-ocr page 1-
*- r» v
v*t. ■*
■ . ï ■
*              l
\'-. „■-.- >                              \'                                              *•**                                        J.
*-3Vv
\'*»*-< ^
■ t
* -v *
v\\.t C                     -«SM-                           ■"• , •\'
ï Af
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
j                                                                                              :
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000030549053B
3054 905 3
-ocr page 5-
obVL 8SS
JAVA,
Geographisch, Ethnologisch, Historisch.
-ocr page 6-
YY\\vn »S^B>
-ocr page 7-
-ocr page 8-
Prof. P. J. VETH
op tachtigjarigen leeftijd.
-ocr page 9-
öfiU 8S8
JAVA,
I8CH, H1ST0B1SCH,
DOOR
Prof. P. J. YETH.
TWEEDE DRUK,
BEWERKT DOOK
JOH. F. SNELLEMAN en J. F. MEKMEYER.
EERSTE DEEL.
Oude Geschiedenis.
(Met 3 kaarten.)
Universiteit Utrecht
BIBLIOTHEEK CENTRUM UITHOF
HAAELEM.
DE ERVEN F. BOHN.
1896.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
-
VOORREDE.
Toen de bewerkers dezer uitgave in den aanvang van 1895
hunne taak aanvaardden, bestond er geen plan de in den
eersten druk gevolgde orde van behandeling te wijzigen. Zij
begonnen dus met de bewerking van het aardrijkskundig ge-
deelte; spoedig bleek echter dat geruime tijd zou verloopen,
eer de uitkomsten der nieuwe geologische opneming van Java,
door de mijn-ingenieurs Verbeek en Fennema, bekend zouden
zijn. Daar die opneming een geheel nieuwe grondslag moest
leggen voor de kennis van Java\'s bodem, was het noodza-
kelijk de herziening van het geographisch gedeelte uit te
stellen. Daarom vangt deze druk met de behandeling derge-
schiedenis aan.
In de historische beschrijving is, als vroeger, de aan de
archaeologie behoorende stof, het overzicht der tempels en
beeldwerken, opgenomen. Vooral dat belangrijk onderdeel had
aan groote wijziging behoefte. In twintig jaren is in de kennis
van de godsdiensten der Hindoe\'s en de overblijfselen daarvan
op Java veel licht gekomen; ook de geschiedenis van den
tijd, waarin die eerediensten werden beleden, is niet meer
zóó duister als te voren: dank zij vooral de betere kennis
der opschriften en der Chineesche en Arabische bronnen.
Indien het den bewerkers gelukt is dit licht ook in Veth\'s
Java te doen schijnen, dan is dit mede te danken aan de
persoonlijke medewerking van hen die het ontstaken. Aller-
eerst moet hier genoemd worden de hoogleeraar H. Kern.
Voor tal van punten moesten de bewerkers zijne voorlichting
inroepen; zij deden het nooit te vergeefs. Bij het derde hoofd-
stuk was de hulp van Dr. R. D. M. Verbeek, den eenigen
onderzoeker die nagenoeg alle tempels van Java uit aan-
-ocr page 12-
*
\'4
VI
schouwing kent, de aanleiding tot menige verbetering. Ook •
de staatsraad W. P. Groeneveldt stond den bewerkers met
zijne kennis der oudheden bij, evenals Prof. M. J. de Goeje
voor de controleering der Arabische, Prof. J J. M. de Groot
voor die der Chineesche gegevens en Prof. A. C. Vreede voor
eenige Javaansche teksten. Van Dr. J. Brandes te Batavia wer-
den mede enkele belangrijke inlichtingen ontvangen. Dr. J.
Groneman te Banjoemas had reeds vroeger een uitvoerige lijst
van verbeteringen op het geheele werk samengesteld en aan
den schrijver afgestaan.
De opneming van eenige ter verklaring van den tekst on-
misbare afbeeldingen werd door de uitgevers met bereidwil-
heid toegestaan.
Terwijl in het gedeelte van den Hindoe-tijd schier geen
enkele bladzijde ongewijzigd bleef en menige geheel nieuw
werd geschreven, waarvan een aanzienlijke uitbreiding het
gevolg was, was de litteratuur over den Portugeeschen tijd
en over dien van de opkomst en den bloei van Mataram wat
minder omvangrijk, al konden ook hier nog talrijke nieuwe
gegevens worden opgenomen.
De bewerkers wenschen zich kortelijk te verantwoorden
omtrent de spelling der namen. Zij keerden van Banten,
Djakarta, Gresik, Tjirebon, enz. — het laatste schreef de
prospectus — terug tot Bantam, Jakatra, Grissee en Tjeribon,
dus tot de historische schrijfwijze, met deze uitzondering, dat
het onhollandsche Cheribon verbannen bleef en dat een wij-
ziging werd aangenomen, wanneer een enkele, door slordig-
heid verkeerd geschreven letter kon verdwijnen; zoo Besoeki
voor Bezoeki. De poging tot vervanging der historische schiïjf-
wijze in den thans gebruikelijken vorm door een geheel con-
sequente, zou tot vervanging van Preanger door Priangan,
van Indramajoe door Dermajoe moeten leiden.
In het plaatsen van accenten is deze druk den eersten gelijk
gebleven; de schrijver plaatste ze alleen, wanneer hij vreesde,
dat door ze weg te laten de uitspraak van een naam al te
zeer van de ware zou afwijken.
-ocr page 13-
•
•
■ •
VII
De historische kaart der vorige uitgave is door een drietal
vervangen.
Het zij den bewerkers verder vergund een dringende wensch
uit te spreken. Bij de herziening van het geographisch gedeelte
van het boek zal blijken, hoe uiterst gering het aantal goede
en nieuwe beschrijvingen der meeste streken van het eiland is.
Met een kleine uitzondering bepalen ze zich tot eenige berg-
beschrijvingen. Voor het eiland Madoera ontbreekt een nieuwere
beschrijving zelfs geheel. In plaats van toe te nemen, neemt
liet aantal aardrijkskundige beschrijvingen der onderdeden
van Java af. Men is ongetwijfeld van meening dat Java te
bekend is om er over te schrijven; niets is minder juist dan
dit. Ieder goed waarnemer kan hier hoogst gewichtig werk
doen, hetzij hij een bepaald geographisch landschap beschrijft,
of van een staatkundige eenheid de natuurlijke onderdeelen;
onze kennis van het uiterlijk van het land, de wijzigingen in
begroeiing en bebouwing, het verband tusschen den bodem
en de middelen van bestaan der bevolking, is voor vele streken
geheel onvoldoende. De onmisbare commentaar bij en aan-
vulling van de in zoovele opzichten voortreffelijke maar ge-
deeltelijk reeds verouderde residentie-kaarten ontbreekt na-
genoeg geheel.
De schrijver van dit boek heeft een zijner liefste wenschen
vervuld gezien, doordat nog bij zijn leven met den nieuwen
druk een begin is gemaakt. Hij heeft de eerste vellen gelezen
en er zijn goedkeuring aan gehecht. Dat zijn sprekend gelij-
kende beeltenis in zoo fraaie uitvoering kon worden opgeno-
men, is te danken aan den schilder Jan Veth, die zich de
moeite getroost heeft toezicht te houden op de vervaardiging
dezer reproductie van het olieverf-portret, door hem kort voor
het overlijden zijns ooms vervaardigd.
Joh. F. S. en J. F. N.
-ocr page 14-
*
INHOUD.
Blz.
EERSTE HOOFDSTUK.
Naanisoorsprong, oudBte berichten............1
TWEEDE HOOFDSTUK.
Java in het Hindoe-tijdperk..............14
DERDE HOOFDSTUK.
De Godsdienst der Hindoe-Javanen...........71
VIERDE HOOFDSTUK.
De bouwvallen en beelden uit den Hindoe-tijd.......98
VIJFDE HOOFDSTUK.
De val van Madjapahit................222
ZESDE HOOFDSTUK.
De Portugeezen op weg naar Java; hunne botsing met de Ja-
vaansche kolonie te Malakka..............247
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De Portugeezen op Java. Het rijk van Demak.......273
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De opkomst van het huis van Mataram..........299
NEGENDE HOOFDSTUK.
Bantam, Jakatra en de Compagnie...........317
TIENDE HOOFDSTUK.
Mataram onder Sultan Ageng........... . 351
-ocr page 15-
EERSTE HOOFDSTUK.
Naamsoorsprong, Oudste berichten.
Onder de eilanden van den Indischen Archipel, ons schoone
rijk van Insulinde, is Java niet het grootste: het wordt in dit
opzicht door Nieuw-Guinea, door Borneo, Sumatra en Celebes
overtroffen; maar het is in schier ieder opzicht het gewich-
tigste. Het heeft de merkwaardigste lotswisselingen ondergaan,
is het tooneel geweest der belangrijkste gebeurtenissen, bevat
de schoonste gedenkteekenen van voorbijgeganen luister. Het
voedt alleen een talrijker bevolking dan al de andere eilanden
van Insulinde te zamen, eene bevolking zoo dicht opeenge-
gedrongen als slechts in de meest bevolkte landen van Europa
het geval is. Het wedijvert in natuurschoon met de meest be-
voorrechte landen van den aardbodem, steekt Zwitserland
naar de kroon door de majesteit zijner ontzagwekkende
berggevaarten, streeft het Skandinavische Noorden op zijde
door de pracht zijner wouden en watervallen, kan zich met
Italië meten in de bekoorlijkheid zijner romantische dalen,
en overtreft al die landen te zamen door de huivering wek-
kende schoonheid der tooneelen van verwoesting, door zijne
twintig dood en verderf brakende vuurmonden aangericht.
Schoon zijn, o Java, uw waat\'ren, uw velden, uw bergen, uw wouden!
Maar \'t is een schoonheid die steeds ligt aan den boezem des schriks.
De naam Java is zeer oud en zijn oorsprong is, zooals die dei-
meeste oude geographische namen, niet gemakkelijk te bepalen.
I.
                                                                                          1
-ocr page 16-
1
\'/
PliiOJttiri .
*
.
,Set**0*.
.1
.
A*04L.
t
„
Hofhreth:
.;
n
Loemhocii*/-
(i
„
/\'/•tl rrtAn ri <ni .
7
A >ttt<ttif ii ii .
»
attfi .
a
hu /ti tn ii .
10
hïtlnl,<i< i\' Hut,\',\' /f««/r«* .
il
Ti-
htjo
ij
„
■Yim/ü ,
i?
..
Timt/\'fTtu.
n
Sf.
IfHI fttutfUlt .
/•>
Ti
.\'t />«# n y.
1
IN HET HINDOE-TIJDPERK
naar Verbeek.
1 : 2.ÜOOOOO.
• JioitiniHiHett
               xJüreMsrt.
-ocr page 17-
*
2                       •

Wij kunnen niet eens aannemen, dat er aanvankelijk geheel
hetzelfde gebied door werd aangeduid dat wij thans zoo noe-
men; \'t is integendeel hoogst waarschijnlijk, dat de Hindoes
daarmede in den vroegsten tijd de geheele Indische eilanden-
wereld bedoelden, voor zooverre hun die bekend was. De
zeevaarders die uit Hindostan door den westmoeson naar
deze eilandenwereld gevoerd werden, deden vermoedelijk
het eerst de kusten van Sumatra aan. Toen zij later ook met
Java bekend werden, zal het hun nog wel niet op eenmaal zijn
duidelijk geworden, dat dit een geheel van Sumatra gescheiden
eiland is. In allen gevalle wist men toen nog niets bepaalds
van de grenzen der genoemde gewesten, noch van de tallooze
groote en kleine eilanden die verder oostwaarts liggen. De
kennis die de Hindoes in het tijdvak waarop ik hier het oog
heb, van den Indischen Archipel bezaten, laat zich wellicht
het best vergelijken met onze tegenwoordige kennis van de
Zuidpoollanden. Men kende hier en daar een klein deel der
kustlijn, maar had geen denkbeeld noch van den samenhang
dier deelen, noch van wat daar achter ligt.
Gelijk wij nog heden een Sandelhout-eiland, eenegroep der
Kokoseilanden, een Poelo Pinang (d. i. eiland der pinangpal-
men) enz. kennen, zoo noemden ook de Hindoes de vreemde
gewesten die zij ontdekten en waarvan zij geen naam wisten,
naar de voortbrengselen die zij opleverden. Men vind in oud-
indische bronnen een Wrsha-dwipa of Stiereneiland, een Nalike-
ra-dwipa of Kokoseiland, een Karpoera-dwipa of Kamfereiland
vermeld. En zoo werd dan ook, zoo \'t schijnt, dat land van
het verre Oosten, naar het metaal dat men er van medebracht,
of naar eene graansoort die men er zag groeien, Soewarna-
dwipa, het Goudeiland, of Jawa-dwipa, het Giersteiland, ge-
noemd. Misschien zelfs zal men dwipa in de verklaring dezer
namen, met het oog op het vroegste gebruik, met land in
plaats van met eiland moeten vertalen, want dwipa heeft
niet altijd bepaaldelijk de laatste beteekenis gehad. Dit blijkt b.v.
uit den naam Djamboe-dwipa, land der djamboe-vruchten,
dien de Hindoes gaven aan het land dat zij zelven bewoonden,
-ocr page 18-
2^7.
7/. /Mrvi »w/#.
f\',i.\\,t rffiftithatt.
Tf. P%ifttt*\\ff*t»m ■
„ Artije*fi« {Stempel»/
„ tfrntftiJet ■
/
!?
f*tttoaari ■
X
.
«SVunf*.
a
»
Ajtot.
i
M
fiarfirtt A .
s
„
l.ofinhoctt<j.
<!
*
Pt*€itn&ant*Jt .
7
.,
h\'ittornJUtl .
S
Sart .
»
fin fa ta n .
IO
K**l<ttan nfittt*»*
II
Ti-
l<tje
a
„
sinifu.
ia
..
Timijony.
14
*/<
ititt yw/« /«•«/« .
ir,
Tr
- / /<i\' « i/
Xaiê
itjttrrtuf
„ d.it.\'t kiiiftt.
„ Ritna ■
M«*rBnl*h htiruiutmf-
„ M\'i\'r-mi .
„ f**t**.i /"" ■
l.ith Trr.<lini(*f* Attrtt
-ocr page 19-
#
en uit Kataha-dwipa, zooals bij hen Katai of China heette \').
Ofschoon dwipa in het later spraakgebruik alleen een eiland
aanduidt, kunnen dus de namen Soe war na-d wipa en Jawa-
dwipa aan het Oostland gegeven zijn, zonder dat men de
voorstelling van een eiland daarmede verbond. Het zal ons
zoo aanstonds blijken, dat in Jawa-dwipa het oudste spoor van
den naam Java voorhanden is.
De vroegste getuigenis omtrent den naam Jawa-dwipa vinden
wij bij den Griekschen geograaf Claudius Ptolemaeus, die in
de tweede eeuw onzer jaartelling te Alexandrië leefde. Wij
hebben ons hier met zijne verwarde en duistere voorstellingen
omtrent Achter-Indië en de Indische eilanden in \'t algemeen
niet in te laten, maar in zijne optelling der laatstgenoemden
komt Jawa-dwipa duidelijk te voorschijn in den naam Iabadioe,
dien hij door Gersteiland verklaart. Ptolemaeus geeft ons na-
melijk den naam, gelijk te verwachten was, zooals hij luidde
in de volkstaal of het Prakriet, waarin aan het Sanskrietsche
dwipa het uit de namen Lakkediwen, Malediwen, Diu enz.
bekende diu of dioe beantwoordt. Jawa beteekent in het
Sanskriet stellig ook gerst, en de verklaring van Ptolemaeus
is dus onberispelijk. Maar daar gerst in den Indischen Archipel
niet voorkomt, zou deze verklaring, indien zij de eenig
mogelijke was, ons verbieden Iabadioe of Jawa-dwipa in Insu-
linde te zoeken. Maar zij is niet de eenig mogelijke. Kern
heeft aangetoond dat jawa oudtijds in Hindostan een dubbel-
zinnig woord was, dat zoowel gierst als gerst beteekende \'),
evenals in Duitschland het woord Korn in sommige streken
in de wandeling tarwe, in andere rogge, in weder andere
spelt, haver of gerst aanduidt. De gierst is in Hindostan een
veel verbouwd gewas, waarvan verschillende soorten 3) in den
Indischen Archipel in \'t wild voorkomen. Uit het gezegde volgt
intusschen voorloopig niet meer ]dan dat Giersteiland eene
mogelijke, niet dat het de ware verklaring van Jawa-dwipa is.
\') Kern in Bijdr. t. d. Ind. taal-, land- en volkenk. 3e Volgr. IV. 644.
\') B. t. d. I. T., L. en Vk. 3e Vr. VI. 118 v.
8) Vgl. noot op blz. 6.
-ocr page 20-
„,.; riion lij
\'«er \'
1
van de eerste prediking vmi <leu Islam tot
de aege van liet huis van Ma(«rani (1A86).
i : 2.000.000.
-ocr page 21-
4
Sedert lang hadden Von Bohlen en W. von Huraboldt het
vermoeden geopperd, dat in Iabadioe het Hindoesche Jawa-
dwïpa school, alvorens die naam uit Indische bronnen zelve
als een gebruikelijke voor de oostelijke eilanden of één van
deze was aan het licht gebracht. De eer van dit het eerst ge-
daan te hebben komt weder toe aan Kern. In het Ramajana,
boek IV, Hoofdst. 10, vs. 30, leest men, volgens de Bombay-
sche uitgave van 1863, dat de apen (d. i. de winden) van
Hanoeman den last ontvingen om voor Rama de geroofde
Sita ook in het verre Oosten op te sporen. „Doorzoekt," zoo
leest men daar, „zorgvuldig Jawa-dwipa, dat met zeven ko-
ninkrijken prijkt, het goud- en zilvereiland, rijk aan goud-
mijnen." De naam Jawa-dwipa was in de uitgave van Gor-
resio, waarvan men zich vroeger in Europa bediende, door
eene verminkte lezing onkenbaar geworden \').
De tijd waarin het Ramajana gedicht werd, kan, volgens
Kern, naar ruwe schatting niet veel verschillen van den tijd
waarin Ptolemaeus schreef, en dit maakt de overeenstemming
van beide berichten dubbel merkwaardig. De Grieksche schrij-
ver laat namelijk op zijne verklaring van den naam Iabadioe
onmiddellijk volgen: „Men zegt dat dit eiland zeer vruchtbaar
is en zeer veel goud oplevert. Aan het westelijk uiteinde heeft
het eene hoofdstad Argurê (d. i. de Zilverstad) geheeten". De
voornaamste bijzonderheid die het Ramajana en Ptolemaeus
van Jawa-dwipa vermelden, is dus dat het land rijk aan goud
en zilver is. Dit wordt, wat het goud betreft, bevestigd door
eene inscriptie uit het Javaansche jaar 654 (732 n. C.) in de
residentie Kedoe gevonden. Daarin leest men: „Er is een voor-
treffelijk, onvergelijkelijk eiland, Java genaamd, uitmuntend
„(vruchtbaar) in koren en andere zaden, rijk aan goudmijnen\')".
Omtrent de zilveropbrengst van Java bezitten wij slechts
weinige en twijfelachtige berichten J); maar het goud is in
\') Kern in B. t. d. I. T., L. en Vk. 3e Vr. IV, 640, en 4e Vr. X. 138.
!) Kern, t. a. p. 4e Vr. X. 130.
3) Verh. v. h. Bat. Gen. III. 141. Tijdschr. v. I. T., L. en Vk. VI. 182.
F. Fokkens Jr., Goud- en zilvermijnen op Java. Batavia 1886.
-ocr page 22-
5
de oude getuigenissen kennelijk de hoofdzaak, het zilver mis-
schien slechts genoemd ter wille van de door den naam Argurê
aangeduide stad, of wegens de gewoonte om de namen der beide
edele metalen samen te voegen. In een in de 12de eeuw uit oudere
bronnen bijeengebracht Hindoesch werk, de Kathasaritsagara,
treedt dan ook de reeds aangeduide naam Soewama-dwipa of
Goudeiland voor dien van Jawa-dwipa in de plaats \').
Ik kom nu nog even terug op de verklaring van Jawa-dwipa
door Giersteiland, om aan te toonen, dat, schoon niemand
die verklaring eene ontwijfelbare zal kunnen noemen, er toch
uit de inlandsche overlevering werkelijk nog wel iets tot hare
aanbeveling kan worden aangevoerd. De oude Javaansche ge-
schiedcnissen melden, dat Praboe Djaja. Baja, afstammeling
in het vijfde geslacht van Ardjoena, een der helden van het
Javaansche epos, in het eerste jaar der Javaansche tijdrekening
op Java landde. Hij vond dat een zeker graan, djawawoet
geheeten, het hoofdvoedsel der bevolking uitmaakte, en ver-
anderde daarom den naam Noesa Këndëng, dien het eiland
tot dusverre gedragen had, in dien van Noesa Djawa\'). Nu
is djawawoet werkelijk de Javaansche naam voor gierst; maar
zeker niet de oorspronkelijke vorm. Hij schijnt samengetrokken
te zijn uit djawa awoet, d. i. fijnkorrelige gierst. In het Ma-
leisch heet nog de gierst djawa, in het Dajaksch djawae,
terwijl men in het Bataksch djaba oerè zegt, in welke samen-
stelling oerè geheel met het Javaansche awoet overeenkomt3).
Dat nu het djawa, djawae, djaba der talen van den Indischen
Archipel niets anders dan het Sanskrietsche jawa, bij Ptole-
maeus (in Jabadioe) jaba, is, blijkt uit de gedurige verwisse-
ling van j met dj en van w met b. Vooral de eerste verdient
zeer onze aandacht. De Sanskrietsche j is in bijna alle volks-
\') Kern in B. t. d. I. T., L. en Vk. 3e Vr. IV. 644 v.v.
3) Kaffles I. 2, II. 71.
3) V. d. Tuuk, Bat. Wdbk., bl. 200, en noot op bl. 27 van Lassen\'s Gesch.
v. d. Ind. Arch. door de Klerck; Hardeland, Daj. Deutsch. Wörterb. in v.
djawae.
-ocr page 23-
6
dialecten van Hindostan in dj overgaan \'), en dat dit ook in het
Javaansch het geval moest wezen, kan men daaruit opmaken,
dat de Javanen ook den Hollandschen naam Jan in Djang,
en de woorden jas en jager in djas en djagër veranderen,
terwijl omgekeerd onze voorvaderen vele Javaansche en Ma-
leische met dj beginnende namen en woorden met een j plach-
ten te schrijven, zooals Joartan, Japara, Jakatra, Jambi,
jattihout, ja ook Djawa zelf, als naam van het eiland, door
ons weder in Java veranderd is, dat, behoudens deverwisse-
ling van w met v, die wij aan de Portugeezen danken, weder
aan den oorspronkelijken Sanskrietvorm Jawa gelijk is. Het
is zeker een merkwaardig verschijnsel, dat de gierst vóór de
komst der Hindoes in den Archipel moet zijn aangeplant,
althans op Java, hetwelk zij naar dit gewas noemden, en dat
toch de namen daarvoor in verschillende talen van den Ar-
chipel van het Sanskriet zijn af te leiden. Dit verschijnsel,
dat een inheemsch woord door een vreemd verdrongen werd,
staat echter niet op zichzelf. De Javanen hebben zelfs hun
oorspronkelijk woord voor vuur geheel verloren en door een
van Indischen oorsprong vervangen (g ë n i, Skrt. a g n i).
Ook tot Chineesche schriften, maar van lateren tijd, heeft
zich de verklaring van den naam Java door Giersteiland een
weg gebaand !).
De oudste getuigenissen leeren ons weinig zekers omtrent
den maatschappelijken toestand van het verre Oostland. Er
wordt gesproken van zeven rijken en van eene hoofdstad. De
bevolking was dus, althans ten deele, onder een geregeld be-
stuur gebracht. De landbouw werd door haar beoefend. Wat
de gierst betreft, uit den naam van giersteiland mag nog niet
worden afgeleid, dat gierst toen het voornaamste voedings-
middel was3). De streek, waar de eerste Hindoes landden, kan
•) Kern in B. t. d. I. T., L. en Vk. 3e Vr. IV. 638. Kern noemt y wat
ik j en j wat ik dj noem.
!) Lassen, Ind. Alterthnmsk., 2e druk, II. 1062 noot 1.
s) Gierst is niet de naam van ééne botanische soort, maar van verschillende
graangewassen met eetbare korrels, van de geslachten Panicum, Andropogon,
-ocr page 24-
7
toevallig rijk aan dit gewas zijn geweest. De ontdekkers van
een land, die gewoonlijk de naamgevers zijn, kennen, uit den
aard der zaak, de natuur van het geheele land volstrekt niet.
Dat de rijstbouw toen reeds werd gedreven, is uit Kern\'s
taalkundige onderzoekingen\') gebleken; de woorden rijst in den
bolster (oud-en nieuw-Javaansch pari) en ontbolsterd (oud-en
nieuw-Javaansch wwas, wos) zijn, voor zoover bekend is,
in alle Maleische talen van denzelfden stam, waaruit noodzakelijk
volgt, dat de rijst in het moederland dezer volken reeds geteeld
werd en dus ook op Java vóór de komst der Indiërs bekend was.
Het is jammer dat de getuigenissen die wij bezitten, ons niet
vergunnen in de kennis van Insulinde hooger dan den tijd
van Ptolemaeus op te klimmen. Lassen heeft wel is waarge-
meend in het verhaal van een zevenjarig verblijf van zekeren
Jambulus op een eiland van het Oosten, een verhaal waarvan
ons" een uittreksel door Diodorus Siculus bewaard is, eene
beschrijving van Bali te vinden die aanmerkelijk ouder is,
en waaruit volgen zou, dat dit eiland reeds lang vóór het begin
onzer jaartelling door Hindoes gekoloniseerd was en Hindoesche
instellingen bezat; maar het geheele verhaal van Jambulus is
zoo ongerijmd en bevat zoovele klaarblijkelijke verdichtselen,
Sorghum, Echinochloa, e. a. "Welke de soort is of welke de soorten zijn waar-
aan het eiland den naam van Giersteiland te danken had, valt niet te bepalen;
Panicum italicum L. (s. Setaria italica Beauv.) moet op Java vrij veel verbouwd
worden, ten minste men ziet de fraaie, dikke aren algemeen als vogelvoer. Maar
Greshoff schrijft ons, dat deze „djawawoet", naar hij meent, tegenwoordig op
Java niet als voedsel voor den mensch wordt gebruikt; volgens hem zou Sor-
ghum vulgare Pers., die op Java om de rijstvelden wordt verbouwd en waarvan
het zaad als gierst wordt gegeten, met hare verschillende variëteiten, evenals
andere Sorghum\'s, eertijds belangrijker rol hebben gespeeld als volksvoedsel dan
tegenwoordig. In Engelsch-Indië (exc. Bengalen) is Sorghum vulgare (Juar) nu
nog veel belangrijker voor de inlanders dan rijst. Sir "Walter Elliot noemt
juar „the staple dry grain of India and indeed of all tropical countries of
Asia and Africa" (zie dienaangaande "Watt\'s Dictionary, VI, III, 292.).
\') Over den invloed der Indische, Arabische en Europeesche beschaving op
de volken van den Ind. Archipel, Leiden 1883, 15. — Versl. en Med. d.
Ak. v. "Wet. Afd. Lett. 3e rks. VI. 276.
-ocr page 25-
8
dat het voor niet meer dan een slechte roman is te houden,
en men Ptolemaeus slechts prijzen kan dat hij er geene aan-
dacht aan geschonken heeft\').
Na de getuigenissen omtrent Jawa-dwipa van Ptolemaeus en
het Ramajana volgt in tijdsorde die van den Chineeschen
pelgrim Fah-hiën. Nadat in de eerste eeuw onzer jaartelling
het Boeddhisme in China was doorgedrongen en allengs meer
en meer ingang en uitbreiding verkregen had, kwam in de
vierde eeuw bij de zonen van het Hemelsche rijk de gewoonte
op om bedevaarten naar Indië te doen, als het vaderland van
den stichter der nieuwe leer, waar de sporen zijner werkzaam-
heid nog in overvloed voorhanden waren. De pelgrims die op
deze wijze van de vierde tot de negende eeuw den bodem van
Indië betraden, hebben een groot aantal reisverhalen en be-
schrijvingen der door hen bezochte landen uitgegeven. Het
oudste verhaal van dien aard en tevens het eenige dat ons
uit het tijdperk van de vierde tot de achtste eeuw bewaard
bleef, is de Foeh Kwoh Ki, of Beschrijving der Boeddhistische
rijken, van Fah-hiën, die China in 399 of 400 verliet en
een dertigtal staten van Indië bezocht\'). Op zijne terugreis
van Ceilon naar China, die in 414 plaats had, raakte hij
door een storm buiten koers en bereikte hij na drie maanden
met zijn schip de kust van een land, waaraan hij den naam
van Ja-va-di geeft, de Chineesche transcriptie van Jawa-dwipa
of Jawa-diw, waarmede dus Java bedoeld moet zijn \'). Fah-hiën
vertoefde daar vijf maanden, alvorens hij gelegenheid vond
\') Vgl. over den roman van Jambulus de opmerkingen van Millies in de
Aanteekeningen der Letterkundige sectie van het TJtr. Genootsch. 1861.
2)   J. Hoffmann in Gids 1853. II. 582.
3)   Het verhaal van Fah-hiën is het eerst bekend gemaakt door de vertaling
van Abel Rémusat, onder den titel „Foë Kouë Ki ou relation des Royaumes
Bouddhiques" in 1836 te Parijs uitgegeven. Eene nieuwe, betere vertaling is
die van Legge, in 1886 te Oxford tegelijk met den Chineeschen tekst uitge-
geven. Zie voor het verhaal van Fa-Hiën\'s zeereis en zijn bericht over Java:
Groeneveldt, Notes on the Malay Archipelago and Malacca, compiled from
Chinese sources. Verh. Bat. Gen. van K. en W. XXXIX. 6.
-ocr page 26-
9
naar zijn vaderland terug te keeren. Nochtans zegt hij er niets
anders van dan dat het vele ongeloovigen en Brahmanen be-
vatte, maar dat de leer van Boeddha er door slechts zeer
weinigen werd beleden. Deze mededeeling vindt bevestiging
in het feit, waarmede wij later zullen kennis maken, dat uit
de vierde of vijfde eeuw slechts Brahmaansch-Wishnoeïtische
opschriften op Java worden aangetroffen.
Fah-hiën keerde naar China terug met een schip welks be-
manning uit Brahmanisten bestond; in het bericht over zijne
reis lezen wij, dat de gewone tijd voor den overtocht van Java
naar Canton ongeveer vijftig dagen bedroeg; wij mogen hieruit
opmaken, dat reeds meermalen schepen de reis tusschen beide
landen hadden gedaan. Fah-hiën ontmoette klaarblijkelijk geen
landslieden op Java en het is dus waarschijnlijk, dat het ver-
keer geheel in handen der Indiërs was.
De geschiedboeken der Chineezen\') vermelden een reeks
gezantschappen door de vorsten van Java naar den keizer van
China gezonden, van de vijfde tot de twaalfde eeuw; het
eerste ging kort na de reis van Fah-hiën, in\'t jaar 435; Java
wordt in dit bericht Dja-va-da genoemd 2).
Het bericht van Fah-hiën zou waarschijnlijk uitvoeriger
zijn uitgevallen, indien hij ijieer geloofsgenooten op Java ont-
moet had; maar hoe kort ook, blijft het zeer merkwaardig,
omdat wij er uit zien hoe groot reeds in het begin der vijfde
eeuw de Brahmaansche invloed op Java geworden was.
Wij komen thans tot eene getuigenis die, zoo zij door Kern
juist is opgevat, weder merkwaardige punten van vergelijking
met die van Ptolemaeus oplevert. In het sterrekundig leerboek
van Arjabhata, die in 476 n. C. geboren werd, wordt gewag
gemaakt van Jawa-koti, d. i. „de punt van Java". „Als de
zon opkomt op Ceilon", zegt Arjabhata, „is het zonsondergang
in de stad der gelukzaligen, middag aan de punt van Java,
en middernacht in het land der Romeinen." Ik zal hier niet
\') Groeneveldt, t. a. p. 9 v.
3) Kern, Over den invloed, 6.
-ocr page 27-
10
uitweiden over de geheel verkeerde geographische voorstel-
lingen die aan deze plaats ten grondslag liggen. De fouten
betreffen niet enkel de ligging van Java, maar evenzeer die
van de Insulae Fortunatae (Ferro) en van Rome, en kunnen
dus tegen de gelijkstelling van Jawa in Jawa-koti en Jawa-dwipa
geen bezwaar opleveren. In den Soerja-Siddhanta wordt gezegd,
dat de vermaarde stad Jawa-koti, wier wallen en poorten van
goud zijn, oostelijk op een vierde van den omtrek der aarde
is gelegen. Hier is Jawa-koti een hoofdstad geworden, wier
gouden wallen en poorten ons weder de zeer overdreven voor-
stellingen van den goudrijkdom der oostelijke eilanden in het
geheugen terugroepen1). Kern meent, dat met Jawa-koti de
oostpunt van Java bedoeld is, en inderdaad noopt ons het
groote verschil in lengte met Ceilon dit punt zoover mogelijk
oostwaarts te zoeken. Het verdient opmerking, dat ook Pto-
lemaeus de lengte niet alleen van den west- maar ook van
den oosthoek van het, reeds door hem uitdrukkelijk een
eiland genoemde Jawa-dwipa opgeeft, waaruit men tevens
mag afleiden, dat de richting der lengteas van Java hem be-
kend was.
Of nadere onderzoekingen op het gebied der Sanskriet-lite-
ratuur nog meer sporen van den naam Jawa-dwipa zullen
opleveren, is natuurlijk niet te bepalen. Maar het pleit voor
de algemeene bekendheid van dien naam, dat hij ook in het
Tamiel in den vorm Jawattiwoe wordt weergevonden \'). Op
Java zelf heeft men den naam ontdekt in verschillende in-
scriptiën; zij komt reeds voor in het genoemde opschrift van
732 n. C., het oudste van alle tot dusver ontdekte. Het laatst
wordt de naam gebezigd in een opschrift van 1294 n. C.,
waarin zekere vorst Oettoenggadewa „de heer van geheel Jawa-
dwipa" genoemd wordt3). In den Kawi-tekst van de Brata
1)  Kern in B. t. d. I. T., L. en Vk. 3e Vr. IV. 641-643. De later ge-
opperde gissing, dat met Koti Koetei op Borneo bedoeld kon zijn, moet wor-
den opgegeven.
2)   Kern t. a. p. 643.
3)  Friedrich in Verh. v. h. Bat. Gen. XXVI. 93.
-ocr page 28-
11
Joeda, het meest beroemde en geliefde der oud-Javaansche ge-
dichten, opgesteld in het jaar 1157 onzer jaartelling, vindt
men Jawa-dwïpa door Jawa-bhoemi, d. i. het land Jawa,
vervangen \').
De oudste vorm waarin deze naam bij de Arabieren voor-
komt, schijnt Sabadj te zijn. De Goeje heeft betoogd, dat
deze vorm van den naam waarschijnlijk door de Perzen tot
hen is gekomen en is zijne gissing juist, dat met dit Sabadj Java
of Sumatra bedoeld is, dan zijn reeds in het begin der ze-
vende eeuw Javanen of althans Maleiers aan de kustplaatsen
der Perzische golf gevestigd geweest, waar zij in het jaar 638
n. C. (het jaar 17 der Hedjra) in dienst traden bij de Mo-
hammedaansche veroveraars en ook nog in de volgende eeuw
als zeesoldaten dienst deden s).
Reeds Ibn Chordadbeh, wiens eerste editie van 846 is,
heeft Sabadj door het juistere Zabadj vervangen; hij gebruikt
dezen naam in algemeenen zin voor de oostelijke eilanden
terwijl hij Java Djaba noemt\'); beide zijn echter vormen
van hetzelfde woord; Sabadj heeft een Perzischen uitgang en
de beginletters Z en Dj wisselen af; nog omstreeks 1300 als
de naam Djawa reeds algemeen in gebruik is, spreekt de Per -
zische astronoom Sjirazi van de Zawa-eilanden 4); zijne mede-
deeling dat zij het goudland genoemd worden, komt overeen
met die van Al-Beroeni (eerste helft der elfde eeuw) dat de
Zabadj-eilanden dezelfde zijn als de Soewarna-dwipa of goud-
eilanden der Hindoes \').
Op Java zelf vindt men den vorm Djawa het eerst gebruikt
in een opschrift van 1265 der Javaansche aera of 1343 n. C. ").
Omstreeks denzelfden tijd werd de Indische Archipel door den
beroemden Venetiaan Marco Polo bezocht. Hij geeft den naam
\')  Cohen Stuart, Brüta Joeda, Voorr. 44, Krit. aant. 376.
5)  De Sajabidja, in Feestbundel opgedragen aan Dr. P. J. Veth, 1894. 10.
a)  Zie de vertaling van De Goeje in de Bibl. Geogr. Arab. VI. 46.
4)  Leidsch Hs. N°. 192 cap. 3. Catalog. III. 114.
\')  I. 210. Vertaling van Sachau.
«)  Friederich in Zeitschr. d. D. Morgenl. Ges. XIII. 502.
-ocr page 29-
12
Giava (Java) zoowel aan Java als aan Sumatra, maar noemt
het eerste „het groote eiland Java", het laatste voortdurend
„klein-Java". Hij heeft dan ook een overdreven voorstelling
van Java\'s grootte: waarschijnlijk naar een traditie onderde Ara-
bische zeelieden zijner dagen, die nooit de zuidkust bevoeren
en meenden dat het eiland zich in die richting zeer ver uit-
strekte \'). Ook later, toen de zuidkust mede bekend was ge-
worden , ging men voort aan Java den naam van Groot-Java
te geven, waaronder het nog bij Valentijn voorkomt. Bij de
Arabieren is de onderscheiding tusschen Groot en Klein Java ,
die waarschijnlijk op hun voorbeeld door Marco Polo werd
gemaakt, nog heden gebruikelijk. Vandaar ook dat wij ineen
Maleischen brief van den Sultan van Palembang van 1812 Raffles
als den Gouverneur van „Groot Java" vinden aangeduid J).
De gebrekkige kennis die de Arabische schrijvers bezaten
van de grenzen der eilanden van den Indischen Archipel, is
oorzaak, dat zij meermalen aan verschillende eilanden den-
zelfden naam geven. Reeds werd opgemerkt, dat\'de naam
Zabadj niet tot Java beperkt bleef, maar soms het geheele toen
bekende gedeelte van de eilanden wereld aangaf. Wat Djawa
betreft, deze vorm van den naam wordt behalve aan Java
ook aan Sumatra of een deel daarvan gegeven; Kazwini, die
in de tweede helft der dertiende eeuw schreef, onderscheidt
zelfs Djawa, het kamferland, d. i. Sumatra, van Djaba het
vulkaaneiland, d. i. Java, eene onderscheiding waaraan men
niet te veel gewicht mag hechten daar Kazwini schrijft zonder
kritiek. Maar ook Aboelfeda, wiens aardrijkskunde in\'t begin
der 14e eeuw geschreven werd, noemt het eiland Sumatra Djawa.
Ibn Batoeta, die dertig jaren lang het geheele Oosten be-
reisde en in 1345 den Archipel bezocht, noemt het noordelijk
gedeelte met de hoofdstad Sumatra „het eiland der Djawa" en
den vorst „koning der Djawa", maar een ander gedeelte aan
») Yule, The Book of Ser Marco Polo. Londen 1875. II. 255.
5) Meursinge, Mal. leesboek, II. 4. Er staat Djawi al-kabir. Over den vorm
Djawi zie beneden.
-ocr page 30-
13
de westkust, met de hoofdstad Kakola, Moei Djawa. Van der
Lith heeft aangetoond, dat dit laatste in Tapanoeli moet ge-
zocht worden, waar de naam van de vallei Angkola nog dien
van de oude hoofdstad bewaard heeft\'). De beteekenis van
het woord Moei is onzeker; de verklaring van Friederich uit
het Sanskriet en Javaansch moela (begin, oorsprong, wortel)
is nog de meest bevredigende *); Moel-djawa zou dan Oud-Java
kunnen beteekenen; waarom deze landstreek dien naam zou
dragen, valt echter niet te zeggen.
Onder de Tamielsche benamingen van Java vind ik nog
Jawam, d. i. ,\'t Javaansche", namelijk eiland, vermeld ; maar
ook bij dit volk is die naam dubbelzinnig, gelijk daaruit blijkt
dat Sawakam (verzacht uit Djawakam) bij hen niet zoozeer
de Javaansche als de Maleische taal aanduidt. Iets dergelijks
merken wij op bij de Siameezen, die aan de Maleische taal
den naam van tjawa, een harderen vorm voor djawa, ge-
ven \').
Ten besluite van dit overzicht der geschiedenis van den
naam Java wil ik nog een oogenblik bij het tegenwoordig
gebruik daarvan in den Indischen Archipel zelven stilstaan. De
uitspraak der meeste Javanen is Djawa, dat in de hooge taal,
volgens de gewone regelen der vormverandering, overgaat in
Djawi. Deze laatste vorm is thans bij de Arabieren de alleen
gebruikelijke. De Javanen zelven bezigen Djawa en Djawi,
zoo het schijnt, slechts als complement. Zij noemen hun eiland
Noesa, (Noeswa) Djawa of Djawi of ook Tanah Djawa. of
Djawi *), maar bezigen dit laatste vooral voor het eigenlijke
Java in tegenstelling met de Soenda-landen. Een Javaan heet
Wong Djawa of Tiang Djawi.
In het Maleisch heet het eiland Djawa en wordt Djawi als
bijvoegelijk naamwoord met de beteekenis van Javaansch
\') Van der Lith et Devic, Merveilles de 1\'Inde, Leide 1883—86. 238.
s) Verh. v. h. Bat. Bat. XXVI. 83.
3)  V. d. Tuuk, Bat. leesb. IV. 43.
4)  Noesïl beteekend eiland, tanah land, gewest.
-ocr page 31-
14
gebruikt\'); maar de Maleiers houden toch ook nog vast aan
de oude ruimere beteekenis dezer benamingen, wanneer zij
ook zichzelven Orang Djawa en de Maleische taal bahasa djawi
noemen. De Bataks op Sumatra geven bepaaldelijk aan de
Maleiers den naam van Djaoe, en de Makassaren en Boegi-
neezen gebruiken Djawa niet enkel van Java en Javanen,
maar ook van de Maleiers en andere buiten Celebes wonende
volken van den Archipell).
Zoo zien wij , dat nog overal de sporen zijn overgebleven
van het vroeger gebruik, dat den naam Java, behoudens de
wijzigingen in vorm die hij in den loop der tijden ondergaan
heeft, tot de geheele Indiscbe eilandenwereld, voor zoover zij
bekend was, uitbreidde, ofschoon daarnevens een streven niet
te miskennen is, om, waar men zich nauwkeurig wilde uit-
drukken, dien meer en meer te beperken tot het eiland dat
in ons spraakgebruik alleen den naam van Java draagt.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Java in het Hindoe-tydperk.
Het is ons in het vorige hoofdstuk gebleken, dat de oudste
berichten omtrent Java uit Hindostan stammen, en dat .zelfs
de naam van het eiland van Hindoeschen oorsprong is. Een
blik op het eiland en zijne bevolking wijst nog heden in de
gedenkteekenen van den voortijd, de overleveringen, de let-
terkunde, de maatschappelijke instellingen, de begrippen en
de taal des volks den machtigen invloed aan dien de Hindoes
op Java hebben geoefend. Er is geen twijfel aan of Java is
eenmaal door talrijke scharen van Hindoes overstroomd ge-
\') Djawi is bij dit gebruik te beschouwen als de Arabische van den naam
des eilands gevormde geslachtsnaam. Vandaar loban djawi (Javaansche wierook),
verkort tot benzoë.
-) Matthes, Mak Wdbk. 499, Boegin. Wdbk. 474.
-ocr page 32-
15
worden, heeft van hen meerdere beschaving ontvangen, heeft
aan den schepter van vorsten uit Hindostan stammende ge-
hoorzaamd. Het oudste tijdperk van Java\'s geschiedenis, waar-
omtrent wij historische getuigenissen bezitten , is voor ons het
Hindoe-tijdperk. De eerste vragen die zich hier voordoen, zijn,
of wij iets omtrent den aanvang van dat Hindoe-tijdperk kun-
nen bepalen, en of er eenige gegevens zijn op te delven die
ons in staat stellen ons eene voorstelling van Java\'s maat-
schappelijken toestand tijdens de komst der eerste Hindoe-
kolouisten te vormen, opdat wij met eenige juistheid den aard
en de mate van hunnen invloed kunnen waardeeren.
Het moge vreemd klinken, dat in de rijke literatuur van
een volk van zoo hooge beschaving als de Hindoes, van een
zoo gewichtig feit als de koloniseering of verovering van Java
geene heugenis bewaard is, — zeker is het dat men tot dus-
verre te vergeefs naar eenige rechtstreeksche getuigenis daar-
omtrent bij hen heeft gezocht. Uit het bericht van Fah-hiën
en uit de gelijktijdige in Java gevonden opschriften blijkt de
invloed der Hindoes op Java in de vijfde eeuw onzer jaar-
telling , maar elke aanwijzing omtrent het begin en den voort-
gang van dien invloed wordt, zooveel wij weten, in de literatuur
van Hindostan gemist, en door hen die nader met haar ka-
rakter bekend zijn, ook niet verwacht.
Doch wellicht zullen de overleveringen of geschiedboeken
van Java zelf deze gaping in onze kennis aanvullen? Inder-
daad vinden wij in de Javaansche Babads of kronieken
schijnbaar het begin der Hindoe-kolonisatie in verband ge-
bracht met het begin der Javaansche tijdrekening, de aera
van Adji Saka, die in het jaar 78 onzer jaartelling een aan-
vang neemt. Adji Saka wordt namelijk voorgesteld als een
machtig vorst van goddelijken oorsprong (ook Praboe Djaja
B&ja genoemd \'), die eene talrijke kolonie naar Java overbracht
(later door het uitbreken eener pest tot den terugtocht genood-
zaakt), en er onder de nog geheel wilde bevolking godsdienst,
\') Boven, bl. 5.
-ocr page 33-
16
wettelijke orde en het letterschrift invoerde. De jaren van deze
aera zijn de Indische luni-solaire, die nog op Bali in gebruik
zijn. Het jaar bestaat namelijk uit twaalf maans-omloopen
of ware maanden, maar wordt van tijd tot tijd, ongeveer op de
wijze van het Joodsche jaar, door de intercalatie van schrik-
kelmaanden, zoo na mogelijk met den loop der zon in over-
eenstemming gebracht, zoodat het een gemiddelden duur erlangt
die met ons zonnejaar overeenkomt. Er heeft langen tijd vrij
wat verschil van gevoelen bestaan omtrent het juiste tijdstip
waarop deze aera van Adji Saka een aanvang nam, maar
men mag aannemen, dat daarover thans een voldoend licht
verspreid is. Het blijkt, dat toen de Javanen de Mohamme-
daansche tijdrekening aannamen , die naar zuivere maanjaren
van 354 dagen telt, zij die maanjaren als de voortzetting
hunner vroegere zonnejaren beschouwden, en dus eenvoudig
doortelden als hadde er geen verandering plaats gehad. Het
Arabische jaar 1043, aanvangende op 8 Juli 1633 nieuwe stijl,
was het eerste maanjaar, dat de Javanen op deze wijze op
hunne vroegere zonnejaren lieten volgen, en wel in dier voege,
dat, terwijl het jaar 1555 der tot dusver gevolgde tijdrekening
reeds was aangevangen, zij het eerste maanjaar tot aan zijn
einde het jaartal 1555 lieten voeren, zoodat het tweede 1556
werd en zoo vervolgens. Van 1633 af 1555 jaren terugtellende,
verkrijgt men het jaar 78 n. C. als het begin der aera van
Adji Saka. Eene nauwkeurige berekening van denjuistenaan-
vangsdag is zeer bezwaarlijk; Cohen Stuart stelt dien op 14
Maart 78 en neemt daarbij aan, dat men eerst van het
jaar 1 begon te spreken toen het eerste jaar vol was.
Deze Javaansche tijdrekening is van het vasteland van Indië
afkomstig en door de Hindoes op Java ingevoerd. Adji Saka
is eene verbinding van het Javaansche woord adji, vorst,
en het Sanskriet woord sjaka. Sjaka is bij de oude Hindoes de
algemeene naam voor de nomadische barbaren, die de Grie-
ken Skythen noemden. Met den Sjaka-vorst is de Skythische
vorst Kaniskah bedoeld, die de Indus-streek veroverde. Hij
beklom den troon in 78 n. C. en met die gebeurtenis neemt
-ocr page 34-
3?
17
de Sjaka-j aartelling een aanvang \'). Daar deze aera pas in de
6de eeuw in Indië algemeen in gebruik is gekomen J) en dus
niet eer op Java kan zijn ingevoerd, kan wat de Javanen
omtrent Adji Saka vermelden niet juist zijn en kan zij voor
den tijd waarin de Hindoe-kolonisatie zelve aanving, hoe-
genaamd niets bewijzen.
Wij komen niet verder met de Javaansche overlevering aan-
gaande den Brahmaan Tritresta, die de beginselen der be-
schaving uit Voor-Indië naar Java gebracht, den Hindoe-
godsdienst ingevoerd en de aera vastgesteld zou hebben, en
wiens opvolger beheerscher van het eiland zou geworden
zijn, terwijl de tijdruimte tusschen hem en de stichting van
het rijk Djanggala met eene opsomming van 18 vorsten wordt
aangevuld. Ook deze persoon schijnt niets anders te zijn dan
de mythische personificatie van de vroegste overplanting der
Brahmaansche beschaving naar Java, en men heeft zelfs zijn
naam als slechts een andere naam van Adji Saka voorgesteld 3).
Lassen gist dat die naam eigenlijk Tritastri moet luiden. Hij
zou dan beteekenen: „de toegeruste met de wapenen van
Trita", eene godheid die in de Veda\'s als de bestrijder der
booze geesten voorkomt 4). De juistheid dier verklaring in het
midden latende, constateer ik alleen, dat ook aan de berichten
omtrent Tritresta het historisch karakter geheel ontbreekt. Men
zal zich over deze uitspraak en mijn geheel stilzwijgen omtrent
nog andere soortgelijke Javaansche overleveringen niet ver-
wonderen, wanneer men weet, dat aan den Javaan alle zin
voor historische waarheid ontbreekt. Alle gewichtige gebeur-
tenissen worden verklaard uit het rechtstreeksch ingrijpen van
bovenaardsche machten, en het leven van alle historische
personen wordt met de ongerijmdste wonderverhalen door-
vlochten. De chronologie verkeert doorgaans in schromelijke
verwarring. Zoo zijn dus de Javaansche kronieken voor de ge-
\') Kern, Gesch. v. h. Buddhisme in Indië, I. 247; II. 359.
J) Kern, Versl. en Med. Ak. v. Wet, 2e Eks. XI. 202.
3)  Eageman, Java, I. 5.
4)   Lassen, Ind. Alterthumsk. 2e druk, II. 1066.
I.                                                                                                   2
-ocr page 35-
18
schiedenis van Java schier geheel onbruikbaar. Gelijk de ver-
halen der ejiische dichters als geschiedenis worden opgevat,
wordt de geschiedenis zelve een voortdurend epos. Het is der-
halve niet mogelijk scherpe grenzen te trekken tusschen de
poëtische en de historische literatuur der Javanen , en te min-
der daar ook voor de laatste dikwijls versmaat wordt gebezigd.
De nuchterste en meest bepaalde getuigenis omtrent den aan-
vang der Hindoe-heerschappij op Java wordt ons door Chi-
neeschc bronnen verschaft. In het 54*te boek van de historie
der Liang-dynastie (502—556) is eene beschrijving te vinden
van het rijk Lang-ga-su of Lang-ga, dat door Groeneveldt\')
om afdoende redenen op Java geplaatst wordt2); hierin leest
men: „Het volk zegt, dat hun rijk meer dan vierhonderd
jaren geleden gesticht werd." Dit komt op merkwaardige wijze
overeen met een ander Chineesch bericht, voorkomende in het
324ste boek van de geschiedenis der Ming-dynastie, ongeveer
negen eeuwen later geschreven: „Toen zij (de Javanen) in
het jaar 1432 schatting brachten, overhandigden zij een brief,
vermeldende, dat hun koningrijk 1376 jaren te voren ge-
sticht was, d. i. in het eerste jaar der periode Juen-khang
van den keizer Hsuen uit de Han-dynastie" s). Deze plaats bevat
eene chronologische zwarigheid. Van het jaar 1432 onzer jaartel-
ling 1376 terugtellende komen wij tot het jaar 56 na Christus,
terwijl het genoemde jaar der regeering van Keizer Hsuen met
het jaar 65 voor Christus overeenkomt. Natuurlijk komt deze
fout niet voor rekening van de Javaansche gezanten, maar van
den Chineeschen geschiedschrijver. Heeft hij verkeerd gerekend
of heeft hij het door hen opgegeven aantal jaren foutief op-
geschreven ? Met het oog op de overeenkomst der beide Javaan-
sche getuigenissen meenen wij het eerste te mogen aannemen.
\') T. a. p. 10.
=) Brandes wijst er op (Tijdschr. T. L. en Vk. v. N. I., XXXII. 117) dat vol-
gens dit, bericht de bewoners hunne versterkingen bouwen van steen, volgens
een later van hout, wat een achteruitgang zou zijn. Maar de beschrijving past
overigens zoo goed, dat stellig Java bedoeld is.
3) Groeneveldt, t. a. p. 39.
-ocr page 36-
Wr
19
Het begin van den invloed door de Hindoes op Java geoe-
fend, mag dus in de eerste eeuw onzer tijdrekening gesteld
worden.
Wij wenden ons tot de tweede vraag: welke was de maat-
schappelijke toestand van Java\'s bevolking vóór zij den invloed
der Hindoe\'s ondervond?
De Javaansche overlevering kan ons bij de beantwoording
dezer vraag niet dienen. Wat zij vermeldt van de zwervende,
regeeringlooze en aan het grofste bijgeloof overgegeven wilden ,
die oudtijds het eiland bewoonden, is geheel legendarisch. Een
tweede weg brengt ons voorloopig weinig verder; het is de
methode der vergelijkende volkenkunde, die den ouden toe-
stand van een volk tracht op te maken uit hier en daar be-
waard gebleven overblijfselen van dien toestand en uit verge-
lijking met andere volken van denzelfden stam, die weinig of geen
vreemden invloed moeten ondervonden hebben. Eene dergelijke
beschouwing kan ons enkele dingen aangaande de oude Javanen
leeren; zij kan ons zeggen, dat hun wapen het blaasroer zal
geweest zijn, het oude wapen van alle Maleische stammen in
den Archipel; dat het wonen in groote huizen, in afdeelingen
gesplitst naar het aantal gezinnen, zooals nog bij de Teng-
gereezen voorkomt, waarschijnlijk vroeger meer algemeen is
geweest; maar deze wetenschap is nog niet ver genoeg gevor-
derd om ons voldoende gegevens tot het vormen van een
beeld te verschaffen. Iets verder brengt ons het taalkundig
onderzoek. Alle volken die Maleische talen spreken, bezitten
verwante woorden voor boot, voor ijzer, voor rijst in en uit
den bolster. De gevolgtrekking is, dat die volken ijzer be-
werkten en den rijstbouw dreven toen zij nog te zamen in
het gemeenschappelijk stamland woonden van waaruit zij later
den Archipel bevolkten en dat door Kern in Achter-Indië ge-
zocht wordt. Dat ook de woorden voor boot van den zelfden
oorsprong zijn is te verwachten; en evenzeer dat deze zee-
vaarders eenige kennis zullen gehad hebben van de lichten
des hemels; inderdaad bezitten de Javanen voor verscheidene
sterren en sterrebeelden inheemsche namen.
-ocr page 37-
20
Wat de rijstteelt betreft, mag men zelfs beweren, dat de
beste vorm van bebouwing, de sawahbouw, op Java reeds
voor de komst der Hindoes bekend was. Tot deze uitkomst
leidt zoowel ethnologisch als taalkundig onderzoek; uit het
eerste is gebleken, dat bewoners van de binnenlanden der
Philippijnen, die stellig nooit den invloed van Hindoes on-
dervonden, daar zij geen ploeg bezitten , natten rijstbouw drij-
ven, zoodat deze wijze van bebouwing onder de erfgoederen
van het oude Maleische stamvolk mag worden gerekend \').
Wat de taal betreft, de tallooze termen bij dien bouw in ge-
bruik, klinken zonder eenige uitzondering zuiver Javaansch,
ook\'die welke betrekking hebben op de kunstmatige besproeiing
der velden; geen enkel Sanskriet woord is daaronder te vinden.
Dat zelfde geldt van de voornaamste uitingen van den kunst-
zin der inlanders, de wajang en de daarmede onafscheidelijk
verbonden gamelan. Een vertooning als de eerste is trouwens
van de Hindoes niet bekend; wel uit Siam, waar zij ook
thans nog een der meest geliefde volksvermaken vormt, ook
op het schiereiland Malakka. Evenals op Java, is in Siam de
stof voornamelijk aan de heldendichten der Hindoes ontleend,
wat echter niet bewijst, dat het spel van Hindoeschen oorsprong
is. Er is reden om te onderstellen, dat de Siameezen de wa-
jang aan de Javanen ontleend hebben.
Men zal toegeven, dat al deze kunsten en vaardigheden te
zamen genomen een niet geringen beschavingstoestand der
Javanen vóór de komst der Indiërs van het vasteland teeke-
nen. Brandes gaat nog verder en meent, dat de Javanen eene
geregelde staatsinrichting, eigen muntsoorten en zelfs een
eigenaardig stelsel van versmaten bezaten, welke alle eerst
langzamerhand door de Hindoesche instellingen zijn verdrongen.
De bewijzen voor deze onderstellingen zal hij eerst later, na
de voltooiing van zijn onderzoek, kunnen trachten op volle-
\') Vgl. Pleyte in Wilken\'s Handleiding, 652. Wat daar, bl. 653, van
Dr. Montague verteld wordt, moet geschrapt worden; deze is gebleken een
wetenschappelijke oplichter te zijn.
-ocr page 38-
21
dige wijze te geven1). Het batikken, dat men allicht geneigd
zou zijn eene echt Javaansche kunst te achten, is in Madura
en Palamkottah, beide aan de zuidpunt van Voor-Indië ge-
legen , in gebruik, zoodat het mogelijk moet geacht worden,
dat deze kunst door de Indiërs op Java gebracht is.
Onder de vreemdelingen wier voorbeeld en onderricht de
Javanen allengs op de baan van hoogere ontwikkeling heeft
gevoerd , nemen de Hindoes in tijd de eerste, in rang de voor-
naamste plaats in. Laat ons trachten de geschiedenis hunner
kolonisatie en heerschappij op Java wat nader te leeren kennen.
Welke middelen staan ons daartoe ten dienste?
Sedert Raffles in zijn groot werk over Java de velerlei, vaak
tegenstrijdige Javaansche overleveringen, die langs verschil-
lende wegen te zijner kennis gekomen waren, als zoovele pa-
relen aan een snoer reeg, en in dien vorm aan zijne lezers
als eene „geschiedenis van Java" aanbood, hebben onderschei-
den schrijvers, zonder nadere toetsing van de zuiverheid der
bronnen, uit die verschillende verhalen een meer of min waar-
schijnlijk geheel trachten samen te stellen, door de tegen-
strijdigheden weg te slijpen en de fantastische wonderen
waarmede de verbeelding der Javanen, zich in onbeteugelde
vrijheid vermeiende, de daden en lotgevallen der nationale
helden tooit, tot den maatstaf van het alledaagsche en mogelijke
terug te leiden. Het behoeft evenwel geen betoog, dat langs
dien weg geene geschiedenis verkregen werd, maar slechts
eene verbleekte uitgaaf van mythen en sagen, die, daar zij
in den grond nog geheel iets anders dan opgesierde historie
en voor een groot deel zuivere voortbrengselen der fantasie
waren, ook door de ontleding en zuivering die men er op
toepaste, niet tot historie konden worden herleid. Zeker zijn
vele historische elementen in die overleveringen bevat, in zoo-
verre zij, als scheppingen van den Javaanschen geest, niet
anders dan Javaansche toestanden en Javaansche begrippen
i) Brandes, Tijdschr. I. T. L. en Vk. XXXII. 123.
-ocr page 39-
22
konden terugkaatsen. Eene zorgvuldig kritische beschouwing
kan daarom veel historische stof aan die verhalen ontleenen;
maar deze is, om het zoo eens uit te drukken, geheel van
onpersoonlijken aard. Men kan er veel uit opmaken omtrent
den toestand der maatschappij in het algemeen, maar de per-
sonen die er een rol in spelen, als werkelijke helden der Ja-
vaansche geschiedenis te willen voorstellen , is een gevaarlijke,
een wanhopige onderneming, die men eenigermate kan ge-
lijkstellen met het streven dier schrijvers over Grieksche en
Romeinsche geschiedenis, die de helden van Homerus en de
koningen van Rome als historische personen voor ons hebben
opgevoerd, en getracht het beleg van Troje door Agamemnon
en de stichting van Rome door Romulus, door verwijdering
van het fantastische en wonderbaarlijke, tot nuchtere geschie-
denis terug te brengen. Ik voor mij houd mij overtuigd dat
men op deze wijze slechts de wolk voor Juno omhelst, en stel
mij liever die echt kritische geschiedschrijvers ten voorbeeld,
die, zooals Grote in zijne geschiedenis van Griekenland, de
legenden van den voortijd geheel van de geschiedenis schei-
den , maar dan ook on verminkt als eene inleiding tot de
werkelijke geschiedenis verhalen, of, gelijk Mommsen in zijne
geschiedenis van Rome, zelfs de namen van de helden der
legende laten rusten en in die tafereelen van den voortijd
alleen het doek waarop de gestalten en lotgevallen dier hei-
den gepenseeld zijn, als van waarde voor den geschiedschrijver
beschouwen.
Wat wij dus uit de Javaansche legenden omtrent de geschie-
denis van het Hindoe-tijdperk kunnen leeren, is over het
algemeen van soortgelijken aard als wat wij kunnen afleiden
uit de menigvuldige en diepe sporen die de Hindoes in de
taal, de letterkunde, den maatschappelijken toestand en de
godsdienstige denkwijze der hedendaagsche Javanen hebben
achtergelaten. Dit alles — en men kan er nog bijvoegen de
vergelijking van den tegenwoordigen toestand van Bali, waar
de invloed der Hindoes reeds minstens uit de 9e eeuw dag-
teekent en waar zich bij de invoering van den Islam op Java
-ocr page 40-
23
het Javaansche Hindoeïsme gered heeft; — kan veel bijdra-
gen om ons den algemeenen geest van het Hindoe-tijdperk
te leeren kennen, maar leert ons niets omtrent de mannen
die aan het hoofd der zaken stonden, niets omtrent de bij-
zondere gebeurtenissen en hare tijdsorde.
De getuigenissen van Arabische en Chineesche en tegen het
einde van dit tijdperk ook van Europeesche schrijvers zijn
te onbepaald en te veel door onkunde en misverstand ontsierd ,
om veel tot onze kennis te kunnen bijdragen, ofschoon ons
dat niet mag verleiden om ze geheel te verwaarloozen.
Doch gelukkig bezitten wij ook nog andere, rechtstreeksche
en volkomen onwraakbare getuigen van hetgeen door de Hin-
does op Java is tot stand gebracht. Het zijn de uit den tijd
hunner heerschappij zelven stammende opschriften op steen
en metaal en de tallooze overblijfselen van hunne bouw- en
beeldhouwkunst die over een groot gedeelte van Java ver-
spreid zijn. Jammer slechts dat zij ons vooralsnog voor de
ontsluiering van Java\'s oude geschiedenis niet die diensten
bewijzen, die men daarvan zou verwachten. De ontcijfering
der inscriptiën is nog slechts voor een klein deel verricht,
en de overblijfselen der Hindoekunst zijn ons nog in vele op-
zichten onverstaanbaar: wij kunnen den tijd waarin ze ver-
rezen slechts bij enkelen nauwkeurig bepalen, den onderlingen
samenhang niet beoordeelen, en slechts voor een deel de
voorstellingen begrijpen die zij ons in tallooze bas-reliefs te
aanschouwen geven.
Beginnen wij met de opschriften.
Sedert men aan de oudheden van Java een meer dan voor-
bijgaande aandacht is gaan schenken, heeft men eene groote me-
nigte opschriften ontdekt, uit het Hindoe-tijdperk afkomstig,
meestal óf op koperen platen of op groote, platte steenen in den
vorm van staande grafsteenen gegrift, bijna altijd van nauwkeu-
rige dagteekening voorzien , en doorgaans op zoodanige plaatsen
die ook door andere overblijfselen als oude middelpunten van
Hindoe-vestiging erkend worden, te midden der puinhoopen
en vaak zelfs onder den grond gevonden. Nu en dan vindt
-ocr page 41-
24
men ook opschriften op de gebouwen zelve of op het rugge-
stuk dat aan eenig godenbeeld tot achtergrond dient, en wij
zullen er zelfs leeren kennen die in den levenden steen gebei-
teld of met eene zwarte verfstof op de rots zelve geteekend zijn.
In het groote werk van Raffles over Java zijn de eerste af-
beeldingen van Javaansche inscriptiën medegedeeld; zij laten
echter in nauwkeurigheid veel te wenschen over, en de ver-
klaringen destijds en nog veel later van sommige dier inscrip-
tiën gegeven, door geleerden die, bij gebrek aan genoegzame
taalkennis, zich op inlichtingen van zoogenaamd „kundige"
Javanen moesten verlaten, hebben zeer geringe waarde. Doch
reeds in 1843 vatte het Bataviaasch Genootschap het plan op
om eene getrouwe afteekening van alle opschriften van Java
die men kon meester worden, in een „Corpus inscriptionum
Javanarum" te vereenigen. De ontijdige dood echter van de
heeren Van der Vlis en Van den Ham, op wier samenwerking
het Genootschap voor de vervulling dezer gewichtige taak had
gerekend, heeft dit plan doen in duigen vallen.
Gelukkiger was een jonge Duitscher, Rudolph Friederich,
die, na zich te Berlijn en Bonn op de Semietische talen en
het Sanskriet te hebben toegelegd, ten einde aan zijn zucht
naar wetenschappelijk onderzoek te voldoen, zich den solda-
tenrok liet welgevallen, als het eenige middel dat zich hem
aanbood om tot de reis naar Java te geraken. Gelukkig werden
zijne verdiensten in Indië spoedig erkend en gewaardeerd. Hij
vervulde met roem eene wetenschappelijke zending naar Bali,
en maakte later, van 1863 tot 1869, van de Javaansche inscrip-
tiën het hoofdvoorwerp van zijn onderzoek. Een aantal op-
schriften zijn door hem in eene menigte losse opstellen meer
of min volledig verklaard. Zijn dood verhinderde de openbaar-
making van alle door hem vervaardige afdrukken.
Ofschoon met de studiën van Friederich een beter tijdvak
voor de kennis der Javaansche opschriften is aangebroken,
blijft toch altijd groote behoedzaamheid in het gebruik der
door hem gewonnen resultaten de plicht van den geschied-
schrijver. Eerst aan de studiën van Cohen Stuart, Neubron-
-ocr page 42-
25
ner van der Tuuk, Kern, Holle en Brandes is het gelukt,
den inhoud van vele opschriften met juistheid te doen kennen.
In 1872 werd door Cohen Stuart en Van Liraburg Brouwer
een eerste proeve van de „beschreven steenen op Java" in
het licht gegeven, uit de verkleinde reproductie van vier op-
schriften bestaande1). Cohen Stuart heeft het onderzoek voort-
gezet en zich vooral verdienstelijk gemaakt door de uitgave
van 22 inscriptiën in koper in zorgvuldige facsimile\'s en van
een inleiding en transscriptie voorzien !). Een kleiner aantal
oorkonden zijn door Holle in transscriptie uitgegeven , gedeel-
telijk van facsimile\'s vergezeld3), van enkele bezorgde hij ook
een vertaling. Ook Neubronner van der Tuuk gaf eenige ver-
talingen in het licht en toonde niet terug te deinzen voor
het moeilijkst deel der taak, de vervaardiging van een Bali-
neesch-Kawi woordenboek, dat thans is voltooid en waarvan
wij de uitgaaf spoedig hopen te mogen verwachten. Voor de
verklaring der inscriptiën is door niemand zooveel verricht als
\') Tijdschr. van I. T. L. en Vk. XVIII. 89.
5) Kawi oorkonden in facsimile met inleiding en transscriptie van Dr. A. B.
Cohen Stuart, 1875. Van de 22 inscripties in koper behooren er drie aan het
Museum van Oudheden te Leiden, de overige aan het Museum van het Bat.
Gen. Zie verder over die inscripties Friederich in Zeitschr. d. D. Morgenl.
Ges. X. 592 en Verh. v. h. Bat. Gen. XXVI. 86; T. v. 1. T. L. en Vk. III.
bl. XX-XXIII; Notulen v. h. Bat. Gen. IV. 139-149, 213, 229, VIII.
Bijl. XXII—XXXIV, XI. 17, 50, Bijl. LX; Versl. aang. afdr. v. te Bat.
aanwezige Kawi-oork. in Versl. en Meded. d. K. Akad. v. Wet. Afd. Letterk.
2e reeks, D. VII; Kern in T. v. I. T. L. en Vk. XX. 228 en zijne Verhan-
deling over Oud-javaansche eedformulieren in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. 3e
Vr. VIII. 211, IX. 197. — Uit de vergelijking dezer plaatsen zal blijken,
dat niet alle toen bekende inscriptiën op koper in de verzameling bevat zijn.
Onder anderen ontbreekt daarin ook die welke door Raffles op plaat LXXXV
van zijn „Java" werd uitgegeven, en op nieuw afgedrukt is in Dl. X van de
Zeitschr. d. D. M. G. Echter is de transscriptie van dit fragment (want wij
bezitten alleen het begin) door den heer Stuart als no. XXVIII opgenomen.
De koperen plaat waarvan dit opschrift gekopieerd is, behoorde vroeger aan
het Museum van het Bat. Gen., maar is daaruit verdwenen en wellicht thans
bij de documenten uit Raffles\' nalatenschap te Londen te vinden. De verkla-
ring dier inscriptie gaf Friederich op de boven aangehaalde plaatsen.
") Verh. Bat. Gen. XXXIX; Tijdschr. I. T. L. en Vk. XXVII en XXVIII.
-ocr page 43-
26
door Kern, die tot dusver ook het grootste aantal heeft ver-
taald en uitgegeven. In de laatste jaren heeft Brandes, vol-
doende aan een opdracht der Regeering, zich te Batavia met
een onderzoek der opschriften beziggehouden. Van enkele
heeft hij een vertaling het licht doen zien; een behandeling
van de resultaten in samenhang wacbt nog op de voltooiing
van het onderzoek, dat bekroond zal worden door de uit-
gave van een uitvoerigen catalogus van alle tot dusver be-
kend geworden inscriptiën in steen en op koper, in den
Archipel gevonden. In afwachting daarvan worden reeds be-
langrijke diensten bewezen door de aanteekeningen omtrent
de inscripties en den voorloopigen inventaris der beschreven
steenen, door Brandes in 1887 samengesteld voor den ca-
talogus der archaeologische verzameling van het Bataviaasch
Genootschap, dat het grootste aantal steenen, koperen platen,
afgietsels en afdrukken bezit. Alleen de opschriften in steen
zijn in dezen catalogus opgenomen. Het overzicht over den
gevonden oudheden schat is zeer vergemakkelijkt door Ver-
beek\'s uitvoerige lijst der overblijfselen uit den Hindoe-tijd
op Java, over welken arbeid bij de bespreking der bouw-
werken nader zal worden gehandeld \'). Hier moet dit werk
vooral genoemd worden om de bijna geheel volledige litera-
tuuropgaven en om de daarin opgenomen lijst van alle jaar-
tallen der inscriptiën.
Terwijl verreweg de meeste en belangrijkste monumenten
uit den Hindoe-tijd in Midden- en Oost-Java zijn gevonden,
draagt West-Java de overblijfselen van den oudsten datum.
Het zijn een viertal steenen uit de residentie Batavia. Drie
dezer steenen bevinden zich in het heuvelland, dat zich ten
noorden en noordwesten van den Salak uitstrekt, in het
stroomgebied der Tji Dani of Sadane, district Lemoeliang,
afdeeling Buitenzorg; zij worden de steenen van Djamboe,
\') Oudheden van Java. Lijst der voornaamste overblijfselen uit den Hindoe-
tijd op Java met eene oudheidkundige kaart door Dr. R. D. M. Verbeek (Verh.
v. h. Bat. Gen. v. K. en W. XLVI) 1891.
-ocr page 44-
27
Kebon Kopi of Tjampea en Tjiaroetën genoemd \'). De vierde
ligt, gedeeltelijk onder den grond, in de kampong Toegoe, op
enkele kilometers afstand van het zeestrand, beoosten Tandjong
Priok in het district Bekasih der afdeeling Meester Cornelis.
De taal der opschriften is het Sanskriet. Het schrift is op de
steenen van Djamboe, Kebon Kopi en Toegoe of Bekasih van
hetzelfde type dat wordt teruggevonden in een opschrift te
Wenggi, in het bekende landschap Kalinga op de kust van
Koromandel, dat uit de 4e eeuw zal dagteekenen. Kern stelt
de vervaardiging der drie opschriften van Java in het laatst
der vierde of het begin der vijfde eeuw. De vierde steen, die
van Tjiaroetën, vertoont schrift van eenigszins afwijkenden
vorm en wordt daarnaar door Kern een eeuw later, dus on-
geveer 500, gesteld a).
Merkwaardig is, dat alle vier de opschriften hetzelfde on-
derwerp behandelen. Alle verkondigen zij den lof van Poer-
nawarman, waarschijnlijk een in de Soenda-landen vereerden
heros en wijze uit den Indischen voortijd. Op den steen van
Djamboe3), op een heuvel gelegen, zijn de indrukken van twee
voeten vrij onduidelijk uitgebeiteld. De dichtregels daaronder
deelen mede, dat hiermede de voeten zijn bedoeld van den
machtigen vorst Poernawarman; zijne voeten zijn altijd ge-
reed om vijandelijke steden te verdelgen. Ook de naam van
de stad of het rijk waar hij heerschte wordt genoemd, maar
deze was eerst te ontcijferen op de steenen van Tjiaroetën,
en Kebon Kopi; hij moet waarschijnlijk Naroema luiden,
een naam, die noch Indisch noch Soendaneesch klinkt. De
steen van Kebon Kopi\'), eveneens op een hoogte gelegen, be-
vat slechts een enkele regel schrift tusschen twee ronde voet-
sporen als van reusachtige olifanten, die echter in de bijna
geheel uitgewischte inscriptie als de voeten van den zegevie-
renden heerscher van Naroema schijnen te worden geduid.
\') Cohen Stuart en Kern in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. 3e Vr. 163, \'69.
\') Kern in Versl. en Med. Kon. Ak. 2e Rks. X. 1200.
3)   Kern in Versl. en Med. Kon. Ak. 2e Rks. VI. 257.
4)   Kern in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. 4e Vr. X. 525.
-ocr page 45-
28
De naam Poernawarman wordt hier niet genoemd maar als
heerscher van Naroema wordt hij, als Kern\'s lezing juist is,
aangeduid op den steen van Tjiaroetën. Deze wordt gevonden
in het bed der rivier van dien naam, dicht bij hare vereeni-
ging met de Tjidani en dus op korten afstand van den steen
van Kebon-Kopi. Hoewel deze steen telken jare herhaaldelijk
wordt overstroomd, onderscheidt het opschrift zich door de
buitengewone scherpte der karakters en van de beide daarbo-
ven aangebrachte voetindrukken. In vier regels, die een
Sanskriet distichon vormen, worden de voetstappen van den
vorst vergeleken met die van Wisjnoe, wat natuurlijk doet
denken aan Wisjnoe\'s „triwikrama", de drie schreden waar-
mede hij gezegd wordt het hemelruim te doorschrijden en
waarmede de opkomst, de culminatie en de ondergang der
zon worden aangeduid. Opmerking verdienen nog de ster-
vormige figuren, die men vóór de voetstappen opmerkt en
die spinnen schijnen voor te stellen; wat daarvan de bedoe-
ling is, bleef nog een onopgelost raadsel.
De derde der oudere steenen, die van Toegoe, bezingt Poer-
nawarman in een vijftal strofen. Merkwaardig is dat in deze
verzen, waarin een groote arbeid „van den koninklijken ziener
en aartsvader" verheerlijkt wordt, maar waarvan de inhoud
vrij verward is, twee namen van rivieren uit de Pandjab,
het vijfstroomenland van den Indus, voorkomen. Dit wijster
op, dat afstammelingen uit het verre noordwesten van Indië
zich op Java hebben neergezet, hetzij rechtstreeks, hetzij van
Achter-Indië uit, waar ze zich in het tegenwoordige Kambodja
hadden gevestigd \'). Verder vermeldt het opschrift eene schen-
king aan Brahmanen , waaruit in verband met den naam van
Wisjnoe mag worden opgemaakt, dat de oprichters dezer stee-
nen aanhangers waren der Brahmani: tisch-Wisjnoeïtische leer.
De genoemde steenen hebben een onregelmatigen vorm en
verschillen daarin geheel van de steenen met opschriften, in
Midden- en Oost-Java gevonden, die alle behouwen zijn. Het
\') Kern in Bijdr. t. d. T. L. en Vk. 4e Vr. X. 522.
-ocr page 46-
29
zijn groote, platte, doch vrij dikke, langwerpige steenen . van
boven gewoonlijk iets breeder dan van onderen; het boven-
vlak is meestal dakvormig, maar vormt ook wel een boog of
een accolade. Soms staat de steen op een voetstuk, dat öf
daarmee een geheel uitmaakt, óf een afzonderlijk stuk is; in
het laatste geval eindigt de staande steen in een dikke pin
en is daarmee in den voet bevestigd. De steenen, gevonden
in Midden-Java en wel in Kedoe en de vier aangrenzende
residentiën, zijn in den regel kleiner en dunner dan die van
Oost-Java en vertoonen ook meer afwijkingen van den ge-
noemden vorm \'). De Oost-Javaansche zijn soms meer dan
anderhalve meter hoog. De steensoort is steeds vulkanisch,
meestal andesiet, een trachietsoort, soms bazalt2).
Het verschil tusschen beide steentypen, de Midden- en de
Oost-Javaansche, gaat gepaard met afwijkingen in taal en
schrift. De taal is bij beide, met uitzondering van enkele op-
schriften., die in Sanskriet gesteld zijn, Oud-Javaansch of
Kawi. De laatste benaming is eigenlijk minder juist. De Ja-
vanen noemen die taal, die zij niet meer verstaan, de tem-
b o e n g of b a s a kawi, dit is de taal der gedichten , omdat
de oudere Javaansche gedichten, die zij thans slechts in
nieuwere omwerkingen lezen, in die taal geschreven waren.
Toch kan de naam behouden blijven, mits men niet aan de
letterlijke beteekenis hechte; hij heeft het voordeel het Ja-
vaansch, zooals het vóór allen Arabischen, Perzischen of Euro-
peeschen invloed, in een afgesloten tijdperk der Javaansche
geschiedenis geschreven werd, met een enkel woord bepaald
en scherp aan te duiden. Dit Kawi nu is in de opschriften
van Midden-Java veel minder doorspekt met Sanskriet-woorden
dan in die uit het oosten des eilands. Het schrift waarin de
groote meerderheid der oorkonden geschreven is en dat wij
daarom Oud-Javaansch of Kawi-schrift zullen noemen, hoewel
\') Brandes in Catalogus der archaeologische verzameling van het Batavi-
aasch Genootschap door W. P. Groeneveldt, met aanteekeningen omtrent de
inscripties door Dr. J. L. A. Brandes. Batavia 1887. 353.
s) Verbeek in Cat. der arch. verz. 371.
-ocr page 47-
30
het niet aan Java eigen, maar van het vasteland van Indië
afkomstig is, vertoont voor de twee groepen eigenaardige
vormen; iedere groep bezit zelfs enkele letterteekens, die in
de andere niet worden aangetroffen.
Eenzelfde verschil in taal en schrift tusschen Midden- en
Oost-Java vertoonen de talrijke oorkonden op koperen platen.
De gewone vorm dezer platen is die van langwerpige stroo-
ken, in lengte van drie tot vijf decimeters, in breedte van
zeven tot veertien centimeters afwisselende, en aan ééne of
aan beide zijden van vier tot zeven, enkele zelfs tot elf regels
schrifts bevattende. Zij zijn over het algemeen aan beide
kanten beschreven, en wel in dier voege dat de karakters
der ééne zijde met betrekking tot de andere \'t onderst boven
staan, zoodat men de bladen om het vervolg te lezen evenals
een muntstuk moet omkeeren. Hierin komen zij overeen met
de bekende oude Javaansche handschriften op kropaks of
lontarbladeren, en zij schijnen als een navolging van zulke
handschriften op duurzamer materiaal te moeten beschouwd
worden. Daarom dan ook dat, waar, gelijk doorgaans het ge val
is, het geschrift over meerdere platen is verdeeld, de ééne
zijde der eerste plaat, die als het boven- of buitenblad moet
worden aangemerkt, altijd oubeschreven is. Waarschijnlijk
werden zij bewaard in opzettelijk daarvoor vervaardigde kistjes.
Bij de dunnere platen is het schrift gegrift of gekrast, bij de
dikkere gegraveerd. Wellicht werden bij de laatste de letter-
teekens soms gegrift in een weeke plaat van hars of was, die
omgeven werd door een aarden vorm, waarin dus de letters
verheven kwamen te staan; daarna werd dan de was daaruit
gegloeid en het metaal erin gegoten.
Ter verklaring van het verschil, dat tusschen de opschriften
van Midden- en die van Oost-Java bestaat, dienen wij te letten
op den tijd hunner vervaardiging. Uit de jaartallen die verre-
weg de meeste bezitten, blijkt dat tusschen beide groepen een
belangrijk verschil in ouderdom bestaat. De groote meerderheid
der Midden-Javaansche is aan de Oost-Javaansche voorafgegaan.
Uit Midden-Java zijn thans een veertigtal jaartallen be-
-ocr page 48-
31
kend, die alle ouder zijn dan het jaar 850 der Sjaka-jaartel-
ling, gelijkstaande met 928 n. C. \'). Het oudste jaartal is 732,
nog slechts een enkel ander is uit de 8e eeuw, alle overige
uit de 9e en het eerste deel der 10e. Behalve deze veertig
dagteekeningen zijn een tiental jongere in Midden-Ja va ge-
vonden, uit de eerste helft der 14e eeuw. Van 928 tot het
eind der 14e eeuw zwijgt Midden-Java; maar juist als dit
zwijgen aanvangt, begint het oosten luider te spreken. Niet
minder dan honderdtachtig van jaartallen voorziene opschrif-
ten, oorkonden, beelden en voorwerpen zijn uit Oost-Java
reeds te voorschijn gebracht en slechts een tiental daarvan zijn
ouder dan het jaar 850 der Sjaka-j aartelling; maar op een
enkele uitzondering na zijn deze toch uit de 10e eeuw onzer
tijdrekening en vallen dus gelijktijdig met het einde der Mid-
den-Javaansche periode. Zeer talrijk zijn de jaarcijfers uit de
14e eeuw; hun aantal bedraagt meer dan vijftig. Omstreeks
1500 vallen de laatste jaartallen \').
Verreweg de meeste stukken zijn schenkingsbrieven, die
steeds met een Sanskriet woord prasjasti worden genoemd;
ze zijn uitgegeven door vorsten die Hindoesche namen en
titels dragen. De Midden-Javaansche zijn voor zoo ver de juiste
plaats hunner afkomst bekend is, gevonden in Kedoe en de
aangrenzende streken van Bagelen, Semarang en de Vorsten-
landen. Daar moeten dus tot in de 10e eeuw een of meer
Hindoerijken hebben bestaan. Uit het geringer aantal Sanskriet-
woorden in deze stukken en hun veelal onjuiste spelling, mag
wellicht met Brandes worden afgeleid, dat de invloed der
Hindoes toen nog minder diepgaand was dan in lateren tijd 3).
Voor de 10e eeuw ver was gevorderd, schijnt de zetel van
het gezag zich naar Oost-Java te hebben verplaatst. De in-
scriptiën uit die eeuw werden hoofdzakelijk in de vruchtbare
vlakten van Kediri, Pasoeroean en Soerabaja gevonden. Daarna
\') In het vervolg is de Christelijke tijdrekening bedoeld, als bij het jaartal
niets naders staat vermeld.
2)   Lijst van jaartallen in Verbeeu\'s Oudheden van Java, 7.
3)   Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXII. 112 en 130.
-ocr page 49-
32
verdwijnen die uit Pasoeroean bijna geheel tot in de 15e eeuw.
In de 11» eeuw zijn de opschriften uit Soerabaja het talrijkst,
die uit Kediri wat minder en komen er ook eenige voor in
Madioen, maar in de 12e, 13e en 14e eeuw is bijna alles tot
Soerabaja en Kediri beperkt. In de 15e eeuw heeft daaren-
tegen eene groote uitbreiding plaats. Wel blijven deze beide
middelpunten het belangrijkst, maar daarnaast komen ook
stukken uit Pasoeroean, ja zelfs uit Probolinggo, Bezoeki en
Madoera voor en aan de andere zijde weer uit Madioen, wat
in verband gebracht kan worden met het verschijnen van de
bovengenoemde jongere Midden-Javaansche inscripties, die op
de hellingen van den Lawoe, dus dicht bij Madioen, en van
den Merbaboe zijn aangetroffen.
Wij zullen thans de inscriptiën en oorkonden, voor zoover
zij ontcijferd zijn in grootendeels chronologische volgorde
gaan beschouwen, om te zien welke gegevens zij ons voor
Java\'s geschiedenis aan de hand doen, waarbij wij die gege-
vens in verband zullen brengen met wat Arabische en Chi-
neesche geschriften ons leeren.
De oudste gedagteekende steen van Java werd door een in-
1 ander bij het terrasseeren van een tegalveld in den grond
gevonden, in het zuidelijkst, Remameh geheeten, district
van de residentie Kedoe \'). Het schrifttype is verwant aan
dat der oudere steenen uit de Soenda-landen; de vorm van
den steen is echter gelijk aan die der andere Midden-Javaan-
sche. De voorzijde vertoont twaalf strofen in Sanskriet. De
eerste vermeldt dag en maand van het jaar 654 van den
Sjaka-vorst, waarop koning Sandjaja „op den berg" een
lingga heeft laten oprichten. Lingga is de naam van de
aan den god Sjiwa gewijde zuilen , symbolen der mannelijke
teelkracht. Wellicht is met den berg een der beide heuvels in de
onmiddellijke nabijheid bedoeld, waarop vroeger tempels gestaan
hebben en waarop zich nog beelden van Sjiwaïetische goden
i) Kern in Bijdr t. d. T. L. en Vk., 4e Vr. X. 125. Verbeek, Oudheden
van Java, 156.
-ocr page 50-
33
bevinden \'). De volgende strofen bevatten een uitvoerige aan-
roeping van Sjiwa, kortere van Brahma en Wisjnoe. Zooals op
de West-Javaansche steenen de voeten van Wisjnoe een voor-
werp van vereering zijn, zoo bier die van Sjiwa, welke godheid
gewoonlijk met een derde oog in het voorhoofd wordt afgebeeld.
„Moge dat onberispelijk schoone lotuspaar", — zoo vertaalt
Kern — „de voeten van den Drieoogige, waarvan de teenen
met de roodachtige bloembladen te vergelijken zijn en waarvan
de uiteinden verlicht zijn door de stralende nagels, met blinkende
meeldraden te vergelijken; (dat voetenpaar) hetwelk de grootste
heiligen, deemoedig neergebogen, herhaaldelijk verheerlijken
ten einde de hemelsche zaligheid te verwerven, en hetwelk
de goden, met Indra aan het hoofd, met hun kroon omlaag,
kussen, als waren zij de bijen (die de lotus kussen); moge dat
ulieden eeuwig heil schenken". Aangaande Wisjnoe en zijne
gemalin Sjri schijnt op eene verhouding als tusschen Jupiter
en Juno gezinspeeld te worden, waar de dichter zegt, dat hij
door haar „van verre in toorn met gefronsten schuinschen
blik wordt aangezien." Nadat verder het aan goudmijnen rijke
eiland Java een edel pronkstuk onder alle landen is genoemd
en gesproken is van een „allerheerlijkst miraculeus heiligdom
van Sjiwa", dat zich daar bevindt, worden ten slotte de ko-
ning Sandjaja en zijn vader Sannaha of Sanna verheerlijkt.
De vader heet eenen Manoe gelijk, de zoon wordt door
scharen van geleerden verheerlijkt als een kenner van den
subtielen zin der boeken; hij is een heerscher, uitmuntende
door dapperheid en andere deugden en heeft het gebied van
verscheidene naburige vorsten veroverd; nu hij regeert legt
het volk zich te slapen op den grooten weg, zonder beducht
te zijn voor roovers of andere gevaren.
Wij leeren uit dit stuk, dat in het jaar 732 een Hindoe-
dynastie in Midden-Java regeerde en haar gebied reeds over
dat van naburige vorsten had uitgebreid. Stellen wij de re-
geering van den koning Sanna op ongeveer 700, dan is dit
l) Verbeek, Oudheden van Java, 156 en 157.
I.
                                                                                                             3
-ocr page 51-
34
het oudste jaarcijfer, dat wij met behulp der Midden-Javaan-
sche opschriften vooralsnog bereiken kunnen. Een tijdsruimte
van twee eeuwen scheidt ons dan waarschijnlijk van den tijd
der West-Javaansche opschriften. Moeten wij aannemen, dat
in dit tijdsverloop de Hindoe-kolonisatie heeft stilgestaan?
Het ontbreken van oorkonden uit dien tijd schijnt er op te
wijzen. Maar men mag niet vergeten, dat oorkonden uit dezen
oudsten tijd zeer schaarsch zijn en dat een enkele vondst
voldoende zou kunnen wezen om de gaping aan te vullen.
Waar ons de inscriptiën vooralsnog in den steek laten, dienen
wij met te meer zorg de eenige bron van historische berichten
te onderzoeken, die uit de 6e en 7 e eeuw dagteekenen. Die
bron vormen de Chineesche jaarboeken.
In het eerste hoofdstuk is reeds het oudste dier berichten
genoemd. Het verhaalt dat de koning van het land Dj a-va-da,
wiens naam S\'ri Pa-da-do-a-la-pa-ma was, in het jaar 435
een gezant naar China zond met een brief en eenige geschen-
ken. Alles in deze mededeeling bewijst, dat wij hier meteen
Hindoe-rijk te doen hebben. Ten eerste de naam des lands,
die van het Hindoesche Jawa(-dwipa) moet zijn afgeleid; ten
tweede de aanduiding van den vorst, waarin Kern den In-
dischen titel Sjripada, de Voeten van Zijne Doorluchtigheid,
en een eigennaam met den veel gebruikten uitgang warman
heeft herkend; ten derde de brief, want dat de Javanen voor
de komst der Hindoes brieven schreven is onwaarschijnlijk
te achten. Zoo is dus bewezen, dat in den tijd waaruit de
West-Javaansche rots-opschriften ter eere van Poernawarman
dagteekenen, niet maar enkele verstrooide Hindoe-kolonies
op Java gevestigd waren, maar dat er een Hindoe-rijk bestond.
Of alleen in het westen des eilande, of ook elders, is voor-
loopig niet uit te maken.
Het tweede Chineesche bericht naar tijdsorde is te vinden
in het geschiedboek der Liang-dynastie, die van 502 tot 556
regeerde. Java wordt hier met den naam Lang-ga-soe aange-
duid. Het tafereel, dat van het uitrijden des konings wordt
opgehangen, herinnert geheel aan den staat der Hindoe-mo-
-ocr page 52-
35
narchen. Hij is gezeten op een olifant, omringd met banieren,
trommels en vlaggen van veeren en gedekt door een witte
baldakijn. Een prins, die voor den koning vlucbten moet,
wijkt naar Indië. Na den dood des konings wordt hij terug-
geroepen en ten troon verheven. Meer dan twintig jaar later
volgt zijn zoon Pa-ka-da-to hem op en deze zendt in 515 een
gezant met een brief naar den keizer van China.
Wij zijn hier dus nog in de vijfde en den aanvang der zesde
eeuw. Het derde bericht springt over naar het begin der zevende.
Het eiland wordt dan met twee namen genoemd: Kaling en
Djawa. De eerste naam is wellicht afkomstig van de landstreek
Kalinga in Voor-Indië, het land der Klingaleezen, waar zich
ook in oude tijden vele Hindoes hebben ingescheept naar de
landen van overzee; wellicht is ook de naam terug te vinden
in die van het rijkje Keling, in de afdeeling Kediri der
gelijknamige residentie gelegen. De koning, zoo heet het,
resideert in de stad Java, maar zijn stamvader woonde meer
oostelijk. Aan verschillende zijden liggen 28 kleine rijken,
die alle de opperheerschappij van Java erkennen. Er zijn 32
opper-regenten. Wij hebben hier dus met een leenrijk te doen
en dit wijst weer op de heerschappij van Hindoes. Ook in
den lateren Hindoe-tijd is deze staatsvorm de heerschende.
Als de voortbrengselen van het rijke land worden schildpad,
goud en zilver, rhinoceroshoorn en ivoor genoemd. Maar bij
de gewoonte der Chineezen om alle van een land afkomstige
artikelen onder zijne voortbrengselen te rangschikken, mogen
wij aannemen dat ivoor en karet door handel op Java gebracht
werden. Wij vernemen verder, dat het volk een letterschrift
bezat en bekend was met de sterrenkunde. Tusschen 627 en
649 zond Java gezanten naar China, gelijktijdig met Bali.
In 674 regeerde eene uitstekende vorstin, Sima geheeten.
Uit de 8e eeuw vernemen wij alleen, dat tusschen 766 en
779 drie gezantschappen naar China gezonden werden.
Wenden wij ons weder tot de oorkonden. Andere opschriften
in dezelfde oude schriftsoort als het genoemde zijn tot dusver
niet gevonden. De in ouderdom volgende inscriptie is eveneens
-ocr page 53-
30
in Sanskriet gesteld, maar geschreven met een ander type,
een ouden vorm van het Nagari-schrift, het meest bekende
der talrijke Indische alphabetten, dat thans het gewone schrift
voor Hindi en Mahratsch is en ook\'t meest gebruikelijke voor
gedrukte Sanskrietwerken. Hetzelfde schrift komt op Java voor
op enkele andere, moeilijk te ontcijferen steenen en op eenige
Boeddhistische godenbeelden. Ook de inscriptiën zijn, voor
zoover leesbaar, door Boeddhisten geschreven. De thans be-
doelde is uit het jaar 700 der Sjaka-j aartelling (778 n. C), dus
bijna een halve eeuw jonger dan het oudste opschrift. Het
twaalftal strofen vermeldt, dat de regeerende vorst uit het
Sjailendra-geslacht een tempel heeft doen bouwen voor de godin
Tara en aan dien tempel het dorpsgebied van Kalasa heeft
geschonken. De steen is gevonden dicht bij de plaats waar hij
werd opgericht, tusschen de dorpen Kalasan en Prambanan,
aan den spoorweg van Soerakarta naar Jogjakarta. Ongetwijfeld
heeft liet opschrift betrekking op den fraaien tempel van Ka-
lasan of Kali Bening. Dicht daarbij zijn ook de overblijfselen
te vinden van het klooster, dat, naar de inscriptie vermeldt,
tegelijkertijd door den vorst gesticht werd \').
Over een vorst uit hetzelfde geslacht wordt ook gesproken
in een ander in Sanskriet gesteld opschrift, eveneens met
Nagari-schrift geschreven en waarschijnlijk van vier jaren later
dagteekenend. Van den inhoud is nog alleen medegedeeld,
dat het een schenkings-oorkonde vormt en dat van een tempel
met drie Boeddhistische beelden sprake is !). Deze steen, zoowel
als de vorige, wijkt door den rechthoekigen vorm van het ge-
wone model der behouwen steenen af.
De naam der dynastie, die in beide steenen genoemd wordt,
beteekent „vorst onder de gebergten". In Indië wordt daar-
mede de Himalaya bedoeld. Of dit ook hier het geval is of
») Brandes in Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXI. 243.
2) Brandes in Catal. d. arch. verz., 389. Aangaande zijne gissing, dat de
tempel die van Loemboeng is, omdat deze drie nissen in den achterwand heeft,
moet worden opgemerkt, dat sedert gebleken is, hoe aldaar in eiken wand
drie nissen zijn, behalve in dien van de deur, die er twee heeft.
-ocr page 54-
37
dat een gebergte op Java gemeend wordt en waarom dit ge-
slacht naar een gebergte is genoemd, valt niet uit te maken.
Men moet echter in \'t oag houden, dat kunstmatige stam-
boomen in alle Indische landen niet minder in gebruik zijn
en waren dan in het hedendaagsch Europa.
Alle op Java gevonden oorkonden, behalve de weinige ge-
noemde, vertoonen eenzelfde letterschrift, dat ook van het
Indisch vasteland is aangebracht, maar dat wij, omdat alle
Kawi-inscriptiën daarin zijn geschreven, gemakshalve Oud-
Javaansch- of Kawi-schrift zullen noemen. Alvorens hun
inhoud te bespreken, willen wij de vraag stellen of al deze
soorten van letterschrift ons ook iets kunnen leeren aan-
gaande de plaats van herkomst der Indiërs van het vasteland ,
die ze op Java gebracht hebben. Uit het onderzoek der op-
schriften op de fraaie tempels, die in de bosschen van Kam-
bodja verscholen liggen, is gebleken, dat daar in het Hin-
doerijk Khmer van ongeveer 600 tot 1000 geheel dezelfde
schriftsoorten als op Java werden gebruikt. Maar zij zijn
eveneens te vinden onder de talrijke alphabetten uit zuide-
lijk Voor-Indië hekend geworden, behalve het Nagari-schrift,
dat van noordelijker oorsprong is en naar Kambodja en Java
gebracht moet zijn door Boeddhistische emigranten of zende-
lingen uit de streken, die thans de Northwestern Provinces
en het westelijk deel van Bengalen uitmaken. Of Java recht-
streeks van Voor-Indië uit dan wel over Kambodja de Hin-
doesche alphabetten ontvangen heeft, is uit het schrift zelf
bij den tegenwoordigen stand onzer kennis niet op te maken.
Historische gegevens zijn ook te schaars om tot een stellige
beslissing te leiden. Zij ontbreken geheel voor de zesde , zevende
en achtste eeuw. In de vijfde eeuw had een rechtstreeksch
verkeer tusschen Java en zuidelijk Voor-Indië plaats, zooals
uit het reisverhaal van Fah-hiën is gebleken. Dat is de tijd
van het ontstaan der West-Javaansche inscripties. Eerst in
de negende eeuw vallen de oudste verhalen der Arabische
geografen en zeevaarders. Zij verhalen alleen van betrekkingen
tusschen Java en Achter-Indië, zonder dat daaruit mag worden
-ocr page 55-
38
afgeleid, dut het verkeer met Voor-Indië toen gestaakt was.
De koopman Soleiman, die in \'t begin der negende eeuw
een aantal reizen deed naar Indië en China, verhaalt dat het
land Kilah-Bar onderworpen was aan Zabedj \'). Van der Lith
heeft betoogd, dat dit Kilah-Bar hetzelfde land is als Kilah
of Kalah, dat andere Arabieren, te beginnen met Ibn Chor-
dadbeh , wiens belangrijk „boek der wegen en rijken" omstreeks
846 werd uitgegeven 2), onder de onderhoorigheden van Java
noemen. Op goede gronden stelt Van der Lith dat met Kilah
het tegenwoordige staatje Kedah op het schiereiland Malakka
bedoeld is 3). Aboe Zaid Hasan verhaalt, dat de vorst van Java
een zegevierenden tocht ondernam naar het rijk Khmer in
Kambodja, dat Reinaud in zijne vertaling Comar noemt, doch
dat in \'t Arabisch , zoowel bij Aboe Zaid als bij Ibn Chordadbeh,
Qtnar of Qmêr heet, wat volgens Jaqoet Qamar (Qamêr) of
Qimar (Qimêr) wordt uitgesproken. Er is geen twijfel moge-
lijk dat hiermede Khmer bedoeld is. Het lag op het vasteland
en in tegenstelling met de andere Indische staten is niet
alleen het gebruik van wijn, maar ook overspel daar verboden.
Wij komen thans tot de bespreking der opschriften en oor-
konden die in de Kawi-taal en met Kawi-schrift zijn ge-
schreven. In vergelijking met deze zijn de opschriften in
Nagari-schrift zeer gering in aantal. Klaarblijkelijk is dit
laatste op Java nooit inheemsch geworden, zoomin als in
Kambodja, waar het aantal Nagari-inscriptiën even klein is.
Het is alleen in Sanskriet-opschriften, niet voor de landstaal
gebruikt. Opschriften in Sanskriet komen na de genoemde
nog enkele malen voor, vooral om den lof van een of anderen
vorst te bezingen. Steeds zijn ze in dicht, terwijl Kawi-
inscriptiën in versmaat zeer zeldzaam zijn. Dat het Sanskriet
l) Reinaud, Relation des voyages faits pav les Arabes et les Persans dans
1\'Inde et a la Chine dans Ie IXe siècle. Paris 1845, 16.
*) De Goeje, Bibliotheca Greographorum Arabicorum. Pars sexta (Arab. tekst
en fc\'ransche vert.) Leiden 1889.
3) Livre des merveilles de 1\'Inde par Ie capitaine Bozorg. Texte Arabe par
P. A. v. d. Lith. Traduotion frangaise par L. Marcel Devic. Leiden 1883-86,259.
-ocr page 56-
39
niet alleen door Hindoes werd geschreven, maar ook door
Javanen werd beoefend, bewijzen de vele omwerkingen van
legenden der Hindoes in de Javaansche taal, de vertalingen
van hunne heldendichten en vooral het bestaan van een
Javaansche spraakkunst vol Sanskriet-termen. Een Sanskriet-
Kawi woordenboek werd reeds vervaardigd onder een der
vorsten uit het genoemde Sjailendra-huis, dus waarschijnlijk
in de 8e eeuw; de vervaardiger was niet als zijn vorst Boed-
dhist, maar Sjiwaïet, gelijk bijna de geheele Kawi-letterkunde
door Sjiwaïeten is geschreven. Dit woordenboek was echter
niet bestemd voor Javanen die Sanskriet wenschten te bestu-
deeren, maar om voor Hindoes de lectuur van Kawi-boeken
te vergemakkelijken \').
Bijna al deze in Kawi geschreven stukken waren oorspron-
kelijk met de grootste zorgvuldigheid gedagteekend. Bij het
jaartal, volgens de tijdrekening van Sjaka, worden de naam
van de maand, het aantal dagen sedert de nieuwe of volle
maan verloopen, de naam van den weekdag volgens de vijf-,
zes- en zevendaagsche week, soms ook de woekoe — de
zevendaagsche week zelve — het uur van den dag en andere
chronologische en astronomische bepalingen gevoegd. Van
verscheidene der oorkonden in koper wordt echter, door het
verloren gaan van het begin, de datum thans gemist.
Vele dezer stukken missen het slot of zijn slechts in fragmen-
ten bewaard, maar schier allen vertoonen niet alleen in het
schrift en de taal maar ook in den inhoud eene verwant-
schap, die het mogelijk maakt veel wat in het eene duister
is door vergelijking met het andere op te helderen. In den
kanselarijstijl waarin zij geschreven zijn, en die zich op merk-
waardige wijze gelijk blijft, wanneer men in aanmerking neemt
dat de oudste en jongste stukken door eene tusschenruimte
van omstreeks vijf en een halve eeuw gescheiden zijn, komen
geheele reeksen van woorden en uitdrukkingen voor, die in
ieder stuk met geringe wijziging terugkeeren, en een soort
\') Kern in Actes du 6me Congres des Orientalistes III, 2, bl. 3. Leiden 1885.
-ocr page 57-
40
van formulier vormen dat in ieder bijzonder geval naar ge-
lang der omstandigheden werd ingevuld. Zooals reeds werd
opgemerkt hebben de stukken over \'t algemeen betrekking tot
vorstelijke gunstbewijzen, als het toewijzen van giften of leenen
van landen, doorgaans met nauwkeurige grensbepaling, de
aanstelling tot staatsambten, de toekenning van privilegiën,
vrijstelling van verplichtingen, enz. Waar grond wordt afge-
staan, geschiedt dit soms voor langer of korter tijd, soms in
erfelijk bezit; nu eens aan personen uit minderen stand, dan
weder aan hooggeplaatsten, een andermaal aan een tempel,
een klooster, eene geheele dessa. Daarmede gaan talrijke toe-
spelingen op oude gebruiken gepaard. Hier worden verschil-
lende beroepen en bedrijven, daar hanengevechten en andere
spelen, elders bijzonderheden omtrent spijzen en dranken of
kleeding en staatsie, zooals het gebruik van verschillende
blanketsels en van witte en driekleurige zonneschermen,
vermeld.
Op koper geschreven schenkingsakten werden zorgvuldig
bewaard, bijvoorbeeld in een naburigen tempel; was de oorkonde
op een steen geschreven, dan richtte men dezen op een daar-
toe geschikte plaats op, bijvoorbeeld als de gift een dessa
gold onder den dessa-waringin, waar hij kerkelijk en officieel
gewijd werd. Bij deze plechtigheid werd gegeten, gedronken
en gedanst onder begeleiding van muziek; de getuigen, die
ook in de oorkonde vermeld worden, werden met geschenken
begiftigd. Soms bepaalde de schenker dat de akte op steen
èn in koper gegrift moest worden. Eenige stukken zijn van
het koninklijk zegel voorzien.
Bijna alle oorkonden bevatten een korte of langere formule
van bezwering, waarbij de toorn der goden wordt ingeroepen
over ieder die het waagt de bevelen des Konings te overtreden.
Deze bezweringsformule begint met de aanroeping van aller-
lei verpersoonlijkte natuurmachten en natuurverschijnselen,
waarvan echter de namen nog niet allen kunnen verklaard
worden. Men vindt daaronder in de eerste plaats de groote
zieners Haritjandana en Agasti of Agastja. Laatstgenoemde
-ocr page 58-
41
is de ster Canopus, wier opgang in Hindostan plechtig placht
gevierd te worden. Haritjandana zal dus vermoedelijk ook
een invloedrijk gesternte zijn, misschien wel een aan welks
bijzondere hoede de handhaving van de kracht der bezwerin-
gen was toevertrouwd, en „ziener" zal zooveel als „schitterend
hemellicht" moeten beteekenen. Vervolgens worden de god-
heden der acht hoofdstreken van het kompas, van het mid-
delpunt, toppunt en voetpunt, van zon en maan, van de
vijf elementen (aarde, water, vuur, lucht en aether), van de
wereldorde en van dag en nacht, de pradjapati\'s of hemelsche
wezens die aan de geslachten en stammen der menschen
het aanzijn gaven, daarna soms ook de geesten van eenige
der voornaamste bergtoppen van Java, waaronder men den
Diëng, Merapi, Soembing en Sindara herkent, en voorts eene
menigte andere verpersoonlijkingen van natuurkrachten , waar-
onder zelfs de zintuigen en lichaamsfunctiën, maar ook Sjiwa
zelf in zijn verschillende moerti\'s of belichamingen en zijne
sjakti (gemalin) Doerga, benevens de reuzen, dwergen, alven,
draken, spoken en duivels, in de zonderlingste orde als ge-
tuigen aangeroepen en bezworen om te waken, dat zij die de
vloek treft hunne gerechte straf niet ontgaan.
De vervloeking zelve treft allen, wie zij ook zijn mogen,
die de bevelen des Konings weerstreven of de hand slaan aan
de rechten door hem verleend, en hier is de breedsprakig-
heid der oorkonden bijzonder leerzaam, daar zij ons met
verschillende maatschappelijke onderscheidingen bekend maakt.
Een tekst van 860 noemt reeds de leden der vier kasten de
Brahmanen, Ksjatrija\'s, Waisja\'s en Soedra\'s en dekastenlooze
Paria\'s en die van 931 spreekt nog bovendien van de leden
der vier geestelijke orden: studeerende Brahmanen, gehuwde
Brahmanen, kluizenaars en biksjoe\'s of bedelmonniken. Wij
hebben hier dus eene geheel ondubbelzinnige getuigenis, dat
de Hindoe\'s ook hunne gansche kastenverdeeling naar Java
overbrachten, gelijk zij nog heden op Bali bestaat.
De vloek, die over den schuldige wordt uitgesproken, is
alles behalve malsch. Hem wordt toegebeden dat hij moge
-ocr page 59-
42
verzinken in de diepte van den oceaan en verslonden worden
door de krokodillen; dat, als hij naar \'t veld gaat, de bliksem-
straal hem treffen, de rukwind hem aangrijpen, de wervel-
wind hem wegslingeren moge; dat duivels, kabouters, gees-
ten en reuzen hem op allerlei wijze mogen pijnigen en het
spoor bijster maken; dat tijgers hem mogen bespringen; dat
zijne leden door doornige bamboe en verborgen randjoe\'s
(voetangels) mogen worden opengescheurd en dat het wapen
van den amokmaker hem moge treffen.
Het formulier der oorkonde van 931 komt schier letterlijk
overeen met de bezwering, die thans nog op Bali gebruike-
lijk is.
Eigenaardig is, dat in een oorkonde uit den jongeren Hin-
doe-tijd, uit 1373, geestelijke smarten grootendeels de plaats
dezer lichaamskwellingen innemen. Den overtreder wordt toe-
gewenscht, dat hij verkeerd ga, verkeerd denke, verbijsterd
worde, verkeerd zie, rampen lij de, door toenemende uitte-
rende ziekte vermagere, droefgeestig zij, steeds tusschen hoop
en vrees geslingerd worde, niet lang leven moge, doordat
de goden hem vervolgen waar hij gaat en waar hij staat en
bij hetgeen hij eet.
Dikwijls werden van de prasjasti\'s afschriften gemaakt,
zoowel gelijktijdig als later, soms nog na verloop van eeuwen,
om oude rechten te hernieuwen. Brandes is de meening
toegedaan, dat dergelijke afschriften meermalen het karakter
dragen van vervalschingen, zoodat eenige der vroeg gedag-
teekende oorkonden inderdaad uit later tijd afkomstig zouden
zijn. De bewijzen voor deze meening heeft hij echter nog niet
gegeven.
Een der oudste oorkonden in koper, van 860, is ons be-
kend uit een daarvan in 1373 gemaakt afschrift, dat bijeen
in het laatste jaar vervaardigd stuk gevoegd werd. Door Kern
zijn deze prasjasti\'s, welker plaats van herkomst niet met zeker-
heid bekend is, uitvoerig verklaard \'). Bij die van 860 worden
\') Versl. en Med. Ak. v. "Wet. 2e Rks. X. 77.
-ocr page 60-
43
door koning Parakramottoenggadewa aan zijn leermeester de
landsheerlijke rechten gegeven over eenige door hem gekochte
gronden, in het dorp Boengoer, waarop hij een Boeddha-
tempel wil oprichten. Als gewoonlijk gaat dit privilege gepaard
met verschillende andere voorrechten als het dragen van een
wit zonnescherm; van waterrozen als oorsieraad en van ge-
bloemde stoffen van een bepaald patroon; het eten van allerlei
vorstelijke vleeschspijzen, als van schildpadden en schapen.
Een aantal lastige personen worden genoemd, die het gebied niet
betreden mogen; daaronder zijn zoowel ambtenaren als „lieden
die tuk zijn op goed van waarde", te beginnen met grootere
en kleinere woekeraars, afgeleefde dakloozen, bastaards en
verder spellebazen, tooneelspelers, kooplieden in houtskool, kalk,
hakmessen , zelfs grofsmeden, en allerlei soort van landloopers.
Daarna worden een aantal ambachten opgenoemd, die elk
een of twee vertegenwoordigers in het rechtsgebied mogen
hebben, zonder dat daarvan belasting of patent zal geheven
worden; zoo kopersmeden, metaaldraadmakers, metaalgieters,
timmerlieden, smeden; ook „vertellers". De eigenaars mogen
ook lijfknechten in dienst nemen en deze als ze wegloopen
het hoofd scheren; ze mogen slaven houden en die slaan,
tot bloedens toe, als ze zich schuldig maken aan een vergrijp.
Merkwaardigerwijze heeft het tempelgebied een ius asyli;
het is een toevlucht voor weggeloopen knechten, maar zonder
dat deze door de bezitters des tempels tot wegloopen aangezet
mogen worden. Ook voor dieven die pas gestolen hebben,
voor amokmakers en voor insolvente schuldenaars is het ge-
bied een vrijplaats; de laatste moeten echter jaarlijks op hunne
schuld afbetalen.
Verder wordt in het stuk bepaald, hoe groot de geldsom-
men zijn die aan den koning en zijn ministers en hoofdamb-
tenaren voor deze voorrechten moeten worden uitgekeerd; met
een kleine som gelds en stukken doek voor een kleed wordt
een lange rij dorpshoofden met hunne schrijvers beloond, die
bij de afbakening der grenzen tegenwoordig zijn geweest.
Zeer merkwaardig is, dat uit deze oorkonde blijkt, hoe in
-ocr page 61-
44
de negende eeuw allerlei overzeesche vreemdelingen als huisbe-
dienden bij voorname lieden op Java leefden, een nieuw bewijs
voor de levendigheid van het handelsverkeer, dat toen met
westelijker landen bestond. Hierbij zijn bewoners van Khmer
en Tjampa — hetzij het landschap in Achter-Indië, hetzij
het oudere in Voor-Indië — Klingaleezen en Kanareezen,
lieden van de kusten van Koromandel en Malabar, en waar-
schijnlijk ook Negrito\'s of Papoe\'s (bondan, tegenwoordig
Javaansch wandan) en negers (djënggi, overgenomen uit het
Perzisch, zanggi; Maleisch janggi of jënggi, Bataksch jonggi).
Zouden inderdaad voor ongeveer duizend jaren negers op
Java zijn ingevoerd? Het bericht wordt op treffende wijze
door een Chineesch verhaal bevestigd. In het jaar 813, zoo
wordt in de geschiedenis der T\'ang-dynastie verhaald, boden
Javaansche gezanten den keizer van China onder meer ge-
schenken vier „Sangsj i-slaven" aan, een woord dat ook hier
in de beteekenis van negers gebruikt wordt\').
Bij de kortere oorkonde van 1373, in denzelfden trant ge-
schreven , wordt het dorp Boengoer door koning Hajam Woe-
roek opnieuw tot een vrij rechtsgebied verheven, thans ten
behoeve van eene hooge vrouw, Parih genaamd, die de pleeg-
dochter des konings, dochter van zijn jongeren broeder, op
uitstekende wijze had opgepast.
In de schenkingsbrieven, waarvan met zekerheid kan wor-
den aangetoond, dat zij uit Midden-Java afkomstig zijn,
worden een aantal namen van vorsten genoemd, die hier niet
herhaald behoeven te worden. Van geen hunner is ons iets
meer bewaard gebleven dan de naam en het feit der schen-
kingen. Daarentegen wordt onze belangstelling ten zeerste
gewekt door den naam van het rijk en de residentie, waarin
deze vorsten omstreeks het jaar 900, dus tegen het einde
der Midden-Javaansche periode, hebben gezeteld. Op een in
de Vorstenlanden gevonden koperen plaat uit dien tijd zijn
aan het slot van de aanroeping der goden de woorden te lezen:
\') Groeneveldt, Notes on the Malay Arch., 14.
-ocr page 62-
45
„Voorts alle gij Goden, die het rijk van den maharadja van
Mataram bewaakt". Door deze merkwaardige vondst is geble-
ken, dat in dezelfde streek waar in het laatst der zestiende eeuw
het bekende Mohammedaansche rijk van Mataram gesticht
is, een Hindoe-rijk van denzelfden naam heeft gelegen. Dit
oude rijk van Mataram wordt ook genoemd in een viertal
in Oost-Java gevonden schenkingsoorkonden uit denzelfden
tijd, die dus tot de oudste in dat deel des eilands gevonden
stukken behooren. Twee daarvan zijn uit Soerabaja afkom-
stig, een derde van den tempel van Singasari in het Ma-
langsche. Hieruit schijnt te blijken, dat deze streken toen-
maals aan het Midden-Javaansche rijk onderworpen waren.
Drie dezer opschriften noemen ook den naam der residentie
van de vorsten van Mataram, die niet minder merkwaardig
is dan die des rijks. Deze luidt Mëdang en is ongetwijfeld iden-
tiek met Mëndang Këmoelan, het rijk, dat de Javaansche
babads steeds noemen als de oudste en belangrijkste staat die
ooit op Java is gevestigd geweest \').
Als tweede raadsman des konings van Mataram vinden wij
in 919 zekeren Mpoe Sindok vermeld. Enkele jaren later is
deze tot de eerste plaats in den staat onder den vorst opge-
klommen en in 929 is hij zelf koning, maar in Oost-Java,
waar hij in dat jaar een viertal schenkingen doet. In een der
oorkonden noemt hij zijn vroegeren meester, den koning van
Mataram. Ook uit latere jaren zijn opschriften met zijn naam
bewaard gebleven, het laatste van 944. Van geen vorst zijn
zooveel documenten gevonden \').
Mpoe Sindok moet dus als de stichter van een onafhan-
kelijk Hindoe-rijk in Oost-Java worden beschouwd. Zijn gebied
strekte zich voor zoover wij weten over Pasoeroean, Soerabaja
en Kediri uit. Terwijl vóór hem de oorkonden uit dat deel des
eilands zeer schaarsch zijn, vangt nu een onafgebroken reeks
van vondsten aan.
\') Brandes in Catal. d. arch. verz. 60.
*) Brandes in Notulen der Bestuursverg. v. h. Bat. Gen. XXIV, 144;
XXV, 67; XXVI, 84; Tijdschr. T. L. en Vk. v. N. L, XXXII, 111 noot.
-ocr page 63-
4G
Alvorens echter verder te gaan zien wat de Oost-Javaan-
sche inscriptiën ons voor de geschiedenis van Java leeren,
dienen wij een oogenblik stil te staan bij de berichten der
Arabieren, die uit de negende eeuw dagteekenen. Die der Chi-
neezen kunnen wij hier laten rusten; zij vermelden uit deze
eeuw slechts kortelijk enkele gezantschappen. In de door Van
der Lith en Devic uitgegeven verhalen van Indische zeekapi-
teius, die in het „boek der Indische wonderwereld" zijn
saamgevat, verhaalt een koopman van Siraf: „In de stad,
waar de Maharadja, koning van Zabedj, verblijf houdt, heb
ik een onnoemelijk aantal winkelstraten gezien. In de Wis-
selaarsstraat heb ik tot achthonderd wisselaars geteld, buiten
hen, die hier en daar in andere straten gevestigd zijn." En,
zegt de schrijver, „hij voegde er vele dingen bij over het eiland ,
zijne bebouwde velden, de menigte zijner steden en dorpen,
die alle beschrijving te boven gaan." Jammer genoeg, want wij
zouden die beschrijving gaarne hebben gelezen. Maar alle
Arabieren verhalen van die welvaart en dien rijkdom des
eilands. Aboe Zaid noemt het buitengewoon vruchtbaar; de
bewoonde plaatsen volgen elkander onafgebroken op; er zijn
geen verlaten landen, geen ruïnen.
Even eenstemmig luiden de mededeelingen omtrent de tal-
rijkheid der buiten Java gelegen, aan den Maharadja onder-
worpen eilanden en gewesten. Daaronder vinden wij Serboza
of Sarbaza (Palembang) en Kilah of Kalah (Kedah op Malakka).
Herhaaldelijk wordt de koning van Java als de machtigste
vorst der Indische eilandenwereld aangeduid; hem alleen wordt
de titel Maharadja gegeven.
Wij moeten dus besluiten dat in de 9<*e eeuw op Java een
machtige koloniseerende en handeldrijvende staat gelegen was.
Waar hare havens te zoeken waren, is moeilijk na te sporen.
Maar op een enkel gegeven moet de aandacht gevestigd wor-
den. Aboe Said doet de merkwaardige mededeeling, dat een
vroegere koning van het eiland Zabedj — steeds wordt slechts
van één rijk op dat eiland gesproken — zijn residentie had
aan een „tseladj", die zijn oorsprong nam in zee; „en men
-ocr page 64-
47
verstaat onder tseladj een aestuarium, gelijk aan dat hetwelk
de Tigris vormt, die voorbij Bagdad en Basso ra stroomt, een
aestuarium waarin het zoute zeewater oploopt bij vloed en
waar het water zoet is ten tijde van de eb" \').
Waar was deze groote riviermond gelegen? Wij meenen
haar niet aan de zuidkust te moeten zoeken, die waarschijn-
lijk niet door Arabieren bevaren is en aan de noordkust
komen geen andere rivieren in aanmerking dan Solo en
Brantas. Heden ten dage is het water der Solo in den oost-
moeson soms brak tot Bodjo Negoro en ook in de Brantas
zal vroeger, toen hare monden nog zooveel wijder waren dan
nu, de vloed stellig over aanzienlijke lengte de rivier opge-
loopen hebben. De Solo vormt dan ook de natuurlijke weg
van de Vorstenlanden naar zee. Toch moet hier misschien
nog eer aan de Brantas dan aan de Solo worden gedacht.
Een schenkingsoorkonde van het jaar 840 immers heeft aan
het slot de woorden : afgedaan (en) geschreven te Madjhapahit.
Denzelfden naam meent Van der Lith te herkennen in die
eener plaats, bezocht door Aboe Taher van Bagdad. Wel is
de naam daar Markawind geschreven; maar de Arabische
schrijfwijze van dit woord verschilt zeer weinig van die voor
Mazafawid en daar Markawind stellig een bedorven spelling
is, mag wellicht het laatste worden gelezen *).
Wel is waar is de genoemde oorkonde door Brandes voor
onecht verklaard, maar de tot dusver daarvoor aangevoerde
gronden mogen dit oordeel niet als onomstootelijk vaststaand
doen beschouwen. Waar de oorkonden zoo dikwijls werden
afgeschreven, gaat het niet aan op enkele onnauwkeurigheden
van taal en spelling een meening over de echtheid te gronden.
\') Reinaud, Relation des Voyages, 95. Elders wordt het woord tseladj bij
Arabische schrijvers in de beteekenis van vijver gebruikt, overeenkomstig den
Sanskriet-vorin talaga (Van der Lith en Devic, t. a. p., 195). Daar Aboe Zaid
ook van een vijver voor het paleis spreekt, die in verbinding stond met het
aestuarium, heeft hij wellicht het woord tseladj verkeerdelijk voor het laatste
in plaats van voor den vijver gebezigd.
\') V. d. Lith en Devic, 231.
-ocr page 65-
48
Ware Madjapahit, zooals Brandes aanneemt, pas omstreeks
1280 gesticht, dan zou de vervalscher van het stuk dus eerst
daarna geleefd moeten hebben en wel zooveel later, dat zijne
tijdgeuooten den tijd der stichting vergeten waren. Anders
immers had zijne ontmaskering onmiddellijk moeten volgen.
Nu maakt de taal der oorkonde het te eenenmale onmogelijk
haar een zóó jeugdigen leeftijd toe te schrijven. Over de zoo-
genaamde stichting der plaats omstreeks 1280 hebben wij
straks nog te spreken.
Intusschen moet er nogmaals op gewezen worden, dat deze
oorkonde een der zeer weinige van zoo ouden datum uit
Oost-Java vormt. Stellig was het aantal nederzettingen daar
toen nog gering. Of Madjapahit inderdaad toen korten tijd
eene residentie geweest is, valt niet te beslissen. Mag men dit
uit het Arabische bericht opmaken, dan volgt daaruit tevens
dat het zulks niet lang is gebleven, maar dat de vorsten nog
in de negende eeuw hun zetel westwaarts verplaatsten.
Gaan wij thans over tot een beschouwing der belangrijkste Oost-
Javaansche inscriptiën. Van de eerste opvolgers van Mpoe Sin-
dok is ons nagenoeg niets bekend. Een belangrijke figuur was
zijn achterkleinzoon Er-langga. Van hem moet allereerst vermeld
worden een in Sanskriet, maar met gewone oud-Javaansche
letterteekens in steen gebeiteld lofdicht. Het is verklaarbaar,
al is het te bejammeren, dat de dichter vooronderstelt, dat
de gebeurtenissen die hij bezingt, bekend zijn, zoodat wij meer
naar den gang van zaken moeten raden dan dat wij dien
kunnen vaststellen. In de jeugd van den vorst moeten ver-
schillende rijken naast elkander bestaan hebben. Hijzelf was
vorst, want zijne hoofdstad wordt vermeld; maar over Oost-
Java — waarvan wij intusschen niet weten , hoever het zich
uitstrekte — regeerde een zijner bloedverwanten. Of hij in
een oorlog met dezen heerscher of met een anderen gewikkeld
werd, valt niet te zeggen. De strijd verliep ongunstig voor
Er-langga. Zijne hoofdstad werd in de asch gelegd. Met eenige
getrouwen, bedienden en aanzienlijke mannen, trok hij zich
terug in de bosschen. „Daar, op den gedenkwaardigen dag
-ocr page 66-
49
van den dertienden der maand Magha, van het jaar 932 na
den Sjaka-vorst, was het dat hij door zijne aanhangers en de
Brahmanen, vol vertrouwen, gesmeekt werd, het gansche
land in zijne macht te brengen." Hij werd tot toekomstig
keizer gewijd. Van toen af begon zijne zegevierende loopbaan ;
hij beoorloogde met gunstigen uitslag naburige vorsten; bracht
in 954 der Sjaka-jaartelling eene vorstin tot onderwerping,
die wordt afgeschilderd als eene reuzin in kracht, en ondernam
een tocht naar de zeer onbeschaafde zuidergewesten, vanwaar
hij met buit beladen terugkeerde. Vier jaren later wendde hij
zijne wapenen tegen \'t westen en versloeg den koning Wi-
djaja. Een paar maanden daarna werd deze door zijne eigene
troepen verraderlijk vermoord, — „dank zij de aanwending
van de middelen van staatskunst, zooals die in het leerboek
van Wisjnoegoepta \') geleerd worden."
Nog in dezelfde maand plaatste Er-langga zich op den troon
als alleenheerscher van het gansche eiland. In de volheid
zijner macht besloot hij tot den aanleg der prachtige kluize-
iiarij op de helling van den berg Poegawat (Skrt. voor rijk
aan betelpalmen), wier fraaiheid die van Indra\'s hof
evenaarde.
De van Er-langga bekende schenkingsbrieven zijn waar-
schijnlijk alle, evenals de besproken steen3), uit de tegen-
woordige residentie Soerabaja afkomstig. Een oorkonde op
steen vertoont het jaartal 1021, een op koper is van twee
jaar later. Beide dagteekenen dus van den tijd vóór zijn groote
in het lofdicht vermelde oorlogen. Te Soember Goerit, in het
district Madjadadi der afdeeling Djombang, is een opschrift uit
1033 en te Simpang, de voorstad van Soerabaja, een uit het
volgende jaar gevonden. In het laatste is van een der oorlogen
sprake; de mededeelingen van het lofdicht worden daardoor
dus bevestigd. Er worden rechten geschonken aan lieden, die
den koning een nacht onderkomen hebben verleend en hem
\') De Indische Macchiavelli, wiens leerboek voor alle diplomaten onmisbaar
geacht werd.
!) Voor deze is het aangetoond door Brandes, Not. v. h. Bat. Gen. XXVJI. 18.
I.
                                                                                                           4
-ocr page 67-
r>o
trouw zijn gebleven op een hachelijk oogenblik in den krijg
met den vorst van Mahasin.
Belangrijk om haren inhoud is de jongste thans bekende
prasjasti van Er-langga, gevonden in het westelijk deel van
de delta der Brantas, in de dessa Kelagen, bezuiden Krian.
Uit dezen steen blijkt, hoe toenmaals reeds waterwerken
werden aangelegd om het water uit eene groote rivier af te
leiden, wanneer er gevaar voor overstrooming bestond. Van
dergelijke werken is ook al een eeuw vroeger sprake, in een
bevelschrift uit het jaar 934. Maar wat de latere opgave
vooral belangrijk maakt, is dat de plaats der doorbraak, die
de voorzieningen noodig maakte, met juistheid is aan te
wijzen. Er wordt gesproken van de doorbraak bij Waringin
Sapta en ongetwijfeld is dit het tegenwoordige dorp Wringin
pitoe, aan den rechteroever der Brantas, ruim een uur gaans
ten noordwesten van de vindplaats van den steen gelegen.
Immers het Sanskrietsche sapta heeft dezelfde beteekenis als
het Javaansche pitoe; beide beteekenen zeven. Nog heden
maakt de rivier daar ter plaatse twee scherpe bochten, welke
de doorbraak zeer goed verklaren \').
In dit opschrift wordt Er-langga heer van geheel Jawa-
dwipa genoemd en wordt als zijne hoofdstad opgegeven Ka-
hoeripan, dat waarschijnlijk in een der drie dorpen Koeripan
gezocht moet worden, die in de Brantas-vlakte gelegen zijn.
De herinnering aan Er-langga is in de Javaansche babads
niet bewaard geblevan, wel op Bali, waar de overlevering
bestaat, dat hij in Kediri heerschte en dat onder zijne re-
geering het eerste bloeitijdperk der Kawi-letterkunde valt.
Inderdaad weten wij, dat eenige der beroemdste Oud-Javaansche
gedichten in zijn tijd vervaardigd zijn.
Van geen andere vorsten dan Mpoe Sindok en Er-langga
zijn een belangrijk getal schenkingsbrieven bekend. Trouwens
het geheele aantal op steen en koper geschreven oorkonden,
uit Oost-Ja va te voorschijn gebracht, is vrij gering, al
\') Verbeek, Not. v. h. Bat. Gen. XXVII. 8.
-ocr page 68-
r,i
zijn de jaarcijfers, aldaar gevonden op beelden, op steenen,
die niets of bijna niets anders dan een jaartal vertoonen, en
op andere voorwerpen, zeer talrijk. Uit de bijna tachtig jaren
tusschen de laatste bekende schenking van Mpoe Sindok en
de eerste van Er-langga verloopen, is slechts een enkele ge-
dagteekende oorkonde, uit het jaar 991, gevonden, in de
residentie Madioen. Na Er-langga duurt het bijna zeventig
jaren, tot 1104, eer wij weer een prasjasti aantreffen, ge-
vonden in Kediri. Daarop volgen in 1135 en 1136 twee
schenkingsbrieven uit Pasoeroean en Kediri, van den vorst
Djajabaja. Van al deze stukken moet de volledige vertaling
nog gegeven worden. In tegenstelling met de namen van Mpoe
Sindok en Er-langga is die van Djajabaja in de Javaansche ba-
bads als Djaja. Baja bewaard gebleven. Hooge lof wordt hem
daarin als vorst en als wijze toegezwaaid; onder zijne regee-
ring, zoo heet het, werden alle belangrijke werken in het Kawi
geschreven. Voor den Javaan is Djajabaja de verpersoonlijking
geworden van den bloeitijd der Hindoesche beschaving op
zijn eiland. Op dezelfde wijze smolten de Egyptenaren de ge-
stalten van een reeks hunner vorsten tot de figuur van den
tweeden Ramses samen en schreven hem een groot aantal
heldendaden toe, die meerendeels door zijne voorgangers en
opvolgers waren verricht.
De regeering van Djajabaja stellen Javaansche kronieken
verkeerdelijk in de negende, in plaats van in de twaalfde
eeuw onzer jaartelling. Zij maken hem tot den stichter van
het rijk van Daha, dat zij in Kediri plaatsen, en schrijven
hem zelfs zekere voorspellingen of apokalyptische onthullingen
der toekomst toe, die nog van tijd tot tijd de gemoederen in
beweging brengen, maar in veel lateren tijd ontstaan zijn \').
Uit de oorkonden is omtrent dezen vorst tot dusver alleen
bekend geworden, dat ook hij krijg te voeren gehad heeft —
ook hij schonk, als Erdangga, een privilege ter belooning
van in een hachelijk oogenblik verleenden bijstand — en dat
\') Brandes in Tijdschr. v. I. T., L. en Vk. XXXII. 406.
-ocr page 69-
52
hij tot de groote sekte der aanbidders van Wisjnoe behoorde.
Dit laatste blijkt uit zijn op beide oorkonden gevonden zegel-
merk , een narasinga of manleeuw voorstellend, waarmede de
vierde verschijningsvorm van dezen god op aarde bedoeld is \').
Terwijl in het gedicht Brata Joeda, uit 1157 dagteekenend,
Dj&ja Baja wordt gehuldigd, vermeldt een in Kediri gevon-
den schenkingssteen uit 1160 een ander vorst; deze gaf nog
een oorkonde uit, die in dezelfde residentie gevonden werd,
maar waarvan het jaartal niet met juistheid ontcijferd kan
worden.
Uit het verdere verloop der twaalfde en de geheele der-
tiende eeuw zijn in \'t geheel geen oorkonden ontcijferd. Van
groot gewicht zou de uitgave zijn van de uitvoerige op ko-
peren platen gegrifte oorkonde, afkomstig van den Goenoeng
Boetak in Soerabaja, die het jaartal 1294 draagt. Hiermede
bereiken wij den tijd, waarin Madjapahit als rijkszetel ver-
meld wordt. Alvorens dat tijdperk te behandelen, wenschen
wij na te gaan wat intusschen omtrent westelijk Java valt
mede te deelen en wat de Chineesche berichten weten te
verhalen.
Wij hebben in het begin van dit overzicht der op Java
ontdekte opschriften gezien, dat de oudste inscriptiën gevon-
den worden in de Soenda-landen en waarschijnlijk dagteekenen
uit de vierde en vijfde eeuw. Zoo talrijk uit de volgende
eeuwen, met de achtste te beginnen, de stukken uit Midden-
en Oost-Java zijn, zoo gering is hun aantal in het westelijk
deel des eilands. Ook het aantal andere Hindoe-overblijfselen
— beelden en voorwerpen — is in \'t westen veel kleiner, en
in overeenstemming daarmede is het algemeen erkende feit,
dat taal, literatuur, zeden en begrippen hier op verre na
niet zulke diepe sporen van den invloed der Hindoes toonen
als in eigenlijk Java.
Van die weinige opschriften der Soenda-landen is slechts
een enkel met juistheid gedagteekend. Het is afkomstig uit
\') Brandes in Cat. d. arch. verz. 375, Not. v. h. Bat. Gen. XXXI. 73.
-ocr page 70-
53
den tijd, toen in oostelijk Java Er-langga regeerde, uit het
jaar 1030. De steen waarop het is gegrift, werd gevonden
aan de Tjitjatih, een noordelijke van den Salak afstroomende
zijtak van de Tji Mandiri, dus in het westelijk deel der
Preanger Regentschappen. De legende verhaalt van een „vorst
der Soenda-landen", die zich met evenveel beperktheid van
gezichtskring als Indische grootspraak „heer der geheele aarde"
noemt. Waarschijnlijk was deze vorst, tot wiens eer dit op-
schrift in Oud-Javaansch geschreven was, aan de Hindoesche
heerschers der oostelijker streken verwant. Hij voert dezelfde
titels als zij en draagt gelijkluidende namen\'). Wij weten
hierdoor dat althans in de tiende eeuw de Soenda-landen
of een deel daarvan onder een Hindoe-vorst stonden, en tevens
dat de woorden der oorkonde van Er-langga, waarin deze
vorst van geheel Java genoemd wordt, niet in letterlijken zin
moeten worden opgevat dan voor zoover men met den naam
Java, gelijk ook thans nog wel geschiedt, slechts het door
Javanen bewoonde midden en oosten des eilands aanduidt.
De overlevering plaatst in de twaalfde eeuw de stichting van
een Hindoe-rijk in de Soenda-landen, door uit Oost-Java en
wel uit het rijk van Toemapel in Pasoeroean stammende
vorsten bestuurd en Padjadjaran geheeten. Van de opschriften
in West-Java uit den tijd van Padjadjaran zijn de Batoe-toelis
(beschreven steen) van Buitenzorg en de inscriptiën van Kwali
of Kawali in het Tjeribonsche regentschap Galoeh het best
bekend. Ze zijn gesteld in de Oud-Soendaneesche taal. Alle
werden ze door Holle voor het eerst met juistheid ontcijferd.
De Batoe-toelis *) is een gedenksteen van de daden van
zekeren vorst Parëboe Radja Poerana, ook Ratoe Dewata ge-
heeten, die ook in de oude Soendasche handschriften vermeld
wordt. Hij wordt op dien steen de stichter van Pakoean en
en de vorst (maharadja ratoe adji) van Pakoean-Padjadjaran
genoemd. Hieruit kan men opmaken, dat na de stichting
\') Brandes in Not. v. h. Bat. Gen. XXVIII. 15.
J) Holle in Tijdschr. v. Ind. T. L. en Vk. XVII. 483, XXVII. 90 en 187.
-ocr page 71-
54
van Pakoean, waarschijnlijk als tweede vorstenverblijf, het
rijk Pakoean-Padjadjaran genoemd werd. In overeenstemming
hiermede is eene uitdrukking die men dikwijls in Soendasche
pantons hoort bezigen: „ratoe Pakoean, ménak Padjadjaran",
d. i. de vorst van Pakoean, de edelen van Padjadjaran\').
Eene andere merkwaardige bevestiging hiervan leveren vijf ko-
peren plaatjes met opschriften, een aantal jaren geleden door
Raden Saleh in een offerhuisje bij de kampong Këbantënan
onder Bëkasih, omstreeks 15 palen van Batavia, gevonden.
Zij bevatten van de vorsten van Padjadjaran en Pakoean vier
piagems (prasjasti\'s), die, helaas! alle dagteekening missen.
Bij de eerste (plaat I) wordt door Ratoe Dewata, maharadja
ratoe adji van Pakoean, een stuk gronds te Soenda Sëmbawa
met nauwkeurige grensbepaling voor gewijd gebruik afgezon-
derd en onder het bestuur van priesters gesteld. De tweede
(plaat V) schijnt hiermede samen te hangen, en zegt alleen
dat de vorst van Padjadjaran de heilige plaats te Soenda
Sëmbawa beschermt, en met den dood zal straffen wie het
gezag van den loerah (het hoofd) des kloosters aldaar mis-
kent. De derde (plaat IV) is van denzelfden vorst als de eerste,
geheel door dezelfde namen en titels aangewezen, en bepaalt
de grenzen van een ander onaantastbaar priesterlijk gebied te
Goenoeng Samaja, waarbij de vrijstelling der bevolking van
heerediensten en schattingen uitdrukkelijk schijnt vermeld te
worden. De vierde eindelijk, waarvan het tweede en derde
plaatje ieder een deel schijnen te bevatten, maar met eene
gaping tusschen beide, is van Rahjang Niskala Wastoe Kantjana,
vorst van Pakoean-Padjadjaran, met welken naam op den
Batoe-toelis de grootvader van den stichter van Pakoean ge-
noemd wordt, en verleent vrijheid van tollen voor den afvoer
van katoen en padi naar de mondingen der rivieren. Voegt
men hierbij nog dat bij de grensbepalingen reeds sprake is
van een grooten weg, dan zal men moeten erkennen, dat wij
uit deze plaatjes, in verband met den Batoe-toelis, omtrent
\') Rigg, Soend. Wdbk. in Dl. XXIX der Verh. v. h. Bat. Gen. in v. Pajajaran.
-ocr page 72-
55
den maatschappelijken toestand der Soenda-landen in den
Hindoetijd niet onbelangrijke wenken ontvangen. Jammer dat
ook van den Buitenzorgschen steen de tijdsbepaling niet met
zekerheid mogelijk is; Holle gist dat het jaarcijfer 1055 der
Sjaka-aera (1133 na Chr.) zijn kan.
Uit het laatst derzelfde eeuw onzer jaartelling (1189) is het
jaartal op eene klok (tongtong), gevonden te Sadapaingan
in de afdeeling Galoeb.
Te Kwali of Koewali vindt men, behalve eenige steenen die
slecbts enkele woorden bevatten, twee steenen met grootere
inscripties in de Oud-Soendaneesche taal. Op den eersten steen
wordt zekere Parëboe Radja Wastoe vermeld, die ook in in-
landsche babads als vorst van Galoeh (Kwali) voorkomt. Deze
vorst wordt verder een boeteling of kluizenaar genoemd, en
Holle zegt dat ook de babads van kluizenaars onder de vorsten
van Galoeb gewag maken. Voorts wordt aan den genoemden
vorst de verfraaiing van den kraton, het maken eener gracht
rondom de hoofdplaats en de stichting van vele nieuwe dessa\'s
toegeschreven. Jammer dat het gemis van alle dagteekening
het onmogelijk maakt de verhouding van dezen vorst tot
Padjadjaran nader te bepalen. Uit het tweede opschrift is
vooralsnog niets af te leiden.
Van de overige steenen zal ik alleen zeggen, dat zij sporen
vertoonen van lingga-dienst. Een heeft zelfs den ruwen vorm
van een lingga, en zoo men al met Holle in de woorden op
die steenen voorkomende namen van vorsten wil vinden, zijn
toch die namen met het woord lingga samengesteld \').
De inscripties van Buitenzorg en Kwali zijn op weinig ge-
effende steenen zeer onregelmatig en slordig gebeiteld en staan
in dat opzicht ver achter bij de meeste steen-inscripties van
Midden- en Oost-Java. De karakters komen met die van het
Kawi-schrift overeen. Nog verdient opmerking dat vóór den
Batoe-toelis een andere steen ligt, waarop de indrukken van
twee voeten zijn gebeiteld, en dat te Kwali twee voeten en
\') Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XVI. 464.
-ocr page 73-
56
een hand zijn afgebeiteld op een afzonderlijken- steen, die
overigens slechts een geruit vlak vertoont. Merkwaardig is
het, dat de Padjadjaransche inscripties de voet-indrukken ge-
meen hebben met de oude in den aanvang van dit hoofdstuk
behandelde opschriften uit de Soenda-landen , terwijl men die
teekenen in het eigenlijk Java slechts op zeer weinige plaat-
sen, onder anderen op den Prahoe, heeft gevonden. Zij schijnen
een symbool van vorstelijke macht te wezen. Ook in Voor-
Indië komen zij meermalen voor.
Een uitvoerige beschrijving van het Hindoe-rijk op Java,
waaronder ongetwijfeld dat van het oosten des eilands is te
verstaan, geeft de geschiedenis der Soeng-dynastie, die in 960
den troon van China besteeg \'). Zeer belangrijk moet toen-
maals de handel van China op Java geweest zijn. De historie-
schrijver toont door zijne opgave der afstanden een juist
denkbeeld te hebben van den langgerekten vorm des eilands.
Onder de middelen van bestaan noemt hij de teelt van zijde-
rupsen en het weven van zijde; ongetwijfeld waren de Java-
nen daarmede door de Chineezen bekend gemaakt, die dus met
deze teelt tegenover de Oostersche volken minder geheimhou-
dend waren, dan zij, naar men steeds meent, tegenover de Wes-
tersche geweest zijn. Als voortbrengselen worden in de eerste
plaats rijst, hennep en erwten genoemd ; en verder goud, zilver,
rhinoceroshoorn, ivoor, agallochum of aloëhout, sandelhout,
anijs, peper, pinang, zwavel en sapanhout. Men verkrijgt zout
door het zeewater te koken. Onder de dierlijke spijzen wordt
allereerst visch vermeld, verder gevogelte en vleesch van
schildpadden, geiten en rundvee; onder de plantaardige de
papaja — de vrucht der meloenboom —, de kokosnoot, de
pisang, het suikerriet en de taro-knol, die ook in het beeld-
houwwerk der tempels voorkomen en alle nog heden op Java
gekweekt worden. Er was zilveren geld in omloop. Van de
voortbrengselen werden tienden geheven. Lichaamsstraffen
\') Groeneveldt, Notes on the Malay Arch., bl. 15—19.
-ocr page 74-
67
werden niet toegepast: alleen dieven en roovers werden ter
dood gebracht; alle andere straffen waren boeten in goud. De
huizen zijn fraai en versierd met gele of groene dakpannen.
Als er Chineesche kooplieden komen, worden zij als gasten
geherbergd in een openbaar gebouw, en krijgen daar over-
vloedig en zindelijk toebereid eten en drinken.
Onder den koning staan zijne drie zoons als onderkoningen
en er zijn vier hoogwaarrligheids-bekleeders, die te zamen de
staatszaken bestieren; zij hebben geen vaste bezoldiging, maar
krijgen van tijd tot tijd voortbrengselen van den bodem en
soortgelijke dingen. Meer dan driehonderd ambtenaren houden
de registers der inkomsten bij. Een duizendtal lagere hebben
het toezicht over de wallen en de gracht der stad, over de schat-
kist, de korenschuren en de soldaten. Aan \'t hoofd van het
leger staat een generaal; er zijn dertigduizend soldaten, die
elk half jaar betaald worden overeenkomstig hunnen rang. In
een bepaalden tijd des jaars worden pleiziertochten in booten
ondernomen en in een ander jaargetijde gaat men zich ver-
maken op de bergen; men bestijgt ze op zeer goede berg-
paardjes of in bergstoelen. De muziekinstrumenten zijn een
dwarsfluit, trommels en houten planken; met de laatste is
ongetwijfeld de gambang bedoeld. Wat de kleeding betreft,
deze bestaat uit een gewaad, dat het lichaam van de borst
tot over de knieën bedekt. Het volk draagt loshangend haar,
de koning draagt het haar in een wrong op de kruin van
het hoofd; hij heeft gouden oorbellen aan, een zijden kleed
en lederen schoenen. Wanneer men ziek is neemt men geen
geneesmiddelen in, maar men bidt tot de goden en tot
Boeddha.
Nadat dit alles verhaald is, wordt medegedeeld dat de ko-
ning Maradja (Maharadja) in 992 een gezantschap zond met
een aantal geschenken, evenals vele zijner voorgangers hadden
gedaan. Onder die geschenken waren ivoor, paarlen, met
bloemen en goud geborduurde zijde, veelkleurige katoenen
stoffen , sandelhout, schildpad, beteldoozen, korte zwaarden
met gevesten van rhinoceroshoorn of goud, rotanmatten met
-ocr page 75-
58
ingevlochten figuren, witte papegaaien en een tenthuisje,
vervaardigd van sandelhout en met allerlei kostbaarheden
versierd. Java was toenmaals, zooals de gezanten den keizer
van China verhaalden , in oorlog met Palembang.
Meer dan een eeuw later, in 1129, deelde de keizer gunsten
uit aan de zuidelijke gewesten. Hij gaf den vorst van Java
hooge titels; waarschijnlijk was de begiftigde koning Djajabaja,
van wien opschriften uit 1135 en 1136 bekend zijn. Een ka-
rakteristieke Chineesche trek spreekt uit de daaropvolgende
naïeve mededeeling, dat de keizer voor het onderhoud des
vorsten — waarschijnlijk is bedoeld van diens gezanten —
2400 huizen aanwees, die in werkelijkheid 1000 in getal
waren; in 1132 werd deze gift vermeerderd met 500 huizen ,
zijnde in werkelijkheid 200.
Gedurende anderhalve eeuw zwijgen de Chineesche geschied-
boeken over Java. Eerst met de straks te bespreken expeditie
naar het eiland in 1292 nemen zij den draad weer op. Enkele
jaren te voren won Marco Polo zijne berichten omtrent het
eiland in, dat hij niet, als Sumatra, bezocht heeft. Hij noemt
het overvloeiende van rijkdom; het stond onder het bestuur
van een grooten koning en was aan niemand ter wereld
ondergeschikt. Als producten noemt hij zwarte\'peper en cubebe-
peper, nardusbalsem , muskaatnoten en kruidnagelen; onge-
twijfeld was Java toen een belangrijke markt voor de laatst-
genoemde voortbrengselen der Molukken. Het wordt, zegt Polo ,
door een menigte schepen bezocht; de kooplieden koopen en
verkoopen er kostbare goederen, waarmede zij groote voordeelen
behalen; vooral die van zuidelijk China, en met name van
de groote Chineesche haven der Middeleeuwen , de pepermarkt
Zaitoen aan de Foekiën-straat — het tegenwoordige Tsoan-
tsioe — trekken jaarlijks groote inkomsten uit dit land \').
Gaan wij thans over tot de bespreking van het laatste, het
Madjapahitsche tijdperk der Hindoe-periode, dat de veertiende
en bijna de geheele vijftiende eeuw beslaat. Gelijk wij vroeger
») Yule, The book of Ser Marco Polo, Londen 1875, II. 254.
-ocr page 76-
59
zagen \'), wordt de naam dezer stad reeds in een oorkonde
uit de 9e eeuw genoemd, maar is het gevoelen uitgesproken,
dat dit stuk onecht is en Madj&pahit eerst omstreeks 1290
is gesticht. Op welke gronden steunt dat gevoelen? In de op
den Goenoeng Boetak gevonden oorkonde van het jaar 1294 :)
wordt gesproken van zekeren Sanggrama Widjaja, die in
\'t huwelijk trad met de dochter van Krtanagara, vorst van
Toemapel, een rijk dat op andere plaatsen ook Singasari
genoemd wordt en, zooals reeds werd opgemerkt, ter plaatse
van de tegenwoordige residentie Pasoeroean gelegen was. De-
zelfde vorsten nu komen voor in een in de zestiende eeuw
geschreven Javaansch gedicht, naar een der daarin optre-
dende personen Rangga Lawe getiteld, waarvan verschillende
handschriften op Bali zijn gevonden 3).
Daarin wordt verhaald, hoe Krtantlgari of Sjiwaboeddha,
vorst van Toemapel, wordt aangevallen en gedood door Djaja
Katong, vorst van Daha (Kediri). Raden Widjaja, prins van
Toemapel, de schoonzoon der oorkonde, verlaat zijn rijk en
zoekt toevlucht bij Wira Radja van Soemenep op Madoera,
leenman van Toemapel. Deze beide komen overeen, dat Ra-
den Widjaja zijne diensten Djaja Katong zal aanbieden en zal
trachten zijne gunst te verwerven, om aldus gronden tot
ontginning te verkrijgen en zich daarop te vestigen. Wira
Radja zal dan Madoereezen zenden om bij die ontginning
behulpzaam te zijn. Dit plan gelukt en nadat men eerst door
sterfte onder de kolonisten, ten gevolge van het eten van
vergiftige vruchten, tegenspoed heeft ondervonden, wordt
Madjapahit gesticht; „de ontgonnen wildernis nam den vorm
van dorpen aan, bekoorlijk voor het oog en van alle huise-
lijke benoodigdheden voorzien; de architectuur was zeer
\') BI. 47.
3) Brandes in Not. v. h. Bat. Gen. XXIV. 43.
s) Brandes t. a. p. en Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXV. 444. Vreede,
Catalogus van de Javaansche en Madoereesche handschriften der Leidsche
Universiteits-bibliotheek. Leiden 1892, bl. 396.
-ocr page 77-
60
fraai" \'). Raden Widjaja wordt dus hier als de stichter van
Madj&pahit genoemd.
Men heeft een bevestiging van dit verhaal der stichting
van Madj&pahit in het laatst der dertiende eeuw meenen te
vinden in wat Chineesche geschriften, die over den kort daarna
door China op Java gevoerden oorlog handelen, vermelden \').
Evenwel staat in die Chineesche bronnen volstrekt niet aan-
gegeven, dat Raden Widjaja, die zij Toehan Pidjaja noemen ,
Madjapahit stichtte; alleen dat hij zich in den strijd met
Hadji Katang, de Djaja Katong uit de Rangga Lawe, daar-
heen terugtrok 3). Het verhaal der stichting blijft dus nog
tot Javaansche kronieken beperkt. Maar ook wie het voor-
loopig niet aanvaarden, zullen moeten toegeven, dat Widjaja
in elk geval de plaats tot nieuwen luister gebracht heeft,
door het tot den zetel van zijn rijk te maken.
Kort nadat dit geschied was, werd oostelijk Java door de
Chineesche expeditie in vuur en vlam gezet. De aanleiding
tot dezen tocht was de volgende:
Toen de beroemde Mongolen vorst Koeblai Khan in 1280
het Hemelsche Rijk had veroverd, volgde hij de gewoonte
der Chineesche vorsten door aan de omliggende staten kennis
te geven van zijne troonsbestijging. De Javanen, die zooveel
eeuwen in goede verstandhouding met China geweest waren,
mishandelden thans den gezant. Het duurde eenigen tijd eer
Koeblai de gelegenheid gunstig zag om hen hiervoor te straf-
fen. Marco Polo schrijft, dat de Groote Khan geen kans zag
het eiland in bezit te nemen tengevolge van den grooten af-
stand en de groote kosten van een expeditie. Maar niet lang
na het vertrek van den Venetiaan werden deze moeilijkheden
overwonnen. In de geschiedenis der Mongoolsche dynastie en
in de levensbeschrijving der drie bevelvoerende generaals is
de tocht beschreven; wij vatten de voornaamste bijzonder-
\') Vreede in Feestbundel, opgedragen aan Dr. P. J. Veth. Leiden 1894,
bl. 276.
"■) Brandes, Not. v. h. Bat. Gen. XXIV. 45.
") Groeneveldt, Notes on the Malay Arch., bl. 26.
-ocr page 78-
61
heden uit deze vier berichten samen en vervangen daarbij
de Chineesche plaatsnamen door de thans gebruikelijke \').
Toen de keizer Sjih-tsoe (de Chineesche naam van Koeblai)
de barbaren van de vier kwartieren der wereld bevredigde
en gezanten zond naar de verschillende landen over de zee,
was Java het eenige land waarheen hij een leger moest zen-
den. Tot bevelhebbers daarvan benoemde hij Sjih-pi, Ike Mese
en Kau Hsing. De beide eerste waren Mongolen, de laatste
was een Chinees. Eerst liet de keizer Sjih-pi bij zich komen
en zeide tot hem: „Onder mijn officieren zijn er weinig, die
mijn volle vertrouwen bezitten, daarom wensch ik deze Ja-
vaansche zaak toe te vertrouwen aan u". De andere antwoordde:
„Als de keizer gelast, dat zijn dienaar aanvoere, hoe zou deze
bevreesd kunnen zijn voor zijn lijf"?
Toen Sjih-pi en zijn mede-aanvoerders hun laatste audiëntie
hadden, zei de keizer tot hen: „Als gij op Java aankomt,
moet gij duidelijk proclameeren aan het leger en het volk
van dat land, dat de keizerlijke regeering vroeger gemeen-
schap met Java heeft gehad door gezanten van weerszijden
en in goede verstandhouding ermede geweest is, maar dat zij
den laatsten keizerlijken gezant Meng Tsjhi in het gelaat ge-
brandmerkt hebben als een dief en dat gij zijt gekomen om
hen daarvoor te straffen".
Nu kreeg de stadhouder van Foekiën bevel om soldaten te
verzamelen uit zijne provincie en twee aangrenzende, tot een
aantal van twintigduizend, om een bevelhebber van den
Rechter Vleugel en een van den Linker Vleugel aan te wijzen,
benevens vier Bevelhebbers van Tienduizend; en om duizend
schepen uit te rusten met voorraad voor een jaar en met
veertigduizend staven zilver.
In de eerste maand van het jaar 1293 landde men op Bil-
liton, beraadslaagde daar over het plan voor den veldtocht
en zaagde er timmerhout om kleine booten te maken voor
het opvaren der rivieren.
\') Groeneveldt, Notes, bl. 20—34.
-ocr page 79-
62
In de tweede maand gingen Ike Mese en een zijner onder-
bevelhebbers scheep, vergezeld van hunne secretarissen en van
drie officieren van den Vrederaad, die belast waren met de
onderhandelingen met Java en de andere rijken. Java is hier
niet de naam des eilands, maar van het rijk, waarmede China
vooral handel dreef, dat van Toemapel. Zij werden begeleid
door een Bevelhebber van Tienduizend, die vijfhonderd man
aanvoerde in tien schepen. Zij zouden de bevelen van den
keizer overbrengen, dus waarschijnlijk trachten de Javanen
nog langs den weg des vredes tot onderwerping te bewegen.
Intusschen volgde het groote leger naar de Karimon Djawa-
eilanden en vandaar naar Toeban, aan de kust van Rembang,
dat in een later Chineesch bericht, van 1416, genoemd wordt
als een belangrijke handelsplaats, die meer dan duizend huis-
gezinnen telt, waaronder een groote Chineesche kolonie.
Te Toeban ontmoetten Sjih-pi en Kau Hsing Ike Mese
weder. Nu werd besloten — de vredelievende zending was dus
stellig mislukt — het halve leger aan wal te zetten en de
andere helft tegelijkertijd in de schepen te doen opvaren.
Sjih-pi ging over zee naar den mond van de rivier van Se-
dajoe, waarmede de Solo bedoeld moet zijn, en vandaar naar
de Kali Mas of rivier van Soerabaja. Tegelijkertijd leidden
Kau Hsing en Ike Mese de overige troepen, uit ruiterij en
voetvolk bestaande, en marcheerden van Toeban over land;
een van de Bevelhebbers van Tienduizend voerde de voorhoede
aan. Drie hoofdofficieren werden in snelvarende booten van
Sedajoe afgezonden, dat dus in de handen der Chineezen
schijnt gevallen te zijn, met bevel de drijvende brug van
Madjapahit te nemen en zich dan bij het leger te voegen op
zijn weg naar de Kali Mas. -
In dezen tijd had Java (Toemapel) een oude veete tegen
het naburige land Kalang (Daha) en de koning van Java,
Hadji Ka-ta-na-ka-la (Krtanagara) was reeds gedood door den
vorst van Kalang, Hadji Katang genoemd; zoo was dus aan
hem reeds de straf voltrokken, die de Chineezen hem wilden
komen toedienen. De schoonzoon van den eersten, Toehan
-ocr page 80-
63
Pidjaja, had Hadji Katang aangevallen, maar kon hem niet
overwinnen. Hij had zich daarom naar Madjapahit terugge-
trokken en toen hij hoorde, dat Sjih-pi met zijn leger was
aangekomen , zond hij boden naar de officieren van den Vrede-
raad met een beschrijving van de rivieren en zeehavens en
ook een kaart van het vijandelijke Kalang, terwijl hij zijn
onderwerping aanbood en om bijstand verzocht. Zelf kon hij
zijn leger niet verlaten; daarom gingen drie officieren tot
hem en kwamen terug met zijn eersten minister en veertien
anderen, die het leger des keizers verwelkomden.
Op den eersten dag der derde maand werden de troepen
verzameld aan de Kali Mas, die uitloopt in de straat van
Madoera. Dit is de ingangspoort van Java en een punt, dat
de eerste minister van Kalang, Hi-ning-koean, ondanks her-
haalde aanmaning tot overgave, wilde verdedigen.
De bevelhebbers van het keizerlijk leger maakten een kamp
in den vorm van een halve maan en lieten het veer onder
bewaking van een Bevelhebber van Tienduizend. De vloot
in de rivier en het voetvolk en de ruiterij op den oever trok-
ken toen gezamenlijk op, en Hi-ning-koean, dit ziende, vlood
des nachts, waarop meer dan honderd schepen met duivels-
koppen op den steven genomen werden.
Nu werd aan een sterke macht gelast, den mond der Kali
Mas te bewaken en toen rukte de hoofdmacht van het
leger op.
Boden kwamen van Toehan Pidjaja, berichtend dat de ko-
ning van Kalang hem tot Madjapahit vervolgd had en ver-
zoekend om troepen te zijner bescherming. Ike Mese en een van
zijn luitenants snelden naar hem toe en een ander officier
volgde met een troepenmacht naar Tjanggoe, dat in de Rangga
Lawe als de voorhaven van Madjapahit genoemd wordt\').
Kau Hsing rukte intusschen ook in de richting van Madja-
pahit op, maar toen hij hoorde dat \'t niet bekend was of de
soldaten van Kalang veraf of dichtbij waren, ging hij naar
i) Brandes in Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXV, 445 noot.
-ocr page 81-
64
de Kali Mas terug. Ten laatste kreeg hij bericht van Ike
Mese, dat de vijand dien avond zou naderen en order om
weer naar Madjapahit op te rukken.
Op den zevenden dag naderden de soldaten van Kalang van
drie zijden om Toehan Pidjaja aan te vallen en op den achtsten .
vroeg in den morgen, leidde Ike Mese een deel der troepen
voorwaarts om den vijand in \'t zuidwesten aan te tasten,
maar hij ontmoette hem niet; Kau Hsing vocht met den
vijand in \'t zuidoosten en doodde vele honderden, terwijl de
rest naar de bergen vluchtte. Tegen het midden van den dag
naderden de vijanden ook van \'t zuidwesten; Kau Hsing ont-
moette ze weder en tegen den avond waren ze verslagen.
Nu sprak Kau Hsing, die een Chinees was: „ Hoewel Toehan
Pidjaja onderworpen is, zal, als hij eens berouw krijgt van
zijn besluit en zich met Kalang vereenigt, ons leger in een
zeer moeilijke positie zijn en wij weten niet, wat zou kunnen
gebeuren". Hij ried dus Kalang geheel ten onder te brengen.
Op den vijftienden werd het leger gesplitst in drie afdeelin-
gen om Kalang aan te vallen; er werd afgesproken, dat zij el-
kaar den negentienden ontmoeten zouden bij Daha (Daha),
de hoofdstad van Kalang. Een deel vau de troepen volgde de
rivier, de Brantas, opwaarts, Ike Mese trok langs den ooste-
lijken weg en Kau Hsing nam den westelijken, terwijl Toehan
Pidjaja met zijn leger de achterhoede aanvoerde. Den negen-
tienden kwamen zij bij het versterkte Daha aan, waar de
vorst van Kalang zich verdedigde met meer dan honderd-
duizend soldaten. De slag duurde van \'s morgens zes tot \'s mid-
dags twee uren en driemaal werd de aanval hernieuwd. Toen
was de vijand verslagen en vluchtte. Verscheidene duizenden
stortten zich in de rivier en verdronken; meex dan vijfdui-
zend werden neergesabeld. De koning nam de wijk in de bin-
nenstad, de Kraton; onmiddellijk werd deze omsingeld en de
koning gemaand zich over te geven; des avonds kwam de
koning uit de kraton, de bevelen des keizers werden aan
hem overgebracht en hij werd gelast zich terug te trekken.
Zijn vrouw, zijne kinderen en officieren werden door de over-
-ocr page 82-
96
winnaars medegenomen, die daarna aftrokken. Verscheidene
kleinere staten werden eveneens tot onderwerping gebracht.
Een zoon van Hadji Katang vluchtte naar de bergen, maar
Kau Hsing ging hem met een duizend man achterna en
bracht hem gevangen terug.
Deze korte uitstap van den Chineeschen bevelhebber was
voor de expeditie noodlottig; de beide Mongolen lieten zich
vangen door Javaansche geslepenheid. Uit het slot van het
verhaal der overgaaf van Daha mag worden afgeleid, dat de
overwinning der Chineezen duur genoeg gekocht was om hen
te bewegen tot het openen van onderhandelingen en daarna
tot den terugtocht. Dit schijnt Toehan Pidjaja tot verraad te
hebben aangespoord. Hij vroeg aan Sjih-pi en Ike Mese ver-
lof naar zijn land terug te keeren, ten einde een nieuwen
brief van onderwerping aan den Keizer gereed te maken en
kostbare voorwerpen te verzamelen om die Koeblai ten ge-
schenke te geven. Zij stemden daarin toe en gaven hem twee
officieren mee met tweehonderd man. Maar onderweg ver-
moordde Toehan Pidjaja de beide officieren, en van de om-
standigheid dat het leger terugtrok gebruikmakend, viel hij
het van twee kanten aan. Sjih-pi was in de achterhoede en
werd van het overig leger afgesneden. Al vechtende moest
hij vele mijlen ver zich een weg banen voor hij de schepen
bereikte; toen hem dit gelukt was, had hij meer dan drie-
duizend man verloren.
Kau Hsing was reeds teruggekeerd voor het verraad van
den Javaan bekend werd en keurde dadelijk het goed ver-
trouwen zijner medebevelhebbers af. Hij slaagde er in met
de anderen Toehan Pidjaja terug te werpen. In weerwraak
werden Hadji Katang en zijn zoon gedood, wat aan Toehan
Pidjaja niet onaangenaam geweest zal zijn. De drie generaals
waren nu oneenig over de vraag of zij den oorlog zouden
voortzetten. Dit geschiedde niet. Met de gevangenen en de
gezanten der kleinere staten en een grooten oorlogsbuit zetten
zij naar China koers. Sjih-pi en Ike Mese werden beide door
den keizer gestraft met het verlies van een derde van hun
I.                                                                                                          5
-ocr page 83-
66
eigendom; de eerste, die zooveel manschappen verloren had,
bovendien met zeventien zweepslagen; later werden beide
echter in hun eer hersteld. Kau Hsing werd beloond met
een groote som in goud.
Zoo was dus de vorst van Madjapahit door vreemde hulp
van zijn vijand van Daha verlost. Het gelukte hem zijn gezag
over de geheele oosthelft des eilands uit te breiden; in de
oorkonde van 1294 wordt hij de heer van geheel Java ge-
noemd en verhaald, dat hij vijf koningen onderworpen heeft.
De opperheerschappij van Madjapahit, van welken staat de
overlevering een reeks vorsten met den naam Bra Widjaja
kent, was door Sanggrama Widjaja gegrondvest.
Zooals te verwachten was, zijn de betrekkingen tusschen
China en Java na den oorlog geruimen tijd gestaakt. Althans
eerst de geschiedenis der Ming-dynastie, die in 1368 op de
Mongoolsche volgde, maakt weer van wederzijdsche gezant-
schappen melding en ook van de aanwezigheid van tal van
welvarende Chineesche koloniën op Java. In het laatst der
veertiende eeuw wordt voor het eerst vermeld, dat op Java
een westelijke en een oostelijke koning regeeren; wellicht
hebben toen de betrekkingen der Chineezen met de Soenda-
landen een aanvang genomen. Naar het schijnt was de titel
van den westelijken koning Toemapan. Misschien mag men
daarin den naam van het rijk Toemapel herkennen, waarvan
de vorsten van Padjajaran volgens de overlevering afkomstig
waren \'). In 1406 brak tusschen West- en Oost-Java een
oorlog uit, waarin het laatste het onderspit delfde.
Terwijl de Chineesche berichten ons voor de eerste helft
der veertiende eeuw geheel in den steek laten, zijn uit dien
tijd enkele Javaansche oorkonden bewaard gebleven, waarvan
echter de volledige vertaling nog gegeven moet worden. Twee
daarvan dragen de jaartallen 1236 en 1245 van Sjaka, d. i.
1314 en 1323 n. C. Ze zijn gevonden in oostelijk Java; de
eerste is in koper, de laatste in steen. Het zijn beide schen-
\') Qroeneveldt, Notes, 36.
-ocr page 84-
07
kingsbrieven, uitgevaardigd door koning Sjri Soendarapandja.
Een derde inscriptie, op steen, waarvan helaas slechts een
deel is bewaard gebleven, is een prasjasti uitgevaardigd door
hare majesteit Djajawisnoewarddhani, alleenheerscheres over
Java, Bali en andere eilanden, aangenomen dochter van
Krtarajasa Djajawarddhana. Deze laatste naam is de officiëele
waaronder Sanggrama Widjaja, de eerste Bra Widjaja van
Madjapahit als koning is gezalfd geworden. Waarschijnlijk
had hij geen kinderen en nam hij daarom een kleindochter van
zijn schoonvader als opvolgster aan. Immers de vorstin wordt
ook de kleindochter van Wisnoewarddhana genoemd, die
dezelfde persoon is als Krtanagara, koning van Toemapel.
Uit het weinige, wat uit deze oorkonde door Brandes is me-
degedeeld \'), blijkt, dat zoowel de koninginne-moeder, de
vrouw van Sanggrama Widjaja, als waarschijnlijk ook de heer-
schende vorstin het Boeddhistisch geloof aanhingen. Van een
vorstin over Java, wellicht dezelfde, wordt ook gesproken
op het beeld van de Boeddhistische godheid Mandjoesjri,
dat het jaartal 1265 Sjaka (1343 n. O.) draagt en waarop
verder staat, dat de „verwonderlijk schoone" tempel, waarin
het geplaatst was en het beeld zelve zijn vervaardigd o\'p
last van een vasal der Javaansche vorstin. De naam van
dezen vasal, Aditja Warman, komt ook voor in de gelijk-
tijdige Boeddhistische inscripties van Pagar Roejoeng in Tanah
Datar op Sumatra. Hij zal dus voor de vorstin, wier bloed-
verwant hij was, een aan haar onderworpen deel van Sumatra
hebben beheerscht en ter eere van den Boeddhistischen gods-
dienst, waarvoor hij bijzonder ijverde, een tempel hebben
gebouwd in zijn geboorteland Java *). Verbeek gist dat deze
tempel die van Panataran is, het grootste en een der fraaiste
monumenten van Oost-Java 3); Brandes houdt echter Panataran
voor niet-Boeddhistisch \').
\')  Cat. d. arch. verz., 386.
\')  Kern in Notulen Bat. Gen. XVIII. 106.
3)   Verbeek, Lijst van oudheden, 273.
4)   Schriftelijke mededeeling.
-ocr page 85-
es
Een bijzonder merkwaardige oorkonde is ook die, welke
in de verzameling van Cohen Stuart als de vierde is genom-
merd en naar de meening van Kern uit drie afzonderlijke
en volledige piagems bestaat, die de jaartallen 1316, 1317
en 1318 (1394, 1395 en 1396 n. C.) dragen. Zij zijn geschre-
ven op twee platen, waarvan de ééne den naam Madjapahit
duidelijk te lezen geeft, en die, gelijk bij het groot verschil
in dagteekening te verwachten was, maar eigenlijk in veel
mindere mate dan men verwachten zou, in het schrift eenigs-
zins van de vroegere verschillen en in de taal meer naderen
tot het hedendaagsch Javaansche. Zij die mochten meenen
dat de heerediensten en requisitiën op Java van nieuweren
oorsprong zijn, kunnen zich hier, evenals in de reeds ge-
noemde West-Javaansche oorkonden, van het tegendeel over-
tuigen. De zin is genoegzaam duidelijk om in deze oorkonden
te lezen, dat zeker land of zekere dessa, Sela Mandi geheeten ,
van heerediensten (radja-Karja) en andere lasten wordt vrij-
gesteld. Bepaaldelijk vindt men gewag gemaakt van het on-
derhoud der wegen, van verplichte leveringen, van het onthalen
van vreemde gasten, en waarschijnlijk ook van het leveren
van baksteenen.
Uit de vijftiende eeuw zijn de opschriften schaarsch; er
worden echter ook in Midden-Java, dat sedert de tiende eeuw
nagenoeg niet van zich heeft doen spreken, uit de vijftiende
eenige aangetroffen. In de residentie Semarang zijn een drietal
steenen gevonden, waarvan twee, afkomstig van Tadjoek in
het district Salatiga, niet veel meer dan een jaartal bevatten;
op den eenen steen is dit gelijk aan 1438 n. C., op den
anderen waarschijnlijk 1441. De derde steen werd niet ver
vandaar te voorschijn gebracht, namelijk nabij de dessa Ado-
man, hoog tegen de oostelijke helling van den Merbaboe.
Het opschrift is door Cohen Stuart en Kern beschreven \').
Het vertoont het jaartal 1371 (1449 n. C.) en bevat voor-
l) Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. 3e Vr. VII. 275; zie ook Kawi-oorkonden.
Inleiding en transscriptie XIV en 36.
-ocr page 86-
69
schriften die met den dienst van Sjiwa in verband staan,
welke godheid door haar gewoon symbool, den lingga of
phallus, op den steen is voorgesteld. Kern gist dat men te
denken heeft aan eene afkondiging van voorschriften voor
de bezoekers eener heilige badplaats. Taal en spelling wijzen
op een overgang van het Kawi tot het nieuw-Javaansch.
Een tweede groep van Midden-Javaansche opschriften uit
de laatste eeuw van den Hindoe-tijd wordt gevonden in Soe-
rakarta, aan de helling van den Lawoe, bij de oudheden
van Soekoeh en Tjëta. Tot dusver is het nog alleen gelukt
van die inscriptiën de jaartallen te lezen; deze liggen tus-
schen 1416 en 1456 n. C. Het schrift, waarvoor Brandes
den naam Soekoeh-schrift heeft voorgeslagen, is nog niet
ontcijferd. In de nabuurschap, te Sineh, aan de noordooste-
lijke helling van den berg, in de residentie Madioen, is een
steen uit denzelfden tijd (1459 n. C.) gevonden, die hetzelfde
schrift vertoont; een andere, uit 1385 n. C. werd in Soera-
baja aangetroffen. Overgangen tot het Soekoeh-schrift, die
nog evenmin ontcijferd zijn, vindt men op steenen uit Pa-
soeroean en Kediri. Het schrift was dus niet tot Midden-Java
beperktl). Van al deze stukken bevatten de meeste slechts
enkele regels; zij dragen dan ook stellig niet het karakter
van schenkingsoorkonden.
De Chineesche berichten uit de vijftiende eeuw vermelden
meer van westelijk Java dan de oudere; zij noemen Pekalon-
gan, Bantam, de Soenda-landen; maar toch blijft ook nu het
oosten — Java in engeren zin — het gewichtigste deel. Er wor-
den vier steden genoemd, alle zonder muren: Toeban, Grissee,
Soerabaja en Madjapahit, waar de koning woont. Diens kra-
ton heeft een goed onderhouden baksteenen muur van meer
dan dertig voet hoogte en meer dan honderd voet lengte,
met een dubbele poort. De huizen daarbinnen staan hoog
uit den grond. Ieder draagt een kris, zoowel het kind van
drie jaar als de afgeleefde grijsaard; ze zijn van het beste
\') Brandes in Cat. d. arch. verz. 115, 355.
-ocr page 87-
70
staal gemaakt en met witte bloemen ingelegd. Evenals in
Toeban wonen in Grissee en Soerabaja vele rijke Chineezen.
De lagere volksklassen schijnen op deze Chineezen een zeer
ongunstigen indruk gemaakt te hebben; zij noemen ze vuil
en terugstootend, evenals hun voedsel, dat uit slakken, wor-
men, mieren en andere insecten bestaat. Ook heet het volk
wreed en oploopend, steeds met de kris gereed. In strijd met
vroegere berichten — waarvan deze trouwens, gelijk te ver-
wachten valt, in meer bijzonderheden afwijken — wordt
gezegd, dat ook op geringe vergrijpen de dood door de kris
volgt.
Er zijn tot dusver geen oorkonden ontcijferd, waarvan de
inhoud over den val van het rijk van Madjahapit, die in
een later hoofdstuk zal behandeld worden, eenig licht ver-
spreidt. De namen Madjapahit en Wilwatikta — onder de
laatste benaming wordt de residentie meermalen genoemd —
komen nog voor in oorkonden op steen, dagteekenend uit
1486 n. C, dus acht jaren later dan het jaar waarin de
overlevering de val van Madjapahit stelt. Toch zijn geen
sporen van Mohammedanisme in deze stukken gevonden.
Het zijn een drietal vrijbrieven, twee kortere en een langere,
alle drie ontdekt in de Brantas-delta \'). Een der eerste werd
gevonden in het gehucht Doekoehan Doekoe (district Dja-
boeng, afdeeling Madjakërta); de lezing is niet geheel zeker,
maar stellig handelt het stuk over de koninklijke bevestiging
eener schenking van twee vroegere vorsten, die aan zekeren
Sjri Brahmaradja de dessa Pëtak hadden geschonken. De regee-
rende vorst draagt de namen Girindrawarddhana en Ranawi-
djaja; waarbij moet worden opgemerkt, dat de namen der vorsten
van Madjapahit meestal met Widjaja zijn samengesteld. De
tweede, korte inscriptie, afkomstig uit Madjadjedjer (district
Madjasari kidoel, afdeeling Madjakërta), noemt een gift in grond,
geschonken aan denzelfden persoon door denzelfden vorst, die
hier Maharadja, vorst van Wilwatikta, Daha, Djanggala en
\') Brandes in Not. v. h. Bat. Gen. XXVI, bl. XIV.
-ocr page 88-
71
Kediri genoemd wordt. Dicht daarbij, in het dorp Djijoe, werd de
langere oorkonde gevonden, waarschijnlijk uit hetzelfde jaar;
een nog niet gelezen steen van die plaats is ook uit 1486 \').
De andere vermeldt denzelfden begiftigde, Sjri Brahmaradja
en denzelfden vorst, maar bovendien nog een anderen, die
ook tot het geslacht Girindrawarddhana behoort en de eigen-
namen Singawarddhana en Widjajakoesoema draagt. Hij wordt
genoemd vorst van Kling (Keling), dat door Verbeek in het
noorden van Kediri gezocht wordt, waar nog een rivier en
een dessa van denzelfden naam worden gevonden \'■). Brandes
onderstelt dat beide vorsten broeders waren.
Wij hebben hiermede de laatste oorkonden, die van het
groote Hindoe-rijk van Madjapahit bewaard zijn gebleven,
besproken. Op welke wijze dit rijk moest bukken voor den
Islam zal in een later hoofdstuk worden uiteengezet.
DERDE HOOFDSTUK.
De Godsdienst der Hindoe-Javanen.
Bij de beschouwing der opschriften uit den Hindoe-tijd
hebben wij de sporen van verschillende na of naast elkander
heerschende godsdienst-stelsels gevonden. Zou het ook mogelijk
zijn zich van die stelsels zelve eenig juister denkbeeld te
vormen, de orde na te gaan waarin zij na elkander zijn op-
getreden , en langs dien weg eene nieuwe bijdrage te vinden
voor het bepalen van den ouderdom der gedenkteekenen die
van die stelsels getuigen?
Het is duidelijk genoeg, en uit het voorafgaande ook vol-
doende gebleken, dat Java niet in korten tijd door de Hindoes
is overheerd, maar dat de stroom der volksverhuizing, na
eenmaal den weg naar Java te hebben ingeslagen, zich met
\') Verbeek, Lijst van oudheden, 246.
") Not. v. h. Bat. Gen. XXVII. 10.
-ocr page 89-
72
langere of kortere tusschenpoozen gedurende eene reeks van
eeuwen in dezelfde richting heeft bewogen; en men heeft
zelfs eenig recht om den gedurigen toevloed van Wong Kë-
ling \') of bewoners van de kust van Koromandel naar Java
en andere eilanden van den Archipel, die nog zoo sterk was
in den tijd der O. Indische Compagnie, voor eene gewijzigde
voortzetting van hetzelfde verschijnsel te houden. Volgens
verschillende Javaansche overleveringen kwamen reeds de
oudste Hindoe-kolonisten uit Këling, en wij weten van elders
dat daar van oudsher, reeds lang vóór deze kolonisatie van
Java, een zetel van handel en scheepvaart was "). De west-
moeson moest de Hindoesche zeevaarders als vanzelf naar
de Indische eilanden voeren, zoodat de natuur zelve den
stroom der volksverhuizing in die richting voortstuwde. Ook
de Wong Këling van later tijd kwamen gewoonlijk met den
westmoeson naar Insulinde, en ofschoon de meesten met den
oostmoeson terugkeerden na hunne handelszaken verricht te
hebben, bleven er toch ook niet weinigen gevestigd, die door
verbintenissen met inlandsche vrouwen de stamvaders der
nog aanwezige Klingaleesche koloniën op de Indische eilanden
geworden zijn. Gelijk nu die Klingaleezen, zelven Mohamme-
danen, tot de verbreiding van den Islam onder de bevolking
van Insulinde hebben bijgedragen, zoo hebben ook de oude
Hindoe-kolonisten de verschillende vroeger in Hindostan heer-
schende godsdienststelsels of godsdienstvormen derwaarts over-
gebracht. Het is dus duidelijk dat, zoo wij de geschiedenis
\') Wong (Mal. orang) beteekent menschen, Këling is de Jav. en Mal.
vorm voor Kalinga, den ouden naam van een deel der kust van Koromandel.
De Europeanen noemen die Orang Këling veelal Klinganeezen of Klingalee-
zen, soms ook Mooren.
*) Lassen, Ind. Alterthumsk. 2e dr. I. 204, noot 3. Voor \'t overige belet de in-
scheping van Kalinga geenszins dat de emigranten, die zich oudtijds naar Java
begaven, hoofdzakelijk uit meer noordelijke gewesten afkomstig waren. Wij
weten niets omtrent de eigenlijke aanleiding tot die volksverhuizing, maar
onder welk deel ook der bevolking van Hindostan de zucht tot verhuizing
naar de Indische eilanden mocht ontwaken, het laat zich begrijpen dat de reizigers
zich in de van ouds bekende havens van Kalinga tot den tocht inscheepten.
-ocr page 90-
73
van de ontwikkeling der godsdienstvormen in Hindostan met
voldoende zekerheid kenden, zij ons, in verband met de op
Java aanwezige monumenten, een leiddraad zou in handen
geven om de tijdsorde waarin de verschillende groepen van
Hindoe-kolonisten naar Java kwamen en invloed op den
toestand van dat eiland begonnen te oefenen, met meerdere
juistheid aan te wijzen.
Ongelukkigerwijze bezitten wij vrij wat beter middelen om
met de leerstellingen, dan om met de geschiedenis der Indi-
sche godsdienst-stelsels vertrouwd te worden, zooals trouwens
niemand bevreemden kan die weet, hoezeer bij de Indische
volken het speculatieve en mystische element op den voor-
grond treedt, en hoe onverschillig zij zijn omtrent de histo-
rische werkelijkheid. En zoo zal het ons dan ook onmogelijk
blijken, zelfs met dit hulpmiddel een zekeren grondslag voor
de geschiedenis der verhuizingen naar Java te vinden. Indien
wij ons echter willen tevreden stellen met de gelegenheid om
hier en daar in het volksleven en de toestanden van het
oude Java een wat dieperen blik te werpen, dan kan de
beschouwing van den godsdienst der Hindoe-Javanen onge-
twijfeld daartoe bijdragen. De poging om een schets daarvan
te leveren, mag te minder in dit werk ontbreken, naarmate
de ontwikkeling der Javaansche maatschappij te meer door
de godsdienstvormen is beheerscht.
De oude godsdienst der Arische Indiërs, waarvan wij thans
in de hymnen der Weda\'s nog de zuiverste uitdrukking
vinden, was zuivere natuurdienst, vereering der natuurkrach-
ten, verpersoonlijkt in Indra, den hemelgeest, den bliksem-
drager en donderaar, die gebiedt over zonneschijn en regen
en de geesten der winden beheerscht; in Soerja, den zonne-
god; in Agni, den god des vuurs; in Waroena (Oeranos),
den god der oneindige ruimte. Doch reeds in die oude ge-
dichten smolten de attributen der verschillende goden ineen
en openbaarde zich een zekere neiging om, te midden van
de verscheidenheid der godengestalten, de godheid op te vat-
ten als wezenlijk één. Hieruit ontwikkelde zich bij de pries-
-ocr page 91-
74
ters de leer van Brahma, het heilige of den heiligen geest
die het heelal doordringt, de wereldziel en bron van al het
bestaande, den allerhoogste, tegenover wien Indra en de
overige natuurgoden de ondergeschikte plaats van wereld-
hoeders innemen. In Brahma vond men de eenheid en het
uitgangspunt der drie vormen waarin zich het leven der
natuur openbaart: ontstaan, bestaan en vergaan. Doch deze
voorstellingen kwamen eerst allengs tot rijpheid, nadat de
Ariërs, misschien omstreeks het jaar 1300 v. C., het land
aan den Ganges aan zich onderworpen, en zich daar, te
midden der weligste natuur, aan een rustig, denkend, in
zich zelf gekeerd leven overgegeven hadden. Het is evenwel
niet denkbaar, dat allen in gelijke mate aan die neiging
zouden hebben toegegeven. Terwijl een krijgshaftige adel de
oorlogs- en regeeringszaken behartigde, en het meerendeel
der overige bevolking zich aan landbouw, handel en nijver-
heid overgaf, wijdde een ander gedeelte zich, in het belang
van allen, aan de zorg voor die velerlei godsdienstige han-
delingen en plechtigheden, welke de religieuze zin des volks in
krijg en vrede noodzakelijk achtte. Overtuigd dat zij hun
leven aan het hoogste doel gewijd hadden en door de gewijde
plechtigheden den wil der goden konden buigen, leefden deze
in het trotsche besef dat zij den hemel nader stonden, en het
volk, dat hunne hulp niet kon ontberen en hunne voorrech-
ten besefte, kwam aan hun geestelijken trots tegemoet door
de erkenning hunner meerderheid. Zoo ontstonden de drie
kasten der Brahmanen, der Ksjatrija\'s en der Waisja\'s, in het
algemeen vrij wel beantwoordend aan de drie standen die
men in het Hoogduitsch, met eene niet onaardige alliteratie,
den Lehrstand, Wehrstand en Nahrstand heeft genoemd, en
waarvan men zeide dat de Brahmanen uit Brahma\'s mond,
de Ksjatrija\'s uit zijne armen, de Waisja\'s uit zijne voeten
gesproten waren. De oorspronkelijke bevolking van het ver-
overde land werd door de overwinnaars van welken stand
ook met diepe verachting beschouwd. Men achtte het beneden
zich met haar te verkeeren of zich te vermaagschappen, men
-ocr page 92-
75
sloot haar uit van de godsdienstige gemeenschap, men liet
haar op de veroverde en onder de overwinnaars verdeelde
landen de diensten van arbeiders verrichten en behandelde
hen als slaven. Zij vormden de vierde en laagste kaste, die
men, met een woord dat misschien oorspronkelijk hun volks-
naam was, Sjoedra\'s noemde. Ofschoon te allen tijde de leer
der kasten in theorie veel scherper en strenger ontwikkeld
was, dan zij zich in het volksleven vertoonde, hebben toch
de Hindoes het kastenstelsel bij hunne verhuizing naar Java
derwaarts overgebracht. De massa der inheemsche bevolking,
die zij allengs aan hun gezag onderwierpen, vereenzelvigden
zij met de Sjoedra\'s, maar ook het verschil tusschen de drie
bevoorrechte standen onderling werd lang in acht genomen \')
en zelfs naar Bali overgebracht, waar het nog heden erkend
wordt. De Islam, die tegenover God geen onderscheid kent
tusschen menschen en menschen, en waarmede althans de
voorrechten der Brahmanen onvereenigbaar waren, heeft ech-
ter tot heden in het algemeen slechts weinig den afstand
verminderd die de afstammelingen van de overheerschers en
de overheerschten, den adel en den kleinen man, van elkan-
der scheidt.
Terwijl de Brahmanen zich meer en meer van de natuur
afwendden om zich in abstractiën te verdiepen, werden zij
daarin door de volksmassa niet gevolgd. Deze hield zich aan
de goden van Indra\'s hemel, waarvan sommigen in verschil-
lende deelen des lands de voorwerpen werden van bijzondere
vereering. Boedra, de geest van den stormwind, die volgens
de oude mythen Indra in den strijd tegen de daemonen ge-
steund had, erlangde allengs den hoogsten rang onder de
goden in die deelen des lands waarin de vruchtbaarheid niet
door de buiten hare oevers tredende rivieren, maar door
verkwikkende regenvlagen onderhouden wordt. De geest des
storms, die de wolken aanvoert en onder ratelende donder-
slagen vaneen scheurt, zoodat de nederstroomende wateren
\') Zie bl. 41.
-ocr page 93-
76
nieuw leven schenken aan den verschroeiden akker, verte-
gen woordigde voor hen den wasdom, Sjiwa, en nam onder
dien naam, als de machtigste der goden, ten laatste de plaats
in die oorspronkelijk aan Indra toekwam. In de voorstelling
die men zich van hem vormde, trad deels zijne onweder-
staanbare macht op den voorgrond, deels zijn dubbel vermo-
gen om leven te geven en te verdelgen, waarom hij ook als
het vuur wordt voorgesteld. Eene geheel andere gestalte
werd in het Gangesdal als de helper en weldoener der men-
schen aan het hoofd der goden geplaatst. Wisjnoe, in de
oude mythen een der weldadige geesten van licht en lucht,
werd hier opgevat als de god van de zon en van den blauwen
hemel, de bloeiende natuur, het vruchtbaarmakende water.
Meer en meer verdeelden Sjiwa en Wisjnoe onder elkander
de voorname hulde der Hindoe\'s, waarvan de minderheid
Waisjnawa\'s of vereerders van Wisjnoe, de groote meerder-
heid Sjaiwa\'s of aanbidders van Sjiwa zijn. De Brahmanen
namen beide volksgoden in hun stelsel op. Aan Wisjnoe
schreven zij de onderhouding toe der door Brahma geschapen
wereld, terwijl Sjiwa door hen voornamelijk als de verdelger
werd opgevat. Deze leer voltooide zich in het betrekkelijk
nieuwe dogma der Trimoêrti of Indische drieëenheid, waarin
Brahma de schepper, Wisjnoe de onderhouder en Sjiwa de
verdelger te zamen gedacht worden als de drieërlei openba-
ring van het ééne en ondeelbare goddelijke wezen, de eerste
oorzaak, het door zichzelf bestaande Brahma, dat, als het
onzijdige of geslachtlooze aanvangspunt aller emanatie, boven
alle kennis en vereering der menschen verheven is. De drie
uit dit ééne ondeelbare wezen ontsprongen goden worden als
mannelijk gedacht, maar men stelt aan ieder hunner een
sjakti of gemalin ter zijde. De Trimoêrti wordt voorgesteld
als drie hoofden, rijzende uit één lichaam, waarbij het hoofd
van Brahma, van voren gezien, de middelste plaats inneemt,
terwijl de andere zich aan weerszijden in profiel vertoonen.
Doch deze poging tot gelijkstelling en vereenzelviging der
drie hoofdgoden heeft bij de Hindoes weinig bijval gevonden,
-ocr page 94-
77
en bij allo twisten over de godheid aan wie de eerste rang
en de voornaamste hulde behoort, komt Brahma doorgaans
zeer weinig in aanmerking.
Dit schijnen zoo ongeveer de hoofdtrekken te zijn van de
ontwikkeling der zoogenaamde Brahmaansche godsdienstleer,
die wij thans willen trachten in hare overplanting naar Java
te volgen, omdat zij ook daar stellig eer is gebracht dan het
Boeddhisme.
Bij de beschrijving der oude geschiedenis van Java hebben
wij gezien , dat de oudste emigranten uit Hindostan naar Java ,
waarvan tot dusver sporen gevonden zijn, Wisjnoeïeten waren.
Eigenaardig is dat Javaansche overleveringen verhalen, dat
het eiland reeds voor de komst der Hindoes onder bescherming
van Batara Wisnoe stond1). Evenals de oudste, wijzen ook
een aantal der jongste overblijfselen uit den Hindoe-tijd op
den dienst van deze godheid. Het zijn de tempels van Soe-
koeh en Tjëta aan de Soerakartasche helling van den Lawoe \').
Elders op het eiland zijn zoowel beelden gevonden van Wisjnoe
en van diens schoone gemalin, de uit de zee geboren over-
vloedschenkster Laksjini of Sjri als van Brahma en van de
Trimoêrti. Maar uit de tempels en uit het veel grooter aantal
der Sjiwa-beelden blijkt toch, dat van de oude eerediensten
der Hindoe\'s het Sjiwaïsme de voornaamste plaats op het
eiland innam; bij die sekte was echter de vereering der andere
goden niet buitengesloten.
Eene beschouwing der op Java gevonden godenbeelden zal
ons het best met het wezen van het aldaar geheerscht hebbend
Sjiwaïsme bekend maken.
Een groot aantal beelden is in de archaeologische verza-
meling van het Bataviaasch Genootschap bijeengebracht. De
daarvan in 1887 verschenen, reeds meermalen genoemde ca-
talogus geeft uitstekende beschrijvingen van de hand van
\') Raffles II. 78. Batürü = de Heer; "Wisnoe is de Javaansche schrijf-
wijze voor Wisjnoe.
5) Grroeneveldt, Cat. d. arch. verz., 116.
-ocr page 95-
78
W. P. Groeneveldt. Ook het museum van oudheden te Leiden
bezit een belangrijke verzameling \').
De beelden zijn vervaardigd van steen en van metaal. De
eerste zijn bijna alle van andesiet, slechts zeer enkele van ge-
bakken steen. Van de metalen beelden zijn de meeste van
brons, eenige van ijzer, zilver en goud. De steenen beelden
dezer musea zijn meerendeels minder dan een meter, soms
slechts weinige decimeters hoog, maar in de tempels komen
veel grootere voor; die van metaal wisselen in hoogte van
enkele centimeters tot enkele decimeters.
Tot de algemeene kenteekenen van de steenen beelden zou
men de volgende kunnen rekenen. Het voetstuk waarop zij
zitten of staan is meestal een lotuskussen, ook wel een vlakke
plaat en gewoonlijk verrijst achter het beeld een ruggestuk,
afwisselend van gedaante en doorgaans met het beeld en
\'t voetstuk één geheel vormende; in verband hiermede door-
loopt de vorm der beelden eene reeks waarvan het basrelief
en de geheel vrije figuur de uitersten zijn; ter hoogte van het
hoofd is vaak een verheven glorie of stralenkrans gebeiteld.
Bij zittende beelden zijn de beenen vóór het lichaam overel-
kander geslagen, met de voetzolen naar boven gekeerd, het
rechterbeen meestal over \'t linker; soms hangt een der beenen
of hangen beide naar beneden. Gewoonlijk hebben de beelden
twee bovenarmen; het getal der onderarmen, die aan den el-
boog ontspringen en zich in verschillende richtingen uitstrek -
ken, is afwisselend, maar bedraagt alleen bij de godin Doerga
meer dan vier. Mannelijke en vrouwelijke beelden vertoonen
bijna geen verschil in bekleeding en versiering; een diadeem
omspant het voorhoofd, het haar is hoog opgemaakt en van
versierselen zoo overvloedig voorzien, dat haar en haartooi van
elkander niet te onderscheiden zijn. De ooren dragen hangers
en om den hals hangt een keten. De oepawita, het heilige
snoer der Brahmanen, is een hoofdzakelijk bij de mannelijke
\') Zie de beknopte Beschrijving van de Indische Oudheden van het Rijks-
Museum van Oudheden te Leidon, 1885.
-ocr page 96-
79
godenbeelden vóórkomende band , die van den linkerschouder,
over de borst, langs de rechterzijde naar den rug loopt; bij
meerdere vrouwelijke beelden dalen analoge koorden van beide
schouders, samenkomend tusschen de borsten om onder de
armen naar achteren te verdwijnen. Behalve door dit vrouwen-
snoer worden de meeste beelden van Wisjnoe\'ssjakti, Laksjmi
of Sjri gekenmerkt door een lotusbloem in een der handen of
naast het beeld, maar daar ook andere godinnen soms dit
attribuut voeren, is Laksjmi niet altijd met juistheid te onder-
scheiden. Men meent eene voorstelling van haar te zien in
een beeld dat door weinig andere, ook van het vasteland van
Indië, in fraaiheid wordt overtroffen en dat een sieraad van
het Leidsch museum uitmaakt. Het is een en een kwart meter
hoog en dus een der grootste der verzameling. Zoowel het beeld
als de kleeding en de versierselen van den lotustroon en de
rugplaat zijn met veel uitvoerigheid, kunst en smaak gebei-
teld\'). Nog een band dragen de beelden onder de borst, terwijl
een lendedoek en buikband ter bevestiging van den rok of sarong
dienen, die tot op de voeten afhangt. Zoowel de bovenarmen
en de polsen als de enkels zijn met ringen en banden getooid.
De afwijkingen tusschen de steenen en de metalen beelden
ontspruiten voornamelijk uit het verschillend gebruik dat er
van gemaakt werd, van deze bij den huisgodsdienst, van gene
bij den tempeldienst. De metalen beeldjes staan meestal op een
vierkant onderstuk met uitspringend boven- en ondervlak en
inspringende zijvlakken; somtijds ligt op dit voetstuk een
lotuskussen en het geheel is vaak niet uit één stuk vervaardigd.
Het ruggestuk is in den regel geheel vrij van het beeld, in
de meeste gevallen met het voetstuk verbonden; doorgaans
is het ovaal, rond of alleen naar boven ogiefvormig toeloo-
pend en zoo groot dat het ook boven \'t hoofd uitsteekt en
een om het geheele lichaam loopenden stralenkrans voorstelt.
De beelden van de Trimoêrti bezitten drie, die van Brahma
vier hoofden. Beide hebben meestal vier onderarmen en in de
») Beschr. v. d. Ind. Oudh., 7.
-ocr page 97-
80
handen als attributen het koralen bidsnoer (Snskrt. aksjamala),
de vliegenwaaier (Snskrt. tjamara), bestaande uit een haarbos
van den Tibetaanschen jak aan een korten steel en de buikige
waterkruik (Snskrt. koendi; Jav. gëndi). Niet bij elk beeld is
dit stel attributen volledig aanwezig geweest, evenmin als
bij de overige goden. De vierde hand draagt bij Brahma
soms een van boven ge vorkten staf.
Naast Brahma is soms zijn drager (Snskrt. wahana), de gans
(Snskrt. hansa) afgebeeld; bij een paar beelden heeft deze
drager een menschelijke gedaante, alleen gekenmerkt door den
kop van een gans of een zwaan1), op het hoofd uitgebeiteld,
en is de godheid op zijne schouders gezeten.
Wisjnoe heeft evenals de andere goden nooit meer dan een
hoofd, maar dikwijls vier handen. Zijne meest voorkomende
attributen zijn de sjangkha of als krijgstrompet gebruikte
schelp en de tjakra, een werpschijf of radpijl, het bestendige
wapen dezer godheid, dat alles vernielt en doorsnijdt en van-
zelf tot hem terugkeert. Op het voetstuk zit soms de monster-
vogel Garoeda, Wisjnoe\'s wahana; bij eenige beelden heeft
ook deze een menschelijk gedaante, maar met een vogelbek,
en soms is de godheid dan op zijne schouders gezeten.
In Hindostan wordt Wisjnoe gewoonlijk vereerd in zijne tien
verschijningen of nederdalingen (awatara\'s). De voornaamste
en meest bekende daarvan, die van Rama en Krisjna, zijn
nog niet op Java aangetroffen. Van twee andere, de vierde
en vijfde, zijn beelden uit de ruïnen van de Parambanan of
Lara. Djonggrang-tempels, juist op den grens der beide Vorsten-
landen gelegen, te voorschijn gebracht en door IJzerman be-
schreven en afgebeeld \').
Bij de vierde awatara wordt de godheid als manleeuw (nara-
singa) voorgesteld, en wel in menschelijke gedaante met een
gehoornden dierenkop met gesperden muil, terwijl hij een demon
\') W. Pleyte, Versl. en med. K. Ak. afd. lett. 3e rks. II. 119.
3) Beschrijving der oudheden nabij de grens der residentie\'s Soerakarta en
Djogdjakarta, door J. W. IJzerman. Met Atlas. Uitgegeven door het Bataviaasch
genootschap van kunsten en wetenschappen. Batavia—\'s Gravenhage, 1891.
-ocr page 98-
81
voor zich houdt en met de nagels den buik openscheurt,
zoodat de ingewanden daaruit te voorschijn komen. Deze demon
is volgens de legende Hiranja-Kasipoe, die door strenge boete-
doenig van Brahma had verkregen dat hij onkwetsbaar zou
zijn voor goden, menschen, slangen en al wat leeft. Hierdoor
had hij zich van de heerschappij over de drie werelden —
hemel, aarde en onderwereld — kunnen meester maken en
lasterde hij Wisjnoe, totdat deze god op de bede van den
eigen zoon des demons, uit een vaneengescheurde kolom
te voorschijn trad, half mensch, half leeuw van gedaante —
Brahma\'s gelofte werd dus naar den letter gehouden — en de
wereld van het monster bevrijdde.
De legende van de andere, de wamana- of dwerg-a watara,
verhaalt dat Bali, achterkleinzoon van Hiranja-Kasipoe, ook
door vroomheid en onthouding de goden had overwonnen
en de drie werelden onder zijne heerschappij gebracht. Wisjnoe
vertoonde zich aan hem als dwerg en vroeg hem zooveel
gebied als hij met drie stappen kon overschrijden. Tegen het
advies van zijnen raadsman willigde Bali in. Dadelijk ontwik-
kelde Wisjnoe zijne volle goddelijke majesteit. In twee schre-
den overmeesterde hij hemel en aarde. Den derden stap echter
liet hij na uit eerbied voor Bali\'s deugden, vooral zijne mild-
dadigheid, zoodat de demon de onderwereld behield. Het
beeld stelt de godheid voor met één voet op de aarde, de
andere opgeheven ter hoogte van het hoofd, dus in den hemel.
De legende dankt haar ontstaan aan Wisjnoe\'s oorspronkelijk
karakter van zonnegod, over wiens drie schreden reeds in
het vorig hoofdstuk is gesproken.
Uit de tempelgroep van Prambanan is nog een fraai beeld
van Wisjnoe te voorschijn gebracht, dat slechts twee armen
bezit; de rechter houdt de trompetschelp omhoog, de linker
draagt een vierarmig beeldje van Sjri, dat een lotusknoop,
een vlaggetje en een bidsnoer in de handen heeft.
Ofschoon Sjiwa in het stelsel der Brahmanen vooral als
de verdelger en dus als eenzelvig met den alvernieler Kala of
den Tijd optrad, werd hij door het volk veelal onder geheel
I.                                                                                                             6
-ocr page 99-
82
andere vormen vereerd; de voornaamste daarvan zijn die
van Mahadewa, de opperheer, en die van Batara Goeroe, de
goddelijke leeraar. Ook als Kala komt hij op Java veelvuldig
voor, maar zelfs dan is het bloeddorstige en vernielende in
zijn karakter lang niet altijd in het beeld uitgedrukt. Is hier-
naar gestreefd, dan bezit het beeld demonische gelaatstrekken,
een derde oog in \'t voorhoofd, een doodshoofd in den haar-
dosch; het draagt in de handen een knots en een kort zwaard.
Slechts een enkele maal is het karakter van Kala ontaard
in woeste boosaardigheid, wat in Hindostan dikwijls het ge-
val is. Een dergelijk beeld bezit het Leidsch Museum \'); hier
is Sjiwa geheel naakt, met menschenschedels om het hoofd
en den hals, in de oorringen, aan de armbanden en aan den
oepawita. Naast de godheid staat een jakhals en ook het grond-
vlak is met schedels bedekt. Het is natuurlijk dat in een land,
waar het Sjiwaïsme heerschte, de voorstelling van Sjiwa als
de opperheer, Mahadewa, veelvuldig is. Het beeld bezit dan
meestal één hoofd, maar soms vier met een daarboven, en
twee of vier handen. Het draagt de gewone godenversierselen,
maar toont toch even den vernielenden trek door een doods-
hoofd in den haardosch en doordat de oepawita den vorm
heeft van eene slang. De attributen zijn de vliegenwaaier, het
bidsnoer, de waterkruik en de drie tand (trisjoela), de laatste
Sjiwa\'s meest kenmerkend embleem.
Uit den gewonen naam, dien de Javanen voor Sjiwa bezigen,
Batara Goeroe, blijkt dat de voorstelling van den god als
leermeester zeer op den voorgrond is getreden. Van hem ge-
wagen vooral de mythologische geschriften der Javanen, de
Kanda en Manik-maja, waarover bij de bespreking der letter-
kunde zal worden gehandeld. De beelden stellen den god in
dit karakter meestal voor als een bejaard man van zwaar-
lijvige gestalte, met knevel en spitsen baard, altijd in staande
houding en met slechts twee armen. Vreesaanjagende attributen
zijn zorgvuldig vermeden, maar bidsnoer, waterkruik, vliegen-
\') Beschrijving, N°. 48, bl. 10.
-ocr page 100-
83
waaier en drietaiid zijn aanwezig; de versierselen en kleedij
zijn de gewone, maar in zeer eenvoudigen stijl gehouden,
terwijl ook voetstuk en ruggeplaat geen enkel ornament ver-
toonen.
Aan Sjiwa als den levenschenker werd de met machtige teel-
kracht toegeruste stier gewijd, die onder den naam van Nandi
als zijn wahana werd gedacht en vaak zelfs in zijne plaats
werd aangeroepen; steeds is hij liggende afgebeeld en bezit
hij de vormen van den zeboe, het gebulte Indische rund. Uit
dezelfde opvatting van Sjiwa is de gewoonte ontstaan om
zuilvormige steenen of lingga\'s voor hem op te richten als
symbolen der mannelijke teelkracht. Op gelijke wijze wordt
zijne gemalin Dewi symbolisch voorgesteld door de joni, het
teeken der vrouwelijke ontvangbaarheid.
Van de vereering dezer symbolen vindt men op Java schier
allerwege de overblijfselen; er worden lingga-pedestalleu, uit
massieve steenblokken bestaande, en op wier bovenvlak in
eene opening de, thans vaak daaruit verdwenen, lingga was
geplaatst, aangetroffen in de tempels van den Diëng en van
Prambanan, evenzeer als in de tempelgrotten van Koeta Ardja,
op de open bidplaatsen van Soekoeh en Tjeta en onder de
overblijfselen van Madjapahit. Vele vindt men nog op Java
op hunne oorsponkelijke plaatsen, meestal op hoogten waar
zij vrijelijk aan den invloed der lucht waren blootgesteld,
maar ook dikwijls door tempelwanden beschut; vele andere
hebben in de verschillende verzamelingen van Javaansche
beeldwerken een plaats gevonden, en hebben er aanspraak
op door de groote zorg waarmede zij met lijstwerk en andere
sieraden bebeiteld zij n. De lingga-pedestal was het altaar waarop
water ter eere van den lingga geplengd werd, en is daarom
steeds voorzien van een tuit, waardoor het vocht naar een
goot of bekken werd afgevoerd. Menige reiziger heeft dienzelfden
lingga-dienst in Hindostan waargenomen en beschreven. De
Arabische geograaf Al-Beroeni, die Indië in de elfde eeuw
bezocht, zegt dat op vele plaatsen lingga\'s in de tempels
waren opgericht en door het volk vereerd werden, maar dat
.■
-ocr page 101-
84
de meest beroemde, aan het boveneinde met gouden sieraden
en edelgesteenten prijkende, bij den oever der zee te Somnat
verrees, waar hij dagelijks met bloemen behangen en met
het heilige water van den Ganges besproeid werd. En in zijne
„brieven over Indië" schreef de Russische reiziger prins Sol-
tikof uit Benares: „Mijne aandacht wordt geboeid door kleine
tempels, waarin zich Brahmanen en Fakirs bewegen, door
kleine witte stieren met een bult op den nek en met bloem-
kransen getooid, en door halfnaakte, met ringen versierde
vrouwen, die tal van kleine afgodsbeelden en cylindervor-
mige, aan het boveneinde afgeronde steenen met water be-
sprengen \')."
De meeste schrijvers die zk;h met de oudheden van Java
hebben beziggehouden, zijn van oordeel dat de steenen die
ik hier lingga-pedestallen genoemd heb, of liever de daarin
aangebrachte uitdieping waardoor het water naar de tuit wordt
gevoerd, eene bedekte voorstelling zijn van het vrouwelijk
geslachtsdeel, en wij vinden daarom dikwijls die voetstukken
eenvoudig weg joni\'s genoemd. Daar waar de voorstelling zoo-
danig is dat er voor twijfel geen ruimte blijft, bestaat er
tegen dien naam geen bezwaar. Zoo b.v. op de gewijde plek
in den bebouwden en bewoonden krater van den Raga Djam-
bangan in Pekalongan, door de Javanen Antabaja geheeten,
op welke plek vooral kinderlooze vrouwen komen, die den
joni-steen, op de plaats waar het water uitvloeit, met boreh
bestrijken. Maar er is geen reden om ieder steenen voetstuk
van den liugga een joni te noemen, daar de vorm dier steenen
zich eenvoudig uit hunne bestemming tot voetstukken en
pleng-altaren verklaren laat, en behalve de lingga\'s ook vele
andere beelden onderaan een vierkant uitstek hebben, klaar-
blij keiijk bestemd om ze in een voetstuk in te laten. Daar
vele zoogenaamde lingga-pedestallen den lingga missen, kan
men bezwaarlijk met overtuiging verzekeren, dat zij allen tot
het dragen van lingga\'s zijn bestemd geweest *).
\') Zie T. v. I. T. L. en Vk., I. 108 v.
\') Vgl. Leemans, Boro-Boedoer, 424; Groneman. T. v. I. T. L. enVk. XXXII. 331.
-ocr page 102-
85
Sjiwa\'s gemalin wordt evenals hijzelf onder drie vormen
voorgesteld. De meest voorkomende daarvan is Doerga, be-
hoorend bij Sjiwa als Goeroe, de werkdadige godin der deugd.
Doerga werd door de Javanen , die haar Lara Djonggrang \')
noemen, het liefst voorgesteld als staande op den rug van
een stier, en met acht, soms tien armen, die behalve het
benedenste paar, ieder een wapentuig voeren. De benedenste
rechterhand houdt den stier bij den staart, terwijl de linker
den boozen geest Mahisjasoera (wiens naam uit mahisja, buffel,
en asoera, booze geest, is samengesteld) bij de haren houdt.
De voorstelling is aan de volgende mythe ontleend. Mahisja,
het hoofd der Titanen, had in de gedaante van een mach-
tigen stier den hemel van Indra bestormd en de goden op
de vlucht gedreven. Brahma riep nu de goden tot zich om
met hen raad te plegen, en uit aller mond schoten stralende
vlammen, die zich vereenigden tot het lichaam eener schoone
vrouw. Dus was Doerga geboren, die van ieder der goden een
wapen ontving. Door haar werd Mahisja overwonnen en Indra
in zijnen hemel hersteld. Doerga nu wordt gewoonlijk voorge-
steld op het oogenblik dat zij den asoera bij de haren grijpt,
die, door zich van zijne incarnatie in den buffel los te maken,
zich uit hare handen poogt te redden.
De tweede vorm waaronder de sjakti van Sjiwa voorkomt
is Oema of Parwati, voorgesteld door beelden die zich door
weinig kenmerkends in houding, versiering of attributen van
de overigen godenbeelden onderscheiden; alleen vindt men
bij hen nooit het vrouwen snoer, maar altijd de oepawïta. De
derde is Kali, de vrouwelijke vorm van Kala, den alvernie-
lenden tijd. Sommigen beelden vertoonen de schrikwekkende
vormen, die men in Hindostan dikwijls aan deze godin heeft
gegeven — een monsterachtig gelaat met uitpuilende oogen,
dikke lippen en geopenden mond — maar andere herinneren
volstrekt niet aan het eigenlijk karakter van Kali, zoodat zij
soms in \'t geheel niet, soms door enkele attributen, door
\') Groneman, Tjandi Parambanan op Midden-Java. \'s Gravenhage 1893;
Beschrijving, bl. 2, noot 1.
-ocr page 103-
86
doodshoofden of een schaaltje voor offerbloed, van de beelden
van Oemê, te onderscheiden zijn.
Met Sjiwa en Doerga vinden wij eindelijk in de Javaansche
Sjiwatempels gewoonlijk beider zoon Ganesja verbonden, her-
kenbaar aan zijne vier armen, zijne gedrongen gedaante en
zijn symbolischen olifautskop, die hem als den god der wijs-
heid en voorzichtigheid kenmerkt. In \'t algemeen zijn de ver-
sierselen gelijk aan de vroeger beschrevene. In het hoofdtooi-
sel ziet men dikwijls de halve maan en het doodshoofd, in
het voorhoofd het derde oog, door welke attributen zijne ver-
wantschap tot Sjiwa wordt aangeduid. Nooit ontbreekt het
bakje, batasa geheeten, en vaak door een menschenschedel
gevormd, waaruit hij zich voedt met zijn snuit. De onver-
zadelijkheid der wetenschap wordt hierdoor gesymboliseerd.
Over de overige Brahmaansche goden, die onder de voor-
werpen van der Hindoe-Javanen vereering eene meer onder-
geschikte plaats innamen, en waaronder de zonnegod Soerja,
met den wagen waarmede hij zijn dagelijkschen weg door het
luchtruim aflegt, wel het meest schijnt voor te komen, zal ik
hier niet verder uitweiden. Andere beelden , zooals de raksjasa\'s
of tempelwachters. zullen bij de beschrijving der tempels wor-
den vermeld. Het wordt thans tijd eenige opmerkingen over
het Boeddhisme op Java te doen volgen.
De heilige boeken der Boeddhisten prediken, dat van tijd
tot tijd op aarde een heiland verschijnt, die, na een lange
reeks van levens doorloopen te hebben, de kennis der hoogste
wijsheid heeft verworven en deze aan de menschheid komt
verkondigen. Hij draagt den titel van Boeddha, d. i. de ver-
lichte. De vijfentwintigste dezer Boeddha\'s, zoo heet het, in-
carneerde zich, volgens de meeste berichten omstreeks 600
v. Chr., in Hindostan als zoon des konings van het rijk Kapi-
lawastoe, aan den voet van het Himalaja-gebergte gelegen. Hij
kreeg als kind den naam Siddhartha \'). Reeds in zijn jeugd
\') Later, als hij het leven van een hermiet aangenomen heeft, wordt hem door
de Brahmanen de naam Gantama gegeven. Zijne volgelingen noemen hem met
vele namen, o. a. Sjakjamoeni, de kluizenaar uit het geslacht der Sjakja\'s.
-ocr page 104-
87
deden zich wonderteekenen voor, die op zijne bestemming
wezen. Tevergeefs hoopte zijn vader hem aan de wereld te
binden door hem met weelde te omringen. Toen de goden
zagen dat de tijd gekomen was, waarop hij de wereld moest
verzaken, bewerkten zij dat hij de vier dingen zag, die het
gevoel zijner bestemmig in hem moesten doen ontwaken: een
door ouderdom gebogen man, een zieke, een lijk en een monnik.
Nu verlaat hij vrouw en kind, kroon en rijk, en trekt het
kleed der bedelmonnikken aan. Vergeefs zoekt hij bevrediging in
wat beroemde leeraars leeren; noch hunne wijsheid, noch hunne
strenge ascese, waaraan hij zich zes jaren onderwerpt, leiden
tot bevrijding. Daarna is de dag aangebroken, waarop hij
het hoogste inzicht zal erlangen, Boeddha worden zal. Hij
plaatst zich daartoe onder den boom der wijsheid (Snskrt.
Bodhi), die hem sedert gewijd is. Daar weerstaat hij kloek
alle verleidingen en aanvallen van den Booze en mag zoo
de ware kennis verwerven. Echter was hij bijna besloten de
diepzinnige en moeilijk te begrijpen heilleer, die door de vroe-
gere Boeddha\'s betracht en nu door hemzelven weder ontdekt
was, maar niet aan anderen mede te deelen uit hoofde van
al den last, dien de verkondiging ervan na zich zou sleepen.
Toen daalde de groote Brahma tot hem neder en wist hem
te overreden de taak te aanvaarden. Veertig jaar lang door-
reist hij nu de landen van Midden-Indië als een bedelmon-
nik, predikende hoe het menschdom van zijn ellende kon
worden verlost door de bespiegeling over de nietigheid van
het zijn, die tot oplossing in het Nirwana voert. In zijn tach-
tigste jaar had hij de geheele waarheid verkondigd en dus
zijn roeping vervuld en nu kon hijzelf in het Nirwana ingaan.
Wat de Boeddha leerde was niet nieuw. De grondtrekken > •:-<<.
zijner zedeleer zijn de algemeen Indische. Zij is de Brahmaan-
sche moraal, gezuiverd en vereenvoudigd. Het leven wordt, \'
als in alle Indische stelsels, als een ramp beschouwd , en het ^-~/a\' 3^
middel ter verlossing is de kennis der eeuwige waarheid, die " \' ~* •>,
door bespiegeling moet worden verkregen. Op zachtmoedig-
heid en onderdrukking der zelfzucht legt het Boeddhisme den
          ^ fc, ,
-ocr page 105-
88
nadruk. In bijna geen Indische sekte treedt het medelijden
zoozeer op den voorgrond, zoodat de Indiërs zelven het Boed-
dhisme de religie der barmhartigheid noemen.
Meer dan door de eigenaardigheden harer moraal onder-
scheidt zich de nieuwe leer van de oude godsdiensten door
het geloof in den Boeddha. Zij trad oorspronkelijk niet tegen
de volksgodsdiensten op; luidens de heilige boeken prees de
Boeddha zelf het geloof in de goden aan. Maar al het groote
en goede, door het Boeddhisme gewrocht, dankt het aan de
kracht van het geloof, dat de Heer uit den hemel is neerge-
daald in den persoon van Gautama om de menschheid te ver-
lossen door opnieuw de waarheid te verkondigen. Het Boed-
dhisme staat en valt met het geloof aan de vleeschwording
van het zedelijk ideaal.
In het Boeddhistisch stelsel verloor het gansche kastenwe-
zen zijne godsdienstige beteekenis en werd de wezenlijke ge-
lijkheid aller menschen erkend. De Boeddha richtte zijne pre-
diking niet enkel tot de Dwidja\'s, maar ook tot de verachte
Sjoedra\'s, ja zelfs tot hen die uit de onwettige vermenging
van personen van verschillende kasten gesproten waren. Hij
predikte in de volkstaal en nam als medeverkondigers zijner
leer allen aan die als bhiksjoe\'s (bedelmonnikken) van aal-
moezen leven en van de wereld afstand doen wilden. In het
gele of roode bedelaarskleed togen zij het land door; vorsten
en aanzienlijken betoonden hun op vele plaatsen hunne gunst;
er is geen bewijs voor het algemeen geloof, dat zij zich bij
voorkeur tot de lagere standen wendden. Van deze waren het
vooral de rampzaligsten — verworpelingen, publieke vrou-
wen — die zich tot de leer voelden aangetrokken; haren
grootsten aanhang vond zij echter onder de welgestelden,
, is d\' J.U1^ die zich, als de vorsten, door tal van schenkingen en de stichting
i\'r(" \'\' van kloosters en heiligdommen verdienstelijk maakten. Wel
\'kan men zeggen dat door deze monniken de idealen van
een geestelijk leven, die tot dusver tot de scholen der Brah-
manen en asceten waren beperkt, voor het eerst op groote schaal
tot de massa der burgerij en den geringen stand zijn gebracht.
-ocr page 106-
89
In den tijd van Asjoka, omstreeks 250 v. C. vorst van
Magadha, een rijk bezuiden den benedenloop van de Ganges
gelegen, die zich voor het Boeddhisme zeer verdienstelijk heeft
gemaakt, vallen de eerste historische berichten omtrent de
inrichting der Boeddhistische sekte. Zij is dan een monniks-
orde, met een groot aantal leekelidmaten, met een nauwkeu-
rig geregelde leefwijze van de monnikken, maar zonder hoofd,
zonder centralisatie. Het woord van Boeddha vormt de hoogste
wet, die allen samenbindt. Een der schoone zijden van het
Boeddhisme is de verhouding tusschen monnikken en leeken.
De verschijning van den monnik, die van de wTereld afstand
heeft gedaan, in de huizen der wereldlingen is een levende
preek en een opwekking tot hooger leven.
                                ^^
Terwijl de oudere godsdiensten geen reliekendienst kennen",
neemt deze in het Boeddhisme een belangrijke plaats in. Van- \'
daar dan ook dat, waar de Brahmaansche Hindoes onver---\'-p;
schillig waren voor \'s menschen stoffelijk overschot na den
dood, op het bezit der asch van den Boeddha door zijne vol-
gelingen de hoogste prijs gesteld werd. Zij werd bewaard in
een gouden urn, en later, om strijd over het bezit te voor-
komen , naar luid der overlevering in acht deelen verdeeld,
waarvan ieder in een prachtige urn werd besloten, terwijl
daarboven een monument in den vorm van een cilinder met
koepelvormigen top, een zoogenaamde stoepa, werd opgericht.
Later zou koning Asjoka de acht stoepa\'s op ééne na hebben
doen openen en de zeven aschhoopjes (waarschijnlijk op soort-
gelijke wijze als waarop de homoeopathen hunne geneesmid-
delen bereiden) ieder in 12000 deelen verdeeld hebben, zoodat
84,000 deelen verkregen werden, die, in kostbare urnen van
goud, zilver, kristal of lazuursteen geborgen, over de 84000
steden en dorpen van het rijk Magadha verdeeld werden.
Boven elk dezer deelen werd weder een stoepa gebouwd, waarin
beelden van Boeddha, zittende, met gekruiste armen, in de
houding van diep gepeins of als leerende, geplaatst werden,
en bij iedere stoepa een klooster (wihara); want de bhiksjoe\'s
of bedelende predikers van Boeddha\'s leer deden gelofte van
-ocr page 107-
90
kuischheid en armoede, en leidden een leven in vele opzichten
overeenkomende met dat der monniken van de orde van St. Fran-
ciscus. Ook op de plaatsen, door de prediking en de wonderen
van Boeddha verheerlijkt, werden heilige gebouwen, tjaitja\'s \'),
opgericht. De vereering der relieken kreeg bovendien een ver-
bazende uitbreiding, toen men ook voor de overblijfselen van
Boeddha\'s voornaamste leerlingen stoepa\'s ging bouwen. In
vele streken gaf men later aan de grootere en rijk versierde
gebouwen van deze soort den naam van dagob. Hier en daar
begon men ook de grotten, die in den regentijd den bhik-
sjoe\'s tot toevlucht strekten, tot wihara\'s en verzamelplaatsen
der geloovigen in te richten, wat doorgaans door de oprichting
van een Boeddha-beeld werd aangeduid. Dit was de aanvang
van het bouwen dier verbazende rotstempels van Hindostan,
die door de Brahmanen later in Brahmaansche heiligdom-
men veranderd en met vele nieuwe vermeerderd werden.
Voor \'t overige bestond de eeredienst in processiën en bede-
vaarten , gebeden en gezangen, offers van bloemen en reukwerk.
De uitwendige vormen hadden zooveel overeenkomst met die
der Roomsche kerk, dat de Jezuïeten die de Portugeezen op
hunne tochten naar Indië vergezelden, het denkbeeld koester-
den dat de duivel den ongeloovigen geleerd had de plechtig-
heden der kerk na te bootsen.
Na den dood van Asjoka begint de periode der uitbrei-
ding van het Boeddhisme buiten Indië, eerst over Ceylon
en tot in Baktrië, in de eerste eeuw onzer jaartelling ook
tot in China. Wanneer de leer het eerst op Java gepredikt
werd, is niet bekend. Wij hebben in het vorig hoofdstuk
gezien, dat een tweetal der oudste opschriften, uit het laatst
der 8e eeuw dagteekenend , vorstelijke schenkingen van tem-
pels en beelden aan de orde vermelden.
In Voor-Indië verheugde de leer zich in dien tijd nog in
\') Tjaitja is een meer algemeene naam voor alle heiligdommen, ook voor die
waarin zich slechts een beeld bevindt; maar de stoepa is bepaaldelijk opge-
richt boven de asch of andere relieken van Boeddha of van Boeddhistische heili-
gen, en heeft altijd eenigermate het karakter van een grafmonument.
-ocr page 108-
91
hoogen bloei, al begon reeds eenige achteruitgang merkbaar
te worden, een achteruitgang die deels te verklaren is door
den innerlijken heftigen strijd der verschillende richtingen,
anderdeels door de vervolgingen der Arabieren. Met de ver-
eerders van Wisjnoe en vooral van Sjiwa waren de Boed-
dhisten, die zooveel met hen gemeen hadden, meestal op goe-
den voet. Ook op Java is dit stellig het geval geweest. Even
zeker is het, dat de Brahmaansche Hindoes niet alleen het
westen des eilands, maar ook eigenlijk Java onderworpen
hadden vóór de komst der Boeddhisten. De laatsten immers
zouden de verdeeling in kasten stellig niet hebben ingevoerd.
Eer de Boeddhisten naar Java overkwamen, had hunne leer
eene lange geschiedenis doorloopen en was zij ten deele van
gedaante veranderd. Reeds is uit de Boeddha-légenden geble-
ken, dat ook het oude Boeddhisme, hoewel in den grond
atheïstisch, toch het bestaan der goden en geesten van het
Brahmanisme erkende. Men beschouwde ze als eindige wezens,
aan den Boeddha ondergeschikt, zoodat de groote prediker
zelf wordt. voorgesteld als zijne leer aan Brahma en Indra
verkondigende. Hoezeer die goden dan ook wel erkend wor-
den, is toch de groote leermeester zelf het eenige voorwerp
van dankbare hulde als verlosser van het menschdom uit de
ellende der wedergeboorte. Anders is dit alles bij een latere
richting in de kerk, het Mahajana geheeten, die zeer sterk
den invloed van het Sjiwaïsme heeft ondervonden. De vorm
waarin dit Mahajanisme tegenwoordig nog in Nepal voor-
komt, vertoont een merkwaardige overeenkomst met wat de
a : i
-
^U^; ]
/
t.
•
,\' *
Javaansche overblijfselen ons omtrent den op Java geheerscht
ïfy\\?zri.*A
hebbenden vorm van Boeddhisme leeren. Een kort overzicht
van dit stelsel dient hier dus te volgen \').
De oorsprong van al het geschapene is Adi-Boeddha, de
oorspronkelijke Boeddha; evenals zijn prototype Brahma wordt
hij beschouwd als een geheel abstract wezen, in een staat van
volmaakte rust verkeerend. Adi-Boeddha bezat vijf soorten
\') Hodgson, Essays on the languages, literature and religion of Nepal and
Tibet. Londen 1874. Groeneveldt, Catalogus der arch. verz., 73 v.
-ocr page 109-
<J2
van kennis (djnana) en schiep door vijf handelingen zijner
zelfbeschouwing (dhjana) vijf Dhjani-Boeddha\'s of hemelsche
Boeddha\'s die de namen dragen van Wairotjana, Aksjobhja,
Ratnasambhawa, Amitabha en Amoghasiddha. Elk dezer
ontving met het aanzijn tevens zijn aandeel aan de krachten
der djnana en dhjana. Zij hebben ieder tot hun domein een
der vijf elementen — aarde, water, vuur, licht en ruimte
(aether) —, een der vijf zintuigen, benevens alles wat door middel
van dat zintuig waargenomen wordt. Aan eiken Dhjani-Boed-
dha wordt een vrouwelijk beginsel toegevoegd, dat later ten-
gevolge van theïstisch-Sjiwaïetischen invloed als gemalin werd
opgevat. Deze vijf godinnen heeten Tara\'s, welke naam boven-
dien door een hunner in \'t bijzonder gedragen wordt.
Hoewel niet geheel abstract als Adi-Boeddha, zijn de Dhjani-
Boeddha\'s, zooals ook blijkt uit hun naam, die men met
Mijmer-Boeddha\'s zou kunnen vertalen \'), toch te hooge we-
zens om zich met de wereld te bemoeien. Daarom hebben zij
zich ieder een zoon geschapen. Dhjani-Bodhisatwa getiteld.
Deze Bodhisatwa\'s zijn ieder gedurende een bepaalden tijd met
het bestuur der wereld belast. Drie hunner hebben sedert den
aanvang des tijds hunne taak volbracht, de vierde, Padmapani
of Awalokitesjwara, is de heer der tegenwoordige wereld, die
door zijne verbinding met de drie goena\'s, of alle wezens
doordringende en qualificeerende eigenschappen, Brahraa,
Wisjnoe en Sjiwa schiep.
Ook van de Boeddhistische beelden zijn een belangrijk aantal
op Java gevonden, zoowel grootere van steen als kleine van
brons of ander metaal.
Enkele kenmerken hebben de beelden der Dhjani- Boeddha\'s
met die hunner sjakti\'s en zonen gemeen, nl. de dieren of
dragers, gewoonlijk geplaatst aan de voorhoeken van het voet-
stuk; het symbool, dat meestal tusschen de twee dragers
tegen het voetstuk is aangebracht, soms ook in de hand ge-
dragen wordt; en de kleur, voor zoover ze gekleurd waren.
In de bovengenoemde volgorde der Dhjani-Boeddha\'s zijn de
\') Kern, Boeddhisme, I, 323, noot 2.
-ocr page 110-
93
dragers: leeuwen, olifanten, paarden, pauwen en garoeda\'s
(de monster vogel van Wisjnoe); de symbolen: het rad der
wet, de wadjra, drie staande pauweveeren, een opene lotus-
bloem en twee gekruiste wadjra\'s. Dat Amoghasiddha Wisjnoe\'s
monstervogel, de Garoeda, tot drager heeft, klopt met het
vers van het Javaansche heldendicht Soetasoma, waarin de
dichter Tantoelar zegt: de luisterrijke Amoghasiddhi is Wisjnoe
de grootmachtige \'). Dikwijls ontbreken al deze kenmerken en
dan zijn de Dhjani-Boeddha\'s onderling alleen, maar ook
volkomen zeker te onderscheiden aan de houding der handen
en, indien zij aan een tempel geplaatst zijn, aan de plaats,
die zij daar ten opzichte der windstreken innemen.
Een groot verschil bestaat in de versiering der beelden van
de Dhjani-Boeddha\'s met die van hunne vrouwen en van de
Bodhisatwa\'s. De sjakti\'s en zonen worden allen afgebeeld in
het gewoon godenornaat der Brahmaansche beelden. De Boed-
dha\'s daarentegen zijn bijna niet versierd en hebben geen
hoog opgewerkten haardosch, maar kleine, dicht aan het
hoofd liggende krullen, die van links naar rechts gedraaid
en regelmatig in rijen geplaatst zijn, overeenkomstig de le-
gende die verhaalt, dat Siddhartha zich in den nacht waarin
hij zijn paleis verliet met zijn zwaard het lange hoofdhaar
afsneed, waarop het overblijvende zich vanzelf in zulke krullen
schikte om later niet meer te groeien. Op het midden van
den schedel verheft zich een uitwas, een halve bol, bezet met
drie of vier rijen derzelfde haarkrullen. Het voorhoofd draagt
in het midden een kleine verhevenheid, die ook een haarkrul
moet voorstellen; volgens een andere opvatting moet zij oor-
spronkelijk het alziend oog, de zon hebben beteekend. De
oorlellen zijn lang uitgerekt. Een dun gewaad, dat van den
linkerschouder schuin over de borst loopt en dus rechterarm
en schouder onbedekt laat, sluit nauw aan het lichaam en
hangt tot op de voeten af. De gestalte is gevuld, evenals het
gelaat, dat steeds neergeslagen oogen heeft en eene uitdruk-
king van kalme berusting vertoont.
\') Kern in Versl. en Med. K. Ak. v. Wet., 3e Rks. V. 39.
-ocr page 111-
94
De Dhjani-Boeddha\'s worden altijd zittende afgebeeld, met
de beenen onder \'t lijf geslagen. Ook de Tara\'s zitten steeds
of bijna steeds, maar van de Bodhisatwa\'s zijn vele staande
beelden bekend en in zittende houding voorgesteld hebben ze
dikwijls een der beenen of beide afhangend. De Tara\'s en
Bodhisatwa\'s hebben meestal in elke hand, soms in eene,
een langen bloe ra stengel, met de bloem ter hoogte van den
schouder. In de houding der handen van beide beeldengroepen
heerscht niet dezelfde regelmaat als bij de Dhjani-Boeddha\'s
en onderling zijn ze dan ook dikwijls moeilijk te onderschei-
den , indien zij niet gekleurd en geen dragers en symbolen
voorhanden zijn. De symbolen zijn echter dikwijls op de
bloemen aangebracht; voor het verschil in de bloemen zijn
nog geen vaste regels ontdekt. De £)hjan i-Boeddha \'s kan men
soms onderkennen aan een klein beeldje van hunnen vader,
dat ze voor in \'t hoofdtooisel dragen. Op Java is dit echter
alleen het geval met Padmapani of Awalokitesjwara. Soms
bij hem, steeds bij alle andere is in de plaats van het beeldje
een kleine, klokvormige dagob aangebracht.
Een zeer voorname plaats in den eeredienst werd vooral
ingenomen door den Bodhisatwa Awalokitesjwara of Padma-
pani. Door Kern is erop gewezen dat de eerste naam geheel
dezelfde beteekenis heeft als een der namen van Sjiwa \') en
daarmee komt overeen, dat de voorstelling van dezen Bodhi-
satwa dikwijls geheel dezelfde is als die «van Sjiwa. Evenzoo
is het niet steeds mogelijk beelden der andere Bodhisatwa\'s en
der Tara\'s van die der Brahmaansche goden en godinnen
te onderscheiden Of inderdaad beide soms in alle opzichten
geheel overeenkomen, dan wel of onze gebrekkige kennis ons
kleine verschilpunten tusschen de Brahmaansche en Boeddhis-
tische beelden over \'t hoofd doet zien, is nog niet uit te ma-
ken. Natuurlijk heeft het Boeddhisme deze beelden van de
oudere godsdiensten overgenomen. Of de op Java heerschende
\') Drsjti goeroe. Drsjti ■— awalokita =z gezicht, al wat men ziet; goeroe =
isjwara = heer, meester. Kern t.a. p. 43 en Boeddhisme II, 172, noot 2. Echter
is Amitabha, Padmapani\'s vader, niet de heer desgezichts, maar van den reuk.
-ocr page 112-
95
Mahajanistische sekte aan de daardoor voorgestelde goden ook
wel de namen gaf van Sjiwa, Wisjnoe enz., is ons evenmin
bekend. Wel weten wij, alweder uit Tantoelar\'s gedicht, dat
in de leer bepaalde oude goden met Boeddhistische werden ge-
lijkgesteld. Hij zegt van twee der Dhjani-Boeddha\'s, dat ze
„eigenlijk" zijn Mahakala en Mahadewa, de twee reeds ge-
noerade vormen van Sjiwa, van twee andere dat ze zijn
Brahma, de schepper en de grootmachtige Wisjnoe \').
In verband hiermede kan worden opgemerkt, dat in de
aanroeping der goden, waarmede de in het tweede hoofdstuk
beschreven schenkingsbrieven aanvangen, somtijds Sjiwa en
Boeddha gelijktijdig worden genoemd. Maar daar de Javaah-
sche vorsten beide eerediensten plachten te erkennen en in
de stukken dikwijls van de priesters der twee gesproken wordt
— de Sjaiwa\'s en Saugata\'s — is dit gemeenschappelijk voor-
komen der beide goden geen stellig bewijs voor beider ver-
eering door Boeddhisten; wat de Sjiwaïeten betreft, zij hebben
Boeddha ook in hun pantheon opgenomen, maar hem natuur-
lijk niet zulk een hoogen rang toegedacht, dat zij hem in eenen
adem met Sjiwa zullen noemen. Waarschijnlijk diende de ge-
meenschappelijke aanroeping dus tot bevrediging van deaan-
hangers van beide godsdiensten.
Door de omstandigheid dat dit nieuwere Boeddhisme, in
tegenstelling met het oudere, hetwelk geen beeld van den Boeddha
toeliet, zoovele beeldvoorstellingen schiep, heeft men het een
theïstische sekte genoemd. Dat echter een pantheïstische
opvatting van het stelsel niet was buitengesloten, blijkt al-
weder uit de genoemde oud-Javaansche bewerking van een
aan alle Boeddhisten bekende geschiedenis van den Bodhi-
satwa Soetasoma, die een is met Wairotjana. Zij is door Kern
aan een scherpzinnig onderzoek onderworpen\'). De dichter
Tantoelar, die onder de regeering van zekeren koning Radjasa
te Madjapahit leefde, vereenzelvigt den hoogsten Boeddha nu
\') Kern t. a. p. 39.
s) Versl. en Med. K. Ak. v. Wet. 3e Rks. V. 1.
-ocr page 113-
96
eens met Brahma, dan met Sjiwa en Wisjnoe en toont hoe
hij de hoogere eenheid van deze allen begrijpt door te zeggen,
dat de Boeddha niemand anders is dan de god Brahma-
Wisjnoe-Isjwara (de laatste naam is een der duizend namen
van Sjiwa), dus dan de Hindoesche trimoêrti. De verhevene
Boeddha, zegt hij elders, is het Al. Hij ziet in hem de, in
abstracto beschouwd, eeuwig in rust verkeerende Rede; de
noodzakelijke aanvulling dezer leer, die de Rede als hoogste
wezen erkent, zijn de vijf verpersoonlijkte zintuigen, de uitin-
gen der Rede, de Dhjani-Boeddha\'s.
Behalve in Tantoelar\'s gedicht wordt het Mahajana op Java
in verschillende opschriften genoemd. Reeds in de oudste
Boeddhistische inscriptie, van 778 n. C., vindt men het ont-
wikkeld. Behalve dat de tempel voor de godin Tara, de sjakti
van den Dhjani-Boeddha Amoghasiddha werd opgericht, wordt
uitdrukkelijk vermeld, dat het daarbij staand klooster bestemd
was voor de bhiksjoe\'s die kenners waren van het Mahajana.
Verder zijn op verschillende, in Oost-Java gevonden beelden
inscriptiën gevonden, dikwijls de gewone Boeddhistische ge-
loofsbelijdenis behelzend. De belangrijkste hebben echter een
anderen inhoud. Het zijn de door Friederich verklaarde inscrip-
tiën op de fraaie beelden bij den tempel van Toempang in
het Malangsche gevonden. Men leest daarin de namen van
Amitabha, Aksjobhja, Ratnasambhawa en Amoghasiddha,
welke laatste hier echter Amogapasja heet, waarschijnlijk om-
dat hem, evenals dat bij Nepalsche beelden wel plaats heeft,
de pasja of strik van Sjiwa wordt toegekend. Ook de namen
van eenige sjakti\'s der Dhjani-Boeddha\'s komen op de Ma-
langsche inscripties voor. Merkwaardig is het ten laatste ook,
dat de Dhjani-Boeddha\'s Barala en hunne sjakti\'s Barali ge-
noemd worden, vormen, die door gewone letterverwisselingen
uit het bekende Batara, vrouwelijk Batari, d. i. de heerscher,
heerscheres, ontstaan zijn \').
Naast de hierboven beschreven godenleer heeft zich ook
\') Friederich in Verh. Bat. Gen. XXVI. 7.
-ocr page 114-
97
het andere begrip gehandhaafd dat de Boeddha\'s menschen
zijn, die zich door bespiegeling in een reeks van achtereen-
volgende existentiën tot de hoogste volmaking hebben opge-
werkt. Het aantal dezer Boeddha\'s, die Manoesji-Boeddha\'s ,
d. i. menschelijke Boeddha\'s genoemd worden, is uit den aard
der zaak zeer groot, maar vereerd worden of de laatste zeven
óf de laatste vier en van deze allen verreweg het meest natuur-
lijk de allerlaatste, Sjakjamoeni. Worden er vier vereerd, dan
is als vijfde daarbij gevoegd de toekomstige Boeddha Maitreja,
die dus eigenlijk nog Bodhisatwa is. Zij die zich aan het vijf-
tal hielden schijnen de Manoesji-Boeddha\'s ieder als een
emanatie van elk der Dhjani-Boeddha\'s te beschouwen. De
beelden dezer Manoesji-Boeddha\'s komen in kleeding en haar-
dosch met die der Dhjani-Boeddha\'s overeen, maar niet in
houding; óf de figuren zitten met afhangende beenen óf zij
staan.
In geen dezer systemen past, voor zoover wij weten, de
Bodhisatwa Mandjoesjri, van wien slechts één, maar een uit-
nemend fraai steenen beeld op Java gevonden is, dat in den
tijd toen niemand zich hier te lande om Java\'s oudheid be-
kreunde naar het Ethnologisch Museum te Berlijn is ver-
dwaald geraakt. Het Leidsch Museum en dat van Batavia bezit-
ten elk een gipsafgietsel hiervan. Mandjoesjri wordt beschouwd
als de verpersoonlijking der wijsheid en de patroon der ge-
leerden. Het beeld is gezeten op een lotuskussen; het heeft
de gewone versieringen, maar bijzonder rijk en fraai afge-
werkt. In de rechterhand heft het een recht zwaard omhoog,
in de linker droeg het waarschijnlijk vroeger een boek van
lontarblad \'). De Sanskriet-opschriften bevinden zich boven de
glorie aan den voorkant en op de ruggeplaat.
\') Groeneveldt, Cat. d. arch. verz. 88.
I.
7
-ocr page 115-
98
VIERDE HOOFDSTUK.
De bouwvallen en beelden uit den Hindoe-tjjd.
Wij willen thans trachten een overzicht te erlangen van
de monumenten uit den Hindoe-tijd, die, schoon zij niet zoo
rechtstreeks historische getuigenissen bevatten als inscriptiën
en oorkonden, ons toch een en ander zullen leeren van den
godsdienst, de gebruiken en de beschaving van dat tijdvak.
De losse beelden en kleinere voorwerpen, die van hunne
vindplaatsen gescheiden bewaard worden, zullen in dit over-
zicht slechts ter sprake komen voor zoover wij bij de beschou-
wing van de plaats hunner herkomst, waar die nog met zeker-
heid bekend is, daartoe aanleiding vinden.
In den reeds vroeger genoemden catalogus van Verbeek, die
een opsomming en een bijna geheel volledige literatuur-
opgave van nagenoeg alle bekende \') Javaansche oudheden van
eenig aanbelang geeft, soms van een korte beschrijving ver-
gezeld, is voor de eerste maal het omvangrijke materiaal
met zorg geordend; het overzicht is zeer vergemakkelijkt door
de bijvoeging van twee oudheidkundige kaarten, waarop alle
vindplaatsen zijn aangewezen !).
Met een oogopslag blijkt uit deze kaarten hoe karig de
Soenda-landen met overblijfselen uit den Hindoe-tijd bedeeld
zijn in vergelijking met eigenlijk Java. Het meest in het oog-
loopend verschil tusschen beide is het niet of al aanwezig
zijn van tjandi\'s, zooals de Javanen de tempelruïnen uit den
Hindoe-tijd noemen. Dit woord beteekent eigenlijk de steenen
waarmede men van ouds de asch der verbrande lijken be-
\') Aanvullingen gaven Vorderman voor verschillende residentiën (Tijdschr. v.
I. T. L. en Vk. XXXVI. 233 en 481), Den Hamer voor Pekalongan (Notu-
len v. h. Bat. Gen. XXXI, bl. CXIX) en van Delden Laëme voor Kediri
(Feestbundel voor Dr. P. J. Veth. bl. 239).
") Oudheidkundige kaart van West-en Midden-Java en Oudheidkundige kaart
van Oost-Java tot aan de Vorstenlandeu, beide 1: 500.000.
-ocr page 116-
99
dekte; de hedeudaagsche Javanen schijnen dus dezen naam
aan die oude tempels gegeven te hebben, in de meening dat
zij praalgraven van beroemde en heilige mannen zijn. In de
Soenda-landen nu vindt men nergens sporen van zulke tjandi\'s;
Midden- en Oost-Java zijn er daarentegen zeer rijk aan en zij
vormen er overal het middelpunt en de kern der Hindoe-over-
blijfselen. Het schijnt dat men alleen aan de gebouwen met
godsdienstige bestemming die zorg wijdde, die ze in staat
stelde den tand des tijds te weerstaan. Zelfs van de verblijven
der vorsten zijn bijna geen kenbare overblijfselen meer aanwezig,
waaruit men mag opmaken, dat zij slechts van meer ver-
gankelijke bouwstoffen, bamboe en hout en gebakken steen,
werden opgetrokken. Evenzoo zijn de muren en poorten der
steden op weinige sporen na verdwenen. Maar de tjandi\'s
hebben in grooten getale de eeuwen getrotseerd, al hebben
zij ook veel van het klimaat en den plantengroei en de hand
des menschen te lijden gehad. Zij zijn echter niet gelijkelijk
over alle residentiën verbreid, maar worden hoofdzakelijk in
twee groote gordels aangetroffen, waarvan de eene tot Mid-
den-, de andere tot Oost-Java behoort. De Midden-Ja vaansche
gordel begint met het Diëng-plateau in den oostelij ksten hoek
van Banjoemas \'), en omvat verder het oosten van Bagelen, Ke-
doe, de aangrenzende streken van Semarang, noordelijk Jog-
jakarta, en den westelijken hoek van Soerakarta. Westwaarts
van dien gordel mist men de tjandi\'s iii Pekalongan, Tegal
en \'t overige van Banjoemas en Bagelen; oostwaarts in Dja-
para, Rembang en \'t grootste deel van Soerakarta, terwijl zij
schaarsch zijn in Madioen, waar evenwel tal van beelden en
steenen uit den Hindoetijd zijn gevonden, terwijl deze in
Djapara en Rembang zeldzaam schijnen te zijn. Voor Oost-
\') Het plateau waarop zich de tempels van het Diëng-gebergte verheffen,
wordt doorsneden door de grenslijn die Banjoemas van Bagelen scheidt. Aan
het denkbeeld voor een aantal jaren geopperd, om, in het belang der hoogst
belangrijke overblijfselen der oudheid die hier gevonden worden, het geheele
plateau onder Bagelen te brengen, is, voorzoover mij bekend is, geen gevolg
gegeven.
-ocr page 117-
100
Java vormen Socrabaja, Kediri en Pasoeroean den gordel van
gewesten waarin de Hindoe-monumenten overvloedig zijn,
terwijl zij ook in Probolinggo, hoewel minder talrijk, voor-
komen. Maar zij worden weder gemist op Madoera, en zijn
althans zeer schaarsch in den uitersten Oosthoek. De afdeeling
Banjoewangi bezit, wel is waar, de ruïnen van Matjan-poetih;
maar deze, schoon nog afkomstig van Hindoe-Javanen , kun-
nen, zooals later zal blijken, wellicht niet meer tot de over-
blijfselen van het Hindoe-tijdperk gerekend worden.
Wat de westelijke residentiën van Midden-Java betreft, zijn
de meeste beelden gevonden in Tegal; als kunstwerken zijn
zij weinig verdienstelijk en men vindt er zoowel van Polyne-
sischen als van Brahmaanschen en Boeddhistischen oorsprong
onder.
De oudheden van het Diëng-gebergte behooren tot de merk-
waardigste van Java, en tevens tot de raadselachtigste. Zij
verrijzen op en in den omtrek van een met gras bedekte
peervormige hoogvlakte waarvan de grootste lengte 1800, de
grootste breedte 800 meter bedraagt en die op eene hoogte
van ongeveer 2050 meter boven den zeespiegel is gelegen \').
Eenmaal was zij een gloeiend lava-meer dat, door bekoeling
in vasten bodem veranderd, zich na duizenden jaren weder
met dichten plantengroei heeft getooid. De in een grasveld
herschapen vuurzee wordt door een rand van bergen inge-
sloten, waaruit aan de westzijde de Pangonan, aan de oost-
zijde , tot 510 meter boven het plateau, de Prahoe verrijst. De
indrukwekkende vulkanische verschijnselen, waarvan dit ge-
bergte gedurig het tooneel was, maakten het voor de verbeel-
ding der inboorlingen tot een verblijfplaats der bovenaardsche
machten; gelijk andere vuurbergen was ook de Diëng, mag
men wel aannemen, het voorwerp hunner bijzondere vereering.
Hier bouwden de Hindoe-kolonisten uit de lava hunne tempels;
gedreven door de overal blijkbare zucht om den godsdienst
\') Kaart van het Diëng-plateau 1: 10.000 als karton op Blad III van Ver-
beek\'s Oudheidkundige kaart van West- en Midden-Java.
-ocr page 118-
101
dien zij uit het moederland hadden medegebracht, met het
oude bijgeloof der inboorlingen samen te smelten, waren zij
opgestegen naar deze woeste en eenzame plaats, en waar
eenmaal de vernielende machten der natuur gewoed hadden,
repten zich thans duizenden handen en dreunden de berg-
wanden van bijl- en mokerslagen. Steenen trappen, die zich
over een verbazende lengte uitstrekten, moesten voor de vrome
pelgrims, die door offeranden en reinigingen de gunst van
den machtigen Sjiwa wenschten te verwerven, den weg banen
naar de heilige plaats.
De oudheden op het plateau van den Diëng zijn in onze
eeuw op nieuw ontdekt. Die ontdekking heeft echter strikt
genomen vroeger plaats gehad dan thans gewoonlijk geloofd
wordt. Raffles en Crawfurd hebben reeds van de monumenten
van den Diëng gewag gemaakt, en eerstgemelde heeft de
ruïnen in 1814 door Cornelius \') , in 1815 door kapitein Baker
doen onderzoeken, zoodat hij, op wat wijze dan ook, eenige
voorafgaande kennis van hun bestaan moet gehad hebben.
Hijzelf bericht ons, dat op sommige plaatsen door de inboor-
lingen naar kostbaarheden was gegraven. In 1816 bezocht
Horsfield den Diëng. Hij drong niet door tot het plateau,
maar aan hem danken wij de eerste kennis van de trappen
die er heen voerden. Met 1838 worden de bezoeken menig-
\') Leemans Boro-Boedoer, 11 w. Cornelius is dezelfde Nederlandsche genie-
officier, die in 1814 ook van BarH-Boedoer eene beschrijving en teekeningen
vervaardigde, en reeds in 1797, bij het bouwen van het fort Klaten, de ge-
heel begroeide ruïnen van Prambanan aan het licht bracht en er schetsen
en plannen met beschrijving van vervaardigde. Maar men zal zijn naam in
het werk van Raffles vruchteloos zoeken; het strookte niet met den wensch
van den Engelschen landvoogd, die de Nederlanders in het ongunstigst mogelijk
daglicht wilde stellen, te erkennen dat zij in de ontsluiering der Javaansche oud-
heid eenig aandeel hadden. Van Cornelius\' handschriften en teekeningen is nog
al het een en ander bij het Museum van Oudheden te Leiden en in de biblio-
theek van het Instituut voor Ind. Taal- Land- en Volkenkunde bewaard. Zie
Leemans in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. III. 4; Versl. en Med. d. Kon. Akad.
van "Wet. afd. Letterkunde. VIII. 308; Boro-Boedoer, Inl. bl. XLVIII. Men
kan zich verzekerd houden dat Raffles niet verzuimd heeft van deze stukken
een ruim gebruik te maken. Brandes (Tijdschr. v. I. ï. L. en Vk. XXXI.
-ocr page 119-
102
vuldiger. Junghuhn, de schilder Sieburgh, Ds. Buddingh,
Ds. Brumund, Dr. Friederich en anderen leverden sedert
bijdragen tot de kennis der oudheden van dit gebergte. Op
voorstel van het Bataviaasch genootschap besloot de Re-
geering uitgravingen te laten doen en de tempels te laten
photografeeren. In 1864 begon deze arbeid onder leiding van
Van Kinsbergen; later zijn de uitgravingen voortgezet onder
toezicht van de ingenieurs Pet en Mijer, tot in 1878, toen
het onderzoek gestaakt werd omdat men weinig nieuws meer
vond. In de „Oudheden van Java" door J. van Kinsbergen \')
komen 62 photographieën voor, die van de schoonheid en
rijkdom der Diëng-monumenten een goed beeld geven.
Op de vraag: wat is in het Hindoe-tijdperk de beteekenis
van den Diëng geweest? een antwoord te geven, dat meer
waarde heeft dan eene gissing, is ondoenlijk. Alle historische
getuigenissen zwijgen, — zelfs de anders zoo snapzieke legende
blijft hier stom. En evenzeer ontbreken de middelen om met
juistheid den tijd der stichting van deze merkwaardige werken
te bepalen. Er zijn op den Diëng een tiental beschreven steenen
gevonden, maar de meeste bevatten of slechts onbeduidende
brokstukken van opschriften, óf zijn geheel of nagenoeg geheel
onleesbaar geworden. Een uitzondering maken slechts een
zuiltje, dat een tempel-inventaris bevat, en een steen, diebe-
halve een nog niet gelezen opschrift ook een jaartal vertoont:
731 Sjaka (809 n. O). Op een oorkonde, waarvan in het tweede
hoofdstuk melding gemaakt is, de koperen plaat van 840 n. O,
wordt de Diëng (d i h y a n g) onder de heilige bergen van Java,
en wel in de eerste plaats genoemd.
Uit lateren tijd zijn twee opschriften, die met inkt of verf
op rotsen van het Diëng-plateau zijn aangebracht. In 1845
ontdekte Junghuhn op een met woudboomen begroeid stuk
gronds, dat zich als een eiland verheft in de moerassige tus-
597) beschrijft „wat er alzoo als, blijken van Cornelius\' werkzaamheid nog
over is."
\') Deze collectie van meer dan 300 platen geeft verder afbeeldingen van
beelden in West-Java en van oudheden in den Oosthoek.
-ocr page 120-
103
schenruimte, die de meertjes Werna en Pengilon scheidt, een
rotsblok van een soort van trachiet, dat met een melkwitte,
gladde en harde glazuur is overtogen en waarop met een zwarte
inkt of verf, die op merkwaardige wijze aan den invloed van
lucht en water weerstand heeft geboden, eenige groote karak-
ters zijn aangebracht. Zij zijn gedeeltelijk ontcijferd als het
jaartal 1132 Sjaka (1210 n. O.). Ten oosten hiervan vond de
controleur Von Ende in 1889 een dergelijk opschrift. Op een
vlakken rotswand, ook tusschen de beide meren, zijn acht
rechthoekige vakken met roode verf afgebakend, waarin nog
slechts enkele letters en een rad met acht spaken zichtbaar
zijn. Verbeek meende de jaartallen 930 en 936 Sjaka (1008
en 1014 n. C.) te herkennen, maar de lezing is geheel onze-
ker. In een grotje vlak bij dezen wand zijn enkele met roode
verf getrokken krullen zichtbaar, maar geen letters meer.
Zoo raadselachtig de opkomst der heilige plaats is, zoo raad-
selachtig is ook haar ondergang. Het is thans ongeveer 70
jaar geleden, dat de verlaten omtrek van het Diëng-plateau
opnieuw ontgonnen werd door een Javaan uit Kedoe, die
het geheele terrein bezet vond met dicht houtgewas, welks
wortels tot in de voegen der tempelsteenen waren doorge-
drongen. De geschiktheid van het terrein voor de teelt van
tabak en moesgroenten lokte van toen af eene nieuwe bevol-
king derwaarts; andermaal woedde de bijl in de bosschen;
nabij de noordelijke grens der vlakte verrees een nieuw dorp,
Diëng geheeten, na de dessa Ngadas op den Tengger het hoogst
gelegene van geheel Java, en allengs werden omstreeks een
twintigtal andere dorpen verspreid in het gebergte aangelegd,
alle op een hoogte van meer dan 1500 M. Maar tusschen
die nieuwe vestiging en de verdelging of verhuizing der oude
bevolking ligt een lang tijdvak waarin het Diëng-plateau nau-
welijks door een menschenvoet werd betreden, — een tijdvak
waarvan de duur op niet veel minder dan vier eeuwen kan
geschat worden. De oorzaak van de geheele ontvolking dezer
plaats, van de vernieling van zoovele schoone kunstwerken,
van den terugkeer dier eenmaal zoo druk bezochte plek tot
-ocr page 121-
104
den woesten uatuurstaat is door Junghuhn gezocht in eene
hevige vulkanische uitbarsting; de Kendil en de Pakoewadja,
ten zuid-zuidwesten van het plateau gelegen en thans door een
kloof gescheiden , zouden eenmaal één kegel hebben uitgemaakt,
die door een eruptie zou uiteengeslagen zijn, tengevolge waarvan
de bevolking deels werd gedood, deels moest vluchten. Voor deze
onderstelling zou pleiten het verschil tusschen de lavasoort,
welke het Diëng-plateau bedekt en die waarvan de tempels
zijn gebouwd; deze laatste steensoort zou verborgen liggen
onder de lavastroomen en het lavapuin die door de uitbar-
sting en verbrijzeling van den Pakoewadja over de vlakte ver-
spreid zijn. Latere onderzoekingen \') hebben aangetoond, dat het
uiteenslaan van den berg, indien het ooit heeft plaats gehad, in
een vroegere periode valt dan Junghuhn meende en dat er geen
aanwijzing is die doet vermoeden, dat de werkzaamheid der
jongere kraters in lateren tijd heviger is geweest dan tijdens
den bloei van den tempeldienst op den Diëng. En tevens is
gebleken, dat de lavasoort der tempels op eenigen afstand
van de gebouwen is terug te vinden; voor de bouwsteenen
heeft men blijkbaar de lavabrokken gebruikt, die voor het
doel \'t meest geschikt waren, al lagen die dan ook niet het
dichtst bij de hand \'). In verband met de uitkomst van deze
onderzoekingen is het gevoelen aannemelijk, dat het plateau
met zijn tempels allengs verlaten is naarmate de eeredienst
verliep. Dat de Diëng bewoond is geweest valt zeker niet te
betwijfelen; maar waarschijnlijk woonden er alleen de pries-
ters met hunnen aanhang, levende van de offers die hun door
de pelgrims werden gebracht. De hooge, kille en niet bijzon-
der vruchtbare streek, waar \'t bij regenweder zeer guur en
onaangenaam is, zal hen, die er op den duur niet noodig
hadden, weinig aangelokt hebben als vast verblijf. Van een
tempelstad en hare bevolking kan men hier dus niet spreken,
veeleer van een tempelgroep met het dienstdoend personeel
als opgezetenen. Het aantal pelgrims verminderde waarschijnlijk
\') Mededeelingen van den hoofd-ingenieur van het mijnwezen R. Fennema.
-ocr page 122-
105
reeds toen de Hindoe-rijken van Midden-Java in verval ge-
raakten en het godsdienstig leven zich meer naar Oost-Java
verplaatste; de invloed van den Islam deed het bezoek aan de
Diëng-tempels eindelijk geheel ophouden, en verlaten bleven
de gebouwen over.
De kraterbodem, waarop gebouwd werd, ligt twee meters lager
dan het tegenwoordig oppervlak; de klei, die de riviertjes van
de omliggende bergen afvoerden, wellicht ook vulkanische asch,
hebben het terrein langzamerhand opgehoogd en de bouw-
werken tot ongeveer een vierde hunner hoogte ingegraven.
Reeds in den tijd toen het plateau nog als bedevaartplaats
bezocht werd, schijnt dit euvel zich te hebben doen gevoelen
door storing in den waterafvoer; om het te verhelpen hebben
de Hindoe-Javanen een onderaardsch afvoerkanaal gegraven ,
dat van de Ardjoena-tempels in noordwestelijke richting naar
den bovenloop van de beek Dolok voerde. Het plateau wordt
doorsneden door een kleine beek, Kali Toelis, die op den Prahoe
ontspringt, de grens tusschen de residenties Banjoemas en
Bagelen uitmaakt en een weinig bezuiden het middelpunt dei-
vlakte een meertje vormt met sompige en onzekere oevers,
Telaga Baleh Kambang geheeten; vandaar loopt zij zuidelijk
en vervolgens westelijk naar het meertje Teroes en dan steeds
westelijk en zuidwestelijk om eindelijk in de Serajoe te vallen,
die eveneens op den Prahoe ontspringt. Tijdens het bezoek
van Cornelius vertoonde het plateau zich als een uitgestrekt
meer, dat hij met den naam van het Diëng-meer bestempelt;
hij spreekt van de bouwvallen als te midden van dat meer
gelegen. Maar zelfs in de maand September vond Van Kins-
bergen de hoogvlakte zoo moerassig, dat hij niets kon ver-
richten , alvorens het middel te hebben gevonden om zich van
het water te ontdoen; hij meende dat het zooeven vermelde
onderaardsche kanaal daartoe geschikt zou zijn. Junghuhn,
die dit kanaal had teruggevonden, bespeurde hier negen
gaten of putten, die in een volkomen rechte lijn achter
elkander lagen; door middel van ladders in eenige afda-
lende, ontwaarde hij dat zij onder den grond met elkander
-ocr page 123-
106
verbonden waren en vertikale luchtgaten vormden van een
onderaardsche waterleiding, die nog niet overal was ingestort
en waardoor nog water stroomde. Het water werd er vroeger
heen gevoerd door een open gracht of sloot. Het kanaal was
ongeveer 550 M. lang en de afstand tusschen de lucht-
openingen, die naar het verschil van terreinhoogte ook in
diepte verschilden , bedroeg van 15 tot 30 M. en tusschen
de vijfde en zesde opening nog meer. Het kanaal eindigde
in een kloof en werd dan weder eenige honderden voeten
ver voortgezet in een open gracht, ter breedte en diepte van
vijf voet gegraven. Daar geen sporen van muurwerk gevon-
den werden, giste Junghuhn dat het kanaal en zijne vertikale
schachten door balken geschraagd zijn geweest, die sedert
lang zijn vergaan. De botanicus verheugde zich dat er, wegens de
onverschilligheid der tegenwoordige bevolking, geen vrees voor
herstelling van het kanaal bestond; in dat geval toch, zegt
hij, zouden vele schoone en zeldzaam voorkomende moeras-
planten , die nergens elders op Java groeien, geheel en al
verdwijnen. Doch bijna ware die vreugde te schande gemaakt.
Het eerste werk van Van Kinsbergen, toen hij het plateau
betrad, was een kanaaltje van de Ardjoena-tempels naar deze
leiding te doen graven, om het lastige water te loozen. Hij
bemerkte echter spoedig dat de waterafvoer naar die zijde te
gering was, — zeker een nieuw bewijs van de groote veran-
dering die het terrein sedert den Hindoe-tijd moet ondergaan
hebben. Na een onderzoek te midden van het moeras, slaagde
Van Kinsbergen er in de goede richting voor een kanaal te
vinden, om het overtollige water naar het meer Baleh Kam-
bang te voeren, dat zelf weder met het meer Werna gemeen-
schap heeft. Alle beschikbare manschappen stelde hij daarop
in \'t werk om een gracht van 2,5 M. breedte en ruim 2 M.
diepte in die richting te graven, en spoedig had hij het ge-
noegen van het water in en om de tempels te zien vermin-
deren. Het middelste gedeelte van het plateau is echter ook
nu nog moerassig.
Alvorens men tot de hoogvlakte is opgeklommen, trekken
-ocr page 124-
107
de zoogenaamde Boeddha-wegen en Boeddha-trappen de aan-
dacht, die uit de lage landen van Bagelen en Pekalongan
naar het Diëng-plateau zijn aangelegd. Dat deze wegen naar
Boeddha genoemd worden, ofschoon de monumenten van den
Diëng geen spoor van Boeddha-dienst vertoonen, kan ons
niet bevreemden, wanneer wij weten dat de hedendaagsche
Javaan het geheele vóór-Islamietische tijdvak van Java\'s ge-
schiedenis de djaman Boeda, den Boeddha-tijd, en den
godsdienst zijner vaderen, zonder onderscheiding der verschil-
lende stelsels, de agama Boeda, den Boeddhagodsdienst,
noemt; de beteekenis van het woord Boeddha is voor hem
verloren gegaan en hij verbindt er thans geen ander begrip
aan dan den ouden tijd. De trappen die men op. vele gedeelten
dezer wegen aantreft, waren blijkbaar bestemd om, vooral
waar de hellingen steil zijn, het klimmen en dalen, vooral
voor zwakken en ouden, gemakkelijker te maken. Dat dit de
bedoeling was blijkt vooral uit de geringe hoogte der treden,
die meestal niet meer dan 12 a 14 centimeters bedraagt. Maar
men vindt ze ook op vlakkere gedeelten.
De weg, die uit Bagelen naar den Diëng opwaarts voerde,
schijnt, volgens berichten van inlanders, een aanvang te
hebben genomen bij Goenoeng Tawang, zes palen ten zuiden
van Wonosobo. Thans echter beginnen de sporen van dien
weg eerst een weinig ten noorden van laatstgemelde plaats,
op de grenzen der districten Wonosobo en Kali-alang, terwijl
men ze van daar noordwaarts over eene lengte van ongeveer
14 palen tot aan het Diëng-plateau vervolgen kan. Ten noor-
den van Kali-beber schijnt deze weg zich vereenigd te hebben
met een tweeden, die van de dessa Tjandi, dus genaamd
naar een paar kleine, thans nagenoeg verdwenen Hindoe-tem-
pels, eene oostelijke richting volgde. Hoogerop heeft van de
dessa Ngadiloewih, zoo het schijnt, nog een zijtak oostwaarts
langs het meer Mendjer naar Lobang geloopen. Daar echter
bij laatstgenoemde plaats alle sporen van dezen weg eindigen,
doet zich de vraag voor of hij wel ooit van Lobang tot het
Diëng-plateau is doorgetrokken. Het laat zich denken dat men
-ocr page 125-
108
den weg onvoltooid liet, omdat men een gemakkelijker tracé
gevonden had. De gansche hier beschreven weg met zijne zij -
takken is naar alle waarschijnlijkheid geheel geplaveid geweest
met vierkante gehouwen steenen, waarvan echter zeer weinig
meer te vinden is, daar zij allengs door de dessa-bewoners,
hetzij tot eigen gebruik, hetzij op last van het bestuur voor
gouvernements-gebouwen zijn uitgegraven. Waar men de
breedte nog kan nagaan bedraagt deze ongeveer veertien deci-
meters, en het blijkt dat bij alle eenigszins belangrijke hel-
lingen steenen trappen waren aangelegd, waarvan zelfs in de
lagere gedeelten sommige tot 500 treden moeten geteld hebben.
De steenen, die voor trappen en plaveisel hebben gediend,
zijn van dezelfde zachte en gemakkelijk te bewerken lavasoort,
waaruit de tempels van den Diëng zijn gebouwd.
De merkwaardigste gedeelten van de genoemde trappen
zijn die welke gevonden zijn tusschen Kali Lawang, drie
K.M. te zuidwesten van het meer Mendjer, en het meerTje-
bong, en tusschen laatstgenoemd meer en het Diëngplateau.
Men noemt het eerstgenoemde den buiten-, het andere den
binnnentrap.
De buitentrap reikte van de hoogte van ongeveer 1460 tot
die van omstreeks 2035 M.; hij was dus nagenoeg 575 M.
hoog en telde, daar iedere trede 12 centimeters hoogte heeft,
ongeveer 4760 treden. Thans zijn van dit reuzenwerk slechts
weinige fragmenten over en deze zijn meestal nog zwaar ge-
schonden, \'t Is waarschijnlijk dat op eenige punten, waar
de helling gering was, de verschillende trapreeksen door stuk-
ken weg verbonden waren. De treden bestaan uit vierkante
steenblokken, bevat tusschen steenen boomen, waarvan het
boven vlak met de hoeken der treden gelijk komt en waarop
nog hier en daar de consolevormige stukken eener voormalige
leuning staan. De breedte van den trap met de boomen is
13 decimeters, tusschen de boomen nagenoeg een meter. De
diepte der treden kan misschien gemiddeld 24 centimeters be-
dragen hebben, maar was zeer ongelijk, daar de bodem niet
geëffend was, maar de trap door dichte bosschen en langs
-ocr page 126-
109
diepe ravijnen de bochten en slingeringen van het terrein
volgde. De treden die men gevonden heeft, bestaan meestal
uit twee stukken steen, en de boomstukken hebben slechts
eene lengte van 5 a 6 decimeters, zoodat het geheel uit kleine
stukken is samengesteld. Dat de voegen thans nergens meer
sluiten zal wel minder aan de bouwmeesters, dan aan de
aard schuivingen en tropische regens zijn toe te schrijven.
De binnentrap is, in vergelijking met den buitentrap, van
geringe beteekenis. Hij bestond slechts uit een 300tal treden ,
die thans gedeeltelijk verdwenen en voor \'t overige zwaar be-
schadigd zijn. De bewerking is in \'t algemeen dezelfde als die
van den grooten trap, maar er schijnt minder zorg aan te
zijn besteed. De breedte bedraagt met de boomen bijna 14
decimeters, tusschen de boomen iets meer dan een meter.
De ontdekking van den Boeddha-weg die uit Pekalongan
naar het Diëng-plateau voerde, dagteekent eerst van 1867. Men
vindt de eerste sporen van dien weg bij de dessa Simbang
Klawen in het district Keboemen, het oostelijkste van Peka-
longan, en kan ze vandaar zuidwaarts vervolgen langs Deles
en den kofnetuin Kali-poetih tot aan de zeer hoog op de hel-
ling van den Pager Kendeng gelegen dessa Sigemplong. Wij
bevinden ons hier in de streek ten noord-noordwesten van
het Diëng-plateau. Trappen heeft men zoowel ten noorden als
ten zuiden van Sigemplong ontdekt. De overblijfselen ten
noorden, of beneden Sigemplong, liggen verspreid over eene
uitgestrektheid van omstreeks 200 M. en zijn grootendeels
bijna onkenbaar geworden. De hooger of meer zuidwaarts ge-
legen trap vangt aan ongeveer op de grens van Banjoemas
en Pekalongan; men kan de sporen van ongeveer 400 treden
volgen. Ook deze trappen richten zich naar den loop van het
terrein, zijn van zachte lava vervaardigd en gelijken in alles
op de vroeger beschrevene, behalve dat zij wat smaller zijn.
Van versiering is hier niets te vinden en de staat van verval
maakt het onmogelijk te oordeelen over de zorg en de kunst
die aan den aanleg zijn besteed.
De opmerking, reeds in 1867 door Pet gemaakt, dat al
-ocr page 127-
110
deze wegen eu trappen ook wijzen op eene rechtstreeksche
gemeenschap die in den Hindoetijd over den Diëng heen tus-
schen het midden van Pekalongan en het midden van Ba-
gelen bestond, wordt nog bevestigd door de wegen met trap-
pen die in 1871 gevonden zijn aan den berg Pangonan, die
het plateau aan de westzijde begrenst. De drie blootgelegde
deelen van den weg vindt men aan de helling van den Pan-
gonan die naar het plateau gekeerd is, maar blijkbaar beeft
de weg verder doorgeloopen, zoodat bij met de naar Peka-
longan en naar Bagelen voerende wegen in verband stond.
De bewerking dezer laatst gevonden trappen was blijkbaar zeer
ruw ; vele steenen schijnen verworpen stukken van oude bouw-
werken te zijn.
Onbeslist is het of de volgens de inlanders zeer oude weg die
in Pekalongan van Tersono naar Simbang Klawen voert, mede
tot de Boeddha-wegen behoort. In de richting van Sigem-
plong naar Batoer in Banjoemas is vruchteloos naar sporen
van een Boeddha-weg gezocht; er bestaat niets dan een ge-
woon pad. De vervallen staat en de begroeiing zijn oorzaak,
dat sommige zijtakken van de Boeddha-trappen niet goed meer
te vervolgen zijn.
Wanneer men langs den thans gebruikelijken weg van Wono-
sobo het Diëng-plateau bereikt, kruist het pad aan de oost-
zijde der hoogvlakte een langen rechten bergrug, een uitloo-
per van den Prahoe, die de oostgrens van het plateau vormt.
De geheele binnenhelling van dezen rug is bekleed geweest
met muurwerk van groote gehouwen steenen en verdeeld in
verschillende terrassen, die op enkele punten door zeer smalle,
eveneens uit gehouwen steen vervaardigde trappen met elkan-
der verbonden waren. Deze trappen voerden naar de tempels,
waarvan nu nog de overblijfselen gevonden worden \'). Zij waren
\') Men vindt de oudere berichten verzameld door Leemans in Versl. en Med.
der K. Akad. v. Wet. afd. Letterkunde, Dl. VIII. Verder raadplege men
Brumnnd in Verh. v. h. Bat. Gen. XXXIII. 156—161, en wat de latere ont-
dekkingen en opgravingen betreft de Notulen van het Bat. Gen. (Zie Verbeek,
Lijst van Oudheden, bl. 127—130).
-ocr page 128-
111
gelegen op de vlakke kruin van den bergrug, achter de plaats
waar de huizen van Diëng-wetan (Oost-Diëng) daartegen zijn
geleund, en nabij de pasanggrahan, die hier tijdens de op-
gravingen tot bewaarplaats der beelden en andere merkwaar-
digheden op en bij het plateau gevonden, werd ingericht; ook
benoorden deze pasanggrahan werden oudheden bewaard. Men
kon hier voor eenige jaren nog de overblijfsels van viertem-
pels onderkennen, doch thans zijn schier al de steenen weg-
gehaald , terwijl het met veel zorg gemaakte muurwerk langs de
helling, juist ten gevolge van het aanleggen van bovengenoem-
den weg, die tot binnen de vlakte voert, deels neergewor-
pen, deels weggespoeld is. In de vlakte liggen dan ook nog
duizenden steenen, hier en daar tot groote hoopen opgestapeld.
Vier andere kleine tempel-grondslagen liggen zuidelijker tegen
den bergrug aan weerszijden -van den ouden weg naar Wo-
nosobo. Waar de Toelis de vlakte betreedt vormt deze een
kleine bocht, waarin het gehucht Diëng-koelon (West-Diëng)
is gelegen. Hierbij lagen, ieder op een kleinen heuvel, de ruïnen
van twee tjandi\'s, Tj. Dara-wati en Tj. Parikesit genoemd,
met namen die, evenals die der overige straks te noemen
tempels, aan de Brata-Joeda zijn ontleend. Tjandi Dara-wati
waarvan de muren nog ten deele bestaan maar het dak is inge-
stort, was met veel zorg bewerkt, en had van achteren en aan de
beide zijden een uitspringende nis, waarboven een monster-
hoofd was gebeiteld, en aan weerszijden van die nis vakken
door lijstwerk begrensd. De kamer mat slechts 2,5 M. in \'t
vierkant. De ingang, waarheen eenige treden opvoerden, was
zeer laag; het dak liep hoog op. Tjandi Parikesit, sedert 1873
ingestort en inmiddels verdwenen, had geen nissen, maar fraai
beitelwerk aan den ook hier zeer lagen ingang en een smaak-
vol dak, dat op een padmasana of lotuskussen rustte. Naast Tj.
Dara-wati ligt nog de steenhoop van een derden, reeds vroeger
geheel ingestorten tempel. Junghuhn, die hier in 1845 reisde,
vermeldt nog een tweede groep of rij van tempels aan de westzijde
van de bocht tegen den bergrand geleund, maar schier geheel in
puin gestort. Latere bezoekers maken er geen melding meer van.
-ocr page 129-
112
Overziet men bij de pasanggrahan staande de vlakte, dan
ontwaart men in haar midden de groep der Ardjoena-
tempels; daarachter liggen, bijna in dezelfde lijn, op de
benedenhelling van den Pangonan, de fundamenten van
Tjandi Sentjaki en zuidelijker langs dien bergrand de grond-
slagen van een vijftal andere tempels. Junghuhn spreekt
van een groep van tien tjandi\'s en Brumund zegt dan ook,
dat de steenhoopen het waarschijnlijk maken , dat het aantal
vroeger grooter is geweest. Hij was er trouwens getuige van
hoe men bezig was om een der tempels te sloopen, ten einde
de steenen in het naburige Batoer te verkoopen. Brumund vond
Tj. Sentjaki nog vrij goed bewaard. Het gebouw was vierkant,
met nissen aan weerszijden van den ingang en verder aan de
beide zijden en van achteren. Op het vierkant rustte een acht-
zijdig dak, dat hooger op in cirkelvorm overging, terwijl in
iedere zijde van het achtkant een nisje werd gevonden. Aan
dezen tempel was weinig beeldhouwwerk, maar daarentegen
waren de steenen met bijzondere zorg gepolijst en op elkan-
der gelegd. In de kamer heeft men een waterloozing gevon-
den, vermoedelijk voor het offerwater. Van de overige tempels
dezer groep schijnt Tj. Samba fraai bebeiteld te zijn geweest.
Eene andere, Tj. Nalagareng, is in 1861 onder eene ge-
weldige aardstorting van den Pangonan bedolven. Lager aan
de helling en zuidelijker lagen Tj. Nakoela Sadewa en Tj. Gatot
Katja — de laatste nog gedeeltelijk bewaard gebleven —,
die zeer eenvoudig, zonder ander beitelwerk dan de om-
lijsting en bekroning van ingangen enz. gebouwd waren.
Zelfs in hun vervallen staat, toen van de grootste der beide
tempels het voetstuk en de trappen geheel verdwenen waren
zoodat sommige hoeken van den buitenmuur hun steunpunt
misten , maakten deze gebouwen door hunne sobere belijning
en de goede verhouding van hoogte en breedte een krachtigen
indruk. Thans zijn nog slechts de grondslagen te vinden, bij
Tj. Nakoela Sadewa van twee gebouwtjes bijeen.
Eer wij de Ardjoena-tempels, die meer bijzonder het voor-
werp van het jongste onderzoek waren, in oogenschouw ne-
-ocr page 130-
113
men, nog een woord over Tjandi Bimii\'), gelegen aan het
zuideinde der vlakte, op oen tongvormigen bergrug die haar
sclieidt van het meer Teroes en met den Paugonau Hamen-
hangt. Van al de Diëng-tempels is deze de fraaiste en hoogste.
Het uitvoerig bewerkte dak verheft zich op een omgaande
lotus-lijst met vijf naar boven in omvang afnemende verdie-
pingen tot aan de thans ingestorte spits, en ieder van die
verdiepingen draagt, in nissen met dubbele bogen, verschei-
dene gebeitelde menschenhoofden. Drie van de buitenmuren
springen een weinig uit, en tegen de vierde is een buiten
verhouding groot voorportaal aangebouwd, welks ingang om-
lijst is met beeldhouwwerk; dit portaal doet geen goed aan
den overigens fraaien, slank-pyramidalen vorm van het ge-
bouw, die ongetwijfeld nog beter uitkwam toen de top nog
aanwezig was. De grootte der kamer is 3 bij 4 M.
De Ardjoena-tempels, de best bewaarde groep van den Diëng,
liggen, zooals reeds werd aangeduid, ongeveer in het midden
der vlakte. Ze zijn vijf in getal; vier liggen naast elkander,
van het noorden naar het zuiden, met den ingang naar het
westen gekeerd. De eerste heet meer bepaald naar Ardjoena,
en heeft den vijfden, Tjandi Semar, die er vóór staat, als
bijtempel of priesterverblijf. De tweede heet Tjandi Siïkandi
naar eene van Ardjoena\'s vrouwen. De derde wordt Tj. Poen-
tadewa en de vierde, naar eene andere echtgenoot van Ar-
djoena, Tj. Sembadra genoemd.
Rondom deze tempels, die zooals ik reeds vroeger opmerkte,
tot een vierde hunner hoogte onder lava en aarde verborgen
lagen, liet Van Kinsbergen een rechthoek van 86 meters lengte
en bijna 45 meters breedte uitgraven, zoodat men, op het
uitgegraven vlak staande, tegen het omringende terrein als
tegen een wal of dijk van zes voet hoogte aanzag.
De Tj. Ardjoena is een vierkant, wat massief, maar toch
geenszins onbekoorlijk gebouwtje, met een eng portaal, waar-
\') Hij wordt ook Tj. Werkodflril genoemd, omdat Werkodürn de gewone liij-
niiiim is van Bimfi,
I.                                                                                                            8
-ocr page 131-
114
naar de opgang door eenige treden wordt gevormd, zwaar
lijstwerk aan het voetstuk en zware kroonlijst en een gebei-
telde versiering rondom de poort: als deurbekroning het veel-
vuldig voorkomende kala-makara-ornament, bestaande uit een
grijnzenden kala-kop, met uitpuilende oogen en vervaarlijke
slagtanden, langs de deurposten een smal blad-ornament,
beneden ter weerszijden eindigende in een buiten verhouding
grooten inakara- of olifants-kop met een daarin zittend leeuwtje
of vogel; deze gebeele versiering wordt, verkleind, telkens
herhaald langs de nissen in den voormuur aan weerszijden van
den ingang, en aan die van de buiten-zijmuren en van den
achterwand. Van het fraaie dak, uit drie telkens terugsprin-
gende verdiepingen bestaande, met sierlijk gemodelleerde pijna-
kels aan de vier hoeken van elke verdieping en kleine nissen
daartusschen, zijn thans de bovenste verdieping en de spits
ingestort; het bekleedsel der poort is aan de ééne zijde af-
gevallen, de steenen trapleuning is slechts aan den éénen
kant overgebleven. In de kamer, die 2,5 M. in het vierkant
heeft, en waar slechts voor vier personen plaats is, vond
Van Kinsbergen een steenen voetstuk yoor een lingga of een
beeld, breeder dan de deur en gang die tot het binnenste
leiden, zoodat de tempel om dat voetstuk moet gebouwd zijn.
Aan de zijde waar een tuit is gemaakt voor den afvoer van
het plengwater, was, even boven den vloer, een gat in den
muur, dat aan de buitenzijde even beneden de nis in een
fraai gebeitelden waterspuier uitkomt. In den dorpel en in den
steen boven den ingang waren nog de gaten waarin de pen-
nen staken, waarop eenmaal de deuren hebben gedraaid. Deze
waren vermoedelijk van hout; niet het geringste overblijfsel is
er van gevonden. Daar de tempel geen vensters heeft is het
inwendige der kamer zoo donker, dat men het spits toeloo-
pend, door trapsgewijs elkander naderende steenen gevormd
plafond en de vier kleine nissen in de wanden, die misschien
voor het plaatsen van lampen bestemd waren, nauwelijks kan
onderscheiden.
Tegenover den ingang van Tj. Ardjoenê, staat, op onge-
-ocr page 132-
115
veer tien schreden afstands, Tj. Semar, met den voorgevel
naar eerstgenoemden gekeerd. Dit gebouwtje, thans op een
bovengrondschen grafkelder gelijkend, is langwerpig van
vorm, breeder dan de Ardjoena-tempel, en ontvangt licht
door acht openingen met tudor-bogen. Ook deze tjandi zal
een langzaam toeloopend dak gehad hebben; trouwens bij de
manier van bouwen dezer bouwmeesters was deze vorm van
dak een noodzakelijk kwaad; de pilaar gebruikten zij niet —
men vindt wel pilasters, maar geen enkele pilaar aan al de
Hindoe-tempels op Java — en uit dien hoofde konden zij de
tempels niet afdekken met groote platte steenen, door pilaren
geschraagd; metselkalk bezigden zij niet en daarmede staat in
verband het allerwege ontbreken van den toog, want zonder
metselspecie is geen toog samen te stellen. Er bleef dus, bij de
ongeschiktheid van het klimaat voor houten balken, niet veel ■
anders over dan van de kroonlijst af de steenen langzaam
naar binnen te doen oversteken en den eenvoudigen pyrami-
dalen dakvorm, die uit deze bouwwijze voortkomt, te breken
door staande muurtjes, de verdiepingen van het dak; maar
de daken werden zoodoende onevenredig zwaar voor den on-
derbouw en als men zich daarbij nog even herinnert dat al
de steenen slechts gestapeld lagen en dat de wortels van
planten en boomen de steenen van hunne plaats brachten,
dan moet men zich verbazen, dat er in dit land van aard-
schokken nog zooveel is blijven staan.
Ook in Tj. Semar heeft een voetstuk gestaan, gelijksoortig
met dat van Tj. Ardjoena; het is zichtbaar, maar werd niet
opgegraven. Klaarblijkelijk stond dit gebouw, waaraan ook
een trap is gevonden, met Tj. Ardjoena in verband. Achter
Tj. Ardjoena, d. i. aan de oostzijde, is een eenvoudig vier-
kant plat voor den dag gekomen, dat zich slechts weinig
boven den beganen grond verheft. Tusschen den tempel en
dat plat vond men een beschreven steen, die waarschijnlijk
op het plat heeft gestaan. Hij is zwaar beschadigd en met
uitzondering van drie regels geheel onleesbaar geworden,
omdat er de spits van den tempel, een vervaarlijk stuk steen,
-ocr page 133-
116
op gevallen is. Tegen den achtermuur van den Tj. Ardjoena
was, evenals achter al de andere, een diepe put gegraven,
dien Van Kinsbergen tot bevordering eener goede bewaring
heeft doen opvullen. Tjandi Ardjoena en Tj. Semar zijn te
zamen omgeven geweest door een ringmuur, die eigenlijk uit
twee dunne muren bestaan heeft, waarvan de tusschenruimte
met aarde was opgevuld. Het met fraai lijstwerk versierde
soubassoment is nog overig. Aan de oost- en westzijde van
dien ringmuur was een opening, of misschien een poort,
waarnaar men met een nog aanwezigen trap van drie treden
opsteeg. Bij die openingen vindt men rollagen , waarop juist
het voetstuk past van een zittend beeld, in de nabijheid ge-
vonden ; men kan hieruit opmaken dat die toegangen door
beelden bewaakt werden.
Tj. Srikandi behoort met Tj. Bima tot het fraaiste wat
het Diëng-plateau aan bouwwerken bevat; er zit artistiek ka-
rakter in dezen forschen bouw van een klein heiligdom, be-
stemd voor den dienst van enkelen ten behoeve van velen.
Op den top na, welks vorm zich, door de harmonische af-
metingen van het geheel, niet moeilijk laat raden, is ervan
dezen tempel weinig verloren gegaan; hij was op dezelfde
wijze als Tj. Ardjoena met een tweede tempeltje verbonden,
waarvan echter alleen het onderste gedeelte is bewaard ge-
bleven. Beide tempels te zamen waren ook evenzoo door een
ringmuur omgeven. En geheel hetzelfde was ook het geval
bij Tj. Poentadewa, waarbij echter van den bijtempel alleen
de grondslagen gevonden zijn. Wellicht was een van beide
kleine tempeltjes of waren beide voor den nandi van Sjiwa
bestemd, die gewoonlijk in een klein gebouw vóór eiken
Sjiwa-tempel werd aangetroffen. Achter Tj. Poentadewa staat
een zeer groot pedestal, met drie padmasana\'s, het gewone
voetstuk der Hindoe-beelden. De ringmuren der drie tempel-
paren zijn door vrij breede wegen gescheiden geweest. Tj.
Sembadra alleen heeft noch muur, noch bijtempel gehad. Al
de andere tempels zijn lager dan de Tj. Ardjoena. Bij alle
zijn de daken op soortgelijke wijze gevormd; alle hebben
-ocr page 134-
117
een vooruitspringende portaalgang, en zijn met velerlei bloem-
en ornamentwerk bebeiteld. Bij Tj. Poentadewa, waarvan
weinig meer dan een steenkubus met vervallen portaal
over is, zijn de nissen door halfverheven beelden op den
muur zelven vervangen; pbotographieën van de zijwanden
geven de beelden van Brahma en Wisjnoe te zien; of ook de
acbterwand versierd was, blijkt niet. De nauwe toegang en
inwendige ruimte zijn bij alle vrij wel gelijk.
Nog verdient opmerking, dat tusschen Tj. Poentadewa en
Tj. Sembadra, eene ruïne die op instorten staat, de overblijf-
selen worden aangetroffen van twee woningen, gescheiden
door eene doorloopende galerij , die recht naar den tempel
Gatot Katja leidt; terwijl hij het graven van het kanaal voor
den waterafvoer de sporen zijn gevonden van straten en wo-
ningen, die getuigen van het drukke verkeer dat oudtijds
het plateau verlevendigde.
Bij de voortzetting der ontgraving van het Diëng-plateau
zijn al spoedig nieuwe ontdokkingen gevolgd. Terwijl van de
opengelegde ruimte om de Ardj oen a-tem pels een sloot in
noordoostelijke richting gegraven werd, stuitte men op eenige
fundamenten, die later gebleken zijn tot den ringmuur van
een tempel te behooren. Zij hadden eene lengte van ongeveer
68 en een breedte van ongeveer 34 meter, en schijnen een
muur gedragen te hebben, geheel van denzelfden aard als
die van Tj. Ardjoena. Deze ringmuur, waar fraaie kleine
trappen door of over leiden, heeft behoord aan een tempel
waaraan ook de naam van Tjandi Poentadewa wordt gege-
ven; bij verder graven heeft men binnen die muren funda-
menten van verschillende gebouwen, fraaie trappen met leu-
ningen die in gehouwen dieren eindigen, twee diepe putten
en andere overblijfselen gevonden. Bezuiden en beoosten Tj.
Poentadewa, aan weerszijden van den weg die van den pa-
sanggrahan naar de Ardjoena-tempels leidt, heeft men nog de
fundamenten van twee andere ringmuren en tempels opge-
graven, waarvan geene namen bekend zijn en die weinig
merkwaardigs schijnen te hebben opgeleverd. Een vierde
-ocr page 135-
118
tempel, met een ringmuur die 51 meter lang en 36 meter
breed is, waarvan de overblijfselen, vooral het zeer gave en
kolossale beeld van een zittenden leeuw, bijzonder geroemd
worden, is iets oostelijker aan den genoemden weg gevonden,
die zelve uit naast elkander gelegde gehouwen steenen, uit
de bouwvallen opgezameld, was vervaardigd. Van een vijfden
tempel ontdekte men sporen een weinig bezuiden laatstge-
melden. Van een zesden vond men de grondslagen des ge-
deeltelijk afgebroken ringmuiirs en van zeer zonderling door
elkander geplaatste gebouwen, beoosten de vroeger bescbre-
ven onderaardsche waterleiding, aan den voet van den Pango-
nan. In den hoek van het plateau tusschen den tunnel en
den Pangonan werden nog tal van andere fundamenten op-
gegraven. Opmerkelijk is het, dat bij de meeste fundamenten
de hoeken niet recht zijn en de symmetrie gebrekkig is. Ook is
men er niet in geslaagd in den stand der tempels met betrek-
king tot elkander eenig verband te vinden; dit schijnt echter
zeker, dat de groote meerderheid der tempels in het midden
der vlakte heeft gestaan.
Wanneer men overweegt hoevele nissen en pedestallen , voor
de plaatsing van beelden bestemd, in en bij de Diëng-tempels
worden aangetroffen, dan kan men gemakkelijk nagaan, dat
zij ook een rijke mijn voor de verzamelingen van oud-
Javaansch beeldhouwwerk zijn geweest. Reeds voorlang zijn
vele beelden van den Diëng naar Pekalongan en Batoer ge-
vocrd , allengs verstrooid en in verschillende musea terecht
gekomen. De opgravingen hebben op groote schaal tot ver-
rijking van het kabinet van oudheden van het Bataviaasch
Genootschap bijgedragen. De kunstwaarde dezer beelden is
zeer verschillend, maar allen zonder uitzondering bevestigen
het resultaat, door de beschouwing der tempels opgeleverd,
dat de heilige plaats op het Diëng-plateau eene stichting was
van Sjiwaïeten, en voornamelijk aan den dienst van Sjiwa,
zijne sjakti of gemalin Doerga en beider zoon Ganesja was
gewijd. Van Boeddhistische voorstellingen is in de geheele
massa dezer overblijfselen geen spoor te vinden.
-ocr page 136-
119
Wij verlaten thans het Diëng-gebergte, maar niet de
residentie Bagelen, waar wij nog de in 1853 door Kinder
ontdekte tempelgrotten van Koeta Ardja,, een zeer karakte-
ristiek overblijfsel der Hindoe-tijden, aantreffen. De tot nu toe
bekende kunnen in vier groepen verdeeld worden, en men
mag wellicht verwachten dat voortgezette nasporingen nog
meerdere zouden aan het licht brengen. In den rotswand van
Goenoeng Lanang vindt men de met lijstwerk versierde in-
gangen van twee dier grotten, die koepelvormig zijn en naast
elkander liggen. In elke grot vindt men een lingga, geplaatst
op een vierkant voetstuk met eenigszins verheven rand, een
zoogenaamde joni; zij zijn te zamen uit de rots zelve ge-
houwen. Van den bovenrand des voetstuks loopt een tuit
naar een eveneens uit de rots gehouwen waterbekken, terwijl
langs den vloer een smal afwateringskanaal is gebeiteld in
de richting naar den ingang. De tweede groep, die van Goe-
noeng Tebasan, bestaat uit een langwerpige voorhal, met
natuurlijk, koepelvormig gewelf en voorzien van drie zit-
plaatsen, terwijl in den achterwand een doorgang gevonden
wordt naar een vertrek, insgelijks met een koepeldak, en
waarin men joni, lingga, waterbekken enz., op dezelfde wijze
ingericht, terugvond. Aan den noordelijken wand der voorhal
vindt men een soortgelijken doorgang naar eene wat hooger
liggende kamer, waarin men slechts de stukken van een ver-
brijzelde joni en lingga aantreft. De derde groep, die van
Goewa Tapoes of Gong \'), heeft insgelijks een voorportaal met
zitplaatsen , en voorts twee achter elkander liggende, met gan-
gen verbonden kamers, waarvan de eerste thans ledig is, de
tweede alweder de overblijfsels van joni, lingga en bekken
bevat. De vierde groep eindelijk, Goewa Merden, bestaat uit
twee onvoltooid gebleven rotskamers, die, daar zij aan de
\') Bij Kinder, den ontdekker dezer grotten, Watoe La wang geheeten, wat
echter een algemeene naam voor al deze grotten is („rotsen met deuren of
poorten"). Goewa = grot. De maten van Kinder (Tijdschr. I. T. L. en Vk.
I. 89) kloppen niet met die van Friederich (aldaar, XXXII. 55), zoodat een
nienw onderzoek gewenscht is.
-ocr page 137-
120
voorzijde open zijn, waarschijnlijk slechts de voorhallen moesten
vormen van daarachter liggende grotkapellen, welker uithou-
wing is achterwege gebleven. Ofschoon de prachtige grottem-
pels van Hindostan, waarvan «leze kapellen eene navolging
zijn op zeer kleine schaal, hun oorsprong aan de Boeddhisten
danken, en ofschoon wij ook op Java, in de residentie Ke-
diri, Boeddhistische grotkapellen zullen aantreffen, blijkt de
Sjiwaïtische oorsprong dezer grotten uit den lingga, het ge-
wone symbool waaronder Sjiwa vereerd werd.
Ofschoon de residentie Kedoe een der hoofdzetels schijnt
geweest te zijn van het Javaansche Boeddhisme, vindt men
toch ook hier talrijke Sjiwa-tempels. Op de noordoostelijke
helling van den Sendara liggen Tjandi Perot en Tjandi Pring-
apoes, de eerste met een beeld van Ganesja in een buitennis
aan den achterwand — de beide andere muren zijn ingestort — ,
terwijl in de kamer van den laatsten een nandi wordt ge-
vonden. Tjandi Perot, waar een beschreven steen ontdekt
werd met het jaartal 774 Sjaka, is op schilderachtige wijze
omklemd door de wortels van een verbazend grooten vijge-
boom, wiens lijnrechte stam zich midden op den top van het
tempeltje verheft, en zich op een hoogte van bijna honderd
voet tot eene geweldige loof kruin uitbreidt. Op het zuidoostelijke
voorgebergte van den Soembing verheft zich Tjandi Sela, Grija,,
die, evenals Tjandi Perot, Ganesja buiten tegen den achter-
muur heeft, terwijl op den rechtermuur Sjiwa als Goeroe,
op den linkermuur Doerga is gebeiteld; in zijn nabijheid
zijn singa\'s of leeuwen op breede, platte voetstukken ge-
vonden. Den 238ten April 1866 had bij de dessa Telahap,
aan den oever der rivier Gandoel, aan den zuidelijken voet
van den Soembing, eene aardstorting plaats, waardoor een
zich in den steil opgaanden oever bevindende trap is ontbloot,
die sedert zoover is ontgraven, dat 89 treden zichtbaar zijn
geworden. Hij is gemaakt uit dezelfde zachte lavasoort die
voor de tempels en trappen van den Diëng is gebruikt, met
veel zorg bewerkt en verwonderlijk goed bewaard. Pet meent,
dat hij kort na den bouw bedolven is, en dat later de rivier
-ocr page 138-
121
Gandoel haren weg heeft genomen door den neergeploften
grond. De trap loopt dan ook blijkbaar onder de genoemde
rivier nog verder naar beneden, maar eene voortgezette ont-
graving zou waarschijnlijk de groote moeite en kosten niet
loonen. Tot den bouw zijn zeer kleine stukken steen gebe-
zigd, en zelfs in die kleine steenen vindt men nog op eenige
plaatsen lapstukjes gezet vah ongeveer vijf centimeters in
\'t vierkant. De reden van deze ook elders opgemerkte han-
delwijze zoekt Pet daarin, dat die bouwwerken uit den Hindoe-
tijd , onder leiding van zeer goede architecten, zijn opge-
richt door zeer middelmatige Javaansche werklieden, die
reeds toen, gelijk zij nog heden doen, een gebrekkig stuk
hout liever oplapten en bijwerkten dan het ongebruikt te
laten liggen. Aan het boveneind van de trap is een klein
plat, waarop waarschijnlijk vroeger een tjandi of eenig heilig
voorwerp heeft gestaan, dat thans verdwenen is.
Wij zijn nu genaderd tot het schoonste en indrukwekkendste
van alle gedenkteekenen uit den Javaanschen voortijd, den
geheel eenigen bouw van Bara Boedoer, die in den ganschen
eindeloozen rijkdom zijner samenstellende deelen zijn Boed-
dhistischen oorsprong met onbetwistbare klaarheid aan den
dag legt.
Wij hebben niet over gebrek aan hulpmiddelen tot volle-
dige kennis van dit bouwwerk te klagen. Het is vele malen
beschreven, maar alle vroegere beschrijvingen zijn overbodig
gemaakt door het uitgebreide werk over dit gebouw, vol-
gens de handschriften van Wilsen en Brumund, met raad-
pleging van vele andere uitgegeven en onuitgegeven stuk-
ken, door Leemans samengesteld. Bij dat werk behooren
niet minder dan 394 platen, naar teekeningen door Wilsen
en Schónberg Muller op last der Regeering vervaardigd. Al
de onderdeden van het gebouw en zijne versiering, al de
voorstellingen op de verbazende menigte basreliefs die de
wanden bedekken, zijn op deze platen afgebeeld. Maar het
Bataviaasch Genootschap heeft dit terecht nog niet genoeg
geoordeeld, daar de nauwkeurigheid, althans van een deel der
-ocr page 139-
122
teekeningen, veel te wenschen overlaat, en bij de vervaardi-
ging daarvan niet is uitgegraven wat door puin en aarde be-
dekt was. Het heeft dus den uitstekenden photograaf Van
Kinsbergen opgedragen, ook van de schoonste partijen en
basreliefs van Bara Boedoer lichtbeelden te vervaardigen.
Deze heeft zich als naar gewoonte uitstekend van zijne zen-
ding gekweten, en wij danken hem eene serie van 65 photo-
graphieën, die van de schoonheid van het beeldwerk nog
veel juister denkbeeld geven dan ook de beste der platen van
Wilsen \'). Wat de reliëfs betreft, bepalen ze zich echter bijna
geheel tot den eersten omgang; het zou zeer te wenschen
zijn, dat ook van de fraaie beeldwerken van den tweeden
en vierden omgang photographische afbeeldingen werden
vervaardigd.
Nadat Leemans zijn werk schreef, is het inzicht in het Ja-
vaansche Boeddhisme verbeterd. Zoo zijn vele der door hein
voor vorsten en vorstinnen gehouden beelden als Bodhisatwa\'s
en Tara\'s herkend. Met zijn boek, dat voor de beschrijving
nog steeds de hoofdbron is, dient dus de nieuwe beknopte
beschrijving van Groneman te worden vergeleken \'). Ook is
uit de nieuwe ontgravingen, waarover straks zal worden ge-
handeld, gebleken dat het juister is, wat Leemans den twee-
den omgang noemt den eersten te noemen, welk verschil bij
een vergelijking van zijne beschrijving met de hier volgende
moet worden in \'t oog gehouden.
Bara, Boedoer — of de naam uit „Bara Boeddha" verbas-
terd kan zijn en „de ontelbare Boeddha\'s" beteekenen, zullen
wij daarlaten :\') — is gelegen in het zuiden van het regent-
schap Magelang, op kleinen afstand westwaarts van den
rechteroever der Praga, en een weinig ten noorden van het
punt waar zij de Ella opneemt. Op nagenoeg dezelfde breedte,
doch onmiddellijk aan den oever van de Praga, ligt onder
\') Not. v. h. Bat. Gen. XII. 42-50 en Bijl. F.
:) De tjandi BarSboedoer op Midden-Java, door Dr. J. Groneman, 1892.
s) Andere verklaringen van den naam zie men bij Von Humboldt, Kawi
Sprache, I. 189.
-ocr page 140-
123
een reusachtigen randoe alas of wilden kapokboom, een kleine,
half vergane, door de wortels zei ven van den boom die hem
beschaduwt, uit zijn verband gerukte tjandi, die de inboor-
lingen Tj. Pawon noemen, en die waarschijnlijk tot Bara
Boedoer in nauwe betrekking heeft gestaan; de versiering en
het beeldwerk wijzen duidelijk op Boeddhistischen eeredienst.
De heuvel waaromheen Bara, Boedoer werd gebouwd, ver-
eenigde in zich vele voordeelen voor de stichting van een
zoodanig heiligdom. Waarschijnlijk was zijn vorm reeds van
nature vrij regelmatig, zoodat er slechts betrekkelijk weinig
arbeid werd gevorderd om hem geschikt te maken voor de
boven elkander verrijzende terrassen, waarlangs men zou op-
klimmen tot den grooten Dagob, die naar des bouwmeesters
plan den top moest kronen. De uitbarstingen der naburige
vulkanen hadden het omliggend terrein bezaaid met een on-
uitputtelijken voorraad van trachietblokken , die overvloed van
voortreffelijk materiaal voor den reuzenbouw opleverden. Ook
was die heuvel op aanzienlijken afstand zichtbaar, en niet
het minst wellicht heeft gewogen, dat hij een uitgestrekt en
prachtig vergezicht beheerscht, \'t welk nog heden de bewon-
dering der bezoekers wekt. Evenals de christenmonnikken,
wisten ook de Boeddhistische priesters voor hunne heilige
gebouwen met fijnen tact de plaatsen te kiezen die zich door
schoone ligging onderscheidden.
Bij de korte beschrijving van Bara Boedoer, die ik thans
wil beproeven, zal ik mij houden aan hetgeen vroegere en
latere waarneming, met de gevolgtrekkingen waartoe zij aan-
leiding gaf, omtrent den oorspronkelijk en vorm heeft geleerd:
Dat de tegenwoordige staat van het hier en daar vervallen
monument dien vroegeren vorm gedeeltelijk slechts doet raden ,
en elke denkbeeldige wederopbouw in sommige opzichten aan
bedenking is blootgesteld, zal ieder gemakkelijk beseffen. Vooral
de benedenste terrassen hebben nog na 1814, toen Bara Boe-
doer het eerst werd opgenomen, zoo groote verandering on-
dergaan, dat veel wat toen nog duidelijk kenbaar was, thans
niet meer is te herkennen.
-ocr page 141-
124
Een tempel in den zin dien men gewoonlijk aan dit woord
hecht is Bara Boedoer niet, want het gebouw heeft geen in-
wendige ruimten en leunt overal tegen den heuvel. De top
van dien heuvel verhief zich ruim 47 M. boven de vlakte
die hem omringt. De aanleg der terrassen begon eerst op de
hoogte van 15\'/» M., zoodat de voet des heuvels een breede
grondlaag vormde. Op die hoogte van 15\'/. M. werd de hel-
ling afgebroken en ging zij over in de oppervlakte van het
eerste terras, dat door tien andere van gedurig kleineren
omvang gevolgd werd , terwijl de afgeplatte top zelf als het
twaalfde en hoogste kon beschouwd worden. Het onderste
terras vormde een volkomen gelijkzijdig vierkant waarvan
iedere zijde 151.6 M. mat. Die zijden waren naar de heinel-
streken gericht, en in het midden van elke zijde werd een
toegang aangewezen door twee op voetstukken geplaatste
leeuwen, wier opengesperde muilen naar elkander gekeerd
waren en tusschen welke eene ruimte van 7.38 M. openbleef.
Het tweede terras lag ongeveer 1.52 M. hooger dan het eer-
ste1), en vormde geen vierkant, maar een zes-en-dertig-hoekig,
aan elke zijde tweemaal uitspringend grondvlak , waardoor zijn
omtrek veel minder van den ronden vorm des heuvels afweek
(PI. IV). Zelfs zijne verst vooruitspringende deelen bleven
14.7 M. van den buitenrand van het eerste terras verwijderd.
Elke zijde van dit tweede terras mat 111.5 M. en de diepte
of afstand tot de volgende verhooging bedroeg 3.45 M. Weder
in het midden van elke zijde klom men langs trappen van
vier treden van het eerste terras naar het tweede. Deze trap-
pen waren voorzien van borstweringen, die met sierlijke krom-
ming naar beneden daalden en in een gapend olifantshoofd
met achterwaarts gekrulden slurp eindigden. Beide deze terras-
sen, gelijk ook al de volgende, waren met platte, vierkante,
zeer regelmatig gevormde trachietsteenen geplaveid.
\') De cijfers in den tekst zijn van Leemans. Die van IJzerman voor de
benedenterrassen vertoonen kleine afwijkingen (Tijdschr. I. T. L. en Vk.
XXXI. 2G1).
-ocr page 142-
125
Het derde terras volgde geheel het beloop van het tweede,
verhief zich ongeveer 2.28 M. daarboven en werd bestegen
door trappen van zeven treden, welker leuningen aan weder-
zijde sloten aan een borstwering die dat terras omgaf, en
vandaar in bevallige bochten naar beneden liepen, tot zij in
een krul op den vloer van het tweede terras eindigden. Een
deel van de trapleuningen was vlak en rechthoekig omge-
bogen, en vormde het voetstuk voor zittende leeuwen, in alles,
behalve in de hier veel geringere grootte, overeenkomende
met de leeuwen die het onderste terras bewaakten. De diepte
van dit terras, de thans verdwenen borstwering medegerekend,
bedroeg 6.358 M.\'). Deze borstwering bestond uit een voet,
een teerling en een kroonlijst. Er vóór waren op den muur
tusschen het tweede en derde terras op regelmatige afstan-
den antefixen geplaatst, in den vorm van een rechthoek
en daarop rustenden gelijkbeenigen driehoek en met blad-
versierselen op de voorzijde. Het aantal dier antefixen be-
droeg 360, en daarvan waren 280, tegelijk met de borst-
wering zelve waartegen zij leunden, doorboord ten behoeve van
gootjes, voor den afvoer van het regenwater aangebracht.
Omtrent de nu beschreven onderste drie terrassen, waarvan
het benedenste thans geheel onder den grond bedolven is, terwijl
liet middelste slechts een enkele trede daarboven uitsteekt,
zooals oorspronkelijk het onderste deed *), is door den ingenieur
IJzerman in 1885 een merkwaardige ontdekking gedaan.
In het klokogief, dat, zooals op PI. I te zien is, het derde
terras omgeeft, vond hij een voeg, die hem deed bespeuren ,
dat dit klokogief oorspronkelijk een halfrond ogief is ge-
weest. Ontgraving leidde nu tot de ontdekking, dat de drie
genoemde terrassen een lateren aanbouw vormen, die reeds
vóórdat de voet van het momuinent geheel was afgewerkt,
daartegen moest worden aangebracht. Bij de hevige belasting
van den grond was zetting van de droog met haken en tanden
\') Volgens IJzerman (zie PI. I) G,55 M.
!) Op pi. IV en V is dus dit onderste, vierkante terras niet te zien.
-ocr page 143-
126
Schaal 1: 50.
Ten einde de afwerking aan den buitenkant te doen
zien, is op deze afbeelding het hoogste der nieuwe terrassen
te smal voorgesteld; maar de werkelijke breedte, 655cM.,
is er, tot juist begrip, boven geschreven.
PI. I. Doorsnede van den begraven voet van B8rü Boedoer, volgens IJzerman.
-ocr page 144-
127
in elkander gewerkte muren en terrassen ingetreden; het
regenwater drong door de voegen naar binnen, doorweekte
den bodem en vergrootte den gronddruk tegen den achterwand
der muren. Langzamerhand zal die toestand zoo verergerd
zijn, dat voorziening noodig werd. Om het uitwijken van den
voet tegen te gaan, heeft men een massa van 11.600 MJ steen
als een machtige band in drie terrassen daaromheen gesta-
peld. Zoodoende werd de oorspronkelijke voet, die het be-
nedendeel van het monument veel rijziger moet hebben doen
schijnen, aan het oog onttrokken (PI. I). Ongeveer drie en
een halven meter beneden het genoemde derde terras ligt een
vloer van steenen, die ter breedte van bijna 9 M. om het
gebouw loopt^ Op dezen vloer nam de oorspronkelijke voet
een aanvang, die thans ter hoogte van ongeveer 4\'/: M.
voor \'t oog verborgen is; hij bestaat uit telkens, te zamen
ruim 2 M., terugspringende banden en lijsten, verschillend
van vorm en hoogte en afgewisseld door een klokogief; maar
het merkwaardigste gedeelte van dezen voet is buiten kijf een
verticale band van 86 centimeters hoogte, die om hetgeheele
gebouw loopt en prijkt met half verheven beeldhouwwerk, ver-
deeld over 160, door vlakke lijsten omgeven en naast elkander
staande tafereelen, 1,93 M. breed en 0,66 M. hoog. Nadat
IJzerman een paar dezer basreliefs had doen ontgraven en daarna
enkele andere door Rouffaer waren ontbloot, werd in 1890 op
voorstel der te Jogjakarta opgerichte Archaeologische Veree-
niging door de Regeering besloten, ook alle andere op haar
kosten volgens een werkplan van Groneman, tijdelijk en bij
gedeelten te ontblooten (PI. II) en in lichtdruk te doen af-
beelden. Aan een blijvende ontblooting viel niet te denken.
Zij zou, om niet het geheele bouwwerk te doen instorten, te
kostbare en den bouwval al te zeer ontsierende steenwerken
vereischt hebben.
Tot dusver heeft men in deze beeldwerken geen doorloopende
reeks van bekende gebeurtenissen of legenden kunnen ontdek-
ken. „Onder vele huiselijke en enkele landelijke tafereelen,"
zegt Groneman, „treft men een paar vogeljachten aan, met
-ocr page 145-
128
PI. II. Uitgegraven voet van BftrS Boedoer.
-ocr page 146-
129
blaasroer of boog en pijl en een vischvangst met werpnetten ;
een krijgsdans en een paar andere dansuitvoeringen, waarbij
een van een windzak voorzien blaasinstrument bespeeld wordt.
Verder vele aanbiedingen van hulde of van spijs- of bloe-
rnenoffers aan Bodhisatwa\'s of andere heiligen en eenmaal
aan den Dhjani-Boeddha Arnitabha. Demonen of raksjasa\'s,
meestal andere personen aanvallend of doodend , komen enkele
malen voor, evenals bodhi-boomen , soms door pajongs gedekt;
tjaitja\'s ziet men meermalen." De bedekking der basreliefs
heeft oudtijds met zorg plaats gebad, want ze zijn eerst met
een laag klei bedekt en daarna zijn er vierkante steenen
tegen gestapeld; enkele waren klaarblijkelijk nog niet voltooid
(PI. III) \')•
Boven ruim een twintigtal dezer voorstellingen zijn korte
opschriften in Kawi-schrift op ruwe wijze ingekrast. Zij vor-
men het eerste schrift, dat op Bara Boedoer is gevonden;
naar den vorm der letters te oordeelen dagteekent het waar-
schijnlijk uit de 9e eeuw, waardoor dus eenig gegeven omtrent
den ouderdom van het gebouw is verkregen. Eenige dezer
opschriften zijn niet of nauwelijks meer leesbaar ; van de andere
zijn nog slechts enkele door Brandes gelezen. Deze bevatten
enkele woorden ter verklaring der tafereelen; zoo heet een:
huldiging van den tjaitja; in enkele andere is de naam van
een der afgebeelde personen bevat.
Ik zal de vier volgende terrassen, die oorspronkelijk de
vier eerste waren en door hunne smalheid geheel van de vorige,
later aangebrachte, verschillen, den eersten, tweeden, derden
en vierden omgang noemen, en den naam terras wederom
geven aan de vier laatste verhoogingen, waarvan de eerste,
twintighoekige, slechts aan de buitenzijde, de drie andere,
ronde, in het geheel niet door wanden of borstweringen wa-
ren ingesloten (PI. IV en V) s).
\') De platen II en III zijn verkleinde afbeeldingen dei\' door de, Regeering
uitgegeven lichtdrukken.
s) Beide ontleend aan Fergusson, History of Indian and Eastern Arohitcc-
ture, Londen 1876, bl. 645.
I.                                                                                                            9
•
-ocr page 147-
130
•
-ocr page 148-
131
De vloer van den eersten omgang lag 2.04 M. boven dien
van het derde buitenterras, helde, gelijk al de hooger gelegen
vloeren, een weinig naar buiten af, en had tusschen de voor-
Pi. IV. Halve plattegrond van BS va Boedoer, 1:1200.
en achterwanden eene breedte van 1.73 M. Om den geheelen
omgang liep een ringmuur, op twintig plaatsen doorboord voor
de goten, die aan de buitenzijde in spuiers, in den vorm van
gapende olifantshoofden, eindigden, maar overigens alleen af-
gebroken door vier poorten, ééne in het midden van elke zijde
PI. V. Halve doovsnede van BSvS Boedoer, 1:840.             delste hoo-
ger was dan de beide anderen, en een nis hadden in de voor-
zijde. Tusschen elke twee tempeltjes verrees een veel kleiner
-ocr page 149-
132
gebouwtje met klokvormige bedekking, eindigende in een kegel-
vormig topstuk. Het benedendeel der grootere en kleinere ge-
bouwtjes te zamen werd gevormd door een doorloopend lijstwerk
of, zoo men wil, tweeden muur, op den ringmuur opgetrokken.
De nissen waren echter tot op den eersten muur doorgetrokken
en de tusschenruimten tusschen de nissen, zoowel als de gebeele
achterzijde van dien tweeden muur en beide zijden van den
benedenmuur, waren door staande posten regelmatig verdeeld
in vierkante kazementen of verdiepte velden, waarop half ver-
heven beeldhouwwerk was aangebracht. De gebouwen waarin
zich de poorten bevonden, hadden in vorm groote overeenkomst
met de vermelde grootere tempelgebouwtjes, en overtroffen ze
zelfs niet in hoogte, dan voor zoover het peervormige topstuk
van hun middeltoren wat hooger uitstak. Daar echter de poort-
gebouwen bijna de dubbele breedte hadden, moest hun voor-
komen wel wat gedrukt zijn. Vóór de poortgebouwen waren de
trappen aangebracht, die 2.77 M. vooruitsprongen en met acht
treden van ongelijke hoogte en diepte naar een bordesje voerden,
om vandaar met nog twee treden den vloer der poortgebouwen ,
evenhoog als die van den geheelen tweeden omgang, te be-
reiken. De fraaie trapleuningen eindigden van boven in een
opgesperden leeuwenmuil, die tegen het poortgebouw rustte,
en aan het benedeneinde in even zulk een olifantshoofd als
wij reeds meermalen onder de versieringen van Java\'s tem-
pels opmerkten. Met gewelf der poorten bestond uit vlak lig-
gende, elkander gedurig meer naderende steenen, die nader-
hand tonvormig waren uitgehouwen.
Ik zou verre mijn bestek overschrijden, indien ik den on-
eindigen rijkdom van architektonische sieraden aan den muur
en de daarop verrijzende tempeltjes en van de poortgebouwen
en trappen wilde beschrijven. Maar bij de beelden en basre-
liefs, die voornamelijk het karakter des gebouws uitdrukten,
moet ik nog een oogenblik stilstaan. Het aantal gebouwtjes
met nissen dat zich op den ringmuur des tweeden omgangs
bevond, bedroeg aan elke zijde 26, of in het geheel 104. In
elk dezer nissen was een Boeddha-beeld geplaatst, met den
-ocr page 150-
133
lotustroon waarop het was gezeten, uit één steen gehouwen
en daarmede 1.54 M. hoog. Die beelden droegen het gewone
uiterlijk der Dhjani-Boeddha\'s, in het vorig hoofdstuk beschre-
ven. Achter de beelden was een lichtschijf of aureool aange-
bracht. Wij zullen die, behoudens het verschil in de houding
der handen volkomen aan elkander gelijke Boeddha-beelden
ook in de nissen der hoogere omgangen terugvinden. Hier
merken wij reeds op, dat aan iederen wand, voor zoover de
benedenste vier der vijf ringmuren betreft, die de omgangen
scheiden, juist die Dhjani-Boeddha\'s voorkomen, die daar over-
eenkomstig de windstreek moeten zetelen. Aan de oostzijde
van het gebouw vindt men op alle die vier ringmuren Ak-
sjobhja, aan de zuidzijde Ratnasambhawa, aan de westzijde
Amitabha, aan de oostzijde Amoghasiddha \').
Onder iedere nis van den ringmuur, en met die nis in
breedte overeenkomend, was in den benedenmuur een kaze-
ment met een zittend mansbeeld uitgehouwen, terwijl de
kleinere kazementen vlak onder de klokgebouwtjes ieder een
man tusschen twee vrouwen vertoonden en door nog kleinere,
ieder met één vrouwenbeeld, geflankeerd waren. Tusschen
de nissen waren kazementen die aan de klokgebouwtjes beant-
woordden, met zittende beelden, die bij afwisseling een man
en een vrouw voorstelden. Daar de afmetingen van het ge-
bouw niet overal een volkomen regelmatige verdeeling toe-
lieten , was hier en daar, als plaatsvulling, nog een kazement
met een bloemvaas aangebracht. Overigens was in al deze
voorstellingen weinig afwisseling en viel alleen in de bijzon-
derheden eenig verschil te bespeuren.
Belangrijker was het beeldhouwwerk aan de binnenzijde van
den ringmuur, welke tevens den voorwand van den eersten om-
gang vormde. Hier vond men twee boven elkander geplaatste
rijen van kazementen, door gladde posten gescheiden. De boven-
ste rij, op de achtervlakken der nis- en klokgebouwtjes ge-
plaatst , bestond in het geheel uit 372 kazementen, de onderste,
\') Zie de fraaie photographieën dezer beelden van Van Kinsbergen.
-ocr page 151-
134
op den benedenmuur zelven aangebracht, uit 196 veel grootere
van verschillende breedte. Al deze kazementen waren bebeiteld
met zeer uitvoerige basreliefs, die Boeddha\'s als het voorwerp
van hulde en aanbidding, Boeddha-leerlingen of bhiksjoe\'s,
tooneelen uit het leven van vorsten , reuzen, slangenkoningen,
hemelgeesten, dierenfabelen enz. voorstelden, alles zoo het
scbijnt tot het Boeddhisme, zijne geschiedenis en zijne zede-
leer betrekkelijk. Een bepaald plan heeft men daarin tot dus-
ver niet kunnen ontdekken, ofschoon men zeker een samen-
hang vermoeden mag. Enkele beelden en figuren die eenige
betrekking tot het Brahmanisme schijnen te verraden, laten
zich gemakkelijk verklaren uit hetgeen het later Boeddhisme
van het Brahmanisme heeft overgenomen. Vele dezer basre-
liefs munten uit door uitnemende schoonheid van bewerking.
Van het gezamelijk aantal van 568 bevonden zich nog 400 in
zoo goeden staat, dat zij door Wilsen konden worden afgetee-
kend. De overige waren vernield of onder het puin begraven.
De muur die den eersten omgang van den tweeden scheid-
de, vormde natuurlijk tevens den achterwand van eerstge-
melden. Ook die muur bestond weder uit twee afdeelingen:
den eigenlijken of benedenmuur, die, altijd door de vier poor-
ten afgebroken, den ganschen wederom zes-en-dertighoekigen,
tweeden omgang omringde, en den daarop geplaatsten twee-
den muur, die tevens den ondergevel vormde van de kleinere
gebouwtjes met hunne nissen en klokken, die wij ook hier
terugvinden. Het aantal nisgebouwen met de in de nissen
geplaatste Boeddha-beelden bedroeg ook hier, bij eenigszins
andere verdeeling der ruimte, 26 aan iedere zijde of 104
in het geheel. De vorm der nisgebouwen verschilde van
die des eersten ringmuurs hoofdzakelijk door de torentjes,
die hier alle denzelfden klok- of koepelvorm hadden als de
bedekking der kleinere gebouwtjes op den muur, die met de
nisgebouwen afwisselden. Over kleinere afwijkingen in lijst-
werk en versiering mag ik hier niet uitweiden. De vier poort-
gebouwen in dezen muur verschilden wederom in vorm slechts
weinig van de nisgebouwen; alleen waren zij veel breeder en,
-ocr page 152-
135
daar bet verschil in hoogte zich tot den koepel van het mid-
delste torentje bepaalde, even gedrukt van aanzien als de
poortgebouwen des eersten ringmuurs. Het gewelf der poorten
week in samenstelling geheel af van dat der lager geplaatste,
en werd gevormd door vier, telkens trapswijze vooruitsprin-
gende lagen van glad behouwen steenen. Tweemaal verhief
zich dit gewelf, naarmate men hooger klom, plotseling on-
geveer een meter hooger. Een trap van dertien in hoogte en
diepte verschillende treden, waarvan de eerste onmiddellijk
achter den post der poort begon, en de laatste zich bijna on-
middellijk aan den volgenden trap aansloot, voerde door deze
poort heen naar den derden omgang, welks vloer 3.84 M.
boven dien des tweeden was gelegen. Voor den afvoer van
het water van den derden naar den tweeden omgang waren
ook in dezen tweeden ringmuur op al de uitspringende hoe-
ken goten, met spuiers in den vorm van leeuwenkoppen,
aangebracht.
Van het beeldhouwwerk aan den tweeden ringmuur, waarbij
mijn bestek mij weder dwingt over de menigvuldige sieraden
van allerlei aard te zwijgen, behoeven de Boeddha-beelden,
als geheel gelijk aan de vroeger beschrevene, niet nader ver-
meld te worden. Ook de beelden in de kazementen die wij
hier weder tusschen de nissen en onder de klokgebouwtjes
vinden, komen in het algemeen met die des vorigen omgangs
overeen. Doch misschien het merkwaardigste beeldhouwwerk
van het gansche gebouw werd gevormd door de basreliefs in
de kazementen die in twee rijen op den benedenmuur, dus
onder de zooeven vermelde, waren uitgehouwen. Het gezamen-
lijk aantal dier basreliefs was 240, 120 op elke rij. De bovenste
rij is volledig bewaard gebleven, terwijl van de onderste
slechts een zevental niet konden worden afgeteekend. Het is aan
de scherpzinnigheid van Wilsen gelukt, den samenhang der
tafereelen van de bovenste rij te ontdekken. Wanneer men
door de oostelijke poort naar den tweeden omgang opklom
en dan de wandeling linksaf aanving, om ze langs de zuid-,
west- en noordzijden voort te zetten, tot men op het aan-
-ocr page 153-
136
vangspunt was teruggekeurd, dan aanschouwde men achter-
eenvolgens eene doorloopende, zeer volledige voorstelling van
het leven, de lotgevallen en de daden van den Boeddha,
zooals die in de heilige boeken worden geschilderd. Alleen de
laatste gebeurtenissen van zijn leven zijn niet afgebeeld en
evenmin zijn dood. Wie echter verwacht in de voorstellingen
der tweede reeks, hetzij een vervolg op de geschiedenis des
Boeddha\'s, hetzij tafereelen die de daarboven geplaatste op eene
of andere wijze toelichten of aanvullen, te zullen aantreffen,
vindt zich in die verwachting bedrogen. De tafereelen schijnen
hier ontleend aan de Djataka\'s, de talrijke geschiedenissen uit
vorige levens van den Boeddha.
De tweede omgang verhief zich zoo hoog boven den eersten,
dat aan den achterzijde van den tweeden ringmuur, die tevens
de voorwand van dien omvang vormde, geene plaats over was
voor andere basreliefs dan die welke waren uitgehouwen in
de kazementen aan de achterzijde der nis- en klokgebouwtjes
aangebracht. Boven dien vloer verhief zich dadelijk de tweede
muur, die tevens, zooals reeds werd aangeduid, den doorloo-
penden benedengevel dier gebouwtjes uitmaakte. Van de 204
basreliefs die eenmaal dezen voorwand versierd hebben, kon-
den nog slechts 32 worden afgeteekend. Indien er al ooit een
samenhang tusschen die voorstellingen heeft bestaan, is die
thans onmogelijk te herkennen. Men kan alleen zeggen dat
men hier, naast voorstellingen van den heiligen Boeddha-boom
en andere zinnebeelden van Boeddha\'s leer of van de hem
gebrachte hulde, waarschijnlijk ook tafereelen uit het leven
aanschouwt van vorsten en vorstinnen, die tot verbreiding
dier leer hebben bijgedragen.
De breedte van den tweeden omgang bedroeg tusschen de
voetlijsten zijner beide wanden 2.04 M. Een ringmuur, die
geheel hetzelfde beloop had als de beide vorige, scheidde hem
van den derden omgang, welks vloer 2.93 M. hooger lag
dan die van den tweeden. Ofschoon met velerlei afwijkingen
in vorm en versieringen was deze muur met zijne nis- en
klokgebouwen, en zijne goten en spuiers, zijne poortgebou-
-ocr page 154-
137
wen, de gewelven der poorten en de daar doorheen voerende
trappen, hier uit een tiental treden bestaande, in het alge-
meen het verkleinde evenbeeld van den vorigen. De nisge-
bouwen met hunne nissen en Boeddha-beelden waren hier
aan elke zijde 22, of over den ganschen omtrek 88 in getal.
De kazementen op de muurvlakken onder de koepels der
kleinere gebouwtjes waren hier weder, gelijk op de twee
vorige ringmuren, met zittende mans- en vrouwenbeelden en
de daarbij passende symbolen en versieringen bebeiteld. De kaze-
menten met basreliefs op de voorzijde van den benedenmuur
waren hier slechts 128 in getal, geplaatst in ééne enkele
reeks, en daarom van grootere hoogte,- en van elkander ge-
scheiden door pilasters van bijzonder rijke versiering. Al deze
basreliefs zijn goed bewaard gebleven; ze zijn in hooger relief
dan die der eerste galerij en behooren tot de voortreffelijkst
bewerkte van het monument. Vele dezer voorstellingen ver-
toonen hulde aan Boeddha\'s, Tara\'s en Bodhisatwa\'s of ook
aan andere heiligen en vorsten en vorstinnen. In twee dezer
voorstellingen zijn Djataka\'s herkend\'); de gissing is geopperd
dat hiervan meerdere op het bouwwerk zijn afgebeeld, maar
aangetoond is het verband verder nog niet.
Op de achterzijde van dezen ringmuur, die den voorwand
des derden omgangs vormde, waren 164 kazementen tegen de
muurvlakken van de achtergevels der nis- en tusschengebouwen
gebeiteld. Deze zijn thans meest alle door het daarop gevallen
puin vernield of ontoegankelijk geworden, zoodat er slechts
24 konden worden afgebeeld. Ook hier kunnen wij alleen der-
gelijke huldebetooningen als in de vorige reeks herkennen.
De derde omgang was in de breedte aan den tweeden ge-
lijk. De ringmuur die hem scheidde van den vierden, had
nogmaals den zesendertighoekigen vorm, ofschoon de middelste
uitsprongen uit den aard der zaak hier zeer klein waren en ge-
heel door de poortgebouwen ingenomen werden (zie PI. IV). Die
poortgebouwen verschilden van die der andere omgangen door
\') IJzerman in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. 5e Rks. I. 577.
-ocr page 155-
138
hun meerderen omvang en door hunne samenstelling. Zij be-
stonden namelijk uit twee achter elkander liggende en door
tusschenmuren verbonden gedeelten, ieder met eene afzonder-
lijke, door elkander gedurig meer naderende steenen over-
welfde poort. De zijgevels der buitenpoort vormden met die
tusschenmuren de zijden der voorste uitsprongen van den
muur. De tweede poort stond in de lijn van den tweeden
uitsprong, zoodat aan de binnenzijde van den muur de zes-
en-dertighoek reeds hier in een twintighoek was overgegaan.
Door deze poorten voerde een trap van tien treden naar den
vijfden omgang, die 2.59 M. hooger lag dan de vorige. Voor
het overige was de muur weder in alle hoofdzaken aan de andere
ringmuren gelijk. Het getal der gebouwtjes met nissen en daarin
zittende Boeddha-beelden was hier 18 aan elke zijde, of 72 voor
den geheelen omtrek. Het geheele getal der goten en spuiers is
ook hier 20, in overeenstemming met het twintigtal lange
zijden van den buitenkant des muurs. Aan dien buitenkant
waren in den benedenmuur aan elke zijde 22, dus in het ge-
heel 88 ééne rij vormende kazementen uitgehouwen. Al de bas-
reliefs dezer kazementen zijn bijna ongeschonden bewaard.
Het onderwerp is weder hoofdzakelijk huldebetoon aan heilige,
zoowel geestelijke als vorstelijke personen, die voor de ver-
breiding der Boeddha-leer hebben gearbeid; doch in vele
dezer voorstellingen treden vooral de tjaitja\'s, de heilige ge-
bouwen die eenige reliek of beeltenis van den Boeddha om-
sloten, als voorwerpen van de vereering der geloovigen op
den voorgrond. De binnenzijde van dezen muur, die den
voorwand vormde van den vijfden omgang, telde eene reeks
van 140 kazementen met basreliefs, waarvan slechts 14 nog
konden geteekend worden. Wilsen meende in eenige dezer
voorstellingen genoegzamen grond te vinden om aan te nemen
dat er de kracht des geloofs door werd veraanschouwelijkt:
doch het aantal der overgeblevene tafereelen is te gering om
er eenig zeker besluit uit te trekken.
De vierde of laatste omgang had een breedte van ruim 2
meters. De ringmuur die hem scheidde van het eerste boven-
-ocr page 156-
139
terras, was twintighoekig, daar er voor den middelsten uit-
sprong geen ruimte meer was; doch dit veroorzaakte geen
misstand, daar, zooals wij gezien hebben, de voorste uitsprong
van den vierden ringmuur aan de binnenzijde door het poort-
gebouw was verborgen. Nis-, klok- en poortgebouwen, goten
en spuiers, herhaalden zich overigens met weinig verschil van
die des tweeden en derden ringmuurs. Het aantal der nissen met
Boeddha-beelden was 16 aan iedere zijde, of in het geheel 64.
Hier vindt men echter niet dezelfde Dhjani-Boeddha\'s als op
de vier lagere borstweringen. De geheele ringmuur vertoont
naar alle vier de windstreken niet anders dan beelden van den
laatsten Dhjani-Boeddha, Amoghasiddha, die op de andere
slechts aan de noordzijde woont. Ook is opmerkelijk, dat er
een gering verschil bestaat in de houding der handen. Ter-
wijl Amoghasiddha op de lagere muren de vingers der rech-
terhand aaneengesloten houdt, hebben de hooger geplaatste
beelden den top van den wijsvinger tot den duim gebogen.
Men heeft om dit onderscheid twijfel geopperd aan de mo-
gelijkheid om de plaatsing der Boeddha-beelden van Bara
Boedoer geheel in het in \'t vorig hoofdstuk ontwikkeld stelsel
te passen \'). Maar stellig is de verdere overeenkomst te groot
om deze enkele moeilijkheid te doen gelden; bovendien moet
worden opgemerkt, dat, waar vele der beelden van den bouw-
val verminkt zijn, niet volkomen kan vaststaan of inder-
daad dit verschil in de houding der handen zoo streng was
volgehouden als men opgeeft; op de basreliefs vindt men
allerlei afwijkingen in de houding der vingers van de rech-
terhand van Amoghasiddha en dikwijls de beide bovenge-
noemde voorgesteld.
Aan de binnenzijde van den muur telde men 72 kazementen
met reliëfs, waarvan 69 in goeden staat zijn gebleven. De
reliëfs overtreffen alle andere van Bara, Boedoer in fraaiheid
\') Groneman, Tj. Biirüboedoer, 24—27. Vgl. Groeneveldt, Cat. d. arch. verz.,
75. IJzerman (Versl. en Med. K. Ak. v. Wet. 3e Rks. IV. 209) meent in de
beelden van den vijfden omgang Manoesji-Boeddha\'s te mogen zien, maar
op weinig afdoend schijnende gronden.
-ocr page 157-
140
van ontwerp, teekening en uitvoering. Zij onderscheiden zich
door een grooten overvloed van Boeddha- en Bodhisatwa-beelden,
waarvan men er zelfs tot zeventien op één basrelief vereenigd
ziet. Ook Sjiwaiëtische goden komen hieronder voor\'). De
buitenzijde van dezen ringmuur, die den wand van het eerste
boventerras vormde, was zonder basreliefwerk of eenig ander
versiersel. Men bereikte dit terras, dat 2.51 M. boven den
vijfden omgang lag, langs een trap van elf treden.
Het eerste boventerras strekte zich uit van den twintig-
hoekigen ringmuur die het omgaf, tot aan den volkomen
cirkelvormigen opstand van het volgende, die eene hoogte
had van 1.7 M., en, waar hij den ringmuur het meest
naderde, daarvan 3.5 M. verwijderd bleef. Dit geheele terras
was onbebouwd, behalve dat een trap van zeven treden,
even breed als die der andere trappen, en naar het tweede
terras voerende, met zijne onderste trede vóór den opstand
van dat terras en dus op het terrein van het eerste lag.
De drie hoogste terrassen, die ik het tweede, derde en
vierde noem, waren alle cirkelvormig, beschreven met stra-
len van omstreeks 26, 19.5 en 13.5 meters. Het derde lag
1.8 M. hooger dan het tweede en werd bereikt met een trap
van zeven treden; het vierde verhief zich 1.6 M. boven het
derde en de trap telde zes treden. Op het tweede terras ver-
hieven zich in een kring, op onderling gelijke afstanden, 32
koepelvormige gebouwen; op dezelfde wijze stonden 24 gelijk-
soortige koepels op het derde terras, en op het midden van
het vierde verhief zich een reusachtige koepel van ongeveer
16 meters middellijn, door een kring van 16 kleinere koepels,
gelijk aan die der andere terrassen, omgeven.
De kleine koepels, te zamen 72 in getal, hadden alle den-
zelfden klokvorm als de koepelvormige gebouwtjes op de
ringmuren. Zij verschilden daarvan alleen door grooteren om-
vang en hoogte, door de samenstelling van het, hier acht-
kantige, topstuk, voorts daardoor dat zij grootendeels hol en
\') Groneman, Tj. B?iriiboedoer, 20—21. Groeneveldt, Cat. d. arch. verz., 18.
-ocr page 158-
141
hunne wanden met open ruiten doorzichtig bewerkt waren,
en dat zich in ieder hunner een beeld bevond van den eersten
Dhjani-Boeddba, Wairotjana, die het zenith beheerscht en
daarom op de borstweringen niet voorkomt. Deze klokvor-
mige steenen kooien waren als zoo vele herhalingen op kleinere
schaal van den grooten dagob, die door zijne plaatsing op
den top van den heuvel en als middelpunt van het gansche
gebouw, en door de aan vier zijden van terras tot terras en
door eene reeks van poorten heen naar hem opvoerende trap-
pen, als het voornaamste heiligdom wordt gekenmerkt, waarin
de beteekenis van den ganschen reuzenbouw was samenge-
trokken. Deze groote koepel rustte op een voet, omgeven door
zeer uitvoerig lijstwerk en 3.3 M. hoog, had zelf eene hoogte
van 3.6 M. en op de bovenste voetlijst eene doorsnede van
9 9 M., was op de helft van zijne hoogte door een fraai
lijstwerk met arabesken en parelranden omringd, en droeg
op zijn midden eene over het algemeen achthoekige spits, die
met haar vierhoekig voetstuk 9.23 M. hoog was. De afmetin-
gen van den koepel zijn hier gegeven volgens de opneming
van 1814, toen de spits nog genoegzaam was bewaard ge-
bleven om nauwkeurig te worden afgeteekend. Op de teeke-
ning van Wilsen is de koepel wat hooger en minder gedrukt
en de spits zeer aanmerkelijk lager. Bij hem bedraagt de ge-
zamenlijke hoogte van voet, koepel en spits slechts ruim 12,
volgens de hier gegeven afmetingen 16.1 meters. Het gansche
koepelgebouw was grootendeels massief, van vierkante steenen
opgetrokken, maar in het midden was eene cirkelrondekamer
uitgespaard van 2.9 M. doorsnede en eene hoogte van 8.7 M.,
de laatste gevormd deels door rechtstandige muren, deels door
een pyramidaal gewelf, waarvan de steenlagen telkens vóór
elkander uitsprongen Doch ook ten aanzien van vorm en grootte
dier binnenste ruimte wijkt Wilsen aanmerkelijk van de oudere
berichten af.
In een ruimte, onder den vloer van den dagob in den heuvel
uitgegraven en met puin opgevuld, heeft men een beeld in de
houding van den Dhjani-Boeddba Aksjobhja gevonden, even
-ocr page 159-
142
groot als die in de nissen en in de getraliede koepels, maar
onafgewerkt. Het is mogelijk, dat dit beeld niet is afgewerkt
omdat het toch niet zichtbaar was. Men heeft echter gemeend,
dat het vroeger op den vloer van den dagob moet hebben ge-
staan en verschillende gissingen geopperd om de beteekenis te
verklaren. De meest aannemelijke is, dat dit hoogst geplaatste
beeld de hoogste godheid, Adi-Boeddha voorstelde en dat de
onvolkomen vormen op zinrijke wijze het abstracte wezen van
deze godheid aanduiden \'). Aannemelijk klinkt dit vooral, omdat
het geheele karakter der beeldhouwwerken aan den tempel
daarmede in overeenstemming te brengen is. De lagere reliëfs
geven aardsche tafereelen — o. a. het aardsche leven van
Sjakjamoeni — te aanschouwen , terwijl de hoogere voorstel-
lingen uit de verschillende hemelen of loka\'s bevatten, waarbij
men ook in geestelijken zin steeds hooger stijgt. Terwijl de
Boeddha\'s der omgangen in nissen zijn gezeteld, zijn die der
ronde terrassen meer verhuld in hunne getraliede dagobs en
zoo zou dan het beeld van het hoogste wezen geheel verbor-
gen zijn geworden.
In het zuiden van Kedoe bevindt zich nog een ander Boed-
dhistisch monument van groote schoonheid, onder den naam
van Tjandi Mendoet of Moendoet bekend 4). Deze tempel ligt aan
den linkeroever van de Ella, even boven hare vereeniging met
de Praga, en op ongeveer 21/, K. M. afstands van Bara Boe-
doer. Eerst in ]834 is hij door den resident Hartman opge-
\') Groeneveldt, Cat. d. arch. verz., 75.
•) Het plaatwerk Javasche Oudheden, in 1852 —06 in 3 aflev. uitgegeven
door C. W. Mieling te \'s Gravenhage, bevat eene afbeelding der kamer van
Tj. Mendoet met de drie zich daarin bevindende kolossale beelden, die echter
veel minder nauwkeurig is dan een afbeelding van Wilsen , die ook teekeningen
van eenige der beelden en basreliefs geeft (Tijdschr. I. T. L. en Vk. XX). Van
het gebouw zelf is tot dusver geene goede afbeelding uitgegeven; het ware te
wenschen dat het middel gevonden werd om de fraaie teekeningen die Wilsen
daarvan vervaardigd heeft (Beschr. Ind. Oudh. v. h. Rijks-Mus. te Leiden, 127) of
de teekeningen en photographieën van W. Meyer (Not. Bat. Gen. XXIII. 59 en
XXVIII. 98 en 130) het licht te doen zien. De eenige gedrukte afbeelding
ervan is thans die van Yule (Journal Asiat. Soc. of Bengal, XXXI, 1862,16).
-ocr page 160-
143
dolven uit het zand en de asch waaronder hij, waarschijnlijk
met opzet, want alleen de tempel en niet de omliggende vlakte
was er door bedekt, bedolven was. Evenals Bara Boedoer is
deze tempel gebouwd uit groote teerlingvormige steenen van
eene zeer poreuze trachiet-lava. De vorm van het 15 M. lange
en breede gebouw was twintigzij dig met beurtelings binnen-
en buitenwaarts geopende hoeken en met een uitspringenden
voet, in vorm geheel overeenkomend met het bovendeel van
den oorspronkelijken voet van Bare, Boedoer, gerekend tot
de begraven basreliefs, en dus bestaande uit een halfrond,
eenige banden en een klokogief, door twee platte banden
gedragen. Het dak verhief zich in pyramidalen vorm tot eene
hoogte van waarschijnlijk ruim 20 M. Om het gebouw liep
een met bebouwen steenen belegd en door een ringmuur om-
geven terras met een aan dien van den tempel ongeveer gelijk-
vormigen voet. Dit terras was ongeveer 23 M. in \'t vierkant
en 6 M. hoog; aan de westzijde baande een trap van 14
treden den toegang, en aan dien trap sloot zich een andere
van 4 treden , waarlangs men opklom tot de inwendige ruimte,
die geen ander licht ontving dan door de nauwe deur. Die
ruimte was vierkant, ongeveer 7 M. lang en breed, en ging op
een hoogte van 5 of 6 M. in een pyramidaalvormig gewelf
over, waarvan elke hoogere steen voorbij de lageren uitsprong,
op de wijze der poortgewelven van Bara Boedoer en der daken
van de Diëng-tempels. Aan de wanden waren zes nissen,
met bloemwerk versierd, en waarin men bij de ontgraving
wel zes losse lotuskussens vond, maar geen spoor van de
beelden waarvoor ze ongetwijfeld bestemd zijn geweest. Doch
de drie groote beelden aan den achterwand zijn schier onge-
schonden_ bewaard gebleven. Hier waren namelijk links en
rechts twee hooge steenen voetstukken aangebracht, met fraai
versierde zetels, eenigszins op antieke stoelen gelijkende, en
met den stoel en het voetstuk uit denzelfden steen gehou-
wen zaten daarop 2.5 M. hooge Bodhisatwa-beelden, als ge-
gewoonlijk met vrouwelijke en zachte gelaatstrekken, en met
ringen om armen en enkels en hooge tiara\'s uitgedost. Tus-
-ocr page 161-
144
achen die beiden stond een nog kolossaler, ongeveer 3.5 M.
hoog, met neerhangende beenen zittend, met den zetel uit
één stuk gehouwen Boeddha-beeld. Het heeft de handen als
de Dhjïini-Boeddha Wairotjana, maar om het afhangen der
beenen zal aan een der Manoesji-Boeddha\'s gedacht moeten
worden. De Bodhisatwa, rechts van den Boeddha gezeten,
kenmerkt zich door het beeldje van Amitabha in \'t hoofdtooisel
als Padmapani. Daar de ingang veel te klein is om deze ko-
lossale beelden te kunnen doorlaten, moet de geheele tempel
om de beelden heen zijn gebouwd.
De drie grootste buitenwanden van den tempel zijn door uit-
voerig bewerkte beeldengroepen in hoog relief ingenomen. De
veelarmige figuren, die hierop voorkomen, zijn een duidelijk
bewijs, dat het Javaansch Boeddhisme den invloed van het
Sjiwaïsme in hooge mate ondervonden had. Van dezen tjandi
zoowel als van andere geldt wat Yule\'s uit Madras geboortige
bediende opmerkte: „Van binnen is de tempel Boeddhistisch,
van buiten Hindoesch". Aan de oostzijde bevindt zich een
achtarmig vrouwenbeeld, dat in de handen vele der attribu-
ten van Doerga draagt. De beide andere zijden vertoonen
vierarmige hoofdfiguren. Aan de kleinere muren staan in
fraaie nissen Bodhisatwa-beelden, met een pajong boven \'t
hoofd, waaraan de vliegen waaier verbonden is en steeds in
de eene hand een lange bloemsteel houdende, die of in drie
bloemen of in drie bolvormige knoppen eindigt. Aan weers-
zijden van den trap zijn aan den buitenkant veertien kleine
basreliefs aangebracht; zij stellen waarschijnlijk Boeddhisti-
sche vertellingen voor. Twee grootere eindelijk bevinden zich
aan weerszijden van den ingang. Links ziet men op een zetel
een fraai versierde vrouw, omgeven door twee boomen vol vruch-
ten en een twaalftal spelende kinderen, waarvan eenige in de
boomen klimmen. Rechts volkomen dezelfde voorstelling, maar
een man op den zetel; zoowel zijn demonisch gelaat, als de
onder zijn zetel geplaatste potten maken het waarschijnlijk,
dat met hem Koebera, de god des rijkdoms , bedoeld is, die
ook door Boeddhisten veelvuldig werd vereerd. De vrouw kan
-ocr page 162-
145
dan zijne sjakti zijn. Beide schijnen hier als de goden van de
vruchtbaarheid en den overvloed voor te komen, wegens de
vele kinderen en vruchten.
Het is merkwaardig dat de Boeddhistische ruïnen van Kedoe
grootendeels als door een gordel van Sjiwaïetische overblijf-
selen zijn ingesloten. Die van den Diëng, Sendara. en Soem-
bing, die Kedoe ten westen begrenzen, leerden wij reeds ken-
nen. In het Semarangsche regentschap Kendal, dat zich langs
de noordzijde van Kedoe uitstrekt, zijn wel is waar geene
tjandi\'s meer gevonden, maar des te meer dessa-namen, over-
leveringen en beelden opgespoord, die op het vroeger aanzijn
van zulke monumenten wijzen \'). Rijk aan vervallen tjandi\'s
zijn de noordelijke en oostelijke hellingen van den Oengaran
en vele Sjiwaïetische beelden werden hier gevonden door Frie-
derich, de eenige die al deze ruïnen bezocht. Ook op een der
toppen van den berg vond hij de geringe overblijfselen van
een tempel; de meeste steenen waren naar een anderen top
vervoerd om het signaal der topographische opneming ervan
te bouwen ! Beter bewaard gebleven is slechts een enkele tem-
pelgroep aan de zuidzijde gelegen tegen de helling van den
zuidwestelij ken hoogsten top, den Goenong Soemawana. Deze
groep, Gedong Sanga, of Tjandi Sanga,, de negen tempels ge-
heeten, bestaat uit twee rijen van gebouwen, de oostelijke
gelegen in Semarang, de westelijke in Kedoe; ze zijn geschei-
den door een meer dan 50 M. diep ravijn, waarin warme
bronnen en solfataren ontspringen. De tjandi\'s in Semarang
lagen op opvolgende terrassen, en op de paden die ze met
elkander verbonden , vindt men ook hier, waar de hellingen steil
waren, de sporen van steenen trappen. De tempels hebben in
grootte en stijl veel overeenkomst met die van den Diëng, maar
met nog minder versiering en zeer eenvoudig lijstwerk. Som-
mige reliëfs zijn echter zeer fraai. Uit de beelden blijkt, dat de
geheele groep Sjiwaïetisch is; Verbeek houdt haar echter voor
veel jonger dan de Diëng-tempels.
\') Brumund in Verh. v. h. Bat. Gen. XXXIII, 144 vv.
I.
10
-ocr page 163-
14(3
Deze jongste bezoeker kon op Semarang\'s grondgebied slechts
vijf gebouwen en het fundament van een zesde onderscheiden ;
van die vijf staan de muren nog, maar de toppen zijn alle
grootendeels ingestort. De zuidelijkste, laagstgelegene tempel
en de volgende waren geheel van beelden ontbloot. De derde,
vierde en vijfde liggen bij elkander op hetzelfde terras. De vierde
is zeer klein en de nog kleinere vijfde, tegenover den hoofd-
tempel gelegen, is even zulk een laag, langwerpig gebouwtje,
als wij op den Diëng tegenover den Tj. Ardjoena vonden en
was misschien een bergplaats van tempelgereedschap.
De hoofdtempel is met de groote uitgebouwde buitennissen
5.40 M. lang en breed, zonder deze 3.75 M. In die nissen
bevonden zich nog de beelden: Doerga in de noordelijke,
Sjiwa als goeroe in de zuidelijke, Ganesja in de oostelijke. De
beide andere tempels van Midden-Java, waar men ook deze
drie beelden nog in de buitennissen vindt, de reeds be-
schrevene van Sela Grijïi bij Magelang en Tjandi Lara Djong-
grang bij Prambanan hebben ook Doerga aan de noord- en
Sjiwa aan de zuidzijde. Ganesja, die steeds de achterzijde van
den tempel inneemt, staat bij Gedong Sangü, waar de ingang
naar \'t westen is, in \'t oosten; bij de beide andere is dat orage-
keerd. Een steenhoop wijst de plaats aan, waar nog een tempel
op dit plateau gestaan heeft; vroeger vond men er nog twee fun-
damenten en de overblijfselen van een laag muurtje van ge-
houwen steen , dat eenmaal de gansche heilige plek omringde.
Vele meest zeer beschadigde beelden, waaronder twee met vier
paarden bespannen maan wagens, liggen over het plateau ver-
strooid, waarnaar men met trappen opklom en dat blijkbaar
een middelpunt van den eeredienst op den Oengaran geweest is.
Van de tempels in Kedoe, op een vlakken bergrug gelegen,
zijn er nog vijf te herkennen, waarvan drie in puin liggen.
Vroeger is het aantal grooter geweest. Deze vijf lagen in de
richting van noord naar zuid. Beide nog overeind staande tem-
pels zijn weinig kleiner dan de hoofdtempel der overzijde en
van dergelijke nissen voorzien. In de noordelijke is het beeld aan
de zuidzijde nog voorhanden: wederom Sjiwa als goeroe. De
-ocr page 164-
147
zuidelijke tempel, waarvan de top slechts voor een klein gedeelte
is ingestort en van welke men een prachtig vergezicht geniet
over een groot gedeelte van Kedoe en de afdeeling Ambarawa,
is het best bewaard van alle: bier is Ganesja in de oostelijke
nis nog over. De laatste tempel had twee bijgebouwtjes, thans
puinhoopen, evenals een derde, nog zuidelijker gelegen.
Een ander door de daarbij liggende lingga\'s en beelden als
Sjiwaïetisch gekenmerkt overblijfsel is de ruïne van Tjandi
Doekoe, gelegen op een 25 M. hoogen heuvel, ongeveer een
uur ten zuidoosten van de vesting Willem I. Binnen dezen
Hindoetempel heeft men later een Mohammedaansch graf ge-
maakt. In het geheel liggen over de residentie Semarang vele
beelden, meest van Sjiwaïetischen oorsprong, en lingga\'s ver-
spreid , maar tjandi\'s schijnen er in de meer oostelijke regent-
schappen nergens voor te komen. Aanzienlijk was eens hun
aantal aan de westelijke en zuidelijke hellingen van den Mer-
api in Kedoe en de noordelijke punt van Jogjakarta, maar
ze schijnen alle zoo geheel vervallen en van beelden beroofd,
dat het niet de moeite loont ze te vermelden l).
Wij hebben thans, om ons overzicht der Hindoe-monu-
menten van Midden-Java ten einde te brengen, nog den blik
te wenden naar de Vorstenlanden, ten zuiden van Kedoe en
Semarang. De schoonste en meest beroemde worden gevonden
in de groote vlakte die zich aan den in alle richtingen zacht-
kens naar het zuiden afloopenden voet van den Merapi uit-
breidt, en wel in de nabijheid van de dessa Prambanan, ge-
legen aan den weg van Jogjakarta naar Soerakarta, even
over de grens der residentie die laatstgemelden naam met
hare hoofdstad gemeen heeft. Vandaar dat zij in het algemeen
onder den naam van „de ruïnen van Prambanan" bekend
zijn. Het is hier dat volgens de vroeger besproken opschriften
en overleveringen de plaats van het oude Mendang Kemoelan
moet gezocht worden. Van alle Hindoe-tempels van Java
hebben deze ook in vroeger tijd het meest de aandacht der
\') Ken enkele is genoemd op 1»]. ii\'2, onderaan.
-ocr page 165-
148
Europeanen getrokken. In den tijd der Compagnie wist men
over het geheel weinig van die oudheden, wat trouwens niet
te verwonderen is, wanneer men bedenkt dat zij eigenlijk
alleen in de kustplaatsen gevestigd was, en het bestuur over
de binnenlandsche gewesten geheel aan de regenten overliet,
zoodat zij alleen door hare gezantschappen aan de vorsten
en de oorlogen die zij met hen voerde, nu en dan gelegen-
heid had om met den toestand en de merkwaardigheden der
binnenlanden bekend te worden. Evenwel is door hare die-
naren , in stukken die eerst voor korten tijd aan het stof
der archieven onttogen zijn, meermalen van de ruïnen van
Prambanan gewag gemaakt, en zou de geleerde wereld lang
vóór Ram*es er mede bekend zijn geweest, indien de Com-
pagnie had goedgevonden van de kennis die zij zelve ver-
kreeg, wat meer aan het publiek mede te deelen.
De oudste beschijving van de ruïnen van Prambanan is
die van den Onderkoopman en Fiskaal van Semarang Cor-
nelis Antonie Lons, die in 1733 den Raad-extraordinair van
Nederlandsch Indië Frederik Julius Coyet op zijne zending
naar Kartasoera vergezelde, en bij die gelegenheid een reisje
deed door het Mataramsche gebied. Belangrijke uittreksels
uit zijn nog onuitgegeven dagregister zijn door den heer
Leemans bekend gemaakt en niet zonder vrucht met de latere
beschrijvingen van genoemde overblijfselen vergeleken\'). Van
vrij wat minder waarde is de korte aanteekening over deze
oudheden in het dagregister der reis van den gouverneur-
generaal Van Imhoff in 1746. Daarna zijn in 1797 de ruï-
nen van Prambanan door den Nederlandschen genie-officier
Cornelius met veel moeite van de planten en struiken die
er om en tusschen gegroeid waren gezuiverd, en zijn er
teekeningen en beschrijvingen van vervaardigd. Doch de meer
algemeene bekendheid dagteekent eerst van den tijd van Raf-
fles en Crawfurd. Later hebben inzonderheid Brumund en
Leemans zich voor de kennis dezer oudheden verdienstelijk ge-
\') Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. III, 1.
-ocr page 166-
149
maakt. De belangrijkste arbeid bleef echter aan den allerjong-
sten tijd voorbehouden. Zij is te danken aan de oudheidkundige
vereeniging te Jogjakarta, die de eigenlijke Pratnbanan- of
Lara Djonggrang-tempels opnieuw, en veel vollediger dan Cor-
nelius had kunnen doen , liet ontgraven. De eerste leider van
dezen arbeid, IJzerman, gaf een beschrijving van alle tem-
pels, gebouwen en beelden in de vlakte van Prambanan, ver-
gezeld van een kaart op een schaal van 1: 20000 en van een
groot aantal plattegronden, teekeningen en lichtdrukken. Het
werk werd door Groneman voortgezet en deze beschreef daarna
de Lara Djonggrang-tempels nader in een tekst, die een uit-
gebreide verzameling lichtdrukken der onder zijne leiding uit-
gegraven basreliefs vergezelt. IJzermans beschrijving werd door
het Bataviaasch Genootschap, Gronemans plaatwerk door het
Koninklijk Instituut voor de taal- land- en volkenkunde van
Nederlandsch-Indië in \'t licht gegeven.
Wanneer men zich van Jogjakarta naar Soerakarta begeeft,
komt men het eerst aan de een weinig rechts van den grooten
weg gelegen Tj. Kalasan of Tj. Kali Bening, eenmaal een
der schoonste en uitvoerigst bewerkte tempels van geheel Java.
Van zijn vroegere schoonheid geeft slechts het zuiderfront
nog een duidelijk beeld, maar ook aan dien kant staat de
versiering op vallen. De tempel werd gebouwd in den vorm
van een Griekscb. kruis met uitspringende hoeken: tegen een
vierkant van ruim 14 M. zijn in \'t midden der zijden recht-
hoeken van 7 bij 3.5 M. geplaatst, zoodat de grootste lengte
en breedte van het gebouw 21 M. bedroegen. Het was om-
geven door een omgang van bijna 5 M. breedte en van een
borstwering voorzien; het nog aanwezige gedeelte van den
muur des omgangs gelijkt met zijne ornamenten, in- en uit-
springende platte banden, zijn halfrond en ogief veel op den
voet des tempels, die dezelfde type vertoont als de voetstuk-
ken van alle Midden-Javaansche tj andi\'s. Tegen de naar de
windstreken gerichte ingangen van de vier vertrekken, die het
gebouw bevatte, waren trappen aangebracht, die met vier
treden naar den omgang voerden; thans zijn zij bijna geheel
-ocr page 167-
150
verdwenen. De vier poorten waren prachtig versierd; zij wer-
den door een zeer fraai pilaster- en kroonwerk omgeven en
dit was weder gevat in een ander, dat zich tot aan de kroon-
lijst van het geheele gebouw verhief. Het hoofdmotief van
deze versiering was het kala-makara-ornament. Gladde lijsten,
door een koord begrensd, daalden ook hier af tot op twee
kolossale makara-koppen, die als sluitstukken ter weerszijden
van de ingangen geplaatst waren, terwijl het monsterhoofd,
met uitpuilende oogen en wilden haartooi, deze beheerschtc;
het werd door beeldjes in verschillende houdingen omgeven.
Zoowel boven de banaspati als onder deze, vlak boven den
ingang was een met de beenen onder \'t lijf geslagen godin-
nenbeeldje aangebracht, dat wellicht de godin Tam, aan wie
de tempel gewijd was, voorstelt. De poorten werden geflan-
keerd door vakken met ondiepe nissen, in ieder van welke
een bijna levensgroot naakt beeld, dat van de gewone goden-
versiering slechts den hoofdtooi en de gordels bezat, in half
verheven werk was gebeiteld ; aan het noorder- en zuiderfront,
wellicht ook aan de beide andere, droegen deze beelden in
de eene hand een bloem op langen stengel, in de andere den
vliegenwaaier. In elk der zestien kleine zijden van den twin-
tighoek bevond zich een wat grootere, zeer fraai versierde nis,
boven welker banaspati een rijk versierd tempeltje was uit-
gehouwen. Do staande beelden uit deze nissen zijn verdwenen.
Om het gansche gebouw liep een uit velerlei lijstwerk samen-
gestelde massieve kroonlijst, gedragen door eene rij van vlak
naast elkander gehouwen, neergehurkte beeldjes, beurtelings
met beide handen en met eene hand boven \'t hoofd geheven.
Vlak er boven vertoonde de fries een prachtigen band met bloem-
festoenen, terwijl de overstekende kroonlijst met verschillende
ornamenten bezet was. Daarboven verhief zich het dak, dat
zoodanig afgebrokkeld en met struiken overwoekerd was, dat
zich over den vorm niet meer liet oordeelen, totdat het aan
IJzerman na een nauwkeurig onderzoek gelukte dien vorm
op het papier weder te voorschijn te brengen. Zijne teekening
geeft deu indruk van buitengewone sierlijkheid en bevallig-
-ocr page 168-
151
heid. Het dak werd gedragen door een voet van denzelfden
vorm als het benedengedeelte des tempels. Daarop rustte een
omgaande reeks van 44 nissen van verschillende grootte; in
alle zijn waarschijnlijk Dhjani-Boeddha\'s geplaatst geweest,
waarvan er nog drie aanwezig zijn en wel, overeenkomstig
hunne plaats in het stelsel, twee van Ratnasambhawa aan
de zuid-, en een van Aksjobhja aan de oostzijde. Deze gordel
van nissen werd door zestien sierlijke dagobs gekroond. De
tweede en derde verdieping van het pyramidale dak hadden
niet langer den twintig-, maar den achthoekigen vorm; iedere
zijde vertoonde in \'t midden opnieuw eene nis, waarin weer
een Dhjani-Boeddha-beeld geplaatst was; van deze beelden is
er in iedere verdieping slechts één overgebleven. Aan weers-
zijden van deze nissen bevonden zich twee paneelen met staande
beeldjes, die veel overeenkomst hadden met die in de groote
nissen beneden. Het aantal dagobs bleef op iedere verdieping
zestien en het geheelc dak eindigde in een slanken en forschen
hoofd-dagob van bijna twee meter hoogte, die zich tot onge-
veer 32 M. boven den grond zal verheven hebben. Deze ge-
heele versiering met nissen , beelden en dagobs vertoont groote
overeenkomst met die van Biira Boedoer.
De voornaamste en eenmaal fraaist versierde ingang van den
tempel is aan de oostzijde gelegen en geeft toegang tot het groot-
ste vertrek, dat zich juist in \'t midden van\'t gebouw bevindt.
Voor deze kamer ligt een vestibule, 2.5 M. op het breedst en
3 M. lang. met drie nissen voor beelden aan weerszijden en
een kwistigen overvloed van lofwerk en architectonische sie-
raden. De hoofdkamer is ruim 7.5 M. lang en breed en tot
in den top van het, ook hier door elkander gedurig meer
naderende steenen gevormd gewelf meer dan 15 M. hoog. De
zijde tegenover den ingang was bijna geheel ingenomen door
een groot pedestal, waarop eenmaal het hoofdbeeld gezeten
was. Van dat beeld is thans geen spoor meer te vinden. De
drie andere kamers staan noch met elkander, noch met de
hoofdkamer in verbinding en zijn slechts ongeveer 3.5 M.
lang en breed. Eenmaal moeten zij ieder vijf beelden hebben
-ocr page 169-
152
bevat, twee in nissen en drie op een gemeenschappelijk voet-
stuk tegen den achterwand, zoodat men met de zes nissen
van de voorhal en het beeld der groote kamer tot een getal
van twee en twintig beelden binnenstempels komt, die reeds
nagenoeg alle verdwenen waren toen de Europeanen het eerst
met den bouwval kennis maakten. Ook een paar kleine beeldjes
in een der zijkamers, die een der eerste bezoekers, Mackenzie,
nog aantrof, vond zijn opvolger, Baker, niet meer.
Merkwaardig is wel, wat de bouwwijze van dezen tempel
betreft, de geringheid van de afmetingen der vertrekken ver-
geleken met die van het geheel, dat één grooten steenklomp
vormt, waarin vier kleine ruimten zijn uitgespaard. Vensters
ontbreken ook bij dezen tempel, als bij de meeste andere.
In het tweede hoofdstuk is de niet ver van den tempel van
Kali Bening gevonden oorkonde besproken, waarin vermeld
wordt dat het heiligdom aan de godin Tara was gewijd. In
die oorkonde is ook sprake van een tegelijk gesticht klooster.
Men heeft eerst gemeend dit te kunnen herkennen in de straks
te bespreken Tj. Sari. Waarschijnlijker is het wellicht, dat de
overblijfselen ervan te zoeken zijn in een nog veel dichter bij
Tj. Kali Bening gelegen bouwval. Ruim 100 M. ten zuidwesten
van de laatste ontdekte Cornelius op een verhooging van den
bodem een aantal groote, in twee elkaar insluitende recht-
hoeken geplaatste, voetstukken, waarin eens stellig houten
pilaren geplaatst waren, waardoor een dak gedragen werd.
Het geheel was ongeveer 25 M. lang en 19 breed. Het was
omgeven door een stel van ringmuren, waarvan de buitenste
een stuk gronds van ongeveer een hectare oppervlakte om-
vatten. Geheel op dezelfde wijze ommuurde en ingerichte ter-
reinen vindt men in Voor-Indië als de ruïnen van zoogenaamde
wihara\'s of kloosters \').
Den grooten weg eenige minuten verder volgende, bereikt men
\') Brandes in Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXI. 608. Op de bij dit
opstel gevoegde afbeelding naar een teekening van Cornelius, de ligging van
Tj. Kali Bening en het klooster voorstellend, staat bij de schaal 1:580.
Dit moet zijn =h 1:1140.
-ocr page 170-
153
de dessa Tjandi Sari, dus genoemd naar een daarachter gelegen
Hindoe-gebouw, dat in gedaante geheel van de meeste tempels
afwijkt. Het gebouw vormt een ruim 17 M. langen en 10 M.
breeden rechthoek, rustende op een voetstuk van 1.5 M. hoogte,
en zal thans nog omstreeks 10 M. hoog zijn. De voet was vroeger
hooger, maar is gedeeltelijk onder den grond bedolven; hij is
door menschenhanden van zijn buitenste steenlagen beroofd
en mist dus alle versiering. Het front is naar het oosten ge-
keerd en verdeeld in drie groote vakken, die door gladde
pilasters zijn gescheiden. Het benedendeel heeft een ingang
in het midden en een venster ter wederzijde en daarboven is
eene verdieping met drie vensters, die met de deur en vensters
van het benedendeel overeenkomen; vroeger was voor dien
ingang een voorportaal uitgebouwd , dat thans geheel verdwe-
nen is. Uitwendig vertoont het gebouw nog een tweede ver-
dieping, doch werkelijk is hier slechts een reeks van nissen,
waaraan geen inwendige ruimte beantwoordt. Aan de noord-
en zuidzijden zijn twee boven elkander geplaatste paren vensters.
De westzijde heeft in plaats van vensters tweemaal drie nissen.
Het dak is ingestort, maar toont sporen van vroegere fraaiheid
in de dagobs, die de nissen bekroonden en waarvan niet veel
meer dan de voetstukken overgebleven zijn. De rijke versiering
wordt door Baker1) in het algemeen als volgt gekenschetst:
„Het uitwendig voorkomen van dit gebouw is treffend en
schoon; de samenstelling en bewerking der oppervlakte ver-
raadt buitengewonen smaak en oordeel en onuitputtelijk geduld
en bekwaamheid. Niets kan de juistheid en fijnheid van het
beeldhouwwerk evenaren. Het is niet enkel in kwistigen over-
vloed voorhanden, maar bewerkt met eene uitvoerigheid, die
overdreven schijnt voor het uitwendige van een gebouw en
zelfs in de kleinere voorwerpen, voor het inwendige van een
kabinet bestemd, nauwelijks zou verwacht worden". Even gun-
stig oordeelt een nieuwere bezoeker, de ingenieur IJzerman,
over den indruk van het geheel; „zonder twijfel", zegt hij,
\') Bij Raffles, Java, II. 25.
-ocr page 171-
154
„was Tjandi Sari na zijne voltooiing een schoon en indruk-
wekkend gebouw. De sterk sprekende voet, de rijk versierde en
harmonisch gebroken gevels, de krachtige lijsten en banden, de
schaduwrijke nissen , de slanke dagobs met hun naar den hemel
wijzende pijnakels, vormden een geheel, dat onder de beste voort-
brengselen van de Hindoe-bouwkunst mag worden gerekend."
Inwendig is bet gebouw door twee zware, tot het dak op-
gaande muren in drie langwerpig vierkante kamers van gelijke
grootte verdeeld, die door smalle poorten verbonden zijn en
ter halver hoogte der muren ziet men massieve uitspringende
lijsten, waarin vierkante vakjes de plaatsen aanwijzen waarin
de balken lagen, bestemd om den vloer der verdieping te
dragen. Een trap in de linkerkamer voerde naar boven, waar
zich eveneens drie in elkaar uitloopende vertrekken bevonden.
Dat deze verdieping bewoond werd, blijkt wel hieruit, dat
alle venster-openingen door op pennen draaiende luiken konden
afgesloten worden; de benedenruimte moet echter niet tot
woning, maar tot godsdienstoefening hebben gediend; Bru-
mund bespeurde, dat iedere kamer een breed tegen den ach-
termuur opgetrokken voetstuk voor een beeld moet hebben
bezeten; bovendien bevatte de middelste katner twee, de beide
andere ieder één versierde nis tot plaatsing van beelden.
Wij vervolgen onzen tocht een groot kwartier verder en bij
Prambanan gekomen zien wij links van den weg de over-
blijfselen van de tempelgroep, die onder den naam van Tjandi
Prambanan of Lara, Djonggrang bekend is. Ook hier heeft de
schendende band der Javaansche werklieden onberekenbare
schade aangericht door de steenen voor verschillende doel-
einden weg te voeren; maar de steenen die tengevolge van
het instorten der zware, pyramidale daken de tempels op-
vulden , hebben zij onaangeroerd gelaten en zoodoende bleven
de beelden in de tempels waartoe zij behoorden bewaard. Een
deel der gebouwen is reeds tot den grond gesloopt, zoodat men
naar hunne vroegere gedaante slechts raden kan.
De geheelc groep heeft eenmaal een vierkant gevormd,
waarvan de zijden naar de windstreken gericht waren. De
-ocr page 172-
155
l!N
11
u
*j
[%*
—
5
- ■ ■ .
fi
* »
-ocr page 173-
156
middengroep, uit acht tempels bestaande, die in het midden
een ruim plein openlieten, staat op een pas in 1893 en \'94
door de Jogjakartasche vereeniging ontgraven plateau. De
sobere lijnen der geheel van basreliefs verstoken wanden van
deze verhooging vormen een eigenaardig contrast met de rijke
versiering der tempels. Volgens de voorloopige berichten om-
trent de ontgravingen \') lagen de grondvlakken van de voetstuk-
ken der tjandi\'s ongeveer 0.70 M. beneden de oppervlakte van
dit plateau ingezonken; het schijnt, dat ook hier later steenen
om de tempels heengestapeld zijn. Men heeft het geheele pla-
teau tot op het vlak der oorspronkelijke tempelvoeten ver-
laagd, zoodat de bovengedeelten der 2 M. hooge wanden het
nu waarschijnlijk als lage muurtjes omringen. Het geheel werd
ingesloten door een fraai bewerkt ringmuurtje, 170 M. in \'t
vierkant. Hoe breed de gang is, die men zich tusschen het
plateau en dezen ringmuur denken moet, wordt niet opgegeven.
Daaromheen waren in drie elkaar insluitende vierkanten zeer
kleine tjandi\'s gebouwd, waarvan het aantal waarschijnlijk
157 bedroeg en die door een tweeden ringmuur van 220 M.
in \'t vierkant zijn omgeven geweest. Ze zijn thans schier vol-
komen gesloopt. Het schijnt dat binnen den eersten ringmuur,
dus in den genoemden gang, een binnenste rij van dergelijke
tempeltjes heeft gestaan; althans van enkele zijn de fundee-
ringen thans ontdekt. Een derde ringmuur, ongeveer 390 M.
lang en breed, die den tweeden ten Z.W. dicht nadert, ten
N.O. 150 M. ontloopt, is aan drie zijden nog herkenbaar.
De tempels der middengroep waren voor een groot deel
onder puin bedolven, maar zijn thans daarvan geheel bevrijd
door den arbeid der Jogjakartasche vereeniging. De zes grootste
hebben denzelfden twintighoekigen vorm als Tj. Kali Bening
en staan in twee rijen; de zoo gevormde straat, waarheen de
ingangen gekeerd zijn, had aan ieder uiteinde een kleiner,
vierkant tempeltje, maar beide gebouwtjes zijn thans zeer ge-
\') Verslagen van de verrichtingen der Archaeologische Vereeniging te Jogja-
karta (Notulen v. h. Bat. Gen. deel XXXI, bl. XIX en XXII; deel XXXII,
bl. XLIX en deel XXXIII, bl. I).
-ocr page 174-
157
schonden en geheel van heelden onthloot. De hoofdtempel was
de middelste aan de westzijde, de eigenlijke Tjandi Lara Djong-
grang, de hoogste en grootste van allen (PI. VI). Terwijl de
andere vijf slechts één kamer bezitten, kwam deze ook in het
aantal en de plaatsing der kamers geheel met Tj. Kali Bening
overeen. De afmetingen zijn iets geringer, maar weinig, en ver-
toonen dezelfde verhoudingen. Verder was ook hier een omgang
met borstwering aanwezig, maar een groot verschil bestaat in
de hoogte van dit terras en de tem pel vertrekken boven den be-
ganen grond. Tot het eerste klom men met een twintigtal treden,
tot de laatste met nog een tiental op, zoodat de bodem der
kamers ongeveer 7.5 M. hoog was gelegen \'). Hetzelfde was bij de
vijf andere tempels het geval. Men legde de vloeren der kamers
zoo hoog om ruimte te winnen voor vierkante putten die bij
den bouw van den tempelvoet werden uitgespaard; in eiken tem-
pel wordt er een aangetroffen. Zij zijn door IJzerman uitvoerig
beschreven. In die van den grootsten tempel, welke 13 M.
diepte heeft, vond men tusschen aarde en steenen de over-
blijfselen van een dieren-brandoffer en een steenen bak, in-
houdende met houtskool en asch gemengde aarde, omgeven
door koperen platen, en in die aarde eenige muntstukjes en
kleine sieraden en twaalf gouden plaatjes, van welke zeven
met mystieke syllaben in oud Javaansch schrift, waarvan de
beteekenis nog onbekend is, beschreven zijn, terwijl de vijf
andere zijn uitgeknipt in den vorm van een slang, een schild-
pad , een bloem, een voetstuk of altaar en een ellips. De an-
dere putten waren minder diep, soms ook klaarblijkelijk niet
voltooid, en leverden minder merkwaardigs. In een ervan
werd een aarden pot gevonden met gelijksoortigen inhoud als
van den beschreven bak; in een andere vond men een men-
schelijk geraamte. Waarschijnlijk hebben deze putten gediend
\') Dit blijkt uit de photographieën en doorsneden in Groneman\'s Tjandi
Parauibanan. Telt men hierbij 2 M. voor het plateau, dan komt men tot 9,5 M.
IJzerman die de tempels alleen vóór de ontgraving der buitenzijden bezocht,
moet zich vergist hebben, waar hij mededeelt (Beschr. d. Ondh., W. 41), dat
de vloer in den hoofdtempel 13 M. boven den grond ligt.
-ocr page 175-
158
om de asch van aanzienlijke personen op te nemen. Ook in
een der kleine tempeltjes buiten den binnensten ringmuur is
een putje met een pot en ascb gevonden; wellicht was hier
plaats voor het stoffelijk overschot van lieden van wat min-
deren rang.
De versiering der tempelpoorten is thans bijna geheel ver-
dwenen. Brumund kon er bij den hoofdtempel nog een ge-
deelte van herkennen en beschrijft het als zeer overeenkomend
met die bij Tj. Kali Bening. Gelukkig zijn daarentegen de
meeste beelden binnenstempels nog aanwezig. In de voorhal
van het hoofdvertrek van den grooten tjandi trof men rechts
van de deuropening een beeld van Sjiwa als Goeroe en links
een van denzelfden god als Kala aan en in de kamer zelve
zijn de stukken ontdekt van een drie meter hoogen, rijk ver-
sierden, vierarmigen Sjiwa als Mahadewa, met een derde oog
in \'t voorhoofd en de rechter-voorhand ter hoogte van de
borst opgeheven. Het voetstuk van het beeld bedekte den put.
De drie kleine kamers van denzelfden tempel bevatten ieder een
van de drie beelden, die wij ook reeds bij Tj. Sela Grija evenzoo
geplaatst aantroffen: ten noorden Doerga, ten westen Ganesja,
ten zuiden Sjiwa als Goeroe. De Doerga is, onder den naam
van Lara Djonggrang, de dochter van den held Ratoe Baka\'),
nog het voorwerp der hulde van de landlieden uit den om-
trek , die haar met boreh zalven, met bloemkransen omhangen
en wierook voor haar branden; zelfs hadji\'s nemen daaraan
deel. Het beeld is een meesterstuk der Hindoe-Javaansche
beeldhouwkunst en tot in de kleinste bijzonderheden met de
nauwlettendste zorg afgewerkt.
Niet minder dan vier beelden van Sjiwa, waardoor alle
drie zijne vormen van vereering vertegenwoordigd zijn, werden
dus in den hoofdtempel, naast die van zijn vrouw en zoon,
aangetroffen. De tempel ten zuiden van deze was evenzoo ge-
heel aan Brahma, die ten noorden geheel aan Wisjnoe ge-
\') Op bl. 85 is gezegd, dat de Javanen Doerga Lpiril Djonggrang noemen.
Alleen aan het Doerga-beeld van Prambanan wordt door hen die naam gege-
ven. Vgl. Groneman in Indische Gids IX, 2, bl. 1427.
-ocr page 176-
159
SU-
PI. VII. Deel van het noordelijk front van den hoofdtempel te Prambanan.
-ocr page 177-
1ÖU
wijd. In liet. vertrek van den eersten stond weleer boven den
put een groot en bijzonder fraai, vierarmig Brahma-beeld en
tegen den achterwand drie kleine Brahma\'s, met zes, vieren
acht armen. Het groote beeld was in kwistigen overdaad met
al de versierselen van het godenornaat getooid; de vier hoof-
den zijn vrij goed bewaard en hebben een bijzonder fraai Arisch
profiel. „In rijkdom en sierlijkheid van opschik, in fijnheid
van bewerking, in zuiverheid van gelaatsvorm", zegt IJzer-
man, „wordt dit beeld door geen ander der thans in Midden-
Java aanwezige overtroffen." Eveneens zeer schoon is het groote
beeld van Wisjnoe uit den noordelijken tempel; ook hier waren
drie nevenbeelden tegen den achterwand geplaatst, waarvan
een vermoedelijk de godheid voorstelt met een kleine figuur
van zijne sjakti Laksjmi of Sjri op den arm, terwijl de beide
andere twee zijner nederdalingen uitbeelden; zij zijn reeds in
het vorig hoofdstuk beschreven.
In den middelsten tempel der andere rij, tegenover den
Sjiwa-tempel, ligt boven den put een nandi. Bij de beschrijving
der Diëng-tempels is reeds vermeld dat Sjiwa\'s rijdier ge-
woonlijk een bijtempel tegenover dien der godheid heeft. Dit
is dus ook hier het geval. Tegen den achterwand staan hier
in erg gehavenden toestand Soerja, de zonnegod, op een
wagen met zeven paarden, en Tjandra, de maangod, op een
met tien. In den tempel ten noorden stond eenmaal een
fraai beeld van Sjiwa als Mahadewa, in dien ten zuiden werden
geen beelden gevonden.
Na de tempels van binnen beschouwd te hebben, moeten
wij thans nog het beeldhouwwerk bezichtigen dat door de
ontgraving is voor den dag gekomen. Het heeft den ijver der
Jogjakartasche vereeniging, in \'t bijzonder van Groneman,
ruimschoots beloond en behoort tot het fraaiste wat op Java
is aangetroffen. Alleen dat van den hoofdtempel is tot dusver
gephotographeerd en in het genoemde werk van Groneman
door lichtdruk vermenigvuldigd. Het bevindt zich in vier rijen
om den geheelen tempel: vlak boven den voet, aan de bui-
ten- en aan de binnenzijde der borstwering van den omgang
-ocr page 178-
161
en ten vierde tegenover de laatste reeks, aan den buitenmuur
van den eigenlijken tempel.
Het forsche beeldhouwwerk der onderste reeks, boven den
zwaar geprofileerden voet, vertoont in elk der vier en twintig
vakken een gedurig gewijzigde herhaling van dezelfde groep
(zie PI. VII): een nis met vooruitspringenden bovendorpel in
den vorm van een gestyleerden monsterkop met een bidschel
midden er in, in dit kazement een mythische leeuw, aan weers-
zijden ervan een bodhi-boom en onder iederen boom hetzij twee
gandharwa\'s of twee bekende dieren: rammen, konijnen (?),
ganzen, pauwen. In de hoeken, gevormd door de wanden van
den voet en de vier meters daarbuiten vallende trappen zijn zeer
fraaie vierkante hoekversieringen geschoven, die de lengte
van den trapwand doelmatig breken en waarvan de best
bewaarde als plaat VIII is afgebeeld. Groneman houdt, in ver-
band met de straks te bespreken beeldwerken, de voortreffelijk
bewerkte mannen- en vrouwenbeelden der nissen voor Rama
en Sita, de beide hoofdpersonen van het Ramajana-epos.
Van het beeldwerk der tweede reeks, aan de buitenzijde der
borstwering, is veel verloren gegaan (pi. VII). Welk een fraai
geheel het in den oorspronkelijken toestand moet gevormd
hebben, blijkt het best uit het gedeelte dat op plaat IX is
voorgesteld. In alle kazementen stonden, bijna geheel vrij van
den achterwand, drie in houding telkens gewijzigde, elkaar
omvattende of tegen elkaar aanleunende vrouwenbeelden , rijk
versierd, naakt en buitengemeen welgevormd. Zij zijn het
schoonste wat de tempel, ja wat geheel Java te zien geeft.
Het merkwaardigste beeldhouwwerk naar den inhoud der
voorstellingen bevindt zich aan den binnenkant van de borst-
wering. Daar zijn in kazementen van ruim tachtig centimeters
hoogte de hoofdgebeurtenissen van de Rama-legende voorge-
steld. Ook hier ontbreken een aantal stukken, ongerekend de
hiaten in het steenen verhaal, waartoe de kunstenaar door
de beperktheid der ruimte genoodzaakt was; het verband
tusschen de deelen der voorstelling is dan ook vaak verbroken,
zoodat Groneman in zijne beschrijving meermalen op onver-
I.                                                                                               11
-ocr page 179-
162
klaarbare groepen is gestuit. Uit enkele brokstukken valt nog op
te maken, dat de borstwering indertijd door een zware kroonlijst
is gedekt geweest, bebeiteld met fraaie ornamenten, waartoe
weder de bidschel behoort. De beeldgroepen verkeeren, voor zoo-
ver zij bewaard zijn, in \'t algemeen in redelijken, sommige in
PI. VJ1I. Hoekversieiing naast een der temiieltrappen te Prambanan.
zeer goeden staat. De veel voorkomende fouten bij bet Ilindoe-
Javaansch beeldwerk: te groote vleezigheid derlicbamen,hetrol-
ronde der ledematen door veronacbtzaming van den spierbouw,
treft men ook hier aan, maar dit voorbijziende zal men menig
met kunst en smaak behandeld tafereel in deze reeks opmerken.
-ocr page 180-
163
Maakt men, na de beschouwing van deze basreliefs, rechts-
ornkeert, om de laatste reeks beeldhouwwerk aan den muur
van den tempel zelven te beschouwen, dan doet" ^men de
S
5
PQ
merkwaardige {ontdekking, dat op deze Prambanan-tempels het
omgekeerde van toepassing is van wat Yule\'s Hindoesche
bediende omtrent Tj. Men doet zei de: zij zijn van binnen
-ocr page 181-
164
Sjiwaïetisch, van buiten Boeddhistisch. Op Boeddhistischen
invloed wijzen reeds de bodhi-boomen aan den tempelvoet,
de symbolische vertegenwoordigers van den geheiligden vijge-
boom, onder welks bladerdak Sjakja-moeni de Boeddha-waar-
digheid verwierf. Maar in deze bovenste beeldenrij doen ook
de godenbeelden aan het Boeddhisme denken. Een zelfde
motief is hier vier en twintig malen herhaald: een godenbeeld
in \'t midden, niet als de beelden binnenstempels op een
lotuskussen, maar op een bekleeden troon gezeten, debeenen
onder \'t lichaam gekruist, steeds met de gewone godenver-
sierselen: lichtschijf, hoogen haardosch en oepawita. Aan
weerszijden van dit beeld zitten in twee kazementen, dus iets
meer achterwaarts, drie, enkele malen twee personen, meestal
mannen, in godenornaat, maar veelal zonder aureool en oepa-
wita, soms ook zonder kroon. Men heeft gemeend in deze
groepen Bodhisatwa\'s met hunne volgelingen te moeten zien.
En inderdaad komen de hoofdpersonen in houding der handen
dikwijls met Bodhisatwa\'s overeen en vooral daarin, dat de
meeste in de linkerhand een langen lotusstengel dragen. Op de
bloem daarvan rust een symbool, dat echter een ander is dan
door de vijf bekende Bodhisatwa\'s gevoerd wordt. Soms is het
de wadjra, Indra\'s bliksemschicht, soms een zwaard, een
knots, een doodshoofd en de sjankha of krijgstrompet van
Wisjnoe. Naast eenige beelden is Sjiwa\'s drietand uitgebeiteld.
Andere symbolen zijn onherkenbaar of nog niet verklaard.
Ook vliegenwaaiers en waterkruiken komen er voor. Bij de
Brahma- en Wisjnoe-tempels, welke reliëfs schijnen bezeten
te hebben met die van den hoofdtempel bijna geheel overeen-
komende, maar veel meer geschonden, worden dezelfde goden-
beelden en symbolen aangetroffen.
Groneman heeft in de aanwezigheid van deze op Bodhisatwa\'s
gelijkende figuren aanleiding gevonden de geheele tempelgroep
voor Boeddhistisch te houden1); wij meenen hem daarin niet
te moeten volgen. Het is stellig merkwaardig, dat de bouw-
\') Zie zijne gronden in de Beschrijving, bl. 28—30.
-ocr page 182-
165
orde dezer tjandi\'s bijna volmaakt overeenkomt met de talrijke
Boeddhistische, die in den omtrek zijn gevonden, maar de-
zelfde overeenkomst doet zich op geheel Java voor. Hier heeft
niet, als in Voor-Indië, elke godsdienst zijn bouwstijl gehad.
In aanmerking genomen dat de hoofdbeelden zuiver Sjiwaïe-
tisch zijn en geen enkele Dhjilni-Boeddha, ja geen enkele
bekende Bodhisatwa in deze tempels is gevonden, dat boven-
dien het echt Boeddhistische dagob-motief geheel ontbreekt,
meenen wij het er voor te moeten houden, dat hier eer aan
overneming van Boeddhistische symbolen door Sjiwaïeten dan
aan het omgekeerde moet gedacht worden.
Wanneer men zich van de tempelgroep van Lara Djonggrang
naar Tjandi Sèwoe begeeft, een afstand van ongeveer een
kwartier, komt men nog eene andere tempelgroep voorbij , die
Tjandi Loemboeng geheeten wordt. De groep vormt een vier-
kant, met den grootsten en fraaist bewerkten tempel, wiens
ingang naar het oosten gericht is, in het midden. Deze is met
schoon en uitvoerig beeldwerk bedekt, onder andere bijna
levensgroote mannelijke en vrouwelijke figuren gelijk aan die
van Tj. Kali Bening en Tj. Sari. De nissen waren alle ledig,
evenals die der bijtempels. Deze, om den hoofdtempel heen
staande, waren 16 in getal en hadden geheel naakte wan-
den zonder versiering, zeer eenvoudige kroonlijsten, en nau-
welijks eenig ander ornament dan de banaspati\'s boven de
ingangen, vanwaar lijsten en lofwerk tot den drempel af-
daalden; wel waren echter op verscheidene plaatsen de om-
trekken van meer lofwerk en versiering aangegeven. Terwijl
aan den voet van Bara. Boedoer zoowel als aan Tj. Lara Djong-
grang en Tj. Sèwoe slechts enkele beeldwerken onvoltooid
zijn, is hier de afwerking blijkbaar veel vroeger gestaakt. Op
de vierkante tempeltjes verrees een achtkant dak, dat door een
dagob gekroond werd, waaruit het Boeddhistisch karakter
der tempelgroep blijkt.
Al de tempels in den omtrek van Prambanan worden in grootte
verre door Tjandi Sèwoe, de Duizend tempels, overtroffen. Van
alle tempelgroepen die men op Java gevonden heeft, is deze
-ocr page 183-
166
verreweg de uitgebreidste; ofschoon men den naam niet letterlijk
moet opvatten, stonden hier toch op eene oppervlakte van
24 hectaren 246 tempelgebouwen bijeen. De geheele groep
beslaat weder een rechthoek. Van de oostzijde voert de weg
naar den ingang van den hoofdtempel, die aan alle zijden
door vier in het vierkant staande tempelrijen omgeven was.
De binnenste rij telde 28, de deze omgevende 44, de derde
80, de buitenste S8 tjandi\'s. De twee buitenste vierhoeken
waren van de twee binnenste door eene breedere tusschen-
ruimte gescheiden en op die tusschenruimte stonden nog
twee tjandi\'s aan de oost-, twee aan de west- en één aan de
noordzijde, nabij de hoofdwegen die op den middentempel
uitliepen. Van een ringmuur, die het geheel zou hebben om-
sloten , is geen spoor te vinden; doch de vier hoofd-doorgangen
worden bewaakt door twee reusachtige raksjasa\'s, met hun
voetstuk omstreeks drie meters hoog en uit één trachietblok
gehouwen. Allen rusten op de linkerknie en zijn zeer plomp
en gedrongen van gestalte, met verbazend dikke armen en
beenen, en met het hoofd, dat met een over de schouders
afhangende pruik bedekt is, onmiddellijk op den romp ge-
plaatst. De goedaardige uitdrukking van het volle gelaat maakt
een wonderlijk contrast met de akelig uitpuilende oogen,
de vreeselijke slagtanden, de zware knots in de rechterhand
en de kronkelende slang die door de linker omklemd wordt \').
De ingangen van al de kleine tempels lagen van den hoofd-
tempel afgewend, behalve die van de derde rij, welke op
de breedere tusschenruimte tusschen de tweede en derde rij
uitkwamen. Al de kleine tempels waren nagenoeg aan elkander
gelijk. Zij waren vierkant en bestonden uit één enkel ver-
trek, 1.75 M. lang en breed; dit miste alle versiering van
beeldhouwwerk, maar daarentegen was de buitenzijde overal
met basreliefs bedekt, die intusschen slechts een gedurige her-
haling gaven van dezelfde voorstelling: een godenbeeld onder
een banaspati in het midden vak, en in de vakken aan weers-
\') Veth, Eigen Haard, 1879, 202, met af b. van een raksjasa van Tj. Sèwoe.
-ocr page 184-
167
zijden kleinere beeldjes, gedeeltelijk van vrouwen. Aan den
kant waar zich de ingang met zijne vestibule bevond, ont-
brak natuurlijk het middenvak, en vertoonden zich de vier
beeldjes der zijvakken. Boven die basreliefs liep een kroonlijst
om het gebouw en daarboven verhief zich het zeer samen-
gestelde en fraai bebeitelde dak, dat veel overeenkomst ver-
toonde met de daken van de Loemboeng-groep, een aantal
dagobs droeg en door een grooteren gekroond werd. Terwijl
het aantal beelden aan de buitenwanden der kleine tempels
steeds dertien was, zal dat in het binnenste zeer verschillend
geweest zijn; Brumund telde althans een zeer uiteenloopend
aantal nissen, eens zelfs drie en veertig in één tempel, ter-
wijl in andere de nissen geheel ontbreken. Maar in elk tem-
peltje schijnt op een voetstuk in het vertrek een Dhjani-
Boeddha-beeld gezeteld te hebben; van deze zijn er nog een
dertigtal over, waarvan vijf en twintig zóó gezeten zijn, dat
zij het gelaat naar de windstreek keeren die zij beheerschen;
de vijf andere zijn waarschijnlijk verplaatst.
Ik moet bij deze vluchtige beschrijving nog een woord over
den hoofdtempel voegen, die een rechthoek vormde, met een
kamer van ongeveer 7 op 6 M., maar waartegen aan elke zijde
een langwerpig vierkant met twee achter elkander liggende
vertrekjes was aangebouwd. Aan de oostzijde voerde een trap
van acht treden door een hoog portaal uit de achterste vestibule
naar de kamer. De vertrekjes der drie andere zijden liepen
blind tegen den muur van het hoofdgebouw.
De tempel was omgeven door een omgang van slechts een
meter breed, dien men beklom langs vier trappen tegenover
de vier ingangen. Op eenigen afstand was het gebouw van
de binnenste rij der bijtempels gescheiden door een vierkanten
muur. van gehouwen steen. Wat den rijkdom der versiering
betreft, overtrof deze hoofdtempel niet alleen de kleinere die
hem omgaven, maar alle andere bekende tempels van Java.
„Lofwerk" , zegt Brumund, „koraaltrossen, guirlandes, sierlijk
door elkander slingerende gebogen lijnen, vakken met ruiten
of cirkels, door op elkander geplaatste pilasters weder ge-
-ocr page 185-
168
scheiden, en waarin verschillende dieren: herten, koeien,
leeuwen en tijgers, zijn uitgehouwen, wisselen elkander in
rijken, nergens elders nog aanschouwden overvloed af. De
hoofdtempel van Tjandi Sèwoe is eenig schoon onder alle
tempels van het oude Java." Binnenstempels was plaats voor
minstens twee en veertig beelden, die echter alle reeds tij-
dens een bezoek van Mackenzie in 1812 ontbraken; hoewel
ook alle latere bezoekers zeggen geen beelden gezien te heb-
ben , is op Van Kinsbergen\'s photographie \') van de zuide-
lijke kapel het hoofd van een Dhjani-Boeddha-beeld zichtbaar.
Deze afbeelding geeft tevens de fraaie tudor-bogen te zien,
die de drievoudige nissen der kapellen overwelven ; in de
middennis van elk drietal bevindt zich een sierlijk gebeeld-
houwd altaar.
Nog verdient het opmerking dat Tjandi Sèwoe ook haar
voortempels had, die in de richting der vier hoofdwindstreken
op vrij aanmerkelijken afstand tegenover de vier hoofdingan-
gen lagen. Zij moeten grooter en prachtiger dan de veleklei-
nere tempels geweest zijn en alleen voor den middentempel
hebben ondergedaan. Den zuidelijken voortempel, waarbij
negen Dhjani-Boeddha-beelden gevonden zijn, noemen de
Javanen Tjandi Boebrah, de verwoeste tempel. De naam
duidt reeds aan, dat hij deelt in de algemeene verwoesting
die verreweg het grootste deel der tempels van Tjandi Sèwoe
in loutere puinhoopen heeft verkeerd. Van de noordelijke en
westelijke voortempels is nog veel minder overgebleven, zij
zijn schier geheel onkenbaar geworden. De oostelijke, Tjandi
Asoe, kon vroeger een denkbeeld geven van de kwistige
versiering, die ook aan die voortempels is ten koste gelegd;
thans is ook daarvan slechts het voetstuk over; hierop be-
vinden zich vijf beelden van Koebera en deze voortempel was
dus aan den god des rijksdoms gewijd.
Onder de tot dusver beschreven Hindoe-gebouwen der Vor-
stenlanden hebben wij er slechts één ontmoet, dat in anderen
\') No. 208; in de Fransche lijst der platen verkeerdelijk verwisseld met 207.
-ocr page 186-
169
vorm gebouwd is dan den regelmatigen in- en uitspringen-
genden twintighoek, namelijk Tj. Sari. Wij hebben er thans
nog twee te noemen die met dit laatste geheel in vorm over-
eenkomen, namelijk de beide hoofdgebouwen der groep Tj.
Plaosan, gelegen nabij de dessa van dien naam, slechts een
kleinen paal oostelijk van Tjandi Asoe. Zij zijn thans niets
dan puinhoopen, maar de benedenkamers zijn vrij wel be-
waard en, gelukkig, niet geheel en al van het beeldwerk
beroofd; bovenverdieping en dak zijn ingestort, zoodat niet
is uit te maken of deze gebouwen, evenals Tj. Sari, gedeel-
telijk tot woning gediend hebben. De naar beneden gestorte
steenen omgeven de buitenmuren als met een kegel; die
welke de vertrekken vulden, werden door de oudheidkundige
vereeniging te Jogjakarta verwijderd. Het is zeer te wenschen
dat ook de ontblooting der buitenmuren eenmaal ter hand
genomen zal worden.
Evenals Tj. Sari heeft ieder gebouw drie vertrekken, elk met
een altaar tegen den achterwand, waarop plaats is voor drie
beelden, waarvan alleen de buitenste over zijn; de midden-
beelden stonden los op hunne voetstukken en konden dus
gemakkelijk weggenomen worden; men mag gissen dat deze
Dhjani-Boeddha\'s of Manoesji-Boeddha\'s voorstelden; ook in
Tj. Mendoet is een Manoesji-Boeddha tusschen twee Bodhi-
satwa\'s gezeten; de aanwezige beelden zijn van bijzondere
grootte, schoon gehouwen en prachtig versierd \').
De beide hoofdgebouwen zijn ingesloten door twee aaneen-
liggende vierkante muren en om den rechthoek, dien deze samen
vormen, liggen drie omloopende rijen gebouwtjes. De binnenste
rij bestaat uit vierkante tempeltjes, overeenkomend met de
bijtempels van Tj. Plaosan; in eenige daarvan werden nog
Dhjani-Boeddha-beelden gevonden, wederom tegenover de wind-
streek die zij beheerschen. De buitenrijen bestonden uit cir-
kelvormige verhevenheden, die, naar men gist, de grondslagen
hebben gevormd van koepels als op Bara Boedoer voorkomen ;
\') Zie de fraaie afbeeldingen bij IJzerman, Beschr. der ondh.
-ocr page 187-
170
beelden zijn er echter niet in gevonden; wellicht dienden zij
tot grafmonumenten boven de asch van Boeddhistische priesters.
De overblijfselen van Tjandi Plaosan liggen in een alang-
alang-veld, dat alweder een ommuurden rechthoek vormt. In
de noordelijke helft van die ruimte, omstreeks 60 M. van den
dichtstbij gelegen tempel, is een vierkant, met steenen geplaveid
plateau, waarop de overblijfselen van een aantal meestal zeer
verminkte Dhjani-Boeddha- en Bodhisatwa-beelden te zien
zijn; ook dit is omringd door cirkelvormige verhoogingen,
zooals pas werden beschreven, en men vindt deze nogmaals,
nu met de kleine tempeltjes, terug om een bezuiden de groep
gelegen terras, 150 M. van den zuidelijken tempel.
Behalve de muren die den tempelbouw omringen, kunnen
de sporen van andere muurwerken in veld en kampong ge-
volgd worden; wij zeiden reeds bij de bespreking van Tj. Sari,
dat zulke groote ommuurde terreinen bij de Voor-Indische
kloosters gewoonlijk niet ontbreken.
Oostelijk van Tj. Plaosan stroomt het riviertje Kloenkangan.
Dit zuidwaarts volgend, bereikt men waar het den grooten
weg snijdt de dessa Bedji, waarin zich een verhevenheid be-
vindt, Goenoeng Kempoel genoemd. Hierop liggen een aantal
Javaansche graven, en daaromheen staan, in den vorm van
een rechthoek, op gelijke afstanden twaalf reusachtige blokken
steen, gelijkend op zeer groote gamelan-kempoel\'s (gong\'s).
Waarschijnlijk zijn het de voetstukken geweest voor de pijlers
van een monumentale pendoppo. In de nabijheid zijn een nandi
en eenig ander beeldwerk gevonden\'). Ook verder oostelijk zijn
aan de helling van den Merapi nog enkele tempelruïnen ont-
dekt, waarvan volgens Rouffaer de belangrijkste en best be-
waarde de hooge en fraaie Tj. D&r&wati, bij het landhuis
Gedaren, zou zijn. Waarschijnlijk, zegt hij, was dit een Boeddha-
tempel; althans op het Europeesche erf in de dessa Gedaren
staan twee fraaie en groote Boeddha-beelden \').
\') Zie over deze en andere nog niet nader beschreven overblijfselen de korte
mededeelingen van Rouffaer, Notulen v. h. Bat. Gen. XXXI. 141. Dr. Verbeek
-ocr page 188-
171
Naar Prambanan terugkeerende moeten wij nog even Tjandi
Kalongan of Sodjiwan bezoeken, op een kwartier afstand van
dien post gelegen. Deze tempel, waarvan het dak was inge-
zakt en die door een kegel van puin omgeven was, is door
de Archaeologische vereeniging te Jogiakarta in 1893 ontgra-
ven \'). Toen is gebleken dat de buitenwanden uiterst eenvoudig
versierd zijn, terwijl in de kamer alle versierselen ontbreken.
Men was echter zoo gelukkig, daarin een geheel ongeschonden ,
schoon gebeiteld Boeddha-beeld te ontdekken, gezeten op een der
beide voetstukken, die een tegen den achterwand der kamer
geplaatst altaar flankeeren. Het beeld van het andere voetstuk
werd niet gevonden, maar wel het hoofdbeeld, dat eenmaal
op het altaar gezeten was, maar nu aan stukken op den
vloer lag; het was niet van andesiet, maar van zachten,
witten steen gehouwen en stelde mede een zittenden Boeddha
voor. Of wij hier met Dhjani-Boeddha\'s of met Manoesji-
Boeduha\'s te doen hebben, vermeldt het verslag over de ont-
graving niet. In elk der beide zijwanden bevindt zich een nis;
deze nissen bevatten ieder een rijk versierd Boeddhistisch beeld ,
waarschijnlijk dus een Bodhisatwa. Maar de merkwaardigste
ontdekking was, dat zich voor het altaar een put bevindt. Tot
dusver zijn in Boeddhistische tempels van Midden-Java geen
putten ontdekt, althans wanneer men met ons de Lara-Djong-
grang-tempels als Sjiwaïetisch beschouwt. Men heeft dan ook
dikwijls gemeend in de aanwezigheid van putten een kenmerk
van Sjiwaïsme te mogen zien. Dit criterium moet thans vervallen.
Men kan nog zeggen, dat alleen in de putten der Sjiwaïetische
tempels urnen met asch gevonden zijn , maar wellicht zal ook
dit verschil bij nader onderzoek verdwijnen; de put van Tj.
Kalongan bevat, behalve eenige der bekende dunne gouden
deelt ons echter mede, dat hij naar Tj. Darftwati navraag heeft laten doen
door den assistent-resident van Klaten, maar dat het gebouw niet is gevon-
den. Het is wenschelijk, dat het door Rouffaer verzochte onderzoek naar de
door hem vermelde oudheden alsnog ingesteld worde.
*) Notulen v. h. Bat. Gen. XXXI, bl. XXIV,
-ocr page 189-
172
plaatjes, slechts eenige verkoolde beenderen; uit die gouden
plaatjes, die ook hier een schildpad, een slang enz. voor-
stellen, blijkt reeds dat sommige begrafenis-plechtigheden bij
Sjiwaïeten en Boeddhisten overeenkwamen.
Grenzend aan den ringmuur van Tj. Kalongan liggen de
grondslagen van twee kleine vierkante tempels, waaromheen
de sporen van cylindervormige verhoogingen als bij Plaosan
te vinden waren. Ook hier is een Dhjani-Boeddha-beeld ge-
vonden.
Een weinig ten zuiden van de Prambanan-tempels strekt
zich een laag gebergte van zandsteen uit, dat met het Zui-
dergebergte samenhangt, en op welks effen gemaakten rug
eene kleine geplaveide vlakte wordt gevonden , ongeveer twintig
meters in \'t vierkant, en door eene breede gracht omgeven. Van
een ringmuur, om de buitenzijde van die gracht getrokken,
waren in 1860 nog hier en daar de fundamenten en eene
enkele poort in wezen gebleven; men veronderstelt, dat het
hoofdgebouw binnen dezen ringmuur gestaan heeft. In de
nabijheid liggen de grondslagen van verscheidene andere ge-
bouwen. Boeddhistische beelden en een steen met het door
Boeddhisten gebruikt Nagari-schrift maken het waarschijnlijk
dat deze nederzetting grootendeels door Boeddhisten bewoond
werd. De geheele plek is een nader onderzoek overwaard, te
meer daar over hare beteekenis verschil van meening heerscht.
De Javanen beschouwen deze ruïnen als de overblijfselen van
een kedaton of vorsten verblijf, dat tot woonplaats verstrekt
heeft aan een reuzenkoning, Ratoe Baka geheeten. Ook nu
blijkt wederom, hoe alle geschiedenis zich voor hen in mythen
en wonderverhalen oplost. Maar misschien mogen wij aanne-
men, dat hier het paleis lag der vorsten van deze streken,
die van dit punt de vlakte van Prambanan met al hare dor-
pen en heiligdommen konden overzien \'). Verbeek echter is
eer geneigd het geheel voor een groote steengroeve te hou-
den, waarbij zich eenige gebouwen bevonden.
\') Aldus ook IJzerman, Beschr. der oudh., bl. 110.
-ocr page 190-
173
Oostelijker draagt dezelfde bergrug een paar vervallen tetn-
pels en begeeft men zich daarna zuidoostwaarts, dan nadert
men de in een woeste bergstreek gelegen tempelgroep Tj.
Idjo, eerst in 1886 bij toeval ontdekt en daarna door Dr. Gro-
neman beschreven \'). De hoofdtempel heeft den gewonen
twintighoekigen vorm; lengte en breedte zijn 15 M., die der
eenige kamer ruim 6 M. De ingang ligt naar \'t westen; de
drie andere wanden bevatten ledige nissen, zoowel uitwendig
als in de kamer. In de laatste bevond zich een 3 M. lange
en breede en ruim zoo diepe put, die vroeger gedekt werd
door een voetstuk, waarop waarschijnlijk een daarbij gevon-
den, 1.25 M. lange lingga geplaatst was. Ook hier had dus
de puttempel een Sjiwaïetisch karakter. In den put werden
twee witte steenen bakken en eenige gouden plaatjes gevon-
den, waarvan het grootste een godenfiguurtje en een niet
juist ontcijferbaar opschrift draagt. Ten westen van den hoofd-
tempel lagen, op enkele tientallen meters afstands, drie rijen
van kleinere tempels en daarvóór nog een tiende, alle gele-
gen aan de helling van den afgeronden bergtop, waarop de
groote tjandi zich verheft. Deze gebouwtjes waren, als ge-
woonlijk de bijtempels zijn, vierkant — hier 7 M. lang en
breed — en met een voorportaal er tegen gebouwd. Bij alle
gebouwen zijn de daken en het grootste deel der muren in-
gestort. De bouwsoort is ook hier een grauw-zwarte andesiet;
natuurlijk moet deze vulkanische grondsoort van elders naar
het neptunisch gebergte zijn aangevoerd.
Oostwaarts van het gebergte tot aan de rivier de Oepak
strekt zich in hoefijzervorm eene vlakte uit, die van Sara-
gedoeg, van 10 palen lengte en 6 palen breedte, die wederom
met talrijke tjandi-ruïnen bezaaid is. Op deze vlakte was in tegen-
stelling met die van Prambanan het Sjiwaïsme overheerschend.
Bij de thans verdwenen tempels Krapjak en Naga-sari zijn
prachtige Sjiwaïetische beelden gevonden, thans deels op het
naburige landgoed Tandjong Tirto, deels te Jogjakarta aan-
\') Tjjdschr. I. T. L. en Vk. XXXII. 313.
-ocr page 191-
174
wezig. Tjandi Abang, de verst zuidwaarts gelegen tempel,
verrijst op een heuvel van ruim zestig meter hoogte en was
bij uitzondering niet van gehouwen, maar van roode gebak-
ken steenen vervaardigd. Tegen de helling van den heuvel
zijn in de zachte rots drie kleine nissen uitgehouwen waarin
eenig beeldhouwwerk te zien is, dat zeer geleden heeft. Tjandi
Singa, thans bijna geheel vernietigd, onderscheidde zich een-
maal door vier op de achterpooten staande, acht voet hooge
en schoon gebeitelde leeuwen, aan de vier hoeken des ge-
bouws aangebracht, waarvan Brumund er nog één onbescha-
digd op zijne plaats vond. Thans is ook deze verdwenen en
van de schoon versierde ruïne is bijna geen spoor meer over.
Hooger, in het gebergte, liggen de overblijfselen van Tjandi
Tindjong en een halven paal vandaar vindt men op een
plateau een Sjiwa-beeld opgericht, met het voetstuk 3.50 M.
hoog, met het nog een voet hoogere ruggestuk uit één steen
gehouwen, waarschijnlijk het grootste Sjiwa-beeld van Java.
Daarbij staan talrijke kleinere beelden van Dhjani-Boeddha\'s,
Sjakti\'s en Bodhisatwa\'s. Verbeek beschouwt het geheel als
een werkplaats, waar zoowel Sjiwaïetische als Boeddhistische
beelden uit de rots gehouwen werden en de beschadigde ach-
terhleven. Nog tal van andere geheel vervallen tempels wor-
den in de vlakte gevonden; voor zoover beelden aanwezig
waren bleken zij bijna alle tot het Sjiwaïsme te belmoren.
Al deze overblijfselen schijnen in karakter met die van Pram-
banan overeen te komen en uit hetzelfde tijdvak te stammen.
Een geheel ander karakter vertoonen de ruïnen van Soekoeh en
Tjeta, hoog aan de westelijke en noordwestelijke hellingen van
den Lawoe gelegen, en door de geheele breedte der residentie
Soerakarta van de oudheden van Prarabanan gescheiden. Wij
hebben ze reeds door de inscripties als van zeer jongen oorsprong
leeren kennen. De overlevering wijst dan ook de stichting toe
aan Praboe Andaja ning Rat, die door den laatsten Bra Widjaja
van Madjapahit, ook Kapoe genaamd, om zijne diensten te
beloonen tot zijn schoonzoon en regent van Penging verheven
was. Deze overblijfselen zijn geene eigenlijke tjandi\'s; zij be-
-ocr page 192-
175
hooren tot die open bidplaatsen, waarnaar men met eene
reeks van door trappen verbonden terrassen opklimt, — bid-
plaatsen zooals men ze ook in Oost-Java dikwijls aantreft, en
die de Soenda-landen met het eigenlijke Java gemeen hadden.
Doch de meeste dezer bidplaatsen toonen, in onderscheiding
van die van den Lawoe, geen sporen van steenbouw. Soekoeh
heeft thans nog drie terrassen, doch had er vroeger een groo-
ter aantal, die in het Mohammedaansche tijdvak voor den
aanleg van een tuin hebben plaats gemaakt. Evenals bij Bara
Boedoer is de trap die naar het eerste terras leidt door een
poort overwelfd. Op het laatste en hoogste terras vindt men
eene steenmassa in den vorm eener afgeknotte, aan de buiten-
zijde trapsgewijs afgewerkte pyramide, geheel vol gemetseld,
behalve dat een smalle trap daar doorheen naar het bovenplat
voert, dat als de voornaamste en heiligste plaats van aanbid-
ding moet worden aangemerkt. Het soortgelijke, misschien
nooit geheel voltooide monument van Tjeta ligt nog hooger
tegen den berg, ongeveer 2200 M. boven de zee; vroeger waren
hier 14 terrassen, thans zijn alleen de bovenste acht nog te
zien; zulk een gebouw als het hoogste terras van Soekoeh
kenmerkt wordt hier gemist; maar op eenige terrassen vindt
men fundamenten van vierkante en langwerpige gebouwen.
Er wordt ook te Soekoeh en Tjeta. aan de trappen eu op de
terrassen een overvloed van beeldwerk gevonden, doch het
mist de schoonheid en fijnheid van de beelden en basreliefs
van den Diëng, van Bara Boedoer en van Prambanan. Alle
figuren zijn grof en lomp. In den bodem werden echter in
1893 een schoon Doerga-beeld en een fraai gebeiteld relief
gevonden \'). Eenige voorstellingen hebben betrekking op het
geslachtsleven, evenals dit in Wisjnoe-tempels van den tegen-
woordigen tijd het geval is. Men mag onderstellen dat Soekoeh
en Tjeta aan den Wisjnoe-dienst waren gewijd\'). Met het
beeldhouwwerk der hoofdstad Madjapahit schijnt dat van den
\') Notulen v. h. Bat. Gen. XXXI. 99.
\') Vgl. ook Groeneveldt, Cat. d. arch. verz. 116.
-ocr page 193-
176
Lawoe vele punten van overeenkomst te toonen, vooral ook
in sporen van jongeren oorsprong bestaande.
Wij hebben thans onzen rondgang langs de Midden-Javaan-
sche tempels volbracht en wenden ons tot die van het oosten
des eilands. De meeste hunner zijn in nog sterker mate ver-
vallen en vernield. Daardoor, en omdat de versieringen, hoe
fraai ook somtijds, toch meestal met die der westelijker gelegen
bouwwerken niet kunnen wedijveren, is aan deze tempels in
alle tijden een veel geringer opmerkzaamheid ten deel gevallen
dan aan de hiervoor beschrevene. Over vele geven, behalve
de korte aanteekeningen in Verbeek\'s lijst van oudheden, de
beschrijvingen van Brumund, die dertig en veertig jaar geleden
werden opgesteld, de laatste gedrukte mededeelingen. Bij dit
gebrek aan belangstelling is het des te meer te waardeeren,
dat voor enkele jaren een groot aantal der Oost-Javaansche
tempels, waaronder nagenoeg alle belangrijke, door Verbeek
zijn opgemeten en in teekening gebracht. Indien deze reeks
eenmaal wordt uitgegeven, aangevuld met eene reproductie der
basreliefs, zal zij de eerste nauwkeurige voorstelling der Oost-
Javaansche tempels vormen. Wij hadden het voorrecht de teeke-
ningen bij de hier volgende beschrijving te kunnen raadplegen.
Het is mogelijk eenige algemeene punten van verschil tus-
schen de Midden- en de Oost-Javaansche tempels aan te
wijzen. De bouwstof was bij de eerste bijna steeds andesiet\'),
onder de laatste zijn vele van baksteen opgetrokken, som-
mige van beide materialen. De in Midden-Java zoo alge-
meene twintighoekige vorm der gebouwen wordt in het oos-
ten meerdere malen door andere bouworden afgewisseld. Dat
de Oost-Javaansche tjandi\'s in lateren tijd gebouwd zijn
dan bijna alle Midden-Javaansche, blijkt uit de jaartallen
der opschriften \') en inderdaad doet het beeldhouwwerk dien
\') Met uitzondering van de zooeven genoemde Tj. Abang en de sporen van
enkele baksteenen tjandi\'s, in den allerlaatsten tijd gevonden in Kedoe (Van
Aalst in Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXVII. 553 vv.).
») Vergelijk bl. 31 en 32.
-ocr page 194-
177
jongeren oorsprong dikwijls vermoeden, waar het van het
Hindoesche type afwijkt en somtijds tot het karakter der
moderne Javaansche snijkunst nadert.
Bespreken wij in de eerste plaats de overblijfselen die ge-
woonlijk als de sporen van het oude Hindoe-rijk van Daha
beschouwd worden. Zooals ons uit het verhaal der Chineesche
expeditie naar Java in 1293 gebleken is, lag de zetel van
dit rijk toenmaals in het tegenwoordige Kediri, maar ook het
oostelijk deel van Madioen moet er toe behoord hebben en
terwijl men in die residentie slechts een enkele, geheel ver-
vallen tjandi vindt, heeft men er overblijfselen opgespoord, die
tot de meeiiing leiden, dat eenmaal ook in deze residentie
een kedaton of paleis der vorsten van Daha gelegen was.
Aan den weg van Oeteran naar Panaraga, vindt men niet
slechts den naam Daha nog in een tweetal dessa\'s bewaard,
maar ook bij de dessa Gelang de vermoedelijke overblijfselen
van den kedaton in uitgestrekte, gedeeltelijk zichtbare, ge-
deeltelijk nog onder den grond liggende fundamenten van
rooden gebakken steen. Vele steenen zijn reeds door de Ja-
vanen uitgegraven en tot verschillende doeleinden aangewend.
In de nabijheid vindt men nog een oude begraafplaats met
twee bij de bevolking hoog in aanzien staande graven en vele
overblijfselen van beeldwerk. Het schijnt dan ook bij nader
onderzoek bloot toevallig, dat Madioen thans de tjandi\'s na-
genoeg geheel mist. Namen van dessa\'s en andere kenteekenen
wijzen aan, dat zij vroeger niet ontbraken \').
Tot datzelfde rijk van Daha kunnen met meer of minder
waarschijnlijkheid de vele merkwaardige Hindoe-overblijfselen
van het grootste deel der residentie Kediri gebracht worden;
vooral de zuidelijke vlakte der Brantas bedekken zij in grooten
getale en men vindt ze tot hoog tegen de aangrenzende berg-
hellingen. Zoo ligt aan de oostelijke helling van den Wilis
op een voortop van ongeveer duizend meters hoogte eene bid-
plaats, uit drie met trappen verbonden en met beeldwerk
\') H. Hoepermans, het Hindoe-rijk van Doho. T. v. I. T. L. en Vk. XXI. 146.
I.
                                                                                               12
-ocr page 195-
178
versierde terrassen bestaande, die den toegang baanden tot
drie kleine vierkante verhoogingen, waarvan er een gebeel ver-
dwenen is; de beide andere bezitten basreliefs langs de op-
staande zijden, die bij de grootste 1,40 M., bij de kleinste
1 M. hoog zijn; lijstwerk ontbreekt geheel. De grootste kan
men met twee trappen bestijgen, tusschen welke in een nis
een steenen schildpad ligt, waarbij tegenwoordig nog geofferd
wordt. Deze overblijfselen worden door de inlandersPenarapihan
genoemd; de er bij gevonden beelden, waarvan het niet bekend
is welke goden zij voorstellen, zijn ruw bewerkt; het schrift
op eenige steenen, dat tusschen oud- en nieuw-Javaansch
schrift het midden houdt, kon nog niet voldoende ontcijferd
worden. Men heeft op een ervan het jaartal 1383 Sjaka (1461
n. C), op een beeld het jaarcijfer 1116 (1194) gelezen.
Op den hoogsten top van den Wilis, den Goenoeng Dara-
wati, in Madioen gelegen, bevinden zich vier kleine steen-
hoopen in den vorm van afgeknotte pyramiden en een wei-
nig lager twee ommuurde terrassen. Aan den voet van den-
zelfden berg, dicht bij de stad Kediri, vindt men in de tem-
pelgrotten van Sela Mangleng een tegenhanger van die van
Koeta. Ardja, in Bagelen, maar met dit merkwaardig verschil,
dat zij niet als deze laatste aan den dienst van den lingga,
maar aan dien van Boeddha zijn gewijd geweest. Zij bestaan
uit vijf in de rots gehouwen en met beeldhouwwerk versierde
kamers. In de grootste kamer is tegen den achterwand boven
een altaarvormig voetstuk een nis uitgehouwen, die een beeld
van den Dhjani-Boeddha Amitabha bevat. In een geheel don-
kere bijkamer, waarnaar men met zes trappen opklimt, is
aan den achterwand een Boeddhistisch beeld in staande hou-
ding in de rots gehouwen.
Noordelijker ligt tegen de benedenhelling van den Wilis
Tj. Ngetos. Het merkwaardige van dit vrij groote, ruim 9 M.
lange en breede gebouw is dat de vier banaspati\'s die het
versierden, evenals de tempel zelve van rooden baksteen ver-
vaardigd waren; ditzelfde is het geval bij Tj. Kali Tjilik,
westelijk van Panataran gelegen. Meestal zijn dergelijke ver-
-ocr page 196-
179
sieringen ook aan baksteenen tempels van andesiet vervaardigd.
Een groep van vijf tjandi\'s en een paar grotkamers met
beeldwerk liggen bezuiden Toeloeng Agoeng in het Wadjak-
gebergte , een nitlooper van het zuidelijk kalkgebergte. De zeer
vervallen gebouwen waren slechts eenvoudig versierd en bevat-
ten putten; voor de meeste lag een langwerpige plateforme,
waarop drie miniatuur-gebouwtjes stonden. Het hoogst gelegen
bouwwerk, het best bewaard geblevene, is een basement
van ruim 11 M. lengte en breedte, dat merkwaardigerwijze
geen trap of toegang bezit. Er boven staat een achthoekige
verhooging en in het midden bevindt zich ook hier een ronde
gemetselde put, ruim 3 M. in doorsnede en even diep. Een
der bedoelde grotkamers, de Goewa Tritis, bestaat uit een
viertal lage vertrekjes met baksteenen muurtjes, gebouwd on-
der den overhangenden wand van den Goenong Boedek. Een
er voor staand vrouwenbeeld draagt het jaartal 1082 Sjaka.
Vlak ten noorden van hetzelfde gebergte ligt in de dessa
Sanggrahan nog een tjandi-ruïne, waarbij een vijftal beelden
van Dhjani-Boeddha\'s staan. Dicht ten oosten daarvan bevin-
den zich in het dessa-gebied van Djoendjoeng drie terrassen;
op het bovenste heeft waarschijnlijk een tempel gestaan.
Aan de hier beschreven groep van oudheden sluit zich
oostwaarts een groot aantal Hindoe-overblijfselen aan, gele-
gen in het dal der Brantas \'). Er bevinden zich daaronder een
achttal fragmenten van gebouwen, sommige van gebakken,
andere van gehouwen steen. Eenige zijn geheel vervallen.
Goed onderhouden worden door de bevolking de ruïnes van
twee tjandi\'s van gebakken steen, gelegen te Batjem, zuid-
oostelijk van Blitar, aan den voet van het kalkgebergte; twee
andere, te Gambar, bezuiden Ngoenoet, 7 M. in \'t vierkant
groot, vertoonen zeer grove basreliefs. Onder de tjandi\'s van
gehouwen steen verdient die van Sawentar, oostwaarts van
Blitar, vermelding; ze is 4.5 M. lang en breed en hoewel zij
3 & 4 M. in den grond zit tengevolge van de uitbarstingen
l) Zie, behalve Verbeek\'s lijst v. oudh., W. F. Haase in Not. v. h. Bat.
Gen. XXXIII. bl. V.
-ocr page 197-
180
van den Keloet, is er nog 6.5 M. zichtbaar, het geheel ge-
broken, spits toeloopende dak meegerekend.
De merkwaardigste ruïne in Kediri en geheel Oost-Java is
Tjandi Panataran, in het district Blitar, aan den zuidweste-
lijken voet van den berg Keloet. Van dit prachtige, met bas-
reliefs bedekte gedenkteeken heeft Van Kinsbergen niet min-
der dan 56 photogrammen vervaardigd, die het ons in al
zijne bijzonderheden doen kennen. De vorm is eigenaardig
en verschilt zeer van de meest gewone der Midden-Javaansche
tempels; maar ofschoon hij eenige toenadering tot dien van
Bara Boedoer vertoont, zou men hier te vergeefs naar sporen
van Boeddha-dienst zoeken. De grondvlakte is een vierkant,
waarvan elke zijde ruim 24 M. lang is. In het midden van
elke zijde springt een rechthoekige voorbouw uit waarvan de
voorzijde de breedte heeft van 16 M.; het gebouw is dus na
Bara Boedoer het grootste Hindoe-monument van geheel Java.
De westelijke voorbouw heeft aan weerszijden trappen, die naar
het bovenvlak voeren. Op dat vlak verrijst een kleinere,
wederom vierkante verhooging, met rechthoekig uitspringende
uitbouwsels aan de vier hoeken. Een enkele trap in het mid-
den der westzijde van dit tweede vierkant voert naar den
omgang van een derde, wederom kleiner en zonder uitsprin-
gende deelen. Er loopt dus een terras rondom de beide ver-
hoogingen , zoodat men er aan alle zijden om heen kan gaan,
terwijl een trap die zich aan den vorigen aansluit, naar het
bovenvlak van het gansche gebouw voert, in welks midden
men een vierkanten put ontwaart van zeven voet lengte en
breedte. Om den put is een muur van drie voet dikte, waarop
zich waarschijnlijk de hoogste basreliefs bevinden, die op Van
Kinsbergens afbeelding van den geheelen tempel zichtbaar zijn.
Ook langs de wanden van de drie vierkanten en hunne uit-
springende deelen zijn overal basreliefs aangebracht. Die van
het benedenste vierkant bevatten volgens Brumund eene reeks
van voorstellingen aan de Rama, ontleend en komen daarin
dus overeen met de reliëfs van den Lara-Djonggrang-tempel
te Prambanan; zij worden afgewisseld door cirkelvormige me-
-ocr page 198-
181
daillons, die een of andere door loof werk omgeven dierfiguur
bevatten.
Welke legenden op den tweeden omgang zijn voorgesteld,
is nog niet uitgevorscht. Het beeldwerk vertoont niet de ge-
wone , volle vormen der Hindoe-beelden, maar heeft meer over-
eenkomst met de hoekige, karikatuurachtige poppen der Ja-
vaanscbe wajangs. Het hoogste vierkant is uitsluitend bebeiteld
met fraai gevleugelde griffioenen, waarvan Fergusson verklaart
dat ze geestiger en beter zijn uitgevoerd dan gelijksoortige
figuren in eenig hem bekend Hindoe-kunstwerk \'). Bij den
voet der trappen naar den eersten en tweeden omgang staan
aan weerszijden groote beelden, die Sjiwa als Kala voorstellen.
In den omtrek van Tjandi Panataran liggen nog vele
andere oude overblijfselen, als sporen van voortempels, van
een badplaats en van beeldwerk, verspreid, alles besloten
binnen een ringmuur, die eene ruimte van ongeveer een vier-
kanten paal moet hebben omtrokken. Daarbinnen vindt men
ook een viertal door vier opstaande muren gesteunde verhoo-
gingen. Van eene daarvan is het beeldwerk gephotographeerd
door Van Kinsbergen. Volgens Brandes is hier een Javaansche
roman voorgesteld *). Dit is op zeer levendige wijze en met
groote kunstvaardigheid geschied. De benedenrand wordt ge-
vormd door een slang-ornament, dat zich hier en daar tus-
schen de basreliefs loodrecht opheft en dan in een kop eindigt.
Op de gebouwen en beelden staan eenige jaartallen tus-
schen 1241 en 1297 Sjaka (1319 en 1375 n.C).
De hellingen van den Keloet verbergen wellicht nog een
aantal oudheden onder hunne dikke aschlagen. In 1887 is daar
door Verbeek, veel hooger tegen den berg dan Panataran gelegen
is, een onbekend gebouw gevonden, door de inlanders Wringin
Brandjang genoemd, een eenvoudig rechthoekig huisje, met
vijf ruitvormige luchtgaten in de muren en merkwaardig om
het dak, dat op Europeesche wijze glad en schuin toeloopt.
\') Hist. of Ind. and East. Arch. bl. 654.
\') Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXII, 427.
-ocr page 199-
CÊgf:
182
Meer naar den voet vertoonen de hellingen nog op een paar
andere plaatsen overblijfselen van bouwwerken. Vermeldens-
waardig zijn daaronder die van Kotes of Papoh, omdat op
een der beide hier bijeenliggende voetstukken, als bij de tem-
pels van het Wadjak-gebergte, drie steenen figuren staan,
waaronder een uiterst fraai bewerkt model van een tjandi.
Ook aan de zuidelijke helling van den Boetak liggen een
paar tempelruïnen.
Bij het ontbreken van herkenbare beelden is omtrent geen
der tot dusver beschreven tempels in Kediri, behalve die van
Panataran, die wij om de Kala-beelden voor Sjiwaïetisch hou-
den\'), uit te maken tot welken eeredienst zij hebben behoord.
De nabijheid van den werkzamen Keloet is voor de Hindoe-
Javanen geen beletsel geweest om op den top van zijn oos-
telijken, veel hoogeren nabuur, den Kawi, en van diens
zuidoostelijken voorberg, den Boetak, tempels te bouwen. In
Midden-Ja va hadden we, wat de bergtoppen aangaat, alleen
overblijfselen van een enkelen tempel op den Oengaran te
vermelden; op den Merbaboe zijn slechts enkele effen gemaakte
vlakken en uitgeholde steenen*), op den Lawoe zijn ruwe
steenen muren om eenige terrassen gevonden. In \'t oostelijk
deel des eilands liggen echter op vier bergtoppen de vrij uit-
gestrekte overblijfselen van gebouwen; behalve op de beide
genoemde ook op den Ardjoena. en den Argapoera. Herken-
bare beelden zijn daarbij niet gevonden, behalve op den Kawi
een Doerga-beeldje van gebakken steen. De gebouwen op den
Boetak zijn opgemeten door Verbeek en De Corte in 1887.
Vier toppen omsluiten daar een klein plateau, de Oro-oro-
vlakte, gemiddeld 2700 M. hoog. Daarin staan de fundamenten
van twee gebouwen, waarvan het grootste zeven, het kleinste
twee kamers bevat heeft. Het eerste was niet minder dan 63 M.
lang, behalve een uitbouw van 8 M. aan de voorzijde; de
breedte bedroeg aan den gevel 22.5, aan den achterkant 16 M.;
\') Vgl. bl. 67. Bovendien deelt Saffies mede (11.42), dat vroeger op Tj.
Panataran een zeer fraai Brahma-beeld stond\'.
:) Alleen vermeld door Junghuhn (Java II. 363).
-ocr page 200-
183
de zijmuren sprongen in en liepen niet evenwijdig. Het tweede
gebouw mat 26 bij 17 M. Op een der toppen lag een derde,
8 M. lang en 4 breed. Van al deze gebouwen is alleen de
plattegrond te herkennen, daar de muren nog slechts een
halven meter .hoog zijn.
Dicht aan de tegenwoordige grens tusschen Kediri en Pasoe-
roean vindt men de overblijfselen van een baksteenen muur,
zoowel aan de grensrivier Leksa, die in recht zuidwaartsche
richting van den Boetak afstroomt als nog zuidelijker, aan
de noordelijke helling van het kalkgebergte. Verbeek acht het
niet onwaarschijnlijk , dat deze muur vroeger van den bergtop
tot het zuiderzeestrand voortliep over eene lengte van 50 kilo-
meters, als grens tusschen de rijken Daha en Toemapel, welk
laatste in de oorkonden ook de namen Gegelang, Pasoeroehan
en Singasari draagt, wellicht naar verschillende residenties\').
Oostelijk van den middelloop der Brantas, dus van de hoofd-
stad Kediri, lag wellicht het Hindoe-Javaansche rijk Keling,
waarvan in de inscriptiën sprake is5). Hier liggen thans,
noordwestelijk van den Keloet, de overblijfselen van een viertal
gebouwen. Daarvan zijn de tjandi\'s Tegawangi en Soerawana
de best bewaarde. Eigenaardig is, dat beider fundamenten be-
staan uit gebakken steen, terwijl de tempels zelve van het gewone
materiaal, gehouwen andesiet-blokken, waren opgetrokken. Bij
Tegawangi bevinden zich twee tempels, gelegen te midden
van een door hooge boomen overschaduwd plein, dat door een
muur van een halven meter hoogte omringd is. Van den
grootsten, ruim 11 M. in \'t vierkant metend, is alleen het
voetstuk over, dat zeer fraai versierde randen en een strook
uitmuntende basreliefs draagt, die echter aan de noordzijde
niet zijn afgewerkt; ook van het kleine gebouw, 4 M. lang
en breed, staat alleen nog het basement, dat op gelijke wijze
is bewerkt. En geheel hetzelfde geldt van Tj. Soerawana,
die bijna 8 M. afmeting heeft; in het fundament zijn vier
holle ruimten uitgespaard, in den vorm van het inwendige
\') Brandes in Tijdsch. v. I. T. L. en Vk. XXXII, 393.
») Vgl. bl. 71.
-ocr page 201-
184
der tjandi-daken. Een derde gebouw, Tj. Gempoer was geheel
van baksteen opgetrokken. Bij Tj. Tegawangi zijn Sjiwaïeti-
sche beelden gevonden en die vindt men verder in grooten
getale over het land verspreid. Aan de noordelijke helling van
den Keloet sluiten zich daarbij aan de oudheden in den
westhoek der residentie Pasoeroean, waar echter, naast een
nandi, een groep van Boeddhistische beelden gevonden wordt
in het bosch Pengaradjan bij Bajem, even over de grens met
Kediri. Het zijn zeven in een halven kring geplaatste, zeer
middelmatig bewerkte beelden, ruim 1 M. hoog, waarvan het
middelste een Boeddha, de andere Bodhisatwa\'s voorstellen.
Hoopen van gehouwen en gebakken steenen en de overblijf-
selen van een grooten ringmuur schijnen te bewijzen, dat hier
ook een tempel heeft gestaan.
Door Brumund werd in de nabijheid, in het bosch Tenggi-
ling een zeer kleine tjandi van gebakken steen aangetroffen,
slechts vier voeten lang en breed en dus wellicht de kleinste
tempel van Java. Hooger tegen de helling, bij Botjok, staat
nog het ruim 4 M. lange en breede voetstuk van een gebouw
van gebakken steen. Daarop bevindt zich een fraai vrouwen-
beeldje en op een steenhoop er achter een zeer fraai mannen-
beeld, die echter beide door hun stijl hun jongeren oorsprong
verraden. Er is aan den tempel dan ook een steentje met het
jaartal 1358 Caka (1436 n. C.) gevonden.
Van meer gewicht dan dit alles zijn de schoone bouwval-
len van Singasari, die wij thans in de aan Kediri grenzende
residentie Pasoeroean willen gaan bezien.
De ruïnen van Singasari worden gevonden in Malang, de
zuidelijke afdeeling van Pasoeroean. De tegenwoordige dessa
Singasari ligt aan den postweg, zes palen van de hoofdplaats
Malang; eene der voornaamste ruïnen vindt men rechts van
den weg, aleer men, van Singasari komende, het verder noord-
waarts gelegen Lawang bereikt. Een breede laan voert naar
een prachtig grasveld, waar men, onder hooge en fraaie boo-
men, te midden van kampongs en koffietuinen, het voor-
naamste heeft bijeengesteld wat nog van de beelden van Singa-
-ocr page 202-
185
sari overig is, van welke een groot deel sedert lang naar Pasoe-
roean gevoerd en thans gedeeltelijk in het Museum van het
Bataviaasch Genootschap en het kabinet van oudheden te
Leiden aanwezig zijn. Aan de gemelde laan ligt de van ande-
siet gebouwde Tjandi Singasari, door de inboorlingen Tjoen-
koep geheeten \'). Het terras waarop thans de tempel verrijst,
bestaat gedeeltelijk uit vroeger tot dezen behoorende steenen
en is dus van jongen oorsprong. Het bedekt het eigenlijke
voetstuk zoo hoog, dat men van dit terras met slechts twee
treden den naar het westen gekeerden ingang bereikt. De
tempel heeft het gewone ons van Midden-Java bekende twin-
tighoekige grondvlak, met een grootste lengte en breedte van
ruim 12 M.; aan de zijde van den westelijken uitbouw be-
vindt zich \'t portaal der hoofdkamer, terwijl de drie andere
afzonderlijke kamertjes bevatten. Op het midden van den tem-
pel verrijst een vierkante toren van 5 M. zijde, die geheel
den vorm heeft van een kleine tjandi, zooals er zoovele in
Oost-Java gevonden worden. De toren heeft echter geen in-
gang ; wel is hij hol, waarschijnlijk om metselwerk uit te sparen.
Het benedendeel met de bijgebouwen verrijst 5 M. boven het
terras, de toren stijgt, met hetgeen nog over is van zijn pyra-
midaal dak, 7 M. boven de aanbouwsels. De hoofdkamer heeft
bijna 4 M. in \'t vierkant en weder \'t bekende uit gedurig
verder vooruitspringende steenen gevormde gewelf. Van bin-
nen zijn nergens nissen; uit de buitennissen die men deels
ter wederzijde van den ingang, deels in het midden der vier
zijden van den muur boven de bijgebouwen aantreft, zijn de
beelden verdwenen. In de hoofdkamer vindt men een voet-
stuk , maar geen beelden meer. Van de beelden der zijkamertjes
is er nog één in het zuidelijk vertrekje overgebleven; het is
schoon gebeiteld, maar tot onkenbaarheid toe beschadigd. Aan
banaspati\'s, aan velerlei bloem- en lofwerk ontbreekt het ook
dezen tempel niet, maar het schijnt dat zijne versiering nooit
\') Tjoengkoep of tjoengkoeb beteekent eigenlijk een gebouw boven een
graf opgericht, dus ongeveer betzelfde als tjandi.
-ocr page 203-
186
is afgewerkt. Die tempels werden blijkbaar eerst afgebouwd
én daarna van boven naar beneden bebeiteld. De wegvoering
en beschadiging der beelden blijkt hier overigens minder aan
den godsdienstijver der Moslemen dan aan de roekeloosheid
van Europeesche liefhebbers van oudheden te wijten te zijn.
Ten zuiden van het hierboven vermelde grasveld lag vroe-
ger eene andere ruïne. Brumund vond er nog slechts in een
steenhoop van honderd schreden in het vierkant en onder
den andesietbouw fundamenten van rooden gebakken steen;
thans is dit alles verdwenen.
Over het beeldwerk op het grasveld dat van verschillende
plaatsen is samengebracht, zal ik niet veel zeggen. Men merkt
er een prachtige nandi en een eveneens zeer fraaie Ganesja
op , drie zonnewagens, en twee reusachtige, 3.70 M. hooge wach-
ters, nog veel grooter dan die van Prambanan, maar wier
verschrikkelijke attributen wederom een zonderling contrast
vormen met de karakterlooze uitdrukking van het zoetsappig
gelaat. Het Museum van Oudheden te Leiden bezit van Singa-
sari eenige fraai bewerkte beelden; een Brahma, Ganesja,
Doerga en twee Sjiwa\'s. Ook een paar Boeddhistische beelden
zijn van Singasari afkomstig. Zij dragen boven aan de voor-
zijde hunne namen in het door de Javaansche Boeddhisten
veelvuldig gebruikte Nagari-schrift\'), dat ook op de beelden
van Toempang voorkomt5). Het eene beeld, eene sjakti voor-
stellende , is door Raffles naar Engeland gevoerd. Het andere,
aanwezig in het Museum te Batavia, geeft de zeer typische
voorstelling van Sjiwa als Goeroe, maar draagt de woorden:
Bhagawan Trnawindoemaharsjih, d. i. de heilige Trnawindoe,
de groote kluizenaar. Een nadere verklaring van den naam,
hier door de Mahayanistische Boeddhisten aan Sjiwa gegeven,
is nog niet gelukt3).
Aangezien omtrent al deze beelden niet valt te bepalen
welke uit de tempels van Singasari zelve, welke van elders
\') Zie boven, bl. 36 en 37.
*) Boven, bl. 96.
s) Grroeneveldt, Cat. d. arch. verz. bl. 15; Brandes, aldaar, bl. 29.
-ocr page 204-
187
afkomstig zijn, is niet uit te maken of de laatste door Sjiwaïe-
ten of door Boeddhisten, of door beide gebouwd werden. Een
ontgraving der bouwvallen had hieromtrent wellicht tot een
beslissing kunnen leiden; de wenscb daarnaar werd reeds door
Bik uitgesproken, die de tempels ruim zeventig jaar geleden
bezocht1), maar is niet in vervulling getreden.
Vroeger lagen in de nabijheid nog vier andere ruïnes, die
volgens Verbeek thans geheel zijn verdwenen; drie lagen bij
elkander, de vierde meer afgezonderd. Zij zijn eerst in 1820
ontdekt; de belangrijkste was langwerpig van gedaante, 29 M.
lang en 14 breed. In 1822, toen Bik deze ruïne bezocht en
beschreef, was wel van het dak geen spoor meer te vinden,
maar bevond zich de westelijke muur nog in vrij goeden
staat. Dit was niet meer het geval tijdens het bezoek van
Brumund, veertig jaar later; toch deden de vermelding van
groote vertrekken aan de beide einden door Bik, en de spo-
ren van een ingang in het midden door hemzelven opge-
merkt, hem eene verdeeling in drie naast elkander liggende
kamers vermoeden, op de wijze van Tjandi Sari en Tjandi
Plaosan in Jogjakarta. Hoe dit zij, het merkwaardigste wat
deze ruïne opleverde, is een levensgroot vierarmig vrouwen-
beeld, met twee kleinere die er nevens staan, en vier andere
in zwevende houding, tegen een zeven voet hoog achterstuk
uit één trachietblok gehouwen; een dergelijke groep als er
de wanden van Tj. Mendoet versieren. Het fraaie en keurig
bewerkte, maar zwaar beschadigde hoofdbeeld miste alle ken-
merkende teekenen.
De twee ruïnen die nevens de beschreven tjandi lagen,
vond Brumund als onkenbare steenhoopen. Bik zag daarbij een
nandi en een zonnewagen liggen. Ook de vierde tjandi was
in 1862 ingestort; bij een vorig bezoek van Brumund, in 1853,
stonden nog brokken van den muur, bedekt met merkwaar-
dige basreliefs. Deze tempel stamde klaarblijkelijk uit een
ander — vermoedelijk een jonger — tijdvak dan de andere.
>) Bij Brumund. Verh. Bat. Gen. XXXIII. 202.
-ocr page 205-
188
Hij was niet gelijk deze uit groote trachietblokken, maar uit
kleinere stukken van een soort witten kalksteen gebouwd;
ook hier had het beeldwerk de gelijkenis met wajangpoppeh,
die wij reeds te Panataran opmerkten. Verderop vindt men bij
de Kali Klampo nog fundamenten, uit roode gebakken steenen
bestaande. Doch zulke fundamenten vindt men op vele plaat-
sen in den omtrek; zij hebben aanleiding gegeven tot de
voorstelling van een ringmuur die de geheele stad, volgens
anderen het geheele rijk Singasari omgaf, ja, volgens deJa-
vaansche legenden over de hoogste toppen van den Kawi,
den Tengger en den Sméroe zou hebben geloopen, zoodat hij
den Chineeschen muur zou hebben te schande gemaakt; een
overlevering, die wel haar oorsprong vinden zal in den boven
besproken muur, welke waarschijnlijk eenmaal van den Kawi
naar het strand van den Indischen Oceaan liep.
De Singasarische oudheden kunnen wel als de ongelukkigste
van Java beschouwd worden; met geene andere is op zoo
onverantwoordelijke wijze gesold. De tjandi-steenen zijn op
groote schaal tot nieuwere bouwwerken aangewend, het over-
geblevene is op de willekeurigste wijze veranderd en mishan-
deld, alle intelligente zorg voor de bewaring heeft ontbroken,
en in een tijd toen de Javasche oudheden nog geen voor-
werp van ernstige studie, maar van bloote liefhebberij waren,
is schier alle beeldwerk dat vervoerbaar was, weggesleept; en
schoon het grootendeels in verzamelingen is terecht geko-
men, heeft het, daar men de herkomst doorgaans niet meer
kan aanwijzen, zijne waarde voor het wetenschappelijk on-
derzoek grootendeels verloren.
In Pasoeroean noemen wij verder de overblijfselen eener
uitgestrekte versterking, bekend onder den naam van Koeta
Bëdah. Zij liggen een weinig ten oosten van Malang, in den
hoek die door de samenvloeiing van de Bongo met de
Brantas gevormd wordt. Het noorder-front was gedekt door
eene gracht, die tusschen de beide rivieren gegraven was.
Men vindt hier nog groote steenhoopen en overblijfselen van
muren. De steenen zijn gebakken en van denzelfden vorm en
-ocr page 206-
189
grootte als de steenen van Madjapahit, dat wil zeggen onge-
veer 37 centimeters lang, 15 breed en 8 dik. Koeta Bedah
is thans voor de inlanders eene groeve, die hun goed gebak-
ken steenen voor het grijpen geeft.
In het dal van Batoe, dat de Brantas in haar bovenloop
doorstroomt, ligt een kwartier west van de plaats Batoe te
Ngaglik een badplaats, waar de waterstralen stroomden door
de borsten van een vrouwenbeeld en door acht andere spuiers
met een doorboord kroonstuk, de meeste aan de opening met
een zittend beeldje en eenig lofwerk versierd. Gehouwen en
groote roode gebakken steenen vindt men hier in overvloed;
maar de vorm van het oude bouwwerk is niet meer te her-
kennen , daar van de steenen een nieuwe vijverkom is ver-
vaardigd, waarbij men de oude waterloozers als ornamenten
heeft aangewend. Drie palen verder staan, bij de minerale
bronnen van Sanggariti, de overblijfselen van een tjandi,
bestaande uit een voetstuk van een kleinen tempel, dat door
het bronwater met een okergeel sediment overkorst is, en eenig
zwaar beschadigd beeldhouwwerk, waaronder een Doerga, een
Ganesja, een lingga en twee banaspati\'s konden herkend wor-
den. Vroeger stonden op het voetstuk nog de overblijfselen van
den twintighoekigen tempelmuur, waarin ook hier de beide
genoemde godheden in nissen schijnen geplaatst te zijn ge-
weest.
Wij begeven ons thans weder naar Malang en slaan vandaar,
in zuidoostwaartsche richting, den weg in naar de vijf palen
verwijderde dessa Kidal, waar wij een zeer fraaie tjandi aan-
treffen, die bij den naam van Tj. Kidal bekend is. Zij rust
op een voetstuk, dat 2.5 M. hoog is en waarvan elke zijde
7.5 M. meet. De tempel springt daarop in, zoodat er een smalle
omgang overblijft, en verheft zich bijna 10 M. boven het voet-
stuk. De ingang is aan de westzijde, aan de drie andere zijden
treden kleine uitstekken met nissen naar voren. Het lijstwerk
is fraai, de keurig bebeitelde ornamenten zijn in kwistigen
overvloed voorhanden. Een vervaarlijke banaspati boven den
ingang, kleinere boven de nissen, singa\'s aan weerszijden
-ocr page 207-
190
van den trap en op de vier hoeken, drie in basrelief gehou-
wen garoeda\'s, half mensch half vogel, op de muren van het
voetstuk — die ook medaillons als die van Panataran, maar
zonder dieren vertoonen —, vormen verder de voornaamste
uitwendige versiering. De banaspati\'s, die in de Midden-Javaan-
sche tempels meestal den onderkaak schijnen te missen, daar
deze door de breede uithangende tong wordt bedekt, toonen
hem hier; verdere verschilpunten, die zich in den regel bij
deze figuren in Oost-Ja va voordoen, zijn een viertal, soms
ook een tweetal, slagtanden, horens boven de oogen en aan
weerzijden een op den deur rustende klauw; hier te Kidal
slingert zich om elke hand een slang. Het dak vertoont een
type dat op Oost-Java veelvuldig voorkwam , zooals uit Ver-
beek\'s teekeningen blijkt. Op den hoofdtempel te Singasari
bleef slechts een klein deel van het dak bewaard; dit komt
geheel met dat van Tj. Kidal overeen; en de tempelvormig
gebouwde poort Badjang Ra toe te Madjapahit vertoont het dak
nog nagenoeg in zijn geheel. De vorm is zwak pyramidaal; de
fraai versierde banden worden driemaal afgewisseld door wat
het meest typische schijnt te zijn van dezen dakvorm: rijen van
pilasters, die kleine nissen omsluiten. De kamer van Tj. Kidal,
twee meters in \'t vierkant, heeft muren zonder nissen en een
op de gewone wijze gevormd gewelf. Deze tjandi is een der
best bewaarde van Java; alleen het topstuk van het dak is
afgestort. Voor den tempel ligt, zooals bij de tempels in het
Wadjak-gebergte en bij Tj. Kotes, een langwerpig plateforme,
waarop zich vroeger drie tempelvormige figuren bevonden. De
tempel staat op een pleintje van ruim twintig meters in \'t vier-
kant, omgeven door een muur van gehouwen steen , een halven
meter hoog. Waarschijnlijk is die muur van lateren datum,
want de tempel staat niet in het midden. Van een muur van
rooden baksteen, die dezen weder omringde, en van een twee-
den tempel zijn nog slechts enkele steenhoopen over.
Van Kidal noordoostwaarts gaande, bereikt men, na vijf
palen te hebben afgelegd, de hoofdplaats van het district
Pakis, Toempang geheeten. Het is nabij deze plaats dat de
-ocr page 208-
191
schoonste der Malarjgsche tempels, Tjandi Toempang of Tjandi
Pjaga, wordt gevonden. Evenals bij Tj. Panataran zijn hier
drie terrassen of omgangen te onderscheiden, maar de vorm
daarvan wijkt zeer
van die te Pana-
taran af (zie PI.
X). Te Toempang
is ook een deel van
den tempel zei ven
blijven staan, na-
l\\
melijk de poort
het portaal en een
gedeelte van den
muur. De onder-
bouw, 2 M. hoog,
was 23 M. lang
en aan de oostzij-
jftïïïï cnnff^
de 14 M. breed ,
maar aan de voor-
of westzijde mat
het front slechts 6
M. Het geheel be-
hield namelijk
Jl
slechts over 14 M.
de volle breedte
en versmalde zich
dan door viermaal
E>
gelijkelijk aan de
lange zijden in te
springen. In de
laatste en tevens
1:200,
X. Plattegrond van Tj. Toempang.
naar Verbeek (ms.).
PI.
de diepste in-
sprongen bevon-
den zich de trappen die naar het eerste terras voerden. Op
dit terras verrees de eerste verhooging, bestaande uit een
aan de hoeken inspringend voetstuk van een halven meter
-ocr page 209-
19<2
hoogte en een zich daarop verheffende muur, die herhaal-
delijk kleine in- en uitsprongen vormde. Deze muur had
met het voetstuk eene hoogte van ruim 3.5 M., terwijl hij
bijnrc 16 M. lang was en de grootste breedte 9.5 M. bedroeg.
Met twee trappen van dertien treden, wederom aan de west-
zijde, als vervolg der andere, maar iets meer binnenwaarts
geplaatst, steeg men van het eerste terras naar het tweede,
en de verhooging die hierop verrees, had eene hoogte van
ruim 1.5 M. De trappen van het tweede naar het derde terras,
ieder uit zes treden bestaande, voerden aan de noord- en
zuidzijde op. Vóór de poort van den eigenlijken tempel was,
evenals op de voorzijde der andere terrassen, eene grootere
ruimte dan elders door de omgangen werd beslagen, en van
die ruimte of dat pleintje steeg men met nog vier treden
op naar den ingang der ruim 3 M. hooge kamer, waarin
men met twee of drie treden weder afdaalde. Zoowel in den
tempel als op het voorplein schijnt een put geweest te zijn.
Langs al de omgangen was de tempel met reeksen van zeer
uitvoerige basreliefs bebeiteld. Brumund betoont zich echter
met het beeldhouwwerk, dat vrij wel bewaard is, niet bij zon-
der ingenomen, en laakt het gemis van uitdrukking en het
verwarde der voorstelling; later zijn geene beschrijvingen er
van in \'t licht gegeven, evenmin als afbeeldingen. Eenmaal
lag naast deze ruïne het overschot van een kleineren tempel,
maar zonder beelden of basreliefs, een gebouw dat met den
hoofdtempel door een ringmuur van gebakken steenen moet
zijn omgeven geweest. Bij den tempel bevinden zich twee beel-
den; het grootste, 2.30 M. hoog, stelt een achtarmige godin
voor, zooals wij er op Tj. Mendoet eene afgebeeld vonden.
Twee kleine Dhjani-Boeddha-beeldjes, twee daarbij behoorende
Sjakti\'s en vier andere, stellig Boeddhistische beelden zijn
naar liet Museum te Batavia vervoerd. Alle beelden dragen
korte opschriften in Nagari-karakters. Tj. Toempang schijnt
dus een Boeddhistische puttempel geweest te zijn zooals in
Midden-Ja va Tj. Kalongan of Sodjiwan. Een nader onderzoek
naar de putten is zeer gewenscht.
-ocr page 210-
193
De oudheden van Probolinggo zijn weinig talrijk en weinig
bekend. Aan de zuidoostelijke helling van den Sméroe, tus-
schen de dorpen Tjandipoera en Penanggal liggen op 330 M.
hoogte, in een eenzame streek, te midden van schier ondoor-
dringbare bosschen twee tjandi\'s van gebakken steen, ongeveer
honderd meter van elkaar verwijderd. De kleinste is niets
meer dan een puinhoop en ook de grootste is zeer vervallen.
Het voetstuk, ongeveer 17 M. lang en breed, vertoont twee
omgangen en heeft twee trappen aan de oostzijde. Er boven
waren nog de overblijfselen van twee gebouwtjes, of van twee
kamers, te onderscheiden. In het eene trof men een put aan.
Het gebouw schijnt door een of twee ringmuren omgeven te
zijn geweest.
In het noorden der residentie heeft men oude fundeeringen
gevonden te Kroekoep in het district Gending en in de na-
bijheid van Padjarakan een kleine, ronde, baksteenen put en
twee zeer fraaie voetstukken. Maar het best bekende en merk-
waardigste Hindoe-monument van Probolinggo is Tjandi Dja-
boeng, nabij de districts-hoofdplaats Djaboeng, tusschen Krak-
saan en Païton. Ook deze tempel is van baksteen gebouwd;
hij staat op een voetstuk van 7 M. hoogte en 9.5 M. lengte
en breedte, waarvoor een trapstuk ligt van 3.5 M. lengte.
Omdat de steenen trap bijna geheel verdwenen is, heeft men
een houten aangebracht om den ingang te bereiken. Terwijl
het voetstuk uit- en inspringende hoeken vertoont, is de tempel
zelve in rondbouw opgetrokken, iets wat bij de Javaansche
monumenten uiterst zelden het geval is. Het dak, waarvan
de top is ingestort, was weder hoekig. Het geheele gebouw
heeft thans nog een hoogte van 15.5 M. De kamer biedt niets
bijzonders aan, behalve dat zich daarin een put bevindt. Deze
tjandi heeft fraaie kroonlijsten en niet minder fraai, maar
spaarzaam beitelwerk op de wanden, waaronder ook hier weder
medaljons voorkomen. Dichtbij den tempel is een stuk muur
met een hoektorentje, gebouwd in den vorm eener tjandi, maar
zonder kamer en natuurlijk ook zonder trap en poort.
In de residentie Besoeki heeft men, behalve de ruïnen van
I.                                                     •                                        13
-ocr page 211-
194
Matjan Poetih in Banjoewangi, waarover ik elders spreek,
slechts een enkele tjandi ontdekt en wel in het uiterste westen ,
boven Andong Biroe aan de westelijke helling van den Ar-
gapoera, door de inboorlingen Kedaton geheeten. Hij is ge-
bouwd van gehouwen steen, en bezit 33 goed bewaard geble-
ven basreliefs. Dat op den top van den Argapoera een aantal
terrassen en gebouwen voorkomen is reeds vroeger gemeld.
Soms is alleen de plattegrond herkenbaar, waaruit blijkt dat
sommige gebouwen verscheidene kamers bevatten; soms zijn
de muren nog 2 tot 3 M. hoog blijven staan. Het hoogste
gebouwtje bevat een kleinen put. Als bij den Diëng voer-
den trappen tegen de berghelling op. Deze oudheden liggen
3020—3040 M. hoog en zijn dus de hoogst gelegene Hindoe-
overblijfselen des eilands.
Terwijl tempels in Besoeki bijna geheel ontbreken, vond
men in het zuiden der residentie eenige overblijfselen van
baksteenen ringmuren, die waarschijnlijk tot versterkingen
behoord hebben. Een der grootste, Koeta Bara geheeten,
dicht bij de grens met Probolinggo, heeft volgens de topogra-
phische kaart een lengte van 600 M. In den grond bedolven
vond men noordelijker, bij Bondowoso, overblijfselen van
muren van rooden baksteen. Zij strekten zich tusschen de
dessa\'s Kademangan en Kasemek over een afstand van vijf
paal uit\').
Met opzet ben ik tot dusverre de residentie Soerabaja voorbij
gegaan, den klassieken grond van het rijk van Madjapahit,
gelijk ook van het rijk van Djënggala. Twee eeuwen lang is
hier de hoofdzetel geweest van de macht der Hindoes.op Java,
en schoon wij slechts weinige gedenkteekenen zullen aantref-
fen die zich door bijzondere kunstwaarde onderscheiden, mogen
wij ons daarom niet van de taak ontslaan, om met eenige
zorg na te sporen wat hier nog van overblijfselen der Ja-
vaansche oudheid gevonden wordt.
De hoofdzetel van het rijk Madjapahit was in de tegen woor-
\') C. J. Bosch in T. v. I. T. L. en Vk. VI. 473.
-ocr page 212-
195
dige afdeeling Madjakërta, die, op verzoek der bevolking, bij
Gouvernementsbesluit van 12 Sept. 1838, dezen naam heeft
ontvangen in plaats van dien van Djapan, waaronder zij zoo
dikwijls in de geschiedenis der oorlogen van de Oost-Indische
Compagnie vermeld wordt. Deze afdeeling is in het zuidoosten
door den Penanggoengan , in het zuiden door het Ardjoena-
gebergte en zijne voortzetting in de Andjosmara-keten van de
residentie Pasoeroean gescheiden, en het is in dit gebergte
dat wij de oudste en schoonste monumenten van dit gedeelte
van Java aantreffen. Daaraan willen wij dus in de eerste
plaats een bezoek brengen.
De Penanggoengan is een sedert vele eeuwen uitgedoofde
vulkanische kegel met vier door de vulkanische krachten naar
buiten gedrongen voorbergen, en het zijn vooral de hellingen
dezer voorbergen aan de noord- en westzijde die met over-
blijfselen uit den Hindoe-tijd bezaaid zijn. Ook aan de oostelijke
helling, in het Pasoeroeansche regentschap Bangil, heeft men
echter een paar ruïnen gevonden, bij Belahan van eene bad-
plaats, die straks zal besproken worden en zuidelijker, op
een paal afstands van Kasri, van een tempel, Tjandi Djawi
geheeten. Deze is van andesiet gebouwd en rust op een twee-
maal verhoogd terras, dat nu onder aarde bedolven is. Dak,
muren, vestibule, beelden, alles is verdwenen; alleen het
voetstuk is behouden, en tusschen zijne uit- en inspringende
lijsten vindt men nog een overvloed van basrelief-werk, figu-
ren van menschen en dieren voorstellende, die echter weinig
natuurlijk zijn en eene periode van verval der kunst verraden.
Doch spoeden wij ons van dit weinig beteekenende monu-
ment naar andere, die ons van de Madjapahitsche kunst een
beter denkbeeld kunnen geven. Volgen wij daartoe den weg
die langs Trètès met zijn prachtigen waterval voert, totdat
wij, op den zadel die den Penanggoengan met het Ardjoena-
gebergte verbindt, de dessa Trawas in Madjakërta bereiken.
De pasanggrahan van Trawas ligt in een fraaien tuin met
prachtige rozenhagen en waarin men vroeger eene verzame-
ling van Hindoe-beelden had bijeengebracht, die echter mee-
-ocr page 213-
196
rendeels naar het Museum van het Bataviaasch Genootschap
zijn overgebracht; thans zijn er nog slechts enkele slechte
beeldjes over, maar ten zuiden van het dorp liggen tegen de
helling van den Goenong Boetak twee kolossale beelden, door
de hedendaagsche Javanen Rëtja djalër en Rëtja èstri, d. i.
het mannelijke en het vrouwelijke beeld, genoemd. Het eerste
is, ofschoon in zittende houding voorgesteld, 5 M. hoog en
dus het grootste bekende beeld van geheel Java; alleen
het gezicht, zonder den haardosch , is een meter lang. Het
beeld, gedeeltelijk met mos overdekt, ligt op den rug en is
vervaardigd van zeer porense trachietlava. De beenen zijn voor
\'t lijf gekruist en om de houding der handen zou men het
voor een beeld van den Dhjani-Boeddha Aksjobhja houden;
het onduidelijk hoofdtooisel, dat op het krullend hoofdhaar
geplaatst is, scheen Verbeek nog niet geheel afgewerkt te zijn
en moest dus wellicht nog tot de gewone verhevenheid op de
kruin der Dhjani-Boeddha\'s worden gefatsoeneerd. Ook verder
is het beeld nog niet geheel voltooid. Verbeek acht het waar-
schijnlijk , dat het ter plaatse uit de rots is gehouwen en gist,
dat aan dezen berg een werkplaats was, waar men de beel-
den ruw bekapte voordat ze werden vervoerd. De Rëtja èstri
ligt, op een halven paal afstands, voorover en is zoo diep
in den grond gezonken, dat slechts een deel van den rug
zichtbaar is. Daarnaar te oordeelen is het een raksjasa, maar
door het gedeeltelijk te laten ontgraven zag Verbeek dat het
hoofd ontbreekt. Wellicht, zegt hij, is het onderweg gebroken
en heeft men het daarom laten liggen. De lengte bedraagt
twee en drie-kwart meter. Bij deze beelden ligt nog een na-
genoeg vierkant voetstuk voor een beeld, een kleine twee meter
lang en breed. Dit en een even groot voetstuk te Pangloengan
bij Madjakërta zijn de grootste bekende voetstukken van ge-
heel Java. Op den Boetak zelven kan men, te midden van
alang-alang en dicht struikgewas, ook nog eenige gladde,
vlakke steenen onderscheiden1); ook op den Welirang staan
\') MS. van J. A. B. Wiselius, die zijne geheele verzameling van nog on-
-ocr page 214-
197
eenige langwerpige steenen en bevinden zich lage ierrassen.
Op zeven palen noordwaarts van den pasanggrahan van
Trawas, aan de westelijke helling van den Penanggoengan,
liggen, op een slechts met veel moeite genaakbare open plek
in het donkere woud, de merkwaardige overblijfselen van
Djala Toenda. Tegen een ter hoogte van 12.5 en ter breedte
van 22 M. steil afgekapten bergwand is een bijna 17 M. lange
muur van gehouwen trachietblokken tot eene hoogte van ruim
5 M. opgetrokken, die tot achterwand dient aan een vij-
ver, waarin juist in het midden een waterbak van 12.5 M.
in het vierkant eveneens uit groote gehouwen steenen was
opgetrokken, door twee kleinere geflankeerd. In ieder dezer
bakken stortte zich een waterstraal door eene opening in den
muur, waaromheen fraai lofwerk was gebeiteld. De figuur door
welke zich het water in den middelsten bak stortte, is thans
verdwenen en door een bamboe vervangen; doch boven den
rechtschen bak onderscheidt men nog een monsterachtig grooten
slangen- of drakenkop, met lofwerk en nissen omgeven, terwijl
boven den linkschen het water uit een vogelkop stroomde en
werd opgevangen door een schelpswijze uitgehouwen, met
waterplanten bebeitelde en van onder door een draak omslin-
gerde kom, waaruit het zich vervolgens in den vergaderbak
stortte. Uit die drie bakken liep het water in den omringen-
den vijver, waar ongetwijfeld jong en oud zich in het heilige
badwater kwamen verfrisschen of kruiken en vazen met het
kristalheldere vocht kwamen vullen. De achterwand is door
13.5 M. lange, allengs lager wordende zijmuren met den slechts
twee voet hoogen, fijn en keurig met mythologische figuren
en groepen bebeitelden voorrand vereenigd geweest; deze voor-
rand bestond uit een reeks sluitsteenen, met twee rijen gaten
boven elkander, om het water op verschillend niveau te
kunnen aftappen.
Het middelste watervak was vroeger ook door zijmuren be-
uitgegeven aanteekeningen omtrent de oudheden van ILldjapahit welwillend te
mijner beschikking heeft gesteld.
-ocr page 215-
198
grensd, waarvan alleen de zuidelijke nog over is. Hetgeheele
monument verkeert in zeer vervallen toestand, waartoe aard-
bevingen waarschijnlijk veel hebben bijgedragen. Alles is uit
zijn verband gerukt, de muren zijn ten deele nedergeworpen,
een zware rotssteen is in den vijver neergestort; van devier-
kante, met in- en uitspringende lijsten opgaande torentjes,
die van afstand tot afstand de muren schijnen versierd te heb-
ben, is er nog slechts één gedeeltelijk overgebleven, en de
beelden die hier in nissen of op voetstukken zullen geprijkt
bebben, zijn voorlang naar Trawas, Soerabaja of elders gevoerd.
Men ziet op den achterwand van Djala Toenda drie kolossale
karakters uitgehouwen, die het jaartal 899 Sjaka (977 n. C.)
vormen. Op den zijmuur van het middelste watervak staat
het woord Oedajana. Dit is de naam van den vader van Er-
langga; hij komt voor in het vroeger besproken in steen ge-
beiteld lofdicht op dien machtigen vorst\'), die omstreeks 1010
door zijn aanhangers tot oppervorst werd uitgeroepen. Is wei-
licht Oedajana te Djala Toenda begraven, en is 977 diens
sterfjaar, dan moet Er-langga zijn vader reeds op jeugdi-
gen leeftijd verloren hebben en dit komt goed overeen met
de in het lofdicht vermelde moeilijkheden, waarmede hij in
zijn jeugd te kampen had. Dat Djala Toenda inderdaad een
vorstelijke begraafplaats is, mag zeer waarschijnlijk heeten.
Wardenaar heeft namelijk, omstreeks 80 jaren geleden, bij het
graven onder den middelsten waterbak een dergelijke vier-
kante steenen bak opgedolven als in den put van den Sjiwa-
tempel te Prambanan is gevonden, anderhalf voet hoog, uit
trachiet gehouwen, op een lotuskussen rustende, gedekt met
een spits toeloopend deksel, en verdeeld in negen vierkante
vakken, die hij, behalve met een gouden doosje en eenige
zeer dunne zilveren en gouden plaatjes, gedeeltelijk mytholo-
gische dieren voorstellende, met de overblijfselen van verbrande
beenderen gevuld vond.
De verbranding der lijken is bij de Hindoe-Ja vanen stellig
\') Boren, bl. 48. Kern in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk., 4e Vr. X. 1.
"N
-ocr page 216-
199
vooral voor hooggeplaatsten in zwang geweest. De overlevering
der Javanen zegt, dat drieërlei lijkbestelling in de Hindoe-periode
gebruikelijk was. De eerste heette nglaroeng en bestond daarin
dat men het lijk in het water wierp en daarmede liet afdrijven ;
de tweede, die men njétra noemde, vorderde dat het lijk ergens
op een afgelegen plaats in het woud, in bruiloftsdos en verzeld
van wapenen en gereedschappen, werd neergelegd; de derde ein-
delijk was het njandi, waarbij de overblijfselen van het vooraf
op de pantjaka (brandstapel, brandplaats) verbrande lijk in
een tjandi bijgezet werden. Dit laatste was Hindoe-gebruiken
had natuurlijk bij personen van aanzien, bij leden der hoogere
kasten plaats; van de lijken der Sjoedra\'s werd zooveel werk niet
gemaakt. Het njétra is echt Polynesisch en keert met allerlei ver-
scheidenheden onder verschillende volken van den Archipel terug.
Ook de Chineesche berichten vermelden deze drie wijzen van
lijkbestelling; zij deelen mede, dat een zieke vóór zijn dood
bepaalde, hoe met zijn lijk gehandeld zou worden1).
Aan de oostelijke helling van den Penanggoengan, in het
regentschap Bangil vindt men, als zooeven reeds gezegd is,
eene andere badplaats, die met Djala, Toenda veel overeen-
komst heeft, te Belahan. Ook hier is een muur van gehouwen
trachiet met een vijverbak er voor. In den muur ziet men
naast elkander twee hooge nissen, waarin in 1830, toen Domis
deze plaats bezocht, nog onbeschadigde vierarmige vrouwen-
beelden prijkten, uit wier borsten en handen koud en kristal-
helder water in den bak vloeide. Thans is één der beelden
uit de nis verwijderd, misschien met het plan om het te ver-
voeren ; doch men heeft het ter zijde van de badplaats laten
liggen. Tusscheu deze beelden is nog een kleinere nis, die ook
een straal water doorlaat. Het geheel is vrij goed bewaard
gebleven, ofschoon een paar kleine beeldjes aan den muur
niet meer te herkennen zijn en de waterbak zijne regelmatige
gedaante verloren heeft en met steenen opgevuld is. Een uit-
graving door Verbeek leverde niets merkwaardigs op. Van de
\') Groeneveldt, Notes on the Malay Arch., 52.
-ocr page 217-
200
plek waar deze badplaats gebouwd is, geniet men een ver-
wonderlijk schoon uitzicht, daar zich van hier naar het lage
land van Bangil en de zee een prachtige dalkloof opent.
Boven de badplaats staat op een kleinen bergtop een baksteenen
torentje, ruim 2 M. lang en 6.5 M. hoog, waarin zich geen
kamer, maar slechts een kleine nis bevindt. Dichter bij
de dessa liggen een drietal terrassen, gedeeltelijk nog om-
muurd en van twee poorten voorzien; op het bovenste terras
staat een zeer vervallen, eveneens van baksteen gebouwde
tjandi.
Naar Soerabaja terugkeerend, vinden we, aan den noord-
voet van den Penanggoengan de ruïnen van Djedoeng. Dje-
doeng schijnt grot te beteekenen , en de naam zal dus ontleend
zijn aan een natuurlijke grot die aan de zuidzijde van den
bouwval gevonden wordt. Men vindt hier overblijfselen van
een in het vierkant opgetrokken muur van gebakken steen
met twee poorten aan de westzijde, waarvan de voornaamste
vrij goed bewaard en uit gehouwen andesietsteenen vervaar-
digd is. De andere, evenzeer uit andesietblokken opgetrokken,
is zeer vervallen-. Daar het geheel aan den rand van een
steilen dal wand ligt, leidt van de hoofdpoort een steenen trap,
aan weerszijden van een leuning voorzien, naar de diepte. Op
de vier hoeken dezer poort waren aan het boveneind zware
consoles uitgebouwd, waarop een kroonlijst rustte, die zich
in vijf allengs kleiner wordende verdiepingen verhief. Boven
den ingang, die zoo smal is, dat hij slechts één bezoeker te
gelijk kan binnenlaten, wat meestal ook van de poorten
van tjandi\'s geldt , was op een rechthoekig vlak een ba-
naspati aangebracht. Men vindt ook nog overblijfselen van
een poortje van gebakken steen aan de noordzijde van het
vierkant. Op het binnenplein, dat omstreeks 50 M. in het
vierkant beslaat, liggen de puinhoopen van tempeltjes, die
van trachiet zijn opgebouwd geweest, en daarbij fragmenten
van beelden en een vrij ongeschonden Boeddha-beeld in de
gewone zittende houding. De wanden dier tempels schijnen
zonder eenige versiering geweest te zijn. De plaats waar een-
/
-ocr page 218-
201
maal de hoofdtempel moet gestaan hebben, is geheel met
waringinboomen begroeid.
Slechts in het voorbijgaan maak ik gewag van een thans
verdwenen gebouwtje van trachiet met pyramidaal dak en
versieringen aan de wanden, dat gestaan heeft op een met
kreupelhout dicht bewassen terrein in de onmiddellijke nabij-
heid van de dessa Bangsri, die recht ten noorden van Djedoeng
en ten oosten van Madjasari bij den zuidelijksten Brantas-arm
is gelegen \'); vluchtig ook van een paar baksteenen tempeltjes
bij Pasetran en Bangkal tusschen Djedoeng en Bangsri, om nog
even stil te staan bij een overblijfsel van geheel anderen aard ,
de in 1870 bij de dessa Kesemen, aan den noordwestvoet van
den Penanggoengan ontdekte waterleiding langs de steile helling
van het ravijn der Djandjing, een naar de Brantas-delta vloei-
ende beek. De geheele met zorg aangelegde leiding heeft de
lengte van ruim een paal. Zij is zoo in de rots uitgehouwen,
dat ze grootendeels van boven open ligt, maar op 29 punten
vormt zij tunnels, een meter breed en ruim zoo hoog; enkele
hebben een lengte van zeven meters en meer; de open ge-
deelten zijn op sommige plaatsen 5 M. diep uitgehouwen.
Langs den buitenwand zijn op sommige plaatsen tot versterking
rollagen aangebracht, deels van rooden baksteen, deels van
bekapte natuurlijke steenen. De waterleiding werd ontdekt,
doordat men een nieuwe wilde aanleggen; dit bleek toen
onnoodig, want nadat de aarde uit de bedding was wegge-
ruimd, was het werk nog zeer geschikt voor het doel; het
moet, daar de steensoort zeer hard is, veel\'arbeids gekost
hebben. Honderden bouws trokken voordeel van de ont-
dekking.
Twee andere overblijfselen van waterleidingen vond men in
Soerabaja, in de vlakte ten westen van het Ardjoena-gebergte.
Bezuiden Madjawerna ligt daar in de dessa Goewa of Latsari
een 200 M. lange, 12—16 M. diepe tunnel, van 9 luchtkokers
voorzien, evenals de vroeger besproken leiding op den Diëng.
\') Evenmin als de volgende vindt men haar op de residentiekaart.
-ocr page 219-
202
De tunnel is niet bemetseld; zij eindigt bij de rivier der dessa.
Noordwestelijk van deze ligt bij de dessa Soetnber Penganten
een met baksteen bemetselde tunnel, van vijf hoekige door-
snede , met een nagakop-vormig mondstuk ter plaatse waar nu
een moeras is en waar eenmaal waarschijnlijk een vijver was.
Het wordt tijd dat wij ons spoeden naar het Ardjoena-
gebergte, om aan den noordwestvoet van den Andjosmara-
keten, omstreeks 200 M. boven de zee, in de nabijheid der
dessa Poeloe, een monument van meer gewicht gade te slaan ,
dat nog in geen gedrukte werken werd beschreven \'). Het
draagt den naam van Tjandi Ngrimbi en is gelegen op een
kleine hoogte en bijna geheel achter reusachtige boomen ver-
scholen, zoodat het een zeer verrassenden aanblik biedt, wan-
neer het bij een kromming van den weg plotseling in het
gezicht komt. De tjandi is van gehouwen trachiet gebouwd,
en bijna 10 M. hoog. Op het 8,78 M. lange en breede voetstuk
is plaats voor drie rijen basreliefs; een groot gedeelte daarvan
is echter onvoltooid gebleven. Aan de westzijde lag de ingang
naar de kamer, die niet een breeden steenen trap werd bereikt.
Aan de zuidzijde is deze kamer ingestort, doch het overige
van het gebouw is nog vrij wel bewaard gebleven. In de
kamer was tot voor ruim zeventig jaar een groot zittend
Boeddha-beeld aanwezig, dat later deel heeft uitgemaakt
van een verzameling van Hindoe-oudheden, die in den tuin
van het residentiehuis te Simpang nabij Soerabaja was bijeen-
gebracht; waar het zich thans bevindt, is onbekend. De bas-
reliefs van Tjandi Ngrimbi zijn bij afwisseling op vierkante
en langwerpige kazementen gebeiteld. De kleinere, langwerpige
bevatten alle de voorstelling van één en hetzelfde mytholo-
gisch dier, met twee groote hoornen. Van deze zijn er nog
\') Enkele korte opmerkingen gaf Verbeek (Not. v. h. Bat. Gen. XXVI, 13
en Lijst v. oudh.. 229). De bovenstaande beschrijving is grootendeels ontleend
aan de MS. aanteekeningen van Wiselius. Goede gedrukte afbeeldingen ont-
breken evenzeer; die in de Mededeelingen Ned. Zend. Gen. XXVII is onbe-
trouwbaar; door Verbeek is ïj. Ngrimbi nauwkeurig in teekening gebracht.
f
-ocr page 220-
203
34 duidelijk te herkennen. De overige basreliefs, voor zoover
zij te herkennen zijn 41 in getal, bevatten kennelijk noch
mythologische voorstellingen, noch toespelingen op godsdien-
stige plechtigheden, maar zijn eenvoudig afbeeldingen van
tooneelen uit het dagelijksch leven. Zij hebben alleen voor den
oudheidkenner waarde door het licht dat zij over gebruiken
en zeden van den Hindoe-tijd doen opgaan. De kunstwaarde
die zij bezitten is zeer gering; de stijl heeft zeer veel over-
eenkomst met dien der basreliefs van Tjandi Djawi en verraadt
een even laat tijdperk.
De oudheden van het Ardjoena-gebergte zijn nog weinig
onderzocht; het is mogelijk dat verdere nasporingen hier nog
een ruimen oogst zullen opleveren. Op de toppen van den
Widodarèn, den hoogsten, zuidoostelijken kegel, ontdekte
Junghuhn op verschillende plaatsen de overblijfselen van
trappen en van muren, waarvan een nadere beschrij ving zeer
welkom zou zijn.
Eer wij van het Ardjoena-gebergte afstappen, moeten we nog
met een woord gewagen van de merkwaardige, tot dusverre
behoudens een korte aanteekening van Verbeek alleen door de
beschrijving van Domis, uit het jaar 1830, bekende Hindoe-
ruïnen, die aan de oosthelling van den Ringgit, een noord-
oostelijken voorberg van den Ardjoena, in Pasoeroean, regent-
schap Bangil, worden aangetroffen. Domis vond er vijf terrassen,
die door trappen verbonden waren; de toegang tot elke trap
werd verleend door een poort en alle vijf deze poorten werden
door twee ruw bewerkte steenen wachters bewaakt. Op den
achtergrond van het bovenste staat een groote vervallen
tempel, welks top men door aan de buitenzijde aangebrachte
trappen kan bestijgen, en die dus zelf geheel massief schijnt
te zijn, evenals het gebouw op het hoogste terras van Soe-
koeh. In nissen en op afzonderlijke voetstukken vond Domis
aan en om den tempel 33 kleine, eveneens slecht bewerkte beel-
den verspreid, terwijl in den grond van dit terras niet min-
der dan 50 groote watervaten van gebakken steen zijn in-
gelaten ; enkele watervaten van deze soort zijn ook bij de ruïnen
-ocr page 221-
204
op de toppen van den Argapoera en den Ardjoena in den
bodem geplaatst. Bij de vijfde poort stond verder aan de
linkerzijde op een pedestal een goed bewaard beeld en daar-
tegenover twee beelden, te zamen op één voetstuk. Verbeek
vond van deze vijf terrassen slechts de bovenste drie terug;
de tempel was zeer vervallen. Het schijnt dat deze overblijf-
selen in karakter, en dus ook vermoedelijk in ouderdom, het
naast met die van Soekoeh overeenkomen.
Aleer wij nu tot de beschouwing der overblijfselen van de
oude hoofdstad Madjapahit zelve overgaan, wil ik nog op
eenige oudheden wijzen die ten noorden en noordwesten van
die plaats in de residentie Soerabaja worden aangetroffen, ge-
lijk de tot dusver beschouwde ten zuiden en zuidwesten daar-
van gelegen zijn.
In het Lamongansche district Lingkir liggen in het djati-
bosch Kréka, dat tot het grondgebied der dessa Melati be-
hoort, de overblijfselen van een oude schans, Koeta Rosan
of Koeta Teboe geheeten. Zij bestaan uit een ommuurd stuk
grond, omstreeks f paal in het vierkant, en gelegen aan den
rand van het dal waardoor de rivier Kréka loopt. Een deel
van den muur aan de westzijde langs het dal en aan de zuid-
zijde is nog tot een hoogte van ruim 1 M. blijven staan;
overigens wordt het beloop slechts door puinhoopen aange-
wezen. Aan de zuidzijde zijn nog de overblijfselen van een
poort te onderkennen. Behalve aan de dalzijde schijnt de
muur door een gracht van zes voet breedte omringd te zijn
geweest, die men vermoedelijk eenmaal met water uit de
Kréka-rivier kon doen volloopen, wat thans echter onmoge-
lijk geworden is. De ringmuur was van op elkander gelegde
platte bergsteenen zonder kalk opgetrokken. Thans is dit ge-
heele terrein met dicht struikgewas begroeid en naar de mee-
ning der Javanen met tal van geesten en spoken bevolkt.
De overlevering wil, dat bij den val van Madjapahit zich
hier een nederzetting vestigde, die zich in deze verschansing
tegen de oproerige vazallen des rijks trachtte te verdedigen,
maar eindelijk voor de overmacht zwichten moest.
-ocr page 222-
205
Koeta Rosan is niet het eenige overblijfsel uit den Hindoe-
tijd dat in het regentschap Lamongan gevonden wordt; maar
mijn bestek verbiedt mij stil te staan bij enkele beelden en
hoopen van gebakken steen, die nog geen voorwerp van op-
zettelijk onderzoek zijn geweest en waarvan dus het gewicht
voor de oudheidkunde niet te bepalen is. In het oostwaarts
aan Lamongan grenzende regentschap Grissee (Gresik) was de
hoofdstad ongetwijfeld reeds in den tijd van Madj&pahits bloei
een belangrijke haven en handelsplaats, waar zich vele
vreemdelingen, vooral Arabieren, hadden nedergezet; maar
Grissee, dat welhaast een hoofdzetel van den Islam werd, is
meer bekend om zijn Mohammedaansche dan om zijn Hin-
doesche gedenteekenen, waarvan echter de voorname reden
is, dat juist de laatste voor een goed deel de bouwstoffen
voor de eerste geleverd hebben \'). Ik zal daarover hier niet
in bijzonderheden treden, daar ik er toch later op moet te-
rugkomen , maar moet thans den lezer verzoeken meer bij-
zonder zijne aandacht te wijden aan het delta-land dat tus-
schen de beide hobfdmonden van de Brantas, de Kali Mas
en de Kali Porong, is gelegen, en, met uitzondering van den
noordhoek, die tot het regentschap Soerabaja behoort, schier
geheel door het voormalige regentschap Sidakari, thans Si-
d&ardja genoemd, wordt beslagen.
De herinnering van het oude, in de Javaansche overleve-
ring zoo beroemde rijk van Djenggala leeft hier nog voort in
de namen van vier der zes districten, waaruit het regentschap
bestaat, en die als het eerste, tweede, derde en vierde Djeng-
gala. onderscheiden worden, terwijl de beide zuidelijkste dis-
tricten het eerste en tweede Rawa poeloe heeten. Hier was
het oud-Javaansche rijk Djenggala gelegen, dat ook wel den
naam Soerabaja droeg5). Het zijn vooral de groote, maar,
misschien behoudens een kleinen kern van historische waar-
heid , geheel tot het gebied der fabelen behoorende daden van
\') Zie Brumund, Verh. Bat. Gen. XXXIII. 182.
\') Brandes in Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXII. 394.
-ocr page 223-
\'206
den vorst Raden Pandji Koeda-wanengpati, die den naam van
Djenggala nog steeds op de lippen der Javanen doen zweven.
De voornaamste tempels in Sidaardja liggen in \'t zuiden
der delta. Men bereikt ze wanneer men, den weg van Soera-
baja naar Porong volgende, bij laatstgenoemde plaats den
binnenweg westwaarts naar Krembong inslaat Zij liggen dus
in het district Rawa Poeloe I, op kleinen afstand van den
linkeroever der Kali Porong, en wel nabij eene dessa die zelve
aan deze ruïnen den naam van Tjandi Pari heeft ontleend.
Overal in den omtrek vindt men de bekende roode gebakken
steenen der Madjapahitsche oudheden tot plaveisel der wegen
of het optrekken van muren gebezigd. Van hetzelfde materiaal
zijn ook de tjandi\'s gebouwd, die drie in getal zijn geweest.
De grootste is ruim 12 M. hoog en 10 M. breed, zonder andere
versiering dan de voet- en kroonlijst. Hij bestaat uit een zich
door inspringende lijsten allengs versmallend voetstuk van
ruim 3 M. hoogte, vroeger grootendeels in den grond bedolven,
maar thans aan drie zijden ontgraven; daarop een eenvou-
dige vierkante muur, die een enkele 6 M. lange en breede
kamer insluit, met de opening, die langs een smallen, thans
gebroken trap bereikt werd, naar de westzijde; op den sluit-
steen daarboven, die zich thans in het Museum te Batavia
bevindt, staat het jaartal 1293 Sjaka (1371 n. C). Hetpyrami-
dale dak is afgebrokkeld en grootendeels met planten overdekt.
De kamer wordt bewoond door duizendtallen vleermuizen, die
een afschuwelijken stank verspreiden. Het geheel heeft een
kolossaal voorkomen, is vuurrood van kleur, en is op eeni-
gen afstand door een ringmuur omgeven. Niet ver van dit
gebouw vindt men de overblijfselen van een vervallen huisje,
dat is opgebouwd boven een 4,64 M. diepen, vierkant gemet-
selden put, die geheel ledig is; het kamertje daarboven is 6
M. hoog en slechts 1,75 M. lang en breed.
Een andere, geheel vervallen tjandi, waarin zich een bak-
steenen put bevindt en waarbij twee lingga\'s en een voetstuk
gevonden werden, ligt op het 16 M. hooge heuveltje dat door
de modderwel Kalang anjar op ruim twee palen afstands van
-ocr page 224-
207
het zeestrand noordoostelijk van Sid&ardja is opgeworpen. En
het derde monument in de delta is een eveneens zeer vervallen
poort van gebakken steen, Tjandi Dërma genaamd, op dezelfde
breedte als het vorige, ongeveer vijf palen oostelijk van
Krian gelegen.
Wenden wij nu, ten slotte, den blik naar de uitgebreide
ruïnen der hoofdstad Madjapahit zelve. Ziehier hoe Brumund
den indruk schetst, dien de eerste beschouwing der bouwvallen
op hem maakte. „Hier en daar zag ik groote bijna vierkante
roode baksteenen liggen; sommige tot 14 duim lang. Zij be-
hooren aan den ouden stijl van Java. Niet millioenen maar
milliarden van die steenen en alom nog fondementen daarvan
liggen door de afdeeling Madjakërta verspreid. Bijna alle
suikerfabrieken zijn daarmede geheel of gedeeltelijk opgebouwd.
Reeds eeuwen oud, zijn zij nog gaaf en hard en zoo vuur-
houdende als de beste Engelsche ..." Baksteen is echter niet
het eenig materiaal der bouwwerken van Madjapahit geweest.
In den omtrek heeft men duizenden kubiek gehouwen trachiet-
blokken opgegraven, die voor de groote sluis- en waterwerken
nabij Madjakërta zijn gebruikt.
Wat van de oude hoofdstad nog overig is en onder de
waarneming van vluchtige bezoekers valt, werd dikwijls met
meer of minder uitvoerigheid beschreven; maar ons ontbreekt
omtrent de ruïnen van Madjapahit een opzettelijk onderzoek
dat aan de eischen der oudheidkunde voldoet. Wiselius had
daarvoor een schat van bouwstoffen bijeengebracht, maar heeft
ze niet kunnen verwerken \'). Dat de taak nog onvervuld bleef,
is minder te verwonderen, daar deze overblijfselen grooten-
deels de kunstwaarde en schilderachtige schoonheid missen,
waardoor zich de ruïnen van den Diëng, van Bara Boedoer
en van Prambanan onderscheiden, al zijn zij door hun kolos-
\') Hier en daar zijn bijzonderheden ontleend aan Wiselius MS. en aan de
reeds genoemde geteekende kaarten van Verbeek. Voor de situatie der MHdjü-
pahit\'sche oudheden raadplege men Verbeek\'s kaartje, gevoegd bij zijn verslag
„De oudheden van Madjapahit in 1815 en 1887". ïijdschr. v. 1. L. en V.
XXXIII 1889.
-ocr page 225-
208
aaien omvang der grootheid van Madjapahit niet onwaardig.
De bouwvallen der oude hoofdstad liggen in het district
Madja-agoeng, ten Z. W. van Madjakërta. Men volgt acht
palen ver den met steenen uit de ruïnen geplaveiden weg, die
van laatstgenoemde plaats naar de districts-hoofdplaats Madja-
agoeng of Ngoemplak voert en slaat dan aan de linkerzijde
een zijpad in, dat u na weinige schreden voor den eersten
bouwval brengt, die thans ouder den naam van Wringin
La wang bekend is, naar de prachtige waringinboomen die
hunne kruinen boven de ruïne verheffen en door hunne tus-
schen het gesteente dringende luchtwortels niet weinig tot
de slooping hebben bijgedragen. Bij den eersten opslag meent
men slechts een vormloozen steenhoop te zien; bij nadere
beschouwing herkent men er de overblijfselen eener nog 10 M.
hooge poort in, waarvan de aan de binnenzijde gladde zijmuren
4 M. van elkander verwijderd zijn, ofschoon thans die tus-
schenruimte tot eene aanzienlijke hoogte met van de boven-
deelen afgebrokkelde steenen is opgevuld. Aan de buitenzijde
ziet men nog sporen van vooruitstekend lijstwerk en van een
nis. De fundamenten en onderste steenlagen bestaan uittrachiet-
blokken; maar daarop verrees een gebouw van de roode gebak-
ken steenen die ik reeds zoo dikwijs vermeld heb. Die steenen,
voortreffelijk van hoedanigheid, laten zich altijd licht van
elkander nemen, daar, zooals we weten , de oude Javaansche
bouwmeesters geen kalk of cement gebruikten. De gehouwen
steenen werden vaak door in elkander passende richels en
gleuven verbonden.
Aan weerszijden dezer poort staan stukken van een muur
er tegen, zoodat zij waarschijnlijk een buitenpoort van een
der kratons was, want de voorstelling die Van Hoëvell ons van
de stad geeft, zal zeker zeer na aan de waarheid komen.
„Madjapahit," zegt hij, „was een verzameling van kratons
voor hooge personages, waaronder die des konings natuur-
lijk de prachtigste was, van tempels voor de vereering der
goden en van enkele inrichtingen voor publiek gebruik, zoo-
als badplaatsen, wachthuizen, enz. Elke kraton had zijue bui-
-ocr page 226-
209
tenmuren en poorten, en daarbinnen zijne gebouwen, tuinen .
tempels, enz. De geringe lieden woonden, voor zoo ver zij tot
het gevolg of het eigendom van de vorsten behoorden, bin-
nen de omheiningen van hun paleis; de overigen hadden
hunne nederige huizen onder het loof der boomen verscholen,
waarom zij echter al mede muren van steen of leem hadden
getrokken , zoodat de straten niet door de woningen, maar
door die muren belend waren." Deze beschrijving berust op
de waarneming der overblijfselen en de vergelijking met de
inlandsche hoofdsteden van Java en vooral met de negeriën
van Bali, welk eiland nog heden vele trekken van het beeld
van het middeleeuwsche Java vertoont.
Ten zuidoosten van de poort Wringin Lawang, op twee
palen afstands ligt, achter het dicht geboomte verscholen,
eene tweede poort, die onder den naam van Badjang Ratoe
bekend is, en onder de Madjapahitsche overblijfselen wel
den gunstigsten indruk maakt. Het is een poort van rooden
steen, eerst, aan weerszijden van een doorgang van nog geen
1.5 M. wijdte, een achttal meters rechtstandig omhoog rij-
zende, en dan zich nog omstreeks even zoo hoog verheffende
in het pyramidale dak, dat reeds vroeger besproken is. Gelijk
dit dak met dat van sommige tjandi\'s overeenkomt, heeft het
poortgebouw zelve den bekenden twintighoekigen vorm. Door
den doorgang, die van binnen met zwarte steenen bekleed is,
voeren een zestal trappen van trachiet. Aan het benedeneinde
van het gebouw zijn breede conterforten aangebracht, aan
beide zijden overgaande in een langen muur, die zich in de
wildernis van het woud verliest. Op het linker conterfort is
een basrelief gehouwen, dat een kamp tusschen twee krijgers
schijnt voor te stellen. Overblijfselen van arabesken zijn hier
en daar op de muren zichtbaar. Het beeldhouwwerk is, zooals
wij dit reeds bij andere monumenten gevonden hebben, niet
in levenden steen, maar in de harde brikken gehouwen.
Ook Badjang Ratoe zal eens de ingang van een kraton
geweest zijn. Van Hoëvell merkt op, dat thans op Bali de
toegangen tat de kratons nog even smal zijn. De overlevering
1.                                                                                              14
-ocr page 227-
210
zegt dat deze poort den ingang vormde tot een nieuwen kra-
ton, dien de vorst van Madjapahit voor zijn opvolger wilde
bouwen, toen de verwoesting van zijn rijk hem daarin ver-
hinderde, en dat hij toen een vloek heeft uitgesproken over
elk die de poort zou binnentreden, waarom ook geen Javaan
dit zal wagen. Het geheele kunstwerk heeft veel door den tijd
geleden en is, schoon met stutten geschraagd, een rasschen
ondergang nabij.
Een weinig ten westen van eene lijn die Wringin La wang
met Badjang Ratoe zou verbinden, lag vroeger een puinhoop,
Sanggar Pamalangan genoemd, en uit groote vierkante an-
desietblokken bestaande, waarvan vele met arabesken en my-
thologische voorstellingen bebeiteld zijn. Men heeft van een
deel dier blokken een kunstmatigen heuvel met trappen ge-
vormd, en op den top het beeld van een boeta of reus op-
gericht , door de Javanen Rëtja Ménak Djingga genoemd. Het
is vijf voet hoog en in haut-relief gehouwen in een vervaar-
lijken andesietsteen, die vermoedelijk in een»muur is be-
vestigd geweest. Het onderste gedeelte is zeer beschadigd, en
ook het reusachtige hoofd, dat een rijk versierden band om
het krullende en achterwaarts gestreken haar draagt, en door
de groote, uitpuilende oogen en vervaarlijke slagtanden een
afzichtige uitdrukking heeft, is niet geheel ongeschonden. Het
beeld is omkronkeld door een slang, wier muil boven de lin-
kerborst den staart vasthoudt, en achter liet beeld meent men
een stralenkrans te zie:i. De tegenwoordige Javanen houden
dit beeld voor een Radja van Balambangan , die eene dochter
van den vorst van Madjapahit ten huwelijk kwam vragen,
maar, om zijne leelijkheid afgewezen, uit spijt versteende. Op
denzelfden heuvel vindt men nog een vrouwenbeeld, dat van
onderen in een vogel overgaat; het blijkt mij niet of men dit
ook soms voor de begeerde bruid houdt.
Een weinig ten noordwesten van dezen heuvel vindt men
een uitgestrekte begraafplaats, uit zes vakken bestaande, ieder
van een steenen muur omgeven, terwijl men door kleine ope-
ningen of poorten van het eene in het andere komt. Vijf
-ocr page 228-
211
dezer vakken vormen te zamen een rechthoek, het zesde sluit
zich aan het oostelijk deel der noordzijde als een kleinere
rechthoek aan. Dit laatste vak is het belangrijkste. Het be-
staat uit drie terrassen en op het hoogste vindt men twee
Madjapahitsche graven, waarin de overblijfselen rusten van
de Ratoe Poetri Tjampa en hare voedster. Aan genoemde
vorstin wordt in de gebeurtenissen die den weg voor den Islam
op Java "bereidden, een voorname rol toegekend, zooals ons
later blijken zal. Het monument draagt het cijfer 1370 (1448
n. C.), waarin ons een gewichtig steunpunt voor de chronologie
der geschiedenis van Madjapahits val wordt geboden. Het graf
wordt door priesters bewaakt, die hunne zorg ook uitstrekken
tot de graven van eenige regenten en hoofden uit het Mo-
hammedaansche tijdvak, wier overschot op de andere terrassen
of in andere vakken rust.
Bij den westelijken ingang der geheele begraafplaats ligt
de beroemde groote vijver of Segaran van Madjapahit, nabij
welks rand men, ten gevalle der bezoekers, een pasanggrahan
heeft opgericht. De vijver heeft eene lengte van 300 a 400, eene
breedte van 150 a 200 M. en de 6 M. hooge wanden en vloer
zijn geheel met Madjapahitsche brikken bekleed. In zijn oor-
spronkelijken staat zal het werk stellig een grootschen indruk
hebben gemaakt. Water bevat de vijver thans bijna niet; de
vloer is bedekt met aarde die de vijver ter halver hoogte
vult en waarop allerlei gewassen groeien.
Noordwestelijk van dezen vijver heeft eenmaal een groot
beeld van den Dhjani-Boeddha Akshobhja gestaan, dat door
de Javanen Djaka Dolok genoemd werd. Het bevindt zich
thans op de kleine aloen-aloen, het plein tegenover het resi-
dentiehuis te Soerabaja. Een weinig ten zuiden van den groo-
ten vijver schijnt eene open plek in het bosoh de plaats
der paséban of gehoorzaal in den kraton aan te duiden. Men
vond er vroeger 30 vierkante gehouwen steenen, regelmatig
op een ouderlingen afstand van 4 M. in drie rijen ge-
plaatst, en houdt deze voor de voetstukken der pijlers waarop
het dak der aan alle zijden open zaal moet gerust hebben.
-ocr page 229-
212
Men beweert dat bij den val van Ma.djapab.it pijlers en dak
naar Deraak zijn gevoerd, om tot materiaal voor de groote
moskee dier plaats te dienen. Thans staan de steenen ver-
spreid langs den weg. Nabij het westeinde dezer ruimte is een,
Panggoeng geheeten, grafteeken van wit gepleisterden baksteen
opgericht. Ten zuiden van de paséban is op eene hoogte een
open vak, door vervallen muren omringd, en in het midden
een steen, die, zoo men zegt, het gat sloot waardoor het lijk
der overleden vorsten werd afgelaten. In den omtrek vindt
men nog een diepen put en eenige verspreide graven, en zuid-
waarts eerst een begraafplaats in de dessa Kedaton, en ver-
volgens de uit eenige door steenen muren omringde vakken
bestaande begraafplaats Tralaja. Behalve grafsteenen liggen
hier eenige van tjandi\'s afkomstige zerken. Van beide dragen
er jaartallen in Kawi-schrift, afwisselend tusschen 1198 en
1397 der Sjaka-j aartelling (1276 en 1475 n. C). Op een vijftal
dezer steenen is later Arabisch schrift aangebracht.
Een ander overblijfsel van Madjapahit is rechts van den
grooten weg naar Madja-agoeng gelegen. Het wordt Tjandi
Brawoe geheeten en was volgens de beschrijving door Van
Hoëvell even zulk een tempel, met dikke muren, een hoog
voetstuk, een kleine kamer met door het uitspringen der steenen
zich allengs toespitsend gewelf, en een pyramidaal oploopend
dak, als wij overal met meer of minder schoonheid en uit-
voerigheid van versiering op Java hebben aangetroffen. Ook
dit gebouw is van roode metselsteenen opgetrokken; het ver-
heft zich nog tot een hoogte van 12 M. op het 8 M. hooge
voetstuk, en ofschoon het voor een groot deel is ingestort,
kan men de overblijfselen der kroonlijsten en versierselen nog
gedeeltelijk herkennen. De kamer is 6 M. in het vierkant;
de ingang, vier voet breed, wordt bereikt door een trap uit
de in den omtrek verspreide steenen samengesteld, om den
geheel verdwenen oorspronkelijken trap te vervangen. De ka-
mer is zonder eenig beeldhouwwerk aan de wanden en thans
geheel ledig. Bij Tjandi Brawoe lag vroeger nog de ruïne
Tjandi Moeteran; de afbeelding, die Van Hoëvell er van
-ocr page 230-
213
geeft naar eene in 1815 vervaardigde teekening van Warde-
naar, die voor Raffles een schetskaart van de ligging der
oudheden van Madjapahit en een aantal afbeeldingen tee-
kende, is onjuist wat den koepel van het dak betreft, dat
door de instorting toevallig een ronde gedaante had gekre-
gen. Verbeek is van meening, dat het gebouwtje geen tempel
maar een hoektorentje op een muur is geweest. Thans zou men
Tjandi Moeteran te vergeefs zoeken; zij is sedert geheel in-
gestort en de steenen zijn tot opbouw der suikerfabrieken van
Madjakërta aangewend. Hetzelfde is met twee andere, door
Wardenaar genoemde gebouwen het geval, waarvan het eene
in zijn tijd reeds geheel vervallen was.
Terecht wijst Verbeek er op , dat uit Wardenaar\'s voor enkele
jaren teruggevonden lijst der oudheden van Madjapahit blijkt,
dat de vernieling der hoofdstad in hoofdzaak plaats had vóór,
waarschijnlijk lang vóór 1815. VVardenaar zag slechts een
paar bouwvallen meer dan wij thans kennen en vond de
andere reeds in nagenoeg even vervallen staat. De vele oude
steenen, die voor den grooten weg en voor de suikerfabrie-
ken, waterleidingen en bruggen in den omtrek gebruikt zijn,
waren dus grootendeels niet van gebouwen afkomstig, maat-
waarschijnlijk van de muurwerken, die eenmaal de erven
omringden.
Ons blijven thans nog eenige ruïnen te vermelden, die in
de naaste omgeving van Madjapahit worden aangetroffen. In
het dorp Mantilan bewesten Madja-agoeng liggen uitgestrekte
fundamenten van baksteen, door de inlanders Keraton ge-
noemd. Vroeger strekten zij zich verder uit dan nu, maar
een deel der steenen is gebruikt bij het bouwen der suiker-
fabriek Soekadana. Ook waren hier overblijfselen van muren ,
die een uitgestrekt vierkant vormden, ongeveer twee palen
lang en breed, met torens op de hoeken; deze bouwval wordt
Baleh kambang genoemd. Zuidoostelijk der ruïnen van Madja-
pahit heeft op een viertal palen afstands een gebouw gestaan,
waarvan nog een grootendeels vervallen ringmuur van gebak-
ken steen en enkele banaspati\'s over zijn. De ruïne wordt thans
-ocr page 231-
214
Tj. Lima genoemd. Ten noordoosten, zuidoostelijk van Ma-
djakërui, bevond zich eenmaal te Bangsal een baksteenen
muur, een paal lang, met torentjes aan de einden. Hij is ge-
heel verdwenen.
Met de beschouwing der bouwvallen van Madjapahit hebben
wij ons overzicht van de Hindoe-ruïnen en zetels van Hindoe-
heerschappij in Midden- en Oost-Java ten einde gebracht. Thans
rest nog slechts kortelijk de vraag te beantwoorden, in hoeverre
de overblijfselen der oudheid getuigenis geven, dat zich de
invloed der Hindoes ook tot West-Java of de Soenda-landen
heeft, uitgestrekt.
De inscripties hebben ons daar reeds bekend gemaakt met
een rijk Padjadjaran geheeten, waarvan de hoofdzetel, vol-
gens de overlevering, die door de weinige overblijfselen wordt
bevestigd, omstreeks de plaats van het tegenwoordige Buiten-
zorg (Bogor) was gelegen. De inlandsche berichten kennen geene
blijvende vestiging van Hindoes in de Soenda-landen vroeger
clan de stichting van Padjadjaran, ofschoon zij verhalen dat
de stichter van Mendang Këmoelan eerst op Java\'s westkust
was geland, maar die wegens hare ongezondheid spoedig weder
heeft verlaten , om verder oostwaarts een beter oord op te zoe-
ken. Padjadjaran vormt het middelpunt van alles wat de over-
levering ons aangaande Hindoes in dit gedeelte van Java
weet te verhalen, en veelal wordt de stichting van die plaats
aan eene verhuizing der vorsten van Djënggala toegeschreven,
ofschoon omtrent de oorzaken daarvan een groot verschil van
meening heerscht, en nu eens burgeroorlog, dan pest, dan
verwoesting des lands door aardbevingen en overstroomingen
als zoodanig genoemd worden. Evenzoo loopen de tijdsbepa-
lingen een paar eeuwen uiteen. Eerst zou de rijkszetel verlegd
zijn naar Giling wësi, in het district Tjidamar in het zuiden
der Preanger-regentschappen. De eerste vorst die daar regeerde
wordt Bra Widjaja Maësa Tandraman genoemd, en zou de
Soendaneezen het eerst met den rijstbouw en den buffel heb-
ben bekend gemaakt. Van de verplaatsing van den rijkszetel
naar Bogor geeft de overlevering als reden op, dat van Bra
-ocr page 232-
215
Widjaja\'s beide zonen de jongste hem, en wel onder den naam
van Parëboe Moending Sari, opvolgde, omdat de oudste op
reis was naar Hindostan. Deze, op zijne omzwerving met
Arabieren in aanraking gekomen, was door hen tot den Islam
bekeerd, en kwam nu met den naam van Hadji Poerwain zijn
geboorteland terug, waar hij , met behulp van een Arabischen
zendeling, zijn broeder tot zijn nieuwen godsdienst poogde te
bekeeren. De poging mislukte en de onlusten, hieruit gespro-
ten, gaven aanleiding dat de vorst zijn rijkszetel, met behoud
van denzelfden naam, meer naar het midden der Soenda-
landen overbracht, terwijl Hadji Poerwa naar een bosch in
Tjeribon de wijk nam. Of nu de zaak door dit verhaal geheel
duidelijk wordt, moet ik aan het oordeel der lezers overlaten.
Lassen heeft nog eene andere reden bedacht, namelijk dat de
nieuwe hoofdstad gunstiger gelegen was, om de nog nooit door
de Hindoe-vorsten van Java geheel bedwongen Soendaneezen
in onderwerping te houden. De overlevering, die tot dit punt
meer onduidelijk en onvoldoend dan ongerijmd is, verliest alle
geloofwaardigheid waar zij ons verder meldt, dat Moending
Wangi, de opvolger van Moending Sari, een onechten zoon
had van wien voorspeld werd, dat hij zijn vader ten verderve
zou brengen, en die daarom (evenals Romulus en zoo vele
andere helden der sage) te vondeling werd gelegd. Hij werd
door een visscher opgenomen en opgevoed, en begaf zich, tot
jaren van onderscheid gekomen, naar Padjadjaran, waar hij
door zijne verdiensten klom tot de destijds hooge waardig-
heid van opperhofsmid. Nu achtte hij den tijd gekomen om
zich op zijn vader te wreken. Met handen die zelfs voor het
gloeiend ijzer onkwetsbaar waren, vervaardigde hij zelf een
ijzeren kooi, haalde zijn vader over om daarin te slapen, en
bracht hem daarna volgens de voorspelling ten val, zooals de
een zegt door hem daarin levend te verbranden, zooals een
ander beweert door hem met kooi en al in den Zuider-oceaan
te werpen. De opperhofsmid nam nu den naam aan van Bra
Widjaja Tjioeng Wanara, en verdreef zijne broeders Raden
Tandoeran, den bestemden troonsopvolger, en ArjaBabanga,
-ocr page 233-
216
den regent Tan Galoe (resid. Tjeribon), uit het paleis. Hierop
ontbrandde een burgeroorlog, waarin Tjioeng Wanara over-
winnaar bleef. Raden Tandoeran vluchtte naar het oosten van
Java en stichtte daar met zijne weinige volgelingen in een
woud, waar hij zich met bittere madja\'s had gelaafd, de stad
Madjapahit (van madja, de vrucht van Aegle marmelos,die
in vele verscheidenheden voorkomt, en p a h i t, bitter). Het
gezag van Raden Tandoeran werd overal in Oost-Java erkend,
zoodat hij den titel van Maharadja Bra Widjaja kon aannemen
en in staat was den krijg tegen Tjioeng Wanara te hervatten.
Deze strijd eindigde ten laatste in een verdrag, waarbij geheel
Java tusschen Padjadjaran en Madjapahit verdeeld werd.
Ik vertrouw dat mijne lezers aan dit proefje van Javaan-
sche historie meer dan genoeg zullen hebben. Bovendien is
ons vroeger gebleken, dat nog een andere overlevering omtrent
de stichting van Madjapahit bestaat, die niet in Padjadjaran,
maar in Toemapel of Singasari de bakermat der vorsten van
genoemd rijk zoektl).
De vestiging van Padjadjaran heeft ongetwijfeld slechts tot
eene zeer onvolkomene onderwerping der woeste bergstreken
van West-Java met hare dungezaaide bevolking geleid, en
de invoed van Hindoe-begrippen en Hindoe-gebruiken is daar
oneindig minder sterk geweest dan in het eigenlijke Java.
Bij de behandeling der ethnologie van heyt eiland zullen wij
gelegenheid hebben dit op te merken, en een ander bewijs er
voor wordt ons geleverd door de overblijfselen der oudheid
die in de Soenda-landen gevonden worden. Wel is waar kan
daaruit blijken, dat ook daar tot zekere hoogte de Hindoe-
godheden nevens de oude Maleisch-Polynesische afgoden ver-
eerd werden; maar in plaats van de prachtige tjandi\'s van
Midden- en Oost-Java vindt men hier slechts opene bidplaatsen,
en het beeldhouwwerk toont nagenoeg geen invloed van de
Hindoesche kunst en staat op een uiterst laag standpunt.
Brumund, die in de voortbrengselen der beeldhouwkunst op
\') Zie bl. 39. Vgl. Brandes in Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXII. 377.
-ocr page 234-
217
Java 1". het echte Hindoesche of Hindoe-kaukasische type,
2°. het Javaansche type, dat de van de Hindoes geleerde
kunst tot de voorstelling van Javaansche trekken, vormen
en kleederdrachten aanwendt, en 3°. het door overlading en
stijve, hoekige vormen van verval der kunst getuigende Ma-
djapahitsche type onderscheidt, kon aan deze drie gezamen-
lijk het Padjadjaran-type overstellen als de oorspronkelijk
aan Java eigene kunst, die beelden en beeldjes levert „nau-
welijks met die namen te noemen, daar zij niet meer zijn
dan steenen, waaraan men ruw den vorm van een hoofd,
een gelaat, armen en beenen heeft gegeven" \'). Ook in Mid-
den- en Oost-Java zijn zulke beelden gevonden, maar in minder
grooten getale, en evenzeer komen zij , zooals te verwachten
is, op de andere door het Maleische ras bewoonde eilanden
voor. Men zou dit type dus beter het Maleisch-Polynesische
kunnen noemen. Nevens die beelden zijn ook eenvoudige ruwe
steenen de voorwerpen der vereering van de oude Soedanee-
zen, gelijk van zoovele andere volken, geweest, en zijn zij
het nog bij hunne nazaten. Soms vindt men zulke heilige
steenen alleen, soms in vereeniging met beelden van het Ma-
leisch-Polynesische type. Tot de meest bekende overblijfselen
van dien aard rekent men twee ruwe beelden nabij Buiten-
zorg, op een prachtig punt van den grooten weg, waar men
de Tji -Dani aan zijne voeten ziet slingeren. Zij vormen met
den Batoe-toelis of beschreven steen van Buitenzorg de zoo-
genaamde overblijfselen van Padjadjaran. Maar niet minder
bekend zijn de Artja Domas, d. i. de achthonderd beelden
(waarbij men echter achthonderd slechts in den algemeenen
zin eener groote menigte moet opvatten), die zuidoostwaarts
van Buitenzorg tegen den voet van den Pangerango op het land-
goed Tjikopo in een prachtig woud zijn gelegen. Zij bestaan
uit verschillende in het bosch verspreide groepen. De zooge-
naamde overlevering zegt, dat Sili Wangi, de laatste vorst
van Padjadjaran, met achthonderd volgelingen naar deze plaats
\') Verh. v. h. Bat. Gen. XXXIII. 273.
-ocr page 235-
218
de wijk nam, toen zijne hoofdstad voor de wapenen der Mos-
lemen moest bukken, en dat zij tot straf voor hun halsstarrig
ongeloof in de beelden en steenen van Artja Domas veran-
derd zijn. Evenwel is het op Java bekend, dat tot in het
begin dezer eeuw noch inlanders, noch Europeanen van deze
beelden gehoord hadden, en dat zij door den toenmaligen heer
van het naburig landgoed Pondok Gedé, den heer Engelhardt,
bij het aanleggen van koffietuinen in de wildernis gevonden
en op deze eerst sedert dien tijd voor heilig gehoudene plek
verzameld werden \'). Vele andere beelden en steenen van dien
aard zijn over Buitenzorg, Bantam, de Preanger en Tjeribon
verstrooid, maar zij zijn vermengd met beelden van het Ja-
vaansche en Madjapahitsche en deels zelfs van het Hindoe-
kaukasische type, gedeeltelijk zeker in den lateren Padjadjaran-
tijd door of naar het voorbeeld der Hindoe-Javanen vervaardigd,
maar gedeeltelijk ook stellig door Europeanen van Oost-Java
hierheen gevoerd :). Maar lingga\'s en joni\'s, Sjiwa\'s, Doerga\'s
Ganesja\'s , ook voorstellingen van Boeddha, van onbetwistbare
herkomst uit de Soenda-landen zelve, zijn in genoegzame
hoeveelheid daaronder, om te bewijzen dat dezelfde godsdienst-
vormen die in Oost-Java heerschten , zich ook den toegang tot
de Soenda-landen hebben gebaand. Ik noem b. v. de beelden
aan den voet van den berg Karang en elders in Bantam ge-
vonden , en vroeger in den tuin van den assistent-resident te
Tjiringin verzameld, later naar liet museum van het Bataviaasch
Genootschap overgebracht; voorts de beelden door Junghuhn
op de bergruggen Pasir Tjipandjaloe en Pasir Pamojanan
ten noordoosten van Bandong ontdekt, thans ook in gemelde
verzameling te vinden, waaronder een goed bewaarde Doerga,
die niet zeer ver bij de fraaie beelden van Midden-Java ach-
terstaat en onder de beelden der Soenda-landen een waar
meesterstuk is te achten; en eindelijk een groep van zestien
beelden, in den benoorden de genoemde bergruggen gelegen
i) Brumund, Verh. v. h. Bat. Gen. XXXIII. 59.
=) Brumund, t. a. p. 61, 62.
-ocr page 236-
219
kinatuin Tjikapoendoeng op een terras bijeengeplaatst. Ook
van deze is een drietal naar het museum te Batavia overge-
bracht. Een dezer beelden is van een jaartal voorzien: 1293
of 1263 der Sjaka-aera (1371 of 1341 n. C.) \').
Open bidplaatsen, uit verschillende terrassen bestaande,
waarop men soms beelden en sporen van altaren vindt, zijn
op vele plaatsen in de Soenda-landen, gewoonlijk hoog in
het gebergte, gevonden. Ik vermeld als vindplaatsen den
oostelijken top van den Gedeh, den Mandalagari; den meest
oostelijken top van den Salak, door de inlanders Poentjak
Kramat geheeten en den zuidelijken top van denzelfden berg,
den Goenoeng Gadjah; de toppen van den Boekit Toenggoel,
den Tampomas en den Tjikorai, alle in de Preanger-regent-
schappen; en de noordwestelijke helling van den berg Tja gak,
op de grenzen van de Preanger en Krawang, waar vijf regel-
matige, vierhoekige terrassen achter elkander, en zoodat ieder
volgend 6 a 8 voet hooger en tevens wat smaller is dan het
vorige, op een zacht rijzende hoogte zijn gelegen, terwijl op
den voorgrond van elk der drie middelste nog een beeldje van
Maleisch-Polynesisch type wordt gevonden.
Wij hebben vroeger gezien, dat noch uit geschiedkundige
gebeurtenissen, noch uit de lettersoorten der inscriptiën valt
op te maken of de Hindoes uit Voor-of uit Achter-Indië naar
Java zijn overgekomen=). Kunnen de bouw- en beeldhouwwerken
uitkomst geven ? Niet zooveel als men allicht verwacht. Men zou
meenen de Javaansche bouwstijlen in Indië te zullen terug-
vinden. Voor zoover onze kennis reikt, schijnt dit niet het ge-
val te zijn. Toch bestaan er punten van overeenkomst, vooral
in het beeldhouwwerk , en wel, naar wij meenen, veel meer
met wat Voor-Indië dan met wat Achter-Indië te zien geeft.
Zij betreffen vooral de beelden en reliëfs der Boeddhistische
tempels van Midden-Java. Het meest treffend is die overeen-
\') Vgl. voor de verdere beelden van West-Java, behalve Verbeek\'s lijst v.
oudh., Groneman in Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXVII. 313.
=) Vgl. bl. 28 en 37.
-ocr page 237-
220
komst tusschen Bara Boedoer en een der jongste van de tal-
rijke tempelgrotten te Ajanta, bezuiden de Tapti in noord-
westelijk Dekhan gelegen. Pergusson gaat zoover van te zeggen,
dat men zich bijna zou kunnen voorstellen , dat zij door dezelfde
beeldhouwers zijn vervaardigd, ware het niet, dat de details
van Bara Boedoer een zeker lokaal karakter vertoonen. In elk
geval acht hij het nagenoeg zeker, dat Bara, Boedoer door
kunstenaars uit westelijk Indië afkomstig is ontworpen \').
Een ander voorbeeld levert Tj. Mendoet. Een der reliëfs op
de buitenwanden, met een vierarmige hoofdfiguur, is een
slechts weinig gewijzigde nabootsing van eene groep op de
facade van een grot te Karli, oostelijk van Bombay in de
West-Ghats gelegen; de Javaansche voorstelling is echter on-
eindig fraaier en volmaakter van uitvoering \').
Men zal geneigd zijn in de streek der tempelgrotten van
westelijk Dekhan naar Boeddhistische tempels in de open lucht
te zoeken. Daar is er geen enkele gevonden. Ongetwijfeld zijn ze
of vernield of nog niet ontdekt, want dat deze Boeddhisten
uitsluitend in grotten hun godsdienst beleden hebben, is niet
te denken. Men moet echter zoover noordwestelijk als Kasjmir
gaan om in de kloosters te Takht-i-Baki en Jamalgiri zulke
Boeddhistische gebouwen te vinden en deze bieden dan ook vele
punten van overeenkomst zoowel met Bara Boedoer als met
Tj. Plaosan \').
Binnen in een der grotten van Ellora westelijk van die van
Ajanta, staat een kleine tempel, die een twintighoekigen vorm
heeft, en waarvan het dak door een dagob gekroond wordt
en vrijstaande hoekversieringen vertoont4).
Het Nagari-schrift der Javaansche Boeddhisten wees ons
naar de boven-Ganges-vlakte; de Boeddha-tempels van Mid-
den-Java wijzen naar westelijk Dekhan en \'t noordwesten van
Indië. Dat de Indische Boeddhisten niet om kaap Comorin
l) Fergusson and Burgess, The cave temples of India. London 1880, bl. 345.
*) Fergusson, Hist. of Ind. and East. Arch. 651.
3)   Fergusson, t. a. p. 646; IJzerman, Beschr. d. oudh. 103.
4)  Cave temples, 497.
-ocr page 238-
221
heen voeren, maar van de bekende havens van Kalinga en
de zuidelijker deelen der kust van Koromandel uit den tocht
ondernamen \'), schijnt te blijken uit de gebouwen welke aan
die kusten verrijzen. Het beroemde monument te Amrawati
aan de Kistna wordt door Fergusson beschouwd als gesticht
door een kolonie Boeddhisten uit noordwestelijk en westelijk
Indië, die van de monden van Kistna en Godawari uit Java
koloniseerden1). De medaillon-versieringen, die zich aan Tj.
Sèwoe bevinden, vertoonen gelijkenis met die van Amrawati.
Een ander gebouw, een der pagoden te Mahawalipoer bezuiden
Madras — welke met vele van de Javaansche bouwwerken
den zonderlingen trek gemeen hebben , dat geen enkele geheel
voltooid schijnt te zijn — bezit een dak, dat groote overeen-
komst vertoont met dat van Tj. Kalasan of Kali Bening vol-
gens IJzerman\'s reconstructie 5).
Uit alles wat de Boeddhisten betreft. Omtrent de Sjiwaïeten
valt nagenoeg niets te berichten. De gelijkenis, die Fergusson
meende te ontdekken tusschen de tempels van den Diëng en
eenige in liet midden van Dekhan gelegene, schijnt bij nadere
beschouwing niet zeer groot \').
Op de treffende omstandigheid, dat de Hindoe-Javaansche
bouwmeesters geen metselkalk gebruikten — hoewel een der-
gelijke specie hun niet onbekend was; aan Tj. Kali Bening
werden buiten op de muren sporen van pleister aangetroffen —,
geen bogen bouwden en geen pilaren aanwendden is reeds
vroeger gewezen. Fergusson acht hunnen bouwstijl waarschijn-
lijk den eenigen, die zonder deze dingen een hoogen graad van
volmaking bereikte 5). Het veelvuldig voorkomen van den toog-
bij de tempels van Pagan in Birma is voor ons eene verhin-
dering om een zoo nauw verband tusschen deze Boeddhistische
\') Vgl. boven bl. 72.
5) Hist. of Ind. and East. Arch. 103.
3)  Beschr. d. oudh. 22.
<) Hist. 659.
4)   T. a. p. 660.
-ocr page 239-
222
bouwwerken en de Javaansche aan te nemen als Yule meende
te mogen doen \').
Wat de Wisjnoeïetische bouwwerken van den Lawoe aan-
gaat, de door Fergusson opgemerkte gelijkenis van het ge-
bouw te Soekoeh en monumenten in Mexico en Yucatan is
onmiskenbaar en zeker hoogst zonderling 2); wij vinden geen
vrijheid haar voorloopig voor meer dan toevallig te houden.
VIJFDE HOOFDSTUK.
De val van Madjapahit\').
Welke ook de voorstelling moge zijn , die men zich van den
loop der Hindoe-kolonisatie en van de opvolging en onder-
linge betrekking der Hindoe-rijken op Java vormt, zeker is
het dat de invoering van den Islam op dat eiland onmiddellijk
werd voorafgegaan door een tijdvak waarin een oppervorst,
Maharadja geheeten, het gezag voerde over gansch oostelijk
Java en zijn zetel had te Madjapahit. Zelfs ver buiten de
grenzen van Java werd het gezag van dien oppervorst geëer-
biedigd; want de Javanen waren destijds een zeevarend volk,
en hadden zich door kolonisatie en onderwerping der inlandsche
bevolking over vele gewesten van den Archipel verbreid *).
\') Journal Asiat. Soc. of Bengal. XXXI. 29.
:) T. a. p. 661. — Zie ook de atlas Denkmaler der Kunst, door Lübke en
Von Lützow, 1884, pi. II, fig 7, 9, en 10.
3)  De ° op a is bij bekende namen, Mldj"ipahit, JogjSkart\'l, in den ver-
volge weggelaten.
4) Ik verwijs hier naar mijn opstel „de onderhoorigheden van Madjapahit" in het
T. v. N. I. Jg. 1867, Dl. I, bl. 88—97, en de aanvullingenen verbeteringen
daarvan bl. 293 — 295 en Dl. II. bl. 96—98. Genoemd opstel bevat de verklaring
eener lijst van de onderhoorigheden van Madjapahit, door Dulauvier aan de
Maleische kroniek van Pasei ontleend en het eerst medegedeeld in het Journal
Asiatique voor 1846. De uitgave van die lijst heeft eene vrij uitgebreide lite-
ratuur doen ontstaan. Dulaurier zelf, Pijnappel, Logan, Lassen, V. d. Tuuk,
Meinsma, hebben voor en met mij aan de verbetering en verklaring hunne
krachten beproefd. Na die herhaalde bewerking schijnen mij zoowel de namen
als hunne volgorde bijna volkomen verzekerd. Zij zijn de volgende: Timbalan
-ocr page 240-
223
Het rijk van Madjapahit had een soortgelijk karakter als
alle rijken die vroeger en later in den Indischen Archipel als
machtige staten zijn beschouwd geworden, als het rijk van
Djolior, het rijk van Ternate, het rijk van Makasser, het rijk
van Atjeh. Het was een leenrijk, waarvan slechts een klein
deel onmiddellijk door den oppervorst werd bestuurd, het
overige onder de leiding stond van meer of minder machtige
vazallen, die zich soms aan het hof van den Maharadja ver-
toonden , hem veelal een deel der inkomsten uit hunne staten
getrokken als schatting opbrachten , en hem in zijne oorlogen
met troepen bijstonden, maar ook dikwijls den leenplicht
weigerden , de schattingen inhielden en elkander op eigen hand
beoorloogden. De leenvorsten hadden zelven weder vazallen,
(Tambelan-eilanden); Siantan en Djemadja (Anambas-eilanden); Boengoeran,
Serasan, Soebi en Poelo Laoet (Natoena-eilanden); Tioman (Timoan), Poelo
Tinggi en Pamanggilan of Pamanggil (eilanden bij de oostkust van liet
Maleische Schiereiland); Karimata (eiland bij Borneo\'s westkust); Blitong
en Bangka; Lingga, Rio, Bintan en Boelang (Riouw-Lingga-Archipel); Sam-
bas, Mampawah, Soekoedana, Kota-waringin, Bandjer-masin, Pasir, Koe-
tei en Berou (op Borneo); Djambi, Palembang en Pasei (op Sumatra); Oe-
djoeng Tanah (kaap Romania, op het Maleische Schiereiland); Bandan (Banda-
eilanden), Seiran (Ceram), Larantoeka (op Flores), Bima en Soembawa, Sala-
parang (Lombok), Bali en Balauibangan (Java\'s oosthoek). Indien men opmerkt
dat de lijst eigenlijk ontleend is aan een zeer onhistorisch verhaal, in de kro-
niek van Pasei zelve voorkomend, doet zich de vraag voor of zij de moeite
wel waard was, die men er aan besteed heeft; doch ik meen in bovengemeld
opstel te hebben aangetoond, dat er goede historische herinneringen aan ten
grondslag liggen. De Javaansche berichten noemen nog onder de vorsten die
gedwongen werden het oppergezag van Madjapahit te erkennen, die van Sin-
gapoera, van Indragiri op Sumatra, van Broenei op Borneo, van de Soeloe-
eilanden, van Manila, van Ternate, van Timor, van Ende op Flores, en
van Gowa en Mangkasar op Celebes. Zie b. v. Raflies, II. 120. 152. Wat de
Maleische kroniek Sahadjara Melajoe (ed. Dulaurier, bl. 86, 136) over de
oorlogen tusschen Madjapahit en Singapoera meldt, laat zich niet met de
oudste Europeesche berichten over Singapoera bij De Barros overeenbrengen en
is vol dwaze verdichtselen; maar dat er werkelijk strijd tusschen Madjapahit en
Singapoera gevoerd is, wordt door de Javaansche berichten bevestigd. Is wei-
licht Singapoera onder Oedjoeng Tana begrepen? Over de sporen eener Ja-
vaansche volkplanting in het rijk van Menangkabau op Sumatra, sprak ik
op bl. 67.
-ocr page 241-
224
die evenzoo te hunnen opzichte handelden, en men kon dus
leenen en achterleenen onderscheiden. De voornaamste leen-
staten in de nabijheid van Madjapahit waren Daha, Djanggala
of Koripan, Singasari en Bawerna of Brawerna, in het thans
tot Rembang behoorende regentschap Bodjo Negoro gelegen \').
Door grootendeels woeste streken van Singasari gescheiden,
lag op Java\'s uitersten oosthoek het rijkje Balambangan,
dat eenmaal, zoo het schijnt, door onafhankelijke vorsten
was bestuurd, die in nauwe betrekking stonden tot de oud-
ste Hindoe-koloniën op Bali, en daarom evenals Bali onder
de door Madjapahit veroverde gewesten wordt gerekend1).
Doch bij het heerschende leenstelsel maakte ook de veroveraar
doorgaans slechts aanspraak op de suzereiniteit, en bleef de
overwonnen vorst als vazal regeeren. Het afgelegen Balam-
bangan zal bovendien den druk van Madjapahits gezag slechts
weinig gevoeld hebben, en behield dan ook, zooals ons later
blijken zal, niet slechts tegenover Madjapahit, maar ook tegen-
over de latere vorsten van Mataram, tot in de tweede helft der
achttiende eeuw eene tamelijk onafhankelijke stelling. Ik zal later
meermalen gelegenheid hebben om van dat rijkje te gewagen.
De vorsten stelden ambtenaren aan, die waarschijnlijk wer-
den bezoldigd uit de opbrengsten van de landerijen door hunne
onderhoorigen bewerkt, en ten deele door de persoonlijke dien-
sten van deze. Hoofden over duizend huisgezinnen worden
reeds in de Chineesche berichten vermeld 3), en het schijnt mij
dat daaruit zoowel de naam wong sèwoe te verklaren is, waar-
door nog soms de volksmassa in tegenstelling met de hoofden
en ambtenaren wordt aangeduid, als de naam panèwoe 4),
l) In deze streek zijn geen andere Hindoe-overblijfselen gevonden dan enkele
Sjiwaïetische beelden aan de zuidgrens, op den Gg. Pandan en oostelijker te
Ngloejoe, benevens een menigte baksteenen en hier en daar stukken van mu-
ren (Brumund, Verh. Bat. Gen. XXXIII. 177; Verbeek, Lijst v. oudh. 203).
») Zie de noot op blz. 222; vgl. Raffles Java II. 121.
\') Schlegel in ï. v. I. T. L. en Vk. XX. 21.
4) Hèwoe of sèwoe beteekent duizend, panèwoe, zoo ik meen, eigenlijk
hoofdman over duizend, chiliarch.
-ocr page 242-
225
die nog aan zekere ambtenaren van hoogen rang in de Vor-
stenlanden gegeven wordt. Het zal ons later meermalen blijken
dat de bevolking doorgaans\' bij duizendtallen van gezinnen
werd geschat of ingedeeld. Onder die hoofden van duizend
gezinnen stonden waarschijnlijk reeds toen ook hoofden over
100 (panatoes), over 50 (panèket) en over 25 huisgezinnen
(panglawè). De gebeele indeeling heeft wellicht in verband
gestaan met de heerediensten voor den aanleg van wegen en
andere openbare werken, ook voor den bouw der tjandi\'s en
kedatons, die aan de bevolking werden opgelegd. Men vindt
die heerediensten in oude opschriften vermeld1), en men kan
zich bezwaarlijk voorstellen, dat reuzenwerken als Bara, Boe-
doer, Tjandi Sèwoe en dergelijke zonder willekeurige beschik-
king over de werkkrachten der bevolking konden worden
tot stand gebracht. Even zeker is het, dat men de bevolking
niet tot zoo zwaren arbeid zou hebben gekregen, wanneer zij
zelve niet in het tot stand komen der gebouwen belang had
gesteld, den godsdienst der veroveraars niet had aangehan-
gen. Die belangstelling zal soms de heerendiensten ook wel
overbodig hebben gemaakt; nog thans verrijzen op Bali raonu-
menten van groote kostbaarheid en aanzienlijken omvang geheel
uit vrijwillige bijdragen en onderlinge hoofdelijke omslagen.
In den aanvang van het tweede hoofdstuk is ons gebleken,
dat de Javanen, vóór zij den invloed der Hindoe\'s ondervon-
den, reeds een niet geringe beschaving moeten bezeten heb-
ben ; men mag daarom echter de weldadige werking der
Hindoe-heerschappij niet gering achten. Wat de stoffelijke
vooruitgang betreft, de samensmelting van Indo-Germanen
en Maleiers, de twee best bevarene rassen der aarde, heeft
aanleiding gegeven tot een handelsbloei, die Java tot een
hoofdmarkt voor de specerijen, de kostbaarste producten van
het Oosten maakte en tot een veelvuldig bezoek van Arabie-
ren en Chineezen leidde. In den Hindoe-tijd verwierf Java
de hegemonie over een groot deel van den Archipel en stichtte
\') Zie blz. 54, 68.
I.
15
-ocr page 243-
226
er een zeebond, waarvan de koloniën en onderhoorigheden
zich rustiger in de suprematie van Madjapahit schijnen te heb-
ben geschikt dan de Attische bondgenooten in die van Athene.
Maar meer nog dan de materiëele mag men de intellectueele
beschaving door de Indiërs bevorderd achten. De taal der
Javanen werd door die der Hindoe\'s verrijkt, hun letterschrift
werd aan het alfabet der Hindoe\'s ontleend, hun literatuur
is een nagalm van de poëzie door de Hindoe\'s naar Java\'s
bodem overgeplant; verschillende wetboeken en daarmede
het geheele stelsel van hun recht zijn door de Hindoe\'s niet
alleen op Java bekend gemaakt, maar ook in vollen omvang
toegepast, hoewel langzamerhand naar de behoefte der nieuwe
maatschappij en naar de landsgewoonten gewijzigd \').
Men zou allicht geneigd zijn uit liet feit, dat de meeste
der groote bouwwerken op Java den Boeddhistischen eere-
dienst moesten dienen, de gevolgtrekking te maken, dat
Boeddhisten de Hindoe-Javaansche beschaving hebben be-
heerscht; een gevolgtrekking, even onjuist als wanneer een
vreemdeling uit den kerkbouw in Nederland de overheer-
sching van het Roomsch-Katholicisme boven het Protestan-
tisme zou afleiden. Wij zeiden reeds vroeger, dat in de
Oud-Javaansche letterkunde alles, met weinige uitzonderingen,
Brahmanistisch, en wel Sjiwaïetisch, is5). Bovendien, reeds
de nauwkeurigheid waarmede de oude Javanen op de in-
scriptiën de data opgeven, zou voldoende zijn om de
Brahmaansche richting van den geest duidelijk te maken.
Tot op dezen dag toe zijn de Boeddhisten niet in staat of niet
willens een kalender samen te stellen. Astronomie en astro-
logie worden uitsluitend door Brahmanen beoefend in Ceilon,
Birma en Siam. Hoe de verhouding tusschen de belijders van
beide eerediensten op Java in de Middeleeuwen geweest is,
valt natuurlijk niet met nauwkeurigheid te bepalen. Het vei-
ligst is te veronderstellen, dat zij was ongeveer zooals nu nog
\') Jonker, Een oud-Javaansch wetboek vergeleken met Indische rechtsbron-
nen. Leiden, 1885.
*) BI. 39.
-ocr page 244-
227
op Bali, waar Sjiwaïeten en Boeddhisten zich tot zelfs in de
spijs voorschriften onderscheiden; de laatsten zijn daar nog
sterker in de minderheid dan op Java het geval zal zijn geweest.
Wij kunnen thans overgaan tot de beschouwing der
tweede groote omwenteling, die Java door de prediking en
verbreiding van een nieuwen godsdienst en de invoering van
eenige elementen eener geheel andere beschaving ondergaan
heeft. Zonder de diepe sporen te kunnen uitwisschen die het
Hindoeïsme in het Javaansche volksleven had gegroefd, heeft
de Islam daar zijn stempel overheen gedrukt, en dus bijge-
dragen tot dat ingewikkeld en moeilijk te ontwarren beeld,
dat ons de Javaansche half beschaving te aanschouwen geeft.
Zooveel mogelijk te doen begrijpen hoe de Javaan geworden
is wat hij is, dat zij , in tegenstelling met hetgeen door de
historie-schrijvers is beoogd die voornamelijk over de vestiging
en uitbreiding van het Nederlandsch gezag op Java hebben
geschreven, het hoofddoel dezer historische beschouwing.
De berichten omtrent de eerste prediking, verbreiding en
vestiging van den Islam op Java hebben nog minder histo-
risch karakter, dan die aangaande den Hindoe-tijd. Voor den
laatsten konden wij althans enkele hoofdfeiten uit de steenen
en koperen oorkonden afleiden en dit geraamte door berichten
van vreemdelingen aanvullen. Voor het overgangstijdperk en
den eersten Mohammedaanschen tijd ontbreken beide bijna ge-
heel. Wij moeten ons dus behelpen met inlandsche legenden, die,
wel is waar, iets minder tegenstrijdig, iets minder buitensporig
zijn dan die omtrent den Hindoe-tijd, maar nog altijd van
ongerijmdheden en onmogelijkheden wemelen. Het is hier de
plaats iets te zeggen omtrent de Javaansche babads of kro-
nieken die alleen voor dezen tijd onze eenige bron zijn. Ze
zijn in de Nieuw-Javaansche literatuur zeer talrijk. De ver-
halen klimmen op tot de oudste tijden, sommige behandelen
de geheele geschiedenis van het eiland, andere eenig bijzonder
gedeelte, zooals de geschiedenis van Djanggala, Madjapahit,
Padjadjaran, Demak, Mataram, Karta Soera, Besoeki, Ba-
lambangan, enz. De vervaardiging wordt niet vroeger dan in
-ocr page 245-
228
de eerste helft der achttiende eeuw gesteld; aan welke bron-
nen de schrijvers hunne stof hebben ontleend, is geheel on-
bekend. Zij schreven op last van de vorsten aan wier hoven
zij zich bevonden; tot de verheerlijking van deze moesten
de door hen medegedeelde geslachtslijsten worden ingericht.
Alle deze babads werden in dichtmaat opgesteld; prozabewer-
kingen in het Javaansch werden eerst in de laatste halve eeuw
vervaardigd \'). De bibliotheek te Leiden bezit de uitgebreidste
verzameling handschriften ; ze zijn echter nog door niemand
aan een gezette studie onderworpen s). Bijna alleen in oudere
werken en tijdschriften werden sommige babads gedeeltelijk
of geheel vertaald of bewerkt, helaas meestal zonder behoor-
lijke opgaaf der bronnen 3).
Tot de zevende eeuw onzer jaartelling hadden de Arabieren,
in tal van stammen verdeeld, door erfelijke veeten verscheurd
en door het indringen van joden- en christendom in gods-
diensttwisten gewikkeld, die hen nog meer van elkander ver-
vreemdden , in weerwil van de groote gaven waarmede de
natuur hen heeft bevoorrecht, en het hooge standpunt dat zij
in sommige opzichten bereikt hadden, geen belangrijken in-
vloed naar buiten geoefend. Maar in het begin dier eeuw stond
onder hen een profeet en veroveraar op, die uit de elementen
der verschillende godsdiensten welke in Arabië waren doorge-
drongen, eene nieuwe godsdienstleer samenstelde, de verdeelde
\') Meinsma, Babad Tanah Djawi, Aanteekeningen (\'s-Grav. 1877), bl. 3 en 6.
\') Een overzicht geeft Vreede, Catalogus van de Jav. en Madoer. Hss. Lei-
den 1892, bl. 70—153.
3) Wij noemen hier die, welke op dit tijdperk betrekking hebben: Raffles
II. 122; Crawfurd, Ind. Archipel (Holl. vert. 1825), III. 310; Tijdschr.
v. N. I. Ie jg. (1838), II. 263; idem 2e jg. (1839), I. 60; Roorda v. Eysinga,
Handboek, III. I (1841). 293; Mounier in Ind. Magazijn 1845. II (7—12),
33 en 145; Wilkens in Tijdschr. v. N. I. 1849. II. 205; Hageman in Ind.
Archief I. 2 (1850). 205; Wiselius in Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXIII
(1876). 458. De door Brandes behandelde babads van Besoeki en BandHwSsS (Not.
v. h. Bat. Gen. XXXI, bl. XLVII) en van Balambangan (Tijdschr. v. I.T.L.
en Vk. XXXVII. 324 en XXXVIII. 283) vallen in later tijd.
-ocr page 246-
229
stammen onder ééne heerschappij vereenigde, en hen tot de
onwederstaanhaarste strijders wist te vormen. Van dat oogenblik
af werden de Arabieren de eerste natie van Azië en een tijd
lang van de geheele wereld.
Niet alleen door verovering verbreidden de Arabieren hunnen
nieuwen godsdienst, ook de handel droeg krachtig daartoe bij.
De energie die Mohammed hun had ingestort, vormde hen ook
tot de eerste kooplieden van het Oosten, en hoezemde hun,
vooral sedert de tiende eeuw, den lust in tot verre tochten en
ontdekkingen, die zich welhaast ook tot de wateren van den
Archipel uitstrekten. Sumatra, bepaaldelijk de noordkust,
schijnen zij daar het eerst bezocht te hebben; hunne oudste
berichten over Java hebben wij reeds leeren kennen \'). De
kooplieden die deze eilanden bezochten en er zich soms lan-
gen tijd ophielden, hebben de prediking der nieuwe leer
waarschijnlijk allengs en in stilte voorbereid door de bekee-
ring van vrouwen die zij huwden, en van personen die zij
in hunnen dienst namen of waarmede zij handelsbetrekkingen
aanknoopten. "Waar de omstandigheden gunstig bleken, werden
echter ook reeds vroeg bekeeringen op grooter schaal heproefd.
De oudste poging van dien aard op Java waarvan de legende
melding maakt, is die van Hadji Poerwa in Padjadjaran\').
Daar zij echter geheel mislukte en zonder gevolg bleef, zij het
genoeg daaraan met een woord te hebben herinnerd. In Oost-
Java is Maulana Malik Ibrahim de eerste der wali\'s *) of pre-
dikers van den Tslam, van wien de babads gewag maken.
Dat de berichten omtrent hem een historischen grondslag
hebben, kan niet betwijfeld worden. Op het kerkhof Gapoera
Wêtan te Grissee is een marmeren sarkophaag, die zijn stoffelijk
\') Zie bl. 11 en 46. "Waarschijnlijk was reeds in voor-islamitischen tijd uit
de havens van zuid- en oost-Arabië handel op Malakka gedreven.
2)   Zie bl. 215.
3)   Maulana — onze heer. Het Jav. wali, gewone benaming der eerste ver-
kondigers van den Islam op Java, is niet het Arab. wali, landvoogd, maar
het Arab. wali, naaste, vriend, bloedverwant, en met bijvoeging van Allah
(dat echter ook kan weggelaten worden) vriend Gods, heilige.
-ocr page 247-
230
overschot bevat, in goeden staat bewaard. Het deksel en de
steen aan het hoofdeinde zijn met koranspreuken bedekt, en
aan het slot van het opschrift leest men, dat dit het graf
is van Malik Ibrahim, den rechtgeloovige, overleden op den
12den Rebioe\'l-awwal van het jaar der Hedjra 822, overeen-
komende met 8 April 1419 onzer tijdrekening \').
De vorst van Madjapahit onder wiens bestuur zich Malik
Ibrahim op Java vertoonde, wordt Angka Widjaja, dikwijls
ook Bra Widjaja genoemd. Zooals vroeger vermeld is komt
deze laatste naam als de algemeene van alle latere vorsten
van Madjapahit voor, evenals de vorsten van Soerakartazich
allen Pakoe Boewana, die van Jogjakarta Mangkoe Boewana
noemen 2). Malik Ibrahim zelf wordt een afstammeling van
Zeinoe\'-l\'abidin, volgens Javaansche uitspraak Djenoelabidin,
en een neef van den radja van Tjermen genoemd. Door Zei-
noe\'-l\'abidtn wordt ongetwijfeld AH, de zoon van Hoesein, de
achterkleinzoon van Mohammed, de vierde der twaalf Imams
bedoeld3); maar waar ter wereld Tjermen te vinden is, heeft
niemand nog kunnen aanwijzen *). De babad weet het slechts
aan te duiden als een land van „sabrang", een overzeesch
gewest; dat het op het vasteland van Indië lag, is niet meer
dan een gissing, die echter door den loop der verbreiding
van den Islam wordt aanbevolen. Vooral op de westkust van
\') V. Hoëvell, Reis, I. 154; Brumund. Verh. v. h. Bat. Gen. XXXIII. 184.
2)  Over de beteekenis van Brii in Bril Widjüja zie V. d. Tuuk in een noot op
LI. 52 van Lassen\'s Geschied, v. d. Ind. Arch. door De Klerck. Kern echter in
Bijdr. t. d T. L. en Vk. 4\' Vr. X. 530, toont aan, dat het gelijkwaardig is met
Sjrï en z. v. a. „Zijne Doorluchtigheid" beteekent. Widjaja beteekent volgens
Javaansche opvatting „overwinnaar, veroveraar". De bijzondere namen waar-
onder de vorsten van Madjapahit voorkomen, zooals Ardi Widjaja, MertH Widjüjii,
Angk-i Widjiija, zijn ook met Widjilji\'i samengesteld. Vgl. boven bl. 66 en 70.
3)   Wiens leven men leest bij Ibn Khallikan, ed. de Slane, p. 442.
4)    Dit zou geen wonder zijn wanneer Wiselius gelijk heeft, die beweert
(Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXIII, 466), dat de naam radja van Tjermen
bij vergissing aan dezen vorst gegeven is. doordat hij te Tjermé, zuidoostelijk
van Grissee gelegen, verblijf heeft gehouden. Hij zou vorst van Gedhah geweest
zijn (wellicht Kedah op Malakka), welke naam naast Tjermen in sommige ba-
hads voorkomt.
-ocr page 248-
231
Hindostan, in Goezerate en Malabar, hadden zich vroegtij-
dig Arabische kooplieden nedergezet, vele bekeeringen ge-
maakt en zelfs den zoogenaamden Samorijn van Kalikoet tot
hunnen godsdienst overgehaald1). Ook verdient het opmerking
dat van de vier scholen , waarin thans nog de Mohammedaan-
sche wetgeleerden verdeeld zijn, in deze gewesten de Sjafi\'e-
tische leer werd gevolgd 2); want de Javanen , en in het algemeen
de Moslemen van den Indischen Archipel, zijn Sjafiïeten 3).
Hoe zij dit geworden zijn, terwijl de Hanefietiscbe leer zooveel
meer in de omliggende landen verbreid is, schijnt niet zoo
gemakkelijk te verklaren. Dat Javanen, die naar meerdere
kennis van den Islam streven dan zij zich in hun vaderland
verschaffen kunnen , deze gewoonlijk zoeken aan de beroemde
Sjafiïetische akademie, aan de moskee al-Azbar te Kaïro
verbonden, is gevolg, geen oorzaak van hun Sjafiïetische
richting; want van oude betrekkingen tusschen den Archipel
en Egypte weet de geschiedenis niets. Maar alles wordt dui-
delijk indien wij aannemen dat de Sjafiïetische leer van de
kust van Malabar naar Java en Sumatra gebracht is 4).
De verhalen omtrent Malik Ibrahim komen hoofdzakelijk
op het volgende neder \'). Hij vestigde zich met eenige geloofs-
genooten te Leren , op zes palen afstand van Grissee, dat toen
reeds eene voorname handelsplaats moet geweest zijn , die veel
door de A rabieren werd bezocht. Kort daarop kwam daar ook
de vorst van Tjermen, met het bepaalde doel om Angka,
Widjaja te bekeeren, waarbij hij hoopte op den invloed der
\') Lassen, Ind. Altherthumsk. IV. 255, 953.
*) Ibn Batoeta (ed. Uefréméry, IV, 66) getuigt dit bepaaldelijk van Hinawr
(Onor).
3)  Vgl. mijn „Atchin", bl. 37.
4)  Vgl. Pijnappel, tieogr. v. N. I. bl. 182.
5)  Bij gebrek aan betere nieuwere bewerkingen is bier Raffles\' lezing
dei- babads gevolgd. In de toekenning van enkele namen verschillen Wi-
selius (T. I. T. L. en Vk. XXIII. 458) en Hageman (Ind. Archief. Ie ,jg.
II. 209) zoowel onderling als van Raffles, maar het verhaal van den eersten
is vol tegenstrijdigheden en ook de tweede is geen betrouwbare gids. In de
meeste babads schijnen de verhalen omtrent Malik Ibrahim te ontbreken,
-ocr page 249-
232
bekoorlijkheden zijner dochter, die hij den Madjapahitschen
vorst ten huwelijk wilde aanbieden. Terwijl hij zich te Leren
met het bouwen eener moskee en de bekeering der inboorlin-
gen bezighield, zond hij zijn zoon Tsadik Mohammed naar
Madjapahit, om den vorst zijn aanstaand bezoek aan te kon-
digen. Kort daarna verscheen hijzelf met 40 volgelingen, en
had met Angka Widjajê, een samenkomst in een opzettelijk
daarvoor opgerichte pasanggrahan. De Madjapahitsche vorst
ontving den vreemden prins met veel voorkomendheid en
eerbied, maar toonde geen geneigdheid om zijne voorstellen
te omhelzen. De radja van Tjermen keerde naar Leren terug,
maar liet Maulana Maghfoer, een zoon van Malik Ibrahim,
te Madjapahit achter, waarschijnlijk in de hoop dat hij ge-
lukkiger zou slagen. Doch aan alle verwachtingen van den
vorst van Tjermen werd de bodem ingeslagen door het ongeluk
dat hem bij zijn terugkomst te Leren trof. Er brak eene ziekte
uit, waaraan vele zijner volgelingen stierven, daaronder drie
van de vijf neven die hem op zijn tocht vergezeld hadden,
en kort daarna ook zijne dochter. De graven dezer personen,
die nog te Leren getoond worden \'), aan de hoede van Malik
Ibrahim overlatende, aanvaardde hij de terugreis naar zijn
vaderland, maar verloor onderweg zijne beide nog overige
neven, waarvan de een op Madoera, de ander op Bawéan
begraven werd. Kort daarna kwam Angka Widjaja naar Leren
om een tweede mondgesprek met den vorst van Tjermen te
zoeken, die toch werkelijk veel indruk op hem gemaakt had;
maar toen hij de ongelukken vernam die hem getroffen had-
den , werd hij overtuigd dat zijn godsdienst de ware niet kon
zijn en liet hij alle denkbeeld van dien te omhelzen varen.
Maulana Malik Ibrahim verhuisde kort daarna naar Grissee
en stierf er vele jaren later, na een leven van voorbeeldige
vroomheid te hebben geleid.
\') Brnmund bezocht die graven; hij vond ze in een langwerpig vierkant ge-
bouw , welks karakter hem raadselachtig voorkwam. Het eenige wat misschien
licht had kunnen geven, een brok van een marmerplaat met Arabische letters,
werd niet verder door hem onderzocht. Zie Verh. v. h. Bat. Gen. XXXIII. 185,
-ocr page 250-
233
De tweede apostel van den Islam op Java van wien de Ja-
vaansche babads gewag maken, is Raden Rahmat, meer be-
kend onder den naam van Soenan Ngampel. Zijne geschiedenis
is saamgeweven met die der Ra toe Poetri Tjampa, over wier graf
wij vroeger gesproken hebben; zijn dood wordt in het Jav. jaar
1389 (1467 n. C.) gesteld \'), wat goed uitkomt met het jaarcijfer,
dat op den grafsteen der Ratoé is gebeiteld. Hij heeft dan deze
vorstin, zijne tante, negentien jaren overleefd. De laatste vorst
van Madjapahit, naar wiens regeering wij nu verplaatst wor-
den, wordt in de kronieken niet duidelijk onderscheiden van
Angka Widjaja. Daar diens tijdgenoot Malik Ibrahim in 1419
stierf, moet in de laatste helft der 15e eeuw een andere Bra
Widjaja geregeerd hebben, wat dan ook door de oorkonden
wordt bevestigd , die in 1486 Rana Widjaja als regeerend vorst
vermelden s).
In het landschap Kambodja, aan de oostzijde van de golf
van Siam, lag de reeds vroeger genoemde staat Tjampa, waar,
evenals op Java, Brahmanisme en Boeddhisme naast elkan-
der werden beleden en die tot Madjapahit en andere staten
van den Archipel in nauwe betrekking stond. De meest ge-
liefde der vrouwen van den laatsten Bra AVidjaja was Dara-
wati, dochter van den vorst van Tjampa, de Ratoe Poetri
Tjampa der Javanen. Aan hare ijverzucht had de vorst van
Madjapahit eene begunstigde goendik (bijzit), die van Chi-
neesche afkomst was, ten offer gebracht. Hij had deze ge-
schonken aan zijn zoon Arja Damar, dien hij tot belooning
van zijn heldenmoed in de onderwerping van Bali betoond,
tot stadhouder over Palembang op Sumatra had verheven.
Een zuster van Darawati was gehuwd met een Arabier die
te Tjampa was gekomen om er den Islam te prediken. Uit
deze verbintenis was Raden Rahmat gesproten, die door zijn
vader zorgvuldig in de leer van den Islam was opgevoed.
Toen Raden Rahmat twintig jaren oud was, werd hij door
zijne ouders met brieven en geschenken naar zijn oom te Ma-
l) Van Hoëvell, Reis, I. 170, 208.
5) Boven, bl. 70.
-ocr page 251-
234
djapahit gezonden. Op de reis deed hij Palembang aan, waar
hij twee maanden bij Arja Damar vertoefde. Hij slaagde er in
den stadhouder heimelijk voor zijnen godsdienst te winnen;
maar vrees voor het volk weerhield dezen vooralsnog om er
openlijk voor uit te komen.
Zijne reis vervolgende kwam Raden Rahmat te Grissee, waar
hij een vromen Arabier, Sjeikh Maulana Djoeraada\'l-Koebra,
ontmoette, die hem verklaarde, dat hij volgens een voorspelling
van Mohammed bestemd was om den grond te leggen voor de
bekeering van Oost-Java, waar de val van het veelgodendom
aanstaande was \').
Te Madjapahit werd Raden Rahmat door den vorst en de
prinses van Tjampa met veel hartelijkheid ontvangen. Tot
aanneming van den Islam was ook Rana Widjaja niet te
bewegen, maar hij gaf aan Raden Rahmat het bestuur over
3000 huisgezinnen te Ampel, ter plaatse waar sedert Soerabaja
verrees, met vergunning om zijn godsdienst ongehinderd te
belijden en voort te planten. Weldra waren de meeste zijner
onderhoorigen Moslemen. Ampel werd van nu af de school
waarin de hoofden en leiders der beweging, die zich gedurig
verder uitbreidde , werden opgevoed , en daaronder bekleedden
eene voorname plaats de zonen die Raden Rahmat verwekte
bij de dochter van een der rijksgrooten van Madjapahit, hem
door Bra Widjaja ten huwelijk gegeven.
Raden Rahmat was de eerste der wali\'s aan wien men den
titel gaf van Soesoehoenan, bij verkorting Soehoenan of Soe-
nan, dien men ongeveer met ons „Zijne Heiligheid" vertalen
kan; hij wordt door de Javanen gewoonlijk de Soenan van
Ampel of Ngampel genoemd. Men toont nog te Soerabaja, waar
hij in 1467 in hoogen ouderdom overleed , zijn in zeer vervallen
toestand verkeerend graf, waarnaast eene moskee is gebouwd.
Ampel was nu de hoofdzetel van den Islam op Java ge-
worden, en meer en meer verbreidde zich de faam van den
\') Deze mededeeling komt in geen andere babad-bewerking dan die van
Kalïlos voor, evenals het bezoek aan Arja Damar,
-ocr page 252-
235
regent die daar zoo ijverig voor de uitbreiding van zijnen
godsdienst werkzaam was. Deze faam lokte ook Maulana Ishak,
bijgenaamd Ahloe\'l-Tslam, een Arabier of afstammeling van
een Arabier van Pasei\'), om zich naar Ampel te begeven.
Hier werd hem de taak opgedragen om den Islam te gaan
verkondigen in het rijkje van Balambangan. De wonderdadige
genezing van des konings kranke dochter baande voor Mau-
lana Ishak den weg tot eene vruchtbare prediking. De koning
gaf hem zijne geredde dochter tot vrouw en deze omhelsde
met vuur den godsdienst van haren echtgenoot. Ook de vader
liet zich in den Islam onderwijzen ,• maar toen hij aarzelde
dien openlijk te omhelzen , kreeg hij twist met zijn schoonzoon ,
die daarop ijlings Balambangan verliet, zijne vrouw in zwan-
geren toestand achterlatende, met de aanbeveling om getrouw
te blijven aan de leer waarin hij haar onderwezen had. Kort
na zijn vertrek brak te Balambangan een hevige pest uit, en
de vorst, dat ongeluk aan de verbintenis zijner dochter met
den Arabier wijtende, gaf bevel het kind waarvan zij zwanger
was, dadelijk bij de geboorte te verdrinken. Het werd echter
door Gods zorg nog levend uit de zee opgevischt door een
koopman, die, als zaakgelastigde eener rijke weduwe, voor
handelszaken te Balambangan vertoefde, en onder vertrouwd
geleide met een schip naar Grissee, de woonplaats der weduwe,
overgebracht.
De naam dezer vrouw was Njai gedé Panaté. Zij was gehuwd
geweest met Kjai Sambadja, rijksbestuurder van Madjapahit,
en had zich na den dood van haren echtgenoot te Grissee
nedergezet en daar den Islam aangenomen. Zij ontfermde zich
over het haar gezonden kind, verzorgde het als eene moeder,
en gaf het, toen het den ouderdom van 12 jaren bereikt had ,
ter voltooiing zijner opvoeding aan Raden Rahmat over. Deze
erkende de Arabische afkomst van den knaap en gaf hem
den naam van Raden Pakoe, omdat hij bestemd was de pakoe,
\') Waarschijnlijk de reeds vroeg als een brandpunt van den Islam vermelde
plaats van dien naam op Sunmtra, hoewel de babads spreken van Pasei Malaka,
-ocr page 253-
236
d. i spijker of as, van Java te worden. In vervolg van tijd gaf
hij hem ook een zijner dochters ten huwelijk. De nagedach-
tenis van Njai gedé Panaté wordt door de Javanen in hooge
eere gehouden, en nog steeds komen.velen bidden bij haar
graf, dat in de kampong Kaboengsoen te Grissee wordt ge-
toond \').
Bij gelegenheid dat Raden Pakoe, vergezeld door Makhdoem
Ibrahim, een zoon van Raden Rahmat, de bedevaart naar
Mekka wilde doen, deed hij Pasei aan en ontmoette daar
Maulana Ahloe\'l-Islam, die er als een heilige vereerd werd.
Deze vermaande de reisgenooten om aanstonds naar Java terug
te keeren en er eene moskee te bouwen op- den heuvel Giri,
opdat zij hunne grootsche bestemming, de verbreiding van
den waren godsdienst, zouden vervullen. Te Grissee terug-
gekomen vernam Raden Pakoe dat Ahloe\'l-Islam zijn vader
was, en dat bij zijne vermaningen volgende, eene oude pro-
fetie zou vervullen. Op den heuvel Giri, twee a drie palen
ten zuidwesten van Grissee, werd eene plaats opengehakt,
waarop een moskee en een woning voor Raden Pakoe werden
opgericht. Duizenden inlanders werden door hem voor het
nieuwe geloof gewonnen en men gaf hem den naam van Soe-
nan Giri. Zijn invloed werd zoo groot, dat de vorst van Ma-
djapahit hein, na den dood van Soenan Ngampel, het door
dezen gevoerde bewind over Ampel en Grissee goedschiks of
kwaadschiks moest overlaten. Hierdoor werd hij de grondlegger
van het geestelijk gezag der priestervorsten van Giri, dat
onder zijne opvolgers nog zoozeer klom, dat onze voorouders
den regent van Giri als een soort van paus der Mohamme-
daansche Javanen aanmerkten*). Soenan Giri stierf, naar
de overlevering zegt, vijf jaren na den val van Madjapahit.
Men toont nog op den beuvel zijn graf, terwijl in het daar-
over gebouwde huisje in een ijzeren kist een oude kris bewaard
wordt, die, volgens het geloof der Javanen, op last van
\') Brumund, Verh. Bat. Gen. XXXIII. 186.
\') T. v. N. I. 1871. II. 354.
-ocr page 254-
237
Prapen, derden Soenan van Giri, uit eene lans van Raden
Pakoe vervaardigd is \').
Makhdoem Ibrahim, de zoon van Soenan Ngampel, die
Raden Pakoe op zijn reis vergezeld had, vestigde zich te Bonang
aan het strand van Rembang, 5 palen ten oosten van Lasëm,
en maakte zich mede door zijn geloofsijver en door de hekeering
veler inlanders bekend. Hij overleefde Soenan Giri een drietal
jaren. Men gaf hem den naam van Soenan Bonang en wijst zijn
nog vrij goed onderhouden graf te Toeban. Het daarover heen
gebouwde grafhuis van zeer smakeloos beschilderde planken
is een voortbrengsel van later eeuw, maar het fraai behouwen
voetstuk is van vroeger tijd overgebleven. De reden waarom
Soenan Bonang te Toeban begraven ligt, wordt toegeschre-
ven aan Gods geopenbaarden wil, daar het vaartuig waarmede
het lijk naar Ampel zou worden overgebracht, in weerwil
der meest volhardende pogingen, steeds door wind en stroom
naar Toeban werd gedreven. Volgens eene andere overlevering
echter zouden de bewoners van Toeban liet wonderdoende
lijk van den heilige gestolen hebben. Ofschoon doorgaans
velerlei overblijfselen uit den Hindoe-tijd ook tot versiering
der Mohammedaansche begraafplaatsen zijn aangewend, ziet
men toch met verbazing twee thans zeer geschonden lingga\'s
bij het graf van Soenan Bonang prijken \'). Een andere zoon
van Soenan Ngampel, die zich ook als apostel van den Islam
onderscheidde, vestigde zich te Dradjat in het tegenwoordige
regentschap Sidajoe en wordt daarom Soenan Dradjat genoemd.
Ook naar het eiland Madoera werd de Islam verbreid. Ter-
wijl dat eiland door Lemboe Peteng, een zoon van Rana
Widjaja bij de prinses van Tjampa, bestuurd werd, zond
Soenan Ngampel zekeren Sjeikh derwaarts, die onder den naam
l) De merkwaardige lotgevallen van die kris verhaalt Van Hoëvell, Reis,
I. 160. — Ook in de geschiedenis van Maulana Tshak en Raden Pakoe ver-
toonen de verschillende babads afwijkingen; van het verhaal inden tekst ver-
schilt het meest de vertaling van D. L. Mounier (ludisch Magazijn I, \'2 (1844),
bl. 58), waarmede Meinsma\'s Babad Tanah üjawi geheel overeenkomt.
") Brumund, Verh. Bat. Gen. XXXIII. 178v.
-ocr page 255-
23S
Khalifa Hoesein, naar Javaansche uitspraak Kalipa Koesèn,
bekend is, maar ook vaak met den titel Pangeran Sjerief wordt
genoemd. Hij won er vele aanhangers voor den Islam en
bouwde eene moskee te Arisbaja, waar hij ook begraven werd.
Inmiddels grepen in het rijk van Madjapahit meer beslissende
gebeurtenissen plaats. Wij hebben reeds Arja Damar als stadhou-
der van Palembang en belijder van den Islam leeren kennen.
Deze Arja Damar had twee zonen , Raden Patah en Raden Hoe-
sein of Koesèn geheeten. Hunne moeder was de Chineesche goen-
dik van Rana Widjaja, die deze vorst aan zijn zoon had
afgestaan. De overlevering voegt er bij , dat deze Chineesche
toen zwanger was en Arja Damar zich verbinden moest geen
omgang met haar te hebben vóór hare verlossing. Het kind
dat zij daarop ter wereld bracht, zou Raden Patah zijn ge-
weest, zoodat deze in waarheid een zoon was van den Vorst
van Madjapahit zelven. De weinig kiesche smaak der Javanen
heeft waarschijnlijk dit verhaal alleen uitgedacht om delegi-
timiteit van het later door Raden Patah gevoerde gezag te
bewijzen.
Toen Raden Patah den ouderdom van 20 en Raden Koesèn
dien van 18 jaren bereikt had, zond Arja Damar beide naar
Java, waar zij te Grissee aan land gingen. Bekend, zoo men
zegt, met zijne ware afkomst, en vertoornd over het zijner
moeder aangedaan onrecht, weigerde Raden Patah Madjapahit
te bezoeken, en bleef hij te Ampel achter\'), terwijl zijn
broeder zich naar de hofplaats begaf, met uitdrukkelijken last
om van Raden Patah niet te gewagen. Raden Koesèn werd
er wèl ontvangen en zelfs weldra tot hoofd van het district
Trong 3) en tot bevelhebber des legers aangesteld.
Intusschen huwde Raden Patah met eene kleindochter van
\') Die babads welke niet mededeelen, dat Arja Damar en zijne familie reeds
door Raden Rahmat bekeerd waren, laten Raden Patah eerst hier den Islam
aannemen; Raden Koesèn is volgens duze lezing dus nooit Mohammedaan ge-
worden.
\') Trong is nog de naam eener dessa in het district Djanggalü IV.
-ocr page 256-
239
Soenan Ngampel en liet haar zwanger achter toen hij na
eenigen tijd westwaarts trok, om eene plaats voor eene nieuwe
vestiging op te sporen. Zekere geheimzinnige aanwijzingen
volgende, vond hij die in eene moerassige streek, Bintara
genaamd, welke naam sedert in Demak werd veranderd.
Toen nu de vorst van Madjapahit van deze nieuwe vesti-
ging hoorde, zond hij Raden Koesèn tot zijn broeder, om
hem te bewegen naar de hoofdstad op te komen en er den
opperheer des lands hulde te brengen. Raden Patah liet zich
eindelijk daartoe overhalen, en werd nu als regent van Bin-
tara,, met den titel van Adipati, erkend. Maar door de weldaden
die de vorst hem bewees, werd Raden Patah niet geschokt in
zijn voornemen om het Hindoe-rijk ten val te brengen en een
nieuw Islamietisch rijk op de puinhoopen daarvan te vestigen.
Soenan Ngampel, dien hij op de terugreis bezocht, wist echter
zijn ijver vooreerst nog te breidelen, door hem te wijzen op
het onrecht dat hij zou plegen door een vorst aan te vallen,
van wien hij niets dan weldaden had ontvangen. Raden Pa-
tah, naar zijn regentschap terugkeerende, voerde thans zijne
vrouw met zich, maar liet den zoon, waarvan zij in zijn af-
wezen bevallen was, en die Raden Abdoe\'llah was geheeten,
bij zijn grootvader achter.
Bintara, dat ik vervolgens met den meer bekenden naam
Demak zal noemen, wies nu dagelijks in aanzien en bevolking,
terwijl in den omtrek groote scharen zich tot den Islam be-
keerden. Raden Patah vatte het plan op eene groote moskee
te bouwen, maar had nauwelijks daarmede een aanvang ge-
gemaakt , toen hem bericht werd dat Soenan Ngampel ernstig
ziek was geworden. De regent van Demak spoedde zich naar
Ampel om de laatste woorden van zijn stervende lippen op
te vangen, en vond daar al de voornaamste wali\'s of apos-
telen van den Islam vereenigd. Na weinige dagen gaf Soenan
Ngampel den geest, en met zijn dood was de laatste hinder-
paal tegen Raden Patah\'s eerzuchtige plannen gevallen. De
te Ampel aanwezige wali\'s verbonden zich met duren eed om
hem in den strijd tegen Madjapahit bij te staan. Zij waren
-ocr page 257-
240
acht\') in getal, maar hunne namen worden verschillend opge-
geven. Nevens Soenan Giri, Soenan Bonang en Soenan Dradjat,
vindt men doorgaans onder hen ook Soenan Djati den eersten
prediker van den Islam in de Soenda-landen, vermeld; dat
dit niet juist kan zijn, daar deze wali eerst veel later leefde,
zal naderhand blijken. Onder de overigen wordt de voornaamste
rol door de overlevering aan Soenan Ngoendoeng van Koedoes
toegedeeld. Al deze hoofden volgden Raden Patah naar Demak ,
waar zij hein behulpzaam waren in de voltooiing der moskee, het
meest geëerbiedigde heiligdom van Java. Toen dit gebouw in
1845 de instorting nabij was, heeft men het door een ander,
zooveel mogelijk in denzelfden vorm, vervangen, en de vier
hoofdpilaren van het oude gebouw, alsmede de acht met snij-
werk versierde pilaren die het dak van de soerambi of het
voorportaal droegen, ook voor den nieuwen bouw gebezigd.
Deze laatste zijn, volgens de gewone overlevering, eene her-
innering van het verbond der acht soenans of wali\'s; maar
Brumund zegt dat zij van Madjapahit naar Demak zijn over-
gebracht. De voltooiing der moskee zou in het jaar n. C. 1468
hebben plaats gehad.
En thans ontbrandde de krijg, waarbij alle hoofden die den
Islam omhelsd hadden , zich bij de bondgenooten voegden en al-
leen Raden Koesèn den vorst van Madjapahit getrouw bleef.
Het talrijk leger der Moslemen werd onder bevelen van dert
Soenan van Koedoes gesteld, en de vorst van Madjapahit
vertrouwde de verdediging van zijn rijk toe aan Raden Koe-
sèn, die de schitterende toekomst welke hem als loon voor
zijne diensten wachtte, boven de belangen van zijnen gods-
\') Brumund, Verh. Bat. Gen. XXXIII. 169, noemt er negen, doch ik ver-
moed dat Soenan Ngoendoeng slechts een andere naam is voor Soenan Koedoes,
die bij Raffles Soenan Oendang van Koedoes heet. Deze Soenan Oendang van
Koedoes ligt volgens Raffles begraven aan de noordzijde van de moskee van
Demak, terwijl Brumund, bl. 17^3, Demak als de begraafplaats van Soenan
Ngoendoeng, en, bl. 171, Koedoes als de begraafplaats van Soenan Koedoes
noemt. Hiermede zou de identiteit dier personen onvereenigbaar zijn, maar
ik vermoed dat de te Koedoes begraven persoon Pangéram Koedoes de zoon
van Soenan Koedoes is, dien ons het vervolg der geschiedenis zal leeren kennen.
-ocr page 258-
241
dienst schijnt gesteld te hebben. Vier jaren lang wist deze
bekwame veldheer een beslissend treffen te vermijden, tot hij
eindelijk, de kans gunstig ziende, in de nabijheid van Si-
dajoe aan het leger zijns broeders eene geduchte nederlaag
toebracht, die aan den bevelhebber zei ven het leven kostte.
Echter wordt hij beschuldigd dat hij, om zijn broeder te
sparen, de behaalde overwinning niet naar behooren ver-
volgde. De koning van Madjapahit trachtte nu Raden Pa-
tah door zachte middelen tot de gehoorzaamheid terug
te brengen, en deze beloofde aan zijne uitnoodiging om
naar de hoofdstad op te komen, te zullen voldoen, zoodra
de ziekte geweken was die hem, naar hij voorgaf, aan zijn bed
hield gekluisterd, maar die slechts een bedriegelijk voorwendsel
was; gelijktijdig wiegde hij Bra Widjaja in slaap, door hem
de verschuldigde schatting, evenals vroeger, te betalen en
inmiddels maakte hij zich tot een nieuwen krijg gereed. Hij
verzekerde zich daarbij van de goedkeuring van Arja Damar,
die het als Gods wil erkende dat op Java het heidendom uitge-
roeid en de Islam gevestigd zou worden. Onder zijne bondgenoo-
ten onderscheidden zich volgens de babads — die in de voorstel-
ling dezer laatste gebeurtenissen zeer uiteenloopen — de Soenans
van Giri en Bonang, bij wie zij verkeerdelijk ook weder Soe-
nan Goenoeng Djati voegen. In den geest der oude Javaan-
sche wonderverhalen wordt dit dus uitgedrukt, dat Soenan
Goenoeng Djati hem een maliënkolder schonk, waaruit ge-
durende den strijd duizenden ratten zouden te voorschijn ko-
men, Soenan Giri een kris die ontelbare zwermen horzelen
zou voortbrengen, en Soenan Bonang een staf die in geval
van uitersten nood het vermogen had van alle kanten ver-
sche strijders te doen aanrukken. De zoon van den gesneu-
velden Soenan Ngoendoeng, Pangéran Koedoes genaamd,
werd thans aan het hoofd van het leger der Moslemen ge-
plaatst. Aan Raden Koesèn werd een slag geleverd die zeven
dagen duurde en die eindigde met eene overwinning door de
Moslemen, waarvan de overlevering al de eer geeft aan de
wonderdadige wapenen die Raden Patah van zijne bond-
I.                                                                                                   16
-ocr page 259-
242
genooten had ontvangen. Het overwinnende leger volgde de
vluchtelingen naar Madjapahit, dat, van alle zijden ingesloten,
zich weldra aan de vijandelijke macht onderwierp, terwijl
Bra Widjaja volgens sommige berichten gelegenheid vond
met eenige zijner trouwste volgelingen naar liet oosten des
eilands te ontkomen, terwijl eene andere overlevering meldt,
dat hij met zijn onmiddellijk gevolg bij de bestorming zijner
hoofdstad om het leven kwam.
Dus viel de beroemde hoofdstad van het Hindoe-rijk op
Java en met haren val was de zege van den Islam beslist,
ofschoon nog op verre na niet voltooid. Raden Koesèn vluchtte
naar Trong in het tegenwoordige regentschap Sida Ardja,
waarheen hij door Pangéran Koedoes met een deel van het
overwinnende leger werd gevolgd. Ofschoon Raden Koesèn zich
in een sterke stelling had verschanst, werd hij spoedig ge-
noodzaakt zich met al zijne volgelingen en zijne dochter, die
hem verzelde, over te geven. Door zijn gevangene gevolgd
keerde nu Pangéran Koedoes naar Madjapahit terug, vanwaar
inmiddels de rijkssieraden reeds naar Demak waren overge-
bracht. Alles wat waarde had en vervoerbaar was werd nu
van Madjapahit weggesleept en de stad aan de verwoesting
ter prooi gelaten. Raden Koesèn werd bij zijne komst te De-
mak door zijn broeder wel ontvangen en zijne dochter aan
het hoofd van Toeban ten huwelijk gegeven.
De babads noemen voor den val van Madjapahit verschil-
lende jaartallen, die tusschen 1360 en 1430 Sjaka afwisselen.
De meeste stellen haar in 1400 (1478 n. C.), maar wellicht
is de voorliefde voor dat cijfer alleen toe te schrijven aan de
daarmee in verband gebrachte spreuk. De Javanen beoefenen
gaarne de kunst om bij een jaartal een chronogram (Tjandra
Sëngkala) te verzinnen. Zij hebben een vrij groot aantal
woorden — tot het Kawi behoorend —, waaraan zij de
waarde van de cijfers 0 tot 9 toekennen. Van deze woorden
kiezen ze er eenige uit welke zich samen tot een zin laten
vormen, die een toespeling bevat op de door het jaartal aangewe-
zen gebeurtenis. Zoo is nu bij het jaar 1400 de spreuk aangeno-
-ocr page 260-
243
men: Sirna hilang kertaning boemi, wat letterlijk beteekent: ver-
dwenen, verloren (is) de voorspoed des lands. De woorden
sirna en hilang drukken 0 uit, kerta 4, boemi 1. De cijfers
zijn dus gerangschikt in de omgekeerde orde der woorden,
zooals het gebruik eischt\').
Waarschijnlijk zal men de inneming der hoofdstad iets later
dan 1400 Sjaka moeten stellen. Immers nog in 1408 Sjaka
werden oorkonden uitgegeven door den vorst van Madjapa-
hit (of Wilwatikta ;), Daha, Djanggala en Kediri, in welke
oorkonden niets van Mohammedanisme is te bespeuren \'). Daar
deze stukken de lange reeks van prasjasti\'s uit den Hindoe-
tijd sluiten , zullen wij , tenzij nieuwe vondsten het noodzakelijk
maken, den val van Madjapahit ook niet veel later moeten
stellen dan 1408, dus omstreeks 1410 (1488 n. C.); te meer
daar een der vrouwen van den laatsten Bra Widjaja, de Ratoe
Poetri Tjampa, reeds veertig jaren vroeger gestorven is.
De gevluchte aanhangers van het Hindoeïsme herzamelden
zich te Malang in de tegenwoordige residentie Pasoeroean en
poogden daar nogmaals aan de wapenen van den Islam weêr-
stand te bieden. Naarmate de overleveringen Rana Widjaja
bij den val van Madjapahit laten vluchten of omkomen , wordt
hijzelf of een zijner zonen, onder den naam van Dipati Goe-
goer, als de aanvoerder dezer benden beschouwd, die versterkt
werden door hulp van Bali, dat sedert de onderwerping door
Arja Damar als een wingewest van Madjapahit bestuurd was, en
waar thans een andere zoon van Rana Widjaja met het hoogste
gezag was bekleed. Het bevel over het tegen Malang gezonden
leger werd aan Pangéran Koedoes en Raden Koesèn toever-
trouwd. De wapenen van den Islam zegevierden ook nu en
\') Een lijst der voor de Tjiindra Sengkfilli meest gebruikelijke woorden geeft
Gericke, Verh. v. h. Bat. Gen. XVI. 76.
s) Deze naam komt ook in de babads voor, die Raden Rahuiat te Mndjü-
pabit doen luiwen met een dochter van Toemcnggoeng Wilütiktft, waarschijnlijk
den regent der hoofdplaats (Ind. Mag. I, 2 bl. 57; ïijdscbr. N. I. 1849, 2,
bl. 208; vgl. Meinsma, Babad Tanah Djawi, Aant., bl. 24).
s) Zie bl. 70.
-ocr page 261-
244
vervolgden de Sjiwaïeten tot Balambangan, waar zij scheep
gingen en op Bali de verdere vervolging ontweken. Dit ge-
beurde drie jaren na den val der hoofdstad. Raden Patah liet
zich thans door Soenan Giri, Soenan Bonang en Soenan Kali
Djaga tot beheerscher der geloovigen verklaren, onder den titel
van Panëmbahan Djimboen \'). Deze soenans waren uit Arabi-
sche geslachten gesproten en maakten waarschijnlijk aanspraak
op afkomst van den Profeet zelven of althans uit den edelen
stam van Koreisj, die, naar Mohammedaansche begrippen,
aan zijne leden het recht tot uitoefening der souvereiniteit als
een geboorterecht schenkt2). Dit schijnt de reden te zijn waarom
de vorsten in den Archipel die den Islam aannamen, voor
zoover zij het niet wagen durfden zelven op eene afkomst uit
den stam van Koreisj aanspraak te maken , zich de vorstelijke
waardigheid met den daaraan verbonden titel door Arabische
Sjeikhs lieten toekennen \'). De titel Panëmbahan, die letter-
lijk „voorwerp der eerbiedige vereering" heteekent, is oor-
spronkelijk een zeer hooge, en slechts in het later gebruik
minder aanzienlijk geworden dan die van sultan, dien nog
geen der vorsten van Demak schijnt gevoerd te hebben, en
die in het geheel op Java eerst veel later in zwang schijnt
te zijn gekomen, zoodat hij aan de oudere vorsten slechts nu
en dan bij anticipatie gegeven wordt.
Na eenige jaren eerst, waarschijnlijk in den aanvang der vol-
gende eeuw, werd in de Soenda-landen de banier van den Islam
\') RafHes, II. 143. Soenan Kali Djaga1 is minder bekend dan de anderen,
ofschoon hij mede genoemd wordt ouder de acht soenans die zich met Raden
Patah tegen Madjapahit verbonden hadden. Terwijl zij te Demak vergaderd
waren, daalde, volgens eene gangbare legende, in hun midden een schapen-
vacht neder, waarop een groen kleed van den Profeet lag, voor den aanvoerder
in den krijg bestemd. Kali DjXg\'t nam het kleed op, dat voor zijne voeten
nederkwam, en gaf het aan Soenan Ngoendoeng. Het graf van S. Kali Dj^gü
wordt gewezen te Kadilangoe bij Koedoes. Zie over hem Brnmund, Verh. Bat.
Gen., XXXIII, 169, 172, 174.
-) Mawerdi, ed. Enger, 5; Weil, ttesch. d. Chalifen, I. 3.
3) Zie voorbeelden in mijn „Borneo\'s Westerafdeeling", I. 213, en mijn
„Atchin", 25.
-ocr page 262-
245
geplant. Het geschiedde door den Sjeikh Noeroe\'d-dïn Ibra-
him ibn Maulana Israil\'). Van al de zeer uiteenloopende over-
leveringen omtrent zijn persoon verdient die het meeste ver-
trouwen , welke vermeldt, dat hij door een vorst van Demak
werd aangesteld tot bestuurder van het tegenwoordige Tjeri-
bon !). Daar bouwde hij zich eene woning op den heuvel Djati,
die een paar palen noordelijk van de plaats waar nu de hoofd-
stad staat, uit de strandvlakte verrijst. Hij kreeg er een grooten
roep door de genezing van een melaatsche vrouw, met dat
gevolg dat duizenden tot hem kwamen om zich in de nieuwe
leer te laten onderwijzen. Aanvankelijk poogden de hoofden
der omringende landschappen de beweging tegen te gaan,
doch ziende dat hun wederstand niet baatte, lieten zij er ten
laatste ook zich zelven door medesleepen. De regenten van
Galoe, Soekapoera en Limbangan namen allen den Islam aan
en huldigden den Sjeikh althans als geestelijk vorst, die daarom
als de grondlegger der dynastie van de Sultans van" Tjeribon be-
schouwd wordt. Na zijn dood is op den Goenoeng (berg) Djati
een astana of grafstedo voor hem opgericht, uit vijf terrassen
bestaande, die door trappen met elkander verbonden zijn.
De onderste drie bevatten de graven van verschillende per-
sonen, op het vierde staat een fraaie moskee, en het graf
van den heilige bevindt zich op het vijfde. Ongeloovigen
\') Dit beteekent: Noeroe \'d-din (Licht van den godsdienst) Ibrahim, zoon
van onzen heer Israil. Dat deze naam gewoonlijk tot Ibn Moelana (Jav.
uitspraak voor Maulana), d. i. zoon van onzen heer, verkort wordt, is in
overeenstemming met de ook in Aziatische landen algemeene gewoonte zeer
bekende personen alleen bij den titel („onze heer", „de Sjeikh" enz.) te noemen.
-) Volgens de overlevering kreeg de plaats den naam Tjirëbon, d. i. garnalen-
water, omdat dit\'de geliefde drank was van Soenan Goenoeng Djati. Beter
is de naam uit het menigvuldig voorkomen der kleine, rëbon genoemde, gar-
nalensoort op de kust van Tjeribon te verklaren; men schrijft in het Javaansch
ook Tjarëbon, Tjërëbon of Tjërbon. De schrijfwijze Tjeribon (in allen gevalle
verre te verkiezen boven Cheribon, dat eene uitspraak van ch als in het
Engelsch vooronderstelt), is niet volkomen nauwkeurig, doch wijkt bij toonlooze
uitspraak der »\' slechts weinig van den goeden vorm af. Vgl. over dezen naam
Pijnappel, Geogr. v. N. I., bl. 184.
-
-ocr page 263-
246
mogen niet hooger dan tot het derde terras opklimmen \').
De heilige van Tjeribon wordt door het nageslacht onder den
naam van Soenan Goenoeng Djati vereerd.
Ik kom nog even terug op het historisch gezag der in het
hoofdstuk medegedeelde overleveringen. Men kan hier en daar
hare onwaarschijnlijkheid, hare onderlinge tegenstrijdigheid,
hare ongerijmdheid zelfs in het licht plaatsen; inen maakt ze
niet tot historie door er enkel het aanstootelijke uit weg
te nemen; maar, zoolang geene nieuwe zuiverder bronnen ge-
opend worden, waarvoor de kans gering schijnt, kan men er
evenmin iets beters voor in de plaats stellen. Doch de waar-
beid van eenige der voornaamste trekken wordt door een aan-
tal overblijfselen gestaafd. Raffles zegt dat de paséban of ge-
hoorzaal van Madjapahit, waarvan wij de plaats onder de
ruïnen der oude hoofdstad terugvonden1), naar Demak werd
overgebracht, waar zij tegenover de moskee werd opgericht,
en Brumund leert ons, dat nog te Demak eene strook gronds,
waarop thans het zoutpakhuis staat, aan de aloen-aloen tegen -
over de moskee gelegen , voor de plaats doorgaat waar de vor-
sten van Demak hun verblijf hielden , en nog altijd de s i t i n g-
gil3) genoemd wordt. Over de moskee heb ik reeds gesproken.
Ter zijde van haar is een begraafplaats waarin men de rust-
plaatsen toont van Raden Patah en zijne opvolgers, die echter
den beschouwer niets bijzonders bieden. De Pangéran Koedoes,
die de stamvader schijnt geweest te zijn van eene lijn van
regenten die Koedoes als vazallen van Demak bestuurden,
ligt te Koedoes zelf begraven in eene met zorg onderhouden
tombe, overdekt door een graf huis met muren van kalksteen ,
die geheel opengewerkt en met rosetten en andere ornamenten
op vierkante vakken versierd zijn, terwijl daarbij eene hoogst
\') Valentijn, IV. 15; Van Hoëvell, Reis, I. 79.
3) Zie bl. 211.
3) Sitinggil (Siti inggil, hooge grond) heet eene verheven plaats vóór den
ingang der vorstelijke paleizen, waar de vorst verschijnt als hij zich aan zijne
onderdanen vertoonen wil. De in den tekst bedoelde plaatsen leest men bij
Raffles Java, II. 145, en Brumund, Verh. Bat. Gen. XXXIII. 168.
-ocr page 264-
247
merkwaardige moskee verrijst, met een vierkant voorplein,
dat door een minaret in den vorm van een Hindoe-tjandi,
en door muren, torentjes en poorten, alles van rood gebak-
ken steen en in den stijl der gebouwen van Madjapahit, wordt
ingesloten \'). Dat de graven der voornaamste soenans en andere
personen die eene rol in de vermelde gebeurtenissen vervul-
len , bij Tjeribon, Demak, Toeban, Grissee, Soerabaja en elders
worden aangewezen, heb ik in den loop van mijn verhaal
doen opmerken. Maar er bestaan in zeker opzicht ook nog
levende getuigen voor de verhaalde feiten. Er wonen te Demak
en Koedoes nog afstammelingen van Panembahan Djimboen en
Pangéran Koedoes, die den titel van raden voeren. Twee dier
radens, tevens hadji\'s, zijn, of waren nog weinige tientallen
jaren geleden, te Koedoes priesters bij de moskee en bewa-
kers van het graf van hunnen voorzaat. Deze zijn echter niet
meer officieel door de regeering erkend; maar het graf van
Soenan Kali Djaga te Kadilangoe is, of was althans voor
eenige jaren, toevertrouwd aan een geestelijk, door het Gou-
vernement erkend en bezoldigd pangéran, die zich beroemt
in rechte lijn van die heilige mannen af te stammen *). Ditzelfde
doet het hoofd, dat het graf van Soenan Dradjat aan den
grooten weg van Toeban naar Sidajoe, benevens de geheele
dessa Dradjat bezit, welke laatste tijdens het Engelsch tus-
schenbestuur aan zijne familie is afgestaan \').
ZESDE HOOFDSTUK.
De Portugeezen op weg naar Java; hunne botsing met de
Javaansche kolonie te Malakka.
Terwijl de Islam zich uitbreidde in het Oosten en de armen
reeds naar Java\'s stranden uitstrekte, begon in het verre Wes-
ten eene nieuwe natie, opgewassen en gehard in de worste-
\') Brumund t. a. p., 169—171.
5) Brumund t. a. p., 172.
\') Rapport betr. de partic. landerijen beoosten de Tji Manoek, bl. 455.
-ocr page 265-
248
ling tegen de belijders derzelfde leer, zich aan te gorden om
den strijd, in het westelijk halfrond zoo glansrijk gevoerd,
ook voort te zetten in de zeeën en langs de kusten van het
oostelijke. Jaloerschheid op de groote ontdekking van Colum-
bus, in den dienst van Spanje volbracht, zucht naar goud
en naar avonturen , vereenigden zich met geloofsij ver, om de
dappere zonen van Portugal naar het Oosten te drijven. Den
22«fen November 1497 zeilde Vasco de Gama de Kaap de Goede
Hoop voorbij. Negen jaren later verschafte Affonso d\'Albu-
querque aan de Portugeezen een vasten voet in Hindostan
door de verovering van Goa, en begon hij reeds de blikken naar
den Archipel te wenden, waar Malakka, groot en machtig
door een bloeienden handel, als de sleutel tot de landen van
het verre Oosten beschouwd werd.
Slechts zeer weinige Europeanen waren , voor zoover ons
bekend is, vóór dat tijdstip tot Insulindc doorgedrongen. Marco
Polo van Venetië bezocht omstreeks 1290 eenige gedeelten van
Sumatra, maar kende Java alleen van hooren zeggen\'). De
eerste Europeaan, die Java bereikte — omstreeks 1323 —
was de Italiaansche monnik Fra Odorico van Pordenone;
maar omtrent de toestanden is uit zijn reisverhaal niet veel
te leeren\'). De Venetiaan Nicolo de\' Conti, die omstreeks
1430 reisde, zegt dat hij een jaar op Sumatra doorbrachten
later negen maanden op Groot en Klein Java (Java en Bali ?),
van welke eilanden echter, in weerwil eeniger juiste herinne-
ringen (b. v. omtrent het pandelingschap, de hanengevechten
en de wreedheid der bevolking), in zijne reisbeschrijving zoo
\') Zie bl. 11 en 58. Al de hier genoemde reizen zijn bevat in de hekende
verzameling van ftamusio; van sommige bestaan echter betere uitgaven, die
hierna worden opgegeven.
3) Wij lezen dat het eiland wordt geregeerd door een oppervorst met zeven
koningen onder zich. De pracht van zijn paleis wordt in de levendigste kleuren
beschreven en er wordt melding gemaakt van zijne oorlogen met Kathai. Onder
de voortbrengselen van het eiland worden kamfer, cubebe of staartpeper, kar-
damom, muskaatnoten genoemd, en in het geheel alle levensbehoeften met
uitzondering van wijn. Zie Yule, Cathay and the way thither, printed for the
Hakluyt Society (1866), bl. 87.
-ocr page 266-
249
verwarde voorstellingen gegeven worden , dat hij o. a. de para-
dijsvogels onder de voortbrengselen van Java noemt\'). Ludo-
vico di Varthema van Bologna eindelijk, die in 1505 volgens
zijn zeggen veertien dagen op Java doorbracht, verhaalt zulke
zonderlinge dingen, dat hij het eiland blijkbaar niet bezocht
heeft\').
Eenig meer vertrouwen verdienen de berichten van Duarte
Barbosa van Lissabon3), die in den aanvang der zestiende
eeuw aan de kust van Malabar verblijf hield. Hij geeft ons
de eerste stellige mededeelingen over de talrijke Javaansche
kolonie die zich om den wille des handels te Malakka geves-
tigd had, hoewel hij deze plaats waarschijnlijk niet bezocht
heeft, evenmin als Java. Wat de gesteldheid van dit laatste
betreft verkeert hij in de zonderlinge dwaling, die wij echter
ook nog later zullen aantreffen, dat Soenda een geheel van
Java gescheiden eiland is, op den weg tusschen Sumatra en
Java gelegen. Van Soenda weet bij alleen te zeggen dat het
veel peper voortbrengt, een eigen koning heeft, en dat vandaar
vele slaven naar China worden uitgevoerd. Omtrent Java treedt
hij in meerdere bijzonderheden. Hij noemt het Groot-Java en
kent daarnevens een Klein-Java of Qindoaba (Soembawa ?),
waarschijnlijk als de algemeene naam voor de geheele slechts
door smalle straten verdeelde keten van Bali tot Flores. Wat
hij van de voortbrengselen, den handel, de levenswijze en
gebruiken der Javanen verhaalt, draagt in het algemeen den
stempel der waarheid; maar wat hij ons aangaande den poli-
tieken toestand van het eiland meldt, schijnt niet voor den
\') De Italiaansche vertaling van Ramusio is nagenoeg onbruikbaar. De oor-
spronkelijke tekst bevindt zich in Poggio, De varietate fortunae (Parijs 1723)
en bij Kunstmann , Die Kenntniss Indiens im 15. Jahrhundert, München 1863.
Vgl. ook mijne noot op Wallace\'s Tnsulinde, II. 503.
=) Vgl. Tiele in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. v. N. I. 4" Vr. I. 321.
\') Zijne reis geeft in Ital. vertaling Ramusio, Navigationi (Venetië, 1588).
I. 288. De Portugeesche tekst is uitgegeven in D. II der Collecgao de noticias
para a historia e geografia das nac,óes ultramarinas que vivem nos dominios
Portuguezes (Liss. 1867). Zie mijne noot op Wallace\'s Insulinde. II. 504.
*
-ocr page 267-
250
tijd zijner reis te passen. Volgens Barbosa was Java bewoond
door beidenen , en vond men alleen Mohammedanen (hij noemt
ze „Mooren") in de zeehavens en langs de stranden, wel is
waar staande onder vorsten van denzelfden godsdienst, maar
toch het oppergezag erkennende van den oppervorst des eilands,
die een heiden was, in het binnenland woonde, groote macht
bezat, en den naam droeg van Pate Udra\'). Ofschoon de
Mohammedaansche vorsten dikwijls tegen den oppervorst waren
opgestaan , waren zij altijd weder door hem onderworpen. Men
zou meenen bij dit hericht eenige jaren achterwaarts verplaatst
te zijn, in het tijdvak dat aan den laatsten strijd van Raden
Patah tegen Madjapahit voorafging. Alleen zou men dan groote
moeite hebben om dien naam Pate Udra of Oedra te verklaren.
In Pate1) zal wel het Kawi-woord pati, d. i. heer, schuilen ,
waarmede het thans als titel van rijksbestierders en regenten
op Java zeer gebruikelijke adipati of dipati, d. i. voortreffelijk
heer, is samengesteld. Maar die titel wordt, zooveel ik weet,
nooit gegeven aan de vorsten van Madjapahit, en geen hun-
ner namen is in Pate Udra te herkennen.
Dezelfde of soortgelijke zwarigheden als de berichten van
Barbosa aanbieden, keeren terug in aTles wat de Portugeesche
schrijvers ons omtrent het oude Java verhalen. Voor den ge-
schiedschrijver van dat eiland zijn hunne mededeelingen al
niet veel bruikbaarder dan de overleveringen der inlanders,
ofschoon om geheel andere redenen. Behoudens eene neiging tot
overdrijving en grootsprekerij , waarbij de nuchterheid der oude
Hollandsche reisverhalen zonderling afsteekt, kan men die
schrijvers in het algemeen niet van opzettelijke vervalsching
der waarheid beschuldigen; in tegenstelling met de phantas-
\') Bij Ramusio (t. a. p. 319) staat Pale üdora; doch in het Portugeesche
origineel, p. 369, leest men den naam, zooals hij hier geschreven is. In plaats
van Cindoaha heeft Ramusio Ambaba.
5) Dat wij later zullen zien terugkeeren in de namen Pate Unuz en Pate
Quetir of Catir. Over het verschil tusschen pati en patih, zooals thans
een vezier of luitenant genoemd wordt, zie Roorda-Vreede, Jav.-Nederd. Hand-
woordenboek, bl. 763 en 765.
-ocr page 268-
251
magorie die ons de Javanen als geschiedenis opdisschen, stre-
ven zij naar het getrouw wedergeven der werkelijkheid. Maar
zij kenden de taal niet der volken in wier midden zij in In-
sulinde verkeerden, zij hadden geen denkbeeld van hunnen
politieken en maatschappelijken toestand, van hunne zeden,
hunne begrippen , hunnen godsdienst. Zij zagen alles door een
gekleurden bril, pasten Europeesche begrippen toe op de inland-
sche toestanden en vervielen telkens in het schromelijkste mis-
verstand van wat zij hoorden en zagen. De echt lokale kleur
wordt in hunne berichten geheel gemist; \'t is of zij Portu-
geesche capitaes in plaats van Javaansche satrija\'s voor ons
laten optreden. Maar nog de grootste plaag voor den geschied-
vorscher is wellicht de gruwelijke verminking der eigennamen.
De Portugeezen onderscheiden zich door een zeer onnauwkeurig
oor in de opneming van vreemde klanken, waaraan wellicht
ook de zonderlinge verminkingen die zoowel Latijnsche als
Arabische woorden in hunne taal ondergaan hebben, gedeel-
telijk zijn toe te schrijven. En zonder kennis der talen gaven
zij alle namen slechts weer in de vormen waarin zij die opvin-
gen en naar hunne weinig buigzame organen plooiden. On-
billijk zou het evenwel zijn het groote aandeel buiten rekening
te laten, dat in die misvormingen toekomt aan schrijf- en
drukfouten, die bij het weergeven van vreemde eigennamen
doorgaans het weligst voortwoekeren. Hoe het zij , de bronnen
waaruit hier de geschiedvorscher te putten heeft, zijn in de
hoogste mate troebel, en het is een schier wanhopige taak zich
den weg tot de waarheid te banen door de phantasieën der Java-
nen en de misverstanden der Portugeezen.
Ofschoon Barbosa, misschien door een aanhanger van het
oude geloof eenzijdig ingelicht, de vorderingen van den Islam
op Java te zeer in de schaduw stelt, bewijzen toch onderschei-
dene trekken der Javaansche overlevering, dat door den val
van Madjapahit de macht der Sjiwaïeten in de eigenlijk Ja-
vaansche gewesten wel geknakt, maar niet vernietigd was. In
al de landen ten oosten van Soerabaja hielden zij zich nog
-ocr page 269-
252
langen tijd staande, onder aanvoering, zoo het schijnt, van
prinsen uit het Madjapahitsche huis, die vermoedelijk voort-
gingen aanspraak te maken op het oppergezag over het geheele
eiland, en de hoop om het te heroveren niet lieten varen. Het
is onder deze prinsen, dat wij, naar het mij toeschijnt, den
Pate Udra van Barbosa, welke dan ook zijn ware naam moge
geweest zijn, te zoeken hebhen.
Men herinnert zich dat ik hierboven \'), volgens eene bekende
Javaausche overlevering, die de grondslag is geworden van de
gewone voorstelling omtrent de verhouding van Bali tot Java,
de vlucht der Javaansche benden onder Dipati Goegoer ver-
haalde, die, door de scharen van den Islam tot Balambangan
vervolgd, scheep gingen en een toevlucht vonden op Bali.
Dat die overlevering verkeerd wordt opgevat, wanneer men
alleen aan deze overkomst van Javaansche vluchtelingen
de vestiging van het Hindoeïsme op Bali toeschrijft, is dui-
delijk, daar dit eiland reeds te voren aan het rijk van Ma-
djapahit onderworpen was geweest, gelijk dan ook de eigen
overleveringen der Balineezen de Hindoeïseering deels aan de
vroegere veroveraars, deels aan de latere vluchtelingen toe-
schrijven \'). Maar evenmin als die verhuizing van Hindoe-
Javanen naar Bali met de vlucht der strijders van Madjapahit
aanving, evenmin nam zij daarmede een einde; men heeft ge-
woon lijk veel te veel in één punt samengedrongen , wat eigen-
lijk het werk van eeuwen was. Het verdient dan ook al dadelijk
onze aandacht, dat er eene afwijkende voorstelling van de
bovenvermelde Javaansche overlevering bestaat, volgens welke
de kroonprins van Madjapahit, Dipati Goegoer, na van Malang
verdreven te zijn, aanvankelijk eene schuilplaats vond in Ba-
lambangan , zich daar nederzette, de stamvader werd der latere
Balambangansche vorsten, en zich eerst jaren later naar Bali
i) BI. 243.
«) Zie b. v. T. v. N. I. 1868. II. 376. Vgl. boven bl. 224, noot 2. Over
op Bali gevonden koperen platen uit de 10», 11e en 12e eeuw vgl. Tijdschr.
v. I. T. L. en Vk. XXXIII. 16.
-ocr page 270-
253
begaf, waar hij als Dewa Agoeng of Oppervorst werd erkend\').
Aan Dipati Goegoer wordt dan ook de stichting toegekend van
de stad waarvan de ruïnen nog nabij Raga Djampi, in de tegen-
woordige assistent-residentie Banjoewangi, worden aangetroffen
en onder den naam van ruïnen van Matjan Poetih bekend
zijn s). Zij liggen te midden eener wildernis, van rivieren en
beken doorsneden , en hebben eene verbazende uitgestrektheid,
maar zijn thans grootendeels vormlooze puinboopen. Er zijn
overblijfsels van een ringmuur van gebakken steen, die een-
maal vijf kwartier in den omtrek had en vier meter hoog,
twee breed en met eene borstwering voorzien was. De voor-
naamste ruïne is een tempel waarvan het dak is verdwenen,
maar de fundamenten en een deel der muren zijn in stand
gebleven. Deze laatste bestaan uit twee steenlagen, de bin-
nenste is van baksteen, de buitenste van een witten kalk-
steen, zooals wij reeds in de ruïnen van Singasari aantroffen;
voor den tempel van Matjan Poetih is bij waarschijnlijk van
de zuidkust gehaald. Aan de buitenzijde zijn de muren ver-
deeld in vierkante vakken, waarin bloemen en arabesken zijn
gebeiteld. Men kan nog duidelijk zien, dat de tempel op een
terras ter hoogte van eenige voeten stond waarnaar men met
een trap opklom. Bij den tempel heeft men overblijfselen van
waarschijnlijk Hindoesche beelden gevonden, die deels naar
Batavia gevoerd zijn , deels bij het huis van den assistent-resi-
dentie te Banjoewangi bewaard worden. Vroeger stond er ook
een sierlijk huisje voor de verbranding van vorstelijke lijken.
Het is het algemeen gevoelen der oudbeidkenners, dat de
gebouwen van Matjan Poetih, schoon ontwijfelbaar door Sji-
waïeten gesticht, in stijl van alle andere monumenten van Java
verschillen en de jongste periode der Hindoe-kunst, hare laatste
\') Hagemau in Ind. Archief. 1. 2. 239.
3) Een andere stichter wordt genoemd in de Babad Balambangan (Brandes,
Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXVII. 330, 335), nl. Tawang aloen. Daar er
waarschijnlijk slechts één Balambangansche vorst van dien naam bestaan heeft,
die in de tweede helft der 17e eeuw leefde, schijnt deze overlevering minder
betrouwbaar; al is het niet onmogelijk, dat Matjan Poetih zoo jong is.
-ocr page 271-
254
zwakke pogingen na den val van Madjapahit , vertegenwoor-
digen; maar zij zijn nog te weinig grondig onderzocht, om er
een stellig oordeel over uit te spreken \'). Sommigen gissen dat
Matjan Poetih door een uitbarsting van den Raoen in 1638
vernield is; anderen schrijven de verwoesting toe aan de vree-
selijke oorlogen waarvan deze gewesten het tooneel zijn geweest.
Hoe het zij , er heeft hier in het oosten van Java, lang na
den val van Madjapahit, een rijk van Balambangan bestaan,
dat dezelfde instellingen, denzelfden godsdienst had als Bali;
welks vorst het oppergezag van den Dewa Agoeng van Bali
moet erkend hebben, en dat in zijne oorlogen met de Mo-
hammedaansche vorsten van Java hulp van Bali ontving,
terwijl zijne krijgsbenden bij geleden nederlagen op dat eiland
eene toevlucht vonden.
Bij onze oude schrijvers komt dit Oost-Javaansche rijkje ge-
woonlijk onder den naam Balamboeang voor; doch dit schijnt
slechts eene verbastering van Blambangan of Balambangan,
welke naam nog aan het zuidoostelijk schiereiland van Java
gegeven wordt2). De uitgestrektheid van het eigenlijke vor-
stendom Balambangan schijnt altijd ongeveer aan die der
tegenwoordige afdeeling Banjoewangi te hebben beantwoord,
maar zijn vorst werd natuurlijk als opperheer gehuldigd door
al de regenten van Java\'s Oosthoek die hun gezag aan Ma-
djapahit ontleenden, zoolang zij zich nog tegen de wapenen
der Moslemen wisten te handhaven. Toen Balambangan zelf
leenplicbtig werd aan Bali, werden derhalve die gewesten
een soort van achterleenen. In welken treurigen toestand Cor-
nelis de Houtman in 1597 deze streken vond, zal ons in een vol-
gend hoofdstuk blijken; maar wij mogen niet voorbijzien wat
ons weinige jaren vroeger de Engelsche reiziger Thomas Ca-
vendish omtrent Balambangan verhaalt. Toen deze in Maart
1588 bij Java\'s oostpunt ten anker kwam, kreeg hij een be-
zoek van ambtenaren des Konings, vergezeld van eenige in
\') Men zie over deze ruïnen Verbeek, lijst v. oudh., bl. 324 -325.
!) Valentijn, IV. I. 51, spreekt van „het vorstendom Balamboang, ook wel
Balainboangan".
-ocr page 272-
255
zijn hoofdplaats gevestigde Portugeezen, die zeer verheugd
waren de Engelschen te ontmoeten, dewijl zij in anderhalf
jaar geen Europeanen gezien hadden. Van hen vernam de
Engelsche vlootvoogd, dat de Vorst door zijne onderdanen
met grooten eerbied werd beschouwd, dat hij niet minder dan
honderd en zijn zoon vijftig vrouwen had, en dat, wanneer
hier een koning stierf, zijn lijk werd verbrand en vijf dagen
later al zijne vrouwen, na een kogel dien zij in de hand hielden
te hebben weggeworpen, met het gelaat naar het oosten ge-
keerd zich eene kris in het hart stieten, en badende in haar
bloed met het aangezicht op de aarde vielen \'). Dit alles stemt
zeer overeen met hetgeen ons van Bali verhaald wordt, waar,
zooals Friederich zegt, de polygamie verder gaat dan in eenig
ander land; waar vaak onderscheidene vrouwen zich bij de
verbranding van het lijk van een vorst plachten op te offeren,
en waar de meest geachte, ofschoon niet de meest gewone,
manier van deze zelfopoffering daarin bestaat, dat de vrouwen
zich in het vuur storten , terwijl zij zich met een kris van het
leven berooven :). Het bericht door de Portugeezen aan Caven-
dish gegeven, is slechts onnauwkeurig\' in een paar kleinig-
heden. Zij hebben verzuimd te vermelden dat op het door-
steken het verbranden volgt, en ten onrecht eenig tijdsverloop
aangenomen tusschen de lijkverbranding en de zelfopoffering
der vrouwen, die wel steeds eenige dagen na den dood van
den vorst, maar te gelijk met de verbranding van zijn lijk
plaats heeft.
Wanneer wij de sporen der Sjiwaïeten in de eerste eeuw na
den val van Madjapahit verder in Oost-Java volgen, stuiten
wij op de merkwaardige overlevering omtrent de vlucht van
den Patih of Rijksbestierder van Madjapahit, Dipati Gadjah
mada, naar Senggara ten zuidwesten van Malang, waar hij
\') Nauwkeuiige versameling der gedenkwaardigste zee- en land-reysen, bij
Pieter v. d. Aa. D. XX, Eerste scheepstocht van Th. Candiseh, 32.
s) Verh. v. h. Bat. Gen. XXIII. Voorl. verslag van Bali, 9 vv. De vrijwillige
verbranding der vrouwen in de Middeleeuwen op Java vermelden ook de Chi-
neesche berichten (üroeneveldt, Notes on the Mal. Arch., 52).
*
-ocr page 273-
256
zich met het opperhoofd Kjai-gëdé Sënggara verbond. In de
nabijheid van Soember Poetjoeng, rechts van den weg die thans
door het district Sënggara van Kepandjen, de hoofdplaats, naar
Panggang-lelé voert, wordt nog te midden der wildernis een
kolossaal staand Ganesja-beeld aangetroffen, en in de nabijheid
vindt men de sporen van galëngans of dijkjes om het water
op de sawahs te houden, die het zeker bewijs opleveren, dat
deze streek eenmaal bevolkt en bebouwd was \'). Pigafetta,
reisgenoot van Magalhaes, noemt Gadjah mada onder de steden
van Java, en het vermoeden ligt dus voor de hand, dat het
eenmaal de hoofdplaats van een rijkje is geweest, waaraan
gemelde persoon den naam van Dipati Gadjah mada heeft
ontleend. Evenwel laat zich hiermede niet gemakkelijk de
Balineesche overlevering overeenbrengen , dat de Patih Gadjah
mada de medebevelhebber was van Arja Damar bij de ver-
overing van Bali; dat de eerste Dewa Agoeng hem met het
landschap Mengoeï beleende, en dat de vorsten van Mengoeï,
Karang-Asëm en Boeleleng van hem afstammen !). De over-
levering groepeert om zekere namen een cyclus van feiten die
vaak met elkander onbestaanbaar zijn, zoodat wij met nadruk
herinnerd worden aan de onmogelijkheid, van de geschiedenis
iets meer dan de groote omtrekken met zekerheid te herkennen.
Na den dood van Dipati Gadjah mada verplaatste zijn zoon
en opvolger den zetel des rijks naar het naburige Gedon-
dong, ten oosten van Malang, en regeerde daar onder den titel
van Iiangga Permana. Hij wist allengs zijn gebied over het
geheele voormalige rijk van Singasari uit te breiden, dat nu
onder den naam van Soepit Oerang bekend werd, en door
sommigen wordt hem de stichting der sterkte Koeta Bëdah en
\') T. v. N. I. 1871, II. 445 noot.
!) T. v. N. I. 1868, II. 37C. De vorsten van Mengoeï, Karang Asem en
Boeleleng voeren en voerden den titel van Goesti, die eigen is aan de kaste
der waisja\'s of wésja\'s, waartoe volgens de Balineezen (radjan mada behoorde.
Intusschen wordt en werd dezelfde titel ook gevoerd door de vorsten van
Badoeng en Tabanan, die gezegd worden van den satrijlt Arjli Damar af te
stammen, maar door den Dewa Agoeng gedegradeerd te zijn.
>
-ocr page 274-
257
zelfs liet bouwen van den bovenvermelden \') grooten muur,
tot bescherming van zijn rijk tegen Moslemen , toegescbreven.
Ook leest men dat hij strooptochten deed op het gebied der
Demaksche vorsten, en op een van deze Grissee verwoestte,
Giri verbrandde en de graven omwoelde van hen die tot den
ondergang van Madjapahit hadden medegewerkt. Met deze voor-
stelling van R&ngga Permana\'s daden en lotgevallen is natuur-
lijk geheel onbestaanbaar wat sommige overleveringen melden ,
dat zijn rijk en hoofdstad nog vóór den dood van Soenan
Giri*), d. i. binnen vijf jaren na den val van Madjapahit,
door de vorsten van Demak verwoest werden. Misschien is
hier de eerste priestervorst van Giri met een zijner opvolgers
verward.
Op den val van Soepit Oerang zal ik later terugkomen.
Voorloopig was het er mij slechts om te doen aan te wijzen,
dat wat wij van elders omtrent Oost-Java na den val van
Madjapahit weten, het bericht bij Barbosa meer verklaarbaar
maakt, dan bet bij den eersten oogopslag schijnt. Wij wenden
ons thans tot de berichten der oudste Portugeesche schrijvers
die ons de verovering van Malakka verhalen, waardoor ons
ook van andere zijde eenig licht over de Javaansche toestan-
den zal opgaan.
Malakka was ten tijde van den aanval van d\'Albuquerque
eene machtige handelsstad, het middelpunt van tien handel
tusschen Zuid en Oost. De Mohammedanen uit Arabië, Perzië
en Indië vonden hier een gunstige ontvangst, zonder dat de
Hindoes (van Kalinga), de Pegoeanen, Siameezen en Chineezen
van den handel waren uitgesloten; vooral de eersten hadden
zich in grooten getale te Malakka gevestigd; grooter nog was
het aantal Javaansche kooplieden dat men hier aantruf, of
althans handelaars van Java — het mogen voor een deel
Maleiers zijn geweest; geene hoofden waren rijker en machti-
ger dan die der Javaansche volkplanting. De stad strekte zich
\') BI. 188.
») BI. 236.
I.
                                                                                                  17
-ocr page 275-
258
mijlen ver langs het strand uit, en werd door de kleine rivier
in twee deelen gescheiden, de wijken der kooplieden en de
eigenlijke stad waarin zich het paleis en de groote moskee
bevonden ;*beide deelen waren door een houten brug verbon-
den. Aan de beide uiteinden der stad lagen groote voorsteden,
die aan de Javanen tot woonplaats verstrekten \'). In de oos-
telijke verzamelden zich de kooplieden van Toeban, Diapara,
Soenda Kalapa (Djakarta), en het aan de Javanen onderhoo-
rige Palembang, en aan haar hoofd stond een Javaan dien
de Portugeezen met een verminkten naam Utimuti Radja5)
noemen, een man van zeer hoogen leeftijd — hij telde omstreeks
80 jaren — die in rijkdom en macht alleen bij den Sultan
achterstond. Het minder machtige hoofd der westelijke voor-
stad , die voornamelijk door de handelaars van Grissee *) en
omstreken werd bezocht, wordt Toean Kolaskar geheeten. Beide
hoofden oefenden in hun gebied eene onbeperkte rechtsmacht;
zoowel zij als de massa hunner onderhoorigen waren belijders
van den Islam 4).
Toen de Portugeesche vlootvoogd Diogo Lopez de Sequeira
in 1509 het eerst met een klein eskader van vijf schepen voor
Malakka verscheen, schijnt Utimuti Radja de Portugeezen met
l) Van die voorsteden heet de oostelijke bij De Barros Iller, de westelijke
Upi. Men zou geneigd zijn hierin verminkingen van de bekende Maleische
termen Ilir en Oedik te zoeken, in den zin van beneden- en bovenstad; maar
de ligging schijnt dan niet goed te passen.
=) Men vindt Utimutiraja, Utemutaraja en Ute ïimuta raja. Welke Javaan-
sche naam in deze wanspellingen schuilt, is niet uit te maken; maar het laatste
lid raja beteekent, volgens do eigen verklaring van De Barros, koning, en
is dus het bekende radja.
:\') Dat het Agaci, Agacim of Agrasim der Portugeezen de bekende handels-
plaats Grissee is, staat vast; hoe wonderlijke verbasteringen de eigennamen ook
onder hunne handen geleden hebben, men kan toch moeilijk aannemen, dat zij
deze stad door de inlanders Gresik of Garsik hebben hooren noemen, zooals thans
geschiedt. Een der babads geeft echter den naam Gërawasi aan de stad, die
althans iets meer op de Portugeesche schrijfwijzen gelijkt (Wiselius in Tijdschr.
v. I. ï. L en Vk. XXIII. 463). Wij noemen de plaats met den door het
eeuwenlang gebruik geijkten naam Grissee.
*) De Barros Dec. II, Liv. IV. Cap. 3, Liv. VI. Cap. 1 en 3.
-ocr page 276-
259
vrees en wantrouwen gadegeslagen en ijverig deelgenomen te
hebben aan de verraderlijke handelingen waarvan de Portu-
geesche vlootvoogd bijna het slachtoffer geworden was. Toen
echter in 1511 d\'Albuquerque met een grootere macht van
negentien schepen kwam opdagen om het aan Sequeira ge-
pleegde verraad te wreken, trad hij, deels uit vijandschap
jegens den Sultan, deels uit zorg voor zijne veiligheid en die
der zijnen, met de Portugeezen in heimelijke onderhandeling ,
waarvan het gevolg was dat de Javanen aan de verdediging
der stad slechts flauwelijk en voor den schijn deelnamen.
Zoo tenminste verzekerde de sluwe Javaan, toen d\'Albuquer-
que hem over de houding van zijn volk in den strijd ter ver-
antwoording riep, en de Portugeesche vlootvoogd, ofschoon
hij hem misschien reeds toen niet geheel vertrouwde, stelde
zich met die verklaring tevreden. Na den val der stad haastte
zich Utimuti Radja om zich in handen van den bevelhebber
te stellen, en ontving hij van dezen eene schitterende beloo-
ning, daar hij hem onder den titel van Sjahbandar met het
bestuur en de rechtspraak over de gansche Mohammedaansche
bevolking belastte. In den strijd dien d\'Albuquerque tot ver-
zekering zijner verovering nog verder tegen den gevluchten
Sultan voerde, werd hij dan ook door een corps van 600 der
volgelingen van Utimuti bijgestaan \').
Het duurde echter niet lang of de achterdocht van d\'Albu-
querque tegen den machtigen Javaan ontving nieuw voedsel
door brieven van zijne vijanden, die hem bij den vlootvoogd
van verstandhouding met den zoon des gevluchten Sultans
beschuldigden. Weldra werden ook tal van andere grieven tegen
Utimuti te berde gebracht: gruwelijke afpersingen en knevela-
rijen van allerlei aard, het opknopen van alle rijst om
die tegen ongehoorden prijs weder te verkoopen, het verbod
aan zijne onderhoorigen om de nieuwe munt aan te nemen
die de Portugeezen lieten slaan. In den raad van d\'Albuquer-
que werd in het geheim de dood van het overmoedig hoofd
\') De Barros Dec. II, 1. IV c. 4, 1. VI c. 3, 5 en 6.
-ocr page 277-
260
besloten; maar de voorzichtigheid die dezen elk oponthod
door den bevelhebber onder een of ander voorwendsel met een
weigering deed beantwoorden, verijdelde den toeleg om hem
heimelijk van kant te maken. Dit noopte eindelijk de Portu-
geezen om het masker af te leggen. De beschuldigingen tegen
Utimuti werden in eene vergadering der hoofden openlijk voor-
gelezen, waarna hij met zijn voornaamste bloedverwanten werd
gegrepen en in de gevangenis geworpen, terwijl een ander
aanzienlijk Javaan, wellicht Pati Katir\') genaamd, in zijne
plaats aan het hoofd der Javanen werd gesteld. Daarop liet
d\'Albuquerque een gerechtelijk onderzoek tegen Utimuti instel-
len; al wat hij aan anderen had afgeperst, waaronder niet
minder dan 500 wederrechtelijk aangehouden slaven, liet de
bevelhebber teruggeven, en Pati Katir kreeg last eenige schansen
te slechten die Utimuti opgeworpen, de grachten te vullen
die hij gegraven had. Eindelijk werd Utimuti met een zoon,
een behuwdzoon en een neef ter dood veroordeeld, en zij
ondergingen dat vonnis op dezelfde plek, waar eenmaal op
zijn aanstoken een gastmaal voor Lopez de Sequeira was aan-
gerecht, waarbij deze den dood zou gevonden hebben, zoo de
toeleg hem niet door een geringen Javaan was geopenbaard.
Wij zijn omtrent de geschiedenis van Utimuti Radja een-
zijdig onderricht, en het is onmogelijk na zulk een lang
tijdsverloop te beoordeelen of hij werkelijk zoo schuldig was
als hij ons wordt voorgesteld, dan of hij het slachtoffer was
van misverstand en overdreven achterdocht. In allen gevalle
blijkt niet genoegzaam, welke de schuld was der met hem
veroordeelde bloedverwanten.
Maar deze zaak had voor de Portugeezen een langen na-
sleep van ernstige gevolgen. De vrouw van Utimuti had aan
d\'Albuquerque een groot losgeld laten aanbieden, om het
leven van haren man en kinderen te redden, onder voor-
waarde dat zij zich voor altijd van Malakka verwijderen en
\') Men vindt in de Portugeesche bronnen Patecatir, Patequatir, Pate Quetir
en Patequitir.
-ocr page 278-
261
op Java vestigen zouden, en toen haar dit, met een beroep
op de onkreukbaarheid van het recht, was geweigerd, besloot
zij haar groot vermogen aan te wenden om zich op de ge-
hate Europeanen te wreken. Het gelukte haar Pati Katir door
groote geldsommen , door het aanbod van een huwelijk met een
harer dochters en door het prikkelen zijner eerzucht op hare
hand te krijgen. Zijne eerste daad van vijandschap was, het
aan de door hem bewoonde voorstad palende kwartier der
Klingaleezen in brand te steken, omdat zij door hunne aan-
klacht de oorzaak van den dood van Utimuti en de zijnen
geweest waren.
D\'Albuquerque , zoodra hij dit vernomen had , gaf aan eenige
officieren last Pati Katir naar zijne voorstad terug te drijven;
maar nu ontbrandde de strijd slechts te heviger. Tien dagen
lang richtten de scharen van Pati Katir in de doesoens der
Klingaleezen geduchte verwoestingen aan, en verwekten zij
zoo grooten schrik onder de bevolking van Malakka, die de
woede en doodsverachting der Javanen boven alles vreesde,
dat d\'Albuquerque zich genoodzaakt zag aan het Javaausche
hoofd vergiffenis te schenken, en zich te laten paaien met zijne
verontschuldiging, dat hij de wraakzucht der Javanen nitt
had kunnen bedwingen en slechts om grooter kwaad te ver-
hoeden daaraan een tijd lang den teugel had gevierd, maar
dat zij nu bereid waren tot rust en gehoorzaamheid terug te
keeren. Bespeurende dat de Javanen bereid waren alles voor
Pati Katir op het spel te zetten, en meenende dat deze vooral ge-
dreven was door de zucht om zich bij de vrouw van Utimuti
aangenaam te maken, en zoo tot het verlangde huwelijk te
geraken, ontveinsde d\'Albuquerque zijn wrok, en schonk hij
zelfs aan Pati Katir geheel dezelfde waardigheid die door
Utimuti bekleed was.
Doch de berekening van d\'Albuquerque faalde. Het nu wei-
dra voltrokken huwelijk verhoogde zeer het aanzien en ver-
mogen van het Javaansche hoofd; maar slechts de belofte
om de wraak zijner schoonmoeder te blijven dienen, had hem
tot zijn doel gebracht, en nu gebruikte hij de waardigheid
-ocr page 279-
262
zelve die hem geschonken was, om de bevelen van d\'Albu-
querque te wederstreven. Daar hij hoopte dat deze met den
aanstaanden oostmoeson naar Indië zou terugkeeren , onthield
hij zich echter vooralsnog van openlijke vijandelijkheden.
Werkelijk maakte d\'Albuquerque zich gereed om in\'t begin
van 1512 Malakka te verlaten. Voor zijn vertrek ontving hij
nog een gezantschap van een ongenoemden heidenschen vorst
van Java, die op liet gerucht zijner daden de vriendschap
van Portugal zocht. Volgens Castanheda zou men hier aan
denzelfden vorst te denken hebben, die bij Barbosa Pate Udra
heet. De geschenken bij deze gelegenheid aan den Portugee-
schen bevelhebber aangeboden, zijn zeer karakteristiek. Zij
bestonden uit een dozijn lansen met ijzeren punten , een grooten
doek, waarop al de veldslagen van den Javaanschen vorst,
„zoo natuurlijk mogelijk", geschilderd waren en twintig kleine
metalen klokken, waarop men met houten staven sloeg en
die akkoorden vormden. Men vindt hier dus duidelijke sporen
zoowel van het batikken van katoenen stoffen als van de
muziekinstrumenten door de vereeniging van een aantal gongs
gevormd. D\'Albuquerque liet aan zijne afreis nog een aantal
benoemingen voorafgaan , waaronder ook die was van een aan-
zienlijk Mohammedaan, Aragemut Radja genoemd, om Pati
Katir, die weinig te vertrouwen bleef, in zijne waardigheden
te vervangen \').
De Portugeescbe bevelhebber had natuurlijk wel voorzien,
dat Pati Katir, die als hoofd der Javaansche voorstad veel te
machtig was dan dat hij hem met het gering getal zijner Euro-
peesche volgelingen kon bedwingen, weinig geneigdheid zou
betoonen om nu het hoofd in den schoot te leggen. Hij had
daarom eene verschansing laten opwerpen die de Javaansche
voorstad van de stad afsneed, en de verdediging daarvan toe-
vertrouwd aan een 70tal manschappen onder het bevel van
Affonso Pessoa, aan de zeezijde ondersteund door een vaartuig,
l) De Barros Den. II. 1. VI c. 7. De bijzonderheden omtrent het geschenk
van den Javaanschen vorst zijn ontleend aan Castanheda, liv. IV, c. 62.
-ocr page 280-
263
met een stuk grof geschut en zes kleine stukken bewapend.
Dit vaartuig was zoo geposteerd, dat het geschut de geheele
face der schans bestreek die aan de aanvallen der Javanen
bloot stond. Het gelukte echter weldra aan Pati Katir zich
door een wel beraamde verrassing van het vaartuig meester
te maken en de geheele bemanning te dooden; alleen den
konstabel die het groote stuk bediende, werd het leven ge-
spaard, omdat Pati Katir thans zelf van zijne diensten wilde ge-
bruik maken. Deze aanval had plaats op het tijdstip dat Fernao
Perez d\'Andrade, dien d\'Albuquerque als bevelhebber der zee-
macht had achtergelaten, afwezig was om Hang Nadim , den
laksamana of vlootvoogd des gevluchten Sultans op te zoeken,
die zich 15 mijlen verder oostwaarts aan de rivier Moear had
nedergezet en in verstandhouding stond met de oproerige
Javanen.
Toen d\'Andrade, na vruchtelooze pogingen om den laksa-
mana tot een strijd uit te lokken, onverrichter zake te Malakka
terugkeerde, vond hij de stad in groote verslagenheid. In over-
leg met den Portngeeschen landvoogd Ruy de Brito werd nu
tot een gelijktijdigen aanval te land en te water op de Javaan-
sche voorstad besloten. De verdedigingsmiddelen van Pati Katir
waren lang niet te verachten. Hij had een grooten muur van
ijzerhout opgericht, van binnen en buiten door aarden wallen
en fascinen gedekt, door een gracht verdedigd en met een
groot aantal stukken bewapend, terwijl daarachter een klein
fort lag, dat, tot verbazing der Portugeezen, die hierin het
sterkste bewijs zagen van de grootheid der door Utimuti nage-
laten schatten , geheel uit wit en rood sandelhout was gebouwd.
Maar juist de voortreffelijkheid zijner verdedigingsmiddelen
had Pati Katir zorgeloos gemaakt, en de Portugeezen, wier
aanval hem verraste, betoonden zoo groote dapperheid, dat zij
de Javanen, na eene groote slachting onder hen te hebben
aangericht, naar de naburige bosschen verdreven en meester
bleven van de sterkte. Den gevangen konstabel vonden de over-
winnaars onthalsd bij het door de Javanen veroverde stuk, omdat
hij volstandig geweigerd had op zijne landgenooten te schieten.
-ocr page 281-
264
Een ontzaglijke buit viel bij de verovering der sterkte in der
Portugeezen handen \').
Inmiddels was Pati Katir in de doesoens die in het dicht
geboomte verscholen lagen, onbereikbaar voor de Portugeezen.
Weldra echter besloot hij de onmiddellijke nabijheid der plaats
die hem zoo noodlottig geweest was, te verlaten , en op eenigen
afstand bouwde hij eene nieuwe sterkte, die gunstig gelegen
was voor den aanvoer van levensmiddelen van Java, waarna
hij trachtte verstandhouding aan te knoopen met den gevluch-
ten Sultan van Malakka, ten einde meer krachtigen bijstand
van den laksamana te verwerven. De menigte van handen
waarover hij te beschikken had was zoo groot, dat de nieuwe
sterkte weldra voltooid was; en de schepen zelven die hem
proviand van Java toevoerden, liet hij op het land halen , om
daarvan een met geschut beplant bolwerk te maken, op het
punt dat het meest aan den aanval der Portugeezen bloot stond.
Ruy de Brito werd echter door spionnen en door onderschepte
brieven van dat alles onderricht, en in een krijgsraad werd
besloten aan Pati Katir geen tijd te laten om zich verder te
versterken, maar het nieuwe fort ten spoedigste met alle be-
schikbare macht aan te tasten. Doch de aanval werd door
Pati Katir met belangrijk verlies voor de Portugeezen afge-
slagen, en dit gaf hem zooveel moed dat hij besloot op zijne
heurt offensief te werk te gaan, en de verschansing aan te
tasten waarvan de verdediging aan Affonso Pessoa was toe-
vertrouwd. Te gelijker tijd werd ook de Sultan, die aan de
fortuin van Pati Katir na het ontruimen zijner voorstad ge-
wanhoopt had, tot grootere werkzaamheid geprikkeld , en hij
gaf aan den laksamana bevel om met zijn vloot allen toevoer
van levensmiddelen aan Malakka af te snijden. Eene poging
van d\'Andrade om den laksamana in de rivier van Moear
aan te tasten , mislukte, en Pati Katir maakte van het afwezen
van den Portugeeschen vlootvoogd gebruik om Pessoa gedurig
te verontrusten en met lichte prauwen, die hij in de kanalen
\') De Barros, Dec. II, 1. IX, c. 1.
-ocr page 282-
265
om de stad liet rondvaren, overal brand te stichten en men-
schen op te lichten.
Malakka was voor den toevoer van levensmiddelen grooten-
deels van Java afhankelijk; maar tengevolge der gedurige onder-
schepping van de jonken door den laksamana was de voor-
raad allengs zoo schaarsch geworden, dat aan de Europeanen
slechts eenmaal daags een maal van enkel rijst kon worden ver-
strekt, en van de inlanders velen van den honger omkwamen.
Doch ook het volk van Pati Katir leed gebrek , en de hongers-
nood leidde een tijd lang tot een stilstand van wapenen , daar
ieder te veel te doen had om spijs te zoeken , dan dat hij
aan vechten kon denken. Zoodra echter de moeson het uitloopen
der schepen veroorloofde, vertrok d\'Andrade met een flotilje
van kleine schepen om de van Java tot hulp van Pati Katir
komende jonken op te wachten. Hij had het geluk zich van
een jonk meester te maken die met levensmiddelen en krijgs-
behoeften voor de oproerige Javanen geladen was, en aan
wier boord zich , buiten zijn weten, een zoon van Pati Katir
bevond. Maar onbekend met de Javaansche gebruiken, beging
hij den misslag van den kapitein der jonk met een deel der
bemanning, na hun de wapenen te hebben ontnomen, naar
zijn eigen schip over te brengen en daar vrij te laten rondloopen.
Terwijl niemand op tegen weer bedacht was, trok een der
Javanen zijne kris die hij had weten te verbergen, en bracht
aan d\'Andrade eene wonde toe, wat het sein was voor een
oproer. De Javanen werden echter spoedig overmand, eenige
sprongen over boord en bereikten al zwemmende den nabij-
zijnden wal, maar de meesten werden in verzekerde bewaring
gesteld, en den schipper werd door pijniging de bekentenis
afgeperst, dat hij slechts de voorlooper was geweest van drie
andere voor Pati Katir bestemde jonken, die nog in de straat
van Singapoera kruisten, en dat een der gevangenen een zoon
van Pati Katir was. D\'Andrade maakte zich nu met weinig
moeite ook van de andere jonken meester, waardoor Pati Katir
zeer in het nauw werd gebracht; doch de zoon van dat hoofd
ontkwam na weinige dagen uit zijn gevangenis.
-ocr page 283-
26G
Na dezen voorspoediger) tocht werd tot een nieuwen aanval
op de Javanen besloten. De uitslag was ditmaal geheel in het
voordeel der Portugeezen. De sterkte van Pati Katir werd ver-
brand, een groot deel van zijn volk verloor het leven, en
hijzelf, na zich een tijdlang met de zijnen in de bosschen
verborgen te hebben, bediende zich van twee jonken die hem
nog van Java bereikt hadden, om zich in stilte te ver-
wijderen en naar zijn vaderland te ontwijken, met het plan
om daar hulp te zoeken. Toen zijne vlucht was bekend ge-
worden , werd hij door d\'Andrade vervolgd; maar deze , boven-
dien door eene ontmoeting met de vloot van den laksamana
opgehouden, bemerkte weldra dat het te laat was en keerde
onverrichter zake naar Malakka terug \'). De vlucht van Pati
Katir had plaats omstreeks den aanvang van 1513.
De voornaamste haven van Java, die althans welke het
meest de handelsbetrekkingen met Malakka onderhield, schijnt
destijds Djapafa geweest te zijn. In 1513 was deze stad in
handen van een aanzienlijk en vermogend Javaan, door de
Portugeezen Pate Unuz J) geheeten. Eer ik over hem in verdere
bijzonderheden treed, is het echter noodig, om den draad der
geschiedenis niet te verliezen, kortelijk te herinneren wat de
Javaansche overlevering meldt van de opvolging en verrich-
tingen der vorsten van Demak, sedert Raden Patah onder
den titel van Panembahan Djimboen ten troon was verheven 3).
Dat het gezag van dien vorst in den Oosthoek niet erkend
werd, is ons in het begin van dit hoofdstuk gebleken; maar
ook het overige van zijn rijk vormde een slecht samenhangend
geheel, en zijne op het bezit der regalia berustende aanspra-
ken schijnen op vele regenten weinig indruk gemaakt te
hebben. Het meeste wantrouwen boezemde hem de regent van
») De Barros, Dec. II, 1. IX, c. 2 en 3.
2)   Ook Pate Umez en Pateonuz. — Wij zullen hem met een in elk geval
betere schrijfwijze Pati Oenoes noemen. Het is niet uit te maken of Wiselius
terecht gist (T. v. I. T. L. en Vk. XXIII. 476—79), dat de naam een ver-
bastering is van die der vorsten van Koedoes (vgl. boven, bl. 240).
3)   Zie boven bl. 244.
-ocr page 284-
267
Penging in, wiens gebied in het tegenwoordige Soerakarta was
gelegen en ongeveer overeenkwam met het landschap dat thans
Padjang genaamd wordt. Deze regent, Andaja ning rat geheeten,
was gehuwd met eene dochter van den vorst van Madjapahit
en had bij haar twee zonen verwekt, bekend bij de namen
van Kenanga en Kanigara. Volgens sommige berichten nam
de vader den Islam aan en erkende hij het gezag van Raden
Patah; doch de meeste zwijgen daarvan, \'wat gemakkelijk
te verklaren is, daar hij kort na den val van Madjapahit
schijnt gestorven te zijn. Doch van zijne zonen bleef de een
getrouw aan den voorvaderlijken godsdienst en stierf als
kluizenaar op den berg Merapi, terwijl de andere, hetzij dan
Kenanga of Kanigara — want ook hierover bestaat verschil —
den Islam omhelsde, den titel van Kjai-gedé Penging aannam
en de pogingen van Siti Djenar ondersteunde, om de bevol-
king tot den nieuwen godsdienst over te halen. De regent
van Penging schijnt stilzwijgend het gezag van Panembahan
Djimboen erkend te hebben , maar weigerde, ook na herhaalde
aanmaning, zich aan zijn hof te vertoonen. De vorst van De-
mak droeg daarom aan Pangéran Koedoes en eenige andere
afgevaardigden op, hem een ultimatum te stellen en hem inge-
val van weigering van kant te maken. Zij vonden hem in
rouw gedompeld wegens den dood van zijn vriend Kjai-gedé
Tingkir. Echter ontving hij de gezanten met oostersche gast-
vrijheid, maar toen Pangéran Koedoes hem de vraag stelde, of
hij zich boven, beneden, buiten of binnen de macht van den
vorst van Demak stelde, gaf hij ten antwoord dat hij snood
zou zijn als hij er zich binnen, verdwaald als hij er zich buiten ,
aanmatigend als hij er zich boven, en verbijsterd als hij er
zich beneden, stelde. Dit echt Javaansch niets-zeggend antwoord
scheen aan Pangéran Koedoes de achterdocht van Panembahan
Djimboen volkomen te rechtvaardigen, zoodat hij, terwijl men
den maaltijd aanrechtte, den regent door eene verraderlijke
wond den dood bereidde \'). Zijne weduwe vluchtte naar den
\') Dat er iets van dien aard moet gebeurd zijn, is zeker, maar zooals ia
-ocr page 285-
268
da hun en vond later eene schuilplaats bij de weduwe van
Kjai-gedé Tingkir, waar zij een zoon ter wereld bracht die
bestemd was eene groote rol in de geschiedenis van Java te
vervullen.
Naar aanleiding van ons onbekende omstandigheden werd
door den vorst van Demak eene geheel bijzondere regeling van
het bestuur voor het landschap Bagelen ontworpen. Hij stelde
het onder 40 mantri domas, d. i. mantri\'s over achthonderd
huisgezinnen, die bij hunnen naam eenvoudig den titel van
Kjai voegden en wier nakomelingen langen tijd den titel van
Kentol gevoerd hebben \').
Panembahan Djiinboen regeerde volgens sommige berichten
negen, volgens andere twaalf jaren. Van zijne vijf zonen
volgde Pangéran Sabrang Lor\') hem op, doch stierf reeds na
twee of drie jaren aan een longontsteking.
De derde vorst was zijn broeder, volgens anderen zijn zoon ,
Pangéran Tranggana, een veelgeprezen vorst, wien het ont-
werpen van een wetboek wordt toegeschreven dat de instellin-
gen des lands met de voorschriften van den Islam samensmolt.
Volgens de Javanen zou vóór 1521 zijn gezag over het gansche
eiland, van Bantam tot Balambangan, erkend zijn , en zouden
alle regenten van Java naar zijn hof zijn opgekomen om
hem hulde te bewijzen. Maar ofschoon wij mogen aannemen
dat zijn gezag in Midden-Ja va zeer bevestigd en uitgebreid
werd, zal het ons spoedig blijken, dat zoowel in het westen
als in het oosten nog zeer veel aan de erkenning van dat
gezag bleef ontbreken. Zelfs in Djapara was, volgens dePor-
tugeesche schrijvers, nog in 1521 een heidensch opperhoofd,
en Pati Oenoes, dien wij er in 1513 aantroffen en die stellig
schier ieder feit dat alleen op de Javaansche overlevering berust, worden de
omstandigheden met eindeloos verschil verhaald. Zie RaiBes, Java I. 147;
Uageman, Ind. Arch. I. 2. 359, en Handleiding, I. 61; Mounier, Ind. Mag.
1. 2. 165 en II. 1. 186.
M T. v. N. I. VIII. 3, 177.
5) Den oorsprong van dezen vreemden naam, die „Prins van den noordelijken
overwal" beteekent, kan ik niet verklaren.
-ocr page 286-
269
belijder van den Islam en vermoedelijk een der krijgsbevel-
hebbers van Pangéran Tranggana was, beeft er zich slechts
tijdelijk kunnen handhaven. Het bericht van De Barros\'), dat
hij zich als zeeroover van Djapara had meester gemaakt, zal
wel op een verkeerde opvatting berusten, en mist, in ver-
band met alles wat wij van zijne geschiedenis weten, alle
waarschij nlij kheid.
Pati Oenoes was, volgens De Barros, een machtig Javaan
van hooge afkomst, die lang met het denkbeeld had omge-
gaan om Malakka aan zijn gezag te onderwerpen en daarbij
vooral rekende op de genegenheid der Javanen die er zulk
een talrijk deel der bevolking uitmaakten. Reeds vóór de ver-
overing der stad door de Portugeezen had hij zich tot dat einde
met groote toerustingen bezig gehouden en onder anderen
eene jonk gebouwd, zoo groot als een Portugeesch schip van
500 ton en met zeven lagen van een mengsel van kalk en
olie *) gedubbeld, waardoor zij tot een ondoordringbaar bol-
werk was gemaakt. Met de hoofden der Javanen te Malakka
had hij verstandhouding aangeknoopt, en de verovering dier
stad door d\'Albuquerque, wel verre van hem van zijn plan
af te schrikken, had de hoop op goeden uitslag bij hem ver-
sterkt, eensdeels omdat hij gezien had voor hoe kleine macht
de stad bezweken was, anderdeels omdat hij verwachtte in
de gansche bevolking bondgenooten tot verdrijving der gehate
vreemdelingen te vinden. Na zeven jaren met toerustingen
te hebben doorgebracht, had hij eene vloot bijeen van in
alles 90 vaartuigen, bemand met 12000 koppen, voor een
deel Javanen van Palembang, onder \'t bevel van den Toe-
menggoeng, en bewapend met een groot aantal op-Java zelf
vervaardigde stukken; want de Javanen, zegt de schrijver,
waren bekwame gescbutgieters. Met deze macht besloot hij
Malakka aan te tasten, doch ongelukkig voor hem juist op
\') Dec. II, 1. IX, c. 4.
\') Dit mengsel noemt De Barros lapez, klaarblijkelijk het Jav. lapis,
oplegsel of doublure.
-ocr page 287-
270
het tijdstip dat Pati Katir verslagen en naar Java gevlucht
was. De Portugeezen, die reeds lang de lucht van zij ne voor-
nemens gekregen hadden, hoorden dat hij eindelijk tot hulp
van Pati Katir kwam opdagen. D\'Andrade ging hem met de
gansche beschikbare scheepsmacht opzoeken in de zeestraat
van Sabang (Straat Saboen), maar geen spoor van den vijand
vindende, keerde hij naar Malakka terug, met het voorne-
raen om zich, volgens den hem verstrekten last, naar Goa
te begeven. Gelukkig was dit plan nog niet volvoerd, toen
eensklaps ontdekt werd, dat de schepen van Pati Oenoes kwa-
men opdagen van eene andere zijde dan men ze verwacht
had. Deze was namelijk, ten einde de stad te verrassen, ter
sluiks langs de kust van Sumatra en onder bedekking der
haar omzoomende eilanden noordwaarts tot aan den mond
der rivier van Siak opgestevend en vandaar de Straat over-
gestoken, zoodat men in den avond van 1 Januari 1513 on-
verwachts de zee ten westen der stad met zijne talrijke vaar-
tuigen bedekt zag.
De Portugeezen begrepen spoedig, dat dit niet anders dan
de vloot van Pati Oenoes kon zijn, en ofschoon hare plot-
selinge verschijning aanvankelijk ontsteltenis en verwarring
veroorzaakte, besloten zij moedig hem met de geheele macht
die zij konden bijeen brengen, namelijk met 17 schepen,
bemand met 350 Europeanen en eenige getrouwe inlanders,
tegemoet te varen. Het geschut der Portugeezen richtte onder
de vaartuigen van Pati Oenoes vrij wat schade aan; doch
deze, zonder hun schieten te beantwoorden, vervolgde zijn
tocht dicht langs de kust in zooveel mogelijk gesloten linie,
totdat hij bij het vallen van den nacht vóór de stad en de
Javaansche voorstad ten anker kwam, terwijl de duisternis
de voortzetting van den strijd belette.
De Portugeezen, het ontoereikende hunner verdedigingsmid-
delen gevoelende, brachten den nacht in angstige overleggin-
gen door; doch zelfs het gezag van den Gouverneur Ruy de
Brito kon d\'Andrade niet afbrengen van zijn voornemen, om
Pati Oenoes met de kleine scheepsmacht die hij onder zich
-ocr page 288-
271
had, aan te tasten , omdat diens houding op den vorigen dag
hem de overtuiging had gegeven dat zijn hoofddoel was voet
aan wal te zetten en zich door den steun der bevolking te
versterken, en dat hij weinig genegenheid had zich aan een
scheepsstrijd te wagen. Terwijl dus stad en sterkte zooveel
mogelijk in staat van tegenweer gebracht werden, maakte
d\'Andrade alles gereed, om bij het aanbreken van den dag
de dicht opeengedrongen kleine vaartuigen des vijands, die het
meest in zijne nabijheid lagen , met raketten in brand te schie-
ten, terwijl hij van de daaruit geboren verwarring dacht ge-
bruik te maken, om de groote jonken aan te tasten en aan
boord te klampen.
Inmiddels had Pati Oenoes zich met de Javanen in de stad
in betrekking gesteld; maar hij was niet weinig ontmoedigd
en teleurgesteld, toen hij van hun opperhoofd Soerja Dewa
vernam, dat Pati Katir, op wiens raad en bijstand hij vooral
had gesteund, verslagen en gevlucht was. De stoute aanval
der Portugeezen en de groote schade die hun geschut aan zijne
eigene jonk toebracht, vermeerderden welhaast zijne verwar-
ring, en Soerja Dewa met de zijnen bleken veel meer door
zorg voor eigen lijf en goed dan door ijver voor de gemeene
zaak bezield te zijn. Het plan om aan land te gaan en de Por-
tugeesche sterkte aan te tasten , werd dus voorloopig opgegeven,
terwijl de dapperheid van den vijand aan Pati Oenoes zooveel
ontzag inboezemde, dat hij , in weerwil zijner groote overmacht,
alleen van geduld en beleid een eindelijke zege durfde hopen.
Hij besloot dus met zijne gansche vloot naar de rivier Moear
af te zakken en vandaar uit, in overleg met Soerja Dewa,
de Portugeezen te verontrusten en af te matten. Om zijn
voornemen voor den vijand te verbergen, liet hij op zijne
schepen zoo groot rumoer en geschreeuw maken, dat d\'An-
drade niet anders dacht of een deel der Javanen was aan land
gegaan, terwijl het andere deel zich tot een aanval op zijne
schepen gereed maakte.
Doch toen bij het eerste daglicht de Portugeezen de ware
toedracht bespeurden en bemerkten dat de vijand in zijne
-ocr page 289-
272
overhaasting zelfs menig anker in den steek liet, werd hun
moed tot den hoogsten graad aangewakkerd. Eensklaps ver-
hief zich, zoowel van het fort als van de vloot, de kreet:
„De vijanden vluchten! Bij Sint-Jago, op hen aan!" Met
groote geestdrift vervolgden zij Pati Oenoes, staken met het
gereed gemaakte vuurwerk een groot deel zijner kleine vaar-
tuigeu in brand, en hadden de voldoening dat hij met zijne
groote jonk, door alle andere jonken gevolgd, zonder verder
aan de rivier Moear te denken, en zelfs zonder eenigen te-
genweer te beproeven, in aller ijl naar Java terugkeerde.
Twee jonken, waaronder die van den Toemenggoeng van Pa-
lembang, werden door de Portugeezen veroverd, en Pati
Oenoes zelf had waarschijnlijk zijn behoud alleen te danken
aan een hevige donderbui, die de Portugeezen in de verdere
vervolging belemmerde. Door de nederlagen van Pati Katir
en Pati Oenoes waren de Portugeezen te Malakka van hunne
gevaarlijkste vijanden bevrijd; want in vergelijking met de
Javanen werden de Maleiers slechts weinig door hen geteld1).
Ik merkte reeds op dat Pati Oenoes zijn gezag, of liever
dat van zijn meester Pangéran Tranggana, die vermoedelijk
in den aanval op Malakka meer de hand heeft gehad dan uit
de Portugeesche berichten blijkt, ook te Djapara niet op den
duur heeft kunnen handhaven. Wij zullen straks de bewijzen
vinden, dat die plaats voor het Mohammedaansche rijk van
Demak spoedig weder moet zijn verloren gegaan. Pati Oenoes
zelven vinden wij , slechts weinige maanden na zijne neder-
laag voor Malakka, te Sidajoe aan den noordelijken ingang
van straat Madoera, en ik houd mij overtuigd, dat hij ook
daar weder als gemachtigde of gouverneur namens den vorst
van Demak werkzaam was. Die vorst zelf blijft bij de oudere
Portugeesche schrijvers zeer op den achtergrond; hij schijnt
echter bedoeld te worden, waar zij van den Sangue de pate ,
vollediger Sangue de pate de Dama, gewag maken 2). Die ti-
\') De Barros, Dec. II, liv. IX, c. 4 en 5.
5) De Barros, Dec. III, 1. V, c. 6; Dec. IV, liv. I, c. 12.
-ocr page 290-
273
tel laat zich gemakkelijk verklaren door Sang Dipati van De-
mak, waarbij dan Sang het bekende Javaanschevoorvoegsel
is, dat vóór de namen of titels van goden en doorluchtige
personen wordt geplaatst.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De Portugeezen op Java. Het ryk van Demak.
Wat ik tot dusverre van de betrekkingen tusschen de Por-
tugeezen en Javanen verhaalde, is ongetwijfeld van gewicht
voor de kennis van Java\'s maatschappelijken toestand in de
16de eeuw, omdat er uit blijkt dat zeevaart en handel toen
tot de voornaamste bedrijven der bevolking behoorden, en
dat vele duizenden Javanen buiten hun geboorteland geves-
tigd waren; maar het verspreidt over den inwendigen toe-
stand van het eiland al zeer weinig licht. Van eigenlijke
vestiging op Java was aanvankelijk bij de Portugeezen in
het geheel geen sprake, en ook later heeft die zich steeds tot
eenige weinige handelaars en gelukzoekers bepaald. Wel heb-
ben zij reeds vroeg de Javaansche havens op de noord kust
bezocht, doch hoofdzakelijk met het doel om zich op hunne
tochten naar de Molukken te ververschen; want een zelf-
standig aandeel in den handel in specerijen te erlangen, die
tijdens de verovering van Malakka geheel in handen der
Maleiers en Javanen was, schijnt het hoofddoel van hun stre-
ven in den Archipel geweest te zijn. Nauwelijks had d\'Albu-
querque zich te Malakka gevestigd, of hij zond een Moham-
medaanschen schipper van die plaats, Nakhoda Ismaël ge-
heeten, met een jonk met Portugeesche ruilwaren naar de
Molukken, als voorlooper en wegbereider van Antonio d\'Abreu,
aan wien eene verkenning der oostelijke eilanden werd opge-
dragen met een eskader van drie schepen, waarop zich on-
derscheiden Maleiers en Javanen bevonden die met de vaart
op de Molukken bekend waren. D\'Abreu nam den weg langs
Java\'s noordkust, waar hij de destijds zoo bekende haven
I.                                                                                            18
-ocr page 291-
274
van Grissee aandeed, en was, zoover wij weten, de eerste
Portugees die den bodem van Java betrad; vandaar is hij
waarschijnlijk naar de Banda-groep gestevend.
Nakhoda Ismaël, in den aanvang van 1513 met eene lading
nagelen uit de Molukken terugkeerende, had het ongeluk zijn
schip op de reede van Toeban, eene haven onder het recht-
streeksch bestuur van den Sang Dipati, te verliezen, ofschoon
de lading werd gered en geborgen. Dit gaf aan Ruy de Brito,
den gouverneur van Malakka, aanleiding, om in de maand
Maart Juam Lopez Aluim met vier schepen naar Java te zen-
den, en wij lezen uitdrukkelijk dat hij in alle havens zeer wel
ontvangen werd, maar inzonderheid in die van Sidajoe, waar
het gezag in handen was van denzelfden Pati Oenoes, die kort
te voren zoo duchtig door de Portugeezen gehavend was\').
Er verloopen nu eenige jaren waarin, voor zoover ik weet,
niets van bezoeken van Portugeezen op Java bekend is. Doch
in 1521 werd dat eiland aangedaan door een vloot van vijf
schepen onder Antonio de Brito, op zijn tocht naar de Moluk-
ken om namens den Koning van Portugal van die eilanden
bezit te nemen. Eerst landde hij te Toeban en vervolgens te
Grissee, waar hij zich zeventien dagen ophield, „omdat het
eene aanlegplaats was voor de scheepvaart dier gewesten en
een overvloed van koopwaren en leeftocht derwaarts toevloeide".
Verlangend eenige berichten in te winnen omtrent het tegen-
over Grissee liggende eiland Madoera, zond hij eene sloep
derwaarts, die eene kleine rivier, langs welker boorden vele
doerians en nangka\'s groeiden, een eind weegs opvoer. De
bemanning, door deze vruchten verlokt, ging aan land, waar-
op de inboorlingen hen gevangen namen en de sloep aanhiel-
den; en het kostte aan De Brito veel moeite zijn volk weder
vrij te krijgen, wat hem echter ten laatste door de tusschen-
komst van het hoofd van Grissee gelukte. Terwijl De Brito
hier nog lag, verscheen er ook, in Januari 1522, GarciaEn-
riquez met vier zeilen op zijn tocht naar de Banda-eilanden,
») De Barros, Dec. III, liv. V, c. 6.
-ocr page 292-
275
en te gelijker tijd bracht een Javaansche jonk, met spece-
rijen van Banda komende, het eerst de voor de Portugeezen
zeer onaangename tijding, dat de Spaansche vloot onder De
Magalhaes zich in die wateren vertoond had \') en dat de kapi-
tein van een dezer schepen de Javaansche jonk een veilig-
heidspas had gegeven. In het volgende jaar werd de reede van
Grissee aangedaan door een Portugeesch schip dat eenige sche-
pelingen van het ongelukkige eskader waarmede De Magelhaes
de aarde had omgezeild, van de Banda-eilanden naar Malakka
bracht, en De Herrera zegt van Grissee, dat het 30,000 Mo-
hammedaansche inwoners telde, en dat er een groote handel
in porcelein, zijde en andere waren van China, Borneo enz.
gedreven werd \').
Uit deze bijzonderheden blijkt genoegzaam het groote gewicht
van Grissee als handelsplaats en de vriendschappelijke voet
waarop de Portugeezen er verkeerden. Toch hadden er somtijds
minder aangename ontmoetingen plaats, waarvan het niet
altijd gemakkelijk is de ware schuldigen aan te wijzen. De
Portugeezen verkeerden nu eenmaal in het denkbeeld, dat de
Javanen even trouweloos als wreed waren , en het is zeer waar-
schijnlijk dat in vele gevallen juist hunne ongegronde achter-
docht en beleedigende voorzorgen de oorzaak van hetmisver-
stand werden. In 1523 zag Antonio de Pina zich genoodzaakt
de vervolging der Maleiers in de haven van Grissee te ont-
wijken. Terzelfder tijd werd die plaats door Simao de Sousa
en Martim Correa op hunne reis naar Banda aangedaan. Op
zekeren dag kwamen, nog vóór zonsopgang, zes Javaansche
vaartuigen bij Correa langs boord, drie aan deze en drie aan
gene zijde. Correa hield zich overtuigd dat zij zijn schip wilden
afloopen en wees hen met kanonvuur af. Doch nu begonnen
de Javanen te klagen, dat de Portugeezen slecht bejegenden
wie hun mondkost kwamen brengen. Correa hield echter staande
dat de nacht geen geschikte tijd voor koopen en verkoopen
\') De Barros, Dec. III, 1. V, c. 7.
\') Navarrete, Coleccion de los viages y descubrimientos. IV. 104.
-ocr page 293-
276
was, maar toen de zon was verrezen, liet hij zich bewegen
met diezelfde Javanen te handelen, ofschoon hij hun niet
toeliet op zijn schip te komen. Men heeft zeker wel eenigen
grond om te beweren, dat zoo de Javanen werkelijk kwade
voornemens gekoesterd hadden, zij hunne prauwen niet met
koopwaren zouden beladen hebben; doch in het licht der nu
volgende gebeurtenissen beschouwd, moet toch de achterdocht
wel eenigszins gerechtvaardigd schijnen. Nauwelijks toch had-
den deze prauwen zich verwijderd, of aan Correa werd een
brief gebracht van zekeren Manuel Botelho, schrijver van een
schip dat te Soerabaja lag, waarheen het van Malakka ten
handel was gekomen. Botelho gaf daarin kennis dat hij van
eene zijner slavinnen vernomen had, dat een aanslag gesmeed
werd om de Portugeesche schepen te Grissee te overvallen,
en weldra bleek maar al te zeer dat dit bericht niet uit de
lucht was gegrepen. Daar De Sousa en Correa na de bekomene
waarschuwing dadelijk naar Banda onder zeil waren gegaan,
koelde zich de woede der Javanen aan Antonio de Pina, die zich
juist met tien of twaalf zijner volgelingen aan wal bevond. Allen
werden afgemaakt nadat hun schip door de Javanen was over-
meesterd , en Manuel Botelho zelf, die te Soerabaja niets kwaads
vermoedde, werd met de beide eigenaars van het schip en eenige
andere Portugeezen overvallen en omgebracht. Een aanval
daarna door de Javanen op het schip gedaan, werd echter
afgeweerd door de dapperheid der bemanning, die het vaar-
tuig behouden te Malakka bracht. Maar dat de gisting in de
gemoederen der Javanen bleef voortduren, ondervond nog in
het volgende jaar Antonio Pessoa, toen hij met eene met spece-
rijen geladen jonk te Grissee ten anker kwam. Ook hij werd
van schip en leven beroofd, en hetzelfde zou aan Bastia Pegado
zijn overkomen, zoo hij zich niet spoedig door het kappen
zijner kabels gered had \'). Wat de oorzaak is geweest dat de
vriendschap der Javanen van Grissee zoo plotseling in bittere
vijandschap verkeerde, is moeilijk te gissen. Misschien waren
\') De Barros, Dec. III, 1. VIII, c. 8.
-ocr page 294-
277
zij tegen \'de Portugeezen opgezet door den verdreven Sultan
van Malakka, die destijds op Bintang was gevestigd, en juist
op dat tijdstip groote voordeden in den strijd tegen de Por-
tugeezen behaald had, waardoor wellicht de hoop bij hem was
verlevendigd hen uit den Archipel te verdrijven en zijn rijk
te heroveren, zoo hij alle Mohammedaansche vorsten kon op-
wekken hunne krachten tegen hen te vereenigen \'). Dit ver-
moeden ontvangt eenige bevestiging door hetgeen wij lezen
omtrent de vernieling van vele Javaansche schepen in de na-
bijheid van Pahang op Malakka\'s oostkust door Martim Affonso
de Sousa, toen hij in 1526 den vorst van dat rijk voor zijne
samenspanning met den Sultan van Bintang ging straffen \').
Het is gemakkelijk te begrijpen dat de vijandige gezindheid
der bevolking de Portugeezen een tijd lang van het bezoeken
der Oost-Javaansche havens afschrikte. Alleen Panaroekan,
waar wij in 1526 Antonio de Brito en Joao de Morene vin-
den , waar zich in 1528 Dom Garcia Enriquez op zijne reis
van Banda naar Malakka van levensmiddelen voorzag, en van-
waar omstreeks denzelfden tijd gezanten naar Malakka togen
om een traktaat van vriendschap met de Portugeezen te sluiten,
maakt daarop eene uitzondering3); doch die ons niet bevreemden
kan wanneer wij bedenken, dat de regeering van dit gewest
nog niet was overgegaan in handen der volgers van den Islam,
waardoor voor de Portugeezen grooter kans bestond om handels-
betrekkingen aan te knoopen dan waar hunne Mohammedaan-
sche mededingers bij hunne geloofsgenooten de voorkeur hadden.
Dit ondervonden zij thans ook in West-Java of Soenda, dat velen
hunner, evenals Barbosa, ook toen nog voor een geheel van Java
afgezonderd eiland hielden. Het is nog als zoodanig beschre-
\') De Barros, Dec. III, 1. V, c. 4, liv. VIII, c. 6 en 7.
s) De Barros, Dec. III, 1. X, c. 2. Evenwel maakt deze schrijver daarbij
van Javaansche schepen geen gewag; doch de aangehaalde bijzonderheid wordt
vermeld door Hageman, Ind. Arch. II. 1. 389 (waar Padang een drukfout
is voor Pahang), en door De Jonge, Opkomst v. h. Ned. gezag in O. I.
II. 122, zonder dat blijkt aan welke bron zij is ontleend,
3) De Barros, Dec. IV, 1. I, c. 14 en 17,
-ocr page 295-
278
ven en in kaart gebracht in de in 1615 door Levanha uitge-
geven vierde decade van De Barros \'). „Van het land van Java",
dus lezen wij daar, „maken wij twee eilanden, het een vóór
liet andere .... De Javanen zelven echter maken er geen twee
van, maar slechts één, gelijk in lengte aan die twee.... Op
ongeveer een derde van die lengte in het westelijk deel ligt
Soenda, waarover wij te handelen hebben, welk gewest de
inboorlingen houden voor een eiland van Java afgezonderd
door eene aan onze zeevaarders slechts weinig bekende rivier,
die zij de Chiamo of Chenano [Tji Manoek ?] noemen ... Aan
die mindere bekendheid is het toe te schrijven, dat onze zee-
vaarders Soenda en Java tot een eenig eiland maken." Men
ziet, de schrijver is gedurig met zichzelven in tegenspraak;
zijne kaart stelt de Chiamo duidelijk als eene zeeëngte voor,
maar in den tekst noemt hij haar een rivier, ofschoon zij
de scheiding tusschen twee eilanden heet uit te maken. Van
dit land Soenda wordt ons verder bericht, dat het in het bin-
nenland meer met bergen bedekt is dan het eigenlijke Java,
en dat het dit volgens de inboorlingen verre in vruchtbaar-
heid overtreft. Ten tijde dat dit rijk het eerst door de Portu-
geezen bezocht werd, d. i. in 1521, telde het zes voorname
zeehavens, die door de namen Chiamo, Xacatara of Caravam,
Tangaram, Cheguide, Pondang en Bantam worden aange-
duid. Zonder dat ik in een onderzoek naar deze verminkte
namen treden wil, merk ik alleen op dat, naast Bantam, de
bekende plaatsen Djakarta (bij onze Nederlandsche schrijvers
Jakatra), Tangéran en Pontang hier gemakkelijk te herkennen
zijn. In deze havens werd, volgens den schrijver, uitgebreide
handel gedreven met Java, Sumatra en Malakka; maar de
voornaamste stad in dat rijk was het meer binnenwaarts in
het gebergte gelegen Dajo, waaraan eene bevolking van wel
50,000 zielen wordt toegekend. Ongetwijfeld is in dit Dajo het
\') Vele oudere kaarten teekenen Java echter als een geheel, het best wel die
van Diego Homen van 1568 (Fs. in Ruge, Gesch. d. Zeitalters der Entdeck.,
Leipzig 1881, bl. 535). De door de Portugeezen nooit bevaren zuidkust is
daarop niet voorgesteld.
-ocr page 296-
279
gewone Soendasche woord voor stad, namelijk dajuh, te
herkennen. Er kan hiermede geen andere stad bedoeld zijn
dan Padjadjaran. Als heer van de Soenda-landen wordt door
De Barros een heidensch vorst vermeld, Samiam \') geheeten,
die reeds in het eerste jaar na de verovering van Malakka
door d\'Albuquerque, 1512, die stad had bezocht en met de
Portugeezen in aanraking gekomen was 2).
Een groote moeilijkheid baren ons de Portugeesche schrij-
vers, waar zij nevens den heidenschen koning Samiam in
hetzelfde tijdvak ook een Mohammedaanschen koning van
Soenda vermelden. Waar De Barros het eerst van den ons
reeds bekenden Pati Oenoes spreekt, zegt hij dat deze zich
later tot koning van Soenda verhief, „zooals wij in het ver-
volg zullen zien" *). Die latere vermelding is echter achterwege
gebleven, en wij zouden niet weten in welk tijdvak het bestuur
van Pati Oenoes over Soenda is te plaatsen, indien niet uit
Pigafetta\'s verhaal van den tocht van Magelhaes bleek, dat
„Raia Patiunus Sunda" vóór den Uden Febr. 1522, den dag
waarop de reizigers Timor verlieten, overleden was *). Ik kan
mij de zaak niet anders voorstellen, dan dat Pati Oenoes, die
vroeger uit naam van den vorst van Demak te Djapara en te
Sidajoe het bevel had gevoerd, later is gesteld aan het hoofd
eener expeditie om de Soenda-landen aan den Islam te onder-
werpen, en dat hij, na een deel dier gewesten veroverd te hebben,
daar als vazal van Demak met den titel van Radja geregeerd
heeft, maar dat na zijn dood de heidensche vorst Samiam weder
de overhand gekregen en den aiouden godsdienst hersteld heeft.
\') Misschien is dit een verbastering van Sanghjang of Sangjang, de godde-
lijke of godgelijke. Het is zeer denkbaar dat de heidensche vorsten der Soenda-
landen dien titel voerden, om op hunne goddelijke afkomst te wijzen.
») De Barros, Dec. IV, liv. I, c. 12.
») Dec. II, liv. IX, c. 4.
4) Pigafetta, primo viaggio intorno al globo (Milaan, 1830.), p. 173. Vgl.
T. v. N. I. 1871. II. 444. Zonderling en moeilijk verklaarbaar is het echter,
dat Pigafetta ons Pati Oenoes voorstelt als vorst van „Magapaher", d. i., zoo het
schijnt, Madjapahit. Door misverstand der hem geworden berichten schijnt hij de
hoofdstad der Soenda-landen met de oude hoofdstad van Java verwisseld te hebben.
-ocr page 297-
280
Laat ons thans zien wat De Barros van het aanknoopen van
betrekkingen tusschendePortugeezen en Soendaneezen verhaalt.
Onder de voortbrengselen der Soenda-landen heeft in den tijd
waarvan wij spreken, de peper de eerste plaats ingenomen;
wij lezen dat daarvan jaarlijks omstreeks 30,000 centenaars
werden uitgevoerd. De havens van Soenda, vooral Jakatra en
Bantam, waren de voornaamste stapelplaatsen van dat artikel,
welks verkrijging nevens die der specerijen van de Molukken
het hoofddoel van de vestiging der Portugeezen in den Archi-
pel was. Maar de handel in deze waren was schier geheel in
handen der Javanen, die al de zeeën van het Oosten bevoeren
en door wier tusschenkomst Malakka schier uitsluitend daar-
van voorzien werd. Nadat echter de Portugeezen zich in 1521
van Pasei op Sumatra hadden meester gemaakt, begonnen
zij om dat eiland heen zelve de Soendasche havens te be-
zoeken, waar zij de gezochte waren steeds in overvloed voor-
handen vonden. Met dien handel had zich de toenmalige kapi-
tein van Malakka, Jorge d\'Albuquerque, een neef van den
grooten bevelhebber, zooveel mogelijk vertrouwd gemaakt, en
toen hij zag dat de Javanen, uit haat tegen de Portugeezen,
Malakka meer en meer vermeden en voor de door hen opge-
kochte specerijen nieuwe uitwegen in China, Goezerate en
Arabië zochten, besloot hij eene poging te doen om eene ver-
bintenis met den vorst van Soenda aan te gaan en in een
zijner havens eene factorie te stichten. Hij liet tot dat einde
in 1522 naar de „haven van Soenda", waarmede Soenda Ka-
lapa (Jakatra) bedoeld is, een schip uitrusten, waarover hij
het bevel gaf aan zijn zwager Enrique Leme, en dat goed be-
mand en met geschenken voor koning Samiam voorzien was\').
De ontvangst van Leme liet niets te wenschen over. De koning,
die zich te Jakatra bevond, begroette met vreugde in de Por-
tugeezen bondgenooten tegen zijne Mohammedaansche vijan-
den en was overtuigd dat hunne vestiging tot den handelsbloei
van zijn rijk zou bijdragen. Zonder aarzelen gaf hij aan de
\') De Barros, Dec. IV, 1. I, c. 12 en 13,
-ocr page 298-
281
Portugeezen verlof eene sterkte te bouwen en, in ruil voor de
goederen die hij behoefde, zoovele ladingen peper uit te voeren
als zij verlangden; ja hij verbond zich van den dag af waarop
de grondslagen der vesting zouden gelegd worden, jaarlijks
duizend zakken peper, berekend op eene hoeveelheid van 350
centenaars, als een bewijs zijner vriendschap aan den koning
van Portugal te schenken. Van het verdrag werden twee ge-
lijkluidende afschriften opgemaakt, die door de voornaamste
aanwezige Portugeezen en, van de zijde des konings , door den
sjahbandar of havenmeester en twee andere rijksgrooten ge-
teeke:id werden. In overleg met dezelfde personen werd nu de
geschiktste plaats voor het fort gezocht, waarvoor de keuze
viel op een terrein aan de rechterzijde van den riviermond.
Onder groot vreugdebetoon der bevolking werd daar door de
Portugeezen, gelijk zij gewoon waren zoo vaak zij van een
nieuw ontdekt land bezit namen, een gedenksteen opgericht.
Nadat ook de koning het door Leme mede te voeren afschrift
van het contract geteekend en men van geschenken gewisseld
had, keerde Leme naar Malakka terug.
Ofschoon de koning van Portugal alles goedkeurde wat ten
opzichte van het verdrag verricht was, duurde het tot 1526
eer eene vloot van zes schepen, onder Francisco de Sa,, naar
Soenda onder zeil ging, om aan het verdrag gevolg te geven.
De vloot werd door een storm verstrooid, drie schepen, van
de overige afgedwaald, bereikten Jakatra, maar een dezer
drie, een fust1) of brigantijn waarop zich een dertigtal Portu-
geezen bevonden liep op het strand; de bemanning kwam
in handen der Mohammedanen, die haar van kant maakten,
en toen eindelijk De Sa, nadat hij zijn verstrooide schepen te
Panaroekan had vereenigd, in persoon te Bantam verscheen,
zag hij zich genoodzaakt onverrichter zake terug te keeren,
daar inmiddels ook die stad in handen der Moslemen geraakt was.
\') Een woord dat ontelbare malen in de oude reisverhalen voorkomt en
toch in alle Ned. woordenboeken ontbreekt. Het is \'t Sp. en Port. woord
usta, de naam van een lang, platboomd vaartuig, geschikt om naar om-
standigheden te zeilen of geroeid te worden. Zie Veth, Uit Oost en West, 81,
-ocr page 299-
282
De persoon die deze omwenteling bewerkt had, wordt door
de Portugeesche schrijvers met een verminkten naam, naar
welks waren vorm ik zelfs geen gissing durf wagen, Falate-
han genoemd. Hij was, volgens hunne verzekering, een man
van geringe afkomst, geboortig van Pasei op Sumatra, welke
stad hij in 1521, toen zij in handen der Portugeezen viel,
verlaten had, om zich in een met specerijen geladen schip
naar Mekka te begeven. Hier had hij zich gedurende twee of
drie jaren op de kennis van den Islam toegelegd, waarna hij
naar zijn vaderland was teruggekeerd, om er als zendeling
en prediker op te treden. Doch het terrein hier ongunstig
vindende, besloot hij zich naar Djapara op Java te begeven,
welke stad, na een tijd lang door Pati Oen oes, zoo het schijnt
namens den Mohammedaanschen vorst van Demak, bestuurd
te zijn1), thans weder aan een heidensch opperhoofd gehoor-
zaamde, dat zich echter bereid verklaarde op de prediking
van Falatehan den Islam te omhelzen en hem ook toestond
deze leer onder het volk te verbreiden. Zelfs gaf die prins zijne
zuster aan Falatehan tot vrouw, en op zijn verlangen stond
hij hem toe zich naar West-Java te begeven; hij schijnt eerst
Jakatra veroverd te hebben en vandaar naar Bantam gegaan
te zijn, waar hij zich weldra van den steun en de medewer-
king van een der voornaamste hoofden wist te verzekeren.
Daar de vorst des lands zich in het gebergte bevond, achtte
Falatehan het oogenblik gunstig om zich ook van laatstge-
noemde stad meester te maken. Hij zond dus naar Djapara
om hulp en verkreeg vandaar 2000 welgewapende manschap-
pen , met wier bijstand hij de stad veroverde en zich tegen de
aanvallen van den op deze tijding derwaarts snellenden Samiam
handhaafde, terwijl hij de kort daarop verschijnende Portu-
geezen onder De Sa niet alleen afwees, maar hun zelfs eenig
verlies toebracht en, daar zij op geen geweldige maatregelen
waren voorbereid, tot den tocht naar Malakka deed besluiten 3).
i) Zie bl. 268.
5) De Barros, Dec. IV, liv. I, c. 13, en De Couto, Dec. IV, 1, III, cl;
-ocr page 300-
283
Het duurde ruim twee jaren eer door de Portugeezen een
nieuwe poging gewaagd werd om aan het verdrag met den
vorst van Soenda uitvoering te geven; doch deze had nog
ongelukkiger afloop. In 1528 gaf de onderkoning van Goa,
Lopo Vaz de Sampayo, aan Martim Affonso de Mello Jusarte
last, om met een vloot van acht groote schepen en eenige
roeivaartuigen naar Soenda te stevenen en aan den opbouw
der sterkte de hand te leggen. Het doel van den tocht werd
geheim gehouden, daar men voor eene expeditie naar Soenda
de noodige manschappen niet zou kunnen bijeenkrijgen zonder
vooruitbetaling der soldij en hiertoe scheen Lopo Vaz niet in
staat of genegen te zijn. Het heette dus dat men prijzen ging
maken in de golf van Bengalen. Maar toen reeds aan de kust
van Koroinandel de bestemming der vloot was uitgelekt, ver-
liep een deel van het scheepsvolk , en kon het overige slechts
door groote giften van geld en zilverwerk worden bijeenge-
houden, terwijl kort daarna een storm in de golf van Ben-
galen de schepen verstrooide en zoo hevig teisterde, dat het
geheele plan om naar Soenda te gaan moest worden opgegeven.
Intusschen was ook nu nog de vestiging van den Islam in
Soenda niet voldongen. De Portugeesche schrijver, het tijdstip
waarop hij dit verhaal te boek stelt, met dat waarop Enrique
Leme Bantam bezocht, vergelijkende, zegt dat „de strijdbare
macht, in Leme\'s tijd op honderdduizend man geschat,
in den oorlog tegen de Mooren zeer was verminderd", en
dat „de bevolking, altijd slecht jegens de Mooren gezind, nog
veel meer op hen verbitterd was sedert zekere Sang Dipati
van Demak haar onder het juk had gebracht" \'). Zijn dit
woorden van De Barros zelven — en zij hebben geenszins het
karakter van een bijvoegsel van Levanha — dan zullen zij
zijn neergeschreven tusschen 1563, het jaar der uitgave van
de derde decade, en 1570, het jaar van des geschiedschrijvers
l) „No reino averia cem mil homes de peleja; agora por a guerra que lhe
fizerao os Mouros esta tudo muito deminuido". — „Querem mal aos Mouros,
e muito major agora, despois que os conquistou hum Sanguede Patede Dama."
De Barros, Dec, IV, 1. I, o. 12.
-ocr page 301-
284
dood; doch de berichten waarop hij zich grondt, kunnen wei-
licht nog eenige jaren teruggaan. Maar wij mogen veilig aan-
nemen, dat eerst omstreeks het midden der zestiende eeuw
de Islam voor goed in de Soenda-landen gevestigd was. Hoe
diep de langdurige tegenstand van een deel der bevolking zijne
sporen in de instellingen van het Bantamsche rijk heeft ge-
drukt, zal ons later blijken \').
De man aan wien de vestiging van den Islam in West-
Java is toe te schrijven, was Maulana Hasanoe\'d-din, zoon
van Soenan Goenoeng Djati van Tjeribon en schoonzoon van
Pangéran Tranggana van Demak. De overleveringen plaatsen
zijn optreden evenals — gelijk wij reeds zeiden — dat zijns
vaders, veel te vroeg: volgens eene zou hij Padjadjaran in
1480, volgens andere in 1500 veroverd hebben. Zij maken
hem dan ook tot schoonzoon van den eersten vorst van Demak,
Raden Patah, maar vermelden later dat ook Pangéran Trang-
gana een zijner dochters uithuwde aan den vorst van Bantam,
zoon van den vorst van Tjeribon , wat alleen op Hasanoe\'d-din
slaan kan. Dat diens optreden inderdaad ongeveer gelijktijdig
met dat van Tranggana moet vallen, volgt niet alleen uit de
berichten der Portugeezen omtrent den strijd tusschen Brahma-
nisme en Islam, maar ook uit een geslachtsregister der Ban-
tamsche vorsten, in 1709 opgesteld door een prins uit hun huis.
Daaruit blijkt o. a., dat nog in 1619 een zoon von Hasanoe\'d-
din , Pangéran Padjadjaran genoemd, in leven was en niet te
oud om nog een rol in de politiek te vervullen 2).
Met de berichten der Portugeezen klopt geheel dat van de
eerste Nederlanders in 1596, die mededeelen dat de Islam
\') Op het bestaan eener heidensche stad Soera in de binnenlanden van Ban-
tam, toen dat rijk in 1596 het eerst door Nederlandsche schepen bezocht werd,
wijs ik met opzet hier niet, omdat in het bericht daaromtrent tevens gezegd
wordt, dat zij gesticht was door een Javaansche kolonie uit Pasoeroean, die
zich, om verdrukking te ontgaan, met vergunning van den vorst van Bantam
hier had nedergezet. Eerste scheepvaart der Hollanders naar Oost-Indiën, bl. 72.
(in „Begin ende voortgang". D. I.)
5) T. v. N. I. 1871. II. 356. Zie verder Van Peventer, Gesel), d, Ned. op
Java, Haarlem 1887, I. 13, noot 2,
-ocr page 302-
285
eerst voor omstreeks vijftig of zestig jaren aan de noordkust
der Soenda-landen bij het meerendeel der bevolking ingang
had gevonden.
Juist zestig jaren te voren was Java bezocht door den Spaan-
schen reiziger Andres de Urdaneta, die wel alleen Panaroekan
aandeed, maar toch weet mede te deelen, dat de Sultan van
Demak toenmaals de voornaamste vorst des eilands en dat
Soenda aan hem onderworpen was. De Portugeezen lagen met
hem overhoop; de peper van West-Java werd dan ook toen-
maals geheel naar China uitgevoerd \').
Al stelt de overlevering de bekeering van Bantam en Pa-
djadjaran veel te vroeg, en al is wat zij daarvan mededeelt wel
evenmin geheel betrouwbaar als wat zij van oostelijk Java
verhaalt, enkele trekken zijn toch te belangrijk om haar niet
in hoofzaak te vermelden. Zij vertelt dan, dat Soesoehoenan
Goenoeng Djati, toen hij in Tjeribon zijn gezag voldoende
gevestigd had, een zijner zonen, gewoonlijk Maulana Hasanoe\'d-
din en na zijn dood Soenan Sabakingking geheeten, naar
Bantam zond, dat toen als onderhoorigheid van Padjadjaran
beschouwd werd , om ook daar den Islam te verkondigen. Deze
slaagde boven verwachting; groot was welhaast het aantal der
bekeerden en 800 kluizenaars, die omstreeks den berg Poe-
lasari woonden, namen te gelijk den Islam aan. Daarop deed
Hasanoe\'d-din te zamen met zijn vader de bedevaart naar
Mekka, en op hunne reis bezochten zij het toen reeds sedert
lang tot den Islam bekeerde rijk van Menangkabau op Sumatra,
welks vorst hen met een in de overlevering beroemd geworden
kris begiftigde. Kort na zijne terugkomst op Java begaf zich
Hasanoe\'d-din naar Demak, erlangde een der dochters des
Sultans ten huwelijk en keerde met haar naar Bantam terug.
Hier bevestigde hij zijn gezag en stak daarna over naar de
naburige kust van Sumatra, zoo het schijnt op uitnoodiging
van zekeren Radja Balau, hoofd van Toelang Bawang. Men
beweert dat het gansche gebied der Lampongs zich aan zijn
\') Tiele in Bijdr. t. d. T. L. en Vk. v. N. I., 4e Vr. III. 27.
-ocr page 303-
28G
gezag onderwierp en zijne leer aannam, zonder dat hij noo-
dig had het zwaard te trekken, en dat hij zijne heerschappij
langs de westkust uitbreidde tot aan de rivier van Bangka
oeloe (Benkoelen), die door eene overeenkomst met den Radja
van Indrapoera, waarbij deze hem de hand zijner dochter met
het district Silébar als huwelijksgift schonk, als grens tusschen
beider gebied werd gesteld. Deze tocht zou dan de oorsprong
zijn van het gezag dat Bantam tot aan de oplossing van het
rijk over de Lampongsche districten heeft gevoerd\').
Na de onderwerping der Lampongs gevoelde Hasanoe\'d-din
zich sterk genoeg om Padjadjaran aan te tasten, welks vorst
Praboe Sili Wangi nog aan het Sjiwaïsme bleef vasthouden.
Met een leger dat uit zijne Bantamsche aanhangers, groote
scharen van Sumatranen en tweeduizend door den vorst van
Demak te zijner beschikking gestelde manschappen was samen-
gesteld , versloeg hij eerst de troepen van Padjadjaran die onder
het bevel van Praboe Sedah, Sili Wangi\'s zoon, gesteld waren,
en belegerde daarna de hoofdstad, die hij in den nacht over-
rompelde en die hetzelfde lot als Madjapahit onderging. Het
gelukte echter Sili Wangi naar het zuidelijk gebergte te ont-
komen, waar door hem en zijne volgelingen de strijd nog
langen tijd werd voortgezet.
De verovering van het Bantamsche gebied gelukte Hasanoe\'d-
din slechts gedeeltelijk; uitgestrekte landschappen bleven in
het bezit van heidensche hoofden, die eerst langzamerhand
tot onderwerping zijn gebracht. Hij en zijne eerste opvolgers
\') Op een Lainpongschen piagem (V. d. Tuuk in ïijdschr. v. I. T. L. en Vk.
XIX. 371) wordt Hasanoe\'d-dfn Soerasowan genoemd, evenzoo in de overle-
veringen der Lampongs (Tijdschr. v. h. Aardr. Gen. Ie Serie II. 45). Vreede
vond dien naam terug in een Babad Banten (Cat. Jav. en Mad. Hss. 113).
Later komt zij voor als den naam van het kasteel der vorsten in de stad
(zie o. a. Hunime in Bijdr. t. d. T. L. en Vk. v. N. L, 4e Vr. VIII. 5 en
X. 117), dat dus waarschijnlijk door Hasanoe\'d-din gesticht was. Indien Ban-
tam eenmaal een andere hoofdstad gehad heeft, Banten Girang geheeten, dan
moet dit dus vóór zijne regeering geweest zijn of althans vóór het einde daar -
van (Valenten, IV. 215; Biang-lala, IV, 1. 273; Roorda v. Eysinga, Handb.
d. land- en volkenk. III, 2. 307; Vreede, Cat. 113).
-ocr page 304-
287
erkenden de suzereiniteit der vorsten van Demak. Vandaar
dat, toen zij later naar onafhankelijkheid streefden, de vorsten
van Mataram steeds op het oppergezag over Bantam aanspraak
bleven maken. De vorsten van Bantam hebben, zooals uit
oude munten en andere documenten blijkt, aanvankelijk slechts
den titel van Pangéran Ratoe gevoerd, en schijnen dien van
Sultan eerst te hebben aangenomen in verband met latere
pogingen, om zich van het huis van Mataram onafhankelijk
te maken \').
Ten gevolge van de reeds besproken twisten met de nieuwe
Mohammedaansche heerschers der Soenda-landen moesten de
Portugeezen trachten de gestaakte handelsbetrekkingen weder
aan te knoopen met Grissee, de belangrijkste haven van Oost-
Java, en veel gewichtiger dan Panaroekan, de eenige plaats
die zij daar nog bezochten. Dit is hun volkomen gelukt. De
Mohammedanen schijnen daar, waar zij niet door het nieuwe
der bekeering tot overgrooten geloofsijver geprikkeld werden,
de belangen des handels boven die van den godsdienst gesteld
te hebben. Althans in 1532 kwam een vredesverdrag tot standl);
het werd gesloten door vertegenwoordigers van koning Jo-
han III met den sjahbandar van Agasim en „Ai Talapo, den
Capitan Abidola", benevens andere hoofden en kooplieden van
Agasim. Van Grissee zeilden de Portugeezen — hun aanvoer-
der wordt niet genoemd — naar Panaroekan, „waar zij een
„steenen gedenkteeken oprichtten, waarop het koninklijk wa-
„pen van Portugal was uitgebeiteld ter herinnering aan de
„ontdekking van het eiland door de onderdanen van den
„koning van Portugal; drie kruisen werden in de nabijheid
„geplaatst, zijnde het steenen gedenkteeken met het koninklijk
\') Zie Millies, Kecherches sur les monnaies, 47; T. v. N. 1.1871. II. 359, 459.
*) Eerst voor kort is een document, waarin dit vroeger onbekende verdrag
vermeld staat, door Dan vers uit de archieven van Lissabon te voorschijn gebracht.
Het is medegedeeld in zijn boek The Portuguese in India (Londen 1894) 1,412.
Dit stuk plaatst Agasim (Grrissee) en Panaroekan op het eiland Soenda, wat
bewijst, dat de samenhang tusschen West- en Oost-Ja va reeds toen aan som-
mige Portugeezen bekend was.
-ocr page 305-
288
„wapen een teeken van de verovering door den koning
„van Portugal van alle rechten, bezit en heerschappij over
„het geheele eiland Soenda .... De vertegenwoordigers des
„konings lieten op het eiland als een teeken van vriendschap
„twee vlaggen achter, een met het kruis van Christus en de
„andere met het zinnebeeld der hoop" \').
Dat het gedenkteeken van Panaroekan geen waarborg was
voor bestendigen vrede met alle Javanen blijkt uit de voorvallen
der volgende jaren. In 1535 werden twee Portugeesche sche-
pen, dicht bij Patani —aan het noordelijk deel van Malakka\'s
oostkust — door een twintigtal Javaansche oorlogsvaartuigen
aangevallen, die echter voor hun geschut moesten deinzen.
Ternauwernood ontkwamen de Portugeezen echter aan een
grootere vloot van 70 schepen, waarover ook een Javaan
het bevel voerde, die Pati Bara genoemd wordt2). De Portu-
geezen noemen deze Javanen zeeroovers en vermelden hunne
plaats van herkomst niet3).
In 1537 werd in de Molukken een groote scheepsstrijd ge-
streden , waarin Diogo Lopez de Azevedo aan de vereenigde
vloten van Java, Makassar, Banda en Amboina bij laatst-
genoemd eiland eene geduchte nederlaag toebracht. Het schijnt
dat die verschillende volken zich verbonden hadden om het
specerij-monopolie weder aan de Portugeezen te ontweldigen.
Men weet dat destijds de kruidnagelen nog tot de eigenlijke
Molukken, d. i. de Ternataansche eilanden, waar ze sedert door
de Nederlandsche O. I. Compagnie zijn uitgeroeid, beperkt
waren. De inlandsche vloot was zoowel ten oorlog als ten
handel met al het noodige uitgerust, en De Azevedo kon slechts
eene geringe macht vereenigen. Toch aarzelde hij niet den
vijand tegemoet te gaan, lang voordat deze zijne bestemming
bereiken kon, en hij had het geluk zijne vloot met groot
verlies op de vlucht te jagen en een aantal jonken te ver-
\') Danvers t. a. p.
5) De bevelhebber der eerste vloot heet Eriacatim of Ericatin.
s) Tiele in Bijdr. t. d. T. L. en Vk. van N. I. 4e Vr. III. 36.
-ocr page 306-
289
overen, die hem een grooten buit aan geld en wapenen op-
leverden \').
Van nu af verliezen wij de leiding van den besten en ge-
loof waardigsten der Portugeesche geschiedschrijvers van Azië,
De Barros, en vinden wij, om de onhistorische berichten der
Javaansche babads te toetsen, tot op het oogenblik dat de
Nederlanders op het tooneel komen, weinig meer dan de
sterk gekleurde en avontuurlijke verhalen van Fernao Men-
dez Pinto s).
Deze reiziger kwam in 1545 met eene jonk van Goa naar
Bantam, en verrast ons al aanstonds met de mededeeling,
die wij na al het voorafgaande niet zouden verwacht hebben,
dat daar destijds de handel der Portugeezen bloeide. Men moet
dus aannemen dat de gelukzoekers dier natie zich door de
vijandschap der West-Javaansche vorsten tegen het Portu-
geesche bestuur te Malakka niet lieten afschrikken van hun
winstbejag, en dat ook aan de kooplieden der Soendaneesche
havens hunne bezoeken niet onwelkom waren. Er was echter
op dat oogenblik geen genoegzame hoeveelheid peper voor de
lading der jonk te bekomen, en de reizigers, verplicht hier
eenige maanden te vertoeven, om het gunstige seizoen voor
den verderen tocht naar China af te wachten, waren huns
ondanks getuigen van gewichtige gebeurtenissen. Toen zij name-
lijk twee maanden in deze haven vertoefd hadden, kwam daar
eene aanzienlijke vrouw, Njai Pombajageheeten, als afgevaar-
digde van den „koning van Demak, keizer van het geheele
eiland Java, Kangean, Bali en Madoera met al de verdere
eilanden van dezen archipel", om zijn vazal „den Tagaril,
koning van Soenda" aan te zeggen, dat hij zich moest ge-
reed maken om binnen anderhalve maand naar Djapara op
!) De Barros, Dec. IV, liv. IX, c. 21.
■) Peregrinagam de Fernam Mendez Pinto, Lisboa 1614. Dit is deoorspron-
kelijke uitgave; andere uitgaven en vertalingen zijn veelal onbetrouwbaar.
Vergelijk over de mate van Pinto\'s geloofwaardigheid Tiele in Bijdr. t. d.
T. L. en Vk. v. N. I., 4e Vr. III. 2 en 58 en vooral IV. 285 v.; voor zijne
zoogenaamde reis naar Oost-Ja va, aldaar, 306 v.
I.                                                                                                          19
-ocr page 307-
290
te komen, waar men zich tot een krijgstocht tegen Pasoe-
roean in Java\'s Oosthoek, dat nog steeds in handen der Sji-
waïeten was, toerustte. De Bantamsche vorst begaf zich in
persoon naar het schip dier vrouw en bracht haar met groote
staatsie over naar zijn hof om door zijne gemalin onthaald
te worden. Mendez Pinto merkt bij deze gelegenheid terecht
op, dat op Java de gewichtigste onderhandelingen doorgaans
aan deftige en bejaarde vrouwen werden toevertrouwd. Njai
Pombaja vertrok weder, zoodra zij hare zending volbracht
had, en de vorst rustte zoo spoedig mogelijk een veertigtal
vaartuigen uit, bemand met 7000 koppen, waarbij zich een
veertigtal Portugeezen aansloten, die door hunne hulp aan
den vorst gunstige voorwaarden voor hunnen handel hoopten
te erlangen. Pinto deelt mede, dat hijzelf tot deze veertig
behoorde, maar vertelt elders van een door hem volbrachte
reis naar Japan, die hij in denzelfden tijd stelt. Dit is niet
do eenige maal, dat hij als ooggetuige verhaalt wat in ver-
schillende oorden der wereld gelijktijdig voorviel. Het is zeer
wel mogelijk, dat hij aan het verhaal van zijn bezoek aan
Bamtam het relaas van een zijner landgenooten, die werkelijk
aan den tocht naar Oost-Java deelnam, heeft vastgeknoopt.
Immers hoewel het relaas blijkbaar op feiten berust, komen in
de bijzonderheden zooveel onwaarschijnlijkheden voor, dat wij
moeilijk kunnen aannemen een ooggetuige te hooren spreken,
maar veeleer aan een verhaal denken, dat ons, als zoovele
andere bij Pinto, uit de tweede of derde hand wordt opgedischt.
Den vijfden Januari 1546 — zoo verhaalt hij dan — vertrok
deze vloot van Bantam en bereikte in 14 dagen Djapara. Hier
had de vorst van Demak, volgens de geheel ongeloofelij ke mede-
deeling van onzen schrijver, een leger van 800,000 man en
2700 vaartuigen — 1000 jonken en 1700 roeivaartuigen —
bijeen. De vorst van Demak bevond zich met al zijn rijksgrooten
zelf bij het leger; de regent van Soenda was een der voornaamste
legerhoofden. Waar Pinto mededeelt dat het opperbevel over de
vloot was opgedragen aan den „koning van Panaroekan, prins
van Balamboean", klinkt dit zeer bevreemdend; deheidensche
-ocr page 308-
291
vorst van Java\'s Oosthoek zou dan gestreden hebben tegen
zijn geloofsgenoot van Pasoeroean. Zeer waarschijnlijk wordt de
gissing dat die admiraal slechts een kroonpretendent was, door
de omstandigheid, dat Pinto den zwager en bondgenoot van
den vorst van Pasoeroean Kjai Panaricao noemt. Met den
laatsten zal wel de feitelijke beheerscher van Panaroekan be-
doeld zijn \').
Pasoeroean ligt op eenigen afstand van het strand aan eene
kleine rivier, die bij lagen waterstand wegens ondiepte en de
bank voor haren nauwen mond de gemeenschap met de reede
nauwelijks toelaat\'). Bemerkende dat zij voor grootere schepen
niet bevaarbaar was, liet de vlootvoogd de troepen aan land
zetten en alleen de kleinere vaartuigen tot aan de stad opva-
ren, om de daar liggende prauwen in brand te steken. De
belegeraars waren twee dagen bezig met het opslaan van hun
leger nabij de muren der stad en het opwerpen van batterijen
die zij met geschut beplantten. De belegerden, hopende dat
zij afgemat zouden zijn door den zwaren arbeid, drongen bij
hun vorst aan om verlof tot het doen van een uitval, en
deze, verheugd over dit bewijs hunner vastberadenheid in het
verdedigen van hun geloof, koos uit de 70,000 man die hij
onder zijne bevelen had, een aantal van 12,000, die hij in
vier gelijke benden verdeelde, en richtte tot hen eene toespraak,
terwijl hij hen uit een gouden beker toedronk. Hierdoor steeg
de geestdrift tot den hoogsten graad en meest allen zalfden zich
met minjak mandi3). Toen nu de nacht was gevallen, opende
men vier poorten, en uit ieder van deze stortte zich eene der
benden met de grootste woede op de belegeraars. In minder dan
\') Tiele in Bijdr. t. d. T. L. en Vk. v. N. I. 4e Vr. IV. 310.
!) Die rivier wordt thans de Gembong, vaak ook de rivier van Pasoeroean
genoemd; van den naam Hicandureh dien zij bij Pinto draagt, kan ik geen
rekenschap geven, even weinig als Valentijn dit kon, IV. I. 73. Het schijnt
dat daarin de Maleische woorden ikan doeri, gedoomde visch, schuilen.
3) Ik lees mandi voor mundi. Minjak beteekent olie en mandi krach-
tig, b. v. van een genees- of toovermiddel. Het eigenlijk doel der zalving zal
wellicht geweest zijn zich onkwetsbaar te maken.
-ocr page 309-
292
een uur lagen 30,000 Javanen verslagen, en het getal der
gewonden was nog veel grooter. Onderscheidene hoofden en
grooten waren gevallen, de regent van Soenda was in de vlucht
door drie lanssteken gewond, en de vorst van Demak zelf,
door een werpspies getroffen, redde te nauwernood al zwera-
mende zijn leven. Na het geheele vijandelijke leger in wanorde
gebracht te hebben, trokken zich de belegerden bij het aan-
breken van den dag met een verlies van 900 dooden en twee
of drie duizend gekwetsten in de stad terug.
De vorst van Demak was woedend over het geleden verlies
en wierp de schuld op gebrek aan waakzaamheid van den
regent van Soenda. Nadat hij de gewonden had doen verzor-
gen en de dooden begraven, verzamelde hij de vorsten en
hoofden en zwoer op den Koran een plechtigen eed, dat hij
niet zou opbreken voordat hij öf de stad verdelgd, óf zijne
kroon verloren had, en al wie hem daarin zou weerstreven,
bedreigde hij met den dood. Natuurlijk verhief zich geen enkele
stem tegen \'s vorsten voornemen en werd de belegering met
verdubbelde kracht voortgezet; maar nadat men de stad drie
maanden lang uit vijf batterijen beschoten en driemaal met
een duizendtal ladders ten koste van duizenden menschenlevens
bestormd had, was men nog even ver van het doel en bleef
de moed der belegerden ongebroken.
Een renegaat uit Majorca, die zich in het leger der Mosle-
men bevond, deed thans den voorslag om een soort van toren
te maken die zich ver boven den wal der stad verhief, en
zoo de stad uit de hoogte met zwaar geschut te verpletteren.
Dit plan werd uitgevoerd en de kogels die in groote me-
nigte in de stad werden geworpen, brachten geduchte schade
te weeg. Maar de moed der belegerden vernauwde niet. Tien
duizend man boden zich aan om hun leven te wagen om den
vijand deze sterkte te ontweldigen. De vorst zelf plaatste zich
aan de spits dezer dapperen, en voerde ze bij het aanbreken
van den dag tegen het door den vijand opgerichte gevaarte,
dat door hen met onstuimigen moed bestormd en veroverd
werd. En ofschoon de Pangéran van Demak eene versterking
-ocr page 310-
293
van 20,000 man uitgelezen troepen liet aanrukken, keerden
zij niet naar de stad terug dan nadat het hun gelukt was de
grootendeels van hout gebouwde sterkte in brand te steken
en te vernielen. De belegerden verloren, volgens Pinto, 6000,
maar de belegeraars niet minder dan 40,000 man.
In weerwil zijner ontzettende verliezen wilde de Pangéran
van Demak zijn voornemen niet laten varen. Het gerucht liep
dat de vorst van Pasoeroean zelf zwaar gewond was en dat zijne
middelen tot verdediging waren uitgeput. Alles werd dus voor-
bereid om een nieuwen storm te beproeven, en men kreeg
eenige der belegerden, die zich tot verkrijging van levensmid-
delen buiten de muren gewaagd hadden, in handen, welke de
Pangéran door foltering liet noodzaken inlichtingen omtrent
den toestand der stad te verschaffen. Acht hunner lieten zich ter
dood martelen, zonder dat men iets van hen kon vernemen;
maar de negende deed zich kennen als een Portugees, die het
bevel had gevoerd over de brigantijn van Francisco de Sa
welke een storm op de kust van Java had ge worpen\'), en de
eenig overgeblevene van hare bemanning was. Daar hij zich
slechts uit nood aan de gebruiken der Sjiwaïeten, onder wie
hij leefde, geschikt had, was hij verrukt land- en geloofsge-
nooten in het Javaansche leger te vinden, en gaf natuurlijk
de verlangde berichten.
De Pangéran van Demak verzamelde nu een grooten krijgs-
raad, waarin zich erge oneenigheid openbaarde over de wijze
waarop de bestorming der stad zou beproefd worden. Gedurende
de lange onderhandeling verlangde de Pangéran zich met een
betelpruim te verkwikken. Zijn beteldoosdrager, een nauw tien-
jarige knaap, zoon van Pati Pandor, regent van Soerabaja,
was zoodanig met zijne aandacht in de gevoerde beraadsla-
gingen verdiept, dat hij ook op het herhaald bevel des vorsten
geen acht gaf, tot eindelijk een der rijksgrooten hem aan een
slip van zijn kleed trok en op het verlangen zijns meesters
opmerkzaam maakte. De knaap liet zich op de knie neder,
\') Zie bl, 28J.
-ocr page 311-
294
de doos aan den Pangéran voorhoudende, die hem, met de
vraag of hij doof was, zacht op het hoofd sloeg. Trotsch en,
naar de wijze der Javanen, hoogst prikkelbaar op het punt
van eer, voelde de edelknaap zich diep gekrenkt ■), en door
wraakzucht vervoerd greep hij een klein mes dat hij in den
gordel droeg, en stak het den Pangéran plotseling in het hart,
zoodat deze onder den uitroep „ik sterf" dood ter aarde stortte.
Groot was de ontsteltenis en schrik der aanwezigen. De knaap,
gevat zijnde, verklaarde dat de eenige reden zijner euveldaad
was, dat de vorst hem als een hond had geslagen. Hij werd
daarop levend gespietst, en in deze wreede straf moesten ook
zijn vader, zijne broeders en al zijne bloedverwanten deelen,
zoodat zijn geheele geslacht verdelgd werd. Het lijk des Pa-
ngérans werd, op raad van een der Portugeezen, in eene met
kalk en kamfer aangevulde kist voorloopig in een met aarde
bevrachte jonk begraven en op die wijze naar Demak over-
gebracht.
Zoodra de jonk met het lijk vertrokken was, gaf de regent
van Soenda bevel om het beleg op te breken en liet het ge-
schut en al den krijgsvoorraad inschepen; maar hoe stil en
voorzichtig dit ook geschiedde, het werd door de belegerden
opgemerkt en 3000 hunner deden plotseling een wel beraamden
uitval, die aan duizenden hunner vijanden het leven of de
vrijheid kostte, terwijl de schepen met gewonden die op de
reede lagen, door hen aan de vlammen werden prijs gegeven.
Het treurig overschot van het machtige leger keerde zonder
verder verontrust te worden over zee naar Demak terug, waar
bij eene monstering bleek, dat 130,000 man gemist werden.
\') „De Javanen," lezen wij bij De Barros, Dec. IV, liv. I, c. 12, „maken
„amok bij de geringste beleediging en beschouwen de aanraking van hun voor-
„hoofd met de hand als den onvergeeflijksten hoon." Volkomen stemmen de
Chineesche berichten hiermede overeen: „De mannen en vrouwen van dit land
zijn zeer gevoelig wat hun hoofd betreft; als een ander het aanraakt, of als zg
twist krijgen bij den handel, of als zij dronken zijn en elkander beleedigen,
trekken zij hun kris en steken toe, aldus het geschil door geweld beslechtend"
(Groeneveldt, Notes on the Malay Arch., 47.)
-ocr page 312-
295
De dood van den Pangéran, die geen wettigen opvolger na-
liet , noodzaakte nu de verzamelde grooten tot de keuze van een
nieuwen vorst over te gaan. Deze keuze werd aan acht regenten
opgedragen, doch na zeven dagen waren zij het nog niet eens
geworden. De krijgslieden, niet behoorlijk in teugel gehouden,
sloegen over tot baldadigheid en vielen op de ter reede lig-
gende handelsvaartuigen aan, waarvan zij een honderdtal
plunderden en uitmoordden. De regent van Panaroekan, als
vlootvoogd, liet daarop tachtig der belhamels grijpen en op
het strand ophangen. Doch de stadvoogd Kjai Ansedah, mee-
nende dat zijn rechten daardoor geschonden waren, verzamelde
eenige duizenden om zich, overviel het verblijf van den vloot-
voogd en doodde een veertigtal zijner aanhangers. Maar nu koos
het leger partij voor den regent van Panaroekan; de soldaten
verlieten des nachts de schepen, maakten Kjai Ansedah met
al zijne aanhangers van kant, plunderden de stad en staken
haar op tien of twaalf plaatsen in brand, zoodat zij geheel
een prooi der vlammen werd. Het aantal vernielde huizen,
zegt Pinto, was 100,000, de schade honderd millioen dukaten,
het verlies aan menschenlevens 300,000, en wat, zoo moge-
lijk , nog onwaarschijnlijker klinkt, een bijna even groot aantal
der ingezetenen zouden in ketenen geklonken en weggevoerd
zijn, om in verschillende gewesten als slaven verkocht te worden.
De hoofden van den opstand, voor geduchte straf vreezende
wanneer een nieuwe vorst zou gekozen zijn, wierpen zich in
de schepen en onttrokken zich door de vlucht aan het drei-
gend gevaar. Inmiddels togen de met de vorstenkeuze belaste
grooten naar Djapara, om hunne taak ongestoord te kunnen
volvoeren, en werden het eindelijk eens om de kroon aan te
bieden aan Pati Sidajoe, den opvolger van Pati Pandor als
regent van Soerabaja, eene aanbevelenswaardige keuze, juist
omdat Pati Sidajoe niet tot de pretendenten behoorde. De
regent van Panaroekan toog naar Pisang manis \'), waar Pati
\') Dit moet, dunkt mij, de juiste schrijfwijze zijn van het Pissammanes van
den Portugeeschen tekst, Eene dessa van dien naam is m|j echter niet hekend,
-ocr page 313-
296
Sidajoe verblijf hield, om hem af te halen, en aanstonds had deze
200,000 man bijeen , die in 1500 vaartuigen werden ingescheept.
Onder luide toejuichingen deed hij zijn intocht te Demak. Met
den grootsten spoed liet hij de stad weder opbouwen, en te
gelijk liet hij allen vatten die zich aan hare verwoesting
hadden schuldig gemaakt, voor zoover zij zich niet door de
vlucht aan hunne rechtvaardige straf onttrokken hadden.
Het getal dergenen die nog gespietst of met de schepen waar-
in zij zich verborgen hadden, verbrand werden, wordt door
Pinto op 5000 begroot. De Portugeezen, den aanblik dier
wreede straffen niet kunnende verdragen, vroegen van den
regent van Soenda verlof om naar Bantam terug te keeren,
daar de gunstige tijd voor de reis naar China was aangebro-
ken. De regent stond niet alleen hun verzoek toe, maar ver-
eerde aan ieder hunner 200 dukaten , terwijl hij er 300 schonk
aan de familiën der Portugeezen die in zijnen dienst waren
gesneuveld. Spoedig daarop gingen zij naar China onder zeil.
Toen Pinto vandaar terugkeerde, leed de jonk, waarop hij
zich bevond, schipbreuk aan de Javaansche kust bij „een
dorp, genaamd Cherbom". Wij zien hieruit, dat Tjeribon toen
nog een onaanzienlijke plaats was, wat steun geeft aan de
meening, dat het gezag zijner priestervorsten zich uitsluitend
tot hunne geestelijke waardigheid bepaalde. Pinto werd er met
eenige zijner landslieden als slaaf verkocht aan een heiden-
schen koopman van „het eiland der Selebes", die hem aan den
koning van Kalapa overdeed; deze stelde hem in vrijheid
en zond hem naar „de haven van Soenda", waar drie Portu-
geesche schepen voor anker lagen.
In hoeverre heeft Pinto\'s verhaal van den tocht naar Pasoe-
roean historischen grondslag? Omtrent de ontzettende over-
drijving van alle cijfers kan zeker niet de geringste twijfel
bestaan; niettemin is het waar, dat vele bijzonderheden eene
lokale kleur dragen en van wezenlijke bekendheid des bericht-
gevers met Java getuigen. Pogen wij het verhaal met de
inlandsche berichten in overeenstemming te brengen, dan
stuiten wij op onoverkomelijke moeilijkheden ? maar wij zagen
-ocr page 314-
297
reeds dat dit evenzeer het geval is met schier alles wat ons de
Portugeesche schrijvers van Java berichten. In allen gevalle
ligt een goede herinnering aan den strijd der vorsten van
Demak tegen de nog in den ouden godsdienst volhardende
Oost-Javanen ten grondslag; maar er schijnt niet de minste
reden te zijn om, met Hageman \'), het hier verhaalde beleg
van Pasoeroean met den val van Soepit Oerang\') in recht-
streeksch verband te brengen. Omtrent den tijd van den onder-
gang van Soepit Oerang laat zich niets anders bepalen, dan
dat die vermoedelijk onder liet bestuur van Pangéran Trang-
gana heeft plaats gehad. De overlevering verhaalt dat die stad
na een langdurig beleg werd ten val gebracht door de vol-
gende krijgslist. Eenige duiven, buiten de vesting voedsel
zoekende, werden door de belegeraars opgevangen, die aan
hare staarten brandende lonten hechtten. De vogels, terug-
vliegende, staken de met alang-alang gedekte woningen in
brand. De algemeene verwarring deed alles op de vlucht slaan ,
en zonder slag of stoot viel de sterkte in handen der belegeraars.
Volgens de gewone overlevering der Javanen stierf Pangé-
ran Trangg&na in 1461 der Javaansche, d. i. in 1539 der
Christelijke jaartelling\'). De Pangéran van Demak van wien
Pinto spreekt, kan onmogelijk een ander zijn, en sterft toch
eerst in 1546. Hieraan zou ik echter minder waarde hech-
ten; beide tijdsbepalingen verdienen geen volkomen vertrou-
wen. Erger reeds is het dat de Javaansche berichten niets
weten van des Pangérans geweldigen dood, noch van de ver-
woesting van Demak door de oproerige soldaten; maar het
allerergste, dat zij gewagen van eene verdeeling van Pangéran
Tranggana\'s rijk tusschen zijne zonen en behuwdzonen, die,
terwijl zij onvereenigbaar is met Pinto\'s bericht omtrent de
keuze van den regent van Soerabaja tot zijn opvolger, niet
uit de geschiedenis van Java kan worden weggenomen, zon-
der die geheel onverstaanbaar te maken.
\') Ind. Arch. I. 2. 375; Handleiding, I. 65.
s) Zie bl. 256.
a) Vel. Meinsma, Babad Tanah Djawi, Aant.. bl. 33,
-ocr page 315-
298
Het verhaal van Pinto schijnt mij dus alleen van waarde
omdat het bevestigt dat de Pangéran van Demak als de
oppervorst van Java werd beschouwd, dat in den Oosthoek
de Sjiwaïeten voortgingen zich tegen zijn gezag te verzetten,
en dat de Mohammedaansche vorst van Bantam, die niemand
anders dan Hasanoe\'d-din geweest kan zijn, hem als suzerein
erkende — alles feiten die, schoon ook van elders steun erlan-
gende, toch, te midden der vele onderling strijdige getuige-
nissen, eenig gevaar loopen van aan twijfel te worden prijs-
gegeven.
Van de Portugeezen op Java vernemen wij van nu af zeer
weinig meer; maar zeker is het dat velen hunner er in Bantam,
Panaroekan en elders ten handel kwamen. Dat Pinto\'s bericht
omtrent de herlevering des handels met Soenda volkomen juist
is, blijkt wel daaruit, dat in een uit het jaar 1554 dagteekenende
opgaaf der maten, munten en gewichten, in de door Portugee-
sche schepen bezochte handelsplaatsen gebruikelijk, ook het
hoofd „Cumda" voorkomt, waaronder wordt medegedeeld, dat
is de beide havens van Soenda — ongetwijfeld Bantam en
Jakatra — zeer veel en zeer goede peper aan de markt komt, die
tegen kleedingstoffen van Kambodja, Bengalen en Koroman-
del wordt geruild. Prijs en gewicht der peper en de gebruikelijke
munten worden nauwkeurig vermeld. Elders lezen we dat de
Portugeezen de in Soenda gekochte peper naar China brachten.
Hunne beste vrienden op Java waren nog steeds de heidenen
in Panaroekan, dat door de van Malakka naar Solor en Timor
varende schepen werd aangedaan. De Javanen zelve kwamen
ten handel op Malakka en bleven varen op de Molukken,
vooral op Ambon waar voortdurend botsingen met de Portu-
geezen plaats hadden \'). Vooral met Midden-Java schijnt de
verhouding gespannen geweest te zijn. Eene vorstin van Dja-
para, die het volgende hoofdstuk ons nader zal doen kennen,
zond in 1550 eene vloot om Alaoe\'d-din, koning van Djohor,
\') Tiele in Bijdr. t. d. T. L. en Vk. v, N. I. 4e Vr. IV. 306, 332, 405,
418, 437; V. 176,
-ocr page 316-
299
in zijn aanslag op Malakka bij te staan, en vereenigde in
1573 en 1574 hare talrijke scheepsmacht met die van Sul-
tan Mantsoer-Sjah van Atjeh \') ten einde de Portugeezen
uit diezelfde stad te verdrijven. Ofschoon die tochten de
beoogde uitkomst niet opleverden, en de Javanen met ont-
zettend verlies werden afgeslagen, blijft het toch opmerkelijk,
dat in 1574 Djapara 300 zeilen, waaronder 80 jonken van
400 ton, kon uitrusten !). Er is trouwens in de geschiedenis
van Java\'s maatschappelijken toestand geen sterker sprekend
feit, dan dat de Javanen der 16de eeuw nog, evenals die
van Madjapahit, zich vooral als ondernemende handelaars,
stoute zeevaarders, onverschrokken kolonisten onderscheidden,
en dat zij, als geheel genomen — want dat de adel en de
volksmassa in afkomst en karakter zeer verschillen is on-
tegenzeggelijk — eene groote verandering hebben moeten
ondergaan om in de vreedzame landbouwers van onzen tijd
te worden herschapen. Fier, lichtgeraakt, bloeddorstig en dap-
per zijn de Javanen die de Portugeezen ons teek enen, en
ofschoon het somtijds uitkomt dat die trekken niet geheel
uit hun karakter zijn weggewischt, is het toch duidelijk dat
de tijger in hen getemd is en de slaapdrank eener lange on-
derwerping aan overmachtige vreemdelingen zijne werking
niet heeft gemist.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De opkomst van het huis van Mataram.
De overgang van het oppergezag van het huis van Demak
tot het huis van Mataram vormt eene der merkwaardigste
episoden in de geschiedenis van Java. Ongelukkig kennen wij
ze schier alleen uit de inlandsche overlevering en ontbreken
ons bijna geheel de middelen om deze aan de getuigenissen
\') Zie mijn „Atchin", bl. 67.
") Francisco d\'Andrada, Cronica del Rey dom Joao o III, 4t» parte,c. 78
Diogo de Couto, Dec. VI, liv. IX, c, 5—9, en Dec. IX, c. 17,
-ocr page 317-
300
van Europeesche schrijvers te toetsen. Wel vallen in dit tijd-
vak de bezoeken der Engelsche reizigers Francis Drake (1580)
en Thomas Cavendish (1588) aan Java\'s kusten waarvan de
eerste de tot dusver nog nimmer door vreemdelingen bevarene
zuidkust van Java omzeilde; maar die vluchtige aanloopen
hebben slechts zeer geringe bijdragen voor de kennis van Java
opgeleverd. Er rest ons dus niets dan de inlandsche berichten
in den eenvoudigsten vorm terug te geven en uit de verschil-
lende lezingen de aannemelijkste te kiezen.
Ik heb reeds aangeduid dat de zoon van dien regent van
Pengging die op last van Panembahan Djimboen was vermoord,
tot eene groote rol in de geschiedenis van Java bestemd was\').
De overlevering zegt dat zijne toekomstige grootheid reeds
voorspeld werd op het oogenblik dat zijne moeder hem ten
huize der weduwe van Kjai gedé Tingkir ter wereld bracht.
Daarom werd Ki Djaka Tingkir — zooals hij in zijne jeugd
genoemd werd — toen hij elf jaren oud was door zijne moeder
naar Demak gebracht, waar hij welhaast gelegenheid vond
zich in de gunst van den Pangéran in te dringen, die hem
den naam gaf van Pandji Mas *), hem zorgvuldig tot de ken-
nis van den Islam en van de rijkswetten liet opleiden, hem
vervolgens tot bevelhebber zijner lijfwacht aanstelde, en, ter-
wijl hij hem eene zijner dochters ten huwelijk gaf, hem het
bestuur van zijns vaders regentschap, van nu af doorgaans
Padjang genoemd, toevertrouwde. Met toestemming van zijn
schoonvader bouwde hij een kraton. Vele fabelachtige bijzon-
derheden worden nog van hem verhaald, maar zeker schijnt
dat hij bij den dood van Pangéran Tranggana, in het bezit
bleef der landschappen Padjang en Mataram \'), en die bestuurde
onder den titel van Adipati. Men zegt ook dat hij in het bezit
was der voornaamste rijkssieraden en daaraan eenig recht tot
\') BI. 268. Lees aldaar Pengging voor Penging.
!) Dikwijls wordt hij ook Mas Karebet genoemd. De vele namen en titels
aan denzelfden persoon gegeven, dragen veel bij tot de verwardheid en ondni-
delijkheid der Javaansche verhalen.
\') Mataram of Mantaram in Ngoko. Matawis of Mantawis in Kr"imR,
-ocr page 318-
301
oppergezag over de andere vorsten ontleende; doch het is be-
zwaarlijk te begrijpen, op wat wijze die regalia in zijne handen
zouden zijn gekomen, en veel waarschijnlijker dat dit ver-
zonnen is om den overwegenden invloed door hem geoefend
te verklaren en te wettigen.
De oudste zoon van Pangéran Tranggana, Pangéran Moek-
mid, moet inderdaad als de eigenlijke opvolger zijns vaders
beschouwd worden; want aan hem werd Demak met de om-
liggende gewesten toegewezen, een gebied ongeveer overeen-
komende met de tegenwoordige residentie Semarang. Hij wordt
gewoonlijk Soesoehoenan — ook wel Sultan \') — van Prawata
genoemd; zeker heeft hij dus die plaats, in den zuidwestelij ken
hoek der tegenwoordige residentie Djapara gelegen, tot rijks-
zetel gekozen; wellicht was hij de bouwer van den kraton,
waarvan daar nog de overblijfselen worden aangetroffen :).
De tweede zoon, Mas Timoer, ontving, met den titel van
Adipati, het bestuur over de landschappen Kedoe en Bagelen.
De jongste zoon, Raden Penangsang, werd Adipati van Dji-
pang. Deze naam is thans van de kaart van Java verdwenen 5),
maar was nog ten tijde van Raffles eigen aan een landschap,
ongeveer overeenkomende met het tegenwoordige Rembangsche
regentschap Bodjo Negoro en het zuidelijk deel van Blora. In
de Hindoe-periode vormde dit gebied geheel of gedeeltelijk het
rijkje Bawerna.
Eene tweede dochter van Pangéran Tranggana was gehuwd
met Pangéran Hadiri, een zoon van den regent van Djapara.
Bij de verdeeling des rijks erlangde deze de landschappen
Djapara, Djewana, Pati en Rembang. Hij wordt de Soesoe-
hoenan van Kali Njamat geheeten, naar eene plaats aan den
weg van Djapara naar Koedoes, halverwege tusschen beide
plaatsen gelegen, die vermoedelijk zijn rijkszetel was.
») Vgl. bl. 244.
s) Brumund in Verh. Bat. Gen. XXXIII. 164.
3) Als landschapsnaain; twee plaatsen aan de Solo heeten nog Djipang-pasar
en Djipang-oeloe (op de rcs. krt: üjipang en Tjipangoeloe); Brumund vermeldt
verdwenen muurwerk aldaar (Verh. Bat. Gen. XXXIII. 177).
-ocr page 319-
802
Het overige van het rijk van Deraak, bestaande uit Ma-
doera1), Sidajoe, Grissee, Soerabaja en Pasoeroean, kwam
volgens de Javaansche berichten aan een derden schoonzoon
van Pangéran Tranggana, die regent van Madoera was. Op-
merking verdient hier de vermelding van Pasoeroean, die ge-
heel onvereenigbaar schijnt met het in het vorige hoofdstuk
medegedeelde verhaal van Pinto, volgens wien Pasoeroean op
het oogenblik waarop de Pangéran van Demak vermoord
werd, zegevierend uit den strijd met dat rijk was getreden.
Maar het is mogelijk, dat de Madoereesche prins den oorlog
tegen Pasoeroean voortgezet en dat landschap als een winge-
west aan zijne bezittingen toegevoegd heeft.
Zoo moeilijk als het is de Javaansche babads met \'t verhaal
van Pinto in overeenstemming te brengen, zoo gevaarlijk is ook
de poging door Hageman aangewend, om harmonie te bren-
gen tusschen de babads van Java en die van Madoera *). Op
grond der tijdrekening meent hij den Madoereeschen prins
die aan het hoofd van een deel des Demakschen rijks kwam,
te mogen houden voor den persoon die in de Madoereesche
kroniek voorkomt onder den naam van Panembahan Lëmah
Doewoer. Van dezen wordt verhaald, dat hij vóór hij aan de
regeering kwam, de stichter was van Arisbaja, welke plaats
ook later de zetel van zijn rijk bleef. De Islam zou onderde
regeering van zijn vader Kjai Pragalba, die te Koeta Anjar
(oudtijds Palakaran) resideerde, het eerst op Madoera verbreid
en hijzelf een der eerste proselyten geweest zijn; maar zijn
vader, schoon mede den Islam niet ongenegen, zou door den
dood zijn verrast, voordat hij den nieuwen godsdienst openlijk
omhelsd had. Wat in de Madoereesche kroniek over de eerste
prediking van den Islam op Madoera vermeld wordt, is weder
opgevuld met verhalen van profetische droomen en wonder-
*) Waarschijnlijk is hier, gelijk gewoonlijk, alleen bedoeld het eigenlijke
Madoera of de westelijke helft van het eiland.
■) Van de Madoereesche babad bezitten wij eene vertaling door W. Palmer
van dan Broek, uitgegeven in Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XX. 241 ea 170
XXII. 1 en 280.
-ocr page 320-
303
krachten en zoo onhistorisch mogelijk. Daarin is geen enkele
trek die overeenkomt met hetgeen ik over de bekeering van
Madoera vroeger \') uit Javaansche bronnen heb medegedeeld,
behalve dat in beide berichten de nieuwe hoofdstad Arisbaja
eenigermate als de voorname zetel van den Islam voorkomt.
Lemboe Pëtëng, zoon van den laatsten Bra Widjaja van Ma-
djapahit, wordt ook in de Madoereesche kroniek met de af-
stamming der Madoereesche vorsten in verband gebracht;
maar de invoering van den Islam op dat eiland wordt er eerst
drie of vier geslachten later gesteld. Even weinig als ik de
beide berichten omtrent de islamiseering van Madoera kan
overeenbrengen, evenmin kan ik overeenkomst bespeuren tus-
schen den Madoereeschen schoonzoon van Pangéran Trang-
ganê, en Panembahan Lëmah Doewoer, wien de Madoereesche
kroniek met het rijk van Demak in geen verband hoegenaamd
brengt, van wiens bestuur over Javaansche gewesten zij niets
weet, en wien ze geene andere wettige echtgenoot toekent dan
zekere Ratoe Iboe, afkomstig uit Madëgan in het gebied van
Sampang. Met het dooreenhaspelen en samenvoegen van zoo
volkomen strijdige overleveringen wordt de Javaansche geschie-
denis niet gebaat.
Pangéran Tranggana had nog een vierde dochter, die, gelijk
wij reeds zagen, gehuwd was met Hasanoe\'d-din, vorst van
Bantam, zoon van den Soesoehoenan van Tjeribon.
De verdeeling van het rijk van Demak, gelijk zij hier is
beschreven, schijnt mij in de hoofdzaak een onloochenbaar
feit. Wanneer vele gewesten van Java die thans algemeen
bekend zijn, daarbij niet vermeld worden, bedenke men voor-
eerst , dat vele gedeelten des eilands nog woest en weinig be-
volkt waren, vervolgens, dat sommige namen wellicht een rui-
mere beteekenis hadden, eindelijk, dat de gewesten beoosten
Pasoeroean waarschijnlijk nooit tot het rijk van Demak hebben
behoord.
Tusschen de verschillende prinsen die het rijk van Trang-
\') BI. 237.
-ocr page 321-
304
g&na onder elkander verdeeld hadden, bleef de vrede niet
lang bewaard; door hun ijverzucht en onderlingen haat werd
Java vele jaren lang aan burgerkrijg en verwoesting prijsge-
geven. Vooral de Adipati van Djipang was door teugellooze
heerschzucht bezield. Een sluipmoordenaar belaagde op zijn
last het leven van den vorst van Prawata, en maakte zoowel
hem als zijn echtgenoote van kant. De vorst van Djapara,
Soesoehoenan Kali Njamat, aanvaardde daarop het bestuur
over zijne landen, als voogd van zijn onmondigen zoon Arja
Pangiri; maar toen hij onderzoek naar den moord en bestraf-
fing der misdadigers eischte, viel hijzelf door een even ver-
raderlijken aanslag. Zijne weduwe deed eene gelofte van niet
te zullen rusten voordat zij zich op den moordenaar van haren
echtgenoot en haren broeder had gewroken.
De Adipati van Djipang, tot dusverre maar al te gelukkig
in zijne misdadige pogingen, besloot nu ook den vorst van
Padjang door dezelfde middelen ten val te brengen. De gehuurde
moordenaars waren reeds tot zijne slaapstede doorgedrongen,
toen de aanslag nog tijdig door eene zijner vrouwen werd
ontdekt. De werktuigen van Raden Penangsang\'s gruwelijke
voornemens werden gevat en redden hun leven door den naam
van hunnen lastgever te verraden. Nu verbond zich de vorst
van Padjang met de weduwe van Soesoehoenan Kali Njamat
tot wraak op den snoodaard, die zoovele misdaden had be-
dreven. Hij rustte een leger tegen hem uit, doodde hem op
een listige wijs, versloeg zijne benden en veroverde zijngan-
sche gebied.
Eene nieuwe verdeeling van den bodem van Java was het
gevolg dezer bloedige gebeurtenissen. De staten van den vorst
van Prawata kwamen onder het bestuur van zijn nu meerder-
jarig geworden zoon Arja Pangiri. De vorstin van Djapara
behield het gebied door haren echtgenoot bezeten. Djipang
werd vereenigd met Padjang, en de vorst van dat rijk liet
zich in 1568 als Sultan huldigen door den priestervorst van
Giri-Grissee, over wiens geestelijk oppergezag ik vroeger ge-
sproken heb. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat toen voor
-ocr page 322-
305
het eerst de titel van Sultan door een Javaanschen vorst is
aangenomen, en dat deze hem door den Opperpriester ver-
leenden titel de aanspraak van den vorst van Padjang op het
gezag over de andere vorsten voornamelijk moest rechtvaardi-
gen \'). Ook aan Arja Pangiri wordt, wel is waar, de titel van
Sultan van Demak somtijds gegeven, doch dit zal, daar hij
zich als vazal van Padjang beschouwde , vermoedelijk aan de
onnauwkeurigheid en verwardheid der Javaansche kroniek-
schrijvers zijn te wijten, die op vage wijze ook aan vroe-
gere vorsten dien titel wel eens toekennen. Daarentegen
zullen wij later de vorsten van Bantam en Tjeribon den Sul-
tanstitel zien aannemen, in verband, zoo het schijnt, met
hun streven om zich geheel aan het oppergezag der vorsten
van Mataram te onttrekken. Het gezag van den Sultan van
Padjang breidde zich later nog verder uit, toen onderscheidene
gewesten van Java, die aan den vorst van Madoera onder-
geschikt waren, tegen dezen in opstand geraakten en, na
zich geheel te hebben losgescheurd, Pandji Wirja Krama,
Adipati van Soerabaja, onder bet oppergezag van den Sultan
van Padjang, tot hun hoofd kozen. Daarentegen wist in den
Oosthoek Santa Goena, de Sjiwaïetische vorst van Balambangan,
niet alleen zijn gezag te handhaven, maar zelfs met hulptroepen
van Bali en Celebes zijne grenzen weder uit te breiden en
omstreeks 1575 Panaroekan te heroveren, dat dus destijds
Mohammedaansch en aan Padjang onderworpen moet ge-
weest zijn.
Maar het is hier de plaats om, eer ik verder ga, eenige
oogenblikken stil te staan bij de vorstin van Djapara. Men
is verbaasd wanneer men bij De Couto en andere Portugeesche
schrijvers2) leest van eene Mohammedaansche vorstin op Java,
terwijl de Islam vrouwen ongeschikt verklaart voor de regee-
ring. Maar nu blijkt het dat van die vorstin ook in de Ja-
vaansche babads melding wordt gemaakt, en het geeft den
>) Vgl. bl. 244.
») Zie bl. 298.
I.
20
-ocr page 323-
806
geschiedvorscher, die bij de onbepaaldheid eu onderlinge strij -
digheid der getuigenissen als in den donker rondtast om de
waarheid te grijpen, eene aangename gewaarwording, dat ten
minste op een enkel punt eene ongewachte overeenstemming
hem de zekerheid geeft dat hij op historischen bodem staat.
Voor hem die eenigszins nader met de geschiedenis van den
Indischen Archipel bekend is, wijkt de bevreemding, wanneer
hij zich de vele voorbeelden van vrouwelijke regenten aldaar
voor den geest roept, waarvan oudere en nieuwere berichten
gewagen, en waarvan de bijna zestigjarige regeering van vier
vrouwen achter elkander in het rijk van Atjeh wel hetmerk-
waardigste voorbeeld is. Hij zal in die vorstin van Djapara
een nieuw bewijs opmerken van de gebrekkige bekendheid met
het publieke recht van den Islam en de nog gebrekkiger toe-
passing daarvan in Iusulinde. Gelijk er in het algemeen het
oude leenstelsel met alle daaraan verbonden begrippen en ge-
bruiken in zwang was gebleven, ook waar het geheel van den
geest der Mohammedaansche instellingen afweek, zoo zag men
er ook vrouwen de teugels van het bewind voeren in al zulke
gevallen, waarin dit door de oude adat gewettigd was, en
men ziet zelfs inlandsche, anders rechtzinnige schrijvers, waar
zij over de waardigheid en de rechten en plichten der vorsten
handelen, de meening uitspreken, dat, ofschoon eene vrouw
wegens de beperktheid van haar verstand en de eischen der
betamelijkheid te haren opzichte ongeschikt is te achten voor
het bestuur, het beter is eene vrouwenregeering te dulden,
dan het land aan de gevaren en ellenden eener betwiste op-
volging bloot te stellen, wanneer een vorst sterft zonder dat
eenige mannelijke telg onder zijne nakomelingen of maagschap
gevonden wordt \').
Keeren wij na deze korte uitweiding tot den Sultan van
Padjang terug. Ik vermeldde met een woord dat Kaden
\') Kroon der Koningen, uitg. van Roorda van Eysinga, bl. 63. Breeder heb
ik over dit onderwerp gehandeld in mijn artikel „ Vrouwenregeeringen in den
ludischen Archipel" in T. v. N. I. Jg. 1870, D. II, bl. 354.
-ocr page 324-
307
Penangsang van Djipang door een list was ten val gebracht.
Door den vorst van Padjang tot een tweegevecht uitgedaagd,
was hij op het beslissend oogenblik uit den zadel geworpen
en door in hinderlaag gelegde krijgslieden vermoord, omdat
men zijn paard wild en ontembaar had gemaakt door het
plotseling loslaten van een aantal merriën. Deze list was uit-
gedacht door een der rijksgrooten van Padjang, Kjai gedé
Pamanahaii geheeten, en toen deze, als afgevaardigde van den
Sultan, aan de vorstin van Djapara den val van den moor-
denaar haars echtgenoots kwam melden, wilde zij hem tot
belooning haar gansche rijk schenken, wat Pamanahan echter
van de hand wees, zeggende dat hij slechts den last zijns
meesters volbracht had. De vorstin van Djapara schonk hem
daarop twee kostbare erfstukken , afkomstig van het voormalige
vorstenhuis van Madjapahit, ringen waarvan de ééne een
grooten diamant, de andere een robijn bevatte. De bedoeling
waarmede de Javaansche kroniekschrijver het bezit dezer regalia
aan Pamanahan toekent, zal uit het vervolg duidelijk worden.
Ook de Sultan van Padjang bleef niet in gebreke zijne
dankbaarheid aan zijn trouwen dienaar te toonen, en stond
hem het bestuur af over het landschap Mataram, dat thans
nog een hoofddeel uitmaakt van het rijk van Jogjakarta. Ma-
taram, dat in den Hindoe-tijd zoo rijken luister gekend had ,
was toen grootendeels woest en telde slechts een 300 huisge-
zinnen. De nieuwe regent vestigde zich te midden der wildernis
op eene plaats Pasar Gedé genaamd, die nog in wezen is1),
en nam den titel aan van Kjai gedé Mataram.
Door het wijs en rechtvaardig bestuur van dezen vorst werd
het landschap Mataram in weinige jaren van een wildernis
in een vruchtbaar en volkrijk gewest herschapen, terwijl 011-
derscheidene naburige districten zich vrijwillig aan zijn gezag
onderwierpen. Toen hij in 1575 overleed, werd hij opgevolgd
door zijn zoon Mas Ngabéhi Soeta Widjaja, die vroeger, ten
gevolge eener intrige met eene der goendiks van den Sultan
\') Ze ligt ongeveer een uur gaans ten zuidoosten der tegenwoordige hoofdstad .
-ocr page 325-
308
van Padjang, tot de vlucht genoodzaakt was geworden, maar
later vergiffenis had ontvangen, en nu door genoemden vorst
niet slechts als zijns vaders opvolger erkend, maar zelfs met
gunsten overladen werd. Hij stelde hem aan tot bevelhebber
van al de troepen van zijn rijk, onder den titel van Senapati
ing-ngalaga (opperbevelhebber in den oorlog), waarom hij in
de geschiedenis het meest onder den naam van „de Senapati"
bekend is. Hem werd echter opgelegd zich, als bewijs van hulde
aan zijn suzerein, jaarlijks op het feest van Mohammed\'s ge-
boorte, de garëbëg moeloed, aan het hof te vertoonen.
Maar de eerzucht van den Senapati kende geen palen. Hij
gaf voor, of maakte mogelijk zichzelven diets, dat hij onder
de bijzondere bescherming stond van de Ratoe Lara Kidoel,
de bekende godin van den Zuider-oceaan, die zich tot zijne
echtgenoot verklaard had. Hij liet zich nu een uitgestrekten
kraton bouwen, veroverde onderscheiden naburige districten
en nam de houding van volkomen onafhankelijkheid aan. Wei-
dra kwamen gezanten van Padjang om van deze handelingen
rekenschap te vragen , en ofschoon zij aanvankelijk door een
vleiende ontvangst werden misleid , doorgrondden zij al spoedig
de ware voornemens van den Senapati en gaven hun meester
daarvan bericht. De Sultan zond daarop een leger van 5000
man tegen Mataram, onder het bevel van zijn eigen zoon. De
Senapati, die daaraan slechts 800 man kon overstellen, ont-
trok zich aan den strijd, en ofschoon de verhalen der babads
dien door de krachten der natuur, namelijk door een hevig
onweder en eene uitbarsting van den Merbaboe, voor hem
laten voeren, erkennen zij toch dat hij kort daarna naar Pa-
djang snelde, waar hij door den Sultan weder in genade werd
aangenomen. De edelmoedigheid van dien vorst werd vergol-
den door een beker met vergift, die hem door een der aan-
hangers van den Senapati, doch, zooals de kronieken verze-
keren, zonder diens voorkennis, werd toegediend, en die de
oorzaak werd van zijn plotselingen dood, welken de babads
in het jaar 1504 der Javaansche tijdrekening, d.i. 1582 der
Christelijke, stellen.
-ocr page 326-
309
Eene vergadering van hoofden werd nu samengeroepen om
tot de keuze van een nieuwen vorst over te gaan. Volgens de
instellingen in den Archipel geldende, is in eiken staat een
raad van rijksgrooten, die bevoegd is in overleg met den
regeerenden vorst zijn opvolger aan te wijzen, of, in geval
dit gedurende \'s vorsten leven verzuimd is, dien na zijn dood ,
bij voorkeur uit de leden der vorstelijke familie, te kiezen.
Zoo was het oudtijds ook op Java\'). Ofschoon nu de Senapati
de keuze van des Sultans zoon voorstond, moest deze zich met
de waardigheid van Adipati van Djipang vergenoegen, terwijl
de kroon werd opgedragen aan den vorst van Demak, die
daarop de voornaamste hoofden en beambten in het rijk af-
zette, om ze door personen van zijnen aanhang te doen ver-
vangen. De ontevredenheid hierdoor verwekt, werkte zeer de
plannen van den Senapati in de hand. Hij verbond zich met
den Adipati van Djipang en de andere misnoegde hoofden
en deed den nieuwen Sultan van Padjang den oorlog aan. Het
grootste deel van diens leger liep tot hem over en het over-
schot werd met weinig moeite op de vlucht gejaagd. Daarna
bestormde hij den kraton en maakte zich van den persoon
des Sultans meester, wien hij verklaarde dat hij niets te vree-
zen had, maar wegens de algemeene ontevredenheid niet langer
Sultan kon blijven, waarop hij hem met zijn ganschen aan-
hang naar Demak terugzond.
De Adipati van Djipang werd nu als Sultan uitgeroepen,
maar hij was nergens te vinden, en de Senapati stelde daarop
een zijner eigen broeders aan om het land te besturen tot de
wettige vorst zou terugkeeren. Men verhaalt dat de regent
van Djipang, door een droom vermaand om van de wereld-
sche ijdelheden afstand te doen, in stilte naar Kendal was
geweken, waar hij als kluizenaar leefde en als een heilige
werd geëerd. Toen ten laatste zijn schuilplaats ontdekt was,
weigerde hij de regeering te aanvaarden. Nu werd het bestuur
over Padjang eerst aan een jongeren broeder, en toen deze
\') Vgl. hier ook bet verhaal van Mendez Pinto, bl. 295,
-ocr page 327-
310
kort daarna gestorven was, aan een zoon van den Adipati
opgedragen, maar slechts met den titel van Pangéran; want
de Senapati voerde de regalia, die hem bij de bestorming van
den kraton van Padjang waren in handen gevallen, met zich
naar Mataram, en besloot nu gevolg te geven aan het lang
gekoesterd voornemen om zich als oppervorst van Java te
doen huldigen. Doch de priestervorst van Giri, ofschoon openlijk
de partij kiezende van den man die op dat tijdstip zeker de
machtigste van Java was, achtte het oogenblik daarvoor nog
niet gekomen. De oostelijke gewesten, die zich aan het bestuur
van den prins van Madoera onttrokken hadden en waarover
de Adipati van Soerabaja, als Wadana van den Sultan van
Padjang, tot hoofd was gesteld, toonden zich ongeneigd den
meester te erkennen die zich hun wilde opdringen, en rustten
zich zelfs ten strijde tegen hem uit. Hunne onderwerping moest
naar het oordeel van den priestervorst voorafgaan. De Senapati
rustte daartoe een talrijk leger uit, en de regent van Soera-
baja, dit vernemende, gaf aan de onder zijne bevelen staande
hoofden last om hunne troepen te Djipang te verzamelen en
daar de komst van de Mataramsche krijgsmacht af te wachten.
Maar op het oogenblik dat het tot een treffen tusschen de
vijandelijke legers scheen te zullen komen, liet de Adipati,
waarschijnlijk door vrees voor de overmacht van zijn tegen-
standers genoopt, zich bewegen om de aangeboden bemidde-
ling van den Soenan van Giri aan te nemen. Diensvolgens
kwam eene schikking tot stand, krachtens welke de Adipati
de suzereiniteit van Mataram zou erkennen, maar met het
gezag over al de oostelijke gewesten zou bekleed blijven.
Het duurde echter niet lang of de Adipati voelde berouw
over dezen stap, en maakte zich gereed om de vijandelijkheden
te hernieuwen. Hij vereenigde zijne troepen met die van de
regenten van Madioen en Panaraga en rukte tegen Mataram
op. Een bloedige krijg was hiervan het gevolg, waarin de
Senapati, half door sluwheid, half door geweld, ten slotte
over al zijne vijanden zegevierde. Nadat hij de aanrukkende
vijanden had teruggedrongen, keerde hij het eerst zijne wapenen
-ocr page 328-
311
tegen de nauw verbonden regenten van Panaraga en Madioen.
Sommige berichten gewagen van een verraderlijke list, waarvan
hij zich bediende om de samenwerking dier beide hoofden te
breken. Hij zond eene schoone vrouw van hoogen rang als
afgevaardigde tot den regent van Madioen, om dien van zijne
goede gezindheid te verzekeren en den eerbied te betuigen dien
zijne strenge levenswijze als boeteling hem inboezemde, maar
tevens met den heimelijken last om te trachten dien vorst in
hare netten te verstrikken, en dan van haren invloed gebruik
te maken om hem van het verbond af te trekken. Toen de
Senapati dus den regent van Madioen in slaap had gewiegd,
viel hij onverwachts op dien van Panagara aan en behaalde
op hem eene gemakkelijke overwinning, waarna hij zijne wa-
penen zonder omwegen tegen Madioen keerde, den dalam van
den regent bestormde, hemzelven en zijn zoon tot de vlucht
noodzaakte en eene dochter die hij achterliet tot vrouw nam.
Vervolgens trok de Senapati tegen Pasoeroean op, waar de
regent het bevel over zijne troepen had opgedragen aan een
dapper officier uit Balambangan afkomstig, Adipati Kaniten
geheeten, die den strijd tegen de overmacht een tijd lang met
gunstig gevolg volhield. Maar op zekeren dag ontmoette deze
bij eene verkenning buiten de muren den Senapati, die met
zijne lijfwacht tot gelijk doel was uitgetogen. De beide hoofden
daagden elkander tot een tweegevecht uit en het gelukte den
Senapati zijn tegenstander met zijne lans te wonden en uit
den zadel te werpen. Hij hief daarop Adipati Kaniten van den
grond op en liet hem in schamele kleeding op een kreupele
merrie\') binden, om door een om zijn hals gehangen brief
zijne schande aan zijn vorst te melden. De regent van Pasoe-
roean, zijn legerhoofd in dien toestand van diepe vernedering
ziende, besloot zich aan den Senapati te onderwerpen en zond
hem ten teeken daarvan het afgehouwen hoofd van Adipati
Kaniten, dat hij met gesmolten tin had laten volgieten.
Niet lang daarna onderwierp zich ook de regent van Kediri,
\') Slechts het geringste volk zal op Java een merrie als rijdier gebruiken,
-ocr page 329-
312
met wien de Senapati zoozeer was ingenomen, dat hij hem
zelfs tot bevelhebber over zijne troepen aanstelde, in welke
hoedanigheid hij aan het Mataramsche rijk gewichtige diensten
bewees door het fnuiken van allen tegenstand die nog in vele
der westelijke provinciën aan \'s vorsten gezag werd geboden.
Ook Tjeribon werd genoodzaakt de suzereiniteit van Mataram
te erkennen, en wij vinden zelfs een bericht dat in 1599 de
Panembahan van dat gewest in persoon te Mataram kwam,
om den oppervorst hulde te bewijzen \'). Door de veroveringen
van Senapati Balek — dit is de titel dien de gewezen regent
van Kediri als krijgsoverste voerde — werd dus het gebied
van den vorst van Mataram, dat zich oostwaarts uitstrekte
tot aan het Tengersche gebergte , de grens tegen het gebied
van Balambangan, westwaarts bevestigd tot aan de Tji Taroem ,
waar het rijk van Bantam een aanvang nam. Inmiddels waren
nog onderscheiden malen oproeren te bedwingen geweest;
maar steeds bleef de Mataramsche vorst door zijn gewoon
geluk vergezeld. In 1587 verbonden zich de Oost-Javanen met
Padjang. De legerscharen van Mataram leverden hun slag en
behaalden een schitterende overwinning, maar ten koste van
het leven van hun aanvoerder, Senapati Balek, die zoovele
overwinningen in zijns meesters dienst behaald had. In het
volgende jaar werd Demak, dat tegen Mataram in opstand
was gekomen, veroverd en aan verwoesting prijs gegeven; de
bevolking verhuisde grootendeels naar andere streken , en van
dat oogenblik verliest deze plaats veel van hare beteekenis.
Mas Djolang, de tweede zoon van den vorst van Mataram,
die zich in den strijd onderscheiden en eene wonde bekomen
had, werd bij deze gelegenheid als troonsopvolger aangewezen.
Hij is dezelfde dien de babads, naar de plaats waar hij be-
graven werd, gewoonlijk Panembahan Krapjak of Séda Krapjak
noemen. Aan Pangéran Poeger, \'s vorsten oudsten zoon, werd
later het bestuur over het onderworpen Demak gegeven. Deze
beschikkingen hebben, gelijk te verwachten was, na den dood
\') Roorda v. Eysinga, Handboek, III, 1. 476,
-ocr page 330-
313
van den Sen&pati nieuwe beroerten en verwikkelingen ver-
oorzaakt.
In 1589 voerde de vorst van Mataram weder krijg tegen
het hoofd van Djipang, wiens leger verslagen werd in den slag
van Kalidadoeng, waarna een groot deel der bevolking gevan-
kelijk werd weggevoerd. En nog later werd hij door een opstand
in Kediri en Pasoeroean op nieuw genoodzaakt het veld te
kiezen. Ditmaal werd hij door de overmacht zijner tegenstanders
gedrongen naar zijne hoofdstad terug te trekken; doch zijn
beleid stelde hem in staat hun zonder verlies te ontkomen.
Den tegenstand der oostelijke gewesten goheel te breken, schijnt
hem echter in den ganschen loop zijner regeering niet gelukt
te zijn. Ik vermoed dat hij hunne onderwerping heeft willen
afwachten, alvorens zich, naar het voorbeeld van den Sultan
van Padjang, den Sultanstitel door den priestervorst van Giri
te laten opdragen. Het schijnt althans zeker, dat hijzelf en
zijn eerste opvolger zich met den titel van Panembahan ver-
genoegd hebben, en dat eerst zijn tweede opvolger Agëng den
titel van Sultan heeft gevoerd, zoowel als dien van Soesoehoenan.
De stichter van het rijk van Mataram overleed in 1601,
negentien jaren na den dood van den Sultan van Padjang,
en vijftien jaren nadat hij de regalia van Padjang naar Ma-
taram had overgebracht.
In deze schets der lotgevallen en veroveringen van den stich-
ter van het rijk van Mataram, heb ik getracht uit de verschil-
lende berichten zoo goed mogelijk een samenhangend geheel
te maken; maar ofschoon ik mij overtuigd houd dat de hoofd-
trekken met de waarheid overeenkomstig zijn, is het onmogelijk
in te staan voor de juistheid der bijzonderheden en van de
chronologische orde der gebeurtenissen, \'t Is ons trouwens reeds
genoeg gebleken, dat de Javaansche babads met hunne fan-
tastische voorstellingen, hunne verwarringen en tegenstrijdig -
heden, nauwelijks voor de geschiedenis bruikbaar zijn, waar
ons gelijktijdige getuigenissen van Europeesche schrijvers ont-
breken, zooals ten opzichte der geschiedenis van den stichter
van Mataram in den volstrektsten zin het geval is.
-ocr page 331-
314
De Senapati Soeta Widjaja, Panembahan van Mataram, is
een der lievelingshelden van de Javaansche kroniekschrijvers,
en zij zijn onuitputtelijk in den lof van zijne dapperheid , zijn
beleid en zijne kennis van krijgszaken, ofschoon zij de wijsheid
en gematigdheid van zijn bestuur vooral toeschrijven aan de
raadgevingen van zijn oom Djoeroe Martani of Mandaraka.
Het kon ook nauwelijks uitblijven, dat zij voorspellingen en
wonderen in zijn levensloop weefden en een geslachtsregister
voor hem uitdachten dat hem van den laatsten Bra Widjaja
van Madjapahit doet afstammen. Wellicht heeft hijzelf reeds
op die verheven afkomst aanspraak gemaakt, maar geen ver-
standig man, die eenigszins met de buitensporige verdicht-
selen in de Javaansche geslachtsregisters bekend is\'), zal
daaraan eenige historische waarde toekennen. De Javanen zijn
de grootste aanbidders van het succes. De gewetenlooze schurk
die zich door bloed en verraad een weg tot den troon baant,
wordt in hunne oogen de uitverkorene der Voorzienigheid. Zij
omringden zijne wieg met de voorspellingen zijner toekomstige
grootheid en laten hem , bij elke gewichtige wending van zijn
lot, bovennatuurlijke wenken ontvangen die hem op nieuw
van zijne grootsche bestemming verzekeren. En dit is hun niet
genoeg; hij moet ook door zijne geboorte wettige aanspraak
op de regeering hebben, en de lompste verdichting eener
vorstelijke afkomst wordt genoegzaam gestaafd geacht, als het
werkelijk bezit eener kroon de aanspraken steunt.
Er bestaat echter ten opzichte der afkomst van het huis
van Mataram nog eene geheel andere overlevering, die van
zijne bitterste vijanden moet afkomstig zijn, en die ons, maar
gepaard met eene uit chronologisch oogpunt geheel onmogelijke
voorstelling der geschiedenis van dien tijd, door Valentijnis
bewaard"). Daarin wordt verhaald dat de stichter van dat
huis Siroeboed heette en een geringe knecht was aan het hof
van Demak. Schuldig aan een vergrijp jegens de goendiks
\') Vgl. Cohen Stuart in T. v. N. I. 1869. I. 354.
s) Valentijn IV. 1. 72; vgl. Hageman m ïni. Arch. II. 1. 8.
-ocr page 332-
315
van dien vorst, zou hij tot de vlucht genoodzaakt zijn en be-
scherming gevonden hebben bij den Sultan van Padjang; maar
toen hij later ook door dezen wegens diefstal was weggejaagd,
zou hij eene rooverbende om zich verzameld hebben, waar-
mede het hem gelukte Mataram te veroveren en zich tot Kjai
gedé van dat landschap te verheffen. Het schijnt dat wij hier
een opzettelijk vervalscht verhaal lezen van de lotgevallen van
Soeta Widjaja\'s vader, en ik behoef wel niet te zeggen, dat
ook dit weinig geloof verdient.
Ik zal dit hoofdstuk besluiten met de aanwijzing, dat wij
bij de Portugeesche schrijvers, hoe weinig zij ons ook uit dit
tijdvak omtrent Java vermelden , meer bevestiging vinden van
hetgeen hier verhaald is, dan men oppervlakkig zou vermoe-
den. De Conto verhaalt ons, dat in 1564 de Sultan van Atjeh
een gezantschap zond tot den „koning van Demak , keizer van
Java" , om dezen vorst over te halen zich aan te sluiten aan
het verbond dat hijzelf met eenige Mohammedaansche vorsten
van Hindostan had gesloten, ten einde de Portugeezen uit
geheel Indië te verdrijven, en waarbij hij voor zich de ver-
plichting had op zich genomen hen uit Malakka te verjagen.
De Javaansche vorst, ijverzuchtig op de macht van den Atjeh-
neeschen koning, weigerde niet alleen met hem in onderhan-
deling te komen , maar liet zelfs de gezanten van kant maken.
De Portugeesche schrijver beschouwt deze vijandige handelwijze
als eene gunstige beschikking der Voorzienigheid , daar Malakka
tegen de vereenigde krachten van Demak en Atjeh niet zou
zijn bestand geweest \'). Deze gebeurtenis zal dus hebben plaats
gehad onder de regeering van Arja Pangiri, en wij kunnen
ons zeer goed voorstellen dat destijds de vorst van Demak
nog als de oppervorst van Java gold; want ofschoon , volgens
de Javaansche kronieken, de vorst van Padjang zich toen
inderdaad reeds lang tot den eersten rang onder de Javaansche
vorsten verheven had, nam hij eerst in 1568 den daarmede
overeenkomenden titel aan J).
>) De Conto, Dec. VIII, c. 21.         \') Zio bl. 304.
-ocr page 333-
316
Zoowel bij Levanha, die de vierde decade van De Barros
lang na diens dood met vele bijvoegselen in het licht gaf, als
bij De Couto, wiens werk zich onmiddellijk aan de derde
decade van De Barros aansluit, worden algemeene beschrij-
vingen van Java aangetroffen\'), die, aangezien er hier en daar
dezelfde uitdrukkingen in herhaald zijn , klaarblijkelijk , althans
voor een deel, uit dezelfde bron zijn geput. Het bericht waar-
van zij zich bediend hebben, schijnt uit wat later tijd dan
het zoo even vermelde, uit de eerste jaren der regeering van
den Sultan van Padjang, afkomstig te zijn. Dat rijk wordt
ongetwijfeld aangeduid door den eenigszins verminkten naam
Paniao, waarvan gezegd wordt dat de vorst in de binnenlanden
woont, omstreeks 30 mijlen van de kust, en een soort van
keizer of oppervorst is over een aantal andere met name ge-
noemde strandgewesten \'). Nevens enkele wier namen ik niet
met voldoende zekerheid kon te huis brengen, zijn daaronder
Panaroekan , Grissee, Sidajoe en Toeban, misschien ook Blora3),
en voorts Djapara, Demak en Mataram gemakkelijk te her-
kennen. Panaroekan, moet inderdaad toen tot het rijk van
Padjang behoord hebben, daar wij gezien hebben dat het om-
streeks 1575 door Balambangan veroverd werd *).
Van Djapara eindelijk wordt de merkwaardige bijzonderheid
verhaald, dat het aan het strand was gelegen, maar dat de
eigenlijke hoofdstad Cerinhama op drie mijlen afstands in het
binnenland was te zoeken \'). Ik aarzel geen oogenblik in laatst-
\') De Barros, Dec. IV, liv. I, c. 12; De Couto, Dec. IV, 1. III, c. 1.
\') „Cujo Rey reside pelo sertao trinta leguas e he como Emperador destes
(van de reeds genoemde) e de ontros adiante (later te noemen)."
3) Ik vermoed dat dit schuilt in Berdoao. Ook Soenda, Bantam en Andreguir
(zoo ik meen Anjer, dat met Indragiri op Sumatra verward schijnt) worden
bij De Couto genoemd, doch ik geloof niet dat het noodig is de woorden „de
outros adiante" op al de volgende namen uit te. strekken. Bij De Barros komen
hier geene namen uit de Soenda-landen voor. Daar sluit de lijst met Mataram,
dat bij De Couto niet genoemd wordt.
*) BI. 305.
*) „Cuja cidade principal se chama Cerinhama, tres leguas pela terradentro,
e a cidade de Japara esta a borda da agua,"
-ocr page 334-
317
gemelden verminkten naam het Kali Njaraat der Javaansche
kronieken te herkennen, waarvan de vroeger aangeduide lig-
ging \') zeer goed met dit bericht overeenstemt1). Dat de vrouw
des stichters van Kali Njamat herhaaldelijk door de Portugeezen
wordt genoemd , is ons reeds aan het eind van het vorig hoofd-
stuk gebleken.
Voegt men hier nog bij, dat Drake in 1580 vernam, dat
Java onder een aantal vorsten verdeeld was, maar die allen
aan éénen vorst het oppergezag toekenden, en dat de overgang
van dat oppergezag uit het huis van Padjang aan dat van
Mataram uit de berichten der nu weldra optredende Neder -
landsche reizigers vast staat, dan kunnen wij zeker zijn, dat,
te midden van vele fabelen, toch de grondtrekken der ge-
schiedenis in de Javaansche overleveringen zijn bewaard ge-
bleven.
Het was nog onder de regeering van Soeta Widjaja van
Mataram, dat de Nederlanders zich het eerst op Java vertoon-
den. Dit noodzaakt ons thans den blik weder naar de Soenda-
gewesten te wenden.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Bantam, Jakatra en de Compagnie.
Wij hebben in het vorig hoofdstuk gezien, dat men tot
allerlei ongerijmdheid komt, wanneer men met de Javaansche
babads de bekeering der Soenda-landen door Hasanoe\'d-din
in den tijd van Raden Patah of Panembahan Djimboe, den
eersten vorst van Demak, dus omstreeks 1500 of nog vroeger
stelt. Haar aanvang moet tot minstens een menschenleeftijd
later worden verschoven.
\') BI. 301.
a) In beide beschrijvingen van Java komt nog de merkwaardige bijzonderheid
voor, dat in de woeste gebergten van het binnenland nog wilde stammen wonen ,
wier vorsten Goeno\'s heeten, en waarvan vele menschenvleesch verslinden. Ook
Ludovico di Varthema (zie bl. 249) spreekt van kannibalisme op Java.
-ocr page 335-
318
Als opvolger van Maulana Hasanoe\'d-dtn, wordt Pangéran
Joesoep genoemd, wien een regeeringsduur van 10 jaren wordt
toegekend. De overlevering zegt dat onder zijn bestuur de natte
rijstbouw in Bantam werd ingevoerd. Hij moet den Islam
verder in de binnenlanden hebben uitgebreid en verkreeg na
zijn dood den naam van Pasaréan.
Op Pangéran Joesoep volgt Pangéran Mohammed, na zijn
dood Séda ning Rana, d. i. de in den krijg gesneuvelde, ge-
noemd. Werkelijk is deze vorst in het jaar 1596 in den oorlog
omgekomen. In een krijg met Palembang op Sumatra gewik-
keld, waarvan wij de oorzaak of aanleiding niet kennen, was
hij met eene vloot van 200 zeilen derwaarts getogen en had
aanvankelijk groote voordeelen behaald; maar zijn dood was
voor die van Bantam het sein geworden tot een algemeene
vlucht, waarbij velen deels door het zwaard, deels door gebrek
den dood vonden. Toen de eerste Nederland sche vloot onder
Cornelis de Houtman in het laatst van Juni 1596 te Bantam
verscheen, was men daar nog onder den verschen indruk dezer
gebeurtenis en ernstig op wraakneming bedacht. Men leest in
de verhalen van dien eersten scheepstocht, dat zekere Klin-
galees, als afgevaardigde van den rijksbestuurder van Bantam
(wie deze was, zal zoo aanstonds blijken), aan de Nederlanders
het voorstel kwam doen om de Bantammers in een aanval
op Palembang behulpzaam te zijn. Zij zelven zouden de stad
van de landzijde aantasten, terwijl de Nederlanders haar van
de rivierzijde bevochten, en zij waren bereid den behaalden
buit geheel aan de onzen over te laten. Men kan wel nagaan
dat dit voorstel door onze kooplieden werd afgeslagen \').
De gesneuvelde vorst had slechts een eenigen zoon nage-
laten, die bij een goendik verwekt en, toen de Nederlanders
te Bantam kwamen, nog slechts vijf maanden oud was. Deze
prins was echter als opvolger erkend; maar het bestuur werd
in zijn naam gevoerd door zijn voogd, een aanzienlijk Pa-
ngéran, die de vader was van eene der vrouwen desgesneu-
l) Eerste Schipvaerd naar O. I., (in D. I. van Begin en Voortgang), bl. 40.
-ocr page 336-
319
velden. Men vindt dezen gewoonlijk onder den naam van rijks-
bestuurder (Mangkoe boemi) vermeld, terwijl nevens hem de
Sjahbandar of havenmeester en de Laksamana of vlootvoogd
als de voornaamste hoofden voorkomen.
Met betrekking tot den inwendigen toestand van het Ban-
tamsche rijk, op het oogenblik dat de Nederlanders zich hier
vertoonden, verdient opmerking dut, naar de getuigenis onzer
landgenooten, ook destijds de bekeering tot den Islam nog
verre van algemeen was. Men leest in hunne reisverhalen uit-
drukkelijk, dat de bevolking der binnenlanden nogheidensch
was, aan de zielsverhuizing geloofde en zich van dierlijk voedsel
onthield. Daarentegen was aan de noordkust de groote meer-
derheid, maar toch ook niet het geheel der bevolking, Mo-
hammedaansch; doch deze godsdienst, zoo voegen de bericht-
gevers er bij, had hier eerst sedert 50 a 60 jaren ingang ge-
vonden. Merkwaardig is ook hunne mededeeling dat de hei-
densche bevolking van Bantam, kort voor hunne komst, ver-
sterkt was door eene kolonie, die, tengevolge der verdrukking
welke de heidenen in Pasoeroean van hunnen vorst te ver-
duren hadden, vandaar was uitgeweken en zich, met toestem-
ming van den Bantamschen vorst had nedergezet aan den voet
van een grooten berg, Goenoeng besar, en daar eene stad had
gebouwd, die den naam droeg van Soera, waar zij leefde onder
het bestuur van een eigen hoofd \'). Mag men zich verlaten
op de kaart van Java die bij het reisverhaal in „Begin en
Voortgang" is gevoegd, dan zou Soera gelegen hebben aan
den voet van den berg Karang, ongeveer ter plaatse van het
tegenwoordige Pandeglang. Doch die kaart is zoo. gebrekkig,
dat geene waarde aan deze aanwijzing mag worden toegekend,
en geen ander gelijktijdig schrijver maakt, zooveel ik weet,
van dit Soera gewag.
Ten westen van Bantam lag op het lage land aan de mon-
ding der Tji Liwong, omstreeks den aanvang der zeventiende
eeuw, eene vrij belangrijke negerie, verscholen onder het loof
\') Eerste Schipvaerd, t. a. p., bl. 67 v., 72.
-ocr page 337-
320
van duizenden kokos- of klapperboomen. Zij heette destijds
Djakarta1), maar was oudtijds, met het onderhoorig gebied,
bekend geweest onder den naam van Soenda Kalapa, omdat
er de kokosnoten door de Soendaneezen kalapa genoemd,
bij geheele scheepsvrachten werden uitgevoerd5). Dit is, als
reeds gezegd, het bekende Jakatra onzer oude schrijvers, dat
bij de Portugeezen ook onder den vorm Xacatara voorkomt.
Eene bekende overlevering, die den Soenan Goenoeng Djati
verkeerdelijk als den stichter van een groot rijk voorstelt, dat
het geheel der Soenda-landen omvatte, laat hem dit bij zijn
dood verdeelen tusschen twee uit echte vrouwen geboren zonen
en een derden zoon bij eene goendik verwekt. De beide eersten
erlangden het bewind over Tjeribon en Bantam, dat erfelijk
bleef onder hunne nakomelingen. De derde, Kali Djatan ge-
heeten, ontving het bestuur over het land tusschen de Tji
Taroem en de Tji Dani of rivier van Tangeran, waarover hij
het gezag aanvaardde onder den titel van Radja van Dja-
karta 3). In dit verhaal, zooals het bij Raffles voorkomt, wordt
de oudste zoon, die in Tjeribon opvolgde, Hasan, de tweede,
die het bestuur over Bantam kreeg, Baradin genoemd.
Dit bericht verdient ongetwijfeld weinig vertrouwen; zonder
\') Samengetrokken uit djaja (zege, zegevierend) en karta, van kërta
of krëta (oorspr. Skrt. krta, gedaan, voltooid, recht, goed; vgl.
Vreede, Cat. 80, noot), dat vooral gebruikt wordt in de beteekenis van v a s t-
gesteld, vast, bepaald en het vastgestelde, enz. Stad beteekent
het woord nooit (mededeeling van Prof. Kern). Dat men er de laatste betee-
kenis in heeft meenen te moeten zien, is wel te verklaren uit het veelvuldig
voorkomen van het woord in namen van Javaansche hoofdsteden, maar Brandes
toont aan (Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXVII. 415), dat die veelvuldigheid
waarschijnlijk is toe te schrijven aan het toevallig feit, dat Karta de naam
was van de residentie van den beroemden sultan Ageng (waarover later) en
dat het woord voorkomt in Djakarta, dat als Batavia zoo groot werd. Het
bijgeloof der Javanen in de kracht van een naam heeft hen ertoe gebracht,
sedert tal van varianten op deze namen te gebruiken bij het stichten van
nieuwe kratons.
3) Van der Does bij De Jonge, Opkomst van het Ned. gezag in O. I. II. 337.
3) Valentijn IV. I. 70; Kaffles, II. 151; De Jonge, Opk. v. h. Ned. gezag
in O. I. II. 159.
-ocr page 338-
321
geheel valsch te zijn, geeft het toch aan alles een verkeerde
wending. Ten eerste worden, zoo het schijnt, de namen der
vorsten van Bantam en Tjeribon onderling verwisseld, ten
minste zoo Hasan dezelfde is als Hasanoe\'d-din\'). Dan zagen
wij dat Hasanoe\'d-din de stichter was van het Bantamsche
rijk nog bij het leven zijns vaders, zoodat dit rijk niet eerst
ontstond uit de verdeeling van diens nalatenschap. Vervol-
gens is Djakarta, waar wij het in de geschiedenis het eerst
zien optreden, niets dan een Bantamsch regentschap, bestuurd
door een Pangéran, die gehuwd was met Ratoe Pembajoen,
dochter van Pangéran Padjadjaran en kleindochter van Soenan
Sabakingking s), en men is dus verwonderd het hier als een
derden staat nevens Tjeribon en Bantam genoemd te vinden.
Eindelijk wordt hier aan Tjeribon een veel gewichtiger positie
toegekend, dan het ooit in de werkelijkheid schijnt te hebben
ingenomen. De vorsten van Tjeribon waren aanvankelijk niets
anders dan een soort van geestelijke pangérans, in de manier
van de priestervorsten van Giri-Grissee. Als vorsten waren zij
vazallen van Mataram, die echter wel eens door de wapenen
moesten gedwongen worden de suzereiniteit van hunnen leen-
heer te erkennen; door hunne geestelijke waardigheid stonden
zij te gelijker tijd boven hem. Zij worden in alle gelijktijdige
en uit zuivere bron gevloeide berichten, tot 1662, d.i. tot
den dood van Panembahan Giri Laja II, wiens uiterste wils-
beschikking tot eene later te bespreken verandering in het
bestuur aanleiding gaf, nooit met den titel van Sultan, maar
steeds met dien van Pangéran of van Panembahan aangeduid.
•) De verwarring ten opzichte van den naam is zeer groot. Bij Hageman in
T. v. I. T. L. en Vk. XVI. 245, wordt, naar een andere bron, de tweede
vorst van Tjeribon Dipati of Panembahan Hassan Baribin, en na zijn dood
Pasaréan genoemd. Maar ook een Bantamsche vorst werd, zooals wij zagen, na
zijn dood Pasaréan geheeten.
3) Vgl. Van Deventer, Gesch. d. Ned. op Java, I. 36, noot 2, en T. v. N.
I. 1871, II. 356. Volgens het geslachtsregister, daar medegedeeld, waren
Pangéran Djakarta en de Ratoe Pembajoen volle neef en nicht; zulke huwe-
lijken zijn wel door het recht van den Islam verboden, maar hadden ook in
deze eeuw onder de prinsen van Jogjakarta plaats.
I.                                                                                                          21
-ocr page 339-
322
Hun gebied heeft zich in dit tijdvak waarschijnlijk in den
regel niet veel verder uitgestrekt dan over de kustlanden In-
dramajoe en Tjeribon met Gehang1). De meeste overige land-
schappen die vroeger of later tot Tjeribon gerekend werden,
oostwaarts tot aan de Tji Taroem en zuidwaarts tot den Indi-
schen Oceaan, stonden toen onder het meer rechtstreeksch
beheer van Mataram, of onder andere van Mataram afhankelijke
leenvorstjes of regenten, zooals men er vermeld vindt voor
Tji Asem, Krawang , Soemedang, Soekapoera, enz. Hetzelfde
geldt van de westelijke Preanger-landen, die men met even
weinig grond tot Djakarta heeft gerekend als de oostelijke tot
Tjeribon. Er bestaan kronieken van die Soenda-landen, waaruit
men, hoe verward en tegenstrijdig zij voor het overige zijn
mogen, in het algemeen voldoende bewijzen kan, dat in het
gansche gebied der tegenwoordige Preanger Regentschappen
in de eerste helft der I7e eeuw 2) het oppergezag van Ma-
taram erkend werd. De uitbreiding van dat gezag in die ge-
westen in bijzonderheden te volgen, is, bij den ellendigen toe-
stand der bronnen, niet wel mogelijk, maar het staat vast
dat de vorsten van Mataram in de Preanger-landen regenten
aanstelden en ontsloegen, regentschappen schiepen en in-
trokken , gronden afstonden en voorrechten verleenden. Ja,
de invloed van Mataram ging er zoo ver, dat de Javaansche
taal er de diensttaal werd en de hoofden en regenten in hunne
brieven zich van die taal bedienden 3).
Men moet zich evenwel aan den anderen kant wachten, de
beteekenis der Tjeribonsche ptïestervorsten te gering te schat-
ten. In de Portugeesche berichten komt wel is waar van Tje-
\') Gebang of Gabang, ongeveer overeenkomende met het tegenwoordige district
Losari (regentschap Tjeribon), was oudtijds een meer zelfstandig landschap.
Zie b. v. Valentijn, IV, I. 22.
3) Uittreksels uit die kronieken gaf Hageman in zijne Geschiedenis der
Soendalanden, in D. XVI, XVII en XIX van T. v. I. ï. L. en Vk. Zieook
K. F. Holle, Bijdragen tot de Geschiedenis der Preanger Regentschappen, in
hetzelfde Tijdschrift, D. XVII. Dit laatste stuk is echter vooral van belang
voor de latere tijden.
\') Holle"in T. v. I. T. L. en Vk. XIII. 495.
-ocr page 340-
323
ribon niet veel meer dan de naam voor \'). Maar door de eerste
Nederlandsche bezoekers wordt die plaats, onder den naam
Charabaon, vermeld als „een groote en schoone stad, die
zeer fraai met een dikken muur versterkt en met eene zoete
rivier verrijkt is" !). En boe hoog de geestelijke waardigheid
der vorsten van Tjeribon ook door hunne opperheeren werd
geschat, blijkt het duidelijkst uit een bewaard gebleven piagem
van den vorst van Mataram, zoo het schijnt van bet jaar 1631,
waarin aan zekeren Ki Moekarab, uit de doekoeh Tjikëroeh
in het regentschap Limbangan , vrijstelling, zoo voor hem als
zijne nakomelingen, van alle diensten wordt verleend, wegens
het verlies van zijn linkerarm door een geweerschot bij de
belegering van Batavia in 1628 en 1629. Want terwijl de
vorst van Mataram door dit bevelschrift klaarblijkelijk de
rechten van een souverein in de Preanger-landen uitoefent,
stelt hij tevens de handhaving er van onder de hoede van
Allah en Zijn gezant, van de negen wali\'s en van den Soe-
soehoenan Goenoeng Djati, „die in zijn graf ter hoofdplaats
Tjeribon wordt vereerd" 3). Zelfs de avontuurlijke Soendasche
legende van Gessan Oeloen, heer van Soemedang, die naar
Tjeribon gekomen was om zich door den Soenan Goenoeng
Djati in den Islam te laten onderrichten, maar, in liefde
voor diens vrouw ontvlamd, haar ontvoerde en daarna den
priester, tegen den afstand van een stuk grond tot vergroo-
ting van zijn gebied, bewoog om zich van haar te scheiden 4),
bewijst voor den grooten naam en macht die zich de heilige
man van Tjeribon verwierf en die op zijne nakomelingen
overgingen.
\') Charabom op het kaartje van Levanlia in De Barros, Dec.IV; Cher-
bom bij Mendez Pinto. Deze noemt het een dorp, maar bezocht het waar-
schijnlijk niet zelf.
:) Eerste Schipvaerd, in D. I. van Begin en Voortgang, bl. 63. Indramajoe
wordt daar (juister) Dermayo, en Krawang Cravaon genoemd, evenals bij
de Portugeezen.
s) Holle in T. v. I. T. L. en Vk. XIII. 492; vgl. Hageman\'s Geschiedenis
der Soendalanden, ald. XVII. 210.
«) Hageman, T. v. I. T. L. en Vk. XVI. 201.
-ocr page 341-
324
De belemmeringen door Spanje aan den handel der Neder-
landers in den weg gelegd, waren oorzaak dat zij zelven den
weg naar Indië gingen zoeken. Hun eerste scheepstocht was
de voorlooper eener heerschappij over de eilanden van Insu-
linde, die gedurende drie eeuwen gestadig meer uitgebreid en
bevestigd werd. Ik schrijf de geschiedenis niet van de op-
komst en toeneming van het Nederlandsch gezag in Indië,
noch ook op Java. Vele pennen hebben zich daaraan gewijd,
en de lange reeks der geschiedschrij vers van het Nederlandsch
gezag in Indië is in onze dagen verrijkt door een klassiek
werk, met evenveel smaak als oordeel geschreven, uit de zui-
verste bronnen geput, en bestemd om een blijvend gedenk-
teeken te zijn van volhardend onderzoek en historische kunst:
De Jonge\'s Opkomst van het Nederlandsch gezag in Indië en
op Java. De Jonge heeft zijne taak niet kunnen voltooien,
maar zij is door Van Deventer op uitnemende wijze voortgezet
tot aan den overgang van Java in handen der Engelschen in
1811 \'). Van Deventer legde bovendien de uitkomsten van
eigen onderzoek neder in een Geschiedenis der Nederlanders op
Java, die loopt tot den val der Compagnie en met kritische
zorg is bewerkt. Van een nog breeder opgezetten arbeid, die
het Nederlandsch gezag over Java sedert 1811 zou omvatten,
is door den dood des schrijvers slechts één deel, tot 1820
loopend, verschenen. Bij al de verdiensten dezer werken blijft
het te bejammeren, dat het aan Tiele niet vergund is geweest
zijne geschiedenis van de Europeërs in den Maleischen Ar-
chipel \'), voor den Portugeeschen tijd reeds herhaaldelijk
door ons vernield, verder dan tot 1622 voort te zetten. Meer
nog dan eenige arbeid op dit gebied geeft deze blijk van
omvangrijke kennis, uiterst nauwkeurig onderzoek, helder
oordeel en zuivere kritiek.
Een uitstekende aanvulling van al deze werken, de inwen-
\') De buitenbezittingen werden eerst door Tiele en worden thans door Heeres
verder behandeld.
*) In Bijdr. t. d. T. L. en Vk. v. N. I. 4e Vr. I, tot 5e Vr. II.
-ocr page 342-
325
dige geschiedenis der Compagnie behandelend, verscheen kor-
telings van de hand van Klerk de Reus \').
Het is noch mijn wensch noch mijne taak, opnieuw te
doen wat reeds zoo uitnemend gedaan is. Mijn oogmerk is
eene schets van de geschiedenis der Javanen zelven te leve-
ren, en ik wensch aan de Nederlanders slechts in zooverre
eene plaats op mijn doek te geven, als dit door den over-
wegenden invloed dien zij op de lotgevallen en ontwikkeling
van Java geoefend hebben, volstrekt gevorderd wordt.
Den 23sten Juni 1596 werd het eerst de Nederlandsche vlag op
de reede van Bantam ten toon gespreid. Onze schepen werden
met argwaan ontvangen: men vreesde met vrijbuiters te doen
te hebben. Versch was nog de heugenis aan den Engelschen
zeeroover Lancaster, die enkele jaren te voren in de straat
van Malakka Portugeesche schepen geplunderd had. Maar
toen de Hollanders te kennen gaven, dat zij kwamen om
handel te drijven, veranderde de houding. De schepen werden
omringd door schuitjes die allerlei ververschingen aanboden;
Portugeesche handelaars uit Goa en Cochin kwamen aan
boord en gaven hoog op van den rijkdom des lands. Het
voordek der schepen veranderde weldra in een bazaar, waar
Javanen , Arabieren, Chineezen, Klingaleezen en Turken om
strijd hunne waren uitstalden Ook onderscheidene grooten
kwamen aan boord en onder hen de Pangéran Mangkoe
boemi, die als voogd van den jongen vorst de zaken des
rijks bestuurde. Reeds den len Juli teekende deze een door
den commies Cornelis de Houtman opgesteld verdrag, waarbij
de vorst van Bantam met prins Maurits vriendschap sloot
en den Nederlanders vrijen handel toestond; waarschijnlijk
was dit de eerste schriftelijke overeenkomst, die Bantam met
een vreemde natie sloot *).
Den 14den Juli werd den Nederlanders een huis in de voor-
\') Geschichtlicher Ueberbliok der administrativen, rechtlichen und flnanziellen
Entwicklung der NiederlandischOstindischen Compagnie (Verh. Bat. Gen.
XLVII).
2) Rogge in Tijdschr. v. h. Aardr. Gen. 2e Ser. XII. 423.
-ocr page 343-
326
stad der vreemdelingen aangewezen om er hunne waren te
plaatsen en hun handel te drijven. Zij leefden daar eenige
weken in volkomen vrijheid en veiligheid, maar daarna had
langzamerhand eene ongunstige verandering in de gezindheid
der Bantammers plaats. De meeste berichten geven de schuld
daarvan, en hoogstwaarschijnlijk terecht, aan den naijver eu
de kuiperijen der Portugeezen. De spanning vermeerderde nog
doordat de scheepsoverheid, voor een aanval gewaarschuwd,
de haven van Bantam met het dieplood deed peilen om te
weten hoe ze zou moeten manoeuvreeren ook wanneer het er
op aankwam de Portugeesche jonken te straffen, iets waarvoor
de Bantammers zeer bevreesd waren. Ook zal de onbetrouw-
baarheid der Javanen op de Hollandsche zeelieden een even
ongunstigen indruk gemaakt hebben als omgekeerd de krasse
en ruwe wijze, waarop deze herstel hunner grieven eischten.
Het gevolg van dit alles was dat de Nederlanders die aan
wal waren, en daaronder ook De Houtman, gevangen werden
genomen en er beslag op hunne goederen gelegd werd. De
scheepsraad deed nu, overijld genoeg, de stad beschieten en
de in lading liggende jonken aanvallen. De behandeling der
gevangenen werd daar natuurlijk niet beter op en de ver-
houding was nu zoo gespannen geworden, dat de onzen om
versch water te verkrijgen naar den overwal op Sumatra ver-
zeilen moesten.
Den 2<len October kwamen de schepen voor Bantam terug.
Men onderhandelde over het herstel van den vrede en den
18den October werd het verdrag vernieuwd. De Hollanders die
gevangen waren gehouden en inmiddels in groot gevaar ver-
keerd hadden, werden tegen een losprijs vrij gegeven, en
aan de onzen werd op nieuw vergund op gelijken voet met
de Portugeezen en Chineezen handel te drijven. Dochnuont-
stonden nieuwe moeilijkheden door de komst van een Portu-
gees, uit Malakka afgevaardigd, die alle krachten inspande
om den handel aan de Nederlanders te doen verbieden, opdat
zij zonder lading vertrekken zouden. Door zijn toedoen ver-
klaarde de Rijksbestuurder het verdrag reeds den 26sten October
-ocr page 344-
327
opnieuw vervallen. Wederom namen de scheepsbevelhebbers
de toevlucht tot geweld. Den 2den November gingen de onzen
op Bantam los, beschoten, maar zonder vrucht, de bark van
den Portugeeschen gezant, kaapten twee jonken die met spe-
cerijen van Banda gekomen waren, en een scheepje van
Bandjermasin, en zeilden daarop weg, na door hun gedrag
de beschuldiging der Portugeezen, dat de Hollanders geen
natie, maar slechts een bende zeeroovers waren, in de oogen
der inlanders volkomen gerechtvaardigd te hebben, terwijl
deze door de Hollanders niet ten onrechte een hoop zwarten
genoemd werden „die telken ure veranderden".
De vloot zeilde nu oostwaarts, voorzag zich te Jakatra van
levensmiddelen, deed vervolgens het eiland Karimon Djawa
aan, en bezocht de havens van Toeban en Sidajoe, destijds
stapelplaatsen van den specerijhandel, terwijl een der schepen
ook Djaratan\'), de handelswijk van Grissee, aandeed. In schijn
toonden de regenten en bevolking dier plaatsen zich tot den
handel met de onzen geneigd; doch dit bleek slechts een ge-
veinsde houding te zijn. Lieden uit Bantam hadden langs het
strand onze vloot gevolgd en overal verspreid hoe de Neder-
landers zich daar gedragen hadden. Te Sidajoe werd dan ook
het schip Amsterdam, onder voorwendsel dat de Adipati met
zijn gevolg aan boord zou komen, door prauwen omsingeld ,
waaruit een bende Javanen op het dek sprong, die in de ver-
warring twaalf der schepelingen van kant maakten. Na een
bloedige worsteling werden echter de Javanen van boord naar
de prauwen of in zee gedreven, waarna eenige schoten met
schroot eene geduchte slachting onder hen aanrichtten.
Den 6den December kwamen nu de schepen ten anker voor
Arisbajê. op het eiland Madoera. Ook hier was, zoo men
\') Djaratan of Padjaratan schijnt de rechte schrijfwijze te zijn van een naam
die bij onze oude reizigers Jortan, Joertan of Joartan luidt. Deze plaats lag
in de onmiddellijke nabijheid van Grissee, stond daarmede onder het bestuur van
denzelfden sjahbandar, en was meer bepaald de woonplaats van de handelaars.
Zie Hageman in T. v. I. T. L. en Vk. XVII. 367, en N. T. v, N. I. XXX.
260. Vgl. ook Meinsma jn T. v, N- I. 1869. I. 217,
-ocr page 345-
328
meende, de bevolking gewaarschuwd, en hare bewegingen
werden met ergdenkendheid gadegeslagen. Echter verzochten
de regent en de hoofdpriester verlof om aan boord te komen,
hetgeen werd toegestaan. Doch toen de vorstelijke prauw, in
plaats van, zooals men verwacht had, naar het schip Mau-
ritius te roeien, den steven wendde naar het schip Amster-
dam, werd dadelijk de achterdocht bij de onzen gaande, en
zonder eenig beraad werden drie stukken van de Amsterdam
op de prauw gelost, met het gevolg dat de regent, de priester
en een aantal hunner volgelingen het leven lieten en vele
andere Javanen werden gevangen genomen \'). Dat men onder
deze laatsten eene vrouw en een achtjarig kind , zoon van den
regent, vond, is wel het beste bewijs dat men de Madoereezen
ten onrechte van verraderlijke bedoelingen had verdacht, al
maakt het gebeurde te Sidajoe de achterdocht van het scheeps-
volk der Amsterdam verklaarbaar. Natuurlijk viel thans op
deze kust niets meer uit te richten. Men stuurde nu naar het
eiland Bawéan, eene volksplanting van Djapara, waar het
onbruikbaar geworden schip Amsterdam verlaten en verbrand
werd. Het overschot der vloot zeilde in Januari 1597 naar
straat Bali, en ankerde voor Balambangan, om er hulp en
verversching te zoeken. Doch de Hindoe-vorst van dat rijk
werd op dat oogenblik fel bestookt door den regent van Pa-
soeroean en, ofschoon hij van Bali en Soembawa eenige hulp
had ontvangen, nauw in zijne hoofdplaats belegerd. Deze
krijg hangt waarschijnlijk samen met de pogingen met zooveel
\') Volgens de Madoereesche babad was destijds het bestuur te ArisbSjii in
handen van Pangéran Tengah, zoon van Panembahan Lemah Doewoer, en zij
weet niets van een ongeval aan een regent dier plaats wedervaren. Zie Hage-
nian, Ind. Arch. II. I. 115, en de vertaling der Madoereesche babad in T. v.
I. T. L. en Vk. XX. 255. \'t Kan zijn dat het oude reisverhaal hier ten on-
rechte van een koning, d. i. van een regent, gewaagt, en een hoofd van min-
deren rang, b. v. de sjahbandar, het slachtoffer is geworden van het wantrouwen
der Hollanders; maar na de opmerkingen die ik boven, bl. 302 v., over de
volstrekte onvereenigbaarheid der Madoereesche overlevering met de Javaansche
heb gemaakt, zal het voorzichtig zijn aan het stilzwijgen der Madoereesche
kroniek niet te veel beteekenis te hechten.
-ocr page 346-
329
volharding door den Senapati Soeta Widjaja aangewend, om
Java\'s Oosthoek aan Mataram\'s gezag te onderwerpen\'). Toen
Olivier van Noort den 3<len Februari 1601 Djaratan bezocht, ver-
nam hij daar dat Balambangan door den regent van Pasoeroean
was ingenomen en de Hindoe-vorst met zijn geheele geslacht
was verdelgd\'). Echter was de onderwerping van dit gewest,
waar het Hindoeïsme van Bali gedurig nieuw voedsel ontving,
ook nu niet duurzaam, zooals later blijken zal.
De slechte ankergrond, gevoegd bij den treurigen toestand
waarin het rijk van Balambangan verkeerde, noopte onze
reizigers naar Bali over te steken, waar zij eindelijk een
vriendelijk onthaal vonden. Doch hierbij mogen wij niet stil-
staan. Den 27sten Februari 1597 werden de ankers gewonden
en om het zuiden van Java heen werd de terugtocht naar Ne-
derland ondernomen, waar de reizigers den 14den Augustus,
na een afwezigheid van 28 maanden, aankwamen.
Het geluk was onze voorvaderen dienstig om den kwaden
indruk uit te wisschen , dien het eerste bezoek van Nederlanders
te Bantam had achtergelaten. Meer dan een jaar na het ver-
trek van Houtman waren eenige Portugeesche schepen voor
de stad verschenen, — er was gehandeld met de gewone
langzaamheid van het Portugeesch bestuur — in de hoop
van de Nederlanders daar nog te vinden, en met het oogmerk
om hunne gevreesde mededinging in de geboorte te smoren.
Toen hun de prooi ontgaan was, keerden de Portugeezen zich
tegen de Bantammers, door wie zij zich misleid waanden,
en maakten zich meester van eenige jonken. De Bantammers,
over deze daad van zeeroof verbitterd, overvielen drie der
Portugeesche schepen, die zij vol geroofd goed vonden, en
maakten de bemanning van kant, terwijl de overige schepen
een overhaaste vlucht namen 3). Maar het schijnt dat de Ban-
tammers met hunne overwinning verlegen en voor de gevol-
gen hunner eigen stoutmoedigheid bevreesd waren, en nu zij
>) Vgl. bl. 312.
5) Schipvaerd Oliviers van Noort, in D. I. van Begin en Voortgang, bl. 52.
\') Journ. v. Heemskerck bij De Jonge, II. 397.
-ocr page 347-
330
met de Portugeezen gebroken hadden, was de nieuwe ver-
schijning der Nederlanders hun welkom.
Den 25sten November 1598 kwamen drie schepen van de
vloot van Jakob van Neck voor Bantam ten anker. Zij had-
den , mede door de kracht van eenige wel bestede geschenken,
reeds volle lading ontvangen, toen op den laatsten dag des
jaars ook de vijf overige schepen van die vloot, met vliegende
topstanders en vlaggen en onder het gebulder des geschuts,
voor die stad verschenen. Voor nog één dezer schepen werd
hier de lading verkregen, en de vier bodems voerden geza-
menlijk 600,000 pond peper, 250,000 pond nagelen, 2000 pond
muskaatnoten , 200 pond foelie en 100 pond lange peper be-
houden naar het vaderland, de rijkste lading die ooit in
Holland was aangebracht. De vier overige schepen vertrokken
den 8sten Januari van Bantam naar de Specerij-eilanden. Zij
deden Jakatra, Toeban, Grissee en Djaratan aan en werden
overal wel ontvangen. Alleen te Arisbaja op Madoera moesten
zij de gevolgen van het wangedrag hunner voorgangers on-
dervinden. De regent maakte zich meester van drie sloepen
en eischte het grootste stuk metalen geschut op de vloot als
losprijs voor de gevangen manschap. Bij een poging om de
gevangenen te bevrijden, sloegen twee sloepen in de branding
om, waarbij 15 mannen het leven verloren en eenige ande-
ren, in handen des vijands vallende, het aantal gevangenen
tot 50 deden stijgen. Men slaagde er echter in hen allen, met
opoffering eener belangrijke waarde aan goederen, los te koo-
pen, waarna de reis naar de Molukken met den meesten spoed
werd voortgezet. Op de terugreis deed het schip van den be-
roemden Jakob van Heemskerck den 9<len Augustus 1599
Bantam weder aan, en bracht een brief van den Rijksbe-
stuurder voor Prins Maurits naar het vaderland over. In het-
zelfde jaar hadden nog twee andere Nederlandsche schepen,
die al de voorhanden peper in Chineesche jonken en een
schip van Goezerate geladen vonden, acht maanden lang op
het nieuwe gewas moeten wachten, maar toch eindelijk den
18den November de reis naar Europa geladen kunnen aanne-
-ocr page 348-
331
men. Deze schepen vormden het eskader van Gerard Leroy.
fïen volgde in Januari 1600 het schip van Wyhrand van
Warwyck, na de in de Molukken bekomen gedeeltelijke lading
te Bantam te hebben aangevuld. Zeven weken later kwamen
hier op nieuw drie Nederlandsche schepen onder Steven van
der Hagen op de reede. Hunne komst deed de prijzen der
reeds schaarsch geworden peper zoo stijgen, dat zij besloten
dadelijk den tocht naar de Molukken te vervolgen. Doch reeds
in Augustus van hetzelfde jaar kwam voor Bantam het es-
kader van Pieter Both, die niet alleen voor twee zijner schepen
een lading verkreeg, maar er ook in slaagde voor de Nieuwe
Brabandsche Compagnie te Amsterdam , die hij vertegenwoor-
digde, een faktorie te Bantam te stichten. Bij de terugkee-
rende schepen sloten zich, behalve die van Van der Hagen,
ook twee van de vloot van Jakob Wilkens aan, die almede
een lading peper te Bantam verkregen hadden; ook Wilkens
had daar, voor de oude Compagnie, een faktorie gesticht.
Het zou vervelend worden met die optelling voort te gaan.
Meer en meer werd Bantam de verzamelplaats voor alle Ne-
derlandsche schepen, die in toenemend aantal den Archipel
bevoeren; ook dan wanneer zij met volle lading uit de Mo-
lukken terugkeerden, verzuimden zij zelden Bantam op de
tehuisreize aan te doen. En dit was in Januari 1601 ook het
voornemen van Olivier van Noort op zijn reis rondom de
wereld; maar door den westmoeson werd hij tegen zijn zin
naar straat Madoera gevoerd, waar hij eenige dagen op de
reede van Djaratan bleef liggen, waarna hij de reis naar het
vaderland door straat Bali en langs Java\'s zuidkust vervolgde.
Portugal was in 1581 aan de Spaansche kroon gehecht; de
Portugeezen hadden opgehouden een eigen natie te zijn. Aan
de Spaansche regeering was dus ook de taak vervallen den
Portugeeschen handel in de Indische wateren te beschermen.
De Portugeezen hadden zich niet bij de inboorlingen bemind
gemaakt. Hun trots, hunne aanmatiging, hunne hebzucht en
hun fanatisme hadden de harten van hen vervreemd; de een-
voudigheid, eerlijkheid en verdraagzaamheid, althans van het
-ocr page 349-
332
meerendeel der Nederlanders staken daarbij gunstig af, en
deden hen meer en meer gunst vinden in de oogen der in-
landsche vorsten en handelaars. Het wapen van den laster,
aanvankelijk met goed gevolg tegen hen aangewend, was
spoedig verstompt; men moest nu tot andere middelen de
toevlucht nemen om den voortgang van den Nederlandschen
handel te fnuiken. Die taak werd, namens Philips III van
Spanje, opgedragen aan Andrea Furtado de Mendoca, die met
eene vloot van 30 zeilen, te Goa uitgerust, onder andere in
last had de geheele kust van Java langs te loopen en vorsten
en hoofden goedschiks of kwaadschiks te noodzaken de Ne-
derlanders af te wijzen en te verjagen. Daardoor werd aan
deze laatsten eene schoone gelegenheid geboden om aan de
Javanen te toonen, dat zij ook in dapperheid tegen hunne
mededingers meer dan opgewassen waren, en zich daardoor
eene nieuwe aanspraak op hunne achting en hun ontzag te
verwerven.
Den 24sten Dec. 1601 kwam Wolphert Harmensz in Straat
Soenda met vijf lichte, snelzeilende vaartuigen, met het plan
om Bantam aan te doen en vervolgens naar de Molukken
te stevenen. Hier vernam hij dat Furtado met 8 zware gal-
joenen en 22 galeien en fusten voor Bantam lag en de stad
geblokkeerd hield, om de Hollanders van hunne faktoriën af
te snijden (er waren er reeds vier door verschillende Com-
pagniën opgericht) en den regent van Bantam te dwingen
hun zijne bescherming te ontzeggen. Diep doordrongen van
het besef dat voor den handel der Vereenigde Provinciën alles
aan het behoud der betrekkingen met Bantam gelegen was,
besloot Harmensz met voorbeeldelooze stoutmoedigheid eene
armade aan\' te tasten, waarvan het admiraalschip alleen tegen
zijne geheele macht kon opwegen. Het waagstuk werd met
den schitterendsten uitslag bekroond. Ofschoon de Spanjaarden
inderdaad slechts een gering verlies leden, ontweken zij allen
verderen strijd, misschien omdat hun doel vooral op hetbe-
houd of de herovering der Molukken gericht was, en zij zich
dus niet aan grootere verliezen door toedoen van hunne even
-ocr page 350-
333
behendige als vermetele aanvallers wilden blootstellen. Hoe
het zij, Harmensz genoot de eer met eene kleine koopvaardij-
vloot Bantam ontzet te hebben, dat door eene trotsche armade
van koninklijke schepen belegerd was, en toen hij op den
eersten Januari 1602 op de reede kwam, werd hij met luid
gejuich ontvangen en mocht hij zich overtuigd houden, dat
de betoonde dapperheid een diepen en blij venden indruk op
de bevolking had gemaakt.
In Februari kwamen voor Bantam de schepen van Jakob
van Heemskerck, die tegelijk met die van Harmensz waren
uitgezeild. Van deze keerden vijf in Mei met eene kostbare
lading van specerijen en peper naar het vaderland terug, de
twee overige vervolgden, onder bevel van den admiraal zei ven,
den tocht oostwaarts naar Demak.
De vorst, Pangéran Poeger1), ontving Van Heemskerck
schijnbaar met groote welwillendheid, maar nauwelijks had
hij eenig volk aan land doen gaan of het werd overvallen,
gevangen gehouden en van alle goederen beroofd :), ofschoon
de aanslag mislukte die te gelijker tijd op de schepen beproefd
werd. Men meende ook hier weder den invloed der Portu-
geezen te herkennen 3). Door eenige tegenmaatregelen gelukte
het Heemskerck acht der zijnen weder los te krijgen, maar
alle pogingen om ook de anderen te bevrijden bleven vruch-
teloos. Heemskerck zeilde nu naar Grissee, waar hij den
priestervorst tot hulp en voorspraak overhaalde, en door zijne
tusschenkomst den gevangenen een brief wist te doen toe-
komen. Doch Pangéran Poeger, in oorlog met zijn broeder,
den Panembahan van Mataram, dwong de gevangene Hol-
landers hem in de verdediging zijner stad bij te staan, en
was niet te bewegen om hun de vrijheid te schenken, die een
deel hunner later door heimelijke vlucht herkregen hebben.
Heemskerck stichtte te Djaratan de eerste Hollandsche faktorie
; \') Zie bl. 312.
\') Brief van Heemskerck bij De Jonge, II. 510.
b) Fruin in De Gids, 1868, IV. 14. Het verhaal van Heemskerck\'s tocht
bij De Jonge woidt door Fruin met vele belangrijke bijzonderheden aangevuld.
-ocr page 351-
334
in Oost-Java, die hij voorzag van voldoend kapitaal om de
specerijen op te koopen die de Javaansche kooplieden met
den eerstkomenden oostmoeson uit de Molukken zouden aan-
voeren. Hij vertrok vervolgens naar Patani, waar hij schitte-
rende wapenfeiten tegen Spanjaarden en Portugeezen verrichtte,
en deed, als naar gewoonte, voor zijn vertrek naar het va-
derland, in October 1603, Bantam nogmaals aan, waar hij
ieder nog open gebleven hoekje van zijne schepen metspece-
rijen aanvulde.
Inmiddels waren ook in Engeland compagniën voor den
handel met het verre Oosten opgericht. Dien ten gevolge kwam
kapitein James Lancaster in December 1602 met twee schepen
op de reede van Bantam, brieven en geschenken van koningin
Elisabeth voor den vorst medebrengende. De ontvangst was
zeer gunstig, en hij ontving verlof tot het oprichten eener
faktorie, terwijl hij, evenals de Nederlandsche admiraal Joris
Spilbergh, die gezamenlijk met hem tegen de Portugeezen
gestreden had, en kort daarna, in April 1603, mede te Bantam
verscheen, den behaalden buit tegen peper verruilde.
Voor den handel der Nederlanders op Indië was het jaar
1602 van bijzonder gewicht geweest. De verschillende daar-
voor opgerichte compagnieën, die, ieder op eigen voordeel be-
dacht, eene vijandige mededinging tegen elkander hadden vol-
gehouden, hadden zich eindelijk, op aandrang vooral van
Oldenbarnevelt, tot eene Algemeene geoctroyeerde Oost-Indische
Compagnie vereenigd, waaraan den 20sten Maart 1602 voor
een tijd van 21 jaren door de Algemeene Staten octrooi ver-
leend werd. De oprichting van dat lichaam kan beschouwd
worden als de oorsprong der vestiging van het Nederlandsch
gezag in den Indischen Archipel. Tot dusverre waren slechts
handelskantoren gesticht; maar van dit oogenblik af openbaart
zich dat streven naar de vestiging en uitbreiding van een
souverein gezag, waardoor allengs het uitgestrekte rijk is
ontstaan, dat thans, onder den naam van Nederlandsch
Indië, geheel Java en drie vierden der Indische eilanden-
wereld omvat.
-ocr page 352-
335
De kantoren, ten behoeve der bijzondere vereenigingen reeds
te Bantam en Grissee opgericht, moesten nu in faktoriën
voor de Algemeene Compagnie veranderd worden. Deze taak
werd opgedragen aan Wybrand van Warwyck, die den 29sten
April 1603 met eene vloot van twaalf schepen ter reede van
Bantam kwam. Hij verloor veel tijd door vruchtelooze onder-
handelingen met den sjahbandar over verlaging der buiten-
gewoon hooge rechten en ankergelden, maar slaagde er in
bij opvolging onderscheidene zijner schepen met peper van
Bantam of met nagelen en foelie ter faktorie te Grissee af-
gehaald, naar het vaderland te zenden, totdat hij slechts vier
groote schepen en twee jachten onder zijne bevelen hield.
Alvorens met deze Bantam te verlaten, had hij het geluk
van den Pangéran, regent des rijks, den afstand te verkrijgen
van een erf met daarop staand steenen gebouw, in het beste
gedeelte der stad gelegen. Dit was de eerste eigenlijk gezegde
loge door de Nederlanders in den Archipel gesticht. Zij werd
onder de bevelen gesteld van Francois Wittert, als president
of directeur, en was gedurende eenige jaren het middelpunt
van den Nederlandschen handel in deze wateren. Ook te
Grissee slaagde Van Warwyck er in, den afstand van een
erf voor de oprichting van een loge voor de Compagnie te
te verwerven. Na een langen zwerftocht kwam hij eerst in
Februari 1606 te Bantam terug, om vandaar de terugreis naar
het vaderland te aanvaarden.
In 1604 verscheen een tweede Engelsche vloot te Bantam
onder het bevel van Henry Middleton, die spoedig in staat
was twee met peper geladen schepen huiswaarts te zenden.
Het verkeer tusschen de Hollanders en Engelschen te Bantam
was tot dusverre zeer vriendschappelijk geweest, eninzonder-
heid wordt Van Warwyck door deze laatsten hoogelijk gepre-
zen \'). Maar niet lang bleef de goede verstandhouding be-
waard; de naijver gaf zich van weerszijden lucht in de over-
\') Zie het Journaal van Edmund Scott, in de Historische Beschrijving der
Reizen, II. 44.
-ocr page 353-
336
drevenste betichtingen, en Bantam werd telkens het tooneel
van de twisten en vechterijen der leden van de beide mede-
dingende natiën. Deze braken vooral hevig uit bij gelegenheid
der feesten die in Juni 1605, naar aanleiding der besnijdenis
van den jongen vorst van Bantam, gevierd werden. In het
voorbijgaan merk ik op, dat wij uitdrukkelijk vermeld vinden
dat de regent van Jakatra bij die gelegenheid naar Bantam
kwam om geschenken te brengen en leenplicht te bewijzen \').
Maar in weerwil van de gedurige botsingen met de Engel-
schen, waarbij zich ook allerlei moeilijkheden met de bestuur-
ders van Bantam voegden, nu eens door de ruwheid van ons
volk, dan eens door de dubbelhartigheid, de achterdocht en
de onderlinge verdeeldheid der inlanders veroorzaakt, wies
de faktorie te Bantam door de zich uitbreidende betrekkingen
der Compagnie gedurig in gewicht. De laatste jaren echter
die aan het twaalfjarig bestand vooraf gingen, waren voor
dat lichaam niet gunstig. Toen het uitzicht op dien wapen-
stilstand werd geopend, spande de Compagnie alle krachten in
om vóór de afkondiging van den status quo, die men ook voor
Indië verwachtte, hare positie in de oostersche wateren zooveel
mogelijk te versterken. Doch dezelfde overwegingen noopten ook
de Spanjaarden tot verdubbelde waakzaamheid en werkzaam-
heid, en de krijgskans was de Compagnie bij herhaling
ongunstig.
Den loden Februari 1609 kwam de admiraal Verhoeff met 8
groote schepen en twee jachten voor Bantam ten anker, voor-
zien met pas uit het vaderland ontvangen instructiën, die
hem voorschreven met den meesten nadruk te handelen en
overal nieuwe contracten met de inlandsche vorsten te sluiten.
Te Bantam was de toestand daarvoor bij uitstek ongunstig.
De Rijksbestuurder, oom en voogd van den jongen Sultan,
dien toen 13 jaren telde, was enkele jaren te voren in hevige
twisten gewikkeld geworden met de prinsen van den bloede,
de pangérans Aria Mandalika en Aria Rana Manggala, halve,
\') Journ. van Scott, t. a. p. 65.
-ocr page 354-
337
uit een goendik geboren broeders van den voor Palembang
gesneuvelden vorst\').
In October 1608 werd hij door den sjahbandar, denlaksa-
mana en eenige anderen der prinsenpartij in zijne woning
overvallen en vermoord, terwijl Pangéran Aria Rana Mang-
gala in zijne waardigheden trad. De adelspartij, die den
ouden rijksbestuurder had aangehangen, en waartoe vele
der poenggawa\'s, die verschillende deelen des rijks als erfe-
lijke leenen bestuurden, schijnen behoord te hebben, ver-
zette zich. De stad zelve was tusschen de strijdende partijen
verdeeld, die ieder het door hen bezette gedeelte als in een
openbaren oorlog versterkt hadden. Verhoeff wilde geen partij
kiezen, maar terwijl hij met den Sultan en zijn voogd over
een nieuw verbond onderhandelde, deed hij tegelijk openingen
omtrent eene overeenkomst aan den Pangéran van Jakatra,
die zich toen ook te Bantam bevond en de partij der poeng-
gawa\'s begunstigde. Beide vorsten vroegen uitstel, met ver-
wijzing op den oorlogstoestand. De admiraal, wiens tegen-
woordigheid elders werd gevorderd, gaf dus aan den president
der faktorie, Jacques 1\'Hermite, last, om het nieuwe verbond
met Bantam te sluiten, zoodra het den vorst zou gelegen
komen. Dat tijdstip bleef uit. De nieuwe rijksbestuurder be-
toonde zich geen begunstiger van de Europeanen en deed
vooral den Engelschen, maar ook den Nederlanders allerlei
kwellingen aan, zoodat L\'Hermite zich genoopt vond de on-
derhandelingen met Jakatra weder op te vatten, om zoo mo-
gelijk van den regent vrijheid van handel en verlof tot ves-
tiging te erlangen, opdat de Nederlanders in geval van nood
uit Bantam daarheen de wijk zouden kunnen nemen. De on-
derhandelingen slaagden naar wensch en een in November
1610 gesloten overeenkomst gaf aan de Compagnie vasten
voet in het toen nog onbeduidende Jakatra, in welke plaats na
weinige jaren de hoofdstad van Nederlandsch Indië zou verrijzen.
Inmiddels was den 9den April 1609 het bestand tusschen den
\') T. v. N. I. 1876. II. 356.
I.
22
-ocr page 355-
338
Koning van Spanje en de Vereenigde Gewesten gesloten,
maar zoowel uit de dubbelzinnige woorden van bet verdrag
ten aanzien van den Oost-Indischen handel, als uit de ge-
zindheden door de beide partijen aan den dag gelegd, was
reeds genoeg gebleken dat er geen vrede zou zijn aan de
andere zijde der linie, ja het stond te vreezen dat Spanje, nu
het in Europa de banden had ruim gekregen, zich in Indië
met onverdeelde kracht aan de onderdrukking van den handel
der Compagnie zou wijden. De bewindhebbers zagen dus de
noodzakelijkheid in ora een einde te maken aan bet veel-
hoofdig wanbestuur en daarvoor in de plaats te stellen bet
gezag van een Gouverneur-Generaal, die niet slechts over de
vloot, maar over alle zaken, kantoren en forten der Com-
pagnie in Indië het opperbewind zou voeren, De keuze viel
op Pieter Both, die den 30steQ Januari 1610 met acht schepen
uit Texel in zee stak, maar eerst den 19dei1 December, na
eene rampspoedige reis, Bantam bereikte. Onmiddellijk na
zijne komst te Bantam werd de raad van Indië, die hem in
het bestuur zou ter zijde staan, plechtig door hem geïn-
stalleerd.
Onbekend met hetgeen reeds door L\'Hermite was voorbereid,
badden de bewindhebbers in de instructie van Both doen
opnemen, dat hij met den regent van Jakatra in nadere
communicatie en alliantie zou treden. Daarom, hoe dringend
ook zijne tegenwoordigheid in de Molukken werd gevorderd,
ging hij niet derwaarts onder zeil, dan na, reeds in het begin
van Januari 1611, Jakatra bezocht te hebben. Ofschoon hij
tegen zijn verwachting den regent vrij onhandelbaar vond,
wist hij toch, met opoffering van eenige reeds door L\'Hermite
bedongen voordeelen, den afstand te verwerven van een stukje
grond, waarop hij een klein huis liet bouwen, terwijl hij er
voorloopig een posthouder aanstelde. Toen Both in October
1613, uit de Molukken terugkeerende, te Bantam kwam,
vond hij daar de zaken in den treurigsten toestand. Ofschoon
de jonge vorst thans naar inlandsche begrippen lang meer-
derjarig was, schijnt de rijksbestuurder nog altijd den grootsten
-ocr page 356-
339
invloed geoefend te hebben, zoodat in de geschriften van die
dagen hij veelal als de eigenlijke gebieder van Bantam voor-
komt. Vele misslagen en nalatigheden hadden zich de hoofden
der faktorie te verwijten gehad, maar zij waren er zwaar voor
gestraft. De loge was, waarschijnlijk op last van den rijks-
bestuurder, verbrand, onderscheidene Hollanders waren ver-
moord, zelfs het lijk van den overleden directeur Coteels was
opgegraven en onteerd, en slechts onder zeer bezwarende
voorwaarden kon verlof tot het bouwen eener nieuwe loge
verkregen worden.
Doch Both was gelukkig genoeg den rechten man te vinden
om aan het hoofd der zaken te plaatsen. Jan Pieterszoon
Koen, door hem aangesteld tot boekhouder-generaal en di-
recteur der kantoren Bantam en Jakatra, wist niet alleen
terug te winnen wat verloren was, maar de zaken der Com-
pagnie, die nooit ijveriger dienaar bezat, met zulk een
goeden uitslag te behartigen, dat hij als de grondlegger van
haar Indisch rijk mag beschouwd worden. Daarbij noopten
hem echter de gedurig te Bantam ondervonden moeilijkheden
meer en meer de aandacht op Jakatra te vestigen, waar in
1612 de kommandeur Hendrik Brouwer eene meer geschikte
plaats voor de vestiging van het kantoor van den regent had
verworven. Zij lag juist bij de monding van de Tji Liwong,
aan den rechteroever der rivier. Doch van de oprichting eener
sterkte in zijn land wilde de regent niets weten, en zoolang
de bewindhebbers der Compagnie nog tot geene beslissing
gekomen waren, of het middelpunt van haren handel en haar
bestuur te Bantam, Jakatra, of op eenige andere plaats zou
gevestigd worden, was de tijd nog niet daar om er op aan
te dringen. Ook de Pangéran rijksbestuurder van Bantam
was ongenegen, om aan de Nederlanders het bouwen der
sterkte te vergunnen die zij voor de veiligheid van hunnen
handel behoefden, en schoon hij gaarne aan de hoofdstad
de voordeden van den handel met de Europeanen verze-
keren wilde, begeerde hij toch bovenal dat deze door hooge
tolrechten vruchten zou opleveren voor de schatkist. De be-
-ocr page 357-
340
langen der Nederlanders werden tegen zijne vaak grilligeeischen
door Koen met groote bekwaamheid en volharding verdedigd.
De politiek van Koen bestond voornamelijk daarin, dat hij ,
gedurig tusschen Bantam en Jakatra heen en weder trekkende,
het personeel en materieel van het kantoor te Jakatra van tijd
tot tijd versterkte, en den schijn aannam alsof de Compagnie
Bantam geheel wilde verlaten, om den naijver van den
Pangéran op te wekken en hem tot meer toegevendheid te
bewegen.
Mijn bestek laat niet toe de worsteling tusschen den sluwen
en dubbelhartigen Javaan en den vastberaden en onverzette-
lijken Nederlander in bijzonderheden te volgen. Alleen moet
ik opmerken, dat de bewindhebbers der Compagnie, niets
van den stand der zaken begrijpende, Koen van de vereischte
middelen om den Bantammer door vertoon van macht ontzag
in te boezemen en zich tegelijk met nadruk tegenover de
Engelschen te doen gelden, schier geheel verstoken lieten.
Deze laatsten, die destijds gewoon waren overal te volgen
waar de Nederlanders den weg hadden gebaand, vestigden
zich in 1614 mede te Jakatra en verkregen er den afstand
van een stuk grond, waarop zij een huis bouwden, aan den
linkeroever der Tji Liwong, juist tegen over de Nederlandsche
faktorie, gelegen. De rijksbestuurder van Bantam werd meer
en meer verbitterd tegen den regent van Jakatra, half, zoo
het schijnt, omdat hem zijne toegevendheid jegens de Euro-
peanen ergerde, half omdat hij hem de voordeelen van hunnen
handel benijdde. Hij zocht dus een gelegenheid om dien regent
van zijn leen vervallen te verklaren en zijn gebied te hechten
aan de landen onder het rechtstreeksch beheer van de kroon.
Ofschoon reeds sedert 1611 in Europa onderhandelingen
tusschen de Engelsche en Nederlandsche Compagnieën tot be-
vordering eener betere verstandhouding waren gevoerd, werd
in Indië de verbittering tusschen beider dienaren steeds grooter.
In Bantam vielen in 1616 en 1617 weder gedurig straatge-
vechten voor, en Koen was zoo bij de Engelschen gehaat,
dat zij, zooals zij zich uitdrukten, de hoogste galg niet hoog
-ocr page 358-
341
genoeg voor hem achtten. Tegelijkertijd stegen de kwellingen
die de rijksbestuurder den Nederlanders aandeed, tot een
ongehoorde hoogte. De Gouverneur-Generaal Reael geloofde
nog altijd aan de mogelijkheid om door zachte middelen de
goede verstandhouding zoo met de Engelschen als met Bantam
te herstellen, maar Koen, meer voortvarend van aard, gaf
in zijne adviezen aan Reael en aan het Opperbestuur niet
onduidelijk te kennen, dat hij aan openbare vijandschap, zoo
met de Engelschen als met de Bantammers, verre de voorkeur
gaf boven den dubbelzinnigen toestand waarin hij zoo lang
tegenover beiden had verkeerd. De bewindhebbers bleven nog
steeds weifelend omtrent den weg dien zij hadden in te slaan,
daar zij nog altijd even besluiteloos waren omtrent de plaats
die zij voor het algemeen middelpunt van handel en gezag,
het algemeen rendez-vous zooals zij het noemden, verkiezen
zouden. Een samenloop van toevallige omstandigheden, veel-
meer dan een wèl overlegd plan, zou eindelijk in 1619 die
gewichtige vraag tot een beslissing brengen.
De moeilijkheden gerezen over het Fransche schip St. Mi-
chel, waarop Koen beslag had gelegd omdat, in strijd met de
nog kortelings verscherpte plakkaten der Staten-Generaal, een
aantal Nederlanders aan boord van dit schip en aan andere
Fransche schepen dienden, waren oorzaak dat hij niet alleen
dreigde Bantam geheel te verlaten, maar ook werkelijk meer
aandacht dan ooit te voren aan de faktorie te Jakatra begon
te wijden, die hem bij deze hevige twisten groote diensten
had bewezen. Die faktorie bestond reeds uit twee hoofdge-
bouwen, Nassau en Mauritius geheeten, door een pagger
omgeven en aan een 300tal personen tot verblijf strekkend.
Den 10den Juli 1618 besloot Koen hier eene kleine bezetting
te plaatsen, uit 24 man bestaande, een maatregel waartoe hij
vooral ook door een maar al te gegrond wantrouwen jegens
zijne Engelsche buren werd genoopt. Maar ook nu stond het
plan niet vast om hier het algemeen rendez-vous te stichten
en koesterde de directeur nog een oogenblik de hoop, dat de
tweedracht die tusschen de Engelschen en den rijksbestuurder
-ocr page 359-
342
van Bantam ontstaan was, hem den weg tot herstel der
verstandhouding met dezen laatsten zou hanen, toen de tijding
dat het Nederlandsch kantoor te Djapara was afgeloopen,
reeds den volgenden dag door een verraderlijken maar gelukkig
verijdelden aanslag op de loge te Jakatra gevolgd, hem de
overtuiging gaf, dat de vorsten en regenten van Java een
samenzwering hadden gesmeed, om door een algemeenen moord
der Nederlanders de stichting van een rendez-vous te voorko-
men. Koen, van alle zijden door overmachtige vijanden be-
dreigd, laat zich echter niet ontmoedigen. Hij brengt de kassen
van de faktorie van Jakatra in veiligheid op de schepen, en
besluit, zonder zich verder om de vergunning van den regent
te bekommeren, de loge in zoodanigen staat van tegenweer
te brengen, dat hij die tegen een binnen- en buitenlandschen
vijand kan staande houden. Hij werft matrozen aan die op
het punt stonden naar het vaderland terug te keeren, bouwt
bolwerken, werpt batterijen op, beplant ze met geschut, en,
zonder zich door de vertoogen van den rijksbestuurder van
Bantam en den regent van Jakatra, die door deze wending
der zaken verschrikt waren, in zijn voornemen te laten storen,
besluit hij den 22sten October, dat hier ten behoeve van het
Nederlandsch gezag een volkomen fort zal verrijzen.
Maar nog een erger vijand komt weldra opdagen. Wij zagen
reeds dat in Europa door de Nederlandsche en Engelsche
Compagnieën jaren lang onderhandelingen gevoerd waren om
beider twisten te beslechten. Het hoofdpunt in geschil was het
specerij-monopolie. De Nederlanders beweerden dat zij dit ten
koste van bloed en schatten op Spanje veroverd hadden en
voortdurend handhaven moesten, en dat het niet billijk was
dat anderen daarin deelden, tenzij ze ook deelden in de lasten
van den krijg. De Engelschen, zich beroepende op het gelijk
recht tot vrijen handel dat aan alle natiën toekomt, wilden
bij voortduring de lasten alleen door de Nederlanders doen
dragen, en, als onzijdigen, door vreedzamen handel voordeel
trekken van de ontweldiging der Molukken aan de Spaansche
heerschappij. Toen alle middelen om tot een vergelijk te ge-
-ocr page 360-
343
raken schenen uitgeput, waren de Engelschen tot het besluit
gekomen om de Nederlanders uit Indië te verjagen en te
trachten Koen, dien zij als hun bittersten en bekwaamsten
vijand beschouwden, dood of levend in handen te krijgen.
Koning Jakobus, ofschoon het behoud des vredes wenschende,
werd eenigermate medeplichtig aan de gewelddadige hande-
lingen der Compagnie door de dubbelzinnigheid der instructiën
aan de Engelsche vlootvoogden Thomas Dale en William
Parker gegeven, die den 8sten December 1618 met vijf schepen
voor Bantam verschenen, zoodat de Engelschen er thans een
vijftiental vereenigd hadden. Zij begonnen de vijandelijkheden
met zich meester te maken van een rijk geladen Nederlandsch
schip, de Zwarte Leeuw, dat bij Poeloe Pandjang, een eiland
op de reede van Bantam, aan lager wal was geraakt. Twee
andere ontsnapten ter nauwer nood aan het hetzelfde lot. Op
de vertoogen van Koen werd slechts een mondeling antwoord
gegeven, zoo schamper en beleedigend mogelijk.
De verlegenheid van Koen was groot; schier alle beschikbare
macht der Compagnie was gebruikt om hare forten in de Moluk-
ken tegen aanslagen te beveiligen; hij had onder zijn bereik
slechts zeven schepen, waarvan twee geheel geladen waren,
de vijf andere onttakeld en ontwapend bij het eiland Onrust
lagen. Naarmate de kansen voor de Nederlanders slechter
stonden, openbaarden zich ook meer vijandige voornemens
bij de Javanen. De listige regent van Jakatra trachtte Koen
met vriendschappelijke vertoogen en beloften van bijstand te
paaien, maar wierp inmiddels onderscheidene batterijen op,
die de Nederlandsche loge van alle zijden bedreigden, terwijl
hij te gelijker tijd de rivier met palen liet afzetten. Ook
in de Engelsche loge, aan de overzijde der rivier, was een
batterij tegen de onze opgeworpen. Koen besloot den aanval
zijner vijanden niet af te wachten, maar liet den 23sten een
uitval doen, waarbij het gelukte de batterij in de Engelsche
loge geheel omver te halen en de laatste, die slechts van zeer
geringen omvang was, te verbranden. Eene poging, twee
dagen later aangewend, om een bolwerk aan den mond der
-ocr page 361-
344
rivier te vernielen, dat de gemeenschap tusschen het fort en
de schepen afsneed, liep minder gunstig af. Door het vuur
van het fort werd voor \'t overige in de werken der Jaka-
tranen groote schade aangericht, maar niet minder hadden
de in haast en met gebrekkige middelen opgeworpen verde-
digingswerken van hun geschut te lijden. Men werkte echter
dag en nacht om de schade te herstellen, maar gebrek aan
ammunitie deed voorzien, dat de verdediging van het fort
niet lang zou zijn vol te houden.
Den 29sten December kwam de tijding, dat de Engelsche
vloot van Bantam was vertrokken en weldra voor Jakatra
zou verschijnen om de Nederlandsche loge aan te tasten en
te vernielen. Terwijl men zich in het fort gereed maakte om
eene tweede poging tot vernieling der werken aan den mond
der rivier te doen, zag men eensklaps elf Engelsche schepen
den hoek van Oentoeng Djawa voorbij zeilen. Er was geen
tijd voor lang beraad. Koen besloot met de zeven Nederland-
sche schepen de elf Engelsche tegemoet te gaan en geweld
met geweld te keeren. Na het bevel over het fort gedurende
zijn afwezen aan Pieter van den Broeck te hebben toever-
trouwd, ging hij in den nacht scheep. Op den 2den Januari
1619 kwam het tusschen de beide vloten tot een treffen, dat
drie uren duurde, echter noch zeer moorddadig noch beslissend
was. Met nog drie schepen versterkt wilden de Engelschen
den volgenden dag den strijd hervatten, doch Koen, die
schier al zijn ammunitie verschoten had, besloot oostwaarts
naar Amboina te loopen, om de Nederlandsche macht in de
Molukken te verzamelen en dan zoo spoedig mogelijk terug te
keeren. Koen en de breede raad door hem belegd begrepen
terecht, dat men de belangen der Compagnie niet aan de ver-
dediging van een enkel fort mocht wagen, en zich liever den
schijn van een lafhartig verlaten der bezetting dan de werke-
lijkheid eener onherstelbare nederlaag moest getroosten. Aan
de verdedigers van het fort werd van dit besluit kennis ge-
geven , terwijl zij vermaand werden de plaats zoo lang mogelijk
te behouden.
-ocr page 362-
345
Aan de versterking van het fort werd van 4 tot 13 Januari
zonder ophouden gewerkt; het herbergde 250 gewapende man-
nen en 150 niet weerbare personen. De Engelschen, die naar
het schijnt niet dicht genoeg bij den wal konden komen om
het met hun geschut te bereiken, bleven werkeloos, en den
13den Januari, toen al de bastions van het fort voltooid
waren, liet Van den Broeck de batterijen der Jakatranen hevig
en met goed gevolg beschieten. Ziende dat hij niets vorderde,
nam nu de regent het middel te baat, waarvoor Koen bij
zijn laatste schrijven de bezetting het ernstigst had aanbevolen
op hare hoede te zijn, en toch liet zij zich verschalken. Nadat
een koksvrouw — de eenige die in \'t fort daartoe in staat
was — enkele woorden van de brieven, die de Pangéran aan
de Hollanders zond, had ontcijferd, bleek het dezen, dat hij
onderhandelen wilde en in \'t Chineesch werd hem geantwoord
dat men daartoe genegen was. De regent gaf te kennen dat
hij den vrede wilde, mits hem de beloopene schade door de
Hollanders vergoed werd, en de onzen, vreezende dat hunne
verdedigingsmiddelen weldra zouden zijn uitgeput en het ontzet
niet spoedig zou opdagen, lieten zich bewegen voor eene be-
langrijke som, 6000 realen, het voorloopig behoud van het
fort te koopen; het zou blijven gelijk het was tot den terug-
keer van Koen en de bestaande contracten zouden bevestigd
worden. Ook zou aan de Engelschen verboden worden hunne
loge weder zoo dicht bij het fort te bouwen als te voren het
geval was. Tot bezegeling der hernieuwde vriendschap werd
Van den Broeck uitgenoodigd een feest in den dalam van
den Pangéran van Jakatra te komen bijwonen. Met een gevolg
van zeven personen begaf hij zich den 22sten Januari der-
waarts, maar nauwelijks hadden zij de hofplaats bereikt, of
zij werden overvallen, gekneveld en in de gevangenis ge-
worpen. Terstond daarna hervatten de Jakatranen en Engel-
schen den arbeid tot herstel hunner batterijen en na veel
loven en bieden gingen beide een verdrag aan, waarbij de
Hollanders van den handel werden uitgesloten; het fort zou
met behulp der Engelschen veroverd, maar aali den regent
-ocr page 363-
34(5
overgeleverd worden, nadat zij den buit onderling hadden
verdeeld; de Hollandsche bezetting zou op de Engelsche
schepen naar de kust van Koromandel worden overgebracht.
Van den Broeck schreef thans op last van den Pangéran aan
de bezetting, dat zij met den Engelschen generaal in accoord
zou treden en, geboeid voor het fort gebracht, om haar mon-
deling aan te manen zich aan de eischen der belegeraars te
onderwerpen, schijnt hij aan zijne landgenooten den raad
gegeven te hebben zich ter verzekering van den vrede te
verbinden het fort te zullen verlaten na den terugkeer van
Koen; zelf zou hij tot zoolang gijzelaar blijven. Blijkbaar was
het zijn streven tijd te winnen tot het beloofde ontzet zou
komen.
De opperkoopman Pieter van Raey, die thans in het fort
bevel voerde, liet den raad bijeenkomen; men overwoog dat
de vesting een beleg niet lang zou kunnen uithouden en dat
er zeer weinig kruit overbleef en het gevolg was dat de be-
legerden den 81sten eene capitulatie sloten, volgens welke het
fort aan de Engelschen en Jakatranen zou worden overgegeven,
en de Engelschen vóór die overgave Van den Broeck en diens
medegevangenen zouden bevrijden, welke met de geheele be-
zetting aan boord van de Engelsche schepen zouden gebracht
worden.
De Hollanders maakten nu aanstalten om te vertrekken,
toen eene gebeurtenis plaats had, die de gedaante der zaken
geheel deed veranderen. Bantam stak een spaak in \'t wiel.
Reeds den 303ten December hadden zich een menigte met
soldaten bemande prauwen in de Tji Angké, bewesten Jakatra,
vertoond om een oog in \'t zeil te houden en kort daarop had
een gezantschap van eenige Bantamsche edelen, en waarbij
zich ook een lid der Nederlandsche faktorie te Bantam be-
vond, den regent van Jakatra bezocht om zich op de hoogte
der zaken te stellen. Thans werd, op den lstenFebruari, een
Toemenggoeng van Bantam, met een bende van 3 of 4000
man door den rijksbestuurder gezonden, die begreep dat het
nu tijd werd om tusschenbeide te komen, daar hij evenmin
-ocr page 364-
347
de Engelschen als de Nederlanders te Jakatra gevestigd wilde
zien en hij ook den regent eindelijk wilde treffen; hij liet
den laatsten aanzeggen, dat noch hij noch de Engelschen zich
met de Nederlanders hadden te bemoeien, en eischte dat de
gevangenen hem zouden worden uitgeleverd. Zoodra dit ge-
schied was, werden zij in een prauw langs het fort naar
Bantam gevoerd; maar vóór zijn vertrek vond Van den
Broeck tijd om de bezetting te waarschuwen en haar op de
hoogte te stellen der veranderde omstandigheden.
In het fort kreeg men nu weder moed. Men weigerde zich
aan de Engelschen over te geven, die trouwens buiten staat
waren aan de gestelde voorwaarden te voldoen, en mocht
zich verheugen dat de Bantammers tevens een vijandige
houding tegen de Engelschen aannamen door de communi-
catiën tusschen hunne batterijen en schepen af te snijden, en
aan het gezag van den regent van Jakatra plotseling een einde
maakten. In den nacht van den 2den Februari werd de regent
met de kris op de borst genoodzaakt van den regentschap
afstand te doen, en daarop uit zijn dalam en naar het ge-
bergte gedreven. De bevolking stak geene hand voor hem uit,
en in een oogwenk was Jakatra bij de Bantamsche kroon-
landen ingelijfd.
Maar nu eischten de Bantammers dat het fort aan hen
zou worden overgegeven en wisten op hunne beurt Van den
Broeck, die nauw bewaakt en later zelfs weder als gevangene
behandeld werd, als werktuig te gebruiken om hunne bedoe-
lingen te bereiken. Zijne brieven hadden ten gevolge dat men
den 9den Februari besloot zich aan Bantam over te geven, maar
de langwijlige onderhandelingen over de voorwaarden gevoerd,
hadden het nut dat veel tijd werd gewonnen, en met tijd was
in dit geval schier alles gewonnen. De Engelschen vreesden
de Bantammers en wilden niet geheel met hen breken, waarom
zij zich zelfs van Jakatra verwijderden; en de Bantammers,
de dapperheid der Nederlanders kennende, wilden liever hun
doel door listige onderhandelingen bereiken, dan zich wagen
aan de bestorming der veste. Zij wisten niet hoe ellendig het
-ocr page 365-
348
daarbinnen gesteld was, hoe alle banden van tucht sinds lang
waren losgereten, hoe dikwijls het fort het tooneel was van de
ergerlijkste bacchanaliën.
De weigering der Engelschen om te beloven de onzen,
indien zij het fort verlieten, op weg naar Bantam niet aan te
vallen , een belofte die als voorwaarde voor de overgave gesteld
was, deed intusschen de aangeknoopte onderhandelingen
weder afspringen, en toen men in het fort de tijding ontving
dat de Engelschen trachtten zich nu weder met Bantam om-
trent een gezamenlijken aanval te verstaan \'), begon men toch
eindelijk in te zien, dat in eigen kracht en moed de eenige
kans van behoud was gelegen. Op 26 Februari nam de breede
raad het kloek besluit „om het fort te houden en vechten tot
den jongsten man toe". Men beijverde zich weder om aan de
verdedigingswerken te arbeiden. Deze houding boezemde ontzag
in; er werden wel voortdurend brieven gewisseld, maar de
oorlog hield feitelijk op, waarschijnlijk ook door verdeeldheid
onder de Bantamsche hoofden; bovendien zouden de Javanen
zonder Europeesch geschut weinig tegen het fort hebben kun-
nen uitrichten. De onzen verwachtten nu dat zij het fort inder-
daad zouden kunnen houden tot ontzet opdaagde, en wilden
daarom gaarne de eer hebben van in Koens afwezen den grond
voor het Nederlandsche rendez-vous gelegd te hebben. Den
12den Maart riep Van Raey de bezetting en verdere bewoners
van het fort bijeen, en gaf, onder het hijschen der vlaggen,
het luiden der klokken en het drinken van den eerewijn, aan
de vier bastions de namen van Holland, West-Friesland, Zee-
land en Gelderland en aan het geheele fort dien van Batavia.
Twee maanden lang bleef de vredevlag van Batavia waaien.
Ze werd slechts ingehaald den 9^ April, toen men, op de
tijding dat de Bantammers plan maakten de batterijen te
herstellen — uit vrees voor een aanval van Mataram, heette
het — een uitval deed en een drietal werken in de nabijheid
\') Wat echter niet juist was. Dale wilde de Javanen niet langer vertrouwen
en weigerde op de voorstellen van den rijksbestuurder in te gaan. Vgl. Tiele
in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. 5e Vr. I. 221.
-ocr page 366-
349
van het fort door brand vernielde. Terecht begreep de kapi-
tein, Jan Jansz van Gorcura, dat hij door een flinke houding
de Javanen het best in toom zou houden.
Den 10den Mei 1619 roeide eene sloep met twee raden van Indië
aan boord de Tji Liwong op, om de komst van Koen te verkon-
digen, en weinige dagen later verscheen hijzelf met 16 schepen
op de reede van Jakakra. Den 288ten zag Koen zijne stichting
weder. Onmiddellijk werd door hem en den breeden raad het
besluit genomen, de plaats tot algemeen rendez-vous, tot
hoofdstad der Nederlandsche bezittingen in Indië te verheffen.
Den 308ten stelde zich de dappere bevelhebber, met het rapier
in de vuist, aan het hoofd van een duizendtal strijdbare
mannen, brak met vliegende vaandels en onder het schallen
der trompetten door al de verdedigingswerken van den vijand
henen, dreef de Javanen, die omtrent 3000 man sterk waren
als kaf voor den wind voor zich uit en legde de geheele stad
in de asch. Toen de avond viel had Jakatra opgehouden te
bestaan en was aan het jonge Batavia, als het algemeen
middelpunt van den Nederlandschen handel in Indië, eene
schoone toekomst gewaarborgd.
Van het gebeurde werd reeds den volgenden dag aan den
Pangéran rijkshestuurder van Bantam kennis gegeven, en
men hield zich daarbij onzerzijds alsof men alleen met Jakatra
te doen gehad en de bevolking dier plaats voor hare trouwe-
loosheid gestraft had. Van Bantam werd tevens de invrijheid-
stelling der Nederlandsche gevangenen geëischt; vermeerderd
met de ontloopene bemanning van de vroeger door de En-
gelschen gekaapte „Zwarte Leeuw", waren ruim tachtig Ne-
der landers in de Bantamsche hoofdplaats bijeen. Toen Koen
vernam, dat de gevluchte vijanden zich op eenigen afstand
van het verwoeste Jakatra in twee bentings verschanst had-
den, werd onmiddellijk eene kolonne uitgezonden, die de
bentings na eenigen wederstand veroverde en over eene uitge-
strektheid van een halve mijl langs de rivier alle inlandsche
woningen opruimde.
Na de zaken in het fort geregeld te hebben, zeilde Koen
-ocr page 367-
350
met de vloot naar Bantam en dreigde het vuur op die stad
onmiddellijk te openen, als de gevangenen niet binnen 24
uren waren vrijgelaten. Binnen den gestelden termijn waren
zij allen aan boord en de Bantamsche grooten trachtten de
schuld van al het gebeurde op de Engelschen en Jakatranen
te werpen. Toen het echter na Koens vertrek weldra bleek,
dat de Bantammers vijandig gezind bleven en voortgingen de
Nederlanders in handel en proviandeering te belemmeren,
werden door de drie schepen , die hij had achtergelaten, eenige
jonken aangehaald, waardoor de verhouding zeer gespannen
werd. Den 18den Juli bekleedde Koen Van den Broeck met
het gezag over de schepen voor Bantam. Op diens vraag of
de Bantammers oorlog of vrede begeerden, kreeg hij ten ant-
woord dat het den vorst onverschillig was. Daarop werden
het geld en de goederen uit de Nederlandsche loge naar de
schepen gebracht en den 2den Augustus de vijandelijkheden
aangevangen, bestaande in het blokkeeren der haven en het
wegnemen van een aantal vaartuigen. Vele Chineezen die men
daardoor in handen kreeg, werden naar Batavia overgebracht
en legden den grondslag van de later daar zoozeer bloeiende
Chineesche volkplanting.
Tegen den zin van Koen, die de nieuwe stichting naar
zijne vaderstad Nieuw-Hoorn had willen noemen, werd de
naam „Batavia" door de bewindhebbers der Compagnie ge-
handhaafd. De inlandsche bevolking was er geheel gevlucht;
maar hoewel de rijksbestuurder van Bantam aan Javanen en
Chineezen op doodstraf verboden had naar Batavia te gaan en
dit ook elders op Java zooveel mogelijk belet werd, baatte
het weinig toen zij bespeurden dat er voordeel te behalen was.
Den Uden October 1619 was het aantal Chineezen reeds tot
400 geklommen en werden zij gesteld onder het bestuur van
een kapitein hunner natie. Maar ook het getal Europeanen
nam spoedig toe, en reeds in Maart 1620 werd een baljuw
over de stad en hare jurisdictie aangesteld, terwijl in Juni
een college van 5 schepenen, twee uit de dienaren der Com-
pagnie en drie uit de burgers, maar allen door den Gouver-
-ocr page 368-
351
neur-Generaal in rade benoemd, hem werd toegevoegd om
de zaken der stad te besturen en recht en gerechtigheid te
handhaven.
TIENDE HOOFDSTUK.
Mataram onder Sultan Ageng.
Wij herinneren ons dat Soeta Widjaja het rijk van Mataram
had nagelaten aan zijn tweeden zoon, Panembahan Séda
Krapjak, en aan zijn oudsten zoon Pangéran Poeger slechts
het bestuur over Demak had gegeven, welke beschikking dezen
laatsten tot zijns broeders vazal maakte \'). De oudere zoon was
echter ongeneigd daarin te berusten en maakte na zijns vaders
dood onmiddellijk aanspraak op de opperheerschappij, waarbij
hij door vele regenten van Oost-Java gesteund werd. De
scheuring werd gevolgd door een driejarigen oorlog, en wij
zagen reeds dat, toen Jacob van Heemskerck in 1602 voor
Demak kwam, die krijg in vollen gang was\'). Heemskerck
had eenige gevangenen in handen van Pangéran Poeger moeten
achterlaten, die, misschien in de hoop van langs dezen weg
spoedig hunne vrijheid te verkrijgen, zich bijzonder onder-
scheidden, toen kort daarna Demak door het leger van Ma-
taram nauw werd ingesloten. Het was ten deele aan hunne
dapperheid te danken, dat toen het beleg van Demak moest
worden opgebroken; maar reeds in 1604 werd het hernieuwd,
met het gevolg dat de stad veroverd, de opstand bedwongen,
Pangéran Poeger gevangen genomen en naar Koedoes geban-
nen werd. Vervolgens tuchtigde Séda Krapjak een anderen
zijner broeders, Pangéran Djagaraga, die zich in Panaraga
had genesteld; maar het gelukte hem zoo weinig als zijn vader
zijn gezag in al de oostelijke provinciën te doen erkennen.
De ziel van het verzet was nog altijd de machtige Adipati
van Soerabaja, die, geruggesteund door den priestervorst
\') Zie bl. 312.                *) BI. 333.
-ocr page 369-
352
van Giri, Soesoehoenan Kawis Goewa, bij voortduring een
onafhankelijk gezag oefende\'), dat zich over al de landen
van den Oosthoek tot aan Balambangan uitstrekte. Dat de
Soesoehoenan van Giri door de Javanen, ook de vorsten niet
uitgezonderd, als opperpriester vereerd werd, staat vast");
maar over den aard van zijn politiek gezag wordt verschillend
geoordeeld. Aan zijn titel van Soesoehoenan was volgens
sommige inlandsche berichten ook een onafhankelijk politiek
gezag verbonden, dat hij zou verloren hebben na den dood
van Soeta Widjaja, daar de Adipata van Soerabaja hem den
oorlog aandeed, tot de erkenning van zijn oppergezag in
wereldlijke zaken dwong, en noodzaakte den titel van Soesoe-
hoenan met dien van Panembaham te verwisselen 3). Doch
hebben wij hier niet met eene onhistorische verheerlijking
der priestervorsten door latere overlevering te doen? Zijn zij,
wat het wereldlijk gezag betreft, wel ooit iets anders geweest
dan vazallen achtereenvolgens van Madjapahit, Demak en
Padjang, en behoorden zij dus niet als van zelve tot het
\') Zie bl. 305, 310.
-) Eerste schipvaerd der Hollanders naar O. Indië in Begin en Voortgang,
bl. 63: „De stadt Gerrici heeft een koningh, die van alle d\'andere Javaansche
koningen met ghevouwen handen altoos aenghesproken wort, in der manieren
als de slaven hare overheeren ghewoon zijn aen te spreken". — Schipvaerd
Oliviers van Noort, in Begin en Voortgang, bl. 52: „In Joartan woonde de
opperste priester der Indianen in Java, die een stuck weegs buyten de stad
een hof\' hadde met veel huysen". — Brief van Koen dd. 22 Oct. 1615, bij De
Jonge, IV. 35: „Eenige maenden te vooren sijn 2 mannen van de logie, aen *t
geberchte buy ten Grissé, daer der Mahometisteu paus is woonende, als honden
doot geslagen zonder datter yets op gevolcht zij, den Coninck hielt hem hieromme
geheel gestoort, maer wie sal den paus in den ban doen." Zie ook bl. 236,244.
3) Zie Wiselius, „Historisch onderzoek naar de geestelijke en wereldlijke
suprematie van Grissé,\'" in D. XX111 van het ï. v. I. ï. L. en Vk., die
zijne voorstelling aan de door hem vermelde Grisseesche kroniek schijnt te
ontleenen. Die schrijver gelooft echter evenmin als ik, dat de vorsten van Giri
de geestelijke en wereldlijke oppermacht in zich vereenigden en de ware sou-
vereinen van geheel Java waren. In die bewering, uitgesproken in T. v. N.
I. 1871, II, 354, zie ik slechts miskenning der eigenaardige Javaansche
toestanden, waarbij van strenge toepassing der publiek-rechtelijke voorschriften
van den Islam geen sprake kan zijn.
-ocr page 370-
353
gebied van den Adipati van Soerabaja, toen deze als het
hoofd der Oost-Javaansche regenten tegen het huis van Ma-
taram in het strijdperk trad? Van het oogenblik af dat de
vorsten van Mataram naar een volstrekt oppergezag, ook in
geestelijke zaken, streefden, waren die priestervorsten hun
natuurlijk een doorn in het oog, en het schijnt mij toe dat
wij aan deze alleen alle pogingen om hen te vernederen
hebben toe te schrijven. Maar juist daarom werden de pries-
tervorsten te vaster verbonden met de partij die zich tegen
de aanmatigingen van Mataram bleef verzetten, en vonden
alle misnoegden bij hen nog een toevlucht, toen zelfs Soera-
baja zich reeds onderworpen had.
In 1610 hervatte Séda Krapjak den krijg tegen de weêr-
spannige gewesten. Kediri, Kertasana, Wirasaba\') moesten
achtereenvolgens voor zijne wapenen bukken, en in 1613
werden ook Grissee en Djaratan door hem aangetast en ver-
nield.
Men zal zich herinneren dat sedert 1602 te Grissee een
Nederlandsche faktorie bestond =), die eene groote rol speelde
in den specerij handel. De kommandeur Hendrik Brouwer,
in 1612 daar ter plaatse komende, had er Javaansche koop-
lieden gevonden, die, in weerwil der contracten van uitslui-
tende levering door de Compagnie met de hoofden van Banda
gesloten, in het bezit waren van Bandasche foelie en noten,
en deze verkochten aan de Portugeesche handelaars waarvan
die plaats destijds wemelde. Als vertegenwoordiger der Com-
pagnie had Brouwer daarover zijn ongenoegen aan den Adipati
van Soerabaja te kennen gegeven. De gespannen verhouding
die hieruit ontstond, is waarschijnlijk mede oorzaak geweest
dat Brouwer den blik voor het stichten eener nieuwe faktorie
naar Djapara begon te wenden, welks regent onderhoorig was
aan den vorst van Mataram 3). Toen de Gouverneur-Generaal
Both in September 1613 te Grissee kwam, was de stad veertien
1)  Thans MadjH-ageng of Ngoemplak. Zie bl.208.
2)   Zie bl. 333—5.
\') Brief van Brouwer bij De Jonge, IV. 2, 4»
I.
                                                                                                                       23
-ocr page 371-
354
dagen te voren door de troepen van Mataram verbrand en
haar muurwerk geslecht. Ook de Nederlandsche loge was vernield;
de daar gevestigde Europeanen echter hadden zich in tijds
met geld en goederen door de vlucht naar Soerabaja gered.
Doch door hevige ziekten, die onder de legerscharen van Ma-
taram uitbraken en velen ten grave sleepten, werd de Panem-
baham omstreeks dien tijd tot den terugtocht genoodzaakt.
Both vernam van verschillende zijden, dat Séda Krapjak met
de Nederlanders in betrekking wenschte te komen. De regenten
van Djapara en Koedoes \') beijverden zich als om strijd om
de Nederlanders tot zich te lokken en hun een plaats in
hun land aan te bieden. Both gaf de voorkeur aan Djapara,
omdat deze plaats bijzonder gunstig gelegen en sedert lang de
zetel van een bloeienden handel en de rijst er overvloedig en
tot lagen prijs te bekomen was. Hij stichtte dus hier eene
faktorie, voornamelijk met het doel om daar voor de bevolking
en de garnizoenen der Molukken de noodige rijst bijeen te
brengen, en vertrok den 3den October naar Bantam. Maar
weinige dagen later kreeg men de tijding dat de Panembahan
van Mataram zelf was bezweken, vermoedelijk aan dezelfde
ziekte die zijn leger zoo zeer had geteisterd. Hij liet een zoon
na die tot zijn opvolger bestemd, maar niet ouder dan zeven
of acht jaren was, doch de onzen vernamen dat ook andere
prinsen van den bloede naar de kroon stonden, en wachtten
dus gewichtige gebeurtenissen\').
De Javaansche babads leeren ons dat Séda Krapjak werd
opgevolgd door zijn oudsten zoon Marta-Poera, die den titel
van Soesoehoenan voerde en tot 1638 leefde; maar dat deze
ziekelijk en daarom volgens Javaansche begrippen tot de re-
geering onbekwaam was, waarom zij in zijne plaats, als
regent of stedehouder, aanvaard werd door zijn jongeren
broeder Raden Mas Rangsang, ook genoemd Praboe Pandita
Tjakra Koesoema, en later zoo beroemd geworden onder den
\') Deze naam schijnt te schuilen in (Joutis.
s) Zie de brieven van Both en Koen bij De Jonge, IV, onuitgegeven stuk-
ken, no. III en IV.
-ocr page 372-
355
naam van Sultan Ageng \'). Het is niet twijfelachtig of hij is
dezelfde persoon op wien de Nederlandsche berichten vooral
het oog hebben, als zij spreken van andere prinsen die naar
de kroon stonden. In een van beide voorstellingen moet de
geschiedenis verminkt zijn; maar wie zich herinnert hoe de
Javaansche verhalers gewoon zijn te fantaseeren, zal zeker,
al moet hij de mogelijkheid van misverstand erkennen, de
voorkeur geven aan de gelijktijdige berichten der Nederlan-
ders. Het waarschijnlijkst is wel, dat Marta Poera inderdaad
een jongere zoon en nog een kind was, maar dat hij door
zijn vader, met voorbijgang van een ouderen zoon, tot opvolger
was aangewezen; dat echter de aanhang van den ouderen
broeder er in slaagde den jongen vorst, als ongeschikt voor
de regeering, ter zijde te schuiven, en dat reeds na weinige
weken of maanden Tjakra Koesoema als de werkelijke heer-
scher optrad, terwijl zich zijn broeder met eenig ijdel eerbe-
toon moest vergenoegen.
De Jonge heeft uit de archieven het tot hiertoe onbekende
feit aan het licht gebracht, dat de Gouverneur-Generaal Both
reeds den 9den April 1614 den koramandeur Gaspar van Zurck
naar Djapara zond, om vandaar, als gezant zoo het heette
van prins Maurits, naar het hof van Mataram te reizen, ten
einde den nieuwen vorst te begroeten en met hem een ver-
bond te sluiten. Van Zurck bereikte het hof na eene reis van
zes dagen en werd met vele eerbewijzen ontvangen. De ge-
bieder van Java was een jongeling van omstreeks 23 jaren,
met een barsch voorkomen 5). Met fierheid gaf hij te kennen
dat hij een prins en soldaat, en niet, zooals de andere vorsten
van Java, een koopman was; dat ieder vrij en onbelemmerd
in zijn gebied mocht verkeeren, zonder betaling van tollen,
\') Hageman in Ind. Arch. III. 270, Handleiding I. 97; Wilkens in T. v.
N. I. 1849, II. 212; Kaffles II. 163. Crawfurd II. 326 noemt echter Sultan
Ageng „den oudsten zoon".
5) „Wat de voors: raden doen, bevalt den Keyser wel, alsoo hy jonck is,
omtrent 23 jaren oudt, vreedt van gesicht als een Turck". Remonstrantie van
Van Eyndthoven bij De Jonge, IV. 58.
-ocr page 373-
350
en dat hij gaarne aan de Hollanders vrijheid en de noodige
hulp wilde geven om zich te Djapara een steenen versterking
te bouwen, waarin zij zich tegen hunne vijanden konden ver-
dedigen totdat hij hun te hulp kon komen. Voorts verklaarde
hij dat, nu Grissee en Djaratan veroverd waren, hij zijne
wapenen tegen Soerabaja ging keeren; dat hij aan de Hol-
landers, zoo zij het verlangden, Djaratan wilde afstaan, en
dat, schoon hij geen oorlog met Bantam had , hij 40 galeien
aan de Compagnie ter hulp wilde zenden, indien zij een
slechte behandeling van den vorst van dat rijk ondervinden
mocht\').
De komraandeur Van Zurck stierf op de terugreis aan den
rooden loop; het gezantschap had voor de Nederlanders het
gunstige gevolg, dat hun vrije uitvoer van rijst uit Djapara
toegestaan en bijstand tot het bouwen eener steenen loge
toegezegd werd. Diensvolgens gaf dan ook de Gouverneur-
Generaal Reynst in Mei 1615 aan den raad van Indië Steven
Doenssen last, het kantoor te Grissee op te breken en naar
Djapara te verplaatsen, aldaar de beraamde versterking te
bouwen en er als opperhoofd te blijven, en met den vorst van
Mataram eene nadere overeenkomst aan te gaan.
Het optreden van een nieuwen vorst had de oostelijke
gewesten niet meer geneigd gemaakt om het gezag van Ma-
taram te erkennen. Zoo spoedig mogelijk dus verzamelde de
Panembahan een talrijk leger, dat hij onder de bevelen stelde
van Soera-antani. Deze veldheer wierp zich in Wirasaba en
Selaga (Malang), maar behaalde geen blijvende voordeelen;
daarentegen liet hij overal de vreeselijke sporen van zijn door-
tocht achter in verwoeste akkers, vernielde dorpen, over de
kling gejaagde of gevankelijk weggevoerde bewoners. Wel lezen
wij in een brief van Koen, dat in September 1614 een groote slag
zou geleverd zijn, waarin het leger van Mataram wel 40,000,
dat van de tegen den Panembahan verbonden regenten slechts
10,000 man verloor, en die toch als een overwinning van
\') Koen bij De Jonge, IV. 23.
-ocr page 374-
357
Mataram beschouwd werd, omdat de Panembahan, wegens
de volkrijkheid van zijn land, een grooter verlies van man-
schappen gemakkelijker dragen kon \'); maar behalve dat de
cijfers wel zeer overdreven zullen zijn, kan hier reeds daarom
van een besliste overwinning geen sprake wezen, omdat wij
in het volgende jaar de verbonden weerspannige regenten met
nieuwe kracht den krijg zien hervatten. Onder de leiding van
den Adipati van Soerabaja trokken de regenten van Lasëm,
Toeban, Djapan, Wirasaba, Pasoeroean, Arisbaja en Soe-
menep te velde\'), en aangevuurd door de voorspellingen van
den nieuwen priestervorst van Giri, Pangéran Ageng, die in
het vorige jaar Kawis Goewa was opgevolgd, trok een groot
leger westwaarts, in de hoop van Mataram te verdelgen. Doch
zorgeloos en zonder kennis des lands voortrukkende, zagen
zij hun voorraad van levensmiddelen reeds uitgeput eer zij
Padjang bereikt hadden, zoodat zij zich moesten voeden met
boombast en wortelen, en, door ziekten aangetast, den aanval
van het leger van Mataram niet konden weerstaan. Tot de
verslagenen behoorde de regent van Djapan, wiens dapperheid
de Panembahan van Mataram, zoo verhaald wordt, verheer-
lijkte met de woorden: „dit is inderdaad het lijk van een
echten krijgsman; laat het met eere behandeld en met onder-
scheiding begraven worden." Daarna zich tot den Adipati van
Padjang wendende, wiens trouw verdacht was, prees hij het
gevallen hoofd, omdat hij zich als een open en eerlijk vijand
had gedragen.
Toen Doenssen in Juli 1615 te Djapara kwam, vond hij
dat de Panembahan, geheel door den oorlog bezig gehouden,
zijne beloften slecht had vervuld en nog zeer weinig bouw-
materiaal verzameld was; maar dat zich daarentegen bij Kali
Njamat *) eene krijgsmacht van 20,000 man had gelegerd,
\') Koen bij De Jonge, IV. 23.
a) Soury en Van Eyndthoven bij De Jonge, IV. 28, 58.
3) Dit is stellig de naam die in het dikwijls in de brieven van Soury en
anderen vermelde Cliamat schuilt. Zie Soury bij De Jonge, IV. 30,31. In het
verhaal van het gezantschap van Maseyck, ald. bl. 95, wordt deze plaats Calyu
-ocr page 375-
358
aangevoerd door den regent van Kendal, een der bevelhebbers
van den vorst van Mataram, die inmiddels zelf met een ander
leger voor Wirasaba lag. Doenssen wendde zich tot den regent
van Kendal om door zijne tusschenkomst tot den Panembahan
te worden toegelaten. Doch dit werd niet alleen geweigerd,
maar de regent eischte zelfs betaling voor de vroeger beloofde
bouwmaterialen en een geschenk voor den Panembahan van
vier stukken geschut. De zending van Doenssen moest dus
als mislukt beschouwd worden, en men had zich te Djapara,
bij gebrek van werkvolk en steenen, met het oprichten van
eenige pakhuizen van hout en bamboe te vergenoegen. Beter
slaagde de rijsthandel; want in minder dan 5 maanden werden
500 lasten verscheept. Maar de eischen der regenten , van wie
men intusschen niet wist of zij al of niet op last van den
Panembahan handelden, werden steeds hooger, en op grond
dat te Djapara geene tollen geheven werden, vroegen zij ge-
durig meer geschut, diamanten en goud. Zonder het hooge
belang van den rijsthandel zou wellicht reeds toen het kantoor
te Djapara weder zijn opgeheven, te meer daar omstreeks
dezen tijd ook de vorst van Tjeribon, waarschijnlijk door
naijver gedreven, een verblijf in zijn land aan de Compagnie
aanbood \').
In de hoop dat een rechtstreeksch beroep op den Panem-
bahan aan de ondervonden kwellingen een einde maken en
tot voldoening der aan Van Zurck gedane beloften leiden zou,
droeg de Gouverneur-Generaal Reael in 1616 eene nieuwe
zending naar Mataram op aan den opperkoopman Gerrit
Druyff. Deze afgevaardigde had onder andere in last den
Panembahan te polsen omtrent zijne gezindheid jegens Ban-
tam; hem, door het prikkelen zijner roemzucht, op te wekken
de wapenen tegen dat rijk te keeren, en hem daarvoor
een bondgenootschap met de Compagnie voor te slaan, onder
voorwaarde dat haar een vrij verblijf te Bantam en het mono-
Jamatt genoemd. Bij Valentijn IV. I. 28 en op de kaart heet zij Kaliamat.
Vgl. bl. 301, 317.
\') Koen bg De Jonge, IV. 52.
-ocr page 376-
359
polie van den peperhandel aldaar zou worden vergund \').
Maar het plan werd gelukkig verijdeld door de slechte ontvangst
die aan Druyff ten deel viel, en die men wel zal mogen toe-
schrijven aan een weerzin die allengs bij den Panembahan
was opgekomen, om aan de vreemde handelaars het aanleggen
van sterkten in zijne staten te vergunnen, vooral nu hij door
den wassenden voorspoed zijner wapenen minder behoefte aan
bondgenooten en minder vrees voor nieuwe vijanden had.
Welke de gevolgen zouden geweest zijn indien de machtige
potentaat een gunstig oor had geleend aan de voorstellen der
Hollanders om te trachten vorst van Bantam en „consequen-
telijck Heer over geheel Java" te worden, valt moeilijk te
schatten. Toen Koen het gewaagde van deze aanbiedingen
inzag, ontried hij sterk mede te werken tot de uitbreiding der
macht van Mataram.
Toen Reael in September 1617 zelf te Djapara kwam, vond
hij dat de bouw van een versterkte loge nog steeds werd
tegengehouden, en moest hij blijde zijn dat hij, door geschen-
ken aan den sjahbandar en concessiën aan den handel der
Javanen op de Molukken, althans de vrijheid tot het oprichten
van een steenen pakhuis verwierf. In het volgende jaar zagen
de Nederlanders zich ook in het opkoopen van rijst gedwars-
boomd, maar nog altijd hadden zij geen vermoeden van eenig
vijandelijk voornemen, en toen Reael in Juni 1618 opnieuw
te Djapara kwam, maakte hij geen zwarigheid wederom een
gezant met eenige geschenken naar den Panembahan te zen-
den, om hem tot de hernieuwde vergunning van den vrijen
uitvoer van rijst te bewegen. De koopman Cornelis van
Maseyck, met deze zending belast, werd wel is waar niet tot
den Panembahan toegelaten, maar ontving uit zijn naam de
inwilliging van zijn verzoek, en keerde naar Djapara terug,
zeer ingenomen met de welwillende bejegening die hij onder-
vonden had. De uitkomst leerde maar al te spoedig dat die
vriendschap geveinsd was geweest.
») Druyff bij De Jonge, IV. 56.
-ocr page 377-
360
Intusschen gaven deze zendingen naar Mataram aanleiding
tot geruchten die zoowel de Bantamsche regeering als den
Pangéran van Jakatra naijverig en wantrouwend maakten; eerst
heette het dat de Hollanders met Mataram vereenigd Bantam
zouden veroveren, daarna zelfs, dat in die bondgenootschap
niet alleen Mataram, maar ook Palembahg en Soerabaja op-
genomen waren.
De Panembahan van Mataram had inmiddels in 1616 het
regentschap Lasëm (Rembang) onderworpen en in 1617 een
groot leger onder bevel van Merta Laja naar Pasoeroean
gezonden, welk gewest met weinig moeite veroverd werd. Ver-
volgens was de regent van Padjang, die ten laatste de partij
der weêrspannigen openlijk omhelsd had, door de vermees-
tering en geheele vernieling zijner hoofdplaats getuchtigd. Dit
had plaats in 1618, kort vóór de zending van Van Maseyck,
in wiens rapport wij lezen dat hij, het gebied van Padjang
doortrekkende, slechts verlaten dorpen vond, wier bevolking
naar Mataram was weggevoerd en daar in den omtrek der
hoofdstad tot het maken van tichelsteenen werd gedwongen \').
Slechts weinige dagen nadat Van Maseyck te Djapara was
teruggekeerd, op den achtsten Augustus, werden deze en de
opperkoopman Van Eyndhoven onder een voorwendsel door
den regent bij zich ontboden en onverwacht gevangen geno-
men; tegelijkertijd werd de Nederlandsche loge plotseling,
op last van den Panembahan, overvallen, de goederen ge-
roofd, drie Nederlanders gedood, eenige anderen gekwetst en
de overigen, waaronder Van Maseyck en Van Eyndhoven,
gevankelijk naar Mataram gevoerd, schoon met de verzekering
dat zij niet voor hun leven behoefden te vreezen. Koen, die
den 19den Augustus van dat feit bericht kreeg, aarzelde geen
oogenblik, gelijk wij vroeger zagen5), om aan te nemen dat de
vorsten van Java zich onderling verbonden hadden om de
stichting van een algemeen rendez-vous door de Nederlanders
te beletten; waarschijnlijk is dit niet, en zeker stonden de
\') Van Maseyck bij De Jonge, IV. 89, 90.
») BI. 342.
-ocr page 378-
361
Nederlanders, vooral Van Eyndhoven, schuldig aan schending
der zeden\').
Ofschoon Koen zelf te Jakatra in een benarden toestand
verkeerde, bleef hij niet in gebreke den Panembahan met
nadruk te bewijzen, dat de Nederlanders geene beleediging
ongewroken lieten. Hij zond den Raad van Indië Arent Maert-
sen met vier schepen naar Djapara, die, na vruchteloos den
weg der onderhandeling tot bevrijding der gevangenen beproefd
te hebben, den 8sten November met 160 man eene landing
deed, de versterkingen van Djapara veroverde en vernielde,
en een aantal schepen en prauwen op de reede verbrandde.
De Pangéran van Demak, die er \'t meest schade bij leed, bood
zijne bemiddeling aan tot herstel van den vrede; doch de
instructiën van den bevelhebber der vloot riepen hem naar
Makassar. Aan de Nederlanders werd weder het opkoopen van
rijst te Djapara vergund, maar de gevangenen werden niet
vrij gegeven, waarom Koen het noodig vond, toen bij in
Mei 1619 met eene wel uitgeruste vloot uit de Molukken naar
Jakatra terugkeerde, in het voorbijgaan andermaal, thans door
400 man, een tuchtiging aan Djapara toe te dienen, waarbij
op nieuw een groot deel der stad werd verbrand. De Panem-
bahan, destijds door de onderwerping van Toeban bezig ge-
houden \'), schijnt zich weinig om het lot van Djapara
bekommerd te hebben, totdat hij vernam dat Koen sedert den
aanvang van 1619 betrekkingen met zijn erfvijand den Adipati
van Soerabaja had aangeknoopt en dezen twee stukken geschut
ten geschenke had doen aanbieden. De Panembahan trachtte
nu den Gouverneur-Generaal — want deze waardigheid had
Koen in Maart 1619 gedurende zijn verblijf in de Molukken
aanvaard — vrees in te boezemen door den uitvoer van rijst
op nieuw te verbieden, die men in Jakatra zeer van noode
\') Dat de ware reden het nemen van Javaansche vaartuigen zou geweest zijn
en Koen die zou verzwegen hebben (Tiele in Bijdr. t. d. T. L. en Vk. v. N. I.
5e Vr. I. 213) is, althans wat het laatste betreft, onjuist. Koen beweerde,dat
die roof door Engelschen geschied was (De Jonge IV. 156).
») Koen bij De Jonge, IV. 189.
-ocr page 379-
362
had; tegelijk liet hij Koen door zijn gezant te Tjeribon polsen
omtrent een gemeenschappelijken aanval op Bantam. De Hol-
landers zouden de stad en het land mogen behouden, wanneer
buit en gevangenen aan den Panembahan werden uitgeleverd.
Het was als een antwoord op de zending van Druyff, maar
Koen was zoo verstandig er niet op in te gaan. Evenzeer
verborg hij den overlast, dien men van het verbod tot rijstuitvoer
ondervond, en had de voldoening dat de Javaansche hoofden,
die er geen uitwerking van zagen en er ook zelf schade van
hadden, het verbod niet handhaafden. Nu liet de Panembahan
door den regent van Kendal aan Koen te kennen geven, dat hij de
gevangenen noch van kant maken, noch voor geld vrij geven
wilde, maar dat hij hen zonder rantsoen zou loslaten, indien
zich een Nederlandsch gezantschap vertoonde aan het hof te
Karta, zooals de hofplaats van Mataram dikwijls genoemd
wordt \'). Uit de verdere onderhandelingen met den regent
van Kendal werd het duidelijk wat de Panembahan eigenlijk
begeerde. Hij wilde dat de Nederlanders, die nu eenmaal op
Java gevestigd en niet gemakkelijk uit hunne vesting te
verdrijven waren, hem, evenals de Javaansche vorsten, als
opperheer erkennen en door het zenden van een jaarlijksch
gezantschap hulde bewijzen zouden. In een onderschepten
brief van den Panembahan aan den Oapitan Mor2), den Por-
tugeeschen gouverneur, van Malakka vond men uitdrukkelijk
uitgesproken, dat de Nederlanders door zich te Jakatra te
vestigen zich tot onderzaten van het rijk van Mataram had-
den gemaakt. Tevens was het daaruit duidelijk, dat hij zich
die ongeroepen onderdanen nog gaarne van den hals wilde
schuiven; want het eigenlijk doel van het schrijven scheen
te zijn, den Kapitein bevreesd te maken dat de Nederlanders
") Koen bij De Jonge, IV. 269: „\'t Hoff is gelesjen in een zeer grote
volkrycke open plaetse, Charta genaemt, daer de Mataram hem meest onthoudt."
Vgl. noot 1 op bl. 320.
:) Mor is een samentrekking van maior. De door Nederlandsche schrijvers
dikwijls gebruikte vorm Capitan Moor zou tot een geheel verkeerde opvatting
aanleiding kunnen geven.
-ocr page 380-
363
den toevoer van rijst naar Malakka zouden belemmeren, en
hem daardoor op te wekken in hunne verdrijving behulpzaam
te zijn. Reeds te voren had de Panembahan het gerucht laten
verspreiden, dat hij weldra met een ontzaglijk leger voor
Batavia zou verschijnen; ook had hij getracht eenige Hol-
landsche kooplieden, die zich weder te Grissee gevestigd
hadden nadat daar het gezag van den Adipati van Soerabaja
hersteld was, door den regent van Djapara te doen oplichten;
de aanslag was echter door een Nederlandsch schip verijdeld.
Dit alles geschiedde in 1620.
In 1621 kon men echter weder eene verandering in de
gezindheden van den Panembahan waarnemen, toen werkelijk
de uitvoer van rijst naar Malakka door de Nederlandsche
kruisers belet werd en de tegenwoordigheid van eenige Ne-
derlandsche jachten te Grissee den Adipati van Soerabaja tot
steun verstrekte in de verdediging dier plaats, die op nieuw
door de legers van Mataram bedreigd werd. De sluwe Javaan
achtte het nu weer in zijn belang stappen te doen om de
vriendschap met de Nederlanders te hernieuwen en zond zes
der Nederlandsche gevangenen zonder losprijs terug.
In 1622 ging hij verder. Den 15den Juni meldden zich bij
Koen gezanten aan van den Toemenggoeng van Tegal, die
zich nader verklaarden omtrent de plannen van den Panem-
bahan. Vooral wenschte hij Krawang, dat zijne voorzaten
reeds bezeten hadden, maar nu door Bantam onderworpen
was, te herwinnen en Bantam te tuchtigen, nog liever dit te
samen met de Nederlanders te veroveren. Hij gaf het verlangen
te kennen om met den Gouverneur-Generaal zelven, of, zoo
dit niet kon, met een gezant van zijnentwege in het geheim
over deze zaak te spreken. Natuurlijk wenschte Koen zich
niet tot deze plannen te leenen. Ook de Bewindhebbers, wier
raad hij gevraagd had, achtten het ongeraden Mataram tegen
Bantam te helpen; men moest, zeiden zij, „den een tegen
den ander laten slijpen en consumeeren" \'). Koen wenschte
\') Tiele in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. 5e Vr. II. 28Q—1.
-ocr page 381-
364
echter den Panembahan te vriend te houden en tevens nadere
kennis van den toestand zijns rijks te verkrijgen. Den 248ten
Juni werd dus een plechtig gezantschap afgevaardigd, aan
welks hoofd Dr. De Haan stond. Den Uden Augustus werden
de gezanten met vele eerbewijzen te Karta ontvangen. De
Panembahan verlangde dat alles wat te Djapara was voor-
gevallen van weerszijden vergeven en vergeten zou zijn, bood
aan de Nederlanders den vrijen uitvoer van rijst en andere
levensmiddelen uit al zijne havens aan, beloofde dat hij hen
vrij en onbelemmerd te Batavia zou laten wonen en sprak
veel over zijne plannen tegen Bantam, dat, naar zijn zeggen, be-
trekkingen met Soerabaja onderhield. Zijn voornemen was, zoodra
Soerabaja onderworpen zou zijn, de wapenen tegen Bantam te
keeren, en hij wenschte dat de Nederlanders de blokkade die
zij daar uitoefenden zouden volhouden. De Compagnie behoefde
niet te vreezen dat de Bantammere de peperranken gedurende
den oorlog vernielen zouden; want na de verovering zou hij
de bevolking gelasten op nieuw peper te planten. Hij was
blijkbaar van meening dat de Compagnie zijne hulp tegen
Bantam op hoogen prijs zou stellen, en bevroedde dus niet
hoe zeer de oorlogstoestand de staatkunde van Koen in de
hand werkte, die door de blokkade gelegenheid vond den
handel van Bantam af te snijden en dien meer en meer naar
Batavia over te brengen. De Haan verklaarde dan ook met
fierheid, dat de Generaal, zoo hij aanvallend tegen Bantam
had willen te werk gaan, dit reeds voor acht of tien jaren
had kunnen doen. Nadat hij een wereldkaart gevraagd had
om te kunnen zien waar Nederland, Engeland en Spanje
lagen, verzocht de Panembahan, dat er steeds een Nederlandsch
gemachtigde aan zijn hof mocht blijven om langs dien weg
de betrekkingen te onderhouden — een verzoek waaraan voor-
loopig niet werd voldaan — en bood hij De Haan tot
een geschenk voor den Gouverneur-Generaal zijn eigen kris
aan met de woorden: „De waarde staat niet gelijk met die
der geschenken van den Generaal, maar het is het dierbaarste
dat de Javaan iemand kan aanbieden."
-ocr page 382-
305
De vrede en vriendschap met Mataram waren dus hersteld,
maar onzerzijds bleef men de plannen van den Panembahan
tegen West-Java met argwaan gadeslaan, daar men vreesde
dat hij, onder het voorwendsel van zich tegen Bantam uit te
rusten, heimelijk aanslagen tegen Batavia smeedde. Wij zul-
len zien dat de juistheid van dit gevoelen door de uitkomst
is bevestigd.
De Panembahan slaagde intusschen nog zoo spoedig niet
om Soerabaja te onderwerpen, als hij zich schijnt te hebben
voorgesteld. Sedert de onderwerping van Toeban, die vooral
van waarde was om de overmacht van den regent van dat
gewest ter zee\'), schijnt hij weinig vorderingen gemaakt te
hebben. Eenigszins raadselachtig is wat hem heeft kunnen
nopen om den regent van Kendal in Mei 1622 een aanslag
te laten doen op Soekadana ter Westkust van Borneo. Wij
vinden echter gewag gemaakt van de onderwerping van ge-
westen dier kust aan het gezag van den Adipati van Soera-
baja1); en het kan zijn dat deze vandaar hulp ontving of
dat de Panembahan hem ook in zijne overzeesche bezittingen
heeft willen bestoken. Hoe het zij, zeker is het dat Soekadana
bestormd, veroverd en vernield en de vorstin gevankelijk
naar Java gebracht werd 3). Terwijl De Haan zich in Juni
dienaanvolgende te Karta bevond, werd daar een groot leger
tot een aanval op Soerabaja bijeen getrokken. Met 80,000 man
rukte een der veldheeren van Mataram tegen de hoofdstad
van den vijand op en belegerde haar eenige dagen van de
landzijde, maar werd door gebrek aan levensmiddelen weder
tot den aftocht genoodzaakt. Hij wreekte zich over de te-
leurstelling door Grissee en Dj aratan andermaal te verwoesten,
en het schijnt dat laatstgenoemde plaats zich niet meer van
dezen slag heeft kunnen herstellen; haar naam verdwijnt van
nu af uit de geschiedenis *).
\') Van Eyndthoven bij De Jonge, IV. 58.           ») Valentijn, IV. I. 80.
3) Koen bij De Jonge, IV. 266. Vgl. vooral Van Dijk, Neêrlands vroegste
betrekkingen met Borneo. 172.
*) Koen en De Carpentier bij De Jonge, IV. 270.
-ocr page 383-
366
In 1624 besloot de Panembahan het eiland Madoera te
doen aantasten, dat destijds in vijf staatjes verdeeld was,
allen afhankelijk van den Adipati van Soerabaja en nauw
met hem verbonden. Het leger van Mataram stond onder de
bevelen van Kjai Soedjana Poera, die bij de eerste landing
door de vereenigde troepen der verschillende regenten werd
teruggeslagen, maar bij een hernieuwde poging de scharen van
Arisbaja, Pamekasan en Soemenep op de vlucht dreef. De
regent van Baléga echter drong met eenige volgelingen in het
holle van den nacht in de Javaansche legerplaats, en bracht
den aanvoerder in zijne tent eene doodelijke wonde toe. De
dood van den veldheer verspreidde zooveel schrik onder de
Javanen, dat zij niets verder durfden ondernemen en zich in
hunne verschansingen opsloten. Zoodra de Panembahan hier-
van bericht gekregen had, zond hij een nieuw leger onder
Kjai Djoeroe Kiting. De Madoereezen werden nu spoedig door
de overmacht verpletterd, en daarop werd het geheele eiland
te vuur en te zwaard verwoest, met uitzondering van Sam-
pang, dat zich het eerst had onderworpen. De regent van
Pamekasan sneuvelde in de verdediging zijner hoofdstad; die
van Soemenep vluchtte, maar werd achterhaald en van kant
gemaakt; die van Baléga werd naar Mataram gevoerd, maar
onderweg vermoord. Pangéran Mas van Arisbaja vluchtte
naar Bantam, maar werd op den eisch van den Panembahan
van Mataram uitgeleverd en te Karta ter dood gebracht. Aan
den opperkoopman Vos, die in September 1624 als gezant
der Compagnie te Karta kwam, verhaalde de regent van Tegal
dat 40,000 gevangen Madoereezen, op last van den vorst van
Mataram, naar het verwoeste en ontvolkte gebied van Grissee
waren overgebracht\'). De eenig overgeblevene der Madoereesche
prinsen, Prasena, broederszoon van Pangéran Mas, vond ge-
nade in de oogen van den vorst van Mataram en werd zelfs
zijn gunsteling. Onder den titel van Pangéran Tjakraning-Rat
werd hij te Sampang uit naam van Mataram als regent over
\') Vos bij De Jonge, V. 52.
-ocr page 384-
367
het geheele eiland gesteld. Hij slaagde er in Madoera geheel
tot rust te brengen, en hield zich later veelal op aan het
Mataramsche hof, of toog aan het hoofd der legerscharen van
den oppervorst te velde \').
Inmiddels was de zending der Compagnie naar Mataram
in 1623 herhaald, voornamelijk met het doel om grooteren
toevoer van rijst naar Batavia te verwerven. Koen, naar het
vaderland teruggekeerd, was als Gouverneur-Generaal door
De Carpentier opgevolgd, die andermaal Dr. De Haan tot
gezant koos. Deze ontving de meest vriendschappelijke betui-
gingen en de Panembahan liet door zijne tusschenkomst den
landvoogd waarschuwen, dat men zich te Bantam, in overleg
met de Portugeezen, tot een aanval op Batavia gereed maakte.
Doch in het volgende jaar was er weder rijstgebrek te Batavia,
wat echter, zoo het schijnt, meer aan misgewas en den steeds
voortdurenden oorlog dan aan nieuwe belemmering van den
uitvoer door den Panembahan was toe te schrijven. De Car-
pentier besloot nochtans wederom een gezantschap naar Karta
te zenden, dat tevens in last ontving den Panembahan met
zijne schitterende overwinningen op Madoera geluk te wen-
schen. Aan het hoofd van dit gezantschap stond de reeds
genoemde opperkoopman Vos. De vertrouwde raadslieden van
den Panembahan stelden aanvankelijk eenige pogingen in het
werk om de suzereiniteit van Mataram over Batavia door den
gezant te doen erkennen; maar de opperkoopman gaf moedig
ten antwoord, „dat De Carpentier wel de vriend, maar niet
de dienaar van den vorst van Mataram was en niemand boven
zich erkende dan God en den Koning van Holland." Men
liet in die dagen in Indië prins Maurits voor den „Koning"
van Holland doorgaan, omdat het noch mogelijk, noch
noodig was, aan de inlanders van het Nederlandsche staatsbe-
stuur een begrip te geven.
\') Ik heb hier zoo goed mogelijk een geheel gemaakt uit de verhalen der
Javaansche en Madoereesche babads en het uit de Nederlandsche berichten
getrokken verhaal bij De Jonge, V. bl. LXVII. Ik kan niet stilstaan bij de
punten waarin zij onderling verschillen, noch bij de redenen die in zoodanig
geval mijne keuze hebben bepaald.
-ocr page 385-
368
Het fiere antwoord deed den Nederlanders in de oogen der
Javanen geen kwaad, de verstandhouding scheen uitnemend
te zijn. Maar bij het officiëele gehoor bleek het waarom het
den Panembahan vooral te doen was. Hij drukte den wensch
uit dat de Compagnie toch geen bijstand aan zijn tegenstander
den Adipati van Soerabaja mocht verleenen, en na afloop
der audiëntie liet hij door zijne vertrouwde staatsdienaars den
gezant ondervragen, in hoeverre hij de hoop mocht voeden
dat de Nederlanders hem, bij een nieuwen aanval op Soera-
baja, van de zeezijde zouden willen bijstaan. Vos antwoordde,
dat hij niet gemachtigd was over zulke gewichtige zaken te
onderhandelen, en raadde den vorst zelf een gezant aan den
Gouverneur-Generaal en den Raad van Indië te zenden, om
bepaalde voorstellen dienaangaande te doen. Doch hiertegen
openbaarde de Panembahan een bepaalden tegenzin; hij wilde
niet gaarne aan de Nederlanders een verzoek doen, en nog
minder zich aan een weigering blootstellen.
Maar in het volgende jaar werden de wapenen van den
Panembahan met zoodanigen voorspoed bekroond, dat hij de
hulp der Nederlanders niet meer behoefde. Wederom met een
leger van 80,000 man tegen Soerabaja optrekkende, hield hij
halt bij de plaats waar de wateren van de Kali Pörong zich
scheiden van die der Kali Mas of rivier van Soerabaja. Door
afleiding en afdamming bracht hij het water der laatstge-
noemde beneden dat punt op een laag peil en verpestte het
daarna zoodanig door er krengen, rottende planten en vruchten
en andere onreinheden in te werpen, dat de bewoners van
Soerabaja door gebrek en vrees tot de overgave gedwongen
werden. De Adipati, tot het uiterste gebracht, zond zij n zoon met
vrouwen, vrienden en volgelingen, ten teeken van onderwerping
met touwen gebonden, tot den overwinnaar, die den strijd op zoo
edele wijze beslecht had. Die onderwerping werd in gunst aange-
nomen, en de Adipati behield niet alleen het leven, maar ook het
bestuur als vazal van den Mataramschen oppervorst, die hem
zelfs zijne dochter Poetri Wandan Sari ten huwelijk gaf\').
\') Zoo de babads. De Carpentier, bij De Jonge, V. 97, zegt: „Deessooruer
-ocr page 386-
369
Door den val van Soerabaja had de Panembahan van Ma-
taram het doel van zijn streven, om geheel Java onder zijn
macht te brengen, grootendeels bereikt. Slechts Balambangan
en Giri in het oosten, Bantam en de Compagnie, in het door
haar veroverde Jakatra, in het westen, bleven zijne macht
weerstreven. Het grootste gedeelte van zijn gebied werd echter
niet onmiddellijk door hem bestuurd, maar vormde vazalstaten
of leenen, waarvan Pasoeroean, Soerabaja en Madoera in
het oosten, Tjeribon en Soemedang in het westen de voor-
naamste schijnen geweest te zijn. Onder den laatsten naam
moet de geheele, of, zoo misschien enkele distrikten tot
Tjeribon behoorden, nagenoeg de geheele tegenwoordige resi-
dentie Preanger-regentschappen begrepen zijn geweest. Dit
uitgestrekt gebied was wel is waar onder verschillende hoofden
verdeeld, maar boven die allen stond de Pangéran of, zooals
hij ook dikwijls genoemd wordt, de Wadana van Soerne-
dang \'). Volgens zeer aannemelijke Soendasche overleveringen
zou Pangéran Dipati Koesoema Dinata, opvolger of een der
opvolgers van Gessan Oeloen \'), zich vrijwillig aan het opper-
gezag van den Panembahan Tjakra Koesoema van Mataram
onderworpen hebben, en daarop door hem tot zijn Wadana
in de westelijke landen benoemd zijn 3). Ik acht het echter
zeer waarschijnlijk, dat de beginselen der Mataramscheheer-
schappij in dit gebied reeds tot de veroveringen van Senapati
Balek opklimmen 4).
In welk jaar de onderwerping van Koesoema Dinata heeft
plaats gehad, is niet te bepalen; maar het schijnt dat hij,
door den Panembahan opgeroepen om deel te nemen aan den
krijg tegen Madoera, te Mataram gestorven is 5). Zijn opvolger,
(1625) heeft sich Surabaya in handen van den Mataram opgegeven, sonder slaeh
oft stoodt, alleen door verloop van volck en hongersnoodt, soo dat oock, nae
wij verstaen, van 50 a 60 duizend sielen, welcke in Surabaya plachten te
wesen, niet booven de duysent overgebleven waren."
\') Holle in T. v. I. T. L. en Vk. XVII. 337.                  *) BI. 323.
J) Hageman in ï. v. I. T. L. en Vk. XVII. 179.            4) BI. 312.
s) Hageman in T. v. I. T. L. en Vk. XVII. 187 en 189.
I.
                                                                                                          24
-ocr page 387-
370
Pangéran Mas Rangga Gedé, verbeurde spoedig de gunst van
den oppervorst, omdat hij , tegenover de pogingen van Bantam
om invloed in de Preanger-landen te krijgen, het gezag van
Mataram niet met genoegzamen klem handhaafde. Hij werd
afgezet en het bestuur toevertrouwd aan Kjai Dipati Oekoer
of Ngoekoer1), die zijn titel ontleende aan eene landstreek in
het tegenwoordige Bandong5), en dien wij uit het vervolg
der geschiedenis nader zullen leeren kennen. Het is zeer merk-
waardig, dat de stichters van Batavia van deze heerschappij
van Mataram over de landen ten zuiden der Blauwe bergen
niet het minste denkbeeld hadden. Gouverneur-Generaal en
Raden bepaalden, bij een besluit van 29 Maart 1620, dat het
veroverde rijk van Djakarta zich uitstrekte oostelijk tot aan
de grenzen van Tjeribon, westelijk tot aan die van Bantam
en zuidwaarts tot aan de zuidelijke zee \'). Daar zij den vorst
van Mataram, wiens macht hun nog zooveel vrees inboezemde,
zeker niet opzettelijk wilden beleedigen, kan men hierin slechts
een bewijs zien hunner onbekendheid met den waren toestand
des lands.
De aanhoudende oorlogen van den Panembahan van Mata-
ram waren voor de bevolking van Java uiterst verderfelijk
geweest. De aangerichte verwoestingen brachten schrale oogsten,
de opeenhooping van volk in groote legers en het nijpend
gebrek epidemische ziekten te weeg, die duizenden ten grave
sleepten. Handel en verkeer waren schier geheel tot stilstand
veroordeeld, en toch werd in 1625 van de verarmde bevolking
een buitengewone schatting in geld gevorderd 4). Te midden
van algemeenen achteruitgang was alleen de macht van den
\') Hageman, in ï. v. I. T. L. en Vk. XVII. 190; Holle, ald. 337; Wal-
beehm, ald. VI. 247.
*) Muller en Van Oort in Verh. Bat. Gen. XVI. 103; Hageman in T. v. I.
T. L. en Vk. XVII. 214, vgl. bl. 195 en 229. Koen bij De Jonge, V. 143,
noemt Sammedangh en Oucker de twee voornaamste gebuurtsteden van Batavia
in \'t gebergte. Wat Valentijn, IV. I. 80 en 81, van Okker verhaalt, had
zeer de terechtwijzing noodig, door Hageman, bl. 193, gegeven.
3)   Eerste statuten van Batavia, bij De Jonge, IV. 221.
4)   De Carpentier en Koen bij De Jonge, V. 98, 100, 107, 114.
-ocr page 388-
371
gebieder gewassen. Vele schrijvers melden, dat hij na de zege
over Soerabaja den titel van Sultan aannam, doch het zal ons
straks blijken dat hij eerst later werd vereerd met dien titel,
die trouwens naar Mohammedaansche begrippen slechts aan
hooger gezag kon ontleend worden. Maar Rijklof van Goens,
die het hof van Mataram bij herhaalde bezoeken beter dan
iemand had leeren kennen, zegt ons dat de Panembahan na
de verovering van Madoera en Soerabaja eene vergadering
hield van al de overwonnen regenten, waarbij ook de Pa-
ngéran van Tjeribon tegenwoordig was, en dat hij daar, op
voordracht van een der grooten, als Soesoehoenan werd uit-
geroepen, terwijl den ouden Tjeribonschen vorst, Goenoeng
Djati\'s kleinzoon, als een bijzonder eerbewijs vergund werd
den titel van Pangéran met dien van Panembahan te verwis-
selen \'). Het bewustzijn van onbeperkte macht had op het ge-
moed van den Soesoehoenan den verderfelijksten invloed. Hij
begon te lijden aan dien vreeselijken waanzin die zoo dikwijls
machtige despoten gevaarlijk maakt zelfs voor hunne vertrouwd-
ste raadslieden en gunstelingen. Een droom had hem geopen-
baard, dat, zoo hij zijn rijk in vrede wilde bezitten, vier van
de grootsten moesten worden „weggenomen", en niemand in
zijne omgeving achtte zich meer veilig 2).
Ofschoon de Soesoehoenan van begeerte brandde om de ver-
overing van geheel Java te voltooien, dwong hem de uitputting
zijner onderdanen hun een paar jaren rust te gunnen. Maar
hij bleef daarom niet werkeloos. Door onderhandelingen en
bedreigingen trachtte hij de Bantamsche regeering tot erken-
ning van zijn gezag te bewegen, waartoe vooral de diensten
van den Panembahan van Tjeribon werden ingeroepen; maar
Bantam bleef standvastig weigeren. In den aanvang van 1626
liet hij weder door de ïoernenggoengs van Kendal en Tegal
vertoogen bij de Hooge Regeering te Batavia indienen, om haar
\') „Corte beschrijvinghe van \'t eyland Java", in Bijdr. t. d. T. L. en Vk.
v. N. I. IV. 358.
\') De Carpentier bij De Jonge, V. 101.
-ocr page 389-
372
aan te sporen , tegen erkenning van haar recht op het vero-
verd grondgebied, hem in een aanval op Bantam met hare
zeemacht bij te staan. Doch de Compagnie, getrouw aan haar
beginsel dat Bantam wel gekortwiekt, maar niet vernietigd,
en de Soesoehoenan wel te vriend gehouden, maar niet te
machtig gemaakt moest worden, bleef doof voor deze aanzoe-
ken en antwoordde de zaak in beraad te houden. Toen de
Soesoehoenan bemerkte, dat van deze zijde niets voor hem te
hopen viel, begon hij ook de Nederlanders te dwarsboomen
en zich door buitenlandsche bondgenooten te versterken. Hij
gelastte de verplaatsing van een deel der bevolking van Soe-
medang naar Mataram, zoo men meent vooral met het doel,
om Batavia den toevoer van slachtvee en timmerhout uit die
streken af te snijden. Een gezantschap van Palembang, dat
zeven olifanten en andere geschenken aan den Soesoehoenan
kwam aanbieden, werd gunstig ontvangen en leidde tot een
verbond, dat, naar verzekerd werd, een gezamenlijken aanval
op Bantam beoogde, maar naar het oordeel van den Gou-
verneur-Generaal ook wel tegen Batavia kon gericht zijn.
Daarentegen werd een nieuw gezantschap, in Augustus 1626
naar Mataram gezonden, niet tot de hofreis naar Karta toege-
laten, maar teruggewezen met de verklaring, dat de geschenken
te gering waren en de Regeering in haren brief den Soesoe-
hoenan niet hoog genoeg betiteld en zich zelve niet genoeg
vernederd had \'). Misschien ware het zelfs reeds in 1627 tot
een uitbarsting gekomen, indien niet de regent van Pati,
bij Djapara, de vaan des oproers had opgestoken en den
Soesoehoenan gedwongen had in persoon met een aanzienlijke
macht te velde te trekken. De overwinning bleef aan het
leger van Mataram, maar schijnt duur gekocht te zijn. De
weerspannige stad werd met geheele ontmanteling gestraft2).
Inmiddels was Koen, voor de tweede maal met de waar-
digheid van Gouverneur-Generaal bekleed, in September 1627
\') De Carpeatier bij De Jonge, V. 99, 104, 109.
"■) Koen bij De Jonge, V. 114; Van Goens in Bijdr. t. d. T. L. en Vk. v.
N. I. V. 357, 359.
-ocr page 390-
373
te Batavia gekomen, en het was gelukkig, bij de gevaren die
de jeugdige stad bedreigden, dat hare verdediging aan een
man van zijne geestkracht was toevertrouwd. Doch eer wij de
ontwikkeling van het drama verder gadeslaan, is het noodig
dat wij de aandacht een oogenblik bepalen bij de episode die
de betrekkingen tot Bantam en Engeland daarin vlochten.
De Pangéran-rijksbestuurder van Bantam, die zich door
Koen in al zijne plannen ten opzichte van Jakatra zoozeer
had gedwarsboomd gezien, was ook door de blokkade niet te
bewegen een stap tot herstel der vriendschap te doen. Veeleer
trachtte hij zijn vijand ook in \'t geheim lagen te leggen, en
in October 1619 had Koen het alleen aan zijne tegenwoor-
digheid van geest te danken, dat hij aan het staal van drie
in het forl gedrongen moordenaars ontkwam. Inmiddels was
Koen, die na al het gebeurde geen reden zag de Engelschen
te ontzien, er in geslaagd die vijandige natie uit den Archipel
te verdrijven, toen hij met grooten weerzin vernam, dat
nieuwe, langdurige onderhandelingen tusschen de Nederland-
sche en Engelsche compagnieën in Juli 1619 tot een tractaat
hadden geleid, dat hem dwong de lastige mededingers weder
nevens zich te dulden en te ontzien, ja zich zelfs over de
gemeenschappelijke belangen der beide compagnieën met hen
te beraden. Er werd een raad van defensie opgericht, waarin
een gelijk getal Engelschen en Nederlanders zitting hadden,
en door dien raad werden gezanten naar Bantam afgevaardigd,
om den Pangéran te melden, dat de vrede tusschen de En-
gelschen en Nederlanders hersteld was, en hem aan te bieden
Bantam daarin te doen begrijpen. \'Gelukkig voor de plannen
van Koen, die Batavia ten koste van Bantam wilde groot
maken, weigerde de Pangéran alle geloof aan die overeenkomst
en daarmede iedere schikking; maar daar nu ook voor de
Engelschen de gelegenheid vervallen was om, naar hun voor-
nemen, zich een rendez-vous te Bantam te stichten, gelijk
de Nederlanders te Jakatra bezaten, moest Koen hen te Ba-
tavia dulden, waar zij thans onder Nederlandsche jurisdictie
stonden, een verhouding die tot eindelooze twisten en moeilijk\'
-ocr page 391-
374
heden aanleiding gaf. Herhaaldelijk spoorden zij tot nieuwe
onderhandeling met Bantam aan ; zoowel Bantamsche koop-
lieden, welke den oorlog moede waren als Nederlandsche, die
de groote pepermarkt wenschten heropend te zien, steunden
dit pogen. Zoo werden meermalen — in 1620, \'21 en \'22 —
vredes-onderhandelingen met den Bantamschen rijksbestuurder
gevoerd, die echter telkens afsprongen op diens onverander-
lijken eisch: afstand van Jakatra.
De zwakke en kwalijk gelegde band die de Engelsche en
Nederlandsche compagnieën te zamen hield, werd in 1623
geheel verscheurd door het informeele en bloedige rechtsgeding
dat onder den naam van „moord van Amboina" bekend is.
De Engelschen trokken zich terug van de meeste posten waar
Nederlanders gevestigd waren, en wilden aanvankelijk op een
der eilanden in straat Soenda een anti-Batavia stichten, maar
werden door de maatregelen van De Carpentier, die tijdig het
eiland Sibessi bezette, en door de ongezondheid van het eiland
Lagoendi, waarop zij zich gevestigd hadden en waar zij in
grooten getale stierven, daarin belemmerd. Eindelijk, in 1628,
slaagden zij er in de handelsbetrekkingen met Bantam voor
zich alleen te herstellen. Zij verlieten Batavia geheel en ves-
tigden, met terzijdestelling van het contract door de beide
compagniën in Europa gesloten , te Bantam hun hoofdkan-
toor, dat echter, tegen de mededinging der Nederlanders niet
opgewassen, slechts een kwijnend leven leidde, en in 1684,
toen de Nederlandsche compagnie een uitsluitend handels- en
vredestraktaat met Bantam sloot, geheel werd opgebroken.
Inmiddels had in 1624 de oude Pangéran-rijksbestuurder
van Bantam het bewind nedergelegd en twee jaren daarna
was hij overleden. Op het verkeer met Batavia hadden deze
gebeurtenissen een gunstigen invloed. Er bestonden wel is waar
slechts onderhandsche betrekkingen, maar bij oogluiking ver-
gunde de Bantamsche regeering aan Chineesche kooplieden den
uitvoer van peper naar Batavia. Evenwel werd de blokkade
gehandhaafd, omdat men geloofde dat de opheffing slechts in
het voordeel der Engelschen zou zijn, en omdat men voor de
-ocr page 392-
375
ontwikkeling van Batavia niets schadelijker achtte dan de ope-
ning van Bantam.
Toen Koen in 1627 voor de tweede maal als Gouverneur-
Generaal optrad, zond hij echter een gezantschap naar Bantam,
om den Pangéran Ratoe, of regeerenden vorst, daarvan kennis
te geven; want nu de Engelschen zich, afgescheiden van de
Nederlanders, te Bantam wilden vestigen, begon hij op het
volledig herstel der vriendschappelijke betrekkingen hoogeren
prijs te stellen. Werkelijk waren nieuwe vredes-onderhande-
lingen daarvan het gevolg, maar terwijl deze in vollen gang
waren, drong den 24sten December 1627 een troep gewapende
Bantammers in Batavia, met het voornemen om den Gouver-
neur-Generaal te vermoorden en het kasteel te overrompelen.
Koen, door eenige Chineezen gewaarschuwd, liet de wachten
verdubbelen. De Bantammers, vermoedende dat hun plan
ontdekt was, maakten amok en ontkwamen, na eenige Ne-
derlanders te hebben overhoop gestoken. Een tweede bende,
die den dag daarop voor den boom kwam, nam, toen men
haar ontwapenen wilde, tot hetzelfde wanhopige middel de
toevlucht, en nu bleek het de volgende dagen, dat talrijke
benden Bantammers zich in de tuinen en bosschen ten zuiden
van Batavia gelegerd hadden en daar groote verwoestingen
aanrichtten, en dat een menigte gewapende vaartuigen van
Bantam in zee waren, die zich nu eens vóór de monding der
rivier, dan bij Oentoeng Djawa, dan weder bij Onrust ver-
toonden. Koen liet door zijne ruiterij eenige der Bantamsche
benden uiteenjagen, maar was niet sterk genoeg om de stroo-
perijen geheel te beletten. Niemand begreep te Batavia waarom
de houding der Bantammers plotseling zoo vijandig was ge-
worden ; de waarschijnlijkste onderstelling is, dat de Bantam-
sche regeering, onderricht van de voornemens die de Soesoe-
hoenan van Mataram tegen Batavia koesterde, hem wenschte
te voorkomen door zelf zich bij verrassing in het bezit van
die stad te stellen. Voor de Nederlanders had die aanslag
van Bantam het gelukkig gevolg, dat zij hunne waakzaam-
heid vermeerderde en hen noopte de verdedigingswerken in
-ocr page 393-
376
goeden staat te brengen, \'t Was inderdaad hoog noodig.
Den ÏS^11 April 1 628 kwam een gezant van den Soesoehoe-
nan met 14 prauwen met rijst te Batavia, en richtte aan de
Hooge Regeering het verzoek om weder een Nederlandsch
gezantschap naar Mataram te zenden en den vorst hulp te
verleenen tegen Bantam. Het antwoord was weder, dat men
de hulp tegen Bantam in beraad zou houden, maar verder
dat men niet geneigd was een gezantschap te zenden , zoolang
de Toemenggoeng Baoe-raksa, de vijand der Nederlanders,
\'s vorsten bijzonder vertrouwen genoot. De Soesoehoenan , die
het Nederlandsch gezantschap verlangde als blijk van leen-
hulde, schijnt de vragen in zijn naam door zijn afgevaardigde
gedaan, als een soort van ultimatum, en de weigering, hoe
beleefd ook in den vorm, als een casus belli beschouwd te
hebben. Hij besloot nu gevolg te geven aan zijn lang gekoesterd
voornemen om Batavia de kracht van zijn arm te doen ge-
voelen. Den 229ten Augustus verschenen daar 59 goraps\'),
bemand met 900 koppen, en geladen met 120 lasten rijst,
150 runderen en een grooten voorraad van andere levens-
middelen ten behoeve der stad. Die aanvoer was ten hoogste
welkom, maar wekte tevens verdenking, vooral wegens het
sterk geleide; want ofschoon in April des vorigen jaars eene
overeenkomst voor de levering van 800 stuks slachtvee in eene
der havens van Oost-Java voor de Compagnie was aangegaan,
had Baoe-raksa tot dusverre de verscheping naar Batavia niet
veroorloofd. En nu vernam men dat na weinige dagen nog
27 prauwen met de overige runderen zouden volgen. Voor-
zichtigheidshalve liet Koen de vaartuigen, naarmate ze gelost
waren, buiten den afsluitboom brengen. En toen twee dagen
later weder zeven sterk bemande schepen , volgens hun ver-
klaring naar Malakka bestemd, ter reede verschenen , liet hij
den boom sluiten, de wachten verdubbelen en door kleine
vaartuigen de gemeenschap tusschen de vroeger en later aan-
gekomen Javaansche schepen afsnijden. Zooals hij verwacht
\') Het woord is Javaansch en beteekent een soort van kleine vaartuigen.
-ocr page 394-
377
had poogden zij zich werkelijk des nachts te vereenigen, en
toen de Nederlanders dit wilden beletten, viel de bemanning
van twintig schepen, die nog geladen binnen den boom lagen,
de buitenwacht op de markt vóór het kasteel plotseling op
het lijf, dreef haar naar binnen en drong met haar de poort
in, ofschoon ze spoedig gestuit werd. Te gelijker tijd deden
de Javanen der buiten liggende schepen, zich door het water
een weg banende, een verwoeden aanval op het bolwerk de
Parel, dat het zwakste van het kasteel was; maar zij werden
door het musketvuur der onzen, na een strijd van vijf uren,
met achterlating veler dooden, teruggedreven.
De bemanning der 27 prauwen die nog waren aangekon-
digd, vernemende wat er was voorgevallen, landde den 258ten
ten oosten der stad aan de rivier Maroenda, en den volgen-
den dag zag men ook aan de landzijde groote scharen van
Javanen opdagen. Het was het leger van Baoe-raksa, waarbij
zich ook de Soendaneezen uit Soemedang en Oekoer, onder
de bevelen van Dipati Oekoer, bevonden. Koen besloot dadelijk
het zuidelijke, nieuwe deel der stad, dat voor den vijand open
lag en waar weinig steenen huizen waren, te verbranden en
te slechten, om \'t overige te beter te kunnen verdedigen. In
deze verlaten wijken nestelde en verschanste zich nu een deel
der vijanden, maar door 120 man krijgsvolk en eenigeburgers
werden zij er met groot verlies weder uitgedreven. De volgende
dagen, die de vijand aan het maken van loopgraven en be-
dekte wegen en borstweringen van hout en gekloofde bamboe
besteedde, maakte Koen zich ten nutte om vrouwen en kinderen
aan boord der schepen te doen brengen, zeevolk van Onrust
te ontbieden, burgers en ambachtslieden te wapenen, palissaden
te slaan en alles wat belemmeren kon uit den weg te ruimen.
In den nacht tusschen 10 en 11 September, toen de Javanen
tot op een pistoolschot van de stad waren genaderd, liet Koen
een uitval doen, die den vijand uit zijne loopgraven deed
wijken, en de Chineezen van Batavia, dit bemerkende, vielen
met dolle woede op de terugtrekkenden aan, waardoor hun
aftocht in een verwarde vlucht veranderde. Doch den 218ten
-ocr page 395-
378
September hernieuwde de vijand den aanval. Terwijl hij op
verschillende punten loos alarm maakte, was het eigenlijk
op de veldschans Hollandia gemunt, die aan het zuidoosten
der stad lag en slechts door 24 Europeanen was bezet. De
kleine bende verweerde zich met wanhopigen moed totdat
zij al haar kruit had verschoten; maar het gevaar waarin zij
zich bevond, was in de stad niet opgemerkt en geen hulp
kwam opdagen. Toen liet een sergeant zich van de borstwe-
ring naar beneden en kwam, schoon van alle zijden door
den dood bedreigd, behouden in het kasteel. Koen, van het
gevaar der bezetting onderricht, liet dadelijk een uitval doen
en bleef weder overwinnaar. Baoe-raksa trok zich terug in
twee legerkampen ten oosten der stad en schreef aan Koen
dreigende brieven. Doch deze besloot den vijand geen rust te
laten en de geheele macht waarover hij beschikken kon ver-
zamelend, liet hij met ruim 2800 man, onder bevel van Le
Febre, de Javanen in hun leger aanvallen en uiteenjagen.
Baoe-raksa en zijn oudste zoon behoorden tot de gesneuvel-
den, en velen van het volk van Oekoer en Soemedang, dat
steeds vreedzame betrekkingen met Batavia had onderhouden
en slechts gedwongen in den veldtocht had gedeeld, namen
deze gelegenheid te baat om zich af te scheiden en weken uit
vrees voor de wraak des Soesoehoenans met vrouwen en
kinderen naar het Bantamsche gebergte \'). Intusschen werden
door de onzen ook de prauwen in de Maroenda-rivier aange-
tast en deels veroverd, deels verbrand.
Men hoopte nu van den vijand ontslagen te zijn, maar
bemerkte weldra dat men slechts met zijne voorhoede had te
doen gehad. Want eene afdeeling Chineezen en slaven, den
23sten October uitgetrokken om de werken des vijands die nog
aan het zuideinde der stad waren overgebleven, te slechten, stiet
op een Javaansch corps, behoorende tot een tweede en talrijker
leger, onder het bevel van Toemenggoeng Soera-ngalaga\').
\') Koen bij De Jonge, V. 143.
=) De naam komt in verschillende verminkte vormen voor en naar den
waren kan men slechts raden.
-ocr page 396-
379
De onzen, door hunne gemakkelijke overwinningen overmoe-
dig geworden, vielen ook nu den vijand aan, maar moesten
voor de overmacht wijken en leden een gevoelig verlies.
Slechts ter nauwer nood kon door het schrootvuur van de
wallen het gelijktijdig indringen van de Javanen met de
vluchtelingen nog tijdig belet worden.
De positie van Soera-ngalaga was echter verre van benij-
denswaardig. De Soesoehoenan, wien men de verovering van
Batavia als eene zeer gemakkelijke zaak had voorgesteld,
twijfelde niet of de stad was reeds lang door Baoe-raksa ver-
overd, en had dit tweede leger slechts gezonden om haar te
bezetten en de vermeesterde kostbaarheden naar Karta op te
zenden. Den dood van Baoe-raksa en de nederlaag van zijn
leger vernemende, sloeg Soera-ngalaga zich op de borst onder
den uitroep: „wat zal ik mijnen heer nu medebrengen?"
Maar al te wel begreep hij welk lot hem te Karta te wachten
stond, indien hij met ledige handen wederkeerde, en hem
restte dus slechts op zijne beurt te beproeven Batavia meester
te worden. Wanhopende om zijn doel met geweld te bereiken,
stelde hij dertig dagen lang duizend man aan \'t graven om de
rivier af te leiden en de bewoners van Batavia door gebrek
tot de overgave te dwingen, wat bij de belegering van Soe-
rabaja zoo goed gelukt was. Doch ziende dat hij weinig
vorderde en zijne troepen door honger en ziekte wegsmolten,
moest hij tot den terugtocht besluiten. Twee onder hem die-
nende hoofden liet hij echter vooraf nog een aanval doen op
de schans Hollandia; zij moesten de mislukking met al hun
volk door den dood boeten. Toen de vijand den 3den December
van Batavia was afgetrokken, vonden de onzen 744 onbegra-
ven, reeds tot ontbinding overgegane lijken van door lansen
en krissen op bevel van Soera-ngalaga vermoorde Javanen.
Indien deze zich echter gevleid had door die wreede executie
den toorn zijns meesters te bezweren, bedroog hij zich. Koen
schreef althans den 10den Februari 1629 vernomen te hebben \'),
dat de Soesoehoenan hem met vele edelen had doen ombren-
l) Koen bij De Jonge, V. 143.
-ocr page 397-
380
gen, omdat hij de overwinning niet bevochten had. Volgens
een brief van Van Diemen echter zou hij eerst in 1638 naar
Batavia gezonden zijn met last om zich dood te vechten,
begeleid door duizend man, die niet naar huis mochten keeren
voor de Toemenggoeng aan dien last had voldaan. Er had
toen eene ontmoeting plaats met een Nederlandsche patrouille
en in dien strijd liet Soera-ngalaga het leven \').
De poging tot onderwerping van Batavia verhinderde den
Soesoehoenan niet zijne plannen tot bevestiging en uitbreiding
van zijn gezag in Oost-Java door te zetten. Toen in 1625
Soerabaja voor hem bukken moest, bleef de priestervorstvan
Giri nog weerstand bieden. Ofschoon door de herhaalde ver-
woesting van Grissee en Djaratan gevoelige slagen aan dien
prins waren toegebracht, ontleende hij aan zijne geestelijke
waardigheid nog genoegzamen invloed, om zich aan het hoofd
der misnoegden te plaatsen, toen de Adipati van Soerabaja,
nu Pangéran Pëkih genoemd *), zich met den Soesoehoenan
verzoend had en zijn schoonzoon geworden was s). Nadat de
opstand van Pati bedwongen was, droeg de Mataramsche
vorst aan Pangéran Pëkih de taak op om den priester van
Giri te onderwerpen; maar deze verdedigde zich met wanho-
pige dapperheid en versloeg zelfs ten laatste zijn tegenstander.
Alleen aan zijne heldhaftige echtgenoot had Pangéran Pëkih
toen zijn behoud te danken. Ratoe Wandan Sari, als man
verkleed, sprak de troepen toe en stelde zich aan hun hoofd.
Door haar voorbeeld aangevuurd hernieuwden zij den aanval,
veroverden de moskee en het heilige graf van Giri 4) en
maakten den priestervorst gevangen, die naar Mataram werd
opgezonden. Hij schijnt toen door den Mataramschen vorst,
die, zooals wij weten, zelf sinds eenige jaren zich Soesoe-
hoenan had laten noemen, van dezen, vooral op geestelijke
\') Van. Diemen bij De Jonge, V. 237.
\') Waarschijnlijk de vorst, die bl. 351 \'teerst vermeld werd, een opvolger
van Pandji Wirjii Krfima (bl. 305).
\') Vgl. De Carpentier bij De Jonge, V. 98.
4) Zie bl. 236.
-ocr page 398-
381
waardigheid wij zenden titel beroofd, maar als vazal van Ma-
taram, met den titel van Panembahan, in zijn wereldlijk
gezag hersteld te zijn. Vandaar de naam Panembahan Ageng
waaronder hij in de kronieken bekend is.
Omstreeks dezen tijd ontving Koen van verschillende zijden
waarschuwingen, dat te Karta een nieuwe aanval tegen Ba-
tavia werd voorbereid, en de vorst van Bantam, bevreesd
dat de val van Batavia door een aanslag op zijn eigen onaf-
hankelijkheid zou gevolgd worden, toonde zich meer dan ooit
tot goede verstandhouding met de Compagnie geneigd. Zon-
der dat een eigenlijk vredesverdrag tot stand kwam, werden
de vaart en handel tusschen Bantam en Batavia hervat, nadat
de Commandeur Block in Maart 1629, namens den Gouver-
neur-Generaal, een Arabisch paard en andere geschenken en
de hulp der Compagnie bij een aanval van Mataram aan den
Pangéran Ratoe van Bantam had aangeboden.
In de volgende maand kwam te Batavia een Javaan, Warga
genaamd, die door den Toemenggoeng van Tegal was gezonden
om aan Koen den vrede aan te bieden en het gebeurde te
verontschuldigen, waarvan de schuld op Baoe-raksa geworpen
werd. Maar dit geschiedde in zulke nederige termen, dat het
de achterdocht van Koen gaande maakte, waarom hij, in
plaats van tot zorgeloosheid verleid te worden, zooals onge-
twijfeld bedoeld was, de stad liet versterken en de wallen met
geschut beplanten. Door de jachten die hij ter verkenning
langs de kust uitzond, vernam hij dat te Tegal groote hoe-
veelheden rijst werden bijeengebracht. De Toemenggoeng be-
weerde dat die rijst voor Batavia bestemd was, en liet, om
dit te staven, door Warga 13 prauwen met levensmiddelen
naar die hoofdstad brengen. Maar toen deze, door een zijner
volgelingen verraden, op last van Koen in hechtenis was
genomen, beleed hij, na belofte van lijfsbehoud erlangd te
hebben, dat hij als verspieder gekomen was, dat een groot
leger van den Soesoehoenan met veel geschut in aantocht
was, en dat de te Tegal voorhanden voorraad voor onderhoud
van dat leger bestemd was. Onmiddellijk zond Koen eenige
-ocr page 399-
382
jachten onder het bevel van Block derwaarts, die den geheelen
voorraad rijst en de stad zelve verbrandden. Hetzelfde lot
weervoer aan een tweeden voorraad rijst, te Gabang verzameld,
en het plan van den Soesoehoenan was dus reeds half verij-
deld eer de uitvoering nog recht was aangevangen. Een
scheepsafdeeling bleef kruisen tusschen Tjeribon en Krawang
opdat ook langs de daar mondende rivieren geen toevoer zou
kunnen geschieden.
Maar de vorst liet zich niet van zijn voornemen afbrengen.
Onder ongeloofelij ke bezwaren en met opoffering van honderden
buffels en karren werden drie è, vier maanden zoek gebracht
om het geschut en den legertros van Mataram naar Batavia
te brengen. De weg leidde van Pekalongan tot Pamanoekan
lang de kust; den 21sten Augustus 1629 vernam men, dat de
voorhoede de Tji Taroem was o vergetrokken; vandaar werd
voor \'t voortsleepen van het geschut nog een maand vereischt.
De stad was bereid den vijand te ontvangen. Aanvankelijk
hadden slechts schermutselingen aan de voorposten plaats,
maar de Javanen verschansten zich en maakten loopgraven,
en hunne bedekkingen waren zoo sterk, dat het geschut der
stad er geene uitwerking op deed. Den 14deQ en 15den Sep-
tember begonnen zij hunne batterijen op te stellen. Koen gaf
bevel tot een uitval, die door Van Diemen met 350 man
ondernomen werd. Het gelukte hem de voorwerken van den
vijand gedeeltelijk te vernielen, maar nauwelijks waren de
onzen binnen de liniën teruggetrokken of de vijand nam de
vorige stellingen weder in.
In den nacht van 20 op 21 September leed de stad het
grootste verlies dat bij haren benarden toestand denkbaar
was. Koen, door eene hevige ziekte, misschien de cholera,
overvallen, werd plotseling weggerukt. De keuze van den
Raad van Indië, die het recht had voorloopig in de opvolging
te voorzien, viel op Jacques Specx, die op de terugreis uit
het vaderland en wiens schip in het gezicht was. Inmiddels
had de Soesoehoenan zijne batterijen geopend, maar zij richtten
weinig schade aan. Gebrek, tengevolge van den door Koen
-ocr page 400-
383
afgesneden toevoer van proviand, ziekte en volksverloop
dunden dagelijks de scharen onzer vijanden, en het was te
voorzien dat toenemende verzwakking hen welhaast zou dwin-
gen hunne onderneming op te geven. Bij een nieuwen uitval
werden hunne voorwerken in brand gestoken, zonder dat zij
noemenswaardigen tegenstand boden; den 2den October trok-
ken zij zich terug buiten het bereik van het Nederlandsche
geschut. Weinige dagen later begon de algemeene aftocht,
waarbij de weg met lijken van menschen, buffels en paarden
bezaaid bleef. Vreeselij ke executiën onder de terugkeerende
troepen schijnen op last van den Soesoehoenan gevolgd te
zijn, en men leest dat van de 80,000 man, waaruit het tegen
Batavia oprukkend leger bestaan had, hoogstens 14,000 aan
aan de ellenden van den tocht en de woede van den teleur-
gestelden dwingeland ontsnapten \'). Die cijfers zijn welspre-
kend, ook al acht men ze zeer overdreven.
Aan den Soesoehoenan was een zware slag toegebracht.
Aan het doorzetten zijner plannen tegen Batavia en West-Java
viel vooreerst niet te denken; zijne macht was zoo gebroken
dat hij zich in jaren niet herstellen kon. Bovendien was aan
geheel Java getoond, dat hij niet onoverwinnelijk was. Ba-
tavia daarentegen had de vuurproef doorstaan.
In Bantam werd nu de Nederlandsche faktorie hersteld.
De vorsten van Balambangan en van Bali gaven den wensch
te kennen, dat de Compagnie kantoren in hunne staten zou
oprichten, waarin men echter niet meende te mogen treden.
Mataram zelf toonde eenige geneigdheid om over den vrede te
onderhandelen, maar de pogingen daartoe stuitten af op het
wederzij dsch wantrouwen. De Soendaneezen van Oekoer en
Bandong, die zich aan het gezag van Mataram onttrokken
hadden en voor de wraak van den Soesoehoenan vreesden,
zochten bescherming bij den Pangéran Ratoe van Bantam,
die hun gronden bij Oentoeng Djawa wenschte aan te wijzen.
Dit wilde echter de Hooge Regeering niet gedoogen; zij be-
>) Van Goens in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. IV. 360.
-ocr page 401-
384
schouwde al het land tot Tanara, ook thans nog de grens-
plaats tusschen Bantam en Batavia, als het hare\'). Dochtoen
die Soendaneezen zich in Juli 1631 tot de Compagnie wend-
den om hare bescherming te verzoeken, werd hun de stad Ba-
tavia met hare omstreken tot woonplaats aangeboden. Terwijl
zij nog aarzelden van dit aanbod gebruik te maken, werden
zij in Juli 1632 door een groot leger van Mataram aangevallen.
De Pangéran van Tjeribon had, als vazal van den Soesoehoe-
nan, daarbij zijne hulp moeten verleenen. Dipati Oekoertrok
zich met zijne volgelingen terug op den berg Loemboeng in
Bandong, waar hij zich tot het uiterste verdedigde, maar ten
slotte voor de overmacht of voor verraderlijke listen moest
zwichten. De opstand was nu weldra geheel bedwongen ; Di-
pati Oekoer werd met meer dan 2000 andere gevangenen naar
Karta gesleept. Al de vrouwen bleven slavinnen in den
kraton, en hemzelven met 1260 weerbare mannen werd, op
last van den Soesoehoenan, het hoofd van den romp ge-
scheiden.
Omstreeks dezen tijd schijnt eindelijk de Soesoehoenan van
Mataram den titel van Sultan te zijn machtig geworden, dien
hij zonder twijfel sedert lang had begeerd. Door den priester-
vorst van Giri, wiens geestelijk gezag hij niet erkende, kon
hij zich dien titel bezwaarlijk laten opdragen \'); hij wendde
daarom het oog naar Mekka. Volgens Van Goens brachten,
niet lang na het tweede beleg van Batavia, eenige Javaansche
bedevaartgangers, die naar het schijnt tevens als gezanten
van den Soesoehoenan moeten beschouwd worden, van Mekka
een Arabischen Sjeikh mede, van wien hij de plechtige op-
dracht van den titel van Sultan, en daarbij, volgens de
gewoonte, ook een Arabischen naam, dien van Mohammed,
ontving 3). De inlandsche kronieken geven aan dezen vorst
\') De Jonge, V. 188.
3) Vgl. bl. 244.
s) Van Goens in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. IV, 361. De priestervorst
van Griri schijnt zulke titels op eigen gezag verleend te hebben; evenzoo deed
de sjerief /an Mekka. De meening, dat deze laatste handelde namens den
-ocr page 402-
385
den bijnaam van Ageng, d. i. de Groote, en vandaar dat hij
onder den naam van Sultan Ageng in de geschiedenis bekend
is. Men geeft hem dien gewoonlijk reeds bij voorbaat ook in
zijne vroegere regeeringsjaren; in het vervolg zal ook ik hem
dus noemen.
Nadat het gezag van Sultan Ageng als Mohammedaansch
vorst op deze wijze geregeld en gewettigd was, schijnt hij ook
in andere opzichten aan de instellingen van zijn rijk, die nog
grootendeels uit den Hindoe-tijd stamden, een meer Mohamme-
daanschen vorm te hebben gegeven. Vooral behoort hiertoe het
invoeren der Mohammedaansche, schoon door hem op eigen-
aardige wijze met de oud-Javaansche verbonden tijdrekening,
wat, naar wij vroeger gezien hebben, in 1633 plaats had1).
Intusschen werd de Hooge Regeering te Batavia door de
bewindhebbers in het vaderland gedurig aangemaand, om
met Mataram en Bantam in goede verstandhouding te leven.
De Gouverneur-Generaal Specx besloot daarom in 1631 de
ten vorigen jare afgesprongen onderhandelingen met Mataram
weder op te vatten. De regent van Djapara zou middelaar
zijn. In April vertrok een gezantschap, uit Van Maseyck en
Wagensveld bestaande, naar Djapara. De regent had de witte
vlag uitgestoken. De geschenken werden aan wal gebracht,
gevolgd door 25 Nederlanders, onder de leiding van den
Onderkoopman Antonio Paulo; maar de trouwelooze regent
maakte zich van goederen en personen beide meester. Sultan
Ageng had aan de Compagnie zijne herhaalde nederlaag voor
Batavia nooit kunnen vergeven en zon nog steeds op wraak.
Het was daarom ook dat hij gedurig heulde met de Portu-
geezen te Malakka en Goa, en het te Djapara gepleegde ver-
raad schijnt aan dezelfde zucht tot wraak te moeten worden
toegeschreven. Er bevonden zich nog steeds eenige Nederland-
sche gevangenen in handen van den Sultan; hun aantal werd
Sultan van Turkije, als imam, moet worden opgegeven. Het verleenen van den
sultanstitel heeft met het imamaat niets te maken. Sultan beteekent alleen
vorst, eigenlijk overheid. — Vgl. ook Snouck Hurgronje, Mekka, II. 298.
\') BI. 16. Vgl. Brandes in Tijdschr. v. I. T. L. en Vk. XXXII. 357.
I.                                                                                                        25
-ocr page 403-
386
nu tot omstreeks 50 vermeerderd, en zij werden te Mataram
als slaven behandeld en ontvingen nauwelijks genoeg om het
leven te behouden.
De Hooge Regeering was van oordeel, dat deze verraderlijke
handelwijze niet ongewroken mocht blijven; maar de bewind-
hebbers, slechts voor den handel beducht, die door de vij-
andschap met Mataram groote schade leed, drongen er steeds
op aan dat de Compagnie de minste moest zijn. Inmiddels
werden de omstreken van Batavia gedurig verontrust door
zwermen stroopers, door den Sultan afgezonden. De Gouver-
neur-Generaal Brouwer, die Specx was opgevolgd, kwam nu
op de gedachte den vorst van Boeleleng op Bali, die in 1632
de suzereiniteit over Balambangan had weten te verwerven, tot
een oorlog tegen zijn erfvijand Mataram op te wekken, ten einde
aan Batavia eenige afleiding te verschaffen. Twee gezantschap-
pen werden, snel na elkander, in 1633 naar Bali afgevaar-
digd. Het eerste werd door tusschenkomst van den sjahbandar
van Panaroekan behoorlijk ontvangen; het tweede liep groot
gevaar als vijand bejegend te worden, en beide keeren toonden
de vorsten geene geneigdheid om den bestaanden vrede met
Mataram te verbreken. Te Balambangan weigerde men bij
deze gelegenheid zelfs onzen oorlogsschepen ververschingen. Er
schoot dus voor Brouwer geen ander middel over dan den
weg der onderhandeling met Mataram, zoozeer door de be-
windhebbers aanbevolen, op nieuw te beproeven. Die onder-
handeling had aanvankelijk plaats door tusschenkomst van
den regent van Tegal, maar deze liet ten laatste weten, dat,
om het doel te bereiken, een gezantschap met brieven en
geschenken opzettelijk van Batavia aan den Soesoehoenan
zou moeten gezonden worden. De Hooge Regeering was tot
groote toegevendheid bereid. Zij zond in October 1634 den
kommandeur Van Brouchum naar Tegal, om de erkenning
van Sultan Ageng als Oppervorst van geheel Java, het geven
van een jaarlijksch geschenk, „omdat de Nederlanders op
zijn land residentie genomen hadden", en een billijk rantsoen
voor de gevangen Nederlanders aan te bieden. Doch alles te
-ocr page 404-
387
vergeefs. De Sultan verlangde een voor ieder zichtbaar bewijs
van leenhulde door de hofreis van twee Nederlandsche ge-
machtigden naar Mataram, en juist dat ééne wat hij als
onmisbare voorwaarde voor alle onderhandeling stelde, was
het wantrouwig geworden bestuur te Batavia volstrekt onge-
neigd toe te staan. De bewindhebbers maakten het Brouwer
bepaaldelijk ten grief, dat hij den vrede met Mataram niet
had weten te herstellen, en dien met Bantam even weinig
had weten te bewaren. Hij werd ontslagen en aan zijn op-
volger Antonie van Diemen, die den lsten Januari 1636 het
bestuur overnam, werd een vredelievende staatkunde op nieuw
ten ernstigste aanbevolen.
Het herstel van den vrede met Bantam was voor de Com-
pagnie niet voordeelig geweest, en het bleek dat de Indische
Regeering wel had gezien, toen zij, tegenover de telkens
herhaalde aanmaning tot vrede van den kant der bewind-
hebbers , de stelling volhield, dat uit den bloei van Bantam
belemmering voor Batavia\'s voortgang zou volgen. Zij had
dan ook gaarne eenige door de Bantammers gepleegde roo-
verijen als voorwendsel genomen om in November 1633 op-
nieuw de vaart en handel van Batavia op Bantam te verbieden.
Beide partijen deden elkander te land en ter zee zooveel
kwaad als zij vermochten; de Nederlanders beschoten de
hoofdstad en legden Anjer en eenige dorpen in de Lampongs
in de asch; de Bantammers namen eenige schepen en maakten
vele gevangenen, waarop de onzen Tanara en naburige kam-
pongs verwoestten. Te gelijker tijd echter wendde de Indische
Regeering, om aan de bevelen van het Opperbestuur te vol-
doen, telkens weder pogingen aan om tot herstel van den
vrede te geraken. Aanvankelijk deden de Bantammers hooge
eischen; doch ten laatste toonden zij zich bereid in het spe-
cerij-monopolie der Compagnie te berusten, als hun op eenige
ondergeschikte punten genoegen werd gegeven. In den zomer
van 1636 werd een wapenstilstand gesloten, die eindelijk in
1639 tot vernieuwing van den vrede leidde, op denzelfden
voet als tien jaren te voren.
-ocr page 405-
388
Het geheim dezer vreedzame oplossing was vooral in de
weder opgewekte vrees van Bantam voor Mataram gelegen.
De vorst van Bantam, die zich tot hiertoe met den titel van
Pangéran Ratoe had vergenoegd, was door het voorbeeld van
Sultan Ageng aangevuurd om ook zelf naar den rang en
titel van Sultan te streven, te meer dewijl hem dit tegenover
Mataram op den voet van gelijkheid zou plaatsen. Werkelijk
werden hem in 1638 van Mekka uit een heilige standaard
en de titel en naam van Sultan Aboe\'l-Mofachir Mohammed
Abdoe\'l-Kadir geschonken; maar daardoor was in hooge mate
de toorn van Sultan Ageng opgewekt, die zich gereed maakte
de daarop gebouwde rechten aan den Bantamschen vorst te
betwisten \'). De gevolgen bleven niet achter. De vorst van
Palembang, bondgenoot en vazal van Mataram, bedreigde
Bantam\'s bezettingen op Sumatra, en Sultan Ageng zocht in
1638 op nieuw de vriendschap der Compagnie, en wilde zelfs
een aanvallend verbond tegen beider vijanden met haar aan-
gaan. Daar de sluiting der havens van Oost-Java, waardoor de
Soesoehoenan een tijd lang gemeend had de Compagnie te
kunnen dwingen om Batavia te verlaten, weinig schade
berokkende, sedert men de middelen had gevonden om zich
elders te voorzien, en juist daarom ook reeds minder streng
was geworden, en daar het nog altijd een politieke regel der
Compagnie bleef, dat Bantam niet te klein en Mataram niet
te groot mocht worden , nam de Indische Regeering tegenover
de aanbiedingen van Mataram een zeer teruggetrokken hou-
ding aan en berokkende zij aan Sultan Ageng een nieuwe
teleurstelling door, zooals gezegd is, in 1639 de vriendschap-
pelijke betrekkingen met Bantam te herstellen. Reeds enkele
jaren te voren, in of voor 1636, schijnt Sultan Aboe\'l-Mofachir
van Bantam zijn oudsten zoon, als mederegent te hebben aan-
\') Wat T. v. N. I. 1872, II, 359, 447, 460, over den tijd waarop de
vorst van Bantam den titel van Sultan begon te voeren, beweerd of gegist is,
wordt volkomen bevestigd door Van Diemen bij De Jonge, V. 236. Vgl. ook
de noot van De Jonge VI. 23.
-ocr page 406-
389
genomen en na diens overlijden in 1639 een tweeden1), die
hem in of na 1647 onder den naam van Sultan Aboe\'l-Maali
Ahmed Rahmatoe\'llah moet hebben opgevolgd. Deze nam
reeds spoedig zijn zoon Aboe\'1-Fath Abdoe\'l-fattah als mede-
regent aan; door diens meerderen roem en beteekenis geheel
overschaduwd en ook wegens den korten duur zijner regee-
ring — hij overleed in 1651 — is Aboe\'1 Maali in een enkel
bericht omtrent de opvolging der Bantamsche vorsten uitge-
vallen 2).
Intusschen had de rustelooze Sultan van Mataram niet stil
gezeten. Waarschijnlijk achtte hij, sedert hij zijn nieuwen
titel uit Mekka ontvangen had, zich geroepen om de vaan
van den heiligen krijg te ontplooien en door het zwaard den
waren godsdienst onder de ongeloovigen voort te planten. Hij
keerde althans in 1637 zijne wapenen tegen de heidenen van
Balambangan en Bali. In den zomer van 1639 had hij het
eerstgenoemde gewest geheel onderworpen, maar op Bali
ontmoette hij een krachtigen weerstand, die, gevoegd bij de
bezwaren van het terrein, hem genoopt schijnt te hebben zich
met de verwoesting van Balambangan te vergenoegen 3).
\') De Jonge V 226. VI 23.
5) Namelijk in den brief door Gouv.-Gen. en Kaden aan den Sultan van
Bantam geschreven op 10 Maart 1651, waarin zij hem gelukwenschen met de
opvolging in de waardigheid zijns overleden grootvaders. De Jonge, VI. 23,
en Van Deventer, I. 189 laten, hierop steunende, Aboe\'l-Maiili geheel weg-
vallen, ofschoon hij op alle bekende lijsten, die van Valentijn (IV. I. 216),
C. de Bruyn (Reizen door Moskovië over Perzië naar Indië, bl. 383), Hageman
(T. v. I. T. L. en Vk. IX. 80), Koorda van Eysinga (L. en Vk. III. 2.
307) en een Bantamsch regent (T. v. I. T. L. en Vk. XVI. 96), alsmede op
eene door Millies (Recherches sur les monnaies, 50) beschreven munt voorkomt.
Ook volgens een Babad Banten heeft tusschen Aboe\'l-Mofachir en Aboe\'1-Fath
een ander geregeerd, al is ook daar in de opgaaf tegenstrijdigheid (Vreede,
Cat. 118). Vergelijkt men de authentieke stukken bij De Jonge, V. 240, 279,
281, VI. 22, 23, dan zal men aan Aboe\'l-Maiili bezwaarlijk op andere wijze
dan hier geschied is eene plaats in de geschiedenis kunnen toekennen. Vgl. ook
nog T. v. N. I. 1871. II. 460. Zekerheid is echter omtrent deze opvolging
niet te verkrijgen.
3) Van Diemen bij De Jonge, V. 241.
-ocr page 407-
390
Wegens de moeilijkheid om zijn gezag in dat afgelegen
gewest te handhaven, — en werkelijk werd het na zijn af-
tocht weder door hoofden van Bali beheerd, — besloot hij
het te ontvolken. Een groot deel der bewoners werd door hem
naar Mataram overgebracht, en hunne afstammelingen leven
onder den naam van Pinggir, die eigenlijk rand of zoom
beteekent, nog voort in Soerakarta als een soort van lijfeigenen
van den Soesoehoenan. De vrouwen worden meestal als min-
nen aan het hof gebruikt, terwijl de mannen een handwerk
uitoefenen. Omstreeks dezen tijd heeft Sultan Ageng ook een
deel van den zwervenden stam der Kalangs schatplichtig ge-
maakt en gedwongen zich in de nabijheid der hoofdstad neer
te zetten, waar zij als \'s vorsten houthakkers dienst doen. De
rijkswetten van Soerakarta bepalen dat Pinggir zijn allen die
uit eene Pinggirsche moeder, Kalang allen die uit een Ka-
langschen vader geboren zijn \').
In 1641 behaalde de Compagnie een groot voordeel door
de verovering van Malakka, waardoor de macht der Portu-
geezen in den Archipel zoo goed als vernietigd werd, en
Mataram een bondgenoot verloor in zijne pogingen om de
ontwikkeling van de macht der Nederlanders tegen te gaan.
De Gouverneur-Generaal Van Diemen schreef aan de bewind-
hebbers „Mataram moet nu onze vriend worden" \'), en de
uitkomst leerde dat hij wel had gezien.
Intusschen had Sultan Ageng, na den krijg tegen Balam-
bangan ten einde gebracht te hebben, den blik weder naar
West-Java gericht. Volgens Nederlandsche berichten plaatste
hij in 1641 in de Soendasche landschappen Soemedang en
Oekoer eene nieuwe bevolking 3), waarmede zijn plan tot
herovering van Krawang op Bantam in verband stond. Met
hetgeen daar voorviel schijnen de Nederlanders niet nauw-
\') NawSl\'i PradatH, art. XXIV. Zie over de Pinggirs en Kalangs, T. v. N.
I. VI. I. 317, II. 2, 518; Eoorda-Vreede, Jav. Wdb. bl. 819 en 315. Over de
Kalangs zal bij de volksbeschrijving uitvoeriger worden gehandeld.
;) Van Diemen bij De Jonge, V. 247.
3) Van Diemen bij De Jonge, V. 253.
-ocr page 408-
391
keurig bekend te zijn geweest, en de inlandsche berichten
zijn, als naar gewoonte, verward en fantastisch. Rangka
Soemedang — zooals Krawang destijds heette — werd volgens
de laatste toenmaals beheerd door den Bantamschen prins
Pangéran Nager Ageng, die verblijf hield te Oedoeg-oedoeg \').
Sultan Ageng moet den regent van Wirasaba, Arja Soereng
Rana, met duizend huisgezinnen naar Soemedang hebben doen
oprukken, met last om zich daar te vestigen en Nager Ageng
te verjagen. Soereng Rana zou op zijn doortocht Banjoemas
gesticht en daar 300 huisgezinnen achtergelaten hebben; 400
andere huisgezinnen zou hij gevestigd hebben te Tji Asem
aan het noorderstrand; en daarna zou hij zich met de overige
hebben nedergezet in Adiarsa, zonder Nager Ageng, dien hij
sterker vond dan hij verwacht had, te bemoeilijken, en zonder
zich verder om den vorst van Mataram te bekreunen. Doch
deze was weinig gezind zulke miskenning van zijn gezag te
dulden. De regent van Galoe, Adipati Karta-boemi, kreeg dus
last om met duizend huisgezinnen eene nieuwe volkplanting
in Rangka Soemedang te stichten en er het gezag van Ma-
taram te handhaven. Hij verdreef Pangéran Nager Ageng en
plaatste zijne volgelingen in de streek van Oedoeg-oedoeg,
waarna hij van zijne verrichtingen verslag ging geven te Ma-
taram. Gedurende zijn afwezen stichtte zijn broeder, dien hij
als hoofd der volkplanting had achtergelaten, voor haar een
vast verblijf, dat den naam van Krawang ") ontving. Karta-
boemi zelf overleed op de terugreis, en zijn zoon, die met
denzelfden naam genoemd wordt, werd toen regent der Soenda-
landen, maar moet eenige jaren later, ten gevolge eener
\') Men vindt dat dorp nog aan de Tji Taroem in het Krawangsche distrikt
Sindang-Kasi.
-) Die naam is stellig ouder; hij komt in den vorm Caravaö of Caravam
voor in de Portugeesche berichten, en in dien van Cravaon in de „Eerste
Schipvaerd naar Oost-Indiën", in „Begin en Voortgang", bl. 63. De Portugeezen
hebben, blijkens hetgeen hierboven, bl. 278, gezegd is, Djakarta en Krawang
wel eens met elkander verward, maar op het kaartje van Levanha zijn zij
gescheiden en vloeit eene rivier tusschen beide.
-ocr page 409-
392
samenspanning tusschen Arja Soereng Rana en de afstamme-
lingen van Dipati Oekoer, door een verraderlijken aanslag
het leven verloren hebben \'). Hoe men nu in bijzonderheden
over deze berichten denken moge, zeker is het dat werkelijk
tusschen 1641 en 1655 zich vele volkplantingen uitMataram
langs de Tji Taroem kwamen nederzetten. Van Goens schreef
in laatstgemeld jaar, dat zich in den laatsten tijd duizenden
Javanen uit het rijk van Mataram aan de rivier van Krawang
genesteld, geheele bosschen omgekapt en fraaie dorpen aan-
gelegd hadden s). Hieruit laat zich dan ook het gemengd
karakter van de bevolking dier streek, die half Javaansch,
half Soendaneesch is, gereedelijk verklaren.
Dat men zich te Batavia, zoo ten tijde van Sultan Ageng
als van zijn opvolger, over die uitbreiding van het gezag en
den invloed van Mataram vlak aan onze grenzen ongerust
maakte, is gemakkelijk te begrijpen. Men had zich trouwens
de Portugeesche mededinging nauwelijks van den hals ge-
schoven, of de Engelsche nam weder een verontrustenden
vorm aan. In 1642 zond de President der Engelsche faktorie
te Bantam een gezantschap met geschenken en dienstaanbie-
dingen aan Sultan Ageng, waarvan het doel was voor de
Engelsche Compagnie den afstand te verwerven van het eiland
Banka, opdat eene Britsche vestiging aldaar de Portugeesche
te Malakka zou vervangen. Palembang, als oude volkplanting
van Madjapahit3), werd als een vazalstaat van Mataram be-
schouwd. De voortdurende vijandschap tusschen Bantam en
Palembang 4) deed Sultan Ageng op deze verbintenis bijzonder
prijs stellen en was oorzaak dat de vorst van Palembang zelf
in 1642 de hofreis naar Karta deed en met vele eerbewijzen
door den Sultan werd ontvangen \'). Banka maakte misschien
\') Zie Hageman in Ind. Arch. IV. 162, Handleiding I. 105, T. v. I. T.
L. en Vk. XVII. 220.
:) Kapport van Van Goens van 1655, in Bijdr. t. d. I. T. L. en Vk. IV. 175.
») Zie bl. 223, noot en bl. 233. Vgl. T. v. N. I. 1850, I. 198.
*) Zie bl. 318 en 388.
6) Van Diemen bij De Jonge, V. 256.
-ocr page 410-
393
te dien tijde reeds een deel uit van het Palembangsche rijk;
maar het is zeker dat de Javanen van Madjapahit ook
rechtstreeks koloniën op dat eiland gevestigd hebben. Men
wijst er nog de plaatsen aan waar de voormalige Javaansche
opperhoofden hun zetel hadden, en heeft er, voor eenige
jaren, oude, in koper gesneden piagems gevonden, die van
Javaansche vorsten afkomstig zijn \'). Van den eerst in het
begin der 18de eeuw ontdekten tinrijkdom van dat eiland was
destijds nog niets bekend.
De Engelsche gezant te Mataram meende een middel ge-
vonden te hebben om zich in de gunst van den Sultan te
dringen. Reeds lang had deze den wensch gekoesterd om een
aanzienlijk gezantschap, onder leiding van een Arabischen
priester, naar Mekka te zenden; hij had door den regent van
Tegal aanzoek laten doen bij de Hooge Regeering te Batavia,
om het met een harer schepen over te brengen. Daar hoopte
men door de inwilliging van het verzoek de vrijstelling te
koopen der Nederlandsche gevangenen, die nog te Mataram
werden opgehouden. Maar nu deden de Engelschen het aanbod
om dit gezantschap over te voeren, en het werd door Sultan
Ageng met beide handen aangegrepen. De Engelschen hadden
tevens van de onderhandelingen met deh Sultan gebruik ge-
maakt om hem in zijn haat tegen de Nederlanders te stijven.
De Hooge Regeering, van dit alles onderricht, nam een
stout besluit. Zij liet het Engelsche schip opwachten, aan
boord klampen, doorzoeken, en de leden van het gezantschap
met het voor Mekka bestemde geschenk naar Batavia brengen.
Het doel van dezen aanslag was, een middel in handen te
krijgen om de vrijstelling onzer gevangenen te bewerken, en
hij werd daarmede ook bij de Engelschen verontschuldigd,
die overigens bij den Sultan, nu de poging om hem een dienst
te bewijzen mislukt was, geringen dank vonden. Een anderen
fiinken maatregel nam de Hooge Regeering ter zelfder tijd
met betrekking tot Palembang. Men vreesde dat, door den
\') T. v. N. I. 1850. I. 197; Not. v. h. Bat. Gen. VI. 36, 45, 65.
-ocr page 411-
394
toenemenden invloed van Mataram te Palembang en Djambi,
de veiligheid der Compagnie\'s dienaren aldaar in gevaar was
gebracht, en liet dus eene vloot van 80 vaartuigen, die de
Sultan naar Sumatra\'s Oostkust gezonden had, onder voor-
wendsel van den vorst van Palembang naar zijn rijk terug
te voeren, door zeven Nederlandsche schepen aantasten en
uit die wateren verdrijven, waarna de betrekkingen der Com-
pagnie met Palembang en Djambi op den ouden voet werden
hersteld \').
De hoop echter dat nu over de uitwisseling der gevangenen
zou onderhandeld worden, werd nog altijd niet vervuld, en
men vernam zelfs kort daarna, dat de Sultan den Onderkoopman
Antonio Paulo voor de krokodillen had doen werpen, welk
feit zijn eerste staatsdienaar in een brief aan den gevangen
Arabischen priester, die vrees voor zijn eigen leven had te
kennen gegeven, verontschuldigde door de bewering dat Paulo
zich aan tooverij had schuldig gemaakt. In dat schrijven werd
echter eenig uitzicht op de bevrijding der overige gevangenen
geopend; maar zoolang Sultan Ageng leefde is daar niets van
gekomen. Toen zij eindelijk in 1646 werden losgelaten, was hun
aantal door de ontvluchting van enkelen en den dood van
velen, die door gebrek waren omgekomen, tot 33 versmolten.
De Sultan bleef de Compagnie steeds even vijandig gezind, en
men beschuldigt hem zelfs de hand gehad te hebben in de
nog tijdig ontdekte samenzwering van Jan Cleyn, alias Pekel,
die in 1644 de veiligheid van Batavia en het leven van Van
Diemen bedreigde, en waarin vele Javanen betrokken waren.
Er is evenwel meer reden om te gelooven dat deze aanslag
te Bantam was beraamd, ofschoon de vorsten van dat rijk
alle schuld van zich wierpen \') en zelfs in 1645 zich tot een
nader verdrag van vriendschap en tienjarigen vrede 3) met de
Compagnie lieten bewegen.
\') Van Diemen bij De Jonge, V. 254—257.
5) Hageman, Handleiding, I. 112.
\') Dat dit verbond tot tien jaren beperkt bleef, heeft zijn grond in een
voorschrift van het Mohammedaansche recht, dat met de ongeloovigen, wan-
-ocr page 412-
395
Om in de steeds gespannen betrekking tusschen Batavia
en Mataram verbetering te brengen, was niets mindernoodig
dan de dood van Sultan Ageng, die nog vóór het einde van
3645 overleed l), nadat in April van dat jaar ook de Gou-
verneur-Generaal Van Diemen was bezweken. Het volgende
hoofdstuk zal ons leeren, hoe binnen weinige maanden na
zijn dood de vrede tot stand kwam en de gevangenen werden
uitgewisseld. Het zal ons tevens doen zien, hoe spoedig de
luister van het rijk van Mataram taande, dat onder Sultan
Ageng den hoogsten trap zijner macht had bereikt. Het oude
Madjapahit was herboren onder zijn bestuur, met zijn heer-
schappij over schier geheel Java en zijne aanspraken op de
suzereiniteit over tal van vestigingen op andere eilanden van
den Archipel. Wij lezen zelfs dat hem in 1641 de leenhulde
van Martapoera (Bandjermasin) op Borneo weder door een
plechtig gezantschap werd aangeboden\'). Aan Sultan Ageng
worden ook groote bouwwerken te Plèrèd en Pasar-gedé tot
verfraaiing der hoofdstad toegeschreven. De Javanen zijn over-
tuigd dat hij met bovennatuurlijke krachten was toegerust,
en vereeren zijn graf te Im&giri als dat van een heilige \').
De 33jarige regeering van Sultan Ageng is zonder twijfel
het merkwaardigste tijdvak in de nieuwere geschiedenis der
Javanen, en dat de inlanders zich op den luister van dat
tijdvak blind staren, is hun niet euvel te duiden, wanneer
men let op wat er gevolgd is. Maar wanneer zij zijne nage-
dachtenis eeren en liefhebben, doen zij ons denken aan die
wonderlijke vereering die de Russen aan Iwan den Vreeselijken
neer zij zich niet onderwerpen, geen eigenlijken vrede, maar slechts een
wapenstilstand van hoogstens tien jaren toelaat. Mawerdi, ed. Enger, 84.
\') Volgens Hageman en Crawfurd in 1646; doch zie Van Goens in Bijdr.
t. d. T. L. en Vk. v. N. I. IV, hl. 364. De oorzaak van het verschil is dat
het Jav. jaar 1568, waarin dit sterfgeval plaats had, grootendeels, maar niet
geheel met 1646 overeenkomt. De Jonge, V. CXXV, durfde dus ook niet
bepalen of Sultan Ageng in het laatst van 1645 of het begin van 1646
overleed.
s) Van Diemen bij De Jonge, V. 284.
\') Vgl. Brumund, Indiana, I. 229 vv.
-ocr page 413-
39(»
toedragen, en schijnt het ons bijna toe dat zij toonen voor
de slavernij geboren te zijn. Toch is er voor die vereering
eenige grond. Ageng leed aan vlagen van diezelfde willekeur
en wreedheid, die het bezit van onbeperkte macht bij zoovele
tirannen voortbrengt, maar toonde nog somtijds een zekere
grootmoedigheid, die hem, zoowel als zijne bekwaamheid ,
gunstig van het gros der Javaansche vorsten onderscheidt.