de galop rechts of links werd gé-
heeten, naarmate het rechter of liet linker lateraal beenenpaar
altijd voorgreep, is gebleken onjuist te zijn. Men ziet toch dat
er oogenblikken in den rechtschen galop zijn, dat de beide linker
beenen vóór zijn; zulks blijkt bijv. op PI. XXXIV uit de figuren
45, 46, 47, 48 en 49, waarin de linker laterale beenen vóór zijn,
en uit de figuren 20 en 4, waarbij ditzelfde het geval is met het
linker voorheen. Het is alleen bij het op den grond komen, dat
de rechter beenen zich in den rechtschen galop vóór de linker
plaatsen.
Hoewel veel van het vroegere duistere der gangen thans duidelijk
is geworden, blijven er nog altijd punten over die niet geheel
zijn opgelost. Zoo zal men nog moeten uitmaken of, wanneer in
een langen galop de gelijkheid der hoefslagen van het diagonaal
beenenpaar ophoudt, het paard in den rengalop is dan wel of de
gang gebrekkig moet worden geheeten. Deze en meer andere zaken
kunnen eerst dan worden verklaard, wanneer men tal van oogen-
bliksbeelden zal hebben genomen van bekende, goed gaande paarden.
De ondersteuning in den rengalop heeft voor den rechtschen
galop plaats door:
4". het linker achterbeen (unipedaal),
2°. de beide achterbeenen (bipedaal achter),
3°. het linker diagonaal paar beenen (diagonaal),
4°. het linker voorheen (unipedaal),
5°. het rechter voorheen (unipedaal).
Deze verschilt dus met die in den drie-tempo-galop doordat zij geen
oogenblik tripedaal is. Elk been wordt zoover mogelijk vooruitge-
bracht en het lichaam strekt zich tot het uiterste. Juist door het
niet tegelijk nederkomen van de beide beenen van het linker dia-
gonale paar kunnen deze verder van elkander op den grond worden
geplaatst.
Theoretisch hebben vele hippologen vastgesteld, dat de beide
diagonale beenen in den drie-tempo-galop op een afstand van elkan-
der staan, gelijk aan de bewegingsruimte, dat deze afstand bij
den sterk verkorten galop minder is en bij den renloop meer. De
beide laatste zaken zijn ontegenzeggelijk waar, doch ook in den
drie-tempo-galop zal het veel voorkomen, dat de ondersteunende
diagonale beenen op een afstand van elkander staan, die niet gelijk
is aan de bewegingsruimte; dit blijkt ten duidelijkste uit de figuren
5, G, 7, enz. van PI. XXXIV en hangt af van de snelheid en
de w\\jze van gaan van het paard.
-ocr page 360-
334
Bij sommige der in Amerika door Muybridge genomen mo-
mentphotographieèn heeft men het paard langs een houten beschot
doen galoppeeren, dat dus dienst deed als achtergrond en waarop,
op bepaalde afstanden van elkander, horizontale lijnen waren
aangebracht. Deze lijnen kwamen natuurlijk ook op de beelden
en hieruit bleek dat de schoft in het zwevingsmoment hooger was
dan in eenig ander oogenblik van den gang en dat dus het laatst
steunende voorheen dit omhooggaan moet bewerkstelligen. Op dat
moment was ook de rug het sterkst absoluut gespannen, terwijl
tijdens de diagonale ondersteuning de meeste doorbuiging plaats
had. Bij het stilstaande paard zijn kruis en schoft even hoog als
in het zwevend moment bij het galoppeerend paard.
Hoewel werd gezegd, dat in den renloop en den langen galop
de duur van het zwevingsmoment gelijk aan \'/i van den tijd dei-
ondersteuning kan zijn, zoo moet dit meer als een grens worden
beschouwd dan als een vaste regel, daar uit vele photographieën
blijkt, dat het paard in den rengalop korter zweeft, meestal ge-
durende \'/4 a \'ƒ, van den tijd der ondersteuning.
Ook de rhytmus van de hoefslagen in den rengalop is bij ver-
schillende paarden niet dezelfde; dit hangt grootendeels af van
het meer of minder strekken.
Enkele voorbeelden uit „The horse in motton" zullen hier worden
aangehaald, om daaruit het bestaande onderscheid van rhytmus,
tijd van zweven, enz. te doen zien.
Uit een photographie van den ren van Mahomed blijkt, dat
deze een galopsprong maakt van circa 4 70 M. en dat het zwevings-
moment ongeveer \'/4 is van den duur der ondersteuning; de
hoefslagen volgen elkander zoodanig op, dat als tusschen het neer-
zetten van het eerste en van het tweede achterbeen 3 tijdseen-
heden verloopen, de hoefslagen van dat been en van het diagonale
voorheen door 2 tijdseenheden zijn gescheiden, en die van dit
voorheen en van het laatst neerkomende door 4. De afstanden
tusschen de opvolgende hoefslagen zijn, op den grond gemeten,
respectievelijk ongeveer gelijk aan 0.80 M., 1.80 M., 1.10 M. en
een zwevend moment van 1 M. lengte.
Bij Hattie H. is de sprong 5.85 M., het zwevingsmoment \'/«
der ondersteuning. Noemen wij de vier hoefslagen van den galop,
te beginnen met den eersten, a, b, c en d, dan is de rhytmus
b—4—c—5—d; terwijl de afstanden zijn a—0.90 M.—
b—2.35 M.-c—1.30 M.—d en het zwevend moment 1.30 M.
-ocr page 361-
335
Van Florence A is de sprong 5.90 M., het zwevingsmoment
het \'/« der ondersteuning. De rhytmus is: a—i—b—3—c—4—d;
de afstanden zijn: a—1 M.—b—2 M.—c—1.30 M.—d en het zwevend
moment 1.60 M.
Van ditzelfde renpaard bestaat een andere photographie met
een sprong van 6.15 M.; het zwevingsmoment is het \'/» a V,
van de ondersteuning; de rhytmus: a—4—b—2—c—2—d; de af-
standen zijn 1,20 M.—b—2,20 M.-c—1,35 M—d en het zwe-
vend moment 1.40 M.
Bij Phryne L. is de sprong 5,90 M., het zwevend moment
ongeveer het \'/5 der ondersteuning, de rhytmus a — 5— c—4—d;
de afstanden zijn 0.90 M—b—2,40 M.-c—1,20 M—d en het
zwevend moment 1.40 M.
De voortbeweging van het lichaam is hier als regelmatig aan-
genomen, hoewel dit niet geheel juist is. Tot de zuiverheid van
vergelijking tusschen de hierboven genoemde getallen doet dit
echter niets af.
Het uitermate strekken van het lichaam van het paard heeft
een grooten invloed op de lengte van den galopsprong, evenals
het ver onderbrengen van het linker achterbeen in den rechtschen
galop.
Wanneer men het spoor bij onderscheidene paarden in den
rengalop nagaat, dan ziet men groote verschillen, waarbij de
lengte van den galopsprong afwisselt tusschen 4 en 7 M. De
hoefïndrukken blijken bijna in één rechte lijn te liggen; Lenoble
du Teil vergelijkt dit met het spoor, dat de speeken van een rad
zonder velgen zouden nalaten. De breedte van de basis en dien-
tengevolge ook de stabiliteit zijn zeer gering.
In het zwevingsmoment van den ren zijn, zooals wij reeds
opmerkten, de voor- en achterbeenen zeer dicht bij elkander; op
dit oogenblik kan het ijzer van een achterbeen met kracht
tegen de pees van een voorheen aankomen, waarvan een hevige
kreupelheid het gevolg kan zijn.
§ 136. De overgangen.
Bij den draf en den stap is reeds gesproken over de been-
zetting van het paard, wanneer het die gangen met elkander
verwisselt; thans zullen de verschillende wijzen worden behandeld
waarop het paard tot den galop overgaat en waarop het daaruit
weder de andere gangen aanneemt; de rechtsche galop zal hierbij
als punt van uitgang worden genomen.
-ocr page 362-
336
Het in vrijheid gaande paard zal gewoonlijk den draf als
overgang van den stap tot den galop bezigen, waartoe het slechts
enkele drafpassen maakt.
Wordt het gereden paard door het uitstrekken van het draf-
tempo in galop gebracht, dan zullen de voorbeenen bij beide
diagonale paren iets eerder op den grond komen dan de achter-
beenen; voor het linker diagonale paar is dit verschil zeer gering
en houdt het na 1 of 2 passen weder op, terwijl dat van het
rechter diagonale paar beenen bij eiken volgenden pas grooter wordt
en wel zooveel dat er een oogenblik komt, dat het rechter voorheen te
gelijk met de linker diagonale beenen steunt, en het linker achterbeen
pas op den grond komt als het rechter voorheen bijna wordt op-
gelicht. Het paard begint dan het eerste tempo van den galop,
waarop de beide andere volgen en na enkele passen ook een
zwevingsmoment. De eerste passen van den galop, verkregen door
een versnellen van het draftempo, hetgeen men ook wel het in
galop jagen noemt, zijn dus niet zwevend.
Wordt daarentegen het paard uit een kort draftempo in galop
gezet, dan zal het, op het oogenblik dat het linker diagonaal
paar beenen steunt, snel het linker achterbeen vooruitbrengen;
beide achterbeenen zijn nu behulpzaam om de voorhand iets te
verheffen, het rechter achterbeen wordt daarna even opgelicht en
het paard is in de houding van PI. XXXIV fig. 1, zoodat het
eerste tempo van den galop is volbracht.
Was de draf sneller, ongeveer gelijk aan het middeltempo,
dan wordt het linker achterbeen niet tijdens het steunen van het
linker diagonaal paar beenen neergezet, doch iets later, dus ge-
durende het zweven van dit paar.
Terwijl bij het aangaloppeeren uit een korten draf het linker
achterbeen eerder wordt neergezet en den last als het ware op
zich neemt, geschiedt ditzelfde bij het in galop jagen door
het rechter voorheen; in het laatste geval wordt het gewicht alzoo
op de voorhand gebracht. Hieruit blijkt dus ook waarom bij het
aangaloppeeren uit den korten draf, en zooals men verder zal
zien ook uit den stap en het stilstaan, terugwerkende hulpen
moeten worden gegeven, die onmiddellijk worden gevolgd door
een nageven.
Moet uit den stap in den rechtschen galop worden aangespron*
gen, dan zal het paard op het oogenblik, dat het links lateraal
steunt (PI. XXXII fig. G), het rechter achterbeen onder het lichaam
plaatsen. De voorhand wordt eenigszins verheven en het linker
-ocr page 363-
337
achterbeen iets voor het rechter geplaatst, daarna wordt het
lichaam gestrekt en het rechter achterbeen opgelicht; het lstc tempo
van den galop is nu volbracht en de andere volgen elkander als
gewoonlijk.
De overgang van het stilstaan tot den galop geschiedt op over-
eenkomstige wijze. Het rechter achterbeen wordt daartoe vooruit
en onder den last geplaatst; de beide achterbeenen buigen zich
eenigszins om zoodoende de voorhand te verheffen, het linker
achterbeen is iets vóór het rechter gebracht, daarna wordt het rechter
opgelicht en heeft het paard het late tempo van den galop geëindigd.
De overgang van den galop tot den draf geschiedt op tegen-
overgestelde wijze als die van den draf tot den galop.
Wordt niet plotseling doch van lieverlede tot den draf over-
gegaan, dan heeft dit op de volgende wijze plaats :
Het nederzetten van het linker achterbeen wordt verhaast,
zoodat dit op den grond komt op het oogenblik dat het rechter
voorheen daar nog staat; hierdoor vervalt het zwevingsmoment.
Dit oogenblik wordt bijna weergegeven door fig. 4 op PI. XXXV.
Van den nu volgenden galopsprong is het lste tempo gemaakt door
het neerzetten van het linker achterbeen en het daarna oplichten
van het rechter voorheen; de linker diagonale beenen worden
hierop neergezet (2de tempo), waarbij echter twee hoefslagen ont-
staan, omdat het voorheen iets eerder neerkomt. liet rechter
voorheen blijft wat langer opgelicht en wordt neergezet kort vóór
dat het linker achterbeen weder neerkomt, waardoor het een dia-
gonale basis vormt, die lang is, daar de beenen ver van elkander
zijn, doch van een korten duur, die intusschen bij eiken volgenden
pas langer wordt. Op deze wijze ontstaat een draf, waarbij de
voorbeenen eerder neerkomen dan de achterbeenen, totdat eindelijk
de hoefslagen der diagonale beenen weder synchroon worden en
de draf aldus zuiver wordt.
Tot juist begrip van dezen overgang moet men er vooral op
letten, dat het zwevend moment ontbreekt en dat zoodoende
het eerste tempo van een galopsprong nog gedeeltelijk samenvalt
met het laatste tempo van den vorigen sprong, totdat zij ten
laatste geheel samenvallen; een sneller neerzetten van het achter-
been en een later oplichten van het diagonale voorheen bewerk-
stelligen den overgang.
Door een nog sneller neerzetten en onderbrengen van het
linker achterbeen kan de overgang spoedig geschieden en wel
reeds bij het voor de tweede maal vormen van een diagonale basis.
22
-ocr page 364-
338
Om van den galop in stap over te gaan, wordt het oogenblik
gebruikt, dat het paard diagonaal ondersteund is. De linker diago-
nale beenen staan op den grond, liet rechter voorbeen wordt iets
minder spoedig neergezet, de snelheid is verminderd. Dat dit
oogenblik het juiste is, kunnen wij bespeuren, wanneer wij de groote
overeenkomst nagaan van de fig. 12 en 13 van den stap met de
fig. 7 en 8 van den galop. Het linker achterbeen komt nu iets
sneller vooruit, het linker voorbeen wordt opgelicht en het paard
kan aldus terstond den stap aannemen.
Het onmiddellijk uit den galop halt houden, zonder dat hierbij
eenige draf- of stappassen komen, wordt weinig uitgevoerd, be-
halve bij het rijden van de hooge school. Het geschiedt door het
sterk onderbrengen van het linker achterbeen na het zwevings-
moment, waarop het linker voorbeen wordt neergezet, dan het
rechter achterbeen en eindelijk het rechter voorbeen. Het is uiterst
inspannend en vermoeiend voor het paard en kan alleen dan zonder
nadeel worden beoefend, wanneer het dier bijzonder lenig en
veerkrachtig is.
Indien het paard van den rechtschen tot den linkschen galop
moet overgaan, z.g. verspringen, dan zal het deze beweging het
gemakkelijkst kunnen beginnen tijdens het derde tempo van den
galop. Terwijl het rechter voorbeen nog steunt, verwisselen de beide
achterbeenen hun functies; het rechter plaatst zich wat vóór zijn
nevenbeen en komt nu het eerst neder, het geeft dus het lste tempo
aan van den nieuwen galop. Intusschen hebben, tijdens het
zweven der voorbeenen, ook deze hun rollen omgewisseld en heeft
het paard het rechter voorbeen, dat nu in den linkschen galop eerder
moet neerkomen, vóór het linker geplaatst; de beenzetting is aldus
gewijzigd en de overgang tot den linkschen galop uitgevoerd. De
beenen kunnen hun onderlinge plaatsing slechts wijzigen wanneer
zij zweven.
§ 137. De sphongen.
De sprong {Ie sant; der Sprung; the leap or jump) is een voor-
waartsche beweging van het lichaam , daaraan gegeven door een
plotseling en meer of minder krachtig strekken der beenen, en
wel in hoofdzaak van de achterbeenen.
Men spreekt van hoogte- en van brcedtesprongen, hoewel met
een hoogtesprong ook altijd het springen van een zekere breedte
-ocr page 365-
339
gepaard gaat; de richting kan zijn van beneden naar boven, horizon-
taal
of van boven naar beneden, terwijl de sprong ook uit een
combinatie dezer richtingen kan bestaan.
Aan de hand der photographie zullen wij zien, dat de vroegere
meening, dat de sprong niets anders zou zijn dan een hoogere of
langere galopsprong, geheel onjuist is. Wel is waar komt er bij
beide een zwevend moment voor, waarbij het lichaam niet gesteund
door de lucht gaat, doch dit heeft bij den galop plaats na de
unipedale ondersteuning van het voorheen waarnaar de galop wordt
genoemd, en bij den sprong, nadat de voorbeenen reeds lang van
den grond zijn en het paard zich, eerst met beide en daarna nog
met het laatst ondersteunend achterbeen, heeft afgezet. De laatste
basis vóór het zwevingsmoment is dus bij den galop een voorheen
en bij den sprong een achterbeen. Alleen het hert en enkele andere
dieren bewegen zich, wanneer zij snel willen vooruitkomen,
sprongsgewijze.
Tusschen den sprong en den galop bestaat nog een ander
verschil; in het zwevend moment van den sprong is het lichaam
geheel gestrekt (PI. XXXV fig. 11 en 12), in dat van den galop
strekt het zich in het geheel niet (PI. XXXIV fig. 17 en 18);
daarentegen is bij den galop het lichaam het meest gestrekt wan-
neer het diagonaal beenenpaar steunt (fig. 7).
Op PI. XXXV zien wij twintig oogenbliksbeelden van een
hoogtesprong.
Alle paarden springen niet geheel op dezelfde wijze, zoodat
men hierbij evenals bij de gangen, verschil in houding zal
waarnemen, niet alleen tusschen het eene paard en het andere,
doch ook bij hetzelfde dier, maar bij een hindernis van andere
afmetingen; intusschen blijvende hoofdbeginselen waarop de sprong
berust steeds dezelfde. Om zich tot den sprong gereed te maken ,
zal het paard de basis verkorten, waardoor voor- en achterbeenen
dus dichter bij elkander komen. Is het paard voor de hindernis
in galop, dan zal het eenigszins ophouden en de beenzetting wij-
zigen, waarbij het linker achterbeen snel vooruit en onder het
lichaam wordt gebracht (fig. 5); daarna heft het paard zich van
voren op, zooals bij het steigeren is verklaard. De voorbeenen
zetten zich dus met kracht af en deze is grooter naarmate
de hindernis hooger is; de beide achterbeenen, die doorgebo-
gen waren, strekken zich plotseling en drijven op die wijze het
lichaam in vóór- en opwaartsche beweging. Door de krachtige
impulsie der achterbeenen zweeft het paard met sterk gebogen
-ocr page 366-
340
voorbeenen over de hindernis, om aan de andere zijde daarvan
het eerst met de voorbeenen op den grond te komen.
De voorhand is reeds geheel of gedeeltelijk over de hindernis,
wanneer één of beide achterbeenen nog steunen (PI. XXXV,
fig. 11 en 10).
Zoodra nu het paard zich met de achterbeenen afzet, strekt
het den hals en de voorbeenen, ten einde aldus het lichaam, om
een dwarse, door het zwaartepunt gaande as, te doen draaien
(fig. 12 en 13); dit strekken begint op de Plaat reeds in fig. 11,
waar nog een achterbeen steunt.
Reeds in fig. 13 beginnen de achterbeenen zich te buigen,
om eindelijk in de figuren 15 en 16 sterk gebogen over de hin-
dernis te worden gebracht. In fig. 14 komt het rechter voorheen
reeds in aanraking met den grond om in fig. 15, met het er
vóór geplaatste linker been, het lichaam op te vangen. De voor-
beenen komen zeer kort na elkander op den bodem, op een
afstand van meestal 30 a 40 cM., waarna nu ook de achter-
beenen neerkomen en wel eveneens op ongeveer 30 a 40 cM. van
het achterste voorheen. Het eerst neergezette voorheen is ge-
woonl\'yk opgelicht als het eerste achterbeen op den grond komt,
terwijl daarna het laatst neergekomen voorheen ruimte zal maken
voor het andere achterbeen.
Op de Plaat zet het paard zich weder met het laatst neerge-
komen voorheen af, bijna op hetzelfde oogenblik dat het eerste
achterbeen op den grond komt of wellicht nog iets vóór dat tijdstip.
Of het neerkomen zal geschieden zooals de Plaat aangeeft of wel
zooals wij het beschreven, waarbij dus te gelijk een voor- en een
achterbeen steunen, kan van omstandigheden afhangen.
In elk geval is er bij het neerkomen een oogenblik van opont-
houd; hierna verheft het paard eenigszins de voorhand, strekt
zich, zet zich eerst met beide achterbeenen en daarna met één
af, steunt dan als het ware op één achterbeen en heeft dus het
eerste tempo van den nieuwen galopsprong volbracht. Eerst na
dien sprong zal er een zwevingsmoment volgen, hoewel er bij het
aangaan na den sprong, als op PI. XXXV, wellicht een zwevend
moment van zeer korten duur heeft bestaan, en wel tusschen
fig. 18, het steunen op het verst voorgebrachte voorheen, en
fig. 19, waar alleen het linker achterbeen steunt.
De laatste galopsprong vóór het overwinnen van de hindernis
en de eerste daarna hebben eigenlijk geen zwevend moment. Het
paard doet dit om zich vóór den sprong op de goede plaats en
-ocr page 367-
344
wijze te kunnen afzetten en in staat te zijn, daarna evenzoo neer
te komen. Op de Plaat is liet paard vóór of na den sprong geen
oogenblik met de vier beenen van den grond afgebeeld.
Kr zijn vele omstandigbeden, die invloed op den sprong zullen
uitoefenen, als: de gang of het tempo waarin op de hindernis
wordt aangereden, de soort en de afmetingen der hindernis, de
energie waarmede het paard zich afzet, en vooral het al of niet
hinderlijk zijn van den ruiter vóór, gedurende en na den sprong.
Op PI. XXXV heeft het paard de voorbeenen bij het neerkomen
wat te dicht bij de hindernis geplaatst, zoodat deze reeds in fig. 18
moeten worden opgelicht om plaats te maken voor de achter-
beenen. Dit is een gevolg van het niet voldoende naast elkander
staan van de achterbeenen bij het afzetten, en het niet genoeg
voorwaarts strekken der voorbeenen bij het neerkomen; de oorzaak
hiervan ligt waarschijnlijk in te weinig energie van het paard en
in het verkeerde omhoog brengen van den neus gedurende liet
zweven. De ruiter kan hierop een nadeeligen invloed hebben gehad.
Gaat men na hoe het afzetten en neerkomen geschiedt van
een goedgaand paard , dat uit den rechtschen galop over een middel-
matig hooge hindernis springt, dan heeft de photographie ons
geleerd, dat het meestal op de volgende wijze plaats heeft: het
paard verheft de voorhand met het rechter been evenals in den
galop vóór het zwevend moment; bijna terzelfder tijd komen, kort
na elkander, beide achterbeenen neer. Deze zetten het lichaam af
waarbij het eene gewoonlijk iets langer steunt dan het andere. Het
afzetten op PI. XXXV heeft nagenoeg op deze wijze plaatsgehad,
doch het neerkomen wordt eenigszins gewijzigd.
Het rechter voorbeen wordt eerst neergezet en het linker daar-
vóór; nu komt het rechter achterbeen op den grond, terwijl liet
rechter voorbeen reeds weder is opgelicht en even daarna ook
het linker, alsdan wordt het linker achterbeen vóór zijn neven-
been geplaatst. De voorhand is nog opgeheven, het rechter
achterbeen wordt opgelicht en het paard heeft het l8te tempo
van den rechtschen galop volbracht, evenals zulks in § 136 is
beschreven.
Wanneer het paard zich heeft afgezet met het rechter voorbeen,
dus uit den rechtschen galop den sprong heeft gemaakt, dan
komt dit voorbeen gewoonlijk ook het eerst neer; is dit niet het
geval, dan verspringt het paard en neemt na de hindernis den
linkschen galop aan of het moet de beenzetting na het neerkomen
nogmaals wijzigen, waardoor meer oponthoud zal ontstaan.
-ocr page 368-
34\'2
De andere soorten vun sprongen hebben op overeenkomstige
wijze plaats.
Bij een breedtesprong zal het paard liet lichaam meer hori-
zontaal strekken dan bij een hoogtesprong en daardoor de voor-
beenen reeds op een grooten afstand van de achterbeenen brengen;
een paard van 1.C0 M. hoogte kan zich tot ongeveer 3 M. strekken.
Wanneer een sloot 3 M. breed is, en het paard zich op 0,5 M.
aan de eene zijde van de hindernis met de achterbeenen afzet
en op een even grooten afstand aan de andere zijde er van neer-
komt , dan zal het paard bij het springen slechts over 1 M. afstand
behoeven te zweven. Voor een goed springend paard zullen dus
breedtesprongen minder moeielijk zijn dan hoogtesprongen. Dit
is echter alleen gedeeltelijk waar. Hoe hooger de hindernis is,
hoe korter het paard liet tempo zal nemen vóór den sprong,
waardoor het dus gemakkelijk het juiste oogenblik van springen
kan kiezen, alsook de plek van waar het zich het best kan af-
zetten. Bij een vrij groote breed tesprong zal liet paard snelheid
moeten hebben om zwevend het gedeelte af te leggen, dat de
sprong breeder moet zijn dan de strekking van zijn lichaam.
Door de snelheid kan het minder juist het oogenblik kiezen
waarop het wil springen en de plaats van waar dit het best kan
geschieden.
Ook bij het naar beneden springen moet het paard zicli in
een min of meer horizontale richting bewegen, daar bij het te
verticaal neerkomen niet alleen de voorbeenen veel te lijden
zouden hebben, maar de kans van storten groot zou worden.
De paarden op een steeple chase-baan gaan in een zeer snel
tempo over de hindernissen, hoewel het gewoonlijk vóór den
sprong iets wordt verkort, doch dit is een gevolg van den wed-
strijd en kan op die wijze geschieden omdat de paarden daartoe
langzamerhand zijn voorbereid, daarin geoefend zijn geworden,
terwijl de hindernissen bekend zijn en de bodem goed is.
Goede jachtpaarden zullen op dezelfde wyze over velden kun-
nen gaan, waar de hindernissen uit heggen, slooten en niet te
hooge muren bestaan, al dan niet gecombineerd; zulk een streek
noemt men in Engeland „a flying country". Zoodra echter de
hindernissen hooger worden en de bodem ongelijker, zal een goed
jachtpaard den sprong uit een zeer kort tempo, zelfs uit het stil-
staan, doen. Hoe korter het tempo is waaruit wordt gesprongen,
hoe meer vrijheid aan hoofd en hals van het paard moet worden
gegeven.
-ocr page 369-
343
Wanneer van gewone hindernissen wordt gesproken, dan heeft
men daaronder zoodanige te verstaan, die tot ongeveer 1,20 M.
hoog zijn. Vooral in Ierland, maar ook. in Engeland, komen nog
al eens hoogtesprongen van 1,40 M. voor, terwijl zelfs voorbeelden
bestaan van sprongen over 1,80 M. en iets hoogere hindernissen. Ook
breedtesprongen van 25 Engelsche voeten of 7,25 M. behooren niet
tot de zeldzaamheden. Volgens Stonehenge hebben Proceed en
Chandler bij een steeple-chase respectievelijk 37 en 39 Engelsche
voet gesprongen, gemeten van de hoefslagen der achterbeenen
bij het afzetten, tot die der voorbeenen bij het neerkomen.
Enkele zaken waaraan men een goeden springer kan herkennen,
zijn het sterk gebogen intrekken zoowel van de achter* als van de
voorbeenen, het krachtig afzetten m et de beenen vóór den sprong,
liet elastisch neerkomen aan de andere zijde van de hindernis en
het daarna gemakkelijk hernemen van den gang. Verder moet het
paard van den gang waarin het vóór den sprong was, zoo vloeiend
mogelijk tot den sprong overgaan, terwijl het van veel belang is
dat het, nadat de voorbeenen over de hindernis zijn, deze dicht
naast elkander houdt en spoedig strekt. Zoodoende zal bij het
neerkomen liet eerste voorheen goed voorwaarts en gestrekt kun-
nen worden neergezet, en het andere terstond gereed zijn om zijn
nevenbeen behulpzaam te wezen tot ondersteuning van den last.
§ 138. Het trekken.
In fcj 133 bleek reeds, dat het paard , dat voor een zwaren of
raoeielyk te trekken last is geplaatst, de beweging van het terug-
gaan wijzigde als in lig. 2 op PI. XXXVI; ook bij het zwaar
trekken zal de beenzetting eenigszins veranderen.
Wat men bij het arbeidende paard trekken noemt, is eigenlijk
duwen. Immers het paard duwt tegen het trektuig, het haam of
wel het gareel, waaraan de voort te bewegen last door middel
van de strengen is bevestigd, en dat vóór tegen de schouders of
tegen de borst rust.
Het trekkend paard verplaatst zijn eigen gewicht en den
aanhangenden last door rompbeweging , gepaard aan samenwerking
van achter- en voorbeenen. PI. XXXVI geeft in de figuren 1 en
3 oogenbliksbeelden van zwaar trekkende paarden.
Vóór dat het paard aantrekt, zal het beginnen een overeen-
komstige houding aan te nemen als op PI. XXX, in fig. 4; in
-ocr page 370-
344
deze houding heeft het reeds vrij groote neiging in den gang,
die nog vermeerderd zal worden door de nu volgende rompbe-
weging, waardoor het paard voorover, z. g. in het tuig, gaat
hangen. Tot nog toe was alleen de lichaamszwaarte werkzaam
om den last in beweging te brengen, thans zullen ook de beenen
er het hunne toe bijdragen; de voorbeenen zullen den hoek, dien
zij met het lichaam maken, kleiner doen worden, terwijl de
aehterbeenen dien zullen vergrooten, waarbij de ondereinden blijven
vaststaan. Bij zeer zwaar aantrekken worden de voorbeenen ge-
kromd en vervolgens gestrekt, hetgeen belangrijk zal bijdragen
tot verplaatsing van den last; ook de aehterbeenen, eerst slechts
met den toon van den hoef op den grond geplaatst, zullen zich
strekken, zooals fig. 1 en het achterpaard in fig. 3, dat de voor-
beenen reeds weder gestrekt heeft, te aanschouwen geven.
De rug zal sterk absoluut worden gespannen en hiertoe moet
het paard het hoofd omlaag brengen als in lig. 4. Dit sterk
absoluut spannen van den rug is de oorzaak, dat paarden, die
langen tijd zware lasten hebben moeten trekken, dikwijls een
karperrug krijgen, (/ie hierover § 92.)
De voorbeenen zullen, meestal sterk gebogen, worden opge-
licht, als bij het voorpaard in fig. 3 en zooals in lig. 4; zij grijpen
weinig vooruit, doch worden ver achterwaarts gestrekt.
De houding der beenen en de plaatsing der hoeven bij het
zwaar trekken doen ons duidelijk zien, dat hierbij de kalkoenen
aan de achtertakken der ijzers geheel nutteloos zijn, daar de hoe-
ven bij sterke krachtsontwikkeling der beenen, steeds met den
toon vooruitgrijpen.
De richting, waarin de trekkracht in haar geheel werkt, be-
staat uit de resultante van de richtingen, waarin de beenen hun
kracht uitoefenen en waarin het deel van de lichaamszwaarte
werkt, dat tegen het haam drukt; om deze resultante te bepalen,
zou men de grootte van die kracht en van dit deel der lichaams-
zwaarte dienen te kennen.
Moet liet paard met alle macht aanzetten, d. w. z. zich inspannen
tot het verplaatsen van den last, dan wordt de borstkas vooraf
door een krachtige inademing verwijd en daarna vastgezet.
Hierbij staan de ribben onbeweeglijk tusschen de ruggegraat en
het borstbeen, terwijl de ruggegraat eveneens door enkele spieren
in al haar deelen, van hals tot kruis, wordt vastgezet; ook de
buikspieren zijn samengetrokken en gespannen, zoodat degeheele
romp één stevig geheel vormt.
-ocr page 371-
345
In dezen toestand nu tracht liet paard, op de reeds beschreven
wijze, den last in beweging te brengen, waarbij de bodem als
steun wordt gebezigd.
Uit vastzetten van den romp kan slechts gedurende korten tijd
plaats hebben, omdat de adem inoet worden ingehouden en dit
onmogelijk lang kan duren.
Wil men zich overtuigen hoe de houding van een trekpaard
is bij het aantrekken van een zwaren last, dan sla men slechts
het in beweging brengen van een vollen tramwagen gade, op een
eenigszins klimmenden weg Duidelijk zal men dan bij het paard
houdingen waarnemen als die op PI. XXXVI; dikwijls beginnende
als in lig. 1, dan een houding aannemende als het achterpaard in fig. 2,
vervolgens een als het voorpaard, om eindelijk vooruit te gaan in
een houding als in fig. 4. Wanneer aan de paarden van de
figuren 1 en 3 gelegenheid was gegeven om steun op den teugel
te zoeken, evenals dat het geval is met het paard in fig. 4, dan
zou de profiellyn van de hoofden meer in de richting van die
van het laatste paard zijn gekomen.
Reeds werd gezegd hoe bezwaarlijk het is de richting van de
trekkracht te bepalen; kon dit met juistheid geschieden, dan zou
de meest voordeelige richting voor de strengen deze z. g. treklijn
zijn. Het is echter duidelijk , dat die zal veranderen naarmate
het gewicht van het paard, diens houding en de krachtsuitoefening
der beenen zich wijzigen.
De vroegere beschouwing over de ligging van het draaipunt
van den schouder plaatste dit punt ongeveer in het midden er van
en hiermede dient bij het aanbrengen van de trekkracht rekening
te worden gehouden. Wanneer een been wordt vooruitgebracht,
zal de onderkant van het schouderblad zich vooruit, de bovenkant
zich achterwaarts bewegen en het draaipunt op dezelfde plaats
blijven; hieruit volgt dus van zelf, dat de beweging van den schouder
het minst door het haam zal worden belemmerd, wanneer de
trekkracht hierbij haar aangrijpingspunt vindt tegenover dit vaste
punt. Het haam en de te vervoeren last moeten dus aan weers-
zijden door een streng zijn verbonden, die rechtstreeks aan het haam,
ter hoogte van het draaipunt der voorste ledematen, is bevestigd.
In de figuren 1 en 4 en bij het voorpaard van fig. 3 zijn deslren-
gen voor zooverre dit in een teekening is te beoordeelen, opdejuiste
plaatsen aangebracht Voor de pract\'yk is het noodig dat men het
paard, zoowel stilstaande als in beweging zijnde, gadeslaat, om
daaruit, zoo zuiver mogelijk, de ligging van de voorste draaipunten
-ocr page 372-
34f>
af te leiden, en nu te gaan of liet haam past en de streng daaraan
naar eiscli is bevestigd.
Het paard beweegt zich, bij het zwaar trekken, met korte
passen en in een langzaam tempo, terwijl het zich somtijds met
een ruk in het haam gooit, wanneer zijn krachten te kort schieten
om den last geleidelijk voort te trekken. Proeven hebben doen
zien, dat door zulk rukken de grootste kracht wordt uitgeoefend,
lntusschen zullen borst en schouders spoedig pijnlijk aangedaan,
ja zelfs gekneusd en gewond worden, waarom men deze wijze
van aanzetten, vooral bij jonge paarden, zooveel mogelijk moet
voorkomen. Zulke dieren zullen door de pijn spoedig onwillig
worden en den last laten staan.
§ 139. De sciioolgangen en schoolsprongen.
De schoolgangen en schoolsprongen (airs de manege; haute e\'cole;
kiinstliche Gangarten, hotte Schule; high school), ook wel kunstmatige
gangen genoemd, zijn eigenlijk niet anders dan natuurlijke gangen
met vermeerderde schouderbeweging en grootere buigzaamheid in
de gewrichten, vooral in die van de achterhand. Het paard ver-
richt deze, oorspronkelijk natuurlijke gangen met veel veerkracht,
gratie en bevalligheid, op de inwerkingen van den ruiter.
Zij worden onderscheiden in schoolgangen (airs rassembles; Schulen
au/ der Erde)
en schoolsprongen (airs relevés; Schulen uéber der
Erde; high airs of the manege).
Bij de schoolgangen is de been-
zetting meestal overeenkomstig aan die van de gewone gangen,
doch de verzameling van het paard is veel grooter, de kniebuiging
en de schouderbeweging zijn sterk vermeerderd, doch vooral is
de buiging in de sprong-, knie- en heupgewrichten toegenomen;
er is slechts een zeer geringe of in het geheel geen neiging in
den gang, de beweging der beenen is verheven en langzaam en
de houding sierlijk.
De gangen en bewegingen, die ook bij het dienstpaard (Cam-
pagnepferd)
, hoewel met minder verzameling, worden beoefend ,
zullen buiten beschouwing worden gelaten; alleen volgt hier de
beschrijving van de gangen en sprongen, uitsluitend tot de hooge
school behoorende.
De 2}assa9e °f Spaansche draf (PI. XXXVII fig. 1) werd reeds
in § 132 verklaard, zoodat enkele woorden daarover voldoende
zullen zijn. Hoe regelmatiger en korter de passen zijn, hoe ver-
hevener en gelijker de voor- en achterbeenen worden opgelicht,
des te beter voert het paard deze gang uit.
-ocr page 373-
347
De beweging moet zeer langzaam zijn, niet sneller dan een
langzame stap, de beenen moeten Jang opgelicht blijven en de
gang een toonbeeld zijn van veerkracht en van sierlijkheid. De
voorbeenen mogen in geen geval recht vooruit worden gestoken,
zij moeten daarentegen sterk gebogen worden opgelicht en kleine
passen maken.
De piaffe (PI. XXXVII fig. 3) werd eveneens reeds vroeger
besproken. De voorarm moet hierbij nagenoeg horizontaal worden
verheven, de achterbeenen kunnen niet zoo hoog worden opge-
licht, daar zij hiervoor te sterk in de gewrichten zijn gebogen; de
beenen moeten telkens in dezelfde hoefslagen terugkomen, terwijl
de achterband hierbij volstrekt niet zijwaarts mag gaan of heen
en weer schommelen, en de ruggegraat in hetzelfde verticale vlak
moet blijven. Wanneer het paard goed piaffeert, dan zal de rug
zich weinig bewegen en een of ander voorwerp vlak achter het
zadel op de lenden geplaatst, daar blijven liggen.
De leider van de Hof-rijschool te Weenen, de „Oberbereiter"
Geuhaudt, verlangt dan ook, dat een steek, zooals de„Bereiter"
dien nog dragen, recht op de lenden van het paard geplaatst,
aldaar gedurende het piaffeeren geruimen tijd zal kunnen blijven.
De eenige plek waar tegenwoordig nog werkelijk de eens zoo
bloeiende „hooge school" wordt beoefend, is deze „Spanische
Schule." De figuren van PI. XXXVII zijn genomen naar de Lippi-
zaner paarden, die aldaar worden gebezigd met de berijders in
het eigenaardig tenue, dat nog van de vorige eeuw is blijven
bestaan; ook de gevlochten manen en staarten dagteekenen van
dien tijd.
De passage en de piaffe werden bij de vroeger zeer in zwang
zijnde carrousels en ruiterspelen veel beoefend, terwijl zij nog
gebezigd worden, om een vermeerderde buiging van de gewrichten
der achterbeenen te verkrijgen.
De schoolgalop (PI. XXXVII fig. 4) is een uiterst verzamelde
galop op de achterhand; hij wordt in vier tempo\'s gegaan, in de
volgorde, aangegeven voor den drie-tempo-galop, met uitzondering,
dat de hoefslagen van de beide beenen van het diagonale paai\'
afzonderlijk duidelijk hoorbaar zijn en de achterhoef hierbij het
eerst neerkomt.
De volgorde van het neerzetten is derhalve voor den rechtschen
galop
1°. linker achterbeen,             3°. linker voorheen, en
2°. rechter achterbeen,           4°. rechter voorheen.
-ocr page 374-
348
Wanneer een pirouette wordt gereden, dun moet hel paard zich
n>et de voorbeenen over een cirkel bewegen, die een straal heeft,
gelijk aan de lengte van het ondersteuningsvlak; het binnen ach-
terbeen, dat in liet middelpunt van den cirkel staat, blijft dan het
draaipunt, waarom het lichaam wordt bewogen. De pirouette mag
volmaakt worden genoemd, wanneer hierbij liet paard, een cirkel-
wending makende, gedurende die geheele wending niet met de
voorbeenen op den grond komt.
De nu volgende schoolgang wordt door sommigen ook tot de
sehoolsprongen gerekend en mag dan ook als de overgang Lunchen
deze beide worden beschouwd; hij wordt terre-a-terre genoemd.
Dit zou men een twee-tempo-schoolgalop kunnen noemen op twee
hoefslagen; de voorbeenen worden gelijktijdig opgeheven en neer-
gezet en dit is evenzoo met de achterbeenen het geval. Het paard
maakt op deze wijze een reeks kleine sprongen, waarbij het zich
bijna niet boven den grond verheft.
De redop is eveneens een schoolgalop in twee tempo\'s op twee
hoefslagen op een kleine volte.
De terra ii-terre en de redop zijn zeer na aan elkander ver-
want, alleen worden de voorbeenen bij den laatsten gang wat
hooger opgelicht dan bij de terre-a-terre.
De schoolsprongen zijn die bewegingen, waarbij het paard zich
met twee of met vier beenen van den grond verheft. Hiertoe
behooren de pesade, de courbette, de croupade, de ballotade en de
capriool.
Bij de pesade (PI. XXXVII fig. 2) licht het paard de voorhand
van den grond en wel tot zulk een hoogte, dat de rug een hoek van
45° met den bodem maakt; het buigt zich sterk in de gewrichten
der achterbeenen en houdt de voorbeenen zoo in de knie gebogen,
dat de hoef dicht bij den elleboog komt. Hieruit ziet men dat
deze beweging zich van het steigeren onderscheidt; daarbij toch
worden voor- en achterbeenen sterk gestrekt, terwijl zij nu gebogen
zijn. De pesade is de voorbereiding tot de andere sprongen, doch
bij geen er van wordt de voorhand meer verheven.
Om de courbette (PI. XXXVII fig. 5) uit te voeren, licht het
paard het voorstel op als bij de pesade, doch iets minder
hoog, om zich op het oogenblik dat de voorhand zal beginnen
te dalen, een ongeveer 30 cM. grooten sprong voorwaarts te doen.
Het zet zich hiertoe met de achterbeenen af, die slechts weinig
van den grond worden verwijderd. Ook bij dezen sprong zijn de
beenen weder sterk gebogen, terwijl bij een z. g lancade de ge-
-ocr page 375-
349
wrichten stijf worden gehouden en de beenen gestrekt. Steigeren
en een daarop volgende lancade zijn middelen van verzet, van
de zijde van het paard; een pesade en een courbette daarentegen
bewijzen dat het zich in alle gewrichten loslaat, dat de spieren
niet krampachtig, maar elastisch zijn gespannen en dat het paard
bijzonder gehoorzaam is. Juist hierin ligt het nut van de school-
gangen en schoolsprongen.
De croupade (PI. XXXVII fig. 6) is een sprong waarbij het
paard de voorhand verheft en zich dan met de achterbeenen afzet,
om circa 30 cM. vooruit te komen. In tegenstelling van de
courbette worden de achterbeenen wel hoog opgelicht en dicht
aan het lijf opgetrokken. Naarmate het paard hooger van den
grond komt, de vier beenen dichter onder het lichaam brengt en
de rug meer de horizontale richting nadert, is de uitvoering van
dezen sprong beter.
De ballotade (PI. XXXVII fig. 8) komt geheel overeen met de
croupade, doch in plaats dat de achterbeenen onder het lichaam
worden gehouden, wanneer dit boven den grond zweeft, worden
zij achteruit gebracht als om te slaan, evenwel zonder dat de
slag wordt gegeven. De ijzers moeten hierbij naar achteren
worden getoond.
Bij de capriool (PI. XXXVII fig. 7) springt het paard op
dezelfde wijze van den grond, om, wanneer de rug bijna horizon-
taal is gekomen, met beide achterbeenen tegelijk en krachtig
achteruit te slaan; deze worden zooveel mogelijk gestrekt en de
slag horizontaal toegebracht.
De mezair en Ie pas et Ie saut behooren niet tot de afzonder-
1\'yke schoolsprongen, hoewel zij somtijds daartoe worden gerekend.
De eerste is gelijk aan de courbette, doch het paard verheft zich
minder van den grond dan in dezen sprong en meer dan in de
terre-a-terre.
Le pas et Ie saut is een schoolgalop, gevolgd door een courbette
en eindigende met een capriool.
De meeste paarden toonen bij het leeren der drie voornaamste
schoolsprongen meer aanleg voor den eenen dan voor den ande-
ren, waarmede bij de verdere dressuur rekening moet worden ge-
houden. Heeft het paard, onder den sprong, neiging de achter-
ijzers te toonen, dan zal het beter de ballotade, of\', zoo het krachtig
genoeg is, de capriool leeren dan wanneer het springende de
achterbeenen onder het lijf brengt. In dat geval is het meer ge-
schikt voor de beoefening van de ballotade.
-ocr page 376-
350
De gevechten van man tegen man wijzigden zich, toen in de
middeleeuwen de lans in onbruik geraakte en men begreep, dat
een snel te wenden en uiterst gehoorzaam paard een eerste ver-
eischte werd, zoodra degen en pistool de plaats van zwaard en lans
innamen. Uit dien tijd dagteekenen de hiereven beschreven spron-
gen en gangen. De laatste werden gebruikt als een voorbereiding
voor de eerste, en met deze had men ten doel den ruiter de beste
middelen te geven om zich te verdedigen of aan te vallen.
Door goed uitgevoerde pirouette\'s kon worden gezorgd, dat
men den tegenstander steeds vóór zich hield, terwijl een pesade
geschikt was om zich achter den hals van het paard te dekken,
wanneer men door pistool of degen van den vijand werd bedreigd ;
een capriool werd gebruikt tegen een te dicht opdringenden ver-
volger.
Op deze wijze nam ook het paard, nu eens passief dan weder
actief, deel aan den strijd.
§ 140. De gebrekkige gangen.
Vroeger werden gewoonlijk alle gangen, waarbij debeenzetting
niet juist overeenkwam met die van den gewonen stap, draf en
galop, onder de gebrekkige gangen gerekend. Daarvan is men
echter teruggekomen, en hier is ook weder de photographie onze
leermeesteres geweest. Hoe toch is het mogelijk gangen als de
telgang van den pacer, het harddraven, enz. onder de gebrekkige
te rangschikken, daar aldus gaande paarden door hun snelheid
dikwijls bewijzen de meerderen te zijn van paarden, die een z. g.
normalen gang hebben.
Intusschen ligt ook hieraan eenige waarheid ten grondslag.
De telgang kan worden gegaan zonder dat de ruiter dit
wenscht en bij een jong paard het gevolg zijn van gebrek aan
kracht om den ruiter te dragen, of bij een oud paard ontstaan,
doordien het vermoeid of versleten is. In zulke gevallen mag men
den telgang als een gebrekkige beenzetting beschouwen.
Evenzoo kunnen de beenen, bij een gewoon tempo van den
draf, op dezelfde wijze worden opgelicht en neergezet als som-
tijds bij den rendraf geschiedt. Men zal dikwijls bij zeer jonge of
slappe paarden en ook bij oude en versleten dieren opmerken, dat
in den draf het gelijk op den grond komen der diagonale beenen
wordt verbroken, doordien het voorheen eerder wordt neergezet
-ocr page 377-
351
dan het achterbeen; de gang is dan als een gebrekkige aan te
merken.
Bij de overgangen, die niet plotseling geschieden, zijn er oogen-
blikken, dat de nieuwe gang nog niet is aangenomen, terwijl de
beenzetting van den vorigen gang niet meer de juiste is; toch valt
hierbij niets gebrekkigs op te merken en is dit een natuurlijk
gevolg van een langzamen overgang.
In de vorige §§ is reeds de beenzetting behandeld van de ver-
schillende vormen, waaronder de stap en ook andere gangen kun-
nen voorkomen, zoodat thans nog alleen zal worden gesproken over
de verkeerde bewegingen die het meest in de practijk worden waar-
genomen, en die men bij jonge paarden door een oordeelkundige
dressuur moet trachten te wijzigen en te verbeteren.
§ 141. De gebroken draf.
Door enkele Fransche hippologen wordt een onderscheid ge-
maakt tusschen Ie trot décousu, rompu ou désuiti en Ie trot
traquenardé
, naar gelang bij het verbreken van het synchronisme
der diagonalen, de hoefslagen der voorbeenen of die der achter-
beenen het eerst worden gehoord. In § 132 zag men, dat bij het
harddraven dikwijls beide vormen van den draf voorkomen en met
de regelmatige beenzetting afwisselen. Beide zullen onder den
naam „gebroken draf" worden gerangschikt.
Gaat men de oogenbliksbeelden na van paarden in den
„fiying trot", dan zal men door de afwisseling van den zuiveren
draf met de beide soorten van gebroken draf, telkens verschil-
lende standen vinden. Nu eens zullen beide diagonale beenen gelijk
worden neergezet, doch het achterbeen later worden opgelicht dan
het voorheen, dan weder zal het voorheen eerder worden neer-
gezet en eerder worden opgelicht dan het diagonale achterbeen,
terwijl enkele malen, doch minder, de hoefslagen van het achter-
been aan die van het voorheen zullen voorafgaan.
Bij den „pacer" zal de telgang eveneens nu en dan, al is het
slechts voor korten tijd, door een gebroken telgang worden ver-
vangen , en zullen bij hetzelfde paard beide gangen gedurende één
rit voorkomen. Deze gebroken telgang is geen loopende beweging;
hij heeft een zwevingsmoment, waarna het achterbeen neerkomt,
terwijl het diagonale voorheen den grond iets later bereikt.
Er zijn paarden, die bij het harddraven een volkomen pas
maken van 5,50 M. lengte, en telgangers waarbij deze een lengte
heeft van 3,75 M.
-ocr page 378-
352
De vorm waaronder de gebroken draf, bij een gewoon tempo
en ook bij het harddraven het meest voorkomt, is de eerst be-
sprokene. Meestal zal men dus een vervroegd neerzetten van het
voorheen waarnemen, doordien de voorhand te veel bezwaard is
en het paard haar daarom zoo spoedig mogelijk tracht te onder-
steunen. Bij jonge paarden, nog niet aan het dragen van den
ruiter gewend, zal dit dikwijls voorvallen.
Men hoort duidelijk vier hoefslagen, waarvan twee elkander
snel opvolgen: dit zijn die van de diagonale beenen. Het samen-
gaan dezer beenen wordt „verbroken", van welk woord de bena-
ming van dezen gang is afgeleid.
Er zijn nu oogenblikken dat het lichaam door één been wordt
gesteund, in plaats dat dit door de diagonale beenen geschiedt.
Op het oogenblik dat, in een zuiveren draf, een diagonaal paar
zou worden neergezet, komt thans slechts een voorheen op den
grond, zoodat dit alleen, al is het ook kort, den lichaamslast
draagt. De vier beenen hebben dus elk voor een oogenblik den
geheelen lichaamslast te steunen; de voorbeenen hebben door
een eerder neerkomen, het meest te dragen, daar het diagonale
achterbeen hiervoor te laat komt, terwijl dit been de meeste
kracht uitoefent bij het voorwaarts stuwen van den last. De
voorbeenen treden meer dragend, de achterbeenen meer voortdrij-
vend op, elk der beenen vervult dus voornamelijk de rol, daaraan
door de natuur toebedeeld. Hieraan zal het ook wellicht zijn toe
te schrijven, dat wanneer de beenen dit, zooals in de „flying
trot" het geval is, met de uiterste krachtsinspanning doen, de
snelheid van het paard vermeerdert. Door dezen afzonderlijken
arbeid zullen echter de ledematen veel te lijden hebben en zal
het paard, wanneer het veel in den gebroken draf gaat, hetzij bij
het harddraven, hetzij in een gewoon tempo van draf, spoedig
en vóór den tijd versleten zijn.
Lenoble du Teil heeft berekend, dat bij harddraven, met
een snelheid van circa 12 M. in de seconde, elk been ongeveer
,\',}„ seconde steunt; verder dat, zoo de draf hierbij gebroken wordt
en de beenen dus telkens elk afzonderlijk het lichaam dragen,
de duur van deze ondersteuning slechts J/s bedraagt van het ge-
heele steunen van het been of !, X iVo seconde.
Dit opvolgend neerzetten van een voor- en van een achter-
been, waartusschen slechts een tijdsverschil is van nog geen \'/„„
seconde, zal dus zoo goed als niet waarneembaar zijn voor
onze zintuigen. Het onregelmatige dat men dikwyls bij het
-ocr page 379-
353
harddraven opmerkt, zal dus hoogst waarschijnlijk een andere
oorzaak hebben en de beweging zijn, waaraan men den naam
geeft van saut de pie.
§ 142. Het doorslaan.
Tot nog toe zijn alleen die vormen van den draf besproken,
waarbij het paard het eene paar diagonale beenen op volkomen
dezelfde wijze gebruikt als het andere. Dit zal echter niet altijd
plaats hebben. Door het voortdurend blijven aanzetten van het
paard, wanneer dit den draf reeds heeft verbroken, kan de tijd-
duur tusschen de hoefslagen van een diagonaal beenenpaar grooter
worden; geschiedt dit nu bij één paar zeer sterk, dan zou het paard ,
aldus voortgaande, in galop vallen. Om dit te voorkomen, zal
het diagonale achterbeen plotseling worden bijgetrokken en snel
neergezet. Op deze wijze is weder de beenzetting van den draf
verkregen, doch het paard heeft daartoe van achteren een soort
sprong moeten maken; het heeft met het eene achterbeen een
korteren pas gemaakt dan met het andere, waarbij het kruis zich
op een eigenaardige wijze heeft bewogen. Deze sprong (ö-aut de pie)
wordt het bijspringen genoemd of het doorslaan, hoewel men de
laatste uitdrukking ook dikwijls gebruikt om aan te duiden, dat
het paard gedurende het harddraven eenige galopsprongen heeft
gemaakt in plaats van in draf te blijven.
Wellicht is de „saut de pie" niets anders dan een enkele pas
van den drieslag, die zoo aanstonds zal worden behandeld, maar
het oog kan, bij de groote snelheid van het harddraven, onmogelijk
de beweging van elk been afzonderlijk volgen, dus veel minder
nog hun onderling verband waarnemen. De photographie heeft
ons in dit opzicht nog geen licht gegeven.
§ 143. De drieslag.
De drieslag {Caicbin; der Dreischlag, (liegende Pass oder Küster-
galopp)
is een gebrekkige draf, die meestal, doch minder juist,
wordt aangeduid door te zeggen, dat het paard van voren galop-
peert en van achteren draaft. Dit is echter niet juist daar ón de
galop èn de draf gangen zijn die slechts door vier beenen kunnen
worden uitgevoerd. Het is daarom beter den drieslag een draf te
noemen, waarbij het synchronisme der hoefslagen van het eene paar
diagonale beenen is verbroken, doch bij het andere is blijven bestaan.
Heeft dit op zulk een wyze plaats, dat de hoefslag van de diago-
23
-ocr page 380-
354
nale beenen tusschen de lioefslagen van het achterbeen en van het
voorheen komt, dan ontstaat de galop. Wij kunnen derhalve den
drieslag beschouwen als een overgang tusschen den draf en den
galop, zooals deze ongeveer bij het in galop jagen plaats heeft.
Wanneer het paard den drieslag aanneemt, doch niet ten ge-
volge van kreupelheid, dan worden de beenen in deze volgorde
neergezet:
1°. rechter* (linker-) voorheen;
2°. linker- (rechter-) achterbeen;
3°. linker diagonaal paar beenen.
De tijd tusschen den eersten en den tweeden hoefslag is korter
dan die tusschen den tweeden en den derden.
Na het diagonaal paar beenen volgt nu weder als lste hoefslag
van een volgenden pas het rechter voorheen. Denkt men den eer-
sten hoefslag weg en beschouwt men den 2den, den 3den en den
l«ten van den volgenden pas, dan verkrijgt men de volgorde, waarin
de beenzetting van den drie-tempo-galop plaats heeft, zoodat met
recht kan worden gezegd, dat de drieslag den overgang vormt
tusschen den draf en den galop. Deze overgang, waarbij twee
passen als het ware in elkander vloeien, kan plaats hebben wanneer
er geen zwevingsmoment meer is. Heete paarden trachten dik-
wijls, tegen den wil van den ruiter, te galoppeeren of den drieslag
aan te nemen, terwijl werkelijk goede paarden, die door onbekwame
ruiters steeds met losse teugels in een overdreven sterk draftempo
zijn gereden, zich op het laatst den drieslag zoo eigen maken, dat
zij dien blijven gaan, indien hun nieuwe ruiters dit niet beletten;
hiertoe zijn dan dikwijls veel geduld en takt noodig.
Somtijds zal de berijder het paard in galop voorwaarts drijven
of de houding van het dier pogen te veranderen. In den hier be-
sproken drieslag wordt het voorheen van het diagonale paar steeds
het eerst neergezet. Wil men een heet paard, dat drieslag gaat,
deze slechte gewoonte afleeren, dan moet men het dikwijls in
galop doen aanspringen, en wel in den rechtschen galop, indien
het verband van het linker diagonale paar was verbroken, en in
den linkschen galop, wanneer het omgekeerde heeft plaatsgehad.
Enkele luie en slappe paarden zijn eveneens geneigd om den
drieslag aan te nemen.
Terwijl, zooals wij gezien hebben, de drieslag, waarbij het
voorheen eerst wordt neergezet, ook door goede en gezondepaar-
den kan worden gegaan, wordt vrij algemeen aangenomen, dat
wanneer deze gang ontstaat door een vervroegd neerkomen van
-ocr page 381-
35&
het diagonale achterbeen, dit een bewijs van kreupelheid is. Het
voorbeen vertraagt het neerzetten om daardoor de pijn te ver-
minderen.
De volgorde der hoefslagen bij het verbreken van het rechter
diagonaal paar beenen is nu
1°. links achter,
2°. rechts voor,
3°. linker diagonaal.
In geen geval kan uit deze volgorde, zelfs niet bij het in elkander
vloeien met den volgenden pas, ooit de galop ontstaan.
§ 144. DE VERKORTE VIERTEMPO-GAXOr.
De verkorte vier-tempo-galop (petit galop décousu en quatre temps)
is een loopende gang, die geheel verschillend is van den schoolgalop
en van den renloop. De beenzetting in den rechtschen galop is
als volgt:
1°. linker achterbeen,
2°. linker voorbeen,
3°. rechter achterbeen,
4°. rechter voorbeen.
De tweede hoefslag in den drie-tempo-galop, die van het linker
diagonaal paar beenen, verandert in een dubbelen slag; de samen-
werking van de diagonale beenen wordt opgeheven en de voorhoef
komt het eerst op den grond.
De diagonale basis is minder dan de bewegingsruimte; de
sprong is veel korter dan in den normalen galop, zelfs dikwijls
zoo kort, dat de hoefindruk van het achterbeen dien van het
laterale voorbeen niet bereikt.
De ondersteuning is als volgt:
1°. neerzetten van het linker achterbeen (unipedaal);
2°. neerzetten van het linker voorbeen (lateraal);
3°. neerzetten van het rechter achterbeen (tripedaal);
4°. neerzetten van het rechter voorbeen (quadrupedaal);
5°. oplichten van het linker achterbeen (tripedaal);
6°. oplichten van het linker voorbeen (lateraal);
7°. oplichten van het rechter achterbeen (unipedaal).
Daar er geen zwevingsmoment is, zal even vóór het oplichten
van het rechter voorbeen, het linker achterbeen worden neergezet,
waardoor de ondersteuning bij den overgang tusschen de beide
sprongen, of eigenlijk passen, een oogenblik diagonaal is.
-ocr page 382-
356
Deze galop wordt door manegepaarden gegaan, die veel en onder
allerlei leerlingen moeten galoppeeren, en ook door paarden, waar-
van het galoptempo door den ruiter met geweld is verkort, door
het aanwenden van overmatige teugelhulpen. Het is een hobbelende
beweging, waarbij het paard zich na den laatsten hoefslag niet
of zeer weinig van den grond verheft, en waarbij men veelal, bij
eiken sprong, een schokkende beweging van hals en hoofd van het
paard kan waarnemen.
Sommige schrijvers meenen dat, wanneer een paard in natuur-
lijken gang, doch verkort galoppeert, de beenzetting plaats heeft
als bij den zooeven beschreven galop, doch dat er na den vierden
hoefslag een zwevingsmoment volgt; door photographieën wordt dit
bevestigd. Wij deelen dat gevoelen niet en meenen dat de natuurlijke
galop in drie, en bij versnelling in vier tempo\'s wordt gegaan, op de
wijzen als bij die gangen is beschreven, en dat de photographieën
waarop deze beschouwing is gebaseerd, zijn genomen naar paarden
wier voorhand te zwaar was belast voor een verkorten galop. Het
achterbeen dat den eersten hoefslag aangeeft, wordt niet genoeg onder-
gebracht en het diagonale voorbeen haast zich om neer te komen,
ten einde den last te steunen; vandaar verbreking van het samen-
gaan der diagonale beenen. Bovendien is een korte galop nimmer
een natuurlijke gang; het nog ongereden paard beweegt zich in
vrijheid óf in een normalen of in een snelleren galop, en verkort
het tempo alleen bij de overgangen.
Heeft de photographie ons reeds groote diensten bewezen, wat
betreft de beenzetting in de verschillende gangen, toch blijft er op
dit punt nog veel te onderzoeken over. Alleen de opvolgende
standen van goedgaande paarden zijn hiervoor echter van nut,
vooral wanneer men de verkorte gangen nauwkeuriger wenscht
na te gaan. Omtrent de beenzetting in de normale gangen be-
staat thans geen twijfel meer, deze kunnen als waar worden
aangenomen; alleen onderdeden er van zouden nog eenige con-
tröle noodig hebben, doch wat de kortere en de gebrekkige gangen
aangaat, hier ligt nog een ruim veld voor nader onderzoek open.
§ 145. De ovekkruisciie galop.
De overlcruische galop ontstaat doordien de voorbeenen en de
achterbeenen respectievelijk de beenzetting van een verschillenden
galop aannemen. Beweegt het paard zich dus met de voorbeenen
als bij den rechtschen galop, dan bewegen zich de achterbeenen
-ocr page 383-
357
als bij den linkschen. Is het in de rijbaan of maakt liet een
wending, dan kan het vóór verkeerd galoppeeren en achter goed
zijn, of wel omgekeerd. Het laatste is weinig gevaarlijk, doch
geschiedt het eerste en is de gang hierbij snel, dan bestaat er
veel kans, dat het paard zal vallen.
Terwijl in den gewonen galop de beenen van een diagonaal
paar gelijk worden opgelicht en eveneens neergezet, heeft dit-
zelfde nu plaats bij een lateraal paar beenen.
Wanneer het paard in een cirkel gaat, die te klein is voor
het tempo waarin het zich beweegt, of als het wendingen maakt,
die voor dat tempo te kort zijn, dan zal het van achteren ver-
springen; wendde het dus in den rechtschen galop rechts, dan
galoppeert het nu van achteren links en komt het linker lateraal
paar beenen gelijk neer. Hierbij doet dit dan denzelfden dienst als
de verhoogde buitenrail bij een wending op een tramlijn.
§ 146. Gebreken der gangen.
Wij zullen hier de gebreken bespreken, die in liet algemeen
bij alle gangen kunnen voorkomen, al vallen zij bij enkele bewe-
gingen ook meer in het oog dan bij andere.
Aan de voorbeenen alleen neemt men de volgende waar:
1°. Onvoldoend oplichten (raser Ie tapis; daisy-cutting). Men ziet
dit bij paarden, die stijf in de schouders, versleten of vermoeid
zijn of ook bij veulens, die nog niet voldoende zijn geoefend. Het
dier loopt daardoor gevaar op ongelijken bodem aan te stooten en
te vallen. Voornamelijk in stap, draf, overijlden stap, telgang
en gebroken telgang lichten de paarden de voorbeenen onvol-
doende op. Een dergelijke stap noemt men laag of sleepend
(et/j niedi-iger, schleichender oder Katzenschriti).
De meeste volbloed paarden bewegen zich bijna uitsluitend in
galop en stap, en daarbij hoofdzakelijk op een eflen bodem; hier-
door schijnt bij hen de neiging te ontstaan tot een onvoldoend
oplichten der beenen. Ook bij sommige goede jachtpaarden doet
zich dit verschijnsel voor. Vele van de beste hunters hebben wei-
nig drafactie en zijn in dien gang, zelfs op gelijken weg, niet
betrouwbaar; toch bewegen zich die paarden in galop met zeker-
heid over het moeielijkste terrein, springen over groote hindernis*
sen, komen daarbij dikwijls op een zeer ongunstigen bodem neder
en missen bij dit alles geen enkelen keer een been.
-ocr page 384-
358
2°. Te hooge kniebeweijinj (trousser). Wij verwijzen hieromtrent
naar hetgeen besproken is bij den steppenden draf. De Franschen
maken een onderscheid tusschen trousser en stepper en verstaan
dan onder het eerste een sterke buiging in de handwortels met
weinig schouderactie, zoodat het paard z.g. op de plaats draaft
(trotte sur place);
onder het laatste echter, wanneer de kniebuiging
iets minder sterk, doch de schouderwerking krachtig is, zoodat
het geheele voorheen zooveel mogelijk wordt gestrekt en daarbij
de romp met snelheid door de achterhand wordt voortgedreven.
Ofschoon in het Nederlandsch geen verschillende namen voor deze
beide gangen bestaan, maakt toch iedereen deze onderscheiding,
doch om licht te bevroeden redenen wordt op de markt een gang
dikwijls onverdiend steppend genoemd.
In het water loopende paarden lichten, evenals blinde, hun
beenen niet zelden hoog op, terwijl het zooeven besproken ge-
brek van onvoldoend oplichten der beenen, dikwijls, doch slechts
tijdelijk wordt verholpen door het paard in diep of zwaar zand
te doen rijden ot monsteren, hetgeen reeds menig niet-kenner
heeft bedrogen.
Intusschen heeft ook het te hoog oplichten der beenen een
groot nadeel, daar er steeds verlies van arbeidsvermogen mede
gepaard gaat.
3°. Stijve schouders. Het paard maakt dan korte passen, omdat
de schouders zich door een of andere oorzaak niet vrij kunnen
bewegen (zie § 85). Dikwijls is de oorzaak echter niet in de
schouders gelegen, doch maakt het paard korte passen door pijn
in de hoeven of op andere plaatsen der beenen. Vooral hoef-
aandoeningen worden dikwijls met schouderstijfheid verwisseld.
Het kan echter ook gebeuren, dat paarden in alle opzichten
uitstekend gebouwd, z.g. een schilderij (cheval tableau) z\\}n, daarbij
een volkomen gezondheid bezitten en toch geen schoudervrijheid
hebben. In enkele gevallen, bijv. bij jonge paarden, wordt dit
veroorzaakt door onvoldoende oefening, in andere echter door
gebrek aan spierkracht en temperament (chevaux froids).
4°. Het kruisen, waarbij de hoeven vóór of zelfs over elkander
worden geplaatst (zie § 83). Hierdoor kan het paard zich strijken
of zelfs vallen. Jonge paarden, die veel en uitsluitend voor den
ploeg loopen, nemen door het gaan in de voor wel eens de ge-
woonte aan van te kruisen, terwijl ook hengsten, die aan de
hand worden gemonsterd, dit bij het stappen dikwijls doen; deze
zijn dan gewoonlijk te druk om regelmatig te gaan, bewegen zich
-ocr page 385-
359
met een dansentlen pas en zetten liet eene been vóór het andere,
ofschoon zij rustig stappende, dit niet zouden doen.
Enkel aan de achterbeenen onderscheidt men:
1°. Den luuietred of de hanespat (Ie harper ou Vc\'parvin sec; der
Hahnentritt oder Zuck/uss; the stringhalt).
Deze kenmerkt zich door
een plotseling, stootend buigen van het knie- en spronggewricht,
soms zoodanig, dat de voorvlakte van den kogel bijna den buik
aanraakt. Men neemt dit nu aan één, dan aan beide beenen
waar; in dit laatste geval is de gang in den beginne zeer zon-
derling, vooral als het in hoogen graad voorkomt.
Een paard met hanetred vertoont in rust niets bijzonders;
alleen in beweging, en voornamelijk in stap, ontdekt men dit
gebrek. Het sterkst ziet men den hanetred na voorafgegane rust;
als het paard eenigen tijd geloopen heeft, is hij gewoonlijk ver-
minderd, soms zelfs nagenoeg, zeer zelden geheel verdwenen. In
den regel neemt het gebrek met den leeftijd allengs toe. Sommige
paarden arbeiden jaren lang hiermede, zonder merkbaar nadeel,
andere daarentegen zijn spoedig vermoeid en dus niet volhardend.
Het komt meer voor bij edele paarden dan bij gemeene rassen;
meer ook bij sabelbeenigheid dan bij rechte spronggewrichten.
Sommige paarden, die met dit gebrek zijn behept, bewegen
het been gedurende één of meer passen op de gewone wijze, om
het daarna weder krampachtig op te trekken; een paard kan dus
aan één of aan beide beenen hanespat hebben, zonder dat deze
voortdurend de bewuste krampachtige beweging vertoonen. Ook
doet zich een enkele maal het verschijnsel voor, dat de kramp-
achtige beweging nu heviger dan minder hevig is, m. a. w. dat
het gebrek den eenen tijd sterker is dan den anderen.
Om te ontdekken of een paard aan een geringen graad van
hanetred lijdende is, kan een kort omdraaien of een snel terug-
zetten, en bij een gereden paard het plotseling halt houden uit
een snellen gang van groot nut zijn.
De oorzaken schijnen velerlei te kunnen zijn; meestal blijven ze
ons onbekend. Daaraan kan te gronde liggen een verkorting der
spierscheeden, voornamelijk aan de voorvlakte van den schenkel en
het spronggewricht. Bij spatkreupelheid neemt men ook een meer
of minder hanetred achtige beweging waar.
In enkele gevallen is op operatieven weg genezing verkregen.
2°. Draaien in de hakken. Hieromtrent zij verwezen naar § 109.
Het aanbrengen van een kalkoen aan den buitentak der achter-
ijzers zal liet binnenwaarts draaien van den hoef aan zijn toon-
-ocr page 386-
:?60
gedeelte eenigszins kunnen beletten; dit wordt daarom wel tegen
liet draaien in de hakken toegepast.
Bij het maken van wendingen en op zachten bodem zal dit
gebrek zich het sterkst openbaren.
Als gevolg van verstoorde harmonie in de beweging der lede-
maten kunnen in de ijzers klappen en vangen ontstaan.
Door namelijk niet tijdig genoeg de voorbeenen op te heffen, of
soms ook door te vroeg en te ver naar voren neerzetten der ach-
terhoeven, klappen de paarden in de ijzers (zie §90, §93 en §110
en Boek IV, Hoofdstuk 4.) Niet alleen is dit een onaangenaam
geluid, doch de paarden kunnen zich ook licht vangen en daardoor
vallen.
De oorzaken hiervan kunnen veelvuldig zijn, als zwakte, ver-
moeienis, versleten zijn, onder zich staan van voren, te sterk
doortreden in de voorkogels, onevenredig groote lengte der achter-
beenen, kortheid van het paard in vergelijking met zijn hoogte,
zeer lange rug en lenden, enz.
Men neemt het zelden anders dan in draf waar.
Het komt wel voor dat sommige dezer oorzaken kunnen worden
weggenomen. Zoo zullen jonge paarden, die met te veel gewicht
op de voorhand loopen, bij den aanvang der dressuur dikwijls in
de ijzers klappen, vooral indien het draf-tempo eenigszins wordt
uitgestrekt. Oordeelkundige dressuur, krachtige voeding en veel
beweging doen het gebrek veelal in korten tijd verdwijnen; bij
oudere of reeds versleten paarden zal dit echter niet het geval zijn.
Als gebreken, die afzonderlijk of gelijktijdig aan de voor- of
achterband voorkomen, onderscheidt men:
1°. Het waggelen {Ie bercement ou Ie beroer; das Schwanken). Dit
openbaart zich voornamelijk in stap en in draf.
Het paard kan van voren of van achteren of ook over het
geheele lichaam een waggelenden gang hebben. Hoe sterker dit
het geval is, des te minder is het dier voor snelle gangen geschikt.
Dit gebrek kan ontstaan door weekheid en zwakte, doch is in
het bij zonder eigen aan paarden met groote breedte der borst,
van het kruis en van het steunvlak. Het komt ook voor bij boven-
matige vetheid.
Sommige paarden waggelen alleen in stap of korten draf, doch
vertoonen niets abnormaals, wanneer hun gang sneller wordt.
In galop vindt het nooit plaats door de groote snelheid, de geringe
zijdelingsche verplaatsingen van het zwaartepunt en de weinige
breedte van het steunvlak.
-ocr page 387-
:m
Het waggelen van voren doet zich nog wel eens voor bij drie-
jarige volbloed* en halfbloedpaarden. Daar de oorzaak hiervan
gewoonlijk gelegen is in te weinig ontwikkelde schouders, evenals
bij veulens, herstelt zich dit gebrek meestal op vier- a vijfjarigen
leeftijd.
2°. De kruiszwalte of het lendenlam zijn {effort de reins, tour
de reins, tour de bateau
, entorse dorso-lombaire; Kreuzlahnuiuj oder
Kreuzschwache).
Dit is het verschijnsel van verschillende aan-
doeningen in de lendenstreek, als: verstuiking, verscheuring en
rekking van spieren en banden, ziekte van het ruggemerg, enz. en
geeft zich te kennen door een meer of minder waggelenden gang
van de achterband, voornamelijk bij het wenden en het achteruit-
zetten (zie § 93). Het ontstaat door bovenmatigen arbeid, zwaar
trekken, het gebruik van te jonge paarden onder den ruiter, het
dekken van te jonge hengsten, sterk achteruitglijden of slaan, het
geraken onder latierboomen, door schimmel\' en andere vergiftiging ,
bij sommige ziekten, als: influenza, enz.
Een paard dat lendenlam of z.g. zwak in zijn kruis is, kan
moeielijk rechtuit teruggaan, terwijl ook bij kort omdraaien een
waggelende beweging van het achterstel valt waar te nemen,
waarbij het den schijn heeft alsof het paard niet geheel meester is
over zijn achterhand. Het kan in verschillende graden voorkomen,
van een nauwelijks waarneembare zwakte in het achterstel tot
volkomen verlamming.
Aan elk der vier beenen kan men waarnemen :
1°. Het maaien (zie §§82, 85, enz.) Daarbij worden de onder-
einden der beenen bij de beweging buitenwaarts geworpen. Dit
gaat öf van den handwortel öf van den kogel uit; evenwel kunnen
de paarden ook van achteren maaien, al valt dit minder duidelijk
in het oog. Men treft het aan bij den Fransehen en toontreders-
stand en dikwijls ook bij groote, platte hoeven; in enkele gevallen
is het ontstaan doordat paarden lang in de weide hebben geloopen,
z. g. met een blok aan het been. In stap en draf ziet men het
maaien het duidelijkst.
Het staat leelijk en doet veel kracht verspillen, zoodat zulke
paarden spoediger vermoeid zullen zijn. Het zal het minst scha-
den, indien het alleen van den kogel uitgaat en het overige van
het been er niet aan deelneemt, er dus geen kalverknieën bestaan.
2°. Het strijken (zie §§ 83, 89 en 90). Men zegt dit van een
paard, indien de hoef van een opgelicht been met eenig gedeelte
van het daarnaast steunende been in aanraking komt. Daardoor
-ocr page 388-
362
kunnen van den handwortel, resp. liet spronggewricht, tot den hoef
kneuzingen en verwondingen in verschillenden graad ontstaan.
Men ziet het meer aan de achter- dan aan de voorbeenen.
Omtrent de oorzaken en de beoordeeling van dit gebrek zij
verwezen naar bovengenoemde §§, doch vooral naar Boek IV,
Hoofdstuk 4
3". Het kreupel loopen (zie §§ 85 en 107). Men geeft den naam
kreupelheid aan een onregelmatigheid in den gang, veroorzaakt
door ongelijke of gebrekkige werking van een of meer beenen.
Deze onregelmatigheid moet altijd worden beschouwd als het
verschijnsel eener plaatselijke of algemeene aandoening. In zoo-
danig geval veroorzaakt het zieke been een minder sterken hoef-
slag en steunt het korter op den bodem dan het gezonde.
Naar den graad der kreupelheid gebruikt men verschillende
benamingen: zoo zegt men, dat het paard mijdt (Ie chéval feint),
indien zij zeer gering is; dat het kreupel loopt (boite), als de
kreupelheid zeer duidelijk is, en dat het op drie beenen springt (boite
a trois membres; springlahn ist)
, wanneer het zieke been niet meer
tot steun dient.
De zitplaats eener kreupelheid is zeer verschillend; niet altijd
is de naaste oorzaak daarvan in de ledematen gelegen.
Zij kan aan een of meer beenen voorkomen; aan één been kan
de kreupelheid op een of meer plaatsen gezeteld zijn, zoo bijv.
kan te gelijk een aandoening in den hoef en in eenig daarboven
gelegen gedeelte van het been bestaan.
Ten einde de kreupelheden te onderkennen, moet men onder-
zoeken : 1°. aan welk been het paard kreupel loopt; 2°. de zit-
plaats der kreupelheid en 3°. den aard hiervan. Voor het exterieur
is alleen het eerste punt van belang; het bepalen van de zitplaats
en den aard der kreupelheid behoort tot den werkkring van den
veearts.
Om na te gaan aan welk been een paard kreupel loopt, moet
men het onderzoeken in rust, in stap en in draf, of aan de hand
of onder den man, soms ook ingespannen of op verschillende
wijzen na elkander.
«. In rust beschouwt men den stand van het paard; men zal
dan kunnen waarnemen, dat een been naar voren of naar ter
zijde is geplaatst, dat alleen de toon van den hoef op den grond
komt of het paard voornamelijk op de ballen van een of meer
hoeven rust, dat één been bijna voortdurend opgelicht is of dat
het telkens opgelicht en weer neergezet wordt, enz.
-ocr page 389-
363
b. In beweging, meestal eerst in stap en daarna in draf, laat
men het paard vrij aan den teugel loopen, zoodat de geleider het
hoofd niet ondersteunt. Men plaatst zich zoodanig, dat men het
paard beurtelings van voren, van achteren en van ter zijde kan
beschouwen.
Gewoonlijk bemerkt men de kreupelheid duidelijker in draf dan
in stap, niet alleen door de groote onregelmatigheid in de be-
weging, maar ook (als het paard op een harden bodem wordt
gemonsterd) door de sterkere ongelijkheid der hoefslagen.
Nadat men het paard eerst in een rechte lijn heeft laten draven ,
kan het nuttig zijn het in een kring te laten loopen, ten einde
één lateraal beenenpaar sterker te belasten en de wendingen hier-
mede te verkorten.
c De keuze van het terrein dient ook in aanmerking te wor-
den genomen. Soms schijnt een paard rad (droit) op het zand,
terwijl het op de steenen kreupel loopt. In andere gevallen neemt
de kreupelheid toe, wanneer de hoeven diep in den bodem zakken
en het paard dus tot grooter spierinspanning wordt gedwongen,
bijv. bij het monsteren in mul zand, op omgeploegd bouwland, enz.
Indien het paard van voren kreupel is, bijv. links, dan zal het
op het linker voorheen korter steunen dan op het rechter en is
de hoefslag van eerstgenoemd been zachter; bovendien zal het
hoofd telkens opgelicht en naar rechts gekeerd worden, als het
linker been op den grond komt, ten einde dit zieke been te ver-
lichten en den stoot daarvan te verminderen.
Wat het gezonde been aangaat, dit maakt korter passen, steunt
langer op den grond, waarbij het hoofd dan gezakt is en doet
een sterken hoefslag hooren.
Als een paard van achteren kreupel is, zal evenzoo de hoefslag
van liet zieke been minder sterk, het steunen korter, doch de pas
meestal kleiner zijn dan van het gezonde been. Het kruis gaat öf
in de hoogte öf in de laagte, als het zieke been op den grond komt;
dit hangt van de zitplaats der kreupelheid af. Is bijv. door eenige
oorzaak het strekken van het achterbeen belemmerd, dan zal de
heup aan de zieke zijde laag worden gehouden; hoog daarentegen,
als het paard het been zooveel mogelijk gestrekt houdt, bijv. als
het op den toon van den hoef moet loopen.
Het kreupel loopen van voren oefent ook op de beweging der
achterbeenen invloed uit en omgekeerd. Indien bijv. een paard
rechts van voren kreupel is, zal in draf het linker achterbeen den
tijd van steunen moeten verkorten, om dezen in overeenstemming
-ocr page 390-
364
te brengen met het diagonale voorbeen; daardoor zal liet kruis
aan de rechter zijde iets moeten zakken. Men zal dus hierbij zien,
dat hoofd en kruis zich gelijktijdig verheffen bij het steunen van
het rechter diagonale beenenpaar. Wanneer een paard echter
rechts van achteren kreupel is, dan zullen hoofd en kruis zakken
op het oogenblik van het steunen van het rechter diagonale bee-
nenpaar, daarentegen rijzen (althans meestal, wat het kruis betreft),
als het linker diagonale beenenpaar op den grond komt.
Dooi- deze overkruis veranderde beweging ontstaan dikwijls ver-
gissingen in de onderkenning; het gebeurt echter meer, dat een
kreupelheid van achteren voor een kreupelheid aan een voorbeen
wordt gehouden dan omgekeerd, daar de beweging met het hoofd
in het eerste geval meer in het oog valt dan die van het kruis
bij een kreupelheid van voren.
Soms is de onderkenning der kreupelheid zoo moeielijk, dat een
herhaald onderzoek noodig wordt; bij voorkeur geschiede dit in
korte gangen en lette men er nauwkeurig op welk been steunt,
zoodra het hoofd wordt opgelicht. Daar een geringe mate van
kreupelheid, in een sterk draftempo niet zal worden bespeurd,
vooral niet wanneer het hoofd van het paard wordt vastgehouden
en met de hand opgeduwd als het omlaag zou gaan, moet men
eischen, dat het dier in een kort draf je aan een lossen teugel
wordt gemonsterd. Helt het terrein, dan moet men het paard van
de helling af naar zich toe laten komen, de voorbeenen worden
dan zwaarder belast en teekenen eerder een lichte kreupelheid.
Ten onrechte hoort men wel eens beweren, dat het paard
kreupel is aan de zijde, waarop het neervalt; na het voorafgaande
behoeft dit geen wederlegging.
Een paard kan echter ook aan twee beenen kreupel loopen, bijv.
aan de beide voor- of achterbeenen, aan een diagonaal of lateraal
beenenpaar.
In het eerste geval zal de beweging van voren of van achteren
zeer gebrekkig zijn, terwijl resp. de achter- of voorbeenen zich
normaal bewegen of zelfs trachten het zieke beenenpaar te ont-
lasten.
Wanneer een paard overkruis kreupel is, dan zal de voort-
beweging moeielijk en dus de kreupelheid hevig zijn. Indien het
bijv. rechts van voren en links van achteren kreupel is, dan zal
bij het neerzetten van dit beenenpaar in draf het hoofd en ge-
woonlijk ook het kruis in de hoogte gaan, terwijl deze bij liet
steunen van den linker diagonaal zullen dalen. Onder zulke om-
-ocr page 391-
365
standigheden is het goed zijn aandacht achtereenvolgens aan de
voor- en aan de achterbeenen te wijden.
De voortbeweging wordt nog gebrekkiger, indien een lateraal
beenenpaar lijdende is. Het paard kan dan moeielijk rechtuit-
loopen; als het bijv. links kreupel is, zal het zwaartepunt, zooveel
mogelijk, naar rechts verplaatst worden en daardoor het dier naar
deze zijde worden gedrongen.
Eindelijk kan het paard aan drie of alle vier beenen kreupel zijn.
De onregelmatige gang valt dan genoegzaam in het oog.
Een kreupelheid kan pas ontstaan (boiterie récente) of reeds oud
(boiterie chronique) zijn, hetgeen voor de beoordeeling van belang is.
Zij kan verder aanhoudend (boiterie continue) of tusschenpoozend
(boiterie intermittenté) zijn. De laatste openbaart zich slechts onder
bijzondere omstandigheden: nu, wanneer het paard pas uit den
stal komt (afroid), dan, als het zich eenigen tijd heeft bewogen,
z. g. warm gereden is (« chaud). Het is daarom bij het onderzoek
van een paard aan te bevelen dit terstond als het uit den stal
komt een paar passen te laten draven; voorts het na het rijden
terstond op te zetten, om het zoo mogelijk een a twee uur later
andermaal van den stal te halen en te laten draven. Op die wijze
kan men zich, in verband met de vorige §§, het best overtuigen
van een verouderde kreupelheid, van stijve schouders, enz.
Soms tracht men paarden met een verouderde kreupelheid te
verkoopen door het zieke been te verwonden en den kooper in
den waan te brengen, dat deze licht geneesl\'yke verwonding de
oorzaak der kreupelheid is.
HOOFDSTUK IV.
DE KLEUREN EN AFTEEKENINGEN.
I. DE KLEUREN.
§ 147. De haren.
De haren worden onderscheiden in delcharen, beschuttende haren
en tast- of voelhoren (zie § 44).
De delcharen zijn over het geheele lichaam verbreid en met
weinige uitzonderingen van voren en boven naar achteren en
-ocr page 392-
OOD
beneden gericht, zoodanig, dat zij de huid , vooral ook bij bewe-
ging, tegen weer en wind beschutten. Zij zijn het langst en
staan het dichtst op plaatsen, die het meest aan weersinvloeden
zijn blootgesteld, bijv. aan den hals, den rug, het kruis en de
uitwendige vlakte der beenen; korter en meer verspreid in de
keelgang, onder den buik, nabij de geslachtsdeelen, kortom op
plaatsen, die meer beschut zijn. Evenwel zijn ook de dekharen
om de oogen en aan den neus kort en ver van elkander gelegen.
De lengte, dikte en glans der haren verschillen naar het ras,
het geslacht, de gezondheid, de verpleging, het jaargetijde en
het klimaat.
Edele rassen hebben korte, fijne dekharen en zijn aan de
oogen, lippen en geslachtsdeelen bijna geheel kaal. Daarbij heb-
ben zij een dunne huid, welke de huidaderen doet doorschijnen.
Daarentegen zijn de koudbloedige rassen van lange, grove, dicht-
staande dekharen voorzien, welke als slechte warmtegeleiders de
uitstraling der dierlijke warmte belemmeren.
Merriën hebben gewoonlijk fijner haar dan hengsten; bij deze
is echter de kleur bestendiger en de glans der haren grooter dan
bij de eerste. De gitzwarte kleur treft men meer bij hengsten
dan bij merriën aan.
De gezondheidstoestand is van overwegenden invloed op den
glans en de overige gesteldheid der dekharen. In ziekelijken toe-
stand zijn deze dof, of zooals men zegt, dor en staan overeind,
terwijl de huid vastligt, d. w. z. niet gemakkelijk over de onder-
liggende spieren verschuifbaar is. Bij koorts of ook na een
kouden dronk water ziet men de haren overeindstaan; er bevindt
zich dan tusschen deze een rustende, warme luchtlaag, die de
warmte slecht geleidt en dus in dit geval haar afgifte beperkt.
Hetzelfde neemt men evenwel ook waar bij inwerking van sterken
zonneschijn; de slecht geleidende laag belemmert dan het indrin-
gen der zonnewarmte.
De verpleging, waaronder men voeding, stalling, poetsen, enz.
te verstaan heeft, spiegelt zich evenzoo in het voorkomen der
dekharen af. Goed gevoede, gepoetste en op stal warm gehouden
paarden hebben gewoonlijk korte, fijne, glanzende dekharen.
Van groot belang is het jaargetijde en de daarmede gepaard
gaande haarwisseling {mue; Haarivechsel). In het voorjaar,
wanneer het weder zacht wordt, verliest het paard zijn winter-
haren en krijgt daarvoor de kortere, fijnere en glanzende
zomerharen in de plaats. In het najaar daarentegen ontwikkelt
-ocr page 393-
3G7
zich op de huid, voornamelijk bij koud gehouden en slecht ge-
voede paarden, een wollig onderhaar en de lange bovenharen
beginnen sterk te groeien. Op dit verharen oefenen gezondheid,
verpleging en leeftijd een grooten invloed uit. Zieke, slecht ver-
zorgde en oude paarden verharen meestal niet op den gewonen
tijd. Veulens verharen gewoonlijk zoodra zij gespeend, d. i. van
de moedermelk ontwend worden; de lange, donzige veulenharen
vallen dan uit en daarmede verandert de kleur dikwijls belangrijk.
Deze wijzigt zich trouwens ook bij elke haarwisseling van volwassen
paarden; schimmels zijn in den winter doorgaans lichter, bruinen,
vossen en zwarten gewoonlijk valer dan in den zomer. Evenwel
kan ook het omgekeerde voorkomen; een vaalzwart paard bijv.,
dat \'s zomers in de weide geloopen heeft, wordt \'s winters in een
warmen stal kool- of zelfs gitzwart.
Het verharen brengt niet zelden wijziging in den algemeenen
gezondheidstoestand teweeg; zoo kan men in het najaar zuchtige
zwellingen der achterbeenen, gestoorden eetlust, loomheid, enz.,
in het voorjaar echter een groote gevoeligheid voor koude en meer
eetlust opmerken.
De invloed van het klimaat op de dekharen valt ten deele met
het ras, ten deele met het jaargetijde samen. Deze kan door ver-
pleging zeer worden verminderd. In warme stallen, onder dekens
gehouden en goed gevoede paarden hebben ook bij ons in den
winter zomerharen; dat zulke dieren echter niet gehard zijn tegen
allerlei weersgesteldheid, is duidelijk.
Op enkele plaatsen bezitten de dekharen een andere richting
dan de boven aangegevene en vormen zij z. g. haarwervels (epis;
Wirbel).
Men onderscheidt deze wel in eigenlijken kaarwervel, koren-
aar
en Bomeinschen degen en verstaat dan onder den eersten een
cirkelvormige plek, waar de haren gewoonlijk van het middelpunt
naar buiten gericht zijn; deze komt steeds op het midden van het
voorhoofd, doch ook wel op andere plaatsen voor. Bij de korenaar
zijn de haren van een meer of minder lange streep naar buiten
gekeerd, evenals dit met de bloempakjes van een aar het geval is.
Deze ziet men op plaatsen waar de huid plooien vormt, zooals
aan de voorborst, de flanken, liezen, enz. De Ro/neinsche degen
onderscheidt zich daardoor van de vorige, dat de haren over een
meer of minder groote lijn naar elkander gekeerd zijn en elkander
als degens overkruisen. Aan de zijvlakten van den hals (langs den
kam en nabij den voorrand) en aan den keelrand treft men dit
dikwijls aan.
-ocr page 394-
368
De beschuttende haren zijn langer dan de dekharen; daartoe
behooren: de staartharen, de maan- en maantopharen, devetlok,
de neus-, oor- en oogharen.
De staart-, maan- en maantopharen verschillen in lengte en dikte
belangrijk naar ras en geslacht van het paard. Hoe minder edel
het ras, des te dikker is elk haar en op des te breeder lijn zijn
de haren ingeplant. Bij warmbloedige paarden zijn zij dun, fijn,
zijdeachtig en minder weelderig. Hengsten hebben gewoonlijk
zwaarder manen en staarten dan merrièn.
Dezelfde invloeden doen zich ook gelden bij de vetlok of het
behang. Deze ontbreekt bij zeer edele paarden bijna volkomen of
bestaat slechts uit weinige haren, die de z g. spoor omgeven; bij
koudbloedige rassen is de vetlok zeer lang en dik en breidt zij zich
ver naar boven, aan de voorbeenen soms tot de knie uit. Deze
haren worden dikwijls verwijderd, ten einde den paarden een edeler
aanzien te geven.
De oorharen bekleeden de oorschelpen van binnen en kruisen
elkander in allerlei richtingen, waardoor stof, insecten, enz. niet
gemakkelyk naar binnen kunnen dringen. De neusharen omringen
de randen der neusgaten en doen evenzoo dienst als wachters
voor den neus. De oogharen zijn enkel aan den bovenooglidrand
ontwikkeld en beschutten het oog tegen uitwendige nadeelige
invloeden.
De tast- of voelharen zijn lange, borstelachtige, stijve, recht uit
de huid opstijgende haren, die in groote, door zenuwvezelen zeer
gevoelig gemaakte haarzakjes zitten. Zij staan als schildwachten
in den omtrek van mond, neus en oogen, om de nadering van
vreemde lichamen aan te geven. Zij mogen daarom ook niet
worden uitgetrokken of kort afgesneden.
Op enkele plaatsen der huid komen in plaats van haren, hoor-
nige deelen voor (zie bl. 100), als de zwilwratten aan de inwendige
vlakten der voorarmen en spronggewrichten en de sporen aan de
achtervlakten der kogels. Deze zijn, evenals de haren, bij edele
paarden zeer weinig ontwikkeld, bij koudbloedige rassen daaren-
tegen lang en dik. Bij zeer edele, Oostersche rassen zijn de
zwilwratten, voornamelijk aan de achterbeenen nauwelijks aan-
wezig, evenals dit met de kruisingsproducten tusschen paard en
ezel het geval is (zie §§ 8 en 9).
Somtijds kunnen de maan- en staartharen, vooial bij hengsten,
een buitengewone lengte bereiken. Men vindt zelfs opgegeven
van manen, die 5 M. en staartharen, die 6,8 M. lang waren.
-ocr page 395-
369
Knevel? op de bovenlip zijn niet zelden; dergelijke bosjes haren
treft men soms ook op de voorknieën en aan de punt der hiel aan.
Kroeshaar kan men in den winter dikwijls waarnemen bij
paarden die veel koude hebben geleden en slecht worden gevoed.
In zeldzame gevallen komen geheel kale paarden voor, terwijl
de huid er gezond uitziet. Men beweert, dat dit aangeboren kan
zijn. Dat de haren door huidziekte kunnen uitvallen, behoeft wel
geen uitvoerig betoog; toch ziet men dit zelden zoo sterk als bij
den mensch en den hond.
§ 148. De kleuren in het aluemeen en haar verdeelinq.
De kleur (la robe; die Fürbnng; the colour) of, zooals men ge-
woonl\'yk zegt, het haar is bij wild levende paarden enkel grauw-
bruin of muisvaal met een donkere streep over rug en schouders,
doch heeft door den huisdierstaat bij ons paard een groote ver-
scheidenheid gekregen.
Vroeger hechtte men aan de kleur meer waarde dan thans.
Voornamelijk in het Oosten had — en heeft zelfs nog — iedere
afteekening haar bijzondere beteekenis en verried elke kleur be-
paalde eigenschappen (\'); doch ook bij ons was in dit opzicht een
uitvoerige kleuren-leer ontstaan, waardoor men o. a. het tempe-
rament der paarden kon beoordeelen. De schimmels werden oudtijds
hooggeacht en bij de heidensche Germanen zelfs als heilig vereerd;
deze achting heeft zich in den nieuweren tijd staande gehouden,
zooals o. a. de historisch geworden schimmels van den ouden Frits
en Napoleon I bewijzen. In den nieuwsten tijd echter is hun roem
gaan tanen en hebben schimmels, althans zij, die allengs wit
worden of dit reeds zijn, over het geheel de minste handelswaarde.
Hieruit volgt reeds, dat ook heden de kleur niet volkomen
buiten beschouwing blijft, al beseft men beter de waarheid van
den regel, dat „elk goed paard een goede kleur heeft". In het
(1) De Javaan, de Arabier en de Chinees hechten veel aan de verschillende teeken»
hg het paard; daarnit leiden zij allerlei zaken af, niet alleen voor het dier, maar ook
voor den eigenaar. Voorspoed, geluk in zaken, gezondheid, succes op het oorlogaveld,
een lang of kort leven voor het paard, enz. meent men te kunnen bepalen naar de
aanwezigheid of afwezigheid en de bijzondere plaatsing van liaur wervels, korenaren,
lanssteek, enz. Het meest lekende slechte teeken in Indié is „klórüt", waaronder men
verstaat dat de haarwervel op het voorhoofd lager is geplaatst dan de lijn, die de
hinnenooghoeken verbindt; het m^est bekende goede teeken is: twee korenaren op de
lenden, aan weerszijden van de wervelkolom één, wat in het. Javnansch heet „sntrio
penajoengan."
24
-ocr page 396-
3%
algemeen heeft men donkere en enkelvoudige kleuren thans liever
dan lichte en bonte. Sommigen zien niet gaarne, dat de kleur
onder den buik en aan de beenen veel lichter is dan boven op
het lichaam; zij meenen, dat zulke paarden slap zijn, overeen-
komstig het Engelsche spreekwoord: waakt) in colour, wctshy in
constitution.
De kleur-schakeeringen zijn zoo talrijk, dat het soms zeer
moeielijk is daarvoor een juisten naam aan te geven; bovendien
is de kleur, zooals in de voorgaande § werd opgemerkt, van zoovele
omstandigheden afhankelijk, dat zij zelfs voor een bepaald dier
niet steeds gelijk is. Van grooten invloed is in dit opzicht de
leeftijd, vooral bij sommige schimmels, zooals dit later bij „het
veranderlijke schimmelhaar" zal worden nagegaan. Gemiddeld op
15-jarigen leeftijd komen bij donkere paarden de eerste witte haren
te voorschijn aan de oogbogen; deze vermenigvuldigen zich allengs
en breiden zich eindelijk zelfs over het geheele lichaam uit.
Men verdeelt de kleuren in:
A.    Effen of eenkleurig haar
B.    Gemengd of samengesteld-kleurig haar.
Tot het effen haar behooren: het bruine, het roode (vos), het
gele, het vale
, het zwarte en het witte haar (bij witgeboren schimmels).
Tot het gemengde haar: het stekelhaar, het onveranderlijke schimmel-
haar
, het veranderlijke schimmelhaar, het tijgerhaar en het bonte haar.
Nagenoeg bij elke kleur kan men öf over het geheele lichaam
verbreid öf op enkele plaatsen, als schouder enkruis, ronde vlek-
ken, z g. appels aantreffen, die aanduiden, dat het paard in goeden
voedingstoestand verkeert. Deze appels zijn gewoonlijk aan den
omtrek donkerder gekleurd dan in het midden en in hun geheel
öf donkerder dan de grondkleur, bijv. bij de appelschimmels (dappled
greys)
of lichter dan deze, bijv. bij geappelde bruinen (dappled bays).
A. EFFEN HAAR.
§ 149. Het bruine haar.
De dekharen zijn licht* of donkerbruin, ter wijl de manen, staart
en onderbeenen meestal zwart zijn; slechts zelden zijn deze laatste
bruin en dan komen ook in manen en staart dikwijls bruine haren
voor, waardoor deze vaalzwart worden. De huid en de hoeven
zijn donker. Aan de oogen, den mond, den neus en den buik
zijn de haren gewoonlijk lichter gekleurd.
-ocr page 397-
371
Soms is rle onderscheiding tusschen bruin en rood moeielijk;
in dit geval is de zwarte kleur van staart, manen en onderbeenen
of ook van den staart alleen, beslissend voor bruin. Bestaat er
twijfel of een paard bruin of zwart is, dan beslist de kleur van
neus en bovenlip. Een zwart paard bijv. met bruinen neus heet
bruin; heeft het dezelfde kleur met een zwarten neus, dan wordt
het zwart genoemd.
Bruine paarden komen thans het meest voor. Daarvan onder-
scheidt men, van de lichtere tot de donkere overgaande, de vol-
gende soorten:
1°. Lichtbruin of geelbruin (bai clair; hellbraun). De dekharen
zijn licht-, dikwijls geelachtig bruin; manen en staart zijn zwart
of, door vermenging met korte, bruine haren, vaalzwart; de
beenen zijn zelden zwart, meestal donkerbruin of geelachtig. Deze
kleur is weinig geliefd.
2°. Goudbruin (bai doré; goldbraun). Het dekhaar is licht- of
geelbruin met goudglans; manen, staart en onderbeenen zijn zuiver
zwart. Dit haar is zeer gezocht.
3°. lleebruin {bai de daim ou de cerf; rehbraim). De dekharen
zijn licht- of eenigszins donkerbruin; dit laatste voornamelijk aan
de bovenzijde van het lichaam, terwijl de omtrek van neus en
oogen en de buik veel lichter gekleurd, als door wasschen verbleekt
(lavê; washy) zijn. Zijn de lichtgekleurde neus en buik scherp
afgescheiden, dan noemt men deze wel reesnuit, resp. reebuik
(ventre de biche).
Manen, staart en onderbeenen zijn steeds zwart.
4°. Kersbruin (bai cerise). De kleur is licht bruinrood met
zwarte manen, staart en onderbeenen. De Duitschers verstaan
onder kirsch- oder iveichselbraun een meer donkerbruine kleur
met rood gekleurde lippen, neus, flanken en inwendige vlakten
der dijen.
5". Roodbruin (bai sanguin; rothbraun). De naam duidt de
kleur der dekharen aan; de fijn behaarde, meermalen genoemde
lichaamsdeelen zijn iets lichter gekleurd. Manen, staart en onder-
beenen zijn zwart.
6°. Kastanjebruin (bai chdtain; kastanienbraun). De dekharen
zijn eenigszins donkerbruin en op de minder behaarde huidplaatsen
geelachtig. De kleur komt met die van de rijpe kastanje overeen.
7°. Spiegelbruin of appelbruin (bai miroité; spiegelbraun). Deze
kleur onderscheidt zich van de vorige alleen door liet geappeld zijn.
Een kastanjebruin paard kan dus door goede voeding en verple-
ging spiegelbruin of appelbruin worden.
-ocr page 398-
3?2
8°. Donkerbruin (bai marron; dunkelkastanienbraun). Dit haar
verschilt van het kastanjebruine slechts door een nog donkerder
kleur.
9°. Zivartbruin (bai-brun; schioarzbraun). De dekharen zijn,
voornameliJK aan het bovengedeelte van het lichaam, bijna of zelfs
volkomen zwart; alleen lippen, neus, onderoogleden en flanken
vertoonen een lichtere, meer roodbruine of koperkleur. Boven het
bovenooglid ziet men gewoonlijk een kleine, lichte vlek. Meestal
heeft dit haar een sterken glans. Hebben lippen en neus een
fraaie koperkleur, dan duidt men het geheele haar aan door te
spreken van een kopersnuit (nez de renard; Kupfermaul).
Terwijl de overige bruine veulens meer of minder vaal- of
grauwbruin ter wereld komen, worden zwartbruinen, evenals
zwarten, muisvaal of vaalblauw geboren.
§ 150. Het uoode of voshaar.
De grondtoon van het voshaar is rood, doch de kleurschakee-
ringen zijn talrijk en grenzen deels aan het gele, deels aan het
bruine. Het kenmerkend onderscheid tusschen bruin en voshaar
bestaat daarin, dat bij het eerste manen, staart en meestal ook
de onderbeenen zwart zijn, terwijl deze bij een vos (a chestnut) of
van de kleur van het lichaam of lichter öf donkerder zijn. De
kleur der huid is grauw, die der hoeven meestal donker. Aftee-
keningen komen dikwijls voor. Het voshaar verandert door jaar-
getijde, voeding, verpleging, enz. nog meer dan ander haar; van
daar ook de groote verscheidenheid in vossen en de moeielykheid
om twee vossen te krijgen, die goed bij elkander spannen. Hel
is daardoor ook onmogelijk elk voorkomend geval een juisten naam
te geven; meestal echter zijn de vossen wel onder een der vol-
gende soorten te brengen.
1°. De lichte vos (alézan clair; Hellfuchs) heeft meer gele dan
roode dekharen; manen en staart hebben dezelfde kleur of zijn\'
lichter en geelachtig-wit.
2°. De klei\' of leemvos (al. commun; Lehmfuchs) is grauwgeel,
vuil leemkleurig; manen en staart nu dezelfde, dan een lichtere
of donkerder kleur.
3°. De goudvos (al. doré; Gold/uchs). De dekharen zijn goud-
geel met glans; manen, staart en beenen donkerrood. Deze kleur
is zeer gezocht.
4°. De roodvos (al. rouge ou cerisê; llolhfuchs) en
-ocr page 399-
373
5°. De koperuos (al. cuivre\'; Kupferfuchs) zijn alleen daardoor
onderscheiden, dat de eerste de kleur heeft van niet eenig goud
vermengd koper, terwijl de laatste op zuiver koper met een sterken
metaalglans gelijkt. Manen en staart hebben dezelfde kleur of\'
zijn iets donkerder.
C)°. De sabelvos (al. zibeline ou al. poil de marte; Zobelfuclis).
De dekharen zijn bruinrood met glans en in de flanken geelbruin,
dikwijls geappeld. Manen en staart zijn zwart grauw.
7°. De donkervos (al foneê; Dunkclfuchs) heeft donker bruin-
rood dekhaar; eenigszins in het grauwzwarte spelend; manen en
staart zijn vuilbruin of eenigermate grauw.
8°. De brand- of levervos (al bruid; Brand\' oder Leberfuchs)
komt met den donkervos overeen; de uiteinden der dekharen zijn
echter van lichte punten voorzien, die er als verzengd uitzien.
Manen en staart zijn donker, grauwbruin of grauw.
9°. De britin- of bronsvos (al. bronze\'; Braun- oder Broncefuchs)
heeft glanzend, geel roodbruin dekhaar met grauwen weerschijn
als het brons. Manen en staart zijn zwartgrauw of zwartbruin.
10°. De zweetvos (al. bronzé a crinière Manche, al. poil devache;
Schweissfuchs).
Het dekhaar is donker bruinrood, dikwijls geappeld
en glanzend; manen en staart zijn witgrauw of wit.
11°. De zwartvos (al. obscur; S\'Mivarzfuchs) is donkerder, meer
zwartachtig dan de zweetvos, terwijl de manen en staart evenzoo
wit of grauw zijn.
12°. De koolvos (al. charbonne\'; Kohlfuchs) heeft zwart roodbruin
dekhaar, donkere, bijna zwarte manen en staart met een rossigen
gloed, voornamelijk in het zonnelicht.
Vosveulens komen gewoonlijk met een geelroode, eenigszins
grauwachtige, nu lichtere dan donkerder kleur ter wereld; alleen
die veulens, welke later geheel donker zijn, bezitten ook bij hun
geboorte een eenigermate bruingrauwen of bruinzwarten toon.
§ 151. Hf.t gele of isabelhaar.
De gele paarden kunnen in twee soorten worden onderscheiden,
namelijk in die met een vleeschkleurige huid en in die met een donker-
grauwe huid.
Tot de eerste behooren de echte isabellen (die isabelfalben Pferdè).
Zij hebben behalve een vleeschkleurige huid gewoonlijk glasoogen
en lichte hoeven. De dekharen zijn lichtgeel; manen, staart en
onderbeenen geel of\' witachtig. Zelden hebben zij een zwarte
-ocr page 400-
374
streep, z.g. aalstreep (raie de mulet; Aalstrich) over den rug en
nog zeldzamer dergelijke strepen over de .schouders, die met de
eerste een kruis (raie doublé ou croisce) vormen.
De naam isabel voor deze kleur is afkomstig van Isabella,
dochter van Filips II van Spanje, die in 1G01 bij het beleg van
Ostende zwoer zich niet te zullen verschoonen vóór de stad ge-
vallen was; daar zij hierop ruim 3 jaar moest wachten, had haar
ondergoed deze gele kleur verkregen.
Men onderscheidt hiervan de volgende schakeeringen:
1°. De witte isabel (isabelle soupe de lait; Weiss-isabellè) met
geelwit, glanzend dekhaar en witte manen en staart.
2". De gewone isabel (is. commun gemeine Isabelle); licht geel
dekhaar, witte manen en staart.
3°. De zuivere isabel of gele isabel (is. café au lait; Gelbisabelle
oder Perljalbe).
De dekharen zijn lichtgeel, glanzend; de manen,
staart en onderbeenen donkerder geel.
4°. De goudisabel (is. doré; Goldisabelle); dekhaar goudgeel,
manen en staart wit, hoeven gewoonlijk donker, glasoogen zelden.
5°. De donkere isabel (is. fonaé; D unkelisabelle oder liothfalbe)
heeft iets donkerder dekhaar dan de vorige, meestal geappeld;
nianèn en staart zijn grauw.
Tot de tweede soort behooren de onechte isabellen, in Oost-Indië
valken genoemd (die gelbfalben Pferde). Deze ziet men het meest.
Zij hebben een grauwe huid, geelgrauw of geelbruin dekhaar,
een aalstreep, soms een kruis, verder zwartbruine of zwarte
manen, staart, onderbeenen en hoeven. Niet zelden zijn ook op
de bovenbeenen onduidelijke strepen aanwezig; men noemt de
beenen dan gevlamd.
Daarvan komen voor:
1°. Zilvergeel of zilverisabel (silberfalb); dekhaar witgeel, glan-
zend met een zilveren weerschijn.
2°. Stroogeel, roomgeel of roomisabel (semmelfalb); bleekgeel,
licht strookleurig dekhaar, zonder glans, geappeld, aalstreep,
onderbeenen, manen en staart zwart.
3°. lieekleurig-isabel (couleur poil de cerf; rehfalb). Deze is geel-
grauw, reekleurig met aalstreep, schouderstrepen, donkere onder-
beenen, manen en staart.
4°. Gewoon geel of isabel (louvet clair; gemeiner Falb); geelbruin
dekhaar, ook op het hoofd, onduidelijke aalstreep en schouder-
strepen , de beenen een weinig gevlamd, manen en staart donker-
grauw.
-ocr page 401-
375
5°. Donkergeel, leeiaven- of wolfsijeel (louvet foncc; dunkelfalb,
wol/s/\'alb uiler löwen/ïdb). liet dekhaar is bruingeel, glanzend,
dikwijls getippeld, aan hoofd en hals meer zwartbruin. Aalstreep,
Bchouderstrepen en gevlamde beenen meestal duidelijk; manen,
staart en onderbeenen zwart.
De echte isabellen komen vuilgeel ter wereld, de onechte
geelgrauw of geelbruin.
§ 152. Het muisvale baar.
De muisvale kleur is, zooals reeds vroeger werd opgemerkt,
eigen aan liet paard in wilden toestand; bij ons tamme paard
komt zij zelden voor. De dekharen zijn aschgrauw, muiskleurig.
Het hoofd is donker; zij hebben een aalstreep met kruis, ge-
vlamde beenen, zwarte onderbeenen en donkergrauwe manen en
staart. Men treft ze met en zonder glans aan. Naarmate deze
kleur lichter of donkerder is, onderscheidt men:
1°. Licht muisvaal (souris clair; heil mausefalb);
2°. Gewoon muisvaal (souris ordinaire; mittel mausefalb); en
3°. Donker muisvaal (souris foncé; dunkel mausefalb).
§ 153. Het zwarte haar.
In liet algemeen is het zwarte haar tegenwoordig zelden; bij
ons Friesche en z.g. Zwolsche paard is deze kleur echter gewoon.
Bij de zwarten (Happen) zijn alle haren zwart, de huid en de
hoeven donker. Het zwarte haar is zeer gevoelig voor de invloeden
van licht, voedsel, verpleging en leeftijd. Indien aldus gekleurde
paarden in de weide loopen of slecht gepoetst worden, zijn zij
meestal vaalzwart. Een goede, krachtige voeding en zorgvuldige
verpleging is noodig om de fraaie, zwarte kleur te behouden.
Merriën zijn gewoonlijk lichter zwart dan hengsten. Zwarte paarden
worden aan oogbogen, voorhoofd, enz. spoediger grijs dan anders
gekleurde. Men onderscheidt:
1°. Vaalzwart, licht- of\' zomerzwart (noir commun, clair ou mal
teint; Sommerrappe, llell- oder Licht-ltappe; blackish).
Het zwarte
haar heeft een rossigen gloed, die soms zoo sterk is, dat men
het met voshaar verwart. Dit rossige kan over het geheele lichaam
gelijkmatig, of aan neus, oogen, flanken, buik, enz. sterker ont-
wikkeld voorkomen.
Bü goede voeding en verblijf op stal, zoodat het licht minder
inwerkt, kan deze kleur in de volgende overgaan.
-ocr page 402-
376
2°. Koolzwart (noir franc; Kohlrappe). Dit is een zuiver zwarte
kleur, zonder glans, dikwijls geappeld.
3°. Git- of gloedzwart (iioir jais on jaïet; Glanzrappe ; jetblack).
Het haar is donkerzwart met fraaien metaalglans als van git.
Zwarte veulens komen muisvaal of vaalblauw ter wereld.
§ 154. Het witte haar.
Alle haren zijn zuiver wit, de huid is lichtrood en doorschijnend,
de hoeven zijn witgeel; meestal zijn glasoogen aanwezig, soms
echter ook donkerbruine oogen. De veulens komen niet, zooals
andere schimmels, donker, doch geelwit ter wereld; zij worden
daarom witgeboren schimmels genoemd.
Dit haar is zeldzaam; men treft het als afzonderlijk ras aan te
Herrenhausen in den stal van den vroegeren koning van Hanover,
terwijl het in Oost-Indië nog al eens wordt gezien onder de SandeU
woods. De witgeboren paarden worden atlas- of glansschimmels
genoemd, indien het haar glanzig is, daarentegen Jluweel- ofmelk-
schimmels,
als het dof is.
Zeer zelden hebben de witgeboren paarden roode oogen, evenals
men dit bij witte konijnen aantreft; zulke albino\'s of kakkerlakken zijn
voor schel licht uiterst gevoelig en dus minder goed bruikbaar.
B. GEMENGD HAAR.
§ 155.
Gemengd haar ontstaat door vermenging van donker haar met
grauw of wit. Naar den graad van bijmenging der grauwe of
witte haren, krijgt men verschillende schakeeringen en namen.
Soms ontstaan bij jonge paarden witte stippen of vlekjes (neigeures)
op verschillende plaatsen van het lichaam, die dikwijls in korten
tijd weder verdwijnen.
§ 156. Het stekelhaaiu
Slechts hier en daar komen onder het donkere haar witte haren
voor, zoodat de donkere verreweg de overhand hebben. Gewoonlijk
vindt men de witte haren het dichtst in de flanken en aan den
staartwortel; soms treft men ze ook in de manen aan. Met den
leeftijd neemt het aantal witte haren toe.
-ocr page 403-
377
Naar de kleur van het grondhaar onderscheidt men:
1°. Stekelbruin (bai rubican; Stichelbraun);
2°. Stekelvos (ale\'zan rubican; Stichel/uchs) ;
3°. Stekelzwart (noir rubican; Stichelrappe); en
4°. Stekelmuisvaal [souris rubican; Stichelfalb).
De veulens worden geboren met het haar van de donkere
grondkleur.
§ 157. Het onveranderlijk sciiimmelha.vr.
Indien de witte haren in grooter aantal aanwezig zijn, zoo,
dat zij de overhand krijgen en zich, met uitzondering van het
hoofd en de onderbeenen, over liet geheele lichaam verbreiden,
noemt men de aldus gekleurde paarden schimmels. Manen en staart
zijn gewoonlijk donker of bevatten slechts weinig witte haren, de
punt van den staart is en blijft steeds donker. Het kenmerkend
onderscheid tusschen deze en andere schimmelsoorten bestaat
daarin, dat de kleur gedurende het geheele leven niet verandert dan
alleen in zooverre, dat zij op hoogen leeftijd iets lichter wordt en
verder, dat zij nimmer geappeld is. Naar de grondkleur heeft men:
1°. Geelschitnmels {Gelbschimmel): geel grondhaar, met bijge-
mengde witte haren; manen, staart en onderbeenen donker of licht.
2°. Bruinschimmels {Braunscldmmet): bruin grondhaar, (hun bij
witte haren; hoofd bruin, doch manen, staart en onderbeenen zwart.
3°. lloodschimmels {des rouans ordinaires; Rothscldmmel; roans):
rood grondhaar, witte haren bijgemengd; hoofd, beenen, manen
en staart als bij vossen.
4°. Moorkoppen (caps de more; Mohrenschimmel): zwart grond-
haar, vermengd met witte haren; hoofd, beenen, manen en staart
zwart
De veulens worden donker geboren.
§ 158. Het veranderlijk sciiimmelhaar.
De paarden met dit haar onderscheiden zich van de vorige
daardoor, dat het witte haar ook aan het hoofd, de onderbeenen
en de punt van den staart voorkomt en dat zij, donker geboren,
eerst langzamerhand wit worden.
De lichte haren komen het eerst aan de oogbogen te voorschijn
en verbreiden zich van daar verder. Op den middelbaren leeftijd
worden deze schimmels gewoonlijk geappeld, in den ouderdom
-ocr page 404-
378
geheel wit en wel te eer, hoe lichter het haar in de jeugd is.
Van de wilgeboren schimmels onderscheiden zij zich door een
donkergekleurde huid en door donkere hoeven. Dit haar komt
dikwijls voor, zoowel bij het Arabische paard als bij zware werk-
paarden, bijv. Belgische en Fransche.
Naar de samenstelling der haarkleuren kan men deze schimmels
verdeden in grauw- of blauw- en muscaat- of roudschimmels; naar
den vorm der vlekken, die op een witten of donkeren ondergrond
aanwezig zijn, in spreeuw*, vlieg-, forel- en tijgerscldmmels.
1°. Grauw- of blauwschimmels (robe grise). De zwarte dekharen
en de lange haren zijn met grauwe en witte vermengd; de punt
van den staart is licht. Men onderscheidt ze in:
a,  Zwartschimmels (gris noirs; Schwarzschimmel): deze verschillen
alleen daardoor van de stekelzwarten, dat zij met de jaren
wit worden en dat de punt van den staart wit is.
b.    IJzerschimmels (gris de f er; 1-Asenschimmel; irongreys): zijn
iets lichter dan de vorige, levendig grijs als een versche
ijzerbreuk.
Wordt het haar met den leeftijd lichter, dan krijgt men de
eigenlijke grauwschimmels, de blauwschimmels, de appelschimmels en
eindelijk de geheel witte schimmels.
2U. Muscaatschimmels (robe rouanne; roaii coat). Bruin, rood
en geel haar is met grauw en wit vermengd; manen en staart
zijn gewoonlijk donkerder dan de romp, namelijk grauw of zwart,
de punt van den staart is licht.
Naar het op den voorgrond treden van de eene of andere
kleur gebruikt men de volgende namen:
a.    Chocoladeschimmel (rouan foncé; Chocoladenschimmel) met over-
wegend bruin haar.
b.    Jlonigschimmel (rouan clair; Honigschimmel) met geelbruin
haar en grauw witte manen.
c.   Kaneelschimmel (rouan vineux; Zimmetschimmel) met meer
vosrood of geelrood haar.
d.   Zandschimmel (Sandschimmel) met meer tot geel dan tot rood
neigend haar.
e.    Perzikbloesemschimmel (aubère, fleur de pieker, mille /leurs;
Pfirsichblüthenschimmel)
: daarbij is het roode, bruine en witte
haar zoo samengemengd, dat kleine vlekken met rooden
glans ontstaan zijn.
3°. Spreeuwschimmels (gris étourneaux; Staarschimmel). Het
donkergrijze haar heeft een geelrooden weerschijn, daar zwart,
-ocr page 405-
379
geel en wit haar met elkander vermengd zijn; op den donkeren
grond ziet men enkele erwt- tot amandelgroote witte vlekken,
die liet meest aan het achterstel voorkomen; manen, staart en
beenen zijn donker of geheel zwart.
4°. Vlieg schimmels (gris monchetés; Fliegciischimmel). Op een
witten of grauw-witten ondergrond vertoonen zich, voornamelijk
aan de voo/liand, kleine roestbruine of zwarte vlekken van de
grootte van een speldekop tot die van een erwt of boon.
5°. Forelschimmels (gris traites; Forellenschimmel; Jleabitten horse).
Deze komen met de vorige overeen, echter zijn de puntjes duidelijk
rood, dichter bij elkander gelegen en over het gelieele lichaam
verdeeld. Men ziet deze kleur dikwijls bij edele paarden.
ü°. Tijgerschimmcls (Tigerschimmcï). Op het uit bruin, zwart,
grijs en wit samengesteld grondhaar bevinden zich kleine, witte
vlekken; manen en staart bestaan uit gemengd haar.
De veulens met veranderlijk schimmelhaar worden verschillend
gekleurd geboren, en wel de grauw- en blauwschimmels grauw-
zwart of donkerzwart, veel zuiverder zwart clan de zwarten; de
inuscaatschimmels, evenals de vossen, vuil roodgeel of geelbruin
of ook zwarlbruin.
§ 159. Het tijgekiiaak.
Op een witten grond komen verschillend gekleurde, kleine ,
regelmatige, ronde, donkere vlekken voor. Onder het witte grond -
haar is de huid licht, vleeschkleurig, onder de vlekken echter
donker gepigmenteerd.
De omtrek van mond, oogen en geslachtsdeelen is licht (\'),
dikwijls zijn glasoogen aanwezig, de hoeven zijn nu licht dan
donker. Manen en staart bestaan uit gemengd haar of zijn wit;
zij zijn meestal weinig ontwikkeld, zelfs zoo, dat een rattestaart
bij de tijgers geen zeldzaamheid is. Het tijgerhaar (la robe tigrée;
das Tigerhaar) komt weinig voor en is niet gezocht, tenzij voor
circussen en bijzondere liefhebberijen.
Naar de kleur der donkere vlekken onderscheidt men:
(1) In enkele gevallen treft men deze lichte vlekken (lulrcs) ook bij donkere
paarden met ellen haar aan. Som* verdwijnen ze, vooral rondom de ongon en den
anus vaa zelf weder, in zeldzame gevallen worden ze iets grooter. Ze bewijzen, dut
zich onder de voorouders een paard met weinig gepigmenteerde huid bevond, bijv. een
tijger, een bonte of een wilgeboren schimmel.
-ocr page 406-
380
\\°. Gele tijgers met gele vlekken;
2°. Koode tijgers met roode (voshaar) vlekken;
3". Bruine tijgers met bruine vlekken; en
-iu. Zwarte tijgers met zwarte vlekken.
De veulens komen gevlekt ter wereld; de donkere plaatsen
vertoonen de kleur, die de gelen, vossen, bruinen of zwarten bij
hun geboorte bezitten.
§ 160. Het bonte haar.
Het bonte haar (la robe pie; das Scheckhaar; the pied culour)
komt met het tijgerhaar overeen; groote, lichte huidplekken met
wit haar wisselen af met groote, donkere huidplaatsen en donker
haar. De vlekken zijn onregelmatig en zeer verschillend in vorm
en grootte. Manen en staart zijn licht of donker, naarmate deze
haren ontstaan uit een lichte of donkere huidplaats. De kleur dei-
iris regelt zich naar den omtrek van het oog, zoodat nu één,
dan twee glasoogen, soms echter ook donkere oogen voorkomen.
Ëvenzoo is het met de hoeven gesteld.
Men onderscheidt naar de kleur der donkere vlekken:
1°. Geelbonten met gele vlekken.
2°. lloodbonten met roode (voshaar) vlekken.
3". Bruinbonten met bruine vlekken.
4°. Zwartbonten met zwarte vlekken.
5°. Porceleinbonten: hierbij zijn de donkere vlekken, die opeen
donkere huid staan, van de gemengde kleur der grauw- of rood-
schimmels en worden, evenals het schimmelhaar, allengs wit;
door de donkere huid blijft echter een blauwe weerschijn bestaan.
6°. Agaatbonten: de donkere plekken zijn verschillend gekleurd
of uit verschillende kleuren samengesteld, als rood, bruin, grijs
of gemarmerd.
De bonten (les clievaux pies; die Scheden; the pied horses) komen
als zoodanig ter wereld; de kleur der donkere vlekken regelt zich
naar die, welke zij later bezitten. Met uitzondering der porcelein-
bonten behouden zij hun kleur gedurende het geheele leven.
II. AFTEEKENINGEN.
§ 101.
AJ\'teekeningen of\'teekens (marques; Abzeichen; marks) noemt men de
in beperkte mate op verschillende lichaamsplaatsen, voornamelijk aan
-ocr page 407-
381
het hoofd en do beenen voorkomende witte haarplekken, waar-
onder de huid niet gepigmenteerd is. Deze afteekeningen zijn óf
zuiver wit en dan scherp van den omtrek gescheiden óf gemengd
en gaan dan meer langzamerhand in het grondhaar over; in liet
laatste geval is de onderliggende huid ook niet volkomen licht
gekleurd.
Voor een nauwkeurig signalement zijn de afteekeningen van
groote waarde; men, heeft deze daarom naar de plaats, de
grootte en den vorm met bijzondere namen aangeduid. Zij kun-
nen aangeboren of verkregen zijn; in engeren zin noemt men alleen
de eerste, die uitsluitend tot het signalement behooren, afteekenin-
gen. Enkel van deze geldt ook het niet gepigmenteerd zijn der
huid onder de witte haren. Wij zullen ze het eerst beschouwen en
later een enkel woord aan de verkregen afteekeningen wijden.
§ 162. Afteekeningen aan het hoofd.
Deze zijn de volgende:
1°. Eenige witte haren voor het hoofd (quelques poils en tête),
indien zulke op het midden van het voorhoofd worden aangetroffen.
2°. Een stipje of bloempje (marqué légerement en tête; Flocke
oder Bliimchen):
een kleine, witte vlek op het midden van het
voorhoofd.
3°. Een kol {pelote ou étoile; Stem; star) (PI. IX): een groote,
witte vlek op dezelfde plaats. Deze kan zuiver wit zijn of gemengd,
indien er donkere haren onder voorkomen; zij wordt dan grijs,
als de grondkleur zwart is, vaal bij vossen en bruinen, enz.
Heeft de vermenging met donker haar alleen aan den rand plaats,
dan is de kol geboord {pelote bordée).
Naar de grootte en gedaante onderscheidt men:
a.    Kleine en groote kol.
b.    Halve kol, indien slechts de helft van de gewone vlek wit is.
c.    liingkol, wanneer de witte haren een ring vormen om het
donkere grondhaar.
d.    Druipkol, als de witte vlek naar beneden in een punt uitloopt.
e.    Ophopende kol, wanneer zij naar boven in een punt eindigt.
Deze kan naar één zijde gericht zijn, bijv. naar links;
men zegt dan: kol, links oploopend. Een dergelijke onder-
scheiding kan ook bij de druipkol worden gemaakt.
f.     Vertakte kol, indien zij in verschillende richtingen puntig
uitloopt.
-ocr page 408-
382
g—/. Stervormige, halvemaanvormige, ronde, ovale, langwerpige,
onregelmatige kol, enz., als zij den vorm heeft, door een
dezer namen uitgedrukt.
4°. Een bles (liste; Blasse; blaze) (PI. XIII): dit is een meer of
minder breede, witte streep, die van het voorhoofd naardeneus-
gaten loopt. Evenals bij de kol kunnen de haren gemengd zijn,
zoodat men van een grijze of vale bles spreekt; bovendien kan zij
geboord zijn.
Verder onderscheidt men:
a.    Een smalle bles (a race), als zij slechts een vinger breed is.
b.    Een matig breede bles, wanneer zij de dubbele breedte bezit.
c.    Een breede bles, als zij ongeveer een hand breed is.
d.    Een blaarkop (une belle face; eine Laternè), wanneer het wit
zich rondom de oogen uitstrekt. Geschiedt dit slechts
aan één zijde, dan spreekt men van halven blaarkop. Het
oog, door de witte haren omgeven, is gewoonlijk een
glasoog.
e.    Een doorloopende bles, als zij tevens de bovenlip of zelfs ook
de onderlip inneemt. Deze noemt men volkomen, wanneer
neus en lippen geheel wit zijn; onvolkomen, indien dit slechts
ten deele het geval is. Men kan ze dan nader aanduiden
door bijv. te zeggen: naar links of rechts doorloopende bles.
f.    Een halve bles, wanneer zij bij een steeds gelijkmatige
breedte op het midden van den neus eindigt.
g.    Een druipbles, als zij smal uitloopt en niet tot aan de
neusgaten reikt.
h. Een afgebroken bles, indien zij op eenige plaats door het
grondhaar in tweeën is gescheiden.
»\'. Een vertakte bles, als zij aan een of beide zijden ongelijk
of puntig is.
j. Een scheeve bles, naar links of rechts hopende bles, als zij
naar één zijde van de rechte lijn afwijkt.
k. Een rechte bles, in het tegenovergestelde geval.
/. Een regelmatige of onregelmatige bles, zooals deze woorden
ze voldoende aanduiden.
Soms bestaat er alleen een witte streep over den neus.
5°. Een sneb, snip of snuitje (eine Schnippe; a snip) noemt men
een roodachtig-witte vlek van verschillende grootte en vorm aan
de punt van den neus en op de bovenlip. Men onderscheidt
deze in:
a. Kleine of groote sneb.
-ocr page 409-
383
b.    Ophopende sneb, wanneer zij zich boven de neusgaten verheft.
c.    Hoog ophopende sneb, als zij zich tot ongeveer de helft van
den neus uitstrekt.
d.    Gemarmerde sneb, indien er zwarte of blauwachtige vlekken
op voorkomen , zooals dit bij schimmels niet zeldzaam is.
6°. Een tuitte boven- of onderlip; gewoonlijk zijn deze een
voortzetting van de bles of de sneb, soms komen zij echter zelf-
standig voor. Men kan ook onderscheiden een halve witte boven-
of onderlip of een witte bovenlip en halve witte onderlip , bijv. links, enz.
Soms is het wit zoo klein, dat men spreekt van een witte viel-
op
boven* of onderlip.
§ 103. Afteekeningf.n aan de beenen.
Ook deze afteekeningen zijn zuiver wit of gemengd {grijs, vaal)
of geboord of eindelijk gevlekt of gestipt; dit laatste, indien op den
witten grond donkere vlekken of stippen voorkomen.
Deze afteekeningen dragen verschillende namen naar de uit-
breiding der witte haren, als:
a.    Wit vlekje op de kroon, indien dit zeer gering in omvang is.
b.    Witte vlek op de kroon (tracé de balzane), als zij iets grooter is.
c.    Witte ballen (iveisse Ballen) of xoitte binnen- of buitenbal, wan-
neer deze alleen wit zijn.
d.    Witte kring of ring om den hoef (principe de balzane; iveisser
Saum), als de kroonharen wit zijn.
e.   Sokje (weisse Kronè), wanneer de witte haren tot halverwege
de koot reiken.
j. Sok (petite balzane; weisse Fessel), als zij zich tot den kogel
uitbreiden. Een naar achteren oploopende sok noemen
de Duitschers iveisse Köthe.
g. Witvoet (balzane; weisser Fuss)
(PI. XIII, aan beide voorb.),
als de witte haren zich tot juist boven den kogel uitstrekken.
h. Half wit been (grande balzane; halb gestie feit) (PI. XIII, linker
achterbeen), als het wit tot halverwege de pijp reikt.
i. Witbeen (balzane haut chausse\'e; gestiefelt), indien het zich
tot de voorknie of het spronggewricht uitstrekt.
;. Hoog wit been, als ook deze gewrichten wit zyn.
k. Hoog geschoeid of gelaarsd, indien de witte haren zich nog
hooger uitbreiden.
Deze afteekeningen zyn niet altijd zoo, dat zij juist aan de
opgegeven namen beantwoorden. Zij kunnen zijn half, afgebroken,
-ocr page 410-
384
binnen -, buiten-, achterwaarts of naar voren oploopend, grijs, vaal,
geboord, met zwarte vlekken bedekt,
enz. Zoo spreekt men van een
halve, binnenwaarts ophopende sok, een witvoet met een zwarte vlek op
de bidtenkroon,
enz. en tracht dergelijke onderscheidingen steeds
zoo kort mogelijk uit te drukken.
Komen op een witten grond, gelijkmatig verdeeld, zwarte
vlekken voor, dan noemt men dit wel een hermelijnvoet; daar deze
echter meestal aan de kroon worden aangetroffen, zegt men meer:
zwarte vlekken op de kroon.
Vroeger waren de afteekeningen zeer gezocht en sprak men
zelfs van een koninklijken witvoet, als een paard van voren twee
en van achteren één witvoet had. Tegenwoordig ziet men liever
geen enkele afteekening (un cheval zain).
§ 164. Verkregen afteekeningen.
Deze ontstaan door veranderingen der huid en kunnen op alle
lichaamsplaatsen voorkomen. Meestal zijn zij het gevolg van
drukking door zadel of tuig; daardoor verkrijgen donkere paarden
in den regel witte vlekken in de dekharen (zie PI. VIII en XIII)
en de manen, terwijl de gedrukte plaatsen bij lichte paarden,
voornamelijk schimmels, gewoonlijk een donkere, grauwbruine of
zwarte kleur aannemen.
Zooals reeds werd opgemerkt, worden de haren ook door den
ouderdom grijs.
In enkele gevallen zijn door drukking, verwonding en huid-
ziekten litteekens en kale huidplaatsen ontstaan.
Slechts bij uitzondering wordt een verkregen afteekening in
het signalement opgenomen. Deze zijn namelijk niet bestendig;
zij kunnen verdwijnen, bijv. litteekens, kale plekken of in aantal
toenemen, zooals de door drukking of ouderdom veroorzaakte
witte haren.
In gerechtelijke gevallen echter moet het signalement alles
bevatten, wat slechts strekken kan, om de identiteit van eenig
dier te bewijzen; zelfs een korenaar, een Romeinsche degen (§147),
een lanssteek (§ 79), enz. worden dan dikwijls vermeld.
In zeer zeldzame gevallen treden niet alleen periodiek witte
vlekjes over het lichaam verspreid op (zie § 155), doch ontstaan
ook en verdwijnen weder afteekeningen aan debeenen; soms zelfs
wisselt dit naar het jaargetijde.
-ocr page 411-
VIJFDE HOOFDSTUK.
PAARDENRASSEN
I. PAARDENRASSEN IN HET ALGEMEEN.
§ 1G5. Indeeling der rassen.
Gaat men de paarden in de verschillende landstreken na, dan
bemerkt men dat zij in tal van eigenschappen onderling zeer ver-
schillen; de oorzaak daarvan ligt in het klimaat, de opvoeding,
de verpleging en de gebruikswyze, maar vooral in den invloed
van stelselmatig gedreven fokkerij.
Door dit verschil is het mogelijk de paarden in groote groepen
te verdeelen, waarvan de individuen, zoowel in uitwendig voor-
komen als in eigenschappen, onderling sterke overeenkomst ver-
toonen. Indien deze daarbij hun eigenschappen geregeld op de
nakomelingen overbrengen, spreekt men van rassen, die men
weder in kleinere groepen, als slag, stam en familie verdeelt.
Daar het aantal paar denrassen zeer groot is, heeft men, ten
einde een gemakkelijk overzicht te verkrijgen, op verschillende
wijzen getracht ze onder bepaalde hoofdgroepen te brengen.
Zoo verdeelt men ze in natuur- en cultuur rassen. De eerste,
waartoe het Mongoohche en het Noordsche paard behooren, wijken
weinig van den oorspronkelijken stamvorm af. Men brengt tot de
Mongoolsche paarden o. a. die in China, Siberië, Indië, maar ook
het kozakken- en het gewone Hongaarsche paard, terwijl tot het
Noordsche paard behooren de pony\'s, het Noord-Europeesche, het
Poolsche en het Huzulenpaard. De cultuur-rassen verdeelt men in de
groep van de Arabische paarden en in die van de zware trekpaarden;
25
-ocr page 412-
386
de namen geven voldoende aan welke rassen daartoe belmoren.
Nog op een andere indeeling willen wjj wijzen, namelijk op die in
het lichte, warmbloedig» of Oostersche en het zware, koudbloedige of
Norische paard. Van het eerste kan men het Arabische paard als
type beschouwen; het tweede is ook onder den naam van Wes-
tersch paard
bekend, omdat liet hoofd-type in Europa en wel in
de Norische Alpen {Pinzgauer-ras) voorkomt.
De namen lichte en zware paarden duiden reeds op groot ver-
schil in uitwendig voorkomen, maar zelfs in het skelet zien wij
onderscheid, vooral indien men ook op de grootte let. Derassen,
tot de eerste groep behoorende, hebben een sterk ontwikkeld
schedelgedeelte, dus een lang en breed voorhoofd, terwijl het
aangezichtsgedeelte, wat ontwikkeling betreft, meer op den ach-
tergrond treedt, zoodat de kiesr\'yen kort en de boezems klein zijn;
daarbij is de profiellijn van het hoofd recht of concaaf, de kiezen
zijn naar verhouding breeder dan hoog en bezitten minder email-
plooien dan die der tweede groep. De lenden zijn veelal kort,
soms zelfs zijn slechts 5 lendenwervels aanwezig, wat volgens
Sanson bij het Afrikaansch-Oostersche paard altijd het geval zou
zijn; de doornvormige uitsteeksels zijn sterk naar voren gericht,
de inwendige darmbeenshoeken staan dicht bij elkander en zijn niet
bijzonder hoog. De beenderen, vooral die der ledematen, zijn fijn
en sterk; de onderarm is, vergeleken met het p\'ypbeen, lang.
Bij de rassen der tweede groep is het hoofd smaller en springt
het aangezichts-gedeelte sterker in het oog, niet alleen omdat het
naar verhouding langer is, maar ook omdat de boezems meer
ontwikkeld z\'y\'n, waardoor de profiellijn veelal gebogen is. De
kiezen van de voorkaak zijn lang en hebben meer kronkelende
emailplooien. Ook ziet men dikwijls, ten minste in de jeugd, de
doornvormige uitsteeksels der kruiswervels gespleten; daarbij zijn
de kruisbeensvleugels breed en is het darmbeen op de uitwendige
vlakte sterk uitgehold, zoodat vooral de vorm van het achterstel
bij beide typen zeer verschilt. Het beenstelsel is in het geheel
meer grof en sponsachtig, terwijl het p\'ypbeen relatief lang is.
Het warmbloedige paard heeft een droog, intelligent hoofd met
groote oogen, langen hals, hooge schoft, rechten rug, lang, bijna
recht kruis met hoog aangezetten staart; de huid en de beharing
zijn fijn, terwijl het dier in het geheel droog kan worden genoemd.
Het koudbloedige paard daarentegen heeft een groot, zwaar,
vleezig hoofd, met korten, dikken hals, lage schoft, rechten of
iets ingezakten rug, met een kort, meer of minder afbellend kruis
-ocr page 413-
387
en laag aangezetten staart; de huid en de beharing zijn vooral
aan de ledematen zwaar.
liet eene is dus meer een type van liet rijpaard, het andere
dat van het werkpaard.
Scherp zijn zij evenwel nimmer gescheiden, daar men tal van
overgangen vindt, vooral ook omdat het Arabische paard, hetzij
direct, hetzij door het Engelsche paard, een overwegenden invloed
heeft uitgeoefend op het meerendeel der bestaande rassen.
Geen der indeelingen biedt voor ons doel bijzondere voordeelen
aan, waarom wij het paard in hoofdzaak zullen bespreken naar
de landen waarin het voorkomt.
II. PAARDENRASSKN IN HET BIJZONDER.
h Afdeeling: Oostersclie paarden.
§ 16B. Al.OEMEENE EIGENSCHAPPEN.
Hoewel in de verschillende werelddeelen paarden van het Oos-
tersche type voorkomen, is men toch tamelijk algemeen gewoon
om alléén de paarden der Arabieren, Perzen, en der bewoners
van Klein-Azië, Noord- en Noordoost Afrika, te bestempelen met
den naam van Oostersche paarden.
Zij zijn middelmatig van grootte, maar hebben een fijnen,
regelmatigen, goed geëvenredigden lichaamsbouw. Het hoofd is
naar verhouding klein, met breed voorhoofd, groote oogen en een
rechte of iets ingebogen profiellyn; de hals is matig lang en
behoorlijk opgericht, de schoft is hoog en lang, de rug bijna
recht, de lenden zijn kort, terwijl het kruis bij een behoorlijke
lengte nagenoeg recht en de staart hoog aangezet is. De beenen
zijn naar evenredigheid kort, maar fijn en sierlijk van bouw, met
krachtig ontwikkelde spieren en pezen, waardoor die dieren, zoo-
wel in snelheid, als in sierlijkheid van beweging en in volharding
uitmunten.
Onder de beste rassen brengt men de Arabische, Perzische en
Barbarijsche, terwijl enkelen onder den naam van Arabische paar-
den of Arabieren verschillende Oostersche rassen samenvatten.
De beschrijving der paarden tot deze groep behoorende, dient
aan die der andere rassen vooraf te gaan, omdat zij op de ver-
edeling der overige paardenrassen een zoo grooten invloed hebben
uitgeoefend.
-ocr page 414-
388
§ 107. Het Arabische paard.
Op bladz. 20 werd reeds opgemerkt, dat het paard in de oudste
tijden als huisdier in Arabië niet voorkwam; de bewoners bedien-
den zich in hun oorlogen van kameelen, en zelfs ten tijde van
Christus was, volgens Strabo, het paard in Arabië onbekend.
Spoedig daarna is het waarschijnlijk uit Perzië of wel uit Egypte
ingevoerd, en wij lezen dat in de 4de eeuw na Christus, dooreen
der Romeinsche keizers, 200 paarden uit Cappadocië aan een Ara-
bisch vorst werden geschonken.
In de eerste helft der 7de eeuw steeg, vooral door den invloed
van Mohammed, het paard bij de Arabieren zeer in waarde, en
men vindt in den Koran herhaaldelijk blijken van het groote
gewicht, dat door hem aan het paard werd gehecht.
Volgens overlevering zou het tegenwoordige edele Arabische
paard of afkomstig zijn van de paarden van Koning Salomo, of
wel, wat meer algemeen wordt geloofd, van de vijf lievelings-
merriën van Mohammed, die door hem en enkelen zijner volge-
lingen werden bereden op den 15den Juli 622, bij zijn vlucht van
Mekka naar Medina; het feit staat echter vast, dat Mohammed
destijds geen enkel paard bezat en dat hij vluchtte op een kameel
van zijn schoonvader Aboe Bekr. Deze merriën zouden de eenig
overgeblevene zijn van de 95 stuks, die gebruikt werden om de
heuglijke tijding der overwinning bij Monta naar Mekka over te
brengen. Volgens een andere overlevering waren zij van 10.000
paarden de eenige, die, na een vermoeienden slag van drie dagen
(waarbij de ruiters niet afstegen en de paarden voedsel noch
drinken bekwamen), gehoorzaamden aan het signaal tot den aan-
val, dat op last van Mohammed werd geblazen, toen de paarden
reeds waren afgezadeld om in een nabijzijnden stroom te drinken.
De profeet bewees daarop dezen paarden de eer ze te kleuren
en te zalven, en men beweert, dat de namen Koheil, Kohejle,
Kehilan, Koheilans,
of Kochlani, die algemeen voor de edelste
paarden worden gebruikt, ontleend zouden zijn aan den naam van
de zwarte kleurstof, waarmede de Oostersche vrouwen zich de
oogleden verven, en die in het Arabisch Köchel wordt genoemd.
Men kan de in Arabië voorkomende paarden (PI. VII) in drie
groepen verdeelen, namelijk de edele Neduchids of Nedjed, de
halfedele IlatiH of Atteschi en de onedele of Kadischi.
De eerste zijn de beste en komen in Midden*Arabië, vooral
in Nedschid, Hadschan en El-Desira voor, waar zij evenwel niet
-ocr page 415-
389
talrijk zijn; vijf familiën, z.g. directe afstammelingen van ile hier-
voor bedoelde merriën van MOHAMMED, zijn het meest beroemd.
Hoewel de namen daarvan zeer verschillend worden opgegeven,
noemt men ze het meest: Kêhilan, Seglawi, Abeigan, Hamdani
en Hadban. De collectiefnamen El-Koms en Khamsa zijn veel in
gebruik.
Deze paarden zijn tusschen 1.50 en 1.55 M. hoog en hebben
een kort, fijn, vierhoekig, droog hoofd, dat aan den neus iets is
ingebogen; de neusgaten zijn groot en verwijden zich zoodra het
dier in beweging komt, de groote oogen schitteren en de kleine
ooren zijn zeer fijn en beweeglijk. liet hoofd is altijd zeer goed
aangezet; de hals is middelmatig van lengte, slechts bij enkele
individuen lang en daarbij sierlijk gebogen, terwijl hij alleen bij
snelle beweging meer den vorm van een hertenhals aanneemt. De
schoft is hoog, lang en droog, de ribben zijn rond, de borstkas
is diep en de rug recht met korte, krachtig gespierde lenden; het
kruis is lang en recht, en de staart hoog aangezet, zoodat hij bij
beweging sierlijk wordt gedragen. De beenen zijn breed en sterk,
en slechts enkele malen is de stand in de spronggewrichten wat nauw;
ook de lange, droge schouder is zeer beweeglijk, en hoewel de
kooten wel eens wat lang zijn, ziet men toch geen sterk doortreden.
De huid is zeer dun, zoodat de onmiddellijk daaronder gelegen
deelen duidelijk zichtbaar zijn en het dekhaar is fijn, kort en
glanzend, terwijl ook maantop, manen en staart fijn en lang zijn.
De gewoonlijk voorkomende kleur is schimmel, waaronder grauw-
en forelschimmels het meest geliefd zijn, maar ook vossen of
bruinen zijn niet zeldzaam, wat wel het geval is met de zwarten.
De Arabier hecht zeer, zoowel aan kleur, als aan afteekeningen,
en onder de laatste treft men er vele aan, die een goede of slechte
beteekenis hebben. Paarden van 30—35 jaar zijn geen zeldzaamheid.
De Nedjeds in het vroegere rijk der Wahabiten zijn volgens
Palgraye de beste; hij schat het aantal er van op circa 5000.
Zij zijn 1.48—1.60 M. hoog. Volgens Bluxt hebben tegenwoordig
de Anazeh-stammen, die uit Nedjed meer noordelijk zijn getrok-
ken, de beste renpaarden, wat toegeschreven moet worden aan
een beteren bodem; anderen, waaronder Loffler, noemen de
paarden der nomadenstammen aan de grenzen van Syrië en
Palestina de beste. Darley Arabian zou een Kehilan zijn geweest.
De onedele of Kadischi zou men het gewone landpaard kunnen
noemen, dat zelfs als lastdier wordt gebruikt. Ofschoon deze in
vorm niet zooveel verschilt van den Nedjed, heeft hij toch een
-ocr page 416-
390
minder edel voorkomen, en is vooral minder vlug en volhardend.
Dat wij hier niet te doen hebben met edele paarden, die minder
goed worden verpleegd, blijkt duidelijk uit verschillende omstan-
digheden.
De halfedele of Atteschi staan, wat vorm en ontwikkeling be-
treft, tusschen beide in.
De Arabische paarden, die naar Europa worden overgebracht,
behooren veelal tot de Kadischi, daar de Nedjeds niet alleen
zeldzaam zijn, maar ook door de Arabieren niet worden verkocht.
§ 168. Het Perzische paard.
Dit paard was reeds in oude tijden beroemd, toen er van liet
Arabische nog geen sprake was. lieeds onder Dahius IIystaspes
(582—485 v. Chr.) waren er in de Perzische stoeterijen ruim
100.000 paarden. Het Medische of Oud-Perzisehe paard was echter
ten tijde der Grieken, blijkens de afbeeldingen in de puinhoopen
van Persepolis, veel grooter, zwaarder en krachtiger dan tegen-
woordig het geval is. Het zou afkomstig zijn van het oude ïurko-
mannische ras, dat later verbeterd is met Arabisch bloed. Tegen-
woordig vindt men de beste gebruikspaarden in Irak-Adschemi,
terwijl meer oostelijk mindere soorten voorkomen.
Het Perzische landpaard „Jabu" is klein en heeft een onooglijk
uiterlijk; het is echter zeer volhardend en voor bergachtig terrein
uitstekend geschikt.
Het edele Perzische paard „Argamak" is iets grooter dan het
Arabische en bereikt een hoogte van 1.50—1.58 M.; tevens is
het zwaarder van beenderen, wat aan den meer vruchtbaren bodem
moet worden toegeschreven. Het hoofd is niet zoo breed, de hals
langer en meer gebogen, de schoft hooger, liet lichaam meer ge-
strekt en de ribben zijn platter, terwijl het kruis hoog en lang is.
De beenen zijn naar evenredigheid lang en de pijpen dun, terwijl
de hoeven klein, smal en niet zoo hard zijn als bij het Arabische
paard; huid en haren zijn zeer fijn. De meest voorkomende kleur
is bruin en zwart, ofschoon men ook niet zelden schimmels ziet.
Alle hebben een zeer opgewekt temperament, maar vele zijn
minder volhardend dan het Arabische paard; ook zegt men, dat
hun levensduur korter is.
Men onderscheidt vooral vier soorten en wel:
Het Irak-Adschemi-ras of het Medische paard, dat in de gelyk-
namige provincie voorkomt; het is het grootste. Schimmel, vos
en goudbruin ziet men het meest.
-ocr page 417-
:?m
Het Hyrkanische ras, dat door duurzaamheid uitmunt en vooral
ten zuiden van de Kaspische zee in de provincie Mazenderan wordt
aangetroffen; dit zou het zuiverste type van het Perzische paard zijn.
Het Karabachische of Mesopotamische paard, dat men het best
ontwikkeld ziet in Mesopotamië, nadert door herhaalde kruising
meer het Arabische paard, maar is groöter en krachtiger; de beste
rijpaarden worden daaronder aangetroffen.
Het Kandaharische paard, dat in Afghanistan voorkomt, en
waarschijnlijk een kruisingsproduct is van het Hyrkanische en het
Tartaarsche of wel van het Mongoolsche paard; het is even schoon,
maar kleiner en duurzamer dan het Irak-Adschemipaard , en is in
de omstreken van Herat het best ontwikkeld.
In de Oud-Perzische provincie Sihirwan, aan den zuid-oostelijken
hoek der Kaspische zee, wordt het Schirwan-panrd zeer geroemd;
het is een kruisingsproduct van het Hyrkanische met het Anatolische
paard, dat later opgefrischt werd met Arabisch bloed. De Russische
cavalerie-officieren geven daaraan de voorkeur boven vele andere
rassen. Iets meer noordelijk, vooral tusschen de Kaspische zee
en het meer Aral, vindt men paarden van Arabisch-Tartaarschen
oorsprong, die als gevolg van bodem en klimaat mager en meer
ruw in het haar zijn, maar door taaiheid en vlugheid uitmunten.
, Het schoonste en tevens het edelste paard, een bastaard van
Perzisch en Arabisch, wordt in de omstreken van Schiras gefokt.
De Perzen zijn evenals de Arabieren uitstekende paardenfokkers,
en men vindt op verschillende plaatsen groote stoeterijen, die
nieerendeels, zoo niet alle, het eigendom van den Schah zijn. Een
groot aantal paarden wordt jaarlijks naar Engelsch-Indië gezonden.
§ 169. Paarden in Kletn-Azik.
Van de rassen die in Klein-Azië, Syrië en omstreken voor-
komen, moet in de eerste plaats worden genoemd het Syrische
paard,
dat op de groote markten te Aleppo en Damascus zeer
veel als Arabisch paard wordt verkocht.
Hoewel het wat schoonheid betreft daarmede veel overeenkomst
heeft, is het toch grooter en minder edel, wat vooral blijkt, indien
het op\' kracht en volharding aankomt; de meerdere grootte moet
gedeeltelijk worden toegeschreven aan de vruchtbare weiden, die
in de omstreken van Aleppo worden gevonden.
De paarden in de omgeving van Palmyra, en die oostelijk van
de üoode zee, worden als de beste geroemd. Men treft onder de
-ocr page 418-
392
Syrische paarden meer verscheidenheid van kleuren aan dan bij
de andere Oostersche rassen, en naar men beweert ook meer af-
teekeningen.
In Mesopotamië wordt, behalve het Karabachische, ook nog
het Irak-paard geteeld, dat bij den stam der Rowalla\'s het best
zou zijn.
Het Toerkomannische paard, oudtijds evenals het Anatolische be-
kend onder den naam van het Cappadocische paard, is waarschijn-
lijk ontstaan uit de kruising van het Tartaarsche met het Arabische
of Perzische paard. Oorspronkelijk meer te huis behoorende tus-
schen de Kaspische zee en het meer Aral, en wel vooral in het
oude Toeran, is het door Perzië en verder door geheel Klein-Azië
verbreid geworden, en men beweert, dat het Turksche paard
daarvan afkomstig is. In het eigenlijke Toerkomannië onderscheidt
men nog twee slagen, namelijk in het Noorden de minder edele,
kleinere Jabus, en in het Zuiden de meer fraaie en zeer volhardende
Jamutschka.
Ciemiddeld zijn zij 1.G0—1.65 M. hoog en hebben zij een schoon
gevormd hoofd (dat dikwijls niet zuiver recht is) en een gestrek-
ten romp met een iets afbellend kruis; zij zijn hoog op de beenen.
De paarden in Klein-Azië zijn door kruising met andere rassen
zeer verbasterd; volgens Schwarzneckeh (\') hebben zij veelal
een korten, steilen schouder met Franschen stand, en laat de
beweging der voorbeenen, vooral in draf, wel wat te wen-
schen over.
Het paard door de zwervende Koerdénstammen geteeld, is meer
van zuiver Arabischen oorsprong. Hetzelfde kan niet worden gezegd
van het Anatolische paard, dat vroeger zeer beroemd was, maar
waarop nu, zoowel wat vorm als wat snelheid en volharding be-
treft, veel valt af te dingen. Men schrijft dit toe aan het kruisen
met verschillende Oostersche rassen.
Het edele Anatolische paard, tegenwoordig veelal het Cappado-
cische genoemd, gelijkt het meest op het paard van Koerdistan;
men paart Toerkomannische merriën met Abchasisch-Tscherkessen
hengsten. Het is circa 1.50 M. hoog en sierlijk gebouwd, maar
de borst is niet breed en de staart wat laag aangezet; het karakter
(1) Mül.LEU utid ScilWAHZNHCKER, Die Pfcrtltsiivht, V" Band: Racen, Züehtmtj
uiid llaUmig des Pfcrdes.
-ocr page 419-
393
is goedig, waardoor liet gemakkelijk te berijden is, en men roemt
het als een groot voordeel dat het dier tot op hoogen leeftijd
bruikbaar blijft.
Van bijna alle Klein-Aziatische paardenrassen kan men zeggen
dat zij wel wat grooter zijn dan het Arabische paard, maar min-
der droog en niet zoo edel. Bij vele is de schouder te steil en
zijn de kogels te slap.
§ 170. Paarden in de Nijllanden.
In Egypte werd het paard omstreeks 1900 v. C. door de Ketha\'s
(een der zwervende herdersvolken) ingevoerd, en de vruchtbare
bodem oefende een zoo gunstigen invloed uit, dat het paard zich
niet alleen tot een schoon dier ontwikkelde, maar ook sterk in aantal
toenam. De Egyptische legers waren beroemd om hun groote rui»
terg en hun talrijke strijdwagens. Reeds Ramses II (1388—1322 v. C.)
trok, volgens Diodorus, met een leger van24,000ruiters, 27,000
strijdwagens en 600,000 voetgangers naar Nubië, om het te
veroveren.
Vooral in Opper-Egypte, maar ook in Abbessinië en Nubië,
bleef de paardenfokkerij gedurende eeuwen in bloei, maar geraakte
na 1700 langzamerhand in verval; toch waren nog in het laatst
der voorgaande eeuw de paarden der Mamelukken beroemd om
hun voorkomen, maar vooral om hun volharding.
In Neder-Egypte wordt het paard slecht verpleegd; èn bodem
èn klimaat zijn minder gunstig voor diens ontwikkeling. Het heeft
de grootte van den Arabier, maar is minder edel van vorm en
kan, wat snelheid en volharding betreft, daarmede niet worden
vergeleken. Te Abbasin bij Cairo werd in het begin dezer eeuw
door Abda Pascha een stoeterij opgericht, waar in 1860 een
duizendtal der edelste woestijnpaarden werd aangetroffen. Na den
dood van AnnA (1860) werd het meerendeel der paarden verkocht,
zoodat de stoeterij nu weinig te beteekenen heeft.
Hoe meer men naar het Zuiden komt, des te schooner wordt
het paard, wat deels aan beter verpleging en bodem, deels aan
herhaalde kruising met Arabische paarden moet worden toege-
schreven. Vooral het paard der Howara\'s is zeer goed en soms
1.60 M. hoog. De Egyptische paarden hebben een recht hoofd,
een korten, sterken hals, een volle schoft, een rechten rug en
breeder knie- en kootgewrichten dan de Arabieren.
-ocr page 420-
394
Van de Nubische paarden zijn het Dongola- en het Svheiuli-ras
het meest bekend.
Het eerste verschilt, vooral wat hoofd en kruis betreft, zeer
veel van andere Oostersche rassen. Sommigen meenen, dat het
een kruisingsproduct is van het Nubische landras met Barbarijsche
paarden, maar volgens anderen zouden bij de kruistochten Spaan-
sche paarden gebruikt zijn tot verbetering van het ras. Het is
groot er dan het Egyptische, en bereikt een hoogte van 1.65 M.
en meer; het hoofd is lang, smal en droog, meerendeels met
convexe profiellijn, waardoor dit dier het intelligente voorkomen ,
aan Oostersche rassen eigen, mist. De hals is fijn en lang, veelal
sterk gebogen, de schoft hoog en breed, het kruis breed en af hel •
leml met laag aangezetten staart. De schouders zijn steil en ver
naar voren gelegen; daarbij is het dier door lange pijpen hoog-
beenig, terwijl het in het spronggewricht veelal te rechtstaat, en
in de kogels te veel doorzakt.
De algemeene kleur is zwart, met groote breede bles en witte
been en ; zij hebben veel knie-actie, dus een weinig gestrekten gang.
Dit paard heeft zeer veel goede eigenschappen en is het grootste
onder de Afrikaansche rassen; tot verbetering van het Europeesche
paard is het enkele malen in Engeland en Wurtemberg gebezigd,
maar het succes was niet groot. De Engelsche officieren in Egypte
en Nubiö gebruiken bij voorkeur Dongola-paarden om hun groote
volharding. De laatste wordt evenals de snelheid geroemd bij
hunters, gefokt uit Dongola-hengst en Engelsche merrie.
Het Schendi-paard komt zooveel met het Dongola-paard overeen,
dat velen het als hetzelfde beschouwen. De convexe profiellijn van
het hoofd is evenwel zeldzaam, en ook het kruis is minder afhel-
lend, wat men toeschrijft aan herhaalde kruising met het Arabische
paard. Beide rassen hebben door voortdurende oorlogen, maar
vooral door een hevige ziekte, die in 1814 en \'15 heerschte, zoo
geleden, dat de goede dieren tegenwoordig zeer zeldzaam zijn.
In het meer zuidelijk gelegen Kordofan treft men een paard
aan, dat boven de meeste Oostersche in snelheid uitmunt, waarom
het ook zeer veel wordt gebruikt op antilopen-, gazellen-, giraf-
fen- en struisvogeljachten. Het is een kruisingsproduct van Don-
gola of Schendi met Berber. Het paard in Darfoer, dat door
volharding uitmunt, wordt onder de Egyptische rassen als een
der beste genoemd.
Het eigenlijke Abbesdnischepaard was in oude tijden zeer beroemd ;
vooral dat in de bergachtige streken, o. a. in de provincie Efat,
-ocr page 421-
:i<)5
gelijkt in grootte en vorm veel op het Arabische paard, maar is
veelal slanker en heeft een smaller hoofd. Op vierjarigen leeftijd
zijn zij reeds 1.40—1.50 M. hoog. De paarden in de lagere streken
laten wat vorin betreft weinig te wenschen over. maar hun snel-
heid en volharding zijn minder groot.
Volgens sommigen zou het Syrische of Arabische paard uit
Nubië of Abbessinië afkomstig zijn.
§ 171. Paarden in Noord-A fri ka.
De paarden in de Sahara en die in Noord- en Noordwestelijk
Afrika (Barbar\'ysche staten) worden veelal onder den naam van
Berlers samengevat. Het Moorsche paard, dat het meest op den
Berber gelijkt, is een kruisingsproduct waarop verschillende ras-
sen, als Berber, Arabier en Nubiër, veel invloed hebben uitge-
oefend. In Marocco komt het nog het zuiverste voor, maar
te oordeelen naar de exemplaren, daarvan in Europa gekomen, zijn
zij niet te roemen. Terwijl de voorhand tamelijk goed mag worden
genoemd , laat de achterhand te wenschen over en zijn vooral de
achterkogels zwak. De gebrekkige beweging in draf is slechts
voor een gedeelte een gevolg van den bouw; zij moet in hoofd-
zaak worden toegeschreven aan gebrekkige oefening in dien gang.
Volgens bewering van enkelen zouden de Berbers van Arabische
afkomst zijn, namelijk uit de omstreken van Palestina, van waar
zij, door vervolging der Perzen, met de bewoners naar Afrika
werden verdreven. Is dit werkelijk het geval, dan kan men
zeggen dat het Arabische paard sterk ontaard is.
In het Noorden van Afrika kwamen vroeger wilde paarden
voor, en de Numidische ruiterij had reeds vroeg een groote ver-
maardheid om haar schoone en vlugge paarden, zoodat men hier
dus hoogstwaarschijnlijk met een oorspronkelijk ras te doen heeft.
In later tijd werden vooral in Tripoli en Tunis vele Syrische
paarden ingevoerd, zoodat het paard der zeekusten thans meestal
een kruisingsproduct is van Berber en Arabier.
De edelste paarden komen voor in de woestijn.
De Berber is iets grooter dan de Arabier en heeft een klein,
droog hoofd, met beweeglijke, soms te groote ooren en een aan
het voorhoofd flauw gebogen profiellijn; ook zijn de neusgaten
veelal laag geplaatst. De hals is van middelmatige lengte, fijn en
daarbij Hink gebogen, de schoft is hoog, de korte rug recht, en
de lenden zijn bij de betere soorten goed ontwikkeld, wat eveneens
-ocr page 422-
396
het geval is met de borst; het kruis is meer of minder af hellend
en de staart daardoor laag aangezet. De beenen zijn van boven
zwaar ontwikkeld, doch onder den handwortel en het sprongge-
wriclit zeer fijn; tevens zijn zij lang gekoot en nauw in de hakken.
Aan de robe hechten de inboorlingen groote waarde; schimmels
en bruinen, vooral goudbruinen, hebben de voorkeur, terwij 1
isabellen en bonten zeer weinig worden geacht.
Zoodra het dier in beweging is, komt ook hier het Oostersche
type zuiver voor den dag en munt het uit in beweeglijkheid ,
snelheid en volharding.
De oorlog van 1870/71 heeft geleerd, dat het als cavaleriepaard
niet genoeg massa heeft en dat de achterband geen voldoende
kracht bezit, terwijl ook de drafbeweging te onregelmatig is. Dit
laatste is niet te verwonderen, daar de woestijnbewoners slechts
twee gangen kennen, namelijk stap en galop. Generaal Daumas
zegt in zijn uitvoerig werk y>Les chevaux du Sahara", dat in het
noordwestelijk gedeelte van Afrika drie zeer gewaardeerde rassen
voorkomen, als:
Haymour, meestal bruin; zij hebben een schoon voorkomenen
zijn daarbij uiterst snel in hun bewegingen.
Bou-Qhareb, veelal schimmels; zij zijn iets grooter dan Haymour
en hoewel zij geruimen tijd kunnen loopen, is hun gang toch
niet zoo snel.
Merezigue, meestal grauw, is het kleinste en heeft de minste
waarde; deze dieren zijn behoorlijk gebouwd en krachtig in hun
bewegingen. Zij zijn uiterst matig.
In het middengedeelte der woestijn zijn de llakeby\'s hoog in
aanzien om hun groote soberheid en volharding; hun kleur is
veelal grauw of bruin.
Het Beradin-ras zou het beste zijn en het Arabische paard
nabykomen; het is even groot, maar heeft een zwaarder hals en
een minder vluggen gang.
In het dal van Qued-Djedi vindt men de afstammelingen van
den hengst El-Biod (schimmel), die ook door soberheid en snel-
heid als woestijnpaarden beroemd zijn.
2<ie Afdeeling: Paarden rassen in Europa.
§172. üuoot-Brittannië en Ierland.
In geen der Europeesche landen hebben de paardenfokkerij
en de veredeling van het paard een zoo hoogen trap bereikt als
-ocr page 423-
397
in Engeland, waar het den fokker gelukt is, voor iederen speci-
alen dienst een type te verkrijgen, dat geheel beantwoordt aan
de strengste eischen, die men kan stellen. Klimaat, bodem, uit-
stekende voeding en verpleging, maar bovenal een juiste keuze
van de te paren dieren werkten samen om het Engelsche paard
een zoo groote beroemdheid te verschaffen. Aan de snelheid en
duurzaamheid van het volbloed-paard , gepaard met goede lichaams-
vormen, is de groote invloed te danken, dien het ook thans nog
uitoefent op het meerendeel der Europeesche rassen.
Be paardenhandel verkeert dan ook in Engeland in bloeienden
toestand, wat kan blijken uit de volgende opgave. In 1891 werden,
alleen uit Engeland, uitgevoerd H238 paarden, die een waarde
vertegenwoordigden van 525041 £, terwijl werden ingevoerd 21715
paarden, ter waarde van 430128 t.
Slaan wij in groote trekken de geschiedenis der paardenfokkerij
in Engeland na, dan blijkt, dat onder begunstiging der Engelsche
vorsten en Rijksgrooten, edele Oostersche paarden werden inge-
voerd, deels tot verbetering van het bestaande ras, deels tot
paring onderling.
Toen de Romeinen in 55 v. C. onder Julius Caesar Groot-
Brittannië veroverden, en tot het uitzetten van posten in het over-
wonnen land een groote ruiterij (waaronder Gallische, Spaansche
en Italiaansche paarden) met zich voerden, vonden zij voor de
strijdwagens der inboorlingen middelmatig groote, maar krachtig
ontwikkelde, vlugge paarden, die zoo in den smaak vielen, dat
Caesar daarvan een groot aantal naar Rome zond.
Het is te begrijpen dat reeds toen rasvermenging plaats had;
het resultaat daarvan was echter niet groot, want men vindt
aangegeven, dat tot omstreeks 900 herhaalde malen oorlogspaarden
uit Buitschland en Nederland werden aangevoerd, omdat de in-
landsche te klein waren.
Eerst onder de regeering van Alfred de Groote (871—901),
maar vooral onder die van Athelstan (925—941), scheen de belang-
stelling in paardenfokkerij te vermeerderen, daar deze niet alleen
Spaansche paarden invoerde, maar ook in 930 een decreet uit-
vaardigde, waarbij de uitvoer van paaiden werd verboden.
Reeds uit dien lijd vindt men gewag gemaakt van renpaarden,
die door Hugo Capet aan de zuster van Athelstan werden ge-
schonken ; dit waren evenwel wagenpaarden, die zich zeer snel
bewogen. Groote invloed werd uitgeoefend door de Spaansche,
Vlaamsche, Buitsche en Normandische paarden uit het leger van
-ocr page 424-
398
Willem pen Veroveraar, die na den slag by Hastings (1066) de
aileen-heerschappjj in Engeland voerde. Een Arabisch paard, in
1121 onder de regeering van Hendrik I ingevoerd, werd niet
gewaardeerd , wat waarschijnlijk moet worden toegeschreven aan den
lichten bouw en aan onbekendheid met de uitstekende eigenschappen.
De paardenmarkten te Smithfield en vooral de wedrennen,
die in het midden der 42de eeuw algemeen werden, deden de
behoefte aan goede paarden gevoelen en in groot aantal werden
dan ook buitenlandsche paarden, tot verbetering van het inlandsche
ras, aangekocht. Jan zonder Land (1199—1216) voerde zware
Vlaamsche paarden in, eens zelfs een bezending van 100 hengsten.
Nagenoeg een eeuw later werden door Eduard II, uit Lombardye
en Frankrijk, 30 oorlogspaarden en 12 zware hengsten aange-
schaft, en zijn opvolger Eduard 111(1327—1377) besteeddegroote
sommen tot het verkrijgen van een vijftigtal Spaansche paarden.
Totdat in 4509 Hendrik VIII den troon beklom, vindt men van
pogingen tot verbetering van het paardenras weinig aangeteekend,
en de despotische bepalingen van dezen vorst, vooral wat de
keuring op het gebruik van fokdieren betrof, hebben eer na- dan
voordeelig gewelkt. Zoowel onder Elisabeth , als onder JACOBUS I,
werd het wedrennen, en daarmede de paardenfokkerij zeer begun-
stigd; zelfs liet de laatste enkele Arabische paarden aankoopen.
Met de eerste daarvan, voor 500 £ door Markham aangekocht,
was hij niet gelukkig, daar de hertog van Newcastle, die veel
invloed op de fokkers had, dit paard in een boek over de rijkunst
in miscrediet bracht. Heter slaagde hij met den aankoop van
White-Turk, vooral toen spoedig daarop door den hertog van
Buckingham eveneens een Oostersch paard werd aangeschaft, dat
bekend werd onder den naam van Helmsley-Turk, waarop Fairfax\'s
Marocco-Barb volgde, die alle beroemd werden.
Deze drie paarden hadden op de nakomelingen reeds grooten
invloed, maar eigenlijk kan men eerst zeggen dat de Engelschen
zich met hart en ziel op de fokkerij toelegden, toen in 1000
Karel II de regeering aanvaardde. Deze vorst, een hartstochtelijk
liefhebber van paarden en wedrennen, meende, dat alleen Oos-
tersch bloed in het Engelsche paard verbetering kon aanbrengen.
Hij liet daarom, omstreeks 4680, in Barbarije en Marocco een
aantal hengsten en 15 a 20 merriën aankoopen, die onder den
naam van Royal maren bekend werden.
Het Koninklijk voorbeeld vond spoedig navolging en door ver-
schillende personen werden hengsten uit Turkije, Syrië, Ara bië
-ocr page 425-
399
en Noord Afrika aangekocht. Onder deze hengsten waren er vooral
drie, welke men de stamvaders van het Kngelsch volbloed mag
noemen en wel:
1". Beyerley-Turc, in 1689 door Kapitein BEYERLEY ingevoerd ,
en naar men zegt bij het ontzet van Weenen buitgemaakt;
2°. Darley Arabian, afkomstig uit de woestijn in de nabij-
heid van Palmvra, in 1713 door Daiu.ey te Aleppo aangekocht;
3". Godolphin, waarop men eerst omstreeks 1735 opmerkzaam
werd, toen zijn zoon Lath op de renbaan verscheen. Naar men
beweert is Godolphin, uit Tunis afkomstig, te Parijs als karpaard
gebruikt, en door toeval in 1831 in Engeland gekomen, waar hij
als proefhengst diende.
Sedert den invoer dier Oostersche paarden werd de reine teelt
zoo zuiver mogelijk toegepast, en men voert den stamboom van
het tegenwoordige volbloedpaard tot drie hoofdfamiliën op, na-
melijk die van Herod, Matshem en Eclipse.
Herod, een lichtbruine hengst, werd in 1758 bij den hertog
van Cumberland geboren en stamde van vaderszijde van Reyerley-
Turc en van moederszijde van Darley Arabian af. De Herods
zijn de representanten van den stam van Beyerley-Turc en bekend om
hun krachtigen bouw; één der beroemdste nakomelingen is Highflyer.
De familie Matshem, van Godolphin afstammende, heeft haar
naam te danken aan den lichtbruinen hengst Matshem, in 1748
bij John Holme geboren. Gedurende eenige jaren verscheen hij
met veel succes op de renbaan, en bracht daarna als dekhengst
aan zijn eigenaar de som van 17,000 £ op.
De familie Eclipse stamt direct van Darley Arabian af; zij
heeft een groote vermaardheid gekregen doordien Eclipse, in 1764
geboren, bij alle wedloopen overwinnaar bleef.
Men noemt volbloed de paarden die ingeschreven zijn in het
Studbook, dat het eerst in 1786 werd uitgegeven.
De hippologen zijn het er niet over eens, of men bij het vol-
bloedpaard te doen heeft met het Oostersche paard, door invloed
van klimaat, voeding en verpleging gewijzigd, dan wel met een
kruisingsproduct, ontstaan uit Oostersch met inlandsch of vreemd
bloed. Zooveel is echter zeker, dat sedert het midden der voor-
gaande eeuw geen nieuw Oostersch bloed werd ingevoerd en dat
het volbloedpaard al zijn eigenschappen op de nakomelingen over-
brengt, zoodat wij dus kunnen spreken van een zuiver ras.
De wedrennen in hun oorspronkelijken vorm hebben zeer veel
bijgedragen tot rasverbetering, daar zij als het ware tot toetssteen
-ocr page 426-
400
dienden voor de eigenschappen der paaiden. Op de baan, die
drie, soms vier Engelsche mijlen (5 a 6 KM.) lang was, mochlen
slechts paarden boven de vier jaar loopen. De prijs bestond uit
een met bloemen versierden bol, en eerst in 1540 werd door
Hendrik VIII een zilveren klokje, en onder Karel II een zilveren
beker of schotel, ter waarde van 100 .£, als prijs ingevoerd.
Langzamerhand zijn de wedrennen geheel ontaard; men begon
paarden te fokken voor de renbaan, dat wil zeggen, men trachtte
zoo spoedig mogelijk aanzienlijke sommen met rennen en wedden
te winnen, en lette alleen op snelheid, waarbij men de vormen
en vooral den krachtigen bouw der ledematen uit het oog ver-
loor. Bovendien verminderde men de lengte der baan en het ge-
wicht door de paarden te dragen, en liet deze, om spoediger
geld te verdienen, op drie- en later op tweejarigen leeftijd loopen.
Gebreken van allerlei aard moesten hierop noodzakelijk volgen.
Spoedig opende zich voor een groot aantal paarden met gebreken
een weg naar het vasteland, waar veel vraag ontstond naar ren-
ners, die prijzen hadden gewonnen, om daarmede de Europeesche
rassen te verbeteren. Dat men hierin niet altijd slaagde, zal in
het vervolg blijken.
Het Engelsch volbloedpaard (thorough-bred) is gemiddeld 1.60 M.
hoog; het heeft een edel gevormd, droog hoofd, met breed voor-
hoofd, rechten neus, groote, vurige oogen, wijd geopende neus-
gaten, lange ooren, die meestal goed worden gedragen, en behoor-
lijk ontwikkelde kaken met wijde keelgang. De hoog aangehechte,
veelal rechte hals is lang en dun, terwijl de schoft bij een goede
lengte hoog is. Rug en lenden zijn kort, recht, dikwijls iets opge-
bogen en het hooggeplaatste, rechte kruis is lang en middelmatig
breed met hoog aangezetten staart. Het lichaam is slank, met
diepe, wel eens te platte borstkas en eenigszins opgeschortenbuik.
De beenen zijn lang, zwaar gebouwd en droog, met flinke,
schuinliggende schouders; de breede onderarmen en schenkels zijn
in de lengte goed ontwikkeld. Het dier heeft sterke gewrichten,
maar is veelal te steil gekoot. Een der grootste gebreken, waar-
tegen echter in de laatste jaren streng wordt gewaakt, is cornage.
De hoofdkleur is bruin of vos met weinig afteekeningen.
Het volbloedpaard kan, behalve als renpaard (PI. XIV), ook
als rij- en jachtpaard worden gebruikt.
Het jachtpaard bij uitnemendheid is echter dehunter (PI. XIII).
Deze is öf volbloed, óf wel het kruisingsproduct van volbloed" of
halfbloed-hengsten met Yorkshire, maar vooral met Iersche meriïën.
-ocr page 427-
40i
Hoofdvereischten voor een hunter zijn: diepe borstkas, lange,
schuinliggende schouder, een lang, goed gevormd, niet te recht
kruis, dat breed moet zijn, en verder een goed ontwikkelde broek
en schenkel. Het zijn vooral de ledematen waar het op aankomt,
daar van deze dieren een zeer inspannende arbeid, soms onder een
zwaren ruiter, wordt gevorderd. Zij moeten kort en breed zijn
met krachtige spierontwikkeling, wat op volharding in de bewe-
ging wijst en, bij goede hoek vorming in de gewrichten, tevens veel
voor het springen belooft.
Dat de adem niets te wenschen mag overlaten, spreekt bij een
jachtpaard van zelf, terwijl men gaarne een niet al te vurig tem-
perament ziet, zoodat het dier bedaard in zijn bewegingen is.
Men verkiest dikwijls ruinen boven merriën, omdat de laatste niet
zoo hoog springen en minder krachtig gebouwd zijn.
De hunter gebruikt men in den regel niet vóór het 5de jaar,
maar hij wordt natuurlijk vroeger ingereden. Vele der beste hunters
hebben weinig of geen actie in draf, waardoor zij als rijpaard
weinig waarde hebben. Is hij echter als rijpaard goed, dan spreekt
men van hack-hunter. Deze is evenwel vrij zeldzaam.
Hack noemt men het rijpaard bij uitnemendheid; dit moet
uitstekend bij den weg gaan. Is hij elegant van vorm en heeft hij
daarbij sierlijke gangen, zonder in het springen uit te munten,
dan wordt hij als paradepaard gebruikt en men spreekt dan van
parck-havk.
De cob staat tusschen den hack en den pony. Hij is niet grooter
dan 1.52 M., maar zwaar gebouwd, en heeft een breede borstkas
en gesloten flanken, daarbij korte, maar flink ontwikkelde lede-
maten en sierlijke vormen, vooral wat hoofd en hals betreft.
De cob is een uitstekend dienstpaard en wordt veel als rijpaard
gebruikt; hij heeft een flinken stap en een goeden draf, maar
zonder hooge knie-actie.
Door paring van het veredelde Engelsche paard en ook van
volbloed met de landrassen of met de ingevoerde Vlaamsche paar-
den, zijn verschillende z.g. onderrassen ontstaan, waarvan wij in
de eerste plaats de Clevelandsehe bruinen zullen bespreken. In het
Noorden van Engeland, in Yorkshire, vooral aan de oevers der
Tees en in de districten Cleveland, Lincoln, Durham en Northum-
berland had men een krachtig en vlug landbouwpaard, bekend als
het Yorkshire-paard; waarschijnlijk door paring van dat paard met
volbloed ontstond een groot, krachtig gebouwd dier, dat langen
t\'yd als het type van koetspaard werd beschouwd. Het was
26
-ocr page 428-
402*
i.?0—1.74 M. hoog en had een behoorlijk ontwikkeld, eenigszins
gebogen hoofd, een langen, goed opgerichten hals, en een tamelijk
gedrongen lichaam met een recht kruis en hoog aangezetten staart;
de diepte der borstkas en de ligging der schouders lieten wel wat
te wenschen over, maar de beenen waren sterk ontwikkeld, of-
schcon niet droog. De kleur was bruin in verschillende schakee-
ringen, zonder afteekeningen.
Toen de behoefte aan zware koetspaarden met de verbetering
der wegen en vervoermiddelen verminderde, hield de reden voor
het aanfokken dier paarden op. Men vindt op het vaste land,
vooral bij het Oldenburgsche paard, nog de sporen van zijn
bestaan. In de laatste jaren is men er in geslaagd, door paring
van enkele dieren met het zuivere type, het ras te doen herleven. De
tegenwoordige „Cleveland Bay" heeft een hoogte van 1.62—1.67M.;
het hoofd is niet fraai, maar het wordt door den hals goed ge-
dragen, de schouders zijn goed, de rug is recht en sterk met
krachtige, goed gespierde lenden; het achterstel is mooi en de
geheele houding goed. De kleur is bruin, met zwarte beenen.
De gang is ruim, maar niet bijzonder hoog en het dier kan zoowel
voor landbouw als voor koetspaard worden gebruikt. Er bestaan
afzonderlijke stamboeken voor „Cleveland Bays" en voor „Yorkshire
Coachhorses".
Als sierlijk tuigpaard is onder het groot aantal bastaarden de
hackney, die aan de oostkust van Engeland, vooral in Norfolk,
Lincoln en York wordt geteeld, veel in gebruik. Dit paard is
onder dien naam eerst in de laatste jaren op het vaste land be-
kend geraakt. Vroeger gebruikte men het, vooral in Norfolk en
Yorkshire, als rijpaard en sprak men van den Norfolkdraver en
„Yorkshire-roadster". Door uitvoer der beste naar het vaste land,
vooral naar Normandië, werd het ras niet beter. In 1883 werd
daarop de „hackney horse society" opgericht en in 1884 werd een
stamboek aangelegd. Men begon weder te fokken met de beste
dieren van het oude ras en verkreeg uitmuntende resultaten,
zoodat de hackney thans een zeer gezocht tuigpaard is, dat overal
wordt gebruikt en dat vooral in Amerika, waar er zelfs een eigen
stamboek voor bestaat, een grooten naam heeft. De hackney,
ter hoogte van 1.52—1.60 M., heeft een goed gevormd hoofd,
een behoorlijk gebogen hals, weinig schoft, waardoor de rug wel
eens wat laag schijnt en de lenden wat oploopen, een kruis dat
afgerond en niet geheel recht is, met goed aangezetten staart. De
borst is breed en diep, de beenen zijn sterk, krachtig gespierd,
-ocr page 429-
m
met breede gewrichten en de schouder heeft bij behoorlijke lengte
een goede ligging, waardoor de gang vooral in draf verheven
en snel is, zoodat men in werkelijkheid van een draver kan
spreken.
Uit de vermenging van het oorspronkelijk Engelsche landpaard
met Vlaamsche paarden, ontstonden de z.g. black-horses, die wel
groot, maar minder doelmatig gebouwd waren; vooral aan den
invloed van den bekenden veefokker Bakewell heeft men de
betere vormen te danken. Zij kwamen het meest voor in Leicester,
Warwicks-, Staffords-, Derby- en Lincolnshire, maar zijn thans
geheel verdrongen.
Onder de zware Engelsche rassen brengen wij den shire, den
Clydesdaler en het Suffolk-paard, terwijl men in het algemeen den
naam van cart-horse gebruikt voor alle zware paarden van minder
zuiver ras.
De shire, het landpaard of dat der Midland County is een zwaar
landbouwpaard, 4.68—1.72 M. hoog, dat wel in geheel Engeland
wordt gefokt, maar het best voorkomt in de middelste Engelsche
graafschappen, zooals in Lincolnshire, maar ook in Yorkshire.
Het is ontstaan uit het „Old English war-horse," dat als oorlogs-
paard werd gebruikt in de riddertijden, maar later, toen de zware
wapenrustingen verdwenen en de landbouw meer op den voorgrond
trad, als werkpaard dienst deed.
Het heeft een breede, diepe borst met schuinliggenden schou-
der, sterken rug, goede lenden en een krachtige achterhand; de
beenen zijn zwaar en hebben een sterk, maar fijn behang. De
gang van dit paard moet naar evenredigheid licht en veerkrachtig
zijn. De omtrek van het lichaam achter de ellebogen varieert van
2.32 tot 2.55 M. en die onder de knie moet minstens 27 cM. zijn.
Er bestaat een afzonderlijk stamboek voor het shire-horse.
Een variëteit, bekend onder den naam van brouwerspaard
(dray-horse)
is vooral in Londen, Liverpool en Manchester zeer
gezocht, niet alleen om de grootte, maar vooral omdat het dier,
in weerwil der grofheid, vlug in zijn bewegingen is. De beste
worden gefokt in Wilt-, Berk-, Oxford*, Hereford-, Lincoln- en
Yorkshire. Alleen hengsten of minstens 5-jarige ruinen worden
gebruikt. Schwarznecker geeft voor deze dieren het volgende
ration aan: 13 pond ^Engelsch) haver, 6 pond boonen, 3 pond
maïs, 15 pond haksel en hooi. De buitengewone zwaarte dezer
dieren is bij dit ration verklaarbaar.
Het C/ydesdaler-paard, in het Zuiden van Schotland, ontstond
-ocr page 430-
404
omstreeks 1700, door bemoeiing van den hertog van Hamilton,
uit de kruising van liet inlandsche Schotsche paard (een der vormen
van karpaard) met Vlaamsche hengsten. Het is een uitstekend
werkpaard, dat lichter dan het shire-horse, bij een grootte van
1,67 M., een gewicht van 600—800 Kg. bereikt. Dit paard heeft
een breed, goed gevormd hoofd, Hinken hals, langen, matig
schuinliggenden schouder, lang, breed kruis met zware dijen en
een ruime borstkas. De beenen zijn krachtig en zwaar gebouwd
met korte, breede pijpen en een zeer sterk behang. De kleur is over
het algemeen bruin of zwartbruin met veel afteekeningen en de
gang is in stap wat zwaar, maar, in weerwil der lichaamsgrootte,
vlug en daarbij uiterst regelmatig; zelfs kan deze colossus in draf
worden gebruikt. Tot het verkrijgen van uitstekende koetspaarden
en zware hunters, kruist men niet zelden shire-horse en Clydes-
daler, maar meer het karpaard, waarin soms al veel bloed zit,
met meer edele paarden, ja zelfs met volbloed. De veulens van
dit en andere rassen, maar ook nog de l\'/i jarigen, blijven in
den regel des winters in de weide, waar zij echter altijd bijvoer
ontvangen, terwijl een open houten schuurtje tot schuilplaats dient.
Men fokt den Clydesdaler, en evenzoo het shire-horse, tegenwoordig
ook in Amerika en Australië, terwijl zij op het vaste land overal worden
gebruikt om een ras zwaarder te maken en meer bloed te geven.
Het Suffolk-paard wordt vooral in Suffolk en Essex geteeld; de
oude Sufolk-punch moet reeds in de llde en 12de eeuw ontstaan
zijn uit de kruising van het Engelsche landpaard met het Norman-
dische. Het was een buitengewoon krachtig, zwaar gebouwd,
weinig sierlijk dier van 1.62—1.65 M. hoogte, veelal voskleurig,
dat een kalm temperament had en zelfs bij het zwaarste werk
buitengewoon volhardend was. Door kruising met het groote
Yorkshire-paard is het gelukt het Suffolk-paard te veredelen. Het
tegenwoordige (gewoonlijk ook voskleurig) is 1.67 M. hoog, ge-
drongen en krachtig gebouwd, en heeft een naar verhouding klein
hoofd, een lage schoft, een rechten rug en een breed, rond kruis.
De beenen, die bij Suflolk punch zeer breed waren, zijn nu
nog krachtig; het dier heeft meer temperament en is vlugger in
zijn bewegingen dan de beide voorgaande. Ook hieruit is het
o. a. aan den hertog van Richmond gelukt, door kruising met
edele dieren flinke koetspaarden te verkrijgen.
In Europa was men met het kruisen minder gelukkig. Veelal
klaagt men daar over de weinige volharding en energie der Suuolks
en ook over de neiging tot verschillende ziekten.
-ocr page 431-
405
Kleine paarden, z.g. pony\'s, zijn in Engeland algemeen in ge-
bruik en de meeste zijn oorspronkelijk uit Schotland en [eiland
afkomstig. Hun grootte wisselt af van 1—1.50 M. In het al-
gemeen kan men van de pony\'s zeggen, dat zij matig zijn in het
voer en slechts zelden aan beengebreken lijden; zij hebben een
goed temperament en hun volharding is in den regel groot. Steile,
overladen schouders worden bij pony\'s nog al eens aangetroffen.
De GaUoway\'s, oorspronkelijk in het Zuiden van Schotland en
het Noorden van Engeland te huis behoorende, zijn de grootste;
zij zijn waarschijnlijk ontstaan uit de kruising van Newforester-pony
met kleine volbloedhengsten. Bij een goed gevormd lichaam en
zware ledematen, munten zij vooral uit door een zekeren gang,
waarom zij ook meestal als rijpaard worden gebruikt. Tégen-
vvoordig is de Galloway nagenoeg geheel verdrongen door de andere
pony soorten; de beste worden nog aangetroffen op het eiland
Muil; zij zijn donkerbruin.
De Shetland-pony is de kleinste , namelijk 1.10 M. hoog, en in de
bergachtige streken van Schotland, vooral in het zuidelijk gedeelte,
maar ook op de Shetlandsche en Orkney-eilanden algemeen. De
afkomst is niet juist bekend; enkelen meenen dat het in die
streken een oorspronkelijk ras zou zijn, maar anderen geven aan,
dat het kleine Zweedsche paard aldaar is ingevoerd door de
Scandinaviërs, terwijl verschillende schrijvers beweren dat in 1588,
bij het vergaan der Onoverwinnelijke Vloot, enkele schepen, waarop
Noord-Afrikaansche dwergpaarden aanwezig waren, op de noord-
kust van Schotland en op de Shetlandsche eilanden strandden.
Het laatste wordt ook door sommigen aangenomen voor de hier-
voor beschreven Galloway\'s.
De Shetlandsche pony is gedrongen, sierlijk en goed geëven-
redigd van lichaamsbouw; hij heeft een kort, dik hoofd (dikwijls
snoekshoofd), een korten, zeer sterken hals, een lage schoft, een
korten rug en een breed, afgerond kruis met laag aangezetten
staart; de beenen zijn naar verhouding dun en slank, maar
krachtig en droog. De kleur is meestal vaalbruin met aalstreep,
terwijl de eenigszins gegolfde maan- en staartharen lang en zwart
zijn. Soms ziet men ook bonte, die ontstaan zijn door vermen*
ging met Uslandsch bloed; zij zijn niet zoo gezocht, daar zij
minder vlug zijn. Het dier kan zich snel bewegen en is daarbij
volhardend en zeer leerzaam. Vele worden in de kolenmijnen
gebruikt. Jaarlijks worden er van de eilanden circa 500 over
Granton en Aberdeen naar Engeland overgebracht, waaronder die
-ocr page 432-
406
der Orkney-eilanden de minste waarde hebben en niet talrijk meer
zijn. De beste komen van Unst. In 1888 kwamen op de Shetlands ,
waar deze dieren ook Shelties worden genoemd, 5413 pony\'s voor.
Deze dieren lijden veel aan digestiestoornissen, zoodra zij zwaarder
worden gevoed. Er bestaat tegenwoordig ook een stamboek van.
De Welsche pony, die vooral in Wales, maar ook in Cornwales
en Devonshire voorkomt, is door voortdurende veredeling met
volbloed zeer sierlijk van bouw en grooter dan de Shetlandsche
pony. Hij is buitengewoon volhardend, waarom hij voor alle
diensten wordt gebruikt. De beste komen voor in de omstreken
van Wynstay. Tegenwoordig fokt men in die streken meer
Clydesdalers.
De Forest- of Newforest-pony wordt vooral gefokt in de uit-
gestrekte bosschen bij Southampton en verder in Hampshire. De
veredeling is niet zoover gegaan als bij de Welsche pony, wat
o. a. blijkt uit het zwaarder en grover hoofd en den korten hals;
de gang is echter goed. Dit dier wordt veelal in het tuig gebruikt.
Öp enkele plaatsen leven zij nog als half wild, maar in Notting-
hamshire wordt een soort gefokt met flinke schouders, uit kleine
volbloedmerriën met Norfolkhengst of uit volbloedhengst met Wel-
sche of Iersche pony.
De Exmoor-pony komt voor in het bergachtig, moerassig terrein
der Schotsche Hooglanden en in het stroomgebied vandeExe, en
is zoowel met volbloed als met Yorkshire veredeld. Hij is sierlijk
van bouw, zelden hooger dan 1.30 M., heeft krachtige beenenen
is veelal bruin of grauw van kleur. Merriën, met volbloed ge-
kruist, geven krachtige paarden van 1.48 M. hoogte, die goede gan-
gen hebben en in Londen zeer gezocht zijn.
De polo-pony\'s, aldus genoemd naar het polo-spel, waarvoor
zij worden gebruikt, vormen geen afzonderlijk ras. Toch is men
in den laatsten tijd bezig daarvoor een stamboek op te lichten.
De Iersche pony is middelmatig groot en eveneens sierlijk en
krachtig van bouw. De beste treft men aan in de bergachtige
streken van Ierland en op het eiland Man.
Behalve de reeds beschreven ook in Ierland voorkomende
paardenrassen, spreekt men van Iersche paarden en verstaat daar-
onder dieren, welke oorspronkelijk ontstaan zijn uit de kruising van
het Iersche landpaard met het edele Engelsche paard. Zoowel in
voorkomen als in eigenschappen komen zij tegenwoordig tamelijk
wel overeen, maar het hoofd is zwaarder en de hals is dikker dan
van het Engelsch volbloed. Enkele zijn voortreffelijke hunters en
-ocr page 433-
407
munten vooral in den hoogte-sprong uit; alle zijn zeer volhardend
en hebben voldoende temperament. De handel in remontepaarden
is zeer groot.
In het Noorden, vooral in Ulster, worden onder het landpaard
enkele zwaardere dieren aangetroffen, die als landbouwpaard goed
bruikbaar zijn.
Volgens opgave kwamen gedurende 1892 in Engeland 2,067.549
paarden voor.
§ 173. Frankrijk.
In Frankrijk, dat zoo uitgestrekt is, komen verschillende
paardenrassen voor, die meerendeels voor militair gebruik geschikt
zijn; het Fransche leger wordt tegenwoordig uitsluitend uit het
binnenland geremonteerd. Een proef, in 1877 genomen, om voor
de remonte paarden uit de Savannen van de la Plata in te voeren,
had geen gunstig gevolg.
Van oorspronkelijke rassen kan men hier niet spreken, daar
in het Zuiden Oostersch en in het Noorden vooral Engelsch bloed
tot verbetering werd gebruikt.
Toen in 732 de Mooren, onder aanvoering van Abderrhaman,
een inval in Frankrijk deden en door Karel Martel tusschen Tours
en Poitiers totaal werden verslagen, was de buit aan edele Oos-
tersche paarden groot; deze deden hun invloed op het inlandsche
paard gelden en daaruit ontstond het eertijds zoo beroemde Li-
ïnousijnsche paard, dat gedurende de kruistochten telkens aanvoer
kreeg van Oostersch bloed. Dit paard was evenwel te licht voor
de zware wapenrusting der toenmalige ridders, die dan ook ver-
plicht waren hun paarden in het buitenland, vooral in Spanje en
in Duitschland, aan te koopen, waardoor de inlandsche paarden-
fokker\'y meer en meer op den achtergrond geraakte.
In 1665 stichtte Colbert staatsinrichtingen, waar hengsten uit
verschillende landen gestationneerd werden; de weinige zorg bij
de keuze der te paren dieren was evenwel oorzaak dat deze
maatregel niet het gewenschte gevolg had. Alleen in het noord-
westelijk gedeelte, waar het inlandsche paard reeds ten tijde der
Noormannen zwaarder was, werd de invloed merkbaar.
De voortdurende oorlogen waren oorzaak dat de paardenfokkerij,
zelfs in die streken, niet tot volle ontwikkeling kon komen en
de uitgaaf van 50 millioen gulden, alleen gedurende het tijdvak
-ocr page 434-
408
van 1088—1701, tot aankoop van paarden voor liet leger besteed,
gaf\' aanleiding tot liet oprichten van enkele stoeterijen, als: te
Pin in Normandië (171-4), te Poinpadour in Liniousin (1745) en
te Ivosiëres bij Nancv (17G7), terwijl ook verschillende particuliere
stoeterijen tot stand kwamen. Bijna overal maakte men gebruik
van het Engelsche paard tot veredeling. Ook deze maatregel droeg
weinig vruchten, daar gedurende de revolutie de staatsstoeterijen
werden opgeheven.
Napoleon I trachtte, in verband met zijn grootsche plannen,
de paardenfokkerij te verbeteren, maar de talrijke oorlogen gedu-
rende zijn regeering gevoerd, oefenden natuurlijk een zeer na-
deeligen invloed uit, en met zijn val keerde alles, wat op paarden-
fokkerij betrekking had, tot den vorigen toestand terug.
Wel deed Louis Philip door het invoeren van Engelsche paarden
nog een poging tot verbetering, maar eerst aan Napoleon III
komt de eer toe den grondslag te hebben gelegd tot den tegen-
woordigen bloei der paardenfokkerij , vooral in Noordwestelijk
Frankrijk. Onder leiding van zijn opperstalmeester generaal Fleury
kwamen, vooral in Normandië en Bretagne, staatsstoeterijen tot
stand, waar al spoedig met Engelsch bloed uitstekende renpaarden
werden gefokt. Ook liet oprichten van hengsten-depots, en vooral
keuringen met hooge prijzen hadden het gewenschte gevolg.
In 1891 waren in de stoeterij te Pompadour, behalve de 384
hengsten voor het stationneeren, 14 Engelsch volbloed, 28 Arabisch
volbloed en 18 Engelsch-Arabisch volbloed merriën, terwijl te Pin
onder de 80 staatshengsten enkele Engelsch volbloed, maar ook
Norfolk waren.
Onder de rassen van Zuid-Frankrijk dienen wij in de eerste
plaats het Limousijnsche paard te noemen. Zooals reeds gezegd
is, was het oorspronkelijk van zuiver Oostersch ras en kwam het
vooral in Limousin en Auvergne voor, doch tegenwoordig is het
zoo goed als uitgestorven. Het was een sierlijk dier, middelmatig
groot en fijn gebouwd, dat door schoone vormen, door snelheid en
duurzaamheid in de beweging uitmuntte en dat als type van een
rijpaard kon worden beschouwd. Tegenover al deze voordeden
dient gezegd te worden, dat het eerst op zes- of zevenjarigen
leeftijd volkomen op kracht kwam. Door verminderd toezicht werd
het ras langzamerhand kleiner en lichter, en vooral na de groote
revolutie ging het sterk achteruit. Napoleon I trachtte, door het
invoeren van Egyptische hengsten, verbetering aan Ie brengen,
wat men later met volbloed Arabisch en Engelsch bloed be-
-ocr page 435-
409
proefde, maar zonder veel succes. Met Engelsen Oostersche hengsten
verkreeg men in Bigorre nog de beste resultaten.
De paarden in Auvergnc kan men beschouwen als een onderras
van liet Limousijnsche. Zij zijn kleiner en minder lijn van bouw,
de borstkas is smaller en het kruis eenigszins hellend; deze paar-
den zijn vooral bekend om de groote zekerheid, waarmede zij zich
op bergachtig terrein bewegen. Aan de noordelijke helling van
liet Pyreneesch gebergte vindt men nog afstammelingen van liet
eertijds zoo beroemde ras van Navarra, waarvan de beste in de
omstreken van Tarbes en Bigorre worden aangetroffen. Die
paarden gelijken op de Berg-Navarreezen van Spanje. In den laatsten
tijd heeft men er Engelsche hengsten gestationneerd, waardoor men
meer massa verkrijgt en het dier meer geschikt wordt voor rijpaard.
Het paard van Arriige behoort daar eveneens toe. Dit dier is niet
groot (1.45—1.50 M.), maar hoeveel men ook op den lichaams-
vorm moge afdingen, toch is het voor lichte cavalerie nog wel
geschikt, daar het aan groote snelheid en zekerheid in de bewe-
ging, buitengewone duurzaamheid paart en bijzonder gehard is.
Het heeft een zwaar, slecht aangezet hoofd, weinig schoft, een
afhangend kruis en sterk behang, terwijl de beenen veelal sterk
Fransen staan; men gebruikt het vooral als postpaard.
In de hengstendepots te Rodez en Aveyron heeft men tegen-
woordig zware hengsten.
Het Poitevin-paard behoort tot de zware rassen en men zegt dat
het van Hollandschen oorsprong is. Het is 1.65 M. hoog en wordt
als zwaar trekpaard, maar het meest voor de muildierfokkerij ge-
bruikt. In het hengstendepot te Saintès heeft men 679 hengsten.
Aan de monden der Rhóne vindt men het Camargue-paard, dat
blijkens zijn vormen ook tot de rassen met Oostersch type moet
worden gebracht. Het is door Fl&VIUS Flacuus bij de verovering
dier streek ingevoerd en komt het meest in de omstreken van
Arles voor. Na Flaccus heeft nieuwe invoer plaats gehad uit de
colonie Julia en nog later kwamen er Saraceensche paarden,
terwijl ook gedurende de kruistochten Oostersch bloed werd in-
gevoerd. Bij een gemiddelde hoogte van 1.33 M. heeft het dier
een breed, droog, veelal recht hoofd, een langen hals (soms
hertenhals), een scherpen rug, lange lenden en een kort, afhel-
lend kruis. De schouders zijn kort en recht, maar de ledematen
overigens goed gevormd; alleen de stand der achterbeenen is wel
wat nauw. Deze dieren, vaalgrijs van kleur, leven in halfwilden
toestand; zij zijn zeer sober, vlug, moedig en volhardend.
-ocr page 436-
410
In ile welige weiilen van Normandië werden twee uitstekende
paardenrassen geteeld, namelijk dat van Merlerault (Melleraud) en
van Cotentin. Volgens Fitzinger (\') behoorde het Merlerault-ras ook
onder de afstammelingen van het Moorsche paard , en alleen het
verschil in bodem en klimaat was oorzaak van de sterkere ont-
wikkeling, terwijl het Cotentin-ras, dat grooter en minder edel
was, een bastaard zou geweest zijn van Merlerault met het Deensche
paard. Beide rassen zijn evenwel door kruising met Engelsch
bloed zoo goed als verdwenen en hebben plaats gemaakt voor het
Anglo-Normandigche paard (PI. IXV Toch worden nog wel dieren
van het oude Normandische ras aangetroffen met een groot hoofd,
breede kaken, korten nek, rechten, zwaren hals met sterke uit-
holling vóór den schouder (hazenboegen), terwijl de schouder zelf
naar voren is gelegen; rug en kruis zijn goed , evenzoo de beenen,
maar de onderbeenen zijn wat fijn. De Anglo-Normandiër, van
1.62—1.65 M. hoogte, die zoowel om de schoone vormen als om de
hooge kniebeweging, niet alleen in Frankrijk, maar ook in het
buitenland zeer gezocht is, kan men als het toonbeeld van een
koetspaard beschouwen. De hooge kniebeweging is te danken aan
liet kruisen met Norfolk. Men treft verschillende typen aan, maar
bij alle vindt men een goed gevormd, soms wat zwaar hoofd,
een rechten hals, een flinke schoft, een sterken rug, een goed
gevormd kruis met hoog aangezetten staart en een diepe, breede
borst. De ledematen laten wel eens te wenschen over; zij zijn
soms smal en de gewrichten (vooral het spronggewricht) zwak,
terwijl de kooten steil staan. De gang is krachtig, met veel knie-
actie en groote snelheid. Hoe meer bloed het dier heeft, des te
smaller zijn in den regel de onderbeenen.
De meest voorkomende kleur is bruin met nogal afteekeningen.
In de departementen Orne, Eure, Calvados en Manche worden
deze paarden het meest gefokt, maar ook uit Bretagne, Anjou
en de Vendée, wordt jaarlijks een groot aantal veulens naar
Normandië gezonden, die later als Anglo-Normandiërs in den
handel komen.
Volgens Gayot is men eerst in 1830 met het fokken van
Anglo-Normandiërs begonnen en gebruikte men tot 1850 daarvoor
11 volbloed en 17 halfbloedhengsten.
Onder den naam van Normandische kleppers verstaat men
kleinere paarden, die in geheel Normandië voorkomen, maar het
(1) Dr. L. J. nnUOU, fenuei über die Abtlammvng det saAmen Pferde:
Wien 1858.
-ocr page 437-
411
meest in de omstreken van Clierbourg en ten noorden van Rouaan
worden gefokt. Zij zijn niet met Engelsch bloed veredeld en
worden als rij- en koetspaarden, maar vooral als postpaarden
gebruikt. Bij Dieppe komen, door vermenging met Bologneezers,
meer zware werkpaarden voor.
In de omstreken van Angers aan de Loire komt het Angevin-paard
voor, ontstaan uit de kruising van het landpaard met Anglo-Norman-
dische en volbloedhengsten. Het wordt als cavaleriepaard gebruikt en
komt, in Normandië opgevoed, als Anglo-Normandiër in den handel.
Als\' overgang van de lichte tot de meer zware rassen kan men
liet lichte Bretagner paard of den lichten Breton beschouwen, die in
geheel Frankrijk, maar vooral in Bretagne, zoowel voor ry- als
voor trekpaard zeer veel wordt gebruikt en meer onder den naam
van doublé bidet bekend is. Dit paard is waarschijnlijk ontstaan
uit de kruising van het Bretagnerpaard met dat uit Cotentin of
met den Normandischen klepper. Het heeft een gemiddelde hoogte
van 1.35 M. en een tamelijk zwaar hoofd, dat in den neus veelal
ingedrukt is; het lichaam is kort met breede en diepe borstkas
en een eenigszins af hellend kruis, waardoor de staart laag is
aangezet; de schouders zijn droog en de beenen goed ontwikkeld.
In de departementen Illes et Vilaine en Morbehan wordt het
vooral geteeld en de beste worden in de omstreken van St. Pol
de Léon aangetroffen.
De zware Bretagner, het flinkst ontwikkeld in de departementen
Cótes du Nord en Finistère, is grover van bouw en gemiddeld
1.55 M. hoog; hij bewijst als trekpaard, zelfs in draf, goede diensten.
Veel zwaarder is de Bologneezer. Deze heeft een kort, recht
hoofd, met breede, zware kaken en kleine ooren, een zwaren,
dikken hals met dubbele manen, die zelden lang zijn, een breede
borst en lage schoft met ingezakten rug, korte, breede lenden en
een kort, maar breed, gespleten kruis, dat afbelt en hoog gelegen
is. Hij is gemiddeld 1.66 M. hoog en hoewel alle kleuren voor-
komen, ziet men toch meestal grauw- of roodschimmels. Vooral
in de arrondissementen Boulogne, Béthune en St. Omer wordt
dit paard gefokt en het behoort om zyn uitstekende eigenschappen
tot de beste zware werkpaarden, vooral omdat het niet alleen in
stap, maar ook in draf, behoorlijk werkt; bovendien kan het bij
sterke voeding op den leeftijd van 1 •/,—2 jaar reeds tot den arbeid
worden gebruikt, hoewel het er natuurlijk niet beter op wordt.
Ook in de omliggende departementen als Somme, Seine infé-
rieure en Nord, komen paarden voor, die met de Bologneezers veel
-ocr page 438-
412
overeenkomst hebben, maar gewoonlijk zwaarder zijn en daardoor
logger in de beweging; de meest bekende daarvan zijn die uit
Pivardië, uit de omstreken van Bourbourg en Caux. Ook liet
later te bespreken Vlaamsche paard kan tot deze groep worden
gebracht.
Zuidelijk van de Seine, langs de oevers der Eure, vooral in
den omtrek van Chartres, maar ook aan de vruchtbare boorden
der Loire, in de buurt van Blois, fokt men tegenwoordig een
paard, dat voor omnibus- en tramwaydienst algemeen in gebruik,
en daarom ook over een groot gedeelte van Europa verspreid is.
Het is het bekende Percheron-paard (PI. XXXVilt), dat zijn naam
ontleent aan het graafschap Perche. De kantons Illiers en Morit-
doubleau kunnen als centraalpunten worden beschouwd voor de
paardenfokkerij uit het bedoelde graafschap en uit Beauce. Uit
Poitou, Bretagne, Picardië, Boulogne, ja zelfs uit Vlaanderen en
Luxemburg worden jaarlijks een groot aantal veulens van 18—20
maanden opgekocht, die met de paarden uit de Perche worden
opgevoed. Bij lichten veldarbeid vinden deze dieren op de welige
klaver- en esparcettevelden een krachtig voedsel, terwijl het ration
haver, dat op 48 maanden reeds 3—4 Kg. per dag bedraagt, tot
8 a 9 Kg. wordt opgevoerd. Aan deze opvoeding, die een alge-
meenen stempel op de paarden van die streken drukt, is het dan
ook te danken dat jaarlijks een zoo groot aantal Percherons wordt
uitgevoerd.
Uit het voorafgaande blijkt, dat men in den strikten zin des
woords niet van een ras kan spreken; deze naam is eerst na de
oprichting van de stoeterij te Blois (1806) in gebruik gekomen.
Op de groote markt te Chartres komen bijna alleen Percheron-
hengsten.
Men heeft twee soorten, namelijk den kleinen en den grooten
Percheron; de eerste is 1.50—1.OOM. hoog, de laatste 1.60—1.65 M.
en hooger. In den hoofdvorm vindt men bij den kleinen soms nog
het Oostersche type, maar dikwijls is het rechte hoofd lang en
smal, de hals kort en recht, de schoft tamelijk ontwikkeld en
het afhellende kruis vol en hoog. De krachtige schouder is mid-
delmatig lang en schuin, maar daarbij nog al plat, terwijl de
onderarm wel wat breeder kon zijn; de koot is veelal kort, wat
eveneens het geval is met de goed ontwikkelde dij, terwijl de
schenkel daarentegen lang en smal is. Dit dier paart aan groote
makheid leerzaamheid, en het kan een matig snellen draf, bij
Hinkt: krachtsinspanning, langen tijd volhouden.
-ocr page 439-
m
De groote Percheron is grover van bouw; de breede borst en
de zware, sterk bebaarde ledematen, springen in het oog. Hij
kan alleen voor stappend werk worden gebruikt. De meeste
Percherons zijn schimmels.
De in het noordoostelijk en in het oostelijk gedeelte van Frank*
rijk voorkomende zware paarden zijn van gemengd ras, bij enkele
treft men het type van den Ardenner (zie later) nog aan; zij
zijn meestal bruinrood of grauw. De zwaarste, die veel op het
Bologneezer paard gelijken, maar logger zijn, zoodat zij alleen
voor zwaar stappend werk kunnen worden gebruikt, noemt men
ook nu nog wel, naar de streek waar zij het meest voorkomen,
Bourgondische paarden. In de buurt van Aube legt men zich meer
toe op het fokken van een remonte-paard voor lichte cavalerie.
In 1893 waren van de 2613 staatshengsten 194 Engelsch vol-
bloed, 95 Arabisch volbloed, 193 Engelsch-Arabisch, 1782 half-
bloed en 349 werkpaarden. Het geheele aantal hengsten, ter
dekking toegelaten, was 3859.
De uitvoer bedroeg \'21702 en de invoer 14334.
Het geheel aantal paarden in Frankrijk bedraagt 3 millioen en
bovendien 900.000 voor omnibus, tramdienst, enz. en 140.000
voor het leger. Er zijn 22 depots met evenveel directeuren, boven-
dien 5 inspecteurs en één directeur-generaal. De depots zijn geves-
tigd te: Braisne, Pin, St.-Lo, Lamballe, Montier en-Der, Rozières,
Besancon, Blois, Angers, Hennebout, Uoche-sur-Yon, Saintès,
Pompadour, Cluny, Avonecy, Aurillac, Libourne, Villeneuvestir-
Lot, Rodez, Pau, Tarbes en Perpignan.
Over de paarden op Corsica, zie later.
In Algerië is te Tiarret een stoeterij, die onder militair beheer
staat, met 30 merriën en 4 hengsten, waarvan 2 volbloed Derbers,
1 volbloed Arabier en 1 volbloed Engelsch-Oostersch ras.
Hengstendepots worden aangetroffen te Blidah, Mostaganem
en Sidi Mahouk, waar meerendeels Berbers en enkele Syrische
hengsten staan.
§ 174. Spanje en pohtugal.
Terwijl het Spaansche paard in vroeger eeuwen als het beste
van Europa werd beschouwd, zoekt men thans in dat groote rijk
te vergeefs naar een paardenslag, dat werkelijk goed is.
De weinige zorg aan de opvoeding der veulens besleed, liet
spaarzame voedsel aan die dieren toegediend, het gemis aan flinke
dekhengsten, maar vooral de uitgebreide muildierteelt, zijn zoovele
-ocr page 440-
iU
oorzaken van achteruitgang der paardenfokkerij Blijkbaar hebben
de Spanjaarden geen behoefte aan een goed ontwikkeld paard
en ontbreekt het hun aan energie, om daartoe, terwijl de bodem
voor paardenfokkerij zoo uitstekend geschikt is, alle krachten in
te spannen.
Gaan wij, zeer in het kort, de geschiedenis van het Spaansche
paard na, dan blijkt dat het Omstreeks 1500 v. C. door de Phoe-
niciërs in het land werd gebracht en zich spoedig over het ge-
heele schiereiland verbreidde. Ten tijde der Romeinen was het
paard uit het Zuiden van Spanje beroemd om zijn sierlijken gang
en vlugheid van beweging, en reeds toen werd van het uitstekende
oorlogspaard gesproken, afkomstig uit de tegenwoordige provincie
Galicië. In de eerste eeuwen na Christus vindt men geen aan-
teekeningen omtrent het Spaansche paard. Toen in 711 de Mooren,
onder aanvoering van Tarek Abu Zara, met een gedeeltelijk
bereden leger van 12.000 man in Spanje landden en zich op de
hoogte van het tegenwoordige Gibraltar legerden, werden de
Gothen, na een veldslag van zeven dagen, bij Xeres de la Frontera,
totaal verslagen; de paarden van dat leger, Arabieren, Mooren of
Berbers, vormden den grondslag van het Andalusische paard. In
het Noorden van het land zijn waarschijnlijk zwaardere paarden-
soorten door de West-Gothen ingevoerd.
De paarden uit Spanje werden langzamerhand wereldberoemd
en dienden in verschillende landen tot verbetering der bestaande
rassen; men rekent dat de paardenfokkerij op den hoogsten trap
stond onder de regeering van Philips II (1556—1598). In de
15de en lGde eeuw waren de Andalusische hengst en het Castili-
aansche strijdros algemeen bekend, maar het verminderen der
heerschappij van de Mooren in Spanje had een ongunstigen in-
vloed op de fokkerij. Ook de tochten van Ka rel V naar Tunis
en Algiers in 1535 en 1541 waren voor de ontwikkeling van het
paardenras in Spanje niet voordeelig. Het was vooral de reeds
in de 12de eeuw zich meer en meer uitbreidende muildierfokkerij
(juist in de zuidelijke provinciën waar het edele paard voorkwam),
die zeer nadeelig werkte, daar het muildier zich sneller ontwik-
kelt en men het dus eer kan gebruiken dan het paard. Nog dient
als oorzaak van het verval der paardenfokkerij te worden aan-
gegeven, dat de bevolking zich meer toelegde op het telen van
Merinos-schapen, wat voordeeliger en gemakkelijker was.
Men trachtte reeds vroeg de muildierfokkerij tegen te gaan;
zoo o. a. vaardigde Hendrik IV, Koning van Castilië, in I4G2
-ocr page 441-
415
geboden tegen haar uit, en een eeuw later werd door Philips II,
op boete van 20.000 maravedos en twee jaar gevangenisstraf, het
dekken van een merrie door een ezelshengst verboden, terwijl den
paardenfokkers groote voordeden werden toegestaan. Deze en
andere voorschriften baatten niet, zoodat men in 1812 alle be-
palingen, die de muildierfokkerij beperkten, moest laten vervallen.
In 1829 beproefde men nogmaals, door een hoogere belasting op
de muildieren en door het gratis beschikbaar stellen van dek-
hengsten, de paardenfokkerij aan te moedigen. Ook deze maatregel
was vruchteloos, want in 1859 verklaarde een regeerings-commissie,
dat Spanje geen type van paarden, voor een of anderen dienst
geschikt, bezat Thans tracht men de particuliere fokkerij te
bevorderen door het beschikbaar stellen van dekhengsten. Reeds
in 1866 werden daartoe 340 hengsten in 16 depots geplaatst.
Koninklijke stoeterijen bestaan te Aranjuez en te Rambla, in
Cordova.
In den bloeitijd werden in Spanje twee soorten van paarden aan-
getroflen, namelijk de Genet, het typisch Spaansche paard, dat in al
zijn bewegingen deftig en trotsch was en de Villanos, die groot er
en zwaarder waren en in de bergachtige streken werden gefokt;
ook sprak men van Alfaraz, zijnde een klein, licht paard, met
veel Oostersch bloed. Zelfs tegenwoordig onderscheidt men, hoe-
wel met weinig recht, nog drie rassen, namelijk het Andalusisch-
Spaansche, het Navarreesche- en het Galicisch-Spaansche ras.
Het Andalusisch-Spaansche 2>aard komt in het zuidelijk gedeelte
van Spanje voor en wel het meest in de omstreken van Cadix,
Sevilla, Cordova en langs de oevers van den Guadalquivir. De
beste hebben een tamelijk groot, maar droog hoofd, een behoorlijk
aangehechten, soms nog al gebogen hals, een korten, sterken rug
en een afhellend, wel eens gespleten kruis met llinke beenen en
stevige hoeven. Zij zijn gemiddeld 1.50 M. hoog en hebben
meerendeels den trotschen, hoogen gang van hun voorvaderen
geërfd. Sinds in 1847 groote jaarl\'yksche veemarkten in enkele
gemeenten zijn ingesteld, bespeurt men werkelijk eenige verbetering
in den vorm. Bij Sevilla is een hengstendepot met 203 hengsten.
Onder de goede bergpaarden wordt vooral de Monteleone geroemd.
Aan de noordelijke helling van het Guadaramagebergte, in de
buurt van Avila, vindt men nog afstammelingen van het oude
Castiliaansche paard, die daarvan eenigszins het type vertoonen.
Zij hebben een groot, zwaar ramshoofd, een rechten, korten,
vleezigen hals, een langen, rechten rug, breede lenden, een sterk,
-ocr page 442-
4l(i
goed afgerond kruis en krachtige beenen met lange kooten. De
opvoeding der veulens laat daar veel te wenschen over.
Het Navarreesche paard, dat zich oorspronkelijk uit Spanje naar
Frankrijk verbreidde (zie bl. 409), heeft in Spanje geen beteekenis
meer; slechts hier en daar treft men onder de landpaarden van
Navarra en Bilbao enkele dieren aan, die in hun voorkomen nog
de afstamming van dat oudtijds zoc beroemde ras verraden.
In de laatste jaren bespeurt men in Navarra wel eenige ver-
betering, ofschoon ook daar nog al muildieren worden gefokt.
Men onderscheidt twee slagen, namelijk het laaglandsche en het
bergpaard. Het eerste, 1.50—1.60 M. hoog, heeft veelal een
groot, vleezig hoofd, een hollen rug en een tamelijk recht kruis;
de onderbeenen laten, vooral wat stand betreft, te wenschen over.
Het bergpaard heeft een klein, fijn hoofd, een sierlijk gebogen hals,
korten rug, sterke lenden en een goed gevormd kruis, terwijl de
onderbeenen krachtig van bouw zijn; het beste wordt aangetroffen in
Tudela, want die in het hooggebergte, vooral bij Arolar, zijn te klein.
In het noordwestelijk gedeelte van Spanje, in de tegenwoordige
provinciën Asturië, Galicië en een gedeelte van Leon, kwam het
oud-Galicische paard, vooral in de omstreken van Zamora, voor.
Ohtstaan door kruising van het zware paard (waarschijnlijk uit
Frankrijk ingevoerd) en den Berber, was het als strijdros met
het Castiliaansche paard gelijk te stellen. Tegenwoordig is het
Galitisch-Spaansche paard 1.4C—1.50 M. hoog en heeft het, ook wat
vorm betreft, veel overeenkomst met hetgeen men gewoonlijk
dubbele hit noemt. Het is krachtig, onvermoeid als lastdier en
houdt in bergachtige streken de concurrentie met den ezel en het
muildier goed vol.
Of de min of meer gebogen profiellyn van het hoofd, die men
bij bijna alle Spaansche paarden aantreft, oorspronkelijk aan het
ras eigen was, dan wel of deze vorm door kruising met Napoli-
taansche paarden onder de regeering van Karel III ontstond, is on-
bekend. De beste worden aangetroffen in de vlakte langs deliio Limia.
Onder de privaatstoeterijen mogen wij die der Karthuizer mon-
niken te Xerez bij Cadix noemen, waar nog uitstekende school-
paarden worden gefokt. In Spanje zijn circa 310.275 paarden.
Over Portugal valt weinig te zeggen; ook daar is door de
muildierteelt de paardenfokkerij verdrongen. Het Lusitaanschepaard
is algemeen verbreid, maar een kleiner bergpaard, van Galicischen
oorsprong, wordt, vooral met het oog op de muildierfokkerij, inde
noordelijke provinciën, het meest in Tras-os-Montes, met zorg geteeld.
-ocr page 443-
417
Te Evoia, in Alemtejo, is de van ouds beroemde stoeterij
tegenwoordig weer bezet, terwijl de regeering, door het oprichten
van verschillende hengstendepots, de paardenfokkerij tracht te be-
vorderen. In vroegere eeuwen werden in Portugal even goede
paarden gefokt als in Spanje.
s                           § 175. Italië.
Het Italiaansche of liever het Oud-Napolitaansche paard (PI. VIII),
dat in de 17de eeuw als rijpaard, maar vooral als statig koetspaard
bekend was, is zoowel in Engeland als in Duitschland herhaalde
malen tot rasverbetering gebruikt. Als ras bestaat het thans niet
meer; alleen in de stoeterij te Kladrub in Bohemen is het oor-
spronkelijke type nog aanwezig.
Men vindt nu, door geheel Italië verbreid, verschillende rassen,
waarbij, in enkele lichaamsvormen, soms nogeenigeovereenkomst
met het oude ras valt op te merken. In de laatste jaren gaf de
regeering blijken van belangstelling in de paardenfokkerij door
het invoeren van uitstekende buitenlandsche dekhengsten. Reeds
in 1862 werden hengstendepots opgericht en in 1892 waren in
die te Pisa, Reggio, Santa Maria, Crema, Ferrara, Scordia op
Sicilië en Ozieri 593 hengsten aanwezig, waaronder 64 Engelsch-
en 96 Oostersch-volbloed. Buitendien waren 843 goedgekeurde
privaathengsten aanwezig. De remonte-depots zijn gelegen te
Groseto en Persano.
Het geheele aantal paarden bedraagt circa 720.000.
Op het eiland Sicilië, waar zelfs reeds vóór Christus geboorte
het paard van Syraouse beroemd was en waar, door invoer van
Spaansche paarden in later tijd nog rasverbetering plaats had,
werden in het begin dezer eeuw nog enkele sierlijke rijpaarden
aangetroffen. Thans heeft men daar slechts kleine, weinig ont-
wikkelde individuen, die men door kruising met het Oostersche
paard tracht te verbeteren.
Het eiland Sardinië heeft het oorspronkelijk paard tamelijk
zuiver behouden en het is voornamelijk in het zuidelijk gedeelte,
dat men nog groote kudden half wilde pony\'s aantreft, die bij
weinig voedsel, zoowel als licht rijpaard, maar vooral als tuig-
paard, uitstekende diensten bewijzen. Te bejammeren is het dat
zij, op het vaste land onder betere voedingsverhoudingen komende,
veel aanleg hebben om dampig te worden. Volgens bewering van
enkelen zou dit dier, dat ook op Corsica voorkomt, hetzelfde zijn
27
-ocr page 444-
418
als de Koemrah in Afrika; anderen meenen, dat het een oor-
spronkelijk ras is, terwijl sommigen aangeven, dat men met een
kruisingsproduct te doen heeft van Arabier met Andalusiër.
De hoogte verschilt van 1 —1.40 M. Het voorhoofd is breed
met zware kaken, de hals kort en dik met zware manen en
maantop, de romp gedrongen met sterk ronde ribben, weinig
schoft en ingezakten rug; het breede kruis is afgerond. De beenen
zijn goed ontwikkeld, maar bij vele laten de afmetingen der
borstkas te wenschen over. Deze dieren zijn uiterst snel in hun
bewegingen, veelal bruin van kleur (op Corsica goudbruin, zwart
of vos) en worden onderscheiden in Achetta en Achettone. De
laatste zijn het grootst en worden op het vaste land van Italië
veel gebruikt; waarschijnlijk zijn zij het product der veredeling
met het Andalusisch-Spaansche paard. Bij de wedrennen, die op
de Italiaansche eilanden in zwang zijn, maakt men ook gebruik
van Achettone.
In Zuid-Italië, namelijk Napels, Calabrië en Apulië, staat de
paardenfokkerij op den laagsten trap en vindt men paarden van
verschillend slag; toch worden door enkele liefhebbers, vooral in
Calabrië, paarden gefokt, die, bij een edel voorkomen, flinke
gangen hebben. Het paard in Napels is hoog ter been en tusschen
1.45 en 1.50 M. groot. Het heeft een groot hoofd, met breed voor-
hoofd, grooten mond en middelmatig langen hals, die veelal
vleezig en dik is; de romp is smal en het kruis af hellend, terwijl
de beenen tamelijk goed en de hoeven uitstekend mogen worden
genoemd. In den gang zit weinig actie. De beste komen uit
Lavoro; in enkele particuliere stoeterijen wordt nog volbloed geteeld.
In Midden-Italië, waar de bodem hier en daar voor paarden-
fokkerij zoo uitstekend geschikt is, treft men het Romeinsche paard
aan, dat in hoogte afwisselt van 1.65—1.70 M. Het heeft een
lang hoofd met ramsneus, meestal een hertenhals, een af hellend
kruis, een platte, ondiepe borstkas, en is dikwijls hoogbeenig,
maar de beenen zijn droog. Hier en daar leven deze dieren nog
als halfwild. Ook hier worden er gefokt met betere vormen, die
als rijpaard, maar vooral als tuigpaard, uitmuntend voldoen.
In het oude Toscane treffen wij in het Maremna-paard een
dier aan, dat als licht cavaleriepaard zeer geroemd wordt; het is
sierlijker en deugdzamer dan het paard uit de omstreken van
Rome, maar voor artillerie-paard niet voldoende zwaar.
De stoeterij van St. llosorre, die reeds dagteekent uit den
tijd der kruistochten, ligt op een uur afstand van Pisa, en is
-ocr page 445-
419
van ouds beroemd. Men verkrijgt daar goede resultaten, waar-
schijnlijk doordien men bij de paring een goede keuze doet, en
veel zorg aan de opvoeding der veulens besteedt. Het daar ge-
fokte dier is een licht, sierlijk gevormd koetspaard, waarvan alleen
het hoofd door zijn lengte en door de eenigszins gebogen profiellyn
een nadeeligen invloed op het uiterlijk uitoefent. Het in 18G7
uit Piëmont aldaar ingevoerde Arabische paard is goed geacclima-
teerd en ontwikkelt zich uitstekend. Tegenwoordig fokt men in
St. Rosorre Engelsch- en Arabisch-halfbloed.
In Noord-Italië vindt men het Polesinische 2)aard, dat in de
provincie Rovigo, tusschen den Po, de Etsch en de Adriatische
zee, voorkomt. Het schijnt door kruising van het Oud-Napolitaansche
paard met het Galicisch-Spaansche te zijn ontstaan en heeft veel
van zijn vroegere vormen en goede eigenschappen verloren. Het
is gemiddeld 1.50 M. hoog en heeft een recht hoofd, een weinig
gebogen hals, een smalle borst, een langen, weinig sterken romp
en een breed, min of meer af hellend kruis; de ledematen zijn
goed gebouwd en de beweging is hoog. De betere stammen, hier
en daar met zorg gekweekt, hebben uitstekende koetspaarden;
die te Kladrub zijn daarvan afkomstig.
Het paard van Ferrara, dat zuidelijk van den Po tot Ravenna
voorkomt, is vooral in den laatsten tijd door Engelsch bloed veel
verbeterd; het is een licht rij- of koetspaard. De Pepoli-zwarten
uit die streek zijn zeer goed, evenals het paard van Friaul, uit
kruising van Arabier en Hongaarsch paard verkregen, dat uit-
munt door kracht en volharding. Te Ravenna werd in 18G2 een
staatsstoeterij opgericht, waar met circa 60 hengsten van allerlei
bloed, maar vooral Engelsch, wordt gefokt.
Het eenige zware paard in Italië is het Cremoneezer, dat langs
den Po, in de provincie Cremona, wordt aangetroflen. Dit paard,
reeds in oude t\'y\'den aldaar bekend, heeft in uitwendig voorkomen
veel overeenkomst met den Ardenner en den Percheron; het is
echter iets grooter, maar minder sterk en vlug. Met Percheron-
en Normandische, maar ook met Bologneezer hengsten tracht men
het ras te verbeteren. In de laatste jaren schijnt het ras meer
en meer achteruit te gaan en wordt er vooral veel over oog-
gebreken geklaagd.
§ 176. Zwitserland.
Dit land heeft, uit het oogpunt van paardenfokkerij, voor ons
weinig belang, daar slechts in een klein gedeelte paarden worden
-ocr page 446-
420
geteeld, die als rij- of koetspaarden kunnen worden gebruikt, al
de overige behooren tot de meer zware werkrassen.
Het aantal paarden bedraagt omstreeks 100.000.
Oorspronkelijk kwamen in Zwitserland, naar de fossielen te
oordeelen, lichte paarden voor, die op het Oostersche type gele-
ken, maar die verdrongen werden door het zware Norische paard,
dat zich tot in de Alpenstreken van Tirol uitstrekte (zie Pinz-
gauer, bl. 423).
Hoewel de grenzen niet scherp zijn, kunnen wij toch onder de
Zwitsersche paarden de volgende rassen onderscheiden:
1°. Het Zwitsersche bergpaard, dat vroeger algemeen in Zwit-
serland voorkwam, is nu zeldzaam geworden. Het is een goed
gebouwd dier, van middelmatige hoogte, dat met de grootste
zekerheid de smalste en steilste bergpaden beklimt; daar het ta-
melijk vlug is in zijn bewegingen, wordt het hier en daar zelfs
als rijpaard gebruikt.
2°. Het Schwij zerpaard of Einsiedler-ras, dat vooral in het
kanton Schwijz, maar ook in de naburige kantons voorkomt. De
grootte wisselt af van 1.62—1.68 M. Dit paard heeft een recht
hoofd, een korten hals, een lage schoft, een ingezakten rug,
lange lenden, ronde ribben en een breed, maar af hellend kruis,
dat min of meer gespleten is, daarbij een hangbuik, korte schou-
ders en zwakke gewrichten. De bruine kleur, zoowel donker-
maar vooral lichtbruin, wordt het meest aangetroffen. De beste
soorten worden als koetspaard gebruikt, maar overigens dient het
vooral als postpaard.
3°. Het Erlenbacher- of Emmenthalerras, dat behalve in het
oostelijk gedeelte van het kanton Bern, ook in Freyburg, Waadt
en Solothurn wordt gevonden; blijkbaar is het een kruisings-
product van het hiervoor beschreven paard met een der meer edele
Fransche paarden.
Het heeft een goed gevormd hoofd met een korten hals, een
lage, vleezige schoft, een breeden, goed gespierden, maar soms
ingezakten rug, een zware borst, een goed ontwikkeld kruis, dat
weinig gespleten is, veelal overladen schouders en slecht gespierde
beenen. De meeste zijn zwart of bruin. Dit gewillige, makke
dier is tamelijk vlug in zijn bewegingen en volgens Fitzingek het
eenige der Zwitsersche paarden, dat als goed koetspaard kan
worden gebruikt. Vroeger was de uitvoer naar Frankrijk groot.
4°. Het Freybwg- of Juva-paard komt in de westelijke kantons
voor; het is het zware Zwitsersche paard (waarvan de grootte
-ocr page 447-
421
tusschen 1.50 en 1.70 M. afwisselt), dat uiterlijk geheel aan de
zware Fransche of Belgische rassen doet denken. Het is lang-
zaam in zijn bewegingen, maar buitengewoon krachtig. Veel
veulens worden in de Perche opgekweekt en later als Percherons
verkocht; in de omstreken van Lyon worden zij als jaagpaarden
gebruikt.
§ 177. Oostenrijk en gallicië.
Met uitzondering van Rusland, treft men, naar evenredigheid
der bevolking, in geen der Europeesche landen een zoo groot
aantal paarden aan, als in het Keizerrijk Oostenrijk.
Terwijl in vroeger eeuwen alleen goede paarden werden gefokt
in de vorstelijke en in enkele privaat-stoeterijen (die vooral onder
de regeering van Kahel V uitstekende paarden uit Spanje en Italië
verkregen), werd in het laatst der voorgaande eeuw de paarden-
fokkerij meer een regeeringszaak. Vooral aan Keizer Joseph II
(1705—1790) heeft het land zijn uitgebreide paardenteelt te
danken. In 1870 werd de stoeterij te Waskouz (later Radautz)
en in 1785 die te Mezöhegyes opgericht. Ook werden dekhengsten
op kosten van den Staat in verschillende provinciën gestationneerd;
het aantal daarvan in 1788 slechts 400 bedragende, was in 1794
tot 700 geklommen en bedroeg in 1892 reeds 2006, namelijk 81 En-
gelsch volbloed, 712 Engelsch half bloed , 258 Norfolk, lGOostersch
volbloed, 313 Oostersch halfbloed, 87 Eippizaners, 11 Kladrubers»
90 van den Noniusstam en 438 van minder edele rassen. Bovendien
werden nog 420 hengsten van particulieren ter dekking toegelaten.
Op de begrooting van 1894 zijn o. a. voor de paardenfokkerij
uitgetrokken: 348.540 fl. voor de staatsstoeterijen te Piber en
Radautz; 993.400 fl. voor de staatshengstendepots teGraz, Stadl,
Pisek, Klosterbruck , Drohowyze en Ober-Wikow; 777.000 fl. voor
de staatsinstellingen voor hengstveulens; 777.000 fl. voor aankoop
van fokmateriaal uit privaat-stoeterijen en 120.000 fl. voor pre-
miën, wedrennen, tentoonstellingen, enz.
Voor een geregeld overzicht is het wenschelijk de verschillende
staten, waaruit dit groote Rijk is samengesteld, afzonderlijk na
te gaan, waarbij dan tevens melding kan worden gemaakt van
enkele der voornaamste stoeterijen.
Bohemen. Het beste paard vindt men in het oostelijk gedeelte
langs de Elbe met haar vertakkingen, vooral in de omstreken van
Chrudim. Uit Chrndimerras was oudtijds reeds bekend als zwaar
-ocr page 448-
422
cavalerie-, maar ook als artillerie-paard. Het was een groot,
sterk gebouwd dier, met zwaar, groot hoofd, kleine diepliggende
oogen, korten, dikken hals, breede borst, breed af hellend kruis
en zwaar ontwikkelde, sterk behaarde beenen met platte hoeven.
Reeds onder Joseph II kwam hierin verandering, door het
kruisen met Ilolsteinsche en Mecklenburgsche paarden, terwijl
men later Engelsch bloed gebruikte; vooral de hals is nu veelal
te dun, terwijl het kruis zijn groote breedte heeft verloren. Bijna
alle paarden zijn licht- of kastanjebruin en 1.G4—1.68 M. hoog.
Tegenwoordig worden de veulens veel naar Saksen, Beieren, ja
zelfs naar Frankrijk en Italië gebracht, en meermalen worden
zij later onder andere benamingen als luxe-paarden weder in-
gevoerd.
Het is in dezelfde streek, namelijk teKladruè bij Pardubitzaan
den rechter Elbeoever, dat de keizerlijke hofstoetery gelegen is
(Plaat XL, N°. 1). Hier wordt, behalve Engelsch volbloed en half-
bloed, het echte Kladruberpaard geteeld; in de laatste jaren ge-
bruikt men er 2 Lippizaners en 1 Norfolkhengst tot het verkrijgen
van bruine carrossiers. Het Kladruberpaard, van Spaansch-Italiaan-
schen oorsprong (zie bl. 449), is forsch gebouwd, van 1.70—1.85 M.
hoog en heeft een lang ramshoofd, een sterk opgerichten, krachti-
gen hals, een breede borst, een rechten rug en een meloenvormig
kruis. De beenen zijn gespierd en krachtig, maar de onderarmen
kort, terwijl de stand van achteren veelal te nauw is. Als statie-
paard, zoowel voor rij- als trekdienst, is het uitstekend geschikt,
vooral om de hooge beweging; deze is maaiend en natuurlijk niet
ver strekkend. Plaat VIII geeft er een tamelijk juist beeld van. Het
is van ouds in de stoeterij onder bepaalde namen bekend: Gene-
ralissimus
zijn schimmels, Pepoli de zwarten uit Ferrara , Sagromoso
die uit Zevia.
De stoeterij te Kladrub werd reeds in 1552 door Maximiliaan II
opgericht. Men kweekte toen uitsluitend Spaansche paarden,
terwijl thans ook voor de keizerlijke stallen volbloed wordt ge-
teeld. Men heeft er o. a. 2 volbloed" en 1 half bloed hengst, 3
Lippizaners, 4 Kladrubers en 120 veulenmerriën.
Ook in het Zuiden bij Tabor wordt een goed paard gefokt,
dat naar het Westen zwaarder wordt, en in de omstreken van
Prachalitz een middelmatig zwaar werkpaard vormt, dat zich in
draf Hink beweegt en bekend is als Netolitzerpaard; men fokt het
uit het landpaard en den Pinzgauer.
In Bohemen komen vele privaatstoeterijen voor.
-ocr page 449-
423
Moravië. Ook hier is de paardenfokkerij zeer verbreid , vooral
aan de Ilongaarsche grens, waar lichte en in liet Noordwesten
waar meer zware paarden worden geteeld. liet paard in de
Manna, een vruchtbare binnenvlakte van Moravië, komt veel met
het Boheemsche overeen, maar het is fijner van bouw en ook
vlugger. Het is uitstekend geschikt voor lichte cavalerie.
In het Westen, in de omstreken van Iglau, komt een zwaar
trek paard voor, dat volgens de meening van enkelen door Vlaam-
sche kolonisten is ingevoerd.
Ook in Oostenrijksch-Sileziè kan men van twee soorten van paarden
spreken, namelijk het paard in de buurten van Troppau, dat bij
een (linke maat en een bevallig uiterlijk, hoog op de beenen en
zwak is en dat uit de omstreken van Bklitz, dat kleiner en
goed gesloten is en waarbij men nog duidelijk sporen van Tar-
taarschen oorsprong ziet. In de privaatstoeterijen, o. a. die van
de Aartshertogen Albrecht en Wilhelm, wordt meestal Engelsch
bloed gebruikt.
In het oude aartshertogdom Oostenrijk treffen wij ten Noorden
van den Donau, in het z.g. Marchfeld, een licht paardenslag
aan, dat regelmatig gebouwd is en goede gangen heeft. Constant
is de vorm evenwel niet, door de herhaalde kruisingen zoowel
met Oostersch, als met Normandisch en Engelsch bloed. In het
algemeen zijn hoofd en hals goed gevormd; het lichaam is ge-
drongen, met ronde ribben, rechten of iets ingezakten rug, af-
gerond, soms af hellend kruis met laag aangezetten staart en
daarbij goed gevormde, regelmatig geplaatste beenen.
Ten Zuiden van den Donau, in Unter Wienerwald, aan de
oevers der Leitha, fokt men een licht ras, waarin veel Oostersch
bloed voorkomt en meer noordwestelijk, in de omstreken van
Pullna (Ober-Wienerwald) een krachtig, zwaar werkpaard, dat aan
het Pinzgauer verwant is.
In het gedeelte ten Westen der Enns wordt, vooral aan de
Beiersche grens en aan de oevers der Inn, veel zorg besteed aan
het fokken van een goed ter been zijnd tuigpaard; hoe verder
uien naar het Zuiden komt, des te zwaarder wordt het paard,
totdat men in Salzburg de bakermat aantreft van het eigenlijke
Norische paard.
Salzburg. Dit dier, meer bekend als Pinzgauer- of Salzburger-
paard,
is waarschijnlijk de directe afstammeling van het Alpen-
paard, dat ten tijde der Grieken en Romeinen in het wild leefde.
Uit dit Alpenpaard zou volgens Fitzinger door kruising met het
-ocr page 450-
424
Egyptische, het T/tennalinc/ie paard zijn ontstaan, en ook beweert
hij, dat reeds de Grieken dit dier naar Perzië zonden om aan de
daar inheemsche paarden meer massa te geven. De naam Xorisch
paard wordt afgeleid van de Oud-Romeinsche provincie Noricuni,
die het tegenwoordige Salzburg en een gedeelte van eigenlijk
Oostenrijk, Stiermarken, Karinthié\' en Tirol omvatte. Waarschijnlijk
kwamen al die paarden in de dalen der Centraal-Alpen voor.
Weinig rassen zijn zoo onvermengd gebleven; alleen vindt men
melding gemaakt van kruising in 1830 met Bourgondische en
Brabantsche hengsten, terwijl men in 1872 en \'73 hier en daar
getracht heeft in het gebrek aan goede dekhengsten te voorzien,
door het stationneeren van Clydesdalers; velen meenen echter,
dat voortfokken in het eigen ras hier verre te verkiezen is.
De beste komen voor in Pinzgau en Pongau en wel vooral te
Zeil am See en te St. Johan, waar, evenals te Saalfelder en
Bischofshofen, jaarlijks groote veulenmarkten worden gehouden.
Door gemis aan geschikte weiden is men verplicht de veulens in
de naburige streken op te voeden.
Hoewel ook hier, al naar de streek, de lichaamsvormen en de
grootte eenigszins verschillen, kunnen wij toch in het algemeen
zeggen, dat de Pinzgauer van 1.60—1.72 M. hoog is en een
recht, vleezig, laag aangezet, plomp hoofd heeft, met kleine oogen
en groote ooren. De hals is kort, breed, veelal overhangend, met
weinig schoft, ingezakten, wel wat langen rug, stevige lendenen
gespleten, afhellend kruis. Daarbij is de romp breed en zwaar,
met diepe, breede, gespierde borst, krachtig gebouwde beenen
met goede hoekvorming, maar met minder goede hoeven, daar
deze in de moerassige streken der Salzburger-Alpen neiging tot
plathoevigheid hebben. Vossen en bruinen, maar vooral rood-
bruinen met groote afteekeningen (bonten) en ook schimmels en
tijgers komen veel voor; in de laatste jaren ziet men het meest
lichtbruinen. De Pinzgauer is zeer mak en door zijn forsche ont-
wikkeling uitstekend geschikt tot het verplaatsen van zware lasten;
daarbij is h\'y\' sneller in zijn bewegingen dan de zware Belgische
en Fransche paarden. Reeds op tweejarigen leeftijd wordt hij tot
veldarbeid gebruikt en ook als jaagpaard langs den Donau heeft
hij, vroeger vooral, uitstekende diensten bewezen; deze jaagpaarden
herkent men meestal terstond, doordien de staart wordt afgehakt
om het »over de lijn slaan" tegen te gaan.
Tirol is zeer arm aan paarden, ofschoon de Alpenweiden uit-
stekend zijn. Langs de Inn, vooral aan de oostelijke grens in de
-ocr page 451-
425
omstreken van Kufstein, maar ook meer zuidelijk aan de bronnen
van de Drau bij Bruneck en Lienz, wordt liet Norische paard
nog gekweekt. In de omstreken van Meran en verder in liet
Etseli-dal treft men een paardenslag aan, bekend als het Haf-
lingerpaard
(naar een dorp in de buurt), dat klein is en lang van
lichaam, maar sterk; het is een uitmuntend berg- en een goed
draagpaard. Volgens overlevering is het afkomstig van Fransche
paarden, door Keizer Lodewijk V in 1342 als huwelijksgeschenk
aan zijn schoondochter Marg.vreth.y gegeven. Deze Margaretha
bewoonde een slot in Tirol.
In Zuid-Tirol komt een lichtere paardensoort voor, die veel
naar Italië wordt uitgevoerd en in het Pusterthal treft men zware
paarden aan, namelijk kruisingen van Norisch en Belgisch paard.
Stiermarken. In het noordelijk gedeelte, langs de Enns en de
Mur en wel het meest in de omstreken van Judenburg, wordt
het Norische paard nog geteeld; in het middengedeelte treft men
liet Stiermarksche paard aan, dat aan kruising met Spaansch,
Engelsch en Normandisch bloed meer lichtheid en sierlijkheid te
danken heeft. In de omstreken van Radkersburg en Luttenberg
worden zelfs goede koets- en rijpaarden aangetroffen.
De meer zuidelijk, vooral langs de Drau en de San voorkomende
paarden zijn, omdat de streek niet zoo gunstig is, kleiner en
minder goed ontwikkeld. Naar de fokinrichting kan men in Stier-
marken tegenwoordig van 4 slagen spreken : namelijk ln. het Norische,
dat inheemsch is; 2°. het zware Chjdesdaler en Belgische; 3°. het
Ardenner en 4°. een meer edel Hongaarsch paard. Op verschillende
wijze tracht men het paard te verbeteren, ja zelfs zijn er onder
de 219 dekhengsten enkele Engelsche volbloed en een Amerikaansche
draver. De militaire stoeterij te Biber of Piber, nabij Ködach,
leverde krachtige tuigpaarden en heeft in de omstreken veel goeds
gesticht. Zij werd in het begin van 1878 opgeheven, maar in
1890 weder tot staatsstoeterij ingericht; thans is zij remonte-depot.
In Karinthië treft men zoowel het zware als het meer lichte
Norische paard aan. Het is hier hooger ter been, heeft sterker
uitstekende heupen en een minder gespleten kruis dan dat in
de overige streken voorkomende. De vroegere stoeterij te Kolnitz
werd in 1816 naar Ossiach overgebracht; daar werden paarden
geteeld van het Kladruberras en ook zware Bourgondische. Zij
werd in 1861 opgeheven, maar in 1885 weder tothengsten-depot
verheven. In 1889 waren er 107 hengsten, meerendeels Engelsen
half bloed, maar ook nog 10 volbloedmerriën voor de halfbloed-
teelt, in gebruik.
-ocr page 452-
4\'26
In het noordelijk gedeelte van Kruin komt liet zware Norische
paard nog voor, maar meer zuidelijk wordt de soort lichter. Toch
blijft het nog een stevig, kort gedrongen dier, dat als bergpaard
uitstekende diensten bewijst en onder den naam van Karstpaard
bekend is
In Istric, op den weg van Triest naar Fiumé, niet ver van
Bassawizza, ligt de keizerlijke hofstoeterij van Lippiza, die reeds
in 1580 door Aartshertog Karel van Oostenrijk , den derden zoon
van Keizer Ferdinand I, werd opgericht. Hij liet 3 hengsten en
\'24 zwarte merriën uit Andalusië aanvoeren. In 1711 werd door
Keizer Karet, VI de heerlijkheid Adelsberg aan de stoeterij toe-
gevoegd en in 1736 richtte men in het oude klooster Prostranegg,
op zes uur afstand van Lippiza, een filiaal op, waar de jarige
veulens werden opgekweekt. Herhaalde malen werden Oostersche
paarden ingevoerd, en nog in 1857 twee hengsten en zestien
schimmel merriën, alle van Oostersch ras, aangekocht. Onder de
beroemde hengsten dier stoeterij, die in het geheel 314 paarden
bevat, mogen wij noemen Siglavy die in 4816, Tadmor dieinl843
en Massoud die in 1877 uit het Oosten werd aangevoerd.
De Lippizaner is veelal schimmel of bruin en circa 1.60 M.
hoog. Hij heeft een klein hoofd, met groote vurige oogeneneen
breed voorhoofd met eenigszins gewelfde proflelljjn, daarbij een
langen, zwaren, maar altijd sierlijk gebogen hals, een korten
rug, een afgerond, krachtig kruis met hoog ingeplanten staart,
en zeer sterke beenen met breede gewrichten zonder gebreken.
Hij is een uitstekend schoolpaard, volhardend en vlug in de be-
weging en buitengewoon leerzaam. Behalve de Lippizaner heeft
men het zuiver Oostersche paard en een bastaard van beide, de
fiippizaner-Jucker, eveneens voor de keizerlijke stallen bestemd.
In 1890 had Lippiza 340 paarden, waaronder 8G—90 merriën.
Als brandmerk is de letter L in gebruik.
Meer zuidelijk, langs de kusten der Adriatische zee, treft men
kleinere paardenrassen aan, die van Turksche afkomst zijn en op
het eiland Veglia komt een ponysoort voor, die in 1731 en \'3\'2
uit Corsica zou ingevoerd zijn.
In Gallicië, dat zeer rijk is aan paarden, heeft men behalve
het edele Poolsche (zie later) en het gewone boerenpaard, dat der
Duitsche kolonisten en vele edele soorten, die in privaatstoeterijen
worden geteeld.
Het edele Poolsche paard heeft hier veel Arabisch bloed, maar
enkelen fokken met Engelsch volbloed; de paarden zijn daardoor
-ocr page 453-
427
wel grooter geworden maar erg hoogbeenig, waarom men in de
laatste jaren meer Engelsen half bloed heeft gebruikt; men heeft
daar thans een vlug, licht tuigpaard, ook voor rijpaard geschikt.
Het gewone boerenpaard, 1.35—1.50 M. hoog, is eigenlijk een
steppenpaard, dat slecht wordt verpleegd en daardoor een armoedig
voorkomen heeft.
Het Duitsch kolonistenpaard, dat het best ontwikkeld voorkomt
aan de oevers van de Saan en aan de bronnen van den Dniester,
is een flink gebouwd werkpaard, dat aan vlugheid en kracht,
duurzaamheid paart. In de privaatstoeterijen, waarvan die van
de Graven Semienski , Potocki en Tarnowski het meest bekend
zijn, fokt men vooral Oostersch en Engelsch volbloed, maar ook
Percheron, dat met Poolsche merriën een goed landbouwpaard
geeft. In de laatste jaren wordt vooral door Graaf Sapieha de
Ardenner tot rasverbetering gebruikt.
Het zuidoostelijk gedeelte van Gallicië, de Bukowina, is zeer
bergachtig en heeft een ruw, maar gezond klimaat en een vrucht-
baren bodem. Ook hier vindt men bij de Duitsche kolonisten
nog de beste paarden, terwijl het landpaard veelal zeer klein is
en een armoedig uiterlijk heeft.
Aan de noordelijke helling der Karpathen in het Czeremoschdal,
maar ook in Gallicië bij Kutty, komt een paardenslag voor,
lluzulenpaard genaamd, dat 1.2G—1.36 M. hoog is, met breede
borst, korten rug en korte, krachtige beenen. Het is een berg-
paard bij uitnemendheid, dat met weinig voedsel tevreden en
buitengewoon zeker in zijn bewegingen is. Het Huzulenpaard
is eigenlijk een door de natuur gewijzigd Poolsch paard, waarvan
het kleinere als lastdier, het grootere als rijdier wordt gebruikt.
Door paring der beste dieren onderling tracht men het ras te
behouden en te verbeteren, daar een uitbreiding er van, ook in
de Bukowina, zeer gewenscht is. Behalve tal van privaatstoete-
rijen, waar meer Oostersch bloed wordt geteeld, heeft men hier
de stoeterij te ltadautz. Zooals wij bl. 421 reeds aangaven, werd
deze stoeterij in 1780 te Waskouz door keizer Joseph II opgericht
en bevolkt met paarden uit de Ukraine en den Kaukasus. Den
lst«u Mei 1792 werd zij naar Radautz overgebracht en, nadat in
1806 en 4826 Tscherkessenpaarden waren ingevoerd, begon men
meer en meer Oostersch bloed en o. a. ook Lippizaners te ge-
bruiken. Vooral de paarden met Oostersch bloed uit deze stoeterij
munten door snelheid uit. Het brandmerk bestaat uit de letter
R met een kroon.
-ocr page 454-
428
In 1890 waren te Radautz 1453 paai den, waaronder 550 hengsten.
Hiervan zijn 7 Engelsch volbloed , 7 Oostersch volbloed, 103 En-
gelseh half bloed en 190 Oostersch half bloed, 71 Normandiërs, 10
Norfolk, 37 Lippizaners en 35 Huzulen. Er zijn 325 fokmerriën.
In 1890 waren in het geheele rijk 1.539.388 paarden.
§ 178. Hongarije en zevenbergen.
Hongarije is zeer rijk aan paarden, die om hun volharding
en snelle gangen beroemd zijn. In 1892 waren ruim 2.000.000
paarden aanwezig, die een waarde van 170 millioen gulden ver-
tegenwoordigden. In datzelfde jaar bedroeg het aantal staatsheng-
sten2695, waarvan 295 Engelsch volbloed, 1017 Engelsch halfbloed,
29 Arabisch volbloed, 345 Arabisch halfbloed, 433 van den
Nonius- en 263 van den Gidranstam, verder 36 Norfolk en 212
Lippizaners. Bovendien bestaan er 82 particuliere stoeterijen; van
16 is omtrent het aantal paarden niets bekend, maar in de overige
zijn 93 hengsten en 1750 merriën.
Het landpaard verraadt in zijn vormen nog duidelijk de afstam-
ming van het Tartaarsche paard. In 889 vestigden zich in het
tegenwoordige Hongarije en Zevenbergen de Magyaren, een Kal-
muksche volksstam, afkomstig van de kusten der Kaspische zee;
zij brachten hun paarden mede. Het schoone Oostersche type is
evenwel door gebrekkige verpleging en schaarsch voedsel, bij in-
gespannen arbeid, verloren gegaan, zoodat het tegenwoordige
Hongaar sche landpaard (PI. XXXIX) reeds in de jeugd een oud
aanzien heeft. De hoogte wisselt af van 1.30—1.50 M.; het heeft
een breed en zwaar, maar droog hoofd, een hertenhals, een scherpe
schoft, een rechten rug (soms karperrug) en enkele malen lange
lenden. Het korte kruis is meer of minder afhellend (meestal
ezelskruis), met hoog aangezetten staart; de borstkas is veelal
smal, terwijl de beenen wel Hink ontwikkeld, maar niet breed
zijn. Koehakkigheid en fijne kooten zijn niet zeldzaam. Het komt
vooral voor in de uitgestrekte vlakten van den linker Theiss-
oever en brengt nagenoeg het geheele leven in de vrije lucht door;
hieraan heeft het zijn gehardheid tegen verschillende weersinvloeden
te danken. Het is daarbij snel ter been en zeer volhardend. De
talrijke kruisingen met meer edele paarden oefenen ook op het
landpaard hun invloed uit, zoodat men het zuivere ras niet veel
meer aantreft.
Het paard aan den rechter Donau-oever voorkomende, is grooter;
het meet circa 1.65 M. Ook hier is het hoofd breed en het voor-
-ocr page 455-
420
hoofd veelal gewelfd, maar de hals is zwaarder en beter aange-
hecht en de borst breeder. Daar waar meer zorg aan de verpleging
der veulens besteed wordt, zien wij betere paarden, zooals dit in
de Banaat het geval is. Hier, evenals in het grootste gedeelte
der streek tusschen den Donau en de Theiss, treft men de na-
komelingen aan der Duitsche kolonisten, die onder Maria Theresia
uit Ryn- en Moezelstreken, maar vooral uit Wurtemberg naar
Hongarije trokken. Zij brachten stevige paarden mede en de
afstammelingen daarvan zijn nog i.62—1.68 M. hoog, met krachtigen
lichaamsbouw. In volharding staan zij evenwel bij het Hongaarsche
paard ten achter.
Het aantal paarden in de bergachtige noordwestelijke streken
is klein en bovendien zijn deze dieren weinig ontwikkeld.
Aan de oevers der Drau worden paarden gefokt, die meer tot
de zware soorten behooren; waarschijnlijk heeft kruising met
Norisch bloed plaats gehad, maar ook de welige bodem oefent
grooten invloed uit op de lichaamsontwikkeling.
Door het geheele land verspreid, maar vooral tusschen de Theiss
en den Donau, komt een groot aantal privaatstoeterijen voor;
waar hoog veredelde paarden worden gebruikt, waaronder Oos-
tersche, Engelsche en Normandische wel de voornaamste zijn.
Onder de meest bekende stoeterijen mogen genoemd worden
die van Vorst Ksterhazy te Ozora, in het begin der 18de eeuw
opgericht (brandmerk PI. XL, N°. 2) en van Graaf Festetics
te Keszthelv, die Oostersche paarden fokken, terwijl in die van
Graaf Szechenyi in Ivan en Graaf Palffï te Malatzka Engelsen
volbloed wordt gebruikt. Graaf Hunyady te Kessi bij Urmenv
fokte vroeger uitsluitend Oostersche paarden (zie daarvan het
brandmerk op PI. XL, N°. 3), maar tegenwoordig alleen
Engelsche; hij heeft een grooten renstal. Ook de navolgende
stoeterijen leveren uitstekende paarden, namelijk die van het Cis-
tersienserklooster te Elószalas bij Stuhlweissenburg, van Jankovich
te Theresowatz, van Graaf Palffï te Plassenstein en van Inkey
r>E Palin te Ihaws Berenv. Als een specialiteit voor Hongarije
mogen de Juckers worden genoemd. Vroeger verstond men daar-
onder kleine, flink gaande tuigpaarden, maar thans eischt men
bij een Jucker een flinke taille en Arabisch of Engelsch bloed,
maar vooral een aangenaam figuur, buitengewone volharding en
snelheid. Een span goede Juckers is zeer hoog in prijs.
Staatsstoeterijen treft men aan te Mezöhegyes, Babolna en
Kisber.
-ocr page 456-
430
Mezöhegyes, 16000 hectaren groot en 1724 paarden bevattende,
ligt in het zuidoostelijk gedeelte van Hongarije, in de buurt van
Arad en werd in 1789 als militaire stoeterij, onder Keizer Joseph II,
opgericht, met het doel het kleine inlandsche paard te verbeteren
en tevens een verzamelplaats te vormen voor de paarden uit het
buitenland aangekocht. Al spoedig begon men met circa 800 paarden
van verschillende rassen te fokken, waaronder vooral Noord-Duitsche,
die tot hooge prijzen werden aangekocht. De aanhoudende oor-
logen en niet minder het sterk afwisselend personeel, gaven tot
slechte resultaten aanleiding, zoodat in 1815 nog een groot aantal
dekhengsten voor de verschillende stations, uit particuliere stoete-
rijen moest worden aangekocht.
In datzelfde jaar werd de Normandische hengst Nonius in
Frankrijk buitgemaakt en naar Mezöhegyes gevoerd, waar hij
van 181(3—1838 als dekhengst werd gebruikt. Hij was lichtbruin,
1.71 M. hoog en regelmatig van bouw, met diepe, breede borst,
krachtige beenen, korte pijpen, ruime gangen en veel volharding.
Hij heeft een grooten invloed op den vorm van het veredelde
Hongaarsche paard uitgeoefend; dit is eveneens het geval met
den Arabischen hengst Gidran, die in 1818 in Babolna kwam,
maar eenjaar later naar Mezöhegyes werd overgebracht. Terwijl men
in vroeger tijd alleen trachtte flinke paarden voor het leger te
fokken, heeft men zich in de laatste jaren meer op veredeling
van bepaalde stammen toegelegd. Op dit oogenblik vindt men
in Mezöhegyes vier stammen, en wel:
1°. en 2°. De groote en kleine of zware en lichte Noniusstam,
van Normandisch bloed, ieder met 100 merriën. De lichte zijn
1.58—1.60 M., de zware 1.72 M. hoog. Beide zijn bruin en
hebben een goed opgerichten hals, een lange schoft met sterken
rug, een goed gevormd kruis en stenige beenen. Men treft er
niet alleen goede koets- en artilleriepaarden, maar ook zware
rijpaarden onder aan. Vooral de kleine soort vindt overal grooten
aftrek.
3°. De Gidranstam met Engelsch-Arabisch bloed, eveneens
met 100 merriën. Deze stam is afkomstig van den volbloed
Arabischen hengst Gidran; daar bij die paarden langzamerhand
gebreken waren ingeslopen, heeft men met Engelsch volbloed
gekruist. Het meerendeel der paarden van dezen stam is vos-
kleurig, 1.55-—1.75 M. hoog en edel van vorm; vooral de lange
schoft en de schuine schouder vallen in het oog. liet zijn uit-
stekende rij- en lichte koetspaarden.
-ocr page 457-
431
4". Engelsch hal f Moed met 80 merriön, naar twee der beste
hengsten ook wel Furioso-Northstarstam genoemd. Deze paarden
zijn het product van verschillende kruisingen, waarbij men in de
laatste jaren altijd Engelsch bloed heeft gebruikt. Zij zijn 1.55—1.80
M. hoog en de bruine robe komt het meest voor; men kan ze
zoowel voor rijpaard als voor licht tuigpaard gebruiken. In 1890
waren aanwezig 20 dekhengsten en 428 veulenmerriën.
Het doel is zoowel paarden voor cavalerie als voor landbouw
te fokken.
Babol\'m, 4020 hectaren groot en nagenoeg 500 paarden bevat-
tende, ligt meer in het westelijk gedeelte van Hongarije ten Zuiden
van Komorn. Deze stoeterij werd in 1780 als filiaal van lfesö-
hegyes gesticht en eerst in 1806 tot een zelfstandige stoeterij
verheven, waar men met paarden van verschillend ras voortteelde.
In 1816 begon men uitsluitend Arabisch bloed te gebruiken en
tot 1884 werden 76 volbloed Arabische hengsten aangekocht. Het
Oostersch halfbloedpaard van Babolna is grooter en breeder dan
zijn edele stamvader, terwijl het wat duurzaamheid, kracht en
snelheid aangaat, daarvoor weinig behoeft onder te doen. Onder
de 150 fokmerriën zijn 30 volbloed Oostersch (waarvan er slechts
15 voor de vol bloed fokkerij worden gebruikt), terwijl onder het
achttal dekhengsten slechts vier volbloed Oostersch worden aan-
getrofïen. Al de andere zijn halfbloed.
Kisber, 6330 hectaren groot, met circa 554 paarden, ligt op
l1/» uur afstand van Babolna. Deze stoeterij werd in 1854 op-
gericht met het doel Engelsch vol- en halfbloed te fokken, maai\'
in de eerste jaren was men daarmede niet gelukkig. Er zijn 156
fokmerriën, waarvan 26 volbloed Engelsch en 14 dekhengsten,
alle volbloed. De kastanjebruine volbloedhengst Buccaneer, geb.
in 1857 en in 1865 voor ƒ31.000 aangekocht, heeft aan deze
stoeterij en daarmede aan de geheele Hongaarsche paardenfokkerij
uitstekende diensten bewezen. Zijn voortreffelijkheid en vrucht-
baarheid zijn zoo groot, dat Engelschen te vergeefs getracht hebben
hem voor ƒ 300.000 terug te koopen. De veulens te Kisber hebben
thans groote waarde; zoo werd in 1880 door Graaf Schlich een
veulen aangekocht, waarvan Buccaneer vader was, voor ƒ21.840;
prijzen van ƒ6000 ii ƒ8000 zijn zeer gewoon. De halfbloedpaarden
worden als sierlijke koetspaarden gebruikt, doch men treft er ook
onder aan die uitstekend voor de jacht geschikt zijn. Tot verbetering
van het landbouwpaard werden in 1882 en \'83 telkens twee Ar-
dennerhengsten aangekocht.
-ocr page 458-
432
De volbloedveulens der staatsstoeterijen worden, na het spenen,
op de rechterzjjde der schoft gemerkt met den naam van den
vader, zijn rasteeken en het nummer van het veulen, terwijl op
de linkerzijde de letter M (Mezühegyes), 13 (Babolna), K (Kisber),
F (Fogarras) met de Hongaarsche kroon wordt ingebrand. Dy
halfbloedveulens worden deze merken op de tegengestelde zijden
der schoft aangebracht, terwijl de éénjarige hengstveulens, die
verkocht worden, de letter met kroon op de rechter dij ontvangen.
Een volbloedmerrie kan b.v. het op PI. XL, N°. 4 aangegeven
brandmerk hebben. De gekroonde B staat links, het overige
rechts op de schoft; het wil zeggen dat dit paard, afkomstig uit
de stoeterij te Dabolna, het 10de veulen is van den hengst Anaze,
uit den stam Abu Argub.
Te gelijk met het oprichten van militaire stoeterijen werden tevens
in de maanden Maart—Juli op verschillende plaatsen van Rijkswege
hengsten gestationneerd; voor een gering dekgeld (ƒ1.25—fG,
maar voor volbloed hengsten meer) zijn zij beschikbaar. Gedurende
de eerste jaren werden zij in het buitenland aangekocht, maar
thans geheel door de Staats- en verder door de privaatstoeterijen
geleverd. Vooral aan Graaf IIardegg, die in 1815 tot stoeterij-
inspecteur werd benoemd, heeft Hongarije in dat opzicht veel te
danken. Thans zijn 2000 dekhengsten opgestald in de depots te
Stuhlweissenburg, Gross Körös (Nagy Küriïs), Debreczin, Szepszi-
Szent-György en Warasdin, die per jaar gemiddeld 100.000 merriën
dekken, maar nu blijven er nog circa 200.000 merriën over, die
door andere hengsten worden besprongen.
Zevenbergen. Terwijl het Zevenbergsche landpaard tamelijk wel
op één lijn kan worden gesteld met dat uit Gallicië en Hongarije,
treft men toch in het midden- en zuidelijk gedeelte (in de om-
streken van Kokelburg, Klausenburg, Fogarras, enz.) betere
soorten aan. Ook hier zijn het de Duitsche kolonisten (Saksers),
die een middelmatig groot, maar krachtig werkpaard telen, dat
evenwel minder temperament heeft dan het Hongaarsche land-
paard. In het oostelijk gedeelte fokt men bergpaarden, veel met
de Huzulen overeenkomende, die in het land van Szekler het best
ontwikkeld zijn. Op een aantal van ruim 200.000 paarden heeft
men circa 2000 hengsten. In de laatste jaren worden hier en
daar van gemeentewege hengsten aangekocht, die meer in den
smaak van de fokkers vallen dan de van staatswege gestationneerd e
hengsten. De lust tot fokken is daardoor wel aangewakkerd,
maar de voeding en de verpleging laten in Zevenbergen in het
algemeen zeer veel te wenschen over.
-ocr page 459-
433
In 1874 is te Fogarras, aan den voet der Zevenborgsche Kar-
pathen, een staatsstoeterij opgericht, die 4770 hectaren groot is en
416 paarden heeft, waaronder 5 hengsten en 106 fokmerriën.
Men fokt hier uitsluitend sterke bergpaarden, waartoe men liet
Lippizaner ras heeft gekozen; zij hebben zware beenen en zijn
flinke dravers.
In de privaatstoeterijen van Graaf Carl Bethlen te Bethlen
(brandmerk PI. XL N°. 5), Baron George Baxfy te Valaszut,
ruim tweehonderd jaar geleden gesticht (PI. XL N°. 6), Baron
MlKLOS Wesseleny te Sibo (PI. XL N°. 7) en Graaf Teleky
te Szt. Peter (PI. XL N°. 8) worden niet alleen Oostersche, maar
ook Spaansche en Engelsche paarden gefokt. Be stoeterij van
Baron Szluiia te Czecze werd reeds in 1780 opgericht.
Voor Oostenrijk—Hongarije heeft men remonte-depots te Bilak
in Zevenbergen, Nagy-Daad-Sari in Hongarije en te Kleczadolna
in Galicië.
De op reform gestelde paarden in Oostenrijk-Hongarije zijn op
de volgende wijze gemerkt. Op de linker dij voorletter en nummer
van het regiment en op de linker halsvlakte de keizerlijke kroon,
maar omgekeerd, dus met het kruis naar beneden. Is het dier
op reform gesteld voor een redhibitoir gebrek, dan staat de om-
gekeerde kroon op de linker dij. De letters BK op de linker hals-
vlakte beteekenen, dat dit paard aan dekziekte lijdt en dus van
de voortteling moet worden uitgesloten.
§ 179. Turkije en aangrenzende staten.
Het paard in Rumenië is over het algemeen klein (1.25—1.45 M.
hoog), maar het heeft sierlijke, fijne, vaste beenen, die lang zuiver
blijven, met goede pezen en hoeven. Als algemeene gebreken
worden genoemd: laag aangehechte hals, karperrug en koehak-
kige stand. In Nucetu bij Gaesci is een stoeterij, waar in 1886
aanwezig waren 7 hengsten, Engelsch en Oostersch vol- en half-
bloed en 57 merriën. Rumenië heeft 502.912 paarden.
Hoewel de grenzen niet scherp zijn, spreekt men in Rumenië
toch van twee paardenrassen, namelijk van het Moldauer en het
Walachijsche paard.
Het Moldauer paard kon vroeger onder de beste voor lichte
cavalerie gerangschikt worden, doch voldoet hiervoor tegenwoordig
niet meer, daar het te klein is en te weinig massa heeft. Waar-
schijnlijk is het ontslaan uit het Nogaïsche en het llongaarsche
paard; het heeft een klein, goed gevormd, veelal recht hoofd
28
-ocr page 460-
434
inet breede kaken, groote neusgaten en een valschen blik. De
behoorlijk lange, goed gevormde hals is soms hertenhals, de
schoft is flink ontwikkeld, de romp kort en goed gevormd met
breede borst en lenden en het rechte kruis is kort; beenen en
hoeven zijn goed, maar de stand der achterbeenen is veelal koe-
hakkig. De meest voorkomende kleuren zijn bruin en donkervos.
Deze dieren leven in halfwilden toestand en zijn zeer lastig en
wantrouwend. In de laatste jaren tracht men door kruising met
Arabieren, Berbers en Engelsche hengsten, maar vooral met O1I0IÏ-
dravers de soort te verbeteren.
Het Walachijsche paard is minder fraai en deugdzaam. De
ooien zijn langer, de hals is meer hertenhals en de rug niet
zelden opgebogen (karperrug); de gespierdheid der ledematen laat
daarbij zeer veel te wenschen over.
Het paard in Servië is in hoofdzaak lastdier, maar wordt ook
wel als rijpaard gebruikt. Het is 1.20—1.40 M. hoog, heeft een
hertenhals, een gedrongen romp met sterken rug en lenden
en daarbij krachtige beenen, waardoor het als draagpaard in dit
bergachtig gebied uitstekende diensten bewijst. Vooral in Waljewaer
tracht men het met Arabieren te veredelen en het meest worden
in die streken de Tschutschuger geroemd, die veel schooner van
vorm zijn dan het landpaard, maar daarbij veelal te lang. Men
treft staatsstoeterijen aan te Ljubitschewo met 53 hengsten, waar-
onder een Engelsch volbloed en de overige van Oostersch ras, en
te Tjupria met 34 hengsten, alle van Oostersch ras.
Het paard in Bosnië en Hertogewina is eveneens klein en slecht
gebouwd. Voor tuigpaard is het te licht, maar als lastdier bewijst
het uitstekende diensten, daar het buitengewoon goed kan klimmen.
Het wordt slecht gevoed en moet in hoofdzaak in de bosschen en
langs de wegen zijn voedsel zoeken. Op enkele plaatsen heeft men
met het Oostersche paard veredeld, waardoor het uiterlijk en de
gangen veel verbeterd zijn, maar het dier blijft te klein. In 1884
is men begonnen met het stationneeren van 5 Lippizaners te Mostar,
daarna te Nervesinje en Konjica, terwijl men er naar streeft om
op verschillende plaatsen kleine stoeterijen op te richten, vooral
met het doel om het paard grooter te maken, waartoe men ook
Anglo-Arabieren uit Babolna gebruikt. Daar men in die streken
weinig muildieren fokt, is het aantal paarden naar evenredig-
heid groot, namelijk ruim IGO.000.
In eigenlijk Turh\'je staat de paardenfokkerij op lagen trap, het-
geen gedeeltelijk moet worden toegeschreven aan het niet castreeren
«
-ocr page 461-
435
der hengsten, zoodat goede en kwade ter dekking worden toe-
gelaten. Toch was, vooral in de 18de eeuw, het TurLsche paard
in Europa zeer bekend en geroemd, en werd dit veel tot verbetering
van andere rassen gebruikt; mogelijk had men toen te doen met
paarden uit Azië ingevoerd.
In de stallen van den Sultan werden in 1889 niet minder dan
1500 paarden aangetroffen, waaronder 700 van Aziatischen en
Noord-Afrikaanschen oorsprong. Onder de beste behoorde een
tweetal Toerkomannen.
De paarden in Boelyarye werden vroeger voor militaire doel-
einden veel gebruikt, doch door onoordeelkundige kruising en
weinig zorg aan de opvoeding besteed, zijn zij zeer achteruit-
gegaan. Toch moet het Boehjarenpaard nog als het beste uit die
streek worden beschouwd, wat men kan toeschrijven aan den
invloed der paarden van Tartaarsche en Tscherkessenstammen,
die zich daar in 1856 vestigden. De meeste paarden zijn donker
schimmel, maar ook wel zwart. Men heeft laaglandsche- en berg-
paarden; de laatste zijn wel kleiner, maar steviger van bouw. In
1883 werd een stoeterij met hengstendepot opgericht te Alexan-
drowsky konski sawad, met 28 hengsten en 150 merriën. De
hengsten, meerendeels Orloll\' en Bitjoeg, waren minder geschikt
voor het land en vielen niet in den smaak der fokkers; daar
ook de merriën zeer veel te wenschen overlieten, was het resultaat
zoo ongunstig, dat de stoeterij reeds in 1889 werd opgeheven.
Het paard van Koemelië is, hoewel klein, nog het beste van
Turkije; het is sierlijk van bouw en heeft in uiterlijk eenige
overeenkomst met den Arabier.
Al deze soorten worden meerendeels als rijpaarden gebruikt
daar de buffel het trekdier is en men de artillerie- en treinpaarden
uit Hongarije aankoopt.
Ook van de paarden in Griekenland valt weinig te zeggen. Zij
zijn 1.35—1.45 M. hoog en hebben slechts middelmatige hoedanig-
heden. De betere komen uit het buitenland.
Op de eilandengroep aan de oostzijde komt een pony voor
met Oostersch bloed, die op Skyros nog het meest zuiver is. Het
hoofd is klein en heeft het Oostersche type, waardoor het groote
verschil met de ponyrassen uit het Noorden in het oog valt; zij
zijn 1.20—1.25 M. hoog en buitengewoon krachtig, maar ook
zeer onhandelbaar. Door den sterken rug zijn zij uitstekend ge-
schikt tot het dragen van zware lasten. In uitwendig voorkomen
hebben zij wel iets van Berbers.
-ocr page 462-
430
§ 180. België.
Toen in 57 v. C. de Romeinen in het tegenwoordige België
kwamen, vonden zij daar paaiden, die niet schoon van uiterlijk,
maar onvermoeid waren, en die, zoowel voor strijdros als voor
wagenpaard, door de strijdlustige bewoners dier streken, de Tre-
vieren, werden gebruikt. In de 8stc eeuw werden door een abt van
St.-Hubert, tot rasverbetering, Limousijnsche paarden in de tegen-
woordige provincie Luxemburg ingevoerd en gedurende de kruis-
tochten herhaaldelijk Oostersche paarden aangebracht; in het Noorden
en Westen waren het de Noormannen, wier paarden in de 3de en 4\'le
eeuw een beslissenden invloed op den vorm van het bestaande ras
uitoefenden. Het Belgische paard werd van de llde tot del6de eeuw
algemeen als krygspaard gebruikt, maar de veranderde wijze van
oorlogvoeren, bij het gebruik van het buskruit, was oorzaak, dat
de cavalerie minder invloed op het gevecht kreeg. Men begon
toen zich meer op het telen van het grove landbouwpaard toe te
leggen, maar enkelen fokten nog ridderpaarden. Het eigenlijke
Ardennerpaard bleef als artillerie- en treinpaard zeer gezocht en
zelfs Napoleon noemde het na den veldtocht in Rusland een
onvermoeid dier. In 1770 trachtte Keizerin Maria Tiiehesia in
den gedrukten toestand der paardenfokkerij verandering te brengen
door het oprichten van een groote stoeterij te Aalst, waar zestig
hengsten (Holsteiners, Normandiërs, Napolitanen, Denen en Ara-
bieren) geplaatst werden; de eerste veulens vielen evenwel zoo
tegen, dat men direct twintig Engelsche hengsten invoerde. Het
resultaat hiervan werd niet afgewacht, want Josepii II hief reeds
in 1771 de stoeterij op. Ook gedurende de Fransche overheersching
gelukte de verbetering door het oprichten van een hengstendepot
te Tervueren niet, daar voor het leger een te groot aantal paar-
den noodig was. Tijdens de vereeniging met Holland werden nog
enkele pogingen aangewend, maar zeer onoordeelkundig en dus
met weinig resultaat. Eigenlijk kan men zeggen, dat er eerst
verbetering kwam, toen in 1840 de staatscontrole op de dekhengsten
werd ingevoerd.
Voor een overzicht der Belgische paardenrassen kan men het
land gevoeglijk in drie stukken verdeelen, namelijk:
1°. Het deel, zuidelijk van Maas en Sambre (een bergstreek,
de provinciën Luik, Namen en Luxemburg omvattende), waar
Ardenners en Condroz voorkomen.
-ocr page 463-
437
2n Het westelijk gedeelte tot een lijn langs Aalst en Ant-
werpen (Oost- en West- Vlaand eren, Antwerpen en een gedeelte
van Limburg), waar men het Vlaamsche ras aantreft. De Kempen
in het Noorden worden hierbij gerekend; men fokt daar paarden,
die z.g. „rasloos" zijn.
3°. Het middengedeelte, zich uilstrekkende over de provinciën
Brabant, Henegouwen en gedeelten van Luik en Limburg, met
het Brabantsch, Hagelandsch en Borinage-ras.
Het Vlaamsche paard was eertijds het grootste uit Europa;
het is zwaar en log, met onregelmatigen, veelal maaienden gang
en kan alleen in stap worden gebruikt. De grootte wisselt af van
1.75—1.85 M. en het heeft een gewicht van 900—950 K.G. Het
hoofd is recht en enkele malen zeer lang en groot, maar
doorgaans naar verhouding van het lichaam te klein, wat even-
eens met de oogen het geval is. De hals is zeer sterk en dik,
maar kort, met zware manen (soms dubbele), de schoft laag
en kort, met ingezakten rug, het breed afhellend kruis is ge-
spleten, de staart laag aangezet en de borst breed. De schouder
is steil en kort en de onderarm weinig in de lengte ontwikkeld;
daarbij is het onderbeen smal en de pijp dun en rond. Het
achterbeen is beter, maar het spronggewricht is betrekkelijk niet
zwaar en de koot staat veelal te steil. Bruinen en roodschimmels
komen het meest voor. Dit dier wordt op tweejarigen leeftijd
reeds gebruikt, wat op het ras, zooals te begrijpen valt, niet
voordeelig werkt. In de laatste jaren zijn meermalen Vlaamsche
hengsten en merriën naar Engeland gevoerd tot kruising met het
shire horse.
In Henegouwen en Brabant vindt men verschillende overgangen
tot het meer lichte paard, welke gedeeltelijk ontstaan zijn door
kruising met Engelsch bloed. Die in Henegouwen behooren, met
uitzondering van de paarden uit de Borinage, tot de zwaarste
soorten en zijn bekend als Brdbantsche paarden; de paarden uit de
Borinage zijn lichter en worden veel voor tramway en omnibus
gebezigd. Tusschen den linker Maasoever en de Geete, in de
landstreek Hesbaye, is het paard in weerwil der zwaarte toch
vlug in zijn beweging en heeft het in uitwendig voorkomen wel eenige
overeenkomst met den Clydesdaler; meer westelijk, in de buurt
van Tirlemont, komt het Hagelandsche paard voor, dat door krui-
sing met Engelsch volbloed reeds veel verbeterd is.
Het Ardennerpaard, dat zich vroeger ook over een groot ge-
deelte van Frankrijk uitstrekte, is nu uitsluitend beperkt tot het
-ocr page 464-
438
gebied der Ardennen en heeft door verkeerd toegepaste krui-
sing, door gebrekkige verpleging en door te grooten uitvoer
veel geleden. Vooral de herhaalde oorlogen in het laatst dei-
voorgaande en in het begin van deze eeuw, waren oorzaak, dat
het ras zich niet behoorlijk kon ontwikkelen en door vroegtijdig
gebruik zeer spoedig ontaardde; pogingen tot rasverbetering, inde
laatste jaren aangewend, vooral met Anglo-Normandiërs, hebben
wel eenig resultaat opgeleverd. Het Oostersche type is in het
droge, edele hoofd nog duidelijk merkbaar, daar het voorhoofd
breed en de proffiellijn veelal min of meer concaaf is. Wat het
algemeen voorkomen betreft, zou men den Ardenner kunnen be-
schouwen als een verkleind en verbeterd Vlaamsch paard. Hij is
circa 1.60 M. hoog met breeden, korten hals, matig hooge schoft,
korten, sterken rug en een afgerond kruis, dat niet zoo sterk
afhelt als bij het Vlaanische paard. Vooral de stand en de ont-
wikkeling der ledematen zijn veel beter. Het dier toont zeer veel
energie en heeft een levendig temperament. De gang is regelmatig
en naar verhouding snel, waarom het als artillerie* en ook als
omnibus- of tramwaypaard uitstekende diensten bewijst. De hoofd-
kleur is bruin. Bij goede voeding worden ook deze dieren reeds
op tweejarigen leeftijd voor land werk gebruikt.
Op den rechter oever van Maas en Sambre, in de provinciën
Namen en Luik, tot aan de plaats van dien naam, vindt men het
Condrospaar d, het Belgische paard of het dubbele Ardemicrras (VI. XI),
dat, gelijk de laatste naam reeds aanwijst, grooter is dan de
Ardenner, maar daarmede een gemeenschappelijken oorsprong
heeft. De vruchtbare bodem en de betere zorg, vooral in de
laatste jaren aan de opvoeding der veulens besteed, maken dit
dier tot een uitstekend handelspaard, dat aan alle goede eigen-
schappen der Ardenners meerdere grootte en vlugheid paart. Het
is circa 1.65 M. hoog. Het paard in de omstreken van Luik is
grooter, maar grover en minder krachtig dan dat in de buurt
van Namen.
§ 181. Nederland.
De paarden in onze landstreek waren reeds ten tijde der Bata-
vieren goed ontwikkeld en vooral de Friesche en de Drentsche
ruiterij waren beroemd. Ook in later tijd was het Hollandsche,
meer echter het Friesche en het Geldersche paard, een zeer ge-
zocht handelsartikel. Terwijl men het Friesche paard om zijn
-ocr page 465-
439
forsche gestalte en verheven gang in Italië en Spanje veel als
koetspaard gebruikte, werd het Geldersche meer voor de zware
ruiterij gezocht.
Van een bepaald ras kan men thans in ons land niet meer
spreken, daar gedurende de Spaansche overheersching, maar ook
later, tal van buitenlandsche paarden zijn ingevoerd tot verbetering
der inlandsche. Het oorspronkelijke Friesche paard, dat zich over
geheel Noord-Duitschland en Nederland uitstrekte, en dat door
enkelen voor het type van het zware paard wordt gehouden, is
dan ook nagenoeg verdwenen, en men trof enkele jaren geleden
in Nederland, op enkele uitzonderingen na, slechts bastaarden
aan, ontstaan uit planlooze kruising van inlandsche merriën met
Noord-Duitsche en Engelsche hengsten. De resultaten dier krui-
singen waren niet altijd gunstig, omdat de middelen, die in het
werk werden gesteld, veel te wenschen overlieten. Wij zullen
enkele pogingen aangeven, die door de regeering tot verbetering
zijn aangewend.
Op het geheele land betrekking hebbende, wijzen wij op de
publicatie van het uitvoerend bewind der Bataafsche republiek,
gearresteerd den 31sten December 1799, waarbij o. a. werd bepaald,
dat voor ieder departement een keurmeester en twee commissarissen
moesten worden benoemd. Dezen kochten per jaar twintig merrie-
veulens aan, die onder belanghebbenden werden verloot; de winner
moest in vijf jaar de koopsom betalen en na het derde jaar het
dier voor de voortteling gebruiken. De ter keuring aangeboden
dekhengsten moesten minstens 5 voet en 2 duim (1.61 M.) hoog
en daarbij gitzwart of roodbruin zijn.
Deze wet werd in 1803 ingetrokken en vervangen door de
bepaling dat ieder departement maatregelen kon voorschrijven en
premiën uitreiken, wat in 1810 verplichtend werd gesteld. Tevens
werd het besluit uitgevaardigd, dat alleen goedgekeurde hengsten,
minstens 2 jaar en 8 maanden oud, als dekhengsten mochten
worden gebruikt. Aan ieder departement werd /"300 voor premiën
toegestaan.
Het Kon. besluit van 24 December 1822 schreef voor, dat al
de op reform gestelde merriën der cavalerie aan landbouwers kon-
den worden gegeven, om als fokmerriën te dienen tot veredeling
van het paardenras, en in 18\'25 werd het besluit genomen om de
cavalerie uit het binnenland te remonteeren. Dat de eerste maat-
regel weinig vruchten droeg, is te begrijpen; hij werd dan ook
in 1842 buiten werking gesteld.
-ocr page 466-
440
Hij Kon. besluit van 18 Mei 1822 weid bepaald dat, in na-
volging van liet buitenland, bij Üoi-Ulo een stoeterij zou worden
opgericht, waar vooral Engelsche paarden, voor hooge sommen
aangekocht, ter veredeling moesten dienen, en reeds het volgend
jaar werden verschillende hengsten, waaronder uit Mecklenburg,
Polen, Rusland, Hongarije, Denemarken en Engeland, op bepaalde
dekstations geplaatst. In 1826 werd bepaald dat het aantal hengsten
tot GO, dat der merriën tot 12 zou worden opgevoerd.
Het verschil tusschen het volbloed en het inlandsche paard was
evenwel te groot om spoedig goede kruisingsproducten te verkrijgen,
en ook de voeding der veredelde veulens op het platte land liet
zeer veel te wenschen over. Hierbij kwam nog, dat niet elk jaar
op de dekstations dezelfde hengsten of dieren van gelijk ras werden
gestationneerd. Deze wijze van veredelen viel dan ook weinig in
den smaak der landbouwers, die aan de meer afgeronde vormen
van het inlandsche paard de voorkeur gaven; ook werden talrijke
klachten gehoord over de geringe ontwikkeling van hengsten en
veulens en vooral over het veelvuldig voorkomen van beenge-
breken. Reeds\' in 1842 hield men met het stationneeren van
hengsten op en daar de geheele inrichting jaarlijks ƒ60.000 kostte
en zeer weinig vruchten droeg, werd, door het opheffen der
stoeterij, aan deze kostbare proef een einde gemaakt. De over-
blijvende hengsten werden in 1850 publiek verkocht.
Van verschillende zijden trachtte men nu verbetering aan te
brengen door het aankoopen van zwaardere hengsten, vooral uit
Noord-Duitschland. Door den Koning werden, zoowel op Ameland
als op het Loo, hengsten gestationneerd; die op de laatste plaats
waren van Engelsch ras (landbouw- en zwaar koetspaard). De
aankoop van hengsten door enkele personen was echter uit een
financieel oogpunt nog al bezwaarlijk, waarom al spoedig associatiën
werden opgericht; de eerste hengsten-associatie was die in 1867
te Appingedam, waarop spoedig Tiel en andere plaatsen in Gelder-
land volgden.
De internationale landbouwtentoonstelling in 1884 te Amster-
dam gehouden, opende de oogen voor de tekortkomingen van ons
inlandsen paard en van alle zijden werd op verbetering aangedron-
gen. Het Departement van Oorlog gaf het voorbeeld. Reeds in
1881 werden 6 paarden voor de cavalerie en 81 voor de artillerie
hier te lande aangekocht en in 1885 werd ƒ2000 toegestaan
aan landbouwmaatschapptjen en genootschappen voor het toekennen
yan premiën. In 1886 en later werd dit herhaald en tevens,
-ocr page 467-
441
aanvankelijk bij wijze van proef\', in de legerplaats bij Milligen
een remonte*depot opgericht, terwijl rondreizende commissiCn
thans in het binnenland paarden aankoopen voor de artillerie.
De verceniging „het Nederlandsen paardenstamboek", goed-
gekeurd bij Kon. besluit van 1 Januari 1887, n°. 11, heeft afdee-
lingen in de provinciën Noord-Holland, Zuid-Holland, Noord-
Brabant, Zeeland, Overijsel, Gelderland en Limburg.
Ook de regeering bleef niet achterwege. In April 1891 werd
een algemeen reglement vastgesteld, waarvan art. 1 aldus luidt:
Ter verbetering van de paardenrassen in Nederland worden
door den Staat jaarlijks toegekend :
1°. bijdragen voor het onderhoud van fokhengsten van ten
minste 2\'\'s jaar oud;
2°. premiën voor merriën met veulens;
3°. aanhoudingsbijdragen voor hengsten niet ouder dan 21/, jaar;
4". premiën voor binnen de laatste 12 maanden ingevoerde
buitenlandsche fokhengsten.
De daarvoor bestemde gelden, ten bedrage van f 40.000,
worden, voor zoover betreft de jaren 1801—1894, over de ver-
schillende provinciën verdeeld naar verhouding van het gemiddelde
der in de laatste 3 jaar in die provincie geboren veulens.
De toekenning van de bijdragen en premiën geschiedt ver-
gelijkenderwijze, doch alleen van paarden, die, op zich zelf be-
schouwd, waardig zijn om te worden bekroond.
Aan het verkrijgen van bedoelde bijdragen en premiën zijn
zoodanige voorwaarden verbonden, dat de dieren gedurende zekeren
tijd voor de fokkerij moeten worden gebruikt.
Wat betreft de provinciën diene het volgende.
In Friesland bestonden reeds oudtijds bepalingen op het punt
van paardenfokkerij (\'); de oudste, dagteekenende van 1610, bepaalt
o. a. dat alleen vierjarige en oudere hengsten mogen dekken. Later
werden de reglementen herhaaldelijk gewijzigd en verscherpt,
maar in 1859 werden alle bepalingen opgeheven. De Friesche
Maatschappij van Landbouw trachtte verbetering te verkrijgen door
het uitloven van premiën, om de twee jaar, bij gelegenheid der
algemeene tentoonstelling, maar ook nu waren de resultaten niet
gunstig. Op 1 Mei 1879 werd de grond gelegd voor de oprichting
van „het Paardenstamboek," het eerste in Nederland en aan-
(1) Zie omtrent dit punt Mr. E. Jongsma, De paarden folikerij in Kriesland.
Leeuwarden, O. b\'. N. Süringar, 1805.
                                                                    f
-ocr page 468-
442
vankelijk beperkt tot het Friesche rus en tot kruislingen daarvan.
In 1884 werd het stamboek ook opengesteld voor zuiver vreemde
rassen en werd de werkkring er van uitgebreid over de drie noor-
dolijke provinciën, terwijl in datzelfde jaar de overtuiging, dat de
ingeschreven hengsten jaarlijks behooren te worden herkeurd, een
vasten vorm verkreeg. In 1885 werden, naar aanleiding van de
ervaring op de internationale tentoonstelling te Amsterdam opgedaan,
op verzoek der Landbouwmaatschappij, de middelen overwogen om
het ras te verbeteren. Daartoe in staat gesteld door een provin-
ciale subsidie van ƒ2000, en later door de rijkssubsidie, werden
in 1887 de provinciale premiekeuringen geregeld.
Reeds in 1734 (hernieuwd in 1793) werden in Groningen, voor
het Oldambt, Gorecht en Sappemeer c. a., Westerwolde, Belling-
wolde en Blij ham c. a. ordonnantiën gegeven op het houden van
springhengsten. In 1805 werden deze buiten werking gesteld en
een nieuw reglement op de paardenfokkerij gearresteerd, geheel
geschoeid op de leest van dat der Bataafsche Republiek van 1799.
Dit reglement onderging verschillende wijzigingen, o. a. in 1821,
toen bepaald werd dat merriên niet buiten de provincie mochten
worden gevoerd om gedekt te worden, en de vrijgevige bepaling
omtrent het aankoopen van veulens voor rekening der provincie
werd ingetrokken. In 182G werd het verbod, om paarden buiten de
provincie te doen dekken , opgeheven, maar het vervoer van merriën
buiten het Rijk, om ze aldaar te doen dekken, werd verboden.
In 1848 werd een nieuw reglement vastgesteld, waarin voorstaande
bepalingen niet meer voorkwamen; vorderden vroegere verordeningen
hengsten van inlandsch ras, het nieuwe vorderde dit ras bij\' voorkeur,
„ofschoon ook die van best ander of vreemd ras, kromkoppen
uitgezonderd, zullen worden toegelaten". Aan de commissie voor
de paardenfokkerij wordt /1200 subsidie verleend, o. a. tot den
aankoop van zwarte of bruine merrieveulens.
Op 14 November 1854 (gewijzigd in 1860) werd keuring van
hengsten bij hengstenhouders en aangifte van veulens verplichtend
gesteld en werden premiën uitgeloofd voor dekhengsten en fok-
merriën, waarvoor ƒ1200 op do begrooting werd gebracht. Ver-
schillende bezwaren tegen dit reglement traden meer en meer op
den voorgrond, zoodat het op 17 Juli 1867 werd ingetrokken (\').
(1) Zie omtrent dit punt J. R. S., Knkele stukken betreffende de paardenfokkerij
in de provincie Groningen, September 1S87. Van HnJlflifnBN liosrju uw Cour.,
Groningen.
-ocr page 469-
443
De Groningers waren dus nu geheel vrij in de keuze van dek-
hengsten, maar in 1887 kwam wederom de vraag ter sprake of
verplichte keuring van dekhengsten in de provincie wenseholijk
was. Zij werd ontkennend beantwoord en als gevolg der bespre-
kingen werd in dat jaar de „Provinciale vereeniging tot bevordering
der paardenfokkerij in Groningen" opgericht; deze vereeniging,
die ƒ1500 subsidie van de provincie ontvangt en ook over de
rijksbijdrage beschikt, werkt zeer gunstig.
In Drente, waar de verplichte hengstenkeuring reeds jaren
geleden is afgeschaft, wordt door de provincie een subsidie van
/"1500 verleend aan het „Genootschap ter bevordering van den
landbouw", terwijl ook de rijkssubsidie door deze vereeniging wordt
beheerd. In 1878 werd in deze provincie een fonds opgericht,
dat later rijke vruchten kan afwerpen. Door Mr. J. W. J. Baron
de Vos van Steenwijk werd aan het Genootschap ter bevorde-
ring van den landbouw een kapitaal geschonken, ter vorming van
het „de Vos van Steemvijk\'s paarden fonds". Uit de rente wordt om
de tien jaar een prijs gevoegd bij den hoogsten geldprijs dien het
Genootschap voor een dekhengst heeft uitgeloofd, terwijl later, onder
zekere bepalingen, de renten moeten dienen tot het oprichten en
in stand houden van een stoeterij, ter aankweeking van het
inlandsche Drentsche paardenras.
In Ouerijsel werd bij besluit van 13 Augustus 1891 een regie-
ment op de keuring en het gebruik van dekhengsten vastgesteld;
alleen goedgekeurde hengsten, van ten minste 2\'/,jaar oud, mo-
gen tot het dekken van merriën, die niet het eigendom van den
hengstenhouder zijn, worden gebezigd. Aan de „Vereeniging tot
verbetering van het paardenras in Overysel" wordt jaarlijks de
vrije beschikking gegeven over een bijdrage uit de provinciale kas
van /"2000; tevens is de administratie der rijksbijdrage aan haar
toevertrouwd.
Reeds in 1G82 werden in het graafschap Zutfen zeer scherpe
bepalingen gepubliceerd omtrent het gebruik van dekhengsten, en
later werden in Gelderland herhaalde malen op dit punt ordon-
nantiën vastgesteld (\'). In 1822 brachten de Staten der provincie
gelden op de begrooting, o. a, tot den aankoop van schoone,
deugdzame inlandsche en vreemde dekhengsten, maar eerst in
1851 werd aan een commissie uit twee leden van Gedeputeerde
Staten opgedragen, „hengsten aan te koopen, geschikt om ver-
(1) Mr. Staats Evïrs , Notulen der Provinciale Stalen tan Gelderland (Winter-
Tergadering van 1888, blz. 373—289).
-ocr page 470-
444
betering in het [mardenras teweeg te brengen." Deze hengsten
moesten, onder zekere voorwaarden, voor minstens vier achtereen-
volgende jaren tot dekking aan verkoopers of houders van paarden
worden verstrekt, om daarna bij de personen (bij wie zij gesta-
tionneerd waren) in eigendom over te gaan. In 1862 werden voor
dat doel echter geen gelden meer beschikbaar gesteld. In 1881
stelde de Gelderscho Maatschappij van Landbouw een reglement
vast op de verbetering der paardenfokkerij, waarbij het punten-
stelsel ter beoordeeling der paarden was aangenomen; uit provin-
ciale fondsen werd een subsidie toegestaan van ƒ1000, die in
1886 tot ƒ2000 werd verhoogd. In 1888 nam het provinciaal
bestuur de zaak zelf in handen. Er werd een reglement vast-
gesteld tot bevordering der paardenfokkerij en verbetering van het
paardenras in Gelderland en aan een commissie van minstens
7 leden, door Gedeputeerde Staten te benoemen, werd de leiding
en het toezicht opgedragen. Verplichte keuring van dekhengsten,
die niet jonger mogen zijn dan 2\'/2 jaar, werd ingetoerd. De
commissie kreeg de beschikking over de gelden door de provincie
voor dat doel toegestaan (ƒ6000), onder voorwaarde dat \'/, er
van tot aankoop van hengsten moet worden besteed.
Reeds spoedig ontstond nu de „Vereeniging tot bevordering
der paardenfokkerij en verbetering van het paardenras in Gelder•
land", waarvan II. M. de Koningin-Regentes als Beschermvrouwe
optrad. Het kapitaal der Vereeniging, waarvan de statuten bij
Kon. besluit van 26 December 1889, n°. 27, zijn goedgekeurd,
werd gevonden uit jaailijksche bijdragen van het rijk, van de
provincie en uit een kapitaal van ruim f 16.000, bijeengebracht door
aandeelhouders. Als bestuur fungeert een commissie, door Gede-
puteerde Staten benoemd. Deze commissie, die verschillende
hengsten aankocht, waaronder Oldenburgsche, Clevelander, Yorks-
hire en Anglo-Normandische, breidde haar taak meer en meer uit.
In 1890 werden premiekeuringen voor een- en tweejarige hengsten
ingesteld en bovendien het Geldersch paardenstamboek opgericht,
dat bevorderlijk moet zijn voor de paardenfokkerij in het algemeen,
maar in het bijzonder voor die in Gelderland; in 1891 werden
ook premiekeuringen voor fokmerriön met veulens en jonge merriën
uitgeschreven. Enkel voor het laatste doel kende de commissie
in 1894 aan premiën ƒ 3600 toe. De hengsten der commissie zijn
des zomers in het remonte-depot te Milligen gestald. De commissie
keurt de dekhengsten ten overstaan van een lid van Gedeputeerde
Staten.
-ocr page 471-
445
In 1675 werd te Utrecht een resolutie uitgevaardigd op het
houden van spring- of dekhengsten, waarvan het aantal voor iedere
gemeente werd vastgesteld, en in 1698 werd verplichte hengsten-
keuring ingevoerd. Thans treedt het Genootschap voor landbouw
en kruidkunde, gesteund door een provinciale bijdrage van f 4000,
als commissie voor de rijkssubsidie op. Het looft telken jarepremiën
van ƒ50 tot ƒ200 uit voor één- en tweejarige hengsten, driejarige
en oudere hengsten, drie- tot vijfjarige niet drachtige merriën en
veulendragende merriën, mits niet ouder dan 8jaar, met veulens.
In 1890 werd het „Utrechtsch paardenstamboek" opgericht, waarin
hengsten en merriën van inlandsch, buitenlandsch en gekruist ras
worden opgenomen en waarin ook de paarden moeten worden
ingeschreven, die op bovenbedoelde keuringen zijn bekroond. Een
vereeniging tot verbetering van het paardenras kocht in 1889 een
Norfolkhengst, waarmede goede resultaten zijn verkregen; in 1894
zijn door haar twee hackney-hengsten aangekocht.
In Noord-Holland staat de provinciale subsidie van ƒ5000,
alsmede de rijkssubsidie, onder beheer van het bestuur derafdee-
ling Noord-Holland van het Nederlandsch Paardenstamboek. In
deze provincie is geen verplichte hengstenkeuring, terwijl door het
bestuur ook geen eigen hengsten worden aangekocht. Uit de
provinciale bijdrage worden subsidiën en aanhoudingspremiën uit-
geloofd, en wel: 6 subsidiën van ƒ250 voor dekhengsten vanmin-
stens drie jaar oud; 6 aanhoudingspremiën, elk van ƒ150, voor
tweejarige hengsten; 6 idem, elk van ƒ100, voor eenjarige hengsten;
12 idem, elk van ƒ50, voor vierjarige merriën en 14 idem, elk van
ƒ100, voor vijf- of zesjarige merriën. Uit de rijkssubsidie worden
hooge premiën uitgeloofd voor nieuw ingevoerde dekhengsten en
kleinere voor jonge hengsten en voor merriën boven de zes jaar
met veulen.
Alle mededingende paarden moeten in het Nederlandsch Paarden-
stamboek zijn ingeschreven.
Het gebruiken van betere hengsten en merriën voor de voort-
teling zou oorzaak zijn, dat in deze provincie in de laatste 2 jaar
minder veulens werden geboren, dan vroeger het geval was.
Ook in Zuid-Holland wordt de provinciale subsidie van ƒ5000
en de rijksbijdrage beheerd door het bestuur der afdeeling van
het Nederlandsch Paardenstamboek. In 1894 werd verplichte heng-
stenkeuring ingevoerd en weiden uit de provinciale subsidie 20
premiën uitgeloofd, ieder van ƒ250, voor uitstekende dekhengsten.
Uit de rijksbijdrage worden de kosten bestreden voor premiekeu-
-ocr page 472-
446
ringen van hengsten en van merriën met veulen. Voor de eerste
werden uitgeloofd: 6 aanhoudingsbijdragen, ieder groot ƒ ^5, voor
hengsten niet ouder dan 2\', jaar; 0 idem, ieder groot f 50, voor
hengsten niet ouder dan l\'/j jaar; 2 premiën, ieder groot ƒ400,
voor buitenlandsche fokhengsten, binnen de laatste twaalf maanden
ingevoerd.
De keuringen van merriën worden in 7 gemeenten gehouden ;
uitgeloofd worden: 7 prijzen, ieder van ƒ100, voor merriën be-
neden zeven jaar en 38 prijzen van ƒ50, voor merriën onverschillig
van welken leeftijd.
Alle paarden, die een rijkspremieontvangen, moeteningeschre-
ven zijn in het Nederlandsch Paardenstamboek.
In Zeeland wordt, met een provinciale subsidie voor 1894 van
ƒ2350, gekeurd door de „Commissie ter bevordering en ter aan-
moediging der paardenfokkerij", die met het Hoofdbestuur der
Maatschappij ter bevordering van Landbouw en Veeteelt een regie-
ment heeft samengesteld. De provincie is in vier districten ver-
deeld, namelijk: 1°. Schouwen, Duiveland, Tolen en St. Filipsland;
2°. Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland; 3°. Zeeuwsch Vlaanderen,
westelijk gedeelte, en 4°. Zeeuwsch Vlaanderen, oostelijk gedeelte.
Telken jare worden, voor ieder dier districten, de volgende prijzen
beschikbaar gesteld: 1 van ƒ200 en 1 van ƒ100 voor een hengst
van minstens drie jaar oud; 1 voorschotpremie van ƒ100 voor een
tweejarigen hengst, en 2, elk van ƒ50, voor merriën van vier
tot acht jaar.
Dezelfde commissie beschikt over de rijksbijdrage, maar is
daarbij niet aan districten gebonden. Uitgeloofd worden: 1°. 4
onderhoudsbijdragen, ieder van ƒ100, voor dekhengsten van ten
minste 2\'j jaar oud; 2°. premiën van /"60 en van ƒ40 voor
merriën met veulen, tot een bedrag van ƒ800; 3°. aanhoudings-
premiën van ƒ60 voor éénjarige en van ƒ75 voor tweejarige
hengsten, eveneens tot een bedrag van ƒ800, terwijl elke premie
verhoogd wordt met ƒ10 voor hengsten, geboren uit ouders, in-
geschreven in het Nederlandsch Paardenstamboek; 4°. premiën
van hoogstens ƒ1000 voor buitenlandsche fokhengsten, binnen de
laatste 12 maanden ingevoerd, en zulks tot een bedrag als de
beschikbare gelden zullen toelaten.
In Noord-Brabant werd op 13 Juli 1887 door Gedeputeerde
Staten der provincie een reglement vastgesteld, waarbij werd be-
paald dat alleen minstens driejarige dekhengsten voor de fokkerij
mogen worden gebezigd; de keuring heeft plaats door een com-
-ocr page 473-
447
missie, benoemd door Gedeputeerde Staten. Bij besluit van 3 No-
vember 1892 werden enkele wijzigingen aangebracht. De provincie
is thans verdeeld in4districten, namelijk Os, Heusden, Zevenbergen
en Eindhoven, terwijl alleen te of nabij Breda de keuring plaats
heeft van dekhengsten van buitenlandsch ras, minstens drie jaar
oud en in het buitenland geboren. Voor de laatste wordt een
premie uitgeloofd: van ƒ 300. In ieder der districten worden jaarlijks
uitgeloofd: 1°. 3 premiën (namelijk van /450, f 100 en f 50) voor
hengsten, minstens drie jaar oud, niet in het buitenland geboren en
opgefokt; 2°. 3 premiën (namelijk van ƒ75, /60 en ƒ40) voor
hengsten als boven van tweejarigen leeftijd; 3°. 2 bewarings-
premiën, elk van ƒ100, voor merriën van minstens vier jaar oud.
De rijksbijdrage wordt beheerd door een commissie, benoemd
door Gedeputeerde Staten. Zij looft bijdragen uit in de vier bier-
vóór genoemde districten, voor het onderhoud van fokhengsten
van ten minste 2\'/, jaar oud, premiën voor merriën met veulen,
en aanhoudingsbij dragen voor hengsten niet ouder dan 2\'/} jaar,
terwijl voor de geheele provincie premiën beschikbaar worden
gesteld voor binnen de laatste 12 maanden ingevoerde buiten-
landsche fokhengsten. De commissie bepaalt jaarlijks voor welk
der categorieën van hengsten of merriën bijdragen en premiën
worden uitgeloofd en tot welke bedragen. In 1894 kocht deze
commissie twee Oldenburgsche hengsten, die gestationneerd zijn
te Zevenbergen en te Meeuwen.
Met uitzondering van hengsten, jonger dan 2\'/j jaar, moeten
de mededingende fokdieren zijn ingeschreven in het Nederlandsen
Paardenstamboek.
In de provincie Limburg werd bij besluit van 11 November 1890
de verplichte hengstenkeuring ingevoerd; de hengsten moeten
minstens drie jaar oud zijn. Uit de provinciale kas wordt een
subsidie van ƒ 2200 gegeven. In elk der drie districten (Maastricht,
Roermond en Venlo) worden jaarlijks uitgeloofd: 1°. 3 premiën
(namelijk van ƒ150, ƒ 100 en ƒ 50) aan de houders der bestgekeurde
dekhengsten; 2°. 3 premiën (ƒ75, ƒ60 en ƒ40) aan de houders
der bestgekeurde tweejarige hengsten; 3U. 3 bewaringsprijzen
(ƒ 75, ƒ 45 en ƒ 30) aan de houders der bestgekeurde vier- tot en
met zevenjarige merriën.
De keuring heeft plaats, ten overstaan van een lid van Gede-
puteerde Staten, door een commissie van drie leden, die door
Gedeputeerde Staten worden benoemd, na advies van het hoofd-
bestuur der Maatschappij van Landbouw.
-ocr page 474-
448 \'
De rijksbijdrage wordt beheerd door de „Provinciale commissie
voor de rijkskeuring van paarden in Limburg", bestaande uit vijf
leden, .laarlijks wordt voor ieder der drie provinciale districten
een premie van f 700 uitgeloofd voor dekhengsten, minstens 2\'/i
jaar oud, die sedert de aan de rijkskeuring voorafgaande twaalf
maanden uit het buitenland zijn ingevoerd.
Een kort overzicht der paarden in ons land moge hier een
plaats vinden.
Op het eiland Ameland, waar in het laatst der voorgaande eeuw
door Prins Willem V een privaatstoeterij was opgericht, werden
nog enkele jaren geleden uitstekende veulens gefokt, die, om de
armoedige weiden, in de welige Friesche streken werden groot-
gebracht en zich daar tot goede rijpaarden ontwikkelden (\').
Hoewel tegenwoordig de fokkerij op Ameland van minder betee-
kenis is, tracht men, door gebruik te maken van een 01denburg-
schen hengst, die door flinken gang uitmunt, de Amelanders op
waarde te houden.
Ofschoon enkelen voor iedere provincie een bepaald slag van
paarden aannemen, geraakt men toch bij het definiëeren daarvan
in moeielijkheden. Het meest typisch zijn de slagen uit Friesland,
Gelderland , Zeeland en Limburg.
Het Friesche paard heeft veel van zijn grootte verloren, maar
meet toch nog van 1.54—1.62 M. en vindt als koetspaard gretig
koopers. Het is stevig gebouwd en heeft een tamelijk lang,
veelal recht hoofd, een sterk gebogen hals, meer zwakken rug en
lenden, die nog al eens wat ingezakt zijn en een kort, maar
breed, afgerond kruis, dat zwaar gespierd en gespleten is; het
kruisbeen is hellend, zoodat de zwaar behaarde staart laag is in-
geplant. Het is meestal hoog op de beenen en deze zijn naar
verhouding van den romp weinig in de breedte ontwikkeld en
niet droog; vooral de voorpijpen zijn meestal te fijn. De kogels
en de spronggewrichten zijn zwak en de hoeven breed; de sterke
beharing van het onderbeen (het behang) springt zeer in het oog.
De meest voorkomende kleur is zwart. De gang is veelal
steppend en door krachtige werking van de achterhand en door
een vlug tempo in de beweging der ledematen, bij enkele zeer
snel, waarom dan ook de Friesche harddravers algemeen bekend
zijn en tot grondslag hebben gestrekt van het Norfolk- en het
Orloffras.
(1) In 1S51 werden 2-. Amelandsohe veulens te Utrecht publiek verkocht.
-ocr page 475-
449
Ten Noorden van den spoorweg Harlingen-Groningen wordt
het meest aan de paardenfokkerij gedaan; daar heeft men ook
met Oldenburger en Clevelander gekruist. In den laatsten tijd
treedt de gedachte meer en meer op den voorgrond, dat men
beter resultaat zal verkrijgen door verbetering van liet inlandsen
ras in zichzelf. Voor krachtig landbouwpaard heeft men in het
Noord-Oosten ook met Ardenners gekruist.
De Groninger paarden komen, wat het uiterlijk betreft, veel met
de Friezen overeen; zij zijn wat langer en hebben een meer af-
hellend kruis; ook zijn de kaken niet zoo zwaar. Debeenen, hoewel
lang, zijn in de kogels sterker gebouwd en droger, waarom velen
ze voor bruikbaarder houden. Door het fokken met buitenlandsche,
vooral met Oldenburgsche hengsten, heeft het Groninger paard
bijna geheel het Oldenburgsche type aangenomen, maar in den aller-
laatsten tijd koopt men ook Holsteiners aan. Alleen in den Zuid-
Westhoek der provincie komt het zuiver inlandsch paard nog voor;
aldaar waren in 1894 nog 5 inlandsche dekhengsten.
Ook het Drentsche paard gelijkt wat bouw betreft veel op het
Friesche, maar de romp is wat korter. De bodem der provincie
Drente is door hooge ligging en droogte uitstekend voor paarden-
fokkerij geschikt, maar de weinige vruchtbaarheid is oorzaak van
de mindere ontwikkeling der paarden, waarom dan ook de veulens
veelal in de meer vruchtbare streken van Groningen en Friesland
worden opgevoed en daardoor in hoogte en massa winnen. In
1894 stonden o. a. in de provincie ter dekking 2 Oldenburgsche
en een Amerikaansche draverhengst; ook hier denkt men er over
om het inlandsche paard meer in zichzelf te verbeteren.
Het Geldersche paard, dat het minst ontwikkeld in de Veluwe
voorkomt, is niet zoo zwaar als het Friesche, en onderscheidt zich
daarvan vooral door den veelal ingedruktenneus, den langen hals,
den meer gestrekten romp en het minder afhellend kruis met
hooger aangezetten staart; ook zijn de schouders vleeziger en het
behang is niet zoo sterk. Het heeft een levendig temperament en
verheven gangen; beide schrijven sommigen toe aan de ver-
menging met het Spaansche paard gedurende den tachtigjarigen
oorlog. Van het oude Geldersche ras vindt men nog slechts weinige
exemplaren, maar door het gebruik van Oldenburgsche hengsten,
later meer van Clevelander en Anglo-Normandiërs, mag het Gelder-
sche slag het beste van Nederland worden genoemd. In het gedeelte
tusschen Rijn en Maas worden de meeste paarden gefokt.
Ook de paarden langs de oevers van den I.Tsel en zijn vertak-
29
-ocr page 476-
450
kingen zijn goed ontwikkeld; die van het noordelijk gedeelte zijn
bekend als Zwolsche paarden. Zij zijn zwart.
Het oude Utrechtsche of Stichtsche paard is klein, niet fraai van
vorm en daarbij, door slechte ontwikkeling der schoft, laag van
voren. Langzamerhand is dit ras echter verbeterd, vooral ook
door invoer van Oldenburgsche en Norfolk-hengsten.
In het westelijk gedeelte van Noord-Brabant, in de omstreken
van Zevenbergen, maar ook aan de groote rivieren, vooral in het
land van Heusden en Altena, worden paarden gefokt, die voor
tuigpaard uitstekend geschikt en daarbij sierlijk van vorm zijn.
Zoowel Oldenburgsche als Hanoveraansche hengsten worden tot ver-
edeling gebruikt. Men is echter in Zevenbergen met de kruising
wat te ver gegaan, zoodat het paard wel goed van model is,
maar te zwak van beenen; door het invoeren van gekruiste Zeeuw-
sche fokmerriën tracht men hierin verbetering aan te brengen.
In Zuid-Holland worden de meeste paarden op de eilanden,
vooral in de Hoeksche Waard, gefokt; meerendeels worden Noord-
Duitsche hengsten voor de voortteling gebruikt.
Het Zeeuwsche paard in Staats-Vlaanderen (1.53—1.62 M. hoog)
behoort tot het zware slag; men gebruikt steeds Noord-Brabantsche
hengsten. Het is een trekpaard, grof en zwaar van bouw, maar
desniettegenstaande vrij vlug in zijn bewegingen, waarop vooral
in de laatste jaren meer wordt gelet. Het vrij rechte hoofd is
meestal breed en dik, met ver van elkander staande, meer of
minder afhangende ooren; de dikke hals is kort en breed met
zware manen en de borst sterk ontwikkeld. Het veelal gedrongen
lichaam heeft in den regel een sterk gespierd, gespleten kruis,
met laag aangezetten, zwaren staart. De schouders zijn vleezig,
tamelijk beweeglijk, de dijen zwaar en de grove, niet zwaar be-
hangen beenen hebben korte kooten en goede hoeven. Op Wal-
cheren, Noord- en Zuid-Beveland gebruikt men tegenwoordig ook
Brabantsche en Henegouwsche hengsten.
Op de meer noordelijk gelegen eilanden is het paard minder
grof en zwaar, maar ook de beenen zijn veel lichter. Na langen
tijd met eigen hengsten te hebben gefokt, heeft men eindelijk de
toevlucht genomen tot Oldenburgers, waardoor het fokken van
tuigpaarden in de hand werd gewerkt, maar het paard voor het
landbouwbedrijf hier en daar te licht werd. Thans gebruikt men
tot het verzwaren van den onderbouw een Clydesdaler hengst,
maar ook een Oldenburger en een Norfolkhengst waren in 4894 nog
beschikbaar.
-ocr page 477-
451
Öp het eiland Tolen dekt een lichte Brabantsche hengst.
Het Limburgsehe paard heeft veel overeenkomst met het Bel-
gische of den Condroz, waarom de laatste dan ook vooral in het
midden en het Zuiden der provincie veel tot verbetering wordt
gebruikt. Als een der hoofddeugden wordt geroemd de vroeg-
tijdige ontwikkeling, zoodat deze paarden op 2l/j-jarigen leeftijd
reeds lichten arbeid kunnen verrichten en daarmede ruimschoots
hun onderhoud betalen, terwijl de goede exemplaren toch op vier-
of vijf-jarigen leeftijd voor hooge prijzen naar Duitschland worden
verkocht.
§ 482. Duitschland in het algemeen.
Tot op het laatst der voorgaande eeuw leefde in Duitschland
het paard in het wild. Het was een klein dier, dat waarschijnlijk
reeds vroeg verandering onderging door kruising met Oostersche
paardenrassen, die bij de volksverhuizing in Europa kwamen,
want het Thuringsche paard wordt door Vegetius reeds genoemd.
Mogelijk is het van ïartaarschen oorsprong.
Onder de regeering van Karel den Grooten werden Arabische
paarden ingevoerd, en ook gedurende de kruistochten had her-
haaldelijk vermenging met Oostersch bloed plaats. Het lichte
Oostersche paard was evenwel voor de zwaar gewapende ridders
minder geschikt, zoodat men, om het inlandsche paard zwaarder
te maken, Deensche en Friesche paarden invoerde.
Vooral de dertigjarige oorlog was voor de ontwikkeling van
het paardenras in Duitschland zeer nadeelig.
In het algemeen komen in Duitschland veel lichte paarden voor;
de zwaardere werkpaarden worden gedeeltelijk als veulen opge-
kocht in Oostenrijk, België, Frankrijk, Nederland en Denemarken,
voor een ander deel uit Engeland ingevoerd. Intusschen begint
men zich tegenwoordig in vele streken ook op het fokken van
zware werkpaarden toe te leggen; tot dit doel zijn vooral uit
België hengsten ingevoerd.
In 1880 bedroeg de invoer 59.722 paarden, waarvan 7579 uit
Nederland, tegen een uitvoer van 17.960, terwijl in 1892 werden
ingevoerd 82.223 en slechts uitgevoerd 8895 paarden, zoodat vooral
de uitvoer in de laatste jaren aanmerkelijk is verminderd. Op
1 December 1892 bedroeg het geheele aantal paarden 3.830.346,
geschat op een waarde van bijna 1881 inillioen mark.
-ocr page 478-
452
§ 483. Piiuisen.
De verbetering van liet kleine wilde paard (waarvan waar-
schijnlijk de pony\'s in de provincie Mazure nog directe afstamme-
lingen zijn) nam in het tegenwoordige Oost-Pruisen reeds in het
begin der 13de eeuw een aanvang. De ridders der Duitsche orde
richtten o. a stoeterijen op te Balga, Grünhof, Tapiau, Georgen-
burg en Ragnit, waar Deensche en Hollandsche paarden ter ver-
edeling werden gebruikt. Het Oost-Pruisische ridderpaard was
dan ook spoedig algemeen bekend, wat eveneens het geval werd
met een lichter slag, waarschijnlijk met Oostersch bloed veredeld,
dat den grondslag voor het tegenwoordig aldaar voorkomende
paard vormde.
Toen in 1(118 Pruisen onder den Keurvorst van Brandenburg
kwam, oefende dit op de paardenfokkerij van Oost-Pruisen weinig
invloed uit; alleen werden enkele Friesche hengsten aangekocht,
om den inlandschen paarden meer massa te geven. In de ver-
schillende stoeterijen werden uitsluitend paarden gefokt voor de
keurvorstelijke stallen en voor den verkoop; van particuliere fok-
kerij was weinig sprake en de paarden voor het leger werden in
het buitenland, vooral in Polen, Mecklenburg en Holstein aange-
kocht. Wel nam men in 1CCG een proef om enkele hengsten uit
de vorstelijke stallen ter beschikking der boeren te stellen, maar
zonder veel gevolg. In 1713 werd een wet uitgevaardigd, waarbij
o. a. bepaald werd, dat alleen staatshengsten voor de voortteling
mochten worden gebruikt; het schijnt dat deze wet niet werd
toegepast, daar de voorwaarden, waarop de hengsten ter beschik-
king werden gesteld, te bezwarend waren.
Koning Fhiedrich Wilhelm I (1713—1740) vereenigde in 1732
de stoeterijen te Balga, Batriken, Brandenburg, Budupoenen,
Insterburg, Koppelbude, Ragnit en Schreitlaugken tot een, die
gevestigd werd te Trakehnen in de Gumbinnen. De stoeterij telde
toen 1101 paarden, waaronder513fokmerriën. In 1892behoorden
lot de stoeterij 1227 paarden en onder de 18 voornaamste hengsten
zijn er 7 volbloed Engelsen. Behalve 350 fokmerriën zijn er meer
dan 300 jonge hengsten en bijna 400 jonge merriën. In Trakehnen
zelf zijn de dekhengsten en 80 fokmerriën geplaatst; de andere
fokmerriën zijn te Bajohrgallen, Gurdszen, Kalpakin en Guddin.
De overige paarden vinden plaats op de boerderijen, waarvan er
12 tot de stoeterij behooren, die in haar geheel 4150 hectaren
-ocr page 479-
463
groot is. Eenige kudden blijven in den zomer op de weiden,
maar de fokpaarden worden des nachts op stal gebracht.
Na de vestiging werd deze stoeterij dus nog aanmerkelijk uit-
gebreid en daaraan een muildierfokkerij toegevoegd. Men trachtte
de bestaande paardensoort te verbeteren, en daarom werden
slechts enkele buitenlandsche hengsten aangeschaft. Ook nu was
het hoofddoel paarden te leveren voor de koninklijke stallen en
voor den verkoop. Langzamerhand evenwel werden hengsten uit
alle oorden aangekocht, waaronder de Perzische schimmelhengst
Perzianer, met een zijner afstammelingen Spinola, en de kers-
bruine Engelsche hengst Pitt zeer beroemd werden.
In 1787 kwam in de stoeterij een groote verandering, doordien
de opperstalmeester Graaf Lindf.n.vu al de voor de voortteling
minder geschikte dieren verwijderde. De merriën werden, in
groepen verdeeld, op verschillende voorwerken geplaatst, en wel
de zwarte te Gurdszen, de bruine te Kalpakin, de voskleurige te
Guddin, de lichte rijpaarden te Trakehnen en de zwaardere (hun-
ters) te Bajohrgallen. Ook begon men zich toe te leggen op het
fokken van hengsten voor de depots, die in 1786 te Trakehnen,
Insterburg, Oletzko en Ragnit waren opgericht en waar 270 dek-
hengsten werden geplaatst. De beide laatste depots zijn in 1824
opgeheven en vervangen door dat te Gudwallen. liet depot te
Trakehnen is thans naar Rastenburg verplaatst en heeft 172
hengsten, terwijl de Insterburg 168, en te Gudwallen 170 hengsten
aanwezig zijn.
De herhaalde oorlogen oefenden vooral ook in Oost-Pruisen een
zeer nadeeligen invloed uit op de paardenfokkerij, daar men niet
alleen in 1806 genoodzaakt was met de paarden der stoeterij naar
Rusland te vluchten, maar ook in 1813 een verplaatsing naar
Silezië noodzakelijk bleek. Van 1814 af, toen BuRGSnortt\' aan
het hoofd kwam, werd Oostersch en Engelsch bloed tot veredeling
gebruikt en het gelukte nu niet alleen uitstekende hengsten voor
de depots te fokken, maar ook om flinke koetspaarden te ver-
krijgen, die gelijk van vorm waren. Gunstig werkte hierbij het
opheffen der muildierfokkerij te Birkenwalde, waardoor een veer-
tigtal, meestal uitstekende merriën, voor de paardenfokkerij be-
schikbaar kwam. De particuliere fokkerij werd zeer bevorderd,
doordien in 1817 het besluit werd genomen om het leger met in-
landsche paarden te remonteeren, waartoe in 1821 remonte-depots
werden opgericht, alwaar de driejarige paarden verder worden
opgevoed.
-ocr page 480-
454
Deze depots, thans 14 in aantal, worden aangetroffen te Jur-
gaitschen, Neuhof-Ragnit, Kattenau, Brakupönen, Preussisch-
Mark, Spelling en Liesken voor de provincie Pruisen; te Biirenklau
voor Brandenburg; te Neuhof-Treptow en Ferdinandshof voor
Pommeren; te Wirsitz voor Posen; te Wehrse voor Silezië; te
Arendsee voor Saksen en te Hunnersrück voor Hanover. In 1890
werden er 7848 remonte-paarden aangetroffen.
Omstreeks 1850 trachtte men door kruising met Yorkshire-
hengsten en in 18G4 met Normandische hengsten aan het paard
meer massa te geven; beide proeven leidden tot geen gunstig
resultaat. Thans fokt men in Trakehnen alleen edel half bloed,
zoowel licht- als zwaar rijpaard, maar ook tuigpaarden, waarbij
zwarte, bruine en vossen, zooals hiervóór werd aangegeven,
scherp gescheiden zijn.
In 1894 stonden er 8 volbloedhengsten ter dekking.
Sinds 1815 wordt een elandshoorn op de rechter dij gebrand
(PI. XL N°. 9), terwijl voor de veulens van de gestationneerde
hengsten afkomstig, in geheel Oost-Pruisen de gesloten kroon
wordt gebruikt (PI. XL N°. 10).
Het Oost-Pruisische paard, dat zijn ontstaan in hoofdzaak aan
Lindenau en Burgsdorf te danken heeft en een hoogte bereikt
van 1.65—1.70 M., is uitstekend voor militaire doeleinden geschikt
en het beste cavaleriepaard, dat, bij een behoorlijke ontwikkeling,
aan goede vormen, kracht en volharding paart. De uitgesneden
knie, die vroeger algemeen voorkwam, ziet men tegenwoordig
zeldzaam, maar thans hoort men meer klachten over mindersier-
lijke vormen, vooral over te langen rug, te kort kruis en minder
sterke beenen.
Onder de privaatstoeterijen mogen worden genoemd die te
Georgenburg en Pieragunen, waar volbloed Engelsch wordt geteeld,
en te Steinort, waar men ook half bloed fokt; verder in Puspern
(PI. XL N°. 11) rijpaarden, in Julienfelde (PI. XL N°. 12) rij- en
jachtpaarden en in Doristhal zware ry- en lichte tuigpaarden. Te
Althof-Insterburg (PI. XL N°. 13), in 1525 reeds als stoeterij bekend,
worden behalve zware r\'y- en koetspaarden van Trakehner slag,
ook fijne Oostersche paarden geteeld. Te Schombehnen staat thans
een Amerikaansche draverhengst. De volbloedfokkerij neemt sterk
toe, zoodat o. a. in 1893 meer dan 300 remontepaarden werden
aangekocht, die kinderen zijn van volbloedhengsten.
Bij Memel en Tilsit is het paard zwaarder, terwijl het in
het Curische Haff en in de landstreek Mazure, hoewel ver-
-ocr page 481-
455
edeld, nog veel op het oorspronkelijk wilde gelijkt, dat in die
streken liet langst heeft stand gehouden. Het zijn kleine, maar
krachtige dieren met dikke hoofden en korte halzen; zij komen
onder den naam van Lithausche pony in den handel, maar sinds
de veredeling ook daar meer en meer veld wint, moet men de echte
Lithauers — van ouds bekend onder den naam van Imouds — meer
in Polen zoeken. De beste markt voor deze paarden blijft te Tilsit.
In Oost-Pruisen, dat in 1893 alleen 396.068 paarden telde,
is een stamboek opgericht voor edel halfbloed.
Het paard van West-Pruisen is zwaarder en komt het best
ontwikkeld aan de monden van Weichsel en Nogat voor. Het
hengstendepot te Mariënwerder, met 125 hengsten, waaronder 2
volbloed Engelsch, werd in 1788 opgericht. In 1806 vluchtte men
met de paarden naar Memel en Heidekrugen; eerst in 1816 kwam
het depot opnieuw in gebruik. Als brandmerk heeft men voor
de afstammelingen daarvan een met rechte lijn gesloten kroon,
waaronder de letters W. P. (PI. XL N°. 14).
In Posen kwam het kleine Poolsche paard voor, dat door Russisch-
Oostersch bloed veredeld was. In 1829 werden te Zirlce bij Wronke
aan de Warthe een stoeterij en een hengstendepot opgericht.
Het laatste telt 168 hengsten, waaronder 7 Engelsch volbloed en
de overige halfbloed; het oefent, door vergrooting en veredeling
van het landpaard, een gunstigen invloed uit. De stoeterij had
slechts 20 merrién, waaronder Percherons en Suiïolks; het doel
was zware koetspaarden te fokken. Zij is nu opgeheven en het
hengstendepot verdeeld tusschen Zirke en Gnezen, in welke laatste
plaats 169 hengsten zijn, waarvan 3 Engelsch volbloed. -Het
stoeterij brandmerk was een Z met loodrechte spijl (PI. XL N°. 15),
dat van het hengstendepot bestaat uit een gekroonde P (PI. XL
N°. 16).
In de buurt van Zirke ligt de privaatstoeterij Rosbitek van
Eunst von Reiciie, waar halfbloed wordt geteeld, en ook in het
verdere gedeelte der provincie treft men verschillende privaat-
stoeterijen aan.
Vooral in het oostelijk gedeelte der provincie Pommeren, in de
buurten van Treptow en op het eiland liiigen, wordt een flink
tuigpaard gefokt en in Labes is een depot met 207 hengsten,
van allerlei slag. Onder de privaatstoeterijen moet die te Broock,
in de omstreken van Greifswald, genoemd worden, waar vol- en
halfbloed worden geteeld, maar ook zware paarden uit Holsteinsche
en Sull\'olkhengsten.
-ocr page 482-
456
In Brandenburg waren reeds vroeg koninklijke stoeterijen aan-
wezig, maar de particuliere fokkerij bleef op lagen trap. Tocli
vindt men in de omstreken van Frankfort, en vooral aan de Havel,
flinke tuigpaarden. Het hengstendepot te Lindenau (PI. XL
N°. 17) met 95 hengsten werkt zeer goed, hoofdzakelijk ter ver-
krijging van een zwaar rij- en werkpaard. Dit depot is gelegen bij
Neustadt a. d. Dosse, in de buurt der Friedrich Wilhelmstoeterij.
Deze stoeterij, welke in 1877 naar Beberbeck bij Hofgeismar in
Hessen-Nassau werd overgebracht, is in 1788 door Friedrich Wil-
iieLM II opgericht, met het doel edele fokdieren te telen voorde
verschillende stoeterijen; gelijktijdig werd de aldaar sinds jaren
bestaande muildierfokkery opgeheven. Oorspronkelijk gebruikte
men alleen Oostersch, later ook Engelsen bloed en sinds 186(3
legde men zich met vrucht toe op het fokken van sterke ry- en
jachtpaarden. Sinds 1876 fokt men Engelsch halfbloed en na
1883 ook volbloed. Vooral de volbloedhengst diamant heeft een
giooten invloed uitgeoefend. De stoeterij telt 420 paarden en van
de 8 dekhengsten zijn er 4 volbloed; het stoeterijmerk is een pijl
met een slang omwonden (PI. XL N°. 18).
In de privaatstoeterij te Gadow bij Wittenbergh wordt alleen
volbloed gefokt, eveneens te Alt-Golm bij Berlijn, waar een be-
kende renstal is.
In Silezië wordt een groot aantal paarden geteeld. Die aan den
linker Oderoever zijn meerendeels flink ontwikkelde tuigpaarden,
die aan den rechter meer lichte rijpaarden. Het hengstendepot te
Leubus, in de buurt van Wohlau, met 142 dekhengsten, was reeds
in 1818 een stoeterij; het heeft in deze streken uitstekendedien-
sten bewezen en doet dit nog, daar men hengsten van verschillend
slag onderhoudt. Onder de 141 hengsten kwamen in 1890 voor :
5 Engelsch volbloed, 14 Ardenners, 9 Clydesdalers, 8 Per-
cherons en 1 shire. Vroeger waren er 200 aanwezig, maar het
oprichten van een depot te Cosel in Opper-Silezië (1877) met 135
hengsten is oorzaak der vermindering. Als brandmerk is in beide
plaatsen in gebruik een met een rechte lijn gesloten kroon (als
voor Zirke), waaronder de letters St. of C.
Talrijke privaatstoeterijen worden in deze provincie gevonden,
o. a. te Adamowitz bij Ratibow (halfbloed uit Hanoveraansche
merriën met volbloedhengsten), te Louisenhoff tusschen Breslau
en Oppeln (sterke rij- en koetspaarden), te Olschowa bij Oppeln
(renpaarden) en te Gaebersdorf bij Striegau (volbloed).
Het paard was in de Pruisische provincie Saksen in vroeger
-ocr page 483-
457
eeuwen zeer geacht; men vond dan ook in de tweede helft der
15do eeuw reeds stoeterijen te Georgenthal, Bleesern, Seyda en
later te Vesra. In 1570 werd door Keurvorst August I van Saksen
een stoeterij opgericht nabij Torgau, waarvoor in 1722 het slot
te Graditz werd gebouwd, waaraan de stoeterij thans zijn naam
ontleent. Zij heeft 533 paarden, waarbij 40 volbloed en 150 half-
bloedmerriën. Van de 8 hengsten zijn er 4 volbloed. Men fokte
oorspronkelijk ry- en tuigpaarden van verschillend ras en eerst
toen in 1815 de stoeterij aan Pruisen overging en men later enkele
stoeterijen, o. a. in 1840 die te Vesra, ophief, begon men vol- en
halfbloed te telen. Het brandmerk bestaat uit twee gekruiste
pijlen door een slang omwonden (PI. XL N°. 19).
Het landsdepot te Neustadt is in 1891 overgebracht naar Cröll-
ivitz
bij Halle a. S. Het doel is zware werkpaarden te fokken,
waarom dan ook van de 100 gestationneerde hengsten 40 shire-
horses, 5 Clydesdalers, 20 Belgische en 28 zware Oldenburgers of
Hanoveranen zijn; het brandmerk bestaat uit een kroon als bij
Lindenau, waaronder de letter S. In een groot gedeelte der pro
vincie heeft men zwaardere paarden noodig, die dan ook in enkele
privaatstoeterijen, o. a. te Althaldensleben bij Maagdenburg, uit Nor-
folk en Clydesdaler worden gefokt. In de omstreken van Erfurt
fokt men het zwaarste paard met Belgische en Clydesdaler hengsten.
Westphalen beteekent op het gebied der paardenfokkerij niet
veel; hier en daar treft men nog sporen aan van het wilde paard.
In de middeleeuwen, ja zelfs nog in het laatst der voorgaande
eeuw, bestonden er enkele halfwilde stoeterijen en het zware
Munstersche kleipaard, dat ook als rijpaard gebruikt werd, was
algemeen bekend. Het depot te Warendorff (PI. XL N°. 20),
waar vroeger slechts edele hengsten werden gehouden, heeft
er thans 102, vooral zware Noord-Duitsche, maar ook 12 Bel-
gische. In het algemeen fokt men het zware Belgische, Fransche
of Engelsche paard. Er zijn 48 dekstations. In sommige streken o. a.
te Lüdingshausen en Coerfeld worden goede koetspaarden gefokt.
In de llijnprovinciën, waar vroeger uitstekende tuigpaarden
voorkwamen, vindt men thans bijna uitsluitend zware werkpaarden.
Slechts in enkele privaatstoeterijen worden veredelde dieren gefokt;
zoo treft men o. a. edele koetspaarden met Trakehner bloed aan
in de sinds 185G bestaande stoeterij te Metlach bij Trier, waar
ook een zwaar werkpaard wordt gefokt. Het depot te Wickrath met
100 hengsten, waaronder slechts 11 halfbloed, in 1840opgericht,
werkt sinds de laatste jaren gunstiger, omdat men zich ook hier
-ocr page 484-
458
zwaardere hengsten aanschafte. Dat liet zware paard, vooral het
Belgische, in de Rijnprovinciën veel aftrek vindt, blijkt hieruit,
dat van de 5150 merriën, in 1891 door hengsten uit Wickrath
gedekt, er meer dan 3000 door Belgische hengsten waren be-
sprongen. Aan den Neder-R\'yn, in de omgeving van Kleef en Rees,
gelijkt het paard veel op het Geldersche, maar het is minder
sierlijk van bouw en ook de gangen zijn niet zoo goed; toch
komt hierin verbetering, nu men ook jongere merriën voor de
fokkerij gaat gebruiken. Het z. g. n. Eifeler-paard, in de buurt van
Trier, heeft veel overeenkomst met den Ardenner.
Ook in het oude Keurvorstendom Hessen en in het Hertogdom
Nassau stond de paardenfokkerij in vroeger tijd op tamelijk hoogen
trap, en de stoeterij te Sababurg leverde groote en krachtige paarden.
Thans bestaat er een depot voor Waldeck en Hessen-Kassel te
Dillenburg met 110 dekhengsten en de reeds op bl. 456 beschreven
stoeterij te Beberbeck.
Hanover. In het oude Koninkrijk Hanover, waar de paarden-
fokkerij reeds vroeg werd beoefend, staat zij thans op zoo hoogen
trap, dat het tegenwoordige Hanoveraansche paard door velen het
beste koetspaard wordt genoemd, terwijl ook het zware rijpaard
er zeer in aanzien is. In het algemeen genomen is het een flink
gebouwd dier met een edel gevormd, licht hoofd, een goed op-
gerichten hals en een lange, hooge schoft; de rug is sterk en het
kruis recht met hoog aangezetten staart. De beenen zijn niet altijd
zwaar gebouwd en eerst op 6 of 7 jaar komt dit paard op volle
klacht. De echte „carrossier" ter hoogte van 1.G0—1.80 M., met
een goed figuur en flinke gangen (doch meestal niet steppend), wordt
in Engeland gaarne gekocht. Veel veulens worden uit Hanover naar
Mecklenburg gebracht, waar zij zich beter ontwikkelen.
De gunstige ontwikkeling der paardenfokkerij is gedeeltelijk te
danken aan de vroegere nauwe verbinding van Hanover met Enge-
land, waardoor de invoer van het edele Engelsche paard zeer werd
bevorderd, maar vooral ook aan het hengstendepot te Celle.
Reeds in 1698 bestonden in de onmiddellijke nabijheid van Celle
stoeterijen, maar eerst in 1735 werd aldaar een hengstendepot
opgericht. Men begon met 12 Holsteinsche hengsten, waaraan al
spoedig Mecklenburgsche en Engelsche volbloedhengsten werden
toegevoegd. Gedurende den zevenjarigen oorlog was het depot,
uit 90 hengsten bestaande, voor eenigen tijd buiten werking en
bij den inval der Franschen in 1803 vluchtte de toenmalige direc-
teur met een gedeelte der dieren naar Mecklenburg. Eerst in 1814
-ocr page 485-
459
weid liet depot opnieuw van paarden voorzien en daarbij zeer
uitgebreid, zoodat het, bij den overgang aan Pruisen, 220 heng-
sten van verschillend ras bevatte, welk aantal langzamerhand tot
circa 170 is verminderd, maar nu weder tot 235 is opgevoerd,
waaronder 18 volbloed Engelsch.
Ook de koninklijke stoeterij van Neuhaus, in het Sollingerwald
bij Uslar, dagteekende reeds van het begin der voorgaande eeuw
en werd in 1840 met die van 3Iemsen in Hoya vereenigd. De
schrale weiden waren evenwel voor ontwikkeling der koetspaarden
niet gunstig, zoodat deze in 1848 naar Herrenhausen, op een half
uur afstand van Hanover, werden overgebracht. Hier wordt nog
tegenwoordig een stam witgeboren schimmels (zie later) en isabeU
len met ramshoofden en glasoogen gefokt. \')
Neuhaus maakt thans deel uit van het remonte-depot Hunnersrück.
Ten Zuiden en ten Oosten van Bremen, in de landstreken Hoya
en Verden, worden de meest veredelde rijpaarden gekweekt, ter wijl
in het noordelijk gedeelte van Stade, namelijk in het land van
Hadeln, Kehdingen en Würsten, uitstekende koetspaarden voor-
komen. Meer zuidelijk langs de Elbe en ook langs de Leine
treft men goede paarden aan.
In het Osnabrücksche, vooral in het ambt Neuenhaus, vindt
men nog tegenwoordig zwaar gebouwde paarden, bekend onder
den naam van Drentsche paarden; zij zijn niet groot, zwart, en
hebben als werkpaarden een goeden naam.
Het Oost-Friesche paard is minder veredeld dan het Hanove-
raansche; het is een groot en zwaar gebouwd, sterk en deugd-
zaam koetspaard. Het hoofd is wel wat zwaar, de rug soms
te slap, de lenden niet voldoende krachtig en de knie nog al eens
ingesneden. Op 1 December 1892 bedroeg het aantal paarden in
Oost-Friesland 27.699.
Tot de goede ontwikkeling der paardenfokkerij hebben de jaar-
1\'ijksche hengstenkeuringen met premiën, in 1754 ingesteld, zeer
veel bijgedragen. Op de Aurich\'sche hengstenkeuring in Januari,
waaraan een groote hengstenmarkt verbonden is, worden ook voor
ons land veel z g. bovenlandsche hengsten aangekocht. In 1894 waren
(1) Het aantal dezer dieren wordt verschillend opgegeven. Volgens liet Maandblad
„Hippos" waren er in 1S92 slechts 5 hengsten en één merrie, de laatste te ond om
voor de fokkerij te worden gebruikt. Volgens de Encyclopaedie van A. Koen waren in
1888 aanwezig: 12 witgeboren schimmels waaronder 2 merrién, en 13 isabcllen waar-
onder 3 merriën.
-ocr page 486-
460
voor de keuring 44 oudere en 269 driejarige dekhengsten inge-
sclireven. Alleen in het district Aurich zijn 51 privaat-dekhengsten.
In Sleeswijk-Holsteiii treft men het oudtijds zoo beroemde Hol-
steinsche paard niet meer aan. In de tweede helft der 16de eeuw,
toen in de omliggende landen de paardenfokkerij reeds groote
vorderingen maakte, begon men de inlandsche merriën (van
Deenschen oorsprong) te laten dekken door Spaansche hengsten ;
hieruit ontstond het groote, zwarte Holsteinsche paard, dat door
zijn ramshoofd en zwanenhals zoo zeer de aandacht trok. Men
sprak toen van hoog- en laaglandsche paarden (Geest- und Marsch-
Pferde), waarvan de laatste het in vorm van de eerste wonnen,
maar in duurzaamheid daarbij ten achter stonden.
Ook hier verlangde men spoedig van het paard meer snelheid,
waarom in 1821 Clevelandsche bruinen ter veredeling werden
ingevoerd; de in 1845 opgeheven privaatstoeterij van den Hertog
van Augustenburg op het eiland Alsen, heeft veel tot de ver-
edeling bijgedragen. Men vindt thans, vooral in de vruchtbare weide-
streken van Angeln, de Probstei, Plön, Kiel, enz. sierlijk gevormde
koetspaarden, die een ruimen, hoogen gang hebben, doch dikwijls
wat te smal zijn; ook zware rijpaarden worden daar geteeld. Slechts
bij enkele treft men het halve ramshoofd nog aan. In het Noorden
fokt men meer het zware werkpaard, overeenkomende met het
Jutlandsche. Reeds in 1888 werden er, behalve de 114 landsheng-
sten over 42 stations verdeeld, 377 privaat-dekhengsten gevonden.
Het hengstendepot te Traventhal met 119 hengsten, waarvan
3 volbloed, werkt zeer gunstig. Onder de talrijke privaatstoete-
rijen is vooral die te Ahrensburg, waar Oostersche paarden wor-
den gefokt, bekend.
Met uitzondering van Oost- en West-Pruisen vindt men in geen
der Duitsche landen een zoo groot aantal paarden als in Sleeswijk-
Holstein.
Op 1 December 1892 kwamen in geheel Pruisen 2.647.338
paarden voor, waarvan 66.712 tot het leger behoorden. Op de
verschillende dekstations waren 2474 dekhengsten aanwezig, ver-
deeld over 17 hengstendepots. Vóór 1 Januari 1894 werden er 2505
aangetroffen (hieronder begrepen de 543 hengsten in de stoeterijen
Trakehnen, Graditz en Beberbeck), waarvan 97 volbloed, 2101
halfbloed en 307 koudbloedigen. Het fokken van zware paarden
begon eerst in 1885, toen door de Pruisische regeering in Bra-
bant, Henegouwen en Luik 38 zware dekhengsten werden aan-
gekocht.
-ocr page 487-
m
§ 184. Ol.DENDURG.
Het oude Oldenburgsche paard, van gemengd ras, vertoonde
geheel het Spaansch-Napolitaansche type. Het had zijn oorsprong-
te danken aan den grootsten paardenfokker van zijn tijd, Graaf
Anton Günther van Oldenburg (1G03—1GG7), na wiens dood
het evenwel spoedig verbasterde. In 1781 begon de paai den-
fokkerij te herleven en werden reeds hengsten gestationneerd.
Nadat in 1819 de keuring van dekhengsten was ingevoerd, werd
groote verbetering verkregen door Neptunus en Thorador, zonen
van een kastanjebruinen hengst (waarschijnlijk Clevelander), in 1820
uit Engeland overgebracht. Sedert 1840 worden ook premiekeu-
ringen voor merriën gehouden.
Het tegenwoordige Oldenburgsche paard is 1.70—1.80 M. hoog
en veelal ellen bruin. Het hoofd is bijna recht, de hals middel-
matig lang, maar sterk opgericht (soms wat breed), de borst breed
en diep met weinig schoft en met zwakken rug; het meloenvormig
kruis met tamelijk hoog aangezetten staart is zwaar gespierd, wat
ook het geval is met de schijnbaar krachtig ontwikkelde ledema-
ten, waarvan de beenderen echter te sponsachtig zijn. De hoeven
zijn veelal vlak en brokkelig, de gang is regelmatig en tamelijk
hoog. Het volhardingsvermogen laat te wenschen over. Dit paard
is zeer mak en heeft een opgewekt temperament; het is vooral
ontstaan door kruising met Clevelandsche, Yorkshire en Hano-
veraansche hengsten. De beste paarden worden gefokt aan de
Weser (Budjadinger slag), de Hunte, de Jade en de Jever (Jever-
scJie paarden).
In 18G2 werd een stamboek aangelegd; de ingeschreven dieren
worden op de rechter dij gemerkt met een gekroonde O (PI. XL
N°. 23) en in 1893 kwam het Oldenburger Gestiitbuch uit. Op
1 December 1892 bedroeg het aantal paarden in Oldenburg 38.881.
§ 185. Mecklenburg.
Nog aan het einde der voorgaande eeuw was Mecklenburg het
paardenland bij uitnemendheid.
Tot circa 1200 was het in vrijheid levende paard klein, maar
gedurende de riddertijden ontwikkelde het zich (waarschijnlijk
door kruising met Friesche paarden) zeer goed. Eerst onder Hertog
Joiiann AlbrECHT I (1547—15G7) werd de grondslag gelegd tot
het later zoo wereldberoemde Mecklenburgsche paard ; stoeterijen
-ocr page 488-
462
werden o. a. opgericht te Dömitz, Crivitz, Ivenack, Medow en
Doberan, waar, behalve paarden uit Oostersch bloed en wilde
paarden, dieren uit Hongarije, Polen, Spanje, Italië, Friesland
en Denemarken tot de voortteling werden gebruikt.
In weerwil van den ongunstigen invloed door den dertigjarigen
oorlog uitgeoefend, gelukte het, ook na het gebruik maken van
enkele Engelsche hengsten, een uitstekenden paardenstam te ver-
krijgen, die langen tijd voor het ideaal van een militair paard gold.
Het streven naar hooger veredeling werd evenwel noodlottig,
daar men uitsluitend gebruik maakte van Engelsche paarden,
waarvan de minder goede soorten (zie bl. 400) in groot aantal
naar het vasteland werden gezonden. Het oude Mecklenburgsche
paard bestaat dan ook niet meer, en tegenwoordig worden veel
veulens, uit Hanover en Oldenburg aangekocht, in Mecklenburg
opgevoed, waar zij zich op den goeden bodem uitstekend ontwikkelen.
Onder de stoeterijen, straks reeds genoemd, oefende die van
den Graaf van Plessen te Ivenack (in 1820 opgeheven) grooten
invloed uit, vooral door de beroemde Engelsche hengsten Morwick-
Ball en Herodot.
In de laatste jaren is weer vooruitgang in de fokkerij te be-
speuren, wat moet worden toegeschreven aan het hengsten-
depot te Redefin. De stoeterij te Redefin (PI. XL n°. 24) bij
Hagenow bestond reeds zeer vroeg, daar zij in 1715 al werd
genoemd; in 1795 werd zij opgeheven, maar in 1810 weder opge-
richt. In 1847 is de eigenlijke stoeterij naar llabensteinfelt over-
gebracht en in Redefin bleef alleen het hengstendepot, dat thans
140 hengsten telt, waaronder 3 Engelsch volbloed en overigens
Hanoveranen; zij worden op 34 plaatsen gestationneerd. De paarden
uit Rabensteinfelt zijn in het begin van 1884 verkocht.
Onder de privaatstoeterijen moeten de llahn\'sche te Basedow
en de Biel\'sche te Zierow worden genoemd, waar nog Oostersche
paarden worden gefokt.
Op 1 December 1892 waren in Mecklenburg 114.814 paarden,
waarvan Mecklenburg-Schwerin het grootste aandeel heeft, daar
hier 616 paarden per □ K.M. worden aangetroffen, wat de dichtste
paardenbevolking is van geheel Duitschland.
§ 186. WuiiTEMBERG.
Dit land speelde in de paardenfokkerij steeds een groote rol.
Reeds in 940 werd door Keizer Otto I een stoetery aangelegd
-ocr page 489-
463
op de plaats van het tegenwoordige Stuttgart, dat daaraan zijn
naam zou ontleenen; de paardenfokkerij bleef tot de lod8 eeuw
in bloei toenemen. Toen kwam zij evenwel in verval, zoodat in
1537 Hertog Ullrich zich beklaagde, dat in zijn rijk geen jacht-
paarden te vinden waren. Nog in de 16de eeuw kwam er beter-
schap en vooral onder Hertog Christoffel werd voor de ontwik-
keling van het inlandsche paard veel gedaan. In 1575 werd te
Marbach op de Münsinger Alpen een hofstoetery aangelegd, waar
Friesche, Engelsche en Spaansche paarden, maar ook Berbers,
werden opgestald. Later maakte men ook van Duitsche hengsten
gebruik en eerst in 1817 werd deze stoeterij uitsluitend bestemd
tot het aanfokken van hengsten voor het depot. Onder de Duitsche
hengsten is vooral Sanspareil, afkomstig uit de Friedrich-Wilhelm
stoeterij te Neustadt a. d. Dosse, bekend als stamvader van een
groot aantal hengsten, die gedurende geruimen tijd aan het land-
paard een zekere gelijkmatigheid in vorm en kleur (vos) gaven.
In de voorgaande eeuw werden door Hertog Karel Hongaarsche
en Napolitaansche paarden tot rasverbetering ingevoerd en om
goede rijpaarden te fokken een Engelsche stoeterij met 24merriën
te Solitude opgericht. Door de oorlogen in het begin dezer eeuw
ging evenwel de paardenfokkerij zeer sterk achteruit en eerst met
Koning Wilhelm I (1816—1864) begon voor haar een nieuw
tijdperk van bloei. Deze vorst had reeds als kroonprins in 1810
te Scharnhausen een kleine stoeterij opgericht, met twee Arabische
hengsten en eenige Hongaarsche en Poolsche merriën. In 1817
werden de domeingoederen Weil en Klein-IIohenheim door hem tot
stoeterijen ingericht en bezet met paarden van verschillend ras,
waaronder ook enkele Perzen en Russen. Eerst in 1819 werden,
vooral door bemiddeling van den Russischen gezant te Constantinopel,
8 Oostersche hengsten en 12 merriën van Bedouïnen aangekocht,
die tot grondslag strekten voor het Arabisch-voibloedpaard, in
Wurtemberg gefokt. De Arabische volbloedhengst Baircwtar, reeds in
1817 in Damascus aangekocht, werkte in de eerste plaats daartoe mede.
Een groot aantal hengsten en merriën van edel ras werd later
aangekocht en kruisingen werden beproefd, o. a. van het Arabische
met het Russische, Perzische en Dongolapaard, waarvan de resul-
taten niet bijzonder gunstig waren. Hoofdzaak bleef de teelt van
volbloed Arabieren. Ten einde een grooter koetspaard te verkrijgen,
werden Engelsche merriën aangevoerd, namelijk zware hunters,
Yorkshires en Ieren, waaruit het Engelsch-Arabisch paard ontstond,
en in 1835 begon men een stam Trakehners te telen.
-ocr page 490-
464
Na den dood van Wilhelm I zijn deze stoeterijen veel ver-
minderd.
De stoeterij te Weil-Scharnhausen had in 1893 slechts 8 hengsten,
namelijk 3 volbloed en 1 half bloed Arabier, 1 volbloed en 3 half-
bloed Engelsch en daarbij 60 merriön.
Men heeft in Marbach, waar nu 73 fokmerriën worden ge-
houden , zoowel van Arabieren, als van Engelsch volbloed gebruik
gemaakt en in de laatste jaren zelfs Suffolk en Clydesdaler hengsten
aangewend tot het verkrijgen van meer massa; thans heeft men
er 4 Anglo-Normandische hengsten. Het hengstendepot aldaar
telt 420hengsten, meerendeels Anglo-Normandiërs en Oost-Pruisen,
terwijl op enkele plaatsen uit de privaatstoeterijen van den koning
edele hengsten beschikbaar worden gesteld.
Op 1 December 1892 kwamen in Wurtemberg 101.679 paarden voor.
De meeste worden gefokt in de omstreken van Riedlingen,
Ravensburg, Diberach, Waldsee enSaulgau, terwijl de buurten om
Cannstadt, Waiblingen en Welzheim betrekkelijk arm aan paar-
den zijn.
§ 187. Beieren.
Hoewel Deieren tegenwoordig op het gebied van paardenfokkerij
niet veel meer beteekcnt, waren toch vroeger de paarden uit
eigenlijk Beieren, die uit de Palts, vooral uit de omstreken van
Zweibriïcken en die uit de buurten van Ansbach en Bayreuth,
algemeen bekend en geroemd. Reeds in 1594 werd gesproken
over verschillende stoeterijen in de Palts voorkomende, waar o. a.
Napolitaansche en Friesche paarden voor de voortteling werden
gebruikt, terwijl toen op den Otterberg een wilde stoeterij werd
aangetroflen. In 1558 plaatste Hertog Aldueciit I hengsten van
verschillend slag op enkele kloostergoederen, waar zij voor de
privaatfokkerij moesten dienen, maar ook ter beschikking van
particulieren stonden.
De hofstoeterij te Rohrenfeld, op l\'/i uur afstand van Neu-
burg, waaraan in 1816 die te Bergstetten en Neuhof werden
toegevoegd, is ook van oude dagteekening. In het begin der 17\',e
eeuw maakte men daar reeds gebruik van Hollandsche, Boheem-
sche en Napolitaansche hengsten, waarbij omstreeks 1700 nog
een Turksche en een Spaansche hengst kwam. In de \\%ie
eeuw, toen men meer op de grootte van het paard begon
te letten, werden Deensche en Tlolsteinsche hengsten, alsook
enkele Hollandsche harddravers ingevoerd. Eerst in 1820 trachtte
-ocr page 491-
405
men de vormen te verbeteren en de snelheid te vermeerderen
door het gebruik van Normandische en Engelsche paaiden,
waarop omstreeks 1850 vermenging plaats vond met Oostersch
bloed. Dat de dieren, afkomstig uit deze stoeterij, niet gelijk van
vorm waren, is bij die rasvermenging geen wonder. Eerst na
1873 kwam hierin verbetering.
Te Zweibrücken in de Palts werd in 1750 onder Christiaan IV (\')
een stoeterij opgericht met Engelsche merriën en Turksche en
Arabische hengsten. Zij werkte zoo uitstekend, dat men, om de
eenvormigheid der paarden, in 1780 reeds van een ras sprak, en
omstreeks 1790 hadden dan ook de Zweibrückensche paarden
een Europeesche vermaardheid. In 1793 werd de stoeterij door
de Franschen genomen, die de paarden naar Nancy voerden;
een gedeelte er van werd in 1806 door Napoleon teruggegeven
en daaraan enkele paarden uit de keizerlijke stallen toegevoegd. In
1814 ontvoerden de Franschen opnieuw het meerendeel der paarden,
terwijl de overige, op een twintigtal na, in handen der gealli*
eei\'den vielen en naar Pruisen werden overgebracht. In 1815
richtte men de stoeterij op kleinere schaal weder op.
Thans is zij in hoofdzaak hengstendepot met 64 hengsten,
waarvan 6 Engelsch volbloed. In 1893 bedroeg het aantal merriën
54. De hoofdrichting der fokkerij is Engelsch half bloed en Anglo-
Normandisch.
De stoeterij te Triesdorf bij Ansbach, in 1769 opgericht,
oefende door haar Oostersch bloed op de paarden in de omgeving
een gunstigen invloed uit. De paarden van die stoeterij gingen
in het begin dezer eeuw grootendeels naar de Friedrich-Wilhelm-
stoeterij in Pruisen over.
Onder de pogingen in het laatst der voorgaande eeuw in het
werk gesteld tot verbetering van het paardenras in Opper- en
Neder-Beieren, dient genoemd te worden de aankoop van 60
Holsteinsche hengsten. Zij werden op verschillende plaatsen ge-
stationneerd, maar het succes was gering.
Reeds in 1808 werd op zeer bescheiden voet te Rohrenfeld een
hengstendepot opgericht, dat in 1843 van de koninklijke stoetery
werd gescheiden; het aantal hengsten is langzamerhand opgevoerd
tot 360. Zij zijn van verschillend ras. De staatsstoeterij te Achsel-
schwang
(vroeger Schwaiganger) heeft slechts 3 hengsten en 60
merriën, zoodat zij geen voldoend aantal hengsten voor de depots
kan leveren en deze dus meerendeels, vooral in het buitenland,
(1) C, Joscir, BtitrSft mr Xentitnitt iwtlBeurtheilungderPferde-racen. Wien, 1887.
30
-ocr page 492-
4GG
moeten worden aangekocht. Een hengst van den Furioso-stam
uit Mezöhegyes werkt hier zeer gunstig.
De koninklijke stoeterij te Rohrenfeld, in 1890 met 91 merriën,
waarvan 10 volbloed en 11 half bloed Engelsch, en met 7 hengsten,
waarvan 2 volbloed en 4 half bloed Engelsch, levert in hoofdzaak
rij- en lichte tuigpaarden met Oostersch bloed, terwijl in Berg\'
stelten,
waar ook (30 fokmerrièn zijn, met Engelsch bloed zwaar-
dere koetspaarden worden geteeld. De gebouwen te Neuhof zijn
alleen voor veulens ingericht.
Uit al het voorgaande blijkt, dat men in Beieren zeer veel
moeite heeft aangewend om de landspaardenfokkerij te verheffen,
maar alle middelen waren te vergeefs; zelfs het premiënstelsel, in
1851 ingevoerd, dat in andere landen meestal zeer gunstig werkt,
heeft hier niet gebaat.
Het Beiersche landpaard is middelmatig groot; het heeft een
grof, vleezig hoofd, een korten, dikken hals, een weinig ontwik-
kelde schoft en een ingezakten rug met sterk af hellend, veelal
gespleten kruis en laag aangezetten staart. De schouder is steil,
de koot kort en het geheele onderbeen krachtig, maar de achter-
beenen staan dikwijls koehakkig. Dit dier heeft een regelmatigen
stap en een gelijkmatigen, weinig snellen draf; het is bovendien
zeer mak en geduldig. Het moet tot de werkpaarden worden gebracht.
Gaan wij de afzonderlijke streken van Beieren na, dan zien wij,
dat in de Palts nog sporen van het Zweibriickensche paard voorkomen,
want vooral in het bergachtige westelijke gedeelte worden nog
enkele lichte rijpaarden gefokt, terwijl oostelijk meer zware paar-
den worden aangetroffen. Men heeft in de laatste jaren in de Palts
veel Ardenner hengsten voor de voortteling gebruikt. In Opper-
en Neder-Franken is de paardenfokkerij van weinig belang; alleen
in de omstreken van Aschaffenburg, Miltenberg en Schweinfurt,
dus langs den Main, worden enkele lichte tuigpaarden gekweekt.
In Middcn-Franken, vooral in de omstreken van Ellingen en Ans-
bach, komen meer veredelde paarden voor, die een uitstekenden
gang hebben en daarbij goed gevormd zijn.
De zuidwestelijke hoek van Schwaben en Neuburg levert sterke
paarden op, die in vorm veel met de Pinzgauers overeenkomen;
zij zijn bekend als Algauer paarden. In de omstreken van Neuburg treft
men meer veredelde lichte tuigpaarden aan. Enkele zijn zwaarder,
krachtig gebouwd en munten door vlugge gangen uit; zij worden
Eohren/elder paarden genoemd, zijn veelal voskleurig en zeer gezocht.
In Neder-Beieren komen langs de Donau-oevers, van Passau tot
-ocr page 493-
4G7
Regensburg, maar vooral in de dalen van de Inn, de Rott, de
Vills en de Isar, de llotthaler paarden voor, die voor lichte cavalerie
uitstekend geschikt zijn en het best ontwikkeld in de buurt van
Griesbach worden aangetroffen. Het aantal paarden is in den
laatsten tijd evenwel zoo verminderd, dat de cavalerie grootendeels
uit Oost-Pruisen wordt geremonteerd.
Het zwaardere paard in Opper-Beieren, ten Zuiden van Munchen,
in de omstreken van Tölz, Miesbach en Tegernsee, wordt door
enkelen hooger geschat dan het Rotthaler. Ten Noordwesten van
Munchen, in de buurt van Dachau, kwam een klein, maarbuiten-
gewoon krachtig gebouwd paard voor, dat behalve door zijn vol-
harding, vooral door de zuiverheid der beenen uitmuntte. Het was
bekend als Feldmochinger paard, maar is nu grootendeels verdron-
gen door de zwaardere soorten.
De paarden tusschen de Inn en de Salza behooren, evenals hel
brouwerspaard in Munchen, tot het Pinzgauerras.
Op 1 December 1892 kwamen in geheel Beieren 369.035 paar-
den voor. Remonte-depots bestaan te: Steingaden, Schwaiganger,
Benedictbeuren, Fürstenfeld en Schleissheim; zij bieden ruimte
aan voor 4740 paarden.
§ 188. ELZAS-LOTHARINaEN.
In Lotharingen kwam oudtijds aan de oevers van de Moezel een
klein, maar onvermoeid paard voor, dat zeer onregelmatig van
vorm was en o. a. een sterk afhellend kruis had. De Beiersche
stoeterij te Zweibrücken oefende er, door een paar Arabische
hengsten in 1793 buitgemaakt, een zeer gunstigen invloed op uit.
Dit kan niet worden gezegd van de Anglo-Normandische hengsten,
die later tot rasverbetering werden ingevoerd, daar de paarden
hoog ter been en smal werden, terwijl hun volharding zeer ver-
minderde.
In den Elzas worden alleen in het noordelijk gedeelte paarden
gefokt, maar de opvoeding der veulens laat hier zeer veel te
wenschen over, daar, zooals Sanson (\') mededeelt, gedurende den
winter knollen het hoofdvoedsel uitmaken. Ook hier was vroeger
het paard klein en goed ontwikkeld, maar de herhaalde oorlogen
en de slechte verpleging waren oorzaak van sterken achteruitgang,
zoodat het voor cavalerie tegenwoordig ongeschikt is. Enkele Anglo-
Normandische hengsten hebben hier wel verbetering aangebracht.
(1) A, Sanson, Traite de toolechnic. Paiis, 187S.
-ocr page 494-
468
In den Neder-Jüzats, vooral in de omstreken van Weissenburg,
Straatsburg en Hagenau, komen ook nu nog de beste tuigpaarden
voor, terwijl hier en daar zelfs rijpaarden worden geteeld. Lo-
tharingen,
ofschoon rijk aan paarden, beteekent uit het oogpunt
van paardenfokkerij tegenwoordig zeer weinig; men gebruikt daar
tot veredeling vooral kleine Bretonsche hengsten.
In Straatsburg, waar reeds in 1807 een hengstendepot ge-
vestigd was, maakte men eerst van Duitsche, later van Norman-
dische hengsten gebruik. Van deze laatste vielen er bij de inneming
van Straatsburg 32 in handen der Duitschers. Thans vindt men
onder de 68 hengsten slechts enkele Engelsche, Oost-Pruisische en
Mecklenburgsche; de overige zijn Normandiërs. Een filiaal-in-
richting te Marsal werd reeds in 1881 opgeheven.
In Elzas-Lotharingen komen 137.417 paarden voor.
§ 189. Andere duitsche staten.
De paardenfokkerij in Luxemburg is van weinig belang; men
treft er vooral Ardenners aan, die echter kleiner zijn dan de
Belgische. Reeds in 1820 werd een hengstendepot opgericht,
maar eerst in 1885 is men begonnen met het invoeren van premiën
en gelijktijdig met verbetering door het stationneeren eerst van
Suflblk-, later van Norfolkhengsten. De resultaten waren echter
niet gunstig, zoodat men thans weer tot de zware Brabantsche
en Belgische hengsten is teruggekeerd.
In Waldeck was vroeger een staatsstoeterij, die echter in 1869
werd opgeheven; tegenwoordig worden op 8 plaatsen 22hengsten
uit het depot te Dillenburg gestationneerd.
Voor Saksen-Coburg-Gotha is in 1845 te Gotha een hengsten*
station opgericht, waar 7 hengsten staan, namelijk Oldenburger,
Percheron en Anglo-Normandiër.
De paarden in Brunsiuijk, zoowel rij-als tuigpaarden, behooren
tot de zeer veredelde soorten, vooral sinds in 1824 een depot met
circa 40 hengsten aldaar gevestigd is. Het meest bekend zijn de
zware rij- en koetspaarden uit de Harzburger stoeterij, op 2\'/, uur
afstand van den Blocksberg. Tusschen 1634 en 1666 opgericht,
werd deze stoeterij in 1685 opgeheven en in 1711 weder hersteld.
Men gebruikte paarden van verschillend ras en eerst na de Fran-
sche overheersching begon men met Engelsch bloed te fokken.
In 1821 grondde de beroemde Arabische hengst Mirza een Ooster-
schen stam, die later met Engelsch volbloed werd vermengd;
volgens sommigen zyn deze paarden min of meer sabelbeenig. De
-ocr page 495-
469
stoeterij, waar nog Oostersch volbloed wordt geteeld, heeft 120
paarden; in 1893 werd een volbloed Engelsehe hengst aangekocht.
Vooral in de buurten van Yechelde, Vorsfelde, Calvörde en
Thedingshausen worden de beste paarden gekweekt. Het geheele
aantal paarden bedraagt 31.682.
Lippe-Detmold is in de paardenfokkerij bekend om de van ouds
beroemde Senner stoeterij. Naar het brandmerk (PI. XL N°. 21)
spreekt men van Kroon-Senners.
Deze halfwilde stoeterij, waarvan reeds in de 12d6 eeuw gewag
werd gemaakt, is gelegen aan de zuidelijke helling van hetTeuto-
burgerwoud, in de buurt van Lopshorn. De paarden leefden daar
vroeger in vrijheid en werden alleen in strenge winters gevoederd
en onder dak gebracht. Zij waren middelmatig groot en hadden
een Oostersch type, waarschijnlijk verkregen door kruising met
Arabieren. Het hoofd was fijn gevormd met groote oogen, de hals
goed opgericht, de rug en het kruis recht en sterk; de beenen
waren krachtig ontwikkeld met vaste hoeven. Deze goedgevormde
rijpaarden waren stevig en volhardend, maar door kruising met
Engelsch volbloed is het oorspronkelijk type verloren gegaan.
De stoeterij heeft thans nog 23 paarden, meestal van edel ras.
Het geheele aantal paarden bedraagt 8967.
Onder de paarden in Thuringen waren oudtijds de zilverschim-
mels beroemd, en in het laatst der 15de eeuw vond men reeds
stoeterijen te Allstedt en Leuchtenburg, terwijl in de 16de eeuw
de stoeterij te Marfeld bij Meiningen algemeen bekend was. Ook
nu nog fokt men in die streken flinke tuigpaarden. In de laatste
jaren heeft men enkele zwaardere werkpaarden, vooral Clydesdalers,
ingevoerd, die goed voldoen.
Te Allstedt (PI. XL N°. 22), waar men vroeger Arabieren en
later Trakehners tot veredeling gebruikte, werden nog in 1884
met groote zorg twee paardenstammen gekweekt, namelijk isabellen
(1 hengst en 9 merrièn) en zwarten (2 hengsten en 21 merriën).
De isabellen zijn door bloedverwantschapsteelt zeer achteruitgegaan.
In het koninkrijk Saksen worden weinig paarden gefokt. Het
middelmatig groote, maar stevig gebouwde Lausitzer heidepaard
is door kruising met Mecklenburgsche en Hanoveraansche hengsten
verloren gegaan. Te Moritzburg is een depot met 81 hengsten.
In 1877 werden te Moritzburg Oldenburgsche en Hanoveraansche
hengsten geplaatst, wat een gunstigen invloed op de fokkerij uit-
oefende. Behalve de aldaar gestationneerde hengsten waren er in
1883 nog 70 particuliere dekhengsten. Het zware werkpaard wordt
-ocr page 496-
470
als veulen in België, Holland en Denemarken aangekocht. Op
1 December 1892 telde het koninkrijk 148.499 paarden.
Het groothertogdom Hessen beteekent evenmin veel op het
gebied der paardenfokkerij, wat Sciiwarznecker vooral toeschrijft
aan de weinige zorg bij de opvoeding der veulens. In den laatsten
tijd is groote verbetering gekomen in de provincie Starkenborg,
waar thans een zeer bruikbaar landbouwpaard aan de markt komt.
In Darmstadt bestaat sinds 1808 een depot met 61 hengsten, waar-
onder 1 Engelsch volbloed, 34 Anglo-Normandiërs en 11 Noord-
Duitsche paarden, en in Ulrichstein is de vorstelijke privaatstoeterij,
waar met Engelsch en Oostersch bloed flinke rij- en tuigpaarden
worden gefokt. Het geheele aantal paarden bedraagt 52.439.
Het groothertogdom Baden heeft vooral behoefte aan llinke
werkpaarden, waarom men, door een subsidie van de regeering
daartoe in staat gesteld, met 78 Normandische, Belgische en
Noord-Duitsche hengsten het lichte inlandsche paard meer massa
tracht te geven. Zij worden op 45 plaatsen gestationneerd; een
tweetal Belgische hengsten heeft den meesten aftrek.
Het Hardt-paard, in de omstreken van Karlsruhe, is middel-
matig groot en goed gevormd, maar te licht. Het heeft een klein
hoofd met levendige oogen, een schuin liggenden schouder, een
goed aangezetten staart en breede gewrichten.
In de buurten van Stockach (Kreis Konstanz) wordt tegen-
woordig een paard gefokt, dat nog al naam krijgt; het is een
krachtig gebouwd, goed gesloten paard, met een breed kruis en
zware, zuivere beenen, dat door volharding en makheid uitmunt.
De zwaarste paarden worden in het Noorden in de buurten van
Mosbach en Adelsheim gevonden, terwijl het paard in het Zuiden
middelmatig groot is. Freyburger paarden uit Zwitserland worden
hier veel gebruikt. Bij Blankenloch, op 3\'/i uur afstand van Karlsruhe,
ligt de vorstelijke stoeterij Stutensee, waar Engelsch half bloed wordt
geteeld. Op 1 December 1892 bedroeg liet aantal paarden 67.595.
§ 190. Denemarken.
Het paard is in Denemarken, waarschijnlijk door de Gothen
uit Tartarije ingevoerd, en daar de bodem grootendeels uitstekend
voor de fokkerij geschikt is, mogen wij aannemen dat het zich spoe-
dig verbreidde. Bij de Romeinen was het reeds als goed bekend en
in 1252 werden Decnsche paarden tot rasverbetering naar Holland
gezonden. Omstreeks dien tijd werden op de eilanden nog wilde
paarden aangetroffen. Gedurende de ontwikkeling van het Christen*
-ocr page 497-
471
dom breidde de paardenfokkerij zich, vooral op de kloostergoederen,
zeer snel uit, en nadat deze in 1527 aan den Staat overgingen,
werden hier en daar stoeterijen opgericht.
Het eigenlijke Deensche paard dagteekent eerst van 1563, toen
door Frederik II, te Friedrichsborg bij Kopenhagen, een stoeterij
werd opgericht. Evenals in andere landen begon men ook hier
met paarden van verschillende landstreken; de voorkeur echter
werd aan het Spaansche paard gegeven. De Friesche paarden,
liefst moorkoppen en blauwschimmels, werden voor het fokken
van kurassierspaarden gebruikt. Onder de ingevoerde paarden
behoorde de Poolsche hengst Tomier, die eerst in het klooster te
Ringstedt, later (1009) te Friedrichsborg kwam. Uit hem ont-
stond het beroemde Tomlerras, dat in 1825 verbasterde door het
kruisen met Yorkshire en in 1840 uitstierf.
Reeds in 1606 was door Christiaax IV te Jagersprijs een stoe-
terij opgericht, waar met zorg een stam grauwe paarden werd
gekweekt; deze werd later naar Esrom overgebracht en bekend
als Engelswangstam. Hieruit ontstonden twee witgeboren veulens,
die met dergelijke hengsten uit Wurtemberg en Koerland voort-
telende, het begin vormden van den stam die later den roem
uitmaakte der stoeterij te Herrenhausen in Hanover. Door ge-
bruik te maken van een Turkschen vliegschimmel ontstonden uit
den Engelswangstam veelkleurige paarden, die bekend werden
als Prasterwangerpaarden.
De Friedrichsborger stoeterij, die in het laatst der 18de eeuw
nog in vollen bloei was, ging langzamerhand achteruit, zoodat
zelfs het invoeren van Engelsch bloed in 1824 geen verbetering
aanbracht. In 1840 werden de paarden, op enkele na, verkocht,
maar reeds spoedig trachtte men de beste terug te koopen, ten
einde met Engelsch volbloed te kruisen; ook nu waren de resul-
taten zoo gering, dat men de proef opgaf, zoodat de stoeterij na
1862 weinig meer beteekende. In Januari 1872 werd alles verkocht;
kooper voerde Oostersch bloed in. In 1873 werd door enkele
Denen en Zweden een vereeniging opgericht tot verbetering van
het paardenras, waarvoor men volbloedmerriën aankocht. Deze
vereeniging kwam in 1876 in liet bezit der inrichting te Friedrichs*
borg en verkrijgt daar goede resultaten.
Een poging in 1793 gedaan, om op de eilanden, o. a. teHesselö^
wilde stoeteryen aan te leggen, mislukte, daar de dieren spoedig
stierven.
Hoewel niet scherp onderscheiden, kan men toch spreken van
liet paard van het vaste land en van dat der eilanden.
-ocr page 498-
472
In Jutland heeft men het platte Deensche paard. Het is
1.60—1.70 M. hoog en heeft een zwaar, recht hoofd met breede
kaken en kleine oogen, een korten, dikken, vleezigen hals, een
lage schoft, een diepe borst, een breeden, tamelijk rechten rug en
een breed, afhellend, gespleten kruis. De beenen zijn flink ont-
wikkeld, maar de stand is veelal minder gunstig. Het dier is
vlug en volhardend en wordt daarom als landbouwpaard zeer
geroemd en veel naar Duitschland uitgevoerd; de beste komen in
de buurt van Randers en Viborg voor. Onder de betere slagen
er van treft men goede artilleriepaarden aan. Zwarte en grauwe
kleuren ziet men het meest.
Het Eüandpaard is, deels door invloed der Friedrichsborger-
stoeterij, deels door de Spaansche paarden, die in 4809 op Funen
zijn achtergebleven, zeer veranderd. Het is lichter dan het Jutlandsche
en daarbij vlugger; het hoofd is breed met zware kaken en loopt
spits uit (wigvormig hoofd), de zware hals is breed, maar goed
aangehecht, de schoft weinig ontwikkeld, de rug goed, de lenden
lang en het eenigszins hellende kruis afgerond en smal. De roode
kleur treedt hier op den voorgrond, maar ook schimmels envalen
zijn niet zeldzaam. Het wordt voor licht landbouwwerk, ook
wel voor tuigpaard en voor lichte cavalerie gebruikt. Het paard
van het eiland Seeland is het meest bekend. Dat te Knapsdorf is
bont of getijgerd; het is een sterk gebouwde, goede draver, die
veel als trampaard dienst doet.
Het Fjordenras of het Norkerpaard wordt door Schwarznecker
nagenoeg op één lijn gesteld met het IJslandsche paard. Op dit
eiland leeft, in half wilden toestand, een ponysoort. Deze dieren,
1.45—4.20 M. hoog, waarschijnlijk van Noordschen, volgens anderen
van Schotschen oorsprong, zijn naar evenredigheid goed gebouwd
en sterk behaard. Zij zijn volhardend en snel in hun bewegingen
en zwemmen uitstekend; de beste worden in het Noorden en in
het oostelijk gedeelte van het eiland gekweekt. In dit laatste
gedeelte worden zij vooral gebruikt om al zwemmende de ver-
anderingen in de fjorden na te gaan. Ook als rij- maar vooral
als pakpaard doen zij dienst.
Het aantal paarden in Denemarken bedraagt 375.533.
§ 494. Zweden en Noorwegen.
Hoewel Scandinavië niet rijk is aan paarden, worden zij toch,
vooral in het Zuiden van Zweden (met 487.423 paarden), nog al
-ocr page 499-
473
gefokt. Van de drie staatsstoeteryen, namelijk te Ottenbv op Oeland,
te Strümshohn en te Flynge bij Lund, zijn de eerste en de laatste
liet meest bekend. Die te Flynge heeft, ook wat het paard betreft,
veel overeenkomst met de Friedrichsborger stoeterij. Zij werd in 1658
opgericht met Duitsche en Poolsche paarden, maar ging gedurende
de regeering van Karel XII (1697—1718) nagenoeg te gronde.
In 1747 werden Holsteinsche, Deensche en Spaansche paarden
ingevoerd, maar eerst sinds 1812 wordt Engelsch vol- en half-
bloed gebruikt. Het Flyngarpaard is niet groot; het heeft een
edel gevormd, maar zwaar hoofd met groote oogen, een goed
aangehechten, zvvaren hals met neiging tot spekhals, een korten,
gesloten romp en een kort maar breed en krachtig, afhellend
kruis. De beenen zijn sterk en de gang is tamelijk verheven. Hoe-
wel men in 1837 deze stoeterij in een hengstendepot veranderde,
begon men in 1851 opnieuw merriën aan te koopen, zooveel mo-
gelijk van den ouden stam. De stoeterij te Ottenbij dagteekent
reeds van 1654, maar eerst in 1830 werd zij op den tegenwoor-
digen voet ingericht; z\'y heeft circa 200 paarden, waaronder 12
hengsten en 50 fokmerriën, meest alle Engelsch halfbloed, zoo-
dat men er een licht rij- en tuigpaard fokt.
De paarden op het eiland Oeland zyn zeer klein (1.10—1.20 M.
hoog) en hebben een aardig voorkomen; zij zijn donkerbruin met
een zware beharing en worden om hun buitengewone taaiheid
geroemd. Als eigenaardigheid dient vermeld te worden dat zij
uitstekend zwemmen.
De stoeterij te Strümshohn, zou reeds in 1621 zyn opgericht;
z\'y\' heeft 63 hengsten, waaronder 3 Engelsch volbloed, 16 Noord-
Duitschers, 14 Anglo-Normandiërs, maar ook 2 Ardenners.
Te Widtsköfle in Zweden bestaat nog een kleine stoeterij met
3 hengsten en 14 merriën, waar zich vooral de Trakehner goed
ontwikkelt.
Het Noordsche of Norrlandsche paard, hetwelk door velen gelyk-
gesteld wordt met het paard, dat in noordelijk Rusland voorkomt,
is klein (1.45—1.55 M.), maar sterk en goed geëvenredigd gebouwd.
Het is een soort van dubbel-pony met een groot dik hoofd, een
korten, breeden hals, een gedrongen romp met platte borstkas en
een afgerond, hellend kruis. Manen en staart zyn zwaar en het
geheele lichaam met dicht, soms lang, min of meer wollig, dek-
haar bezet. De meest voorkomende kleur is bruingrauw of muis-
vaal, maar ook gelen met aalstreep en zwarte beenen ziet men
zeer veel. Dit dier komt ook in Noorwegen voor en paart aan
-ocr page 500-
474
snelheid en volharding buitengewone kracht; het wordt als trekpaard
gebruikt, maar ook als rijpaard, vooral in de bergachtige streken,
waar het zich met de grootste zekerheid beweegt. Daar enkele
wel wat lang zijn en de stand veelal te wenschen overlaat, heeft
men Schotsche en Engelsche hengsten, van middelmatige hoogte,
tot rasverbetering ingevoerd.
In zuidelijk Zweden, waar de grootste fokkerijen zijn, spreekt
men van het Gothlandsche paard, dat reeds in oude tijden is ont-
staan door kruising van liet Noordsche met het Deensche. Het
is een licht tuigpaard, dat echter ook wel als rijpaard kan dienen
en dat men, in de laatste jaren, hier en daar veredeld heeft met
Engelsch bloed; voor de zwaardere slagen bezigt men Clydesdalers.
Het Fjordenpaard, waarschijnlijk afkomstig uit Denemarken, is
1.40 M. hoog, muisgrauw met zwarte aalstreep en bezit veelal (als
raskenmerk) een donkeren ring om de beenen, de „zebraring." Het
is een licht tuigpaard met krachtigen bouw, dat, met weinig
tevreden, zeer volhardend is in den gang. Te Nordmoor worden
de grootste en tevens de beste gefokt.
In Noorwegen komt het Gudbrandsdaler paard voor, dat in de
buurten van Poten en Hadeland het best ontwikkeld is. Het is
middelmatig groot, doch sterk gebouwd en zeer snel in zijn be-
weging. De meest voorkomende kleur is bruin, maar ook wel geel
met aalstreep, zwarte manen en staart, soms met beenstrepen. Dit
paard is zeer gezocht om zijn volharding. Ten einde het ras,
vooral met het oog op het militaire paard, meer maat te geven, heeft
men er in de laatste jaren Deensche hengsten gestationrieerd. Voor
Zweedsche rekening worden tegenwoordig veel hackney\'s aangekocht.
§ 192. Rusland.
Uit het oogpunt van paardenfokkerij is de grootste der Euro-
peesche staten van bijzonder gewicht, daar het aantal paarden,
Finland en den Kaukasus buiten rekening gelaten, in 1892 geschat
werd op 21.122.204. Alleen in de steppen rekent men het aantal
hengsten op 10.000, dat der merriën op 1 millioen. In de 6
staatsstoeterijen worden 81 hengsten en 755 fokmerriën aangetrof-
fen, terwijl in de 3430 privaatstoeterijen 10.000 hengsten en
93.000 merriën aanwezig zijn. In 1890 werden 1.135.770 roebels
ten behoeve der paardenfokkerij uitgegeven.
Gaan wij in korte trekken de ontwikkeling der paardenfokkerij
na, dan zien wij dat in de oudste tijden het paard den toen-
-ocr page 501-
475
maligen bewoners (Scytisclie volksstammen) niet alleen als rijpaard
diende, maar dezen tevens vleesch en melk verschafte; waarschijnlijk
werd toen reeds de tegenwoordig onder den naam van kumiss
bekende alcoholische drank uit paardenmelk bereid. Het aantal
paarden verminderde evenwel zeer in het begin der 13de eeuw,
door den inval der Mongolen en Tartaren onder Dschengis-Khan,
waardoor echter veel Oostersch bloed in het land kwam.
Eerst onder Iwan III (1462—1505) kunnen wij van paarden-
fokkerij spreken, daar deze, gebruik makende van het groot aan-
tal Oostersche paarden, die jaarlijks door de Tartaarschegezanten
werden ingevoerd (in 1474 alleen 40.000), te Khoroschow bij Mos-
kou een stoeterij oprichtte en in 1496 den eersten opperstalmeester
benoemde. De overwinning van Generaal Schérémeteff op den
Khan der Krim, in het midden der 16de eeuw, verrijkte het land
met een oorlogsbuit van 60.000 paarden, waaronder 200 zooge-
naamde Argamacks van zuiver Arabische afkomst.
Terwijl Keizer Alexis Miciiaelowitz (1645—1676) vele paar-
den uit het Oosten en ook uit Ljjf- en Esthland aankocht, deed
Peter de Groote, voor de stoeteryen in 1712 te Kasan, Azof
en Kjef en voor die in 1720 te Astrakan aangelegd, een groot
aantal paarden komen uit Perzië, Duitschland, Holland en Dene-
marken. Onder Keizerin Anka werden alleen te Itiga in 1732 uit
Holstein en Mecklenburg 1422 paarden voor de keizerlijke garde
aangevoerd, waarvan 158 in de stoeterijen werden geplaatst;
bovendien gaf zij bevel tot het aanleggen van verschillende mili-
taire stoeterijen.
De inlandsche paardenfokkerij had zich toen reeds zeer ont-
wikkeld, want Moerder geeft op, dat in 1739 in de tien hoofd-
stoeterijen 3900 fokmerrièn aanwezig waren; volgen Von Meyen-
dorff echter bedroeg dit aantal slechts 2000.
Keizerin Catharina II besteedde alleen in 1766 tot onderhoud
van de stoeterijen der Kroon een millioen roebels. Onder haar
regeering werd in 1778 door Graaf Orloff-Tschesmensky een
stoeterij opgericht te Khrenowoy, in het gouvernement Woronesj,
waar de grondslag werd gelegd voor het thans zoo beroemde
Orloff-ras. Door den goeden uitslag aangemoedigd, nam de parti-
culiere fokkerij zeer toe, waardoor het Russische leger onder de
oorlogen tegen Napoleon I uitstekend van paarden was voorzien.
Die oorlogen verminderden het aantal er van echter zeer en de
aankoop van buitenlandsche paarden (waaronder vooral Engelsche)
onder de regeeringen van Alexander I en Nicolaas I werkten
-ocr page 502-
476
evenmin gunstig op de fokkerij. In 1843 weid dan ook besloten
alle militaire stoeterijen op te heffen en daarvoor in de plaats te
stellen 24 hengstendepots, ieder met 60 hengsten. Bovendien wer-
den in 1845 de beroemde privaatstoeterijen te Khrenowoy en Annesky,
van de graven Orloff en RoSTOPTSCHiN, door het Kijk aangekocht,
waardoor het Orloff-ras zich spoedig over Rusland verbreidde.
Uit het voorafgaande blijkt, dat in het groot aantal z.g. rassen
die in Rusland voorkomen, zoowel Oostersch als Europeesch bloed
stroomt.
Aan de Oostzee treft men het Finlandsche, Esthlandsche, Lijf-
landsche
en Oeselpaard aan, waaronder vooral het Finlandsche oudtijds
als cavaleriepaard bekend was. Gustaaf Adolf remonteerde al-
daar in 1624 een groot gedeelte zijner ruiterij en de vier Fin-
landsche cavalerie-regimenten, ieder 1000 paarden sterk, maakten
de oorlogen onder Karel XII van 1700 — 1709 mede.
Al deze paarden zijn klein en vooral die uit Esthland en Oesel
zijn in den handel bekend als Meppers en dubbeleponi/s. De klepper,
als de sierlijkste, is 1.35 M. hoog, de dubbele pony 1.15—1.50 M.;
beide zijn met weinig voedsel tevreden. Zij zijn stevig ge-
bouwd en hebben een groot, min of meer gebogen hoofd, een
korten, laag aangezetten hals, weinig schoft, een rechten rug,
een breede borst en een afgerond, behoorlijk gericht kruis met
hoog aangezetten, zwaren staart. De beenen zijn flink gebouwd en
de dieren munten door snelheid en duurzaamheid uit; vooral de
draf mag uitstekend worden genoemd. Des winters zijn zij erg
vlokkig behaard; lichte kleuren met aalstreep komen het meest voor.
Het Finsche paard is minder goed dan het Esthlandsche, maar
het heeft dezelfde grondslagen en is vooral in draf uitstekend.
Lichtbruin en vos komen hier het meest voor, maar ook vaal en
isabel. Tegenwoordig worden er goede hengsten gestationneerd.
Te Torgel in Ly\'fland werd in 1855 een stoeterij opgericht,
waar men, behalve paarden uit Finland en Esthland, drie Ara-
bische hengsten voor de voortteling gebruikte. In later tijd zijn
ook Ardenners ingevoerd en vooral de kruisingen daarmede vol-
doen zeer goed, zoodat tegenwoordig het Oostersch bloed geheel
ter zijde is gezet. In Torgel zijn 30 hengsten en 51 merriën.
De paarden der Oostzeekusten, tot de woudrassen behoorende,
heeft men gebruikt tot verbetering der paarden van diezelfde
groep, maar meer in het Noorden en Oosten voorkomende. Deze
dieren leven gedeeltelijk in vrijheid aan de boschrijke oevers der
Wolga en van haar vertakkingen, in de gouvernementen Wjatka,
-ocr page 503-
477
Kasan, Perm en Simbirsk, en zijn ook bekend onder den naam
van Obwapaarden. Zij zijn klein, maar stevig gebouwd, veelal vos-
of isabelkleurig en behooren tot de beste werkpaardeo van Rusland;
met groote Aziatische hengsten worden hiervan de Russische tuig-
paarden gefokt. In de laatste jaren zijn zij beter geworden door
het invoeren van het Oesel- en het Esthlandsche paard. Hun krach-
tige constitutie wordt geroemd; zij zijn dan ook zelden ziek. De
Kasansld, de Wjatki en de Wologda, in de omgeving der steden
van dien naam, zijn het meest bekend, vooral in Petersburg,
waar zij des winters vertoeven. De mislukte oogst van 1892 had
op die paarden een zeer ongunstigen invloed, daar alleen in het
gouvernement Wjatka 82.000 paarden stierven. Ter beoordeeling
van den rijkdom aan paarden in die streken, kan dienen dat in
1887 alleen in het militaire district Kasan 5.706.058 paarden wer-
den aangetroffen, waarvan 4.203.528 voor zwaarderen arbeid
konden worden gebruikt.
Meer noordelijk zijn de paarden nog kleiner; wij wijzen hier
op het Mesensche of Mesinshjpaard, dat aan de rivier van dien
naam, maar ook aan de Onega en Dwina voorkomt. Dit dier, ter
nauwernood 4.34 M. hoog, is zeer krachtig en verricht in den
korten zomer al het landwerk, terwijl het in den winter veelal in
Petersburg als droschkepaard dienst doet. Twaalf Deensche heng-
sten, op last van Cathaiuna II in 1778 aangekocht, zijn tot ver-
edeling gebruikt. De beste komen langs de Dwina voor.
In de gouvernementen Koerland en Kowna komt een paard
voor, dat een langzamen overgang vormt van het Finsche tot het
Poolsche en bekend is als het Semgallische paard.
Het oude Poolsche paard, dat zooveel voor lichte cavalerie werd
gebruikt, was blijkbaar van Tartaarschen oorsprong en met
Arabisch bloed gemengd. De herhaalde oorlogen in de 18de eeuw,
de veelvuldige kruisingen en het te vroeg gebruik der dieren,
waren zoovele oorzaken van verbastering, waardoor dan ook het
tegenwoordige Poolsche landpaard weinig meer op het oorspron*
keltjke ras gelijkt. Het hoofd is groot en slecht aangehecht, de
hals zelden regelmatig (meestal hertenhals), de schoft hoog, de
rug recht en sterk, de romp lang en plat geribd met opgeschorten
buik en een kruis dat soms recht, maar veelal af hellend is. Hoewel
de schenkel niet breed is, zijn de ledematen toch goed gebouwd.
Donkere kleuren komen het meest voor, maar ook bonten zijn
niet zeldzaam; de beharing is in het algemeen grof.
Door gebrekkige voeding der jonge dieren ontwikkelen zy zich
-ocr page 504-
478
langzaam en kunnen eerst op 6 jaar volwassen worden genoemd;
zij zijn dan 1.40—1.50 M. hoog. Het kruisingsproduct van dit
landpaard met Oostersche, Engelsche en Oost-Pruisische hengsten
wordt het edele Poolsche paard genoemd; het is uitstekend geschikt
voor rijpaard, vooral omdat het bij een schrale voeding zeer
volhardend is.
Te Janow in Polen werd in 4817 een stoeterij opgericht, waar
in hoofdzaak met Oostersch bloed wordt gefokt. Onder de 90
hengsten, in 1879 daar aanwezig, waren er 7 volbloed Oostersch.
Het Tscherkessen-paard, dat in Kaukasië voorkomt, is een zuiver
bergpaard, waarvan het uiterlijk de Oostersche afkomst verraadt.
Het is middelmatig groot en heeft een recht, droog, goedgevormd
hoofd, een langen, dunnen hertenhals en een gestrekt lichaam
met een schoon gevormd recht kruis; de beenen zijn fijn en droog,
en daarbij sterker dan die van de Arabieren. De meeste dier
paarden zijn schimmel of bont. Zij worden onder de beste gere-
kend en komen veelvuldig als Perzische paarden in den handel.
In het Russische leger hebben verschillende regimenten cavalerie
uitsluitend Tscherkessenpaarden. Tot veredeling maakt men van
Arabische en Perzische hengsten gebruik.
Fitzinger geeft vier onderrassen aan en wel
Het Abchasisch-Tscherkessenpaard ten Noorden en ten Zuiden
van den Kaukasus aan de Zwarte zee.
Het Kabardinisch-Tscherkessenpaard in de bergstreken van groot
en klein Kabarda. Dit regelmatig gebouwde, krachtige dier is
middelmatig groot en munt door snelheid uit.
Het Georgisch-Tscherkessenpaard in de provincie van dien naam.
Het Daghestans-Tscherkessenpaard langs de Kaspische zee.
Van veel belang is het paard in Transcaspië, dat eerst in de
laatste jaren beter bekend is geraakt. In het oude land der
Toerkomannen, namelijk in de woestijn Karakum, tusschen de
Kaspische zee en de Amoe Darja, onderscheidt men 3 paardenslagen,
waarvan de Tekké\'s de beste, de Goklands de vlugste en de Jomuds
de snelste zijn.
De nomadische Tekké-stammen, in de omgeving van Askabad,
hadden reeds oudtijds het Arabische paard en behielden dit door
herhaalde bloedverfrissching. Zoo deelde o. a. omstreeks 1850 de
Schah Nasser-ed Din nog 600 Arabische merriën onder de Toer-
komannische stammen uit. Door bodeminvloed is echter het paard
gewijzigd en de tegenwoordige Argamacks of Tekinzen, zooals men
ze in Rusland noemt, komen in enkele trekken meer met het
-ocr page 505-
4?9
Engelsche paard overeen. Het hoofd is groot, soms met gebogen
profiellijn en met zeer groote oogen; verder heeft het een langen,
dunnen hals (hertenhals), een zeer hooge schoft, een platte borst,
een langen, scherpen rug met licht af hellend kruis en slecht ge-
dragen staart. De beenen zijn hoog, maar buitengewoon sterk.
Het dier is dag en nacht buiten, doch altijd gedekt, behalve bij
het rennen; huid en haar zijn buitengewoon fijn en glanzend, de
maanharen echter slecht of niet ontwikkeld, daar zij steeds door
het dek, dat meermalen zeer kostbaar is, worden afgeschuurd.
De maantop en de staart hebben lange haren. In hoofdzaak
wordt de hengst als rijdier gebezigd; hij springt uitstekend en
legt in een aangenamen galop 50 en meer K.M. af. De merriën
worden als melkdieren, de gebrekkige exemplaren als slachtdieren
gebruikt.
Onder de Russische steppenrassen brengen wij in de eerste
plaats de Dorische paarden, die, evenals de Kalmukken, bekend zijn
onder den naam van Kozakkenpaarden. Deze dieren, blijkbaar
van Tartaarschen oorsprong, leven in halfwilden toestand in de
steppen langs den Don en de bijrivieren; zij zijn 1.50 M. hoog
en hebben een breed, zwaar hoofd (meestal ramshoofd), een fijnen,
goed aangehechten hals, een hooge schoft, een rechten rug,
breede, krachtige lenden, een eenigszins afbellend, doch sterk
gespierd kruis en zwaar gebouwde beenen met uitstekende hoeven.
Daar zij aan alle weersinvloeden zijn blootgesteld, is de beharing
sterk; zwarten zijn zeldzaam, bruinen komen enkele malen voor,
maar het meest algemeen zijn schimmels en vossen, waaraan men
dan ook de voorkeur geeft. Deze dieren, welke goed zwemmen,
zijn zeer gehard en daarbij snel en volhardend in hun bewegingen;
zij zijn beter geschikt voor rij- dan voor trekpaarden.
In deze eeuw heeft men door invoering van Arabisch bloed de
Kozakkenpaarden zeer veredeld, zoodat zij voor üchte cavalerie
uitstekend geschikt zijn, maar waardoor het oud Kozakkenpaard,
dat met het Kirgizische overeenkwam, geheel is verdrongen. De
goede diensten door deze paarden in den Russisch-Turkschen
oorlog bewezen, zoowel bij den overtocht van den Balkan als bij
dien van den Donau, zijn bekend. In Tscherkarsk vindt men een
groote militaire stoeterij met 20 hengsten en 500 merriën, waar
het Donsche Kozakkenpaard met Oostersch bloed wordt veredeld.
Langs de oevers van de Wolga en den Oeral, in de onafzienbare
steppen van het gouvernement Astrakan, komt het Kalmuksche
paard
voor, terwijl meer noordelijk in Samara, Orenburg en Ufa
-ocr page 506-
480
liet Baschhiren- en in beide streken het Kirgizen-paard wordt aan-
getroflèn. Al deze slagen strekken zich tot ver in Azië uit.
Hoewel in vorm eenigszins verschillend, hebben zij toch in
levenswijze zooveel overeenkomst, dat wij ze gezamenlijk zullen
bespreken. Zij z\'yn tusschen 1.40 en 1.50 M. hoog en weinig sierlijk
van vorm. Het lange, zware hoofd (soms half ramshoofd) met
afgeronden mond, zoodat het hoofd wel wat op den kop van een
kameel gelijkt, heeft kleine maar levendige oogen en breede,nog
al eens laag aangezette ooren, en wordt door een langen, laag
aangehechten, verkeerden hals gedragen; door den korten nek
is het meestal horizontaal geplaatst (sterrenkijker). De borst is
breed, de schouders en de schoft zijn goed ontwikkeld (bij het
Kalmuksche paard is de schoft laag) en de rug is op enkele uit-
zonderingen na kort en recht, soms karperrug; het kruis is kort,
breed en afhellend met tamelijk gunstige staartinplanting. De
beenen zijn bij al deze rassen sterk gebouwd.
Terwijl het winterhaar grof en wollig is, heeft het zomerhaar
veel glans; de Kalmukken zien gaarne donkere schimrnelsoorten,
maar de Kirgizen geven aan lichtere kleuren, ook aan bonten en
tijgers, de voorkeur. Bij laatstgenoemde volksstammen is het paard
rustig en volhardend; men treft hier soms paarden aan met ge-
kroesd haar, z.g. poedels. Bij de Baschkiren onderscheidt men
berg- en steppenpaarden; de eerste zijn klein en minder schoon
gevormd dan de laatste, die echter sneller in de bewegingen
z\'yn. Al deze paarden leven in halfwilden toestand en zijn daar-
door zeer gehard en uiterst sober, maar ook veelal lastig en
schuw; hun bewegingen zijn snel. De Kalmuksche en Kirgizen-
paarden zijn het best geschikt voor lichte rijpaarden, vooral ook om
hun volharding en hun gemakkely\'ken gang; zonder rusten leggen
zij 70, ja enkele malen 100 K.M. af en houden het soms 3 of 4
dagen zonder voedsel uit. Die der Baschkiren worden meer voor
trekdiensten en vooral als postpaarden gebruikt.
Gedeeltelijk leven deze paarden in gezinnen van 8—20
merriën met veulens en één hengst, die zich tot kudden van
1000 of 2000 dieren vereenigen. Andere leven in kleinere
kudden (taburi) van 100—200 stuks, die onder toezicht staan
van een herder (tabwischick). Zij blijven winter en zomer buiten
en krijgen alleen bij strenge vorst en veel sneeuw wat hooi. Zij
worden weinig als r\'y\'- of trekpaarden gebruikt, maar z\'yn meer
melk- en slachtdieren. Uit de melk wordt een sterk bedwelmende
alcoholische drank bereid (bonus), en van het geslachte dier maken
-ocr page 507-
4*1
het buikvet en de ingewanden, tot een soort van worst bereid
welke licht wordt gerookt, een lekkernij uit. In iedere kudde is
een der paarden afgericht als vanger; hij wordt door den herder
gebruikt om andere met een lasso op te halen. Wil men de/e
dieren gebruiken, dan worden zij eerst gebonden, daarna opge-
toomd, bestegen en nu voortgejaagd tot zij geheel uitgeput zijn.
Dit wordt herhaald en daarbij onthoudt men den dieren voedsel en
soms drinkwater, waarna zij binnen enkele dagen geheel aan den
wil van den mensch zijn onderworpen. Men schat het aantal in
de gouvernementen Samara, Orenburg en Astrakan zoo groot,
dat op iedere 100 inwoners 55 paarden voorkomen. Trouwens
zonder buitengewone omstandigheden, zooals hiervóór bij Wjatka
vermeld zijn, neemt het aantal paarden in Rusland belangrijk toe.
De statisticus Semenoff berekent, dat in 18 jaar tij ds het aantal
paarden in Rusland met 23 pet. is vermeerderd.
In de vruchtbare omstreken van Oeralsk en Samara worden
paarden gefokt, die buitengewoon snel loopen en sierlijker zijn
dan die uit de omgeving, wat toegeschreven wordt aan de kruising
met edele Oostersche hengsten.
In de staatsstoeterij te Orenburg, met 9 hengsten en 72 merriën,
kruist men Donsche en Baschkiren-paarden, terwijl in de staats-
stoeterij te Janotc in het gouvernement Sjedlets, met «1 hengsten
en 65 merriën, halfbloed Arabieren worden geteeld.
Meer zuidelijk, in de Krim en ten Westen derAzof-zee, komt
het Nogaïsche paard voor, dat tot de beste der steppenrassen
behoort. Het is grooter en veel sierlijker van vorm dan de overige
paarden van Zuid-Rusland, wat vooral door het meer rechte kruis
wordt veroorzaakt; toch heeft het een hertenhals. Het zuiver
Tartaarsche type heeft zich in de Krim tot eenige jaren geleden
gehandhaafd, maar is nu geheel verdwenen. Tot de steppen-
rassen moeten ook nog worden gebracht de paarden in Klein*
Rusland, Zuid-Rusland en in een gedeelte van West-Rusland,
namelijk Volhynië; die uit de vruchtbare streken der Ukraine
zijn het meest bekend.
Het Saporager- of Ukrainepaard, tusschen den Boeg en den
Dnjepr, is van Poolschen oorsprong, maar door inmenging van
andere rassen zeer gewijzigd. Het is 1.50 M. hoog en heeft een
sierlijk gevormd hoofd met groote, levendige oogen, een middel-
matig ontwikkelden, goed gedragen hals met sterke manen, een
breede borst en een goed gevormd kruis; de beenen zijn fijn en
krachtig. Het dier is sterk, dikwijls boosaardig en om zijn vlugge
31
-ocr page 508-
M
beweging zouwei voor rij- als voor trekpaard in gebruik. In de
laatste 50 jaar is dit paard zeer veredeld en gelukte het, o. a. door
kruising met Percherons, uitstekende werk- en koetspaarden te
verkrijgen, die hooger geschat worden dan de Bitjoeg\'s.
Het paard uit Podolië komt geheel met dat uit de Ukraine
overeen, maar is kleiner en minder sierlijk; schimmelsoorten zijn
algemeen. In Bessarabië, tusschen Proet en Dnjestr, komt het
sierlijke soms 1.60 M. hooge paard in zijn geheele voorkomen meer
met dat der Oostersche rassen overeen. Dit dier, waarvan de
beenen wel wat te fijn zijn, is zeer leerzaam en wordt in den
circus veel gebruikt; het is meestal tijger.
De paarden in Volhynië komen met het Poolsche landpaard
overeen, ofschoon ook hier, evenals dit in geheel Zuid-en Midden-
Rusland het geval is, tal van privaatstoeterijen aanwezig zijn, waarin
vooral met Arabieren zeer sierlijke, deugdzame en kostbare rij-
paarden worden gefokt. De meest bekende is die te Slavuta, van
vorst Languszko, waar thans 8 hengsten, 90 merriën en 120
veulens zijn, alle van zuiver Arabisch ras.
In het vruchtbare gouvernement Charkof treffen wij vier groote
staatsstoeterijen aan. Zij liggen rondom het stadje Belovodsk,
waarom het geheel ook wel als de Belovodsk\'sche stoeterij be-
kend is.
1°. Derhul, die in 1751 werd opgericht. Vooral met Sufïolk,
Cleveland, Percheron en Orloff, maar ook met Oostersche paarden,
worden zware koets- en werkpaarden gefokt. Zij heeft 10 hengsten
en 150 merriën.
2°. Limarewsk of Limarevo (1815), waar men zich vroeger
vooral toelegde op het telen van artillerie-trekpaarden. Zij waren
gemiddeld 1.54 M. hoog en hadden een breede borst, goede schou-
ders, een sterk kruis en zuivere, krachtige beenen. Thans kweekt
men met Arabieren, Engelschen en enkele Orloff-dravers uitsluitend
edele rijpaarden. Het aantal bedroeg in 1888 ruim 600, terwijl
er bovendien een depot is met 60 hengsten.
3°. Novo-Alexandrovsh (1823), waar men geruimen tijd met
Orloff en Kngelsch bloed sierlijke, groote, bruine koetspaarden
fokte, maar in de laatste jaren, met Oostersche hengsten krui-
sende, zich meer op het telen van half bloed Arabische rijpaarden
toelegt. De stoeterij heeft in het geheel 600 paarden, waaronder
10 hengsten en 142 merriën.
4°. Streletzk (1813), waar met Kaukasische paarden lichte rij-
paarden werden gekweekt. Later voerde men A rabieren en Orloff-
-ocr page 509-
48:i
dravers in, waardoor het gelukte een uitstekend, vlug en sierlijk
rijpaard te fokken, circa 1.50 M. hoog, dat zijn Oosterschen oor-
sprong nog sterk verraadt. Men heeft bij voorkeur schimmels. Ei\'
zijn 10 hengsten en 125 merriën, waaronder 25 volbloed Arabieren.
Van Groot-Rusland zijn het de gouvernementen Woronosj en
Tambof, die voor de paardenfokkerij belangrijk zijn. Te Tambof
is een depot met 60 hengsten. Aan een zijtak van den Don, de
Bitjoeg genaamd, wordt liet ras van dien naam gefokt; het is het
zwaarste werkpaard van Rusland. De Bitjoeijn zijn soms 1.70 M.
hoog en herinneren in hun voorkomen aan de Ilollandsche paar-
den, die in het begin der 18ae eeuw door Peter den Grootex
uit Nederland werden ingevoerd. Sinds de stoeterij te Khrenowoy
aan het Rijk overging, heeft men gekiuist met edele, zware
hengsten, waardoor het ras veel verbeterd is, zoodat uit die stre-
ken nu de beste artillerie» en treinpaarden van geheel Zuid-Rus-
land worden verkregen. Hoewel zij wat lang zijn, is de rug
krachtig en zijn de lenden sterk; het kruis is hellend en meer of
minder gespleten en de beenen, vooral de onderbeenen, zijn zeer
goed, maar de hoeven laten wel wat te wenschen over, daar veel
plathoeven voorkomen. Het dier heeft een rustig temperament
en veel volharding.
In de talrijke privaatstoeterijen van dit gouvernement werden
vroeger door paring met buitenlandsche hengsten, prachtige rij-
paarden gefokt, waaronder het Rostopschinsuhe ras het meest be-
kend was. De graaf van dien naam richtte in 1802 te Woronoff
(gouvernement Moskou) een stoeterij op met edele Engelsche
merriën en volbloed Arabische hengsten, terwijl hij later Perzische,
Turksche en Engelsche hengsten gebruikte om de soort te ver-
grooten. Deze stoeterij werd in 1815 naar Anna in Woronosj
overgebracht en muntte uit door het aanfokken van zeer edele
rij- en vooral ook van renpaarden. In 1845 werd zij door den
Staat aangekocht.
De staatsstoeterij Tschesmensbj, in 1843 opgericht, waar uit-
sluitend Engelsch en Arabisch volbloed wordt geteeld, ligt ook in
dit gouvernement.
De meest bekende der Russische paarden is de Orlojf-draver
uit de staatsstoeterij te Khrenowoy. Omstreeks 1750 werd. door
graaf Orloff-Tschesmensky te Ostrowa bij Moskou een stoeterij
opgericht, die in 1778 naar Khrenowoy werd verplaatst. Oor-
spronkelijk bestond zij uit een twintigtal uitstekende paarden, die
met toestemming van Keizerin Katharina II uit de verschillende
-ocr page 510-
484
staatsstoeterijen waren bijeengezocht. Hieraan werden toegevoegd
12 hengsten en 9 merriën van Arabischen oorsprong, terwijl ook
nog Engelsche, HoIIandsche en Deensche paarden werden aange-
schaft. In 1825 werden nogmaals HoIIandsche merriën ingevoerd.
De echte dravers zijn afkomstig van den Arabischen hengst Sme-
tanka,
die bij een Deensche merrie de schimmelhengst Polkan
voortbracht, waaruit bij een HoIIandsche merrie in 1784 de be-
roemde stamvader Bars I ontsproot.
De Orloff-draver toont in zijn voorkomen nog duidelijk de
HoIIandsche afkomst. Hij is tusschen 1.66 en 1.70 M. hoog en
heeft een smal, droog hoofd, een breed voorhoofd, een flauw
gebogen neus en groote, hooggeplaatste, zeer beweeglijke neus-
gaten. De hoog aangehechte hals is wel wat zwaar, de schoft is
droog, de rug breed en het kruis lang, zeer weinig afhellend,
maar sterk gespierd, zonder gespleten te zijn; de borstkas is plat
en niet diep maar lang, en de beenen zijn flink gespierd, zonder
in de gewrichten, waarvan de hoekvorming goed is, bijzondere
kracht te verraden. Vele zijn hoogbeenig en onderstandig, maar
zoodra zij in beweging komen, merkt men daarvan niets. Bij een
krachtige achterhand en veel schoudervrijheid is de beweging in
alle gangen buitengewoon regelmatig en heeft met sterke knie-actie
plaats. De hoofdkleuren zijn schimmel en zwart.
In de stoeterij telt men twee stammen. De eene, die meer met
het HoIIandsche type overeenkomt, is minder veredeld maar groot,
de andere meer Oostersche stam is kleiner, maar ook minder snel in
de beweging. Voor het fokken der dravers heeft men 12 hengsten
en 100 merriën. In de stoeterij wordt verder Engelsen volbloed
geteeld met 6 hengsten en 39 merriën en Engelsch-Arabisch
(Orlofï-Rostopschin) met 10 hengsten en 100 merriën. In 1883
werd aan de stoeterij een afdeeling voor Bitjoeg\'s toegevoegd. Eerst
nadat de stoeterij in 1844 aan den Staat overging, kon men zeggen
dat het Orloffras een grooten invloed uitoefende, ook op de overige
paarden van Rusland.
In verschillende gouvernementen worden bovendien nog 15
hengstendepots met 1000 hengsten aangetroffen, terwijl het aantal
privaatstoeterijen door Moerder voor het jaar 1878 geschat werd
op 3430, waarin 9560 hengsten en 92.791 merriën aanwezig
waren.
-ocr page 511-
485
•>,ly Aftlccliiig. l\'aardciirasson in tic overige wcrcltldcclcn.
§ 193. Het vaste land van azië.
Behalve de reeds vroeger beschreven Oostersche i-assen, komt
in Azië, vooral in het centraal gedeelte, nog een groot aantal
paarden voor. In het Noorden vindt men over een aanzienlijke
uitgestrektheid het Siberische paard, dat door Fitzinger gehouden
wordt voor een bastaard van het Arabisch-Tartaarsche (\') en het
Kirgizenpaard.
Het is klein, niet sierlijk van bouw, heeft een fijn hoofd,
gedrongen lichaam en flink ontwikkelde beenen met sterke hoeven.
Over geheel Siberië, met uitzondering van enkele noordelijke
streken, komt het voor en is vooral in het zuidwestelijk gedeelte
sterk gemengd met het Tartaarsche paard. Men spreekt van ver-
schillende onderrassen, waarvan de paarden der Buraeten om het
meer Baïkal, als de beste klimmers bekend zijn; zij zijn sierlijker
dan die der Kalmukken en, hoewel klein, buitengewoon krachtig.
Meer noordelijk heeft men het Jakuten- en het Tuiujuzenpaard, wat
alleen als rij- en lastpaard wordt gebruikt, daar voor de sleden
het rendier wordt gebezigd. Westelijk, langs de Tom en de Ob,
vindt men het Kusnetzhjpaard, ontstaan door vermenging van
Kirgizen en Baschkiren.
Het Tartaarsche paard, door enkelen gelijkgesteld met het
Mongoolsche, treft men in geheel Centraal-Azië en in een gedeelte
van Europeesch Rusland aan; het is als melkdier te verkiezen
boven het Europeesch-Tartaarsche, daar enkele 4 of 5 liter melk
per dag leveren. Fkeytag (\') beschrijft het als een klein dier
(1.30 M.), maar geeft aan dat er onder de betere slagen paarden
voorkomen van 1.50—1.60 M. Het heeft een lang hoofd met leven-
dige oogen en beweeglijke ooren, een slanken hals (veelal herten-
hals) en langen rug en lenden; de voorbeenen zijn flink ontwik\'
keld en de hoeven goed, maar de achterhand laat meestal veel
te wenschen over. Men ziet het meest schimmels; de gele paarden
hebben een aalstreep. Dit dier wordt voor alle diensten gebruikt,
maar bij voorkeur als rijpaard; ook het vleesch dient den bewoners
dier streken tot voedsel, terwijl de melk tot het bereiden van
kumiss wordt gebezigd.
(1)     De namen Aralisch-Tartaarseh en Arabisoh-Tartaarsch worden door velen voor
synoniem gehouden.
(2)     Dr. Caki. Freytao, Die Hnutihurracen. lster Band, 1\'ferderacen. Halle 1874.
-ocr page 512-
4S0
De paarden bij Rusland beschreven als Kirgizen, Kalniukken
en Jtaschkiren, zijn hoogstwaarschijnlijk slechts slagen van het
Tartaarsche paard.
FlTZlNQEB onderscheidt, behalve het Tartaarsche steppenpaard,
nog het Arabisch-Tartaarsche en het Kaspisch-Tartaarsche. Het
eerste komt voor bij de Troechmeenen, tusschen de Kaspische zee
en het meer Aral. Dit paard heeft een fijn hoofd en sierlijke
beenen, maar het is mager en grof behaard, wat aan den invloed
van het klimaat moet worden toegeschreven; het loopt gemakkelijk,
is volhardend in de beweging en kenmerkt zich door snelle gangen.
De in Zuid- en Zuidoostelijk Rusland aangegeven paarden be-
hooren tot de Kaspisch-Tartaarsche.
Het Mongoolsche paard, waarschijnlijk van den Tarpan (zie bl. 21)
afkomstig, heeft veel overeenkomst met het Tartaarsche; het onder-
scheidt zich daarvan voornamelijk door een meer gedrongen bouw.
Op enkele uitzonderingen na, bereikt het zelden de hoogte van
1.20 M. Het is als rijpaard in gebruik , zoowel in de vlakten als
in de bergachtige streken, en de sterkste worden in de buurten
tusschen Uliassutai en Oerga bij het Malachagebergte gefokt. Deze
dieren zijn leelijk; zij hebben een groot hoofd, een zwaren hals,
een krommen rug, een af hellend kruis met laag aangezetten staart
en worden meerendeels door de Chineezen voor landbouwpaarden
aangekocht. Vooral bij Batchai in de woestijn Gobi wordt de
fokkerij op groote schaal gedreven , zoodat men niet zelden kudden
van 2000 stuks en meer in halfwilden toestand aantreft; in enkele
stoeterijen worden Arabieren en Perzen tot rasverbetering gebruikt.
De meeste paarden zijn schimmels of isabellen en ook hier hebben
de gelen een aalstreep en niet zelden schouderstrepen. De wit-
geboren schimmels staan het meest in aanzien, maar de paarden
met afteekeningen worden door de Mongolen minder geacht en
veelal aan de Chineezen verkocht. Hoewel het paard in Mongolië
algemeen in gebruik is, wordt het vleesch door de inlandschebe-
volking slechts in grooten nood als voedsel gebezigd.
Het Chineesche paard is klein, doch breed, over het geheel een
leelijk, boosaardig en vreesachtig dier, dat zelden voor militaire
doeleinden wordt gebruikt, daar men in het leger Tartaarsche
en Mongoolsche paarden heeft. In China onderscheidt men 2 hoofd-
rassen, namelijk het groote uit de vlakte en het kleine uit de
bergen, maar bovendien het mestpaard, dat, niet hooger dan
1.25 M., zeer korte en fijne beenen heeft, snel vet aanzet en
smakelijk vleesch oplevert en dat op 4 jaar een gewicht van 400
-ocr page 513-
487
of 500 K.G. heeft en dus aan alle eischen van een vleeschdier
voldoet. In Korea komen paardjes voor, die ter nauwernood 1 M.
hoog zijn; om hun vlugheid en kracht worden zij in de groote
steden van China, vooral in Peking, nog al eens gebezigd.
Aan de noordelijke helling van het Hinialajagebergte, vooral
in het westelijk gelegen Ladakh, komt, nog gedeeltelijk in liet
wild levende, het Tangoenisch paard voor, dat in de bergachtige
streken als lastpaard uitstekende diensten bewijst. Dit dier, van
1.50—1.60 M. hoog, treft men ook in Nepaul en Bhotan aan. De
bonten worden door de inlanders gebruikt, terwijl de éénkleurigen,
naar Engelsch-Indië overgebracht, als zware lastpaarden dienst doen.
De paarden in Tibet zijn klein en leelijk, maar volhardend
en met weinig voedsel tevreden. Noch het paard, noch de ezel
kunnen als bergdier in die streken den Yak vervangen, die dan
ook een veel grooter waarde heeft.
De landpaarden in Voor- en Achter-Indië zijn veelal bekend als
Indische paarden of Tattoes. Zij zijn circa 1.25 M. hoog en hebben
een zwaar hoofd met kleine oogen, een schralen hals, een inge-
zakten rug en een afbellend kruis met laag aangezetten staart,
maar krachtige beenen. De meeste zijn licht* of kastanjebruin.
Dit paard, maar vooral zijn kruisingsproducten met Arabische,
Perzische en andere rassen, zijn in verschillende streken onder
tal van namen bekend, waarvan de Doennee\'s in de Pendjab, de
Tazzees in Bengalen, de SerissaKs in Noord-Bahar en de Mahratten
het meest bekend zijn. Onder de Doennee\'s heeft het paard van
Beloed een goeden naam door zijn snelheid en volharding; in
weerwil der smalle borst, bewijst het als cavaleriepaard goede
diensten. Het Toerkomannische paard, dat men in enkele streken
als zuiver ras aanhoudt, bestempelt men met den naam van
Toorkeepaard.
Het paard in Birma, dat slechts 1.20 M. hoog is, heeft een
krachtigen rug en sterke beenen en wordt als draagpaard geroemd.
Oostersche, Engelsche, maar ook paarden uit den Indischen
Archipel worden in Engelsch-Indië veel gebruikt.
§ 194. DE INDISCHE ARCHIPEL.
Het paard in den Indischen Archipel is waarschijnlijk afkomstig
van het Tartaarsche paard en alleen het warme klimaat moet als
oorzaak worden beschouwd van zijn weinige ontwikkeling.
Men onderscheidt verschillende slagen, waarvan die uit 3&\\a.f
Sandelhout, Makassar, Bima en Timor het meest bekend zijn.
-ocr page 514-
488
Onder deze staat het Javaansche paard op den laagsten trap en
de pogingen tot verbetering aangewend, hadden tot nu toe geen
goeden uitslag, zooals wij, bij liet bespreken van dit slag, nader
zullen zien. Het paard van het eiland Sandelhout kan om zijn
sehoone vormen, buigzaamheid en leerzaamheid als type van het
rijpaard gelden, terwijl dat uit Makassar om zijn sterken bouw
en zijn groote kracht, meer als trek- en lastpaard moet worden
beschouwd.
De groote ontwikkeling van landbouw en industrie en de
betrekkelijk dichte bevolking op Java, maken den invoer van
paarden uit de naburige eilanden noodzakelijk. Deze dieren wor-
den per scheepsgelegenheid in de hoofdplaatsen van de noordkust
aangevoerd en zijn bekend onder den naam van prauio- of
overwalsche paarden. Juist de sterke uitvoer uit die eilanden,
zoowel naar Java als naar Australië, Singapore, ja zelfs, vooral
ook wat de Sandelwoods betreft, naar Mauritius, Anam en
Tongkin, is oorzaak dat het paardenras aldaar, hoewel langzaam,
achteruitgaat. In de laatste jaren is, ook in verband met de
geringe ontwikkeling van het Javaansche paard, de vraag naar
overwalsche paarden belangrijk gestegen en het gevolg daarvan is,
dat nu veel dieren worden uitgevoerd, die vroeger daarvoor niet
in aanmerking zouden zijn gekomen. In den regel worden slechts
hengsten uitgevoerd, ofschoon, volgens ooggetuigen, alleen te
Soerabaja jaarlijks 400—G00 merriën aankomen. Van deze is even-
wel voor de ontwikkeling van het ras niet veel meer te wachten,
want het zijn öf kleine, onbeduidende dieren óf grootere, maar
gebrekkig en afgeleefd, die voor de fokkerij weinig geschikt zijn.
Zij worden veelal goedkoop verkocht en naar de dessa\'s gevoerd
oin als pikolpaarden dienst te doen. Enkele worden nog wel eens
voor de voortteling gebruikt en de afstammelingen van deze mer-
riën met Javaansche of soms met overwalsche hengsten, vermeer-
deren het aantal slecht ontwikkelde bastaarden op Java.
Door de Europeanen en de gegoede inlanders worden, zoowel
voor rij- als voor trekpaard, uitsluitend hengsten gebruikt; de
merriën dienen vooral als pikolpaard en alleen in de binnenlanden
worden enkele door minder gegoede inlanders bereden. Ruinen
worden weinig aangetroffen, daar de inlanders er een afkeer van
hebben, wat waarschijnlijk zijn grond vindt in godsdienstige
begrippen en ook in bijgeloof. Men meent namelijk, dat opzettelijk
verminkte dieren geen geluk aanbrengen. Het bijgeloof speelt ook
een groote rol bij de kleur, maar vooral bij de afteekeningen.
-ocr page 515-
489
Javanen, Arabieren en Chineezen liechten namelijk groot gewiclit
aan den vorm en de plaats van voorkomen van haar wervels, koren -
aren, enz. Zij stellen zich voor, dat het bezit van een paard met
„goede of buitengewoon goede teekens" hun geluk moet aanbrengen.
Daaraan is het toe te schrijven, dat zeer middelmatige paarden soms
met buitensporig hooge sommen worden betaald. Hoe hoog de
waarde van een bepaald teeken geschat moet worden, valt moei el ijk
aan te geven, daar de inlanders er zeer geheim mede zijn.
In het algemeen kan men zeggen, dat de overwalsche paarden
zuivere beenen hebben, wat moet worden toegeschreven aan
weinig of geen rasvermenging, daar op die eilanden wel uitvoer,
maar geen invoer plaats heeft. Bij de paarden van Sandelhout,
Bima en Timor zijn beengebreken hoogst zeldzaam; bij de echte
Makassaren worden zij slechts enkele malen aangetroffen, maar bij
de paarden op Java, vooral bij een der slagen uit de Preanger,
zijn zij algemeen.
De hoeven zijn meestal zeer goed, en daar waar de wegen in
goeden staat zijn, kan het meerendeel der paarden onbeslagen
blijven. Op wegen met grof kiezel belegd, is voor paarden, die
veel op het midden van den weg moeten loopen, beslag nood-
zakelgk.
Bij vele paarden van den Indischen Archipel wordt de aange-
boren telgang aangetroffen, zoowel in stap als in draf. Deze gang,
hoewel snel, is voor de dieren weinig vermoeiend en voor den
ruiter in het warme klimaat aangenaam. Afstanden van 42, 15,
ja 18 uur per dag zijn voor deze paarden niet zeldzaam.
Als een gevolg van de grootere behoeften zijn de prijzen in
de laatste jaren aanmerkelijk gestegen, zelfs komt het op de
buitenbezittingen meermalen voor, dat de inboorlingen, voor zeer
hooge sommen, hun beste exemplaren niet willen afstaan.
Java. Hoewel het type natuurlijk in geheel Java niet hetzelfde
is, kan men toch in het algemeen zeggen, dat de kleinere en
middelmatig groote dieren de schoonste vormen hebben en het
meest regelmatig gebouwd zijn.
Het Javaansche paard is een gedrongen dier met een groot
hoofd, dat laag is aangezet, een nagenoeg vierkant voorhoofd,
een korten, vleezigen hals, een weinig ontwikkelde schoft, min
of meer opgebogen rug en lenden (karperrug), een afbellend kruis
en zware beenen. De stand der achterbeenen laat bij alle paarden
van den Archipel, maar in het bijzonder bij die van Java, veel
te wenschen over, daar zij meerendeels koehakkigzijn; ook sabel-
-ocr page 516-
490
beenen komen enkele malen voor. Het heeft veelal een bruine
kleur met aalstreep; onder de donkere kleuren ziet men muisvaal
en vaalzwart nog wel eens, maar zwarten en bonten zijn zeldzaam.
Manen en staartharen zijn weinig ontwikkeld; de eerste worden,
uit het oogpunt van zindelijkheid, door de Javaansche eigenaren
algemeen kort afgesneden.
Vergelijkt men het met het paard der meer oostelijk gelegen
eilanden, dan springt vooral het verschil in vlugheid sterk in het
oog; ook mist men den vurigen blik, daar het Javaansche paard
een zacht en goedig oog heeft. Men schrijft dit toe aan meerderen
omgang met den mensch. Het is bovendien zeer koppig, lui en
heeft een meer stootenden gang, om welke redenen het als mili-
tair paard niet gezocht is. Bovendien maakt de lage voorhand
het dier voor rijpaard minder geschikt en treft men zelden 4—6-
jarige paarden aan van 4 voet (1.256 M.), die aan de eischen voor
remonte gesteld, voldoen. De enkele goede brengen bij particulieren
meer op dan den prijs, gemiddeld voor de remontepaarden op
Java betaald.
Ofschoon in het algemeen wordt opgegeven dat de paarden op
Oost-Java slecht zijn, hebben toch die in de residentie Bezoeki,
vooral in de bergachtige streken van Bondowosso en de paarden
in de buurt van Malang, een goeden naam. Een feit is het, dat de
grootere paarden van Bali hier reeds hun invloed doen gelden en
dat ruim 40 jaar geleden in enkele dessa\'s paarden werden ge-
vonden, die nog weinig hadden geleden. "Waarschijnlijk was dit
alleen een gevolg van de ligging der streek, daar men meermalen
opmerkt, dat de paarden in streken, die tamelijk afgelegen zijn,
in beteren toestand verkeeren. De paarden langs de noordelijke
kust worden beschreven als gebrekkig gebouwd en klein.
In de Preanger regentschappen kan men volgens Penning (\')
3 slagen onderscheiden, al naar de grootte.
1°. Paarden van 1.20—1.25 M. hoogte. Zij komen het meest met
het Javaansche paard overeen, maar zijn grooter en beter gebouwd.
Zij hebben een rechten rug, korte lenden, een iets af hellend kruis
en zware beenen, terwijl beengebreken, hoewel meer voorkomende
dan bij de zuivere Indische rassen, toch volstrekt niet algemeen
zijn. De stand is minder koehakkig dan bij het Javaansche paard.
Zij worden vooral aangetroffen in het midden en het noordelijk
gedeelte, waar nog veel woeste gronden zijn, zoodat het onder-
(1) C. A. Penni.10 , Veearlscnij kundige bladen voor Nedetlandsch Jndië, deel V,
Mi. 05.
-ocr page 517-
491
houd minder kostbaar is. Het is een goed tuigpaard, even sober
en volhardend als het Javaansche, dat zijn betere eigenschappen
waarschijnlijk aan kruising met Makassaren heeft te danken.
2°. Paarden van 4.25—1.35 M. hoogte. Kruislingen met San-
delwoods, waarop zij ook veel gelijken.
Het zijn mooie tuigpaarden, maar ook uitstekende lichte r\'y-
paarden, minder vurig dan de Sandelwoods, ook met minder
draagvermogen, maar sneller in gang. Zij hebben een goede
schoft, korten rug en lenden, matig breede en diepe borst, iets
afhangend kruis en staan wel wat nauw van achteren, veel min-
der echter dan het Javaansche paard. Bruin, zwart en muisvaal
ziet men het meest. Zij hebben den naam van koppig en on-
handelbaar te zijn, maar dat ligt voor een groot gedeelte aan de
opvoeding.
3°. Paarden van 1.30—1.45, soms 1.50 M. hoogte. Deze heb-
ben een vrij hooge, maar korte schoft, langen rug en lenden,
veelal karperrug, holle flanken, afhangend kruis (soms varkens*
kruis) met laag aangezetten staart; zij zijn koehakkig en hebben
tal van beengebreken. De beste worden voor tuigpaard, de min-
dere voor post- en karrepaard gebruikt. Vliegschimmels komen
het meest voor. Ook deze paarden schijnen erg koppig en lastig
te zijn, wat aan de mishandelingen, waaraan zij in de jeugd zijn
blootgesteld, moet worden toegeschreven.
Penning wijst er op dat het bevorderen van wedrennen, maar
ook van goed georganiseerde tentoonstellingen, veel tot verbetering
van het paardenras kan bijdragen. In 1894 werd in de Preanger
een stamboek opgericht, uitsluitend voor Sandelwoods.
Als afzonderlijke rassen van Java noemt Stampa (\') het Koe-
ninganger
en het Kadoesche jmard. Het eerste komt in de resi-
dentie Cheribon voor en is het best ontwikkeld in den omtrek
van den berg Bong-kierit. Het is klein, goed gebouwd en
heeft een kort, breed hoofd; het kruis is breeder en meer afge-
rond dan dat der Javaansche paarden. Zwarten en donkerbruinen
zijn het meest gezocht, maar ook lichtbruinen met aalstreep en
zelfs enkele schimmels komen voor. Zij waren reeds in 1871
zeer schaars (!).
(1)    Militaire Spectator, 1846, bl. 107, Bc paarden in Vederlandsch Oost-lmlië.
(2)    Uiltair Tijdschrift, 1871, No. 3, Het Indische paardenras. Hatnvia, Bkuinino
en Wijt.
-ocr page 518-
492
liet Kadoepaard, ook wel Mergowatisch paard genoemd (naar
een stoeterij bij den berg Djaran of Goenoeng Koeda, reeds in
1727 door den toenmaligen Keizer gesticht), is tusschen 1.30 en
1.35 M. hoog; volgens Stampa is het goed gevormd en heeft het
een droog hoofd met groote, heldere, goedige oogen, een flink
opgerichten hals, een breede borst, een afgerond kruis met korten
staartwortel en een sterk achterstel. Het wordt als het deugd-
zaamste paard van Java beschreven en is waarschijnlijk ontstaan
uit de paring van merriën uit Kadoe met hengsten van de kust-
streken, maar ook met groote paarden (volgens overlevering Friesche),
door den Gouverneur-Generaal geschonken. Ook deze reputatie
is verouderd, ofschoon men moet toegeven, dat hier zelfs de
pikolpaarden over het algemeen een beter voorkomen hebben dan
in andere streken.
Talrijk zijn de pogingen, reeds aangewend, tot verbetering van
het paard, meer in het bijzonder van dat op Java. Bij een kort
overzicht daarvan volgen wij in hoofdzaak Van DEB Kemp, Histo-
visch overzicht van de pogingen tot verbetering en veredeling van het
paardenras in Nederlandsen Indië
(\').
Reeds in 1802 werden in de Preanger regentschappen Perzische
paarden en in 1809 Arabische hengsten ingevoerd, met het doel om
het inlandsche paard grooter en daardoor beter geschikt te maken
voor de hertenjacht, maar men zette de kruising niet stelselmatig
door, evenmin als in 1817, toen door de regeering 20 Arabische
hengsten werden ingevoerd.
Onder den Gouverneur-Generaal Baron Van der Capeli.e
werden omstreeks 1817 stoeteryen opgericht te Tjipanas in de
Preanger en te Bowemok in Kediri. De eerste, die in 1820 slechts
1 hengst en 30 merriën telde, werd in dat jaar overgebracht naar
Passier Ayam bij Tjiandjoer. De regeering besloot tot den aankoop
van 250 a 300 merriën, maar de commissie, daartoe benoemd, kon
er slechts 14 machtig worden, waarom de verdere aankoop werd
opgedragen aan een zestal residenten. Bovendien breidde de stoe-
terij zich uit, doordien in 1821 Arabische paarden werden aange-
schaft en in 1826 de paarden uit de stoeterij Tamieadjang bij
Soerabaja (reeds in 1824 door de regeering aangekocht) naar
Tjiandjoer werden overgebracht De resultaten waren echter zeer
ongunstig, zoodat de stoeterij in 1831 werd opgeheven. De merriën
werden verkocht en een 40-tal dekhengsten werd verdeeld over
(1) Veearlaenijkundige bladen van Nedcrlauthch Indië, deel IV, bU. 327.
-ocr page 519-
493
.tava en bij de regenten gestationneerd; dekloon mocht niet worden
geheven, mits de merrie niet kleiner was dan 4 voet. De z g.n.
Koeda-peruakan, waarvan nog veel wordt gesproken, zijn daarvan
afstammelingen; zij hebben een smalle borst, onzekere gangen
en zijn niet tegen vermoeienis bestand, terwijl zij bovendien koppig
en meestal boosaardig zijn. Over dien maatregel werd al spoedig
zeer ongunstig geoordeeld, daar de gestationneerde hengsten meeren-
deels oud, afgeleefd, misvormd, maar ook wel te jong waren In
1835 werden dan ook enkele hengsten verplaatst en andere ver-
kocht, terwijl voor 1837 een som van f 27.000 werd toegestaan
tot aankoop van bastaard-Arabieren, Perzen, Makassaren, Bima-
neezen en Kadoeërs of Javanen, en een jaaiTyksche subsidie werd
uitgetrokken van / 15.000 tot het jaar 1841. Den Gouverneur van
Makassar werd de aankoop van paarden aldaar opgedragen, maar
hij was daarin niet gelukkig, waarna de Gouverneur-Generaal zijn
adjudant, den 2den luitenant graaf Van Bentheim Tecklenburg-
Rheda , gewezen Oostenrijksch cavalerie-officier, daartoe aanwees.
Deze kreeg tevens in last na te gaan of op Celebes een of meer
stoeterijen konden worden gevestigd.
Inmiddels trad een ander plan op den voorgrond. Door graaf
v. Bentheim was op last van den Gouverneur-Generaal reeds in 1838
een plan uitgewerkt, tot het oprichten eener stoeterij te Buitenzorg;
hij zou op een dienstreis met den Gouverneur tevens de paarden
aankoopen. Bij besluit van 11 Juni 1838 werd de stoeterij te
Tjikeumeuh gevestigd, maar bij de inrichting bleek al spoedig dat,
èn wegens duurte èn wegens het klimaat, het terrein aldaar zeer
ongeschikt was, zoodat dan ook reeds in Maart 1830 werd besloten
de inrichting over te brengen naar het oude terrein te Tjiandjoer,
onder den naam van „Gouvernements proefstoeterij", een besluit dat
in 1841 door het opperbestuur werd goedgekeurd. Graaf v. Bentheim,
in 1838 al tot „waarnemend Inspecteur voor de verbetering van
het paardenras op Java" benoemd, kreeg nu den titel van Directeur,
terwijl een gouvernements-veearts te Tjiandjoer werd gestationneerd;
die standplaats werd echter reeds na enkele maanden opgeheven. _
In 1842 werd omtrent de proefstoeterij een allerongunstigst rap-
port uitgebracht door den kolonel-commandant der cavalerie Peru\';;
in nagenoeg 4 jaar tijds waren gestorven: van de hengsten 10 pet.,
van de merriën 34 pet. en van de veulens 58 pet., en wat er aan
dieren aanwezig was, liet veel te wenschen over. Dit alles was
gedeeltelijk te wijten aan den Directeur (graaf v. B.), „doordien
deze van meening is dat kwade droes niet besmettelijk is". In de
-ocr page 520-
494
stoeterij weiden ook aangetroffen twee Mecklenburger hengsten,
door den Gouverneur-Generaal geschonken; van deze paarden werd
opgemerkt, „dat zij van zeer weinig nut zijn, omdat onder hun
grootte en zwaarte niet alleen alle inlandsche, maar ook sommige
bastaardmerriën bezwijken". Daar voor de proefstoeterij volgens
matige berekening ƒ55.220 waren uitgegeven en de resultaten zoo
hoogst ongunstig waren, werd zij bij besluit van 21 April 1843
opgeheven.
Gelijktijdig werd tot den aankoop besloten van ongeveer 400
hengsten, namelijk van Java, Makassar, Bima, Rotti en Sandel-
liout, die over de velschillende residentiën zouden worden ver-
deeld. Tot Inspecteur van het paardenras werd benoemd graaf
v. Bentiieim. De afloop dezer proef was blijkbaar zeer ongunstig,
en in officiëele stukken schijnt daaromtrent niets te vinden te zijn.
In 1852 kwamen bij de regeering 2 belangrijke bijdragen in
tot verbetering van het paardenras van den overste der cavalerie
Heijn, waarop in 1855 wordt gemeld, dat de regeering nieuwe
voorstellen inwacht. In dat jaar voldeed de majoor der cavalerie
Van der Putt aan een opdracht, voorstellen in te dienen tot
verbetering van het paardenras. Na een uitvoerig onderzoek werd
in 1858 der regeering in overweging gegeven om te BoeloeNjono
bij Malang een stoeterij op te richten, met 20 hengsten en 300
merriën (alle Makassaren), maar in 1860 beschikte zij daarop
afwijzend.
In 1861 werd door de Indische regeering opnieuw het voorstel
gedaan tot oprichting eener stoeterij, waar men 30 Arabische
hengsten en 250 Sandelhout", Makassaarsche en Javaansche merriën
wilde houden, en als antwoord daarop werd in datzelfde jaar be-
richt, dat machtiging des Konings zou worden aangevraagd voor
een jaarlijksch crediet van ƒ15.000, tot aanmoediging der teelt
van paarden en runderen en den aankoop van dekhengsten; ver-
der zou met het opperbestuur in overleg worden getreden omtrent
de wenschelijkheid tot oprichting eener stoeterij, overeenkomstig
het gedane voorstel. Ook het resultaat daarvan is ons onbekend.
Inmiddels was reeds in 1839 door den resident te Timor, in
antwoord op een aanvraag om advies, voorgesteld om op het
eiland Rotti, en wel op het schiereiland Lando, een stoeterij op te
richten, en zonder .de toestemming der regeering af te wachten,
waren door hem reeds voorbereidende maatregelen genomen en
een 200-tal merriën aangekocht, die, daar liet voorstel geen bijval
vond, door hem moesten worden betaald.
-ocr page 521-
m
Ook een voorstel, door een particulier in 1871 gedaan, om
met subsidie der regeering een stoeterij op Timor op te richten,
lachte haar niet toe.
In 1874 kwam bericht dat \'s Konings machtiging was verkregen
om f 10.000 te besteden voor een stoeterij op Soemba, maar ook
hier werd geen succes behaald, zoodat de onderneming werd
gestaakt.
In datzelfde jaar kwam het rapport in van een commissie naar
Makassar gezonden, die voorstelde te Malossora een stoeterij op te
richten met 8 hengsten en 200 merriën, waartoe, na eenige
wijziging, in 1878 werd besloten, zoodat die stoeterij in 1879
tot stand kwam; nu bleek al spoedig dat het terrein zeer
slecht was gekozen, daar goed drinkwater in voldoende hoeveel-
heid ontbrak en het voedsel schaars was, zoodat ook die inrichting
in 1880 moest worden opgeheven. Bij Gouvernements-besluit van
Juni 1881 is door de regeering aan een drietal personen toezegging
gedaan van een renteloos voorschot, groot /\'50.000, ten einde
in de Preanger een stoeterij op te richten. Hierbij is bepaald dat
deze personen jaarlijks, te beginnen met het 6de jaar, aan de
remonte moeten leveren 50 hengsten (Makassaren, Sandelwoods
of kruislingen van Javaansche paarden) tegen / 200 per stuk,
totdat het voorschot is aangezuiverd en verder 25 stuks per jaar
tegen remonteprijs. Dit contract is evenwel niet meer van kracht.
-----"Couperus (\') geeft een aantal oorzaken aan voor den achteruit^
gang van het paardenras op Java, als: het groote, steeds toe-
nemende gebrek aan fokdieren, door het meerdere gebruik van
paarden, zoowel door de inboorlingen als bij de groote werken,
het gebruiken van slechte fokdieren, het laten werken van zwan-
gere of zoogende merriën en het slechte voedsel voor merrie en
veulen. Ook het te vroeg gebruiken der paarden, het laten loopen
van veulens van verschillend geslacht onder elkander en de vermin-
dering van goede terreinen voor het weiden der paarden wordt
door hem als oorzaak aangegeven, terwijl hij nog wijst op het
gebruiken van paarden als werkdieren in molens, fabrieken, enz.,
hetgeen vóór de verwoestingen door de runderpest teweeggebracht,
door karbouwen geschiedde. Als oorzaak van het achteruitgaan
der groote Preanger paarden geeft hij aan het verbod aan de
hoofden, reeds in 1871 uitgevaardigd, om paarden kosteloos bij
inlanders te plaatsen, en de toestemming in 1872 aan inboorlingen
(1) Ce Iitditche Qit/t, 1384, bl. 201, Dj ahteiUitgang der luaiivli* j/nirUenrasieM.
-ocr page 522-
490
gegeven, om vrij te mogen jagen, waardoor de parforce-jachten
niet meer zooveel worden gehouden.
Het paard op Madoera ziet er beter uit dan dat op Java, wat
een gevolg is van betere voeding en verpleging, vooral huid ver-
pleging. De hoogte wisselt af van 3—4 voet; de kunstmatig
aangeleerde gang, een soort van drieslag, is zeer gebrekkig. De
Madoerees verlangt bij zijn rijpaard een klein hoofd, groote oogen ,
recht overeindstaande ooren, breede borst, lange lenden , een hoog
aangezetten staart en steile hoeven, terwijl hij bij een trekpaard
vooral ook op fijne huid en breeden, korten hals let; voor pikol-
paarden vraagt men slechts naar zuivere beenen.
De paarden op liet eiland Bali, die weinig of niet worden
uitgevoerd, komen het meest met de Javaansche overeen, maar
zijn hooger en breeder; zij hebben eveneens weinig temperament.
Die uit Lombok staan in vorm tusschen de paarden van Bali
en Bima, maar gelijken het meest op eerstgenoemde. Volgens
opgave (\') is vooral het Oosten van Lombok rijk aan paarden, die
met Engelsche merrién uit Sydnië veredeld zijn; ook fokt men
daar veel met hengsten uit Bima en Makassar. Zij worden als
pikol-paarden gebruikt, maar ook uitgevoerd naar Bourbon en
Mauritius.
Op het eiland Soembawa komen in het noordwestelijk gedeelte
de Soembmva-paarden, in het oostelijk gedeelte de Bima-paarden of
Bimaneezen voor. De eerste zijn weinig gezocht, ofschoon zij hooger
zijn dan de Bimaneezen, daar er nog enkele van 4 voet worden
aangetroffen, wat bij de laatste nooit het geval is.
De landstreek Bima is uitstekend voor paardenfokkerij geschikt,
deels om haar bergachtig terrein, deels omdat er geen tijgers
voorkomen. Terwijl de geheele uitvoer van het eiland naar Java
circa 3000 stuks per jaar bedraagt, behooren daaronder 2000 uit
Bima. Toch was vroeger het aantal paarden veel grooter, want
de eruptie van den Tambora (Aronsberg) in 1815, heeft op de
paardenfokkerij zeer nadeelig gewerkt.
De Bimanees is een klein (circa 1.17 M.), vurig paard, dat van
al de Indische slagen verschilt door den hoog aangehechten en
schoon gebogen hals. Het kruis is breed, maar niet volkomen
recht, het hoofd en de beenen zijn bijzonder droog en de hoeven
klein en rond met hooge verzenen. Meestal is hij vaalbruin, rood-
bruin of grauw. Hij is een onvermoeid looper en wordt daarom
bij voorkeur als bendi-paard gebruikt; daarbij is hij buitengewoon
(1) Krfarlandsrh Inrlhrl, Tijtitrhrifl, 1847, 2\'"» deel, 1)1. 315.
-ocr page 523-
-W7
mak en leerzaam. Als een bewijs dat de Bimaneezen mak zijn
en spoedig afgericht kunnen worden, zegt van der WeiheC),
dat men deze paarden niet zelden den dag na aankomst op Java
inspant en er mede door de steden rijdt. Men doet dit echter
ook met andere prauwpaarden, daar zij dan nog krachteloos zijn
en zich minder verzetten. Aan de noordoostkust van Java worden
zij door de ingezetenen hier en daar ook als rijpaarden gebruikt.
Het Sotmbawapaard is schialer van bouw, terwijl rug en lenden
niet zoo goed ontwikkeld zijn, en het kruis minder recht is.
Op het eiland Soemba of Sandelhout komen de schoonste paarden
van den Archipel voor, die, wat de goede exemplaren betreft,
aan het Arabische paard doen denken. Het ras is echter zeer
achteruitgegaan door het verkoopen der beste exemplaren, het
slachten van veel paarden bij godsdienstige feesten en begrafe-
nissen van hoofden en radja\'s, maar vooral door het ontbreken
van oordeelkundige fokkerij en slechte opvoeding der veulens. Zij
zijn bekend onder den naam van Sandelwoods. Het meerendeel
blijft onder 1.25 M. en die van 1.35 M. zijn reeds hoogst zeldzaam.
Bij enkele radja\'s wordt er soms een aangetrollen van 1.40 M.
Zij hebben een klein hoofd met vierkant voorhoofd, groote, vurige
oogen, wijde neusgaten en ruime keelgang. De beste hebben
een goed gevormden , meestal rechten of zelfs een weinig bijge-
brachten hals, niet te langen rug en lenden, een lang en van
achteren voldoend breed kruis met kort behaarden staart, die zeer
hoog is aangezet en, vooral gedurende de beweging, in een sier-
lijken boog wordt gedragen. Het lichaam is gestrekt, met breede
borst en goed gespierde, sterke beenen, waaraan slechts zelden
kreupelheden voorkomen. Als gebreken worden aangegeven: zware
hoofdaanzetting, verkeerde hals, steile schouder, lange rug,
wolfslenden, een kort en smal kruis, lichte onderbeenen, een
Fransche en koehakkige stand; de hoeven zijn in den regel
uitstekend. De huid is zoo fijn, dat de onderliggende bloedvaten
duidelijk zichtbaar zijn en ofschoon bij alle Indische rassen lichte
kleuren algemeen voorkomen, kan men toch zeggen, dat schim-
mels en vooral bruin- of vosbonten bij de Sandelwoods zeer veel
worden aangetroffen. Het elegante dier is vurig, moedig en aan-
genaam in de beweging, daarbij bijzonder lenig, waardoor het
juist voor rijpaard zoo geschikt is; het is echter erg zenuwachtig,
prikkelbaar en vreesachtig, zoodat men het met zachtheid moet
(1) Dr BocrcngtiuamiJH, lSOO, bl. 3: Lts ntur de oj> Jntti toorVumenile jiaurilrn.
32
-ocr page 524-
498
behandelen, .luist om deze prikkelbaarheid meenen enkelen, dat
het minder geschikt is voor cavalerie, daar het bij een charge
moeielijk te houden is; de lage halsaanhechting en de minder
goede buiging er van zullen hieraan ook wel eenigszins schuld hebben.
Tusschen de paarden der noordwest- en zuidoostkust bestaat
een duidelijk verschil. De eerste zijn over het geheel zwaarder
gebouwd (wat vooral aan hoofd en hals duidelijk uitkomt) en
minder snel; zij worden als tuigpaard ook voor artillerie met
succes gebruikt. De laatste hebben een kleiner hoofd en zijn
ranker; hun levendig temperament maakt ze meer uitsluitend
voor rijpaard geschikt. De beste worden gevonden van Soedoe
(Kawangoe) naar het Westen tot Waidé (Taedjong Sassar); deze
zijn zelden hooger dan 1.25 M. De zwaardere worden te Melolo,
Redet en Wajeloe aangetroffen, terwijl de slechtste te Memboro
voorkomen. De radja\'s zijn rijk aan paarden en vooral die van
radja Napoe te Sassar zijn uitstekend.
Op het eiland zelf wordt op de fokkerij weinig acht geslagen,
daar men de dieren geheel in vrijheid laat paren. De staart dei-
veulens wordt meestal op den leeftijd van 3 of 4 maanden ge-
coupeerd en soms worden, als herkenningsmiddel, de ooien ge-
spleten.
De in Soerabaja wonende Arabieren gaan in het laatste ge-
deelte van den west-moesson naar het eiland, ruilen scheeps-
ladingen (125—200 stuks) vol paarden in en komen met den
oost-moesson terug. Bij gunstig weer duurt de reis slechts 2\'/2—3
dagen, maar bij tegenwind lijden de dieren veel en komen in zeer
vermagerden en gehavenden toestand aan. Zij worden nu op de
groote venduties, vooral te Soerabaja, Batavia en Samarang, pu-
bliek verkocht en brengen van f 100—f 400 op. Jaarlijks worden
ruim 2000 stuks naar Java uitgevoerd. Te Soerabaja is thans een
remonte*depot voor de aangekochte jonge Sandelwoods.
Het eiland Timor is voor paardenfokkerij uitstekend geschikt;
er worden dan ook goede exemplaren geteeld, waarvan jaarlijks
enkele scheepsladingen worden uitgevoerd. De Timoreezen zijn
slechts 1.10 M. hoog, maar sterk gebouwd; het zijn uitstekende
loopers en tevens goede klimmers. Het hoofd is veelal kort, met
zware kaken, de hals is laag aangehecht, de schoft rond en de
stand veelal koehakkig; beengebreken zijn hoogst zeldzaam. Daar
ieder eigenaar een merk brandt op zijn paarden, zien deze er
soms weinig ooglijk uil. Kruisingsproducten van Timorees en
Savonee.s, ook van Timorees en Sandelwood zijn niet zeldzaam;
-ocr page 525-
49VI
vooral de laatste zijn uitstekend, soms 1.25 M. hoopt en hebben
niet het zenuwachtige, dat aan de Sandelwoods eigen is.
De eilanden Savoe en lïolti voeren slechts weinig paarden uit.
Die van het eerste eiland zijn breed er en grooter dan de Timoreezen,
enkele zijn zelfs 4 voet hoog; zij naderen in bouw meer het
Balische type, maar het temperament is beter. Toch zijn zij,
ofschoon even krachtig gebouwd, minder edel gevormd dan de
Sandelwoods en lang niet zoo nerveus. De paarden op Rotti zijn
grover, hebben een tamelijk af hellend kruis en zijn meer phleg-
matisch.
Alle paarden, die op Celehes voorkomen, worden Makassaren
genoemd, maar eigenlijk hebben alleen die op Makassar, vooral
in de omstreken van Torothéa, recht op dien naam. Zij zijn
1.15—1.20 M. hoog. Het Makassaarsche paard is sierlijker dan
het .Tavaansche; het hoofd is minder zwaar, de hals beter gevormd
en het voorstel meer ontwikkeld. Vooral het gedrongen lichaam,
het rechte kruis (soms ezelskrnis), de hoog aangezette staart en
de sterke ontwikkeling van het been- en spierstelsel vallen in het
oog. Bij Sandelwoods vergeleken is de schoft lager, maar langer,
de rechte rug scherper met diepe, maar platte borstkas en de
schouder schuiner. De rechte hals wordt iets vooruit gedragen,
waardoor de gang meer gestrekt wordt; ook brengt dit paard de
achterbeenen beter onder het lichaam. De meest voorkomende kleur
is bruin, vos of geel, maar ook ijzer-en blauwschimmels treft men
aan. Het dier heeft een goed temperament, is krachtig en tegen
vermoeienis bestand, terwijl het zich met voedsel van weinig waarde
tevreden stelt. Evenals alle prauwpaarden is het by aankomst schrik-
achtig, doch wanneer het gedurende eenigen tijd gebruikt is, wordt
het een zeer mak en volgzaam dier, meteen bedaarden gang, welke
in de verschillende bewegingen met veel actie plaats heeft.
Komt de Makassaar op jeugdigen leeftijd op Java en wordt hij
aldaar goed gevoed en verpleegd, dan ontwikkelt hij zich, zoowel
in hoogte als in breedte, binnen 1—l\'/j jaar buitengewoon sterk.
Men heeft meermalen het Makassaarsche paard gebruikt tot ver-
edeling van het Javaansche; zoo o. a. werden in 1845 veertien
keurhengsten naar Madioen gezonden en op verschillende plaatsen
als dekhengsten gestationneerd. Het doel werd niet bereikt, want
men stuitte af op de onverschilligheid der Javanen. Van de 90
merriën, die gedekt werden, is slechts van één bekend dat zij
een veulen wierp (\').
(1) Zie KeJerimtUeihitiiri Tijdschrift, ]S !>, 1)1/.. 17!>.
-ocr page 526-
600
Het paardenslag op Boni is hard achteruitgegaan en in alle
stoeterijen (12 in getal, te zamen met circa 2000 paarden) is liet
aantal verminderd; vroeg gebruik, slechte verpleging, maar ook
het veelvuldig voorkomen van kwaden droes moeten als oorzaken
daarvan worden aangemerkt. Aan de paarden te Sopping, Widjo
en Sidinoing wordt meer zorg besteed; zij zien er dan ook veel
beter uit (\').
Op het eiland Sumatra spreekt men van het paard in de
Padangsche bovenlanden of het Sumatrapaard en van het Batakpaard.
Het eerste onderscheidt men in het paard van de vlakte en het
bovenlandsche paard. Dat der vlakte heeft een zwaar hoofd, een
zwaren hals, een laag ingeplanten staart en sterk behaarde beenen;
het is dus grof en daarbij klein. Het bovenlandsche is beter van
vorm; het is slank, heeft een sierlijk hoofd, een lichten hals, een
sterk kruis en een vrij hoog aangezetten staart; de meeste zijn
echter geen 4 voet hoog. Dat van Tandjong-Aro, bekend als
Sikaboe-Kaboepaard, behoeft in sierlijkheid niet onder te doen
voor den Batakker en heeft bij een kalm temperament een uit-
stekenden draf. In de omgeving van Talang worden bastaarden
aangetroffen van inlandsche paarden met Sandelwoods, Makassaren,
Perzen en Australiërs. De bonte kleur is vrijwel algemeen, maar
bij de Sikaboe-Kaboe zeldzaam.
De Padangsche paarden zijn voor ry- en tuigdienst geschikt,
maar in het algemeen te klein (\').
De Batakker, in de Toba-landen, is meestal goed gebouwd
en slechts bij enkele worden de volgende gebreken waargenomen:
korte, dikke hals, breede kaken, iets af hellend kruis, laag
ingeplante staart en sabelbeenen, bij hengsten soms een te
zware voorhand bij een zeer smal achterstel. De merriën zijn ge-
middeld 1.20, de hengsten 1.18 M. hoog. Zwart, in drie verschiU
lende tinten, is de meest geliefde kleur, maar ook andere komen
voor, zelfs schimmels en veel bonten. De merriën zijn zeer
vruchtbaar; zij worden alleen als fokmateriaal aangehouden en
weinig uitgevoerd. De grootste, soms tot 1.26 M., treft men in
liet noordelijk gedeelte aan. De hengsten worden meestal op
4-jarigen leeftijd als wagenpaarden naar de westkust verkocht,
zoodat zij dus, nog jong zijnde, voor de voortteling worden ge-
bruikt, wat op het ras een ongunstigen invloed uitoefent. Omstreeks
(1)     Zie Vivarlsinijiundige Bladen voor Xrderl. Indië, V, bix. 1S9.
(2)     Zie Veenrlsenijlundigc Binden voor NederI. ludië, Vf, blz. 350.
-ocr page 527-
501
1888 werd daarom ook de bepaling gemaakt, dat hengsten zonder
haak tanden niet mogen worden uitgevoerd. De Godapaarden (Hoda
ni Debata) zijn door de priesters gezegend en worden niet ver-
handeld, zoodat de hengsten daarvan ook op later leeftijd invloed
op de fokkerij uitoefenen. De Hoda Singamangaradja zijn schimmels,
bestemd voor den priesterkoning en zijn naaste bloedverwanten;
zij kunnen het best met albino\'s worden vergeleken, maar hebben
bruine of blauwe cogen. Met de verbreiding van het Christendom
worden zij zeldzamer (\').
§ 195. AiitiKA.
Dehalve de Oostersche paardenrassen die in Afrika voorkomen,
weid op blz. \'22 de koemrah reeds besproken. Dit dier, door
Fitzinüer het Noord-Afrikaansche dwergpaard genoemd, treft men
in getemden staat in het westelijk gedeelte van Noord* en Midden-
Afrika aan, en hoogstwaarschijnlijk komen bij de bewoners van
Midden-Afrika, boven den evenaar, bastaarden van dit paard met
Derbers en met paarden uit Kordofan en Darfoer voor. Men noemt
ze Soedaupaarden, maar van een werkelijk ras kan hier geen sprake
zijn, daar men verschillende typen aantreft. Zoo hebben de be-
woners van Dornoe zuivere Arabieren, terwijl meer oostelijk paarden
voorkomen, die op de Opper-Egyptische gelijken. De paarden in
Mandara zijn volgens opgave grooter en krachtiger dan die uit
Dornoe; die der Kerdi\'s, zuidelijk van Mandara, zijn klein maar
sierlijk.
Ten Zuiden van den evenaar kwamen vroeger alleen gestreepte
paarden voor, maar thans vindt men langs de kuststreken paarden-
rassen, uit Europa ingevoerd en door invloed van bodem en klimaat
gewijzigd, waaraan toch meestal nog het oorspronkelijk type te
herkennen valt. Het zijn meerendeels dieren van Engelsche en
Spaansche afkomst.
In het Kaapland werden de paarden door de Hollandsche ko-
lonisten uit Zuid-Amerika en Java ingevoerd en reeds vroegtijdig
met Perzen gekruist. Het landpaard (Basoeto-}-as) is klein, maar
sterk gebouwd; het loopt vlug en is zeer volhardend. Onder
Engelsch bestuur werd veelvuldig gekruist met Engelsch bloed,
waardoor het paard beter van vorm werd, zoodat men het voor
cavalerie uitstekend kon gebruiken. In Kaapstad bezigt men
brumbies uit Australië voor tram en omnibus. Het inlandsche
(Ij Zie VccarttcHijkuiuiiye bladen vuur Kederl. Indii, IV, \\Ai. 280.
-ocr page 528-
502
paard heeft zich langzamerhand meer naar het Noorden en Noord-
Oosten verbreid, maar wordt alleen als rijpaard gebezigd, daar de
traditioneele ossenwagen in Zuid-Afrika nog overal in gebruik is. Het
klimaat is evenwel voor zijn ontwikkeling niet gunstig, want terwijl
het paard aan de westkust spoedig ontaardt, komen in de binnen-
landen verschillende ziekten voor, welke dikwijls den dood ten gevolge
hebben. Men spreekt in Transvaal van gezouten paarden en verstaat
daaronder dieren, welke een inheemsche ziekte hebben doorstaan
en hierdoor oelangrijk in waarde zijn gestegen ; zij zijn dan namelijk
voor die ziekte onvatbaar. In de Kaap-Kolonie zijn circa 400.000
paarden.
§ 196. Amerika.
In Amerika waren bij de ontdekking geen paarden meer, ofschoon
de fossielen er op wijzen, dat zij er in vroeger tijden, ten minste
in Noord-Amerika, in groote hoeveelheid voorkwamen. Columbus
nam in 1493, op zijn tweeden tocht naar dit werelddeel, Spaansche
paarden mede en na hem werden, door Cortez en Pizarro,
Spaansche en Portugeesche paarden naar Mexico en Brazilië over-
gebracht. In de Vereenigde Staten werd, voor zoover bekend
is, het paard eerst in 1527 door Cadeca de Vaca ingevoerd,
maar de 42 dieren, door hem in Florida aangebracht, stierven
spoedig. Zij waren van Spaanschen oorsprong, evenals de paar-
den korten tijd later door de Soto geïmporteerd, die den grondslag
vormden voor de mustangs. Deze zijn, vooral in het Zuiden, nog
zoo talrijk, dat men te Portland een Maatschappij op aandeelen
heeft opgericht tot het vangen en exploiteeren er van. Het op-
vangen geschiedt door cowboy.3. Van het vleesch wordt slechts
een klein gedeelte tot kippenvoer bewerkt, terwijl uit het overige
het vet wordt uitgesmolten, waarna men er mest van bereidt.
Ook de haren worden zorgvuldig verzameld en de huiden ingezouten.
De verschillende natiën, die zich een gedeelte van Noord-Amerika
toeëigenden, brachten paarden naar de Nieuwe Wereld over,
waardoor men, vooral in het noordoostelijk gedeelte der Ver-
eenigde Staten, paarden van verschillend slag kreeg. Zoo werden
in 1G04 en 1008 Normandische paarden in Canada ingevoerd,
terwijl in 1009 te .lamestown en in 1029 te Massachusetts Engel-
sche paarden aankwamen. Ook de Hollanders voerden in 1625
Vlaamsche paarden te New-York in, terwijl de Denen in 1635
paarden overbrachten naar New-Hampshire. In de 18de eeuw
kwamen o. a. in 1745 de eerste Engelsche volbloedpaarden naar
-ocr page 529-
503
Virginia en in het begin dezer eeuw werden ook de zware soorten
geïmporteerd, want Clevelandsche bruinen en Suffolk-hengsten
werden reeds omstreeks 1825 te Massachusetts aangetroffen.
Het is dus niet te verwonderen, dat in Noord-Amerika, behalve
de reeds aangegeven mustangs, paarden van verschillend ras wor-
den gevonden, maar in weerwil der verscheidenheid in lichaams-
vormen kan men van alle zeggen, dat zij voor de meeste diensten
bruikbaar zijn. Ook beweert men, dat het Amerikaansche paard
in het algemeen steviger ter been is, een beter temperament
heeft en gemakkelijker af te richten is dan het Europeesche, terwijl
het bovendien beter bestand zou zijn tegen verschillende weers-
invloeden. Al deze voordeelen, die bij het Amerikaansche volbloed-
paard het meest in het oog springen, zouden het gevolg zijn van
een minder verwijfde opvoeding en van het later gebruiken van
het paard, terwijl ook een meer liefdevolle behandeling een gun-
stige invloed zou uitoefenen.
Het Amerikaansche volbloedpaard is direct afkomstig van het
Engelsche. Het werd in het midden der voorgaande eeuw naar
Virginia en Maryland overgebracht. De meeste volbloedfokkerijen
worden thans aangetroffen in Kentucky, Noord-en Zuid-Carolina,
het zuid-oostelijk gedeelte van Virginia, Tenessee en het zuidelijk
gedeelte van New-York. Het komt in vorm bijna geheel overeen
met het Engelsche, alleen is de schoft iets lager. In de laatste jaren
vindt men onder de Amerikanen enkele buitengewoon snelle loopers.
Het Canadapaard is van zuiver Normandisch bloed. Het heeft,
bij een hoogte van 1.60 M., een hoog opgeiichten hals met zware
manen, een breede borst, een sterken rug en een afgerond,
krachtig gespierd kruis met een zwaar behaard en staart; destaart-
haren zijn eigenaardig gegolfd en gekroesd. Vooral de beenen
van dit dier zijn bewonderenswaardig sterk gebouwd; de gang is
niet snel, maar volhardend, ook op slecht terrein, en heeft meestal
niet met hooge actie plaats. Dit paard wordt zoowel onder den
man als in het tuig gebruikt en men verkrijgt door kruising met
volbloedhengsten flinke, zware rijpaarden, waaronder uitstekende
dravers worden aangetroffen.
In Londen en Edinburg worden zij veel als maandpaard ge-
bruikt en voldoen uitstekend, terwijl zij in andere groote steden
ook veel als trampaard worden gebezigd. Te Quorn-Ranch, een
groote stoeterij in 1884 gesticht, werden eerst dravers, thans
meer hunters gefokt.
Het aantal paarden in Canada bedraagt 1. .226.205,
-ocr page 530-
50-i
De lndiaansche pony, 1.35—1.40 M. hoog, komt, wat vorm en
beharing betreft, met het Canadapaard overeen. Uit dier munt,
bij spaarzaam voedsel, door buitengewone volharding uit en komt
liet meest voor bij de Mohawk-Indianen.
Onder de zwaardere paardenrassen moeten wij liet lastpaard
van Vermout noemen, dat vooral in New-York voor de zware
wagens wordt gebruikt. Dit krachtige dier, dat bij een gewicht
van 600 Kg. toch vlug ter been is, schijnt zeer klein, hoewel het
soms 1.70 M. hoog is; de diepe borstkas en de korte beenen zijn
daarvan ooi zaak. Zij zijn veelal bruin, zelden voskleurig en werden
vroeger algemeen als postpaarden gebruikt. Behalve in Vermont
worden zij ook veel gefokt in het Noorden van Massachusetts en
New-Hampshire en zij zijn waarschijnlijk ontstaan uit de paring
van Cleveland en Sufïolk met het landpaard.
Nog zwaarder is liet Conestoga-ras in Pennsylvanië, dat aan
kruising van het Vlaamsche met het Engelsche karpaard zijn ont-
staan te danken heeft. Het is liet grootste en zwaarste paard in
Amerika, namelijk 1.75—1.80 Af. hoog, bij 800 Kg. lichaamsgewicht.
Ofschoon vooral het achterstel zwaar gebouwd is, mag de gang
tamelijk licht worden genoemd; de beharing is grof. De meeste
zijn bruin of zwartbruin, maar ook ziet men nog al eens appel-
schimmels; de bruinen zijn veelal geappeld. Er bestaat ook een
lichter slag, dat voor gewoon land werk wordt gebruikt.
Tot in het begin dezer eeuw was de Narragansett-telganger in
Noord-Amerika algemeen voor reispaard in gebruik. Dit dier
paarde aan een snellen gang een aangename beweging en was
onvermoeid, daar het 16—20 uur per dag op de slechtste wegen
aflegde. Tegenwoordig wordt hij nog aangetroffen in Midden-
Amerika, en vooral op Cuba, maar is overigens vervangen
door den Amerikawischen draver (t?-otter), die eigenlijk geen ras
vormt, daar men dravers van naam onder de verschillende rassen
aantreft. De dravers leven tot hun 3de jaar bij na geheel in vrijheid
en worden goed, maar niet bijzonder sterk gevoed; men gebruikt
ze daarna voor verschillende diensten, wijl ze vóór hun 6de jaar niet op
de baan verschijnen (\'). Enkelen meenen zelfs, dat zij eerst met den
9-jarigen leeftijd op volle kracht zijn en nu tot het twintigste jaar
kunnen worden gebruikt. De baan is gewoonlijk 1609 M. lang,
maar om te voorkomen dat een paard bij toeval den prijs wint,
moet zij drie- of vijfmaal worden doorloopen. Iedere loop wordt
heat genoemd; van de drie heats moet het paard er twee, van
(1) In den hwtsten tijd begint ineu uuk hier vroeger met het trainetren.
-ocr page 531-
505
de vijf diïe winnen, om den prijs te behalen. Door de snelste
dravers wordt de baan in 2\' i" doorloopen, maar paarden die
daartoe 2\' 15" noodig hebben, worden reeds tot de dravers der
l8te klasse gerekend.
Het loopen geschiedt onder den man, of voor een wagen op
twee wielen (sulLy), Een paard dat onder den man 2\' 27" noodig
heeft, behoeft voor den sulky 2\' 30\'.
De harddraveryen behooren in Amerika sinds een vijftigtal
jaren tot de volksvermaken, waaraan ook minder gefortuneerden
kunnen deelnemen, omdat de trotter evenzoo voor gewoon werk
kan worden gebruikt, wat met het renpaard niet het geval is.
Op het Amerikaansche renpaard en op den trotter heeft de
Kngelsche volbloedhengst Messenger (in 1786 ingevoerd) een o ver-
wegenden invloed uitgeoefend, vooral door een zijner kleinzonen,
Hambletoniau, op 5 Mei 1849 te Chester geboren. Deze is nooit
op de baan verschenen, maar van zijn 2de jaar af alleen als
dekhengst gebruikt. Tot zijn dood in 1875 zijn van hem 1225
veulens gevallen, niettegenstaande het dekgeld gedurende de
laatste 10 jaar op 500 dollars was gesteld; in het geheel bracht
hij over de 100.000 dollars aan dekgeld op. De voornaamste
dravers zijn afstammelingen van dezen hengst.
Ook de hengst Morgan, waarschijnlijk afkomstig van den En-
gelschen hengst True Briton, had in het begin dezer eeuw groote
verdienste. Hij is de stamvader van den Morganstam, die in hoog
aanzien staat, omdat de paarden behalve trotters, tevens uitste-
kende dienstpaarden zijn en aan elegante vormen een goed tem-
perament en veel volharding paren. Aan den trainer HiBAM
Woodruff, geboren 1817, gestorven 1867, heeft de Amerikaansche
drafsport zeer veel te danken.
In Indiana, Illinois en Nebraska, maar vooral ook in Canada,
treft men uitstekende hackney-stoeterijen aan, terwijl in Ontario
een nieuw ras wordt gekweekt, de „Americo-Arab", dat veel op
het Trakehner gelijkt, maar lichter is. In de oostelijke en midden-
staten worden verder uitstekende Clydesdalers, shire-horses en
Suffolks geteeld.
In Californië, waar men het aantal paarden op 3.680.000
schat, zijn meer dan 100 stoeterijen; in de grootste, El Paso Ranch,
fokt men jaarlijks 200 veulens, waarvan de helft volbloed. Het
Mexicaansche paard, waarin nog veel Spaansch bloed zit, is klein,
maar intelligent en volhardend; het gaat meestal telgang. In de
laatste jaren zijn heel wat dravers ingevoerd.
-ocr page 532-
50fi
In Zuid-Amerika komt, behalve de in liet wild levende cim-
marones, liet pampa-paard voor, dat in halfwilden toestand leeft en
bijv. in Paraguay als mustang bekendis. Een gedeelte dier paarden
is voor rij-of tuigdienst afgericht, terwijl de overige worden gedood,
indien z\'y\' voldoende vet zijn, in hoofdzaak echter om de huid.
Het paard in Chili, van Spaansch-Andalusischen oorsprong, veelal
telganger, is beter; het heeft een klein hoofd met ramsneus, een
opgerichten hals, een krachtigen rug, een afgerond kruis en fijne,
maar sterke beenen met goede hoeven. In Argentinië is het kleine,
onooglijke inlandsche paard eveneens van Andalusischen oorsprong,
maar door het invoeren van allerlei rassen uit Europa fokt men
daar tegenwoordig flinke tram- en omnibuspaarden, die zelfs naar
Europa worden uitgevoerd.
§197. Australië (\').
Evenals in Amerika treft men tegenwoordig, vooral in Queens-
land en Nieuw-Zuid-Wales, groote kudden verwilderde paarden aan,
welke daar bekend zijn onder den naam van boschpaardcn {brunibies).
Deze dieren richten in de bebouwde streken groote verwoestingen
aan, zoodat men hier, even goed als van een konijnenplaag, van
een ware paardenplaag zou kunnen spreken. De inwoners maken
er dan ook voortdurend jacht op, zoodat het aantal er van langzaam
vermindert; in 1891 werd het voor Nieuw-Zuid-Wales geschat
op 4230.
Behalve deze wilde paarden treft men in vele streken ook z.g.
halfwilde paarden aan, welke op dezelfde wijze worden gehouden
als in Zuid-Amerika.
Bij de ontdekking van Australië werden geen paarden gevonden,
maar het uitstekende klimaat en de droge bodem waren oorzaak,
dat de eerstaangevoerden uit de Kaap de Goede Hoop en Valparaïso
zich sterk vermenigvuldigden. Later werden paarden ingevoerd uit
Spanje, Engeland en den Indischen Archipel.
De invoer uit Engeland was steeds de grootste; voor zware
trekpaarden werden Clydesdalers, Suffolks en shires aange-
bracht, voor lichte trek- en koetspaarden Clevelanders en voor
rijpaarden volbloed en hackney. In 1820 werd voor gouvernements-
rekening een Arabische hengst aangekocht in Engelsch-Indië;
het succes daarvan was zoo groot, dat tusschen 1845 en 1855
vele Arabieren werden ingevoerd.
(1) Zie Vecarlscnijhindigc Bladen voor Nederl. Indië, VI, blz. 356.
-ocr page 533-
507
Nieuw-Zuid-Wales, vooral langs de oevers der Munter River,
is voor paardenfokkerij bijzonder geschikt. Het paard in die
streken was niet groot, maar zeer duurzaam en werd als Waler
naar Engelsch-Indië uitgevoerd. Ook de Swan-River (West-Australië)
welke zeer goed bekend stond, was een Waler, maar tegenwoordig
heeft de veeteelt aldaar de overhand. Door de snelle vermeerdering
van alle vee en door de grootere voordeelen met de schapenteelt
te behalen, raakte de paardenfokkerij meer op den achtergrond;
vooral het gouddelven had in den beginne een ongunstigen in-
vloed. Alleen voor volbloedpaarden bleef men groote prijzen be-
steden. Langzamerhand werd de toestand beter en men kan
tegenwoordig zeggen dat in Nieuw-Zuid-Wales de beste paarden
worden gevonden.
Ook kleine paarden, waaronder afstammelingen van onze
Sandelwoods en Soembawa\'s, worden aangetroffen, eveneens pony\'s,
afkomstig van den Shetland-pony, maar in het algemeen voldoet
de pony niet aan de eischen , die wij voor onze koloniën als militair
paard moeten stellen; de beste vindt men in Queensland, waar men
ze vooral als luxe-trekpaard gebruikt.
Op Nieuw-Zeeland, waar het klimaat meer Europeesch is,
worden goede paarden gefokt, vooral ook flinke hunters, maar
voor uitvoer naar onze koloniën schijnen zij minder geschikt.
De meeste fokkers in Australië kweeken een sterk trekpaard,
vooral door kruising van Clydesdalers en shire-merriën met volbloed-
hengsten. Ieder fokker (squatter) heeft zijn eigen brandmerk
en het aantal er van is zoo groot, dat in 1890 alleen in Victoria,
Nieuw-Zuid-Wales en Queensland ruim 10.500 brandmerken waren
geregistreerd.
De vruchtbaarheid van het paard in Australië wordt zeer ge-
roemd, zoo zelfs dat men in Queensland op 12 pet. vermeerdering
per jaar rekent, en het aldaar geen ongewoon verschijnsel is, dat
het veulen na de geboorte wordt gedood, omdat men niet weet
wat er mede te beginnen en men er geen voeder voor heeft.
In 1800 werd het aantal paarden geschat op 1.556.405.
De uitvoer, in hoofdzaak naar Engelsch-Indië, is zeer groot (ruim
4000 per jaar); de paarden voldoen daar, vooral voor het leger,
uitstekend. Toch zijn veel paarden wat overbouwd, maar de sterke
ontwikkeling van den schouder vermindert deze fout aanzienlijk;
bij paarden met weinig bloed wordt veel geklaagd over de ver-
binding tusschen lenden en kruis, die soms zeer slecht is.
-ocr page 534-
VIERDE BOEK.
DE HOEF EN HET HOEFBESLAG.
EERSTE AFDEELING.
BOUW EN VERRICHTINGEN VAN DEN HOEF.
EERSTE HOOFDSTUK.
De bouw van den hoef.
§ 198. DlC UEENDEUEN VAN DEN HOEF.
Onder den naam van hoef (sabot; Uu f; hoof) verstaat men den
hoornigen koker met de daarin bevatte harde en zachte deelen,
die het onderste einde van elk lidmaat van het paard vormt.
De samenstelling daarvan is geenszins zoo eenvoudig als bij
een oppervlakkige beschouwing schijnt.
Een nauwkeurige kennis van de deelen van den hoefis noodig
om over zijn bouw en verrichtingen een juist oordeel te kunnen
vellen. Het best geraakt men hiertoe, door in gedeelten een hoef
op te bouwen en de samenstellende deelen aan een nauwgezet
onderzoek te onderwerpen.
De grondslag van den hoef wordt gevormd door de beenderen.
Deze zijn: het onderste gedeelte van het kroonbeen, het hoef been en
het straalbeen.
Het kroonbeen (PI. I, C, 11 en PI. XLI fig. 1, A) is een kort,
sterk, dobbelsteenvormig been, dat met het kootbeen het kroon-
gewricht
(PI. I, C, g en PI. XLI fig. 1, a) en met het hoef- en
straalbeen het hoe f gewricht (PI. I, C, h en PI. XLI fig. 1, b) vormt.
Alleen het onderste gedeelte van dit been behoort tot den hoef.
-ocr page 535-
509
Het hoef been (1*1. 1, C, 12 en PI. XLI lig. 1, Ü) is het onderste
been van elk lidmaat; het is geheel in den hoornigen koker bevat
en bezit daarin een zoodanig schuine ligging, dat het voorste ge-
deelte iets lager is dan het achterste. Het is een sponsachtig been,
dat in gedaante veel overeenkomst heeft met den hoef. Men onder-
scheidt er aan:
De geiorichtsvlakte, die met kraakbeen bekleed is en van voren
een uitstekend gedeelte, het kroomdtsteeksel (PI. XLI lig. 1, c) ge-
noemd, bezit, waaraan zich de strekpees bevestigt. Aan den
achterrand dezer vlakte bevindt zich een smalle gewrichtsvlakte
voor het straalbeen (PI. XLI fig. 1).
De wandvlakte, die van rechts naar links gewelfd, poreus en
en van voren hooger is dan van achteren. Deze gaat naar achter
en aan weerszijden in uitstekende gedeelten, de hoefbeenstakken,
over, waaraan de beide zijdelingsche kraakbeenderen zijn vastge-
hecht. Deze takken bezitten ieder, aan hun achteruiteinden, een
rond gat of een insnijding, takgat of takinsnijding genoemd, die
naar voren in een sleuf, de wandsleuf, overgaat; hierin zijn bloed-
vaten en zenuwen gelegen.
De zoolvlakte wordt door een ruwen, halvemaanvormigen rand,
waaraan zich de buigpees vasthecht, in een voorste, grooter en
een achterste, kleiner gedeelte gescheiden. Het eerste is zacht
uitgehold, het laatste zeer verdiept en in het midden van een
ruwen knobbel voorzien, waaraan zich een band vasthecht. Aan
beide zijden van dezen knobbel ligt een sleuf, de zooisleuf, die in
het zooigat voert en waarin bloedvaten en zenuwen worden opgenomen.
Deze vlakte wordt door een scherpen rand, welke in het midden
dikwijls een kleine insnijding bezit, van de wandvlakte gescheiden.
Het straal- of spoelbeen (PI. I, C, 13 en PI. XLI fig. 1, C) is
een smal, langwerpig beentje, dat de achtervlakte van het hoef-
gewricht helpt vormen en door banden in zijn ligging is bevestigd.
De achtervlakte van dit beentje is met kraakbeen bekleed; hier-
over glijdt de pees van den hoefbeenbuiger (PI. XLI fig. 1, d).
De voorvlakte en het voorste gedeelte der ondervlakte dragen bij
tot vorming van het hoefgewricht en zijn daartoe evenzoo van kraak-
been voorzien. De bovenvlakte is poreus en in het midden verdiept.
§ 199. De verbinding der beenderen van den hoef.
Het door hetkroon-, hoef-en straalbeen gevormde hoefgewricht
wordt omgeven door een vezeligen leursband (PI. XLI fig. 1, e en é),
-ocr page 536-
610
welke inwendig met een si/noviaalvlien bekleed is. Deze beursband
is van voren innig vereenigd met de strekpees (PI. XLI fig. 1, /*);
van achteren wordt bij tusschen bet straal- en lioefbeen zoodanig
door bandvezelen versterkt, dat men dit gedeelte wel als een af-
zonderlijken band, de onderste straalbeenband of straalhoefbeenband
(PI. XLI fig. 1, g), heeft beschouwd.
Kroon- en hoefbeen zijn bovendien door een in- en mtwendigen
zijband
vereenigd.
Het straalbeen is, behalve met liet kroon- en hoefbeen, met
het kootbeen en de zijdelingsche hoefkraakbeenderen verbonden.
Met het kootbeen geschiedt dit dooi- de straalkootbeenbanden of de
ophangbanden van het straalbeen. Deze ontspringen gemeenschappelijk
aan de bovenvlakte van het straalbeen, vereenigen zich met de
zijbanden van het kroongewricht en eindigen aan het ondereinde
van het kootbeen.
Het straalbeen verbindt zich met de hoefkraakbeenderen en
eenigermate ook met het hoefbeen door zijn zijbanden of hoef-
Lraakbeen-straalbeenbanden.
Dit zijn korte, doch sterke bandvezelen,
die aan weerszijden van het straalbeen naarde hoefkraakbeenderen
en de hoefbeenstakken gaan.
§ 200. De bewegingsorganen van den hoef.
Aan de onderste deelen der ledematen van het paard komen
geen spieren voor; de spieren, welke de beenderen van den hoef
moeten bewegen, doen dit door middel van lange, sterke pezen,
die aan deze beenderen zijn vastgehecht, terwijl zij zelven bij
de voorbeenen boven den handwortel, bij de achterbeenen boven
het spronggewricht zijn gelegen.
Men vindt aan den hoef slechts twee pezen; die men naar haar
functiën in een strek- en een buigpees onderscheidt.
De eerste is de gemeenschappelijke strekker van het koot-, kroon-
en hoefbeen
(PI. XLI fig. 1, /). Deze pees is breed, loopt over de
voorvlakte van het kroonbeen en eindigt aan het kroonuitsteeksel
van het hoefbeen. Zij ontstaat aan de voorbeenen uit de npper-
armbeenspier van het koot-, kroon- en hoefbeen
(PI. IV fig. 1, h, k\')
(blz. 52), en aan de achterbeenen uit de dij- en schenkelbeenspieren
van het koot-
, kroon- en hoefbeen (PI. VI fig. 4, b, b\' en c, c\')
(blz. 06), aldus genoemd naar haar oorsprong" en eindpunten.
De tweede is de buigpees van het hoe f\'been of de doorborende buiger
(PI. XLI fig. 1, d), die over de achtervlakte van het straalbeen
-ocr page 537-
511
loopt en aan de zoolvlakte van het lioefbeen eindigt. Zij ontstaat
aan de voorbeenen uit de opperarmbeen-onderarmbeenspier van het
hoefbeen
(PI. IV fig. 4, c, c\', e", c") (blz. 57), en aan de achter»
beenen uit de schenkelbeen-hoe)\'beenspieren (PI. "VI fig. 5, c, c\') (blz 08).
De laatste pees wordt door een elastische plaat omgeven, die
aan de zoolvlakte van het hoefbeen ontspringt en zich naar boven
tot het midden van het kootbeen uitstrekt; deze plaat, vroeger
als een band beschouwd en koothoefbeenband genoemd, bevestigt
de buigpees in haar ligging.
§ 201. De elastische deelen van den hoef.
De elastische deelen van den hoef, aldus genoemd naar hun
physische eigenschappen, zijn de beide zijdelingsche hoefkraakbeenderen
en het vet- of straalknssen.
De eerste vormen twee langwerpige, onregelmatig vierhoekige
kraakbeenderen, die aan de hoefbeenstakken bevestigd en voor
het grootste gedeelte door den hoornigen koker omgeven zijn. Aan
de voorhoeven steken zij steeds iets meer boven de hoornige deelen
uit dan aan de achterhoeven; zij zijn bij de eerste als een smalle
streep onder de huid waar te nemen.
Deze kraakbeenderen strekken zich van voren tot de strekpees
uit, terwijl zij van achteren een weinig naar elkander gebogen zijn
en het straalkussen met de buigpees van ter zijde en eenigermate
van achteren insluiten. Zij zijn door talrijke bandvezelen met het
koot-, kroon- en hoefbeen verbonden.
Evenals alle andere kraakbeenderen hebben zij noch bloedvaten
noch zenuwen.
Bij oude paarden zijn de hoefkraakbeenderen niet zelden voor
een grooter of kleiner gedeelte verbeend (zijbeen), waardoor hun
elasticiteit meer of minder is afgenomen; soms komt dit ook op vrij
jeugdigen leeftijd voor, het meest aan het buiten-kraakbeen.
Het vet- of straalkussen (PI. XLI fig. 1, i) is een geel gekleurde,
uit elastisch en fibreus weefsel bestaande massa, die met haar
achterste breeder gedeelte door de hoefkraakbeenderen begrensd
wordt, en naar voren smaller wordende, ongeveer op het voorste
derde gedeelte der onderste hoefbeensvlakte niet een punt eindigt.
Het achterste gedeelte is in het midden door een verdieping
in twee deelen gescheiden, die, wijl zij aan de z.g. ballen tot
grondslag dienen, de cellige ballen (PI. XLI fig. 1, i") worden ge-
noemd. Uit dit gedeelte gaat een sterke, elastische streng naar
-ocr page 538-
51Ö
boven en bevestigt zich aan het kootbeen; hierdoor zijn de ballen
als het ware aan het kootbeen opgehangen. Leze streng wordt
daarom de ophangband der ballen of de balkovtbeenband genoemd.
Overeenkomstige strengen gaan naar de hoefkraakbeenderen,
waardoor deze beide deelen innig met elkander verbonden zijn;
zelfs is het onmogelijk nauwkeurig de grens tusschen kraakbeen
en straalkussen aan te geven.
Het voorste gedeelte van het straalkussen is geheel door den
vleeschstraal bedekt en wordt, door een verdieping in het midden,
in twee schenkels gescheiden, waardoor het dezelfde gedaante bezit
als de hoornstraal. Het wordt daarom de cellige straal (PI. XLI
lig. 1, i) genoemd. Deze is door talrijke vezelen, die naar alle
richtingen in de zoolvlakte van het hoef been dringen, innig met
dit laatste vereenigd.
§ 202. De bloedvaten en zenuwen van den hoef.
De bloedvaten en zenuwen oefenen grooten invloed uit op de
levensverschijnselen van den hoef, als voeding, groei, gevoel, enz.
Men verdeelt de bloedvaten in slagaderen, die het bloed, voor
voeding en wasdom bestemd, van het hart naar den hoef voeren,
en in aderen, welke het bloed, dat daartoe reeds gediend heeft,
van den hoef naar het hart teruggeleiden.
De slagaderen van den hoef nemen haar oorsprong uit de
zijslagaderen van den teen, die zijdelings van den kogel, het koot-
en kroonbeen gelegen, zich tot het hoef been uitstrekken. Gedu-
rende dit verloop geven zij talrijke takken af, voornamelijk naar
de hoornvormende deelen van den hoef; alleen de hoornige deelen
bezitten geen bloedvaten.
De aderen van den hoef, die uit de fijnste vertakkingen dei-
slagaderen, de haarvaten, ontstaan, vereenigen zich veelvuldig met
elkander en vormen daardoor z.g. adernetten, waaruit weder de
groote aderen en eindelijk de zijaderen van den teen haar oorsprong
nemen. Voornamelijk zijn het weder de hoornvormende deelen
van den hoef, welke van deze adernetten rijkelijk voorzien zijn.
De zenuwen vergezellen in haar verloop meestal de slagaderen
en verdeelen zich ook in takken. In den hoorn bevinden zich
geen zenuwen; het meest treft men ze aan in die deelen van den
hoef, welke bestemd zijn cm hoorn voort te brengen. Zij ontstaan
uit de zij zenuwen van den teen, die zich nabij den kogel in een voorsten
en achtersten tak en vervolgens in talrijke kleinere takken verdeelen.
Üok lymphvaten zijn in den hoef aanwezig.
-ocr page 539-
613
§ 203. De iioobnvoruende ukelen van den ik»ei .
De huid, die het geheele lichaam bekleedt en door de vorming
van opperhuid en haren (httgeen door haar voornaamste gedeelte,
de z.g. lederhuid, geschiedt) tegen uitwendige invloeden beschut,
verandert aan den hoef haar eigenschappen zoodanig, dat zij, in
plaats van opperhuid en haren voort te brengen, een hoornvormend
(keratorjeen) orgaan is geworden. Wanneer men dus aan de eerste
den naam haurlederhuid (l\'l. XM fig. 2, <t) geeft, zou men de
laatste hoornlederhuid (l\'l. XLl lig. 2, b, c en d, en PI. XLIIfig.1)
kunnen noemen.
Deze onderscheidt men in vijf van elkander verschillende ge-
deelten: de vleeschzoom, de vleeschkroon, de vleeschwand, de vleesch-
zool
en de vleeschstraal. Wegens hun grooten bloedrijkdom noemt
men ze te zamen wel de vleeziye deelen van den hoef, hoewel
zij met vleesch of spieren overigens niet de minste overeenkomst
hebben. Den naam leven, hieraan dikwijls gegeven, danken zij aan
hun gevoeligheid, vooral in vergelijking met den hen bedekken-
den hoorn.
De vleeschzoom (l\'l. XLI lig. \'2, b) vormt een 5—6 niM. breede
streep, die tusschen de haarlederhuid en de vleeschkroon ligt,
zich rondom het hoefbeen uitstrekt en van achteren onmerkbaar
in de ballen (PI. XL1I lig. 1, e) en den vleeschstraal overgaat.
Hij ontstaat langzamerhand, zonder scherpe grenzen, uit de haar-
lederhuid en is van de vleeschkroon door een lijnvormige ver-
dieping gescheiden. De vleeschzoom is van voren broeder dan
van ter zijde, doch verkrijgt nabij de ballen zijn grootste breedte.
Op zijn uitwendige vlakte bevinden zich talrijke, dicht naast
elkander staande, 1—2 mM. lange vlokken, waardoor hij een
glanzend aanzien bezit.
De vleeschzoom scheidt den zachten hoorn van den hoornzoom
en de daaruit te voorschijn komende deklaag van den waad af.
De vleeschkroon (PI. XLI fig. 2, o en fig. 1, k) vormt een
16—20 mM. breede wrong, welke rondom het hoefbeen tot aan
de ballen loopt en gelegen is tusschen vleeschzoom en vleeschwand.
Zij is van voren breed en gewelfd en wordt naar achteren lang-
zamerhand smaller en vlakker.
Haar oppervlakte is rijkelijk met vlokken bedekt, die langer
en dikker zijn dan die van den vleeschzoom. Deze eindigen niet
nabij den overgang in den vleeschstraal, doch buigen zich aldaar
om tusschen het steunselgedeelte van don vleeschwand en den
33
-ocr page 540-
BH
vleeschstraal (PI. XLff fig. 1, tusschen n en c); zij vormen hier
een H—12 mM. breede streep tot nabij het midden van den
vleeschstraal en vereenden zich dan met de gelijksoortige vlokken
der vleeschzool.
Dit omgebogen gedeelte draagt bij tot vorming van de hoornige
steunsels en wordt daarom het stennselgedeelte der vleeschkroon genoemd.
Door de vleeschkroon zelve wordt de middelste laag van den
hoornwand voortgebracht.
De vlecschvmul (PI. XLÏ lig. 2. d en fig. 1, l) bedekt de «and-
vlakte van het hoef been, buigt zich van achteren naar beneden
om en loopt tusschen het steunselgedeelte der vleeschkroon en
het achterste gedeelte der vleeschzool. ongeveer 3—4 cM. naar
voren. Dit aan de zoolvlakte liggend gedeelte noemt men het
steunselgedeelte van den vleeschwand (PI, XLII (ig. 1, «).
De vleeschwand begint onmiddellijk onder de vleeschkroon, is
veel dunner dan deze en bevat op zijn oppervlakte geen vlokken,
doch talrijke, evenwijdig naast elkander gelegen, in rechte richting
van boven en achteren naar beneden en voren verloopende plaatjes,
die vleeschplaatjes worden genoemd. Elk gedeelte der hoornlederhuid ,
waarop vleeschplaatjes voorkomen, behoort tot den vleeschwand.
Deze plaatjes zijn door diepe groeven, waarin de hoornplaatjes
van den hoornwand worden opgenomen, van elkander gescheiden.
Zij zijn het smalst bij hun ontstaan aan de vleeschkroon en ver-
krijgen op het midden van den vleeschwand hun grootste breedte,
die zij behouden tot hun ondereinde; hier gaan zij in vlokken
(PI. XLI fig. 2, e) over, die met de vlokken der vleeschzool
overeenkomen.
De vleeschplaatjes zijn aan den toon het langst en liet breedst,
terwijl zij het kortst en het smalst zijn aan de steunselgedeelten
van den vleeschwand. Het aantal hangt van de grootte van den hoef
af; aan een middelmatigen hoef komen ongeveer 600 plaatjes voor.
Wanneer men de vleeschplaatjes onder den microscoop be-
schouwt, neemt men waar, dat ieder plaatje zich in de lengte-
richting weder in talrijke kleinere verdeelt; daar dit ook met de
hoornplaatjes het geval is, wordt de vereeniging dezer beide daar-
door zeer hecht.
De vleeschwand scheidt de hoornplaatjes af en neemt ook in
geringe mate deel aan de vorming van de inwendige vlakte der
middelste laag van den hoornwand.
De vleeschzool (PI. XLII fig. 1, b en PI. XLI fig. 1, r») bedekt
het voorste derde gedeelte der zoolvlakte van het hoefbeen vol-
-ocr page 541-
bib
komen en splitst zich dun nnnr achteren in twee deelen. ilie zich
tussclien den ondersten rand van tien vleeschwand en diens
steunselgedeelten uitstrekken: door middel van de steunselgedeel-
ten der vleeschkroon staat zij met de laatste in verbinding.
Op de oppervlakte der vleeschzool komen talrijke, lange vlokken
voor: zij bedekt liet sterke adernet der zool en brengt de hoorn-
zool voort.
De vleeschstraal (PI. XLH lig. 1. c en PI. Xf.I lig. 1, n) is dat
gedeelte der hoornlederhuid, dat den celligen straal van onderen
gelijkmatig bekleedt, daarmede in gedaante overeenkomt en nabij
de ballen onmerkbaar in den vleeschzoom overgaat. Hij is minder
bloedrijk dan de vleeschzool: ten opzichte van zijn vlokken komt
hij met den vleeschzoom overeen.
De vleeschstraal scheidt den hoornstraal af\'.
§ \'204. Dk hoornioe deelen.
De door de hoornlederhuid afgescheiden hoornmassa\'s vormen
een koker, die het uitwendige van den hoef uitmaakt en zoo vast
met de onderliggende deelen verbonden is, dat hij in gezonden
toestand slechts hoogst zelden daarvan wordt gescheiden. Ook
aan dezen hoornigen koker alleen wordt in het dagelijksch leven
gewoonlijk de naam van hoef gegeven.
Hoewel hij eigenlijk één ondeelbaar geheel vormt, neemt men
toch aan den hoef drie afdeelingen waar, die zich door ligging en
doel wezenlijk van elkander onderscheiden. Deze zijn: de hoorn-
wand,
de hoornzooi en de hoornstraal.
4°. De hoornwand {la paroi on muraille; die Hornwand; the watt
or crust)
(PI. XLII lig. 2 en PI. XLI fig. 1, o) is het gedeelte van
den hoef, dat het ondereinde van het been van voren en van ter
zijde omgeeft en grootendeels zichtbaar is, wanneer het been op
den bodem rust.
Hij begint aan de huid en loopt in een schuine richting
van boven naar beneden, neemt naar achteren in hoogte af en
buigt zich aan beide zijden aan zijn achterste gedeelte onder een
scherpen hoek, steunselhoek (PI. XLIII fig. 1, d) genoemd, naarde
middellijn van den hoef om. Vervolgens loopt hij tusschen de
hoornzooi en den hoornstraal naar voren en gaat vóór de punt
van den straal onmerkbaar in de zool over. Deze omgebogen ge-
deelten van den hoornwand worden de stewuds (Pi. XLI Ft lig 1, e)
genoemd.
-ocr page 542-
r,Ki
Men onderscheidt aan den hoornwand een uitwendige gladde
of in lichten graad dwars gestreepte vlakte, die van de eenenaar
de andere zijde gewelfd is en een inwendige, in dezelfde mate
uitgeholde vlakte; verder een bovensten of kroonraad (bord supérieur;
Kronenrand; coronet)
(PI. NI,Il lig. 2, a) en een ondersten of draag-
rand (bord plantairr: Tragrand; lower margin
(PI. \\LIII fig. i, a).
Tot nadere bepaling der verschillende gedeelten van den hoorn-
wand denkt men zich op enkele plaatsen lijnen getrokken. Zoo
wordt de wand door een, den hoef in het midden snijdende,
denkbeeldige lijn in een uit\' en inwendige wandhelft (buiten- en binnen-
icand)
verdeeld. Door vier lijnen, die den hoef in vijf gelijke stuk-
ken verdeelen, verkrijgt men de onderscheiding in den toonwand
en de tij\' en drachtwandtn.
De toon (la pince; die Zehenwand; the toe) (PI. XLII fig. 2, van
de punt van den hoef tot b) wordt gevormd door beide wand helften
en omvat een vijfde gedeelte van den uitwendigen wandomvang.
De zijden of kwartieren (les mamelies; die tieitenwande; the main-
milla)
(PI. XLII fig. 2, b—c) beginnen aan den toon en strekken
zich naar achteren uit over een afstand gelijk aan het vijfde gedeelte
van den uitwendigen wandomvang. Zij komen aan beide zijden
voor en worden nader in een uit- en imvendigen zijwand onderscheiden.
De drachten of vereenen (les qaartiers; die Trachtenwünde; the
heels)
(PI. XLII fig. 2, c—d) liggen tusschen de zijden en de steun-
selhoeken; ook hier spreekt men van buiten- en binnendrachten.
Deze gedeelten van den hoornwand bieden ten opzichte van
richting, lengte en dikte zekere verschillen aan, die men niet
alleen waarneemt tusschen vóór- en achterhoeven van hetzelfde
paard, maar ook tusschen de uit- en inwendige wandhelft van
denzelfden hoef. Zoo ziet men, wat betreft de richting van den
hoornwand, dat hij aan den toon de grootste helling bezit en
naar de drachten toe langzamerhand de loodlijn nadert; de bui-
tenwand is steeds iets schuiner dan de binnenwand, evenals de
toon der voorhoeven immer een grootere helling vertoont dan
die der achterhoeven.
De hoornwand bezit zoowel aan de voor- als aan de achter-
hoeven ter plaatse van den toon zijn grootste lengte en dikte en
wordt naar de drachten allengs korter en dunner; evenwel blijven
de drachten der achterhoeven steeds iets hooger dan die der voor-
hoeven. De binnenwand is altijd dunner dan de buitenwand.
De steunsels (les barres on arc-boutants; die Eckstreben; the bars)
(PI. XLIII fig. 1, e en fig. 2, c) hebben een zoodanig schuine
-ocr page 543-
517
ligging, dat hun bovenrand naar de iniddeUjjn van den hoef is
gekeerd en hun onderrand den draagrand van den wand nadert;
hierdoor ondeischeidt men aan de steunsels een bovenste, binnen
den hoef gelegen, met hoornplaatjes bekleede vlakte (PI. XI,III fig. 2, e)
en een onderste, vrije vlakte (PI. XLIII hg. 1, e).
De hoorn wand is uit drie lagen samengesteld, waarvan de
buitenste de uitwendige of deklaag (PL XLII lig. 2, a") wordt ge-
noemd. Deze door den vleeschzoom afgescheiden laag bestaat uit
zeer weeken hoorn, die bij langen tijd vochtig gehouden hoeven
sterk opzwelt en wit wordt. Zij wordt onderscheiden in den
hoornzoom {Ie périopU; der Homsaam oder Saumband; the coronary
frog-band ur periople)
(PI. XLII fig. 2, o) en het glazuur; de eerste
is een meer of minder breede, rondom den hoef loopende streep,
wier bovenste gedeelte den krounrand van den hoef vormt. In-
wendig bezit deze een smalle groeve, zoumgroeve genoemd, die van
talrijke gaatjes voorzien is, waarin de vlokken van den vleeschzoom
worden opgenomen. Het overige gedeelte van den hoornzoom be-
dekt de volgende laag van den hoorn wand, vormt van achteren
de Iwornige ballen (les talons; die Homballeii; the heels) (PI. XL11I
tig. 1, fc) en versmelt met het achterste gedeelte van den hoornstraal.
De hoornzoom zet zich naar beneden in een zeer dunne, glan-
zende laag voort, die alle deelen van den wand, met uitzondering
der steunsels, bekleedt en het glazuur wordt genoemd. Deze laag
gaat gewoonlijk geheel of gedeeltelijk verloren door het raspen
van den hoef bij het beslag of door andere uitwendige invloeden.
De middelste laag (PI XLIII fig. 2, d en d\') wordt door de
vleeschkroon voortgebracht en vormt den eigenlijken hoornwand.
Van boven en inwendig bezit zij een groeve, kroongroeve (PI. XLIII
fig. 2, b) genoemd, waarin zeer vele gaatjes zijn, die door de
vlokken der vleeschkroon worden opgevuld. De kroongroeve wordt
naar achteren steeds smaller en slaat zich, terwijl zij haar uit-
holling geheel verliest, nabij de ballen om, loopt tusschen den
hoornstraal en de plaatjes-laag der steunsels naar voren en ver-
dwijnt in de zool.
Deze laag bezit uitwendig dikwijls ondiepe dwarse groeven of
ringen (PI. XLII tig. 2); bij sommige hoefziekten zijn ze veel
duidelijker aanwezig.
De plaatjes- of verbindingslaag (PI. XL111 fig. 2, ƒ) wordt door
den vleeschwand voortgebracht en ligt inwendig van de vorige;
zij bestaat uit een groot aantal evenwijdig naast elkander liggende
hoornplaatjes, die zich van den onderrand der kroongroeve tolde
-ocr page 544-
518
hoornzool uitstrekken. De hoornplaatjes worden tussehen de vleesch*
plaatjes opgenomen; zij beginnen van boven smal, worden lang-
zamerhand breed er en hebben van onderen tussehen zicli talrijke
gaatjes, waarin de vlokken, die zich op de hoornlederhuid tussehen
den vleeschwand en de vleeschzool bevinden (PI. XLI fig. 2, e),
worden opgenomen Deze vlokken brengen een licht gekleurden,
weeken hoorn voort, welke zich met de hoornplaatjes vereenigt
en aldus de verbinding van den hoornwand met de hoornzooi tot
stand brengt. Die vereeniging wordt witte lijn (PI. XLIII fig. 1,
g en fig. 2, h) genoemd.
Evenals de vleeschplaatjes is ook ieder hoornplaatje weder in
kleinere verdeeld, waardoor de vereeniging van beide zeer sterk
is. Deze laag is dan ook als het verbindingsmiddel van den hoorn-
wand met den vleeschwand te beschouwen.
Aan de steunselhoeken slaan de hoornplaatjes zich, juist als de
vleeschplaatjes, naar de middellijn van den hoef om en vormen
het steunselgedeelte van de plaatjes-laag (PI. XLIII fig. 2, f).
2°. De hoornzooi (la sole; die Hornsohle; the horny sole) PI. XLI
fig. 1, p en PI. XLIII fig. 1, f) wordt afgescheiden door de vleesch-
zool en vormt grootendeels de ondervlakte van den hoef. De hoorn-
stof, waaruit zij bestaat, is niet zoo vast als die van den wand;
zij laat zich gemakkelijk snijden en biedt minder weerstand aan
het indringen van vreemde lichamen (nageltred) dan de wandhoorn.
De onderste lagen van de hoornzooi brokkelen steeds in meer of
minder groote schubben of platen af, die soms zoo broos zijn,
dat men ze tussehen de vingers tot poeder kan wrijven. Deze
z.g. doode hoorn wordt ook bij het gereedmaken van den hoef voor
het nieuwe beslag kunstmatig verwijderd.
Men onderscheidt aan de zool een voorste, samenhangend ge-
deelte, het lichaam en de achterste, door een insnijding gescheiden
deelen, de beide armen of takken. Tussehen deze takken worden
de steunsels en de hoornstraal opgenomen.
De boven- of inwendige vlakte (PI. XLIII fig. 2, g) is gewelfd
en bezit vele kleine openingen, waarin de hoornvoortbrengende
vlokken der vleeschzool dringen. De mate van welving dezer
vlakte is niet bij alle hoeven gelijk; bij de achterhoeven is zij in
den regel sterker dan bij de voorhoeven en bij zieke hoeven kan
zij geheel verdwijnen, ja zelfs voor een uitholling plaats maken
(plat- en volhoeven).
De onderste of uitwendige vlakte (PI. XLIII fig. 1, /") is in
dezelfde mate uitgehold als de bovenvlakte gewelfd is.
-ocr page 545-
51Ü
De uitwendige raad is dooi\' middel vau de witte lijn met den
hooinwand verbonden en bezit aan de voorhoeven een ronde en
aan de achterhoeven een ovale gedaante.
üe inwendige rand is slechts van achteren duidelijk van de
steunsels gescheiden; van voren gaat de hoorn der zool in dien
der steunsels over.
De witte lijn bestaat, zooals reeds vroeger werd opgemerkt,
uit naar beneden gegroeide hoornplaatjes, wier tusschenruimten
nu niet meer met vleeschplaatjes worden opgevuld, doch meteen
gele, weeke, eenigszins doorschijnende hoornstof, die voortge-
bracht wordt door de vlokken, welke zich op de hoornledeihuid
tusschen den vleeschwand en de vleeschzool bevinden. De witte
lijn duidt de dikte van den wand aan. Een scheiding van den
hooinwand en de hoornzooi in de witte lijn wordt een losse wand
genoemd.
3". De hoornstraal (la fourchette; der Hornstrahl; thehorny frog)
(PI. XLI lig. 1, q en PI. XLIII lig. 1, h) wordt door den
vleeschstraal afgescheiden. Hij bestaat uit een weeke, doch zeer
elastische hoornstof, die niet als de zoolhoorn in het gebruik af-
brokkelt, doch in meer of minder groote, samenhangende stuk-
ken loslaat.
De bovenste of inwendige vlakte van den hoornstraal (Dl. XLIII
lig. 2, k) vormt een nauwkeurigen afdruk van den vleeschstraal,
en dus van het straalkussen. Zij bezit een langwerpige, aan haar
voorste gedeelte in een punt uitloopende verdieping, die door
twee zij vlakten begrensd en naar achteren, door een zich in
het midden verheffend uitsteeksel, in twee gelijke deel en
(bovenste straalgroeven) gescheiden wordt. Dit uitsteeksel, hanekam
(PI. XLI flg. 1, »• en PI. XLIII lig. 1, l) genoemd, staat met de
achterste breede gedeelten van den hoornzoom, de hoornballen,
in verbinding
De geheele vlakte is van lijne openingen voorzien, waarin de
vlokken van den vleeschstraal worden opgenomen.
De onderste of uitwendige vlakte (PI. XLIII fig. 1, h) ligt bij een
normalen hoef in een horizontaal vlak met den draagrand van den
wand. Men onderscheidt daaraan een achterste, eenigszins breed
gedeelte, het lichaam genoemd, dat, naar voren steeds smaller
wordende, eindelijk in een punt uitloopt.
Het lichaam wordt door een in het midden aanwezige groeve,
de middelste straalgroeve, in de beide schenkels verdeeld. Deze
schenkels gaan naar achteren in de hoornballen over, waardoor
-ocr page 546-
.VJU
de hoorn van don straal zich steeds met de, aan de draclitwanden
zeer sterke deklaag van den wand verbindt.
De beide zijvlakteu van den straal zijn vanboven (.d. i- inwendig)
niet de steunsels en de zool vereenigd; van onderen zijn zij vrij
en door de zijddiujsche straalgroeven van de onderste vlakte der
steunsels gescheiden.
-ocr page 547-
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE VERRICHTINGEN VANDEN HOEF.
§ \'205. De samenstelling van den hoorn.
Wanneer men verschillende doorsneden van de hoornige deelen
van den hoef, bij een slechts matige (25—50 maal) vergrooting,
onder den microscoop beschouwt, zal men waarnemen, dat alle
hoorn, met uitzondering der hoornplaatjes, bestaat uit een on-
telbare hoeveelheid z.g. hoornpijpjes, die door middel van een vaste
hoornstof met elkander zijn verbonden. De eerste zijn donker
gekleurde buisjes, die evenwijdig aan elkander, schuin van boven
en achteren naar beneden en voren loopen en uf geheel ledig óf
met cellen gevuld zijn. De laatste, tasschenhoomstof genoemd, is
lichter van kleur en vereenigt de hoornpijpjes tot één vast geheel.
Bij een sterker vergrooting (200—300 maal) neemt men waar,
dat zoowel de hoornpijpjes als de tusschenhoornstof en ook de
hoornplaatjes uit nagenoeg gelijkvormige cellen, de hoorncellen,
zijn samengesteld. De jonge, nog niet verhoornde cellen zijn rond-
achtig en week; naarmate zij meer van de vormplaats verwijderd
zijn, drogen zij meer uit en worden harder, platter en hoekiger.
In het algemeen liggen de cellen der hoornpijpjes met haar
overlangsche afmeting in de lengte-richting dezer pijpjes; die der
tusschenhoornstof daarentegen met haar overlangsche afmeting
dwars, zoodanig, dat de eerste en de laatste meer of minder
groote hoeken met elkander vormen. Dij den taaien hoorn van
den straal zijn deze hoeken nagenoeg recht, terwijl bij den lossen,
steeds afbrokkelenden zooihoorn de pijpjes-cellen met haar over-
langsche afmeting hoofdzakelijk dwars zijn gelegen.
In en tusschen de hoorncellen komen kleine, bruine ofzwarte
korreltjes, pigment-moleculen, voor, die de kleur der hoeven ver-
oorzaken. Deze kan geelachtig, grauw, zwart of ook gestreept
zijn; het laatste, indien de huid onmiddellijk boven de hoeven
-ocr page 548-
JVJ\'i
ten deele niet gepignienteerd, dus van altoekeningen voorzien is.
De kleur oefent geen of slechts een onbeduidenden invloed uit
op de deugdzaamheid van den hoorn.
Steeds wordt ook vet in den hoorn aangetroffen, hetgeen te
danken is aan de vervetting der niet verhoornde cellen, welke
steeds in de hoornpijpjes worden aangetroffen.
§ 20ö. De ghoei van den uoef.
De hoef groeit van boven naar beneden en steeds gelijkmatig
aan alle deelen van denzelfden hooinwand. Bij velschillende paar-
den is de wasdom van den laatsten echter zeer uiteenloopend,
zonder dat men hiervoor steeds een juiste reden weet aan te
geven. De gemiddelde tijd voor het naar beneden groeien van
den hoorn van den kroonrand tot den draagrand is: voor den
toon 9—11 maanden, voor de kwartieren 5—G maanden en voor
de drachten 3—4 maanden. In het algemeen groeien onbeslagen
hoeven sneller dan beslagene en achterhoeven sneller dan voor-
hoeven; bij hengsten groeit de hoornwand iets langzamer dan bij
ruinen en merrién.
De hoorn van de zool en den straal groeit sterker dan die
van den wand, vooral wanneer de straal met den bodem in aan-
raking komt.
De hoorngroei wordt bevorderd door regelmatig besnijden van
den wand, door veel beweging op een geschikten bodem en door zacht
houden van den hoorn; hij wordt daarentegen belemmerd door
slecht beslag, rust of beweging op harden bodem en in mul, in
den zomer heet zand, en door een gebrekkigen stand, waarbij de
hoef ongelijkmatig of te weinig wordt belast.
De hoorn wordt, evenals alle andere deelen van het lichaam,
door tusschenkomst der cellen uit het bloed gevormd; het onbruik"
baar gewordene keert echter niet, zooals bij de beenderen, spie-
ren, enz. het geval is, in het bloed terug, doch gaat verloren.
In den hoorn heeft dus geen eigenlijke voeding, geen stofwisseling
plaats; deze groeit door aanzetting van boven uit.
Alle deelen der hoornlederhuid, als vlokken, vleeschplaatjes en
de ruimten tusschen deze deelen gelegen, scheiden aan hun opper -
vlakte hoorncellen af; deze worden door de nieuw daaronder ge-
vormde cel-lagen steeds naar buiten gedrongen, verharden meer en
meer en nemen den vorm aan van het orgaangedeelte, datzevoort-
bracht. Zoo zullen de lagen van hoorncellen aan de oppervlakte
-ocr page 549-
523
van oen vlukje afgescheiden. steeds een buisvormige gedaante
verkrijgen en aldus hoornpijpjes vormen. Deze nu werden zeer vast
met elkander vereenigd door de hoorncellen, welke de hoorn-
lederhuid tusschen de vlokjes voortbrengt en die onder den naam
van tuischenhoornstof bekend zijn.
Op deze wijze heeft de vorming van den wand-, zool- en Straal*
hoorn en tevens een innige vereeniging daarvan met de hoorn-
lederhuid plaats.
De aan de oppervlakten der vleeschplaaljes afgescheiden lagen
van hoorncellen vormen de hoomplaatje*. Tusschen twee vleesch*
plaatjes ontwikkelt zich slechts één hoornplaatje, daar de cellen,
die door de beide naar elkander gekeerde vlakten van twee vleesch-
plaatjes worden voortgebracht, steeds tot één geheel samensmelten.
De hoornplaatjes vereenigen zich zeer innig met de middelste
laag van den hoornwand. Voornamelijk wordt deze verbinding
teweeggebracht door het in elkander vloeien der vlokjes en vleesch*
plaatjes nabij den overgang van de vleeschkroon in den vleesch-
wand. Voor een gering gedeelte diagen echter de vleeschplaaljes
ook bij tot vorming der middelste laag zelve, daar aan den
top van ieder vleeschplaatje hoorncellen worden gevormd, die
in de ruimte tusschen twee hoornplaatjes worden afgezet.
Deze laatste groeien met de middelste laag van den hoornwand
naar beneden; nabij de hoornzooi gekomen, bevatten de hoorn-
plaatjes geen vleeschplaatjes meer tusschen zich, doch worden die
ruimten opgevuld met hoornpijpjes en tusschenhoornstof, voortge-
bracht door de met vlokken bedekte hoornlederhuid, welke aan
den overgang van den vleeschwand in de vleeschzool aanwezig is.
Dit verbindingsmiddel van hoornwand en hoornzooi hebben wij
reeds onder den naam van witte lijn leeren kennen.
§ 207. De mechanische verrichtingen van üen hoef.
Onder den naam van hoefmeehanismus verstaat men de veran-
deringen, die de hoef ondergaat, naarmate daarop een grooter of
kleiner deel van het lichaamsgewicht komt te rusten.
Vooral in den nieuweren tijd zijn daaromtrent uitgebreide
onderzoekingen ingesteld. Dat de hoef zich bij beweging van het
paard afwisselend uitzet en samentrekt, was reeds lang bekend en
aan geen twijfel onderhevig. Minder eensgezind was men, en is
men ten deele nog, over de wijze waarop, en den tijd wanneer,
de grootste uitzeiting van den hoef tot stand komt. Voor een groot
-ocr page 550-
524
deel vloeide de tegenspraak daaruit voort, dat enkelen tot dit
doel doode, kunstmatig belaste hoeven, anderen daarentegen levende
hoeven in rust en weer anderen deze in beweging onderzochten.
In dit laatste geval is namelijk de uitzetting belangrijk grooter
dan in het eerste en ook overigens daarvan in menig opzicht
velschillend.
In het kort samengevat, zijn de veranderingen, welke de hoef
tijdens zijn belasting ondergaat, de volgende.
Zoodra bij beweging een hoef op den bodem komt, en dus de
last op het been valt, hebben kroon - en hoef been neiging om in den
hoornigen koker naar beneden te zakken en dus op de hoornzooi te
diukken. Dit wordt evenwel belemmerd door de vleeschplaatjes,
welke zeer weinig elastisch zijn. Deze laten zich echter gemakkelijk
naar ter zijde ombuigen, evenals men dit met de bladen van een boek
kan doen. Het gevolg daarvan is, dat naarmate het lichaam meer
over het vaststaande voorheen heen wordt bewogen en dus het kroon*
been meer op het achterste gedeelte van het hoef been en op het
straalbeen gaat drukken, ook een sterker naar beneden en achteren
zakken van hoef- en straalbeen tot stand komt. Het meest heeft
dit dus plaats op het oogenblik, dat het been den lichaamslast
voortduwt, alzoo juist vóór het weder oplichten van het lidmaat.
Is dit geschied, dan nemen de beenderen van den hoef hun vorige
plaats weder in. De aan het hoef been bevestigde zijdelingsche
kraakbeenderen maken natuurlijk de bewegingen van dit been mede.
Hieruit volgt dus, dat het hoef been met de zijdelingsche kraak-
beenderen en het straalbeen binnen den hoornigen koker een
draaiende beweging uitvoeren om de punt van het hoef been.
Bij deze achter- en benedenwaartsche beweging der genoemde
deelen oefenen de vleeschplaatjes een trekking uit op den hoorn-
wand. Het gevolg daarvan is, dat de elastische hoornwand deze
beweging mede maakt en dus op het oogenblik der sterkste be-
lasting, m. a. w. in de laatste periode van het steunen, als het
ware van boven en voren naar beneden en achteren wordt samen-
gedrukt. De kroonrand wordt hierbij naar achteren geschoven en
nadert tevens den draagrand; de hoef neemt dus in hoogte af.
Evenredig aan de vermindering der elasticiteit van den kroonrand
naar den draagrand, neemt ook de beweging van den toonwand
van boven naar beneden af, zoodat deze aan den toon-draagrand
nauwelijks meer merkbaar is.
De hoornpijpjes dei\' zijwanden, die bij den onbelasten hoef recht
zij u, worden door deze voorachterwaartsehe verschuiving gekromd
-ocr page 551-
525
ën als een gespannen boog samengedrukt, waardoor die wanden
in een hoogen graad van elastische spanning geraken. Ze wijken
daardoor naar buiten uit, terwijl de drachtwanden gelieel de be-
weging van het hoef been en de zijdelingsche kraakbeenderen volgen.
Hieruit vloeit voort, dat een vermindering in hoogte van den hoef
gepaard gaat met een toenemen van zijn dwarse afmeting. Zoowel
aan den kroon- als aan den draagrand van den zijwand verwijdt
de hoef zich zooveel, dat de ruimte, welke door de vermindering
van hoogte verloren is gegaan, wordt teruggewonnen.
Dat de drachtwanden naar terzijde uitwijken, is licht verklaar-
baar, wanneer men bedenkt, dat hoef- en straalbeen. bij hun
beweging naar achteren en beneden, een afplatting van het ach-
terste gewelfde gedeelte der bodemvlakte van den hoef doen ont-
staan. Deze beenderen namelijk persen den celligen straal in de
inwendige groeven van den hoornstiaal; oefent de bodem nu
daarop een tegendrukking uit. m. a. w. komt de straal met den
grond in aanraking, dan zal hij, evenredig met de afplatting, in
breedte toenemen en de drachtwanden zijdelings doen uitwijken.
Komen de schenkels van den straal echter niet op den bodem,
dan zakt het achterste gedeelte der zoolvlakte van den hoef naar
beneden door en de drachtwanden worden dus nauwelijks naar
buiten gedrongen. De steunsels hebben door hun ligging in den
hoef een neiging om elkander te naderen, zoodra zij door hoef- en
straalbeen sterk naar beneden worden gedrukt. De tusschen hen
gelegen straal verhindert dit echter, en alweer te meer, hoe
krachtiger deze ontwikkeld is en naarmate zijn schenkels meer
met den grond in aanraking komen. Hieruit blijkt dus, dat bij
een gebrekkigen straal niet alleen het verwijden belemmerd, maar
zelfs de vernauwing van het achterste gedeelte van den hoef
bevorderd wordt. Dat het beslag in dit opzicht een belangrijke
factor kan zijn, zal later worden aangetoond.
De gelijktijdige afplatting der zool bleef tot nu toe buiten be-
schouwing; de laatste zakt het sterkst door aan haar takken,
namelijk ongeveer 2\'/j mM., de helft daarvan aan de punt van
den straal en volstrekt niet nabij de witte lijn. Door den vorm der zool,
in het bijzonder van haar takken, heeft die afplatting eenigszins een
vernauwing van den hoornwand ten gevolge. De elkander naderende
zooltakken oefenen een trekking uit op de witte lijn, zoodat deze
in de laatste periode van het steunen een weinig verbreedt.
De zijdelingsche kraakbeenderen worden door den celligen
straal en het ondereinde van het kroonbeen naar buiten gedrukt
-ocr page 552-
me>
on verwijden aldus den kroonranri van den drachtwand. Den
draagrand hiervan kunnen zij niet uitzetten; kan een slecht ont-
wikkelde straal, zooals bij den klemhoef, dit evenmin, dan gebeurt
het, dat de kroonrand der drachten zich behoorlijk verwijdt, hun
draagrand daarentegen niet of slechts zeer weinig.
liet achterste gedeelte van den hoef zet zich dus bij de sterkste
belasting, d. i. in de tweede periode van het steunen, naar ter
zijde uit, terwijl tevens de geheele wand van voren en boven naar
achteren en beneden wordt gebogen en samengeperst. Hierdoor
wordt de draagrand van den verzenwand naar voren geschoven.
Zoodra de hoef van den bodem is opgelicht, neemt hij zijn vorige
gedaante weder aan. Daardoor laat zich, bij beslagen paarden,
de blank geschuurde plaats op de bovenvlakte van de kalkoen-
einden der ijzers verklaren; wijl de voor-achterwaartschebeweging
krachtiger geschiedt dan de zijdelingsche. moet deze blanke plaats
ook steeds eenigermate lijnvormig zijn uitgesleten.
Het hoefmechanismus heeft een veelzijdig nut. Daar de hoef-
beenbuiger in de laatste periode van het steunen tot het uiterste
gespannen wordt, moet het hoefbeen eindelijk aan deze trekking
gevolg geven en ontstaat aldus de eerste aanstoot tot buiging van
het hoefgewricht. Hoe krachtiger deze pees wordt gespannen, des
te sneller wordt dus de hoef opgelicht en kan hij weer neerkomen.
Is zijn mechanismus echter verminderd, dan zal ook het afzetten
zwak en eerst laat plaats hebben.
Door het afwisselend samentrekken en uitzetten van den hoef
wordt zijn bloedsomloop zeer bevorderd. Bij elke vernauwing
wordt het adeiTyk bloed uit den hoef gedreven en kan daarin,
door de in de aderen aanwezige kleppen, niet terugkeeren. Bij
iedere uitzetting echter kan het slagaderlijk bloed gemakkelijk in
den hoef vloeien. Vandaar ook, dat beweging (der hoeven, en
dus tevens van het geheele paard) zulk een belangrijken invloed
uitoefent op den hoorngroei.
Eindelijk bevordert het hoefmechanismus een nauwkeuriger en
uitgebreider aanraking van den hoef met den bodem en belemmert
dus het uitglijden daarvan naar achteren bij het voorwaartsschuiven
van den last.
-ocr page 553-
TWEEDE AFDEELING.
HET HOEFBESLAG.
DERDE HOOFDSTUK.
Het beslag van gezonde hoeven
§ 208.
Daar de afslijting van den dreagrand van den wand bij het
gebruik der paarden op een harden bodem grooter is dan de
groei, moet hij kunstmatig worden beschut. Dit geschiedt door
het beslag. Om dus aan het doel te beantwoorden, moet het
hoefijzer {Ie f er; das llufelsen; the shoc) niet anders zijn dan een
kunstmatige draagrand. Een gelijkmatige beschutting van de ge-
heele bodemvlakte van den hoef zou. vooral voor zijn mechanis-
mus, nadeelig zijn.
§ 209. Eigenschappen van goede hoefijzers.
Bij de beoordeeling van een hoefijzer (PI. XL IV fig. 1, 2 en 3)
komen in aanmerking: vorm, breedte, dikte, vlakten, randen,
nagelgaten, lip en somtijds ook kalkoenen en stooten.
1°. Vorm. Een hoefijzer moet denzelfden vorm hebben als de
draagrand van den hoef, waarvoor het bestemd is; men moet alzoo
duideljjk een voor- van een achterijzer en een rechter van een
linker ijzer kunnen onderscheiden (PI XLIV fig. 1 en 3).
2°. Breedte. Het ijzer (PI. XLIV fig. 1 en 2) moet broeder
zijn dan de draagrand van den wand, opdat de nagelgaten op de
behoorlijke plaats kunnen worden aangebracht en de dracht-
wanden, bij hun zijdelingsche bewegingen, steeds een steun op
het ijzer vinden. Men geeft daarom aan dit laatste een breedte,
-ocr page 554-
528
gelijk aan de dubbele dikte van den draagrand plus de witte lijn.
Hierdoor wordt liet aan den toon iets breeder dan aan de beide
takken en zullen ijzers voor groote hoeven steeds breeder worden
dan die voor kleine.
Zijn de ijzers breeder, dan worden zij te zwaar en verhinderen
zij den straal met den bodem in aanraking te komen of zich
daarop zijdelings uit te zetten. De zool behoeft niet door het
ijzer te worden beschut; wanneer deze niet opzettelijk wordt ver-
dund, oefenen steentjes en andere, gewoonlijk op de wegen voor-
komende zaken, daarop geen nadeeligen invloed uit. Het intrap-
pen van spijkers en dergelijke kan zelfs niet door zeer breede
ijzers worden voorkomen.
Zijn zij belangrijk smaller dan de opgegeven maat, dan bezit
de draagrandvlakte in den regel niet de gewenschte breedte, doch
wat erger is, de kalkoeneinden worden dan, met het oog op de
zijdelingschc bewegingen der drachtwanden, te smal. In het al-
gemeen schaadt een geringere breedte minder aan het toongedeelto
dan aan de uiteinden der takken.
3". Dikte. Deze regelt men tot zekere hoogte naar het meer
of minder spoedig versleten zijn der ijzers; zij kan dus niet voor
elk geval gelijk zijn. In het algemeen wenscht men, dat een ijzer
4—ü weken zal kunnen blijven liggen. Wij komen hierop later
terug.
Regel is, dat elk ijzer overal dezelfde dikte moet bezitten;
alleen onder bijzondere, later te vermelden omstandigheden wordt
hiervan afgeweken.
4°. Vlakten (faces; Flüchen; surfaces) en randen (bords ou
rives; Rander; margins).
Men onderscheidt aan de bovenste, naar
den hoef gekeerde vlakte een draagrand- en een af hellende vlakte.
De draagrandvlakte (PI. XLIV lig. 2, a) is het gedeelte van
het hoelijzer, dat, bij den beslagen hoef, den draagrand van den
wand onmiddellijk aanraakt. Deze vlakte moet glad en effen zijn
en zoo breed , dat zij den draagrand, de witte lijn en een smal
gedeelte van den omtrek der zool bedekt. Aan de laatste nagel-
gaten moet de draagrandvlakte zich, met het oog op de beweging
der drachtwanden, langzamerhand verbreeden en vóór de uit-
einden der takken de geheele breedte van het ijzer innemen.
De af hellende vlakte (PI. XLIV fig. 2, b) strekt zich van de
draagrandvlakte tot den binnenrand van het ijzer uit. De meer-
dere of mindere afhelling wordt geregeld naar het resp. minder
of meer uitgehold zijn der zool. Zij is bij een vlakke zool noodig
-ocr page 555-
529
om het doorzakken daarvan, in haar achterste gedeelte, niet dooi\'
het ijzer te belemmeren en tevens om zooikneuzingen te voorkomen.
IJzers, waarvan de geheele bovenvlakte naar binnen af helt,
zijn slecht. De draagrand van den hoef wordt dan telkens langs
dit hellend vlak naar binnen gedrongen, waardoor de hoef zich
allengs meer kan vernauwen.
De ondervlakte van het ijzer (PI. XLIV fig. 1) moet volkomen
vlak en effen zijn en een diepe, breede, van de toonnagelgaten
naar de uiteinden der takken loopende groeve, rits (rainure; Falz;
fullering or groové)
genoemd, bezitten, waarin de nagelgaten wor-
den aangebracht. De rits moet een diepte hebben gelijk aan drie
vierden der ijzerdikte, opdat de wigvormige nagelkoppen daarin
grootendeels opgenomen en voor te vroege afslijting beschut wor-
den. De beide wanden moeten een gelijke helling bezitten; hier-
door kunnen de nagels gemakkelijker in de gewenschte richting
worden ingedreven. Zulk een rits helpt het uitglijden, zooveel
mogelijk, voorkomen en verzwakt het ijzer volstrekt niet. Dit
geschiedde veel meer door de vroeger gebruikelijke groote, scherp
vierkantige, z.g. Fransche nagelgaten; ijzers daarmede voorzien
braken gemakkelijker dan de geritste.
Soms holt men de ondervlakte van het ijzer uit, ten einde het
glijden te voorkomen. De paarden loopen dan namelijk op twee
meer of minder scherpe randen. Blijven deze daarbij horizontaal
dan behoudt het paard een goeden steun op den bodem. Zeer
nadeelig echter is het voor het hoefmechanismus, wanneer het ijzer
zoodanig is omgebogen, dat het binnengedeelte der ondervlakte
het eerst op den grond komt en het buitengedeelte daarvan meer
of minder verwijderd blijft.
De uitwendige rand van het ijzer moet van onderen schuin
naar binnen loopen; hierdoor vermindert men, wat den binnentak
betreft, de kans tot strijken.
De inwendige rand moet glad en effen zijn.
5°. Nagelgaten (étampures; Nagellöcher; nail-holes) (PI. XLIV
fig. 1). Deze moeten zoodanig gevormd zijn, dat het onderste
gedeelte der nagelkoppen daarin geheel wordt opgenomen; zij
moeten dus in een diepe rits worden aangebracht en nauwkeurig
den vorm dier koppen bezitten. Hierdoor verslijten deze te gelijk
met het ijzer en bevestigen de nagels dus het ijzer zoo lang
mogelijk aan den hoef.
Hoe minder nagels men hiertoe noodig heeft, des te beter,
daar de door den hoornwand gedreven nagels onvermijdelijk het
34
-ocr page 556-
530
hoefmechanismus belemmeren en bovendien den wandhoorn brok-
kelig kunnen maken en verzwakken. Toch is een solide bevestiging
van het ijzer noodzakelijk. Men zal dus voor lichte paarden met
dito gang en ijzers minder nagels behoeven dan onder de tegen-
overgestelde omstandigheden. De ervaring nu heeft geleerd, dat
goed passende ijzers, bij lichte rijpaarden, door vijf nagels vol-
doende worden bevestigd, terwijl daartoe bij zware paarden zeven
tot acht nagels noodig zijn. In het eerste geval brengt men in
het ijzer zes nagelgaten aan, in het laatste acht; het is namelijk
goed, dat eenig nagelgat ter beschikking blijve, voor het geval,
dat een of andere nagel niet goed ware in te slaan.
Ten einde het hoefmechanismus zoo weinig mogelijk te belem-
meren, moeten de nagelgaten hoofdzakelijk in de voorste helft van
het ijzer worden aangebracht en zoodanig verdeeld zijn, dat het
laatste nagelgat aan den buitentak of -arm 0,5—1 cM. over het
midden en aan den binnentak juist op het midden van het ijzer
komt (PI. XLIV fig. 2). Bij achterijzers verdeelt men de nagel-
gaten dikwijls over de voorste twee derde gedeelten (PI. XLH
fig. 3); dit veroorzaakt weinig nadeel, omdat de zijwand dei-
achterhoeven dikker is dan die der voorhoeven, doch vooral, omdat
het hoefmechanismus der eerste, om andere redenen, minder
wordt belemmerd dan dat der laatste. Het geschiedt om het losraken
der ijzers op zwaren bodem te voorkomen en is dus vooral voor
militaire paarden in oorlogstijd van belang. Juist dan behoeft er,
door de vele beweging der paarden, geen vrees voor vernauwing der
hoeven te bestaan. Geheel iets anders is het natuurlijk in vredestijd,
wanneer de paarden van de 24 uur minstens 20 in rust verkeeren.
Het meest naar voren geplaatste nagelgat in eiken tak heet toon-
nagelgat,
daarop volgt het eerste kwartiemagelgat, dan het tweede
kwartiernagelgat
en wanneer er zich vier nagelgaten in een yzertak
bevinden, wordt dit vierde het dracht\' of verzennagelgat genoemd.
Naarmate deze zich in den binnen- of buitentak bevinden, spreekt
men verder van binnen- of buitentoonnagelgat, enz.
De nagelgaten moeten zoodanig door het ijzer geslagen, z.g. gestampt
zijn, dat zij dezelfde richting bezitten als het overeenkomstig wand-
gedeelte. De toonnagelgaten moeten dus eenigermate schuin naar
binnen zijn gestampt, terwijl de opvolgende allengs minder schuin door
het ijzer moeten gaan, zóó, dat de drachtnagelgaten verticaal zijn.
Zij moeten, als het ijzer onder den hoef wordt gepast, op de
witte lijn komen; bevinden zij zich aan de buitenzijde daarvan,
dan noemt men ze te mager, in het omgekeerde geval te vet gestampt.
-ocr page 557-
531
6". Een lip (uu pinqon; eine Kappe oder Aufzug; n clip) noemt
men een klein, bladvormig uitstekend gedeelte aan den boven-
buitenrand van het ijzer. Gewoonlijk komt deze alleen in het
midden van den toon, soms echter ook elders voor. Daarnaar
onderscheidt men toon-, zy- en drachtlippen. Zij dienen om het
verschuiven van het ijzer onder den hoef tegen te gaan en onder-
steunen dus de nagels.
Wanneer een paard zijn hoeven regelmatig neerzet, is slechts
één lip, de toonlip, noodig; geschiedt het neerzetten echter zoo-
danig, dat de eene ijzertak later op den grond komt dan de
andere, dan brengt men ook aan de, het eerst den bodem rakende
zijde een lip aan. Men voorkomt daardoor het verschuiven van
het ijzer naar de laatst neerkomende zijde, waartoe groote neiging
bestaat. Steeds bedenke men echter, dat vele en vooral ver naar
achteren gelegen lippen voor het hoefmechanismus schadelijk zijn.
De hoogte eener lip moet gelijk zijn aan de dikte van het ijzer;
haar breedte aan de basis moet de dubbele afmeting bezitten. Zij
moet van boven afgerond en zoo buigzaam zijn, dat zij zich ge-
makkelijk tegen den wand laat aanslaan.
7°. Kalkoenen (crampons Stollen; calkins) noemt men de recht-
hoekig naar beneden gebogen uiteinden van een ijzer (PI. XLIV
fig. 3, b). Zij mogen niet hooger zijn dan het ijzer dik is, moeten
een vierkanten vorm hebben en eenigszins spits toeloopen. Ge-
woonlijk plat men hun binnen-bovenhoek sterk af, ten einde het
uitzetten van den straal niet te belemmeren.
Door de kalkoenen wordt het achterste gedeelte van den hoef
van den bodem verwijderd, zoodat de straal daarmede niet in
aanraking komt; deze kan hierdoor niet medewerken tot een
normaal hoefmechanismus, doch zal, in plaats van zich telkens
in de breedte uit te zelten en alzoo de drachten te verwijden,
naar beneden buigen en dus eer tot vernauwing van de onder-
einden der drachtwanden aanleiding geven. Reeds door het beslag
zonder kalkoenen wordt deze functie van den straal belemmerd;
hoeveel te meer echter zal dit geschieden, indien zij aanwezig
zijn. Bovendien gaat hierdoor de natuurlijke stand en de gel\'y\'k-
matige verdeeling van den lichaamslast over den hoef verloren. De
toon krijgt meer te dragen en de buigspieren van het been, welke niet
meer normaal worden gespannen, trekken zich allengs samen en ver-
oorzaken, meer of minder, een bokbeenigen en steil gekooten stand.
Ondanks dit alles worden de kalkoenijzers nog veel gebruikt;
men meent namelijk, dat zy noodig zijn om het uitglijden der
-ocr page 558-
53:2
paarden op kunst wegen Ie voorkomen. Daarbij komt, dat men
het nadeel er van niet inziet en het spoedig z.g. versleten zijn der
beenen aan andere oorzaken dan het beslag toeschrijft. Ofanders
wijst men bijv. op landbouwpaarden, die , niettegenstaande het
beslag met kalkoenen, z.g. nieuw in hun beenen zijn gebleven en
dikwijls noimale, soms zelfs zeer wijde hoeven hebben. Men ver-
geet dan echter, dat deze meestal in stap, op zachten bodem
worden gebruikt, zoodat de straal toch met den grond in aan-
raking komt en bovendien, dat niet elke schadelijke inwerking op
het dierlijk lichaam in staat is onmiddellijk ziekte te verwekken.
De kalkoenen zijn dus een kwaad en slechts in enkele gevallen
een noodzakelijk kwaad. Men overschat hun werking als voorbe-
hoedmiddel tegen het uitglijden. Dit kan door geenerlei beslag
volkomen worden belet. Kalkoenen kunnen dit eenigermate, zoo-
lang ze nieuw zijn; zijn ze echter, zooals meestal reeds binnen
veertien dagen het geval is, tot kleine stompen afgesleten, dan
zullen zij het uitglijden eer bevorderen dan tegengaan. Bovendien
zal de straal, die niet normaal kan functionneeren, zoodanig in
omvang zijn afgenomen, dat hij niet meer met den grond in aan-
raking komt; men mist dus ook dit uitstekend middel tegen het
uitglijden der paarden.
Het gebruik der kalkoenen dient derhalve zooveel mogelijk te
worden beperkt. Zij schaden aan de achterhoeven in het algemeen
minder dan aan de voorhoeven, daar de nadeelen aan eerstge-
noemde, door andere invloeden, lichter worden opgeheven. Daarbij
komt dat hun nut eer te verdedigen is aan de achterhoeven dan
aan de voorhoeven; immers, men kan doen gelden, dat zij bij
het afduwen van den romp , in de laatste periode van het steunen,
behulpzaam zijn, om den hoef een vasten stand op den bodem te
verzekeren. Intusschen plaatsen de trekpaarden bij zwaar aan-
leggen hun achterhoeven op den toon, zoodat de kalkoenen toch
niet met den bodem in aanraking komen. De voorbeenen, welke
den lichaamslast meer helpen dragen dan voortbewegen, zijn daar-
door van nature minder aan uitglijden blootgesteld.
8°. Een stoot {un crampon de la pince ou une grappe; ein Griff:
a toe-catch)
(PI. XLIV fig. 3, a) noemt men een, in het toon-
gedeelte van het ijzer aangebrachte verhevenheid , in den vorm
van een kalkoen. Deze wordt nagenoeg alleen bij zware trek-
paarden in groote steden gebruikt, om nog meer een vasten stand
te verzekeren dan enkel door kalkoenen te bereiken is. Het
paard staat dan op drie uitstekende gedeelten, die telkens tusschen
-ocr page 559-
533
de steenen een plaats moeten zoeken. De hoef blijft dus niet
staan, zooals hij wordt neergezet, doch glijdt totdat genoemde
steun is gevonden. Dat hierdoor de beenen lijden, behoeft geen
betoog.
Door een stoot en kalkoenen wordt wel is waar de lichaamslast
regelmatiger over den hoef verdeeld dan wanneer het ijzer enkel
van kalkoenen voorzien is, doch de hoef blijft nu volkomen van
den bodem verwijderd, waardoor zijn mechanismus schade lijdt.
Dit is te erger, naarmate de hoogte van stoot en kalkoenen de
dikte van het ijzer meer overtreft. Van groot belang is het te
zorgen, dat stoot en kalkoenen een gelijke hoogte bezitten.
Voor paarden, die zich snel moeten bewegen, zijn stootijzers
volkomen ongeschikt, daar ze te diep in den bodem dringen; zij
zouden daarmede dan ook veel vroeger in hun beenen versleten
zijn dan dit met langzaam stappende paarden het geval is.
Bij onze militaire paarden worden geen stooten gebruikt.
§ 210. Bepalingen omtrent het beslag van
militaire paarden.
Bij besluit van den Minister van Oorlog van 2 November 188(5,
afdeeling, n°. 42, is met intrekking van vroegere beschikkin-
gen het volgende vastgesteld :
Voorschrift nopens het hoef beslag.
A.
Het y z e r.
1°. Het ijzer moet als een kunstmatige draagrand worden
beschouwd. Het behoort dan ook nauwkeurig naar het beloop van
dezen te worden gesmeed, doch twee a drie millimeter langer te zijn.
De uiteinden der ijzers moeten dicht tegen den straal aanliggen,
maar dezen niet aanraken. Tot dat einde kan men de uiteinden
der takken aan den binnenkant schuin wegnemen.
De voor- en achterijzers der paarden bij de korpsen artillerie
worden van kalkoenen voorzien.
(De laatste alinea is bij besluit van den Minister van
Oorlog van 27 October 1887, Hd8 afdeeling, n°. 26, vervallen,
zoodat ook bij de paarden van die korpsen ijzers zonder kalkoenen
worden gebezigd; alleen in bijzondere gevallen, nadat het ge-
voelen van den betrokken paardenarts is ingewonnen, mogen ze
volgens die beschikking worden gebruikt.)
-ocr page 560-
534
2°. De wijdte van het ijzer moet in den toon en het zijgedeelte
volkomen met den hoef overeenkomen, en voor de uitzetting van
den voet naar achteren toe iets wijder zijn.
3°. De breedte van het ijzer hangt af van de dikte van den
hoornwand aan den toon. Men kan als regel stellen dat het ijzer
niet breeder mag zijn dan tweemaal bedoelde dikte.
4°. Aan het ijzer moet zoodanige dikte worden gegeven dat
het beslag eerst na vijf a zes weken zal behoeven te worden ver-
nieuwd.
5°. Aan de bovenvlakte van het ijzer onderscheidt men een
draagvlakte en een afhellende vlakte.
De draagvlakte moet zoo breed zijn, dat zij den draagrand van
den hoornwand en nog \'2 millimeter van de hoornzooi bedekt;
verder mag het ijzer niet met de zool in aanraking komen. De
afhellende vlakte behoort van de draagvlakte duidelijk afgescheiden
te zijn.
6°. Het ijzer heeft aan de ondervlakte een rits, twee derde
gedeelte van de geheele ijzerdikte diep, waarin zes nagelgaten
worden aangebracht: drie in den buiten- en drie in den binnentak.
Deze rits zal, zoowel bij het voor- als bij het achterijzer, in den
toon niet doorloopen en een weinig vóór de uiteinden der takken
eindigen.
7°. In den regel worden bij het voorijzer slechts vijf nagels
ingeslagen, drie in den buiten- en twee in den binnentak. Daar-
door blijft een nagelgat beschikbaar, voor het geval een der nagels
niet goed mocht kunnen worden ingeslagen. De afstand der toon-
nagelgaten moet bij het voorijzer anderhalfmaal, bij het achterijzer
tweemaal de breedte van het ijzer bedragen.
Aan den buitentak moet het laatste nagelgat op het midden,
doch aan den binnentak een halven centimeter meer naar den toon
aangebracht worden.
8°. De buitenrand van het ijzer wordt naar de rits toe eenigs-
zins rond bijgewerkt en heeft in het midden een kleine verdikking
tot het maken van de lip, die dun, glad en zoo buigzaam moet
zijn, dat zij zich goed tegen den wand laat aanslaan.
9°. De opzet, dien men aan het ijzer geeft, begint gewoonlijk
aan het eerste zijnagelgat, en wordt in het algemeen geregeld
naar den opzet, die door de afslijting van het oude ijzer wordt
aangegeven.
10°. Het ijzer moet met de draagvlakte overal gelijkmatig tegen
den draagrand van den hoornwand aanliggen; het moet derhalve
-ocr page 561-
535
aan Je dracht* en zijgedeelten volkomen vlak en aan het toon-
gedeelte in dezelfde mate opwaarts gebogen zijn, als de draagrand
van den wand opwaarts gewelfd is.
Elke ongelijkheid van den draagrand of der draagvlakte moet
vóór het onderleggen zorgvuldig worden weggenomen.
11°. Het passen geschiedt zwart warm.
12°. De \'ijzers van het winterbeslag zijn in alle deelen gelijk
aan die van het gewoon beslag met uitzondering echter:
1". dat, tot het daarstellen van het kegelvormig gat de uit-
einden der takken minstens de dikte moeten hebben van het nagel-
ijzer of van den controleur;
2°. dat voor de paarden der artillerie de kalkoenen vervallen.
(De laatste alinea is vervallen bij besluit van den Minister
van Oorlog van 27 October 1887, IId«afdeeling, n°.26; zieblz.533).
B. Bevestiging van het ijzer.
13°. Ter bevestiging van het ijzer aan den voet worden rits-
nagels gebruikt.
Zij worden zoodanig ingeslagen, dat zij 15 a 25 millimeter
boven den draagrand uitkomen — afhankelijk van den vorm en
de grootte der hoeven — en voorts in óén lijn liggen.
De bovenvlakte der nagelkoppen moet met de onderste hoef-
yzervlakte gelijk komen.
C. Bewerking van den hoef.
44°. De bewerking van den hoef bestaat alleen in het inkorten
van den draagrand en wel inzonderheid aan het toongedeelte,
omdat de beslagen hoef aldaar afgroeit zonder af te slijten, terwijl
hij aan de drachten door de uitzetting van den voet voortdurend
in slijting is.
Van den draagrand moet zooveel worden afgenomen, dat hij
gelijk komt met de verbinding van de zool en 2 millimeter van
deze laatste mede draagvlakte wordt.
15°. Bij normalen gang en stand van het paard moeten de
buiten- en de binnenwand op dezelfde hoogte worden gehouden.
In alle andere gevallen wordt van dat gedeelte van den hoorn-
wand het meest afgenomen, ter plaatse waar het ijzer het meest
is afgesleten, zoodat vóór alles moet worden gestreefd naar het
-ocr page 562-
53ti
vlak nederzetten van Jen voet, met name dat tle beide takken
van het ijzer gelijktijdig op den bodem komen.
16°. Van de steunsels mag slechts zooveel worden afgenomen,
dat zij in hetzelfde vlak van den draagrand komen te liggen.
17°. De zool en de straal mogen in geen geval worden be-
sneden.
De doode hoorn scheidt zich van zelf af en mag niet kunstmatig
worden verwijderd.
18°. De draagrand der dracht- en zijwanden moet volkomen
vlak, die van het toongedeelte naar boven gewelfd zijn ten be-
hoeve van den opzet.
Nadat de besnijding van den hoef is geschied, worden de uit-
wendige scherpe kanten van den draagrand door loodrechte streken
met de rasp weggenomen en de draagvlakte van den hoef effen
gemaakt.
19". Het gebruik van een renet is voor het besnijden van den
hoef verplichtend, dat van een veegmes verboden. Het gebruik
van de houwkling is slechts bij uitzondering geoorloofd, namelijk
alleen voor een belangrijke verkorting van het hoorngedeelte van
den hoef.
20°. De buitenzijde van den hoornwand mag niet worden ge-
raspt of gevijld.
Oude nagelgaten worden dicht gemaakt.
21°. Het is aan de hoefsmeden verboden de hoeven na het
beslag — vóór dat dit is nagezien — met eenig smeer te bestrijken.
Dezelfde bepalingen ongeveer gelden ook voor de artillerie in
Nederlandsch-Indië (zie: Order voor de artillerie, 1892, n°. 2),
terwijl voor de cavalerie aldaar die voorschriften van kracht zijn
(beschikking van het Departement van Oorlog van 5 Mei 1890,
lste afdeeling, n°. 10), welke in Nederland bij Ministerieel besluit
van 11 September 1871, n°. 54 P, waren vastgesteld, doch bij
Ministerieel besluit van 2 November 1886, IIde afdeeling, n°. 42,
door de bovenstaande zijn vervangen.
§ 211. WlNTERUESLAG.
Wanneer in den winter de wegen met sneeuw en ijs bedekt
zijn, dienen bijzondere maatregelen te worden genomen, om het
uitglijden der paarden te voorkomen. Op verschillende wijzen heeft
men getracht hieraan te voldoen en nog steeds zoekt men naar
middelen, om in het winterbeslag verbetering te brengen. Dit
-ocr page 563-
5:n
vinilt zijn grond o. a. daarin. dat men hierbij streeft naar goed-
koopheid, gemakkelijke aanwending en duurzaamheid, vereischten,
welke zich dikwijls moeielijk laten vereenigen.
Zonder ons in groote uitvoerigheid te begeven, zullen wij de
meest gebruikelijke wijzen van het z.g. op scherp zetten (ferrure h
glacé ; Scharfung des Beschlages
j iviiitershoeing) der paarden aan deze
vereischten toetsen.
Daartoe behooren:
1°. De ijsnagels (clous a glacé; Eisnagel; frost-nails). Dit zijn
nagels met groote pyramidale of wigvormige koppen, bestemd om
de plaats in te nemen van twee of meer der gewone nagels.
Gewoonlijk trekt men een binnen- en een buitennagel uit en ver-
vangt die door ijsnagels. In z. g. slappe winters wordt deze
methode van scherpen dikwijls aangewend. Bij harde winters
echter, wanneer de gladheid der wegen langen tijd duurt, zijn
de koppen te spoedig afgesleten en moeten dus de nagels telkens
door andere worden vervangen, hetgeen slechts ten nadeele van
den hoornwand kan geschieden. Om het "ijzer voldoende te beves-
tigen moeten de ijsnagels steeds hooger worden ingeslagen , waar.
door de wand gemakkelijk brokkelig wordt.
De ijsnagels zijn dus goed als oogenblikkelijk redmiddel, niet
voor een duurzaam winterbeslag. Hun gemakkelijke aanwending
laat evenzeer te wenschen over, daar men gewoonlijk de hulp
van een smid behoeft.
Men heeft getracht het brokkelig worden van den wand te
voorkomen door het gebruik van ijsnagels, welke van een zeer
korte kling voorzien zijn (ijsnagels van Delpérier, Muller e. a.).
Deze worden geslagen in daartoe nabij den buitenrand van het
ijzer gemaakte gaten, dringen niet door den hoornwand, doch
komen tusschen dezen en den buiten-bovenrand van het ijzer te
voorschijn en worden langs dien buitenrand omgebogen. Het is
dus niet noodig vooraf nagels uit te trekken.
Hoe eenvoudig de methode ook schijne, zij voldoet niet aan
de verwachting. De nagels zitten zelden vast genoeg in het ijzer,
zij doen licht den draagrand van den wand afbrokkelen en de
naar buiten omgebogen klingen aan de binnenzijde van den hoef
kunnen tot strijken aanleiding geven, terwijl het hoofddoel, een
vaste stand, vooral bij veel sneeuw, niet genoegzaam verzekerdis.
De ijsnagel van Delpérier (clou rivé ou clou a demi-lamé) dateert
van 18Ö5 en is in Frankrijk op tal van manieren gewijzigd ge-
worden; van 1881—1892 telt men niet minder dan 26 variaties.
-ocr page 564-
538
Een der wijzigingen, naar Leplnte, is van 1885 tot 1889 bij
het Fransche leger als winterbeslag ingevoerd ; het heeft echter
niet voldaan, zoodat, na velerlei proeven, daarbij thans de schroef-
kalkoenen z\'y\'n voorgeschreven.
De ijsnagels van Lepinte werden geslagen door vier recht ge-
stampte nagelgaten, die mager waren aangebracht, twee naast
den toon en twee nabij de kalkoeneinden, op 2 cM. afstand van
de uiteinden. Daarvan worden voor rijpaarden gewoonlijk enkel
de laatste gaten gebruikt. De nagel kromt zich door zijn vorm bij
het inslaan in de gewenschte richting, zoodat hij tusschen den
draagrand en de bovenvlakte van het ijzer naar buiten treedt. De
vierkante nagelkop mag niet op het ijzer rusten; een stevige,
rechte, wigvormige hals belet tot op zekere hoogte het verder
doordringen van den nagel; hierdoor zou de soliditeit belangrijk
worden verhoogd.
2°. Het scherpen der gewone kalkoenen en stooten. Daartoe hardt
men de kalkoenen en den stoot (in zoover deze zich aan het
ijzer bevinden) door er een stukje staal in te wellen en geeft
ze daarna een pyramidale of wigvormige gedaante. De (meestal
gebruikelijke) wigvormige kalkoenen worden aan den buitentak
overdwars, aan den binnentak overlangs geplaatst; bovendien
rondt men den binnenkalkoen van buiten af en maakt men
hem minder scherp — alles om het strijken en het ontstaan van
andere verwondingen te voorkomen.
Zulke geharde kalkoenen zijn duurzamer dan de ijsnagels, maar
toch spoedig afgesleten, indien de paarden zich veel moeten be-
wegen op straten, die met weinig sneeuw zijn bedekt. Het ijzer
moet dan worden afgenomen, ten einde de kalkoenen opnieuw te
scherpen. Dit is omslachtig en duur tevens; daarbij is het telkens
afnemen en weder onderslaan der ijzers nadeelig voor den hoef.
Deze methode wordt dan ook weinig meer toegepast.
3°. De schroef kalkoenen (crampons a vis; Schraubstollen; screw-studs)
worden, zooals de naam aanduidt, in de ijzers geschroefd. Daartoe
zijn, op de plaats der gewone kalkoenen of vóór deze, zoogen.
schroefgaten gemaakt (PI. XLIV fig. 4).
De schroefkalkoenen (PI. XLV fig. 1) hebben een wigvormigen
of pyramidalen, gedeeltelijk uit staal bestaanden kop, met afge-
ronde hoeken, een schroefdraad, die zeer fijn en diep moet zijn
en soms tusschen beide een hals (PI. XLV fig. i, a). De laatste
moet dan volkomen passen in een uitholling van het ijzer, borst
genoemd (PI. XLIV fig. 4, a); hierdoor zou het verloren gaan of
-ocr page 565-
539
afbreken der kalkoenen worden voorkomen. Bij een fijnen, diepen
schroefdraad gebeurt dit echter, ook zonder hals aan den kalkoen,
en borst in het ijzer, niet licht. Zelfs kunnen deze voor een
nauwkeurige vereeniging van kalkoen en ijzer schadelijk zijn,
indien ze niet volkomen in elkander passen, terwijl het aanbrengen
van hals en borst is geschied ten koste van de lengte van den
schroefdraad, waardoor het aantal aanrakingspunten is verminderd.
Opdat de schroefdraad, niettegenstaande hals en borst, een ge-
wenschte lengte behoude, heeft men de kalkoeneinden der schroef-
ijzers eenigszins verdikt.
Wanneer de scherpe kalkoenen niet noodig zijn, bijv. in den
stal, kan men ze vervangen door stompe; deze zijn vierkant, met
afgeronde hoeken. Men doet dit om het afslijten der sehroef-
gaten, waardoor een scherpe kalkoen niet meer voldoende zou
kunnen worden bevestigd, te voorkomen. Zijn de ijzers echter
van gewone kalkoenen voorzien, dan is dit voorbehoedmiddel
minder noodig; doch ook wanneer deze ontbreken, kan men de
stompe kalkoenen weglaten zonder dat men later van losraken der
scherpe kalkoenen last heeft, indien men het schroefgat van een
verzinking (PI. XLTV fig. 5) voorziet.
Van groot belang is, dat alle schroefkalkoenen een gelijken
schroefdraad hebben en met een zelfden schroefsleutel kunnen
worden in- en uitgeschroefd.
Deze methode van winterbeslag verdient de voorkeur boven
elke andere; men heeft slechts te zorgen, dat de paarden tegen
den naderenden winter met schroef ijzers beslagen zijn en dat men
den noodigen voorraad kalkoenen en een schroefsleutel in zijn bezit
heeft. Men kan zich dan te allen tijde redden.
Deze wijze van scherpen der paarden is, na tal van proeven
met andere soorten van winterbeslag, weder bij het Fransche en
Duitsche leger ingevoerd.
4°. Veelvuldig beproefd zijn ook kleine stiftkalkoenen (zoogen.
insteekkalkoeneri), die niet geschroefd, doch slechts gestoken
worden in juist passende gaten, daartoe in het ijzer gemaakt
(Einsteck- oder Steckstollen; unserewed studs). Zij werden door een
Amerikaan, Judson geheeten, uitgevonden en later door Dominik,
Behrens en anderen gewijzigd.
De kalkoenen van Judson zijn rond, met eenigszins conisch
gevormden steel (PI. XLV fig. 2 en 3). Het ijzer verschilt niet
van een gewoon ijzer zonder kalkoenen, slechts bezit het aan de
kalkoeneinden en aan weerszijden van den toon een gat, dat in
-ocr page 566-
540
vorm, wijdte en diepte geheel aan den steel der kalkoenen be-
antwoordt, alzoo zich naar boven conisch vernauwt.
Dominik maakte de kalkoenen vierhoekig (PI. XLV fig. 4 en 5)
of ook rechthoekig en plaatste er twee aan de kalkoeneinden en
één of ook twee in den toon.
Men heeft ze voor ons leger ook zoodanig gewijzigd, dat kop
en steel gelijk en gelijkvormig en door een verheven rand van
elkander gescheiden zijn. Het is dan onverschillig of men het
eene of andere einde van den kalkoen in het ijzer steekt, namelijk
zoolang zij nieuw zijn. De bedoeling was echter, dat dit ook zou
gelukken, als het eene einde reeds meer of minder was afgesleten;
een voldoende bevestiging is dan evenwel niet altijd meer te
verkrijgen.
Evenals bij de schroefkalkoenen vervangt men ook hier de
scherpe kalkoenen door stompe (PI. XLV fig. 3 en 5), indien de
eerste kunnen worden ontbeerd. Om dien last te ontgaan en
toch de gaten voor te sterke afslijting te behoeden, zoodat zij
later voor de stiftkalkoenen kunnen worden gebruikt, heeft men
de uiteinden van het ijzer, achter de kalkoengaten, vrij belangrijk
verdikt.
Ondanks hun oogenschijnlijken eenvoud en gemakkelijke aan-
wending hebben deze kalkoenen niet algemeen aan de verwachting
beantwoord. Zij vallen namelijk, volgens de tegenstanders , gemak-
kelijk uit, vooral wanneer de sneeuw hoog ligt en de kalkoenen
dus den grond niet raken; of ook, de afgeslepen stompen zitten
zoo vast, dat zij niet dan met groote moeite te verwijderen zijn.
Loopt een paard, toevallig of opzettelijk, op ijzers, niet van kal-
koenen voorzien, dan slijten de gaten zoodanig af, dat daarin
geen stiftkalkoen meer kan worden aangebracht. Bovendien zou de
vervaardiging van kalkoenen en gaten, voor een toepassing in het
groot, te veel nauwkeurigheid vereischen. Intusschen voldoen zij
bij ons leger, zóó als ze thans worden vervaardigd, vrij goed. De
beschikking van den Minister van Oorlog van 2 November 1886,
IIde afdeeling, n°. 42, bevat hieromtrent de noodige voorschriften.
5°. De halkoenen van Neuss. Deze zijn H-vormig, en blijven
daardoor, ondanks hun afslijting, scherp. Zij kunnen worden in-
geschroefd of ook, als stiftkalkoenen, worden ingestoken. Hoewel
ze goed hebben voldaan, bieden ze weinig voordeelen aan boven
de gewone schroefkalkoenen.
De H-vormige kalkoenen zijn door anderen gewijzigd in X-vor-
mige, kruisvormige, driehoekige, ringvormige, enz., waarbij steeds
-ocr page 567-
541
het gronddenkbeeld voorzit, dat de kalkoenen ondanks hun afslij-
ting scherp blijven.
6°. Het winterbeslag van Vax Horsen. Dit bestaat uit twee
stalen platen, welke verticaal, kruiselings onder den hoef, tus-
schen het ijzer worden geplaatst en aldaar door een schroef be-
vestigd. Dit kan gemakkelijk onder het gewone (zomer-) beslag
worden aangelegd, wat vooral voor militaire paarden van belang
is. De proeven hiermede bij het leger genomen, hebben intusschen
niet voldaan; het schijnt echter, dat het materiaal, waaruit de
platen waren vervaardigd, te wenschen overliet.
7°. Winterbeslag van Meijeiuxk. Dit bestaat uit een halve*
maanvormig stalen plaatje, dat, door het eenigszins samen te
buigen, juist past in een halvemaanvormige spleet, nabij het
kalkoeneinde van het ijzer. Dit plaatje blijft scherp, niettegen-
staande het afslijt
Ook rolde Meuerixk een dergelijk plaatje op tot een ronden,
hollen en daardoor scherpen kalkoen; deze kan eenigszins samen-
geknepen en aldus gebracht worden in een ronde opening nabij
het kalkoeneinde of ook aan den toon. Door de spanning zit de
kalkoen vast; z\'y\'n scherpe rand blijft tot het laatste behouden.
Behalve deze heeft men vroeger en later nog talrijke soorten
van winterbeslag beproefd en aangeprezen, waarvan de meeste
evenwel te omslachtig, andere daarentegen voor bijzondere gevallen
zeer bruikbaar kunnen zijn.
Ook guttapercha-zolen (zie later) heeft men voor winterbeslag
aanbevolen. Daarvoor zijn ze echter niet voldoende. Beter zouden
zij kunnen dienen om het ophoopen van sneeuw onder de hoeven,
het z. g. ballen, te voorkomen. Dit kan trouwens ook geschieden
door onder den hoef aangebrachte zolen van vilt, leder of stroo,
of door zool en straal goed met zeep of vet in te smeren.
Bij Ministerieel besluit van 22 Februari 1893 is bepaald:
Voortaan moeten van 15 November tot 1 Maart op winterbeslag
worden gesteld:
a.    De paarden van bereden officieren der cavalerie en bereden
artillerie.
b.    De troepenpaarden van de veldeskadrons der cavalerie.
c.    De troepenpaarden van de batterijen der veld- en der
rijdende artillerie.
d.    De troepenpaarden van de treincompagnieèn.
-ocr page 568-
542
§ 212. Behandeling der paarden ijm het beslag.
Bij het beslaan moeten de paarden steeds met de meeste zacht-
heid worden behandeld; vooral bij jonge paarden vermijde men
alle geraas en ruwheid. Nimmer mogen deze aan een ring in den
muur worden vastgemaakt; een geschikt persoon moet ze bij de
trensteugels houden en door zacht toespreken en streelen, of het
geven van eenig geliefkoosd voedsel, trachten hen gerust te stel-
len. Eerst wanneer zij met de smederij en hetgeen aldaar ge-
schiedt, vertrouwd zijn geraakt, kan men de paarden aan een ring
in den muur bevestigen, doch slechts met een strik, welke ge-
makkelijk kan worden losgetrokken. Vooral bij militaire paarden
streeft men er naar zooveel mogelijk hulp bij het beslag te ontberen;
liefst bezigt men hiervoor slechts één persoon, den hoefsmid.
Het oplichten der beenen moet met één hand geschieden, ter-
w\'yl de andere hand een steunpunt vindt tegen het lichaam van
het dier; hierdoor stelt de persoon, welke het been oplicht, zich
het minst bloot aan het gevaar van geslagen te worden en brengt
hij tevens een grooter deel van den lichaamslast op het naast-
staande been over. Met de vrije hand gaat men dan streelende
en strijkende van boven naar beneden en maakt den hoef, vóór
het opheffen, eerst eenigszins van den bodem los.
Vooral lichte men de beenen niet te hoog op; bij vele paarden
ontstaat het verzet juist door de beenen te hoog van den grond
te beuren. Indien de smid geen helper heeft, zooals bij ons leger
is voorgeschreven, plaatst hij den voorhoef tusschen zijn beenen,
terwijl hij den achterhoef op de dij laat rusten. Wijl de beenen
hierbij niet hoog van den bodem worden opgelicht, en het paard
niet wordt geknepen, alzoo minder dwang gevoelt, staat het dik-
wijls rustiger dan bij het ophouden door een helper, vooral wan-
neer het dier aan het beslaan zonder den laatsten eenigermate
gewend is.
Tot het opgeheven houden van een been, vooral van een ach-
terbeen, kan men zich ook van een zacht, dik touw bedienen,
dat zoodanig los om de koot wordt geslagen, dat men de beide
uiteinden in de hand houdt.
Blijft een paard, ondanks alle voorafgaande zachte behandeling
weerspannig en boos, dan kan het door een verstandig gebruik
van den kaptoom of den praam, dikwijls tot gehoorzaamheid wor-
den gebracht. Kluisters, hippo-lasso\'s en andere dwangmiddelen,
hoe nuttig ook in sommige gevallen, b\'y\' een deskundig gebruik,
-ocr page 569-
543
kunnen licht tot ongelukken aanleiding geven, zoodat zij geen
algemeene toepassing mogen vinden.
Onze militaire paarden worden steeds z. g. uit de hand beslagen;
het gebruik van noodstallen is verboden. Deze kunnen dan ook bij
lichte paarden worden ontbeerd, doch voor het beslag van zware
paarden zijn zij een belangrijk hulpmiddel. Het is waar, door
noodstallen kunnen onheilen worden gesticht, doch waardoor kan
dit niet geschieden.\'
§ 21.\'3. Onderzoek van den stand, de hoeves en de oude
ijzers van het paard vóór het nieuwe beslag.
Een goed hoefsmid overtuigt zich bij een hem onbekend paard,
vóór hij tot het afnemen der oude ijzers overgaat, nauwkeurig
van den stand van dit dier, of de hoefvorm met dezen stand
overeenkomt of op eenige wijze abnormaal is, hoe de oude ijzers
zijn afgesleten, welke gebreken daaraan voorkomen en eindelijk
hoe het paard zijn beenen in stap en draf beweegt.
De vorm van den hoef regelt zich geheel naar den stand van
het been; bij een regel matigen stand heeft men ook een regeU
matigen hoefvorm, bij een scheeven stand daarentegen een schee-
ven hoef. Deze behooren bij elkander; de laatstgenoemde hoefis
dus ten opzichte van den stand normaal. Een paard met een
scheeven stand zou zich met absoluut normale hoeven slechter
bewegen dan met deze relatief normale, z. g. scheeve.
Hierop dient bij het beslag te worden gelet, wil dit op den
naam goed aanspraak maken.
Wij zullen dezen invloed van den stand en den gang op den
hoefvorm en de afslyting van het ijzer aan een nauwkeurig onder-
zoek onderwerpen.
1°. De voorbeenen. Staan de voorbeenen recht, dan heeft men,
zooals gezegd is, regelmatige hoeven. Deze hebben echter steeds een
iets steileren en dunneren binnen- dan buitenwand; de kromming
van den draagrand is aan de buiten-wandhelft sterker dan aan
de binnen-wandhelft.
De hoogte van den drachtwand verhoudt zich tot die van den
toonwand als 1 : 2 a 3; de zijwanden komen in hoogte met
elkander overeen. De toon vormt met den bodem een hoek van
45—50°; zijn helling komt met die van de koot overeen. Bij het
gaan wordt de hoef recht naar voren bewogen en komt hij met
-ocr page 570-
544
zijn geheelen draagrand gelijktijdig op den grond. Het neerzetten
van den lioef geschiedt dus regelmatig.
Wanneer eenig gedeelte van den draagrand te hoog gelaten is,
komt dit, bij het neerzetten, het eerst met den grond in aan-
raking en slijt dus sterker af. Het neerzetten geschiedt dan on-
regelmatig.
Is het paard onbeslagen en heeft het veel beweging,
dan is het te liooge gedeelte spoedig afgesleten en wordt de hoef
weder regelmatig neergezet. Blijft het ongelijkmatig neerzetten
echter maanden lang voortduren, dan neemt de geheele hoef
allengs een andere gedaante aan. Het te hooge wandgedeelte
kromt zich naar buiten, het te lage naar binnen, zoodanig, dat
de draagrand van liet eerste naar het centrum van den hoef, die
van het laatste echter naar buiten gekeerd wordt.
Een onbeslagen hoef slijt ongelijkmatig af: de toon steeds meer
dan de drachten; de eerste is vooral in de laatste periode van
het steunen aan sterke wrijving onderworpen. Om dezelfde reden
slijt het ijzer gewoonlijk ook aan zijn toongedeelte het meest af;
toch zegt men, dat de slijting gelijkmatig is, wanneer deze aan
beide ijzertakken evenveel bedraagt.
Wanneer de hoef onregelmatig wordt neergezet, ontstaat steeds
ongelijke slijting van het ijzer. De wand boven den meest afge-
sleten ijzertak is immer te hoog, die boven het minst afgesleten
ijzergedeelte te laag. De te hooge wand komt liet eerst met den
bodem in aanraking en ondervindt den sterksten stoot; de te lage
wandhelft echter komt eerst later op den grond, zoodra het paard
volkomen doortreedt, dus bij snelle gangen soms in het geheel
niet, en slijt daardoor weinig af. Voor den smid is dit een
vingerwijzing hoe de hoef moet worden besneden, ten minste,
wanneer het onregelmatig neerzetten van den hoef niet van een
abnormen stand van het paard afhangt.
De hoef slijt ook op het ijzer af, doch anders dan wanneer hij
onbeslagen is. Die slijting is geheel afhankelijk van het hoef-
mechanismus en betreft dus enkel de zij- en drachtwanden. Zij
kan aan de laatste 5 mM. per maand en meer bedragen; bij
belemmerd hoefmechanismus is zij veel minder, soms zelfs gelijk
nul. In dezelfde mate als de zij- en drachtwanden afslijten, wordt
de toonwand betrekkelijk te hoog en slijt het ijzer aldaar dus
meer af.
Soms slijt de hoorn van de inwendige hoefhelft meer op het
ijzer af dan die van de uitwendige; dit laat zich daardoor ver-
klaren, dat de binnen- zij- en drachtwand dunner en dus be-
-ocr page 571-
545
weeglijker is, terwijl liet minder ver naar achteren nagelen aan
<le binnenzijde daarop mede invloed uitoefent. Zoodra echter de
binnenwand meer afslijt dan de buitenwand, ontstaat een evenredig
sterker afslijten van den buiten-ijzertak.
Uit dit alles volgt, dat de afslijting van den boef op liet ijzer
noodwendig een ongelijkmatige slijting van dit laatste tengevolge
heeft.
Doch ook andere omstandigheden veroorzaken dat; zoo bijv. een
slechte bevestiging van het ijzer onder den hoef, het gedrag dei-
paarden op stal (krabben, weven, enz.), ziekten der hoeven en
der ledematen, het gebruik, dat men van de paarden maakt, enz.
Wanneer een paard z. g. bodemwijd staat, d. i. dat de beenen
van boven naar beneden divergeeren, dan zijn de hoeven in
dezelfde mate scheef, als deze stand van den normalen afwijkt.
De binnenwand is dan steiler, de buitenwand schuiner dan ge-
woonlijk en daardoor de buitenhelft der ondervlakte van den hoef
grooter dan de binnenhelft. De schenkels van den straal ver-
schillen bij deze normaal-scheeve hoeven echter slechts weinig in
omvang. Het grootste gedeelte van den lichaamslast valt hierbij
op de inwendige helft van den hoef.
Zulk een hoef wordt bij het gaan in een boog van buiten naar
binnen en daarna weder eenigszins naar voren en buiten bewogen.
Het neerzetten geschiedt bijna gelijkmatig; de buitenwand ont-
vangt den stoot een weinig vroeger dan de binnenwand, waardoor
ook het ijzer van buiten iets sterker afslijt. Omgekeerd slijt de
hoef van binnen iets meer op het ijzer af.
Bij een toonwijden (Franacheri) stand, d. i. waarbij de beenen tot
aan de kogels nagenoeg evenwijdig loopen en van deze plaats tot
den bodem divergeeren, is de draagrand van den hoef aan den
buiten-dracht" en binnen-toonwand sterker, aan den binnen-dracht-
en buiten-toon wand daarentegen minder gekromd dan bij een
normalen stand (z.g. diagonale hoef). De beweging van dezen hoef
geschiedt nagenoeg als bij den bodemwijden stand. De buiten-
toonwand komt het eerst op den grond, waardoor, in verband
met de draaiende beweging van den hoef op den bodem, liet
ijzer aldaar en aan het zijgedeelte het meest afslijt. Evenwel ziet
men steeds ook, dat het binnen-toongedeelte van het ijzer aan
sterke wrijving onderhevig is geweest; dit komt, omdat de hoef
bij het verlaten van den bodem over dit gedeelte draait.
De afslijting van den hoef op het ijzer is inwendig vee! sterker
dan uitwendig. Soms is dit verschil zoo aanzienlijk, dat hij zeer
35
-ocr page 572-
{ï/»f>
scheef wordt; de binnenwand is dan naar liet centrum van den
lioef gekeei\'d. waardoor licht kreupelheid ontstaat. Paarden met
zulke hoeven strijken zich niet zelden.
Bjj den bodemnauwen stand, waarbij de beenen naar onderen
convergeeren en de toonen naar binnen gekeerd zijn, treft men
omgekeerde verhoudingen aan. Het grootste gedeelte van den
lichaamslast valt hier op de uitwendige helft van den hoef, de
buitenwand staat steil, de binnenwand een weinig schuiner dan
normaal. De hoef wordt bij beweging in een boog naar buiten
gevoerd. In den regel slijt de buitentak van het ijzer liet meest
af, wat echter doorgaans aan onvoldoend besnijden of slechte lig-
ging van het ijzer te wijten is. Ook hier slijt de binnen-draag-
rand van den hoef meer af op het ijzer dan de buitenwand.
Wanneer een paard toontreder is, zoodanig, dat de beenen
tot de kogels parallel en van daar tot den bodem convergent zijn,
dan heeft men geheel den juist beschreven vorm van hoef: alleen
is het steile van den buitenwand en liet schuine van den binnen-
wand duidelijker zichtbaar. Het neerzetten van den hoefgeschiedt
het eerst op den binnentoonwand ; toch is het buiten-toongedeelte
van het ijzer het meest afgesleten, daar de hoef bij het einde
van het steunen over dit gedeelte draait. De hoorn slijt aan de
binnendrachten meer dan van buiten.
Ook andere afwijkingen van den normalen stand, die men beter
waarneemt, als men het paard van ter zijde beziet, oefenen invloed
op den hoefvorm uit. Zoodra namelijk de hoef ver naar voren is
geplaatst, gelijk bij een gestrekten stand, holle knieën of sterk doortreden
in de kogels
voorkomt, dan neemt men een langen toon- en een
korten drachtwand waar. De achterste helft van den hoef wordt
nu het meest belast. De ijzers slijten echter, evenals de dracht-
wanden, regelmatig af.
Staat een paard onder zich, dan is omgekeerd de toon kort en
zijn de drachten hoog. Het heeft dan een stompen hoef, die zelfs
tot een bokhoef kan worden. De last valt nu meer dan gewoonlijk
op de voorste helft van den hoef. \'Zoolang de beenen gezond zijn,
slijten de ijzers gelijkmatig af, doch de slyting der drachtwanden
op het ijzer is dikwijls nauwelijks merkbaar.
Bij den bokbeenigen stand ziet men gewoonlijk denzelfden hoefvorm.
2°. Be achterbeenen. Omtrent den invloed van den stand en
de beweging der achterbeenen op den vorm der hoeven, geldt
in hoofdzaak hetzelfde wat van de voorbeenen is medegedeeld.
Bij een regelmatigen stand der achterbeenen geschiedt de af-
-ocr page 573-
547
slijting der ijzers en ook der onbeslagen hoeven gelijkmatig. De
drachtwanden slijten op liet ijzer zeer weinig af, hetgeen wel te
wijten zal zijn aan de mindere belasting der achterhoeven en het
daarin gewoonlijk ver naar achteren aanbrengen der nagels.
Wanneer een paard wijd in de hakken en dus van onderen nauw
.staat, slijt de uitwendige \'ijzertak het sterkst af, hetgeen veroor-
zaak t wordt door het, bij elke ontlasting van het been , naar buiten
draaien van den hoef, terwijl tevens, althans bij de beweging, de
uitwendige helft van den hoef het meest wordt belast.
Bij den lsoéhakkxgm stand slijt de uitwendige ijzertak het meest,
omdat deze het eerst op den bodem komt. Slechts zelden slijt de
binnentak meer af, hetgeen dan te wijten is aan het naar binnen
draaien van den hoef. telkens vóór deze den grond verlaat. Men
neemt dit enkel bij een sterk bodemwyden stand en gang waar.
Bij sabelbeenifjheid zijn de toonen lang en de drachten kort; bij
onbeslagen hoeven slijten de laatste meer af dan de eerste, en
evenzoo bij beslagen hoeven, indien de ijzers kort zijn.
Bij een gestrekten stand zijn de hoeven stomp.
De wijdte der hoeven hangt af van het ras en de opvoeding
der paarden. Een wijde hoef is meestal rond, even breed als
lang, met schuine zij- en dracht wanden, een weinig uitgeholde
zool en een sterken, grooten straal. Een nauwe hoef echter is
langwerpig-rond, met steilen wand, concave zool en zwakken
straal. De hoornvezelen van laatstbedoelden hoef zijn taai en fijn
die van den eersten zwak en grof. Terwijl wijde hoeven neiging
hebben om in plathoeven te veranderen, ontstaan uit nauwe licht
klemhoeven.
Uit het bovenstaande volgt, dat, hoewel de smid moet trach-
ten een gelijkmatige afslijting der ijzers te verkrijgen, het zijn
streven niet mag zijn eiken onregelmatigen hoef tot een normalen
te veranderen. Hij dient met stand en gang van het paard reke-
ning te houden. Zijn deze normaal, dan moeten ook de hoeven
regelmatig blijven, omdat onregelmatigheid daarvan allengs ook
den stand abnormaal zou maken. Is de scheeve hoef echter het
gevolg van den stand, dan mag deze niet worden bestreden; men
moet evenwel zorgen, dat de scheefheid niet verergert. Alleen bij
jonge paarden, waar de abnorme stand wellicht nog kan worden
gewijzigd, is het geoorloofd er naar te streven den hoef, doorliet
beslag, langzamerhand normaal te maken.
-ocr page 574-
548
§ \'214. Het afnemen dek oude i.izers en het gereedmaken
van den hoef voor het nieuwe beslag.
Het afnemen der oude ijzers moet voorzichtig geschieden. Ge-
woonlijk neemt men niet alle vier ijzers te gelijk af; bij sterke,
gezonde hoeven schaadt dit echter niet.
Tot het afnemen der oude ijzers worden de op den wand
omgebogen uiteinden der nagels, de z.g. nieten, met een stompe
houwkling recht* of afgeslagen. het ijzer door middel van een n\'yp-
tang eenigszins losgemaakt en daarna teruggeslagen, zoodat de
koppen der nagels met de nijptang kunnen worden gepakt. De
oude nagels {les caboches) worden één voor één uitgetrokken en
aldus het ijzer zonder nadeel voor het paard verwijderd.
Nadat de hoef van vuil gezuiverd is en mogelijk achterge-
bleven gedeelten van nagels {souches) verwijderd zijn, moet hij
worden besneden, d. i. daar worden verkort, waar hij door de
beschutting van het ijzer te lang is geworden. Dit komt evenwel
alleen aan den draagrand van den wand voor; aan de overige
deelen, als zool en straal, stoot de doode hoorn zich vanzelf af,
zoodat daarvan niets behoeft te worden weggenomen.
Het in schubben of platen loslaten van den zooihoorn kan ten
deele het gevolg zijn van diens histologischen bouw (zie § 205),
voor een ander gedeelte draagt daartoe bij het schuinstaan van
den hoornwand, waardoor de naar buiten gedrongen lagen van
de zool eindelijk aan haar omtrek geen vasten steun meer bezitten.
De zool behoudt namelijk steeds dezelfde afmeting, hoe dik zij ook
moge worden; de hoornwand daarentegen wijkt bij het afgroeien
allengs meer naar buiten uit, zoodat hij aan den draagrand een
voortdurend grooter wordenden ring vormt. Hoe meer dit geschiedt,
bijv. bij wijde hoeven, des te dunner blijft van nature de zool,
terwijl deze in het omgekeerde geval, bij nauwe hoeven, dik is.
Wanneer de richting van den hoornwand tonvormig is, d. w. z.
dat de draagrand voor een grooter of kleiner deel naar binnen is
gebogen, dan laat de zool zich in het geheel niet meer los en
wordt zij zoo dik, dat z\'y\' een abnorme drukking op de boven-
liggende zachte deelen uitoefent.
Is de zool steeds sterk besneden , dan houdt het afstooten van
den hoorn op, totdat deze, door er voortaan alleen het doode af
te nemen, weer sterk en normaal is geworden. Het doode, d i.
het nagenoeg of geheel losse, soms alleen nog door het ijzer
-ocr page 575-
549
vastgehouden gedeelte van den zoollioorn moet namelijk worden
verwijderd.
Bij de verkorting van den draagrand regelt men zich naar de
gezuiverde en onverzwakte zool, de hoogte van den normalen
straal en de wijze van afslijting van het oude ijzer.
Men neemt van den draagrand zooveel weg, dat hij slechts
iets boven de normale verbinding van hoornwand en hoornzool
uitsteekt; deze verbinding mag in geen geval worden verzwakt.
Steeds zal men den toon meer dan de zijden en drachten moeten
verkorten, daar de laatste, door het hoefmechanismus, op het
ijzer afslijten.
Naarmate het ijzer langer onder den hoef ligt, zal deze daarom
meer van den gewonen vorm afwijken. Terwijl de toonwand te
voren dezelfde helling als de koot vertoonde, vormt hij nu met
den bodem een veel scherper hoek dan de koot.
Hoeveel van de drachten moet worden weggenomen, laat zich niet
met een enkel woord voor elk geval zeggen. De bepaling, dat zij
zoodanig moeten worden verkort, dat de straal evenveel onder
hun draagrand uitsteekt als het ijzer dik is, zou een te sterk
besnijden van vele, bijv. van alle stompe hoeven, ten gevolge hebben.
Meestal liggen, bij goed besneden hoeven, straal en draagrand
der drachten in één vlak. Men dient echter den stand der beenen
en de wijze van neerzetten der hoeven in aanmerking te nemen
bij het besnijden der zij - en drachtwanden. Scheeve hoeven moeten
in dit opzicht anders worden beoordeeld dan regelmatige; hun
schuine wanden moeten steeds langer blijven dan de steile, daar
anders stand en gang er onder zouden lijden.
Men lette bij het besnijden vooral op de afslijting van het oude
ijzer. Steeds moet de wand boven het meest afgesleten ijzerge-
deelte meer worden verkort dan elders. Kan dit, wegens gebrek
aan hoorn, niet geschieden, dan verhoogt men de te lage wand-
gedeelten door aldaar het ijzer te verdikken, of door kunsthoorn
aan te wenden.
Indien bij hoeven met zeer schuinen toonwand de kalkoeneinden
van het ijzer sterk zijn afgesleten, is het raadzaam in het vervolg
een langer ijzer onder Ie leggen; meestal geschiedt dan de af-
slijting gelijkmatig.
Met uitzondering alleen van den toon der voorhoeven (wegens
den opzet, zie volgende §) moet de geheele diaagrand vlak en
eden zijn; te dien einde worden, na het verkorten, alle oneffen-
beden door middel van de rasp veiwijderd.
-ocr page 576-
550
De breedte van tien draagrand moet gelijk zijn aan de dikte
van den wand en de witte lijn. Zijn uitwendige, scherpe rand
moet door raspen worden afgerond, ten einde afbrokkelen op het
ijzer te voorkomen. Vooral bij wijde hoeven is dit noodig.
De steunsels moeten even hoog of slechts weinig lager zijn dan
de naast gelegen draagrand. De straal mag niet worden besneden;
komt deze, zooals het behoort, met den bodem in aanraking,
dan slijt hij van zelf daarop af. Zoolang de straal groot is, kan
de hoef zich niet vernauwen; geen beter middel is er om op den
duur het uitglijden te voorkomen dan een groote straal, die telkens
op den grond komt. Alleen los aanhangende stukken mogen van
den straal worden verwijderd.
Het z.g. lucht geven, d. i. het doorsnijden der vereeniging van
de steunsels met de schenkels van den straal, is zeer te verwerpen.
Wanneer de hoef aldus besneden is, laat men het paard er
even op staan en bekijkt hem nogmaals, vooral ook of zijn grootte
met die van den naaststaanden overeenkomt; bovendien moet de
grootte in overeenstemming zijn met de zwaarte der paarden.
Behalve van een houwkling maakt men bij het besnijden dei-
hoeven gebruik van een rasp, een linksche en rechtsche renet
en soms ook van een veegmes. Dit laatste instrument, waarmede
zool en straal zoo dikwijls bovenmate werden besneden, geraakt
meer en meer in onbruik; bij het leger is het geheel verboden.
Dikwijls, doch ten onrechte, beperkt men daarbij echter ook het
gebruik van de houwkling. Andere gereedschappen, als het Ara-
bisch hoefmes, de hoefschaaf van Erdt, enz. worden in ons land
niet gebezigd en kunnen ook zeer goed worden gemist.
§ 215. Het passen der ijzers.
In het algemeen neme men de ijzers zoo licht mogelijk, echter
met dien verstande, dat zij niet binnen vier weken behoeven te
worden vernieuwd. Lichte of jonge paarden moeten dus lichter
ijzers hebben dan zware of oude en stijve. Hoe meer een paard
op harde wegen wordt gebruikt, des te zwaarder moeten de ijzers
zijn.
Meestal zijn bij een beslag, dat binnen vier weken moet wor-
den vernieuwd, de ijzers ongelijkmatig afgesleten; door beter be-
snijden van den hoef of door inwellen van staal in het ijzer kan
dit plaatselijk te snel verslijten in vele gevallen worden voorkomen.
Het steeds zwaarder maken der ijzers heeft meestal niet het ge-
-ocr page 577-
551
wenschte gevolg, (laar hierdoor de gang naar evenredigheid moeie-
lijker, meer sleepend en stootend en dus de afslijting bevorderd wordt.
Er zijn echter dieren, bijv. trampaarden, die ondanks alle voor-
zorgen hun ijzers reeds in veertien, ja soms zelfs in acht dagen
hebben versleten. Zulke paarden zijn dan evenwel voor dravend
werk niet geschikt.
Wanneer de hoeven steeds een gelijke lengte behielden, zouden
de ijzers juist even lang moeten zijn als deze; zij groeien echter,
gedurende de vijf of zes weken, dat men gewoonlijk de ijzers laat
liggen, niet onbelangrijk, en het is daarom noodig de ijzers iets
langer te nemen dan de hoef. Hoeveel dit moet bedragen, hangt
geheel van den vorm der hoeven en den dienst der paarden af.
Een algemeene regel, waaraan echter niet steeds kan worden
voldaan, luidt: een uit de ballen neergelaten loodlijn moet het
uiteinde van het ijzer raken; bij hoeven met zeer schuinen toon-
wand zal dus het ijzer betrekkelijk veel langer moeten zijn dan
bij stompe hoeven. Bij rijpaarden, voornamelijk cavalerie-paarden ,
neme men de ijzers echter niet te lang, daar zij anders licht
worden afgetrapt of in een zwaren bodem blijven zitten.
Hoe langer de ijzers zijn, des te meer wordt de voorste hoef-
helft belast; bij te korte \'ijzers geschiedt het omgekeerde en zullen
de kalkoeneinden dus onevenredig sterk afslijten.
Heeft men nu de lengte en de dikte van het ijzer vastgesteld
dan moet het worden gericht, d. w. z. alle gebreken aan de vlakten,
nagelgaten, enz. moeten verwijderd, een lip en opzet aangebracht
en de wijdte nauwkeurig bepaald worden
Onder den naam van opzet (ajusture (\'); Zehenrichtung; adjusture)
verstaat men een meer of minder aanzienlijke opbuiging in het
midden van het toongedeelte des ijzers. Gewoonlijk begint deze
nabij den overgang van de draagvlakte in de afbellende vlakte
en is dan gelijk aan de helft der dikte van het ijzer. Bij paarden,
die aanstooten, geeft men een hoogeren opzet, soms zelfs meer
dan de dikte van het Ij zei\' bedraagt; ook begint lüj dikwijls verder
naar achteren, bijv. reeds aan het eerste kwartiernagelgat. De
grootte van den opzet regelt men het best naar de afslijting van
het toongedeelte van het ijzer. Hij wordt alleen aan de voorijzers
aangebracht.
De ijzers worden in matig verwarmden toestand gepast; daar-
door teekenen zich de verheven plaatsen aan den hoef duidelijk af,
(1) Ajusture noemen de Franschen eigenlijk de richting van liet ijzer. Zoo spreken
zij ook van ajitaturc plate, wanneer liet ijzer vlak gesmeed is.
-ocr page 578-
552
welke dan met de rasp kunnen worden verwijderd. Bovendien
kunnen kleine gebreken aan het ijzer gemakkelijk worden opgeheven
en bestaat er dus alle kans, dat het paard op deze wijze van
goed passende ijzers zal worden voorzien. Natuurlijk is het ver-
keerd een ijzer roodgloeiend en gedurende langen tijd met den
hoef in aanraking te brengen. Is daaraan een sterk besnijden
voorafgegaan, dan kan de warmte gemakkelijk tot de vleezige deelen
doordringen en ze verbranden; worden ze echter nog voldoende
door hoorn beschut, dan verdroogt de laatste toch en wordt
brokkelig. De overdrijving in dit opzicht heeft aanleiding gegeven
tot een ander uiterste, namelijk tot het kond of\'podometrisch beslag.
De voordeden hiervan zouden niet enkel bestaan in liet koud
passen der ijzers als zoodanig, doch voornamelijk ook daarin, dat
het paard op stal beslagen kon worden en dus niet aandenadee-
len (denkbeeldige of werkelijke) der smederij behoefde te worden
blootgesteld.
Daartegenover staan echter belangrijke nadeelen, zoo groot zelfs,
dat dit koude beslag, na in 1845 bij het Fransche leger te zijn
ingevoerd, reeds in 1854 weder werd afgeschaft, terwijl eigenlijk
reeds te voren het warm passen oogluikend was toegelaten. Het
is zeer moeielijk een hoef zoodanig te besnijden en een ijzer zóó
te vervaardigen, dat het laatste juist op den eersten past. Bij het
koude beslag nu wordt dikwijls of het ijzer slecht passend onder-
gelegd öf de hoef passend gemaakt naar het ijzer. Is het laatste
toevallig iets te kort, te wijd, enz., welnu, men fatsoeneert daar-
naar den hoef, buiten twijfel zeer ten nadeele van dezen.
Bij dit beslag is het van belang, dat de smid vooraf nauwkeurig
de maat van den hoef neemt; daarvoor zijn onderscheidene podo-
meters
of hoefmeters aangegeven, waarnaar het beslag dan ook den
naam van podometrisch draagt. Hoewel enkele dezer podometers
(o. a. die van Ewerloff) niet onverdienstelijk zijn, kunnen zij gemist
en door een strootje, een reepje papier, enz. vervangen worden.
Bij het passen der ijzers let men vooral op hun wijdte en hun
ligging op^den draagrand.
Wanneer de hoef steeds zijn vorm behield en niet veranderde,
naarmate de lichaamslast daarop meer of minder drukt, dan zou
een ijzer wijd genoeg zijn, als zijn uitwendige rand met dien
van den draagrand gelijkkwam. Dit is wel het geval met de
voorste hoef helft, die zich niet merkbaar uitzet; hier moet het
ijzer dus met den draagrand van den hoornwand gelijkkomen.
De achterste hoef helft zet zich daarentegen telkens gedurende het
-ocr page 579-
553
steunen uit, en daar liet van meer belang is, dat liet ijzer den
hoef overal beschut, indien hij op den grond staat dan wanneer
hij daarvan is opgelicht, moet het ijzer aan de drachten ook steeds
iets wijder zijn dan de breedte van den hoef aldaar bedraagt.
De uitzetting dezer hoefhelft is volstrekt niet altijd gelijk; in
den regel is zij des te minder, naarmate de straal meer verzwakt
is geworden.
Vroeger meende men de grootte der uitzetting te kunnen op-
maken uit de blank geschuurde, meer of minder verdiepte, over-
langsche strepen op de achterste helft van het oude ijzer. Deze
worden echter slechts voor een klein gedeelte door de laterale
beweging der drachtwanden veroorzaakt; veel meer ontstaan zij
door de beweging van voren en boven naar achteren en beneden,
die de zij- en drachtwanden maken op het oogenblik, dat de
grootste last op hen drukt, d. i. kort vóór het weder oplichten van
den hoef (zie § 207).
Gewoonlijk maakt men liet ijzer zoo wijd, dat het van binnen
2, van buiten 3 mM. buiten den draagrand der drachtwanden
uitsteekt. Hoe meer de drachtwanden van onderen naar het cen-
trum van den hoef gekeerd zijn, des te wijder, en hoe meer deze
wanden naar beneden divergeeren, des te nauwer moeten de ijzers
zijn. In het algemeen geldt, dat elk punt van den kroonrand
der achterste hoefhelft een steun moet vinden op het ijzer,
m. a. w. een loodlijn uit eenig gedeelte van den kroonrand neer-
gelaten, moet op het ijzer komen. Hierop maakt men een uit-
zondering voor den inwendigen ijzertak, in het bijzonder wanneer
het paard zich toch reeds strijkt.
Door deze grootere wijdte mogen de ijzers hun goeden hoefvorm
niet verliezen; zelfs bij niet meer normale hoeven is liet goed
zooveel mogelijk een in vorm normaal ijzer onder te leggen, daar
het buiten twijfel is, dat de hoef langzamerhand den vorm van
een onderliggend ijzer aanneemt.
De nagelgaten moeten juist op de witte lijn komen te liggen
en het ijzer moet met zijn draagrandvlakte gelijkmatig en effen
drukken op den draagrand van den hoornwand. Het moet dus
aan de zij - en drachtwanden volkomen horizontaal, aan den toon
echter evenveel naar boven gericht zijn, als hier, ten behoeve
van den opzet, meer van den draagrand van den wand werd
afgenomen.
De uiteinden der ijzers mogen den straal niet aanraken, omdat
zijn zijdelingsche uilzetting (indien hij namelijk nog op den grond kan
-ocr page 580-
554
komen) daardoor zou worden belemmerd ; men neemt daarom den
binnenkant der kalkoeneinden gewoonlijk schuin weg, zooals dit
reeds vroeger bij de kalkoenen is opgemerkt (zie § 200, 7°).
Alleen de uiterste omtrek der zool, daar waar deze aan de
witte lijn grenst, mag op het ijzer komen; overigens moet tus-
sehen ijzer en zool een afstand van 3—i mM. bestaan.
§ 216. De hoefnagels.
De hoefnagels {clous; Hu/migel; nails) (PI. XLV Hg. 0) moeten
slank, wigvormig, dubbel zoo breed als dik en 3—G cM. lang
zijn. Zij moeten uit goed, taai ijzer vervaardigd en in 5—6 ver-
schillende soorten aanwezig zijn, opdat bij het beslag de meest
passende nagel kan worden gekozen.
Hoe fijner nagels men kan gebruiken, des te beter is dit voor
den hoef; zware nagels zullen den hoef gemakkelijk kunnen sply-
ten en brengen dan volstrekt geen nut meer aan. Het losraken en
verloren gaan van ijzers ligt zelden aan te zwakke nagels, meestal
passen üf de ijzers niet üf de gaten deugen niet.
Door het richten en zwikken worden de hoefnagels geschikt ge-
maakt om gemakkelijk en in de gewenschte richting door den
hoornwand te kunnen worden gedreven. Zij worden daarom effen
en glad geslagen, doch niet langer gehamerd dan noodzakelijk is,
want hoe weeker men de nagels kan inslaan, des te beter.
Opdat de nagels in de gewenschte richting door den hoorn
zullen dringen, buigt men ze aan hun, naar het midden van den
hoef gekeerde vlakte iets naar binnen door (PI. XLV fig. 6:5);
zij zitten dan beter vast en raken niet licht de inwendige deelen.
Den zwik (Vaffilure; die Zwicke) brengt men zoodanig aan de
punt van den nagel (the pointing of the nail), dat deze een korte
eenzijdige, schuin van binnen naar buiten loopende wig vormt
(PI. XLV fig. 6: l, 4 en 5). Ken korte zwik maakt de nagels ge-
schikt om laag op den wand te voorschijn te komen, terwijl een
lange zwik een hooger uitkomen der nagels mogelijk maakt. Hij
moet steeds recht staan (d. i. niet naar voren of achteren afwijken),
wel scherp, maar niet dun en volstrekt niet gespleten zijn. De
lengte van den zwik moet worden geregeld naar de verschillende
wandvormen en de dikte der nagels.
In den nieuwei en tijd worden ook wel hoefnagels met een drie-
snijdende kling, z.g. bajonet-nagels, gebruikt.
-ocr page 581-
555
In ons lurul bezigt men veel Duitsclie nagels, die naar het
fabrieksmerk »globe-nagels», >mjkshoefnagels» , enz. worden ge-
noenul. Deze zijn fabriekmatig gericht en gezwikt.
§ "217. Het onderslaan der ijzers.
Door middel van de nagels moet het ijzer vast aan den hoef
worden bevestigd; daarbij dient de hoorn van den wand zooveel
mogelijk
en moeten de vleezige deelen volkomen worden verschoond.
Welke nagel het eerst of het laatst wordt ingeslagen, is van
ondergeschikt belang; gewoonlijk neemt men eerst een binnen-toon-
en dan een buiten-kwartiernagei. Van meer gewicht is het den
zwik in het midden van het nagelgat aan te zetten, ten einde ver-
schuiving van het ijzer te voorkomen. Mocht na het inslaan dei-
eerste nagels het ijzer een weinig verschoven zijn, dan kan dit
door anders aanzetten der overige nagels worden verholpen; bij
eenigszins belangrijke verschuivingen moeten de nagels echter weder
worden uitgetrokken.
De nagels moeten voorzichtig, recht en slechts zoo hoog worden
ingeslagen, dat zij vasten hoorn vatten. Indien zij bij lichte ijzers
ongeveer 2 cM. en bij zware 2\'/,—3 cM. boven het ijzer uit den
wand te voorschijn komen, is het hoog genoeg. Door aldus de
nagels laag in te slaan, wordt de wand minder brokkelig, bestaat
er geen gevaar de inwendige deelen te beleedigen en zitten de
ijzers vaster. Een hoog ingeslagen nagel zal met de hoornpijpjes
nagenoeg parallel loopen en ze dus meer of minder van elkander
doen wijken, wat den hoorn verzwakt. Een betrekkelijk laag in-
geslagen nagel loopt daarentegen in een boog door den hoornwand
en zal aldus het ijzer beter fixeeren. Het pleit voor den hoefsmid,
wanneer bij het nieuwe beslag weinig of geen oude gaten in den
hoef worden gevonden.
Bij het inslaan moeten de nagels zoo lang mogelijk worden
vastgehouden, en wel in de richting, waarin zij van de witte lijn
door den hoorn moeten dringen. Het slaan moet krachtig, doch
voorzichtig geschieden; op den gang van den nagel en den klank
bij het slaan dient nauwkeurig te worden gelet.
De punt van iederen goed zittenden nagel wordt dadelijk na
het inslaan naar onderen omgebogen.
(iaarne ziet men, dat de nagels op gelijke hoogte aan den
wand te voorschijn komen, hoewel dit geen hoofdzaak is. Bij
meer dan zes nagels kan, omdat deze nu dichter bij elkander
komen, een verschillende hoogte zelfs gewenscht zijn.
-ocr page 582-
556
Zijn alle nagels ingeslagen, dan worden zij aangehaald, d. i.
de koppen worden dieper in de gaten gedreven; daarna plaatst
men de nijptang onder de omgebogen nagelpunten en tracht
deze, door lichte slagen op de koppen, sterker om te buigen.
Deze omgebogen gedeelten worden daarna met de nijptang
dicht aan den hoorn afgeknepen en onder de overblijvende
punten, de z.g. nieten (rivets; Niete; clench.es), worden met de
houwkling of de rasp kleine verdiepingen gemaakt, waarin de
nieten, door zachte slagen, moeten komen te liggen (omnieten).
De lengte der nieten moet gelijk zijn aan de breedte der nagels
op die plaats.
Het aanhalen, afknijpen en omnieten geschiedt bij voorhoeven op
den bok, bij achterhoeven echter uit de hand. Zooals reeds werd
opgemerkt, moet de geheele beslagshandeling b\'y militaire paarden
uit de hand, door één persoon, plaats hebben.
Is het ijzer in alle opzichten passend geweest, dan zal er niets
meer aan den hoef behoeven te worden geraspt. Alleen kleine
oneffenheden aan den draagrand kunnen met de rasp worden
verwijderd; hierdoor groeit de wand ook minder spoedig over het
ijzer.
§ 218. Andere deslagmethoden. Geschiedenis van
het iioefbeslag.
Elk beslag, hoe goed ook overigens, heeft voor den normalen
hoef schadelijke gevolgen. Daar deze niet meer op den grond komt,
droogt hij gemakkelijk uit, slijt niet als in onbeslagen toestand af
en wat erger is, de straal functionneert niet meer normaal, wordt
daardoor kleiner en de hoef vernauwt zich. Bovendien lijdt het
hoefmechanismus door het ondergeslagen ijzer en wordt de hoef
bezwaard met het gewicht van dit laatste. Met de vermindering
der elasticiteit van den hoef, houdt het afnemen van zijn stoot-
brekend vermogen gelijken tred.
Op allerlei wijzen heeft men getracht een of meer dezer na-
deelen te bestrijden; alle te gelijk bleek onmogelijk. Met het
verminderen van liet eene schadelijke gevolg openbaarden zich
dikwijls andere in sterkere mate, zoodat de verandering spoedig
bleek geen verbetering te zijn. Het is natuurlijk, dat hieraan de
speculatiegeest niet vreemd is gebleven en deze telkens een nieuwe
wijze van beslaan heeft aangegeven, waarvan de voordeelen zeer
overschat, de nadeelen, uit den aard der zaak, verzwegen of
-ocr page 583-
557
ontkend weiden. Toch mug niet worden voorbijgezien, dat die
pogingen hebben geleid tot vooruitgang, tot verbetering van liet
hoefbeslag in het algemeen.
Het zou ons te ver voeren, al die beslagmethoden te vermel-
den; slechts enkele vinden hier een plaats. Wij verbinden daar-
mede een kort historisch overzicht van het hoefbeslag.
Waar en wanneer het hoefbeslag het eerst werd toegepast, is
onbekend. Waarschijnlijk is het van Aziatischen oorsprong en
eenige eeuwen vóór Chr. door de Mongolen naar Europa over-
gebracht. f Iet is thans buiten twijfel, dat de Kelten en Galliërs
reeds in de 4de tot de 6de eeuw vóór Chr. het gewone hoefijzer
kenden. Hiervan zijn menigvuldig exemplaren gevonden in hun
graven (caims) en op plaatsen waar, na hun verdrijving, de Ho-
meinen zich hebben gevestigd. Zoo zijn ook in ons land, als te
Maastricht en te Oudewater, ijzers opgedoken, welke in alle
opzichten overeenkomen met die, gevonden in liet Zuid-Oosten
van Frankrijk, in Zwitserland en in Engeland, waarvan de Kel-
tische oorsprong onbetwist is.
Het Keltisch ijzer is karakteristiek; het is klein en licht, heeft
een gegolfden buitenrand, zes ovale nagelgaten, met een afzonder-
1\'yke rits voor elk nagelgat: het wordt aan de uiteinden lang-
zamerhand smaller en bevat meestal kleine kalkoenen. De nagels,
daarbij gebruikt, hebben een vioolsleutelvormigen kop. Het ijzer
komt veel overeen met dat, waarmede de Chineezen thans nog
hun muildieren beslaan, gelijk onder anderen de op Java inge-
voerde Chineesche muildieren ze hebben leeren kennen.
Na den Keltischen tijd is het ijzer grooter en zwaarder gewor-
den; blijkbaar werden toen grooter paarden voor den oorlog ge-
bezigd. Soms treft men, ook in ons land, ijzers aan welke veel
op de Keltische gelijken, namelijk evenals deze een gegolfden
buitenrand hebben, doch grooter zijn en vierkante nagelgaten
bezitten. Deze dateeren, zooals tal van onderzoekingen hebben
geleerd, uit de 10de tot de 45de eeuw na Chr.
Het is opmerkelijk, dat de Grieken en Romeinen, die beschaafde
volken der oudheid, welke de Kelten als barbaren betitelden, het
hoefbeslag niet hebben gekend. Zij hadden daaraan wel degelijk
behoefte, zooals op vele plaatsen uit hun geschriften blijkt. Zoo
moest Mithridates de Groote , Koning van Pontus (l9te eeuw
vóór Chr.), toen hij Cycicus belegerde, zijn ruiterij naar Bi-
thynië zenden, wijl de hoeven der paarden dermate waren af-
gesleten, dat de dieren niet verder konden. Wel maakten die
-ocr page 584-
558
volkeren van allerlei andere bescliuttingsmiddelen (zolen, later ten
onrechte sandalen genoemd) gebruik , om de hoeven voor te sterke
afslyling te beschutten. Deze werden van een soort biezen of
van leder en later van ijzer vervaardigd. Van de laatste heeft men
in Romeinsche nederzettingen talrijke exemplaren, in groote ver-
scheidenheid van vorm, aangetroffen. Zij bestaan meestal uit een
plaat, die de zoolvlakte van den hoef moet bedekken; ter zijde
treft men op- en omgebogen gedeelten en ook ringen aan. welke
dienden om de „ijzeren zool", door middel van touwen of riemen,
aan den hoef te bevestigen.
Deze zolen kregen de paarden alleen dan onder, wanneer zich
daaraan, door te sterke slijting der hoeven, de behoefte deed
gevoelen. Dit was ook bij de Kelten het geval; vandaar dat
betrekkelijk zoo weinig Romeinsche zolen, z. g. hipposandalen, en
Keltische ijzers zijn gevonden.
Na de heerschappij der Romeinen kwam het gewone hoefijzer
allengs meer in gebruik. De eerste nauwkeurige schriftelijke berich-
ten hieromtrent vindt men in de militaire voorschriften van keizer
Leo IV van Constantinopel (9,,e eeuw na Chr.); daarbij wordt reeds
melding gemaakt van het halvemaanvormig ijzer.
Langen tijd heeft men beweerd, dat het hoef beslag in Engeland
was ingevoerd door Willem pen Veroveraar, bij zijn komst
aldaar in 1066. In sommige gedeelten van Zuid-Engeland echter
heeft men in cairns Keltische ijzers opgegraven, die duidelijk be-
w\'y\'zen, dat aldaar reeds vóór Christus geboorte het hoefijzer werd
aangewend. Toch schijnt dit, na het verdry ven der Kelten door
de Romeinen, ook aldaar in onbruik te zijn geraakt; het staat in
elk geval vast, dat Willem nE Veroveraar veel heeft gedaan
voor de verbreiding van het hoefbeslag in Engeland. Hij belastte
een zijner edelen, Wakelis van Ferrariis genaamd, met het
toezicht hierop en schonk hem den titel van Graaf van Ferrers
en DERBY, met daaraan verbonden voordeelen. Onder anderen
moest elk edelman, die zijn kasteel Oakham in het graafschap
Rutland naderde, hem als schatting een hoefijzer betalen, dat
naast den naam aan de poort van het kasteel werd bevestigd.
Dat het beslag omstreeks 1214 in Frankrijk geen onbekende
zaak meer was. wordt bewezen door het volgend versje, dat ge-
maakt werd toen graaf Ferrand van Vlaanderen in gemeld
jaar Parijs gevankelijk werd binnengevoerd :
Quatre ferrants bien ferrés,
Trainent Ferrand bien enferré.
-ocr page 585-
859
Na dien lijd breidde liet lioofbeslsig zicli allengs meer uit. Ook
in ons land zijn, vooral langs de groote rivieren, dikwijls 1\'/, M.
onder de klei, vele ijzers opgegraven, welke overeenkomen met
dergelijke in Duitschland gevonden en waarvan men kan aantoonen ,
dat zij dateeren van de 14* tot de 13,,e eeuw na Chr. Deze yzers
zijn bijna even groot en zwaar als de tegenwoordige, hebben
meestal een rits, ü—-8 nagelgaten, naar bun uiteinden allengs
smaller wordende takken, en bevatten gewoonlijk schuin naar
voren gelichte kalkoenen, zooals ze thans bij bet Amerikaansch
hard draversijzer worden aangebracht.
Ook van later tijd, uit de periode van den 80-jarigen oorlog en
daarna, heeft men in ons land veel ijzers opgegraven, soms in
een onverklaarbaar groote hoeveelheid bij elkander; een dergelijke
vondst geschiedde o. a. in 4881 te Nieuwersluis door den kapitein-
ingenieur ,1. C. Gi.isiiEim HoDENPIJL. Deze ijzers komen vrij wel
overeen met die, welke thans nog door minder goede smeden
worden gemaakt; zij zijn breed, zwaar, hebben kalkoenen, meestal
8 nagelgaten, zijn gewoonlijk niet geritst en bezitten een lip.
Sedert de oprichting van veeartsenijscholen in Europa (de eerste
werd te Lyon geopend in 47G2), ontwikkelde zich meer de ken-
nis van den bouw en de verrichtingen van den boef en trachtte
men het beslag daarmede in overeenstemming te brengen. Toch
behield elk land geruimen tijd zijn eigen type, zoodat men van
een Fransch, Duitsch, Engelsch, ïurksch, enz. beslag sprak,
en zelfs nog heden ten dage zijn de sporen daarvan niet geheel
uitgewischt.
Het Oostersche ijzer, dat nog in Turkije, Klein-Azië, Noor-
delijk Afrika, enz. gebruikelijk is, bestaat uit een dunne ijzeren
plaat, die de geheele ondervlakte van den hoef bedekt, behalve
een klein gedeelte ongeveer in het midden daarvan. De buitenrand
van dit ijzer steekt iets onder de bodemvlakte uit; de nagels komen
ten getale van 6 of 8 alleen in den zijwand te zitten. Van voren
heeft het een opzet; het bedekt den draagrand van den toonwand
niet geheel, terwijl het van achteren, tot beschutting der ballen,
over deze is heengebogen. De boefnagels hebben, om het uitglij-
den der aldus beslagen paarden te belemmeren, een naar beide
zijden verbreeden kop; het op den hoornwand te voorschijn
komend gedeelte der kling wordt spiraalvormig samengedraaid,
waardoor de nagel later, bij een nieuw beslag, weder zou kunnen
worden gebruikt.
In Spanje gebruikt men nog dikwijls een overeenkomstig ijzer,
-ocr page 586-
560
terwijl het Chineesche muildierijzer (zie blz. 557) evenzeer aan de
uiteinden verbreed en opgebogen is, om de ballen te beschutten.
Het Fransclie beslag, door Bourgelat in de 2dc helft der acht-
tiende eeuw aanbevolen, kenmerkt zich door het volgende. Het
voorijzer is breed, zonder lip en wordt naar achteren iets smaller;
de bovenvlakte helt van buiten naar binnen af, terwijl de bodem-
vlakte glad is en meestal 8 groote, trechtervormige nagelgaten
bezit. De groote koppen der z. g. l\'Yansche nagels steken buiten
deze gaten uit en belemmeren dus het uitglijden. De achteryzers
zijn in den toon dikker dan de voorijzers, doch worden naar
achteren dunner en smaller; de buitentak is gewoonlijk iets dik-
ker, ver naar achteren van gaten voorzien en bezit een kleinen
kalkoen, die aan den binnentak ontbreekt. Zij hebben een groote
lip en aan den toon een sterken, aan de kalkoeneinden een iets
zwakkeren opzet.
Hoewel dit type nagenoeg verdwenen is en voor smaller ijzers
met fijner nagels, ook voor ritsyzers heeft plaats gemaakt, is voor
het Fransche ijzer toch kenmerkend gebleven, dat het, in tegen-
stelling met het Duitsche, slechts zelden van kalkoenen voorzien is.
Kort na Bourgelat beproefde Lafosse om in Frankrijk het
algemeen gebruik van het halvemaanvormig ijzer (fer a lunette;
halbmondförmiges Eisen
; tip or halfshoe) in te voeren. Dit is zoo
kort, dat liet slechts tot aan de drachten reikt en aldaar met zijn
dun toeloopende uiteinden in den wand wordt gelaten.
Door dit ijzer wordt het hoefmechanismus weinig belemmerd,
terwijl de straal steeds met den bodem in aanraking komt. Men
zou dus meenen, dat het boven alle andere modellen te verkiezen
moest zijn. Toch is dit niet zoo, en wel om de eenvoudige reden,
dat het niet voldoet aan de eisenen, welke men in het algemeen
aan een ijzer stelt. Het achterste gedeelte van den hoef, dat
niet door het ijzer is bedekt, slijt nu bovenmate af, en daar de
toon geheel beschut is, wordt de hoef lang en komt de toonwand
veel schuiner te staan dan de koot. Hierdoor hebben de gewrichten
aan de ondereinden der beenen veel te lijden. Deze nadeelen
vervallen echter, indien het halvemaanvormig ijzer in verbinding
met gutta-percha zolen wordt aangewend (zie later).
In 1865 heeft Charlier, destijds veearts te Parijs, het gebruik
van het ring zooiijzer (fer périplantaire) aanbevolen, dat korten tijd
grooten opgang heeft gemaakt. Charlier ging namelijk uit van de
beschouwing, dat het hoefijzer eigenlijk slechts een verlenging van
den hoornigen diaagrand moest zyn; de onbesneden zool en de
-ocr page 587-
561
straa! konden dan functionneeien als bij den onbeslagen hoef. Te
dien einde maakte hij een hoefijzer, dat nauwkeurig met de breedte
en het beloop van den draagrand overeenkwam; de laatste werd
zoodanig verkort, dat de bodemvlakte van het daarop gelegde ijzer
met de onverdunde zool, zooveel mogelijk, in een horizontaal vlak
kwam te liggen.
Het smalle CnAKLiER\'sche ijzer omsluit dus bijna dengeheelen
hoef en laat slechts van achteren ruimte open voor den straal;
bovendien zijn de zes nagelgaten ver naar achteren gestampt.
Daar het ijzer niet elastisch is, zal het nu veel meer dan bij het
gewone beslag, waarbij de achterste hoefhelft zich op het ijzer
kan uitzetten, het hoefmechanismus belemmeren. Bovendien is
het moeielijk onder te leggen, en als het paard ongelukkig een
ijzer verliest, kan het, door volkomen gemis van een draagrand,
zich soms nauwelijks meer van de plaats bewegen.
Fleming, een Engelsch veearts, heeft getracht de belemmering
van het hoefmechanismus door het CiiAiiLiEn\'sche ijzer te voor-
komen, door dit zóó kort te maken, dat het slechts tot de
drachten reikt. Men heeft dan echter weder de schadelijke ge-
volgen van het halvemaanvormig ijzer (tip o;- half-shoe) te duchten.
Het Duitsche hoefijzer bezit kalkoenen en dikwijls een stoot;
het is in den toon het breedst en wordt naar achteren smaller.
De bovenvlakte helt van buiten naar binnen af; de ondervlakte
bevat óf de trechtervormige Fransche nagelgaten, óf een slecht
gemaakte rits. Indien de stoot ontbreekt, heeft het ijzer aan den
toon een opzet; anders is het geheel vlak.
De in Rusland, Zweden, België en Nederland gebruikelijke
ijzers komen hiermede in hoofdzaak overeen. Dikwijls wordt in
ons land het ijzer nog zoodanig gebogen, dat alleen de binnenrand
daarvan op den grond komt.
De Engelschen hebben van het beslag steeds veel werk gemaakt.
Hun paarden van weelde, de renpaarden niet te vergeten, leden
en lijden nog dikwijls aan nauwe, z.g. klemhoeven. Hiertegen
was aller streven gericht. Men meende echter alléén door het
beslag de hoeven wijd te kunnen houden; dit zal evenwel met
het beste ijzer niet gelukken, indien het paard niet tevens vol-
doende beweging krjgt en de hoeven niet aan gepaste vochtigheid
zijn blootgesteld.
Osmer en Moorcjroet vervaardigden in het jaar 1800 reeds
een ijzer, dat van boven een duidelijke draagrand- en af hellende
vlakte bezat en van onderen geheel vlak gesmeed en van een
30
-ocr page 588-
56<2
doorloopende rits voorzien was. Bij dit ijzer behoefde de zool niet
meer zoo besneden, of wel het ijzer aan den binnenrand naar
beneden gericht te worden, om een drukking van dit laatste op
de zool te voorkomen. Daar hierbij dus de vereeniging van de
zool met den wand zeer sterk kon blijven, meenden zij de ver-
nauwing van den hoef te kunnen tegengaan.
Wijl dit OsMEn\'sche ijzer nog niet geheel aan de verwachting
beantwoordde, wendde Bracy-Clark een scharnierijzer aan. Hij
ging uit van het denkbeeld, dat men het hoefmechanismus niet
mag s\'oren en dat dit juist in hooge mate geschiedt door het
vastnagelen van een ijzer onder den hoef. Zijn ijzer bezat daarom
een scharnier in den toon. Toen men hem deed opmerken, dat
de hoef zich in den toon niet uitzet, bracht hij ook aan de overige
deelen van het ijzer scharnieren aan (z.g. tablet-ij zer). De hoef zet
zich echter naar de verzenen in toenemende mate uit en beweegt
zich niet gelijk bij scharnieren geschiedt; afgescheiden evenwel hier-
van is zulk een ijzer zeer duur en spoedig versleten, dus onpractisch.
Coleman prees daarna een ijzer aan, dat aan den toon drie-
maal zoo dik was als aan de uiteinden. Daarbij moest de straal
op den bodem komen, doch de stand van het paard werd zeer
onregelmatig. Was de straal reeds klein, dan beval hij een ijzer
aan met kunstmatigen ijzeren straal, die zoover naar boven werd
gericht, dat de hoornstraal er op rustte (z.g. straalijzer).
Het beslag van Miles heeft niet alleen in Engeland, maar ook
op het vaste land grooten opgang gemaakt. Het door ons be-
schreven ijzer is in hoofdzaak dat van Miles. Als een getrouwe
zoon van het land der tegenstellingen, van „never mind" en
„shocking", overdreef ook hij echter in menig opzicht. Zoo waren
de door hem gebruikte hoefnagels te fijn, liet hij zijn eigen
paarden slechts met drie nagels beslaan, moest het beslag om de
14 dagen worden vernieuwd, enz. Zijn krachtig optreden evenwel
tegen het besnijden van straal en zool, tegen kalkoenen aan de
voorijzers, tegen een te groot aantal en te ver naar achteren in-
geslagen nagels, tegen het beraspen van den hoorn wand na het
beslag, enz. heeft ontegenzeggelijk veel nut gesticht.
Vele wijzigingen zijn ook in het beslag aangebracht met het
doel het paard een vasten stand te bezorgen. Men heeft daartoe
de ondervlakte van het ijzer uitgehold, van een af hellend gedeelte,
of van uitstekende tanden voorzien, enz.
Het ijzer van Graaf von Einsiedel is aan de bodemvlakte
zoodanig uitgehold, dat het daarmede beslagen paard slechts op
-ocr page 589-
563
twee scherpe randen loopt. Het heeft geen kalkoenen; het achter*
Ljzer is aan de uiteinden eenigszins in de richting der steunsels
omgebogen, waardoor het uitglijden naar voren wordt belemmerd.
Dit ijzer is eigenlijk als winterbeslag aanbevolen; het verzekert
echter, op met sneeuw bedekte wegen, den vasten stand minder
dan de schroef kalkoenen. Bovendien zijn de scherpe randen spoe-
dig versleten en moet dit beslag dus, wil het doel daarvan niet
verloren gaan, te dikwijls worden vernieuwd.
Het jachtijzer (hunting shoe) heeft, wat het voorijzer betreft,
in plaats van aan zijn boven-, aan zijn ondervlakte een afhelling.
Deze loopt van de nagelgaten tot den binnenrand en is zeer sterk.
Vóór de kalkoeneinden eindigt zij scherp, zoodat deze eenigermate
het voordeel bezitten van kalkoenen, zonder het nadeel daaraan
verbonden.
Het achterijzer heeft van ter zijde samengeslagen kalkoeneinden,
z.g. strijktakken, en evenmin als het voorijzer kalkoenen; het bezit
ook een afhelling aan de bodemvlakte, terwijl tevens de buiten-
onderrand van het toongedeelte scherp uitsteekt.
Het ijzer van Goodenough, een Amerikaan, komt overeen
met het jachtijzer, is smal en bezit aan zijn bodemvlakte, nabij
den buitenrand, onder de ijzervlakte uitstekende gedeelten. Zoo-
lang deze nieuw zijn, belemmeren zij het uitglijden. De nagelgaten
zijn tusschen deze verhevenheden aangebracht. Het wordt machi-
naal gemaakt.
Het renijzer is zeer smal, licht, uit staal vervaardigd en heeft
een uit twee scherpe randen bestaande bodemvlakte. Ten einde
verbuigen van dit ijzer te voorkomen, reiken de nagelgaten tot
aan zijn achterste derde gedeelte. Zij dienen minstens zoo breed
te zijn, dat zij draagrand en witte lijn bedekken.
Het Amerikaansch harddraversijzer komt veel overeen met het
jachtijzer; het voorijzer heeft aan den toon een uitstekend gedeelte,
dat een eivormig koperen gewicht tegen den toonwand bevestigd
houdt. Een dergelijk gewicht is bij het achterijzer door riemen
en haken aan den buiten-zywand van den hoef verbonden. Door
deze verzwaring zouden de hoeven verder en met meer kracht
vooruit worden geworpen.
Dikwijls heeft men beproefd de paarden te beslaan, zonder het
ijzer met nagels aan den hoef te bevestigen. Deze pogingen zijn
echter volkomen mislukt. De bevestiging geschiedde dan door
middel van riemen, veeren, enz. aan en boven den hoef, doch
dit gaf aanleiding tot verwonding en bovendien zaten de ijzers
-ocr page 590-
564
niet vast, zoodat de paarden zich moeielijk daarmede voortbewogen
en ze licht verloren. Daartoe behoorden o. a. de hipposandalen
van de Gournay en C. Pauli, het beslag van C. Otto Pei,-
likan te Weenen, enz.
In den nieuweren tijd heeft men getracht het ijzer door alumi-
nium
of door guttapercha te vervangen, of met het gewone dan
wel eenigszins gewijzigde beslag het gebruik van guttapercha,
caoutchouc, leder, vilt, touw,
enz. te verbinden.
Het gebruik van aluminium.\' of van guttapercha-hoefijzers heeft
niet voldaan. De eerste zijn te week en daardoor niet duurzaam
genoeg; de laatste kunnen niet worden veranderd naar den hoef,
zijn te spoedig versleten en bieden te weinig weerstand tegen
afwisselende temperatuur, vochtigheid, droogte, enz.
Men heeft de geheel of ten deele uitgeholde bodemvlakte der
ijzers met caoutchouc opgevuld, waardoor het uitglijden der paar-
den zou worden voorkomen. Hierop berust het beslag van Schnei-
der en Ernst met caoutchouc-kalkoenkussens, van Baak, Luigi
Cornexiani, Douglas e. a. Of wel, men heeft den stompen en
scherpen kalkoenen een caoutchouc-onderlaag gegeven, zoodat zij
zouden kunnen veeren en aldus den stoot breken; dit is o. a. bij
het beslag van Pescheck het geval.
Evenals dit reeds vroeger met leder, vilt, enz. geschiedde, heeft
men ook caoutchouc tusschen den draagrand en het ijzer aange-
wend. Het doel daarvan was voornamelijk het breken van den
stoot; soms gebruikt men ook guttapercha, bijv. bij plathoeven,
om het ijzer van de zool vrij te leggen.
De caoutchouc-zolen van Downie en Harris liggen tusschen
het ijzer en den hoef, bedekken de geheele zoolvlakte en laten
alleen een ruimte open voor den straal. Hierdoor zou de zool
beschut en het uitglijden voorkomen worden. De hoornzooi heeft
echter, wanneer zij niet kunstmatig is verzwakt, geen beschutting
noodig. "Vele hoeven zijn niet genoegzaam uitgehold om deze
zolen te kunnen opnemen; zij worden daartoe dan besneden,
waarbij men echter de natuurlijke beschutting wegneemt om een
andere, minder goede, doch zeker duurdere, in de plaats te
stellen. Door de elasticiteit van het caoutchouc tusschen draagrand
en ijzer lijdt de goede bevestiging van dit laatste; bovendien is
het voorgekomen, dat het caoutchouc zoodanig aan de vochtige
steenen in den stal kleefde, dat het paard, bij de pogingen om
den hoef van den grond los te maken, den hoornwand boven de
nieten afrukte.
-ocr page 591-
565
De caoutchouo-zolen van HARTMANN (U.UiTMANN\'sehe Hufpufer)
bedekken de geheele zoolvlakte van den hoef, doch laten den
draagrand vrij en kunnen naar willekeur weggenomen en weder
ondergelegd worden. Zij worden daartoe met een tang eenigszins
samengevouwen. Hoewel ze dus minder nadeelig zijn dan de
vorige (ook wijl hierbij niet zoo licht rotstraal ontstaat), kunnen
ze toch zeer goed worden gemist. Vele hoeven moeten ook bij
deze zolen aan hun zoolvlakte worden besneden om de noodige
ruimte te verkrijgen; bovendien moet het ijzer aan zijn kalkoen-
einden eenigszins naar binnen worden gebogen. En wat de \\oor-
deelen betreft, zij wegen nauwelijks tegen de nadeelen op. Het
inballen van sneeuw en intrappen van nagels is niet zoo alledaagsch,
dat men daartegen zijn paarden steeds aldus behoeft te wapenen;
het winterbeslag kan door deze zolen niet worden vervangen en
wat aangaat het in natuurlijke functie herstellen van zool en straal,
dit is grootendeels denkbeeldig en kan, in werkelijkheid, op beter
wijze worden verkregen. Ditzelfde geldt van het breken van den
stoot.
Veel meer aanbeveling verdienen de Engelsche zolen, verbonden
met het halvemaanvormig ijzer. Deze bestaan uit een lederen zool,
welke van onderen, nabij het achterste gedeelte, een caoutchouc-
kussen bezit, dat naar voren aansluit tegen een halvemaanvormig
ijzer. Bij de aanwending vult men de zoolvlakte van den hoef, nadat
deze gereinigd is, op met jute of vlas, gedrenkt met bruine teer,
legt daarover de zool met het halvemaanvormig ijzer en bevestigt
een en ander door 4—6 nagels. Van groot belang zijn de be-
hoorlijke opvulling en het nauwkeurig passen van de uiteinden
van het ijzer tegen het caoutchouc-kussen.
Dit beslag biedt groote voordeelen aan voor het hoefmecha-
nismus. Door de opvulling functionneert de zoolvlakte van den
hoef als in onbeslagen staat; het halvemaanvormig ijzer staat de
uitzetting van den hoef toe, het caoutchouc-kussen verzekert een
vasten stand en voorkomt een te groote belasting van de achterste
hoefhelft, gelijk bij het gebruik van het halvemaanvormig ijzer
alleen zoo licht plaats heeft. Terwijl bij andere zolen gemakkelijk
rotstraal ontstaat, wordt dit hier door het gebruik van teer be-
lemmerd.
Er is tot heden geen wijze van beslaan, die zoo weinig nadeelen
bezit als deze; zij eischt echter vaardigheid van den smid. Indien de
voordeelen van dit beslag, namelijk behoud of herstel van den nor-
malen hoef vorm, goede stand en gang, langduriger bruikbaaiheid, enz.
-ocr page 592-
560
in meer tastbaren vorm konden worden aangetoond, dan zouden
zij stellig blijken op te wegen tegen de grootere kosten hieraan
verbonden.
Evenals caoutchouc, heeft men in den nieuweren tijd ook kurk,
vilt, touw, stroo,
enz. voor het beslag aanbevolen. Hiermede voorziet
men de ondervlakte van het ijzer voor een grooter of kleiner
gedeelte, of wel men wendt zolen aan, die van een dezer materialen
zijn vervaardigd. Zij hebben echter geen uitgebreide toepassing
gevonden.
§ 219. De verpleging van den hoek.
Het best voor de hoeven zou zijn ze niet te beslaan en den
paarden zooveel beweging te geven, dat de groei der hoeven met
de afslijting gelijken tred hield. Dit zou echter niet strooken met
de bedoeling, waarvoor men paarden houdt.
Bij veulens intusschen kan dit worden toegepast; voor een
noimale ontwikkeling hunner hoeven gaat niets boven den weide-
gang, indien namelijk de weiden niet laag zijn gelegen. Toch
gebeurt het ook daarbij, dat hun hoeven ongelijkmatig afslijten,
zoodat ze scheef worden, en wat erger is, hierdoor langzamerhand
aan het paard een abnormalen stand bezorgen. Men kan dit
voorkomen door besnijden of beraspen der onvoldoend afgesleten
en gewoonlijk naar binnen gebogen wandgedeelten.
Wanneer de veulens in den winter op stal staan, heeft de
groei meestal de overhand boven de afslijting, zoodat dan een
gedurig verkorten der hoeven noodzakelijk is. Dit heeft tevens
het voordeel, dat de paarden van jongs af gewend worden aan
deze behandeling.
In de jeugd kan een zich ontwikkelende abnormale stand met
goed gevolg worden bestreden door de hoeven steeds zoodanig te
besnijden, dat zij volkomen regelmatig blijven.
Zoo lang mogelijk wachte men met de jonge paarden te doen
beslaan; door het beslag toch worden de hoeven in hun ontwik-
keling belemmerd.
Indien oudere paarden door eenige omstandigheid, bijv. kreupel-
heid, tot langdurige rust zijn gedwongen, is het, tenzij ziekten
der hoeven dit verbieden, goed de ijzers af te nemen. De hoeven
zullen zich dan in hun achterste helft minder samentrekken dan
in beslagen toestand onvermijdelijk geschiedt. De draagrand moet,
-ocr page 593-
567
om afbrokkelen van den wand te voorkomen, gedurig bygeraspt
en de hoef overigens rein gehouden worden.
Wanneer paarden weinig beweging hebben, is de bloedsomloop
in de hoeven gebrekkig; hierdoor vermindert de groei en ontstaat
vernauwing der achterste hoefhelft. Dat het hoef beslag, waardoor
het hoefmechanismus meer of minder wordt belemmerd en de
harde bodem , waarop de paarden zich bewegen, daartoe het hunne
bijdragen, behoeft, na al het voorafgaande, geen nader betoog.
Naast een doelmatig beslag, waardoor het hoefmechanismus
zoo weinig mogelijk lijdt, is er geen beter middel om de hoeven
normaal te houden dan veel beweging, vooral op zachten bodem.
Landbouwpaarden, die veel arbeid verrichten op dergelijkengrond,
hebben zelden of nooit eigenlijke klemhoeven, ook al worden ze
slecht beslagen.
Bij paarden, die in beslagen toestand veel op stal moeten staan,
zooals militaire en luxe-paarden, laten zich de gevolgen van het
belemmerd hoefmechanismus voornamelijk aan de voorhoeven op-
merken. Deze drogen eerder uit dan de achterhoeven, welke aan
de vochtigheid van den stalbodem (door urine en mest) zijn bloot-
gesteld. Om dit uitdrogen te voorkomen, is het nuttig de voor-
hoeven nu en dan met vet, olie of vaseline in te smeren, nadat
zij vooraf gewasschen en daarna weder bijna droog geworden zijn.
Het insmeren zonder dat het laatste is voorafgegaan, brengt eer
na- dan voordeel aan. Alle samengestelde hoefzalven zijn minstens
overbodig. Evenzoo laat men het paard nu en dan van voren op
eenigszins vochtig gemaakt wit zand staan; dit heeft tevens het
voordeel, dat de straal, zij het ook weinig, in functie komt.
Vooral in onbeslagen toestand is dit aan te bevelen.
De achterhoeven moeten dagelijks uitgekrabd en gereinigd wor-
den; om het ontstaan van rotstraal te voorkomen. Dit uitkrabben
en wasschen moet telkens aan alle vier hoeven geschieden, als
het paard op stal komt; ingetrapte nagels of steentjes, die zich
tusschen ijzer en hoef hebben ingeklemd, worden daardoor opge-
merkt, vóór zij meer schadelijke gevolgen hebben gehad.
Dat een zachte, zuivere standplaats voor de hoeven gewenscht
is, valt gemakkelijk te begrijpen.
Het zg. inslaan der hoeven in koemest, zuurdeeg, lijnmeelpap,
enz., somtijds nuttig voor sterk ingedroogde, ineengeschrompelde
hoeven, wordt dikwijls misbruikt en kan dan voor de hoeven
nadeelig worden. Sommigen meenen daarmede zelfs ziektestoffen
en vermoeidheid uit de hoeven te kunnen trekken, alsof de hoorn
-ocr page 594-
5(i8
moede werd en ziektestollen bevatte, die aldus daaruit verwijderd
konden worden.
Wanneer de hoeven aan te veel vocht zijn blootgesteld, voor-
komt men nadeelige gevolgen door ze behoorlijk met vet in te
smeren.
Zijn de voorhoeven overeenkomstig de op blz. 565 aangegeven
methode met Engelsche zolen beslagen, dan behoeven de paarden
niet op vochtig zand te worden geplaatst, terwijl tevens het
wasschen der hoeven achterwege kan blijven. Wil men het laatste
toch laten doen, dan geschiede het zóó, dat alleen de wand vlakte
wordt bevochtigd. Het insmeren van den wand met vet of vaseline
blijft intusschen nuttig.
-ocr page 595-
VIERDE HOOFDSTUK.
HET BESLAG VAN ZIEKE HOEVEN.
§ 220. Ziekten der hoeven in het algemeen.
Men noemt een hoef ziek, wanneer hij in eenig opzicht afwijkt
van dien vorm en gesteldheid, welke wij als normaal hebben
leeren kennen en wanneer daardoor de bruikbaarheid van het
paard meer of minder wordt belemmerd.
Of de ziekte uitgaat van de hoornige of van de inwendige deelen
van den hoef, in beide gevallen zullen, door het nauwe verband
waarin deze tot elkander staan, licht ook andere dan de eerst-
aangetaste deelen, in het lijden worden betrokken.
Men spreekt van hoefontsteking, wanneer de inwendige, voor-
namelyk de hoornvormende deelen van den hoef ontstoken zijn;
de hoorn zelf kan niet in onsteking geraken, daar hierin geen
circulatie plaats vindt. Zulk een ontstoken hoef is meestal — ge-
heel of ten deele — warmer dan de naaststaande gezonde hoef;
bovendien is hij pijnlijk, zoodat het paard hem abnormaal ge-
bruikt, m. a. w. meer of minder kreupel loopt. Gewoonlijk is de
pols aan de slagaderen ter zijde van de pijp duidelijker te voelen
bij hoefontsteking dan wanneer de hoef normaal is; soms neemt
men ook zwelling aan de kroon of de ballen waar.
Bij vele vormveranderingen van den hoef kan ontsteking gehee!
ontbreken; een abnormale hoefvorm praedisponeert echter tot
hoefontsteking.
De ontsteking kan binnen eenige dagen weder verdwijnen zonder
sporen achter te laten; zij is dan geëindigd met resorbtie. Soms
treden echter zooveel voedingsvloeistoffen uit de bloedvaten, dat
zij daarin niet spoedig genoeg weder kunnen worden opgenomen;
dit geeft tot ziekelijke vorming aanleiding, zooals bij rheumalische
-ocr page 596-
570
hoefontsteking. Het kan ook gebeuren, dat ettering ontstaat; de
pijnlijkheid neemt dan meestal allengs toe, totdat de etter zich door
een in den hoorn gemaakte opening ontlast of anders aan de
kroon doorbreekt. Eindelijk kan een grooter of kleiner gedeelte
afsterven en z.g. verichoreeren, d. i. er kan zich vuile, bedorven
etter vormen; deze wordt dan licht in het bloed opgenomen en
veroorzaakt, door bloedvergiftiging, niet zelden den dood van het
dier.
De oorzaken der hoefziekten kunnen velerlei zijn; zeer dikwijls
zijn zij gelegen in een ondoelmatig besnijden van den hoef en in
slecht beslag. Zelden ontstaat hierdoor plotseling ziekte, zooals
bij vernageling; meestal wijkt de hoef onder deze verkeerde be-
handeling langzamerhand meer van het normale af, totdat zich
eindelijk duidelijk functie-stoornis openbaart.
Zooals reeds vroeger werd opgemerkt, worden de voorhoeven
méér ziek dan de achterhoeven en is, van de eerste, daartoe
voornamelijk de binnenwand voorbeschikt. Dit ligt aan de sterkere
belasting der voorhoeven, het meer uitdrogen daarvan en de
grootere zwakte van den binnenwand.
Tot genezing eener hoefontsteking moet men trachten zooveel
mogelijk de oorzaken te verwijderen. Het ijzer wordt afgenomen
en, indien geen andere omstandigheden dit verbieden, gedurende
enkele dagen weggelaten. De hoef wordt van overtolligen hoorn
ontdaan, waardoor een te sterke, ongelijkmatige drukking op de
zieke deelen kan worden opgeheven en aan te wenden koude, of
wellicht warmte, beter in de diepte kan doordringen.
Dikwijls is het gewenscht een drukking der zieke plaats te
voorkomen; dit kan geschieden door aldaar het ijzer z.g. vrij te
leggen,
d. i. een aanraking met den draagrand van den wand
te voorkomen. Hiertoe neemt men óf iets meer van den hoorn
weg of men verdunt het ijzer daar ter plaatse, zonder dat de
bodemvlakte van het horizontale afwijkt. Gewoonlijk gebeurt het
eerste. Betreft dit nu een klein gedeelte van den draagrand, bijv.
aan een zijwand, dan kan men het gewone ijzer blijven gebruiken;
onder andere omstandigheden legt men een z.g. balkijzer (fer a
planche; gescldossenes Eisen; bar-shoe)
(PI. XLVI fig. 1) onder.
De balk, welke daarbij de uiteinden van het ijzer vereenigt, komt
op den straal te liggen; deze helpt dus mede den lichaamslast
dragen en treedt als plaatsvervanger op voor het draagrandge-
deelte, dat men van drukking wenscht te verschoonen. Zulk een
balkijzer wordt bij zieke hoeven dikwijls en met groot voordeel
-ocr page 597-
571
aangewend; niet alleen laat zich daardoor de lichaamslast gelijk-
matig over de, tot dragen geschikte plaatsen van den hoef ver-
deelen, ook de, door het gewone beslag veroorzaakte storing in
het hoefmechanismus wordt, door de drukking van den straal op
den balk, belangrijk verminderd.
Het is niet altijd gemakkelijk de oorzaak, zitplaats en beteekenis
der hoefaandoening op te sporen. Men onderzoekt daartoe aan
welk been het paard kreupel loopt (zie § 14G) en onder welke
omstandigheden dit zich het meest openbaart. Hoefkreupele paar-
den namelijk loopen op harden bodem gewoonlijk het meest
kreupel, zetten hun zieken hoef angstig neder, durven daarop
niet doortreden en trachten den lichaamslast zoo spoedig mogelijk
daarvan weg te nemen en op den naaststaanden, gezonden hoef
over te brengen. Nu wordt de hoef in zijn geheel,• dan een
bepaald gedeelte er van, bijv. de toon of de ballen, de binnen* of
de buitenwand, van het dragen van den lichaamslast verschoond.
Dikwijls wordt het hierdoor niet alleen mogelijk te onderkennen ,
dat de oorzaak der kreupelheid in den hoef gezeteld is, maar
wordt men ook reeds gewezen op het gedeelte van den hoef, dat
lijdt. Toch is hierbij vergissing licht mogelijk en een verder
nauwkeurig onderzoek dus noodzakelijk.
Dit geschiedt door na te gaan of de vermoedelijk zieke plaats
warmer en gevoeliger is dan onder normale omstandigheden. Voor
het eerste, de temperatuur, vergelijke men steeds een bepaalde
plaats van den eenen hoef met de overeenkomstige van den naast-
staanden. Immers, een zelfde hoef is niet overal even warm; de
kroon en de ballen zijn steeds het warmst, de binnenwand is
warmer dan de buitenwand, kortom, de deelen met de dunste
hoornlaag bedekt, hebben de hoogste temperatuur. Daarbij zal
men onderscheid bemerken of men de warmte onderzoekt met
twee of meer vingers of met de geheele hand ; een deel zal ons
des te warmer toeschijnen, naarmate het aantal aanrakingspunten
van de onderzoekende hand grooter wordt.
De pijnlijkheid van eenig gedeelte van den hoef bepaalt men
door hierop zacht met een hamer of iets dergelijks te kloppen
en door middel van de z.g. visiteertang. Dit is een tang met
wijde bekken, zoodat de hoef daartusschen kan worden ge-
knepen. Hiertoe plaatst men den eenen bek op den wand, den
anderen op de zool of den straal en gaat nu na of het paard,
zoodra men de tang laat werken, op een of andere plaats
ongewoon reageert, z.g. trekt. Dat dit knijpen met omzichtigheid
-ocr page 598-
572
dient te geschieden, wil men voor verkeerde gevolgtrekkingen
behoed blijven, spreekt van zelf. Hoe dunner de hoorn van
zool en straal is, des te minder kracht moet bij het gebruik van
de tang worden aangewend. Ook ten opzichte der gevoeligheid
is het goed eenige plaats van een zieken hoef met een overeen-
komstige van den gezonden te vergelijken.
A. VORMVERANDERINGEN VAN DEN HOEF.
§ 221. Plathobf en volhoef.
Men noemt een hoef plat, wanneer zijn toonwand en een deel
der zijwanden schuiner staan dan normaal, en de zool, in plaats
van uitgehold te zijn, met den draagrand van den wand in een
plat vlak ligt.
Plathoeven (jrieds plats Flachhufe; jlat hoofs) komen het meest
voor bij paarden uit laag gelegen streken; bij ons inlandsche paard
treft men ze niet zelden aan, evenwel minder dan vroeger. Ge-
woonlijk zijn alleen de voorhoeven plat, zeldzaam ook de achter-
hoeven ; de grootere belasting der voorhoeven en het minder
uitgehold zijn van hun zool zijn daarvan hoofdzakelijk oorzaak.
Dij groote, wijde hoeven wordt de zool gemakkelijker afgeplat
dan bij kleine en nauwe.
Als oorzaak van den plathoef moet men, benevens aanleg
zooals die bestaat bij laaglandsche rassen, alles beschouwen, wat
de zool kan verzwakken. Daartoe behoort het te sterk besnijden
van de zool en den draagrand, en wel zoodanig, dat de
verbinding van wand en zool er door wordt verzwakt. Verder
het blootstellen der hoeven aan vochtigheid en het beslag met
ijzers, welke, in plaats van een goede draagrand* en afhellende
vlakte te bezitten, zoodanig zijn omgebogen, dat hun binnenrand
naar beneden, hun buitenrand naar boven is gekeerd. Met de
goede bedoeling de steeds meer doorzakkende zool voor drukking
te behoeden, buigt men den binnenrand van het ijzer allengs
sterker naar beneden; juist hierdoor echter wordt de wand naar
ter zijde geduwd en de hoef dus platter gemaakt.
Gewoonlijk is de straal bij plathoeven krachtig ontwikkeld; is
het beslag zoodanig, dat deze mei den bodem in aanraking komt,
dan kunnen plalhoevige paarden meestal nog tot verschillende
diensten worden gebruikt. In het omgekeerde geval ontstaat licht
-ocr page 599-
573
kreupelheid; zij is het meest te duchten, wanneer de dracht-
wanden laag zijn (low heels) of, zooals men zegt, het paard zivakke
verzenen
heeft. Deze buigen bovendien gemakkelijk naar het cen-
trum van den hoef om en klemmen dan de onderliggende gevoelige
deelen in (zie beneden).
Plathoeven zijn, omdat het hoef been gewoonlijk ook dezen vorm
heeft aangenomen, meestal voor geen volkomen herstel vatbaar.
Toch is veelal belangrijke verbetering daarvan te verkrijgen en
in den regel kan men een verdere ontwikkeling der plathoevigheid
tegengaan.
Daartoe is het van belang de oorzaken zooveel mogelijk te ver-
wijderen. Zool en straal mogen niet meer besneden en vochtigheid
moet van den hoef geweerd worden. J)e toonwand moet sterk
worden verkort en de draagrand, voornamelijk wanneer hij hier
en daar naar buiten is uitgeweken, worden bijgeraspt.
Verder is het nuttig den lichaamslast, zooveel mogelijk, van
het achterste gedeelte van den wand weg te nemen en op den
straal over te brengen. Dit kan geschieden door middel van een
balkijzer, dat zoodanig wordt ondergelegd, dat alleen de inge-
korte toonwand, een klein gedeelte der zijwanden en de straal
z.g. dragen; de te lage zij- en drachtwanden liggen dus, evenals
de zool, vrij. Mocht een balkijzer, wegens eenige omstandigheid,
minder gewenscht zijn, dan legge men ten minste een lang ijzer
onder; hierdoor wordt de lichaamslast meer naar het toongedeelte
overgebracht.
Indien de straal niet voldoende ontwikkeld is, om op den balk
een steun te vinden, dan kan men hem verhoogen met Defays\'kunst-
hoorn,
naar zijn uitvinder aldus geheeten. Die massa verkrijgt men
door samensmelten van gelijke (gewichts)deelen guttapereha en
ammoniakgom. Beter echter is tot dit doel, in plaats van kunst-
hoorn, vilt of guttapereha te bezigen.
De drachtwanden slijten bij plathoeven steeds sterk af en zijn
daardoor laag; een horizontale draagrandvlakte van het ijzer is
het beste middel om deze afslijting, zooveel doenlijk, te beperken.
Wanneer de straal bij deze hoeven, bijv. door kalkoenen en
gebruik op een harden bodem, niet met den laatsten in aan-
raking kan komen, vernauwt de achterste hoef helft zich gemak-
kelijk en ontstaat dus bij den plathoef een klemhoef. De straal
zakt nu telkens door en vernauwt daardoor de drachtwanden, in
plaats van ze te verwijden. Zulk een klemhoef kan eenzijdig of
beiderzijds zijn en aanleiding geven tot kreupelheid; men zegt dan
-ocr page 600-
?>74
wel, dat het paard gevoelige verzenen {weah feet) heeft. Ook bij
zijbeen (zie § 237) buigt zich gewoonlijk een verzenwand naar binnen.
Plathoeven zijn voornamelijk op harden bodem en in snelle,
hooge gangen nadeelig; zeer gemakkelijk ontstaan daarbij steen-
gallen, holle wanden en andere hoefziekten. Wordt de zool steeds
meer verzwakt, dan buigt zij eindelijk door, zoodat zij onder den
draagrand uitkomt; uit den plathoef is dan de volhoe f (pied comble;
Vollhuf; convexity of the sole)
ontstaan. De wand is daarbij zeer
schuin, van dwars loopende ringen voorzien en gewoonlijk aan
den draagrand brokkelig. In vele opzichten komt hij overeen met
een z.g. biolhoef; toch moet hij daarvan worden onderscheiden en
deze laatste nog ongunstiger worden beoordeeld.
Zooikneuzingen, steengallen en holle wanden komen bij vol-
hoeven nog meer voor dan bij plathoeven. Zonder beslag kunnen
volhoevige paarden gaan noch staan; de vleeschzool wordt dan
tusschen het hoefbeen en de hoornzooi geklemd en geraakt in
ontsteking. Dit geschiedt echter ook, indien de zool op het ijzer
drukt of — ondanks het beslag — met den bodem in aanraking
komt. Deze kneuzingen openbaren zich óf onmiddellijk door kreu-
pelheid of later door roode of gele vlekken in den zooihoorn,
teweeggebracht resp. door uitgestort bloed of door ontstekings-
producten, die allengs met den hoorn afgroeien.
Volhoevige paarden zijn daarom voor snelle gangen op harden
bodem ongeschikt. Steeds is een uiterst zorgvuldig beslag noodig,
om ze eenigermate bruikbaar te houden.
Ten einde elke drukking van de zool te vermijden, verhoogt
men op eenige wijze, het best door kunsthoorn, den draagrand
en legt een tamelijk dik ijzer met een sterk afhellende vlakte
onder. Bij groote brokkeligheid van den wand kan de werking der
nagels soms belangrijk worden ondersteund door zijlippen. Evenals
bij plathoeven zijn ook hier balkijzers met voordeel te gebruiken.
De zool mag niet worden besneden, daar zij dan nog meer gaat
doorzakken; hoe harder zij is, des te meer biedt zij weerstand
aan schadelijke invloeden. Daarom moet vochtigheid worden ge-
weerd en is het dagelijks of om den anderen dag insmeren der
zool met bruine teer aan te bevelen.
§ 222. De bokhoef.
Een bokhoef of stompe hoef {pied a talons hauts; Dockhuf) ken-
merkt zich door hooge drachtwanden, een betrekkelijk lagen,
-ocr page 601-
575
steilen toonwand en een sterk uitgeholde zool. Hij ontstaat door
zoodanige abnorme standen en gangen, waarbij de lichaamslast
voornamelijk op het voorste gedeelte van den hoef valt en de
drachten weinig afslijten. Bij beervoetigheid (PI. XVI fig. \'S) en
ook omgekeerd bij steltvoetigheid (PI. XVI fig. 4) en bokbeenigheid
zijn bokhoeven zeer gewoon; zij kunnen echter ook ontstaan door
onvoldoend besnijden der drachten, hooge kalkoenen, sterk be-
snijden van den toon, enz.
Is de bokhoef het gevolg van een abnormalen stand, dan is hij
ongeneeslijk en mogen zelfs geen pogingen worden aangewend om
daarvan een normalen hoef te maken , tenzij tevens de gebrekkige
stand op eenige wijze kan worden opgeheven. Voor dezen stand
is die hoefvorm onvoorwaardelijk noodig; werden de drachten
bijv. bij een steltvoetig paard zeer laag gemaakt, dan zou dit
(om rekking in de gespannen buigpezen te voorkomen) nog
minder doortreden dan te voren.
Doch even goed als door bokbeenigheid en steltvoetigheid bok-
hoeven ontstaan, kunnen omgekeerd te hooge drachtwanden tot
verkorting der buigpezen leiden; het is daarom zaak deze niet
al te hoog te laten worden. De juiste maat hiervoor heeft men
dan gevonden, wanneer de hoef regelmatig wordt neergezet
en het ijzer tamelijk gelijkmatig afslijt. Rust een paard bij het
gewoon vierkant staan hoofdzakelijk op den toon, dan kan het
noodig zijn, door kalkoenen als anderszins, de drachtwanden nog
te verhoogen.
Is een bokhoef echter het gevolg van slecht beslag of verkeerd
of verwaarloosd besnijden van den hoef, dan is volkomen genezing
mogelijk. De drachten moeten dan verkort en de toon beschut
worden. Men vermijde echter snelle overgangen; zeer langzaam
moet men trachten den hoef weder een normalen vorm te geven.
Met voordeel kan hierbij soms van een halvemaanvormig ijzer ge-
bruik worden gemaakt. Dagelijksche beweging van het paard is
voor de genezing noodig, opdat het zich gewenne allengs meer den
lichaamslast ook op de drachten te doen neerkomen.
§ 223. De klemhoef.
Een klemhoef (pied encastelé, encastelure; Zwanghuf; contracted
hoof)
wijkt daarin van den normalen vorm af, dat hij in zijn
achterste helft te nauw is. De drachtwanden hebben hierbij een
van boven naar beneden convergeerende richting, waardoor de
daaronder liggende vleeschwand gemakkelijk kan worden gekneusd.
-ocr page 602-
576
Indien slechts de eene zijde van den hoef vernauwd is, noemt
men hem een eenzij digen of halven Memhoe f.
Klemhoevigheid wordt meer aan de voor- dan aan de achter-
hoeven waargenomen.
Daar de breedte der hoeven zeer verschilt naar het ras, de
grootte der paarden, enz., is het onmogelijk met een bepaalde
maat aan te geven, waar de normale hoefvorm eindigt en de
klemhoef begint. Dezelfde breedte kan nu normaal, dan abnormaal
zijn. Het onderscheid in breedte der hoeven van edele en onedele
paarden is, onder overigens gelijke omstandigheden, belangrijk.
Zoolang de straal goed ontwikkeld is en de straalgroeven duidelijk
kunnen worden onderscheiden (PI. XI.III fig. i), is de hoef niet
te nauw; is de straal echter klein, liggen zijn schenkels en de
ballen tegen elkander gedrukt, vormt de middelste straalgroeve
een nauwe spleet, in plaats van een ovale verdieping, dan heeft
men met een klemhoef te doen. In het dagelyksch leven bezigt
men dezen naam gewoonlijk echter eerst dan, als de vernauwing
een zeer hoogen graad heeft bereikt en reeds duidelijk functie-
stoornissen waarneembaar zijn.
De oorzaak van klemhoeven is: belemmering van het hoef-
mechanismus; deze wordt hoofdzakelijk door slecht beslag en te
weinig beweging teweeggebracht. Intusschen dient niet over het
hoofd te worden gezien, dat warmbloedige paarden met hooge,
steile hoeven daartoe bijzonder gepraedisponeerd zijn.
"Wanneer een hoef zoodanig wordt besneden en beslagen, dat
de straal niet normaal kan funtionneeren, d. i. niet op den grond
komt en dus de drachtwanden niet helpt verwijden, dan trekt
hij zich allengs meer in zijn achterste gedeelte samen. Indien dus
de straal, steunsels en zooltakken telkens kleiner en dunner wor-
den gemaakt, wanneer verder met kalkoenen wordt beslagen, zoodat
de straal niet met den bodem in aanraking kan komen, althans
als deze hard is, indien daarbij de ijzers te wijd, te ver naar
achteren genageld, van zijlippen voorzien zijn, of als hun boven-
vlakte een van buiten naar binnen af hellende vlakte vormt, dan
kan gemakkelijk een klemhoef ontstaan.
Een gewichtiger factor vormt echter: onvoldoende beweging.
Alle deelen van het lichaam, die tot rust gedoemd zijn, nemen
in omvang af, atrophiëeren. Dit geldt niet het minst van den
hoef; zelfs bij het meest doelmatige beslag en overigens goede
verzorging, ontstaat atrophie, speciaal der achterste hoef helft.
Vandaar ook, dat klemhoeven by militaire en luxe-paarden zoo
-ocr page 603-
577
dikwijls voorkomen, terwijl zij bij slechter beslagen stalhouders\',
sleepers-, doch vooral landbouwpaarden betrekkelijk zeldzaam zijn.
Deze hebben veel beweging, waardoor de circulatie wordt onder-
houden en de natuur bij slot van rekening de overwinning behaalt
op de verkeerde behandeling door den mensch. Kan daarbij, zooals
op zachten bodem, de straal functionneeren, dan heeft men geen
klemhoeven te duchten.
Dat de voorhoeven zich meer vernauwen dan de achterhoeven is
voor een groot deel daaraan toe te schrijven, dat de eerste minder
aan vochtigheid zijn blootgesteld dan de laatste. Vooral nadeelig
in dit opzicht is afwisselend doorweeken en uitdrogen van den
hoorn. Hoe men dit laatste kan voorkomen , werd § 219 besproken.
Een lichte graad van klemhoeven wordt gewoonlijk over het
hoofd gezien. Men bemerkt soms wel, dat de gang van het paard,
voornamelijk in den beginne, stijver wordt, dat het minder goed
doortreedt en gedurig aanstoot, doch schrijft dit toe aan de spieren
of pezen, of meent, dat de smid den hoef niet voldoende besneden,
de nagels te vast aangehaald heeft, enz. Allengs wordt de gang
nog gebrekkiger en loopt het paard z.g. als op spelden.
Beziet men nu den hoef nauwkeurig, dan bemerkt men, dat
hij zijn ronden vorm heeft verloren en langwerpig is geworden.
Hij schijnt daardoor langer. De schenkels van den straal en de
ballen zijn kleiner en tegen elkander geperst, ja soms liggen de
laatste over elkander heen. In de hoogste graden is de geheele
straal in een diepe, vuile groeve veranderd. De drachten zijn,
daar zij door het opgeheven hoefmechanismus niet meer op het
ijzer afslijten, zeer hoog en nauw.
Door de verminderde voeding van den geheelen hoef wordt de
wandhoorn dunner en brokkelig, zoodat gemakkelijk hoornscheu-
ren ontstaan; bovendien lijdt hieronder soms de vereeniging van
hoorn- en vleeschwand en wordt de wand z.g. hol.
De drukking van de zicli meer en meer samentrekkende hoornige
deelen oefent niet alleen haar noodlottigen invloed uit op de hoorn-
voortbrengende deelen van den hoef, maar ook geraken de zyde-
lingsche kraakbeenderen, het hoef been, enz. in de klem en
ondergaan daardoor voedingsstoornissen. De kraakbeenderen ver-
beenen en verliezen hiermede voor altijd hun elastisch vermogen,
zoodat hun belangrijke functie voor het hoefmechanismus verloren
gaat; het hoef been neemt dikwijls in omvang af.
Het eene veroorzaakt dus het andere en omgekeerd; de zich
samentrekkende hoorn beperkt de hoornafscheiding der vleezige
37
-ocr page 604-
578
deelen en door de gebrekkige hoornvorming vernauwt de hoef
zich langzamerhand meer. Komen er nu nog derden in den bond,
als een verbeening der hoef kraakbeenderen (zijbeen), dan is de
ondergang van den normalen hoef onvermijdelijk.
Dat onder zulke omstandigheden de vleezige deelen gemakkelijk
worden gekneusd en daardoor bloeduitstorting en ettering (steen-
gallen)
kunnen ontstaan, valt licht te begrijpen. Evenzoo, dat
door de verminderde elasticiteit der drachtwanden, de kroon zich
telkens te sterk moet uitzetten en daardoor kan scheuren (kroon-
randscheuren).
Wanneer klemhoeven een zoo hoogen graad hebben bereikt,
dat de hoef kraakbeenderen reeds verbeend zijn, dan zijn zij on-
geneeslijk. Men zal dan den onbeslagen hoef in zijn achterste
gedeelte niet meer met de handen kunnen verwijden, hetgeen
anders (door de duimen op de ballen en de vingers op de dracht-
wanden te plaatsen) meer of minder gemakkelijk kan geschieden.
Overigens kunnen zij geheel of grootendeels herstellen, meestal door
slechts de oorzaken weg te nemen, die dezen toestand hebben
teweeggebracht. Deze regel, schijnbaar zoo eenvoudig, is dikwijls
moeielijk uit te voeren. Voornamelijk kan het bezwaren opleveren
den paarden de gewenschte beweging te geven. Onder zulke om-
standigheden dienen de andere oorzaken voor een belemmering van
het hoefmechanismus met des te meer zorg te worden geweerd.
In lichte gevallen van klemhoef is het voldoendeden hoefdoel-
matig te besnijden (waarbij de toon wordt ingekort en de drachten
worden verlaagd), daarna een gewoon goed ijzer zonder kalkoenen
onder te leggen en het paard dagelijks veel beweging, liefst op
zachten bodem, te geven. Vooral wake men tegen snelle over-
gangen; is bijv. het paard met kalkoenen beslagen geweest, dan
verlage men de hooge drachten telkens slechts weinig, daar anders
het dier niet durft doortreden en dus het doel (bevordering van
het hoefmechanismus) niet zou worden bereikt.
Met voordeel kan hierbij soms gebruik worden gemaakt van een
halvemaanvormig ijzer of van een balkijzer; dit is namelijk dan het
geval, indien de straal nog zoodanig ontwikkeld is, dat hij resp.
met den bodem of den balk in aanraking kan komen. Kan dit
echter niet en durft het paard, wegens pijn in de achterste hoef-
helft, niet doortreden, dan is het halvemaanvormig ijzer bepaald
nadeelig en brengt een balkijzer geen voordeel aan. Het kunst-
matig steunen van den straal op den balk, bijv. door dezen naar
boven te buigen of de ruimte tusschen straal en balk op eenige
-ocr page 605-
570
wijze op te vullen, wordt gewoonlijk .slecht verdragen. Dit geldt
ook van de aanwending van het z.g. straalij zer, d. i. een balk-
ijzer, waarvan de balk zoodanig is uitgesmeed, dat hij het grootste
gedeelte van den straal kan bedekken.
Evenzoo dient met omzichtigheid gebruik te worden gemaakt
van het z.g. pantofTelijeer, d. i. een gewoon ijzer, waarvan de
bovenvlakte aan de uiteinden der takken niet horizontaal, doch
van binnen naar buiten afhellend is. De drachtwanden hebben
neiging langs dit hellend vlak naar buiten te glijden, telkens als
zij door een deel van den lichaamslast worden gedrukt. De helling
kan echter voor eenig geval te sterk zijn en tot belangrijke rek-
king der vleezige deelen aanleiding geven; de daardoor teweeg -
gebrachte pijn noopt dan het dier, volstrekt niet meer door te
treden.
Een uitstekende methode, waardoor de hoef in betrekkelijk
korten tijd mechanisch kan worden verwijd, is aangegeven door
Defays. Zij bestaat in het gebruik van een verwijdingsschroef of
dilatator (PI. XLVI fig. 2), welke tusschen de kalkoeneinden van
het ondergeslagen ijzer wordt gezet en nu wordt uitgeschroefd,
zoodat de ijzertakken eenigszins van elkander wijken en daarbij
den hoornwand medenemen. Opdat dit laatste werkelijk geschiede
en niet de ijzertakken alleen zich verplaatsen, bezitten de ijzers
aan den binnenrand van de uiteinden der takken lippen, die
naar boven uitsteken en onder den hoef tusschen steunsels en
straal komen te liggen (PI. XLVII fig. 1, a). Deze lippen moeten
met de steunsels evenwijdig loopen, ten einde daarmede zooveel
mogelijk aanrakingspunten te hebben, waardoor de laatste beter
naar buiten kunnen worden gedrukt.
Met het doel de verwyding van het ijzer door de schroef te
bevorderen, maakt men soms insnijdingen aan den binnenrand
van zijn voorste helft (PI. XLVII fig. 1, b—b); wanneer het echter
week en goed uitgegloeid is, kunnen zij worden ontbeerd.
Het verwijden moet met de uiterste voorzichtigheid geschieden,
daar anders gemakkelijk verscheuringen der vleezige deelen kunnen
ontstaan, welke ten gevolge hebben, dat het paard niet durft
doortreden, zoodat het doel wordt gemist. Naarmate de klem-
hoevigheid een hoogeren graad heeft bereikt, mag men over het
algemeen telkens minder verwijden en moet dit ook zeldzamer
worden herhaald. In zulke gevallen dient men met een verwyding
van 2—4 mM. in 8 dagen reeds tevreden te zijn. Kan de straal
echter, na besnijden van den hoef, eenigszins met den bodem in
-ocr page 606-
580
aanraking komen en het paard per dag 8 uur of langer arbeid ver-
richten, dan zijn de omstandigheden voor de genezing zeer gunstig
en is het mogelijk den hoef, elke 4 dagen, 3—5mM. te verwijden.
Wanneer een hoef na verwijding eenigszins pijnlijk is, mag
nimmer een herhaling plaats vinden vóór de pijnlijkheid is ver-
dwenen.
Zal deze behandeling eenig gevolg opleveren, dan moet daar-
mede samengaan beweging van het paard; alleen dan kan de ver-
wijding duurzaam zijn.
Gewoonlijk zijn 2—3 mechanische verwijdingen voldoende; in
sommige gevallen is slechts een enkele dilatatie noodig om den
stoot tot grootere uitzetting te geven.
Ten einde deze methode te ondersteunen, kan men den hoorn-
wand verweeken of ook dun raspen. Het laatste kan geschieden
aan de beide onderste derde gedeelten van den toon wand of (beter)
aan de drachtwanden. Deiays heeft oorspronkelijk zelfs aangeraden
de laatste tot op het leven te verdunnen en te verkorten. Het
dun raspen dezer wanden verdient in het algemeen de voorkeur
boven het maken van diepe verticale insnijdingen (rainures) daar
ter plaatse.
Men heeft de bovenvlakte van het ÜEFAYS\'sche verwijdingsijzer
nabij de uiteinden naar buiten laten af hellen, dus het tevens tot
een pantoiïelyzer gemaakt. Voor algemeene toepassing verdient dit
echter geen aanbeveling.
Op verschillende manieren heeft men èn den dilatator èn de
methode van dilatatie gewijzigd, zonder daarmede evenwel be-
langrijke verbeteringen aan te brengen.
Verschillende schamieryzers met een tusschen de takken aan-
gebrachte veer, waardoor deze steeds van elkander worden ge-
drongen, zijn tegen klemhoeven aanbevolen. Ze zijn echter vol-
komen nutteloos, daar 1°. de veer nooit krachtig genoeg kan zijn,
om met het ijzer ook den hoef te verwijden, en 2°. het paard
daarbij geen voldoende beweging kan nemen.
Het beste middel tegen klemhoeven is ongetwijfeld de paarden
gedurende eenige maanden in de weide te doen en daarbij her-
haaldelijk den wand te laten besnijden, doch — het is ook het
duurste en bovendien niet steeds aan te wenden.
Goedkooper, en toch zeer goed, is het gebruik der Engelsche
zolen met halvemaanvormige ijzers, beschreven op blz 565. Deze
kunnen, wat haar invloed op de hoeven betreft, de weide tamelijk
wel vervangen.
-ocr page 607-
581
Behalve dezen gewonen klemhoef onderscheidt men nog: den
z.g. klemhoef lij wijde hoeven en den zoolklemhoef.
De eerste bestaat in het naar binnen gebogen zijn van één of
beide dracht-draagranden, zooals dit bij plathoeven, waar de straal
niet op den bodem komt, kan ontstaan (zie § 221), of in
inbuiging van één of beide drachtwanden of ook van den geheelen
hoornwand. In de laatste gevallen begint de insnoering onder de
kroon en groeit met den hoorn naar beneden. Men treft ze het meest
aan bij paarden, die in de weide hebben geloopen en daarna
plotseling onder omstandigheden komen, die voor den hoef zeer
ongunstig zijn , zooals rust, droogte en beslag met kalkoenen. Komt
deze inbuiging aan beide voorhoeven voor, dan loopen de paarden,
vooral in den beginne, gespannen; bestaat zij slechts aan één
voorhoef, dan kan daardoor kreupelheid ontstaan. Zoodra de in-
snoering tot het onderste derde gedeelte van den wand is afge-
groeid, veroorzaakt zij geen stoornis meer.
Hiertegen wendt men een balkijzer aan, waarbij de ingesnoerde
wandgedeelten zooveel mogelijk vrij worden gelegd. Verweeken
van den hoorn en veel, doch langzame beweging zijn daarbij
noodzakelijk.
Omtrent den klemhoef bij plathoeven zij verwezen naar § 221.
De zoolklemhoef kenmerkt zich daardoor, dat de toonwand, en
soms ook de zijjwanden, nabij den draagrand naar het centrum
van den hoef zijn gekromd, terwijl de drachtwanden in hun geheele
beloop iets naar binnen zijn gericht. De hoef wordt daardoor fraai
rond, terwijl de wand dik is. De zool is sterk uitgehold en,
omdat de doode hoorn — door de inklemming aan den omtrek
der zool (zie § 204, 2°) — niet kan worden afgestooten, bovendien
zeer dik. Het gevolg hiervan is, dat de vleeschzool, voornamelijk
aan de punt van den straal, wordt gedrukt, waardoor het paard
pijnlijk kan loopen.
Deze ziekte neemt men over het geheel zeldzaam waar, zij ont-
staat echter zoowel aan de achter- als aan de voorhoeven en
komt ook bij onbeslagen hoeven voor. De voornaamste oorzaak
is aanhoudende droogte; een slecht beslag kan het zijne daartoe
bijbrengen.
Zoolklemhoeven kunnen gemakkelijk herstellen. Het best is
toon- en zijwand zooveel mogelijk te verkorten en vervolgens
1—2maal de bovenvermelde ÜEFAYS\'sche methode toe te passen.
Daarbij moet de zool verdund en de hoorn van den wand buig-
zaam gemaakt worden.
-ocr page 608-
582
§ Vüi. De scheeve hoek.
De scheeve hoef (pied de travers; schiefe Hu f) kenmerkt zich
daardoor, dat de eene z\'y- en drachtwand steil, de andere schuin
staat. De beide overlangsche helften van een scheeven hoef zijn
niet aan elkander gelijk. Bij deze beoordeeling heeft men in het
oog te houden, dat de binnenwand normaal steiler is dan de
buitenwand.
Reeds vroeger (zie § 213) is gehandeld over normaal scheeve
hoeven,
d. w. z. hoeven waarvan de scheefheid in overeenstemming is
met den abnormen stand. Is de steil staande wand echter naar
het centrum van den hoef gekeerd en de schenkel van den straal
aan die zijde kleiner dan aan de andere, dan is de scheeve hoef
abnormaal. Deze vormt dan een halven of eenz\'y\'digen klemhoef.
Normaal scheeve hoeven veranderen licht in abnormaal scheeve,
indien de oorzaken, die wij voor klemhoeven hebben leeren ken-
nen, op hen en in het bijzonder op den steilen wand inwerken.
Het is echter ook mogelijk, dat een hoef enkel door slecht be-
snijden scheef wordt, zonder dat dus te voren een abnorme stand
aanwezig was.
Bij scheeve hoeven is óf alleen de steile (meestal de binnen-)
wand naar binnen gebogen, zoodat de overeenkomstige schenkel
van den straal geheel of ten deele geatrophiëerd is, of ook de
schuine (gewoonlijk de buiten-) wand lijdt mede en is ingedrukt.
In dit laatste geval is de hoef geheel krom. De bal aan de steile
zijde ligt nu gewoonlijk belangrijk hooger dan aan de andere.
Paarden met zulke hoeven zijn voor snelle beweging op harden
bodem ongeschikt. Kleine fouten in het beslag veroorzaken hierbij
gemakkelijk steengallen en hoornscheuren en daardoor kreupelheid.
Steeds is het de steile wand, welke het eerst ziek wordt.
Het beslag dezer hoeven moet worden geregeld naar den graad
van scheefheid en in overeenstemming zijn met den stand der
beenen. Zijn de oude ijzers gelijkmatig afgesleten, dan is de
scheefheid gewoonlijk normaal en mag niet worden bestreden.
Alleen verdere ontwikkeling trachte men door een zorgvuldig,
gewoon beslag te voorkomen. Men besnijde ze dus zoo, dat
binnen- en buitenwand gelijktijdig op den bodem komen en ver-
zwakke aan de steile zijde vooral niet de zool en de steunsels;
daarna legt men een ijzer zonder kalkoenen onder.
Wordt echter de steile wand meer belast dan de andere, buigt,
zooals niet zelden geschiedt, de kogel naar deze zijde door, dan
-ocr page 609-
583
moet men dit bestrijden door dien wand hooger te laten, zoodat
hij eer op den bodem komt dan de schuine. De met den steilen
wand overeenkomende \'yzertak wordt zoo wijd mogelijk gelegd,
opdat elk gedeelte van de kroon daarop een steunpunt vinde.
Gewoonlijk echter kan, door de kans van strijken, aan dit laatste
niet naar wensch worden voldaan.
Met voordeel kan van balkijzers gebruik worden gemaakt; de
steile wand moet daarbij vrij worden gelegd. Door dit laatste kan
de te hooge bal allengs dalen; in elk geval wordt hierdoor het
nog meer stijgen daarvan en van den kroonrand tegengewerkt.
Ook de DEFAYs\'sche verwijdings-methode heeft hierbij toepassing
gevonden; ten einde alleen den steilen wand te verwijden, maakt
men enkel aan die zijde insnijdingen in den binnenrand van het ijzer.
Is de scheefheid een gevolg van abnorm besnijden, dan verkort
men zooveel mogelijk de te hooge zijde en maakt, indien dit nog
niet voldoende is, den ijzertak onder de te lage zijde iets dikker.
B. STOORNISSEN IN DEN SAMENHANG VAN DEN HOEF.
§ 225. De hoornscheuren.
lloornscheuren (seimes; Ilornspalten; sand-cracks) noemt men
spleten in den hoornwand, die parallel met de hoornpijpjes loopen.
Zij worden naar de plaats van voorkomen onderscheiden in:
toon; zij\'; dracht- en steunselscheuren. Zij kunnen zich beperken tot
den kroonrand (kroonrandscheuren) of tot den draagrand (draag-
randscheuren),
maar ook van boven tot beneden doorloopen (door~
hopende hoornscheuren).
Gaan zij door de geheele dikte van den
hoornwand, dan noemt men ze doordringend of diep; in het tegen-
overgestelde geval oppervlakkig.
De hoornscheuren ontstaan door al zulke fouten in het beslag,
die de elasticiteit en den groei van den wandhoorn verminderen,
dus den wand droog en brokkelig maken; verder door zoodanige,
welke den wand onmiddellijk verzwakken. Ook verwondingen
van de kroon kunnen hiertoe aanleiding geven.
Over het geheel zijn de hoornscheuren belangrijke gebreken,
die een paard aanmerkelijk in waarde kunnen doen verminderen.
Zij verschillen echter zeer naar haar voorkomen en de overige
gesteldheid van den hoef.
-ocr page 610-
584
Zij zijn bijna alle voor genezing vatbaar; deze geschiedt niet
door weder aanééngroeiing der gescheiden deelen, doch door het
afgroeien van nieuwen, door de vleeschkroon voortgebrachten hoorn,
welke niet meer gescheurd is. Om het telkens weder splijten van
den nieuwen hoorn te voorkomen, vereenigt men op eenige wijze de
beide scheurranden en zorgt tevens, dat de daaronder liggende
draagrand niet op het ijzer drukt. De behandeling in dit opzicht
verschilt eenigermate naar den aard der hoornscheur.
De draagrandscheuren zijn van alle het gunstigst te beoordeelen.
Zij komen meestal aan onbeslagen hoeven voor en ontstaan dan
door onvoldoend besnijden en het niet afronden van den draagrand.
Bij beslagen paarden worden zij meestal door te zware nagels en
te mager gestampte \'ijzers veroorzaakt.
In het eerste geval moet de wand besneden, de draagrand
afgerond en een ijzer ondergelegd worden; bij het beslagen paard
verwijdert men de genoemde oorzaken, legt het ijzer onder de
scheur vrij en tracht het verder inscheuren te voorkomen door
aan haar bovenste grens een rond gat of een dwarse groeve
tot aan de vleezige deelen te branden, of met het mes aan
te brengen.
Veel erger zijn steeds de kroonrandscheuren; deze gaan dikwijls
met kreupelheid gepaard en genezen eerst na geruimen tijd.
Indien een verwonding van de vleeschkroon de oorzaak is, kan het
gebeuren, dat volkomen herstel niet is te bereiken. Zij kunnen
aan elk gedeelte van de kroon voorkomen en dus toon-, zy- en
drachtwandscheuren zijn.
De eerste worden het meest aan de achterhoeven waargenomen;
loopt daarbij de scheur tot den draagrand door, dan noemt men
een dergelijken hoef ossenhoef (pied de boeuf ou soie) (PI. XLVII
fig. 3). Genezing hiervan kan worden verkregen door een ijzer
met twee toonlippen, dat aan den toon vrij wordt gelegd en door
bovendien de scheurranden met elkander te vereenigen. Dit laatste
kan geschieden óf door middel van een ijzerenplaatje, dat met vier
houtschroefjes aan den hoorn wordt bevestigd (PI. XLVII fig. 3) óf
door haken (agrafes) (PI. XLVIII fig. 1, a en b), welke worden
geplaatst in verdiepingen, zijdelings van de scheur met een ijzer
(PI. XLVIII fig. 1, d) ingebrand, en daarna met een tang (PI.
XLVIII fig. i, c) vast in den hoorn worden geknepen.
Mocht eenig gedeelte van den draagrand tot dragen ongeschikt
zijn, dan kan hierbij met voordeel van een balkijzer gebruik
worden gemaakt.
-ocr page 611-
585
De zij- en drachtioandscheuren worden liet meest aan de grens
dezer beide gedeelten en wel bijna uitsluitend aan den binnenwand
der voorhoeven aangetroffen. Zulke hoeven worden ook wel
kwartierhoeven (seimes-quartes) geheeten.
Bij Franschen stand, welke reeds van de bovenbeenen uitgaat
(z.g. schraagbeenen), en bij nauwe hoeven neemt men deze scheuren
het meest waar.
Klemhoevigheid en daardoor belemmerd hoefmechanismus is
de naaste oorzaak. Door het laatste kan, bij beweging van het
paard, de draagrand van den drachtwand niet naar voren noch
naar buiten glijden, zoodra de zijwand van boven en voren naar
beneden en achteren wordt samengedrukt; hij behoudt dus dezelfde
hoogte, terwijl de kroonrand van den zijwand naar beneden wordt
ingedrukt. Hierdoor ontstaat aan de grens dezer beide plaatsen
licht een verscheuring. Indien deze oorzaak blijft inwerken, valt
aan genezing niet te denken.
Te korte en naar binnen omgebogen ijzers, evenals het z.g.
lucht geven, d. i. het vrij leggen van de achterste gedeelten dei-
drachten, doen (tenzij bij het gebruik van een balkijzer) deze
hoornscheuren gemakkelijk ontstaan. Dat de betrekkelijk zwakke
en steile, in den regel sterker belaste binnenwand daaraan meer
onderhevig is dan de buitenwand, kan geen verwondering baren.
Het best is een balkijzer onder te leggen, dat onder de scheur
niet met den draagrand in aanraking komt, en vervolgens de
scheurranden te vereenigen op de hiervóór genoemde wijze of ook
door middel van een of twee fijne nagels, welke dwars door den
hoorn worden geslagen, natuurlijk met de noodige zorg, dat de
vleezige deelen niet worden geraakt. In het algemeen zijn op-
geschroefde metalen plaatjes boven de laatste methode en ook
boven „agrafes" te verkiezen.
Indien men uit het bovenste punt der scheur een loodlijn laat
vallen, dan zal deze in een punt a den draagrand raken; denkt
men zich de scheur in de richting der hoornpijpjes naar beneden
verlengd, dan komt deze aan een punt b op den draagrand;
de afstand nu tusschen a en 5 mag volstrekt niet op het ijzer
komen.
Soms zijn de randen der scheur eenigszins over elkander gebogen
of klemmen zij den naar buiten gedrongen vleeschwand in, waar-
door kreupelheid wordt veroorzaakt. Deze randen worden dan
verdund; bovendien wendt men gedurende eenige dagen koude aan.
Vooral moet men zorgen, dat geen vuile stoffen naar binnen dringen,
-ocr page 612-
586
Ten einde nieuwe inscheuringen te voorkomen, maakt men
den hoorn aan de kroon zacht door dien te verdunnen.
Rust der paarden totdat minstens 1—2 cM. gezonde hoorn is
al\'gegroeid, is voor het genezingsproces zeer bevorderlijk.
Minder bekend zijn de steunselscheuren. Eerst door nauwkeurig
onderzoek van het soms belangrijk kreupel loopende paard, ont-
dekt men deze oorzaak der abnorme beweging. Nadat de ijzers
zijn afgenomen, bemerkt men bij het besnijden een donkere of
bloedige scheur, die tot op de vleezige deelen reikt en deze
dikwijls in meer of minder hevige ontsteking heeft gebracht. Niet
zelden komt dan ook uit die spleet zwarte hoefetter te voorschijn.
De ontsteking ontstaat hoofdzakelijk door het in de klem geraken
der zachte deelen bij het afwisselend openen en sluiten der scheur
gedurende de beweging. Duurt dit langen tijd voort, dan kan
de ontsteking zich uitbreiden en zelfs den bal van die zijde doen
opzwellen.
De steunselbreuk, zooals ze ook wel wordt genoemd, neemt
men bijna uitsluitend aan voorhoeven waar en wel aan de zoo-
danige , waarbij de drachten van hun normale richting zijn afge-
weken, hetzij door te groote hoogte er van, hetzij door vernauwing
van den hoef. Gewoonlijk komen tevens steengallen voor.
Ten einde den groei van niet gespleten hoorn aan de steunsels
mogelijk te maken, snijdt men de randen van de scheur weg,
verdunt den omtrek en legt een balkijzer onder, dat op den resp.
dracht-draagrand niet drukt. Den abnormen hoefvorm moet men
trachten op te heffen; is dit gelukt, dan behoeft men voor geen
herhaling der scheur te vreezen.
§ 226. De hoornkloof.
lloornkloof noemt men een storing in den samenhang van den
hoorn, welke de hoornpijpjes in dwarse richting treft.
Zij kan overal aan den hoef voorkomen, doch wordt het meest
gezien aan den binnenzijwand en aan den toonwand. Gewoonlijk
wordt ze hier door kroonbetrapping veroorzaakt. Echter kan zij
ook het gevolg zijn van etterende steengallen, vernageling, enz.,
kortom van ontstekingsprocessen in den hoef, waarbij de etter
aan de kroon doorbreekt.
De hoornkloven hebben lang niet zulk een groote beteekenis
als de hoornscheuren. Men legt alleen het ijzer vrij onder de
kloof en slaat aldaar geen nagels in. Mocht een gedeelte wand,
-ocr page 613-
587
door de ettering, geheel loszitten, dan verwijdert men dit en vult
deze plaats zooveel mogelijk op met kunsthoorn.
§ 227. De losse en de holle wand.
Onder den naam van lossen wand (lose oder getreinde Wand)
verstaat men een scheiding van wand en zool op eenige plaats
der witte lijn (PI. XLVII fig. 2, «).
Deze scheiding komt het meest voor aan den binnenzijwand
der voorhoeven. Zij is volstrekt niet zeldzaam, doch men let er
niet op, tenzij ze tot de vleezige deelen reikt en dan ontsteking
hiervan en kreupelheid veroorzaakt.
Een losse wand is bijna regelmatig aan plat-, vol- en scheeve
hoeven eigen; de schuinheid van den wand of van eenig gedeelte
daarvan bewerkt mechanisch zijn scheiding van de zool. Zwakte
van de witte lijn, bijv. door het verweeken der hoeven in koemest,
enz., of omgekeerd door groote droogte, o. a. ook door het te
warm passen der ijzers, is voor deze ioslating bevorderlijk, even-
als een slecht beslag en hooge beweging op harden bodem.
Men onderkent een lossen wand gemakkelijk als het ijzer is
afgenomen; in beslagen toestand kan een afwijking naar buiten
van den draagrand op een of andere plaats (PI. XLVII fig. 2, a)
ons dezen doen vermoeden.
Tot genezing van een lossen wand is het noodig, het te sterk
naar buiten wijken van den draagrand op te heffen en de ver-
binding tusschen wand en zool zoo sterk mogelijk te maken. Dit
tweeledig doel bereikt men door den draagrand te verkorten tot
aan de witte lijn en op de losgelaten plaats zooveel, dat deze
niet op het ijzer draagt. Verder door als draagrand op het ijzer
te gebruiken, behalve den onderrand van den wand en de witte
lijn, den uitwendigen zoolrand; daarna een ijzer onder te leggen
met overeenkomstig breede draagrand vlakte en dit, zooals reeds
is opgemerkt, op de zieke plaats niet met den hoef in aanraking
te laten komen.
Een balkijzer kan ook hier dikwijls nuttig zijn. Soms geeft
men aan de draagrandvlakte van het ijzer een weinig helling
naar binnen of wendt men met voordeel zijlippen aan.
Indien de losse wand zeer uitgebreid is, kan natuurlijk van
een vrij leggen der zieke plaats geen sprake meer zijn. Gewoonlijk
bestaat dan echter tevens ontsteking van den vleeschwand en
kreupelheid, zoodat het paard toch rust moet hebben. In dit
-ocr page 614-
588
laatste geval zorgt men, dat de etter goed kan afvloeien en houdt
men de deelen rein.
Een holle wand (fourmilière; hohle Wand; seedy-toe) (PI. XLVII
fig. 2, b) is een scheiding van de middelste en de plaatjeslaag
van den hoornwand. Dikwijls gebruikt men dezen naam ook
voor den lossen wand.
Het holle gedeelte van den wand is in vele gevallen eenigszins
naar buiten gewelfd; door hierop te kloppen, hoort men een
hollen toon. Met zekerheid echter kan men deze ziekte eerst na
het afnemen van het ijzer onderkennen. Men ziet dan een meer
of minder groote scheiding in de witte 1\'yn en in deze holte kan
men met een nagel of iets dergelijks verschillend diep, soms zelfs
tot de kroon doordringen. Gewoonlijk is zij met verganen hoorn
opgevuld.
Door deze hoefziekte kan kreupelheid ontstaan, voornamelijk als
het paard op harde wegen en in snelle gangen wordt gebruikt.
Onvoldoende hoornproductie en mechanische scheiding door
hevig, telkens herhaald stooten en schokken van den hoef en door
onregelmatige beweging, bijv. draaien van den hoef gedurende
het steunen, kunnen hiervan oorzaak zijn.
Genezing is steeds mogelijk, doch vordert geruimen tijd, in-
dien de "wand tot aan de kroon hol is.
Het best is het holle gedeelte weg te nemen, het nog vaste
dun bij te raspen en daarna te zorgen, dat de hoorn zoo spoedig
mogelijk afgroeit zonder nieuwe scheiding. Voor dit laatste is het
goed het paard, zoo mogelijk, in de weide te doen.
Is de scheiding weinig uitgebreid, voornamelijk in de breedte,
dan kan een balkijzer worden ondergelegd en het paard dus
worden gebruikt; bij voorkeur moet dit echter geschieden op
zachten bodem en in langzamen gang. Indien men niet het
geheele holle gedeelte wil verwijderen, moet toch steeds zooveel
daarvan worden weggenomen, dat het den lichaamslast niet mede
helpt dragen.
C. ZIEKTEN VAN DEN STRAAL.
§ 228. De rotstraal.
De rotstraal (fourchette pourrie; Strahlfaule; trush) kenmerkt zich
daardoor, dat de hoorn van den straal meer of minder gedestrueerd
en dat in zijn groeven een stinkend, zwartachtig vocht aanwezig is.
-ocr page 615-
580
Gewoonlijk begint de rotting in de middelste straalgroeve en
breidt zich van daar over den geheelen straal uit. Slechts zelden
gaat deze daardoor volkomen te gronde. De rottingsproducten en
ook andere schadelijkheden kunnen nu onmiddellijk op den
vleeschstraal inwerken, waardoor wel is waar zeldzaam kreupel-
beid, doch dikwijls een bijzondere gevoeligheid bij de beweging
ontstaat.
De middelste straalgroeve verandert in vele gevallen in een
diepe spleet, welke zich tot tusschen de ballen uitstrekt. De
prikkeling kan zich op den vleeschzoom uitbreiden, waardoor
ringvorming in de glazuurlaag ontstaat. Deze ringen zijn smal
en loopen meestal naar voren en boven, om aan de kroon te
eindigen. Zij overkruisen steeds de ringen der middelste laag,
en indien de rotstraal lang geduurd heeft, kruisen de ringen der
glazuurlaag elkander.
De rotstraal ontstaat door onvoldoende beweging, slecht beslag
en onreinheid. Indien de straal, door eenige oorzaak, niet be-
hoorlijk functionneert, droogt hij uit of verrot, naarmate van de
omstandigheden, waaronder hij overigens verkeert. Vooral ziet
men deze ziekte daarom bij paarden, welkegeruimen tijd achtereen
in vuile stallen staan.
Rotstraal is een gewichtige factor voor het ontstaan van klem-
hoevigheid; ze ontwikkelen zich met en door elkander. Slechts
dan vernauwen de hoeven zich hierbij niet, indien de rotstraal
enkel een gevolg is van onzuiverheid in den stal en dus de straal,
zool en steunsels niet verzwakt zijn geworden.
Steeds is genezing van deze ziekte mogelijk. De losse hoorn
wordt nauwkeurig verwijderd, de straal gereinigd, en deze ook
in het vervolg zuiver gehouden. Door geneesmiddelen kan de
straal droog en hard gemaakt en voor verdere rotting behoed
worden. Het voornaamste is echter den straal te doen function-
neeren; in dit opzicht geldt alles, wat tegen klemhoeven is aan-
bevolen. Slechts dan krijgt men een gezond, krachtig orgaan terug,
terwijl bij het gebruik alleen van geneesmiddelen enkel de rotting
wordt opgeheven en een kleine, ineengeschrompelde straal achter-
blijft, die gemakkelijk weder ziek wordt.
§ 229. De straalkanker.
De straalhanker (crapaud; Strahlkrebs; cancer) is een ziekte van
den vleeschstraal, welke zich op de overige vleezige deelen kan
uitbreiden; hoewel zeldzaam, kan het ontstaan en de uitbreiding
-ocr page 616-
590
ook omgekeerd plaats hebben. Eigenlijk behoort deze ziekte
dus tot de volgende afdeeling; alleen omdat zij in uitwendig voor-
komen eenigermate op den rotstraal gelijkt, vindt zij hier een
plaats.
De naam kanker is onjuist; het wezen der ziekte bestaat in
een ontsteking met sterke zwelling en woekering der vleezige
deelen; de vlokken en vleeschplaatjes nemen in omvang toe en
scheiden veel meer hoorncellen af dan onder normale omstandig-
heden. Deze cellen kunnen niet voldoende verhoomen, doch vor-
men met het in ruime mate afgescheiden vocht een brijachtige,
zeer onaangenaam riekende massa.
De ziekte begint meestal daarmede, dat aan eenig gedeelte van
den straal de hoorn loslaat; daaronder vindt men dan de zoo-
even genoemde stinkende massa. Wordt daarop geen acht gegeven,
dan breidt zich het lijden, nu spoediger dan langzamer, over den
vleeschstraal, de vleezige steunsels, de vleeschzool en den vleesch-
wand uit. Hoe meer vocht wordt afgescheiden, des te sneller
wordt een groot gedeelte der hoornvormende deelen in het proces
betrokken.
Waar de straalkanker zich uitbreidt, wordt eerst de hoorn
ondermijnd en spoedig afgestooten; is dit geschied en worden de
zachte deelen dus niet meer gedrukt, dan beginnen zij nog sterker
te woekeren. Door dit grooter worden van den vleeschstraal ver-
breedt de hoef zich in zijn achterste helft; nog meer is dit het
geval, indien ook de vleeschwand lijdt en de hoornwand meer of
minder hoog, soms zelfs tot de kroon, daarvan is gescheiden.
Vóór het zoover gekomen is, heeft de ziekte meestal maanden,
soms zelfs een jaar geduurd. In dezen graad veroorzaakt zij be-
langrijke kreupelheid, te meer, daar dan geen ijzer meer onder
den hoef kan worden bevestigd. Zoolang het lijden alleen tot den
straal beperkt is, heeft het geen kreupelheid ten gevolge; dit is
dan ook de reden, dat het zoo lang veronachtzaamd wordt en
zich vrijelijk kan uitbreiden.
De straalkanker ontstaat voornamelijk door onreinheid, die op
de hoeven inwerkt; zijn eenmaal de vleezige deelen op eenige
plaats blootgelegd, dan dringen mest en urine binnen en veroor-
zaken, in verband met de bovengenoemde stinkende massa, uit-
breiding van de ziekte. Op deze wijze is het mogelijk, dat uit
den rotstraal zich straalkanker ontwikkelt.
Deze ziekte komt meer voor aan de achter- dan aan de voor-
hoeven; zelden lijden edele paarden hieraan.
-ocr page 617-
531
Genezing is steeds mogelijk; zij is echter moeielijk, indien ook
de vleeschwand in belangrijken graad lijdt, als de hoeveelheid
papachtige massa, die de hoornvoortbrengende deelen bedekt,
aanzienlijk en met veel vocht gemengd is, wanneer het paard
zwaar, slecht gevoed en zeer prikkelbaar is en de ziekte aan twee
of meer hoeven voorkomt. Dikwijls duurt het drie maanden en
langer vóór weder zooveel gezonde hoorn is afgegroeid, dat beslag
en gebruik van het paard mogelijk zijn.
Het is zaak allen hoorn, zoover de straalkanker aanwezig is,
nauwkeurig te verwijderen, en dit telkens te herhalen, indien
het proces zich weder heeft uitgebreid. Bij eenigen omvang kan
dit meestal eerst langzamerhand geschieden, ook wegens de be-
langrijke pijn, die patiënt daarbij en daarna ondervindt, als hij
op een dergelijken, van hoorn ontblooten hoef moet staan. De
sterke woekering en afscheiding der vleezige deelen tracht
men te bestrijden door opdrogende, samentrekkende middelen en
drukverbanden. Deze behandeling zet men voort totdat zich
overal gezonde hoorn heeft gevormd, die vast met de onder-
liggende deelen is verbonden.
De behandeling van straalkanker is moeielijk en tijdroovend;
het welslagen daarvan hangt voor een groot deel van haar nauw-
keurige uitvoering af.
D. ZIEKTEN DER IN DEN HOEF BESLOTEN DEELEN.
§ 230. De vernageling.
Vernageling {enclouure; Vernagelung; priel:) noemt men een
verwonding van vleeschzool of vleeschwand door ingeslagen hoef-
nagels.
Gewoonlijk onderscheidt men deze verwondingen in steek en
eigenlijke vernageling en verstaat dan onder den eersten die,
welke onmiddellijk bij het inslaan van een nagel wordt waar-
genomen, onder de laatste een zoodanige, welke eerst later
wordt ontdekt.
Wanneer een nagel in de vleezige deelen dringt, geeft het
paard gewoonlijk, door trekken met het been, pijn te kennen.
De smid bemerkt o. a. hierdoor, dat z.g. het leven is geraakt en
trekt den gewraakten nagel weder uit. Indien nu geen andere
-ocr page 618-
592
nagel op deze plaats wordt ingeslagen, heeft de verwonding
meestal geen nadeelige gevolgen. Deze blijven echter niet uit,
wanneer de nagel in het hoefbeen is gedrongen en daarvan wei-
licht stukken zijn afgesprongen.
Wordt een nagel niet in, doch in de onmiddellijke nabijheid
van de zachte deelen geslagen, dan geeft het paard dit niet altijd
door trekken met het been te kennen. De nagel blijft zitten en
veroorzaakt een eenigszins pijnlijken gang zonder bepaalde kreupeU
heid. Men schrijft dit toe aan het nieuwe beslag, te vast aanhalen
der nagels, enz. en gelooft deze meening bevestigd door het feit,
dat de abnorme gang na een paar dagen verdwenen is. Toch
heeft een vernageling plaats gehad. Door het aangroeien van
hoorn is de nagel allengs naar buiten gedrongen, waardoor hij
geen pijn meer veroorzaakte. Later neemt men in de witte lijn,
nabij het oude nagelgat, voornamelijk bij licht gekleurde hoeven,
als gevolg hiervan een zwarte vlek waar; deze naar beneden
gegroeide donkere hoorn is ontstaan door de aanraking van den
nagel met de pas gevormde, nog weeke en vochtige hoorn-
cellen.
In andere gevallen loopt een paard met een dusdanig ingeslagen
nagel na één of twee dagen duidelijk kreupel, of wel wordt het
dit na wellicht nog langeren tijd plotseling, terwijl te voren de gang
normaal was. De nagel heeft dan een ontsteking der vleezige
deelen teweeggebracht; er heeft zich in de diepte meestal dunne,
zwarte etter verzameld, die óf langzamerhand een grootere druk-
king der vleezige deelen heeft veroorzaakt, öf deze, door een
bijkomende omstandigheid, bijv. een mispas, plotseling zoo pijnlijk
aandoet, dat een hevige kreupelheid het gevolg is. Aangezien
het paard nu minder goed doortreedt op het zieke been, wordt
niet zelden het eerst een kogelverstuiking vermoed.
Een nauwkeurig onderzoek is noodig om tot een juiste onder-
kenning van de oorzaak der kreupelheid te geraken. Is het paard
pas beslagen, dan doet men goed steeds aan de mogelijkheid
eener vernageling te denken, vooral wanneer de hoeven brokkelig
zijn en de nagels zeer hoog of erg ongelijk zijn ingeslagen. Bestaat
er een vernageling, dan geeft het paard meestal pijn te kennen bij het
kloppen op een bepaalden nagel en dikwijls is dan ook de wand
in den omtrek hiervan abnormaal warm. Men trekt nu de nagels
één voor één voorzichtig uit, bekijkt ze nauwkeurig of zich daar-
aan ook bloed of etter bevindt, en onderzoekt vervolgens de nagel-
gaten door hierin met een nieuwen nagel heen en weer te
-ocr page 619-
593
gaan. Dit laatste zal natuurlijk pijn doen, wanneer de nagel, in
plaats van in gezonden hoorn, in ontstoken vleezige deelen dringt.
Geeft het paard bij deze handelwijze geen pijn te kennen en was
aan de uitgetrokken nagels niets bijzonders waar te nemen, dan
is de oorzaak der kreupelheid ook stellig geen vernageling.
Niet altijd mag het een smid worden aangerekend, indien hij
een paard vernageld heeft. Bij zeer dunne, brokkelige wanden,
vooral als het dier gedurende het beslag onrustig is en men hier-
door niet kan onderscheiden of het trekt bij het inslaan "van een
nagel, is deze fout te verontschuldigen.
In verreweg de meeste gevallen echter moet de schuld wel
degelijk aan den smid worden geweten en is hij of de middellijke
óf de onmiddellijke oorzaak der vernageling. Middellijk, omdat hij
den hoef door slecht beslag allengs zoodanig bedorven heeft, dat
bijna geen nagel meer kan worden ingeslagen; onmiddellijk, daar
hij een te nauw of soms ook te wijd ijzer heeft ondergelegd, de
nagelgaten te vet heeft gestampt, de nagels niet goed heeft aan-
gezet, oude nagelpunten in den hoef heeft gelaten, enz. Zeer
dikwijls ontstaat een vernageling ook door ondoelmatig omnieten,
waarbij de nagel in den hoorn krom wordt geslagen.
Tot genezing eener vernageling is rust van het paard een eerste
worwaarde. Nadat het ijzer is afgenomen, wordt de hoef, vooral
aan zijn zoolvlakte, met een desinfecteerend middel, als carbol of
creoline (1%), sublimaat (l°/0o)» enz., gereinigd en daarna met
een dergelijk middel verbonden. Vooral dient gezorgd dat geen
onreinheid in het bewuste nagelgat dringe. Heeft de vernageling
reeds eenige dagen geduurd en bestaat er dus wellicht al ettering
in de diepte, dan verwijde men het nagelgat in de witte lijn,
opdat de etter goed kunne afvloeien, verdunne den hoorn in den
omtrek, desinfecteere de wond en verbinde verder met desinfec-
teerende middelen.
Meestal kan het paard, bij deze behandeling, na eenige dagen
weder beslagen en gebruikt worden. Het ijzer moet dan op de
plaats der vernageling vrij liggen. Soms echter, vooral indien
het hoef been mede lijdt, duurt de kreupelheid lang en dikwijls
is het dan noodig de zieke plaatsen geheel bloot te leggen, opdat
afgestorven beenstukjes naar buiten kunnen worden verwijderd.
§ 231. De nagf.ltred.
Onder den naam van nageltred (clou de rue; Nageltritt; puncture
hy gathered nails)
verstaat men een meer of minder diepgaande
38
-ocr page 620-
594
verwonding aan de zoolvlakte van den hoef, teweeggebracht door
het intrappen van nagels of andere puntige lichamen.
Deze verwonding neemt men het meest in de middelste of
zijdelingsche straalgroeven der achterhoeven waar; intusschen ziet
men ze ook elders aan de zoolvlakte, evenals somtijds aan de
voorhoeven.
Een nagel kan verschillend diep indringen en daarnaar meer of
minder belangrijke beleedigingen veroorzaken. Soms is de hoorn
nauwelijks doorboord, in andere gevallen echter zijn het straalkussen,
de buigpees, ja zelfs het hoefgewricht verwond. Indien aan de
punt van den straal een nageltred ontstaat, wordt licht het hoef*
been getroffen; de kreupelheid is hierbij meestal belangrijk en
langdurig, daar niet zelden eerst dan genezing volgt, zoodra
grootere of kleinere stukjes afgestorven been naar buiten zijn ge-
komen. Nog gevaarlijker is het echter, als een spijker ongeveer in
het midden van den straal 2 of meer cM. diep wordt ingetrapt.
Hierdoor kan een hoefgewrichtsontsteking met zeer hevige, soms
ongeneeslijke kreupelheid ontstaan en zelfs de dood van het paard
worden veroorzaakt.
Op het oogenblik dat een paard een nagel intrapt, overkoot
het gewoonlijk en loopt of slechts eenige passen kreupel óf blijft
dit geruimen tijd doen. Dikwijls wordt dan aan strijken of aan
een kogelverstuiking gedacht en de hoef niet onderzocht; de
nagel kan daardoor allengs dieper indringen en heviger verwon-
ding teweegbrengen. Het is daarom van belang bij elke kreupeU
heid, die plotseling onder weg ontstaat, onmiddellijk den hoef te
onderzoeken; trouwens bij iedere kreupelheid, zonder uitzondering,
dient een dergelijk onderzoek met zorg te worden ingesteld.
De nagel moet voorzichtig worden uitgetrokken, opdat geen
gedeelten daarvan in den hoef achterblijven. Daarna verwijdt
men de opening, ten einde het afvloeien der wond-secreten ge-
makkelijk te maken, verdunt den hocrn in den omtrek, zoodat
deze geen abnorme drukking op de ontstoken deelen kan uit-
oefenen en desinfecteert vervolgens de wond. Deze wordt bedekt
met jute, gedrenkt met eenig desinfecteerend middel; een hoef-
verband houdt ze op de plaats.
Dagelijks wordt het verband vernieuwd; zoo dikwijls het
noodig blijkt, moet de wond verwijd en de omtrek verdund
worden.
Soms laat de genezing ondanks alle zorgen op zich wachten.
Het is mogelijk, dat afgestorven been- of peesweefsel hiervan
-ocr page 621-
595
de oorzaak is; langs operatieven weg moet dat dan worden
verwijderd.
Behalve wegens het bovengenoemde is een nageltred vooral
ook daarom zoo gevreesd, wijl zich hierdoor nog meer dan bij
andere gestoken wonden rechtstijvigheid (tetanus) kan ontwikkelen.
Dit is een infectieziekte, welke zich uit door een krampachtige
samentrekking van alle of de meeste willekeurige spieren, en
waardoor in korten tijd de dood kan volgen. Dikwijls begint zij
met kramp der kaakspieren en heet dan mondklem (ti-ismus; Maul-
sperre; locked-jaw)
; in enkele gevallen blijft zij tot het hoofd
beperkt.
Meestal openbaart deze ziekte zich eerst, wanneer de nageltred
reeds bijna of geheel genezen is. Zeldzamer neemt men haar na
vernageling waar. Indien de wonden dadelijk goed gedesinfec-
teerd worden en gedesinfecteerd worden gehouden, zal het ontstaan
van tetanus wel tot de uitzonderingen behooren. Eenmaal aanwezig,
is hiertegen niet veel te doen.
§ 232. De kroonbetrapping.
Kroonbetrapping (atteinte encorne\'e; Kronentritt; tread) noemt men
een verwonding aan de kroon door optrappen met het naast-
staande been veroorzaakt. Meestal komt zij aan den toon der
achterhoeven voor. In den winter, wanneer de paarden van
scherpe kalkoenen voorzien zijn, ontstaat zij licht, voornamelijk
als de dieren de slechte gewoonte hebben om met den eenen
hoef op den anderen te gaan staan.
Deze verwondingen kunnen meer of minder diep indringen;
het is mogelijk, dat daardoor zelfs de strekpees, het hoefgewricht
en het hoefbeen worden getroffen. In zulke gevallen is de kreupel-
heid hevig en kunnen de gevolgen noodlottig zijn. Indien het
paard het leven behoudt, ontstaan toch licht blijvende misvor-
mingen, welke dikwijls met kreupelheid gepaard gaan. Doch ook
na minder diepe verwondingen, vooral als zij zich gedurig herhalen,
bemerkt men soms een abnorme hoefvorming.
Door de kneuzing der vleeschkroon scheidt een gedeelte daarvan
niet zelden voor korter of langer tijd geen hoorn af; hierdoor
ontstaat een defect in den wand, een groeve, waarvan de breedte
evenredig is aan die van het buiten werking gestelde deel der
vleeschkroon. Herstelt de functie der vlokken van laatstgenoemd
orgaan, dan verdwijnt ook de sleuf in den hoorn weder.
-ocr page 622-
596
Indien de vlokken der vleesclikroon, ten gevolge van de ont-
steking, op eenige plaats haar normale richting verliezen en in
stede van parallel aan elkander naar beneden gekeerd te zijn,
zich naar verschillende zijden verspreiden, dan zal de daardoor
afgescheiden hoorn evenzoo van de normale richting afwijken. De
hoornpijpjes zijn dan niet evenwijdig aan elkander, doch loopen
uiteen. De hoorn aan de kroon wordt hierdoor ruw, knobbelig,
gespleten (crapaudine ou mal d\'üne), een toestand, die dikwijls
ongeneeslijk is.
In enkele gevallen scheidt het verwonde gedeelte der vleesch-
kroon later te veel hoorn af, zoodat zich in den hoornwand een
soort balk of pilaar vormt, welke onder den naam van hoornzuil
(keraphyllocèle; Hornsaide; heratoma)
bekend is. Bevindt deze zich
aan de uitwendige vlakte van den wand, dan schaadt zij niet;
ligt zij echter inwendig, dan kan zij den vleeschwand en het
hoefbeen drukken en voortdurende kreupelheid veroorzaken.
Niettegenstaande al deze mogelijkheden heeft een kroonbe-
trapping meestal weinig te beduiden, vooral indien tijdig een
juiste behandeling in het werk wordt gesteld.
Daartoe behoort in de eerste plaats de verwijdering der oor-
zaken of, als bijv. een kwade gewoonte niet meer is af te leeren,
het zooveel mogelijk onschadelijk maken daarvan. Dit laatste ge-
schiedt door de kalkoenen weg te nemen en de kroon of kronen
met het een of ander, bijv. dik vilt, te bedekken.
Wat de wond betreft, daarvan knipt men in den omtrek de
haren en losse hoornstukken weg, verdunt den hoorn onder de
gekneusde plaats en reinigt deze nauwkeurig met desinfecteerende
middelen. Zij wordt vervolgens gedurende enkele dagen warm,
vochtig en rein gehouden, zooals o. a. kan geschieden door de
aanwending van jute of watten met boorzalf, op de plaats ge-
houden door een hoefverband. Meestal volgt op deze wijze
spoedig herstel.
§ 233. De steengallen.
Bijna alle kneuzingen en ontstekingen in het achterste gedeelte
van den hoef noemt men steengallen (bleimes; Steingallen; corns).
Naarmate hierdoor de vleeschwand, de vleeschzool of de vleezige
steunsels worden getroffen, onderscheidt men wand-, zool- én
steunselsteengallen.
Men ziet ze het meest aan de inwendige zijde der voorhoeven;
bij niet beslagen hoeven zijn zij zeldzaam.
-ocr page 623-
597
Indien de kneuzing gering is, ontstaat slechts een lichte ont-
steking, die men eerst later, door een veranderde hoornproductie,
bemerkt. Men ziet dan den hoorn, bijv. in een steunselhoek,
glazig en ook geel of rood gekleurd; het eerste teweeggebracht
door drenking der hoorncellen met uit de vaten getreden vocht
en minder volkomen verhoorning, het laatste door uitgestort en
in den hoorn opgenomen bloed. Wanneer men dus deze gele of
roode vlekken (z.g. droge steengallen) waarneemt, is de ontsteking
verdwenen, tenzij voortdurend inwerkende oorzaken haar hebben
onderhouden.
Is de kneuzing echter belangrijk geweest, dan wordt de hoorn-
productie op die plaats gestoord en kan ettering het gevolg zijn.
Zulk een etterende steengal veroorzaakt steeds kreupelheid. "Wordt
niet tijdig voor een goede afvloeiing van den etter zorg gedragen,
dan breekt deze bij een wandsteengal aan de kroon door; bij een
zoolsteengal breidt de etter zich in de witte lijn uit, terwijl bij
de steunselsteengal soms een overgang der ontsteking op het
straalkussen en daarmede een zeer gevaarlijke toestand ontstaat.
Van belang is het te onderscheiden of de etter vuilzwart of
geel is gekleurd; in het eerste geval wijst hij op een oppervlak-
kige, in het laatste op een diepgaande ontsteking. Zoodra de
etter bij steengallen geel is gekleurd, beslaat er groot gevaar,
dat de onder de vleezige deelen gelegen weefsels, als straalkussen,
hoef kraakbeen, enz. mede zullen worden aangedaan. Wij komen
hierop bij de hoefkraakbeenfistel terug.
Wanneer steengallen, door voortdurend inwerken der oorzaken,
niet genezen, dan noemt men ze verouderd. De als gevolg hiervan
ontstane abnorme hoorn werkt op zijn beurt weer als oorzaak
van kneuzing.
Dikwijls is men in staat bij beschouwing van een op den bodem
staanden hoef met groote waarschijnlijkheid steengallen te onder-
kennen; dit is namelijk het geval, indien er aan de drachten
sterke ringvorming voorkomt en de ballen ongelijk hoog zijn. Ten
einde daarvan echter zeker te zijn, dient men na te gaan of de
hoef nabij de steunselhoeken abnormaal warm is en of het paard,
bij aldaar aangewende drukking, pijn te kennen geeft. Blijkt dit
het geval te zijn, dan neemt men, na oppervlakkig eenigen hoorn
te hebben verwijderd, gewoonlijk ook roode vlekken waar.
De oorzaken der steengallen zijn zeer verschillend; de stand
der beenen, de vorm der hoeven en het beslag oefenen op haar
ontstaan een grooten invloed uit.
-ocr page 624-
598
Dat de voorhoeven bijna uitsluitend hieraan lijden, is aan de
betrekkelijk sterke belasting, in het bijzonder van hun drachtge*
deelten, te wijten.
Scheeve hoeven, voornamelijk die, welke een gevolg zijn van
den Franschen stand en waarbij dus de binnenwand het meest
te dragen krijgt, hebben doorgaans steengallen. Evenzoo neemt
men ze dikwijls waar bij zwakke verzenen, hetzij deze hoog of
laag zijn.
Bij klemhoeven wordt licht een te sterke drukking op het
achterste gedeelte van den vleeschwand uitgeoefend, zoodat wand-
steengallen het gevolg zijn; bij wijde, bijv. plathoeven, ontstaat,
door de voortdurende neiging van den hoef om zich uit te zetten,
gemakkelijk een rekking van vleeschzool of vleezige steunsels,
alzoo een zool- of steunselsteengal.
Vooral ook door slecht besnijden van den hoef worden steen-
gallen veroorzaakt. Dit geldt voornamelijk, indien — dikwijls
met de bedoeling om steengallen te voorkomen — van de achterste
gedeelten der drachtwanden zooveel wordt weggenomen, dat deze
niet op het ijzer dragen. De hoef zakt dan, bij de beweging van
het paard, telkens met zijn achterste gedeelte, totdat dit een
steun op het ijzer vindt; dat hierdoor rekking en kneuzing der
vleezige deelen kunnen ontstaan, is niet moeilijk te begrijpen.
Ook het te sterk besnijden van zool, steunsels en straal, terwijl
van den toonwand niet genoeg wordt afgenomen en het ongelijk
verkorten van den draagrand, zoodat de hoef scheef wordt, geven
tot steengallen aanleiding.
Zeer dikwijls ontstaan zij door het zoeken naar steengallen,
d. i. het uitgraven der steunselhoeken, om te zien of deze ook
oorzaak eener bestaande kreupelheid kunnen zijn. Heeft men door
voortdurend verzwakken dezer plaats eindelijk steengallen verwekt,
dan is men tevreden het toch zoo goed geraden te hebben; ze
zaten maar wat diep en waren daardoor niet dadelijk zichtbaar!
Slecht beslag kan in velerlei opzicht steengallen teweegbrengen.
Zoo bijv. te korte ijzers, sterk naar binnen af hellende bovenvlakten,
voornamelijk aan de kalkoeneinden, te oud beslag, waardoor de
zijtakken op de zool drukken, scheef ondergeslagen ijzers, hooge
kalkoenen, zoodat de straal niet op den grond komt en deze dus
met de vleezige deelen telkens te veel zakt, enz. Zeer zeldzaam
zijn tusschen ijzer en hoef geklemde steentjes oorzaak dezer ziekte.
Uitdrogen der hoeven en snelle beweging van het paard op
harden, ongelijken bodem zijn eindelijk nog belangrijke factoren;
-ocr page 625-
599
onder die omstandigheden ziet men dan ook, ondanks het beste
beslag, veelvuldiger steengallen dan aan geheel verwaarloosde
hoeven van landbouwpaarden.
Tot genezing van de steengallen moeten in de eerste plaats de
oorzaken worden opgeheven. Bestaan zij slechts in geringen graad,
zooals men uit de weinige pijnlijkheid kan opmaken, dan verdwijnt
het uitgestorte bloed gewoonlijk van zelf weder; men behoeft dan
alleen het beslag zoodanig in te richten, dat alle deelen van den
hoef, zooveel mogelijk, normaal kunnen functionneeren. Men ver-
kort bijv. een te langen toon, besnijdt te hooge of scheevedrach-
ten, enz. en legt öf een gewoon öf een balkyzer onder. In dit
laatste geval kan men den zieken drachtwand vrij leggen.
Het uitsnijden van roode vlekken in den hoorn is meestal on-
noodig en dikwijls schadelijk. Gewoonlijk toch zijn zij het gevolg
eener vroeger plaats gehad hebbende kneuzing.
Is de steengal zoo hevig, dat ettering te vreezen is, dan tracht
men deze te voorkomen door het ijzer af te nemen en de steen-
gal te openen, opdat het verzamelde vocht zich kunne ontlasten.
Daarna desinfecteert men de wond en houdt deze aseptisch door
reinigen en verbinden met de vroeger genoemde desinfecteerende
middelen. Vooral bij ettering is het van belang de opening in de
witte lijn zoo groot te maken, dat de etter goed kan afvloeien.
Is dit verhinderd, dan ontstaat gemakkelijk doorbraak aan de kroon.
Steeds moet de hoorn in den omtrek van de steengal worden
verdund.
Is voldoende genezing der zieke plaats gevolgd, of lijdt het
paard aan verouderde steengallen, zooals bij ongeneeslijke klem-
hoeven dikwijls het geval is, dan moet het zoodanig worden be-
slagen, dat elke drukking van den zieken steunselhoek wordt ge-
weerd. Dit geschiedt, zooals reeds werd vermeld, het best door
middel van een balkijzer. Men heeft ook aangeraden een ijzer onder
te leggen, waarvan het gedeelte, dat op den zieken drachtwand
moest komen, ontbreekt. Dit kon dan öf een z.g. driekwart ijzer
zijn, d. i. een ijzer waarvan de binnentak eindigt aan het
begin van het drachtgedeelte, öf een balkyzer, waarvan het binnen-
verzengedeelte is uitgehakt. Het is echter beter een geheel
ijzer onder te leggen en den drachtwand zoodanig te verkorten,
dat hij niet op het ijzer draagt; het vryliggend ijzergedeelte be-
schut dan de steunselhoeken nog eenigermate voor steentjes en
andere uitwendige schadelijkheden.
-ocr page 626-
600
§ 234. De iioei\'kraakiseenfistel.
Onder den naam van hoef kraakbeenfistel (javart cartilagineux;
Hufknorpelfistel; quittor)
verstaat men een ontsteking van een
hoefkraakbeen en het in de nabijheid daarvan gelegen weefsel,
waarvan het product, de etter, door een of meer openingen aan
de kroon naar buiten komt.
Zij wordt het meest waargenomen aan de binnenzijde der voor-
hoeven en kenmerkt zich door een harde zwelling aan het dracht-
gedeelte der kroon, een nauwe opening onmiddellijk boven den
kroonrand, waaruit meer of minder etter vloeit en door nu slechts
geringe, dan hevige kreupelheid.
Deze ziekte ontstaat gewoonlijk door uitbreiding van ziekte-
processen, elders in den hoef aanwezig. Het meest geven daartoe
aanleiding etterende steengallen, vernagelingen en drachtwandscheu-
ren. Indien de zich hierbij vormende etter niet kunstmatig wordt ont-
last, breidt hij zich licht naar boven uit in het weefsel (de cellige
ballen), dat aan weerszijden der kraakbeenderen is gelegen en daarin
allengs overgaat. Juist door den langzamen overgang van het
balweefsel in de kraakbeenderen lijden deze doorgaans samen.
Dikwijls is de steengal of vernageling, die tot de hoefkraakbeen-
fistel aanleiding heeft gegeven, reeds genezen, wanneer de laatste
zich openbaart; daardoor wordt haar oorzaak niet altijd bekend.
Nadat de zwelling aan de kroon langzaam is toegenomen,
ontstaat op eenige plaats onmiddellijk boven den kroonrand een
opening, waaruit zich etter ontlast. De hoeveelheid daarvan ver-
schilt; zij is aanzienlijker, indien de ontsteking bestaat aan de
inwendige zijde van het hoefkraakbeen dan aan de uitwendige,
aanzienlijker ook, indien het paard in beweging is dan in rust.
Deze ziekte verloopt gewoonlijk langzaam; zelden is zij binnen
enkele weken genezen, meestal gaan daarmede maanden heen.
In den regel vernauwt zich de opening aan de kroon allengs en
sluit zich zelfs, doch op een andere plaats, doorgaans iets meer
naar voren, ontstaat dan een nieuwe; dit kan zich eenige malen
herhalen en in enkele gevallen ziet men twee openingen tegelijk.
Slechts zelden leidt de opening jn een rechte lijn naar den
ziektehaard; meer komt het voor, dat het iistelkanaal zigzags-
gewijze loopt.
Het langdurige van de ziekte is daaraan te wijten, dat de aan-
gedane deelen weinig bloed bevatten en daardoor licht afsterven
-ocr page 627-
601
de afgestorven deeltjes kunnen niet alle onmiddellijk naar buiten
geraken en onderhouden aldus het ontstekingsproces.
Gevaarlijk voor het leven is een hoefkraakbeenfistel zelden;
intusschen is een uitbreiding op het straalkussen en het hoefge-
wricht en daarmede ongeneeslijke kreupelheid of de dood mogelijk.
Het sleepende dezer ziekte en de soms achterblijvende misvorming
van den zij- en drachtwand maken haar echter zeer gevreesd.
Hoe heviger de kreupelheid is en hoe meer zwelling er bestaat,
des te geringer is de kans op spoedig herstel.
Bij de behandeling moet behalve voor rust van het paard, voor
gemakkelijke afvloeiing van den etter worden gezorgd. Daartoe
verwijdt men de opening aan de kroon, zooveel dit mogelijk is.
Bestaat de ontsteking onder de vleeschkroon, dan spleet men
deze vroeger liever niet, uit vrees voor een blijvende hooinscheur;
deze kan intusschen worden voorkomen door een doelmatige na-
behandeling. De ontstekingsproducten moeten zich, indien alleen
aan de kroon een opening bestaat, naar boven ontlasten, wat uit
den aard der zaak moeielijk en onvolledig plaats heeft. In dit geval
neemt men soms een gedeelte van den drachtwand weg, snijdt den
vleeschwand onder de vleeschkroon door en verwijdert het zieke
kraakbeen geheel of gedeeltelijk. Meestal is gedeeltelijke wegneming
daarvan voldoende; dit kan geschieden na verwijding der bestaande
fistelopening, zoo noodig met doorsnijding vanvleeschzoom en vleesch-
kroon. Wendt men nu verder zoodanige geneesmiddelen aan, dat
al wat in de diepte nog abnormaal is, door de gemaakte groote
opening naar buiten kan worden afgevoerd, dan volgt meestal ook
spoedig herstel. Natuurlijk moet de weggesneden drachtwand weer
grootendeels zijn afgegroeid, vóór het paard beslagen en gebruikt
kan worden.
§ 235. Ontsteking der ballen.
Hieronder of onder den naam verballen (Verbüllung; overreach)
verstaat men een ontsteking van de vleezige ballen van den hoef.
Is zij pas ontstaan, dan zijn de verschijnselen: pijn, zwelling
en verhoogde temperatuur aan één bal, gewoonlijk den binnenbal
der voorhoeven. Dikwijls is ook de hoorn van de omliggende
deelen losgelaten.
Een chronische ontsteking daarvan is niet zoo gemakkelijk te
onderkennen. Daarbij bestaat, voornamelijk op harden bodem, een
pijnlijke gang, terwijl toch niet altijd grooter warmte en pijn
aan de ballen zijn waar te nemen. De hoef heeft dan echter aan
de zieke zijde veranderingen ondergaan, die op dit lijden wijzen,
-ocr page 628-
602
De drachtwand namelijk is meer of minder ingeknikt en de aan-
gedane bal ligt belangrijk hooger dan de gezonde. Dikwijls zijn
ook steengallen aanwezig, die ten onrechte als de oorzaak van
den pijnlijken gang worden beschouwd. Zij zijn meestal een ge-
volg van de drukking door den ingeknikten wand, den z.g. dracht-
klemhoef,
op de vleezige deelen, doch kunnen op haar beurt den
toestand verergeren.
De oorzaken der acute ontsteking zijn gewoonlijk kneuzingen
door het z.g. oprijden, door vangen, of door veel beweging op
harde, oneffen wegen, voornamelijk met te korte ijzers of in
onbeslagen toestand.
De chronische balontsteking ontstaat door den sterken stoot,
waaraan hooge drachten zijn blootgesteld; worden deze niet gel ij k-
matig belast, dan volgt eenige compensatie door het in de hoogte
schuiven van den te veel belasten bal. Z\'yn echter de drachten
zwak en zeer schuin geplaatst, dan worden zij gemakkelijk gekneusd
en zakken allengs meer. Dit laatste ziet men dikwijls bij jonge,
pas aangekochte paarden, die zooals men zegt, nog niet aan de
steenen gewoon z\'yn. Niet zelden beginnen zulke boerenpaarden,
nadat zij zich gedurende enkele weken op de straten der steden
hebben moeten bewegen, kreupel te loopen. Een nauwkeurig
beslag is dan noodig, om hen langzamerhand z.g. de steenen te
leeren verdragen; in vele gevallen worden zij nimmer „goede
stadspaarden."
De acute ontsteking der ballen is gemakkelijk te genezen, in-
dien slechts de oorzaken verwijderd worden gehouden. Men neemt
mogelijk loszittenden hoorn weg, reinigt de gekneusde of verwonde
plaats met desinfecteerende middelen en bedekt deze met jute en
boorzalf. Het verband moet minstens éénmaal daags worden
vernieuwd.
Bij den chronischen vorm is, benevens opheffing der oorzaken,
eveneens een verzachtende behandeling aangewezen. Te hooge
drachten moeten worden verkort; z\'yn zij omgekeerd te laag, dan
verkort men den toon. In dit laatste geval, wanneer de drachten
tevens schuin z\'yn, legt men lange ijzers onder; een loodl\'y\'n uit
eenig gedeelte der ballen neergelaten, moet zooveel mogelijk het
ijzer raken. Ligt de eene bal hooger dan de andere, dan kan
een balkijzer goede diensten bewijzen; het drachtgedeelte aan den
te hoogen bal wordt dan vrijgelegd.
Rust, een zachte standplaats in den stal of ook een verblijf
gedurende eenige weken in de weide, z\'yn veelal voor de genezing
-ocr page 629-
603
bevorderlijk. Dikwijls herhaalt zich de ziekte echter, indien de
paarden weer in snelle gangen op harde wegen worden gebruikt.
Zeer nadeelig is het de hoeven bovenmate te verweeken, bijv.
door langdurig inslaan met koemest, lijnmeelpap, enz.; daardoor
worden zij nog minder bestand tegen het in knikken aan den
drachtwand, vooral wanneer de paarden tevens zwaar zijn. Toch
is het nuttig de hoeven zacht en elastisch te houden, zooals door
wasschen en daarna insmeren met vaseline, reuzel, enz. kan
worden verkregen. Ook het plaatsen op vochtig, wit zand in
den stal is nuttig, evenals andere maatregelen, waardoor een
verwijding der achterste hoefhelft wordt bevorderd,
§ 236. De rheumatische hoefontsteking.
Rheumatische hoefontsteking of hoef bevangenheid (fourbare; liehe
oder Verschlag
; founder or laminitis) noemt men een plotseling ont-
stane, acuut verloopende ontsteking der hoornvormende deelen,
welke dikwijls een hoefmisvorming ten gevolge heeft, die onder
den naam van knolhoef (fourbure chronigue; Knollhuf; chronic la-
minitis)
(PI. XLVIII fig. 2) bekend is.
Voornamelijk het toongedeelte van den vleeschwand is hierbij
lijdende; daarom trachten de paarden elke drukking van den
toonwand te vermijden, zoodat zij voornamelijk op de ballen rusten.
Meestal worden de beide voorhoeven door de ziekte aangetast,
zeldzamer alle vier of slechts één hoef. In het eerste geval plaatst
het paard zijn voorhoeven zoover mogelijk vooruit en de achter-
hoeven onder het lichaam. Ook bij beweging tracht het dezen
stand te behouden, zoodat het korte passen maakt en met het
achterstel waggelt. Daarbij geeft het duidelijk pijn te kennen.
Indien alleen de achterhoeven lijden, wat zeldzaam is, dan
plaatst het paard alle vier de hoeven onder het lijf; de gezonde
voorhoeven trachten nu den last der zieke achterhoeven zooveel
mogelijk over te nemen. Zoodra alle hoeven zijn aangetast, ligt
het paard meestal en is zeer moeielijk tot staan en tot gaan te
brengen.
De zieke hoeven zijn steeds warm en pijnlijk, voornamelijk aan
den toonwand; bovendien is koorts aanwezig, terwijl de eetlust,
ondanks de pijn, doorgaans niet is gestoord.
Dikwijls gaat met deze hoefziekte acuut spierrheumatisme ge-
paard, waardoor de gang nog meer wordt belemmerd. Zeldzamer
komt te gelijk een aandoening der ademhalings. of digestieorganeq
voor.
-ocr page 630-
604
Soms bestaat het Jijden aan beide voorhoeven slechts in geringe
mate. Steeds wordt ook nu de toonwand verschoond, zooals
men het gemakkelijkst bespeurt, indien het paard zich in draf
naar den onderzoeker beweegt; het laat dan de zoolvlakten dier
hoeven zien.
Spoedig na het ontstaan dezer hoefziekte, soms reeds na 48
uur, wordt door de ontsteking aan het toongedeelte en de vocht-
uitstorting welke hiervan een gevolg is, de verbinding tusschen
hoornwand en vleeschwand aldaar opgeheven Door de inwer-
king van den lichaamslast verplaatst zich nu het hoefbeen
naar achteren en beneden en neemt bij deze beweging de vleezige
deelen mede. Het resultaat hiervan is, dat de kroon inzakt,
d. w. z. de vleeschkroon wordt mede naar achteren en beneden
getrokken. De vlokken hiervan, welke in den hoorn zitten, on-
dergaan daardoor een knikking, zoodat zij in plaats van recht
naar beneden, eenigszins naar boven en voren worden gericht en
een gekronkeld beloop krijgen. De hierdoor in het vervolg afge-
scheiden hoorn heeft natuurlijk dezelfde richting.
Door deze omstandigheden valt de toonwand van den hoef in,
hetgeen nog wordt bevorderd door het snuitvormig opwippen van
den toon. De drachten worden hooger, en over den geheelen
wand vormen zich ringen, die aan den toon dicht bij elkander
liggen, doch naar achteren allengs divergeeren (PI. XLTVIII fig. 2).
De witte lijn verbreedt zich door bovengenoemde processen
aanzienlijk, doch haar hoorn is murw en brokkelig (pumiced fooi);
hierdoor ontstaat licht een scheiding tusschen hoornwand en
hoornzooi en vormt zich een holle wand. Het hoefbeen drukt
de hoornzooi naar beneden (volhoef), vooral waar de punt van dit
been haar raakt; in enkele gevallen wordt de zool zelfs (halve-
maanvormig) door de punt van het hoefbeen doorboord (un croissant).
Is het zoover gekomen, dan heeft zich een ongeneeslijke knol-
hoef gevormd. In lichtere graden echter is herstel mogelijk,
hoewel de hoorn steeds eenigszins brokkelig blijft. De kans is
evenwel groot, dat deze hoefontsteking zich meermalen, zij het
ook in geringe mate, herhaalt en daardoor èn hoefvorm èn gang
allengs slechter worden.
De oorzaken der hoefbevangenheid zijn voornamelijk koude
vatten en te sterke voeding. Het eerste kan op verschillende
wijze plaats vinden; in het algemeen door plotselinge afkoeling
van het zweetende paard. Het laatste geschiedt door intensief
werkende voedingsmiddelen, in het bijzonder door rogge en boo-
nen, wanneer de paarden niet naar evenredigheid arbeid verrichten.
-ocr page 631-
605
Ook aanhoudend staan en uitsluitende belasting van een been
(speciaal van een achterbeen) kunnen oorzaak dezer ziekte zijn.
Bij zware paarden wordt zij meer waargenomen dan bij lichte.
Indien de hoefbevangenheid binnen 24 uur na haar ontstaan
doelmatig wordt behandeld, is het mogelijk bovengenoemde vorm•
veranderingen van den hoef te voorkomen. Daarvoor neemt men
de ijzers af, verschaft het paard een zachte standplaats, onthoudt ge-
durende den eersten tijd alle voedsel of geeft slechts eenige
slobbering, en houdt de zieke hoeven zoo koud mogelijk. Boven-
dien kunnen een aderlating, een zweetkuur, soms ook een laxee-
rende behandeling, nuttig zijn.
Het koud houden der zieke hoeven, waarbij het dier gelegenheid
moet hebben te gaan liggen, wordt voortgezet, totdat de verhoogde
temperatuur aan den toonwand verdwenen is; gewoonlijk is daar-
voor niet langer dan een week noodig. In dezen tijd is óf genezing
gevolgd, óf het hoef been is gezakt.
Heeft zich eenmaal een knolhoef gevormd, dan moet de snuit-
vormig opgewipte toonwand zooveel mogelijk met de rasp worden
ingekort, terwijl men de te hooge drachten sterk besnijdt; van
de zool mag niets worden afgenomen. Is deze nog niet convex,
dan kan een gewoon ijzer worden gebruikt; anders legt men een
breed en dik ijzer onder met een sterk af hellende vlakte, laat den
toon, indien hij nog pijnlijk is, niet dragen en brengt aan weers-
zijden dezer vrijliggende plaats een lip aan. Wanneer de ijzers door
het hoofdzakelijk belasten der drachten, naar voren mochten schui-
ven, tracht men dit te voorkomen door de uiteinden der takken,
of als men een balkijzer gebruikt, den achterrand van den balk ,
van een lip te voorzien.
In enkele gevallen is het gelukt den knolhoef nagenoeg te
genezen door den hoorn aan de kroon zeer dun te raspen en van
den onderliggenden, opgewipten toonwand te scheiden; de mo-
gelijkheid bestaat dan, dat bij een overigens doelmatige behande-
ling, de nieuw afgroeiende hoorn voortaan de normale richting
volgt. In het algemeen echter hebben paarden met knolhoeven
weinig waarde meer.
§ 237. De verbeening der hoefkraakbeenderen (zijbeen).
Daarbij veranderen een of beide hoefkraakbeenderen geheel of
gedeeltelijk in been. Meestal lijdt alleen het uitwendige hoef kraak-
been of althans verbeent dit het eerst. Gewoonlijk neemt men het
enkel aan de voorhoeven waar bij zware paarden, zelden bij lichte.
-ocr page 632-
606
Geheel of gedeeltelijk verbeende kraakbeenderen hebben hun
elasticiteit nagenoeg volkomen verloren; het hoefmechanismus zal
dus hierdoor worden belemmerd. Het gevolg daarvan is verder,
dat de gang van het paard minder vrij, soms bepaald stijf wordt,
voornamelijk in den beginne, en dat in enkele gevallen
duidelijk kreupelheid aanwezig is. Stoornissen in de beweging
zullen zich het meest openbaren, indien beide kraakbeenderen
geheel verbeend, de hoeven uitgedroogd en van zware ijzers
voorzien zijn en het paard in snelle gangen op een harden bodem
moet arbeiden.
Indien de bovenrand van een kraakbeen verbeend is, levert de
onderkenning daarvan geen bezwaar op ; iets anders is het echter,
wanneer de verbeende gedeelten binnen den hoef zijn besloten.
Dan is die onderkenning alleen mogelijk door de vormverandering
van den hoef en de wijze van afslijting van het ijzer.
De oorzaak is gelegen in den sterken stoot, waaraan de hoef
telkens wordt blootgesteld; van daar, dat de ziekte voornamelijk
bij zware stadspaarden voorkomt.
Zij is ongeneeslijk; het eenige wat gedaan kan worden, is het
paard door een doelmatig beslag zoo lang mogelijk bruikbaar te
houden.
Is alleen het uitwendige kraakbeen verbeend en dus de buiten-
wand onbeweeglijk, dan zal deze niet op het ijzer afslijten en
daardoor bij het afnemen van het oude ijzer hooger zijn dan de
binnenwand. De buitentak van het ijzer is dun, de binnentak
echter weinig afgesleten. Dikwijls steekt de buitenkroon sterk
uit buiten den onderliggenden drachtwand, welke laatste naar
binnen gebogen en, evenals de uitwendige schenkel van den straal,
in omvang verminderd is. De drukking van den ingebogen dracht-
wand op de onderliggende vleezige deelen, heeft niet zelden kneu-
zing daarvan (wandsteengallen) ten gevolge.
Hierbij moet de buitenwand sterk verkort en een ijzer zonder
kalkoenen ondergelegd worden, waarvan de buitentak breeder dan
gewoonlijk en van boven, achter het laatste nagelgat, zuiver hori-
zontaal is. De binnentak moet nauw liggen, de buitenste daaren-
tegen zoo wijd, dat een loodlijn uit eenig punt vaji den kroonrand
neergelaten, nergens buiten het ijzer valt. Het steunvlak wordt
daardoor naar buiten vergroot en het ijzer zal meer gelijkmatig
afslijten.
Zijn beide hoefkraakbeenderen verbeend, dan kan het gebruik
van Engelsche zolen nuttig zijn, mits zooveel mogelijk gezorgd
-ocr page 633-
607
wordt, dat de straal niet draagt. Op balkijzers loopen de paarden
zeer pijnlijk, omdat de op den balk drukkende straal telkens de
drachten tracht te verwijden.
Hoe zachter en buigzamer de hoorn kan worden gehouden ,
des te beter is dit voor den gang van het paard.
Door het doen van zenuwsnede gelukt het niet zelden de
paarden beter bruikbaar te maken.
§ 238. De chronische straalbeenskreupelheid.
De chronische straalbeenskreupelheid of hoefkatrolontsteling {inaladie
naviculaire
; Fussrollenentzündung; navicular discase; podotrochilitis
chronica)
is een sleepend verloopende ontsteking van het achterste
gedeelte van het hoefgewricht, waarbij voornamelijk betrokken
zijn het straalbeentje en de daarachter gelegen slijmbeurs en
buigpees.
Deze ziekte wordt bijna uitsluitend bij rijpaarden en aldaar aan
de voorhoeven waargenomen; nu eens lijdt daaraan slechts één
hoef, dan weer worden beide aangedaan.
Het begin der ziekte geeft zich gewoonlijk door geen duidelijke
verschijnselen te kennen. Zij openbaart zich het eerst door een
eenigszins pijnlijken gang, vooral in den beginne en wanneer het
paard op harden bodem moet draven. In rust wordt het zieke been
voor-buitenwaarts geplaatst, terwijl het gezonde verticaal staat;
dikwijls wisselen de beide beenen elkander in dezen stand af, voor-
namelijk indien zij beide lijdende zijn. De zieke hoef wordt steeds
voorzichtig neergezet en een sterk doortreden met dit been vermeden.
Langzamerhand nemen al deze verschijnselen toe. De gang
wordt, als het paard pas begint, zóó pijnlijk, dat men niet zelden
meent met schouderrheumatisme te doen te hebben; het paard
stoot gemakkelijk aan en is spoedig vermoeid. Geeft men het een
paar weken rust, dan verdwijnt de kreupelheid bijna geheel; zij
keert echter na korten tijd terug.
Intusschen is gewoonlijk een jaar of meer verloopen. De hoef
is allengs kleiner en nauwer geworden, er heeft zich klemhoevig-
heid ontwikkeld. Gewoonlijk is daaraan geen verhoogde tempe-
ratuur waar te nemen; in zeldzame gevallen is aan de kroon een
geringe zwelling ontstaan, terwijl men soms bij drukking op den
straal, in de richting naar het hoefgewricht, pijn waarneemt.
Atrophie der schouderspieren vergezelt dit lijden steeds.
De onderkenning dezer hoefziekte is niet gemakkelijk, vooral
wanneer beide hoeven zijn aangedaan. Het langzame beloop, de
-ocr page 634-
608
boven aangegeven verschijnselen, maar vooral het uitsluiten van
andere ziekten, leiden tot de onderkenning. Het toenemen der
pijnlijkheid, indien het gedeelte straal onder het hoefgewricht
langzamerhand meer wordt gedrukt (zooals o. a. door beslag met
een balk\'yzer, waarvan de balk naar boven is gebogen, kan worden
verkregen), zou voor het bestaan dezer ziekte pleiten.
De oorzaken zijn: zware inspanning, vooral onder den ruiter,
waarbij de achterste hoefhelft bovenmate wordt belast. Zoo bijv.
beweging op hard, oneffen terrein, springen, plotselingz.g. stoppen
(to stop)
uit een snellen gang, enz. Klemhoeven en in het alge-
meen zulke, waarvan het mechanisme is gestoord, bezitten een
bijzonderen aanleg voor deze ziekte.
In den regel is de chronische straalbeenskreupelheid onge-
neeslijk. Het eenige wat men met kans op goed gevolg in toe-
passing kan brengen, is de behandeling welke tegen klemhoeven is
aanbevolen. Bereikt men daarmede het gewenschte doel niet, dan
kan men ten minste de pijn opheffen, door den hoef geheel of
gedeeltelijk van zijn gevoeligheid te berooven. Daartoe worden
de zenuwen, die naar het zieke deel leiden, doorgesneden. Zoover
geen mechanische bewegingsstoornissen dit belemmeren, wordt
de gang daarna vrij. Deze operatie heeft echter steeds, daar
hierna ook andere schadelijkheden in den hoef niet door het dier
worden waargenomen, haar bedenkelijke zijde.
§ 239. Breuk van het hoef- en straalbeen.
Het hoef been kan, hoewel dit zeldzaam geschiedt, of in het
midden óf aan een zijner takken breken. De onderkenning daarvan
is zeer moeielijk. Er ontstaat plotseling hevige kreupelheid, zoodat
het paard op drie beenen springt of slechts met den toon van
den zieken hoef vluchtig den bodem aanraakt. De hoef is heet
en dikwijls pijnlijk bij drukking op eenige plaats der zool. Lang-
zamerhand neemt hij, vooral in zijn achterste helft, in omvang
af, terwijl aan den naaststaanden hoef, door bovenmatige belas-
ting, een verzakking van het hoef been kan voorkomen, evenals
bij knolhoeven. Behalve atrophie ontstaat, bij een breuk door
het midden van het hoef been, soms een harde zwelling aan het
toongedeelte van de kroon en aan de ballen; is echter een der
takken gebroken, dan kan aan de laatste, boven de breuk,
ettering voorkomen, waardoor zelfs stukjes been naar buiten
kunnen worden afgevoerd.
-ocr page 635-
ooo
Deze ziekte, welke door hevige inwerkingen, bijv. springen,
een mispas, een nageltred, enz. wordt veroorzaakt, is meestal
ongeneeslijk; dit geldt vooral van een fractuur midden door het
hoef been, zoodat het gewricht er in betrokken is. In enkele ge-
vallen heeft men echter na 3—4 maanden volkomen herstel waar-
genomen. Vooral neme men het paard niet te vroeg weer in
gebruik.
Indien het dier, door de hevige pijn, veel ligt en daarbij on-
rustig is, kan het zich, in het bijzonder als het een zwaar paard
geldt, doorliggen en de dood hiervan het gevolg zijn.
Bij een breuk van het straalbeen bemerkt men evenzoo hevige
kreupelheid, waarbij het achterste gedeelte van den hoef geheel
wordt verschoond; behalve pynlijkheid, bij aangewende drukking
op deze plaats, is dikwijls niets te ontdekken dan een zuchtige
zwelling der achterzijde van het been boven den hoef. Door het
plotseling ontstaan en den aard der kreupelheid, in verband met
de negatieve kenmerken, moet men hier tot een onderkenning
geraken.
Herstel dezer breuk is zoo goed als onmogelijk. Door zenuw-
snede kan hierbij en bij een breuk door het midden van het hoef-
been de bruikbaarheid van het paard , vooral tot langzamen arbeid,
verbeteren. Deze operatie mag echter nimmer geschieden, indien
ettering in den hoef bestaat, zooals na een breuk van een der
takken het geval kan zijn.
E. BESLAG BIJ GEBREKKIGE GANGEN.
§ 240. Het strijken.
Door het strijken (zie de §§ 83, 89, 90 en 146) ontstaan
kneuzingen en verwondingen aan de binnenzijde der beenen, van
de kroon tot den kogel en aan de voorbeenen zelfs tot de knie.
Dit geschiedt met een, twee en soms met alle vier de beenen.
De oorzaken van het strijken zijn velerlei. Zij kunnen gelegen
zijn in een te nauwen stand, een gebrekkigen gang, zwakte,
vermoeidheid, ziekte, slecht beslag, enz.
Het is van belang de oorzaken op te sporen en te trachten ze
te verwijderen. Bij een slechten stand of gang kan dit laatste
onmogelijk zyn; in enkele gevallen echter bestaan de oorzaken in
39
-ocr page 636-
610
slecht beslag, verkeerd ingespannen zijn voor het rijtuig, enz. en
zijn dan meestal wel op te heffen.
Door bijv. de disselriemen te vast aan te halen , zijn de paarden
genoodzaakt scheef voor het rijtuig te loopen en strijken zich dan
gemakkelijk; het hoog opzetten kan daartoe nog bevorderlijk zijn.
Ook onder den ruiter kan een scheeve gang tot strijken aanleiding
geven. Langzamerhand kunnen de paarden aan zulk een gang
gewennen, zoodat zij zich later niet meer strijken.
Dikwijls ziet men dat een kogel, die gestreken wordt, door
een te lagen binnenwand te veel naar binnen doorbuigt; hij
komt dan juist in de richting te liggen, waarin het andere been
zich voorwaarts moet bewegen. Onder zulke omstandigheden moet
de te hooge buitenwand sterker worden besneden of men legt
onder den te lagen binnenwand een dikkeren ijzertak. Gewoonlijk
bezigt men hiertoe z.g. strijkijzers, d. w. z. ijzers, waarvan de
binnentak van ter zijde is samengeslagen, zoodat hij smaller, doch
hooger, resp. dikker wordt. Deze tak wordt zoo nauw gelegd,
dat de binnenwand er buiten uitsteekt; men brengt de nagels
meer naar voren aan, soms zelfs maar één aan het binnen-toon-
gedeelte, de overige in den buitentak. Dit laatste noemt men dan
een éénzijdig genageld strijkijzer.
Paarden met een Franschen stand strijken zich gemakkelijk
met den binnentoon van den hoef of het ijzer. Daartegen legt
men dit laatste op genoemde plaats zooveel mogelijk naar binnen
of versmalt het ijzer aldaar een weinig, zoodat de hoefeenigszins
daarbuiten uitsteekt.
Bij een koehakkigen stand of als het paard wijd in de sprong-
gewrichten is, kan het verhinderen van de draaiende beweging
der ledematen oorzaak van het strijken zijn. Bij den eersten na-
melijk draait het been naar binnen, in het laatste geval naar
buiten. Hieraan kan worden tegemoet gekomen door de kalkoenen
weg te laten. Soms ook verwijdert men bij X-beenen den binnen-
en bij O-beenen den buitenkalkoen.
Jonge paarden, die voor het eerst worden beslagen, strijken
zich gemakkelijk, vooral indien zij dadelijk in snelle gangen
worden gebruikt. Dit duurt gewoonlijk slechts kort, tenz\'y\' de
oorzaak in iets anders dan het vreemde van het beslag ware
gelegen.
Dikwijls strijken pas in dressuur zijnde remonte-paarden zich
belangrijk, terwijl zij dit later, als ze op kracht zijn gekomen,
niet meer doen.
-ocr page 637-
611
In vele gevallen is eerst door beproeven uit te maken met
welk beslag een paard, dat zich strijkt, het best te gebruiken is.
Niet zelden blijkt het hierbij, dat practijk en theorie met elkander
in strijd zijn en dat bijv. bij een te lagen binnenwand niet het
verhoogen van dezen (zie boven), doch integendeel het nog meer
verlagen daarvan, resp. het verhoogen van den buitenwand, het
gewenschte gevolg oplevert. Somtijds gelukt het, door verzwaren
van den buitentak van het ijzer, het dier een wijderen gang te
bezorgen en aldus het strijken op te heffen. In nog andere ge-
vallen baten allerlei vreemdsoortig gemaakte strijkijzers niets, doch
houdt het strijken op, indien men een gewoon beslag, nauwkeurig
uitgevoerd, in toepassing brengt.
Steeds is het gebruik van strijklappen nuttig. Niet alleen be-
schutten deze de kogels voor verwondingen, doch het tamelijk vast
aanhalen daarvan heeft dikwijls ook een wijderen gang ten gevolge.
Hierdoor verklaart het zich, dat slechte strijklappen niet zelden
toch het gewenschte resultaat opleveren.
§ 241. Het in re ijzers klappen-.
Het in de ijzers klappen (zie de §§ 90, 92, 93, HO en 14G)
veroorzaakt niet alleen een onaangenaam geluid, het kan ook
gevaarlijk worden; de ballen der voorhoeven kunnen hierdoor ge-
kneusd, de toon der achterhoeven kan beleedigd worden, zelfs kan
het paard zich vangen en daardoor vallen.
Daaraan kan een gebrekkige lichaamsbouw, doch ook slecht
beslag te gronde liggen. Overbouwde, vooroverhangende paarden
klappen dikwijls in de ijzers, evenais sabelbeenige of in het alge-
meen zulke, waarvan de voor- en achterhoeven betrekkelijk te
dicht bij elkander staan.
"Wat het beslag aangaat, kunnen te lange voorijzers en een te
lange toonwand der achterhoeven oorzaak zijn; meestal echter
hebben te lage drachten en een te lange toon aan de voorhoeven
schuld. De paarden zakken dan met de laatste te veel door en
kunnen ze niet spoedig genoeg verwijderen, om voor de gelijk-
zijdige achterhoeven plaats te maken.
Zelden geschiedt het aanslaan tegen de kalkoeneinden der voor-
ijzers, veel meer tegen hun ondervlakte. Het verkorten der voor-
ijzers is daarom gewoonlijk nutteloos , ja zelfs schadelijk. Immers
zakken de voorhoeven daardoor licht over de kalkoeneinden der
yzers heen en kunnen alzoo niet tijdig genoeg worden opgelicht.
-ocr page 638-
61\'i
Met best is dus het beslag zoo regelmatig mogelijk te maken.
Is een gebrekkige lichaamsbouw of ook zwakte de oorzaak, dan
kan het beslag deze natuurlijk niet opheffen. Zulke paarden zijn
voor snelle gangen feitelijk ongeschikt. Ten einde het onaange-
name geluid te voorkomen, worden de achterhoeven met z.g.
klapt/\'zers beslagen ; deze zijn in hun toongedeelte smal en hebben
aldaar een minder gekromden buitenrand, zoodat de hoornwand
daarover uitsteekt, terwijl de gewone lip door twee zijlippen ver-
vangen is. Nu slaat althans niet het achterijzer, doch de achter-
toonwand tegen het voorijzer.
Dit laatste kan in zijn toongedeelte zoodanig worden versmald,
dat een aanraking van zijn binnenrand door het achterijzer zeer
wordt bemoeielijkt.
-ocr page 639-
VIJFDE BOEK.
GEZONDHEIDSLEER.
IN L E1 D IN G.
5j \'2i\'2. Gezondheid en haar voorwaarden.
De gezondheidsleer {hygiëne) heeft, wetenschappelijk, beschouwd,
ten doel de gezondhe-d en het lichamelijk welzijn der individu\'s
op de meest volkomen wijze te bewaren en te bevorderen en alzoo
tevens den levensduur te verlengen.
Van een dusdanige hygiëne is echter bij het paard meestal
geen sprake. Men tracht hierbij gewoonlijk dien gezondheids-
toestand te verkrijgen, welke het meeste nut en voordeel afwerpt.
Naar de onderscheiden behoefte wordt deze gewijzigd, zonder
daarom juist ziekte te voorschijn te roepen. Men maakt bijv. de
voor den handel bestemde paarden vet, terwijl men bij renpaarden
zoo weinig mogelijk vet, maar wel een krachtige spierontwikke»
ling verlangt; men castreert hengsten om ze meer handelbaar te
maken en coupeert dikwijls den staart, ten einde den paarden
een fraaier aanzien te geven.
Niet zelden gebruikt men de woorden «hygiëne» en «diaetetica»
als gelijkbeteekenend, doch ten onrechte. De diaetetica omvat
de regeling der gewone levensbehoeften, zoowel bij gezonde als
zieke dieren en maakt in dit laatste opzicht een belangrijk deel
der geneesleer uit.
Tot onderkenning van den gezondheidstoestand der paarden
moet men hun uiterlijk, hun gedrag en de wijze waarop de
levensprocessen plaats vinden, nauwkeurig en onder verschillende
-ocr page 640-
614
omstandigheden nagaan. De huid moet losliggen en zacht zijn,
met glad, glanzend haar bedekt, dat op den behoorlijken tijd wordt
gewisseld. De lichaamswarmte is bij gezonde paarden gelijkmatig,
met dien verstande, dat de ooren en beenen steeds een weinig
kouder zijn dan het overige gedeelte van het lichaam. De inwendige
temperatuur, gemeten in den endeldarm, bedraagt ongeveer
38° C. De eetlust moet opgewekt zijn, de dorst bii hetzelfde
voedsel niet belangrijk vermeerderd of verminderd; het voedsel
moet goed verteerd wezen, de mest zonder eenigen vreemden reuk
of ongewone bijmengselen, als slijm, bloed, enz.; deze moet
gemakkelijk en regelmatig worden ontlast en een met den aard
van het voedsel overeenkomende vastheid en kleur bezitten. Zoo
dienen de mestballen van het, op de gewone wijze gevoederde
troepenpaard, op den bodem uit elkander te vallen en lichtgeel
gekleurd te zijn.
Bij het gezonde paard geschiedt de ademhaling, in rust, lang-
zaam en bedaard. Hoorbaar, moeielijk ademhalen, met buiten-
gewone beweging der neusgaten, der borst- en buikwanden, is
ziekelijk. Bij beweging mag men geen bijzondere inspanning
der ademhalingsorganen waarnemen; houdt zij op, dan moet de
respiratie spoedig rustig worden. De hoest moet moeielijk op te
wekken en dan kort en krachtig zijn; gaarne hoort men daarna
een krachtig proesten.
Gezonde paarden dragen hals, hoofd en ooren opgericht, zij
zijn vroolijk en opmerkzaam, hun blik is vrij, het oog helder
en levendig, hun bewegingen geschieden zonder moeite en met
kracht, alle levensverrichtingen vinden gemakkelijk plaats. Bij
ziekte is het een goed teeken, indien de gewone manieren en
ondeugden terugkeeren.
Een absolute gezondheid bestaat eigenlijk niet; zij is steeds
gewijzigd naar den leeftijd, het geslacht, enz. Men denke slechts
aan een drachtige merrie of vergelijke het veulen met het oude
paard. Hun relatieve gezondheid noemt men echter volkomen,
zoolang geen functiestoornissen aanwezig zijn. Bestaan deze in
geringe mate, zonder dat het algemeen welzijn, de eetlust en
digestie hieronder lijden, dan spreekt men van een onvolkomen
gezondheid. Paarden met lichten graad van dampigheid gelden
gewoonlijk nog als gezond.
De gezondheid is afhankelijk van in- en uitwendige voorwaarden.
Tot de eerste behooren: afstamming van gezonde, krachtige
ouders; regelmatige, met den leeftijd overeenkomende ontwikkeling
-ocr page 641-
615
in de eerste levensjaren; normale, goed geproportionneerde en
krachtige lichaamsbouw; goede digestie en respiratie en een rustig
temperament.
De uitwendige gezondheidsvoorwaarden zijn: goed voedsel en
drinkwater, zuivere lucht, gepaste arbeid en rust, behoorlijke
verpleging, een regelmatige leefwijze en het weren van schadelijke
invloeden.
Voor een duurzame gezondheid is het wenschelijk, dat deze
in- en uitwendige invloeden met elkander overeenstemmen; daar
echter de eerstgenoemde niet altijd, en vooral niet onmiddellijk,
kunnen worden gewijzigd, moeten de uitwendige invloeden zich
naar de inwendige regelen.
De waarde der uitwendige invloeden is steeds relatief; het
zware voeder bijv., dat voor een sleeperspaard past, kan voor een
drachtige merrie of een rijpaard zeer nadeelig zijn.
Groote lichaamskracht waarborgt gezondheid, indien zij niet
eenzijdig ontwikkeld is, zooals bij geen tra in eerde renpaarden, of
enkel door rust is verkregen en spoedig voorbijgaat, gelijk de z.g.
sta/moed. Een sterke constitutie is alleen aangeboren, wat betreft
den aanleg; deze moet echter worden ontwikkeld door een
krachtige voeding en door oefening, afgewisseld met rust. Hier-
door is het, zelfs bij oorspronkelijk zwakken aanleg, mogelijk
groote lichaamskracht te ontwikkelen.
Een krachtige voeding is onvoorwaardelijk noodig voor een
sterken lichaamsbouw. Daartoe behooren de aan eiwitstoffen rijke
voedsels; waterig, weinig prote\'ine bevattend voedsel veroorzaakt
een slap, krachteloos lichaam. Dit leeren bijv. de met haver en
boonen tegenover de enkel met slecht hooi of gras en slobbering
gevoede paarden. Het gewennen aan meer en krachtiger voedsel
moet langzamerhand geschieden.
Beweging in de vrije lucht werkt in verschillende opzichten
gunstig. De zuivere lucht versterkt zoowel door de ademhaling
als door de huidprikkeling. Zij geeft als het ware een luchtbad.
Door de beweging worden eetlust, spijsvertering en stofwisseling
bevorderd; bovendien wordt daardoor de lichaamskracht geoefend.
Zij moet echter met de krachten van het paard overeenkomen en
niet tot geheele uitputting worden voortgezet. De duur der bewe-
ging is in dit laatste opzicht van minder invloed dan haar snelheid.
Men kan een paard in een uur doodmoede rijden; toch kan het
een geheelen dag arbeiden. Bij het entraineeren is het van belang
het paard juist zooveel te laten doen als men er van kan vergen.
-ocr page 642-
616
Evenredig aan de inspanning moet de rust zijn; hierdoor res-
taureert het lichaam.
De versterking der krachten heeft haargrenzen. Een eenzijdige
ontwikkeling daarvan voor een bepaald doel, zooals bij het en-
traineeren, is geen eigenlijke vermeerdering; de som der geza-
menlijke lichaamskrachten kan hierbij zelfs kleiner worden.
Krachtig voedsel en rust alleen verhoogen de lichaamskracht
niet; de laatste moet tot dit doel ook gebruikt, geoefend worden.
Niet die paarden zijn het sterkst en het meest volhardend, welke
bij goed voedsel zelden uit den stal komen, maar die, welke
dagelijks worden gebruikt.
Elk orgaan kan verzwakt en daardoor meer vatbaar zijn voor
schadelijke invloeden. Het meest valt dit in het oog bij de
spijsverteringsorganen, de ademhalingswerktuigen en de huid.
Deze kan men versterken door oefening.
Wat de digestie-organen betreft, moet men langzamerhand meer
en moeielyker te verteren voedsel geven; z.g. maagversterkende
middelen zijn alleen dan nuttig, wanneer de krachten dezer deelen
zoodanig gedaald zijn, dat een prikkel noodig is, om tot meer
werkzaamheid aan te sporen. Ook bij een plotselingen overgang
van licht tot zwaar verteerbaar voedsel of bij het geven van een
buitengewone hoeveelheid kunnen deze middelen goede diensten
bewijzen. Zij kunnen echter reeds krachtige digestie-organen niet
nog sterker maken; integendeel, deze gewennen zich aan de
prikkels en kunnen ze later niet meer ontberen.
De sp\'y\'sverteiingswerktuigen zijn meestal zwakker dan hun
organisatie medebrengt, omdat de paarden, uit een economisch
oogpunt, zoo dikwijls met slappe, verweekende voedsels worden
onderhouden. Zoolang zij op deze wijze worden gevoederd, gaat
het goed; komen zij echter onder andere omstandigheden, dan
blijven de gevolgen meestal niet uit, gelijk bij remonte-paarden
dikwijls kan worden waargenomen.
Indien men een paard voortdurend in een warmen stal laat
staan, verzwakken de ademhalingsorganen. Daarentegen versterkt
men ze door het inademen van frissche, zuivere lucht en wel in
allengs grooter hoeveelheid in een bepaalden tijd. Tot dit doel
moet de beweging in graad en duur worden vermeerderd. Uier-
door komen de paarden z.g. op adem.
Ook zwemmen en baden versterkt de borst.
Longversterkende middelen, gelijk die voor de maag, beslaan
er niet.
-ocr page 643-
617
De huid wordt door warmte verslapt en gevoelig gemaakt;
koude daarentegen versterkt haar. Zwemmen en baden is even-
eens voor de huid een belangrijk versterkingsmiddel.
De paarden moeten gehard en geacclimateerd worden; de in
warme stallen met toebereide, verslappende voedsels opgefokte
dieren worden reeds ziekelijk aangedaan door invloeden, die zij
van nature moesten kunnen verdragen. Doch ook sterke paarden
dulden de gevolgen van klimaat, bodem en het daarvan afhanke-
1\'yke voedsel niet, zonder hieraan gewend te zijn. De gewoonte
stompt af; hierop alleen berusten harding en acclimatatie.
-ocr page 644-
EERSTE HOOFDSTUK.
DE VOEDING EN DE VOEDINGSMIDDELEN IN HET
ALGEMEEN.
Omtrent het voedingsproces, de bestanddeelen der voedings*
middelen, hun beteekenis voor de voeding, enz. zij verwezen naar
het Tweede Hoofdstuk van het Tweede Boek, bladz. 75—107.
§ 243. OxDERiiorr»s- es productievoedsel. De verschillende
VOEMN\'GSTOESTAXDEN.
Het paard heeft een voldoende hoeveelheid voedsel noodig, om
in den toestand te blijven waarin het verkeert; vandaar de naam
onderhoudsvoedsel hieraan gegeven. Het kan dan echter geen arbeid
verrichten, zonder in voedingstoestand achteruit te gaan; daartoe
is een grooter rantsoen, zg. productievoedsel, noodig. Ook tot ver-
betering van den voedingstoestand, tot vleesch- en vetvorming,
zal dus productievoedsel moeten worden verstrekt.
De hoeveelheid onderhoudsvoedsel is voor elk paard niet dezelfde.
Daarop kunnen invloed uitoefenen:
1°. De leeftijd. Even groote hoeveelheden voedsel doen in de
jeugd meer nut dan op later leeftijd; het herstel van stofverlies
geschiedt in den ouderdom langzaam en slechts bij ruimen toevoer.
2°. Het geslacht. Hengsten behoeven meer onderhoudsvoedsel
dan merriën en deze meer dan ruinen.
3°. Het temperament. Phlegmatische paarden hebben minder
voedsel noodig om in goeden staat te blijven dan heete, driftige;
de laatste zijn veelal slecht gevoed, het zijn dikwijls doorjagers.
4°. De lichaamsbouw en grootte. Korte, gedrongen paarden, die
laag op de beenen zijn en een diepe borst hebben, zien er, bij
betrekkelijk weinig voedsel, steeds goed uit. Uit den aard der
zaak vorderen groote paarden meer onderhoudsvoedsel dan kleine.
-ocr page 645-
619
5". De voorafgaande leefwijze. Is een paard in de jeugd karig
gevoederd, dan richt het organisme zich daarnaar in en is ook
op later leeftijd met een geringe hoeveelheid voedsel tevreden.
Ditzelfde geldt ook van het drinken.
6°. Be individualiteit. Er zijn paarden, die in alle opzichten
gelijk schijnen en waarbij toch even groote hoeveelheden voedsel
een verschillende uitwerking teweegbrengen.
De voedingstoestand kan niet alleen \'m graad, maar ook in aard
zeer verschillend zijn. Daarnaar onderscheidt men krachtvoeding,
mestvoeding
en gebrekkige voeding. Zij kunnen met volkomen gezond-
heid gepaard gaan, doch sluiten gewoonlijk een bijzonderen, voor
iedere voeding eigenaardigen, ziekteaanleg in. Deze ontbreekt
echter bij een gemiddelden voedingstoestand, d. i. een zoodanige,
waarbij kracht- en vetvorming samengaan; voor het behoud en
de bevordering der gezondheid is deze dus te verkiezen.
De krachtige of intensieve voeding heeft vaste, sterke spieren ten
gevolge; alle levensprocessen geschieden snel en met volharding,
de stofwisseling is levendig en daardoor de behoefte aan voedsel
betrekkelijk groot.
Tot zoodanigen krachtstoestand zijn noodig:
1°. Het verstrekken van een voldoende hoeveelheid voedsel,
dat rijk is aan eiwitstoffen, bijv. granen en peulvruchten.
2°. Behoorlijk kauwen, met speeksel vermengen en langzame
vertering. Elke toebereiding van het voedsel, voornamelijk met
veel water, waardoor de digestie wordt bespoedigd, bevordert
het vet worden, doch verschaft geen kracht. Voedt men een
paard met graan, dan kan het sterk worden; geeft men het de-
zelfde hoeveelheid als meel, met water aangemengd, dan wordt
het vetter, doch minder krachtig.
3°. Bevordering der stofwisseling door arbeid in de vrije lucht.
Alleen dan wordt een paard door krachtvoeder wezenlijk versterkt
en kan het gezond blijven. Is bij een dergelijke voeding echter
de stofwisseling door werkeloosheid vertraagd, dan kan gevaar
voor de gezondheid ontstaan. Vooral is dit het geval, indien een
plotselinge overgang van karig tot rijkelijk en krachtig voedsel
plaats vindt, en het paard in warme, bedompte stallen vertoeft.
Van groot belang is het, onder deze omstandigheden, voor een
goede mestontlasting zorg te dragen.
De mest- of extensieve voeding heeft een afzetting van vet in
verschillende weefsels ten gevolge; een vermeerdering van spier-
vezelen is hierbij meestal slechts schijnbaar en dan door het op-
-ocr page 646-
(520
vullen en drenken der ruimten tusschen deze vezelen met vet en
eiwitstoffen veroorzaakt.
Een zekere gevleesdheid behoort tot den normalen levenstoe-
stand en geldt als bewijs voor een goede gezondheid. Deze bestaat
echter bij bovenmatige vetheid niet meer; alle functies zijn dan
vertraagd, de krachten gedaald, terwijl de beweging en adem-
haling moeielijk geschieden. Ook de stofwisseling is verminderd;
vette paarden hebben daarom, naar evenredigheid van hun
lichaamsmassa, weinig voedsel noodig.
Een behoorlijke mate van gevleesdheid ontwikkelt zich, onder
gewone omstandigheden, bij rijkelijke voeding van zelf, doch slechts
langzamerhand. Wil men ze snel tot stand brengen, dan moet
men veel, met water aangemengd, gemakkelijk verteerbaar voed-
sel geven en voor een beperkt stofverbruik, door rust en warmte,
zorgen. Hierdoor krijgt men echter geen kernachtige gevleesdheid,
geen krachtige paarden, doch integendeel slappe, die spoedig
vermoeid zijn en gemakkelijk zweeten. Dit onderscheid is waar
te nemen bij het met haver en het met meel en zemelen gevoede
paard.
Bij te groote vetheid moet men de hoeveelheid voedsel in het
algemeen verminderen (voornamelijk echter het extensieve) en het
stofverbruik , door arbeid, verhoogen.
De gebrekkige voeding wordt óf door een geringe hoeveelheid
óf door slechte hoedanigheid van het toegediende voedsel, óf
door een te sterk stofverbruik, óf door digestiestoornissen, óf
door onderscheidene van deze oorzaken samen teweeggebracht,
li\'y het opheffen daarvan moeten plotselinge overgangen, zooveel
mogelijk, worden vermeden.
§ 244. De samenstelling deu voedingsmiddelen.
De bestanddeelen der voedingsmiddelen zijn in § 29 besproken
geworden. Daartoe behooren de eiwitstoffen, de vetten, de kool-
hydraten, het water en de zouten.
Met uitzondering der melk komen in alle voedingsmiddelen
onverteerbare, organische zelfstandigheden voor. Deze zijn in de
gewone voedsels meestal (bijv. de cellulose) slechts betrekkelijk
onverteerbaar, d. w. z. zij zijn slechts langzaam en moeielijk te
verteren en worden daardoor dikwijls onverteerd weder ont-
last. Door toebereiding kunnen zij doorgaans lichter verteerbaar
-ocr page 647-
621
worden gemaakt. De meeste dezer stoffen, voornamelijk de cellti-
lose, zijn door haar mechanische werking van groot belang voor
de digestie; zij helpen maag en darmen vullen, bevorderen liet
kauwen en vermengen met speeksel, en oefenen een prikkel op de
spijsverteringsorganen uit. Ontbreken deze mechanische werkin-
gen , dan zijn de voedsels flauw en verslappend , en verzwakken de
digestie-organen. De haver wordt beter verteerd met, dan zonder
haksel.
Hooi en stroo bevatten de meeste, knol- en wortelgewassen de
minste cellulose. De jonge, saprijke cellulose is het gemakkelijkst
verteerbaar; evenwel verteert het paard ook een groote hoeveel-
heid oude en droge, zooals van hooi en stroo, vooral wanneer zij
met licht verteerbaar voedsel samen wordt gegeven. De cellulose
wordt dan in suiker omgezet.
In alle voedingsmiddelen komen stikstofhoudende en stikstoflooze
voedingsstoffen met elkander verbonden voor. Deze samenstelling
is noodzakelijk, daar geen enkel individu kan leven van een dier
voedingsstoffen afzonderlijk. Het sterft hierbij steeds; bij uitsluitend
stikstoflooze voedingsstolïen even spoedig en onder dezelfde ver-
schijnselen als bij volkomen gebrek aan voedsel; bij enkel stikstof-
houdende echter langzamer, omdat vooreerst het in het lichaam
aanwezige vet tot warmtevorming kan dienen en vervolgens de
eiwitstoffen, hoewel binnen zekere grenzen, in vet kunnen wor-
den omgezet.
Het is echter niet voldoende, dat zich in een voedingsmiddel
beide voedingsstoffen bevinden, zij moeten daarin ook in een
juiste verhouding tot elkander staan. Is dit niet het geval, dan
zal de voedingsstof, die in overwegende hoeveelheid aanwezig is,
niet of slechts ongenoegzaam worden verbruikt, op dezelfde wijze
alsof dit overschot alleen, als enkelvoudige voedingsstof, ware
gegeven. Ook hier zijn het weder de stikstoflooze voedingsstoffen,
die het lichaam nagenoeg geheel ongebruikt verlaten en het leven
het spoedigst in gevaar brengen, wanneer haar verhouding tot de
stikstofbevattende voedingsstoffen in het onderhoudsvoedsel zeer
ongunstig is.
De verhouding tusschen de stikstofhoudende en de stikstoflooze
stoffen in de voedingsmiddelen verschilt naar het stofverbi uik;
wil men een volwassen paard alleen in gezonden toestand hou-
den, zonder meer, dan is de omzetting en het verbruik der
stikstofhoudende stoffen het geringst en op 1 deel eiwitstoffen
worden 7—8 deelen koolhydraten vereischt, zooals ongeveer in
-ocr page 648-
622
liet hooi. Bij iedere gewichtstoeneming of krachtsuiting neemt
het verbruik van stikstof houdende voedingsstoffen toe, zoodat dan
dikwijls bij 1 deel eiwitstoffen slechts 3—4 deelen koolhydraten
belmoren, gelijk in de melk het geval is.
Zijn de stikstofhoudende voedingsstoffen in te groote hoeveelheid
aanwezig, dan worden ze (evenwel tot zekere hoogte) niet onver-
bruikt uit het lichaam verwijderd, zooals met de stikstoflooze
geschiedt, maar kunnen tot een te intensieve voeding of tot
vetvorming aanleiding geven.
§ 245. Natuurlijk voedsel voor het paard. Eigenschappen
der voedingsmiddelen.
Het paard is een planteter en zijn verteringsorganen zijn zoo-
danig ingericht, dat alle plantaardige voedingsmiddelen kunnen
worden verteerd, zoodra zij slechts behoorlijk gekauwd en met
speeksel vermengd zijn. Het best is echter een voedsel, dat tus-
schen geconcentreerd en volumineus het midden houdt, d. w. z.
een zoodanig, dat benevens veel voedingsstoffen tamelijk veel cel-
lulose bevat. Vertering en assimilatie geschieden dan op de meest
volkomen wijze en de dieren zijn krachtig en gevleesd tevens.
Het halmvoeder (gras, hooi) verdient in dit opzicht een eerste
plaats, terwijl knollen en wortelen het minst in aanmerking
komen.
Eischt men echter veel krachtsuiting van het paard, dan is
een toevoeging van granen onontbeerlijk. Alléén zijn zij te ge-
concentreerd en te moeielijk verteerbaar en vorderen, naarmate
zij armer zijn aan cellulose, een grooter toevoeging van baksel,
om het kauwen te verzekeren en het noodige volume te verkrijgen.
Dit is vooral bij de zware granen (rogge) en de peulvruchten, het
minst bij de haver noodzakelijk.
Naarmate de voedingsmiddelen gemakkelijker of moeielyker in
voedselbrij en dierlijk voedingsvocht veranderd kunnen worden,
noemt men ze gemakkelijk of moeielijk verteerbaar. Dit is niet
alleen van het voedsel, maar ook van de verteringsorganen af-
hankel\'yk.
De phvsische gesteldheid van het voedsel en de aard en hoe-
danigheid der voedingsstoffen oefenen invloed uit op de verteer-
baarheid. Alle voedingsmiddelen, die men slechts met veel
inspanning fijn verdeden en weeken kan, zijn moeielijk verteer-
baar, terwijl alle weeke, sapryke voedingsmiddelen, die men
-ocr page 649-
023
zonder moeite in een brijaclitigen of vloeibaren toestand kan
brengen, doorgaans gemakkelijk verteerbaar zijn.
De aard en hoedanigheid der voedingsstoffen zijn van nog meer
belang voor de verteerbaarheid. Zoo moeten alle koolhydraten,
vóór zij in de chijlvaten kunnen worden opgenomen, in druiven-
suiker worden omgezet; suiker is dus van alle koolhydraten het
gemakkelijkst verteerbaar, zetmeel reeds moeielijker en cellulose
nog moeielijker.
De vetstoffen ondergaan geen verandering; zij zijn gemakkelijk
verteerbaar, wanneer zij in geringe hoeveelheid en in fijn verdeel-
den toestand in de voedingsmiddelen voorkomen.
De eiwitstoffen zijn het gemakkelijkst verteerbaar, wanneer zij
in een vloeibaren, opgelosten toestand verkeeren; in vasten, ge-
stolden toestand zijn zij moeiel\'yk te verteren.
De verteringsorganen kunnen door leeftijd, gewoonte en ziekte
van het dier verschillen en daardoor van invloed zijn op de
verteerbaarheid der voedingsmiddelen. Bij zeer jonge en zeer
oude dieren is de verteringskracht het geringst, terwijl deze door
gewoonte zeer verzwakt (bijv. door aanhoudend gebruik van licht
verteerbaar voedsel) of omgekeerd (door het toedienen van steedc
moeielijker verteerbaar voedsel) zeer versterkt kan worden. Ook
verschillende ziekten kunnen de verteringsorganen zoodanig ver-
zwakken, dat zelfs gewone voedingsmiddelen niet meer kunnen
worden verteerd.
De verteerbaarheid van eenig voedsel is verder afhankelijk van
de hoeveelheid. Groote massa\'s voedsel zijn moeielijker te verteren
en hiervan gaat een grooter gedeelte onverteerd met den mest af
dan dit met kleine het geval is.
Licht verteerbaar voedsel is voor de gezondheid voordeelig;
het moet echter steeds een prikkel op de digestie-organen blijven
uitoefenen. Geschiedt dit niet, zooals bij gebrek aan onverteer-
bare stoffen of bij zeer slijmige, melige voedsels met weinig eiwit,
dan noemt men de voedingsmiddelen flauw, prikkelloos of ver-
slappend. Deze maken wel gevleesd, doch verminderen de lichaams-
krachten. Worden zij langen tijd en als hoofdvoeder toegediend,
dan verzwakken zij ook de verteringsorganen en brengen eindelijk,
vooral wanneer zij weinig voedingsstoffen bevatten, zooals geil op-
geschoten gras, ziekte teweeg.
De prikkelloosheid der voedingsmiddelen wordt verhoogd door
alle toebereidingen, die het kauwen onnoodig maken, door een
groot watergehalte en door het lauwwarm toedienen; lauwwarme,
-ocr page 650-
024
slijmige dranken en slobberingen, bijv. van lijnkoek, meel en
zemelen, wortelen, enz. zijn zeer prikkelloos. Deze mogen dus nooit
het eenige voedingsmiddel uitmaken, maar moeten steeds met de
noodige hoeveelheid hooi en stroo worden gegeven. Ook het bij-
voegen van zout vermindert de prikkelloosheid.
Een te sterke prikkeling der verteringsorganen wordt veroor-
zaakt door de aanwezigheid van vreemde bestanddeelen in de
voedingsmiddelen, als specerijachtige, harsachtige en scherpe stollen.
In de gewone voedingsmiddelen komen zij echter zelden in zoodanige
hoeveelheid voor, dat zij voor de gezondheid nadeelig worden.
De voedzaamheid der voedingsmiddelen hangt af van de hoe-
veelheid der aanwezige eiwitstoffen; in alle voedingsmiddelen
moet, willen zij voor voedzaam doorgaan, de hoeveelheid eiwit
minstens tot de hoeveelheid koolhydraten staan als 1:6a 7, gelijk
bijv. met goed hooi het geval is. Wordt het eiwitgehalte grooter,
dan vermeerdert de voedzaamheid, terwijl zij omgekeerd vermin-
dert, al ontbreekt het ook overigens niet aan koolhydraten.
Heeft een voedingsmiddel een groot eiwitgehalte, zooals de
granen en peulvruchten, dan geldt het als krachtvoeder, terwijl
liet in het omgekeerde geval, gelijk bij wortels, waarbij overigens
aan andere voedingsstoffen en water geen gebrek is, krachteloos
wordt genoemd. Weinig voedzaam noemt men de voedingsmiddelen,
wanneer zij niet genoegzaam assimileerbare stoffen bezitten, bijv.
stroo, zure grassen, enz.
Men heeft op verschillende wijzen getracht de voedzaamheid
der voedingsmiddelen te bepalen en vergelijkenderwijze tegenover
elkander te stellen, ten einde daardoor de hoeveelheid te leeren
kennen, die men, ter verkrijging van een gelijke voeding, van
verschillende voedingsmiddelen moest geven. Aldus ontstond de
leer der voedingswaarden, d. i. een in verhoudingsgetallen uitge-
drukte opgave van de voedzaamheid der voedingsmiddelen.
De voedingswaarde werd op twee verschillende wijzen bepaald,
namelijk door scheikundige analyse, waardoor men het gehalte aan
voedingsstoffen leerde kennen en door voederingsproeven, waardoor
men de voedende werking der voedingsmiddelen waarnam.
De chemische analyse was op zich zelf onvoldoende, daar het
hierbij nog geheel onzeker was of eenige voedingsstof wel in dierlijk
voedingsvocht kon worden veranderd; evenzoo waren de door
voederingsproeven verkregen resultaten onbruikbaar, daar zij slechts
voor bepaalde omstandigheden waarde hadden. Dit bewijzen ook
de tabellen der voedingswaarden, die men uitsluitend naar deze
-ocr page 651-
(V25
laatste berekende. De daarop voorkomende gelallen drukken de
voedingswaarde van eenig voedingsmiddel in hooiwaarde uit, d. i.
de verhouding van de voedende werking van het onderzochte
voedingsmiddel tot die van goed hooi, waarvan men de voedings-
waarde = 100 stelde. Deze hooi waarde* tabellen had men niet
alleen toegepast op de verschillende wijzen van voeding, die men
beoogde, maar ook op alle diersoorten, hetgeen tot velerlei dwa-
lingen leidde en ze spoedig in onbruik deed geraken.
Men heeft daarom later een anderen weg ingeslagen; menbe-
paalde namelijk de stikstofhoudende en de stikstoflooze voedings-
stoffen, onderscheidde daarbij de cellulose nog bijzonder, en nam,
behalve liet watergehalte, zelfs nog de zouten in aanmerking.
Hierdoor worden dus alle voedingsstoffen in groepen, naar de
hoeveelheid, bepaald; deze methode voldoet het meest aan alle
eischen en heeft de hooiwaarde-tabellen geheel verdrongen.
§ 246. De rations en de voedert» den.
Het paard heeft dagelijks een bepaalde hoeveelheid voedsel en
daarin een zeker quantum voedingsstoffen noodig; de eerste voor
een behoorlijke vulling der digestie-organen, het laatste tot herstel,
door het voedingsproces, van het stofverbruik.
Eenige vulling der spijsverteringsorganen door het voedsel is
voor een goede digestie onvoorwaardelijk noodig; het volume
van het voedsel moet dus worden geregeld naar de ruimte van
maag en darmkanaal. Deze verschilt echter zeer naar de vroegere
voedingswijze; in dit opzicht leveren het renpaard met zijn snoe-
kenlijf en het weidepaard met zijn grasbuik de beide uitersten.
Door een lang voortgezette volumineuse voeding zetten maag
en darmen zich uit, terwijl zij zich bij een geconcentreerde voeding
samentrekken. Hierdoor kan de dagelijks benoodigde hoeveelheid
voedsel aanzienlijk verschillen; deze wordt bovendien belangrijk
gewijzigd door de verteerbaarheid, het gehalte aan voedingsstoffen
en de opeenvolging der voedertijden.
Van een voedsel, dat spoedig wordt verteerd, kan meer worden
opgenomen dan van een zoodanig, dat z. g. in de maag staat.
Evenzoo wordt meer gebruikt, indien dikwijls wordt gevoederd,
dan wanneer de voedertijden ver uit elkander liggen.
Bij enkel havervoedering heeft men het kleinste volume, waar.
mede men kan volstaan. Dit geschiedt soms by rijpaarden, als
40
-ocr page 652-
626
tnen een intensieve voeding en zoo weinig mogelijk buik wensclit.
Van een volkomen vertering der haver moet men dan echter
afzien; daartoe zou een toevoeging van volumineus voedsel noo-
dig zijn.
De hoeveelheid voedingsstoffen, die een paard dagelijks moet
ontvangen, is berekend naar de grootte, den leeftijd, het lichaams-
gewicht, den arbeid en de stofproductie. Zij laat zich niet met
zekerheid bepalen, daar zij door de verschillen in voedzaamheid
en verteerbaarheid der voedingsmiddelen en door bijzondere toe-
standen van het organismus zeer kan worden gewijzigd.
Voor een paard van gemiddelde grootte, dat gewoon arbeid
venicht, rekent men als dagelijksch ration : 5 Kg. haver, 4 Kg.
hooi en 2 Kg. stroo of haksel. Bij vermeerderden arbeid voegt
men daaraan 1—l\'/> Kg. haver toe, terwijl bij minder werk de
hoeveelheid haver eenigszins verminderd, daarentegen het ration
hooi iets verhoogd kan worden.
Het gewone ration (onderhoudsvoedsel) der aan \'s Rijks Vee-
artsenijschool in behandeling zijnde paarden bedraagt: 3 Kg. haver
en 4 Kg. hooi.
De dagelijksche hoeveelheid voedsel voor de paarden van het
Nederlandsche leger is bepaald als volgt (zie art. 3 der „Voorwaarden
van levering van fourage, vastgesteld bij beschikking van den
Minister van Oorlog van 9 November 1891, VIae Afd., n°. 14").
I.       a. Officiers- en rijkspaarden bij de regimenten
huzaren en het eskadron ordonnansen, met
uitzondering van die, welke dienst doen bij
depot-eskadrons en bij de rij- en hoefsmid-
School, en                                                                             Kilogram.
b. Officierspaarden bij het korps rijdende ar- ._• 0" ö\'
tillerie:
                                                                 m £ s
van 1 November tot 1 April............... 3\'/, 41/, 4
„ 1 April           „ 1 Juni          i                    gi. ^ 4
„ 16 September „ 1 November).......... \'*             *
„ 1 Juni             „ 16 September.......... 3\'/, 4 5
II.      Officiers- en rijkspaarden van de depot-eskadrons
der cavalerie:
van 1 November tot 1 April............... 3\'/t 4\'/» 4\'/j
„ 1 April           „ 1 November........... 3\'/, 4 41/,
III.    a. Officiers- en rijkspaarden, dienstdoende bij
de rij- en hoefsmidsschool, en
-ocr page 653-
62?
b. Rijkspaarden, dienstdoende bij de Konink-
lijke Militaire Academie en paarden der offi- Kilogr»m.
eieren van het wapen der cavalerie, werkzaam .„• ó t
aan die inrichting:
                                               b si 53
over het geheele jaar...................... 3\'/, 4 41/,
IV.    a. Rijkspaarden bij de veldartillerie, met uit-
zondeiing van die, behoorende tot de trein-
compagnieën, en
b. Rijkspaarden bij de rijdende artillerie:
van 1 November tot 1 April............... 31/, 4\'/» 4
„ 1 April           „ 1 November........... 3\'/, 4 5
V.      Rijkspaarden, behoorende tot de trein-compag-
nieën der regimenten veld-artillerie:
van 1 November tot 1 April............... 3\'/i 4\'/, 5
„ 1 April            „ 1 November........... 3\'/, 4 5
VI.    De overige officiers- en rykspaarden:
van 1 November tot 1 April............... 3 41/, 4
„ 1 April           „ 1 November........... 3 3\'/j 4\'/,
Bij de cavaleriemanoeuvres, de oefeningen in den vesting-
oorlog, enz. gedurende 1804, bedroeg het ration fourage voor de
officiers- en troepenpaarden, welke aan bedoelde oefeningen deel-
namen, acht dagen vóór het vertrek der troepen uit hun stand-
plaatsen en gedurende de manoevres tot den terugkeer in het
garnizoen: 3 Kg. hooi, 4 Kg. stroo en 6 Kg. haver (Kon. besluit
van 11 Juni 1894, n°. 54, en Min. besluit van 4 Juli 1894,
n*> afd., n°. 65).
Bij deze verschillende rations dient het stroo grootendeels als
ligstroo.
Voor de paarden der artillerie en cavalerie van het Ned. Oost-
Indisch leger bedraagt het ration fourages, a. in het garnizoen:
25 Kg. gras en 2\'/2 Kg. gaba; b. te velde: 20 Kg. gras en 4 Kg.
gaba. (Zie omtrent gaba § 248, /«). Het gras wordt dagelijks en
de gaba om de 10 dagen ontvangen. Het ration in het garnizoen
voor de muildieren is gelijk aan dat voor de paarden, verhoogd
met 2 Kg. hooi per dag.
Bij het Duitsche leger is het ration der 18000 middelmatig
zware cavaleriepaarden per dag en per hoofd: 5,15 Kg. haver,
2,5 Kg. hooi en 3,5 Kg. stroo; van de 37000 lichte cavaleriepaarden
per dag en per hoofd: 4,75 Kg. haver, 2,5 Kg. hooi en 3 Kg. stroo.
Bij het Oostenrijksche leger krijgen de middelmatig zware
paarden (voor de artillerie, de inrichtingen voor militaire vorming,
-ocr page 654-
628
enz.; zooals bekend i.s, liceft men aldaar sleclils lichte cavalerie)
per dag en per hoofd: 4,2 Kg. haver, 4,5 Kg. hooi en 1,7 Kg.
stroo; de cavaleriepaarden: 4,2 Kg. haver, 3,4 Kg. hooi en 1,7
Kg. stroo (Dr. E Poth, li\'ie Distanzritt umi die Pferdetucht,
München 1893.)
Het ration der paarden van de Stichtsche tramwegmaatschappij,
welke dagelijks 22 Kin. afleggen, en bij drukte meer arbeid moeten
verrichten, bedraagt (Maart 1894): 5 Kg. haver, 2 Kg. maïs,
1 Kg. boonen en 6 a 7 Kg. hooi.
De paarden der 1\'trechtsche gemeentereiniging, die per dag
ongeveer 11 */, uur stapvoets werk doen en daarvan onder weg
dikwijls stilstaan, bekomen sedert 16 April 1894: 5 Kg. liooi,
7 Kg. gebroken maïs en 1 \'„ Kg. geweekte gerst.
Die der Rotterdamsche tramwegmaatschappij, welke per dag
gemiddeld 24 Km afleggen, ontvangen (Maart 1894): 81/» Kg.
maïs, 1 Kg. erwten met stroo en 4 Kg. hooi. De sleeperspaarden
dezer maatschappij krijgen: 4\'/: Kg. maïs, 4\'/, Kg. haver, 1 Kg.
erwten met stroo en 4 Kg. hooi.
Omtrent het voederen van maïs bericht de Directeur der Rotter-
damsche tramwegmaatschappy, dat dit is geschied uit een economisch
oogpunt, en dat de paarden zich bij zwaar werk goed hebben
gehouden. Bij de sleeperspaarden echter moest de maïs, wegens
het herhaaldelijk voorkomen van koliek , gedeeltelijk door haver
worden vervangen.
In den zomer krijgen de paarden gedurende een 6-tal weken
groen voeder, in plaats van hooi.
Het ration voor de paarden der Amsterdamsche r\'y\'tuigmaat-
schapp\'y\' bedraagt (Maart 1894): 2 Kg. haver, 2\'ft Kg. hooi, 21
Kg. haksel, 2 Kg. gerst, 2\'/2 Kg. maïs, 2 Kg. ligstroo, des
winters vermeerderd met \'/» Kg. boonen.
Dat der paarden van deze maatschappij, welke dienst doen
bij de Maatschappij tot exploitatie van staatsspoorwegen: 2 Kg.
geplette haver, 3\'/2 Kg. gesneden hooi, 3\'/, Kg. haksel, 2 Kg.
geplette gerst, 5 Kg. gebroken maïs, 3 Kg. ligstroo, des winters
vermeerderd met 1 Kg. gebroken boonen. Driemaal per week
krijgen de paarden (ook die, welke voor de rijtuigen dienst doen)
\'/i Kg. zemelen en \'/, Kg. gerstemeel, in mindering van haver.
Het verstrekken van gerst en maïs geschiedt alleen zoolang
het met de prijzen beter uitkomt.
Het ration voor de paarden der Amsterdamsche omnibus-
maatschappij bedroeg over 1893, per dag, gemiddeld: 1,715 Kg.
-ocr page 655-
029
haver en gerst, 0,31) Kg maïs, 3,03 Kg. hooi en \'2,27 Kg. stroo;
bovendien werd 4,74 Kg. turfstrooisel verstrekt. Elk paard legde
gemiddeld per dag 20,173 Km. af.
Natuurlijk moet bij de beoordeeling dezer rations met talrijke
omstandigheden, niet het minst met de hoedanigheid der verstrekte
voedsels, rekening worden gehouden.
Hoewel het volume en het gewicht van het voedsel een grooten
invloed uitoefenen op de vertering en de voeding in het algemeen,
brengen zij op zichzelf toch zelden de gezondheid in gevaar. Dit
geschiedt enkel bij overlading en bij ledigheid van de maag.
Overlading der maag kan ontstaan door het gebruik van moeielijk
verteerbaar, opblazend voedsel, of ook bij gewone voedingswijze,
wanneer een paard zeer hongerig of vermoeid is en het voedsel
gulzig wordt opgenomen. Hierbij behoeft de maag volstrekt niet
buitengewoon gevuld te zijn, zooals trouwens alleen bij volumineus
voedsel zou kunnen geschieden; een maagoverlading bestaat, zoo-
dra het opgenomene de verteringskrachten te boven gaat. "Wordt
deze niet spoedig opgeheven door een verhoogde werkzaamheid
der maag, dan gaan de voedingsmiddelen in gisting en omzetting
over, gepaard met rijkelijke gasontwikkeling, waardoor koliek en
zelfs de dood kan worden veroorzaakt.
Door volumineus voedsel kunnen ook de dikke darmen worden
overladen.
In dergelijke gevallen moet men de beweging van maag en darm-
kanaal trachten te bevorderen ; dit kan geschieden door lichaamsbe •
weging, wrijven van den buik, afvoerende middelen, lavementen, enz.
Ledigheid der maag is niet alleen het gevolg van gebrek aan
voedsel, maar ook, bij geconcentreerd voedsel, van te weinig
volume. Haar gevolgen liggen voor de hand, evenals de middelen
om aan dezen toestand een einde te maken.
Wat de verdeeling der rations en de voedertijden aangaat, valt
op te merken, dat het verkieslijk is telkens kleine hoeveelheden
voedsel toe te dienen; maag en darmen worden op deze wijze
beziggehouden en het voedsel wordt het best verteerd. Tevens is
het wenschelijk zich, zooveel mogelijk, aan de eenmaal vastgestelde
hoeveelheden en voedertijden te houden; de digestie-organen ge-
wennen er zich aan en functionneeren dan het krachtigst.
Na elke verzadiging is rust aanbevelenswaardig, in het bijzon-
der, wanneer een groote hoeveelheid voedsel is opgenomen; kan
zij niet worden verstrekt, dan moet de beweging, althans in den
aanvang, langzaam zijn.
-ocr page 656-
6U0
Het is verkeerd vóór den nacht een grooie hoeveelheid, voor-
namelijk moeielijk verteerbaar voedsel te geven; de maag eischt
ook haar rust.
Bij onze troepenpaarden wordt ieder dagelijksch ration haver
in drie gelijke hoeveelheden verdeeld en in drie voedertijden toe-
gediend ; hetzelfde geschiedt met het hooi. Bovendien wordt
tusschentijds stroo in de ruif gegeven {Reglement op den inwendigen
dienst der cavalerie,
art. 68).
Bij de cavalerie en bereden artillerie in Nederlandsch-Indië
geschiedt de voedering aldus:
„De gaba wordt driemaal daags aan de paarden toegediend, te
weten: twintig minuten vóór den aanvang van den morgenstal-
dienst, des middags ten twaalf ure, en onmiddellijk na den mid-
dagstaldienst (op Zon- en feestdagen na het middag-appèl).
De eerste twee portiën bedragen elk een vijfde, de laatste
drie-vijfde gedeelten van het ration.
Het gras wordt vijfmaal daags gevoederd, namelijk: onmid-
dellijk na het inrukken van de oefening of na den morgenstal-
dienst, naarmate al of niet te paard is of wordt uitgerukt, des
voormiddags ten tien ure, des middags ten twaalf ure, na den
middagstaldienst (op Zon- en feestdagen na het middag-apprl) en
des avonds ten acht ure; de laatste portie moet het dubbel van
elk der andere zijn" {Reglement op den inwendigen dienst der cavalerie
(art. 57) en der bereden artillerie (art. 56).
Elke, eenigszins aanmerkelijke verandering van voedsel moet
langzamerhand geschieden, liefst zoodanig, dat zij eerst in 8—14
dagen volkomen is tot stand gebracht. Voornamelijk geldt dit bij
den overgang tot meer geconcentreerd, rijkelijker en krachtiger
voedsel en ook van droog tot groen voedsel of omgekeerd. Een
plotselinge overgang zou gemakkelijk storingen in de spijsvertering
en gevolglijk ook in de voeding, de circulatie, enz. kunnen
teweegbrengen.
§ 247. De toehereiding der voedingsmiddelen.
Niet zelden ondergaan de voedingsmiddelen vóór hun toe-
diening eenige bewerking, met het doel ze beter verteerbaar te
maken en hun voedingswaarde te verhoogen.
Het kneuzen van granen maakt alleen het kauwen gemakkelijk
en is derhalve geheel overbodig, wanneer dit laatste goed ge-
schiedt. Slechts bij paarden met een onvolkomen of een slecht gebit,
-ocr page 657-
631
zooals bij jonge en oude individuen, is het aan te raden, evenals
soms bij gulzige eters.
De voedingswaarde wordt door het kneuzen niet verhoogd;
men bespaart echter voedsel, omdat de ontlasting van onverteerde
korrels wordt voorkomen.
Het breken en malen dezer voedsels heeft ten gevolge, dat zij
niet meer gekauwd en dus niet met speeksel vermengd worden;
het maakt een ruime toevoeging van water noodzakelijk. Zij
voeden daardoor extensief, maken vet, doch krachteloos. Dit
geldt het meest van het meel, minder van het gebroken graan.
Omtrent meel en zemelen zij verder verwezen naar § 250.
Tiet snijden van stroo, hooi en groenvoeder is in den nieuweren
tijd, evenals het kneuzen der haver, veel in zwang gekomen.
Wat het stroo aangaat, moge dit goed zijn, dit is met hooi en
groen voeder, althans onder gewone omstandigheden, niet het
geval. Uitgebreide proeven, in Frankrijk genomen, hebben ge-
leerd, dat er geen onderscheid bestaat tusschen de vertering van
gesneden en ongesneden voedsel; het eerste wordt echter wat
spoediger gegeten. Dit is voor militaiie paarden in vredestijd juist
als een nadeel te beschouwen; hoe langer deze met het eten van
hun ration worden beziggehouden, des te minder gelegenheid
hebben ze, om allerlei ondeugden te leeren. Daarbij komt, dat
gesneden hooi, in groote hoeveelheid gegeven, spoedig door speeksel
verontreinigd en dan versmaad wordt. Voor paarden die weinig
tijd hebben om hun voedsel te gebruiken, kan gesneden hooi
nuttig zijn, vooral wanneer dit, zooals veel geschiedt, als
haksel bij de haver wordt gegeven; de laatste wordt dan beter
gekauwd. Ook bij een slecht gebit is het geven van gesneden
hooi aanbevelenswaardig; het moet dan telkens in kleine hoeveel-
heden in de krib worden gedaan.
De militaire paarden moeten gesneden stroo (haksel) bij de haver
ontvangen (Reglement op den imvendigen dienst der cavalerie, art. 68);
het langzaam kauwen, en dus de vertering der haver, wordthier-
door bevorderd. Daartoe moet het echter minstens 2cM. lang zijn;
bovendien moeten haver en haksel, na onder elkander gemengd
te zijn , iets bevochtigd worden , zoodat het paard verhinderd wordt
het lichtere haksel weg te blazen en de haver alleen op te eten.
Het snijden van tvortels behoort in overlangsche richting te
geschieden; hierdoor wordt het inslikken, zonder vooraf gekauwd
te zijn, bemoeielykt, zoodat niet zoo licht stukken in den slok-
darm kunnen blijven zitten.
-ocr page 658-
t>3\'2
Het weeken is gebruikelijk bij peulvruchten en nioeielijk ver-
teerbare granen, bijv. rogge. Het bestaat in het overgieten met
water, waarmede de voedsels eenige uren in aanraking worden
gelaten. De vertering der overigens moeielijk verteerbare rogge
en peulvruchten wordt hierdoor belangrijk bevorderd.
Andere toebereidingen der voedingsmiddelen, als aftrekken,
koken, stoomen
, mouten, enz. zijn voor de paarden weinig of niet
in gebruik. Alleen het broeien van het hooi en het broodbakken
verdienen nog te worden genoemd; deze zullen echter bij de
voedingsmiddelen in het bij zonder worden besproken.
-ocr page 659-
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE VOEDINGSMIDDELEN IN HET BIJZONDER.
Hiertoe behooren: 1°. de granen, 2". de peulvruchten, 3°. het
meel, de zemelen en het brood, 4°. de knollen en wortels, 5°.
fabrieksafval en andere weinig gebruikelijke voedingsmiddelen, 6°. het
groenvoeder en de weiden, 7°. het hooi, 8°. het stroo, 9°. de drank
en 10°. de specerijen. We zullen deze achtereenvolgens aan een
nadere beschouwing onderwerpen.
§ 248. De granen.
a. üe haver. Deze bezit van alle granen de grootste hoeveelheid
bast, welke slechts los met de korrels verbonden is en een zeer
geringe voedingswaarde heeft. Het mee\'.gehalte loopt aanmerkelijk
uiteen, zooals uit liet verschillend soortelijk gewicht blijkt; er
komt namelijk haver voor, die per hectoliter nauwelijks 30 Kg.
weegt en andere, die het gewicht van 50 Kg. te bovengaat. Men
koope daarom de haver nooit bij de maat alleen, doch tevens bij het
gewicht. Zoo is ook voor ons leger voorgeschreven, dat zij min-
stens 48 Kg. per hectoliter moet wegen.
Het meel bezit de gewone voedingsstoffen, doch kenmerkt zich
door zijn gering gehalte aan kleefstof en een groote hoeveelheid
vet en zouten; het is flauw van smaak. In den bast komen een
bittere en een specerijachtige stof (avenine) voor, die een prikke-
lende, voor de vertering gunstige werking uitoefenen
De haver is van alle granen het gemakkelijkst verteerbaar en
voedt tevens het gelijkmatigst, d. i. productie van kracht en massa
zijn hierbij het meest geëvenredigd. Door de gunstige verhouding
van de voedende tot de onverteerbare stoffen is de haver, althans
voor onze streken, het beste korenvoedsel. De nadeelige gevolgen,
die bij andere granen gemakkelijk ontstaan, als digestiestoornissen,
-ocr page 660-
«:u
enz., zijn bij haver weinig te vreezen. Geen voedingsmiddel kan
haar bij ons paard volkomen vervangen.
Het aantal haversoorten is zeer groot; als de beste geldt,
volgens sommigen, de Schotsche, die zoo dik is als gerst en daarbij
dun van bast. De in ons land gebouwde haver komt hoofdzakelijk
onder de volgende benamingen voor: ivitte voerhaver, in lichte en
zware verdeeld, fijne Friesche haver, dikke of brouwhaver, de iets
fijnere musschenbekhaver (in de provincie Groningen), zwarte en
bonte haver (die veel op vochtige gronden wordt geteeld) en zaml-
haver
(die voornamelijk op de vruchtbare zandgronden in Noord-
Brabant wordt gekweekt en zich door een fijne korrel en het
bezit van twee kafnaalden onderscheidt). Tn den laatsten tijd zijn
ook veel vreemde haversoorten, als Deensche, Probsteijer, Ameri-
kaansche, enz., verbouwd geworden.
Over het geheel is de Friesche haver van beter qualiteit dan
de Groningsche.
Naar den zaaitijd onderscheidt men elders de haver ook in
winter- en zomerhaver. De eerste heeft den dunsten bast en de
grootste korrel; zij bezit meer voedende en minder harsachtige
bestanddeelen dan de laatste.
Bovendien wordt veel haver uit het buitenland aangevoerd en
wel uit alle streken, waar zij op een gegeven oogenblik het goed-
koopst is. Het meest echter komt zij uit Rusland en van de
kusten der Oostzee. Vooral bekend zijn: de Petersburger haver,
de Libau-haver, de Riga-haver, de Odessa haver, de Zweedsvhe haver
en ook de Amerikaansche haver. Deze kenmerken zich door een
fijne korrel van zeer verschillende kleur en een gewicht van
45—50 Kg. per hectoliter.
Zwarte haver is in het algemeen dunner van bast dan witte
en dus bij hetzelfde gewicht voedzamer. Deze wordt daarom
hooggeschat, doch past door haar krachtige, prikkelende werking
voornamelijk voor paarden, die zwaar moeten arbeiden. Volgens
de vroegere contracten voor de levering van fourages mocht voor
de troepenpaarden slechts witte haver worden geleverd. Zwarte
haver wordt dikwijls dmirom minder begeerd, omdat zij moeielijker
te keuren is dan witte.
Goede haver heeft een dunnen, glanzenden bast en bestaat uit
droge, vaste, gladde korrels, die goed rad zijn, d. i., dat zij bij
het toedrukken der hand gemakkelijk door de vingers glijden;
zij heeft bijna geen reuk en een meelachtigen, aangenamen,
eenigszins met dien van hazelnoten overeenkomenden smaak.
-ocr page 661-
635
De witte haver moet blank zijn, d. i. óf\' lichtgeel, zooals bij de
lijnere haversoorten, öf donkergeel, gelijk aan de dikke, zware
haver, en aan enkele buitenlandsche soorten eigen is. Nimmer
mag de kleur dof-grauwachtig zijn, zooals bij overzeesche haver
kan worden aangetroffen, indien zij in het schip door broeiing
heeft geleden.
Een verschillende kleur der korrels wijst op vermenging van
twee of meer soorten; gewoonlijk geschiedt zij met de bedoeling
om slechte haver aldus toch verkoopbaar te maken. Donkere stippen
of vlekken mogen op den bast niet worden aangetroffen; is ook
overigens de kleur donkerder geworden, dan wijst dit er op, dat
de haver gebroeid heeft en verschillende omzettingen heeft ondergaan.
Niet zelden zijn de boveneinden van enkele korrels groen ge-
kleurd; deze waren bij den oogst nog niet voldoende rijp. Komen
zulke korrels niet in zeer groote hoeveelheid voor, dan bestaat
er geen reden daarom de haver af te keuren.
Veel meer dient er te worden gelet op de ondereinden der
korrels; aldaar voorkomende worteltjes bewijzen, dat de haver
geschoten is. Dit is een beginnende ontkieming, welke ontstaan
is door vochtigheid en warmte, m. a. w. door broeiing, waaraan
de haver is blootgesteld geweest. Deze broeiing kan óf reeds plaats
vinden op het veld, indien de haver, bij aanhoudend nat weder,
niet tijdig kan worden binnengehaald, óf ontstaat, na gedorscht
te zijn, op zolder of in schepen, wanneer zij daar langen tijd
opgehoopt ligt. Hoe vochtiger de haver is binnengekomen, hoe
minder droog de zolders zijn en hoe meer eindelijk de haver in
schepen door water wordt beschadigd, des te grooter kans bestaat
er voor broeiing. Een herhaald omwerken der haver is dus noodig.
Geschoten haver heeft minder voedingswaarde en kan door
opvolgende veranderingen zelfs nadeelige eigenschappen hebben
verkregen. Zij is dan donkerder geworden, bezit hier en daar
zwarte stippen, de korrel is gezwollen, lichter, dof en gerimpeld,
de reuk is muf en prikkelend en de smaak bitter. Zij kan tot
verschillende ziekten aanleiding geven, voornamelijk tot louterstal,
en bij langdurig en ruim gebruik zelfs tot den dood.
De zwarte haver moet donker wezen; de z.g. bonte is verbasterd.
Op de breuk moet de korrel in elk geval wit zijn, onverschillig
welke kleur de bast heeft.
Vreemde zaden, steentjes, stukjes klei, zand, kaf of stof mogen
niet of slechts in onbeduidende mate in de haver worden aan-
getroffen.
-ocr page 662-
036
De vreemde zaden kunnen óf onschadelijk zijn, zooals duiven*
boonen, wikken, erwten, gerst, enz., doch verhoogen dan het
gewicht der haver belangrijk, öf voor de gezondheid nadeelig,
bijv. die van de bolderik {agrostemma Qithago) en de dolik (lolium
temulentum)
, welke echter zelden in een hoeveelheid van eenige
beteekenis in de haver voorkomen.
Steentjes en klei doen evenzoo de haver zwaarder schijnen.
Door langdurig gebruik van met zand verontreinigde haver
kan een ophooping van dit zand in het darmkanaal ontstaan,
waarvan koliek en de dood het gevolg kunnen zijn.
Stof ontstaat in de haver meestal door omzetting; men zal dit
dan ook meer bij oude (van ongeveer één jaar of ouder) dan bij
nieuwe haver aantreffen. Zonder nog bepaald muf te ruiken, heeft
zij toch van haar voedingswaarde verloren. Zij is dus minder goed
dan niet stoffige haver, zelfs al heeft men nagenoeg al het stof
door wannen en ziften verwijderd. Ligt op deze wijze schoonge-
maakte haver betrekkelijk korten tijd opgehoopt, bijv. in een kist
of op zolder, dan is zij opnieuw stoffig geworden. Dit is een
bewijs, dat de omzetting is voortgegaan.
Muffe, schimmelige en gebroeide haver tracht men soms, door
ze aan de dampen van zwaveligzuur bloot te stellen, wat kleuren
reuk betreft, te verbeteren. Deze gezwavelde haver heeft echter
doorgaans een dofwitte kleur, zooals zij van nature nooit bezit
en nimmer den frisschen reuk, aan goede haver eigen. Be-
dorven haver kan hierdoor, wat haar voedingswaarde betreft, niet
worden verbeterd, en haar nadeelige eigenschappen, door lagere
organismen ontstaan, verdwijnen slechts ten deele.
Is men genoodzaakt muffe haver te voederen, dan moet deze
vooraf van stof en andere onzuiverheden bevrijd, gewasschen en
daarna gedroogd worden; het doelmatigst geschiedt dit op een
eest. Om den muilen reuk op te heffen, is ook aanbevolen de
haver met \'jli van haar volume versch gepulveriseerde houtskool
te vermengen en aldus 14 dagen lang te laten liggen; daarna
wordt zij door wannen van het houtskoolpoeder gezuiverd.
Het zwavelen geschiedt niet alleen om muffe, bedorven haver
een betere kleur en reuk te geven, doch ook als voorbehoed-
middel tegen bederf, voornamelijk, wanneer zij over zee moet
worden vervoerd. In het laatste geval is het een nuttige bewerking,
die trouwens niet alleen op de haver wordt toegepast. Ook gort,
boonen, enz. worden aldus behandeld; bij onze marine wordt uit-
sluitend gezwavelde gort gebruikt, daar deze maanden lang, zelfs
-ocr page 663-
637
in de tropen, goed blijft, vrij van kalander en andere insecten.
Jhjna alle haver, die uit Groningen naar Kngeland gaat, wordt
vooraf gezwaveld, om van een goede overkomst verzekerd te
zijn. Doch ook bij binnenlandsch vervoer te water, zwavelt men
ze aldaar, indien zij niet volkomen droog is. Zulke gezwavelde
haver is gewoonlijk te herkennen aan de dofwitte kleur en den
eigenaardigen, eenigszins zuren reuk.
Het zwavelen geschiedt op eesten welke, tot doorlating van
dampen, van doorboorde ijzeren platen voorzien zijn. Men legt
daarop, ongeveer 0,5 M. hoog, 50—100 of meer Hl,, naar de
grootte van den eest, stookt daaronder coaks en gooit, zoodra
de haver door en door warm is, 1 — 1*/, Kg. zwavel op het vuur;
het zich ontwikkelend zwaveligzuur trekt door de haver en zoodra
de dampen verdwenen zijn, is zij blank en werpt men ze van den
eest, om ze door nieuwe te vervangen. Op deze wijze zwavelt
men per dag 500 Hl. en meer.
Zoo mogelijk moet men de haver 3—4 maanden oud laten
worden, vóór ze aan de paarden te geven. Nieuwe haver is
moeielijker verteerbaar, heeft een geringe laxeerende werking en
voedt minder dan oude; overigens heeft ze geen voor de gezond-
heid nadeeligen invloed. Men herkent ze aan het minder rad
zijn, een gevolg van het grooter vochtgehalte, aan haar frissche,
blanke kleur en nog gave puntjes, welke later, door herhaald
omwerken, meer en meer verloren gaan. Tegenwoordig komt
echter veel haver in den handel, die fabriekmatig van haar puntjes
is ontdaan, z.g. gepoetste (gespitzte) haver.
Bij verplichte voedering van nieuwe haver heeft men aan-
geraden baar met zout te vermengen, ten einde de vertering te
bevorderen, of ook ze vooraf op een eest te doen uitzweeten.
Dit is echter onnoodig, wanneer zij in de gewone hoeveelheid
wordt verstrekt en de paarden daarbij regelmatig arbeid ver-
richten.
Indien haver eenigen tijd vóór de keuring toevallig of opzettelijk
bevochtigd is geworden (ze krijgt hierdoor meer gewicht en vo-
lume), dan is ze dof en niet rad; heeft het bevochtigen kort te
voren plaatsgevonden, dan is de haver week, gezwollen en geheel
zonder stof, wat anders nooit het geval is. Droogt zulke haver
langzamerhand weer op, dan wordt ze rimpelig, licht, zinkt
moeielijk in water, riekt sterk en onaangenaam, en smaakt
scherp en bitter.
-ocr page 664-
638
Een vermenging der haver met haksel bevordert het kauwen
en daardoor de vertering; vooral bij gulzige eters is een toevoeging
hiervan voordeelig.
Het best voedert men de haver geheel; zij wordt aldus het
liefst gegeten en door paarden met een gezond gebit even goed
verteerd als in gekneusden of gebroken toestand. Gebroken haver
verbetert wel den voedingstoestand, doch vermindert de kracht
en de energie.
Het ration haver moet verschillen naar den leeftijd, de grootte,
het ras, den voedingstoestand, doch voornamelijk naar den arbeid,
dien het paard verricht. Gemiddeld rekent men 5 Kg. per dag.
Bij zeer zwaren arbeid kan men zooveel geven, als de dieren maar
willen eten; bij veel rust moet men het ration verminderen.
b. Be gerst komt de haver in voedende werking nabij, doch
kan ze in ons klimaat niet vervangen. In het Oosten en ook in
Zuidelijk» en Zuidwestelijk" Europa is dit echter wel het geval; zij
is aldaar een uitstekend intensief voedsel. Geeft men aan onze
paarden Europeesche gerst, in plaats van haver, en wel in gelijke
gewichtsdeelen, dan worden zij , zooals talrijke proeven hebben
geleerd, zwak, zweeten licht, zijn spoedig vermoeid en lijden dikwijls
aan koliek en diarrhee. Daar de gerst een harden bast heeft, is
z\'y\', zonder toebereiding gegeven, moeielijk verteerbaar; zij werkt
ook minder opwekkend op de digestie-organen dan de haver.
De Noord- en Middel-Europeesche gerst bevat minder eiwit-
stoffen en minder vet dan de haver, daarentegen veel stikstollooze,
in het bijzonder slijmige stoffen , een eigenaardig zetmeel en veel
zouten.
De Alger\'y\'nsche gerst echter is rijker aan eiwitstoffen en vet
dan de gewone Europeesche, doch armer dan deze aan cellulose
en water; in verband met het klimaat, gebruik, enz. verklaart dit
verschil in samenstelling het onderscheid in voeding der gerst bij
ons en bijv. in Algerië.
Gekookte gerst is een doelmatig voedsel bij zwakte en vermage-
ring, welke door ziekte of bovenmatigen arbeid zijn ontstaan;
z\'y\' verschaft in korten tijd weder een goed uiterlijk. Ditzelfde
geldt van het gemakkelijk verteerbare gerstemout (gekiemde en
daarna gedroogde gerst).
Gebroken gerst brengt het spoedigst van alle voedingsmiddelen
een goeden voedingstoestand teweeg; z\'y\' maakt het haar glad en
glanzig en verbetert het geheele uiterlijk. Daartoe wordt zij met
veel warm water aangeroerd en na een half uur gestaan te hebben,
-ocr page 665-
639
afgegoten; het vloeibare wordt als drank, het overblijvende met
haksel als vast voedsel gegeven.
Gerstemeel voedt op dezelfde wijze; dit wordt gewoonlijk met
tarwezemelen als slobbering, d. i. met veel water aangeroerd,
gegeven. Voor langen tijd werkeloos in den stal staande en voor
zeer krachtig gevoede paarden is nu en dan een dergelijke slob-
bering zeer voordeelig. De tarwezemelen oefenen een zachten
prikkel op de verteringsorganen uit en voorkomen daardoor de
verslappende en verstoppende werking van het meel. In groote
hoeveelheid toegevoegd , veroorzaken zij zelfs zacht laxeeren.
Goed gerstemeel is grauwachtig, droog, vettig op het gevoel,
reukeloos en nagenoeg smakeloos , zonder klonters of bijmengsels.
Gewoonlijk bevat het, zooals het aan de paarden wordt gevoederd,
tevens de basten der gerst. Vreemde basten mogen er niet in
voorkomen; het is gemakkelijk de korte, breede, geribde basten
der gerst van andere, bijv. van de smalle, langwerpige, gladde
haverbasten, te onderscheiden.
Een vermenging met zand kan men ontdekken door het meel
met water te mengen en te laten bezinken ; het zand zal dan de
laagste plaats innemen. Bovendien is zulk meel scherp op het gevoel.
Gerstemeel moet steeds versch gemalen worden gevoederd; men
kan het niet lang bewaren, vooral niet, wanneer het aan voch-
tigheid is blootgesteld. Hierdoor klontert het, krijgt donkergrauwe
vlekken, een scherpen reuk en smaak, en wordt voor de ge-
zondheid nadeelig.
Zie verder omtrent het meel in § 250.
e. De rogge staat als krachtvoedsel bovenaan en is dus eeniger-
mate aan de gerst tegenovergesteld. Zij is echter van alle granen
het moeielijkst verteerbaar en daarom het gevaarlijkste koren-
voedsel. Behalve digestiestoornissen en koliek zijn na langdurige
voedering met rogge ook congesties naar verschillende organen en
rheumatische hoefontsteking te vreezen. Dit is voornamelijk het
geval bij weinig of niet arbeidende paarden en dan in het bij-
zonder, wanneer de rogge versch is. Alleen bij zwaar werk kan men
V4—Vi van net ration haver door rogge vervangen; zij moet dan
echter vooraf in water geweekt of, beter nog, gekookt en met
veel haksel toegediend worden.
Het roggemeel is zeer gevaarlijk , wanneer het niet zorgvuldig
doorweekt en zonder veel haksel gevoederd wordt; het klontert dan
gemakkelijk in de maag en vormt een deegachtige, moeielijk
verteerbare massa.
-ocr page 666-
<uo
De zemelen zijn licliter verteerbaar, docli moeten ook met
vee water worden bevochtigd. Zij komen vrij wel met de overige
zemelen overeen, echter zijn zij moeielijker verteerbaar, maar ook
iets voedzamer dan tarwezemelen.
Het somtijds in de rogge voorkomende moederkoorn is voor
de gezondheid zeer nadeelig.
d.     De tarwe bezit van alle granen de meeste voedingsstoffen;
zij maakt echter meer gevleesd dan krachtig. Zij is even moeielijk
verteerbaar als de rogge, zoodat van haar ook dezelfde nadeelige
gevolgen zijn te vreezen. De tarwe is evenwel niet, zooals de
rogge, een verhittend voedsel. Vroeger was de hooge prijs een
beletsel voor de voedering; deze zon daarvan tegenwoordig niet
behoeven te weerhouden. JVy de voedering dienen dezelfde voor-
zorgen in acht te worden genomen als bij de rogge.
Het tarwemeel is, met water aangeroerd, als meeldrank, ge-
makkelijker verteerbaar en wordt daarom bij zwakke, magere
en door arbeid uitgeputte paarden gegeven; het wordt gaarne
gebruikt en werkt versterkend en verkwikkend.
De tarwezemelen voeden extensief; zij zijn beter dan andere
zemelen voor liet paard geschikt. Men geeft ze grof of fijn ge-
malen, naarmate men resp. een prikkelende, zacht afvoerende of
meer een voedende werking op het oog heeft.
e.    De spelt, een fijnere tarwesoort, is moeielijk verteerbaar,
doch staat in voedingswaarde tusschen de rogge en de gewone
tarwe. Zij wordt om haar hoogen prijs zelden gevoederd. Wil
men ze geven, dan is een voorafgaande toebereiding, als voor de
rogge is aangegeven, noodzakelijk.
f.    De boekweit houdt, wat betreft haar voedingswaarde en ver-
teer baarhei d, het midden tusschen haver en gerst, doch nadert
in deze opzichten toch meer de laatste. De geheele plant, ook
liet zaad, bevat een eigenaardige stof, die, onder sommige om-
standigheden, vergiftiging veroorzaakt. Hoewel dit voornamelijk
bij witte of bonte schapen en varkens is waargenomen, heeft men
toch ook bij paarden huiduitslag en sterk zweeten zien ontstaan.
Men kan echter zonder nadeel een klein gedeelte van het ration
haver door een overeenkomstige hoeveelheid boekweit vervangen,
zooals o. a. de proeven te Parijs bij de paarden der „petites
voitures" genomen, hebben bewezen.
Zij moet of gebroken öf gemalen worden gevoederd.
g.    De maïs of het Turksche koren is arm aan eiwitstoffen, doch
rijk aan vet en zetmeel. Zij is bijna even moeielijk verteerbaar
-ocr page 667-
<H1
als de rogge en moet daarom en orn haar hardheid gebroken, en
met veel water en haksel gemengd, gevoederd worden.
In den laatsten tijd heeft men getracht ze de plaats van haver
te doen innemen; talrijke proeven in verschillende landen genomen,
hebben echter geleerd, dat zij slechts voor een klein gedeelte de
haver kan vervangen. Zoodra dit voor meer dan de helft geschiedde,
nam wel de gevleesdheid toe, doch de kracht en opgewektheid
verminderden; de paarden zweetten sterk en kregen minder adem.
In sommigestreken, als Spanje, Mexico en Zuid-Amerika, wordt
echter de maïs alleen gegeven; de paarden van het Fransch-
Mexicaansche leger doorstonden van October 1862 tot Juni 1803,
bij een dagelijksch ration van 4 Kg. maïs, 5 Kg. hooi en 1 Kg.
zemelen, zeer goed de vermoeienissen van den oorlog.
Niet geheel rijpe maïs brengt, evenals versche, gemakkelijk
verstoppingskoliek teweeg en mag dus slechts in kleine hoeveel*
heden en met veel haksel worden gevoederd.
h. De rijst heeft slechts weinig eiwit en is daarom minder
voedzaam dan de overige granen. Zij wordt bij ons niet aan het
paard gegeven; in Oost-Indië vervangt zij echter de haver. Vroeger
voederde men aldaar aan de troepenpaarden padie, d. w. z. de
toppen der gedroogde rijstplanten, doch tegenwoordig geeft men
gaba.
Padie is gaba in de pluim, met het boveneinde van den vrucht-
stengel; de Javaan snijdt tros voor tros, met een stuk stengel er
aan van ongeveer 2 dM. Het overige stroo blijft voorloopig op
het land staan en wordt dan öf door karbouwen beweid óf ver-
brand, zelden geoogst.
Gaba of gabah noemt men de niet ontbolsterde rijstkorrel; is:
deze gebolsterd, dan verandert de naam in bras; is zij gekookt
als voedsel voor den mensch, dan heet zij nassi.
Volgens de voorwaarden van het contract van aanbesteding
zijn voor gaba de volgende eischen gesteld:
»Gaba, goed rijp, onharig of licht behaard, wel gevuld en
behoorlijk gereinigd."
Verder leest men aldaar:
«Wanneer voor zieke paarden in stede van gaba, tarwezemelen
benoodigd zijn, is de aannemer verplicht deze te leveren tegen
denzelfden prijs als voor gaba bedongen voor gelijk gewicht.
»Door het legerbestuur is voorts bepaald, dat bij de levering
van gaba daarin hoogstens 2 volumen procenten ledige of slecht
gevulde korrels mogen worden aangetroffen.
41
-ocr page 668-
642
»l)ie verhouding moet worden gevonden door een vooraf ge-
nieten hoeveelheid, genomen van de ter keuring aangeboden
partij, in een bad met water te storten, de massa goed om te
roeren en nadat liet water tot rust zal zijn gekomen, het alsdan
bovendrijvende af te scheppen en te meten. Het is den aannemer
intusschen vergund om, wanneer er meer dan de hier bedoelde
ledige of slecht gevulde korrels aanwezig zijn, dat meerdere door
een gelijk gewicht aan gaba te doen vervangen."
Alle soorten van rijst leveren gaba, min of meer geschikt voor
paardenvoedsel, uitgezonderd alleen de ketansoorten, wier zemelen
(dedak) zeer gevaarlijk zijn. Het gebruik daarvan brengt, ver-
moedel\'yk door een zeer hoog glutengehalte, hevig koliek teweeg
meestal met doodelijken afloop.
Ketan is een fijne soort rijst met kleine, langwerpige, smalle,
melkwitte korrels, die bij koken doorschijnend en kleverig worden.
De rijst wordt in drie hoofdsoorten verdeeld:
1°. De onbehaarde padie (padie goendie of oemboek).
2°. De behaarde (padie boeloe).
3°. De tjempok, waarvan sommige soorten behaard zijn,
andere niet.
De padie goendie produceert l5te soort rijst, evenals ook de
padie boeloe; derhalve is het voederen van die soorten wat duur.
Bovendien brengt de padie boeloe door de haren (kafnaalden) of
gedeelten daarvan niet zelden een drogen hoest teweeg. Daarom
geeft men den paarden in den regel gaba van de tjempok; de
beste soort is die van de tjempok slamet. Het is echter bijna
onmogelijk deze onvermengd te krijgen; de bevolking verkoopt
steeds gemengde soorten.
Goede gaba is egaal geel van kleur, heeft een ontwikkelde
korrel en is frisch van reuk; een licht geelgroene kleur met platte
korrel, zonder nog voos te zijn, bewijst dat de padie te vroeg
geoogst en dus de gaba van minder hoedanigheid is.
Voor het voederen van gaba maakt men gebruik van los ge-
vlochten bamboezen mandjes, voorzien van een bamboezen koord,
waaraan zij achter de paarden worden opgehangen.
»Het voor ieder paard bestemde gedeelte van het ration gaba
wordt tegen de tot het voederen bepaalde uren in de mandjes
gedaan, deze ieder afzonderlijk in schoon water gedoopt, de gaba
met de hand omgeroerd, het bovendrijvende vuil met de hand
afgeschept, waarna men het mandje uit het water licht, het
water er uit laten loopen en het achter de paarden ophangt;
-ocr page 669-
643
op het daartoe bestemde signaal wordt de gaba in het midden
der krib of van den voederbak, die alvorens is schoongemaakt,
uitgestort" {Reglement op den inweniligen dienst der cavalerie en der
bereden artillerie,
resp. ait. 57 en 56).
Rijslmeel wordt in Indië weinig gevoederd; evenmin maïs-
(djagoeng) meel.
Papaja bladeren en ook papaja-vruchten vormen een zacht
laxeermiddel; zij worden door de meeste paarden gaarne gegeten.
Deze nuttigen zelfs onrijpe papaja\'s en ook gaarne de schillen der
rijpe vruchten, ofschoon zij bitter zijn.
In streken waar veel suikerriet wordt verbouwd, zooals op
Oost-Java, voeit men aan burger-paarden veel het loof van
den aardnoot, katjang tjina (arachys hypogaea), bekend onder
den naam van rendeng, dat een hooge voedingswaarde bezit,
doch zoolang de paarden er niet aan gewoon zijn, vrij sterk
purgeerend werkt. Dit loof mag niet te oud en hardstengelig
zijn. Het wordt daarom veel gevoederd in streken waar men
suikerriet verbouwt, wijl het eensdeels een wisselproduct is van
dit laatste, anderdeels de koeken (boengkil), die na het uitpersen
der olie overblijven, algemeen als mest worden gebezigd voor
liet land, waar men suikerriet (teboe) wil telen.
De rendeng wordt bij vervoer over zee ook wel aan officiers-
en troepenpaarden verstrekt, wanneer men geen gras kan krijgen.
De Pakketvaart-maatschappij is echter bij contract verplicht voor
goede voeding der paarden te zorgen. Ook in de garnizoenen,
bij gebrekkige levering of afkeuring van gras, zooals in den
Oost-moesson en op plaatsen waar het gras slecht is, komt men
menigmaal in de gelegenheid om in plaats daarvan rendeng te
voederen.
§ 249. De peulvruchten.
Deze kenmerken zich door haar rijkdom aan eiwitstoffen (ge-
middeld dubbel zooveel als in de granen) en staan daarom als
krachtvoeder bovenaan. Zij komen, wat haar bestanddeelen en
eigenschappen aangaat, meer met elkander overeen dan de granen.
In samenstelling onderscheiden zij zich van de laatste door het
bezit van legumine, in plaats van kleefstof, van een bittere extractief-
stof en een adstringeerende stof, de laatste in de basten.
Zij zijn moeiel\'yk verteerbaar en brengen licht verstopping
teweeg; gemakkelijker dan eenig ander voedsel kunnen zij, in
groote hoeveelheid gegeven, digestiestoornissen, rheumatische hoef-
ontsteking en andere ziekten ten gevolge hebben. Daarom worden
-ocr page 670-
<U4
ze alleen gevoederd aan paarden, welke zwaren arbeid moeten
verrichten en dan nog slechts voor\'/»—\'ƒ» van hetration. Bij fijne,
edele paarden moet men in dit opzicht vooral voorzichtig zijn; is
voor hen de haver niet meer voldoende, dan geve men de peulvruchten
toch slechts in geringe hoeveelheid. Steeds moeten ze gebroken
of geweekt, en liefst met haver gemengd, worden gevoederd.
Men lette daarbij op een goede mestontlasting; zoodra verstop*
ping of huiduitslag ontstaat, moet men de peulvruchten achter-
wege laten en de ontlasting door lichaamsbeweging, slobbering,
enz. trachten te bevorderen.
Tot de peulvruchten, welke als paardenvoedsel in aanmerking
komen, behooren: de paardenboonen, de duivenboonen, de erwten
(de gele en de groene), de wikken, de linzen, het serradelzaad, in
den laatsten tijd de lupinen, in Zuidelijk Europa de cicer-erwt
(lathyrus deer)
en in Oost-Indië, behalve rendeng (zie § 248),
horsegram (cicer arietinwn) en z. g. Preanger boonen. De laatste
gelijken op de lste qualiteit bruine boontjes, zooals ze in Nederland
door den mensch worden genuttigd. Van de peulvruchten worden
in ons land, evenals in Engeland, Frankrijk en een gedeelte van
Zuid-Duitschland, voornamelijk de paardenboonen, in Noord-Duitsch-
land echter meer de erwten gebruikt.
De lupinen bevatten van alle peulvruchten de meeste eiwit-
stoffen, doch tevens een groot gehalte aan bitterstof, waardoor
zij in den beginne door de paarden worden versmaad.
Na langdurige voedering van cicer-erwten heeft men verschillende
zenuwverschijnselen, snuiven en zelfs doodelijke vergiftiging waar-
genomen.
§ 250. Meel, zemelen, «roou, beschuit en robur.
1*. Het meel. Het gebruik hiervan werd bij de granen reeds
met een enkel woord besproken. Men geeft dit met water aan-
gemengd, als slobbering of als drank; het is gemakkelijk verteer-
baar en wordt daarom voornamelijk aangewend bij zwakke paarden
of om den voedingstoestand te verbeteren.
Daar het, vooral in den zomer, gemakkelijk zuur wordt, moet
een meeldrank telkens versch worden bereid en bovendien moeten
emmer en krib steeds goed worden gereinigd.
De voedingsstoffen van het meel verschillen naar het graan,
waarvan het afkomstig is. Indien men de samenstelling van meel
met die van zemelen vergelijkt, blijkt, dat deze veel meer stikstof"
-ocr page 671-
(545
houdende stollen en zouten bevatten. Zooals echter reeds vroeger
werd opgemerkt, worden de zemelen minder goed verteerd dan
het meel.
Goed en zuiver meel kleeft aan etn drogen vinger, behoudt
den indruk der vingers langen tijd, is op het gevoel zacht, doch
eenigszins korrelig, vormt een zuiver wit poeder, zonder reuk of
smaak, en vertoont onder den microscoop ronde, elliptische of ook
onregelmatig platte, glanzende zetmeelkorrels, die de afmeting van
Vio mM. niet te boven gaan. Bij een vergrooting van 200—300
maal neemt men deze korrels het best waar; men kan dan nagaan
of bij het meel ook dat van aardappelen of peulvruchten is ge-
mengd. Mocht dit door eenige omstandigheid bezwaar opleveren,
dan heft (volgens Zündel) een chemisch onderzoek eiken twijfel
op. Daartoe roert men het meel met koud water om, laat het
eenigen tijd staan en filtreert het daarna; ontstaat in dit Altraat,
door toevoeging van jodiumtinctuur, een blauwe verkleuring, dan
is er aardappelmeel bijgemengd.
Wanneer men een mengsel van roggemeel en aardappelmeel
met i deel geconcentreerd zwavelzuur en 2 deelen water ver-
warmt, dan ontwikkelt zich een sterke komkommerreuk; deze
reactie is zeer schei p (F. Elsner, Der Praxis des Nührungsmittel-
Chemikers,
bl. 59).
Boonen- en erwtenmeel onderkent men op chemischen weg door
hun gehalte aan legumine; deze is in water oplosbaar en wordt
daaruit door azijnzuur en phosphorzuur weder neergeslagen. Men
roert daartoe 1 deel meel en 2 deelen lauw water langen tijd
samen en filtreert vervolgens; het filtraat wordt druppelsgewijze
met azijnzuur of phosphorzuur vermengd; indien boonen-of erwten-
meel aanwezig is, wordt de vloeistof, door de zich afscheidende
legumine, melkachtig troebel.
Indien het meel zemelen bevat, geven deze zich door kleur
en gevoel onmiddellijk te kennen; drukt men zulk meel in
de hand samen, dan pakt het niet, doch valt gemakkelijk uit
elkander.
Om na te gaan of het krijt bevat, giet men een weinig zout-
zuur op met water aangemengd meel; is er krijt aanwezig, dan
ontstaat opbruisen, door het zich ontwikkelend koolzuur.
Door een onderzoek met de loupe of (bij zwakke vergrooting)
met den microscoop, ontdekt men of vochtig geworden meel
sporen van gisting vertoont; men zal dan namelijk zwammen
waarnemen.
-ocr page 672-
646
De hygroscopiciteit van het meel kan men bepalen door het by
100° C. te drogen; het moet niet meer dan 3°0 van zijn gewicht
verliezen.
2°. De zemelen Deze bestaan uit de zaadhuiden der granen,
voornamelijk van rogge, tarwe en spelt, met kleefstof en meer of
minder meel. Haar voedingswaarde is afhankelijk van het graan,
waarvan zij afkomstig zijn en van de wijze en den graad van het
malen. Zij laat zich daarom in het algemeen niet bepalen.
Steeds bevatten zij meer eiwit, vet, cellulose en voornamelijk
phosphorzure zouten dan het meel van hetzelfde graan. Degerste-
zemelen (bolster) zijn het rijkst aan meel, terwijl detarwezemelen
hieraan gewoonlijk zeer arm zijn.
Hoewel lang niet alle voedingsstoffen der zemelen door de
digestie organen worden opgenomen, zijn zij toch voedzamer dan
men vroeger meende; voornamelijk zijn de daarin voorkomende
zouten voor de vorming der beenderen van groot belang
Zij voeden echter extensief en oefenen op de spijsverterings-
organen een zacht prikkelende, op den duur verslappende wer-
king uit. Bij rijkelijk en aanhoudend gebruik veroorzaken zij
algemeene verteringszwakte, welke zich te kennen geeft door ont-
lasting van brijachtigen, niet genoegzaam verteerden mest, door
digestiestoornissen, koliek, stinkenden doorloop, enz.
Geeft men ze echter slechts als bijvoeder, dan heeft men geen
stoornis der gezondheid te vreezen; zij bevorderen dan de vertering
van ander, op zich zelf moeielijk verteerbaar voedsel.
Roggezemelen zijn voor het paard minder geschikt dan tarwe-
zemelen; zij zijn moeielijker verteerbaar en kunnen gemakkelijker
dan de laatste tot bovengenoemde stoornissen en tot zuurvorming
in de digestie-organen aanleiding geven.
Men voedert de zemelen alleen of met meel, meestal met gerste-
meel, doch steeds met water aangeroerd, als z.g. slobbering. Het
is verkeerd hierbij haver te voegen, omdat deze dan niet voldoende
wordt gekauwd en dus licht onverteerd met den mest wordt
ontlast.
Bij verschillende ziektetoestanden vormt deze slobbering een
uitstekend diaetetisch voedingsmiddel, in het bijzonder door haar
zacht afvoerende werking. Vooral in Engeland is liet geven van
een z.g. »mash", welke bereid wordt door de zemelen met kokend
water te begieten, zeer gebruikelijk; werkpaarden bekomen deze
veelal eiken Zaterdagavond, terwijl zij bij renpaarden gebezigd
wordt als onderstcuningsmiddel voor een afvoerpil (phyAc).
-ocr page 673-
G47
Voor onze militaire paarden bestaat de slobbering uit gebroken
gerst of gerstemeel met tarwezemelen en water.
De zemelen moeten versch zijn, zonder eenig bijmengsel, en
reuk noch smaak bezitten. Zure en scherp smakende, vochtige,
geklonterde, van kleur veranderde zemelen zijn voor de gezondheid
nadeelig. Indien zij nog veel meel bevatten, zullen zij de in-
gestoken hand wit maken en aan het water een melkachtig aan-
zien geven. Het is niet moeielijk rogge- en tarwezemelen van
elkander te onderscheiden; de eerste hebben een grauwe, de
laatste een meer roodbruine of rosé kleur.
Dikwijls bevatten de zemelen zand en stof, welke oorzaak kun-
nen worden van het ontstaan van koliek; molenaarspaarden, die
hoofdzakelijk met zemelen worden gevoed, lijden niet zelden aan
darmsteenen.
3°. Het brood. Dit wordt voor paarden bereid uit het meel van
een of meer graansoorten en peulvruchten, voornamelijk van
rogge en paardenboonen, in den laatsten tijd ook wel van maïs.
Door de gisting en het bakken ontstaan veelvuldige omzettingen
der voedingsstoffen, in het bijzonder van het zetmeel, waardoor
het, evenals door zijn losse, sponsachtige gesteldheid, zeer ge-
makkelijk verteerbaar wordt.
Het brood voedt extensief; de paarden worden hierdoor wel
gevleesd, doch niet krachtig. Bovendien vult liet de maag niet
genoeg, omdat het zoo spoedig verteerd is; het moet dus steeds
met veel hooi worden gegeven. De plaats van haver kan het
alzoo niet innemen, doch naast deze, als bijvoeder, kan zijn ge-
bruik doeltreffend zijn. Vooral op reis is het een uitstekend
voedsel, daar het spoedig restaureert; evenzoo voor ziekelijke en
oude paarden, die de haver niet meer behoorlijk kunnen kauwen.
Het brood moet van goede granen of peulvruchten, liefst met
de zemelen bereid, goed doorbakken en minstens 3—4 dagen
oud, z.g. oudbakken, zijn. Week en versch brood blijft aan de
kiezen zitten en is moeielijk te verteren; zeer nadeelig is echter
beschimmeld brood, daar het tot vergiftiging aanleiding kan geven.
In den laatsten tijd zijn, vooral voor militaire paarden, voor
overzeesche transporten, enz. fourage-biscuits aanbevolen geworden.
Dit zijn óf hooibeschuiten, welke uit brooddeeg, gemengd met
gesneden hooi of stroo, bestaan, óf zij bevatten tevens gebroken
haver of rogge, terwijl vóór het kneden het mengsel soms nog
met een afkooksel van lynmeel wordt bevochtigd. Vóór het
bakken worden hiervan dikke koeken gevormd, die van insny\'din-
-ocr page 674-
648
gen voorzien zijn. ten einde ze later in even groole stukken te
kunnen breken.
Ook vleeschbeschuit is sedert eenigen tijd aangeprezen. Het
vleesch lost zich, om zoo te zeggen, bij de gisting in het brood-
deeg op en is na het bakken daarmede innig verbonden; op deze
wijze ontstaat een zeer versterkend brood. Het is bekend, dat
het paard aan het eten van vleesch kan gewennen; de Arabieren
geven aan hun paarden dikwijls rauw of gekookt vleesch, bene-
vens overblijfselen van hun maaltijden, terwijl zij bij de Tartaren
vleesch en kameelmelk krijgen, ten einde beter tegen vermoeienissen
bestand te zijn. Door de woestijnbewoners worden niet zelden
gedroogde en gepulveriseerde sprinkhanen, die een hoog stikstof-
gehalte hebben, als paardenvoedsel gebezigd.
In den nieuwsten tijd heeft men robur (letterlijk: kracht)
aanbevolen. Dit bestaat uit versch bloed, vleesch en fijn gestoo-
ten gerst, machinaal onder elkander gemengd. Dit mengsel
wordt gedroogd tot een grijsachtig, fijn poeder, waarmede men
de fourage bestrooit, zonder het ration te verminderen. 100 a
150 gram per paard en per dag is voldoende voor troepenpaarden
en andere, die zwaar moeten arbeiden. De paarden eten het
gaarne en varen er wel bij. Men heeft er ook koeken van ge-
maakt. Het is in Oostenrijk met goed gevolg beproefd. Volgens
een analyse aan een proef-laboratorium te Weenen zou het
67,75 pet. zuivere proteïne bevatten.
§ 251. Knollen en wortels.
Tot de knollen en wortels, die als paardenvoedsel in aanmer»
king komen, behooren: de aardappelen, de aardperen of topinam-
bours,
de knollen, de gewone gele wortels, de witte wortels, de pasti-
naken
en de mangelwortels.
Deze bevatten als voornaamste voedende bestanddeelen zetmeel
en suiker; zij bezitten slechts een geringe hoeveelheid eiwit en
veel water. Hierdoor voeden zij zeer extensief en zijn zij dus niet
geschikt voor paarden, waarbij het op krachtsuiting en vaste,
kernachtige spieren aankomt.
Alle knollen en wortels zijn in zooverre gemakkelijk verteerbaar,
dat zij in de maag spoedig in een brij worden veranderd en haar
snel weder verlaten. Daarmede is de vertering echter niet afge-
loopen; de voedingsstoffen moeten dan nog verder worden ver-
werkt. Hij de wortels geschiedt ook dit spoedig, daar de suiker,
-ocr page 675-
(HO
die zij bevatten, gemakkelijk oplosbaar is. Anders is het evenwel
met de aardappelen, waarvan het zetmeel eerst in suiker moet
worden omgezet. Vooral is dit met het rauwe aardappelzetmeel
het geval, waarvan de korrels nog in een zware celsubstantie
besloten zijn; dit zetmeel kan het geheele verteringskanaal door-
loopen, zonder eenige verandering te ondergaan
De aardappelen moeten dus vooraf worden gekookt. Rauw en
in belangrijke hoeveelheid gegeven , gaat een groot gedeelte van het
zetmeel onverbruikt weder af; bovendien veroorzaken zij dan ge-
makkelijk stinkende diarrhee en andere ziekteverschijnselen. Vooral
geldt dit van onrijpe of kiemende aardappelen, welke tevens solanine
bevatten. Door koken verdwijnen de scherpe, nadeelige eigen-
schappen en worden zij gemakkelijker verteerbaar.
Bij de wortels is, behoudens het vroeger gemelde snijden,
geen toebereiding noodig. Het paard lust deze in het algemeen
gaarne en gewent er anders spoedig aan; het meest geliefd zijn
echter de gewone gele wortels. Deze kunnen in een vrij groote
hoeveelheid worden gegeven, voornamelijk wanneer tevens hooi
wordt verstrekt. Maagoverlading is hiervan niet te vreezen; in
zeer groote hoeveelheid, langen tijd gebruikt, kunnen zij echter
doorloop veroorzaken, in het bijzonder, wanneer de wortels be-
vroren zijn geweest of ten deele verrot zijn.
Zij worden bijna uitsluitend als bijvoeder gebezigd; vooral bij
ziekten der digestie-organen, die gepaard gaan met een tragen
afgang van klein gebalden, drogen, harden, met slijm omhulden
mest, bij gebrekkig verharen, bij verkoudheidsziekten en bij inge-
wandswormen kunnen zij nuttig zijn. Eindelijk vormen zij een
doelmatig overgangsvoedsel bij de verandering van droog tot
groen voedsel of omgekeerd.
Topinambours worden in Frankrijk dikwijls aan de paarden
gegeven; daarvan zijn geen nadeelige eigenschappen, gelijk van
de aardappelen, bekend. Men heeft ze nog in het vroege voorjaar,
wanneer de wortels reeds ontbreken.
§ 252. Fabrieksafvai, en andere weinig gebruikelijke
voedingsmiddelen.
Tot het fabrieksafval, dat als paardenvoedsel wordt gebezigd ,
behooren: verschillende soorten van koeken, voornamelijk de lijn-
va raapkoeken
, spoeling, draf of bostel en pulp*.
-ocr page 676-
680
De koeken vormen liet residu van verschillende oliehoudende zaden
(raapzaad, lijnzaad, aardnoten, papaverzaad, palmpitten, katoen-
pitten, beuknoten, enz.), nadat de olie verwijderd is; behalve
meer of minder basten bevatten zij liet zetmeel, de slijmige en de
eiwitstoffen daarvan, benevens meer of minder vet. Zij be-
liooren dus met de peulvruchten tot de voedingsmiddelen, die hel
rijkst aan eiwit zijn. Desniettegenstaande zijn zij voor het paard
geen krachtvoedsel; hoewel gemakkelijk verteerbaar, zijn zij
prikkelloos, flauw, verslappen de verteringsorganen en brengen,
in groote hoeveelheid toegediend, gemakkelijk doorloop teweeg.
Zij worden dan ook alleen als bij voeder en meestal met een
diaetetisch doel gebruikt. Men geeft ze namelijk aan magere,
verzwakte paarden, die slecht verharen, een vastliggende huid
hebben, enz. of ook ter bevordering van de mestontlasting. De
lijnkoeken verdienen in deze opzichten den voorrang boven de
raapkoeken. Zij worden gewoonlijk met veel water aangeroerd,
als drank, toegediend. Ook van aardnoot- en palmmeelkoeken
wordt meermalen een nuttig gebruik gemaakt.
Beuknotenkoeken mogen nimmer aan het paard worden gevoe-
derd, daar zij by dit dier tot vergiftiging aanleiding kunnen
geven.
In den handel komen ojk maïskoeken voor, die, behalve dit
graan, tevens haver en boonen bevatten.
De spoeling (afkomstig van de jeneverstokerijen, hetzij uit
graan of aardappelen), de draf of bostel (van de bierbrouwergen)
en de pulpe (van de suikerfabrieken) zijn weinig voedzame, ex-
tensieve, gemakkelijk verteerbare voedingsmiddelen; zij kunnen
daarom bij paarden, die eenigen arbeid moeten verrichten, slechts
een klein deel van het voedsel uitmaken. De draf is van deze
nog het meest te verkiezen. Spoelingmeel en gedroogde bostel
kunnen de haver gedeeltelijk vervangen.
Overigens komen als voedingsmiddelen nog in aanmerking:
melk, eieren, kaf en lijnzaad.
De melk, en wel de moedermelk, is het natuurlijk voedings-
middel voor jonggeboren veulens; zij is gemakkelijk verteerbaar
en voor de gezondheid en ontwikkeling van liet jonge dier zeer
voordeelig. Ook volwassen paarden houden van melk, wanneer
zij daaraan eerst gewoon zijn. In sommige streken van ons land
geeft men aan de, voor den handel bestemde paarden, die op een
andere wijze niet spoedig genoeg vet worden, dagelijks een aan-
zienlijke hoeveelheid versche zoete melk te drinken. In andere
-ocr page 677-
C51
streken gebruiken de landbouwerspaarden versdie karnemelk en
varen er wel bij, zoodra ze er eenmaal aan gewend zijn. Zure
karnemelk is gevaarlijk; zij kan koliek, doorloop, enz. teweeg-
brengen.
Kieren worden niet zelden aan dekhengsten en aan zwakke,
ziekelijke paarden gegeven. Het best geschiedt dit geklutst met
melk. Nimmer mogen ze geheel worden toegediend, voornamelijk,
omdat ze in den slokdarm kunnen blijven zitten en zelfs den
dood veroorzaken.
Het kaf. Hieronder verstaat men het afval bij het dorschen
en schoonmaken van granen, peulvruchten en oliezaden verkregen,
dat uit kaf blaadjes, kafnaalden, doppen, lichte korrels (het z.g.
achtergoed), enz. bestaat. De voedzaamheid hiervan verschilt, uit
den aard der zaak, belangrijk; over het geheel is deze niet groot.
Het wordt veelal in plaats van haksel of in den vorm eener
slobbering met meel gegeven.
Haverkaf is voor het paard het meest geschikt; men weekt dit
dikwijls vooraf in kokend water of laat het andere bereidingen
ondergaan, om de verteerbaarheid te bevorderen. Gerstekaf kan
door zijn kafnaalden gevaarlijk worden; deze boren zich gemakkelijk
in het slijmvlies van mond, keel, maag of darmen en kunnen dan
moeielijk slikken, hoesten, zelfs den dood veroorzaken. Door
toebereiding tracht men deze nadeelige eigenschappen op te
heffen.
Lijnzaad geeft men soms, in gekneusden toestand, als bij-
voeder, om paarden spoedig vet te maken en ook bij sommige
ziekten. Het is zeer voedzaam, doch maakt niet krachtig, liet
bevordert het verharen en maakt het haar glanzend. Veel meer
wordt echter het uitgeperste lijnzaad (de lijnkoek) gevoederd, dat
steeds nog een belangrijke hoeveelheid vetten bevat.
§ 253. Het groenvoeder en de weiden.
Het aantal planten, wier ste.igels en bladeren in verschen
toestand tot voedsel kunnen dienen, is zeer groot; men verstaat
echter in het dagelijksch leven onder den naam van groenvoeder
slechts een bepaalde klasse dezer planten.
Alle hiertoe behoorende voedergewassen kenmerken zich door
hun groot gehalte aan water (70—90°/0) en cellulose (5—10°/0);
bovendien bezitten zij eiwitstoffen, koolhydraten, verschillende ex-
tractiefstoffen, bladgroen, enz. Het gehalte aan voedende stoffen
-ocr page 678-
tö<2
is echter zeer verschillend, niet alleen bij de onderscheidene plan-
tengroepen, maar ook bij dezelfde plantensoort en wel naar den
ouderdom, de standplaats, enz. De jonge, saprijke planten worden
door den ouderdom of door ongunstig weder droog en hardsten-
gelig of verwelken.
Alle jonge planten zijn gemakkelijk verteerbaar; zij oefenen op
de verteringsorganen een verkoelende, zacht laxeerende werking
uit, bevorderen de vertering en assimilatie en zijn voor de ge-
zondheid voordeelig. Naarmate zij ouder en droger worden,
verminderen deze gunstige eigenschappen.
Het groenvoeder is voor het paard, onder alle omstandigheden,
een natuurlijk en geliefd eten. Het kan het eenige voedsel zijn
en wanneer het uit de beste planten, bijv. klaversoorten bestaat,
kan het dier daarbij zelfs matigen arbeid verrichten. Groote krachts-
uiting en volharding mag men daarvan evenwel niet verwachten.
Ook veulens ontwikkelen zich enkel bij groenvoeder nooit zoo
krachtig als anders. Geen met gras of zelfs met klaver gevoederd
paard kan, wat kracht en volharding aangaat, met het koren-
paard worden gelijkgesteld. Een haverveulen onderscheidt zich
steeds door grootte, kracht en vroegtijdige bruikbaarheid van een
grasveulen; dit geldt voornamelijk van edele en van op zichzelf
reeds slappe veulens (\').
f 1) Ten onrechte wordt soms de meening verkondigd, dut liaver voor veulens
onnoodig, ja zelfs nadcelig is. Juist in de eerste levensjaren werkt zij bijzonder
voordeelig voor een krachtige ontwikkeling van het lichaam. Als voorbeelden mogen
hier een plaats vinden, hoe in de stoeterijen Kisbér en Bnbolna in Hongarije de
veulens worden gevoederd. In de eerste stoeterij wordt uitsluitend Engelsen vol- en
half bloed, in de laatste enkel Arabisch vol- en half bloed gefokt.
De volbloedveulens in de stoeterij Kisbér krijgen in de o\'1» tot de (i,lr week na hun
geboorte 0,3 Kg. en, zoodra zij 2 maanden oud zijn, 1 Kg. haver. Op den leeftijd
van 4—5 maanden worden zij gespeend en bekomen dan per dag 2,25 Kg. haver en
4,5 Kg. hooi, bovendien 3—5 liter koemelk en een kleine toegift van tarwezemelen,
lijnzaad en boouenmeel. Tweemaal per week wordt bij het voedsel 15 gram steenzout
en glauberzout en tweemaal 15 gram bergkrijt en beenderenmeel gevoegd. Eindelijk
ontvangen zij driemaal per weck 0,5—1 Kg. gele wortels.
De voeding der halfbloedveulena onderscheidt zich hiervan slechts in zooverre, dat
zij na het spenen 3 Kg haver , 4 Kg. hooi eu 2 Kg. voederstroo per dag bedraagt.
In de stoeterij te Dabolna zijn de rations als volgt. Veulens van 3—8 weken:
0,32 Kg. haver; van de 7Je week tot aan het spenen: 0,90 Kg. haver; van het speuen
tot het \\>" levensjaar: 2,24 Kg. haver, 3,30 Kg. hooi cu 2,24 Kg. voederstroo. Een-
jarige veulens, gedurende den weidetyd: 2,24 Kg. haver, 1,12 Kg. hooi en 3,36 Kg.
voederstroo; buiten den weidetijd: 3,2 Kg. haver, 4,48 Kg. hooi en 2,24 Kg. voeder-
stroo. Tweejarige veulens, gedurende den weidetijd als de éénjarige : buiten dezen
ontvangen de hengsten 1,12 Kg. voederstroo meer, dus 3,3G Kg.; de tweejarige merrièn
-ocr page 679-
fl53
Het groen voed er zet, door zijn groot watergehalte en de aan-
zienlijke hoeveelheden, die de paarden daarvan tot hun verzadiging
moeten opnemen (gemiddeld 50 Kg. per dag), dedigestie-organen
uit en geeft tot de z.g. grasbuiken aanleiding. Het maakt gevleesd,
doch slap; de paarden zijn spoedig vermoeid , zweeten gemakkelijk en
zijn buitendien door hun grasbuiken voor snelle gangen niet
geschikt.
Zooals uit het voorafgaande blijkt, komt het groenvoeder,
wat zijn invloed op de vertering en de gezondheid aangaat, met
de knollen en wortels overeen ; het kan daarom worden gegeven
onder alle omstandigheden, waarbij deze zijn aangeprezen. Doch
ook bij ziekelijke, achterlijke paarden, die met moeite den
winter doorgesukkeld zijn en aan verteringsstoornissen of andere
ziekten lijden, oefenen de sappige planten, voornamelijk zooals
zij in het begin van het voorjaar ontspruiten, een weldadigen
invloed uit; men duidt den laatsten dan ook wel met den naam
van voorjaarslcuur aan.
Deze treedt eerst in volle werking bij het weiden; de beweging
in de vrije, zuivere lucht bevordert dan de stofwisseling en de
paarden kunnen de meest geliefde planten uitzoeken.
De weiden zijn daarom in het algemeen, en vooral bij veulens,
boven stalvoedering te verkiezen; de paarden zijn dan wel aan
allerlei weersinvloeden blootgesteld, doch zij gewennen hieraan
spoedig. Kan het weiden echter slechts korten tijd, bijv. 3—4
weken, worden voortgezet, dan rukt men het paard dikwijls
liever niet uit zijn gewoonte, vooral wanneer het onmiddellijk
daarna aan het werk moet. Het is dan z.g. »uit het voer" en
slap, en moet eerst weer eenigen tijd haver hebben gebruikt, vóór
het tot den arbeid geschikt is. Dit neemt niet weg, dat een
zoodanige weidetijd voor vermoeide, afgewerkte paarden zeer heil-
krijgen dan echter: 2.50 Kg. haver , 4,\'t* Kg. hooi en 3,36 Kg. stroo. De driejarige
hengstveulcns ontvangen gedurende en buiten den weidetijd resp.: 2,56 en 3,2 Kg.
haver, 1,12 en 4,48 Kg. hooi en steeds 3,30 Kg. voederstroo; de driejarige merrievenlens
bekomen in dezelfde tijden resp.: 1,92 en 2,50 Kg. haver, 1,12 en 4,48 Kg. hooi en
steeds 3,30 Kg. voederstroo. Gemiddeld ontvangt elk paard in deze stoeterij per dag
5 Kg. ligstroo.
Men voedert dus onmiddellijk na liet spenen meer haver dan aan diiejarige nierriën
gedurende den weidetijd, en slechts weinig minder dan aan driejarige hengsten en
merriën buiten den weidetijd.
De onjuistheid der meening, dat paarden, welke groenvoeder gebruiken, geen haver
kunnen kauwen, omdat hun tanden te slee zijn, behoeft wel niet aangetoond te
worden ; /.ij volgt trouwens uit het voorafgaande.
-ocr page 680-
m
zaam kan zijn; deze rusten geheel uit en worden niet zelden weer
nieuw in hun beenen en hoeven.
Geeft men groenvoeder op stal, dan moet men zorgen dat
het dagelijks versch wordt ingehaald en zoodanig op een geschikte
plaats wordt uitgespreid, dat het niet kan broeien. Is het nat,
door regen of dauw, dan moet het met droog voeder vermengd
worden gegeven. Nimmer mag men onmiddellijk na het gebruik
van groenvoeder laten drinken.
De overgang van droog tot groen voedsel en omgekeerd moet
langzamerhand geschieden.
Het groenvoeder moet uit goede, sappige, zoele grassen of klaver-
soorten bestaan; de laatste overtreffen de grassen in het algemeen in
vcedzaamheid. Breedstengelige, ruwbladige, droge grassoorten zijn
niet te verkiezen; het groenvoeder, waarin veel biezen, rietgrassen
en heermoes voorkomen, moet worden afgekeurd, daar dit niet alleen
weinig voedzaam is, maar zelfs voor de gezondheid nadeelig kan
zijn. Dit groeit voornamelijk op vochtige, moerassige en zure
gronden.
Soms voedert men ook de graangewassen, bijv. haver, rogge,
gerst, maïs, enz. vóór hun zaad vorming; de gerst is hiertoe alleen
in zeer jeugdigen toestand geschikt, zoolang de kafnaalden zich
niet of weinig hebben ontwikkeld.
De beste weiden vindt men op lichte, veel humus bevattende
kleigronden; evenwel kunnen ook zilte kleigronden en zware
zavelgronden voedzame en voor het paard aangename grassoorten
opleveren. Zij moeten tamelijk hoog zijn gelegen; vochtige, lage
gronden zijn dikwijls zuur en brengen dan weinig voedzame en
somtijds schadelijke planten voort.
Wat den plantengroei aangaat, is een vermenging van zoete
grassen met verschillende klaversoorten te verkiezen boven een
van deze afzonderlijk.
Zooals reeds werd opgemerkt, werkt het groenvoeder het
gunstigst, zoolang het jong is; het is daarom het best de paarden
in de maanden Mei, Juni en Juli in de weide te doen. Later
vermindert de voedzaamheid der weideplanten , terwijl de nachten
(dikwijls reeds in September) koud en guur worden; alleen de
paarden, die aan de weide gewoon zijn, verdragen dit zonder
nadeel, doch ook deze groeien dan meestal niet meer. Zoo mo-
gelijk, haalt men onder die omstandigheden de paarden \'s nachts
op stal; in den zomer doet men ditzelfde wel over dag, indien
de temperatuur zeer hoog is en de paarden veel door vliegen
-ocr page 681-
ötó
worden geplaagd. Het is echter zeer nuttig om de veulens \'s winters
in de weide te laten, mits zij naar believtn in een hok kunnen
loopen, waar zij behalve beschutting ook voedsel vinden. Het
bij voederen van haver is een eerste vereischte.
Het verdient aanbeveling met de paarden eenige koeien te
laten weiden, daar deze vele planten eten, die de paarden onaan-
geroerd laten. Dit laatste geschiedt gewoonlijk met die planten,
welke zij met hun eigen meststoffen hebben verontreinigd; de
mest moet daarom bijeenverzameld en niet door de weide geslagen
worden. Gewoonlijk ziet men enkele plaatsen, de z.g. pollen,
die niet door de paarden worden bezocht; de hierop groeiende
hooge en ruwe grassen moeten, evenals de distels en andere
planten, die niet worden gegeten, van tijd tot tijd worden afge-
maaid. Beter echter nog is het de distels te steken, vóór zij zaad
hebben gevormd.
Het is niet goed vele paarden in één weide te vereenigen; zij
grazen dan niet rustig, plagen , bijten en slaan elkander en groeien
daardoor volstrekt niet. Om dezelfde redenen zorge men er steeds
voor rustige bij onrustige paarden in de weide te doen.
De paarden moeten, vóór zij naar de weide gaan, eenigen tijd
worden voorbereid, d. i. zij worden, om de verschillen van tem-
peratuur beter te kunnen verdragen, ettelijke dagen te voren niet
gepoetst, en om voor de laxeerende werking van het gras minder
gevoelig te zijn, eenige malen met slobbering gevoederd. Zij mogen
niet bezweet in de weide worden gebracht. De hoefijzers worden
in de weide afgenomen, ten einde het gevaarlijke van het slaan
te verminderen en de draagrand wordt met de rasp afgerond ;
hij brokkelt dan niet zoo licht af. Bij hoefziekten laat men de
ijzers niet zelden onder.
Het is van belang, dat de slooten langs de weiden gemakkelijk
voor de paarden bereikbaar zijn en zuiver drinkwater bevatten.
Er mogen geen steenen of stukken glas in de weide liggen, noch
spijkers, los bandijzer of andere zaken aan de hekken vooikomen,
waaraan de paarden zich kunnen beleedigen. Het omheinen dei-
weiden met prikkeU of stekeldraad, gelijk tegenwoordig veel ge-
schiedt, moet ten sterkste worden ontraden, wijl het niet zelden
oorzaak is van belangrijke verwondingen.
Dikwijls bedwingt men paarden, die onrustig zijn of de weide
gedurig verlaten, door het aandoen van kluisters ofsleepblokken;
deze bederven echter den gang en geven tot verwondingen aan-
leiding.
-ocr page 682-
666
Soms ziet men, dat paarden, in plaats van te grazen, bijna
altijd nabij het hek staan of op een smal paadje heen en weer
loopen; zulke paarden moet men scheiden. In andere weiden, bij
andere paarden gebracht, beginnen zij dikwijls goed te grazen en
te groeien. Zij vertoonen dan spoedig de groeistreep, waarvan
sprake was op bladz. 204.
Steeds dient men er op te letten of een paard wel kan grazen
of weiden; hoogbeenige, korthalzige paarden kunnen soms niet
met den mond op den grond komen, zonder de knieën zoo sterk
te buigen, dat zij dreigen te vallen. In enkele gevallen neemt
men dit ook waar bij paarden, wier lichaamsbouw het volstrekt
niet zou verraden. Bovendien kan, door onregelmatigheid van het
gebit, het afbijten en kauwen van het gras meer of minder
worden belemmerd.
Het loslaten en weder opvangen der paarden in de weide moet
hoogst kalm geschieden, het laatste voornamelijk met behulp van
een handvol haver of een stukje brood. Mocht men evenwel op
deze wijze enkele paarden niet in handen kunnen krijgen, dan
tracht men die in een hoek bij de andere te lokken en sluit
vervolgens deze ruimte door manschappen en fouragestrikken af.
Het zal dan meestal niet moeielijk vallen die paarden te vangen.
In Indië heeft men geen weiden, zooals in Nederland gebrui-
kelijk zijn. De groote grasvlakten aldaar zijn gewoonlijk publiek
eigendom en niet omheind.
Men voedert er den paarden steeds groenvoeder, namelijk gras.
Het troepenpaard ontvangt daarvan per dag 25 Kg., benevens
2,5 Kg. gaba. Het gras wordt dagelijks versch gesneden en den
paarden in vijf porties verstrekt (zie blz. 630). Gewoonlijk is het
gras, vooral in de omgeving van Salatiga, zoo voedzaam, dat
niet zelden vrij belangrijke hoeveelheden daarvan overblijven. Be-
halve bij Batavia heeft men in Indië geen uitgestrekte natuur- of
.kunstweiden, zoodat het gras moet worden gesneden langs de
wegen, op de ravijnhellingen en vooral in de gouvernements»
koffietuinen. Ook op de galangans, d. z. de dijkjes in de sawahs,
treft men goed gras aan, speciaal grienting, een zeer fijn en kort
gras, dat zelden in groote massa\'s bij elkander voorkomt. Meer
dan grienting wordt te Salatiga echter het lamoeran geleverd,
kenbaar aan de koperroode stengels en de lange einden, welke
over den grond kruipen en bij iederen knoop wortelen.
Behalve dit berggras vindt men te Salatiga ook veel rawah-
gras. Dit bevat, evenals het gras van moerasgronden in Europa,
-ocr page 683-
657
cyperaceeën en juncaceeën, bovendien bepaalde, geil opgeschoten
grassoorten. Het is veel minder voedzaam en geeft niet zelden
tot digestiestoornis aanleiding.
Doch ook het beste gras vordert de bij voedering van gaba,
indien men van het paard inspanning van eenige beteekenis moet
vorderen.
De uitgestrekte grasvlakten in Indië bestaan meestal uit alang-
alang, een welig onkruid, dat hardstengelig, scherp en weinig
smakelijk is, en alleen in jongen toestand door de paarden wordt
gegeten. Sapies (runderen) en muildieren nuttigen het beter,
doch bij voorkeur ook niet, wanneer het oud is.
Volgens het contract van aanbesteding moet het gras in Indië
aan de volgende voorwaarden voldoen. Het moet zijn:
„Gras van onschadelijke grassoorten, niet vroeger dan den avond
te voren gesneden, zonder wortels, niet te nat, en behoorlijk
gebonden in bossen, elke bos ter zwaarte van een half ration,
hetzij in lossen staat, naarmate zulks door den plaatselijken com-
mandant wordt opgegeven. Het ration bedraagt voor troepen-
paarden en paarden bij de hospitalen 25 en voor muildieren 32
kilogram.
,,De aannemer is voorts verplicht om ook voor alle officiers-
paarden, desverlangd, gras te leveren, tot het aantal waarvoor zij
indemniteit genieten."
De beste en meest gewilde grassoorten zyn(\'): grienting, la-
moeran, laroenan, loelangan, gadjie-ang, tembagan, waderan
(in het
Maleisch kasoeran), gendjoeran of kembangun en kolomunto.
Hiervan zijn waderan en kolomunto echte rawah-grassen; afge-
scheiden van hun voedingswaarde leveren deze dus steeds eeniger-
mate het gevaar op, aan het voederen van rawah-gras verbonden
(grasvergiftiging). In den West-moesson is dit gevaar echter gering,
wijl er dan in de rawahs overvloed van helder, levend water is,
wat de gedachte aan rottende en schimmelende plantendeelen uit-
sluit. In den drogen moesson verdwijnt kolomunto nagenoeg volkomen;
het dan nog aanwezige waderan kan nu, door zijn rottende onder-
einden, licht nadeelig worden.
(1) Overeenkomstig particuliere mededeelingeu uit Indiê van den paurdenarts J. van
r>E Velde; volgens dezen zijn de vermelde Javannsche benamingen der grassen, zooals ze
in de omstreken van Sakitign (alwaar de meeste eavalerie- en artilleriepaarden van Java
zijn gehuisvest) worden gebezigd, voor den bereden officier in Indiè van meer belang
dan de Maleische, Soendaneesche, enz., welke men gewoonlijk iu de literatuur uantrelt.
42
-ocr page 684-
658
Voorts groeien op vochtigen bodem een paar grofbladige gras-
soorten : blumbum of roempoet malela en poeton rawah, die goed
zijn, maar door oningewijden dikwijls worden afgekeurd. Erkend
dient echter, dat bij zulke grassen dikwijls beslist nadeelige voor-
komen.
De minder gewilde soorten zijn: sloendoepan, sikatan, teki,
\\ V V v
merakang, djawan, kolodjonno en djandon.
Oneetbaar zijn (worden niet genuttigd door paarden, zonder
echter nadeelig te zijn): lampoejangan, blaba-ang, brandjangan,
memera-an, toembaran
en alang-alang. Het laatste wordt door
paarden nog wel gegeten, als het zeer jong is; het voedt echter
gering. Het rund gebruikt alang-alang ook wel in ouderen toe-
stand, doch krijgt daardoor niet zelden darmcatarrh.
§ 254. Voorwaarden van aanbesteding van het weiden
van 01ticiers- en rukspaarden.
Bij Ministerieel besluit van 17 .lanuari 1878, militaire admini-
stratie, n°. 37, I (liec. Mil., Bekn. Uitg., 2d°Stuk, Aanhangsel E,
blz. 240 en 241), vindt men de voorwaarden van aanbesteding van
het weiden van officiers* en rijkspaarden. Men leest aldaar onder
het opschrift »Voorwaarden van huur en verhuur" het volgende:
Art. 1. De aannemer verbindt zich, gedurende het weideseizoen
van het loopende jaar, zooveel weiden ter beschikking te stellen
als voor het aantal der te weiden officiers- en rijkspaarden door
den commandeerenden officier zal noodig geoordeeld worden.
Art. 2. Onder goede weilanden worden verstaan weiden, waar
goed en voldoend voedsel, in evenredigheid tot het aantal daarin
te brengen paarden en ander vee, wordt aangetroffen.
Bij de weiden moet goed drinkwater in voldoende mate voor-
handen zijn.
Art. 3. Wanneer zieke paarden, naar het oordeel van een der
paardenartsen van het korps, afzonderlijke weiden behoeven, zal
de aannemer ook deze ter beschikking moeten stellen van den
commandeerenden officier.
Art. 4. De paarden mogen wel met hoornvee — doch alleen met
melk- of vetweidend vee —, maar niet met vreemde paarden grazen.
Art. 5. De besteder bepaalt voor elk paard in het bijzonder
zoowel den aanvang, ais later het einde van het weideseizoen.
Minstens één dag te voren zal zulks schriftelijk telkens aan
den aannemer worden medegedeeld.
-ocr page 685-
659
Art. 6. De beschikbaar gestelde weilanden zijn onderworpen
aan keuring, door of vanwege den besteder, zoo dikwijls deze dit
zal noodig oordeelen.
Art. 7. Is de besteder van oordeel, dat de weilanden niet of
niet meer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in art. 2, dan
geeft hij daarvan schriftelijk kennis aan den aannemer, die dan
verplicht is ten behoeve van alle of van een, door den besteder
vast te stellen aantal paarden, uiterlijk binnen twee dagen na de
dagteekening der kennisgeving, betere weiden, ter beoordeeling
van den besteder, te leveren.
Art. 8. De aannemer zal bij voorkomend verschil over den
inhoud of de uitvoering van dit contract zich volkomen onder-
werpen aan de beslissing van den commandeerenden officier van
dit korps.
Art. 9. Blijft de aannemer in gebreke aan de beslissingen,
bedoeld bij de artt. 7 en 8, binnen de gestelde termynen te vol-
doen, dan heeft de besteder het recht, zonder voorafgaande ge-
rechtelijke in verzuimstelling van den aannemer, te diens koste
en schade aan de gevallen beslissingen uitvoering te doen geven.
In dat geval worden de meerdere, zoomede alle andere uit dien
maatregel voortvloeiende kosten, op den aannemer verhaald, zul-
lende daartoe, zoo noodig, in de eerste plaats de nog onbetaalde
huurpenningen worden ingehouden. Indien zoodanige maatregelen
leiden mochten tot minderen dan den bij de overeenkomst be-
paalden huurprijs per paard en per dag, zal dit evenwel geen
voordeel aan den aannemer verschaffen.
Art. 10. De aannemer zal voor de bij het korps aanwezige of
later gedurende het weideseizoen vallende veulens geen afzon-
derlijke weidehuur bekomen; zij zijn in den prijs der moeder-
merriën begrepen.
Art. 11. De moedermerriën met haar veulens moeten afzon-
derlijk, zonder andere paarden daarbij toe te laten, geweid
worden.
Art. 12. Alle schaden, welke de weidende paarden aan de
landen waarop zij grazen, of aan de omliggende velden mochten
veroorzaken, zijn ten laste van den aannemer.
Art. 13. De aannemer is verplicht huisvesting en voeding,
volgens de voorschriften tot uitvoering der wet van 14 Sept. 1866
(Stbl. n°. 138), te verschaffen aan den militair, met het toezicht
over de weidende paarden belast, zonder daarvoor eenige ver-
goeding te genieten.
-ocr page 686-
660
Zooveel mogelijk moet deze militair in liet centrum der weiden
gehuisvest zijn.
Art. 14. Indien zich tusschen de garnizoensplaats en de wei-
landen een of meer overzetveren bevinden, komen de passage-
gelden voor de wachters en de paarden, zoowel voor heen als
terug, ten laste van den aannemer.
Art. 15. Indien een paard in de weide ziek of kreupel wordt,
sterft of een belangrijke kneuzing of verwonding bekomt, is de
aannemer gehouden daarvan, zoo spoedig mogelijk, met opgave
van hoefnummer en signalement, aan den besteder kennis te
geven.
De volgende artt., 16 — 22, omschrijven de wijze van betaling,
de boeten en verdere verplichtingen van den aannemer.
§ 255. Het hooi.
Geen voedingsmiddel biedt zulke groote en menigvuldige ver-
schillen aan als het hooi. Zijn hoedanigheid hangt voornamelijk
af van de planten, waaruit het bestaat; bovendien oefenen de
wijze van oogsten en de duur en manier van bewaren grooten
invloed uit.
Behalve minder water, bevat het hooi steeds ook een kleiner
hoeveelheid voedingsstoffen dan de groene planten, waaruit het
is ontstaan; dit verschil is te grooter, hoe meer dauw en regen,
in afwisseling met zonneschijn, op de drogende planten hebben
ingewerkt. Hierdoor toch hebben chemische omzettingen plaats;
bovendien gaan vele fijne plantendeelen, door herhaald om-
werken op het veld, verloren.
Het nieuwe hooi heeft een sterken, doordringenden reuk en
smaak en bevat veel vocht, ook al schijnt het geheel droog. Nadat
het geoogst is, ontstaat een zelfverhitting, waarbij het warm,
zacht en vochtig wordt; het begint dan z.g. te zweeten of te
broeien. Hierdoor wordt een gedeelte van het water als damp
uitgedreven; het hooi wordt daarna langzamerhand weder droog
en hard, de warmte verdwijnt en ook de sterke reuk en smaak
verminderen. Dit broeien geschiedt te heviger, naarmate het hooi
vochtiger is binnengebracht; soms is de ontwikkeling van warmte
zoo aanzienlijk, dat het in brand geraakt of later in rotting over-
gaat. Het duurt 4 — 6 weken; het hooi verliest hierdoor aan
gewicht, krijgt een lichtbruine kleur en een eigenaardigen, eenigs-
zins aromatischen reuk.
-ocr page 687-
661
In liet algemeen eten de paaiden het hooi het liefst, als het
een lichten graad van broeiing heeft ondergaan. Is het echter
sterk gebroeid, wat men aan de donkerbruine kleur en den prik.
keienden reuk kan waarnemen, dan is het minder voedzaam en
wordt soms zelfs door de paarden geweigerd.
Het nieuwe, nog niet uitgezweete hooi is moeielijker te ver-
teren dan het licht gebroeide en kan, in groote hoeveelheid ge-
geven, digestiestoornissen teweegbrengen. Men heeft de gevaren
daarvan echter dikwijls overschat. De in Frankrijk op groote
schaal met militaire paarden genomen proeven hebben althans
geleerd, dat het nieuwe hooi, in de gewone hoeveelheid gevoederd,
geen nadeelen veroorzaakt.
Het oude hooi, waaronder men zoodanig verstaat, dat ouder
is dan een jaar, verliest langzamerhand meer zijn kleur, reuk,
smaak en vochtigheid; het wordt droog, stoffig, vermindert in
voedingswaarde en kan, bij ruim gebruik, tot digestiestoornissen
en dampigheid aanleiding geven.
Het nieuwe hooi is niet altijd gemakkelijk te herkennen; het
kan namelijk onder zulke ongunstige omstandigheden zijn geoogst,
dat het in kleur en reuk volkomen met het oude overeenkomt
of er zelfs nog ouder uitziet. In enkele gevallen kan dan de aard der
in het hooi voorkomende planten beslissen, bijv. indien er uitge-
bloeide planten in aanwezig zijn, waarvan de bloeitijd op dat
oogenblik nog niet is aangebroken. Dompelt men een gelijke
gewichtshoeveelheid nieuw en oud hooi onder water, dan zal het
laatste, dat van nature minder vocht bevat, meer water opnemen
en dus zwaarder worden dan het eerste. Nieuw hooi weegt daarom
altijd meer dan oud, hetgeen wel in aanmerking mag komen,
indien men bij het gewicht voedert (\').
Het hooi is een natuurlijk en gemakkelijk verteerbaar voedings-
middel; het kan het eenige voedsel zijn en de paarden kunnen
daarbij zelfs matigen arbeid verrichten, vooral wanneer het van
goede qualiteit is. Bij zwaren arbeid kan men hiermede evenwel
niet volstaan; evenmin mag men veulens enkel met hooi groot
(1) 1 M\'. hooi, in een magazijn opgelegd, weegt, wanneer de voorraad 0—8 M.
hoog ia, ongeveer 100 Kg. — Men perst het hooi dikwijls in balen van 75 of 100 Kg.,
ten einde het een mindere plaatsruimte te doen innemen, wat vooral bij verzendingen
naar het buitenland voordeelig is. Die balen worden omgeven door wilgen hoepels of ijzeren
banden. Een baal \\an 100 Kg. is 1 M. lang, 0,63 M. breed en 0,74 M. hoog, terwijl
een van 75 Kg, dezelfde lengte eu breedte, doch slechts een hoogte van 0,0* M, bezit.
-ocr page 688-
(i(V2
brengen. Omgekeerd mag het bij haver en baksel niet ontbreken;
bet brengt bet noodige volume aan, houdt de vertering gaande
en maakt gevleesd. Te rijkelijk gevoederd, zet het echter den buik
uit en doet den z.g. hooibuik ontstaan, welke tot kortademigheid
aanleiding geeft. Deze laatste ontwikkelt zich nochtans in veel
sterker mate door slecht, zuur, stoffig en muf hooi; dit kan
bovendien digestiestoornissen en andere ziekten teweegbrengen.
Goed paardenhooi bestaat uit de beste zoete grassen en talrijke
klaversoorten, terwijl er weinig andere planten in voorkomen.
De kleur moet z.g. blank zijn, d.i. blauwachtig-groen, de reuk
aangenaam en met dien van reukgras (anthoxanthum odoratum)
overeenkomen, ook al is deze plant niet in het hooi aanwezig,
de smaak zacht, suikerachtig, vrij van eiken zuren, bitteren of
samentrekkenden nasmaak. Het moet een langen, fijnen, buig-
zamen stengel met smalle bladen hebben en bloemen bezitten,
waarin nog geen zaadvorming heeft plaats gevonden; bloemen en
bladen moeten zooveel mogelijk bewaard zijn gebleven. Behalve
klaversooxlen [waaronder voornamelijk de zeisvormige rupsklaver
(medicago falcata)
, de roode klaver {trifolium pratense), de witte
klaver {trifolium i-epens)
en de hoppe rupsklaver (inedicago lupulina)]
en wikken- en lathyrussoorten, ziet men gaarne in het hooi:
de karwei (carum carvï), de akkerdistel (cirsium arvensé), de ruige
weegbree (plantago media),
het zeezoutgras (triglochin tnaritimum), het
knoopkruid {centaurea jacea), enz., daar deze alle te kennen geven,
dat het op een goeden, kleiachtigen bodem is gegroeid.
Het beste paardenhooi wordt in ons land gewonnen op de
zware kleigronden, langs de rivieren en aan de Zuiderzee en het
IJ. Vooral het Kampereilandsch hooi is beroemd. Het langs de
rivieren geoogste onderscheidt men in binnenveldsch en uiter-
waardsch hooi, terwijl men het langs de Zuiderzee voorkomende
in binnen- en buitendijksch verdeelt, naarmate het resp. binnen
of buiten de dijken gewassen is.
Het Kampereilandsch en uiterwaardsch hooi heeft lange, fijne,
ronde halmen, fijne bladen en groote bloempluimen; het is hard
en vast op het gevoel, zonder ruw te zijn. Het bevat de beste
grassen [raygras (lolium perenne), kamgras (eynoswus cristatus),
beemdgras (poa pratensis)
, beemd langbloem [festuca pratensis), timo-
thygras (phleum pratense), vossestaart (alopecurus pratensis)
, enz.],
waaronder voornamelijk de veldgerst (hordeum pratense), benevens
een grooter of kleiner hoeveelheid van bovengenoemde klaver-
soorten en andere planten. Hoewel deze grassen ook in hooi
-ocr page 689-
6W
van mindere qualiteit voorkomen, maken zij daarin nimmer de
meerderheid uit en zijn bovendien niet krachtig ontwikkeld.
Het Langstraatsche hooi, dat op zavelgrond (uit klei en zand
bestaande) gewassen is, onderscheidt zich van het bovengenoemde
door minder en korter halm en meer blad, waardoor het iets
zachter is; de aan den zwaren kleigrond eigen planten nemen
hierbij niet de eerste plaats in en ontbreken ten deele, daaren-
tegen komen trilgras (briza media), reukgras en het witte struisgras
(agrostis alba)
in grooter hoeveelheid voor. Het kan onderling
zeer verschillen, doch in het algemeen eten de paarden het goed
gewonnen Langstraatsche hooi gaarne. Dikwijls bevat het veel
akkerdistels en mos; het eerste is een bewijs van een verwaarloosden,
het laatste van een verarmden grond.
Het zilte hooi is afkomstig van gronden, die buitendijks aan
zee zijn gelegen en die in Groningen en Friesland onder den
naam van kwelders bekend zijn. Daarvan komen het Kuinder-
Marker-
en Eemnesserhcoi het meest in den handel voor. Men
herkent het aan zijn bruine kleur en aan de daarin aanwezige,
planten; het is gewoonlijk kort en fijn. Het bevat veel zouten;
deze trekken water aan en veroorzaken een sterk broeien, van-
daar de bruine kleur. Er worden planten in aangetroffen, die
alleen aan zilte gronden eigen zijn, zooals het zeezoutgras, de
zeeweegbree (plantago maritima), de ronde bloembies (juticus bulbosus),
enz , terwijl de bovengenoemde beste grassen en klaversoorten niet
sterk vertegenwoordigd zijn.
Het is in het algemeen tamelijk voedzaam hooi en wordt door
de paarden, indien zij er eerst aan gewoon zijn, gaarne gegeten>
Het sterk broeien schaadt hiervoor lang niet in die mate als voor
andere hooisoorten; evenwel heeft ook dit zijn grenzen.
Het vette of zware hooi is dik, grof en kort van halm, breed
van blad en zacht op het gevoel. Dit is afkomstig van klei
bevattenden humusgrond. Wanneer het op hooge gronden ge-
wonnen is (wat men aan de meerdere fijnheid van halm en blad
ontdekt), geldt het nog als goed paardenhooi; is het evenwel
op lage gronden gewassen [zooals de aanwezigheid van liesgras
(glyceria spectabilis), rietgras (phalaris arundinacea), russchen (juncua
communis), dekriet (phragmitis communis),
enz., te kennen geeft],
dan houdt het paard er minder van; men noemt het dan wel
koeienhooi.
In dit hooi maken getooid en zacht zorggras (holcus lanatus et
mollis)
, zachte en getroste dravik (bromus mollis et raeemosus), kropaar
-ocr page 690-
\'
mi
(dactylis ylomerata), struisgras en reukgras gewoonlijk liet hoofd-
bestanddeel uit.
Het zure hooi is afkomstig van lage, moerassige gronden en
doet zich kennen door zijn rijkdom aan schijngrassen (die een drie-
kantigen halm bezitten), waartoe voornamelijke de zegge (carex)
behoort, door het heermoes (eguisetum palustre), de russchen, de
waterbies (scirpus palustris) en door slechts weinige grassoorten,
die daarenboven nog van gering gehalte zijn, als struisgras, liesgras,
rietgras
en vlotgras (glyceria Jluitans). Bovendien vindt men in dit
hooi dikwijls de koekoeksbloem (lychnis flos cuculi), de ratel {rhinanthus
crista galli),
de zuring (rumex acetosa et obtusifolius), de watermunt
(mentha aquatica),
enz.
Dit hooi is ruw en scherp, grofbladig en bezit weinig halm;
het behoort met het volgende tot de minst voedzame soorten.
Het hooi van veengronden kenmerkt zich dooi\' den veemvindhahn
(deschampsia caespitosa),
het honiggras (Jüerochloa borealis), door veel
zilverschoon (potentilla anserina), enz. Het honiggras deelt hieraan
een aangenamen, met dien van reukgras overeenkomenden geur
mede.
In het algemeen is het hooi van zure, moerassige en veen-
achtige gronden te slechter, naarmate liet meer planten bevat,
welke voor deze gronden kenmerkend zijn.
Naar den tijd, waarop het hooi gemaaid is, onderscheidt men:
het gewone hooi of dat van de eerste snede en het nahooi of dat van
de tweede snede,
ook wel etgroen of toemaat (yegain; Grummet oder
Ohmd)
genoemd. Dit laatste, dat minder voedzaam is dan hooi
van de eerste snede, is gemakkelijk te herkennen aan zijn donker-
groene kleur, zijn doorgaans sterken, somtijds walgelijken reuk
en eenigszins scherpen smaak; bovendien is het steeds zacht en
slap op het gevoel en bezit gewoonlijk geen bloemen.
Hooi van de derde snede is zeldzaam.
Soms wordt een stuk land eerst beweid en daarna gehooid;
dit hooi zal dan voornamelijk uit de halmen der laatbloeiende
grassen \\timothygras, struisgras, zorggras, laatbloeiend beemdgras (poa
serotina)]
bestaan en is minder voedzaam dan dat, hetwelk van
denzelfden bodem, zonder voorafgegane beweiding, kan worden
gewonnen.
Door beslijken, roest en schimmel kan het hooi voor de gezond-
heid schadelijk worden.
Het beslijken ontstaat door overstrooming of langdurigen regen.
Beslijkt hooi heeft een grijsachtige kleur en bevat veel stof; het
-ocr page 691-
fifilï
kan lot ziekten dei\' ademhalings- en spijsverteringsorganen, tot
oogontsteking, enz. aanleiding geven.
Het roest is kenbaar aan de bruine vlekken op de halmen en
bladen; deze bestaan uit zwammen, welke zich op de plant hebben
ontwikkeld. Ditzelfde geschiedt bij het schimmelen van het hooi;
de schimmelvlekken zijn echter grijs- of groenachtig van kleur.
Beide zijn zeer nadeelig voor de gezondheid en kunnen tot
gebrek aan eetlust, koliek, vermagering en zelfs tot verlammings-
verschynselen aanleiding geven.
Beschimmeld hooi komt veel meer voor dan het door roest
aangetaste. Planten met veel blad, als Haver, weegbree, enz , in
liet hooi voorkomende, zijn licht eenigermate beschimmeld, omdat
deze bij het binnenhalen van het hooi nog niet volkomen droog zijn.
In sommige grassen kan zich moederhoorn (secale comutum) ont-
wikkelen, echter zelden in zoodanige hoeveelheid, dat hierdoor
nadeel voor de gezondheid ontstaat. Het kan trouwens eerder op
de weide dan in het hooi aanleiding geven tot ziekte.
Men tracht dikwijls de nadeelige eigenschappen van het hooi
op te heffen door het uit te schudden, te luchten, te wasschen
en met pekel te besprenkelen; hierdoor kan het echter niet altijd
onschadelijk worden gemaakt en in geen geval kan de verminderde
voedingswaarde worden hersteld.
Soms wordt een goede en een slechte hooisoort met elkander
vermengd; dit geschiedt dan óf tamelijk gelijkmatig óf in de bossen
worden vlokken eener slechte soort gestoken. Bij een nauwgezet
onderzoek is de vermenging gemakkelijk te ontdekken
In de bossen, zooals ze voor militaire paarden moeten worden
gereedgemaakt, vindt men niet zelden het samenraapsel uit de
hooischuren; hoewel dit de voedzaamste deelen van het hooi, de
fijne bladen, de bloemdeelen en het zaad bevat, is er dikwijls
ook een groote hoeveelheid zand in, waardoor het voor de gezond-
heid nadeelig wordt. Bovendien gaat dit fijne gedeelte bij de
distributie meestal verloren.
Het ter distributie bestemde hooi mag niet vochtig zijn, daar
hierdoor het gewicht wordt verhoogd en de aanwezigheid van stof
kan worden verborgen. Is men genoodzaakt stoffig hooi te voe-
deren, dan kan het vooraf bevochtigen (na uitschudden) nuttig zijn ;
het zal dan minder tot hoesten aanleiding geven.
Behalve de genoemde soorten wordt in ons land dikwijls hooi
van roode klaver gevoederd; ook de esparcette, de serradella, de
lucerne en de wikken worden somtijds gehooid. De in Frankrijk
-ocr page 692-
666
met militaire paarden genomen proeven hebben omtrent esparcette,
(naiiifoin), lucerne en wikken aangetoond, dat deze hooisoorten
veel beter voeden dan liet gewone hooi en geen voor de gezondheid
nadeelige gevolgen teweegbrengen. Wat de voedzaamheid aan-
gaat, stond het esparcettehooi bovenaan, de paarden waren hierbij
het krachtigst en hadden weinig buik; daarop volgde het lucerne-
en eindelijk het klaverhooi.
Het hooi van lupinen wordt door paarden niet gaarne gegeten.
§ 256. Het stroo.
Als voedsel voor het paard worden voornamelijk gebruikt:
haver-, gerste-, rogge- en tarwestroo; evenwel zou ook dat van
maïs, gierst, kanariezaad, erwten, wikken, linzen, lupinen,
boonen en boekweit in meerdere of mindere mate in aanmerking
kunnen komen.
Het stroo bevat van alle voedingsmiddelen de meeste cellulose
en de minste eiwitstollen. Vooral het stroo der granen is arm
aan eiwit; dat der peulvruchten is hieraan \'2 \\) maal rijker. Een
voornaam bestanddeel van het laatste is phosphorzure kalk, terwijl
het eerste, voornamelijk dat der wintergranen, veel kiezelaarde
bevat.
Het gehalte aan voedingsstoffen verschilt echter naar den bodem,
waarop het stroo gegroeid is, de bemesting daarvan, den tijd,
dat het graan is gemaaid, enz.; hoe vroeger dit laatste is
geschied , des te meer voedingsstolfen zal het stroo bezitten. De
toppen der halmen en de ledige aren bevatten veel meer voedings-
stoflen dan de onderste gedeelten.
Bij de beoordeeling van het stroo als voedsel komt, behalve
het gehalte aan voedingsstoffen, vooral zijn verteerbaarheid in
aanmerking. Van deze gezamenlijk hangt de voedingswaarde af.
Zij moet dus verschillen naar de soort van stroo, den tijd, waarop
het gemaaid is, den ouderdom, de hoeveelheid graankorrels, die
het nog bevat en naar de, in het stroo voorkomende voederplanten.
In het algemeen rekent men het haverstroo voedzamer dan het
tarwe- en dit weer voedzamer dan het roggestroo; het eerste
is het zachtst, het laatste het hardst en dus het moeielijkst te
verteren. Gerstestroo komt in voedzaamheid het haverstroo nabij.
Het stroo der zomergi anen bezit minder kiezelaarde dan dat der
wintergranen en, hoofdzakelijk daardoor, \'/» — \'I* hooger voedings-
waarde.
-ocr page 693-
C>(>7
Wanneer het graan nog eenigszins groen gemaaid is, zooals
het meest bij de haver geschiedt, dan bezit het stroo hooger
voedingswaarde dan indien het op het veld volkomen rijp is
geworden.
Het oude stroo is harder en droger dan het nieuwe en dus
minder gemakkelijk verteerbaar.
Slecht uitgedorscht stroo is natuurlijk des te voedzamer, naar-
mate er meer korrels in zijn achtergebleven.
Indien zich in het stroo vele andere planten bevinden, noemt
men het vuil; zijn dit voederplanten, zooals rogge-dravik, (bromus
secalinus), wmdhahn (apera spica ventï), ringelwikke (vicia cracca), ruige
linze (ervum hirsutum), klaver,
enz., dan verhoogen zij de voedings-
waarde; bestaan zij echter in hoofdzaak uit distels, kamillen,
papaver
en bolderik, dan is het stroo als voedsel minder geschikt.
Het stroo kan nooit het eenige voedingsmiddel zijn ;* daarvoor
bezit het te weinig voedingsstoffen en is het bovendien te moeielijk
verteerbaar. Als bij voeder heeft het echter groote waarde; het
bevordert de vertering van andere voedingsmiddelen (granen,
groen voeder, enz.) en brengt, bij een geconcentreerde voeding,
het noodige volume aan. Het best geeft men het stroo als haksel
bij de haver; evenwel is ook het in de ruif voederen van lang
stroo nuttig, tevens om aan de paarden bezigheid te verschaffen.
Het stroo moet gelijkmatig geel van kleur zijn en bestaan uit
lange, buigzame halmen, die hun bladeren en aren behouden
hebben; het moet vrij van stof wezen, weinig of geen reuk hebben
en, vooral aan de knoopen, zacht en suikerachtig van smaak zijn.
Het mag niet veel andere, en vooral geen schadelijke planten
bevatten.
Evenals het hooi kan ook het stroo door beslijken, roest en
schimmel voor de gezondheid nadeelig worden. Hieromtrent geldt
alles, wat bij het hooi is opgemerkt.
Indien het stroo goed wordt bewaard, kan het (vooral de harde
soorten, als rogge-, en tarwestroo) verscheidene jaren oud worden,
zonder te bederven.
Het stroo moet niet alleen als voedsel, doch ook wat betreft
zijn geschiktheid als ligstroo worden beoordeeld. Daarvoor is
haver- en gerstestroo te zacht, het is te spoedig in mest veranderd.
Roggestroo biedt, door zijn hardheid, het langst weerstand en
tarwestroo staat in het midden. Voor de militaire paarden is
dan ook voorgeschreven */, tarwe- en \'/» roggestroo. Deze beide
soorten zijn gemakkelijk van elkander te onderscheiden, afgezien
-ocr page 694-
868
nog van de aren. Het larwestroo namelijk is grover, zachter,
liooger geel, bevat meer blad en bladscheede en is meestal minder
blank dan dat van rogge.
§ 257. VOORSCHRIFTEN OMTHENT HET LEVEREN EN VEUSTKEKKEN
VAN KOURAGES BIJ ONS LEGER.
Bij beschikking van den Minister van Oorlog, van 9 November
1891, VIde Afdeeling, Intendance, n°. 14, is o. a. bepaald:
§ 4. De levering van de fourage geschiedt volgens de hierbij
gevoegde voorwaarden.
§ 5. Wordt het noodig geoordeeld, ten behoeve van de paar-
den, voor welke een bijzondere voedingsregel moet worden ge-
volgd, de voedingsmiddelen, waaruit het gewone ration fourage
is samengesteld, geheel of gedeeltelijk door andere te vervangen,
bijv. door gebroken gerst, gerstemeel, zuivere tarwezemelen,
klaver, gras, wortelen, enz, dan moet worden gehandeld, zooals
is voorgeschreven ad art. 108 en 239 van de Voorschriften tot
uitvoering van het Reglement van administratie bij de landmacht.
§ 6. Wordt het in zeer bijzondere gevallen noodig geacht
minder haver of stroo en meer hooi, of omgekeerd, te doen
verstrekken, dan zal dit, op grond van het bepaalde in de slot-
alinea van art. 3 der voorwaarden van levering, geschieden in
verhouding van de prijzen, voor de levering van haver, hooi en
stroo, door den aannemer bij contract bedongen.
Voorwaarden van levering van fourage, vastgesteld
bij\' beschikking van den Minister van Oorlog van
9 November 1891, VI\'1\' Afd., n». 14.
De artikelen 4 en 2 omschrijven de algemeene voorwaarden
voor de levering.
De artt. 3 — 6 bepalen de rations en de hoedanigheid der
fourages. Zij luiden als volgt:
Art. 3.
De gewone rations fourage zullen bestaan uit: (zie hieromtrent
§ 246).
De Minister van Oorlog is gemachtigd het ration stroo ten
deele door turfstrooisel te doen vervangen.
De prijzen van de rations worden berekend naar die, waar-
tegen met den aannemer voor de levering van de tien kilogram
-ocr page 695-
669
hooi, de tien kilogram stroo en (Je *«\'«< kilogram haver afzonderlijk
wordt overeengekomen.
Naar dien maatstaf worden ook berekend de prijzen van de
rations fourages, in welker samenstelling de Minister van Oorlog
mocht goedvinden verandering te brengen, waartoe hij zich bij
deze het recht voorbehoudt, en voor welke verandering van sa-
menstelling de aannemer geen schadevergoeding zal kunnen
vorderen.
Aut. 4.
Het hooi moet zijn goed graslandshooi van de eerste snede (\'),
blank, zuiver, ronden hardhalmig, jong en vroeg gewonnen, frisch
van reuk, vrij van stof, schimmel en andere schadelijke zelfstan-
digheden. Distels, ratels en andere onkruiden mogen in het hooi
niet dan in geringe mate voorkomen.
Er zal geen nieuw hooi (namelijk dat gedurende den loop van
dit contract gewonnen) mogen worden uitgedeeld, dan nadat
daartoe door den Minister van Oorlog de vergunning zal zijn ver-
leend.
Art. 5.
Het stroo moet zijn goed geoogst voederstroo, droog, blank,
helder van kleur, frisch van reuk, van den laatsten oogst en niet
afkomstig van machinaal gedorschte granen.
De aannemer is gehouden tot de levering van een derde
roggestroo en twee derde tarwestroo.
Deze verhouding behoeft niet in het oog te worden gehouden,
wanneer de korpscommandanten meer roggestroo verlangen en bij
den aannemer geen bezwaar bestaat aan dien wensch te voldoen.
Art. 6.
De haver moet zijn rad, ongezwaveld en ongebroeid, dun van
bast, frisch van reuk, vrij van stof, vreemde zaden, wilde haver,
doppen, aarde en zand, en voor zoover het witte haver betreft,
blank en lichtgeel van kleur.
De hectoliter moet minstens acht en veertig (48) Kg. wegen.
De artt. 7 — 9 hebben betrekking op de magazijnen, den voor-
raad, welke daarin steeds aanwezig moet zijn en de distributie
der fourages. Zij luiden :
(1) Hij Ministerieel besluit van 27 October 1893, Vld« nfd., n". 98, zijn de
woorden „van de eerste snede" voor de leverantie in dat seizoen vervallen.
-ocr page 696-
670
Am-
De aannemer moet zijn magazijnen, zooveel mogelijk vereenigd,
gevestigd hebben in de gemeente, waar de levering moet plaats
hebben. Zij moeten kunnen worden gesloten, en zoodanig zijn
ingericht, dat voor de commissie, bedoeld bij art. 10 van dit
contract, een behoorlijke toegang is, welke dan ook ten allen tijde
aan de commissie moet worden verleend. Die magazijnen moeten
zijn afgescheiden van bergplaatsen voor fourage, aan andere per-
sonen toebehoorende of voor andere leveringen dan aan de troepen
bestemd.
Het gebruik maken of doen maken van petroleum tot verlich-
ting van de magazijnen is verboden.
Abt. 8.
De aannemer is gehouden voor de sterkte der aanwezige of
verwacht wordende paarden, door den plaatselijke- of garnizoens-
commandant te zijner kennis te brengen, in zijn magazijnen steeds
een voorraad hooi, stroo en haver te hebben als volgt:
van 1 tot 15 No-
vember:
van 15 November
tot 1 December:
hooi, stroo en haver voor de behoefte van
minstens zeven (7) dagen;
hooi, stroo en haver voor de behoefte van
minstens veertien (14) dagen;
stroo voor de behoefte van minstens veertien
(14) dagen;
hooi en haver, in de garnizoenen Arnhem,
Breda, Deventer, \'s-Hertogenbosch en
Zutfen, voor de behoefte van minstens
dertig (30) dagen, en in de overige gar-
nizoenen voor de behoefte van minstens
veertien (14) dagen;
stroo voor de behoefte van minstens twee (2)
uitdeelingen;
hooi en haver, in de garnizoenen Arnhem,
Breda, Deventer, \'s-Hertogenbosch en
Zutfen voor de behoefte van minstens
veertien (14) dagen, en in de overigegar-
nizoenen voor de behoefte van minstens
twee (2) uitdeelingen;
December
October:
van
tot
van 1 tot 15
October:
-ocr page 697-
(Mi
i Jjooi, stroo en haver voor de behoefte van
1 minstens twee (2) uitdeelingen; in de
van 15 tot en met 1 laatste dagen dezer maand kan de voor-
31 October: j raad verminderen, in verhouding tot den
I nog loopenden tijd van duur van deze
[ overeenkomst.
Behoudens het bepaalde nopens den voorraad in de laatste
dagen van October moet zich onder den voorraad hooi en stroo
ten allen tijde een hoeveelheid in bossen afgezonderd bevinden,
minstens voldoende voor de eerstvolgende uitdeeling.
Het bossen van het hooi en het stroo geschiedt door de zorg
en voor rekening van den aannemer.
Elke bos hooi moet het bepaalde gewicht van twee rations en
elke bos stroo van een ration hebben, de banden daaronder be-
grepen.
De Minister van Oorlog heeft het recht om den voorraad hooi,
stroo en haver, bij vertrek van het garnizoen in de magazijnen
van den aannemer aanwezig, geheel of ten deele ten behoeve
van het rijk tegen den aannemingsprijs te doen overnemen.
Art. 9.
De levering van de fourage aan de troepen door den aannemer
geschiedt tegen afgifte van bons, op de dagen en uren, door den
plaatselijke" of garnizoenscommandant te bepalen.
Het hooi en het stroo worden uitgereikt in bossen, zooals in
art. 8 is aangewezen. Het wegen van de bossen geschiedt: het
hooi met vijf, het stroo met tien bossen te zamen.
Bij het afwegen van de haver zal men zich telkens overtuigen,
dat die niet beneden het bij art. 6 vastgestelde soortelijk gewicht is.
De troepen komen de fourage aan het magazijn van den aan-
nemer afhalen.
Art. 10 omschrijft het toezicht over de uitdeeling en de
keuring der fourage. Het luidt:
Art. 10.
Door den plaatsel\'yke- of garnizoenscommandant wordt een
commissie benoemd, bestaande uit drie officieren — waaronder
een paardenarts, zoo die beschikbaar is — van het korps of van
de verschillende korpsen, in het garnizoen aanwezig, geen deel
-ocr page 698-
8fc
uitmakende van de vaste commissie van herkeuring, bij art. 13
bedoeld. De commissie is belast met het toezicht over de uit-
deeling en de keuring, zoowel van de in voorraad aanwezige als
van de ter uitdeeling aangeboden fourage.
De commissie beslist bij meerderheid van stemmen.
Indien daartoe gelegenheid bestaat, worden de leden der
commissie om de twee maanden door andere officieren vervangen.
De artt. 11—13 omschrijven de verplichtingen van de keurings-
commissie, wat geschieden moet in geval van afkeuring der
fourages, en handelen over de herkeuringscommissie.
Art. 11.
De commissie, hiervoren bedoeld, is verplicht zich van tijd tot
tijd te overtuigen, dat de voorraad, bedoeld bij art. 8 van dit
contract, in de magazijnen van den aannemer aanwezig is, en de
hoedanigheid voldoet aan de vereischten, bij dit contract bepaald.
Bevindt zij, dat de bepaalde voorraad niet aanwezig of van
onvoldoende hoedanigheid is, dan maakt zij daarvan in beide
gevallen proces-verbaal op.
De aannemer is in het eerste geval verplicht zorg te dragen,
dat het ontbrekende aan den bepaalden voorraad, binnen acht
dagen na de dagteekening van het proces-verbaal, wordt aan-
gevuld. Is de hoedanigheid der fourage onvoldoende bevonden,
dan zorgt hij, dat de afgekeurde artikelen binnen tweemaal vier
en twintig uur
uit zijn magazijnen worden verwijderd.
Blijkt het, dat de aannemer na het verstrijken van de bepaalde
tijdruimte aan het bovenstaande niet heeft voldaan, dan maakt
de commissie hiervan proces-verbaal op. Blijft hij ook dan nog
in gebreke den bepaalden voorraad aan te vullen of de afge-
keurde artikelen uit de magazijnen te verwijderen, dan wordt
daarvan na verloop van elke vier en tivintig uur opnieuw proces-
verbaal opgemaakt.
Onverminderd de bepalingen, vervat in de eerste vier zinsneden
van dit artikel, is de commissie bevoegd om, wanneer de voor-
raad fourage van voldoende hoedanigheid minder bedraagt dan
voor de behoefte van zeven dagen noodig is, zonder gerechtelijke
in verzuimstelling, fourage voor rekening van den aannemer te
doen koopen en in het magazijn op te leggen. Alsdan wordt
echter de aankoop zoodanig geregeld, dat die niet meer bedraagt
dan noodig is, om steeds een voorraad voor de behoefte van geven
-ocr page 699-
693
dagen beschikbaar te hebben. De Minister van Oorlog is echter
bevoegd om, zoo hij dit noodig oordeelt, dit tijdvak tot de bij
art. 8 bedoelde tijdruimte te verlengen.
De commissie ziet toe, dat het verbod om tot verlichting van
de magazijnen petroleum te gebruiken, niet wordt overtreden.
Bevindt zij , dat daarmede in strijd wordt gehandeld, dan maakt
zij daarvan telkens proces verbaal op
Aar. 12.
Bij de uitdeelingen van de fourage moet ten minste één der
leden van de hierboven bedoelde commissie tegenwoordig zijn,
ten einde zich te overtuigen, dat de ter uitdeeling aangeboden
fourage aan de bepalingen van dit contract voldoet, en de bossen
hooi en stroo, benevens de haver, het bepaalde gewicht houden.
Wordt de fourage geacht van onvoldoende hoedanigheid te
zijn, dan heeft de uitdeeling niet plaats.
In dit geval wordt die fourage door de commissie onder -
zocht en, bijaldien zij onvoldoende wordt bevonden, wordt
daarvan onmiddellijk door de commissie proces-verbaal opgemaakt.
De commissie is alsdan bevoegd om, in geval de aannemer
niet dadelijk andere en voldoende fourage verstrekt, het noodige
voor zijn rekening te doen koopen en aan de troepen uit te
reiken.
Blijkt het bij de uitdeeling, dat de bossen hooi of stroo of
de haver het bepaalde gewicht niet houden, of dat de bij art. 8
bedoelde hoeveelheid hooi en stroo niet in bossen is afgezonderd,
dan wordt daarvan in beide gevallen door de commissie proces-
verbaal opgemaakt. In het eerste geval is de aannemer verplicht
het te kort komende onmiddellijk aan te vullen.
Zoodra er afkeuringen plaats hebben, alsmede in de gevallen
bij art. dl omschreven, kan, tot voorkoming van verwisseling der
afgekeurde fourage of aanvulling van het te kort bevondene, op
verzoek van de commissie, door den plaatselijke\' of garnizoen.s-
commandant, in het magazijn een schildwacht worden geplaatst
totdat de herkeuring, hierna bij art. 13 bedoeld, is afgeloopen.
Art. 13.
.Vermeent de aannemer, dat de afkeuring van liet een of
ander ten onrechte is geschied, of dat de bepaalde voorraad wel
aanwezig is, dan kan hij, binnen vierentwintig uur na de ontvangst
43
-ocr page 700-
674
van de kennisgeving bij hem of zijn gemachtigde, aan den plaat
selijke- of garnizoens-commandant een herkeuring vragen.
De herkeuring geschiedt door een voor den tijd van duur
dezer overeenkomst in te stellen vaste commissie, bestaande uit
een hoofdofficier en twee officieren van minderen rang — onder
welke laatsten een paardenarts, zoo die beschikbaar is — in het
garnizoen of in het naastbij gelegen garnizoen aanwezig.
De leden der commissie worden door den Minister van Oorlog
benoemd uit een door den plaatselijke* of garnizoens-commandant
op te maken dubbeltal. Bij het ontstaan van een vacature wordt
die op gelijke wijze aangevuld.
De leden der commissie, niet in de plaats verblijf houdende,
worden, zoo hun tegenwoordigheid wordt vereischt, door den
plaatselijke" of garnizoens-commandant, zoo mogelijk per telegram,
door tusschenkomst van de plaatselijke militaire autoriteit opge-
roepen. Zij zijn gehouden onverwijld en met den meesten spoed
aan die oproeping gevolg te geven, gebruik makende van de
publieke middelen van versneld vervoer of wel van extra-rijtuig)
zoo door dit middel met meer spoed aan de oproeping kan
worden voldaan.
Bij verhindering van een der leden om hij een herkeuring
tegenwoordig te zijn, wordt door den plaatselijke* of garnizoens-
commandant een ander officier aangewezen, om tot zijn vervan-
ging op te treden.
De herkeuringscommissie beslist bij meerderheid van stemmen.
Van haar bevinding wordt proces-verbaal opgemaakt.
In de uitspraak van de herkeuringscommissie ten aanzien van
het al of niet voldoen van den voorraad of van de fourage aan
de bij dit contract bepaalde vereischten, moet, zoowel van de
zijde van den aannemer als van die der commissie, bij art. 10
bedoeld, worden berust, met renunciatie aan alle verdere reclame
of beroep op den rechter.
De artt 14—23 handelen over het opmaken van proces-
verbaal, de beboetingen van den aannemer, de wijze waarop hij
wordt betaald, zijn verplichtingen, enz.
§ 258. De drank.
De beste drank is het water; geen vloeistof kan den dorst
stillen, waarvan dit niet het voornaamste bestanddeel uitmaakt.
Goed drinkwater is, evenals voor den mensch, ook voor het
paard van overwegend belang. Er ontstaan veel meer ziekten door
-ocr page 701-
675
slecht water dan men in liet algemeen vermoedt. De nadeelige
eigenschappen daarvan zijn dikwijls niet gemakkelijk te ontdekken;
vooreerst, omdat het water onberispelijk kan schijnen, zonder
kleur of reuk en zelfs van aangenamen smaak kan zijn en toch
voor de gezondheid gevaarlijk, en vervolgens omdat de schadelijke
werking zich meestal eerst langzamerhand openbaart. Een nauw-
keurig, gedurig herhaald onderzoek van het water is daarom
noodzakelijk. Vooral dat uit pompen in de nabijheid van oude
stallen, waarvan de bodem geïnfecteerd is, bevat niet zelden voor
de gezondheid schadelijke bestanddeelen.
Het water moet frisch, koel (103 — 12D C), helder en reukeloos
zijn, een zuiveren, niet onaangenamen smaak hebben, eenige
dampkringslucht en koolzuur en enkele minerale stoffen, waaronder
keukenzout en dubbel koolzure kalk, bevatten en vrij zijn van
organische of andere schadelijke bijmengselen. Alleen door een
nauwkeurig chemisch, microscopisch en bacteriologisch onderzoek
kan de deugdelijkheid van drinkwater worden bepaald.
Zeer koud water kan, door plotselinge afkoeling der inwendige
organen, gevaarlijk worden, vooral als het in groote hoeveelheid,
gulzig gedronken wordt, het lichaam verhit en de maag ledig is.
Zulk water moet men daarom vooraf eenigen tijd aan de zon
blootstellen of het met den arm, onder toevoeging van wat meel,
omroeren of eindelijk met een kleine hoeveelheid warm water
vermengen.
Het gulzig drinken kan men voorkomen door eenig hooi op
het water te leggen of het paard over de stang of de trens te
laten drinken.
Het verdient aanbeveling aan zeer verhitte paarden eenig droog
voeder te geven, alvorens ze te laten drinken en ze daarna dadelijk
weder in beweging te brengen. Een koude dronk doet in den
regel geen nadeel, wanneer de huid goed blijft functionneeren.
Het is dan ook onnoodig de paarden na vermoeienissen zoolang
te laten dorstlijden, tot zij in den stal volkomen droog zijn ge-
worden; ademhaling en circulatie moeten echter bedaard zijn.
Bemerkt men evenwel, dat na het drinken koortsrilling, overeind
staan der haren en koliek ontstaan, dan geve men het paard
matige beweging, ten einde de huid werkzaamheid aan te zetten.
De gewoonte oefent ook hier een machtigen invloed uit; sommige
paarden zijn zoo gehard, dat zij in verhitten toestand zelfs ijskoud
water zonder nadeel verdragen.
-ocr page 702-
070
In den winter moet het water dadelijk na het pompen worden
toegediend, daar het door blootstelling aan de buitenlucht, nog
kouder zou worden.
Laat men het water langen tijd staan, dan vermindert zijn
koolzuurgehalte, het wordt flauw en smakeloos; geschiedt dit in
met veel paarden bezette stallen, dan kan het bovendien schade-
1\'yke eigenschappen verkrijgen.
Warm water verfrischt niet, het verslapt; het paard houdt
ook niet van warme dranken, doch laat deze meestal eerst be-
hoorlyk afkoelen.
Het best is goed pompwater of water uit een loaterleiding.
Water uit open putten
kan evenzeer goed zijn, doch bevat in
sommige gevallen in omzetting verkeerende organische stoften.
Het wordt in Indië gewoonlijk aan de troepenpaarden gegeven
en schijnt over het algemeen zeer te voldoen; evenwel is het
water in de hooger gelegen garnizoenen beter dan in de strand-
plaatsen. Regenwater is dikwijls met stof, schadelijke gassen,
organische zelfstandigheden, in enkele gevallen ook met lood ver-
ontreinigd. Stroomend water is, onder overigens gelijke omstan-
digheden, boven stilstaand, bijv. dat van vijvers, moerassen, enz.
te verkiezen. In de nabijheid van steden bezit het afstroomend
water echter gewoonlijk zeer nadeelige eigenschappen. Doch ook
liet water boven de stad, bijv. rivierwater, kan troebel, slibbig zijn
en of door het paard worden geweigerd, óf tot ziekte aanleiding
geven. Vooral liet z.g. brakke water, d. i. rivier- of grondwater
met zeewater gemengd, is nadeelig; het Rotterdamsche Maaswater
bijv. is in dit opzicht genoegzaam bekend. Ditzelfde geldt van
het zeewater, dat trouwens alleen in geval van nood gedronken
wordt; digestiestoornissen, bloedpissen, zelfs de dood kunnen
hiervan het gevolg zijn.
Het water kan ook z.g. hard zijn; dit wordt veroorzaakt door
een te groot gehalte aan zouten, vooral koolzure en zwavelzure
verbindingen van kalk en magnesia. Het paard houdt in den
regel meer van zacht water, docli gewent zich spoedig aan het
harde. Bij langdurig gebruik hiervan kunnen pis- en darmsteenen
ontstaan.
De behoefte aan drank is zeer verschillend en regelt zich naar
het watergehalte van het voedsel, de temperatuur, den arbeid,
den ouderdom en vooral naar de gewoonte. Zij kan hiernaar
vier- tot zesvoudig verschillen; gemiddeld wordt echter per dag,
bij droog voeder, 20-30 liter water gebruikt.
-ocr page 703-
677
Hoe droger en wanner de lucht is, hoe meer arbeid verricht
wordt, des te grooter zal de dorst zijn; hoe meer een paard
gewoon is te drinken, des te sterker zal de behoefte daaraan zich
telkens doen gevoelen. Bij sommige ziekten, bijv. louterstal, is
de dorst belangrijk verhoogd, soms zoodanig, dat een paard per
dag 9 emmers water zou uitdrinken. In dergelijke gevallen, mag
de dorst nimmer volkomen worden gelescht.
Paarden die steeds veel drinken zijn gewoonlijk slap; bij het
entraineeren van renpaarden geeft men niet meer water dan strikt
noodig is.
In het algemeen laat men een paard driemaal daags drinken
(zie Reglement op den inwendige» dienst der cavalerie, art. 66), op rei
echter meer en gewoonlijk totdat het verzadigd is.
In Indië drenkt men de troepenpaarden des voormiddags te
10 en des namiddags te 4 uur, en meestal ook één uur na het
inrukken, vooral wanneer de marsch vermoeiend en het weder
warm was. In het algemeen drinken de paarden er weinig, wat
aan de grasvoedering is toe te schrijven.
liet is niet goed onmiddellijk na het gebruik van haver water
te geven, omdat dit de haver uit de maag spoelt, het maagsap
verdunt en de maagvertering dus niet tot haar recht komt.
Wanneer de maag gevuld is met moeielijk verteerbaar, opzwellend
voedsel, bijv. rogge, of met sappig groen voeder, bijv. jonge
klaver, moet men het drenken eenigen tijd uitstellen, ten einde
gistingsprocessen in de maag te voorkomen. Bij zeer dorstige
en sterk zweetende paarden stilt men den dorst eerst lang-
zamerhand.
§ 259. De specerijen.
Hiertoe behooren voornamelijk het keukenzout en bittere, spece-
rijachtige middelen.
Het keukenzout komt in de gewone voedingsmiddelen in ge-
noegzame hoeveelheid voor, zoodat een afzonderlijke toevoeging
daarvan, onder normale omstandigheden, minstens overbodig is.
De in Frankrijk met militaire paarden genomen proeven hebben dit
voldoende aangetoond. Gedurende twee jaar kregen 3000 paarden
dagelijks ongeveer 20 — 40 gram keukenzout en het resultaat was,
dat dit volstrekt geen invloed uitoefende, noch tot bevordering
der gezondheid, noch tot voorkoming van ziekte. Zelfs werd het
ongezouten voedsel verkozen boven het ration, dat met 40 gram
zout vermengd was.
-ocr page 704-
678
Bij zeer moeielijk verteerbaar of bij verslappend voedsel of
ook wanneer de digestie verzwakt is, kan een tijdelijke verstrek-
king van keukenzout nuttig zijn. Bij aardappelvoedering bijv. zou
dit gewenscht zijn, o. a. ook omdat door het groote kaligehalte
der aardappelen keukenzout aan het lichaam wordt ontrokken.
Het geven van z.g. zoutliksteenen in de krib, wat dikwijls is
aanbevolen, kan tot het aanleeren van ondeugden, bijv. kribbe-
byten, aanleiding geven.
De bittere, specerijachtige, z.g. maagversterkende middelen zijn bij
een gezonde, krachtige spijsvertering overbodig; alleen, indien
deze door eenige omstandigheid verzwakt is, kan een tijdelijk
gebruik hiervan voordeel opleveren.
-ocr page 705-
DERDE HOOFDSTUK.
DE LUCHT.
§ 2C0. De uestanddeelen der lucht.
De dampkringslucht bestaat (zie § 40) hoofdzakelijk uit twee
gassen, stikstof en zuurstof, waarbij in geringe en veranderlijke
hoeveelheid koolzuur en waterdamp voorkomen. Bovendien kunnen
als toevallige en dikwijls schadelijke bijmengsels aanwezig zijn:
ammoniak, kooloxyde, koohcaterstof, zwavelwaterstof, reukstoffen van
planten en stof van allerlei aard.
Van de eerstgenoemde gassen is de zuurstof noodig tot behoud
van het leven, de stikstof tot verdunning der lucht; in enkel
zuurstof ware geen leven bestaanbaar. Het gehalte der lucht aan
zuurstof is, ondanks haar verbruik door het organismus, nage-
noeg overal hetzelfde; het zijn de planten die hierin voorzien,
daar zij, onder den invloed van licht, zuurstof vormen. Slechts
zeer zelden komt zij in onvoldoende hoeveelheid voor; in over-
vulde stallen, nabij verzamelplaatsen van meststoffen, enz. kan dit
echter het geval zijn. De gevolgen daarvan komen op den duur
met die van geheele onthouding der lucht overeen.
Een zeer klein gedeelte der zuurstof komt voor als ozon; het
meest bevindt zich dit in de lucht na onweder en in boschrijke
streken, maar in het algemeen het minst in het voorjaar. In de
stallen, zelfs de beste, ontbreekt ozon gewoonlijk volkomen. Het
bezit een sterk oxydeerend vermogen, gaat rotting en omzetting
tegen, prikkelt de ademhalingsorganen en oefent stellig grooter
invloed op ziekte en gezondheid uit, dan men tot heden met
zekerheid kon aantoonen.
Waterdamp ontbreekt nooit in de lucht; ziin hoeveelheid
verschilt echter naar haar temperatuur en drukking. Hoe warmer
de lucht is, des te meer waterdamp kan zij opnemen. De invloed
van den waterdamp op de gezondheid zal in de volgende § worden
besproken.
-ocr page 706-
•
(380
Het koolzuur ontstaat, behalve bij de ademhaling, dooi\' gisting,
rotting, verbranden van koolstofhoudende lichamen, enz. Geschiedt
de ademhaling in een afgesloten ruimte, dan verliest de lucht
allengs meer haar zuurstof en krijgt daarvoor koolzuur in de
plaats. Eindelijk wordt zij zoo overladen met koolzuur, dat zij
het leven niet meer kan onderhouden; er ontstaan ademhalings-
bezwaren en ten slotte de dood.
Op het vrije veld bedraagt het koolzuurgehalte der lucht on-
geveer Vioooo van naar volume, in de nabijheid der zee slechts
\'ïoooo\' \'n afgesloten ruimten, als stallen, is het koolzuurgehalte
steeds veel hooger; men houdt de stallucht voor normaal, wanneer
deze 25-3C\'ioooo van haar volume aan koolzuur bevat. Wordt dit
gehalte echter overschreden, dan moet de lucht als bedorven
worden aangemerkt; i0\'|0ooo volumedeelen geldt als uiterste grens,
welke kan worden toegestaan.
Ammoniak en ammoniumverbindingen komen steeds in de lucht
voor, doch in zeer geringe hoeveelheid, namelijk in een millioen
deelen lucht 1 — 43 deelen; de stallucht kan daaraan echter
betrekkelijk rijk zijn. Zij ontstaan voornamelijk door omzetting
van stikstofhoudende organische zelfstandigheden en worden aan
de lucht onttrokken door de planten en den regen. Tot de
gevaarlijkste omzettingsprocessen behoort stellig de ammoniacale
rotting; de hierbij zich ontwikkelende zwavelwaterstof, ammoniak
en ammoniakderivaten kunnen ziekten der ademhalingsorganen,
der oogen, enz. veroorzaken. Gelijktijdig ontstaan zwammen, welke
tot infectieziekten aanleiding kunnen geven.
Kooloxydegas bevindt zich meestal slechts in uiterst geringe
hoeveelheid in de lucht; het ontstaat bij onvolkomen verbranding
van koolstofverbindingen. Reeds •ƒ,, •/„ van dit gas in de lucht
veroorzaakt na eenigen tijd bedwelming, terwijl \'/s—\'/t €/o \'n
korten tijd en 4—5 (!0 bijna oogenblikkelijk den dood ten gevolge
heeft. De z.g. kolendamp is een mengsel van kooloxyde, koolzuur
en koolwaterstofgas; zijn gevaarlijke werking bij den mensch is
genoegzaam bekend. Ditzelfde geldt van het lichtgas.
Koolwaterstofgas is een moerasgas, dat zich vormt door rotting
van plantaardige zelfstandigheden onder water.
Zwavelwaterstofgas ontwikkelt zich bij rotting van organische
stoffen, bijv. in riolen.
Een nadeelige werking van de, in de lucht voorkomende,
reukstoffen der planten is bij paarden niet bekend.
-ocr page 707-
68t
In de nabijheid van fabrieken kunnen zich nog talrijke andere
schadelijke stoffen in de lucht bevinden.
De zuiverste lucht bevat een meer of minder groote hoeveelheid
stof. Het bestaat uit microscopisch kleine deeltjes, levenloos of levend.
Onder de levenlooze stofdeeltjes spelen vooral die van minerale
afkomst een groote rol; ook stoffen van organischen oorsprong,
van dieren of planten komende, behooren daartoe. Mechanisch
kunnen die stofdeeltjes tot ziekten aanleiding geven.
Van veel meer belang is het levend gedeelte van stof, dat
vooral in de laatste jaren als verval-, gisting- of «eiie-verwekkend
agens zoozeer de algemeene aandacht heeft getrokken.
Die levende, zeer weinig ontwikkelde, lagere organismen
vormen zich vooral waar rotting of ziekte bestaat; ze ontstaan
niet, zooals men vroeger meende, uit levenlooze voorwerpen
(heterogenesis), ze vermenigvuldigen zich echter in den trant der
hooger staande levende wezens.
Ze leven op gestorven {saprophytisme) of levende lichamen
{parasitisme).
De hoofdgroepen der bedoelde lagere organismen zijn: draad\'
schimmels {hyphomyceten)
, spruitzioammen {saccharomyceteri) en splijt-
zwammen (schizomyeeteiï).
De eerstgenoemde hebben speciaal verval ten gevolge, de spruit-
zwammen doen in hoofdzaak de gisting ontstaan, de splijtzwammen
{bacteriën, enz.) zijn de meest gevaarlijke, aangezien haar ontwik-
keling, vermenigvuldiging en productie van stoffen tot ziekten
aanleiding kunnen geven. De ziekte-oorzaak is daarbij van het
eene individu op het andere over te dragen {smetstof, contagium).
In alle met paarden gevulde stallen wordt de lucht onzuiver en
bedorven; zij neemt namelijk de uitademingsstoffen van longen en
huid op en tevens de omzettingsproducten van urine en mest.
De verhouding van de zuurstof tot de stikstof blijft wel dezelfde,
doch het gehalte aan koolzuur neemt toe; zij bevat bovendien
andere schadelijke gassen, waaronder ammoniakgas en dierlijke
uitwasemingsstoffen , is met waterdamp overladen en heeft gewoon-
lijk een hooge temperatuur.
Het ontstaan dezer bedorven stallucht hangt echter van vele
omstandigheden af: vooreerst van de inrichting van den stal,
namelijk zijn ruimte, ventilatie, rioleering, enz., vervolgens van
het aantal paarden en den duur van hun verblijf daarin, daarna
van de temperatuur in en buiten den stal en eindelijk van de wijze
van voedering.
•
-ocr page 708-
682
Het nadeel van zoodanige lucht hangt af van den graad van
liet bedeif en den duur van haar inwerking. Een langdurig ver-
blijf hierin stoort de ademhaling en bloedvorming en verzwakt de
dieren, zoodat zij voor ziekmakende invloeden zeer gevoelig worden
en eenmaal ontstane ziekten ongunstig verloopen. Doch ook geheel
zelfstandig brengt bedorven, met ammoniakgas bezwangerde lucht
ziekten teweeg.
8 261. De physische eigenschappen deu lucht.
De physische eigenschappen der lucht, die invloed op de ge-
zondheid kunnen uitoefenen en daarom hier in aanmerking komen,
zijn: de drukking, de temperatuur, het licht, de vochtigheid en de
wind. Zij vormen met den invloed van jaargetijde, bodem en water
het eigenlijke klimaat.
1°. De drukking der lucht. De betrekkelijk geringe dagelijks
sche barometerschommelingen zijn in het algemeen voor de ge-
zondheid van geen merkbare beteekenis. Wel komen er bij zeer
afwisselende luchtdrukking meer ziekten voor, doch het is onzeker
of deze hieraan dan wel aan de vele andere, tevens in den
dampkring plaats vindende veranderingen zijn toe te schrijven. Bij
een snel afnemen der drukking ontwijken vele schadelijke stoffen
uit den bodem en verontreinigen de lucht.
2°. De temperatuur der lucht. Men noemt deze gematigd bij
-f-12°—17° C, heet, als zij boven 23\' C. stijgt, en koud, wanneer
zij onder 5° C. daalt.
Dat het paard in staat is zijn lichaamstemperatuur op nagenoeg
gelijke hoogte te behouden, ondanks het verschil in warmte der
omringende lucht, is in § 40 reeds aangetoond. Het kan daardoor
in verschillende klimaten leven.
Het paard houdt meer dan eenig ander huisdier van warmte,
maar is daarentegen ook liet gevoeligst voor koude; dit geldt
vooral van het edele paard. Vette, krachtig gevoede paarden
verdragen de koude beter dan zwakke, slecht gevoede en zieke-
lijke; de eerste bezitten meer materiaal tot warmtevorming, terwijl
het vet een slechte warmtegeleider is.
Het best is een stal warmte van 15° C, welke echter van
123—17\' C. kan schommelen. Een hoogere temperatuur zet de
huidfunctic te veel aan en geeft licht tot verkoudheid aanleiding;
bij een lagere verminderen de voedingstoestand en de krachten
(tenzij hierin door een ruimere voeding wordt voorzien), de dieren
-ocr page 709-
(583
krijgen liim winterhaar, waardoor zij bij den arbeid spoedig
zweeten en vermoeid worden.
Een hooge temperatuur versnelt het levensproces, doch werkt
afmattend en verslappend; de uitwaseming wordt vermeerderd,
de dorst verhoogd, de eetlust vermindert, het ademen geschiedt
sneller doch minder volkomen, er wordt minder koolzuur uitge-
ademd, het bloed wordt donkerder, minder vloeibaar, hoopt zich
gemakkelijk op in de buiksorganen en bezit groote neiging tot
omzetting. Duizeligheid, zonnesteek, sommige huidziekten, diges-
tiestoornissen, enz. kunnen van groote hitte het gevolg zijn.
Een warme stal is veel gevaarlijker dan dezelfde of een hoogere
temperatuur der buitenlucht; de ophooping van dierlijke uitwase-
mingsstolïen en uitwerpselen, het overladen der lucht met water-
damp, schadelijke gassen en ontledingsproducten zijn hiervan wel
de voornaamste oorzaken.
Tegen te groote warmte kan men de paarden beschutten door
doelmatige, luchtige, ruime stallen, koele dranken en licht ver-
teerbaar voedsel. Het sprenkelen van zuiver water, beter nog van
carbol water, in de stallen verdient bij een hooge temperatuur
aanbeveling.
Een matig koude lucht prikkelt en versterkt; de spijsvertering
geschiedt levendig, de stofwisseling neemt toe, het bloed wordt meer
arteriëel en circuleert regelmatig. Groote koude doet echter het
levensproces afnemen; zij drijft het bloed allengs naar de inwendige
deelen en doet de uitwendige verstijven. De warmteproductie
vermindert, pols en ademhaling worden langzamer en eindelijk
kan, hoewel dit zelden voorkomt, de dood door bevriezen volgen.
Wanneer de paarden zich vrij kunnen bewegen en genoeg
voedsel bekomen, kunnen zij tamelijk groote koude verdragen;
vooral is dit het geval bij sterke, koudbloedige rassen.
Hoewel de periodieke temperatuurswisseling, zooals zij dagelijks
en met ieder jaargetijde plaats vindt, zeer voordeelig is voor de
gezondheid, is elke plotselinge overgang echter, in ons klimaat
voornamelijk van warmte tot koude, nadeelig en kan het vatten
van koude ten gevolge hebben.
3°. Het licht. Dit werkt versterkend op het geheele organis
mus; vooral in het oog vallend is zijn invloed op het haar, dat
hierdoor een glanzend en gezond aanzien verkrijgt.
Aanhoudende duisternis maakt de paarden traag en krachteloos,
hoewel zij er schijnbaar goed gevoed uitzien; zij verzwakt de oogen
en maakt deze voor lichtsindrukken zeer gevoelig. Dit laatste
-ocr page 710-
684
geschiedt echter evenzoo door schel licht, vooral dooi\' direct in
de oogen vallende zonnestralen. Doch ook teruggekaatst licht
door witte muren, sneeuw, enz., werkt nadeelig en kan tot blind-
lieid, duizeligheid, enz. aanleiding geven. Een snelle afwisseling
van licht en schaduw, zooals bij het rijden in een laan soms
voorkomt, kan evenzoo oorzaak zijn van duizeligheid.
De stal moet helder verlicht zijn, doch, zoo noodig, bijv. tot
afweren van vliegen, donker gemaakt kunnen worden. Is deze
steeds donker, dan is hij gewoonlijk ook vochtig, bedompt en
voor de gezondheid nadeelig.
4°. De vochtigheid der lucht wisselt bestendig naar den tijd
van den dag en het jaar, doch is ook aan vele toevallige ver-
anderingen onderhevig. De plaats en de nabijheid van water,
vooral van de zee, oefenen daarop grooten invloed uit. Hoe
warmer de lucht is, des te meer water kan zij in gasvorm op-
nemen; koelt een met waterdamp verzadigde lucht af, dan ont-
staan nevel en wolken.
Een warme, droge lucht werkt minder nadeelig dan een
koude, droge of een vochtige lucht; in het eerste geval wordt
door vermeerderd zweeten gewoonlijk een aangename afkoeling
teweeggebracht. Droge lucht van gemiddelde temperatuur bevordert
de stofwisseling en alle levensfuncties; vochtige lucht onderdrukt
deze, vooral ook de huid- en longuitwaseming. Zeer schadelijk
is de vochtige lucht in moerassige streken; daarentegen is een
vochtige zeelucht gezond. Het nadeeligst werkt de vochtigheid
der lucht bij Iangdurigen regen en bij mist, zoowel direct op de
ademhalingsorganen als indirect door voedselbederf.
5°. De wind reinigt den dampkring en werkt in zooverre
gunstig, maar hij bemoeielijkt de ademhaling en onttrekt aan het
lichaam warmte; ook kan hij miasmen of smetstoflen aanvoeren.
Een droge, warme wind verhoogt de huidwerkzaamheid en ver-
slapt; een droge, koude wind daarentegen koelt sterk af en kan,
bij in het zweet gereden paarden, gemakkelijk tot het vatten van
koude aanleiding geven. De oosten- en noordoostenwind is in
dit opzicht het meest te vreezen. Geen stal is zoo verzekerd,
dat de wind daarin niet kan doordringen en zijn ongewenschten
invloed uitoefenen.
Wat de wind in het vrije is, is de tocht in den stal. Hoewel
ook hieraan, als reinigingsmiddel, nut moet worden toegekend,
is hij toch zeer gevaarlijk, daar hij zoo licht verkoudheidsziekten
veroorzaakt.
-ocr page 711-
685
Men kan de paarden tegen den wind beschuiten door ze,
vooral tegen den wind op, langzaam te laten bewegen of door
hen, als ze lang moeten staan, te bedekken en met het achterste!
naar den wind te plaatsen.
6°. Het jaargetijde. De wisseling der jaargetijden oefent een
belangrijken invloed uit op de gezondheid, niet alleen door de
verschillende weersgesteldheid, maar dikwijls ook door de wijziging
die het voedsel ondergaat, en door de geheel veranderde leef- en
voedingswijze. Kik jaargetijde heeft zijn eigenaardige ziekten.
In het voorjaar, wanneer de geheele natuur tot een nieuw
leven ontwaakt en de gesteldheid van den dampkring aan groote
wisseling onderhevig is, ontstaan licht verkoudheidsziekten; hier-
toe kan ook het verharen bijdragen.
De eerste helft van den zomer is voor de paarden meestal
gezond, in de tweede helft echter lijden zij dikwijls door de
warmte en droogte; de lucht in de stallen bederft dan gemakkelijk,
het voedsel in de weiden is veelal schaars en bovendien zijn de
insecten een ware plaag. Vooral op hooge, droge gronden doen
zich de nadeelige gevolgen gevoelen, minder langs de zeekusten.
In den herfst krijgen de paarden hun winterpels, waarbij zij,
evenals bij het verharen in het voorjaar, dikwijis aan stoornis van
den eetlust en aan zuchtige zwelling der ledematen, voornamelijk
der achterbeenen, lijden; zij zijn dan niet zelden slap, zweeten
licht en vatten gemakkelijk koude. Vooral geschiedt dit, wanneer
de gevoeligheid der huid door dekens en poetsen nog bijzonder ver-
hoogd is. Groote voorzichtigheid is onder deze omstandigheden
aan te raden.
De winter is in liet algemeen voor het paard gezond, wanneer
de overige omstandigheden, als stallen, voedsels, enz. slechts geen
nadeeligen invloed uitoefenen. Gevaar ontstaat hoofdzakelijk, in-
dien de paarden uit een warmen, bedompten stal, zonder deken,
naar buiten worden gebracht.
-ocr page 712-
VIERDE HOOFDSTUK.
DE STALLING EN VERZORGING VAN HET PAARD.
§ 2G2. De stal.
De stal moet het paard niet alleen voor weersinvloeden be-
schutten en een goede rustplaats bieden, maar ook gelegenheid
geven het op een doelmatige wijze te voederen en te verzorgen.
Hij behoeft niet fraai te zijn, doch dient zoodanig ingericht,
dat hij zuivere lucht bevat, behoorlijk verlicht en rein is en den
nadeeligen invloed van dierlijke uitwasemingen en ontlastingen
zoo min mogelijk doet gevoelen; eindelijk moet hij voldoende
ruimte bezitten en de noodige inrichtingen, opdat de dieren zich-
zelf of elkander niet beleedigen.
De volgende zaken zullen achtereenvolgens, doch beknopt,
worden beschouwd: de ligging van den stal en zijn omgeving,
de grootte eri afmetingen, de buitenmuren met bodem en zolder,
de riolen, de deuren en vensters, voornamelijk ten opzichte van
tocht en ventilatie, de verdeeling der ruimte, de standen, de
wijzen van bevestiging, de ruiven en de kribben.
Een stal moet droog liggen en de vloer dient iets hooger te
zijn dan de naaste omgeving, opdat de urine behoorlijk afvloeie
en geen vocht van buiten af indringe. Evenmin mag uit den
bodem vocht langs de muren kunnen opstijgen.
Omtrent de plaatsing van den stal naar de hemelstreken zijn
moeielijk regels aan te geven, daar zij van locale omstandig-
heden en bijzondere inzichten afhangt. Liefst zou men hem zoo-
danig bouwen, dat hij in den zomer koel en in den winter warm
is; verder dat geen schel licht of tocht of veel insecten de paarden
hinderen. Een plaatsing van den voorgevel van den stal, waarin
de deuren en vensters zijn aangebracht, naar het Noorden
-ocr page 713-
687
Noordoosten of Oosten is over liet geheel te koud, naar het Zuiden
of Zuidwesten te warm, naar liet Westen te vochtig; in dit laatste
geval heeft men bovendien veel last van insecten. Toch wordt
de laatste richting dikwijls verkozen, omdat de temperatuur van
den westenwind het gel\'y\'kmatigst is; in andere gevallen geeft men
hem een zuidoostelijke ligging.
Liefst moet een stal niet door groote gebouwen ingesloten zijn,
omdat daardoor lucht en licht worden geweerd; evenwel is een
beschutting aan de noord- en oostzijde voordeelig.
De grootte van den stal, in het bijzonder zijn inwendige
hoogte en ruimte, is van onmiddellijken invloed op de zuiverheid
der daarin aanwezige lucht, op haar temperatuurs- en vochtig-
heidsgraad.
Een zeer groote stal is te koud, niet alleen in den winter,
maar ook in den zomer voor paarden, die bezweet van den arbeid
komen. Een kleine, lage stal is te warm en wordt door lucht-
bederf gemakkelijk nadeelig. De hoogte moet geregeld worden
naar het aantal paarden; in kleine stallen is een hoogte van
3,5 M. voldoende, in stallen voor 1G—20 paarden moet zij 4,5 M.
bedragen en in nog grootere stallen zelfs 5 M.
De lengte en breedte der stallen hangt af van het aantal en de
grootte der standen, gangen, bergplaatsen voor voedsel, stalge-
reedschap, enz. Wij komen daarop later terug.
De buitenmuren moeten uit poreuze steenen zijn opgebouwd en
droog zijn, zoodat de lucht er doorheen kan dringen, terwijl zij de
warmte toch slecht geleiden. Droge steenen belemmeren tevens de
salpetervorming, welke door omzetting van dierlijke uitwerpselen,
bij vochtigheid en warmte, ontstaan kan. Deze wordt echter be-
gunstigd door steenen, welke zoo poreus zijn, dat zij vocht en
organische stoffen doorlaten.
Nieuwe stallen mogen niet in gebruik worden genomen, vóór
zij volkomen droog zijn, anders drogen zij meestal nooit meer op.
De zolder moet zoodanig z\'yn, dat de stal in den winter warm
blijft en de uitwasemingen niet in het daarboven liggende voedsel
kunnen ontwijken, daar dit hierdoor zou bederven. De dampen
moeten langs goede ventilatie-inrichtingen een uitweg vinden.
Houten zolders zijn daarom niet te verkiezen, te meer, daardoor
de reten dikwijls stof op de paarden valt; dubbele houten zolders
zijn verzamelplaatsen voor muizen. De horizontale plafonds van
gips zijn gewoonlijk niet bestand tegen de vochtigheid. Dikwijls
gebruikt men zolders, die bestaan uit boogvormig metselwerk
-ocr page 714-
688
tusschen ijzeren binten, z.g. trogwulfjes; deze beliooren nog tot
de beste, ook met het oog op brandgevaar. Indien echter niet op
een andere wijze voor behoorlijke ventilatie gezorgd is, slaat zich
de waterdamp, vooral in den winter, hierop neer en druipt het
dus op de paarden en wat er verder in den stal aanwezig is;
bovendien heeft het ijzerwerk dan veel te lijden.
Wat het dak betreft, zij hier slechts opgemerkt, dat daarbjj
aan een goede ventilatie moet worden gedacht en dat in het
algemeen pannen* en leiendaken boven zinken te verkiezen zijn.
Den bodem der standen heeft men liefst zoodanig, dat hij,
bij weinig ligstroo, een gemakkelijke, warme ligging verschaft,
het beslag beschut, de urine goed laat afvloeien, gemakkelijk
gezuiverd kan worden, ondoordringbaar en eindelijk duurzaam en
goedkoop is. Op zeer verschillende wijze heeft men getracht aan
die eisenen te voldoen, doch het is niet mogelijk al deze eigen-
schappen te vereenigen.
Het best is nog een vloer van hard gebrande klinkers óf in
een enkele óf, wat te verkiezen is, in een dubbele laag. In het
eerste geval legt men de klinkers op hun kant in kalk of cement;
in het laatste legt men de onderste laag plat, de bovenste op
den kant.
Tot beschutting der voorbeenen heeft men vóór de krib wel
een breede eiken plank aangebracht, doch deze is te glad en
moet bovendien bij onrustige paarden en bij hengsten en ruinen,
welke hun urine naar voren ontlasten, dikwijls vernieuwd wor-
den. Hoewel in mindere mate, zijn deze nadeelen toch ook ver-
bonden aan een bevloering van het voorste derde gedeelte met
vier- of zeshoekige houten blokjes.
Een vloer van vierkante, gehouwen of van keisteenen is te
koud, te hard en te glad.
Een houten bodem is warm en beschut de ijzers, doch wordt
spoedig glad en ongelijk en moet dikwijls worden hersteld ; boven-
dien trekt de urine in het hout en de reten en wordt alzoo een
bestendige bron van ongezonde lucht. Bij overeind geplaatste
blokjes openbaren deze nadeelen zich intusschen veel minder dan
bij planken. Gecreosoteerd hout is kostbaar, doch veel duurzamer
dan gewoon hout.
Men maakt ook wel gebruik van meer wigvormige houtblokken,
die met den smallen kant naar boven zijn gekeerd (systeem
Ballard); deze worden aan de bovenzijde bestreken met een meng-
sel van scherp zand, cement en koolteer.
-ocr page 715-
689
Een vloer uit vastgeslagen aarde eischt gedurige vernieuwing
en veel ligstroo; de urine wordt daarin grootendeels opgenomen,
zoodat hij spoedig week en ongelijk wordt. Een leemen vloer is
beter, doch veelal te glad.
Vloeren van asphalt zijn glad, doch warm en gemakkelijk te
desinfecteeren; voor permanent strooisel zijn zij zeer geschikt.
In den laatsten tijd heeft men met goed gevolg vierkante, ge-
bakken trottoirtegels gebruikt, welke van boven communiceerende
sleuven bezitten en zeer hard zijn.
De bodem van den stal moet naar achteren slechts zooveel
afbellen, dat de urine behoorlijk kan afvloeien. Daartoe is een
verval van 2—\'S °/0 per meter of ongeveer 0—9 cM. op de geheele
lengte voldoende. Is de helling zeer sterk, bijv. 5 °/0, clan krijgt
het paard een gedwongen stand en glijdt gemakkelijk uit. Paarden-
koopers plaatsen hun paarden van voren meestal hoog, om de
voorhand schooner te doen uitkomen.
De goten en riolen zijn voor de gezondheid van groot belang,
daar zij dienen tot spoedige verwijdering van de urine en van
water tot reiniging gebruikt. De eerste loopen achter de standen;
het best zijn vlakke, goed met cement bestreken goten, met een
genoegzaam verval. Diepe goten moeten overdekt zijn; zij kunnen
moeielijker dan vlakke gezuiverd worden en geven daardoor niet
zelden tot luchtbederf aanleiding. De goten behooren in goed
gemetselde riolen te voeren, welke de urine snel naar buiten
geleiden, zonder dat. de omzettingsproducten hiervan zich in den
stal kunnen verspreiden. De urine mag in de open goten geen
langen weg afleggen; voor elke 6 M. goot is daarom minstens één
rioolput gewenscht. Deze rioolputten moeten met een ijzeren
rooster doelmatig zijn bedekt en een verborgen ligging hebben,
bijv. achter een latierpaal, zoodat de paarden er niet licht op
kunnen trappen. De goten en riolen dienen rein gehouden te
worden; het gedurig doorspoelen daarvan, liefst met carbolwater,
kan niet anders dan heilzaam zijn.
De deuren moeten, met het oog op brandgevaar, in voldoend
aantal aanwezig zijn. Voor groote stallen heeft men gaarne deur-
openingen van 3,2 M. hoogte en 2,5 M. breedte, zoodat een ruiter
desnoods, zonder gevaar, in den stal kan rijden en een gezadeld
of opgetuigd paard gemakkelijk kan in- en uitgaan of twee losse
paarden te gelijk naar buiten kunnen komen. Voor kleine stallen
stelt men zich gewoonlijk tevreden met een deur van 2,8 M.
hoogte en 1,5 M. breedte.
U
-ocr page 716-
690
Met best is een dubbele deur, daar een enkele van de ge-
wenschte breedte te zwaar zou worden. Zij moeten goed sluiten,
naar buiten opengaan, met haken vastgezet kunnen worden, doch
niet van zelf toevallen, daar dit tot beleediging aanleiding kan geven.
Schuifdeuren verdienen geen aanbeveling, daar zij dikwijls herstel
eischen. Beter zijn roldeuren, mits van boven op rollen loopende;
evenzoo zijn de gewone, op scharnieren draaiende deuren boven
de eerste te verkiezen. De daaronder gelegen dorpels mogen niet
verheven zijn.
Traliedeuren zijn van wege de ventilatie voor den zomer uit-
stekend; deuren van ijzergaas weren tevens de insecten.
De deurposten moeten, om beleedigingen door het tegenloopen
te voorkomen, afgerond zijn; nog beter is het, deze van een
gemakkelijk draaiende rol te voorzien. Al het ijzerwerk der deuren
moet ingelaten zijn.
Worden de deuren tot luchtverversching opengezet, zooals in
militaire stallen dikwijls geschiedt, dan moeten de deuropeningen
door middel van boomen afgesloten worden, zoodat losgeraakte
paarden niet naar buiten kunnen ontsnappen.
De vensters of ramen behooren zoodanig aangebracht te zijn
dat zij een goede verlichting van den stal toelaten, zonder dat het
licht onmiddellijk in de oogen valt. Het best is, dat het licht
van boven of van achteren komt; het eerste gaat echter ingroote
stallen met overwegende bezwaren gepaard en het laatste is
alleen bij één rij standen mogelijk. Bij twee rijen standen valt
het licht steeds van voren of van ter zijde in; de ramen moeten
dan zoo hoog mogelijk geplaatst zijn, zoodat het licht boven het
hoofd binnendringt.
De muren, vooral nabij de hoofden der paarden, mogen niet
wit zijn, daar zij dan de lichtstralen te veel terugkaatsen. Het
gebruik van matglas verdient aanbeveling.
Alle ramen moeten van jaloezieën, zonneblinden, luiken of gor-
dijnen zoodanig voorzien zijn, dat zij in den zomer licht en warmte
en daarmede insecten, in den winter de koude kunnen weren.
Daar de ramen in den regel niet alleen dienen om licht, maar
ook om lucht in te laten, moeten zij gemakkelijk geopend kunnen
worden. Het best zijn die, welke in hun bovenste helft schuin of
horizontaal naar binnen en van boven naar beneden geopend kunnen
worden (z g. scharnierramen), voornamelijk wanneer de zijgedeelten
hiervan door plaatijzer afgesloten blijven. Deze kan men bij alle
weer en wind gebruiken, zonder dat het tocht.
-ocr page 717-
691
Tuimelramen, die in het midden om een horizontale as draaien,
voldoen niet, omdat hun onderste helft niet gesloten blijft en
dus de koude lucht onmiddellijk de paarden treft.
Een hoofdvereischte voor een stal is de ventilatie. De bedorven
lucht moet steeds af- en versche aangevoerd kunnen worden,
zonder dat de paarden aan tocht zijn blootgesteld.
Bij een stal, die in alle opzichten, wat ligging, bouwmateriaal,
grootte der muuroppervlakte, ruimte, hoogte, riolen en ramen
betreft, aan de vereischten voldoet, is het zelden noodig voor
een bijzondere ventilatie zorg te dragen. In eiken stal vindt een
bestendige luchtwisseling plaats, die door de poreusheid der muren
en het niet nauwkeurig sluiten van deuren en ramen wordt
veroorzaakt. Deze natuurlijke of spontane ventilatie vermeerdert,
indien de wind op den stal staat, doch vermindert bij regen,
omdat de poreusheid der muren dan afneemt. Door het openen
van ramen en deuren kan, zooals reeds is opgemerkt, de venti-
latie bevorderd worden.
Er zijn echter stallen, waarbij deze natuurlijke ventilatie niet
voldoende is en dit is steeds het geval bij zulke, welke met een
groot aantal paarden bezet zijn en waar het ventileerend
muuroppervlak betrekkelijk klein wordt, zoodat de lucht, behalve
koolzuur, veel waterdamp en uitwasemingsstoflen bevat. Dan is
een kunstmatige ventilatie noodig. Daarvan zijn voor en na
verschillende methoden beproefd geworden, zonder dat men er
een heeft gevonden, die steeds aan alle eischen voldoet.
In hoofdzaak zijn twee stelsels in gebruik, namelijk het hori-
zontale en het verticale. Het eerste bestaat in het aanbrengen
van ronde of vierhoekige openingen in de buitenmuren. Deze
worden van buiten van traliewerk voorzien en inwendig van een
inrichting, om ze naar willekeur te kunnen sluiten. Zij moeten
een dwarse afmeting van 13 — 26 cM. bezitten en van binnen naar
buiten iets af hellen.
Deze eenvoudige openingen zijn op verschillende manieren ge-
wijzigd geworden, zonder daarom bijzondere voordeelen op te leveren.
Het verticale stelsel bestaat uit loodrechte buizen, z.g. lucht-
kokers, die van den zolder uitgaande, op het dak uitmonden en
aldaar van een kap voorzien zijn. De zolderopening moet wijder
zijn dan de bovenste en gemakkelijk afgesloten kunnen worden.
Een buis van 20 cM. diameter is voldoende voor een stal van
6 — 7 paarden; zoodra deze, bij gewone hoogte, meer dan 10 M.
lang is, is een tweede buis noodig. Zij moeten in het midden
-ocr page 718-
e92
van den stal worden aangebracht en ongeveer 0,5 M. boven liet
dak uitsteken, doch nooit op de nok van het dak uitkomen.
Dit stelsel is ook veel gewijzigd geworden. Zoo heeft men
de enkele buis door dubbele zinken, elkander omgevende, ver-
vangen, waarvan de inwendige nauwere meer onder den zolder
uitsteekt dan de buitenste wijdere (methode van Kinnel). Het
doel hiervan is in de eene buis versche lucht toe-, in de andere
bedorven lucht af te voeren. Om ditzelfde te bereiken, heeft men
ook een wijden houten koker door kruisvormig geplaatste planken
in vieren verdeeld (methode van Mum) en van twee afdeelingen
hiervan de buizen verlengd, zoodat zij onder den zolder uitkomen
(methode van Hou mann). Deze veranderingen hebben echter
niet voldaan.
In het algemeen is het verticale stelsel te verkiezen boven het
horizontale. Om bij het eerste den trek te bevorderen, heeft men
op onderscheidene wijzen beproefd de kokers meer als zuigtoestellen
te doen werken, doch over het geheel niet met het gewenschte
gevolg. Het best werken de kokers steeds, indien tevens nabij
den bodem van den stal voor toevoer van versche lucht gezorgd
wordt; er ontstaat dan echter tocht, tenzij hierin op een zeer
samengestelde en dure wijze wordt voorzien.
Van niet minder belang dan zuivere lucht is een regelmatige
en normale temperatuur. Deze mag tusschen 12" en 17" C. schom-
melen. Een warmere stal maakt het paard gevoelig, zoodat het
licht koude vat; een koudere schaadt voor de paarden, die er
in staan, doch hoofdzakelijk voor die, welke er bezweet in worden
gebracht. Nooit mag een hoogere temperatuur worden verkregen
door het dichtstoppen van deuren of vensterreten.
De standen worden bij groote stallen gewoonlijk aan de lange
zijde aangebracht en wel in één of twee rijen. Een stal met
één rij is te verkiezen, daar het licht dan van achteren invalt;
men maakt soms echter twee rijen, omdat dit minder ruimte
inneemt en het toezicht in den stal gemakkelijker maakt. Bij
twee rijen treft het licht echter meer de oogen en is de kans
grooter dat de paarden aan tocht zijn blootgesteld, wanneer de
ramen als ventilatoren worden gebruikt.
Is de stal in het midden door een muur verdeeld en zijn de
paarden met hun hoofden aan weerszijden naar dezen muur
gericht, dan heeft men natuurlijk geen tweeryigen stal, doch een
dubbelen eenrijigen.
-ocr page 719-
603
Een lange, doorloopende stal is meestal koud en tochtig; het
best is hem zoodanig in afdeelingen te splitsen, dat een enkele
rij niet meer dan 12, en de dubbele\'hoogstens 24 paarden kan
bevatten. Deze afdeelingen leveren tevens het voordeel op, dat
men bij sommige heerschende en besmettelijke ziekten, bijv. bij
goedaardigen droes, influenza, enz. de zieke paarden kan afzon-
deren.
De paarden worden door latierboomen of door houten schotten
van elkander gescheiden; soms ook staan zij in boxen. Hiernaar
verschilt de grootte der standen; bij latierboomen moeten ze ge-
middeld 16—1,75 M. en bij houten schotten 1,75—2 M. breed
zijn, terwijl de lengte, onder beide omstandigheden, de krib
medegerekend, 3,2—3,5 M. moet bedragen. De boxen moeten
minstens 9 M*. beslaan. De grootte der paarden komt hierbij
natuurlijk in aanmerking; kleine kunnen met een smalleren stand
volstaan, terwijl paarden van 1,85 M. en hooger, zelfs bij latier-
boomen, een stand moeten hebben van meer dan 2 M. breedte.
De latier- (van latus = zijde) of zweef\'hoornen moeten zoodanig
tusschen de paarden zijn opgehangen, dat zij zooveel mogelijk
beschutten tegen het slaan van naast elkander staande paarden
en tegen beleedigingen door het onder of over den latierboom
geraken.
Het plaatsen van boomen tusschen de paarden zóó, dat deze
van voren op de krib of de ruif en van achteren op den grond
rusten, is onvoldoende.
Men hangt de latierboomen zoo hoog aan touwen, kettingen of
gegalvaniseerd ijzerdraad, dat zij van voren tot het midden van
den onderarm en van achteren ongeveer 13 cM. boven hetsprong-
gewricht reiken. Zij worden van voren aan of nabij de krib en
van achteren aan latierpalen zoodanig bevestigd, dat zij 1°. naar
ter zijde beweeglijk zijn, ten einde het omkeeren in den stand
gemakkelijk te maken, 2°. tot ongeveer 2 M. van den bodem
verwijderd kunnen worden, indien een paard onder een latierboom
opspringt en 3°. spoedig losgemaakt kunnen worden of van zelf
op den grond vallen, wanneer een paard over den boom geraakt.
Daarvoor heeft men verscheidene constructies , waarvan de een-
voudigste (voor het achtereinde van den latierboom) bestaat uit
een houten haak en een ring, die langs het touw op en neer kan
glijden. Aan het einde van den latierboom is een lis om den
haak gelegd, zoodat deze den boom te dragen heeft. Indien men
den ring in de hoogte schuift, valt de haak en laat de lis glippen,
-ocr page 720-
694
zoodal deze den latierboom niet meer draagt. Overeenkomstige
inrichtingen heeft men uit kleine ijzeren kettingen en haken ge-
maakt, die voornamelijk van voren worden gebezigd.
Dikwijls geschiedt de bevestiging aan het vooreinde slechts door
een haak, die aan den latierboom en een ring, welke aan de
krib vastzit; men moet er dan steeds aan denken de punt van
den haak naar beneden te richten, daar deze het paard anders
zou kunnen beleedigen.
Het bevestigen van den latierboom aan den zolder, in plaats
van aan een latierpaal, verdient geen aanbeveling, daar hij dan
te beweeglijk is. Bovendien kan van de latierpalen dikwijls een
nuttig gebruik worden gemaakt, bijv. zooals in militaire stallen,
tot ophangen van het harnachement.
Daar de latierboomen nog niet voldoende tegen het slaan be-
schutten, voorziet men ze van achteren dikwijls van tot den
bodem reikende stroomatrassen of van houten borden; het laatste
verdient geen aanbeveling.
De latierboomen en palen moeten rond en glad geschaafd zijn;
de eerste worden aan hun voorste gedeelte, om het daarop bijten
der paarden te belemmeren, met plaatijzer of platkoppige \'spijkers
bedekt, terwijl men ze van achteren, ter voorkoming van belee-
digingen, evenals de ondereinden der latierpalen, gewoonlijk met
gevlochten stroo omwikkelt.
Beter dan latierboomen zijn houten schotten. Deze kunnen
vast of beweeglijk zijn; de vaste zijn te verkiezen. Zij moeten
ongeveer 1,4 M. hoog en van voren van ijzeren zwanenhalzen
voorzien zijn, zoodat de hoogte aldaar minstens 2 M. bedraagt.
De zwanenhalzen bestaan gewoonlijk uit staven, zoodat de paarden
elkander kunnen zien.
De boxen {loose boxes) zijn aan alle zijden afgesloten, zoodat de
paarden daarin los kunnen loopen. De houten wanden daarvan
moeten 1,5 M. hoog zijn en een ijzeren traliewerk van nagenoeg
gelijke hoogte dragen. De boxen behooren zoodanig ingericht te
zijn, dat men ze in twee standen kan scheiden. Daarin heeft
een paard ruimte om zich te verplaatsen; zij zijn echter het
duurst en nemen veel plaats in.
Onder paddocks verstaat men boxen, die in gemeenschap staan
met ruimten in de buitenlucht, waarin de paarden zich vrij
kunnen bewegen. In dierentuinen kan men ze zien; de omheinde
ruimte moet echter voor paarden minstens 400 M*. beslaan.
De gang achter de paarden moet bij een enkele rij minstens
3 M. en bij een dubbele rij 4,5 M bedragen. Vooral voor militaire
-ocr page 721-
695
stallen is een breede gang noodig, ten einde de paarden gemak •
keiijk te kunnen op- en afzadelen, ongehinderd te kunnen in- en
uitrukken en opdat de stalwachten behoorlijk hun staldienst kun-
nen verrichten.
De voederzolder mag niet in onmiddellijke gemeenschap staan
met de stalruimte, ten einde voedeibederf door de opstijgende
dampen te voorkomen.
Het bevestigen der paarden moet zoodanig geschieden, dat zij
zich eenigermate kunnen bewegen, gemakkelijk kunnen gaan
liggen en zich niet kunnen beleedigen. Op verschillende wijzen
vindt het plaats.
Bij rustige paarden bezigt men dikwijls een halster, die met een
of twee touwen of kettingen aan de ringen der krib is vastge-
bonden. Zijn de paarden evenwel onrustig, dan kunnen zij hierbij
met de beenen gemakkelijk over de, in een boog hangende touwen
of kettingen geraken. Om dit te voorkomen, heeft men deze los
door de ringen laten loopen en hun uiteinden zoodanig met
houten of ijzeren klossen bezwaard, dat zij steeds gespannen
blijven. De touwen zijn echter spoedig versleten en de kettingen
haken dikwijls en maken bovendien bij onrustige paarden, bijv.
wevers, zulk een geraas, dat men ook deze wijze van bevestiging
bijna algemeen heeft verlaten. Tegenwoordig gebruikt men meestal
een enkelen korten ketting of riem, die zich, door middel van
een ring, vrij langs een ijzeren staaf beweegt, welke zich onder
de krib tot den bodem uitstrekt. In plaats van deze staaf ziet
men ook wel onder de krib een ijzeren koker, waarin zich een,
van een metalen kogel voorzien, touw of riem op en neer be-
weegt. Deze koker gaat echter licht roesten. Beter voldoet daarom
een riem, die zich tusschen twee draaiende rollen, onder de krib
begeeft en aldaar door een gewicht in de laagte wordt getrokken.
Hetzij men een staaf of een koker bezigt, steeds moeten ze
zoodanig onder de krib verborgen zijn, dat het paard er met zijn
beenen niet tusschen kan geraken.
De halsters zijn boven de halsbanden te verkiezen, daar deze
niet de zekerheid aanbieden der eerste en gewoonlijk de manen
afschuren; toch zijn zij bij de troepenpaarden in Oost-Indië sedert
1871 in gebruik. Een bevestiging met kluisters om de kooten,
gelijk bij de Arabische paarden geschiedt, verdient geen aanbe-
veling.
Bij den halster moet de keelriem zoo hoog mogelijk in het kop-
stuk overgaan en niet met het bakstuk verbonden zijn; het kopstuk
-ocr page 722-
OOG
moet ver (ongeveer 9—12 e.M.) achter tle ooien liggen, waarom
men liever geen frontriem gebruikt en de neusriem moet zoo wijd
zijn, dat hij bij het eten niet hindert. Om het afstroopen tegen
te gaan, brengt men achter den halster een halsband of keelriem
aan, die daarmede op den nek vereenigd is. (Ditzelfde doet men
tegen luchtzuigen en haalt dan den keelriem vast aan). Aangezien
nu de oorspronkelijke keelriem en het kopstuk overtollig zijn,
heeft men deze (bij het afstroopen) ook weggelaten en de bak-
stukken ter hoogte van de oorklieren in den keelriem doen over.
gaan. De halster is dan zeer eenvoudig en maakt inderdaad het
afstroopen moeielijk.
Het is doelmatig bakstukken en neusriem van den halster te
verbinden door metalen ringen, waarin tot verschillende doeleinden
een knevel of haak kan worden opgenomen, bijv. om een paard
naar ter zijde op te binden, omgekeerd in den stand te plaatsen,
enz. Voor dit laatste brengt men aan de binnenzijde der Iatier-
palen, ongeveer 1,8 M. boven den grond, ingelaten ringen aan,
welke van korte touwen of riemen voorzien zijn, die aan hun
uiteinde een knevel of karabijnhaak bezitten, welke met genoemde
ringen van den halster of met eenig gedeelte van het gebit ver-
bonden kan worden.
Het ontwijken van paarden uit hun stand, na het afstroopen
van den halster, kan men beletten door den stand van achteren
met een touw, ketting of boom af te sluiten.
De ruiven bestaan uit hout of ijzer en zijn óf gemeenschappelijk
öf voor slechts één paard bestemd. De laatste, gewoonlijk van
ijzer en dan korfruiven genoemd, zijn de beste, omdat hierbij ieder
paard zijn voeder afzonderlijk ontvangt en ze gemakkelijk gereinigd
kunnen worden.
De houten ruiven moeten zich 30—40 cM. boven de krib be-
vinden en glad geschaafde spijlen hebben , die van onderen met
platkoppige spijkers beslagen zijn, om het afknagen door de paar-
den te beletten. Zij mogen niet zeer schuin staan, daar stof en
hooizaad dan te veel op het hoofd vallen.
De korfruiven hebben meestal gebogen spijlen, die, evenals de
houten, 5—8 cM. van elkander verwijderd zijn. Gewoonlijk brengt
men ze boven de krib aan, en dan even hoog als de houten
ruiven. Het eten uit een hooge ruif is echter slecht voor rug en
lenden; daarom is de plaatsing er van in een nis, die bijna
onmiddellijk boven de krib kan komen, aan te bevelen. Natuurlijk
moet de laatste dan op haar gewone plaats blijven. Indien de
-ocr page 723-
607
krib zich niet onder de ruif bevindt, zal veel fijn voedsel verloren
gaan. Dit is het geval met de van Kngelsche zijde aangeprezen
voedertafels, welke de plaats van de krib innemen. Zij bestaan
uit ijzer en bezitten naast elkander twee bakken, voor haver en
water, en een ruif.
De kribben worden van hout, ijzer, graniet, vasten zandsteen,
enz. vervaardigd. De houten zijn het minst te verkiezen; zij zijn
niet duurzaam, moeielijk schoon te houden, moeten aan de randen
met plaatijzer of platkoppige spijkers worden beslagen, om het
knabbelen te belemmeren en voor elk paard afscheidingen be-
vatten, opdat zij elkanders ration niet opeten. Dikwijls bedekt
men ze inwendig met verglaasde tegels of met asphalt of cement,
ten einde enkele der genoemde nadeelen te verminderen.
Zeer goed zijn hardsteenen kribben, doch \'ijzeren zijn gemak-
kelijker te desinfecteeren, bovendien goedkooper en dus te ver-
kiezen. Men geeft ze, om het reinigen gemakkelijk te maken,
een langwerpig-ronde gedaante. Zij moeten zoo diep z\'y\'n, dat
de paarden de haver er niet gemakkelijk uit kunnen werpen en
zoo breed, dat zij hun mond, zonder eenig bezwaar, wijd kunnen
openen. Men maakt ze daarom gewoonlijk 20—25 cM. diep, 35
cM. breed en 50—GO cM. lang.
De kribben zijn in den regel 1,1—1,3 M. hoog geplaatst, ge-
meten van den grond tot den bovenrand der krib; beter is het
echter de hoogte te regelen naar de grootte der paarden en den
bovenrand der krib te doen gelijk komen met den boeg. Lagere
kribben zijn gevaarlijk, daar de paarden er met hun voorbeenen
in kunnen geraken; toch brengt men ze bij kribbebijters soms
slechts 0,4—0,5 Af. boven den grond aan, om het steunen met
de tanden op de krib onmogelijk te maken. Te hooge kribben
geven tot vermorsen der haver en ook tot kribbebijten aanleiding;
bij jonge paarden kan daardoor het inzakken van den rug worden
bevorderd.
De ruimte onder de krib wordt dikwijls in schuine richting
met hout afgeschoten, zoodat de paarden er niet onder geraken
of (zooals bij een recht beschot) hun knieën beleedigen kunnen.
Ten einde deze plaats te kunnen reinigen of de halstei klossen
enz., te herstellen, moet dit beschot op een of andere wijze
kunnen worden geopend.
De stal moet, zoodra het donker is, op een doelmatige wijze,
zonder gevaar voor brand, kunnen worden verlicht.
-ocr page 724-
608
Hg moet steeds zindelijk worden gehouden, anders zal bij de
beste ventilatie toch luchtbederf ontstaan. Een eerste vereischte
is, dat mest en urine zoo spoedig mogelijk uit den stal worden
verwijderd of daarin althans geen nadeelige dampen verspreiden.
Men moet den stal telkens, als hij ledig is, luchten, nu en dan
uitschrobben, het houtwerk boenen en de muren en zolders af-
stoffen en witten. De glazen behooren elke week gewasschen en
de goten en riolen uitgespoeld te worden.
De militaire stallen in Oost-Indië zijn, in overeenstemming met
het klimaat, luchtig gebouwd. Zij bestaan uit steen en hout en
zijn met sirappen (houten pannen), pannen of met atap bedekt
en zonder zolders. In de oudere stallen zijn de kribben en ruiven
van hout, in de nieuwere resp. van hardsteen (zelden) en ijzer.
Aan de achterzijde zijn de stallen alleen door een latwerk afge-
sloten, overigens geheel open.
Onder de latierboomen bevinden zich hardsteenen neuten, die
planken dragen, waarop de paarden (dag en nacht zonder paillasse)
staan. Die planken zijn voorzien van elkander kruisende groeven,
terwijl in de kruispunten gaten zijn geboord van ongeveer 2 cM.
middellijn. Langs deze groeven vloeit de urine naar en door de
gaten en komt op den onderliggenden bodem terecht. De laatste
helt van voren naar achteren af en is gecementeerd. Hij voert de
urine dus gemakkelijk af in de goot, die achter de standen loopt
en met een plank is gedekt. In vele stallen vloeit levend water
door deze goot, waardoor de reinheid zeer wordt bevorderd. Heeft
men dit niet ter beschikking, dan voert men telkens in tonnen
en emmers water aan, om den stal zindelijk te houden. Daartoe
worden de planken der standen opgenomen en afgeschrobd en de
onderliggende vloer, evenals de goten en de geplaveide gang achter
de paarden, gereinigd.
In het algemeen heerscht de grootste zindelijkheid in de Indische
troepenstallen. De mest wordt door stalkoelies (die het meer vuile
werk verrichten en bij de Europeesche eskadrons door de stalwachten
worden gesurveilleerd) in manden verzameld en buiten den stal
gebracht. Tot dusver heeft de mest in Indië weinig of geen
handelswaarde. Ligstroo kent men aldaar niet; in enkele geval-
len, bijv. bij paarden met een legger, gebruikt men als zoodanig
wel eens gedroogd gras.
De officierspaarden worden daarvan vrij regelmatig voorzien;
is dit niet te krijgen, dan bezigt men ook wel het stroo uit de
stroozakken der soldaten en soms gedroogde alang-alang.
-ocr page 725-
600
Bij particulieren in Indië treft men andere soorten van stallen,
gadogans genaamd, aan. Dit zijn boxen, geheel van hout ver-
vaardigd, ongeveer 2,5 M*. groot en aan de hoeken van stijlen
voorzien, waarop het dak rust. De vier wanden der gadogan
bestaan meestal slechts uit eenige latten. De vloer is gevormd uit
planken, die ook hier van "groeven en gaten zijn voorzien. Hij
bevindt zich ongeveer 0,5 M. boven den grond, zoodat het paard
langs een, met dwarslatten bedekt, hellend vlak in de gadogan
moet komen. Tegenover den ingang zijn gewoonlijk een krib en
een ruif aangebracht.
Te Salatiga zijn tien temporaire stallen tot onderbrenging
van jonge, nog niet in dressuur zijnde paarden. Elk dier stallen
(van bamboe, gedekt door atap) is bestemd voor 6 paarden.
Deze staan op een sasak (mat van gespleten en gevlochten bam-
boe, eigenlijk meer een horde), welke 10 cM. boven den grond
ligt. De standplaatsen zijn 3 M. lang en 4,5 M. breed.
De quarantaine-stallen zijn volgens hetzelfde stelsel gebouwd,
doch elk voor één paard bestemd.
Te BanjoeBiroe heeft men een temporairen stal, welke even-
zoo van bamboe en atap vervaardigd is, doch een cementen
vloer heeft, waarop de sasaks. Deze scheiden ook de standen af.
De quarantaine- en verdachte stallen zijn aldaar uitmuntend:
een geraamte van ijzeren stangen rust op een vloer van Escau-
zijnschen steen met cement. Iedere stal is voor één paard; de
oppasserswoningen staan er tegenover; alles is ompaggerd. Bij
gebruik worden dak en wanden dichtgemaakt met atap en
bamboe; na besmetting verbrandt men ze. De ziekenstallen zijn
daar ook uitnemend; 6 stallen, elk voor 2 paarden, overigens
als de quarantainestallen. De twee paarden staan in de lengte-
richting van den stal, de hoofden door een schot gescheiden.
§ 263. Het ligstroo.
Men geeft aan de paarden een bed van stroo (paillasse), ten
einde daarop te kunnen gaan liggen en uitrusten; dit moet zacht,
droog, warm en zuiver zijn.
Soms wordt als strooisel ook ander materiaal gebezigd, name-
lijk loof, aarde, zaagsel, turfstrooisel, turfmolm , enz., doch enkel
uit een economisch oogpunt. Het stroo, in het bijzonder rogge-
en tarwestroo, verdient in elk ander opzicht de voorkeur. Het
zuigt de urine op, zoodat deze minder spoedig ontleedt, bindt de
-ocr page 726-
700
excrementen, houdt de dieren zoo rein mogelijk en is warm en
zacht; al deze eigenschappen worden bij geen ander strooisel in
dezelfde mate aangetroffen.
Een stroobed moet tamelijk hoog, vlak en eer vast dan los
zijn: het lange \'stroo moet, bij het opstrooien, met de hand ge-
knikt worden, terwijl men het oude onder en achter brengt. Van
achteren wordt het dikwijls begrensd door meer of minder sierlijk
gevlochten stroo.
Naarmate men het stroo korter of langer laat liggen, onder-
scheidt men periodiek en permanent stroo of strooisel. Het eerste
wordt eiken morgen weggenomen en buiten den stal gebracht,
waarna men den stand schoonveegt. Het nog bruikbare wordt
uitgezocht en in daartoe bestemde overdekte hokken of loodsen
gelucht en gedroogd. De paarden staan dan over dag op de
koude steenen, bijna onbeweeglijk, waardoor zij niet voldoende
uitrusten en hun beenen lijden. Een gezond paard gaat slechts
zelden op de steenen liggen; doet het dit, dan beschouwt men
het — en in den regel terecht — als een bewijs van ongesteld-
heid. Het stroo in de paillasse-loodsen kan in den winter ten
deele bevriezen en bij regen nat worden en verschaft dan geen
gezonde ligplaats. Nog slechter zou het intusschen zijn het over
dag op een hoop in den stal, bijv. onder de krib, te bewaren,
daar dit de lucht zou bederven.
Onder permanent stroo of matrassenstroo {litière permanente) verstaat
men een paillasse, die ongeveer zes weken blijft liggen en waaruit
alleen de mestballen worden verwijderd, zoodra zij gevallen zijn.
Dit maakt men op de volgende wijze gereed: op de steenen legt
men een laag wit zand, daarop het vochtige, reeds gebruikte
stroo, stampt dit overal gelijkmatig vast en buigt het aan de
zijden om, zoodat het aldaar goed afgerond is en brengt hierop
het versche stroo aan. Gelijk reeds is opgemerkt, worden de
mestballen zoodra mogelijk verwijderd, doch de urine zakt naar
de onderste lagen. Indien men nu zorgt, dat het stroobed niet
wordt uitgetrapt, doch overal door bovengenoemde ombuiging
afgesloten blijft, dan wordt de urine eerst langzaam ontleed en
de ammoniak door het stroo gebonden; er is dan geen luchtbe-
derf te vreezen, wanneer namelijk de stal, wat ventilatie, enz.
betreft, aan de eischen voldoet.
Eiken avond brengt men het versche stroo gelijkmatig verdeeld
op het oude, zoodat het stroobed hooger en hooger wordt. Na
ongeveer zes weken verwijdert mc:i alles, schrobt de standen met
-ocr page 727-
701
carbolwater af, brengt schoon wit zand aan en handelt verder
als boven is aangegeven.
Soms laat men ook de onderste droge, tot koeken samengepakte
laag liggen, daar deze een soort van matras vormt, welke het
verschuiven van het bovenliggende stroo belemmert.
Het permanente stroo eischt veel zorg en daar deze dikwijls te
wenschen overlaat, zijn de resultaten veelal niet naar wensch. In
het algemeen past het beter, wanneer de standen door latier-
boomen dan door schotten gescheiden zijn.
Men kan ook, zooals bij het periodieke strooisel, het vuile stroo
des morgens verwijderen en in plaats daarvan nieuw geven. Dit
is echter duur, te meer, daar de paarden veel opeten; het ge-
wone ration stroo (dat voor de militaire paarden in Frankrijk
4,5 Kg., in Engeland en Pruisen 3,5 Kg., in "Wurtemberg en Beieren
3 Kg., in Baden 2 Kg., in Oostenrijk 1,5 Kg. (\') en in Nederland 3,5—
4,5 Kg. bedraagt) zou dan niet voldoende zijn. Uit een hygiënisch
oogpunt is deze methode de beste; is daartoe echter het beschikbare
stroo niet voldoende, dan geve men liever het permanente stroo
dan de paarden den geheelen dag op de steenen te laten staan.
Door dit schijnbaar onreine middel sticht men minder nadeel dan
door de meest angstige zindelijkheid in een ongestrooiden stal.
Het turf strooisel, in den laatsten tijd bijzonder aangeprezen,
kan het stroo niet geheel vervangen. De paarden durven daarop
in den eersten tijd niet te gaan liggen en het verschaft hun niet
zulk een zachte, warme en reine ligplaats als het stroo. Het is
echter veel goedkooper en kan dit daarom in jaren, dat het stroo
zeer duur is, althans vooi cen grooter of kleiner gedeelte ver-
vangen. Bij de bereden artillerie bezigt men het turfstrooisel
reeds sedert eenige jaren gedurende den zomer; zooals uit onder-
staand besluit volgt, heeft men het thans ook, in vereenigingmet
stroo, voor den winter ingevoerd. Bij de cavalerie gebruikt men
het niet.
Bij beschikking van den Minister van Oorlog dd. 11 October
1894, VIa° Afd., n". 50, is met intrekking van de daaromtrent
bestaande bepalingen, het volgende besloten.
§ 1. De paarden van de korpsen der bereden artillerie wor-
den in de garnizoenen gedurende de wintermaanden (1 Novem-
ber—30 April d. a. v.) geplaatst op een rustbed van turfstrooisel
(!) A. ZBinilI, Die üesinirlhrilipjlege der Pferdr. Stuttgart 1832, pag. lüö.
-ocr page 728-
702
met bovenbedekking van stroo, en gedurende de zomermaanden
(1 Mei—31 October d. a. v.) op een bed, alleen bestaande uit
turfstrooisel. In verband daarmede wordt liet ration stroo van be-
doelde paarden gedeeltelijk door turfstrooisel vervangen.
§ 2. Gedurende de wintermaanden kan, omstreeks 1 No-
vember en 1 Februari, een bed worden aangelegd, bestaande
per paard uit 50 Kg. turfstrooisel met 30 Kg. stroo als boven-
bedekking; deze laatste kan dagelijks met 1,5 Kg. stroo per paard
worden aangevuld.
Gedurende de zomermaanden kan, omstreeks 1 Mei en 1 Augus-
tus, een bed worden aangelegd, bestaande uit 62,5 Kg. turf-
strooisel per paard, terwijl de aanvulling alsdan 3 Kg. turfstrooisel
per paard en per dag kan bedragen.
§ 3. Het ration stroo wordt per paard en per dag verminderd
met minstens 0,3 Kg. stroo gedurende de wintermaanden, en met
hoogstens 2 Kg. stroo gedurende de zomermaanden.
§ 4. De kosten van het turfstrooisel worden onder de uit-
gaven voor fourage aan het Rijk in rekening gebracht. Zij mogen,
over een geheel leveringsjaar gerekend, in den regel niet hooger
zijn dan de waarde van het volgens § 3 minder ontvangen stroo.
In verband daarmede wordt bij het einde van elk kwartaal by
de verzameling wegens kosten van fourage, behoorende bij de
afrekening met \'s Rijks schatkist, door de Hoofd-administratie van
de betrokken korpsen een overzicht gevoegd van de kosten van
het verbruikte turfstrooisel en van de waarde van het minder
ontvangen stroo. Uit het overzicht, opgemaakt over het laatste
kwartaal van elk jaar, moet blijken , hoeveel bedoelde kosten enz.
hebben bedragen in de maand October, en hoeveel in de beide
andere maanden van dat kwartaal.
§ 264. De verpleging der huid.
In § 43 is aangetoond welk een gewichtig orgaan de huid is.
Haar functies kunnen belangrijk onderdrukt worden, indien zij met
opperhuidsschubben, huidsmeer, stof en vuil bedekt is Het is
daarom noodig de huid hiervan te ontdoen; dit geschiedt door
-ocr page 729-
703
het poetsen. Hierdoor wordt dus niet enkel het uiterlijk schoon
bevorderd, maar wel degelijk ook de gezondheid. Door het ver-
wijderen van onreinheid zet men de huidademhaling aan, terwijl
de, door het poetsen veroorzaakte, prikkeling een sterker vulling
der kleine huidvaten en daardoor verhoogde functionneering der
huid ten gevolge heeft. Bovendien heeft de irritatie der huid-
zenuwen een gunstigen invloed en oefent het poetsen ook een
onmiddellijk gevolg op de spieren uit; deze worden als het ware
gemasseerd, waardoor haar spankracht en voeding toenemen en
vermoeide spieren worden gerestaureerd. Eindelijk bemoeielijkt
het poetsen het ontstaan van huidziekten en bevordert daardoor
weer de voeding; de dieren worden dan namelijk niet door huid-
jeukte in hun rust gestoord.
Het poetsen is voornamelijk noodig voor op stal gehouden
paarden, daar hierbij uit de omgeving veel vuil aangevoerd en,
zonder hulp, slechts weinig afgevoerd wordt. Bij in het vrije
levende dieren droogt dit op en wel te meer, naarmate de lucht
en de zon sterker inwerken; daarna verstuift het of schilfert het
af, of wel het wordt door schuren, rollen, door regen, enz. ver-
wij derd.
De paarden moeten minstens eenmaal daags worden gepoetst.
De troepenpaarden worden op werkdagen tweemaal en des Zondags
eens gepoetst. (Regl. op den imv. dienst der caval., art. 60). Daarvoor
gebruikt men een roskam, een borstel, een stroowisch, een doek,
een spons en een manenkam.
De roskam moet alleen dienen, om de aaneengekleefde haren
los te maken en het stof van den borstel te verwijderen; dikwijls
echter wordt hij bijna uitsluitend gebruikt. Gevoelige paarden
worden hierdoor gemakkelijk ondeugend gemaakt, vooral indien
de roskam scherp is.
Een krachtig gebruik van den borstel op alle lichaamsplaatsen,
vooral ook aan de beenen en in alle richtingen, dus niet alleen
met de haren mede, werkt veel nuttiger dan het enkel afkrabben
van het vuil met den roskam. Ook de wisch, uit samengedraaid
stroo of hooi bestaande, moet sterk op de huid worden gedrukt.
Met den manenkam worden manen en staartharen langzaam en
voorzichtig uitgekamd; geschiedt dit haastig en ruw, dan trekt
men te veel haren uit. In zulke gevallen is het wenschelijk den
kam ook hier door den borstel te vervangen.
Hoewel het zelden voorkomt, kan ook te veel worden gepoetst.
Daardoor neemt de vorming van opperhuidcellen toe, zoodat men
-ocr page 730-
704
sleeds meer huidschubben verkrijgt; levens wordt de huid ge-
voelig voor weersinvloeden.
Het is wenschel\'yk bezweete, van den arbeid komende paarden
zoolang in stap te laten rondleiden, tot zij droog zijn en eerst
dan op stal te zetten. Kan dit niet geschieden, dan moeten zij
met een zweetmes behandeld en daarna met een stroowisch droog-
gewreven worden. Vervolgens legt men ze een deken op, om
een te snelle afkoeling der huid te voorkomen. Het wasschen
der beenen is een nuttige zaak, mits deze daarna goed droog
worden gewreven. Neus en oogen moeten met een vochtige spons
worden gereinigd.
De geslachtsdeelen, voornamelijk de koker, moeten nu en dan
met lauwwarm zeepwater worden gewasschen; ook staart en manen
dienen deze bewerking gedurig te ondergaan. Steeds drage men
hierbij zorg, door droog wrijven, bedekken, enz., het ontstaan
van verkoudheid te voorkomen.
Het zwemmen of baden is zeer nuttig; liet reinigt en versterkt
de huid en verfrischt het dier. De paarden gaan gaarne te water,
wanneer zij er eerst mede bekend zijn gemaakt. Zij mogen er
niet bezweet in komen en het water mag niet te koud zijn. Een
langzame beweging na het bad, totdat de paarden weer droog
zijn geworden, is aan te bevelen; kan deze niet plaats vinden,
dan moeten ze droog gewreven en daarna van een deken voor-
zien worden.
In Indië geschiedt het baden der troepenpaarden, wanneer
daartoe gelegenheid bestaat, gewoonlijk eenmaal per week.
Veelvuldig zijn ook stortbaden (douches) aangeprezen; deze
mogen voor het geheele lichaam hoogstens vijf minuten duren,
om geen te sterke afkoeling teweeg te brengen; daarna moet het
paard droog gewreven en het een deken opgelegd worden.
Het scheren (la tondage; das Scheeren; the clipping) bestaat in
het verkorten der, in den herfst en winter, lange dekharen. Het
is afkomstig uit Frankrijk en de zuidelijke streken van Europa;
in sommige provinciën van Frankrijk werden, sedert oude tijden,
paarden van landbouwers, voerlieden, enz. half geschoren,
namelijk alleen de bovenhelft van het lichaam, en in Spanje
ondergaan de muildieren reeds gedurende twee eeuwen deze be-
werking. In het begin dezer eeuw kwam het in Engeland bij luxe-
paarden in gebruik en van daar verspreidde het zich over Europa,
nadat zich in 1829 te Parijs een Engelschman had gevestigd, die
de paarden schoor in den eigenlijken zin, d. i. met een scheermes.
-ocr page 731-
705
Dit was echter onpractisch en duur; men betaalde zelfs 300
francs per paard. Later knipte men met een gewone schaar en
kam en brandde de stoppels daarna af met een spiritusvlam, om
een gladde oppervlakte te verkrijgen. Men zag hierbij in, dat
met de spiritusvlam alléén het doel kon worden bereikt en liet
de schaar dus weg. Met dit branden ontstonden echter soms
ongelukken, de paarden werden onrustig, enz. Het was daarom
een groote vooruitgang, toen in 1862 een Engelschman, Adie
genaamd, zijn „patent horseclipper" bekend maakte. Deze is
sedert dien tijd, op verschillende manieren gewijzigd, algemeen in
gebruik gekomen. Daarmede kan een paard gelijkmatig, zonder
de huid te beleedigen en in betrekkelijk korten tijd, namelijk 4—5
uur, worden geschoren, terwijl nog in 1853 de eskadronsbarbiers
bij het Fransche leger met de gewone schaar 25—30 uur noodig
hadden.
Omtrent het nut van het scheren is men het nog niet algemeen
eens; toch krimpt het aantal tegenstanders, behoudens voor enkele
omstandigheden, meer en meer in.
Voor paarden, die in warme stallen vertoeven, krachtig gevoed,
weinig of onregelmatig gebruikt worden of in snelle gangen moeten
arbeiden, kan het scheren zeer nuttig zijn. Alzoo voor koets-,
tram- en rijpaarden; paarden, die slechts stapvoets werk verrichten,
veulens en militaire paarden scheert men in het algemeen liever
niet. De laatste moeten gehard zijn, opdat zij, zoo noodig, weer
en wind kunnen verdragen; zij worden daarom op stal niet ver-
weekelijkt. Bovendien gaat een verhooging van het ration, welke
na het scheren gewenscht is, bij hen met overwegende bezwaren
gepaard. Onder sommige omstandigheden echter zouden enkele
militaire paaiden met voordeel kunnen worden geschoren, gelijk
bij onze cavalerie is bewezen.
Paarden met dik winterhaar zweeten gemakkelijk en zijn spoedig
vermoeid; het zweet droogt moeielijk op en soms beginnen zij op
stal na te zweeten, zoodat ze dikwijls den volgenden morgen nog
nat zijn. Ze kunnen hierdoor niet voldoende worden gepoetst,
hetgeen een onderdrukking der overige huidfuncties ten gevolge
heeft. Daaronder lijdt niet zelden de eetlust, er ontstaan zuchtige
zwellingen aan de beenen, enz.
Bij een geschoren paard komen de verrichtingen der huid tot
haar recht; het paard wordt opgewekt en vroolijk, de eetlust
neemt toe en men ziet, indien meer voedsel wordt verstrekt, den
voedingstoestand en de krachten verbeteren. Het poetsen en
45
-ocr page 732-
7oi;
reinhouden kunnen nu zonder bezwaar geschieden en, wat op-
merkelijk is, verkoudheidsziekten zijn veel zeldzamer dan wanneer
de paarden langen tijd nat in den stal blijven staan.
Sommigen vinden het strijdig met de natuur het paard zijn
winterpels te ontnemen; zij vergeten echter, dat het geheele
gebruik van het dier hiermede in tegenspraak is. Een in de vrije
natuur levend paard, dat zich beweegt en voedt naar verkiezing,
is niet te vergelijken met ons huispaard, dat nu in warme stallen,
stil op een plaats moet blijven staan en dan weer zich, dikwijls
bovenmate, moet inspannen.
Dat een geschoren paard, vooral in den eersten tijd na het
scheren, tegen groote koude en tocht beschut moet worden, is
geen bezwaar; ook bij niet geschoren paarden is dit gewenscht.
De dekens zyn in dit opzicht een belangrijk hulpmiddel.
De beste tijd voor het scheren is October en November; het
paard heeft dan na eenige weken weder een voldoenden pels,
zoodat het gebruik van dekens onnoodig is, terwijl het toch het
lange en dichte winterhaar mist. Men kiest hiervoor liefst goed
weer uit. Het pas geschoren paard moet na den arbeid droog
gewreven en bedekt worden; na veertien dagen is het aan den
nieuwen toestand gewend.
Een gedeeltelijk scheren, dat, afgezien van manen en staart,
wier vorm van de mode afhankelijk is, gewoonlijk tot hoofd en
beenen beperkt wordt, verdient geen aanbeveling. In Indië
scheert men de muildieren soms enkel aan de bovenhelft van het
lijf, hoofdzakelijk om drukkingen te voorkomen, en ook om deze
tijdiger te ontdekken.
Wat het hoofd betreft, worden de voelharen om oogen en
lippen en de beschuttende haren aan de inwendige vlakten der
ooren afgeknipt of de eerste zelfs uitgerukt, met het doel het
uiterlijk van het paard te verbeteren. Dit wordt echter geenszins
bereikt, doch al ware zulks ook het geval, dan nog zouden deze
nuttige haren niet mogen worden verwijderd. De stoppels der
afgeknipte voelharen zijn soms zoo gevoelig, dat het paard daar-
door kopschuw wordt.
Het afknippen der vetlokken bij paarden van koudbloedige
rassen, om hun beenen met die van edele te doen overeenkomen,
is evenzoo afkeurenswaardig. Zulke weinig behaarde beenen
passen toch niet bij den overigen lichaamsbouw, doch bovendien
zijn de vetlokken nuttig, daar zij tegen koude, vuil en vochtig-
heid beschutten. Bij geschoren beenen treft men dan ook veel
meer mok aan dan onder de tegenovergestelde omstandigheden.
-ocr page 733-
lol
Natuurlijk is een gedeeltelijk knippen van te lange vetlokken
geoorloofd; dit moet echter geschieden overeenkomstig de regelen
der kunst en is niet ieders werk. Worden zij volkomen afgeknipt,
zooals men bij troepenpaarden dikwijls kan waarnemen, dan schijnt
de kogel smal en valt een steilkootige stand meer in het oog;
bovendien wordt de misstand niet zelden nog daardoor verhoogd,
dat de achtervlakte van den kogel, door het onbedreven knippen,
een borstelig, in plaats van een glad aanzien verkrijgt.
De dekens houden warm, maken het haar glad en glanzend
en beschutten tegen insecten
Staan de paarden voortdurend onder dekens, dan wordt de
huidwerkzaamheid verhoogd, de huid zacht en het haar kort, dun
en glad, het uiterlijk verbetert dus, doch de gevoeligheid voor
weersinvloeden neemt toe. Zij moeten daarom slechts bij uit»
zondering worden gebruikt, bijv. gedurende den winter in koude
stallen en bij edele paarden, die fijn van haar en gevoelig zijn.
Bij het entraineeren van renpaarden schijnen dekens onvermijdelijk
te zijn; haar gebruik bij geschoren paarden werd reeds besproken.
Het is gevaarlijk een paard, dat op stal van een deken voor-
zien is, in den winter zonder deze buiten te brengen; het kan
daardoor gemakkelijk koude vatten. Koetspaarden geeft men daarom
veelal de z.g. regendekken; dit zijn kleine, meestal uit leder be-
staande dekken, die hoofdzakelijk rug, lenden en kruis beschut-
ten. Rijpaarden worden door het zadel en de kleederen van den
ruiter van boven tegen de koude beschermd.
In den zomer gebruikt men bij luxe-paarden, tot beveiliging
tegen insecten, gewoonlijk de z.g. zomerdekens en vliegennetten; de
eerste bestaan doorgaans uit linnen, de laatste uit dun bindtouw.
De dekens reiken van den boeg tot den broek of zij hebben
ook verlengsels langs de voorborst; soms gebruikt men tevens
oor- en manenkappen en bij vervoer van paarden op spoorwegen,
enz. dikwijls nog knielappen en staartkokers, om deze deelen te
beschutten.
De zwachtels of bandages bestaan uit flanel, katoen of linnen,
zelden geheel of gedeeltelijk uit caoutchouc; zij zijn gewoonlijk
2—2,5 M. lang en 10—13 cM. breed en worden aan de voorbeenen
tot de handwortels, aan de achterbeenen tot de spronggewrichten
aangelegd. Een zwachtel moet zoo vast zitten, dat hij niet afzakt,
doch zoo los, dat hij geen schadelijke drukking teweegbrengt en
de circulatie niet belemmert. Hij moet steeds van beneden naar
boven worden aangelegd; de banden aan het eene uiteinde, welke
-ocr page 734-
708
tot bevestiging dienen, moeten op den zwachtel kómen te liggen,
zoodat zij de huid niet kunnen beleedigen. In den regel zwachtelt
men de beenen des morgens na het poetsen, verwijdert de zwach-
tels, wanneer het paard zijn dienst moet verrichten, legt ze
opnieuw aan, nadat de beenen gereinigd zijn en doet ze vóór
den nacht weder af.
Meestal gebruikt men droge llanellen zwachtels, in enkele ge-
vallen ook vochtige en dan in den regel van katoen of linnen.
De werking der bandages is veelzijdig; zij houden de dierlijke
warmte terug en brengen een drukking teweeg. Daardoor kan
stramheid in pezen en gewrichten worden opgeheven, terwijl
gallen, zuchtige zwellingen, peesverdikkingen, enz. niet zelden
verdwijnen. Bij verhardingen wordt het oplossend vermogen be-
vorderd door de zwachtels vooraf in koud water te dompelen, uit
te wringen, daarna aan te leggen en eindelijk deze met droge
llanellen bandages te omgeven. Dikwijls moet het zwachtelen lang
worden voortgezet, vóór een merkbaar resultaat is verkregen.
Over verpleging der hoeven werd reeds gehandeld in § 219.
§ 265. Beweging en rust.
De beweging oefent grooten invloed uit op het dierlijk organis-
mus; zij kan naar haar graad nu heilzaam, dan schadelijk zijn.
Een matige beweging is een der belangrijkste gezondheids-
middelen; zij wekt den eetlust en de vertering op, bevordert de
assimilatie en stofwisseling, zet de circulatie aan, verhoogt de
resorbtie en vermeerdert de afscheidingen, versterkt de spieren en
de longen, kortom zij bevordert alle levensfuncties.
Een te lang voortgezette beweging echter heeft een geheel
ander gevolg, zelfs al geschiedt zij in een langzaam tempo. Zij
vermindert steeds den eetlust en stoort de vertering en assimilatie;
al gaan haar gevolgen dikwijls spoedig voorbij, toch brengt zij
tijdelijk verzwakking teweeg.
Een geforceerde snelle beweging is nog nadeeliger. Daardoor
worden circulatie en respiratie bovenmate versneld en geschieden
zij allengs minder volkomen en geregeld. Het bloed hoopt zich in
de longen op, wordt niet behoorlijk gezuiverd en verliest zijn
stolbaarheid, de uitwasemingen stijgen tot den hoogsten graad en
alle bewegingsorganen worden tot het uiterste ingespannen. Dit
alles verteert de levenskrachten, zonder dat een behoorlijke res-
tauratie kan plaats vinden.
-ocr page 735-
709
Op deze wijze kan men een paard dood rijden; liet valt dan
eindelijk neder, alle organen weigeren hun dienst en het sterft
door volkomen uitputting.
Zal een dagelyksche beweging nuttig zijn, dan moet zij een
bepaalde maat houden, nooit tot uitputting worden voortgezet,
niet, of althans slechts voorbijgaande en nimmer onmiddellijk na
verzadiging, in een snel tempo geschieden. Na een snellen gang
moet men het paard gelegenheid geven eens te proesten en bij
lang voortgezette beweging, bijv. op reis, moet men het alle
1\'/,—2 uur voederen.
Op de beweging moet rust volgen; hoe meer ingespannen de
eerste was, des te langer moet ook de rust duren. Daarbij treedt
het vegetatieve leven op den voorgrond; de vertering en assimilatie
hebben levendig plaats, de vorming van stof overtreft haar ver-
bruik. Op deze wijze herstellen de krachten.
De beste tijd voor de rust is de nacht; zij wordt dan minder
afgebroken en verkwikt daardoor meer dan over dag.
Het paard slaapt slechts kort, soms zelfs staande (zie § 53 en
§ 125\\ doch dit is niet wenschelijk. De ware rust verschaft alleen
het liggen op een zacht stroobed; het staan is slechts halve rust
en dat het dit nog is, dat het een paard integendeel niet sterk
vermoeit, is te danken aan zijn hierop ingerichten lichaamsbouw
(zie § 125).
Vooral na verzadiging is rust gewenscht; alleen dan wordt van
het opgenomen voedsel zooveel mogelijk partij getrokken. Na
rijkelijk gebruik van moeielijk verteerbaar voedsel kan beweging
nuttig zijn, om digestiestoornissen te voorkomen. De inhoud van
de maag wordt dan spoedig verder gedreven, evenwel zonder
voldoende verteerd te zijn.
Alle ziekelijke, zwakke en jonge, nog niet volwassen paarden
hebben, bij een gepaste beweging, een gedurig herhaalden rust-
tijd noodig.
Rust is dus, evenals beweging, een gezondheids- en verster-
kingsmiddel, evenwel op geheel verschillende wijze: het gebruik
verhoogt de kracht, de rust herstelt ze. Rust alleen geeft geen
kracht, integendeel, zij verslapt, wanneer zij lang duurt. Het
eerst lijden hieronder de spieren en pezen en dan de longen; de
verzwakking blijft echter niet tot deze deelen beperkt, doch treft
eindelijk alle organen, niet het minst de spysverteringswerk-
tuigen.
-ocr page 736-
710
§ 266. De arbeid.
De geschiktheid tot den arbeid is afhankelijk van het functie-
vermogen van het dier en dit wordt bepaald door kracht, snelheid
en volharding. Deze drie grondeigenschappen zijn tot zekere hoogte
nauw met elkander verbonden; zij eischen een in alle opzichten
krachtigen lichaamsbouw. Hiervoor is de aanleg wel is waar aan-
geboren, doch deze moet allengs tot grooter ontwikkeling worden
gebracht.
Het gewone werkpaard, dat dagelijks, in bedaarden gang,
matigen arbeid verricht, heeft geen bij zondere voorbereiding noch
verzorging noodig. De gezondheid wordt door een dergelijk gebruik
slechts bevorderd.
Iets anders is het bij paarden, die in snelle gangen tot trekken
of dragen van lasten moeten worden gebruikt; deze eischen dik-
wijls wel een bijzondere voorbereiding en in elk geval voortdurend een
passende verpleging, indien de gezondheid er niet onder zal lijden.
Elke inspanning kost het lichaam kracht en stof, gelijk de
daarna volgende vermoeienis en het verlies aan lichaamsgewicht
bewijzen. Deze worden hersteld door voedsel en drank, en door
rust. Bij zeer jonge en oude dieren en bij een slechten voedings-
toestand is de vermindering aan kracht en lichaamsgewicht, onder
overigens gelijke omstandigheden, het grootst. Zij hangt af van
den aard en duur der beweging, de inspanning, enz.; bij daar-
omtrent door Rueit genomen proeven bleek, dat in een kring
rondstappende paarden per uur gemiddeld 3,5 Kg. in lichaams-
gewicht afnamen. Bij rijpaarden bedroeg dit na 25 minuten in
stap, draf en galop 1,875 Kg., bij het gebruik als schoolpaard in
denzelfden tijd 5 Kg.
De spieren nemen door oefening in het algemeen in kracht en
omvang toe; bij bepaalde dienstverrichtingen echter neemt men
dit van de hierbij betrokken spieren in veel sterker mate waar
dan van de andere. Men krijgt aldus wel een eenzijdige spier-
ontwikkeling, doch deze is uit een economisch oogpunt nuttig en
schaadt, mits niet tot het uiterste gedreven, zooals bij renpaarden
soms geschiedt, voor de gezondheid niet. Voorbereiding is in elk
geval noodig; het z.g. aanrijden van paarden is niets anders.
De oefeningen moeten beginnen, zoodra de krachten en de
Hehaamsontwikkeling het veroorloven; zij moeten in den aanvang
licht zijn en in het vervolg met de toenemende krachten gelijken
tred houden. Nimmer mogen zij deze te boven gaan.
-ocr page 737-
711
In het algemeen moet men niet vóór het einde van den 3-jarigen
leeftijd beginnen het paard zijn dienst te leeren en het eerst met
4\'/j—5 jaar den vollen arbeid laten verrichten. Wat op deze
wijze verloren gaat, wordt ruimschoots vergoed in het verdere
leven. Krachtig opgevoede paarden kan men wel is waar vroeger
en sterker gebruiken dan karig gevoede en ondoelmatig groot-
gebrachte, toch is voorzichtigheid noodig, wil men aan één vroeger
dienstjaar niet tal van latere opofferen. Stellig echter is het spe-
lende leeren, hetzij onder het zadel of in het tuig, te verkiezen
boven een aanhoudend verblijf in ongezonde stallen.
De fokkers voor de renbaan beweren, dat de krachten hunner
volbloedpaarden door vroegtijdig gebruik der veulens niet lijden.
Zij voeren daarvoor als bewijs aan eenige oude hengsten, die nog
in staat waren vruchtbaar te dekken, doch vergeten, dat de vol-
bloedhengsten in Engeland in geheel bijzondere omstandigheden
verkeeren en dat het eene jaar van hun geslaagden arbeid hun
het recht verzekert verder een gemakkelijk leven in een »paddock»
te slyten. De vele volbloedpaarden, welke als te vroeg versleten,
nimmer op de baan eenigen naam maken, laten zij buiten reke-
ning. Zonder twijfel zouden de meeste hunner zich bij een
methodische oefening krachtig ontwikkeld hebben; zij verdroegen
echter het misbruik eener uitputtende ren-oefening in het 2ie
levensjaar niet.
De dressuur (breaking) der paarden beoogt in het algemeen
geschiktheid tot het gewone gebruik, hetzij onder het zadel of
voor het rijtuig. Voor snelle gangen dienen nog bijzondere voor-
schriften in toepassing te worden gebracht, welke ten doel hebben
sommige beletselen weg te nemen, die voor een snelle beweging
hinderlijk zijn, het paard een goeden adem te bezorgen en het
vermogen der spieren, om zich krachtig te kunnen samentrekken
en uitzetten, te verhoogen. Men noemt dit het entraineeren (training).
Niet alleen renpaarden, maar ook harddravers moeten op deze
wijze worden geoefend.
De op te heffen beletselen zijn verschillend; bovenaan staat een
dikke buik. Deze vermeerdert het lichaamsgewicht, zonder kracht
aan te brengen en vernauwt de borstholte, waaronder de adem-
haling lijdt Een bovenmatige ontwikkeling van bind- en vet-
weefsel is niet alleen ballast, doch verhindert ook het vrije gebruik
der bewegingsorganen, terwijl het overtollige vet in de borstholte
de ademhaling belemmert,
-ocr page 738-
712
De middelen voor het rationeele entraineeren zijn: 1". intensief
voedsel, namelijk haver, zelfs met een geringe hoeveelheid boonen
en weinig hooi, zoodanig, dat de omvang van den buik ver-
mindert; 2°. langzamerhand in snelheid en duur toenemende
arbeid; daardoor worden de spieren en longen versterkt en wordt
vetlijvigheid bestreden; 3°. na den arbeid behoorlijke rust;
4". goede verpleging, voornamelijk van de huid en de beenen,
zelfs bandageeren en warm bedekken.
Bij het entraineeren van renpaarden vinden nog toepassing, om
het paard z.g. in »condition» te brengen: het gebruik van een
purgeermiddel (physic) en het zweeten (siveating), waardoor het
sponsachtig vleesch en het vet verminderen (to draw the horse fine)
en de buiksomvang nog geringer wordt; bovendien veel kwak-
zalverij en geheimmiddelen, die bijna voor eiken renstal ver-
schillend zijn en waardoor de jockey meent den zege tczullen behalen.
Het ligt buiten het plan van dit boek de regels voor het en-
traineeren van renpaarden te bespreken. Liever geven wij als
aanhangsel van dit Hoofdstuk een verklaring van eenige woorden
en uitdrukkingen, zooals ze tegenwoordig bij het rennen, alsook
bij het harddraven, worden gebezigd.
ij 267. Verklaring van eenige woorden en uitdrukkingen
ni.I HET RENNEN EN HARDDRAVEN GEBRUIKELIJK.
Sport noemt men elke oefening in de open lucht en heeft dus
niet enkel op rennen en harddraven betrekking.
Turf beteekent eigenlijk een met gras bedekte veengrond, die
voor wedrennen geschikt is; tegenwoordig verstaat men daaronder
echter alles, wat op wedrennen betrekking heeft.
Race course of course wil zeggen baan.
Thorough-bred of pur sang beteekent volbloed.
Half-bred is hal f bloed en well-bred: met veel bloed.
Quality wil zeggen adel.
Fond of Ausdauer gebruikt men in plaats van volhardingsver-
mogen.
Stud-book beteekent stamboek.
Pedigree noemt men den stamboom.
Uitvoer-certificaat noemt men het bewijs, afgegeven door de
bevoegde autoriteit ter plaatse, dat een bepaald paard, aange-
wezen door de pedigree, uit het land wordt gevoerd.
-ocr page 739-
713
fneoer-certi/icaat is liet bewijs, dat in Nederland op aanvraag
wordt afgegeven door den secretaris der Nederlandsche Hard-
draverij- en Renvereeniging en dienen moet om te voorkomen,
dat paarden onder een valschen naam worden ingevoerd. De uit-
en invoer-certificaten zijn o. a. een waarborg, dat de antecedenten
van het paard in quaestie, bijv. op de renbaan, bekend zijn.
Hiervan zou anders misbruik kunnen worden gemaakt.
Training, zie voorgaande §.
Overtrained zegt men van een paard, dat te sterk geëntrai-
neerd is geworden. Een »overtrained" paard is zeer mager,
zweet spoedig en heeft warme, aangeloopen beenen.
Trainer is de persoon, die de paarden oefent en verpleegt.
Een goed »trainer" is zeldzaam; alleen bij goeden aanleg en na
langdurige voorbereiding kan men dit worden. De meeste eige-
naren vertrouwen de training toe aan vakmannen, die naar een
vast stelsel de spieren harden, het overtollige vet doen verdwijnen,
de paarden op adem brengen, kortom, ze gereed maken voor de
baan.
Broken down zegt men van een paard, dat een meer of minder
uitgebreide verscheuring van een of meer buigpezen der voorbeenen
heeft gekregen.
Canter is een oefenings-galop en sweats noemt men de zweet-
oefeningen
bij het entraineeren gebruikelijk.
In conditie of form zegt men van het paard dat goed is voor-
bereid en een uitnemende gezondheid geniet.
Stride noemt men de grootte van den sprong en de wijze hoe
deze zich herhaalt; hoe gelijkmatiger dit geschiedt, des te beter.
Miler is een paard, dat slechts een mijl in groote snelheid
kan afleggen.
Stayer heet een paard, dat zich kenmerkt door volharding en
het dus op de baan lang volhoudt.
Flyer is een zoodanig, dat een groote snelheid kan ontwikkelen,
doch slechts voor een korten tijd.
Top speed is de grootste snelheid die het paard ontwikkelt;
dit geschiedt in den finish, d. i. het laatste gedeelte van de baan.
Outpace beteekent in gang overtreffen.
Quick-beginner zegt men van een paard, dat onmiddellijk zoo
snel loopt als het kan.
Flat-racer noemt men een paard, dat enkel op de vlakke baan
loopt. Indien het zijn beenen nauwelijks van den grond licht, heet
het a clipper.
-ocr page 740-
i
714
Hurdle-raeev en steeple-chaser zijn paarden die in hindernis-
rennen loopen; de eerste springt enkel over horden, de laatste
ook over heggen, slooten, enz.
Start heet de plaats van het afgaan der paarden; starter is de
persoon die op het gelijktijdig afgaan der paarden toeziet en, door
het laten vallen der vlag, de start geldig verklaart.
False-start noemt men het weggaan der paarden niettegen-
staande de vlag niet gevallen is of vóór dat, hij het harddraven,
het sein tot vertrek is gegeven.
Flying-start is het afrijden in den gang, waarin men reeds
is (gewoonlijk in galop).
Walk-over zegt men van een paard, dat alléén loopt, uit ge-
brek aan mededingers.
Dead-heat heet het gelijktijdig voorbij den eindpaal gaan van
twee of meer paarden; deze moeten dan overloopen of anders
den prijs deelen, ter keuze van de eigenaren.
Stakes zijn de inleggelden, welke vóór den vastgestelden slui-
tingstermijn der inschrijvingen moeten worden voldaan.
Forfeit of rouwgeld is het bedrag, dat een inschrijver moet
betalen, indien hij zich om eenige reden vóór het rennen terugtrekt.
Disqualification van een paard beteekent het buiten mededinging
daarvan stellen, zooals geschiedt indien door eigenaar of jockey
op eenige wijze inbreuk op het reglement is gemaakt.
Derobeeren .zegt men van een paard, dat voor een hindernis
weigert of uit de baan raakt.
Produce-stakes of fok-rennen zijn de zoodanige, waarvoor de
aangiften reeds bij de geboorte der veulens moeten geschieden.
Trial-stakes zijn proefrennen, zooals bij eenjarige veulens worden
gehouden, om hun geschiktheid voor de baan te onderzoeken.
Sweep-stakes zijn wedrennen, waarvan de prijs slechts bestaat
uit de stakes (inleggelden) en de forfeits (het rouwgeld). Daartoe
zijn minstens drie inschrijvers noodig; blijven er daarvan slechts
twee over, dan gaat het rennen toch door.
Selling-race is een wedren, waarvan het winnende paard,
onder zekere voorwaarden, te koop is; de mededingers bij het
rennen hebben het recht van vordering (claiming) en wel in een
bepaalde volgorde, naarmate hun paarden zijn geplaatst.
Match noemt men een privaatrennen tusschen de paarden van
twee eigenaars, om een vooraf bepaalden prijs.
Post-match is een wedren, waarbij men enkel den leeftyd
bepaalt, die de paarden moeten hebben, zonder eenige verdere
-ocr page 741-
715
voorwaarde. Men kan daarbij dus twee of meer paarden van
denzelfden leeftijd aangeven en er eindelijk maar één laten loopen.
Play or pay (loopen of betalen) zegt men van een weddenschap,
die geldig blijft of het daarbij betrokken paard loopt of niet.
Afaiilen noemt men het paard, dat nooit bij een openbaren
wedren won; het winnen bij matches komt hierbij niet in aan-
merking.
Pldtes noemt men rennen om prijzen, die van wegedeEngelsche
kroon worden gegeven.
Handicaps zijn wedrennen, waarbij elk paard een zeker gewicht
moet dragen, afhankelijk van zijn leeftijd, het al of niet vroeger
gewonnen hebben, de afkomst van het paard, het bereden worden
door jockeys van professie of door heeren, enz. Hieromtrent
beslist de handicapper. Het minste gewicht (feather-weight, letterlijk:
vedergewkht), dat een paard mag dragen, is ongeveer 35 Kg.
Dit betreft den jockey met het zadel; de karwats mag niet mede
worden gewogen en gewoonlijk laat men ook het hoofdstel er
buiten. Het hoogste gewicht heet top-iveight en bedraagt in den
regel niet meer dan 84 Kg. De zwaarste Engelsche jockeys wegen
56 KG. Is het gewicht te licht, dan bepaalt de handicapper
hoeveel looden schijven (deadweight) het paard in het zadel krijgt.
Vóór de race en onmiddellijk daarna worden de jockeys door den
clerk of tho scales (weger) gewogen; zonder diens goedkeuring is
de ren niet geldig. De judge of rechter, in den rechterstoel
tegenover den eindpaal gezeten, beslist welk paard winner is, en
plaatst de paarden, d. i. bepaalt de volgorde van aankomst.
Indien een paard gewonnen heeft, krijgt het een volgenden
keer meer te dragen {penalty).
Handicap wordt bij harddraverijen toegepast door de paarden
een grooter afstand te laten afleggen.
Catch-weight is een uitdrukking, welke gebezigd wordt in een
wedren, waarbij ieder mededinger een jockey kiest, die noch
vóór, noch na het rennen wordt gewogen.
Betting-book is het boek, waarin men de weddenschappen op-
schrijft; betting-room, de zaal voor de pari\'s; bookmaker, de houder
van een boek voor het wedden; odds noemt men het geld, dat
de bookmaker »houdt" op de verschillende paarden; hedge het
speculeeren op het verschil der odds; favourite, het paard dat
vermoedelijk zal winnen; outsider, een paard dat weinig kans heeft
te winnen; to keep a horse dark, zorgen dat het publiek de eigen-
schappen van een paard niet kent.
-ocr page 742-
710
Totalisator of pari mutuel is een onderlinge weddenschap, die
van de Kenveieeniging uitgaat.
Furlong is een afstandsmaat = ongeveer \',\'8 Engelsche mijl =
220 yards = ruim 201 M. 240 yards is a distance.
Record-harddraverijen noemt men de zoodanige, waarin de
Engelsche mijl (1609 M.), of bij ons de kilometer, in den kortsten
tijd wordt afgelegd. Het snelste record is thans de Engelsche
mijl in 2 min. 4 sec. of de kilometer in ongeveer 1 min. 20 sec.
Heat-harddraverijen; daarbij moet de winner de eerstaankomende
zijn in twee van de drie harddraverijen. Indien er een dead heat
bij is, moet hij in vier harddraverijen de eerstaankomende zijn.
Driver = pikeur.
Paarden van zessen klaar wil zeggen : paarden met twee goede
coijen en vier goede beenen.
-ocr page 743-
ZESDE BOEK.
KOOP, VERKOOP en SIGNALEMENT van PAARDEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
Het koopen van paarden.
§ 268. Remonteering bij het Nederlandsche leger.
Het voor rekening van het Rijk aankoopen der benoodigde
troepenpaarden wordt remonteeren genoemd.
De gewone jaarlijksche remonte bedraagt ongeveer \'/,„ gedeelte
der gedurende het jaar aanwezig zijnde paarden.
De aanschaffing der remontepaarden heeft voor en na op ver-
schillende wijzen plaats gehad. In de laatste 30 jaar geschiedde
ze door: 1°. openbare aanbesteding, 2°. onderhandsche aanbe-
steding, 3°. aankoopen uit de vrije hand, 4°. door vordering.
1°. Openbare aanbesteding. Deze geschiedt sedert 1885 niet meer.
De aannemers waren óf Hollandsche öf Duitsche kooplieden,
meestal uit Hannover. De geleverde paarden waren in hoofdzaak
Noord-Duitsche, in het bijzonder Hannoveraansche. Zij werden in
de garnizoensplaatsen ter keuring aangeboden, en na goedkeuring
gedurende 8 dagen aan een proeftijd onderworpen ten opzichte
van verborgen gebreken. Deze waren in het contract van aanbe-
steding genoemd. Na den termijn van 8 dagen werden de paar-
den definitief gekeurd en na goedkeuring bij het regiment ingedeeld.
-ocr page 744-
W8
De paarden moesten voor het meerendeel 5 jaar oud zijn
\'/j gedeelte mocht den leeftijd van 4 jaar hebben bereikt.
Het keuren geschiedde door drie officieren, bijgestaan door een
paardenarts.
2°. Onderhandsche aanbesteding. Van 1879—1881 heeft men
beproefd de cavalerie ten deele met Hongaarsche paarden te remon-
teeren. Tot dit doel hadden onderhandsche aanbestedingen plaats
bij de firma Deutsciilander en Cohner te Pest. Een commissie
van drie officieren der cavalerie als leden en een paardenarts als
adviseerend lid, begaf zich derwaarts en kocht, zoo mogelijk, het
benoodigd aantal geschikte paarden. Deze werden voor rekening
en risico der aannemers geleverd in de depot-garnizoenen.
De aldus aangekochte Hongaarsche paarden voldeden niet geheel
aan de verwachting; men meende dat Iersche paarden daaraan
beter zouden beantwoorden. Tot de levering daarvan werd in
1881 een overeenkomst getroffen met F. Delanole te Rijssel
(Frankrijk). Een commissie, als boven samengesteld, vertrok
naar Ierland, ten einde de paarden te koopen. Zij werden te
Rotterdam geleverd, evenzoo voor rekening en risico van den
aannemer.
Deze proef werd in de beide volgende jaren herhaald. In
1884 werd besloten aldaar ook paarden voor de artillerie aan te
koopen; te dien einde werd een officier van dit wapen aan de
commissie toegevoegd.
De Iersche paarden voldeden beter dan de Hongaarsche , waarom
men in 1888 besloot in Ierland paarden aan te koopen, echter
zonder onderhandsche aanbesteding.
3°. Aankoopen uit de vrije hand. Het remonteeren geschiedt
in vredestijd tegenwoordig uitsluitend op deze wijze. De paarden
voor de cavalerie en het korps rijdende-artillerie worden in Ierland
aangekocht; die voor de veld-artillerie voor ongeveer de helft in
Ierland, voor de andere helft in Nederland.
Een proef, genomen in de jaren 1888—1891, om in Noord-
Duitschland, speciaal Mecklenburg, uit de vrye hand artillerie»
paarden aan te koopen, is opgegeven.
In 1893 en 1894 werden in Ierland aangekocht 321 paarden,
namelijk 242 cavalerie* en 79 artillerie-paarden.
De commissie van aankoop bestond uit een hoofdofficier der
cavalerie, een kapitein der veld-artillerie en een paardenarts l\'te
klasse; zij werd in Engeland bijgestaan door een Engelsch veearts.
De volgende voorwaarden waren gesteld.
-ocr page 745-
719
De cavaleriepaarden moeten 3 jaar oud zijn; bij uitzondering
kunnen ook oudere paarden worden aangekocht.
De paarden voor de bereden artillerie moeten 3\'/,—4 jaar zijn.
De maat der cavaleriepaarden moet zijn van 1,56—1,60 M.;
bij uitzondering mogen ook paarden van 1,54 M. worden aange-
kocht. Voor de bereden artillerie behooren de paarden 1,54—1,58 M.
hoog te zijn. Beide soorten van paarden worden gemeten onder
een galg, van den onderkant van het ijzer van den voorhoef tot
het hoogste punt van de schoft.
De gemiddelde prijs, met inbegrip der transportkosten tot
Rotterdam, mocht in 1893 het bedrag van ƒ 575 en in 1894 dat
van ƒ 570 per paard niet overschrijden.
Overigens waren voor het keuren der paarden geen voorschrif-
ten gegeven.
Tevens met het doel om de inlandsche paardenfokkerij te be-
vorderen, besloot de Minister van Oorlog in 1884 een proef te
nemen met het doen aankoopen van een honderdtal paarden in
ons land. Gelukten deze pogingen, dan zouden er voortaan meer
worden aangekocht.
Eenige commissiën, bestaande uit officieren der artillerie en
cavalerie, elk bijgestaan door een paardenarts, bezochten te dien
einde verschillende provinciën van ons land.
Op de internationale landbouwtentoonstelling te Amsterdam in
1884 was een afzonderlijke afdeeling voor remontepaarden, waar-
voor door den Minister van Oorlog prijzen waren uitgeloofd.
Het aankoopen van paarden in het binnenland is niet nieuw;
reeds in het üecueil Militair van 1826 vindt men daaromtrent
voorschriften. Ook in 1850 en 1870 heeft men getracht het leger
op deze wijze voor een gedeelte van paarden te voorzien.
Thans geschiedt de aanschaffing door het bezoeken van fokkers
en handelaars en ook van paardenmarkten; pogingen in het werk
gesteld om remonte-markten te stichten, hadden niet het ge-
wenschte gevolg.
De onderstaande instructie voor de remonteering der bereden-
artillerie is in Februari 1895 nog van kracht, hoewel enkele daarin
voorkomende bepalingen, als het aankoopen van paarden in Duitsch-
land, het uitschreven van remonte-markten, enz. niet meer worden
toegepast.
-ocr page 746-
1lO
Instructie voor de remonteering der bereden artillerie, vastgesteld
bij aanschrijving van den Minister van Oorlog, dd.
5 Januari
1889, ƒƒ* Afd., n°. 11. (Gewijzigd bij Ministeriëele aan-
schrij vingen van
23 Februari 1891 Ilde Afd., n°. (M , en
van
23 Juli 1891, IL\'\' Afd., n". 104).
A. Algemeene bepalingen.
AllT. 1.
Het aankoopen van paarden, tot remonteering der bereden
artillerie geschiedt:
1°. Zooveel mogelijk overeenkomstig het bepaalde bij het Koninklijk
besluit van 16 Januari 1885, n°. 15, in het binnenland.
2°. Voor zooveel door de sub 1°. bedoelde wijze niet in het
benoodigde aantal paarden kan worden voorzien, tot aanvulling,
in het buitenland (Duitschland, Engeland en Ierland).
De remonteering van het korps rijdende-artillerie heeft voor-
hands uitsluitend op de sub 2°. bedoelde wijze plaats.
Akt. 2.
Zoolang het remonte-depot nog niet geheel in de jaarlij ksche
aanvulling van paarden der korpsen kan voorzien, wordt een
gedeelte der aangekochte paarden in de sterkte van dat depot,
het overige gedeelte in die der korpsen opgenomen.
Art. 3.
Het aantal en de verdeeling der aan te koopen paarden over
het remonte-depot en over de korpsen wordt jaarlijks door den
Minister van Oorlog, gelet op een daartoe door den inspecteur
der artillerie in te dienen voorstel, vastgesteld.
Art. i.
Het aankoopen van paarden voor de bereden artillerie ge-
schiedt volgens de bepalingen dezer instructie en, behoudens de
bevelen van den Minister van Oorlog tot uitvoering van eventueele,
op de remonteering van dat wapen betrekking hebbende Koninklijke
besluiten, door een vaste remonte-commissie.
-ocr page 747-
721
Art. 5.
De voor de korpsen aan te koopen paarden moeten den leeftijd
van vol vier jaar hebben bereikt en mogen dien van zes jaar niet
hebben overschreden. Nochtans kunnen, bij wijze van uitzondering,
enkele deugdzame paarden van zes jaar worden aangenomen.
De voor het remonte-depot aan te koopen paarden moeten,
bij voldoende ontwikkeling, een zoodanigen leeftijd hebben, dat
zij, na een verblijf van gemiddeld eenjaar aldaar, bij de korpsen
kunnen overgaan om in dressuur te worden genomen. In\'verband
daarmede zullen die paarden in den regel van drie en een hnlf- ü
vierjarigen ouderdom moeten zijn.
De maat der te leveren paarden moet zijn: voor de drie en
een half-
a vierjarigen van 1,54 tot 1,58 M.; voor de vol vy/jarigen
van 1,56—1,60 M., gemeten onder een galg, van den onderkant
van het ijzer van den voorhoef tot op het hoogste punt van de
schoft, onder opmerking nochtans dat de commissie zich niet zoo
streng aan deze maat zal dienen te houden, dat de aankoop van
paarden van de bedoelde categorie daardoor zal worden beperkt,
zoodat geringe verschillen in hoogte buiten rekening zullen be-
hooren te worden gelaten. Is het paard niet beslagen, dan
wordt 1 cM. voor het ijzer berekend.
Art. 6.
Elk paard moet bij de levering voorzien zijn van een halster
en een longe.
Art. 7.
De aan te koopen paarden moeten voldoen aan den eisch:
dat zij een voor den dienst, waartoe zij bestemd zijn, geschikten
lichaamsbouw bezitten en — voor zoover dit te beoordeelen is —
krachtige artilleriepaarden zullen worden.
Daartoe moeten zij hebben :
Ken goed geplaatsten, langen, schuinen schouder, een vol-
doend ontwikkelde schoft, een krachtig gebouwde en voldoend
breede borst, een korten rug, krachtige, breede lenden, korte
flanken, een voldoend lang, niet te sterk afbellend en redelijk
breed kruis, sterke beenen, zware knie- en spronggewrichten,
korte kooten, gezonde hoeven en een goeden adem.
40
-ocr page 748-
722
Aan de oogen mogen zich geen gebreken voordoen, die het
gezichtsvermogen kunnen schaden.
Bonten, schimmels of witten en isabellen worden niet aange-
nomen; evenmin hengsten en klophengsten.
Aan de hand gemonsterd, moeten de paarden een natuurlijke,
regelmatige en naar hun leeftijd krachtige beweging in stap en
draf bezitten; ook moet gelet worden op een behoorlijk verband
in de beweging van voor- en achterhand.
Paarden met afwijkingen in lichaamsbouw of met gebreken,
die de bruikbaarheid niet kunnen benadeelen, worden, indien zij
overigens, naar het oordeel van de commissie, voldoen aan de
eischen voor een goed artilleriepaard, en de gebreken niet in te
sterke mate bestaan, aangenomen.
                                     /
Art. 8.
Het monsteren aan de hand moet met lossen teugel of longe
geschieden; de paarden mogen daarbij niet in opgewonden toe-
stand worden gebracht.
Art. 9.
Den verkoopers moet herinnerd worden, dat zij, wegens
koopvernietigende gebreken, tegenover het Rijk verantwoordelijk
zijn, volgens de wetten en gebruiken van het land, waar de ver-
koop plaats heeft.
Art. 10.
De maximum-koopprijs per paard wordt voor de aan te koopen
paarden van de verschillende leeftijden jaarlijks door den Minister
van Oorlog vastgesteld.
De commissie is evenwel slechts in zoover aan dien maximum-
prijs gebonden, dat die als de gemiddeld te besteden prijs moet
worden beschouwd, zoodat telkenmale de voor den aankoop van
een aantal paarden totaal uit te geven som, het bedrag, berekend
volgens den maximum-prijs per paard, niet te boven mag gaan.
B. Aankoopen in het binnenland.
Art. 11.
De in art. 4 bedoelde commissie bestaat, voor de aankoopen
n het binnenland, uit:
-ocr page 749-
723
a.    een hoofd-officier der bereden artillerie als lid en voorzitter.
b.    de drie kapiteins voor speciale diensten van de regimenten
veld-artillerie en een paardenarts, als leden.
c.    een hoofd-officier of kapitein der bereden artillerie als
plaatsvervangend lid en voorzitter en een luitenant voor speciale
diensten van elk regiment veld-artillerie, als plaatsvervangende leden.
De sub a bedoelde hoofdofficier en de sub b bedoelde paarden-
arts worden aangewezen door den Minister van Oorlog, op voor-
dracht van den Inspecteur der artillerie, welke voordracht, voor
zooveel laatstgenoemde betreft, wordt opgemaakt in overleg met
den Inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht.
Art. 12.
De voorzitter draagt zorg, in overleg met de leden der com-
missie, voor het aanknoopen van relatiën, het verzamelen van
gegevens en het doen van voorstellen tot het nemen van maat-
regelen, welke kunnen strekken om den aankoop van paarden in
het binnenland
te bevorderen.
Hij stelt zich op de hoogte van den paardenstapel in ons land,
van de plaatsen waar en de tijdstippen waarop remontepaarden te
koop zijn, en van de wijzigingen in de marktprijzen der paarden.
Art. 13.
Hij doet aan den Minister van Oorlog al zoodanige voorstellen
als, naar het gevoelen van de commissie, kunnen strekken om
het aan fokken van goede, voor den krijgsdienst geschikte paarden
in het binnenland te bevorderen.
Art. 14.
Hij tracht — in overleg met de leden der commissie — in die
gedeelten des lands, waar, blijkens de ondervinding, goede, voor
den krijgsdienst geschikte paarden worden aangetroffen, vertrouwde
en in die streken goed bekende commissionnairs te verkrijgen, die
hem op de hoogte stellen, wanneer eenige geschikte paarden te
vinden zijn.
Art. 15.
Het Rijk wordt voor den aankoop in het binnenland, verdeeld
in drie districten, als:
-ocr page 750-
724
l»t° district: de provinciën Drente, Overysel, Gelder-land en
Utrecht;
2Je district: de provinciën Noord- en Zuid-Holland, Friesland
en Groningen;
3<le district: de provinciën Limburg, Noord-Brabant en Zeeland.
Art. 16.
De aankoopen van paarden in de drie genoemde districten worden
verricht door subcommissiën van de in art. 10 bedoelde remonte-
commissie, in den regel bestaande uit den voorzitter, denpaarden-
arts en resp. uit den kapitein voor speciale diensten van het
te, het 2de en het 3de regiment veld-artillerie.
Art. 17.
De luitenants voor speciale diensten der regimenten veld-ar-
tillerie maken, nu en dan, op voorstel van den voorzitter, tot
oefening, een reis tot het aankoopen van paarden mede; zij
treden voorts, in geval van ontstentenis van het betrokken lid der
commissie — den kapitein van het regiment waartoe zij behooren —
als tijdelijk lid der subcommissiën op.
Art. 18.
De pogingen tot het aankoopen van paarden in het binnenland
geschieden door:
1°. het bezoeken van stallen van paardenfokkers en handelaars;
2°. het bezoeken van paardenmarkten;
3°. het uitschrijven van remontemavkten.
Door den voorzitter worden aan den Minister van Oorlog
voorstellen gedaan tot het doen van reizen door de verschillende
subcommissiën, en tot het uitschrijven van remontemarkten.
Art. 19.
Wanneer de voorzitter van een der in art. 14 bedoelde commis-
sionnairs bericht ontvangt, dat eenige paarden te bekomen zijn,
vraagt hij voor de betrokken subcommissie aan den Minister van
Oorlog machtiging tot het doen van een dienstreis, ten einde de
bedoelde paarden, voor zooveel zij werkelijk geschikt worden be-
vonden, aan te koopen.
-ocr page 751-
725
Voor elk aldus aangekocht paard zal den commissionnair, die
de aanwijzing deed, hoogstens f 10 (tien gulden) commissieloon
worden uitbetaald.
Art. 20.
De aankoopen van paarden overeenkomstig de artt. 48 en 19,
geschieden uit de hand (zie § 1, punt b, ad art. 246 der Voorschriften
tot uitvoering van het Reglement van administratie bij de landmacht).
Art. 21.
Na afloop van elke reis en van elke remontemarkt wordt door
de betrokken subcommissie daaromtrent een beknopt verslag uit-
gebracht aan den Minister van Oorlog, met vermelding van het
aantal, den leeftijd, den prijs, de korpsen waarbij zij zijn inge-
deeld, enz. der aangekochte paarden, bij proces-verbaal, overeen-
komstig H 3 ad art. 246 der in art. 20 vermelde Voorschriften
(model n°. 88).
Art. 22.
In de quitantiën van aangekochte paarden moet steeds liet
juiste bedrag van de bedongen, aan den verkooper te betalen
koopsom worden vermeld.
Van alle andere noodzakelijke betalingen, bij den aankoop van
paarden voor \'s Rijks dienst gedaan (commissieloon, enz.), moet
een aanvraag om teruggave in tweevoud van den voorzitter aan
het Departement van Oorlog worden ingediend, in den vorm van
model n°. 158, behoorende bij de Voorschriften in art. 20 vermeld.
Het bedrag van die declaratiën moet door het korps, hetwelk —
ingevolge de daartoe door den Minister van Oorlog te geven be-
velen — de gelden voor het betalen der paarden heeft verschaft,
betaald en in de declaratie wegens het betaalde voor geleverde paarden
begrepen worden.
Art. 23.
Alle voorstellen en verslagen, ingevolge deze instructie, in te
dienen aan den Minister van Oorlog, worden door tusschenkomst
van den Commandant der bereden artillerie en den Inspecteur der
artillerie ingezonden. Vermelde autoriteiten voegen daarbij debe-
schouwingen en de voorstellen, waartoe de inhoud dier bescheiden
hun eventueel aanleiding mocht geven.
-ocr page 752-
726
C. Aankoopen in het buitenland.
Art. 24.
De voor den aankoop in het buitenland te bestemmen leden
van de in art. 11 bedoelde remonte-commissie, worden met een
mede daartoe te bestemmen officier van het korps rijdende-artillerie,
jaarlijks, naar aanleiding van een daartoe door den Inspecteur der
artillerie in te dienen voorstel, door den Minister van Oorlog, aan
den Koning, ter benoeming voorgedragen.
Art. 25.
Bij de mededeeling van de Koninklijke besluiten omtrent den
aankoop van paarden tn het buitenland worden door den Minister
van Oorlog telkenmale de noodige bevelen verstrekt, omtrent het
eventueel optreden van subcommissiën, de wijze van aankoop der
paarden, enz.
Op de ter zake uit te brengen verslagen is toepasselijk hetgeen
in de artt. 21, 22 en 23 voor den aankoop van paarden in het
binnenland
is vastgesteld.
Mij bekend,
De Secretaris-Generaal
van het Departement van Oorlog,
w. g. Kramer.
Bij het merken van de r\'ykspaarden wordt het navermelde in
acht genomen:
a.    Het merken geschiedt op het midden der halsvlakte, de
bovenkant van het merk één decimeter onder den manenkam,
met een merkijzer, open gewerkt, ten einde bij het branden de
warmte buiten de aanrakingspunten zooveel mogelijk te verminderen.
b.    Nummer en letter moeten een hoogte hebben van vier
centimeter, en, van midden tot midden, op een afstand van vijf
centimeter geplaatst zijn.
c.    Het nummer moet den Arabischen vorm, de letter dien
van een gedrukte hoofdletter hebben.
d.    Voor de thans bestaande cavalerie» en bereden artillerie
korpsen zijn de merken op den hals dus, zonder eenig verder
om- of bijwerk:
Cavalerie.......... 1 H, 2 H of 3 H.
Veld-artillerie....... 1 V, 2 V of 3 V.
Rijdende artillerie... R.
-ocr page 753-
727
e. Jonge paarden, bij liet remontedepot geplaatst, worden bij
aankomst bij het depot bovendien gemerkt met de letter D, drie
centimeter hoog, te stellen, één decimeter rechts van het midden
der halsvlakte, met den bovenkant één decimeter onder den
manenkam.
/". De paarden bij het eskadron ordonnansen, de Koninklijke
militaire academie en andere dergelijke korpsen en inrichtingen
behouden het merk op den hals, dat zij tijdens de plaatsing
daarbij droegen.
g. Het merkijzer moet, ten einde misbruiken te voorkomen,
onder bewaring blijven van den commandant van het korps of
korpsgedeelte ter plaatse, waar dit in den regel moet gebruikt
worden.
Bij het stellen van nummers op de hoeven der rijks-paarden
wordt gehandeld als volgt:
o. De nummers worden met scherpe merkijzers, de cijfers
lang 12 millimeter, ingebrand.
b.    Het nummer wordt aanvankelijk aangebracht en later,
wanneer dit door het groeien van den hoef noodig is, opnieuw
gesteld op het midden van den hoef, de bovenkant 15 millimeter
onder den kroonrand.
c.    Bestaat een nummer uit twee of meer cijfers, dan worden
deze op een onderlingen afstand van één centimeter geplaatst.
d.    Hij, die met het aanhouden van het stamboek is belast,
houdt aanteekening van de opengevallen nummers, en doet de
noodige mededeelingen, opdat aan nieuw aankomende paarden de
laagste daarvan worden gegeven. {Voorschriften tot uitvoering van
het Reglement van administratie bij de landmacht van het Koninkrijk
der Nederlanden, vastgesteld bij Koninklijk besluit van
7 Februari 1886,
n". 14; beschikking van den Minister van Oorlog van 1 October 1887,
VI*1 Af deeling, n". 1).
4°. Het leveren van paarden in geval van oorlog of oorlogsgevaar.
Hieromtrent zijn de volgende bepalingen van belang.
De Wet van 14 September 1866 (Staatsblad n°. 138), houdende
bepalingen, betrekkelijk de inkwartieringen en het onderhoud van het
krijgsvolk, en de transporten en leverantiën, voor de legers of verdedi-
gingswerken van liet Rijk gevorderd, zooals die wet is gewijzigd bij de
wetten van
29 Maart 1877 (Staatsblad n». 53), 15 April 1886
(Staatsblad n<-. 64) en 10 Mei 1890 (Staatsblad n°. 83), behelst in
de artt. 32 en 32*\'* het volgende.
-ocr page 754-
728
Art. 32.
Naarmate van de behoeften van Onze legers en verdedigings-
werken, waarin niet op een andere wijze voorzien is, rust in
geval van oorlog of oorlogsgevaar op de gemeenten en inwoners
de verplichting tot het doen van leverantiën van allerlei aard ten
behoeve van den krijgsdienst. Deze verplichting bestaat alsdan ook
ten aanzien van paarden, rund- en ander vee.
Daarbij wordt evenwel gelet op de belangen der burgerij en
gezorgd dat de eischen de klachten der gemeenten en der inwoners
niet te boven gaan.
Art. 32*\'"\'.
Wanneer door Ons in tijd van vrede een keuring van paarden
wordt noodig geacht, opdat tijdig aan de verplichting, bedoeld bij
art. 32 kunne worde voldaan, is de eigenaar van het paard, hetwelk
op vordering van den burgemeester aan de keuring moet worden
onderworpen, verplicht, dat paard, op het voor de keuring aan-
gewezen tijdstip, op de daarvoor vastgestelde plaats aanwezig te
deen zijn en toe te laten dat het paard door de daarvoor be-
stemde commissie wordt gekeurd.
Burgemeester en wethouders kunnen van de inwoners zoodanige
opgaven vorderen, als benoodigd mochten zijn voor het samen-
stellen en bijhouden van de lijsten der in hun gemeente te
keuren of voor den krijgsdienst geschikt bevonden paarden.
Voor de uitvoering van de keuring, alsmede voor het samen-
stellen en bijhouden van de lijsten in het vorig lid bedoeld, worden
bij reglement de noodige bepalingen vastgesteld.
Bij Koninklijk besluit van den 10deu November 1892, houdende
vaststelling der reglementaire bepalingen ter uitvoering van de Wel van
14 September 1866 en haar wijzigingen bovenbedoeld, is o. a. bepaald:
Art. 43.
In verband met de verplichting tot het doen van leverantiën
van paarden, overeenkomstig art. 32 der wet, wordt, krachtens
het bepaalde bij art. 32ói\' der wet, telkens wanneer zulks noodig
is, bij Koninklijk besluit, hetwelk in de Staatscourant wordt ge-
plaatst, een keuring van paarden, uitgeschreven.
-ocr page 755-
729
Akt. 14.
Binnen één maand, nadat een uitschrijving als in art. 43
bedoeld is geschied, wordt, door de zorg van het bestuur der ge-
meente, aan ieder in de gemeente metterwoon gevestigd eigenaar
van een paard of van meer paarden, waarvan aangifte voor de
keuring moet geschieden, tot dat einde een formulier ter invulling
gezonden, ingericht volgens het bij dit besluit gevoegd model
litt. A.
De voor dit doel noodige opgaven van eigenaars van paarden
worden zooveel mogelijk door den ontvanger der directe belastin-
gen, op aanvrage van het gemeentebestuur, verstrekt.
Binnen acht dagen na de dagteekening van het formulier moet
dit, behoorlijk en naar waarheid ingevuld, en door den geadres»
seerde onderteekend, door dezen worden ingeleverd aan het be-
stuur der gemeente.
Aut. 15.
Aangifte ten behoeve van de keuring, bedoeld in art. 13, moet
worden gedaan van alle paarden met uitzondering van:
1°. de paarden, welke behooren aan Ons of aan een der leden
van het Koninklijk Huis;
2°. de paarden van de diplomatieke agenten van vreemde mo-
gendheden;
3". de paarden, welke officieren en ambtenaren in dienst van
den Staat, verplicht zijn te houden.
Het gemeentebestuur doet de juistheid van de gedane opgaven
controleeren.
Art. 16.
Het gemeentebestuur vult de noodige opgaven nopens de in
art. 14 bedoelde aangiften in, op verzamellijsten voor ry- en voor
ireipaarden; deze lijsten moeten zijn ingericht volgens de bij dit
besluit gevoegde modellen litt. B i en BII.
Op de verzamellijsten worden niet vermeld:
1°. de paarden, welke jonger zijn dan vijf of ouder dan
veertien jaar;
2°. hengsten en klophengsten;
3°. schimmels en bonte paarden;
-ocr page 756-
730
4°. paaiden, welke bij een vroegere keuring voor den mili-
tairen dienst voor altijd ongeschikt zijn bevonden;
5°. de paarden van niet-Nederlanders, behoorende tot een
vreemden staat, alwaar, ingevolge een soortgelijke bepaling als
deze, Nederlanders niet tot levering bij eventueele vordering ten
behoeve van den krijgsdienst verplicht zijn;
6°. de paarden, welke geneesheeren, veeartsen of geestelijken
bezitten tot uitoefening van hun praktijk of hun dienst,
doch niet meer dan één paard voor iederen geneesheer, veearts
of geestelijke;
7°. de paarden, welke onmisbaar zijn voor den geregelden
dienst der publieke vervoermiddelen.
Of een paard tot een der hiervoren bedoelde categoriën behoort,
wordt door het gemeentebestuur beslist.
Van elk der in dit artikel bedoelde verzamellijsten worden ten
minste vijf afschriften of afdrukken gemaakt en ingevuld. Een
daarvan wordt binnen tien weken, nadat de in art. 13 bedoelde
uitschrijving is geschied, aan den Commissaris der Koningin in
de provincie gezonden; de overige worden door het gemeentebe-
stuur bewaard om te dienen tot het doel in art. 23 vermeld.
Art. 47.
l)e volgorde, waarin de paarden op de in art. 46 bedoelde
verzamellijsten worden gebracht, wordt bepaald bij loting, ten
overstaan van het gemeentebestuur in het openbaar te houden,
en ten minste drie dagen te voren af te kondigen.
De eigenaar van een in te schrijven paard is gerechtigd in
persoon voor dat paard te loten; is hij eigenaar van meer dan
een in te schrijven paard, dan loot hij voor elk paard afzondei lijk.
Is de eigenaar niet bij de loting tegenwoordig, dan loot de bur-
gemeester voor hem.
Art. 48.
Binnen drie maanden, nadat de uitschrijving in art. 13bedoeld
is geschied, zenden de Commissarissen der Koningin in de pro-
vinciën aan den Minister van Oorlog een numerieke opgave, op-
gemaakt volgens het bij dit besluit gevoegde model litt. C,
betreffende de op de verzamellijsten ingeschreven paarden.
-ocr page 757-
731
Akt. 19.
Na ontvangst van de in art. 18 bedoelde numerieke opgaven,
bepaalt de Minister van Oorlog, in verband met de behoefte, de
door elke provincie bij eventueele vordering ten behoeve van den
krijgsdienst te leveren aantallen rij- en (rampaarden; en zulks in
evenredigheid van de in die opgaven vermelde hoeveelheden paarden
van elk der beide categorieën.
Met betrekking tot het aantal (rei-paarden wordt daarbij tevens
bepaald het minimum-aantal, dat daarvan geschikt moet zijn om
niet alleen als (rampaard, doch ook om als batterijpaavd te dienen.
Hij stelt den Commissaris der Koningin in kennis met de voor
de provincie bepaalde aantallen en tevens met den dag waarop
de keuring een aanvang zal nemen.
Art. 20.
De Commissaris der Koningin verdeelt de, blijkens de in
art. 19 bedoelde kennisgeving, in het aldaar vermelde geval, door
de provincie te leveren aantallen rij- en (renpaarden over de ver-
schillende gemeenten, zooveel mogelijk in evenredigheid van de
op de verzamellijsten dier gemeenten ingeschreven aantallen van
elk dier beide categorieën.
Voor de in de voorgaande zinsnede bedoelde verdeeling kan
hij, zoo noodig, twee of meer gemeenten samenvoegen.
Voorts stelt hij voor elke gemeente of, ingeval van samenvoe-
ging, voor elke ingevolge de voorgaande zinsnede gevormde groep
van gemeenten, het minimum-aantal der te leveren voor batterij-
paard geschikte (rei-paarden vast; en zulks zooveel mogelijk in
verhouding van het aantal batterij paarden, dat onder het voor de
provincie bepaalde aantal (reipaarden begrepen moet zijn.
Hij zendt aan den Minister van Oorlog een opgave van de
door hem vastgestelde verdeeling.
Hij doet aan de betrokken gemeentebesturen mededeeling van
het aantal der bij eventueele vordering ten behoeve van den
krijgsdienst, door de gemeente of door de samengevoegde ge-
meenten, te leveren rij- en (renpaarden, met vermelding van het
minimum-aantal paarden der laatste categorie die geschikt zullen
moeten zijn om als 4a((ery paard te dienen; alsmede van den dag
en het uur, waarop de keuring van de daarvoor aan te wijzen
paarden voor den militairen dienst zal aanvangen,
-ocr page 758-
732
Bedoelde] tijdstippen worden door den Commissaris der Koningin
vastgesteld in overleg met de voorzitters der voor de provincie
aangewezen keuringscommissiën.
Art. 21.
Na ontvangst der in art. 20 bedoelde mededeeling — doch
minstens veertien dagen vóór het tijdstip der keuring — wordt in
elke gemeente in het openbaar afgekondigd, welke paarden op
den bepaalden dag en op het bepaalde uur op een daarbij aan
te duiden plaats ter keuring aanwezig moeten zijn. De hierbe-
doelde plaats wordt door het gemeentebestuur vastgesteld, tenzij
de Commissaris der Koningin, in overleg met den voorzitter der
betrokken keuringscommissie, ook in verband met de in art. 20
bedoelde samenvoeging van gemeenten, een plaats heeft aange-
wezen, waar de keuring der paarden van twee of van meer ge-
meenten zal geschieden.
De aantallen rij- en Jreipaarden, die ter keuring aanwezig
moeten zijn, bedragen het viervoud van het door de gemeente of
door de groep van gemeenten eventueel te leveren aantal paarden
van elk der categorieën.
In geval van samenvoeging van gemeenten, stelt de Commis-
saris der Koningin vast, hoeveel paarden van elk der beide
categorieën uit elk der tot de groep behoorende gemeenten ter
keuring aanwezig moeten zijn, en zulks naar den maatstaf van
het in elk dier gemeenten volgens de verzamellijst beschikbare
aantal. Hij doet hiervan mededeeling aan de betrokken burge-
meesters.
De aanwijzing der paarden, die aan de keuring moeten worden
onderworpen, geschiedt in de volgorde, waarin zij op de ver-
zamellijsten, bedoeld in art. 16, zijn ingeschreven.
In geval van samenvoeging van gemeenten, als bedoeld in
art. 20, bepaalt de Commissaris der Koningin door middel van
loting, de volgorde ^waarin de tot de groep behoorende gemeenten
beurtelings,*met inachtneming van het bepaalde in het vorig lid,
telkens een paard ter keuring zullen aanbieden.
Aiit. 22.
De keuringscommissiën bestaan uit twee officieren, gepension-
neerde officieren of eervol ontslagen officieren, aan te wijzen door
-ocr page 759-
733
den Minister van Oorlog, en een burgerlid — bij voorkeur een
districtsveearts — aan te wijzen door den Minister van Binnen-
landsche Zaken.
Door den betrokken Minister wordt voor elk der leden eener
keuringscommissie een plaatsvervanger aangewezen.
De Minister van Oorlog wijst voor elke keuringscommissie uit
de leden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan.
De namen van den voorzitter, van den plaatsvervangenden
voorzitter, van de leden en van de plaatsvervangende leden der
keuringscommissiën worden aan de Commissarissen der Koningin
door den Minister van Oorlog medegedeeld.
Bijaldien het burgerlid of zijn plaatsvervanger geen ambts-eed
of belofte heeft afgelegd, moet hij, alvorens in de commissie
zitting te nemen, in handen van den Commissaris der Koningin
van de provincie waarin hij gevestigd is, den eed of de belofte
afleggen, volgens het bij dit besluit gevoegd formulier litt. D.
Elke keuringscommissie wordt belast met het keuren der paarden
in eenige aan elkander grenzende gemeenten of groepen van ge-
meenten, als bedoeld in art. 20.
Voor elke commissie worden door de zorg van den Minister
van Oorlog eenige militairen als hulppersoneel bij de keuring
beschikbaar gesteld.
Art. 23.
Op den vastgestelden dag worden de paarden, welke aan de
keuring moeten worden onderworpen, door of vanwege den eigenaar
voor de commissie gebracht, in de in art. 21 bedoelde volgorde.
De burgemeester neemt de noodige maatregelen, opdat de
keuring geregeld en zoo spoedig mogelijk kan plaats hebben. Hij
moet bij de keuring tegenwoordig zijn en voorzien zijn van een
exemplaar van de beide verzamellijsten, bedoeld in art. 16, ten
behoeve van den gemeentelijken dienst. Hij reikt voorts aan elk
der leden van de commissie een exemplaar van deze beide ver-
zamellysten uit.
De paarden moeten, elk onder geleide van een afzonderlijken
persoon, zijn opgesteld in de volgorde waarin zij op de lijsten
voorkomen; de rif* en de trekpaavden afzonderlijk; bij samen-
voeging als bedoeld in art. 20, gemeentesgewijze, met inachtneming
van de volgorde in het laatste lid van art. 21 aangegeven.
Elk paard moet voorzien zijn van een door het gemeentebe-
Stuur te verstrekken en aan de linker zijde van het hoofdstel of
-ocr page 760-
534
van den halster bevestigde kaart, waarop vermeld zijn: de naam
der gemeente, de letter li (rijpaard) of T (trekpaard), en voorts
het volgnummer op de verzamellijst.
Art. 24.
Vrijgesteld van de keuring zijn:
Drachtige merriën in de laatste maand van haar drachttijd en
veulenmerriën in de eerste veertien dagen, nadat zij hebben ge-
worpen. Aangaande deze paarden, evenals aangaande paarden,
welke wegens ongesteldheid niet voor de commissie kunnen worden
gebracht, moet haar een desbetreffende verklaring van den
districtsveearts of van een ander gediplomeerd veearts worden
vertoond.
De reden waarom een paard niet ter keuring aanwezig is,
wordt door de commissie en door den burgemeester op de ver-
zamellijsten aangeteekend.
Art. 25.
De Ministers van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken stellen
in onderling overleg de eischen vast, waaraan een paard moet
voldoen om geschikt te zijn voor den militairen dienst, hetzij
als rypaard, hetzij als trekpaard; en voor zoover het een trek-
paard betreft, bovendien om als batterijpaavd te kunnen dienen.
De commissie beslist — zoo zij niet eenparig oordeelt, bij meer-
derheid — omtrent elk gekeurd paard:
of het voor den militairen dienst geschikt
» » » »
           »            » tijdelijk ongeschikt
» » » »           »            » voor altijd ongeschikt
is bevonden.
Omtrent elk voor den militairen dienst geschikt bevonden
trekpaavd beslist de commissie — zoo noodig eveneens bij meer-
derheid — of het al dan niet geschikt is om als batterij paavd.
te dienen.
Art. 26.
Met het keuren wordt voortgegaan totdat het voor de gemeente,
of voor de groep van gemeenten als bedoeld in art. 20, vastge-
stelde aantal rij- en «rei-paarden en van de laatstbedoelde ook
dat der iaMery\'paarden — voor elk der vereischte soorten ver-
-ocr page 761-
735
meerderd met 50 pet. — geschikt voor den militairen dienst is
bevonden.
In geval uit de ter keuring aangewezen paarden geen voldoend
aantal goedgekeurd wordt, moet van de paarden, die op de ver-
zamellijsten met de volgende lotingsnummers zijn aangeduid, het
vereischte aantal voor de commissie verschijnen, en wordt de
keuring zoo noodig op een ander tijdstip voortgezet.
Art. 27.
De commissie teekent haar beslissingen omtrent de gekeurde
paarden op de haar ingevolge art. 23 uitgereikte verzamellijsten
aan. De voorzitter stelt den burgemeester in de gelegenheid die
aanteekeningen zijnerzijds op de verzamellijsten over te nemen.
Na afloop van de keuring zendt de voorzitter de aan de com-
missie uitgereikte verzamellijsten aan het Departement van Oorlog.
Art. 28.
Aan den eigenaar van elk paard, hetwelk tot levering ten
behoeve van den krijgsdienst bij eventueele vordering, hetzij ge-
schikt,
hetzij tijdelijk ongeschikt of wel voor altijd ongeschikt is be-
vonden, wordt door den burgemeester schriftelijk van den uitslag
der keuring kennis gegeven. Daarbij wordt aan den eigenaar van
een geschikt of tijdelijk ongeschikt bevonden paard, van een ingevolge
art. 24 van de keuring vrijgesteld paard, alsmede van een paard,
dat niet is behoeven gekeurd te worden, omdat het vereischte
aantal, bedoeld bij art. 26, reeds bereikt was, medegedeeld dat
de kaart bedoeld in art. 23 door hem moet worden bewaard, en
bij aanbieding tot levering van het paard ten behoeve van den
krijgsdienst, als bedoeld in art. 36, of bij een suppletoire keuring
als bedoeld in art. 31, weder aan de linker zijde van het hoofdstel
of van den halster moet bevestigd zijn.
Art. 29.
Indien de eigenaar van een bij de keuring voor den militairen
dienst geschikt bevonden paard verklaart, dat hij dit paard in
geval van vordering tot levering ten behoeve van den krijgsdienst
weet te behouden, kan door de commissie na afloop van de
keuring worden toegestaan dat een ander, vooralsnog niet tot
-ocr page 762-
730
eventueele levering aangewezen paard van dezelfde soort (ry-,
trek-, batterij paard), in de plaats en op het volgnummer van het
eerstbedoelde paard op de verzamellijst wordt gebracht, mits het
andere paard geschikt bevonden is of wordt. Komt het aldus
aangeboden paard reeds op de verzamellijst der gemeente voor,
dan wisselen de beide paarden van volgnummer. Behoort het
aangeboden paard niet aan denzelfden eigenaar als datgene in
welke plaats het wordt ingeschreven, dan moet, tot het verkrijgen
van de toestemming voor de ruiling, de schriftelijke toestemming
van den betrokken eigenaar aan de commissie en aan den burge-
meester worden vertoond.
Art. 30.
De eigenaar van een bij de keuring overeenkomstig art. 25
voor den militairen dienst geschikt bevonden paard is verplicht,
wanneer hij naar een andere gemeente verhuist of wanneer het
paard, op welke wijze ook, uit zijn bezit is geraakt, daarvan
binnen veertien dagen aangifte te doen aan het gemeentebestuur;
in voorkomend geval met opgave van den naam en de woonplaats
van den persoon aan wien het paard in eigendom is overgegaan.
Wanneer de eigenaar van een paard als in het eerste lid be-
doeld, sterft, moet daarvan, eveneens binnen veertien dagen,
aangifte worden gedaan door hem in wiens bezit het paard is
gekomen.
Het gemeentebestuur houdt van zoodanige aangiften aantee-
kening op de verzamellijsten. Is het paard overleden, afgemaakt
of overgegaan in handen van een eigenaar, die niet in de ge-
meente woont, dan wordt de aanduiding van dat paard op de
verzamellijst, waarop het vermeld is, doorgeslagen, met vermeU
ding van de reden waarom het van de lijst is afgevoerd.
Art. 31.
Zoodra ten gevolge van aangiften, als bedoeld in art. 30, het
aantal nog voor eventueele levering ten behoeve van den krijgs-
dienst beschikbare paarden op de verzamellijsten vermeld, van
een of meer der soorten (rij-, trek- of batterij paarden), niet meer
bedraagt dan tachtig percent van het aantal der betrokken soort,
dat ingevolge het bepaalde bij art. 20 geschikt is bevonden voor
den militairen dienst, geeft de burgemeester door tusschenkomst
-ocr page 763-
737
Van den Commissaris der Koningin, daarvan kennis aan den
Minister van Oorlog.
Genoemde Minister kan in dat geval voor de gemeente of
voor de groep van gemeenten een suppletoire keuring uitschrij-
ven, welke keuring alsdan wordt gehouden op gelijke wijze als
in de voorgaande artikelen is voorgeschreven.
Art. 32.
In geval van suppletoire keuring, overeenkomstig art. 31, moeten
de paarden, die krachtens art. 24 als drachtige of veulenmerrièn
of wel om reden van ongesteldheid van de keuring vrijgesteld
zijn geweest, doch voor welke een reden tot vrijstelling alsdan
niet meer bestaat, benevens de bij de keuring tijdelijk ongeschikt
bevonden paarden, in de volgorde van de lotingsnummers en,
voor zooveel betreft een groep van gemeenten, met inachtneming
van de overeenkomstig art. 21 voor de gemeente bepaalde volg-
orde, voor de keuringscommissie verschijnen.
Bij de suppletoire keuring worden de bij de eerste keuring
gebruikte verzamellijsten gevolgd.
Art. 33.
De overneming voor het Rijk van ten behoeve van den krijgs-
dienst te leveren paarden, in geval van vordering krachtens art.
32 der wet, geschiedt door commissiën, elk bestaande uit twee
leden, namelijk één militair lid — zijnde een officier, een ge-
pensionneerd officier of een eervol ontslagen officier — door den
Minister van Oorlog, en één burgerlid — bij voorkeur een dis-
trictsveearts — door den Minister van Binnenlandsche Zaken aan
te wijzen.
De aanwijzing van de leden dezer commissie, alsmede die van
een plaatsvervanger voor elk der bedoelde leden, geschiedt zooveel
mogelijk reeds in vredestijd. De leden en hun plaatsvervangers
worden in den regel voor den tijd van drie jaar als zoodanig
benoemd.
De Minister van Oorlog stelt de Commissarissen der Koningin
met de samenstelling der commissiën, voor hun provincie aan-
gewezen, in kennis.
Bijaldien het burgerlid der commissie of zijn plaatsvervanger
geen ambtseed of belofte heeft afgelegd, legt hij bij zijn benoeming
47
-ocr page 764-
738
in handen van den Commissaris der Koningin van de provincie
in welke hij gevestigd is, den eed of de belofte af, volgens het
als bijlage, litt. E, bij dit besluit gevoegde formulier.
Art. 34.
Tot samenwerking met een commissie van overneming, als
in art. 33 bedoeld, worden door het bestuur van elke gemeente
voor welke zij optreedt, voor de schatting van de eventueel door
de gemeente te leveren paaiden, drie taxateurs aangewezen.
Deze taxateurs, benevens voor ieder hunner een plaats ver-
vanger, worden, zooveel mogelijk reeds in vredestijd, in den regel
voor den tijd van drie jaar benoemd.
Geen andere dan zaakkundige en te goeder naam bekend
staande personen mogen tot taxateur of tot plaatsvervangend
taxateur worden benoemd.
De taxateurs en hun plaatsvervangers leggen, na hun aan wij -
zing, in handen van den burgemeester den eed of de belofte af,
volgens het als bijlage, litt. F, bij dit besluit gevoegde formulier.
Art. 35.
De Minister van Oorlog stelt de Commissarissen der Koningin,
reeds in vredestijd, in kennis met het tijdstip waarop, alsmede
met de plaatsen alwaar de paarden, die bij de keuringen bedoeld
in de artt. 25 en 32 voor den militairen dienst geschikt zijn be-
vonden, in geval van vordering tot levering ten behoeve van den
krijgsdienst, ter overneming door het Rijk moeten worden aan-
geboden.
De Commissarissen der Koningin doen van die plaatsen, mede
reeds in vredestijd, opgave aan de gemeentebesturen.
Art. 36.
Wanneer bij Koninklijk besluit is bepaald, dat krachtens art. 32
der wet een levering van paarden ten behoeve van den kr\'ygs-
dienst moet geschieden, geeft de Minister van Oorlog daarvan
kennis aan den burgemeester van elk der betrokken gemeenten.
Na ontvangst van deze kennisgeving doet de burgemeester aan
de eigenaars dier paarden onverwijld een lastgeving toekomen
om hun paard of hun paarden, voor zooveel mogelijk voorzien
van goed hoef beslag en in elk geval van een halster, op hetaan-
gegeven tijdstip te bepaalder plaatse aanwezig te doen zijn.
-ocr page 765-
73Ö
Het gemeentebestuur draagt zorg dat de voor deze lastgevingfin
vereischte formulieren, ingericht volgens het bij dit besluit gevoegde
model, litt. G, te allen tijde voorhanden zijn, en dat steeds het
noodige voor de uitreiking daarvan voorbereid zij, opdat delevering,
zoo noodig, uiterlijk 24 uur na de ontvangst van de in het eerste
lid van dit artikel bedoelde kennisgeving kan plaats hebben.
Art. 37.
De paarden worden door of vanwege den eigenaar ter levering
aangeboden in de volgorde, waarin zij vermeld zijn op de ver-
zamellijsten bedoeld in art. 1G; in een groep van gemeenten als
bedoeld in art. 20, met inachtneming van de overeenkomstig
art. 21 voor de gemeenten aangewezen volgorde.
Art. 38.
Vrijgesteld van aanbieding ter levering, in het geval bedoeld
bij art. 30, zijn: drachtige en zoogende merriën, alsmede paarden
die ongesteld zijn, in die mate dat zij niet voor de commissie
kunnen verschijnen.
Van een of ander moet blijken door het vertoonen van een
verklaring van den districtsveearts of van een ander gediplomeerd
veearts.
De eigenaar, die op het tijdstip van levering der paarden de
bedoelde verklaring niet kan vertoonen, is gehouden haar binnen
den tijd van twee dagen na dat tijdstip, aan den betrokken bur-
gemeester in te zenden.
Art. 39.
Op het daarvoor bepaalde tijdstip moeten de burgemeesters,
voorzien van de voor den gemeentelijken dienst bestemde verza-
mellijsten, waarop de in art. 24, 27 en 30 bedoelde aanteekeningen
moeten z\\jn gesteld, alsmede de in art. 34 bedoelde taxateurs of
hun plaatsvervangers, op de plaats van aflevering aanwezig zijn.
De leden der commissie van overneming of hun plaatsver-
vangers ontvangen van den Minister van Oorlog de vereischte
bevelen om zich, eveneens op dat tijdstip, op die plaats te be-
vinden. Zij zijn voorzien van de, ingevolge art. 23, aan de aldaar
bedoelde keuringscommissie uitgereikte verzamellijsten.
Behoudens het bepaalde in het 4de lid van art. 47, neemt de
Minister van Oorlog maatregelen, opdat de noodige geleiders voor
de te leveren paarden mede op de plaats van aflevering tegen-
woordig zijn.
-ocr page 766-
740
Art. 40.
De commissie onderzoekt of de ter levering aangeboden paar-
den nog voor den militairen dienst geschikt zijn.
Bij verschil van meening dienaangaande beslist het militaire lid.
De eischen voor de geschiktheid zijn daarbij dezelfde als die,
welke, krachtens art. \'25, voor de daarbij bedoelde keuring zijn
vastgesteld.
De commissie neemt de geschikt geoordeelde paarden over in
de volgorde, bedoeld bij art. 37.
De prijs van overneming wordt door de drie taxateurs of
hun plaatsvervangers bepaald. Hiertoe wordt het gemiddelde ge-
nomen van de door ieder hunner afzonderlijk aan de commissie
en aan den burgemeester op te geven schatting der waarde van
het paard. De schattingen en de leveringsprijzen worden door
de commissie en door den burgemeester op de verzamellijsten
aangeteekend.
De leveringsprijs wordt door den burgemeester aan den eige-
naar van het paard bekend gemaakt. De schattingen van de taxa-
teurs mogen hem evenwel niet worden medegedeeld.
Art. 41.
Een taxateur of een plaatsvervangend taxateur neemt geen
deel aan het bepalen van den prijs van een paard, hetwelk hem
in eigendom mocht toebehooren. Hij wordt daarbij door een
plaatsvervangend taxateur vervangen.
Art. 42.
Gaat de voor een paard bepaalde leveringsprijs een door den
Minister van Oorlog vóór de keuring vast te stellen som te boven,
dan wordt het paard beschouwd als tijdelijk niet in aanmerking
komende voor overneming door het Rijk, tenzij de eigenaar ge-
negen mocht zijn het voor de door den Minister van Oorlog
vastgestelde som af te staan.
Art. 43.
Alle nog geschikt geoordeelde paarden worden getaxeerd, ook
als het voor de levering vastgestelde aantal van elke soort {rij-,
trek\', baUeriJpa&rden)
reeds voltallig is.
-ocr page 767-
741
Art. 44.
Kan, in het geval bedoeld bij art. 36, in een gemeente of in
een groep van gemeenten als bedoeld in art. 20, tengevolge van
het afkeuren van ter levering aangeboden paarden, het door de
gemeente of door de groep van gemeenten van een of meer dei-
soorten (ry-, treh-, batterij paarden) te leveren aantal paarden, die
aan de eischen van geschiktheid voor den militairen dienst voldoen,
niet worden verkregen, dan moeten uit de gemeente ot uit de
groep van gemeenten onmiddellijk, in de in art. 37 bedoelde
volgorde, zooveel nog niet gekeurde paarden voor de commissie
•worden gebracht tot bedoeld aantal verkregen is. De betrokken
gemeentebesturen nemen alsdan onverwijld de vereischte maat-
regelen tot het doen opvolgen van deze bepaling door de betrokken
eigenaars.
Aiit. 45.
Ingeval de eigenaar van een voor levering aangewezen paard
verklaart dat hij dit paard wenscht te behouden, kan zulks door
de commissie worden toegestaan, mits hij in de plaats van het
eerstbedoelde een niet voor levering aangewezen paard van dezelfde
soort, naar genoegen van de commissie, tegen den te taxeeren
prijs aanbiedt.
Art. 46.
Voor den halster wordt, boven den leveringsprijs van elk paard,
een door de taxateurs te bepalen billijke vergoeding toegekend.
Het bedrag dier vergoedingen wordt door de commissie en door
den burgemeester op de verzamellijsten aangeteekend.
Art. 47.
Tot op het oogenblik van de overneming is de eigenaar aan-
sprakelijk voor de behoorlijke bewaking en voeding van het paard;
van dit oogenblik af geldt zulks voor de geleiders bedoeld in art. 39.
Onmiddellijk na de overneming door de commissie zijn de
paarden voor rekening van het Rijk. De Minister van Oorlog draagt
zorg dat zij gedirigeerd worden op de korpsen, waarvoor zij be-
stemd zijn.
Zijn de in art. 39 bedoelde geleiders op het tijdstip der over-
neming nog niet ter plaatse aanwezig, dan worden de paarden,
-ocr page 768-
742
in afwachting van hun aankomst, bewaakt en gevoed door de
zorg van het gemeentebestuur.
De Minister van Oorlog kan aan het gemeentebestuur opdragen
de paarden, zonder de vorenbedoelde geleiders at te wachten,
naar de standplaatsen der betrokken korpsen te doen overbrengen
en ze tot het oogenblik van aflevering aan de militaire autoriteit
te doen geleiden en voeden. Daartoe moet alsdan voor elk drietal
paarden één geleider worden aangewezen. De op de overbrenging
en voeding vallende kosten worden door het Rijk aan het gemeente-
bestuur vergoed.
Art. 48.
Aan den eigenaar van een overgenomen paard wordt door de
commissie een bewijs in tweevoud afgegeven, ingericht overeen-
komstig het bij dit besluit gevoegde model, litt. H.
Een der bewijzen wordt, na door den eigenaar voor gezien
geteekend te zijn, door hem aan den burgemeester ter hand
gesteld.
De burgemeester zendt deze bewijzen, van alle in de gemeente
geleverde paarden, met een verzamelstaat, aan het Departement
van Oorlog; de commissie zendt de door haar gebruikte exempla-
ren van de verzamellijsten aan genoemd Departement.
Dit Departement stelt daarop het geheele voor de gemeente
verschuldigde bedrag ter beschikking van den burgemeester, door
wiens tusschenkomst de belanghebbenden ten spoedigste worden
uitbetaald, tegen afgifte van het duplicaatbewijs, waarop door
den belanghebbende voor voldaan wordt geteekend.
De burgemeester zendt daarop deze quitantiën gezamenlijk aan
het Departement van Oorlog.
Art. 49.
Is de oorlog geëindigd of oorlogsgevaar niet langer aanwezig,
dan kan de voormalige eigenaar van een ingevolge art. 40 aan
het Rijk geleverd paard, dit paard terugkoopen, tegen den door
het Rijk daarvoor betaalden prijs, verminderd met \'/e indien een
der beide genoemde toestanden korter dan zes maanden, en ver-
minderd met \'/i indien zulk een toestand zes maanden of langer
heeft geduurd.
-ocr page 769-
743
Art. 50.
De burgerieden en de plaatsvervangende burgerieden der com-
missiën, in de artt. 22 en 33 bedoeld, de aldaar bedoelde gepen-
sionneerde officieren, alsmede de taxateurs en plaatsvervangende
taxateurs, in art. 34 bedoeld, genieten, voor zoover zij niet zijn
bezoldigd rijksambtenaar, behalve vergoeding voor reis- en ver-
blijf kosten volgens de daaromtrent geldende bepalingen, een
vacatiegeld van zes gulden per dag.
Art. 51.
De burgemeesters zijn bevoegd, met goedkeuring van den
Commissaris der Koningin, de werkzaamheden hun opgedragen
bij art. 23, 2de lid en art 39, lst* lid, te doen verrichten door
een der leden van den gemeenteraad of door den gemeente-
secretaris.
Art. 52.
De wet van 10 Mei 1890 {Staatsblad n°. 83) treedt in werking
gelijktijdig met dit besluit.
In verband met het bepaalde bij art. 25 van het Koninklijk
besluit van 10 November 1892 {Staatsblad n°. 253), hebben de
Ministers van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken, resp. bij
beschikking van 4 Augustus 1893, llie Afd., n°. 83, en van 25
Augustus 1893, Afd. M. P., n°. 3777, de volgende eischen vast-
gesteld, waaraan een paard moet voldoen om, bij de in vermeld
besluit bedoelde keuringen, geschikt te zijn voor den militairen
dienst.
A. Algemeene eischen.
De paarden moeten in gezonden, krachtigen, goed doorvoeden
toestand verkeeren, zoodat mag worden verwacht dat zij in staat
zullen zijn de diensten te bewijzen, welke van hen moeten worden
gevorderd.
Bij de beoordeeling moet vooral op de volgende punten worden
gelet:
1°. Het gezichtsvermogen. Dit dient aan beide oogen onge-
stoord te zijn.
-ocr page 770-
744
2°. De ademhaling. De paarden moeten voldoende op adem
zijn voor bet doel, waartoe zij moeten worden bestemd. Paarden
met cornage of dampigheid behept, moeten worden afgekeurd.
3°. De beenen moeten krachtig ontwikkeld zijn en vrij van
zoodanige gebreken, die het gebruik kunnen belemmeren; de
stand der ledematen an de hoekvorming in de gewrichten moet
in overeenstemming zijn met den door het paard te verrichten
dienst.
4°. De hoeven moeten gezond zijn; paarden met plathoeven,
volhoeven, knolhoeven, klemhoeven, scheeve hoeven, holle wanden
en hoornscheuren moeten worden afgekeurd, evenals die met
andere hoefgebreken, voor zooveel het te voorzien is, dat de
bruikbaarheid der paarden daardoor zal worden beperkt.
5°. De paarden moeten een regelmatigen, krachtigen, vier-
kanten en voldoend ruimen gang hebben. Zij moeten zoowel op
de steenen als op het zand volkomen rad loopen.
6°. De paarden moeten mak en gewillig zijn, vrij van on-
deugden, die het gebruik kunnen schaden. Zij moeten zich zonder
verzet laten bestijgen.
7°. De leeftijd mag niet zijn beneden 5 jaar en niet boven
14 jaar.
8°. De hoogte mag niet minder bedragen dan 1,54 M., ge-
meten van den onderkant van het ijzer van den voorhoef tot op
het hoogste punt van de schoft. Is het paard niet beslagen, dan
wordt 1 cM. voor het ijzer berekend.
B. Eischen voor trekpaarden voor batterijen.
De hoogte moet zijn van 1,54 M. tot 1,62 M., gemeten zooals
onder A, bij 8°, is aangeduid.
Bij voorkeur worden voor batterij paarden bestemd: geschikte
ryïi«\'<7paarden en paarden met meer of minder bloed.
Overigens moet gelet worden op een voldoend opgerichten
hals, goed ontwikkelde schoft en schouders, korten rug en lenden,
diepe borst en op een lang en breed, doch niet te veel afbellend
kruis. De beenen en gewrichten moeten goed ontwikkeld zijn en
mogen door het gebruik niet te veel hebben geleden; de kooten
moeten kort en de hoeven moeten normaal zijn.
Bij het beoordeelen van de gangen, zoowel in stap als in draf,
moet vooral worden gelet op de kracht der achterhand.
Hooge steppers worden niet goedgekeurd.
-ocr page 771-
745
C. Eischen voor trekpaarden voor den trein.
Het beoordeelen van de maximum-maat, welke voor deze
paarden kan worden toegelaten, geschiedt door de keuringscom-
missiën.
Groote en zware paarden voor welke geen passende tuigen
zouden beschikbaar zijn, moeten worden afgekeurd, ook al vol-
doen zij overigens aan de gestelde eischen.
Met de betrekking tot de geschiktheid om te dragen, kan over
het algemeen voor <m"/»paarden de eisch lager worden gesteld dan
voor batterij paarden; paarden welke geheel ongeschikt zijn om te
dragen, kunnen worden bestemd om van den bok te worden
gereden.
Ook de gangen behoeven niet zoo ruim te zijn als bij batterij -
paarden, doch de paarden moeten goed stappen en dus niet
trippelen. Zij moeten ook in zwaar zand gewillig trekken en niet
steeg zijn.
Voor den trein zijn bij voorkeur te bestemmen paarden van
stalhouders, zuiver inlandsche paarden en zoodanige, welke voor
den akkerbouw jn het boerenbedrijf worden gebruikt.
D. Eischen voor rijpaarden.
Voor rijpaarden worden bij voorkeur paarden bestemd welke
voor dezen dienst afgericht en gebruikt zijn, zooals paarden uit
maneges.
Voor zooveel de paarden onafgericht zijn, moeten zij aan
dezelfde eischen voldoen als batterij paarden, met dien verstande,
dat zij lichter van bouw kunnen zijn, doch vlotte gangen moeten
hebben. Een opgerichte hals, een lange schoft, een korte rug,
een lang kruis met krachtige broek, schuine schouders, sterke,
droge beenen met vierkanten stand zijn hoofdvereischten.
Rijtuigpaarden met bloed, die goed voor het tuig aangereden
zijn en wellicht ook hebben gedragen, zullen veelal voor rijpaard
geschikt zijn.
Bij Koninklijk besluit van 25 September 1893, n". 28, is bepaald,
dat in 1894 een keuring zou plaats hebben over het geheele Rijk
van voor den krijgsdienst geschikte paarden. Tot dit doel is het
Rijk verdeeld in zeven districten, namelijk:
-ocr page 772-
7ifi
l*u  district:   de provinciën Groningen en Drente;
2de       » :    » » Friesland en Overijsel;
3lle       » :    » » Gelderland en Utrecht;
4de       s :    »    provincie Noord-Holland;
5de       » :    » » Zuid-Holland;
6de       » :    » » Zeeland, en
7d«       » :    »   provinciën Noord-Brabant en Limburg.
Deze keuring moest  in één maand zijn afgeloopen.
In de „Bepalingen en voorschriften omtrent organisatie, gar-
nizoensindeeling en mobilisatie van het leger (bedoeld bij de be-
schikkingen van den Minister van Oorlog van 16 Maart 1883,
II* Afd.; n°. 45 (R. M. 4883, bl. 102) en 8 Augustus 1883,
IId« Afd., n°. 53 (R. M. 1883, bl. 379)", aangevuld tot December
1894, leest men op bl. 161 en vv. onder het opschrift: „Aan-
schaffing van paarden" liet volgende :
37.    Zoodra de commandant van een bataljon, bestemd voor
het leger te velde, last ontvangt, om zijn bataljon marschvaardig
te maken, zorgt hij voor den aankoop tegen contante betaling
van paarden voor den patrooncaisson, de bagagekar en de zieken-
kar bij het bataljon aanwezig.
38.    De commandeerende officieren der detachementen cavalerie,
waarby smidswagens zijn ingedeeld, zorgen, zoodra de order tot
mobilisatie is ontvangen, voor de aanschaffing tegen contante be-
taling van paarden voor die smidswagens.
39.    Bij het korps genietroepen moeten, dadelijk nadat de
order tot mobilisatie is ontvangen, de commandant de paarden
voor de bagagekar en de compagnies-commandanten de paarden
voor de gereedschaps- en kruitkarren tegen contante betaling
aanschaffen.
40.    De compagnies- en eskadrons-commandanten moeten, on-
middellijk nadat zij den last tot mobilisatie hebben ontvangen, de
voor de aanwezige compagnieskarren benoodigde paarden tegen
contante betaling aanschaffen.
Voor den aankoop der paarden voor de bagagekarren en zieken-
karren, aanwezig bij de staven (met uitzondering van de bataljons-
staven) , moeten de commandanten der onderdeelen, waarbij die
staven in administratie zijn of overgaan, zorg dragen.
De rijders der hiervoren vermelde voertuigen, evenals die van
de voertuigen in 37, 38 en 39 bedoeld, moeten reeds in vredestijd
door de zorg van den Inspecteur der artillerie van de treincom-
-ocr page 773-
747
pagnieën worden gedetacheerd. De achtergelaten kleeding der
manschappen zal bij de onderdeelen, waarbij zij gedetacheerd
zijn, worden opgelegd.
41.    De prijs te besteden voor de paarden onder 37, 38, 39
en 40 bedoeld, zal niet hooger mogen zijn dan ƒ 200 boven den
gemiddelden remonteprijs van het vorig jaar.
Van den aankoop dier paarden moet onmiddellijk een proces-
verbaal (in duplo), houdende ook opgave van den daarvoor betaal-
den prijs, aan het Departement van Oorlog worden gezonden. Een
expeditie daarvan is bestemd voor den Inspecteur der artillerie.
Bedoelde paarden gaan onmiddellijk over in de sterkte der
treincompagnieën.
42.    De commandanten van batterijen en eskadrons moeten,
onmiddellijk nadat zij de order tot mobilisatie hebben ontvangen,
het benoodigde aantal paarden, die terstond voor den dienst te
velde geschikt zijn, aanschaffen, ten einde op de hiervoren onder
10, 11 en 12 aangegeven sterkte te kunnen uitrukken.
Deze paarden moeten tegen contante betaling, tot een prijs
niet hooger dan het dubbel van den gemiddelden remonteprijs
van het vorig jaar, worden aangeschaft.
Van den aankoop dier paarden moet onmiddellijk een proces-
verbaal in tweevoud, houdende ook opgave van den daarvoor
betaalden prijs, aan het Departement van Oorlog worden gezonden.
Een expeditie daarvan is bestemd voor den betrokken Inspecteur
van het wapen.
Al de hiervóór genoemde commandanten, die bij mobilisatie
belast zullen zijn met den aankoop van paarden, moeten reeds in
tijd van vrede trachten de noodige kennis te erlangen betreffende
de paarden, in hun garnizoensplaats of in de onmiddellijke nabij-
heid daarvan aanwezig, en zich, zoo mogelijk, met eigenaars
van paarden omtrent eventueelen aankoop verstaan, ten einde
hun troependeelen zonder oponthoud te kunnen mobiliseeren.
Jaarlijks zal in het Recueil Militair de gemiddelde remonteprijs van
het vorig jaar worden bekend gemaakt.
43.    In afwachting, dat het aantal benoodigde paarden — door
vordering ingevolge de artt. 12—19 van het Koninklijk besluit
van 29 Maart 1867 (Staatsblad n°. 18), gewijzigd en aangevuld bij
het Koninklijk besluit van 17 Februari 1875 (Staatsblad n°. 19) —
kan worden verkregen, zal door iederen commandant van een
regiment cavalerie of veld-artillerie een commissie van twee offi-
eieren en een paardenarts worden uitgezonden, tot aankoop van
-ocr page 774-
748
paaiden uit de vrije hand tegen contante betaling, tot een prijs,
waarvan het maximum door het Departement van Oorlog zal
worden vastgesteld.
Bedoelde conimissiën zullen daartoe van de noodige fondsen
worden voorzien.
44.    Genoemde conimissiën zullen ook trachten contracten te
sluiten met aannemers tot levering van een zeker aantal paarden.
Bedoelde contracten worden aan het Departement van Oorlog
ter goedkeuring gezonden.
45.    De officieren, bestemd om deel uit te maken van die
conimissiën, worden reeds in vredestijd door de korps-commandanten
aangewezen.
Jaarlijks, in de eerste dagen van Januari, geschiedt opgave van
de namen dier officieren aan het Departement van Oorlog. Van
tusschentijds plaats hebbende veranderingen zal rapport worden
ingezonden. Voor zooveel daarin paardenartsen begrepen zijn,
moeten die opgaven ook door tusschenkomst van den Inspecteur
van den geneeskundigen dienst der landmacht aan het Departe-
ment van Oorlog worden gezonden.
46.    Aan die commissiën worden de volgende provinciën aan-
gewezen tot aankoop van paarden:
/
i \\*tt i
1 w
1
1 1>
1 ~
1 2de f
1 fi
1 I
1 s*
1 3d° I
) ~
1 l8te 1
1 \'n3 1
I 2d« 1
f =
1 CS
a l
f
\\
1 3d° /
Drente, Overijsel en Gelderland.......
Limburg en Noord-Brabant (ten Oosten
vanden spoorweg Hedel—Valkenswaard)..
Noord-Holland, Groningen en Friesland.
Utrecht............................
Zuid-Holland........................
Zeeland en Noord-Brabant (ten Westen
van den spoorweg Hedel—Valkenswaard)..
regiment
huzaren.
regiment
veld-
artillerie.
Zij koopen allen zooveel rij- en trekpaarden als verkrijgbaar
zijn, en moeten zich in vredestijd de noodige statistische gegevens
verschaffen betreffende de haar aangewezen gedeelten van het land.
47.    Wanneer wordt overgegaan, om — ingevolge de artt. 12—19
van het Koninklijk besluit van 29 Maart 1867 (Staatsblad n°. 18),
zooals dat gewijzigd en aangevuld is bij het Koninklijk besluit
van 17 Februari 1875 (Staatsblad n°. 19), — ten dienste van het
leger paarden aan te schaffen, zullen de in 43genoemde officieren
optreden als militaire leden der in art. 17 van gemeld gewijzigd
besluit bedoelde commissiën.
48.    Verder wordt voor de commissiën, belast met de aan»
schaffing van paarden, zoowel door aankoop uit de vrije hand als
-ocr page 775-
749
door vordering, krachtens meergemeld gewijzigd besluit, nog het
volgende bepaald:
Door het Departement van Oorlog worden aan de commissiën
de plaatsen aangewezen, werwaarts zij de door hen aangekochte
paarden zullen zenden.
Tot dat einde worden haar, zoo mogelijk, een of meer officieren
en eenige onderofficieren en manschappen van de cavalerie en de
artillerie toegevoegd, om de paarden naar de aangewezen plaatsen
over te brengen.
Is dit personeel niet aanwezig, dan moeten burgergeleiders
worden aangenomen.
Behalve het voorgeschrevene moeten de commissiën voor het
volgende zorgen:
a.    dat zij bij de keuring en overneming van paarden tel-
kens een proces-verbaal in duplo opmaken, volgens een der
hierbij gevoegde modellen, waarvan zij, telken reize als paar-
den zijn overgenomen een expeditie (c. q. met bijvoeging van
de ontvangbewijzen der eigenaars) aan het Departement van
Oorlog zenden. Het op de processen-verbaal te stellen door-
loopend nummer begint met het door iedere commissie het
eerst overgenomen paard, en loopt door op de volgende pro-
cessen-verbaal, onverschillig of de paarden door vrijen aankoop
of bij wijze van vordering zijn verkregen, totdat de commissie
haar taak heeft volbracht;
b.    dat zij de paarden, die goedgekeurd en overgenomen
zijn, doen voorzien van het nummer bij punt a bedoeld, dat
op den hals onder de manen wordt uitgeknipt met Romeinsche
cijfers; alsmede dat die paarden voor \'s Rijks rekening worden
gestald en gevoed, waartoe met de burgemeesters in overleg
wordt getreden;
c.    dat zij de overgenomen paarden, zoo spoedig doenlijk,
onder geleide, naar de aangewezen depot-plaatsen doen o ver-
brengen en aan den hoofdgeleider medegeven het duplicaat
van het proces-verbaal, hiervoren bij punt a bedoeld.
49. De officieren, die in de depot-plaatsen belast zijn met de
ontvangst der hiervoren bedoelde paarden, zorgen voor de stalling
en de voeding. Bevinden zich in de plaats geen of niet voldoende
Rijksstallen en geen aannemer van fourage, dan handelen zij dien-
aangaande als hiervoren bij punt b van 48 is voorgeschreven.
Aan gemelde officieren wordt in tijds door het Departement van
Oorlog bekend gemaakt, naar welke korpsen de over te nemen
paarden door hen moeten worden opgezonden.
-ocr page 776-
750
Bij de toezending der paarden voegen zij een extract uit de
processen-verbaal, die aan hen bij de ontvangst der paarden zijn
ter hand gesteld. Voorts maken zij van iedere opzending rapport
aan het Departement van Oorlog.
Zoodra de paarden bij de korpsen aankomen, worden zij met
de voorgeschreven merkteekenen gebrand en in de sterkte op-
genomen.
50.    De commandeerende officieren nemen dadelijk de noodige
maatregelen, om de paarden te doen africhten. Naarmate die bij
de veld- en de rijdende-artillerie maar eenigszins voor den dienst
geschikt worden bevonden, gaat men aldaar over om de batterijen
te completeeren en om bij den trein de bespanningen te verstrek-
ken, eerst voor de korpstreinen en de treinen voor de telegraaf-
en de geneeskundige afdeelingen, daarna voor de pontontreinen
en de munitietreinen, en ten slotte voor de verplegingstreinen.
51.    De commandant der vesting-artillerie moet zorg dragen,
dat de voertuigen met de daarbij behoorende tuigen gereed zijn,
ten einde ze te kunnen verstrekken, zoodra de bespanningen ze
komen afhalen.
Is een gedeelte van een en ander gereed, dan wordt daarvan
onmiddellijk kennis gegeven aan het Departement van Oorlog, dat
alsdan bevelen geeft omtrent hetgeen, van het in gereedheid zijnde,
bij het leger te velde moet worden ingedeeld.
52.    Op den 15den December van elk jaar wordt door den
Inspecteur der artillerie aan het Departement van Oorlog opgege-
ven het getal stukrijders der treincompagnieën, dat, na het ontslag
der oudste lichting in Mei daaraanvolgende, en na de inlijving
der lichting van het loopende jaar, vermoedelijk aan de oorlogs-
formatie zal komen te ontbreken.
Door de zorg van gemeld Departement zal in dit tekort, voor
zoover mogelijk, door overplaatsing van miliciens der cavalerie
worden voorzien.
Overeenkomstig de wet van 29 Maart 1877 en het Koninklijk
besluit van 22 April 1877 kunnen officieren, tot het houden van
dienstpaarden verplicht, van het Rijk paarden overnemen.
De artt. 1—3 van deze wet luiden: Art. 1. Door het Depar-
tement van Oorlog wordt aan de officieren, die tot het houden
van dienstpaarden verplicht zyn, voor zooveel de dienst toelaat,
de gelegenheid geopend, zich uit de aan het Rijk in eigendom
behoorende paarden van dienstpaarden te voorzien tegen betaling
-ocr page 777-
751
van den gemiddelden remonteprys der cavalerie over de twaalf
maanden, voorafgaande aan die, waarin de overneming van paar-
den plaats heeft.
Art. 2. De gelden, daarvoor aan het Departement van Oorlog
te betalen, worden in \'s Rijks schatkist gestort en beheerd over-
eenkomstig de voorschriften der wet van 9 September 1853
(Staatsblad n°. 100).
Art. 3. De officieren, die zich op voorschreven voet eenryks-
paard hebben aangeschaft, zullen zich, zonder gebleken noodzake-
lijkheid en zonder toestemming van den chef van het korps of
dienstvak, daarvan niet kunnen ontdoen, tenzij zij het paard vijf
jaar in gebruik hebben gehad.
§ 269. Remonteering hij het leger in Nederlandsch Oost-Indik.
De aanschaffing der remonten geschiedt in Nederlandsch Oost-
Indië op de volgende wijzen:
1°. Te Makassar is een commissie, bestaande uit een kapitein
der artillerie en den luitenant, commandant van het detachement
cavalerie aldaar, doorloopend belast met den aankoop van remonten
voor artillerie en cavalerie. De maximum-prijs mag gemiddeld
/ 200 per stuk bedragen.
2°. Veel meer remonten worden aangekocht op publieke ven-
duties te Batavia, Semarang en Soerabaja.
In Indië gevestigde Arabieren koopen van de vorsten op de
eilanden Sandelhout, Soembawa, Savoe, Timor, Rottie en Celebes
paarden op en voeren deze in den goeden moesson, bij hoeveel-
heden van 100—200 stuks, in prauwen of schepen naar bovenge»
noemde plaatsen, waar zij dan publiek worden verkocht.
Elke auctie van Sandelhout" en Celebespaarden (de overige
soorten z\'y\'n tuigpaarden of, zooals bijv. de Soembawa\'s en Savoe*
neezen, voor het leger te klein) wordt bijgewoond door een
commissie, bestaande uit een officier der cavalerie, een officier
der artillerie en een militair* of burgerveearts. Zij koopt naar
gelang der behoefte de paarden, welke tot militair gebruik ge-
schikt zijn, en wijst ze toe aan de cavalerie of de artillerie.
Voor elk dier plaatsen wordt jaarlijks een remonte-commissie
aangewezen. Deze moet zorgen, dat de gemiddelde prijs der paarden
den maximum-remontepr\'y\'s, (thans ƒ 260 voor Sandelhouts en
Makassaren, buiten de vendutiekosten) niet overschrydt.
Voor jonge paarden (van 21/»—3 jaar), bestemd voor het
remonte-depot, mag op Java f 180 en te Makassar f 150 als
-ocr page 778-
752
maximum worden besteed. Deze prijzen gelden zoowel voor
venduties als voor aankoop uit de hand. Voor enkele paarden
mag wel meer worden besteed, doch de gemiddelde prijs van alle
aangekochte paaiden mag de genoemde sommen niet over-
schrijden.
3°. Nu en dan, wanneer op bovengenoemde wijzen niet kan
worden voorzien in de behoefte aan remonten, wordt een spe-
ciale commissie (in den regel bestaande uit een ritmeester, een
luitenant der artillerie en een paardenarts) naar het eiland San-
delhout gezonden, om aldaar paarden aan te koopen.
Gewoonlijk keeren deze commissiën echter, na een alles behalve
aangenaam verblijf van een paar maanden op Soemba, met een
onvoldoend getal paarden terug. In 1870 bijv. brachten zij 87 en
in 1871 132 paarden mede, terwijl zij in last hadden er resp. 100
en 200 aan te schallen.
In de nabijheid van de ankerplaats der stoomschepen wordt een
depot opgericht, waar de aangekochte paarden worden gestald.
De commissie vertoeft nu hier dan daar op het eiland en ruilt
de paarden in tegen goudgeld (souvereigns), lijnwaden, koralen,
messen en andere snuisterijen.
Daar deze dieren per stoomschip naar Java worden overgebracht
en goed worden verzorgd, komen zij er in veel beter toestand
aan dan de vendutiepaarden, die dikwijls in open prauwen worden
vervoerd en daarom den naam van prauwpaarden dragen.
4°. In enkele gevallen worden commissiën naar Celebes ge-
zonden; deze zijn op dezelfde wijze samengesteld als die voor
Soemba en koopen voor het universeele ruilmiddel: geld. Onder
anderen begaf zich in 1883 een commissie derwaarts.
Al deze middelen om de bereden troepen van remonten te
voorzien, zijn eenigermate onzeker. Zonder van een oorlog met
een Europeeschen vijand te spreken, kan een gisting op Celebes
of Soemba reeds voldoende zijn, om een voorname bron van
remonteering voor korter of langer tijd gedeeltelijk, ja zelfs geheel
te doen opdrogen.
Bovendien is men, en niet zonder reden, beducht, dat de
paardenrykdom van Celebes en Soemba op den duur niet zal
bestand zijn tegen de groote uitvoeren der latere jaren (Soemba
voert ook veel uit naar Mauritius), waardoor de keuze van ge-
schikte fokdieren zeer wordt beperkt.
Dat de Celebes- en Soembapaarden sedert eenigen tijd erg
achteruitgaan, is aan geen redelijken twijfel onderhevig.
-ocr page 779-
753
liet Nederlandsen-Indisch Gouvernement, zeer goed bewust
van dezen toestand, besloot tot de oprichting eener militaire
stoeterij. Aan dit voornemen werd in 1878 gevolg gegeven
door de oprichting der stoeterij te Malassoro, een schiereiland,
49 palen (1 paal = 20 minuten) ten Zuiden van Makassar, op
Celebes gelegen.
liet schijnt echter, dat men hierbij met zeer weinig zaakkennis
is te werk gegaan, want reeds na een paar jaren is die stoe-
terij opgeheven, alzoo nog vóór zij iets heeft kunnen uitrichten.
Waarom die stoeterij niet op Java werd gevestigd, is nog voor
velen een raadsel. Malassoro was daarvoor al heel slecht gekozen,
aangezien in den drogen moesson geen voldoend water aanwezig
was.
In de «Instructie omtrent den aankoop en de keuring van
troepenpaarden bij het Indische leger" dd. 27 September 1870,
leest men onder het opschrift: «Remonte" het volgende:
»Door de eigenschappen van een goed remontepaard in een
instructie voor de keuring van paarden op te sommen, zou men
de officieren, met den aankoop belast, verplichten geen andere
dan volmaakte paarden aan te nemen, waardoor een remonte
zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk zou worden.
Het denkbeeld van een goed en bruikbaar remontepaard moeten
zij niet eerst in hun instructie zoeken, het moet hun duidelijk
voor den geest staan.
Het volgende diene daarbij tot richtsnoer.
§ 1. Er mogen alleen hengsten worden ingekocht.
§ 2. Men lette vooral op evenredigheid der deelen, vrije en
actieve gangen en een goed temperament.
§ 3. Inwendige ziekten, ook in den geringsten graad, en
kreupelheid van welken aard ook, doen een paard verwerpen, en
evenzoo de paarden, welke zonder beslag niet bruikbaar zijn.
§ 4. De ouderdom moet zijn: voor vredesremonte voor de ca-
valerie van 5 tot en met 7, voor de artillerie van 4 tot en met
7 jaar; voor oorlogsremonte van 5 tot en met 8 jaar. (Bij A1-
gemeene order n°. 65, van 1893, is bepaald, dat § 4 zal worden
gelezen als volgt: De ouderdom moet zijn: voor vredesremonte van
4 tot en met 7 jaar; voor oorlogsremonte van 5 tot en met 8 jaar.)
§ 5. De hoogte, gemeten op den hoogsten schoftwervel, mag
niet minder zijn dan 1,256 M., met uitzondering van de ter
Sumatra\'s Westkust aan te koopen paarden, waarvoor de minimum-
hoogte bedraagt 1,177 M.
48
-ocr page 780-
754
De maximum-hoogte voor Javanen en Bastaards is 1,309 M.
Groote paarden van vreemde rassen worden niet aangekocht
dan op speciale lastgeving.
§ 6. Paarden met afgekorte staarten en met ingesneden ooien
mogen dan alleen worden aangenomen, als men zeker is, dat de
af- en insnijdingen gemaakt zijn tot een onderscheidend kenmerk
van den oorsprong, zooals meestal het geval is met de paarden
van het eiland Sandelhout.
§ 7. Na het te koopen paard in alle natuurlijke gangen te
hebben gemonsterd, zal men, zoo de verkooper zulks toelaat, het
eenige dagen gadeslaan en daarbij voornamelijk letten op stand,
eetlust, natuurlijke verrichtingen, neiging, gewoonten en gezond-
heid; kribbebijters en windzuigers moeten zonder aarzelen ver-
worpen worden.
§ 8. Men zal vervolgens elk uiterlijk deel van het paard op
zich zelf en in verband tot het geheel onderzoeken, zich daarin
gedragende naar de wenken, hierna omtrent de monstering en
keuring volgende, en de beslissing omtrent ziekten en gebreken
aan den paardenarts overlatende, in geval er een tot de com-
missie behoort."
Daarop volgen onder het opschrift: „Monstering des paards" vier
bladzyden, waarbij is aangegeven, hoe men een paard onderzoekt.
Vervolgens onder: „Keuring. Proportiën des paards" tien bladzijden
exterieur, waaronder enkele minder juiste beschouwingen voor-
komen. Wij ontleenen hieraan het onderstaande, dat speciaal op
het Indische paard betrekking heeft.
Javanen en Makassaren hebben dikwijls een korten hals.
De Indische paarden zijn vrij algemeen overbouwd.
Prauwpaarden zijn dikwijls dun in het lijf, doch mogen daarom
nog niet worden afgekeurd.
Bij de Preanger- en z.g. Bastaardpaarden lette men, daar deze
zoo dikwijls een overkooten stand hebben, vooral op de kogels.
Het onderzoek der voorbeenen moet bijzonder nauwkeurig zijn
bij Preanger-, Javaansche- en Bastaardpaarden.
Lange lenden zijn bij het Indische paard vereischten voor snelle
en aangename beweging en bij behoorlijke kracht te verkiezen
boven korte lenden, die wel krachtig, maar voor de beweging hin-
derlijk zijn (?). Voor trekpaarden kunnen de laatste zeer goed zijn.
Plaatselyke onlstekingen, veroorzaakt door stooten, kneuzen of
eenig ander geweld, zooals bijv. dikwijls plaats heeft bij het vangen
-ocr page 781-
755
van paarden, die in liet wild hebben omgelonpen, zooals de \\fa-
kassaren, behoeven niet altijd reden tot afkeuring te zijn.
De meeste paarden op Gelebes zijn door de inlandsche ruiters
op den rug gewond; deze kunnen niettemin zeer goed worden
aangenomen.
Dampigheid verwarre men niet met schuwheid van pas gevangen
paarden, vooral als zij Kuropeanen zien.
By prauwpaarden is het moeielijk te zien* of zij gezond zijn.
Kolder en vallende ziekte komen in Indië zelden voor; klem
echter dikwijls (?).
Tot toelichting van enkele zinsneden uit bovengenoemde »In-
structie" diene het volgende:
Ad § 1. Merrièn worden alleen gereden door vrouwen; ook
worden zij gebruikt als pikolpaarden.
Ruinen komen onder de rassen, die voor remonten worden
gebezigd, niet voor.
Ad § 3. Het Indische troepenpaard is doorgaans onbeslagen;
by uitzondering, als langdurige marsenen, harde bodem, enz.
beslaat men het en dan nog alleen van voren (ongeveer 2 °/0).
Bij Kabinets-dispositie van 28 Augustus 1884 bepaalde de leger-
commandant, dat in zake het op beslag zetten der paarden de
vrye hand moest worden gelaten aan de betrokken chefs.
Ad § 5. De paarden, die ter Westkust van Sumatra worden
aangekocht en waarvan de minimumhoogte is bepaald op 1,177 M.,
zyn z.g. Battakpaarden. Hiermede worden alleen geremonteerd de
twee sectién berg-artillerie, behoorende tot de compagnie artillerie
van Sumatra\'s Westkust. Bij de cavalerie of de artillerie in andere
deelen van den Archipel zyn geen Battakkers.
De maximumhoogte voor Javanen en Bastaards is 1,309 M.
Javanen, die deze hoogte bereiken, komen zelden voor en zijn dan
meestal uit hun krachten gegroeid. Gewoonlijk zijn de Javaansche
paarden ver beneden de minimum-maat van 4 voet (1,256 M.).
Sedert geruimen t\'yd worden ze dan ook niet meer voor cavalerie-
of artillerie-gebruik aangeschaft Het Javaansehe paard gaat trou-
wens schromely\'k achteruit.
Met Bastaards worden hier bedoeld afstammelingen van Ja-
vaansche merriën en Sandelhoutsche of Makassaarsche hengsten.
Deze zyn meestal slecht; de paring geschiedt dan ook gewoonlyk
zonder met de regelen der paardenfokkerij voldoende rekening
te houden.
-ocr page 782-
756
Men noemt echter soms ook de Kadoeërs en Preangers Bastaards.
De eerste zijn, naar men wil, afkomstig van Javaansche merriën
en Friesche hengsten (zie bl. 492). Een echte Kadoeër noemt men
nu nog een zoodanigen, die zich door een steviger bouw van zijn
Javaansche broeders en zusters onderscheidt. De Kadoeërs zijn
evenwel langzamerhand geheel ontaard en weder aan het Javaan-
sche paard gelijk gemorden, zoodat men een z.g. „echten" nog slechts
zelden ziet. Nochtans is het paard, dat men in Kadoe aantreft, iets
beter dan dat, wat elders op Java wordt gevonden, waarschijnlijk,
omdat men zich daar vroeger nog al op de fokkerij toelegde en
meer zorg aan de paarden besteedde dan op andere plaatsen.
De Preangers zijn ontstaan door kruising van Javaansche mer-
riën met andere, o. a. ook Arabische hengsten (zie bl. 490). Zij
vormen nog heden een bepaald type, duidelijk onderscheiden van
de Javaansche paarden. In den regel hebben ze meer taille dan
1,309 M. en zouden dus niet gebruikt kunnen worden met de
vier voet hooge Makassaren en Sandelhoutpaarden, die thans uit-
sluitend als remonten worden gebezigd. Daarbij kenmerken zij
zich door koppigheid en veelvuldige beengebreken, zoodat zij als
troepenpaarden weinig gewild zijn.
Toen in 1874 de lijfwachten dragonders van Solo en Djokjo en
de detachementen Djajangs-Secar (een soort bereden politie) met
de cavalerie vereenigd werden, kreeg deze van het detachement
Serang, Preangerpaarden, van dat te Magelang, Kadoeërs, van
de overige detachementen Javanen.
Deze detachementen remonteerden zich in de streek waar zij
gestationneerd waren, tegen een maximum-remonteprijs van ƒ140.
Voor cavalerie en artillerie bedroeg deze toen reeds sedert jaren
f 260. De paarden, die in 1874 bij de cavalerie kwamen, waren
dus meestal van mindere hoedanigheid. Zij zijn echter achtereen-
volgens opgeruimd.
Zooals reeds vermeld is, trekken de cavalerie en artillerie tegen*
woordig haar remonten uitsluitend uit de Makassaarsche en San»
delhout- (Soemba-) paarden. Beide zijn uitstekende rijpaarden; voor
trekdienst geeft men dikwijls aan de eerste de voorkeur, daar de
laatste te veel temperament hebben. Desondanks worden de San-
delhoutpaarden door anderen, voor de veld-artillerie, zeer geprezen.
Wilde men een gedeelte der remonte uit Javaansche paarden
doen bestaan, dan moesten ze jong worden aangekocht, vooreen
prijs van ongeveer ƒ200, zoodat men goede exemplaren kon be-
machtigen. Deze, gedurende een jaar goed gevoed en verpleegd,
-ocr page 783-
757
zouden, volgens sommigen, wel aan de verwachting voldoen;
bovendien zou hierdoor de paardenfokkerij worden aangemoedigd.
Onder den naam van overwalsche paarden verstaat men op Java
alle in den Indischen Archipel, behalve op Java, inheemsche
rassen. De Makassaren, Sandelhoutpaarden, Timoreezen, Batak-
kers, Savoeneezen, enz. zijn dus overwalsche paarden, daar deze
alle van den overwal zijn aangevoerd.
Op Java, en vooral te Batavia, bezigt men voor de rijtuigen
ook Sydneypaarden, echter niet voor het leger. Dit zijn logge
paarden, even hoog of zelfs hooger dan de Hollandsche koets-
paarden, met een groot hoofd, mageren, smallen hals, zwaren
romp en slechte beenen. Hun gemiddelde prijs is ƒ300; nochtans
wordt er ook wel eens een enkele verkocht voor f 800—1000.
Daar de prijs van een goed rijpaard in Australië zelf ƒ2000—4000
bedraagt, kan men nagaan, dat het uitschot op Java komt. De
jaarlijksche invoer is verschillend, doch bedraagt hoogstens 300
stuks.
Behalve deze worden nog uit Australië ingevoerd Swanrivers,
welke lichter gebouwd zijn dan de Sydneyers en dan ook meer
als rijpaarden worden gebezigd. Hun aantal is zeer gering; de
goede Swanrivers zijn veel duurder dan de Sydneypaarden.
Wanneer voor het leger paarden zijn aangekocht op een ven-
dutie, dan worden alle (voorloopig) op den linker voorhoef gebrand
met een doorloopend nummer van het getal der bij die gelegenheid
verkregen dieren, dus met 1, 2, 3, 4, enz. Voorts worden die,
welke voor de cavalerie bestemd zijn, op den rechter voorhoef
gebrand met een K, die, welke naar de artillerie zullen gaan,
met een A en die voor het remonte-depot met een R. In de
garnizoenen krijgen zij een vast nummer, dat spoedig daarna op
den linker voorhoef gebrand en evenals de letter nu en dan ver-
nieuwd wordt.
De officieren kunnen onder zekere voorwaarden, zooals zij zijn
vastgesteld bij Algemeeae order n°. 45 van 1888 en Algemeene order
n°. 9 van 1891, paarden van het Gouvernement overnemen. Daar-
voor betalen zij den gemiddelden prijs dien de paarden aan het
Rijk hebben gekost. Deze werd bij Algemeene order n°. 27 van
1892 op f 2G0 bepaald, terwijl bij Algemeene order n°. 6 van 1894
ter kennis werd gebracht, »dat bijaldien rijkspaarden, welke ge-
durende het jaar 1894 door tusschenkomst van de firma Soesman
te Semarang worden aangekocht, aan officieren worden afgestaan,
daarvoor eveneens f 290 behoort te worden ingevorderd.»
-ocr page 784-
758
Ook bij Algemeene order n°. 40 van 1894 werd de prijs van
door officieren over te nemen »rijkspaarden, welke op Soemba
door den aldaar gevestigden civielen gezaghebber zijn aangekocht»,
op f 290 vastgesteld.
Ad § 6. Men verkort den staart van het Sandelhoutpaard in
de jeugd steeds met 1—2 wervels; de onbehaarde punt wordt
daarom als raskenmerk beschouwd. De ooren worden gewoonlijk
overlangs of ook dwars ingesneden. Ook op Celebes, Rottie en
Timor merkt men de paarden op de bil of den schouder. Door
middel van een schelp, den tand van een zaagvisch of een ander
scherp voorwerp maakt men op genoemde plaatsen een diepe
insnijding, zoodat het litteeken nimmer verdwijnt.
§ 270. Aanschaffing van muildieren voor de berg-
batterijen van het indisch leger.
Sedert 1850, toen men begon het Fransche bergmateriëel bij
de Oost-Indische artillerie in te voeren, deed zich de behoefte
aan een geschikt lastdier gevoelen. Spoedig bleek, dat noch het
Indische paard, noch de buffel, noch de os hiertoe de noodige
krachten bezat. Een plan, om Chineesche muildieren aan te
schaffen, bleef, om verschillende overwegingen, voorloopig onuit-
gevoerd (Beknopt overzicht der artillerie 1860—61). In 1864 werden
echter eenige muildieren aangekocht, die door particulieren uit
Buenos-Ayres waren aangevoerd (\'), ten einde daarmede een ge-
dragen berg-artillerie te organiseeren.
De proef met deze dieren, waarvan in 1872 nog eenige exem-
plaren te Willem I aanwezig waren, is echter als totaal mislukt
te beschouwen. Zij waren namelijk in hooge mate koppig en on-
handelbaar; wat kracht, volharding en zekeren gang op moeielijke
bergpaden betreft, voldeden zij evenwel naar wensch. Het aan-
koopen van meer Amerikaansche muildieren vond men daarom
niet raadzaam, zoodat de berg-artillerie in 1872 weder met paarden
werd bespannen.
Toch bleef men naar een deugdelijk lastdier omzien en spoedig
viel het oog op de Egyptische muildieren. De Nederlandsche
consul-generaal te Alexandrië, hieromtrent ondervraagd, berichtte
in het laatst van 1872 ongeveer het volgende:
(1) Enkel in de jaren 1863—05 werden Zuid-Amerikaansche muildieren op Java
aan de markt gebracht.
-ocr page 785-
750
De muilezels (\') (van den ezel en de menie) zijn in Egypte
niet inheemsch, doch worden er hoofdzakelijk aangevoerd uit
Europeesch Turkije, Klein-Azië, Syrië, Cyprus en Candia. Zoowel
in de steden als op het land worden ze, naar hun bouw,geaard-
heid en ras, als last-, trek- of rijdier gebezigd.
Ten dienste der Engelsche expeditie naar Abessinië hebben ook
Spanje en Italië een gedeelte der lastdieren geleverd; deze, ofschoon
van forscher bouw en krachtiger dan deTurksche, hebben de ver-
moeienissen in een verzengende luchtstreek niet kunnen doorstaan,
evenmin als de Fransche muilezels in Cochin China.
De muilezel van Anatolië en Syrië, gewoon aan warmte en
bergachtig terrein, zal voor den dienst in Indië het meest geschikt
zijn. Ook die van Europeesch Turkije zou hiervoor in aanmerking
kunnen komen, hoewel hij minder handelbaar is; deze verkeert
namelijk in vrijheid tot den leeftijd, waarop hij tot het dragen
van lasten kan worden gebruikt.
Zonder eenig bezwaar zou in eens een 70-tal en verder jaarlijks
een 20-tal muilezels kunnen worden verkregen uit de bergstreken
van Klein-Azië en Syrië. Deze dragen in hun land 100—165 Kg.
in de bergstreken, terwijl op de vlakten de last wordt vermeerderd;
zij zullen dus in Indië gemakkelijk 150 Kg. kunnen vervoeren.
De dieren worden in stallen grootgebracht, waardoor ze vrij
handelbaar zijn ; koppig blijven ze echter, doch hun koppigheid
ontaardt niet in de boosaardigheid van het Amerikaansche ras.
Zij worden veel ouder dan het paard en behouden lang hun
krachten. De ruinen zijn wegens hun gehoorzaamheid en langen
levensduur te verkiezen en komen ook het meest aan de markt. De
gemiddelde hoogte bedraagt 1,30—1,35 M.
Zij worden gevoed met haver, boonen en stroo, doch zijn matig
en kunnen gemakkelijk ontberingen verdragen. Na den 2\'/j—3-jarigen
leeftijd gewent men ze langzamerhand aan het dragen en op het
4de jaar worden ze reeds met 130—140 Kg. belast. De africhting
voor trekdienst geschiedt het best op 3—4-jarigen leeftijd, gelijk
ook in Egypte meestal plaats vindt.
De in Klein-Azië tot het transport van koopwaren gebruikt
wordende muilezels dragen een eenvoudigen halster, die, om*het
hoofd op te richten, aan den draagbok verbonden is. Indien hun
geleiders ze berijden, is het halstertouw eenvoudig met een lus
door den mond om de kin geslagen.
(1) In het rapport is steeds sprake van mmlesc/f, het product van den ezel en de
(paarden) merrie wordt echter muilrfiVr genoemd.
-ocr page 786-
760
Zij worden op Turksche manier beslagen, d. i. met een vol
hoef ijzer, dat slechts een kleine opening in het midden heeft.
Dit ijzer is zwaarder dan het Europeesche, dat tegenwoordig ook
vrij algemeen in Egypte wordt gebruikt.
Een goede, krachtige muilezel kost in Klein-Azië ƒ250—300;
in Syrië wellicht ƒ50 minder, doch aldaar heeft men minder keus.
Deze gunstige berichten gaven aanleiding, dat aan de Regeering
het voorstel werd gedaan, om door bemiddeling van onzen consul-
generaal in Egypte een 12-tal muildieren, af komstig uit Klein-Azië
of Syrië, aan te schaffen en naar Java te zenden. Dit voorstel
werd bij Gouvernementsbesluit van 22 Maart 1873, n°. 666, goed-
gekeurd.
De toezending der muildieren liet echter op zich wachten. Eerst
tegen het einde van 1875 werd van genoemden Consul vernomen,
dat de aanschaffing en uitzending der muilezels zoo spoedig mogelijk
na intrekking der quarantaine-maatregelen zouden plaats hebben.
Intüsschen werd door onzen consul-generaal in China bericht,
dat dit land bij uitnemendheid geschikt is voor den uitvoer van
muildieren en dat er van Chefoo (de aangewezen plaats voor uit-
voer), tijdens de Fransche expeditie naar Saigoen in 1861 en
\'62, scheepsladingen van deze lastdieren voor het expeditionnaire
leger waren verzonden. Volgens hem maakt men aldaar geen
scherp onderscheid tusschen muildieren en muilezels; men noemt
ze beide loatze. Evenwel houdt men de uit ezelinnen gefokte
muildieren (\') voor de sterkste en meest handelbare. Goede
muildieren en ook Mongoolsche paarden (zie bl. 486) zouden te
Chefoo verkrijgbaar zijn voor een prijs van 45—80 tails (een tail =
f 3,30).
Ingevolge deze mededeelingen werd aan de Regeering voorge-
steld, door tusschenkomst van onzen consul-generaal in China, een
12-tal Chineesche muildieren te ontbieden en bij Gouvernementsbesluit
dd. 22 December 1875, n°. 55, werd hieraan goedkeuring verleend.
Reeds in Juni 1876 kwamen de Chineesche muildieren uit Chefoo
te Batavia aan, terwijl in September daaraanvolgende eindelijk
ook de Syrische uit Alexandrette werden aangevoerd.
Hoewel de prijzen op de plaatsen van aankoop resp. slechts
ƒ 2400 en ƒ2200 bedroegen, werden zij door verdere noodzakelijke
onkosten belangrijk verhoogd — zóó zelfs, dat het totaal der
uitgaven voor de Syrische muildieren met medegebrachte harna-
chementen, hoefijzers, enz. tot f 8200 steeg.
(1) De dieren afkomstig vna een paardenliengst en een ezelin zijn waWeteli.
-ocr page 787-
761
De hoogte der Chineesche muildieren bedroeg 1,28—1,34 M.,
die der Syrische 1,26—1,33 M.; beide soorten waren 5—6 jaar
oud, ruin en hadden verschillende kleuren , namelijk zwart, bruin,
vos en schimmel in velerlei schakeeringen. De Syrische waren
in het algemeen fijner van bouw en zachter van inborst dan de
Chineesche.
Beide kwamen beslagen aan: de Chineesche ijzers waren aan
de ballen naar voren omgebogen en bevatten aan eiken tak twee
nagelgaten, de Syrische muildieren hadden Turksche ijzers met
drie nagelgaten aan weerszijden. Het beslag werd verwijderd en
voorloopig niet vervangen.
Zij werden spoedig gewend aan het gewone paardenvoeder (de
Chineesche waren aan hooi en een soort boonenkoeken, de Syrische
aan stroo en gerst (\') gewoon, welke voedsels waren medegebracht)
en kregen als dagelijksch ration: 32 Kg. gras en 2,05 Kg. gaba.
Het voornemen bestond om beide soorten van muildieren aan
een vergelijkende proef, vooral wat hun draagvermogen betrof,
te onderwerpen. Reeds in Maart 1877 werden zes en in Mei daar-
aanvolgende vier volkomen afgerichte Chineesche muildieren naar
Atjeh gezonden. De Syrische oordeelde men daartoe nog niet ge-
schikt, daar zij niet in staat bleken te zijn een last van 171 Kg.,
gedurende een zestal uren, over moeielyk terrein te vervoeren;
deze mocht hoogstens 150 Kg. bedragen. Hoewel de eerste rapporten
gunstig luidden, voldeden de dieren in Juni 1878 bij de tochten
in de IV en VI Moekims volstrekt niet; ze weigerden door de
natte, doorweekte sawahs te marcheeren, gingen liggen en waren
slechts met veel moeite tot opstaan te bewegen, terwijl de paarden
zich daarbij in geen enkel opzicht verzetten. Ze werden daarom
naar Java teruggevoerd met het voornemen ze nader in de berg-
streken te beproeven.
In 1879 werd een nieuw model tuigen beproefd; bij de con-
structie hiervan was men uitgegaan van het beginsel, dat trekken
regel, dragen uitzondering moest zijn en dat het trekken zou ge-
schieden door één muildier, dat aan de hand werd geleid. Hier-
omtrent rapporteerde men het volgende: „In bergterreinen dient
bij het opgaan van hellingen gedragen en bij het dalen getrokken
te worden, terwijl op vlakke wegen het trekken en dragen be-
hoort te worden afgewisseld; bij een oordeelkundig gebruik kunnen
de muildieren met hun vracht de infanterie overal volgen. In
(i) Dus niet aan haver en bosnen, gelijk de cousul-generaal Ie Alexandrie had
medegedeeld.
-ocr page 788-
762
drassige terreinen leveren trekken en dragen beide zeer groote
moeielijkheden op; door hun smalle hoeven en hun zwaren bouw
zakken de dieren te diep in den modder, om voort te kunnen
gaan."
Te Salatiga werden de proeven voortgezet, vooral ook om na
te gaan of Chineesche dan wel Syrische de voorkeur verdienden.
Daarbij bleek, dat beide soorten uitstekende muildieren waren,
die de aangewezen vrachten in bergachtig terrein uren lang met
gemak droegen, dat zij het voertuig zeer goed langs steile, doch
breede bergpaden trokken, doch dat de besturing moeielijk was
en de dieren meermalen weigerden voort te gaan, totdat zij daartoe
door zweepslagen werden gedwongen. Voor het trekken meende
men aan de Syrische de voorkeur te moeten geven, doch de
Chineesche werden sterker geacht.
Bij de proeven in 1880 te Batavia genomen bij het vervoer van
het bergmateriëel van 7cm. A., ontstonden veel drukkingen, zoodat
wijzigingen in het draagtuig werden voorgesteld. Ook te Salatiga
had men daarvan later last; na een marsch van daar naar Bar-
bakan en terug waren, ondanks alle voorzorgen, 12 van de 16
muildieren gedrukt. Men schreef dit toe aan te vast aansingelen
der tuigen; de drukkingen leidden den proefnemer tot de over-
tuiging, dat op goede wegen het trekken gewoonte moest zijn,
doch dat in vredestijd veel gedragen moest worden, ten einde
daartoe in oorlogstijd, zoo noodig, onmiddellijk te kunnen over-
gaan.
Toch voldeden de muildieren te Salatiga èn bij bergmarschen
èn door sawahterreinen uitmuntend. Bij glibberige bergpaden met
25\' helling werden zij soms door den geleider, die hen niet zoo
spoedig kon volgen, in het stijgen gehinderd. Een enkele maal
viel een muildier of ging het liggen, vooral bij het marcheeren
door sawahs, welke zoo drassig waren, dat de dieren tot over de
knieën in den modder zakten. De Chineesche en Syrische muil-
dieren kwamen in hoedanigheid met elkander vrij wel overeen;
beide waren mak, kalm bij het vuren, vrij gewillig en trokken
even goed; voor het dragen gaf men echter aan de Chineesche
de voorkeur.
Het bleek, dat de harde wegen van Midden-Java beslag noodig
maakten; te dien einde werd het gewone, bij paarden gebruike-
lijke ijzer ondergelegd.
In 1881 werden proeven genomen met Fransche draagbokken,
waarbij echter meer drukkingen ontstonden dan met de behoorlijk
-ocr page 789-
763
opgelegde draagbokken, model 1879, zoodat deze laatste door den
proefnemer werden aanbevolen
Er werd besloten voor een aanschaffing van muildieren in het
groot de Chineesche te nemen, doch voor later aankoopen in
het klein tot aanvulling, naar gelang van omstandigheden, van
beide soorten gebruik te maken.
Bij Gouvernementsbesluit van 2 Juli 1882 werd machtiging
verleend om in dat jaar 50 muildieren aan te koopen. De Neder-
landsche consul-generaal in China werd uitgenoodigd deze aan
te schaffen en te verzenden. Behalve de gewone eischen van
goed gebouwd, zonder gebreken te zijn, enz. , moesten ze aan
de volgende voorwaarden voldoen: ruin, donkere grondkleur,
4 tot 6 jaar oud, 1,33—1,36 M. hoog, en geschikt tot het dragen
van lasten a 150 Kg.
De zending voldeed hieraan niet ten volle; er waren hengsten
bij, een lichte kleur was niet zeldzaam en vele waren hooger
dan 1,36 M. Elk muildier kostte, met inbegrip van alle uitgaven,
ongeveer ƒ 500.
Vooral over de te groote hoogte werd geklaagd; zoodra de
maat van 1,40 M. eenigermate werd overschreden, bleek het op-
en afladen van vuurmond en voornamelijk van affuit bezwaren
op te leveren voor kanonniers van middelbare lengte. Deze dieren
werden daarom bestemd tot het dragen van munitiekisten.
Bij Gouvernementsbesluit van 26 Maart 1886, n°. l/c werd
machtiging verleend tot aanschaffing van 120 Chineesche muil-
dieren, terwijl besloten werd den aankoop te doen geschieden
door twee artillerie-officieren. Tot nu toe waren slechts twee
bergbatterijen van muildieren voorzien, doch men wenschte deze
voortaan ook voor de overige bergbatterijen en de mobiele sectiën
te Padang, Fort de Koek en Makassar te bezigen. Dit stond in
verband met een wijziging in de bewapening, welke zou worden
ingevoerd. {Beknopt overzicht van proeven en oefeningen bij het wapen
der artillerie van het Nederlandsch Oost-Indisch leger,
1872—73,
1874—75, 1876—78, 1879—81, 1882—83 en 1884—85).
Tegenwoordig komen de muildieren uitsluitend uit China; zij
worden aldaar aangekocht door den consul. Overeenkomstig de
instructie, welke in 1891 en 1892 van toepassing was, moeten
zij aan de volgende voorwaarden voldoen.
»1°. De aan te koopen muildieren moeten zijn behoorlijk en
geheel gecastreerde ruinen en afkomstig van Noord China.
2°. Hun leeftijd mag niet minder dan 6 en niet meer dan
8 jaar bedragen.
-ocr page 790-
764
3°. Hun hoogte mag niet minder dan 1,37 M. en niet meer
dan 1,46 M. bedragen.
De hoogte wordt gemeten door het onbeslagen muildier op
een gelijken grond te stellen en vervolgens den afstand van den
hoogsten schoftwervel tot den grond te zoeken.
4°. De muildieren moeten zijn zonder zichtbare gebreken,
van evenredigen lichaamsbouw, vrije en ongelijkmatige gangenen
van een goedaardig temperament. Zij moeten krachtig ontwikkeld
en volkomen in staat zijn om, na bij de batterijen te zijn getrai-
neerd, een last van 150 Kg. te dragen.
5°. De muildieren moeten zoo mogelijk van een donkere
grondkleur zijn".
Volgens den paardenarts J. van de Velde (Indisch Militair
Tijdschrift
1894) zijn de Chineesche muildieren van een slappen,
sponsachtigen weefselbouw, behept met vele gebreken, vooral
gallen aan spronggewricht en kogel, bedekt met zeer lang haar
en voorzien van een groot hoofd. Vele zijn weerspannig, som-
mige in hooge mate. Ondanks alle voorzorgen lijden zij, zoodra
zij lasten dragen, veel aan drukkingen, en wel hoog op de ribben,
aan weerszijden van de wervelkolom.
In October 1894 werd de paardenarts Mars naar Chefoo ge-
zonden om 50 muildieren aan te koopen, ten einde te voorzien
in de behoefte, welke door de Lombok-expeditie was ontstaan.
§ 271. Remonteering in het uuitenland.
Frankrijk.
Dank zij de zorgen der Fransche regeering voor de paarden-
fokkerij kan de remonteering van dit leger geheel in het binnen-
land geschieden. De rijpaarden worden grootendeels op den leeftijd
van 3\'/i—4 jaar aangekocht en dan gedurende ongeveer 10 maanden
in een remonte-depot geplaatst, waar zij halfin vrijheid leven,
onbeslagen zijn en goed met haver worden gevoed. Zelden is men
in de gelegenheid goede 5-jarige cavaleriepaarden aan te koopen;
juist daarom nam men den maatregel om ze reeds op jeugdiger
leeftijd van de fokkers over te nemen en ze dan van staatswege
een goede opvoeding te verschaffen.
De trekpaarden worden enkel op den leeftijd van 5 jaar, of
althans van vol 4 jaar aangekocht en vertrekken, na in een
depot gedurende 20 dagen op koopvernietigende gebreken te zijn
onderzocht, naar de regimenten.
-ocr page 791-
765
Behalve de eigenlijke depots, meestal opgericht in die streken
waar de paardenfokkerij het sterkst ontwikkeld is, heeft men in
Frankrijk ook nfermes hippiques", d. w. z. boerderijen, welke aan
particulieren toebehooren en waar een zeker aantal jonge paarden
tijdelijk wordt geplaatst. Deze vétablusements de transition" staan
onder het toezicht van een paardenarts.
De aankoop van paarden geschiedt bij elk depot, behalve bij
die in Normandië gelegen, door een vaste commissie, bestaande
uit een hoofdofficier, commandant van het depot, en een kapitein,
van het regiment gedetacheerd. Van 1 October tot 15 Mei, de
voornaamste tijd voor aankoop, wordt de commissie aangevuld
door een kapitein of luitenant van de cavalerie of artillerie. Ten
einde den aankoop bij de depots steeds mogelijk te maken, zijn
aan de commissie toegevoegd een paardenarts en een kwartier-
meester.
De commissie bezoekt ook markten, tentoonstellingen, en*.
In bijzondere gevallen kunnen in de maanden Juni, Augustus en
September, na machtiging van den Generaal-Inspecteur, buiten-
gewone rondreizen worden gemaakt.
Voor den aankoop van paarden is Frankrijk ingedeeld in twee
districten (la circonscription de remonte de Caen en la circonsvription
de remonte de Tarbes,
de beide voornaamste gedeelten) en een
5-tal depots, welke elk eenige departementen omvatten.
De commissie van aankoop in de y>circonscription de remonte de
Caen"
(aldus naar haar hoofdplaats geheeten) bestaat uit een
luitenant-kolonel, een ritmeester en een paardenarts l8t8 klasse,
welke aan het depot te Caen zijn verbonden.
In 1891 was voor de remonte in Frankrijk uitgetrokken een
som van 15623149 francs; het effectief was bepaald op 142870
paarden.
Het jaarlijks benoodigde aantal remonte-paarden is ruim 14000.
Duitschland. •
Duitschland neemt den derden rang in, wat betreft het aantal
paarden, dat het jaarlijks voortbrengt; in 1883 bezat het 3522316
paarden, waarvan 2417138 alleen in Pruisen voorkwamen. Deze
getallen zijn tot heden voortdurend toegenomen; bovendien heeft
de regeering, door haar stoeterijen, het fokken van voor het leger
geschikte paarden steeds in de hand gewerkt; daardoor bestaat
er dan ook geen bezwaar om het jaarlijks benoodigde aantal re-
monten in het land zelf aan te koopen.
-ocr page 792-
766
In 1891 bevatte Jiet Duilsche leger 88302 dienstpaarden, be-
lialve de officierspaai den , ten getale van 17382 stuks, en de
„Krümpei pferde" met die voor de eenjarigen der cavalerie, samen
4256 paarden.
Duitschland heeft 93 regimenten cavalerie met een totaal van
62581 paarden. Er zijn 14 remonte-depots in Pruisen en 4 in
Beieren.
Jaarlijks wordt voor de artillerie \'/9 en voor de cavalerie \'/,„
van het effectief in vredestijd op reform gesteld. Niet minder dan
9000 remonte-paarden moeten worden aangekocht.
De remonte-depots zijn landbouw-inrichtingen, die door admi-
nistrateurs, welke een borgstelling moeten storten, worden be-
stuurd. Het toezicht op de verpleging der paarden is meer in het
bijzonder opgedragen aan een paardenarts. Elk depot staat onder
den president der remonte-commissie in dat district, terwijl de
Inspecteur der remonte gesteld is over alle depots. Het personeel
bestaat uit oud-militairen.
De chef der remonte is verbonden aan het Ministerie van Oorlog,
met den rang van kolonel of generaal en den titel van Inspecteur-
generaal der remonte.
Er bestaan zes commissies van aankoop, elk met een president,
welke den rang van kapitein tot kolonel bekleedt. Alleen deze
zes voorzitters zijn permanent; zij zijn verbonden aan het Ministerie
van Oorlog. Gedurende den tijd van aankoop (Mei tot einde Sep-
tember) worden twee luitenants en een paardenarts aan den per-
manenten voorzitter toegevoegd.
Deze commissies koopen paarden van 3—4 jaar; enkel voorde
artillerie, en dan nog slechts in geringe hoeveelheid, worden
paarden van 5 jaar aangekocht.
De paarden, welke op 3—3\'/i-jarigen leeftijd naar de depots
gaan, blijven er meestal tot zij 5 jaar oud zijn. Zjj loopen er los,
onbeslagen, worden aan een geschikten leefregel onderworpen en
vinden een onderkomen ïh zeer eenvoudige stallen.
Ooatenrijk-Hongarije.
De paardenfokkerij is in Oostenrijk-Hongarije een der voor-
naamste takken van den landbouw. Tal van stoeterijen bevorderen
de productie, ook van het militaire paard; die van Mezohegyes,
Kisber, Babolna, Fogaras en Radautz zijn het meest bekend. Zy
-ocr page 793-
707
leveren de hengsten voor de depots, en staan onder het Ministerie
van Landbouw.
Behalve de stoeterijen heeft Hongarije 5 hengsten-depots, met
ongeveer 3000 staatshengsten, voor ry- en trekdienst.
Oostenrijk-Hongarije kan jaarlijks 50000 k 60000 paarden uit-
voeren; Hongarije alleen bezit er bijna 3 millioen.
In 1889 waren er 55610 legerpaarden, behalve die der„Land-
wehr" en van de „Honveds". Jaarlijks zijn 6000 remonte-paarden
benoodigd.
Er zijn drie remonte-commissies; zij zijn permanent en bestaan
uit een hoofdofficier als voorzitter, een subaltern officier, belast
met het secretariaat, en een paardenarts. Aan den voorzitter
wordt een zeker aantal ritmeesters toegevoegd. Deze commissies
handelen niet alleen op de plaats van hun verblijf, maar kunnen
ook, overeenkomstig Ministeriëele instructies, markten en stoeterijen
bezoeken. De toegevoegde ritmeesters worden speciaal belast met
het doen van de groote reizen; de voorzitter regelt den geheelen
gang van zaken en koopt aan op de plaats van diens verblijf.
De paarden worden op 4-jarigen leeftijd aangekocht en gaan
dan naar de remonte-depots of ook naar hoeven, welke tot dit
doel zijn gehuurd.
Enkele cavalerie-regimenten mogen nog zelf hun troepenpaarden
aankoopen; deze worden tot dit doel bij de regimenten gepresen-
teerd.
De paarden voor de „Landwehr" blijven slechts enkele maanden
in dienst, tot zij afgericht zijn; daarna worden zij door het De-
partement van Oorlog aan particulieren ten gebruike gegeven,
onder voorwaarde, dat zij ze goed verplegen en ze binnen 48 uur
na oproeping op aangegeven plaatsen beschikbaar stellen. Na5a6
jaar worden zij het eigendom der houders.
Ter controle of ook voor oefening van de paarden geschiedt
nu en dan, bijv. in October of November, een oproeping, ten
einde aan manoeuvres, die ter plaatse worden gehouden, deel te
nemen.
Italië.
In Italië staat de paardenfokkerij op geen hoogen trap; er zijn
nauwelijks meer dan 750000 paarden en 250000 muildieren.
Ten einde in het aantal legerpaarden beter te voorzien, zijn op
onderscheidene plaatsen hengsten-depots opgericht en is ook op
andere w\'yze de paardenfokkerij met kracht bevorderd; toch heeft
-ocr page 794-
768
men nog moeite om de 5000 a 6000 paarden, die jaarlijks voor
de remonte benoodigd zijn, in het land zelf aan te koopen.
Op voet van vrede bestond het leger in 1890 uit 32684
paarden, namelijk 20880 voor de cavalerie en 11804 voor de
artillerie, terwijl er in geval van mobilisatie totaal 86000 noodig
zijn-
De remonteering is verschillend voor de cavalerie en de artil-
lerie. De paarden voor laatstgenoemd wapen worden bij de regi-
menten aangekocht door commissies, bestaande uit een majoor
of luitenant-kolonel als voorzitter, en twee leden, waarvan één
kapitein en één kapitein- of luitenant-paai denarts is. Deze paarden
moeten 1,50—1,68 M. hoog en 4—-8 jaar oud zijn; zij mogen
hoogstens voor de helft merriën zijn, overigens ruinen, en ge-
schikt blijken voor den trekdienst. In het ras maakt men geen
onderscheid; echter geeft men aan de inlandsche paarden de
voorkeur. Zij blijven 40 dagen voor rekening van den verkooper,
in zake koop vernietigende gebreken.
De cavaleriepaarden moeten 3—4 jaar oud zijn en van 1,46—
1,48 M. hoog. Zij gaan ongeveer een jaar naar een der zes
remonte-depots, waar zij op een der drie volgende methoden
worden opgevoed: 1°. in vrijheid, als in den wilden staat, 2°.
in halve vrijheid, en 3°. in den stal. Het laatste stelsel komt
overeen met dat, in ons land toegepast.
Engeland.
Op liet gebied van de paardenfokkerij staat Engeland bovenaan.
De geinakkel\'ykheid om steeds het benoodigde aantal paarden te
bekomen, maakt echter dat het effectief in vredestijd te gering
is. In 1890 bezaten de drie garde-regimenten slechts 800 paarden
en de linie-regimenten 9500 paarden voor 17300 manschappen.
Bij een mogelijken oorlog zou men genoodzaakt zijn om tegen
groote kosten een belangrijk getal paarden aan te koopen, terwijl
zij, wegens gebrek aan oefening, onvoldoende diensten zouden
bewijzen. Daarvoor zijn in 1888 schikkingen getroffen, welke
hierin eenigermate voorzien. De personen, welke in de nabijheid
van Londen stallen van minstens W paarden bezitten, zijn uitge-
noodigd om het aantal te willen opgeven, dat zij in geval van
mobilisatie aan het gouvernement willen leveren.
Er zijn in Engeland geen remonte-depots; de paarden, welke
op 4—5-jarigen leeftijd (in het najaar ook als 3\'/,-jarigen) worden
-ocr page 795-
769
aangekocht, gaan onmiddellijk naar de regimenten. De leiding
der remonteering is opgedragen aan een generaal; onder dezen
verrichten twee hoofdofficieren, de een in Engeland, de andere
in Ierland, de aankoopen. De chef koopt eveneens. Elk dier
hoofdofficieren is vergezeld van een paardenarts, die de goedge-
keurde paarden onderzoekt.
België.
Het effectief der cavalerie in België bestond in 1800 uit 5520
paarden, dat der artillerie uit 2584 stuks. Het land zelf kan
niet genoegzaam voorzien in de behoefte aan remonten; in
hoofdzaak bestaat het leger uit Iersche en inlandsche (Ardenner)
paarden.
De aankoop geschiedt bij de regimenten; elk voorjaar bericht
de Minister van Oorlog aan de fokkers en de kooplieden, dat zij
rij- en trekpaarden kunnen aanbieden in de steden waar de staf
der regimenten cavalerie en artillerie in garnizoen is. Tevens
worden dan de voorwaarden vermeld, waaraan de paarden moeten
voldoen en de prijs bepaald, welke zal worden besteed. Voor de
paarden, welke in België zijn geboren, wordt een verhooging van
den prijs met 50 francs toegestaan; er bestaat echter weinig aan-
leiding om deze premie uit te keeren.
Denemarken.
Denemarken heeft alleen trekpaarden; het paard op Seeland
voorkomende, voorziet in de behoeften der artillerie. De cavalerie-
paarden worden in hoofdzaak in het buitenland aangekocht, name-
lijk in Hannover, in Mecklenburg en te Hamburg.
Ten einde de fokkerij in Denemarken aan te moedigen, koopt
de remonte-commissie er jaarlijks eenige 3\'/i-jarige paarden aan,
die gedurende het eerste jaar bij de regimenten worden gespaard.
Er zijn in Denemarken namelijk geen remonte-depofs; het plan
bestaat echter ze op te richten.
Er is slechts één commissie van aankoop , welke bestaat uit
een kolonel als voorzitter, een kapitein, een luitenant en een
paardenarts. De beide eersten hebben geen andere diensten te
verrichten; de laatsten zijn van de regimenten gedetacheerd.
Vroeger reisde de commissie het geheele land af om inkoopen
te doen; tegenwoordig komt zij alleen op Seeland. Gewoonlijk
zijn de aangekochte paarden 4—6\'/j jaar oud en worden zij bij
de regimenten dadelijk in dressuur genomen.
49
-ocr page 796-
770
De Deensche cavalerie bestaat uit 5 regimenten, elk van 3 eska-
drons; op een effectief van 480 paarden per regiment, worden
gedurende een groot gedeelte van liet jaar 250 stuks bij land-
bouwers geplaatst. Er zijn twee regimenten veld-artillerie met
599 paarden, waarvan 300 bij de landbouwers worden gehuisvest.
§ 272. Het monsteren van paarden. Bedriegerijen
in den paardenhandel.
De paardenhandelaar beschouwt zijn paarden als koopwaar en
tracht ze, evenals ieder ander koopman, zooveel mogelijk in
een gunstig daglicht te plaatsen. Hij zal dikwijls kunstgrepen en
listen, ja zelfs onwaarheden niet versmaden, om aan zijn koop-
waar een hoogere waarde te doen toekennen.
Bij het koopen van paarden is daarom, wil men niet bedrogen
worden, eigen paardenkennis of de raad en bijstand van des-
kundigen noodzakelijk. En zelfs daarmede toegerust, gebeurt het
nog dikwijls, dat men een paard koopt met minder gewenschte
eigenschappen behept. Er is namelijk behalve paardenkennis een
hooge mate van opmerkzaamheid en geoefendheid noodig, zal de
aandacht niet, door de talrijke kunstgrepen van den koopman,
van de werkelijke gebreken worden afgeleid.
Vooral het onuitputtelijk lof toezwaaien, het opsommen van
geboden prijzen en het noemen van kleine gebreken (hetgeen
dikwijls geschiedt om grootere te verbergen) door den koopman
of zijn z.g. makelaars moet men wantrouwen; alleen aan datgene,
wat men zelf ziet en zelf ondervonden heeft of waarvan men een
deugdelijk schriftelijk bewijs in handen heeft, mag men zijn ver-
trouwen schenken.
Bij het koopen van paarden dient men vóór alles te letten op
het gebruik dat men er van wenscht te maken; men onderzoekt
dan of de lichaamsbouw en de psychische eigenschappen met dit
doel overeenstemmen en daarna of de gevraagde prijs eenigermate
strookt met de hoedanigheden van het paard, zooals men die op
het oogenblik kan waarnemen.
Geen enkel paard is tot alle diensten even geschikt; de eigen-
schappen , die voor den eenen dienst worden vereischt, zijn voor
den anderen dikwijls nadeelig. Zoo bijv. verlangt men voor rij-
paarden, dat de spieren lang zijn en zoo dicht mogelijk nabij de
gewrichten zijn ingeplant, terwijl men voor trekpaarden dikke
spieren wenscht, die meer nabij het midden der beenderen zijn
vastgehecht.
-ocr page 797-
m
Nfen onderscheidt: rij-, trek-, last- en fokpaarden.
De rijpaarden worden verdeeld in : paarden voor den militairen
dienst, renpaarden, jachtpaarden, manegepaarden, luxe-rijpaarden,
enz. Voor elk dezer soorten zijn de vereischten verschillend , zooals uit
het Derde Boek duidelijk volgt; een rijpaard kan voor den langen
weg uitstekend , doch voor de manege ongeschikt zijn en omgekeerd.
Evenzoo onderscheidt men de trekpaarden naar het verschillend
gebruik, dat men er van kan maken, namelijk of zij voor den
militairen dienst, voor zware vrachten, voor den landbouw, als
koetspaarden, enz. kunnen worden gebezigd.
Lastpaarden zijn tegenwoordig in ons land nog slechts bij het
leger in gebruik.
Het zou verkieslijk zijn de paarden , alvorens ze te koopen,
onder de meest verschillende omstandigheden, bijv. inden stal, in
hun natuurlijken stand , gedurende het voederen, het poetsen ,
het beslaan , enz. waar te nemen , zonder door den verkooper op
eenige wijze te worden afgeleid. Hiertoe is echter meestal geen
gelegenheid, daar de laatste zijn paarden, door zijn invloed,
zoo gunstig mogelijk tracht voor te stellen, waartoe dan ook op
de monsterplaats alles is ingericht.
De stal van den koopman is trouwens ook niet geschikt om het
paard in zijn natuurlijken toestand te leeren kennen ; in den regel
is deze keurig netjes en staan de paarden van voren zeer hoog,
zoodat de voorhand fraaier uitkomt. Bovendien schijnen alle paar-
den levendig en opmerkzaam, zij zien bestendig om, spitsen de
ooren, trippelen heen en weer, enz. Meestal is dit een gevolg van
het slaan met de zweep , het gedurig toeroepen door den eigenaar ,
het openen der haverkist en dergelijke.
De schoonste paarden worden doorgaans vooraan geplaatst, ter-
wijl dan verzekerd wordt, dat de betere meer naar achteren staan.
Kleine paarden worden op hoog stroo, groote daarentegen in de
laagte gezet.
Paarden met één slecht oog worden hiermede naar den muur
geplaatst. By oogontsteking verwondt men niet zelden de huid
boven het zieke oog, ten einde het te doen voorkomen , alsof het
paard zich gestooten heeft. Geheel blinde oogen brengt men soms
kunstmatig in ontsteking, om daardoor den kooper in den waan
te brengen, dat herstel spoedig zal volgen.
Lobooren tracht men door bijzondere inrichtingen aan den hal-
ster of het hoofdstel en zadelruggen door dekens of, b\\y het
rijden , door het zadel te verbergen.
-ocr page 798-
772
Aan enkele paarden leert men, zich bij het naderen van per-
sonen onmiddellijk te strekken ; hierdoor worden gebreken aan de
beenen , als bokbeenigheid , sabelbeenigheid , steil gekoot zijn , enz.,
verder een hooge rug en een afhangend kruis zooveel mogelijk on-
zichtbaar gemaakt.
Kribbebijters worden door voederen gedurende de aanwezigheid
van een kooper, door sterk aanhalen van den keelriem, door
besmeren van de krib met ossengal of andere bittere middelen,
of ook wel door aanbrengen van een nagel in den keelriem , die
het paard bij het kribbeb\'yten steekt, ten minste tijdelijk verhin-
derd aan hun neiging toe te geven. Luchtzuigers en wevers
worden zoodanig onder den invloed der zweep gehouden, dat zij
hun kwade gewoonte nalaten , zoolang zich iemand bij hen bevindt.
Daardoor zullen ook andere ondeugden , als het klappen met de
lippen, het speekselslurpen, het afstroopen van den halster, het
hangen daarin , het telkens herhaald krabben met de voorbeenen ,
het rusten met een achterhoef op de kroon van den naaststaanden
hoef, het bijten naar andere paarden, in latierboomen en dekens,
het slaan tegen latierboomen en schotten, enz. gewoonlijk niet
worden waargenomen.
Oude paarden tracht men dikwijls een jonger aanzien te geven
door de grijze haren te verven, de diepe bovenoogkuilen tijdelijk
te doen verdwijnen door daar ter plaatse lucht onder de huid te
blazen en de lange tanden korter te maken en van een kunst-
matige kroonholte te voorzien. Omgekeerd schijnen 2—4-jarige
paarden ouder, indien zij z.g. gebroken zijn geworden.
Door een zorgvuldige verpleging, door poetsen , kammen, was-
schen, scheren , door fraaie dekens en hoofdstellen geeft men aan
de paarden een bevallig uiterlijk, waardoor het oog van den
kooper dikwijls wordt verblind, zoodat hij vele gebreken over het
hoofd ziet.
De kooplieden weten de beenen zoodanig te scheren en te
knippen, dat deze overal sterk gebouwd schijnen; door het niet
wegknippen der haren onder de voorknie trachten zij bijv. iedere
insnijding onder het haakbeentje onzichtbaar te maken, terwijl door
het fatsoeneeren der vetlokken en der overige haren van de kogels,
kleine, ronde kogels schijnbaar breed en sterk worden gemaakt.
De eetlust wordt bij handelspaarden bevorderd door hun her-
haaldelijk kleine rations toe te dienen, soms ook door het geven
van eetlust opwekkende middelen, zoodat niet zelden slechte eters
als goede worden beschouwd.
-ocr page 799-
773
De handelaars vertoonen sommige paarden liefst in tuinen , die
dicht begroeid en van slingerpaden voorzien zijn of wel in andere
nauwe ruimten, die een nauwkeurig onderzoek van het kunst-
matig onrustig gehouden dier onmogelijk maken. Paarden met
hoefgebreken, die op een harden bodem kreupel loopen, worden
bij voorkeur in een dergelijken tuin of in de manege gemonsterd;
de hoeven zijn dan vooraf, door het beslag en, zoo noodig, door
opvullen met was of kunsthoorn, schijnbaar deugdzaam gemaakt.
Het onderzoek van den gang in het algemeen is bij deze wijze
van monsteren hoogst moeielijk
De paardenkoopers weten gewoonlijk onder welke omstandig-
heden hun paarden zich het gunstigst voordoen en zullen dus
niet nalaten van deze wetenschap gebruik temaken. Zoo bewegen
zich sommige paarden in een manege met een gemak en een
sierlijkheid, gelijk men het daarbuiten nooit weer te zien krijgt.
Andere paarden monsteren het best aan de hand en zijn daarop
geheel afgericht; ten onrechte beschouwt men dan niet zelden
dien monsterdraf als de gewone gang van het paard.
Het monsteren der paarden op openbare straten in steden is
zeer onaangenaam voor den kooper; niet alleen bemoeien de
spoedig verzamelde toeschouwers zich met de zaken en oefenen
zij invloed uit op het oordeel, maar zij beletten ook een bedaarden
gang en een nauwkeurig onderzoek, zelfs al wilde de handelaar
dit toelaten.
Het moeielijkst is echter het koopen op markten; de weinige
ruimte, het aantal paarden, het gedrang van menschen en dieren,
de aanprijzingen der kooplieden, de loftuitingen der gehuurde
makelaars, de moeite om het paard bedaard en rustig te onder-
zoeken , enz. maken het oordeel in hooge mate onzeker. Bovendien
verbergt de weeke bodem, waarop de paarden worden gemon-
sterd, dikwijls velerlei hoefgebreken of worden vuile straten en
slecht weder te baat genomen om tal van abnorme verschijnselen
aan de paarden te vergoelijken of te verhelen, zooals dit laatste
o. a. bij hoornscheuren mogelijk is.
Paarden met ooggebreken worden, opdat zij zich in een rechte
lijn zullen bewegen, liefst in nauwe stegen gemorsterd. Boven-
dien worden zij dikwijls kopschuw gemaakt en onrustig gehouden,
terwijl het zieke oog steeds van den kooper wordt afgewend.
Dampige paarden laat men bij het monsteren, zoo mogelijk,
in stap terugkeeren, opdat de ademhaling eenigszins bedare; terug-
gekomen, worden zij steeds in beweging gehouden, ten einde den
-ocr page 800-
774
dubbelen flankenslag voor het oog van den kooper te verbergen.
Door het onthouden van hooi, het toedienen van groenvoeder en
van enkele geneesmiddelen, als arsenik, is overigens dikwijls reeds
alles in het werk gesteld, om het gebrek zoo weinig mogelijk
zichtbaar te maken.
Snuivers worden op dezelfde wijze gemonsterd; teruggekomen,
zal men ze echter zoo rustig mogelijk laten staan, ten einde het
piepende geluid niet op te wekken. Bij voorkeur laat men ze
draven op de steenen, zoodat het fluiten of snuiven door het
geraas niet kan worden waargenomen.
Kreupele paarden of de zoodanige, die zwak in de lenden
(z.g. kruislam) zijn, zoodat zij bij het wenden en stoppen in de
achterbeenen knikken, worden eerst zoo ver in stap geleid tot zij
buiten het gezicht zijn, of zij worden door allerlei geluiden der-
mate verontrust, dat zij in de nabijheid van den beschouwer niet
rustig draven, maar hoogst onregelmatig loopen of galoppeeren;
op deze wijze kan de aanwezige kreupelheid of zwakte onzichtbaar
worden gemaakt. Ook kan de geleider door het hoofd van het
paard zeer hoog of laag of scheef te houden en door korte wen-
dingen te vermijden, het duidelijk te voorschijn treden van kreu-
pelheid of zwakte verhinderen.
Spatkreupele paarden worden, zoo mogelijk, vóór de komst van
den kooper warm gereden of men brengt op eenige plaats van het
lijdende been een kleine, gemakkelijk te genezen verwonding aan
en vestigt daarop de aandacht. Op markten worden zij, wanneer
de ruimte dit toelaat, voortdurend heen en weer gereden.
Bij het monsteren van luie of kolderige paarden heeft de ge-
leider soms een spijker in de hand en drukt dezen steeds tegen
de kin van het paard.
Aan boosaardige paarden dient men dikwijls, vóór zij op de
markt zijn, bedwelmende middelen toe, zoodat zij ten minste
gedurende den markttijd hun boozen aard verliezen.
Paarden, die schijnbaar ouder of jonger zijn gemaakt, kribbe-
bijters en wevers met abnorme afslyting der tanden, of paarden
met bederf der kiezen of eenig ander gebrek in de mondholte,
worden kopschuw gemaakt; tevens wordt niet zelden despeeksel-
afscheiding bevorderd door het aanwenden van prikkelende stoffen.
Het is een vaste gewoonte den paarden bij het monsteren
peper of gember in den anus te brengen, opdat zij den staart
behoorlijk zullen dragen; indien de prikkel sterk genoeg is, loopen
de paarden hierdoor van achteren tevens wijder.
-ocr page 801-
775
Bij klophengsten maakt men dikwijls in den balzak aan die
zijde, waar een bal is achtergebleven, een verwonding, teneinde
door het litteeken den schijn te geven, alsof beide ballen waren
weggenomen; vóór zij op de markt komen, worden ze, bijv. door
opium, eenigermate verdoofd, ten einde hun aard niet te ver-
raden.
Bij kwaaddroezige paarden worden soms de klieren uit de
keelgang gesneden, terwijl het uitwerpen door het inspuiten van
samentrekkende middelen, of wanneer dit eenzijdig plaats heeft,
door het brengen van een spons in het resp. neusgat, tijdelijk
wordt opgeheven.
Ja, zoover gaan dikwijls de bedriegerijen, dat paarden geheel
of gedeeltelijk (bijv. afteekeningen) geverfd en kunstmatig van
maantop of staart voorzien worden, ten einde ze met andere
paarden te doen spannen of stalen.
Al het opgegevene geldt ook voor den ruilhandel, waarbij men
dikwijls nog bijzonder op zijn hoede moet zijn, wil men niet
door de listen van den koopman worden bedrogen. Zoo zal hij
een paard van f 100 waarde op ƒ 300 schatten, hetgeen den
eigenaar natuurlijk zeer aangenaam is; nu biedt hij aan dit paard
in te ruilen tegen het zijne, dat f 000 (inderdaad echter slechts
f 400) waard is, wanneer de eigenaar f 300 toegeeft. De laatste,
ingenomen met de hooge taxatie van zijn paard, is tot dezen
handel zeer genegen en ziet daardoor de gebreken van het andere
paard niet zelden te veel over het hoofd.
Somtijds ook zal hij trachten alle mogelijke (aanwezige of niet
aanwezige) gebreken van het paard der tegenpartij aan te toonen,
of wel hij laat dit door zijn makelaars doen, ten einde den eige-
naar een geringere waarde aan zijn paard te doen hechten. Zijn
paard is dan natuurlijk voortreffelijk en voor de tegenpartij alles-
zins geschikt.
Het best is steeds het paard zoo rustig en opmerkzaam mogelijk
te onderzoeken. Men brengt het daartoe geheel vrij, slechts los
aan een trens gehouden, op een horizontale vlakte en verbiedt
iedere bemoeiing van den koopman of zijn knecht. Zelfs het
knijpen in rug en lenden, waardoor deze deelen met het kruis
meer de horizontale lijn naderen, dient achterwege te blijven.
Nadat het paard in rust genoegzaam onderzocht is, laat men
het langzaam in een rechte lijn stappen; alle het paard veront-
rustende invloeden, als klappen met de zweep, in den hoed
trommelen, op de laarzen kloppen, enz. moeten hierbij worden
-ocr page 802-
77(5
vermeden. Daarna laat men het op dezelfde wijze draven, ein-
delijk rijden of, wanneer het een tuigpaard is, inspannen.
Dikwijls hoort men in den paardenhandel de uitdrukking: »ik
verkoop het paard voor eerlijk en trouw"; dit wil zeggen: »ik
sta er voor in, dat het vrij is van alle verborgen gebreken". In
hoeverre men hierop kan rekenen, zal van de bijzondere omstan-
digheden afhangen.
De uitdrukking: shet paard is van zessen klaar" beteek ent,
dat het twee goede oogen en vier goede beenen heeft. Bij hard-
dravers bedoelt men er gewoonlijk zulke paarden mede, die reeds
een of meermalen een prijs of premie hebben gewonnen.
§ 273. Handelwijze bij het onderzoek.
Bij het onderzoek van een paard moet men een zekere volg-
orde in acht nemen, opdat geen deel over het hoofd worde gezien.
Daartoe laat men het paard zoodanig op een horizontale, be-
hoorlyk verlichte vlakte plaatsen, dat men het van alle zijden op
een afstand van 4—6 passen kan beschouwen. Deken, zadel, enz.
moeten vóór het onderzoek worden afgenomen, omdat die voor-
werpen vele gebreken kunnen verbergen.
Men begint met het paard op eenigen afstand van alle zijden
te bezien, ten einde een indruk van het geheel te krijgen, in
het algemeen den voedings- en gezondheidstoestand te beoordeelen
en tevens de kleur, de hoogte, het geslacht en het ras op te
nemen. Is de eerste indruk, dien men van het paard bekomt,
niet bevredigend, dan is een nader onderzoek meestal af te raden.
Gewoonlijk bestaat er dan geen harmonie in de onderscheidene
lichaamsdeelen, doch zelfs ook, wanneer een ondergeschikt punt,
bijv. een groot hoofd of de kleur, onzen tegenzin heeft opgewekt,
doet men — indien het ten minste een luxepaard geldt — veelal
verstandig van het paard af te zien. Immers, indien men zich
door enkele goede hoedanigheden laat verleiden het paard te
koopen, is men later hiermede zelden ingenomen, daar öf de
gebreken in de harmonie zich in het functie-vermogen uiten, óf
eenige misstand, vooral wanneer ook anderen daarop wijzen, het
paard, in de oogen van den eigenaar, allengs meer in waarde doet
verminderen. De laatstbedoelde omstandigheden, de eigenlijke
schoonheidsgebreken , mogen bij het keuren van remonten natuurlijk
geen beslissenden invloed uitoefenen.
-ocr page 803-
777
Moet het signalement schriftelijk worden opgenomen, dan onder-
zoekt men reeds dadelijk den ouderdom en meet tevens nauw-
keurig de hoogte van het paard.
Men plaatst zich nu eenige passen vóór het dier, beziet de
houding van hoofd en hals, de breedte en gesteldheid der borst,
den stand der voorbeenen van de borst tot den bodem en onder-
zoekt eindelijk ook de afzonderlijke deelen.
Vervolgens gaat men rechts van het paard tegenover den schou-
der staan en bezichtigt van daar het hoofd, den hals, de schoft,
den rug, de lenden, de voorbeenen, de ribben en den buik en
onderzoekt niet alleen de verhoudingen, waarin deze deelen tot
elkander staan, maar ook de gesteldheid van ieder deel in het bijzonder.
Men gaat nu een pas verder en plaatst zich recht tegenover het
achterbeen, ten einde van daar de flanken, het kruis, den staart
en de achterbeenen te beschouwen en treedt daarna achter het
paard, om de breedte en den vorm van het kruis, de ligging der
heupen en den stand der achterbeenen, zoowel in het algemeen
als in het bijzonder waar te nemen.
Hierna plaatst men zich links van het paard tegenover het
achterbeen, neemt de zydel\'ngsche deelen van het kruis en het
achterbeen in oogenschouw en gaat dan een stap zijwaarts in de
richting van den linker schouder, ten einde ook van die zijde de
voor- en middelhand te bezichtigen.
Bij een tweeden gang om het paard treedt men dichter bij en
beschouwt de ooren, de oogen, den neus, den mond, de keel-
gang, enz. nauwkeuriger, bevoelt soms deze deelen, onderzoekt
den hals aan den kam, het strottenhoofd en de halsadergroeve,
vervolgens de schoft, de voorknie, de pijp met de pezen, den kogel,
den hoef der voorbeenen, den navel, bij een ruin den koker, bij
een hengst dezen en den balzak, bij een merrie den uier en de
kling, verder den staart, den anus, de dijen, de schenkels, de
achterhoeven en eindelijk van verschillend standpunt de sprong-
gewrichten. Deze worden nauwkeurig met elkander vergeleken
en, desnoods, bevoeld, om iedere afwijking, hoe gering ook, te
kunnen ontdekken.
Bij het keuren van een span paarden moeten zij naast elkander
worden geplaatst, om te zien of zij in gedaante, hoogte en kleur
met elkander overeenkomen; ieder paard moet dan echter afzon-
derlijk op de aangegeven wijze worden onderzocht. Gebeurt dit
niet, dan worden gemakkelijk enkele gebreken over het hoofd
gezien, want dikwijls moet een goed, schoon paard een ander,
minder deugdzaam, mede helpen verkoopen.
-ocr page 804-
778
Na het paard, rustig staande, onderzocht te hebben, moet men
het in zijn bewegingen nagaan. Daartoe laat men het op eenigen
afstand in stap langs zich heen leiden en evenzoo terugkomen en
let daarbij voornamelijk op het opheffen der beenen, de beweeg-
üjkheid der voor- en achterbeenen, de gelijkmatigheid en het juiste
op elkander volgen van de bewegingen der beide voor- en achter-
beenen , het meer of minder ruime stappen en de wijze waarop
dit geschiedt, de houding van hoofd en hals , het al of niet in
dezelfde horizontale lijn blijven van rug en kruis en eindelijk op
de houding van het geheele paard.
Daarna laat men het in een rechte lijn van zich weggaan en
beschouwt de beweging der achterbeenen, het meer of minder
bedekken der voorbeenen door de achterbeenen en eindelijk de
beweeglijkheid van de afzonderlijke deelen der achterbeenen en de
richting, die zij bij de beweging aannemen. Vervolgens laat men
het paard in een rechte lijn naar zich toekomen en kijkt naar de
houding van hoofd en hals, de beweging der voorbeenen, het meer
of minder bedekken der achterbeenen door de voorbeenen, enz.
Bij het omkeeren in stap lette men er vooral op of het paard
hanetred heeft.
Op dezelfde wijze worden de paarden in draf onderzocht; hierbij
moet, behalve op de beweging der beenen, op de houding van
het geheele paard worden gelet. Het is daartoe noodig om ze
niet alleen van ons af en naar ons toe te laten draven, doch om
ze ook eens in draf voorbij te laten gaan.
Bij het monsteren in draf moet ook de ademhaling worden
onderzocht. Men geeft acht of deze soms met buitengewone in-
spanning plaats heeft of met piepende, fluitende geluiden gepaard
gaat en of zij spoedig weder bedaart, wanneer het paard tot rust
is gekomen. Bij den minsten twijfel aan dampigheid is het goed
het paard, door drukking op het strottenhoofd, te laten hoesten;
de eigenaardige kuch bij dampigheid leidt mede tot onderkenning
dezer ziekte. Indien men snuiven vermoedt,, is een snelle bewe-
ging op zachten bodem rondom den onderzoeker aan te bevelen.
Hierna onderzoekt men nogmaals de oogen, in het bijzonder of
zij ook door inwendige oorzaken blind zijn. Men plaatst het paard
daartoe in een geopende staldeur, met het hoofd naar buiten
gekeerd, beziet nauwkeurig alle deelen en let vooral op of de
pupil zich behoorlijk verwijdt en vernauwt bij verminderd, resp.
vermeerderd invallend licht, hetgeen men door afwisselend be-
dekken der oogen met de hand kan teweegbrengen. Het best is
-ocr page 805-
779
ieder oog afzonderlijk te onderzoeken en gedurende dien tijd het
andere te blinddoeken; de pupil van het blinde oog kan zich na-
melijk door reflex , gelijktijdig met die van het gezonde , verwijden
en vernauwen.
Het is in ons land een costuumwet, dat de oogen worden
onderzocht, nadat de koop reeds gesloten is en dat deze vervalt,
wanneer aan de oogen eenig gebrek wordt ontdekt. Men noemt
dit het »afzien" der paarden; dikwijls is daaronder niet alleen
begrepen een beoordeeling van het gezichtsvermogen, maar ook
een onderzoek naar kreupelheid. De kooplieden zien de gekochte
paarden gewoonlijk af na liet eindigen der markt. Niet zelden
geeft dit aanleiding tot onaangenaamheden; indien bijv. een koop-
man geen goed spanpaard heeft kunnen vinden , tracht hij soms,
door een ooggebrek of kreupelheid voor te wenden, den koop
ongedaan te maken, het paard z.g. te katten.
Rijpaarden moeten, indien zij afgericht zijn , ook in verschillende
gangen onder den man worden onderzocht; nimmer echter mag
men hiermede beginnen en nog minder mag dit de eenige wijze
van onderzoek zijn. Het is gewoonte hiertoe eerst dan over te
gaan, indien er ernstig plan tot koopen bestaat. In dit geval
verdient het aanbeveling het paard ook zelf te rijden; hierdoor
kan men zich een juist oordeel verschaffen omtrent beweging,
temperament, het meer of minder aangename van den mond, enz.
Zoo mogelijk rijdt men het paard niet alleen in de manege, maar
ook naar buiten. Op deze wijze overtuigt men zich tevens van
het al of niet bestaan van ondeugden, als verzet bij het op-
stijgen , steegheid , schuwheid , keeren , slaan met het hoofd, kwis-
pelstaarten, bokken, slaan naar den singel en de sporen, het
z.g. kleven, d. i. het niet willen verlaten van of het dringen
naar andere paarden of ook naar den stal, het pakken van de
schaar, het hard in den mond of achter het bit zijn, enz. Steeds
moet men ook trachten na te gaan of het paard gedurende het
rijden de tong uit den mond laat hangen of een slangentong heeft.
Onafgerichte rijpaarden rijde men voor zooveel dit mogelijk is;
men verzuime echter nimmer te beproeven of zij den man willen
dragen.
Koetspaarden moeten, na afzonderlijk te zijn onderzocht, wor-
den ingespannen, ten einde te kunnen beoordeelen of zij z.g.
ingereden zijn en, indien het spanpaarden zijn, of zij ook in
beweging en temperament met elkander overeenstemmen. Hierop
moet bijzonder worden gelet, daar ongelijke gangen en verschillend
-ocr page 806-
780
temperament de paarden spoedig doen verslijten en bovendien het
rijden zeer onaangenaam maken.
Zoowel bij rij- als bij koetspaarden dient men na te gaan of zij
zich resp. gewillig laten zadelen en optuigen en vooral ook of zij
zich gemakkelijk laten beslaan.
Na dit alles neemt men het paard nogmaals in den stal waar,
ten einde te zien of het na de inspanning vroolijk is en opgewekten
eetlust toont. Paarden, die na slechts geringen arbeid het hoofd
laten hangen en het voedsel weigeren, zijn niet volhardend in
het gebruik.
-ocr page 807-
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET VERKOOPEN VAN PAARDEN.
§ 274. Het op reform stellen bij het nederlanhsche
leger, en het afmaken van rlikspaarden.
Het verwijderen van onbruikbaar geworden troepenpaarden,
hetzij door afmaking of verkoop, noemt men in het algemeen
reformeeren.
Afmaking geschiedt bij ongeneeslijke besmettelijke ziekten, bijv.
kwaden droes en bij sommige ongeneeslijke of moeielijk te ge-
nezen ziekten en gebreken, bijv. een beenbreuk.
In meer beperkten zin verstaat men onder het op reform stellen,
het verkoopen van voor den militairen dienst afgekeurde troepen-
paarden. Dit geschiedt, wanneer zij niet meer zoodanige diensten
kunnen bewijzen, als men van hen moet vorderen. De aanleidingen
tot het op reform stellen kunnen alzoo veelvuldig zijn; daartoe
behooren verouderde ziekten en gebreken als: vallende ziekte,
kolder, steegheid, blindheid, dampigheid, algemeene zwakte en
uittering, chronisch rheumatismus , ongeneeslijke kreupelheden ,
enz., vervolgens hooge ouderdom en z.g. versleten zijn, terwijl,
vooral in oorlogstijden, ook aanzienlijke verwondingen daartoe
kunnen leiden. In dit laatste geval geschiedt het op reform stellen,
indien vooraf te berekenen is, dat de verpleegkosten de waarde
van het paard na zijn herstel belangrijk zullen overtreffen.
Het volgende dient hierbij in acht te worden genomen.
»Geen tot het leger behoorend, aan het Rijk in eigendom
toebehoorend paard wordt verkocht of ten verkoop aangeboden
tenzij:
1°. door den commandant van het korps, waartoe het behoort,
ten minste acht dagen te voren, aan den burgemeester der ge-
meen te , waar de verkoop geschieden zal, schriftelijk kennis is
gegeven van den dag, het uur en de plaats der verkooping, en
-ocr page 808-
782
2°. aan dien burgemeester verstrekt is een, hoogstens tweemaal
24 uur te voren, door den hoogst in rang aanwezigen paarden-
arts, ter plaatse waar de verkoop geschiedt, onderteekende schrif-
telijke verklaring, inhoudende, dat liet paard door hem is onder-
zocht en bevonden aan geen besmettelijke ziekte te lijden, en
dat hij geen reden heeft om te vermoeden, dat het in aanraking
of in dezelfde verblijfplaats is geweest met een paard, lijdende
aan een besmettelijke ziekte.
Wanneer ter plaatse waar de verkoop geschiedt, geen paarden-
arts is, wordt een met de sub 2 bedoelde gelijkstaande verkla-
ring van den districtsveearts binnen wiens ressort de verkooping
geschiedt, vereischt« [Art. 7 der wet van 2 Juni 1875 (Staatsblad
n°. 94), houdende bepalingen betreffende de veeartsenijkundige
politie ten opzichte van paarden van het leger, in verband met
de wet van 20 Juli 1870]. (liec. Mü.Bekn.uitg.3*stuk, bl. 1415).
»De op reform gestelde paarden moeten gedurende minstens
één uur vóór de verkooping ter bezichtiging worden gesteld.
(Ministeriëele beschikking van 2 December 1892, VIde atd., n°. 67)".
»De verkoop geschiedt in het openbaar aan den meestbiedende,
ambtshalve door de militaire intendanten of andere daartoe aan
te wijzen personen, en wanneer dit wordt noodig geoordeeld, ten
overstaan van een notaris of een griffier of deurwaarder bij een
kantongerecht.
De voorwaarden, waaronder een verkoop geschiedt, moeten
o. a. bevatten: a, dat die plaats heeft tegen contante betaling;
b, dat bij openbaren verkoop, tot goedmaking der daarop vallende
kosten, de geboden prijs met 10 ten honderd wordt verhoogd;
e, dat het verkochte, onmiddellijk na de toewijzing, ten risico is
van den kooper, doch het verkochte niet mag worden weggehaald,
vóór dat de kooppenningen met de verhooging zijn betaald; d, dat,
wanneer een kooper in gebreke blijft de kooppenningen met de
verhooging te voldoen, de goederen dadelijk opnieuw worden
verkocht en dat, wanneer deze alsdan meer opbrengen, hetmeer-
dere ten voordeele van het Rijk komt en, wanneer ze minder
opbrengen, de eerste kooper verplicht is het mindere dadelijk aan
den verkooper te betalen; en e, dat alle geschillen door gelijk
opbieden als anderszins, tijdens den verkoop ontstaan, worden
beslist door den verkooper, en de koopers zich aan die beslissing
moeten onderwerpen" (llec. Mü, Bekn. uitg. 2\',e stuk, bl. 1361).
In de instructie betreffende den veterinairen dienst bij het
leger in tijd van vrede, vastgesteld bij beschikking van den
-ocr page 809-
783
Minisier van Oorlog van 12 November 1894, IIIde afd., n°. 105,
{Itec. Mil. 1894, bl. 407), leest men hieromtrent het volgende :
„Art. \'20. De voordrachten tot verkoop van paarden worden in
triplo, volgens model n°. 1, opgemaakt bij het korps en daarna
ingevuld en geteekend door den eerstaanwezend-paardenarts in
vereeniging, bij de cavalerie, met den eskadrons-commandant of
(bij de depots) den ritmeester-instructeur, en bij de artillerie, met
den batter\'y\'-, compagnies- of depot-commandant.
Deze voordrachten worden vervolgens, na door den comman-
deerenden officier van liet korps van zijn visum voorzien te zijn,
gezonden aan den Inspecteur van den geneeskundigen dienst dei-
landmacht, die, des noodig, een nader onderzoek der paaiden
doet plaats hebben, en c. q. na afloop van het nader onderzoek,
de voordrachten doet toekomen aan den Inspecteur van het be-
trokken wapen, die ze, van zijn advies voorzien, den Minister
van Oorlog ter beslissing aanbiedt.
De Inspecteur van het betrokken wapen zendt de voordracht,
nadat die door hem, voorzien van de beslissing van den Minister
van Oorlog, is terugontvangen, door tusschenkomst van den
Inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht, aan
het korps waartoe het paard behoort.
Art. 27. Bij eiken verkoop van paarden, aan het Rijk in
eigendom toebehoorende, moet de eerstaanwezend-paardenarts
tegenwoordig zijn.
Ieder paard wordt vóór den verkoop door hem opnieuw onder-
zocht, ten einde te kunnen beoordeelen of het sedert de aanvraag
tot verkoop, wellicht nog door een besmettelijke ziekte is aan-
getast.
Ten aanzien van paarden, waarbij zulk een ziekte wordt ont-
dekt of waarvan vermoed wordt, dat zij, na afgifte van de sub 2,
van art. 7 der wet van 2 Juni 1875 {Staatsblad n°. 94) bedoelde
verklaring, in aanraking of in dezelfde verblijfplaats geweest zijn
met een paard, aan een besmettelijke ziekte lijdende, wordt ge-
handeld volgens de voorschriften.
Van het verrichte wordt door den commandeerenden officier
en den eerstaanwezend-paardenarts een proces-verbaal opgemaakt.
Art. 28. Op de bewijzen, welke ingevolge punt a van art. 320
van het reglement van administratie bij de landmacht, aan de
koopers ten aanzien van ieder paard in het bijzonder, moeten
worden afgegeven, moet tevens worden vermeld:
a. dat het paard vrij is van alle besmettelijke ziekten;
-ocr page 810-
m
h. of het paard bekende «verborgen gebreken" heeft en zoo
ja, welke.
Vóór liet te koop stellen van elk paard zal aan de gegadigden
mededeeling worden gedaan van de bekende «verborgen gebreken",
waarmede het behept is.
Omtrent het afmaken van r\'ykspaarden meldt bovengenoemde
«Instructie betreffende den veterinairen dienst bij het leger" het
volgende:
Art. 24. Paarden met beenbreuk moeten , wanneer genezing
niet mogelijk wordt geacht, op een daartoe strekkend voorstel van
den eerstaanwezend-paardenarts, op last van den commandeeren-
den officier van het korps of korpsgedeelte ter plaatse, dadelijk
worden afgemaakt.
Deze bepaling is niet toepasselijk ten opzichte van officiers-
paarden en van paarden der marechaussee.
Art. 25. De paardenartsen moeten trachten te voorkomen, dat
de kosten der behandeling van een ziek of gekwetst paard de
waarde van het paard en die van de fourage te boven gaan.
In geen geval zetten zij de behandeling voort van een paard,
waaromtrent geen vooruitzicht op genezing overblijft.
Paarden met ziekten of gebreken van dien aard, dat zij ook
voor burgerlijke diensten geheel ongeschikt zijn en dus niet tot
verkoop kunnen worden voorgedragen, moeten op een schriftelijk
voorstel van den eerstaanwezend-paardenarts, dadelijk worden
afgemaakt op last van den commandant van het korps, die
geacht wordt daartoe de machtiging te hebben verkregen, be-
doeld bij art. 321 van het reglement van administratie bij de
landmacht.
Bedoeld voorstel moet een omstandige vermelding bevatten van
de ziekten of gebreken der betrokken paarden, van de middelen
tot genezing daarvan aangewend en van de redenen waarom het
afmaken noodig of raadzaam wordt geacht.
De lijken dezer paarden, alsmede die van paarden, bij het eerste
lid van art. 24 bedoeld, worden op de gewone wijze verkocht en
de gelden ten bate van het Rijk verantwoord.
Ten aanzien van het bepaalde in de beide vorige zinsneden
geldt het laatste lid van art. 24 van deze instructie.
Art. 29. Bij het afmaken van r\'ykspaarden wordt gevolgd het
bepaalde bij de §§ 2 en 3 ad art. 292 van de „Voorschriften tot
uitvoering van het reglement van administratie b\'y\' de landmacht."
-ocr page 811-
785
Hetzelfde geldt ten aanzien van de schouwing der paarden ,
welke op den ziekenstal, op marsen, bij oefeningen, op reis of
in de weide zijn gestorven.
De in beide gevallen op te maken processen-verbaal moeten
ingericht zijn overeenkomstig model n°. 90 of 91 , gevoegd bij de
in de eerste zinsnede van dit art. bedoelde Voorschriften.
De hoeven van al de gestorven en afgemaakte paarden, met
uitzondering van die welke aan besmettelijke ziekten geleden hebben,
moeten aan de hoefsmidsschool worden gezonden, ten einde te
worden gebezigd bij het practisch onderricht in het hoef beslag.
§ 275. Het op reform stellen bij het leger
in nederlandsch oost-lndië.
Onder het opschrift: »Afkeuring en afmaking" leest men in
de vroeger vermelde «Instructie omtrent den aankoop en de keu-
ring van troepenpaarden bij het Indisch leger" het volgende:
»§ 9. Bij de keuring van paaiden, welke ongeschikt worden
geacht om langer als rijpaard bij de cavalerie, of als rij-, trek-
of draagpaard bij de artillerie te dienen, zal het volgende worden
in aanmerking genomen.
§ 10. Ouderdom op zich zelf, als het paard overigens gezond,
zeker van gangen en nog sterk genoeg is voor een der drie boven-
genoemde diensten, is geen reden tot afkeuring.
§ 11. Zieke paarden worden dan afgekeurd, als herstel tot
geschiktheid voor den dienst onmogelijk of zoo onwaarschijnlijk
is, dat de verdere kosten, aan de geneeskundige behandeling en
het onderhoud te besteden, als verloren of de waarde van het
paard overtreffende, moeten beschouwd worden.
Hetzelfde geldt met opzicht tot de ziekten, welke sleepende
zijn geworden.
§ 12. Alle blijvende of gedurig terugkeerende gebreken, welke
de voortbeweging belemmeren of de zekerheid en duur van den
gang verminderen, zoodat zij het paard buiten staat stellen om
te voldoen aan hetgeen men voor het gebruik daarvan moet vor-
deren, zijn reden tot afkeuring, als daar zijn: beenuitgroeiingen,
die kreupelheid ten gevolge hebben, verkeerde of gebrekkige standen,
langdurige sleepende ziekten, die wezenlijke gebreken zijn geworden,
vervormde gedaante van den hoef, als daarvoor een bijzonder
yzer vereischt wordt, waardoor het in gainizoensplaatsen moeielijk,
en te velde in het geheel niet te gebruiken is.
50
-ocr page 812-
586
§ 13. Paarden, welke meer dan drie maanden met valschen
tfroes, steendroes of verdachten droes behept zijn, zonder hoop
op herstelling te geven, moeten tot afmaking worden voorgedragen.
§ 14. Paarden met kwaden droes of worm, alsook die met
gebroken beenen, moeten, na bekomen autorisatie van den gar-
nizoens-commandant, terstond worden afgemaakt.
§ 15. Paarden, die verregaand onverbeterlijk, koppig of boos-
aardig, en door het eerste gebrek ongeschikt voor den dienst, en
door het laatste gevaarlijk voor den mensch zijn, moeten mede
afgekeurd en tot verkooping voorgedragen worden.
§ 1G. Paarden met droes of worm, of met beide zieklen aan-
gedaan, mogen niet verkocht worden.
§ 17. De administratieve stukken, tot de afkeuring van paarden
vereischt, en de wijze waarop die moeten ingezonden en verhan-
deld worden, zijn vermeld in het 8!te hoofddeel van het Algemeen
reglement van administratie voor de landmacht."
Bij Algemeene order, n". 27, van 1891 is bepaald: «Paarden
met kwaden droes, worm, gebroken beenen, dan wel lijdende
aan gebreken, tengevolge waarvan zij voortdurend ongeschikt voor
den dienst en niet verkoopbaar zijn, moeten, na bekomen autori-
satie van den garnizoens-commandant, terstond worden afgemaakt."
§ 276. HET VERKOOPEN VAN PAARDEN DOOR PARTICULIEREN.
Het verkoopen van paarden gaat, indien men met dezen handel
niet genoegzaam vertrouwd is, met eigenaardige bezwaren gepaard,
daar de kooplieden steeds zullen trachten de waarde der aange-
boden paarden in de oogen van den eigenaar te doen verminderen.
Men trachte zich alzoo ook in dit opzicht voor schade te vrijwaren.
Evenwel verkeert de verkooper steeds in een gunstiger toestand
dan de kooper.
Een aanbeveling om te trachten het te verkoopen paard zoo
goed mogelijk voor te stellen, zal voor de meeste verkoopers wel
onnoodig zijn; minder overbodig is wellicht de herinnering aan
het ongeoorloofde der bedriegerijen en listen, welke als het ware
een integreerend deel van den paardenhandel uitmaken.
In den regel is de handel in middelmatige paarden voordeeliger
dan die in zeer goede, omdat de meeste koopers toch geen ge-
noegzame paardenkennis bezitten om het voortreffelijke te kunnen
beoordeelen; bovendien is de vraag naar middelmatige paarden
(voor middelmatige prijzen) meestal grooter. Den meesten aftrek
-ocr page 813-
787
hebben gewoonlijk zoodanige, die, hetzij door hun kleur of hun
model, een aangenamen indruk maken; de Duitschers noemen
zulk een paard „ein Blender", de Engelschen „a llat-catcher",
omdat men daarbij licht vele gebreken over het hoofd ziet. Dit
geldt ook van de steppers; deze hebben als koetspaarden groote
handelswaarde, al is hun lichaamsbouw er niet op berekend de
hooge kniebeweging langen tijd vol te houden.
Paarden van gemiddelden leeftijd zijn voor den handel meer
geschikt dan zeer jonge en zeer oude dieren; de jonge echter nog
meer dan de oude, want de eerste beloonen de voederkosten
meestal door dagelijks beter te worden, terwijl de laatste door-
gaans in waarde afnemen.
Het is steeds aangenamer zijn paarden aan goede paardenken-
ners en geoefende ruiters te verkoopen dan aan leeken, daar dezen
na den handel dikwijls verwijtingen maken, die alleen in hun
gebrekkige kennis en weinige geoefendheid haar grond vinden.
In den regel koopt men liever vreemde paarden, waarbij veel
moet worden gewaagd, dan door en door bekende, waarvan men
weet, dat zij enkele, wellicht onbeduidende gebreken hebben.
Een gereede betaling is in den paardenhandel gebruikelijk en
tevens wenschelijk. Dikwijls wordt door den kooper de voorwaarde
gesteld, dat hij een zeker gedeelte der koopsom zal voldoen ,
wanneer, na een bepaalden tijd, het paard in het een of ander,
bijv. in het trekken, medevalt. Dergelijke voorwaarden zijn door-
gaans onaangenaam voor den verkooper, omdat op de goede trouw
van den kooper maar al te zelden kan worden gerekend.
-ocr page 814-
derde hoofdstuk.
HET SIGNALEMENT.
§ 277.
Het signalement (Ie signalement; das Nationale) moet, zoo kort
mogelijk, de onderscheidingskenmerken van een paard bevatten.
Daartoe behooren: geslacht, hoogte, ras, ouderdom, kleur, aftee-
keningen
en bijzondere kenteekenen. In den signalementsstaat van
troepenpaarden worden tevens nummer en naam opgegeven. Soms
ziet men in het signalement de afkomst, bijv. in een, twee of
meer geslachten; dit is dan eigenlijk geen signalement meer, maar
een stamboom.
Het bepalen van het geslacht levert geen moeiel\'ykheid op.
Onder hoogte (taille) of maat verstaat men den afstand van het
hoogste gedeelte der schoft tot den bodem.
Deze kan op verschillende wijze worden gemeten; daarnaar
onderscheidt men de galgmaat, de bandmaat, de lichaamsmaat en
de oogmaat.
Het meten met de galg is het zekerst; wanneer de wijze van
meten niet is aangegeven, wordt deze stilzwijgend bedoeld. De
galg bestaat in een verticale houten of metalen staaf van meer
of minder dikte en ongeveer 2 M. lengte, welke in cM. verdeeld
is en waarover een nagenoeg 50 cM. lange dwarsstaaf gemakkelijk
op en neer kan schuiven.
Soms heeft men een dergelijke galg in den vorm van een
wandelstok; deze is hol en bevat een metalen verticale staaf met
maatverdeeling en daaraan verbonden dwarsstaaf. De verticale
staaf maakt met den gemakkelijk los te schroeven knop een
geheel uit.
Om met de galg te meten, plaatst men het paard vierkant op
een vlakken bodem; de verticale staaf rust aan de eene zijde van
het paard achter de ballen van den voorhoef op den grond,
-ocr page 815-
780
de dwarsstaaf moet horizontaal liggen en het hoogste punt der
schoft aanraken. Men leest nu op de plaats van vereeniging der
verticale en horizontale staaf de hoogte van het paard af.
Indien men de hoogte wil bepalen door middel van een band,
touwtje, koord, ketting,
enz. meet men hiermede den afstand van
het hoogste punt der schoft tot den bodem. Men kan daartoe
ook een touwtje met het eene uiteinde aan den buitenkalkoen
van liet voorijzer bevestigen en het vervolgens spannen tot op het
hoogste gedeelte der schoft. De afstand van het eene punt tot
het andere wordt nu in cM. bepaald.
Deze maat is afhankelijk van de ronding der schouders en
daarom onzeker. Bij dikke, vette paarden is, alle overige omstan-
digheden gelijk genomen, op deze wijze gemeten, de afstand van
de schoft tot den bodem grooter dan bij magere paarden. Wan-
neer echter het bepalen der hoogte minder nauwkeurig behoeft
te geschieden, bijv. om na te gaan of een paard bij een ander kan
spannen, is deze wijze van meten zeer goed bruikbaar. Het is
trouwens niet moeielijk hiermede ook den verticalen afstand van
de schoft tot den bodem te meten. Men gaat dan op de volgende
wijze te werk: op het hoogste gedeelte der schoft legt men een
liniaal, een latje, plankje of iets dergelijks in horizontale richting,
evenals de dwarsstaaf der galg, en meet nu met een touwtje of,
beter nog, met een in cM. verdeelde bandmaat den verticalen
afstand van den bodem tot de liniaal.
De bepaling der hoogte door naast het paard te gaan staan en
te zien met welk lichaamsdeel van den onderzoeker, bijv. den neus,
het hoogste gedeelte der schoft gelijkkomt, is uit den aard der
zaak zeer onzeker; toch kan men het door oefening daarin zoover
brengen, dat het mogelijk is de juiste maat vrij nauwkeurig aan
te geven.
Ditzelfde geldt ook van de oogmaat, waarbij men op het
gezicht, enkel door oefening, de hoogte aangeeft. Daarbij kunnen
licht aanzienlijke vergissingen plaats hebben; komt namelijk een
middelmatig groot paard onder enkel kleine voor, dan schat men
het gewoonlijk veel hooger dan het is en in het omgekeerde
geval meestal belangrijk lager.
Doch zelfs ook met de galg vordert het bepalen der juiste
hoogte opmerkzaamheid. Verschillende omstandigheden kunnen op
de grootte daarvan invloed uitoefenen. Een groote maat zal men
namelijk verkrijgen, als het paard „verzameld" staat, van dikke
ijzers of hooge kalkoenen voorzien is en hooge hoeven heeft,
-ocr page 816-
790
wanneer de hals een weinig opgericht of het hoofd sterk in de
laagte gebracht wordt, het paard op de keien of steenen en de
galg daarnaast geplaatst wordt, indien de horizontale staaf niet
op de schoft, doch op het ondereinde van den manenkam komt
te liggen, als het paard aan de tegenovergestelde zijde bovenden
elleboog in de hoogte geduwd wordt, enz.
Daarentegen valt de maat klein uit, wanneer de hoeven sterk
besneden, met dunne ijzers, zonder kalkoenen beslagen zijn, het
paard in de laagte, de galg echter op een hoogte gezet wordt,
het hoofd iets naar beneden of sterk in de hoogte gehouden, het
paard gestrekt wordt en de dwarsstaaf op een lager gedeelte der
schoft wordt gelegd of wel eenigszins doorbuigt.
Op al deze omstandigheden dient dus nauwkeurig te worden
gelet.
Het 7-as geeft men in het signalement aan zoover dit doenlijk is.
Den ouderdom bepaalt men zoo nauwkeurig mogelijk, ook
met gebruikmaking der woorden jong en oud of klein en vol,
wanneer de te noemen leeftijd nog niet geheel bereikt, resp. reeds
overschreden is. Kan men den leeftijd niet met zekerheid aan-
geven, dan vermeldt men dit, bijv. „ongeveer 17 jaar".
Omtrent kleur en afteekeningen geldt het in het Vierde Hoofd-
stuk van het Derde Boek vermelde.
Bezit een paard bijzondere kenteekenen, bijv. verlies van een
snytand of een gedeelte van een oor, heeft het een lanssteek, een
knevel, bosjes haren op de punten der hielen of ongewone haar-
wervels, enz., dan kunnen deze in het signalement worden opge-
nomen, vooral indien de overige kenmerken gering in aantal zijn.
Eigenlijke gebreken, als een spat, een dikke pees, een legger,
enz. behooren daartoe niet, tenzij het een gerechtelijk geval geldt.
Onder deze omstandigheid moet het signalement alles bevatten,
wat kan bijdragen om de identiteit van het onderhavige dier te
bewijzen.
Soms wordt ook de dienst, waarvoor het paard geschikt of
bestemd is of was, in het signalement opgenomen, bijv. rijpaard,
koetspaard, paard a deux mains, indien het voor beide doeleinden
gebezigd kan worden, enz.
Steeds moet onder het signalement de datum worden geplaatst,
waarop het is gemaakt. Dit is noodig, omdat de leeftijd, bij jonge
paarden de hoogte, en met het jaargetijde en andere omstandig-
heden ook de kleur veranderingen ondergaan.
De volgorde voor het signalement is geheel willekeurig.
-ocr page 817-
791
Van groot belang is de meest mogelijke kortheid; met het kleinst
aantal woorden moet men trachten al wat tot het signalement
behoort, aan te geven. Daartoe diene het volgende voorbeeld:
Merrie, hoog 1,58 M., Engelsch volbloed, vol 6 jaar, kersbruin,
kol, witte vlek onderlip, rechts vóór binnenwaarts oploopende
sok, links achter witvoet met zwarten buitenbal, lanssteek rechter
onderzij vlakte hals.
(Geteekend) N. N.
UtnECHT, 3 Augustus 1894.
-ocr page 818-
ZEVENDE BOEK.
WETSBEPALINGEN AANGAANDE PAARDENHANDEL
EN BESMETTELIJKE ZIEKTEN VAN HET
MILITAIRE PAARD.
EERSTE HOOFDSTUK.
WETSBEPALINGEN AANGAANDE DEN PAARDENHANDEL.
§ 278. Inleiding,
oud-romeinsch en oud-germaansch recht.
De paardenhandel gaat zoo dikwijls met bedrog gepaard, dat
deze beide woorden voor velen nagenoeg synoniemen zijn. Toch
zijn processen daarvan betrekkelijk zeldzaam het gevolg; „wie
pleit om een paard, behoudt slechts den staart" bedenkt men
meestal en ziet, in gedachten, dien staart bestaan uit een lange
rij van onaangenaamheden en kosten. Dikwijls tracht de kooper,
al of niet gesteund door een deskundig advies, met denverkooper
tot een schikking te komen of berust anders in den toestand.
Intusschen, in enkele gevallen moet de rechter het pleit be-
slechten.
In vele landen bestaan afzonderlijke wetten, welke betrekking
hebben op koop, verkoop en verwonding van dieren; in Nederland
heeft men deze echter niet en beschouwt men de dieren, uit een
juridisch oogpunt, als zaken.
Evenwel zijn in ons land allengs door gewoonte enkele bepa-
lingen, costuumwetten genoemd, ontstaan, die zelfs door den rechter
geëerbiedigd worden (art. 1547 van het Burgerlijk Wetboek). Het
-ocr page 819-
703
z.g. afzien der paarden (zie bl. 779), de tijd voor het instellen
eener actie, enz. behooren hiertoe.
Reeds in oude tijden, toen de veestapel de voornaamste bezitting
der volkeren uitmaakte, bestonden er wetten en verordeningen,
volgens welke bij verwonden of dooden van dieren, de eigenaar
schadeloosstelling kon vorderen (Exodus, Hoofdst. XKt en XXII).
De eerste verordeningen om, bij verkoop en ruiling van dieren,
bedriegerijen tegen te gaan en den bedrogene een billijke schade-
vergoeding te doen toekomen, zijn vastgesteld door de Romeinen.
Hun wetten werden gedurende de regeering van keizer Justi-
nianus (6de eeuw n. Chr.), onder den naam van pandecten of
digesten, bijeengebracht en vormden het corpus juris civilis; in
onze tegenwoordige wetgeving en in vele andere zijn hiervan
gedeelten terug te vinden.
Volgens het Oud-Romebische recht, dat in de zoogenaamde
Twaalftafelwetten bevat is, moest de verkooper alleen instaan
voor datgene, wat hij uitdrukkelijk had beloofd. Had hij iets niet
verkocht als vrij van alle gebreken, dan was hij ook niet verant-
woordelijk, zelfs al had hij de gebreken gekend en dus met opzet
(dolus) gehandeld.
Bij het toenemen van den handel deed zich de behoefte
gevoelen den kooper meer waarborg te geven; de verkooper
moest instaan voor alle gebreken, welke wel aan hem, doch niet
aan den kooper bekend waren. De door den laatsten in te stellen
rechtsvordering (actio emti) beoogde volkomen schadeloosstelling
en verjaarde eerst na 30 jaar.
De Aedilen (Romeinsche beambten van minderen rang), die
de markt-politie uitoefenden en met de zorg voor den veehandel
belast waren, stelden het edictum aediliticum samen, dat de vol-
gende, in de pandecten overgenomen bepalingen bevatte voor
den verkoop van slaven en lastdieren:
1°. De verkooper moet instaan voor zijn beweringen omtrent
goede eigenschappen of deugden, of het afwezig zijn van zekere
gebreken en ondeugden. Algemeene loftuitingen echter verbinden
den verkooper niet.
2°. De verkooper is verantwoordelijk voor ziekten of ge-
treken, welke tijdens den koop aanwezig zijn, onverschillig of hij
ze al of niet gekend heeft, dus of er dolus bestond dan wel,
dat hij venditor ignorans was. Deze gebreken moeten van dien aard
zijn, dat zij de bruikbaarheid meer of minder beperken en door
den kooper gemakkelijk over het hoofd kunnen worden gezien.
-ocr page 820-
794
Had de kooper het gebrek echter bij eenige opmerkzaamheid kun-
nen waarnemen, dan is de verkooper niet verantwoordelijk. Evenmin
is dit het geval, zoodra de verkooper het gekend heeft. Is bij het
sluiten van den koop bepaald, dat de verkooper voor geen gebrek
behoeft in te staan, dan blijft hij toch aansprakelijk voor die
gebreken, welke aan hem bekend, zijn.
3°. De verkooper moet, behalve voor het dier, ook instaan voor
de ornamenta, d. w. z. hij is verplicht versierselen, welke er bij
behooren, bijv. tuig, als toegift te leveren. In geval dit niet
geschiedt, heeft de kooper het recht ze binnen 60 dagen te vor-
deren of den koop te ontbinden.
4°. De kooper kan van den verkooper de stipulatio duplex
eirchen, d. w. z. de laatste moet desgevorderd beloven, het dubbele
te zullen vergoeden, indien eenig gebrek voorkomt, dat volgens
het edict als zoodanig wordt aangemerkt. Een proces hieromtrent
kon redhibitorisch (koopvernietigend) binnen 2, of aestimatorisch (koop-
prifs-ver minderend)
binnen 6 maanden worden ingesteld.
Volgens het edietum aedüiticum kon niet de strengere actio emti,
d. i. de actie tot volkomen schadevergoeding worden ingesteld,
doch wel de zachtere klachten met korte verjaartijden, namelijk
öf de vordering tot vernietiging van den koop (actio redhibitoria)
öf die tot vermindering van den koopprijs (actio aestimatoria s. quanti
minoris).
De laatste, waarbij de prijsvermindering af hankelijk was
van de waardeering (aestimatió) van het gebrek en die eerst na
één jaar verjaarde, kon meer dan eens, mits voor verschillende
gebreken, met goed gevolg worden ingesteld.
De actio redhibitoria, die na 6 maanden verjaarde, beoogde het
verbreken van den koop. De verkooper moest dan den koopprijs
met renten en alle gemaakte onkosten, behalve voor onderhoud,
vergoeden. Men nam aan, dat de laatste onkosten gelijkstonden
met de voordeden van het gebruik; konden deze niet worden ge-
noten, dan moesten ook de onderhoudskosten worden betaald.
Zoowel hierbij als bij de actio aestimatoria behoorde de kooper
te bewijzen, dat eenig gebrek reeds tijdens den koop bestaan had.
Hij moest het gekochte met al het bijbehoorende, zooals hij het
ontvangen had en vrij van alle kosten teruggeven; ook de jongen,
indien deze na den koop waren geboren. Tevens was hij aan-
sprakelijk voor beschadiging door zijn huisgenooten of bedienden
veroorzaakt.
Stierf het dier, door toevallige omstandigheden, bij den kooper,
dan kon toch een actio redhibitoria worden ingesteld; ondanks zulk
-ocr page 821-
795
een toeval verloor de kooper dus zijn recht niet. Kon de laatste
bewijzen, dat hij of zijn ondergeschikten het dier zoo nauwkeurig
mogelijk hadden verzorgd, dan was hij van elke verplichting ont-
heven. Bewees daarentegen de verkooper, dat het dier gestorven
was door de schuld (culpa) van den kooper, dan verviel voor den
laatsten wel niet het recht van vordering, doch hij moest, in
plaats van het dier, de waarde daarvan teruggeven of in rekening
brengen.
Slechts een dezer acties kon worden ingesteld; bij het aan-
hangig maken der eene verviel het recht tot de andere.
Het Oud-Germaansche recht (leges barbarorum), dat in vele op-
zichten van het Romeinsche afweek, schreef voor, dat een eisch
tot vernietiging van den koop wegens verborgen gebreken, enkel
binnen drie nachten na den verkoop kon worden ingesteld. Voor
slaven en huisdieren waren enkele gebreken speciaal genoemd,
als: vallende ziekte, blindheid, breuk en huiduitslag. Deze gaven
echter niet alléén het recht tot een actie, doch waren zeer ge-
vreesd en werden daarom in het bijzonder vermeld.
De kooper kon den koop ontbinden onder de volgende voor-
waarden :
1°. Wanneer de gebreken gemakkelijk te verbergen waren en
dit door den verkooper was geschied.
2°. Indien de gebreken binnen een bepaalden tijd waren opge-
merkt en de verkooper hiermede in kennis was gesteld. Deze
termijn bedroeg 3 dagen; in de meer noordelijke streken, volgens
de Angel-Saksische wetgeving, echter 30 dagen. Het stellen van
dezen termijn had niet zoozeer ten doel daarna het recht van een
aanklacht te doen vervallen, dan wel te bepalen, hoe lang de
verkooper verantwoordelijk was; het was dus een proef tijd voor
den kooper, waarin hij het dier kon onderzoeken.
3°. Een vereischte voor de ontbinding van den koop was, dat
de verkooper het gebrek gekend had. Verklaarde deze onder eede
het tegendeel, dan verloor de kooper alle recht. Volgens de
Angel-Saksische wet moest de verkooper de hand op het dier
leggen en zweren, dat de gebreken hem onbekend waren geweest.
De oude Ziveedsche wet beschouwde den koop van dieren als
een koop op proef. Bespeurde de kooper binnen 3 dagen eenig
gebrek aan het dier, dan was de verkooper verplicht het terug te
nemen, onverschillig of hij het gebrek al dan niet gekend had.
De verkooper was van deze verplichting zelfs dan niet ontslagen,
indien hij onder eede wilde verklaren, dat de gebreken hem on*
-ocr page 822-
706
bekend waren. Deze 3 proefdagen zijn in het nieuwe Zweedsche
wetboek overgenomen.
In de middeleeuwen deed zich, vooral in Noord-Duilschland,
bij het toenemende handelsverkeer, de behoefte gevoelen om het
Oud-Germaansche recht te wijzigen en in overeenstemming te
brengen met de vigeerende costuumwetten. Zoo ontstonden de
stadsrechten, waarbij bepaalde gebreken genoemd werden, waar-
voor de verkooper moest instaan; voor andere was hij niet ver-
antwoordelijk. Als zoodanig golden in de 13de en 14de eeuw:
kwade droes, staarblindheid, dampigheid, steegheid, kolder en
ook gestolen zijn. De Waarborgtijd bedroeg gewoonlijk 3 dagen;
in enkele andere streken, als BrunSwjjk, Goslar, enz. echter
4 weken.
De Kelten hadden reeds vroeg de uitvoerigste wetgeving voor
den handel in dieren. Hierbij werden onderscheidene koopvernie-
tigende gebreken met verschillende waarborgtijden genoemd, als
voor het paard: kolder 3 dagen, kwade droes 3 maanden, worm
1 jaar, en steegheid totdat zij zich driemaal geopenbaard had.
Evenals van oudsher kon ook later slechts dan de koop worden
verbroken, indien het gebrek tijdens den koop niet zichtbaar was
en de verkooper het verborgen had.
§ 279. Wetgeving in verschillende landen.
Sedert de 16de eeuw bestonden de wetten omtrent koop en
verkoop in vele landen uit een vermenging van Romeinsch en
Germaansch recht, waarbij nu het eene dan het andere op den
voorgrond trad. De oude Germaansche waarborgen {Gewahv
schaften)
hielden zich echter in Duitschland staande en ver-
breidden zich zelfs van daar naar Italië en Frankrijk. In dit
laatste land werd in 4838 een „Loi concernant les vices redhi-
bitoires dans les ventes et les échanges d\'animaux domestiques"
uitgevaardigd, waarin de koopvernietigende gebreken {vices redhi-
litoires; Gewahrsmangel; unsoundness)
zijn genoemd. Ditzelfde ge-
schiedde in 1850 in België en in 1851 in Luxemburg. De Belgische
wet werd in 186\'2, 1865, 1879 en het laatst op 25 Augustus 1885
herzien; de Fransche wet werd herzien 2 Augustus 1884, en deze
in 1804 weder eenigszins gewijzigd.
Vóór dien tijd golden in laatstgenoemde landen de artt. 1641—
1640 van den ,.Code civil" (Code Napoléon), welke met de artt.
1540—1548 van ons Burgerlijk. Wetboek overeenkomen en waarbij,
-ocr page 823-
797
evenals bij het Romeinsche recht, öf een actio redhibitoria of een
actio aestimatoria kon worden ingesteld.
In Italië hebben Sardinië, Piémont en Napels, naast hun
Romeinsche rechtsbeginselen, koopvernietigende gebreken aange-
nomen.
Een belangrijk onderscheid in de verschillende wetten is, dat
in enkele de uitdrukkelijk genoemde gebreken de eenige zijn,
waarvoor de verkooper moet instaan, terwijl deze in andere wetten
slechts als bijzonder belangrijke, als hoofdgebreken (vitia capitales;
Hauptmangel)
vermeld zijn, zonder daarom afbreuk te doen aan
het rechtsbeginsel, dat de verkooper verantwoordelijk is voor alle
gewichtige verborgen gebreken. Opmerkelijk is, dat evenals in
de oude, ook in de nieuwste wetten in Frankrijk, België, Hessen,
Saksen, Baden, Beieren en Wurtenburg alléén de aangegeven
koopvernietigende gebreken aanleiding kunnen geven tot een actio
redhibitoria.
Echter kan, onder enkele omstandigheden, in Frankrijk en
België, overeenkomstig art. 16i5 van den „Code civil" een actie
tot vergoeding van schaden en interessen worden ingesteld. De bij
de wet genoemde gebreken zijn evenwel de eenige redhibitoire;
aangaande deze kan ook geen actie tot vermindering van den
koopprijs worden aanhangig gemaakt.
In het Oldenburgsche, Hannoveraansche, Brunswijksche, Pruisi-
sche en Oostenrijksche landrecht kunnen alle gewichtige verborgen
gebreken koopvernietigend zijn, doch zijn de voornaamste bij de
wet genoemd.
In Pruisen heeft men in de geannexeerde landen de bestaande
wetten behouden; het gevolg hiervan is, dat in de R\'ynprovincie
de „Code Napoléon", in Nieuw-Voor-Pommeren het Zweedsche recht
en in de later verkregen provinciën de verschillende wetten der
vroegere zelfstandige landen vigeerend zijn.
In Engeland, Zwitserland, Rusland en Mecklenburg bestaan, even-
min als in ons land, afzonderlijke wetten voor den handel in dieren.
In het eerstgenoemde land is stilzwijgend een paard als gezond
(sound) gegarandeerd (warranted), indien niet het tegendeel is be-
dongen. Deze vrijwaring regelt zich echter naar locale gebruiken en
maakt licht de tusschenkomst van den rechter noodig. Het is
daarom gebruik schriftelijke garantie te vragen. Deze luidt meestal
als volgt: Ontvangen van (naam, voornamen en woonplaats van
den kooper) de som van.........voor een paard (signalement),
gegarandeerd als gezond en vry van ondeugden, welk paard ik
-ocr page 824-
996
hem heb verkocht den...... Daaronder: datum en handteeke-
ning van den verkooper. Soms ook wordt uitvoeriger vermeld aan
welke voorwaarden het paard moet voldoen.
De kooper moet den verkooper zoo spoedig mogelijk meteenig
ontdekt gebrek bekend maken en tevens aanbieden het paard in
quaestie terug te zenden. Nalatigheid in dit opzicht zou den kooper
alle recht doen verliezen.
In Engeland, waar het Oud-Romeinsche rechtsbeginsel nog
uitsluitend toepassing vindt, kan of een actie tot vernietiging van
den koop öf tot vermindering van den koopprijs worden ingesteld ;
in Schotland alleen de eerste.
Voor de verschillende Russische Gouvernementen bestaan afzon-
derlyke wetten.
De op de volgende bladzijde voorkomende tabel geeft een over-
zicht van de waarborgtijden voor de koopvernietigende gebreken
bij het paard in de onderscheidene landen; de cijfers duiden liet
aantal dagen aan.
-ocr page 825-
1m
ff
•aiainadnaan
aoNaaaaiiiivaaiNi
•iM3Mnaa(rsan
:hin:i!Im:i,i. lii\\!ih.i.s[
ft ft ï C ; C ftftftftfttfttit
ft
»
5:
os
ft
»
*
*
ft
ft
*
*
ft
ft
*
*
ft:
*
*
0!
4
ft
ft
ft
ft
ft
ft
*
ft
ft
ft
*
*
ft
ft
h
ft
ft
ft
*
ft
ft
ft
ft
ft
*
ft
ff l
•N31M31ZI.SU0SI
aaaaanouajv
xianHos
il r
•Naonr/iuonq
K3
Kaifinaiiuia^j
oo ^oocooci^ajoc * * » *oc
s-2~
ft
ft %
09
i
C5 *
ft ft
ft
ft %
=
ft ft
ft
•*
•*
os
-*
C5>tf
—
io ao »o -* -*
*
•N3AiaNS
•aiaiioi.iKVQ
m
* * =.? * S * :
•saoaa aiHDvauaj\\
Sta
•waojvv
*t
•saoaa aavA\\j[
^*          ^M          ^ ^_,         — ^^ (^ ^* ^^ ^^ ^H -—
II.
00 ft 00 * 00 * «00» * CO §§12 s°° *
•avvxs sxavAvz
-a
B
^
B
00
c
hH
j
*-
CJ
=
o
e
fcc
c
»
a
m
E
"o;
1
1
a
•/;
bc
C
c
e
O
B
C*
.g
a
B
O.
Ci
£
-a
>
Ph
c
o
0
«
•^3
1
j
J
!
slechts
i
1
1
-=,
1
JJ
HT
W
e
§
•s*
2
ü?
m
B
.n
1
£
"rt
a;
i
reke
2
1
ü
1
ïlde geb
B
bf)
N
1
a
1
8
TB
c
4-
5
1
|
(5
ï
3
§
t
\'s
c
!
M
c
<£J
N
«e
-~^
i—<
C(
6
CO
*~-
o
2
i—i
V
o
o
,=
co
>
OOOQOdQ >0O5) >O00OOO ..
•*)• (D ^ CO «* CO ~ <N •* * CO (T< "O-sf ~r *
\'aiaiiaNnsiNwpi
•aaaio^j
Oq «5 ^ Cl (jq O •* (j, ^, O „ ^ ^ ^, ^ -
* * » ft,,O ft ft ^* ^ C3 co "* >n * S
OI3H033J.S
•axMaiz aaNiaiiVA
Na
aisiionazinQ
CO & © © 30 j. ^ 00 00 „ s s. ft© 00
0N-«tCO(M " ~ CN CN *
                  >»ïl
Sa
2  ë  É
«!   S   U   O
fe   rt   O   ^
3     f-     ►»     o
*
     w     e     2
-  =   K   u
S  E  x  •
S  u  u  z
^i     Oh     rj      fc-
<   O   S   N
•J  S  I
c
te
c
\'c se
S <c c
h
l9|i-ll sluis in
ItSSsllalIJllllll
-ocr page 826-
800
§ 280. Wetgeving in Nederland
In ons land gelden de wetten, die op koop en verkoop in het
algemeen betrekking hebben, ook voor den paardenhandel. Alzoo
zijn noch de gebreken genoemd, die tot een actie in vrij waring
aanleiding kunnen geven, noch is de termijn bepaald, binnen
welken die rechtsvordering moet worden ingesteld. Bij de vroegere
contracten van aanbesteding der remontepaarden waren echter de
koopvernietigende gebreken, reeds sedert 1826, uitdrukkelijk aan-
gegeven.
Op de meeste plaatsen is stilzwijgend voor het instellen eener
actie een termijn van zes weken of veertig dagen aangenomen. In
het „Recueil der Recessen wegens beyde de Genadige Heeren en
de Prinsen geemaneert in den jare 16G5 te Maastricht", vindt
men de volgende uitdrukkelijke bepaling: „Een verkocht peert
wordende binnen ses weecken naer het verkoop bevonden snuyf-
achtigh, dampachtigh, wormachtigh of maenoogigh wort aan den
verkooper gerestitueert en de kooppenningen gerepeteert". Door
den rechter wordt niet alleen, overeenkomstig art. 1547 van het
Burgerlijk Wetboek, rekening gehouden met de gebruiken (cos-
tumen, usanties)
der plaats, waar de koop is gesloten, doch zelfs
ook met de voor een bepaald gebrek aangewezen termijnen in
andere landen. Toch geldt gewoonte, met name voor het Bur-
gerlijk recht, bij ons niet als rechtsbron; zij geeft alleen dan
recht, wanneer de wet daarnaar verwijst, zooals in het boven
aangehaald artikel.
Het is geheel onzeker of de in art. 1547 vermelde korte termijn
(§ 281) moet gerekend worden van het tijdstip van den koop of
van dat der levering of zelfs van dat, waarop de kooper het
gebrek heeft ontdekt.
Ofschoon hier te lande de gebreken die tot een actie in vrij-
waring aanleiding kunnen geven, niet met name zijn genoemd,
geeft art. 1540 van het Burgerlijk Wetboek toch aan, tot welke
vrijwaring de verkooper is gehouden.
De rechter heeft niet te onderzoeken of eenig gebrek volgens
plaatselijke gebruiken onder de koopvernietigende moet worden
gerangschikt, maar hy heeft voor elk bijzonder geval uit te
maken of zoodanig gebrek van genoegzaam gewicht kan worden
beschouwd om het gekochte goed ongeschikt te maken voor het
gebruik waartoe het bestemd is, of wel om dat gebruik in dier
voege te verminderen, dat, bijaldien de kooper het gebrek had
-ocr page 827-
801
gekend, hij het niet of voor minderen prijs zou hebben gekocht.
{Uitspraken der rechtbanken te Breda op 20 Augustus 1844 en te
Maastricht op
25 Maart 1852.)
Voor eenig verborgen gebrek bestaat bij ons geen praesumptio
Juris,
d. w. z. het gebrek wordt niet verondersteld bij den verkoop
bestaan te hebben; dit moet steeds door den kooper worden be-
wezen. Dat een zoodanig bewijs in vele gevallen moeielijk is te
leveren en de processen daardoor ingewikkeld en kostbaar kunnen
worden, is gemakkelijk in te zien.
De artikelen, die ook van toepassing zijn op den paardenhandel,
worden aangetroffen in het Burgerlijk Wetboek, IIlde Boek, Vde Titel:
Van koop en verkoop.
Algemeene bepalingen.
Art. 1493. Koop en verkoop is een overeenkomst, waarbij de
een zich verbindt om een zaak te leveren, en de ander om
daarvoor den bedongen prijs te betalen.
Art. 1494. Zij wordt gehouden tusschen de partijen voltrokken
te zijn, zoodra deze het eens zijn geworden over de zaak en den
prijs, hoewel ook de zaak nog niet mocht geleverd, noch de prijs
betaald zijn.
Art. 1495, De eigendom van het verkochte goed gaat niet eer
tot den kooper over, dan nadat de levering daarvan geschied is,
overeenkomstig art. 607, 668 en 671.
Art. 1496. Indien de verkochte zaak in een zeker en bepaald
voorwerp bestaat, is zij, van het oogenblik van den koop af,
voor rekening van den kooper, hoewel de levering nog niet hebbe
plaats gehad, en heeft de verkooper het recht om den prijs te
vorderen.
Art. 1499. Koop en verkoop op de proef aangegaan, of van
goederen, die men gewoon is vooraf te proeven, wordt altijd ver-
ondersteld onder een opschortende voorwaarde te hebben plaats
gehad.
Art. 1501. De koopprijs moet door de partijen bepaald worden.
Zij kan echter aan de begrooting van een derde worden over-
gelaten Indien die derde de begrooting niet wil of niet kan doen,
heeft er geen koop plaats.
Art. 1502. De kosten der acten van koop en verkoop, en andere
bijkomende onkosten, komen ten laste van den kooper, indien
het tegendeel niet bedongen is,
51
-ocr page 828-
802
Art. 1507. Koop en verkoop van eens anders goed is nietig
en kan tegen den verkooper grond opleveren tot vergoeding van
kosten, schaden en interessen, indien de kooper niet geweten
heeft, dat de zaak aan een ander toebehoorde.
Art. 1508. Indien, op het oogenblik der verkooping, het ver-
kochte goed geheellijk mocht vergaan zijn, is de koop nietig.
Bijaldien slechts een gedeelte daarvan vergaan is, staat het aan
den kooper vrij om of den koop te laten varen, of het behouden
gebleven gedeelte te vorderen en den koopprijs bij vergelijkende
waardeering te doen bepalen.
Van de verplichtingen der verlcoopers.
Art. 1509. De verkooper is gehouden om duidelijk uit te
drukken waartoe hij zich verbindt; alle duistere en dubbelzinnige
bedingen worden te zijnen nadeele uitgelegd.
Art. 4510. Hij heeft twee hoofdverplichtingen, namelijk om de
verkochte zaak te leveren, en haar te vrij waren.
Art. 1511. De levering is een overdracht van het verkochte
goed in de macht en het bezit van den kooper.
Art. 1512. De kosten der levering zijn ten laste van den ver-
kooper en die der weghaling ten laste van den kooper, zoo niet
het tegendeel bedongen is.
Art. 1513. De levering moet geschieden ter plaatse, waar het
verkochte goed zich op het tijdstip der verkooping bevond, indien
daaromtrent geen andere overeenkomst getroffen is.
Art. 1514. De verkooper is niet verplicht het goed te leveren,
indien de kooper den koopprijs niet betaalt, en de verkooper hem
geen uitstel van betaling heeft toegestaan.
Art. 1515. Insgelijks is hij niet tot de levering gehouden, al
ware het ook dat hij een uitstel van betaling had toegestaan,
indien de kooper, na den koop, in staat van faillissement of van
kennelijk onvermogen is geraakt, ten ware hij een borg stelde om
op den bepaalden tijd te betalen.
Art. 1516. Indien de levering door de nalatigheid des verkoopers
achterwege blijft, kan de kooper vernietiging van len koop vor-
deren, overeenkomstig de bepalingen van art. 130 en 1303.
Art. 1517. Het goed moet geleverd worden .n den staat,
waarin het zich op het oogenblik van den verkoc bevindt. Van
dien dag aan behooren alle vruchten aan den kooper.
Art. 1518, De verplichting om een zaak te leveren, bevat al
-ocr page 829-
SO\'J
wat daartoe behoort en tot haar bestendig gebruik bestemd is,
mitsgaders de bewijzen van eigendom, indien die aanwezig zijn.
Art. 1519. De verkooper is verplicht het verkochte te leveren
in zijn geheelen omvang, zooals het in de overeenkomst uitgedrukt
wordt, onder de navolgende wijzigingen. (Deze hébben geen be-
trekking op den paardenhandel.)
Art. 1524. In alle gevallen waarin de kooper het recht heeft
om van den koop af te zien, is de verkooper gehouden hem, be-
halve den koopprijs, indien hij dezen ontvangen heeft, de kosten,
op den koop en de levering gevallen, terug te geven, voor zoo-
verre hij die volgens overeenkomst mocht hebben betaald.
Art. 1527. De vrijwaring, waartoe de verkooper jegens den
kooper gehouden is, heeft twee strekkingen, namelijk, vooreerst,
het rustig en vreedzaam bezit van de verkochte zaak; ten tweede,
de verborgen gebreken dier zaak, of de zoodanige, die aanleiding
geven tot vernietiging van den koop.
Art. 1528. Hoezeer bij den verkoop geen beding omtrent de
vrijwaring gemaakt zij , is de verkooper van rechtswege verplicht
den kooper te waarborgen voor de yitwinning (\'), welke deze op
het geheel verkochte goed of op een gedeelte daarvan komt te
lijden, of wegens de lasten, welke jnen beweert op dat goed te
hebben en die bij het aangaan van den koop niet opgegeven zijn.
Art. 1529. Partijen kunnen, bij bijzondere overeenkomsten,
deze door de wet opgelegde verplichting uitbreiden of inkorten;
zij kunnen zelfs overeenkomen, dat de verkooper tot geen vrij-
waring hoegenaamd zal gehouden zijn.
Art. i530. Alhoewel bedongen moge zijn, dat de verkooper
tot geen vrijwaring zal gehouden zijn, blijft hij nochtans aan-
sprakelijk voor de zoodanige, welke uit een daad, door hemzelven
verricht, voortspruit; alle hiermede strijdende overeenkomsten
zijn nietig,
Art. 1531. De verkooper is, bij hetzelfde beding, ingeval van
uitwinning, gehouden den koopprijs terug te geven, ten ware
de kooper, *en tijde van den koop, het gevaar van uitwinning
mocht gekend. hebben, of de zaak op eigen bate en schade mocht
hebben gekocht,
-------------- .(.
(1) Uitwinnen s de handeling; van een derde , die liet verkochte goed van den
kooper opvordert, o grond van zijn beter reclit, bijv. bewerende, dat hij de ware
eigenaar is, of er e. . recht van hypotheek, van erfpacht, enz. op heeft. De ver-
kooper moet dan den kooper de schade vergoeden en die verplichting heet: ,verplich-
ting tot vrijwaring."
-ocr page 830-
804
Art. 153\'2. Indien vrijwaring beloofd, of dienaangaande niets
is bedongen geworden, heeft de kooper, ingeval van uitwinning,
het recht om van den verkooper te vorderen:
1°. De teruggave van den koopprijs;
2°. De temiggave der vruchten, ingeval hij verplicht is die
aan den uitwinnenden eigenaar uit te keeren;
3°. De kosten op den eiscli van den kooper tot vrijwaring
gevallen, alsmede de kosten door den oorspronkelijken eischer
gemaakt;
4°. De vergoeding van kosten, schaden en interessen, mits-
gaders de gerechtelijke kosten op den koop en de levering gevallen,
voor zoover de kooper die mocht hebben betaald.
Art. 1533. Indien op het oogenblik der uitwinning het ver-
kochte goed bevonden wordt in waarde verminderd, of aanmer-
kelijk vervallen te zijn, hetzij door de nalatigheid van den kooper,
hetzij door overmacht, is de verkooper niettemin gehouden den
geheelen koopprijs terug te geven.
Doch indien de kooper voordeel heeft genoten van de door hem
toegebrachte schaden, heeft de verkooper de bevoegdheid om een
met dat voordeel gelijkstaande som van den koopprijs af te trekken.
Art. 1534. Indien het verkochte goed bevonden wordt, op het
tijdstip der uitwinning, in waarde te zijn vermeerderd, zelfs zonder
toedoen van den kooper, is de verkooper verplicht aan dezen te
betalen hetgeen het verkochte goed boven den koopprijs waardig is.
Art. 1535. De verkooper is verplicht aan den kooper terug te
geven, of door dengenen, die de uitwinning gedaan heeft te doen
teruggeven, al hetgeen hij wegens reparatiën en nuttige verbete-
ringen aan het goed heeft uitgeschoten.
Indien de verkooper te kwader trouw eens anders goed ver-
kocht heeft, is hij gehouden aan den kooper alle gemaakte on-
kosten terug te geven, zelfs de zoodanige, welke alleen tot sieraad
of vermaak aan het goed besteed zijn.
Art. 1539. De vrijwaring ter zake van uitwinning houdt op,
indien de kooper zich bij een vonnis, hetwelk in kracht van ge-
wijsde is gegaan, heeft laten veroordeelen, zonder den verkooper
te roepen, en deze bewijst, dat er genoegzame gronden aanwezig
waren om den eisen te doen ontzeggen.
Art. 1540. De verkooper is gehouden tot vrijwaring wegens
verborgen gebreken van het verkochte goed, die het ongeschikt
maken tot het gebruik, waartoe het bestemd is, of die dat gebruik
in dier voege verminderen, dat, bijaldien de kooper de gebreken
-ocr page 831-
805
gekend had, hij het goed, of in het geheel niet, öf niet dan voor
een minderen prijs zou gekocht hebben.
Art. 1511. De verkooper is niet gehouden in te staan voor
zichtbare gebreken, welke de kooper zelf had kunnen ontdekken.
Art. 1542. Hij moet voor de verborgen gebreken instaan, al
ware hij daarvan ook zelf onkundig geweest, tenzij hij in dat
geval bedongen had, dat hij tot geen vrijwaring hoegenaamd zal
gehouden zijn.
Art. 1543. In de gevallen bij art. 1540 en 1542 vermeld, heeft
de kooper de keus om óf het goed terug te geven en den koop-
prijs terug te vorderen, of het goed te behouden, en zich zoodanig
gedeelte van den koopprijs te doen teruggeven, als de rechter,
na deskundigen hierop te hebben gehoord, zal bepalen.
Art. 1544. Indien de verkooper de gebreken van het goed
gekend heeft, is hij, behalve tot teruggave van den daarvoor ont-
vangen koopprijs, nog jegens den kooper tot vergoeding van alle
kosten, schaden en interessen gehouden.
Art. 1545. Indien de verkooper de gebreken van het goed niet
gekend heeft, is hij slechts gehouden tot de teruggave van den
koopprijs, alsmede om aan den kooper de kosten op den koop
en de levering gevallen, te vergoeden, voor zoover hij die mocht
hebben betaald.
Art. 1546. Indien de verkochte zaak, die verborgen gebreken
had, ten gevolge daarvan vergaan is, valt het verlies voor rekening
van den verkooper, die jegens den kooper gehouden zal zijn tot
teruggave van den koopprijs, en tot de overige schadevergoedingen ,
waarvan in de twee voorgaande artikelen is melding gemaakt.
Doch het verlies, door toeval veroorzaakt, is voor rekening van
den kooper.
Art. 1547. De rechtsvordering, voortspruitende uit gebreken,
die de vernietiging van den koop ten gevolge hebben, moet door
den kooper aangelegd worden binnen een korten tijd, overeen-
komstig den aard dier gebreken, en met inachtneming der ge-
bruiken van de plaats, alwaar de koop gesloten is.
Art. 1548. Deze rechtsvordering heeft geen plaats bij verkoo-
pingen, die op rechterlijk gezag geschieden.
Van de verplichtingen van den kooper.
Art. 1540. De hoofdverplichting van den kooper bestaat in
het betalen van den koopprijs, ten tijde en ter plaatse bij de
overeenkomst bepaald.
-ocr page 832-
806
Art. 1550. Indien er bij het aangaan van den koop niets
daaromtrent bepaald is, moet de kooper betalen ter plaatse alwaar >
en op den tijd waarop de levering geschieden moet.
Art. 1551. De kooper is, zelfs zonder uitdrukkelijk beding, tot
het betalen van interessen van den koopprijs verplicht, indien de
verkochte en geleverde zaak vruchten of andere inkomsten oplevert.
Art. 1553. Indien de kooper den koopprijs niet betaalt, kan
de verkooper de vernietiging van den koop vorderen, overeenkom-
stig de bepalingen van art. 1302 en 1303.
Art. 1554. Niettemin zal, ingeval van verkoop van waren en
meubelen, de vernietiging van den koop, ten behoeve van den
verkooper, van rechtswege en zonder aanmaning plaats hebben,
na het verloopen van den tijd, tot afhaling van het verkochte
bepaald.
In hetzelfde Boek, \\lie Titel, vindt men het volgende onder
het opschrift:
Van ruiling.
Art. 1577. Ruiling is een overeenkomst, waarbij partijen zich
verbinden om aan elkander wederkeerig een zaak in de plaats
van een andere te geven.
Art. 1578. Al hetgeen voor verkoop vatbaar is, kan ook het
onderwerp van ruiling uitmaken.
Art. 1579. Indien de eene partij de zaak, welke haar in rui-
ling gegeven wordt, reeds ontvangen heeft, en naderhand bewijst,
dat de andere daarvan geen eigenaar was, kan zij niet genood-
zaakt worden tot levering van de zaak, welke zij van haar kant
heeft beloofd, doch alleenlijk om die, welke zij ontvangen heeft,
terug te geven.
Art. 1580. Hij, die door uitwinning gesteld is uit het bezit
der zaak, welke hij in ruiling heeft ontvangen, heeft de keus om
van de wederpartij vergoeding van kosten, schaden en interessen
of de teruggave der door hein gegeven zaak te vorderen.
Art. 1581. Indien een zekere en bepaalde zaak, welke men
beloofd had in ruiling te geven, buiten schuld van den eigenaar
is verloren gegaan, wordt de overeenkomst voor vervallen gehouden
en kan degene, die van zijn zijde aan de overeenkomst voldaan
heeft, de teruggave van het in ruiling gegeven goed vorderen.
Art. 1582 Voor het overige zijn de regelen van de overeen»
komst van koop en verkoop op die van ruiling toepasselijk.
-ocr page 833-
807
§ 281. Verborgen gebreken. Gerechtelijk onderzoek.
Onder verborgen gebreken verstaat men het aanwezig zijn van
ziekten en gebreken, die periodiek optreden of in het algemeen
meer of minder gemakkelijk te verbergen zijn, of ook het afwezig
zijn van bepaalde eigenschappen, die stilzwijgend verondersteld
werden te bestaan of die uitdrukkelijk door den kooper zijn be-
dongen, of door den verkooper als aanwezig zijn opgegeven. De
grootte van het gebrek is van ondergeschikt belang. Men moet
echter kunnen bewijzen, dat het tijdens den koop bestaan heeft
en aan den kooper onbekend was. Het gebrek moet dus gemak-
kelijk over het hoofd kunnen worden gezien. Of de verkooper
hiermede al of niet bekend was, doet niets ter zake.
De kooper kan een vordering instellen tot vernietiging van den
koop of tot vermindering van den koopprijs. Gewoonlijk winnen de
rechters dan het advies van deskundigen in. Dezen moeten steeds
vooraf onder eede getuigen, dat zij de zaak naar hun beste weten
en overtuiging zullen behartigen.
Een gerechtelijk onderzoek geschiedt alleen op schriftelijk of
mondeling verzoek van de rechterlijke macht. Heeft het plaats op
aanvrage van een der partijen, dan moet het als een privaat-
onderzoek worden beschouwd.
Is het dier in quaestie reeds overleden, dan moet delijkschou-
wing beslissen of het aan een bepaalde ziekte is gestorven en
wie der beide partijen de schade moet lijden.
De wetsartikelen, die op de benoeming en verrichtingen van
deskundigen betrekking hebben, vindt men in het Wetboek van
burgerlijke rechtsvordering, IBte Boek, Illde Titel, 8!t« Afdeeling,
art. 222—236.
§ 282. De gang van zaken bij een procedure over een
verborgen gebrek. Verslag der deskundigen.
Wanneer de kooper een actie wil instellen tot vernietiging van
den koop en tot teruggaaf van den koopprijs, dan laat hij den
verkooper sommeeren ^bij een exploot van den deurwaarder) om
het verkochte voorwerp terug te nemen of schadevergoeding te
geven, met de aanzegging dat het verkochte van dat oogenblik
af staat voor rekening van den verkooper of op kosten van ongelijk.
Na deze handeling begint het eigenlijke proces. Wordt aan
bovengenoemde sommatie niet voldaan, dan volgt weder een
-ocr page 834-
808
exploot van den deurwaarder, dat nu dagvaarding heet (zie art. 1
van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Dikwijls worden
6ommatie en dagvaarding bij één acte te gelijk gedaan. In die acte
staat dan: „Aan de sommatie niet voldaan zijnde, heb ik N. N.
gedagvaard om te verschijnen voor: kantongerecht of rechtbank."
Zaken, een bedrag van f 200 niet te boven gaande, komen
voor het kantongerecht (art. 38 der Wet op de rechterlijke orga-
nisatie en het beleid der justitie). Bij zaken tot een bedrag van
f 50 is van de uitspraak van het kantongerecht geen appèl,
boven de f 50 wel.
Zaken, het bedrag van f 200 te boven gaande, komen voor
de rechtbank. Is het bedrag minder dan f 400, dan bestaat van
de uitspraak geen appèl, boven dit bedrag wel (art. 53 der Wet
op de rechterlijke organisatie en het beleid der justitie).
Voor welk kantongerecht of voor welke rechtbank wordt nu
gedagvaard.\' Men onderscheidt te dezen opzichte, ook in den
paardenhandel, het volgende:
1°. Proces tusschen particulieren;
2°. Proces tusschen koopman en particulier;
3". Proces tusschen kooplieden onderling.
In zaken van koophandel kan de eischer te zijner keuze dag-
vaarden:
Voor den rechter binnen wiens rechtsgebied de verweerder
woonachtig is;
Voor den rechter binnen wiens rechtsgebied de verbintenis is
aangegaan;
Voor den rechter binnen wiens rechtsgebied de waar is geleverd;
Voor den rechter binnen wiens rechtsgebied de betaling had
moeten geschieden (art. 314 Wetboek van burgerlijke rechtsvor-
dering).
In den regel heeft de dagvaarding plaats voor den rechter van
de woonplaats van gedaagde.
Wat behelst nu de dagvaarding? Art. 5 van het Wetboek
van burgerlijke rechtsvordering geeft ons daarop het antwoord.
Het bevat een oproeping om voor den rechter te verschijnen en
zich te hooren veroordeelen, hetzij tot terugneming van het ver-
kochte, hetzij tot schadevergoeding.
Wat gebeurt er op den dag dat de partijen voor den rechter
moeten verschijnen? Drie gevallen zijn hier denkbaar, namelijk
dat geen van beide partijen aanwezig is; dat alleen de eischer of
alleen de gedaagde is opgekomen; dat beide partijen zijn verschenen.
-ocr page 835-
80!)
Is er noch de eischer, noch de gedaagde, dan gebeurt er niets,
want de rechter is geheel lijdelijk en geen partij; art. 75 van het
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering geeft dit duidelijk aan.
De eischer zal echter gewoonlijk wel zorgen dat hij er is. Is deze
er niet, dan volgt verstek tegen den eischer (d. w. z. het con-
stateeren van diens afwezigheid), met conclusie van den gedaagde
tot ontzegging van den eisch en veroordeeling in de kosten.
Is de gedaagde niet aanwezig, dan vraagt de eischer verstek
en toewijzing der vordering met veroordeeling van den gedaagde
in de kosten. Komt deze vordering den rechter niet onrechtvaardig
voor, dan wordt zij toegewezen en de gedaagde veroordeeld.
Zijn de beide partijen aanwezig, dan wordt er een eisch gedaan
door den eischer, en door den gedaagde een conclusie van verweer.
Daarna volgt de uitspraak. Er bestaan dus vonnissen bij verstek,
d. w. z. afwezigheid, en vonnissen op tegenspraak; in dit laatste
geval zijn beide partijen aanwezig.
Wil men dagvaarden voor het kantongerecht, dan laat men den
betrokken persoon door een deurwaarder dagvaarden; men kan
verder voor zijn zaak zelf optreden of deze opdragen aan wien
men wil, zelfs aan een goeden vriend of aan den deurwaarder.
Bij het kantongerecht worden de zaken gewoonlijk mondeling
behandeld.
Bij de rechtbank gaan de jaken echter geheel anders; daar
heeft alles schriftelijk plaats, er worden hier geen leeken ofdeur-
waarders als gemachtigden toegelaten.
Maakt men dus een zaak voor de rechtbank aanhangig, dan
roept men de hulp in van een procureur, een ambtenaar, die in
een civiel rechtsgeding de geschilvoerende partyen vertegenwoordigt.
De procureur laat door een deurwaarder den verkooper dagvaarden,
met de aanzegging dat die procureur zich procureur stelt in de
zaak. De gedaagde stelt daarop ook een procureur, nog vóór de
verschijning voor de rechtbank (art. 135 van het Wetboek van
burgerlijke rechtsvordering). Deze zaken gaan dus buiten de
rechtbank om.
Beide partijen worden geacht domicilie te hebben gekozen bij
de respectieve procureurs en aan dezen worden dan ook alle stuk-
ken bezorgd. De procureur van den eischer draagt zorg, dat de
zaak op tijd wordt ingeschreven op de rol.
Ten dienenden dage, dus op den dag dat de zaak voorkomt,
concludeert de procureur van den eischer tot toewijzing der vor-
dering; dit noemt men nconclusie van eisch». De procureur van
-ocr page 836-
810
den gedaagde vraagt daarop een termijn van acht of veertien dagen
om te antwoorden; dit uitstel vragen dient te worden verzocht,
omdat het antwoord schriftelijk moet worden ingeleverd. Komt
het schriftelijk antwoord van den procureur van gedaagde, dan
heet dit de „conclusie van antwoord of repliek".
De procureur van den eischer kan nu rechtens de stukken
vragen of wederom veertien dagen uitstel, hetzij om te antwoorden,
hetzij om nader bewijs aan te bieden, bijv. door getuigen of des-
kundigen, wanneer hij meent dat de zaak nog niet duidelijk is.
Daarna antwoordt de gedaagde; deze heeft het laatste woord.
Thans volgt, zoo noodig, de conclusie van het openbaar mini-
sterie; art. 324 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
vermeldt de gevallen, waarin deze wordt vereischt. Daarop be-
paalt de rechtbank de uitspraak.
Bij het kantongerecht is in civiele zaken geen Openbaar mi-
nisterie, wel in strafzaken. Bij de rechtbank is de officier van
justitie ambtenaar van het Openbaar ministerie. (In het algemeen
verstaat men onder Openbaar ministerie een lichaam van reehts-
beambten, die bij verschillende rechtscollegiën zijn geplaatst, om
in het belang van den staat het beslissen en ten einde brengen
van rechtszaken mogelijk te maken.)
Indien de zaak voor de rechtbank duidelijk is, dan doet zij
uitspraak; zoo niet, dan vraagt zij nader bewijs of benoemt zij
deskundigen. De benoeming van de laatsten geschiedt bij inter-
locutoir vonnis (Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, art.
222—236). De deskundigen leggen vooraf den eed af dat zij de
zaak naar hun beste weten en overtuiging zullen behartigen.
Van hun bevindingen brengen zij schriftelijk verslag op zegel uit.
Daarin moet het signalement van het onderzochte dier steeds
nauwkeurig voorkomen. Naar den aard er van draagt het ver-
slag verschillende benamingen, als:
1°. Proces-verbaal. Dit is een eenvoudige beschrijving van
waargenomen zaken of omstandigheden en moet door minstens
twee personen, die de zaak hebben onderzocht en instaan voor
de waarheid, onderteekend zijn. Het dient den rechter in proces-
zaken als grondslag, vooral bij gevallen, die niet meer te onder-
zoeken zijn. Bij lijkschouwing wordt deze vorm veel gebruikt.
2°. Attest, getuigschrift (testimonium). Hieronder verstaat men
een schriftelijke verklaring van waargenomen zaken, zonder daaruit
een gevolgtrekking te maken. Geschiedt dit wel, dan noemt men
het een
-ocr page 837-
811
3°. Oordeel (arbitrium; Gutachten), en omdat het door den rech-
ter is gevraagd, een gerechtelijk oordeel. Dit is eigenlijk een
eenigszins uitgebreid attest; de woorden arbitrium en attest
worden dan ook veelal als synoniem beschouwd.
Het oordeel onderscheidt men in
a.    Eenvoudig oordeel (arbiti-ium), wanneer het de conclusie be-
vat die een of meer deskundigen omtrent een onderzochte zaak
hebben gemaakt. Deze kan ontleend zijn aan eigen waarnemingen
of aan schriftelijke feiten. Het onderzoek geschiedt op verzoek
of op last van een der partijen of van de rechterlijke macht.
b.    Het tegenoordeel (contra-arbitrium). Dit bevat niet alleen een
gevolgtrekking over een waargenomen feit, maar tevens het oordeel
over een door een ander uitgebracht arbitrium. Het kan gevraagd
worden, indien een der partijen met dit laatste geen genoegen
neemt. Wordt het tweede arbitrium gemaakt zonder inachtne-
ming van het eerste, dan is het geen tegenoordeel, maar een
afivijlcend oordeel.
c.    Het eind- of hooger oordeel (superarbitrium). Dit wordt in
laatste instantie uitgebracht; hierna bestaat geen hooger beroep
op een andere rechtbank. Het wordt meestal ontleend aan de
arbitria en contra-arbitria, die over de zaak in quaestie zijn uitgebracht.
Willen twee partijen onderling, zonder hulp der rechtbank,
omtrent een zaak beslissen en zijn de deskundigen het niet eens,
dan kunnen ze het oordeel van een derden deskundige inroepen,
die dan als super-arbiter optreedt.
4°. Schoiuubericht (visum repertum) is een systematische mede-
deeling van de wijze waarop het onderzoek heeft plaats gehad,
de uitkomst er van, benevens een wetenschappelijk gemotiveerde
conclusie. Het kan zoowel op levende als doode dieren betrekking
hebben.
Het visum repertum wordt door een daarin genoemden des-
kundige overgebracht naar de griffie, binnen een door den rechter
te bepalen termijn (art. 232 en 233 van het Wetboek van burgerlijke
rechtsvordering). Bij de overbrenging wordt daarvan een acte
opgemaakt, welke wordt geteekend door den griffier en dencom-
parant.
Onder den naam van «de griffie» wordt verstaan de plaats,
waar alle voor den rechter bestemde stukken moeten worden in-
gediend , dus »het adres der rechtbank.»
Na de uitspraak wordt het vonnis beteekend. De verliezende
partij heeft echter dan nog een termijn van appèl. Deze termijn
-ocr page 838-
812
is voor civiele zaken drie maanden (art. 339 van het Wetboek van
burgerlijke rechtsvordering).
Het appèl is een gewoon rechtsmiddel en kan alleen worden
gebruikt tegen vonnissen in het eerste ressort, welke vatbaar zijn
voor twee instanties. De party die appelleeren wil, moet niet door
woord, geschrift of daad getoond hebben dat hij er in berust, en
bovendien moet aan het vonnis nog geen uitvoering zijn gegeven.
Die het eerst appelleert, heet appellant; z\'y\'n tegenpartij is ijeintimeerde
(van intimare, aankondigen), omdat het hooger beroep hem is aange-
kondigd.
De appellant mag in hooger beroep nieuwe feiten en nieuwe
rechtsmiddelen aanvoeren om zijn goed recht te staven. De eisch
door hem gesteld, mag hij niet veranderen, tenzij er gevolgen zijn
die ten tijde van het instellen van den oorspronkelijken eisch niet
konden worden voorzien.
Het stellen van verschillende instanties dateert van het Uomein.sche
recht. In den beginne was het geoorloofd op de terechtzitting
zelve, waarin het vonnis was gewezen, dus in het gezicht van den
rechter (a facie judicis) te appelleeren en bij gebreke daarvan binnen
2 a 3 dagen na de uitspraak. Justinianus verlengde dien termijn
tot 10 dagen na kennisneming van het vonnis, opdat men de op-
wellende hartstochten tot bedaren kon brengen.
Bij het Romeinsche en Fransche recht werd de appellant, wiens
beroep werd afgewezen, tot een geldboete veroordeeld, ten behoeve
van den staat. De Nederlandsche wet schafte deze boete af.
In het Oud-üermaansche recht was het hooger beroep onbekend.
De volksgerechten vonnisden terstond in hoogste ressort. Tegen
het einde der 15de eeuw werd het hooger beroep in de Duitsche
landen ingevoerd. (\')
Van een uitspraak van het kantongerecht komt men in appèl
bij de rechtbank en vervolgens in cassatie bij den Hoogen Raad.
Van een uitspraak der rechtbank komt men in appel bij het Ge-
rechtshof en vervolgens in cassatie bij den Hoogen Raad.
Wie betaalt de kosten van het proces ?
Artikel 56 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering geeft
ons daarop het antwoord. Al wie bij vonnis in het ongelijk wordt
gesteld, zal in de kosten worden verwezen. Echter zullen de kosten
in liet geheel of ten deele gecompenseerd mogen worden tusschen
echtgenooten, bloedverwanten in de rechte linie, broeders en zus-
(1) Encyclopacdic v.in Winkleu Prins, bl, 71U.
-ocr page 839-
813
ters of aangehuwden in denzelfden graad, mitsgaders indien de
partijen over en weder op eenige punten in het ongelijk zijn gesteld.
Bij provisioneele (voorloopige), praeparatoire (voorbereidende)
en interlocutoire vonnissen (waarbij de rechter, alvorens recht te
doen ten principale, een onderzoek beveelt) kan de uitspraak over
de kosten tot het eindvonnis worden voorbehouden,
§ 283. Korte beschrijving der meest voorkomende
koopvern1etigende ziekten en gebreken.
1°. Duizeligheid (vertige; Schwindel; megrims). Dit is een zich
op onbepaalde tijden uitende hersenstoornis, waardoor abnorme
bewegingen en soms volkomen gemis aan bewustzijn worden ver-
oorzaakt. Gewoonlijk bemerkt men in rust niets ziekelijks; eerst
na eenige inspanning vertraagt het paard den gang of blijft
plotseling stilstaan, beweegt de ooren sterk en in verschillende
richting, houdt den hals scheef naar ter zijde en boven, schudt
met het hoofd, draait naar links of rechts en begint sterk te
zweeten en te beven. Ten einde zich staande te houden, worden
de beenen dikwijls ver van elkander geplaatst; valt het paard
toch, dan blijft het meestal eenige oogenblikken liggen, slaat met
de beenen, springt vervolgens weer op, schudt zich af en vertoont,
behalve een sterke vermoeidheid, weinig of niets abnormaals.
In den regel duurt een aanval slechts enkele minuten; soms
herhaalt hij zich spoedig daarna meermalen, in andere gevallen
eerst na weken of maanden.
Aan dit z.g. schuddekoppen ligt somtijds een hersencongestie
te gronde, welke door drukking van het hoofdstel of het tuig,
door schel licht of ook enkel door de beweging kan worden
veroorzaakt. Zelden wordt het door vuil of insecten in de ooren
teweeggebracht; meestal geeft voorbijgaande bloedarmoede der
hersenen, wellicht door een hartsgebrek of andere circulatiestoornis
veroorzaakt, hiertoe aanleiding.
Het constateeren dezer ziekte kan met belangrijke bezwaren
gepaard gaan, daar dikwijls, ondanks alle pogingen, geen aanval
kan worden opgewekt. Men onderzoekt het paard liefst op dezelfde
wijze, waarbij zich vroeger de abnorme verschijnselen openbaarden.
Ontstaan deze opnieuw, dan gaat men na of daaraan soms een
gemakkelijk te verwijderen oorzaak te gronde ligt of dat de aanval
is ontstaan onder omstandigheden, waarin hij bij een gezond
paard niet zou zijn voorgekomen.
-ocr page 840-
8U
Levert het onderzoek een negatief resultaat op, dan kan alleen
door getuigen het bestaan van deze ziekte worden geconstateerd.
2°. Vallende ziekte, epilepsie (mal caduc; Fallsucht; fits or epi-
lepsy).
Deze openbaart zich, evenals de voorgaande ziekte, met
onregelmatige tusschenpoozen ; zij kan daarmede, uiteen gerechtelijk
oogpunt, op een 1\'yn worden gesteld , doch komt veel zeldzamer voor.
Tijdens een aanval is het bewustzijn gedurende eenige minuten
geheel opgeheven en bestaan er meer of minder hevige spier-
krampen ; door de laatste onderscheidt de epilepsie zich o. a. van
de duizeligheid.
Een aanval ontstaat plotseling; in enkele gevallen gaan eenige
waarschuwende teekenen vooraf. Het paard schijnt duizelig, blijft
uit den gang staan, doet moeite om zich op de beenen te houden,
valt eindelijk bewusteloos neer en laat een steunend geluid hooren.
De spieren van den hals, den romp en de ledematen trekken zich
krampachtig samen ; in den beginne neemt men slechts trekkingen,
later aanhoudende kramp waar. Evenals het bewustzijn verdwijnt
ook het gevoel meestal volkomen, de oogen zijn verdraaid, de
pupil is verwijd, de pols onregelmatig en langzaam. Het dier zweet
sterk, knarst op de tanden en slaat de kaken op elkander, waar-
door zich een dikke schuimlaag op den mond vormt.
Allengs gaan de aanhoudende krampen weer in trekkingen over
en spoedig houden ook deze op; het paard komt bij, staat op,
doch blijft in de eerste oogenblikken afgemat.
Zulke aanvallen duren meestal slechts enkele minuten, soms
echter een kwartier of langer; zij herhalen zich op onbepaalde
tijden. In het begin der ziekte zijn zij doorgaans zwak; lang-
zamerhand nemen zij in hevigheid toe en keeren tevens spoediger
terug.
De hevigheid der aanvallen kan zeer verschillen; dikwijls blijven
de dieren staande, hoewel het bewustzijn gestoord is. De spier-
krampen bepalen zich dan tot het aangezicht; de oogen rollen
en de mond is met schuim bedekt. De onderscheiding van dui-
zeligheid kan onder zulke omstandigheden moeielijk zijn.
De oorzaken van epilepsie kunnen velerlei zijn; in sommige
gevallen blijven ze geheel onbekend. Ditzelfde geldt van de om-
standigheden, waaronder de aanvallen zich herhalen.
Het onderkennen dezer ziekte kan, door het wegblijven van
een aanval bij het onderzoek, dezelfde bezwaren opleveren als bij
duizeligheid zijn medegedeeld.
3°. Steegheid (rétivité; Statigkeit; restiveness). Hieronder verstaat
-ocr page 841-
815
men een aanhoudende of periodiek terugkeerende weerspannigheid
of onwil voor alle of bepaalde diensten, terwijl het paard goed
wordt behandeld en verpleegd.
Men onderscheidt soms ware en valsche steegheid en verstaat
dan onder de eerste een eigenlijke ziekte, terwijl de laatste door
slechte behandeling zou zijn veroorzaakt.
Naarmate het paard zich öf steeds tegen alle diensten öf slechts
tegen enkele en onder bepaalde omstandigheden verzet, onder-
scheidt men een absolute en een relatieve steegheid.
De laatste komt het meest voor; zij openbaart zich niet zelden
bij geringe veranderingen in de omgeving of in het gebruik, bijv.
trekken tegen een helling op of in zandwegen , het gaan langs
een ongewonen weg, ruw toespreken, enz. Gewoonlijk ontstaat
het verzet plotseling; soms houdt het na enkele minuten op, in
andere gevallen echter drijft het paard hardnekkig zijn wil door.
Een op het paard behaalde overwinning is meestal van korten
duur; onmiddellijk daarna kan opnieuw verzet volgen, onder geheel
overeenkomstige omstandigheden.
De steegheid kan zich op verschillende wijzen te kennen geven.
Enkele paarden willen in het tuig niet aanleggen, slaan naar de
strengen, steigeren, enz., andere blijven uit den gang plotseling
staan, keeren, loopen achteruit of volgen een bepaalden weg,
geheel tegen den zin van den geleider.
Alvorens een paard steeg te noemen, moet men zich overtuigen,
dat geen meer of minder gemakkelijk op te heffen oorzaken in
het spel zijn. Als zoodanig gelden: ongewoonte, onvoldoende
dressuur, bovenmatige arbeid, vrees, verwondingen, ziekte, enz.
Het z.g. kleven van troepenpaarden, het dringen naar den stal en
het verzet bij het tuigen van jonge paarden of bij het zien van
vreemde zaken, enz. is in den regel geen steegheid; bij een
goede behandeling en dressuur wordt een zoodanige onwil door-
gaans overwonnen.
Aan de ware steegheid ligt een hersenstoornis te gronde. Ook
oogaandoeningen, waarbij de voorwerpen onregelmatig worden
gezien (onregelmatig astigmatismus) kunnen onherstelbare steegheid
ten gevolge hebben.
4°. Kolder (immobilité; Dummkoller; stagijers). Aldus noemt
men een ongeneeslijke, chronisch verloopende ziekte, die zich door
storingen in de normale hersenfuncties te kennen geeft. Het
meest wordt de kolder waargenomen op gemiddelden leeftijd, doch
iuj kan ook bij jonge en oude paarden voorkomen.
-ocr page 842-
XIO
Be verschijnselen verschillen naar den graad der ziekte en het
normale temperament van het dier. Lichte gevallen kan men
gemakkelijk met steegheid verwisselen, want moeiel\'yk veranderen
van gang is dan dikwijls het eenige, wat duidelijk in het oog
springt. Soms openbaart zich de ziekte plotseling, nadat het dier,
door verkoop, uit zijn gewoonte is gerukt; de bewering vaneen
vorigen eigenaar hiervan nimmer iets bespeurd te. hebben, kan
dus te goeder trouw zijn.
De oorzaken van kolder zijn gelegen in aandoeningen der her-
senen van verschillenden aard, doch meestal bestaande in chronische
hersenwaterzucht, terwijl hieraan ook gezwellen te gronde kunnen
liggen.
Men onderscheidt stillen kolder (tmmobilite\'; Dummkoller; sleepy
staggers)
en rasenden kolder (immobilité avec acces pe\'riodiques de
frenesie; rasenden Koller
; mad staggers), twee ziekten, waarvan de
laatste de eerste periodiek kan afwisselen.
Bij stillen kolder is de blik strak, zonder uitdrukking, de oogen
zijn half gesloten, de ooren worden afwisselend voor- en achter*
waarts bewogen en verschillen dikwijls in stand. Het paard is
weinig oplettend voor de omgeving; het hoort het toeroepen niet
en toch kan het staan, alsof het naar iets luistert. Het hoofd
wordt niet zelden omlaag gehouden; soms steunt dit op de krib
of tegen den muur. Be beenen zijn onder het lijf geplaatst, in
enkele gevallen met de voorbeenen gekruist; geeft men het dier
dezen stand, dan blijft het soms geruimen tijd aldus staan. Be
gevoeligheid is zeer verminderd; meestal ontstaat na het steken
van een vinger in de ooren, het trappen op de kronen, het aan-
raken der liezen, geenerlei reactie.
Het eten geschiedt bij voorkeur van den grond en heeft lang-
zaam plaats. Nu en dan houdt het paard met kauwen op en
blijft bijv. met een wisch hooi in den mond staan. Bij het drinken
wordt het hoofd diep in den emmer gestoken, dikwijls tot boven
de neusgaten; het paard bijt soms in het water, alsof het lang
voeder ware. Bit laatste kan ook bij het eten van haver worden
waargenomen. Be ademhaling is diep en, evenals de pols en de
mestafgang, vertraagd ; koorts is gewoonlijk niet aanwezig.
Bij beweging merkt men, dat het paard hard in den mond
en traag is; de beenen worden hoog opgelicht, alsof het in het
water liep. Eenmaal in beweging is het moeielijk weer tot staan
te brengen. Het achteruitzetten ontmoet dikwijls veel tegenkan-
ting; niet zelden begint het paard te steigeren, indien de pogingen
-ocr page 843-
817
lang worden voortgezet. Ook de verplaatsingen naar ter zijde
plegen bezwaarlijk te geschieden. Soms dringt het dier steeds
naar één zijde; in vrijen toestand beweegt het zich dan in een
grooter of kleiner kring.
De toestand van stompzinnigheid kan periodiek door razernij
worden afgewisseld (razende kolder). Het dier heeft dan een
wilden, woesten blik, is schrikachtig, siddert bij eenig gedruisch
of schel licht, steigert, boort met liet hoofd of dringt met het
lichaam tegen een muur of een beschot, slaat en beleedigt zich
dikwerf op verschillende plaatsen.
Geen enkel verschijnsel van kolder is op zichzelf karakteristiek
voor deze ziekte en daar bovendien het beeld hiervan belangrijk
kan velschillen naar den graad van het lijden en de omstandig-
heden, waaronder het paard verkeert, als voedsel, verpleging,
arbeid, enz. is de onderkenning daarvan somtijds moeielijk. Bij
licht verteerbaar voedsel, koele, donkere stallen, matigen arbeid
en goed passende tuigen, die geen hersencongesties bevorderen,
treden de verschijnselen gewoonlijk minder op den voorgrond dan
onder de tegenovergestelde omstandigheden.
5°. Maanblindheid (zie bl. 137).
6°. Zwarte staar (zie bl. 134).
7°. Kivade-droes (morve; llotz; glunders). Dit is een onge-
neeslijke, specifieke, besmettelijke ziekte van het paardengeslacht,
welke zich voornamelijk openbaart in de luchtwegen; zij kan ook
op andere dieren (behalve het rund) en den mensch overgaan.
Met goedaardige- of kooier-droes (gourme; gutartige Driïse; strangles)
staat zij in geenerlei verband. Men sprak vroeger, doch ten
onrechte, van verdachte-droes als een zelfstandige ziekte en be-
schouwde dezen als de schakel, die goedaard ige- met kwade-
droes verbond of althans kon verbinden. Men noemde een dier
lijdende aan verdachte-drues, wanneer er enkele verschijnselen
aanwezig waren van of gelijkende op die van kwaden-droes. Dit
begrip komt dus overeen met hetgeen men tegenwoordig heet:
verdacht van hrade-droes of kortweg verdacht.
De meening dat kwade-droes, behalve door besmetting, ook
spontaan kan ontstaan, bijv. door bovenmatigen arbeid, weinig of
bedorven voedsel, slecht drinkwater, onreine stallen, uit andere
ziekten, enz. is gebleken onjuist te zijn; infectie, hetzij onmiddellijk
van het eene dier op het andere, hetzij middellijk door tusschen-
dragers, als stallen, tuigen, enz. is de eenige oorzaak.
52
-ocr page 844-
818
De verschijnselen kunnen verschillen, naarmate meer het bo-
venste (de neus) of onderste gedeelte der luchtwegen (de longen)
lijdende is en of de ziekte acuut of chronisch verloopt. Reeds in
oude tijden gaf men als de drie hoofdverschijnselen dezer ziekte
aan: neusuitvloeiing, zweren (chankers) in den neus en klier-
zwelling in de keelgang.
Meestal bestaat er een eenzijdige of althans eenzijdig sterkere
neusuitvloeiing en wel doorgaans links. Dit vocht kan zoowel in
hoedanigheid als in hoeveelheid aanmerkelijk verschillen. In het
begin der ziekte is het eenigszins waterachtig, later slijm-etter-
achtig, geel of geelgroen gekleurd , soms met bloedstrepen ver-
mengd, dikwijls stinkend en steeds kleverig, zoodat het aan de
neusranden tot een harsachtige massa opdroogt.
De zweren ontstaan uit grijze, grauwgele knobbeltjes ter grootte
van een gierstkorrel tot die van een erwt of zelfs grooter, indien
eenige zijn samengevloeid. Deze knobbeltjes zijn in den beginne
hard, breken later open en scheiden dan, benevens een kaas-
achtige weefselmassa, een bloederig of meer olieachtig vocht af.
De aldus gevormde zweren hebben een verdiepten, spekachtigen
bodem en onregelmatig gekartelde randen; zij kunnen zich zoowel
in den omtrek als in de diepte uitbreiden en zelfs het neusmid-
delschot doorboren. Op verschillende plaatsen van het slijmvlies
der luchtwegen kunnen zij zicli ontwikkelen. Zijn zij in het on-
derste gedeelte van den neus, bijv. inwendig van de neusvleugels
of op het benedengedeelte van het neusmiddelschot gezeten, dan
kan men ze waarnemen door de neusvleugels zoover mogelijk open
te sperren en direct zonlicht of teruggekaatst licht in den neus
te laten vallen. Komen de zweren echter hooger voor, bijv. aan
het zeef been, in de boezems, enz. dan kan men haar bestaan, in
verband met de andere verschijnselen, slechts met meer of minder
grond vermoeden.
Niet zelden genezen enkele zweren en laten op het slijmvlies
stervormige of meer langwerpige, verdiepte en met overlangsche
ribben bezette litteekens achter. Men kan te gelijkertijd knob-
beltjes, zweren en litteekens aantreffen.
In de keelgang bestaat meestal eenzijdige klierzwelling en wel
aan die zijde, waar de sterkste neusuitvloeiing plaats heeft, dus
gewoonlijk links. De gezwollen klier is rond of meer langwerpig)
hard, knobbelig, niet warm, weinig of niet pijnlijk, ligt gewoon-
1\'yk vast tegen de achterkaak en heeft doorgaans de grootte van
een kastanje tot die van een kippenei, doch kan ook grooter of kleiner
-ocr page 845-
810
zijn. Nooit gaat zij in verettering over, gelijk dit bij goedaardige-
droes geschiedt; evenwel kan zij nu en dan in grootte afwisselen.
Dij den chronischen vorm kan de voedingstoestand langen tijd
naar wensch blijven; in andere gevallen neemt deze reeds spoedig
belangrijk af, wordt de eetlust gering en verzwakt het paard in
sterke mate. Het gevolg hiervan is, dat het nu eerst na een jaar
of zelfs eenige jaren, dan reeds na enkele maanden aan de ziekte
sterft.
De acute vorm kan zich binnen weinige dagen bij een voorheen
gezond paard ontwikkelen of ook op ieder tijdstip uit den chro-
nischen vorm ontstaan. Alie. verschijnselen treden dan metgroote
hevigheid op, gaan met sterke koorts vergezeld en veroorzaken
binnen korten tijd den dood.
Zijn de longen hoofdzakelijk de zetel van het lijden, dan be-
merkt men, dikwijls eerst na geruimen tijd, gestoorde voeding,
hoesten, dampigheid, zwakte, spoedig zweeten, dofheid der haren,
enz. Later, soms eerst na jaar en dag, kunnen zich duidelijk
zichtbare verschijnselen van kwade-droes (in den neus) of wel van
worm ontwikkelen.
8°. Worm (farcin; Hautrotz oder Wurm; farcy) is kwade-droes,
die, in plaats van in de luchtwegen, in de huid zetelt. Besmet
een paard met kwade-droes een ander, dan kan dit óf kwade-
droes óf worm krijgen.
Het huidlijden kan zeer verschillen. Soms ziet men slechts een
oppervlakkige aandoening, als knobbeltjes, kleine zweren, geringe
zwelling der lvmphvaten, enz., meestal echter begint het lijden
dieper, zelfs tusschen de spieren. Er vormen zich aldaar knobbels ,
ter grootte van een noot, welke snel groeien en niet zelden pijnlijk
en iets warmer dan de omgeving zijn. De huid is in den beginne
over de knobbels verschuifbaar, doch later niet meer, daar zij
er mede vergroeit.
Spoedig breken de knobbels door, ontlasten een etterachtigen
inhoud en laten soms vrij diepe holten met onregelmatige randen
achter. Deze holten worden met een korst bedekt en groeien
weer vol, terwijl zich op andere plaatsen nieuwe ontwikkelen.
Zoodanige wormknobbels kunnen óf aan t\'-én lichaamsdeel, bijv.de
beenen of den hals, óf aan verschillende te gelijk voorkomen.
Daarbij ontstaan in de huid, door ontsteking der lvmphvaten,
harde strengen, welke in haar verloop evenzoo wormbuilen bezitten.
De klieren der zieke lvmphvaten zwellen op, doch gaan niet in
ettering over. Zijn de boeg- of liesklieren aangedaan, dan kan
-ocr page 846-
820
kreupelheid het gevolg zijn; belangrijke zuchtige zwellingen (lei-
lijdende beenen blijven in dit geval niet uit.
Het verloop is gewoonlijk minder sleepend dan bij kwade-
droes; soms ontstaan binnen korten tijd algemeene kwade-droes
en de dood; in andere gevallen vermindert de voedingstoestand
eerst langzamerhand en kan het paard nog maanden lang hier-
mede voortleven.
9". Dampigheid. Deze naarn drukt eigenlijk geen bepaalde
ziekte uit, doch slechts een verschijnsel, dat bij onderscheidene
ziekten voorkomt; uit een gerechtelijk oogpunt verstaat men
hieronder een chronisch, koortsloos,„meestal onherstelbaar lijden,
waarbij belemmerde ademhaling het hoofd verschijnsel is.
In rust kan de ademhaling, wat diepte en snelheid aangaat,
weinig of niets veranderd zijn, doch bij beweging wordt zij, nu spoedi-
ger dan langzamer, bernoeielijkt. Naarmate zij zonder of met geluid
plaats vindt, onderscheidt men resp. gewone en piepende dampigheid.
a.
De gewone dampigheid of kortweg dampigheid (puusse; JM111-
piigkeit; broLen-wind).
Het paard moet in een bepaalden tijd een
zekere hoeveelheid lucht tot zich nemen, zal de gaswisseling van
het bloed normaal plaats hebben. Of de diepte of de snelheid
der ademhaling kan meer op den voorgrond treden; zij staan
zoodanig met elkander in verband, dat de een moet aanvullen,
wat de andere te kort komt. Is het quantum lucht, dat bij
eiken ademtocht wordt opgenomen, te gering of missen de longen
de noodige kracht om lucht uit te drijven, dan kan alleen een
sneller of sterker ademen het dier voor stikking behoeden.
De oorzaak van een bemoeielijkte ademhaling behoeft niet
steeds in de respiratie-organen gelegen te zijn; verschillende orga-
nische veranderingen der buikingewanden en van het hart kunnen
haar teweegbrengen.
In lichte gevallen van dampigheid ontstaat de ademhalings-
stoornis eerst na snelle of ingespannen beweging; in hevige echter
reeds na stap of zelfs in rust. De borstkas wordt door de spier-
werking krampachtig verwijd en dikwijls moeten de buikspieren
krachtig medewerken, om een uitademing tot stand te brengen.
Hierdoor ontstaat onder de kraakbeenderen der laatste ribben
een verdieping, dampgroeve genoemd. De anus wordt bij eiken
ademtocht voor- en achterwaarts bewogen, zooals vooral bij magere
paarden duidelijk is op te merken. Dit ontstaat door ontspanning
en samentrekking der buikspieren en door de beweging van het
middelrif, waardoor de buikorganen worden verplaatst.
-ocr page 847-
821
Het aantal ademtochten stijgt soms tot 50 iï 70 in de minuut;
daarbij worden de neusgaten sterk opengesperd, terwijl bij liet
uitademen een dubbele llankenslag wordt waargenomen. Na be-
weging duurt het steeds lang, vóór de ademhaling weer tot rust
is gekomen.
Dikwijls hoort men een gedempt, hol, droog of eenigszins
vochtig hoesten, waarop geen of slechts een zwak proesten volgt.
Dampigheid komt het meest voor boven den 12-jarigen leeftijd;
bij jonge paarden is zij zeldzaam. Zij is ongeneeslijk, doch ge-
woonlijk niet doodelijk. Door een goede diaetetische behandeling,
als licht verteerbaar voedsel, bijv. gras, zuivere lucht, ruime
stallen, sommige geneesmiddelen, kan tijdelijk vermindering van
het lijden worden aangebracht. Omgekeerd kunnen de verschljn-
selen door liet gebruik van stoffig hooi, door groote hitte, zwaren
arbeid, enz. belangrijk toenemen.
Niet zelden worden paarden, die nog niet goed op adem zijn,
voor dampig gehouden; de respiratie is dan echter snel en opper*
vlakkig, terwijl er van een dubbelen flankenslag en de eigenaardige
kuch geen sprake is.
b. Snuiven of piepende dampigheid (cornage; Pfeiferdampf;
roaring).
Behalve een versnelde ademhaling neemt men hierbij
een piepend of fluitend geluid waar. Soms hoort men dit reeds
in rust; meestal echter eerst na ingespannen beweging.
De oorzaak hiervan is gewoonlijk een verlamming van den
linker stemband; ook gezwellen in de luchtwegen kunnen hieraan
te gronde liggen De erfelijkheid dezer ziekte laat geen twijfel
over.
Het .snuiven kan zich op eiken leeftijd ontwikkelen; het neemt
meestal langzamerhand in hevigheid toe en vermindert daardoor
de handelswaarde van een paard aanzienlijk.
Bij het onderzoek late men het paard op een zachten bodem,
in snellen gang rondom zich heen bewegen of op een zandweg
zwaar trekken Bij het monsteren op de steenen zijn lichte graden
gemakkelijk over het hoofd te zien. Het snuiven houdt in den
regel onmiddellijk op, zoodra het paard uit den gang stilstaat.
10". Het lucht- of ivindzuigen (tic; Koppen; wind-sucking). Hier-
onder verstaat men een ondeugd, waarbij periodiek, onder een
eigenaardig klokkend geluid, een grootere of kleinere hoeveelheid
lucht wordt ingeslikt. Sommige paarden steunen daartoe met
de tanden of de kin op eenig voorwerp in de nabijheid, als de
krib, den latierboom, enz.; andere daarentegen zuigen lucht
-ocr page 848-
822
zonder iets niet den mund aan te raken. I)e eerste noemt men
kribbebijters (tiqueurs d\'appui; Krippensetzer; crib-bitiiuj), de laatste
luchtfuigere (tiqueurs m l\'air; Luftschnapper; wind-sucliiig).
13\'ij de kribbebijters neemt men dikwijls, doch niet altijd, on-
regelmatige slijting der snij tanden waar. Wanneer zij namelijk
met de kin tegen de krib steunen, is ze gewoonlijk afwezig en
omgekeerd kan men zonder kribbebijten abnorme afslijting der
tanden hebben, bijv. bij wevers (tic de Vours; Barrenwetzer;weaving)
en bij paarden, die op allerlei voorwerpen bijten. Het is daarom
onjuist het kribbebijten met abnorme afslijting der tanden als koop-
vernietigend gebrek uit te sluiten, gelijk vroeger bij de Fransche
wetgeving het geval was. Intusschen is liet zaak bij abnorme af-
slijting der tanden, liet paard van kribbebijten en luchtzuigen
te verdenken en daarnaar maatregelen te treden.
In het dagelijkseh leven gebruikt men de woorden kribbebijten
en luchtzuigen veelal door elkander. Men kan dan ook onder-
scheiden „kribbebijten zonder luchtzuigen", zooals bij eerstbegin-
nenden voorkomt en „kribbebijten met luchtzuigen".
Luclitzuigers lijden gewoonlijk aan chronische spijsverterings-
sloornissen, zoodat zij in slechten voedingstoestand verkeeren en
slap zijn; dikwijls ontstaat ook windkoliek en, indien men het
luchtzuigen niet belet, worden zulke paarden zelden oud.
Enkele paarden laten deze ondeugd na, zoodra zich iemand in
hun nabijheid bevindt, gedurende het eten, bij ziekten, enz.,
andere storen zich nagenoeg aan niets, houden zelfs met eten op
en zuigen zich in korten tijd vol. Wanneer dit echter heeft
plaats gevonden, houden ook zij op.
De oorzaken zijn ledigheid en navolging, en voorts ook erfelijk-
lieid, speciaal van den hengst. Paarden, die veel op stal staan
voor een ledige ruif en zich dus vervelen, beginnen dikwijls de
voorwerpen in hun bereik te belikken en daarop te bijten. Aldus
kan het kribbebijten ontstaan , vooral wanneer reeds een kribbe-
bijter in de nabijheid is.
Alleen in den beginne kan het worden afgeleerd ; later kan
het slechts worden belemmerd. Men besmeert te dien einde de
krib niet bittere middelen, maakt ze laag bij den grond, bekleedt
haar met ijzeren punten, sluit ze buiten den voedertijd met een
van scherpe uitstekende punten voorziene plank af, brandt de tong
van het paard of klopt op de sn\'ytanden, zoodat deze eenigszins
pijnlijk worden. Verder bezigt men een vastaangehaalden keel-
riem, soms ook voorzien van ijzeren punten, die door een zeker
-ocr page 849-
823
mechanisme bij het kribbebijten in de huid der keel drukken, of
bekleedt de kin met leder, dat spijkers bevat die met hun punten
naar dit deel gekeerd zijn, enz.
Na langdurig gebruik van een vast aangehaalden keelriem ont-
staat dikwijls langs den nek en de keel een kring van witte haren.
11°. Schurft (gale; Müude; mange or scabies). Dit is een ziekte
der huid, welke veroorzaakt wordt door mijten; deze kunnen door
ligstroo, poetsgereedschap, enz. van het eene op het andere dier
overgaan, en daarbij, onder gunstige omstandigheden, hetzelfde
lijden veroorzaken. Zij geeft zich op verschillende wijze te kennen,
afhankelijk van de soort van mijten en de hierdoor aangetaste
lichaamsdeelen, den duur der ziekte en den graad van gevoeligheid
van het dier. Daarnaar kan men jeukte, afschubbing, uitvallen
der haren, puistjes, blaasjes en korsten waarnemen. Door bij ten,
schuren, enz. kan de huid hier en daar bloederig worden en met
korsten bedekt raken. Allengs wordt zij door de aanhoudende
prikkeling verdikt, ruw en verkrijgt plooien en kloven.
Door deze veranderingen lijdt de huidademhaling; bovendien voe-
den de paarden zich slecht, vooral ook door de voortdurende onrust.
De schurft breidt zich gewoonlijk snel uit. Het voorttelings-
vermogen der mijten (door eierleggen) is verbazend groot en zij
verplaatsen zich van het eene huidgedeelte naar het andere.
Bij liet paard komen drie soorten van schurftmijten voor,
namelijk: a. sarcopten, b. dermatodecten, devmatocopten oipsorop-
ten
en c. symbioten, dermatopliagen of choriopten.
a.    De sarcopten kunnen over het geheele lichaam worden
aangetroll\'en; zij graven zich in de huid kronkelende gangen, aan
wier uiteinden men witte puntjes waarneemt. Beschouwt men
deze onder den microscoop of met een loupe, dan bespeurt men,
dat het schurftmijten zijn.
Meestal begint deze schurft op een of andere plaats van den
romp en breidt zich van daar tot zelfs op de beenen uit. De
jeukte is hevig, vooral \'s avonds en wanneer de paarden warm
zijn, omdat de mijten zich dan veel bewegen.
b.     De devmatocopten leven niet in, maar op de huid; zij
steken deze echter met haar spitse mondwerktuigen. Zij gaan
gemakkelijker op andere paarden over dan de sarcopten, doch
breiden zich langzamer over het lichaam uit. Het meest komen zij
voor in de liezen, aan de inwendige vlakten der dijen, onder de
manen, aan de onderborst, kortom op plaatsen, waar ze het best
beschut zijn tegen regen, roskam en borstel.
-ocr page 850-
824
e. De cUrmalophagen veroorzaken de beenschwft der paarden.
Deze is steeds gemakkelijk te genezen en komt daarom uit een
gerechtelijk oogpunt niet in aanmerking.
De mijten huizen hierbij aan de onderbeenen ; zelden overschrij-
den zij den handwortel of het spronggewricht. Zij voeden zicli
met haren en epidermisschubben. Door haar bewegingen over de
huid veroorzaken zij jeukte; de paaiden stampen dan met de
beenen en schuren zich, vooral ook weer bij warmte en \'s avonds.
Daardoor onstaat uitzweeting op de huid en vorming van kleinere of
grootere korsten.
12°. Chronische, intermuteerende kreupelheid. Deze zal slechts zelden
aanleiding geven tot liet instellen eener actie, daar vooral hierbij
moeielijk is uit te maken, of de oorzaak der kreupelheid tijdens
den verkoop bestond. Bovendien zal de vraag, of het paard toen
wel volkomen rad liep, gewoonlijk niet gemakkelijk te beant-
woorden zijn.
Alleen in Frankrijk en Elzas-Lotharingen zijn intermitteerende
kreupelheden als koopvernietigende gebreken bij de wet genoemd.
Voor het nu en dan kreupel loop en kunnen zeer verschillende
oorzaken bestaan; meer bepaald verstaat men echter onder inter-
mitteerende kreupelheid een zoodanige, welke teweeggebracht
wordt door belemmerden bloedstoevoer naar een der ledematen,
gewoonlijk een achterbeen. In den regel ligt hieraan een ver-
stopping der aorta of van enkele liarer takken te gronde. De
spieren, welke anders haar bloed door deze vaten ontvangen,
worden nu niet meer behoorlijk gevoed en zijn daardoor niet in
staat normaal te functionneeren. Bij beweging wordt door de
spieren een aanzienlijke hoeveelheid bloed verbruikt; van daar,
dat de locomotiestoornis zich doorgaans openbaart, nadat de ar-
beid reeds eenigen tijd is aangevangen.
Het paard vertraagt dan den gang; een achterbeen bijv. wordt
sleepend voorwaarts gebracht, begint zich, indien de beweging
wordt voortgezet, krampachtig samen te trekken en verlamt ein-
del\'yk geheel. Het dier verraadt hierbij grooten angst, heeft een
zeer versnelde respiratie en zweet hevig over het geheele lichaam,
behalve aan het lijdende been, dat koud en tamelijk gevoel-
loos is.
Na eenige rust verdwijnen deze verschijnselen gewoonlijk weder,
om doorgaans na korter of langer tijd terug te keeren. Eindelijk
kan het lijden" zich over twee achterbeenen uitbreiden en zelfs
den dood veroorzaken.
-ocr page 851-
825
§ \'284. Het dooden van dieren, het toebrengen van
schade en verwondingen , en uet mishandelen
van dieren.
Opzettelijk of toevallig veroorzaakte schade en verwonding kunnen
aanleiding geven tot het instellen van een eisch tot schadever-
goeding. Ue beschadiging kan zoodanig zijn, dat de gezondheids-
toestand van het paard er niet door wordt benadeeld, doch alleen
de oogenblikkelijke handelswaarde er door vermindert, bijv. het
afsnijden van staart en manen, maar ook van dien aard, dat het
leven daarbij gevaar loopt of blijvende nadeelen worden veroorzaakt.
Dit geldt vooral van verwondingen en van vergiftigingen. (Art. 350
van het Wetboek van Strafrecht.)
Ook het dooden op een andere wijze , bijv. door verdrinken,
worgen , enz., en het overbrengen van smetstofl\'en kunnen tot een
gerechtelijke vervolging leiden. Zelfs is men verantwoordelijk voor
de schade door zijn onderhoorigen teweeggebracht.
De artt. 4401—1404 van het Burgerlijk Wetboek voorzien
hierin. Zij luiden als volgt:
Art. 1401. Elke onrechtmatige daad, waardoor aan eenander
schade wordt toegebracht, stelt dengenen, door wiens schuld die
schade veroorzaakt is, in de verplichting om haar te vergoeden.
Art. 1402. Een ieder is verantwoordelijk, niet alleen voor de
schade, welke hij door zijn daad, maar ook voor die, welke hij
door zijn nalatigheid of onvoorzichtigheid veroorzaakt heeft.
Art. 1403, l9te alinea. Men is niet alleen verantwoordelijk voor de
schade, welke men door zijn eigen daad veroorzaakt, maar ook
voor die, welke veroorzaakt is door de daad van personen, voor
welke men aansprakelijk is, of door zaken, welke men onderzijn
opzicht heeft.
Art. 1404. De eigenaar van een dier, of degene die zich
daarvan bedient, is, zoolang het tot zijn gebruik verstrekt, aan-
sprakelijk wegens de schade, welke het dier heeft veroorzaakt,
hetzij het onder zijn toezicht en bewaring, dan wel verdwaald of
ontsnapt zij.
Het Wetboek van Strafrecht bevat omtrent de hiertegen be-
dreigde straffen, alsmede aangaande koop en verkoop en liet
nadeel, dat den mensen door dieren kan worden berokkend, o. a.
bepalingen in de artt. 141, 175, \'254, 285, 329, 350, 425,
427 sub 5°, 455, 459 en 401.
-ocr page 852-
826
Een afzonderlijke wet tot bescherming van dieren bestaat in
ons land niet. In het Wetboek van Strafrecht komen enkele
artikelen voor, waarbij de mishandeling van dieren met straf
wordt bedreigd. Onder dierenmishandeling wordt verstaan „iedere
voortdurende inspanning, de lichaamskrachten te boven gaande."
Hiertoe rekent men niet alleen lichamelijk lijden, waarbij de arbeid
met buitengewone inspanning of met pijn gepaard gaat, als kreu-
pelheid, maar ook vermagering en hoogen leeftijd; ten slotte kan
ook de arbeid zelf er aanleiding toe geven, dat van dierenmishan-
deling, volgens bovenstaande definitie, sprake is.
De volgende artikelen van het Wetboek van Strafrecht zijn
hierop van toepassing:
Art. 254, l8te en 2de alinea. Mishandeling van een dier wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of
geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden.
Indien het misdrijf in het openbaar wordt gepleegd, wordt
gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van
ten hoogste honderd twintig gulden opgelegd.
Art. 455, 1°., 2°. en 3". Met geldboete van ten hoogste vyl\'-
tien gulden wordt gestraft:
1°. Hij, die door dieren doet trekken of dragen een last,
welke kenlijk hun krachten te boven gaat;
2". Hij, die het vervoer door trek- of lastdieren doet plaats
hebben op een noodeloos pijnlijke of kwellende wijze;
3°. Hij, die dieren vervoert op een noodeloos pijnlijke of kwel-
lende wijze.
Art. 7 van de wet van 5 Juni 1875 (SM n". MO) stelt mis-
handeling speciaal van honden en katten strafbaar.
-ocr page 853-
TWEEDE
HOOFDSTUK.
WETSBEPALINGEN AANGAANDE BESMETTELIJKE
ZIEKTEN BIJ HET MILITAIRE PAARD.
§285.
Wet van oen 20»"=" Juli 1870 (Staatsblad n°. 131),
GEWIJZIGD UU DE WETTEN VAN 1 AUGUSTUS 1880
(Staatsblad n". 123) en van 15 Aimul 1886 (Staats-
blad 11°. 04), TOT REGELING VAN I1ET YEEARTSEN1J-
KUNDIG STAATSTOEZICHT EN DE VEEAHTSENIJKL\'NDIGE
POLITIE.
Wij Willem 111 enz. enz. enz.
Art. 13.
Wanneer zich bij eenig stuk vee verschijnselen van een be-
sinettelijke ziekle openbaren, is de houder of hoeder verplicht
daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der
gemeente, waar het vee zich bevindt.
Art. 14.
Een stuk vee, dat verschijnselen eener besmettelijke ziekte ver-
toont, moet onmiddellijk door den eigenaar, houder of hoeder van
het overige vee worden verwijderd en zoo lang afgezonderd gehouden
worden, totdat daaromtrent door den burgemeester, in overleg
met den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een
districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen met een
geëxamineerden veearts(\'), overeenkomstig de bepalingen dezer
wet zal beslist zijn.
(1) De personen, aan wie krachtens de artt. 15 ui l(i der wet van S Juli 1874
(Staatsblad n\\ 9SJ een bewijs van toelating tot uitoefening der veeartsenijkuust wordt
uitgereikt, zijn niet geëxamineerde veeartsen in den zin dezer wet; de hierin vermelde
werkzaamheden kunnen dus niet aan hen worden opgedragen. (Missive van den Minister
van liinuenlandsche Zaken aan den Commissaris des Kouings in de provincie Overijsel,
dd. 8 September 1874, n\\ 52, afd. IX.)
-ocr page 854-
828
Aht. 16.
Bij aangifte eener besmettelijke veeziekte door den eigenaar,
houder of hoeder, of wanneer een stuk vee vermoed wordt door
een besmettelijke ziekte te zijn aangetast, doet de burgemeester
onverwijld door den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen
en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende ge-
vallen door een geëxamineerden veearts het zieke vee, of dat
vermoed wordt ziek te zijn, onderzoeken. Deze geeft daarvan aan
den burgemeester schriftelijk verslag, en, zoo het geval hem blijkt
van een besmettelijken aard te zijn, brengt hij daarbij advies uit
omtrent de te nemen maatregelen tot beteugeling der ziekte, aan
welk advies de burgemeester verplicht is, overeenkomstig de be-
palingen dezer wet, onverwijld gevolg te geven, behoudens zijn
beroep op Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.
In gevallen van twijfelachtigen aard wordt aan Onzen Minister
van Binnenlandsche Zaken terstond kennis gegeven. Deze beveelt
een onderzoek en schrijft al die bij de wet toegelaten maatregelen
voor, welke door hem noodzakelijk worden geacht.
Art. 17.
Op last van den burgemeester wordt, zoo mogelijk na overleg
met den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en vaneen
districlsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen met een
geëxamineerden veearts, de hoeve, het erf, de stal of weide, waar
zich door een besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht
vee bevindt of bevonden heeft, door of in tegenwoordigheid van
een politiedienaar duidelijk kenbaar gemaakt; de kenteekenen,
daartoe gebezigd, blijven daar geplaatst gedurende een tijd, door
den burgemeester, na overleg met den districtsveearts, te bepalen,
doch niet langer dan honderd dagen na het einde van het laatste
geval.
Art. 48.
De stof, vorm en grootte van deze kenteekenen worden door
Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld en door
middel der Staatscourant ter openbare kennis gebracht.
Art. 19.
De burgemeester is verplicht om, op advies van den districts-
veearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-
-ocr page 855-
,820
plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen van een geëxamineerden
veearts, vee door een besmettelijke ziekte aangetast of daarvan
verdacht, of nadat het hersteld is , van een merkteeken te doen
voorzien.
Arer. 21.
Vervoer van vee, door een besmettelijke ziekte aangetast of
daarvan verdacht, is verboden.
Wanneer echter dit vervoer noodzakelijk is, kan de burge-
meester, den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van
een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen den
geëxamineerden veearts gehoord, het vervoer doen plaats hebben
onder de door dezen aan te wijzen voorzorgsmaatregelen.
Art. 22.
Het vee wordt verdacht gehouden, wanneer de districtsveeartsen
daaraan kenteekenen meenen te bespeuren van een besmettelijke
ziekte, wanneer het door smetstof bezoedeld kan zijn, zich met
aan een besmettelijke ziekte lijdend vee in dezelfde verblijfplaats
bevindt of sedert een termijn, voor elke ziekte in den algemeenen
maatregel van inwendig bestuur volgens art. 34 te bepalen, be-
vonden heeft, of daarmede in onmiddellijke aanraking is geweest.
De beide laatste bepalingen gelden echter alleen voor vee, dat
voor dezelfde ziekte vatbaar is, waaraan het vee lijdt, waarmede
het in dezelfde verblijfplaats is of geweest is, of waarmede het in
onmiddellijke aanraking is gekomen.
Art. 23.
Onverminderd de bepalingen der wet van 28 Augustus 1851
{Staatsblad n°. 125) voor alle andere gevallen van onteigening dan
die van besmetting bij veeziekten, wordt, wanneer afmaking van
vee noodig is, het besluit daartoe genomen door den burgemeester.
Het vermeldt den eigenaar van het vee of houdt de verklaring
in, dat de eigenaar den burgemeester onbekend is, en omschrijft
het vee; het beveelt de onmiddellijke inbeslagneming daarvan en
moet berusten op het verslag van den districtsveearts, in art. 10
bedoeld.
Aut. 24.
De afmaking geschiedt niet dan na voorafgaande onteigening.
Alvorens tot onteigening ter afmaking over te gaan, benoemt
de burgemeester een deskundige om het vee te waardeeren,
-ocr page 856-
830
waarbij moet worden in acht genomen, dat voor verdacht vee de
volle waarde, voor vee, door een besmettelijke ziekte aangetast,
de helft der waarde, die het in gezonden toestand zou hebben,
wordt berekend.
De toestand van ziek of verdacht wordt, wat de vergoeding
betreft, beoordeeld naar liet oogenblik dat het vee in het bezit
van den burgemeester overgaat.
Wanneer de burgemeester of de eigenaar of beiden geen
genoegen nemen met de waardeering (van welke omstandigheid
de burgemeester in zijn straks te noemen proces-verbaal melding
maakt), benoemt de kantonrechter terstond bij eenvoudige be-
schikking, op een verzoek van den burgemeester, twee deskundi-
gen, die met den eersten deskundige beslissen bij meerderheid.
De, hetzij volgens het tweede of volgens het vierde lid van dit
artikel, getaxeerde prijs wordt den eigenaar aangeboden en, bij
weigering of ontstentenis van den eigenaar, in handen van den
gemeente-ontvanger gedeponeerd. Voor het doen der in dit artikel
vermelde aanbieding, zijn de vormen, voorgeschreven bij het Bur-
gerlijk Wetboek en het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering,
niet toepasselijk; de aanbieding wordt, evenals de andere in dit
artikel genoemde handelingen des burgemeesters, of die, waarbij
deze tegenwoordig is, geconstateerd bij proces-verbaal van den
burgemeester op zijn ambtseed opgemaakt.
Zoowel de burgemeester als de eigenaar kan vorderen, dat de
deskundige of ieder der deskundigen, alvorens te waardeeren,
den eed of de belofte aflegge van naar zijn beste weten de waar-
deering te zullen doen. Deze eed of belofte wordt in handen van
den burgemeester afgelegd.
Hij afwezigheid van den eigenaar wordt hij, ten opzichte dei-
bepalingen van dit artikel, vervangen door zijn gemachtigde ter
plaatse waar het vee zich bevindt, of zoo deze ontbreekt, door
den houder of hoeder van het vee. De koopprijs wordt evenwel
ten behoeve van afwezige eigenaars altijd gedeponeerd bij den
gemeente-ontvanger.
Art. 25.
Wanneer tot afmaking moet worden overgegaan, of ziekte-
gevallen zijn voorgekomen, die daartoe aanleiding hadden kunnen
geven, is de burgemeester verplicht te onteigenen en te vernie-
tigen de voorwerpen, door den districtsveearts of, bij afwezigheid
van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoed-
-ocr page 857-
o
831
eischende gevallen door een geëxamineerden veearts aan te wijzen.
Deze onteigening geschiedt op de wijze in art. 24 vermeld. Het
besluit daartoe wordt genomen op gelijke wijze als dat in art. 23
bedoeld, en daarbij kan de inbeslagneming der voorwerpen be-
volen worden.
Art. 26.
De eigenaar van volgens deze wet afgemaakt vee of van
onteigende voorwerpen in art. 25 genoemd, die den aangeboden
prijs niet heeft aangenomen, kan dien nog gedurende zes maan-
den bij den gemeente-ontvanger in ontvangst nemen.
Na verloop van dezen termijn wordt de som in de kas der
gerechtelijke en vrijwillige consignatiën gestort. Het bewijs van
uitbetaling aan den rechthebbende of van storting in de con-
signatiekas wordt door den gemeente-ontvanger aan de Algemeene
Rekenkamer gezonden.
Voor het overbrengen der gelden naar de consignatiekas zijn
de vormen, voorgeschreven bij art. 1442 van het Burgerlijk Wet-
boek, niet toepasselijk.
De onteigende kan zich, gedurende vijf jaren na de consignatie,
aan de consignatiekas aanmelden om alsnog de som te ontvangen.
In dat geval worden hem de kosten van overbrenging in con-
signatie, door het Rijk voorgeschoten, gekort.
Na verloop van deze vijf jaren is de vordering van den eigenaar
verjaard en vervalt de som aan het Rijk. De kosten blijven in
dat geval ten laste van het Rijk.
Art. 27.
De aanspraak op vergoeding wegens de onteigeningen krachtens
de artt. 24 en 25 vervalt, wanneer de bij art. 13 voorgeschreven
aangifte of de bij art. 14 voorgeschreven afzondering is verzuimd,
of wanneer de eigenaar binnen den verboden termijn vee heeft
gebracht of doen brengen op stallen, hoeven of weiden, waar
een besmettelijke ziekte heeft geheerscht, of op eenige andere
wijze zijn vee opzettelijk in verdachten toestand heeft gebracht of
doen brengen.
In geval van bevinding van een dezer strafbare feiten, wordt de
vergoeding wel volgens art. 24 en 25 bepaald, maar bij den ge-
meenteontvanger gesequestreerd tot na afloop van die strafzaak.
-ocr page 858-
«
832
In geval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging begint
de termijn, veimeld in de eerste alinea van art. 26, van de uit-
spraak van het eindvonnis.
In dat geval zendt de gemeente-ontvanger met de quitantie
van den onteigende een ongezegeld afschrift van het eindvonnis,
waarbij de strafzaak in diens voordeel is uitgewezen, aan de
Algemeene Rekenkamer.
Art. 28 zegt, dat de schadevergoeding uit de gemeentekas
wordt voorgeschoten en handelt over de wijze van verrekening
met de Rekenkamer.
Art. 29.
Wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld,
worden besmette hoeven of weiden, zoo noodig met inbegrip der
naast aangelegen landerijen of erven, op last van den burgemeester,
die daartoe de hulp van de militaire macht kan inroepen, afge-
sloten.
Vervoer uit en naar het in dien afgesloten kring besloten ter-
rein van de voorwerpen, bij den algemeenen maatregel van inwen-
dig bestuur, bedoeld in art. 34, aangewezen, is verboden.
Uitzonderingen op dit verbod kunnen in zeer bijzondere gevallen
door Onzen Commissaris in de provincie worden verleend.
De kleederen der personen, die het bovengemelde terrein ver-
laten, worden vooraf ontsmet.
Art. 31, alin. 1, 2 en 3.
Omtrent de verplichting tot en de plaats en wijze van begraven,
verbranden of op andere wijze vernietigen van liet volgens deze
wet afgemaakte of aan een besmettelijke ziekte gestorven vee,
en van andere voorwerpen en de ontsmetting der stallen en andere
gebouwen en onschadel\'ykmaking van mestvaalten, worden de
voorschriften gevolgd, door Ons gegeven of te geven.
De ontsmetting heeft plaats ten koste van het Rijk op aanwy-
zing en onder toezicht van den districtsveearts.
De ontsmetting behoort afgeloopen te zijn binnen 14 dagen
nadat het laatste ziektegeval is geconstateerd. Deze termijn kan
door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken waar dit noodig
blijkt, worden verlengd.
-ocr page 859-
833
Art. 32.
In gebouwen of op weiden, erven of lioeven, waar vee staat
of gestaan heeft, hetwelk aan een besmettelijke ziekte lijdt of
geleden heeft, mag geen vee gebracht worden gedurende een
termijn, voor elke ziekte te bepalen in den algemeenen maatregel
van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld.
Art. 33.
De burgemeester, al of niet vergezeld van het door hem noodig
gekeurde personeel, is bevoegd de weiden, stallen en woningen
der eigenaars, houders of hoeders van vee, zelfs zonder hun
toestemming, tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden
ter uitvoering van de bepalingen dezer wet of van de krachtens
deze wet uitgevaardigde besluiten.
Art. 34.
Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur,
een commissie van deskundigen gehoord, aangewezen welke ziekten
van het vee voor besmettelijk worden gehouden, waarbij tevens
wordt vastgesteld, welke der in deze wet genoemde maatregelen
bij het heerschen of bij het dreigen van elk dier ziekten moeten
toegepast worden.
Art. 42, 1°.
In deze wet wordt verstaan:
1". door vee: de eenhoevige en de herkauwende dieren en de
varkens.
§ 28G.
Bekendmaking van hen Minister van Dinnenland-
sciiE Zaken van 24December 1870: Kenteekenen
te bezigen voor hoeven, erven, stallen 01
weioen, waar zich hoor een besmettelijke
ziekte aangetast of daarvan verpacht vee
bevindt of bevonden heeft.
De Minister van Dinnenlandsche zaken,
Gelet op art. 18 der wet van 20 Juli ]810 (Staatsblad n". 131),
Heeft goedgevonden te bepalen :
53
-ocr page 860-
834
1°. Dat de kenteekenen gebezigd om, volgens art. 17 dier wet,
hoeven, erven, stallen of weiden aan te wijzen, waar zich door
een besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht vee be-
vindt of bevonden heeft, zullen bestaan uit borden van ruw hout ,
aan een zijde glad geschaafd. Deze borden zullen den vorm heb-
ben van een rechthoek , waarvan de lange zijde een lengte heeft
van acht decimeter, de korte van vier decimeter. Op de glad-
geschaafde zijde worden met zwarte verf de woorden Besmettelijke
veeziekte
geplaatst. De letters moeten een lengte hebben van één
decimeter en een dikte van drie centimeter.
Wanneer de districtsveearts het noodig acht den naam der
ziekte te vermelden, wordt deze op het bord geplaatst.
2°. Dat de sub 1 bedoelde borden op zoodanige plaatsen, als
door den burgemeester, na overleg met den districtsveearts zullen
worden aangewezen, ter hoogte van minstens twee en een halven
meter boven den beganen grond, met spijkers zullen worden
vastgehecht, zoo mogelijk aan daartoe geschikte voorwerpen, of,
zoo de gelegenheid daartoe ontbreekt, aan houten palen die te
dien einde in den grond worden geplaatst.
! 287.
Wet vax DEN Juni 1875 {Staatsblad n°. 94),
HOUDENDE BEPALINGEN BETREFFENDE DE VEEART-
SEXIJKUNDIGE POLITIE TEN OPZICHTE VAN\' PAARDEN
VAN HET LEGER, IN VERBAND MET DE WET VAN
20 Juli 1870 (Staatsblad n". 131), zooals DIE
IS GEWIJZIGD BIJ DE WET VAN 15 APRIL 1886
(Staatsblad n". 64).
Wij Willem III enz. enz. enz.
Art. 1.
Bij het voorkomen van een besmettelijke ziekte onder de tot
het leger behoorende paarden, officierspaarden, voor zooverre zij
zich bevinden in stallen, bestemd voor paarden van het leger,
of met deze te zamen weiden, daaronder begrepen, treedt, voor
de toepassing van de artt. 13, 14, 16, 17, 19, 21, 22, 23, 24,
25, 26, 27, alinea 1, 2 en 3 van art. 31 en art. 33 der wet van
20 Juli 1870 (Staatsblad n". 131), de plaatselijke- of garnizoens-
commandant, daar waar de paarden zich bevinden, in de plaats
van den burgemeester en de hoogste in rang aanwezige militaire
paardenarts in de plaats van den disliïctsveearts.
-ocr page 861-
835
Doet zich het ziektegeval voor bij een paard, tijdens de troep,
waarbij het behoort, gekampeerd of ingekwartierd is, dan wordt
de ter plaatse bevelvoerende officier voor de toepassing van deze
wet gelijk gesteld met den garnizoens-commandant.
Bij ontstentenis van een militairen paardenarts wordt de wet
door den burgemeester en den districtsveearts toegepast.
"Wanneer de districtsveearts of die hem vervangt, of de in dit
artikel bedoelde paardenarts de onteigening noodig oordeelt van
een paard of van voorwerpen, toebehoorende aan den ter plaatse
commandeerenden officier of aan gemelden paardenarts zelven,
geschiedt de onteigening door den burgemeester.
Artt. 2 en 3 handelen over eedsaflegging door den paardenarts
en zijn bevoegdheid tot het opmaken van proces-verbaal bij over-
treding dezer wet.
Art. 4.
De in art. 1 vermelde commandeerende officier doet, wanneer
een of meer paarden door een besmettelijke ziekte zijn aangetast
of daarvan verdacht worden, hiervan binnen 24 uur nadat dit
te zijner kennis is gekomen, mededeeling aan den burgemeester
der gemeente, waarin de paarden zich bevinden, met opgave van
de ziekte en van het getal der aangetaste of verdachte paarden.
Art. 5.
In gevallen van twyfelachtigen aard of bij verschil van gevoelen
tusschen den in art. 1 bedoelden commandeerenden officier en
den militairen paardenarts, geeft eerstgemelde terstond daarvan
kennis aan Onzen Minister van Oorlog. Deze beveelt een onder-
zoek en schrijft alle de bij de wet bedoelde maatregelen voor,
welke door hem noodzakelijk worden geacht.
Art. 6.
Bij de onteigeningen ter zake van het voorkomen van een be-
smettelijke ziekte onder de paarden, op welke art. 1 toepasselijk
is, hun afmaking, begraving, verbranding of onschadelykmaking
en bij de zuivering en ontsmetting van stallen en andere gebou-
wen, waarin zich die paarden bevonden hebben, is art. 28 dei-
wet van 20 Juli 4870 (Staatsblad n". 131) niet van toepassing.
-ocr page 862-
S.%
Alle kosten van onteigening van dienstpaaiden en voorwerpen
van officieren, alle kosten van ontsmetting en alle verdere uit-
gaven, welke gedaan worden ten gevolge van het voorkomen van
besmettelijke ziekten onder de tot liet leger behoorende paarden,
de dienstpaaiden van officieren daaronder begrepen, komen ten
laste van bet Rijk en wolden geleden op bet hoofdstuk der Staats-
begrooting voor liet Departement van Oorlog.
Art. 7 handelt over den verkoop van reformpaarden (zie bl. 781).
Art. 8 bevat bepalingen omtrent rapporten, door den Inspecteur
van den geneeskundigen dienst der landmacht aan den Minister
van Oorlog, jaarlijks vóór 1 April te zenden, aangaande de toe-
passing dezer wet.
§ 288.
Missive van den Minister van Binnenlandsche
Zaken van 21 Juni 1875, hetrekkellik de in-
voering her wet van 2 Juni 1875 (Staatsblad
n°. 9i), houdende hepaltngen betreffende de
VEEARTSENI.1KUNDIGE POLITIE TEN OPZICHTE VAN
PAARDEN VAN HET LEGER.
Ik heb de eer V te verzoeken de burgemeesters in Uw pro-
vincie te herinneren, dat enz.
Indien volgens art. 4 dier wet de burgemeester van den com-
mandeerenden officier bericht ontvangt van het verschijnen eener
besmettelijke ziekte onder militaire of officierspaarden, behoort
hij, ingeval andere paarden in de gemeente met besmette of ver-
dachte militaire paarden in aanraking zijn geweest of er om
andere redenen gevaar van verbreiding van besmetting is te duch-
ten, het advies van den districtsveearts in te winnen omtrent de
daartegen te nemen maatregelen. Van de volgens dat artikel inge-
komen berichten behoort hij in elk geval kennis te geven aan
den districtsveearts. Evenzoo behoort de burgemeester aan dien
districtsveearts kennis te geven van voorgenomen verkoopingen
van militaire paarden , zoodra hij van den korps-commandant daar-
van bericht heeft ontvangen.
Gelief deze voorschriften aan de burgemeesters mede te deelen
en hun stipte naleving daarvan aan te bevelen.
-ocr page 863-
837
§ \'289.
VoOllSCIIKirT VAN DEN MlNISTKR VAN OoiU.OG VAN
21 Mei 1890, l«te Afd., Secretariaat N°. 61, om-
TRENT DE AUTORITEIT, UEVOEGI) TOT HET NEMEN
VAN MAATRFGELEN BIJ BESMETTELIJKE ZIEKTEN ONDER
DE PAARDEN VAN HET LEGER.
De Minister van Oorlog,
Ontwaard hebbende, dat verschil van opvatting bestaat omtrent
de vraag, welke autoriteit, bij het voorkomen van een geval van
besmettelijke ziekte onder de paarden van het leger, bevoegd is
tot het nemen van de noodige maatregelen tot ontsmetting van
den stal of het gebouw, waar het door de ziekte aangetaste
paard heeft gestaan;
Heeft goedgevonden te bepalen, dat, wanneer onder de paarden
van het leger (officierspaarden en paarden der marechaussee daar-
onder begrepen) een geval van besmettelijke ziekte is voorgekomen,
tengevolge waarvan de stal of het gebouw, waar het dier gestaan
heeft, op grond van het Koninklijk besluit van 27 Maart 1888
(Staatsblad n°. 67), in verband met de wetten van 2 Juni 1875
(Staatsblad n°. 94) en van 20 Juli 1870 (Staatsblad n°. 131), moet
worden ontsmet, de eerstaanwezend-paardenarts daarvan mede-
deeling doet aan den plaatselijke- of garnizoens-commandant, die
daarvan kennis geeft aan den eerstaanwezend-ingenieur of den
zelfstandig dienstdoenden opzichter van fortificatiën, door welken
laatsten daarop tot ontsmetting de maatregelen worden genomen,
welke de eerstaanwezend-paardenarts noodig oordeelt.
§ 290.
Voorschrift van den Minister van Oorlog van
24 Juli 1883, {*• Afd., Secretariaat n°.22,ter
voorkoming van besmettelijke ziekten onder de
paarden van het leger.
De Minister van Oorlog,
liet wenschelyk achtende, ter voorkoming van ziekten onder de
paarden van het leger, nadere voorschriften te geven.
-ocr page 864-
838
Gelet up de wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad n°. 131) enz.
Heeft goedgevonden te bepalen :
Wanneer het Departement van Oorlog in kennis is gesteld niet
bet feit, dat in een gemeente van het Rijk kwade-droes, huidworm,
miltvuur
of dierenschurft, of wel influenza — hoewel deze laatste
ziekte niet onder de besmettelijke veeziekten wordt gerekend —
onder de paarden voorkomt, worden door genoemd Departement
aan den Chef van den generalen staf, den Inspecteur der cavalerie,
den Inspecteur der artillerie, den Commandant der bereden
artillerie, de Divisie commandanten en den Gouverneur der Ko-
ninklyke Militaire Academie (\') al zoodanige mededeelingen ver-
strekt, welke noodig zijn om hen van het ontstaan, de uitgebreidheid
en het eindigen der ziekte op de hoogte te stellen.
Gemelde autoriteiten dragen zorg, dat bij het verplaatsen van
troepen met het bestaan der hun medegedeelde ziekte worde
rekening gehouden en wel in dier voege, dat, wanneer die ziekte
slechts sporadisch voorkomt, de paarden van de militairen, die
in de gesignaleerde gemeente kwartier moeten houden, niet on-
dergebracht worden in de onmiddellijke nabijheid van een stal,
waarin een dier, aan de ziekte lijdende, of daarvan verdacht,
verblijf houdt of — binnen den termijn , voor die ziekte bepaald
bij artikel 8 van het Koninklijk besluit van 14 Maart 1880 {Staats-
blad
n". 31)(!) en wanneer het influenza mocht betreffen, in de
laatste acht dagen — gestaan heeft.
Bij het meer algemeen heerschen van een der gemelde ziekten
in eenige gemeente des Rijks of in een bepaald onderdeel eener
gemeente, moet het onderbrengen van paarden aldaar geheel ver-
meden worden (Sec. Mil. 1883, bl. 371).
§ 291.
Bij beschikking van den Minister van Oorlog
van 15 Juni 1894, lBt« Afd. , n°. 35, is besloten,
TEN VERVOLGE OP DE MlNISTERIKELE BESCHIKKINGEN
van 24 Juli 1883, i«* Afd., n°. 22 (N. B. U. bl.
809) en van lü Adril 1885, 1* Afd., n°. 99
(N. B. U. bl. 881), te bepalen:
lü. Bij het heerschen van influenza onder de paarden van
eenig garnizoen mogen geen paarden in de Rijksstallen aldaar
(1)    Aan laatstgemeMe autoriteit ingevolge baschikking van den Minister van
Oorlog van 10 April 1885, II*« AfJeeling, Generale staf n°. 99.
(2)    Vervangen door het Kon. besluit van 27 Maart 1888 (Staatsblad u\\ 67)
(zie volgende §).
-ocr page 865-
83\')
worden opgenomen en geen paarden, behoorende tot dat garnizoen ,
naar een ander garnizoen worden vervoerd, zoolang de epizoötie
niet is geëindigd;
2". Een epizoötie van influenza wordt gerekend te zijn geëindigd,
wanneer gedurende een termijn van vijftien dagen nadat het laatste
geval van gemelde ziekte door herstel of door den dood is ge-
eindigd, geen nieuw geval ter plaatse is voorgekomen;
3°. Bijaldien in een stal of gebouw een geval van influenza
onder de paarden van het leger (officierspaarden en paarden dei\'
marechaussee daaronder begrepen) is voorgekomen, moet, ten
aanzien van de ontsmetting, gehandeld worden overeenkomstig
het gestelde in de dezerzydsche beschikking van 21 Mei 4890,
1"« Afd., n". 61 (N. B. IJ. bl. 1094).
S 292-
Koninklijk besluit van dek 27Bten Maakt 1888
(Staatsblad n°. 67), WAARBIJ NADER WORDT BEPAALD
WELKE ZIEKTEN VAN HET VEE VOOR BESMETTELIJK
WORDEN GEHOUDEN EN WELKE DER IN DE WET VAN
20 JüLI 1870 (Staatsblad n°. 131) genoemde maat-
regelen BIJ HET DREIGEN OF HEERSCHEN VAN ELK
DIER ZIEKTEN MOETEN TOEGEPAST WORDEN. (Z0OALS
dat bij de besluiten van 42 Mei 1889 (Staatsblad
n". 62), 9 October 4889 (Staatsblad n". 128), 20 Mei
4890 (Staatsblad n". 92) en van 17 November 1892
(Staatsblad n°. 254) is gewijzigd en aangevuld.]
Wij Willem III enz. enz. enz.
§!•
Üe ziekten van liet vee, welke vuur besmettelijk worden gehouden.
Art. 1 (gedeeltelijk).
Voor besmettelijk worden gehouden de volgende ziekten van
het vee:
4°. De kwade-droes en huidworm bij de eenhoevige dieren;
5U. De schurft (sarcoptes-schurft en dermatocoptes-schurft) bij
de eenhoevige dieren en de schapen;
9°. Het miltvuur bij alle vee;
10u. De hondsdolheid bij alle vee.
-ocr page 866-
840
§2.
Maatregelen welke te<jen elk der beismeUelijke veeziekten toegepast
moeten of kunnen worden.
Art. 2.
Onverminderd de verplichte aangifte, voorgeschreven in art. 13
en de verwijdering en afzondering, voorgeschreven in art. 14 dei-
wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad n°. 131), moeten bij elk der in
art. 1 van dit besluit genoemde veeziekten, de volgende, in de
daarbij vermelde artikelen der aangehaalde wet genoemde maat-
regelen worden toegepast:
1°. het plaatsen der kenteekenen, bedoeld in art. 17;
2°. het verbod van vervoer van vee, door een besmettelijke
ziekte aangetast of daarvan verdacht, behoudens vergunning van
den burgemeester (art. 21);
3U. ontsmetting volgens de door Ons gegeven of te geven voor-
schriften (art. 31);
4". het verbod van gedurende een termijn, bij dit besluit voor
elke besmettelijke ziekte bepaald, vee te brengen in gebouwen of
op weiden, erven of hoeven, waar vee staat of gestaan heeft.dat
aan een besmettelijke ziekte lijdt of geleden heeft (art. 32).
Art. 3.
Indien een aan een besmettelijke ziekte lijdend stuk vee is
gestorven, is de houder of hoeder verplicht daarvan onmiddellijk
kennis te geven aan den burgemeester der gemeente waar het
gestorven dier zich bevindt.
Vee en overblijfselen van vee, dat aaneen besmettelijke ziekte
lijdende is gestorven, moeten door de zorg en — behoudens het
bepaalde in het derde lid van dit artikel — op kosten van den
eigenaar, zoo spoedig mogelijk na de in het vorig lid bedoelde ken-
nisgeving binnen een door den burgemeester te bepalen termijn
worden verbrand, begraven of op andere wijze, door den districts-
veearts of districtsveearts plaatsvervanger te bepalen, onschadelijk
gemaakt.
De brandstollen en andere benoodigdheden, voor het verbranden
te bezigen, de bij het begraven te gebruiken ontsmettingsmid-
delen benevens — voor zooveel dit noodig is — hulp en opzicht
bij het verbranden of begraven, worden den eigenaar door den
burgemeester op Rijkskosten verstrekt.
-ocr page 867-
841
Schadeloosstelling voor het gestorven dier of de overblijfselen
daarvan wordt niet gegeven, behoudens:
a.  dat in de gevallen en naar den maatstaf, door den Minister
van Binnenlandsche Zaken te bepalen, door den burgemeester op
Rijkskosten een gedeeltelijke schadevergoeding wordt gegeven voor
de huid van het dier;
b.  dat de Minister van Binnenlandsche Zaken in bijzondere
gevallen een door hem te bepalen schadeloosstelling uit \'s Rijks kas
kan toekennen aan den eigenaar van een dier, dat is ingeënt en
binnen een door den Minister gestelden termijn is gestorven,
volgens de verklaring van een geëxamineerden veearts, lijdende
aan de ziekte waartegen het was ingeënt. (\')
Art. 4.
Indien een stuk vee, dat naar luid van art. 22 der aangehaalde
wet van een besmettelijke ziekte verdacht wordt gehouden, is
gestorven, is de houder of hoeder verplicht hiervan onmiddellijk
kennis te geven aan den burgemeester der gemeente waar het
gestorven dier zich bevindt.
Deze doet onverwijld aan den districtsveearts of districtsveearts-
plaatsvervanger of, bij afwezigheid van dezen, door een geöxami-
neerden veearts het gestorven dier onderzoeken. Als bij dit onder-
zoek niet duidelijk blijkt, dat het dier niet door een besmettelijke
ziekte aangetast was, moet het gestorven dier of moeten de
overblijfselen daarvan worden onschadelijk gemaakt, overeenkom-
stig het bepaalde in art. 3 van dit besluit.
Art. 5.
Bij elk der in art. 1 van dit besluit genoemde ziekten moeten
de volgende in de daarbij vermelde artikelen der wet van 20 Juli
1870 {Staatsblad n°. 131) genoemde maatregelen worden toege-
past: 1°. wanneer dit door een districtsveearts of districtsveearts-
plaatsvervanger of, bij afwezigheid van dezen, in spoedeischende
gevallen door een geëxamineerden veearts noodig wordt geoordeeld,
het merken van ziek of verdacht of hersteld vee (art. 49); 2°. op
last van een districtsveearts of districtsveearts-plaatsvervanger, de
afsluiting van besmette hoeven of weiden en der naast aangelegen
landerijen of erven en de ontsmetting van de kleederen der per-
sonen die het afgesloten terrein verlaten (art. 29).
(1) Dit artikel is aldus gewijzigd brj besluit vau 12 Mei 1889 {SIaalsblad n\\ 63).
-ocr page 868-
842
§6.
Maatregelen legen den kwade-droes en huidworm bij de
cenhoeoige dieren.
Art. 38.
De zieke dieren moeten worden afgemaakt en daarna verbrand,
begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen,
onschadelijk gemaakt.
Art. 39.
In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districtsveearts,
moeten dieren die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen die zij
vertoonen, worden afgemaakt. De afmaking van zieke dieren kan
op dienovereenkomstig advies van den districtsveearts worden
gestaakt.
Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de
districtsveearts de bevelen van Onzen Minister van Binnenlandsche
Zaken.
De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870 (Staats-
blad
nu. 131), wordt gesteld op 30 dagen.
Art. 40.
Zieke dieren of dieren die verdacht zijn wegens ziekteversch\'yn-
selen die zij vertoonen, moeten, wanneer en zoolang als zij niet
worden afgemaakt, afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.
Art. 41.
Ten opzichte van*zieke en verdachte dieren, die geslacht zijn,
gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit
ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.
Art. 42.
De plaats in den stal of het gebouw, waar een ziek dier ge-
staan heeft, moet worden ontsmet.
Wanneer de districtsveearts het noodig oordeelt, moet de stal
geheel of gedeeltelijk worden ontsmet.
-ocr page 869-
843
Art. 43.
In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren
gestaan hebben, mogen geen eenhoevige dieren gebracht worden
gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag
waarop het laatste ziektegeval door den dood of de afmaking is
geëindigd , en in elk geval eerst na geheelen alloop der ontsmetting.
Art. 44.
Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden ingevolge
liet 2(1° lid van art. 5 van dit besluit, is verboden: invoer in en
uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren.
Maatregelen legen de schurft (sarcuptes-schurft en dermatucoptes schurft)
bij de eenhoevige dieren en de schapen.
Art. 45.
De zieke of verdachte eenhoevige dieren moeten van de overige\'
eenhoevige dieren afgezonderd worden gehouden.
Art. 47.
De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 2U Juli 1870
{Staatsblad n°. 131) wordt gesteld op 15 dagen.
Art. 48.
Eigenaars van zieke of verdachte dieren zijn bevoegd deze te
slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der
politie.
De huiden der geslachte dieren moeten worden ontsmet of,
volgens aanwijzing van den districtsveearts of districtsveearts-
plaatsvervanger , op andere wijze onschadelijk gemaakt.
Art. 49.
De plaats in den stal of het gebouw waar een ziek eenhoevig
dier en de stal of het gebouw waarin zieke schapen gestaan hebben,
moeten worden ontsmet.
-ocr page 870-
8U
Art. 50.
In gebouwen of op weiden , erven of hoeven, waar zieke dieren
gestaan hebben, mogen onderscheidenlijk geen schapen ofeenhoevige
dieren gebracht worden gedurende een termijn van 5 dagen, te
rekenen van den dag waarop het laatste ziektegeval door de her-
stelling , het sterven of slachten is geëindigd, en wat de gebouwen
betreft, in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.
Het oogenblik waarop deze termijn voor het geval van herstelling
begint te loopen, wordt door den distri ets veearts vastgesteld b\'y
schriftelijke gedagteekende verklaring, die aan den belanghebbende
kosteloos wordt uitgereikt.
De districtsveearts kan in bijzondere gevallen bepalen dat terstond
na afloop der ontsmetting van besmette plaatsen in een gebouw,
zoo noodig onder voorwaarden van afsluiting dier plaatsen, de in
het eerste lid van dit artikel bedoelde termijn eindigt voor het
overige gedeelte van het gebouw (\').
Art. 51 (gedeeltelijk).
Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden ingevolge
het 2io lid van art. 5 van dit besluit, is verboden: bij schurft van
eenhoevige dieren, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring
van eenhoevige dieren, en uitvoer uit den afgesloten kring van
niet ontsmette huiden van eenhoevige dieren.
§ IL
Maatregelen tegen het miltvuur bij alle vee.
Art. 75.
De zieke dieren moeten van het overige vee afgezonderd worden
gehouden.
Insgelijks moeten van het overige vee afgezonderd worden ge-
houden dieren, welke verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen
die zij vertoonen.
De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870
(Staatsblad n°. 131), wordt gesteld op 10 dagen.
(1) De laatste alinea van dit artikel is aan liet artikel toegevoegd bij besluit van
13 Mei 1889 (Staatahlad nu. 63).
-ocr page 871-
845
Art. 76.
In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den dislricts-
veearts, kan afmaking van zieke of verdachte dieren worden be-
volen. Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid
volgt de districtsveearts de bevelen van Onzen Minister van Rin-
nenlandsche Zaken.
De afgemaakte zieke dieren, alsmede de afgemaakte verdachte
dieren van welke na de afmaking blijkt, dat zij aan miltvuur
geleden hebben, moeten worden verbrand, begraven of op andere
wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.
Art. 77.
Ten opzichte van zieke of verdachte dieren die geslacht zijn,
of dieren waarvan na de slachting blijkt dat zij door de ziekte
waren aangetast, gelden de bepalingen, die bij art. 3 van dit
besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.
Art. 78.
De plaats in den stal of het gebouw, waar zich zieke dieren
bevonden hebben, moet onmiddellijk worden ontsmet.
Waar de districlsveearts het noodig oordeelt, moet ontsmetting
plaats hebben ook van andere gedeelten van den stal of het
gebouw of van den geheelen stal.
Art. 79.
In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke
dieren gestaan hebben, mag geen vee gebracht worden gedurende
een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag waarop het
laatste ziektegeval door herstel, dood of afmaking is geëindigd,
en in elk geval eerst na geheelen afloop der ontsmetting van
besmette plaatsen in die gebouwen.
Het oogenblik waarop deze termijn, voor het geval van her-
stelling, begint te loopen, wordt door den districtsveearls vast-
gesteld bij schriftelijke gedagleekende verklaring, die aan den
belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.
-ocr page 872-
846
Art. 80.
Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge
het 2do lid van art. 5 van dit besluit, is verboden: invoer in en
uitvoer uit den afgesloten kring van vee, alsmede uitvoer uit
den afgesloten kring van melk, daar waar en zoolang en voor
zoover als dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht.
Art. 81.
Inenting is alleen geoorloofd als de eigenaar van de in te
enten dieren daartoe een schiftelijke vergunning bekomen heeft
van den burgemeester der gemeente, waar de inenting zal plaats
hebben.
De vergunning wordt verleend op advies van den districts-
veearts, en onder de door dezen te stellen voorwaarden.
De ingeente dieren worden voor verdacht gehouden totdat de
uitwerking der inenting afgeloopen is; en ingeval de inenting
zonder merkbare uitwerking bluft, gedurende 10 dagen na de inen-
ting. Waar de districtsveearts het noodig oordeelt, heeft ont-
smetting plaats volgens art. 78 van dit besluit.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is bevoegd in bijzondere
gevallen de inenting op Rijkskosten te doen plaats hebben.
8 12.
Maatregelen tegen de hondsdolheid bij alle vee.
Art. 82.
De zieke dieren moeten worden afgemaakt en daarna verbrand ,
begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen,
onschadelijk gemaakt.
Totdat zij worden afgemaakt, moeten zij afgezonderd worden
gehouden van alle ander vee.
Art. 83.
Dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen welke zij
vertoonen , moeten van het overige vee afgezonderd worden gehouden.
-ocr page 873-
847
Wanneer op advies van den districtsveearts of districtsveearts-
plaatsvervanger, of, bij ontstentenis van dezen, van een geëxami-
neerden veearts, de burgemeester het noodig oordeelt, wordt met
de verdachte dieren gehandeld als in het vorig artikel omtrent
de zieke dieren is voorgeschreven.
Art. 84.
Ten opzichte van zieke of verdachte dieren die geslacht zijn,
gelden de bepalingen die bij de artt. 3 en 4 van dit besluit ten
aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.
Art. 85.
De plaats in den stal of het gebouw, waar een afgpmaakt of
gestorven dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.
Art. 86.
In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren
gestaan hebben, mag geen vee gebracht worden gedurende een
termijn van 3 dagen, te rekenen van den dag waarop het laatste
ziektegeval door dood of afmaking is geëindigd en in elk geval
eerst na geheelen afloop der ontsmetting van de besmette plaatsen
in die gebouwen.
Art. 87.
Bij afsluiting van besmette hoeven of weiden, ingevolge het
2de lid van art. 5 van dit besluit, is verboden : uitvoer uit den
afgesloten kring van vee, honden en katten, alsmede van melk,
afkomstig van zieke dieren en van dieren die verdacht zijn wegens
ziekteverschijnselen welke zij vertoonen.
De honden en katten, binnen dien kring aanwezig, moeten
worden gedood en de overblijfselen daarvan verbrand, begraven
of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onscha-
iltTijk gemaakt.
Door de bepalingen van deze paragraaf wordt in geen opzicht te
kort gedaan aan de voorschriften der wet van 5 Juni 1875
(Staatsblad n". 110) betreffende de hondsdolheid.
-ocr page 874-
818
§ 13.
A Igemeenc bepalingen.
Art. 88.
Vee, Hat door de districtsveeartsen, wegens kenteekenen, die
zij daaraan meenen te bespeuren, volgens art. 22 der wet van 20
Juli 1870 {Staatsblad n". 4.11) gehouden wordt voor verdacht (van
ziekte verdacht vee)
, blijft verdacht totdat die kenteekenen opge-
houden hebben te bestaan.
Het ophouden van den toestand van verdachtheid van aan een
besmettelijke ziekte te lijden wordt door den districtsveearts vast-
gesteld bij gedagteekende schriftelijke verklaring, die aan den be-
langhebbende kosteloos wordt uitgereikt.
Art. 89 (gedeeltelijk).
Vee, dat zonder kenteekenen eener besmettelijke ziekte te
vertoonen, door de districts veeartsen volgens art. 22 der wet van
20 Juli 1870 (Staatsblad n". 131) gehouden wordt voor verdacht
(van besmetting verdacht vee),
blijft verdacht gedurende een termijn
van:
bij kwade-droes en huidworm                 30 dagen.
bij schurft                                                15 »
bij miltvuur                                              10 »
bij hondsdolheid van eenhoevige dieren 4 maanden.
Alle termijnen te rekenen van den dag waarop het vee, naar
het oordeel van den districtsveearts, liet laatst in de gelegenheid
is geweest om besmet te worden.
De dag waarop deze termijn begint te loopen, wordt door den
districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke gedagteekende verklaring,
die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.
Art. 90.
Wanneer vee, door een besmettelijke ziekte aangetast of daar-
van verdacht, krachtens de bepaling van het eerste lid van art. 5
van dit besluit van een merkteeken is voorzien, doet de burge-
meester, op advies van den districtsveearts, dit merkteeken on-
kenbaar maken, als de reden voor het merken opgehouden heeft
te bestaan.
-ocr page 875-
849
§293.
Besluit van den 9*"» JüNI 1885 {Staatsblad n°. 125),
HOUDENDE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE HET
REGRAVEN, VERRRANDEN OF OP ANDERE WIJZE VER-
NIETIGEX VAN HET VOLOENS DE WET VAN 20 JULI
1870 {Staatsblad n°. 131) afgemaakt, aan een be-
SMETTELIJKE ZIEKTE GESTORVEN OF WEGENS ZOO-
DANIGE ZIEKTE GESLACHT VEE, OF VOLGENS DE
wet van 5 Juni 1875 {Staatsblad n°. 110) afge-
MAAKTE HONDEN F.N KATTEN, EN VAN ANDERE
VOORWERPEN EN DE ONTSMETTINO VAN STALLEN EN
ANDERE GEBOUWEN EN HET ONSCHADELIJK MAKEN
VAN MESTVAALTEN.
Wij Willem III, enz.
Art, 1.
Omtrent het begraven, verbranden of op andere wijze ver-
nietigen van aan een besmettelijke ziekte gestorven of wegens
zoodanige ziekte geslacht of volgens de wet van 20 Juli 1870
{Staatsblad n°. 131) afgemaakt vee, van aan dolheid gestorven of
wegens dolheid gedoode of volgens de wet van 5 Juni 1875
{Staatsblad n°. 110) afgemaakte honden en katten en van besmette
voorwerpen; het ontsmetten van stallen en andere gebouwen,
van huiden van dieren, van kleederen van personen, en andere
voorwerpen, alsmede van veewagens en ladingsterreinen van spoor •
en tramwegen, en het onschadelijk maken van mestvaalten,
gelden de bij dit besluit gevoegde voorschriften, die geacht worden
daarmede een geheel uit te maken.
Art. 2.
Onze besluiten van 4 December 1870 {Staatsblad n°. 191) en
6 April 1882 {Staatsblad n°. 49) zijn ingetrokken.
Voorschriften betreffende:
1°. Het begraven, verbranden of op andere wijze ver-
nietigen van aan een besmettelijke ziekte gestorven of
wegens zoodanige ziekte geslacht of volgens de wet van
20 Jnli 1870 {Staatsblad n". 131) afgemaakt vee en
gedeelten van zulk vee. van aan dolheid gestorven of
54
-ocr page 876-
850
voegen» dolheid yedoode, of volyens de wet van 5 Juni
1875 (Staatsblad n*. 110) afgemaakte honden en latten,
en van besmette voorwerpen;
2°. Het ontsmetten van stallen en andere gebouwen, van
huiden van dieren, van Ideederen van personen en andere
vooriverpen, alsmede van veewayens en ladingsterreinen
van spoor- en tramwegen;
3°. Het onschadelijk maken van mestvaalten.
§ i.
Het vernietigen van vee, van gedeelten van vee, van honden en katten
en van besmette voorwerpen door beyraven
. verbranden
of op andere wijze.
a. Verbrand moeten bij voorkeur worden: vee dat aan miltvuur
lijdende, gestorven of gedood is, vee dat aan veepest lijdende
afgemaakt of gestorven is, de borst- en buiksingewanden van run-
deren , die aan besmettelijke longziekte lijdende afgemaakt of ge-
storven zijn; besmet strooisel, droge mest, hooi, stroo, riet;
besmette en door gebrekkige gesteldheid en geringe waarde niet
voor ontsmetting geschikte stalgereedschappen, tuigen, dekkleeden
van vee, kleederen van menschen en gedeelten van houtwerk uit
stallen en andere gebouwen.
Aan het verbranden van het bovengenoemde moet bepaald de
voorkeur boven het begraven gegeven worden in alle gevallen,
waar de gesteldheid van den bodem het op behoorlijke diepte
begraven niet toelaat en waar voor het begraven van aan miltvuur
gestorven vee geen ander terrein dan wei-, bouw- ofmoesland ter
beschikking is. Indien wegens gevaar voor de veiligheid van nabij-
zijnde gebouwen of gewassen, of wegens een te groot aantal te
vernietigen dieren, of wel door andere omstandigheden het ver-
branden niet op voldoende wijze geschieden kan, heeft begraving
plaats.
Na verbranding wordt het niet geheel door vuur verteerde
overschot begraven, zoo mogelijk één meter diep.
b. Waar de gelegenheid bestaat, om, zonder te groote kosten
of andere bezwaren , van vervoer enz., dood vee of gedeelten
daarvan te vernietigen door inwerking van kokend water of stoom
in gesloten ruimten, moet hieraan de voorkeur gegeven worden
boven het verbranden in de open lucht.
-ocr page 877-
sbi
e. Bij liet begraven van vee worden te voren de huid en liet
vleesch geheel onbruikbaar gemaakt door elkander kruisende inker-
vingen, die tot diep in het vleesch moeien indringen en waarin
gegoten worden ruw carbolzuur of wel koolteer en petroleum. Het
vee, de honden en katten en de mede te begraven voorwerpen
worden in den kuil overgoten met carbolwater (waarvan de samen-
stelling in § \'2 voorgeschreven is), daarna gelijkmatig bestrooid
met een éón decimeter dikke laag gebrande kalk en vervolgens
met een (;én meter dikke laag aarde bedekt.
Waar zulks door den burgemeester in overleg met den districts-
veearts noodig wordt geacht, moet de begraafplaats onmiddellijk
na de begraving door een stevige omheining, die voor vee on-
doordringbaar is, afgesloten en gedurende een jaar afgesloten
gehouden worden.
Het binnentreden van de omheinde begraafplaats of het ont-
sluiten der omheining is binnen dat tijdperk verboden, behalve
met verlof en op last van den burgemeester.
§*
Het ontsmetten van hulden , van stallen en andere gebouwen,
van lieederen van personen en andere voorwerpen, alsmede
van reewagens en ladingsterreinen van spoor- en tramwegen.
A. Df ontsmettingsmiddelen.
Als ontsmettingsmiddelen worden uitsluitend de volgende
gebruikt:
a.    Hitte, en wel:
i". Vuur, als gloeiend of vlammend vuur, om vuurvaste me-
talen voorwerpen een lichten graad van roode gloeihitte te doen
ondergaan, of als de vlam eener blaas- of schroeilamp om de
oppervlakte van voorwerpen af te zengen of te schroeien (zooge-
naamd flambeeren).
2°. Stoom.
3°. Kokend water.
b.      Scheikundig werkende stoffen, en wel:                                    :\'
4°. Sublimaat (kwikchloride, chloretum hvdrargyricum) als
sublimaatwater, waaronder voor dit doel verstaan moet worden
een oplossing van 1 deel op 5000 deelen water of \\ gram per
5 liter water.
-ocr page 878-
5". Carbolzuur als carbolwater, waaronder voor dit doel ver-
staan moet worden een oplossing van 1 deel ruw carbolzuur, dat
ongeveer 50 pet. carbolzuur bevat, in 10 deelen water, ofwel
een oplossing van 1 deel zuiver carbol- of phenylzuur in 20 deelen
water.
6°. Chloorkalk in den vorm van poeder, van chloor kalkmelk,
gemaakt door vermenging van 1 deel chloorkalk met 10 deelen
water, en ter bereiding van chloorgas door vermenging van 1 ge-
wichtsdeel chloorkalk met i\'/j gewichtsdeelen ruw zoutzuur.
7". Zicaveligzuurgas, bereid door verbranding van pypzwavel
in stukjes bevochtigd met methvlalcohol.
8°. Gebrande kalk in den vorm van stukjes en grof poeder en
van kalkmelk, de laatste gemaakt door vermenging van 1 deel
gebrande kalk met 10 deelen water.
e. Voorafgaande reiniging van te ontsmetten voorwerpen.
Om de uitwerking der ontsmettingsmiddelen, inzonderheid dei-
scheikundige, zoo volledig mogelijk te maken, moet aan de aan-
wending daarvan een reiniging voorafgaan, wanneer hetgeen ont-
smet moet worden bedekt is met vuil of aanklevende dierlijke
stof, die een grondige ontsmetting bemoeielijkt of verhindert.
Behalve het verwijderen der onreinheden door afvegen, af-
schuren, afkrabben, afschaven, enz., en door afwasschen, afschuieren,
afschrobben, enz. met koud of met heet water, worden als reini-
gingsmiddelen gebruikt:
Groene zeep, opgelost in heet water tot een sterk zeepsop, en
potaschloog of sodaloog, bereid door 1 deel ruwe potasch of ruwe
soda op te lossen in 20 deelen kokend water, er onder te roeren
1 deel gebrande kalk, die te voren door bevochtiging met water
tot poeder uiteengevallen is, en na bezinking der kalk de oplos-
sing af te gieten.
In geval van ziekten van dieren, die voor den mensch door
besmetting gevaar kunnen opleveren, moet reiniging met ont-
smetting gepaard gaan.
B. De ontsmettingswijzen.
1°. Stallen en andere gebouwen en zich daarin bevindende voorirerpen.
Uit de stallen en andere gebouwen worden eerst verwijderd
en met de noodige voorzorgen tegen verspreiding van smetstof
vervoerd: mest, strooisel, voeder en alle andere te verbranden of
-ocr page 879-
85:$
te begraven voorwerpen, alsmede liet grove vuil, dat van de
zoldering, wanden en vloer afgenomen en daarna onverwijld met
een der scheikundige ontsmettingsmiddelen in ruime hoevee\'heid
vermengd moet worden.
Muur-, steen- en pleisterwerken, houtwerk en houten stalge-
reedschappen, ijzer- en ander metaalwerk worden gereinigd met
heet zeepsop of wel met heete potaschloog of sodaloog en ontsmet
met sublimaatwaler of carbolwater.
Los ijzerwerk behoeft enkel gegloeid te worden.
Het nauwkeurig en sterk afzengen of afschroeien (llambeeren)
is op zich zelf voldoende ter ontsmetting van houtwerk en metaal-
werk.
Dekkleeden, touwwerk, enz. worden door stoom ontsmet of
wel met heet sterk zeepsop of heete verdunde sodaloog (1 deel
loog op 3 deelen water) gereinigd en met sublimaatwater of car-
bolwater ontsmet. Lederwerk wordt met warm zeepsop of koude
verdunde sodaloog gereinigd en met ter halve sterkte verdunde
chloorkalkmelk of met sublimaatwater ontsmet.
Haren kussens mogen enkel ontsmet worden door kokend
water of stoom.
Aarden vloeren worden minstens 20 cM. diep uitgegraven, de
bodem met .sublimaatwater, carbolwater, chloorkalk of gebrande
kalk ontsmet en daarna ter dikte der uitgegraven laag met nieuwen
grond bedekt, die vast wordt aangestampt.
Losse steenen vlosren worden opgebroken en de ondergrond
als aarden vloer behandeld, met reiniging en ontsmetting van de
weder te bezigen steenen, of wel in de voegen diep uitgekrabd,
door afschrobben met heet sterk zeepsop of met heete potasch-
loog gereinigd en met sublimaatwater of carbolwater ontsmet.
Gemetselde en cementvloeren worden na reiniging op de ge-
noemde wijze met sublimaatwater of carbolwater begoten of wel
dik bestreken met chloorkalkmelk of kalkmelk.
Houten vloeren worden opgebroken, de ondergrond als aarden
vloer behandeld en het niet verbrande of begraven houtwerk op
de gewone wijze gereinigd en ontsmet.
Goten, groppen, vaste roosters, zinkgaten, riolen en putten
tot afvoer of verzameling van uitwerpselen, stal water, enz. worden
gereinigd met kokend water en kokend heete potaschloog en, na
ruime doorspoeling, met sublimaatwater of carbolwater ontsmet.
Goten enz., wier wanden niet geheel dicht zijn, worden behandeld
als losse steenbevloering.
-ocr page 880-
85-ï
Ten slotte wordt de stal ot\' het gebouw berookt met chloor
of met zwaveligzuur. Voor berooking met chloor is voor elke
10 M3. ruimte benoodigd minstens 3 hectogram chlooi\'kalk. De
ehloorkalk moet aangewend worden in kommen of schalen, die
elk ", tot hoogstens 1 kilogram mogen bevatten. Voor berooking
met zwaveligzuur is voor elke 10 M\'. ruimte benoodigd minstens
l\'/i hectogram pypzwavel. De p\'ypzwavel moet aangewend worden
in vlakke schalen, die elk hoogstens •/» kilogram mogen bevatten.
In den stal of het gebouw moeten vóór den aanvang der berooking
de lucht en de wanden en voorwerpen zoo vochtig mogelijk ge-
maakt worden. Zij blijven tijdens de berooking 24 uur gesloten
en worden na dien twee dagen goed gelucht.
Afzonderlijke standplaatsen van vee in stallen en andere gebouwen
worden, met uitzondering van de berooking, op overeenkomstige
wijze ontsmet. Daarbij behooren echter tot de standplaats van
een stuk vee medegerekend te worden de gedeelten van daaraan
grenzende standplaatsen, die voor besmet zijn te houden.
Toepassing dezer voorschriften bij bepaalde besmettelijke ziekten.
De ontsmetting van stallen en andere gebouwen en vanstand-
plaatsen volgens de vorenstaande voorschriften is alleen geboden
in geval van veepest, longziekte, schaapspokken, kwade-droes,
huid worm en miltvuu . Bij miltvuur moet inzonderheidjle vloer
rnet de meeste zorg ontsmet worden, maar blijft berooking achter-
wege.
In geval van mond- en klauwzeer is het voldoende goed te
reinigen met heet water, voor zooveel noodig met heet zeepsop
of heete verdunde sodaloog of potaschloog, en daarna het muur-
werk, het houtwerk en den vloer te overgieten of te bestrijken
met chloorkalkmelk of kalkmelk. Berooking van den stal mag
alleen geschieden als deze van vee geheel ontruimd is.
In geval van dolheid kan gehandeld worden gelijk voor mond-
en klauwzeer bepaald is, maar blijft berooking achterwege.
2". Huiden.
De huiden worden ontsmet door indompeling gedurende 12
uur in sublimaatwater of carbolwater of gedurende minstens 24
uur in versch bereide kalkmelk, die met hoogstens vijfmaal zoo-
veel water verdund mag" worden.
-ocr page 881-
S55
3°. Voertuigen.
Voertuigen alsmede schuiten, waarmede vee, besmette voorwer-
pen en mest vervoerd zijn, worden onverwijld gereinigd en ontsmet op
de wijze als voor hout* en ijzerwerk der stallen voorgeschreven is.
4°. Kleederen.
Het ontsmetten van kleederen zal zich in den regel bepalen
tot de bovenkleederen, waarbij het schoeisel bijzondere zorg ver-
eischt. Zijn ook de onderkleederen besmet, dan worden deze in
de ontsmetting begrepen. Kleederen, die met van vee afkomstige
stoffen zooals bloed, slijm, enz. verontreinigd zijn, worden door
stoom ontsmet of na onderdompeling in kokend water of bevoch-
tiging, met zwaveligzuur of chloor berookt. Schoeisel wordt nauw-
keurig gereinigd door afwasschen met heet zeepsop en daarna ont-
smet met sublimaatwater of carbolwater.
5". Veetvagens, gereedschappen en ladingsterreinen van
spoor~ en tramwegen.
De veewagens worden ontledigd van strooisel, mest, voeder,
enz. en door afkrabben en uitvegen van het grove vuil ontdaan.
Daarna worden de wanden en vloer met water afgeschrobd en
vervolgens begoten, of bespoten, totdat zij geheel rein zijn. Voor
zooveel noodig moet het afschrobben geschieden met sterk zeepsop
of met verdunde sodaloog of potaschloog (1 deel loog op 3 deelen
water) en moeten de genoemde vochten heet worden aangewend.
Wandbekleedingen van leder of linnen worden met warm zeepsop
of zoo noodig met warme verdunde sodaloog afgewasschen.
De goed gereinigde wanden en vloer worden ontsmet door witten
met kalkmelk of chloorkalkmelk, of door bestrijken met carbol*
water of sublimaatwater, of door stoom van minstens 2 atmosferen
(1203 C.) op alle te ontsmetten plaatsen van nabij in een straal
te doen inwerken, of door stoom van minstens 6 atmosferen
(160 \' C.) in den dicht gesloten wagen te doen instroomen.
Op overeenkomstige wijze worden gereinigd en ontsmet loop-
planken, voederbakken, emmers, touwen en andere voorwerpen,
waarmede het vervoerde vee in aanraking geweest is.
Op de terreinen van in- en uitlading worden mest, gebruikt
strooisel, enz. zorgvuldig bijeengeveegd , de aaiden bodem met
water afgespoeld en de bestratingen en houtkleedingen met water
afgeschrobd. Zoo noodig wordt, na reiniging, de bodem met car-
bolwater of sublimaatwater begoten.
-ocr page 882-
856
De uit de wagens en van ile voorwerpen verwijderde en de
op de terreinen bijeengeveegde stollen worden naar een daarvoor
bestemde bergplaats vervoexd en aldaar met gebrande kalk bestrooid
of met carbolwater of sublimaatwater bevochtigd.
§3.
Het onschadelijk maken van mestvaalten.
Het onschadelijk maken van mestvaalten geschiedt bij voorkeur
door den mest naar bouwland te vervoeren en onmiddellijk onder
te ploegen, of anders door overgieten met sublimaatwater of carbol-
water of bestrooien met een laag chloorkalk of gebrande kalk.
§ *
Altjemeene bepalingen.
De districtsveearts beslist in overleg met den burgemeester of
het onschadelijk maken van dood vee, in plaats van door begraven,
geschieden zal door verbranden of op andere wijze.
Voor elk bijzonder geval wordt door den districtsveearts of door
den veearts, die hem vervangt, bepaald en aangewezen welke
middelen ter ontsmetting aangewend zullen worden, en op welke
wijze, voor zoover deze voorschriften verschillende wijze van han-
delen toelaten.
De aanwending van sublimaatwater als ontsmettingsmiddel mag
uitsluitend plaats hebben in tegenwoordigheid van den districts-
veearts, of van den veearts, die hem vervangt.
Voor zooveel noodig worden bijzondere regelen, die bij de uitvoe-
ring dezer voorschriften in acht genomen moeten worden, door den
Minister van Binnenlandsche Zaken bij nadere instructie vastgesteld.
Behoort bij Koninklijk besluit van 9 Juni 1885 (Staatsblad n°. 125).
§ 294.
Instructie betreffende den veterinairen dienst
bij het leger in tijd van vrede (vastgesteld
bij beschikking van den mlnister van oorlog
van 12 November 1894, lil*" Afd , n°. 105) (Ree.
Mil.
1894, bl. 407).
Art. \'3.
Onder „eerstaanwezend"paardenarts" wordt in deze instructie
verstaan de hoogste of oudste in rang van de paardenartsen bij
een korps, een zelfstandig onderdeel of een inrichting.
-ocr page 883-
857
In plaatsen waar zich meer ilan één eerstaanwezend paardenarts
bevindt, is de hoogste of oudste in rang dezer paardenartsen tevens
seerstaanwezend-paardenarts van het garnizoen".
Als zoodanig is deze paardenarts belast met de uitvoering van
het bepaalde in wetten, Koninklijke besluiten en Ministeriëele
beschikkingen omtrent besmettelijke ziekten bij de officiers- en
troepenpaarden en heeft hij de overige paardenartsen ter plaatse
onder zijn bevelen, voor zooveel zulks in deze instructie is aan-
gegeven.
Art. 13.
Alle officieren kunnen ten behoeve van hun dienstpaarden de
hulp van een paardenarts, op de plaats aanwezig, inroepen, welke
hulp de paardenarts verplicht is kosteloos te verleenen.
Zij hebben ook aanspraak op kostelooze verstrekking van ge-
neesmiddelen voor hun dienstpaarden, voor zoover die verstrekking
uit \'sHijks voorraad kan geschieden.
Art. 19.
Dij het voorkomen van een besmettelijke ziekte onder de
officiers- of onder de troepenpaarden, moeten de paardenartsen
zich stiptelijk gedragen naarde betrekkelijk het onderwerp bestaande
wetten, Koninklijke besluiten en Ministeriëele beschikkingen.
Wanneer zich bij een dier paarden verschijnselen van een be-
smettelijke ziekte openbaren, zijn de eerstaanwezend-paardenartsen
verplicht daarvan onverwijld kennis te geven aan den commandee-
renden officier van het korps, waartoe het paard behoort, welke
chef het ontvangen rapport onmiddellijk ter kennis brengt van den
plaatsel\'yke- of garnizoenscommandant.
Omtrent paarden van officieren, niet tot eenig korps behoorende,
geschiedt laatstbedoelde aangifte door den betrokken officier zelven.
Hetzelfde geldt ten aanzien van paarden van officieren, be-
hoorende tot troepenkorpsen, wanneer die paarden niet onder
toezicht of behandeling zijn van een paardenarts.
Daar, waar zich geen plaatselijke- of garnizoenscommandant
bevindt, en niet het geval zich voordoet, voorzien in de tweede
zinsnede van art. 1 der wet van 2 Juni 1875 (Stsbl. n". 94), ge-
schiedt de aangifte aan den burgemeester der gemeente, in over-
eenstemming met art. 13 der wet van 20 Juli 1870 (Stsbl. n°. 131).
-ocr page 884-
858
Art. \'20.
Van liet voorkomen van besmettelijke, alsmede van heersehende
ziekten onder de officiers- of troepenpaarden in een garnizoen, moet
de eerstaanwezend-paardenarts van dat garnizoen of degene
die hem vervangt, onmiddellijk bericht zenden aan den Inspecteur
van den geneeskundigen dienst der landmacht, alsmede — door
tusschenkomst van den commandeerenden officier — aan den
Inspecteur van het betrokken wapen.
Wanneer geen paardenarts in het garnizoen aanwezig is, ge-
schieden de hiervoren bedoelde kennisgevingen door den betrokken
commandeerenden officier.
De berichten door den eerstaanwezend-paardenarts aan den
Inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht in te
zenden, behooren de meeste volledigheid te bezitten; inzonderheid
moeten de verschijnselen en de vermoedelijke oorzaken der ziekten
worden opgegeven, met vermelding tevens van de maatregelen,
die reeds genomen zijn om de verdere verspreiding te voorkomen.
De Inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht
geeft van het ontstaan en het ophouden dier besmettelijke of
heersehende ziekten kennis aan den Minister van Oorlog.
Art. 21.
In het geval, bedoeld bij art. 20 van deze instructie, moeten
alle ofllciers- en troepenpaarden van het garnizoen, met uit/on-
dering van die der marechaussee, dagelijks door de paardenartsen
worden onderzocht, ten einde onmiddellijk die te kunnen ver-
wijderen, welke bevonden worden door de ziekte aangetast of
daarvan verdacht te zijn.
Art. 22.
Wanneer troepenpaarden (paarden der marechaussee daaronder
niet begrepen) naar een ander korps worden overgeplaatst, ont-
vangt de eerstaanwezend-paardenarts van dat korps schriftelijke
mededeeling van den eerstaanwezend-paardenarts van het korps,
waartoe de paarden behoord hebben, omtrent alle bijzonderheden,
die hem van deze paarden bekend zijn; waaronder in de eerste
plaats de ziekten of gebreken, waaraan de paarden geleden heb-
ben (en inzonderheid die welke zich meermalen herhaalden), de
door hem gevolgde wijze van behandelen en de daardoor verkregen
uitkomsten.
o
-ocr page 885-
850
In geen geval mogen evenwel dergelijke overplaatsingen ge-
schieden met paarden, welke ziek zijn of die nog als reconvalescent
worden beschouwd, tenzij bijzondere omstandigheden dit nood-
zakelijk maken en daaromtrent de beslissing is gevraagd van den
Inspecteur van liet wapen, waartoe de paarden behooren.
Art. 23.
Wanneer zich bij officiers- of troepenpaarden verschijnselen
voordoen, welke hen verdacht doen zijn van kwade-droes,
alsmede wanneer de zekerheid of het vermoeden bestaat dat paar-
den als, zooeven bedoeld , in aanraking zijn geweest met paarden ,
lijdende aan kwade-droes, zal daarvan onverminderd de te nemen
maatregelen van afzondering, onverwijld door den eerstaanwezend-
paardenarts van het garnizoen kennis worden gegeven aan den
Inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht, die
omtrent de te nemen maatregelen beslist.
Wanneer in het garnizoen geen paardenarls aanwezig is, ge-
schiedt de vorenbedoelde kennisgeving door den commandeerenden
officier.
Art. 30.
Jaarlijks, vóór 1 Maart, zenden de eerstaanwezend"paarden-
artsen van de garnizoenen aan den Inspecteur van den genees-
kundigen dienst der landmacht een beredeneerd verslag van
hetgeen door hen, ter toepassing van de wettelijke verordeningen
op de besmettelijke veeziekten, is verricht.
^ 295.
Beschikking van den Minister van Oorlog, dd.
22 Mei 4894, II*» Akd., n». 83.
De Minister van Oorlog.
Het wenschelijk achtende, dat zooveel mogelijk voorzorgsmaat-
regelen worden genomen om bij het leger het overbrengen van
besmettelijke ziekten onder de officiers- en troepenpaarden te
voorkomen, heeft, in verband met de desbetrelïende voorstellen
van den Inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht,
goedgevonden het navolgende te bepalen:
-ocr page 886-
8(50
1°. De troepen paarden, alsmede de paarden, tuebehoorende
aan officieren, welke van het eene garnizoen naar een ander
moeten worden verplaatst en aldaar zullen worden ondergebracht
in Rijksstallen, moeten vóór hun vertrek geneeskundig worden
onderzocht.
Worden bij dat onderzoek ziekteverschijnselen waargenomen,
dan wordt gehandeld overeenkomstig het gestelde aan het slot
van art. 22 der «Instructie ter regelmatige waarneming van den
veterinairen dienst bij het leger in tijd van vrede", vastgesteld bij
de beschikking van den Minister van Oorlog van 30 October 1883,
lil»» Afd., Pers., n". 15 (N. B. U., bl. 817).(\')
2". De paarden, die in eenig garnizoen aankomen en bestemd
zijn om aldaar in Rijksstallen te worden opgenomen, moeten, vóór
dat die opneming plaats heeft, geneeskundig worden onderzocht.
Dit onderzoek zal mede plaats hebben ten opzichte van officiers-
paarden, welke vóór hun plaatsing in een Rijksstal, in particuliere
stallen in het garnizoen verblijf hielden, tenzij in laatstbedoelde
stallen geen andere dan officierspaarden gestald waren.
3°. Het bij de punten 1 en 2 bedoelde geneeskundig onder-
zoek moet plaats hebben:
a.   Indien het troepenpaarden dan wel officierspaarden van een
bereden korps betreft, door een daartoe door de zorg van
den plaatselijke- of garnizoens-commandant aan te wijzen
paardenarts;
b.    Indien het officierspaarden betreft, welke niet behooren tot
een bereden korps, doch in de Rijksstallen van eenig korps
of korpsgedeelte zijn of worden gestald, door de zorg van
den eerstaanwezend-paardenarts van dat korps of korps-
gedeelte.
Het bij punt 1 bedoelde geneeskundig onderzoek moet, indien
het paarden betreft, welke niet in Rijksstallen van eenig bereden
korps zijn gestald, geschieden door een paardenarts van het gar-
nizoen of, bij gebreke van dien, door een burgerveearts.
4°. Door de commandeerende officieren moet van het vertrek
of van de aankomst van Rykspaarden tijdig worden kennis ge-
geven aan den plaatselijke" of garnizoens-commandant, opdat
deze voor het bij de punten 1 en 2 bedoelde geneeskundig onder-
zoek kan zorg dragen.
(1) Gewijzigd bij beschikkiug van den Minister van Oorlog vau 12 November
1894, III*» Afd. n°, 105.
-ocr page 887-
mi
Moet een officierspaard, ingevolge het bepaalde sub 1 en 2,
aan een geneeskundig onderzoek worden onderworpen, dan geeft
de eigenaar van het paard aan den betrokken paardenarts tijdig
kennis van liet uur van vertrek of van aankomst van het paard.
Onverminderd het vorenstaande zijn de commandanten der
stalwacht te allen tijde gehouden om, indien paarden uit andere
plaatsen aan de Rijksstallen aankomen. daarvan onverwijld kennis
te geven aan den eerstaanwezend-paardenarts van het betrokken
korps of korpsgedeelte, die alsdan, ook al mocht hij van de aan-
komst der paarden van te voren geen kennis hebben ontvangen ,
gehouden is, die paarden onverwijld geneeskundig te onderzoeken
of te doen onderzoeken.
Mocht de afwezigheid van den paardenarts of eenige andere
reden oorzaak zijn, dat het paard of de paarden niet onmiddellijk
na aankomst kunnen worden onderzocht. dan moeten zij tijdelijk
zooveel doenlijk in een »afzonderingsstal" worden geplaatst of in
een van de andere paarden afgezonderd gedeelte der stallen
worden ondergebracht.
5°. Officierspaarden, rechtstreeks uit het buitenland aange-
voerd, zullen , alvorens in de Rijksstallen te worden opgenomen,
gedurende 15 dagen aan een quarantaine worden onderworpen
en daartoe gedurende dien tijd zooveel mogelijk in »afzonderings-
stallen\'\' worden geplaatst of op een andere geschikte wijze
worden geïsoleerd.
6". Het is aan militaire hoefsmeden verboden, om paarden van
particulieren in Rijksgebouwen of op Rijksterrein binnen de kazerne
of stallen te beslaan.
7°. Het is verboden, paarden van particulieren in of nabij
den ziekenstal of op Rijksterrein binnen de kazerne of stallen toe
te laten tot het doen ondergaan van een geneeskundig onderzoek
of van geneeskundige behandeling.
§ 290.
VeEARTSF.NIJKUNDIGE POLITIE IN NEDERLANDSCH-INDIK.
In Nederlandsch-Indië bestaat geen veeartsenijkundige politie
als in Nederland. Vanwege het leger zijn echter voorschriften
uitgevaardigd om kwade-droes en worm, welke aldaar veelvuldig
voorkomen, te bestrijden. In de Algemeene order voor het Indisch
leger,
1888, n". 17, leest men:
-ocr page 888-
8fi2
Maatregelen tegen de verbreiding van kwade-droes
en htridworm.
Ten einde de verbreiding van kwade-droes en huidworm
onder officiei s- en troepenpaarden zooveel mogelijk tegen te gaan,
wordt mits deze het navolgende bepaald.
(i. Ten aanzien van de gouvernements-woningen.
b. Ten aanzien van het voorkomen van besmetting van troepen-
paarden.
A.
§ 1. Zoodra er zich bij eenig paard, gestald op het erf een er
gouvernements-woning, kenteekenen openbaren, die aanleiding
geven het paard te verdenken van kwade-droes of huidworm, is
de bewoner (\') van die woning verplicht daarvan onmiddellijk
kennis te geven aan den korps-commandant of plaatselijken
dienstchef, die ten spoedigste den plaatselijke" of plaatselijk
militairen commandant waarschuwt.
§ 2. De plaatselijke- of plaatselijk militaire commandant gelast
onmiddellijk een onderzoek door den paardenarts of den als zoo-
danig fungeerende, die van zijn bevinding dadelijk verslag uit-
brengt.
§ 3. Wordt door den paardenarts het bestaan van kwade-
droes of huidworm geconstateerd, dan moeten de stal en liet erf
binnen 24 uur door de aangetaste paarden worden verlaten.
Zij mogen daar nimmer terugkeeren.
De plaatselijke- of plaatselijk militaire commandant benoemt in
dat geval, voor zoover het dienstpaarden betreft, onmiddellijk de
commissie bedoeld bij § 53 van het »Bijvoegsel tot de instructie
voor het voeren der administratie bij korpsen en garnizoenen" en
stelt binnen bovenvermelden termijn de besmette paarden onder
nadere goedkeuring ter beschikking van den eigenaar.
§ 4. Zoodra de besmette paarden den stal verlaten hebben,
wordt deze onmiddellijk gedesinfecteerd overeenkomstig het bepaalde
bij Algemeene order N°. 18 van 1880 (§ 1 punt e. 16).
§ 5. Blijkt bij het sub § 2 bedoelde onderzoek, dat er slechts
paarden op de stallen aanwezig zijn, die verdacht moeten worden
(1) Onder hewoner wordt verstaan, hij, wien de woning is aangewezen of hij,
aan wien zij met medeweten van den nlaatselijke-commundant ia onderverhuurd.
-ocr page 889-
863
van kwade-droes of van huidworm, of paarden, die in aanraking
zijn geweest met andere, bij welke kwade-droes of huidworm
geconstateerd is, dan verdient het aanbeveling zulke paarden res-
pectievelijk in de gouvemements verdachte* of (juarantaine-stallen
te doen opnemen, waartoe ook voor paarden, die geen dienstpaar-
den zijn, zoo mogelijk gelegenheid zal worden gegeven.
In dat geval wordt de stal op de in § 4 aangewezen wijze
gedesinfecteerd, terwijl de paarden geneeskundig uitsluitend door
den paardenarts worden behandeld.
§ 6. Wenscht de bewoner de sub 5 bedoelde paarden op zijn
eigen stal te houden, dan staat hem dit vrij.
In dit geval en ook wanneer er geen plaats is op de gouver-
nements verdachte- of quarantaine-stallen, wordt de stal der
gouvernements-woning niet gedesinfecteerd.
Vervalt een der verdachte paarden in kwade-droes of huid-
worm . dan is § 1 toepasselijk,
15.
§ 1. De sub A § 5 bedoelde paarden mogen niet in dienst
worden bereden en — voor zooverre zij op de gouvemements
verdachte- of quarantaine stallen geplaatst zijn — ook buiten
dienst niet, tenzij met toestemming van den paardenarts.
§ 2. De rigoureuse desinfectie van het harnachement en de
stalgereedschappen van besmette of verdachte paarden, en van
dezulke die met verdachte of besmette paarden in aanraking ge-
weest zijn, wordt ernstig aanbevolen.
§ 3. Officieren, die paarden bedoeld sub A § 5 op hun eigen
stal houden, mogen in dienst van hun eigen harnachement geen
gebruik maken, totdat door den paardenarts is geconstateerd , dat
die paarden niet meer verdacht behoeven te worden, en dat har-
nachement en stalgereedschappen op den voet van het bij § 2
aangegevene gedesinfecteerd zijn.
§ 4. Officieren, wier paarden wegens kwade-droes of huid-
worm zijn afgekeurd of naar aanleiding van het voorkomende sub
A § 5 hun paarden op de gouvemements verdachte» of quanuv
taine-stallen geplaatst hebben, mogen in dienst alleen dan van
eigen harnachement gebruik maken, indien de desinfectie van al
liet harnachement en alle stalgereedschappen overeenkomstig § 2
ten genoegen van den paardenarts heeft plaats gehad.
-ocr page 890-
864
§297.
Reglement voor den militairen veterinairen dienst
IN NEDERLANnSCH-lNDIE 1890.
Hoofdstuk V.
Maatregelen te nemen tegen besmettelijke ziekten inzonderheid tegen
hrade•droes en huidworm.
Art. 23.
Hoewel bij alle besmettelijke en heerschende ziekten de beste
middelen moeten worden aangewend tot het tegengaan der ver-
spreiding, zoo moet toch in de eerste plaats de paardenarts steeds
gewapend zijn tegenover den kwade-droes en den huidworm.
Wordt een paard behept gevonden met verschijnselen die het
verdacht doen zijn te lijden aan kwade-droes en huidworm , dan
wordt het paard oogenblikkelijk van den troepenstal of ziekenstal
verwijderd, daar zulke paarden alleen mogen worden behandeld
op de verdachte stallen.
Het vervoer derwaarts geschiedt door den man, die aange-
wezen is het paard aldaar op te passen, onder begeleiding van
een gegradueerde, die zorg zal dragen in het geheel niet met het
paard in aanraking te komen.
Art. 24.
Achter ieder paard dat zich in den verdachten stal bevindt,
moet op een daarvoor bestemd plankje duidelijk vermeld staan:
A". het nummer van de compagnie of het eskadron. waartoe
het paard behoort;
2". het nummer van het paard;
3". het nummer van deken en trens:
4". de naam van den ruiter of ziekenoppasser, die het paard
oppast;
5". de ziekte, waaraan het paard lijdende of vermoedelijk
lijdende is;
fi". de datum van opneming in den verdachten stal.
Ieder paard op den verdachten stal zal een afzonderlijken
emmer, poetsgereedschappen, watertrens. halsband met longe en
deken hebben. Stalgereedschappen en benoodigdheden zooals
emmers, waterbalies, enz. worden gemerkt met de letters V. D.
-ocr page 891-
8G5
Is meer dan één paard op den verdachten stal aanwezig, dan
zal een gegradueerde met het toezicht worden belast. Deze zal,
behalve liet gewone toezicht, zorg dragen dat de paarden niet
met elkaar in contact komen , en dat voorwerpen bij een paard
in gebruik bij geen ander paard gebruikt worden. Hij zal zorg
dragen dat telkenmale als een oppasser met een verdacht paard in
aanraking is geweest, deze zich zoo goed mogelijk reinigt met
een bij den gegradueerde ter beschikking staande desinfecteer-
vloeistof.
Tevens zorgt hij dat de manschappen, die eten, fourage, enz.
naar den verdachten stal brengen, niet met de daar aanwezige
paarden in aanraking komen.
Een instructie in de Nederlandsche en in de Maleische taal
voor den met het toezicht belasten gegradueerde en voor den
oppasser zal op den verdachten stal aanwezig zijn.
Zij zal bij het in art. 13 vermelde onderwijs van de paarden-
artsen en bij de theorieën der officieren voor het kader worden
behandeld.
De paardenarts is gehouden de oppassers af te viagen of zij
deze instructie gelezen en begrepen hebben en moet zoo noodig
verdere opheldering geven.
Niemand van het op den verdachten stal aanwezige personeel
zal dezen mogen verlaten buiten toestemming van den paardenarts.
De toegang tot de verdachte stallen is verboden voor ieder die
niet diensthalve aldaar moet zijn.
De paardenarts bezoekt dagelijks de verdachte stallen, zooveel
mogelijk na zijn dagelijks bezoek bij den troep en op de zieken-
stallen.
Hij draagt zorg zich goed te reinigen en te desinfecteeren, en
ontsmet tevens instrumenten als anderszins, bij verdachte paaiden
gebruikt.
Art. 25.
De paarden, die op den troepenstal of ziekenstal in aanraking
zijn geweest met verdachte, worden op de quarantaine-stallen
geplaatst.
In den regel zal het voldoende zijn de beide nevenpaarden in
•quarantaine te plaatsen, doch moet immer een nauwkeurig onder-
zoek worden ingesteld, welke paarden ook elders gedurende eenigen
tijd in aanraking zijn geweest met verdachte.
De quarantaine duurt vijf maanden.
55
-ocr page 892-
860
Zijn de paarden na vijf maanden geheel gezond, dan worden
zij naar den troepenstal teruggeplaatst.
Vertoont zich echter eenig verschijnsel, dat er op kan duiden
dat een paard nog zou komen te lijden aan kwade-droes of huid-
worm, bijv. ruwe, doffe haren, vermagering, hoest, enz., dan
wordt het oogenblikkelijk op den verdachten stal geplaatst.
Voor zoover doenlijk draagt de paardenarts zorg, dat ieder paard
een uur per dag wordt bereden dooi\' zijn oppasser, op het terrein
der quarantaine-stallen, doch zoodanig, dat de paarden onderling
niet met elkaar in aanraking komen.
Wanneer meer dan één paard op de quarantaine stallen is, dan
zal een gegradueerde met het toezicht worden belast.
De in art. 24 vervatte voorschriften voor het personeel gelden
ook voor de quarantaine-stallen.
Aut. 26.
Achter ieder paard dat zich op de quarantaine-stallen bevindt,
moet op een daarvoor bestemd plankje duidelijk vermeld staan:
1". het nummer van het eskadron of de compagnie, waartoe
het paard behoort;
2°. het nummer van het paard;
3°. het nummer van deken of ti ens;
4°. de naam van den ruiter of ziekenoppasser die het paard
oppast;
5°. de ziekte waaraan men vreest dat het paard lijdende
zal worden;
6°. de datum van opneming in de quarantaine-stallen.
Ieder paard op de quarantaine-stallen zal een afzonderlijken
emmer, poetsgereedschappen, watertrens, halsband met longe en
deken hebben.
Alle benoodigdheden; dienende voor de verzorging van het paard
zullen met duidelijke cijfers (in witte verf) worden voorzien van
het hoefnummer.
De paardenarts draagt zorg dat in iederen quarantaine-stal tot
reiniging van neus en oogen van het dier een flinke witte lap
aanwezig is, die eveneens genommerd wordt, maar met roode of
zwarte cijfers.
Ieder paard heeft ccn afzonderlijken oppasser en stal.
-ocr page 893-
867
Art. 27.
De stallen en standplaatsen alwaar een paard heeft gestaan,
lijdende aan kwade-droes of huidworm, dan wel verdacht daaraan
lijdende te zijn, worden ontsmet ingevolge het voorschrift (Alg.
order n°. 18 van 1886) op welke ontsmetting de paardenarts
gehouden is toezicht te houden.
Aht. 28.
Bij het voorkomen van kwade-droes of huid worm onder paarden,
gestald in gouvernementswoningen, wordt gehandeld overeen-
komstig het bepaalde bij Alg. order n°. 17 van 1888.
Aiit. 29.
Alle harnachements- en tuigdeelen, poetsgereedschappen en
stalbenoodigdheden, kortom alle voorwerpen, die men kan ver-
onderstellen in aanraking te zijn geweest met een verdacht of aan
kwade-droes of huidworm lijdend paard, worden gedesinfecteerd
onder toezicht en aanwijzing van den paardenarts, op een voor
die voorwerpen minst nadeelige wijze.
Voorwerpen van weinig waarde of die moeielijk te desinfec-
teeren zijn, worden vernietigd, bij voorkeur zooveel mogelijk
verbrand en hiervan proces-verbaal in duplo gedresseerd door een
commissie, waarvan de paardenarts deel behoort uit te maken.
Art. 30.
De in het vorig artikel genoemde voorwerpen worden, van
paarden op quarantaine geplaatst, zorgvuldig opbewaard in een
lokaal, waar geen andere voorwerpen opbewaard worden die met
paarden in aanraking kunnen komen; vervalt een in quarantaine
geplaatst paard in verdachte-, kwade-droes of huidworm, dan
wordt gehandeld overeenkomstig art. 29.
Art. 31.
.Mocht het blijken, dat aan de verschijnselen waarom een paard
op den verdachten stal is geplaatst, geen kwade-droes ten grond-
slag ligt, dan wordt dit paard met die welke er voor in quarantaine
zijn gesteld, op den troepenstal of ziekenstal teruggeplaatst.
-ocr page 894-
Cü\\20UO
868
Art. ü2.
Moet een paard, dat aan een besmettelijke ziekte lijdt, worden
afgemaakt, dan zullen bij het overbrengen naar de daarvoor aan-
gewezen plaats, alle mogelijke voorzorgen ter verbreiding van
besmetting behooren te worden genomen.
Hetzelfde is van toepassing bij het overbrengen van lijken
van aan dergelijke ziekten gestorven paarden. Het begraven
geschiedt door de plaatselijke politie volgens de bij haar dienaan-
gaande bestaande voorschriften.
Art. \'3\'ó.
Heerscht bij een korps of detachement kwade-droes, dan zullen
zoo weinig mogelijk en alleen in de hoogste noodzakelijkheid
paarden naar elders worden overgeplaatst.
De paarden die uit eenzelfde afdeeling van den stal afkomstig
zijn, waarin zich een of meer gevallen van kwade-droes hebben
voorgedaan, zullen niet mogen worden overgeplaatst dan vijf
maanden na het laatste ziektegeval.
Breekt een andere besmettelijke ziekte uit, dan wordt door
den paardenarts, in overleg met den korps-commandant, in den
geest van vorenstaande bepalingen naar omstandigheden gehandeld.
\'