-ocr page 1-
-ocr page 2-
yy\\YV\\ \\
\'hOZlj
-ocr page 3-
Bibliotheek der
Rijksuniversiteit te Utrecht
P: roeneeskunde
-$M
J                                                                                                                                    L
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A0600�
I : 11 ;
3088 303 1
-ocr page 4-
^j\'                fi fritMJAt • ^ ***** "^>**W.
ó&y Hys
VOOEWOORD.
*
* #
Wij zouden den lezer dit voorwoord bespaard hebben, als wij niet
vreesden, dat men ons verwijten zal met de uitgave van dit boek de kwak-
zalverij in de hand te werken.
Op dat mogelijke verwijt antwoorden we bij voorbaat:
»Juist daar, waar de veehouders geen begrip hebben van wat »ziek
»zijn" is, daar waar de veehouders de eene ziekte met van de andere weten te
^onderscheiden, bloeit de kwakzalverij het sterkst. Hoe meer kennis omtrent
»den uit- en den ïmoendigen bouw van het dierlijk lichaam wordt verspreid
»en hoe beter de veehouders aan de verschijnselen de verschillende ziekten
»van elkander leeren onderscheiden, des te beter zullen zij inzien, dat in
•/•verreweg de meeste gevallen de hulp of de medewerking van den veearts
^onmisbaar is. -»Dan zullen ze niet meer, zooals tot nu, den deskundige dik-
»wijls te laat ontbieden." En dan nog: »Tal van veehouders be-
»zitten nu eenmaal een boek over veeartsenijkunde, doch een.....verouderd
»boe/c, met weinig of geen afbeeldingen ter verduidelijking\'." Aan een en
ander ontleent dit boek, naar onze beseheiden meening, recht van bestaan.
BEWERKER EN UITGEEFSTEH.
-ocr page 5-
-ocr page 6-
M £ 3
MI? P&Afó®.
I. Kenteekenen der gezondheid.
Het gezonde paard, schenkt, uit den stal in de open lucht ge-
voerd, opmerkzaamheid aan zijn omgeving; zijn blik is levendig en
vertrouwelijk.
De slijmhuid der neusholten is bleekrood van klenr.
Een bleeke slijmhuid wijst op bloedarmoede. Bij rustig op stal
staande paarden is een hoog- of blauwrood gekleurde neusslijmhuid
een bewijs van bloedaandrang naar het hoofd. Steeds is bij een
gezond dier die slijmhuid min of meer vochtig. Een droge slijm-
huid doet koorts veronderstellen
Bij gezonde paarden neemt men geen uitvloeiïng uit den neus
waar; eenige druppels van een waterige vloeistof behoeven even-
wel geen reden tot ongerustheid te geven. Kleine hoeveelhe-
den van een grauwe of bloedige, brokkelige uitvloeiïng uit één
neusgat doen aan kwaden droes denken, terwijl een o v e r v 1 o e-
d i g e etterachtige neusvloeiïng uit beide neusopeningen vooral
bij aan gewonen droes lijdende paarden wordt waargenomen.
Heeft de uit den neus vloeiende massa of de uitgeademde
lucht een zeer onaangenamen reuk, dan is dit een teeken, dat in
de neuskanalen of de longen rottingsprocessen plaats grijpen.
De neusopeningen moeten bij gezonde paarden zuiver en droog
zjjn. Met korsten bedekte of met vuil opgestopte neusgaten doen
aan neusvloeiïngen denken, welke vooral bij kwaden droes voor-
komen.^
De slijmhuid der oogleden moet bleekrood zijn. Is deze, even-
als het zichtbare, witte deel van het oog, sterk geel gekleurd, dan
kan men hieruit met zekerheid tot een leverziekte besluiten.
De huid moet week en elastisch, veerkrachtig zijn.
-ocr page 7-
— 6 —
Het haar is bij gezonde paarden glad en glanzend en laat zich
niet gemakkelijk uitrukken. Bij volkomen gezonde paarden van
zwaren bouw treft men echter ook grovere haren aan. Deze dieren
zijn in den regel beter dan andere tegen de weersinvloeden bestand.
Ook bij veulens is het haar niet zoo glad en glanzend als bij volwas-
se n paarden. Tijdons het verharen in herfst en voorjaar verliest
liet haar van alle paaiden zijn glans, ook al zijn de dieren volkomen
gezond. Bij gezonde paarden moet het verharen een regelmatig
verloop hebben.
Is een paard zeer mager, dan wijst dit op onvoldoende
voeding gedurende langen tijd of op een ziekte, waarbij de eetlust
gering en do spijsvertering gestoord is. Is een paard, niettcgen-
staande goeden eetlust en gewone spijsvertering, zeer mager en slecht
in het haar, dan is er reden om aan een ongeneeslijke, kwaad-
aardige ziekte te denken.
De lichaamswarmte is bij een gezond paard over bijna de ge-
heele lichaamsoppervlakte dezelfde. Alleen de ledematen voelen
wat minder warm aan. Koude of vochtig koud aanvoelende ooren
zijn bij zieke paarden altijd een slecht teeken. Wisselt do tem-
peratuur aan do oorwortels snel af, dan heeft het dier koorts.
Bij een gezond paard telt men in den rusttoestand 10 a 14
ademhalingen per minuut. Daarbij mag slechts een geringe be-
weging der flanken en volstrekt geen geluid worden waargenomen.
Hoort men rochelende of piepende geluiden of voelt men, als men
de hand aan hot strottenhoofd houdt, een duidelijk snorren, dan
-ocr page 8-
— 7 —
moet aan een catarrhale ziekte, slijmophooping in keel on strot-
tonhoofd of aan ontsteking gedacht worden, waarvan vernauwing
der luchtwegen het gevolg was.
Gezonde paarden mogen niet hoesten. Ook moot door druk-
king op het onderste einde van liet strottenhoofd, dus door sa-
mendrukking van de luchtpijp (fig. 1), niet licht hoesten ver-
oorzaakt worden. Moet het paard tengevolge der bedoelde druk-
king hoesten, dan is dit een teeken, dat het strottenhoofd of de
luchtpijp door een catarrh aangedaan of geprikkeld is. Hoest het
paard dikwijls zonder uitwendige oorzaak, is hot hoestgeluid daarbij
zwak, kort en toonloos, dan kan vermoed worden, dat het paard
dampig is.
Bij het paard tolt men in gezonden toestand 40 a 48 polssla-
gen per minuut. Men voelt het bij voorkeur den pols aan de on-
derkaak- of kinnebakslagader, (fig. 2).
-ocr page 9-
— 8 —
Zij, die hierin niet geoefend zijn, doen beter hun oor tegen
de hartstreek te leggen en de hartslagen te tellen, die natuurlijk
met het aantal polsslagen in getal overeen komen, (zie tig. 3).
Moet men onderzoeken of het paard koorts
heeft, dan is het opnemen der temperatuur daar-
bij onmisbaar. Men doet dit door een maximaal-
thermometer (zie fig 4) in den endeldarm te bron-
gen. Men schuift dezen, na hem met wat raap-
of slaolie besmeerd te hebben, zeer voorzichtig
in de aarsopening. Een tweede persoon houdt
daarbij den staart voor de opening weg en wel
naar rechts. Men nadert liet paard van de
linkerzijde, houdt den thermometer in de rech-
terhand en legt tijdens het inbrengen van het
instrument de linkerhand op het kruis. Bij
raerriën en kittelige paarden laat men een der
voorbeenen oplichten.
Men mag den thermometer niet geheel los-
laten, daar do staartbewegingen zouden kunnen
veroorzaken, dat het instrument geheel naar bin-
3ien schoof, wat kwetsing van den endeldarm
ten gevolge zou kunnen hebben. Bij gezonde
paarden mag de temperatuur in den endeldarm
niet hooger dan 39» C. zijn. Een warmtegraad
Fig. 4.
van 39.5 a 40» C. wijst op matige, een van 40
a 40.8* op een hevige en een van 41 a 41.5» op
een buitengewoon sterke koorts. Is bij zieke dieren de tempera-
tuur normaal (38.5e), dan is de toestand in den regel niet beden-
kelijk. Bij slecht weder (nevel, regen, enz.) daalt de temperatuur
in den regel 1.5» C, terwijl ze, als de dieren aan de zonnestralen zijn
blootgesteld, een weinig stijgt. Bij donkergekleurde paarden is de
temperatuur gewoonlijk iets hooger dan bij witte en lichtgekleurde^
Gezonde paarden eten, ook al zijn ze pas gevoederd, het hun
voorgelegde lievelingsvoeder met graagte, vooral suiker. Nadert het
tijdstip van voederen, dan geven zij duidelijk te kennen, dat ze
honger hebben en voeder verlangen. Ze worden onrustig en stampen,
zien gedurig om en op zijde en dit vooral, als andere in de na-
-ocr page 10-
_ 9 —
bij held staande paarden voeder ontvangen. Blijft een paard in
dit geval met hangend hoofd staan, dan is zulks een bewijs, dat
het of doodmoe of min of meer ziek is.
Gezonde paarden bijten met graagte in hun voeder en kauwen
dit ter dege. Laat het etende paard een gedeelte van het reeds
gekauwde voeder uit den mond vallen, terwijl dit niet het gevolg
kan zijn van iets buitengewoons, dat in zijn omgeving voorvalt,
dan is dit een bewijs van storingen in de hersenen of van een
ziekelijken toestand van het gebit, die het dier tijdens het kauwen
pijn veroorzaakt.
Als paarden, die aan haver gewoon zijn, deze weigeren en uit-
sluitend gras, hooi of stroo eten, zijn ze ziek en hun spijsvertering
of hun kauwwerktuigen zijn niet in orde. Nog erger is het, als
het paard zijn natuurlijk voeder versmaadt en in plaats hiervan vuil
stroo, zaagsel, zand, aarde, enz. eet. In den regel lijdt het dan
aan een leverziekte; stellig is dit het geval, als het paard, op stal
staande, herhaaldelijk met wijd geopenden mond geeuwt.
Een paard, dat met weinig opgewektheid en langzaam kauwt,
heeft in den regel weinig aan zijn voeder en bezit weinig uithou-
dingsvermogen.
Een gezond paard komt bij \'t drinken niet met zijn neusope-
ningen in \'t water. Een paard, dat zulks wel doet, mag van kol-
der verdacht worden. Loopt een deel van het opgenomen water
weder door den neus weg, dan moet aan ontsteking in den hals
gedacht worden.
Over de meerdere of mindere regelmatigheid der spijsvertering
kan men beslissen door de vaste uitwerpselen te beschouwen. Een
gezond paard heeft in den rusttoestand om de 2\',\'a a 3 uren ont-
lasting; de mestballen hebben de grootte van een kleinen appel en
zijn tamelijk vast. Zijn ze zeer klein en hard, dan is de darmbewe-
ging vertraagd, wat dikwijls bij kolderige paarden voorkomt. Is de
mest te zacht en bevinden zich hierin veel onverteerde haverkor-
rels, dan is öf het voeder niet voldoende gekauwd of de paarden
kauwen te haastig, zoodat niet voldoende speeksel met het voeder
vermengd wordt. Zijn de mestballen buitengewoon licht van kleur^
dan lijdt het paard aan leverziekte.
De urine (pis) van gezonde paarden is lichtgeel en wordt in
-ocr page 11-
— 10 —
één krachtigen straal geloosd. Doet een paard herhaaldelijk, alsof
het urine moet loozen, doch zonder gevolg ot loost het telkens maar
weinig, clan kan men vermoeden (uitgezonderd bij hengstige merriën),
dat het met de pis werktuigen niet geheel in orde is. Donker-
gekleurde, rood- of zwartbruine urine neemt men waar bij paarden,
die aan met koorts gepaard gaande ziekten lijden.
Het gezonde, krachtig gevoede paard mag bij gewonen arbeid
niet spoedig vermoeid zijn en niet licht zweeten, tenzij het ver-
haart.
Is het paard gezond, dan toont het spoedig last van insecten
te hebben. Als men het bij do ooron grijpt, moot hot, losgelaten,
levendig met het hoofd schudden. Beweegt men snel een hand
voor de oogen heen en weder, dan moet zich de oogappel bewegen
en de oogleden moeten zich sluiten. Trapt men op de kroon, dan
licht het gezonde paard onmiddellijk den voet op, waarbij het toont
pijn te hebben.
Gezonde paarden gaan in eigen stal des nachts eenige uren
liggen. Van die, welke dit niet doen, kan men op den duur min-
der diensten verlangen dan van zulke, die \'t wel doen. Het gezonde
paard heeft een lichten slaap; het geringste geluid maakt het dier
volkomen wakker.
II. Verloskunde.
1. Behandeling en verpleging der fokmerrie.
Vette merriën, die moeiclijk drachtig worden, moet men, vóór
zij nog hengstig zijn, veel beweging verschaffen en matig voederen.
Niet zelden werkt een aderlating onmiddellijk vóór het dekken
zeer gunstig.
Hierbij gaat men op de volgende wijze te werk. Men legt om
het midden van den hals een strik. (fig. 5). Trekt men dezen aan,
dan worden de halsaders samengeperst, tengevolge waarvan ze op-
zwellen en duidelijk zichtbaar worden. Trekt men den strik te
sterk aan, dan kan het paard duizelig worden. Bevinden zich in
de keelstreek verharde gedeelten, dan is dit een bewijs, dat het paard
-ocr page 12-
— 11 —
vroeger of later door onkundigen is adergelaten. Do hals- of strot-
aders, die voor hot aderlaten worden gekozen, liggen tor weerszijden
tegen de luchtpijp en den slokdarm, "Men maakt hot haar op do
plaats, waar men de ader zal openen, met water nat. Men zet de
punt der vlijm op de gezwollen ader, zoodat hij er niet dwars, doch
schuin of overlangs op staat. Dan slaat men met een klopper
van hout zoo sterk op de ader, dat de vlijm er in dringt en de
opening zóó groot is, dat het bloed er met een matigen straal kan
uitvloeien. Men vangt het bloed in een vat op, opdat men wete,
hoeveel bloed is afgetapt. Is genoeg bloed uitgevloeid, dan wordt
de strik verwijderd en de mond toegemaakt. Men steekt over het
midden der wond door de beide randen of lippen een ijzeren speld.
Om deze speld wordt een strik getrokken, (fig. 6). Na twee dagen
kan de speld verwijderd worden.
-ocr page 13-
— 12 —
Zeer hengstige
merriën laat men pas
tegen het einde der
henstigheid dekken,
terwijl veulenmerriën
het best vóór \'t eerst
9 dagen na het veule-
nen bij den hengst
worden gebracht.
Perst een merrie
na het dekken zeer
sterk, dan geeft men
haar wat gewoon voe-
der of brood met zout,
suiker, enz. Hierdoor
wordt haar opmerk-
zaamheid afgeleid.
Ook is het goed
den rug door druk met
de hand wat te doen
doorbuigen, de merrie
F\'g- 6.                               \'/j uur in stap af te
a-a. laatwond; b. speld; c. nog niet        Tl\\fen 0f slechts lane-
aangetrokken strik.
De laatwond is op de teekening              zaam naar den stal
iets te hoog aangegeven.                   terug te leiden.
Voor drachtige merriën is in hooge mate schadelijk: sterk aan-
gespen van tuigriemen, schoppen of slaan tegen den buik, plotseling
inhouden bij snelle beweging, te plotseling en sterk aantrekken,
vallen, strijken langs deurstijlen en staldeuren, draven op hobbelige
wegen, voederen van beschimmeld hooi, muffe haver, enz., het drinken
van water, waarvan de temperatuur lager is dan V/i" C.
Drachtige merriën moeten behoorlijk beweging nemen; dit is
van groot belang met het oog op een gemakkelijke geboorte. Dit
moet vooral geschieden als beenen, uier enz. sterk zwellen. Zelfs
gedurende de laatste dagen vóór het veulenen mag de merrie niet
voortdurend op stal staan; men stapt haar dagelijks \'/» uur af; bij koud
•weder wordt zij dan gedekt met een deken, die ook de borst beschut.
-ocr page 14-
— 13 —
Eenige dagen vóór het veulenen neemt men de merrie de ijzers
af. Kort vóór het veulenen geeft men haar wat haver of haksel
en in plaats van water een lauwwarme slobbering van tar\\vezeme-
len, doch niet te veel.
Zoodra uier, schenkels, enz. gezwollen zijn en men droppeltjes
van een hars- of pekachtige stof aan de spenen ziet hangen, kan
men er op rekenen, dat de geboorte binnen tweemaal 24 uren plaats
zal hebben. Laat de merrie melk vloeien, dan is de geboorte zeer
aanstaande.
Meestal werpt de merrie in liggende houding. Krijgt ze weeën,
dan gaat ze liggen om spoedig op te springen, ze ziet naar achteren
om en loost mest en urine. Leeken denken dan dikwijls aan
koliek.
Bij het begin der geboorte worden de voorbereidingsweeön door
geboorte- of uitdrijvingsweeën vervangen. De waterblaas wordt naar
achteren geperst en verschijnt al spoedig tusschen de lippen der
kling als een roode blaas, die voortdurend meer voortschuift. Bij
een krachtige wee barst de blaas, het vruchtwater loopt weg en
een deel van het veulen wordt zichtbaar. Bij natuurlijke ligging
bestaat dat deel uit het hoofd, liggende op de gestrekte voorbeenen.
Door aanhoudende, afwisselend sterke en minder sterke weeën wordt
weldra het geheele veulen naar buiten gebracht. Dit geschiedt in
den regel zonder menschelijke hulp Onder zeer gunstige omstan-
digheden is de geboorte in 5 a 6 minuten afgeloopen.
Soms gaat de geboorte zoo snel, dat de waterblaas niet barst
en het jong hierdoor omgeven ter wereld komt. In dit geval moet
men om verstikking te voorkomen de blaas ten spoedigste openen.
Veulent de merrie in liggende houding, dan breekt de navelstreng
meestal af, als ze op springt. Grijpt do geboorte plaats, terwijl ze
staat, dan geschiedt zulks, als het veulen op den grond valt.
Breekt de navelstreng niet, dan trekt men die af met duim
en wijsvinger, die te voren in carbolwater ontsmet zijn. Met de
vingers drukt men voorzichtig al het nog in de navelstreng aan-
wezige bloed uit. Is het afhangende stuk navelstreng te lang, dan
bindt men het af. Men smeert de navelstreng goed in met een
oplossing van 10 Gram Creolin in 100 L. water of wel met teer,
waardoor men de zoogenaamde veulenlamheid kan voorkomen.
-ocr page 15-
— 14 —
Na eenigc minuten tot oen half uur treden de naweeën op,
waarbij de nageboorte en oen groote hoeveelheid van een troebele
vloeistof worden afgedreven.
2. Hulp brj de geboorte.
Bij regelmatige geboorten moet de mensch geheel werkeloos
blijven. Alleen kan het noodig zijn, dat hij de waterblaas ver-
scheurt en dat hij het jong opvangt, als do merrie staande veulent.
Hij grijpt hot veulen, als hot zeer ver naar buiten is getre-
den en legt het, nadat do geboorte heeft plaats gehad, voorzichtig
op den grond, doch bedenke, dat alle voorbarige hulp bij normale
geboorten schadelijk is.
Heeft de geboorte niet vlug en regelmatig plaats, perst do merrie
langer dan oen kwartier zonder dat iets te voorschijn komt, dan moet
men met de hand onderzoekon om de oorzaak vast te stellen. Te
voren worden hand on arm flink mot warm water en zeep gewas-
sen. Lange on scherpe nagels moeten eerst ingekort of afgevijld
worden. Dan smeert men hand en arm rijkelijk met raapolie of
een ander niet ranzig vet. Staat do merrie, dan laat men een der
voorbeenen oplichten. Ligt do merrie, dan heeft men weinig kans
door haar geslagen te worden, maar toch is het aan te bevolen de
onder de merrie liggende achterbeenen met een touw aan te trokken,
doch zoo, dat het dier bij plotseling op springen zich
niet kan bezoeron. Een strik is bij moeilijke verlos-
singen onmisbaar. Het best hiervoor geschikt is de
Hauptnescrhe strik (tig. 7) van manillavozels vervaardigd.
Deze is vrij van knobbels, lenig en sterk. Hij wordt te
voron goed ontsmet in oen oplossing van 5 Gram lysol
in l\'/2 L. water en daarna met olie besmeerd.
De oorzaken van onregelmatige geboorten bij het
paard zijn van zeer verschillendon aard.
1. De merrie is zwak en krachteloos. Zij perst
in \'t begin zeer sterk, doch is spoedig afgemat; het persen
wordt zwakker on het veulen blijft in de geboortewcgen
stoken. De merrie begint na eenige uron te zwoeten,
moeielijk te ademen en kan niet meer opstaan, Wordt
geen hulp verleend, dan kan na eenige uren als gevolg
Fig. 7. van uitputting de dood intreden.
-ocr page 16-
— 15 —
Hulp bij do geboorte. Is de merrie zwak, slecht gevoed en
hoeft men zich door hot inbrengen dor hand (zie voor do houding
flg. 8) in liet bekken overtuigd, dat hoofd en boenen op natuurlijke
wijze liggen, dan geeft men de merrie eerst \'/a L. warmen wijn,
waaraan men 15 Gram zwavelaethor on 10 Gram kamferspiritus
heeft toegevoegd. De krachten komen dan spoedig terug. Vervol-
gens tracht men de pogingen der merrie te ondersteunen door aan
hot veulen te trekken, wat slechts geschieden mag op de oogen-
blikkon, dat zo weeën heeft.
Zijn do geboorte wegen droog, dan laat
mon door middel van een boven de merrie
gehouden trechter, waaraan eon gummislang
is bevestigd, \'/» L. olio in do schocdo vloeien.
In den rogol zal het veulen clan met wei-
nig moeite geboren worden. Het blijft ovenwei aan te bevelen,
als de geboorte niet voorspoedig gaat, spoedig eon veearts te ont-
bieden. Intusschen past mon in afwachting van dozen de boven
aangegeven middelen toe, omdat de komst van den veearts dikwijls
pas na oenigo uren verwacht kan worden.
2.    Het bekken dor merrie is in verhouding tot de grootte van
het veulen te nauw. Oorzaken: Te vroeg d. i. toevallig drachtig
worden der merrie op de weide, slechte ontwikkeling van het bek-
ken, enz. De geboorte kan zonder hulp niet plaats hebben. Dikwijls
moet het veulen in hot moedordier worden ontleed.
Huli) bij de geboorte. Onder allo omstandigheden moet ten
spoedigste de veearts ontboden worden. Heeft men zich overtuigd,
dat de geboorte niet mot eenvoudige middelen bewerkt kan worden,
dan wachtte mon liever op don veearts dan door toch nuttolooze
pogingen, welke zwolling on ontsteking der goboortewegen on ge-
slachtsdeolen kunnen veroorzaken, do zaak nog erger te maken.
Men late alleen, als het vruchtwater is weggeloopen, olio in de
scheedo vloeien om te voorkomen, dat het slijmvlies te droog wordt.
3.    Het veulen is in verhouding tot do volwassen merrie te
groot. Do oorzaak is dikwijls eon te lange dracht. Hulp van don
veearts is onmisbaai\'. Overigens ga men te werk als boven is aan-
gegeven.
-ocr page 17-
— 16 —
4.    Het veulen heeft een waterhoofd. De oorzaken hiervan
zijn onbekend.
De ingebrachte hand ontdekt een buitengewoon grooten, weeken
en veerkrachtigen schedel. Zonder insnijden of verkleinen van den
schedel is do geboorte onmogelijk. De leek kan hier geen hulp
verleenen; die van den veearts is weder onmisbaar. Tot de komst
van dezen kan men met een pennemes
(zie voor houding der hand fig. 9) het
opensteken van het waterhoofd beproe-
ven, temeer daar het doorsteken van de
dunne schedelbeenderen meestal met
weinig moeite kan geschieden; den meesten weerstand biedt de
harde, blaasachtig uitgezette huid. Na het wegloopen van het water
tracht men den schedel zijdelings samen te drukken. Geschiedt
niettegenstaande dit alles de geboorte niet, dan wacht men een-
voudig op den veearts zonder verdere toch vergeefsche pogingen
te doen.
5.    Verkeerde ligging van het hoofd on de ledematen; het eerste
is dan meestal teruggeslagen. Bij deze ligging treden eerst de
voorbeenen in de geboortewegen, terwijl het hoofd terug blijft. Niet
zelden zijn de halswervels dan met elkander vergroeid, zoodat een
rechtbuigen van den hals onmogelijk is. De veearts kan de ge-
boorte bewerkstelligen door hoofd en hals van den romp los te
maken. Is het hoofd niet te ver teruggeslagen, zijn de halswervels
niet verkromd of vergroeid en kan de ingebrachte hand nog het
hoofd bereiken, dan gelukt het dikwijls ook den leek, althans wan-
neer genoeg ruimte aanwezig is, het hoofd de gewenschte houding
te geven. Hij kan zich dikwijls de noodige ruimte verschaffen door
de merrie van achteren hooger te plaatsen dan van voren. Hierin
slaagt hij alleen als de merrie staat. Ligt zij en wil ze niet opstaan,
dan kan hij de merrie van achteren hooger plaatsen dan van voren
door onder de achterhand een dikke laag stroo te schuiven. Het
brengen van het teruggeslagen hoofd in den geboorteweg wordt ver-
gemakkelijkt, als men door middel van trechter en slang een hoe-
veelheid warm water in de scheede laat vloeien. Ligt het hoofd van
het veulen aan den linkerkant van de buikzijde der merrie, dan
legt men deze op de rechterzijde; ligt het hoofd rechts, dan legge
-ocr page 18-
— 17 —
men de merrie op de linkerzijde. Is men er na een half uur niet
in geslaagd het hoofd in den vereischten stand te brengen, dan beproe-
ve men het veulen te »halen", zooals \'t ligt. Is het bekken der merrie
ruim en het veulen klein, dan zal dit kunnen geschieden. Gelukt
ook dit niet, dan moot de veearts ontboden worden, want het door-
snijden van den hals of het afnemen der voorbeenen kan in vele
gevallen liet moederdier nog redden.
G. Het hoofd van \'t veulen is tusschen de voorbeenen door
naar acliteron geslagen. De ingebrachte hand voelt slechts de ooren
van het jong. (fig. 10).
• Fig <0.
Menjkan het hoofd hot best in de gewenschte houding leggen
als de merrie staat, doch men moet zorgen, dat de onderkaak niet
tegen het bokken stoot, als men het hoofd bij de bovenkaak vast
grijpt. In do meeste gevallen slaagt zelfs de leek er in deze hin-
dcrpaal uit den weg te ruimen. Ligt de merrie, dan moet men ze
op den rug loggen na haar de boenen gekluisterd te hebben. Het
hoofd van het veulen komt dan meestal gemakkelijk in de vereischte
houding. Hebben deze pogingen binnen een kwartier het gewenschte
gevolg niet, dan moet de veearts geroepen worden.
„Het zieke Huisdier".                                                               2.
i
-ocr page 19-
— 18 —
7.    De beide voorbeenon zijn in het kniegewricht gebogen. In
dit geval is hot niet altijd gemakkelijk zo de gewenschtc ligging
to geven, omdat liet veulen naar verhouding lango boenen heeft.
In do corsto plaats moot hot, wellicht reeds in de geboortewegen
gedrongen, in den draagzak teruggeschoven worden, wat zeer dik-
wijls moeielijk on soms zelfs geheol onmogelijk is. Men kan zich
in dezen zijn taak minder moeielijk maken door de staande of lig-
gondo merrie achter hooger te plaatsen dan vóór. Na hot terug-
brengen van het jong moet men een groote hoeveelheid warm water
of olie laten inloopon. Vervolgens tracht men met de hand de
hoeven te grijpen en de beenen in het ellebooggewricht sterk to
buigen of omhoog te trekken. (Zie in fig. 11 de stippellijn).
Zijn de knieën reeds ver in
het bokken gedrongen en blijkt
het terugbrengen geheel onmoge-
lijk, dan moeten de beenen door
den veearts in de kniegowrichten
doorgesneden en uit de huid los-
Fig. 44.
gemaakt worden.
8.    Eén voorheen of beide voorbeenon zijn onder don buik ge-
slagen, zoodat de ingebrachte hand alleen de schouders voelt. Slechts
in geval de merrie groot en het veulen klein is, gelukt het \'t veu-
len in deze houding te voorschijn to brengen. Gelukt dit niet, dan
ga men to werk als in het vorige geval, want meestal is het niet
moeielijk de voorknieën te bereiken. Hieraan trekt men ten einde
spoedig do voeten te grijpen. Ook in dit geval niet te lang ver-
goefsclio pogingen aangewend, doch den veearts ontboden !
9.    Het veulen ligt geheel verkeerd, d. w. z. met de achterhand
naar do geboortewegen gekoerd. Op zichzelf behoeft deze verkeerde
ligging geen reden tot ongerustheid te geven, maar de geboorte
moet eon zeer snel verloop hebben, want anders stikt het diertje.
Deze verkeerde ligging van het veulen ontdekt men aan de
omstandigheid, dat men mot do ingebrachte hand niet de naar bene-
den, doch naar boven gekeerde zolen vindt en spronggewrichten in
plaats van voorknieën. Men moot spoedig en krachtig aan do ach-
terbeenen trekken. Helpt dit niet of weinig, dan moet men den
-ocr page 20-
— 19 —
staartwortel grijpen om een mogelijk terugblijven van den staart
tijdig te kunnen voorkomen. Bij deze ligging van het veulen kun-
nen gevaarlij ke verkeerde houdingen der. ledematen voorkomen.
10. Eén of beide aehterbeenon kunnen in de spronggoAvrichten
gebogen zijn. Het veulen kan niet geboren worden zonder dat de
beenen goed gelegd worden, want de Aehilles-pees belet een vol-
ledige buiging dor beenen in de spronggewrichten, zoodat de pijpen
niet dicht genoeg bij de onderschenkels gebracht kunnen worden.
Is er ruimte, dan gelukt hot veelal gemakkelijk de boenen de ge-
wen schte ligging te geven. Men grijpt den voet bij den hoef en
tracht hem sterk in het kootgewricht te buigen en achteruit te
trekken, (fig. 12). Den meesten tegenstand ondervindt men. als de
hoeven reeds tot de bekkenopening genaderd zijn. In dit geval
mag men don eenmaal vastgegrepen hoef niet loslaten, teneinde te
voorkomen, dat hij den wand van den draagzak doorboort. Valt de
merrie, dan laat men zich eveneens vallen. Het loslaten van den hoef
staat gelijk met het dooden van het moedordier. Om de achterste lede
-ocr page 21-
— 20 —
maten genoeg te kunnen buigen moet het jong zoover mogelijk in
den draagzak teruggebracht worden.
Niet zelden komt het voor, dat do beide spronggewriehten
reeds ver in do bokkenholto zijn doorgedrongen, zoodat ze zelfs in
de schaamspleet zichtbaar zijn. Dan is het terugbrengen van het
veulen onmogelijk. Het veulen kan echter gehaald worden, als de
Achilles-peos aan do punt van het spronggewricht met een daar-
voor bestemd instrument wordt doorgesneden, (fig. 115).
Fig. 13.
Men bevestigt daartoe oen strik onder het gebogen sprongge-
wricht en laat flink trekken. Met de eeno hand wordt het lem-
met van het mes op het spronggewricht gehouden en een helper
slaat met een houten hamer krachtig op het handvat van het
-ocr page 22-
^2i -
instrument. Het is niet noodig, dat het been in het spronggewricht
wordt doorgesneden; het afsnijden der Achilles-pees is voldoende.
11.    Het veulen ligt niet den rug naar den buik der merrie ge-
keerd. Dikwijls is \'t zeer moeielijk het veulen te halen. Meestal
is \'t goed de merrie op den rug te leggen, haar de beenen te bin-
den en deze aan balken of ringen boven in den stal vast te maken.
12.    Het veulen ligt met den rug naar de geboortewegen ge-
keerd. Het moet zoover mogelijk in den draagzak teruggebracht
worden, men grijpt clan het meest gemakkelijk bereikbare deel en
trekt het veulen bij de voor- of bij de achterbeenen.
13.    Het veulen treedt met vier beenen tegelijk in de geboorte-
wegen, zoodat het met den buik naar het bekken van het moeder-
dier gekeerd is. In dit geval moet men trachten het hoofd of de
achterband in den draagzak terug Ie schuiven, waarbij de merrie
van achteren hooger geplaatst of gelegd moet worden dan van voren.
Een en ander gaat echter niet gemakkelijk en mislukt dikwijls. Nog
Fig. 44.
moeielijker wordt het, als het hoofd daarbij over den rug naar ach-
teren gebogen of tusschen de voorbeenen door tegen den buik ge-
slagen is. (fig. 14). De leek kan in dit geval weinig uitrichten.
-ocr page 23-
— 22 —
14. Het veulen is misvormd. De veearts is in dit geval be-
paald onmisbaar.
Het is hier zeker de plaats eenige wenken te geven omtrent
de behandeling van merrie on veulen onmiddellijk na de geboorte.
Het veulen ligt spoedig na de geboorte het hoofd met een krach-
tigen ruk op, maakt levendige bewegingen met de ledematen en
tracht op te staan.
Niet zelden komt het veulen schijndood ter wereld of heeft
het een slechts zwakke ademhaling. In dit geval moet men de flan-
ken en de ribbenpartij krachtig wrijven. Zeer goed is \'t ook het
veulen op den rug te leggen en dan de voorbeenen beurtelings
van en naar do borst te bewegen. Bemerkt men een taai slijm in
mond of neus, dan verwijdert men dit met een zuiver doekje.
De eerste melk (biest) mag niet, zooals hier en daar geschiedt,
uitgemolken, maar moet door het veulen uitgezogen worden, daar zij
ter verwijdering der darmpok dient. Eonigen tijd na het zuigen
krijgt het veulen dan ook ontlasting. Niet zelden doet zich ver-
stopping voor, omdat de biest niet voldoende geweest is voor de
afdrijving dor darmpok. Men tracht dan met den met olie be-
smeerden vinger de in don endeldarm opgehoopte darmpok te ver-
wijderen.
In dit geval zijn ook klisteeren van kamillenthee en olio aan
te bevelen of van \'/» L. warm water met een koffielepel zout.
Krijgt het veulen pijn en op koliek gelijkende aanvallen, dan geeft
men inwendig 50 a 100 g. ricinus(wonder)olie met 5 g. tinctura Rliei,
120 g. lijnolie en 500 g. warm water. Deze hoeveelheid wordt in
drie gedeelten binnen een tijdruimte van 3 uren ingegeven.
Wil een jongo, kittelige merrie haar veulen niet laten zuigen,
dan moet men haar een praam aanleggen en de beenen oplichten,
waarna het uier met koud water gewasschen wordt.
Na de geboorte wordt de merrie met een licht kleed gedekt en
goed warm gehouden. Frissche lucht schaadt haar niet, integendeel,
doch men vermijde tocht. Een temperatuur van 18 a 19» C. is voor
moeder en kind de meest geschikte.
-ocr page 24-
— 23 —
Ontstaan na de geboorte hevige en aanhoudende bloeding, dan
doet men een inspuiting van 5 a 10 L. koud water, waarin een
handvol zuivere aluin opgelost is. Bovendien roepe men den
veearts.
Niet zelden treedt de draagzak uit. Dit is niet ongevaarlijk,
omdat de uitgetreden deolen lichtelijk in ontsteking geraken. Daarom
moet men trachten te voorkomen, dat do merrie veel of sterk perst.
Dit kan geschieden door do aandacht der merrie af te leiden en
die op haar kind of een versnapering te vestigen
Soms treedt een deel van draagzak, enz. plotsling naar
buiten tengevolge van een sterke nawee. In dit geval moet men
de uitgetreden deelen na ze terdege afgespoeld te hebben met een
oplossing van 1 g. gebrande aluin in 1 L. water onmiddellijk trachten
binnen te brengen. Is dit geschied, dan late men 10 a 12 g. aluin-
water binnenvloeien en naaie men de opening met een 3U c.M.
breeden band dicht. Houdt het persen niet op, dan legt men natte
zakken op het kruis of late den veearts een morphine-inspuiting
doen (0.5 g. morphine op 5 g. water).
Is er kans, dat do ontboden veearts binnen \'/• uur aanwezig
zal zijn, dan brenge men de uitgetreden deolen niet terug, doch
omgevo ze met een natten doek, die van tijd tot met lauwwarm
aluinwater wordt besjiioeid.
Na het inbrengen moet de merrie eenigen tijd worden afgestapt.
Is de nageboorte na 2-1 uren niet afgekomen, dan roepe men
den veearts. Uit liet terug blijven van een deel der nageboor-
ten ontstaan meestal doodelijke ziekten.
Na het verwijderen der nageboorte moet een grondige uitspoe-
ling (met trechter en gummislang) plaats hebben met oen oplossing
van 5 g. lysol op \'/j L. warm water.
Gedurende de eerste dagen na het veulenen voedert men de
merrie slechts matig. Geeft ze voel en votto melk, clan lijdt het
veulen dikwijls aan doorloop. In dit geval moet do merrie nog
matiger gevoederd worden en mag ze slechts weinig haver ontvangen.
Met het hooi geeft men haar wat stroo. Bovendien moet zij moor-
malen gemolken en moet het veulen gemuilband worden, opdat het
niet te veel zuige.
Geeft de merrie weinig of schrale melk, dan moet de merrie
-ocr page 25-
— 24 —
krachtig gevoederd worden, vooral met goedn haver, geweekte gerst
roggezemclen, haksel van goed haverstroo, peen en distels. Ook
bewijzen wasschingen van het uier met kamferspiritus, brandewijn,
enz. goede diensten.
Over het voeder strooit men telkens VI, eetlepel van het vol-
gende mengsel:
Antimonium 20 gram
Keukenzout 70 »
Venkelpoeder 30 »
Anijspoeder 25 »
Na 8 dagen kan men de merrie met gewoon voeder onder-
houden, mits men er voldoende haver bijgeeft.
Ten einde uierontsteking te voorkomen, verschafte men de mer-
rie voldoende beweging. Ontstoken uiers wrijft men in met glycerine
of loodzalf.
III. Uitwendige ziekten.
Huidverbranding.
Oorzaken. Felle zonnehitte, aanraking met ongebluschte
kalk en andere bijtende stoffen, enz.
Verschijnselen. De huid is op do aangedane plaatsen
heet en gezwollen. Bij aanraking hebben de dieren hevige pijn.
Soms ontdekt men blazen. Niet zelden ontstaat ottoring.
Behandeling. Omslagen niet loodwator of van 50 g. lood-
suiker, 25 g. aluin en 2 L. water. Ook kan men geraspte aardappels
opleggen.
Bij ettering wascht men met oplossing van 1 g. lysol in 1 L.
warm water. Daarna bestrooio men do wonden met een mengsel
van 1 g. jodoform, 5 g. looizuur en 5 g. aardappelmeel.
Huidsohavingen.
Oorzaken. Slecht passend tuig, schuren en wrijven bij
huidjeuken, enz.
Verse h ij nselen. Eoode, niet zelden bloedende, hoogst ge-
voelige plaatsen op de huid.
-ocr page 26-
— 25 —
Behandeling. Omslagen met loodwater of met oplossing
van 25 g. loodsuiker en 15 g. aluin in 1 L. water of bestrooien met
mengsel van 0.5 g. jodoform en 5 g. aardappelmeel. Men voor-
komo nieuwen druk op do zieke plaatsen.
Ontstekingachtige huidzwelling.
Oorzaken. Beleediging, drukking, stooten, vallen, strijken,
enz.
Verschijnselen. De aangedane deelen zijn heet, gezwol-
len, doch slechts matig pijnlijk.
Behandeling. In \'t begin koude omslagen van ijs- of
sneeuwwater, loodwater of van oplossing van 50 g. loodsuiker, 25 g.
aluin en 2 L. water.
Fig. 45.
Neemt de pijn toe, ook nadat men eenige dagen koude omsla-
gon heeft toegepast, dan kan vermoed worden, dat inwendig ette-
ring plaats heeft. In dit geval eindigt men met het aanbrengen
-ocr page 27-
— .26 —
van koude omslagen en tracht men door vochtig warme omslagen
de etterbuil tot rijpheid te brengen. Is ze week geworden, dan
maakt men met een te voren ontsmet, scherp pennemes een insnij-
ding. Zit de etterbuil diep, dan is dit werk voor den veearts.
Na het openen spuit men dagelijks 2—3maal in do etterholte
met 1 g. lysol en \'/j L. warm water. Hiertoe gebruikt men het
liefst een ballonspuit. (fig. 15).
Wordt het uitspuiten verzuimd en do etter niet intijds ver-
wijderd, dan ontstaat dikwijls wild vleesch, dat in den vorm van
een ronden tepel of langwerpige wrat uit de wonde groeit, (fig. 16).
Fig. lö.
Opdat de wonde zich niet te vroeg sluite, stopt men een weinig
salicylwatten in de opening.
Nekbuilen, borstgezwellen, zadeldrukkingen.
Deze worden behandeld op dezelfde wijze als do vorige ziekte.
Bij pas ontstane nekbuilon is hot opleggen van een ijszak aan
te bevelen. Men noemt dan een halster en bevestigt don ijszak
aan het hoofdstel, (fig. 17).
-ocr page 28-
— 27 -
Bij zadeldmkking past men dezelfde middelen toe als die voor
huidschavingen zijn ojigegovon.
Ontstekingachtige zwelling der voeten.
Oorzaken. Huidontsteking, mok, rotstraal, verwaarloosde
wonden.
V e r s c h ij n s e 1 e n. De voeten beginnen van onderen af te
zwellen. Do zwelling is slechts matig warm en weinig pijnlijk.
Het paard wordt niet bemoeielijkt in het gaan.
Na beweging verdwijnt de zwelling; na betrekkelijk lange rust
komt ze terug.
Gelukt het niet de kwaal, als deze nog in het begin is, te ge-
nezon, dan ontstaan dikwijls blijvende verdikkingen.
Behandeling. Veel beweging verschaffen in stap of kor-
ten draf. Zoo mogelijk het zieke paard tweemaal daags bij goed
weder gedurende eenigo uren lichten arbeid laten verrichten.
Dagolijk wascht men don voet 3 —4 maal met een zeepoplos-
sing (100 g. groene zeep en 5 L. warm water) en wrijft men het
been krachtig gedurende een kwartier. De wrijvende beweging moet
-ocr page 29-
-28-
van onderen naar boven plaats hebben (fig. 18), waarbij men aan het
boveneinde van het gezwollen deel begint.
Ontstekingachtige zwelling der schenkels.
Deze ziekte gelijkt op de vorige, doch gaat met veel pijn ge-
paard, terwijl het paard de beenen dikwijls niet dan zeer moeielijk
kan bewogen.
Oorzaken. Mok, verwaarloosde wonden aan koot of kroon,
rotstraal, kloven aan het kootgedeolte, enz.
V e r s c h ij n s e 1 e n. De ziekte komt plotseling, meestal ge-
durende den nacht.
Do ledematen, maar vooral de
bovenschcnkels zijn min of meer
sterk gezwollen. Het gezwel is
heet en zeer pijnlijk.
Wanneer men op de klieren
in de liesstreek drukt, blijkt het
paard pijn te hebben. Dikwijls
breidt zich de zwelling tot over
den buik uit.
Meestal heeft het paard koorts
en weinig eetlust.
In vele gevallen is na eenige
dagen verbetering te bespeuren.
De pijnlijkheid vermindert, de eet-
lust keert terug. In enkele geval-
len komt het ook tot ettering en
ontstaan op verschillende plaatsen
kleine etterbuilen, die behandeld
Fig. iS.
worden, zooals op bladz. 26 is
medegedeeld.
Behandeling. Vooreerst wassche men het been dagelijks
tweemaal met 10 g. lysol en 5 L. warm water. Na het wasschen
wrijft men het been met een wollen lap droog.
Aan te bevelen zijn ook omslagen van warm, eenigszins ge-
broeid hooizaad.
Inwendig geve men zoo spoedig mogelijk een purgeermiddel,
liefst een aloëpil, bestaande uit 3,5 g. aloë en 5—10 g. groene zeep
-ocr page 30-
— 29 -
Lator wrijft men met een mengsel van 40 g. groene zeep,
1 L. water en 150 g. kamferspriritu8.
Men geeft den patiënt lichtverteerbaar voeder, zoo mogelijk
ook gras en in plaats van koud water een slobbering van zemelen.
De stal moot warm zijn. Tocht moet zorgvuldig vermeden
worden.
In hardnekkige gevallen is de hulp van den veearts onmis-
baar, vooral als do zwelling zeer uitgebreid en pijnlijk is en
met veel koorts gepaard gaat.
Hoofdzwelling.
Deze ziekte komt dikwijls bij veulens, zelden bij volwassen
paarden voor.
Oorzaken. Wonden in huid en slijmheid van het hoofd,
waardoor rottingsproducten in het bloed of de andere lichaams-
vochten geraken.
Verschijnselen. Min of meer hevige koorts. Het hoofd
zwelt sterk op. Later kunnen aan de gezwollen deelen kleine etter-
builen ontstaan. Dikwijls sterft de patiënt van bloedvergiftiging.
Behandeling, Allereerst wascht of penseelt men alle won-
den of verzweringen eenige malen daags met 1 g. lysol en 100 g.
water of met 1 g. helschen steen en 10 g. water.
Het gezwollen deel wordt, als \'t niet te groot is, gepenseeld
met 150 g. collodium en 15 g. carbolzuur of met 150 g. glycerine
en 15 g. carbolzuur.
Deze ziekte is zoo ernstig, dat men het best doet den veearts
te ontbieden.
Ontstekingachtige zwelling van den koker.
Oorzaken. Stooten, slaan, beleediging, schuiven of rijden
op den latierboom, enz. De ziekte kan ook ontstaan als gevolg van
de dekziekte.
Verschijnselen. Tamelijk uitgebreide min of meer weeke,
pijnlijke opzwelling van den koker, waarin de opgelegde vinger een
kuiltje achterlaat. In den regel heeft de patiënt geen koorts.
-ocr page 31-
— 30 —
Behandeling. Omslagen van gekookt hooizaad of van 25 g.
gebrande aluin, 50 g. loodsuiker on 3 L. lauwwarm water.
Legger.
Oorzaken. Beleedigingen
van verschillenden aard, vooral ech-
ter drukking van de kalkoenen
of ijzertakken dor hoefijzers. Leg-
gers komen het meest voor in on-
voldoend breede stallen, waar de
paarden niet naar behooren kun-
nen gaan liggen.
V e r s c h ij n s e 1 o n. Plot-
seling ontstaat aan den elleboog
een gezwel ter grootte van een
appel tot een vuist (fig. 19), dat
matig warm is en deegachtig
aanvoelt. Enkele malen wordt de
in hot gezwel aanwezige vloeistof
weder opgezogen; meestal gaat het
tot verharding over. Het kan ook
in ettoring geraken en doorbreken»
FlS- *6-                      In do meeste gevallen ontstaat een
blijvende verdikking.
Behandeling. Geraakt een nog jonge legger in ontste-
king, dan past men verkoelende omslagen toe.
Is de legger zeer groot en week, dan maakt men aan de onder-
zijde met een scherp mes een insnijding. Het in het gezwel aan-
wezige vuil wordt met den vinger verwijderd. In de opening steekt
men een prop watten, die men te voren in een chloorzink-oplossing
gedoopt heeft (5 g. chloorzink op 40 g. water). De wond, die
door opening van een logger ontstaat, heelt moe ielijk, daar de om-
liggende doelen zeer bewegelijk zijn.
Kleinere en gestoelde leggers kan men met een dunne snaar
of gummislang afbinden; ze vallen dan vanzelf af.
Opdat geen nieuwe beloediging plaats vinde, geve men het paard
een ruimen stand, ruim van stroo voorzien. Het moet beslagen wor-
-ocr page 32-
— 31 —
den mot ijzers zonder kalkoenen. Ook is het aan te bevelen des
nachts de hoeven on ijzers met oude lappen te omwikkelen.
Dikke hak.
Dit is een meer of minder groot, meest week gezwel aan de
punt van het spronggewricht.
Oorzaken. Niet zelden is de dikke hak of de aanleg daar-
toe erfelijk.
Aanleidende oorzaken tot het ontstaan van deze ziekte zijn
beleedigingen, slaan in den hoefstal, inwendige ziekten.
Verschijnselen In don regel gaat de patiënt niet kreu-
pel, behalve wanneer de dikke hak nog pas door beleediging ontstaan
is. In dit geval laat hot gezwel zich heet aanvoelen.
Bij uitzondering kan het gezwel de grootte van een mansvuist
bereiken.
Verloop. Bij doelmatige behandeling volgt genezing ge-
woonlijk binnen korten tijd.
Fig. 20.                                                  Fig. 2<.
Behandeling. Zijn ontstekingsverschijnselen, hitte, pijn-
lijkheid, enz. aanwezig, dan legt men omslagen met loodsuiker-
aluinoplossing, bestaande uit 100 g. loodsuiker, 50 g. gebrande aluin
en 2 L. water. Voor omslag gebruikt men een linnen lap, die
men met stroobanden om het spronggewricht bevestigt. De vloei-
stof giet men met een kopje tusschen huid en omslag, (zie fig. 27).
-ocr page 33-
- 32 —
Zijn geen hitte of gevoeligheid meer waar te nemen, doch zijn
verdikkingen nagebleven, dan wrijft men éénmaal met zalf van 3 g.
joodkwikzilver en 25 g vaselino.
In de meeste gevallen kan do hulp van den veearts ontbeerd
worden.
Strijkwonden.
Oorzaken. Gebrekkige beenstand, slecht beslag, te breede
ijzers, scheeve hoeven, vermoeidheid, slechte voeding, slechte wegen,
diep uitgereden wagensporen, verschoven hoofijzors, naar buiten ste-
kende nagels, scheef inspannen.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Men bemerkt aan de binnenzijde der
koot meer of minder diepe kwetswonden, die het paard spoedig
kreupel doen gaan. Niet zelden treden onsteking der lymhe(water)
vaten en zwelling der voeten op.
Behandeling. Allereerst moet men door doelmatig besnij-
den der hoeven den gewenschten stand der boenen trachten te
verkrijgen. Ook kan men een strijkijzer (fig. 20) onderleggen. Om
de wonden te genezen legt men gedurende eenige dagen een om-
slag van 50 g. gebrande aluin, 100 g. loodsuiker en 2 L. water.
Beginnen ze te heelen, dan bevochtigt men ze dagelijks tweemaal
met 1 g. jodoform en 5 g. looizuur.
Blijft het paard strijken niet-
tegenstaande besnijden der hoeven
en gewijzigd beslag, dan kan men
als laatste hulpmiddel ook een
strijkkap of strijkring aanleggen,
(zie fig. 21).
Dikwijls is de oorzaak van het
strijken te zooken in krachteloos-
heid van het paard. In dit geval
kan do kwaal tot kleiner omvang
teruggebracht of genezen worden
door sterker te voederen.
Op dezelfde wijze moeten ook wonden aan do koeten der voor-
beenen genezen worden, die een gevolg zijn van het zoogenaamde
»aanslaan". In dit geval kan veel verbeterd worden door te beslaan
met ijzers zooals fig. 22 er een voorstelt.
-ocr page 34-
— 33 —
Dit is aan het toongedeelte verkort, waardoor het aanslaan
kan worden voorkomen.
Oogontsteking. (Ontsteking van het bindvlies).
Oorzaken. Indringen van vreemde lichamen, zooals stof
en kafnaalden, insecten; zweepslagen, stooten, bedompte stallucht,
aanhoudend gaan op zandige wegen of stoffige straten, enz.
Verschijnselen. De oogen blijven gesloten, de oogloden
zijn dikwijls gezwollen en zeer rood. De kwaal gaat gepaard met
een sterke afzondering van traanvocht, hetwelk over do randen der
oogleden en de wangen afvloeit. Op den langen duur wordt het
hoornvlies blauw en ondoorzichtig.
Behandeling. Allereerst moeten vreemde lichamen uit het
oog verwijderd worden. Daar de oogappel zich echter bij iedere
aanraking krampachtig beweegt, dient men dezen te voren te pen-
seelen met 0.5 g. cocaïne en f> g. water.
Gewoonlijk is bij het onderzoek en de behandeling de praam
onmisbaar; dikwijls moet het paard zelfs op den grond gelegd
worden. Vreemde lichamen tracht men zoo mogelijk met den wijs-
vinger ot met het omgebogen deel van een haarspeld of met een
samengerold papier, waaraan een knopvormige punt, te verwijderen.
Stofdeeltjes, kalk, enz. tracht men weg te nemen met een fijn
penseel of een klein, vochtig sponsje. Enkele malen komt hot voor,
dat het bovenste ooglid zich naar binnen omstulpt en den oog-
appel voortdurend met de wimpers schuurt. In dit geval moet de
veearts het omgestulpte deel wegnemen of insnijdingen in het oog-
lid maken. Na verwijdering der vreemde lichamen werkt men met
omslagen van koud water of van 100 deelen loodazijn op 4 L.
water. Ook kan men een vochtig warm omslag op \'t oog leggen,
dat pas na 6 —8 dagen wordt weggenomen. Dit omslag wordt ge-
maakt op de volgende wijze :
Men doopt een stuk van een linnen lap in koud water, waar-
in 3% boorzuur, en legt dit op het oog; dit bedekt men met een
stuk gutta-percha-papier en dit weer met een wollen lapje of met
watten. Alles wordt met een \'doek om het hoofd bevestigd. Is de
ontsteking hevig en zeer pijnlijk, dan maakt men een omslag van
„Het zieke Huisdier".                                                                       3.
-ocr page 35-
— 34 —
slijmige zelfstandig-lieden (lijnzaadafkooksel bijv.) of een dun af-
kooksel van nialuw-wortel. Is do uitvloeiïng zeer hardnekkig, dan
penseelt men het bindvlies herhaaldelijk met 0,1 g, holschen steen
in 10 g. gedistilleerd water.
De patiënt moot op diöct gehouden, d.i. matig gevoederd wor-
den. Zoolang hij pijn heeft on lichtschuw is, mag hij niet werken.
Men plaatst hom in oen donkeren, kooien stal, waarvan men do
vensters bedekt.
Duurt do ziokto lang, dan laat men hot paard bij betrokken
lucht of tijdons do schemering \'/, — \'/, uur rondleiden.
liet ontbieden van den veearts zij aanbevolen.
Inwendige oogontsteking.
(Periodieke oogontsteking, maanblindheid.)
Deze ontsteking, welke de inwendige oogdoelen, het regen-
boogvlies on hot notvlies aantast, komt bij paarden buitengewoon
veel voor.
Oorzaken. Erfelijkheid; de ziekte komt het meest voorbij
jongere paarden van 3 — 6 jaar on clan in laag gelegen, vochtige
streken mot zwaren kleibod\'em meer dan in hoogere dooien met
kalkrijken grond.
Warme, bedompte en donkere stallen werken het ontstaan der
ziekte in do hand.
Verse h ij nselcn. In den regel begint de ontstoking plot-
seling en wel gedurende don nacht. Men bemerkt des morgens, dat
één oog gesloten is en sterk traant. Opent men de oogleden, dan
vloeit het opgczamclde traanvocht er rijkelijk uit. Het bindvlies
s rood en hot paard blijkt zeer gevoelig voor het licht.
Plaatst men het bij do deur van een donkeren stal en opent
men de oogleden, dan bemerkt men, dat do pupil sterk vernauwd
iis. Het hoornvlies is dikwijls blauwachtig troebel. Niet zelden is
in do voorste oogkamer een vlokkigo troobeling waar te nemen.
Deze verschijnselen treden na eonige dagen meer sprekend op.
Na eonige weken treedt geleidelijk verbetering in, de traan-
vloeiïng en de lichtschuwheid verminderen of houden op en het
gezichtsvermogen wordt hersteld, hoewel niet volkomen. Onderzoekt
men thans het oog bij do deuropening van een donkeren stal waarbij
-ocr page 36-
— 35 —
het paard met liet hoofd naar het licht gewend wordt, dan ziet men
bijna altijd, dat de pupil vernauwd en onregelmatig\' van vorm of
gezakt is. Na eenige weken krijgt het dier weder een aanval van
dezelfde kwaal. De aanvallen herhalen zich zoolang, tot het paard
aan één oog geheel blind is. Dikwijls krijgt het de kwaal aan beide
oogen.
Algeheele blindheid is dikwijls het gevolg van de uit boven-
bodoelde kwaal voortkomende g rauwe sta a r ; deze bestaat in
troebelheid der lens. Plaatst men oen paard met grauwe staar voor
de opening van oen donkere ruimte, dan ziet men in plaats van de
pupil een grauwe of grauwgele vlek.
B o h a n d e 1 i n g. Men geeft den patiënt een sterk afvoer-
middel, liefst een aloëpil, bestaande uit 35 g. poeder van aloë en
5—10 g. groene zeep. Opdat hot regenboogvlies niet met do lens
vergrooio, penseelt men hot oog dagelijks driemaal met 0.1 g. atropine
en 5 g. gedistilleerd water. Bovendien past men vochtige omslagen
toe, zooals die boven zijn opgegeven voor uitwendige oogontsteking
of wel omslagen van kamillenthee.
Het zieke paard mag maar de helft van zijn gewoon rantsoen
voeder ontvangen; men geve vooral ook wat gras. Do stal moet
donker gehouden worden en als de kwaal het hevigst is, mag het
paard niet werken en vooral bij helderen en feilen zonneschijn mag
het niet buiten komen.
De periodieke oogontsteking of maanblindheid is een koop-
vernietigend gebrek, ook in vele andere landen.
Troebelheid van het hoornvlies.
Oorzaken. Beleediging of uitbreiding van een ontsteking
der omliggende deelen.
Verschijnselen. Het hoornvlies is gedeeltelijk of geheel
blauwachtig grauw of witachtig. In vele gevallen bemerkt men
ook ronde, niet scherp begrensde vlekken.
In niet ernstige gevallen verdwijnt de troebelheid na eenige
dagen, in ernstige gevallen pas na weken, terwijl het zelfs kan ge-
beuren, dat zij van blijvenden aard is.
Hoornvliesvlekken, die aan hun rand bijna onmerkbaar in het
gezonde deel van het vlies overgaan, zijn in den regel door vreemde
-ocr page 37-
- 36 —
lichaampjes of door beleediging ontstaan; deze verdwijnen allicht.
Vlokken van onderen datum zijn scherp begrensd.
B e h a n d e 1 i n g. Om do vlokken te doen verdwijnen, wrijft
men dagelijks in het oog 3 maal een hoeveelheid ter grootte eener
erwt van een zalf, bestaande uit 5 g. calomel en 15 g. niet ranzige,
ongezoton boter.
Zwarte staar.
Deze ziekte bestaat in een verlamming dor gezichtszenuwon;
zo komt zelden bij paarden voor.
O o r z a k e n. Stooton an slaan op het oog, hersenontstekingen
en bloeduitstorting in de hersenen, voederen van beschimmelde ha-
vcr, enz.
Verschijnselen. Hot oog is helder, hoewel het paard er
niets of slechts weinig door ziet.
Om zich van de blindheid te overtuigen handelt men als volgt:
Men leidt het paard aan een lange lijn uit den stal en legt het
hinderpalen in den weg. Wijkt het hiervoor uit, dan ziet het, maar
stoot het overal tegen, struikelt het over in den weg gelegde stuk-
ken hout, kan het de deuropening niet vinden, is het niet beangst
als men het de zsveop voorhoudt, dan is het geheel of bijna geheel
blind.
Betreft het onderzoek slechts één oog, dan moet men het paard
aan \'t andere oog blinden.
De zwarte staar is een koopvernietigend gebrek.
Geneesmiddelen of geneeswijzen zijn er niet.
Wonden.
Behandeling. Bloedt de wonde sterk, dan tracht men met
don vinger of met een daarvoor bestemd tangetje de doorgesneden
bloedvaten voor den dag te halen om ze te onderbinden. Gelukt
dit niet, dan beproeft men met naald en draad om de ader heen
to steken om deze vervolgens met den draad dicht te binden.
Slaagt men ook hierin niet, dan legt men oen verband, nadat men
de wond mot werk heeft opgevuld. Het geheel omwikkelt men
met oen zwachtel, die men vast aantrekt. Komen hevig bloedende
wondon aan de ledematen voor, dan legt men boven de wond een
elastieken kouseband, die men vast aanhaalt.
-ocr page 38-
— 3? —
Groote huidwonden laat men ten spoedigste door don veearts
dichtnaaien. Bij groote en diepe wonden bepalo men zich, in af-
wachting van den veearts, tot liet uitspuiten der wond met een meng-
sel van 1 g. lysol on 1 L. water. .
Kleine, oppervlakkige wonden wascht men   mot 1 g. lysol en
1 L. warm water. Na eenige dagen bestrooie   men zo met 0.5 g-
jodoform, 3 g. looizuur en 2 g. aardappelmeel.     Vormt zich wild
vleesch, dan hale men den veearts.
Fig 23.
Kreupel- of lamheid
Het is dikwijls niet gemakkelijk de zetel der oorzaak met zeker-
heid vast te stellen. Ongeoefend zijnde, gaat men het best op de
volgende wyze te werk:
-ocr page 39-
— 38 —
1. Men kijkt of liet paard in don stal op alle voeten steunt of één
of meer tracht te sparen en of het ook een voet buitenwaarts op den
grond zet. Zetelt de oorzaak dor kreupel- of lamheid in hoef- of
kootgewricht of in de pezen, dan ontziet het paard den voet, het
treedt niet met zekerheid door en plaatst hom meer dan anders
vooruit, (fig. 23).
2.    Vervolgens laat men het paard buiten brengen en het op
vlakken grond, zoowel in stap als in draf, van zich af en naar
zich toe leiden. Ook is het doelmatig het paard een paar malen
langs zich te laten voorbijgaan. Men bemerkt dan, dat de lichaams-
last vooral op het gezonde been geworpen wordt en dat het lichaam
meer doorbuigt als het gezonde been op den grond komt. Daaren-
tegen wordt hot zieke been maar kort en weinig belast en gaat het
lichaam iets in de hoogte, als dit boen nederkomt. Ook werpt het
paard op dit oogenblik het hoofd vooruit om hot zieke been eenigs-
zins te ontlasten. Betreft de kreupelheid een der achterboenen, dan
ziet men een ongelijkmatig rijzen en dalen van het kruis, Wijlde
belasting van het zieke boen maar korten tijd duurt en hot gezonde
snel tot ondersteuning van het lichaam vooruit gezet wordt, houden
ongcoefcnden dikwijls het gezonde been voor het zieke. Bevindt zich
de oorzaak der kreupelheid in hot bovendeel, dan wordt de voet
niet genoeg omhoog geheven en niet genoeg vooruit gebracht. Het
paard struikelt over oneffenheden, steenen, enz. Do kreupelheid
neemt op weoken bodem toe.
Laat men het paard in een kring rondleiden, dan valt de kreu-
pelheid het meest in \'t oog, als het zieke been zich aan den bui-
tenkant bevindt, omdat het dan oen langeren weg moet afleggen
dan hot gezonde.
Zetelt do oorzaak der kreupelheid in het onderste deel van het
been, dan valt de kreupelheid meer \'t oog, wanneer het been zich
aan do binnenzijde bevindt, omdat het dan een grootoren last moet
dragen dan het gezonde.
3.    Nu onderzoekt men het paard, terwijl het stilstaat. Voor-
eerst beschouwt men zorgvuldig alle deelen van het zieke been van
boven beginnende, om te zien of het ergens gezwollen is en of
het een ongewonon stand heeft. Ten slotte onderzoekt men alle dee-
len met de hand, waarbij men van onderen begint. Men lette op de
-ocr page 40-
— 39 —
buigzaamheid der verschillende doelen, warmte en pijnlijkheid. Nooit
vei\'zuimo men hoef en ijzer nauwkeurig te onderzoeken.
Op deze wijze gelukt het meestal den zetel en don aard der
kreupelheid te bepalen.
Boeg- of schouderlamheid.
Hieronder verstaat men oen reeks van ziekelijke toestanden in
de spieren en pezen van het schoudergedeelte, alsmede ontsteking
van het booggewricht.
Fig. 24.
Oorzaken. Beleediging, stooten, loopen tegen deurpost of
krib, vallen op of tegen harde voorwerpen, verrekking van spieren
en pezen, misplaatsen van den voet, te sterke schudding van het
schoudergedoelte bij het afrijden van hollingen, koüvatten, onz.
Verschijnselen. Het paard kan het zieke been niet vol-
doende omhoog en vooruit brengen. De schreden schijnen daardoor
te kort. Met zware vrachten kreupelt het paard meer dau anders
-ocr page 41-
— 40 —
en ook als liet over een zandweg gaat. In den rusttoestand bemerkt
men niet, dat het paard het zieke been ontziet. Niet altijd neemt
men verhoogde temperatuur waar en niet altijd bemerkt men, dat
liet paard pijn heeft aan het zieke been. Is schouderrheumatiek
de oorzaak, dan kreupelt het paard het sterkst als het pas in be-
weging is. De gehoele schouder is gespannen. De kreupelhoid
neemt af, als het paard warm wordt. Is ontsteking van het boeg-
gewricht de oorzaak, dan is het zeer kreupel; de kreupelheid
neemt niet af, als het paard begint te zweeten. De schouder-
lamheid is dikwijls zeer hardnekkig: na genezing komt ze licht terug.
Behandeling. In \'t begin, vooral als men verhoogde tem-
peratuur waarneemt, is het aan te bevelen leemzalf aan het zieke
te strijken. Deze bestaat uit gewone leem, azijn en water. Men
kan ook koude omslagen maken en neemt hiervoor een ouden zout-
zak, die aan den buikriem bevestigd en met strikken vastgemaakt
wordt (fig. 24).
Om do 10 minuten wordt deze zak met een anderen verwis-
seld, dien men, evenals den eerste, in het water gedoopt heeft.
Verdwijnt de kreupelheid na 5 — 6 dagen niet, dan smeert men
in met prikkelende en spiritueuse middelen, bijv. mot een mengsel
van 50 g. groene zeep, 1 L. heet water en 120 g. tinctuur van Spaan-
sche peper. Hiervan smeert men driemaal daags met 2—3 handen
vol.
Neemt do kreupelhoid door langdurige beweging af, dan moet
aan spierrhoumatisme gedacht worden en zijn Priesznitsche omsla-
gen aan te bevelen. Men handelt dan als volgt:
Een in koud water gedoopt, samengovouwen stuk linnen wordt om
den zieken schouder gewikkeld en hierover een wollen deken. Deze
bevestigt men zoo goed het gaat met hoefnagels (zie fig. 44) alsmede
aan den borstsingel. De omslag moet driemaal daags ververscht
worden. Bovendien wrijft men nog met 150 g. arnika-tinctuur, 50 g.
tinctuur van Spaansche vliegen en 100 g. kamferspiritus.
Men houdt hot paard op dieet en geeft het wat groenvoeder
en voel ligstroo. Men plaatst het in oen loopstal of box.
In \'t begin mag het paard in \'t geheel niet werken en als het
genezen is, moet het nog langen tijd met verschooning behandeld
worden.
-ocr page 42-
— 41 -
Ontstoking der pezen.
Deze komt bij paarden buitengewoon veel voor.
Oorzaken. Verrekking door misstap, uitglijden, te sterk aan-
trekken, inwendige ziekten.
Verschijnselen. Het paard kreupelt sterk; de zieke pezen
zijn heet on dikwijls eenigszins gezwollen; het zet den zieken
voet meestal wat vooruit (fig. 2!$). Het durft niet doortreden en
struikelt licht. De kwaal kan geheel genezen, doch komt dikwijls
terug. Ook kan er peesklap ontstaan.
Behandeling. Is de pees heet en pijnlijk, dan eenigo dagen
koude omslagen met ijswater, loodwater met ijs of met mengsel van
100 g. gebrande aluin, 200 g. loodsuiker en 5—6 L. water. Is geen
vooruitgang te bespeuren, dan na 3 dagen een Priesznitzschen om-
slag (bladz. 40). Men legt over de linnen compres een stuk per-
kament papier en hierover een gummi-zwachtel. Het verband moet
om de 4 uren vervcrscht worden. Krijgt hot paard pijn, dan geen
omslagen, doch wrijven met 5 g. jodoform en 10 g. vaseline of met
20 g. Spaansche zoop en 120 g. spiritus. Soms bereikt men zijn
doel door om de zieke plaats een zwachtel aan te brengen, die in
warme vischlijm is gedoopt. Dit
verband wordt stevig, doch drukt
niet.
Volstrekte rust is aan te be-
velen. Later zorgt men door \'t
aanbrengen van kalkoenen, dat de
verkorte pees wat ontlast wordt.
Gewrichtsgallen
komen veel voor bij paarden met
zwakke constitutie, die vroeg voor
zwaar werk zijn gebruikt; dik-
F\'8- 28-                     wijls zijn ze erfelijk.
Oorzaken. Te plotseling en te sterk aantrekken, bijv. met
een lading mest uit de mestvaalt. Wordt de beursband van het
gewricht gerukt en gewrongen, dan ontstaat een vermeerderde
afzondering van lidvocht, hetwelk den beursband naar buiten drukt.
Verschijnselen. Men vindt aan het gewricht rondachtige
-ocr page 43-
— 42 —
weoke en pijnlijke gezwellen (fig. 26 l). In don regel veroor-
zaken ze geen kreupelheid.
Behandeling. Mooiolijk te genezen. Bij pas ontstane,
pijnlijke gallen zijn kondo omslagen aan te bevelen. Hiertoe ge-
bruikt men een compres, die men mot stroobanden vastmaakt (fig.
27.) Verder zijn aan te bevelen inwrijvingen met jodium-tinctuur.
Men kan ook beproeven een kniekous (fig. 28) aan te leggen. Het
openen der gallen is gevaarlijk en moot door een bekwamen vee-
arts geschieden.
G-ewrichtsontsteking.
Oorzaken. Vooral verrek-
kingen, uitzetting, verwringing en
gedeeltelijke verscheuring der ge-
wrichtsbanden en dergelijke. Ook
treedt gewrichtsontstoking niet
zelden na zware ziekten op. Komt
ze snol, dan geneest ze meestal
spoedig; bedenkelijk is die, welke
zich langzaam ontwikkelt.
Behandeling. Bij pijn
en ontsteking koude omslagen*
later smeren met 20 g. groene zeep en 120 g. spiritus of met 100
g. arnica-tinetuur en 40 gr. tinctuur van Sp. peper of met 25 g.
grauwe kwikzalf en 15 g. jodium-zalf.
In \'t begin volledige rust. Bij ingetreden beterschap lichten
arbeid.
Ontsteking van het kootgewricht.
Oorzaken. Verstuiking, ovorkooten, verdraaiing van \'t ge-
wricht door steken blijven in sporen of gaten.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Plotseling kreupelen. Het paard plaatst
den zieken voet vóór (fig. 23). Later zwelling en pijn, de laatste
vooral, als men den voet oplicht on het been strekt
Behandeling. In \'t begin omslagen met koud water, lood-
water of met oplossing van 100 g. aluin, 200 g. loodsuiker en 5 L.
-ocr page 44-
— 43 —
water. Helpt dit niet, dan natte doeken, bedekt met gutha-percha-
papier (zio bladz. 41). Komt er verbetering, dan inwrijven met meng-
sel van 50 g. groene zeep, 100 g. arnica-tinctuur, 1Ö0 g. Spaansche
peper-tinctnur en 2 L. warm water. In \'t begin is volstrekte rust
noodig.
Fig. 27.                                         Fig. 28
Ontsteking van het kroongewricht.
Oorzaken. Erfelijkheid, gebrekkige beenstand, verstuiking,
enz.
V e r s c h ij n s el e n. Kreupelen en niet doortroden. Het eerste
neemt toe bij draven op harde en hobbelige wegen. Draait men
den hoef, terwijl men de koot vasthoudt, dan heeft het dier pijn.
Later weinig pijnlijke, hoekige opzwellingen. Zit de kwaal in de
zijbanden van \'t gewricht, dan kan genezing volgen door passend
beslag en koude omslagen. Ontstaat echter een zoogenaamd »over-
been" dan is de genezing zeldzaam of onmogelijk.
Behandeling. IJzers afnemen, gedurende eenige weken
koude omslagen. Later om de 8 dagen wrijven met 5 g. rood jood-
kwik en 50 g. vaseline. Ook het gloeiijzer bewijst, mits in de hand
van den veearts, goede diensten.
In \'t begin volledige rust.
-ocr page 45-
— 44 —
Ho ef lamheid.
O o rz a k o n. Ontsteking der spieren en pezen of de zenuwen
van den bovenschenkel en van den hoef, als gevolg van slaan, stooten,
vallen, uitglijden, steken blijven met de voeten, enz.
Verschijnselen. Plotselinge kreupelheid, waarbij de voet
niet genoeg vooruit gebracht en opgelicht wordt. Op stal rust het
paard echter meestal wel op den zieken hoef. Bestaat de ziekte
in spierontsteking, dan pijn, zwelling en verhoogde temperatuur,
doch in dit geval bestaat veel kans op genezing.
Behandeling. In \'t begin bestrij-
ken met leem en azijn. Later smeren met
een mengsel van 1 L. zeepoplossing, 500 g.
kamferspiritus en 150 g. tinctuur van Sp.
peper.
Ontwrichting der knieschijf.
Deze komt hot meest voor bij jonge
paarden met nog slappe banden.
Oorzaken. Uitglijden, plotseling op-
springen, treden in holten, bijv. in de stal-
Fig. i\'J.
goot, enz.
Verschijnselen. Plotseling kreupelen, waarbij het been
te kort of te lang lijkt. Meestal wordt het zieke been nagesleept
en rust alleen de toon op den grond (flg. 30) Het paard hinkt
op drie boenen. Geeft men het een lichten zweepslag, dan trekt
het plotseling liet zieke been bij, waardoor de knieschijf dikwijls
weer op heur plaats schiet. De kwaal komt licht terug.
B e h a n d e li n g. Men tracht de knieschijf op haar plaats
te brengen door de koot sterk voor* en achterwaarts te trekken
waardoor de aan de knieschijf gehechte spieren tijdelijk verslappen
(fig. 31). Helpt dit niet, dan bevestigt men een koord aan de koot,
legt dit over den hals om de voorborst en trekt krachtig, terwijl
een ander op de knieschijf drukt (fig. 32.)
Is de knieschijf op haar plaats, dan smere men om zwelling
der omgevende deelen te krijgen met 5 g. kanthariden-poeder en 25
g. vaseline.
-ocr page 46-
— 45 —
Kan men de knieschijf niet op haar plaats krijgen, dan moet
de veearts komen.
In \'t begin volkomen rnst. Men bindt het paard hoog, opdat
het niet kan gaan liggen. Na 8 a 10 dagen geve men het matige
beweging.
Spat
Komt bij paarden veel voor en bestaat in een langdurige, droge
ontsteking der beenderen aan de binnenonderzijde van het sprong-
gewricht.
Fig. 30.
Oorzaken. Erfelijkheid. Onmiddelijke oorzaken zijn plot-
seling en sterk aantrekken, te zwaar gewicht van den berijder, te
kort draaien, in \'t algemeen te groote krachtsontwikkeling in het
spronggewricht.
Verschijnselen. Geringe kreupelheid, vooral als \'t paard
van stal komt, doch die na eenige beweging verdwijnt. Na rust
-ocr page 47-
— 46 —
vertoont de kreupelheicl zich weer. Ze kenmerkt zich door een
snelle en opwaartsche beweging van het been. Als men een paard
op spat wil onderzoeken, neemt men de zoogenaamde »spatproef\'.
Deze bestaat hierin, dat men het zieke been gedurende eenige
minuten opheft en sterk buigt. Na het nederzetten van den voet
brengt men het paard plotseling in draf. Het trekt dan sterk met
het zieke been en zet het maar losjes op den grond; in den regel
gaat het in galop.
Fig. 31.
De beenuitzetting der spat wordt soms pas maanden na het
ontstaan der spat zichtbaar. In \'t begin is zij alleen voor een ge-
oefend oog te zien.
Als men zich vóór of achter \'t paard plaatst, bemerkt men bij
een gevorderde spat, aan de binnenondervlakte van het sprongge-
-ocr page 48-
— 47 —
wricht, een min of meer duidelijk van de omgeving onderscheiden
beenuitzetting (tig 83.)
Wordt de spat in tijds behandeld, dan gelukt het dikwijls het
kreupelen te genezen, doch er blijft steeds in meerdere of mindere
mate stijfheid bestaan.
Behandeling. Treedt spatkreupelheid plotseling op en
neemt men verhoogde temperatuur waar aan do binnenvlakte van
het spronggewrieht, dan smeert men met leem en azijn of legt om-
slagen met zeer koud water. Gaat het kreupelen niet over, dan
smeert men eenmaal mot 1 g. joodkwik en 10 g. vaselino.
Fig. 32.
In hardnekkige gevallen moet de veearts er aan te pas komen
om te branden en in het uiterste geval moet hij de spatsnede toe-
passen.
Het paard moet eenige weken rust hebben en op rantsoen ge.
-ocr page 49-
— 48 —
steld worden. In het begin mag het paard maar om den derden
dag gaan liggen.
Rooboen en hazenhak.
Het eerste is een beonwoekering aan de buiten-, de tweede aan
de binnenvlakte van het spronggewricht (fig. 26, a. hazenhak). Beide
zijn meer schoonheidsgebreken dan wel ziekten.
Ontstekingen en ziekten van den hoef.
Ho e f on t s t e k in ge n , door beleediging ontstaan,
zetelen in de hoeflederhuid, waaruit de hoornschoen gevormd wordt.
Oorzaken. Beleediging, slecht beslag, hetwelk de zool drukt,
enz. Worden niet onmiddellijk maatregelen genomen, dan breekt
de etter dikwijls door de kroon heen.
Fig. 33                                            Fig. 34.
Linkcrspronggewricht met spat.
Verschijnselen. Het paard kreupelt meestal sterk en
des te meer, naarmate de bodem harder is. In den rusttoestand
ontziet het paard hot zieke been en wordt dit vooruit geplaatst.
Meestal is de hoef ook warmer en bij drukken of kloppen
toont het paard hevige pijn te hebben. Soms kan het niet eten
van pijn en vermagert het sterk. Om de zieke plaats te vinden
gebruike men bij voorkeur de hoeftang (fig. 35).
Behandeling. Heeft men de zieke plaats ontdekt, clan
maakt men met het gootmes of renet een trechtervormige opening
-ocr page 50-
— 49 —
in de zool. Vervolgens plaatst men don voet in een lauwwarm
bad van 40 g. lysol on 10 L. water. Eindelijk bestrooit men do wond
mot 0.5 g. jodoform, 2. g. aardappelmeel en 3 g. looizuur, waarna
alles mot watten bedekt wordt, waarover men dan nog door mid-
del van een zwachtel werk bevestigt.
Zoor aanbevelenswaardig is ook het verband, in lig. 3G afgebeeld,
dat uit houtspanen gemaakt wordt. In dit geval kan het ijzer niet
afgenomen worden. Om don anderen dag wordt het verband ver-
nieuwd. Het paard moot veel stroolscl ontvangen en zoolang het
kreupel is, volkomen rust genieten.
Nageltred. of trap.
Zoo noemt men het indringen van na-
gels in den hoef. Is hoefontsteking daarvan
het gevolg, dan wordt die behandeld als
voor hoefontsteking is opgegeven. Allereerst
wordt de ingedrongen nagel verwijderd. Het
kanaal, door het indringen van den nagel
ontstaan, moet verwijd worden, opdat de
etter kan wegvloeien. Hierna wordt de voet
in een oplossing van 40 g. lysol en 10 L.
water gebaad en bestrooit men de wond
met een mengsel van 0,5 g. jodoform, 2 g.
aardappelmeel en 3 g. looizuur. Ook kan
men het kanaal met was of hars sluiten. Bij
veulens is ook het kousverband (flg. 37) aan
te bevelen. Nadat de voet in do lysoloplos-
sing gebaad en de wond met watten opge-
36
Fig. 35.
vuld is, wordt bedoelde kous over de pijp
getrokken.
Gedurende de eerste dagen kan men ook koude omslagen toe-
passen. Kreupelt het paard na 3 dagen niet meer, dan mag het weer
werken.
Het indringen van nagels is gevaarlijk, omdat dikwijls het
hoefgewricht, het hoef- of straalbeen of de pezen gekwetst worden,
wat niet zelden den dood tengevolge heeft.
„Het zieke Huisdier".                                                                4.
-ocr page 51-
— 50 —
Kroonbetrapping.
Dit is een beleediging van de kroon door scherpe kalkoenen,
die \'t moest voorkomt in don winter en bij paarden, die schilderen.
Verschijnselen. Moer of minder diepe kwetsuren aan
de kroon, die zelden kreupelheid veroorzaken.
Behandeling. Verwijdering van alle ingedrongen vreemde
voorwerpen, wegnemen van het haar in on om de wond, wasschen
met 1 g. lysol op 1 L. water en bestrooien mot 1 g. jodoform en
5 g. looizuur.
Kig. 36.                                            Fig. 37.
S teengallen.
Hieronder verstaat men een beleediging der weeke deelen
tusschen de steunsels. Ze komt vooral voor aan de voorvoeten
en dan aan do binnenzijde van den hoef.
Wordt bij geringe beleediging een weinig bloed tusschen de
hoornplaatjes uitgestort, zoodat ze rood of blauw zijn, dan spreekt
men van droge steengallen. Verzamelt zich echter vloei-
stof of etter op do boleedigde plaats, dan spreekt men van natte
of etterende steengallen.
-ocr page 52-
— 51 —
O o r z a k e n. Gebrekkige hoeven : klemhoef, scheeve hoef
brokkelhoef; te veol wegsnijden van den draagrand, slechte ijzers
(te kort en te nauw) of ijzers, die te lang blijven liggen en daar-
door te veel drukken. Enkele malen zijn ook ingeklemde steentjes
do oorzaak.
V e r s c h ij n s o 1 e n. Bij etterende steengallen gaat het
paard moestal sterk kreupel. Do binnenvlakte van den hoef is
warmer dan gewoonlijk on zeer gevoelig voor druk, evenals de
kroon. Wordt den etter geen uitweg verschaft, dan breekt hij dik-
wijls bij de kroon uit.
B ehan deling Bij droge steengallen zorge men voor oor-
deelkundig beslag. Is de hoof zeer bioos, dan wikkelt men hem
eonigo dagen in zuurkool. Veronderstelt men ettering, dan snijdt
men met de renet het hoorn zorgvuldig uit tot alle otter kan
wegvloeien. Vervolgens baadt men den voet in een bad van 1 g.
creolin op 1 L. water en eindelijk vult men de wond op met 1 g.
jodofoi\'m, 5 g. looizuur en werk.
Gaat de kreupelheid over, dan kan men tot do genezing vol-
konien is, oen geheel gesloten ijzer onderleggen, waardoor de steun-
selhoek beschut wordt.
Het verballen.
Dit is een beleediging der weeke doelen van de hoefballen en
den straal.
Verschijnselen. Het paard heeft een stijven gang, de
ballen zijn heet en gevoelig voor druk. üp harden bodem neemt
de kreupelheid toe. De ontsteking kan bij doelmatige behandeling
spoedig genezen, maar het kan ook tot een verzameling van een
waterige vloeistof of tot ettering komen, waarbij het hoorn aan den
bovenrand loslaat.
Behandeling. Een zachte ligging. Is de pijn bij druk
niet hevig, dan 2—3 maal daags omslagen met 200 g. loodsuiker,
100 g. gebrande aluin en 4 L. water. Neemt de pijn na 24 uren
toe, is de omgeving der ontstoken plaats hard en broos, dan om-
slagen met zuurkool. Vermoedt men ettering, dan verwijdert men
met een scherp mes hot hoorn voor zoover er zich etter onder be-
vinclt. Het blootgemaakte deel bevochtigt men met 1 g. lysol en 1 L.
-ocr page 53-
— 52 —
water, waarna men het bestrooit niet 0,5 g. jodoform, 3 g. looizuur
en 2 g. aardappelmeel. Het paard mag niet werken zoolang het
pijn heeft.
Mok.
Dit is een vochtige huidont-
steking aan den achterkant der
koot.
Oorzaken. Vuil en on-
zindelijkheid, langdurige bewe-
ging over vuile wegen bij nat
weder of in dooiende sneeuw.
Verschijnselen. De
huid in de buiging der koot is
geplooid, heet en pijnlijk Het
paard heeft een stijven gang.
Na eenige dagen ontstaan huid-
kloven (fig. 38—a), waaruit oen kleverige vloeistof komt, die tot
korsten opdroogt. Bij diepere kloven ontstaat dikwijls koorts. Ver-
waarloozing kan slechte gevolgen hebbon.
Behandeling. In \'t begin 3 maal daags baden met 200 g.
loodsniker, 100 g. gebrande aluin en 4—5 L. warm water. Blijft
de zieke plek vochtig, dan bestrooien met 1 g. jodoform en 5 g.
looizuur. Dunne korsten laat men zitten, doch dikke smeert men
met 1 g. jodoform en 10 g. vaseline. Strooien met roggestroo,
nooit met zaagsel of turfstrooisel.
Straalkanker.
Hieronder verstaat men een eigenaardige ziekte der lederhuid
van zooien straal, waarbij in plaats van hoorn een walgelijke, weeke
of kazigo, kwalijkriekende massa wordt gevormd.
O o r z a k o n. Beleediging van zool en straal, waarbij de le-
derhuid bloot komt. Sommige paarden hebben er aanleg voor.
V e r s c h ij n solen, Toevallig bij \'t beslaan bemerkt men
aan het eind des straals een of meer groote, open plekken.
Bij onderzoek ziet men. dat zool en straal blootgelegd en dat
de holten met een walgelijke massa gevuld zijn. Later ver-
-ocr page 54-
— 53 —
dwijnt het gezonde hoorn meer en meer en op do open plaatsen
komen vederachtige, matroodo en gemakkelijk bloedende woekerin-
gen (Fig. 39—«). Wordt de kwaal verwaarloosd, dan worden de
geheele zool, de straal on een deel der drachten aangetast en het
paard wordt zeer kreupel. Na genezing komt do straalkanker licht
terug.
Behandeling. De look doet het best de genezing niette
beproeven. Zijn do open plaatsen niet grooter dan een dubbeltje
en is het omgevende hoorn nog niet ondermijnd, dan kan hij noch-
tans bestrooien met 1 g. jodofbrm en 10 g. gebrande aluin. Hij
besmere de geheele zool mot een dikke laag leem om de lucht af
te sluiten.
B ot straal
is oen rotachtigo ontleding van den hoorn-
straal, welke in de straalgroef ontstaat.
Oorzaken. Vuil stroo, gebrekkige
hoefverpleging, te sterk besnijden van den
straal, te hooge drachten, enz.
Verschijnselen. In de straal-
groef vindt men een donkergekleurde, k\\va-
lijkriekende, dikvlooibaro massa, het hoorn
van den straal is week en deze zelf ziet er
als weggevreten en gekloofd uit. Ten slotte
wordt hij aangetast tot daar, waar hij bij de
Fig. 39.
lederhuid aansluit. In ernstige gevallen
gaan do paarden kreupel. Later ontstaan
schuin loopende ringen op den hoornwand. Overigens is rotstraal
gemakkelijk te genezen.
Behandeling Ter dege reinigen met een 1 procents
creolinoplossing on dan bestrooien met 0,5 jodofbrm en 10 g. looi-
zuur, of met 5 g. kopervitiioolpoeder of aluinpoeder en 10 g. aard-
appel meel of houtskoolpoeder. Eindelijk doelmatig beslag door des-
kundig hoefsmid en beweging in droge weide.
Beenbreuk.
Genezing kan zelden en dan nog alleen door veearts beproefd
worden. Afmaken is meestal onvermijdelijk.
-ocr page 55-
— 54 —
Buik breuk.
Oorzaken. Slagen van andere paarden, Loopen tegen scherpe
voorwerpen, enz.
Verschijnsole n. In de buik- of liesstrcek een meer of
minder groote opzwelling (fig. 40—0), die soms tijdelijk verdwijnt.
Schuilt men ilo breuk terug, dan bemerkt men onder de huid de
zoogenaamde breukpoort, een spleetvormige scheur.
Breuken zijn voor paarden steeds gevaarlijk, omdat ze bij de
minste inspanning grooter kunnen worden. Ook kunnen de darmen
beklemd raken, waardoor hot paard kan sterven.
B e h a n d e 1 i n sr. De
leek mag slechts een breuk-
band aanleggen (Hg. 41).
Hoeft een veulen een na-
velhreuk, dan legt men een
dergelijken band aan, welke
men 4—(3 weken laat liggen.
Do veearts kan deze breuk
ook afbinden.
Huidjeuken.
O o r z a k e n. Te krachtig
on verhittend voeder, wikken,
klaver, enz Onvoldoende huid-
verpleging.
V e r s c h ij n s o 1 e n. He-
vig jonken, vooral als het paard
verhit is; het krabt en schuurt zich dan voortdurend. Weldra ko-
men op de huid kleine knobbeltjes, waaruit een tot korsten opdro-
gendo vloeistof komt Tengevolge van schuren en wrijven ontstaan
vaak vochtige en bloedige, mode plekken. De kwaal duurt dikwijls
zeer lang.
Behandeling. Eenigo avonden de huid flink wasschen
mot warm zeepsop, waardoor de korsten loslaten.
Heeft het paard veel jeuk, dan wascht men de zieke plaatsen
met 2 g. lysol en IL. warm water of met 4 g. creolin en 1 L
-ocr page 56-
— 55 —
warm water. Zijn er voel kleine korsten on is hot haar ruw en
droog, clan wrijve inon mot 100 g. glycerine en 5 g. carbolzuur of
met 1 g. jodoform, 5 g. vaselino en 10 g. lanolin. Zijn de zieke
plaatsen steeds vochtig, dan omslagen met 10 g. loodsuiker, 5 g.
gebrande aluin on • /, L. water. >Ien voodero gras, peen, distels,
zemelslobbering, enz., maar volstrekt goen klaver, wikken, gerst,
tarwe of roggo.
a : breuk).
Fig. IA.
Manensohurft.
Oorzaken. Te warme, bedompte stal en onvoldoende huid-
verpleging.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Bij deze ziekte, die ten onrechte schurft
heet, ontstaan door schuren en wrijven kale of bloedige plekken,
waarop later korsten komen. Niet zelden worden de manen pruik-
achtig.
-ocr page 57-
- 50 -
Behandeling. Is een deel der manenkam open geschuurd
on zijn de manen gedeeltelijk uitgevallen, dan de zieke plaatsen
bestrooien mot een mengsel van 1 g\\ jodoform en 10 g. looizuur.
Is de huid verdikt en met korsten bedekt, dan wrijvo men dage.
lijks driemaal mot mengsel van 5 g. cieolin en 50 g. vaseline.
Ooruitslag.
Soms ziet men aan de binnenzijde der oorschelp tal van zil-
vergrauwo schubbetjes, dio echter weinig nadeel doen. Enkele
malen heeft hot paard jonk en dan wrijft men do zieke plaats met
een mengsel van 5 g. papaverolie en 3 g. carbolzuur.
Fig. 4ï.                                                 Fig. 43.
Rasp of krab.
Hierdoor verstaat men een met kloven gepaard gaande huid-
ontsteking aan do achterzijde der voorknio. Moestal loopt er een
walgelijke vloeistof uit.
Behandeling. Wasschen met 1 g. lysol, opgelost in 5 L.
water en daarna bestrooien met 0,5 g jodoform, 3 g looizuur en
2 g. aardappelmeel.
Egelsvoot
is een huidziekte aan de koot en het scheenbeen, meestal der ach-
terbeenen.
-ocr page 58-
— 61 -
Verschijnselen. Eerst ziet men op een kleine plaats
een ontstekingachtige zwelling met hoekige oppervlakte, die een
kwalijkriekende vloeistof uitzweet. Evenwel kunnen ook droge,
knolachtige verdikkingen voorkomen (fig 42 — a).
De ziekte kan zich tot aan het spronggewricht uitbreiden.
Veelal is het paard niet kreupel. Is de zieke voet weinig
nat (olifantsvoet), dan kan het paard nog jaren gebruikt worden.
Behandeling. In \'t begin om den anderen dag baden
in 20 g. creolin en 10 L. water. In ernstige gevallen is alle be-
handeling dikwijls tevergeefsch.
Wratten
Zijn ze gesteeld, dan bindt men ze af.
Fig. 43 (i en n) laten duidelijk zien, hoe het koord aangevat
en hoe het om de steel der wrat gelegd moet worden vóór men
den strik aanhaalt.
Zijn de wratten met een breeden voet aan de huid bevestigd
dan moet de veearts ze uitsnijden of wegbranden.
IV. Inwendige ziekten
Keelontsteking.
Oorzaken. Koüvatten, te heet voeder, inademen van rook
of walm, enz.
Verse h ij nselen. Koorts (temp. tot 40° C). Het paard
is moedeloos en treurig. Het slikt moeielijk, vooral hooi en haver.
Een deel van spijs en drank komt door den neus terug. Meestal is
ook het strottenhoofd aangetast; dit verraadt het paard door zijn dro-
gen hoest. Het hoest ook, als men op zijn strottenhoofd drukt (fig. 1).
De ademhaling is bemoeielijkt en gaat gepaard met een piepend,
ratelend of rochelend geluid. Soms lijdt het dier aan maag- en
darmcatarrh.
Wordt het zieke paard in \'t begin der ziekte niet gespaard, dan
kan het aan verstikking door dichtzwelling der stemspleet sterven
-ocr page 59-
— 58 —
Ook kan er voeder en drank in het strottenhoofd on de longen
komen; na ongeveer een week sterft liet dan aan longontsteking.
Behandeling. Men maakt spoedig een vochtig warmen
omslag (fig. 44), die alle 4 uren ververscht wordt.
Men neemt oen oud stuk linnen, doopt het in koud water en
vouwt het ter breedte van 2 dM. Men wikkelt hot om do keel
en bevestigt het met hoefnagels (fig. 44—a on 45—a). Een riem
over den neus (fig. 44—4) moet het afglijden beletten.
Fig. 44.                                                 Fig. 45.
Bij voorkeur legt men over den natten doek, zoodat de/.o ge-
heel bedekt is, een stuk gutta-percha-papier en hierover een wollen
lap, die eveneens met hoefnagels vastgehecht wordt.
Bij paarden met niet te dunne huid kan men ook het haar
van den keelgang schoren en met een scherpe zalf smeren, be-
staande uit 20 g. kantharidenzalf en 20 droppels krotonolio.
Is het paard zeer benauwd, dan wordt de luchtpijpsnede noodig.
In do keel ongeveer 12 cM. onder het strottenhoofd wordt een
overlangsche 8 cM. lange snede in do luchtpijp gemaakt, waarin
een pijpje (canule) wordt geplaatst (fig. 46). Do operatie is niet
gevaarlijk.
Het zieke paard ontvangt kleine hoeveelheden zacht groen-
voeder, afkooksel van lijnzaad of een slobboring van zemelen. Men
geve nimmer koud water. Kan het paard weer beter slikken en
wil geen slijm loskomen, dan geeft men 3—5 maal daags over het
-ocr page 60-
— 59 —
voeder een halven eetlepel van een mengsel, bestaande uit 100 g.
zout, 150 g. gezift glauberzout, 30 g. maluwpoeder, GO g. zoethout-
poeder en 40 g. poeder van jeneverbessen. Weigert het paard zijn
voeder met dit mengsel te eten, dan dagelijks 3—5 maal een mes-
spits van 1 g. apomorphine, en 10 g. suikerpoeder.
De staltemperatuur moet 16 a 20" C. zijn. Bij het luchten
van den stal moet het zieke paard op een tochtvrije plaats gebracht
worden.
Is beterschap ingetre-
den, dan moet het paard bij
mooi weer (geen noorden-
of oostenwind) een kwartier
lang in de open lucht wor-
den afgeleid.
De meeste aan keelont-
steking lijdende paarden
kunnen behouden worden,
a!s men zo binnenhoudt, zoo-
dra de eerste kenteekenender
ziekte zich vertoonen en als
te gelegener tijd de lucht-
l\'-\'g\' 46-
                            pijpsnede wordt toegepast.
Droes.
Heeft niets te maken met kwaden droes; deze ontstaat niet
uit (goedaardigen) droes. De laatste is een aaneenstekende paar-
denziokte, bestaande in een koortsachtige catarrh van den neus en
het strottenhoofd, alsmede in ontsteking en verettering der omlig-
gende lympho-klieren De oorzaken zijn waarschijnlijk lagere
zwammen, die veel in oud stoffig hooi voorkomen, vandaar, dat droes
het meest in Mei en Juni voorkomt. De besmetting geschiedt door
het neusslijm en den etter der zieke lympheklieren. Jonge paar-
den zijn het meest vatbaar voor droes. "Verkoudheid speelt er
een groote rol bij, daar zij de slijmhuid ziekelijk verandert, waar-
door deze meer vatbaar is voor het indringen der bovengenoemde
zwam.
-ocr page 61-
— 60 —
Verschijnselen. Meer of minder hoesten, koorts, gebrek
aan eetlust. Na eonige dagen neusvloeiïng, opzwelling en pijnlijk
worden der keelgangklieren, bij gezonde paarden bijna niet te
voelen. De koorts noemt toe, do ontstoken klieren beginnen te
etteren. De etterbuil is na f>—10 dagen rijp (fig. 47- a) en breekt
vanzelf door. Is de etter verwijderd, dan treedt meestal beter-
schap in.
Fig. 47.
In gewone gevallen kan het aan droes lijdende paard in 8—10
dagen in meer ernstige gevallen binnen 3—4 weken genezen zijn.
Soms worden ook de lympheklieren bij hot strottenhoofd aan-
getast, voedsel en drank kunnen dan in de luchtpijp geraken en
doodelijke longontsteking veroorzaken.
Zwelt het strottenhoofd zoo sterk op, dat het paard dreigt te
stikken, dan moet de luchtpijpsnede gemaakt en een canule aange-
bracht worden (fig. 46). Enkele malen gaan de ziektekiemen langs
de lymphevaten naar andere deelen van het lichaam, zoodat de
-ocr page 62-
— 61 —
lympheklieren dor buik- on borstholte veretteren; het paard lijdt
dan aan borst- en buikvliesontsteking en sterft spoedig.
Behandeling. Bij weinig hoest, normale ademhaling en
behoorlijken eetlust, geeft inon tl-maal daags over het voeder l eet-
lepel van het volgende mengsel: 120 g. fijn keukenzout, 40 g.
venkelpoedor, 40 g. maluwpoeder, 50 g. zoethoutpoeder en 50 g.
spiosglans. Men logge het paard bovendien oen linnen kap aan
(fïg. 48) en smero de klieren mot warme reuzel. Zijn de builen
vrij groot, dan smere men met 100 g. lijnolie en 50 g. geest van
salmiak (4—5 maal daags
bijna eon handvol). Boven-
dien maakt men geregeld
omslagen van gekookte
aardappels, gekookt lijn-
zaad, in melk gekookt wit-
brood, enz. Het spreekt
vanzelf, dat deze brijige
massa in een linnen zakje
opgelegd en dat hierover
Fig.>;48.
                             de in fig. 48 afgebeelde
kap bevestigd wordt. Wor-
den de omslagen koud, dan doen zij schade in plaats van nut
Men wachte niet to lang met het openen der droesgezwellen.
Een scherp mes houdt men bij het lemmet zoo vast, dat de
spits slechts l\'/3 cM. in het meest weeke gedeelte kan worden ge-
stoken (fig. 49). Na het insteken maakt men de wond 1—2 cM.
grooter, opdat de etter volkomen kan uitvlooien. Ligt de etterbuil
diep, dan moet de veearts deze openen. Wordt de wond niet ge-
regeld uitgespoten, dan ontstaat wild vleesch in de wond (fig. 1G).
Teneinde dit te voorkomen spuit men dagelijks niet een lauwwarme
oplossing van 1 g. lysol in 500 g. water (fig. 15). Gaat met de
ziekte eon hevige catarrh gepaard, dan laat men het paard waterdamp
inademen. In een emmer warm water met 20—30 g. lysol of car-
bolzuur legt men een heeten steen. Opdat de damp zijn doel niet
misse, bedekke men don emmer met een zak, waarmede ook het
hoofd van het paard overdekt is.
Men voedere goed hooi, groonvoeder en lijnzaadafkooksel met
-ocr page 63-
— 62 -
een weinig haver, zoo nootlig geplet of gekneusd en lauwwarm
drinkwater. Genezende paarden brengt men in een goede weide;
het grazen bevordert den slijmafvoer door den neus. De stal moet
geregeld gelucht worden.
In de weide loopendo, aan droes lijdende paarden kunnen er
blijven, zoolang het weder gunstig is.
Fig. 49.
Longcatarrh (bronchitis).
Komt veel bij paarden voor alleen of gepaard met andere ziek-
ten, zooals droos, keelontsteking, enz. Deze ziekte bestaat in catarrh
en ontsteking der luchtpijptakken.
Oorzaken. Kouvatten, loopen tegen den wind in. tocht en
ontsteking der slijmhuid. Enkele malen zijn bacteriën de oorzaak.
V e r s c h ij nselen. Hevige koorts (40" C. en hoogcrj, plot-
seling verminderde eetlust, verzwaarde ademhaling (24—30 adem-
halingen per minuut), hoesten.
-ocr page 64-
— 63 —
Na oenige dagen kan de koorts ophouden; de droge, pijnlijke
hoest wordt losser en minder droog; de ademhaling geschiedt met
meer gemak. Legt men \'t oor tegen de borstkas, dan hoort men
een rochelend geruisch. In ernstige gevallen kan de ontstoking
ook op het longwoofsel overgaan; men spreekt clan van catarrhale
longontsteking.
B e li a n d e 1 i n g. Bij hevige koorts geve men binnen 3 uren
2 maal 30 gKchinine in\'/iL jenever, met wat water verdund. Men
Fig. 50.
legt een natten omslag om de borst (fig. 50) en bevostige dezen met
hoefnagels (fig. 50—a). Neemt de koorts af en de eetlust toe, dan
geeft men dagelijks 2 eetlepels van een mengsel bestaande uit:
2 g. apormorphine on 20 g. suikerpoeder. Zoolang het zieke paard
nog eet, geeft men puik hooi. wat jong gras, een weinig haver en
-ocr page 65-
— 64 --
slijmige dranken, maar nooit k o u d water. Do staltemperatuur
moet 15 a ITIi" C. bedragen. Men gebrnike als strooisel het
meest zuivere stroo.
Bloedaandrang naar de longen.
(Longencongestie.)
Komt het meest bij krachtig gevoede, volbloedige paarden voor.
Oorzaken. Groote inspanning, langdurig vervoer in be-
dorapte waggons, draven togen den kouden wind in, plotselinge
afkoeling bij zwoeten.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Het paard is bang en onrustig en
koud zweet bedekt het lichaam. De ademhaling is zeer versneld.
Het aantal polslagon bedraagt 60—70 per minuut. De lichaams-
tomperatuur is sterk gestegen. Do slijmhuid dor neusholten is
blauwrood. Het paard dreigt, als het zich wil noderleggen of om-
valt, te stikken.
Bij doelmatige behandeling is het zieke dier na eenige uren
veel beter en binnen 12—36 uren geheel genezen.
Behandeling. Allereerst VI,—2 L. bloed aftappen (bladz.
10—11). Na het aderlaten een omslag volgens fig. 50, die om de
4 uren vernieuwd wordt. Is hot paard zoor zwak geworden en
blijft de temperatuur in den endeldarm hoog (bladz. 8), dan geve
men 30 g. chininc in lU L. jenever met wat water.
Men wrijft rug en ledematen krachtig met een stroowisch.
Longontsteking.
Men onderscheidt in hoofdzaak a de catarrhale en b de
croupeuse longontsteking; de laatste komt zelden voor.
Oorzaken, a. Kouvatton, longcatarrh. b. Lagere organismen.
V e r s c h ij n s e 1 e n. In \'t begin dezelfde als bij longcatarrh;
de koorts is echter heviger en het paard is meer ziek. Legt men
het oor tegen do borstkas, dan hoort men gewijzigde ademha-
lingsgeluiden. In gunstige gevallen treedt de genezing na 2—4
weken in. Dikwijls blijft de patiënt levenslang dampig.
Behandeling. Tot de komst van de veearts
legge men een nat compres volgens fig. 50. Zoolang het dier eet,
geve men kleine hoeveelheden lichtverteerbaar voeder.
-ocr page 66-
— 65 —
Borstvliesontsteking.
0 o i\' z a k é n. Koiïvatten, beleediging.
Verschijnselen. Koorts, huiveringen, stijfheid, pijn, alsof
de patiënt koliek heeft, versnelde ademhaling.
Drukt met den vinger tusschen de ribben, dan heeft het paard
veel pijn. Het hoest pijnlijk. Het tegen den borstvand gelegde
oor verneemt eerst knarsende, later rochelende geluiden.
Behandeling. Tot de komst van den veearts
legt men mosterd pap op den borstwand. Men bereidt die op de
volgende wijze: Men neemt meel van zwart of bruin mosterdzaad
en roert dit met lauw water tot een dikke brij aan. Na \'la—1
uur wordt deze l\'/»cM. dik op een linnen doek gesmeerd en tegen
de borst bevestigd door middel van oen deken en riemen. De pap
moet eenige uren blijven liggen, waarna men de huid flink af-
wascht en een nat omslag aanbrengt volgens flg. 50.
Influenza.
Slijmhuid en bloed zijn ziek. De influenza wordt veroorzaakt
door nog onbekende micro-organismen. Eenmaal aangetaste en ge-
nezen paarden krijgen de ziekte gewoonlijk nooit meer.
«Het zieke Huisdier".
                                                                     8.
-ocr page 67-
— 66 —
Verschijnselen. Plotseling intredende, algemeeno
lichaamszwakte met hevige koorts. De lichaamstemperatuur stijgt
tot 41° C. en hooger. Dikwijls hoort men do gewrichten kraken.
De oogon zwellen op, de slijmvliezen worden geelrood, heet en
droog. Hot paard geeuwt veel, de eetlust is verdwenen, doch
hot heeft voel dorst. Do mest is droog, de mestballen zijn
vast en met slijm bedekt. Later ziet men pijnlooze gezwellen aan
buik en ledematen. In gewone gevallen neemt do koorts na 3— 5
dagen af on de eetlust komt terug, doch lint paard blijft nog langen
tijd zwak. Zwakke, oude. slechtgevoode en afgewerkte paarden
sterven dikwijls tengevolge van hart- of hersenvcrlamming. Niet
zelden houdt het paard uit de influenza horsen waterzucht on dik-
wijls verliest het een deel van zijn haar. Meer dan 3—5% der
aangetaste dieren sterft in den regel niet.
B e h a n d e 1 i n g. Bij hevige koorts per dag 20 g. chinine
met >/2 L. wijn of 40 g. cognac met brood.
Bij \'t begin der ziekte lichtverteerbaar voeder en dikwijls
frisch water, niet kouder dan 10° C.
De stal moet luchtig en kool zijn. Heerscht do influenza
dan zondert men do lijdende van de gezonde af.
Besmettelijke borstziekte.
(Influenza pecloralis.)
Deze bestaat hoofdzakelijk in een longvliesontsteking.
Oorzaken. Waarschijnlijk lagere organismen; na koü-
vatten zijn de paarden er het meest vatbaar voor. De besmettende
stof bevindt zich in de uitgeademde lucht en de vloeibare en vaste
uitwerpselen; zij wordt mot kleederen, voeder, enz. overgedragen.
De ziekte breekt 5—10 dagen na de besmetting uit.
Vorschij nselen. Eenige dagen vóór de ziekte uitbreekt
wordt het paard lusteloos: de eetlust neemt af. Vervolgens krijgt
het koorts, huiveringen en een waggelenden gang. Dikwijls
hoort men de gewrichten kraken. Het bindvlies van \'t oog is geel
en de ademhaling versneld en bomoeiolijkt. Het paard krijgt een
korten, drogen hoost en ncusvloeiing. Legt men liet oor tegen den
borstwand, dan hoort men de geluiden, welke men bij long* en bij
borstvliesontsteking waarneemt. In ernstige gevallen gaan de die-
-ocr page 68-
— 67 —
ren niet meer liggen en staan zij steeds met gespreide voorbeenen
en gestrekt hoofd en hals om eindelijk om te vallen (fig. 51). In
gewone gevallen treedt na weinige dagen genezing in; het paard
blijft echter lang zwak. Dikwijls komen er ontstekingen van pezen,
gewrichten on oogen bij, ja, de patiënt kan zelfs blind worden.
Zeer dikwijls gaat hij dood tengevolge van verstikking of hartver-
lamming; lU dor aangetaste dieren sterft.
Behandeling. De veearts is onmisbaar. Zoolang de vee-
arts er niet is, passé men mosterdpap (bladz. 65) en natte com-
presson toe (fig. 50). De stal moet koel zijn (15° C.) en de pa-
tient moet licht gedekt worden. Men strooit met hot beste rogge-
stroo en zondert do gezonde paarden van de zieke af.
Dampigheid,
Een voortdurende kortademigheid, veroorzaakt door een ziekelijke
verandering van hot longweefsel. Soms zijn ook hartziekten de
oorzaak.
Oorzaken. Longcatarrh, long- on borstvliesontstoking, over-
matige inspanning, voedering met beschimmeld hooi, overmatige
voedering met klaverhooi en peulvruchten, te veel op stal staan.
Verschijnselen. De patiënt eet goed en schijnt gezond.
De temporatuur bedraagt hoogstens 38.8° C. Soms is de ademha-
ling versneld (20—30 ademhalingen per min.). Bij inspanning
wordt de ademhaling moeielijker.
Wil men een paard op dampigheid onderzoeken, dan late men
het zwaar trekken of snel loopen. Begint het te zweeten of is de
ademhaling versneld, dan telle men het aantal ademhalingen. Is
het paard zeer dampig, dan telt men er tot 60 per minuut.
De ademhaling geschiedt met groote inspanning, met openge-
sperde neusgaten en met sterke beweging van de flanken.
Is de ademhaling van een gezond paard bij groote inspanning na
2—3 minuten weder normaal, bij een dampig paard is dit pas he*
geval na 10—30 min. Dikwijls bemerkt men bij het dampige
paard een zoogenaamde dampgroef in de flank, alsmede een kor-
ten, toonloozen hoest.
In gewone gevallen is een dampig paard nog bruikbaar. Dam-
pigheid in hoogen graad geneest zelden.
-ocr page 69-
— 68 —
Dampigheid kan verward worden met
1.    catarrh. Hierbij treden echter neus vloeiing, gebrek aan
eetlust en koorts op;
2.    droes. Hierbij zijn evenwel de keelgangklieren ge-
zwollen ;
3.    lichaamszwakte en bloedarmoede.
Behandeling. In \'t begin gedeeltelijk te genezen door den
patiënt te sparen, in een luchtigen stal te plaatsen en weinig ruw-
voeder te geven. Men geve veel jong groenvoeder, distels, wortel-
gewassen en haver. Bovendien dagelijks een eetlepel Karlsbadzout
in het drinkwater. Bij dampigheid in hoogen graad past de vee-
arts een arsenicum- of joodkalium-kuur toe.
Bloedvlekziekte, rotkoorts of paardentyphus.
(Petechiaal koorts.)
Deze ziekte gaat gepaard met bloedingen en bloeduitstortin-
gen in do slijmlmid en onder de huid, alsmede in de ingewanden.
Oorzaken. Verouderde, etterende gezwellen in do inwen-
dige organen, verwaarloosde catarrh, enz. Beschimmeld en bedor-
ven voeder, water met rottende stoffen, bedompte stallen en zoel
weder werken het ontstaan der ziekte in de hand.
Verschijnselen.\' De patiënt weigert \'/3—1 dag vóór het
uitbreken der ziekte alle voeder. Dan matige koorts, opzwellingen
aan de verschillende lichaamsdeelen, vooral aan de voorborst, den
buik, den koker, de ledematen en het hoofd. Dan komen aan de
verschillende lichaamsdeelen meer vlakke gezwellen, die spoedig
samenvloeien. Op de slijmlmid van het neustusschenschot ziet men
groote, bloedige vlekken en niet zelden bloedt het paard uit den
neus.
De eetlust verdwijnt geheel, de mest wordt hard en droog.
Later lijdt het paard aan bloedige diarrhoe. Door opzwellingen in
de nabijheid van het strottenhoofd worden de ademhaling en het
slikken bemoeielijkt, zoodat de patiënt kan stikken.
Volkomen genezing hoeft pas plaats na eenige weken en dik-
wijls komt de kwaal terug. Meer dan 70 % der door deze ziekte
aangetaste paarden sterft.
Behandeling moet aan den veearts overgelaten worden.
Treden sterke zwellingen op, dan behandelt men deze met omsla-
-ocr page 70-
— 69 —
gen van 100 g. aluin, 200 g. loodsuiker en 4—5 L. warm water.
Alle hangende, weeke gezwellen moeten doorgestoken en geledigd
worden. Dreigen de neusgaten dicht te zwellen, te zien aan een
verhevenheid op den neus (fig. 52—a), dan brengt men er blikken
pijpjes in (fig. 52—V). Dikwijls zal de luchtpijpsnedo (bladz. 58)
noodig blijken.
Zoolang de patiënt nog eet, moet hij dikwijls een kleine portie
goede haver, goed hooi en groenvoeder ontvangen. Kan hij niet
goed meer slikken, dan
geve men hem een ha-
vermeel- of zemelslob-
bering.
Overlading der
maag.
Deze is \'t gevolg
van \'t gebruik van veel
opzwellend of opbla-
zend voeder of van
storing der maagwerk-
zaamheid.
Verschijnselen.
Het paard is traag
FlS- öi-
                              en treurig en geeuwt
dikwijls. Meestal eet
het niet meer. Legt men het oor tegen den buikwand, dan hoort
men meestal geen darmgeruisch. Onder gunstige omstandigheden
zijn na 12—18 uren de eetlust en de opgewektheid teruggekeerd.
In ernstige gevallen kan maag- en darmcatarrh ontstaan. Dikwijls
berst de maag en wel als zij met nieuw hooi, nieuwe haver of
jonge, groene klaver overladen is.
Behandeling. Den buik krachtig wrijven met een stroo-
wisch. Is het paard opgeblazen, dan een klisteer van zeepwater
door middel van trechter en gummislang (zie bladz. 15). Men
steekt de laatste, l\'/2—2 cM. dik, ongeveer 8 cM. in de aarsope-
ning. Komt na 6 uren geen beterschap, dan geeft men een pil
van 35 g, aloë-poeder en 5—10 g. groene zeep. Den eersten dag
-ocr page 71-
— 70 —
geeft men alleen een weinig zemelslobbcring, terwijl men reeds
den tweeden bij kleine gedeelten het halve rantsoen van het ge-
wone voeder kan geven. Eenige dagen lang geeft men 1—2 lepels
van het volgende mengsel: 100 g. glauberzout, 130 g. keukenzout,
50 g. poeder van jeneverbessen en 30 g. kummelpoeder.
In den eersten tijd mag do patiënt niet werken; hij wordt
alloen dagelijks een poos afgestapt.
Bedorven maag.
(Maag-
en darraca tarrli).
Deze ziekte bestaat vooral in oen geringe ontsteking of oatarrh
dor slijmhuid van maag en darmen. Dikwijls is ook do slijmhuid
van het harde vorhcmeldo opgezwollen (kikvorschgezwel). Ver-
keerd handelen zij, die dit voor de oorzaak, in plaats van voor een
gevolg dor ziekte beschouwende, het gezwollen deel branden ; nier-
van kan mondklem het gevolg zijn.
Oorzaken. Zuur, beschimmeld, bevuild of bevroren voeder,
vuil of te koud water (onder ö\'/jo C), kouvatton, te weinig rust
te groote inspanning onmiddellijk 7ia het eten, te veel voeder op
rustdagen.
Verschijnselen. Do mondslijinhuid is droog, de eet-
lust gestoord en wordt zij opgewekt, dan is \'t voor maar korten
tijd. Het paard versmaadt het beste voeder en eet zand, aaide,
bevuild stroo, enz. De mest is öf droog, klein gebald en met slijm
vermengd öf niet gebald en week, terwijl hij onaangenaam zuur
riekt. Ook ontsnappen stinkende gassen. Van tijd tot tijd heeft
de patiënt buikpijn, vooral onmiddellijk na het eten. Do pols is
onregelmatig on de temperatuur stijgt een weinig (tot 39.5° C). De
ziekte kan in enkele dagen geheel genezen, maar bij verwaarloozing
zeer lang duren.
Behandeling. Men onderzoekt allereerst of niet een
tandziekte do oorzaak dor gestoorde eetlust is. Vindt men geen
scherpe punten of kanten aan de tanden on staan er geen los, dan
tracht men de werkelijke oorzaak der ziekte vast te stellen.
In gewone gevallen laat men het paard honger lijden. Later
geeft men het kleine hoeveelheden voeder, met keukenzout of met
een lepel Karlsbadzout bestrooid.
-ocr page 72-
— 71 —
Bij koorts geve men dagelijks 3 maal 15 g. chinine met meel
en water tot een pil gemaakt. Is de koorts voorbij, dan: 100 g.
keukenzout, 80 g. glauberzout, 30 g. kal moespoeder, 50 g. maluw-
poeder en 50 g. poeder van jeneverbesson. Men maakt er met
water 6—8 pillen van en geeft er dagelijks 3 van in. in \'t begin
moet het paard slechts kleine hoeveelheden liclitverteerbaar vooder
ontvangen. Op den tijd der eerste twee maaltijden na het consta-
teeren der ziekte geeft men slechts wat water met zout. Men
geve ook groenvoeder, distels, peen en zacht hooi.
Verminderde voederopname
als gevolg van tandziekten en mond-
ontsteking.
Oorzaken. Scherpe kanten bij de kiezen der bovenkaak
aan de buiten- en bij die der onderkaak aan de binnenzijde; los-
staande en gespleten tanden of een tand, die niet meer afslijt, om-
dat de tegenoverstaande is uitgevallen.
Verschijnselen. Het paard tracht te eten, doch geeft
het spoedig op. Ook laat het dier zijn voeder weder vallen. Soms
eet het paard alles op, maar kauwt hot wel dubbel zoo lang als
andere paarden. In den mest vindt men veel onverteerde haver-
korrels. De patiënt vermagert en wordt krachteloos.
Behandeling. De scherpe kanten der tanden worden
weggenomen. Losse en te lange tanden moeten door den veearts
worden uitgetrokken; nadat het paard nedergelegd en met chloro-
form bedwelmd is. De wonden worden uitgewasschen met een op-
lossing van 40 g. boorzuur op 1 L. warm water.
Is door schaving der weeke monddeelen langs de scherpe tand-
randen mondontsteking ontstaan, dan penseelt men de mondholte
eenigo dagen herhaaldelijk met deze oplossing. Als penseel ge-
bruikt men een met lappen omwikkelde houtspaan. Men penseelt
met een mengsel van 2 eetlepels honig, 1 eetlepel zout, 100 g.
azijn en 1 L. water. De patiënt kauwt meestal vlijtig op het be-
voehtigde penseel, waardoor het mengsel met alle deelen van het
mondslijmvlies in aanraking komt.
-ocr page 73-
— 72 —
Doorloop of diarrhoe.
Oorzaken. Kouvatten, te koud drinkwater, zuur voeder,
bevroren voeder, enz.
Verschijnselen. De niest is dunvloeibaar on wordt bij
groote hoeveelheden uitgespoten, waarbij staart, bovenschen-
kels en spronggowrichton bevuild worden. Men hoort gerommel
in den buik. Ook heeft de patiënt buikpijn en een weinig koorts
(40« C). De eetlust neemt af en de dorst neemt toe. Soms kan
het lijden \\veken-, ja maandenlang duren, vooral bij veulens.
Behandeling. Warm houden, den buik flink met een
stroowiseh wrijven en rug en borst dokken met wollen deken. In-
wendig \'2 maal daags oen L. kamillenthee met \' 5 L. rooden wijn.
Is de diarrheo hardnekkig, dan per dag ingeven 40 g. opiumtinc-
tuur en 200 g. venkelwater met \';., L. warmen rooden wijn (veu-
lens de helft). Als vootier goed hooi, oude haver en oen weinig
baksel. Als drank lauwwarm water met geroosterde haver. Met het
stroohaksel vermengo men zoo mogelijk wat gesneden hoidekruid.
Koliek.
Hieronder verstaat men een reeks ziekten van hot achterlijf,
gepaard gaande met duldelooze pijn.
Oorzaken. 1. Kouvatten. 2. Overvocdering. 3. Te
haastig eten. 4. Ophooping van onvoldoend verteerd voeder in de
darmen. 5. Darmsteenen bij paarden, die veel zemelen krijgen.
6. Ingewandswormen. 7. Kronkel in den darm. 8. Beklemming
van een darmgedeelte, enz.
Verschijnselen. Onrust, omzien naar den buik (flg. 53),
heen en weer loopen, krabben met do voorbeenen, gaan liggen en
over den grond wentelen en spoedig weer opspringen om opnieuw
neder te vallen, pijnlijk hinniken en kermen.
De patiënt eet noch drinkt en doet herhaaldelijk, alsof hij mest
en urine moet loozen. Het tegen den buikwand gelegde oor ver-
neemt weinig of geen darmgeruisch. Zoolang de pols goed te
voelen is en men niet meer dan 40—48 slagen per minuut waar-
neemt, bestaat weinig gevaar.
Is de polsslag versneld (70—80 per min.) en moeielijk voel-
baar, dan is het gevaar groot. De ooren zijn nu koud, dan warm.
-ocr page 74-
— 73 —
Voelen ze ijskoud aan en laat het paard geduldig toe, dat men den
vinger in het oor steekt, dan sterft het spoedig.
Soms doet de patiënt, alsof hij moet braken, gaat hij als een
hond op zijn achterdeel zitten, of gaat hij op de voorknieën liggen,
terwijl hij van achteren staat. In \'t laatste geval heeft hij een kron-
kel in den darm.
De koliek heeft een snel verloop en duurt meestal slechts
enkele uren, hoogstens 24—36. Slechts bij verstoppings- en over-
voederings-koliek (klaver), duurt de kwaal wel 3— 6 dagen.
In een gewoon geval keert, terwijl Teel gassen uit den darm
ontsnappen, de eetlust spoedig terug. In ongunstige gevallen
neemt de onrust toe, de ademhaling wordt versneld en de patiënt
is zeer angstig. Later wordt hij onverschillig, gevoelloos en de
dood treedt in als gevolg van hartverlamming of na een moeielijken
doodstrijd. Ongeveer 40 % der paarden sterft aan een of anderen
vorm van koliek.
Behandeling, zoolang de veearts er niet is.
Men brengt den patiënt op een warme plaats en wrijft buik
en flanken gedurende 10 minuten krachtig met een stroowisch.
-ocr page 75-
— 74 —
Ziet men geen verbetering, dan legt men hem een warm dek op
en voorziet men hem van een sterken halster.
Is het paard min of meer opgezet, clan zet men een klisteer
van lauw water.
Inwendig geeft men op eenmaal \'/4 L. warm water of warm
bier met 25 g. Hoffmann\'s-droppels of \'/» L. warm bier of rooden
wijn met 15 g. opium-tinctuur. Komt na een kwartier geen beter-
schap, dan geeft men weder dezelfde hoeveelheid in of l\'/„ L.
kamillentheo met 300—400 g. glauberzout. In den tusschentijd
besprenkelt men den buik met kamferspiritus en laat men krachtig
wrijven. Ook zet men om het half uur oen klisteer van 4—5 L.
door middel van slang en trechter. In ieder geval kan men den
patiënt bij tusschenpoozen nog 3 pillen geven, te zamen van
20 g. aloë-extract, 100 g. glauberzout, 30 g. maluwpoeder en
water.
Ademt de patiënt zwaar, dan aderlaten (bladz. 11) Kan men
het paard op de been houden, dan in stap of draf afrijden af afstappen_
Krijgt hij weder eetlust, wat oen gunstig toeken is, dan af-
kooksel van lijnzaad en rijst geven en oen weinigjo hooi. Gedu-
rende do eerste dagen wordt do genezon patiënt op rantsoen gesteld.
Den tweeden dag mag hij weder werken.
Als men, trots alle aangewende middelen, na \'/-j uur geen beter-
schap ziet, moet ten spoedigste om den veearts gezonden worden.
Nog beter doet men hein dadelijk te ontbieden, terwijl men in af-
wachting van zijn komst bovengenoemde middelen toepast.
Blaaskoliek.
Komt vrij veel voor, doch \'t meest bij hengsten en ruinen.
Oorzaken. Kouvatton, waarvan blaaskramp het gevolg is;
verstopping der pisbuis door steenen of steentjes.
Verschijnselen. Dezelfde als bij koliek (bladz. 72). De
patiënt neemt een houding aan, alsof hij urine moet afzetten, doch
tevergeefs. Steekt men de hand in den endeldarm, dan voelt men
de geheel gevulde en sterk gespannen pisblaas.
Soms komt na eenigen tijd van zelf ontlasting der urine, maar
soms ook berst de blaas, waarna het paard spoedig streft.
Behandeling. Den buik flink met stroowisch wrijven.
-ocr page 76-
— 75 —
Brengt men den patiënt in een schaapskooi, dan loost hij dikwijls
spoedig urine.
Men zotte oen klisteer van warm water of kamillenthee.
Men kan ook met de hand in den ondeldarm gaan en de blaas
bovenop met de vlakke hand drukken, waarbij men zorgt den darm
niet te beleedigen. Inwendig geeft men \'A L. kamillenthee met 10 g,
opium-tinctuur.
Fig. 54.
Men roepe echter tevens den veearts, daar slechts hij genezing
kan brengen, als verstopping der pisbuis oorzaak der blaaskoliek is.
Horzellarven in de maag.
In de maag der paarden komen in de herfst, den winter en het
voorjaar niet zelden larven van de paardemaaghorzel voor (fig. 55).
De horzel (55—a) legt haar eieren aan de haren van het voorste
deel van het lichaam des paards. Zoodra de eieren door de maden
zijn verlaten (55—b) bewegen zij zich over de huid, wat jeukte ver-
oorzaakt. Het paard likt zich en krijgt zoo de maden in den mond.
-ocr page 77-
— 76 —
vanwaar ze naar de maag verhuizen. Hier hechten ze zich met
de haakvormige monddeolen aan den maagwand, waar zij zich ver-
der ontwikkelen (55— c). In fig. 55—d is een horzelmade vergroot
voorgesteld, in \'t gunstigste geval toch wordt zij maar 2 c.M. lang
en 0 8 c.M. breed. Na 10 maanden laten de maden zich los om. in
den mest of den grond te vorpoppen na met de vaste uitwerpselen
het lichaam te hebben verlaten. De hieruit ontstaande volkomen
horzel legt op haar beurt eieren.
In den regel
doen de horzel-
maden niet veel
schade ; in grooten
getale voorkomen-
de, kunnen ze ont-
steking van het
darmvlies en het
darmscheil veroor-
zaken. Tot heden
O
                   kent men geen stof,
Kig. 55.                                  waarmede men de
maden in de maag van het paard kan dooden zonder het paard
zelf te schaden. Het best is nog de met horzeleieren bezette
haartjes af te knippen en te verbranden.
Leverharding.
Komt zeer veel bij paarden voor, die geregeld met het slechte
gras van zure weiden gevoederd worden; de eigenlijke oorzaak weet
men niet. In sommige streken is deze ziekte geheel onbekend.
Verschijnselen. Herhaald geeuwen en een onnatuur-
lijken trek naar bevuild stroo, mest, aarde, hout, enz. Aan de vaste
uitwerpselen, die erg stinken, is te zien, dat het vooder slecht ver-
teert. Het slijmvlies van oogen en mond is geelachtig. Later doen
de verschijnselen aan kolder denken.
Behandeling is meestal te vergeefsch. Verandering van
voeder is te beproeven.
Koude pis.
Deze gevreesde ziekte komt het meest voor in het ruwe jaar-
-ocr page 78-
— 77 —
getijde en gewoonlijk bij paarden, die eenige dagen op stal gestaan
hebbon. Ze veroorzaakt een plotseling intredende verlamming van
de achterhand en een bloedontleding, waarbij bloedige urine ge-
loosd wordt.
Verschijnselen. Het paard verlaat gezond en opgewekt
den stal, maar begint na eenigen tijd onzeker te gaan. Blijft het
nog langer in beweging, dan begint het te waggelen en sterk te
zweeten. Brengt men het nu spoedig in een warmen stal, dan
houden bovengenoemde verschijnselen weder op. Duurt de ziekte
langer, dan ontstaat een spanning der kruisspieren en een donker*
bruine tot inktzwarte urine wordt onder voortdurend persen en steu-
nen geloosd. Wordt het paard intijds op stal gebracht, dan is het
meestal gered, doch valt het op den weg neder, dan is \'t zoo goed
als verloren; de lamheid en de benauwdheid nemen toe en spoedig
volgt de dood door hart- of longenverlamming. In gewone geval-
len verdwijnt de onrust en houdt liet zweeten op. De patiënt ont-
last rijkelijk urine en krijgt weer eetlust. De lamheid in hot kruis
kan echter pas na eenige dagen verdwijnen.
Behandeling. Ten spoedigste naar een stal in do onmid-
dellijke nabijheid. Dan krachtig wrijven tot de patiënt begint te
zweeten; dikwijls is dit alles, wat men behoeft te doen om hom na
een uur weder te kunnen inspannen. Ten overvloede geve men
echter \'/, L. koffie met wat cognac of 1 L. vlierbloemen-thee met
250 g. glauberzout.
In meer ernstige gevallen is het aderlaten (bladz. 11) op zijn
plaats. Men wrijve het kruis en de nierstreek met 20 g. terpentijn-
olie en 100 g. kamferspiritus. Staat de patiënt nog, dan hangt men
hem op, zooals in fig. 56 is afgebeeld.
Een sterke baal bewijst goede diensten. Men naait deze ook
aan de open zijde dicht; nadat men ze met mos of haksel opge-
vuld en in eiken hoek een steen gelegd heeft, waaraan men de
touwen vastmaakt, waarmede de patiënt wordt opgehangen. Deze
handelwijze heeft alleen beteekenis, als het paard nog een weinigje
op de beenen kan steunen. Moet het hangen in den werkelijken
zin, dan zal men er steeds weinig succes mede hebben.
-ocr page 79-
— 78 —
Hhoumiitismo.
Hieronder verstaat men een zeer pijnlijke ziekte der spieren en
spierscheeden.
Oorzaken. Kouvatton (koude, vochtige stal, verandering van
voeder, natregenen hij zweeten, baden bij zwoeten). l)o ziekte wordt
begunstigd door het voederen van veel eiwitrijk voeder, moeiel ijk
verteerbare peulvruchten (vooral boonen), en nieuw hooi.
Fig ö(i.
V e r s c h ij n s o 1 e n. Het paard wordt gedurende den nacht
stijf. De gang is moeielijk en pijnlijk. De gewrichten zijn stram
en kraken of knarsen. Is het paard eenigen tijd in bewoging en
begint het te zweeten, dan beweegt het zich met meer gemak en
minder pijn. De genoemde verschijnselen keeren even spoedig
terug als ze verdwijnen. Betast men de zieke spieren, dan toont
de patiënt dikwijls pijn te hebben. In ernstige gevallen noemt
men ook verminderden eetlust en koorts waar.
Met rhoumatisme kan rhoumatischo hoofdontsteking on borst-
vliesontsteking gepaard gaan.
-ocr page 80-
— 79 —
Behandeling. Volwassen paarden gedurende 2 dagen da-
gelijks 2 maal 50 g. salicylzure natron met een flesch warm water.
Wil de patiënt niet slikken, dan maakt men van 100 g. salicylz.
natron, meel en water pillen ter grootte van een noot. Met een
tusschenruimte van een dag kan men de kuur herhalen. Ook is
\'t goed, als men dagelijks 3 maal 1 flesch vlierbloesemthoe in geeft.
De huid bespronkele men 3 maal daags met 200 g zeepwater
100 g. kamferspiritus en 50 g. tinctuur van Spaansche peper, waar-
na flink mot een stroowisch gewreven wordt. Gedurende de eerste
dagen houdt men het paard op dieet.
Eindelijk zijn een droge, warme stal en droog strooisol eerste
vereischten, terwijl de patiënt voor tocht moet gevrijwaard worden.
Klem of Strjfkramp.
Deze bestaat in een voortdurende spierkramp, veroorzaakt door
spierkrampbacillen, welke in het bloed geraken en door toevallig
ontstane wondjes of beleedigingen
Deze bacillen bevinden zich in den bodem, vooral in sterk ge-
mesten tuingrond en in paardonmost. De klem gaat van \'t eene
dier op \'t andere over, als men uit een wond van \'t eerste wat onder
de huid van \'t laatste brengt. Alle groote en kleine wonden, die
in aanraking komen met mest of aarde, kunnen de oorzaak van klem
worden; de ziekte openbaart zich somstijds pas 4 weken na de be-
smetting.
Verschijnselen. In den regel begint de ziekte met
mondklcm. De aangetaste spieren zijn hard als een plank.
De patiënt kan den mond niet meer openen, zoodat het opnemen
van voedsel onmogelijk is.
Verbreidt zich de kramp ovor den hals, dan wordt de kop
rechtuit gestrekt. Later worden de ledematen eveneens stijf en
staan deze als schragen onder het lichaam (flg. 57); de staart
staat omhoog.
In de meeste gevallen is de ademhaling verzwaard, waarbij de
neusopeningen hoekig of trechtervormig opengesperd worden. De
patiënt is zeer prikkelbaar. Elk geraas en elke aanraking kan on-
middellijk een nieuwen aanval van kramp veroorzaken. Genezing
heeft zelden plaats, want men kent tot heden geen afdoend middel.
-ocr page 81-
— 80 —
De behandeling moet zich bepalen tot het ontsmetten der won-
den, die de aanleidende oorzaak zijn. Men bedekke echter de ven-
sters met kleeden. Soms moet de patiënt opgehangen worden (fig. 56).
Men haalt ten spoedigste den veearts.
Fig. 57.
Hersenvliesontsteking.
Deze ziekte komt in den zomer veel voor bij paarden, die als
\'t ware gemest worden en dan vooral als ze veel klaver of klaver-
hooi eten. Ze bestaat in bloedaandrang naar de hersenen en ont-
steking van het hersenvlies, waarbij zeer spoedig bloed in de
hersenholte wordt uitgestort.
Oorzaken. Waarschijnlijk erfelijke aanleg. Het uitbreken
der ziekte wordt bevorderd door alles wat den bloedaandrang naar
de hersenen in de hand werkt, zooals de tandwisseling in het 4de
en 5de levensjaar, tergen der dieren, inwerking der zonnestralen op
den schedel, bedompte, warme stallen, het voederen van veel klaver,
klaverhooi, boonen on erwten.
-ocr page 82-
— 81 —
Paarden niet groot, plomp hoofd en slappe, hangende ooren
zouden een bij zonderen aanleg voor deze ziekte hebben.
De ziekte breekt wel uit, als een slecht gevoed paard p 1 o t-
s e 1 i n g op beter voeder komt.
Verschijnselen. Toenemende traag* en stompheid; de
patiënt verricht aanvankelijk nog goed zijn werk. Later: gebrek
aan eetlust, storingen in \'t bewustzijn, slaperigheid, plaatsen van
het hoofd op de krib, leunen tegeu den stal wand, afwijkende plaat-
sing der beenen (fig. 58j. Trapt men den patiënt op de kroon of grijpt
men hem bij de ooren, dan verzet hij zich niet. In andere ge-
vallen loopt hij uren lang heen en weer of in het rond. Soms
rent hij in \'t begin der ziekte met het hoofd tegen den muur
of drukt hij met alle macht tegen den muur, de krib, enz. Soms
wordt hij als razend. In gewone gevallen kan hij na 8—10 da-
gen, in ernstige gevallen na 3—4 weken weder normaal zijn. In
\'t laatste geval wordt hij echter dikwijls kolderig.
«Het zieke Huisdier".
6.
-ocr page 83-
— 82 —
In vele gevallen neeenit de afstomping meer en meer toe en
sterft de patiënt aan hart- of longonverlamming.
Dikwijls is hij schijnbaar genezen om plotseling als razend te
worden, waarop na algemeene verlamming de dood volgt. De ziekte
wordt dikwijls met kolder verward. Bij de laatste stijgt de lichaams-
temperatuur niet, bij hersenvliesontsteking w e 1.
Behandeling. Is het paard zeer opgewonden, het hoofd
zeer heet en do oogslijmhuid rood, dan aderlaten (bladz. 11). Dit
mag niet geschieden, als de zinnen reeds afgestompt zijn. In dit
geval geeft men kondwaterbadon met een gieter zonder sproeier
(fig. 59).
Inwendig geeft men
in één keer 35 g.
aloëpoeder met zoo-
veel zeep als noo-
dig is om er een
pil van te maken en
een klisteer van 1
L. water en 50 g.
azijn. Men wrijft de
halszijden met mos-
terdolie.
De patiënt wordt
in een koelen, don-
keren stal geplaatst
of (in den zomer)
buiten op een be-
schaduwde plaats.
Als voeder geve
men gras of hooi en
als drank koud water.
Fig."59.
Kolder.
Hieronder verstaat men een voortdurende hersen ziekte, die
zich kenmerkt door storingen in het bewustzijn en de waarneming.
Oorzaken. Hersenwaterzucht, erfelijke aanleg.
Gelegenheidsoorzaken zijn: bloedaandrang naar \'t hoofd, vol-
bloedigheid, voederen van zwarte haver, klaver, wikken, erwten,
boonen, ruime voedering en weinig werk, enz,
-ocr page 84-
— 83 —
Verschijnselen. Slaperigheid, onregelmatig oorenspel,
verkeerde plaatsing der beenen. De patiënt laat zich lijdelijk de
beenen kruisen, bij de ooren grijpen en op de kroon trappen. Dik-
wijls is hij schrikachtig. Ingespannen, dringt hij steeds naar één
zijde en is hij niet dan met moeite tot achteruitloopen te bewegen.
De eetlust is meest goed. Onder het eten
jf             begint de patiënt te suffen, doch tot zichzelf ko-
li /f mende, hervat hij het kauwen. Hij eet niet
// /E gaarne uit de ruif en bij \'t drinken steekt hij den
/f lm         mond tot over de neusgaten onder water. De
lm f         mest is klein gebald. De pols is meest vertraagd
13 |i         (30 slagen en minder per minuut), de ademhaling
11                 langzaam en diep. Zelden sterft het paard aan
ƒ3                  kolder op zichzelf. De kwaal verergert bij groote
;J %         inspanning, zoel weder en ongeschikt voeder.
§ IM               Behandeling. In luchtigen, koelen stal
\\Ë §j        plaatsen of (des zomers) buiten in de schaduw.
/m lm          Als voeder gras, wortelgewassen en tarwezemelen,
lm \\M           maar geen hooi en graan of peulvruchten.
/jl 1 3                   De kolder is een koopvernietigend gebrek.
la X%                                      Wormen.
Ij            \\ I               Bij paarden komen verschillende soorten van
\\I             II wormen voor; de belangrijkste zijn de spoelwormen
1             j          (fig. 60); zij leven vooral in het darmkanaal der
«l             II          veulens. Paarden, die wormen hebben, zien er
^            U meestal slecht uit, ook al eten zij veel. Boven-
^           \\ dien zijn ze mat en weinig opgewekt.
\\             Verschijnselen. Afgaan van wormen
Fig. 60.           met den mest, ongeregelde eetlust, eten van stroo,
zand, enz, afwisselend diarrhee en verstopping,
afgaan van »wormslijm", glansloos en ruw haar, onrust, bijten in
de flanken, krampen, duizeligheid.
Behandeling. Veel peen op de nuchtere maag, distels,
goed hooi en roggestroo en bq slechte spijsvertering ook paarden-
kastanjes.
-ocr page 85-
• — 84 —
Verder geeft men een veulen beneden het jaar 6, een veulen
van 2 jaren 8 en een volwassen paard 10 g. braakwijnsteen. Dit
wordt den volgendon dag herhaald. Men lost de dosis in \'/< I*-
heet water op en giet clan de oplossing in een halven emmer wa-
ter. Opdat de patiënt niet weigero te drinken, laat men hem den
avond te voren niet drinken of wel men geeft hem dan water met
een handvol zout. In den regel komen reeds na 2—3 dagen veel
wormen af. Na 2—3 weken wordt de kuur herhaald.
Men kan ook ingeven 30—90 g. (al naar do grootte) benzine
met meel en honig tot pillen gemaakt. Men geve vooral geen
braakwijnsteen in onopgclosten toestand, omdat hij dan de slijmhuid
van mondholte, keelholte, maag on darmen kan aantasten.
Voor miltvuur, hondsdolheid, kwaden droes en huidworm, dek-
ziekte, blaasjesuitslag aan de geslachtsdeelen en schurft zie men
Afd. VII «Besmettelijke ziekten".
-ocr page 86-
MIT E$yMQ>.
I. Kenteekenen der gezondheid.
1.      Bij gezonde dieren is de huid fijn, woek en gemakkelijk
verschuifbaar. Maakt men met de hand een huidplooi, dan
moet die, zoodra men loslaat, weder verdwijnen Is de huid
hard en lederachtig en verdwijnt de bedoelde huidplooi niet
spoedig, dan is het .dier langen tijd slecht gevoed of lang ziek
geweest.
Een gele kleur
der huid aan de lip-
pen, de kling, enz.
is een teeken van
gevaarlijke lever-
ziekten.
De haren moe-
ten glanzend en
niet ruw zijn noch,
overeind staan. De
haarwisseling moet
op tijd en geregeld
plaats hebben.
2.    Gezonde runde-
ren moeten een
goeden eetlust be-
zitten; zelfs kort
na den voedertijd moeten zij opnieuw voorgelegd voeder niet
versmaden. Spoedig na het vreten moeten ze, aan zich zelf
overgelaten zynde, beginnen te herkauwen. Dit moet met lust
-ocr page 87-
— 86 —
en zonder groote tusschenruimten geschieden. Een gezond
rund maakt 40—60 kauwbewegingen alvorens den herkauwden
spijsbrok door te slikken. Maakt het slechts 10—12 kauwbewegin-
gen, dan is het ziek. Goede eetlust en geregeld herkauwen zijn
echter geen afdoende bewijzen voor de gezondheid. Bij tuber-
culose en enkele andere langdurige ziekten kan de eetlust naar
verhouding goed zijn. Toont een rund veel eetlust, als de hon-
gergroef sterk gevuld is. dan zij dit geen reden tot ongerust-
heid. Reden tot bezorgdheid bestaat veeleer, als het dier eet-
lust heeft, terwijl de hongergroef sterk is ingevallen.
3. De ademhaling moet rustig en ongeveer 12 keer per minuut
geschieden. Ratelend en rochelend ademen bemerkt men o. a.
bij keelontstekingen.
Fig. 62.
4. Een ongevaarlijke, vochtige, sterke hoest komt voor bij alle
lichte, catarrhale aandoeningen. Deze hoest gaat echter meestal
spoedig over. Een doffe, toonlooze hoest, die maanden duurt
en veroorzaakt kan worden door het dier met een doek eenigen
tijd den neus dicht te houden (fig. 61), is een bedenkelijk ver-
schijnsel en gewoonlijk een bewys voor longen-tuberculose.
-ocr page 88-
— 87 —
5.    Aanhoudende doorloop, die weerstand biedt aan vele genees-
middelen, wijst op darmtuberculose.
De mest moet een vaste brij vormen, die niet uit elkaaar valt.
Bij groenvoedering is doorloop in g e r i n g e n graad geen
teeken van ziekte.
6.    Bij gezonde koeien geschiedt de melkvorming regelmatig.
Neemt de melkopbrengst plotseling sterk af, dan moet aan
een ernstige ziekte gedacht worden.
Fig. 63.
7.    Opzwelling van de klieren in de keelstreek, aan den hals, aan
de voorborst en in de hongergroef wijzen op tuberculose. Wa-
terzuchtige opzwellingen aan de keel, de voorborst en den buik
(fig. 62), waarin een vingerdruk een kuiltje achterlaat, komen
voor bij algemeene waterzucht, vooral echter bij ziekte van het
hartezakje, veroorzaakt door vreemde lichamen.
8.    De beweging van gezonde dieren is zeker en rustig; de kop
wordt daarbij goed gedragen. Een gezond rund staat spoedig
en met gemak op, als men dit verlangt.
9.    Grijpt men een gezond rund bij de ooren, dan schudt het
levendig met den kop.
-ocr page 89-
— 80 —
iO. De wortels van horens en ooren moeten slechts matig warm
aanvoelen. De neusspiegel moet eveneens matig warm en daarbij
vochtig zijn.
Zijn horen- en oorwortels nu koud, dan heet en is de neus-
spiogel heet en droog, dan heeft liet dier koorts.
De temperatuur in den endeldarm (bladz. 8 ) moet niet hoo-
ger dan 39.1° C. zijn; bij koorts alleen is zij hooger.
11. De tochtigheid moet na \'t kalven voor het eerst terugkeeren
na 24—28 dagen en vervolgens bij niet bevruchting geregeld
om de 3—4 weken.
Een abnormaal gestegen en langdurige geslachtsdrift is een
bewijs voor ontaarding van den eierstok.
II. Huidverpleging.
De huidverploging bepaalt zich in hoofdzaak tot het kammen
en borstelen, het geregeld wasschen van den uier bij koeien,
het wasschen van de geslachtsdeelen bij alle runderen en het be-
schutten tegen en het verdelgen van insecten. Het zwemmen
is in \'t algemeen niet voor rundvee aan te bevelen, maar vooral niet
voor koeien met gevulde uiers. Het scheren is alleen aan te
raden voor trage trekossen on voor grofharig jongvee, dat slecht
gedijt. Bij mestvee kan door het scheren het lichaamsgewicht toe-
nemen, mits naar verhouding sterker gevoederd wordt.
Hot poetsen is aan te raden en moet dagelijks geschieden.
Men doe het met een borstel; do roskam gebruikt men alleen om
den borstel schoon te maken. Gebruikt men do roskam op de huid,
dan kunnen do meest goedaardige dieren wederspannig worden.
Men poetst steeds do zachtaardige dieren van den stal liet eerst.
Zijn pijpen en schenkels bevuild, dan reinige men deze met een
handvol hooi, zoo noodig ook met water. Nu en dan wascht men
den uier met lauw water, doch droogt hem goed af om
het ontstaan van kloven to voorkomen. Nooit wassche men een
gevulden uier met koud water
-ocr page 90-
- 69 —
Tot de huidverpleging kunnen ook gerekend worden de maat-
regelen, welke de mensen neemt om het vee tegen insecten te be-
schermen. Van Juni tot September vliegt de runderhorzel
(fig. 63—5). Zij legt haar eieren aan de haren der runderen.
Hieruit komen spoedig larven of maden, welke zich in de huid
boren (fig. 63—6) en daar het ontstaan van horzelbuilen veroorzaken.
Enkele hiervan doen geen kwaad, maar als er voel op één dier
voorkomen, wordt de huid in haar verrichtingen belemmerd, terwijl
het rund veel pijn heeft, als de larven zicli naar buiten begeven.
Runderen met veel horzelbuilen verliezen den eetlust en worden
mager.
Afb. 1, 2 en 3 van fig. 63 stellen horzelmaden in opeenvol-
genden ontwikkelingstoestand voor, afb. 4 geeft eon daaruit ontstane
pop te zien, terwijl afb. 7 de holte voorstelt, waarin een naar
buiten getreden larve verblijf gehouden heeft.
Om te voorkomen, dat de runderen door vliegende horzels be-
zocht worden, borstelt men ze zoo mogelijk van Juni tot September
dagelijks af, op deze wijze worden de aan de haren gehechte eieren
verwijderd.
Ook kan men de dieren om den anderen dag wasschen met
een afkooksel van noteboombladeren. Tegen dat de builen rijp
zijn, drukt men de larven naar buiten om ze te dooden.
Om gewone vliegen uit den stal te verdrijven, vermengt
men 120 g. zacherlin, 2 g. fijne zwavelbloem en 2 g. lykopodium.
Men doet dit in een blaas, sluit hem, doch steekt in de monding
een pijpesteel. Door op de blaas te drukken kan men dan de
lucht in den stal, vooral daar waar de meeste vliegen zijn, met het
mengsel bezwangeren, tengevolge waarvan na 10 minuten de in-
secten verdooven en op den grond vallen, waarna ze kunnen \\vor-
den opgeveegd om verbrand te worden. De persoon, met het ver-
stuiven belast, moet zich, na zijn taak verricht te hebben, onmiddellijk
uit den stal verwijderen, omdat het poeder de luchtpijp aandoet.
Hebben de runderen luizen, dan wascht men ze met een
opl. van 20 g. creolin in 1 L. warm water; tevoren worden die,
welke zeer ruw en lang haar hebben, geschoren. Voor kwikzalf
kan niet genoeg gewaarschuwd worden.
Bij runderen, die steeds op stal staan, slijten de klauwen in
-ocr page 91-
— 90 —
een bepaalden tijd minder af dan zij in denzelfden tijd aangroeien.
Daarvan kunnen onregelmatige beenstanden het gevolg zijn; ook
worden do dieren noodeloos vermoeid Daarom moeten de klau-
wen minstens om de 5 — 6 maanden besneden worden. Men ligt
daartoe zoo noodig met een rond hout, voor het spronggewricht ge-
legd, het been op.
In den regel behoeven de horens geen verpleging; enkele ma-
len is het noodig van al te spitse horens de punt te zagen. Ziet
men, dat de horens van jonge runderen een leelijken stand zullen
aannemen, dan gebruikt men wel de horen richter van Fis-
cher (fig. 64). Deze doet in
geen geval nadeel, ook al
blijft hij langen tijd liggen.
III. Verloskunde.
1. Verpleging van dr ach -
tige vaarzen en
koeien.
Wil een vaars niet
tochtig worden, dan be-
F\'g- 64.
                            ginne men in de eerste
plaats krachtiger te voede-
ren. Soms wordt een vaars niet tochtig, omdat zij te vet is; in
dit geval voodere men minder sterk. Dikwijls kan men de tochtig-
heid opwekken door hot vrouwelijk dier in de nabijheid van een
stier te brengen.
Koeien, die 28 dagen na het kalven niet tochtig zijn geworden,
behandelt men op dezelfde wijze. Een handvol hennepzaad, twee-
maal daags door \'t voeder, wekt dikwijls de tochtigheid op.
De tochtigheid bemerkt men bij vaarzen aan een zekere on-
rust, verminderden eetlust, zwelling der uitwendige geslachtsdeelen,
waaruit een glasachtig, met bioed vermengd slijm vloeit Ook
springt de drachtige vaars op andere vrouwelijke dieren. Dikwijls
loeit zij op een wijze, die aan het brullen van den stier herinnert.
-ocr page 92-
— 91 —
Bij koeien neemt men bovendien nog een vermindering in hoe-
veelheid en een verandering in de samenstelling der melk waar.
Bij sommige vaarzen en koeien bemerkt men weinig van de toch-
tigheid. Deze duurt ± 1\'/» dag. Liefst brengt men het vrouwelijk
dier 12 — 18 uren na het begin der tochtigheid bij den stier. Voor
op stal staande dieren, die een «stille bronst" hebben wijkt men
van dezen regel af; men laat ze zoo spoedig mogelijk dekken.
Teneinde het schadelijke persen na de dekking te voorkomen
geeft men de koe of vaars \'ƒ, uur vóór de dekking 3/4 a 1 L. bran-
dewijn en legt men haar, als ze langzaam naar den stal is terrug-
geleid, wat van haar lievelingsvoeder voor.
Dikwijls wordt een herhaaldelijk gedekte koe of vaars niet
drachtig. Dit kan somtijds het gevolg zijn van ziekten der baar-
moederslijmhuid, verandering der eierstokken, vergroeiing van den
baarmoedermond of baarmoederhals, onvermogen van den stier, enz.
Bestaat geen dezer oorzaken, dan kan aderlaten nuttig zijn.
In \'t algemeen mag men uit het niet terugkeeren der tochtig-
heid op den bepaalden tijd tot de drachtigheid besluiten. Is het
dier drachtig, dan wordt het rustiger en krijgt het meer eetlust. Na.
4—5 maanden neemt de omvang van het achterlijf toe. Van een
vaars zou men reeds in de eerste helft van den draagtijd kunnen
weten of zij al of niet drachtig is door een melkende beweging
met haar spenen te maken. Komt er een dikke, kleverige in plaats
van een dunne, waterige vloeistof uit, dan zou ze drachtig zijn.
Tegen het einde van den draagtijd kan men met de hand aan
de rechterbil ik zij de het kalf voelen. Zwelt tijdens do drachtigheid
de uier plotseling op, dan is dit een bewijs, dat het kalf dood is.
Voor de behandeling van drachtige vaarzen en koeien mogen
de volgende regelen gelden:
1.    Men geve voeder rijk aan eiwit en kalkzouten. Bevat het
voeder van de laatste weinig, dan geve men per stuk en per
dag, evenals aan drachtige merriön, 10 ü 12 g. gepraecipiteerde
basisch phosphorzure kalk. Deze kalk heeft ook, aan kalveren,
veulens en andere dieren gevoederd, een gunstigen invloed op
de vorming van het beendergestel
2.    Men geve drachtige koeien of vaarzen een weinig goed hooi,
gras, klaver, wat gebroken graan, zemelen en koek.
-ocr page 93-
— 92 —
3.    Men trachte storing in de spijsvertering en opgeblazenheid te
voorkomen.
4.    Men geve het drinkwater niet kouder dan 10° C.
5.    Men zorge voor een zuivere standplaats. Moet de koe te lang
op de knieën blijven alvorens te gaan liggen, dan kan baar-
moedervordraaiing het gevolg zijn.
6.    De stalvloer mag niet te veel naar achteren hellen en niet
glad zijn.
7.    De huid moet geregeld geborsteld en het dier mag niet mis-
handeld worden.
8.    Men verschaffe het op stal staande drachtige dier geregeld
wat beweging in de open lucht.
9.    Men zorge, dat de kalf koe geen koü vat.
10.    Men voedero geen beschimmeld hooi of voeder, met brand,
roest of moederkoorn bezet.
11.    De drachtige koe moet minstens 6 weken vóór het kalven
droog staan. Wil zij niet droog worden, dan wassche men den
uier om den derden dag met koud water en melke men haar 10
uren na elke wassching volledig uit.
12.    Zijn kort vóór kalven uier en spenen zeer stijf, dan melke
men of men smero met glycerine.
13.    Men geeft do koe eenige dagen vóór \'t kalven dagelijks een
handvol glauberzout door \'t vooder en voedere, mede ter voor-
koming der kalfziektc, de laatste weken niet te ruim.
14.    Bij vaarzen raakt men in het laatste tijdperk der dracht da-
gelijks een paar malen den uier aan, opdat zij zich na het kal-
ven rustig zullen laten melken.
2. Hulp bij de geboorte.
Bij koeien, die weinig beweging nemen, doordat ze steeds op
stal staan, wordt de geboorte zeer bemoeielijkt en vele kalveren
zouden te gronde gaan, als het moederdier, ook bij normale ge-
boorte, niet geholpen werd.
De eerste teekenen der naderende geboorte zijn het doorzakken
van den buik en het invallen van de deelen om den staartwortel
(fig. 65 en 06), alsmede het zwellen der uiers en de uitwendige
geslachtsdeelen.
-ocr page 94-
— 93 —
Eenige uren vóór liet kalven openen zich de schaamlippen en
komt er een dik, taai slijm, te voorschijn. Do eerste weeën kunnen
nu intreden en soms 1 —2 dagen duren.
Begint de geboorte, komen de baringsweeën, dan wordt de
koe onrustig, ze legt zich neder, springt weer op en doet, alsof zo
urine moet loozen. Na korten tijd komt do waterblaas te voorschijn
om gewoonlijk spoedig to bersten. Do noodige strikken worden in
een oplossing van 10 g. lysol op 2 L. water ontsmet, met vet in-
gesmeerd en gereed gelegd.
Fig. 65.                                                      Fig- 66.
Zij, die bij de geboorte zullen helpen, moeten de nagels afvij-
len, de handen reinigen en mot olie smeren.
Komt het kalf na het springen der waterblaas niet spoedig te
voorschijn, dan moet met de ingebrachte hand onderzocht worden.
Voelt deze de beide voorpooten en den kop, dan worde onmiddellijk
getrokken, doch niet door middel van strikken, maar met de hand.
Is de kop echter nog niet bij do bekkenopening en gelukt het niet
door gelijktijdig trekken aan onderkaak en voorpooten den kop in
het bekken te brengen, dan legt men een kopstrik (fig. 67) aan,
doch niet achter de beide ooren, teneinde te voor-
komen, dat hij tegen de keel terug schuift en daardoor het kalf
stikt.
Kan men echter een door een knoop vastgemaakton strik
achter de beide ooren brengen, zoo dat do knoop zich in
den bek bevindt, des te beter (fig. 68).
-ocr page 95-
— 94 —
Men kan nu aan den strik trekken zonder dat de kop steeds
op zijde gedrukt wordt, wat bij het aanleggen van den strik vol-
gens fig. 67 dikwijls het geval is. Men mag alleen volgens fig. 68
te werk gaan, als niet zeer sterk behoeft getrokken te worden. Het
kan noodig zijn nog een strik aan de naar buiten stekende pooten
te bevestigen. Moet
sterk getrokken wor-
den, clan bevestigt
men aan dezen strik
een sterk stuk hout.
Nu wordt krachtig
getrokken, waarbij
een persoon met de
hand den kop in de
juiste richting tracht
te houden. Bij ge-
makkelijke geboor-
ten is het voldoende
                                 Fig. 67.
als 1 of 2 personen
zonder behulp van strikken aan voorpooten en kop trekken. Bij
zware, regelmatige geboorte, moeten 3 personen voldoende zijn om
met behulp van strikken het kalf te voorschijn te brengen.
Is de water-
blaas vroeg geber-
sten, dan zijn de ge-
boortewegen droog
en daarom giet men
dan met behulp van
trechter en gum-
mislang wat olie
of warm afkooksel
van lijnzaad in de
scheede (fig. 69).
Zeer dikwijls
Fig. 68.
                                  komt, ook bij regel-
matige geboorten, de
waterblaas niet te voorschijn; de ingebrachte hand voelt ze dan in
-ocr page 96-
— 95 —
den baarmoeder-mond. Het is een groote fout baar stuk te trekken,
want zij dient om do baarmoedermond geleidetijk verder te openen.
Door haar stuk te trekken wordt de baarmoedermond niet genoeg
verwijd, de kop van liet kalf neemt dikwijls oen verkeerde ligging
aan en dewijl het vruchtwater te vroeg afloopt, worden de geboorte-
wegen te droog. Daarom mag de waterblaas niet geopend worden
vóór zij in de sehaamspleet zichtbaar is. Bij vaarzen wil het dik-
wijls niet gelukken de schaamlippen over den schedel van hot kalf
te stulpen. Wordt te sterk getrokken, dan scheuren do schaam*
deelen al licht en kan zelfs de endeldarm beleodigd worden, zoodat
big. 69.
scheede en endeldarm één gemeenschappelijke opening krijgen,
Darmscheuren zijn zeer moeielijk te genezen. Men moet daarom
bij een nauwe scheede met voorzichtigheid en geduld te werk gaan.
Men smeert den kop van het kalf met olie of vet. Hierop laat
men krachtig, doch niet met geweld trekken, terwijl men met de
hand de schaamlippen over den schedel tracht te stulpen Meestal
-ocr page 97-
— 96 —
bereikt men zijn doel; duurt dit lang, dan stikt het kalf. In den
uitersten nood kan men aan beide zijde der schaamspleet met een
schaar of een scherp mes een kleine insnijding doen. Sneden op
deze plaats doen geen kwaad, ook al scheuren zij in. Ze zijn ge-
makkelijk te onsmetten en genezen zonder naden, terwijl scheuren
aan het benedcn- en boveneind zeer lastig en nadeelig zijn.
Bij de geboorten kunnen zich afwijkende gevallen voordoen.
De mensch moot dan, nog meer dan bij normale geboorte, werk-
zaam optreden. Wij laten do voornaamste gevallen van onregelma-
tige geboorten hier volgen.
1. Het bekken is te nauw. De oorzaken zijn te vroeg drachtig
worden of slechte bouw van het bekken. Het jong is in dit
geval in verhouding van het bekken te groot.
Een strik aan den kop, de geboortewegen met olie smeren,
langzaam doch krachtig trekken In \'t uiterste geval moet de
veearts hot kalf ontleden.
Fig. 70.
2. De baarmoedermond is gesloten. De oorzaken zijn vergroeiing
tengevolge van beleodiging bij vroegere geboorte of krampen, die
tot 5 dagen kunnen duren.
Men ontdekt, het gesloten zijn der baarmoedermond hieraan, dat
het dier sterk perst en zeer onrustig is zonder dat de "vrater-
-ocr page 98-
- 97 -
blaas to voorschijn komt. Do ingebrachte hand voelt, dat de
baarmoedermond gesloten is, Men ontbiedt dan dadelijk den
veearts.
In vele gevallen is \'t voldoende, als men een afwachtende hou-
ding aanneemt, het dier 2 maal daags \'/3 L. wijn geeft, het
kruis met brandewijn wascht en lauwwarme kamillenthee in
de scheede laat vloeien. Het opensnijden van den baarmoeder-
mond is steeds een gevaarlijke operatie. Zij mag alleen ge-
schieden, als door hot persen de baarmoedermond zichtbaar
wordt.
• ....• •                                     Fig 71.
3. Scheede en draagzak zijn gedraaid. Oorzaken: slechte slui-
ting bij de koe, te weinig stalruimte, zoodat het drachtige dier,
alvorens van achteren op te staan, te lang op de knieën moet
liggen.
De ingebrachte hand voelt den mond der scheede spiraalvor-
mig geworden (fig 70). De waterblaas kan niet te voorschijn
komen.
Heeft men zich overtuigd, dat men met verdraaiing te doen
heeft, dan ontbiedt men on middellijk den veearts. Is deze niet
te krijgen, dan brengt men de koe in een flinke ruimte en
«Het zieke Huisdier".                                                                    7.
-ocr page 99-
— 98 —
bindt men haar, zooals fig. 71 aangeeft. Men trekt aan het
vrije eind van het touw, waardoor zij zich neerlegt. Men
bindt haar dan do boenen, evenals oen kalf, dat vervoerd moet
worden. Men brengt de hand in de scheede en doet de
koe, terwijl do hand er in blijft, eenige malen om haar as
draaien. Bemerkt men, dat bij draaiing naar links de spanning
geringer wordt, dan draait men in dezelfde richting door; blijkt
het tegendeel, dan wordt de koe naar rechts gedraaid. Daar dit
zoolang moet geschieden tot de scheede, enz. weer normaal is,
geschiedt een en ander \'t bost in een groote ruimte, bij mooi
weder desverkiezende buiten. Een dor helpers moet den kop
der koe vasthouden en bij elke wenteling den kop mede doen
draaien, opdat het dier den nek niet breke.
Fig. 72.
Is men zoover, dat de hand in den baarmoedermond kan ko-
men, dan houdt men de pooten van \'t kalf vast, terwijl de koe
gewenteld wordt. Het kalf mag echter pas «gehaald" worden,
als de koe behoorlijk is uitgerust.
4. Het kalf heeft een waterkop. Do ingebrachte hand voelt een
buitengewoon groot schedolgedeolte en bijna geen aangezicht.
Het eerste laat zich week aanvoelen.
Men neemt een mes, houdt het vast volgens fig. 9 en tracht
den schedel door te steken. Gelukt dit en loopt veel water
af, dan tracht men met de hand de dunne beenderen samen te
drukken. In vele gevallen gaat, ook nadat dit plaats gehad
-ocr page 100-
— 99 —
heeft, de geboorte uiterst moeiel ijk, waarom de hulp van den
veearts onmisbaar is.
5.    Een waterkalf. De ingebrachte hand voelt een onbehaard
lichaam met misvormden kop en pooton. De wanstaltige romp
bestaat uit een aantal met water gevulde zakken (fig. 72).
Men steekt mot een mes zoo goed mogelijk de zakken stuk
en maakt diepe sneden in de huid.
Soms kan men aan een om den kop gelegden strik laten trek-
ken, waarbij steeds veel water uit den romp wordt geperst. In
vele gevallen kan do misgeboorte vrij gemakkelijk naar buiten
gebracht worden; in andere gevallen is dit geheel onmogelijk
en moet de veearts er aan te pas komen.
6.    De kop van het kalf is ter zijde gebogen.
Fig. 73.
De ingebrachte hand voelt de in het bekken gedrongen voor-
voeten en een deel van den omgebogen hals.
Men tracht den kop bij den snoet te vatten en omhoog te
trekken, wat \'t best gaat, als de koe staat. Ligt ze, dan legt
men haar op de linker* of rechterzijde, al naarmate de kop rechts
-ocr page 101-
— 100 —
of links omgeslagen is. Men bereikt zijn doel \'t best, als men
een strik om den bek bevestigt. Is men na een kwartier niet
in zijn pogingen geslaagd, dan roept men den veearts, want
dan zal meestal ontleding van het kalf noodig zijn.
7.    De kop is tussehen de voorpooten gevallen. De ingebrachte
hand voelt den rug van den nek (fig. 73).
Ligt de koe, dan wendt men haar op den rug, waarna men
den kop in den bekkeningang tracht te brengen.
8.     Do kop is teruggeslagen. De ingebrachte hand voelt de onder-
zijde van den hals. Deze verkeerde ligging is dikwijls moeielijk
te verbeteren; dit gelukt in vele gevallen slechts, als men de
voorpooten afsnijdt, waardoor veel plaats gewonnen wordt.
Fig.174.
9. Een der voorpooten is in de knie gebogen. De ingebrachte
hand voelt een voorpoot, den kop en een voorknie.
Men tracht de klauwen te vatten. Dit geschiedt het best, als
de koe staat. Ligt ze en is de voet moeielijk in de scheede
te brengen, dan legt men de koe op zijde, zoodat de terugge-
slagen poot boven komt te liggen.
-ocr page 102-
— 101 —
10.    De beide voorpooten zijn onder den romp geslagen. Men
gaat te werk als zooeven is aangegeven. In moeielijke geval-
len moet het kalf door den veearts ontleed worden.
11.    Het kalf komt met de achterhand het eerst. De geboorte
moet snel geschieden, anders stikt het kalf. De ingebrachte
hand voelt de naar boven gerichte zolen der klauwen (Ag. 74).
Men trekke krachtig aan de achterpooten.
12.    Een of twee achterpooten zijn in de hielen gebogen. De in-
gebrachte hand voelt de beide hielen. Do geboorte is onmoge-
lijk, als de pooten niet goed gelegd zijn. Men tracht één poot
te vatten en op te trekken. Men denke er aan, dat het gevaar-
lijk is de sterk gebogen poot los te laten vóór hij in het bek-
ken gebracht is. Op \'t oogenblik, dat men hem loslaat, kan hij
den draagzak doorboren, tengevolge waarvan de koe sterft.
Het goed leggen der boenen geschiedt met minder moeite,
als men de koe op den rug legt. Zijn de voeten in \'t bek-
ken gebracht, dan wordt het kalf meest gemakkelijk geboren.
Een nieuw gevaar kan ontstaan, als de staart over den rug
gebogen is. Het naar onderen trekken van don staart is meestal
niet moeielijk.
13.    Het kalf komt met den kop het eerst, maar ligt op den rug
met teruggeslagen pooten.
Het goedleggen der pooten geschiedt het best, als de koe staat.
Ligt ze en wil ze niet meer opstaan, dan legt men haar op den
buik en van achteren hooger dan van voren. De geboorte gaat
meestal niet gemakkelijk, want de bekkeningang is van onderen
nauwer dan van boven. Daardoor stuit het breede voorhoofd
van het kalf dikwijls tegen het onderste nauwe deel van het
bekken en menigmaal moet verbazend krachtig getrokken wor-
den, wat gevaarlijk voor het moederdier kan worden. Het leg-
gen van het kalf zóó, dat de pooten benedenwaarts gericht zijn,
gelukt zelden en dan nog alleen, als het kalf niet op den rug,
maar op een der zijden ligt.
14.    Het kalf is met den buik naar den baarmoedermond gekeerd.
De ingebrachte hand voelt 4 voeten.
Men trekt of aan de vóór- of aan de achterbeenen. Dit gaat
in vele gevallen uiterst moeielijk.
-ocr page 103-
- 102 —
15. Tweelingen, gelijktijdig in do baarmoedermond getreden. De
ingebrachte hand voelt de voorvoeten van het eene en de ach-
tervoeten van het andere kalf (fig. 75). Meestal gaat het ge-
makkelijk het eene kalf vooruit te trekken en het andere terug
te schuiven. Veel moeielijker is het, als men vier voor- of
vier achtervoeten voelt.
Fig. 75.
16. De keizersnede. Onder vele omstandigheden is het geheel
onmogelijk het kalf te doen geboren worden of ontdekt men,
dat het moederdior reeds sterk belecdigd is, zoodat het geslacht
moet worden.
In dit geval kan men nog het kalf willen redden. Men maakt
dan tijdens het slachten der koe de keizersnede. Ligt de koe,
dan bindt men haar de beenen samen en staat zij, dan trekt
men ze op den grond (fig. 71). Met eenige krachtige slagen
wordt ze bedwelmd. Hierop snijdt men, vóór men haar in het
hart steekt of den hals afsnijdt, den buik open, neemt den draag-
zak er uit, opent hem met een mes en trekt het kalf met de
-ocr page 104-
103 —
eivliezen er uit. Hierop slacht men op de gewone wijze. Ge-
schiedt alles in 3—5 minuten, dan leeft meestal liet kalf nog1.
De keizersnede toe te passen, als men de koe niet slacht, is
niet aan te raden. Meestal sterft het moederdier dan toch.
Thans moeten we eenigo wenken geven omtrent de behande-
ling van moeder en kind onmiddellijk na do geboorte.
1.    Men dwingt de koe bij normale geboorte spoedig op te staan,
opdat de draagzak door de naweeën niet naar buiten trede.
2.    Men geeft de koe een lauwwarme slobbering van havermeel
of zemelen met wat gebroeid lijnzaad en wat zacht hooi.
3.    Men voedert de koe matig, teneinde het ontstaan der kalfziekte
niet in de hand te werken.
4.    Men legt de koe slechts dan een dek op, als de stal zeer
5. Bloedt de koe sterk
en is het bloed donkor-
rood, dan komt het waar-
schijnlijk uit de ver-
scheurde eivliezen en er
bestaat geen gevaar. Is
het daarentegen helder-
rood, dan wordt de toe-
stand bedenkelijk. Men
tracht door het ingieten
van ijswater of het in-
stoppon van lappen, waar-
in stukken ijs gewikkeld
Fig. 76.
zijn, het bloeden te stel-
pen. Intusschen roept
men den veearts en houdt men zich gereed zoo noodig tot
slachten over te gaan. Het laatste moet geschieden, als de
slijmhuid bleek en de ooren en horens koud worden.
6. Is de koe tengevolge van moeielijke geboorte zeer zwak ge-
worden, dan geeft men haar 200 g. brandewijn met water of
-ocr page 105-
— 104 —
\'/» fl. wijn Men wrijft rug en ribben krachtig met een stroö-
wiseh Komen de krachten terug, dan krijgt zij een handvol
goed hooi of wat zomclslobbering.
Gelukt liet niet de koe op te wekken, dan slachten.
7. Is de kalfkoe opgestaan en perst zij sterk, dan brengt men
het kalf bij haar om liet spoedig weder te verwijderen Hier-
door wordt haar opmerkzaamheid afgeleid Ook kan men haar
den door fig. 76 voorgestelden doelmatigen band aanleggen.
Vreest men voor uittreding der baarmoeder en heeft men
geen tijd den band aan te leggen, dan sluit men de opening
met den door fig. 77 voorgestelden scheedeklemmer.
Fig. 77.
Perst de koe sterk, dan veroorzaakt de klemmer haar pijn
en zij houdt met persen op. Do klemmer moet 6—10 uren
blijven liggen.
Is het kalf een eind uit de geboortewegen getreden, dan wordt
het in de lendenstreek \'gepakt en voorzichtig geheel naar buiten
getrokken. Is de navelstreng afgebroken, dan wordt hot bloed met
twee vingers uitgedrukt. Breekt zij niet, dan bindt men haar 3 —5
c.M. onder den buik af. De navel wordt met teer bestreken of ge-
durende eenigo dagen met een oplossing van 10 g. creolin in 1 L.
water. Komt het kalf schijndood ter wereld en maakt het weinig
of geen ademhalingsbewogingon, dan giet men koud water op de
ribben. Is de ademhaling zwak, dan wrijve men krachtig met
stroo of men late het kalf door de moeder aflikken, zoo noodig te
voren met zemelen bestrooid (geen zout).
-ocr page 106-
- 105 -
De biest mag in geen geval aan het kalf onthouden worden.
Slikt het kalf bij het drinken veel lucht in, dan laat men het zui-
gen aan een 10 c.M. lang en 8— 4 c.M. breed pijpje, dat zich met
het eene einde in de melk bevindt.
Stierkalveren worden voor een groot deel gecastreerd. Hoe
jonger het geschiedt, des te minder krijgt de os de uitdrukking
van den stier. Bij jong gecastreerde kalveren ontwikkelt zich meer
de achterband, bij zulke, die op meer gevorderden leeftijd gecas-
treerd worden, ontwikkelen zich hals en borst het meest.
Het castreeren is weinig moeielijk. De balzak wordt sterk
gespannen, waarna men met een scherp mes vlug een snede in de
huid maakt. Spoedig komt do bal (fig. 78 — 1) te voorschijn. Ver-
volgens scheidt men het moedervlies (fig. 78—2) van do zaadstreng
(fig. 78—3). Men vat met duim en wijsvinger de vrij gelegde
zaadstreng en drukt haar samen, terwijl men met de linkerhand
den bal eenige malen in dezelfde richting draait (fig. 79), zoolang
tot de zaadstreng afbreekt.
Voor grootere stieren is het afdraaien niet aan te bevelen, om-
-ocr page 107-
— 106 —
dat het geen waarborg is tegen verbloeding. In dit geval moet de
vrijgelegdo zaadstreng met een in lysoloplossing gedoopt koord
eonige cM. boven den bal afgebonden (fig. 80—1) en dan afgesne-
den worden (fig. 80—2). Het spreekt van zelf, dat in beide ge-
vallen de verbinding tusschen den bal en de zaadstreng en het
moedervlies doorgesneden moet worden (fig. 78—6 en fig. 80—3).
Vóór de operatie moot men handen en mes in een lysoloplossing
ontsmetten. Na de castratie plaatst men den stier op zuiver droog
stroo en op een tochtvrije plaats.
Men kan ook een knoop in de zaadstreng leggen (fig. 81—1).
.•Ül!
Fig. 80.                                             Fig. 81.
Groote stieren moet men eenige dagen na de operatie zuinig
voederen. Men moet er bij deze voor zorgen, dat de zaadstreng
goed afgebonden en de kleine bijbalslagader (fig. 81—2) mede af-
gebonden wordt, teneinde verbloeding te voorkomen. Het neder-
leggen vóór de operatie is niet noodig. Het is voldoende den stier
-ocr page 108-
— 107 —
goed aan de horens vast te maken en door middel van een touw
te dwingen tegen den muur of een schot te blijven staan (fig. 82).
Fig. 82.
IV. Uitwendige ziekten.
Gezwellen en builen aan de kaak.
Oorzaken. Hoornstooten van andere runderen, enz.
Behandeling. Zijn de gezwellen verschuifbaar en pijn-
lijk, dan kunnen ze gemakkelijk tot ettering gebracht worden. Men
moet ze dan ephter op het juiste tijdstip openen.
Breken ze vanzelf door en wordt de etterholte niet goed ont-
smet, dan vormt zich wild vleesch, dat als een rood, licht bloe-
dend tepeltje naar buiten groeit (fig. 16). De veearts alleen kan
\'t verwijderen.
Na het openen en verwijderen van den etter moet men de
holte 2—3 maal met een oplossing van 10 g. lysol op 1 L. water
uitspuiten (fig. 15).
-ocr page 109-
— 108 -
Aan de kaak vindt men dikwijls groote opzwellingen, die door
het binnentreden van zwammen ontstaan zijn. Ze zijn steenhard,
onbeweeglijk en zitten vast op onder- of bovenkaak. Dikwijls be-
ginnen ze te etteren, waarna ze moeielijk heelen. Zelfs het been
wordt na eenigen tijd sponzig en er ontstaan een groot aantal ga-
ten en holen in, die met elkaar in verbinding staan Is de kwaal
vergevorderd, dan kan behandeling niet meer baten. Het loopt op
een chronische ziekte, zelfs op den dood uit. Hinderen de be-
doelde gezwellen bij \'t vreten, dan slacht men de dieren vóór ze
beginnen te vermageren.
Ontsteking van bek en tong.
Oorzaken. Verbranding, aanraking van bijtende stoffen,
stekelig voeder, kafnaalden, voeder met bladluizen, tandziekten.
Verschijnselen. De mondslijmlmid is rood en warm.
Uit den bek vloeit speeksel. De patiënt eet weinig of niets.
Behandeling. De mondholte penseelen met mengsel van
1 L. water, 100 g. azijn, 30 g. zout en 50 g. honig of met een
oplossing van 4 Rotter sche pastilles op 1 L. lauw water.
Beleediging der tong.
Oorzaken. Glasscherven, stukken blik, enz.
Behandeling. Is een groot stuk van de tong af, dan kan
het dier niet meer eten; men slacht het
Oppervlakkige wonden wascht men dagelijks 3—4 maal met
een opl. van 1 Rotter sche pastille in >/4 L. warm water of
met mengsel van l/t L. water, 25 g. azijn, 71,, g. zout en 12\'|2 g.
honig.
Dikke tong.
Oorzaak. Een zwamsoort.
Verschijnselen. De tong neemt in omvang toe en wordt
hard en houtachtig. In \'t begin eet het dier nog goed; later in \'t
geheel niet meer, omdat de tong onbeweeglijk wordt.
Behandeling is meestal zonder gevolg. Slachten aan te
raden.
-ocr page 110-
— 109 —
Vreemde lichamen in den slokdarm.
Dikwijls komt het voor, dat rapen, aardappels, stukken van
koolstronken, enz. in den slokdarm blijven steken.
Verschijnselen. Het dier is onrustig, springt heen en
weer, maakt slikbewegingen, laat speeksel vloeien en wordt opge-
blazen. Zit het vreemde voorwerp nog in de keelholte, dan kan
men \'t uitwendig met de hand voelen, terwijl de bek meestal niet
volkomen gesloten wordt. Dikwijls kan men liet lichaam dan met
de hand verwijderen, terwijl men het dier dwingt den bek open
te houden door een wig tusschen de kaken te plaatsen.
Behandeling. Zit het lichaam in het halsgedeelte van
den slokdarm, dan voelt men het in de keelgroef. Men tracht het
dan met den duim naar boven in de keelholte te schuiven. Ge-
lukt dit niet, dan tracht men het voorwerp stuk te drukken. Slaagt
men ook hierin niet, dan moot het naar beneden gedrukt worden.
Kan men dit niet, dan geeft men herhaaldelijk olie in on wachte
men 1 —2 dagen. Dikwijls gaat het vreemde lichaam dan vanzelf
naar de pens. Intusschen kan de patiënt zeer opgeblazen worden
zoodat de penssteek met den trokart kan noodig zijn. Na \'t ver-
wijderen van \'t vreemde lichaam geeft men eenige malen 1 R o t-
t e r \' sche pastille roet \'/4 L. water.
Uierontstekingen.
Men onderscheidt in hoofdzaak twee vormen:
a.    Oppervlakkige uierontsteking, waarbij slechts
de huid en de daaronder gelegen lossere w e e f -
sels zijn aangedaan.
V er s c h ij n s e 1 e n. De huid is gespannen, een weinig rood
en blinkend. Vingerdrukken blyven er lang in.
Overigens eet en herkauwt het dier als gewoonlijk. De melk
is van gewone samenstelling. Als de spanning niet zeer groot is,
heeft de patiënt geen pijn.
Behandeling. Smeren met 1 g. carbolzuur en 20 g.
glycerine.
b.    Inwendige uierontsteking.
Verschynaelen. Meestal wordt slechts één kwartier aan-
-ocr page 111-
— 110 —
getast; enkele malen twee kwartieren of de geheele uier. De melk
is ziekelijk veranderd en gedeeltelijk geronnen of gestremd. Later
•weinig op etter gelijkende, miskleurige en kwalijkriekende melk.
De koe heeft koorts, eet weinig of niets en herkauwt niet meer.
De uier is heet, hard en pijnlijk. In gewone gevallen komt gene-
zing door verdeeling en wordt de melk geleidelijk weder normaal.
Dikwijls droogt het zieke uierdeel op en de melkafscheiding is ge-
daan tot de koe weer gekalfd heeft.
Behandeling. Het zieke deel van den uier geheel uitmel-
ken. Hen voedert schraal om de melkafscheiding te verminderen.
Men geeft \'/,—\'/5 KG. glauberzout, in water en kamillenthee opgelost,
of wol 100 g. aloë en 25 g. potasch, opgelost in 1 L. water. Dik-
wijls kan een aderlating aan de halsader (niet aan de zoogenaamde
meikader) nuttig zijn. Men plaatst een emmer met gebroeid hooi-
zaad onder den uier en dokt alles met een kleed. Ook kan men
een doek om den uier slaan en op den rug vastmaken, nadat men
de ruimte tusschen doek en uier met gebroeid hooizaad heeft opge-
vuld. Natuurlijk moet men het hooizaad gedurig vernieuwen.
Tegen de in den aanvang bestaande koorts geve men 25 g.
chinine in 100 g. brandewijn en 1 L. warm water. De melk mag
niet dienen voor de zuivelbereiding, vooral niet voor de kaasberei-
ding, vóór de koe weder geheel gezond is en geen gestremde
deelen in de melk meer voorkomen.
Ontsteking der voorhuid bij ossen.
Oorzaken. Ophooping van huidsmeer, van scherpe zand-
korrels, enz.
Verschijnselen. Aan don vrijen rand des kokers vormt
zich eon zeer groot gezwel, dat heet, rood en pijnlijk is. Een opge-
legden vinger laat er een kuiltje in achter. Het gezwel breidt zich
later ook uit over het inwendige des kokers. De urineloozing
wordt sterk belemmerd. Tengevolge der pijn verliest het dier den
eetlust; het vermagert. Dikwijls wordt het inwendige des kokers
door het bijten der urine ontstoken en dringt de urine in het on-
derhuids-bindweefsel, waar zij omvangrijke gezwellen veroorzaakt,
die zich soms tot aan den balzak uitbreiden.
-ocr page 112-
— 111 —
Behandeling. Dikwijls worden operatiön, bijv. het opon-
snijden des kokers, noodig (fig. 102).
In lichtere gevallen is het voldoende den koker op zijde in te
snijden en het opgehoopte smeer te verwijderen. Hierna reinigt
men het zieke deel met lauw zeepwater of met een 3% carbolzuur-
oplossing. Vervolgens bestrooit men met een mengsel van 2 g.
jodoform, 20 g. looizuur en 10 g. aardappelmeel.
Beenbreuk
is bij rundvee moeielijk te heelen; slachten is aan te raden.
Verstuiking en kreupelheid. Ontwrichting der knieschijf.
Te behandelen als de overeenkomstige ziekten bij het paard
(bladz. 37 en 44).
Beleediging der (voet)ballen.
Oorzaken. Gaan op pas begrinde of hobbelige straten.
Verschijnselen. Het dier hinkt en loopt meest op de
toonen. De ballen zijn heet. Saakt men zo aan, dan toont het dier
pijn te hebben.
Behandeling. Omslagen van zuurkool of leem met azijn.
Den voet in koud water of loodwater baden.
Voelt men door vingerdruk, dat onder de ballen vocht is op-
gehoopt, dan maakt men een kleine insnijding en plaatst men den
voet in creolinwater (50 g. creolin, 10 L. lauw water).
Kwetsing der zool.
Oorzaken. Spitse steenen, glas, nagels, enz.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Het dier spaart den zieken voet. Op
harden bodem hinkt het meer dan op wecken bodem. Drukt men
op do zool, dan heeft het pijn.
Behandeling. Verwijdering der scherpe voorwerpen, open-
leggen van het beleedigde deel, besnijding der zool en dan baden
in een oplossing van 50 g. creolin op 10 L. lauw water.
Klauwgezwel.
Dit gezwel komt vooral bij werkvee voor.
-ocr page 113-
— 112 —
Oorzaken. Beleediging der klauwspleet door steenen.enz
Verschijnselen. Meestal is één voet ziek. Het dier heeft
veel pijn en spaart den voet door zooveel mogelijk te blijven liggen.
Aan de kroon in de nabijheid der klauwspleet ontstaat een heet,
hard, pijnlijk gezwel, waardoor de klauwen van elkaar gewrongen
worden (tig. 83). De fig. (83— a) geeft te zien, waar de zwelling be-
gint. Eetlust en herkauwen verminderen. Na 8 — 10 dagen vormt
zich een kleine etterbuil, waaruit, als zij doorgebroken is, een wei-
nig van een stinkende vloeistof vloeit. Niet zelden ontstaat diep-
gaande verzwering.
Fig. 83.
Behandeling. De etterbuil tot rijpheid brengen en na de
verwijdering der etter doen heelon. Men wendt warme, brijige om-
slagen van lijnmeel, gekookte aardappelen of wel warme voetbaden
aan. Men vermijde koude en wassche niet met lood- of ijswater.
Is de etterbuil rijp geworden, dan wordt zij geopend. Dikwijls gaat
ze vanzelf door. Na de opening wordt de wond ontsmet met 10 g.
-ocr page 114-
— 113 —
lysol en 1 L. warm water. Men spuit de wond uit met oon gieter
zonder sproeier. Vervolgens wikkelt men den voet in werk en legt
men hem in een verband, bestaande uit een driehoekigen doek. In
gewone gevallen geneest de verzwering in 14—20 dagen.
Mok, spoelinguitslag of beensohurft.
Bij runderen, die veel spoeling, jonge lueorne, rauwe aardappels
of rijstafval krijgen, ontstaat dikwijls een uitslag aan de onderste
deelen der achterpooten; aan do voorpooten komt hij zelden voor.
Verschijnselen. Meer of minder hevige koorts, afnemen
van den eetlust. In \'t begin ook speekselvloeiing en hardnekkige
verstopping. De huid in de kootholte wordt rood, ze zwelt op en
er vormen zich gele. mot een schrijnende en stinkende vloeistof ge-
vulde blaasjes, waardoor de ondorvoet met roven en korsten bezet
raakt. De beharing wordt ruw en de gang wordt stijf. Bovendien
heeft de patiënt een ondraaglijke jeuk en dikwijls krijgt hij ontste-
king aan de binnenvlakto der schenkels tot aan buik of borst. Soms
ontstaan etterbuilen en diepe verzweringen, waarvan de dood door
bloedvergiftiging het gevolg kan zijn. In \'t begin is de kwaal meestal
gemakkelijk te genezen.
Behandeling. Verandering in de voederwij ze, indien deze
de oorzaak was. Bij jeuk wasschen met 10% creolin-oplossing.
Komt er veel vocht uit het ontstoken gedeelte, dan baden met 200
g. loodsuiker en 100 g. aluin op 5 L. water. Hierna bestrooien
met 0.5 g. jodoform en 5 g. aardappelmeel of smeren met creolin-
zalf (1 g. creolin, 10 g. vaseline). Als voeder roggezemelen, lijn-
koek en goed hooi.
Afstooten der horens.
Een afgestooten horen groeit in den regel niet meer aan de pit
vast. Men reinige de roode en meestal sterk bloedende hoornleder-
huid met een 10% lysol-oplossing. Bijhangende vezels knipt men
af. Is het bloeden gestolpt, dan bestrooit men met 1 g. jodoform
en 5 g. looizuur. Hierover wikkelt men een in vischlijm gedoopten
zwachtel (flg. 84). Na het drogen wordt het verband stevig, maar
het drukt niet. Men laat het 6—8 weken liggen.
„Het zieke Huisdier".
                                                                     8.
-ocr page 115-
— 114 —
Afbreken der horenpit.
Is de horenpit geheel afgebroken, dan valt aan heeling niet te
denken. Men tracht met zaag en mes de beensplinters zoo goed
mogelijk te verwijderen, Men zuivert de stomp met een 10% ly-
sol-oplossing en bestrooit haar met 1 g. jodoform en 10 g. looizuur.
Ook kan men een geschikt verband aanleggen. Is veel bloed in
do holte geloopen, dan kan door een ontleding van dit bloed, ont-
steking in de huid van den voorhoofdsboezein ontstaan. In dit ge-
Fig. 84.
val uitspuiten met 20 g. aluin op 1 L. water. Is de horenpit
gedeeltelijk afgebroken en zit een deel der horens nog vast, dan is
genezing niet moeielijk. Men legt, nadat men de gekwetste deelen
goed gereinigd en met jodoform-looizuur (1 g. en 10 g.) bestrooid
heeft, een verband aan van in vischlijm gedoopte windsels.
Buikbreuk.
Oorzaken. Horenstooten; vallen, vooral van een koe, die
drachtig is van tweelingen.
-ocr page 116-
— 115 —
Verschijnselen. Men bemerkt in de flankstreek een
weeke opzwelling, ter grootte van een vuist tot een kokosnoot.
Drukt men er op, dan verdwijnt zij. In vele gevallen wordt de
breuk verbazend groot. Bij groote liesbreuken kan een groot deel
van den draagzak naar beneden hangen. Bevindt zich do breuk
in \'t midden van het lichaam, dan is in den regel ook de draag-
band des uiers gescheurd, zoodat de uier zoer laag hangt en de
spenen bijna den grond raken. Kleino breuken hinderen meestal
Fig. 85.
niet aan de gezondheid. Komt de breuk aan de linkerzijde voor,
dan bestaat weinig gevaar voor beklomming. Erger is \'t, als de
breuk zich rechts bevindt en een deel van het darmscheil mede
naar buiten treedt.
Zeer gevaarlijk is een groote breuk, vooral bij hoogdrachtige
koeien. Deze kunnen dan dikwijls niet meor opstaan.en wat de
gevolgen hiervan zijn is iederen veehouder bekend. (Zie verder:
Het blijven liggen der koeien na het kalven).
Behandeling. Niet groote lies- of buikbreuken zijn te
genezen door het aanleggen van een breukgordel (zie fig. 41).
Navelbreuken bij kalveren kunnen door een band of plakpleister
genezen worden. Alleen bij stierkalvers biedt het leggen van den
band wegens de aanwezigheid van den koker eenige bezwaren.
Kleine breuken genezen bij kalvers vanzelf. Zeer kleine breuken
-ocr page 117-
— 116 —
kan men dikwijls genezen door tweemaal met een tusschenruimte
van een kwartier te smeren met 20 g. kantharidenzalf.
Helpen banden en smeersels niet, dan moet de veearts or aan
te pas komen. Aan omvangrijke breuken is weinig te doen.
Naar buiten treden van den draagzak.
Dit kan op twee wijzen geschieden. In \'t eerste geval treedt
de draagzak, met den mond vooruit, ver in het bekken, in \'t tweede
geval hangt de geheele draagzak tot aan de hielen af.
A.     Oorzaken. Verslappen der breede bekkenbanden, hel-
londe stalvloer, voederen van groote hoeveelheden slobber, waar-
door de buikingewanden te veel op den draagzak drukken.
\'Verschijnselen. Terwijl het dier ligt, treedt een rood
gezwel, ter grootte van een appel, tusschen de geopende lippen
der kling (fig. 85). Staat de koe op, dan verdwijnt het gezwel
weder. Soms is dit zoo groot als een hoofd. De schaamlippen
snoeren dan de uitgetreden deelen in en deze gaan bij het opstaan
der koe ia i e t naar binnen. In dit geval worden de uitgetreden
deelen dikwijls branderig.
Behandeling. Gaan de uitgetreden deelen niet vanzelf
terug, dan wascht men ze terdege met opl. van 10 g. gebrande
aluin in 1\'A L. water. Dan brengt men ze binnen. Opdat ze
niet terugkomen legt men een band (fig. 76) of een scheedeklem-
mer (fig. 77) aan.
Bemerkt men een kleine uittreding, dan maakt men een ring-
vormige vlecht van stroo ter dikte van ± 2 d.M., zoodat de koe,
hoe ze ook gaat liggen, steeds met het achterdeel op het stroo
komt. Moet de koe, tengevolge van ontsteking of brand geslacht
worden, dan dient door een deskundige uitgemaakt of het vleesch
al of niet eetbaar is.
B.     Oorzaken. Sterk persen bij het afgaan der nageboorte,
beschadiging der geboortewegen of den draagzak bij het kalven.
V e r s c h ij n s e 1 e n. De geheele draagzak hangt als een
bruinroode zak tot op de hielen. Dikwijls hangen de vruchtvliezen
er nog aan.
Behandeling. Men slaat om de uitgezakte deelen een
zuiveren, in aluinwater gedrenkten doek en legt het dier van ach-
-ocr page 118-
— 117 —
teren hoog. Nu neemt men de eivliezen voorzichtig weg. Ont-
staat hierbij bloeding, dan overgiet men den draagzak met koud
water, waarbij per L. 50 g. aluin gevoegd is. Dan bestrooit men
alles met poeder van ruwe aluin en tracht men den draagzak we-
der binnen te brengen. Is dit geschied, dan opent men de lippen
der kling en laat er met een krachtigen straal ongeveer 10 L.
aluinwater in loopen. Ten slotte sluit men alles met een band
(fig. 76) of met een scheedeklemmer (fig. 77).
Is de veearts bij de hand, dan moet deze den
draagzak binnen brengen. Gelukt dit niet of zijn de
uitgetreden deelen gekwetst, dan slacht men. Het
vleesch is te gebruiken, als er nog geen ontsteking
of brand wordt geconstateerd.
IV. Inwendige ziekten.
Storingen in de spijsvertering.
Oorzaken. Opname van veel moeielijk ver-
teerbaar, opblazend, bedorven of bevroren voeder;
koude vatten.
Versehij nselen. Het dier is min of meer
opgeblazen; eetlust en herkauwen zijn verminderd.
Het tegen de linkerbuikzijde gelegde oor verneemt
geen maaggeruisch. Dikwijls voelt de pens hard aan.
Is de opengeblazenheid van beteekenis, dan steunt
het dier. De afgang verminderd en de mest wordt
in kleine met slijm overtrokken ballen afgezet. Is de
pens nog een beetje werkzaam, dan kan bij passende
voederwij ze de patiënt na 3—4 dagen weer beter zijn.
Fig. 86.
Minder goed ziet het er uit, als de patiënt sterk
opgeblazen is, zoodat de pensbeweging onmogelijk
wordt. In dit geval moet men de opgehoopte gassen doen ont-
snappen. Met dit doel maakt men den penssteek met de zooge-
naamde trokart (fig. 86 en 90).
-ocr page 119-
— 118 —
Minder gunstig zijn te beoorrleelen de spijsverterings-storingen,
waarbij de dieren in de flanken wegvallen, als de temperatuur meer
dan 40° C. bedraagt, als de raelkafzondering en de ontlasting geheel
hebben opgehouden. In dit geval heeft men met maag- en darm-
ontsteking te doen.
Behandeling. In gewone gevallen, als de patiënt opge-
blazen is, geeft men binnen 6 uren in tweemalen 20 g. braak-
wijnsteen, 30 g. maluwpoeder en 300 g. glauberzout met 1 L. warm
water of: 130 g. aloë, 20 g. potasch en 2 L. water in 2 keeren
binnen 10 uren.
Het laatste geneesmiddel geeft men ook, als de hongergroef
ingevallen is en de patiënt koorts heeft. Ziet men geen beter-
schap, dan geeft men na 3 dagen nog 130 g aloë.
Als voeder geeft men alleen wat zemels\'.obbering. Begint het
dier te herkauwen, dan voedert men gras, goed hooi on gesne-
den aardappels, natuurlijk bij kleine hoeveelheden.
Chronisch belotto spijsvertering of ver-
stopping dor boekpens.
Oorzaken. Dezelfde als bij do vorige ziekte; te kort ge-
sneden baksel (korter dan 2 c.31.).
V e r s c h ij n s e 1 e n. Koorts, droge neusspiegel, steunen (dit
neemt toe, als men mot de gebalde vuist achter het borstbeen aan
de rechterzijde tegen de maag stoot), gebrek aan eetlust, ophouden
van het herkauwen, verstopping of nu en dan ontlasting van kleine
hoeveelheden brijige mest. De ziekte duurt meestal lang, de pa-
tient wordt afgemat en onverschillig en sterft eindelijk aan ver-
stopping.
Behandeling. Als het dier sterk steunt, geeft men in 8
keeren 5/.t L. lijnolie met tusschenruimten van 1 uur. Drie uren na
de laatste dosis geeft men een mengsel van 100 g. aloë, 15 g.
potasch en 1 L. water. Dit herhaalt men, zoo noodig, na 3 dagen
of men geeft 500 g. glauberzout en 50 g. maluwpoeder. Voor \'t
overige voedere men niet, tenzij kleine hoeveelheden slijinige drank,
en wrijve men den buik met een stroowisch, terwijl men in een
kouden stal den patiënt een dek oplegt. Duurt de verstopping
-ocr page 120-
— 119 —
langer clan 10 dagen, dan afmaken. Niet altijd is het vleesch
als voedsel geschikt.
Opgeblazenheid of trommelzucht.
Oorzaken. Overvoedering met opblazend vooder (groene
klaver, enz.).
Verschijnselen. Het dier wordt in korten tijd sterk op-
geblazen. De gewelfde hongergroef steekt zelfs dikwijls boven de
ruggegraat uit. De patiënt zucht en steunt en ademt moeielijk.
Later valt hij neder en stikt, tenzij intijds hulp geboden wordt.
Behandeling. Allereerst tracht men door het aanbrengen
van een strooband (fig. 87), met zeepschuim besmeerd, oprispen te
veroorzaken. Tegelijkertijd drukt
men met gevouwen handen op
de pens. Niet zelden ontsnap-
pen dan de gassen door den
slokdarm. Geschiedt dit niet,
dan brengo men een daartoe be-
stemd roer door den mond en
den slokdarm in de pens. De
patiënt moet eerst aan de horens
vastgezet on van voren hooger
geplaatst worden dan van ach-
teren (fig. 88). Is het laatste
niet het geval, dan komt het roer met het eene einde in do spijs-
brij en geraakt verstopt. Willen ook nu de gassen niet ont-
snappen en krijgt het dier het zeer benauwd, dan moet de pens-
steek gemaakt worden met de trokart (fig. 86) en wel aan de
linkerzijde, waar de hongergroef het meest naar buiten ge-
welfd is. Men stoot de trokart in de richting van het midden des
buiks tot aan het heft naar binnen. Men trekt den dolk snel terug,
terwijl het pijpje in de wond blijft zitten. In den regel stroomt
het gas snel naar buiten en krijgt de patiënt veel verlichting.
Heeft men geen trokart bij de hand of ontsnapt door het buisje
geen gas genoeg, dan maakt met de penssteek met een mes (fig. 89),
doch niet met een knipmes.
-ocr page 121-
— 120 —
De steekwond wordt in ieder geval met creolin-oplossing ge-
wasschen, en de patiënt wordt eenige dagen op half rantsoen ge-
steld. De wond laat men door den veearts dichtnaaien en is deze
spoedig bij de hand, dan late men ook aan hem het doen der
penssteek over.
Het vloesch van opgeblazen runderen is meestal weinig duur-
zaam.
Fig. 88.
Goedaardige kalverdiarrhee.
Oorzaken. Uierontsteking, tochtigheid of storingen in de
spijsvertering van een der koeien, waarvan het kalf melk krijgt,
bedorven voeder (aan de koeien gegeven). Kouvatten van en spijs-
verteringsstoringen bij het kalf zelf, te gulzig drinken, te plotseling
spenen, enz.
Verse h ij nselen. Het kalf is nog min of meer opgewekt
en drinkt nog een weinig. Het ontlast dunvloeibare, gele of hoog-
gele mest met een walgelijk zuren reuk. Later wordt het diertje
mat en zeer mager.
Behandeling. Ligt het aan een der koeien, dan de melk
daarvan niet meer aan de kalveren geven. Heeft het kalf koü ge-
vat, dan warm houden door liet lichaam te dekken, enz. In ge-
wone gevallen een slobbering van geroosterde haver. Bovendien
in 4 keeren (\'s morgens en \'s avonds op twee dagen) telkens met
-ocr page 122-
- 121 —
een weinig water en 3 lepels jenever een"mengsel van 5 g. opium,
5 g. rhabarberpoeder en 2 g. koolzure magnesia. Dan strooie ruen
nog wat geslibt krijt over het voeder, ook al is \'t kalf weer beter-
Soms is door het geven van rauwe eieren alleen reeds genezing te
bewerken. Het zieke kalf wordt van de gezonde dieren gescheiden.
Het vleesch is niet als voedsel aan te bevelen.
Fig. 89.
Witte diarrhee.
Oorzaken. Waarschijnlijk lagere organismen, die zich ook
ophouden in de geboortewegen van drachtige koeien.
Verse hijnsolen. De ziekte komt bijna altijd voor bij
kalveren van enkele dagen oud en dan bij meerdere tegelijk. Deze
verliezen hun opgewektheid en toonen pijn in hun achterdeel te
hebben, terwijl de mest dunvloeibaar en grauw van kleur is en een
walgelijken stank verspreidt. De patiënten vermageren zeer snel,
de ademhaling is versneld en de dood volgt op den tweeden of
derden dag onder krampen, nadat de dieren in een toestand van
slaperigheid geraakt zijn.
-ocr page 123-
— 122 —
Behandeling is meestal te vergeefsch. Soms vindt men
baat bij het ingeven van 2 g. salicylzuur, 1 g. looizuur en \'/, L.
kamillen-thee of 10 droppels opiumtinctuur en 3 lepels brandewijn.
Komt do ziekte meermalen in den stal voor, dan moet do navel
van ieder kalf dadelijk na de geboorte met een 2% carbolzuur-
oplossiug gewasschen, met een in dezelfde oplossing ontsmet bandje
afgebonden en met jodoform bestrooid worden. Alle personen, die bij
de geboorte zullen helpen, moeten te voren hun handen en armen,
alsmede de touwen en instrumenten met carboizuur-oplossing ont-
smetten. Na ieder geval dient de stal insgelijks ontsmet te worden.
Fig. 90.
Inwendige breuk bij ossen.
Oorzaken. Bij een bepaalde manier van castreeren, waarbij
de zaadstreng uitgetrokken wordt, scheurt het buikvlies, dat de
zaadstreng bedekt, zoodat deze later als een gespannen draad in de
buikholte hangt. Later kan zich dan tusschen de zaadstreng en
den buikwand een deel van den dunnen darm schuiven (fig. 90),
-ocr page 124-
— 123 —
zoodat dit beklemd raakt. Schaft men niet spoedig raad, dan sterft
de patiënt aan darmontsteking.
V e r s c h ij n s e 1 o n. De zieke os springt hoon en weder en
gaat telkens liggen om spoedig weer op te springen. Hij slaat mot
den poot naar de zetel der ziekte, die zich meestal in het onderste
derde deel der rechter flankstreek bevindt. Rij \'t gaan sleept do
patiënt den rechtervoet na. De rtig is ingebogen, vreten en her-
kauwen zijn gedaan, in \'t bogin wordt nog oen weinig, later in \'t
geheel geen mest meer ontlast. Na ongeveer 6 uur wordt het dier
rustiger, maar de eetlust keert niet terug. Na 3—5 dagen treedt
de dood in.
Fig. 91.
Fig. 92.
Behandeling. Men kan beproeven van uit den ondel-
darm de gespannen zaadstreng los te rukken (fig. 90—2); hierbij
plaatst men den patiënt van achteren hoog. Soms valt het inge-
snoerde darmgedeelte weer op zijn plaats, als men den os van een
steilte naar beneden leidt. Helpt dit alles niet, dan moet de vee-
arts opereeren: deze maakt in de rechterflankstreek een snede van
een handbreed en rukt of snijdt de zaadstreng af.
Botziekte.
Oorzaken. Opnemen met voedsel of drank van leverbot-
broed. Dit geschiedt het meest in den voorzomer en dan in natte
-ocr page 125-
— 124 —
jaren. De ziekte ontwikkelt zich pas in den herfst of den winter.
Zijn de leverbotten (fig. 91) geslachtsrijp geworden, dan verlaten
zij de lever, gaan in den darm over, waarin ze sterven, om ver-
volgens, evenals de eieren, naar buiten gevoerd te worden. Uit de
eieren ontstaan kleine diertjes, die zich na verscheidene gedaante-
verwisselingen inkapselen en aan de stengels van waterplanten
vastzetten (flg. 92). Worden deze door het vee gegeten, dan ont-
staan uit de kapsels weer jonge leverbotten, die zich in de lever
vestigen.
V e i\' s c h ij n s e 1 e n. Bevinden zich weinig botten in de le-
ver, dan neemt men niets bijzonders waar. Zijn er veel, dan ont-
staat leververharding, verdikking der galgangen, enz. De patiënt
krijgt geelzucht en kwijnt weg. De slijmvliezen krijgen een gele
kleur, de eetlust neemt af of houdt op, het dier vermagert en sterft
eindelijk.
Behandeling. De leverbotten kunnen
eenmaal in \'t lichaam aanwezig, niet gedood
worden. Men kan alleen dieren, welke de bot-
ziekte doorstaan hebben, trachten weder bij
kracht te brengen door ze dagelijks 3 maal 1—2
eetlepels te geven van een poeder, bestaande
uit 20 g. Ferrum alcoholisatum, 300 g. keuken-
zout en 200 g. karwij zaadpoeder.
Men late het vee niet weiden op zure of
moerassige weiden. Vooral in regenachtige zo-
mers houde men het op hooge weiden en men
zorge, dat het bij \'t drinken uit poelen, niet van
de aan den kant geil groeiende gewassen vreet.
Blaaswormziekte.
Fig. 93.
Oorzaken. Opnemen van blaaswormen,
de larven van een lintworm, welke in den darm van den hond leeft.
(fig. 93). De eieren van dezen zeer kleinen lintworm geraken met
den mest van den hond buiten het lichaam en kunnen door de run-
deren met het voeder opgenomen worden. Uit een eitje ontstaat
een wezen dat, in de lever, de long of in de hersenen geraakt.
Dit ontwikkelt langzamerhand tot een blaasje, dat zich gelei-
-ocr page 126-
— 125 —
delijk vergroot en de zelfstandigheid, waarin het is opgesloten, ver-
dringt. Meestal vindt men van dezen blaasworm (ochinococcus) de
meeste exemplaren in de lever.
Verschijnselen. Zoolang de blaaswormen nog klein zijn,
veroorzaken ze geen storing in de gezondheid. Worden zo grooter,
zijn er veel aanwezig en bevinden ze zich in de long, dan wordt
de ziekte dikwijls verward met long-tuberculose. Men hoort de
patiënt dikwijls zachtjes kuchen; de ademhaling is versneld. Later
komt er verval van krachten bij, waaraan de patiënt sterft.
Bevinden zich de blaaswormen in de lever, dan ontstaan sto-
ringen in de spijsvertering, de slijmhuid wordt geel, enz. Ze kun-
nen ook tot ettering overgaan, in de buikholte doorbroken en" doo-
delijke buikvliesontsteking veroorzaken.
Behandeling is doelloos, spoedig slachten is aan te raden,
want het vleesch is bruikbaar. Men voedore den slachtafval niet
aan honden, doch verbrande dien.
Als voorbehoedmiddel late ieder veehouder zijn hond jaarlijks
een lintwormkuur ondergaan.
Beleediging van den draagzak.
Oorzaken. Onoordeelkundige hulp bij de geboorte, te groot
kalf, verkeerde ligging van het kalf, te vroeg wegloopcn van het
vruchtwater.
Verschijnselen. Bloeding na de geboorte, zoodat de
patiënt zelfs kan doodbloeden. Na zes uren hevige koorts, gebrek
aan eetlust, veel dorst. Soms zakt de verscheurde draagzak uit-
De dood volgt meestal den derden of vierden dag.
Behandeling. Meestal te vergeefsch. Is slechts het slijm-
vlies gescheurd, dan spuit men in met 50 g. lysol op 5 L. warm
water. Is de verscheuring van ernstigen aard, dan slachten. Het
vleesch is meestal bruikbaar, als dit binnen 6 — 12 uren geschiedt.
Kwetsing der scheed e.
Oorzaken. Te groot kalf, groote en harde knoopen aan de
bij de geboorte gebruikte touwen, enz.
V e r s c h ij n s e 1 e n. De kling zwelt op en de patiënt gaat
dikwijls staan, alsof zij urine moet loozen. Zij heeft koorts en
-ocr page 127-
— 126 —
weinig eetlust. In do scheede ziet men grootere en kleinere, zwarte
en gele, afgestorven, beleodigde slij mvliesdeelen, die na 6—8 dagen
loslaten, waardoor lichtbloedende, levendig roode plekken ontstaan-
Na 14 dagen is do patiënt beter.
Behandeling. Tweemaal daags met gummislang en trech-
ter (fig. 69) de schcode uitspoelen met 20 g. lysol op 10 L. warm
water of o0 g. gebrande aluin en 60 g. loodsuiker op 10 L. water
Fig. 94.
Achterblijven, der nageboorte.
Oorz a ken. Meestal verwerpen.
Verschijnselen. Uit de kling hangt een grooter of klei-
ner dool dor oivliozon. De patiënt perst sterk. Na eenige dagen
vlooit oen kwalijkriekend vocht uit. In \'t begin geen koorts en
behoorlijke eetlust. Is do nageboorte na 10 dagen niet afgekomen,
dan vermindert de eetlust en het dier wordt mager. Soms volgt
de dood door baarmooder- of buikvliesontsteking.
Behandeling. Het bost is de nageboorte dadelijk met de
hand los te maken (fig. 91). Dikwijls echter zit zij zoo vast, dat
men eer den moederkoek mede losrukt, dan do nageboorte alleen.
Bij een groote koe is ook de menschelijke arm dikwijls te kort.
Erger nog is \'t, als oen deel naar buiten komt en een deel terug
blijft. In dit geval sluit zich de baarmoedermond en het ach-
-ocr page 128-
— 127 —
tergebleven stuk gaat tot ontbinding over. De vuile stoffen, die ont-
staan, kunnen niet wegvloeien, waarvan storingen in de gezond-
heid het gevolg kunnen zijn, die veelal met den dood eindigen.
Het gebeurt ook wel, dat nog niets van de nageboorte naar bui-
ten is getreden en deze in haar geheel in den draagzak ligt; ook
in dit geval sluit zich de baarmoedermond.
Het losmaken met de hand gelukt, beter als men een oplos-
sing van 20 g. lysol en 10 L. water laat binnonvloeien (fig. 69).
Bemerkt men, dat men gevaar loopt de nageboorte stuk te trekken,
Fig 95.
dan staakt men zijn pogingen en spoelt men dagelijks 2 maal uit
met 10 L. lysol-oplossing (20 g. lysol op 10 L. water). Hangt nog
niets der nageboorte naar buiten, dan tracht men haar zoover mo-
gelijk naar buiten te trekken. Men hangt er een steen zoo groot als
een ganzenei aan om te beletten, dat het buitengebrachte deel weer
-ocr page 129-
— 128 —
naar binnen gaat. Verder spoelt men met lysol-oplossing. Hangt
een groot stuk tot voorbij de hielen, dan snijdt men \'t af of men
logt er een paar knoopen in. Is de nageboorte na binnen 10 da-
gen afgegaan, dan spoelt men met lysol-oplossing. Vreet de koe
niet meer en krijgt zo koorts, dan moet de veearts de baarmoeder
verwijderen. Is een deel van de nageboorte teruggebleven, dan
spoelt men dagelijks 2—3 maal met lysol-oplossing; de gummislang
moet tot in de baarmoeder reiken (flg. 95).
Brulschheid of bandeloosheid
O o r z a k e n. Ontaarding van den eierstok, ontstaan van met
vloeistof gevulde blazen in dit orgaan, eierstok tuberculose.
Verschijnselen. Voortdurende tochtighoid, niet drachtig
worden na dekking, aanhoudend loeien. Later: storingen in den
eetlust, vermagering, vermindering der melkopbrengst.
Behandeling. Het eenige middel is castreeren, doch in-
tijds. Is tuberculose de oorzaak, dan helpt ook dit niet. Meestal
is slachten aan te bevolen, want het vleesch, hoewel onaangenaam
van smaak, is bruikbaar.
Verwerpen.
Oorzaken. Verhooging der temperatuur door koorts, groote
inspanning, te koud drinkwater, bevroren voeder, bevroren ligstroo,
opgeblazenheid, bloedverlies, slaan en stooten togen den buik, stoo-
ten tegen staldeuren, vallen, uitglijden, voeder met schimmel of
moedorkoorn, eigenaardige constitutie van hot dier, enz.
In vele gevallen wordt het verwerpen veroorzaakt door
lagere zwammen; het verwerpen is dan besmettelijk.
Versehij nselen. Is het verwerpen niet besmettelijk, dan
wordt een dood kalf geboren, zonder dat men te voren aan het
moederdier iets bijzonders bemerkt. Bij besmettelijk verwerpen
noemt men eenige dagen te voren een miskleurige, kwalijkriekende
uitvloeiing waar.
Behandeling. Na \'t verwerpen zorgen, dat nageboorte,
bloed, enz. verwijderd worden. Bij uitvloeiing spuiten met lysol-
oplossing (fig. 96).
Hoe men het verwerpen kan voorkomen, kan men afleiden uit
-ocr page 130-
— 129 —
de oorzaken. Koeien, die meermalen verwierpen, moet men mesten.
Bij besmettelijk verwerpen scheidt men de drachtige koeien onmiddel-
lijk van die, welke verworpen hebben, nadat men de klauwen der eer-
ste gebaad hoeft in oen opl. van J> g. creolin op 1 L. water. Deze
scheiding dient te geschieden vóór het verwerpen heeft plaats ge-
had, dus zoodra men bij een koe, die spoedig kalven zal, bovenge-
noemde uitvloeiing waarneemt. Alles wat met het verworpen kalf,
de nageboorte of de uitvloeiing der moeder in aanraking is geweest,
moet met kokend sodawater ontsmet worden. Kalf en nageboorte
onmiddellijk diep te begraven, beter te verbranden. De drachtige
koeien spuit men 1—2 maal per weck onder de huid 5 g. in met
een 2% carbolzuur-oplossing. Men geeft ze dagelijks \'/„ theelepel
ijzervitriool over \'t voeder.
Bij besmettelijk verwerpen ontbiede men spoedigst den veearts.
Kwaadaardige catarrhaal-koorts
Oorzaken. Lagere organismen, nog niet nader bekend.
Verschijnselen. Hevige koorts; ontstoken, gesloten, tra-
nende oogen. Het hoornvlies is blauwwit, de eetlust is srerdwenen.
In \'t begin lijdt de patiënt aan verstopping, later aan doorloop*
Weldra ziet men een miskleurige, met velletjes vermengde stof
uit den neus vloeien. In de mondholte, do scheede, enz, ontstaan
walgelijk uitziende verzworingen. De patiënt ademt dikwijls roche-
lend en sterft meestal. De ziekte kan met runderpest verward
worden.
Behandeling. Men besproeit het lichaam met een mengsel
van 50 g. terpentijnolie en 100 g. kamferspiritus en wrijft krachtig.
Bij hevige koorts geeft men 40 g. chinine, Va L. brandewijn en
3U L. water (in 2 keeren binnen 4 uur). Ook kan men azijn-damp
laten inademen. Men giet daartoe azijn in een emmer met heet
water onder den kop van den patiënt geplaatst (kop en emmer met
een kleed bedekt). Komt er gevaar voor verstikking, dan slachten.
Ontsteking van het hartezakje.
(Veroorzaakt door \'t indringen van vreemde lichamen).
Oorzaken. Inslikken van nagels, naalden of spelden, stuk-
kon ijzerdraad, enz. De ingeslikte voorwerpen komen in de muts
„liet zieke Huisdier".
                                                                     9.
-ocr page 131-
— 130 —
waar zij dikwijls, zonder te schaden, lang blijven. Niet zelden
gaan zij door den mutswand in de borstholte. Ton slotte komen
zij dan in het hartezakje on hot hart, on veroorzaken daar een doo-
delijke ontstoking van het hartezakje en het hart zelf.
Verschijnselen. Het dier steunt somtijds, vooral als het
pas gevreten hooft. Drukt men met de hand tegen de onderzijde
van den buik (fig. 96), dan toont het door te steunen, dat het pijn
Fig. 96.
heeft. Hetzelfde is ook \'t geval, als men den rug inbuigt (fig. 99).
Leidt men het dier van een hoogte, dan noemt het steunen toe,
terwijl de pijn vermindert, als het tegen een hoogte opgaat. Meestal
eet en drinkt de patiënt als gewoonlijk. Is hot schadelijk voorwerp
reeds in het hartezakje aangeland, dan hoort men, als men \'t oor
tegen den linkerbuikwand legt (in hot onderste derde deel bij den
elleboog) vreemde geluiden. Tegelijkertijd bemerkt men ook, dat
de keelador sterk gezwollen is. Wordt de patiënt niet spoedig ge-
slacht, dan ontstaan opzwellingon aan de keel, de voor- en de on-
derborst (fig. 62). • Na eenigo weken volgt dan door algemeene
waterzucht de dood.
-ocr page 132-
— 131 —
Behandeling. In \'t begin, als de patiënt plotseling steunt\'
zoodra men op de muts drukt (fig. 96), kan men niet zelden ver-
betering bewerken door een sterk afvoermiddel te geven, bijv. 25
g. braakwijnsteon, 30 g. maluwpoeder en 250 g. glauberzout. Deze
hoeveelheid geeft men binnen 3 uren in tweemaal, telkens met
1 L. warm water. Bovendien stelt men hot dier op rantsoen en
laat men het niet langs een hellenden weg naar beneden gaan. In
den stal plaatst men het van voren hoog. Is \'t voorwerp reeds in
het hartezakje gedrongen, dan is geen genezing meer mogelijk.
Braaiziekte.
Oorzaken. Aanwezigheid der larven van een bij den hond
voorkomenden lintworm (Taenia coenurus). De eieren geraken met
den hondenmest buiten \'t lichaam en kunnen met hot voeder in de
maag der rundoren komen. Do larve geraakt in de hersenen en
ontwikkelt zich daar tot een blaas.
V e r s c h ij n s o 1 o n. Hoe grooter de blaas wordt, des te
meer wordt de hersonzelfstandigheid verdrongen, waarvan storingen
in de hersenwerkzaamheid het gevolg zijn. De patiënt houdt den
kop scheef, draait naar één kant en ziet slecht. Hij verliest den
eetlust, wordt mager en sterft ten slotte aan hersenvorlamming.
Behandeling. Slechts trepaneeren, d. i. het uitzagen van
een rond beenstukje uit de hersenpan en de verwijdering der
blaas kan in 4 van do 10 gevallen verbetering brengen. Het
spreekt vanzelf, dat slechts den veearts deze operatie is toever-
trouwd.
Men voodere geen horsenen, enz. van een rund, dat aan draai-
ziokto geleden heeft, aan honden; men verbrandt zo.
Klem of stij f kramp.
Men zie hiervoor, wat van dezelfde ziekte bij het paard gezegd is.
Blijven liggen na het kalven.
Oorzaken. Te grooto lichaamsomvang bij dracht van twee-
lingen, waterzucht der vruchtvliezen, beleediging van den baarmoe-
dermond en der bekkenzenuwen bij de geboorte, verrekking der
wervelkolom door te sterk trekken bij hot kalven, beleediging van
de bekkenbeenderen en de ledematen bij nedervallen.
-ocr page 133-
— 132 —
V e r s c h ij n s e 1 e n. De koe tracht tevergeefs op te staan;
ten slotte geeft zij de pogingen daartoe op; overigens schijnt ze
gezond. Krijgt men haar binnen 4 dagen niet op de been, dan is
ze bijna altijd reddeloos verloren; zij vermagert en krijgt wond-
plekken op die declen, waarop zij bij \'t liggen \'t meest rust.
Behandeling. Men tracht do koe op te beuren. Hiertoe
is de hulp van 8—10 personen noodig; men legt haar een touw
aan volgens fig. 97; aan iederen kant nemen 3—4 personen het
touw aan en trachten zij tegelijkertijd de koe op te lichten. Is
het dier opgeheven, dan tracht men de achterbeenen goed onder \'t
lichaam te plaatsen. Vervolgens poogt men door de ledematen
Fig. 97.
krachtig te wrijven de bloedbeweging op te wekken. Eust het dier
na eenige minuten op 3 of 4 voeten, dan is er kans op beterschap.
Ondersteunt de patiënt de pogingen van den mensch niet, dan laat
men haar na 15 minuten weder gaan liggen. Na 6 uren herhaalt
men zijn pogingen. Tot den derden of vierden dag ligt men de
koe 2 maal daags op. Kan zij daarna niet staan, dan doet men
\'t best haar te slachten. Zeer goed is \'t de verlamde beenen met
kamferspiritus te wrijven of dagelijks tweemaal met 10—12,5 g.
Tinctura Veratri, met een weinig water vermengd.
-ocr page 134-
- 133 —
De kalfziekte of molkkoorts.
Oorzaken. Overmatige voedering of gebrek aan beweging
vóór het kalven, onnatuurlijke ruime melkopbrengst, te spoedig af-
loopende geboorte. Dat koüvatten op den uier een rol speelt, wordt
door velen tegengesproken.
V e r s e h ij n s e 1 e n. De koe kalft buitengewoon gemakkelijk
en snel en de nageboorte komt spoedig af. Na 1—2 dagen ver-
mindert de eetlust. De patiënt ligt met den teruggeslagen kop op
den grond en vervalt in een slaperigcn toestand. In \'t begin zijn
ademhaling en pols zoo goed als normaal. De ontlasting en het
loozen van urine, alsmede de melkafzondering houden op. Tracht
het dier op te staan, dan valt het weder. Trekt men het de
tong uit den bek, dan haalt het die dikwijls pas na langen tijd
weder terug. Later wordt do ademhaling bemooielijkt. Is de
patiënt na 18 — 24 uren niet beter, dan sterft zij meestal binnen
3 dagen. Is het dier aan de beterhand, dan loost het mest en
urine, bet begint weer melk te geven en het bewustzijn keert
terug.
Behandeling. Men zorgt, dat de koe niet op zijde gaat
liggen, maar op den buik en met don kop tegen de borstkas. Kan
zij nog slikken, dan geeft men haar binnen 2 uren 6 maal telkens
7 g. braak wijnsteen met \'/» L. warm water, terwijl men om de 3
uren een klisteer zet van warm zeepwater.
Voorbehoedmiddelen kunnen veel, geneesmiddelen weinig uit-
w erken.
Voorbehoedmiddelen. Men voedert goed doorvoede
melkkoeien eenige dagen vóór het kalven zeer matig. Men tracht
na het kalven de melkafscheiding te bevorderen door vlijtig te
melken. Is het uier reeds vóór het kalven sterk gespannen, dan
melke men eveneens. Men moet voorkomen, dat de koe na het
kalven koude vat, en geve haar frisch, zuiver, niet bevroren stroo.
Iiik- of knaagziekte.
Oorzaken. Storing in do spijsvertering, gebrek aan kalk-
zouten in het voeder.
Verschijnselen. Het dier tracht steenen, aarde, rot hout,
kalk, bevuild stroo, enz. te vreten. Het knaagt aan den muur en
-ocr page 135-
— 134 —
likt aan de kleederen van zijn verzorger. Het versmaadt dikwijls
het beste voeder. De melk verandert van aard en kookt niet meer
over; ook roomt zij moeielijk uit. Spoedig vermagert de patiënt
en wordt ruw in \'t haar. Dit mist den glans, terwijl do huid zijn
veerkracht verliest en hard wordt. Jongvee sterft dikwijls aan deze
ziekte na lang gekwijnd te hebben.
Behandeling. Veel groenvoeder, vooral ook groene klaver,
geven. Bovendien strooit men 1—2 maal daags 1 thee- tot 1 eet-
lepel (al naar de grootte) basisch phosphorzure kalk over \'t kort-
voeder. Of wel geeft men 3 maal daags 1 thee- tot 1 eetlepel van
een mengsel, bestaande uit: 100 g. diibbelkoolzure natron, 100 g.
gewoon zout, 40 g. gentiaanpoodor, 40 g. kalmoospoeder, 150 g.
van bovengenoemde kalk en 150 g. zemelen.
Men bemeste de weiden en hooilanden met beendermeel, kalk
of thomasphosphaat, vooral op zand- en veengrond.
Broosheid der beenderen.
Oorzaken. Niet met zekerheid bekend. In ieder geval
spelen gebrek aan kalkzouten in het voedsel, koude stallingen,
moerassige weiden, enz. do hoofdrol.
Verschijnselen. In \'t begin stijf- en kreupelheid. De
laatste vermindert bij warm en neemt toe bij koud, vochtig weder.
Dikwijls is de eetlust gestoord en krijgen do dieren lik- of knaag-
ziekte. De melk wordt dun on krijgt een zuren reuk. Het zieke
dier ligt veel. Dikwijls breekt het de beenen en soms ontstaan
aan de uiteinden der beenderen opzwellingen.
Behandeling. Men geeft geslibt krijt of dagelijks 1 eet-
lepel basisch phosphorzure kalk. In het drinkwater 5 maal daags
telkens 4 g. zoutzuur. Men beschermt den patiënt tegen kou-
vatten en houde hem bij vochtig, koud weder op stal. Als voe-
der geve men hooi, klaver of klaverhooi, boonenmeel en zemelen.
De weiden mest men met kalk, beendermeel of thomasphosphaat.
Tuberculose.
Oorzaken. Opnemen van tuberkel-bacillen, die zich aan de
uitwerpselen, in de melk en wellicht ook in de uitgeademde lucht
van tuberculeuse runderen bevinden. Verzwakking der dieren, over-
-ocr page 136-
— 135 —
matige melkproductie en catarrh dor luchtwegen maken de dieren
meer voor de tuberculose vatbaar.
Verschijnselen. In \'t begin geene. Geen verschijnselen
neemt men verder waar, wanneer in het buikvlies en de long- en
borstvliezen slechts weinig tuberculeuse veranderingen plaats
grijpen. Lijdt hot dier echter langeren tijd aan buik- en borstvlies-
tuberculose en zijn ook do water vaten in do nabijheid aangetast,
dan begint het dier, niettegenstaande het good vreet, er slecht uit te
zien. De huid wordt hard, het haar ruw en glansloos, de haar-
wisseling onregelmatig. Soms bemerkt men aan het dier niets
en wordt pas tuberculose na de slachting geconstateerd.
Fig. 98.
ft
Lijdt een dier aan darmtuberculose, dan vermagert het sterk.
Het krijgt doorloop; door niets meer afdoend te genezen. In de
darmslijmhuid vindt incn na de slachting talrijke verzweringen en
grootere en kleinere knobbeltjes. Ook vindt men ze in de lym-
pheklieren der darmen.
Heeft men met long-tuberculose te doen, dan bemerkt men
-ocr page 137-
— 136 -
reeds vroeg ziekteverschijnselen, allereerst een meestal matten, toon-
loozen, drogen hoest, door niets te temperen.
Zeer verdacht is \'t, als een rund hoest, wanneer men \'t met een
doek gedurende een minuut neus en bek dichthoudt (fig. 61).
\'t Zelfde is \'t geval, als het dier begint te hoesten, zoodra men op
den rug een huidplooi met de hand maakt of den rug sterk door-
buigt (fig. 98).
In een meergevorderd tijdperk hoort het tegen de borst gelegde
oor piepende, snorrende, krassende geluiden, die sterker worden,
als men het dier 40—50 sec. bek en neus dioht-
*                houdt of het eenigen tijd doet draven. De dood
^^         volgt bij long-tuberculose meestal pas na lang-
fa»        durig kwijnen; onder bepaalde omstandigheden
kan de ziekte ook een zeer snel verloop hebben.
Bij een aan uier-tuberculose lijdende koe
bemerkt men aan den uier harde, koude en
pijnlooze gezwellen tor grootte van een vuist
tot een hoofd; ontsteking wordt niet waargeno-
men. Do melk gaat in gehalte en hoeveelheid
achteruit; ten slotte wordt de patiënt droog.
Sedert eenigen tijd bezitten we in Koch\'s
tnberculine een middel om uit te maken of een
rund al of niet tuberculeus is.
De ondervinding heeft geleerd, dat bij een
tuberculeus rund, na inspuiting met Koch\'s tu-
berculine de temperatuur in don endeldarm stijgt.
Stijgt de temperatuur na inspuiting, dan zegt men,
dat het dier reageert; d. w. z. dat hot tuberculeus is.
In Koch\'s tnberculine vindt men dus een
middel om de tuberculeuse runderen van niet
Fig. 99.
tuberculeuse te onderscheidon, zoodat de eerste
van de teelt en van den melkstapel kunnen
worden uitgesloten om naar de slachtbank te gaan. Van hoeveel
belang de uitroeiing der tuberculose onder het rundvee is, begrijpt
ieder, die weet, dat do tering bij den mensch een tuberculose-vorm is.
Bij de tuberculine-inspuiting gaat men als volgt te werk:
\'s Morgens vroeg 6 uur wordt de temperatuur in den endel-
-ocr page 138-
— 137 —
darm met een maximaal-thermometer (fig. 99) opgenomen en ge-
noteerd. Hierna wordt het dier, al naar de grootte, ingespoten met
0.2—0.5 g. tuberculine en 0.2—5 g. carbolzuur-oplossing.
Voor een kalf van 4 maanden is noodig 0.1 g. tuberculine,
voor een eenjarig rund 0.2 g., voor een tweejarig 0 3, voor een drie-
jarig rund 0.4 g. Meer dan 0.4 g. wordt alleen gebruikt bij ossen
en stieren (0.5—0.6 g.).
Na 8 uren neemt men om de twee uren do temperatuur op.
Na 12 uren volgt bij tuberculeuso dieren de stijging der tempera-
tuur, die meestal na 14 uren weder afneemt. Enkele malen wordt
de eetlust gestoord en rilt het dier, terwijl het neerslachtig wordt
en zijn ooren en horens koud worden; dit alles is evenwel van
voorbijgaanden aard.
Bedraagt de temperatuur \'s morgens bijv. ,\']9° C. en na 12
uren 41.5° C, dan is de temp. 2.5° C. gestegen, wat zeer veel is;
het dier reageert en moet van tuberculose verdacht worden.
Stijgt do temperatuur minder dan 0.S" C, dan zegt men, dat
het dier niet reageert en neemt men aan, dat het niet tuberculeus is_
Behandeling. Tuberculose is ongeneeslijk. Daar tuber-
culose dieren andere en ook den mensch (door niet gaar vleosch
en ongekookte melk) kunnen aanstoken, dient allo tuberculeus vee
geslacht te worden.
Voorbehoedmiddelen. 1. Do plaats, waar tuborcu-
leuso runderen gestaan hebben, ontsmet men met heete sodaloog
en sublimaat-oplossing (vergif!) Minder gevaarlijk dan do laatste
zijn oplossingen van 1 g. lysol of creolin in 1 L. heet water. 2. De
zieke of verdachte dieren scheidt men van de gezonde. 3. Men
plaatst geen nieuw aangekocht vee bij het andere, zoolang men niet
weet, dat het vrij van tuberculose is. 4. Men geeft don kalveren
geen ongekookte melk van koeien, die op de tuborculine-inspuiting
gereageerd hebben 5. Men geve het jongvee voel beweging in de
vrije lucht, waardoor het wederstandsvermogen tegen de tuberculose
vergroot wordt. G. Men beschut het veel op stal staande oudere
vee tegen kouvatten en alle catarrhale aandoeningen. 7 Men
zorgt voor frissche lucht, doch waakt tegen tocht. 8. Alle vee
worde ingespoten met tuberculine.
\'t Is te vreezen, dat de tuberculose, die onder het rundvee een
-ocr page 139-
— 138 —
verbazonden omvang heeft gekregen, in de toekomst niet zal afne-
men, maar zich voortdurend zal uitbreiden, tenzij bij een Wet wordt
bevolen, dat alle rundvee op kosten van den Staat met K o c h\' s
tuberculine moet worden ingespoten en dat voor elk stuk vee, dat
reageert en daarna voor de slachtbank bestemd moet worden, aan
den eigenaar van Staatswege een zekere vergoeding zal worden
gegeven.
Voor runderpest, miltvuur, hondsdolheid, mond- en klauwzeer,
besmettelijke longziekte en blaasjesuitslag aan de geslachtsdeelen
zie men het hoofdstuk over «Besmettelijke ziekten".
-ocr page 140-
MIT SO&CAAP.
I. K e n t e e k e n e n der gezondheid.
De oogen van gezonde schapen zijn helder en levendig. Het
slijmvlies van oogen, neus en bek is rozerood. Is hot bleek en
waterig, dat is het bloed van slechte samenstelling of het dier is
waterzuchtig. Een gele slijmhuid wijst op leverziekten.
De wol (het vlies) moet aan zijn oppervlakte glad, gelijkmatig
en goed gesloten zijn. De weeke huid moet, waar men de wol op
zijde legt, een roodachtig witte tint hebben. Is zij bleek on kan
men de wol er gemakkelijk uittrekken, dan lijdt het schaap aan
bloedarmoede. Een slecht teeken is ook stinkende en glanslooze
wol. Is de wol aan de oppervlakte nattig en bemerkt men korsten
en zweren op de huid, dan moet het dier van schurft verdacht
worden, vooral als het jeuk heeft.
Het gezonde schaap draagt den kop hoog, is opmerkzaam en
nieuwsgierig en kenmerkt zich door levendig oorenspel. Een ziek
schaap laat den kop hangen, is weinig opmerkzaam en kijkt treu-
rig naar den grond. Grijpt men een gezond schaap en tracht men
het vast te houden, dan verzet het zich.
Hoest een schaap gedurende langen tijd, dan lijdt het vermoe-
delyk aan longwormziekte.
II. H u i d v e r p 1 e g i u g.
Een bijzondere huidverpleging is niet noodig. Bij \'t wasschen
en scheren houde men zich aan de volgende regelen:
-ocr page 141-
— 140 —
1.    Na \'t wasschen moeten de natte schapen in don stal behoorlijk
ruimte hebbon. De lucht in tien stal moet vooral dan zuiver en
frisch zijn.
2.    Men bcscherme vooral de natte schapen tegen tocht.
3.    Men wassche de schapen op warme, zonnige dagen.
4.    Men geve het schaap vóór \'t schoren wat voeder en bindt het
niet te vast.
5.    Men beleedige bij \'t scheren zoo weinig mogelijk de huid.
6.    Men vrij ware het pas geschoren schaap voor tocht en feilen
zonneschijn. Kouvatten onmiddellijk na \'t scheren kan de oor-
zaak worden van doodelijke darm- of buikvliesontsteking.
7.    Ontstaan bij \'t schoren kleine wonden, dan bestrijke men deze
met houtteer, 1% lysol-oplossing of jodoform-collodium. Zeer ge-
vaarlijk is het strooien met turfstrooisel voor bij het scheren ge-
wonde schapen; zij sterven dikwijls aan algemeene verlamming.
Op schapen en vooral op lammeren komen dikwijls schapen-
lui s v 1 i e g e n voor (Melophagus ovinus). De schapenluisvlieg
(fig. 100) leeft van het bloed, dat ze uit de huid van het schaap
zuigt. De vrouwelijke schapenluisvlieg legt geen eieren, maar brengt
larven voort, waaruit na 4 weken scha-
penluisvliegen ontstaan. Na weder 4 we-
ken zijn deze geslachtsrijp. De schapen-
luisvliegen veroorzaken het schaap jeukte
en maken de wol slecht; lammeren kun-
nen door de aanwezigheid dezer woeker-
dieren aan vermagering en bloedarmoede
sterven.
Pi.». 400.                     Na het scheren en bij lammeren kan
men de schapenluisvliegen dooden, bij de
eerste met een afkooksel van slechte tabak en bij de laatste door
te wasschen met een opl. van 10 g. lysol en 1 L. warm water. Ta-
bakswater krijgt men, als men \'A KG. gemeene tabak met 2 L. water
kookt en het doorgezegen afkooksel met 4 L. water verdunt. Met
dit vocht borstelt men de geschoren schapen, nadat alle scheerwon-
den geheeld zijn. Na 2—3 wordt de behandeling herhaald.
-ocr page 142-
— 141 —
Op de schapen komen ook voor de schapen te ek (Ixodis re-
duvius) en de h o n d e n t e e k (I. ricinus). Ze boren zich in de huid
en zuigen zich vol bloed. Wil men ze er uittrekken, dan breken ze
meestal achter den kop af, die dan in de huid blijft zitten. Men be-
proeve tegen de teken wasschingen met een 2% creolin-oplossing. Of
men late op iedere teek wat benzine druppelen; ze laten dan los en
vallen op den grond. De schapontoek houdt zich vooral op in moe-
rassige weiden en in riet; de hondenteek op takken en bladeren.
Men weide dus geen schapen op lage weiden of in kreupelhout.
III. Verloskunde.
1. Verpleging van drachtige ooien.
Men neme als regel aan, dat oen ooi 2 jaar moet zijn, als ze
voor \'t eerst gedekt wordt, tenzij men te doen heeft met vroegrijpe
Engelsche vleeschschapen: dezen mogen bij den ram, als ze IV: jaar
oud zijn.
Do bronst duurt gewoonlijk r/2 dag en keert bij niet bevruch-
ting na 2—3 weken terug. Na liet lammeren wordt de ooi meestal
voor \'t eerst na 180 dagen weder bronstig. Wordt de ooi niet op tijd
bronstig, dan geeft men haar meer haver en zout of 2 theelepels
hennepzaad per dag. Na 2\'/i—3 maanden kan men aan den ver-
meerderden eetlust, den grooteren buikomvang en den uitdijenden
uier zien, dat het schaap drachtig is. De ooi draagt gemiddeld 152
dagen, die van een vroegrijp ras ongeveer een week minder.
Drachtige ooien moeten op hooge weiden gehoed worden en
volstrekt niet op stoppelland. In \'t laatste tijdperk der dracht moeten
zij \'s nachts gestald worden. Het gaan in berijpte weiden is hoogst
schadelijk, evenals het buiten loopen bij vochtig weder.
Nimmer heffe men een hoogdrachtige ooi bij de achterboenen
omhoog. Het doen jagen door den hond en stooten of slaan kunnen
verwerpen ten gevolge hebbea. Vier weken vóór en 4 weken na
het lammeren zij men spaarzaam met het krachtvoeder. Men voe-
dert best hooi, lucerne-hooi en haverstroo, dat volstrekt niet be-
schimmeld, noch met brand of roest bezet mag zijn. Het drinkwater
mag niet te koud wezen. Iedere drachtige ooi moet minstens 1 M2.
-ocr page 143-
- 142 —
stalruimto hebben. Het strooisel moet droog en niet muf zijn. De
rammen worden intijds van do guste ooien gescheiden.
Niet zelden gebeurt liet, dat de ooien, niettegenstaande alle
voorzorgsmaatregelen, te vroeg lammeren. Zij verliezen eerst den
eetlust, ontlasten dan uit de scheede een uitvloeiing van een wal-
gelijken reuk. Na 1—1\'\'s dag komt dan hot lam tevoorschijn. De
nageboorte gaat dan meestal eerst na. 6—8 dagen af, althans als zij
in staat van ontbinding verkeert. De ooi perst dan dikwijls zoo
sterk, dat do scheede naar buiten treedt. Niet zelden gebeurt het,
dat een ooi, welke verworpen heeft, eenige dagen daarna aan baar-
moederontstoking sterft. Een ooi, die verworpen heeft, geeft men
ter opwekking van den eetlust dagelijks met wat zemelen 1—2 le-
pels van een poeder, bestaande uit: 150 g. vlierbessen, 150 g. küm-
melpoeder, 150 g. gewoon zout en 75 g. ijzervitriool. Uitspoeling
van den draagzak met 1 g. lysol op 1 L. warm water (fig. 95) is
aan te raden.
Fig. <0l.
Wordt de hoogdrachtigo ooi met opblazend voeder (groene kla-
ver, klaverhooi) onderhouden, dan krijgt \'zij wel een uitzakking
der scheede. Is deze klein, clan komt zij slechts voor den dag, als
het schaap ligt om te verdwijnen, als het opstaat. Is de verzakking
groot, dan verschijnt zij als oen roodon kogel, ter grootte van een vuist
tusschen de schaamlippen, ook als het dier staat. Ten einde ont-
-ocr page 144-
— 143 —
steking en brand en als gevolg daarvan sterven te voorkomen, moet
een en ander op zijn plaats gebracht worden.
Allereerst reinigt men de uitgetreden deelen met 30 g. gebrande
aluin en 2 L. warm water. Dan schuift men zo voorzichtig met
den vinger terug en legt men een band aan volgens fig. 101. Wordt
niettegenstaande deze de scheede toch naar buiten geperst, dan
naaie men de scheede met zadelmakersnaald en een 8 millimeter
breed bandje dicht.
2. Hulp bij de geboorte.
Onder gewone omstandigheden geschiedt het lammeren ge mak-
kelijk. Van 6—18 uren vóór de geboorte zakt do buik door, de
uier en de kling zwellen. De ooi wordt onrustig en draait in een
kring rond. Dan komen de weeën en al spoedig ook do waterblaas.
Is deze gebarsten, dan komen do voorbeenen voor den dag In den
regel lammert de ooi in liggende houding. Na een enkele krach-
tige wee wordt dan het geheele lichaam van het jong naar buiten
gebracht. Na het werpen springt de ooi op on de navelstreng breekt
af. Bij tweelinggeboorte verschijnt do tweede waterblaas na weinige
minuten. Na eenige uren komt ook de nageboorte. Men moet deze
terstond verwijderen, want de ooi zou die kunnen opvreten, waar-
door ze ziek zou worden. Hot achterblijven dor nageboorte komt
het moest voor bij het verwerpen (bladz. 142). Bij normale ge-
boorte is de hulp van den mensch meestal onnoodig. Trouwens
deze hulp is in vele gevallen mooielijk te verloenen of geheel on-
mogelijk. Men helpt de ooi slechts, als zij sterk perst on do wa-
terblaas gesprongen is zonder dat do geboorte spoedig volgt. In dit
geval moet men do oorzaak der vertraging opsporen. De hand kan
niet binnengebracht worden en de vinger is dikwijls te kort om tot
in den draagzak te reiken.
Bij geboortehulp kan daarom de Roder scho verlostang (fig.
102) goede diensten bewijzen.
Bij ongewone geboorten kunnen zich de volgende gevallen
voordoen:
1. De kop blijft terug. Dit komt \'t meest voor bij ooien, die voor
de eerste maal lammeren. Men schuift de uitgetreden voorbeenen
-ocr page 145-
— 144 —
zoo goed mogelijk terug en tracht dan de lippen der nauwe
kling over den kop van \'t lam te stulpen. In vele gevallen gaat
dit gemakkelijk. Is de kop tot in de schaamspleet gekomen, dan
trekt men zachtjes aan kop en pooten.
2.    Do kop ligt ter zijde van de bekkenopening. In
dit geval is verlossing zeer moeielijk. Als \'t niet
gelukt met den vinger den kop de rechte hou--
ding to geven, dan is de ooi verloren en blijft niets
over dan de keizorssnede.
3.    Een der voorbeenen blijft terug. Dit ligt dan
onder het lichaam en kan niet recht getrokken wor-
don. De geboorte heeft echter gewoonlijk zonder
ongelukken plaats als men tamelijk krachtig aan
den kop en het andere been trekt.
4.    liet lam ligt met do achterband naar do geboorte-
wegen, terwijl de aehterboenon in de hielen ge-
bogen zijn. Dezo voelt men, als men den vinger
binnen brengt, waarmede men achter de knieën
tracht te trekken. Gelukt dit niet, dan beproeft
men een koord om de beide hielen te leggen. Met
een krachtigen ruk gelukt het dan dikwijls de ge-
bogen achterpooten buiten te brengen, waarna men
het lam hieraan naar buiten trekt.
Heeft men zich in oen bepaald geval overtuigd,
dat de geboorte onmogelijk en dat het lam nog in
leven is, clan maakt men de keizerssnede. Men
snijdt do ooi de keel af. Vóór zij uitgebloed is,
worden de buik on draagzaak opengesneden om het
lam er uit te nemen. Is dit geschied, dan rukt
Fig. <02.
         men de navelstreng af en wrijft men het diertje
met stroo droog. Men brengt het bij een ooi, waar-
van de lammeren dood zijn of dat maar één lam en veel melk
heeft. Na eenige dagen kan de wees ook met koemelk opgefokt
worden.
Enkele malen komt het voor, dat een lam, hetwelk niet geboren
kan worden, in hot moederlichaam verdroogt en als \'t ware versteent.
-ocr page 146-
— 145 —
Soms stulpt do draagzak om en treedt hij naar buiten. Men
handelt clan als bij het uitzakken der scheede (bladz. 142). Bij het
binnenbrengen hoft men het schaap bij de achterbeenen op. Vóór
dit te doen, verwijdert men alle achtergebleven deelen der nage-
boorte en reinigt men de uitgezakte deelen flink met aluinwater
(50 g. gebrande aluin op 5 L. warm water). Na het terugbrengen
laat men, terwijl het schaap bij de achterpooten opgeheven wordt,
van deze oplossing l\'/j L. in de scheede vloeien (fig. 69). Hierna
legt men een band aan volgens fig. 101 of men naait de scheede
(bladz. 143).
Hot pasgeboren lam is met een dikke laag slijm bedekt, dat
door de ooi begeerig wordt opgelikt. Is het lam droog, dan springt
het op en zoekt het den uier. Is deze sterk gezwollen, zoodat het
zuigen de ooi pijn doet, clan melkt men hem met de hand wat uit.
Geeft de ooi te veel melk voor haar jong of jongen, dan voedert
men haar minder sterk. Ter voorkoming van diarrhee geeft men
de ooi dagelijks 1 theelepel geslibt krijt. Na 10 a 16 weken kan
tot het spenen worden overgegaan. Men scheide de rammen intijds
van de ooien, opdat de geslachtsdrift zich niet te vroeg ontwikkele.
Lammeren, die gecastreerd zullen worden, moeten déze opera-
tie zoo vroeg mogelijk ondergaan, opdat vleesch en wol fijn blij-
ven. Men doet het gewoonlijk in de 3d#—4d" levensweek. De
beste rammen laat men loopen tot ze 8 weken zijn, omdat men dan
beter zien kan, welke de beste is om voor de fokkerij aan te nou-
den.
Een helper neemt het ramlam, legt de voor- en achterbeenen
ieder naar één zijde over elkaar en drukt den rug des lams vast
tegen zijn borst. Men neemt nu met duim en wijsvinger der lin-
kerhand het onderste deel van den balzak, trekt dezen wat naar
beneden en snijdt er mot een scherp mes in één trek een muts-
of kapvormig stukje af. Hierop wordt de eene bal naar buiten ge-
drukt en geheel los gemaakt. De zaadstreng wordt met duim en
wijsvinger aangepakt en daarna iets onder den vinger met de tan-
den vastgehouden en langzaam met den vinger uitgetrokken. Op
„Hel zieke Huisdier".
                                                                    40.
-ocr page 147-
— 146 —
deze wijze handelt men ook met den anderen bal. In plaats van
met de tanden kan men ook de zaadstreng met den vinger vast-
houden en met een stomp mes afsnijden. Vloeit er eenig bloed,
dan wascht men den balzak met een opl. van 10 g. gebrande aluin
in 1 L. water. Men houdt de wond met den vinger open en laat
het aluinwater er met een krachtigen straal inloopen. Na de ea-
stratie brengt men de hameitjes in den stal op frisch roggestroo.
Strooit men met aarde, dan kunnen ze stijfkramp of klem krijgen.
Oudere springrammen castreert men op de volgende wijze:
De ram wordt bij de ellebogen door een helper in de hoogte ge-
houden. Men knipt de wol in den omtrek van den balzak af. Deze
wordt naar beneden getrokken en zijn hals wordt met vet gesmeerd,
waarna men er een touwtje om legt, aan beide einden waarvan
een stokje is vastgebonden. Hieraan wordt zoo krachtig mogelijk
getrokken, dan wordt het touwtje nog eens om den hals van den
zak gelegd en weder aangetrokken. Ten slotte worden eenige knoo-
pen gelegd. Hoe vaster het touw wordt aangetrokken, des te eer
sterven het afgebonden zakgedeelte en de ballen af. Een te dun
touw snijdt te diep in den zak en deze valt dan te spoedig af. Na
het afbinden is de ram stram in \'t kruis; hij ligt veel, eet slecht
en verliest zijn opgewektheid; ook heeft hij koorts. De afgebonden
zak zwelt, wordt rood en koud en vóór \'t afsterven blauw. Na 4—5
dagen verdwijnen de ziekteverschijnselen. Na 8 —10 dagen wordt
de samengeschrompelde zak eenige c.M. onder het touw afgesne-
den. In plaats van een touwtje kan men ook een gummislang ne-
men; een touwtje gaat dikwijls losser zitten en in dit geval moet
er een tweede touwtje over gelegd worden.
IV. Uitwendige ziekten.
Vreemde lichamen in den slokdarm.
Behandeling. Kan het voorwerp niet in de mondholte
terug geschoven worden, dan neemt men een gard van wilgenhout en
omwikkelt het eind met in olie gedoopt werk. Hiermede tracht men
-ocr page 148-
— 147 —
het voorwerp in de maag te stooten. Bovendien geeft men het
schaap een kleine hoeveelheid slaolie in.
Besmettelijke, catarrhale oogontsteking.
Oorzaken. Koüvatten. Zwakke lammeren zijn er\'t meest
vatbaar voor.
Verschijnselen. Groote pijnlijkheid en lichtschuwheid.
De oogleden zijn meest door een etterachtig slijm aan elkaar ge-
kleefd. De slijmhuid der oogleden is gezwollen en rood en de hoorn-
huid is troebel. In ernstige gevallen ook koorts en gestoorde eet-
lust.
Behandeling, ilen brengt den patiënt in een warmen stal
en laat hem slechts buiten op warme, stille dagen en dan alleen
\'s morgens en \'s avonds. Men wascht de oogen met een mengsel van
100 g. warm loodwator en 5 g. opium-tinctuur. Kleven de oogle-
den sterk, dan weekt men ze met kamillenthee los en opent men
ze met de vingers. Inwendig geeft men een volwassen schaap 2
lepels glauberzout in \'t voeder of de slobbering of met \'/« L. thee van
lindebloesem. Dit houdt men vol tot de uitwerpselen week worden.
Uiervlekziekte.
Oorzaken. Onbekend.
Verse h ij nselen. Treurigheid, koorts, verminderde eetlust,
stijve gang. De.uier (meestal de helft) is gezwollen, zeer rood en
blinkend. De melk is slechts weinig veranderd. Niet zelden krijgt
de kwaal een kwaadaardig karakter, zoodat do patiënt sterft.
Behandeling. Lichtverteerbaar groonvoeder, slobbering
van gekookte aardappels en zemelen. Dagelijks een eetlepel glau-
berzout, totdat de mest brijig wordt. Het zieke uierdeel wrijft
men met een mengsel van 100 g. glycerine en 50 g. gezuiverd
carbolzuur.
Inwendige uierontsteking.
Oorzaken. Koüvatten na het wasschen en scheren, het
liggen op kouden natten bodem, weidegang bij regenbuien na lang
op stal staan.
-ocr page 149-
— 148 —
Verschijnselen. Gestoorde eetlust; stijve, stramme gang;
weinig gezwollen, maar hard en pijnlijk uier; waterige melk met
enkele klompjes gestremde kaasstof.
Behandeling. Patiënt in een warmen, luchtigen, doch
tochtvryen stal brengen. Als voedsel gras of hooi en stroo, als
drank lauw water, waarin 1—2 eetlepels glauberzout. Het zieke
deel des uiers minstens 4 maal daags uitmelken en 3 maal daags
insmeren met een stukje ter grootte van een hazelnoot van een
zalf, bestaande uit 25 g. maluwpoeder, 5 g. grauwe kwikzilverzalf
en 10 g. bilzenkruidolie.
Brandige uierontsteking.
Deze ziekte komt \'t meest voor bij ooien in \'t laatste tijdperk
der dracht en staat waarschijnlijk in verband met ziekten der baar-
moeder. De ziekte is besmettelijk voor andere drachtige schapen.
Verschijnselen. Blauwe of zwartachtige vlekken op den
uier. De zieke doelen worden gevoelloos on er ontstaat een koude,
deegachtige opzwelling tot tegen den buik. De patiënt sterft bin-
nen 3—4 dagen.
Behandeling. Zoodra de vlekken zich vortoonen, is ge-
nezing onmogelijk. Men scheidt clan de drachtige, gezonde ooien
onmiddellijk van de zieke. Het vleesch der afgemaakte zieke
schapen moet niet gegeten worden.
Wonden en zweren aan de spenen.
Oorzaken. Meestal verwondingen door de snijtanden der
lammeren bij \'t zuigen.
Verschijnselen. De speen is gezwollen, rood en stijf.
Men bemerkt er kleine wonden, scheurtjes of zweortjes aan, die
gedeeltelijk een kleverig vocht ontlasten, gedeeltelijk met korsten
bedekt zijn. Het zuigen doet veel pijn. Het bij de zieke speen
behoorende uierdeel is daarom steeds vol melk.
Behandeling. De zieke deelen penseeion met een opl.
van 1 g. helschen steen in 25 gedistilleerd water. Men verhindert
de lammeren gedurende eenige dagen aan de zieke speen te zuigen.
-ocr page 150-
— 149 —
Ontsteking der voorhuid.
Oorzaken. Ophooping van huidsmeer en zand, enz. in den
koker. De vuile stoffen gaan tot ontleding over en tasten de huid
des kokers aan. Hamels lijden er meer aan dan rammen.
Verse h ij nselen. De voorhuid is bij haar opening rood
en dikwijls met zweertjes bezet. Het loozen der urine veroorzaakt
pijn en geschiedt druppelsgewijs. Drukt men op den koker in de
richting naar den navol, dan ontlast zich oen groote hoeveelheid met
etter vermengde, stinkende urine, waarbij de patiënt veel pijn heeft.
Behandeling. In lichtere gevallen met een ganzeveder 3
maal daags smeren met zalf van 1 g. gezuiverd carbolzuur en 25 g.
vaseline. Door do veder voor- en achteruit te bewegen en te
draaien kan men alle zwerende deelen raken.
In zeer ernstige gevallen moot men den koker opensnijden,
iets wat niet moeielijk en geheel ongevaarlijk is. Men scheert
eerst de wol af en brengt een scherpe schaar met het stompe eind
naar binnen, waarna men de voorhuid ter lengte van 5—6 c.M.
snel opensnijdt (fig. 103). Bloeding kan gestelpt worden door met
Fig. 403.
een gieter koud water te besproeien. De snede moet niet van
onderen, maar op zijde gemaakt worden. Door het gieten wordt
alle vuil verwijderd. Vervolgens spoelt men uit met een mengsel
van 50 g. lysol in 5 L. warm water. Vóór de operatie wordt het
dier met gebonden beenen op een tafel of op den grond gelegd.
Om de 10 dagen wordt de uitspoeling herhaald. Het dichtnaaien
der snede is onnoodig.
-ocr page 151-
— 150 —
Afstooten der horens.
V e r s c h ij n s e 1 e n. De horenscheede is afgestooten. De
roode lederhuid om de horenpit bloedt meer of minder.
Behandeling. Wasschen met aluinwater (20 g. gebrande
aluin en 1 L. koud water). Bedekken met werk of salicylwatten
en omwikkelen met een zwachtel, die aan den gezonden horen is
bevestigd. Het verband dagelijks 2 maal met aluinwater bevoch-
tigen. Na eenige weken is reeds een begin van een nieuwe horen-
scheede ontstaan.
Afbreken der horenpit.
Oorzaken. Ruw op den grond werpen, vechten, loopen
tegen vaststaande voorwerpen.
Behandeling. Is de horenpit maar gedeeltelijk gebroken
en waggelt zij. dan geheel afzagen. Scherpe randen en punten
wegvijlen.
Bedekken door een met pek bestreken windsel.
Beenbreuk.
Oorzaken. Vallen, springen over slooten en hagen, hangen
blijven in hekwerk. Lammeren breken dikwijls de beenen, als ze
door volwassen schapen omver geloopen worden. Geneest gemak-
kelijk.
Behandeling. Breekt het schaap schouderblad, bovenarm-
been, boven- of onderschenkel, dan plaatst men den patiënt afzon-
derlij k jn stroo. Men wascht de plaats der breuk dagelijks 2 maal
met brandewijn, doch men w r ij f t niet. Is het been beneden de
knie gebroken, dan brengt men de gebroken deelen op hun plaats
bedekt ze met stevig linnen en spalkt alles met plankjes en touw
volgens fig. 104.
Wonden.
Oorzaken. Verwonding bij \'t scheren, hondebeten.
Behandeling. Wol wegscheren. Is het een scheurwond,
dan reinigen met 1 g. lysol op 1 L. warm water en daarna dicht-
naaien, zoodat het onderste deel open blijft voor den afvoer van den
-ocr page 152-
— 151 —
etter. Tot de heeling volkomen is 3 maal daags uitspuiten met
opl. van 1 g. lysol in \'/2 L. water.
Oppervlakkige wonden bestrooien met een mengsel van 0.5 g.
jodoform en 5 g. looizuur. Zijn pezen, beenderen of gewrichten
beleedigd, dan heelt de wond moeielijk en sterft de patiënt dik-
wijls aan bloedvergiftiging.
Etterbuilen.
Zie bladz. 26.
Sc h oude rvor stuiking.
Oorzaken. Nederwerpen
door den hond, springen over
hekken, hagen, enz.
Verschijnselen. Het
schaap hinkt, ontziet het zieke
been en sleept het na. Bij het
gaan wordt het buitenwaatts ge-
plaatst. Daarentegen treedt hét
dier in de klauw flink door, ter-
wijl het aan dit deel geen pijn
heeft. Drukt men evenwel met
de hand tegen den schouder of
den bovenarm, dan toont het
veel pijn te hebben. - \' >- •>\'<\'..>
Behandeling. Afzon-
deren, veel ligstroo geven. Bij
geschoren schapen eert la p-om
den zieken schouder binden en
van tijd tot tijd bevochtigen met
Fig. 404.
mengsel van 200 g. arnika-tinc-
tuur en 2 L. koud water. Hinkt
de patiënt niet meer, dan van tijd tot tijd met de kudde mede la-
ten gaan. Meestal blijft hij zwak in den schouder.
Kootver stuiking.
Oorzaken. Dezelfde als by schouderverstuiking. ,. \'I
-ocr page 153-
— 152 —
V e r s c h ij n s e 1 e n. Het schaap treedt niet door in de koot,
doch beweegt het been in den schouder, zooals \'t hoort. De koot
is in den regel gezwollen en drukking daarop en beweging veroor-
zaken pijn.
Behandeling. Koude omslagen met mengsel van 20 g.
loodsuiker, 15 g. gebrande aluin en \'lt L. koud water tot warmte en
pijnlijkheid voorbij zijn. Treedt de patiënt weer beter door, dan da-
gelijks wrijven met mengsel van 50 g. kamferspiritus, 60 g. arni-
katinctuur en 250 g. zeepwater. In meer ernstige gevallen een
lijmverband (bladz. 41).
Ziekten der klauwen.
De klauwen kunnen in een staat van ontsteking geraken.
Oorzaken. Te lang op stal staan in een langen, strengen
winter, waarbij de klauwen wel aangroeien, maar niet afslijten.
Verder: te lang worden der toonen, waardoor de schapen te veel
op de ballen moeten gaan of staan, waardoor beleediging en ontste-
king ontstaan. Eindelijk: intreden van nagels, houtsplinters, enz.
Verschijnselen. Kreupelheid aan een of twee pooten,
waarbij het kootgewricht ontzien en stijf gehouden wordt. Bij druk
op de meestal heete klauwen heeft de patiënt pijn.
Behandeling. Ingedrongen voorwerpen verwijderen. Aan-
wezigen etter uitweg verschaffen. Baden in creolinwater (10 g.
creolin, 2 L. water). Zijn de klauwen te lang, dan besnijden. Be-
vinden zich tusschen zool- en den zijwand holten, die met een
smeerachtige massa gevuld zijn, dan legt men deze open en baadt
men den voet in creolinwater. Vervolgens vult men de holten met
mengsel van 0.5 g. jodoform (of 2 g. kopervitrioolpoeder) en 10 g.
aardappelmeel. Zijn de ballen zeer pijnlijk, dan om het uur een
nieuwen omslag van azijn en leem.
Soms betreft de ontsteking de klauwklieren.
Oorzaken. Verstopping der kanaaltjes van de klauwklie-
ren, door stof, enz. Beleediging.
Verse h ij nselen. Het schaap kreupelt sterk. De zieke
voet is tot aan de koot min of meer ontstoken. De huid in de
klauwspleet vertoont niets afwijkends. Het voorste en onderste deel
-ocr page 154-
— 153 —
der koot zijn rood en de klauwzak-opening steekt vooruit. Drukt men
er op, dan ontlast zich een vetachtige, samenhangende massa.
Behandeling. Is ophooping van klauwzaksmeer de oorzaak,
dan eerst baden in creolinwater (10 g. creolin op 5 L. warm water)
en vervolgens door drukking opgehoopt smeer verwijderen. Bestaat
ontsteking en ettervorming, dan 1—2 dagen omslagen van gekookt
lijnzaad. Is de buil rijp, dan uitdrukken en den voet dagelijks
baden in creolinwater.
Eindelijk kunnen slechts de kroon en de klauwspleet ontsto-
ken zijn.
Oorzaken. Verblijf in natte, moerassige weiden, gaan op
kleiwegen of kleiland bij aanhoudend nat weer, loopen in de sneeuw,
weiden op stoppelland, staan in den mest.
Verschijnselen. Het schaap houdt den zieken voet om-
hoog. De klauwen wijken uit elkaar en de voet is heet en pijnlijk.
Aan de kroon scheidt zich de vleeschwand van den horenwand; in
de ontstane spleet bevindt zich een etterachtige stof. In de klauw-
spleet vindt men een dergelijke stof en zweren.
Behandeling. Zuiver, droog stroo geven; op hooge plaat-
sen hoeden. Loszittende klauwdeelen afsnijden. Baden in creolin-
water (zie boven) en hierna holten vullen met mengsel van 1 g.
jodoform, 5 g. looizuur en 10 g. aardappelmeel Vooral deze ziekte
wordt licht met (mond- en) klauwzeer verward.
Navel- en buikbreuk.
Oorzaken. Te groote navelopening, slaan of stooten tegen
den buik.
Verschijnselen. Men voelt een-week, onpijnlijk gezwel,
dat men door een kleine spleet in de buikholte kan brengen, doch
dat weer naar buiten treedt, zoodra men den vinger of de hand
wegneemt. Het gezwel verdwijnt ook wel, als men het schaap van
achteren opheft of op den rug legt.
Behandeling. Kleine navelbreuken genezen meest van-
zelf. Grootere behandelt men als volgt: wol om de breuk weg-
scheren, het schaap op den rug leggen, breuk binnenbrengen en
dan met een pekpleister bedekken. Deze moet eenige weken
-ocr page 155-
— 154 —
blijven liggen. Bij voorkeur legt men er nog een band over. In
hardnekkige gevallen moet de veearts de breuk afnemen.
Y. Inwendige ziekten.
Opgeblazenheid.
Oorzaken. Gulzig vreten van jonge klaver, bevroren kool-
zaad; groen voeder op sterk gemesten grond gewassen, enz. Verder:
veel drinken na het opnemen van veel groenvoeder.
Verseh ij nselen. De linkerhongergroef wordt naar buiten
gewelfd; de ademhaling is verzwaard; soms loopt het schaap gevaar
to stikken.
Behandeling. Geen drinken geven,
maar wel 1 eetlepel terpentijnolie met 4 le-
pels brandewijn. Bovendien legge men een
band van stroo of wilgenteenen in den bek,
die met het mengsel van terpentijnolie en
brandewijn is besmeerd (fig. 105). Men
kneedt en drukt den buik om de gassen
door den slokdarm uit te drijven. Helpt dit
niet, dan in de linker hongergroef met de
trokart (fig. 106) de penssteek maken (fig 107).
De trokartbuis blijft zoolang zitten als er gas uitstroomt. Eindelijk
stelt men den patiënt 3—6 dagen in de kooi op dieet.
Overvoedering.
Oorzaken. Hoeden op stoppelland, waarop vele aren lig-
gen; overvloedige opname van graan, enz.
Verse h ij nselen. Koorts, verminderde eetlust, de gespan-
nen buik voelt hard aan. De patiënt is treurig, gaat weinig liggen
en loopt niet dan ongaarne.
Behandeling. In gewone gevallen 1—2 dagen op half
rantsoen stellen en binnen 12 uren in 4 maal ingeven, telkens met
\'U L. warm water, een mengsel van 2 g. braakwijnsteen, 50 g.
-ocr page 156-
— 155 —
glauberzout, 15 g. malnw- en 10 g. gentiaan poeder. In meer ernstige
gevallen geeft men gedurende 2 dagen in \'t geheel geen vast voe-
der, doch alleen wat zemeldrank.
Verstopping der boekpens.
Oorzaken. Snelle overgang van \'t groen- op \'t droogvoeder,
veel moeielijk verteerbaar voeder (kaf, hard stroo, boonen), eike-
en elzebladeren.
Verschijnselen. Eetlust en herkauwen
zijn gestoord. De patiënt is treurig, blijft bij de
,.)
kudde achter en zoekt in den stal de eenzaamheid.
De buik voelt hart aan. Onder persen wordt een
vasten met bloed en slijm overdekten mest ont-
last. In gewone gevallen volgt na 3—4 dagen bij
goede behandeling genezing of tengevolge van
darmontsteking treedt na snelle vermagering, enz.
de dood in.
Behandeling. Geen voeder, doch zemel-
drank. Inwendig in 4 malen telkens met l/4 L.
warm water 1—2 g. braakwijnsteen, 100 g. glau-
berzout en 10 g. maluwpoeder en bovendien da-
gelijks 4 maal 2 lepels lijnolie. Dagelijks eenige
malen \'/4 L. warm water in den endeldarm laten
loopen.
Koliek.
Oorzaken. Koüvatten, bedorven voeder.
Verschijnselen. De patiënt is onrustig,
gaat liggen, wentelt over den grond, steunt, ver-
draait de oogen, slaat met de achterpooten tegen
het lijf enz. tracht mest en urine te loozen.
Behandeling. Om het half uur een
kopje kamillenthee met 10 droppels opiumtinctuur.
Warm houden. Wordt de patiënt rustig, dan nog gedurende 24
uren niet voederen.
Doorloop of diarrhee.
Oorzaken. Koüvatten, te snelle overgang van droogvoeder
-ocr page 157-
— 156 —
op groenvoeder, bevroren aardappels en wortelgewassen, beschim-
meld hooi, enz.
Verschijnselen. In gewone gevallen weinig waar te ne-
men. De patiënt ontlast zeer vloeibaren mest, welke de hielen
bevuilt. In ernstige gevallen afnemen van den eetlust en verma-
gering.
Fig. 107.
Behandeling. Op stal houden en droog voeder geven.
Is na 24 uren geen verbetering te bespeuren, dan in twee dagen
in 4 keeren, telkens met \'/2 kopje warm water en 2 lepels brande
wijn, een mengsel van 2 g. opiumpoeder, 3 g. koolzure magnesia en
5 g. maluwpoeder. Een slobbering van geroosterde haver is ook goed.
Diarrhee der lammeren.
Oorzaken. Koilvatten, te vroeg in \'t voorjaar in de weide,
bedorven voeder, storingen in de spijsvertering der moeder.
V e r s c h ij n s e 1 e n. De eetlust is verminderd en de opge-
wektheid verdwenen; vermagering.
Behandeling. Op stal houden of in een hooge, droge,
zonnige weide. Als voeder goed droog hooi en als geneesmiddel
in 2 dagen in 4 keeren een mengsel van 2 g. rhabarberpoeder, 1 g-
-ocr page 158-
— 157 —
opiumpoeder en 2 g. koolzure magnesia. Iedere portie in te geven
met \'I2 kopje warm water en 2 lepels rooden wijn of 1 lepel bran-
dewijn.
Catarrhaal-koorts.
Oorzaken. Koüvatten, hoeden bij nat en koud herfst-
weder.
Verschijnselen. Min of meer koorts, verminderde eetlust,
treurigheid, neusvloeiing, hoesten. Bij druk op de keelstreek wordt
hoesten veroorzaakt. In gewone gevallen verminderen na 8—10 da-
gen de neusvloeiing en de hoest en komt de eetlust terug. In
ernstige gevallen hevige koorts; de neusvloeiing wordt grauw en
stinkend, de ademhaling wordt verzwaard en de patiënt sterft aan
verval van krachten.
Behandeling. In gewone gevallen is \'t voldoende de pa-
tient in een warmen, doch luchtigen stal te plaatsen en hem te
voederen mot goed hooi, krachtvoeder en lijnkoekdrank.
Inwendig geeft men \'s morgens en \'s avonds een stuk ter grootte
van een duivenei van een likking bestaande uit: 50 g. kalmoes-
wortelpoeder, 50 g. venkelzaadpoeder, 90 g. jeneverbessenpoeder»
60 g. maluwpoeder, 30 g. salmiak, 20 g. kamferspiritus en zooveel
water en meel als noodig is om een stevige brij te maken. Men
smeert de keelstreek, 3 maal daags, na de wol afgeschoren te heb-
ben, met een zalf, gemaakt van 60 g. laurierolie, 45 g. salmiakgeest
en 40 g. reuzel.
Lamheid der lammeren.
Oorzaken. Binnentreden van ziektekiemen in den navel
kort na de geboorte.
Verschijnselen. Het lam wordt mat en blijft bij de kudde
achter. De eetlust is verdwenen. Opzwellingen aan knie en
spronggewricht.
Behandeling. Als voorbehoedmiddel ieder lam onmid-
dellijk na de geboorte en vervolgens eiken dag (gedurende 5 da-
gen) de navelstreng wasschen met een oplossing van 5 g. lysol
in \'/a L. water. Genezing is zoo goed als buitengesloten.
-ocr page 159-
— 158 —
Stijfheid der lammeren.
Oorzaken. Koüvatten, koude tocht in den stal, grazen by
mistig of koud en nat weder.
Verschijnselen. Min of meer koorts. Het lam gaat als
een steltlooper, de spieren van schouders en lendenen zijn hard als
hout en de eetlust is meestal gestoord.
Behandeling. In warmen, drogen stal brengen en zieke
deelen met kamferspiritus wrijven. In gevallen van verstopping
geeft men eenige theelepels glauberzout. In hardnekkige gevallen
dagelijks 1—2 g. salicylzuur in een kopje warme melk. De ziekte
kan weken duren.
Sehrik- of draafziekte.
Oorzaken. Overmatig en te vroeg ge-
bruik der rammen voor de teelt, te vergedre-
ven veredeling. Komt daarom \'t meest bij
rammen van fijne rassen voor.
V e r 8 c h ij n s e 1 e n. Schrikachtigheid
en onregelmatige, sidderende bewegingen. Na
1—2 maanden treedt verzwakking der achter-
hand in; de gang wordt waggelend. Het
schaap loopt met kleine pasjes, die snel op
elkaar volgen en komt toch weinig vooruit.
Kig. 108.
De patiënt heeft jeuk in de kruisstreek, en
bijt er gedurig naar. Het dier sterft aan ver-
val van krachten.
Behandeling. Meestal zonder gevolg. Men tracht de
ziekte te voorkomen door de jonge rammen krachtig te voeden en
ze niet te laten dekken vóór ze l\'.\'i —2 jaar oud zijn. Bokken
uit een familie, waarvan een of meer aan draafziekte zijn gestor-
ven, gebruike men niet voor de teelt.
Verwerpen.
Niet zelden verwerpt de drachtige ooi. Zij verliest den eetlust
en uit de scheede vloeit een smeerachtige, kwalijkriekende stof.
Na 1 — VI» dag komt het jong ontijdig te voorschijn. De nage-
-ocr page 160-
— 159 -
boorte gaat meestal pas na 6 — 8 dagen af; ze is dan tot rotting
overgegaan. De ooi perst daarbij dikwijls zoo sterk, dat de scheede
uitzakt, ze vreet slecht en gaat een tijdlang zeer achteruit. Niet
zelden sterft zij eenige dagen na het verwerpen aan baarmoeder-
ontsteking.
Ooien, die verworpen hebben, brengt men in een geschikten
stal over; slechts bij zeer warm en droog weder laat men zo bij
de kudde. Hebben ze nog eetlust, dan voedert men met het aller-
beste hooi en meeldrank.
Om den eetlust op te wekken geeft men dagelijks met een wei-
nig zemelen 1—2 lepels van een mengsel, bestaande uit: 150 g.
vlierbessenpoeder, 150 g. komijn zaad poeder, 150 g. zout en 75 g.
poeder van ijzervitriool.
Bovendien spoelt men den draagzak eenige malen door middel
van gummislang en trechter uit met een oplossing-van 1 g. lysol
in 1 L. warm water.
                                                                   \\
Lintwormen bij
lammeren.
De breede lintworm
(Taenia expansa) houdt
zich op in den darm.
Uit welken blaasworm
deze lintworm zich ont-
wikkelt is niet bekend.
Waarschijnlijk krijgen de
lammeren de eieren bin-
nen met het weidevoeder,
Fig. 109.
                              vooral als zij grazen op
tot weide aangelegden
boschgrond. Bij het rund wordt deze lintworm 60 M., bij het lam.
meestal slechts */a M. lang.
Verschijnselen. Veel vreten, vermageren, waterzucht,
buikpijn. Het lam kromt den rug en perst zonder nochtans mest
te ontlasten. Later ziet men leden van den lintworm in den mest.
Deze leden zijn meer breed dan lang. Na eenige maanden ge-
kwijnd te hebben, sterft het dier.
-ocr page 161-
— 160 —
Behandeling. Veel aardappels, peen en mangel wortels
geven. Vervolgens éénmaal 3—4 g. karaala of 7—10 kousso, met
water of melk op de nuchtere maag. Des daags geeft men wat
hooi en meeldrank. Na 10 dagen wordt de kuur herhaald.
In fig. 108 is de kop met de zuigwappen van den breeden
lintworm afgebeeld.
Maa g-palissaden wormon bij lammeren.
De maag-palissadenwormen (strongylus contortus) houden zich
op in de lebmaag en den darm der lammeren, waar men ze tot
klompjes samengerold aantreft. De ziekte, die er \'t gevolg van is,
komt \'t meest voor in streken met plassen stilstaand water.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Dezelfde als bij
aanwezigheid van den lintworm. De wol is
dof en droog en groeit slecht. Het lam vreet
veel en lijdt toch aan bleekzucht en verma-
geren. Bij slachting vindt men de woeker-
dieren in de maag. Fig 109 geeft een voor-
stelling van eenige mannelijke palissaden-
wormen in natuurlijke grootte.
Behandeling. Men voedert veel
peen, haver- en gerstemeel. Bovendien geeft
men het zieke lam \'s morgens en \'s avonds
1—2 theelepels van een mengsel, bestaande
Fig. 110.
uit 100 g. terpentijnolie en 200 g. brandewijn
of kamala (zie boven).
Luchtpyp-palissadonworm der lammeren.
Deze draadworm (Strongglus filaria, flg 110) geraakt op de-
zelfde wijze in het lichaam als de maag-palissaden worm, nl. met
het groenvoeder van bepaalde plaatsen. Daarom treft men beide
soorten soms in hetzelfde lam aan.
Verschijnselen. Longcatarrh; droge, doffe hoest. Later
neemt het hoesten vooral in den nacht op stal of des daags onder
het drijven toe. De patiënt sterft aan bleekzucht en vermagering.
Behandeling. Krachtig voederen met graanmeel, goed hooi,
-ocr page 162-
— 161 —
peulvruchten, enz. Men laat teerdampen inademen, en verbrandt
daartoe tweemaal daags in den gesloten stal oud leer, waarop
men wat teer werpt.
Botziekte.
Oorzaak. Aanwezigheid in de lever der leverbot (zie
bladz. 123).
V e r s c h ij n s e 1 e n. In \'t begin is de mest nu meer, dan
minder dun en de eetlust gestoord. De slijmhuid van oogen en
bek is of nu en dan öf voortdurend geel. Het zieke schaap verliest
zijn opgewektheid, de wol wordt broos en droog, daar het aan vet-
zweet ontbreekt. Na eenige weken worden slijmhuid, lippen en
ooren wit, de wol laat zich gemakkelijk uittrekken en de patiënt
wordt waterzuchtig. Zwakke dieren sterven dan al spoedig. Krach-
tige dieren kunnen 6—12 maanden sukkelen vóór te sterven.
Bij aanwezigheid van weinig leverbotten, neemt men weinig
of geen ziekteverschijnselen waar.
Behandeling. Een geneesmiddel bestaat niet. Men geeft
de zieke schapen volop goed voeder en dagelijks 1—2 eetlepels van
een mengsel, bestaande uit: 100 g. poeder van ijzervitriool, 500 g.
zout, 300 g. poeder van vlierbessen en 200 g. komijnzaadpoeder.
De voorbehoedmiddelen zijn op bladz. 124 opgegeven. Na
St. Jan vermijde men alle natte, lage weiden.
Draaiziekte.
Oorzaak. Aanwezigheid van blaaswormen van een honden-
lintworm (Taenia Coenurus). Komen de eieren van dezen lintworm
met het voeder in de maag der schapen, dan ontstaat er een larve
uit, die den darmwand doorboort en direct of met het bloed in de
hersenen of het ruggemerg gevoerd wordt en zich daar ontwikkelt
tot een blaas, welke de hersenzelfstandigheid verdringt en sto-
ringen in de hersenwerkzaamheid veroorzaakt (fig. 111 — a =
hersenen; b = holte in de hersenen; c — blaasworm).
Verschijnselen. Deze neemt men, zoolang de blaasworm
nog klein is, weinig of niet waar, tenzij roodheid der oogen, loopen
met gebogen kop en achterblijven bij de kudde. Later wordt het lij—
dende dier stompzinnig, suf en mager. Bevindt zich de blaas vóór in
«Het zieke Huisdier".                                                                        44
-ocr page 163-
— 162 —
de groote hersenen, dan draagt het schaap den kop naar beneden en
op zijde; het draait steeds in een kring rond. Zit de blaas dicht
bij de kleine hersenen, dan draagt het schaap den kop hoog, het
loopt nu naar den eenen, dan naar den anderen kant, tuimelt en
valt Zit de blaas geheel vooraan, dan struikelt de patiënt dikwijls
of hij valt voorover. Zit de blaas niet diep, dan ontstaat er een
week gedeelte in de hersenpan. Drukt men er op, dan wordt het
schaap onrustig, krijgt
kramp of valt neer.
Bevindt zich de blaas
in \'t ruggemerg, dan
ontstaat er verzwak-
king in \'t kruis on
worden de achterbee-
nen nagesleept.
Behandeling.
Afdoend is slechts
doorsteken der blaas
met oen trokart of het
wegnemen des blaas-
worms na trepanee-
ren. Evenwel gaan
ook clan nog 3/4 der ge-
opereerde schapen
dood. Is de plaats
der blaas door druk-
king bepaald, dan legt
men het schaap op
een tafel. De wol op
de gevoelige plaats
wordt weggeschoren.
De trokart wordt lang-
Fig. 41-1.
zaam en krachtig 27»
c.M. diep in de rich-
ting naar het midden der hersenen naar binnen gestooten. De lin-
kerhand houdt de trokartbuis vast; de rechter trekt de trokart zelf
terug. Is de blaas geraakt, dan komt er vloeistof naar buiten. Ver-
-ocr page 164-
— 163 —
volgens wordt met een spuitje alle vloeistof uit de blaas gezogen.
Meestal komt ook een deel der blaas aan de oppervlakte, die dan
met een tangetje naar buiten gehaald kan worden. De wonde wordt
met collodium dichtgesmeerd. In \'t begin is \'t schaap bewusteloos
om na eenige uren weer tot zich zelf te komen. Of het in \'t leven
zal blijven, wordt men pas na eenige dagen gewaar. Bij het tre-
paneeren wordt, teneinde de blaas te kunnen wegnemen, een rond
stukje uit de hersenpan gezaagd.
. ,              ,-sk               Horzelmadeziekte of valsche
jw(             OM                             draaiziekte
^lÜ^Bf^ f^*               O °r z a ^ e n- Aanwezigheid van
/^^\\           JHP de maden (fig. 112—b) der schapenhor-
#7                                zei (fig. 112—(?) in de neusholte en den
voorhoofdsboezem, vooral van jaarlingen
Fig .<12.
                    en tweejarige schapen. De horzel leeft
in struikgewas, in de reten van het
houtwerk der schaapskooien, enz. Ze vliegt van Juni tot September
en vooral in de middaguren. Het wijfje legt haar eieren in de na-
bijheid der neusgaten en de maden kruipen in de neusholte en
den voorhoofdsboezem. Ze ontwikkelen zich daar en zijn in Juni van
\'t volgend jaar volwassen. Ze kruipen dan weer naar het onderste
deel der neusgaten en worden door niezen verwijderd, om later in
een volkomen horzel te veranderen.
Verschijnselen. De eerste verschijnselen (in Februari)
zijn: niezen, jeuk in den neus, wrijven met den neus tegen de
beenen en allerlei voorwerpen, schudden met den kop. In ernstige
gevallen doen de verschijnselen aan de ware draaiziekte denken.
Het zieke schaap vermagert en sterft meestal na eenige weken.
Behandeling. De larven moeten verwijderd worden. Door
een penneschacht blaast men wat snuif in de neuskanalen. Dit
moet echter zoo vroeg mogelijk, althans vóór Februari, geschieden.
Zijn de larven eenmaal in den voorhoofdsboezem, dan helpt dit niet
meer. In dit geval kan de veearts de larven nog verwijderen door
openingen in den voorhoofdsboezem te boren.
Voor rotkreupel en schurft zie men het hoofdstuk »Besmette-
lijke ziekten".
-ocr page 165-
&CIT VAfóKIM.
I. Kenteekenen der gezondheid.
Gezonde varkens zijn niet kieskeurig op het voeder. Zoekt
het varken er eerst het beste uit of snuffelt het in den trog rond,
dan is het of ziek of een slechte vreter, die zich moeielijk laat
niesten. De niest van een gezond varken is niet zeer hard. Droge,
harde mest is een teeken van storing in de darmwerkzaamheid, die
zeer veel voorkomt bij varkens, welke weinig beweging nemen.
Het aantal ademhalingen moet 8—18 per minuut (bij Engelsche
varkens ± 14) bedragen.
Hoesten is een teeken van een ziekelij ken toestand van keel,
strottenhoofd of longen. Het is, vooral bij biggen, steeds een
slecht teeken. Heete ooren wijzen op koorts. Kruipt het varken
in \'t stroo, dan voelt het zich onbehaaglijk en heeft het eveneens
koorts.
Neemt het varken geen notitie van vreemde personen, die zijn
hok naderen, dan is dit, althans bij loop- of fokvarkens een teeken,
dat zij niet recht gezond zijn. Een gezond varken heeft steeds
een krul in den staart. Heeft een varken koorts, lijdt het aan sto-
ring in de spijsvertering, enz., dan verslappen de staartspieren en
de staart hangt recht naar beneden.
II. Huidver pleging.
Deze wordt bij het varken zoo mogelijk nog meer verwaarloosd
dan bij rund en schaap.
-ocr page 166-
— 165 —
Vindt het in den boomgaard of in de weide loopende varken
water, dan reinigt het zijn huid voldoende. Vindt het geen zuiver
water, maar modder, dan wentelt het zich hierin, niet omdat het
dezen boven water verkiest, maar omdat het daardoor zijn huid kan
afkoelen. De natuur wijst er dus op, dat het goed is ;t varken,
als het in een hok gehouden wordt, nu en dan te wasschen. Men
zorgt echter, dat het op een tochtvrije plaats kan opdrogen. Na
het wasschen heeft het minder last van jeuk, waardoor het rustiger
wordt en meer voordeel van zijn voedsel heeft. Biggen moet men
nu en* dan met een stroowisch wrijven.
Wordt niets aan de huid gedaan, dan krijgt het varken lioht
luizen. Zij verdwijnen al spoedig, als men de huid met zoeten room
inwrijft. Een goed middel is ook een opl. van 5 g. lysol op 1 L.
warm water, waardoor men niet alleen de luizen verdrijft, maar
ook de huid reinigt.
III. Verloskunde.
1. Verpleging der fokzeug.
De zeug kan voor de teelt gebruikt worden, als ze 7 maanden
oud is. Wil men groote, zware zeugen, dan laat men niet dekken
vóór ze 11 maanden oud zijn. Wil de zeug niet beeren, dan geeft
men havermeel en alle dagen een lepel hennep- of brandnetelzaad
door het voeder.
De zeug beert gedurende 30—40 uren; men laat haar 12 uren
na het begin der tochtigheid dekken. Na het werpen beert zij
voor \'t eerst na 4—5 weken, maar men late haar niet dekken zoo-
lang zij zoogt, omdat de melk van de weder drachtige zeug voor de
biggen dikwijls nadeelig is.
Men voedert de dragende zeug krachtig, vooral ook met afge-
roomde melk of karnemelk, niet met wei. Men moet haar veel
beweging verschaffen.
Tegen het einde der dracht, welke 116 dagen (3 maanden,
-ocr page 167-
— 166 —
3 weken en 3 dagen) duurt, mag zij niet ver meer loopen. Teneinde
het verwerpen te voorkomen, houde men zich aan de volgende
regelen:
1.     Men vermijdt stooten en slaan op buik en snuit en zorgt, dat
de zeug niet door honden of beeren lastig gevallen wordt.
2.     Men zorgt, dat de stalbodem niet glad is om vallen te voorkomen.
3.     Men vermijdt plotselinge afwisseling in \'t voeder en geve vooral
geen voeder, dat moeielijk verteerbaar, bevroren, berijpt of be-
schimmeld is of opblazend werkt.
4.     Men geeft geen zeer koud drinkwater of geen te koude slob-
bering.
5.     Men vrijwaart de zeug voor koüvatten, vooral als zij van edel
ras is.
Een week vóór \'t biggen brengt men de dragende zeug in een
ruim hok met volop gesneden stroo. Men zorgt, dat zij niet door
voor haar vreemde personen verschrikt wordt. De temperatuur
moot 15 a 16o C. bedragen.
2 Hulp brj de geboorte.
Als de tepels opzwellen on er melk uitvloeit is de geboorte
zeer aanstaande. Meestal gaat de/.o voorspoedig; alleen bij zeugen,
die voor \'t eerst jongen, kan \'t voorkomen, dat de geboortewegen
te nauw zijn. In dit geval moet de eerste big langzaam en met
beleid »gchaald" worden. Meestal is \'t voldoende, als men zorgt,
dat de biggende zeug niet opspringt. Zoodra een big geboren is,
maakt men haar uit de vruchtvliezen los om te voorkomen, dat zij
stikt. Breekt de navelstreng niet af, dan knipt men deze 3—4 c.M.
onder den buik af. Ook als de navelstreng bloedt, wat zelden ge-
beurt, doet men dit.
De pasgeboren biggen legt men in een met hooi gevulden korf.
Zijn ze alle geboren, dan legt men ze aan de spenen, de zwakke
het meest vooraan. De nageboorte en de doode biggen verwijdert
men onmiddellijk om te voorkomen, dat de moeder ze opvreet,
waardoor men gevaar loopt, dat ze later ook de levende biggen
verslindt.
Tegen het opvreten der varkens worden veel middelen aanbe-
volen, waarvan er weinig deugen. Men voedere alleen gedurende
-ocr page 168-
I
— 167 —
do dracht geen rauw vleesch en men bevestige bij varkens mot langen
snuit hieraan een schacht van een laars (fig. 113). Bovendien be-
smere men de biggen hier en daar mot verdunde creolin. In enkele
gevallen moet de mensen bij do geboorte der biggen werkzaam op-
treden. Men zij echter niet te haastig, omdat door de nauwheid
der geboortewegen daarbij licht kwetsuren ontstaan. Duren de
weeën langer dan een uur, wordt de scheede rood en vloeit melk
uit de tepels, dan moet hulp verleend worden. Soms zijn de big-
gen te groot en wacht men met het verlcenen van bijstand te lang,
dan wordt door op-
zwelling de geboor-
te geheel onmoge-
lijk. Wanneer na
de geboorte van öén
of meer biggen meer
dan i/a uur verloo-
pen is vóór er \\ve-
der een komt, dan
moet men onder-
boeken of er hin-
derpalen voor de
geboorte der ande-
re bestaan, wat het
meest voorkomt bij
oude of te vette
zeugen. Blijkt dit niet het geval te zijn, dan wacht men rustig af.
Voelt de ingebrachte hand, dat de big goed ligt, dan doet men
dit eveneens. Moet men bepaald helpen, dan handelt men als
volgt:
1.    Men wascht de handen met zeepwater, maakt de nagels glad
en ontsmet de hand in 10 g. lysol en 1 L. warm water.
2.    Men ontsmet sterk dun touw in dezelfde oplossing of legt
een uitgegloeid, niet te sterk ijzerdraad gereed.
3.    Staat het varken, dan tracht men het door zacht over den
buikzijden te wrijven tot gaan liggen to bewegen.
4.    Is de zeug boos en korzelig, dan slaat men haar, als zij wil
opspringen of tyjten, met een korte gard op den neus.
-ocr page 169-
— 168 —
5.    Met langzame, borende bewegingen brengt men de spits ge-
maakte hand in (fig. 8). Is de hand eenmaal binnen, dan houdt
de zeug zich meestal rustig. De biggen komen beurtelings met
den kop, beurtelings met de achterhand vooruit. In \'t eerste
geval zijn de beenen meest zijdelings tegen borst en buik ge-
drukt (fig. 114—a).
6.    Is de kop in de seheede gedrongen en de romp in den bek-
keningang bekneld, dan tracht men een strik (fig. 114—a) of een
uitgcgloeid ijzerdraad (fig. 114—b) achter een der ooren te leg-
gen. Men trekt dan met één hand en steeds gedurende een wee.
Nimmer mogen twee personen trekken. Dikwijls kan de hand
niet binnen gebracht worden. In dit geval gebruikt men de
Fig. <H a en 6.
Rödersche tang voor kleinere huisdieren (fig. 115). De beide
tanghelften wordt achtereenvolgens zoo ver mogelijk om de big
geschoven en daarna met elkaar vereenigd.
7.    Is de kop vóór de bekkenopening achterover geslagen, dan
tracht men de big, door haar tegen de borst te drukken, terug
te schuiven. Hierna grijpt men de onderkaak en trekt men.
8.    Komt de big met de achterhand het eerst, en blijft zij in den
bekkeningang steken, dan legt men om de beide hielen een strik.
9.    Ligt de big dwars, is zij met den rug in de bekkenopening
bekneld, dan tracht men haar goed te leggen.
-ocr page 170-
— 166 -
10.    Treden twee biggen tegelijk in de bekkenopening, dan schuift
men ze beide terug en tracht men die te »halen" welke het
kortst bij de opening ligt.
11.    Vormen verdroogde biggen de hindernis, dan tracht men ze
buiten te halen, zorgende, dat niets beleedigd wordt.
12.    Zijn alle biggen geboren en vloeit een stinkende vloeistof uit
de scheede, dan moet men den draagzak uitspoelen.
13.    Zijn de geboortewegen tijdens de baring droog geworden, dan
laat men door trechter en slang lijnzaadafkooksel en olie binnen-
loopen.
14.    Is met hulp van den mensch een big ge-
boren, dan wacht men \'/» uur vóór men de
hand weder binnenbrengt. Dikwijls toch
komen de andere biggen vanzelf.
15.    Krijgt de zeug bij de weeën nog krampen,
wordt ze onrustig en schreeuwt zij voortdu-
rend, dan tracht men haar tot rust te bren-
gen en verlichting te verschaffen door haar
in \'/* L. koemelk 1 g. opiumpoeder, 10 g.
opium-tinctuur of 0.2 g. morphine in te ge-
ven. Een klisteer van 1 L. kamillenthee in
den endeldarm helpt dikwijls ook.
Is de navelstreng te lang, dan verdroogt
ze niet snel genoeg. In dit geval moet ze on-
derbonden worden met een in lysol-oplossing
gedoopt bandje van \'k c.M. breedte. Ontstaat
na de geboorte bloeding uit den navel, dan doet
men dit insgelijks. Is de zeug na de geboorte
zeer uitgeput, dan geeft men haar warme koe-
melk of slobbering van havermeel met wat bier
of wijn. Overigens laat men haar rustig liggen
en men verwijdert de biggen tot zij wat be-
komen is.
Bij zeugen openbaart zich niet zelden een
op de kalfziekte der koeien gelijkende ziekte.
De eetlust vermindert en verdwijnt eindelijk geheel. De zeug ligt
-ocr page 171-
— 170 —
met. half gesloten oogen, onverschillig voor haar omgeving. De
ademhaling is versneld (24—30 ademhalingen per minuut). De
kling is gezwollen en uit de seheede vloeit een slijmige massa.
Moestal wordt verstopping waargenomen.
Men geeft de zeug, zoolang ze nog vreet 2 g. calomel door het
voeder. Men spoelt de baarmoeder dagelijks 2 maal uit met een
opl. van 10 g. lysol en 1 L. warm water en wrijft de huid eenige
malen daags krachtig met een stroowisch. Is ze zeer zwak in het
kruis, dan wrijft men oenige malen per dag met kamferspiritus,
amicatinctuur (van ieder 50—60 g.) en salmiakgeest. Komt de eet-
lust terug, dan voedert men afgeroomde melk of karnemelk met
zemelen en 50 g. glauberzout per dag. Over \'t algemeen is de
ziekte niet gevaarlijk.
Fig. 116.
Enkele malen zakt de draagzak uit. Hij komt dan als een
lange, roode zak te voorschijn. Het terugbrengen gaat niet gemak-
kelijk, omdat hot varken een wederspannige patiënt is.
\'t Best doet men door de zeug met een paar touwen, die aan
de achterbeenen bevestigd zijn, op te hijschen, zoodat zij met de
-ocr page 172-
— 171 —
voorbeenen op den grond rust (fig. 116). De uitgezakte doelen
laten zich dan gemakkelijk terugbrengen, nadat men ze bevochtigd
heeft met lauw aluin water (30 g. aluin, 3 L. water). Na het terug-
brengen giet men er nog 2 L. van in do scheede.
Dikwijls gaat de zeug op haar jongen liggen, zoodat een of
meer hiervan doodgedrukt worden. Teneinde dit te voorkomen
brengt men aan 3 zijden op 15 c.M. afstands van do wanden
20 c M. van den bodem latten aan (fig. 117). Gaat do zeug lig-
gen, dan kunnen de biggen zicli bergen in de ruimte tusschon
de latten en den muur.
Fig. H7.
Zijn de biggen gezond, dan liggen zij, als ze niet zuigen
op één hoop te slapen. Verdeelen zij zich in troepjes of loopen
ze snuffelend en knorrend in \'t hok rond, dan hebbon zij meestal
diarrhee. In dit geval moet de zeug met meer zorg gevoederd
worden dan ooit.
Goeft de zeug te weinig melk, dan kan men do mclkafschei-
ding bevorderen door uier en spenen mot brandewijn te wasschon.
Door \'t voeder geeft men 100 g. zout, 100 g. poeder van venkel-
zaad en 25 g. antimonium. Hiervan geeft men dagelijks 1 eetlepel,
Slurpen de biggen gier op, dan is de spijsvertering niet in
-ocr page 173-
— 172 —
orde; veelal hebben of krijgen ze dan doorloop. In dit geval
voedere men rijstebrij met geslibt krijt of met een messpits vol
looizuur. Men werpe wat houtskool, geslibt krijt en zand
in \'t hok.
Niet zelden houden de biggen zich tot de 5d" week uitmun-
tend, maar dan wordt het sukkelen. Ze worden mat en kruipen
veel in \'t stroo, ze vermageren snel en hebben een grauwe kleur.
Meestal zit de oorzaak in de moedermelk en doet men \'t best ze
van de moeder af te nemen. Sommigen geven dan de biggen per
dag 1—2 lepels garnalen met wat zout.
Soms lijden de biggen aan besmettelijke diarrhee. De oorzaken
hiervan zijn nog niet met zekerheid bekend. Reinheid, een droog
en warm leger en frissche, tochtvrije lucht kunnen als voorbehoed-
middelen gelden, alsmede beweging in de vrije lucht, althans op
warme dagen. Hoewel de kans op succes gering is, geve men de
aan deze ziekte lijdende biggen dagelijks 0.5 g. thioform met in
melk gekookte rijst.
Op den leeftijd van 16 a 20 weken staan vooral de loop-
varkens bloot aan longcatarrh. Ze hoesten steeds, vreten slecht, wor-
den mager en sterven. Bij \'t begin der ziekte geve men per varken
eiken morgen en avond 1 messpits van het volgende mengsel: 1 g.
apomorphine, 0.5 g. morphine en 30 g. suiker.
De castratie der jonge beeren en zeugen geschiedt vóór \'t spenen.
Men laat deze over aan een persoon, die van dit werk zijn brood-
winning maakt. Alleen eische men, dat hij zijn instrumenten
voor de operatie ontsmet in een carbolzuur- of lysol-oplossing.
IY. Uitwendige ziekten.
Beleediging der spenen.
Oorzaken. Te scherpe hoektanden der biggen.
Behandeling. De hoektanden der biggen afvijlen. De
wonden behandelen met opl. van 1 g. helschen steen in 20 g. ge-
distilleerd water.
-ocr page 174-
— 173 —
Ontsteking der spenen.
Oorzaken. Stooten, slaan, bijten der biggen.
Verschijnselen. De spenen zwellen op en zijn heet en
pijnlijk. In \'t begin geeft de zeug nog melk, later niet meer. De
zieke speen kan ook verharden en er ontstaat een afhangend ge-
zwel zoo groot als een appel (fig. 118).
Behandeling. Zoo mogelijk de biggen spenen. Op dieet
houden en groenvoeder, wei en wortelgewassen voederen. Bij he-
vige ontsteking smeren met loodzalf. Treedt verharding in, dan
smeren met kamfer* of joodzalf.
Fig. 418.
Verrekkingen.
Oorzaken. Uitglijden.
Verschijnselen. De zieke voet wordt ontzien en de pa-
tient ligt veel. Aanraking veroorzaakt pijn.
Behandeling. Zoolang ontsteking bestaat, behandelen met
azijn en leem. Is dit niet meer het geval, dan dagelijks 2—3 maal
smeren met 100 g. kamferspiritus, 50 g. arnica-tinctuur en 40 g.
tinctuur van Spaansche vliegen. Verder geeft men veel en goed
ligstroo.
-ocr page 175-
— 174 —
Beenbreuk.
Oorzaken. Uitglijden, steken, blijven der voeten in ga-
ton, enz.
Behandeling. Bij loop- en mestvarkens niet loonend.
Alleen bij fokvarkens van hoogo waarde en biggen is genezing te
beproeven. Bij de laatste is het aanbrengen van een in lijm ge-
drenkt windsel voldoende. Bij oudere varkens omwikkelt men de
breuk met een stuk vilt en dit weder met een in vischlijm ge-
drenkten zwachtel. Na 20—28 dagen weekt men dezen met warm
water los. Ook een verband volgens fig. 104 kan goede diensten
bewijzen.
Navelbreuk komt veel voor bij biggen. Vooral bij drachtige
zwijnen komen buikbreuken voor. Bij buikbreuk ziet men aan den
buik een gezwel ter grootte van een appel tot een vuist. Met de
hand kan men \'t binnenbrengen. Bij biggen smeert men de breuk-
plaats, als de breuk binnen is, met terpentijnolie, waarna men er
een dotje werk en een vierhoekig stuk leder oplegt, het laatste met
pek besmeerd.
Bij volwassen varkens kan men ook een breukband aanleggen
(fig. 119).
-ocr page 176-
— 175 -
Jonge beeren krijgen dikwijls een zakbreuk, waarbij men in de
omgeving van den balzak een nu en dan verdwijnend, week ge-
zwel voelt. Zulke breuken moeten door den veearts behandeld
worden. Hij ontsmet handen en instrumenten, wascht den balzak
en zijn omgeving met opl. van 2 g. lysol en \'/2 L. water, doet de
big op den rug leggen, trekt haar omhoog, schuift den darm in de
buikholte terug, castreert en naait de wonde dicht.
Uitzakking van den endeldarm.
Komt veel bij jonge varkens voor en ontstaat door persen en
het omhoog springen tegen den wand van \'t hok.
Behandeling. Reinigen met oplossing van 1 g. gebrande
aluin in 100 g. water, het uitgetreden deel binnenschuiven, met
een zadelmakorsnaald door de aarsopening een 5 m M. breed bandje
trekken en zóó vastknoopen, dat brijige mest nog ontlast kan wor-
den. Ook kan men te werk gaan als bij dezelfde kwaal bij honden.
Men voedert eenige dagen niets dan afgeroomde melk of karne-
melk met enkele gekookte aardappels.
Huiduitslag.
Oorzaken. Onzuivere, vochtige stal, nagelaten huidverple-
ging, slechte samenstelling van het voedermengsel, enz.
V e r s c h ij n s e 1 e n. De huid wordt hard en bedekt met
dikke, grauwe korsten. De patiënt vreet slecht on wordt mager.
Behandeling. Bij gestoorden eetlust inwendig 2 lepels
bitterzout of 1 lepel Karlsbadzout. De korsten weekt men los met
warm zeepwater. Zijn ze verwijderd, dan smeert men de huid
met zoeten room of vaseline.
Ekzoom of blaasjesuitslag.
Oorzaken. Onreine stal, slechte voeding, gebrekkige huid-
verpleging, gebrek aan afwisseling in \'t voeder (vooral bij zoogende
varkens).
Verschijnselen. Roode, ontstoken huid met blaasjes,
die een kleine hoeveelheid vocht ontlasten, welk tot zwarte, pek-
achtige korsten opdroogt.
-ocr page 177-
— 176 —
Behandeling. In een warmen, zuiveren stal brengen.
Veel groenvoeder geven en elke week 2—3 maal 2 g. calomel
door \'t voeder geven. Uitwendig wasschen met carbolzeep of opl.
van 1 g. lysol op 1 L. warm water. Ook met zemelwater wasschen
en met droge zemelen wrijven.
Schurft.
Oorzaak. Schurftmijten (fig. 120).
Verschijnselen. Aan de oog-
leden, de kaken, in de oorstreek, aan
den hals en op den rug en eindelijk
ook aan de binnenvlakten der schenkels
ontstaan droge korstjes. Later vormen
zich grootere korsten, waardoor de huid
zich verdikt en rimpelig wordt.
Behandeling. Korsten met
opl. van groene zeep losweeken en dan
het geheele lichaam, maar vooral de
zieke plaatsen, terdege wasschen met
opl. van 50 g. creolin op 1 L. water.
Deze wassching wordt tweemaal herhaald, eerst na 1 week en dan
na 3 weken.
V. Inwendige ziekten
Keelontsteking.
Oorzaken. Koilvatten, snelle temperatuursverwisseling, enz.
Verschijnselen. Koorts, weinig eetlust, stijve hals,
moeielijke ademhaling, heesche stem, pijnlijke hoest. De patiënt
staat met gestrekten kop en uitgespreide pooten. De snuit wordt
blauwachtig. Niet zelden volgt de dood door verstikking. In ge-
wone gevallen volgt genezing binnen 4—6 dagen.
Behandeling. Dieet. Men geeft karnemelk, zemelslobbe-
ring en inwendig dagelijks 50 g. bitter- of glauberzout door \'t voe-
der. Men smeert den hals eenmaal daags met mengsel van 100 g-
-ocr page 178-
— 177 —
lijnolie en 50 g. salmiakgeest. Ontstaat gevaar voor verstikking,
dan slachten, want het vleesch is meestal bruikbaar.
Maag- en darmcatarrh.
Oorzaken. Overvreten, bedorven voeder, koüvatten, te
snelle overgang van \'t eene voeder op \'t andere.
Verschijnselen. Slechte eetlust, koorts in lichten graad,
droge en heete snuit, heete ooren, hangende staart, wegkruipen en
woelen in \'t ligstroo, braken.
Behandeling. Een braakmiddel ingeven. Wil de patiënt
nog eten, dan 1 g. nieswortelpoeder door \'t voeder. Vreet hij niet
meer, dan door trechter en gummisslang een afkooksel van nies-
wortel (2 g. witte nieswortel en 50 g. water) in den endeldarm
brengen. Keert na braking de eetlust terug, dan geeft men, zoo-
lang verstopping bestaat, zemeldrank met 1—2 lepels glauberzout.
Bij diarrhee slobbering van geroosterd havermeel.
Dar mcatarrh met geelzucht.
Oorzaken. Dezelfde als bij maag- en darmcatarrh en
bovendien galsteenen en wormen in de galwegen.
Verschijnselen. Gebrek aan eetlust, geel worden van
oogen en bek, citroengele urine, zwakte.
Behandeling. Groenvoeder en zemeldrank. Inwendig
2 maal \'/» eetlepel Karlsbadzout.
Doorloop of diarrhee.
Oorzaken. Verkeerd of bedorven voeder, koüvatten, enz.
Verschijnselen. De mest is dunvloeibaar.
Behandeling. Drank van geroosterd haver- of gerstemeel,
gekookte rijst, gebrande en daarna gemalen eikels of paardenka-
stanjes. In hardnekkige gevallen dagelijks 2—3 g. opiumpoeder.
Warm houden en geen koud drinken.
Waterzucht.
Oorzaken. Bloedarmoede, slechte bloedsamenstelling, hart-
of nierziekten.
«Het zieke Huisdier".                                                                      49
< -
-ocr page 179-
— 178 -
Verschijnselen. De buik zet op en zakt door. Drukt
men op den eerste, dan hoort men een eigenaardig geluid. Later
irordt de ademhaling moeielijk en de eetlust neemt af.
Behandeling baat hoogst zelden; slachten. Het vleesch
is waterig en onsmakelijk.
Ingewandswormen.
De patiënt wordt mager bij veel eetlust en raakt spoelwormen
kwijt. Men voedeit hem onrijpe vruchten of zuurkool en gesneden
komkommers.
Gortigheid.
Oorzaken. Vreet het varken
leden van den menschenlintworm,
dan geraken de daarin aanwezige
eieren in de darmen, waar zij zich tot
larven ontwikkelen, die den darmwand
doorboren, zich in de spieren bege-
ven en daar tot blaaswormen uit-
groeicn. Eet de mensen niet gaar ge-
kookt varkensvleesch met blaaswor-
men, zoogenaamd gortig vleesch, dan
ontwikkelt de blaasworm zich weder
tot een lintworm. Fig. 121 stelt een
stukje vleesch met blaaswormen voor.
Verschijnselen. In\'t begin
geen en ook later vaak weinig. Soms
opzwellingen aan den hals, zwakte
in \'t kruis, uitvallen der borstels. In
de meeste gevallen ontdekt men pas
na \'t slachten, dat het varken gortig is.
Behandeling zonder baat. Men tracht te voorkomen, dat
de varkens niet gortig worden door te zorgen, dat zij geen inen-
schenjke uitwerpselen opvreten.
Triohinen.
Oorzaken. In muizen en ratten leeft een kleine draad-
worm, de triohine (fig. 122—» = mannetje; b = een barend wyfje),
-ocr page 180-
— 179 —
welke iicli spiraalvormig opgerold en ingekapseld in de spieren
bevindt.
Worden trichineuse ratten en mui-
zen door varkens verslonden, dan ont-
wikkelt zich in maag en darmen van
de varkens de spiertrichine
tot een ± \'/, c.M. langen draadworm,
die darmtrichine heet. Het
wijfje brengt daar levende jongen
voort (fig. 122—5). Deze doorboren
den (larmwand en komen nn in \'t
vleesch van \'t varken, waar zij zich
spiraalvormig oprollen en zich inhul-
len in een kapsel, dat later verkalkt,
In dit kapsel kunnen de spiertrichinen
tot 11 jaren in \'t leven blijven. Nadat
het wijfje ongeveer 1500 jongen voort-
gebracht heeft, sterft het, evenals het
mannetje.
Eet de mensch niet volkomen
gaar trichineus varkensvleesch, dan
krijgt hij eerst darm- en hiervan spier-
trichinen, die de zoo gevaarlijke tri-
chinose veroorzaken.
Verschijnselen bij \'t var-
ken. Alleen bij jonge trichineuse var-
kens neemt men eerst buikpijn, mat-
heid, gebrek aan eetlust en doorloop
en later stijfheid, gekromden rug en
heesche stem waar. Hebben de spier-
trichinen zich ingekapseld, dan houden
deze verschijnselenj op en \'t varken
Fig. 122.
is weder gezond.
Behandeling. Een genees-
middel is niet bekend. Men zorgt, dat geen ratten in de var-
kenshokken kunnen komen en voedert de zwijnen nooit slachtafval
van hun soortgenooten.
-ocr page 181-
— 180 —
Fig. 123 steltvoor een stukje vleesch waarin zich ingekapselde
spiertriehinen bevinden.
Longwormziekte.
Oorzaken. In do luchtpijp en de longen der varkens leeft
soms een witgrauwe draadworm van 2 —3 cl. lang, die een hard-
nekkige catarrh of ontsteking der luchtpijptakjes veroorzaakt. Dit
diertje legt eieren, die met het hoestslijm naar buiten gebracht
worden en waaruit, als zij op een vochtige plaats aanlanden, weer
luchtpijp wormen ontstaan, waarmode andere varkens besmet kunnen
worden.
Veel hoesten, (vooral onder \'t gaan),
moeielijke ademhaling,
ËÉ
i
wordt hij krachteloos
en mager. De dood
volgt door verstikking
of na lang kwijnen.
Behandeling.
Men doodt de luchtpijp-
wormen door den pa-
tient teerdampen te la-
ten inademen. Daartoe
legt men heete steenen
in een emmer, giet
er teer op en houdt
alles in de nabijheid
van den kop van het
zieke varken, zorgende,
dat het zich niet aan de heete steenen brandt.
Men houdt den patiënt binnen en voedert, behalve gekookte
peen, vooral veel melk en havermoel.
BorBtelziekte of borstelbedcrf.
Oorzaken onbekend. Komt \'t meest voor bij slechte voe-
ding en in ondoelmatige hokken.
-ocr page 182-
— 181 —
Verschijnselen. Het tandvleesch wordt violet en bloedt
licht. De tanden vallen uit, evenals de borstels. Op de huid
ontstaan roode en blauwe vlekken, later zweren. De lijdende die-
ren sterven dikwijls na lang kwijnen.
Behandeling. Droge, warme stal. Bij mooi weder buiten
laten. Men voedert, naast graan, vooral gekookte peen en afge-
roomde melk. Inwendig over \'t voeder 1 g. Ferrum alcoholisatum
(of 0.5 g. Ferrum peptonum), 20 g. zout en 5 g. venkelpoeder per
dag.
Weekheid der beenderen.
Oorzaken. Gebrek aan kalk in \'t voeder, overmatige voe-
dering met aardappels, te vroegtijdige mosting, gebrek aan beweging.
Verschijnselen. Stijfheid, veel
liggen, opzwollingen aan de gewrichten,
kromme beenen (flg. 124 = doorgezakt voor-
been). Later: verminderde eetlust, vermage-
ren, dunne grauwe huid en soms diarrhee.
Behandeling. Gerstemeel of haver-
meel en afgeroomde melk geven. Dagelijks
1 theelepel gepreacipiteerde basisch phos-
phorzure kalk en wat vleeschmeel door \'t
voeder. Ook geve men sterk verdund kalk-
water. Of dagelijks 1 lepel vol van een
mengsel bestaande uit 0.3 g. phosphorus en
100 g. levertraan.
Snuf felziekte.
l*\'ig. 124.                   Oorzaken. Verweeking der neus-
en bovenkaaksbeenderen, tuberculose der
neusbeenderen en hun kanalen, bloedig etterende neuscatarrh.
Verse h ij nselen. Moeielijke ademhaling met een geluid
als bij snuffelen. Eerst hoort men dit alleen tijdens \'t vreten, later
dikwijls voortdurend. Later worden de neus en de snuit krom
(ög. 125).
Behandeling nutteloos en daarom zoo spoedig mogelijk
slachten.
-ocr page 183-
— 182 —
Rheumatisme met longontsteking.
Oorzaken onbekend.
V e r s c h ij n s e 1 e n. De patiënt vreet niet, krijgt koorts,
begint te hoesten en met moeite te ademen. Niet zelden treedt
huiduitslag op. Den tweeden of derden dag wordt hij stijf en be-
gint hij waggelend te gaan.
Behandeling. Dieet. Men voedert melk en een beetje
water, elk afzonderlijk. De stijve ledematen met warme lever-
traan wrijven. Tegen de verstopping 1—2 g. calomel met wat
boter. Men brengt den patiënt in een warmen, doch tuchtigen stal.
Gewrichtsrheumatisme.
Oorzaken onbekend; men zoekt ze in koilvatten.
V e r s c h ij n s o 1 e n. Geen eetlust, matheid, treurigheid, weg-
kruipen in \'t ligstroo. Do pooten worden stijf, het achterdeel wordt
nagesleept, de spieren
en gewrichten worden
gevoelig; als men er
aanraakt, schreeuwt het
zieke dier van pijn.
Behandeling.
In warm, droog hok
brengen, — Inwendig
per dag 2 g. Natrium
Fig. 125.
                               salycylicum, met honig
tot een pil gemaakt.
Bij verstopping bovendien 2 g. calomel. De gevoelige deelen wrij-
ven met mengsel van 100 g. lijnolie en 50 g. salmiakgeest of met
warme levertraan.
Bevangenheid.
Deze ziekte bestaat in een storing der spijsvertering, gepaard
met een rheumatisch lijden.
Oorzaken. Voedering van bedorven of van te veel graan
overmatige voedering met peulvruchten.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Stijfheid, nasleepen der achterpooten,
sidderen, gaan met gekromden rug, veel liggen in \'t stroo met uit-
-ocr page 184-
— 183 —
gestrekte beenen, kermen, gestoorde eetlust, hardnekkige verstop*
ping. De genezen patiënten blijven langen tijd of altijd zwak in
de achterhand.
Behandeling. Geen peulvruchten of graan voederen,
maar aardappels, karnemelk, groenvoeder, zemelslobbering, enz. In-
wendig 2 g. calomel in \'t voeder of dagelijks éénmaal 50 g. bitter-
zout. De stijve deelen met warme levertraan wrijven.
Netelkoorts.
Oorzaken. Waarschijnlijk lagere zwammen, evenwel nog
niet voldoende bekend.
Verschijnselen. Op den rug, de borstzijden, den buik,
het kruis en de bovenschenkels ontstaan vierhoekige of ronde roode
vlekken, ter grootte van een kwartje tot een rijksdaalder. Verder:
koorts, slecht vreten, wegkruipen in \'t stroo matheid.
Deze ziekte wordt licht verward met vlekziekte; bij deze
ziekte zijn de vlekken niet scherp begrensd en bij netelkoorts wel.
Behandeling. Patiënt in een matig warm, tochtvrij hok
brengen. Bij verstopping inwendig 1—2 g. calomel met boter.
Ook zet men klisteeren van lauw water met zout. Men onderhoudt
het zieke dier met lichtverteerbaar voeder.
Besmettelijke varkensziekte.
Oorzaken. Lagere zwammen of bacteriën.
Versehij nselen. Plotseling ophouden van den eetlust en
koorts. De huid van hals en pooten zwelt dikwijls op. De patiënt
hoest en wordt benauwd. Bij slachting vindt men in de longen
roode of groenroode gedeelten, in het midden waarvan zich een
kleine gele vlek bevindt, ter grootte van een hagelkorrel.
Behandeling is te vergeefsch. De voorbehoedmiddelen zijn
dezelfde als bij de vlekziekte.
Zwijnenpest.
Oorzaken. Lagere zwammen, die waarschijnlijk met het
voeder opgenomen worden. Jonge varkens zyn er \'t meest vat-
baar voor.
-ocr page 185-
— 184 —
Verschijnselen. Matheid, hangende staart, wegkruipen
in \'t stroo. De patiënt wil niet opstaan, heeft geen eetlust, lijdt
aan bloedige, stinkende diarrhee, vermagert en krijgt een heesche
stem. Zijn oogleden kleven door slijm aan elkaar en aan tong, ver-
hemelte en de binnenzijde der kaken krijgt hij zweren. Meestal
sterft hij na 5—8 dagen onder krampen en stuiptrekkingen.
Behandeling niet aan te raden, omdat de genezende die-
ren nog langen tijd de gezonde kunnen besmetten. De voorbe-
hoedmiddelen zijn weder dezelfde als voor vlekziekte.
Tuberculose.
Oorzaken. Voedering van ongekookte melk, wei, enz., of
van rauwe slachtafval, afkomstig van tuberculeus rundvee. Verflj-
ning, familieteelt en gebrek aan beweging maken de varkens meer
dan andere vatbaar voor tuberculose.
Verschijnselen. Veel vreten en toch niet gedijen, dik-
wijls ongeneeslijke diarrhee. Zoodra de longen tuberculeus zijn,
begint de patiënt te hoesten. Bij slachting bemerkt men in den
darm kleinere of grootere zweren. In de longen vindt men ver-
scheidene groote knobbels, waaruit bij \'t doorsnijden een taaie, ka-
zige etter vloeit. Behalve deze vindt men nog kleine, grauwe of
gele tuberkels ter grootte van een hagelkorrel.
Behandeling. Tuberculose is tot heden ongeneeslijk en
daarom moet men varkens, zoodra men ze van tuberculose ver-
denkt, slachten. Of \'t vleesch, goed gaar gekookt, al of niet ge-
geten mag worden, moet de keurmeester uitmaken.
Voorbehoedmiddelen. Men voedere geen melk of
wei, die niet tot 80° C. verhit is, geen centrifugeslib en geen slacht-
afval in ongekookten toestand van tuberculeuse dieren. Men be-
last geen teringlijders met de zorg voor de varkens, men drijve
geen familieteelt, men geve den varkens, zoolang zij niet gemest
worden, veel gelegenheid om zich te bewegen.
Heeft men tuberculeuse varkens, dan ruimt men alle varkens
op en alvorens andere te koopen ontsmet men de hokken met opl.
van 10 g. creolin in 1 L. heet water.
Voor vlekziekte zie men liet hoofdstuk over «Besmettelijke
ziekten".
-ocr page 186-
Q> I ÜO @ NI ©.
I. Kenteekeiien der gezondheid.
De beharing moet fijn zijn en de huiduitwaseming van kort-
harige honden mag niet stinken. De huid moet gelijkmatig warm
zijn. Gezwellen in de huid, waarin na vingerdruk een tijdlang een
kuiltje terugblijft, wijzen op waterzucht. De neus moet vochtig en
koud zijn. Is dit niet het geval, dan heeft de hond koorts. De
tong van den gezonden hond is bleekrood. Stinkt de hond uit den
bek, dan heeft hij slechte tanden
of hij lijdt aan verzwering in de
longen. Uit de oogen mag geen
etterachtige of slijmerige vloeistof
te voorschijn komen.
Legt men de vlakke hand
tegen den linkerborst, vlak achter
den elleboog, dan voelt men den
hartslag. Men telt bij middelgroote,
Fig. 426.                     gezonde honden, 70—80 en bij
kleine 100 en meer polsslagen
per minuut. Het aantal ademhalingen bedraagt, als de hond niet
ziek is, al naar de grootte, 12—30 per minuut. De ademhaling
mag niet gepaard gaan met buitengewone beweging der ribben.
Bij druk op den buik mag de hond geen pijn hebben, terwijl de
temperatuur in den endeldarm, opgenomen met een kleinen ma-
ximaal-thermometer (fig. 99) niet meer dan 39» C. mag bedragen.
Vreet de hond 1la dag niets of weinig, is hij weinig opgewekt,
niet levendig, dan heeft hij zich overvreten, hij lijdt aan verstopping
of hij heeft te weinig beweging genomen. Keert de eetlust na 1 dag
niet terug, dan is hij ziek.
-ocr page 187-
— 186 —
Vreet de hond veel vleesoh, dan is do mest zwart en vast,
doch oet hij veel plantenkost, dan zijn do uitwerpselen geelachtig
en week en krijgt hij veol beenderen, dan zijn zo hard en wit.
Zijn ze bloedig, dan lijdt hij dikwijls aan darmontsteking. Do ge-
zonde hond loost gemakkelijk urine. Is dit niet het geval, dan
moet aan vernauwing der pisbuis of een andere kwaal gedacht
worden Hooft do hond bij hot loozon dor urine pijn, dan lijdt zij
aan een blaasziokte of aan buikvliosontsteking. Normale urine is
zeer waterig en geel of geelrood, van kleur.
II. Hu i d ve r p 1 egi n g.
Fijne rashonden kunnen niet togen herhaald wasschon in koud
water. Jonge honden moeten niet te vroeg in \'t water gebracht
worden; ze loopen dan gevaar longontsteking, borstcatarrh of stui-
pen te krijgen. Vooral de das- of takshond is zeer gevoelig voor
water. Kortharigo honden eischen geen bijzondere huidverpleging,
het wasschen is echter dikwijls noodig mot het oog op \'t op de
huid levende ongedierte. Honden met steile haren of langharige
honden moeten eenmaal in de week gekamd on geborsteld worden
en wel in de richting tegenovergesteld aan die, waarin de haren
staan of liggen. De borstel wordt 24 uren vóór \'t gebruik met 20
droppels terpentijnolie bevochtigd; deze mag echter niet op de huid
komen.
Zijn langharige honden vuil op de huid, dan moeten ze gewas-
schen worden, doch dan op een warmen dag of in een warme ruimte
met warm water en groene zeep. \'s Zomers kan men ze ook laten
zwemmen, mits zij hierna in den warmen zonneschijn veel bewe-
ging kunnen nemen.
Op den hond leeft veel en velerlei ongedierte.
1.      De hondenvloo (fig. 126) en de m e n s c h e n v 1 o o.
2.     De hondenluis (fig. 127). Deze leeft van bloed, boort
zich met haar snuit in de huid en veroorzaakt haren hospes
ondraaglijke jeuk.
3.     De honden haarl nis leeft van haren en opperhuidschil-
fers. Ook deze veroorzaakt jeuk. Men kan al deze parasieten
-ocr page 188-
— 187 —
dooden door den hond te wasschen met een mengsel van 15 g.
aloë-tinctuur op 1 L. water. Vóór \'t opdrogen moet het haar
goed uitgekamd worden.
Een goed middel is ook een opl. van 5 g. ereolin of 5 g. lysol
op 1 L. water.
Door \'t blazen of strooien van insectenpoeder tusschen de haren
worden de luizen en vlooien slechts bedwelmd. Daarom moet
men den hond na de behandeling veel beweging verschaffen. Een
afkooksel van 100 g. slechte tabak in 1 L. water kan eveneens
goede diensten bewijzen tegen vlooien en luizen.
inm
Fig. 127.
Kig. 128.
4. De t e e k (fig. 129) houdt zich op in het struikgewas en gaat
over op de honden, die zich daarin bewegen. Zij boort zich
in de huid en zuigt bloed, tengevolge, waarvan haar achterlijf
verbazend opzwelt. Wil men de teek uittrekken, dan breekt het
achterlijf af on de voorste deelen blijven in de huid zitten, waar
zij dikwijls de oorzaak van verzwering worden.
Laat men op iedere teek een druppel benzine of terpentijnolie
vallen, dan laten de woekerdieren los en kunnen ze gemakkelijk
uit de haren verwijderd worden.
Heeft de hond weinig beweging, dan slijten de klauwen niet
genoeg af; zij groeien naar binnen en veroorzaken veel pijn. Men
nijpt te lange klauwen met een scherpe nijptang af of men neemt een
-ocr page 189-
— 188 —
stukje af met een dun, scherp zaagje, waarna ze met een vijl glad
gemaakt worden. Nimmer knippe men ze met een schaar; de
klauwen splijten dan dikwijls. Ontstaat bij het inkorten der nagels
een geringe bloeding, dan bevestigt men er met een draad wat
salicylwatten om.
III. Verloskunde.
1. Verpleging der fokteef.
De teef wordt voor \'t eerst loopsch als zij 7—8 maanden oud
is, doch men late haar niet dekken vóór zij 15—18 maanden telt.
Bij niet bevruchting wordt zij na \'/» jaar weder loopsch. Men her-
kent de loopsche teef aan haar onrust, haar ongehoorzaamheid en
de opzwelling harer geslachtsdeelen, waaruit een bloedige, slijmige
massa vloeit. Het dekken geschiedt bij voorkeur 8 dagen na het
begin der tochtigheid.
Men brengt de teef bij een reu, die
niet meer dan tweemaal \'s weeks dekt.
Is de teef drachtig, dan wordt zij we-
der rustiger, volgzamer en krijgt zij
meer eetlust. Na eenige weken zwelt
de uier en wordt de buik zwaarder. In
de 7d° week zwellen ook de uitwendige
schaamdeelen en vloeit hieruit vocht.
Van af de 5d° week der drachtigheid
houde men zich aan de volgende re-
Fig. 129.
                 gelen:
Men laat de teef niet met een rij-
tuig medeloopen, veel minder met een tram of een vélocipède.
Men hitst de teef niet aan en belet haar over hekken en slooten
te springen. Men geeft haar geen slagen, stooten of schoppen te-
gen den buik en laat haar niet in koud water gaan. Wel verschaft
men haar veel beweging en 3 maal daags goed, krachtig voedsel,
bestaande uit hondenvleeschbrood, gekookte rundermaag of runder-
lever, enz. Men geeft de teef 2—8 maal per week een messpits
-ocr page 190-
— 189 —
vol phosphorzure kalk door haar voeder. Melkspijzen mag ze vol-
strekt niet hebben en vooral niet, wanneer de uitwerpselen week
zijn. Zwelt de uier op, dan wascht men dien van tijd tot tijd met
lauw water en arnicatinctuur (10 g. arnicatinctuur op \'h L. warm
water).
2. Hulp bij de geboorte.
De dracht duurt 61—63 dagen. Tusschen den bS\'ien en den
gQiten (]ag geeft men de teef gelegenheid in een kist of een mandje
te gaan liggen. Dit kraambed wordt in een rustige, luchtige kamer
met een temperatuur van 15 a 17y2° C. geplaatst. Het spreekt
vanzelf, dat men in kist of mand een zacht leger moet spreiden,
liefst stroo, met wat insectenpoeder bestrooid. Lijdt de teef aan
verstopping, dan geeft men haar 1—2 eetlepels wonderolie met wat
bouillon.
Kort vóór de geboorte wordt de teef onrustig. Na de geboorte
van het eerste jong bijt zij de navelstreng door, likt haar kind af
en vreet dikwijls de nageboorte op. Na \'A—:>h uur komt meestal
weer een jong.
Moeielijke geboorten komen bij teven zelden voor. Soms even-
wel is het bekken te nauw, zijn de jongen zeer groot, liggen deze
verkeerd, heeft de teef geen weeën, enz. In \'t laatste geval geeft
men haar om de 10 minuten 1—2 eetlepels bisschop of warmen
wijn. Zijn de jongen te groot of liggen zij verkeerd, dan ontbiedt
men den veearts. Is deze niet bij de hand, clan handelt men als
volgt:
Men neemt een \'/, c.M. breed, linnen bandje en een uitgegloeid
ijzerdraad en tracht dit aan het naar voren liggende deel van het
jong te bevestigen. Men tracht het bandje of het ijzerdraad met
den wijsvinger om den nek te brengen. Daarna worden de beide
einden van het bandje door een metalen buisje of een riet gestoken
(fig. 130), dat tot aan de keel van het jong naar binnen wordt ge-
bracht. Vervolgens wordt de draad om den wijsvinger gewonden
en met de buis aangetrokken.
De teef vreet soms haar jongen op; heeft men dit bij onder-
vinding, dan legt men haar een muilkorf aan.
-ocr page 191-
— 100 —
3. Zorg voor de teef en haar jongen
na de geboorte.
De jongen komen blind ter wereld; toch vinden zij gemakke-
lyk de tepels. Zijn ze wat onbeholpen, dan legt men ze er aan,
doch zóó, dat de zwakste de borst- en de andere de buiktepels
krijgen.
Na 14 dagen openen zij in den regel de oogeh. Geschiedt dit
niet, dan wascht men de oogleden met een opl. van 1 g. boorzuur
op 100 g. warm water, waarna men ze met de vingers voorzichtig
van elkander haalt. Zijn de oogleden met elkaar
vergroeid, dan. kan de veearts ze van elkaar
snijden. Heeft een teef moer dan 5 jongen,
dan handelt men meestal verstandig, als men na
eenige dagen die meerdere doodt. Men kan ze
ook opkweeken met geitenmelk, met suikerwa-
ter verdund.
Do zoogende teef moet krachtig gevoed
worden, doch ze mag maar oen beperkte hoe-
veelheid molk ontvangen. Men dwingt haar
ook goregeld beweging te nemen, anders krijgt
zij verstopping. Zijn haar tepels door de tand-
jes der jongen beleedigd, dan wascht men ze,
indien ze slechts oppervlakkig zijn, met opl. van
5 g. boorzuur in 100 g. warm water. Bij ver-
zwering met dezelfde opl. behandelen en daar-
bij 1 maal daags met een opl. van 0.5 g. hel-
schen steen in 50 g. water.
De gespeende hondjes geeft men 5 maal
Fig. 430.
daags geitenmelk met wat tarwemeel, tot brij
gekookt. Na 12 weken kan men ze geweekt
brood, groonten- en vleeschafval geven, terwijl men ze beenderen
geeft om aan te knagen, doch niet te veel, opdat ze geen verstop-
ping krijgen. Krijgen ze diarrhee, dan geeft men 10 droppels
opium-tinctuur met wat suiker, terwijl men ze de melk onthoudt.
Ze moeten dan mot bijna droog gekookte rijst en mager rundvleesch
gevoed worden, waarbij men ze wat krijtpoeder geeft.
-ocr page 192-
— 191 —
Gedurende de tandwisseling kunnen de jonge honden verschil-
lende ziekten krijgen. Hebben zij kramp, dan geeft men om de 3
uren 3 theelepels tot een eetlepel (al naar de grootte) van een
mengsel, bestaande uit 10 g. broomnatrium en 150 g. venkel water,
De reuen worden dikwijls gecastreerd. Men reinigt den bal-
zak, pakt dezen met wijs vinger en duim zóó, dat de huid sterk ge-
spannen is en maakt met een scherp mes een overlangsche snede.
Met een schaar wordt dan de verbindingshuid zoover van de zaad-
streng losgemaakt, dat men er een sterken zijden draad om kan leg-
gen. Ongeveer 1 c.M. onder den draad wordt de zaadstreng door-
gesneden. De huidwond wordt gereinigd met een opl. van 1 g.
boorzuur in 50 g. water en dichtgenaaid. Een klein eindje der
snede wordt opengelaten met hot oog op do vorming van vloeistof.
Ook teven worden wel gecastreerd. Te voren sluit men den
bek met een touw of band (fig. 131).
l\'ig. 131.
Men maakt in de rechterflank of in het midden van den buik,
nadat de betreffende plaats goed gereinigd is, een insnijding. Met
den goed gereinigden wijsvinger doorboort men nu het buik vlies
en zoekt men den eierstok. Deze wordt naar buiten gehaald en
met een schaar afgeknipt. "Wat nog buitenhangt wordt binnenge-
bracht, waarna men de wonde dichtnaait. De operatie moet over-
gelaten worden aan iemand, die van \'t castreeren een beroep maakt.
Vóór de operatie moet de teef 24 uren vasten. Castreert men een
teef, terwijl zij loopsch is, dan loopt ze gevaar tengevolge der
operatie te sterven.
-ocr page 193-
— 192 —
IV. uitwendige ziekten.
Beleedigingen.
Behandeling. Zijn ze heet en pijnlijk, dan met ijskoud
water behandelen. Heeft zich ter plaatse van de beleediging vloei-
stof onder de huid verzameld, zoodat men een weeke, ronde buil
ziet, dan opent men deze op de diepste plaats. Na het wegloopen
der verzamelde vloeistof vult men de holte op met watten, die
met jodoform bestrooid zijn. In \'t begin wordt het verband l—2
maal daags, later om den anderen dag vernieuwd. De hond krijgt
een muilkorf (fig. 132) aan, welke hem belet de zieke deelen te
likken.
Kwetsing van de eeltballen der voeten.
Oorzaken. Scherpe kiezel, glasscherven, ruwe steenen, te
veel loopen in \'t water.
Verschijnselen. Hinken.
Aan de ballen ziet men scheuren, won-
den of zweren, soms ook opzwelling
en loslaten der opperhuid.
Behandeling. Men baadt
den voet in boorzuur-oplossing (20 g.
|.-ig 132.
                  boorzuur op 1 L. warm water), droogt
hem af en bestrooit hem met mengsel
van 1 g. looizuur en 10 g. aardappelmeel. Dan omwikkelt men
met watten en legt men er een verband om (fig. 133). Dit wordt in
\'t begin dagelijks vernieuwd en later om den derden dag. Wil de
patiënt zijn poot niet in de warme boorzuur-opl. houden, dan be-
vochtigt men don zieken voet er herhaaldelijk mede.
Ontsteking van den bek.
Oorzaken. Beleediging, branden, moeielijk tanden krijgen, enz.
Versehijnsolen. Voorzichtig vreten en het laten liggen
van grootere stukken, pijn bij het kauwen, overvloedige slijmafzon-
dering. Geneest in gewone gevallen bij oordeelkundige behande-
ling spoedig.
-ocr page 194-
— 193 —
Behandeling. Mondholte wasschen met opl. van 1 g.
overmangaanzure kali in\'/j L. warm water of penseelen met meng-
sel van 2 g. boorzuur en 40 g. warmen, dunvloeibaren honig ot
van 1 lepel citroensap en 1 kopje water. Is \'t tandvleesch los, dan
penseelt men dit met mengsel van 1 g. looizuur en 20 g. glyce-
rine. Men geeft voeder, dat weinig of niet gekauwd behoeft te
worden, zooals meelbrij, soep, enz.
Mondzweren.
Komen \'t meest voor bij oudere en fijnere honden.
Oorzaken. Meestal zieke tanden.
Verschij nselen. Het tandvleesch geraakt los en komt
in verzwering; de tanden vallen uit. Weldra zijn ook de kaken
en de lippen met zweren bezet. De patiënt stinkt uit den bek.
Het speeksel loopt in dra-
den uit den bek. De
eetlust is meestal goed,
doch de hond vermijdt
het kauwen, daar dit hem
pijn veroorzaakt. In ern-
stige gevallen krijgt hij
koorts en loopt hij gevaar
aan (bloedvergiftiging te
sterven.
Behandeling.
Alle zieke tanden uit-
trekken. Kan men nier-
toe niet besluiten, dan
                              Fig. <33.
den hond afmaken. Na
verwijdering der tanden de mondholte spoelen met opl. van 0.5 g.
overmangaanzure kali in 100 g. warm water. De zweren worden
3 maal daags behandeld met opl. van 10 g. myrrhe-tinctuur en 30 g.
warm water. In plaats van myrrhe-tinctuur kan men ook citroen-
sap nemen en wel 1 lepel vol op 1 kopje water.
Tandpij n.
Oorzaken. Tandfistels, zieke tanden, ettering in \'t tand-
vleesch, enz.
.Het zieke Huudier".                                                                              43
-ocr page 195-
— 194 —
Verschijnselen. Slecht vreten, geopende bek, speeksel-
vloeiingen. Wil men den patiënt in den bek zien, dan verzet hij
zich. Klopt men met een sleutel op den zieken tand, clan begint
hij te huilen. De fistels breken dikwijls onder het ooglid door.
Behandeling. Don zieken tand wegnemen. Verdere be-
handeling als bij mondzweren.
Beleediging der tong.
Oorzaken. Beensplinters, naalden, stukjes metaal, enz.
Behandelin g. Kleine beleedigingen heelon vanzelf. Groo-
tere penseelt men dagelijks met opl. van 0.5 g. helschen steen in
25 g. water of met verdund citroensap.
Kikvorschgezwel.
Bij den hond komt onder de tong in de nabijheid van het
tongtoompjo een vingerdik, blauwrood, week, met taai slijm gevulde
gezwel voor. Het hindert den hond bij \'t vreten.
Behandeling. Gezwel met naald doorsteken en mot de
schaar de dunne huid wegknippen, opdat de blaas niet meer kan
dichtgroeien.
Vreemde voorwerpen in den slokdarm.
Oorzaken. Inslikken van beensplinters, steentjes, naalden,
harde stukken vleesch of kraakbeen.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Onrust, speekselen, hoesten. Zit het
voorwerp boven in den slokdarm, dan krabt de patiënt met de poo-
ten op de plaats, waar het zich bevindt.
Behandeling. Van tijd tot tijd een lepel olie ingeven.
Helpt dit niet, dan den veearts ontbieden.
Oogontsteking
(Ontsteking van hot bindvlies).
Oorzaken. Koude, scherpe wind, indringen van stof on
haren, enz.
V e r s e h ij n s e 1 e n. De oogen zijn rood en de oogleden zijn
door slijmige etter aan elkaar gekleefd. De hond heeft jeuk.
Behandeling. De oogen dagelijks 2—3 maal wasschen
-ocr page 196-
— 195 —
mot opl. van 5 g. zinkvitriool in 1 L. kamillenthee. Helpt dit niet,
dan wat in \'t oog blazen van een mengsel, bestaande uit 3 g. ca-
loinel en ó g. poedersuiker. Bij lichtschuwheid het oog penseelen
met mengsel van 5 g. opium-tinctuur en 10 g. gomoplossing.
Ontstoking van het hoornvlies.
O o r z a k e n. Ontsteking der oogleden, indringen van vreemde
voorwerpen, enz. Dikwijls is do oorzaak niet te bepalen.
V e r s c h ij n s o 1 o n. De hoornliuid lijkt geheel of gedeelte-
lijk blauwgroen of geelblauw. Verder: tranenvloed en lichtschuwheid.
Behandeling.
Het oog dagelijks bestrij-
ken met opl. van 0.5 g.
helschen steen in 15 g.
gedistilleerd water.
Uitwendige oorworm.
Oorzaken. Bijt-
wonden aan de oorschel-
pen, verergerd door schud-
den met de ooren.
V e r s c h ij n s e 1 e n.
De hond houdt den kop
scheef naar den kant van
\'t zieke oor; hij schudt
met den kop en krabt het
zieke oor. In \'t oor vindt
Fig. 134.
men een kleine, dikwijls
driehoekige zweer, die
en licht bloedt.
met een zwartbruine roof bedekt is
Behandeling. De zieke plaats bepoederen met mengsel
van 0.5 g jodoform en 1 g. looizuur, het oor in salicylwatten wik-
kelen en een driehookigen doek om den kop binden (fig. 134). Of
penseelen met een 5% opl. van helschen steen. Afdoend is het uit-
snijden van het zieke deel en het dichtnaaien der gemaakte opening.
-ocr page 197-
— 196 —
Inwendige oorworm
Oorzaken. Ophooping van oorsmeer en huidschilfers in den
gehoorgang, enz.
V e r s c h ij n s e 1 e n. De hond schudt voortdurend met den
kop en houdt hem scheef. De voet der ooren is heet en bij druk-
king op de ooren huilt de patiënt of tracht hij te bijten. De ge-
hoorgang bevat een miskleurige, stinkende massa. Zuivert men
den gehoorgang, dan blijkt de huid hiervan rood en gezwollen of
zelfs zwerend.
Behandeling. Gehoorgang zuiveren met lauwwarm zeep-
water door middel van een oorspuitje met bol- of eivormig mond-
stuk. Don uitwendigen gehoorgang bepoederen met mengsel van 10
g. boorzuur en 30 g. aardappelmeel. Na 3 dagen uitspoeling en be-
poedering herhalen. In ernstige gevallen dagelijks 2—3 maal
spuiten met een mengsel van 2 g. looizuur en 50 g. glycerine.
Wonden.
Behandeling. Grootere wonden bij kostbare honden moe-
ten behandeld worden door den veearts. Tot de komst van dezen
handelt men als volgt:
Men tracht de bloeding te stillen. Is deze zeer gering of ge-
stild, dan reinigt men de wond met een opl. van 30 g. lysol in
1 L. warm water, na van te voren de haren in de omgeving te
hebben weggeknipt. Na het reinigen moet de wond genaaid wor-
den met garen of zijde, gedoopt in een 1% lysol-oplossing. Bij op-
pervlakkige wonden past men de droge behandeling toe door ze te
stippen met helschen en daarna te bestrooien met mengsel van 0.5 g.
jodoform, 5 g. looizuur en 3 g. zetmeel of van 1 g. creolin en 50 g.
boorzuur. De patiënt mag zich niet likken en daarom doet men
hem een muilkorf aan (fig. 132).
Zweren.
Hieronder verstaan wij wonden, die moeielijk heelen. Ze zijn
oppervlakkig of pijpvormig. In \'t laatste geval heeten ze fistels.
Behandeling. Bestrooien met een mengsel van 1 g. jo-
-ocr page 198-
— 197 —
cloform (of 1 g. looizuur) en 5 g. aardappelmeel, waarbij de muil-
korf Iwordt aangelegd. Een fistel moeten opengespleten en met
jodoform bestrooid worden.
G-ewrichtsverstuikingen.
Hierdoor verstaat men een voorbijgaande verschuiving van
twee beenhoofden, die een gewricht vormen met of zonder ver-
scheuring der gewrichtsbanden.
V e r s c h ij n s e 1 e n. De hond loopt kreupel: dit gaat spoedig
over, maar keert in sterkere mate terug, als het zieke deel begint
te zwellen. Bij druk hierop heeft de patiënt pijn.
Behandeling. Omslagen met koud water, ijswater, lood-
water, enz. Om de 10 minuten moet het aangelegde verband be-
vochtigd worden. Vermindert de zwelling, dan kan men ook met
kamferspiritus wrijven. In ernstige gevallen een lijm verband (bladz.
115). De patiënt moet een muilkorf dragen.
Verrekkingon.
Hieronder verstaat men verschuiving van twee gewrichtshoofden,
die zonder hulp hun plaats niet weer innemen.
Verschijnselen. Kreupelheid, onbuigbaarheid in \'t ge-
wiïcht. Onderzoekt men met de hand, dan vindt men een beenuit-
steeksel, waar dit niet behoort.
Behandeling. Gewrichtshoofden op hun plaats brengen.
(Dit moet de leek meestal aan den veearts overlaten). Men legt
den hond op de tafel, bindt hem den bek (fig. 131) en laat hem
vasthouden. Men trekt sterk aan den verrekten poot, terwijl men
door drukking op de gewrichtshoofden de beenderen op hun plaats
tracht te brengen. Is dit geschied, dan legt men een lijmverband
aan, dat 8—14 dagen moet blijven liggen. Na dien tijd wrijft men
dagelijks 1—2 maal met kamferspiritus.
Vorrekking der knieschijf bij kleine honden.
Oorzaak. Te kleine mand. Komt vooral bij windhondjes
voor.
Verschijnselen. De knieschijf is buiten- of binnenwaarts
afgeweken.
-ocr page 199-
— 198 —
Behandeling. Vlijtig wrijven met oen mengsel van 100 g.
kamferspiritus en 10 g. tinctuur van Spaansche vliegen Een groo-
tere mand om in te liggen.
Beenbreuk,
Oorzaken. Slaan, stooten, springen, enz. Komt vooral voor
bij zeer jonge en zeer oude honden.
Verse h ij nselon. Het gebroken been wordt ontzien; bij
aanraking toont de patiënt pijn te hebben. Ook hoort men bij be-
weging der gebroken beenderen geknars. Dikwijls neemt men zwel-
ling, koorts en vermindering van den eetlust waar.
Bohandolin g. liet »zotten" moet aan een deskundige
worden toevertrouwd. Wil men dit zelf doen, dan handelt men als
bij verrekkingen (bladz. 197). De patiënt hoeft daarbij veel pijn,
waarom men hem met brooinaother bedwelmt of verdooft. Na
het zetten wordt een verband gelegd. Men omwikkelt de breuk
met watten en een stuk stijf laken. Hierop bevestigt men, als de
breuk zich aan het scheenbeen bevindt, stukken hout in den vorm
van een halven hollen cilin-
der (fig. 147). In plaats
hiervan kan men ook in
warme vischlijm gedoopte
zwachtels gebruiken. Voor de
stevigheid kan men dan stroo-
ken asphaltpapier nomen. De
patiënt moet gemuilkorfd
blijven tot het verband weg-
genomen kan worden, wat
na ongeveer 4 weken het
geval is.
Kro pgezwel.
Oorzaken. Onbe-
Fig. <35.
kend. Hartkwalen schijnen
er mede in verband te staan.
Verschijnselen. Een gezwel aan de voorzijde van het
strottenhoofd (fig. 135). Het is soms hard, soms meer of minder
-ocr page 200-
— 199
weck. Hot kan zich tot aan den borstingang uitstrekken on de
ademhaling zeei\' beinoeielijken.
Behandeling. Is de krop hard, dan 2 maal daags smeren
met zalf van 1 g. joodkali en 15 g. reuzel of van 1 g. jodoform en
10 g. reuzel. Is de krop zeer week, dan opensnijden en opvullen
met watten, die met een mengsel van 1 g. jodoform, 2 g. looizuur
en 3 g. aardappelmeel bestrooid zijn. Wil harde krop door smeren
niet verdwijnen, dan uitsnijden, doch de schildklier mag niet ge-
hoel weggenomen worden.
Wratten.
Deze komen vooral voor aan den kop on op den rug.
Behandeling. Zijn ze gesteold, dan afbinden.
Uitzakking van den endeldarm.
Oorzake n. Sterk persen bij
verstopping of diarrhee. Komt veel
voor bij jonge honden, die aan darm-
catarrh lijden.
"V e r s c h ij n s e 1 e n. Uit de
aars treedt bij \'t persen een donkerrood,
geplooid gezwel te voorschijn, dat we-
der verdwijnt, als het persen ophoudt.
In ernstige gevallen ziet men onder
den staart een afhangend, worstvor-
mig, rood gezwel.
Behando 1 in g. Patiënt met
de achterbeenen omhoog heffen, uitge-
treden deel met aluinwater (10 g.
tig. «36.
aluin, i/2 L. water) reinigen en met
den vinger binnenbrengen. Dan zóó
dichtnaaien, dat brijige mest ontlast kan worden (lig. 136). Bij
a is aangetoond, hoe het naaien geschiedt; bij b is te zien, hoe de
beide einden van het bandje worden vastgemaakt. Lijdt de hond
aan verstopping, dan geeft men hem, al naar de grootte, 1—3 lepels
glauberzout. Heeft hij diarrhee, dan geeft men hem 20—40 drop-
pels opium-tinctuur. Een muilkorf aandoen.
-ocr page 201-
— 200 —
Uitzakking der scheed e.
Oorzaken. Sterk persen na de geboorte, enz. Komt ook
voor bij teven, die niet pas gejongd hebben. Niet zelden zijn ge-
zwellen in de scheedo de oorzaak.
Versehij nselen. Uit de schaamspleet komt een rood ge-
zwel, soms zoo groot als een appel.
Behandeling. Reinigen met 2/3 water en \'/3 azijn, binnen-
brengen en dichtnaaien.
Is de draagzak uitgetreden, dan ziet het er ernstiger uit. Vaak
moet het uitgetreden deel afgesneden worden, natuurlijk door den
veearts.
Insnooring van den eikel.
Is de voorhuid te nauw, dan gebeurt het soms, dat de eikel,
uit de voorhuid te voorschijn te zijn gekomen, ni^t moer terug kan.
Hij wordt blauwrood en zwelt op. Niet zelden wordt hij brandig
en sterft hij af.
Behandeling. Omslagen met
koud water en azijn of van 10 g. ge-
brande aluin en 100 g. water. Door
voorzichtig strijken tracht men het in
den eikel opgehoopte bloed te ver\\vijde-
ren. Ten slotte brengt men dan den
eikel met den duim in de voorhuid te-
rug. Soms is \'t noodig de voorhuid
open te snijden.
Navelbreuk.
Deze is aangeboren of ontstaat kort
na de de geboorte.
Verschij nselen. In\'t midden van den buik bevindt zich
een gezwel, zoo groot als een hazelnoot; het laat zich gemakkelijk
in de buikholte terugbrengen. Kleine navelbreuken bij jonge hon-
den genezen meestal vanzelf.
Behandeling. Patiënt op den rug leggen, breuk en om-
geving met aether wasschen, op de binnengebrachte breuk een
weinig watten leggen en hierover een kleefpleister.
\'
-ocr page 202-
— 201 —
Iiiesbreuk bij reuen.
Verschijnselen. Boven den balzak bevindt zich een
langrond, onpi.jnli.jk gozwel, dat verdwijnt, als men den hand op den
rug legt.
Behandeling. Castreeren.
Verbranding der buid.
B e h a n d e 1 i n g. Hebben zich brandblazen gevormd en zijn
deze gebarsten, dan bestrijkt men de van de opperhuid ontdane
plekken met versch eiwit. Bovendien kan men de zieke plaatsen
Fig.;M38.
betten met een mengsel van 100 g. kalkwater en 100 g. lijnolie.
Is een grooter deel der huid diep aangedaan, dan maakt men om-
slagen van boorwater (10 g. boorzuur en 250 g. warm water). Men
doet den patiënt een muilkorf aan.
Bevriezen der huid.
In lichtere gevallen smeren met kamferspiritus of petroleum.
Sterft een deel der huid weg, dan omslagen met opl. van 1 g. lysol
in 2 L. water.
Schurft.
Oorzaken. Wordt veroorzaakt door schurftinrjten (fig. 137),
die gangen in de huid graven (fig. 138).
-ocr page 203-
— 202 —
Verschijnselen. Aan kop, hals, benedenborst, staart en
pooten ontstaan kleine puistjes, die een kleverig vocht uitscheiden.
De huid raakt in ontsteking en door het voortdurend schuren en
krabben van den hond ontstaan zweren en huidverdikkingen. Do
patiënt heeft vooral jeuk, als hij warm is.
Behandelin g. Langharige honden eerst scheren. Den
patiënt geheel met groene zeep smeren en dan flink wasschen met
warm water en een borstel. Het geheele lichaam wordt in drie
gedeelten ingesmeerd met een zalf bestaande uit 2 g. creolin, 2 g.
groene zeep, en 20 g. spiritus of met 2 g.
lysol en 25 g. parafinezalf. Ieder derde deel
wordt twee dagen na elkaar met dezelfde
zalf behandeld. Het laatste 3dc deel wordt
dus op den zesden dag voor de tweede maal
ingesmeerd. Op den 9den dag wordt het ge-
heelo lichaam met groene zeep en warm
water afgewasschen.
Kleine en zwakke honden smeert men
liever met 10 g. Peru-balsem en 3 g. glycerine.
Mand of hok, halsband, enz. worden
verbrand of met sodaloog ontsmet.
Haarwortelmrjt-uitslag.
Oorzaken. Haarwortelmijten (Acarus
Fig. \'.3\'J.             folliculorum, fig. 139). Deze leven in de haar-
zakjes en de smeerklieren der huid en ver-
oorzaken zweren, ettering en uitvallen der haren.
Verschijnselen. Aan kop, keel en pooten ontstaan huid-
verdikkingen en valt het haar uit. Op de verdikte plaatsen vormen
zich blauwroode puistjes, die een roodachtigen, op otter gel ij kenden
inhoud ontlasten. Veel jeuk heeft de patiënt niet.
Behandeling. De kwaal is moeielijk te genezen, omdat
de mijten moeielijk te bereiken zijn. Men smeert de zieke plaatsen
om den anderen dag met Peru-balsem, voor \'/, met glycerine ver-
dund. Sublimaat-oplossingen (vergif), die èn voor den hond èn in
de hand van den leek gevaarluk zyn, helpen dikwijls beter.
-ocr page 204-
— 203 —
Dauw- of haarworm.
Oorzaken. Een lagere zwam in de opperhuid en de haar-
zakjes.
Verschijnselen. Kleine, kale, ronde plekken, die zich
tot grootere kunnen vereenigen. Hierop vormen zich dan vuilgrauwe
schubben, waaruit ten slotte dikke korsten ontstaan, die weder af-
vallen en waarop langzamerhand weer haren komen. Bij veel jeuk
ontstaat door \'t krabben ook huidontsteking.
Behandeling. Dagelijks wasschen mot groene zeep en
warm water en daarna penseelen met een opl. van 5 g salicylzuur
in 100 g. spiritus. De mand of hot hok van den patiënt moet Hink
gereinigd worden.
E k z o o rn.
Oorzaken. Een lagere zwam.
Verschijnselen. Op den neus, den rug en den schedel,
aan den buik en de dijen ontstaan groengele, ronde korsten, die
in \'t midden verdiept zijn. De patiënt heeft meestal weinig jeuk
Behandeling. De korsten verwijderen en dan do zieke
plaatsen eenige malen daags met jodium-tinctuur penseelen. Mand
of hok, halsband, enz. in heeto sodaloog ontsmetten.
Spekschurft
Oorzaken. Aandoening der huid door ongedierte, slechte
huidverpleging, te groote warmte, vochtig leger, enz.
V e r s c h ij n s e 1 o n. Dicht naast elkander staande blaasjes,
die open gaan en vloeistof ontlasten, welke tot korsten opdroogt. De
patiënt, die veel jeuk heeft, krabt op de zieke plaatsen de opper-
huid weg en er ontstaan dan roode, met een etterachtige massa be-
dekte plaatsen, die zich door \'t voortdurend krabben steeds uitbreiden.
Oude, goed gevoede honden lijden er het meest aan.
Behandeling. Natte plaatsen bestrooien met mengsel van
10 g. looizuur (of 5 g. thioform) en 20 g. aardappelmeel. Heeft de
patiënt veel jeuk, dan penseelen met een opl. van 1 g. helschen
steen in 20 g. gedistilleerd water.
Is de kwaal verouderd en zijn er reeds huidverdikkingen en
-ocr page 205-
-r- 204 —
kloven ontstaan, dan 1 —2 maal daags smeren met een mengsel van
10 g. ichthyol, 50 g. kalkwater en 50 g. olijfolie. Men voedert de
hond matig en geeft hem veel beweging.
Y. Inwendige ziekten.
Keelontsteking
Oorzaken. Kotlvatten.
Verschijnselen. Voorzichtig vreten, moeielijk slikken,
speekselvloeiing. Drukking met de hand op \'t strottenhoofd doet pijn.
Dikwijls gaat met deze
ziekte strottenhoofd-catarrh
gepaard.
Behandeling.
Warm houden en zakjes met
warme zemelen opleggen,
bevestigd, zooals fig. 140 aan-
geeft. Ook kan men smeren
met een mengsel van 50 g.
papaverolie en 15 g. geest
van salmiak. Men geeft
week voeder en geen koud water.
Maagcatarrh.
Oorzaken. Maagoverlading, te heet voeder, gistend of be-
dorven voeder, zand, steenen, hout, enz.
Versehij nselen. Slecht of in \'t geheel niet vreten, veel
dorst, braken of braakbewegingen, beslagen tong, koorts. De patiënt
is dikwijls korzelig.
Behandeling. Eén dag \'t voeder onthouden en 2—3 maal
daags 1 theelepel—1 eetlepel van een mengsel, bestaande uit 30 g.
rhabarber-tinctuur, 5 g. opium-tinctuur en 20 g. venkel water. Bij
braking dagelijks 2—3 maal een messpits natrium-bicarbonicum.
Bij verouderde gevallen alle dagen 2—3 messpitsen van een meng-
sel van 2 g. zuiver naphtaline en 5 g. poedersuiker. Bij verbete-
ring geeft men gekookte melk en gekookt vleesch.
-ocr page 206-
— 205 —
Darmcatarrh.
Oorzaken. Bedorven voeder, koüvatten.
Verschijnselen. Gebrek aan eetlust, buikpijn, persen,
doorloop, dorst en in ernstige gevallen koorts.
Behandeling. Men houdt den patiënt op dieet en geeft
hem bouillon met gekookte rijst of gort. Den buik dagelijks 3 maal
wrijven met een wollen handschoen, nadat de buik met kamferspi-
ritus besprenkeld is. Bij sterken doorloop geeft men een middel-
matig grooten hond dagelijks 3 maal een messpits van een mengsel,
bestaande uit 1 g. opium, 1 g. looizuur en 5 g. suiker.
Aambeien.
Verschijnselen. Ontlasting gaat met pijn gepaard; de
mest is met slijm of bloed bedekt. De patiënt schuift op zijn ach-
terdeel. Soms ziet men de aambeien uit den aars te voorschijn treden.
Behandeling. Veel beweging. Inwendig dagelijks 1 thee-
lepel Karlsbadzout. Te voorschijn tredende aambeien met zijden draad
afbinden. Koude klisteeren zijn doelmatig.
Verstopping.
Oorzaken. Te veel beweging, ouderdom, te veel beenderen
als voedsel, enz.
Verschijnselen. De patiënt vreet niet, is treurig, ligt
veel en schreeuwt van pijn. In \'t begin geen koorts. Drukt men
met de hand in de flankstreek tegen den buik, dan voelt men dik-
wijls worstvormige, harde darmpartijen. Bij druk op \'t achterlijf
uit de patiënt soms smartkreten. Hij perst sterk, doch tevergeefs.
Behandeling. In lichtere gevallen 1 —3 eetlepels ricinus-
olie met bouillon. Eenige malen daags een klisteer zetten van lauw
zeepwater of van warm water met wat olie. In den endeldarm be-
knelde, harde mestdeelen voorzichtig met den vinger verwijderen.
In de eerste dagen slechts gekookte melk en vleeschnat.
In ernstige gevallen den veearts raadplegen.
Buikwaterzucht.
Oorzaken. Buikvliesontsteking, hartkwalen, tuberculose van
het buikvlies, enz.
-ocr page 207-
— 206 —
V e r s c h ij n s e 1 e n. De buik zakt in do flankstreek door en
neemt naar onderen in omvang toe. Stoot men met de vuist op
den buik, dan hoort mon dikwijls de vloeistof pompelen. Later is
de spijsvertering gestoord en lijdt de patiënt nu aan doorloop, dan
aan verstopping; ook moet hij braken.
Behandeling. De veearts is onmisbaar, daar deze de
grondoorzaak moot vaststellen. Een goed middel tegen buik water-
zucht is pilokarpin. Het mag alleen door den veearts gegeven
worden on slechts aan honden met gezonde longen. Zoolang do
nieren niet aangedaan zijn, vormen ook jeneverbessen een goed mid-
del. Men overgiet 10 g. jeneverbessen met 200 g. kokend water.
Na eenige minuten filtreert men de vloeistof on voegt men er 10 g.
azijnzure natron bij. Hiervan geeft men om de 2 uren 1 thecle-
pel—1 eetlepel. Heeft de patiënt het benauwd, dan moet de vee-
arts met een trokart in do buikholte steken om do verzamelde
vloeistof oen uitweg te verschaffen.
Wormen in de darmen.
Spoelwormon.
Deze zijn 6 c.M. lang en
rolrond, (fig. 141 : «— inan-
netje; b= wijfje; e= kop-
eind). De spoel worm (Ascaris
mystax) zijn meestal onge-
vaarlijk al kunnen zij kramp
en doorloop veroorzaken.
Men drijft de spoelwormon
af door een middelmatig
grooten hond binnon eenige
uren in 3 keer in te geven
een tevoren goed geschud
Tig. IH.
mengsel van 0,3 g. santo-
nine en 60 g. wonderolie.
Lintwo r m e n. In don darm van den hond komen dikwijls
platte wormen voor, welker kleine kop is gewapend met een haken*
krans en zuignappon. Met de eerste hechten zij zich aan don
darmwand vast. Aan den kop bevinden zich de leden, te beschouwen
-ocr page 208-
— 207 —
als afzonderlijke tweeslachtige dieren; deze bevatten do eieren. De
verst van den kop verwijderde leden zijn het breedst. Is een lid
rijp, dan rankt het van de andere los en verlaat het \'t lichaam. In
water of op planten verrot het en de vrijgekomen eieren kunnen
dan door dieren (schapen, runderen, varkens, hazen) enz met het
voeder opgenomen worden. In den darm van een monsch komen
zo meestal als deze zich door een hond laat likken, die te-
voren door jeukgevoel gedreven zijn aarsopening gelikt heeft, want
de eieren kunnen reeds in den darm van den hond uit de ge-
broken lindwormleden vrij komen.
Fig 142.                                                    Fïg 143.
Uit de eieren ontstaat in de maag een larve, die den dartnwand
doorboort en in de lever, het hart, de hersenen of de spieren aan-
landt en daar tot een blaasworm uitgroeit. Bij het schaap veroor-
zaakt zekere blaasworm de draaiziekte. Bij den mensch treft men
hem dikwijls in de lever aan. In de hersenen komende, veroorzaakt
hij onnoozelheid of krankzinnigheid. Wordt een dier, dat blaaswor-
men heeft, geslacht, en de afval door een hond opgevreten, dan
ontstaat bij dezen uit den blaasworm weder een lintworm.
Bij den hond komen verschillende lintwormen voor. De uit-
gerande lintworm (Taenia marginata) wordt tot 5 M. lang. De
leden zijn vierkant (fig. 142). De blaasworm er van (Cysticercus
tenuicollis) vindt men in het borst- en buikvlies van schapen, run.
-ocr page 209-
— 208 —
deren, geiten en varkens. Deze\' kan grooter worden dan een appel-
De gezaagde honden lint worm (Taenia serata) wordt
tot 1 M. lang; de breedte bedraagt \'/s c.M. (flg. 143). Zijn blaas-
worm (Cysticercus pisiformis) komt vooral voor in de lever van ha-
^en en konijnen.
De coenurus-lintworm (Taenia coenurus) wordt Va—1
M. lang. De leden zijn peervormig. Zijn blaasworm leeft in de
hersenen der herkauwers, veroorzaakt de draaiziekte en wordt zoo
groot als een kipei.
De lintworm met augurkzaadvormige leden
(Taenia cucumerina) wordt 2 d.M. lang. Zijn blaasworm leeft in de
hondenvloo en hondenhaarluis. De hond krijgt dezen lintworm als
hij vlooien of luizen binnenkrijgt door het likken van zichzelf of an-
dere honden of door vlooien op te vreten.
De kleinste lintworm van den hond (Taenia echi-
nococcus) is de meest gevaarlijke van alle. Hij bestaat uit slechts
drie leden en is hoogstens \'/j c.M. lang. Zijn blaasworm komt voor
bij rund, varken en schaap en zeer dikwijls ook bij den mensch en
dan vooral in de lever, het buikvlies en enkele malen ook in de
hersenen, de spieren, ja zelfs in de beenderen. De blaasworm kan
zoo groot worden als een hoofd en 10 KG. zwaar. Daarom late
men zich nooit door een hond likken.
Verschijnselen bij aanwezigheid van lintwormen in den
hond. Meestal zijn er weinig waar te nemen. De kleinste lint-
worm en de lintworm met augurkzaadvormige leden kunnen darm-
ontsteking en darmbloeding veroorzaken. Zij doorboren zelfs den
darm. Andere verschijnselen zijn: zucht tot bijten en verandering
van stem. \'t Zekerste kenmerk is \'t afgaan van lintwormleden met
den mest.
Behandeling. Een halven dag dieet en eenige lepels won-
derolie ingeven. Den volgenden dag in tweemaal, al naar de grootte,
2—8 g. kamala en zooveel honig als noodig is om een likking te
maken. Men geeft den hond geen ingewanden van slachtvee of
wild.
Aarsmaden zijn afgebeeld in fig. 144. Het wijfje der aars-
made (a: Oxyuris vermicularis) wordt ongeveer 1 c.M. lang. De
aarsmaden komen soms voor in den endeldarm en veroorzaken een
-ocr page 210-
— 209 —
hevig jeuken, aan de aars. De hond likt er aan en schuift met zijn
achterdeel over den grond. Deze aarsmade komt ook bij den mensch
voor, die ze kan krijgen, als hij zich door een met aarsmaden be-
hepten hond laat likken. Men zet den hond, die aarsmaden heeft,
een klisteer van 1 g. creolin, opgel. in 500 g. warm water.
Catarrh van het strottenhoofd.
Oorzaken. Koüvatten, rook, stof,
loopen tegen den wind, aanhoudend blaf-
fen, stuipen, enz.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Rauw, heesch
en droog hoesten, als de hond buiten
komt, koud water drinkt of als men op
zijn strottenhoofd drukt. Dikwijls is ook
de keel ontstoken en slikt de patiënt
moeielijk. De ziekte kan zeer lang duren.
Behandeling. Beschutten tegen
koüvatten. Een vochtig warmen omslag om
den hals volgens fig. 145. Men doopt een
handdoek in koud water en legt dien om
den hals. Hierover legt men een stuk
gutta-percha-papier en ten slotte een wol-
f
len doek, die men met een veiligheidsspeld
vastmaakt. Bij hevigen hoest geeft men
^ dagelijks 3 maal 1 theelepel van 0.1 g.
@
         morphine, 10 g. bitter amandelwater en
15 g. venkelwater. In hardnekkige ge-
vallen laat men bovendien terpentijndam-
pen inademen, waartoe men 20 g. terpen-
tijnolie in een emmer heet water giet.
Fig. 444.
Longcatarrh.
Oorzaken. Meestal koüvatten.
Verschijnselen. Koorts, huiveren en toonlooze, droge,
pijnlijke hoest. Het tegen de borstkas gelegde oor hoort knarsende
en rochelende geluiden. Klopt men tegen de borstkas, dan begint
de patiënt te hoesten. Soms is de ademhaling versneld. De ziekte
»Met zieke Huisdier".                                                                     44
-ocr page 211-
— 210 —
duurt meestal eenigc weken en gaat bij jonge en zwakke honden
licht in longontsteking over.
Behandeling. Patiënt in warme, frissche, tochtvrije ruimte
verplegen. Hij mag niet buiten komen dan om aan natuurlijke be-
hoeften te voldoen. Men voedt hem met pap van vleeschnat, rijst,
gort, vleeschafval en wat brood. Koud water werkt schadelijk. Om
de borstkas maakt men een vochtig warmen omslag (fig. 146), zoo-
als bij strottenhoofd-catarrh is aangegeven. Inwendig geeft men
thee van vlier- of lindonbloesem. Wil het slijm niet loskomen, dan
geeft men dagelijks 4—5 maal
1 thee- tot een eetlepel van
een opl., bestaande uit 0.02 g.
apomorphine, 0.1 g. morphine,
0.6 g. zoutzuur en 200 g. warm
water.
Longontsteking.
Oorzaken. Longca-
tarrh. Indringen in de longen
van spijsdeelen, geneesmidde-
len, enz.
Verse h ij nselen. Hevige koorts, ademnood on korte, pijn-
lijke hoest. De ziekte duurt eenige weken en eindigt dikwijls inet
den dood.
Behandeling. Warm houden, borstkas wrijven met mos-
terdolie en hierom een vochtig warmen omslag leggen, zooals bij
strottenhoofd" en longcatarrh. Bij verval van krachten geeft men
geschaafd vleesch en rooden wijn, melk met rijst en vleeschnat.
Hartkwalen.
Oorzaken. Verdikking en gebrekkige sluiting der hart-
kleppen.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Hartkloppingen, versnelde polsslag, be-
moeielijkte ademhaling, blauw worden der slijmhuid. Later: wa-
terzuchtige zwellingen aan buik en beenen, gebrek aan eetlust en
vermagering.
-ocr page 212-
— 211 —
Behandeling. Sparen voor groote inspanning, niet doen
baden of springen, krachtig voeden. Verder laat men de behande-
ling aan den veearts ovor.
Fig. 446.
Nierontsteking.
Oorzaken. Meestal onbekend.
Verschijnselen. Stijve gang. Bij druk op de lenden-
streek heeft de hond pijn. De urineloozing is verminderd en gaat
met pijn gepaard. De urine is vaak met bloed vermengd.
Behandeling. Op matig warme plaats verplegen en voor
groote inspanning sparen. Geen vleesch voederen, maar melkkost,
brood, gekookte rijst, vleeschnat en aardappelen. Heete baden. De
inwendige behandeling is de taak van den veearts.
Blaascatarrh.
Oorzaken. Kou vatten, ophouden der urine, catarrhale ziek-
ten der nieren of der scheede.
Verschijnselen. De urineloozing is pijnlijk en ver-
zwaard. De urine wordt dikwijls, doch bij kleine hoeveelheden,
afgezet.
Behandeling. Veel koud water, doch waken tegen koü-
vatten en te groote inspanning. Inwendig geeft men een grooten
-ocr page 213-
— 212 —
hond dagelijks 3 maal 0.5 g. salol, \'in een darm gewikkeld en met
honig tot een pil gemaakt. In ernstige gevallen is de veearts on-
misbaar.
Vallende ziekte (epilepsie).
Oorzaken niet bekend.
Verschijnselen. Onrustig in een kring rondloopen, gaan
liggen, omvallen, verliezen van het bewustzijn, krampen (allereerst
van de kauwspieren, waarbij snelle kauwbewegingen gemaakt wor-
den), trekkingen der beenen.
Behandeling. Dagelijks 3 maal 1 thee- 1 eetlepel van
een opl van 10 g. broomnatrium in 100 g. venkelwater.
Kramp der teren.
Oorzaken. Onbekend.
Verschijnselen. Eenigen tijd, doch minstens 2 dagen,
na het jongen, wordt de teef onrustig en angstig. Zij valt om en
ligt dan meestal stijf met gestrekte beenen, terwijl ze nu en dan
krampen heeft. De ademhaling is bemoeielijkt en versneld. De
patiënt is echter volkomen bij haar bewustzijn. De eetlust is ge-
heel verdwenen.
Behandeling. Inspuitingen onder de huid van 0.02—
0.05 g. morphine met 1 g. gedistilleerd water. Laat men de ziekte
haar loop, dan sterft de patiënt.
Vetzucht.
Oorzaken. Te ruime voedering en te vet voedsel bij wei-
nig beweging.
Verschijnselen. Onder de huid is zeer veel vet afgezet
zoodat men, vooral aan den hals, geheele vetkwabben ziet. De hond
wordt traag, slaapt veel en is spoedig vermoeid. Later ontstaat
hartvervetting en wordt de ademhaling bemoeielijkt.
Behandeling. Men geeft slechts 3/4 van het gewone
voederrantsoen en onthoudt den hond alle vet. Men voedert afge-
roomde melk, mageren vleeschafval, gekookte rundermaag, enz. en
geeft den lijder veel beweging, doch men wachte zich in \'t begin
in dit opzicht voor overdrijving. Inwendig geeft men \'s morgens
op de nuchtere maag \'/2—1 eetlepel Karlsbadzout, in water opgelost.
-ocr page 214-
— 213 —
Engolsche ziekte (rhachitis).
Oorzaken. Niet voldoende bekend. Als gelegenheidsoor-
zaken beschouwt men verkeerde voeding, waarbij te weinig vleesch
en beenderen.
Verschijnselen. Opzwellingen aan de beenderen van
den kop, slechte verbinding der schedel beenderen, doorzakken der
wervelkolom, vlakke ribben en opzwellingen hieraan, verkromming
der beenen, waggelende gang, gewrichtsontsteking, gebrek aan eet-
lust, ver mager ing.
Behandeling. Is de kwaal ver gevorderd, dan ongenees-
lijk. In \'t begin: vleesch en beenderen voederen, vooral kraakbeen.
Bovendien 1—2 eetlepels (kleine honden >/4 deel hiervan) van een
mengsel, bestaande uit 0.02 g. phosphorus en 200 g. levertraan.
Rheumatisme.
Oorzaken. Andere ziekten, te groote inspanning, verscheu-
ring der spiervezels.
Verschijnselen. Gespannen, stijve gang en tegenzin in
opstaan. Dwingt men den patiënt hiertoe, dan jankt hij, evenals
bij drukking op het zieke deel. De kwaal zetelt vooral in rug- en
halsspieren.
Behandeling. Goede middelen zijn salicylzuur en anti-
pyrine. Men geeft een middelmatig grooten hond 5 maal daags 1
g. salicylzuur en 20 g. warm venkelwater. Bovendien wrijft men
met kamferspiritus.. Warme baden zijn ook aan te bevelen, mits
het water een temperatuur van minstens 32—34° C. heeft. Na het
baden moet de patiënt goed afgedroogd en in een wollen deken
gewikkeld worden.
Hondenziekte.
Oorzaken. Lagere organismen, die waarschijnlijk met de
ingeademde lucht in \'t lichaam geraken. Zeer vatbaar zijn jonge
en zwakke honden, vooral van de meer edele soorten.
Verschijnselen. Deze zijn in hoofdzaak die van een
algemeene catarrh. Later: krampen, verlamming, ontsteking der
oogen, huidziekten. Zijn in hoofdzaak de ademhalingsorganen ziek,
-ocr page 215-
— 214 —
dan niest de hond veel, terwijl hij zijn neus tegen allerlei voor-
werpen wrijft. Ook krijgt hij veelal een etterachtige neusvloeiing.
Later is de ademhaling verzwaard, do eetlust gestoord. Braking
en verstopping wisselen met stinkende diarrhee af. De oogleden
kleven dikwijls door een etterachtig slijm aan elkaar, terwijl het
hoornvlies troebel is. In ernstige gevallen ziet de patiënt er jam-
merlijk uit. Soms vallen aan do binnenvlakten der achterschenkels
de haren uit en ontstaan daar puistjes, blaasjes en korsten.
Behandeling. Krachtig, doch lichtvcrteci-baar voeder, ge-
kookte melk met rijst, rauw vleesch, vleeschnat met gehakt vleesch,
eieren, gerstewater, enz. Bij groote zwakte geeft men een kleinen
hond (bij een theelepel tegelijk) Bordeaux-wijn. Heeft de patiënt
longcatarrh, dan geeft men hem het voor deze ziekte opgegeven
middel (bladz. 210). Bij aanhoudende diarrhee en pijnlijk hoesten
geeft men dagelijks 0.5—1 g. Dower\'sch poeder met gehakt
vleesch. Bij oogontsteking maakt men omslagen met opl. van 4 g.
zinkvitriool in \'A L. warm water. Bij krampen en zenuwtrekkingen
moet de veearts dagelijks 0 02—0.05 g. morphine en 1 g. gedistil-
leerd water inspuiten. Do patiënt wordt in een matig warm (17\'/j a
18o C), luchtig vertrek gepleegd.
Voor «Dolheid" zie men het hoofdstuk over «Besmettelijke
ziekten".
-ocr page 216-
HIT PLy0MG!ftü
BTi.
I. Kenteekenen der gezondheid.
Is het pluimgediorte zeer mager, dan is \'t niet lang geleden
ernstig ziek geweest. Groote vetheid is echter evenmin aan te ra-
den, vooral niet voor legkippen. Hiervan is een vetachtige ontaar-
ding van den eierstok het gevolg.
De oogen van gezond pluimvee zijn levendig, groot en helder.
Kleven de oogleden aan elkaar, dan lijdt liet aan croup of diphterites.
Dit is ook \'t geval, als de neusgaten met korsten bedekt of door een
etterachtige massa bevuild zijn.
De tong moet zeer beweeglijk en roodachtig zijn. De spits be-
zit een hoornachtig, geel overtrek; dit wordt dikwijls verkeerdelijk
voor een ziekteverschijnsel gehouden.
Opent men den snavel, dan ziet men de verhemeltebogen en
het strottenhoofd. Kleven de eerste aan elkaar of zijn ze met geel-
achtig water gevuld, dan lijdt het dier aan de terecht zoo gevreesde
croup of diphterites. Verhemelte en strottenhoofd moeten rood zijn.
De krop moet week en matig gevuld aanvoelen. Is hij geheel
ledig, dan heeft de vogel vrijwillig of gedwongen gevast.
Het vederkleed moet geheel glad en glanzend zijn. De rui
moet op den gewonen tijd plaats hebben. Een-ruw en niet geheel
het lichaam bedekkend vederpak wijst op ziekte of aanwezigheid
van ongedierte.
Kam en kinlellen moeten bij hoenderen levendig rood zijn.
Een bleeke of blauwachtige kam is een teeken van ziekte.
Gezonde hoenders hebben veel eetlust. Aan hun beenen moe-
ten geen verbuigingen, opzwellingen, zweren of korsten te vinden zijn.
-ocr page 217-
— 216 —
Zondert een vogel zich van zijn soortgenooten af en zit hij hier
of daar in een hoek met den kop onder de vleugels, dan is hij
zeker ziek.
II. H n i d v o r p I e g i n g.
Wat de haren zijn voor de zoogdieren, zijn de vederen voor
het pluimvee. Evenals gene heeft dit van ongedierte te lijden en
verwisselt het geregeld van huidbedekking.
Wanneer jong pluimgedierte het dons verliest en de
eerste vederen krijgt, eischt het bijzonder goede verpleging. Voor
den vedergroei heeft het veel hoornstof, veel stikstof, dus ook eiwit
noodig. Vooral als het niet vrij kan rondloopen moet men gedu-
rende dit tijdperk zorgen voor vleeschvoeder. Gedroogde garnalen
zijn als zoodanig aan te raden. Ook gebrande en fijngestampte
oesterschelpen zijn aan te bevelen. Men geeft bovendien dagelijks
5—10 droppels appelzuur-ijzertinctuur.
Door den rui worden vooral goede leghoenders zeer ver-
zwakt. Daarom geeft men ze in den ruitijd veel vleeschvoeder, bijv.
15—20 g. paardenvleesch per stuk en per dag. Aan te bevelen is
een toegift van een eetlepel gekneusd hennepzaad en wat gehakte
uien. Men legt een spgker in \'t drinkwater, of lost in 1 L. diïnk-
water 1 g. ijzervitriool op. De ruiende vogels moeten voor tocht
en koüvatten gevrijwaard worden.
Op het pluimvee leven verscheidene woekerdieren. Wij noemen
daarvan de schurftmijten, de vogelmijten, de v 1 o o i -
en, de vachtluizen en de gevleugelde wantsen.
De vogelmijten verschuilen zich over dag in reten en naden
van de wanden van het hok en der zitstokken. \'s Nachts begeven
zij zicli op het lichaam van \'t gevogelte. Met het bloote oog zijn
ze als kleine, roode stipjes zichtbaar. Ze beletten het pluimvee te
slapen en zijn er de oorzaak van, dat de vederen uitvallen en de
vogels aan uittering sterven. Ze kunnen zelfs catarrh der neuska-
nalen veroorzaken.
Minder gevaarlijk zijn de 3 m. M. lange vacht- of vederluizen
-ocr page 218-
— 217 —
en de vogelvlooien. De gevleugelde wants is ook een lastige plaag-
geest. Deze vermenigvuldigt zich snel en kan groote verwoestingen
onder het pluimgedierte aanrichten.
Met het oog op \'t ongedierte plaatst men bakken met zand of
asch in de hokken. De vogels baden daarin en verdrijven dan zelf
gedeeltelijk het ongedierte, vooral als men gedroogd pepermuntkruid
bij het zand of de asch voegt.
Door ongedierte verontreinigde stallen moeten gezwaveld en daar-
na behandeld worden met een opl. van 40 g. lysol in 1 L. water.
Alle reten en naden worden met kalk dichtgemaakt. De zitstokken
moeten volkomen gaaf en van dennenhout vervaardigd zijn. Men
kan ze kalken of teren. Het beste strooimateriaal is zand.
Bij aanwezigheid van ongedierte strooit men op den bodem
van het hok naphtaline.
De vogels zelf bevrijdt men van ongedierte op de volgende wijze:
Men vermengt 1 deel poeder van anijszaad met 1 deel Perzisch
insectenpoeder, en strooit dit in de vederen. In plaats van insec-
tenpoeder kan men ook een mengsel van 5 g. witten nieswortel en
25 g. anijszaadpoeder nemen of den vogel wasschen met een opl.
van 25 droppels anijsolie of 1—2 g. lysol in V< L. warm water.
Wasschingen past men alleen toe in het warme jaargetijde.
De nagels zijn aanhangselen der opperhuid. Opdat de nagels
en de voeten niet beschadigd worden, geeft men afgeronde zit-
stokken van 3—5 c.M. breed. Ruwe, niet afgeronde stokken ver-
oorzaken huidverhardingen, die in verzweringen kunnen overgaan.
Zulke huidverhardingen bevochtigt men dikwijls met glycerine.
Zweren penseelt men met een opl. van 1 g. helschen steen in 25 g.
gedilstilleerd water. Zijn de nagels te lang, dan knipt men ze met
een zeer scherpe schaar af, doch niet te kort, om bloeding of ver-
bloeding te voorkomen.
III. Het broeden.
De broedsche hen wordt niet dadelijk op eieren gezet, doch
pas als zij 2—3 dagen is blijven zitten. Vooral bij jonge hennen
(2-jarige) vergaat de broedlust dikwyls spoedig. Men geeft de hen
-ocr page 219-
— 218 —
niet meer dan 15 eieren te bebroeden; slechts een zeer groote hen
kan dit getal behoorlijk met haar lichaam bedekken. Voor alle vo-
gels geldt, dat voor het broeden volkomen zuivere eieren moeten
worden genomen. Zijn de poriën der eieren verstopt, dan kunnen
de kuikens in het ei niet behoorlijk ademhalen.
Men zet de hen, evenals andere broedende vogels op de boer-
derij, steeds op den grond te broeden, liefst op een met stroo be-
dekte graszode. Wordt de hen op zolder of in hot hooi te broeden
gezet, dan worden de eierschalen te droog. In dit geval besprenkelt
men een paar dagen vóór \'t uitkomen de eieren met lauw water.
Op don 6dcn dag kan men het kipei op bevruchting onderzoe-
ken. Men neemt het ei tusschen wijsvinger en duim en houdt het
tegen het licht. Ziet men er een donkere vlek in, dan is \'t bevrucht.
Nimmer helpe men de kuikens tegen het uitkomen in het verbre-
ken der schaal; hierbij worden meestal de teedere diertjes beleedigd.
Den eersten dag geve men de kuikens geen voedsel; de warmte
van \'t moederlichaam is dan nog alles, wat ze behoeven.
Niet zelden komt het voor, dat hoenderkuikens na 3—4 weken
ziek worden. Zij vermageren, laten de overmatig groote vleugels tot
op den grond hangen, gaan in een hoekje of op een zonnig plaatsje
zitten, piepen voortdurend en hebben het op den warmsten dag
nog koud. Meestal is de oorzaak te zoeken in gebrek aan dierlijk
voedsel. De geneesmiddelen zijn dus als vanzelf aangewezen. Ze
bestaan in gehakt, rauw vleesch, hard eigeel, miereneieren en een
weinig beendermeel of wat garnalen.
De gans is broedsch, als zij langeren tijd op de gelegde eieren
blijft zitten, haar nest met vederen voert en bij de nadering van
den mensen blaast. Men geeft haar 12—15 eieren te bebroeden.
Men voedert haar bij voorkeur \'s morgens. De jonge ganzen ko-
men na 30 a 32 dagen uit. Den tweeden dag geeft men ze ge-
weekt brood; den vijfden dag eten zij reeds groen voeder, bijv.
gehakte jonge brandnetels. Vóór zij 15 dagen oud zijn, laat men
ze niet in \'t water.
De behandeling der eend tijdens het broeden komt met die
der gans overeen. De eend broedt 24 a 28 dagen. De eenden-
kuikens moeten echter ook dierlijk voedsel ontvangen, zooals ge-
hakt runderhart, terwijl men ze als drank zoete melk geeft.
-ocr page 220-
— 219 —
De kalkoenen geeft men niet meer dan 20 eieren te be-
broeden. Liefst geeft men haar 16 kalkoen- en 5 a G kipeieren.
De jonge kalkoenen, die dikwijls niet eten willen, worden dan door
het voorbeeld der kippenkuikens daartoe aangespoord. Wil men
voor bevruchting der kalkoeneieren gewaarborgd zijn, dan houdt
men niet meer dan 5 kalkoenhennen op één haan.
De kalkoenhen bebroedt haar eieren 26—29 dagen. Na 24
uren begint men deze te voederen met fijngemaakt hardgekookt ei,
met beschuit, door heet water van de gist ontdaan, gehakte brandnetels
of ander jong groen en wat scherp zand. Alles wordt met koemelk
tot een kruimelige zelfstandigheid gemaakt. Vooral jonge kalkoenen
kunnen niet tegen vocht en koude; hieraan denke men vooral.
Kalkoenkuikens van late broedsels blijven altijd klein.
IV. Uitwendige ziekten.
Gezwellen aan de beenen.
Oorzaken. Koüvatten en ruwe, kantige zitstokken.
Behandeling. Zijn eelt en huidverdikking aanwezig, dan
verweekt men ze door te penseelen met verdunde glycerine (10 g.
glycerine op 100 g. warm water).
Vormt zich in een gezwel etter, wat men aan de hitte en pijn-
lijkheid waarneemt, dan maakt men verweekende omslagen van ge-
kookt lijnmeel. Is het gezwel week geworden, dan snijdt men het
open. De etterholte penseelt men met arnica- of myrrhe-tinctuur.
Oppervlakkige zweren, waaruit vocht komt, penseelt men met opl.
van 1 g. helschen steen in 15 g. water.
Gewriohtaontsteking.
Oorzaken. Koude, vochtige hokken met kouden bodem.
Verschijnselen. Aan de voet-, been- en vleugelgewrich-
ten ontstaan zwellingen ter grootte van een boon tot een hazelnoot.
Ze zijn niet zeer pijnlijk, maar hinderen zeer bij de beweging. Niet
zelden breken ze door.
-ocr page 221-
— 220 —
Behandeling. Zieke dieren in een warm, droog hok bren-
gen met droog zand op den houten bodem. Om de gezwollen deelen
legt men omslagen van loodwater, die met gutta-percha-papier be-
dekt en met een droog lapje omwikkeld worden. In plaats hiervan
kan men smeren met leem, azijn en water, met welk mengsel om
\'t uur bevochtigd wordt. Zijn de gezwellen vast en hard, dan
smeert men met verdunde jodium-tinctuur (1 g. jodiuin«tinctuur op
25 g. spiritus). Na het smeren omwikkelt men de zieke deelen
met salicyl watten. Inwendig geeft men pillen van 0.3 g. salicyl-
zuur, eenige droppels honig en wat meel.
Ontsteking der stuitklier (pip).
Bij de vogels bevindt zich op de staartwervels een tweelobbige
klier, de zoogenaamde stuit- of smeerklier. Deze zondert een vet-
achtige stof af, die de vogels gebruiken om hun vederen in te
smeren teneinde te voorkomen, dat deze nat worden. Kaakt de
uitloozingsbuis dezer klier verstopt, dan ontstaan ontsteking en
ettervorming. Deze ziekte heet in den volksmond „pip."
Verschijnselen. De ontstoken klier is hard, gezwollen
en rood. Drukt men er op, dan heeft de patiënt pijn. Heeft zich
etter opgehoopt, dan vreet hij niet meer en wordt hij treurig.
Behandeling. Men maakt een kleine insnijding, zooda
de etter kan uitvloeien. Men penseelt de wond met een \'/»% lysol-
oplossing of met een 1 % boorzuur-opl. Is de klier zeer hard, dan
smeert men haar dagelijks met laurierolie.
Kalkpooten.
Oorzaken. Schurftmijten (Dermatoryktes mutans).
Verschijnselen. . Door het graven der mijten in en onder
de huid der pooten ontstaat ontsteking. Daarbij vormen zich tal
van nieuwe opperhuidschubbetjes, die door een taaie massa aan
elkander kleven. Op den duur ontstaan oneffen, dikke, grauwe
korsten, die sterk jeuken, zoodat de patiënt zich voortdurend krabt
en pikt.
Behandeling. Korsten met groene zeep smeren. Na een
dag met warm water afwasschen en korsten voorzichtig verwyde-
-ocr page 222-
— 221 —
ren. Dan dagelijks smeren met creolinzalf (1 g. creolin en 10 g.
vaseline of met mengsel van 1 deel benzine en 10 deelen raapolie.
Poederkam.
Oorzaken. Een schimmelsoort.
Verschijnselen. De kam en de kin- en de oorlellen
worden langzamerhand geheel wit of lichtgrijs. Niet zelden breidt
de schimmel zich over den geheelen kop, den hals en nog verder
uit. De vederen op de aangetaste plaatsen vallen uit.
Behandeling. Is de kwaal vergevorderd, dan afmaken,
vooral, omdat de ziekte zeer besmettelijk is. Bij beginnende kwaal
de zieke deelen penseelen met opl. van 1 g. creolin in 100 g.
warm water of insmeren met een mengsel van 1 g. creolin en 10 g.
vaseline of van 1 g. benzine en 20 g. vaseline.
Bevriezen der kam.
Oorzaken. Buiten loo-
pen bij vriezend weer en scher-
pen oostenwind; te koud nacht-
hok.
Verschijnselen. De
kam wordt slap en bleek en
niet zelden zweert zij.
Behandeling. Zieke
dieren van gezonde afzonderen,
omdat de laatste gaarne aan de
kam der eerste pikken. De be-
vroren deelen dagelijks 2 maal
penseelen met mengsel van 10
Fig. 147.
g. kamferspiritus, 15 g. saf-
fraan "tinctuur, 15 g. kinabast-
tinctuur en 5 g. terpentijnolie. Toevallige wonden bestrijken met
een mengsel van 15 g. collodium en 0:6 g. jodoform of met citroensap.
Beenbreuk.
Breuk van loopbeen en teenen heelt bij gevogelte zeer ge-
makkelijk. Beenbreuken aan beneden- en bovenbeen, die door
-ocr page 223-
— 222 —
vleesch omgeven zijn, genezen moeielijk, omdat het niet gemakke-
lijk is een verband aan te leggen.
Behandeling. Is het loopbeen gebroken, clan de breuk-
einden met warm water afwasschen, omwikkelen met sallicylwatten
en hierom de twee helften leggen van een opengespleten vliertak,
waaruit het merg verwijderd en de binnenzijde met vischlijm be-
smeerd is (fig. 147). Deze worden met een in vischlijm gedoopten
zwachtel (c) om het gebroken loopbeen bevestigd. Na 3—4 we-
ken wordt het verband losgeweekt en afgenomen;
Ontsteking en uitzakking van den
eileider.
Niet zelden breekt de schaal van het ei, terwijl dit nog in den
eileider is. De stukken kunnen den eileider verwonden of ver-
stoppen. Bij het leggen van een volgend ei treden dan storingen
op. De hen loopt heen en weer, schuurt de kloaka (aarsopening,
enz.) over den grond en perst sterk.
Behandeling. Met den met olie besmeerden vinger tracht
men de hinderpaal uit den weg te ruimen. Gelukt dit niet, dan
neemt men de proef met warme baden. Wordt de hinderpaal niet
spoedig verwijderd, dan is de behandeling gewoonlijk tevergeefsch.
Zakt tengevolge van het persen de eileider uit, dan tracht men het
uitgezakte stuk, nadat het gereinigd is, binnen te brengen, waarna
men de kloaka uitspuit met een opl. van 5 g. aluin in \'A L.
warm water.
Legnood.
Groote of onregelmatige gevormde eieren blijven wel eens in
den legdarm of eileider steken.
Verschijnselen. Onrust, heen en weer loopen, tevergeefs
op \'t nest gaan zitten om te leggen. Later verlaat de hen het nest
weer en perst zij verbazend sterk, waarbij zij den snavel openspalkt.
Behandeling. Men doopt een veder in olie en smeert hier-
mede de kloaka en den legdarm, zoo goed het gaat, of men spuit
door middel van een ballonspuitje in met glycerine of olie. Komt
het ei niet, dan doorboort men het met den vinger en laat den in-
houd wegloopen; hierbij moet de hen op den rug liggen. De stuk-
-ocr page 224-
— 223 -
ken der eierschaal tracht men door strijken en drukken te verwijderen,
want blijven deze terug, dan kan ontsteking ontstaan.
Is ontsteking van den eileider de oorzaak van den legnood, dan
slachten, als men ten minste niet wil pogen de patiënt te behou-
den door haar in warme doeken te wikkelen en van tijd tot tijd
glycerine in te spuiten.
Ontsteking van den eileider kenmerkt zich door opgezetten buik,
opzwelling en rood worden van den eileider, uitpersen van slijm en
bloed, schuren der kloaka over den grond, enz.
V. Inwendige ziekten.
Verstopping en ontsteking der krop.
Oorzaken. Opnemen van veel droog graan, erwten, boonen
en van onverteerbare stoffen, die in den krop zwelling of in gisting
geraken. Dikwijls raakt de slokdarm verstopt door haren, vederen,
beensplinters, eierschalen, enz.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Is de slokdarm verstopt, dan eet de pa-
tient niet meer, en blijft hij rustig met opgezette vederen op één
plaats zitten. In ernstige gevallen is zijn ademhaling versneld. Uit
den snavel en de neusgaten vloeit meestal een miskleurige, stin-
kende vloeistof. Drukt men op den sterk uitgezetton, harden krop,
dan toont het dier hevige pijn te hebben.
Behandeling. Men kneedt den krop in de richting van
den kop tot hij min of meer week geworden is, nadat men zich
overtuigd heeft, dat in den krop geen scherpe voorwerpen aanwe-
zig zijn. Men houdt den patiënt op dieet en gooft hem den eersten
dag niets dan zuiver water. Is na 21 uren krop nog niet ge-
ledigd, dan kneedt men opnieuw. Men ondersteunt de kuur door
den patiënt eenige malen daags een koffielepel zoutzuur (1 g. zui-
ver zoutzuur en 100 g. water) in te geven.
Men kan ook de kropoperatie toepassen. Men legt het dier
op den rug, scheert de vederen op den krop ter lengte van 4 c.M.
en ter breedte van 1 c.M. weg, snijdt eerst het vel overdwars (3 c.M.)
-ocr page 225-
— 224 —
open en opent dan de krophuid op dezelfde wijze (2*/» c.M.). De
krop wordt geledigd en dan uitgespoeld met \'/*% salicylzuur-opl.
De kropsnede wordt met 6 hechsteken (Vs c.M. van elkaar) door
middel van catgut dichtgenaaid (Deze draden verteren en behoeven
niet uitgetrokken te worden. De wond in de huid wordt met drie
steken dichtgenaaid en wel met zijde. Na 8 dagen worden deze
draden losgesneden en uitgetrokken.
Draadwormen in den slokdarm der
eenden.
Verschijnselen. De zieke eend wordt mat, spert den
snavel open en weigert te vreten. Jonge eenden sterven reeds den
tweeden dag. Bij het lijkonderzoek vindt men in den slokdarm,
den krop, de maag en de darmen verdikkingen, waarin zich 3—18
ml. lange draadwormen bevinden. Het broed hiervan nemen de
eenden waarschijnlijk op, als zij watervlooien of draaikevers vreten.
Daar deze pas in Juli optreden, kan men de eenden voor de op-
name van draadwormen behoeden, als men ze van midden Juni tot
einde September uit water houdt, waarin de watervlooien voorko-
men. Deze zijn 2—3 mM lang en groen, bruinrood of geel van
kleur.
Lintwormen.
Hoenders met lintwormen sterven dikwijls. Opent men den
darm, dan vindt men deze gedeeltelijk met lintwormen (Taenia
serata; flg. 143) opgevuld.
Behandeling. Vermoedt men, dat de hoenders lintwor-
men hebben, dan geeft men ze om den derden dag een messpits
poeder van arecanoot door het voeder of in den vorm van een pil,
die men van boter maakt. Bij kalkoenen, enz. komen insgelijks
lintwormen voor; het afdrijvingsmiddel is eveneens poeder van
arecanoot.
Heeft het hoen andere wormen, dan geeft men elk dier dage-
lijks \'/5 theelepel tinctuur van de reinvaren, met honig of boter
tot een pil gemaakt of een messpits chocolade met santonine. Bij
het mengvoeder geeft men wat gesneden knoflook.
-ocr page 226-
— 225 —
Lintwormen bij ganzen.
Verschijnselen. De ongeveer 12 weken oude ganzen
worden snel mager, niettegenstaande ze goed vreten. Ze krijgen
krampen als bij vallende ziekte. Ze rennen met gebogen kop
voorwaarts tot zij tegen iets aanloopen. Bij liet onderzoek vindt
men in den darm een groot aantal lancetvormige lintwormen. Waar-
schijnlijk nemen de ganzen het brood van dezen lintworm op in
weiden, die pas overstroomd geweest zijn.
Behandeling bijna altijd zonder gevolg. Het ingeven van
arecanoot-poeder is te beproeven. Men geeft een volwassen gans
het dubbele van do hoeveelheid, die men aan een hoen geeft.
Geelzucht.
O o r z a k e n. Leverziekte als gevolg van darmcatarrh, terwijl
deze liet gevolg is van fouten in de voeding. Ook tuberculose.
Verschijnselen. Kam, oogleden en kinlellen worden
geel.
Behandeling. Zieke hoenders eenige dagen op dieet
houden en dagelijks \'/•: koffielopel wonderolie of éen vollen koffielepel
rhabarber-tinctuur ingeven. Als voeder gekookte rijst, groenvoeder,
geraspte peen.
Tfeus-, luchtpijp- en borstcatarrh.
Oorzaak. Meestal verkoudheid. Komt bij hoenders en gan-
zen voor.
Behandeling. Zijn bij ganzen de neusopeningen verstopt,
dan deze door middel van een penseel reinigen met een opl. van
een messpits overmangaanzure kali in een drinkglas warm water.
Daarna bestrijken met vaseline of olie. Zetelt de ziekte vooral in
de luchtpijp of de longen, dan dagelijks 3 maal een halve messpits
vol zoethoutpoeder met de dubbele hoeveelheid honig. Verder de
patiënten warm houden on, als \'t ganzen zijn, voederen met ge-
kookte aardappelen en gekookte afgeroomde melk. Hoenders geeft
men gekookte rijst, gele peen, enz. Men geve geen koud water,
maar warme melk. Niet laten uitloopen.
«Hel zieke Huisdier".
45
-ocr page 227-
— 226 —
Wormen in de luchtpijp.
Komen vooral bij hoenders voor.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Terugtrekken van den kop, naar lucht
snakken, ademnood. Later: vermagering en sterven door verstikking.
Behandeling. Wormen met een ganzevoer trachten te
verwijderen. Van deze veer worden de baarden weggenomen op
eenige aan den top na, die van boven worden bijgesneden (fig. 148).
Dit pensoelachtig voorwerp steekt men in de
Irffl         luchtpijp, waarin men het 2—3 maal schroefvormig
^/          omdraait. Duurt deze bewerking te lang, dan stikt
de patiënt. Te voren doopt men de veder in een
opl. van 1 Rotter sche pastille in 250 g. warm
water.
Croup en diphthorites.
Beide zijn zeer gevreesde, hoogst besmettelijke
ziekten. Zo komen in vele opzichten met elkander
overeen.
Fie H8
               Oorzaken. Bacillen, die waarschijnlijk met
het voeder worden opgenomen.
V e r s c h ij n s o 1 e n. Bij beide ziekten ontstaat in do verhe-
melte bogen, in de neusholte, op do tong, in de neusopeningen en
ook in de oogkassen een smeerachtige of kazige massa. De zieke
hoenders worden treurig, hebben koorts, zetton de vederen over-
eind en ademen moeielijk, waarbij men dikwijls een rochelend ge-
luid waarneemt. In \'t begin eet de patiënt weinig, later niets.
Deze ziekten wordt dikwijls met buitcnlandsche hoenders ingevoerd.
Behandeling. Zieke dieren van do gezonde scheiden,
d. w. z. men brengt de gezonde in een ander hok. Deze wor-
den eerst met pooten en buik in een 5% creolin-opl. gedoopt.
Bij de aangetaste hoenders penseelt men de zieke deelen, na-
dat de belegselen op oogen, tong on neusgaten met een plat beenen
voorwerpje voorzichtig verwijderd zijn, met een mengsel van 2 g.
glycerine en 20 g. water. Neemt men roode, zwerende plaatsen
waar, dan penseelt men deze met een opl. van 1 g. helschen steen
in 50 g. water of met citroensap. Als drank geeft men blusch-
-ocr page 228-
— 227 —
water van de smederij. Later moeten beslist alle hokken ontsmet
worden.
Verstopping.
Oorzaken. Te veel droog graan en weinig drinkwater.
Behandeling. Afval van groenten on geraspte peen voe-
deren. Als afvoermiddel eenige theelepels wonderolie. In hard-
nekkige gevallen geeft men een pil van 0.05—0.1 g. calomel en
wat suiker of boter.
Bheumatiame.
Komt vooral voor bij jong gevogelte, dat in vochtige hokken
gehuisvest is.
Verschijnselen. Onzekere gang en stijfheid in de ge-
wrichten.
Behandeling. In droog, tochtvrij hok brengen. Bodem
met zand bedekken. Men geeft dagelijks een voetbad van 1 L.
warm water met 10 g. groene zeep en 50 g. arnica-tinctuur. Dit
badmengsel kan eenige dagen lang gebruikt worden, mits telkens
weder tot 35° C. verwarmd. Na elk bad moet men de beenen goed
droogwrijven met een wollen lap.
In plaats van baden kan men ook het loopbeen en de teenen
smeren met een mengsel van 10 g. kamferspiritus, 10 g. arnica-
tinctuur en 5 g. tinctuur van Spaansche vliegen.
Zwakte en verbuiging der beenderen.
Oorzaken. Fouten in de voeding, waarin gebrek aan phos-
phorzxire kalk. Het kraakbeen gaat niet in waar been over. KoÜ-
vatten en tochtige stalling werken het ontstaan der ziekte in de
hand.
V e r s c h ij n s e 1 e n. De dieren looperf ongaarne, zijn kreu-
pel of lam en liggen veel. Later ontstaan verdikkingen en uitzet-
tingen aan de beenderen van de voeten en den kop. De pooten
en het borstbeen groeien krom. De beenderen zijn zoo week, dat
zij zich zonder de minste moeite laten buigen.
Behandeling in een meergevorderd tijdperk is zonder ge-
volg. In "t begin kan men veel bereiken door krachtig te voederen
-ocr page 229-
— 228 —
met graan, erwten, kortgesneden vleesch (vermengd met zemelen),
en door een weinig basisch phosphorzure kalk en wat zout te ge-
ven. Van het eerste is een eetlepel per 25 hoenders en per dag
voldoende.
Tuberculose der hoenders.
Oorzaken. Opvreten van fluimen, enz. van teringlijders,
gebruik van melk en vleesch van tuberculeuse dieren. De ziekte
is bij levende hoenders niet altijd gemakkelijk te constateeren.
Verschijnselen. Vermagering bij goede voeding, aan-
houdende diarrhee, waterzucht, geelzucht, enz. Bij het doode dier
vindt men in de inwendige organen, vooral in do lever en het buik-
vlies, puistjes ter grootte van een koolzaadje tot een boon. Men
ontdekt ook kleine etterbuiltjes.
Behandeling is zonder gevolg.
Voorbehoedmiddelen. Geen teringlijders belasten met
de zorg voor het hoendervolkje en dit niet voederen met melk of
vleeschafval van runderen of varkens, die aan tuberculose (parel-
ziekte) lijden of geleden hebben.
-ocr page 230-
©ISHITTILyKl IBIKTIIÜ
Veepest.
Dit is een bij herkauwende dieren voorkomende ziekte, welke
bestaat in een ontsteking der slijmhuid en in een algemeen lijden.
Deze ziekte is in West-Europa niet inheemsch. De bakermat van
deze moorddadige ziekte zijn de steppen in Zuid-Eusland. Ze kan
zich echter gemakkelijk van daar naar \'t Westen verbreiden. Meer
dan 90 % der aangetaste dieren sterven.
Oorzaken. Lagere organismen. Deze bevinden zich in of
aan het neus- en mondslijm, den mest, de huid, het bloed, het
vleesch, enz. en worden door kleederen, schoenwerk, gereedschap-
pen, voeder, mensch en dier overgebracht. De ziekte breekt 6—11
dagen na de besmetting uit.
Verse h ij nselen. Hevige koorts, ophouden der melkvor-
ming, gebrek aan eetlust. Den tweeden of derden dag: tranenvloed,
neusvloeiing, speekselen, doorloop, ontsteking der slijmvliezen van
oogen, neus en bek. Op de slijmhuid ontstaan groote, grauwe vlek-
ken, die zich laten afstrijken. Hierna ontstaan dan hoogroode,
zwerende gedeelten. Deze vervellingen en zweren komen ook aan
den neusspiegel, de kling, de aars en den uier voor. De patiënt
wordt steeds matter en zwakker en kan eindelijk niet meer op-
staan. Den vijfden of zesden dag sterft hij. In de verschijnse-
len komt de veepest veel overeen met de kwaadaardige catarrhaal-
koorts (bladz. 129).
Behandeling nutteloos. De aangetaste dieren moeten
volgens de Wet worden afgemaakt en verbrand.
Miltvuur.
Een snel verloopende bloedziekte, die \'t meest voorkomt bij
runderen, schapen, paarden en wild. Besmettelijk voor menschen,
die wonden hebben.
-ocr page 231-
— 230 —
Oorzaken. Miltvuur-bacillen, die zich in \'t bloed der zieke
dieren zeer snel vermenigvuldigen. In den bodem blijven zij jaren
lang leven en kunnen zij zich zelfs vermeerderen. De besmet-
ting kan geschieden door kleederen, schoenen, gereedschap, ruw-
voeder, stroomend water, enz.
Men kent 3 vormen van miltvuur: miltvuurberoerte,
miltvuurkoorts en milt vuur builen of karbonkels.
Verschijnselen. 1. Miltvuurberoerte. Plotse-
ling worden meerdere dieren ziek, ze ademen moeielijk, vallen
neder en sterven na weinige minuten onder stuiptrekkingen. Dik-
wijls neemt men geen ziekteverschijnselen waar en vindt men een
of meer dieren dood, als men in den stal komt.
2.    Miltvuurkoorts. De patiënt is min of meer treurig
en eet noch drinkt. De ademhaling is zeer versneld en bemoeie-
lijkt, zonder dat het longenonderzoek daarover opheldering geeft.
Bij aderlating vloeit bloed, dat niet stremt of stalt. Na 12—36
uren sterft de patiënt onder stuiptrekkingen.
3.    Karbonkels. In \'t begin der ziekte of later ontstaan
builen onder de huid. Snijdt men ze door, dan ontlast zich een
gele, met bloedstrepen gemengde vloeistof.
L ij k o n d e r z o e k. In het doode dier vindt men een ver-
bazend vergrooto, zwartbruine en brijachtig weeke milt.
Behandeling nutteloos. Van elk ziektegeval moot aan-
gifte gedaan worden bij den Burgemeester.
Bij ruischenden brand ontstaan nog gezwellen aan de
bovenschenkels, de schouders, de benedenborst, de lendenen, het
kruis en den hals. Drukt men er op, dan hoort men een knette-
rend geluid. Uit de geopende gezwellen vloeit een op schuim ge-
lijkende, stinkende vloeistof. Meestal sterft de patiënt. Oudere
dieren genezen dikwijls. In de milt van het doode dier bemerkt
men geen veranderingen en het bloed stremt op de gewone wijze.
Met voorbehoedende enting zijn gunstige uitkomsten verkregen.
Hondsdolheid.
Een vooral aan \'t hondengeslacht eigen ziekte. Door de beet
van een dollen hond kan de ziekte op menschen en alle warm-
bloedige dieren worden overgebracht.
-ocr page 232-
— 231 —
Oorzaken. Do besmettende stof is nog niet voldoende be-
kend. Na :t boelen der bijtwoiul breekt de ziekte na 3 weken—10
maanden uit.
3Ien kent razende en stille hondsdolheid.
Verschijnselen bij razende dolheid. De hond
is prikkelbaar en onrustig. Is hij levendig van aard, dan wordt hij
treurig en traag en kruipt hij weg. Is hij traag van aard, dan wordt
hij meer opgewekt. De eetlust is geheel verdwenen. Hij verslindt
hout, zand, steenen, mest, stroo, enz. Na 2—3 dagen loopt hij
ieder uit den weg. Hij trekt zijn ketting stuk, beschadigt zijn hok,
enz. Is hij losgekomen, dan zwerft hij her- en derwaarts, soms
zeer ver van huis. De patiënt krijgt lust tot bijten en valt zelfs
zijn eigen meester aan. Zijn stem wordt rauw en heesch en gaat
in een blaffend gehuil over. Is een aanval voorbij, dan wordt hij
tijdelijk rustig. Later treden verlammingen op, vooral aan de onder-
kaak en de achtorhand. De onderkaak hangt dan naar beneden.
Na 5—6, soms pas na 8 dagen sterft de patiënt aan verlamming.
Verschijnselen bij stille dolheid. De hond is
rustig, mat en onverschillig voor zijn omgeving en bijt, niettegen-
staande hij do onderkaak laat hangen.
De hondsdolheid is ongeneeslijk. Daarom en wegens het ge-
vaar voor mensch en dier moet iedere van dolheid verdachte hond
onmiddellijk afgemaakt worden.
                                                      \' •
Het inenten van door dolle honden gebeten menschen volgens
de methode Pasteuk kan het uitbreken der gevreesde ziekte in vele
gevallen voorkomen.
Kwade droes.
Deze ziekte komt bij paarden, ezels en muildieren voor en
wordt veroorzaakt door een splijtzwam, die in de slijmhuid van de
luchtwegen, alsmede in de longen, de lever en de lymphevaten
puistjes en zweren doet ontstaan. Ook voor menschen, die met
aan kwaden droes 1 ij den de paarden omgaan, is
deze ziekte besmettelijk.
De besmettende stof bevindt zich hoofdzakelijk in de neus-
vloeiing der zieke paarden; de besmetting geschiedt meestal van
paard op paard, doch soms ook door overbrenging. De kwade droes
treedt op als kwade droes en als huidworm.
-ocr page 233-
— 232 —
"Verschijnselen bij kwaden droes. Groengele of
grauwe vloeiing uit één neusgat. Later wordt deze uitvloeiing
klonterig, kleverig en met bloed vermengd. De uitvloeiende stof
verdroogt dikwijls aan de randen van den neus, zoodat het eene
neusgat geheel verstopt en met korsten bedekt is. Tegelijkertijd
ontstaan in den keelgang hoekige, onbeweeglijke, harde gezwellen
ter grootte van een noot en meestal slechts aan één zijde. Op het
slijmvlies van het neustusschenschot ontstaan kleine puistjes ter
grootte van een hagelkorrel of kleine oppervlakkige verzweringen,
die tot grootere ineen kunnen vloeien.
De patiënt vermagert, hoewel hij behoorlijk eet, en zijn haar
wordt ruw en glansloos. Soms ontstaan ook zwellingen aan de
beenen, den buik, de onderborst en den koker. Meestal is het aan
kwaden droes lijdende paard ook dampig.
Verschijnselen bij huid worm. Ronde, niet pijn-
lijke builen onder de huid op verschillende plaatsen ter grootte van
een hazelnoot tot een kindervuist, die, als ze doorbreken, een mis-
kleurige, taaie, kleverige vloeistof ontlasten, waardoor de haren aan
elkander kleven. De rand dezer builen is verdikt. Tusschen de
builen en zweren vormen zich dikwijls opzwellingen in den vorm
van strengen.
Behandeling niet te beproeven, daar de beide vormen van
kwaden droes zoo goed als ongeneeslijk zijn.
Aangifte van elk geval moet gedaan worden volgens de Wet.
Alle zieke dieren worden afgemaakt. Verdachte dieren blijven 3
maanden verdacht.
Mond- en klauwzeer.
Deze ziekte tast de slijmhuid van den bek en de tong en de
huid van klauwspleet en kroon aan. Dikwijls wordt ook de huid
der spenen aangetast.
Oorzaken. Een nog niet voldoend bekende lagere zwam.
De besmetting wordt meestal door levenlooze voorwerpen, menschen
en dieren overgebracht. Soms geschiedt zij ook van dier op dier.
Verschijnselen. Koorts, verminderen of ophouden der
melkopbrengst, geen eetlust, slijm vloeiing uit den bek.
In den regel drinkt de patiënt wel. Na 1—2 dagen ontstaan
-ocr page 234-
— 233 —
op de slijmhuid van den bek met vocht gevulde blazen. Als ze
gebarsten zijn, ontstaat een pijnlijke verzwering. In de klauwspleet
vormt zich ingelijks een pijnlijke blaas, die dikwijls de geheele
spleet opvult. Na het doorbreken hiervan ontstaat een zeer pijn-
lijke, zwerende plaats, die den patiënt bij \'t gaan en staan hevige
pijn veroorzaakt, waarom het zieke dier veel ligt. Ook aan den
uier, den voet der horens en andere lichaamsdeelen met zachte huid
kunnen blazen optreden.
De melk is ziekelijk verandert, stremt spoedig en deugt niet
voor de boter- en de kaasbereiding. In gunstige gevallen is de
patiënt na 6—14 dagen genezen. Bij ossen en stieren wordt de
klauwspleet meestal in heviger mate aangetast dan bij koeien; zij
verliezen niet zelden de hoeven geheel. Koeien houden uit het
mond- en klauwzeer dikwijls een verhard uierkwartier of een
dichtgegroeid melkkanaal.
Behandeling. Op stal staande patiënten geeft men als
voeder: gesneden gras, gekookte aardappels en meeldrank. De ver-
zweringen in den bek penseelt men met een opl. van 1 g. helschen
steen in 10 g. water. De klauwzweren behandelt men op dezelfde
wijze. Vreten deze diep in, clan wasschen met opl. van 1 g. lysol
in 1 L. warm water en na de wassching bestrooien met een meng-
sel van 1 g. jodoform, 5 g. looizuur en 5 g. aardappelmeel. Men
zorgt op stal voor zuiver strooisel.
Longziekte.
Hieronder verstaat men een langzaam verloopende, zeer besmet-
telijke longontsteking, die vooral voorkomt in stallen, waar het vee
dikwijls verwisseld wordt.
Oorzaken. De ziekteveroorzakende stof is nog niet nauw-
keurig bekend. Zij bevindt zich aan of in de uitscheidingen der
lijdende dieren en wordt niet door menschen, dieren, voorwerpen
en de lucht overgebracht, maar gaat onmiddellijk van \'t eene dier
op \'t andere over. Dieren, die aan de ziekte geleden hebben, doch
genezen zijn, kunnen nog maanden daarna andere dieren aansteken.
De ziekte breekt 1—16 weken na de besmetting uit.
Verschijnselen. Kort, droog en pijnlijk hoesten met ge-
kromden rug, gestrekten hals en kop en schudden van \'t geheele
-ocr page 235-
— 234 —
lichaam. Later: lichte koorts, gestoorde eetlust, verminderde melk-
afscheiding en min of meer bemoeielijkte ademhaling. Na eenige
weken: zware koorts, sterk verzwaarde ademhaling met openge-
sperde neusgaten, geen eetlust en vermagering. Ten slotte sterven
80 % der patiënten aan verstikking of uitputting.
In het aan longziekte gestorven rund vindt men een buitenge-
woon vergroote long van 20—25 K.G. zwaar. De doorsnede der
long heeft een marmerachtig uiterlijk. De borstholte bevat een
troebele vloeistof.
Behandeling niet noodisr, daar alle zieke en verdachte
dieren volgens de Wet ten spoedigste afgemaakt moeten worden.
Schaapspokken.
De pokziekte der schapen (en geiten) is een koortsachtige aan-
stekende uitslagziekte, waarbij blazen op de huid ontstaan.
Oorzaken. De besmettende stof bevindt zich niet alleen in
de vloeistof, waarmede bovengenoemde blazen gevuld zijn, maar ook
in het mond- en neusslijm. De besmetting geschiedt van dier op
dier, maar kan ook door menschen, dieren en levenlooze voor-
werpen plaats hebben.
Verschij nselen. Matheid, slecht vreten, stijve gang.
Eenige dagen later: kleine, roode vlekjes aan den kop. de inwen-
dige schenkelvlakte, de borst en den buik. Uit deze vlekjes ont-
wikkelen zich blaasjes, die met vocht gevuld raken. Zij worden
zoo groot als een erwt of een boon. De huid der zieke plaatsen
is gezwollen. Uit den neus en de oogen vloeit veel vocht, de pa-
tient vreet niet meer en haalt snel adem. Na 3 dagen wordt de
inhoud der blaasjes etterachtig. In het midden er van vormt zich
een verdieping, de inhoud verdroogt, er ontstaat een zwarte roof en
na 8—12 dagen volgt heeling. Zoodra de blazen indragen, keert
de eetlust weder. Ontstaan door ineenvloeiing van meerdere blaas-
jes grootere blazen en zweren, dan sterft de patiënt meestal. Heeft
de ziekte een goedaardig verloop dan genezen van de lijdende die-
ren 90 a 95%. Niet de geheele kudde wordt tegelijkertijd ziek;
de pokziekte kan haar maandenlang teisteren.
Behandeling. Volgens de Wet moeten zieke en ver-
dachte schapen afgezonderd worden. Men plaatst ze bij slecht we-
-ocr page 236-
— 235 —
der in een koele, droge, behoorlijk groote ruimte. Goed gevoede
dieren geeft men groonvoeder, wortelgewassen en zemeldrank, als-
mede wat glauberzout. Zwakkelingen moeten veel krachtvoeder
ontvangen. Ten einde de kudde spoedig te laten doorzieken, kan
men de gezonde opzettelijk door enting besmetten. Van de besmette
dieren sterven hoogstens 2 %. De enting geschiedt aan het oor of
het onderste deel van den staart.
Bot kreupel.
Komt \'t meest voor bij schapen van edele rassen en bestaat in
een ontsteking der weeke doelen, die tot ondermijning en loslaten
der klauwen voert.
Oorzaken. De besmettende stof is nog niet voldoende be-
kend en bevindt zich in het vocht, dat door de zieke klauwen
wordt afgezonderd. De besmetting geschiedt door stroo, door den
bodem van wegen en weiden, waarop aan rotkreupel lijdende scha-
pen geloopen hebben, enz. Vocht en vuil werken het uitbreken
der ziekte in de hand.
Verse h ij nselen. Hinken, meestal met uén voet. De zieke
klauw is warm en pijnlijk en de klauwspleet is rood. Aan den
binnenwand en de ballen ziet men loslaten van don hoornzoom,
waaruit men een smeerachtig, stinkend vocht kan drukken. De pa-
tient kan den geheelen hoornschoen verliezen. Van den eenen
voet gaat de kwaal op de andere over. Het lijdende schaap ver-
magert en dit vooral door de pijn.
Behandeling. Zieke en verdachte schapen moeten volgens
de Wet van de gezonde gescheiden worden.
Met het mes moeten alle hoorndeelen, die reeds van de weeke
deelen hebben losgelaten, tot op het gezonde worden weggesneden.
Bij oppervlakkige ettering baadt men in een opl. van 10 g. koper-
vitriool op 100 deelen water. Zijn de beenderen of banden min of
meer ontbloot, dan behandelen met houtazijn of dagelijks penseelen
met mengsel van gelijke deelen myrrhe-tinctuur en terpentijnolie.
Na 2—3 dagen worden de klauwen weder nagezien, weder besne-
den en met dezelfde heelmiddelen als boven behandeld tot de ge-
nezing volkomen is.
-ocr page 237-
— 236 —
Dekziekte.
Deze ziekte komt enkele malen bij fokpaarden voor.
Oorzaken. De aansteking geschiedt bij de paring. Het
besmette dier sterft na een lijden van 1—2 jaar. Genezing heeft
zelden plaats.
Verschijnselen bij hengsten. Levendige geslachts-
drift, de mond der pisbuis is rood en gezwollen. Aan den balzak
den eikel en de roede ziet men dikwijls blaasjes en zweertjes. Na
korteren of langeren tijd ontstaan groote opzwellingen in de huid,
die nu eens spoedig, dan weder langzaam verdwijnen. De patiënt
wordt zwak in \'t kruis, eet goed, doch vermagert meer en meer;
hij krijgt waterzuchtige gezwellen en sterft eindelijk aan uitputting.
Verschijnselen bij merrie n. Voortdurende hengstig-
heid. De scheede wordt rood en er ontstaat een weeke opzwelling,
Aan den mond der scheede vormen zich blaasjes, zweertjes en witte
vlekken. Ook vloeit er een slijmig vocht uit.
Behandeling. In \'t begin de gezwollen deelen en later
de met blaasjes en zweertjes bezette deelen wasschen met een opl.
van 25 g. loodsuiker en 15 g. aluin in \'/3 L. water. Bovendien
voedert men veel haver.
Voor de fokkerij mogen aan dekziekte lijdende paarden niet
gebruikt worden.
Blaasjesuitslag.
Komt bij paarden en rundoren voor en is een goedaardige uit-
slag der geslachtsdeelen, die bij het dekken van \'t eene dier op \'t
andere overgaat.
Oorzaken. Omtrent de aanstekende stof is niets bekend.
V e r s c h ij n s e 1 e n. Bij vrouwelijke dieren ontstaan in den
benedenhoek der kling kleine blaasjes, welke barsten en in een
oppervlakkige zweer overgaan. Dikwijls is de kling gezwollen en
veelal vloeit er een slijmig of etterachtig vocht uit.
Bij mannelijke dieren neemt men allereerst tegenzin in het
dekken, alsmede blaasjes aan de roede waar, die na \'t barsten even-
eens in zweertjes overgaan. Uit de voorhuid vloeit een glazig
slijm.
-ocr page 238-
— 237 —
Behandeling. In den regel niet noodig. Bij sterke zwel-
ling en veel zweortjes wascht men de zieke deelen met een opl.
van 25 g. loodsuiker en 15 g. aluin in \'/i L. water.
Schurft van paard en schaap.
Deze ziekte is een huiduitslag, door schurftmijten veroorzaakt.
Bij paarden komt vooral de gravende schurftmijt (Sarcop-
tes) voor, die gangen in de opperhuid graaft en zich met de jon-
gere deelen hiervan voedt.
Verschijnselen bij hot paard. Aan hoofd, hals en
schouders ontstaan kleine puistjes in de nabijheid waarvan de haren
uitvallen. De bedoelde plaatsen worden later met dunne korsten
bedekt. De patiënt heeft veel jeuk en schuurt, wrijft, krabt en bijt
zich. De zieke plaatsen geraken open en in ontsteking. De uit-
slag verbreidt zich langzamerhand over \'t geheele lichaam.
De paardenschurft kan op den mensch overgaan.
Behalve de gravende schurftmijt leeft op het paard, en wel aan
de kooten, nog de huidschubbenetende schurftmijt
(Dormatophagus). Zij veroorzaakt schurft aan de achterbeenen van
de koot tot aan het spronggewricht en noodzaakt het paard voort-
durend met de achterbeenen te slaan en te stampen, vooral des
nachts. De haren vallen uit en er ontstaan huidverdikkingen.
Behandeling. De met korsten bedekte plaatsen worden
2—3 maal ingesmeerd met 50 g. creolin, 50 g. spiritus en 400 g.
groene zeep. Vervolgens wordt het lichaam afgewasschen met
400 g. creolin en 20 L. water, wat na eenige dagen herhaald
wordt.
Verschijnselen bij de schapenschurft, die ver-
oorzaakt wordt door een zuig-schurftmijt (Dermatocoptes). Het
schurftige schaap krabt en schuurt zich voortdurend, maar vooral,
wanneer het warm is of als het, na lang geloopen te hebben, in de
kooi komt. De wol begint er walgelijk uit te zien. Op de huid
ontstaan kleine puistjes en blaasjes, die spoedig in met korsten be-
dekte zweertjes overgaan. Ligt men de korsten op en bekijkt men
ze onder het microscoop (vergrooting 100 maal), dan ziet men mijten,
welke veel gelijken op die, door fig. 120 afgebeeld. Wordt het
schurftige schaap niet onder behandeling genomen, dan sterft het
-ocr page 239-
— 238 —
eindelijk aan verinagering en waterzucht. De schapenschurft gaat
niet op den mensen over.
Behandeling. Men wascht het geschoren schaap 3 maal
(om de 8 dagen) met een 2—3% croolin-oplossing. Voor 100
schapen heeft men 77s K.G. creolin en 250 L. warm water noodig.
De kooien, voederbakken en ruiven moeten ontsmet worden.
In den handel komen verschillende waschmiddelen voor, die
met uitstekend gevolg tegen schapenschurft kunnen aangewend
worden.
Van paarden- en schapenschurft moet aangifte gedaan worden
bij den burgemeester en de schurftige of van schurft verdachte
dieren moeten van de gezonde worden gescheiden. Een en ander
is niet van toepassing op beenschurft bij het paard.
-ocr page 240-
Hl i I3 A\\ P @ T Gt 11 K.
Allo geneesmiddelen moeten bewaard worden in een kastje,
dat gesloten kan worden.
Behalve geneesmiddelen heeft men de volgende hulpmiddelen
noodig:
1.     Een gewone weegschaal.
2.     Een meetglas, hetwelk tot 100 g. kan bevatten, voor het afme-
ten van vloeistoffen.
3.     Een of meer spatels voor het vermengen en uit de potten ne-
men van zalf, vaseline, laurierolie, enz.
4.     Een paar hoornen lepeltjes van verschillende grootte.
5.     Eenige potjes, die gesloten kunnen en dienen voor het bewa-
van zalven en droge stoffen.
6.     Zalfpotjes, modicijnglazen, ledige wijnflesschen. De laatste
zijn zeer geschikt om den patiënten drank in te geven.
7.      Een porseleinen vijzel met stamper voor het tot poeder maken
en het vermengen van droge geneesmiddelen. De meeste droge
geneesmiddelen zijn echter in poedervorm verkrijgbaar.
Op een boerderij, waar men 25 stuks groot en klein vee en
4 paarden houdt, heeft men van de volgende geneesmiddelen de
daarbij opgegeven hoeveelheden noodig.
Boorzuur.          v,
Dit is een wit poeder, waarvan 1 deel oplost in 25 deelen wa-
ter. Men geeft het aan kalvers en varkens, die aan doorloop lijden,
en wol dagelijks 1—3 g. met evenveel suiker. Men gebruikt het
in verbinding mot gebrande aluin (bijv. 20 g. boorzuur en 25 g.
gebrande aluin) om op wonden te strooien.
Voorraad ongeveer 100 g.
-ocr page 241-
— 240 —
Salicylzuur.
Dit lost op in 538 deelen koud water en gemakkelijk in heet
water en alcohol.
Men wendt het aan tegen diarrhee bij varkens en kalveren en
wel in verbinding met looizuur. Men geeft, al naar de grootte,
l\'/ï—3 salicylzuur, 1—l\'/s g. looizuur met kamillonthee en eenige
lepels brandewijn.
Salicylzuur is een uitmuntend middel tegen rheumatisme bij
paarden, runderen en varkens. Men geeft aan een paard of rund
75—100 g. en aan een varken 25 g. steeds met warme kamillen-
thee en wat brandewijn.
Verdund zoutzuur.                    *
Hieronder verstaat men 1 deel zoutzuur op 5 deelen water.
Het moet in een goed gesloten flosch bewaard worden. Sterk
verdund zoutzuur, bij kleine hoeveelheid gegeven, ondersteunt de
verkeerde werking van het maagsap. Men maakt een zwakke opl.
door van de gewone opl. 1 —2 eetlepels bij 1 L. water te voegen.
Men geeft deze bij maagcatarrh, welke met gisting, zuurvorming
en doorloop gepaard gaat.
Aan paarden geeft men 2—5 uren na het voederen ll,—1 eet-
lepel sterk verdund zoutzuur in het drinkwater.
Gevogelte geeft men bij kropverstopping dagelijks 2 maal 1 eet-
lepel van een 1% zoutzuur-oplossing.
Voorraad 100 gram, opgelost in \'/a L. water.
Z wav el aether.
Wegens zijn ontvlambaarheid mag men dit geneesmiddel niet
in de nabijheid van vuur brengen. Men geeft aether bij alle zie-
kelijke toestanden der buikingewandon, vooral in het eerste tijdperk
van koliek en dan 30 g. aether met 20 droppels komijnolie en 1
flesch water.
Voorraad 75 gram.
Geest van salmiak.
Sterke salmiakoplossingen kunnen inwendig doodelijke ziekten
veroorzaken. Men gebruikt salmiakgeest uitwendig en dan met
-ocr page 242-
— 241 —
2 deelen bilzenkruid of lijnolie als wrijfmiddel tegen rheumatisme,
vlekziekte, kreupelheid, enz.
Ook is \'t een goed middel tegen de steken van insecten.
Voorraad V»—1 K.G.
L y s o 1.
Dit is een bruin, gemakkelijk verzeepend, naar teer riekend
vocht, dat, met 2000 deelen water verdund, nog de meeste lagere
organismen doodt. Het veroorzaakt geen pijn, zooals bijv. creolin.
Voorraad \'/« K.G.
Creolin.                                     *
Ben zwartbruine, sterk naar teer riekende vloeistof, die op de
gekwetste slijmvliezen gebracht, hevige pijn veroorzaakt. Het is
een middel tegen lagere organismen, evenals lysol.
Men gebruikt creolin en lysol om wonden en etterende zweren
uit te spoelen en vooral om den draagzak te reinigen bij het terug-
blijven der nageboorte. Men neemt daarvoor 50 g. op 10 L. water.
Dezelfde opl. gebruikt men ook om de navelstreng bij pasgeboren
kalveren en veulens te wasschen teneinde verlamming te voorkomen.
Creolin is een middel tegen ongedierte en tegen jeukenden
huiduitslag.
Eindelijk is het gebruik van creolin schering en inslag bij het
ontsmetten van stallen, tuigen, gereedschap, enz.
Voorraad 1 kruik van VU—l\'/i K.G.
Gebrande aluin.
Een wit, gemakkelijk in water oplosbaar poeder, dat eenigszins
bijtend werkt. Men gebruikt gebrande aluin met loodsuiker (2 dee-
len loodsuiker, 1 deel aluin). Dit mengsel wordt in water opgelost
en dient om omslagen tegen huidontsteking, beleediging, enz. te
bevochtigen.
Een mengsel van 1 deel poeder van gebrande aluin en 3—5
deelen fijngemaakt aardappelmeel dient om op wonden of moeieüjk
genezende zweren te strooien.
Ruwe aluin
werkt meer mild en wordt gebruikt om den uitgetreden draagzak
te bestrooien vóór hij binnen gebracht wordt.
Voorraad 125 gram.                                                            ,
»Het zieke Huisdier".                                                                    4ö.
-ocr page 243-
— 242 —
Aardappelmeel.
Dient om mot aluin, jodoform, enz. te vermengen. Het moet
in een vijzel uiterst fijn gemaakt worden.
Voorraad \'A K.G.
Uzervitriool-poeder.
Wordt inwendig gebruikt bij ziekten, die uit een slechte bloed-
samenstelling voortvloeien. Men geeft het in verbinding met keu-
kenzout en oenig plantenpoeder, bijv. 100 g. ijzorvitriool, 200 g.
zont, 150 g. jenoverbossen-poeder en 100 g. kalmoespoeder. Al naar
de grootte krijgt een patiënt hiervan 3—5 eetlepels daags. Alleen
of met aardappelmeel wordt ijzorvitriool ook wel op wonden gestrooid.
Soms dient het laatste ook wel om het drinkwater voor schapen
en honden te verbeteren (1 eetlepel op 1 emmer water).
Voorraad 250 gram.
Looizuur (tannin).
Wordt gebruikt met lijnzaadafkooksel tegen diarrhee der kal-
veren, doorloop der honden, enz., bijv. voor een kalf 2—5 g. looi-
zuur en \'/i L. lijnzaadafkooksel (2 maal op 1 dag in te geven).
Voor honden is aan te bevelen een oplossing van lg. looizuur,
4 g. Arabische gom en 100 g. warm water en wel dagelijks 2—3
lepels vol. Looizuur dient in vermenging met jodoform ook als
strooipoeder.
Voorraad 250 gram.
L rj n o 1 i e.
Inwendig geeft men \'/., — \',\'2 L. lijnolie per keer bij pijnlijke
toestanden van het darmkanaal, verstopping, enz.
Uitwendig gebruikt men 3 deelen lijnolie met 1 deel salmiak-
geest togen op vlekziekte gelijkende opzwellingen, bij verstuikingen
on rheumatisme.
Hot paard on hot rund zijn zoer gevoelig voor dit mengsel en
daarom moet men met het gebruik eindigen, als de huid is aangedaan.
Voorraad 1 kilo.
Komijnolie.
Wordt gebruikt in verbinding mot kamillenthee en zwavelaether
-ocr page 244-
— 243 —
of met bier in \'t eerste stadium (tijdperk) der koliek. Men geeft
ongeveer 20 droppels.
Voorraad 10 gram.
Vluchtige peterselie-olie.
Men giet hiervan 15 —20 droppels op een zakdoek en houdt
dozen bij een paard onder don neus, als het wcderspannig is bij
het beslaan.
Voorraad 10 gram.
Vaseline.
Wordt gebruikt bij de bereiding van zalven, bijv. met creolin
en dient dan als middel tegen huiduitslag. Ook doet vaseline dienst
als hoefsmeer.
Voorraad 1 K.G.
Lanolin.
Men gebruikt liet als hoefsmeer om den hoef elastisch te
maken.
Voorraad \'/» K.G.
Laurierolie,
Wordt met vaseline aangewend tegen slechtgroeiende en ge-
scheurde hoeven. Men smeert 3 maal per week met een stukje
ter grootte van een noot.
Voorraad 250 gram.
Aloë.
Heeft een afvoerende werking en wordt gegeven aan paarden
en runderen. Aan een paard geeft men hoogstens 30—40 gram;
meer is ge va ar 1 ij k. Men geeft de aloë in pillenvorm en
heeft dan, behalve aloë, slechts groene zeej> noodig. Runderen
geeft men bij verstopping van het darmkanaal ongeveer 100 g. aloë,
30 g. zuivere potasch en 1 L. water.
Voorraad \'/s K.G.
Glauberzout (gezift).
Een zacht werkend afvoermiddel. Bij kleine hoeveelheden
wekt het den eetlust op. Men geeft 300—500 g. bij verstopping
-ocr page 245-
— 244 —
(aan paarden en runderen), opgelost in kamillenthee. Ook strooit
men het met zout, jeneverbessenpoeder en laurierpoeder over het
voeder om don eetlust op te wekken, bijv. 300 g. glauberzout,
150 g. zout, 100 g. jeneverbessenpoeder, 80 g. laurierpoeder en 150 g.
zemelen.
Voorraad 10 K.G.
Kamillonbloomon.
Aftreksel hiervan werkt, inwendig gegeven, kramp- en pijn-
stillend. Daarom geeft men het bij alle pijnlijke ziekte der buik-
ingewandon, bij opstopping der pis, koliek, baarmoederkramp, enz.
Voor een L. aftreksel zijn 10—15 g. kamillenbloemen noodig. Bij
koliek der paarden lost men in het aftreksel 300—400 g. glauber-
zout op.
Bij pijnlijke zwelling en ontsteking baadt men wel mot kamil-
lentheo.
Voorraad 100 g. .
Kalmoespoeder.
Bevat een vluchtige olie, welke de werkzaamheid der buikin-
gewanden bevordert.
Men wendt het daarom aan bij trage of gestoorde spijs verte-
ring. Men geeft een paard of een rund 30—40 g. met zout, glau-
berzout, enz.
Voorraad \'/j K.G.
Maluwpoeder.
Dit werkt oplossend en bevordert de uitscheiding. Het wordt
vooral gebruikt (30—40 g.) bij de bereiding van slijmige dranken
en dan met glauberzout, braakwijnsteen, enz. Verder voor de be-
reiding van likkingen en pillen.
Voorraad 250 gram.
Laurierpoeder.
Bevat een vluchtige olie, die de werkzaamheid der spijs verte-
ringsorganen opwekt en aanzet. Men geeft het met zout, glauber-
zout, maluwpoeder, kalmoespoeder, enz., vooral aan paarden en run-
deren, die er hoogstens 30—40 g. per dag van mogen ontvangen.
Voorraad 250 gram.
-ocr page 246-
— 245 —
Zoothoutwortol-pooder.
Bevat een zoetachtige stof, die de slijmafscheiding opwekt en
de uitscheiding der vaste uitwerpselen bevordert. Het wordt ge-
bruikt bij catarrhale ziekten, als de uitwerpselen te vast en te droog
zyn. Men geeft dan een paard of rund 30—40 g. per dag met
glauberzout, ruw antiraonium, enz.
Voorraad \'U K.G.
Venkelpoeder.
De hierin aanwezige venkelolie werkt krampstillend en bevor-
dert de vertering. Volgens sommigen werkt het gunstig op de
melkafscheiding.
Men geeft het venkelpoeder met zout, ruw antimonium, maluw-
poeder en zemelen en dan vooral aan koeien, die als gevolg van
een of andere ziekte minder melk geven dan gewoonlijk. De hoe-
veelheid per dag en per koe bedraagt 30—40 g.
Voorraad 1 K.G.
Jeneverbessen-poeder.
Het werkzame bestanddeel hiervan (de olie), oefent een gun-
stigen invloed uit op de spijsvertering, de mestuitscheiding en
de urineloozing. Daarom geeft men jeneverbessen-poeder aan paar-
den, die aan catarrhale ziekten lijden of slecht eten. Men geeft
een paard 3 maal daags een eetlepel van een mengsel, bestaande
uit: 400 g. glauberzout, 100 g. jeneverbessen-poeder, 50 g. anijs-
poeder en 100 g. antimonium. Ook geeft men jeneverbessenpoe-
der tegen waterzucht en dan met ijzer vitriool en keukenzout.
Voorraad 250 gram.
Groene zeep.
De oplossing hiervan werkt, op de huid gebracht, zuiverend en
verweekend. Daarom gebruikt men ze met prikkelende middelen,
zooals arnica-tinctuur, tinctuur van Spaansche peper, kamferspiri-
tus, enz.
Inwendig is een oplossing van groene zeep een geneesmiddel
bij vergiftiging door zuren, alsmede bij opgeblazenheid.
Spaansche peper-tinctuur.
Werkt hevig prikkelend op de huid en wordt daarom gebruikt
-ocr page 247-
— 246 —
inet zeepoplossingen en kamforspiritus bij verrekking, verstuiking,
lamheid, enz. Een goed mengsel is dan \'Ij L. zeepoplossing, 80 g.
Spaansche peper-tinctuur en 100 g. kamferspiritus.
Voorraad \'/» K.G.
Arnica-tinctuur
Werkt als de vorige tinctuur, doch milder. Men gebruikt
arnica-tinctuur met of zonder kamferspiritus bij kreupel- en lamheid.
Voorraad 3 K.G.
Kamferspiritus.
Bestaat uit 1 deel kamfer, 7 doelen spiritus en 2 doelen \\va-
ter. Kamferspiritus wekt de huidwcikzaamhcid op en wordt daar-
om met andere middelen uitwendig gebruikt tegen velerlei soorten
van kreupel- en lamheid en tegen rheumatisme.
Inwendig geeft men het als middel tegon dreigende hartzwakte,
vooral aan paarden, doch niet meer dan 40 g. opeens.
Zeer zieke runderen geve men geen kamfer, want de reuk er-
van deelt zich aan het vloesch mede.
Voorraad 250 gram.
-ocr page 248-
ONDEUGDEN.
Tan het Paard.
Een k r i b b e b ij t e r is oen paard, dat in den rand der krib
bijt. Teneinde dit te voorkomen beslaat men den kribrand met
ijzer of men slaat er nagels met groote koppen in, die men dik
met teer of creolin bestrijkt. Sommige paarden verwijderen de
lippen van, drukken de snijtandon op elkaar en wrijven er
dan mede heen en weder over den kribrand of den latierboom.
Hierdoor worden do tanden misvormd en ontstaat een groef in de
voorvlakte. Een paard, met deze ondeugd behept, heeft weinig rust
on gedijt bij het boste voeder dikwijls slecht. Andere paarden in
denzelfden stal nemen de ondeugd vaak over. Men past dezelfde
middelen toe als bij het kribbebijten.
Enkele paarden knagen voortdurend aan den latierboom, de ruif,
hun tuig, enz. Soms bijten zij andere paarden met dunne huid,
waarvan bloeding het gevolg kan zijn. Om de paarden van deze
ondeugd te genezen, bestrijkt men het houtwerk met teer. Om
hun te beletten aan tuig of dekkleed te knagen of andere paarden
te bijten verbindt men onder aan den neusriem een stok. die met
het andere einde aan de linker- of rechterzijde aan den singel
wordt vastgemaakt. Hierdoor wordt het terugbuigen van het hoofd
verhinderd.
Kribbezetten is een veel voorkomende ondeugd. Het kan
op twee wijzen geschieden. In beide gevallen slikt het paard lucht
in, hetwelk met een gorgelenden toon gepaard gaat. In \'t eerste
geval zet het paard de snijtanden op den kribrand (fig. 149) of an-
dere voorwerpen, ja zelfs op de vooruitgebrachte voorknie (fig. 150).
De adem wordt een poos ingehouden en de slokdarm wordt ge-
-ocr page 249-
— 248 —
Fig. 149.
Fig. 450.
-ocr page 250-
— 249 —
opend, waarbij lucht wordt ingeslikt. De ingeslikte lucht kan niet
meer ontwijken, tengevolge waarvan het paard dikwijls als »opge-
blazen" wordt. In den buik hoort men gerommel. Dikwijls doet
een paard aan kribbezetten alloen uit verveling.
Soms worden hals en tong gestrekt. De laatste wordt snel
in slangachtige bewegingen ingetrokken, waardoor lucht gegrepen
en ingeslikt wordt. Tegen het kribbezetten past men wel toe het
beslaan der krib of van den latierboom met nagels, het loszetten
der snij tanden en het branden der tongspits. Al deze middelen
helpen echter maar korten tijd. Beter werkt de hoofdriem, voorge-
steld door fig. 151—a. Hieraan bevindt zich van onderen een in-
richting, waaruit als het paard den hals buigt, eenige spitse tandjes
te voorschijn komen, welke liet paard wel pijn veroorzaken, doch
niet verwonden.
Soms vindt men baat bij het gebruik
van de door fig. 151—b voorgestelde buis
van Günther. Als het paard op stal staat,
wordt deze aan den halster verbonden buis
als een bit in den mond gelegd. Wil het
paard lucht zuigen, dan dringt plotseling
door de openingen der buis zooveel lucht,
dat liet dier er door verschrikt en van ver-
dere pogingen afziet.
Fis. 151.
Vele paarden hebben de gewoonte den halster af te strijken.
Dit geschiedt het meest bij paarden met kleinen en slecht gevorm-
den schedel. Het vast aangespen van den halsriem helpt meestal
niet en kan bovendien door bloedstuwing naar het hoofd de oorzaak
van hoofdwaterzucht of periodieke oogontsteking worden. Beter
doet men door aan den halster boven op het halsgedeelte een ring
aan te brengen en een deel der manen daaraan vast te binden
(fig. 152).
-ocr page 251-
— 250 —
Jammer evenwel, dat hierdoor veel haren worden uitgetrokken.
Bij fljnbehaardo paarden gaat men daarom anders te werk. Men
brengt aan den halster aan beide zijden sterke riemen, die men
met hun vrij einde aan den singel bevestigt (flg. 153—ff).
Dikwijls gaat een paard zoover mogelijk achter in zijn stal of box
staan. Het hangt dan als \'t ware aan den strak aangetrokken ket-
ting. Dit is vooral zeer gevaarlijk, als de ketting of de halster
breekt, want dan valt het paard achterover.
Men kan hier veel ter goede veranderen door do stand van
achter met een touw af te spannen, waardoor liet paard belet wordt
ver achteruit te gaan.
Het gebeurt wel, dat het paard met de voor- of achterbeenen
zoolang naar den ketting slaat, tot het daarin hangen blijft. Dit is
vooral gevaarlijk, als dit met de achterbeenen geschiedt, omdat het
dier zich zelf niet uit dien toestand kan bevrijden. Het valt dan
meestal en bezeert zich dikwijls zeer ernstig. Een en ander kan
voorkomen worden door don ketting door een koker te brengen en
hem van onderen met een gewicht te bezwaren (fig. 154).
Weven is een kwade gewoonte, waarbij het paard in den
stal de voorbeenen ver van elkander plaatst en het gewicht des
lichaams beurtelings op het rechter- en het linkerbeen legt.
-ocr page 252-
— 251 —
Hierdoor ontstaat een wiegende beweging, waardoor de gewrich-
ten en pezen in niet geringe mate lijden. Deze ondeugd is een
gevolg van verveling of van te kort aanbinden. Daarom komt het
weven zelden voor bij paarden, die lang gebonden zijn of los in
een box loopen. Wevers zijn niet van hun ondeugd te genezen;
soms gelukt dit door ze los in den stal te plaatsen.
Uit gewoonte en ook
wel als gevolg van huiduit-
slag of de aanwezigheid van
wormen in de aars, waar-
door hot paard jeuk hooft,
schuurt dit met zijn aohter-
docl tegen de palen in den
stal. Heeft het dier uitslag
aan den staart, dan smeert
men do zieke plaatsen met
creolinzalf of men bestrooit
ze met jodoform en looizuur
(1 deel jodoform en 10 dee-
len looizuur). Is het schu-
ren louter een gewoonte,
clan slaat men nagels in de
voorwerpen, waartegen het
paard schuurt. Men zorgt,
dat korte, spitse einden (3
millimeter) er uitsteken. Het
paard prikt zich en krijgt
Fig. 453.
dikwijls een heilzame vrees
voor de bedoelde palen. Zijn
spoelwormon de oorzaak, dan geeft men twee dagen achter elkander
telkens 10 g. braakwijnsteen in (zie bladz. 84),
Heeft een paard de gewoonte in den stal den eenen voet op
de kroon des anderen te plaatsen (fig. 154), waardoor deze dikwijls
gewond wordt, dan legt men een lederen schild volgens fig. 155
aan.
Er zijn paarden, die uit overmoed en afgunst (als andore paar-
den gevoederd worden) tegen de wanden, enz. van hun stal slaan.
-ocr page 253-
— 252 —
Soms houden zij zich geheele nachten met het uitoefenen van deze
ondeugd bezig. Lijdt het paard niet aan huiduitslag, heeft het
geen schurftmijten of spoelwormen dan legt men het even boven \'t
spronggewricht een houten kogel c aan, zooals dit in fig. 156 is af-
gebeeld. Zoodra het paard het been oplicht om te slaan, valt de
kogel tegen de pijp, wat pijn veroorzaakt en het paard van verdere
pogingen doet afzien.
B ij t e n is een der loelijkste ondeugden, omdat een bijtend
paard dikwijls zelfs zijn meester niet ontziet. Erger wordt het nog,
als het paard alvorens te bijten niet de ooren in den nek legt,
dus niet teeken t of waarschuwt. Soms kan men een
Fig. 454.
paard, dat uit kwaadaardigheid bijt, van deze ondeugd genezen door
het als het bijten wil, aan een langen puntigen stok een heete
raap of een stuk heet spek voor te houden. Het paard snapt er
naar en verbrandt zich de tong, het verhemelte en de lippen (fig.
157). Helpt ook dit niet, dan krijgt het een kettingmuilkorf aan.
-ocr page 254-
— 253 —
Met zoo\'n muilkorf kan het paard zoowel hooi als haver vreten,
doch het kan niet bijten.
Slaan is al even erg als bijten.
Het geschiedt uit boosaardigheid of voe-
dernijd. Deze ondeugd is moeielijk af
te leeren. Soms gelukt het op de vol-
gende wijze:
Fig. 156.
lMg. 155.
1°. Men bevestigt onder aan den
neusriem en ter weerszijden aan den
singel een ring. Men strikt om de
linkerachterkoot een lijn, brengt die
door den ring links aan den singel,
vervolgens door den ring van den
neusriem, dan door den ring rechts van
den den singel en bevestigt haar einde-
lijk aan de rechterachterkoot (flg. 159).
Slaat het paard, dan wordt de lijn
aangetrokken en de neusriem plotse-
ling sterk tegen den neus gedrukt.
Is de lijn te sterk gespannen, dan kan
de neusriem zelfs breken.
Men kan ook achter het paard ter
hoogte van spronggewricht en pijp een
157.
-ocr page 255-
— 254 —
Fig. 458.
Fig. 159.
-ocr page 256-
— 255 —
Fig. 160.
mot hout wol of rijs ge vulden zak ophangen
(fig. 1GÜ). Het paard slaat al spoedig als ra-
zend naar don zak, maar hoe harder en sneller
het slaat, dos te harder en sneller komt do zak
ook tegen hot achterbeen terug. Eindelijk geeft
het paard den strijd tegen »dicn verschrikkelij-
ken zak" op.
Eon paard wordt buitengewoon ontsierd,
als het de tong uit den mond laat hangen. Dik-
wijls is verkeerd optoomen er de oorzaak van.
Fig. 164.           Het paard tracht dan de pijnlijke drukking te
ontgaan en steekt de tong uit. Dikwijls wordt
de tong door de tanden beleedigd, als het paard, tengevolge van
schrik, plotseling den mond wil sluiten. Een bit, dat de tong vrrj-
-ocr page 257-
— 256 —
laat (fig. 161) kan verbetering brengen. Sommigen bevelen een bit
aan., dat in hoofdzaak uit een beweegbare rol bestaat, welke licht
op de tong drukt on hot paard noodzaakt zich met zijn tong bezig
te houden, waardoor hot vergeet die uit den mond te laten hangen.
Tan het Rund.
Enkele malen hebben melkkoeien de kwade gewoonte zichzelf
uit te zuigen. Het buigen van den kop is daarvoor een eerste ver-
eischte. Belet men dit, dan heeft men ook een middel tegen het
uitzuigen. Als zoodanig gebruikt men de »Spaansche kraag".
Het gebruik van den >stekoltoom" (fig. 162) is niet aan te bo-
velen, omdat de koe haar uier daarmede ernstig kan beleedigen.
Hebben kalvers de gewoonte aan de koeien te zuigen of aan andere
kalveren te likken en van dezen haar op te vreten, dan kan men
ze een «stekeltoom" met korte tanden (flg. 164) aandoen. De dra-
ger geniet dan bij do koeien en andere kalveren zoo\'n slecht
Fig. \'162.
onthaal, dat hij al spoedig van zijn ondeugd genezen is. Likt
het kalf zichzelf, dan neemt men zijn toevlucht tot de »Spaansche
kraag" (flg. 163).
Wil een koe zich niet laten melken en is dit niet het gevolg
van zweren of wonden aan uier of spenen, lijdt zij n-iet aan uier-
ontsteking, maar is de oorzaak te zoeken in verkeerde behandeling
in vroeger tijd, dan tracht men haar vertrouwen te winnen door
-ocr page 258-
» - 257 -
een zachte behandeling. Helpt dit niet, dan laat men een der voor-
pooten oplichten en pijp en benedenarm met een riem te zamen
binden. Soms helpt het opleggen van een natten zak op het kruis,
natuurlijk onder het melken. In \'t uiterste geval moet van een
stierenring gebruik gemaakt worden.
Yan het Schaap.
Het schaap lijdt aan een ondeugd, die volvreten ge-
noemd wordt. De schapen rukken zichzelf en elkander de wol
uit. Meestal moeten de zwakkere het ontgelden en worden enkele
schapen der kudde achtereenvolgens kaalgebeten. Men zoekt de
oorzaak in gebrek aan kalkzouten in het voedsel (phosphorzure kalk
zou dan een geneesmiddel zijn), maar uit de omstandigheid, dat
de ondeugd het meest voorkomt bij op stal staande schapen, moet
veeleer afgeleid worden, dat verveling de hoofdoorzaak is. In
de meeste gevallen is er dan ook
weinig aan te doen. Zomen onder
de kudde maar enkele wolvreters
voor, dan moeten deze van de andere
afgezonderd worden. Bovendien
brengt men de kudde zoo mogelijk
op heide of weide of men verwis-
selt op stal van voeder. Ook brengt
men zoutlikrollen onder het bereik
der schapen.
Springt een schaap over schuttingen en hagen, dan hangt men
het met een lederen riem een rechthoekig bord om (fig. 165) zóó,
dat het met den achterkant tot aan de voorknie rijkt.
Tan het PI ui in geil ie rte.
E i e r p i k k e n. Dit doen de kippen vooral, als men ze on-
voldoend fijngemaakte eierschalen geeft. Dikwijls is deze ondeugd
niet uit te roeien. Veelal helpen de volgende middelen:
1.    Men sluit de hoenders eenige dagen in een donkere ruimte op
en geeft als voeder en drank vuile eieren en water.
2.    Men geeft ze een nestei van witgeverfd hout of porselein.
"Het zieke Huisdier".
                                                                    41
-ocr page 259-
— 256 —
laat (fig. 161) kan verbetering brengen. Sommigen bevelen een bit
aan., dat in hoofdzaak uit een beweegbare rol bestaat, welke licht
op de tong drukt en het paard noodzaakt zich met zijn tong bezig
te houden, waardoor hot vergoot die uit den mond te laten hangen.
Van het Rund.
Enkele malen hebben melkkoeien de kwade gewoonte zichzelf
uit te zuigen. Het buigen van den kop is daarvoor een eerste vor-
eischte. Belet men dit, dan heeft men ook een middel togen hot
uitzuigen. Als zoodanig gebruikt men do »Spaansche kraag".
Het gebruik van den »stokoltoom" (fig. 162) is niet aan te bo-
volon, omdat de koo haar uier daarmede ernstig kan beleedigen.
Hebben kalvcrs do gewoonte aan de koeien te zuigen of aan andore
kalveren te likken en van dozen haar op te vreten, dan kan men
ze een »stekoltoom" met korte tanden (lig. 164) aandoen. De dra-
ger geniet dan bij de koeion en andere kalveren zoo\'n slecht
Fig.\'102.
onthaal, dat hij al spoedig van zijn ondeugd genezen is. Likt
het kalf zichzelf, dan neemt men zijn toevlucht tot de »Spaansche
kraag" (fig. 163).
AVil een koe zich niet laten melken en is dit niet hot gevolg
van zweren of wonden aan uier of spenen, lijdt zij niet aan uier-
ontsteking, maar is de oorzaak te zooken in verkeerde behandeling
in vroeger tijd, dan tracht men haar vertrouwen te winnen door
-ocr page 260-
— 257 -
i
een zachte behandeling. Helpt dit niet, dan laat men een der voor-
pooten oplichten en pijp en benedenarm met een riem te zamen
binden. Soms helpt het opleggen van een natten zak op het kruis,
natuurlijk onder het melken. In \'t uiterste geval moet van een
stierenring gebruik gemaakt worden.
Van het Schaap.
Het schaap lijdt aan een ondeugd, die volvreten ge-
noemd wordt. De schapen rukken zichzelf en elkander de wol
uit. Meestal moeten de zwakkere het ontgelden en worden enkele
schapen der kudde achtereenvolgens kaalgebeten. Men zoekt de
oorzaak in gebrek aan kalkzouten in het voedsel (phosphorzure kalk
zou dan een geneesmiddel zijn), maar uit de omstandigheid, dat
de ondeugd het meest voorkomt bij op stal staande schapen, moet
veeleer afgeleid worden, dat verveling de hoofdoorzaak is. In
de meeste gevallen is er dan ook
weinig aan te doen. Komen onder
de kudde maar enkele wolvreters
voor, dan moeten deze van de andere
afgezonderd worden.
        Bovendien
brengt men de kudde zoo mogelijk
op heide of weide of men verwis-
selt op stal van voeder. Ook brengt
men zoutlikrollen onder het bereik
der schapen.
Springt een schaap over schuttingen en hagen, dan hangt men
het met een lederen riem een rechthoekig bord om (flg. 165) zóó,
dat het met den achterkant tot aan de voorknie rij kt.
Van het P 1 u i m g e d i e r t e.
Eierpikken. Dit doen de kippen vooral, als men ze on-
voldoend fijngemaakte eierschalen geeft. Dikwijls is deze ondeugd
niet uit te roeien. Veelal helpen de volgende middelen:
1.    Men sluit de hoenders eenige dagen in een donkere ruimte op
en geeft als voeder en drank vuile eieren en water.
2.    Men geeft ze een nestei van witgeverfd hout of porselein.
»Het zieke Huisdier".
                                                                     47.
-ocr page 261-
— 258 —
3,     Men logt oen uitgeblazen ei in \'t legnest, gevuld met mosterd,
peper of teer. Na \'t vullen wordt de opening zorgvuldig gedicht
met gips.
4.     Jlon snijdt den snavel zoo sterk bij, tot er bloeding ontstaat.
Hot dier is dan niet meer in staat do harde schaal stuk te
pikken, terwijl het wel voedsel kan opnemen.
Doelmatig is ook oen legnest, waarin het ei, nadat het gelegd
on de kip opgestaan is, onmiddellijk buiten het bereik der kip
valt.
Vechten der hoenders. Men bindt den strijdlustiger! de
boenen zóó, dat ze wol loopen, maar niet springen kunnen.
V e d e r v r e t e n of plukken is meestal hot gevolg van
te weinig vleeschvoeder of te weinig kalkzouten in het voeder.
Ook is dorstlijden wel de oorzaak, liet vedorvroten of plukken is
enkele malen ook een gevolg van verveling en komt daarom vooral
bij opgesloten hoenders voor. De dieren nemen deze ondeugd ge-
makkelijk van elkander over.
Wil men het vedervreten of plukken voorkomen, dan geeft
men kalk door *t vooder in den vorm van gepreacipiteerde basisch
-ocr page 262-
— 259 —
phosphorzure kalk, gebrande en daarna gestampte oesterschelpen,
kalkpnin, enz. Men voorziet do vastzittende hoenders bovendien
geregeld van drinkwater on vcrgoto vooral het dierlijk voedsel niet.
De zitstokken plaatst men zoo, dat tnsschon elke twee stokken
een ruimte van 1 d.M. is. Men verschaft den hoenders voldoende
beweging en afleiding door in het loophole aan een touw een krop
sla of oen koolstronk met bladeren op te hangen.
Wegleggen der eieren. Dit doen vooral de eenden.
Men onderzoekt daarom in den legtyd steeds, welke eenden een ei
moeten leggen. Uio, bij welke
men een ei voelt, sluit men op
en geeft zo alleen drinkwater,
geen voeder. Hebben ze gelegd,
dan voedert men ze, waarna men
ze do vrijheid geeft. Al spoedig
merkon zij, dat zo slechts voeder
krijgen, als ze in het hok of het
nest gelogd hebben, wat hun er
toe brengt hun eieren steeds te
leggen, waar men dit verlangt.
Ook de hoenders leggen hun
Kiö.
eieren wol op verborgen plaatsen.
Dit komt. dikwijls voor, als de legneston te ondiep zijn, en zich
daarin geen nestei bevindt. De hen legt gaarne in een diep nest,
waarin zich reeds één of meer eieren bevinden, want zij legt met
hot doel eon broedsel bij elkander te krijgen. Do voorbehoed-
middelen laten zich dus hier uit de oorzaak afleiden.
>
-ocr page 263-
V E K H E TEItl N (i E N.
Op bladz. 14, I3OT regel v. o. staat: Hauptneschre,
lees: Hauplnersche.
» » 48 staat fig. 33 onderstboven.
» » ö\'J, H«" regel v. o. staat: aancenslekcndc,
lees: aanstekende.
» » 70, ü"-" regel v. b. staat: kummel\'poeder,
lees: komijnzaad-poeder.
» » 124, 23,!" regel v. 1). staat: karwijsaadpoeder,
lees: komijnzaad~poeder.
» i> 159, I21\'" regel v. b. staat: vlierbessenpoeder,
lees : jeneverbessen-poedèr.
» i) 161, 20,lcn regel v. b. staat: vtierbessen,
lees : jeneverbessen.
» » 240, 14on regel v. b. staat: verkeerde werking,
lees: werking.
-ocr page 264-
INHOUD.
Bladz.
Voorwoord
8
Het Paard
5
I.
Kenteekenen der gezondheid
5
II.
Verloskunde
10
1. Behandeling en verpleging der fohnerric
10
2. Hulp hij de geboorte
14
III.
Uitwendige ziekten
24
Huidverbranding
24
Iluidschavingen
24
Ontstekingachtige huidzwelling
25
•
Nelcbuilen, borstgezwellen, zadeldrukkingvn
26
Ontstekingachtige zwelling der voeten
27
Ontstekingachtige zwelling der schenkels
28
Hoofdzioelling
29
Ontstekingachtige zwelling van den koker
29
Legger
.\'50
Dikke hak
31
Strijlcwonden
82
Oogontsteking {ontsteking van het bindvhesj
33
Inwendige oogontsteking (periodieke oogontsteking, maan-
blindheid)
34
Troebelheid van het hoornvlies
\'Vo
Zwarte staar
f6
Wonden
36
Kreupel- of lamheid
37
Boeg- of schouderlamheid
39
Ontsteking der peten
41
•
-ocr page 265-
Bladz.
Gewrichtsgallen
11
Geierichtsontsteking
42
Ontsteking van het kootgewrieht
42
Ontsteking van het kroongetoricht
43
Hoeflamheid
11
Ontwrichting der knieschijf
44
Spat
45
Reebeen en hazenhak
48
Ontstekingen en ziekten van den hoef
48
Nageltred of trap
49
Kroonbetrapping
50
Steen gallen
50
liet verballen
51
Mok
52
Straalkanker
52
Botstraal
53
Buikbreuk
M
Huidjeulcen
54
Manenschurft
r>.-,
Ooruitslag
56
Tlasp of krab
56
Egelsvoet
56
Wratten
57
Inwendige ziekten
57
Keelontsteking
57
Droes (goedaardige)
59
Longcatarrh (bronchitis)
(12
Longontsteking
«4
Bloedaandrang naar de longen (longencongestie)
04
Borstvliesonttteking
65
Influenza
65
Besmettelijke boretziekte (influenza pectoralis)
66
Dampigheid
67
Bloedvlekziekte, rotkoorts of paardentgphus
68
Overlading der maag
69
Bedorven maag (maag- en darmcatarrh)
70
Verminderde voederopname als gevolg van tandzielden
en niondontdeking
71
TV.
-ocr page 266-
Bladz.
Doorloop of diarrhee                                                             72
Koliek                                                                                     72
Blaaskoliek                                                                              74
TJorzellarven in de maag                                                       75
Leververharding                                                                      7f>
Koude pis                                                                               1(\\
llheumatisme                                                                          78
Klem of stijf kramp                                                               73
Hersenvliesontsteking                                                              80
Kolder                                                                                    82
Wormen                                                                                  83
Het Rund                                                                                85
I.        Kenteekenen der gezondheid                    85
II.      Huid verpleging                                                88
III.     Verloskunde                                                       90
1.      Verpleging van drachtige vaarzen en loeien                  90
2.     Hulp bij de geboorte                                                       92
IV.      Uitwendige ziekten                                               107
Gezwellen en builen aan de kaak                                        107
Ontsteking aan bek en tong
                                                 108
Beleediging der tong
                                                            108
Dikke tong
                                                                            108
Vreemde lichamen in den slokdarm
                                    10ü
Uierontstekingen
                                                                   109
Ontsteking der voorhuid bij ossen
                                       111
Beenbreuk
                                                                             111
Verstuiking en kreupelhcid. Ontwrichting der knie-
schijf
                                                                                 111
Beleediijing der (voet)ballen
                                                  ] 11
Kwetsing der zool
                                                                111
Klauwgezwel
                                                                         111
Mok, spoeling uitslag of beensehurft 1
                                 113
Afstooten der horens
                                                            113
Afbreken der hoornpit
                                                          114
Buikbreuk
                                                                             114
Naar buiten treden van den draagzak
                                HG
V. Inwendige ziekten
                                                  117
Storingen in de spijsvertering >
               117
-ocr page 267-
Êladz.
Chronisch belette spijsvertering of verstopping der boek-
pens
118
Opgeblazenheid of trommehucht
119
Goedaardige halverdiarrhee
120
Witte diarrhee
121
Inwendige breuk bij ossen
122
Botziekte
123
Blaaswormzie/de
124
Beleediging van den draagzak
125
Kwetsing der scheede
125
Achterblijven der nageboorte
126
Brulschheid of bandeloosheid
128
Verwerpen
128
Kwaadaardige catarrhaal-koorts
129
Ontsteking van het hartezakje
129
Draaiziekte
131
Klem of stijfkramp
131
Blijven liggen na het kalven
131
Kalfziekte of melkkoorts
133
Lik- of hiaagziekte
133
Broosheid der beenderen
134
Tuberculose
135
Het Schaap
139
I. Kenteekenen der gezondheid
139
II. Huidverpleging
139
UI. Verloskunde
141
1. Verpleging van drachtige ooien
141
2. Hulp bij de geboorte
143
IV. Uitwendige ziekten
146
Vreemde lichamen in den slokdarm
146
Besmettelijke catarrhale oogontsteking
147
Uiervlekziekte
147
Inwendige uierontsteking
147
Brandige uierontsteking
148
Wonden en zweren aan de spenen
148
Ontsteking der voorhuid
149
Afstooten der horens
150
-ocr page 268-
Bladz.
Afbreken der horenpit
150
Beenbreuk
150
Wonden
150
Mterbuilen
151
Schouderverstuiking
151
Kootverduiking
151
Ziekten der klauwen
152
Navel- en bitikbrenk
153
V. Inwendige ziekten
154
Opgeblazen heid
154
Overvoederiug
154
Verstopping der boekpens
155
Koliek
155
Doorloop of diarrhee
155
Diarrhee der lammeren
15G
Catarrhaal-koorts
157
Lamheid der lammeren
157
Stijfheid der lammeren
158
Schrik- of draafziekte
158
Verwerpen
158
Lintwormen bij lammeren
159
Maag-pallisadenwormen bij lammeren
160
Luchtpi/p-pallisadenworm der lammeren
160
Botziekte
161
Draaiziekte
161
Ilorzelmadenziekte of valsehe draaiziekte
163
Het Varken
164
I. Kentee kenen der gezondheid
164
II. Huid ver pleging
164
III. Verloskunde
164
1. Verpleging der fokzeug 1
165
\'2. Hulp bij de geboorte
166
IV. Uitwendige ziekten
172
Beleediging der spenen
172
Ontdeking der spenen
173
Verrekkingen
173
Beenbreuk
174
-ocr page 269-
Bladz.
Buikbreuk                                                                             174
Uitzakking van den endeldarm                                            175
Buiduitslag                                                                           175
Ekzeem of blaasjesuitslag                                                     175
Schurft                                                                                 176
V. Inwendige ziekten.                                                   176
Keelontsteking                                                                       176
Maag- en darmcatarrh                                                        Vil
Darmcatarrh met geelzucht                                                  177
Doorloop of diarrhee                                                           177
Waterzucht                                                                           177
Ingewandswormen                                                                 178
Gortigheid                                                                             178
Trichinen                                                                              178
Longivormziekte                                                                    180
Borstelziekte of borstelbederf                                                180
Weekheid der beenderen                                                       181
iS\'tt uffelziekte                                                                          181
Rheumatisme met longontsteking                                         182
Gewrichtsrheumatisme                                                          182
Bevangenheid                                                                        182
Ketelkoorts                                                                           183
Besmettelijke varkensziekte                                                    183
Zivijnenpest                                                                          183
Tuberculose                                                                          184
De Hond                                                                                1S5
I.        Kenteekenen der gezondheid                       185
II.       Huidverpleging                                                          1 *tj
m. Verloskunde
                                                                 188
1.      Verpleging der fokteef                                                  188
2.     Zïwfy) o// <& geboorte                                                    189
3.     .&>»•# voor «fe £««ƒ <*» Aflar jongen na de geboorte 190
IV. Uitwendige ziekten
                                                192
Beleedigingen                                                                        192
Kwetsing van de eeltballcn der voeten                                192
Ontsteking van den bek                                                       192
Mondzweren                                                                         193
-ocr page 270-
Bladz.
Tandpijn                                                                               193
Beleediging der tong                                                             194
Kikvorschgezwel                                                                    194
Vreemde voorwerpen in den slokdarm                                194
Oogontsteking {ontsteking van het bindvliesj                        194
Ontsteking van het hoornvlies                                              195
Uitwendige oorworm                                                             195
Inwendige oorworm                                                              196
Wonden                                                                                196
Zweren                                                                                  196
Gewrichtsverstuikingen                                                          197
Verrekkingen                                                                        197
Verrekking der knieschijf bij kleine honden                        197
Beenbreuk                                                                             198
Kropgezwel                                                                           198
Wratten                                                                                199
Uitzakking vnn den endeldarm                                            199
Uitzakking der scheede                                                         200
Insnoering van den eikel                                                     200
Navelbreuk                                                                           200
Liesbreuk bij reuen                                                              201
Verbranding der huid                                                         201
Bevriezen der huid                                                              201
ScAwr#                                                                                 201
Haarwortclmijt-uitslag                                                         202
Bauw- of haarworm                                                            203
Üfc<?m                                                                                  203
Spekschurft                                                                           203
Inwendige ziekten                                                    204
A\'eelontsteking                                                                       204
Maagcatarrh                                                                         204
Barmcatarrh .           205
Aambeien                                                                              205
Verstopping                                                                          205
Buikwaterzucht                                                                     205
Wormen in de darmen                                                        206
Cutarrh van liet strottenhoofd                                             209
Longcatarrh                                                                          209
-ocr page 271-
Bladz.
Longontsteking                                                                      210
Hartkwalen,                                                                           210
Nierontsteking                                                                       211
Blaamttarrh                                                                         211
Vallende zielto (epilepsie)                                                   212
Kramp der t"ven                                                                  212
Vetzucht                                                                                212
Engehche ziekte (rhachitis)                                                  213
llheumatisme                                                                         213
Uondenzielte                                                                         213
Het Pluimgodiorte                                                       215
I.        Kenteekenen der gezondheid                        215
II.       Huidverpleging                                                         216
III.     Het broeden                                                                   217
IV.     Uitwendige ziekten                                               219
Gezwellen aan de beenen                                                     219
Gewrichtsontsteking                                                              219
Ontdeki>iy der stuitklier (pip)                                             220
Kalkpooten                                                                            220
Poederkam                                                                             220
Bevriezen der kam                                                               221
Beenbreuk                                                                              221
Ontsteking en uitzakking van den eileider                          222
Legnood                                                                                 222
V.      Inwendige ziekten                                                   222
Ventopping en ontsteking der krop                                    223
Draadwormen in den slokdarm der eenden                        224
Lintwormen                                                                          224
Lintwormen bij ganzen                                                        225
Geelzucht                                                                               225
Neus-, luc/itp/jp- en bordcatarrh                                        225
Wormen in de luchtpijp                                                      226
Croup en diphtherites                                                          226
Verstopping                                                                          227
llheumatisme                                                                        227
Zwakte en verbuiging der beenderen                                   227
Tuberculose der hoenders                                                     228
-ocr page 272-
Éladz.
mettelijke ziekten
229
Veepest
229
Miltvuur
229
Hondsdolheid
230
Kwade droes
231
Mond- en klauwzeer
232
Longziekte
233
Schaapspokken
234
Rotkreupel
235
Dekziekte
236
Blaasjesuitslag
236
Schurft van paard en schaap
237
sapotheek
239
Boorzuur
239
Salicglzuur
240
Verdund zoutzuur
240
Zwavelaether
240
Geest van salmiak
240
Lysol
241
Creolin
241
Gebrande aluin
241
Ruwe aluin
241
Aardappelmeel
242
Ijzervitriool
242
Looizuur (tannin)
242
Lijnolie
242
Komijnolie
242
Vluchtige peterselie-olie
243
Vaseline
243
Lanolin
243
Laurierolie >
243
Aloë
243
Glauberzout
243
Kamillenbloemen
244
Kalmoespoeder
244
Maluwpoeder
244
Laurierpoeder
244
-ocr page 273-
Bladz.
Zoethoiitioortel-poedcr
245
Venkelpoeder
245
Jeneverbessen-poeder
245
Groene zeep
245
Spaansche peper-tinctuur
245
Arnica-tmctuur
246
Kamfer spiritus
246
Ondeugden
247
Van h et paard
247
Van het rund
256
Van het schaap
257
Van li e t pluimgediertè
257
-ocr page 274-
Maatschappij tot Verkoop van Hulpmeststoffen,
DOSBRBqST,
Importeurs van
Sterngpfii MiOb
en Leveranciers van alle andere
HULPMESTSTOFFEN.
M. t. V. V. H. Alleenverkoop voor Nederland
VAN
Basisch pkpkzuro M,
voor bijvoederiag aaii
ves es pluSmgodierte.
Proefkistjes van 5 Kilo ad f 1,50 franco per post.
Gebruiksaanwijzing op aanvraag.
Speciale offerte voor H.H. Handelaars. —
♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦
De oliolié\'s      |
#      der in dit werk voorkomende afbeeldin= J
gen zijn vervaardigd op het Atelier van
A. C. VBRHEES.
Verwerstraat.                              , s-Ilertogenbosch,
♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦♦
♦                                                                                    ♦
>,
-ocr page 275-
VEEVOEDER.
Uitmuntend krachtvoeder zijn de onderstaande
artikelen, die overal hier te lande te verkrijgen zijn
en onder vasten waarborg overeenkomstig de bepalin-
gen der Rijkslandbouw-proefstations worden geleverd:
Gred.xoogrd.e Spoelin.gr A
11»«\'t. een gehalte var» £2£* % eiwit en ÏO % vet ;
met een gehalte van ÏO % e»-*vit en O % vet.
Beide artikelen werden geleverd door de Ned. Gist- en
Spiritusfabriek te Delft (Directie v. Marken & Waller) en
hare wederverkoopers op verschillende plaatsen.
Grondnotenko^k en Wï<itkl.
vrrrrrrrrrrrrrfvrrrf «Irvw
In deze beide artikelen, welke alleen in vorm verschillen,
wordt gewaarborgd
48 % eiwit en f % vet.
Geene der in gebruik zijnde Veekoeken hebben een hoo-
ger eiwitgehalte en geene evenaren deze artikelen in zuiverheid.
Ze zijn verkrijgbaar bij de Fransch-Hollandsche 01iefa-
brieken Nouveaux Etabussements Calvé — Delft te Delft en
bij hare wederverkoopers in alle provinciën.
W" Bovenstaande fabrieken geven gaarne aan Coöperatieve
Vereenigingen en andere Landbouwvereenigingen alle
verlangde inlichtingen, alsook aan particulieren.
-ocr page 276-
Van Arenthals & Glerum,
WALSOORDE (Hontenisse).
CHEMISCHE
s MESTSTOFFEN-FABRIEK s
«e VLAKE (Holland).
LEVEREN UITSLUITEND PRIMA KWALITEIT
- MESTSTOFPEN, -
ZO O ALS
SUPERPHOSPHAAT met 12-20% in water oplosbaar
phosphorzuur.
ZWAVELZUUR-AMMONIAK met 20—21% stikstof.
AMMONIAK-SUPERPHOSPHAAT met 7% stikstof en
9% phosphorzuur.
CHILISALPETER met 15% a 16% stikstof, enz., enz.
Alles wordt vlug geleverd tegen sterk concurree-
rendeprijzen, op gemakkelijke betalings-voorwaarden en
in zeer goede zakken van 100 K.G., bruto voor netto.
De zending geschiedt franco in alle Nederlandsche
plaatsen, welke aan spoor of vaarwater liggen.
Voor omwonenden gemakkelijk aan de fabriek af te
halen.
Aanbevelend,
VAN ARENTHALS & GLERUM.
-ocr page 277-
John Grant\'s
Sehotseh Havermout
IN PAKKEN VAN 1 K». a f 0,40.
„ % K°. a f 0,25.
„ «A K°. a f 0,15.
is het beste van alle bestaande merken.
Hoofdagenten voor Nederland :
U J. LEUFEN & ZOOI
te Haarlem.
Firma Wed. J. €. Hf ASSER & Zn., Goes.
Voor een Boerderij van 5 \\ 8 Koeien scteffe men een
BalancÊ-Cent% met Victoria-Karn
BALANCE-\'CENTRIFUGE.
N°. 20 ontroomt per uur 75 Liter ... f 130,00
» 21 »
         » » » 100 » ... - 200,00
VICTORIA-KARN.
N°. 5 f 57,00              N°. 6 63,00.
Voor grootere bedrijven:
BALANCE-CENTRIFUGE n". 13, ontroomt por uur ± 150
Liter f 255,00, met KARN n°. 7 f 69,00
BALANCECENTKIFITGE n°. 15, ontroomt per uur ± 300
Liter f 320,00, met KARN n». 8 f\' 75,00
^P* Men (/clleve uitgebreide Catalor/i, ook van
niet in deze advertentie voorkomende Werk-
tuigen, bij onze Firma, aan te vragen.
•