-ocr page 1-
!^SST?&L<Sr72\\L<£P722i^£7r^^
INDISCHE TyPENENSCHETSEW
no^JUSTUS VAH MAURHC
w» jggBfigggflggBgg »w*w^*^w*« *—******* % >»\\\\ftws\\<% ♦ *rtf***** 0 t\\\\\\\\»\\wm
*^^ WN • HOLKEMA- & • W/1REND0RF • AMSTERDAM *&s
% % » % ^ | » i ê ê t $ $ $ \'$ $ $ 4 4 4 \'t § 4 ê i $ i i ê ê i » ê 0 » s i i t \\ ,
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
ÓOU 86&
i
1
i
•
Indrukken van ken „TöTèR."
i
-ocr page 6-
-ocr page 7-
OOM SP 6
> , > 1 JJ
Indrukken van een „Totök
INDISCHE TYPEN EN SCHETSEN
JUSTUS VAN M AU RIK
(tttef ± 200 {frustraties naar oorspronftefufte pljofograpljtscfle opnamen en naar
feefteningen van 3o6an QÖraatëensieft en T37. <D. 3. (ttteuroenfiamp.
DERDE DRUK.
A MS^T^R-BT A M
V A N HOLKEM A & WAREXDORF
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000016478814B
1647 8814
-ocr page 8-
-ocr page 9-
EEN WOORD VOORAF.
Omdat de ervaring leert dat een „Voorbericht" gewoonlijk de treurige voor-
beschiktheid heefl om te worden overgeslagen, schreef ik in geen mijner boeken
ooit een voorredt- of iets dergelijks. Ik had ook heusch nooit iets vóóraf te
zeggen. — nu echter wel. namelijk dit: Mijn boek is géén geleerd, géén degelijk.
volledig werk over Xed.-Indië, daarom wil ik iedereen, die zóó iets verwacht,
afraden het te koupen en te lezen — opdat hij zijn tijd en geld niet beklage!
Kr bestaan genoeg standaardwerken, uitgewerkte studiën en critische beschou-
wingen over Indië. waarin men kan vinden wat geleerder hersenen en bekwamer
handen dan de mijne wrochtten. Ik geef in deze bladen slechts losse schetsen,
mijn persoonlijke indrukken, zonder critiek te oefenen. Niet alleen omdat ik, die,
zooals men dat noemt, slechts een blauwen maandag in Indië was. mij zei ven
daartoe het recht ontzeg, maar vooral omdat ik niet critisch ben aangelegd en de
mensch nooit iets moet beproeven, waarvoor de natuur hem de noodige hersen-
cellen heeft geweigerd!
Ik ben op reis gegaan voor mijn zaken, om te genieten en om te kijken. Ik
heb zaken gedaan en genoten, en voortdurend mijn oogen goed opengedaan
— meestal ook mijn ooien. Daarom kan ik nu weergeven wat ik ondervond en
zag, maar — ik ben als Tbtbk in Indië gekomen, d. w. z. als een kat in een
vreemd pakhuis
             en als Tbtbk er weer uitgegaan! Niemand mag er
zich dus over verwonderen of ergeren dat ik zeer onvolledig en oppervlakkig
ben en misschien dingen vergeet mede te deelen, die hoogst merkwaardig
zijn. Zij die zulke leemten in mijn boek ontdekken zullen mij ten zeerste
verplichten door het ontbrekende er bij /<■ denken, dan vergrooten zij zonder
eenige onkosten hun gi not en vullen mij aan zonder dat ik het weet; daardoor
profileeren zij dubbel en blijft er voor mij altijd nog een verrassing in petto!
Wat ik geven kon trachtte ik te geven, namelijk eenige beschrijvingen van
Indische plaatsen, toestanden en personen.
-ocr page 10-
EEN WOORD VOORAF.
\\ I
Wat ik daarvoor noodig liad. heb ik zooveel mogelijk zelf opgezameld, wat ik
te kort kwam leende ik bij anderen, die beter onderlegd zijn en wat ik in
1 geheel niet weet deel ik niet mede. Niemand zal mij dus kunnen verwijten
dat ik een moderne Heer Jurriaan ben. die ..omdat hij verre reizen doet veel kan
verhalen".
Ik heb voor zooverre een auteur dat kan doen, der waarheid de eer
bewezen, die haar toekomt en mijn fantazie de handboeien aangedaan.
In dit boek geef ik zooveel mogelijk typen, portretten zal men er niet in
vinden, tenminste geen wel-gelijkende, want ik heb de gewoonte om de verschil-
lende phvsionomiën. die ik ontmoet, zoowat door elkaar te haspelen en den neus
van den een op het gelaat van den ander te plakken of iemand, die een kaal
hoofd heeft een pruik op te zetten en daarentegen een krullekop zoo glad te
scheren als een biljartbal.
1> nu de een of ander toch nog ..pinter\'- genoeg om een frappante gelijkenis
te ontdekken, laat hem dan gerust zijn gang gaan — ik wasch mijn handen
in onschuld !
                                                                             .
I)oor de groote voorkomendheid van mijn Indische vrienden en de welwillende
beleefdheid van verschillende autoriteiten, heb ik veel dingen kunnen zien en
bijwonen, die een ander mist. daarvoor betuig ik hierbij mijn dank, evenals aan
cle voortreffelijke amateur-photografen, die mij zoo ruimschoots in de gelegenheid
stelden om photo\'s te verkrijgen van merkwaardige plekken of zaken, die dikwijls
voor een vak-photograaf onbereikbaar blijven.
Zonder twijfel zullen de vele illustratiën, die ik in dit werk kan brengen, het
genietbaarder maken en van veel dingen een duidelijker voorstelling geven dan
mijn pen vermag.
Wanneer nu mijn ..Indrukken" er toe leiden om velen mijner landgenooten op
te wekken kennis te gaan maken niet Indië, dat goede, rijke en schoone land en
zich te overtuigen van de gulle gastvrijheid der Indische menschen, zal ik de
voldoening smaken iets te hebben bijgedragen tot het verspreiden van betere en
juistere denkbeelden omtrent onzen ..Oost".
En hiermede heb ik gezegd wat ik vóóraf wilde zeggen — ik wensch mijn
lezers heil! — mijn uitgever debiet!
Amsterdam. Oct. 1897.
JlSïlS VAX MaI\'RIK.
X.H. Deze derde druk is door mij nagezicn en verbeterd; verschillende opmer-
kingen van bevoegde zijden gekomen, heb ik mij daarvoor ten nutte gemaakt.
In dezen druk voeg ik nog een schets. „Een toewan en zijn Invenlarisstiik."
die m. i. bij de andere behoort.
                                                          f. v. M.
-ocr page 11-
INHOUD.
iJIa.lz.
EERSTE DEEL.
TE PADANG...................................................         I
NAAR FORT DE KOCK..........................................      35
PADANG-PANDJANG.............................................      53
VERTREK VAN\' EEN ATJEH-BOOT.................................      60
NAAR JAVA...................................................      68
TE BATAVIA EN BUITENZORG....................................      <\\5
OP \'T BAL VAN ÜEN GOUVERNEUR GENERAA1......................    128
EEN\' EXECUTIE................................................    14b
INDISCHE HOTELS..............................................    155
NAAR SEMARANG..............................................    184
TWEEDE DEEL.
EEN ORANG BAROK............................................ I99
IN DE PRÉANGER.......................................... . . 211
OP MIDDEN-JAVA.............................................. 241
TE SOERABAJA................................................ 257
KEN TOEWAN EN ZIJN\' INVKNTARISSTIK........................... 2(j2
BANJOE-BIROE................................................. 301
NAAR TOSARI EN DEN\' BROMO................................... 310
DE SAGE VAN DEN BROMO...................................... 350
DK LEGENDE VAN DEN BATOK EN DEN SEMÉROE.................. 353
EEN SUMATRAAN............................................... 356
TE MÉDAN —DELI.............................................. 362
NAAR EEN BATAK-KAMPONG..................................... 384
MUNTOK—BANKA*............................................. 396
PORT-SAÏD................................................. 400
-ocr page 12-
-ocr page 13-
^A*^**A*^»fc»fe»fc^/^/»fe^<fc^/^»fc\\fc\\^xi/\\i/^\\jUvi/\\i/»feifc.ifcifcib\\fc\\i/^/U/\\i/
TE PADANG.
—  Ziezoo, daar heb je
hem nu! Hij is volstrekt
niet zeeziek geweest —
ga zitten Van Maunk —
wil je wat limonade of
ijswater met tamarinde-
stroop ? — Limonade ?
Best!
—  Toe, vrouwlief! geef
den man gauw wat drin-
ken, \'t is erg warm vandaag
en hij is \'n baar, die zijn
altijd dorstig. Wel! wel,
kerel! wat doet \'t me een plezier, dat we je nu eens hier hebben. Je
bent nog ongeveer dezelfde gebleven — hum! \'n beetje ouder geworden
natuurlijk! \'t Is ook een heele tijd geleden sedert we samen op de
Amsterdamsche beurs stonden. Wil je ook een anderen stoel, je hebt
zeker nog nooit op zoo\'n schommelstoel gezeten?
Mijn vriendelijke gastheer, die me aan de Emma-Haven te Padang van
het stoomschip De A malta, waarmee ik in den nacht was aangekomen,
had afgehaald, zag mij met zijn vroolijke, prettige oogen hartelijk aan, en
herhaalde: — \'n heele tijd geleden, man! En staat de Beurs nog als
een moderne Arke-Noach\'s op het droge Damrak? Jelui krijgt nog zoo
gauw geen nieuwe, hè? Nu, de beursbclasting betalen jelui al jaren, dat
heb je*ten minste gewonnen! De goede man wist toen nog niet, dat de
vroede vaderen van Amsterdam, na jaren lang overleg, toch eindelijk
-ocr page 14-
TE PADANG.
2
besloten hadden om \'t Damrak voor goed te bederven en de nieuwe Beurs-
op een plek te bouwen, waar ze nooit moest komen.
—   Hier te Padang, ging hij voort, hebben we wel geen beurs, maar
er worden hier toch heel wat zaken gedaan, dat zul je eens zien, als we
dezer dagen een toertje maken langs de rivier en door de Chineesche
wijken en een paar handelslui gaan bezoeken. Vrouwtje, ik heb me
onderweg geamuseerd over de verwonderde oogen, die Van Maurik opzette,,
toen hij hier de klapperboomen, de pisangs, en palmen, enfin! de heele
voor hem vreemde vegetatie zag. — Je keek heusch erg nuchter, amice!
met zoo\'n echt neus-in-den-wind gezicht. Leuke huizen bouwen ze hier,,
vindt je niet? Allemaal op palen, dat doen ze om de aardbevingen, die
we hier zoo dikwijls hebben. Nu zit er zwieping in en vallen ze zoo-
gemakkelijk niet inmekaar. Dit huis staat nog al hoog op z\'n pooten,
zooals je ziet, daarom zitten we ook als op een balkon. We wonen hier
erg lekker; kijk! hier recht over heb je de zee. Luister! je kunt voort -
durend de branding hooren. Stil jongens! Die kinderen maken een leven,
als een oordeel. — Stil dan toch eens even! Hinder Ma niet en stoot
niet aan de tafel — breng meneers limonade liever hier!
De drie vroolijke kinderen, die samen in de binnengalerij aan \'t ravotten
waren, hielden een oogenblik hun snaterende mondjes en duidelijk hoorde
ik toen hoe de branding tegen den voet van den nabij gelegen Apenberg
opstoof en vóór ons over \'t strand sloeg.
—  Ja! nu is \'t niet zoo erg hoorbaar, omdat \'t mooi stil weer is, maar
als er wat wind staat en de golven een beetje rumoeren, brult de zee en-
moeten we alles dicht doen voor den geweldigen luchtdruk. Dan kan
\'t soms ineens bar-koud zijn; wij hebben te Padang anders een best
klimaat, \'t Is warm ja! — maar we krijgen bijna iederen dag een
opfrisschend buitje. Zie je, dat missen ze nu op Java, daar is ,\'t puf!\' —
dat zul je ondervinden, zoodra je maar op Batavia komt.
Mevrouw, een allerliefste jonge vrouw, de onbezorgdheid en vroolijkheid
in persoon, bood me nu vriendelijk een glas verfrisschend citroenwater en
zei: — Ja, ja! mijn man ratelt maar aan één stuk door. Weet u? hij is
erg in zijn schik, dat hij weer eens met een Amsterdammer kan pratenr
over alles en nog wat, dat gebeurt hem hier niet dikwijls, en terwijl zij
in den schommelstoel plaats nam en achterover leunend haar mooie
geborduurde muiltjes op de punten van haar fraaie kleine voetjes liet
balanceeren, sloeg zij beide handen samen achter haar hoofd en deed mij
voor \'t eerst de vraag, die ik later honderde malen in Indië heb moeten
beantwoorden: — En wat zegt u wel van Indië?
—   Lieve Mevrouw! ik kan er nog niet over oordeelen, want ik ben-
nog geen drie uur aan wal — maar wat ik onderweg zag en wat ik nir
-ocr page 15-
TE PADANG.
3
hier zie, vind ik goddelijk! Boven verwachting, heerlijk! Wat \'n boomen,
wat \'n verschil van groen, een oogenlust! En wat \'n rijkdom van vreemde
planten! \'k Heb, al sporend, genoten van de prachtige berggezichten
tusschen de Emma-Haven en \'t station en al rijdend in uw dogcar
van de verrukkelijke lanen. Padang lijkt me één groene oostersche
toovertuin !
—  Ja! 7 ïs hier mooi, betoel, mooi! zei mevrouw en in haar vriendelijke,
kinderlijke oogen lichtte een vonkje van enthousiasme. Ik ben in Indië
geboren, weet u? Ik kan niet goed velen dat de menschen Indië eentonig
of vervelend noemen, \'t is hier toch zoo heerlijk, ja! Wij wonen ook zoo
lief; wat \'n erf om \'t huis, dat zal u in Holland wel missen. Heeft u
te Amsterdam ook \'n tuin?
—   Zeker, Mevrouw! maar minder groot dan de uwe. — Mijn tuin
is een bak met een Rhabarberplant, die elk jaar op \'t zinken plat, boven
de keuken, op nieuw uitloopt.
—   Kasihan ! ha, ha, ha!
—   O ja! dat ken ik, in Amsterdam zijn de menschen al grootsch op
een pot geranium in de vensterbank, lachte mijnheer, — wij hebben \'t
roijaler op ons erf. Kijk maar eens even om wat een mooie waaierpalm,
een van de mooisten van Padang. We hebben klapperboomen, die kun
je daar rechts zien, tamarinden, djeroeks, mangga\'s, enfin! zoo\'n beetje
van allerlei soort. Heb je al eens een klapper-moeda geproefd ?
—■ Klapper-moeda?
—    Een jonge kokosnoot, die smaakt heel lekker, namelijk het water
er uit, verfrisschend en gezond om te drinken, \'k Zal er dezer dagen een
voor je laten plukken.
Ik keek verbaasd naar de hooge kokospalmen, waarvan de stammen
zich bijna kaarsrecht uit den grond hieven en vroeg: Hoe klimmen ze daarin?
—   O! heel eenvoudig, de Maleiers klauteren met handen en voeten,
ze loopen als \'t ware tegen zoo\'n boom op; zie je wel dat er inkepingen
gehakt zijn in den stam? Dat doen ze, al klimmend, met hun golok
(kapmes). Sommigen binden hun voeten aan elkaar, om den stam heen,
en werken zich dan zóó naar boven; \'t is een heele toer, dat geef ik
gewonnen, maar zij doen het handig.
—    En, viel mevrouw in, — dan hebben we hier nog de mannen met
apen. Hé ja! manlief, dat moest je meneer van Maurik eens laten zien.
Zoo iets bestaat in Holland toch bepaald niet. Er zijn hier Maleiers, weet
u ? die maken er een métier van om op de erven klappers te gaan plukken;
ze krijgen van elke tien stuks één voor hun moeite. Wij hebben er altijd
veel noodig voor de keuken, voor de rijsttafel en om olie van te maken.
—   Misschien komt dezer dagen wel eens zoo\'n vent, zei mijnheer, —
-ocr page 16-
TE PADANG.
4
die lui hebben apen gedresseerd, die ze aan een touw vasthouden. Die
dieren klimmen de boomen in zonder de minste inspanning; de man
weet hun te beduiden welke noten ze plukken moeten en de aap gooit
ze naar beneden. Aardig gevonden, hè? — Ja, zóó weten ze van die
lieve diertjes nog partij te trekken. We hebben er hier genoeg — kijk!
daar schuins tegenover je
is de Apenberg, daar huist
een heele kolonie van dat
goedje, niet waar vrouw?
—   O, dat is zoo aardig,
u moet er bepaald eens
heen, ja!
—    Natuurlijk ! zei mijn
gastheer, — maar later.
Kom! we maken je mor
door ons gebabbel. Ga nu
naar je kamer, maak je
lekker en pak je boeltje uit.
\'k Zie den grobak (kar) met
je koffers komen, babbel
nog een beetje met mijn
vrouwtje en wacht me dan
aan de rijsttafel; ik moet nu
naar kantoor, salut!
Hij kwam nog even terug
en vroeg: „Hoe sta je met
je Maleisch? Ken je wat?"
—   Hm ! sedikit! (weinig).
—    Aha! dus je kent er
toch wat van, merk ik, zeker
aan boord geleerd; nu, \'t zal
je te pas komen, adieu!
Mevrouw liet me door den huisjongen mijn kamer wijzen, \'k logeerde
in een paviljoentje naast \'t hoofdgehouw, met het uitzicht op den voortuin,
den weg en \'t zeestrand. Een poosje bleef ik genieten van het heerlijke
gezicht over de kalme zee en de prachtige lichteffekten op de zacht
kabbelende golven, toen kwam de kar met mijn bagage en de voerman
van den grobak sjouwde met den huisjongen en den kebon (tuinman)
mijn bagage naar binnen.
Sterk zijn die lui niet, dacht ik, toen ik opmerkte hoe zij, met z\'n tweeën
blazend en hijgend, één koffer verzeulden, dien een Amsterdamsche kruier
-ocr page 17-
TE PADANG.
5
met gemak alléén op zijn schouders had genomen en ik kon mij begrijpen,
toen ik de kleine gestalten van huisknecht en tuinman zag, dat ze die
bedienden in Indië „jongens" noemen. Zij hebben waarlijk iets jongens-
achtigs over zich, voornamelijk ook door het gemis van knevel of baard.
Daar ben ik dan nu in Indië, zei ik tot me zelf, toen ik in mijn kamer
bezig was mijn koffers te ontpakken. Drommels, ja! ik voelde \'t ook
wel, want \'t was langzamerhand zeer warm geworden. Mijn gastheer had
me vroeg in den morgen van boord gehaald — nu liep \'t al naar tien
uur, en dan wordt het in Indië zooals wij in Holland zeggen : balsamiek!
\'k Transpireerde als een examinandus, terwijl ik mijn kleeren uitpakte
en achter het gazen gordijn aan den kapstok hing. \'k Moest voortdurend
mijn voorhoofd drogen en op den rug van mijn handen verschenen
onophoudelijk perelende druppels, \'k Ontdeed mij van mijn dun flanellen
reispak. \'t Was me veel te warm. Ik ontkleedde me zooveel mogelijk
en toen ik eindelijk mijn kleeren opgehangen, mijn linnengoed enzoovoorts
in de djatihouten kast had geborgen, viel ik aemechtig neer op mijn bed.
Welk een bed! \'t Was een twee-persoons Indisch, maar een heele
familie kon er bepaald ruim in slapen. Dekens of lakens houden ze er
in Indië niet op na, men slaapt gekleed in slaapbroek en kabaia en heeft
een of twee stijf gevulde kapok-hoofdkussens en een goeling (rolkussen)
ter zijner beschikking.
Zoo\'n rolkussen is iets eigenaardigs — een ding, waaraan men wennen
moet, maar dat, wanneer men er aan gewoon is, onmisbaar blijkt-
\'t Dient om voor de luchtigheid tusschen de knieën te leggen en ziet er
uit als een reusachtig groote witvel-worst. Sommige lieden die er goed
aan gewend zijn leggen het ondereind tusschen de knieën en omarmen
teederlijk het bovengedëelte, het hoofd schuins er tegen aan leggend, als
tegen den boezem van een trouwen vriend.
\'k SJiep een lange poos, overweldigd door de ongewone temperatuur
en ontwaakte door een koud, kil, glibberig iets wat op mijn gezicht viel.
\'t Was een tjietjak, een soort hagedisje, dat tegen den hemel van mijn
ledikant had geloopen en nu waarschijnlijk eens kennis met den „baar"
wilde maken.
Ik ben niet schrikachtig, maar toch huiverde ik even door die gladde,
kille aanraking. Later hoorde ik dat die diertjes volkomen onschadelijk
en zelfs zeer nuttig zijn, omdat zij duizende muskieten verslinden. Ze
worden dan ook in alle huizen gaarne gezien en gerespecteerd als
weldoende vrienden.
\'t Was intusschen tijd geworden voor de rijsttafel; ik zag \'t met schrik
en kleedde mij haastig aan.
Aan boord had men mij reeds een paar maal dien Indischen maaltijd voor-
-ocr page 18-
6
TE PADANG.
gezet, maar nu zou ik voor \'t eerst met de echte rijsttafel kennis maken.
— Valt ze je niet vreemd in de maag? vroeg mijn gastheer, — die
droog gekookte rijst, waarvan elke korrel op zichzelf is gebleven ? En hoe
vindt je die sambals? Hier, proef deze eens: sambal-hati, (kippenharten,
magen en levertjes fijn gesneden met Spaansche peper), lekker! Van dit
moet je ook wat nemen, dat\'s sambal oedang (garnalen) en hier heb je
dendeng (gedroogd vleesch) en kroepoek.
Huis van mijn Gastheer Ie Padang.
— Frikkadel ? vroeg mevrouw, mij een schotel met gehakt toereikend.
I" moet van alles maar eens proeven, ja! Als \'t u al te pedès (te heet)
is, dan laat u \'t maar gerust staan. Wij eten nooit erg pedès, want
manlief houdt er niet van. O, wacht! — Sidin! — zij riep den jongen
— geef meneer eens wat visch, hier is versche en ikan-kring (gedroogde)
ook; u heeft er niet van genomen en ze smaken beide zoo lekker bij de
rijst. En hier is geroosterde kip!
Ik begon nu eerst goed te begrijpen dat de rijsttafel aan boord^ nog
maar een zwakke poging is, want in een Indische huishouding is ze veel
uitgebreider en smaakt ze heel anders.
Eerlijk gezegd, moest ik me geweld aandoen om de combinatie van
-ocr page 19-
TE PADANG.
7
rijst, visch, gehakt, uitjes, kool, Spaansche peper, geraspte kokosnoot, kip,
vischkuit, in water gekookte groenten, gezouten eendeneieren, roode
Macassaarsche vischjes, spiegeleieren en gebakken pisang lekker te vinden.
Ik kreeg in den beginne te veel smaakjes op eens en zat met al die
bijschotels verlegen. De mensch is van nature een gulzig wezen en wil
zich te goed doen, wanneer de gelegenheid daartoe hem geboden wordt,
hij wil proeven wat \'t lekkerst is, om daarna zich bij dat „lekkerste"
permanent te verklaren, niets overslaande in den beginne, uit vrees van
juist datgene te zullen missen wat hem \'t best zou kunnen bevallen. Ik
nam dus van alles wat op mijn bord en roerde, zooals meest alle totóks
(nieuwelingen) doen, hutje met mutje dooreen, waardoor ik een mengsel
verkreeg, dat mij met verschrikte oogen op mijn bord deed staren en me
een rilling bezorgde, denkende: doormekaar is \'t wel, maar doorgeslikt
nog niet!
Maar de mensch went aan alles, zelfs aan \'t hangen, zegt \'t spreekwoord
•en daarom wende ik ook aan de rijsttafel, vooral toen ik wist dat men
de rijst, overgoten met een geelachtige kerriesaus, waarin somtijds wat
groente drijft — in sommige hotels meen ik zelfs gras in die saus te
hebben bespeurd — als basis aanneemt voor de verschillende toespijzen,
waarvan men nu en dan een hapje gebruikt. Men proeft in de allereerste
plaats rijst, maar gevarieerd door al die bijgerechten en wanneer men
zijn bord bekijkt, waarop een geheele comestibelen- en delicatessen win kei
schijnt uitgestald en naast zijn bord een croquant stuk rosé- of geelachtige
kroepoek (een soort beschuit van gedroogde garnalen gemaakt), benevens
\'t kleine bordje met alles wat op \'t groote niet geborgen kan worden ziet,
gevoelt men onmiddellijk dat men de verplichting heeft zich minstens één
maal in de vier-en-twintig uren een indigestie te eten.
\'t Is geen wonder dat veel menschen in Indië corpulent worden, wanneer
men ziet wat ze verorberen kunnen. Later, toen ik over den eersten
schrik heen was en me door dien rijstberg wat had leeren heen-eten, ben
ik zelfs van de rijsttafel gaan houden. Ik vond er iets Lucullisch in om
in één half uur, gedurende één maaltijd, een geheele série diners te kunnen
afwerken. Vooral wanneer men, de rijsttafel ontledend, de namen der
verschillende factoren in \'t Fransch vertaalt, krijgt men heerlijke menu\'s,
dien den volleerdsten lekkerbek doen watertanden. Over \'t algemeen
schijnt iets met \'n Franschen naam lekkerder te smaken, misschien omdat
de vreemde taal er een vreemden geur aan geeft en niet onmiddellijk
verklapt wat \'t eigenlijk is. Klinkt \'t niet fijn wanneer men u serveert
(eerste vijf minuten): Riz au poulet sauté, sambal pêté, assaisonné de
terasi; (tweede vijf minuten): Riz granulé, crevettes au poivre, sauce
sajoer, noix de coco rapé! (derde vijf minuten): ceufs de canard, salés,
-ocr page 20-
8
TE PADANG.
riz a 1\'Indienne, sambal poissons rouge Macassare, sauce curry; (tweede
kwartier): Riz a la vapeur, sambal hati, couronné de fricadelle, pimentée
è 1\'instar de lombok sétan, of Riz Malai vaporisé, aux oignons frits avec
succulents de canards, bèbèq braisé, sambal ketinioen. Is \'t niet om alléén
door de lectuur van zulke menu\'s, naar verdund zoutzuur of zuiveringszout
te grijpen? In één half uur maakt men dus een volledige braspartij
door — men gelieve echter op te merken dat ,,le riz" een hoofdrol speelt
en evenals „perdrix et toujours perdrix" tengevolge heeft, dat de ,,haut-
gout" verloren gaat, kan ik, door het Riz et toujours Riz, aan de Indische-
rijsttafel niet al de eer geven die haar van Gods- en rechtswege toekomt.
Aardig is het op te merken, hoe de Indische kokkies op vernuftige wijs
den argeloozen gast weten te verschalken door hem telkens een nieuw
bijgerecht voor te dienen, dat er uitziet als gehakt, cotelettes, croquettes,
paté, saucissons, ja soms zelfs als nuchter kalfsvleesch, maar dat bij
nauwkeurig onderzoek toch altijd weer bestaat uit ,,de vogel kip" in
verschillende gedaante-verwisselingen, \'k Heb gedurende mijn verblijf in
Indië zooveel kippen gegeten, dat ik me waarachtig schaam om hier te
lande een fatsoenlijken haan tegen te komen.
Na de rijsttafel komt de siësta, een heerlijk iets voor hen, die er gebruik
van kunnen maken !
Mijn arme gastheer moest gewoonlijk die verfrisschende en meestal
hoognoodige rust missen, want zijn handelszaken hielden hem van
\'s morgens half negen tot \'s avonds half zes met ijzeren arm omklemd.
Ter mijner eer was hij ditmaal thuis aan tafel verschenen, gewoonlijk
werd de hem competeerende portie rijst en toespijs in een etensdrager
aan zijn kantoor gebracht, en later heb ik te midden van monsters koffie,
gom-damar, cassia, tabak of gambier, menig middagmaal met hem gedeeld.
Men zal mij nu nooit meer kunnen wijs maken dat de handelslui in
Indië hun geld gemakkelijk verdienen; er wordt daar, dooreen genomen,
harder gewerkt dan hier te lande en wanneer de een of ander na jaren
met een gevulden buidel repatrieert, kan men veilig aannemen dat die
buidel minstens zijn gewicht aan zweetdroppels heeft gekost.
—  Adieu! tot van avond, amice, tegen theetijd kom ik je halen, dan
frisch ik me wat op en gaan we daarna een poosje naar „de Soos".
Je kunt daar kennis maken met de Padangsche heeren, — a propos, denk
er om dat je morgen dadelijk een visite maakt bij den assistent-resident
om je permissiebiljet te halen.
—  Mijn permissiebiljet?
—  Ja, zeker, denk je dat wij hier in Indië maar zoo sans facons
Jan en alleman toelaten? Waarachtig niet! Je moet een bewijs hebben
van de regeering, dat je verlof hebt om gedurende zus of zooveel tijd
-ocr page 21-
TE PAOANG.
9
hier in den Archipel te vertoeven en handel te drijven. Salut, tot straks
,,De Soos" is in Indië, over \'t algemeen, het ontspanningsoord bij
uitnemendheid en niet alleen voor de heeren, maar ook voor de dames,
die zeker dankbaar erkennen dat de „sociëteit" haar minstens even veel
genot bezorgt als aan haar echtgenooten, want alles wat ontspanning geeft
gebeurt in ,,de Soos".
Bals, muziekuitvoeringen, whist- of hombre-partijtjes om prijzen, tooneel-
voorstellingen, lezingen, Kerstboom- en St. Nicolaasfeesten voor de kinderen
wisselen elkander daar af. Ja, in de Soos wordt zelfs, door de heeren,
de chronique scandaleuse van plaats of stad geredigeerd, die dan door
de dames bij vertrouwelijke „onder onsjes" of in van die: „Betoel!-niet-
met-anderen-over-spreken, ja!" of: ,,ik-zeg-joudat-alleen-als-intieme-vrien-
din-oogenblikken" verder wordt uitgegeven.
Geen wonder dus dat de Indische Sociëteiten over \'t algemeen zeer
mooie gebouwen zijn, uit ruime beurzen gebouwd en zóó comfortabel
ingericht dat sommige heeren er hun tehuis wel eens voor vergeten en
zoodoende bewijzen dat het woord „terlaloe" (al te) van toepassing op
hun ijver in \'t kaartspel of whiskey soda drinken, in Indië, even als hier
te lande, een minder gunstige beteekenis heeft en van overwegenden,
invloed kan zijn op het al of niet spoedig vullen van ,,de kous" die in
Patria moet worden geledigd, om jaren van ingespannen arbeid met een
welverdiend dolce far niente in koeler klimaat te beloonen.
De sociëteit te Padang waar wij dien avond na de thee een uurtje gingen
doorbrengen, is een flink ruim en luchtig gebouw, met een mooie, groote,
zeer fraai gedecoreerde concert- en tooneelzaal, die gemakkelijk drie- tot
vierhonderd personen kan bevatten.
In de voorgalerij, aan de zoogenaamde „kletstafel" maakte ik kennis
met de steunpilaren van sociëteit en stad en zat al spoedig als een oude
bekende mee „te boomen", zooals men in Indië gezellig praten noemt.
Belangstellend informeeren naar mijn bootreis, mijn aankomst en de vraag:
„En wat zegt u nu van Indië?" maakten schering en inslag van de
gesprekken uit, en iedereen beijverde zich om den tötök met vriendelijke
raadgevingen nuttig te zijn.
—   U moet bepaald de Padangsche bovenlanden gaan zien, zei de een.
—    De Aneï-kloof is uniek mooi, Padang Pandjang, Fort de Koek zul
je goddelijk vinden, beweerde een ander.
—  Payacomba is allerinteressantst, \'t meer van Singkara, \'t Karbouwengat
moet je niet verzuimen, riep een derde.
\'t Viel me op dat allen het er over eens waren, dat Sumatra zoo mooi,
schilderachtig en heerlijk was. Er heerscht over \'t algemeen onder de
Indisch-gasten een prettig, opwekkend, prikkelend enthousiasme voor
-ocr page 22-
TE PADANG.
1<>
hun land, een mooi- en goed-vinden dat den vreemde aangenaam aandoet
en hem dadelijk gunstig stemt voor de hartelijke kolonie-bewoners, die,
hun vaderlandsche gevoelens niet verlooch nend, toch met hun Indië zijn
ingenomen, dankbaar het vele goede erkennend wat klimaat en natuur
daar bieden.
Natuurlijk vindt men ook mopperaars onder hen ; knorrige, ontevreden
lui, die zich gepasseerd achten door supérieuren, miskend door hun gelijken
of te kort gedaan door den een of ander — maar waar vindt men alleen
tevreden menschen ? Zelfs in ons gezegend Nederland, waar melk en
honig overvloeit, waar „\'t altijd boter is tot den bodem" en waar de
menschen elkander gaarne het licht in de oogen gunnen, treft men nog
ontevredenen aan, lieden die zich warm maken over onaangename kleinig-
heden. Waarom zou men dan als tegenstelling in Indië geen brommende
lui mogen vinden, die koel blijven voor de groote zegeningen van \'t
warme Insulinde.
—   We zullen mijnheer van Maurik nu eens laten zien, hoe we appre-
cieeren dat een Hollandsen auteur naar Indië komt, zei een van de heeren
die een „toewan besaar" van de spoorwegdirectie was en zeer gracelijk
bood hij mij, voor mijn aanstaand bezoek aan de Aneï-kloof, Fort de
Koek etc. den directiewagen aan.
—   Daarin zul je zitten als een prins. Een balkon voor en achter, een
gemakkelijken stoel daarop en de wagen heelemaal voor u alleen. We
zullen hem vóór aan den trein zetten, dan duwt de locomotief je zachtjes
op langs de tandrad-baan en kun je op je gemak alles opnemen. De
wagen blijft dan te Fort de Koek, tot je terugkeert, ter dispositie.
Wat moet men tegenover zulk een buitengewone beleefdheid doen ?
Aannemen ! dankbaar, met beide handen, waardeerend, met een gevoel
van sympathie voor den vriendelijken man, die de enkele aangename
uurtjes, hem door mijn kleine novellen of schetsen bezorgd, zoo schitterend
wist te beloonen.
Ik ben dan ook inderdaad later met alle eer en comfort naar de boven-
landen vervoerd en kan de verzekering geven dat zoo\'n directiewagen
een verrukkelijk voertuig is, dat ik in al zijn nette gemakkelijkheid ten
volle aan de directie gun, omdat zij de goedheid heeft gehad er mij ook
eens van te laten profiteeren.
—  Je entree is niet slecht, merkte mijn gastheer op, toen we huiswaarts
keerden, mij dunkt Van Maurik je kunt tevreden zijn over de ontvangst
hier te Padang.
—    Tevreden ? ik ben verrukt over de hartelijkheid waarmee iedereen
me tegemoet komt. \'t Zijn gezellige aardige lui hier, in \'t geheel niet
stijf of gereserveerd, men is dadelijk met hen op zijn gemak.
-ocr page 23-
TE PADANG.
I I
— Dat zul je overal ontmoeten in Indië. Je moet bedenken, amice,
•wij leven hier heel anders dan jelui in Holland. De menschen hebben
mekaar hier in alle levensomstandigheden meer noodig en sluiten zich als
vanzelf vaster aaneen. Daarbij komt nog dat hier niet zoo minutieus
geïnformeerd wordt: Wie was meneer die of die z\'n papa? Wat deed zijn
grootvader of wat doet op \'t oogenblik zijn oom of tante? Wij vragen
alleen: — Hoe is de man zelf, is \'t een fatsoenlijk ,,fair" mensch, een
aangenaam, conversabel man. Is \'t iemand die zijn weetje weet en die
doet, waarvoor hij scheep komt? Welnu, wanneer wij hier iemand krijgen.
Handelskantoren aan de l\'adan^-rivier.
die ons bevalt, die zich geeft zooals hij is en geen pedante kwast, betweter
■of chevalier d\'industrie is, dan vragen wij niet: deed je vader een
koomenijs-winkel of ging je grootmoeder soms uit schoonmaken? om hem
in dat geval over den schouder aan te zien. Neen, goddank ! zóó bekrompen
zijn we niet, wij verruimen in Indië onzen blik, we denken breeder en
worden van zelf humaner, zonder dat we \'t haast weten en we krijgen
daardoor dat gastvrije, dat min of meer losse, door sommige benepen lui,
in Holland, met „Indische ongegeneerdheid" bestempeld, \'t Is hier werkelijk
een goed land, een land waar men kans heeft om vooruit te komen, mits
men werken kan en wil — en matig is. Weinig bittertjes en veel arbeid
-ocr page 24-
12                                                               TE PADANG.
zijn de voorwaarden om in Indië carrière te maken, — maar \'t geld ligt
hier waarachtig niet op straat en de tijden zijn voorbij dat iemand die in
Holland mislukte, hier toch nog op zijn sloffen tot rijkdom kwam. We
krijgen tegenwoordig het uitschot niet meer, daar passen we vóór.
Integendeel, we krijgen nu de fine fleur! Ontwikkelde lui, die wat geleerd
hebben en hun kennis hier productiever kunnen maken dan in \'t kleine
Holland, waar te weinig omgaat. Morgen zul je eens zien hoe langs de
Padang-rivier de handelskantoren staan, hoe daar alles leven en bedrijvig-
heid is. Geloof me, de Hollandsche jongelui blijven, door de bank
genomen, veel te veel en te lang bij moeders pappot. Ze moesten de
wereld ingaan en kijken wat er te koop is en — er is nog heel wat te
koop, heel wat te doen, vooral in de tropen. Jammer dat ze in Patria
dikwijls zoo op de duiten blijven zitten : hier is met kapitaal, kapitaal te
maken, maar niet ineens, neen! langzaam en voorzichtig aan. Chineezen
zijn slimme, gewikste kooplui, Arabieren en Klingeleezen niet minder
en de Maleiers kijken hun de kunst af. Een Amerikaan gaf eenmaal zijn
zoon den raad: ,,Make money my son — can it be honestly — but in.
any way make it!" \'t Komt me zoo voor, dat al die vreemde oosterlingen
dien raad opvolgen; daarom is \'t hier een voortdurend: „past op je
zakken!"
\'t Was donker geworden, schemering is er in de tropen niet. De zon.
gaat tegen zes uren met grooten spoed onder, plotseling daalt zij aan de
kim, snel zinkt zij weg achter vurig gerande wolken en binnen een
tijdsverloop van vijftien of twintig minuten heerscht volslagen duisternis.
Dan wordt het koel en lekker, wel hangt de loome, heete lucht dan nog
een poos onder de boomen, maar zoodra de lichte landwind opsteekt en
ruischend door de toppen van klappers, waringhins en asamboomen vaart,,
wordt heel Padang verfrischt en schudden de bewoners de beslommeringen
van den dag af, luierend in hun voorgalerij in den krossi-gojang (schom-
melstoel) of langzaam wandelend langs den oever der zee, die zachtjes,
haar weemoedig lied van eeuwig gaan en komen zingt.
-ocr page 25-
TE PAIMNG.                                                               13
11
— Vindt je dat niet beleefd? vroeg mijn vriend
een paar dagen later, toen we vóór \'t ontbijt
onder de voorgalerij onze koffie dronken, de
Majoor-Chinees Lie-Saay, die aardige ouwe heer,
waar je gisteren op \'t kantoor mee hebt kennis
gemaakt, stelt morgen vroeg zijn rijtuig tot je
dispositie om mee te toeren; \'n mooie gelegen-
heid om op je gemak onze plaats eens goed te
zien. Kerel! dat mag je wel apprecieeren! En
weet je wel waaraan je eigenlijk die beleefd-
heid dankt.
— Neen!
Lie-Saay,                     — Aan \'t feit dat Lie-Saay een broertje van
Majoor-Chinees van Padang. je js — hij is macon, meester in onze Loge hier,
en getrouw aan de voorschriften van de vrij-
metselarij begint hij dadelijk met den overzeeschen broeder eer te bewijzen.
—    \'k Ren zeer erkentelijk, wil je hem dat eens zeggen, want \'k ben
nog altijd in gevecht met mijn Maleisen.
—   Je leert toch al wat aan, je zult er gauw genoeg van kennen om
je verstaanbaar te maken, \'t Is niet zoo moeilijk als men denkt, met een
paar honderd woorden en een beetje brutaliteit breng je \'t al een heel
eind ver — nu, de laatste kwaliteit ontbreekt je niet.
—   Dankje!
—  Wat zullen de lui kijken als je zoo in \'t rijtuig van Lie-Saay rondrijdt.
Hij heeft een lekkeren landauer en flinke paarden, je hebt er toch niets
tegen dat mijn vrouw en de kleintjes meegaan, ze vinden \'t zoo leuk om
met jou deftig te worden rondgetoerd.
—   \'t Zal mij een alleraangenaamst gezelschap en voor \'t rijtuig van den
Chinees een buitengewone eer zijn.
—   Koetsier en palfrenier in liverij, alles kranig naar den aard. Mij
-ocr page 26-
TE PA DA NI.;.
\'4
dunkt ik zie je al kijken naar de mooie hoeden, die zij dragen. Eigenlijk
is \'t een bespottelijk gezicht die hooge wijde hoeden met galon en
kokardes, boven op hun hoofddoeken. Let maar eens op, daarom zijn
die hoofddeksels ook zóó wijd dat jij of ik er je heele hoofd in zou
kunnen wegstoppen. Enfin! \'t is eenmaal chic en adat (\'t gebruik).
— Stop eens even, amice! ik heb ze al gezien, die hoeden, de
Gouverneur rijdt ook met zoo\'n paar trawanten op zijn rijtuig. Gisteren
dacht ik nog — neem me niet kwalijk dat ik \'t zeg — die inlanders zien
er precies uit als aangekleede apen op een orgel; je weet wel, zooals
ze vroeger bij ons op de kermissen vertoond werden.
—  Ja, waarachtig, \'t heeft er iets van, maar de liverij van onzen
Gouverneur ziet er toch wel wat frisscher uit dan een kermispakje.
—  Nu ja ! sans comparaison — ik bedoel alleen maar den generalen indruk!
—   Heb je wel opgemerkt wat \'n prachtige paarden de Gouverneur heeft.
Je bent er immers gisterenavond geweest om je opwachting te maken ?
—   Zeker! en \'k werd alleraangenaamst ontvangen. Ik kende trouwens
den heer Michielsen van vroeger, toen was hij nog maar resident, en
-ocr page 27-
\'5
TE FAUAN\'G.
\'k moet bekennen \'t heeft me bijzonder aangenaam getroffen, dat hij me
zoo joviaal en zonder eenige aanstellerij ontving. Dat deed me goed,
\'k was waarachtig confuus over zijn beleefdheid en ik feliciteer jelui met
zoo\'n man!
—   We zijn dan ook werkelijk met hem in onzen schik en waardeeren
ten volle zijn loyauteit en flinkheid. Hij is een man uit één stuk en dien
hebben we hier noodig.
—   Hij heeft me met jou en nog eenige heeren te dineeren gevraagd, —
wanneer, zullen we later hooren.
—   Uitmuntend! dat geeft een gezelligen avond, want onze Gouverneur
is niet alleen een regeeringspersoon, waar we trotsch op kunnen zijn,
maar tegelijk de meest beminnelijke en prettige gastheer dien je je kunt
voorstellen. Hij heeft er bijzonder slag van om iedereen op zijn gemak
te zetten en — zijn tafel is voortreffelijk!
—   \'t Is anders daar in zijn omgeving wel zóó grandioos, dat een gewoon
mensch er van in de war zou raken. Wat heeft hij \'n prachtig huis,
\'t is een paleis, wat \'n park en wat \'n bediening! Hoor eens, amice, als
ik nog eens weer op de wereld kom en ik heb \'t voor \'t kiezen, dan . . .
—   Dan word ik Gouverneur van Sumatra\'s Westkust wil je zeggen?
Och ! ik gun het je van harte, maar breng dan meteen bij jé geboorte
de noodige capaciteiten en takt er voor meê, want geloof me \'t is geen
baantje dat gemakkelijk te vervullen is, maar dat alleen door iemand van
langdurige en bijzondere bekwaamheid kan worden waargenomen.
—    Natuurlijk! daarom heb jelui dan ook hier Michielsen gekregen,
houd hem in eere!
—    En wat doe je vandaag, wil je eens op den passar gaan kijken ?
—  Ja graag, maar kun je meegaan ? Ik weet hier weg noch steg.
—   \'t Spijt me, maar ik heb vandaag te veel te doen, \'t is maildag.
Zoek dus je fortuin, asjeblieft.
—    Mag ik het plezier hebben u er heen te brengen ? zei eensklaps
iemand achter mij en omkijkend zag ik een van de heeren met wien ik
reeds kennis had gemaakt.
—   Wel zoo! Sterveld ben jij daar? Je komt als geroepen, lachte mijn
gastheer, hem de hand reikend.
—   \'k Zag de heeren zoo gezellig zitten praten, toen ik voorbij kwam,
dat ik niet nalaten kon eens even aan te wippen — \'k maak alle ochtenden
een wandeling, zoolang \'t frisch is — dus meneer van Maurik, dat\'s
afgesproken, over een paar uurtjes kom ik je halen — heb je al ontbeten?
—   We zouden juist beginnen.
—   Dan stoor ik niet langer, adieu! tot straks__
Ongeveer tegen tien uur kwam de heer Sterveld mij met een dos-a-dos.
-ocr page 28-
i6
TE PADANG.
afhalen en we reden naar Passar Djavva, met Passar Gedang de voor-
naamste markt van Padang, een lange, aan beide zijden door kleine
toko\'s begrensde straat met aan weerskanten smalle zijgangen en kraampjes,
waar de verschillende koopwaren worden uitgestald.
Een Indische passar, ze zijn tamelijk wel aan elkander gelijk, zoowel
op Sumatra als op Java, is een curieuse verzameling van de meest
verschillende, niet bij elkander passende zaken, op de meest varieerende
-wijze te koop geboden en uitgestald.
1\'assar Gedang-Padang.
De toko\'s die de marktstraat begrenzen, meest behoorend aan kleine
neringdoende Chineezen, zijn gewoonlijk vrij onaanzienlijke vies uitziende
huizen van eene verdieping. In plaats van vensters hebben zij een groot
open gat, dat met neerslaande luiken gesloten kan worden. Achter en op
die luiken liggen allerlei zaken in bonte wanorde, ordelijk bijeen. Flesschen
met verschillende limonaden en vruchten-siropen, bier, wijn, apollinariswater
echt en nagemaakt, manilla sigaren, blikjes met geconserveerde levens-
middelen, snuisterijen, wapens, kleurige dassen, aardewerk, ijzerwaren.
-ocr page 29-
TE PADANG.
\'7
spijkers, draadnagels, gereedschap, eau de cologne en odeurs, gedroogde
kalebassen, dienst doende als waterflesschen, leêrwerk, schoenen, paar-
denteugels, bitten, zweepen, kleine étagèrefiguren van steen of brons,
vindt men dikwijls in één toko te samen gebracht, en ik geloof dat men
een geboren Chinees moet zijn om in zoo\'n chaos den weg te kunnen
vinden. En toch, al ligt schijnbaar alles door, over en op elkander, de
koopman weet u dadelijk te geven wat ge verlangt. Hij kent al zijn
artikelen op zijn duimpje en wat den prijs betreft, hij vraagt met het
strakste, ernstigste gezicht altijd zooveel dat hij, al dingt de kooper ook
meer dan drie vierden af, toch nog een zaakje maakt. Alleen de gewone
courante artikelen, zooals tafelwater, siropen, blikjes sardines en andere
geconserveerde eetwaren, houdt hij op een tamelijk vasten prijs, omdat
hij weet dat zijn klanten, daarvan ongeveer de marktwaarde kennend,
dadelijk naar een ander gaan, wanneer hij te onbeschaamd is in zijn eisch.
Enkele toko\'s bepalen zich alleen tot den verkoop van kleeren, baadjes,
sarongs, kaïns, slendangs, geborduurde mutsjes, muiltjes, stoffen en broekjes,
kinderkleeren of witte stukgoederen, andere weer voeren uitsluitend
mandewerk, matten, gevlochten artikelen en touwwerk van rameh of hennep.
Onder de afdakjes zitten gehurkt op den grond, de verkoopers van
rijst, maïs, goela djawa (arenpalmsuiker) gedroogd vleesch, kruiderijen,
lombok, Spaansche peper, allerlei vruchten, sago, tapiocca en fijngesneden
in pisangbladeren verschgehouden tabak.
Een klein gedeelte van de markt is bestemd voor de kraampjes der
vleeschverkoopers, meestal Chineezen, die akelig bloederig sappievleesch,
dat onoogelijk naast longen, levers, afval, tongen en gekneusde pooten
ligt uitgestald, te koop hebben. Varkensvleesch ziet men ook, hoewel in
minder groote hoeveelheid, en nog wèl zoo onsmakelijk van uiterlijk ; toch
wordt het veel gegeten door Chineezen.
Kippen en eenden worden in korven en manden in grooten getale
aangetroffen of liggen onbarmhartig neergesmeten, met saamgebonden
pooten, bij trossen van tien of twaalf, op den grond. Yisch wordt niet
veel versch op de markt gezien, daarentegen gedroogd in allerlei grootte,
gedaante en hoedanigheid, uiteengelegd op matjes of opgehoopt in krand-
jangs (manden).
Voor iemand die door de natuur met \'eenigszins gevoelige reukzenuwen
werd begiftigd, is het niet geraden zich zonder een grooten zakdoek voor
den neus tussehen al. die artikelen te bewegen, want de lucht is al te rijk
belast met den scherpen reuk van gedroogde visch (ikan kring) in allerlei
stadiën van bestaan. Men vindt er groote scbolvormige en dikke baars-
achtige visschen, die aan een afzichtelijk goor uiterlijk een zóó scherpen,
doordringenden geur verbinden, dat men in die oogenblikken heimelijk
2
-ocr page 30-
IS
TE 1\'ADANG.
ivenscht zonder reuk geboren te zijn. De Maleier, wiens hoofdvoedsel
droge rijst met droge viscli is, versmaad zelfs liet kleinste stekelbaarsje
niet en daarom treft men op den passar groote manden vol miniatuur
vischjes aan, die zoo klein als ze zijn een brutalen lucht afgeven. Groote
bruinroode klompen weeke terasi overtreffen echter door hun scherp en
doordringend aroma, dat sterk aan dat van tot ontbinding overgaande
Limburgsche kaas herinnert, al het andere. Toch is terasi een artikel
dat in alle huishoudens veel wordt gebruikt, want schier in elke sambal
voor de rijsttafel is het onmisbaar. Ik heb me laten vertellen dat die
beruchte zelfstandigheid uit bedorven garnalen wordt bereid en naar den
reuk te oordeelen kan ik dat wel aannemen, — maar niemand heeft mij
nog kunnen mededeelen, welke onverlaat het eerst op de onzalige gedachte
is gekomen terasi te maken. Ik geloof bepaald dat, indien het bekend
was, er menschen zouden worden gevonden, die voor dien uitvinder (?)
in stede van een standbeeld een galg zouden willen oprichten! Op den
passar vindt men ook nog één uitstalling, die men nooit of nimmer op
eenig Europeesch marktveld zou kunnen ontmoeten, en wel de zoogenaamde
Inlandsche drogist, een man, die behalve allerlei vreemde kruiden en
specerijen ook rattenkruid, blauwzuurhoudende kristallen, zware plantaardige
en minerale vergiften verkoopt. Voor één stuiver kan men zich genoeg
vergif aanschaffen om een geheele familie te vernietigen.
Handelaars in krissen, pajoongs, waaiers, messen en zwaarden vindt men er
altijd en nimmer ontbreken de handelaars in Arabische en Maleische boekjes,
gewoonlijk koran-spreuken of pantoens (liederen) en sagen inhoudend.
Opmerkelijk is het dat alle marktgeschreeuw ontbreekt. De verkoopers
zitten, rustig hun strootje rookend, achter hun uitgestalde koopwaren,
sommigen zelfs liggen er achter en blazen den rook van hun „seroetoe"
verticaal omhoog. En tusschen al die riekende en geurende waren bewegen
zich voor het meerendeel oudere vrouwen, kokki\'s en baboes, enkele dames
en nonnas (half bloed-dames) met den pajoong (zonnescherm) boven \'t
hoofd heen en weer, lovend en biedend, maar kalm en bedaard, zonder
meer leven te maken of meer woorden te verspillen dan hoog noodig is.
De geheele markt mist daardoor het vroolijke wat anders aan zulk een
plaats eigen is, luide stemmen, gelach of kreten hoort men niet en zelfs
de talrijke ijswater- en stroopverkoopers, die zwijgend met hun blikken
kannetjes op hun houten tafeltjes roffelen, brengen geen levendigheid aan
door dat eentonig klapperend geluid.
In de hoofdstraat rijden voortdurend dos-a-dos, karretjes en zware
vrachtwagens door karbouwen getrokken heen en weer — maar zonder
ander gedruisch dan het knarsen van de wielen op het zand of enkele
doffe, schorre keelgeluiden van koetsiers en drijvers.
-ocr page 31-
TK l\'ADANG.
19
Het is zeker eigenaardig dat men zoo weinig jonge vrouwen op den
passar ziet. Wanneer men er een poosje heeft rondgewandeld komt men
in de verzoeking te vragen : hebben ze hier de bestjeshuizen soms een
vrijen daggegeven? Ik spreek hier natuurlijk niet van Europeesche dames,
die ziet men vanzelf zeer weinig op den passar, omdat zij gedurende de
morgenuren hare huishoudens bestieren en tehuis, terwijl kokki naar de
markt is, genoeg te doen hebben. De zoogenaamde nonna\'s (halfbloed-
vrouwen) komen eerder, in sarong en kabaia, met slenterenden langzamen
tred eens een kijkje nemen. Zij toch houden er van om zelf te kibbelen
met de verkoopers en zoo mogelijk al wandelend een vrucht te snoepen
of goedkoope inlandsche gebakjes (kwé-kwé) in pisangbladen verpakt,
lopis (rijstkoekjes met geraspte klapper en suiker) aan de talrijke warongs
in te slaan.
—   Zijn hier geen jonge, mooiere vrouwen of meisjes, vroeg ik eindelijk
aan mijn geleider, omdat ik juist weer een magnifieke verzameling ver-
schrompelde, leelijke grootjes had opgemerkt.
—   Zeker! en zelfs heel mooie —■ maar die krijgen we hier op den
passar niet te zien, de Maleier is zoo verstandig ze in zijn kampong te
houden, omdat hij weet dat de blanda\'s gevaarlijke concurrenten zijn.
Chineesche vrouwen komen zelden of nooit anders op straat dan bij
begrafenissen of bruiloften, Maar kijk! vindt je die vrouw nu ook leelijk ?
— Sterveld wees op een slanke, goed gebouwde vrouw, die voor ons uitliep.
—  Nu! wat haar figuur aanbelangt, dat is niet slecht, maar — toevallig
keek zij om — noem je die niet leelijk?
—   Ze heeft toch prachtig haar en mooie oogen.
—   Maar een mond. Brrr! wat een brievenbus! en, kijk! nu lacht zij,
wat \'n tanden. Waarachtig Sterveld \'t is precies of je in een inktpot vol
kopieerinkt kijkt. Je kent ze wel, die anilin inkt met rooden weerschijn,
\'n Vies mondje hoor!
—   Dat komt door de sirih, die ze pruimen, die maakt de tanden zwart,
voor zoover ze niet zijn afgevijld.
—   Afgevijld?
—   Ja, natuurlijk! de vrouwen vijlen haar tanden zoover mogelijk af en
maken het restje zwart, dat vinden ze mooi. Dan worden haar lippen en
tandvleesch donkerrood door \'t sap van de sirihpruim en \'t granaatappeltje
is compleet.
—  Wat bedoel je?
—   In de Maleische pantoens, dat zijn gedichten, liefdezangen of balladen
zul je nooit lezen dat de minnaar de tanden van zijn geliefde bij ivoor
of parelen vergelijkt. Neen ! hij bezingt haar ,,opengespleten granaatappel,
waarin de zwarte pitten zoo liefelijk glanzen\'\' — komisch, hè?
-ocr page 32-
TE PADANG.
20
—    Ieder zijn meug, ik zie liever op de schitterend witte dentuur van
onze vrouwen, dan in de kolenhokken van de Maleische schoonen. En
smaakt zoo\'n sirih-pruim lekker?
—   Dat kun je dadelijk zelf probeeren, hier deze orang verkoopt al de
bestanddeelen die er voor noodig zijn. Eerstens sirih; een soort sterk
pepermuntaehtig smakend blad — dan voeg je daarbij een stukje pinang-
noot, erg bitter, en wat witte kalk en gambier, die heeft \'n sterke
looistof-smaak, nogal samentrekkend en eindelijk een flinke dosis tabak.
Terwijl hij nog sprak zag ik -een vrouw die bezig was om aan de
uitstalling, waarvoor we stonden, haar sirihdoos te vullen en tegelijk een
versche pruim te nemen. Zij werkte met niet geringe vaardigheid een
ongeveer vuistgroote hoeveelheid in haar breeden mond, kauwde met
opgetrokken neus eenige malen krachtig de ingrediënten samen en spoog
toen met bijzondere vaardigheid, tussehen de ruïnen van haar tanden door,
een dunnen bruinrooden straal uit, die op den grond een groote vlek
maakte. Toen nam ze een dotje tabak, veegde daarmee haar lippen en
mondhoekjes uit en — propte het nog bij al \'t andere.
—    \'k Zal \'t maar niet probeeren zei ik, toen ik die kunstbewerking
gezien had — \'k geloof wel dat \'t niet lekker is.
—  Toch is het sirih-pruimen voor veel dingen goed, beweert men,
\'t houdt den mond frisch en verdrijft de min of meer onaangename lucht
die de inlandsche vrouwen wel eens afgeven door \'t rijkelijk gebruik van
gedroogde visch, doerian, terasi ....
—   Hou op Sterveld! ik stel me daar in eens de mogelijkheid voor, dat
zoo\'n vrouw je op een zoen zou willen onthalen .... op zoo\'n attentaat
moest minstens doodstraf staan.
—  Nu maak je maar niet ongerust, aan zoenen doen de Maleiers niet
erg, dat laten zij voor de Blanda\'s over, evenals het dansen.
—   En ze tandakken zelf bij elke gelegenheid.
—  Jawel, maar ze dansen niet zooals wij, ieder danst afzonderlijk in
zijn eentje; ik heb eens een inlandsen hoofd gesproken, die een bal had
bijgewoond, en weet je wat hij zei? „Ik kan me niet begrijpen dat de
Hollanders zóó iets toestaan. Hoe kunnen ze aanzien dat hun vrouwen
en dochters door andere mannen worden omarmd, dat haar hoofden
rusten aan de borst van een man, die niet de hare is. Als \'t bij ons
gebeurde, zouden we die vrouwen dooden."
—  \'n Radikale maatregel! De Maleiers schijnen dus nog al jaloersch
van complexie?
—   Niet weinig! en toch gaat het wonderlijk bij hen toe. Ze trouwen
en scheiden om een haverklap, voor één gulden ongeveer sluit hun
priester het huwelijksverbond en voor denzelfden prijs ontbindt hij ook
-ocr page 33-
TE I\'ADANG.
21
hun echt, zoodra de echtgenooten daartoe den wensch te kennen geven.
—   En de kinderen uit zoo\'n huwelijk !
—   Och, daar zorgt de lieve moeder natuur wel voor, wanneer Papa of
Mama er weinig nota van nemen; die redden zich zelf. In den kampong
vinden ze altijd wel eten en drinken en slapen doen ze desnoods bij den
een of ander of onder de boomen — dat loopt wel los !
—   Wat \'n gelukkig volk! Zorg kennen ze niet, honger hebben ze niet
en \'n woning is strikt genomen niet noodig. Ze zouden hun adres op
kunnen geven : Hotel de bloote hemel of in kampong zus of zoo, vijfde
klapperboom rechts, eerste étage, of pinangboom No. zevenentwintig, vlak
over den kapokboom.
—   Maak er maar geen gekheid mee Van Maurik — ik heb dikwijls
een parallel getrokken tusschen de inlanders en onze Hollandsche werk-
lieden en dan — beklaag ik de laatsten. Waarlijk zij hebben het minder
goed, al verdienen ze meer geld. Ik ben o. a. eenige jaren lang op Java
geweest en durf stoutweg beweren, dat een Javaan onder ons régime
volkomen gelukkig is. Hij verdient gemiddeld genoeg geld, lijdt nooit
kou, heeft geen gebrek aan levensmiddelen, kan een voor zijn doen
.luchtige en ruime woning hebben, als hij wil — en werkt niet meer of
langer dan hoog noodig is. Ik maak me altijd boos als ik hoor spreken
over den verdrukten Javaan. Hol geschetter is \'t, anders niet! Wat
drommel, wie verdrukt hen? Wij, de Hollanders? Waarachtig niet, ze zijn
onder ons bestuur vrij wat beter af dan onder de despotieke macht van
hun Sultans. Kijk later maar eens zelf, als je op Midden-Java komt —
daar worden ze nog uitgemergeld en uitgezogen door hun eigen vorsten —
maar in de gouvernementslanden zie je het tegendeel. Daar heeft de
inlander \'t goed en \'t beetje heerendienst wat hij te verrichten heeft is
niets in vergelijking van \'t geen onze werklieden moeten opbrengen in
den vorm van belasting, die op verschillende artikelen, die zij dagelijks
noodig hebben, drukt. Enfin, ik wil me niet warm maken over dat
onderwerp — maar dat zeg. ik: \'k wou dat al onze proletariërs in
Holland het zoo goed hadden als de arme verdrukte Javaantjes of de
Maleiers.
Al pratend hadden we onzen tocht over den passar volbracht en stapten
weer in het rijtuig, dat onze schreden langzaam volgend, aan \'t eind van
de hoofdstraat in de schaduw was blijven wachten.
—  En waar nu heen ?
—   Naar een fotograaf, dien heb je hier immers ?
—   Wat denk je wel van Padang? We hebben hier een van de beste
fotografen van Sumatra, je wil zeker wat „scraps" koopen om mee te
nemen — nu, bij Nieuwenhuis kun je goed terecht, ik zal je er even heen
-ocr page 34-
IE PADANG.
11
brengen en dan zul je me moeten excuseeren, want \'t wordt tijd dat ik
eens op mijn bureau ga kijken.
Hè, koessir! djalan di roemanja toekang portret!
—  \'n Komische combinatie: toekang = baas en portret — je zegt dus
feitelijk : koetsier loop naar het huis van den baas-portret.
—  Juist, anders begrijpt zoo\'n man je niet. Djalan zeggen we in
\'t Maleisch voor loopen, voor weg, pad of gaan. Toekang heet iedereen
liuntingweg te Padang.
die e*t n bedrijf uitoefent en „portret" begrijpt hij beter dan fotograaf,
daar zou hij niets van snappen. Daar heb je \'t atelier — rechts naast
die hooge palmen — mooi breed is de Bentingweg hier!
—   Prachtig! Padang is heerlijk om te zien en ik kan iedereen die
zich naar Java of elders in den Archipel begeeft, aanraden om hier een
boot over te blijven, — ik dacht het strakjes nog toen we het Oranje-Hótel
voorbijreden, dat ligt daar toch zoo volkomen typisch Indisch! Zoo....
—  Ja, mooi! — Brenti, Koessir! Hier moet je uitstappen, Van Maurik,
adio ! tot morgen !
—   Dank voor \'t geleide! lu\'-ho! wacht even koetsier! ik ben er nog
-ocr page 35-
TE PADANG.
-\\?
niet uit, — die dos-a-dos zijn zoo ongemakkelijk om.... Goddank! ik
ben er, salut!
— Adieu! Ajo, Koessir, djalan! —
Sterveld reed verder en wees nog even omkijkend, hoofdknikkend en
met den vinger aanduidend, op \'t huis van den fotograaf, dat weinig
andere uiterlijke teekenen heeft dan een klein bord met opschrift.
Ik ging in de voorgalerij, de zonnezeilen waren neergelaten, \'t was er
koel en frisch. Op een groote ronde tafel in \'t midden, op verschillende
kleinere, en op knaapjes en guéridons lagen en stonden allerlei fotografiën.
\'k Verwonderde mij er over dat ze zoo mooi van uitvoering, zoo goed en
frisch van toon waren, zeer weinig verkleurd of verbleekt en bleef ze met
alle aandacht bekijken, totdat een aangename stem mij deed omzien.
—  Hoe vindt u mijn werk, bevalt het u?
—   Zeer goed! — U is dus ... . ?
—   Nieuwenhuis, fotograaf, om u te dienen.
—   Aangenaam kennis te maken !
\'k Vertelde waarom ik kwam en zat al spoedig met een groole collectie
fotografiën voor mij. Al kijkend voerde ik een belangrijk gesprek met
den vriendelijken fotograaf, die mij vertelde met hoeveel moeilijkheden
het fotografeeren in Fndië gepaard gaat en hoe slechts op enkele tijden
van den dag, \'s morgens zeer vroeg of \'s namiddags tegen half vijf of
vijf uur, goede opnamen mogelijk zijn,\' omdat het licht, door den stand
der zon te scherp is en te zware slagschaduwen geeft.
—   U zal hier wel eens aardige typen krijgen, die gefotografeerd willen
worden? \'k Zie hier ten minste een paar echte Maleiers, \'n mooi cabinet-
portret.
—   O, die? dat zijn kooplui uit de bovenlanden — maar bezie deze
eens — wat zegt u daarvan ?
—   Allemachtig wat \'n zonderling costuum, dat\'s gek! Waar heeft u
dien toewan opgedaan? —
—   Op de Mentawei-eilanden — \'t is de Radja. Ja, om dien heer te
portretteeren hebben we heel wat spul gehad; \'t was een corvee — maar
een aardig tochtje er heen per boot. Ik had gelegenheid om met een
controleur, die op tournee was, mei" te stoomen. Ik moest voor \'t gouver-
nement verschillende opnamen doen en heb toen meteen deze merwaardig-
heden gesnapt.
Eerst had ik een paar aardige „kiekjes\'\' van een der kampongs en
\'t strand genomen, en de inboorlingen bleven op behoorlijken afstand
staan kijken, als nieuwsgierige kinderen; eindelijk kwamen ze dichterbij
en beduidde ik hun, dat ik hun portretten wou maken.
Ik had de grootste moeite om den Radja aan \'t verstand te brengen,
-ocr page 36-
IK l\'ADANC.
-4
dat we niets kwaads in den zin hadden en dat liet ons alleen te doen
was om zijn koninklijke physionomie te vereeuwigen. lT ziet, heel veel
kleeren draagt hij niet, zijn heele costuum is niet veel meer dan één
groote zakdoek en de dames van zijn gevolg hebben meestal rokjes of
sehortjes van gevlochten gras en doeken van gedrukt katoen, dat ze voor
allerlei produkten inruilen.
Met uitgerekten hals, voorzichtig op zijn teenen en gereed om zoo
noodig dadelijk het hazenpad te kiezen, naderde hij met zijn hand aan
Radja en zijn hovelingen (Mentawei-eilanden).
de kris de camera, die, op een statief geplaatst, tegenover hem stond
Hij bekeek haar van alle kanten, draaide er met de uiterste omzichtigheid
om heen en toen ik hem eindelijk zóó ver had, dat hij den moed \'vond
om onder den insteldoek een blik op \'t matglas te slaan, uitte hij een
zonderlingen keelklank van verbazing, toen hij zijn kampong in miniatuur
en onderste boven voor zich zag.
Eindelijk kreeg ik gedaan, dat hij een oogenblik voor de camera poseerde,
maar toen ik een diaphragma in de lens wilde zetten, sidderde hij over
al zijn ledematen en viel \'„Ampon I^Ampon!" (genade) roepend op zijn
-ocr page 37-
TE 1\'ADANG.
25
knieën. Hij beduidde ons dat hij geloofde dat uit de koperen buis ge-
schoten zou worden; waarschijnlijk had hij al vroeger eens minder aan-
genaam kennis met Europeesche vuurwapens gemaakt.
\'t Was om je geduld te verliezen, want herhaalde pogingen hadden geen
beter gevolg. Wij hadden allerlei kleine snuisterijen medegebracht; spie-
geitjes, kleine, ronde gedecoreerde blikken doosjes, vlaggetjes, spiegel-
doosjes, bonte kralen, schit-
terende ringen en andere
koper-vergulde sieraden, en
telkens gaven we hem tot
aanmoediging een kleinig-
heid. Evenals een kind had
hij beide handen vol en keek
toch weer begeerig en met
verwondering naar \'t andere
moois, wat wij hem aanboden.
Een klein blikken hobbcl-
paardje, zooals ze in Holland
in de schellingbazaars ver-
koopen, was vooral naar zijn
zin. Hij wees er telkens op
en wou al de andere artikelen,
die hij al gekregen had er
voor ruilen. Daar kreeg ik
een goed idee. De tolk, die
trouwens het Mentawei\'sch-
dialect ook niet volkomen
machtig was, wist hem, ge-
holpen door onze pantomi-
mische bekwaamheid te doen
begrijpen, dat hij \'t paardje
krijgen kon, wanneer hij een
oogenblik rustig voor de
De Kadja der Mentawei-eilanden.
camera wou blijven staan.
Zijn begeerlijkheid over-
won zijn angst. Hij poseerde, kreeg het blikken paardje als belooning
en toen hij eenmaal zijn vrees had overwonnen en begreep, dat hij er
heelhuids afkwam, wees hij op de overige fraaiigheden en ging dapper
voor de lens staan, met het blikken paardje, als een grootkruis om den
hals. Hij riep zelfs zijn rijksgrooten samen en plaatste ze op één rei —
hier hebt u ze. — Ik kan niet zeggen, dat hij er veel slag van had om
-ocr page 38-
26
TE PADANG.
ze mooi te groepeeren, maar J\'k was al dankbaar, dat \'k hem en zijn
gevolg zóó kon opnemen. Een paar vrouwen waren intusschen uit zijn
koningsslot gekomen en bleven nieuwsgierig staan kijken. U ziet op de
foto, dat ze één ding met onze vrouwen gemeen hebben — ze staan niet
erg stil.
Ik had een afgedankte 2e luitenants-uniform meegenomen, mijn vrouw-
had er bij wijze van epauletten een paar stukken witte gordijnfranje
opgenaaid. Toen hij die heerlijkheid aanschouwde, kwam op zijn donkere
tronie een glans van genoegen. Hij knorde van plezier, terwijl hij de
jas bevoelde, en wou toen \'t paardje weer voor dat mooie pakaian ruilen.
We sloten den koop, trokken hem de uniform aan, zetten een ouden
controleurspet op zijn verwilderd haar en hielden hem een kleinen spiegel voor.
We lachten ons half ziek, dat vat u?
Een heele poos keek hij zijn spiegelbeeld bewonderend aan, en deed toen
iets wat ook de apen doen. Hij greep nl. snel achter het spiegeltje en
toen hij niets vatten kon, keerde hij het om en uitte een soort brommend
geluid van verwondering.
Gewillig liet hij zich nu fotografeeren, en riep daarna zijn vrouwen en
die van zijn gevolg. Tot nog toe waren er maar enkele voor den dag
gekomen, maar nu kwamen zij in grooten getale en in de meest origineele
en primitieve toiletten te voorschijn. De Radja liep als een pauw heen
en weer voor zijn dames, die haar bewondering door zwijgen met open
monden te kennen gaven. Wat toch de ijdelheid al doen kan? De Radja
beduidde ons nu zeer goed, dat hij met zijn vrouwen wilde poseeren.
Hij plaatste zich voor haar, als een haan voor
een toom kippen en bleef zuigend op een sigaret
en met zijn hand vol kralen en spiegeltjes dood-
stil staan.
\'t Gaat gelukkig tegenwoordig nog al gauw
met die droge platen en snelwerkende lenzen,
want heel veel geduld hebben die lui niet. Wij
zouden een jaar of wat geleden er niet aan
hebben kunnen denken zulke opnamen te doen.
Kijk! hier heb ik nog een mooi geslaagde foto
van een jong Pagei\'s echtpaar, op hun huwe-
lijksreis genomen, \'n Aardig vrouwtje, hè? Ze
was een jaar of dertien; aan toilet heeft ze
niet veel noodig! En dit is een portret van
een Pagei-eilander, ook instantane genomen,
\'n Mooi exemplaar hè? Met wat bloemen in \'t haar, een kraag van aan-
eengeregen kralen en een heupdoek zijn die lui in. gala. Ziet u wel dat
-ocr page 39-
TE PAUANG.                                                        27
hij een sigaar tusschen zijn spits afgevijlde tanden heeft. Dat\'s eigen
fabrikaat van groene tabak. Wonderlijk gebruik bij die lui om hun goede
regelmatige gebitten zoo te
bederven. Och, ja! \'k zou
u nog heel wat aardige typen
kunnen laten zien, maar \'k
wil u niet langer vervelen
door mijn gebabbel. Een
ding wil ik u toch nog als
curiositeit vertellen: een poos
geleden kwam hier een Hadji,
iemand dus die naar Mekka
geweest is en wat meer van
de wereld heeft gezien dan
een inlander en wat zei dat
licht? — Meneer ik wil mijn
portret hebben, maar je moet
er op kunnen zien dat \'k
lezen en schrijven kan.
— Dat\'s bij dien Holland-
schen boer af, die een brief
aan zijn landheer schrijvend,
als postscriptum zette : neem
mij niet kwalijk, dat \'k dezen
in mijn hemdsmouwen schrijf,
\'t is van daag zoo warm!
We bleven nog een poosje
samen praten en lachen over
de zonderlinge foto\'s, waar-
van ik enkelen medenam
en waarvan ik hier de repro-
Jong Echtpaar (Mentawei-eilanden).
ductiën geef. Aan de be-
kwaamheid van den heer Nieuwenhuis dank ik ook de goede opnamen
van de Aneï-kloof, Fort de Koek en Padang, die in deze schetsen
voorkomen.
-ocr page 40-
JN
TE PADANG.
III.
— Fasang karéta! span
het rijtuig in ! riep \'s avonds
na de thee mijn gastheer,—
we zullen een toertje maken
door de C\'hineesche en
Maleische wijken, \'t Is nu
lekker om te rijden en \'t is
wel aardig voor je om die
grillig verlichte tokotjes en
al die warongs met hun
kleine petroleumlampen of
fakkels te zien. — Ajo!
lekas koessir.
Ken oogenblik later reden
wij, getrokken door een
klein, maar vurig Bataksch
paardje, in een gemakkelijk
breakje door de prachtige
lanen, die Padang in alle
richtingen doorkruisen. De
maan was inmiddels op-
gekomen en scheen fan-
tastisch, tusschen de hooge
palmen en hooge boomen
door, op den weg. Spook-
achtig schemelde het
blauwig gele schijnsel langs
bamboestoelen, struiken en
planten en over de atappen
daken der kamponghuizen,
die als droomend tusschen
de boomen \'langs den weg
lagen. Hoven ons spande
zich de hemel vol heerlijk
Koessir.
-ocr page 41-
TE PADANG.
20.
mooie vlokkige, zachtverlichte wolkjes en in het diepe blauw tintelden de
sterren, met on vergelij keiijken glans. Soms reden we door diep-duistere
lanen, in de zwarte fluweelige slagschaduw der dichte hoomgroepen, dan
weer eensklaps in \'t bijna daghelder schijnsel der maan, die, met toover-
achtig licht de open plekken van den weg overgietend, hoog boven ons
aan het uitspansel stond. Hier en daar gloeide een roodachtig lichtje
door de reten der wanden en vensters of straalde uit de deuren, waarvoor
gehurkte Maleiers kalm hun strootje rookten, of aan den soeling (fluit)
zwaarmoedig, klagende eentonige melodiën ontlokkend, hun verliefde
stemming deden blijken.
\'t Chineesche kamp was nog vol leven en beweging, in de meeste groote
en kleine toko\'s brandden heldere petroleumlampen, met schrille glimlichten
en kantschijnsels de uitgestalde zaken verlichtend.
—   Daar heb je het huis van den opiumpachter — hè, wacht! Brenti,
koessir!
De koetsier hield op voor \'t huis van den opiumpachter, den Chinees
Mak Pak Soen.
—   Heb je wel eens een opiumkit gezien?
—    Neen ! \'k heb er wel een beschrijving van gelezen in romans en
reisboeken maar. . . .
—   Maar je zou er zelf graag een zien, hè? Nu, dat kan gebeuren, Mak
Pak Soen is een sobat (vriend) van me, een zeer innemend hulpvaardig
man, die zal ons gaarne zoo\'n gelegenheid wijzen. Stap maar uit, ik zal
je aan hem voorstellen.
Het huis van den opiumpachter was een vrij groot en net gebouwd
Chineesch huis, met een soort van verandah er voor, waaronder een dikke,
met weinig kleêren omhulde Chinees op een baleh baleh (rustbank) lag
en smakelijk uit een bamboepijp rookte. Zijn lange grijze, dun uitgerafelde
baard hing hem op de bloote borst en zijn zeer gevulde, naakte beenen,
rustten over elkander geslagen op een houten blokje onder zijn afhan-
genden dikken buik. In \'t rosse licht van de drie groote petroleumlampen,
die onder de gallerij en in huis brandden, scheen hij in zijn rustige onbe-
wegelijkheid uit bruingelig speksteen gesneden. Hij nam geen notitie van
ons, toen wij binnengingen, maar draaide alleen zijn dik hoofd even om
en blies een lange spiraal rook uit, die in de stille avondlucht langzaam
opwolkend vervloog.
In huis zaten een viertal Chineezen niets doend bijeen, voor \'t verlichte
huisaltaar, waarop eenige offerstokjes walmden en kleine kopjes gevuld
met thee en een paar miniatuur trekpotjes vóór een met Chineesche
karakters beschilderd tableau prijkten. Ken paar lange gedecoreerde
( hineesche waskaarsen brandden langzaam af naast een tweetal roodglazen
-ocr page 42-
TE PADANG.
offerschalen en beschenen de talrijke fraaigesneden ornamenten van ver-
guld, rood en geel geschilderd hout, die kwistig boven en op het altaar
waren aangebracht. De pachter, geroepen door een van zijn trawanten,
die niet oostersche langzaamheid opstond en naar achteren ging, kwam
ons nu vriendelijk begroetend tegemoet.
Mak Pak Soen was een klein, tamelijk gezet man, met een zeer regel-
matig, vrij blank en innemend gelaat, hij hoorde met een glimlachje naar
de Maleische woorden, die mijn geleider tot hem richtte en zei toen in
zeer goed zuiver uitgesproken Hollandsch:
—   Aangenaam u hier te zien, mijnheer, ik zal u gaarne alles toonen
wat u wil.
—   Wat! spreekt u Hollandsch? en zoo zuiver!
Bescheiden lachend antwoordde hij, zeer geaccentueerd sprekend en met
weinig vreemden tongval: ik spreek het niet zuiver mijnheer, u is te
beleefd, maar ik doe mijn best er voor; ik heb het hier op school geleerd.
Wat wenscht u te zien?
—   Een opiumkit, als \'t kan?
—   En wilt u ook schuiven?
—  God bewaar me! \'k zal er me niet aan wagen.
—    Van één keer zou u toch niet onpasselijk worden, maar u heeft
gelijk, \'t is beter \'t niet te doen; ik erken zelf dat \'t een slechte gewoonte
is, maar — hij haalde de schouders op — ik ben pachter en dus... hij
lachte witjes.
—■ Hoe meer ze schuiven hoe beter, niet waar?
—  Juist! wil ik dan maar meerijden?
—  Gaarne!
De ,,break" bracht ons na een korten rit door allerlei smalle, duistere
straten, voor een klein, onaanzienlijk steenen huis, slecht verlicht door
een flauw brandende lamp. Boven de deur was een voor mij onleesbaar
Chineesch opschrift. Vooraan bij den ingang bevond zich een soort loket,
waar de opium in kleine blikken busjes werd afgeleverd. Mak Pak Soen
nam een paar vingerhoed groote blikjes mede en geleidde ons naar \'t
binnengedcelte. Door een smerig, nauw gangetje, bereikten we een niet
al te groote ruimte, laag van verdieping en met vuil-witte muren. Op
den grond lagen een paar bruine Klingeleezen of Maleiers slapend op
een mat en tegen een houten beschot geleund stond een broodmagere
Chinees, met doffe slaperige oogen te rillen alsof hij de koorts had. —
Dat is er een, die geen geld heeft voor tjandoe, zei mijn geleider; hij is
er ziek van en komt nu hier om de restantjes uit de pijpen te krabben
en dan met water vermengd op te drinken, \'t Is een surrogaat voor
schuiven en \'t maakt hem ten minste iets beter. Zoo\'n man is te
-ocr page 43-
TE PADANG.                                                        3I
beklagen; hij moet opium hebben, anders is hij niet in staat om te werken.
Blijft hij er lang van verstoken dan wordt hij ziek en gaat dood,
Kasihan !
—   Hoe oud zou hij zijn? de man scheen mij een vijftiger toe.
Mak Pak Soen vroeg hem naar zijn ouderdom en zei: hij weet \'t niet
precies, maar hij gelooft zoo ongeveer dertig jaar.
—    En die daar, dat nette kereltje ? \'k Wees op een jongen in een
net baadje en mooie sarong, die lang uit op een houten bank lag —
\'t lijkt wel een Javaansche huisjongen, schuift die ook? Jammer!
- Zeker! maar hij doet
\'t heimelijk en niet veel;
alleen zoo nu en dan
als hij wat landerig
is. Niet waar? vroeg
hij hem, jij schuift
alleen maar van tijd
tot tijd?
— Saija! ada sakit
sekarang! Ja — ik
>en nu ziek! — was
t antwoord en met een
voor een Javaan onge-
wone mededeelzaamheid
vertelde hij, dat hij alleen
Opiumschuiver
dan een pijp nam, als hij
koortsig of ongesteld was of soesah had met zijn vrouw!
„Tout comme chez nous," lachte mijn vriend, maar bij ons pakken ze
een halve taaie!
We gingen over een kleine open plaats, waar ganzen en kippen liepen,
naar \'t achterhuis.
In geheimzinnig halfdonker lagen daar op baleh-baleh\'s verschillende
gestalten uitgestrekt, de opiumpijp in den mond, haar voortdurend boven
het kleine lampje houdend, en langzaam met volle teugen den bedwei-
menden rook inzuigend.
De zoetachtige, benauwde, vieze reuk van dien rook, dien zij na ettelijke
inhalatiën als een wittige pluim door den neus weer lieten ontsnappen,
bedierf de toch al niet versche lucht in die kleine ruimte, waarin drie of
vier afscheidingen, even zooveel baleh-baleh\'s bergend, waren aangebracht.
Het geheele lokaal was als doortrokken van een walgelijk strooperigen
geur, de muren zonder eenige versiering bedwalmd en vettig aangeslagen.
In een van die afdeelingen lag een man op den rug met open verglaasde
-ocr page 44-
TE PADANG.
32
oogen naar de donkere zoldering starend, flauw beschenen door het kleine
rookende lichtje, dat bij elke opium-pijp onmisbaar is.
—   Hij heeft genoeg en droomt nu aangenaam, gelukkige man, zei een
ander, die met een kip onder den arm naar hem stond te kijken.
Een paar leelijke, vieze gladakkers, honden met onbehoorlijk groote
koppen en steile ooren, schurkten hun rimpelige huid tegen de voetstukken
der baleh-baleh\'s, en een vrij groote kat stond met hoogen rug, den
gedraaiden staart omhoog, een eind verder tegen hen te blazen. In een
kooi van riet en bamboe zat een tortelduif, nu en dan even koerend.
In een andere afdeeling sliepen twee mannen op één bank, een drietal
anderen lagen op een matje bijeen, met een trekpot, kopjes en pijpen,
theedrinkend en schuivend.
—    Dat zijn gewone schuivers, die komen hier geregeld hun pijp
gebruiken, zei de pachter en lachend voegde hij er bij, maar dat zijn
onze beste klanten niet — die zitten meestal in hun eigen huizen — ik
weet hier o. a. een landsman van mij, die altijd plus minus voor vierhonderd
gulden tjandoe (bereide opium) per maand gebruikt. Men noemt \'t schuiven
hier: „minoem tjandoe". Opium drinken, \'t Is ook niet eigenlijk rooken,
want ze halen den rook in hun longen op, bewaren hem daar een poos
en blazen dan langzaam alles weer uit. Zie ! die oude man daar, die
doet het zooals \'t hoort, hij wees op een schonkigen, verschrompelden
Maleier, die, met \'t hoofd op \'t houten blokje, dat ieder opiumschuiver
tot hoofdkussen dient, met zichtbaar genot ettelijke pijpen achter elkander
schoof.
—  \'t Is zeker nog een heele kunst? meende ik te moeten opmerken.
—  Zeker! eerst moet de pijp worden doorgestoken met een naald,
zie zóó — hij nam een pijp en wees ons hoe het zeer kleine gaatje
geruimd werd — dan neemt men een klein beetje tjandoe uit het busje,
rolt dat met de naald tot een balletje, boven op den kop van de pijp,
terwijl men de vlam van de lamp er langs laat spelen. — Zeg! jij kunt
het meneer wel eens laten zien, daar heb je tjandoe.
Begeerig greep de oude schuiver naar \'t gevulde blikje, dat de pachter
hem toereikte, draaide met geoefende hand een balletje, vlijde zich nog
wat gemakkelijker op zijn linkerzij, hield zijn pijp in de vlam en bereidde
het kokende kogeltje tot het geschikt was ter verbranding.
Verwonderd keken wij toe, want hoewel de man met ingetrokken wangen
geweldig opzoog, was van rook geen spoor te zien, totdat het kogeltje
verteerd was. Toen blies hij langzaam, met half gesloten oogen genietend,
de witte, zoetige damp uit en zei, zoodra hij zijn mond weer gebruiken kon
tot spreken: „Knak sekali" (erg lekker!) Zeven pijpen heb ik hem zoo achter
elkander zien rooken, maar zonder eenige noemenswaardige uitwerking.
-ocr page 45-
TK PADANG.
33
\'k Had me altijd voorgesteld, dat zoo\'n opiumschuiver dronken, opge-
wonden en rumoerig werd, maar hier zag ik het tegendeel. De man rekte
zich met zichtbaar welbehagen uit, keek ons met heldere oogen aan,
bleef volkomen zooals hij was en gaf met duidelijke antwoorden op onze
vragen, het bewijs een volleerd schuiver te zijn, die van de opium geen
anderen invloed ondervond, dan dat hij zich „senang", bepaald lekker op
zijn gemak gevoelde.
Mak Pak Soen verklaarde mij, dat hij zelf nooit schoof, ja \'t zelfs nog
nooit had geprobeerd, omdat hij te goed den schadelijken invloed kende
en maar al te dikwijls had opgemerkt,
dat „één pijp om te probeeren" het begin
was geweest van een demoraliseerend
voort schuiven.
Ik heb met den Chinees Mak Pak Soen
zeer aangenaam kennis gemaakt en onder-
vonden, dat ons oud Hollandsch gezegde
„een rare Chinees" op hem niet van
toepassing is, tenzij men het woord raar
als synoniem met zeldzaam wil gebruiken.
Waarlijk, de man was zeldzaam beleefd
en strekte zijn voorkomendheid zelfs zoo-
ver uit, dat hij mij eenige dagen later een
mooie opiumpijp met toebehooren ten
geschenke zond, als aandenken maar met
de opmerking, „dat hij hoopte dat meneer
hem nooit zou gebruiken !"
— Poelang! naar huis, klonk \'t korte
bevel van mijn gastheer, toen we met
hartelijken dank aan den beleefden pachter de opiumkit verlieten.
—   En wat zeg je er van? vroeg hij al rijdend.
—    \'t Is me meegevallen, ik had gedacht, dat zoo\'n gelegenheid vrij
wat onhebbelijker was, wanneer je de verhalen er van b. v. in Baboe
Dalima of andere boeken leest, wordt de verwachting hooger gespannen.
—    Dat komt omdat de fantasie van den schrijver een beetje heeft
meegeholpen om het tafereel lugubrer, onzedelijker of wonderlijker te
maken. Van vrouwen in de opiumkitten te Padang is geen sprake,
misschien vindt men die op andere plaatsen, maar hier heb ik er nooit
van gehoord.
—   Bah! die misselijk-zoete lucht zit me nog in den neus.
—   We zullen wat langs de zee rijden, dan waait die er uit.
Heerlijk reden we terug langs de Padang-rivier, waar \'t maantje met
3
-ocr page 46-
IE PADANG.
34
de kleine golfjes speelde en de glinsterende lichtjes aan de masten en
stevens der prauwen, kleurig terugschenen in \'t water, dat langzaam
afvloeit naar de zee, tot aan den voet van den Apenberg, waar de groote
bloedroode seinlantaren den naderenden schipper een waarschuwend:
halt! toeroept,
De zee voor Padang is buitengewoon mooi, een groote breede bocht
wijd uitloopend naar den Oceaan, links en rechts begrensd door heuvelland\'
en bosschen.
Onophoudelijk rollen de golven af en aan. Schuimend slaan ze tegen-
de groene bergen en over \'t boschrijke begroeide strand en zachtkens
gieten maan en sterren hun zilveren schijn in de rustelooze wateren, die
in de oneindige verte samensmelten met de donker blauwe lucht, die
wolkenloos en helder zich welft over land en zee.
-ocr page 47-
NAAR KORT DE KOCK.
35
NAAR FORT DE KOCK.
Het^reizen per spoor
in een directiewagen is
iets wat niet dikwijls
een gewoon sterveling
te beurt valt, daarom
voelde ik me dan ook
op den morgen, dat ik
Padang verliet om naar
Fort de Koek te sporen,
een heele kraan, \'k Ge-
loof zelfs, dat ik met
een zekere nederbui-
gende voornaamheid de
goede vrienden, die me
uitgeleide deden, heb
Tandradbaan in de Anei-kloof (Sumatra).
toegeknikt. Ik oordeelde
mezelf, dien dag, be-
paald een toewan besaar, vooral omdat ik er nu geheel en al Indisch
uitzag in mijn witte pak, waarvan ik nog vijf soortgelijken in voorraad had.
Laat ik even in parenthesis vertellen, hoe ik die witte pakken gekregen had.
Mijn gastheer had me nl. aangeraden om mij te Padang van witte
bovenkleederen te voorzien — \'k had ze niet meegenomen uit Amsterdam,
omdat ervaren Indische lui me gezegd hadden : „Laat ze te Singapore of
Padang maken, dan heb je ze goedkooper, degelijker gemaakt en van
beter snit." *)
Er werd dus een toekan mendjaït (kleermaker) besteld, die me de maat
* De firma Luers Fbf.res te Amsterdam, maakte mij opmerkzaam dat ik mij vergist heb,
omdat zij alle Indische kleederen concurreerend, degelijk en van goeden snit leveren kan.
-ocr page 48-
36
NAAK FORT DE KOCK.
zou nemen. Hij kwam, \'t was een heel knappe, zwart gebaarde rijzige
Arabier, keurig net gekleed en met een fijn bewerkt paardenharen toppie
(Atjeh\'s mutsje) op. De gebattikte sarong, die hij over zijn witten pantalon
droeg stond hem deftig; zijn goed verzorgde voeten staken in kleurige
sandalen en zijn baadje met gouden knoopjes, was me een bewijs, dat
de man „in bonus" was.
Hij groette zeer onderdanig, door even de hand tusschen de oogen
aan \'t voorhoofd te brengen als
sembah (groet) en wachtte toen af
-
wat ik zeggen zou.
Hum! ja, ik wou graag zes
{A
witte pakken bestellen, maar het
Maleisch wat ik kende, dat bleek
me toen, was voor zoo\'n groote
bestelling nog niet toereikend.
Maar gedachtig aan ons spreek-
woord „frisch gewaagd is half
gewonnen," begon ik hem te
vertellen, gedeeltelijk door ver-
keerd uitgesproken of ondoelma-
tige maleische woorden en ge-
deeltelijk door pantomime, dat ik
wou hebben: ,,anam pakaian
poetie" (zes witte pakjes), be-
staande uit jaquet en \'pantalon,
goed gemaakt en stevig. De
kleermaker scheen een buiten-
gewoon bevattelijk man te zijn
en begreep mijn wonderlijk door-
eengehaspeld taaltje uitmuntend.
Met onweerstaanbare kalmte en
het ernstigst gelaat van de wereld
hoorde hij mij aan en antwoordde
in Maleisch, dat ik half, en met
gebaren, die ik goed verstond.
We werden het eens over den prijs,
hij nam mij de maat en vertrok, na eerbiedig buigend, met de hand zijn
voorhoofd weer te hebben aangeraakt. Reeds wilde ik hem naar buiten
volgen, toen hij terugkwam en mij beduidde, dat hij zijn parapluie vergeten
had. Ik zag het ding staan, \'t was een groenige, groote, ouwerwetsche
besteedster met een grooten witten haak en een met koper gemonteerden
stok, een echt familiestuk, zooals we hier te lande zeggen. Onwillekeurig
-ocr page 49-
NAAK FOKT DE KÜCK.
37
moest ik lachen over die zonderlinge vereeniging van oostersche kleeding
en westersehe ouderwetschheid. Hij scheen echter bijzonder op dat
prachtstuk gesteld te zijn, want ik heb hem, toen hij later kwam passen,
en nog later reparatiën, geld enz. kwam halen, steeds met die prachtige
besteedster gewapend gezien.
\'k Heb mij voortdurend verbaasd over de snelheid en \'t gemak, waar-
mee hij mijn brabbeltaal verstond; eenmaal zelfs meende ik hem heel
eventjes te zien glimlachen, toen ik half wanhopig, dat ik het juiste
woord niet spoedig genoeg kon vinden, een paar te hartige stopwoorden
in mijn gesprek mengde. — Maar mijn waardeering van \'s mans begrips-
vlugheid is aanmerkelijk minder geworden bij onze laatste ontmoeting. Ik
had hem nl. een zwart lustren jasje te verstellen gegeven, dat ik zonder
fout dienzelfden avond terug moest hebben en trachtte hem dat in \'t
Maleisch aan zijn verstand te brengen door te zeggen: „Misti bawa
kombali ini soré." \'Je moet het dezen avond terugbrengen.) Ik sprak
echter het laatste woord, dat soré heet, als \'t Fransche soiree uit, en \'k
werd schier stom van verbazing, toen mijn kleermaker, uiterst bescheiden
sprekend, maar met een hoogwijs-ernstig gelaat zei: — Soiree c\'est
francais moussié !
—   Wat! versta je Fransch ?
—   Oui moussié ung peu, moi j\'été en Egypte.
—   Maar man ! dat had je wel eerder kunnen zeggen, dan had ik mijn
tong niet uit \'t lid gewerkt door al dat Maleisch.
—   Moussié pas demandé, moi penser moussié vouloir parier malais.
I speak English also.
—   Hè! — ken je Engelsch ook?
—  Yes, but not much, Sir!
—    God bewaar me, wat \'n vent! — misschien ken je per saldo ook
wel Hollandsch?
—  Kleine beetje mieneerrr! Spreken sedikit (weinig), verstaan heel goed !
—   Maar drommelsche kerel! waarom heb je me dat niet dadelijk, den
eersten keer toen ik je zag verteld, dan hadden we mekaar gauwer
begrepen ?
—    O! non! moussié vouloir parier malais, moi toujours au service de
moussié, en na een nog dieper buiging en een nog onderdaniger groet,
liet hij mij, verbaasd over zooveel leukheid, alleen.
Zijn werk was echter uitmuntend uitgevallen, de pakjes waren keurig
afgewerkt, blinkend wit gewasschen, gesteven en gestreken thuis bezorgd.
Ik voelde me lekker luchtig in die onder de Tropen onmisbare kleeding
en zat als een prins in den directiewagen. Een tros mangistans, de
heerlijkste Indische vrucht, die ik ken, werd me door bevriende handen
-ocr page 50-
NAAK FOKT IJK KOCK.
in den wagen gereikt, de stoomfluit gilde en mijn reis naar Fort de
Koek begon.
Een poos lang voerde de weg langs terrasvormig aangelegde rijstvelden,
waar hier en daar een inlander bezig was met ploegen. Zonderling is
het, dat terwijl op het eene veld de paddi rijpt, ze op het andere gesneden
wordt, terwijl een derde veld wordt omgeploegd. Welk een vruchtbaarheid!
Waarlijk, als men zoo iets ziet, kan men begrijpen dat er eenige waarheid
ligt in de aardigheid, die men dikwijls in Indië debiteert door te zeggen :
,,de grond is hier zóó
vruchtbaar, dat een
in den grond gesto-
ken wandelstok in
een minimum van tijd
begint te groeien.
Langs dichte bam-
boe-stoelen, hooge
boomen en tusschen
prachtig groen ver-
scholen dessa\'s, voert
de spoorbaan verder.
In het verschiet blau-
wen de bergen en
heffen Merapi en Sin-
galan hun begroeide
l\'loejjen in de Sawah.
kruinen omhoog. Al-
lengs wordt de weg
schilderachtiger, de natuur wilder, en hoe meer men de Aneï-kloof nadert,
des te woester wordt de omgeving.
Langzamer stoomt de trein, de locomotief hijgt en kucht, terwijl hij
langs de tandradbaan de wagens opduwt. De weg krijgt een belangrijke
stijging, die voortdurend toeneemt. Heerlijk wordt de atmosfeer, de
frissche berglucht oefent al spoedig een verkwikkenden invloed uit op
den reiziger, die het in den beginne warm genoeg heeft gehad. Ik zag
telkens, wanneer we aan een klein tusschenstation een oogenblik stopten,
hoe de spoorbeambten met eerbiedige verwondering naar den Directie-
wagen keken en uiterst beleefd groetten. Ik kon op hun bruine gezichten
lezen: „dat moet wel een voornaam personaadje zijn, die lange heer, die
heelemaal alleen voor zich een wagen heeft!"
Zij hadden eens moeten weten, dat het maar een eenvoudig sigaren-
fabrikant-auteur was, dien ze zoo minzaam en onderdanig lachend groetten.
Zonder twijfel hadden ze dan minder diep gebogen en strakker gekeken.
-ocr page 51-
-ocr page 52-
40                                                    NAAK FOKT DE KÜCK.
De Aneï-kloof, die voorbij de halte Kandang Ampat begint, is onver-
gelijkelijk mooi. Tusschen hemelhooge bergen, welig bedekt met \'t
prachtigst groen, en langs een klaterenden bergstroom, de Aneh, die zich
woest en wild over reusachtige keien en rotsblokken in de diepte stort,
voert de spoorbaan steeds verder naar boven.
Verwqesting door een Bandjir in de Anei-Moof.
Nu was het water niet hoog en vormden zich in de bedding der rivier
over de als los dooreengeworpen granietblokken en rotssteenen slechts
kleine watervallen en kolken, waarop de zon haar schitterende stralen in
alle tinten en regenboogkleuren reflecteert, maar als het water zwelt tot
een bandjir, moet de Aneï-kloof een oord der verschrikking zijn. Voor
-ocr page 53-
NAAK FORT DE KOCK.                                                    4f
weinige jaren werd, ten gevolge van zulk een bandjir, een groot gedeelte
van de zoo kunstig en moeitevol gebouwde spoorbaan weggeslagen en
waren er duizenden noodig om de geleden schade te herstellen.
Stouter en grootscher wordt de natuur, hoe verder men komt in de
kloof, die als \'t ware een insnijding vormt in de steile hooge bergketen,
die over Sumatra\'s Westkust loopt.
De weg loopt er zig-zag, nu eens aan de eene, dan weer aan de andere
. De Auei-kloof (Sumatra).
zijde der rivier, die op-verschillende plaatsen overbrugd werd met kunstvol
geconstrueerde ijzeren gevaarten, sterk maar rank gebouwd, soms als door
een reuzenhand krachtig tusschen de steile bergwanden ingeduwd. De
zonderlinge vorm van den weg brengt herhaaldelijk den reiziger in den
waan, dat de bergwanden vóór hem zich sluiten, totdat hij eensklaps bij
het omslaan van een hoek, de weg verder ziet opkruipen tusschen en
langs rotsen, die dreigend hun zware massale gevaarten verheffen.
In \'t midden der kloof ongeveer, overspat een waterval met vonkelende
-ocr page 54-
NAAK FORT DE KOCK.
4-
druppels de voorbijsnellende wagens, \'k Zag op mijn bestoven kleeren
de kleine iriseerende druppels tot grijze pereltjes worden en langzaam
afrollen. En steeds heerlijker, steeds rijker aan afwisselende natuurtafe-
reelen wordt de weg. Soms biedt, op \'t onverwachtst, een opening
tusschen de bergen een prachtig vergezicht en dan weer plotseling, als
opgeslokt door een tunnel blijft men eenige minuten in volslagen duisternis,
om een oogenblik daarna weer in \'t felle zonlicht komend, van een ander
panorama te genieten, dat zich heerlijk aan het oog ontrolt, als een jubel-
kreet van verrukking over \'t ontvlieden van \'t nachtelijk duister.
De geheele spoorbaan van Padang tot Fort de Koek legt een schitterende
getuigenis af van de bekwaamheid onzer ingenieurs, die, onder aanvoering
van den grooten indischen ingenieur IJzerman, een weg baanden door de
rotsachtige bergwanden. Een tandradbaan, waarop men ongeveer vier en
een half uur, met vrij groote snelheid voortspoedt, is waarlijk een reuzen-
werk, een triomf voor ontwerpers en bouwmeesters.
\'t Is voor den van Europa komenden reiziger een vreemd gezicht, de
locomotief te zien besturen door een inlander en in den waggon de
kaartjes te zien knippen door een Maleier, die met een zeer beleefde
buiging en altijd in meer of minder deemoedige houding, zijn werk bij
de blanke reizigers verricht. Is hij eenmaal de ie en 2e klasse rijtuigen
uit, dan treedt hij bij zijn landslieden of Chineezen dikwijls met meer
aplomb op dan strikt noodig is; tegenover hen voelt hij zich, krachtens
zijn ambt „een meerdere," terwijl bij voor den orang blanda altijd een
zeker respect meent te moeten toonen.
Tot aan Padang-Pandjang, een klein, vrij levendig stadje met een
druk bezochte passar, blijft de weg overschoon, herinnerend aan Tyrol,
Zwitserland en \'t Salzkammergut, minus de sneeuwbergen natuurlijk. Dan
voert een zijbaan naar de residentieplaats Fort de Koek. Die weg lo^pt
door een heerlijke, hooge Indische bergstreek, met al haar typisch schoon,
zich kronkelend, rijzend en dalend, door een groene vlakte, begrensd door
amphitheatersgewijze tegen de berghellingen liggende rijstvelden en als
achtergrond dicht donker geboomte.
Voortdurend snelt men woningen, stallen, paddischuren, pisang- en
klappertuinen en koffieaanplantingen voorbij, totdat men bij een draai van
den weg een blik kan slaan op het prachtig blauwe water van het meer
van Singkarah, dat de hooge toppen der bergen in zijn spiegelend opper-
vlak weerkaatst. Langs bosschen en dessas, door vruchtbare rijstvelden
en tusschen steile bergwanden, snelt de trein met regelmatigen spoed steeds
klimmend tot aan den bergrug, die de Merapi en den Singalan verbindt,
ongeveer zesendertig honderd voet boven de zee. Dan daalt hij weer, lang-
zaam glooiend, tot aan het ruim 900 meters boven de zee gelegen plaatsje.
-ocr page 55-
NAAK KOKT DE KOCK.
43
—   U is zeker meneer Mórik, ja? vroeg een dikke, vriendelijke, maar
nog al erg bruine heer mij, toen ik uitstapte en met mijn valiesje naast
mij een oogenblikje bleef staan kijken naar \'t druk verkeer van Maleiers,
Klingeleezen, Chineezen en Europeanen, die aan \'t kleine, nette station
door elkander liepen.
—   Om u te dienen.
—    O! ik ben ghótelier, ik kom om u af te ghalen, ja! De resident
Passar te Kort de Koek (Sumatia).
zou u wel logeeren, maar ghij gheeft bezoek, \'k ghêb \'n kamer voor u
disponibel; rijtuig is vóór, ja!
De brave man, wiens donkerbruin barsch uiterlijk naar mij scheen
geheel in tegenspraak was met zijn vriendelijke goedhartigheid, geleidde
mij naar den gereedstaanden hótelwagen, ditmaal een gewoon dos-a-dos\'je.
Hij sprak, zooals de meeste\' telgen van een gemengden echt, met een
eigenaardigen tongval, de letter H met de G verwarrend of samensmeltend.
In \'t eerst klinkt het voor den vreemde zonderling, maar allengs gewent men
aan die uitspraak en weet dat ghónd, hond — en heven, geven beteekent.
-ocr page 56-
NAAK FORT ÜE KOCK.
44
\'k Heb in het hotel te Fort de Koek alweer ondervonden dat men niet
altijd op \'t uiterlijk der dingen kan afgaan, want toen ik het niet groote,
vervelooze en aan alle kanten opgelapte huis, met wanden van gevlochten
matten en muren van in elkaar gewerkte stukken bamboes, zag, kreeg
ik zoo het idee : — Je bent nog al eens tegenwoordig als er iets extra\'s
gebeurt, \'t zou me niets verwonderen, wanneer dit hotel juist vannacht
in mekaar zakte.
Maar \'t heeft zich kapitaal gehouden, het is niet ingevallen ! \'k Heb
alleen maar een paar keer door mijn kamervloer getrapt — en ik heb er
zelfs voortreffelijk geslapen en uitmuntend gegeten. Wat wil men meer?
Dat ik echter niet geheel en al onrecht had met aan de stabiliteit van
het gebouw te twijfelen, kan ik bewijzen door het feit aan te halen, dat
in dienzelfden nacht een zeer corpulent majoor, met een heel knappe en
ook vrij zware vrouw, met ledikant en al eenige decimeters in den grond
zijn gezakt. Gelukkig kwamen zij er met den schrik af en konden beiden
hun verblijf tot herstel van gezondheid ongehinderd voortzetten.
Fort de Koek is een herstellingsoord bij uitnemendheid, de kostelooze
reine berglucht daar is het beste geneesmiddel voor allerlei zenuw- en
andere kwalen.
Het klimaat te Fort de Koek is zoo gematigd, dat Eiuropeesche bloemen
en gewassen, rozen, geraniums, fuchsia\'s en verbena\'s er welig groeien,
te welig echter om lang te kunnen leven. Hun bestaan is een korte
schitterende verschijning, een vroolijke afwisseling tusschen het meer
sombere tropische groen.
In het hospitaal bevonden zich dan ook een groot aantal van Atjeh en
elders geëvacueerde berri-berri lijders, gewonden en zieken.
Op de passar, vol warmte en felle zon, vol kleurige pajoongs (zonne-
schermen) en kleine tentjes, gaat het bijzonder druk en levendig toe. Ik
zag er allerlei eigenaardige Sumatraansche kleederdrachten vertegenwoordigd,
o. a. de schilderachtig in met goud en zilver doorwerkte sarongs gekleede
vrouwen uit I\'ajacombo, die in haar hoofdtooi den kop en horens van den
karbouw eenigszins navolgen. De meergegoede Sumatraan houdt er van
zich kleurig en mooi, zelfs kostbaar en rijk, te kleeden en wat hij aandoet
staat hem goed, omdat hij met een zekere fierheid optreedt; geheel anders
dan de meer onderworpen Javaan. Hij voelt zich een „orang sendiri"
(een zelfstandig mensch), drapeert zich vol waardigheid in zijn kaïn of
sarong en draagt zijn toppie van gevlochten paardenhaar of gekleurd riet
kranig op zijn blauwzwart glimmend haar.
De Reuzcnboom, een der merkwaardigheden van het kleine plaatsje,
ontlokte mij een kreet van bewondering en het Karbouwengat — een
eenige mijlen lange vallei vol afwisseling van heerlijk groen, grootsche
-ocr page 57-
NAAK FORT DE KOCK
45
rotspartijen en kabbelend bergvvater, deed mij de drie uur lange wamdeling
niet betreuren. De waarheid gebiedt echter te erkennen, dat ik mij later
in Indië niet weer aan zoo\'n langen voettocht bezondigd heb. Loopen is
iets wat men als kind met moeite aan-, in Indië zonder inspanning als
volwassene weer afleert.
Wat vindt men toch overal vriendelijke menschen, dacht ik, toen ik in
\'t Hotel een herstellend berri-berri-lijder, vroeger een stadgenoot, aantrof,
die, zijn kwalen voor een oogenblik op zij zettend, mij allerhupscht overal
Sociëteit te Fort de Koek. (Sumatra.)
heen geleidde en me zelfs in een chineesche toko onder \'t genot van
een glas tamarinde-limonade, een opkomende donder- en regenbui hielp
afwachten. Zoo\'n donderbui in de Tropen is gewoonlijk veel heviger dan
bij ons te lande. Licht en slag volgen elkander bijna onmiddellijk op.
Zonder tusschenpoozen schiet de bliksem neer en donderen de slagen
achter elkander aan. Ratelend en bulderend weerkaatsen de bergen het
geluid van den donder met duizendvoudigen echo. Zwart en onheil-
spellend dringen de wolken opeen, loodkleurig hangt het zwerk en de
regen valt niet in droppels, maar in bijna vertikale stralen, soms dik als
pijpensteelen, van den hemel.
-ocr page 58-
46
NAAK FORT DE KOCK.
Die zoo\'n bui treft kan er zeker van zijn, dat hij in een paar minuten
tijcis geen drogen draad meer aan \'t lijf heeft. Ik hoorde eens iemand
zeggen : — ik val even graag in \'t water, en ik geloof hem gaarne, want
een Indische regenbui is een buitengewoon stortbad in de derde macht.
Op verzoek van het societeitsbestuur heb ik te Fort de Koek een
lezing gehouden en omdat het de eerste was, die ik in Indië onder de
Tropen hield, wil ik er hier melding van maken,
\'k Had geen zwart pak, geen zoogenaamde stalen pen. het gebruikelijke
kleed van den nutslezer, medege-
nomen en moest dus in mijn grijs
fantasiepak optreden. Later heb ik
vernomen, dat men mijn gewoon
wandeltoilet voor de nieuwste chic
heeft aangezien en wel zoo goed
is geweest te veronderstellen, dat
ik niet koerang adjar (niet wel
opgevoed) was. Men heeft, zoo
vertelde men mij, zelfs over mijn
grijs costuum gekibbeld, omdat er
toch heeren waren, die meenden
dat mijn fantasiepak niet „haut
chic", \'t nieuwste snufje, maar een-
voudig datgene was waarvoor \'t
zich uitgaf, terwijl anderen bleven
volhouden, dat men tegenwoordig,
evenals men te Parijs roode fraks
draagt, in Holland aan grijze
jacquets de voorkeur geeft bij
gedistingeerde vergaderingen of
I\'aja combo-vrouwen.
galagelegen heden.
Ik blijf intusschen zeer ver-
plicht aan hen, die de verdediging van mijn toilet op zich hebben
genomen !
\'t Was ongeveer half negen, toen een der bestuursleden mij aan mijn
hotel kwam afhalen en ik bereidde mij reeds voor op een buitengewoon
warmen avond, een stoombad in optima forma.
Hoe viel mij dat mee! De zaal was zeer luchtig en aan alle zijden
open. Waarlijk ik heb het daar niet half zoo warm gehad als in een
Hollandsche nutszaal, waar de kachels hun benauwde kolenlucht aan de
minder frissche uitwaseming der dikke winterkleeren en warme adems
huwen en gewoonlijk de temperatuur tot bloedwarmte doen stijgen, \'k Heb
-ocr page 59-
r
-ocr page 60-
NAAR FOKT DE KOCK.
echter meer stem moeten gebruiken, de acoustiek is door de openstaande
deuren en vensters niet schitterend.
En welk een dankbaar publiek! Ik heb te Fort de Koek met \'t meeste
genoegen gelezen voor de societeitsleden, de gewonde militairen en
herstellende zieken, die door het bestuur waren uitgenoodigd.
Ik las: „Lachen en schreien," en ik had de voldoening, dat de toe-
hoorders van harte meelachten of een oogenblik ernstig werden als ik een
somberder toon aansloeg.
Na de pauze, waarin de dames en heeren zich een oogenblik buiten in
de verrukkelijk koele avondlucht verfrischten — zij hadden het door
\'t opeengepakt zitten oneindig warmer dan ik — droeg ik ,,Het diner
van Manus" voor, en zelden heb ik zooveel genoegen van mijn voor-
dracht gehad. Dadelijk had zich tusschen lezer en publiek, de als \'t ware
magnetische band ontsponnen, die noodig is voor den hoorder om te
genieten, die den voordrager moed geeft en animo, omdat hij daardoor
de sympathie voelt van zijn publiek.
Een klein intermezzo, dat mij een oogenblik afleidde, maar dat door
de aanwezigen gelukkig niet al te zeer werd opgemerkt, wil ik niet
onvermeld laten.
Terwijl ik Manus aan de table d\'höte zijn heldenfeiten liet volvoeren,
kwam een goedige, gladharige hond op de verhevenheid, waar ik stond,
ging schuins naast mij zitten, zich snel en hevig achter \'t oor krabbend,
als in tweestrijd of hij mij zou aanspreken of niet. Toen wandelde hij
kalm een paar maal achter mij heen en weer, zonder mij te hinderen.
Het had er iets van, alsof hij gaarne met mij wilde kennis maken, maar
nog min of meer verlegen was. Eensklaps stak hij zijn neus onderzoekend
vooruit en naderde mij langzaam, met lange voorzichtige schreden den
kop vooruit en \'t lijf gestrekt. Waarschijnlijk kwam het dier, door zijn
fijne lucht geleid, allengs tot de ontdekking, dat ik tehuis een puckhond
heb, die wel eens de onhebbelijke gewoonte heeft zijn corpus tegen mijn
broekspijpen te schuren. Misschien had de Fort de Kocksche hond nog
nooit de emanatie van een Hoflandschen puck geroken en was hij daarom
nieuwsgieriger dan noodig en beleefd was. Hij draaide een paar malen
omzichtig om mij heen, besnuffelde eerst oppervlakkig mijn schoenen,
toen met blijkbaar stijgend welgevallen. Daarna blikte hij met verlangend
oog naar mij op, snoof met lange halen aan mijn broeksrand en sprong
toen heel familiaar tegen mijn knie op, om toch vooral goed kennis te
nemen van dien uitheemschen geur. \'t Lieve dier was een en al hartelijke
vriendelijkheid, en drukte zijn ingenomenheid zóó langdurig uit, dat ik
mij genoodzaakt zag even op te houden en hem dringend te verzoeken
zich van verdere onderzoekingen te spenen. Ik begin nu te begrijpen,
-ocr page 61-
NAAR FOKT DK KOCK.
dat ik het arme dier onheusch heb behandeld, want dat het waarschijnlijk
namens het Indische hondenras mij een eersten welkomstgroet kwam
brengen. Nog een paar maal trachtte hij — hoewel ik hem vrij krachtig
had verwijderd — de kennismaking te hernieuwen en eerst toen hij
plotseling in de zaal een kennisje zag, dat hem verlokkend knipoogend
aankeek, liet hij mij los, snelde met de ooren in den nek en opgeheven
staart ventre a terre naar beneden en trachtte onmiddellijk, geschut en
beschaduwd door de reien toeschouwers, met zijn schoone te flirten. Een
van de societeits-jongens heeft hem echter zeer duidelijk aan zijn verstand
gebracht, dat een concert- ef leeszaal geen plaats is voor dergelijke
ontmoetingen.
Later op den avond heb ik nog ettelijke belangstellende honden in de
zaal zien verschijnen, maar zij gedroegen zich kalmer en bepaalden zich
er toe, mij nieuwsgierig te komen bekijken, om daarna als teleurgesteld
met den staart tusschen de beenen weer te vertrekken.
De opmerking moet mij hier van \'t hart, dat de honden in Indië mij
dikwijls het leven zuur hebben gemaakt en wanneer ik geen geboren
dierenvriend was, zou ik in Indië aan het ras „canis familiaris," door zijn
al te groote familiariteit, een geweldigen hekel hebben gekregen.
De hond is in Indië over \'t algemeen een paria onder de dieren, want
de inlander heeft een aangeboren en door zijn godsdienst aangevuurden
afkeer van dit nuttige en gezellige huisdier. Vandaar komt het dan ook
dat het, door hem, in den volsten zin des woords, als een hond wordt
behandeld. De inlander, belijder van den Islam, schuwt hem als een
onrein dier en waarlijk, een Indische kampong-hond is ook het prototype
van ellendige onzindelijkheid. Neem van een paar gewone keeshonden
en likken iets onoogelijks, vermeng dat met de minst goede eigenschappen
en leelijkste vormen van den ruwen herdershond, voeg daarbij ettelijke
karaktertrekken van den jakhals en lichaamsonregelmatigheden der ordi-
nairste soort trekhonden. Laat dan verschillende smoushonden hun
slechtste hoedanigheden in dat mengsel oplossen — en ge hebt zoo
ongeveer een redelijk welgeslaagden Indischen gladakker.
Voor drie vierden is hij kop, met wonderlijk gefatsoeneerde, waaier-
vormig uitstaande, meestal uitgerafelde ooren, kleine, groenige, loerende,
siepeloogen en een hier en daar gelapten snoet, geschikt om evenals de
snuit van een varken in het vieste vuil te wroeten. Zijn lichaam is mager
en ribberig, schonkig en schurftig, \'t haar er op kleverig, dun gezaaid en
borstelig, terwijl zijn staart, een akelig, spichtig, aalvormig onding, als hij
nog compleet is, nijdig tegen zijn holle flanken slaat, of zich, als beschaamd
over zijn afzichtelijkheid, tusschen zijn beenen verstopt. Blaffen doet dat
soort honden op een heel eigenaardig, scherpe, en zenuwachtig makende
4
-ocr page 62-
wijs. \'t Is half huilen, half schreeuwen en brommend
keffen — misschien komt het daardoor dat zij
Maleisch, Soendaneesch, Javaansch of Madureesch
blaffen, maar in welken tongval ze het dan ook
mogen doen, allernaarst en vervelend is het buiten kijf.
De welopgevoede huishoud wendt zich dan ook, met
aristocratische voornaamheid van dien proleet af, ten
minste zoolang zijn meester hem in \'t oog houdt;
evenwel zal ik er niet voor instaan, dat zelfs onder
de best gevoede en onderhouden honden niet indivi-
duen gevonden worden, die zich in een zwak oogen-
hlik vergeten, en, evenals sommige menschen, een
mesalliance doen. De telgen uit zulk een verbindte-
nis gesproten, zullen zeker onmogelijke wezens zijn,
die geschuwd door dier en mensch, hun treurig
bestaan moeten voortslepen totdat een goed gemikte
revolverkogel, een vergiftigd stuk vleesch of een
knuppel er een einde aan maakt.
Padang vooral is rijk aan gladakkers. Nergens
zijn ze zóó beschadigd, zóó brutaal en zóó roofzuchtig.
De inwoners voeren een onafgebroken oorlog tegen
die verstoorders van hun nachtrust, die dieven van
alles wat eet- en niet eetbaar is. Eenige malen
zelfs is door den schout in eigen persoon een
razzia aangevoerd, maar zonder ander gevolg, dan
-ocr page 63-
NAAK FORT DE KOCK.                                              51
dat er in dien nacht evenveel honden, maar meer slapeloozen waren.
De gladakkers hebben iets van Sioux-Indianen, die lnin vijanden mijlen
ver speuren en zich zóó weten te dekken tusschen struiken en boomen,
dat ze bijna onkwetsbaar schijnen.
De Fadangsche huizen, op palen gebouwd tegen de aardbevingen, hebben
als \'t ware een open sousterrain, dat gewoonlijk gebezigd wordt tot
rommelhok, waarin dikwijls allerlei soort van afval verdwaalt. Tussehen
die overblijfselen van inmaakblikken, lampenkousen, gebroken flessehen,
half vergane en muffe manden, beschimmelde schoenresten, stinkend stroo
en stoffige vodden, dwalen over dag dikwijls, maar \'s nachts voortdurend,
de gladakkers rond, zoeken er een gezellig plaatsje om te minnekozen
of om van daaruit op de kippenbeentjes, de vleeschafvallen en spijsresten
te loeren, die de kokkies, met haar onovertrefbare nonchalance in of
naast het bij de keuken geplaatste vuilnisvat werpen.
Een half vergane schoenzool is voor den gladakker een délice, een tot
ontbinding overgaande, in stof gewentelde kippenkop, brengt hem in
verrukking en voor een reeds uitgebleekt eendenkarkas zou hij knielen,
als hij knieën had. Maar ook oude sloffen en matten, of stukken van
harige kofferovertreksels, versmaadt hij niet, ja! hij beproeft zijn bekkeneel
zelfs op ledige soepblikken en lobster-tins, wanneer zij nog eenigermate
den geur van hun inhoud behielden. Gedurende mijn verblijf te Padang,
heb ik de meeste nachten gelegenheid gehad, mij te oefenen in het ver-
staan der gladakkers-taal, want nauwelijks waren de lichten in huis
gedoofd of uit de verte klonk het lang aangehouden geblaf van een
individu, dat zijn makkers tot een strooptocht onder ons huis, op ons
erf of tusschen de bijgebouwen noodde. Van verre en nabij antwoordden
dan andere liefelijke stemmen, en binnen eenige minuten stormde een
phalanx van gladakkers op en over het erf, alles omverhalend en omstootend,
waarin vermoedelijk iets eetbaars te vinden was.
Wat in mijn kamer overtollig was, heb ik \'s nachts die lieve dieren
naar den onguren kop geslingerd; ik heb mij zelfs beroofd van nuttige
zaken, als een laarzentrekker en een veldflesch, maar zonder merkbaar
goed gevolg.
Ik zag mijn projectielen vliegen — ik zag hun onverschilligheid daar-
voor en de honende uitdrukking in hun gemeene oogen, terwijl ze hun
onhebbelijk groote roode muilen opensperden en bovennatuurlijke geluiden
uithuilend, in den maneschijn bleven zitten met omhoog geheven kop.
In den maneschijn komt de muziekale begaafdheid van de gladakkers
eerst tot haar recht. Ik heb herhaaldelijk concerten gehoord, waarbij een
groote, eenoogige, met een halven staart en drie en driekwart poot voor-
ziene hond met sentimenteel geluid de maan bezingend, de tenorpartij
-ocr page 64-
NAAR FORT DE KOCK.
52
zeer verdienstelijk vervulde, terwijl een ander, zwartgrijs, kreupel gegooid
exemplaar, de baspartij op zieli nam en schitterend gesecondeerd werd
door twee baritons, die behalve stukken de ooren, ettelijke wonde plekken
en huidbesehadigingen konden aanwijzen. Merkwaardig is het echter,
dat die zangers hun voorliefde voor de maan in alle toonaarden en maten
te gelijk uiten, zoodat daardoor de allerkraste eharivari geboren wordt.
Kt\'n lange, magere, bacterie-volle, melankolieke, zwartige gladakker,
heb ik gedurende mijn verblijf te Padang op mijn geweten. Hij traeteerde
me eiken nacht op een solo-bierbas en spotte met al mijn nijdige: Akiss !
en Vort\'s ! trotseerend mijn projectielen en stortbaden. Eindelijk ontdekte
ik, dat hij onder het paviljoentje zijn bivak had opgeslagen en daar heb
ik hem als een moderne Judas een stuk vleesch toegeworpen dat — ik
beken het zonder blikken of blozen — met strychnine rijkelijk gekruid was.
\'t Heeft me een gulden aan den apotheker en mijn handteekening in
zijn boek gekost, maar ik heb de voldoening gesmaakt, dat ik een paar
uur daarna het lijk van dien nachtelijken zanger stijf en koud in zee heb
zien schoppen door een meelijdend soldaat.
\'k Meen mij door dien moord tegenover Padang verdienstelijk te hebben
gemaakt; deed ieder zoo als ik, die zelfs een gulden er voor over had,
zeker ware binnenkort de nachtelijke rust der Padangers niet langer zoo
problematisch.
Het spijt mij waarlijk zeer, dat ik de Padangsche honden niet prijzen
kan, omdat ik overigens slechts lof heb voor alles wat ik zag en ondervond,
maar wanneer men zijn indrukken weergeeft, moet men het kwade zoowel
als \'t goede vermelden.
-ocr page 65-
PADANG-PANDJANG.
.SS
PADANG-PANDJANG.
Op mijn terugreis van Fort de Koek bleef ik een paar dagen te Padang-
Pandjang over.
Welk een lief en schilderachtig plaatsje! Midden tusschen de bergen
opgesloten ligt het, \'s morgens vroeg als in nevelen gehuld, totdat de zon
ze verdrijft en de prachtige Merapi en Singalan hun schoon geschakeerde
groene flanken en trotsche kruinen vertoonen. Veel zwaar geboomte
heeft Padang-Pandjang niet, maar \'t rust tusschen lage boschaadjes in
een vlak dal, waardoor voortdurend een frissche bergwind waait. Er ligt
iets Zwitsersch over \'t kleine plaatsje, vooral wanneer men ziet, hoe tegen
de zachte glooiingen hier en daar de Indische koeien rustig grazen en
oplet hoe de wit geschilderde zinken daken der huizen tusschen \'t groen
doorschemeren.
Het stadje zelf is als \'t ware het kruispunt van de wegen naar Padang,
Fort de Koek en Solok en heeft daardoor meer vertier dan men opper-
vlakkig zou denken. Van verschillende omliggende plaatsen komen de
Malciers de markt bezoeken, brengen er hun koopwaren en handelen daar
met elkander in allerlei produkten. Men ziet er de meest verschillende
kleederdrachten in schilderachtige afwisseling. Vooral de vrouwen houden
in die streken van kleurige gewaden en tooien zich rijk met gouden hals-
en armsieraden, ringen en oorhangers. Sommige zelfs dragen in de
ooren gouden spangen van zoo groote afmeting, dat haar oorlel tot
buitengewone lengte wordt uitgerekt. Ook de mannen dragen gaarne
veelkleurige kleeding en drapecren zich, waarlijk met smaak in hun
sarongs. De geheele Passar heeft door die kleuren een vroolijker aanzien
dan elders.
— We wonen hier in een regennest, meneer Van Maurik, zei de vrien-
delijke luitenant, die me met omgeslagen broekspijpen onder een groote
parapluie kwam afhalen en terwijl wij, door en over plassen stappend,
zijn nette woning naderden, vertelde hij mij: Padang Pandjang is een
-ocr page 66-
54                                                 PADANG-PANDJANG.
uiterst gezond gelegen, fideel plaatsje, waar \'t ongeveer alle dagen regent
en waar de verschillende elementen der bevolking goed harmonieeren.
Ik heb ook die overtuiging medegenomen, nadat ik in de sociëteit
uenige aangename uren had doorgebracht. Ambtenaren en officieren leven
daar in gezellig samenzijn en waardeeren te meer elkanders gezelschap,
omdat het aantal Europeanen er niet groot is. De officierswoningen zijn
l\'assar te 1\'adang-l\'andjang.
er klein, maar keurig en comfortabel ingericht, en wanneer men zoo\'n
verblijf ziet, met een goed onderhouden tuintje er voor, met nette bijge-
bouwen en een aardig erf, moet men volmondig erkennen, dat een iste
of 2\'le luitenant in Holland heel wat te kort komt, al woont hij ook nog
zoo lief gestoffeerd, met een riant uitzicht, bij een zindelijke weduwe,
twee hoog, voor weinig geld.
In Indië leeft m. i. een officier meer, zooals een officier leven moet;
het militaire element is daar meer in aanzien, heeft daar den boventoon.
Hij is er in waarheid „militair," terwijl in Nederland, men houde mij de
opmerking ten goede, een officier, nolens volens, min of meer gedwongen
wordt zijn heldendaden te beperken tot het proeven van de soep, theorie-
houden en flaneeren.
-ocr page 67-
PADANG-PANDJANG.
.VS
Ken Indisch officier heeft, voor mijn oog, ook een veel krijgshaftiger
voorkomen. Men ziet het hem aan dat hij kruit geroken heeft, dat hij
waarlijk in dienst is en behalve theorie ook de praktijk door en door kent.
De dienst is zwaar in Indië, er wordt veel gevergd van onze Indische
militairen, — maar daar staat ook tegenover, dat hun diensten beter be-
loond en gewaardeerd worden, door een hooger tractcment en in de
toekomst een ruimer pensioen, dat na volbrachten diensttijd groot genoeg
is om een verzekerden ouden dag in uitzicht te stellen.
In kleine plaatsen, zooals Fadang Pandjang en andere, zijn de officieren
de personae grata, waardoor leven en gezellig verkeer ontstaan. De
minderen — ook hen ziet men \'t aan, dat zij mannen van de praktijk
zijn en onder strenge tucht worden gehouden — brengen voordeel aan
den handeldrijvenden „kleine-man,"\' terwijl de geheele bevolking profiteert
van een groot garnizoen, dat in de meeste gevallen de opkomst van zulk
een plaats is. Immers de soldaat heeft op gezette tijden geld en — geeft
dat ook uit; waarom zou hij \'t bewaren ? Hij weet immers niet of hij er
later van zal kunnen genieten!
Door de vriendelijke tusschenkomst van den assistent-resident had ik
gelegenheid een inlandsche school te bezoeken en mij te verwonderen
over de vlugheid, waarmee de jeugdige Sumatraantjes leeren lezen, schrijven
en rekenen. Het is interessant om in zoo\'n school den meester, een
Maleier, in zijn keurig net, wit pak, met sandalen onder de goed ver-
zorgde voeten, aan de kinderen te hooren vertellen van Kuropa en Nedcr-
land, van de Njonja Radja, de koningin, en van allerlei wetenswaardige
dingen, die zij gretig, met glinsterende oogen en open monden aanhooren.
Merkwaardig is het om te zien, met hoeveel juistheid en bedaarde; kalmte
hun kleine, lenige vingers de moeilijke Arabische karakters of de Holland-
sche letters naschrijven.
Luchtig gebouwd en goed onderhouden, kunnen die scholen veel andere
tot voorbeeld dienen. De kinderen zelf zien er goed gevoed en netjes
uit; de inlander stelt er een eer in om te zorgen, dat zijn schoolgaande
kinderen fatsoenlijk voor den dag komen. Ik zag er geen enkel haveloos
of zelfs slordig kind; de meeste droegen wittetof kleurige baadjes en
keken met vroolijke oogen de wereld in. Onwillekeurig maakt men daar
een vergelijking met de kinderen van onze nederigen in stand en armen
— en dan moet men helaas! met een zucht, erkennen : die jeugdige\'
Sumatraantjes zijn beter af dan onze arme kinderen, die vaak zonder
morgen-boterham ter schole moeten komen, bibberend van kou, met ver-
kleumde winterhandjes en dunne, gehavende kleertjes, die geen voldoende
beschutting voor hun bloedarme lichaampjes bieden.
Een wandeling naar de Missigit — de plaats waar de inlanders hun
-ocr page 68-
56                                                 PADANG-PANDJANG.
godsdienstplichten vervullen — onder geleide van den assistent-resident
ondernomen, boezemde mij evenzeer groote belangstelling in, en wanneer
niet liet hondje van dien heer de ondeugendheid had gehad zich te willen
gaan baden in het heilige reinigingswater, bestemd voor de Missigit-
bczockers, zouden we zeker langer daar hebben vertoefd.
Ook in de gevangenis werd ik vriendelijk rondgeleid — gelukkig bood
men er mij geen verblijf aan - en ik moet erkennen, dat het in zoo\'n
gevangenis nog wèl uil te houden is. De dwangarbeiders, meestal zijn \'t
gewone inlanders, heb-
ben daar een goed,
luchtig verblijf, een
frissche badgelegen-
heid en een groote
open plaats, waar ze
onder de schaduw van
eenige boomen lang
niet onpleizierig bijeen
kunnen zitten. Overdag
worden zij, onder ge-
leide van hun oppas-
sers, aan \'t werk gezet
aan de wegen of daar
waar ze noodig zijn.
Sommige particulieren
zelfs hebben, op enkele
dagen, zoo\'n dwang-
arbeider in dienst en
laten hem, tegen een
vrij goede geldelijke
belooning, in hun tuin
Missigit. Padangsche Bovenlanden.
of erf werken. Op ge-
zette tijden gaan zij
naar hun verblijf terug,-vinden daar bun maaltijden van rijst met sambals en
droge visch of andere spijzen in voldoende hoeveelheid gereed en slapen op
de britsen even goed, neen, beter, dan zij het in hun eigen huis zouden doen.
Hun kleeding, bestaande uit bruine baadjes en broeken en zwarte
hoofddoeken, ziet er vrij goed uit en wordt eerder vernieuwd, dan die van
den gewonen koelie. Meestal draagt die, wanneer hij geen „gegoede"
is, zijn kleedingstuk tot de laatste rafel af. Ik heb dikwijls baadjes gezien,
die wonderlijk veel van kantwerk hadden, \'t eene gat aan \'t andere ver-
bonden door losse vezels vertoonend,
-ocr page 69-
PADANG-PANDJANG.
5 7
De dwangarbeider heeft dus feitelijk geen zorg en als, bij de zwaar
gestraften, de ijzeren ring om den hals niet al te hevig en vervelend
drukt, kan hij zich beroemen een goed leven te hebben. Zij zien er ook
volstrekt niet gedrukt of somber uit. Integendeel! Wanneer men een
aantal dwangarbeiders tusschen de lijntjes, die ze bijeen moeten houden,
ziet voortmarcheeren, kijken ze opgeruimd en vroolijk en nemen het
„gedwongen arbeiden" blijkbaar niet te zwaar op.
Feitelijk gevangen zijn zij ook niet, zij hebben meer vrije lucht en vrijen
tijd dan een mijnwerker in Kuropa — en ze werken veel minder hard
en ik zeg het van harte gaarne na!
Ik hoorde eens iemand zeggen — ik ben liever dwangarbeider in Indië,
dan mijn slaaf in Europa.
Toen ik \'s anderen daags vermoeid in het kleine, maar goed bestuurde en
comfortabele hotel van den heer Alting Siberg ter ruste ging, moest ik
— \'t klinkt wonderlijk -■*- om een wollen deken vragen, want \'t was te
Padang-Pandjang dien nacht zóó koud, dat ik die beschutting hoog noodig
had. \'k Heb er overheerlijk geslapen, juist door de koelte en menigmaal
heb ik op Java, waar \'t ook \'s nachts drukkend warm kan zijn, de wollen
dekens van \'t hotel Merapi en de daarbij behoorende koelte teruggewenscht.
Toen ik \'s avonds daags, \'s morgens vroeg, voor \'t hotel stond te
kijken naar den langzaam optrek kenden nevelsluier, die den top van den
Merapi onzichtbaar maakte, zag ik op den weg een officier voorbijkomen
en hoorde ik plotseling achter mij de stem van den hótelier, vroolijk
roepend: — Goeden morgen, meneer Anten!"
Ik nam mijn hoed af, de officier groette terug en ging voorbij.
Ken halve minuut daarna hoorde ik opnieuw die stem : — Goeden
morgen, meneer Anten !" Dat\'s dwaas dacht ik, zegt die hótelier nu nog
eens: goeden morgen? maar tot mijn verwondering stond er niemand
achter mij, toen ik omkeek en terwijl ik vóór mij op den weg den
logementhouder zag aankomen, hoorde ik nogmaals achter mij zijn stem,
die tweemaal achtereen denzelfden morgengroet herhaalde.
\'k Was beetgenomen door een groote Réo! De vogel zat in een kooi
achter mij en keek me met schuingehouden kop en knippende oogjes
aan, als wilde hij zeggen: — dat heb ik je gebakken. Je had me niet
opgemerkt, hè?
Zóó duidelijk heb ik nog nimmer een vogel hooren spreken en mijn
verbazing nam nog toe, toen ik het dier hoorde zeggen : — mijn bord is
leeg, mijn bord is leeg! en waarlijk, de arme vogel had geen eten meer.
Ik riep de dame van \'t hotel, die mij lachend vertelde, dat haar Béo
een van de merkwaardigheden van Padang-Pandjang was, omdat hij ,,zoo
leep als \'n mensch was," en met groote juistheid de stemmen, zoowel
-ocr page 70-
58
PADANG-PANDJANG.
van haar als van haar man, nabootste. „Maar weet u wat nog \'t aardigst
is?\'\' zei de vroolijke vrouw: „onze Béo herkent de lui en weet b.v.
precies wanneer zij voorbijkomen. Meneer Anten passeert hier iederen
morgen en Béo zegt hem ook altijd pront goeden dag! Mijn kinderen
hebben hem geleerd te zeggen: „mijn bord is leeg," en nu waarschuwt
hij geregeld als zijn voer op is. Soms zijn wij zelf dupe, want hij leert
onophoudelijk nieuwe dingen. Voor een dag of wat nog, ben ik haastig
naar voren komen loopen, omdat ik meende dat mijn man mijn naam
riep, zóó duidelijk imiteert de vogel zijn stem. Er is al dikwijls honderd
gulden en meer voor onze Béo geboden, maar we willen hem niet missen,
— \'n mensch mag hier in zoo\'n kleine, stille negorij toch wel wat extra\'s
voor z\'n pleizier hebben, niet waar? En, zei ze, met een blik op haar
lieveling, die met smaak van zijn nu weer gevuld bordje pikte, „als u
een boek over Indië schrijft, vertel er dan ook eens in, dat wij zoo\'n
mooie Béo hebben — dat is nog eens aardig voor de menschen om te
weten, ja?"
-ocr page 71-
-ocr page 72-
6o                                                   AAN DE I.MMA-HAVKN.
VERTREK VAN EEN
ATJEH-BOOT.
Een paar dagen vóór mijn vertrek van
l\'adang komt mijn gastheer \'s morgens
\'k ben juist opgestaan — aan mijn
kamerdeur tikken.
—   Ben je al visibel?
—   Dadelijk! wat is er?
—   Er gaat vandaag ecu Atjeh-boot,
wil je niet eens gaan kijken ?
—   (Jraag!
—   Maak dan wat voort, we kunnen
wat vroeger ontbijten en pakken den trein
naar de baai.
Een uur later zitten we in den waggon
en sporen naar de Emma-haven, waar de
stoomboot gereed ligt, die een detachement
van eirea zevenhonderd man, inclusief een
aantal kettinggangers, vrouwen en kinde-
ren, naar Oleh-leh zal vervoeren.
Vroolijk wappert de driekleur aan mast
en vlaggelijn en aan boord, zoowel als
o]) den steiger, beweegt zich een bonte
menigte.
Maleiers, kranig gedrapeerd in hun kleurige kaïns en sarongs, Chineezen
in witte jasjes en broeken of in het zwarte badjoe tjina, met ronde
hoedjes onvast op hun gestaarte hoofden, zwart gebaarde Klingeleezen
met kunstig gevlochten paarden haren toppies op, in gekleurde baadjes,
enkele Armeniërs en Arabieren, wandelen heen en weer tusschen half-
naakte, bruine koelies, die bagage versjouwen en inlandsche militairen,
die hun kameraden uitgeleide komen doen.
-ocr page 73-
61
VERTREK VAN KEN ATJEH-BOOT.
In lange rijen staan de soldaten, kranige militaire figuren, front makend
tegenover de boot op den steiger, terwijl een sergeant, met de Willems-
orde op de borst, de namen afleest; dan gaan ze bij kleine afdeelingen
aan boord. Bij de loopplank bevinden zich eenige officieren, de presentie-
lijsten controleerend. Nu en dan naderen inlandsche soldaten, begeleid
door hun vrouwen, die als geduldige pakpaarden hun barang (bagage)
dragen. Vele loopen zwoegend, voorover gebukt ondertal van pakken, manden
en korven, met één kind aan de hand en één in haar slendang (draagdoek).
— Zien die kleine wurmen er niet haast uit als jonge apen, lacht
iemand op een paar vrouwen wijzend, die,
volgepakt als zij zijn met mandjes vol eet-
waren, pakken kleeren en allerlei huishoudelijke
zaken, bijna geen notitie kunnen nemen van
haar kleintjes, "die zich met de magere, bruine
handjes aan moeder vastklemmen en hun groote
melankolieke oogjes angstig opslaan, verwon-
derd over al de ongewone drukte en beweging.
Merkwaardig is het, dat de meeste dier
vrouwen, boven op al de bagage nog een
mandje meevoeren, waarin een kat, met een
rood of blauw halsbandje met belletjes om,
rustig spinnend zit te druilen, als bewust dat
haar meesteres, in de eerste plaats voor haar
kind, in de tweede plaats voor haar kat zal
zorgen.
De soldatenvrouw is gemeenlijk een gewone
maleische of javaansche, die met onbezweken
trouw haar laki (man) volgt, waarheen hij gaat.
Soldatenvrouw.
               ZiJ ^rgt voor zijn maaltijden, zij houdt zijn
kleeding in orde, poetst zijn uniform, zijn
wapens, zijn schoenen, als hij die heeft, en als hij \'s avonds in de kazerne
terugkeert, vindt hij zijn thee of koffie gereed en kan zich rustig neer-
leggen, in het bewustzijn dat zijn bini (vrouw) voor alles gezorgd heeft
wat hij noodig kan hebben.
Aan boord is alles in beweging, officieren met heeren en dames, die
hun een laatst vaarwel komen zeggen, staan pratend in groepjes op het
achterdek en tusschen al die menschen door glippen als alen de jongens,
die ververschingen, door deze of gene bestelcl, komen brengen. Nu en
dan klinkt de doffe knal van een ontsnappende champagnekurk en ziet
men glazen vol parelenden wijn opheffen met een : „Goeie reis!" een
„God zegen je," of een ,,Kerel! kom behouden weerom !"
-ocr page 74-
62
VERTREK VAN KEN ATJEH-BOOT.
Op het tweede dek liggen, zitten en staan de soldaten, Europeesche en
inlandsche, met hun vrouwen bijeen. Knkele hebben zich reeds huiselijk
ingericht — een sergeant ligt op zijn gemak op een lagen stoel, naast
zijn javaansche vrouw, die op een matje met haar spiernaakt kleintje
speelt, tegelijk een ontbijt van rijst, sardines en vruchten gereed makend.
Nevens hem zit een andere onderofficier in slaapbroek en kabaia, met
een dikke kat op zijn schoot, kalm een pijpje rookend; zijn vrouw slaapt
reeds met haar hoofd rustend op zijn opgerolde uniform en een andere
vrouw maakt een reusachtige sirihpruim van de ingrediënten, die zij uit
de blikken sirihdoos grijpt, die iedere inlandsche medeneemt.
Boven op \'t achterdek bewegen zich tusschen de groepen officieren,
dames en heeren, een paar maleische kooplieden, die met alleronder-
danigste oogen, grijnzend getrokken monden en deemoedige bewegingen.,
hurkend op \'t dek, Padangsch zilverwerk, filigraan-arbeid, kleine stoeltjes
en tafeltjes voor étagères, kapspelden, kabaiaspelden, haarnaalden en
oorbelletjes aanbieden.
Soms loopen ze een snauw of een grauw op van den een of ander,
die bij het afscheid nemen van vrouw en kind niet in de stemming is
om te luisteren naar hun zacht Heemend: „Toewan soeka blie barang
perak, bagoes sekali ? (Wil meneer ook mooi zilverwerk koopen?)
Maar zoo\'n hard woord, zoo\'n snauw, glijdt als een waterdruppel over
een oliepak langs den koopman heen; hij vertrekt geen spier, blijft
grinniken, kruipt als \'t ware hurkend verder en beproeft zijn geluk bij
een ander. Er zijn toch altijd passagiers aan boord, die wel een souvenir
aan Fadang willen medenemen.
Op \'t voordek vertoont een goochelaar aan de militairen, die nieuwsgierig
om hem heen staan, eenige wonderbaarlijke kunststukken. Zijn zwarte
chimpansé-handen halen met weergalooze behendigheid geldstukken uit
hun stompe neuzen en levende kuikens uit hun groote lachende monden.
De inlander is een groot liefhebber van alles wat naar \'t geheimzinnige
en \'t wonderbaarlijke zweemt; hij vindt zoo\'n goochelaar een „orang pinter
sekali," een buitengewoon knap mensch en geeft gewillig zijn laatsten
cent aan den wonderman.
Het maakt een allerzonderlingsten indruk, wanneer men al die militairen
zoo kalm en rustig ziet kijken, lachen en zich vermaken of met hun
vrouwen ziet zitten eten en drinken, als waren zij tehuis en dan bedenkt,
dat zij misschien over eenige weken niet meer onder de levenden zullen
zijn, in lazareth of hospitaal ziek of gewond zullen nederliggen. Maar
geen van de vertrekkenden schijnt ook maar één oogenblik aan zóó iets
te denken. De inlander is geheel en al fatalist, hij bekommert zich nooit
om wat gebeuren zal, wat zou kunnen gebeuren. Voor hem is het tegen-
-ocr page 75-
VERTREK VAN EKN ATJF.II-HOOT.                                    63
woordigc alles, de toekomst Iaat hem volkomen koud. Immers zijn geloof
leert hem, dat niemand sterft vóór zijn tijd gekomen is, dat zoolang zijn
,,dag" nog niet daYir is, hij aan niets anders behoeft te denken dan aan
het: hoe zal ik het goed hebhen op dit oogenblik. Hij wordt filosoof
geboren! Daarom geniet hij in waarheid meer dan een hooger ontwikkelde,
die zich bekommert om den dag van morgen.
Vooruit, tusschendeks, zitten en hurken een twaalftal soldaten, vrouwen
en Maleiers bijeen om een matje, waarop een wasdoekjé ligt, dat als
onderlaag dient voor het tolspel, een der meest geliefkoosde hazardspelen
van den inlander. Een hunner fungeert als bankier, doet het tolletje, dat
op de zes kanten cijfers of letters heeft, draaien, bedekt het met een
klapperdop (de halve schil van een kokosnoot) totdat het uitgeloopen is
en roept dan het winnend nummer uit. Op het wasdoekjé staan eveneens
cijfers en letters, die dienen om er den inzet op te plaatsen. Zij spelen
met kopergeld, maar ook met dubbeltjes, zelfs met kwartjes en halve guldens
en aan de gespannen aandacht, waarmede allen het spel volgen, kan men
duidelijk waarnemen, dat het tolspel een passie is, waarvoor zij bijzonder
veel over hebben. Feitelijk mag aan boord niet gespeeld worden op die
wijze — maar om de inlanders gedurende de lange va"art eenige afleiding
te bezorgen, wordt ,,een spelletje" oogluikend toegelaten.
Tusschen al die groepen loopen en dringen de maleische matrozen, die
alles voor de afvaart gereed maken. De stoomlier rammelt en knarst ;
onophoudelijk dreunt het schip, door \'t vallen van zware stukken ijzer,
die ingeladen worden. Joelend en schreeuwend verdringen zich de koelies
bij het groote luik, dat als een onverzadelijke veelvraat alles opslokt, wat
hem door de kettingen en takels wordt toevertrouwd.
Intusschen nadert een groot aantal kettinggangers, sommigen met den
ijzeren ring om den hals, de meesten allerlei gereedschap, korven en
manden dragend. De hen escorteerende politie-oppassers houden voort-
durend hun gevangenen in \'t oog, totdat ze over de loopplank op het
voorschip van onzen stoomer zijn overgebracht en door een korporaal in
ontvangst genomen.
Over de breede loopplank komen, met langzamen, vasten stap, nu en
dan koelies, grootere of kleinere kisten, balen en pakken aan den pikolan
(draagstok) dragend, aan boord. Het is opmerkelijk hoeveel kracht die
koelies in hun schouders hebben, want zij dragen met z\'n tweeën lasten
van ongehoorde zwaarte. Wel waggelen ze enkele malen op hun beenen
en trillen van inspanning, als te zwaar bepakte paarden, maar — zij
dragen, zeker en vlug, voorzichtig en zonder te beschadigen al de artikelen,
die door \'t min of meer ruwe ophijschen zouden kunnen breken of bederven.
Op den steiger nadert langzaam en onder geleide van een paar politie-
-ocr page 76-
64                                    VERTREK VAN EEN ATJEH-BOOT.
oppassers een lange, kleurige stoet. Een Maleier met een tulband met
bloemen versierd op \'t reeds grijze hoofd loopt vooruit, naast een oppasser,
die zijn handboeien voor hem draagt. Hij is een man van ongeveer vijftig
jaar, die in een vlaag van jaloezie zijn vrouw heeft vermoord en haar
gruwelijk verminkt lijk in de sawahs heeft geworpen. Na lang aan \'t oog
der gerechtigheid te zijn ontsnapt, is hij eindelijk gevangen genomen,
gevonnisd en wordt nu aan boord gebracht van de Maetsuijker, die een
eind verder aan den steiger gereed ligt om naar Batavia te stoomen.
De Maleier moet mede, om op Jaya zijn straftijd, twintig jaar d wang-
arbeid, te ondergaan. Zijn geheele familie doet hem nu uitgeleide, want,
zoo redeneeren zij : vandaag is het hem overkomen, morgen kan het ons
gebeuren, wanneer voor ons de dag komt, dat we zoo iets moeten doen.
De vrouwen die hem volgen in de gewone dracht, hebben bloemen in de
haren en doeken over het hoofd geslagen en dragen allerlei versnape-
ringen, die zij hem op reis wenschen mede te geven, pisang, jamboe en
andere vruchten, ketoepat, gekookte rijst in gevlochten kokosbladeren,
kleine pakjes met sambals en kvvékwé (gebak). Sommigen hebben waaiers
in de hand en de meesten een papieren pajong (zonnescherm). De „oppas,"
met een groote zware sabel met koperen gevest aan een lederen bandelier
-ocr page 77-
65
VERTREK VAN EEN ATJEH-BOOT.
en een rooden sleutel, het teeken van den cipier, op een der mouwen
van zijn baadje geborduurd, loopt vriendschappelijk pratend naast den
moordenaar en draagt zijn handboeien. De politieman waagt door die
willekeurige handeling in zekeren zin zijn
baantje, maar — hij is Maleier evengoed als
de gevangene en Maleiers zijn altijd op eene
of andere wijze ,,permilie" van elkander. Die
tijdelijke opheffing van \'t geboeid zijn is een
soort van gebruik,
een beleefdheid, die
de „oppas" aan de
familie van den ver-
oordeelde bewijst. Ik
kan, zoo redeneert
hij, die lieden noodig
hebben als de Com-
penie mij niet meer
noodig heeft en daar-
ora doet hij inderdaad
meer dan hij verant-
woorden kan.
Met opgehe%-en
hoofd en vasten tred
schrijdt de moorde-
naar ons stoomschip
voorbij en kijkt met
brutale oogen naar
enkelen zijner lands-
lieden, die van ons
boord, hem een groet
toezenden.
Verschillende koelies
brengen de mail aan
boord; de groote
zware brievenzakken
worden door een der
scheepsoflicieren in
ontvangst genomen en
opgeborgen. Enkele
passagiers, die zich iets verlaat hebben komen nog aan boord — en steeds
voller wordt de Atjeh-boot. Eindelijk houdt het geraas en gedreun van
-ocr page 78-
66
VERTREK VAN EEN ATJEH-BOOT.
de stoomlier op, de kettingen rammelen niet meer, de trossen worden
klaar gehouden tot losgooien en de luiken gesloten. Korte bevelen klinken
over \'t dek tot de matrozen, die ieder op hun post gereed staan.
Op \'t achterdek knallen nogmaals een paar champagne-salvo\'s, hand-
drukken en kussen, beloften en wenschen worden gegeven en gewisseld.
Dan nadert een der stuurlieden, beleefd maar dringend vragend: —
Dames en heeren, die niet medegaan, van boord asjeblieft?
In een hoekje alleen, ver van al de anderen, staat een jong knap
officier met een mooi, levendig, jeugdig vrouwtje, dat met betraande oogen
en zenuwachtig trillende lippen naar hem opziend, haar „kleine vent"
optilt, om papa een afscheidszoentje te kunnen geven.
\'t Kleine jongske pakt met beide mollige armpjes papa\'s hals, kust hem
op zijn knevel en roept schaterend: ,,paaties kevel kietele Jannie !
Eensklaps zet de officier het kereltje op den grond, drukt in een hart-
stochtelijke omarming zijn vrouw aan zijn borst, zijn lippen lang, lang,
op de hare. Nog een kus op \'t blonde krullebolletje van den kleine, nog
een kus op moeders lippen en — zachtjes duwt hij vrouw en kind vooruit,
schijnbaar kalm, maar met bleeke wangen en bevende lippen overredend :
■— Toe, toe, hou je nu goed, lieve, \'t moet immers — toe wees bedaard
— ik kom weerom, bij jou, bij Jannie — toe, schrei zoo niet?
—   Asjeblieft, mevrouw! \'t is hoog tijd, geef u mij dat kleine snuitertje
maar, dan zal ik hem aan wal dragen. De stuurman neemt den kleine
op zijn arm en herhaalt nogmaals luid: — Asjeblieft, dames en heeren,
alles wat niet mee moet, van boord, asjeblieft!
Snikkend, voortdurend omkijkend, groetend en wenkend verlaten de
meeste dames langs de loopbrug het stoomschip — de heeren die naar
wal terugkeeren steken met ernstige gezichten de handen, wenkend,
omhoog en zwaaien met hoeden en helmen, als ze op den steiger staan.
De trossen worden losgegooid, de loopplank opgeheschen, de machine
begint zuchtend en steunend haar werk en de boot komt in beweging.
De muziek speelt op den steiger ten afscheidsgroet \'t Wilhelmus en
Wien Neêrlandsbloed, terwijl de Atjeh-stoomer, als scheidde zij met haar
kostbaren last noode van zooveel hartelijke vrienden, zich langzaam
voortbeweegt.
„Goeie reis! Slamat djalan ! God zegen je," klinkt \'t nog over en weer
van steiger en boord en terwijl de stoomer statig, maar sneller en sneller
voortstoomt, wuiven en wenken passagiers en achterblijvenden elkander
onophoudelijk toe, ten afscheidsgroet.
—    Daar gaan onze dappere jongens! roept vlak voor me een toe-
schouwer, een gepensionneerd sergeant, die bij de Atjeh-boot zijn „hart
voelt opengaan", zooals hij zegt.
-ocr page 79-
VERTREK VAN EEN ATJEH-BOOT.                                     67
—   Daar gaan ze! hij zwaait met zijn hand.
—    Adieu! adieu! en met een kleine trilling van zijn grijzen knevel
voegt hij er bij:
—   Arme donders! wie weet hoe ze terug komen? Een kogel in je bast
is niemendal, meneer! — hij wendt zich even naar mij om - als ie
maar goed vast zit en raak is, ben je er in één vloek en een zucht uit;
vleugellam is ook nog zoo erg niet — maar de berri-berri! dat \'s de
duivel, vat je? En daar krepeeren nog de meesten aan. — Adieu! en
plotseling een stap voorwaarts doende, haalt hij zijn witten zakdoek te
voorschijn en begint daarmee te wuiven, uit alle macht roepend: — Slamat
djalan, jongens! Slamat djalan!
Sneller en sneller stoomt het schip voort, de afstand neemt toe, wordt
grooter en grooter, de over de verschansing kijkende gezichten schijnen
nu bleeke en bruine stippen en eindelijk smelten ze samen tot één grijze
streep, boven \'t donkere boord. Dan ziet men nog slechts enkele witte
wuivende doeken — dan nog de boot wegglijdend over \'t water, zwart
tegen de heldere lucht • - eindelijk slechts de rookpluim uit den schoor-
steen — dan niets meer!
-ocr page 80-
68
NAAR JAVA.
NAAR JAVA.
\'t Was een verrukkelijk schoone nacht,
een goddelijke sterrennacht vol fantastisch
schijnsel.
\'t Schip sneed, statig voortstoomend,
als door vloeibaar, langs boeg en boord
opschuimend zilver, een lange witte,
_ bewegelijke voor, in de verte glinsterend
Jj/f wegkabbelend, achter zich latend.
\'t Maanlicht overstroomde mild, als
liefkozend de zee, wierp zwarte bewege-
lijke slagschaduwen van schoorsteen, want
en masten op de gespannen zonnezeilen
en strooide blauwige lichtplekken over \'t
dek, tusschen de rossig-gele glanzen der
gloeilampen. Boven in de lucht stoeide
het met den ernstigen, wuivenden rook-
pluim, beneden op het schip streed het
^
om den voorrang met \'t electrische.
En rondom een met sterren doortinteld,
doorzichtig duister; — een lichte nacht! De passagiers hadden nog laat,
in groepjes verdeeld, rookend, lachend en pratend bijeen gezeten, genietend
van whiskey-soda of toddy, totdat de gesprekken begonnen te kwijnen,
de geestigheden te dun en de anecdotes te grof werden.
Slechts weinigen waren toen te kooi gegaan in de warme hutten, de
meesten bleven, even als ik, aan dek en zochten in het duister van de
rookkamer of onder de zonnetent een plaatsje, waar zij, gewiegd door de
zachte schommelingen der boot, gemakkelijk op bank of luierstoel uit-
gestrekt, konden rusten — in hun slaap gestreeld door den versterkenden
frisschen adem der zee.
-ocr page 81-
NAAR JAVA.                                                        69
\'t Wordt dag.
Aan de ooster kim, waar lucht en water nog in \'t duister samensmelten,
komt allengs een blonde streep, zachtkens opbleekend tot een zwakken
lichtschijn, die, breeder en breeder zich uitspreidend, langzaam opklimt
aan den horizont, eensklaps blozend met rooden gloed.
Krachtiger wordt het rood, deinend op de golven weerkaatst het met
gloeiende bogen in de zee; helderder tint zich de gezichtseinder.
De donkere wolken barsten plotseling open, rood schemerend aan de
randen, diep violet in \'t midden, wegschuivend over elkander, langs breede
vakken van gelig rosé, doortinteld met zwakke sprankels licht.
Over de zee wiebelen, kabbelend en deinend paerelmoerstreepen, met
gloeiende stippen doorvonkt en boven de kim zweven schubbig en vlokkig,
kleine bloedroode wolkjes.
Hoog boven in \'t uitspansel, diep donkerblauw, flonkert nog hier en
daar een heldere ster als met phosphorischen glans, en blauwig licht in
\'t westen, in de nog duistere verte, de zee, \'t laatste zwakke sterren-
schijnsel even terugkaatsend.
Meer en meer wijkt de nacht!
Rooder en rooder wordt de horizon, bleeker het donkerblauwe veld
daar boven.
Plotseling licht alles op, door de eerste jonge stralen der zon, die haar
haastige komst, als met vurig omhoog vliegende schichten aankondigt.
Bundels gouden pijlen volgen, klievend de wolken !
\'t Zwerk verheldert meer en meer, \'t tooit zich met geelroode strepen,
met rosé plekken en drijvende vlokken van violet, karmijn en goud.
Een zware donkere wolk, dreigend uit zee opduikend als een reuzen-
hoofd met houden haren, omslingerd door een bloedrooden band, houdt
de zonneschijf nog een oogenblik terug.
\'t Is de laatste strijd van den nacht tegen \'t licht, dat, sterker en
sterker wordend, het wolkensilhouet krachtig naar voren schuivend, zich
eensklaps baan breekt en in volle vrijheid, als jubelend opschiet naar den
hemel, \'t geheele uitspansel schitterend overwinnend!
Met gouden glans, plotseling te sterk voor \'t. oog, gaat de zon statig
op — in duizenden vurige spiegelingen begroet door de golven, vorstelijk
in haar pracht, geweldig in haar kracht, verblindend in haar schoonheid,
alles herscheppend, overstralend met glans en licht, majestueus zee en
hemel beheerschend!
Ik had geruimen tijd dien onvergelijkelijk schoonen zonsopgang gade-
geslagen, leunend tegen de verschansing, en naast mij stond een passagier,
evenals ik zwijgend dat grootsche schouwspel aan te zien.
-ocr page 82-
NAAR JAVA.
7"
\'t Was een poosje over zessen — heerlijk blonk nu het jonge licht
over de kalme zee, helder blauw en wolkenloos welfde zich de hemel
over ons.
We passeerden aan bakboord Krakatau, dat zich als een naakte spitse
kegel uit den oceaan verheft.
\'t Is nu de vierde maal dat ik deze reis maak, zei mijn medereiziger,
het zwijgen verbrekend, maar \'t is de eerste keer dat ik Straat Soenda
bij dag zal passeeren. Wat is zoo\'n zonsopgang op zee toch goddelijk !
—   Ik heb \'t zeker honderdmaal gezien, maar telkens opnieuw voel ik mij
er door aangetrokken; ik word er altijd stil van.
Ik ook. \'t Is een prachtig gezicht, niet te beschrijven, er zijn
geen woorden voor te vinden!
— Daar ligt dat ongelukkige eiland.
Wilt u? — Hij bood mij zijn marine-
kijker aan. -— D;i;ir, dat is Krakatae,
treuriger reputatie. Ziet u wel —• neen
u moet den kijker meer rechts richten —
zóó! Nog een beetje meer, goed nu! —
daar! nu kunt u \'t zien. Ziet u wel dat
een stuk van \'t eiland er tusschen uit is
geslagen? \'k Ben er eenmaal op geweest,
een jaar of wat geleden, \'t is nu een
kale rots waar wat vogels nestelen, meer
niet, vol spleten en gaten: ik houd \'t
nog altijd voor een gevaarlijk ding, niet
te vertrouwen !
—    \'t Moet dan toch een verschrikkelijke uitbarsting zijn geweest.
—  Ja, ik zie de afscheiding — dank u voor den kijker.
—    Een ramp! \'k Was in 1883 toevallig op de boot, die even na de
eruptie hier passeerde. We stoomden letterlijk over en door een veld
van puimsteen; de zee zag mijlen ver grijs door al die drijvende brokken,
soms zagen we overblijfselen van huizen, stukken van prauwen en boom-
stammen er tusschen.
Ik heb een zuster en zwager verloren bij die gelegenheid; ze woonden
op Anjer. Mijn zwager had daar een goeie betrekking, gelukkig hadden
zij geen kinderen. Hun spaarpotje was bijna vol, zoodat ze over een paar
jaar naar Holland hadden kunnen terugkeeren, om daar kalmpjes te gaan
rentenieren. En daar in eens komt zoo\'n vulkaan en gooit roet in
\'t eten — de natuur is toch wreed, ze vernietigt haar eigen kinderen
zóó maar uit \'n pure gril. Waarom hadden nu juist die lui zoo\'n treurig
eind verdiend?
-ocr page 83-
NAAR JAVA.
7\'
—   U beschouwt die zaken van een heel eigenaardig standpunt — en
al de andere slachtoffers dan ?
—    Nu ja, natuurlijk! die hebben ook recht om te mopperen — maar
voor \'t meerendeel zijn \'t toch maar inlanders geweest die ad patres gingen.
—    O, zoo! dus die beschouwt u eigenlijk heelemaal niet als menschen. . .
—   Hum, ja! zeker! natuurlijk zijn \'t menschen, maar... Nu ja, hoe
zal ik \'t zeggen. . . zij hebben er zoo geen weet van als ze kapot gaan. . .
hun familie is niet zóó, hum!... hum? — Ja \'t zijn wel menschen, ziet
u, maar zoo heel andere als wij. Je kunt er zooveel van krijgen als je
hebben wilt, ze vermenigvuldigen zoo buitengewoon goed; d\'r komen d\'r
al gauw te veel en, hum! dus...
—    O! dus u vindt zoo\'n opruiming misschien wel eens goed? Dat\'s
nogal onmenschelijk !
—    Neen! u moet me niet verkeerd begrijpen, meneer! ik ben zeer
menschelijk, — maar. . . Och ! als u lang in Indië blijft zal u wel begrijpen
wat ik bedoel. Ik kan het zoo niet zeggen, dat moet je voelen. — Ziet
u — hij wees vooruit, stuurboord — daar lag Anjer, je kon den mooien
witten vuurtoren al van hier duidelijk zien, \'t was zoo\'n aardig gezicht, in
de verte met dat fort er naast en die hel roode daken van de huizen, \'t
was net een schilderijtje.
Daar! een eind verder, had je Tjiringin, een klein plaatsje aan de
Peperbaai, ook heelemaal weg! Daar begint de groote postweg die Daen-
dels over heel Java heeft laten aanleggen.
—   En die groene bergen recht vooruit in de verte?
—   Dat zijn de bergen van Bantam, daar is \'t een wilde natuur, daar
zitten nog veel tijgers en andere leelijke dieren. Ziet u daar tegen de
kust die witte plekken? Daar! ze gaan heen en weer.
—   Zeilen, geloof ik.
—   Juist, visschers! Daar zijn de Bantamsche kustbewoners als voor
geboren, echte waterratten, geen kwaad volk. Verder binnen in \'t land
zijn ze lastiger, daar heb je nog dikwijls roofperkara\'s en ketjoe-partijen.
—   U bedoelt?
—   Nu, dat ze daar niet al te best het onderscheid weten tusschen \'t
mijn-en-dijn. . . de Bantammer is daar \'n geboren dief en straatroover. . .
—    Ho, Ho! waarde heer! dat\'s te kras! — Goeden morgen heeren!
neem me niet kwalijk dat ik me zoo ongeroepen in uw discours meng,
maar ik ving juist dat: „de Bantammer is een geboren straatroover" op.
—   Dat is hij ook, meneer!
—    \'t Spijt me, dat ik u moet tegenspreken, maar ik kan er over
oordeelen, \'k ben dertien jaar ambtenaar in \'t Bantamsche geweest en ik
heb kassihan met het volk, vooral in \'t noorden hebben ze \'t niet breed,
-ocr page 84-
NAAK JAVA.
7-
hoor! Ja, ze stelen er meer dan elders op Java, maar ze hebben ook
nergens zóó weinig welvaart, zóó weinig wat ze hebben moesten en zóó
dikwijls honger. ..
—   Laten we gaan ontbijten heeren! ik krijg trek nu je \'t woord honger
noemt.
—    Dat\'s cynisch, meneer Van Maurik, maar je meent het zoo kwaad
niet — allo dan maar! We zullen al etend, meneer De Vries — zoo is
\'t immers?
—  Juist!
.... Wel overtuigen dat hij \'n Beetje hard is in zijn oordeel.
-- Neen, neen! meneer Bbuman, ik neem van \'t geen ik zeg geen
woord terug — dat doe ik nooit!
—    Dat\'s ook \'t verstandigst, want men kan soms een verkeerd woord
terug nemen.
Ken oogenblik later zaten wij aan de rijk voorziene ontbijttafel.
—    Zooals ik zei, meneer Van Maurik, ik ben bijna veertien jaar in
Bantam geweest en ik wil voor de eer van de bevolking met meneer
De Vries een lans breken. — Hè, jongens, kassih thè!
—    U wil toch niet beweren dat Bantam een dorado is? \'t Is de be-
roerdste, moeilijkste residentie van heel Java.
—  Zeker! \'t is er minder veilig dan elders, maar nergens vindt je ook
zooveel verarmde prinsen, zooveel woekerende Chineezen en slimme hadjis
en volk dat geen werk heeft. Is \'t wonder dat je — och, wil u me de
sardines even toeschuiven ? Dank u ! — is \'t wonder, dat je roofzuchtig
wordt als je honger hebt?
—    Nu ja, honger? honger? die lui krijgen ook zoo gauw honger —
neen dankje, geen tong, die heb ik me tegen gegeten.
—    Hè! Jongen, geef me die zalm eens aan? Mijn hemel! ze kunnen
hun buik toch volstoppen, desnoods met pisang en katjang — al worden
ze wat mager, van honger zullen ze niet krepeeren...
—   Maar toch dunt de bevolking.
—   Malaria, koorts! cholera nu en dan...
—   Doet er niet toe, waardóór, maar ze dunt, zelfs in de binnenlanden,
waar \'t gezond is. En bovendien veel flinke kerels gaan de residentie
uit, omdat ze geen werk vinden. Ze verdienen nog liever ergens anders
wat, als koelie- of waterdrager, dan in hun kampong niemendal.
—   L kan dat nu allemaal zeggen, meneer Bouman, en misschien heeft
u gelijk, maar dat neemt niet weg dat Bantam een vrij akelig land is.
—   \'t Wordt ook wel wat stiefmoederlijk behandeld.
—    Best mogelijk, maar waarom schreeuwen de lui, die daar wonen,
dan niet een beetje harder? Tegenwoordig moet je maar doorschreeuwen,
-ocr page 85-
NAAR JAVA.
73
eindelijk hoort de een of ander, die eens een duit in \'t zakje wil gooien
je wel. Staat er dan eenmaal een protector op, dan helpt die zoo\'n land
— of zoo\'n land helpt hem.
—   Hoe zoo. — Waarom ?
—   Wel aan een reputatie! en soms aan een baantje.
—  Foei, foei! meneer De Vries, wat een suppositie.
—   Och! ieder is zich zelf het naast en protegeeren is meestal synoniem
met speculeeren. Maar als men er van overtuigd is dat Bantam „en
décadence" raakt, moest \'t Gouvernement ook wat krachtiger gaan ingrijpen.
—    Er zou een groote massa geld noodig zijn om den boel daar weer
goed op slag te helpen.
—   Geld! heeft men tegenwoordig overal noodig en dat is nu juist \'t
eenige artikel waar \'t Gouvernement niet al te scheutig mee is. Hollandsche
zuinigheid, meneer! — \'n beschuitje?
—   Prijzenswaardige deugd! — zal u kaas gebruiken ?
—    Dank u — ik heb boter, twee zuivels op één brood is voor \'n
Hollander te graveelig!
—   Bantam is geen kwaad land, de grond wil wèl, dat heeft hij vroeger
bewezen, toen er tal van suikerfabrieken waren en de koffieboontjes beter
werden aangeplant — maar er moet heel wat gedaan worden voor de
grond weer kan. Multatuli heeft wel gelijk gehad met zijn waarschuwingen.
—   Maar soms schrikkelijk overdreven !
—   Mag ik eens even wat vragen, mijnheer Bouman ?
—  Zeker, meneer Van Maurik !
—   Gelooft u niet dat bij Multatuli de dichter den ambtenaar wel eens
parten heeft gespeeld?
—   Nu — hum! kan wel zijn, maar...
—   Zeker! natuurlijk en wat erg ook, dunkt u van niet, meneer Bouman ?
—   Neen, meneer De Vries, dat ben ik niet geheel met-u eens. Multatuli
heeft zeker nu en dan eens door den bril van de fantasie gekeken —
maar in ieder geval heeft hij de verdienste, dat hij de oogen voor veel
misstanden en walgelijke misbruiken heelt geopend. Ik zelf heb als
ambtenaar dikwijls ondervonden, dat hij ,,au fond" gelijk had. Multatuli
was een wonderlijk soort ambtenaar — in die kwaliteit moet men hem
ook niet met de loup bekijken ; hij was niet van \'t hout waarvan de
regeering ze graag getimmerd ziet, maar hij was een mensch met een
groot hart — misschien was \'t wat al te ruim en gevoelig, soit! — Hij
was een opmerker, een denker, een vrije geest, die voor zijn meening
durfde uitkomen. Zulke menschen heeft de maatschappij altijd noodig
gehad en... .
—  En zulke menschen zullen altijd lastig blijven voor de maatschappij. ..
-ocr page 86-
NAAR JAVA.
74
—   Accoord, meneer De Vries, en als de maatschappij kan, trapt zij ze
dood! — Wil u rooken, \'n lichte manila?
—   Wel ja! laten we de vredes-sigaar opsteken — en aan dek gaan;
\'t wordt me hier te benauwd.
*
Aan dek wandelen dames en heeren babbelend heen en wèêr, sommigen
staan op de rookkamer, kijkend naar al de kleine eilanden, die we in
Straat Soenda voorbijstoomen. Op een der banken zit een jonge signo,
een knap bruin type, met een paar voor dames zeker verleidelijke donkere
oogen, aan twee bleeke, niet mooie, maar interessante dames, zijn jacht-
avonturen te vertellen, levendig gesticuleerend.
— O ! dames, ik altijd jagen — hij maakt de beweging van aanleggen —
ik heb de beste geweer, ja! — ik schkiet babi oetan, zóó groote wilde
vark. Eén keer, pang! Ik schkiet raak, maar hij niet dood, zij alleen
gewond en gnorrrr! gnorr! zij kom öp mij af, ik — met een plotselinge
-ocr page 87-
NAAR JAVA.
75
opheffing van de bank — ik spring van kant, ik schkiet nog eens, ja!
Maar mijn geweer, zij gaat niet af en die vark op mij toe. Ik larie, larie!
(kvegloopen) — hij beweegt zijn beenen snel heen en weer — zij mij na !
—   Hè! was u bang voor een varken ? giegelt een der meisjes.
—   Betoel ja! Zij niet babi, zoo maar gewoon, noen, neen, zij wildeman!
Ik beter bang voor vark, dan zij voor mij. Zij zóó kwaadaardig, ik
denken: ik val, zij mij maken matti (dood) met zijn slagtanden — ik
klim op in poesp-boom, daar ik zie mijn geweer niet goed, ja! Ik laad
andere loop — levendig gebaar van aanleggen — ik schkiet — Pang\'
raak ! die vark valt op haar buik — niet onverdienstelijk en lenig bootst
de signo het kruipen na. Zij kruipen zoo, zoo — heele poos, toen pof!
zij vallen op zij, matti!
—  O ! pas op meneer, u rolt tegen mij aan!
—   O pardon ! ik bezeer mij niet.
—   En heeft u wel eens een tijger geschoten? vraagt met belangstellende
stem en groote oogen de andere dame.
—   O ! ik achttien tijger geschoten. Betoel! achttien.
—   Sakkerloot wat een jagerlatijn ! zegt half luid mijnheer Bouman, die
met mij onbemerkt het groepje gadeslaat en luid: — Kijk, daar ligt
Dwars in den Weg — daar, dat mooie groene eiland !
—   Wat \'n aardige naam! zegt omkijkend een der dames.
—   Gheel hgoeie naam! juffrouw! U zeker wel weten waarom die
poeloe zoo heeten ?
—   X-neen1
—   Omdat hij dwars in den weg voor schepen — graPP\'g> ja\'
—   Zouden daar ook wilde dieren zijn, meneer?
—  O, lo ! neen, daar alleen rimboe (wildernis).
—  Vertelt u nu verder van die tijgers?
—   Wel! ik wonen op koffieland en mandoer zegt mij: daar is jonge
sappi geghaald door één tijger ■— ik ga op jacht, met twee man, wij
zoeken naar zijn spoor — eindelijk wij vinden ....
—  Zeker de indruk van zijn pooten of klauwen.
—   Neen! neen! spoor van tijger gheel anders.
—   Zoo ! wat dan ?
—   Moeilijk te zeggen, jufprou!
—   Waarom ?
—   Zoo raar, — onbeschkaafd!
—   Hè?
—  Ja, ik niet durf noemen ....
—   Och, kom?
—   Toe zeg \'t maar eens, \'t zal zoo erg niet wezen ?
-ocr page 88-
NAAR JAVA.
7"
—   Wat is \'t dan?
—  Viezigheid, wat die tijger vallen laat, ja!
—   Ajakkes!
—  En heeft u dien tijger geschoten ?
—   Twee! — hij was een tijgerin ! — en zijn man ook !
—   Wat blieft u?
—   Was de tijger ook een vrouwtje?
—   O! u neemt mij te pakken, ja! Neen, ik bedoel, ik schkiet tijgerin
en tijger, sama sama.
—   Hè! en was u niets, niemendal bang?
—   O! ik nooit niet bang! Ik éénmaal aangevallen, ja! Van zoo\'n
panther — hij wijst ongeveer de grootte van een paard — en ik niet
m\'n geweer bij mij. Allah! dat leelijke perkara!
—   Hè!
—  Ja! een oogenblik ik niet lekker, want mijn eenig vuurwapen was
mijn zakmes! — maar ik hem te lijf, ik steek, maar....
—   O, jé! meneer! u doet me schrikken, u steekt me haast in mijn
oog, met uw duim....
—    O, pardon! ik wil zeggen, ik steek hem, maar zij smeert er van
door, haar kan niet perdom, die steek, hij is taai die panther; later ik
haar toch geschkotèn....
—   Hè! u is een Nimrod, hoor!
—   Wie is Nimrod?
—  Een geweldige jager.
—   Was hij ook op Java ?
—   Ha, ha, ha! neen! \'t was een heel oude heer!
- Astaga! en dan nog jagen? Betoel, krasse man!
—   Och! nu houdt u mij voor \'t lapje!
—   Wat voor lapje?
—   Ha, ha, ha, ha! kijk maar zoo verwonderd niet, ik meen het!
—   Ik niet snap, dat lapje, maar u niet pinter sekali genoeg, jufprouw!
U levert mij geen koopje, ja!
—   Neen, u wil ons een koopje doen snappen, achttien tijgers, ha!
ha! ha!
—   L* mij niet geloovèn, ik vertel niet verder, ja! Met een quasi boos
gezicht staat de bruine Adonis op en zegt ons voorbijgaand: — Malle
spoken, ja! alle twee.
-— Daar heb je nu de echte type van een opgeblaze (lommen signo,
lacht meneer Bonman en hem nakijkend: — Ik mag die lui niet.
—   Waarom niet ?
—■ Och! \'t zijn door de bank zulke blufhannessen, arrogante lui,
-ocr page 89-
NAAR JAVA.
77
halfslachtige wezens, niet bruin genoeg voor een inlander, niet blank
genoeg voor een Europeaan.
■ — \'t Zijn toch Europeanen !
—  Jawel! Staatsblad Europeanen !
—   U bedoelt?
—  Ze staan als Europeaan ingeschreven, maar in heel veel gevallen
moesten ze eerder als inlanders beschouwd worden, die bruine snoeshanen!
—  Zij hebben toch waarachtig geen schuld aan hun bloedmenging.
—    Dat beweer ik ook niet, evenmin als ik zeg, dat zij \'t kunnen
helpen dat ze weinig ontwikkeling hebben. Er zijn er veel die te
beklagen zijn.
—   Hoe dan ?
—   Wel, de ongefortuneerden. Ze leven wanneer je \'t goed bekijkt als
een koelie. Ze moeten, omdat ze een tintje lichter zijn dan de Javaan,
een heer voorstellen, maar ze worden soms even slecht betaald als een
inlander. Er zijn er veel, die mager worden door een te karig leven.
Gelukkig dat het gros niet bar nadenkt, anders....
—  Nu?
—   Hm ! dan zouden ze wel eens gevaarlijk kunnen worden.
—r Waarom ?
—   Als ze goed leeren begrijpen, dat hun papa eigenlijk schuld is aan
hun ongelukkig bestaan, zouden ze de blanken wel eens zóó kunnen gaan
haten, dat ze ten slotte op anderen, die geen part of deel aan hun
existentie hebben, wraak namen. Dikwijls zijn zij de ongelukkige produkten
van twee, ieder op zich zelf vrij goede factoren, die samen een verkeerd
geheel vormen. Veelal wordt hun opvoeding vrij wel verwaarloosd en
ontwikkelen zich daardoor in hen de slechte eigenschappen van den
inlander, terwijl de minder goede van den Europeaan er bij komen.
Liegen kunnen zij met een stalen gezicht, zóó dat ze zelf gelooven dat
\'t waar is wat ze vertellen, en voor vrouwen, hum! zijn ze gevaarlijk! —
hun bloed is onstuimig!
—   V oordeelt erg streng, zijn er dan geen goeien onder?
—  Waarachtig wel, maar meer dommen. Ik moet dikwijls lachen om
hun dwaze gezegden, hun begripsverwarring en stompheid. Ze leeren nooit
goed Hollandsch. Je moet je soms verwonderen dat ze zelf niet snappen,
welk een onzin zij uitkramen — en in gevatheid en doorzicht is de
inlander hen dikwijls de baas. Ik heb eens ergens gelezen: de signos zijn
de slagschaduw van de Hollanders op Java\'s grond en van een inlandsch
hoofd hoorde ik eenmaal een anderen aardigen zet. Hij zei: De Hollanders
op Java zijn als een olievlek op een blad papier en de signos zijn de randen.
—   Geestig gezegd!
-ocr page 90-
NAAK JAVA.
—   Maar vinnig! . . . Ruik eens! Boschlucht, bloemengeur waait ons hier
tegemoet. Ze komt van \'t land daar aan stuurboord. Is \'t geen prachtig
gezicht, hier ?
—   Verrukkelijk !
—  Ja! \'t is inderdaad buitengewoon mooi, dat vergezicht, telkens
afgebroken door nieuwe eilanden, die als groene heuvels boven \'t water
uitsteken.
*
Schitterend tintelt het zonlicht over het nauw gerimpelde zeevlak. Boven
ons strak en blauw de hooge lucht, met hier en daar een enkel vlokkig
wolkje en lager, hangende wolkgevaarten, door grootere eilanden als
aangetrokken. Op den achtergrond in de verte de hooge blauwe bergen
van Java\'s noordelijksten hoek, St. Nicolaas punt. Aan bakboord stoomen
we Poeloe-babi — het Varkenseiland en de Hoorn-eilanden voorbij, allen
over en over bedekt met den weelderigsten tropischen plantengroei.
Nu en dan schiet het witte zeil van een kleine prauw voor den grauwen
achtergrond voorbij als een over \'t water scherende meeuw. Hoe verder
we Straat Soenda uitkomen, hoe levendiger de kust schijnt te worden.
Honderden kleine en groote vaartuigen met witte, gelige of bruine zeilen
stevenen, door de frissche landbries voortgestuwd, ons aan alle kanten voorbij.
\'t Zijn meest visschers, die, onverschrokken zeelui als zij zijn, zich in
hun kleine broze vaartuigen even rustig gevoelend als wij op den grooten
stoomer, een bescheiden bordje rijst zoeken te verdienen door het vangen
van visch, die voor \'t meerendeel als ikan kring (gedroogde visch), op de
passars wordt gebracht.
Langzamerhand verliest de kust haar trotsche schoonheid, de heerlijke
hooge bergen, de groene reuzen, die Java inderdaad als een gordel van
smaragd uit den Oceaan doen verrijzen, duiken allengs weg voor \'t oog,
achter de strook laag, maar vruchtbaar land, die zich bijna langs de
geheele Noordkust van Java uitstrekt.
Onophoudelijk vertoonen zich kleinere en grootere eilanden, sommigen
slechts even zichtbaar aan den gezichtseinder als kleine ronde topjes —
een groep met recht ,,de Duizend eilanden" genoemd.
Meer en meer prauwen naderen uit de verte, allen blijven echter op
eerbiedigen afstand, als angstige watervogels, opgeschrikt door de komst
van een groot snuivend en bruischend monster.
* *
*
-ocr page 91-
NAAR JAVA.
7<>
Tingeling! Tingeling! Tingeling! de eerste schel voor de lunch.
Aan dek een plotseling opstaan van luierende passagiers en een om-
keeren van wandelenden.
—  Geef me nog gauw een bittertje?
—   Mij ook?
—   Is \'t al zoo laat, mag ik je een paitje (bittertje) offreeren ?
—   Merci! ik moet me nog even wat opknappen.
—  Jongens! — Sepada!
—  Toewan ?
—   Kassih satoe glas port!
—   Heb u al honger, Mevrouw?
—   O neen! ik heb nooit honger, — soms wel eens aptijt, maar meestal
kan \'t me niet schelen.
—   Kaptein, wil u even afgeven?
—  Zeker! — Wat vliegt de tijd toch om als je ombert.
—   Onbegrijpelijk! Maar \'t wordt toch wel wat warm nu — in de
rookkamer.
—  Och! ik heb \'t eigenlijk niet gevoeld — ik geef — aan u, majoor.
—   Sans prendre? —• mooi! asjeblieft, die is voor de manille!
—  En die neem ik. Majoor waar blijf je?
—   Dat valt u niet meê, hè ik zit leelijk tegen ....
—   Pa! doe u nu asjeblieft je boek weg \'t is tijd voor de lunch.
—   Hè kind! wat zeg je?
—  O, Heere! sliep u, pa?
—  Wel neen, meid! Aoh! — ik kom!
—  Toe dan, hè u maakt me ook aan \'t gapen; — hoe houdt u \'t hier
uit in dat rookhol ?
—   Allo! kind wij naar beneden, ja, ghofmeestêr gheeft gescheld voor
de lunch, ja! Kóm! sta op, jij zoo erg lui op jou krossi.
—  Ja mama! — ik nog even kleedèn.
Tingeling, Tingeling! Tingeling! de tweede schel roept tot den maaltijd.
In den salon, een warme geur van spijzen, gelach en gegons van
stemmen, getik van zilver op porselein, gerinkel van glaswerk, gerammel
van borden en schalen.
Brokken discours, korte uitroepen, plagerijen, op- en aanmerkingen
zweven als gevleugeld over de tafels heen en weer.
-ocr page 92-
8o                                                                NAAK JAVA.
—   We zullen vroeg te Batavia aankomen, deze boot loopt bijzonder snel.
—   Wij komen twee \'dagen vóór bestemden tijd aan — mag ik u nog
eens inschenken, mevrouw?
—   Dank u, \'k word zoo warm van wijn.
—  Och! \'t is maar een licht bordeautje.
—   Heusch niet!
—   Kom, op onze vroege aankomst — neen, neen, houd u hand maar
niet op uw glas — ik wil niet onbeleefd zijn....
—   Minta ajer minoem, jongens!
—   Hofmeester!
van niemand reclames.
—   Maar ik zeg je dat \'t taai is, zooileer, koelit!
—   Heusch, meneer, \'t is best vleesch, haas. . . .
—  Soedah! dankja, \'k zal er wel met den administrateur over spreken.
Neem mijn bord weg!
—  Wat \'n zeur! wat \'n mopperaar. . . .
—   Stil toch, Lise — spreek zoo hard niet, hij kan \'t best hooren...
—   Dat was nog geen doodwond, Jet! — Zoo\'n ouwe pruttelaar. . .
—   Hou je asjeblieft stil, \'k schaam me dood over je...
—   Hij heeft alle middagen wat anders — zeker geen tanden meer —
of thuis kaalhals keukenmeester. . .
-ocr page 93-
Si
NAAR JAVA.
—  Pa!
—   Wat is er Jet?... Ja, als je zóó zacht spreekt kan ik je niet ver-
staan... O! — hum! Ja! — Lies?
—  Pa?
—   Kalm nu, hoor!
—    Flauwe meid! klikspaan! \'k spreek niet meer tegen je, akelige
monjet! (aap)
—   Dus u was op Lombok tijdens den overval ?
—  Ja, tot mijn leedwezen...
—  \'n Schrikkelijke tijd geweest, dominee!
—  Afschuwelijk! \'k hoop nu een rustiger leven te ge moet te gaan.
—  Waar gaat u heen ?
—■ Dat weet ik niet, voorloopig blijf ik te Batavia.
—- Zat u toen niet vreeselijk in angst, dominee.
—    Natuurlijk, Mevrouw! ik ben geen man van \'t zwaard. Generaal
Van Ham sneuvelde in mijn armen; \'k word nog zenuwachtig als ik aan
dien dag terugdenk.
—   IJselijk!
—   De generaal opende nog even zijn oogen en vroeg: Waar ben ik
gewond? — \'t Is me nu net of \'t een droom geweest is. .. toen stierf hij. . .
—   Zestig centen, meneer, voor hangcrossok. — Ja, we hebben mooie
prijzen gemaakt, als we nu maar wat goed, licht blad kunnen maken van
\'t jaar, zullen we onze schade van voor een paar jaar wel weer inhalen.
—  Tabak is toch maar een goed artikel!
—   Batavia is tegenwoordig het centrum van \'t intellectueele leven van
Java geworden. — \'t Is niet meer zoo als in tempo doeloe, een stad van
kooplui, die koflie, rijst en suiker, suiker, rijst en koffie praatjes houden.
Waarachtig niet! je hebt er allerlei ontwikkelde lui. \'t Zal u verbazend
meevallen. — Amusementen zijn er ook — zelfs een opera — en wel van
liefhebbers.
—  Och kom?
—  Neen bepaald! ik heb een week of wat geleden — ik deed nu even
een uitstapje naar Padang — de Faust bijgewoond, geheel en al door
liefhebbers opgevoerd.
—  Maar dat \'s een uniek feit, daar durven ze in Holland nog niet aan,
hé, man ?
—  \'k Heb een hekel aan dilettanten voorstellingen.
—    Dat zou u niet zeggen, als u de Faust bij ons op Batavia had
gezien.
6
-ocr page 94-
82
NAAK JAVA.
■— Was die zóó goed?
—    Uitmuntend, mevrouw! \'k Heb dikwijls artisten gehoord, die heel
wat minder waren.
—   En Gretchen, die zware partij ?
—   Perfect!
—   Mephisto?
—   Uitstekend! bovendien was de persoonlijkheid van dien dilettant er
zoo goed voor, hij heeft een zwart interessant uiterlijk, een flinke stem . . .
—   Hé, dat\' wou ik wel eens bijwonen.
—   Dat kunt u, mevrouw, ze geven over veertien dagen nog een voor-
stelling, de laatste. Let u dan eens op de koren. Die zijn zóó buiten-
gewoon goed, voor een heuschen opéra-directeur om jaloersch van te
worden. U begrijpt, \'t zijn meest allemaal lieve verschijningen, beschaafde
stemmen, geen stijve harken, \'k Heb in Holland dikwijls koren gezien,
die me deden denken aan bestjeshuizen . . .
—   Ha, ha, ha, ha!
—   f), Karlientje, jij niet soo veel ijs nemen — jij al tweede portie nu,
niet gezond, ja!
—   Soo lekker, mama!
—   Kind! jij zelf weten hoor! Jij later buikpijn, ik jou niet beklaag,
sakit kras jij. Let op, ik zeg!
Hé! jongens, geef me nog een halve flesch wijn. Hum! Kassih hm!
bottel angor. Is \'t niet zoo, meneer?
—  Juist, maar nu brengt hij een heele flesch.
—   Neen, \'k wil \'n halve. Hé, jongen, halve, demi....
—  Stenga!
—  O, ja, stenga bottel, half, St. Emilion, zóó ....
U hoeft niet met uw hand te wijzen, ze begrijpen u heel goed, als
u maar ,,stenga" zegt.
—   Zie zoo, ik ben voldaan, neen! dankje voor koffie!
\'t Is te veel, je krijgt geregeld indigestie- hier aan boord. Foei! is
dat lunchen.
Dat ligt toch aan je zelf, meneer, eet dan minder. ...
\'t Is zoo verleidelijk, als je een goeie vork roert.
—  Accoord!
■—■ \'k Kan nu al schrikken tegen \'t diner van avond.
—   Dat zal u niet meer aan boord gebruiken, want we komen ongeveer
half twee te Tandiong-Priok.
-ocr page 95-
NAAK JAVA.
—  Zoo vroeg al? Waar gaat u logeeren?
-   Dat weet ik nog niet, waarschijnlijk bij Wisse.
—  Goed hotel ?
-   Uitstekend en —■ goeie lui, hij en zijn vrouw !
-   Mij was „Hotel der Nederlanden" gerecommandeerd.
-- Ook rirst class ! recommandabel!
—  Willen we een sigaartje gaan rooken aan dek?
Tandjong 1\'riok.
— Graag! de meeste lui zijn al naar boven — even mijn flesch den
nekslag geven, anders gaat dat goeie restje verloren !
# #
■*
Boven aan dek staan de passagiers met elkander pratend, naar het
eilandje; Onrust te zien, dat we passeeren.
De Marine-etablissementen en huizen, het dok, de forten en de loskraan
-ocr page 96-
84
NAAK JAVA.
zijn duidelijk te zien. Naast Onrust liet eilandje Kuiper met de kolen-
loodsen en recht voor ons de reede van Batavia.
Een aantal stoombooten, zeilschepen en kleine vaartuigen, prauwen en
tambangans vormen de stoffage van de kust, die zich als een lage lange
strook langs de zee uitbreidt. Voor zoover het oog reikt vertoonen zich
de casuarina wouden van de kust en tegen de heldere lucht, blauw en
min of meer nevelig de hooge bergen van den Preanger.
Een witte vuurtoren, roode daken, groene boomen, grijze gebouwen
stoomen we op grooten afstand voorbij — nog een kleine poos zien we
afwisselend geboomte en huizen, dan komen de lange loodsen en hanggars
van Tandjong Priok, als een witte zonnige streep in zicht. Op \'t schip
komt de equipage in beweging — trossen en kabels worden losgemaakt,
roepen, commando\'s en geluiden van rammelende kettingen, vallende
blokken en touwwerk mengen zich tot één zonderling geheel — dan
stoomen we langzamer — nog langzamer en eindelijk als voortglijdend
bereiken we de steigers van Tandjong Priok.
Een bonte menigte woelt en krioelt daar dooréén ; van de boot wordt
gewuifd — gegroet — gewenkt en van de steigers klinken allerlei uitroepen,
welkomstgeluiden, zwaaien hoeden en zakdoeken ons tegen.
-ocr page 97-
85
IK BATAVIA KN BUITKNZORG.
BATAVIA.
1.
. . . En ge zult bij aan-
„komst aan de boot een
„jongen vinden met een
„briefje; dat is de jongen
„dien we voor je hebben
„opgcscharreld. Hij is ons
„zeer goed aanbevolen en
„spreekt wat Hollandsen.
~ „ ,, ., ...
                                 „Ik ben tot mijn grootcn
Hoofdwacht te liatavia.                                  "                                           .
„spijt verhinderd je se/f
„van boord te halen, maar we wachten je zoo spoedig mogelijk in ons
„midden, etc. etc."
Ja, dat staat zwart op wit, heel duidelijk, in \'t briefje, dat ik van mijn
vrienden vóór mijn vertrek van Padang ontvangen heb —■ maar als ik te
Tandjong-Priok aan wal stap, is er geen jongen te vinden.
Nauwelijks ligt de boot vast en is de loopplank gelegd, of een menigte
menschen komt, als een troep halfwilden ons overvallend, aan boord.
Hötel-mandoers met adreskaarten, eigenaars van commensalenhuizen, boot-
en expeditie-agenten, jongens, die hun toewan of njonja komen afhalen,
heeren en dames om vrienden en familie te ontvangen, een troep
Chineezen, die een hunner grootwaardigheidsbekleeders komen begroeten,
koelies, Javanen, Maleiers, verdringen zich over de loopplank en aan boord.
— O, lo! \'n mensch wordt bingoeng (confuus), ja! steunt een oude
Indische dame, en terwijl zij bijna plat wordt gedrukt tegen de verschansing
door een heer van minstens negentig kilo, roept ze boos:
-ocr page 98-
«6
IK BATAVIA KN HUITKN/.OKO.
—  O, seg! jij met jou buik, kijken beter uit, asjeblief, ja? jou dikzak!
O, pardon, mevrouw! Ik kon \'t heusch niet helpen, \'t is hier zoo vol.
—   Nu, soedah ! — maar ik toch ook niet ghèlpen, jij soo dik?
—  - Hotel des Indes, meneer?
Allerlei begroetingen klinken in verschillenden toon en talen dooreen.
Twee vrienden reiken elkaar de hand en zeggen luid :
Kerel! dat\'s goed dat je er bent; goeie reis gehad?
—   Best! Allemachtig, wat ben jij bruin geworden!
Tandjong Priok.
—   Tabé toewan! tabé njonja! en de huisjongen, die zijn heer en
meesteres begroet, maakt nederig sembah.
—   Assieblieft, heeren en dames! past op je beenen! Een kwartier-
meester, met een paar Javaansche matrozen achter zich een tros voort-
slepend, dringt voorbij.
—  Grand Hotel Java?
Hotel Wisse?
Ken heer en dame, die reeds van den steiger al een lang»; poos hebben
staan wenken en wuiven, dringen nu door de menigte heen en strekken
-ocr page 99-
TE BATAVIA EN BUITENZOKG.                                        87
de handen uit naar een jong echtpaar, dat uit Nederland komt, om te
Batavia zijn bestemming te vinden.
—    Dag Karel, dag Jeanne, hartelijk welkom hier! Jelui ziet er best
uit; goeie reis gehad, niet zeeziek geweest?
—   Neen! volmaakt wel, allebei, dankje! Jelui ziet er ook kostelijk uit.
Kussen, omarming, handdrukken !
—   Assieblieft dan, dames en heeren, \'n beetje spacie! Ik moet met
m\'n tros voorbij — en tot den bootsman zegt de knorrige kwartier-
meester :
—    Dat satansche gelik en geflikfooi! laten ze dat aan wal doen —
hoe weêrlicht bennen die permetasies zoo gauw aan boord? Ik kan door
al die kleverige lui bekans niet voort. Ajo, jongens! pigi, dan, aioep! -
trek-an —■ tar-ek, dan ! aioep! satansche karbouwen, zet je boddy er dan
toch an ; — aioep!
—- Hotel der Nederlanden, meneer?
Een zwaar gebouwde Germaan, ,,ein schoner Kerl\'\' met een grooten
blonden baard, omarmt een vriend, die hem komt at halen en zoent —
onsmakelijk gezicht — hem op zijn zwart besnorde lippen.
—  Lieber Kerl, da bist du ja!
—  Grüss Gott, Wilhelm ! Herzlich willkommen !
—  Schonen Gruss aus der Heimath!
Een net heertje met een keurig wit pakje aan vraagt aan een heer en
dame, die met hun kinderen bezig zijn:
—   Mevrouw, meneer, ik ben van \'t Hotel des Indes. U heeft kamers
besteld, niet waar?
—  Ja!
—   Ik kom u afhalen...
—   Heel goed! we zijn zóó klaar.
—   Mijnheer? een min of meer beschroomde stem vraagt aan een van
de officieren, die achter me staat: — Mijnheer, waar is mijn vrouw?
—  Uw vrouw? Wie is u, meneer?
-— Van Dremmelen — onderwijzer — mijn vrouw is met de handschoen
getrouwd, weet u — en. . .
—■ Juist, juist! m\'n compliment meneer, je hebt een eeuwig aardig
vrouwtje laten uitkomen. Ze zit u af te wachten beneden in den salon,
en witjes lachend: — wil ik u ook even den weg wijzen?
—  O! dank u! De jonge echtgenoot rept zich naar beneden.
—  Dat zal klappen, als die twee mekaar ontmoeten, lacht de officier. -
Hé! zeg kok! pas op, jelui gooit de menschen op zij; denk om den ketting,
bootsman!
—   Dat komt door dien lammen kerel met z\'11 koffer. Ajo! ruk op,
-ocr page 100-
88
TE BATAVIA EN BUITF.NZORG.
apen kop! Verhaal dan toch een end, of ik zal je een opfrissching geven.
Ajo pigi, monjet, blauwe rakker; op zij dan, zwamneus!
—  Geef \'m dan toch een aanwaaier, kok! Daar heb je \'t gedonder al
in de glazen, hij tornt al met z\'n koffer tegen dien langen Engelschman op.
—  Oh... take care! Ah! you here Mr. Muller? Very pleased to see
you. Indeed exceedingly kind from you to come to meet me.
—  O! don\'t mention it, so very glad to see you...
Met bewegelijke zenuwachtigheid komt een Indische dame met haar
dochtertje uit de rookkamer.
—  Allah! wat \'n drukte! Man, jij mijn ghelpen, ik so veel boenkoes
(pakken), jij met baboe passen op die kleine Suus! O, Boe! Boe....
djangan lari! (loop niet weg) — O\' daar Amat...
—  Tabé toewan, tabé njonja!...
—  Ajo Amat, bawa ini boenkoes sama karètta api, lekas!... i)
—   Hotel Ort, meneer?
\'t Blijft aan boord een Babylonische spraakverwarring en \'t wordt moeilijk
om tusschen al die passagiers, hotel-mandoers en equipage heen te komen
naar de loopplank. Verschillende huisjongens, Maleiers, koelies en Javaansche
bedienden, staan op den steiger te wachten en \'t verwondert mij wel, dat
er geen enkele aan boord is gekomen en naar toewan „pan Mórik" heeft
gevraagd, daarom ga ik aan wal en vraag aan dezen en genen : — Ben
je soms hier gezonden met een briefje voor meneer van Maurik?
De meesten kijken me onbenullig aan, zeggen niets of hoogstens tida-ah!
met een langgerekten verwonderingshaal op „ah!" Een paar vragen:
— apa toewan? (wat, meneer?) maar niet één antwoordt bevestigend op
mijn vraag.
De menschenstroom stuwt langzaam voorbij, de meeste passagiers komen
van boord, want \'t wordt tijd voor den trein naar Batavia.
\'t Is warm, midden op den dag, ongeveer half twee en gloeiend heet
brandt de zon op de lange steigers en reusachtige hanggars. Geen wonder
dat ik in een min of meer onaangename stemming kom, want bij aankomst
van een boot uit Europa neemt ieder ontschepend reiziger van niemand
meer notitie dan van zich zelf, in de woelige drukte en de haast waarmede
ieder zijn weg zoekt naar \'t station.
Ik ga weer aan boord, in de hoop daar den jongen toch nog te vinden,
maar neen! er is niemand; \'t wordt leeg en rustig op de boot en ik
besluit reeds me naar een hotel te laten brengen. Daar hoor ik eensklaps
een vriendelijke stem achter me, vragend:
—  Is u niet meneer van Maurik ?
i) Vooruit, Amat, breng die pakken naar den spoortrein.
-ocr page 101-
8g
TE BATAVIA KN 1UTTEN/OKG.
—  Ja! ik keer me verheugd om. — En met wien heb ik het genoegen?
—  De secretaris van de Loge de Ster in \'toosten; ik kom u afhalen...
—  Hè! dat doet me plezier!
—   Ik heb al een kamer voor u besteld in \'t Hotel Wisse, daar zul
je goed en op je gemak zijn, hij steekt mij de hand toe. — Aangenaam
persoonlijk kennis te maken ; \'k herkende je aan je portret in Eigen Haard.
—  Een broeder vrijmetselaar dus?
—  Juist! onze loge is door de broeders uit Amsterdam van je komst
verwittigd en \'t is ons een feest je van dienst te kunnen zijn.
—  Wat een uitkomst, \'k begon al knorrig te worden dat ik niemand
voor me zag.
Wij reiken elkander nog eens de broederhand en ik krijg een aangenaam
gevoel van rust en kalmte, als ik, na eenige oogenblikken mijn bagage-
recu in handen van den manager van \'t Hotel Wisse geef en de secretaris
mij zegt: — Zie zoo, ga nu maar meê, je hebt naar niets meer om te zien,
voor alles wordt gezorgd.
Voor hem, die in den vreemde komt, in een hem geheel onbekende,
nieuwe maatschappij, midden tusschen lieden, die zijn taal niet of slechts
gedeeltelijk verstaan, is het een weldadige gewaarwording door een
,.broeder" te worden verwelkomd, door iemand in bescherming te worden
genomen. Men moge zoo bereisd, zoo bij-de-hand, zelfs zoo brutaal
mogelijk zijn, toch komt er een oogenblik, waarin men behoefte heelt aan
goeden raad en voorlichting, waarin men zich gaarne steunt op de meerdere
ervaring en bekendheid met land en zeden van anderen. Daarom gevoelt
men zich inderdaad verlicht, wanneer men, zooals ik, door iemand ontvangen
wordt, die zonder nevengedachten zijn daad bij den raad voegt. Ik heb
later het genoegen gesmaakt in de vrijmetselaarsloge ,,de Ster van het
Oosten" te worden ontvangen, ik heb daar het Sint Jansfeest medegemaakt
in de fraaie, luchtige, smaakvol met Oostersch groen versierde zalen en
de overtuiging met mij mede naar Holland genomen, dat onder de
Indische Broeders vrijmetselaren, een oprechte, vooruitstrevende geest,
een voortdurend zoeken naar het goede en ware heerscht. Ik heb op een
receptie aldaar sprekers gehoord, die, getuigenis afleggend van hun
ontwikkeling, menigeen tot voorbeeld kunnen strekken. De ongedwongen
toon, de hartelijke gezelligheid, waarmede hooggeplaatsen en nederigen in
\'t profane leven, daar in waarheid als broeders samen zijn, is een bewijs
dat de vrijmetselaren in Indië, hun roeping volkomen begrijpen. De nuttige
instellingen door de broederschap in het leven geroepen, zooals de volks-
bibliotheek, de ambachtsschool, de ziekenverpleging enz. enz., bloeien en
gedijen door de voortdurende; inspanning en toewijding, waarmede alle
-ocr page 102-
TE BATAVIA KN BUITEN/.ORG.
go
vrijmetselaren hun beste krachten, hun geestesgaven en aardsche goederen
ter beschikking stellen. De inlander die niets kan begrijpen van hetgeen
de vrijmetselaren beoogen en doen en alleen van deze of gene verneemt,
dat er iets geheimzinnigs aan de orde verbonden is, dat geen oningewijde
„den tempel", de loge, mag binnentreden, meent, door zijn Oostersche
fantasie gedreven, dat daar slechts kwaad wordt gebrouwen en noemt
derhalve de loge Roemah Sëtan (het huis van den Duivel).
Van alle kanten zijn mij echter van uit dat Duivels-huis gedurende
mijn verblijf in Indië_____________            helpende handen toe-
gestoken, handen _^«^SB 5V                       ^>             die ik nu in ge-
dachten nog- ^H&U~~, afr                       <W^BPS^_ maals met ware
dankbaarheid ^M t3*!v*ir^                         \'^ÊÈÈÈtf^^bs. \'\'\'\'""\'\'-■ \'^ "\'\'
hier                   JsÊf^L mtStfiSËÈIË^^^^^^Ê W^JiM ^^ bijzonderhe-
den treden, mMFSdBSifc-ffH?•» \'                                "\' SCtL^a.-^ noch enkele
BvXAM nfcV^\'                                                   U^P       TOT *
n in              K^P^fKvH ^1 IB II fle^\'^^^fl B " "\' "
van hen K>-\' *■         M                                       ma\'                   die zich
mijner bui- Hl                   >:             |                                  ,\'■ tengewoon
hartelijk WÉ^^;^_ZÜJ__^^^^W" \' \'*W
door mij niel ^^^Pi^S^fcff?^             »——-SSmfffBW alleen         de
^SMMRM^           ^ÊÊÊÊM               Br "^
familie te bren- ^^^ttjj^ÉJBE^rioM-wAï                    -^           " t;n m\'J "I1
alle denkbare wijzen ^^^^*gi||||^.v" ^^^^ van nut en van dienst
te zijn, maar ik grijp        „ T                           . ~ , „         nut waar genoegen
J \'                & Jl          De Loge „De Ster in het Oosten".                            °         "
de gelegenheid aan                           Batavia.                          om door deze regelen
aan alle Br. vrij-                                                              metselaren, die mij,
gedurende mijn verblijf in Indië, zoo vele en hartelijke blijken van
sympathie en genegenheid gaven, mijn innigen dank te betuigen voor
hun belangelooze vriendschap.
De gastvrije, broederlijke ontvangst, de vele mij bewezen diensten,
spreken luid van frisch gezond, goed begrepen, maconniek-leven. Gaarne
erken ik dankbaar, dat ik mij in Indië nooit zóó spoedig geheel en al op
mijn gemak zou hebben gevoeld, zóó volkomen „tehuis" — wanneer de
vrijmetselaren mij niet zóó hartelijk hadden ontvangen. Moge hier in
\'t moederland- de kiem gelegd zijn tot dat maconnieke leven, de warme
Indische zon heeft daar het kiempje doen opschieten tot een krachtige
plant, die weliger groeit en bloeit, dan in kouder luchtstreken.
\'t Gevoel van verlatenheid, van zenuwachtige spanning en vermoeidheid,
dat mij een oogenblik heeft overmeesterd, bij mijn aankomst te Tandjong
I\'riok verdwijnt plotseling geheel en al en maakt plaats voor een prettige
gerustheid en een kalm weten: ik ben in goede handen!
-ocr page 103-
IK HATAVIA EN BL\'ITKN/OKG.
91
Opgeruimd en veerkrachtig ga ik met mijn geleider in den gereed-
staanden trein, die ons, na een half uurtje bradens in den gloeiend heeten
vvaggon, aan \'t station „Weltevreden" aflevert.
In \'t Hotel Wisse, waar ik afstap, vind ik, een dag later, den voor mij
bestemden jongen, Oerie, die door een toevallige samenloop van om-
standigheden mij aan de boot had gemist. Oerie heeft de goede aanhe-
velingen, die hij had, niet beschaamd en mij overal op mijn tochten door
Java en Sumatra vergezeld.
-ocr page 104-
«J-i
IK BATAVIA KN liUITEN/.OKG.
II.
Batavia—Weltevreden ! een koste-
lijke steen aan „den Gordel van
Smaragd, i) Ken reuzen park, vol
heerlijke buitenplaatsen, een stad van
breede lanen, beschaduwd door altijd
groene, hooge, prachtige boomen,
een Kuropeesche villa-stad, neergezet
midden in de rijkste tropische natuur,
die men zich voorstellen kan. Gladde,
keurig onderhouden grindwegen,
voortdurend stofvrij en frisch ge-
houden door de talrijke Javanen, die
uit hun houten gietemmers het gelige
kali-water over den weg sproeien, voeren, tusschen de sierlijkste lust-
verblijven, in kostelijke tuinen gelegen, door, naar ruime luchtige pleinen,
die ieder voor zich weer omgeven zijn door grootere en kleinere gebouwen,
getuigenis afleggend van den goeden smaak en de welvaart der Hollanders,
de stichters en instandhouders van Batavia, de „koningin van het Oosten."
Inderdaad Batavia verdient ten volle dien weidschen titel, want de
stoutste fantasie kan zich niets rijkers en schooners voorstellen dan die
verzameling van lusthoven, parken en tuinen, afgewisseld door typisch
inlandsche kampongs, breede verkeerswegen en stroomende kalies.
Voor het meerendeel zijn de huizen ruim en luchtig in verschillende
stijlen gebouwd, van sierlijke, op witte zuilen rustende, voor en achter-
galerijen omgeven en door lijnloverige tamarinden, donkergroene waringhins
en vruchtboomen beschaduwd.
Veel huizen doen door hun peristylen denken aan antieke Grieksche
tempels, opgericht midden in een geheiligd bosch; waar de palmen met
l) Zie Multatuli\'s Max Havelaar.
-ocr page 105-
TIC BATAVIA KN BUITEN7.ORG.                                         iJJ;
hun sierlijke kruinen wuiven, waar slanke hooge stammen zich loodrecht
opheffen naar den altijd blauwen hemel.
Ik had me niet voorgesteld een zóó zeer Europeesche stad te vinden,
waar nu nog alleen een stoomtram, maar weldra ook een electrist he tram
de reizigers van de beneden stad — de handels wijk —• naar Weltevreden,
Rijswijk, Kramat en Meester Cornelis heen en weder voert, waar electrische
verlichting en gasgloeilicht den nacht tot dag maken, waar alle comfort
van een Europeesche metropool te vinden is en een ontzachelijk druk
rijtuigverkeer ontstaat, door de menigte dos-a-dos, karretjes, landauers,
berlines, breaks en phaëtons, die onophoudelijk heen en weder rijden,
Dos-a-Dos te Batavia.
waar zelfs de inlandsche koetsiers in onbeschoftheid niet onderdoen voor
hun confraters in Europa.
Het is in Batavia bijna geen weelde meer, maar voor die \'t even betalen
kan noodzakelijkheid, om rijtuig te houden, door de ontzettend groote
afstanden, de verbazende afmetingen, die wegen, straten en pleinen hebben.
Het Koningsplein bijvoorbeeld, het grootste plein, niet alleen van Batavia,
maar misschien wel van alle bestaande steden, is een langwerpig kwadraat
midden in de stad gelegen, omgeven door een driedubbele rij hooge,
dicht bebladerde tamarindeboomen, die een breeden rijweg, een voetpad
en een ruiterweg beschaduwen. Wanneer men dat plein in gewonen pas
-ocr page 106-
-ocr page 107-
IK BATAVIA KN HUTKN7.ORG.
95
wenscht om te wandelen, heeft men daarvoor ruim één uur noodig, maar
men vergeet dat men zoolang op de been is, omdat de weg voortdurend
langs fraaie villa\'s voert, de eene al schooner en rijker dan de andere —
met elkander wedijverend in pracht van voortuinen, keurige peristylen en
sierlijkheid van gevels.
Het paleis van Z.Ex. den Gouverneur-Generaal bevindt zich ook aan
het Koningsplein en onderscheidt zich door deftigen eenvoud. Mij dunkt
voor den onderkoning van Insulinde zou het fraaier hebben mogen zijn,
al maakt het geheel, door de daarbij geplaatste hoofdwacht en bijgebouwen
ook een goeden indruk.
Vreemd is het, dat alle huizen slechts één verdieping hebben, maar
l\'aleis van Z.Exc. den lio\'iverntur-iiencraal te tiatavia.
daar die ééne zóó hoog en rijk van gevel is, valt dat minder op dan
men zou denken. Zelfs het Museum van Het Bataviaasch Genootschap
van Kunsten en Wetenschappen
heeft maar een étage — doch beschikt
over een ruimte, die veel Europeesche musea-directeuren jaloersch
kan maken.
De inlanders noemen het: Roemah-main-pietje (Het huis-speldubbcltje),
omdat zij door hun weinige ontwikkeling in het museum slechts een soort
van „spel" zien, waar zij zich amuseeren kunnen met het bekijken der
tentoongestelde zaken en een pietje, een dubbeltje, moeten geven op
enkele dagen. Soms duiden zij het ook aan door den naam Koemah-
Gadja (het huis van den olifant), omdat vóór het museum op een steenen
voetstuk e*;n bronzen olifant prijkt, een geschenk van den koning van Siam.
-ocr page 108-
96
TE BATAVIA KN HUITENZORG.
Op het Koningsplein bevindt zich ook liet station Weltevreden van den
spoorweg, die van Tandjong Priok af, tot Batavia en verder naar den
Préanger voert, ,,naar boven," zooals men gewoonlijk zegt. Door de
verbazende grootte van het plein merkt men evenwel dat station ternauwer-
nood op en ziet al wandelend, nu eens een detachement soldaten, die
exerceeren, dan weer een afdeeling artillerie met kanonnen, oefening
houdend, of eenige escadrons cavallerie ventre a terre rennend. Een eind
verder grazen vreedzaam de sappies en wanneer men nog eenige minuten
gewandeld heeft, ziet men een aantal jonge lui die lawn-tennis, cricket
of football spelen bij een paar sierlijke club- of vereenigingshuisjes. En
niemand hindert daar een ander, al zouden er nog tal van clubs, ettelijke
troepenmassa\'s en stations bijkomen, er blijft altijd ruimte genoeg op het
Koningsplein, dat, naar men mij verzekerde, een oppervlakte heeft zóó
groot, dat men de stad Zutphen er op zou kunnen zetten en nog plaats
overhouden voor een armee-corps. Gelukkige stad die zulk een plein als
luchtkoker kan aanwijzen. Wat zou men in menige Europeesche stad
niet geven voor een achtste of tiende gedeelte er van.
Het Waterlooplein, ook weer omgeven door een dubbele rij van
waringhins en djoewarboomen en welig met gras begroeid, is de tweede
groote ventilator van Batavia, wel veel minder groot en ruim dan de
andere, maar toch nog van buitengewone afmeting.
Aan de eene zijde wordt het begrensd door een regeeringsgebouw, het
zoogenaamde Groote Huis, waarvoor het kolossale standbeeld prijkt van
Jan Pieterszoon Coen, den overwinnaar van Jacatra en stichter van Batavia.
In 1828 werd dit, door Daendels primitief tot eigen gebruik bestemde
paleis, voltooid en dient sedert tot bureaux voor de verschillende departe-
menten van bestuur en voor de zittingen van den Raad van Indië.
Midden op het Waterlooplein staat iets als een reusachtige waskaars,
in een vierkant onoogelijk blok steen gestoken, met een klein leelijk
poedelhondje, dat blijkens zijn scheeve wangen, krampachtige oogen en
pijnlijk opgetrokken neus aan kiespijn lijdt, er boven op.
Dat leelijke, onoogelijke en grappige ding is — „DE Lf.EUW VAN
WATERLOO" en wanneer ik iets te zeggen had te Batavia, liet ik die
parodie op 1815 per eerste scheepsgelegenheid naar \'t veld van Waterloo
brengen en daar diep onder den grond begraven, opdat het niet langer
,,de Koningin van \'t Oosten" zou ontsieren.
Het monument van generaal Michiels, een soort van Gothisch-lndisch-
Hollandsch gedenkteeken, zou daardoor beter uitkomen dan nu, omdat
wanneer men er langs ziet, die groote witte kaars er zoo onderling bij
afsteekt.
Overigens is de omgeving, bestaande uit oflieiëcle gebouwen en officiers-
-ocr page 109-
TË BATAVIA ËN BUITENZORG.
97
woningen volkomen in overeenstemming met de grootschheid van het plein.
Zondags worden daar muziekuitvoeringen door de stafkapel gegeven en
vereenigt zich een groot deel van het Bataviaasche publiek op en om het
Waterlooplein van \'s namiddags vijf tot zes uur.
Dan komt ook de beau-monde in haar sierlijke equipages, rijdt stapvoets
voort of stationneert zich tegenover de muziek. Duizenden wandelaars,
Europeanen, inlanders, vreemde Oosterlingen en Chineezen, vullen dan de
breede wegen en blijven aandachtig luisteren naar het orkest.
\'t Is een lust om te zien, hoe kalm en rustig die menschenmenigte
bijeenkomt en zich later weer verspreidt — ordelijk en zonder de minste
levenmakerij of onnoodig gejoel.
Het is zeer de moeite waard om in een der gemakkelijke en goedkoope
rijtuigen, die men in ieder hotel huren kan (men betaalt slechts f 4 voor
een toer van 4—5 uren), een rit te maken door de verschillende schilder-
achtige wijken van Batavia.
Parapattan, Kramat, Kebon Sirih, Salemba, Goenoeng Sahri verbazen
door hun ongewonen rijkdom van prachtig groen, hooge boomen, die de
breede, goed onderhouden wegen tot parklanen maken. De weg naar
Meester-Cornelis is eenig mooi, hier en daar typisch Indisch door de
kampongs en landschappen, die de talrijke buitenverblijven en villa\'s
afwisselen en het land van Matraman, dat langs dien weg zich uitstrekt,
is een verrukkelijk stuk tropische natuur midden in de lustverblijven-stad.
Wanneer men al rijdende nu eens die verschillende mooie landschappen,
dan weer de rijke gebouwen ziet, kan men zich nauwelijks begrijpen, dat
er nog menschen gevonden worden, die over „den Oost" spreken, als zou
het daar een soort van wildernis zijn, waar eigenlijk geen beschaafd mensch
een ander heen mag wenschen. Op mij maakte Batavia een overweldigenden
indruk en wanneer ik een wensch mag uiten, dan is het die, dat het
meer en meer bezocht moge worden door Nederlanders, die rijk met
aardsche goederen zijn gezegend. Er zijn nog tal van Hollanders, die
geld te veel en tijd over hebben, die genoten wat er in Europa te genieten
is en zich beklagen, dat er, nu zij zich zelfs te Parijs en te Weenen blasé
gevoelen, niets meer is dat hun belang inboezemt. Welnu! dat zij hun
watervrees afschudden en de reis naar Indië aanvaarden. In een goed
seizoen ondernomen, is de bootreis op zichzelf reeds een versterkende
pleiziertocht en zeeziekte een kwaal, die door een vasten wil wel kan
bestreden worden. Wanneer zij dan ons heerlijk Insulinde bezoeken en
zich — door hun ruime beurs daartoe in staat gesteld — zich met alle
gemakken omringend, door Java\'s landouwen en hoofdsteden doen voeren,
zullen zij ervaren, dat er genietingen zijn in de overrijke Indische natuur,
waarvan hun stoutste fantasie zich geen voorstelling heelt kunnen maken.
7
-ocr page 110-
& . - ^
■ - ■ ■■■■<
*
*fi&-J*Ê*>\'.19!GZ
-*3T -
-ocr page 111-
TE BATAVIA EN BUITENZORG.
99
Wel is waar vindt nicii te Hatavia en elders geen boulevards, geen
Moulin-rouge of cocottes, maar wel een verlrisseliend had voor lichaam
en geest, een geheel nieuwe omgeving en vreemde menselien, waardoor
men tal van nieuwe, versche indrukken opdoet, die zich later in de
herinnering vastleggen en onvergetelijk blijven.
De verschillende, gedeelten van Batavia zijn ieder op zichzelf een bezoek
overwaard en dragen ieder hun eigen cachet.
Kan men Weltevreden de militaire wijk noemen, omdat daar het
Groot-Militair Hospitaal (Roemah-Sakit), de kazernen, de arsenalen en
Matraman—Batavia.
verschillende magazijnen gevonden worden, Xoordwijk en een deel van
Rijswijk zou men gevoegelijk met den naam van hotel- en luxe-
artikelenwijk kunnen bestempelen. Immers daar vindt men de meeste
hotels en allerlei groote en kleine tokos van fijne zaken, villa\'s tot
winkels gemaakt, lustverblijven met marmeren kolommen en vloeren in
mode-magazijnen of conliseriën herschapen.
De coöperatieve verecnigingen Kigen Hulp en Onderlinge Hulp lieten
daar hun gebouwen verrijzen, die oppervlakten beslaan zóó groot, dat
fatsoenlijke godshuizen er plaats op zouden vinden. Vooral de winkels
van Eigen Hulp en daarbij behoorende goedangs (pakhuizen), kantoor-
-ocr page 112-
TE BATAVIA KN BUITENZORG.
IOO
lokalen enz. zijn buitengewoon uitgestrekt. Voor een vreemdeling is een
bezoek aan Eigen Hulp of Onderlinge Hulp zeer eigenaardig, omdat hij
daardoor volkomen het beeld krijgt van een echt Indische toko van den
lateren tijd.
Wil men zich voorzien van een nieuwen hoed, handschoenen, das of
boorden, parapluie of overhemd, men wende zich, na het binnenkomen,
rechts. De Chineesche kassier, die altijd deftig bij zijn telbord en boeken
zit, groet u even met het hoofd, glimlacht en rekent dan weer verder om
straks uw geld aan te nemen, als ge de noodige inkoopen gedaan hebt.
Links van hem kunt ge allerlei fraaie Articles de Paris koopen. Fijne
bronzen beelden, keurige fayences, de nieuwste snufjes in galanteriën en
kunstvoorwerpen, geëncadreerde gravures, albums, muziekdoozen, beschil-
derde Italiaansche vazen, artistieke biscuit- en terra-cotta beelden, Weener
maroquineriën en Engelsche staalwaren. Maar ook huishoudelijke zaken
zijn er, van allerlei soort; van af het allergewoonste aardewerk, keuken-
gereedschap en eetserviezen tot de fijnste toiletbenoodigdheden toe. Wilt
ge u voorzien van sigaren, Hollandsche, Manilla of Havana, in \'t midden
van de toko is een speciaal sigaren magazijn, waar ruime keus is van
diverse merken, die en détail zoowel als en gros worden verkocht. In een
ander deel van den winkel vindt men zadels, tuigen, zweepen, karwatsen,
schoenen, gordels en lederwerk van verschillenden aard. Voor de dames
biedt de vereeniging in een apart gebouw een hoedenmagazijn en mode-
afdeeling, met paskamers en ateliers. Speelgoed voor de kinderen beslaat
een anderen hoek — niet den kleinsten — en wilt ge u onthalen op
versche kaas, lekkere boter, ham, worsten in blik, sardines of kreeften, in
één woord op \'t beste en êelste wat maag en mond kunnen verlangen,
dan is in \'t achterste gedeelte van het groote gebouw een marmeren toon-
bank, met een voorraad, die den lekkerbek doet watertanden. Het is
wil eigenaardig om zich door een zeer net gekleed Chineesje, met een
keurig met roode zij doorvlochten haarstaart en een hoofd overigens zoo
glad als de Edammertjes, die hij te koop heeft, te laten bedienen van
een hoekje zoetemelksche of komijne kaas, die hij even handig snijdt als
de eerzaamste Hollandsche koomenijsbaas. Hij weet u met een zekere
handige chic te vertellen, dat ge dit of dat „pas aangekomen artikel eens
proeven of probeeren moet." Betoel fijn, enak sekali, toewan! — Heef
menèerr oók lekker lïe-kéiir noodig, pas aangekomen van Wijnand Fokkin,
ja!" Hij spreekt vrij goed Hollandsch, ofschoon hij evenals de Signos
wel eens den klemtoon der woorden verkeerd legt. De klemtoon is en
blijft hun een gesloten boek, al zouden zij ook nog honderd jaar Hollandsch
spreken. Daarom zeggen zij ook: Hier van Yollenho-vèn of ingelegèn
groenten van Tiela-ma-an en Dros te Lei-den, pas aangevoerde boter, en
-ocr page 113-
IK BATAVIA F.N BUITENZOKC.
ini
allerlei vérvers-schingèn Tal van hupsche winkeldochters, meestal meisjes
op Java geboren en met pikant bruine gezichtjes, zijn geregeld bezig om
door haar aardige praatjes de heeren te verleiden tot inkoopen, die ze
niet bepaald noodig hebben, maar zij toonen toch even vriendelijk lachend
haar schitterend witte tanden, wanneer men haar lokkende stemmetjes
weerstaat en zich slechts tot kijken en vragen bepaalt. Dat kijken en
vragen schijnt, naar men mededeelde, sommige nonna\'s en signo\'s aange-
boren te zijn, want, zei iemand me: — Je moet soms Jobs geduld met
die luidjes hebben, ze komen eenige malen kijken, vragen naar van alles,
laten soms ettelijke dingen uitpakken en per saldo knikken ze hoog-
ernstig en zeggen: — Gheel mooi, betoel bagoes, maar ik zal nog wel
eens terugkomen, ja! — en als ze dan terug komen doen zij dikwijls
weer precies \'t zelfde.
Ik geloof dat zij die eigenaardigheid van enkele Europeesche dames
hebben overgenomen, want juist dezelfde klacht heb ik van Hollandsche
winkeliers menigmaal vernomen.
Vooral tegen St. Nicolaas moet het in de Indische toko\'s bijzonder druk
en levendig toegaan, omdat het feest van den goeden kindervriend in
Indië minstens met evenveel animo wordt gevierd als in Holland. Wat
moet die goede Sint raar hebben opgekeken toen hij voor de eerste maal
met zijn zwarten knecht in de Tropen kwam en de traditioneele schoor-
steenen, de windvlagen, sneeuw, ijs en brandende kachels miste; alleen
het zwartje zal zich „lekker" hebben gevoeld.
Aan Eigen Hulp is verder een permanente expositie van buitengewoon
fraaie Japansche en Chineesche artikelen verbonden, een ruim magazijn,
waarin vooral tegen de feestdagen veel inkoopen worden gedaan voor
cadeaux.
Onderlinge Hulp is een Kigen Hulp in \'t klein, minus de Japansche
en Chineesche afdeeling, en in die Vereeniging bestaan de leden grooten-
deels uit militaire elementen, terwijl in Eigen Hulp veel ambtenaren en
particulieren lid zijn.
Voor andere toko\'s is zonder twijfel het oprichten van die twee coöpe-
ratieve vereenigingen een bron van kwelling, een groote schade geweest,
maar tevens een spoorslag om zich te wapenen tegen de concurrentie en
een weinig water in hun wijn te doen. In vroeger tijden was een goede
toko een goudmijn, nu •— verdient de tokohouder goed zijn brood, dat is"
het onderscheid!
In Rijswijk staat ook de alom bekende Sociëteit „de Harmonie,"
ontegenzeggelijk evenals de Militaire Sociëteit „Concordia" een rijke, in
alle opzichten comfortabel ingerichte „soos".
„De Harmonie" werd in vroeger tijd door den G.-G. Daendels uit
-ocr page 114-
TE BATAVIA EN BUI\'1 EXZORC.
Iü_\'
ruime beurs gebouwd, om de kooplieden, die voor bet grootste gedeelte
nog in de ongezondere benedenstad woonden, naar de booger gelegen
gedeelten, zooals Weltevreden, Noordwijk en Rijswijk te lokken.
Onze voorouders, er prijs op stellend om Batavia een echt Hollandscb
karakter te geven, badden de stad geheel Amsterdamsen aangelegd, met
hooge huizen, deftige overluifelde stoepen en doorsneden met een zestiental
grachten, die baar in regelmatige vierkanten verdeelden.
Soc\'eleitszaal van „de Harmonie" te liatavia.
Misschien groeven zij die grachten enkel en alleen uit een gevoel van
piëteit en om ten minste onder den Indischen hemel iets te hebben, dal
ben aan de vaderlandsebe ,,lucht" herinnerde. Ik zie in den geest die
brave Hollanders van tempo doeloe onder bet genot van een lange pijp
en jenevergrog - - volgens de overlevering moeten ze in bet drinken van
dat mengsel ongeëvenaard zijn geweest - - in den maneschijn aan, soms
voor de frisebheid (?) in de Bataviaasche grachten zitten, met wellust
opmerkend hoe de zwavelwaterstofgasbellen uit het water opborrelen, met
vaderlandsebe verrukking den geur er van opsnuivend en daardoor zich
allengs weer tehuis droomend op Rozen- of Egelantiersgracht,
-ocr page 115-
TE BATAVIA EN BU1TENZORG.                                           103
Maar stil- of bijna stilstaand water was zelfs in dien ouden tijd, toen
bacteriën, microben en bacillen nog niet door de doktoren waren uitge-
vonden en gepatenteerd, toch reeds als ongezond bekend, vooral wanneer
bovendien de minder geurige afscheidingen van mensch en dier er in
worden verwerkt. De moerassige grond, de uitdampingen der drassige
stranden, de schadelijke miasmen der lage kuststreek hielpen mede en —
kwaadaardige koortsen ontstonden, die op onrustbarende wijze het leven
der burgers in gevaar brachten,
Sociëteit „C\'oncordia" te Batavia.
De grachten werden eindelijk voor \'t meerendeel gedempt, de koop-
heeren behielden in de benedenstad hun kantoren en pakhuizen, waar zij
overdag den noodigsten tijd bleven besteden, maar metterwoon vestigden
zij zich in de nabijheid van hun „soos" - met christelijke vrijgevigheid
de oude stad overlatend aan inlanders en Chmeezen.
De Militaire Sociëteit „Concordia", wat pracht van zalen en inrichting
betreft, wedijverend met ,,De Harmonie", beschikt bovendien over een
veel grooteren, bijzonder mooien tuin, waar Woensdags- en Zaterdags-
avonds concert is. ,,De Harmonie" biedt haren leden alleen des Zondags
dat kunstgenot.
-ocr page 116-
TE BATAVIA KN BUITENZORG.
h>4
In beide Sociëteiten vindt men groote en van alle gemakken voorziene
leeszalen, met een rijkdom van tijdschriften, kranten en boeken. Over
\'t algemeen wordt in Indië veel meer gelezen dan in Nederland. Elke
plaats, al is zij nog zoo klein en onbeduidend, heeft haar leesgezelschap,
en vooral in de binnenlanden, waar weinig ander amusement of afleiding
gevonden wordt, is , de leestrommel" de vriend, die de lange eenzame
uren opvroolijkt en doet vergeten.
Ook een schouwburg is Batavia rijk ; een keurig, ruim en luchtig gebouw,
met een zeer goed
tooneel, voortref-
felijke decoraties
en mooie verlich-
ting. Jammer dat
door de zorg om
alles zooveel mo-
gelijk open te
houden, opdat
versche lucht en
frischheid niet
ontbreken, de
acoustiek veel te
wenschen over-
laat. Herhaalde-
lij k werden daar
opera\'s opge-
_____                           Societeitszaal vaiT„Concordia".                                     voerd door rei-
zende Italiaan-
sche of Engelsche gezelschappen, die steeds een dankbaar publiek
vonden, en al naar gelang van het gehalte hunner voorstellingen meer
of minder goede zaken maakten. De opéra Faust, eenige malen door
goede dilettanten, leden van \'t Zang- en Muziekgezelschap „Toonkunst
Aurora" uitgevoerd, had een schitterend en welverdiend succes.
Aan amusementen ontbreekt het te Batavia niet, want geregeld vindt
men er, behalve de opera- of operetten-gezelschappen, verschillende
paardenspellen, zooals Harmstone\'s Circus e. a. Ken circus heeft altijd
verbazend veel toeloop en maakt gewoonlijk goede zaken, omdat niet
alleen het Europeesche en Indo-Kuropeesche publiek trouw in die meestal
vrij goed ingerichte tenten komt, maar ook de Javaan en de Chinees hun
laatsten duit gaarne over hebben voor de Comedie-Koeda. Zij zien met
een zekeren eerbied op tegen die orang pinter sekali (bijzonder knappe
menschen), die redelooze dieren zóó goed kunnen dresseeren en zelf het
-ocr page 117-
IK BATAVIA EN BUITENZOKO.
I05
bijna onmogelijke met hun lichaam verrichten. Ook een Maleische Opéra
— een zoogenaamde Comédie Stamboul, waar allerdolste navolgingen van
verschillende opéra\'s, in \'t Maleisch, worden vertoond, is gewoonlijk in
de grootere steden te vinden.
Ik woonde o. a. een voorstelling bij in de Comedie Indra Bangsawan
van ,,la njonja blanca", een imitatie van Boieldieu\'s ,,la dame blanche."
Schitterende costumes, Spaansche, Italiaansche en oostersche door
De Schouw! urg te Batavia.
elkaar, stonden enkelen dier donker gekleurde acteurs en actrices niet
onaardig, maar schonken geen vergoeding voor de allerakeligstc dunne
fistel- en kraakstemnu n, waarmee zij de muzieknummers, die niets van
die der origineele „Dame blanche" hadden, afjankten. Men had eenvoudig
het libretto in \'t Maleisch overgebracht, zoo goed en kwaad dat ging en
— afschuwelijk vandalisme — Boieldieu\'s muziek vervangen door populaire
deuntjes als Daisy-bell, van Tingelingeling tingtay, Champagne Chariie
en andere. Zoo zong o. a. in het eerste bedrijf het koor: „Die Wacht
am Rhein" en in het derde: „Wilhelmus van Nassouwen." Er was één
donkere schoonheid, met fluweelen amandelvormige oogen en schitterend
-ocr page 118-
lob
IK BATAVIA EN BUI I KNXOKG.
witte tanden, die in een middeleeuwsch page-pakje er zeer lief uitzag en
als „ster" dienst deed. Zij had evenwel een stem, die onder uit haar
kleine voetjes scheen op te klimmen naar haar grappig mopneusje en
zich daar met moeite doorheen perste, om de ooren der geduldige toe-
hoorders te beleedigen. Aan het eind der opéra verscheen in \'t slot-
tafereel een oude radja met snecuwwitten baard, zittend op een gouden
troon in een groot flonkerend paleis — die decoratie was waarlijk mooi!
Hij vertelde iets wat ik niet begreep, maar waarvan de spelers erg houterig
schrikten. Toen wenkte hij en een dienaar bracht voor zijn troon een
gewonen keukenstoel. Daarop kwam hij statig van zijn zetel, nam de
acteurs en actrices één voor één
bij hun nek, deed ze bukken over
den stoel, tilde met zijn eigen hooge
hand hun jacquets of rokjes op en
i
roffelde toen met een rietje, onder
begeleiding van een vroolijk deuntje,
de maat op hun respectieve derrières.
De afgestraften gilden alsof ze pijn
leden en trokken leelijke gezichten,
maar de aanwezige Maleicrs, Javanen
en Chineezen, gierden het uit van
pleizier bij die lijfstraffelijke rechts-
^2
r~ ri.
r^E1- pleging. Ik moet bekennen dat ik
^mt
bs?" tot op heden nog naar het verband
^§j
pj
ï
§
1
\'* ^
.-•"-\'-*":
Rebab
-speler.
zoek tusschen ,,La dame blanche,"
,,Die Wacht am Rhein" en \'t zwie-
pende rietje. Fiigenaardig is ook
nog bij die voorstellingen, dat het
begeleidende orkest bestaat uit één
rebab (een soort van violoncel) en
één viool, die links en rechts op het tooneel op een matten stoel bij de
eerste coulisse zitten.
Ik lub later nog een voorstelling bijgewoond van ,,Léla Herabi", een
inlandsen sprookje met muziek van dezelfde soort en bestaande uit ongeveer
dezelfde deuntjes, terwijl de opéra weer eindigde met de apotheose van
den klappen uitdeelenden Radja. De acteurs maken, na het opzeggen
van bun rol, zoo dikwijls zij op en van het tooneel gaan, een kleine stijve
hoofdbuiging voor de tot-schouwers en lijden allen in meerdere of mindere
mate aan keelaandoeningen, ten minste ik vermoed het, omdat de geluiden,
die zij voortbrengen, nu en dan veel van hoesten en gorgelen hebben en
uit een gezwollen keel pijnlijk schijnen te ontsnappen.
-ocr page 119-
IK BATAVIA EN BUI TKNZOKG.
107
Heel hoog staat dus de Opéra Melajoe nog niet en zal daarom zonder
twijfel nog geen ernstige concurrent worden voorde Hollandsche of Fransche.
In de benedenstad, het handelsgedeelte van Batavia, gedeeltelijk ook
ingenomen door \'t Stadhuis (Contor Bitjara), ,,de boom" en verschillende
gouvernements-gebouwen, heeft alles een somberder, ernstiger aanzien.
Langs de kali-besaar (de groote rivier) vindt men de kantoren en voor-
naamste handelshuizen, ook de factorij der Handelmaatschappij (Compenie
ketjil), de kleine Companie genoemd, waarschijnlijk omdat de Chineezen
Handelskantoor te liatavia.
en handeldrijvende Javanen spoedig hebben leeren inzien, hoe groot de
macht van die Handelmaatschappij is — ,,de Compenie" is de naam
waarmee zij het geheele regeerings-raderwerk betitelen. Grenzend aan de
Chineesche wijk, is daar aan de kali een onophoudelijk komen en gaan
van handelaars, een druk verkeer. De toko\'s, met dien naam worden
ook de en-gros-huizen, de handelskantoren aangeduid, zijn meestal ruime
gebouwen van twee verdiepingen. Het bovengcdeelte, blijkbaar in vroeger
jaren in gebruik geweest als woning, dient nu tot kantoorlokalen, de
onderste verdieping tot pakhuis en bergplaats. De kantoren zijn luchtige,
-ocr page 120-
io8
IK BATAVIA KX BUITKX/.OKG.
ruime zalen, waar de heeren aan hun hureaux, meestal zeer op hun gemak
in overhemd of dun wit jasje zitten te schrijven. Lange tafels met monsters
van import-artikelen geven gelegenheid tot het bezichtigen van hetgeen
er te koop is; Javaansche jongens loopen af en aan, de copiëerpers
bedienend, monsters brengend en halend, inpakkend of verzendend. Voor
de toko stationneert gewoonlijk de toko-wagen, een soort van klein, dicht
rijtuig voor vier personen, dat den geheelen dag ter dispositie blijft van
de heeren, die zich naar de eene of andere bank-instelling, klant, of
handelsvriend willen begeven.
Een uurtje in zoo\'n handelskantoor doorgebracht is uiterst leerzaam
voor den vreemde, omdat hij een flauw begrip krijgt van de uitgebreidheid
der Indische handelsrelatiën. Verschillende kooplieden komen op die
kantoren om monsters te zien, bestellingen te doen of eene of andere
transactie af te sluiten. Klingeleezen, Armeniërs, Arabieren, Javanen,
Europeanen en Maleiers, maar vooral Chineezen. Zij toch hebben een
groot deel, neen, verreweg het grootste deel van den handel op Batavia,
Soerabaia en Semarang in handen weten te krijgen. Zij verhandelen alles
wat koop- en verkoopbaar is. Zij zijn de groote afnemers van alle import-
artikelen en daarom zien de Europeesche handelaren hun maar al te
veel naar de oogen. Een Chinees krijgt oneindig spoediger en meer
crediet, dan een Hollander of ander Europeaan — hij wordt vertrouwd
totdat hij eensklaps dat vertrouwen onwaardig blijkt te zijn en „over den
kop gaat." Meestal maakt hij dan een duikeling, die zóó onverwacht en
hevig is, dat zijn al te goed vertrouwende vrienden er nog duizeliger van
worden dan hij zelf. Soms duikelen die Chineezen „de doos in", maar
gewoonlijk loopen zij vrij en lachen, dunkt me, dan in hun vuistje, terwijl
ze blijven doorgaan met hun boekhouding in \'t Chineesch — gedachtig aan
het spreekwoord van de Hollanders: ,,\'t is in eens andermans boeken duister
lezen." Dat zullen zonder twijfel maar al te vaak zij zuchtend erkennen,
die voor de schuldeischers die Chineesche boeken moeten ontcijferen.
Ik hoorde eens iemand zeggen: \'t zou heel wat minder gemakkelijk zijn
om failliet te gaan of te accordeeren met zijn schuldeischers, wanneer de
wet gebood dat de Chineezen hun boeken in het Hollandsch moesten houden.
Dat zij het kunnen is reeds bewezen door het feit, dat heel veel kantoren
Chineesche boekhouders en de meeste handelshuizen Chineezen als kassiers
hebben, omdat die vlugger en accurater rekenen dan anderen. Met zijn
telbord gewapend, rekent een Chinees onbegrijpelijk snel en juist; ook
als herkenner van valsch geld, dat in groote hoeveelheid in onzen Archipel
in omloop is, zoekt hij zijn evenknie. De Chineesche wijk zelf is één
groote verzameling van toko\'s, pakhuizen en magazijnen, waarin alle
denkbare handelsartikelen zijn opgestapeld.
-ocr page 121-
IK BATAVIA KN UL\'II\'KNXUKG.
IU(J
Men kan zich nauwelijks voorstellen, dat in sommige, in donkere, nauwe,
ellendige sloppen gelegen, onaanzienlijke winkeltjes, weinig grooter dan
een Hollandsche kruierswoning, dikwijls millioenen worden omgezet, maar
de Chinees die geld verdienen wil heeft niet veel ruimte noodig voor zijn
kantoor en behelpt zich gaarne, wanneer hij er slechts voordeel in ziet.
Is hij later „in bonus", dan haalt hij ruimschoots zijn schade in, dan
heeft hij alles van \'t beste, \'t mooiste en kostbaarste, al zou \'t maar zijn
om anderen, die hem vroeger met geringachting bejegenden, de oogen
uit te steken.
Heeft hij door een of anderen samenloop van omstandigheden ongeluk,
zoodat hij zijn rijkdom verliest, dan troost hij zich met het denkbeeld, dat
hij het toch reeds eenmaal goed heeft gehad en, indien hij niet om
geldige redenen naar China of Singapore uitwijkt, begint hij opnieuw te
handelen en zich te behelpen in de hoop, dat hij toch ten slotte weer
oentoeng (zegen) zal hebben. Zoolang de Chinees vrij man blijft en niet
zóó tegen de wetten zondigt, dat hij achter de tralies raakt — is hij als
een kat, die hoe zij ook valt, toch op haar pooten terecht komt.
Veel Chineesche huizen met eigenaardig gekleurde en met gouden
opschriften versierde gevels, trekken de aandacht door hun zonderlingen
bouwtrant en de vreemde artikelen, die er te koop zijn, maar de meeste
huizen in die wijk hebben een vuil en onaangenaam uiterlijk.
Veel straten herinneren sterk aan de Amsterdamsche Joden buurt (Marken
en Uilenburg) door de drukte en beweging, de overgroote levendigheid
van verkeer.
Alles gebeurt daar op straat, eten, drinken, scheren, oorenpoetsen,
kleederen aanmeten en toilet maken. Bijna alle bedrijven ziet men onder
den blooten hemel uitoefenen. Hier is een Chineesche schrijnwerker bezig
om voor zijn open deur, van mooi djatiehout, zeer goede en goedkoope
meubelen te maken, daar werken in \'t zweet huns aanschijns rijtuigmakers
aan dos-a-dos, karretjes en bendies, elders weer hamert een smid. Wat
de Chineezen, die in hun leefwijze veel overeenkomst met de Israëlieten
vertoonen, van dit interessante volk onderscheidt, is de omstandigheid,
dat zij niet zooals de Joden uitsluitend handelaars zijn, maar voor een
groot deel handwerkers, die alles wat zij maken, netjes en met zorg
bewerkt afleveren.
De Chinees is verder de varkensslachter, de vischhandelaar en de
sappieboer — (ossenslager), — de oude-kleerkoop, de pandjeshuishouder,
dit laatste vooral, want schier in iedere straat vindt men kleine pandjes-
huizen, waar de inlander, die meestal korang doewit (zonder geld) is, zijn
lijfsieraden voor een bespottelijk klein beetje geld beleent, dikwijls om ze
nooit weer terug (e zien. Op straat vent hij voortdurend met eetwaren,
-ocr page 122-
TE BATAVIA EN BUITENZORG.
I IO
die liij gewoonlijk zeer smakelijk weet
klaar te maken; nu eens biedt hij
gebakken vischjes of in pisang-bladeren
gekookte rijst met kruiderijen aan, dan
weer verlokt hij den inlander tot het
gebruiken van soep of gebak. Wanneer
men hem op zijn eigenaardig dribbel-
pasje ziet aankomen, met den pikolan
> draagstok) over den schouder, waaraan
de nette, van dunne bamboestrooken
gevlochten manden zwiepend op en neer
gaan, merkt men aan zijn vriendelijk,
grijnzend gezicht, dat hij vandaag iets
smakelijks heeft. Ontwaart hij een klant,
die teekenen geeft van zich te willen
vergasten, dan staan in een ommezien
de manden op den grond, de soep is
Chineesche oorenpoetser.
als met een tooverslag opgeschept en —
de liefhebber van kimlo of sop tjina
(Chineesche soep) — is bediend. Hij de manden hurkend eet dan zoo\'n
lekkerbek met een blauw, porceleinen lepeltje uit het kommetje, dat op
zijn knieën rust, de weinig kostbare spijs. Voor eenige centen kan een
gewoon individu bij zoo\'n wandelend restaurant, zich een indigestie eten.
Fs de maaltijd afgeloopen, dan pakt de
orang tjina zijn pikolan weer op en draagt
verder, door straten en stegen, de erven
op en af, en rust niet voor hij alles ver-
kocht heeft wat hij meedroeg.
De Chinees toont in alle opzichten een
zeldzame volharding, als het op geld
verdienen aankomt. Hij is matig, arbeid-
zaam en niet veeleischend, en brengt het
daardoor verder dan menig ander, die-
rijker begaafd, meer ontwikkeld en beter
opgevoed, de voor Indië zoo noodzakelijke
eigenschappen, volharding en soberheid
mist. De Chinees pakt alles aan wat hij
krijgen kan — of \'t zijn vak is of niet,
hij probeert het ten minste. In een woord
hij is alles en is overal. Hij onderneemt
met moed de meest verschillende dingen,
              Chineesche soepv«rkooper.
-ocr page 123-
TE BATAVIA EN BUITEN7.ORG.
I I [
pacht hier de opium — daar de sterke dranken en neemt elders de
leverantiën aan voor militairen ot dwangarbeiders. Op liet eiland Ban ka
b.V. heelt een voornaam (\'hineesch handelaar, de voeding van de tin-
mijnwerkers aangenomen en te Batavia zorgt een zoon van \'t Hemelsein:
rijk voor de verpleging der gevangenen. „Een klein winstje en zoet
winstje" is zijn leus, maar nog liever heeft hij een groote winst en van
woeker valt hij niet vies, wanneer hij begrijpt dat hij ongestraft zoo\'n
geldzaakje doen kan.
Warongs.
In de Chineesche wijk wordt op straat onnoemelijk veel gegeten en
gedronken, de warongs zijn er talrijker dan elders — en niet zindelijker
ook. Zoo\'n warong is meestal een klein, onoogelijk winkeltje, waar
ongeveer van alles te krijgen is; — natuurlijk gekookte rijst in de eerste
plaats, dan gedroogde en gebakken visch, dendeng (gedroogd vleesch),
sambals, koffie, vruchten, suikerwerk iChineesch fabrikaat), koekjes,
sigaretten, strootjes, stukken kokosnoot, Spaansche peper, lombok, en
altijd in groote hoeveelheden pisangs, verder flesschen met gegisten palm wijn
-ocr page 124-
112                                      IK BATAVIA EN BUITKNZORG.
(toewak), van verre reeds kenbaar aan haar schreeuwend-oranjegele
etiketten en allerlei soort van vruchtensiropen. De Chinees is een matador
in het namaken van Europeesche dranken, en dikwijls gebruikt hij daar-
voor artikelen, waarvan hij, de hand in den boezem stekend, niet zou
kunnen getuigen dat ze volkomen onschadelijk zijn. Zoo maakt hij
mineraalwater en limonaden-siropen, die noch metaalvrij, noch maag-
zuiverend zijn; zelfs wijn fabriceert hij van alleen aan hem bekende
grondstoffen. Een mijner vrienden, die lang in Indië was, vertelde mij,
dat hij, eenmaal bij een Chineesch tokohouder op het achtererf komend,
daar iemand bezig zag met roeren in een grooten koperen ketel, om
verschillende roodachtige vloeistoffen door elkander te werken. En toen
hij vroeg: Bekin apa? (wat maak je daar?) doodleuk ten antwoord kreeg:
Bekin angor pot, toewan! (Ik maak portwijn, meneer!) Waarschijnlijk
hebben de nijvere staartdragers die kunst geleerd van den Franschen
wijnhandelaar, die, op zijn sterfbed aan zijn zoon nog eenige vakgeheimen
mededeelend, met reeds brekend oog zei : „Onthoud dit, mijn jongen !
men kan van alles wijn maken, zelfs van druiven." In de warong wordt
verder nog aanhoudend een drank gebruikt, bestaande uit water, vischlijm,
suiker en een soort kleine pitjes, die in het water opzwellen, er uitzien
als vischkuit en een flauw zuurachtigen smaak hebben. Over \'t algemeen
drinkt de inlander gaarne zulke laffe, zoetige of zurige mengsels, waarvan
een Europeesch gehemelte gruwt. In den regel gebruikt hij daarentegen
geen sterken drank, maar gebeurt het dat hij bij feestelijke gelegenheden
zich er aan te goed doet, dan levert hij het bewijs dat hij, met eenige
oefening en volharding, even goed zou kunnen „pimpelen" als zijn meer
beschaafde blanke broeder. Behalve de gewone warongs, die de eetwaren
en dranken alleen te" koop hebben, vindt men er ook vele die tegelijk
een soort van restauratie zijn, waar de inlander, de Chinees, ja dikwijls
ook de ongelukkige, verarmde Indo-Europeaan, zijn maaltijd komt doen.
Meestal zitten dan de gasten voor het vierkante open gat, dat als étalage
en venster tegelijk dienst doet, op een baleh-baleh gehurkt, hun maal te
gebruiken; evenwel treft men ook warongs aan, die binnenin een eetkamer
hebben, bestaande uit een donkere ruimte, besmookt en berookt en door-
trokken van allerlei, voor Europeesche neuzen minder aangename geuren.
Vooral wanneer de doerian — een zeer gezochte vrucht — rijp is, gaat
de inlandsche neus te gast, maar lijdt het aan dien scherpen, zoetigen
knoflooklucht niet gewende blanke reukorgaan ontzettend. Ik heb me een
paar malen verstout doerian te proeven; doch moet eerlijk verklaren, dat
ik die kennismaking liever niet verder wil voortzetten. Ik kan den smaak
van doerian niet beter weergeven dan door te zeggen dat ik er visch,
roode kool, Limburgsche kaas en asa foetida (duivelsdrek) in proefde,
-ocr page 125-
8
-ocr page 126-
114                                    TE BATAVIA EN BUI\'1 ENZORG.
vermengd met suiker, ietwat vanille en zure room. Ik heb bovendien,
evenals veel anderen met mij, van die doerian, den gehcelen dag contra-
visites gehad, zoodat ik in alles wat ik verder gebruikte voortdurend
asa-foetida, Limburgsche kaas en roode kool proefde en in mijn maag
een gevoel kreeg alsof ik een levende pad bad ingeslikt.
Misschien zullen nu veel van mijn Indische vrienden en vriendinnen
mij met den nek aanzien, omdat ik zóó onvriendelijk van hun lievelings-
vrucht de doerian spreek, maar - ik kan heusch van mijn hart geen
smoorkuil en van mijn maag vooralsnog geen vuilnisvat maken. Wellicht
zou ik, zooals men mij zeide, bij herhaalde proefnemingen toch tot andere
gedachten zijn gekomen, maar ik heb den moed niet gehad, nogmaals
zoo\'n witte roomige, smakelijk uitziende, maar verradelijk gemeene pit af
te zuigen.
Ik laat dus gaarne die uitheemsche versnapering voor de liefhebbers
over en troost mij met de gedachte, hoe gelukkig het is, dat niet alle
menseben denzelfden smaak hebben. Indien dit het geval was, zouden de
Chineesche gerechten bami en kimlo zeker door iedereen gegeten worden
en er spoedig gebrek aan die artikelen ontstaan. Heide spijzen heb ik
met smaak in de roemah-makan op Glodok gegeten. Bami is een soort
van dunne macaroni, gekruid met allerlei specerijen, bereid met bouillon,
vermengd met champignons, kippenlever, Spaansche peper, gehakte uien,
stukjes varkensvleesch en — zelfs met kikkerbilletjes naar men mij
verzekerde. Kimlo is een smakelijke soep — die naar van alles smaakt
en van alles bevat.
In die Roemah-makan bij den bami-Chinees op Glodok, een open plaats,
aan een der uiteinden der Chineesche wijk gelegen, komen Europeanen,
zoowel als Oosterlingen, zich aan die vreemde gerechten en ook aan
andere, meer gewone, vergasten. De spijzen worden daar zindelijk en
zuiver toebereid, de bediening is niet slecht, maar de lokaliteit en de
„gereedschappen" stemmen tot nadenken, üp Glodok vindt men verder,
behalve een Chineesche vvajang, een soort van theater, van gering gehalte;
allerlei stoffige, van hout en bamboe, ruw opgetrokken loodsen — de
Chineesche speelhuizen, waar ook inlanders, Arabieren — zelfs Indo\'s,
kortom allen die \'t geld in den buidel danst, komen dobbelen en in weinig
tijd van hun overtollige weelde bevrijd kunnen raken.
Het spel is een passie, die alle Oosterlingen beheerscht, zelfs in zóó
groote mate, dat zij menigmaal alles verspelen wat zij bezitten en zich
nog bovendien in schulden steken. Glodok is dus het Indische Monaco —
minus de Monte-Carlo\'sche weelde!
In het benedendeel der stad vindt men nog de oude poort van het
Bataviaasch kasteel en een klein eind daarbuiten, midden in een gras-
-ocr page 127-
TE BATAVIA RN BUITENZORG.                                      I 15
veld, liet bekende groote kanon — een uit den tijd der l\'ortugeezen
dagteekenend stuk bronzen geschut, waaraan de volgende legende ver-
bonden is. In het Bantamsche ligt ergens een geheel gelijk en gelijk-
vormig kanon, de tweeling van het Bataviaasche. Zoolang nu die twee
stukken van elkander gescheiden blijven, zullen de Hollanders Java kunnen
overheerschen, maar zoodra die twee kanonnen op ééne plaats te samen
komen, worden alle blanda\'s verjaagd en zijn de Javanen weer onder
eigen bestuur.
Chineesch Speelhuis.
De kulas van dat groote kanon (marjam besaar) heeft den vorm van een
hand en wordt door de inlanders als heilig en vruchtbaar makend beschouwd.
Daarom ziet men voortdurend kinderlooze inlandsche vrouwen, dikwijls
ook hall bloeden, zich biddend nederzetten op die eigenaardige bronzen
hand, om van Allah een kind af te smceken. Talrijke offers, kleine
papieren pajongs, bloemen, wierookstokjes en gebak worden dagelijks
daar neergezet. Dat men echter zeer voorzichtig moet zijn met het
miraculeuze kanon blijkt uit het volgende feit: Een bezorgde half bloed
-ocr page 128-
n6
TE BATAVIA EN liUITEN7.ORG.
moeder had herhaaldelijk in \'t belang van haar elders wonende kin der-
looze dochter offers aan \'t Marjam besaar gebracht en ernstig gebeden.
dat haar dochter met een kind mocht gezegend worden. Weinige maanden
later kwam zij woedend haar offers, die nog gedeeltelijk aanwezig waren,
terughalen, omdat het kanon — ot Allah, wie van beiden wist zij niet,
zich vergist had. Haar gehuwde dochter was nog steeds kinderloos, maar
haar ongetrouwde jongste had plotseling een allerliefste baby gekregen!
Over \'t algemeen is de Javaan, zoowel als de Chinees, zeer bijgeloovig;
zij hechten aan voorteekenen, aan goede en kwade dagen en raadplegen,
zoodra zij een of ander voor hen gewichtig besluit moeten nemen, hun
priesters en waarzeggers. Eigenaardig is hun geloot, dat in sommige
boomen de geesten van hun afgestorven bloedverwanten worden gebannen,
Marjam Besaar (het gmote kanon), Batavia.
van daar ook dat er enkele boomen zijn, die zij voor geen geld ter wereld
zouden willen vellen, kappen of snoeien.
Ik heb me op Glodok nog door een erg slim uitziend Maleisch individu,
met zwarte dievenoogen, laten waarzeggen, eerstens uit de lijnen van
mijn hand, tweedens door middel van een klein kokertje, vol dunne
beenen stokjes, ze hadden iets van ons knibbelspel, die ik gezamenlijk
een oogenblik in de hand moest houden. Toen verzocht ,,de wijze man"
mij twee stokjes te kiezen en op elk een zilverstukje te leggen — koper
geld mocht \'t volstrekt niet wezen ! ! Daarna gaf hij mij zelf een derde
stokje aan en verzocht om nog een zilverstukje, maar grooter dan de
vorige. Hij lei de drie stokjes en de twee dubbeltjes met \'t kwartje even
op zijn vlakke rechterhand, prevelde een paar seconden, heel ernstig
kijkend, schoof toen de stokjes weer in \'t kokertje, de zilverstukjes in
zijn zak, haalde diep adem en zei: — meneer is onder gelukkige voor-
-ocr page 129-
TE BATAVIA EN BUITENZORG.
"7
teekenen geboren. — Meneer is hier niet van daan, en zal hier ook niet
altijd blijven ! Toen keek hij nog eens heel sip voor zich, daarna weer in
mijn linkerhand en zei murmelend: — Ban jak oentoeng, banjak oentoeng!
(veel geluk) en mij aankijkend: — meneer zal altijd veel geluk en zegen
hebben op alles wat hij onderneemt en als meneer nu nog een kwartje
geeft zal ik nog meer zeggen.
Ik vond dat \'t niet noodig was, voor mijn vijf-en-veertig centen had ik
precies genoeg !
Na Glodok en omgeving bieden Fassar Rahroe en IJassar Senèn aan
den vreemde de gelegenheid zich te overtuigen, dat de Chineezen te
Batavia het grootste deel van den kleinhandel in beslag hebben genomen.
De magazijnen van den bekenden Loa-Po-Seng en Tjio Tjeng Soei en
zoovele andere kleinere, zijn ruim voorzien van alle mogelijke artikelen.
Japansche tokos, Bombay, British-India magazines e. a. vormen een paar
lange straten vol winkels — waarvan de eigenaars, met beleefden aandrang
tot koopen noodend, u beloven: dat bij hen alles goedkoop en goed is
en dat gij gerust binnen kunt komen zonder te koopen. Als meneer maar
eens zien wil, zijn ze al tevreden! En als meneer koopt gaat meneer
voldaan heen !
Ik heb te Batavia in eenige dier winkels enkele artikelen gekocht en
ben tot de overtuiging gekomen, dat men, wil men tevreden en voldaan
vertrekken, even onbeschaamd moet afdingen, als de winkeliers vragen ■—
alleen in de grootere Chineesche tokos is dat niet zóó noodig omdat zij nu
— het voorbeeld van Eigen Hulp en Onderlinge Hulp volgend — vaste prijzen
hebben. Toch gebeurt het nog een enkele maal, dat de prijzen beginnen
te waggelen, nl.: als men op \'t punt is van heen te gaan, zonder zijn
inkoop te hebben gedaan.
De passars zelf zijn minder druk bezocht dan in kleinere plaatsen, omdat
er te Batavia meerdere zijn en de bevolking zich dus daarover verdeelt.
De inlandsche bevolking van Batavia is zeer gemengd, men vindt er
Soendaneezen, Bantammers, Oost-Javanen, Madureezen, Klingeleezen,
Arabieren etc, die allen min of meer den invloed der Kuropeesche beschaving
ondervinden en daarvan de deugden en gebreken overnemen.
Wanneer men pas uit Europa komt, vallen al die verschillende typen
niet zoo dadelijk op, men ziet ,,inlanders" en vindt dat ze allen op
elkander lijken, zoo zelfs dat men de hotel-jongens, die men toch dagelijks
ziet, niet. van elkander weet te onderscheiden.
Wanneer men de inlanders zich ziet baden in de kalie\'s en zij hun
hoofddoeken hebben losgemaakt en hun lange haren loshangend over
\'t water spreiden, vraagt men onwillekeurig: is dit nu een man of een
vrouw? Hun schouders, die even boven den waterspiegel uitsteken, zijn
-ocr page 130-
i i8
TE BATAVIA EN BL\'iïEN/.ORG.
dikwijls even rond als die der vrouwen. Heffen zij zich halverwege uit
het water op, dan ziet men natuurlijk\' het onderscheid, omdat de vrouwen
haar sarong vlak boven den boezem dichtslaan en de mannen het geheele
bovenlijf naakt laten. Oppervlakkig zou men denken, dat het baden in
de kali iets aanstootelijks moest hebben, maar dat is in \'t minst niet het
geval; mannen zoowel als vrouwen doen het op de meest kiesche wijze,
bovendien vond ik die bruine gestalten, geheel passend bij het gelig
drabbige water, in overeenstemming met de geheele omgeving.
Dat baden moge verkoelend _______ voor de inlanders zijn, reini-
ik het met den besten wil
niet, wanneer het water
■itrooming van eenig
de droge mousson,
bezocht. Op mij
een alles behalve
indruk, vooral niet
al de faecaliën er
en toen ik op-
vlak bij badende
ren en vrouwen,
baboes talrijke
uitgoten. Het
alsof die vermeer-
stof de badenden
aandeed, want ik
,\'eel genot er in
asschen, hun mond
■tsen, terwijl ande-
rijst zuiverden of
:hten. Den reinen
gend of verfrisschend kan
niet vinden, ten minsti
laag is en zonder
belang, zooals in
toen ik Batavia
maakten de kalies
verf risschen den
toen ik wist, dat
in te land komen
merkte, hoe b.v.
mannen, kinde-
hóteljongens en
nachtspiegels
scheen echter wel
dering van vloei-
niet onaangenaam
zag hen met even-
rondplassen, zit
spoelen en tani
ren in datzelfde w
er hun kleeren
is alles rein! daarom houd
Javaansche vrouw.
ik de inlanders dan ook
gaarne voorde reinsten onder
van de kali hebhen zij bi
de reinen ■— maar de lucht
zich, dit staat steevast; dat heb ik zelf
geroken!
Wellicht ook ontstaat deze uitheemsche geur door de langzame ontbinding
hunner kleederen, die dikwijls nat worden bij het baden en dan een-
voudig aan hun lichamen weer opdrogen.
Behalve bij feestelijke gelegenheden, selamatans, trouwfeesten of
besnijdenisplechtigheden, maakt de inlander nicl veel werk van zijn
garderobe. Hij draagt meestal zijn baad je en broekje, de vrouwen haar
lange kabaai\'s en sarongs, totdat die klecdingstukken de tering krijgen
-ocr page 131-
TE BATAVIA EN BLTTEN7.ORG.
119
en langzaam van hun lijf afvallen. Natuurlijk zijn hiervan uitgezonderd
de huisbedienden, die door de goede zorgen van hunne respectieve
meesteressen er in den regel keurig netjes en proper uitzien. Ik durf
dit evenwel alleen van het mannelijk personeel volhouden, want ik heb
opgemerkt, dat soms in de fijnste familie\'s baboes worden geduld, die
kabaaien en sarongs dragen, waaraan de meest handelslustige oudskleêr
geen „massel" meer zou kunnen maken.
Atelier voor Batikkende vrouwen.
De algemeene dracht van de huisjongens, zoowel als van de koetsiers,
bestaat uit helderwitte baadjes met roode of blauwe kragen, lapellen
en strepen om de mouwen — een fantasie-livrei van stevig linnen —
nette pantalons, waaruit de goed gesoigneerde bruine voeten steken en
een sarong over en om de heupen. De koetsiers tooien zich bovendien
nog met een hoed, ontzachlijk veel gelijkenis vertoonend met een omge-
keerden, vergulden en gedecoreerden aardappelenbak. Door zijn sarong
toont de Javaan zijn meer of mindere gegoedheid, zijn smaak en netheid.
Een Javaansche dandy draagt niets anders dan gebatikte sarongs, soms
-ocr page 132-
TE BATAVIA KN Bl\'ITENZOKG.
120
zeer dure, terwijl een die minder ,,chicard" is zich met een gedrukte
katoenen behelpt.
liet batikken is een industrie, die over geheel Java, voornamelijk door
vrouwen wordt uitgeoefend. Zij werken dikwijls zeer artistiek en smaakvol.
Door middel van verschillende kleurstoffen, waarvan zij alleen het geheim
kennen om ze wasch-echt te maken, teekenen zij op katoenen stoffen
allerlei figuren, bladeren, bloemen, vogels, dieren, arabesken en fijne
ornamenten, die zij telkens met was overdekken, zoodra weder een andere
kleur moet worden aangebracht. Men treft overal ateliers van batiksters
aan, en zij die haar vak meester zijn, hebben een ruim bestaan, want
goede mooie gebatikte sarongs worden nog altijd duur betaald.
Door de vriendelijke tusschenkomst van een der militaire autoriteiten
werd mij de gelegenheid geboden te Ratavia ook een kazerne te bezoeken.
Welk een onderscheid met een Europeesche! Zoo\'n kazerne is niet meer
of minder dan een groot dorp, waarin verschillende ruime, luchtige
gebouwen staan, te midden van lommerrijke lanen en omgeven van gras-
velden en tuinen. Groote pendoppo\'s (een soort van op palen rustende
loodsen), van inlandsche kookfornuizen voorzien, bieden aan de soldaten-
vrouwen, waarover \'s avonds en \'s morgens geregeld appèl gehouden
wordt, en die op gezette tijden de kazerne moeten verlaten, gelegenheid
om voor haar lakies (mannen), allerlei toespijzen voor de rijst te bereiden,
kleederen te wassehen en te verstellen of wapens te poetsen.
De aanwezigheid van vrouwen en dikwijls naakte kinderen in de kazerne,
vindt men in den beginne zonderling, omdat zoo iets in Europa nooit
voorkomt, maar wanneer men weet, dat de inlandsche soldaat voor het
meerendeel niet zou willen dienen, wanneer hij zijn vrouw niet bij zich
mocht hebben, kan men zich begrijpen, dat de regeering uit welbegrepen
eigenbelang zich niet verzet tegen die samenwoning.
De vrouwen staan echter even goed onder discipline als de soldaten,
en wanneer haar mannen te velde zijn, moeten ze \'s avonds vóór zons-
uudergang alle binnen komen; overdag gaan zij ter markt of bewegen
zich vrij door de stad, in de daartoe aangewezen uren. Zoodra zij in de
kazerne terug komen, moeten zij in de vrouwenloodsen verblijf houden,
totdat het uur van slapen wordt geblazen.
In \'t midden van die verzameling gebouwen is een open plein, waar
kleine exercitiën kunnen gehouden worden, en op onderscheidene plaatsen
vindt men badgelegen heden. De woningen zijn verdeeld in die voor
soldalen met en zonder vrouwen. In de slaapzalen der ongehuwden staan
-ocr page 133-
TE BATAVIA KN BUITEN7.ORG.                                      121
gewone slaaptafels of kribben, voorzien van het weinige luchtige fndische
beddegoed, in die voor de gehuwden evenzoo slaaptafels, maar met dit
onderscheid, dat de meeste soldaten er zelf een kelamboe (een neteldoeksch
muskietengordijn) om hebben gehangen, zoodat zij van hun kamergenooten
zijn afgescheiden. Langs de gewitte muren zijn legplanken en kastjes
aangebracht, waarop en waarin de soldaat zijn wapens en équipement-
stukken bewaart. Doelmatige ventilatie maakt de slaapzalen frisch
en luchtig.
Het is een vreemd gezicht, in een kazerne komend, in de chambrée
mannen en vrouwen eendrachtelijk op hun legersteden uitgestrekt te
vinden — oppervlakkig oordeelend zou men meenen, dat er iets onkiesch,
iets aanstootelijks in was, maar wanneer men al die gekleede echtgenooten
ziet, allen slapen in slaapbroek en kabaai, of nachtkleed, valt dat volstrekt
niet op.
Zoodra een vrouw in de kazerne moeder is geworden, iets wat zij
dikwijls met bijna electrische snelheid goed en netjes verricht, neemt zij
met haar kindje plaats onder de slaaptafel, haar echtgenoot blijft op zijn
gewone plaats bovenop. Dan wordt de kelamboe rondom het onderste
gedeelte bevestigd, zoodat moeder en kind als in een gazen huisje liggen,
beschut voor vliegen en muskieten en voor \'t onbescheiden oog als in
nevelen gehuld. Gedurende veertien dagen blijven moeder en kind onder
die tafel bivakkeeren, beschenen door een klein petroleumlampje, een
zoogenaamd nachtpitje, dat dag en nacht brandt, totdat de veertien dagen
om zijn; overigens slapen gehuwden, zoowel als ongehuwden, in weldoend
en beschermend duister, zoodra het signaal „lichten uit!" weerklonken heeft.
Ik zag in de kazerne, die ik bezocht, veel kleine lampjes onder de
tafels, wel een bewijs dat de inlandsche soldaat nog niet uitsterft.
De onderofficieren hebben betere, meestal grootere en met eenig comfort
ingerichte woningen, in den regel bestaande uit een slaap- en zitvertrek.
Toen ik de kazerne bezocht, stonden overal groote ijzeren emmers vol
thee, een drank, die de soldaten kregen, omdat er op dat oogenblik nog
al cholera-gevallen te Batavia voorkwamen.
Het is een zeer eigenaardig gezicht, al die donker gekleurde militairen
te zien en velen te ontwaren, die met lierheid hun decoratie, het expeditie-
kruis of medaljes dragen. Over \'t algemeen hebben de Indische soldaten
een kranig uiterlijk, een flink militair voorkomen en wanneer men hen
ziet exerceeren, moet men eerlijk bekennen, dat zij aan veel Europeesche
militairen een lesje kunnen geven.
Daarentegen moet ik ook erkennen, dat de Indische soldaat het in alle
opzichten beter heeft dan de Europeesche. Zijn dienst moge dikwijls
zwaarder zijn, maar voor zijn ontspanning wordt ook op meer onbekrompen
-ocr page 134-
122                                     TE BATAVIA F.N BUITENZORG.
wijze gezorgd. De cantines zijn voor \'t meerendeel zeer goed ingerichte
gebouwen, waar hij op zijn tijd biljarten of kaartspelen, schaken, dammen
en lezen kan. Ruim voorziene leestafels en bibliotheken vindt men overal,
een dikwijls goed ingericht tooneel geeft hem de gelegenheid proeven af
te leggen van zijn dramatisch talent en aan een wel voorzien buffet, waar
in den laatsten tijd door de regeering uitmuntend bier tot den inkoopprijs
verkrijgbaar is gesteld, kan hij zijn dorst lesschen. Dat dit vergemakkelijkt
biergebruik door den soldaat wordt gewaardeerd, is merkbaar aan het
verminderde debiet van de jenever, die overigens, hoe goed en goedkoop
het Maastrichtsche of Hollandsche bier ook mogen zijn, nog in \'t geheel
niet wordt versmaad. Ook de Militaire Tehuizen werken voordeelig op
de moraliteit van den militair, omdat men in Indië zoo verstandig is, die
„tehuizen" niet te vergiftigen door onnoodig vroomheidsvertoon of onge-
nietbaar te maken door bijbelteksten en zedespreuken. Hier te lande zijn
ze maar al te dikwijls een plaats, waar de soldaat zich per se moet ver-
velen in zedige braafheid. In Indië zijn ze de gezellige plek waar hij
voor een oogenblik zonder jenever, zich thuis en gewoon mensch kan
gevoelen.
Wat mij vooral te Batavia opviel was dit: de geheele stad heeft een
min of meer militaire tint door de groote orde, die overal heerscht, door
de vele officieren in uniform, die men ziet; de keurig nette, witte, met
goud uitgemonsterde uniformen staan hun heel wat beter dan de politieke
confectiepakjes waarin de heeren zich hier te lande dikwijls bij voorkeur
vertoon en.
Voortdurend ziet men infanterie en cavallerie marcheerend of exerceerend
langs de wegen; men voelt dat men zich in een plaats bevindt, waar
het militaire element waarlijk militair is en meer te zeggen heeft dan
elders. Bovendien blijft men te Matavia nog getrouw aan enkele oude,
krijgshaftige gewoonten. Zoo wordt b. v. eiken morgen precies om
vijf uur het ochtendschot van de citadel gelost en om acht uur des
avonds, „het avondschot.\'\' Poekoel Boem! — (het uur, Boem!) noemen
de inlanders het.
Batavia heeft over \'t algemeen genomen — ik zou haast zeggen iets
Haagsch over zich, iets voornaams, dat men in andere steden mist. Zonder
twijfel vindt dit zijn oorzaak in de aanwezigheid van de hoogere regeerings-
beambten en het hof van den landvoogd, die echter meestal te Buitenzorg,
in koeler lucht, resideert.
Buitenzorg! ik kan mij begrijpen dat Z.Excell. de Gouverneur-Generaal
daar in die kalme berglucht, te midden van een liefelijk geurenden tuin,
zich met helderder hoofd en krachtiger geest kan wijden aan \'s lands
belangen, dan in het altijd warme en drukkende Batavia. Zijn paleis,
-ocr page 135-
TE BATAVIA EN BU1TENZORG.
123
overigens zeer bescheiden van omvang en niet buitengewoon weelderig
ingericht, is midden in een park, grenzend aan den wereldberoemden
botanischen tuin, gelegen aan den grooten vijver, waarin de prachtige
Victoria Regia\'s het oog verrukken. Het verblijf van den onderkoning
biedt een onvergelijkelijk schoon uitzicht op de valei van den Tji-Liwang,
den vulkaan Salak en de blauwe bergen aan de ééne, op den uitgestrekten
hertenkamp, waarin de makke reeën en herten vreedzaam grazen, aan de
andere zijde.
                                                                                                           ;
Paleis van /..Kxc. den Gouverneur-Generaal Ie Ituitenzorg.
Z. Excellentie bewees mij de groole eer, mij in dat paleis aan zijn
tafel te nooden en ik zal nimmer vergeten, hoe gezellig en aangenaam
de ontvangst aldaar was, hoe eenvoudig en gemakkelijk Z. Excellentie
met zijn gasten omging en gesteund door zijn echtgenoote, Mevrouw
van der Wijck, toonde, dat hij niet alleen landvoogd, maar op zijn tijd
ook een allerminzaamst gastheer kan zijn, dit; met vroolijken kout de
voortreffelijke tafel weet te kruiden, alle ollicieele gedwongenheid door
zijn hartelijke gulheid verdrijvend.
In ruim anderhalf uur tijds voert een goede spoorlijn van Batavia naar
-ocr page 136-
IK BATAVIA KN HUITKN/OKG.
124
Buitenzorg, langs een aanvankelijk vlakken weg, die echter voorbij liet
station Tjiloewar langzaam begint te stijgen.
De terrasvormige sawahs breiden zich allengs, links en rechts, verrukkelijk
schoon uit, nu eens het oog streelend door de teêre, fijne kleur van het
sappige groen der jonge plantjes, dan weer door de spiegelingen van het
licht op de blankstaande velden.
Voortdurend wordt de blik geboeid door de levendige stoffage van het
overschoone landschap. De aan beide zijden van den weg zich tegen de
hellingen der bergen als opstapelende rijstvelden hebben, hoe dikwijls
men ze ook ziet, telkens een nieuwe eigenaardige bekoorlijkheid. Nu eens
ontwaart men Javanen, die met hun karbouwen ploegend of eggend, door
de zware, dikke, modderige aarde zwoegen, dan weer lange reien van
vrouwen, wadend door het water om de kleine plantjes in den grond te
poten. Haar kleurige baadjes doen als vroolijke tonen in de harmonische
gamma van groen, eigen aan het landschap, dat steeds rijker en afwisse-
lender wordt. Naast den ploeg en het poten, de oogst - - zonderling
geval! Als zwermen op de akkers neergestreken bonte vogels, ziet men
geheele verzamelingen van vrouwen, die de goudgele rijsthalmen afsnijden,
één voor één, om ze dan in kleine bosjes te binden. Hoog boven de
akkers, hier en daar, verheffen zich op lange bamboesstokken kleine met
atap gedekte wachthuisjes, van waaruit soms een Javaan bezig is koorden
te spannen over de velden, om daaraan fladderende lappen ol wimpels
te hechten, die als verschrikkers moeten dienen voor de glatiks (de rijst -
dief jes), die in overgrooten getale de sawahs komen plunderen. In andere
goeboegs is de wachter druk in de weer met rammelende, een hol geraas
makende bundels bamboesstukken, om de snoeplustige vogels te verjagen.
\'s Nachts blijft de waker in zijn verheven hut, ten einde de wilde varkens
te verdrijven, die de jongt; aanplantingen dikwijls onherstelbaar beschadigen.
Vaak klinkt zijn klagend gezang of zacht kweelend fluitspel, waarmee hij
zich den tijd kort, dan over de eenzame velden, monotoon én droefgeestig
de nachtelijke stilte verbrekend.
Na de rijstvelden, waartusschen zich de Tji-Liwong kronkelt, komen
de Buitenzorgsche bergen in \'t gezicht, bij iedere kromming van den weg
ontstaan nieuwe verrassende landschappen, tintelend van zon, vol schakee-
ringen van groen en in de verte rijzen de majestueuse toppen van de
vulkanen Gedeh en Salak.
Buitenzorg ligt tusschen de bergen als een liefelijk oord van vrede en
rust, verfrischt door koele bergwinden en veelvuldig vallende regenbuien.
Waarlijk, die het geluk heelt daar te kunnen wonen, is buiten zorg!
De aankomst aan het station, waar een levendig vertier heerscht, is
zeer eenvoudig, een breede weg langs enkele villa\'s en het goedgelegen
-ocr page 137-
TE BATAVIA EN BUITENZORG.                                      125
„Hotel du Chemin de fer" voort naar d<- wijd uiteen gebouwde lommerrijke
stad, langs een gedeelte van \'s Lands Botanischen tuin, de glorie van
Buitenzorg, neen! van geheel Indië. Ken bezoek aan dien plantentuin
schenkt iedereen het bewijs, dat er nooit te veel, nooit genoeg van kan
gezegd worden.
Alle denkbare soorten hoornen en planten worden daar in vele variëteiten
Waringhin-boom.
gevonden. De waringhins vooral zijn er onbeschrijfelijk interessant. Dit;
boom maakt op mij den indruk van een verzameling boomen op één stam,
op en neer groeiend. Ken boom, die opwast to* een schaduwrijken koepel
van prachtig groen, zich welvend over den krachtigen stam. Dan zendt
hij als een regen, uit zijn takken, loten omlaag, die de aarde bereikend,
daar vast groeien, opnieuw stammen vormen en elk op zijn beurt weer
-ocr page 138-
126
TE BATAVIA EN BLMTENZOKG.
andere luchtwortels voortbrengen. Eindelijk vormen zij met den moeder-
stam één geheel van groene galerijen en waranden, /.onderling gefatsoeneerd.
(irooter rijkdom van palmen vindt men nergens ter wereld dan in
\'s Lands Botanischen tuin te Buiten zorg. Bloemen en orchideën, varens
en rhizophoren in duizenderlei afwisselingen bieden een overrijk veld van
studie voor den botanicus.
De onbeschrijfelijke vruchtbaarheid en geschiktheid van den bodem in
Koningspalmen te liuitenzurj».
den tuin voor alle tropische gewassen, is voornamelijk te danken aan
de vochtige warmte haar eigen, ontstaande door de nabijheid van den
frisschen Tji-Liwong, de milde koesterende zon en de bijna dagelijksche
regenbuien.
Groote rijwegen en heerlijke paden doorsnijden den uitgestrekten hortus,
die de geliefkoosde wandelplaats is der Buitenzorgsche dames en heeren,
zoowel als van de talrijke vreemdelingen, die Buitenzorg bezoeken.
Wil men nauwkeurig alles bezien, dan zou men dagen daarvoor noodig
-ocr page 139-
TE BATAVIA KN BUITENZORO.                                      127
hebben, alleen de Koningspalmenlaan reeds is voor een niet oppervlakkig
bezoeker een onuitputtelijk museum van Indische planten weelde.
De hotels ,,du Chemin de Fer" en „Bellevue" bieden beide goede
gelegenheid aan om zich te verfrisschen na de vermoeiende wandelingen
in den tuin en wanneer men een van de bergkainers van het ,,Hotel de
Bellevue" betrekt, vergeet men spoedig alle afgematheid door het ver-
rukkelijk panorama, dat zich daar aan het oog ontrolt in de vallei van
den Tji-Liwong en de prachtig begroeide hellingen van den reusachtigen
Salak.
Buitenzorg is de schoonste parel aan de kroon der Koningin van \'t Oosten
-ocr page 140-
128                      OP \'T BAL BIJ DEN GOUVERNEUR GENERAAL.
OP \'T BAL BIJ DEN GOUVERNEUR GENERAAL.
„Namens Zijne Excel-
„lentie den Gouverneur
„Generaal en Mevrouw
„van der W\'ijck heeft de
„Luit. Kolonel Adjudant
„de eer den Heer Justus
„van Maurik uit te noo-
„digen een bal te komen
„bijwonen, Zondag den
„2en Augustus iSr/6, des
„avonds ten negen uur,
„enz. enz."
Ik stond nog verwonderd op de invitatie-kaart, die ik in mijn kamer
op tafel vond, te kijken, toen mijn vriend Jansen binnentrad.
—    Kerel! riep hij me toe, je hebt \'n uitnoodiging voor \'t bal bij den
Gouverneur, de manager zei me, dat ze van morgen voor je bezorgd was.
—  Ja, hier is ze!
—    Dat treft goed, ik ga er ook heen, dan kunnen we samen gaan.
Jij hebt natuurlijk nooit zoo\'n feest bijgewoond — ik had al vroeger de
eer in mijn kwaliteit als ambtenaar — maar voor jou vind ik \'t heel
interessant.
—  \'k Ben er verbazend mee in mijn schik, waarachtig, een groote eer;
\'k begin me een heele Toewan te voelen. — Ahem ! je mag wel zoolang
gaan zitten, mannetje....
—   Drommels, wat ben jij gauw in je rol.
Mijn vriend, die reeds geruimen tijd in \'t Hotel, waar ik logeerde, ,,en
pension" woonde, keek me glimlachend aan en zei: — daar kun je in
Holland mee geuren!
-ocr page 141-
OP \'T BAL BIJ DEN GOUVERNEUR GENERAAL.                      I2Q
—   Natuurlijk !
—   En dans je goed?
—   Als je \'t niet oververtelt wil ik je eerlijk bekennen, dat ik al wat
stijf in de achterband word, m\'n beenen zijn min of meer stokkerig. Ja,
toen ik nog \'n jonge spring-in-\'t-veld was, heb ik me wel eens aan \'n
galop of polka bezondigd — een wals gooide me dadelijk tegen de vlakte
— maar dat was zoo bij onderonsjes of in sociëteiten, na \'n uitvoering,
\'k Geloof dat \'t verstandig zal wezen om me op zoon gala-bal — \'t is
immers voor den verjaardag van H. M. de Regentes — maar te bepalen
tot kijken.
—   Kom ! een quadrille kun je best meedoen !
—   God bewaar me ! \'k zou al de figuren in de war sturen. Hoe houden
ze \'t hier uit in Indië, \'t dansen ? \'k Begin al te transpireeren als ik er
aan denk.
—   O! dat doe je zonder dansen toch, wij trippelen er hier maar lustig
op los; ik geloof dat nergens meer en beter gedanst wordt, \'k Zal je
wel aan eenige dames voorstellen... je hebt toch zeker je zwarte pak
meegenomen?
—  Zeker! \'k heb nog een nieuwen zwarten rok, vest en pantalon.
—   Laat m\' eens kijken; \'t zal wel een warm rommeltje wezen; is je
rok gevoerd?
—   Dat weet \'k waarlijk niet.
Ik haalde mijn gala-kostuum, mijn vriend bekeek het vest en den
pantalon en zei: — die vallen me meê, \'t is fijn kamgaren, maar toen hij
den rok zag lachte hij: — dat \'s een gezellig warm stalenpennerje, laat
de voering er uit nemen, dan kan ie wel — en wat voor schoenen heb je?
—   O! heel mooie gelakte molières met elastiek.
-- Kijken!
Ik toonde hem mijn spiksplinternieuwe schoenen; ze waren kort voor
mijn vertrek extra voor de reis gemaakt.
—    Bah! wat \'n vioolkisten! En wat voor kousen of sokken heb je
daarbij ?
—   Mooie gestreepte, rood en wit, of heelemaal witte...
—    Neen 1 die kun je niet gebruiken. Je moet zwart zijden kousen
hebben en nette lage schoenen, met een strikje vóór op den voet, dat is
hier op een bal de dracht.
—   Maar ik dans immers niet.
—    Doet er niet toe, als je er niet uit wilt zien als een echte baar,
moet je die schuiten thuis laten.
—   Kerel! ze zitten zoo gemakkelijk.
Ja, dat zie ik, je kunt er wel een voetbad in nemen. Ga morgen
9
-ocr page 142-
130                      ül\' \'l BAI. BIJ DEN GOUVERNEUR GENERAAL.
dadelijk een paar andere bestellen - ik neem je zóó niet mee. We gaan
hier te Batavia heel wat netter gechausseerd dan in Holland.
—  Wat \'n wonder, jelui loopen haast niet.
—   Maar we dansen, dat \'s nog heel wat anders.
Den volgenden dag schafte ik mij mooie zwarte zijden kousen
aan en bestelde bij den inlandschen schoenmaker Sapie-ie, bij Passar
Bahroe, een paar fijne gelakte schoentjes. De schoenmaker, die niets dan
Maleisen sprak, nam mij zorgvuldig de maat, zei: „Toewan ada kakkie
besaar" (mijnheer heeft groote voeten) en vroeg mij daarom ook vijftig
cents meer dan aan een ander, maar dat hinderde niet; voor de eer om
mijn voeten in de danszaal van Z. Excellentie te mogen zetten, had ik
gaarne die buitengewone uitgaaf over.
—    Bekin betoel, netjes, ja! goed sluitend maar niet te nauw! tida
terlatoe ketjil, recommandeerde ik Sapie-ie en ik geloof dat de man mijn
wonderlijk taaltje goed begreep, want hij knikte herhaaldelijk en nam
nog eens secuur de maat.
De voering werd uit mijn rok genomen, mijn jongen, die toen hij hoorde
dat ik naar \'t bal van Z. Exc. zou gaan, me blijkbaar met nog meer respect
aanzag, schuierde mijn zwart pak zorgvuldiger dan anders af en hing het
aan den kapstok, \'k Had een prachtig mooie witte das aangeschaft, gris
perle handschoenen gekocht en stond op mijn zwarte kousen een uur
vóór \'t noodig was gereed — maar de nieuwe schoenen waren niet
bezorgd geworden. Zou ik dan op mijn Hollandsche vioolkisten moeten
gaan? \'k Had den dag te voren mijn jongen nog naar den schoenmaker
gezonden en bericht gekregen, „dat meneer gerust kon zijn, want dat ze
er op tijd zouden wezen," maar wat er kwam, mijn schoenen niet. \'t Was
bij achten, \'k begon knorrig te worden en stond reeds op \'t punt om in
\'s hemelsnaam maar de gelakte molières met elastiek aan te trekken,
toen mijn jongen binnen kwam met een: — Sepatoe ada, toewan! De
schoenen waren er!
Ze zagen er waarlijk keurig uit; blinkend van nieuwheid, mooi puntig
toeloopend en met onberispelijk gevormde strikjes. Ik trok ze aan; ze
zaten niet al te gemakkelijk en drukten nog al van voren, vooral de eene.
Van achteren aan de hiel waren ze ruim genoeg, zelfs te ruim.
—   Kranig! riep Jansen, die me kwam afhalen. Je ziet er uit — hm!
tiré a quatre épingles! Zie je wel dat zoo\'n chaussure heel wat fijner staat?
—   Ja! mooi zijn ze wel, maar.... ze drukken me van voren, vooral
de linker.
—   Dan weet je meteen waar de schoen wringt! schertste hij — maar
dat \'s minder, ze loopen gauw genoeg uit. \'t Wordt tijd, man ! \'t Rijtuig
staat voor de deur, heb je je chapeau-claque, je handschoenen, je kaart?
-ocr page 143-
op \'t isai. hij di:\\ gouverneur generaal.                    131
—   Alles in orde!
We reden weg en terwijl ik in \'t rijtuig /;it, dat ons naar \'t paleis
van den Gouverneur Generaal bracht, kreeg ik zoo \'t gevoel: — Je bent
een verbazende kraan ! Wat zouden ze in Holland wel zeggen als ze je
zoo zagen !
Voor \'t verlichte paleis reden tal van rijtuigen, groote en kleine, ont-
laadden hun passagiers en bleven dan voor, naast of achter \'t paleis staan.
Het is namelijk de gewoonte te Batavia, dat men voor dergelijke gelegen-
heden, wanneer men geen eigen equipage heeft, een rijtuig huurt, dat bij
de feestzaal ingespannen blijft staan wachten, tot dat men er weder
gebruik van maakt om naar huis te rijden. De inlandsehe koetsiers en
palfreniers luieren met hun strooitje in den mond, zachtjes pratend met
elkander, bij hun wagens of slapen rustig op den bok, tot het oogenblik
daar is van vertrek.
De groote, fraai in witte „stuc" bewerkte receptie- en danszaal was
reeds vol bezoekers toen wij binnenkwamen. Schitterend verlicht door
talrijke gaskranen en kandelabres, met het uitzicht op den door gas-
illuminatie en kleurige lampions a giorno helderen tuin, bood de zaal
een prachtig schouwspel. Over den marmeren vloer, waarop de lichten
glansden en spiegelden, ruischten de zijden toiletten der dames en kletterden
sporen en sabels van de officieren in groot tenue. Wanneer de warmte
mij er niet aan had herinnerd zou ik hebben vergeten, dat ik in Indië
was en eerder gemeend hebben mij in een Farijsche balzaal vol rijk
gekleede mondaines te bewegen. Uitgezochte toiletten van satijn, zijde
en brocaat, schitterend van juweelen en paarlen, rijk gegarneerd met
kostbare kant, mooie ronde schouders, wel gevormde, goedgevulde bloote
halzen, fijne blanke armen en bustes, die, omdat ze wel gezien mochten
worden, zich ook niet al te veel verscholen, waren overal te bewonderen,
tusschen de zwarte rokken, groote open vesten en bleekveldachtige over-
hemden. Als een vurig lichtend puntje vertoonde zich de roode Fez van
den Turkschen consul in de verte, te midden der donkere heerenkleeding
en schitterend van goud tusschen de zacht gekleurde rosé, mauve, bleu-
pale en saumon-damestoiletten, bewogen zich de gala-uniformen van
generaals en hoofdofficieren.
—    Wat zeg je er van? fluisterde Jansen mij in, toen we een poos in
de zaal hadden rondgewandeld.
—   Magnifiek! Zie die dames daar eens kijken.
-- Waar?
—   Daar naar dien officier. O! ik zie al wie \'t is, \'t is Jhr. v. d. Bosch,
de adjudant van H. M. de Koningin, die op \'t oogenblik in Indië is.
—   \'n Prachtige uniform, is \'t niet, die van de rijdende artillerie .J
-ocr page 144-
I32                      <>l\' \'T H.M. HIJ DEN GüUVKRNEUK GENERAAL.
—  Juist! en \'n kolossale menigte riddcr-orden.. ..
—    Die uniform kennen /<• hier niet, geen wonder, dat de dames een
extra oogje wagen. — Kijk! daar hel) je generaal Vetter — \'n flinke
verschijning, maar streng, hè? — En daar — neen rechts moet je kijken
— daar komt generaal Segov aan.
—   \'n Prettig, gemoedelijk uiterlijk, en toch op en top militair!
Jansen keek me een oogenblik verwonderd aan en vroeg met ietwat
verwijt in zijn stem: — Waarom zeg je dat met zoo\'n pijnlijk gezicht?
—  Omdat mijn schoenen zoo raar heginnen te doen, \'t is of ik likdoorns
op al mijn teenen heb.
—   Rek je teenen eens goed uit, \'t is bepaald alleen door de nieuwheid;
ze zitten heusch keurig.
—   Ja! dat geloof ik, maar... \'k kreeg juist weer een judaskneep van
mijn linker schoen, doch ik hield me goed want \'k stond vlak voor generaal
Segov en werd door een der mij bekende heeren, die bij hem waren, aan
hem voorgesteld.
Ik begon het benauwd te krijgen, door mijn chaussure, maar ik moest
voort, stilstaan konden we niet, de menschenstroom stuwde ons verder.
—\' Allo! zei Jansen, wees niet kleinzeerig — \'t went wel. Zie je die
twee heeren daar, in \'t zwart? — dat zijn de heeren Scherer en Engel-
berts, Raden van Indië, en hier schuins naast je, die lange knappe man,
met dat lijn besneden gezicht en bijna wit haar, dat\'s generaal Ressner,
van de (ienie... Ah! bonsoir meneer Valorion, hoe gaat het u; mag \'k
u eens even voorstellen aan mijn vriend Van Maurik ?
—  Mijnheer Valorion, gedelegeerde van een Belgische Cult uur-Maatschappij.
—   Aangenaam !
Mijnheer Valorion was een klein dik heertje, opgezet en hoogrood van
kleur, met een hoofd waarop de laatste haren een wedstrijd hielden en
een pikzwart geverwd, steil opgezet kneveltje. Keurig in een zwart pak
gestoken en met een reusachtig overhemd, waarover drie bijzonder mooie
brillanten hun stralen schoten, zag hij er zóó nieuw uit, als was hij pas
uit een doosje ontpakt. Zijn korte dikke handjes kwamen in onmogelijk
strakgespannen handschoenen halverwege uit de mooiste manchetten, die
men zich voorstellen kan, te voorschijn en zijn voetjes staken in gelakt
leêren schoentjes, die brutaal glimmende neusjes met gele randjes hadden.
Een gouden pince-nez balanceerde op zijn rond wipneusje en zijn
chapeau-claque gebruikte hij als waaier.
—   Charme de faire votre connaissance! en hij liet even zijn dik kopje
als geknakt op zijn witte das vallen.
—  Valorion spreekt uitmuntend Hollandsch, zei Jansen.
—    Oh, pardon! ikke spreek Ollands, maar niette mette 1\'accent, die
-ocr page 145-
UI\' T HAI. HIJ DKN C.Ol.VKKNKl\'R CKNKKAAI.
1 33
isse kewenscht, savez-vous? O! alse men isse langen tijd in Indië, inutile
de vous dire, datte Ollands spreken isse de rigueur, wantte niette vele
menschen ier sont accoutumés a parier francais. Allemale bitjara Melaijoe
dan blanda. Zij spreken malais beaucoup plus facile, savez-vous!
Dat savez-vous van den heer Valorion verried dadelijk den Belg en ik
vroeg: — U is geen Franschman, vvèl ?
— Beige, monsieur! en druk met zijn claque en handjes gesticuleerend:
— Ah! quelle fète ! vvatte magnifique inricktink ; ikke ben stupéfait, ebbe
nooit kedacht ier in Batavia te vinden zoo éblouissante, splendide societé.
Ah! paröle d\'honneur ikke make tous mes rompliments aan de Indische
___^                            dames. Quelles amours de toilettes!
Isse voor mij ook de eerste male ikke
assisteer aan die bal!
—   Is u dan ook pas in Indië?
—    C\'est a dire, benne environ drie
maand\' ier, maar wasse zeven maand
a Singapore!
—   En waar bevalt het u beter?
—   O! ier — ier! Batavia isse la
perle de 1\'orient; zóó skoone stad, zóó
skoone société isse niette a Singapore.
Les anglais sont charmants, — hommes
d\'affaires. Savez-vous ? — Mais leurs
femmes. Ol
i: raides
commedes stockfisch.
Ier! ma foi! charmante vrouwen — chic!
Betoel! Farisiennes. O! sapristi! — de
punten van mr. Valorions kneveltje trokken bijna tot in zijn ooghoeken
op, toen hij, al zijn witte tanden toonend, lachte: — ikke ben ébahi!
Quelles femmes opulentes — ah! ik adoreer die femmes bien baties! die
skoone vrouw, met taille fine en zoo hm! zoo hm! weelderik keformd.
Oh! que ne suis je plus libre — et jeune!
—  Ah, u is getrouwd ?
—   Oui, oui! — hij keek een oogenblik op de punten van zijn schoenen -
ikke ebbe alle dwaasede meêkemaak. Ah régardez, mais c\'est une femme
divine, éblouissante, la, la! mais non! la, plus a gauche ! en met een blik
door zijn pince-nez, die den geoefenden kenner verried, wees hij, even
zijn vingertoppen kussend, op een statige, jonge, blonde dame in een
zeer gedecolleteerd toilet van goudkleurig satijn, die aan den arm van
een grijs, deftig heer, tusschen de menigte wandelde, en zei:
—  Ah! quelle déesse! Sans doute son père?
—  Wel neen, dat is haar man !
-ocr page 146-
1^4                      OH \'l UAI. BIJ DEN GOUVERNEUR GENEKAAL.
Oh! monsieur Jansen, impossible \'aare man? Oh! Ie pauvre homme!
—   Hè?
—   Oli, ikke wou niette wees dans sa place — ikke \'adde keene
momente rust. Je suis jaloux comme un tigre savez-vous ?
- O! meneer Valorion, onze dames zijn in dit opzicht geen Parisiennes
en.... Stil! daar komt Zijn Excellentie.
Plotseling kwam een algemeene schuivende, achterwaartsche beweging
in de steeds dichter en dichter zich opeenpakkende menigte gasten. Als
van zelf zich langzaamd ordenend, vormde zich voor den troonhemel, die
aan den eenen zijwand der zaal zich trotsch verheft, een halve cirkel van
dames en heeren, en werd de zaal kalm en zonder gedruisch geheel en
al gevuld. Nu en dan vloog een zuchtje door de geopende deuren en
vensters en bracht liefkozend strijkend over de bekoorlijke damesschaar
een fijne geur van parfums, van poudre de riz, bouquetten en bloemen
over al de aanwezigen.
,.Wilhelmus van Nassouwen !" speelde de muziek, in een bijzaal ver-
borgen, achter groen en bloemen.
Voorafgegaan door de Raden van Indië met hunne dames, naderde
Z. Exc. de Gouverneur-Generaal met zijn echtgenoote.
Na een oogenblik voor het levensgroote portret van Z. M. Willem 111,
dat onder den troonhemel hangt, te hebben plaats genomen, boog Z. Exc.
voor de aanwezigen en maakte mevrouw v. d. Wijck een diepe neiging.
Al de gasten, voor zoover ze daartoe in de mogelijkheid waren, bogen
terug en drongen toen zeer bescheiden een weinig vooruit, om te zien,
wie het eerst door den G.-G. zou worden aangesproken. Hier en daar
werd de eenc of andere hooge staatsdienaar door den onderkoning
vriendelijk begroet, handdrukken met dezen en genen werden gewisseld,
heeren bogen, dames neigden, lachjes vlogen heen en weer en---------
toen bogen allen, links en rechts, nogmaals voor Z. Exc.
Eindelijk kwam er een zeer ondeelbaar, kort oogenblik, dat er niets
werd gedaan, maar \'t zachte stemgegons, dat daardoor als een verlegen
(luisteren even door de zaal trilde, werd eensklaps krachtig overstemd
door de opwekkende lonen der muziek, die ,,de Polonaise\'\' begon.
Ik kon \'t bijna niet langer uithouden, mijn linkerschoen scheen \'t er
op te hebben gezet mij razend te maken en ik zocht de gelegenheid haar
even uit te trekken, maar er was geen kwestie van teruggaan, met
onweerstaanbare kracht werden we opgedrongen, want iedereen, die zelf
niet mee danste, wilde zien hoe Z. Ex. het bal opende.
Als te voorschijn getooverd door de vroolijke toonen der muziek,
ontwikkelde zich uit de opeengepakte\' gasten een fraaie, bonte stoet, die,
als een lange schitterend-veelkleurige slang door de balzaal, galerijen en
-ocr page 147-
op \'t bai. hij den gouverneur generaal. 135
bijzalen voortkronkelde. Daarna, terugkeerend tot zijn oorsprong, plotseling
als in atomen uiteenspattend, loste liij zich op, verdwijnend langs de
wanden en door de deuren, in bijzalen en tuin.
\'t Was bijzonder vol, maar toch bleek de gelegenheid tot dansen zeer
goed en heerschte er een zeer opgewekte en zelfs ongedwongen geest op
het bal, dat spoedig in vollen gang was. Over den gladden marmeren
vloer walsten de paren, hooger kleurden zich de wangen en sneller klopten
de harten. Langs de wanden zaten balmoeders en muurbloempjes zich
met haar waaiers koelte en berusting toe te wuiven en tusschen de bloem-
versieringen door keek de schalke Amor, met zijn pijltjes onzichtbaar,
maar zeker treffend, die zich te dicht in zijn nabijheid waagden.
In de bijzalen werd gelegenheid gegeven aan heeren, die van whisten
of omberen hielden ; talrijke speeltafeltjes noodden vriendelijk met hun,
als lokkende oogen knippende, kaarsen.
De voorgalerij was de verzamelplaats van hen, die niet dansten en niet
speelden. Verschillende groepen pratende, lachende en rookende gasten
stonden daar, als op goed geluk neergezet. Hier zag men een aantal
schitterende officieren in druk discours met een paar zwartgerokte handels-
som miteiten, daar eén marine-uniform tusschen veel zwarte rokken en een
eind verder een damesgezelschap, schertsend en lachend met een ,,lion
fin de siècle," die niet dansen wilde, omdat hij cynisch bekende, dat hij
aan een sigaar verre de voorkeur gaf.
—    Ah, les bons cigares! zei Mr. Yalorion en met verrukking liet hij
den rook van een fijne Havana door zijn neus gaan. — (\'olossal! isse
tout un magasin ! en lachend wees hij op de sigarentafel, waar minstens
twintig soorten van de fijnste Havana\'s en Manila\'s uitgestald aprendre waren.
De bruine Javaansche lakei, die de heeren „vuur" aanbood, had zeker
meer te doen, dan menig gerenommeerd winkelier in sigaren op Zaterdag-
avond, want, zoodra men gratis krijgen kan wat men anders koopen
moet, is iedereen geneigd zich dubbel en dwars en liefst van het beste,
te voorzien.
De buffetten hadden \'t niet minder druk; zoo als men wel eens zegt:
„geen handen genoeg om te bedienen," maar toch werd men onmiddellijk
geholpen aan alles wat men vroeg — en wat kon men niet al vragen ?
whiskey-soda, brandy-soda, wijn, roode en witte, champagne, bier, likeuren,
sorbets, limonaden, ijs; in één woord, \'t was, zooals een piepjong mensch,
die voor \'t eerst als jeugdig ambtenaartje een kaart had gekregen, be-
weerde: — Hartje wat lust je, mondje wat begeer je!
—    Mijnheer! zei hij vertrouwelijk tot mij, terwijl zijn kleine groenige
oogjes boven zijn reeds vuurroode koontjes glinsterden : ,,\'k Heb nog
nooit zoo\'n royalen boel gezien — \'k ben nu al aan mijn derde sigaar en
-ocr page 148-
136                    op \'t bai. bij dkn gouverneur generaal.
aan ni\'n vijfde glas champie en \'t is pas half elf. Dansen doe ik niet,
weet u, daarom amuseer ik me maar zoo in m\'n eentje hier, en terwijl
hij een nieuwe sigaar ging opsteken, dacht ik: Vriendlief, hoe zal jij
wezen tegen half twee, als je \'t niet vóór dien tijd aflegt. In een ommezien
was hij terug, blies me den rook van zijn vierde toe en vroeg: — Hoe
vind u \'m? lijn, hè? maar \'t is zoo\'n kleintje. — Kijk! ik heb meteen
een paar Regalia\'s genomen, die steek ik bij me, dan hoef ik straks, als
ik in den tuin nog eens kalmpjes bij de champagne-bar ga zitten, niet
telkens hierheen te hollen.
Ik heb u een uurtje geleden al gezien in \'t kleine zaaltje, waar ze thee
schonken — lekkere thee, vond u niet, en keurige biscuitjes? Weet u
wat u ook eens moet proeven? Daar, aan \'t
andere buffet, heerlijk! Punch a la romaine,
geurig en fijn, hoor! \'k Heb er twee glaasjes
van gebruikt; dat goed is zoo lekker in je
maag, hè ? Dat doet je bepaald weldadig aan.
— \'k Had gedacht dat \'t hier een stijve boel
zou wezen, maar dat valt me geweldig mee;
je kunt precies doen wat je wil. Hij lachte
genoegelijk, haalde nog een glas champagne
en zei, met langzaam ophalende teugjes den
parelenden wijn savoureerend: — Heerlijk !
Zoo even kwam mijn chef me tegen en vroeg
zoo en passant: dans je niet, Willems? Hah!
dacht ik, daar heb ik m\'n menschen voor! —
hij hield zijn neus boven zijn glas: wat \'n
bouquet! — Weet u ook hoe lait of de souper-
zalen opengaan — ik wil er bijtijds bij zijn, want anders halen ze \'t beste
voor je neus weg. Je hebt van die onbescheiden lui, hè?
Jansen en Mr. Valorion, die een poosje afwezig waren geweest, kwamen
lachend en pratend terug.
—   Ah! quel homme! zei de Belg, quel homme eet Excellence! 1\'amabilité
en personne et sa dame! elle grisonne un peu déja, mais son oeil est
jeune, étincellant, une femme parfaitement distinguée. Elle a un accent
de voix a ravir — u moette ziek ook laten presenteer!
—   Heb je dat nog niet gedaan? vroeg Jansen.
—   Neen!
- Dan zal ik je dadelijk bij den adjudant van dienst brengen.
(iraag! maar laat me in godsnaam eerst mijn schoen even nazien,
ik hou \'t niet langer uit, \'k heb een gevoel alsof m\'n teenen geblakerd
worden,
-ocr page 149-
OH \'T BAI. BIJ OKN ÜOUVERNEUR GENKRAAI..                       137
—   Kom dan maar mee naar buiten.
Maar vóór ik dat doen kon, had een dame, aan wie ik eenige dagen
te voren was gepresenteerd, mij opgemerkt en moest ik, wilde ik geen
onbeleefdheid begaan, haar aanspreken.
Wat \'n marteling stond ik uit! Met een allervriendelijkst lachje zei de
beminnelijke vrouw: — \'t Was me binnen te warm; — hier ben ik wat
bekomen, doe u me plezier, meneer van Maurik, en geef me eens galant
uw arm. Breng me even door de zaal naar mijn dochter, die daar aan
\'t eind met majoor Bruining op de causeuse zit. Mijn dochter wou graag
eens kennis met u maken, wil u zoo goed zijn?
—   Niets liever dan dat, mevrouw! jokte ik.
De oude dame liep langzaam — en hoewel iedere stap mij bijna een
smartkreet ontwrong, hield ik mij goed, maar toch vroeg zij : — heeft u
last van \'t klimaat? Mij dunkt u ziet er minder goed uit dan verleden week.
—  O, in \'t minst niet, mevrouw! \'k Voel me heel lekker!
Natuurlijk had de dochter, toen ik voetje voor voetje met de moeder
door de zaal was gewandeld, haar plaats verlaten en was naar den tuin
gegaan. Eerst na een soort van lange jacht waren wij zoo gelukkig haar
in een bijzaal te vinden en smaakte ik het genoegen haar te hooren
zeggen: — Hé! is u nu meneer van Maurik. Och! ik had me u heel
anders voorgesteld, ja!
—   Misschien jonger, mevrouw ?
—    O, neen! maar kleiner, meer tenger, \'k denk altijd auteurs moeten
meer débile menschen zijn ....
—   Pardon! dat ik stoor, dames, maar ik heb van Maurik al met smart
gezocht. Hij moet aan Z. Exc. worden voorgesteld, mag ik hem u ont-
voeren? vroeg Jansen, die me kwam opzoeken, en tot mij: — Gauw, ga
mee, ik heb je naam al opgegeven aan Baron van Heerdt, \'t zal zóó je
beurt zijn.
—  Maar kerel! m\'n schoenen, waarachtig ik....
—  Geen tijd meer, strakjes, — kom!
Ik volgde hem, mijn pijn verbijtend, naar de zaal waar een groot aantal
heeren en dames queue maakten om aan den Gouverneur Generaal en
Mevrouw van der Wijck te worden voorgesteld.
Baron van Heerdt, Adjudant van Z. Exc, stond daar in zijn keurige
marine-uniform met zilveren tressen en toen het mijn beurt was stelde
hij mij voor:
—   Excellentie, de Heer Justus van Maurik van Amsterdam.
Uiterst minzaam stak de Gouverneur Generaal mij de hand toe en
terwijl ik, buigend, mijn hand in de zijne lei, dacht ik : wat een flink
innemend gelaat, wat \'n joviale, ronde uitdrukking heeft Z. Exc. in zijn oogen.
-ocr page 150-
13^                    op \'t bai. bij den gouverneur generaal.
—    En u bezoekt ons Indië dus eens, daar doet u goed aan, heeft u
een goede reis gehad ?
—   Uitmuntend, Excellentie!
Ik kreeg juist weer een geweldige kneep in mijn voet en nu nog ver-
wonder ik mij, dat ik mijn gelaatsuitdrukking heb kunnen beheerschen
Jlllt. C. H. A. VAN DER WlJCK.
Gouverneur Generaal van Nedkiü.. Oont-Im>ik.
en dat Z. Exc. niet opmerkte dat ik — \'k kon het waarachtig niet
helpen — van den eenen voet op den andere tripte, terwijl hij mij de
eer schonk met mij te spreken.
—  Niet zeeziek geweest? vroeg de Gouverneur Generaal.
—  Gelukkig in \'t minst niet.
—   Kom! dat\'s flink. En wat zegt u wel van Indië?
—   Een verrukkelijk schoon land. Excellentie! vol hartelijke menschen!
-ocr page 151-
OP \'T BAL BIJ DEN GOUVERNEUR GENERAAL.                       139
—  Ja, de Indische lui zijn gastvrij en goed. Kn u zal waarschijnlijk uw
reis-indrukken wel schrijven. Maakt n er een boek van ?
—   Wanneer ik heelhuids weer thuis ben, zal ik er zeker mijn best toe
doen, Excellentie!
—   Vertel dan veel goeds van ons Indië, want dat verdient het ten volle!
De Gouverneur Generaal stelde mij nog voor aan zijn echtgenoote, die
zich zeer vriendelijk eenige oogenblikken met mij onderhield — toen
traden beiden een halven pas terug, en maakten een lichte hoofdbuiging,
ten teeken dat het gesprek geëindigd was. Achter mij stonden een aantal
heeren en dames op hun beurt te wachten en met ongeveinsde, mede-
lijdende bewondering keek ik nog even om naar den Heer Van der Wijck,
die tot al die menschen een vriendelijk woord zou en kon richten. Toen
hinkte ik meer dan ik liep de zaal uit. \'t Was letterlijk niet meer uit te
houden, de rechterschoen gedroeg zich fatsoenlijk en kneep alleen zooveel
als een nieuwe schoen redelijkerwijs mag doen, maar de linker! Mijn
arme teenen staken als in een pers en het brandend gevoel werd hoe
langer hoe heviger. Eindelijk vond ik een eenzaam plekje, waar ik mij
van dien lastigen kwelgeest kon ontdoen, \'k Slaakte een zucht van ver-
lichting, toen ik dien verraderlijken gladden schoen in de hand had.
\'k Stak mijn vingers in de punt om te onderzoeken wat me zoo hinderen
kon en — \'k haalde er de rekening uit, die de schoenmaker er in vieren
gevouwen had ingestoken.
O, Sapie-ie! Waarom had je er ook geen kwitantie bij gedaan om
dadelijk te ontvangen ; dat crediet was mijn verdriet, eenige uren lang!
Nu liep ik, voor mijn gevoel, als een hert en zocht mijn vrienden op>
die me bij een der buffetten zouden wachten.
Yalorion dronk een whisky-soda en riep me, zoodra hij mij zag naderen
toe: -• Isse \'y niet Ie plus parfait gentleman? Ouelle bonhomie! et
Madame.... Ah! \'k ben tout a fait épris van Madame. In \'t keheel niette
présomptueuse, pas de vanité du tout!
—   \'n Hupseh man ! zei Jansen, de Gouverneur weet je dadelijk zoo op
je gemak te zetten, hij heeft een buitengewone tact. Ja, we zijn hier
allen met hem uit, hoor! Hij pakt de dingen ferm aan -- en zoo\'n man
hebben we hier hoog noodig.
—    Allons, monsieur Jansen, laat mij nock maak\' un petit tour in die
Salie de Bal. Ah! je veux encore me délecter a la vue des dames
Indiennes. Ah, sapristi! watte skoone vrouwen \'ier. Ikke keloof datte
die dames, \'ier keboren, zich développeer admirablement. Zoo bien baties,
zoo kroote dames, enne die mooi\' matte teint, enne die splendide, opulente
vorm\'. Ah! die Bataviadames sont adorables!
—   En de nonnas? vroeg Jansen lachend-
-ocr page 152-
14°                   (>tJ \'T BAI. BIJ DEN GOUVERNEUR GENERAAL.
—   Oh! die dames, mette so petite couleur de chocolat-au-lait, kleine
l>eetje\' gkeel! Charmant! ikke adoreer die teint basané — die tempéra-
ment zoo warm, ah! Allons ensemble, monsieur Maurick pour petite
promenade.
—   Dank u, \'k blijf hier wat staan kijken, \'k Moest mijn armen voet
eerst heelemaal weer op dreef helpen.
Mr. Valorion wandelde met mijn vriend eenige keeren de zaal rond en
van de plek, waar ik stond, zag ik hoe hij zich telkens aan een dame
liet voorstellen.
Op zijn teenen richtte hij zich dan zoo hoog mogelijk op, sloeg zijn
chapeau-claque met een onnavolgbare beweging onder den linkerarm en
lei de rechterhand op de borst.
Het kleine, dikke ventje boog als een knipmes, streek met een zenuw-
achtige beweging de weinige haren op zijn schedel glad of zette zijn
spitse kneveltje op, het hoofd achter in den nek werpend, \'t Was of ik
hem hoorde denken: Ah! si j\'étais encore jeune et — libre!"
Een oogenblik later zag ik hem, met een of andere dame aan den
arm, trotsch als een klein pauwtje voortstappen, met opgeheven hoofden
glimmend, verliefde oogjes opziende naar zijn danseuse.
-ocr page 153-
Ol» \'T BAI. HIJ l)K.\\ GOUVKKNKUK C.KNKRAAI..                         141
In den tuin achter liet Paleis wandelden, frischheid zoekend, verschillende
paren, lachend en schertsend, tusschen de tropische planten en hoornen
en \'t maantje gluurde lachend boven uit den klaren wolkenloozen hemel
naar al die feestvierende stervelingen.
In een sierlijk, met bonte, grillig gevormde Chineesche lampions ver-
lichte kiosk, was de champagne-bar, tevens dames-buffet. Ken dikke
looper leidde, uit de zaal over de marmeren trappen, naar dien rijk voor-
zienen ververschingstempel en heel hoog in de boomen er naast brandden
heldere lichten en kleurige lantaarns. Het geheel maakte een waarlijk
tooverachtigcn indruk, vooral wanneer men uit de Balzaal een blik wierp
op al dat zoo verschillend verlichte groen, waartusschen de maan haar
zilveren stralen kwistig heenzond, wedijverend met den glans van \'t gas-
gloeilicht of ze oplossend in den gloed der gekleurde ballons. Terwijl ik
zoo in gedachten, naar al dat voor mij buitengewone, stond te kijken,
naderde mij een der adjudanten en vroeg:
—   Heb ik \'t genoegen mijnheer Van Maurik te zien ?
—   Om u te dienen !
Hij stelde zich voor als luit.-kol. Staal, en zei:
—   Ik heb de opdracht van Z. P^xc. om u te vragen of u genegen zou
zijn te Buitenzorg een lezing te houden. De Gouverneur-Generaal heeft
den wensch uitgedrukt u te hooren.
—   \'t Zal mij een buitengewoon groote eer zijn !
—   Dan mag ik u zeker later wel schrijven welken dag?
—   \'k Ben geheel ter beschikking van Z. Exc.
—   Uitmuntend, kan ik u misschien van dienst zijn en u genoegen doen
door u eens rond te leiden ?
—   \'k Had het u niet durven vragen.
Met de meeste voorkomendheid bracht de adjudant mij door de zalen
en wees mij verschillende hooge autoriteiten aan, die ik slechts bij name
kende, maar nog nooit de eer had gehad van aangezicht tot aangezicht
te zien.
—   En hier is het particuliere kabinet van Z. Exc, zei de luit.-kol., mij
een bijzaal aanwijzend. — Ja, \'t is nu ontruimd moeten worden voor dit
feest, want feitelijk is voor zulke gelegenheden dit paleis wat klein, maar
binnenkort zal het oude paleis, hier achter dit, gereed zijn. Het wordt
gerestaureerd en ingericht tot feestlokaal.
—   Dan zal, voegde hij er glimlachend bij, Z. Exc. niet meer, zooals
vandaag, genoodzaakt worden zijn slaapkamer als bureau te gebruiken —
want de Gouverneur-Generaal heeft den geheelen dag hard gewerkt,
niettegenstaande deze avond een zeer vermoeiende zou zijn.
In dit salon ontvangt Z. Exc. zijn particuliere gasten, en hier, deze zaal
-ocr page 154-
14.2                         <>l\' 1 BAI. lil) DEN GOrV\'EKNI\'XK GENERAAL.
is een van de souperzalen, die wordt strakjcs geopend. Hoe vindt u het
arrangement van \'t buffet, heeft u iets dergelijks wel eens in Holland
gezien? Niet onaardig, hè?"
\'t Was meer dan dat — \'t was schitterend mooi!
Achter en op de groote, lange bulïettafels, vol prachtig kristal en
blinkend zilver, vol hoog opgeladen porseleinen schotels met sandwiches,
heerlijke taarten, fijne delicatessen, bonbons en vruchten, stonden, tusschen
vergulde luchters met kaarsen, groen en bloemen, groote blokken ruw
ijs in rotsvorm, grillig en fantastisch verlicht door talrijke er achter
geplaatste kaarsen.
In sommige blokken waren holten gesmolten, die nu grotten vol licht
schenen, openingen, waardoor het kaarslicht flikkerde en straalde als
vergroot door kristallen lenzen.
\'t Afsmeltend water, prismatisch getint door \'t licht der kronen en
lampen, scheen achter en over \'t sneeuwwit damast als een regen van
dikke, vurige, gekleurde droppels langzaam weg te vloeien en in de
ijsblokken weerkaatsten en spiegelden rozen, bloemen en groen met
weergaloos schoone kleurenpracht.
—   Dat\'s magnifiek! riep ik uit en toen ik er bijvoegde — dat heb ik
nog nooit zóó gezien, nergens! zei de adjudant: — \'t Is ook een eigen
inventie van ons, bier, we hadden zooveel ijs, dat we meenden er op deze
wijs dubbel partij van te kunnen trekken, \'t Houdt de zaal frisch en \'t orneert!
—  Tous mes compliments!
Eenige oogenblikken later werden de souper-zalen geopend en begon
een ware wedstrijd wie zich het eerst zelf en wie het eerst zijn dames
zou bedienen.
\'k Zag heeren, met ware zelfopoffering, bijna dringen om spoedig aan
de buffetten te komen Enkelen wisten als alen tusschen de anderen door
te glippen en voor \'t buffet te komen. Nu gold een algemeen: ,,chacun
pour soi et Dieu pour tous !" De een liep met een bord met sandwiches,
een ander met een schoteltje vol kippenpastei, een derde had een paté
de foies-gras veroverd. Ja, ik zag zelfs een dameslievend man, die onder
zijn linkerarm een flesch rijnwijn, onder den rechter een flesch rooden
wijn en in beide handen een paar borden droeg, volgeladen met sand-
wiches, kippenboutjes, taart, vruchten, bonbons en andere versnaperingen,
\'k (Jeloof zeker dat het een zorgzaam vader was, die een zes of zevental
dochters en een bijdehandte eega tevreden moest stellen.
In een groot kwartier waren de buffetten als leeggeplunderd en kwamen
nog enkele maraudeurs op de kleine overgebleven schoteltjes met bonbons
al. Slechts de bloemen, \'t groen en de ijsblokken bleven over, niet
enkele flesschen en glazen.
-ocr page 155-
OP \'T BAL HIJ OEN GOUVERNEUR GENERAAL.                      I43
—   C\'cst comme une horde de brigands! lachte Valorioti — ikke wasse
bijna onder die voette kekomme, mais j\'ai ma cuisse de poulet, délicieux!
enne gij mon ami Jansen?
—■ \'k Heb een stuk getruffeerde pastei veroverd en een restantje taart.
—   Et vous monsieur Maurick ?
—   Ik ben te laat gekomen, \'k heb te lang staan kijken....
—  Ah, dommage, bien bommage, want isse délicieux, tres bien préparé,
en met bijzonder veel behagen zette hij zijn tanden in de kippenbout.
Jansen dacht christelijker en stond me een stukje pastei af.
—   En wille u drinken ? vroeg Valorion, ikke \'eb kezorgd voor de
minoeman, 1) \'ier in de keldre! — onder zijn stoel haalde hij een flesch
Liebfraumilch te voorschijn.
Jansen wist een paar glazen te krijgen en met ons drieën dronken we
in een hoekje op \'t welzijn van Zijn Excellentie, dien gastheer par excellence!
En intusschen speelde het orchest galop, mazurka of pas de quatre en
walsten en dansten de gasten onvermoeid in de langzamerhand iets leeger
geworden zaal.
Waarlijk, er wordt in Indië mooi gedanst. Vooral de pas de quatre,
een der sierlijkste dansen van den lateren tijd, is daar zeer in zwang en
ik geloof dat de lenige, fraai gevormde dames, waarop Indië in \'t bijzonder
trotsch kan zijn, dien dans zoo\' gaarne dansen, omdat hij ruimschoots
gelegenheid biedt haar bevalligheden op \'t voordeeligst te doen uitkomen.
Ook aan de heeren verschaft de pas de quatre oogenblikken waarop
zij trotsch kunnen zijn - maar ook aan velen schenkt hij de overtuiging,
dat zij beter zouden doen om zich tot een ombertje of whistpartijtje te
bepalen, liever dan zich bloot te stellen aan critische opmerkingen, als: „hij
danst als een bokking," of: „er is een kangaroe aan hem verloren gegaan."
\'t Was ruim half-één, toen ik besloot om mijn rijtuig op te zoeken;
Jansen zou met mij meê naar huis gaan, maar Mr. Valorion had „Le
diable au corps," zooals hij zelf zei.
—   Me coucher? kenne je bekrijpe ; ikke benne tout a fait rajeuni ce
soir. Je vais engager une danseuse. Ah! ikke \'ebbe tout a 1\'heure une
dame kezien, beauté parfaite, brunette splendide ! — hij kuste zijn vinger-
toppen. — Une buste divine, adorable! comme-ca! \'k Zal mij laat
présenteer. Mr. Valorion nam een draaiend-trippelpasje aan en verliet
ons om de balzaal in te gaan. Nog even keerde hij zich om en wenkte
met zijn oogen naar een groote, zeer bruine, maar buitengemeen mollige
dame, die hij met zijn allerfraaiste buiging naderde. Hij bood baar den
arm en toen hij druk met haar pratend ons met opzet voorbijkwam,
1) Drinkwaren.
-ocr page 156-
144                     OP \'T BAI. HIJ DKN GOUVERNEUR C.ENKKAAÏ..
moesten we onwillekeurig lachen, omdat hij zoo sentimenteel omhoog keek
en lazen we duidelijk in zijn oogen : — Ah quelle femme, quelle femme
opulente !
Wij gingen door den tuin om ons rijtuig, dat achter het Paleis gestation-
neerd was, op te zoeken, en terwijl we pratend de verlichte champagne-bar
voorbijkwamen, zagen we achter de kiosk, half in de schaduw, iemand
zitten op een schommelstoel.
—   Hé, kijk! zei Jansen, die is aardig! daar zit ons jeugdig ambtenaartje
in zalige rust. Wel, wel, wat heeft hij zich te goed gedaan, daar staat
nog een bord vol kip en getruffeerde pastei naast zijn stoel op den
grond, een leege bourgogneflesch ligt er bij! Zeg, jongmensch, zou je
niet liever naar huis gaan?
Ik schudde hem zachtjes: — Ajo! word eens wakker?
—   Hij opende even de oogen zonder te zien; zijn lippen mummelden
en een trek van zalige voldoening gleed over zijn trekken toen hij slaap-
dronken, binnensmonds, bromde :
—  Punch a la Romaine, pff! champie — pff! whisky-soda, — pff! grrnkt!
—  Kom, vriendlief! je bent hier niet bij moeder thuis.
—  Gnnrrr chnrrrtt pfff!
—   Je moet poelang, de festiviteit is afgeloopen.
—  Kip-penpas-tei — gnrrchfïf!
-ocr page 157-
OP \'T HAL BIJ DEN GOUVERNEUR GENERAAL.                      I45
—   Jawel die zul je wel hebben gehad, maar \'t is nu tijd om heen te
gaan. Allons!
—  Pfff! — champ — fft grnt, — ie! pfït.
—  Toe sta op, je zit hier zoo gek !
—   Fff grnnrkt! pfffft — gnrt!
—    Niets aan te doen! zei Jansen. Hij weet van toeten nog blazen,
laat hem maar slapen.
—  Maar hij kan hier toch niet blijven zitten tot morgenochtend.
—    Dat hoeft ook niet. Als ze over een paar uur de lichten uitdoen,
vinden ze hem wel.
—   En dan ?
—   Dan zoeken ze wel een lotgenoot voor hem op.
—   En dan ?
—    Dan brengen die mekaar thuis. Aha! daar is onze wagen — stap
in. Ben je wakker, koessir? Ada bangoen ?
—   Saija toewan !
—   Mooi! dan vooruit en poelang! (naar huis).
-ocr page 158-
\'4\'\'
EEN EXECUTIE.
EEN EXECUTIE.
Het is stikdonker, als ik, plotseling ontwakend
door de schetterende trompetten van de cavallerie,
die langs Molenvliet rijdt, op mijn horloge tracht te
zien — ik sta op.
Mijn nachtlamp is uitgegaan en ik tast door de
kamer, tot dat ik lucifers en kaars vind en als ik
licht heb gemaakt, zie ik dat mijn horloge half zes wijst.
\'k Ben dus ditmaal niet wakker geworden door het
ochtendschot, dat anders mijn porder is.
Weer hoor ik de fanfares en het getrappel der paarden
— wat is die cavallerie vroeg in de huurt van \'t hotel,
zou er wat bijzonders aan de hand zijn?
Kensklaps schiet mij te binnen dat het \'t escadron moest
wezen, dat naar de benedenstad rijdt, om daar het plein
voor \'t Stadhuis af te zetten, want — nu herinner ik mij
plotseling dat we er gisterenavond in de sociëteit over
gesproken hebben — om zeven uur zal de executie plaats
hebben van den Chinees Tioe Boen Tjiang, die eenige
maanden geleden twee vrouwen op gruwelijke wijze heelt
vermoord, om ze te kunnen bestelen. We hebbin aan
de praattafel nog sterk gedebatteerd over het al of niet wenschelijke van
de doodstraf.
Het trompetgeschal en paardengetrappel sterft langzaam weg in de verte
en een ander, op dat vroege uur ongewoon geluid treft mijn oor. \'t Is
het bellen van de stoomtram, die van Kramat komend over de brug rijdt.
Ik hoor gejoel van stemmen, drukte op den weg en als ik uit mijn
venster zie, ontwaar ik de verlichte wagens van de tram en in de flauwe
schemering, die alles nog slechts onduidelijk laat zien, een hoop volk,
duwend en dringend om in de waggons te komen.
Oeri, mijn jongen, die voor mijn deur geslapen heeft, komt binnen en
zegt in zijn gebroken Hollandsen:
-ocr page 159-
RF.N EXECUTIE.                                                   147
—   Móge, m\'neerr! meneerr hoorren, soo veel volk?
—  Ja! wat is dat?
—    O! ada orang, wil plaats in die p\'zier trein, voor zien ophang
Orang Tjina.
Glimlachend luister ik naar mijn jongen, die telkens in plaats van „extra-
trein" het woord pleiziertrein gebruikt en dan vraagt: — Toewan ook kijken ?
—   Hm! \'k weet niet, Oeri. .. .
—   ü! heel aarrdig, ophangen! M\'neerr nooit zien in negeri blanda;
nooit niemand ophangen, ja?
—   Neen, bij ons is de doodstraf afgeschaft.
—    Sajang! (jammer) is moeite waarrd. M\'neerr toch gaan? Toewan
pakai jas-poeti? (Trekt meneer \'n witte jas aan?) Sama broek poeti?
—  Ja! geef me mijn kleeren maar.
—   Baai Toewan ! — Zeven uurr is ophangen, precies.
Terwijl de jongen mijn goed gereed legt, blijf ik nog een oogenblik
besluiteloos of ik gaan zal of niet — ik overleg bij mezelf dat het een
gruwelijk gezicht moet zijn om een evenmensch, al is \'t dan ook een
moordenaar, te zien „straffen met den koorde, dat er de dood op volgt,"
maar ik besluit toch te gaan — ik wil eens de proef nemen of mijn
zenuwen tegen zoo\'n emotie bestand zijn.
Zonderling! ik voel me doodkalm en toch is er iets in me wat ik geen
naam kan geven, iets als een angst, een huivering voor \'t geen ik zien
zal, maar tegelijk een verlangen er naar.
Ik vind mezelf wreed, bijna onmenschelijk en toch haast ik mij, daar
ik nog eerst een bad wil nemen, voor ik den langen weg naar de beneden-
stad aanvaard.
Even over zessen ben ik gereed en drink de koffie, die Oeri mij brengt.
Ze smaakt me van morgen niet — vreemd! Anders is die morgendronk
een délice voor me. Zou ik dan toch zenuwachtig zijn? Ik voel mijn pols;
hij is volkomen rustig, geheel normaal. Ik kijk in den spiegel : ben ik
bleek ? Neen! — \'k zie er doodgewoon uit.
—   Haal een dos-a-dos voor me, zeg ik tegen Oeri, die me doodkalmpjes
antwoordt:
—    Niet noodig, toewan! dad\'lijk weer p\'zier trein — en in \'t zelfde
oogenblik hoor ik een tweede tram op Rijswijk aan de overzijde, bellend,
aanrijden. Ik haast me naar beneden, kom nog juist bijtijds aan de halte
en verover met moeite een plaats in een der reeds overvolle wagens.
\'t Is intusschen geheel dag geworden, liefelijk geurt het hout en de
lichte morgenwind waait de lucht van boomen en bloemen uit de naburige
bosschen en kampongs over den weg. Alles tintelt, vol zonneschijn en
leven, het water in de kali kaatst spiegelend de jonge zonnestralen terug,
-ocr page 160-
I48                                              EEN EXECUTIE.
de weg is nog frisch van den dauw en weinig stoffig — ik sta echter
achter op liet bordes van den waggon, die opgepropt vol is met Chineezen,
inlaiidsche mannen en vrouwen, drukker dan anders met elkander pratend.
Vijftien minuten later ben ik op het plein bij het Stadhuis, waarvoor
zich zwart en somber het schavot verheft. Een cordon van militairen,
infanterie en cavallerie, heeft de ruimte voor en om het schavot afgezet.
De beul, een inlander in de uniform van politie-oppas, met witten
broek, staat, evenals zijn helper, onverschillig voor zich uitkijkend, bij de
galg, wachtend op den delinquent.
Voor de portiek van het Stadhuis staan officieren, gerechtsdienaars, de
assistent-resident, de djaksa (het inlandsen politiehoofd), de controleur,
de schouten en andere ambtenaren, met ernstige gezichten bijeen.
Het geheele plein is reeds gevuld met menschen, voornamelijk vrouwen,
die in nieuwsgierig zwijgen de executie afwachten.
Veel Chineezen in witte baadjes en broeken, met hoeden op, waaronder
hun lange met roode, blauwe of witte zijde doorvlochten haarstaarten op
den rug hangend te voorschijn komen, staan dicht op elkander gedrongen
achter de soldaten. Hier een Arabier met zwarten ringbaard, mooi
besneden gezicht en net gekleed, daar een drietal hadjies met groene
tulbanden en vrome lang uitgestreken gezichten, een eind verder een paar
Armeniërs en Klingeleezen, enkele Europeanen en veel inlanders, — maar
overal vrouwen, oude en jonge, inlandsche en nonna\'s, de laatste met
bloote halzen en armen. Zij lachen en toonen haar witte tanden, terwijl
ze onophoudelijk fluisterend met elkander babbelen, en met haar waaiers
spelen. En steeds voert „de p\'ziertrein" nieuwTe wagenladingen menschen
aan, totdat het ruime plein overvol wordt. Toch is nergens gedrang,
iedereen zoekt doodbedaard en kalm een plaatsje, vanwaar het aangrijpend
schouwspel goed te zien zal zijn.
OpV karren en banken, in dos-ados, zelfs op stoelen staan de vrouwen,
die, laat gekomen, achteraan moeten blijven; zij rekken de halzen uit,
zich beschuttend met haar pajongs voor de reeds warme zonnestralen,
zich koelte toewuivend met haar waaiers.
En tusschen al die menschen bewegen zich langzaam, nu en dan stil-
staande, wandelende warongs en vruchtenverkoopers, die de gelegenheid
niet willen laten voorbijgaan om iets te verdienen.
Op enkele minder volle plekken staan ijswaterverkoopers en roffelen
minder luid dan anders met de blikken bus op hun tafeltjes. Veel ver-
koopen zij evenwel niet, want slechts een enkele, die wellicht reeds meer-
malen zulk een executie heeft bijgewoond, gunt zich den tijd om een
glas ajer-ijs of limonade te gebruiken. Duizenden menschen zijn daar op
dat plein bijeen, maar toch is het er stil, bijna doodstil.
-ocr page 161-
EEN EXECUTIE.
M9
Ik verbeeld mij dat al die mensehen toch min of meer onder den
indruk zijn van het vreeselijke dat komen moet, maar een officier, die
naast mij staat, zegt me: — Neen! zóó zijn ze hier altijd, ze toonen
geen vreugd of ontroering, er is nooit gejoel, nooit gedrang, alles loopt
bij feesten of welke gelegenheden ook, even kalm en bedaard af. Zij
maken hier weinig beweging, de lui zijn er te indolent voor. Zoo\'n
executie is anders wel iets voor den inlander, vooral de vrouwen zijn er
dol op, ik geloof dat het, met \'t paardenspel, zoowat \'t eenige is wat haar
uit haar gewone; sleur en onverschilligheid trekt.
Wij loopen langzaam tusschen de mensehen door totdat we geheel
vooraan op een klein verheven plekje een goede plaats vinden, vanwaar
we het belangwekkende schouwspel goed zullen kunnen zien.
\'t Is nu bij zevenen, de spanning neemt toe, want bijna onmerkbaar
en onwillekeurig dringt de geheele menschenmassa achter ons iets vooruit,
als voor het stadhuis tromgeroffel klinkt.
Ik neem me voor om goed te kijken, maar tegelijk mezelf te observeeren,
om later te kunnen weten hoe mijn zenuwen zich hielden — de luitenant
naast me steekt een sigaar op en zegt: — \'t Zal zoo langzaam aan met
-ocr page 162-
150                                                         EEN EXECUTIE.
dien langstaart gedaan raken en achter me hoor ik iemand cynisch
opmerken: — Zijn Zondagsche das hangt al klaar!
—  Hij zal \'t er benauwd genoeg in hebben, antwoordt een tweede.
—   Hij liever dan ik, beweert de cynicus.
De menschenmassa komt weer lichtelijk in beweging, hoofden en halzen
worden nog meer vooruitgestrekt, want de veroordeelde is tot bij het
schavot genaderd, daarheen geleid uit de gevangenis (de stadsboeien).
Gedurende den geheelen weg, zoo vertelde men mij later, had de
moordenaar geen enkel teeken van zenuwachtigheid of angst gegeven.
Met een manila sigaar in den mond stapte hij tusschen zijn geleiders,
onverschillig kijkend voort, de hem wachtende straf tegemoet.
\'t Wordt reeds warm en benauwd, want de zon overstraalt met buiten-
gewonen glans de vlakke open ruimte en de opeengepakte menschenmassa
geeft een broeiige lucht af.
Ken zacht gemurmel vliegt als gonzend over de schare — de moordenaar
is naast het schavot.
Nu zie ik hem staan, dikke rookwolken blazend uit de sigaar, die hij
achteloos tusschen de lippen houdt.
\'t Is een flinke knappe jonge man met een gunstig uiterlijk.
Onverschrokken ziet hij rond, zijn oogen staan helder en hij kijkt rechts
en links met vrijen blik; de sigaar schijnt hem best te smaken. Hij is
keurig net, geheel in \'t wit gekleed, zijn haarstaart is losgemaakt en alleen
vlak bij \'t hoofd met een rood lint saamgebonden, \'t Valt mij op dat hij
zulk mooi blauwzwart, rijk haar heeft, dat tot midden op zijn rug afhangt.
Wonderlijk! als ik dien man daar zoo brani zie voortstappen, zoo
volkomen rustig en onbewogen, voel ik een zekere sympathie voor hem
en toch weet ik dat hij, op koelbloedige, gruwelijke manier, twee weêr-
looze vrouwen heeft vermoord, alleen om zich het weinigje wat zij bezaten,
te kunnen toeëigenen.
Is \'t medelijden, kassihan, wat ik voel?
Neen! \'t is meer een soort van bewondering voor zijn kalmen moed,
zijn doodsverachting. Nog slechts eenige minuten en de mysterie van den
dood zal voor hem ontsluierd worden, maar daaraan denkt hij niet. Hij
is, zooals alle Chineezen, fatalist.
Het moest immers zoo komen, zijn uur is daar en daarom neemt hij
zijn lot aan, zoo als \'t komt, zonder vrees, zonder morren of tegen spartelen.
Angst voor een strafgericht hiernamaals kent hij niet, zijn geloof leerde
hem nooit zoo iets. Hij weet alleen, dat hij nu, hier, boet voor hetgeen
hij misdreven heeft en dat hij, wanneer zijn hoofd slechts aan zijn lichaam
blijft, het altijd beter zal hebben in \'t onbekende hiernamaals, dan hij het
ooit op deze aarde heeft gehad.
-ocr page 163-
EXECUTIE.
KEN
15\'
Nu rekent hij af met de wereld waartegen hij misdeed, hij betaalt wat
hij schuldig is en dan — is hij quitte!
Gelukkig geloof! benijdenswaardig omdat het in de uiterste ure zulk
een stoïcynsche kalmte schenkt.
Bedaard staat hij voor \'t stadhuis naast \'t schavot; hij wendt tevens
het hoofd naar links en ziet een oogenblik naar de zwarte verhevenheid
waarop de galg zijn dorre armen opheft en de strop, licht bewogen door
het zuchtje dat over het plein strijkt, even slingert.
Men brengt hem voor den Hoofddjaksa, die hem met eentonige stem
zijn vonnis voorleest.
Die lezing duurt slechts enkele minuten, mij schijnt het wel een half uur.
Met opgericht hoofd en den blik vast op den ambtenaar gericht, hoort
hij zijn vonnis aan, neenit het eindje sigaar uit den mond, doet er nog
een paar flinke halen aan, blaast, langzaam genietend, den rook uit en
werpt het dan met een korte handbeweging achter zich op den grond.
De Djaksa zwijgt en vouwt het papier samen.
De moordenaar maakt een diepe buiging en richt dan met heldere vaste
stem het woord tot den assistent-resident, die met een ernstig gelaat en
gefronste wenkbrauwen naast den Djaksa tegenover hem staat.
Hij betuigt zijn dank voor de humane behandeling gedurende zijn
gevangenschap ondervonden en zegt verder, dat hij, nu hij toch sterven
moet, zich verplicht acht om te bekennen dat hij de moorden geheel
alléén heeft gedaan en geen medeplichtige had.
Als hij uitgesproken heeft maakt hij een tweede diepe buiging en wacht
in opgerichte houding zwijgend af.
— Toch \'n kranige kerel! zegt de luitenant mij even aanstootend.
Ik onderzoek mezelf en vindt, dat mijn sympathie voor den misdadigen
man niet vermindert; misschien komt het door zijn kalmte, dat ik niet
de minste emotie gevoel, géén hartklopping, géén angst, niets! Ik ben
alleen nieuwsgierig, hoe alles verder zal afloopen!
Doodsche stilte — men zou een speld hebben kunnen hooren vallen —
heerscht over het plein; \'t is alsof al die menschen den adem inhouden.
In de verte kraait een haan, luid en schel! — de delinquent draait
even het hoofd om en ziet naar den kant vanwaar dat schrille geluid komt.
Dan nadert de beul met zijn helper; de Chinees steekt hem zelf de
handen toe, om zich te doen binden.
Reeds gebonden maakt hij nogmaals een kleine buiging voor zijn rechters,
draait zich om en begeleid door den scherprechter bestijgt hij met vasten
tred de trappen, die naar den dood leiden.
Zwart en dreigend verheft zich de galg - - de veroordeelde ziet even
naar boven en doet dan een paar passen vooruit; de beul houdt hem bij
-ocr page 164-
152                                                         EKN EXECUTIE.
den arm. Met luider stem spreekt hij eenige volzinnen tot het verzamelde
volk — een soort van waarschuwing inhoudend om niet te doen zooals
hij deed — rustig en helder klinkt zijn geluid; achter hem zwiept zachtjes
de strop.
Ik zie dat de scherprechter hem iets zegt, waardoor hij terugtreedt.
Hij buigt het hoofd eenigszins naar links, het als \'t ware aanbiedend, de
strop wordt hem om den hals gelegd, met vaste zaak kundige hand.
Executie van den chinees Tjoe Jtoen Tjiang, alias [mpeh.
Forsch rukkend haalt de beul eensklaps den knoop aan — de trom
roffelt en \'t luik waarop hij staat valt.
Nog een duw op zijn schouders, en een geweldige ruk aan zijn beenen
door den helper, die inmiddels onder \'t schavat is gegaan en — de
Chinees Tjoe Boen Tjiang, alias [mpeh, is gehangen.
Ik blijf kijken, maar ik heb een oogenblik een siddering langs mijn rug,
door mijn geheele lichaam voelen gaan, — ik zou me nu wel willen
omdraaien, maar ik kan niet — ik moet hem aanstaren-, ik word als door
geheimzinnige kracht aan zijn geelbleek gelaat vastgehouden.
Zijn gezicht wordt eensklaps vuurrood, de oogen puilen uit, de mond
-ocr page 165-
EEN EXECUTIE.
\'53
opent zich wijd, de tong komt dik tusschen de prachtige witte tanden te
voorschijn, door de plotselinge verstikking.
Afschuwelijk! — ijzingwekkend! denk ik en toch kan ik mijn oogen er
niet meer afhouden.
De beul bindt hem nu een witten doek om \'t hoofd en bedekt daarmede
de laatste stuiptrekkende gelaatsbewegingen van den ongelukkige, wiens
lichaam nog een paar malen schokt, vóór het stil blijft hangen.
Ademlooze stilte heerscht onder het publiek, dat even als ik, als gebannen
aan de plek waar het staat, blijft toezien, hoe de scherprechter van tijd tot
tijd den doek even oplicht, naar het gezicht van den Chinees kijkt en
met de hand daarover voelt om zich te overtuigen dat de dood intreedt.
Plotseling klinkt achter mij een rauwe gil — een vrouw, een inlandsche,
is flauw gevallen en wordt nu nieuwsgierig bekeken door een drietal
nonna\'s, die met lachend gelaat elkander toeknikkend, zich verwonderen
over „dat malle spook, ja!"
Langzaam komt er beweging in de menschenmassa, die, nu er toch
niets anders meer te zien is dan het bungelende lichaam van den gehangene,
zich zachtjes aan begint te verspreiden langs alle wegen.
De ijswater-verkooper roffelt nu luid met zijn blikje en vindt veel
klanten, want \'t is erg warm geworden ; een strootjes-verkooper dringt
zich tusschen de menschen door en vent zijn seroetoes. Na zoo\'n voor-
stelling smaakt een haaltje tabaksrook goed — al zou \'t maar zijn, dunkt
me, om de wecheid te verdrijven, die men, ten minste /\'/•, na den afloop voel.
Veel groepen vrouwen blijven nog hier en daar babbelend staan, maar
haar stemmen fluisteren, haar oogen wenden zich nog telkens en telkens
naar de zijde waar de moordenaar hangt.
Eerst nu voel ik een zekere gejaagdheid, een drang om weg te komen
—   want \'t maakt me onwel te zien, hoe de beul telkens weer den doek
oplicht, en — op de schouders van den gehangene nog een duwtje geeft.
—  \'n Beroerd gezicht — ik ga er nooit weer naar kijken, adieu! zegt
afscheid van me nemend, de luitenant en wipt in de tram, die nu weer
over het plein begint te rijden. De soldaten marcheeren af, de cavallerie
rukt in, de gerechtelijke ambtenaren zijn reeds in \'t Stadhuis teruggegaan
en het plein wordt ledig. De Chinees hangt nu doodstil, de beul staat
met over elkander geslagen armen naast het lijk en ziet onverschillig naar
de voortschuivende menschenmenigte onder hem.
Hij heeft zijn werk afgeleverd, straks zal het eten hem smaken!
Ik ga terug naar mijn hotel; onderweg pak ik de tram.
—   Hé, van Maurik, jij zóó vroeg hier in de buurt? vraagt mij een
bekende, even van zijn nieuwsblad opziende—en zich plotseling bedenkend :
—  O, ja, dat\'s waar ook — je hebt zeker eens gekeken naar \'t opknoopen
-ocr page 166-
EEN EXECUTIE.
\'54
van dien staart. Je hebt gelijk, \'t is wel interessant. Zoo iets zie je in
Holland nooit!
—  Neen, Goddank ! wij hebben geen doodstraf meer.
—  Jammer genoeg!
—   Hè?
—  \'t Zou heel wat beter zijn als ze haar niet hadden afgeschaft, de
schrik zit er nu niet meer in bij de boeven.
—   Maar \'t is toch onmcnschelijk, onverantwoordelijk om ....
■— Om zoo\'n tijger, die twee arme zwakke vrouwen vermoordde, op te
hangen. Kom, laat nu naar je kijken! hij verdient niets beters en boven-
dien, hier in Indië moeten we de doodstraf hebben, \'t Is het eenigc waar
ze bang voor zijn.
Dat heb ik aan dien Chinees gemerkt !
Ik ondervind of voel dien dag niets bijzonders en ik denk dus: mijn
zenuwen hebben de proef flink doorstaan ; maar als ik \'s nachts, na een
gezellig avondpartijtje bij een mijner goede vrienden, in mijn hotel ter
ruste wil gaan en mijn kaars uitblaas, zie ik plotseling het scheevc
hoofd, de roodbeloopen oogen en de gezwollen tong van den gehangen
Chinees voor me.
Ik huiver er van, want telkens weer opnieuw verschijnt als een fantas-
magorie op den witten muur tegenover mijn bed, dat akelig beeld, dat
verwrongen gelaat.
Ik slaap eindelijk in — om na een korte sluimering met een schok te
ontwaken en ■— opnieuw dien bungelenden Chinees voor me te zien.
Veel dagen lang heb ik dat visioen voor oogen gehad — ik geloof
dat mijn zenuwen toch op den duur niet tegen zulke interessante tooneelen
bestand zijn !
-ocr page 167-
INDISCHE HOTELS.
\'55
INDISCHE HOTELS.
i.
Met een aangename gewaarwor-
ding neem ik de pen op ten einde
er hier een beschrijving van te geven.
Men gevoel, van provinciale huise-
lijkheid overkomt mij, als ik aan die
zeereigenaardige, nuttige inrichtingen
terugdenk, waar niet, zooals in veel
Europeesche hotels, een bende zwart-
gerokte, witgedaste, gepomadeerde
roovers met mooie jon gensgezichten
u omhuppelt. Waar ge bij uw aan-
komst niet den indruk krijgt dat ge
Tiltin Koimi van het Hotel «Ier Neder-              . ,                      . , ..
landen te Batavia.                         slechts een nietehng_ zijt en waar
ge bij uw vertrek niet spitsroeden
hoeft te loopen langs een rij grijnzende kellners, huisknechts, koffer-
dragers, portiers en „buttons," die hun begeerige handen als gierenklauwen
naar u uitstrekken.
Als ik aan de Indische hotels denk, herinner ik mij met genoegen al
de groote gemakken en kleine ontberingen, die een verblijf aldaar aan-
kleven. Ik krijg een smaak van overheerlijke koffie, lekkere pisang en
sterke boter in den mond, mijn neus herdenkt de onvergelijkelijke geuren
van annanas en trassi, ik hoor weer de zonderlinge geluiden uit paarden-
stal en kippenhok, en mijn gebit herhaalt werktuigelijk zijn krachtsoefe-
ningen, alsof \'t nog werkte op te vasthoudend sappievleesch.
Maar tegelijk overkrieuwelt een kleine genotsrilling mijn huid, als de
badkamer, de mandibak en het frissche water van de douche zich weer
voor mijn geestesoog vertoonen, en een heerlijk weeke loomheid overvalt
-ocr page 168-
«56
INDISCHE HOTELS.
mij bij de herinnering aan mijn siësta\'s in hotelstoelen onder de voor-
galerij.
Ik lieb groote en kleine hotels bezocht, waar alles proper en netjes
was, waar zelfs de jongens er uitzagen alsof ze wel eens gewasschen
werden. Ik heb eigenaars en eigenaressen van hotels aangetroffen, die,
zelf van vleezige constitutie, het zich tot een plicht, een eer, rekenden,
dat hun gasten er begonnen uit te zien als zij, maar ik ben ook in hotels
geweest, waar de rekening vet en de tafel mager was, waar men meer
op de onzindelijkheid van het servies, dan wel op de deugdelijkheid van
de spijzen lette, waar de bedienende jongens uit de wildernis gerecruteerd
schenen en waarvan de eigenaars, vol gewetenswroeging, eerst zichtbaar
werden als de gasten verdwenen.
Ik heb hotels aangetroffen, die alleen dien naam droegen, zonder er
iets noemenswaard van te hebben. Hotels, die met rottan en bamboesjes
aan mekaar gehouden werden en meer op een hut in \'t gebergte geleken ;
waar de heete zon, de frissche bergwind en stof vrijen toegang hadden
tot zelts in de bedden. Maar alles dooreen genomen heb ik het goed
gebad in de Indische hotels en er niet te duur betaald. Europa kan aan
hun rekeningen een voorbeeld nemen. Waar ter wereld zal men nog
voor de somma van gemiddeld vijf gulden, logies en eten, alles krijgen
wat men noodig heeft op een dag, behalve wijn, bier, bewassching, etc.
Natuurlijk zou een hotelier zich nog gauwer ruïneeren, wanneer hij zijn
gasten „vrij wijn en schoon goed" op den koop toe gaf.
,Vroeger werd een Indisch logementhouder meestal rijk, nu komt dikwijls
zijn boedel aan de weeskamer,\' beweerde iemand, naast me zittend aan
de ontbijttafel en meteen bediende hij zich zóó rijkelijk van de dure
gerookte zalm, dat de mandoer een nieuw blik moest open maken. Met
zijn mond propvol zei hij :
— Vroeger gaven ze zulke delicatessen niet bij \'t déjeuner; daarom
moeten ze nu ook van lieverlee de poort uit. Enfin! ze moeten met hun
tijd meedoen — lekkere zalm ! — ik zal er nog een paar boterhammetjes
mee beleggen.
Wanneer iemand zou klagen over de prijzen van de Indische hotels,
tenminste over die der goede, ben ik bereid den handschoen voor hen
op te nemen, met zoo\'n klager in \'t strijdperk te treden en een vork
voor hen te breken.
Een Europeesch hotelier krijgt bepaald een aanval van wanhoop, van
concurrentie-delirium, wanneer hij verneemt wat den gast in Indië voor
zijn vijf gulden wordt voortgezet.
\'s Morgens even na sessoi: een kop koflie — geen cichoreiwater of
gebrande-paardenboonen-nat, maar heusche koflie, met warme melk en
-ocr page 169-
INDISCHE HOTELS.                                                I57
suiker. Indische koffie staat m. i. in verhouding tot in Holland gezette
dito, als goud tot koper — \'t een lijkt wel op \'t ander, maar is toch
geheel verschillend.
Ongeveer te acht uur: Ontbijt!
Voor ieder persoon twee eieren — dikwijls versch — brood a discrétion,
kaas in twee of drie gedaanten, koek, sardines, saucisse, lobak (een soort
radijs) en roo\'.vleesch. Thee van voldoende kwaliteit en boter. (?) Laat
me die meestal vette, bedenkelijk smakende, vaak als olie loopende
narigheid maar boter noemen.
Hotel-Wisse te liaiavia.
Dan nog: al de restanten van het diner van den vorigen dag. Een
eigenaardige gewoonte in alle hotels!
\'t Is in den beginne wat vreemd, bij zijn ontbijt koude vleeschpasteitjes,
croquetten, koude visch, gevulde schelpen, taart, pudding, kippenpastei,
eendenboutjes of karbonade te vinden, maar — ,\'t geeft nog \'reis een
variabeligheid in den mond,\' zooals een stuurman zei, die, het ontbijt de
noodige eer bewijzend, een halve kip afkloof, omdat er geen visch meer
was en hij de restanten karbonade en de croquetten al op had bij zijn
boterham en eitjes.
Vóór het middagmaal begint geeft elk hotel gelegenheid aan den gast
om gratis te bitteren. In de voorgalerij n.1. staat op de leestafel — vulgo
-ocr page 170-
158                                                INDISCHE HOTELS.
kletstafel — een groot blad met glaasjes, een klein karafje met bitter-
extract en een groote karaf vol klare jenever gereed. Gewoonlijk drinken
de heeren één, twee, soms drie — \'t zijn kleine glaasjes — bittertjes om
„de maag \'n beetje gaande te maken en de mot er uit te houden," zooals
een gepensionneerde majoor, die er wel eens meer dan drie pakte, beweerde.
Wat een ideaal voor een Hollandschen potator — gratis bitter ■—■ \'t is
om er een delirium van te krijgen!
Om één uur rijsttafel. Zooals men in de reisgidsen en boeken leest:
De hoofdmaaltijd in Indië ! Ik heb reeds in vorige bladzijden de rijsttafel
uitvoerig beschreven en kan dus volstaan met de bijvoeging dat in de
meeste hotels de rijsttafel voor mijn gehemelte iets had van een vagevuur.
Ik heb mij dikwijls verbaasd over dames, die zonder één spier te vertrekken
meêaten, maar \'t meest over jonge Indische juffertjes, die, met den blos
der onschuld op de wangen, de allergemeenste, heete, Spaansche pepers,
als bonbons opknabbelden, terwijl geen traantje in haar gazellenoogen
kwam, ofschoon ik, man op leeftijd, met opengapenden mond en over-
loopende oogen op zoo\'n satansche peperpeul (ze heeten ook Lombok-
sètan (duivelspeper) zat te staren, besluiteloos of ik het ding vertrappen
zou, of in \'t gezicht smijten van den jongen, die me met zijn grijnzend,
gemurmeld: Sambal, toewan? die heete, gehemelte schroeiende ellendigheid
had bezorgd.
Ik heb éénmaal in een hotel tegenover een zeer jeugdig meisje gezeten
—   ze woog misschien één pikol minder clan haar Maleische mama, die,
als zij blanker was geweest, als „schoone dikke dame" op een kermis
had kunnen optreden — en me een half uur lang verwonderd. Ik heb
gezien hoe dat lieve kind rijsttafel at en dadelijk begreep ik toen, hoe,
zoowel moeder als dochter, zoo naar het lichaam waren ontwikkeld —
want wat m. i. voor een niet te groot weeshuis voldoende zou zijn geweest,
werd door mama en ,,kindjelief" verwerkt en in- en aangevuld met Vollen-
hoven\'s -extra-stout. Waarschijnlijk keek ik wat al te vreemd het tweetal
aan — want mama, die ook een mondje vol Hollandseh sprak, zei, met
een meêlijdenden blik op haar spruit: — Kom, Anséliq! jij minoem
(drinken) setout, lekker of niet. Doctor zeggen jij bloedarm ; jij goed
voeden — en tot mij — nietwaar, meneer! bier hitam (zwart bier) goed
voor bloed-arm. . . De vader van dat bloed-arme schaap van ongeveer
negentig kilo was daarentegen een lang, dor, mager, berustend, en met
toewijding etend heer, die, toen hij, na zwijgend hoopen rijst te hebben
verslonden en na een hardnekkigen strijd tegen een minder malschen
biefstuk, de vork neêrlei, zijn vrouw even toeknikte, als wilde hij zeggen :
—  het is nu wèl, zóó, Soedah !
Toen ik eerst maar goed wist en begreep dat in de hotels, na elke
-ocr page 171-
INDISCHE HOTELS.
\'5«>
rijsttafel met haar ap- en dependentie, nog biefstuk met gebakken aard-
appelen en sla wordt gediend, en dat daarna nog vruchten en koffie
komen, heb ik kunnen onderschrijven dat, de rijsttafel „de hoofdmaaltijd"
is. Alles wat nog verder op den dag komt is maar kinderspel, al is \'t
ook heerlijk en goed klaar gemaakt.
Welk een stofwisseling moet de mensch in Indië kunnen aanwijzen, om
zulke énorme hoeveelheden voedsel te verwerken in zijn organisme.
Na de middagrust, tegen vier uur, thee: - - Al naar het hotel is; goed
of slecht, met of zonder biscuitjes. Ik heb overal goede thee gehad,
uitstekende thee zelfs
          want als ik slechte kreeg, stuurde ik ze terug
en vroeg andere. Dezen zeer goeden en nuttigen wenk voor reizigers en
toeristen geef ik gratis, evenals de hoteliers
hun bitter, die om zeven uur al weer voor
de gasten gereed staat.
Wat \'n land voor een lid der,.aanschaffing" !
- twee maal per dag gratis bitter! — Men
heeft mij verteld, dat deze gewoonte bitter
nadeelig heeft gewerkt op enkele hoteliers,
die hun gasten te veel bescheid deden en de
bittere gevolgen van hun bitter later bitter
betreurden, omdat ze in bittere armoede
geraakten, daar \'t met hun hotel bitter slecht
ging, door al de bitter die zij hadden ver-
bitterd.
En nu heb ik, die nooit bitter drink,
genoeg van de bitter gezegd en kan ik,
Maleische dame.
overgaan tot het:
Avondmaal, \'s avonds acht uur.- Gewone
Europeesche tafel. Menu: soep, croquetten of pasteitjes, twee of drie
soorten vleesch, verschillende groenten, gevogelte, dikwijls viscb, __ een
paar maal in de week en Zondags glacé a la vanille of sorbet — vruchten,
bonbons en eindelijk beschuitjes met kaas en koffie, taart.
En dat alles wordt verstrekt voor de matige som van vijf gulden daa^s
— terwijl de beschaving in Indië nog niet zóó ver in de hotels is door-
gedrongen, dat men in iederen tafelbediende, iederen kamerjongen of
huisknecht een Rinaldo Rinaldini hoeft te zien. Gegalonneerde portiers,
die den vreemdeling, vóór hij het heiligdom van hun hotel binnengaat,
met zaakkundige blikken meten en dadelijk naar zijn uiterlijk of bagage
taxeeren als ie( 2« of 3* étage-prooi, bestaan in de Indische hotels niét,
omdat .Mie deuren en vensters gewoonlijk zoo wijd mogelijk openstaan.
Gewoonlijk zitten of hurken bij de voorgalerij of den oprid meerdere
-ocr page 172-
i6o
INDISCHE HOTELS.
inlanders, die, ofschoon zij feitelijk tot het dienstpersoneel behooren, voor
\'t oogenblik niets te doen hebben en, als ze niet zitten te dommelen of
te soezen, de reizigers zwijgend met hun groote vragende oogen aanzien.
Is er toevallig niemand, dan verheft men zijn stem en roept met
Sapada! — eigenlijk Siapa-ada (wie is daar?) den een of anderen inlander,
soms een kebon (tuinman) of een huisbediende tot zich.
Op een: — Pangil, mandoer! (haal den mandoer) verschijnt dan een
soort van oberkellner in inlandsche kleedij en vraagt u: — Toewan?
— Minta kammar? (ik wou graag een kamer hebben).
Hotel der Nederlanden te Uatavia.
— Baik toewan, toeroet sadja (Best, mijnheer, volg mij maar).
De mandoer in een Indisch hotel is een opzichter over de anderen,
oberkellner en bottelier tegelijk, dien men te vriend moet houden, omdat
hij onder de bedienden de meest beschaafde is, derhalve ook het best
weet wat een fooi beteekent.
Fooien geeft men in Europa onophoudelijk, maar in Indië houdt men
gewoonlijk op met fooien geven, dat is het onderscheid. Ik hoorde daar-
over sprekend, iemand zeggen: — dat is hier in Indië plezierig, de
bedienden zijn nog niet zoo verwend. Fooien geef je alleen als je lang
in een hotel bent geweest, bij je vertrek en voor één kwartje zijn ze
-ocr page 173-
l6i
INDISCHE HOTELS.
hier dankbaarder dan voor een rijksdaalder in Europa. Je vindt veel
stoethaspels onder de hoteljongens, dat\'s waar, maar de kellners zijn
evenmin allemaal professoren, al dragen ze óók witte dassen. In de
binnenlanden heb je meer dienst en ondervindt je meer gewilligheid van
de jongens dan te Batavia of Soerabaia — hoe grooter de plaats, hoe
meer contact met de westersche beschaving, hoe lastiger ze worden ;
vroeger zaten ze op hun hurken, maar als ze lang met vreemdelingen
verkeeren gaan ze op hun stoel zitten, als ze kunnen."
De eerlijkheid gebiedt mij echter te verklaren dat ik juist te Batavia
de meest geschikte bediening heb aangetroffen. Wat mij daar verder
opviel was dat het fraaie te Rijswijk gelegen Ilötel der Nederlanden
in de benedenstad een Tiffin-Room heelt, waar de bezoekers van het
hotel, die overdag in stad moeten zijn voor zaken, hun lunch kunnen
gaan gebruiken, een gemak dat door de gasten hoogelijk wordt gewaar-
deerd, omdat het een groote besparing van tijd geeft. Ik meen te weten
dat het Hotel der Nederlanden het eenige is in Xederl.-Indië dat een
dergelijke filiale kan aanwijzen.
Over \'t algemeen heerscht in Indië een, in Europa niet zóó bestaande
vriendschappelijke verhouding tusschen gast en hotelier; iets als een
vaderlijke zorg, die in veel opzichten de rust en gezelligheid van het
verblijf verhoogt.
Wordt het hotel door een dame gehouden, wat dikwijls voorkomt, dan
wordt zoo\'n dame, meestal is het iemand op meer gevorderden leeftijd,
al spoedig met den eernaam van „moeder zus of zoo" aangeduid; zoo
zijn er b.v. te Batavia nog talrijke verhalen in omloop over moeder Ernst,
de vroegere eigenares van het Hotel Wisse, een flinke doortastende vrouw,
die zich recht moederlijk om het wel en wee van haar gasten bekommerde
en zooveel haar op de tanden had, dat haar tong een scheermes was en
zij daardoor iedereen aandurfde. Daarentegen kon zij echter ook als het
te pas kwam de zon in het water zien schijnen en had schik in een pretje.
Het doet mij genoegen te kunnen constateeren dat ik te Madioen met
een der voortreffelijkste „hotel-moeders" van Java heb kennis gemaakt.
Ik moet erkennen dat moeder Ruijtenschild\'s hotel een van de best gediri-
geerde en netste is, welke ik bezocht. Toen ik de gezette, eerwaardige,
reeds witharige, maar nog frissche en blozende dame, mijn compliment
maakte over de keurige bediening, de jongens droegen zelfs witte garen
handschoenen bij \'t tafeldienen en schurkten bijna in \'t geheel niet in
hun nette baadjes, lachte zij gestreeld en zei: — \'t Doet me pleizier!
Ja, bij mij in huis moet ieder \'t naar zijn zin hebben en als je \'t niet
goed hebt is \'t je eigen schuld man, want je hebt van onzen lieven Heer
een mond gekregen om te spreken. Bevalt uw kamer u? Is u tevreden
i i
-ocr page 174-
lf)2
INDISCHE HOTELS.
over uw bed, smaakt liet eten goed? Ja? — welnu! dan heb je niets te
ree la mee ren — maar deugt er iets niet, dan geen complimenten — maar
klachten, asjeblieft!
In Hotel Ruijtenschild krijgt men \'s morgens zelfs, buitengewone
zindelijkheidsmaatregel, zijn brood in Chineesch vloeipapier. Als nu de
bakker, die \'t inpakt, maar goed gewasschen handen heeft^kan men niets
meer verlangen !
Ook te Garoet, in \'t Hotel van Horck, dat door mevrouw v. Horck
uitmuntend bestuurd wordt, merkte ik dien huiselijken prettigen toon op.
Hotel Wisse te Batavia.
Mevrouw v. Horck\'s privaat-bureau was dikwijls een soort van sociëteit,
waar de gasten een babbeltje kwamen houden en gezellige uurtjes sleten,
want moeder v. Horck is de gepersonifieerde vroolijkheid. Zij lacht altijd,
gul en hartelijk, en haar lach is aanstekelijk, een uitmuntend geneesmiddel
voor «zieke, zenuwachtige of sombere, afgewerkte menschen, die in de
heerlijke berglucht van Garoet herstel van gezondheid komen zoeken.
Beste mevrouw v. Horck, ik wensch u lang zoo\'n gelukkig humeur.
Uw vroolijk gezicht, uw lachende mond vol spierwitte tanden is een heerlijke
reclame voor uw goed hotel! Ik geloof dat gij, als magere Hein eenmaal
komt om u te halen, hem wel zóó vriendelijk zult toelachen, dat hij weer
heengaat, denkend: — Neen! dat\'s toch zonde en jammer, zoo\'n vroolijkc
-ocr page 175-
.
INDISCHE HOTELS.                                                 163
ziel hoort niet in mijn somber verblijf. Ik heb nog een bijzondere schuld
van dankbaarheid aan mevr. van Horck, daar zij de beleefdheid had haar
collectie vreemdsoortige lievelingshanen eenige dagen te verbannen, omdat
ze mij — \'t hanenhok was vlak naast mijn kamer — \'s middags wakker
kraaiden. Ik heb nergens zulke vroolijke hanen, eenden en kippen gezien
dan te Garoet, maar \'t is eigenlijk geen wonder, zoo heer zoo knecht,
zoo meesteres zoo pluimgedierte!
Het Hotel Fréanger te Bandong, waarvan ik hier een afbeelding afdruk,
is mij eveneens lang in
herinnering gebleven, eer-
stens omdat het een mooi
en goed hotel is, tweedens
omdat ik daar heb kennis
gemaakt met een zeer eigen-
aardig type, een gezond-
heidzoekend ambtenaar. Hij
was zenuwziek, zooals hij
beweerde, had één groot en
één klein oog en liep met
schokjes als een man, die
door zijn zenuwen wordt
voortgeduwd. Zat hij aan
tafel, dan mopperde en
Hotel I\'réanger te Handun».                            klaagde hij over alles, wat
hem werd aangeboden en
voorgezet. In waarheid was het logies uiterst zindelijk en net, het
eten goed en de dranken niet minder, maar de man, die steeds brommend,
met een gezicht als een oorwurm, naast mij dineerde, vond alles „om
te trappen !" Hij zei: — ik ben gekraakt, mijn ribben doen me zeer door
de bedden, en hij was zóó dik, dat niemand ook maar de schaduw van
een rib aan hem had kunnen ontdekken. Het eten beviel hem niet, omdat
het volgens zijn zeggen — veel te zuinig en te^ karig, den eenen dag
te zout en te pedès — den anderen te laf en te weinig gekruid was.
Toch verslond hij er ongeloofelijke hoeveelheden van. Misschien
schranste hij wel zoo enorm uit menschenmin, om zoo veel mogelijk van
dat akelige voedsel te verdelgen, \'opdat een ander er zich niet te zeer
aan ergeren zou. De bitter vond hij ,te bitter\' en de wijn te duur, waar-
schijnlijk dronk hij daarom uit zelfkastijding meer bitter dan noodig voor
hem was en minder wijn dan den hotelier welgevallig kon zijn. De mooie
comfortabele binnengalerij oordeelde hij te Europeesch en de ruime toko,
dit; aan \'t hotel verbonden is, te veel Indisch. ,,Je kan dr Jandóme te
-ocr page 176-
I(>4                                                INDISCHE HOTELS.
veel van alles krijgen en daardoor niets goeds!" zei hij knorrig. Hij hield
niet van zoo\'n bazar bij een hotel en beklaagde zich een minuut later
dat bij andere logementen géén toko\'s waren. Als hij aan tafel een
anecdote van iemand hoorde, kende hij die steevast al jaren lang, maar
vertelde hij zelf een aardigheid, dan haalde hij er een voor den dag, zoo
oudbakken en duf, dat hij de appetijt der gasten in gevaar bracht, maar. .
hij lachte zelf. Kortom, hij was de prototype van den volbloed mopperaar,
een man, die geboren scheen om in alle hotels, waar hij logeerde, de
gasten weg te jagen. Gelukkig nam ten slotte niemand meer notitie van
hem en zat hij eindelijk ook niemand meer in den weg dan zichzelf.
Toko\'s vindt men in Indië zeer veel aan de hotels verbonden. Op
grootere plaatsen is dit minder noodig, omdat daar meestal in de onmid-
dellijke nabijheid winkels gevonden worden, maar in de binnenlanden, in
kleine steden, is het voor den reiziger een groot gemak, want veelal is,
wanneer men niet in handen van den Chinees wil vallen, de Hotel-toko
de eenige gelegenheid om zich van allerlei toilet-benoodigdheden, sigaren,
versnaperingen, ingelegde levensmiddelen en dranken te voorzien.
In den laatsten tijd zijn echter in meest alle kleine steden en plaatsen
toko\'s, Kuropeesche en Chineesche, te vinden, maar in vroeger tijd was
,het Hotel\' de reddende engel voor huismoeders, zoowel als voor celibatairs
en den gaanden en komenden man.
Nu ik toch mijn herinneringen aan Indische hotels neerschrijf, wil ik
het van regeeringswege gesubsidieerde Hotel Muntok, op \'t eiland Banka,
niet onvermeld laten. Photographiën bestaan er niet van en daarom heb
ik er zelf maar een kleine krabbel van gemaakt, die ik hier reproduceer.
Ik heb het er beter gehad dan zich in den beginne liet aanzien, maar
het is ontegenzeggelijk het kleinste en meest bescheiden zich verbergend
hotel wat ik de eer had te bezoeken.
Toen ik na een vrij moeilijke en stormachtige landing aan de pier van
Muntok met mijn jongen en bagage den weg opging, die volgens een
Chinees, troes (recht door) naar het hotel leidde, zocht ik tevergeefs naar
een uithangbord of iets dergelijks, dat de plaats zou aanduiden waar ik
mijn moede hoofd kon nederleggen. Eindelijk ontdekte mijn jongen —
de Javanen zien scherp — aan een tusschen de boomen verscholen klein
huisje, een sigarenkistenplankje, waarop met kleine zwarte letters de
woorden: „Hotel Muntok" geschreven stonden. Een vriendelijk uitziend
heer, met langen grijzen baard en gouden bril, lag op zijn gemak uitge-
strekt, rookend in een schommelstoel en antwoordde op mijn vraag of
hier \'t hotel was en of ik logies kon krijgen? — „Hm! ja! Hm! ik zal
eens even hooren." Hij stond langzaam op, ging naar achteren en kwam
terug met de boodschap: — „\'t Zal wel lukken." Ik kreeg een kamer,
-ocr page 177-
165
INDISCHE HOTKLS.
met een goed bed en een nog al doorluchtigen vloer. Denzelfden dag
kwamen nog een heer en dame, een pas benoemd commies met zijn
vrouw, die ook een kamer kregen, maar toen er \'s avonds nog een zee-
officier arriveerde, werd \'t een lastig geval. De brave hotelier krabbelde
zich achter de ooren, bevreesd of het nu nog Jukken\' zou, maar de zee-
officier was bescheiden in zijn eischen en door zijn beroep wel gewend
aan kooi en hut, stelde zich tevreden met een klein hokje, dat eer voor
een geit of ander nuttig dier, dan voor een officier van H. M. Marine
bestemd scheen.
Het Hotel Muntok was nu tjokvol en daardoor kwam het zeker, dat
we uitmuntend eten kre-
gen, immers wanneer een
hotelier veel gasten heeft,
kan hij eerder iets ten
koste leggen aan de ge-
noegens der tafel, dan
voor een enkel reiziger.
De bediening was voor
die bijzondere gelegenheid
natuurlijk ook versterkt,
want behalve den gewo-
nen, slaperigen jongen
liep zich een baboe, in
een van lange trouwe
dienstjaren getuigende
kabaai, de voeten plat
voor de gasten. Het eten
echter werd in zoo ruime
                                     IIutcl Muniok.
hoeveelheid verstrekt, dat
de jongen zich genoodzaakt zag, na afloop van de tafel, met de baboe
zich te associeeren wat \'t verdelgen van de nog aanwezige visch betrof.
Merkwaardig echter is het dat, naar men mij later verzekerde, de
hoteliers van zulke gesubsidieerde hotels in den regel liever in \'t geheel
géén gasten zien, omdat de kleine subsidie, die zij ontvangen, hen in
staat stelt, indien zij géén logees hebben, kalmpjes, zich met weinig
tevreden stellend, te rentenieren, Krijgen zij daarentegen gasten, dan
zijn zij verplicht goed, zelfs zeer goed op te schaften en meer onkosten
te maken, dan die gasten hun door hun betalingen vergoeden. Misschien
zetten dergelijke ,,propriétaires" daarom den naam van hun hotel zoo
beschroomd op sigarenkistenplankjes en verschuilen zij hun etablissementen
tusschen pisangboomen en struiken, in de hoop dat niemand hun bestaan
-ocr page 178-
i66
INDISCHE HOTELS.
ontdekken zal en zij hun bordje rijst in dolce far niente en vrede kunnen
eten, zonder soesah van den reizenden man.
Dan vindt men in Indië nog een soort hotels van regeeringswege opge-
richt en gesubsidieerd n.1.: de Fasangrahans; waar men soms goede
zindelijke bedden en vriendelijke bediening vindt, maar waar de kwaliteit
der voeding afhangt van de blikjes, die men zelf medebrengt en de dranken
uitmuntend zijn als men ze van een goeden leverancier heeft gekocht. In
sommige Fasangrahans, in de binnenlanden -— in bergstreken vooral —
vindt men alleen gelegenheid om te slapen en te koken, terwijl de gérant
slechts gehouden is te zorgen dat aan de gasten water wordt verstrekt
en nachtverblijf. Voor bediening, table-d\'hóte, lunch, souper en verdere
gemakken moet men zelf de noodige maatregelen nemen. Toch zijn deze
pleisterplaatsen van groot nut en gemak voor hen die lange reizen te
paard of per rijtuig moeten doen.
In vroeger jaren was het reizen in Indië veel bezwaarlijker en tijd-
roovender dan tegenwoordig, nu de hoofdsteden en voornaamste plaatsen
door een spoorwegnet verbonden zijn. Daardoor vindt men nu ook bijna
overal waarlijk goede hotels, die meer en meer de prijzenswaardige eigen-
schappen der Kuropeesche overnemen. Voor een tevreden mensch, die,
dankbaar van gemoed en berustend van natuur, zelfs het geringste goede,
waardeerend geniet, kan ik enkele hotels aanbevelen, waar de bedden
harder dan gewoonlijk, de waschstellen defecter dan bij anderen waren,
waar de kleerkast soms aan vallende ziekte leed en de kapstok apoplec-
tisch was. De badkamer bleek er dikwijls grooter dan de hoeveelheid
badwater, de eieren bij \'t ontbijt wedijverden in ouderdom met \'t brood
en de boter verklikte onmiddellijk dat zij reeds lang geleden had getracht
sterk te worden. De rijsttafel deugde er niet, maar daarentegen was de
avondtafel beneden het peil der middelmatigheid.
Alles in alles genomen moeten het toch wel goede hotels zijn geweest,
want de prijzen waren er op berekend, den hoteliers binnenkort een ver-
zekerde toekomst te verschaffen. Men betaalde er voor zijn lamp ongeveer
vijftig percent meer dan bij anderen, terwijl die lamp minder olie gebruikte
en bijgevolg ook in haar plicht te kort schoot.
* *
*
Een Indisch hotel is eigenlijk een soort van gehucht, gewoonlijk bestaande
uit één groot huis en verschillende kleine gebouwen, meestal zóó op een
ruim open erf gezet, dat het groote gebouw, als de hoofdman vooraan
staat, terwijl de kleinere achter hem carré vormen, ééne zijde openlatend.
In het midden van \'t carré bevindt zich gewoonlijk een tuin of gras-
veld, afgewisseld door platgetreden plekken, perken met heesters en
-ocr page 179-
INDISCHE HOTELS.
167
bloemen, reusachtig groote steenen eierdoppen, waarin bloemen en chcvelures
staan, vrucht- en andere boom en en verschillende pas gevvasschen kleeding-
stukken, baadjes en sarongs, die over lijntjes te drogen hangen.
De logeerkamers bevinden zich voor \'t grootste deel in de lange, lage
bijgebouwen, naast elkander onder één dak, beschaduwd door een soort
van verandah, die langs het geheele gebouw loopend, soms als in mootjes
wordt gesneden door lage houten schutsels, die maken dat men zijn
buurman niet heelemaal zien, maar wel heelemaal hooren kan.
Die verandah of voorgalerij is de huis- en zitkamer van den logé, die
er een paar luierstoelen, een tafeltje en een hanglamp ter zijner beschikking
Malan^-Hotel te Malang.
vindt. Wanneer men \'s middags tusschen vijf en zes ure langs die
verandah\'s kijkt kan men, als het hotel goed bezet is, een expositie van
verschillende bloote voeten zien, uit de slaapbroeken stekend der logeerende
heeren, die op de krossi-malam (de luierstoelen) uitgestrekt liggen, totdat
de een na den ander ze terugtrekt, en besloft om er mee naar de mandi-
kamer te wandelen. De slaapkamers zijn gewoonlijk ruim, in de meeste
gevallen zindelijk en netjes, met wit gepleisterde steenen muren en een-
voudige meubels.
Een bed, waarin een niet al te talrijk huisgezin gemakkelijk plaats kan
vinden, een waschtafel, een spiegel, een beddetafel, een hangkast of
commode, een kapstok en verder, bij wijze van versiering tegen de witte
muren opgehangen, reclameplaten van cacao, sigaren, naaimachines, Pear\'s-
soap, etc. etc, terwijl in geen logeerkamer een zeer nuttig vierkant
meubeltje ontbreekt, dat bij nacht en ontijd onschatbare diensten bewijst,
omdat de ontvanger van uitgaand-recht meestal achter op \'t erf, dikwijls
naast de mandi-kamer, resideert.
-ocr page 180-
i68
INDISCHE HOTELS.
De eetzaal bevindt zich in het hoofdgebouw, gemeenlijk is liet de daar-
voor bijzonder ingerichte achtergalerij, luchtig en ruim, door zonnezeilcn
voor overmatige warmte beschut; in sommige hotels, b.v. het Hotel der
Nederlanden en in Hotel Wisse is zij geheel en al Europeesch.
In de eetzaal bevinden zich een of meerdere buffetten, waarop glazen,
flesschen, eetcouverts en alles wat verder noodig is, voorhanden wordt
gehouden ; enkele malen treft men daar ook een ijskast aan om de dranken
af te koelen. Wat de dranken zelf betreft, moet ik eerlijk erkennen dat
men in Indië voor minder geld dan in Europa een goed glas wijn vindt.
Voor één gulden a één gulden vijfentwintig cents krijgt men reeds een
zeer drinkbaren tafelwijn.
Bier daarentegen is een duur
en dikwijls minder goed
artikel, omdat het, voor \'t
verblijf in de tropen, met
meer alcohol dan voor een
christen noodig en nuttig is
aangezet wordt. Ik betaalde
dikwijls voor een half fleschje
gewoon Pilsener of zooge-
naamd Beijersch, vijttigcents,
voor Yollenhovens Stout, een
biersoort die veel gebruikt
wordt, eenmaal zelfs vijfen-
zestig cents voor een halve
Eetzaal in \'t Hotel Wisse te Batavia.                  flcsc)l- Veelal hangen de bier-
prijzen ook af van de meer
of minder menschelijke gevoelens van den hotelier.
De keuken! — een Hollandsche huismoeder rilt als ze zoo\'n Indisch
onding ziet — is gewoonlijk een treurig onzindelijk hok, waaraan de
schoorsteen ontbreekt en waarin een inlandsch fornuis, uit verschillende
los opeengestapelde steenen bestaande, zijn rook, dwalm en vettige dampen
verspreidt en eindelijk door de deur of de spleten van dak en muren
naar buiten zendt. Op zoo\'n fornuis en op petroleumkomforen staan
allerlei wonderlijk gefatsoeneerde potten, schaaltjes en pannetjes te pruttelen,
te braden of te snerken. Een of meer inlandsche kokkies, die er in den
regel even vettig en kleverig uitzien als haar pannetjes, zijn in deze
onheimelijke ruimte met diepen ernst als moderne alchimisten aan \'t werk.
Zij brouwen in geheimzinnig duister allerlei wonderlijke zaken; met haar
aapachtige vingers bladeren, boontjes, nootjes, pepertjes en kruiden ver-
plukkend tot onoogelijke viezigheden, die later onder den wcidschen naam
-ocr page 181-
i6y
INDISCHE HOTELS.
van sambals bij de rijsttafcl dienst doen. Zij bakken taarten in pannen
op een houtvuur, vóór de deur, met een deksel vol gloeiende houtskool
er op, en mengen haar emanatie, \'t zweet haars aanschijns en de stof
van haar voeten, met de spijzen die zij kunstvaardig bereiden. Zij moeten
m. i., voortdurend rieken, een uur in den wind, naar al de klapperolie,
de trassi, de visch of garnalen, de sterke kruiden en ranzige vettigheden
die ze kwistig gebruiken om een smakelijke rijsttafel te kunnen afleveren.
Voor de echtgenooten dier kokkies — men heeft mij verteld dat de
meesten gehuwd zijn, of op zeer natuurlijke wijs het huwelijk nabootsen
— moet, dunkt mij, zoo\'n vrouw het non plus ultra van lucullische weelde
zijn — immers zij draagt bij en om haar persoonlijkheid voortdurend een
volslagen menu in vluchtigen staat mede, terwijl zij — altijd volgens de
booze wereld — er een
gewetenszaak van maakt
méér te geven dan strikt
noodig is voor de tafel en
minder voor haar zelf en haar
laki achter te houden, dan
men billijkerwijs verwachten
kan.
In de grootere hotels
daarentegen vindt men be-
halve die inlandsche keuken
ook nog een Hollandsche
dito, waar — ik zag dit o. a.
in hotel Wisse en hotel der
                              Javaansche keuken.
Nederlanden — de keurigste
zindelijkheid heerscht, waar de vrouw van den hotelier het oppertoezicht
houdt en van de inlandsche bedienden geoefende koks en kokkinnen
heeft weten te maken, die hun Europeesche collega\'s naar de kroon steken.
Daar wordt dan ook de avondtafel gereed gemaakt en van alles gebakken,
gezoden en gebraden wat het meest verwende gehemelte streelen kan.
Een voornaam en gewichtig gedeelte van het Indische hotel is de
,,goedang\'\' — wij zouden zeggen de provisiekamer —, daar worden de
direct uit Europa of van inheemsche handelaren gekomen bczendingen
blikjes geconserveerde levensmiddelen, wijnen, bier, hammen, delicatessen,
enz. ontpakt en bewaard.
Geheele reien, netjes op planken gerangschikte blikken petits-pois,
asperges en branches, peertjes en appelen in wijn — capucijnders, spinazie,
sellerij au jus, karnemelk met gort, gebraden patrijzen, paté de foies-gras,
lengvisch, IV-ches au naturel, kaas, komijne en gewone, doen den lekkerbek
-ocr page 182-
INDISCHE HOTELS.
\'7°
dien men een blik in dat Eden vergunt, watertanden. Aan den zolder
hangen in linnen zakken genaaide hammen, met een flesch er boven op
geplaatst — vernuftige uitvinding om de muizen te beletten, zich aan die
jambons de York of bankcthammetjes te goed te doen. De dame van
het hotel draagt altijd den sleutel van die goedang — gewoonlijk aan
een kettinkje bij zich, omdat haar dienstpersoneel niet ongevoelig is voor
al de daarin opgestapelde heerlijkheden.
Over \'t algemeen is de vrouw van den Indischen hotclier de spil, waarop
de gehcele alimentatie der inrichting draait. Is zij wat men noemt pienter
(bij de hand), een vrouw, die voor haar taak berekend is, dan hebben de
gasten het goed, dan bloeit de zaak en kan haar man zich geheel en al
aan de administratie wijden. Mij is op zijn kantoor de vraagbaak van
de reizigers, hij vertelt
hen, welke route zij
hier of daarheen moeten
nemen, hij weet precies
aankomst en vertrek
van de verschillende
mails, helpt de passa-
giers met allerlei klei-
nigheden en bezorgt
hen, door duizend kleine diensten allerlei gemak. Hij zorgt voor paarden
en rijtuigen, want schier alle hotels hebben een stalhouderij tegelijkertijd.
De paardenstal is dikwijls één der grootste bronnen van inkomsten en
ofschoon hij of zij, die dicht bij den stal logeert, des nachts door \'t paarden-
getrappel en allerlei wonderlijke geluiden — ook paarden droomen zeker
wel eens hardop — vaak een uurtje slaap verliest, is iedere logé dankbaar
als er een goede rijtuigverhuurderij aan zijn hotel verbonden is, want in
Indië is een rijtuig nog meer onmisbaar dan bij ons goede schoenen.
Men loopt zoo weinig en rijdt zooveel mogelijk in de tropische hitte en
voor hen, die de dos-a-dos, het gewone voertuig — men zou ze kunnen
noemen de Indische liacre — niet bemint, is de break of de bendie van
\'t hotel een ware uitkomst. De prijs voor de rijtuigen is gewoonlijk even
klein als de paardjes en daarom kan men zich die weelde zonder noemens-
waarde gewetenswroeging veroorloven.
Merkwaardig is het, dat, bijna stee vast, véx>r of bij den paardenstal
een aap zit, aan een ketting, die hem veroorlooft een paar meters-ver
heen en weer te springen. Zoo\'n aap zit daar gedeeltelijk als gezelschaps-
heer voor de paarden, gedeeltelijk als politieagent om op te passen dat
de kippen de haver, die de paarden verdienen, niet komen wegpikken.
Wee! de kip, die door „Kees" — algemeen wordt zoo\'n vierhander met
-ocr page 183-
INDISCHE HOTELS.
\'7\'
dien naam aangeduid — gevat wordt. Zonder genade plukt hij haar
kaal en laat haar dan als een levende „poulet de Rruxclles", in al haar
naaktheid loopen, tot afschrikwekkend voorbeeld voor de andere hoenders,
die op \'t erf kakelend en scharrelend ronddolend, zich mochten laten
verleiden tot een rooftocht naar de ruif. Het aantal kippen, aan een
Indisch hotel verbonden, is legio, maar — \'t is een treurig lot dat van
een hotel-kip! Zoo\'n ongelukkige vogel is zijn leven geen oogenblik\'zeker!
Oranje-Hotel te Padang.
In de Kandang-ajam — het kippenverblijf — grijpt iederen dag een
zwarte, moorddadige hand, onverbiddelijk, tal van slachtoffers kiezend.
Dagelijks maait de dood in dat vreedzaam hok met ontzettend geweld —
twintig, dertig, soms vijftig slachtoffers vallen op één dag en er is één
plaats, een Gehenna, een gruwelijk moordhol, ergens achter op \'t erf,
waar een inlander met stoicijnsche kalmte en een groot scherp mes al
die moorden volbrengt, rustig zijn strootje rookend.
Gelukkig dat de overige kippen en hanen er geen weet van hebben of
-ocr page 184-
INDISCHE HOTELS.
172
er langzaam aan wennen. Ik zag eenmaal een groote Chineesche
haan, die met philosophische blikken een afgehakten kippenkop van alle
kanten bekeek, hem met zijn snavel om-en-om draaide en bepikte en
toen eensklaps, met zijn vleugels
klappend den hals uitrekkend,
een luid gekraai aanhief, als wilde
hij zijn verwondering te kennen
geven, dat hij wel den kop —
maar niet de kip zag.
Nu ik toch de aan een hotel
verbonden dieren behandel, wil
ik niet onvermeld laten dat ook
de katten mij menig genoegelijk
oogenblik bezorgd hebben. In
sommige hotels sehenen die lieve,
gezellige dieren des nachts muziekfeesten
te arrangeeren, waarop zij met groote virtuo-
siteit\'hun liefdezangen uitvoerden. Waar ze
die philharmonische bijeenkomsten hielden
is me nooit recht duidelijk geworden, maar
ik heb ondervonden dat in Indië de poesjes
in iedere maand bij stem zijn; waarschijnlijk
zal deze onafgebroken zangvaardigheid veel
aan het mildere klimaat liggen.
Ook de (jeckos, die \'s nachts hun Prrr-prrr! tokkè, tokkè, tokkè, tokkè!
zoo melodieus doen hooren, dragen met de snorrende klappertorren en
gonzende muskieten veel tot den rustigen slaap der gasten bij, terwijl
reusachtig groote spinnen in de badkamer soms aardige verrassingen zijn,
als men \'s morgens zijn lichaam gaat verfrisschen.
De badkamer, of badkamers, meestal zijn er meer dan één in een hotel,
behooren evenwel tot de alleronmisbaarste gelegenheden. Goede mandi-
kamers zijn de beste aanbeveling voor een logement, frisch, levend bad-
water een reclame zonder wederga!
Men denke hier niet aan een Hollandsche badkamer — een zinken
kuip met de waterleidingkraan er boven, een zeepbakje en handdoek, een
geijser of kacheltje er naast — maar aan een gewone witgepleisterde, of
in enkele gevallen met marmeren wanden voorziene ruimte. Daarin een
grooten gemetselden bak, bedekt met een rooster van latten, waarin een
vierkante opening is gelaten, ruim genoeg om er met een schepper of klein
emmertje doorheen te kunnen reiken, naar het water, dat zoo frisch mogelijk
gehouden wordt door het des avonds reeds in den mandiebak te pompen.
-ocr page 185-
INDISCHE HOTELS.
\'73
Te Batavia en ook op andere plaatsen is het artesisch water, dat voor
\'t mandiën gebruikt wordt zeer warm, soms heet, als het uit den grond
komt en heeft dan gelegenheid om gedurende den nacht af te koelen.
De badenden scheppen het water uit den bak en overgieten (sirammen)
zich daarmede zoolang ze dat aangenaam of nuttig vinden. Het rooster
over den mandiebak is aan-
gebracht, omdat het herhaalde
malen gebeurd is, dat een
nieuweling zich de weelde ver-
oorloofde in den bak te kruipen,
zich op gewone Kuropeesche
wijs daarin te baden en te
wasschen, zoodat hij voor de
na hem komenden, het water,
dat dikwijls niet gemakkelijk
te vernieuwen is, verontreinigde.
In sommige hotels hangt zelfs
een gedrukte waarschuwing:
,,/Vet is verboden in den mandie-
bak te baden of het -water met
zeep te verontreinigen."
Op het erf van een Indisch
hotel kan men, wanneer men
zich de moeite geeft een blik
te slaan op en in de woningen
der bedienden, die daar hun
huishouden hebben, allerlei
zonderlinge zaken zien. De
hoteljongens wonen daar met
hun vrouwen, die dikwijls als
kokkies of dienstboden fun-
geeren. Hun kinderen, ze zijn
gemeenlijk rijk door Onzen
Lieven Heer met spruiten geze-
Zooyemle Javaansche vrouw.
gend, bewegen zich in paradijs-
uniform in, vóór en bij de woningen. Ik zag o. a. eenmaal een Javaansche
vrouw, die een jongen zoogde van een jaar of vijf minstens. De jonge-
heer, die blijkbaar dol veel van zijn moesje hield en smakelijk dejeuneerde
bij mama\'s goedvoorziene restauratie, stak, als afwisseling van de misschien
voor hem reeds te weinig pikante kost, van tijd tot tijd een strootje op.
Hij rookte een paar seroetoes, smeet het laatste eindje brandend achter
-ocr page 186-
INDISCHE HOTELS.
i\'/4
een kip aan en klom toen weer haastig in moeders slendang, om zijn
door \'t rooken droge lippen, met een teugje versche melk te verfrisschen
en — mama verstrekte hem minzaam lachend dien dronk!
Een andermaal zag ik, in
een hotel, in de binnenlanden logeerend,
voor de woning van een der inland-
sche bedienden een knappe
Javaan sche vrouw, die zich
door een oude nènèk (een
grootje) liet pidjitten (mas-
■ seeren) een kunstbewerking,
I die zeer veel wordt toege-
! past in Indië en een voor-
treffelijke uitwerking heeft
bij spierverrekkingen, con-
tusiën of rheumatische aan-
doeningen. Ook tegen hoofd-
pijn, waaraan veel vrouwen in
Indië lijden, wordt dit eenvoudige
1 J\' en\'
                                  middel met goed gevolg aangewend.
En niet alleen inlanders of Indo\'s nemen daartoe hun toevlucht, maar ook
de Europeanen laten zich dikwijls door oude Javaansche vrouwen pidjitten
wanneer zij vermoeid zijn door veel werken of overmatige warmte.
Het leven in een Indisch hotel is als \'t ware dat eener miniatuur
maatschappij op zichzelf; men vindt er alles: onderscheiden standen,
rijken, armen, begaafden en dommen, die in die kleine ruimte zich bewegen;
hun leven van alle dag leven, met al den aankleve van dien.
-ocr page 187-
175
INDISCHE HOTELS.
li.
Wanneer men \'s morgens in een
Indisch hotel komt, zou men mee-
nen, zich in de eene of andere
achterbuurt van een groote Itali-
aansche stad te bevinden, want
in alle voorgalerijen, op alle veran-
dah\'s, voor alle kamers hangen
over lijntjes allerlei kleedingstuk-
ken in de zon te luchten, té drogen
of te bleeken.
Het is noodig, uit gezondheids-
redenen, om het goed wat men
Eetzaal van liet hotel der Nederlanden te liatavia. des daags, of \'s nachts gedragen
heeft, gedurende eenige uren in
de zon te hangen; men noemt dat: kassih kaloewar (buiten brengen,
letterlijk : buiten geven) of djemoer (in de zon drogen) en de lijfjongens
zorgen daar meestal vanzelf voor, zonder dat men \'t hun behoeft te zeggen.
Toch is het eenmaal gebeurd in een hotel, dat een pas van Holland ge-
komen reiziger, aan wien men geraden had, zijn goed vooral eiken dag
in de zon te hangen, zijn jongen niet aan \'t verstand kon brengen wat
hij wilde. De jongen verstond geen woord Hollandsch, hij weinig Maleisch
en zoo gebeurde het dat hij, letterlijk vertalend, vriendelijk tot den jongen
zei: — Bawa sapoenja barang didalam mata hari. (Breng mijn goed in
de zon !)
De jongen keek zijn meester onnoozel, met breedgetrokken mond,
zwijgend aan en toen de toewan zijn woorden, iets meer bevelend herhaalde,
sloeg de Javaan zijn donkere melankolieke oogen langzaam omhoog naar
de zon en daarna medelijdend op zijn meester, als wilde hij zeggen : „Zoo\'n
afstand! — Zou toewan ook een slag van den molen beet hebben?"
Nogmaals herhaalde de heer, nu weer zeer vriendelijk, zijn verzoek,
maar de jongen keek even suf en zweeg.
-ocr page 188-
l-]()                                                    INDISCHE HOTELS.
Eensklaps klonk de forsche stem van een buurman, die medelijden
kreeg met den „baar," kortaf, bevelend: „Djemoer!"
Dadelijk pakte de jongen het goed bijeen en hing het in de zon, terwijl
zijn patroon den beleefden buurman voor zijn tusschenkomst bedankend,
zei: — \'t Is zonderling volk, die Javanen! toen ik het hem vriendelijk
vroeg verroerde hij geen vin en nu u roept: ,,je moer!" vliegt hij!
Heeft in de morgen uren een hotel iets van een bleekerij of gemaakte-
kleerenwinkel, na den middag doet het denken aan een sterfhuis, want
alle rouleaux, alle zonnezeilen zijn neergelaten, alle jaloeziën en marquises
dichtgeslagen om zooveel mogelijk de brandende zonnestralen te weren.
Op \'t voorerf staan in de schaduw der boomen de dos-a-dos, die altijd
op een vrachtje azen, met slaperige koetsiers en druilende paarden; een
paar hótel-jongens leunen knikkebollend tegen de deurposten of liggen
vadsig op den drempel.
Men denkt onwillekeurig aan het betooverde kasteel der schoone slaapster
in \'t boscb, want bijna alles slaapt, zelfs de insecten zoemen zachter of
schijnen te sluimeren, slechts de nijvere hötel-moeder dribbelt nog een
poos heen en weer om haar „printahs" (bevelen) te geven voor den avond-
maaltijd ; eindelijk pakt ook zij haar tukje en dommelt het gansche hotel
in rustige rust in de snikheete atmosfeer; alleen de hoognoodige bediening
blijft wakker.
Tegen thee-tijd, ongeveer vier uur of half vijf, worden er weer teekenen
van leven bemerkbaar; hier en daar ziet men de zonnezeilen ophalen, de
jaloeziën openen en in de voorgalerijen en verandah\'s verschijnen dames
in sarong en kabaia, heeren in slaapbroek en kinderen in de tjelana-monjet
(apenbroekje) een soort van hansop, die poezele en gevulde kindertjes
heel aardig, magere daarentegen armoedig en bespottelijk kleedt.
Enkele langslapers komen later te voorschijn, sommigen met dikke
oogen en lodderige blikken, al naar mate zij bij de rijsttafel veel of weinig
wijn of bier hebben genoten. De siësta werkt nog een poos na op de
gasten ; de atmosfeer is ook nog drukkend genoeg om een languitliggen
op schommelstoel of balé-balé (rieten rustbank) te wettigen.
De Indisch-gast, voornamelijk de oud-gast, kent en waardeert al de
gemakken van de nacht-kleeding en wanneer hij zich geheel en al ,,at
home" wil voelen moet hij die aanhebben; dan is hij eerst recht in zijn
schik ; betoel lekker !
Allengs ontwaakt alles geheel; de bedrijvigheid in \'t hotel neemt toe,
de keukens zenden haar geuren weer op naar de blauwe lucht, de hótel-
jongens loopen heen en weer met theeserviezen en Apollinariswater —
en over \'t binnenerf komen gasten, langzaam loopend, sommigen nog
geeuwend, klapperend met hun muilen, den badhanddoek over den arm
-ocr page 189-
INDISCHE HOTELS.
\'77
of schouder, om zich in de mandi-kamer te verfrisschen en geschikt te
maken voor liet verdere gedeelte van den dag.
Dikwijls komen \'s namiddags, evenals \'s morgens vroeg, mannen en
vrouwen, die vruchten verkoopen, klontongs (Chineesche marskramers)
om hun waren aan te bieden.
Voor iemand, die niets te doen heeft dan lui in zijn stoel te liggen
klimaatschieten, een sigaar te rooken en thee te drinken, is dikwijls het
bezoek van zoo\'n koopman een niet onaardige tijdpasseering.
Hurkend bij zijn koopwaar, pakt de klontong met bovenmenschelijk
geduld alles uit wat hij in zijn pak of mand medevoert, breidt het aan
de voeten van den toewan of njonja uit, biedt
zeer onderdanig nu dit, dan dat artikel met
een aanbevelend woordje aan en pakt, wanneer
-ïy~iM
m
\\>--**jm
men geen kooplust toont, alles met een even
vriendelijk, geduldig gezicht weer in, om een
paar passen verder dezelfde operatie te her-
halen. Gewoonlijk hebben die marskramers
een rammelaar, die een scherp geluid voort-
brengt, waarmede zij hun komst reeds van verre
aankondigen. Zij heeten dan ook naar dat
instrument (kelontong) rammelaar.
Allerlei artikelen hebben zij te koop, ge-
drukte of gebatikte katoenen stoffen voorsarongs,
lakwerk, witte goederen, sloffen, odeurs, sigaren,
wapens, geborduurde muiltjes voor dames,
speelgoed, kousen, sokken, boeden, snuisterijen
van ivoor of sandelhout, zelfs comestibelen en
delicatessen in blikjes slepen zij in hun pakken
mede.                                                                                                           Yruclileuveikuopster.
Menige marskramer, die vroeger langs de
huizen ventte en in de hotels zijn waren te koop bood, is thans een
weigezeten, soms zelfs een rijk Chineesch koopman, die groote zaken
doet. Gewoonlijk begint de Chinees als klontong, leeft van een kleinig-
heid, blijft sober en werkzaam, schacherend, handelend en — woekerend
met landslieden en Europeanen. Eerst brengt hij het zóóver, dat hij een
koelie kan huren, die zijn pakken of manden draagt, dan schaft hij zich
een karretje en paard aan, eindelijk een toko\'tje en ten slotte is hij door
zuinigheid, vlijt en een niet al te nauwgezet geweten op de hoogte, waar
hij wezen wil. Heeft hij eenmaal geld, dan weet hij met dat geld steeds
meer geld te maken. Meestal wordt hij, terwijl zijn beurs zwelt, zelf dik
en vet en rijdt in een mooien wagen, omdat hij zich te voornaam en te
12
-ocr page 190-
i78
INDISCHE HOTELS.
vadsig voelt om te loopen. Alleen wanneer hij in zaken „van de beenen"
raakt, komt hij weer op de heen en loopt zijn zaken weer na, altijd als
door de heeren van den gerechte geen termen gevonden worden om hem
een poosje tot zitten te brengen.
Eigenaardig is het dat men nooit genoeg afdingen kan bij den klontong,
want met een gezicht als
een ouderling vraagt hij u
twintig gulden voor een
artikel, dat dikwijls geen
halven gulden waard is; hij
zal zich echter nooit boos
maken wanneer ge hem
even onbeschaamd biedt als
hij vraagt. Hij zegt alleen
op klagenden toon : — Ik
ga bankroet, ja, bankroet!
schudt neen en nogmaals
neen, maar blijft vriendelijk
en onderdanig en gaat kalm
heen, om een ander maal terug te komen. Al laat ge hem door uw
jongen met zijn geheelen voorraad goederen op onzachte wijs verwijderen,
toch komt hij met een: — Tabé toewan terug, denkend aan het: „de
aanhouder wint!"
En niet alleen klontongs komen de hotelgasten vermaken of vervelen,
maar ook wandelende smeden (toekan besi), die bun komst door een zeer
eigendom meiijk rinkelen met stukjes oud ijzer aankondigen. Voor een paar
stuivers repareeren zij kolïersloten, deur- en hangsloten, scharnieren en
verder alles wat ijzerwerk is. Hun komst is dikwijls zeer gewenscht, want
in Indië vindt men niet, zooals in de steden van ons gezegend Nederland,
in zijn onmiddellijke nabijheid steeds een koomenij, een smid en sloten-
maker, een barbier en aanspreker en een kroeg.
De afstanden in Indische steden zijn zéér groot, soms ligt de arbeiderswijk
— gewoonlijk de Chineesche — een half uur en verder verwijderd van
die, waar de Kuropeanen wonen. In een Indisch huis valt meestal iets te
repareeren ; ik heb opgemerkt, dat, de mooie rijke woningen uitzonderende,
de huizen in Indië niet al te goed onderhouden worden. Deuren en
vensters sluiten niet te best, aan jaloeziën, marquisen of zonneblinden
ontbreken haakjes, oogen of knippen. In de eene kamer laateen drempel
los, in een andere springt de wand uit de naden en een derde laat u een
zoldering zien, waardoor stof en muizenkeutels vallen, \'t Is een groot
geluk, dat er bamboes, rottan en atap in Indië groeit, want met die drie
4
-ocr page 191-
INDISCHE HOTELS.
\'70
artikelen doen de inlanders mirakelen. Met bamboes en rottan, touwtjes
en houtjes binden, lappen en repareeren zij alles op zeer vernuftige en
handige wijs. Ken tijd lang houdt het herstelde voorwerp zich goed, breekt
dan opnieuw en wordt zoolang gerepareerd, totdat het eindelijk voor goed
in elkaar zakt of onbruikbaar is. In een inlandsch huis —■ dit ter onder-
scheiding van de door Kuropeanen bewoonde — is gewoonlijk alles defect;
dat schijnt zoo te hooren !
Allerlei rondtrekkende handwerkers vinden dus gereedelijk karweitjes,
en dikwijls kan men in een hotel, door een reizend Chineesch timmerman
voor weinig geld keurige kamfer- of djattihouten kisten laten maken.
Des Zondagsmorgens — deze eigenaardigheid trof ik alleen in Indische
hotels aan — worden de gasten, die, de hemel vergeve het hun, meestal
niet naar de kerk gaan, toch op het broze en vergankelijke van den
mensch en „de ellendigheid des vleesches" gewezen door tal van ongelukkige
wangedrochten, mismaakte schepsels, die langs de kamers komen bedelen.
In de week ziet men die akelige, ongelukkige wezens niet. Zij vertoonen
zich, evenals bij ons te Amsterdam vroeger des Vrijdags alle bedelaars de
huizen alliepen, alleen op den Sabbathdag als waarschuwende stemmen,
die ons een „oefent barmhartigheid, opdat ook u barmhartigheid geschiede"
toeroepen.
Ik heb van mijn leven in de stad mijner inwoning mooie, onberispelijk
gevormde bochels gezien ; kromme been en, scheeve heupen en horrelvoeten,
die hun\'s gelijke zochten, maar zulke vreemde gedrochten als in Indië heb
ik nergens aangetroffen, o. a. kwam in \'t Hotel Wisse te Batavia eiken
Zondag een dwerg, met een groot hoofd en dik lijf. Omdat hij nog niet
op het denkbeeld gekomen was zijn photographie als curiositeit verkrijgbaar
te stellen, maakte ik een krabbel van hem, die ik hier laat afdrukken,
opdat men zien kan hoe drie-kwart Javaan er uit ziet, want meer dan
75 % mensch representeerde hij niet. Hij had een te kort onder- en
bovenlijf, geen armen, maar alleen aan den rechterschouder één stompen,
breeden vinger. Wanneer men daarop een geldstukje lei, nam hij dit met
zijn dikke, chimpansé-achtige lippen er af en spuwde het links in het
openstaande zijzakje van zijn baadje. Hij liep op twee kleine, stijve,
rechte beentjes, zonder knieën, die als staken, voor-, achter- en zijwaarts
heen en weer bewogen; zijn teenen, hij had er slechts vier aan iederen
voet, stonden scheef en buitenwaarts ; daardoor waggelde hij als een gans.
Dat heertje, hoeveel medelijden men ook met hem voelde, maakte toch
een komischen indruk, omdat hij onder zijn puntigen stroohoed een aller-
grappigstc tronie liet zien, op allerleukste «ijs lachend, iedereen knipoogend
aankeek en tabé knikkend zijn éénigsten vinger even op en neer bewoog.
Misschien dankte hij aan die ondeugend lonkende oogen en zijn voort-
-ocr page 192-
l8o
INDISCHE HOTELS.
durend grinnikenden mond het geluk van - - een vrouw te bezitten. De
hötel-mandoer vertelde mij : — O, meneèrr hij al lang getrouwd, knappe
prouw; hij perdienen peel geld, met zijn ongeluk, daarom — hij prouw
krijgen.
— Kn, kon ik niet nalaten te vragen, — hebben zij ook kindertjes?
De mandoer keek mij even verwonderd aan, laehte en zei: — O! jawel,
die prouw heef kinder, hij niet, maar hij perdienen de kost. Banjak sekali
oewang!
Ken ander, zonder beenen geboren, individu, kwam Zondags, op een
soort sleedje voortschuivend, den gasten zijn mismaaktheid vertoonen en
concurreerde scherp met een ge-
drochtelijke Javaan, die er uitzag
alsof hij even na zijn geboorte als
een gepeld kievitsei was platgeslagen-
Verder bedelden er een paar
blinden, die alléén, met een stok
rondtastend, hun weg zochten en
een magere inlander, die door het
vertoonen van zijn hoogen rug, ver-
draaide armen en horrelvoeten het
medelijden poogde op te wekken,
liet verwonderde mij wel, die ge-
drochtelijke ongelukkigen zoo als \'t
ware ,,en compagnie" te Batavia
aan te treffen, want het is mij
overigens opgevallen,dat men in
In dit- zoo weinig kreupelen en
mismaakten ontmoet; ik geloof dat de inlander er een akal (loopje)
op weet om kindertjes, die niet welgeschapen ter wereld komen, een
kortstondig bestaan te verzekeren.
De Zondag onderscheidt zich overigens in de hotels niet veel van andere
dagen, alles gaat zijn gewonen gang, alléén zetten logeerende dominees
of zendelingen lange gelegenheidsgezichten en biedt de avondtafel meestal
iets extra\'s, in den vorm van taart, ghce-vanillée of likeur na de koffie.
Over \'t algemeen mist men in Indië het Zondagsgevoel, dat iedereen
hier te lande, ook al is hij niet kerksch overkomt, door de meerdere stilte*
de mindere bedrijvigheid, die in de straten heerscht. Behalve in die wijken
waar de handelskantoren gesloten zijn en dus geen prauwen- of karren-
verkeer noodig is, gaat alles zijn gewonen gang.
De Inlander, de Chinees, Arabier of Klingelees, weet van geen Zondag
houden, hij werkt altijd door en verricht, zooals hier b.v. een timmerman
-ocr page 193-
181
INDISCHE HOTELS.
of metselaar ,,zoo onder \'t werk door zijn stukkie eet" zijn godsdienst-
plichten. Op gezetten tijd gaat hij een uurtje naar den tempel of missigit,
stort zijn dagelijksclie gebeden werktuigelijk uit en doet verder wat zijn
hand vindt om te doen, of luiert als hij geen werk heeft, zoodat Toewan
Allah, niets aan hem te kort komend, ook niet ontevreden kan zijn.
De Chinees heeft een nog leuker opvatting van godsdienst, hij bemoeit
zich weinig met Toewan Allah; maar offert aan
de kwade geesten. Hij houdt „den booze" te
vrind, want, zóó redeneert hij: de goede goden
zullen niemand iets in den weg leggen, die hoefje
niet te paaien — maar de kwaden, daarmee moet
je trachten goede maatjes te blijven want die
kunnen je schade doen in je gezondheid en in
je zaken.
Zondags of in de week, is voor den Chinees
precies hetzelfde; hij doet altijd zaken, als hij
kan en offert dikwijls bij wijze van reclame- of
als propaganda-middel.
Komt er toevallig op Zondag een mailbootaan,
dan verandert de rustdag in een echten werkdag
vol drukte en beweging. De aankomst van nieuwe
reizigers brengt, evenals het vertrek, een voort-
durende levendigheid in het hotel; vooral wanneer
er een familie uit de binnenlanden arriveert is
het dikwijls vermakelijk om te zien van hoeveel
bagage en bedienden zulke gasten voorzien zijn.
Itaboe.
Een aankomende familie, met Indische dames, is
reeds uit de verte herkenbaar aan de groote menigte
boenkoes (in matten of doeken gebonden pakken) die zij in- of op den
bok van \'t rijtuig mede brengen. Ken Indische familie zonder tal van
boenkoes is evenmin denkbaar als een Engelsche familie zonder Gladstone-
bag. Van alles wordt door de Indische dames op reis meegenomen, tot
vogeltjes en levend vee incluis. Zij zouden zelfs hun echtgenooten
boenkoessen, (inpakken) als ze zich op die wijs door hem konden doen
vergezellen. Ik zag, in Hotel Wisse logeerend, eenmaal een familie
aankomen, bestaande uit man, vrouw en een paar dochters — rijdend in
het gewone open rijtuig van \'t hotel. Daarachter volgde de hotel-omnibus,
bevattende ettelijke boenkoes, manden en koffers, de lijfmeid van mevrouw
— die zelfs in een hotel gaarne door haar eigen baboe bediend wordt —
de jongen van mijnheer, één baboe, met den signo en de non na, één
baboe voor den zuigeling en achter de hótel-omnibus, een koe met een
-ocr page 194-
182
INDISCHE HOTELS.
kalf. De koe diende om voor de zuigende lieveling de melk te leveren
en het kalf diende om de koe meê te krijgen.
In een Kuropeesch hotel zou de aankomst van zulk een karavaan alles
in rep en roer hebben gebracht, maar in een Indisch is zoo\'n nomaden-
stam in ,,no time" onderdak.
Papa, mama, de jonge dames en de kindertjes kregen drie kamers
naast elkander, de koe en \'t kalf werden in een afdeeling van den
paardenstal gebracht en de
baboes — konden even als de
jongens, hun fortuin zoeken —
gedurende den tijd dat ze niet
in functie waren.
Van inlandsche bedienden,
zoowel mannelijke als vrouwe-
lij ke, wordt geen notitie ge-
nomen, zij moeten maar voor
zich zelven zorgen en maken
dat zij, een onderdak is dikwijls
niet noodig, eten krijgen, trou-
wens voor hen is dat niet
moeilijk want vooreenige centen
koopen zij aan de wandelende
warong, die geregeld de hótel-
erven bezoekt, zooveel rijst,
sambal, lombok en gedroogde
visch als zij noodig hebben.
Voor de deur van hun
meesters, op een matje uitge-
strekt, slapen zij zoo gerust en
vast, als een ander op een
springveeren matras. Zij ver-
Wandelende Warong.
frisschen zich \'s morgens en
\'s middags door een bad in de
mandikamer der hotelbedienden en maken, zooals vanzelf spreekt, ook
spoedig kennis met hun confraters, die dikwijls, indien het noodig blijkt, een
hoekje in hun verblijf voor hen overhebben. Soms nemen de hóteljongens,
de bedienden der gasten tegen een kleine vergoeding in de kost en
deelen eerlijk met hen wat zij wel eens oneerlijk verkrijgen.
De gasten in de Indische hotels zijn even verschillend als die in de
Kuropeesche — maar wat men in In die veel meer aantreft, zijn de in een
hotel, permanent wonende, jongere en oudere heeren en dames van
-ocr page 195-
INDISCH!\'! HOTELS.                                                       183
zekeren leeftijd. De heeren zijn meest jonge, ongehuwde ambtenaren of
oude gepensioneerden, meest civiele, die te veel aan Indië gehecht zijn
en te weinig familie- of andere redenen hebben om te repatrieeren; de
dames zijn gewoonlijk onderwijzeressen.
Tusschen de vaste logees — men zou ze eerder commensalen kunnen
noemen — en den hotelier en zijn gezin ontstaat dikwijls een vriend-
schapsband, die jaren lang blijft bestaan en hun een zekere vergoeding
schenkt voor \'t gemis van een eigen tehuis. Ik zelf h. b ondervonden
hoe hartelijk de hotelier en de hotelière kunnen zijn en ik herinner mij
nog met genoegen de bezorgdheid van meneer en mevrouw Wisse, die,
toen zij bemerkten dat ik een paar keer aan tafel had ontbroken, zich
persoonlijk kwamen overtuigen of ik ook „onlekker" was, — ik ben hun
nu nog dankbaar voor hun Obat serieawang, een kostelijk Indisch middel
dat mijn door heete lombok en harde rijst oproerige ingewanden, tot rust
bracht; ik proef nog de „nassi-tim", de zachtgekookte rijst, die, extra
voor mij klaargemaakt, in een bruin potje bij mijn couvert werd neêr-
gezet en de vroolijkheid opwekte van een mijner dischgenooten, die, de
gewone rijsttafel voor een godenspijs houdend, nassi-tim kwalificeerde als
„een slag op je bakkes met een flauwen nasmaak."
Ik kan dus, resumeerende, nogmaals zeggen dat ik het goed gehad heb
in de Indische hotels en dat ik iederen hotel-eigenaar voortdurend een
goed bezet huis toewensen, opdat hij, eenmaal repatrieerend met vollen
buidel, zelf zal kunnen ondervinden, dat hij in veel opzichten de vergelijking
met zijn Europeesche collega\'s met glans kan doorstaan.
-ocr page 196-
1^4                                                       NAAK SEMAKANG.
NAAR SEMARANG.
en wangen streek, niet
alleen geboren werd door de vaart van \'t schip.
Er waren niet veel eerste klasse passagiers, maar \'t zoogenaamde kuildek
en \'t tweede klasse dek daarentegen was zeer bezet. Allerlei koopwaar
lag opeengestapeld in pakken, kisten en korven en een aantal in manden
gepakte varkens verspreidde een minder (risschen geur. En tusschen en
op die verschillende zaken lagen, vadsig uitgestrekt, Chineesche kooplieden
rookend uit hun metalen waterpijp, kauwend op suikerriet of slapend met
open monden. Een Klingelees met een kleurig geborduurd toppie op
hield de wacht bij een partij tusschen bamboes verpakte pompelmoezen
en manden vol kippen, met aandacht kijkend naar een groepje Javaansche
mannen en vrouwen, die met een paar inlandsche soldaten het gewone
tolspel speelden. Een oude Maleier zat niet een drietal vrouwen en een
paar lastige kinderen gehurkt voor een matje, waarop een trekpot en
kopjes stonden. Ze alen rijst uit pisang-blad en onthaalden zich op
sappige vruchten, die zij van een medereiziger na lang loven en bieden
-ocr page 197-
\'«5
NAAK SEMARANG.
hadden gekocht. Over de verschansing hingen lui en loom een aantal
inlanders, die met slaperige oogen in zee keken, af en toe het sap van
hun sirihpruim als een dunne roode straal voor zich uitspuwend. In het
kuildek rook het naar doerian en gedroogde visch en een aantal Arabieren,
Chineesche koelies, Maleiers en Javanen lagen, hurkten of zaten daar,
strootjes rookend, etend of soezend bijeen.
Ik stond met den kapitein, een joviaal zeeman, te praten, kijkend naar
al die passagiers.
—  Een wonderlijk zoodje! zei hij lachend. Ja, nu zitten ze nog rustig
bij mekaar, maar — hij keek oplettend turend naar de prachtige blauwe
lucht — over een uur of wat rollen ze als kegels door elkander of hangen
over de verschansing om tol aan de zee te betalen.
—   Hoezoo, kapitein ?
—• Wel! we krijgen \'n beetje zwaar weer en een hooge zee. Kijk ! —
hij wees op een heel klein wolkje aan den gezichtseinder — d;i;ir zit het!
—  Zou u heusch denken?
—  Je kunt er zeker van zijn, meneer! tegen dat we Pekalongan hebben
schommelen we dat \'t liefhebberij is. Ja, dat zou je nu niet zeggen, we
loopen zoo kalm en gladjes voort als op een kolfbaan, maar tegen den
nacht zullen de heeren en dames er plezier van hebben. Heeft u last
van zeeziekte, mevrouw?" vroeg hij aan een zeer corpulente, donkerbruine,
Indische dame, die, in sarong en kabaia over \'t dek wandelend, ons
genaderd was.
—   U zeggen, kapten?
—  Of u zeeziek is, mevrouw?
—   O, nee kapten! Ik nooit niet zeeziek, ja! Maar mijn dochter, o,
kassihan ! hij zeeziek altijd zó erg, ja! Hij spugen hart uit die lijf ja! lT
denken, kapten, wij slecht weer van avond?
—   Dat zal \'k niet zeggen, mevrouw, slecht weer niet bepaald, maar \'n
beetje veel wind en hooge zee.
—    Allah! veel wind, ghooge gholven, ja! O, kasihan, mijn Marietje,
zij moet vroeg tidoor (slapen), gheel vroeg naar bed hgaan, ja? Op die
couchette lang uit liggen, dan niet sakit laut, ja?
—   Dat \'s altijd een verstandige maatregel, mevrouw!
—  En ghoe lang wij nog hgoed weer, u denken, kapten?
—  Tot donker houden we gladde zee.
—   O! dat gheel mooi! gheele tijd nóg. Ik zeggen : Marietje: kind!
jij eten vooral.... en met haar muiltjes klapperend schommelde de dikke
dame naar Marietje, die op een dekstoel uitgestrekt in zalig nietsdoen
met haar waaier speelde.
—   Dat\'s nu een echte nonna, zei de kapitein haar glimlachend naoogend.
-ocr page 198-
l,So
NAAK SKMAKANG.
—   Zij spreekt ten minste \'t eclite Indisch-dialeet, \'n wonderlijk taaltje,
\'t Klinkt gek dat verwisselen van de h en de g en \'t gebruiken van hij
voor zij en omgekeerd.
—  Ja! met de geslachten houden ze geen rekening en het is eigenlijk
geen Hollandsen wat zij spreken, maar vertaald Maleisen U begrijpt van
mama hebben zij nooit anders gehoord en ze hebben daardoor leeren
denken in \'t Maleisen. Deze dame komt van Djocja — ten minste uit
die buurt — haar man is koffieplanter. Ja, in die streek vooral vindt je
er nog heel wat van dat soort. Ze zijn niet onaardig zoolang ze jong
zijn, mooi zelfs, slank en lenig — maar als ze zoo\'n beetje op leeftijd
komen dan ....
- Dan wint de kwantiteit het van de kwaliteit, hè?
—   Juist! dan bereken je ze per pikol, maar enfin, hoe dikker hoe
goediger, zullen we maar zeggen.
De kapitein had goed gezien, want nauwlijks was de zon met prachtige
lichteffekten achter rood-gouden en violetkleurige wolken aan de kim
ondergegaan of de wind stak op, \'t water begon woeliger te worden en
de boot stampte min of meer hevig.
Ken groot uur later stond de zee reeds vrij hol en slingerde het schip,
terwijl we in het salon aan tafel zaten, zóó erg dat de passagiers elkander
met benauwde gezichten begonnen aan te zien. De dikke dame zei:
—   Oh lo! die boot zö slingeren, ia! Ik mijn soep haast morsen. Goed
hè, kapten, Marietje al tidoor?
—    Kapitein ! zijn we al op de hoogte van Fekalongan ? vroeg een
passagier, die bleek om zijn neus werd.
—   Nog niet, meneer; over een paar uurtjes.
—   Is het daar nóg erger dan hier? zijn neus scheen spitser, zijn wangen
bleeker te worden.
—   Krg! noemt u dit beetje wiegelen erg?
—    \'t Is toch een zeer onaangenaam gevoel, de goede man keek met
eenigszins uitpuilende oogen naar een stuk vettig vleesch op zijn bord en
hikte even.
—   Kom! \'t is nu nog maar schommelen, straks als we flink hobbelen
mag u je beklagen, nu niet.
—■ Maar kaptein, heusch ik... ik... en terwijl het schip eensklaps
sterk overhelde en tegelijk een voorwaarts (luikende beweging maakte,
stond hij plotseling doodsbleek op en wankelde met zijn servet voor den
mond naar den uitgang, herhaaldelijk zich tegen wand en stoelen stootend.
—  Oh-lo! grappig, hij lijken maboq, dronken! lachte de nonna.
—   Dat \'s nummer één, grinnikte de kaptein rustig dooretend.
Ken jonge dame met een aardig blank gezichtje werd nummer twee en
-ocr page 199-
|87
NAAK SEMARANG.
een gele, vette Chineesche dandij met een sierlijk met roode zijde door-
vlochten staart, maakte het drietal dat aan dek moest vol.
—   Drie is scheepsrecht, zei de kaptein, nam een tweede portie karbo-
nade en terwijl hij mij lachend toeknikte:
—   U schijnt er ook geen last van te hebben? Je zou een goed zeeman
wezen, maar roep nog maar geen ho! voor we Pekalongan achter den
rug hebben. Ik geloof dat \'t er om spannen zal, dat ik lading zal kunnen
overnemen, \'t Is een allergemeenst gat daar voor Pekalongan — wanneer
je van avond en van nacht lekker blijft, kun je gerust zeggen dat je de
proef hebt doorstaan. — Hij stond op. —■ Wel bekome \'t u, ik moet naar
de brug.
De zee werd al hooger en wilder en toen wij eenige uren later de
lichten van Pekalongan zagen, hobbelde, slingerde en stampte de boot
zóó erg dat zelfs de dikke non na, die met een geledigde theekop op haar
schoot zat te dommelen, eensklaps opstond en naar Mar iet je ging kijken.
Zij vond het blijkbaar terlaloe (te erg) en was waarschijnlijk bevreesd,
haar reputatie, als zeevaarster afbreuk te doen indien zij langer bleef, ten
minste toen zij mij voorbijkwam en bijna tegen mij aan botste zei ze
flauwtjes: — meneer nog niks niemendal voelen, ja? Voor mij niet meer
lekker hier.
Kenige prauwen en tambangans waren inmiddels langs zij gekomen en
als een bende zeeroovers enterden de half naakte inlanders tegen onze
boot op. De kerels klommen als katten tusschen het want door over de
verschansing en \'t was een wonder dat de stuurlieden geen dikke beenen
kregen van \'t vloeken terwijl ze bezig waren om die half wilden in orde
te houden.
Met nog eenige passagiers bleef ik een heele poos over de verschansing
staan kijken naar de door onze lampen fantastisch verlichte gestalten, die
op de prauwen heen en weer liepen of in de tambangans bezig waren.
Ken aantal Javanen, Chineezen en Arabieren maakten zich gereed om op
een der vaartuigen over te gaan en op de boot werden de luiken geopend
ten einde lading af te geven en op te nemen, maar \'t ging niet.
—    Er is geen kwestie van, de boel zou stuk slaan," zei een der
officieren, — Diam! Diain! (stilte) dan toch!" schreeuwde hij tegen de
schelle stemmen der joelende inlandsche koelies in, die met kettingen en
blokken sjouwend en rammelend, in \'t flauwe gelige licht als duivels heen
en weer liepen.
Intusschen kwamen een paar moedige jonge dames en een drietal
Pekalongansche heeren aan boord en toen zij het veilige dek van onzen
stoomer onder de voeten hadden, klaarden hun toch ietwat angstige ge-
zichten op. Lachend schudden de dames haar natte rokken af en ver-
-ocr page 200-
]SS                                                        NAAK SEMAKANG.
klaarden lioe zij, — Betoel! niet gedacht hadden dat ze ooit aan boord
zouden komen — en de heeren staken hun compliment af over de kordaat-
heid der jeugdige schoonen, die zoo verstandig waren geweest om stil als
muisjes in de sloep te blijven zitten en nu zóó weinig soesah maakten
over haar natte voetjes en doorweekte kleedjes.
Terwijl ik een poosje over de verschansing keek naar die lange rij op
en neer dansende prauvven kreeg ik een gevoel alsof ik op een week bed
stond dat nu eens onder mijn voeten ineen zakte, dan weer als door
onzirhtbare handen werd opgeheven, \'t Was een zeer eigenaardige sensatie,
wel geschikt om iemand met zwakke zenuwen weê te maken. Onophoudelijk
sloegen de masten der prauwen tegen ons want en hadden koelies en
matrozen de handen vol om te zorgen dat niets onklaar werd.
De maan was opgekomen en verlichtte spookachtig met blauwig gelen
schijn ons stoomschip, glimmende kantlichten werpend langs de zware
rompen der booten en prauwen, nu en dan lange schaduwen van tuigage
en masten over \'t woelige water strooiend, schaduwen die als heen en
weer zwiepten over de golven, waarop het rosachtig schijnsel der lantarens
danste en wiebelde.
Ken paar malen nog werd beproefd om lading in te nemen, maar te
vergeefs. We zullen ruim een uur moeten wachten voor \'t mogelijk zal
zijn, zei de stuurman en met een: ajo, pigi! verjoeg hij de tambanger-
lieden van boord, hun beduidend dat ze niet voortgaan moesten. Ik kan
niet zeggen dat er een bepaald fijnen toon heerschte tusschen stuurlieden
en tambangerlui, want met keur van scheldwoorden en uitgezochte vloeken
werd hun aan \'t verstand gebracht wat zij te doen hadden en toen ik mij
veroorloofde te vragen : — Is dat zoo usance om die menschen aap,
karbouw, schelm, hondekind enz. te noemen ? antwoordde een der
opvarenden lachend : — Och dat zijn nog maar hun zondagsche namen,
we hebben nog veel mooiere en wanneer je die kerels niet stijf vloekt
zijn ze onhandelbaar.
\'t Werd rustiger aan dek, de meeste passagiers waren te kooi gegaan
en ik besloot hun voorbeeld te volgen.
Mijn hut was aan stuurboordzij en om wat frissche lucht te hebben had
ik de patrijspoort opengelaten en alleen de marquise er voor geschoven,
\'t Was er lekker en ik vleide mij in slaapbroek en kabaja op de couchette.
Nu en dan hoorde ik dreunen, loopen en beweging boven mijn hoofd;
\'k herinner me nog dat ik veel kettingen hoorde rammelen en nu en dan
een stootje waarnam van de schommelende prauwen, maar ik sliep
spoedig vast in.
Hoc lang ik geslapen had kan ik moeilijk bepalen, maar \'t moet een
geruimen tijd zijn geweest, want het overnemen der lading was afgeloopen
-ocr page 201-
189
NAAR SKMARANG.
en we waren onder stoom toen ik plotseling wakker werd .... door een
golf zeewater, die door de reten der marquise in mijn hut sloeg, mijn
couchette overstroomde en mij een frisch stortbad bezorgde.
\'k Was in een oogenblik kletsnat — nu is dit in liet Indisch klimaat
geen al te onaangename gewaarwording, maar zeewater is en blijft zeewater!
Met een sprong was ik van mijn bed af, maar voor ik de marquise
weggeschoven en de patrijspoort gesloten had waren ettelijke zeetjes het
eerste gevolgd en stond mijn hut als \'t ware blank. Haastig zocht ik
een droog flanel, een anderen slaapbroek en een versche kabaia uit mijn
koffer en riep toen : — Jongens ! ajo lekas ! ajer lar.t didalam sapoenja kamar,
bekin brissih ! (Gauw! jongens er is zeewater in mijn hut, schoonmaken!)
Ken paar van de jongens kwamen met schoon beddegoed en dweilen
en begonnen mijn verblijf weer bewoonbaar te maken.
Daar klonk plotseling uit de hut naast mij een norsche stem : — Wat
weerlicht is dat nou? alles drijft hier. Wat is dat?
—   Zeewater! riep ik terug.
—   Voor den dit en dat — mijn buurman vloekte in éénen adem een
heel onderofficiers-repertoire af — dat weet ik zelf wel, maar mijn over-
hemden zijn bedorven, mijn heele barang zwemt door de hut. Welke
stomme dit en dat — weer een serie scheldwoorden en vloeken — lapt
me dat? Ajo, jongens, lekas! mari sini — bekin brissih!
—   Mijn patrijspoort was open gebleven ! riep ik verklarend.
—   Dat\'s \'n vervloekte stomme ezelachtige streek, wie laat nou met
zulk weer zijn patrijspoort open. Dat moet een ezel in \'t kwadraat zijn.
Ajo, dan toch jongens! Sakkerloot wat \'n zwijnenboel! mijn sigaren
verzuipen! mijn overhemden ....
—   Bewaar jij dan je sigaren op den grond, ezel in \'t kubiek ! riep ik
weerom, haal je sigaren er uit en hang je overhemden op, dan drogen ze wel.
—   Hang jij je zelf op, dan droog je ook, schreeuwde mijn buurman
woedend terug.
—   Buffel!
Door het slingeren van \'t schip was mijn hut eensklaps van \'t water
bevrijd, dat onder door de reet, de beschotten staan een paar centimeter
van den vloer omhoog, in die van mijn buurman geloopen was. \'t Vloeide
nog een paar malen heen en weer, als wilde het ons de gelegenheid
geven ieder op zijn beurt nog eens duchtig te schelden en te vloeken,
maar eindelijk verdween het voor goed in de zwabbers, putsen en dweilen
der jongens. Ik hoorde mijn buurman nog een paar maal mopperen en
een serie vloeken, toen werd hij rustig, ik lei me weer op mijn bed en
spoedig sliep ik, verfriseht door dat spontane bad, beerlijk in. Den
volgenden morgen ontwaakte ik later dan gewoonlijk, de zon stond reeds
-ocr page 202-
NAAR SEMARANG.
IQO
vrij hoog aan den hemel en aan de beweging van liet schip voelde ik
dat de zee zeer kalm en effen moest zijn geworden. Ik kleedde mij aan
en ging aan dek. Verrukkelijk woei de frissche zeewind mij tegen en
heerlijk speelde het licht in duizend teere fijne nuancen vervloeiend over
de zacht deinende golven.
De morgenstond is in de Javazee iets goddelijks.
Klaar en helder blauw welft zich de hemel hoog over het mooie
groenige water, aan den horizont kleurt het uitspansel zich iets lichter
naar geligrose zweemend en kleine wolkjes hoog in de lucht schemeren
in zacht rosé en violet of steken wittig gevlokt, soms schubbig parelmoer
gelijk, tegen \'t zwerk af. Groote zware wolken wijzen de plaats waar
\'t land ligt en nu en dan blauwt heel in de verte even de kust.
Toen ik eindelijk genoeg had van \'t verrukkelijk schouwspel en de maag
zijn rechten deed gelden, ging ik naar beneden om te ontbijten, \'k Was
aan mijn eerste broodje en mijn eerste kop thee, toen een klein bejaard
heertje met een vinnig rood verbrand gezicht en een puntig kinbaartje
naast mij plaats nam.
Hij groette even met \'t hoofd, keek mij met zijn kleine scherpt; oogjes
aan en zei \'t in Indië gebruikelijke: Mag \'k eens even kennismaken?
Mijn naam is Drilstra.
—  Van Maurik !
—   Aangenaam !
— - Aangenaam !
Ken poosje bleef hij zitten zonder te spreken, mij ter sluiks bekijkend,
nam een broodje, smeerde het met groote zorgvuldigheid en vroeg toen :
— Zou ik u even om de Jam mogen verzoeken?
Terwijl ik hem het potje van Crosse en Hlackwell toereikte dacht ik :
hé, die stem komt me bekend voor en toen ik hem vroeg: — Reist u
ook naar Semarang? scheen hij hetzelfde te denken, want hij keek me
eensklaps oplettend aan, terwijl hij knorrig antwoordde: — Naar dat
vervelende gat? Neen, Goddank niet! — ik ga naar Soerabaia — daar
is \'t ook al beroerd genoeg!
—   U is de booze man van de overhemden! zei ik eensklaps lachend.
—   En u is de stommerd van de patrijspoort, grijnsde hij.
—   Akkoord!
—   Aangenaam kennis te maken!
Insgelijks!
We hebben elkaar nog even de waarheid gezegd, maar na een paar
hartige woorden toch vrede gesloten, klinkend met een kopje thee.
Toen ik te Semarang op de reê van mijn driftigen buurman, die zich
-ocr page 203-
NAAR SEMARANG.
IQl
al spoedig tot een wel kort aangebonden, maar leuk en grappig reisgenoot
ontwikkeld had, voor goed afscheid nam, zei hij : — Adieu, meneer
Van Maurik, \'t ga je goed, sans rancune, hoor! Ik ben soms wel eens
uit mijn humeur, maar \'k meen het niet zoo kwaad, goeie reis ! Kn terwijl
ik overstapte op het kleine bootje van het prauwenveer, dat mij naar de
haven zou brengen, keek hij van boord naar beneden en lachte :
Slamat djalan, stommerd!
— Goeie reis insgelijks, ezel in \'t kubiek !
Nog lang wuifde hij mij toe van boord en ik geloof dat wij, als we
langer samen gebleven waren, de beste vrienden van de wereld zouden
geworden zijn!
* *
De reede van Semarang is schilderachtig, tenminste wanneer de blauwe
vlag niet van den Uitkijk waait ten teeken dat storm en hooge zee de
landing ongeraden maken.
Bij helder weer is het gezicht op de bergreuzen, die in een kring om
Semarang liggen overschoon. De lange rug van het Dién-gebergte omzoomt
in de verte als met een geschulpten rand de baai, waarin het blauwgroene
water, zwakjes golvend, spiegelt en tintelt in den gulden schijn der zon,
die aan den uitersten gezichtseinder als een lichtende nevel zich over
het zacht deinende; watervlak verspreidt. Het is alsof er licht opstijgt uit
den diepen schoot der wateren — licht, dat de klaarte uit den heme
ontmoetend zich daaraan huwt, glanzend en blinkend over de zee,
oneindig ver!
En in dat wonderbaar sehoone licht, vliegen als vlugge vogels talrijke
prauwen met witte en gele zeilen van en langs de kust, groote schepen
en booten schommelen zachtkens op en neer en tegen den groenen achter-
grond der bergen blinkt als een zilveren streep de witte watertoren der
bovenstad.
Terrasgewijze verheft zich het land met talrijke heuvels, plateau\'s en
hoogten en Semarang drukt zich, schijnbaar dicht tegen de groene reuzen,
de vulkanen üengarang en Merbaboe aan. De vuurtoren, de uitkijk, een
koepelkerk, een paar torens en het groote vierkante stadhuis worden
duidelijk zichtbaar. Hoe verder het kleine veerbootje voortstoomt, hoe
meer men den indruk krijgt dat men een belangrijke havenstad nadert,
totdat op een gegeven oogenblik die illusie verdwijnt en men ontwaart
dat Semarang veel kleiner is clan men zich heeft voorgesteld.
De stad zelf is, wat het oudere gedeelte betreft, nauw en in elkander
gebouwd met huizen van meestal twee verdiepingen. Op enkele plaatsen
doet zij sterk aan een kleine Hollandsche plaats denken, door de smalle
-ocr page 204-
NAAR SEMARANG.
IQ2
grachtjes met boomen aan weerszijden beplant en de witgeschilderde
leuningen en bruggen. lireede en met boomen beplante wegen, zooals in
andere Indische plaatsen, vindt men in Semarang\'s oudere gedeelte niet.
De straten zijn er benauwd en eng; de huizen vlak naast elkander ge-
bouwtl, zonder erven of tuinen, hebben veel overeenkomst met die van
Soerabaia en worden boven meestal bewoond door de eigenaars der winkels,
firma\'s van andere
plaatsen hebben er
hunne filialen.                                                       Semarang.
Zonder twijfel is
de handel met Midden- en Oost-Java belangrijk, maar toch mist men te
Semarang de eigenaardige haast en drukte, die Soerabaia reeds op den
eersten aanblik tot een groote koopstad stempelt.
Alles is er kalmer, men ziet minder menschen op straat en het wagen-
verkeer is niet zoo druk. Kr ligt over Semarang iets zwaarmoedigs, iets
looms dat dunkt mij, in den West-mousson, wanneer de langdurige regens
de straten in modderpoelen herscheppen en de toch reeds drassige bodem
-ocr page 205-
NAAR SEMARANG.
•93
nog vveeker en pappiger wordt, tot een vervelende saaiheid zal ontaarden.
De afwezigheid van boomcn en groen in de straten tusschen de huizen
en de meestal donkerblauwe kleeding der inlanders — mannen zoowel
als vrouwen dragen bijna geen gekleurde hoofddoeken, sarongs of baadjes
— brengen er toe bij om de stad een ietwat somberder tint te geven
dan andere Indische steden, waar de frissche kleuren der kleederen,
zoovele vroolijke noten zijn, tusschen de harmonie van groen en wit —
van boomen en huizen.
De toko\'s zijn er over \'t algemeen groot, ruim voorzien en goed inge-
Tok» F. Mariotat te Semarang.
richt, men hoeft te Semarang om niets verlegen te zitten, want alles wat
in Batavia en Soerabaia verkrijgbaar is, kan men er koopen.
De handelaar is er even vlijtig in de weer als elders en toch doet hij
alles schijnbaar meer op zijn gemak af, kalmer, zonder buitengewone
drukte; wellicht komt het ook daardoor, dat de afstanden er niet zoo
groot zijn, dat hij niet als een trekvogel van den een naar den ander
behoeft te vliegen, maar alle kantoren, magazijnen en vereenigingen meer
dadelijk onder zijn bereik heeft.
Dat te Semarang minstens even hard gewerkt wordt als elders is echter
onomstootelijk waar en wanneer men, zooals ik, eens een kijkje neemt
\'3
-ocr page 206-
NAAR SKMARANG.
\'94
hij enkele tokohouders, die de goedheid hebben"van hun werkzaamheden
geen geheimen te maken, kan men zijn bewering door voorbeelden staven.
Veelal zijn die „harde werkers" buitenlanders : Duitschers, Franschen of
ook Italianen, die, polyglotten geworden, u soms een taaltje doen hooron,
dat uit een allerzonderlingste vermenging van hun moedertaal, met
Maleisch-Javaansch en Hollandsch bestaat en voor een gewone tökok
dikwijls moeilijk te begrijpen is. Maar hoe krom ze ook praten, hun
zaken marcheeren meestal rechtdoor en goed -— dikwijls tot ergernis
van anderen.
Herhaaldelijk hoort men in Patria volbloed Hollanders, die er trotsch
op zijn nooit anders dan vaderlandsche kost te hebben gegeten, die
kalmpjes op hun pantoffeltjes, met een lange pijp in den mond, niet
meer dan \'t hoog noodige doen, klagen : — Die vreemde snoezen, die
moffen, die Franzosen, kapen ons het brood voor den mond weg! —
maar zij vergeten, dat die „vreemde snoezen" gemeenlijk hun pantoffels
onder hun bed en hun pijp in \'t rekje latend, een buitengewone werk-
kraeht ontwikkelen.
Daardoor komt het dan ook dat een vlugge Franschman, een taaie,
doorzwoegende Duitscher dikwijls even hard vooruit komt als een volbloed
Hollander achteruit gaat.
Fr is iets in onzen landaard, wat men met een fraaien naam „bedacht-
zame langzaamheid" zou kunnen noemen, maar dat iets werkt dikwijls
belemmerend op den vooruitgang in zaken. Welk Hollander zou bijvoor-
beeld er slag van hebben om, zooals ik het te Semarang door een Fransch-
inan zag doen, het eene oogenblik kapper en barbier, het andere fabrikant
van spuitwater en limonadestroop, het volgende houthandelaar, sigaren-
winkelier, parfumerie-fabrikant of koopman in produkten te zijn. Zoo
iets moet. aangeboren worden! — aangeleerd wordt dat zeker niet. Om
in een afmattend klimaat zulk een werkkracht te ontwikkelen, daartoe is
een ongewone veerkracht noodig, een ernstig willen om vooruit te komen
en een zekere handigheid, een gemakkelijkheid om met menschen van
allerlei soort om te gaan, maar bovendien nog een „zich niet geneeren
om aan te pakken." Fen vreemdeling pakt alles aan, alles wat hem slechts
een schrede vooruitbrengt. De volbloed Hollander daarentegen „geneert"
zich voor veel dingen en offert dikwijls, dwaas genoeg, daardoor aan het
zoogenaamde „fatsoen" een deel van zijn toekomst.
Vooral te Semarang vindt men veel toko\'s, inrichtingen en handels-
huizen, die door buitenlanders opgericht en bestuurd worden. Zoo trof
het mij ook dat daar een uitgebreide Manila-sigarenfabriek-Maatschappij
bestaat — opgericht door de tirma Glaser — thans bestuurd door den
lieer Fausig, als directeur.
-ocr page 207-
NAAR SEMARANG.
\'95
Met groote belangstelling heb ik die fabriek bezichtigd en mij ver-
wonderd over de handigheid, waarmee de Javaansche mannen en vrouwen
de sigaren van uit Manila geïmporteerde tabak rollen. Op hun hurken
zittend, maken zij op een op den grond liggende plank de verschillende
sigaren, Cortados, zoowel als Habanos, in allerlei grootten, en logenstraffen
het hier te lande nog algemeen verbreide gezegde: De manila-sigaren
worden door vieze zwarte meiden op haar bloote dijen gerold. Integendeel,
de fabriek wordt zeer zindelijk gehouden en de manila-vrouwen, die aan
de Javaansche werklieden het sigarenmaken leerden en nu nog met hen
samenwerken, zien er allesbehalve onappetijtelijk uit, des Zondags — ze
zijn streng Katholiek -— zelfs zeer pittoresk, wanneer zij in haar nationale
dracht te kerk gaan.
\'t Is vreemd om te zien dat alle verdere werkzaamheden, zooals kistjes-
plakken, sigaren sorteeren, inpakken, merken, enz. op den grond worden
verricht, maar daar de Javaan slechts op zijn hurken zittend op zijn gemak
is en \'t liefst den grond tot tafel gebruikt, laat men hem werken zooals
het hem \'t gemakkelijkst is.
Dat de manila-sigaren-industrie te Semarang niet gering te achten is,
blijkt uit de omstandigheid, dat ongeveer driehonderd werklieden in de
fabriek van de firma Glaser hun brood vinden en, naar men mij ver-
zekerde, nog een groot aantal handen zou kunnen worden aan \'t werk
gezet, indien ze slechts bekwaam genoeg waren, want alle hout is geen
timmerhout, en alle vlugge vingers kunnen nog geen manila-sigaren maken!
Een andere merkwaardigheid van Semarang is het groote Weeshuis —
eigenlijk moest men die inrichting het Verdraagzaamheidshuis noemen —
een voorbeeld voor andere landen, een eer voor Indië, een geluk, een
zegen voor honderden arme kinderen, die dikwijls door vader en moeder
verlaten, daar worden opgenomen, opgevoed en gevormd tot nuttige leden
der maatschappij.
Onder bestuur van de Zusters-Franciskanessen te Semarang, geleid
door de zachte, maar strenge hand van de „Mère", is het opvoedings-
gesticht een model- inrichting te noemen.
Eerstens bestaat het uit een weeshuis voor R. C. kinderen, bijna uit-
sluitend uit gemengden echt gesproten, kinderen die anders wellicht in
de kampong zouden terechtkomen, omdat de vader, na ze bij een inlandsche
vrouw te hebben verwekt, er eenvoudig niet meer naar omziet, of overleden
is. Ongeveer 220 meisjes en jongens vinden daar een goeden gezellig tehuis.
Ik genoot het voorrecht, door ,,de mère" zelf te worden rondgeleid; ik
vond in haar een zeer ontwikkelde, lijngevoelige en beschaafde vrouw,
breed genoeg denkend om volkomen humaan te kunnen zijn en voor haar
moeilijke taak berekend.
-ocr page 208-
196
NAAR SEMARANG.
Zij verhaalde mij hoe, na achtereenvolgens de verschillende onderwijs-
klassen te hebben doorloopen, de meisjes les in handwerken ontvangen
en daarna zelt mogen kiezen welke vakken zij willen aanleeren om later,
hetzij als huishoudsters, hetzij als winkeldochters of in andere betrekkingen,
haar kost te kunnen verdienen. Meisjes, die van uit het weeshuis trouwen
— iets wat zeer dikwijls gebeurd, worden nog in de gelegenheid gesteld
goed te leeren koken en alle huiswerk te verrichten, opdat zij, eenmaal
gehuwd, geheel zelfstandig kunnen optreden.
I)c zorgen van het „kind" strekken zich zelfs na het verlaten er van
nog liefderijk over de ouderlooze meisjes uit, want wanneer zij in betrekking
zijnde, door één of andere reden buiten haar schuld, die betrekking ver-
liezen — vinden zij in \'t weeshuis altijd weer opnieuw een tehuis, tot
zich een andere gelegenheid voor haar opdoet. Een mooi voorbeeld dat
[ndië geeft! — Nederland moge \'t navolgen!
De jongens ondervinden evenveel zorg, evenveel liefde en toewijding.
Wanneer zij de gewone vakken van lager onderwijs doorloopen hebben,
worden zij opgeleid en klaargemaakt voor het klein-ambtenaars examen
of voor de handel. Ook muziek en teekenen wordt hun onderwezen en
dikwijls met verrassende uitkomsten; het schijnt wel alsof er onder de
signo\'s vele jongens zijn, die een aangeboren talent voor rechtlijnig en
handteekenen hebben.
Het Externaat — en hier uit zich de verdraagzaamheid op de meest loffelijke
wijze — geeft gelegenheid aan jonge dames van alle gezindten tot het
ontvangen van meer uitgebreid lager onderwijs. Ongeveer tweehonderd
dametjes maken er gebruik van, terwijl de Fröbelschool honderd vijf-en-
twintig kleintjes, jongens en meisjes van eiken godsdienst bezig houdt.
Wanneer de jonge dames den leercursus doorloopen hebben, wordt
haar nog gelegenheid gegeven tot \'t ontvangen van privaat onderwijs in
vreemde talen, nuttige en fraaie handwerken, schilderen, teekenen, muziek
en Ned. letterkunde. Verder bestaat er eene afdeeling waarin zij worden
voorbereid voor examens in een of ander der genoemde vakken.
In het Externaat wordt goed degelijk onderwijs gegeven door de zusters
Franciskanessen, die daar alléén leeraressen zijn, die, eiken godsdienst
eerbiedigend, geen enkele poging tot proselytenmaken aanwenden. Zij
begrijpen dat haar taak niet is bekecren — maar onderwijzen.
Het doet weldadig aan te zien, hoe daar in die rustige, stille, een-
voudige maar keurig nette omgeving in jeugdige gemoederen den grond-
slag wordt gelegd tot een zielverheffende humaniteit.
Eindelijk noem ik nog de Maria-school — uitsluitend bezocht door
R. C. kinderen, ongeveer honderdvijftig, die er gewoon lager onderwijs
ontvangen.
-ocr page 209-
NAAR SF.MARANG.
197
Mijn bezoek aan dat weeshuis te Semarang zal tot mijn aangenaamste
herinneringen blijven behooren, ik voel bewondering voor de organiseerende
kracht, die zulk een waarlijk goede inrichting in \'t leven riep — ik voel
eerbied en sympathie voor de onbaatzuchtige vrouwen, die haar leven
hebben gewijd aan de opvoeding van zooveel ongelukkige misdeelde
kinderen, terwijl zij tegelijk zooveel ouders aan zich verplichten door hun
kinderen goed en degelijk onderwijs te geven.
Semarangs weeshuis heeft grooten invloed ten goede voor geheel Indië,
omdat het nuttige menschen maakt van kinderen, die door erfelijkheid en
geboorte dikwijls elementen in zich hebben, die, wanneer ze niet met
ernst en liefderijke zorg gewijzigd of verwijderd werden — schadelijk, ja
verderfelijk zouden kunnen werken op de geheele maatschappij.
Het leven te Semarang is iets eenvoudiger dan elders, maar over
\'t algemeen genomen nog al gezellig.
— We maken het ons zoo pleizierig ondermekaar als mogelijk is, zei
iemand mij die er jaren lang woonde, maar veel amusementen, zooals
men die in de grootere steden vindt, hebben we niet. De sociëteit doet
wat zij kan door bals, muziek en partijen en nu en dan hebben we
hier liefhebberij-comedie — zoo b.v. van avond wordt Sneeuwwitje en
De zeven dwergen vertoond door een troepje kinderen, meest leerlingen
van een onzer verdienstelijke muziekonderwijzers, die zich voor die dingen
verbazend veel moeite geeft.
Ik heb die voorstelling bijgewoond en wil gaarne al het goede er van
erkennen, in aanmerking nemende, dat het een reuzenwerk is om een
groot aantal kinderen, die voor het meerendeel op gespannen voet met
de Hollandsche taal leven en in plaats van God: Hod en Holland: Góllan
zeggen, daarbij weinig stem en een niet al te goed gehoor hebben, zoover
te brengen en te dresseeren, dat ze toch nog een dragelijke voorstelling
van \'t lieve Duitsche sprookje en een niet al te groote cacophonie leveren.
De toiletjes — allen te Semarang door de dames zelve gemaakt — waren
allerliefst en vooral dat van Seeuwwitje zelf — die, zonderlinge speling
van het toeval! het donkerste gezichtje van allen had. Wellicht zou een
kleine wijziging van den titel in „Pikzwartje of de zeven dwergen\'\' bij
een volgende voorstelling aan te bevelen zijn.
De meeste gegoede inwoners houden eigen rijtuig, veelal gemakkelijke
victoria\'s, breaks of berlines, getrokken door mooie sandelwoods of kittige
kleine paardjes en verfrisschen zich na de werkzaamheden van den dag
door een rijtoer langs de zee of over den fraaien, rijk met kanarie- en
-ocr page 210-
iqS                                             naar skmakang.
assamboomen beplanten Bodjongschen weg naar Tjandi, een moderner
gedeelte, een bovenstad, waar telken jare meer mooie villa\'s verrijzen.
Ook een stoomtram rijdt van de haven af daarheen langs het Chineesche
kamp, dat druk en levendig op alle andere Chineesche wijken aldaar
gelijkt, maar wel een bezoek waard is.
Een rijtoer om Semarang heen, langs de Chineesche en inlandsche
begraafplaatsen, voert naar de verschillende Arabische en Javaansche
kampongs, die zeer schilderachtig gelegen van buiten gezien meer aantrek-
kelijkheid hebben, dan meer op den keper bekeken, omdat in de kampongs
zelf het pittoreske min of meer verdwijnt door de meer dan primitieve
toestanden, de mindere zindelijkheid en netheid.
Buiten de stad ligt het fort ,,de Prins van Oranje" als een monument
van het sic-transit! want wat eertijds een sterkte was is nu een grooten-
deels in modder en klei weggezonken sta in den weg.
Gelukkig dat Semarang voorloopig geen fort meer noodig zal hebben
om het te beschermen, want ,,de Prins van Oranje" zou nu op Java
tegenover Duitschers, Franschen of Kngelschen een slechter figuur maken
dan eertijds te Quatre-bras\'
-ocr page 211-
I
EEN UKANC BAKOE.                                                   H)<J
EEN ORANG BAROE.
Hij droeg een hoogen hoed, een zoogenaamden
„kachelpijp" en daarom keek iedereen op straat
hem lachend, verwonderd, soms zelfs brutaal ver-
wijtend, aan — want hij had volstrekt niet het
uiterlijk van een Raad van In die, daarvoor miste
hij alles — behalve den ,,hoogen zijden".
Nu zal zeker niemand durven beweren, zelfs
in de verste verte niet, dat de „hooge hoed" den
Raad van Indië maakt, of dat de bekwaamheden
en bijzondere eigenschappen van die waardig-
heidsbekleeders niet eerder in het hoofd dan in
den hoed schuilen, maar iedereen zal erkennen
• lat het hard en onmenschelijk is om een Orang
IJaroe voor een Raad van Indië te houden, als
hij geen schuld aan die betrekking beeft, of/
omgekeerd een Raad van Indië voor een „nieuwe-
ling" te verslijten, alléén omdat hij een hoed
draagt, die geen gewoon mensch in Indië op zijn
DrasveUl.
                  hoofd durft zetten.
Daarom had hij \'t dan ook zoo onaangenaam
gevonden, dat iedereen in den trein, die hem van Tandjong Priok naar
Batavia bracht, verwonderd had gekeken en dat één van de medereizigers
hem zelfs lachend had gevraagd: — Is dat het nieuwste model dat u draagt?"
Zachtmoedig had hij echter geantwoord: — Waarschijnlijk wel, want
ik kocht hem den dag vóór mijne afreize en ben zoo even aangekomen.
Met een snellen vinger had hij toen even aan den rand gevoeld van den
prachtigen cilinder, dien hij op zijn min of meer puntigen schedel in
evenwicht hield en die glom en spiegelde van nieuwheid, alsof hij zoo
juist uit het vloeipapier met blauwe randjes was ontpakt.
-ocr page 212-
KEN OKANG BAKOE.
200
Men had hem in \'t hotel zien aankomen.
De hotelier kwam, vriendelijk buigend, nader; de manager lachte zijn
onderdanigst lachje en de mandoer keek minder slaperig dan anders —
maar toen de vreemde erg links boog en deemoedig zijn hoogc-n zijden
afnemend, met een stem, overvloeiende van zalvende zachtheid, vroeg:
— Zoudt ge hier ook een bescheiden kamerken voor mij hebben ? traden
allen onwillekeurig een pas achteruit en zagen hem verontwaardigd aan,
denkend: — Mensch! hoe durf jij zoo\'n hoed hier vertoonen, je slaat
onze „Raden" in het aangezicht, je steekt hun naar de kroon!
—  Drang Baroe! mompelde de mandoer en ging kalm terug naar de eetzaal.
—  Een kamer? Zeker! zei de logementhouder droogjes.
—    Hé — Djamidin! kasi kammar doewablas sama toewan — \'k Zal
u kamer nummer twaalf laten geven, mijnheer! Denkt u lang te blijven?
—    Dat zal geheel afhangen van de omstandigheden; ik moet hier
wachten tot dat men mij tot mijn bediening oproept — ik ben evangelist. . .
—  O! excellent! dominee dus — en waar gaat u heen als ik vragen mag?
—   Wellicht naar de Molukken — ik weet evenwel nog niet met vol-
komen juistheid of Ambon, dan wel een ander oord mij zal worden aan-
gewezen van hooger hand.
De hotelier keek zijn nog naast hem staanden manager aan met een
gezicht, waarop te lezen stond: „is dat \'n echte evangelist of een grappen-
maker," maar hij besloot tot het eerste, omdat de hoogehoedman zoetelijk zei:
—  Inmiddels zou ik hier mijn tente wenschen op te slaan, altijd indien
u niet te hoog zijt in uwe eischen ; ik — hij drukte met een gewicht van
wel vijftig kilo op dat voornaamwoord — ik ben zeer bescheiden en matig,
verlang geen weelde, maar slechts een rustig pleksken, waar ik het moede
hoofd kan ter ruste leggen.
De manager keerde zich om, dat „pleksken" was hem te machtig, hij
ging op kantoor eens uitlachen, de hótelier hield zich goed en zei:
—  Ga hier zoolang een oogenblik zitten, dominee, de jongen zal
dadelijk uw kamer gereed hebben.
—  Een oogenblikje gaarne; de warmte is inderdaad overweldigend
heden, hij nam plaats in een schommelstoel, zette zijn kachelpijp af,
drukte zijn bril iets vaster voor de oogen en liefkoosde met een ongehoord
grooten witten zakdoek zijn reeds hoog wordend voorhoofd.
—   Mag ik eens even kennis maken ? vroeg een dikke perkenier, die,
in slaapbroek en kabaia, op zijn stoel voor zijn kamer luierde.
—  Mijn naam is Noteman, planter?
—   Ik heet Drasveld, vroeger evangelist te Lutjebroek.
—  Aangenaam!
Drasveld boog even het hoofd en terwijl zijn hooge stijve witte boord,
-ocr page 213-
EEN OKANG BAROE.
!OI
zijn lange smal uitloopende kin bijna beschadigde, kuchte hij zijn gewone,
deftige kuchje en zei: — Insgelijks!
—   En is u alléén of komt mevrouw soms later? vroeg de hótelier.
—   O neen! ik ben tot op heden ongehuwd. ...
—   Dan doe je niet naar de Schrift, dominee! riep Noteman, en lachend:
want de Heer zegt: ,,\'t is niet goed dat de mensch alleen is. . ."
—     Zij! verbeterde de
evangelist.
—   Nou ja! is of zij, dat
komt overeen uit, letter-
knechten zijn we hier niet.
—    Ik zou wel wenschen
dat u mijn koffers deed
halen, die liet ik achter, aan
het station van den spoorweg,
onder de hoede van een
beambte — ik heb alleen
dit handvaliesje en dit pakje
meegebracht.
—   Reis je met een mar-
motje, dominee? grinnikte
de perk e nier.
—   Hen marmotje, bedoelt
u dit? en de evangelist wees
op het in zwart wasdoek
Noteman.
gewikkeld pakje.
\'t marmotje van een reiziger in kantoor-
—  Ja! \'t ziet er precies uit als
behoeften.
—   Zonderling! \'n marmotje — hum! ik begrijp niet...
—   Nou ja, zoo noemen ze die koffertjes of dingen, waar ze hun monsters
in meedragen.
—   O, zoo! nu begrijp ik u, en met een o-mondje lachend, zei de heer
Drasveld: — Inderdaad, een vreemd toeval! ik heb werkelijk kantoor- of
liever schrijfbehoeften in dit pak.
—   Aha! dus nu al een bijzaakje? Jongens, dominee, u bent niet zoo\'n
baar als ik dacht, je pakt de zaken dadelijk goed aan, zoo\'n beetje negotie
hoort bij je vak. Dat\'s verstandig, zóó doen de zendelingen meestal ook,
ze leveren de lui zaligheid en meteen comestibeles. Ha! ha! ha! en
terwijl zijn dikke buik schudde liet de planter er op volgen : Zoo snijdt
het mes van twee kanten, \'t is maar een beroerd koopje voor degeen
die \'t vasthouden moet,
-ocr page 214-
202
KEN OKANG BAROE.
—   Uw scherts is bitter! in geenen deele heb ik het voornemen handel
te drijven, ik bracht hierin slechts eenige cahiers mede voor mijn catechi-
santen. Men heeft me gezegd dat in Indië de schrijfboeken schreeuwend
duur zijn, daarom nam ik voorzorgshalve een tweehonderdtal meê uit
Nederland.
—  Allah! dat\'s verstandig, vooral als je naar onze Negorij komt, dominee.
—   Niet waar?
—   Zeker, want gemiddeld is. bij ons één catechisant, en die komt nooit,
ha, ha, ha! Enfin! je kunt nooit weten, misschien snap je er een paar
meer als ze maar eerst weten dat je met een versche lading cahiers bent
gearriveerd — gelegenheid maakt den dief!
De heer Drasveld zette een gezicht als wilde hij zeggen : — U is een
onaangename grappenmaker, maar hij zei zuurzoet: — U overdrijft!
—    Retoel niet dominee! — Eén catechisant, en één catechisante,
namelijk de dochter van een bekeerden toekan kajoe, een inlandsche
timmerman, weet u? \'n Mooie meid, goed
soort, \'n jaar of vijftien, hel) je geen
huishoudster noodig? Misschien kun je
aan haar een koopje hebben — onder
broertjes zetten ze gewoonlijk zoo\'n
artikel goedkoop van de hand, ha, ha,
ha, ha! Je moet ze maar proeven die
orang Serani — vooral als je zoo\'n
inlandschen dominee ziet begin je dadelijk
te snappen dat ze in de eerste plaats
de kwezelachtige allures aannemen, die
- hou me ten goede, ik bedoel u niet —
veel van uw collega\'s er op na houden.
— Heb u wel eens een Klingeleeschen
Dominee gezien? Niet. Nou! dan kan
ik je reeommandeeren er eens op te
loeren, dat zijn typen hoor! daar zijn de
Klingelecsche Dominee met eega.
orthodoxste Hollanders nog maar heele
kleine kinderen bij. Ha! Ha! Ha!
Met een lang uitgerekt zuinig gezicht stond Drasveld op, verwaardigde
den planter met geen enkel woord meer en ging met zijn pakje cahiers
in de hand naar de hem aangewezen kamer; een der jongens volgde met
zijn valleste.
* *
*
-ocr page 215-
KEN OKANG BAKOK.
203
De heer Drasveld was werkelijk een erg naief en onbeholpen man.
Opgevoed in een streng orthodoxe omgeving en later evangelist op een
zeer kleine plaats, had hij in \'t leven bijna geen blik geslagen en tastte
nu in de Indische maatschappij rond als een blinde, intuïtief gevoelend
dat hij niet was zooals anderen, maar te pedant om het te erkennen.
Zijn uiterlijk was dat van een goedigen drogisten zoon, immers hij had
den groezeligen, stoffigen tint aan dat vak meestal bij erfelijkheid eigen.
Zijn haar was dun, gelig, sluik en lang, zijn oogen stonden achter zijn
glinsterenden bril wagenwijd open en de groote lichtgrijze pupillen keken
verwonderd rond, met naïeve onbeschaamdheid alles en iedereen opnemend,
behalve „de maninne" zooals het in de Schrift heet. Voor dames had hij
niets aantrekkelijks en voor hem had een vrouw noch de bekoring des
vleesches, noch die van den geest.
—    Ik kan mij niet begrijpen, zei hij eenige dagen later, toen hij min
of meer gewend aan het hotel en door een paar whiskey-soda\'s ietwat
opgewekt, \'s avonds in de voorgalerij zat, — ik kan me niet begrijpen
hoe een blank en verstandig mensch, hier in Indië, met een Javaansche
vrouw, zóó maar in ongeoorloofde gemeenschap durft leven en aldus tegen
de heilige ordonnantiën des Heeren handelen; het huwelijk toch is een
sacrament, dat in eere moet worden gehouden en dan bovendien met
zulke onsmakelijke wezens, o foei!
—  Je zult wel anders piepen, dominee, als je maar eerst een paar jaar
hier bent, lachte Noteman, die meêboomde dien avond: — ik zie je al
zitten met zoo\'n paar lieve halfbloedjes op je knie. Je moet een Madu-
reesche nemen, jij bent nog al blond en je neus is spits, dat geeft een
mooie kruising!
—   Aan dusdanige ergerlijke onzedelijkheid hoop ik me nooit schuldig
te maken ; dat verhoede de Heer!
—   Dan moet je maar zien dat je kalmpjes trouwt, dominee, dat\'s ver-
standig; in Indië kun je nu eenmaal niet zonder vrouw en. .. je hebt
ook volstrekt geen physiek, dunkt me, om zoo als ik dat noem, vandaag
in deze, morgen in gene restauratie te eten, je moet een vaste gewone
burgermans tafel hebben, ha! ha! ha! ha! Laat daar uit die negorij, hoe
heet die kampong ook weer waar je woonde...?
—  Lutjebroek!
—  Juist! Iaat vandaar een vrouwtje uitkomen — dan kun jelui huis-
houwen; je hebt een goed salaris, en je kunt met je vrouw samen nog
een aardige bijverdienste maken, zoodat je gauw binnen bent.
—   Hoe bedoelt u ?
—  Wel! jij bekeert de lui en brengt ze aan hun verstand dat het
zaliger is te geven dan te ontvangen. Dan geven zij, jij ontvangt en je
-ocr page 216-
KEN OKANG DAKOK.
j(>4
vrouw pot de duiten op en als de kous vol is dan : — poelang! — O! ja,
je verstaat misschien nog niet genoeg Maleisen, hè? — Dat beduidt:
dan naar huis terug! Maar je zult nog heel wat rijst moeten eten vóór
dat je het zoover brengt, ha ! ha, ha!
- Ken onaangenaam ruw mensch, die perkenier, zei Drasveld eenige
dagen later toen ik hem, voor zijn kamer zittend, ontmoette. Hij begrijpt
niet dat iemand hier volkomen vreemd kan zijn, en eerst aan alles moet
wennen. U moet weten : ik ben vrij overhaast vertrokken en op aanraden
van eenige welmeenende vrienden heb ik mij zelfs geen voldoende garderobe
voor Indië aangeschaft. Deze zwarte sluitjas bijvoorbeeld is me rijkelijk
warm, hier, evenzeer als de zwarte pantalon en \'t vest dat ik draag en
clan — mijn hoed, vertel u mij eens, is daar iets bijzonders aan. Mijn
hoed schijnt, als ik voor de table d\'hóte binnenkom, de hilariteit op te
wekken, ten minste ik verstond zoo en passant een paar aanmerkingen
er op, daarom meen ik met eenigen grond te mogen aannemen, dat men
hier geen cilinderhoed draagt, ook zag ik tot dusverre slechts eenmaal
een heer met ....
—   Met \'n hoogen zijden op, dominee? Accoord! dat was een Raad
van Indië, en ik legde den braven man met korte woorden uit hoe in
Indië ,,de kachelpijp" alleen door hooge staatsbeambten wordt gedragen,
of door Orang Baroe en raadde hem aan zich een gewonen fantasiehoed
aan te schaffen.
—   Die zal me toch zeer vreemd zijn, ik ben eenmaal aan zoo\'n hoogen
hoed gewend, zei hij gewichtig, — en bovendien ik vind dit hoofddeksel
meer in overeenstemming met mijn ambt, dan die ronde, meer wereldsche
hoedjes. Ze zullen mij niet staan.
—  Toch wel, dominee ! probeer \'t maar eens. En dan moet u je per sé
witte kleeren aanschaffen, je kunt het in zoo\'n zwart pak onmogelijk
uithouden.
—  Ja, \'t is warm, dat erken ik gaarne, maar \'t staat deftig en bovendien,
ik heb mijn borstrok en flanelletje reeds uitgelaten sedert ik hier ben.
—   Dat is altijd iets, maar ....
—   Zou u niet denken, dat wit wat wuft staat voor een bedienaar
des Woords ?
—   Heusch niet! U is er geen haar minder om.
Op mijn aanraden liet de eerwaarde heer een Klingeleesch kleermaker
komen en bestelde hem drie witte pakken, Atjeh-model — maar intusschen
zat de brave man nog altijd voor zijn kamer te puffen in het zwarte
costuum, dat hem met al den ernst van zijn bediening omkleedde.
Het verblijf in een Indisch hotel oefent al spoedig op iederen nieuweling
een zekeren ontbolsterenden invloed uit en daardoor kwam het dan ook,
-ocr page 217-
FF.N ORAXG BAROE.
205
dat ik ecnige dagen later den heer Drasveld, steeds met den hoogen hoed
op, maar in een wit pak ■— de hótelier had met den Kling-kleermaker
den prijs bepaald en afgerekend — met een Chineeschen klontong zag
onderhandelen over een paar gewone gevlochten sloffen voor de badkamer.
Toevallig had ik een dag te voren van dienzelfden koopman een paar
dergelijke sloffen gekocht.
—  Wel, dominee! riep ik hem toe, zoo aan \'t tawarren geweest?
—  Tawarren ?
—   Afdingen ? u hebt toch afgedongen bij dien staart ?
—  Zeker! maar de prijs van die dingen is mij toch in geenen deele
mede gevallen.
—   Kom! — \'n kwartje is zoo\'n paar sloffen toch in den nacht waard?
—   \'n Kwartje ? de groote wijde oogen van
den evangelist werden nog wijder — ik heb
er vijf-en-zeventig cents voor gegeven.
—   Wablief je ? dat\'s driemaal de prijs.
—  Ja! ik meende ook reeds dat ik te veel
gaf, maar de man verzekerde mij op zijn woord
van eer, dat....
—   Bah! zoo\'n klontong beeft geen woord
van eer. . ..
—   Foei. Foei! zóó mag u niet over u even-
naaste spreken, al is hij niet van gelijke verwe
des aangezichts....
—   Heusch, dominee, hij heeft je beet gehad,
ik heb pas gisteren zoo\'n paar slop-roempoet
voor één kwartje gekocht.
—   Maar dan is het zeer onhebbelijk van
dien klontong mij zooveel meer te doen betalen — ziet u, \'t is in zekere
mate belemmerend voor mij dat ik nog zoo weinig gewoon Maleisen spreek,
— ik leerde alleen de bijbelvertaling — maar gelukkig sprak de Chinees
wat Hollandsch, anders.. . .
—    Anders had u misschien een gulden betaald; denk er om, waarde
heer, bied altijd hoogstens een derde of een vierde van \'t geen ze u vragen.
—   Inderdaad \'t schijnt me toe dat u gelijk heeft, goed dat ik \'t weet.
Den volgenden dag, toen ik naar de badkamer ging, riep hij mij van
uit zijn kamer toe: — Ik heb uw les betracht, zie eens, nu ben ik beter
ter markt geweest. Ik had • nog geen bepaald Indische slaapbroeken,
weet u? \'k Behielp mij tot dusverre — hij zette een quasi beschaamd
gezicht — met een gewone ,,troisièmc", nu heb ik van een anderen
klontong twee slaapbroeken ge....
-ocr page 218-
206
EEN ORANG BAROK.
—- Twee?
—  Ja — voorloopig! als ze mij bevallen kan ik er altijd meer nemen —
ik heb nu goed afgedongen. Hij vroeg vier gulden voor \'t stuk en — hij
lachte even — ik kocht ze voor drie en een halven gulden de twee.
—  Hè?
—   Voor drie gulden vijftig cents!
—   Maar beste dominee, dan ben je alweer beetgenomen. Laat eens
zien, zijn \'t gebatikte? Neen! \'t zijn gewoon gedrukte katoenen; daar
had je hoogstens één gulden tachtig voor moeten geven....
—   Foei! Foei! wat \'n slechte menschen zijn het hier dan toch — \'t is
bedroevend — en de jongen uit \'t hotel, u weet wel, die kleine, die zoo
goed Hollandsch spreekt, heeft me nog al geholpen. Hij zei dat \'t de
prijs was. Wien moet men nu gelooven ?
—  Zijn eigen oordeel, ten minste als men er zoo iets op na houdt.
—   Nu, gelukkig, dat ik er dan maar twee kocht. De jongen meende;
anders, dat ik er minstens een zestal moest hebben, maar ik dacht zóó:
als de eene géwasschen wordt kan ik de andere dragen en omgekeerd.. .
maar ik, hm! ik zou u wel eens iets anders van meer belang willen
vragen — mag ik ?
—  Wel zeker?
—    Ik heb opgemerkt dat hier in \'t hotel, des Zondags, de meeste
lieden \'s morgens tehuis zijn, en dat niemand ter kerke gaat. Ik sprak
er ook reeds over met den hotelier en veroorloofde mij de opmerking,
dat ik dat zoo weinig christelijk vond, zoo weinig in overeenstemming
met de grootschheid dezer rijke natuur, die zoozeer tot aandacht en dank-
bare erkenning van de genade stemt.
—  En wat zei de hotelier?
—    Hij beweerde dat de menschen wel ter kerke zouden gaan indien
het niet ware dat die plaatse des gebeds zoover verwijderd was. Nu heb
ik het denkbeeld opgevat om hem voor te stellen overmorgen hier in de
eetzaal een dienst te houden.
Aan boord heb ik ook een paar malen Zondags tot de passagiers, de
militairen en equipage een toepasselijk woord gesproken, en een dank-
baar gehoor gevonden — ik sprak den laatsten keer over Galatiërs
5 • 19—21.
Mij dunkt voor de gasten zou dit een welkome gelegenheid zijn om
eens een goed woord te hooren.* Wat mijzelven betreft - hier keek de
dominee achter zijn bril omhoog naar den hemel — ik heb bepaald
behoefte om eens te precken. Ik gevoel, dat ik den Heere te kort doe,
door zoo voortdurend te zwijgen. Zou u denken dat het zaad, dat ik
wensch uit te strooien, in goede; aarde\' zal vallen?
-ocr page 219-
F.F.N ORANG HAROE.                                                    207
—    Hum! \'t is hier nogal steenachtig, maar \'t is te probeeren,
dominee!
# *
*
Een week later, de voorgenomen ,,dienst" in de eetzaal was niet door-
gegaan, bij gebrek aan belangstellende deelneming, zag ik Drasveld in
onderhandeling met een Chinees, die Japansche sabels, krissen en andere
wapens verkocht. Ik zag van verre hoe hij gesticuleerde, en met zijn
vingers wees: vijf! toen: vijf en een half en eindelijk: zes!
De Chinees gaf de sabel over, maakte een diepe buiging en vertrok.
Hij kwam mij voorbij en vroeg: Tabé Toewan, Toewan maoe blie pèdang
bagoes sekali. (Wèl meneer, \'n mooie sabel koopen ?)
\'t Was bepaald een mooi, fijn bewerkt Japansch zwaard,- in fraai besneden
beenen scheede, met verguld koperen beslag, geschikt om de begeerlijkheid
van iederen verzamelaar op te wekken.
—- Rrapa ? (hoeveel?) vroeg ik.
Met een allervroomst gezicht en herhaalde betuigingen dat hij er bepaald
een kapitaal aan verloor, maar, omdat hij toch eens zaken met „meneer"
wou doen, nu eens heel, heel erg goedkoop zou zijn, bood hij mij het
zwaard voor vijftien gulden aan.
Na een kleine vijf minuten loven en bieden werd ik eigenaar voor
drie gulden en terwijl ik hem betaalde zag ik den dominee, die reeds
een poosje naar ons had staan kijken, nader komen met zijn sabel, de
tweelingszuster van de mijne, in de hand. - Wat heeft u betaald? vroeg
hij met ietwat angst in zijn stem.
■— Drie gulden !
—  Vergist u je niet? ik heb zooeven zes moeten geven en ik heb toch
gedurende meer dan een kwartier afgedongen. De Chinees is wel driemaal
heengegaan en weerom gekomen.
—   Ja, dat is zoo \'t gewone; kunstje, drie pop, geen cent meer kost hij me!
—   Hij heeft me dus toch bedrogen, foei! foei!
—   Och, dat moet 11 zoo erg niet vinden, zaken zijn zaken, de een
betaalt wat meer, de ander wat minder. Wacht, daar staat hij nog —
ik zal hem toch eens roepen; ik wenkte: — Mari sini, Baba!
Nederig buigende naderde de koopman en vroeg met een zijdelingschen
blik op den evangelist, maar zonder één spier te vertrekken van zijn slim,
geel gezicht: — Wil meneer nog een sabel koopen ?
—  Neen! zei Drasveld, en op zijn gewonen zalvenden toon begon hij
in zijn gekuischt Hollandsch, doorspekt met enkele woorden of zinnen
boekenmaleisch, den Chinees te vertellen, dat het groote oneerlijkheid,
zonde en schande was om van den eenen menseh meer af te nemen dan
-ocr page 220-
2o8
KEN ORANC BAROE.
van den andoren, voor dezelfde koopwaar. Ik moest mij met alle kracht
van wil ernstig houden, toen ik hem hoorde zeggen: —■ Dat is den Heere
een gruwel, mijn vriend! dat is wegen met twee weegschalen — sama
doewa timbangan — dat is meten met twee maten — Sama doewa takèran !
en dat is zonde volgens de Schrift. — Toewan Allah! tida mengaboelkèn —
zoo iets, want alle orang ada samadjoega voor Toewan Allah !
De Chinees keek hem met het leukste gelaat van de wereld aan, en
luisterde schijnbaar aandachtig naar die allerzonderlingste vermaning,
waarvan hij geen
letter begreep, maar
toen ik hem eenvoudig
vroeg: Waarom heb
je meneer zooveel
meer laten betalen dan
mij, zei hij schouder-
ophalend, droogjes:
— Meneer wou zoo-
veel meer geven en
o]) Drasveld\'s hoogen
hoed wijzend; —
meneer is een toewan besaar! (groote meneer),
—   Alweer mijn hoed, hij is dan toch daad-
werkelijk een buitengewoon onaangename hinder-
paal, een ergernis en daarom zal ik mij een anderen
aanschaffen, morgen reeds. Hum! hum ! \'t is toch
meer dan gruwelijk, dat ik zooveel te veel voor die sabel betaald heb — foei!
—   Maar permitteer me, dominee, wat moet u eigenlijk met zoo\'n zwaard
doen, u, man des vredes?
Hij glimlachte: — Hum ja! ik kocht die sabel ook niet voor mij, maar
ik schafte hem aan, om, bijaldien ik later weer naar Holland terug ga,
als geschenk te dienen voor mijn neef, den luitenant.
—  Wel \'n beetje ver vooruit gedacht, dominee.
—   O ja, maar ik meende zeer goedkoop in te slaan en dan kan men
immers nooit te vroeg koopen. Helaas! ik heb mij — of neen! die
Chinees heeft mij bedrogen, \'k Zal voortaan nog meer afdingen, maar
ik gruw van zulke bedrijven van koopmanschap en van die oneerlijke
handelaren. Dergelijke lieden zijn de pestbuilen der maatschappij, ze
moesten uitgesneden worden, opdat ze niet vergiftigen de onschuldigen
en argeloozen van harte. De Heer zal voorzeker eenmaal men hen in \'t
gericht treden — maar hier op aarde moest men ze gevangen zetten.
—   Och m\'n goeie dominee, dan was de heele wereld één tuchthuis.
-ocr page 221-
EEN ORANG BAKOE.
20C)
— Beter nog ware dat, dan zulke ongerechtigheid te laten voortwoekeren
als de kanker in het vleesch, drie gulden heb ik te veel betaald aan dien
onguren Chinees! -- \'t is bedroevend! Ds. Drasveld keek zóó verdrietig,
dat ik werkelijk medelijden met hem kreeg, vooral toen hij een gezicht
trok alsof hij een erg bitter drankje inzwolg en uitriep: — Mijn ziel walgt
van wantrouwen — ik heb steeds mijn evennaasten voor rechtvaardig
gehouden — maar in \'t vervolg sal ik gedwongen zijn overal af te dingen,
\'t Is wel vi-coactus dat ik \'t doe, maar het zij zoo !
(iedurende eenige dagen miste ik het genoegen den goeden evangelie-
dienaar te ontmoeten, en ik zag hem eerst weder op een middag aan de
rijsttafel. Zoodra hij mij zag zette hij een gezicht zoo zuur als azijn en
keek stipt op zijn bord. Mijn: — Bonjour, dominee, hoe gaat het?
beantwoordde hij niet.
Ik beproefde een gesprek met hem: hij gaf slechts enkellettergrepige
antwoorden en at met een haast, alsof hij sedert het begin onzer jaar-
telling uitgehongerd was, ik begreep
niet wat hem scheelde en vroeg:
—   Niet in je humeur, dominee, heb
je soms weer wat gekocht ?
Eensklaps zag hij mij door zijn bril met
gefronste wenkbrauwen, wijdgeopende
neusgaten en een verachtelijk getrokken
mond aan, slikte een groot stuk kip
door, dat hij juist vermaalde en zei:
—    Ik ben verstoord op u.
—   Och! dat spijt me — en waarom,
alsjeblieft?
U heeft mij ook al beet gehad en juist u had ik vertrouwd        ilat
is weer een smartelijke ervaring, mijnheer!
—   Heb ik u beet genomen? Och! Waarmee dan?
—   U heeft me gezegd, dat ik steeds afdingen moest, wanneer ik koopen
wilde. . . . Dat \'k hoogstens een derde of vierde moest bieden.
—  Zeker! Soms is \'t nog te veel.
—  Welnu, dat is niet waar ! — Drasveld keek me verpletterend aan -
ik wilde een hoed koopen, zoo\'n ronde, en ben te dien einde in die groote
toko gegaan, hier schuins over — daar vroeg men mij zeven gulden
vijftig en....
—  Goeie hemel, dominee. . . . ?
\'I
-ocr page 222-
KEN OKANG BAROK.
2 JO
—   En toen heb ik een rijksdaalder geboden.
—   Ha! Ha! Ha! — en?
—   Lach niet, meneer! - men heeft me met een beleedigend godslasterlijk
woord, dat de Heer verhoede dat ik herhale, verzocht de toko te verlaten.
Ik ben zonder hoed vertrokken....
—   Allemachtig! neen maar, dominee — ha! ha! ha! ha! Plotseling
ging in onze omgeving een schaterend gelach op. Ken paar heeren ver-
slikten zicli zelfs aan hun eten of drinken en de manager, die de bediening
surveilleerde, liep met haast de zaal uit.
—   Ik hoop dat de hiraliteit de heeren geen kwaad zal doen, zei de
evangelist vinnig, maar aanstonds van toon veranderend, teemde hij :
— Maar ik vergeef u gaarne uw onchristelijke liefdeloosheid — gij onbe-
snedenen naar den geest, doortrokken van den zuurdeesem des ongeloofs —
ik zal bidden dat uwe harten minder verstokt mogen worden !
Vol waardigheid greep hij zijn Raad-van-Indië-hoed, stond op, stak een
paar rijpe sinaasappelen, wat amandelen en rozijnen in zijn zak en verliet
met langzame schreden en deemoedig gebogen hoofd de eetzaal.
Wij hebben dien ürang Baroe nooit weer gezien.
-ocr page 223-
IN DE PREANGER.
211
IN DE PREANGER.
\'t Is kwartier voor
zessen, bijna dag;
op het perron en
aan het stationsge-
bouvv van Welte-
vreden branden nog
enkele gasvlammen.
De passagiers voor
den trein van zes
^frj ,jj uur, naar Buitenzorg
en verder door den
Préanger naar Maos,
zijn voor \'t grootste
Station tü liandong (i\'rcanger).
deel reeds ingestapt
of staan met vrien-
den en kennissen pratend bij de waggons. De gewone drukte, verbonden
aan het vertrek van een trein, die veel reizigers medeneemt, gonst onder
de stationskap en daardoor heen klinken luid-op allerlei stemmen en
roepen. Hoteljongens en spoorkoelies dragen koffers, manden en bagage
in de gereedstaande wagens.
Hier neemt een paar bejaarde echtelieden kalmpjes afscheid van elkander,
daar zoent een jong mensch zijn meisje hartelijk vaarwel en voor een
wagen vol inlanders en soldaten staat een Chineesche buffetbediende tegen
een paar lachende korporaals, die uit een raampje kijken, ruzie te maken
over gemaakte vertering. De bel wordt geluid, allen die nog op het
perron pratend en in afwachting stonden, — stappen in.
-ocr page 224-
JIJ                                                 IN l)K PKÉANGEK.
—    Adieu kerel! liou je goed, kalmpjes aan maar, te Soekaboemi zul
je wel gauw heelemaal opknappen, zegt een jong men se h die een bleeken
en zwakken vriend voorzichtig in den wagen helpt.
- Hier mevrouw, hierheen! — ik heb al een plaats voor u gereserveerd!
Stap in asjeblieft, want \'t wordt tijd — \'n mooi hoekplaatsje, achteruit,
dan heelt u geen last van het stof — zoo! geef me de hand maar —
huup!.. . .
■— Allah! — zoo hoog die stap — Trimakassi banjak, pff! —al warm
ja? Panas betoel! — en zich even over het bordesje van den waggon
buigend, roept de corpulente dame tot de baboe, die haar losse bagage
draagt: — Taroh ini boenkoes di kolong bangkoe, lekas!
De baboe klimt haastig den wagen in, plaatst een paar in doeken
gebonden pakken onder de bank, zet een mandje met vruchten naast de
parasol en \'t handtaschje van haar meesteres dat er op ligt, murmelt een
zacht: — Slamat djalan njonja! en laat zich, met haar bloote teenen de
loopplank omklemmend, weer op \'t perron zakken.
—  O! meneer Bosman, zegt de dikkert, wel bedankt voor die assistens!
I\' kom gauw eens naar Solo, ja? - Mijn man heel verlang naar u, en
eensklaps terzijde ziende:
         O, ló!         daar heel toevallig daar, mevrouw,
Klaassèn, — daar, daar! Zij wenkt en roept: - Margrèta! sini sini!
mooi plaats Margrèta! O, meneer Bosman! Zij niet hooren, ja! lT haar
even roepen; zoo lekker, sama sama — zij ook naar Solo....
Ik heb eveneens bijtijds een goede plaats belegd in den ruimen, luchtigen
eerste klasse waggon en zit nu tegenover de twee Indische dames en
naast een tabaksplanter, dien ik reeds vroeger in de Harmonie ontmoette.
Ken paar officieren, twee oude heeren, een jonge dame, met een bleek
lijdend gezichtje en een kaalhoofdige dikke Duitscher, die onophoudelijk
met zijn hoed waaiert en geeuwt, als had hij zijn bierroes nog niet
uitgeslapen, nemen de overige plaatsen in.
\'t Is zes uur, het vertreksignaal klinkt en de trein zet zich in beweging.
Heerlijk frisch is de morgen; de dauw glinstert nog op boom en plant,
en \'t stol dwarrelt nog niet op van de ietwat vochtige wegen.
Door de aan alle zijden geopende waggonraampjes zuigt de zoele
versche lucht en als we voortstoomen voelt ieder zich „lekker" in de
gemakkelijk ingerichte, Indische wagens.
Di\' twee Solosche dames zitten, na een poos lang haar bagage te hebben
heen en weer geschikt en verplaatst onder en op de bank en tusschen
haar in, eindelijk stil en de dikke zegt: — O! Margrèta ik zoo lekker ik
jou zie. Anders zóó vervéiend alléén reizen, zoover! Maar zoo sama sama
gheel g\'sellig.
        Jij ook poelang (naar huis) ja?
-ocr page 225-
IN Dl\'. I\'KKANGKK.
Onwillekeurig moet ik glimlachen als ik de twee dames over mij gadesla,
want zij vormen een volkomen contrast. De eene is zeer gezet, nog al
jong en levendig, de andere broodmager, lakoniek, met groote holstaande
zwarte oogen, een onbehoorlijk breeden mond en reeds min of meer
grijze haren.
—   Ik blij weer naar Solo; Batavia gheel mooi, maar niet g\'sellig, ik
zoo verlang naar ghuis, naar mijn man, ja! O, Margrèta, ik zeg maar
altijd: oost west, zuid noord, ja!
—   Jij lang te Batavia? vraagt, een geeuw onderdrukkend, de andere,
die wat beter Hollandsen spreekt.
—   Zes weken, gheele tijd en jij ?
—   Ik te Aft-ester Cornelis. O! Sampé — acht dagen!
—  Allah, jij vervelend daar? — Hoe is \'t mogelijk? Jij toch logeeren
hij Stralenborgs, ja?
—   Oah! — Ja! maar erg stil.
—  Toch zoo goeie lieve mensehen, ja?
—  Oah ! Soedah ngantok ! (\'k heb slaap).
—   En jij ook bij Van Brassen gewees ?
—  Ja ! bij Mimi. Zij naar jou gevraagd, betoel !
—   Allah ! och kom ! ik dacht zij boos met mij.
IV twee dames steken nu de hoofden wat dichter bij elkaar, ik versta
nog: O ló ! haar man alle dagen pigi di Soos! ghij hgeef uit veel hgeld.
Zij soedah zeg: Arnol satoe stali genoeg; ghij niet wil ghelooven.
Hgisteren hij blijft uit tot morgen, ghij kom thuis, maboq, dronken. Ghij
toe, toe pintoe, jongens vallen om van schkrik !.....dan hoor ik nog:
— Banjak soesah! — zoo leelijk perkara, zij scheiden. Ghaar man alle
nacht uit — die jonge baboe weggejaagd!.... —- dan wordt het gesprek
verder halfluid in \'t Maleisen voortgezet.
Ik steek een sigaar op, het rooken is in de Indische waggons geoorloofd
en mijn buurman de tabaksplanter, die tot dusver zwijgend naast mij
heeft gezeten, vindt daarin aanleiding om te vragen: — Mag ik van uw
vuur meê protitecren ?
—   Gaarne! — Wacht, hier heeft u mijn lucifers!
—   Dank u. — En nu gaat u zeker de Préanger in?
—  Ja, en daar heb ik zooveel goeds van gehoord, dat mijn verwachting
hoog gespannen is.
—   Die zal nog worden overtroffen, meneer!.... Van Maurik, niet waar?
—  Juist!
—  Ja — ik twijfelde eerst of u \'t was — u schijnt me wat magerder toe.
—   \'n Beetje last gehad van mijn digestie.
—   Gewone kwaal in Indië ; dan is zoo\'n reisje naar boxen probaat -
-ocr page 226-
IN DE PREANGER.
2I4
ik ben tweemaal een maand te Soekaboemi geweest maar dat was voor
mijn zenuwen, \'k was erg opgewonden in dien tijd. — \'k Heb er af en
toe nog wel eens last van; \'t klimaat, meneer, \'t klimaat! \'t Was daar
heerlijk, goddelijk, kalm weet je, kalm! — Soekaboemi heet met recht
„lustoord der wereld", dat is de vertaling van dien naam. Ja! de Préanger
is een overheerlijk stuk Indische natuur, \'k wou dat \'k er ook maar zat —
ergens op een land, want ik woon in \'t Loemadjangsche; dat haalt er
niet bij, meneer! — Enfin! u zal nu zelf zien, dat ik niet te veel zeg.
Tot hoever gaat u vandaag?
—   O, niet ver, maar tot Tjigombong. Daar wordt ik afgehaald — ik
ga een dag of wat te Srogol logeeren.
—  Te Srogol, bij Jhr. van Hoorn van Burgh op de Pondok Gedèh-landcn ?
—  Juist!
—   Wel allemachtig! dat doet me plezier, dat is een oude Sobat-kras
(goede vriend) van me, doe hem vooral mijn groeten? Nu, daar zal u
\'t goed hebben ; dat \'s een gastheer met een sterretje. — Hij woont daar
in een soort van aardsch paradijs — \'t is er altijd luchtig, dikwijls regen,
\'n heerlijke streek, mooie bergen, de Pondok Gedèh-landen zijn verrukkelijk,
de Salak, de Gedèh eenig, eenig, meneer! Mooie koffie maken ze daar,
uitmuntende thee. Ja! die landen hebben onder zijn bestuur een heel
eindje vooruit geboerd, wat waar is, moet waar wezen, \'t Was altijd wel
een prachtige possessie, maar nu — hm ! — de aandeden staan dan ook
heel wat beter dan vroeger — bijna pari. — U zal eens zien, wat \'t daar
voor landen zijn. Heb je wel eens een koffieplantage gezien?
—   Nooit!
—   Ook nog geen thee zien groeien ?
—   Neen !
—  En tabak ?
—   Ja, tabak zie ik soms meer dan me lief is, maar op \'t veld heb ik
ze nooit gezien.
—   Kom dan eens \'n beetje bij mij logeeren — of komt u soms nog te Déli ?
—  Ja, te Médan !
—   Neen ! blijf dan maar bij mij vandaan. — Zoo mooi als daar kan
ik u de blaadjes niet laten zien. En hoe beviel u Sumatra?
—   Heerlijk! de Westkust nl., want die heb ik bezocht. Padang, de
bovenlanden, de. . . .
■— Haalt toch niet bij de Préanger, meneer! ze is liefelijker, afwisselender,
\'t mooiste plekje op Gods aardbodem —■ later zullen we mekaar, hoop ik,
nog wel eens ontmoeten, dan moet u me maar eens vertellen hoc \'t u
bevallen is — mag ik uw sigaar eens even ?
—   Zeker ! — wil u soms een versche ?
-ocr page 227-
IN DE PRÉANGF.R.                                                       215
—    Neen, dank u — ik vergeet wel eens te trekken als ik wat druk
redeneer. Verzuim niet, als u te Garoet komt, om naar den Papandajan
te gaan, hoogst interessant, meneer! hoogst interessant!
—   Hé! \'k heb juist gehoord, dat die tocht niet zoo erg loonend is?
—  Wat! niet loonend? de planter keek op eens erg boos. -— Wie
zegt dat ?
—  Een kennis van me, die er geweest is.
—   Onzin! dien kerel moesten ze doodeenvoudig ophangen, meneer!
Zoo\'n roover moet van \'t aardrijk verdwijnen. — Ga er eerst heen, meneer,
en oerdeel dan of ik geen gelijk heb. De Papandajan is de interessantste
krater, die existeert. Zoo\'n kerel! —- de Papandajan niet loonend! Hoe
heet die gauwdief? — de man sprak hoe langer hoe sneller en heftiger.
—   Maak u niet driftig — de man, die \'t zei, zit nu in Holland.
—   Dat \'s zijn geluk !
■— Hij is geen groot liefhebber van de natuur; hij vindt de heele
Préanger niet zoo bijzonder.
—  Groote God! Wat \'n pummel! — wat \'n schavuit! — Zeker zoo\'n
duffe kaasboer of een fabrikant van vetleeren laarzen. Wat deed die vent
in Indic, laat zoo\'n kerel toch in zijn eigen negorij in Durgerdam of
Buiksloot blijven; als u hem ooit weer spreekt, doe mij dan plezier en
zeg hem, dat ik hem niet ken, en ook niet wil loeren kennen, zoo\'n
kalebas zonder gevoel of smaak. — Hoe heet dat ongeluk?
—  En u wil hem niet kennen?
—   Dat \'s waar ook, hij kan me niets, niemendal schelen — mag ik
uw sigaar nog eens even, mijn roko is alweer uit! — Dank u! Ja! ik
wind me te gauw op, dat weet ik wel, maar dat ligt in \'t klimaat, meneer,
in \'t klimaat! Pfff! — \'t begint warm te worden.
De twee dames over ons hebben haar intiem gesprek een poosje gestaakt
en zien met groote verwonderde oogen naar den snel en druk sprekenden
tabaksplanter, die, stevige halen aan zijn sigaar doende, verder praal:
— \'k Zal toch nog eens een poos naar Soekaboemi moeten — \'k krijg
weer last van m\'n zenuwen, dat voel ik, \'k zit ook al weer twee jaar
permanent in de blaadjes — dit is \'n sigaar van m\'n eigen tabak —
\'n mooie brand, hè? maar voor jullie Hollanders \'n beetje te (lauw, wij
hier mogen zoo\'n licht rokotje wel — de Papandajan niet mooi! ik kan
het maar niet op krijgen ! Je zult zien, meneer Van Maurik, \'t is er nog
interessanter dan op den Bromo, daar ben u toch geweest? En eensklaps
zich tot de dames wendend: —- Wat zegt 11, dames! u kent toch zeker
den Bromo — de Zandzee, Tosari ? Is u hier al meer geweest ?
Giegelend stooten de twee vriendinnen elkander aan en zien zwijgend
naar haar voortrammelenden overbuur, die, als hij eindelijk zijn sigaar,
-ocr page 228-
-ocr page 229-
IN 1)1\'. PKEANGKK.
_\'i 7
die alweer uit is, het raampje uitgooiend vraagt: — Zegt u niets, dames?
van de dikke dame vinnig ten antwoord krijgt :
—  Zwijgen is spreken en zilverr is goud, meneerr!
—   Bliksem! die is goed. Hè! daar kan ik het meê doen! Schaterend
wendt hij zich nu tot mij en fluistert me in: — Wat \'n types, wat \'n types!
stom als \'t achtereind van een ....
Dcpok! — de trein stopt een oogenblik en mijn opgewonden buurman
eveneens. Tot Buitenzorg houdt hij mij voortdurend bezig; in waarheid
is zijn tong geen oogenblik in rust en vóór we het nette station binnen-
stoomen, ben ik op de hoogte van al zijn familierelatiën, van al de soesah\'s
en perkara\'s, die zijn zenuwen zóó in de war hebben gebracht.
Hij stapt uit, wischt zich puffend de klamme slapen en roept me, zich
op de teenen opheffend op de loopplank, terwijl we op \'t punt van vertrek
staan, nog toe: — Vergeet vooral de Fapandajan niet, en als je dien
kerel ontmoet, je weet wel! zeg hem dan dat ik hem niet wil kennen,
nooit, never, jamais! Adieu! veel genoegen. Kijk maargoed uit je doppen!
Slamat djalan !
-ocr page 230-
2lS                                                      IN l)K l\'KKANGKR.
Als wij weer wegrijden kijkt de magere dame even het portier uit,
geeuwt zonder de hand voor den mond te houden en zegt, half tot de
dikke, half tot mij : — Goed hij weg, vervelende orang!
Xa Buitenzorg begint de weg hoe langer hoe sehooner en schilder-
achtiger te worden en bij \'t station Batoe toelis ziet men uit de waggons
het prachtige vergezicht op de tusschen de bergen en heuvels zich kronke-
lende rivier. Minder trotsch en grootsch dan in de Anch-kloof op Sumatra
loopt de weg door liefelijke landschappen, langs vruchtbare sawahs en rijke
bosschen in ettelijke slingeringen steeds hooger op.
Trotsch heffen Salak en Gedeh hun begroeide toppen omhoog en -tegen
hun flanken liggen groote koffie- en thee-plantages.
Van uit den trein ziet men slechts onduidelijk de op rijen aangeplante
theestruiken, en de koffieboomen schijnen lage heesters door den afstand,
maar heerlijk, schilderachtig schoon verheft zich daarachter de bosch-
vegetatie, wild en grootsch.
Tjigomhong! We zijn aan de Halte waar ik afstappen moet. Aan
het station vind ik mijn vriend, die me met zijn rijtuig komt afhalen.
Langs den goddelijk mooien weg, dien we volgen, hurken de inlanders,
als zij hun toewan-besaar zien «aankomen, deemoedig neer, enkele, die te
paard zitten, stijgen af en blijven in nederige houding met den hoed in
de; hand naast hun rijdier staan, totdat onze wagen voorbij is.
\'t Valt mij op dat de kleeding van de Soendaneezen zooveel kleurrijker
en frisscher is dan die van de inlanders te Batavia en elders. Al die
roode, gele, blauwe en bonte baadjes steken vroolijk af tegen het groen
der boomen en \'t grauwgele zand der wegen.
De kampongpoorten en de meeste huizen zijn versierd met vlaggetjes,
papieren ballons, groene kransen, takken en bloemen; de oorzaak daarvan
is het verblijf op Srogol van Jhr. van den Bosch, een der landheeren,
die tijdelijk een bezoek brengt aan de Pondok Gedc-h-landen. De meeste
bewoners komen voor hun huizen even kijken als we voorbijrijden. Eer-
biedig groeten allen, met opgeruimde gezichten en vriendelijke oogen.
Men ziet het dadelijk: ze mogen hun toewan-besaar gaarne lijden en
brengen hem met vreugde de hulde die hem toekomt.
Xa een korten rit is ons doel bereikt, het landhuis van Srogol ligt
voor ons.
*<$>*■
-ocr page 231-
IK SKOGOI..                                      2Uj
IN DE PKKANGEK. —
II.
Heerlijk, met rood «ronden
gloed, gaat de zon schuil achter
den altijd groenen Salak.
Als een reusachtige, donkere,
begroeide massa steekt de berg
- een der wachters van den
I\'réanger — af tegen de vurig
gloeiende, dan bleeker worden de
en langzaam verduisterende
lucht. Hoven in \'t zwerk is \'t
nog licht en de met snelheid
dieper dalende zon kleurt de enkele, hoog drijvende, pluimige wolkjes
met fijne parelmoertinten, teer geschakeerd, rood-goud gerand en violet
schemerend, tot ze, zich oplossend, vervlieten in het diepe blauw van den
hemel.
Een paar minuten nog verguldt de zon, tusschen bergen en heuvel-
klingen haar laatste stralen heenzendend, de boomtoppen en de kruinen
der palmen en boomvarens, die, langzaam hun vormen verliezend, schijn-
baar samensmelten met de begroeide hellingen en bergruggen in de verte,
\'t Is avond geworden en de maan klimt statig omhoog, om van het lucht-
gevvelf, als een zilveren ampel, vol stil zachtgeel licht, de allengs donker
geworden aarde te bestralen. Als een witte wade valt de dauw over het
dal. De toppen der bergen omsluicren zich met wolken, die, wollig en
dik, door het kalme maanlicht niet worden verscheurd.
De groote prachtige kanarieboomen, de poespaas, pisangs en klappers,
tamarinden en waringhings, die uit het diepe ravijn hun kruinen omhoog
heffen, of op bet terras voor bet sierlijke landhuis van Srogol groeien,
herkrijgen door dat geheimzinnige licht hun vormen, hun zachte; beweging
en teekenen zich, zilverig schemerend, af tegen de duistere verte. In \'t
witte landhuis, op een klein bergpl.iteau schilderachtig gelegen, nu als
droomend onder hoornen rustend, brandt \\roolijk, helder licht. Het straalt
-ocr page 232-
22u                                      IN DE PKÉANGKK.           IK SKOCOl..
over de stcenen treden der voortrap en vloeit als een goudgele\' stroom
een eind ver over het voorplein, \'t Verlicht de talrijke fijne chevelures,
de kleine palmen en aloës, die in antieke Japansehe vazen aan beide
zijden van de groote trap geschaard staan.
Een aantal loges zitten in de ruime, élégant gemeubelde voorgalerij ;
zij zijn door hun vriendelijken gastheer, den administrateur van het uit-
I.andlmis te Sroyol.
gebreide land 1\'ondok-Gedèh (ruim 25000 hectaren groot), uitgenoodigd
tot een Sédèka Topeng, welke gehouden zal worden ter eere van een der
landheeren, die tijdelijk op Srogol vertoeft.
De beminnelijke jonge gastvrouw heeft de geurige thee, eigen produkt
van \'t land, bereid en geschonken en terwijl de huisjongens die rond-
dienen, zit zij schommelend in een krossi-gojang naast haar echtgenoot,
-ocr page 233-
IN DE PRÉANGER. — TE SROGOL.                                 22 1
den toewan-besaar der onderneming, naar de toebereidselen voor liet
feest te kijken.
Aan haar voeten spelen haar kinderen, bewaakt door een baboe en een
paar nederhurkende Javanen.
* #
Gong! - Gónnngg! — liet diepe melodieuse geluid van een metalen
gong, dat reeds gedurende ruim een half uur mannen, vrouwen en kinderen
uit de kampongs tot het feest noodde, klinkt nog voortdurend over \'t
ruime terras.
Als een mooie, diepe basstem overheerscht die metaalklank het trillend
schrille faussetgeluid van de duizenden krekels, die, zoodra de zon onder
is, bun scherpe stemmen verheffen. Er ligt iets weemoedigs, ernstigs in
het geluid van den gong; vooral in \'t duister klinkt het als een zware,
kalme, zacht waarschuwende stem.
Kerst als de heldere klokgeluiden der koperen Krömöng, de slagen van
de doffe tam-tam-trom en de tonen van de tvveesnarige biola, van de
Gambang Katja en van het fluitje (soeling) zich aan die zware stem paren,
komt er iets meer liefelijks, iets mooiers in de klanken van den Gamelang.
Van uit de verte, gedragen door de koele geurende avondlucht, waaien,
zwaarmoedig en klagend, die tonen door de donkere ravijnen, zachtkens
spelend langs de ranke palmen, zich verdeelend tusschen de sierlijk slanke
bladeren der boomvarens, die rustig staan in \'t zilverig maanlicht, hun
lijnt; kronen nauwlijks bewegend.
Hoog in de lucht flonkeren de sterren met weergaloos schoonen glans;
\'t Zuiderkruis en de Kreeft zijn helder te zien. Nu en dan verschiet
plotseling een ster, een oogenblik een flauwe lichtstreep achterlatend.
Gong! Gónnng! Gong! nog altijd overstemt het diepe geluid de
andere-, zachtkens aanzwellende, klanken.
Het is alsof die metalen stem dringender noodt: — Kom! kom! kom!
De maan heeft zich een poosje achter wolken verscholen; enkele vuur-
vliegen, schitterende phosphoresceerende sterretjes, zweven rond, overigens
is het donker geworden op \'t voorplein van Srogol. Langzaam komen
van alle kanten kleine lichtjes tusschen de hoornen te voorschijn.
Als dwalende gouden sterren bewegen zij zich op en neer, langzaam
vooruit, steeds nader komend, — opdagend uit den diepliggenden weg
rechts, aanzwevend links tusschen de heesters en de stammen der boomeii.
\'t Zijn de lantaarntjes en kleine fakkels, waarmede het kampongvolk
zijn schreden verlicht. Zij komen nader, mannen, vrouwen en kinderen,
in kleurige baadies en bonte sarongs. \'t Rosse licht beschijnt fantastisch
liun bruine gezichten en hoofddoeken, oi schittert een oogenblik op de
-ocr page 234-
TE SROGOL.
IjM DE PRKANGF.R.
222
versierselen, die de vrouwen op de borst of in de ooren dragen. Onhoor-
baar, bijna glijdend over den zandigen grond, naderen nu de inlanders
van alle kanten. De verschillende groepen verdeelen zich, naar rechts
en links, blusschen hun lichten en vormen een grooten kring voor het
landhuis.
Op de trappen van de voorgalerij nemen een aantal kleine, dikbuikige
inlandsche kindertjes plaats, de meesten half naakt, enkelen in hei-groene
of roode baadjes en met het goudgeborduurde toppie op de sluike zwarte haren.
Zwijgend hurken de Javanen neder; zij
joelen niet, zij lachen of schertsen niet
                             *\'
onder elkaar, maar in eerbiedige stilte
wachten zij af wat gebeuren zal.
Midden in dien wijden kring brandt een
petroleumfakkel met drie pitten. De heldere
vlammen branden, nauw bewogen door een
zuchtje, dat nu en dan verkwikkend over
het plateau strijkt en verlichten min of meer
spookachtig de gamelangspelers, die achter
en bij hun instrumenten met gekruiste beenen
op den grond zitten.
De Ronggeng (danseres) zit in de gebrui-
kelijke houding, met haar rug naar het
publiek. De fakkel werpt een schel licht
op baar smaragdgroen, met goud geborduurd
baadje en de talrijke bontgekleurde kralen en
gouden loovertjes van baar kroonvormigen
hoofdtooi.
— Gónn-ng! één luide, lange slag op de
-^■W:,
(jong geeft het sein tot den aanvang van
het tandakken.
De geheele gamelang speelt nu een zachte,
zonderling geaccentueerde melodie — nu
eens opgewekt, klinkend als vroolijk klok-
Ronggeng.
gelui uit de verte, dan weer snel en hard,
langzaam en klagend of snerpend en schril, afgewisseld door doffe of
scherpere slagen op de trom, die voortdurend de maat blijft aangeven
van den dans, die nu begint.
De Ronggeng is opgestaan, zij is niet onknap, haar vrij regelmatige
trekken zijn duidelijk zichtbaar in \'t roodachtig licht dat het witte poeder
(bedaq) waarmede zij geblanket is, een rosé tint geeft.
Sierlijk den gekleurden slcndang in de gracelijk opgeheven handen
-ocr page 235-
IN DE PRÉANGER. — TE SROGOL.                                     223
vasthoudend, doet zij eenige passen; langzaam, slepend, met rhytmische
bewegingen, vooruit, slaat met een vlugge slingering tu-n slendang o[>
en over den sehouder en brengt, even neerhurkend, beide handen, als tot
bidden saamgevouvven, een oogenblik aan \'t voorhoofd, \'t Is haar sembah,
de groet dien zij eerbiedig aan de toesehouwers brengt.
Dan rijst zij weer op, wiegt bevallig op de heupen heen en weer, draait
haar welgevormde armen en handen in allerlei bochten, de vingers, die
slechts luchtig den slendang vasthouden, waaiervormig uitgespreid en
achterover gebogen, terwijl zij met haar voeten kleine, schuivende voor-
en achterwaartsche pasjes maakt.
De. muziek wordt levendiger, de tonen der klokjes klinken helder
tusschen de neuzige geluiden der biola en het snerpen der fluit. De trom
slaat in sneller tempo en de gong geeft met korter slagen zacht den
grondtoon aan.
Vlugger worden de bewegingen van de Ronggeng; zij zwiert den slen-
dang bevallig over het hoofd, enkele oogenblikken haar schitterend kapsel
omhullend.
Met sneller wendingen draait zij het bovenlijf heen en weer en de
passen die zij maakt worden grooter en langer. In een wijder wordende
kring beweegt zij zich rondom de fakkel en als de muziek, met een
plotselingen ruk, een oogenblik ophoudt staat zij weer voor de plaats
waar de toewan en njonja met hun gasten gezeten zijn.
Weer een hormat (eerbewijs) en een slag op de gong; de inleiding tot
den karakterdans, dien zij uitvoeren zal, is afgeloopen. De toekan badoet,
de directeur van het Topeng-gezelschap, brengt een mandje met een doek
overdekt en zet dat naast de fakkel neer.
De muziek begint opnieuw, zacht en liefelijk in kleine afgebroken
phrasen, eentonig meestal.
Even buigend, neemt de danseres iets uit het mandje, \'t schijnt een
sluier, zij werpt dien een oogenblik over \'t hoofd en als zij hem weer
verwijdert, heeft zij een wit masker voor, regelmatig van vorm en met
neergeslagen oogen.
De gamelang klinkt nog steeds zacht en bescheiden, soms als beschroomd
de stilte van den avond te verbreken en het schelle tsjirpen van de
krekels te overstemmen.
Schuchter en op haar teenen voortschuivend komt de Ronggeng vooruit,
haar handen bewegen zich sierlijk en langzaam met ingehouden kracht.
Elke vingerbeweging, elke voetstap is karakteristiek, haar hoofd neigt
bevallig heen en weer, voor- en achterover, terwijl het bovenlijf slechts
weinig op de heupen wiegt. Er ligt iets maagdelijks beschroomds in haar
houding, in al haar gebaren die langzamerhand breeder, meer bepaald,
-ocr page 236-
224                              IN DE PREANGER. -- TE SROGOL.
sneller, drukker en levendiger worden, totdat zij, na een drietal cirkel-
gangen om de fakkel, weer bij het mandje is gekomen.
— Gong! klinkt het forsch ; —■ zij rukt het witte masker af, bukt zich
en omsluiert snel haar hoofd voor de tweede maal. En als het geluid
van de gamelang sterker wordt en de biola en fluit een wilder toon aan-
slaan heeft zij zich getooid met een groen masker, waarin de zwarte
appels en het wit der oogen duidelijk zichtbaar zijn.
Nu is zij „de vrouw" — haar lichaam, slank en buigzaam, wendt zich
met krachtiger bevveging naar alle zijden. Haar heupen schijnen breeder
geworden, haar boezem uitgezet onder \'t schitterend baadje. Wilder wordt
de muziek!
Als door feilen hartstocht hewogen, gieren schril en onmelodisch fluit-
en strijkinstrumenten dooreen ; tam-tam en trom slaan hard en tegen-de-
maat-in er tusschen.
En ook de dansende vrouw drukt door haar bewegingen meer en meer
hartstocht uit, handen en voeten draaien in slangachtige wendingen heen
en terug. Haar hootd gaat onophoudelijk op en neer, draaiend naar links
en rechts, met schokken, aangegeven door de muziek, die aanzwelt tot
een chaos van klanken onmelodisch en wild, maar zich oplossend in een
liefelijken lang aangehouden klokkentoon, die trillend uitsterft, terwijl de
tandakkende vrouw op één knie nederzinkt en den slendang bevallig over
het gebogen hoofd uitspreidt.
.Nogmaals verwisselt zij op dezelfde wijze haar masker. Nu is het rood
met door hard geel aangegeven trekken en fel blikkende oogen, onder
zwarte, boogvormige wenkbrauwen. Krachtiger, doordringender, scherper
klanken klieven de lucht.
In gebiedende houding rijst zij op. Koninklijk wordt haar gebaar.
Het hoofd achterover in den nek, den rechter arm als bevelend voor-
uitgestrekt, de linkerhand sierlijk gebogen langs de heup, komt zij met
afgemeten stappen vooruit. Haar bovenlijf wiegt nu rhythmisch voor- en
achterover, haar voeten zetten zich schrap in wijden danspas. Zij zwaait
met kracht den kleurigen doek voor zich uit, hoog boven het hoofd.
Kaden ajoe (een vorstin) is zij nu, en al \'t gewicht van haar waardigheid
gevoelend, beschrijft zij, begeleid door de gamelang, die een breeder
klankenstroom uitzendt, een wijder cirkel om de fakkel. De toeschouwers
zien haar vol spanning aan, ze rekken hoofd en hals vooruit, als zij,
haar kringloop verkleinend, met trotsche passen, al ronddraaiend, de
muzikanten nadert. In fiere houding, den slendang half om de schouders
slaande, en met één hand op de heupen, blijft zij, hoofd en schouders
sierlijk heen en weerwendend, staan, totdat de muziek is opgehouden,
uitstervend in een zacht geklingel der klokken.
-ocr page 237-
IN DR PktiANGtfR. — tK SROGOL.
225
Dan buigt zij snel het hoofd, hurkt neer en maakt met de gevouwen
handen voor het voorhoofd sembah. De karakterdans is voorbij. Van de
galerij klinkt het applaus der gasten hard en klappend door den nacht,
want de inlandsche toeschouwers geven geen andere teekenen van bijval
dan een nauw hoorbaar, zacht gemurmel.
Inmiddels komen achter uit den hollen weg en tusschen de boomen
links en rechts, op nieuw enkele lichtjes te voorschijn, die hier en daar
blijven stilstaan en niet worden ge-
doofd. \'t Zijn warongs, kooplieden,
die, als de muizen op het spek, dadelijk
verschijnen als ergens een Selamatan
of Sèdeka wordt gehouden.
Zij verkoopen allerlei versnape-
ringen ; schijfjes suikerriet, koekjes,
klapperwater en vruchtensappen,
(sina\'sappelen) en pisangs. DeMaleier
en de Javaan drinken nooit sterken
drank, maar onthalen zich gaarne
op limonade of ajar-stroop (water
met vruchtenstroop), gebakjes, lopis
(rijstkoek) of vruchten.
Al die lichtjes vormen met die
flauw beschenen, draagbare restau-
rants een schilderachtigen achter-
grond, waartegen de donkert\' men-
schengroepen fantastisch afsteken.
Honderden zijn daar bijeen, maar
men hoort hen niet, zij spreken alleen
(luisterend met elkander, want . . .
de toewan besaar met zijn njonja,
zoowel als de gasten, die in het
landhuis zijn, zouden kunnen denken
dat zij korang adjar waren — hun
wereld niet verstonden — en de inlander is er bijzonder op gesteld dat
men hem voor welopgevoed aanziet, voor iemand houdt, die weet hoe
het hoort.
\'t Is duister daar op het voorplein, maar donker is het niet, want de
groepen menschen zijn duidelijk zichtbaar, hun bruine gezichten en kleurige
kleeding, hun hoofddoeken en de glimmend zwarte haren der vrouwen
zijn van elkander te onderscheiden.
Af en toe vlamt op enkele plekken een oogenblik een helder lichtje op
-ocr page 238-
226                                 IN DE PREANGER. — TE SROGOL.
door de lucifer, waarmee de mannen hun strootje aansteken ; dan wordt
op die plaats de omgeving zichtbaar en ziet men even den dunnen,
blauwen tabaksrook, dien de inlander uitblaast, als een nevel langs de
genoegelijk lachende gezichten zweven.
Ken Sèdeka, een strootje en wat ajer-stroop maken den Javaan gelukkig —
hij is zeldzaam gauw tevreden !
(jong! Kort en krarhtig klinkt nu de slag op de gong. Een nieuwe
voorstelling begint, ditmaal een komiek-intermezzo, uitgevoerd door den
toekang badoet zelf en een langen inlander die, bij wijze van knods, een
groote loeffa-schil zwaait, \'t Schijnt een zeer grappige scène te zijn, want
de inlanders vergeten meermalen hun deftigheid en beloonen met een
lachsalvo die grollen en die clownachtige ranselpartij.
Voor de gasten zijn de komieke vertooningen minder typisch, omdat ze
te veel aan de gewone paardenspel- of kermisgrappen herinneren, maar
de inlanders vermaken zich bovenmate, zelfs de kleine, naakte, dikke
kinderen op de trap komen in beweging en lachen, tegen elkander aan-
vallend van pret, luidkeels en lang.
\'t Gaat vrij huiselijk toe naast en achter de muzikanten, want het is
duidelijk te zien hoe een paar andere leden van het gezelschap van costuum
verwisselen — kleedkamers houden die artisten er nog niet op na.
Een tweede dans begint.
De Konggeng gaat langzaam op haar teenen naar voren, zij heeft nu
een andere kroon op en een rood bovenkleedje aan en wordt begeleid
door een inlandsche vrouw in gewone kabaja en sarong.
-ocr page 239-
IN\' DE PREAXOER.
CE SROCOI..
22;
De muziek, die gedurende de komieke voorstelling meestal gezwegen
en slechts nu en dan de gesproken woorden, die voortdurend den lachlust
van de inlanders gaande hielden, als \'t ware onderstreept heelt door een
slag op de gong ol de hekkens, soms met een schrillen toon uit de fluit,
begint een monotone wijs.
De twee vrouwen dansen met kleine pasjes, handen en armen voort-
durend in golvende beweging houdend, om elkander heen. Wat zij nu
voorstellen is voor een Europeaan
moeilijk te zeggen, want de dans,
dien zij uitvoeren, heeft geen bepaald
karakter meer, evenmin als de muziek,
maar de omstandigheid dat zich een
kleurig gekleed Javaan bij haar voegt
en tandakkend erotische gebaren
maakt, wettigt de gevolgtrekking
dat een liefde-trio wordt opgevoerd.
Beurtelings danst en zingt het drietal.
Dat zingen, waarbij de vrouwen de
hand of den doek voor den mond
houden, is slechts een neuzig,
miauwerig zeuren, vermengd met
enkele keelgeluiden en lange, scherpe
uithalen.
En zelfs als de beweging van den
laki-laki (man) hartstochtelijk wordt
en de perampoewan (vrouwen) voor
zijn liefdesbetuiging vluchten en \'t
gelaat bedekken, blijft de zang even
onaangenaam, saai en valsch.
Geduldig, met gespannen aan-
dacht, blijft het altijd rustige publiek
toezien en toont goed- noch afkeuring, totdat een der vrouwen haastig
de vlucht neemt en de man met de andere blijft tandakken, elkander af
en toe dreigend of slaand in huiselijken twist. Een zacht, maar allengs
luider wordend lachen beloont de dansers voor hun vermoeienden arbeid.
Verschillende voorstellingen, dansen, komieke vertooningen en zang-
nummers wisselen elkander af en het slot van de voorstelling is een soort
kluchtspel, dat zeer in den smaak der inlanders valt. Ken der spelers stelt
met niet gering talent een Europeaan voor, zijn gelaat is witgemaakt, hij
heeft vervaarlijke knevels aangeplakt, draagt schoenen, een witte broek
en een zwart jasje.
-ocr page 240-
_\'_>S                                     IN Dl. PRRANGÉR. — TÉ SkOC.ol..
Di\' toekan-badoet, zijn medespeler, is nu een domme knecht, een
huisj ongeil, die alles verkeerd begrijpt en onhandig doet. tot groot vermaak
van di\' kijkers, die herhaaldelijk zóó hullen dat ze zeil: — Sjuut! sjiuit!
heginnen te roepen.
Die Europeaan moet een controleur voorstellen, die op tournee is. Wat
hij zegt kan men niet verstaan, maar zeker is het geen vleierij voor den
„Orang blanda" en „de Kompenie."
De voorsteller aapt op vermakelijke wijs den blanken broeder na en
toont welsprekend aan, hoe de gewone onhebbelijkheden als vloeken en
razen den meer beschaafden man ontsieren. Hij vertoont met succes,
hoe de inlander door sommigen wordt afgesnauwd en met minachting
behandeld. De pseudo-contróleur rookt deftig een sigaar, spuwt op den
grond, zit op een stoel met de beenen over elkaar en vloekt voortdurend.
Telkens .\'ds hij zijn „Gévédé of „perdomt!" doet hooren zet de gamelang
met een slag op de tam-tam of een paar schrille tonen kracht aan zijn
woorden bij.
Eindelijk verandert de controleur in een sergeant, die op verrassende
wijze de Hollandsche komniando\'s nabootst en een troepje getulbande,
krombeenige en aartsdomme soldaten laat exerceeren.
De leden van het gezelschap, die de militairen voorstellen, hebben zelf
de meeste pret in het geval, want zij lachen even hard als het publiek
en bekreunen zich niet in \'t minst om de vrij gevoelige duwen en stompen,
die zij van den drillenden sergeant oploopen.
De gamelang klinkt daarbij krijgshaftig en overluid; de trom (de tam-tam)
en de koperen bekkens hebben \'t hoogste woord, totdat zij met een
zonderlingen toon, meer een langgerekt gekrijseh, ophouden, terwijl de
afgeroste soldaten, hinkend en hompelend de vlucht nemen tusschen de
goedwillig op zij schuivende toeschouwers, \'t Is over elven, de gasten
maken zich gereed om te vertrekken of naar bed te gaan. De Toekan-
badoet merkt dat op en wenkt de Ronggeng om haar plicht te doen.
Zij danst met kleine vlugge passen een eind vooruit, zwaait bevallig
den slendang heen en weer en nadert in den gewonen tandakpas de
trappen der voorgalerij; dan hurkt zij neer en kruipt in die houding
de treden op.
Haar kralenkroon en vergulde versierselen glimmen en schitteren in
het licht der lampen en de vijftien of zestien driehoekig gevouwen over
elkander gelegde, rood gerande zakdoekjes, die zij aan den gordel draagt,
spreiden zich waaiervormig over haar knieën uit.
Steeds op haar hurken schuifelt zij voort en biedt, minzaam lachend,
haar slendang en daaronder een koperen schaal, eerst den toewan besaar
en daarna de anderen aan. Telken male als een grooler of kleiner
-ocr page 241-
IN DK PKEANGEK. — IK SKOCOI..
-\'-\'•)
zilverstuk in liaar tampat valt, bewijst zij. door de vrijt; hand aan \'t voor-
hoofd te brengen, hormat (eerbetoon) aan den gever.
Het feest is geëindigd.
In de verte verdwijnen, op en neerdansend, de warong-Iichtjes. Kr valt
nu niets meer te verdienen, want het kampongvolk begint naar huis te
gaan. Fakkels en lantaarntjes worden weer ontstoken en even rustig en
kalm als zij gekomen zijn, keeren de inlanders naar hunne woningen
terug. Geen gedrang, geen gedruisch, geen geluid zelfs maken zij bij
\'t heengaan.
Als schimmen glijden zij weg tusschen de donkere; boomen. Hier en
daar glimt nog een brandend strootje of vlamt een lucifer, plotseling
enkele hoofden en gezichten verlichtend, een oogenblik op.
De Topengspelers verlaten met dankbare buigingen, naar de zijde van
het landhuis, waar de lichten reeds gebluscht worden, het terrein. Ken
half uur later is het voorplein van Srogol ontruimd en schemelt het inaan-
licht, ongehinderd, over den blinkenden zandigen grond.
\'t Is doodstil geworden, slechts de krekel blijft zachtjes doorzingen en
een enkele gèkko roept van tijd tot tijd zijn: tokkè-tokkè-è! Boomen
en varens, heesters en palmen staan, stil beschenen door de maan,
spookachtig zich afteekenend tegen den bergachtigen achtergrond en
droomerig dwaalt de blauwig-gele schijn der maan over \'t gastvrij dak
van het huis, waarin de gasten met den toewan besaar en zijn gezin zijn
ter ruste gegaan.
-ocr page 242-
230                                                 IN DE PKEANGKK.
III.
De Preanger is zeker een der meest gezegende en liefelijkste streken
van Java — ik heb er slechts een gedeelte van gezien, omdat ik tijd te
kort kwam, maar wat ik er van mocht bezoeken, zal me onvergetelijk
blijven.
Het is winter, terwijl ik deze bladen schrijf, mijn vuurtje brandt helder
en toch heb ik het koud — \'k ben nog niet weer geheel gewend aan
ons kil klimaat. De thermometer stijgt, \'t wordt gelukkig wat warmer in
mijn kamer en ik begin mi\' aangenaam te voelen — ik haal stuk voor
stuk mijn herinneringen voor den dag
          \'k zie de onder de Tropen
doorleefde dagen nogmaals voor me, ik geniet ze opnieuw....
Sockaboemi! in gedachten adem ik uw frissche, reine lucht in — ik
voel weer de lichte, koele bergwind, die genezend en verkwikkend door
de eeuwenoude boomen ruischt. Ik zie weer in uw weldadige, rustige
stiltt-, de oplevende menschen, die, moê en bleek, met afgematte, slappe
zenuwen en doffe, dwalende oogen gekomen, reeds na een verblijf van
eenige dagen, levenslustiger worden, veerkrachtiger en gezonder van tint.
Ik zie mij rijdend op den mooien, lommerrijken weg naar Sela-Batoe,
het herstellingsoord, waar de koele ozon-rijke atmosfeer wonderen verricht.
Ik herinner me de gezellige table d\'höte in het Hotel Orth, waar de
spijzen rijkelijk werden opgediend en de bediening goed was. Ik zie mij
in den geest in het kleine paviljoentje, waar ik logeer, zitten schrijven,
terwijl uit de conversatiezaal veel gelach, vroolijke stemmen en pianospel
naar mij over klinken, gedragen op den zoclen adem van den avond-
wind, die de geuren van bloemen en bosch liefelijk in mijn kamer spreidt;
ik hoor weer de trillende, scherpe stem van den krekel en \'t roepen van
den gekko, die me nog even uit den slaap houden, misschien wel om mij
beter de weelde te leeren kennen van den heerlijken Indischen nacht,
waarin men slapen kan met open vensters, met \'t sterrelicht als nacht-
lampje, met het aroma van bloesems en vruchten als zacht narcoticum.
-ocr page 243-
IN DE PREANGER. — SOEKABOEMI.
231
Terwijl ik dit schrijf, zingt naast mij op het spiritusvlammetje mijn
bouilloir. Zachtjes zeurend eerst, dan allengs vlugger en luider, melodischer,
in verschillende tonen, hoog en laag! Ik ruik den geur van de thee, die
op het kokende water staat te trekken, \'t Vluchtig aroma vervult de
kamer en daardoor rijst eensklaps voor mijn verbeelding de onderneming
Parakan-Salak, met het vriendelijke comfortabele landhuis van de familie
Mundt. Ik herinner mij het prachtig oord, waarin dat gastvrije huis ligt
— ik zie ons weer zitten, een groot gezelschap, lachende, vroolijke gasten
Tjibadak. — Preanger.
in de voorgalerij, genietend van den koelen avond, zich lavend aan den
frisschen bergwind, die van de Salak overwaait.
Heerlijke Indische nacht, wie zal u ooit kunnen beschrijven ?
\'c Zilveren maanlicht, — hoog in de lucht geboren, als neervloeiend
tusschen boom en struik, schemelt over den zandigen grond, \'t Maakt
den nacht doorzichtig, licht en vriendelijk. Liefelijk speelt het tusschen
de lange grashalmen in het park, glijdend over het even gerimpelde water
van den vijver, waarin fiere witte zwanen langzaam en statig drijven.
En midden in dat zachte schijnsel werpt krachtig de electrische boog-
lamp haar stralen — blauwig-fel als bliksemlicht — het groen van de
-ocr page 244-
232                            IN DE PREANGER. — PARAKAN SAI.AK.
boomen groener, het wit van den weg witter makend, het rood der bloemen
opkleurend! Verborgen achter hooge boomen, spreidt zij haar licht scherp
tusschen bladeren en takken door en teekent hun silhouetten krachtig af
op den in wazigen lichtschijn wegdommelenden achtergrond. Dan zie ik
de groote hooggewelfde Rococo-zaal in het landhuis, de gamclang in het
onderhuis, den schat van wapens, uit alle oorden van dvn Archipel samen-
gebracht versierend het kantoor, waar de directeur van de uitgestrekte
theeonderneming zijn printah\'s (bevelen) geeft, \'k Ontwaar plotseling
weer aan den wand, de groote photografie van den koningstijger met de
groep jagers en den heer Mundt die hem geschoten heeft, op Parakan Salak !
De theeketel zingt voort, ze deunt, ze trilt, ze borrelt en ik verbeeld
me dat ik weer het geluid hoor der rolmachines, die de versch geplukte
bladeren bewerken — ik zie tegen de berghellingen de vrouwen, in
kleurige kleederen met groote hoeden op, de thee plukkend en verzamelend.
In het bruischen van mijn theewater, hoor ik den bergstroom, die het
groote rad, dat alles in beweging brengt, voortdrijft; — ik ruik weer de
groenige, eigenaardige lucht der versch geplukte bladeren, en terwijl ik
in gedachten den heerlijken drank savoureer, die de gulle gastvrouw ons
schenkt, verdwijnt alles voor mijn geestesoog en staar ik op mijn blad
papier, waarover mijn pen werktuigelijk henenglijdt.
BaNDONG! de vriendelijke, nette stad, breed aangelegd en uitgebouwd,
rijst plotseling voor mijn geest op, als een schoone, jonge Indische vrouw,
die, frisch uit \'t bad gestegen, tusschen groene palmen en boomen haar
lachend gelaat doet zien, nog omsluierd met een licht gaas, dat zij behaag-
ziek om zich henen plooit.
Zóó ligt des morgens Bandong in den nevel, vochtig en koel, totdat
de zon op middaghoogte alles met haar warme stralen verguldt.
Bandong is een nog vrij jeugdige stad, maar een krachtige groei doet
haar grooter en grooter worden, zich ontwikkelen en toenemen in omvang,
schoonheid en kracht.
Ik verplaats mij weer op de ruime, groene, frisch begroeide aloong-
aloong met de fraaie Regentswoning, de groote Missigit, en het verblijf
van den Resident; •—- op het Raceplein, waar de snelvoetige Javaansche
paardjes kampen om den prijs, terwijl duizenden en duizenden inlanders
toestroomen om dat schouwspel te genieten. Dan is er geen plaats te
vinden in de hotels, dan wordt bijna ieder particulier huis een logement,
want de Bandongers zijn gastvrij en gul.
Stroomen bezoekers gaan dan na de feesten naar Tjampelas om te
baden of toeren rijdend langs den bergstroom, waarin de karbouwen met
hun jongen frischheid zoeken, waarin de boomen en planten zich behaag-
-ocr page 245-
IN DE PREANGER.
BAN DONG.
ziek spiegelen. Dan wordt er vroolijk gepic-nic\'t bij den kleinen waterval,
die bescheiden voortklatert zonder te vertellen wat hij ziet op dat plekje,
zoo geschikt voor liefdezoekende harten, omdat het romantisch is en stil!
Mijn photografiën liggen naast me, ik bekijk ze nu en dan — ze brengen
me eensklaps weer andere beelden uit de Preanger voor oogen; de vlakte
van Lélès, het schoonste punt van den geheelen weg.
I);i;ir ligt in de diepte, een palmenwoud en pisangbosch, een klappertuin
Karbouwenbad.
naast een veld vol rijpende padie,"d.i.ir slingeren zich als lange, smalle,
zilveren linten de stroompjes tusschen de dessa\'s door, en in het schitterend
licht der Indische zon flikkeren en tintelen de kleine watervalletjes, de
stroomversnellingen als bestrooid met huppelende kristallen en diamanten,
tusschen zandige wegen en groene zoomen. Langzamer stoomt daar de
trein over de lange, kunstig gebouwde Viaduct, om den reiziger gelegenheid
te geven zich dat eenig mooie gezicht in de diepe vallei goed in \'t geheugen
-ocr page 246-
IN DE PREANGER. — LÉLÈS.
234
te prenten. Zwart, dreigend, verheft zich in de verte de Donderberg, de
Goentoer, en als een wachter over de vlakte ziet de tot den top bebouwden
Haroman in de diepte neer op de huizen en hutten der vlijtige Soen-
daneezen, die zijn flanken verzorgen en telkens met een nieuw zacht groen
kleed beplanten.
En in de verste verte blauwen weer andere bergen, de Seda-Kling, de
Galoengoeng, de Kratjak, de prachtige Tjikorai en zoovele meer, die,
achter en naast elkander oprijzend, als een wijde beschermende kring de
vlakte van Lélès omgeven.
Ja! hij had toch gelijk, die opgewonden tabakker, al sprak hij wat boud,
al redeneerde hij ruwer en heftiger dan noodig was!
Wie de Papandagan niet belangwekkend, de tocht er heen niet mooi
en heerlijk vindt, is iemand zonder gevoel of zin voor natuurschoon.
De herinnering toovert in mijn stille schrijfkamer, terwijl de wind buiten
giert en de natte sneeuw tegen de glasruiten ritselt, beelden vol zonneschijn,
warmte en gloed. Ik zie ons te Garoet in \'t gezellige hotel Van Horck
zitten eten met een graagte, dat Holle Gijs er maar een klein kind bij
zou zijn. Geen wonder, we komen juist terug van een tochtje naar Sitoe
Bagendit, het luooie n. ertje, dat zoo heerlijk donkerblauw en rustig
tusschen de hooge bergei ligt, als ware het zóó uit Tirol genomen en
naar de Preanger verplaatst om aan die plek iets Europeesch te geven,
opdat de zenuwzieken, die te Garoet herstelling zoeken, door \'t zien
van iets wat hen aan koeler klimaat herinnert, hun kwalen vergetend,
kalmer worden.
Mijn vuurtje brandt en knettert in den haard — en \'t herinnert mij
aan den boschbrand, dien we aan de oevers van Sitoe Bagendit zagen
woeden, — ik zie de houtblokken krimpen, spatteren en gloeien en in
mijn verbeelding volg ik nogmaals de vurige slangen, die, rook voor zich
uit spuwend, langzaam in de bosschen de berghelling opkropen, om gulzig
het frissche groen te belekken en onmeedoogend de harsachtige stammen
en het droge gras te verslinden.....
Een ander beeld!
Daar gaan wij, Heremans, mijn trouwe, prettige reismakker, die zoo
leuk met iedereen kennis wrist te maken en ik, in een karretje den weg
op naar Tjiseroepan.
Drie Bataviaansche dames, moedige toeristen, hebben zich bij ons aan-
gesloten en volgen ons, hobbelend in een wagentje, dat alléén ouder is
dan zij met haar drieën. Zij wuiven ons van tijd tot tijd met haar zak-
-ocr page 247-
IN DE PRKANGKR. — GAROF.T.
2 35
doekjes toe, als wilden zij zeggen: — Wij volgen, want thans hebben we u
noodig, gij heeren der schepping, die met uw lange beenen zoo ongelukkig
Spoorbrug bij Tjitamloei, — Halte Lampegan.
in dat kleine karretje /it — wij volgen voor deze maal — begrijpt ge?
.— \'n Leuke baas! \'k hoor het, dqnkt me, de eene vroolijke jonge
-ocr page 248-
2$b                             IN DE PREANGKR. — SITOE BAGEND1T.
dame weer tot de andere zeggen: — \'n Leuke baas! en knipoogend
wijst zij op den ouden gepensionneerden majoor, dit.\' te Tjiseroepan woont
en ons vriendelijk behulpzaam is bij bet huren van paarden en draagstoelen.
Ik zie op eens zijn rood en door de zon verbrand gezicht weer voor
me, met de sterke toornplooien tusschen zijn verdacht donkere wenk-
brauwen en de diepe groeven langs zijn blozenden neus en zwart geverfden
knevel, die een vergeefsche poging doet om dat gelaat te verjeugdigen.
Die knevel is een parodie op \'s mans eerwaardig voorkomen, een uithang-
bord, dat een verkeerde werking doet, want de majoor is géén fat, géén
man van den schijn, maar een krachtige, oude figuur, die, met een grijze
of witte stoppelige snor, me zou kunnen verleiden om mijn hielen tegen
elkaar slaande front te maken en salueerend te zeggen: —Tot je orders,
majoor! Nu is hij tot onze orders, want hij brengt ons limonade, ajer
blanda (mineraal-water) en andere verfrisschingen. Hij schenkt in met
milde hand — gastheer, tolk en cicerone tegelijk. Hem danken wij het,
dat we niet, zooals hij \'t noemt: „bedihberd worden door die satansche
dorpshoofden, die bovendien de arme wcêrlichten van koelies van hun
zuur verdiend draagloon nog iets zoeken at te knijpen."
— Kn nu dames, vooruit, hou je maar aan de lucht vast, ajo, djalan !
De majoor slaat militair groetend aan, de dames slaken kleine angst-
gilletjes als de koelies de draagstoelen even slingerend op hun schouders
tillen en wij stijgen op.
Tusschen koffietuinen door, langs kleine dessa\'s en hutten, rijden we
langzaam omhoog. Nu en dan wisselen de dragers om met de losse koelies,
die naast de tandoes loopen, en terwijl zij het tappelend zweet met den
rug der hand van hun voorhoofd wisschen, bukken zij zich herhaaldelijk
langs den weg bij een beekje en drinken uit de holle hand een teug
helder bergwater, dat hun krachten schijnt te stalen.
De koffietuinen zijn we voorbij, de weg voert nu midden door \'t oer-
woud — hooge boomen geven voldoende schaduw, ons ritje wordt een
weelde. Een paar apen zien van uit een hoogen kalen boom op ons neer,
krijschend en gillend springen ze van tak tot tak — dan verder op andere
boomen ; soms gooien ze met iets wat ons niet raakt en als de boschweg
lichter wordt, volgen ze ons niet langer, maar springen weg in \'t dichte
loof van een assamboom, die aan den zoom van \'t woud zijn breede
takken uitstrekt.
Gloeiend warm wordt nu de open weg — \'t stof dwarrelt brandend
heet op!
De koelies blijven een oogenblik staan en zetten de tandoes een minuut
lang neer in de schaduw van een boschje; ze moeten even uitblazen!
De weg stijgt voortdurend en is verbazend steil.
-ocr page 249-
IN DE PREANGER. — NAAK DEN PAPANDAJAN.                     237
Wat \'n sjouw! wat \'11 werk! roept licremans, /ijn paard inhoudend,
me toe en wat verdient zoon man voor de twee uren heen en terug,
berg op, berg af?
           Twee kwartjes! Kijk die kereltjes eens zweeten,
\'t loopt met stralen langs bun ruggen. Kasihan !
Onze gids, een Soendanees, intelligenter dan de anderen, met een
mooi rood baadje en een gekleurden hoofddoek om, stapt onvermoeid
voort, zonder merkbare inspanning gelijken tred met mijn paard houdend,
en als hij spreekt klinkt zijn stem flink en duidelijk ; — ik geloot dat hij
niet eens weet wat hijgen is.
Wat een klim, hoe houden die lui \'t uit! roept Heremans weer, op
de dragers wijzend, en lachend : — Ze zijn waarachtig nog galant ook,
kijk, ze plukken bloemen voor de dames!
Ik zie langs den weg aan een boom een groote, mooie, lel ie vorm ige
witte kelk met een goudkleurig hart vol lange meeldraden en zeg tot den
gids: pluk me die bloem eens af!
— Tida — ah! antwoordt hij, langzaam het hoofd schuddend: — Ada
radjoen (\'t is vergif) en op de groote fraai geschulpte bladeren van die
veelvuldig voorkomende hoornen wijzend, vertelt hij : één blad maakt
dronken, twee bladeren bedwelmen, véél bladeren geven den dood!
\'t Is een eigenaardig verschijnsel dat zelfs de meest onontwikkelde
inlander de giftige en geneeskrachtige planten en kruiden onderscheidt
en kent. Hij wijst me onderweg nog andere met de woorden: — Goed
voor den buik, heel goed voor wonden, maakt dood, langzaam aan enz.
En altijd steiler, altijd moeilijker wordt het pad, de paarden klimmen als
geiten : de koelies met de tandoes, waarin de jonge dames hall soezend
zich waaien met haar kipas, blijvend langzamerhand iets achter.
Soms bij een wending van den weg ontrolt zich een grootsch panorama
aan onze voeten. Uit diepe ravijnen steken boomtoppen, palm- en klapper-
kruinen wuivend omhoog, en in de diepte bruischen stroomen helder
water, springend en huppelend over steenbrokken en rotsklompen.
De weg wordt kaler, de vegetatie armer — over witte lava-blokken en
gele zwavelrotsen klimmen we voort, tot aan de warme bronnen, die ons
van verre reeds hun akeligen, scherpen zwavelreuk tegemoet zenden.
Al en toe ontmoeten wij troepjes Soendaneezen, met kleine mandjes vol
losse, gele zwavel van den krater komend. Uren en uren ver loopen die
arme drommels om zoo\'n mandje vol te rapen, dat hun op de passar
twintig of vijf-en-twintig centen opbrengt.
Fel brandt de zon langs den weg op de witte rotsen en harde asch-
belten, wier bel wit en zwak geel het oog pijn doen. En nog altijd
klimmen wij, al moeilijker en langzamer, hoe nader we bij het doel van
onzen tocht komen.
-ocr page 250-
238                      IN DE PREANGER. — NAAR DEN PAPANDAJAN.
Eindelijk zijn de zes-en-twintig honderd meter stijgens afgelegd — de
groote Papandajankrater ligt voor ons. De zwavellucht slaat ons benauwend
op de horst, als we afstijgen en te voet in den ontzagwekkenden
krater gaan.
Aan drie zijden omsloten door hemelhooge steile rotswanden, breidt zich
voor onze voeten de wijde kraterbodem uit. Sissend en borrelend, als
uit reusachtige stoomketels opgestooten, spuit kokende zwavel en damp
uit de fumarolen omhoog.
De gids, gewapend met een puntigen stok, wacht totdat de dames zijn
aangekomen. In een klein gebouwtje, tot dat doeleinde tegen een der
bergwanden geplaatst, worden de paarden vastgebonden — de koelies
liggen reeds lang-uit, aemechtig op den grond of hurken bij elkaar in een
hoek, moede lastdieren gelijk.
—    Hati, hati, toewan! (voorzichtig, meneer!) plan, plan! (langzaam)
zegt de gids, als hij ons voorgaat en den weg wijst tusschen de lava-
blokken en zwavelbronnen.
\'t Is een ijzingwekkende, maar vreemde en onvergetelijke tocht over
dien branden den bodem, over die korst van gestolde zwavel en heete
modder. Wij loopen voorzichtig als de ganzen achter elkander. De
dappere jonge dames nemen nu en dan behoedzaam haar rokken samen,
als we over het smalle paadje tusschen brandende zwavelkolken, sissende
en razende fumarolen en solfatoren verder gaan.
—    Ada kawa besaar! — dit is de groote vuurhaard, verklaart onze
geleider op een door den dichten damp bijna onzichtbare ketelvormige
opening wijzend, waaruit met ontzettend geweld gloeiende zwavelstralen
omhoog spuiten en kokende modder in dikke golven en bellen opborrelt.
Wij gaan verder. Ik steek mijn wandelstok in den bodem, die me,
waar ik sta, erg week voorkomt, haastig trek ik mijn hand terug, want
een straal gloeiende zwavel is dadelijk als stoom opgespoten uit de
gemaakte opening en heeft me gebrand.
Hati, hati, toe wan ! roept de gids en schudt driftig het hoofd, als
wilde hij zeggen : „doe dat niet weer."
Wonderlijk gevormde zwavel- en lavazuilen, sommige op mensehen-
gedaanten gelijkend, hebben zich hier en daar in den krater van zelf
opgebouwd; grillig vormt zich overal zwavel en gestolde modder met lava
tot allerlei vreemde fantastische figuren.
Ik krijg het denkbeeld : in een donkeren nacht moet de l\'apandajan een
stuk van Dante\'s hel gelijken en ik vraag aan den gids: — Hen je wel
eens des nachts hier geweest?
Heftig ontkennend schudt hij het hoofd en plotseling behoedzaam
omziende, zachtjes sprekend, antwoordt hij:
          Tida-ahl saija takoet
-ocr page 251-
IS DE PREANGER. - - NAAR DËN PAPANtlAjAN.                     239
waktoe malam ada ban jak kantoe! (Neen! ik hen bang \'s nachts, er zijn
veel spoken!)
Ik kan \'t best gelooven en ik huiver onwillekeurig zelf als mijn fantasie
zich verplaatst in een akelig-duisteren nacht op den Papandajan, terwijl
de wind door de rotsspleten huilt, de vleermuizen, die er huizen, verjagend,
terwijl de onderaardsche stemmen brullen en rumoeren en de witte rook
1\'apamlajan-k raler.
zich kleurt door het felle vuur in den brullenden en sissenden kawah, die
zijn vlammengloed doet zien, vonken spuwend in gloeiende stralen. Als
rondom de brullende solfatoren, helsche geesten met vuurbrakende monden
gelijk, hun onheilspellende geluiden doen hooren, dan moet het daar schrik-
wekkend, satanisch zijn, dan zullen die fantastische steengevaarten, die
zwavelformaties en lavablokken in den gloed van \'t vuur als levend worden
— dan wordt de I\'apandajan een heksenkcuken, een pandaemonium!
-ocr page 252-
240                     IN DE PKEANGKR. — NAAR DEN PAPANDAJAN.
Hier en daar golft en heeft de dunne korst, waarop we wandelen, de
hitte wordt ondragelijk, de lucht benauwd en prikkelend; we hoesten om
beurten en de tranen komen ons in de oogen.
I-aten we maar teruggaan ? zegt een van de dames •— en zonder
eenig protest volgen wij haar als zij zich plotseling omwendt.
Onbeschrijfelijk is het vergezicht, het contrast, dat zich eensklaps bij
het terugkeeren aan het verbaasde oog vertoont.
Wónder-liefelijk ligt daar in de verte, diep aan onze voeten, het groene
rijke dal — achter ons borrelt, stoomt, ziedt en raast de helsche ketel —
vóór ons breidt zich de heerlijkste weelderigste Indische natuur uit. Zoo
ver het oog reikt dicht begroeide bergen, wouden van palmen en tapijten
van sappige sawahs — ver, ver! in wijden kring.
En langs den gezichtseinder altijd weer blauwe bergen, die hun toppen
opsteken in de klare heldere lucht, rustig en vredig als een schaar van
kalme, beschermende trawanten de Preanger omgevend.
Het vuur in mijn haard is uitgegaan — de laatste vonkjes glimmen
nog in de asch. Ik heb het niet gemerkt door mijn visioenen van zon
en licht, van bergen en boomen en blauwe luchten, vol klaren glans!
Nu keer ik tot de werkelijkheid terug; de pen ontvalt mijn hand, ik
ben koud en huiverig, want buiten blaast de ijzige noordewind tusschen
de ontbladerde boomen en geruischloos si\'pelt de rulle sneeuw zich op
tegen mijn vensters!
-ocr page 253-
OP M1DDEN-JAVA.
241
OP MIDDEN-JA VA.
—   Brenti! (Hou
op) koessir!
Onze reiswagen
bleef een oogenblik
stilstaan, dicht bij
Magelang op den
weg van Djocjo-
karta.
—   Kijk nu eens
rechts, daar in dat
veld ligt de Goe-
noeng-tidar, zie je
hem, dien lagen
pyramidevormigen
berg?
—     Zeker! met
Chineesche graven
tegen de helling
en een Europeesch
kerkhof er voor —
hij lijkt me niet
honger dan een 800-
a 900 voet.
—   Precies! Die
berg is het juiste
middenpuntvanJava
-V-
WW*»
I
Bij-tempel te Brambanan (Midden-Java).
en volgens het bij-
geloof der inlanders
heeft Brahma bij \'t scheppen der wereld door den Goenong-tidar een
grooten spijker geslagen om Java aan de aarde vast te maken.
16
-ocr page 254-
OP MIDDEN-JAVA.
242
Mijn reisgenoot, een te Djocja wonend ingenieur, was zoo vriendelijk
geweest mij in zijn geniakkelijken reiswagen mede te nemen en had nu
de beleefdheid mij op dien merkwaardigen Spijkerberg te wijzen, terwijl
onze paarden een oogenblik stonden uit te blazen.
— \'k Geloof dat je niet rouwig bent dat wc Magelang naderen, lachte
hij en wees op mijn dik bestoven witte pak en groezelig gelaat. We
hadden een langen, stoffigen, heeten rit gemaakt en zagen er beiden uit
als schoorsteenvegers.
Het reizen in een reiswagen heeft in Indië zeer veel vóór — maar ook
heel veel tegen. Het vóór bestaat daarin, dat men gemakkelijker en
minder benauwd zit dan in den trein, langzamer rijdt en daardoor beter
gelegenheid heeft om al de schoonheden van den weg te zien en zijn
opmerkingen te maken over de bevolking, die den weg stoffeert. Boven-
dien pleistert men van tijd tot tijd en kan, terwijl de paarden verwisseld
worden, zijn door \'t lange zitten stramme ledematen, uitstrekken en weer
lenig maken, door een kleine wandeling over de passars, of in de kam-
pongs, die men door trekt. Het tegen van zoo\'n rit bestaat voornamelijk
in di- buitengewone hoeveelheid heete stof die men inademt, den langeren
duur en de grootere kostbaarheid der reis.
Toch vind ik. wanneer men geen groote haast heeft, het reizen per
wagen zeer aangenaam, typisch en interessant. De reiswagens zijn, door-
één genomen, op Java vrij gemakkelijk ingericht, en de wegen, wanneer
men de particuliere landwegen niet mederekent, goed onderhouden. Men
neemt de noodige proviand, vooral drinkwaren, mede, want cafés of
herbergen, die goede consumptie aanbieden zijn er op die wegen niet;
men is volkomen heer en meester over zijn tijd, en hoeft niemand in zijn
rijtuig te dulden, dien men niet aangenaam vindt, en men rijdt zóó lang-
zaam of zóó snel als men zelf wil — neen ! zooals de paarden willen,
want op Java is de reizende mensch, hoewel heer der schepping, toch
feitelijk aan de genade en ongenade van zijn paardjes overgegeven.
Over \'t algemeen echter zijn de kleine Javaansche paarden snelvoetig •
en niet kwaad — natuurlijk treft men er ook onder die liever lui zijn dan
moê en zich geen aasje bekommeren om alles wat koetsier en loopers
doen om hun spoed normaal te houden.
Gewoonlijk rijdt men met vier, soms ook met zes paarden, die door
den koetsier heel handig bestuurd worden. Voor zoo\'n reiswagen heeft
men waarlijk een geoefend, kalm en vastberaden koetsier noodig, want
dikwijls komen er oogenblikken, vooral bij \'t afdalen van steile bergwegen,
dat men bij zichzelf denkt: „er komt geen stuk van me terecht," zóó
rakelings gaat het langs rotsblokken, stroomen of diepe ravijnen.
De rijtuigverhuurder zorgt dan ook uit welbegrepen eigenbelang voor
-ocr page 255-
OP MlDDEN-jAVA.
243
koetsiers, die inderdaad „mennen" kunnen. ledere Javaan verbeeldt zich
overigens wel dat hij dat kan. Soms komt hij zóó uit de rimboe (de
wildernis) en verhuurt zich als koetsier, of schalt zich een dos-a-dos aan,
die hij op zijne wijze ment, altijd wanneer „mennen" daarin bestaat, dat
men op onhebbelijke wijze aan de teugels van een paard rukt en het
arme dier onophoudelijk afranselt.
Achter op iederen reiswagen staan twee Javanen (loopers) die zich met
aapachtige behendigheid op een klein plankje weten vast te houden.
Onnavolgbaar vlug wippen zij onophoudelijk van en weer op dat plankje,
telkens een poosje naast de paarden dravend, hen zoo luid mogelijk toe-
roepend: Rrrrrri-rrrrri! rrrrri! Tjó! Tjó! Tjó! rrrrri! \'t Geen eigenlijk
een afkorting is van: Priö-priö, kontjó! en zeggen wil: Vooruit, goede
vriend! Vooruit! Nu en dan zetten zij die vriendschappelijke woorden
kracht bij door een paar zweepslagen en als de rit door stroomende kali\'s
voert zijn zij onmiddellijk bij de hand om, indien zulks noodig is, de voorste
paarden bij den kop te grijpen, te leiden of plotseling tot staan te brengen.
In vluggen draf gaat het steeds voort, berg-op, berg-af, op smalle
paden, door stroomende rivieren en langs diepe afgronden. Soms houdt
men, figuurlijk gesproken, zijn hart vast, want de wagens schijnen niet
bestand tegen de hevige schokken, die nu en dan het gevolg zijn van
kuilen en gaten in den bodem. Breekt onderweg een of ander aan tuig
of wagen, de koetsier weet met de loopers dadelijk raad. Bamboes en
rotan is overal in \'t bosch te vinden en touw heeft elke wagenmenner bij
zich. Ongeloofelijk handig en vindingrijk weet zoo\'n inlander wonderen
te doen met dat eenvoudig materiaal.
Zoo vertelde mijn reisgenoot mij, dat eenmaal op de spoorlijn van
Kedong-Djati naar Willem I het drijfwiel der locomotief brak en de trein
derhalve midden op den weg stilstond. De Europeesche machinist was
radeloos, zijn machine kon vóór noch achteruit, en hij besloot reeds naar
\'t naaste station te loopen om hulp te halen, maar de Javaansche stoker
wist raad. Met een paar andere inlanders ging hij een eindje de rimboe
(wildernis) in, keerde terug met bamboe en taaie rotan en repareerde in
een half uur tijds het drijfwiel zóó netjes en handig, dat de locomotief,
hoewel zeer langzaam, toch voortstoomen kon en de trein zonder verder
ongeval Ambarawa (Willem I) bereikte.
Wij waren \'s morgens vroeg van Djocjakarta weggereden, hadden
onderweg een paar maal van paarden verwisseld en naderden nu Magelang,
waar ik mijn reisgenoot Heremans, die daar eenige dagen vertoefd had,
zou terugvinden.
De weg van Djocja is mooi en belangrijk. Tot aan Moentilan, een
Passar-plaats, rijdt men onder prachtig oud en hoog geboomte, afwisselend
-ocr page 256-
OP M1DÜF.N-JAVA.
-\'44
langs kampongs, tabak, djagoeng (maïs) en indigovelden. De geheele
streek heeft een vruchtbaar aanzien en is sterk bevolkt. Nergens op Java
heb ik op de wegen zooveel menschen aangetroffen en ook nergens vond
ik de bevolking zoo armelijk, zoo vies en onoogelijk. Reeds te Djocja
viel het mij op, dat de inlanders er minder welgevoed, somberder en
armoediger uitzagen dan elders. Het schijnt wel alsof de onder de heer-
schappij des Sultans levende bevolking ,,er niet boven op komt". Ik
acht mij niet gerechtigd om hier een oordeel te vellen, maar mijn indi-
vidueele indruk is, dat de Javaan in de Gouvernementslanden oneindig
beter en gelukkiger leeft.
Langs den weg, die naar Passer Moentilan voert, zag ik een menigte
inlandsche mannen en vrouwen, allen in de onoogelijke, sombere donker-
blauwe en zwarte dracht, die op midden Java gebruikelijk is. Mager, ver-
schrompeld, slecht gevoed en oud vóór hun tijd, zien zeer velen er deernis-
waardig uit. Ze loopen als geduldige pak-ezels beladen met manden en
korven, landbouwgereedschap en veldvruchten, zwoegend in het stof der
wegen, geblakerd door de gloeiende zon. Het is mij opgevallen, dat men
op dien weg — voornamelijk te Moentilan — lastig gevallen wordt door
vieze, afzichtelijke bedelaars, lepra- en syphilislijders, die, hun soms half
weggezworen gelaat en doffe, bevliesde oogen naar u toewendend, hun
gore handen uitstrekkend, een klagend : ,,Minta doewit Toewan" (ik vraag
geld, mijnheer!) doen hooren. In geen andere streek van Java heb ik
dergelijke ongelukkigen aangetroffen ; ellendige wezens, die zelf een
treurig bestaan voortslepend, bovendien anderen in gevaar brengen.
Immers ik heb voor mijn oogen gezien, hoe zoo\'n met zweren en vuile
ziekte behept man op de Passar te Moentilan van de daar uitgestalde
vruchten in zijn handen nam, bevoelde, betastte, berook en weer in de
manden deed. De inlander is te dom, te traperdoeli (onverschillig) om
te bedenken, dat zoo\'n aanraking de besmetting dier afschuwelijke ziekten
kan overbrengen — en hij eet met smaak en dood-gerust de door zoo\'n
lijder beduimelde vrucht.
Ik wil nog even een feit — onappetijtelijk is het zeker — maar teekencnd
tevens, vermelden, n.1. dit: Op diezelfde Passar zag ik vijf vrouwen, die
eendrachtig bijeenzittend, elkanders lange zwarte haren op de gebruikelijke
wijze reinigden en telkenmale haar jachtgeweer in den mond nemend,
met vlugge vingers het wild bemachtigden en dan rauw verslonden. Op
verschillende andere plaatsen heb ik hetzelfde jacht- en reinigingsproces
geconstateerd; \'t schijnt een vrij algemeen verbreide inlandsche gewoonte
te zijn, van twee aan twee, maar dat de dames er een soort van ,,saletje"
van maakten is mij alleen te Passar Moentilan opgevallen.
Kedoe, de aan Moentilan grenzende streek, is nog sterker bevolkt, en
-ocr page 257-
OP MIDDEN-JAVA.                                                 245
die bevolking ziet er, zoo mogelijk, nog goorder, aapachtiger en gedrukUr
uit. Ik kreeg medelijden met die ongelukkige wezens, en maakte
onwillekeurig een vergelijking met het frissche en opgewekte uiterlijk der
Soendaneezen, die ik pas had verlaten. Welk een verschil! Men vraagt
zich bijna af: heb ik hier wel \'t zelfde ras —• ,,de Javaan" voor mij. Ik
geloof, dat de Sultans en de Pangerans (de prinsen) en de oude adat
(gebruiken), die den Sultan alles, den onderdaan schier niets toestaan,
het volk zoo arm en dom, zoo onbeschaafd „ter neer" houden.
Toen ik te Djocjakarta den Kraton bezocht, heb ik me verwonderd,
dat een zoo oudbakken, verweerde en vies uitziende verzameling gebouwen,
de omgeving en het prinselijk verblijf van een der machtigste sultans
vormt. Een groote menigte straten, wegen, kampongs, vervuilde vijvers
en duf riekende kanalen, een aloen-aloen (plein), een moskee, verschillende
stallen, gebouwen en tuinen, door een vrij hoogen en breeden muur
omgeven, huisvesten ongeveer vijftienduizend inlanders, mannen en vrouwen
die allen tot den hofstoet behooren of familie zijn van den Sultan. Geen
wonder dat de bevolking heel wat opbrengen moet om tegemoet te komen
in de uitgaven van zoo\'n „vorstelijk huis!" Ik moet bekennen, dat, indien
mij ooit ter wereld iets is tegengevallen, het de Kraton is; het mooiste
er in zijn de oude, hooge boomen die de wegen en gebouwen beschaduwen.
Ik had mij van zoo\'n Sultans-verblijf iets heel anders, rijkers, mooiers en
tvpigers voorgesteld dan wat het in werkelijkheid is: een bestoven, groe-
zelig „zoodje." De vrij eenvoudige, hoewel ruime hoofdwacht bestaat uit
eenige afdakken op ijzeren kolommen, met soldaten er onder, die een
allesbehalve militair uiterlijk hebben, magere nietige kereltjes in leelijke
uniformen, op bloote voeten, met omgekeerde puddingvormen op het hoofd
en komisch-ernstige manieren. Meestal liggen ze luierend uitgestrekt
onder de pendoppo, naast hun in rekken staande geweren. Van Üostersche
pracht of weelde aan de gebouwen geen spoor, integendeel alles ziet er
eerder verarmd en versleten uit. Alleen de pradjoerits in gala uniform,
hebben iets „opgemaakts," iets grappigs en men is geneigd om ze te
engageeren voor een operette a grand spectacle a la Duchesse de Gérolstein.
Op het voorplein vindt men als merkwaardigheid twee olifanten en in een
ijzeren kooi een leeuw, een aan verval van krachten lijdenden koning des
wouds, die met de anderhalve tand, die hem nog resten, voor uw oogen
met moed een levende kip bevecht, overwint en verslindt, als ge zijn
oppasser een fooitje geeft.
Ik heb echter het fooitje in mijn zak en de kip in \'t leven gelaten,
tegelijk den oppasser, die me woedend aankeek, een onaangenaam
oogenblik bezorgend.
De olifanten, twee groote, bejaarde exemplaren, zijn in een omheinde
-ocr page 258-
&
-ocr page 259-
OP MIDDEN-JAVA.
247
ruimte aan een hunner pooten door een zwaren ring en ijzeren schakels
aan een in den grond gerammeide paal vastgeketend. Ze wiebelen aanhoudend
heen en weer, alsof ze kramp hebben door \'t langdurige staan, bewegen
hun snuiten bedelend naar u toe en schudden landerig met de ooren.
Verder doen ze niemendal dan zich vervehn, als een paar echte dood-
eters, die evenwel door hun fabelachtfgcn
eetlust en gezonde spijsvertering nog
langen tijd dat bestaan kunnen uithouden.
De woning van den Sultan met de
vergulde pendoppo, de eetzaal waar ruim
zeshonderd gasten kunnen aanzitten, de
gerechtszalen en de vrouwenverblijven heb
ik niet kunnen zien — ik geloof echter
gaarne dat alles mooi, goed ingericht en
confortabel is, want gewoonlijk zorgen
H. M. M. M. de Sultans goed voor hun
volk, maar nog beter voor zich zelf.
Over alles en alles in den Kraton ligt
m. i. echter een waas van verval; \'t ziet
er daar zoo uit alsof men er eenmaal
betere dagen kende en onwillekeurig moet
men denken aan iemand, die in goeden
doen 7vas en nu nog met de overblijfselen
van vroegere glorie zijn fatsoen ophoudt.
Schijn bedriegt echter, want de Sultan
is rijk, maar hij is bescheiden tevens,
daarom wil hij zeker niemand „de oogen
uitsteken" door zijn rijkdom te toonen
of zijn onderdanen en familie een al te
welvarend uiterlijk te bezorgen. Eenige
malen per jaar geeft hij echter groote
feesten en toont zich dan een mild en
                      l\'radjoerit-officier.
aangenaam gastheer. Op den eersten dag
der tiende, den twaalfden dag der twaalfde en den twaalfden dag der
tweede maand van het mahomedaansche jaar lubben die garebegs feesten
met veel luister plaats. Dan wordt de groote gamelang bespeeld en dansen
de hofdames en danseressen hun zonderling karakteristieke dansen. Groote
maaltijden worden dan aangericht en is de Sultan te midden van zijn
hofstoet op den Sitingil - een met traliewerk omgeven estrade — te kijk
voor zijn onderdanen, die met godsdienstigen eerbied hun gebieder, tevens
hoofd van den Islam op Java, aanstaren en huldigen.
-ocr page 260-
248
OP MIDDEN-JAVA.
Het Waterkasteel, buiten den Kraton gelegen, een ruïne van zeer ouden
datum, door hoog geboomte omgeven en met struikgewas overgroeid, wijst
op de buitengewone weelde en rijkdommen der heerschers van vroeger,
die alléén om zich op hun gemak te kunnen baden, een ontzachlijk groot
kasteel lieten bouwen met gemetselde vijvers, badkamers en zwembassins,
waarin nu nog slechts wat drabbig water staat of puin ligt. Sultans noch
Sultanes komen daar nu meer, alleen padden, hagedissen, nachtuilen,
vleermuizen en ongedierte huizen in die
holle ruimten. De oude Javaan, die ons
door de ruïne rondleidde, vertelde heel
interessante dingen van het Waterkasteel.
Zijn grijs, kroezig kinbaardje
wipte telkens op en zijn doffe
oogen gingen loerend heen
en weer als hij geheimzinnig
(luisterend, met mummelenden
mond zei: — toewan Soeltan
mandi di sini, tempo doeloe,
en bij een ander gedeelte der
bouwvallen : — Di sini toewan Soeltan
mandi, tempo doelo, terwijl bij in een
derde af deeling zeer gewichtig mededeelde :
Tempo doeloe, toewan Soeltan mandi
di sini, d. w. z.: In vroeger tijd baadde
de Sultan hier! Verder wist de oude man
niets meer, dan dat het gebruikelijk was
om hem voor zijn belangrijke mede-
deel in gen een fooitje (e vereeren.
Als ruïne is het Waterkasteel zeer
schilderachtig, als monument beteekent
het weinig, omdat het zonder veel versiering
of beeldhouwwerk is.
Djocjakarta zelf is een door zoel klimaat
Ilofdanser (Bjocja).
en ligging gezonde plaats, ruim uitgebouwd
langs breede grindwegen, lommerrijk door
de vele fraaie oude boomen. Vooral het goed gebouwde residentshuis ligt
mooi in een klein park — jammer dat de merkwaardige oude hindoe-
beelden, die daar zijn opgesteld, dcor de al te zindelijke neigingen van
den een of anderen braven, burgerlijk netten Hollander met ,,\'n kwassie
witte verf" zijn opgeknapt en —■ bedorven.
De omtrek van Djocjakarta is over \'t geheel rijk aan oude monumenten,
-ocr page 261-
<lU
&2
Boeddha-Beeld in den tempel van Mendoet (Midden-Java).
-ocr page 262-
OP MIDDEN-JAVA.
25°
overblijfselen uit den tijd toen de Boeddhisten op Java woonden — ruim
tien eeuwen geleden, -- vóórdat het rijk van Mataram ontstond. Geen
ander gedeelte van Java kan zooveel goed bewaarde overblijfselen uit dat
tijdperk aanwijzen.
Van uit Magelang, waar ik mijn vriend Heremans terugvond, maakte
ik een uitstapje naar den Boeroeboedoer, de merkwaardigste en grootste
Hindoe-tempel, die nog op Java bestaat. Ruim duizend jaren geleden
werd hij op een heuvel gebouwd en bestaat uit twee vierkante beneden-
terrassen en vijf galerijen. Elke galerij of verdieping is versierd met
kunstig bas-relief beeldhouwwerk, voorstellend: de verschillende levens-
perioden van Boeddha, van af zijn geboorte tot aan zijn oplossing in de
Nirwana. Een menigte open gewerkte dagobs(koepels), sommige met nog
zeer goed bewaarde Boeddha-beelden er in, orneeren de ballustrades en
de tempel wordt als bekroond door een grooten koepel.
Ik heb geen voor dit boek geschikte, duidelijke photografie van dat
monument der Boeddhisten kunnen krijgen en bepaal mij dus alleen tot
de reproductie van het groote beeld uit den veel kleineren tempel van
Mendoet, die dicht bij de Boeroeboedoer gelegen, en zeker niet minder
belangwekkend is. Men staat verbaasd en bewonderend stil voor dit
meer dan tien eeuwen oude reusachtig groote, uit harden steen gehouwen
beeld, waarvan de gelaatstrekken zoo edel, zoo schoon en rustig zijn, de
houding zoo vol waardigheid is.
#
Avondtafel in \'t hotel te Djocja.
Een lekkere lucht van gebraden vleesch en vruchten zweeft over de net
gedekte, met bloemen gesierde tafel.
De groote helderbrandende petroleumlampen verlichten met warmen
geligen schijn de etende gasten.
De soep is gebruikt, de vleeschpasteitjes worden gediend.
—   Neemt u er geen, mevrouw Visser. — Mag ik u eens bedienen.
—  Gaarne, meneer van Maurik, dank u!.... En u heeft dus met uw
vriend Heremans een toer gemaakt naar Brambanan ? Is \'t u goed bevallen?
—   Bijzonder! ik zou haast zeggen dat ik de tempels van Brambanan
nog interessanter vindt dan de Boeroeboedoer!
—  Och ! de Boeroeboedoer is toch veel grooter.
—     Misschien te groot; de tempels van Brambanan kan men beterover-
zien Enkele gedeelten zijn nog zeer goed geconserveerd.
—     En we hadden een aardigen rit er heen met Ko-mo-an.
—   Wie is dat, meneer Heremans ?
-ocr page 263-
OP MIDDEN-JAVA.
25\'
—  Een Chineesch bouwkundige — een aardig onderhoudend man, goed
op de hoogte van de Hindoe-oudheden.
—   Een sobat van u ?
—   Ja, sedert een dag of wat. — Och, van Maurik, geef zijn portret
eens even — die auteurs zijn lastige lui om mee te reizen, mevrouw! Ze
hebben altijd wat op te schrijven, wat af te teekenen of wat in te palmen.
Hij moest natuurlijk Ko-mo-ans portret, dat ik gekregen had, hebhen.
—   Dat spreekt van zelf! Ik repro-
duceer \'t misschien later in mijn boek
— jij begraaft \'t in een album —
Alsjeblieft, mevrouw, hier heeft u
onzen vriend in zijn ornaat als meester
in de Loge te Djocja.
—   Wat, is die Chinees vrijmetse-
laar? Och, kunnen die dat ook zijn?
—  Zeker! waarom niet? De Macon-
nerie is geen godsdienstige instelling,
maar een broederschap, die onder alle
menschen in alle werelddeelen bestaat.
—    Zou dan een neger b.v. ook
macon kunnen zijn ?
— Welzeker! wanneer hij de noodige
ontwikkeling er voor heeft.
— Dus, u kende Ko-mo-an als macon ?
—   Wel neen, mevrouw! — ik wist
zelfs niet dat hij hestond, tot vóór
vijf dagen.
—    Maar hoe kan dat, meneer
Heremans?
—    Wel, doodeenvoudig zóó: Wc
waren op weg naar Magelang en op
een post, waar we de paarden wisselden,
kregen we een malheur met ons rijtuig.
                             Ko-mo-an.
Met bamboes of rotan was er ditmaal
geen helpen aan, een smid is daar niet en andere rijtuigen evenmin.
We stonden zeker erg benauwd en verlegen te kijken, want een Chinees,
die daar toevallig ook ophield met zijn wagen, kreeg medelijden met ons,
kwam naar ons toe en vroeg: — Kan ik de heeren ook helpen?
—  Och, zei hij dat in \'t Hollandsch?
—  In beschaafd, zuiver Hollandsch, mevrouw!
—   Hè, hoe aardig, waar zou hij dat hebben geleerd?
-ocr page 264-
OP MIDDEN-JAVA.
252
—    Hier op de gewone school ; hij is een intelligent, ontwikkeld man,
bouwkundige en aannemer.
—   En hoe merkte u, dat hij vrijmetselaar is?
—   Hij droeg een maconieke charivari aan zijn horlogeketting.
—   Ik maakte me bekend, en binnen vijf minuten zaten we als broertjes
met hem in één rijtuig. Hij bracht ons waar we wezen moesten.
—- Dat\'s toch aardig — en doen alle macons zoo? Ik heb eigenlijk altijd
gedacht, dat \'t een soort samenzweerders zijn, die allerlei schrikkelijke
geheimenissen hebben. O! ik was er vroeger altijd dol nieuwsgierig naar
en toen mijn beste man nog leefde hebben we er, ronduit gezegd, wel
eens woorden over gehad. Hij wou me er nooit wat van zeggen, ver-
beeldt u, aan zijn eigen vrouw niet!
—   Foei! dat\'s niet mooi. Als u me heilig belooft \'t aan niemand over
te vertellen, wil ik u wel mededeelen wat ons geheim is.
—- Hè ja! Toe, asjeblieft I U kunt er gerust op aan, ik zeg \'t heusch
aan niemand. — Wat is het dan?
—   Nu dan! \'t eenige geheim van de Macons is — u spreekt er op uw
cerewoord niet over?
—   Met geen sterveling!
—   Nu, \'t is — dat ze géén geheim hebben!
—   Hè, hoe flauw ! Ajakkes hoe laf.
—  \'t Is toch de waarheid, mevrouw !
—   Kun je begrijpen? O, hoe vreeselijk flauw. Abah! u is al net als
mijn Henri —- even ongalant.
—- \'t Spijt me dat ik \'t bij u verkorven heb.
—   Ja! en voor goed. Ik spreek niet meer tegen u. — Meneer Van
Maurik, u zal me wel wat willen vertellen van Brambanan, hoe heeft u
de reis gemaakt ?
—   Van hier per spoor tot aan de halte, Ko-mo-an kwam ons van
morgen afhalen met zijn rijtuig, hij had voor wijn, Victoriawater, broodjes
en vruchten gezorgd, we reden samen met den trein naar Brambanan en
daar vonden wij den reiswagen met zes paarden, die \'s nachts vooruit
naar de halte gereden was; die bracht ons naar de tempels tot vlak bij
den ingang, waar twee reusachtig groote beelden, de zoogenaamde wachters,
zitten.
—   Entschuldigen Sie, zegt eensklaps een onzer overburen, een saai
duitsch geleerde, die bij \'t binnenkomen alléén ,,Mahlzeit" heeft gezegd
en schijnbaar al zijn aandacht aan het menu schenkt.
—   Entschuldigen Sie, wenn ich mitschpreek aber Sie hatten keine sechs
Pferde nöthig gehabt, die Tempel liegen ja kein halb Stoend von der
Bahn....
-ocr page 265-
OP MIDDEN-JAVA.
253
—   Zeker! maar we wilden niet weer per spoor terug; de rit per rijtuig
is oneindig veel mooier, begrijpt u?
—   O jawohl, volkommen! entschuldigen Sie, en de min of meer uit-
puilende, achter een ronden bril verschanste, bijziende oogen vestigen
zich weer uitsluitend op den kippenvleugel, dien hij langzaam afkluift en
met mes en vork ontleedt. Hij peuzelt een oogenblikje zwijgend door,
schenkt zich, flesch en glas dicht bij de oogen houdend, voorzichtig zijn
Moselblümchen in en richt dan een onvasten blik op Heremans, die
smakelijk zit te eten. — Entschuldigen Sie wenn ich store, aber dürfte
ich vielleicht um die Adresse jenes Chinesen bitten ? Er scheint ein
interessanter Mann zu sein, ein Object des Studiums würdig! — dan
peuzelt hij verder.
—   Met genoegen! Ko-mo-an woont hier dicht bij in een groot huis,
wil u hem soms interviewen ?
—   Vielleicht! ich werde es versuchen — ich bin Archaeologe und
Ethnologischer-privat-docent und arbeite an einem Werke über Indien.
—  Ah zoo 1 dan is u zeker ook al te Brambanan geweest ?
—  Natürlich! wiederholt. Aeusserst interessante, wenigstens neunhundert
Jahren alte Tjandi.
—   Wat zegt meneer?
—   Tjandi beteekent tempel, mevrouw!
—   O zoo! ja, hm! nu begrijp ik....
—    Ich reise schon ungefahr ein Vierteljahr über Java. Jüngstens war
ich acht Tage im Pasangrahan bei dein Boeroeboedoer. Ach! dieses
wunderbare Kunstwerk aus der Hinduzeit könnte ich mein Leben lang
studiren!
—   En kan u je redden met \'t Maleisen?
—   Nein ! ich spreche wohl Sanskrit, Latein und Griechisch; Malaïsch
ist mir zu unbedeutend. Hollandisch verstehe ich sehr gut, sprechen thue
ich es ein vvenig.
—   Schrijft u alléén over die oude tempels?
—    O, nein, geehrter Herr! ich studiere auch die Sitten und Gewohn-
heiten der Eingeborenen — aber die Altherthümcr sind doch meine wesent-
liche Passion!
—    Hè! ik begrijp me niet hoe iemand plezier heeft om al die inge-
storte ouwe dingen te bestudeeren; ze lijken toch allemaal op elkaar!
—    I Gott bewahre! — bitte sehr gnadige Frau ? Da sind Sie wohl
sehr im Irrthume. Hij kijkt mevrouw Visser bijna boos aan en gesticuleert
met een half afgeplozen beentje, als hij doceerend voortgaat: — lm
Gegentheil, diese Tjandi haben alle ein verschiedener, deutlich ausgepnigter
Character. ... hij begint te „speechen" en wekt daardoor den lachlust op
-ocr page 266-
OP MIDDEN-JAVA.
^54
van een dikken, schuins over hem zitten den, tot nog toe alleen etenden
koffieplanter.
— Lieber llerr! sie vergessen ihr bordje, essen sie \'emaal ris was!
dass zal je goed thoen, lacht hij goedig.
De Archaeoloog luistert nauwlijks, maar raakt in vuur en vertelt, tusschen
de lamscotteletten met spersieboontjes en gebraden eend met papaja-
moes, dat de tempelgroep vroeger omringd was door drie ringmuren,
waarvan de binnenste nog boven den grond uitsteekt. Hij windt zich
Teni|)elj.rroep te FSramhanan.
meer en meer op als hij zegt: — Ach, diese Ruïnen sind herrliche Monu-
mente des Aelterthums! — Sie zeugen von der grossen Weisheit der
Brahmanen, von der Kunstfertigkeit dieser. ...
— Essen sie kein eindvögel — sie sind goddelich. Hier! lass ich sie
\'ris \'emaal bedienen professor, en lachend legt de planter een groote
eendenbout op zijn bord. De Duitscher neemt er geen notitie van; hij
is op zijn stokpaardje gekomen en stijgt niet spoedig af. Hij beschrijft
hoe in de middelste der drie groote tempels vier kamers waren met
Dwarapala beelden, Ciwa\'s en Ganeca\'s, hoe er nu nog een geheel goed
geconserveerd beeld is, waaraan de bevolking wonder-macht toeschrijft en
-ocr page 267-
OP MIDDEN-JAVA.                                                 255
waaraan dagelijks offers worden gebracht — dan houdt hij een vrij droge
en eigenwijze verhandeling over de vermaarde Tjandi Sewoe — de zoo-
genaamde duizend Tempels, — Vier reihen, meine Herrschaften! jede von
zweihundert vierzig Tempel. Grandios riesig! — und ein Mittentempel,
ein wahres Wunder der Architectur. — Ach! roept hij eindelijk enthou-
siastisch uit — In dieser Umgegend liegen noch unermessliche Schatze
begraben !
— Zóó! zegt de planter doodleuk en een mangga schillend: — Dan
Ciwa-Tempel te lirambanan.
moessen sie oenser gouvernement daar \'ris \'emaal attent aul\' machen, geld
haben sie hier perloe perloe noodig — Korang oewang zijn ze eeuwig.
—   Wie beliebt?
—  Verstehen sie kein Duitsch?
—  Jawohl, natürlich aber. . . .
—   Noen, ik zeg dass sie fur mein part, hier die heele groend oempat-
jollen (omspitten) kunnen, aushakken oder oepfgrafen, oend wanneer hier
sooveel doebeltjes im groend sitten, wou ich, dass ich ein lapfie had —
ich soll das geld wol draushalen was d\'rin zit.
-ocr page 268-
256
OP MIDDEN-JAVA.
—    Geld! Geld! nichts da, es wird im gegentheil viel Geld kosten die
Schatze auszuheben — ich meine ja, Kunstschatze I
—   O, zoo! Noen die meugen sie selfs houwen — ich heb liever koenst-
mest, daar kommen zoem minstens noch koffieboontjes von, maar die
pfroellenboel is niks waard — die museums sind stik-vol, sie wissen noe
al nicht waar ze mit al der ouwe roempfel bleiben moessen.
Boos staat de geleerde op en over zijn bril kijkend zegt hij: — Altes
Gerümpel, sagen sie! — Meinherr sie beleidigen die Kunst, die Erhabene,
die ich diene — ich darf das niet langer anhören. — Hij gaat heen.
—   Snijen sie dan maar geroest aus, lieber freund! roept de planter
hem na.
—   Wie! was? de privaat-docent kijkt nog even om.
—■ Ja, wanneer sie kein Duitsch verstellen, kein Hollandsch, kein
Maleisch, kan ich nicht mit sie sprechen — en terwijl de archaeoloog de
achtergalerij verlaat, zegt de planter, eveneens opstaande, knorrig tot ons :
Zulke geleerde lui, hè? wonderlijk volk? ze verstaan soms der eigen
moêrs taal niet. — Smakelijk eten, dames en heeren !
llindoebeelil te Singosari.
-ocr page 269-
TE SOERABAJA.
2^7
TE SOERABAJA.
Terwijl ik bezig ben met \'t schrijven
van mijn herinneringen aan Soera-
baia, krijg ik kennisgeving van een
aangeteekenden brief uit die plaats;
ik haast mij hem van de post te
halen en als ik het adres bekijk,
herken ik de hand van mijn vriend,
die mij zoo uiterst gastvrij ten zijnent
logeerde.
Een lichte rilling gaat me door
de leden, want ik zie een breeden
rouwrand om de enveloppe. Zou er
iets treurigs zijn gebeurd in zijn familie — hij heeft een lieve vrouw en
aardige kinderen. Zou misschien een smartelijk sterfgeval...?
Ik scheur in spanning het omhulsel open en neem er een kaart tilt,
evenzoo met een rouwrand, mij meldende met segala hormat (alle eerbe-
wijs) van uit het kippenhok mijns gastheer, dat mijn speciale vriend,
ajam-laki, de haan, die zoo mooi kraaien kon, tot groote droefheid van
de overige hanen en kippen, is overleden.
Ik heradem — de menschen zijn dus gezond, zelfs opgeruimd — dit
merk ik door de mij gezonden overlijdens-communicatie — \'t is dus slechts
een haan, die gestorven is, — maar welk een haan!
De onhebbelijkste, onbeschaamdste Chineesche haan, die ooit op twee
slappe, geknikte pooten rondliep; wijdbeens en waggelend als een aan
\'t ruggemerg lijdende oude doordraaier. Een haan, die een stem had,
zóó doordringend scherp en rauw, dat een vischventer met een graat in
\'7
-ocr page 270-
25$
TE SOERABAJA.
zijn keel er een helden-tenor bij scheen. Hij is zijn natuurlijken dood
gestorven!
Dien gun ik hem niet, evenmin als de eeuwige rust, omdat de gemeenert
toen hij nog leefde, mij niet heeft laten rusten als het tijd daartoe was.
Soerabaia heeft overigens slechts aangename herinneringen bij mij achter-
gelaten — ik heb daar bij mijn vrienden groote hartelijkheid, onbeperkte
gastvrijheid ondervonden — maar als ik aan hun Chineeschen haan terug-
denk stijgt mij het bloed naar het hoofd en word ik verbazend knorrig.
Ik had in hun gezellig huis aan den Kajoong een heerlijke logeerkamer
ter mijner beschikking, een frisch, vriendelijk vertrek met een allerkostelijkst
bed, een keurige
waschtafel, een kast,
een kapstok, kortom
alles wat noodig was
prima, prima — en
een riant uitzicht op
den tuin — maar
met den Kandang
Ajam, het kippen-
verblijf, als over-
buur. Ik zal niet
beweren, dat ik een
hekel aan kippen
heb, integendeel,
dood of levend, be-
minde ik ze steeds
om hun malsche
\'t Huis van mijn gastheer te Soerabaja.                               boutjes en versche
eieren* die mijn
stofkleed in stand hielpen houden — en de kippen van mijn gastheer
waren prcmkjuweelen in haar soort. Ook de hanen — hij bevorderde de
zedelijkheid, door meerdere ajam-laki in hetzelfde kippenhok toe te laten,
zoodat de polygamie daar tot een minimum herleid werd — gedroegen
zich fatsoenlijk en braaf. Zij zorgden er behoorlijk voor, dat ik \'s morgens
bij mijn ontbijt goede voedzame eieren vond, en sommigen offerden zelfs
hun leven om mij niet zonder ragout of fricadel te laten. Ongetwijfeld
zou ik dus een lofzang op de hennen en hanen van mijn vriend hebben
kunnen schrijven, wanneer niet die ééne oude Chineesche doordraaier met
de knik in zijn knieën, alles bedorven had.
Hij was, dit moge ter zijner verontschuldiging dienen — zelfs tegenover
een haan moet de ware christen toegevend zijn — een banneling, een paria
-ocr page 271-
m
TE SOËRABAJA.
Hij bewoonde liet kippenverblijf niet, maar scharrelde, alleen en verstooten,
door den tuin waar hij, als afschrikwekkend voorbeeld van te vroegen
ouderdom en afgeleefdheid, nu eens op het grindpad, dan weer in het
gras rondhobbelde - - en verlangende blikken wierp naar den ruimen
harem, waarin zijn beter geconserveerde collega\'s lier en trotsch hun
sultanes liefkoosden.
Somber hing zijn kop omlaag, slap was zijn rimpelige; kam, mat en
omfloersd waren zijn oogen, zwijgend, met slepende vleugels en verfomfaaiden
staart, keek hij overdag naar het minnekozen en \'t graantjes pikken, dat
voor hem rpet meer was weggelegd.
Nauwelijks echter werd het nacht en verzilverde de maan met haar
zachten glans kippenverblijf en tuin, of de emeritus Chineesche Don Juan
verhief zijn stem en kraaide, met een gebarsten geluid, zijn wroeging en
machtelooze liefdesmarten uit over de
slapende natuur, \'t Was alsof hij wist
dat ik, lichtslaaps als ik ben, iedere
noot, iedere roulade, iedere maat colo-
ratuur van hem hoorde — en ver-
wenschte. Ik geloof bepaald, dat hij
tusschenbeiden aan mijn deur stond te
luisteren of ik ook begon te snorken.
Merkte dan de nijdas, die zelf niet
sliep — zeker, omdat zijn uitspattingen
van tempo doeloe zijn zenuwgestel
hadden ondermijnd — dat ik den
slaap had gevat, dan zette hij een
geweldige keel op en kraaide zóó lang
en rauw dat al de hanen in de buurt,
één voor één ontwaakten. Wat hij
hen toekraaide verstond ik niet omdat
\'t vermoedelijk Chineesch was, maar
\'t scheen iets zeer beleedigends te zijn, want de buurhanen begonnen één voor
één terug te schelden, vinnig, scherp uitvarend, hoe langer hoe nijdiger!
Hij bleef uitdagend door insinueeren totdat hij er eensklaps genoeg
van kreeg en met een kort, schor kraai-gebrul eindigde.
Vermoedelijk kroop de schelm dan onder een of andere struik, of
school weg in den paardenstal, zich in stilte; verkneuterend en genietend
van het nachtelijk schandaal en burengerucht dat hij veroorzaakt had.
In gedachte zag ik hoe hij zich van genot in de kromme pooten wreef
en genoot van de felle uitdagende hanenkreten, die nog uren lang uit alle
kippenhokken in het kwartier opstegen.
-ocr page 272-
2Ö0
TË SOëRAÖAJA.
De maneschijn lieeft ongetwijfeld voor de Soerabaiasche hanen een
ongemeene aantrekkelijkheid, want ik heb opgemerkt, dat hoewel mijn
Chineesche kwelgeest door de goede zorgen van mijn gastvrouw eenige
dagen uit logeeren was gezonden, er toch geregelde muziekuitvoeringen
ter eere van vrouw Luna plaats vonden en toen ik mijn verwondering
daarover uitsprak, verklaarde een oudgast mij, dat die hanen „maan-
kraaiers" waren en dat Indië daarmede rijk gezegend is. In Padang trof
ik maanblaffers, in Soerabaia maankraaiers, in Batavia maankatten —
wellicht had ik, indien ik langer gebleven was, onder de overige huisdieren
nog meer maan-liefhebbers ontdekt.
Ik kan mij overigens best begrijpen dat de dieren van huis en veld de
maneschijn verrukkelijk vinden, en op hunne wijze trachten te verheer-
lijken, want inderdaad de maan giet zulk een overschoon zacht, toover-
achtig licht over alles, dat ook de mensch dikwijls behoefte heeft zijn
hart daarover uit te storten.
Dikwijls zat ik met mijn gastheer en zijn vriendelijke prettige vrouw
uren lang in de voorgalerij gezellig te boomen, wanneer na de zengende
hitte van den dag en de afmattende handelsbezigheden, de maan haar
zacliten milden schijn over alles goot, zóó helder, dat men in waarheid
er bij lezen kon. \'t Was dan als of die zilveren stralen tegelijk met een
fantastischen toovertint koelte en frischheid aan de aarde brachten.
Zoo zaten wij op een avond, onder een glaasje whiskey-soda over de
des daags behandelde zaken pratend, bijeen, toen de melodieuze tonen
van een gamelang zachtkens tot ons overwoeien. Er klinkt iets weemoedigs,
maar tegelijk teers en streelends in die vreemde, voor onze ooren meest
onregelmatige golven muziek, die nu eens zwak, dan weer sterker op den
wind komen aanrollen, brekend tusschen de boomen, over de velden als
vervloeiend tot zangerige druppels, die plotseling weer aanzwellen tot
stroomen van wonderbaren klank.
Wij luisterden.
Van uit de verte klonken het klagende fluitje, de heldere klokjestonen
en de zware, diepe basgeluiden van den gong smeltend en liefelijk over
de rivier, als vriendelijke stemmen die noodend riepen: Kom! kom ! bier-
heen — kom!
—   Waar zou dat geluid vandaan komen? vroeg ik nieuwsgierig.
Vermoedelijk uit een van de kampongs hier dichtbij, antwoordde
mijn gastheer.
—   Wat zou daar te doen zijn?
—   Denkelijk een bruiloft of een feest.
-— Zouden we daar niet eens bij kunnen zijn?
—   O! zeker wel. — Hè, Kebon, mari siui!
-ocr page 273-
261
TE SOERABAJA.
De tuinman, die met een strootje in den mond kalmpjes op zijn hurken
l)ij het tuinhek zittend, even als wij, naar die gamelang klanken luisterde,
stond op en kwam langzaam nader.
—  Weet jij ook of er in de kampong wat te doen is?
—   Koerang priksa, toewan! (\'k weet het niet, meneer!)
—  Ga dan eens hooren wat er aan de hand is.
Ken poosje later kwam de tuinman terug met de boodschap, dat in de
dessa Koebeng, een kwartiertje van ons verwijderd, ter gelegenheid van
het Sédéka boemi (het jaarlijksch feest) de Wajang vertoond werd.
—   De Wajang? vroeg ik.
—    Dat is een l\'soort inlandsche poppenkast — eigenlijk meer een
inlandsche comedie, die door poppen
wordt vertoond.
—   Maar kerel! dan moet ik er bepaald
heen, dat is net iets voor mij — ik
lach graag.
—   Neen! \'t is niet om te lachen,
integendeel, \'t is een zeer ernstige ver-
toon ing.
—   Och kom!
—   Zeker! de Wajang is een van de
meest geliefkoosde ontspanningen van
den inlander. Uren lang, dikwijls het
grootste deel van den nacht kan hij, op
zijn hurken zittend, een strootje rookend
en ajerstroop of limonade drinkend, die
voorstellingen bijwonen.
—   Een kinderachtig plezier, dunkt me.
—   Waarachtig niet, de Wajang is voor
hem wat de geschiedenis voor ons is.
De Dalang, de man, die de poppen ver-
toont, is iemand, die zeer in aanzien is
Wajang-pop.                     en veel succes bij zijn publiek heeft,
wanneer hij goed op de hoogte is van
de oude Javaansche overleveringen en mythen. Hij vertelt, zittend voor
een wit scherm, waartegen hij de mooi gekleurde en vergulde poppen
houdt, de geschiedenissen en sagen van de Javanen en de gamelang
speelt daarbij de meest geliefkoosde stukken.
—   Dus heeft de gamelang, wat wij zouden noemen, melodiën — muziek-
nummers.
—   Zeker! Ze zijn alleen voor ons oor, omdat wij er niet aan gewoon
-ocr page 274-
2Ö2                                                         TE SOERAI3AJA.
zijn, niet begrijpelijk, maar de inlander kent ze best en onderscheidt ze.
Hij de Wajang is de muziek als \'t ware de onderstreping van \'t geen de
Dalang zegt.
—   En zijn die sagen en legenden merkwaardig?
—   Als men ze goed verstaat, ja. Gewoonlijk behandelen ze de oor-
logen van de oude Javaansche vorstenhuizen uit den tijd van Modjophaït,
de sagen van den Ardjoeno en den Java-oorlog van Tjokro Negoro.
Voor ons is de manier waarop die Dalang ze vertelt nog al vervelend,
De Kajong te Soerabaja.
want hij babbelt op één toon, half zingend, door en houdt dan telkens
de pop, die er bij te pas komt, voor \'t scherm en laat haar de armen
bewegen - - maar laten we gaan kijken, we zullen probeeren of we er bij
kunnen komen.
* *
\'t Is prachtig weer, we wandelen langs de Kajoong langzaam de brug
over en slaan, over de rivier gekomen, een smallen weg in tusschen de
hooge, duistere boomen naar de Dessa Koebeng.
-ocr page 275-
263
TE SOERABAJA.
De maan, hoog aan den hemel, speelt door de donkere bladerkroonen
met haar stralen, ze als zilveren pijlen tusschen de zwarte silhouetten van
klappers en assamboomen neerschietend op het smalle voetpad, dat
glinstert en blinkt als met schilfers van paarlen bestrooid.
\'t Blauwig gele licht sprankelt langs en op de bladeren, tusschen de
takken door, met duizend wiebelende reflexen, weerkaatsend in de zacht
Kampong bij maanlicht.}
dartelende golfjes van \'t kabbelend beekje, dat ruiscbend en murmelend
over steenen en oneffenheden, een lichtenden stroom van vloeibaar zilver
gelijk, langs en tusschen de zwart groene oevers voortschiet.
Op den weg is \'t licht, helder licht! Een licht dat kalmte geeft; niet
verwarmend, maar verademing brengend na de broeihitte van den
zonnigen dag.
-ocr page 276-
264
TE SOERABAJA.
En langs den weg in het bosch zwarte fantastische boomgrotten, diep
en donker, vreemd en grillig zich verlengend naar boven, daar splijtend
tot gedrochtelijke armen, die zich opheffen naar den hemel vol sterren,
flonkerend en twinkelend in \'t onpeilbaar donker-violet.
Hoog, heel hoog, drijven witte, vlokkige wolkjes, zich omhuivend met
licht — langzaam glijdend langs den hemelhoog, als drijvend over den
Iucht-oceaan naar de duistere verte.
Pit de; verwijderde dessa klinkt de gamelang; \'t geluid zweeft nader op
den zwakken wind, die, uit zee geboren, verkoelend tusschen de boomen
ruischt en de geuren van melatti en oranjebloesem heerlijk verspreidt.
\'t Wordt een oogenblik donker — alles is zwart, zonder vormen, één
klomp duisternis.
Dan breekt de maan weer statig door de wolken. Over boomen en
struiken strooit zij weer haar glans, fijn verdeeld, glinsterend in millioenen
atomen. Soms bij een wending van den weg rijzen eensklaps donker,
massaal, zwart, dichte boomgroepen als drommen reuzen uit- den grond,
zachtkens wuivend hun kruinen als koppen met groote helmen, vol zilveren
pluimen; hun voeten vast, zwaar in den zwarten grond gedrukt, maar
rondom besprenkeld met licht, dat door de fijne openingen der blader-
kronen dringt. Scherp, groote beschermende zwaarden gelijk, strekken de
fel bekantlichte bladeren van den pisang zich uit over de lage kampong-
huisjes aan den weg. De atappen daken blinken in den maneschijn en
droomerig leunen schuren en huizen tegen elkander. Langs de stammen
van klappers en palmen glijdt licht als over de: schubben van op hun
staart staande slangen, van boven af door de getande bladeren heen
neervallend, zich verdeelend in duizend grillige streepjes en puntjes.
Fantastisch schemelt de blauwige schijn, tusschen bamboes en waringins
door, op het lange scherpbladerige gras en aan alle zijden glijdt hij neer,
langs si ruiken en heesters, fel de kanten belichtend. Donkerder wordt
het bosch, slechts hier en daar een helder lichte streep over den weg
toelatend. In de verte schemert roodachtig \'t licht van de kampong. Op
den weg naderen tusschen het hout dwaallichtjes, inlanders, die met hun
lantaarntje in de hand uit de dessa komen — zwijgend loopen zij voort,
hun stap is licht — onhoorbaar! Stilte heerscht rondom — slechts de krekel
tsjirpt in het gras en nu en dan gonst een klappertor brommend voorbij.
— Gong! Gong ! — de gong doet zich eensklaps weer hooren, nu naderbij.
De: gamelang klinkt luider, de verschillende instrumenten zijn te onder-
scheiden ; de lichten zijn nu duidelijker zichtbaar. Aan de kampongpoort
hangt een lamp en een papieren lantaren — binnen is \'t stil — want de
wajang wordt vertoond; de Dalang is aan \'t woord en dan zwijgt de
inlander, eerbiedig luisterend. Nu en dan zet de gamelang zijn verhaal
-ocr page 277-
265
IK SOK K AHA JA.
kracht bij. De verlichte dessa ziet er in de verte fantastisch uit. Inlandsche
mannen en vrouwen, die voor hun van binnen verlichte huizen zitten,
zien ons voorbij gaan en rekken nieuwsgierig de halzen uit. —- Blanda\'s
om dezen tijd in hun dessa, dat gebeurt niet dikwijls — wat voeren die
in \'t schild?
Enkele mannen volgen ons op een afstand — de tuinman, die achter
ons loopt, wordt door hen staande gehouden, ik kijk toevallig even om en
zie hoe hij met zijn hootd en handen een heltig ontkennend gebaar maakt.
Nogmaals wordt hij aangesproken, weer dat „neen" schudden, dat
afwijzend hand bewegen. Wat beduidt dat?
Wij hebben de kampongpoort bereikt, een Javaansche wacht houdt zijn
piek dwars voor zich, wij blijven staan en vragen beleefd naar den
kapalla-kampong (het dorpshoofd).
f.uid klinkt de gamelang ons nu tegemoet; we zien in \'t rosse licht
van ettelijke petroleumlampen, een menigte inlanders bijeen voor \'t huis
van het dessa-hoofd. Talrijke warongs met kleine walmende lichtjes, zijn
op het erf verspreid, achter en tusschen de kijkers, om hen van de
noodige ververschingen en eetwaren te voorzien. Wij wachten een
poosje en terwijl vertelt de Kebon dat de inlanders, die ons hebben
nageloopen, ons voor zeelieden hielden, die passagierden en in hun dessa
den boel eens wilden komen opscheppen. — Volgens den tuinman, ont-
loopen wij door zijn tegenwoordigheid en goed getuigenis een pak sl#aag.
Ken oogenblik later is het dorpshoofd bij ons, een zeer net gekleed
inlander, die, zoodra hij verneemt dat wij vriendelijk verlof vragen om de
wajang-voorstelling te mogen bijwonen, zijn aanvankelijke reserve laat
varen en allerbeleefdst wordt.
Hij gaat ons zelf voor, naar de feestzaal — zijn pendoppo — waar de
wajang is opgeslagen, hij wenkt en een paar van zijn volkje brengen
leunstoelen; hij plaatst ze zelf zóó, dat we alles goed kunnen zien, en
verzoekt ons dan hoffelijk plaats te nemen. En intusschen gaat de voor-
stelling door — enkele toeschouwers hebben een oogenblik hun aandacht
tusschen ons en de wajang verdeeld, maar de meesten niet, zij gaan
geheel op in \'t geen de Dalang vertelt en laat zien bij het niet al te
sterke licht van een lamp, die voor het scherm hangt.
Aan de achterzijde daarvan zitten etend en drinkend de vrouwen —
de mannen, egoïsten als zij allen zijn, genieten ook hier alweder alléén
het essentiëele der voorstelling. Zij zien de fraai uitgesneden, vergulde en
gekleurde poppen in natura en laten de schaduw er van voor hun vrouwen.
Het dorpshoofd komt nu bij ons zitten en verklaart op zijn manier wat
er gespeeld wordt. Wij begrijpen er niets van, maar vinden natuurlijk
alles hoogst belangrijk en mijn vriend zegt: — Die meneer zal als hij
-ocr page 278-
266
TE SOKKAHAJA.
terug is in Nederland een boek over Indië schrijven en ook vertellen dat
liij hier de wajang-koelit gezien heeft.
Dat schijnt hem genoegen te doen, want hij staat op, maakt een kleine
buiging en knikt, als wilde hij zeggen : — ik begrijp het, meneer is welkom!
Weer roept hij een paar van zijn dorpelingen, die altijd met een zekere
onderdanigheid naderend, hem aanhooren.
Er wordt een tafeltje gebracht, dan een blad met glazen, een flesch
Vino tinto, een flesch cognak, een kokertje met manila-sigaren en een
doosje Zweedsche lucifers.
\'t Is de eerste, de eenigste en \'t zal ook wel de laatste maal in mijn
leven zijn geweest dat ik met een Javaansch dessa-hoofd sigaren heb
gerookt en met een glas Italiaanschen wijn heb geklonken op den goeden
afloop van zijn Sedeka-Hoemi en de voortdurende welvaart van zijn dessa
Wajang-pop.
-ocr page 279-
267
TE SOKRABAJA.
II.
Soerabaja staat m. i. tot Batavia als Rotterdam tot den Haag, natuurlijk
laat ik hier de reusachtige afmetingen van Batavia buiten de vergelijking.
Is Batavia de residentie, de luxe stad van Java, Soerabaja kan men
veilig „DE KOOPSTAD" noemen.
Aan beide zijden der rivier de Kaü-Mas gebouwd, is Soerabaja eigenlijk
een lange, rechte stad met kleine, smalle zijstraten, die zich ongeveer in
het midden der geheele lengte tot een dikken bult, waar de rivier midden
doorloopt, hebben uitgezet. Van het rechte haven-kanaal, de uitmonding
der Kali-Mas, voert de weg langs een rij kleine ouderwetsdie huisjes,
waarin tagarijnen, scheeps-victualie-verkoopers en slaapsteêhouders wonen.
Matrozenherbergen, winkeltjes van scheepsbenoodigdheden en pakhuizen,
geven aan die buurt volkomen het uiterlijk van een Hollandsche haven-
plaats, en de witgeschilderde ophaalbrug voltooit de illusie. Men waant
zich inderdaad aan den Helder of \'t Nieuwediep, zoolang men langs die
smalle kade wandelt, maar plotseling verandert het aspect en brengen
de Chineesche toko\'s, in nauwe straten gelegen, tot de werkelijkheid terug.
Een waar doolhof van kleine en groote straten volgt; de eene Chineesche
toko leunt tegen de andere, ze verdringen elkander in dat labyrinth, waar
\'t voortdurend woelig en druk is, door de menigte menschen, die zich
met haast- en zakengezichten heen en weer bewegen. Onophoudelijk
rijden vrachtkarren, hoog opgeladen met allerlei handels-artikelen, getrokken
door sappi\'s of karbouwen, wagens met kleine sterke paardjes en karren,
die door koelies worden geduwd, op en neer.
Wanneer men te Batavia de Chineesche wijk, de Kali besaar en de
benedenstad heeft gezien, meent men zich reeds een denkbeeld te kunnen
vormen van den handel in onze Indische steden, maar eerst te Soerabaja
krijgt men het rechte begrip daarvan, omdat het verkeer, het gaan en
komen van menseben en vrachtwagens, prauwen en schuiten daar zoo
ontzachlijk veel drukker is.
Op de Willemskade tot aan de Roode brug (Djambattan-Merai en in
de aangrenzende straten is een verbazend groot handelsvertier. Men ziet
-ocr page 280-
268
TE SOERABAJA.
het den menschen aan, dat zij niet wandelen, maar zich voortspoeden om
te komen waar zij wezen willen, om hun zaken aftedoen. Onophoudelijk
rijden daar kossongs, leelijke, oude, afgedankte open kalessen met twee
armoedige paarden bespannen, om de handelaars van het eene kantoor
naar \'t andere te brengen. De dos-a-dos, evenzeer tot dat doel in gebruik,
zijn niet minder sukkelig en afgeleefd — maar beide voertuigen doen wat
ze doen moeten en in een koopstad let men er niet zoo nauwkeurig op
Willemskade te Soerabaja.
of de wagen wel zindelijk, \'t paard wel netjes getuigd en de koetsier
niet haveloos is. Men heeft veel te veel aan \'t hoofd om zich met zulke
kleinigheden te bemoeien ; de hoofdzaak is, dat men voor weinig geld
bijtijds komt waar men wezen wil en dat de koetsier in de drukke straten
met beleid de vele karren en wagens, de overtalrijke pikolende (dragende)
koelies weet te mijden.
Als in ren mierenhoop krioelen de menschen in die beperkte ruimte
dooreen, Europeanen, Javanen, Madureezen, Chineezen, Arabieren, Maleiers,
-ocr page 281-
TE SOERABAJA.                                                    26e,
matrozen, burgers, heeren, soldaten loopen en rijden elkander om en hij
Passer Giap, de bekende overdekte marktplaats, bijna overhoop tn in de
kali hebben de schuiten en prauwen, tot zinkens geladen met koopwaren,
het al even benauwd. Te Soerabaja klopt het hart van Java\'s handel, en
die groote ader, zich vertakkend in tallooze kleinere aderen naar het
binnenland, voert het voedend bloed in alle mogelijke plaatsen, die van
en door den handel moeten bestaan.
Men ziet het aan alles, dat die stad slechts dienstbaar is gemaakt aan
Mercurius, dat de Mammon er gehuldigd wordt en de Muzen zelden
herberg vinden in die overdrukke straten en buurten. Alles is opgeofferd
aan den zucht om zaken te doen, aan de noodzakelijkheid om geld te
verdienen. De huizen zijn er slechts, gebouwd, om er een winkel of kantoor
in te kunnen houden, aan werkelijke ruimte voor goede woningen hebben
onze voorvaderen niet gedacht, van erven, tuinen of open ruimten rondom
de huizen is geen sprake. Als de effectenmannen op de beurs staan en
dringen de huizen in het handelsgedeelte van Soerabaja opeen, tegen
elkander drukkend en duwend, maar ook elkaar steunend aan de oevers
van de kali, die onophoudelijk de koopwaren aan- en afvoert van en naar
zee. De toko\'s zijn er legio, groote zoowel als kleine, de meeste echter
hebben, voor de menigte artikelen, die zij te koop bieden, ruimte te
weinig en dikwijls moet de ijverige tokohouder, wanneer hij het nog niet
zoover gebracht heeft, dat hij op Embong-Malang of Toentoengan een
villa\'tje of ruimer woonhuis kan betrekken, zich met het bovengedeelte
van zijn toko behelpen.
Ook dit, dat de huizen twee en meer verdiepingen hebben, onderscheidt
Soerabaja grootelijks van Batavia. Vindt men daar villa\'s tot toko\'s
gemaakt, hier vindt men toko\'s, die eertijds pakhuizen waren en die
bewijzen, dat de eigenaar praktisch is en zich behelpt omdat hij daardoor
zich voorthelpt.
Maar er is ook een gedeelte, dat, van nieuweren datum, er op wijst,
dat, hoewel de handelsgeest der Soerabajasche inwoners niet verzwakt is,
er toch meer en meer menschen komen, die behalve voor hun zaken ook
iets voor de eischen van „het leven" voelen. De Simpangsche weg en de
Kajoong leggen daarvan reeds getuigenis af, daar vindt men fraaie huizen,
villa\'s met erven en tuinen, ofschoon minder grootsch en rijk dan die te
Batavia. De afscheiding tusschen handelstad en woonstad is ook minder
scherp afgebakend, want tusschen fraaie huizen en villa\'s schuilen dikwijls
Chineesche toko\'tjes of kleine, gore warongs als proleeten, die zich geneeren
omdat zij zich niet op hun plaats voelen bij de aristocratie.
De sociëteit Concordia, een prachtig mooie zaal, in een goed gebouw,
ligt in een vrij nette omgeving van fraaie, nieuwerwetsche, ruime toko\'s
-ocr page 282-
270
TE SOERABAJA.
en handelshuizen, en hoewel die ontspanningsplaats goed bezocht wordt,
draagt zij toch het kenmerk van den handel; overdag nl. is het er ledig,
alleen des avonds komen de leden gebruik maken van de lees- en biljart-
zalen of de groote, fraaie marmeren concertzaal.
Hoe verder men zich van de Djambattan Mera verwijdert, des te rustiger
wordt de stad — Soerabaja krijgt plotseling een gansch ander aanzien
bij de groote restauratie van Grimm, het geheel Europeesch ingerichte
„smulhuis", waarover zelfs Z. M. de Koning van Siam bij zijn bezoek zoo
verrukt was, dat hij den kok een
tijd lang er uit ontvoerde en voor
geld en goede woorden mede naar
Siam nam, opdat zijn koninklijk
gehemelte, gestreeld en verwend
als \'t was door Grimm\'s fijne
keuken, niet al te zeer zou belee-
digd worden, door spijzen die
minder smakelijk waren toebereid.
Gelukkig voor de Soerabajasche
lekkerbekken, dat die kok zich
niet beeft laken verschalken door
de fraaie beloften van Siam\'s
heerscher, maar teruggekeerd is
in den huize Grimm, om daar,
evenals voorheen, de tongen en
magen der gasten te streelen.
Voor en bij dat restaurant doet
de stad eensklaps denken aan
een vroolijke Duitsche badplaats,
Toko te Soerabaja.
door de groote boomen, die het
pleintje omzoomen. Rechts lokt
een klein, maar goed onderhouden park - - de Stadstuin - - tot wandelen
in de schaduw en links voert een lommerrijke weg naar de Aloen-aloen
met de fraaie moskee.
Dit midden mootje, als ik \'t zóó noemen mag, is het pronkje van
Soerabaja, dat zich echter voortdurend verfraait en uitbreidt en weldra
niet trots zal kunnen wijzen op een aantal mooie wijken. Wanneer het
nu nog der Regeering mocht behagen om aan Java\'s eerste koopstad een
waterleiding te schenken, zouden de inwoners zeker niet meer over hun
stad klagen en vergelijkingen met Batavia maken, die ongunstig voor
Soerabaja uitvallen.
Ik hoorde van iemand, die er jaren woonde en nu voor een poos
-ocr page 283-
TE SOERABAJA.                                                    27 I
gerepatrieerd is, zeggen: — Wat Soerabaja eerst en betoel betoel, perloe!
noodig heeft, is goed drinkwater, want hoe dolzinnig \'t moge klinken,
reeds gedurende twaalf jaren beraadslaagt ons vaderlijk bestuur — alleen
om toch maar zeker te zijn dat ons het beste wordt gegeven wat te
geven is — of een gouvernements-waterleiding of die van een particuliere
maatschappij de voorkeur verdient en aangezien men het daarover nog
maar niet eens worden kan, moeten we ons maar zoolang met mineraal-
water, bier of wijn behelpen, \'t Eerste is op den duur wel wat schraal in
de maag en de beide andere dranken komen op den langen weg wat te
duur uit voor den gewonen burgerman.
Dat door slecht drinkwater épidemiën bevorderd worden, is bewezen
en nog slechts weinig jaren geleden werd Soerabaja èn door \'t gebruik
van minder goed drinkwater èn door den gebrekkigen waterafvoer, door
de cholera geteisterd. Op één dag brak die ziekte soms in twee- of
drie-en-twintig woningen naast elkaar tegelijk uit. En niet alleen in de
dichtbevolkte benedenwijken woedde die vreeselijke ziekte, maar ook in
de achter het residentiehuis gelegen Embong Woengoe, waar de bewoners
ook gedurende dit jaar nog ettelijke overstroomingen kregen.
Zelfs de resident werd door de cholera aangetast, zeker voor hem een
groot ongeluk, dat hij echter tot aller vreugde is te boven gekomen en
dat nu — er is altijd een geluk bij een ongeluk — wel aanleiding kan
geven dat Z. Excellentie de G. G. met kracht de helpende hand zal
uitstrekken. Hij heeft al zóó veel voor Indië gedaan, dat hij, wanneer hij
Soerabaja een goede waterleiding bezorgt, niet één, maar twee stand-
beelden verdient.
De Soerabajaan is echter geduldig en al moppert hij nu en dan over
een en ander, hij erkent gaarne het vele goede dat zijn stad hem biedt.
Over \'t algemeen heerscht te Soerabaja een prettige toon, een hartelijkheid,
die men elders niet zóó vindt. Het verschil van standen doet zich niet
zoo duidelijk merkbaar voelen. Men is stadgenoot, men is bij elkaar om
geld te verdienen, zaken te doen, maar ook om elkaar het leven gezellig
te maken en zich te amuseeren.
De stadstuin, een aardig plekje, als park aangelegd, biedt daartoe de
gelegenheid. Iedereen, groot of klein, voornaam of eenvoudig, komt daar
eendrachtelijk samen om vrij goede muziek te hooren, pret te maken,
te dansen, te lachen en de zorgen van den dag te vergeten.
Ik woonde ter gelegenheid van den verjaardag der Koningin op
31 Augustus een kinderfeest bij in den stadstuin, die fraai geïllumineerd,
een prachtig effect maakte. Allerlei aardige verrassingen waren daar der
jeugd, ook aan de ouderen, bereid. Rutschbaan, café chantant, bal-champêtre,
kijkspelletjes, tombola\'s, een levend sprekend mcnschenhoofd, zelfs een
-ocr page 284-
TE SOERAHAJA.
272
poppenkast — verlokten om strijd groote en kleine menschen tot \'t maken
van pleizier. Limonade en taartjes gratis en volop; wijn, bier, whiskey
en brandy tot billijken prijs, meer behoeft de Hollander niet om ten slotte
zijn vreugd te uiten door „hossen." Ik heb me verwonderd dat de
Mollandsche hos-natuur zich zelfs onder de tropen niet verloochent en dat
men te Soerabaja H. M. verjaardagviering besloot met een algemeene
Mevrouw Van der Steen, in de rol van Mevrouw Mina Stout
in het blijspel „de Gouvernante".
dringpartij waarbij het onmuziekale Hi, ha! Hi, ha! niet ontbrak. Alles
hi!-ha-de meê, kinderen, baboes, burgers en militairen, nonna\'s, Europeesche
dames en heeren, matrozen en ambtenaren, ik heb zelfs advocaten, doktoren
en rechters zien hossen en hi, ha! hooren roepen, als wilden zij bewijzen dat
het verschil tusschen geleerde heeren en ezels dikwijls meer in den graad
steekt dan wel in hun uitingen.
Ook de tooneelspeelk un.^t vindt te Soerabaja talrijke vereerders.
-ocr page 285-
TE SOF.RARAJA.
273
— \'t Zijn maar liefhebbers, meneer, zei mij iemand, die een grooten
eerbied voor zijn stadgenooten-dilettanten koesterde, — maar ze spelen
beter dan menig acteur of actrice van professie en als u onze moeder
Van der Steen ziet spelen, vooral in de rol van een Indische njonja —
zou u verwonderd zijn, dat wij hier zulke goede krachten hebben. Wij
noemen haar „moeder" zie je, omdat zij zoo aardig en moederlijk met
haar troepje omspringt en het zoo goed bijeenhoudt.
Mevrouw v. d. Steen is werkelijk — ik heb later de eer gehad kennis
met haar te maken, een begaafde vrouw, die vooral zeer geverseerd in
de muziek, den moed heeft gehad om te Soerabaja, nut een klein troepje
door haar gedresseerde en geregisseerde liefhebbers, operetten als : De
kleine Hertog, De klokken van Corneville, De dochter van den Tamboer-
Majoor e. a. op te voeren.
Als ,.grande amuseuse" van Soerabaja verdient zij zeker lof en dank-
baarheid, want zij is de ziel der vertooningen, die haar medeburgers,
werkend en zwoegend voor hun dagelijksch brood, zooveel genoegen doen,
te meer omdat er zoo zelden echte tooneclgezelschappen overkomen. Ik
zag haar in een voor haar geschreven blijspel: ,,De Gouvernante" in het
karakter van mevrouw Mina Stout, een Djocja\'sche, de type van een
domme heerschzuchtige, maar grappige halfbloed dame, die op allerver-
makelijkste wijze Hollandsch en Maleisch dooreen haspelde. Zij vervulde
inderdaad op volmaakte wijs die rol, haar grime was uitmuntend, haar
gang, haar bewegingen brachten mij onmiddellijk de echte specimina
dezer soort, die ik reeds ontmoet had, weer voor oogen en wanneer zij
met onnavolgbare leukheid haar sirihpruimpje kauwde en daarbij haar
verwende dochter en lummeligen echtgenoot duchtig onder banden nam,
bulderde het publiek, die type volkomen kennend en genietend, het uit
van \'t lachen. Jammer dat het stuk niet wat meer om \'t lijf had en dat
zij niet beter werd gesecundeerd, want — hoe gaarne ik ook beleefd wil
zijn, de waarheid moet me van \'t hart — haar medespelers deden op een
enkele uitzondering na, wat stijfheid en gedwongenheid betreft, niet onder
voor onze Hollandsche dillettanten.
Dat moeder Van der Steen nog lang lust en kracht moge behouden
om haar stadgenooten te vermaken, vvenschen alle muzenvrienden van
Soerabaja — en ik met hen.
-ocr page 286-
\'WW
l*^a
-3»*
\'S#*M
IV
tfS
ii Ifl
WW
mm
S/f--, -v- f"Tl.*^
7-;: M5 U^rSmsmÈ
,« \' ,* •;, Vv,-vV>
I!
H
-ocr page 287-
TE SOl\'KAUAJA.                                                   275
III.
Op een avond even na zessen rijdt mijn gastheer, altijd er op bedacht
om mij genoegen te doen, met zijn twee sandelwoods en sierlijk rijtuigje
het erf op en roept me toe :
—   Kleed je gauw aan, ik zal je in de gelegenheid stellen om een paar
zeer populaire en bekende hooge personaadjes van Soerabaja te ontmoeten.
Ik heb belet laten vragen bij den Regent en bij den luitenant Chinees.
Zij willen ons hedenavond ontvangen, mijn vrouw gaat mee — die zou
ze gaarne nog eens ontmoeten.
—    Drommels! dan mag ik me wel in pontificaal steken, want dat zijn
immers groote oomes?
Asjeblieft! De Regent is de eerste inlandsehe regeeringspersoon.de
jongere broeder van den resident.
—   Wat zeg je daar?
—   Nu ja, dat is zoo zijn titel. Je begrijpt, dat „jongere broer" klinkt
poëtisch, maar tegelijk erg duidelijk, want een jongere heeft gewoonlijk
minder te zeggen dan een oudere broer en vindt allicht een raadsman in
hem; iemand, die hem „zijn feilen toont en minzaam wijst op zijn ge-
breken" — toch is hij feitelijk de baas van \'t spul, wat de inlandsehe
bevolking betrett. De Regent is een charmante, Javaansche prins —
maar maak nu voort, ajo!
—    Even nog mijn handschoenen aandoen, \'k wil den Regent alle eer
geven, die hem toekomt.
—   Hou die kwelgeesten maar in je hand, hier in Indië zijn die dingen
erg lastig !
—   En ik heb nog al twaalf paar glacés meegenomen, op bepaald aan-
raden van een goed vriend.
—    Dan heeft die sobat je een koopje geleverd, want je zult ze hier
niet verslijten — verspikkelen kunnen ze wel — ben je klaar? Mijn
vrouw zit al in \'t rijtuig.
—    Tot je orders !
We rijden weg en bereiken een kwartier later de kaboepaten — de
-ocr page 288-
276
TE SOERABAJA.
regentswoning, dicht bij de kampong gelegen, op Kaliassin — een ruim
huis met een zeer groote pendoppo, waarin de regent zijn gasten ontvangt
en de officieele recepties en feesten geeft. Als we voorrijden staan ver-
schillende Javaansche bedienden bij de trap, die naar de pendoppo leidt
en een hunner schiet ijverig toe om het portier te openen.
De regent, een knap rijzig man, komt ons tegemoet en biedt mijn
gastvrouw uiterst hoffelijk den arm, om haar de trappen op te leiden. ■—
Wij volgen.
Raden Adipati Arijo Tjokro Negoro is een volkomen aristocraat; men
ziet het hem oogenblikkelijk aan, dat hij van hoogadelijken stand, van
prinselijken bloede is. Zijn fiere houding, zijn gedistingeerde manieren
zijn hem aangeboren, dat merkt men dadelijk; hij toont geen spoor van
gemaaktheid, de hoffelijkheid zit hem in \'t bloed, in zijn hooge geboorte.
De adellijke Javaan heeft dat over \'t algemeen zeer sterk ; evenmin als
het type van den gewonen, laaggeboren inlander zich ooit verloochent,
zal men zich daarin vergissen, dat men een adellijke voor een proleet
aanziet. Er ligt in zijn verschijning iets buitengewoon waardigs, iets, dat,
hoewel gelaatskleur en kleeding den inlander aanduiden, eerbied afdwingt
en onmiddellijk verraadt dat men met een beschaafd, welopgevoed en
vormelijk man te doen heeft.
De Raden Adipati is een dier menschen, die zelf volkomen kalm en ge-
makkelijk van beweging, ook anderen dadelijk op hun gemak weten te
zetten. Zijn manieren zijn fijn, hoogbesehaafd en waardig. Zijn gelaat
regelmatig gevormd en lichtbruin, heeft iets nobels, iets prettigs, dat dadelijk
sympathie inboezemt. Zijn prachtige witte tanden glinsteren onder den wel
verzorgden zwarten knevel en hoewel hij reeds zes-en-zestig jaren telt
en gedurende vijf-en-dertig jaren de regeeringszorgen op zich voelt
drukken, heeft zijn gelaat weinig rimpels en staan zijn oogen helder en
frisch als die van een jong mensch. Hij verheugt zich waarlijk in een
groenen ouderdom en is het type van den wèl-geconserveerden man van
geboorte. Zijn keurige kleeding, een lakensch baadje met diamanten
knoopen, over een fijne witte kabaia, staat hem zeer gedistingeerd. De
kostbare gebatikte sarong, die netjes gedrapeerd tot half over zijn bloote
beenen hangt, is aan zijn lichaam een sierlijk kleedingstuk en de fraaie
met goud geborduurde muilen passen volkomen bij die dracht. Zijn hoofd-
doek is onberispelijk gevouwen en omlijst zijn gelaat zóó mooi, dat ik
mij voorstal dat een andere hoofdbedekking hem niet goed zou staan. Hij
hem kan men gerust het spreekwoord „de kleeren maken den man\'\'
omkeeren, want zijn persoonlijkheid maakt de voor Europeesche oogen
altijd min of meer zonderlinge Javaansche dracht, tot een inderdaad lijn,
keurig kleedend costuum.
-ocr page 289-
TE SOERABAJA.
-\'77
De regent wijst ons hoffelijk plaatsen aan in de gemakkelijke luierstoelen,
die in grooten getale in zijn half Europeesch ingerichte pendoppo staan.
Zijn bedienden naderen hem niet dan in hoogst eerbiedige gebogen
houding; wanneer zij tot hem spreken hurken zij neer en heffen de
gevouwen handen sembah makend naar hem op.
Ken dwerg, zijn hofnar, een allerkluchtigst ventje met een buitengewoon
groot hoofd en korte armpjes is de eenige, die hem gewoon loopend
nadert en op min of meer familiaare wijs tot hem spreekt. Dat wonderlijke
mannetje schijnt zich in de bijzondere gunst van den regent te verheugen
en doet dienst als opperschenker, hij
presenteert ons op een zilveren blad
ijswater, brandy-soda en limonade.
Grinnikend met breedgetrokken
scheven mond ziet hij ons aan, knipt
grappig met zijn roodachtige, sluwe
oogjes en houdt met zijn korte
armpjes het blad met glazen omhoog,
zoodat zijn leuk gezicht er slechts
even boven uit kijkt. Als bij ons
bediend heeft gaat hij achteruit
loopend, naar de terzijde in de pen-
doppo hurkende Javanen en vertelt
hun bepaald iets zeer ondeugends,
want hun anders strakkegezichtenont-
plooien zich even en tersluiks zien zij
naar ons en naar hun heer, die zich
zeer vriendelijk met mij onderhoudt.
Het doet hem genoegen dat ik
wat Maleisen spreek — omdat hij
slechts weinig Hollandsen kent —
Kaden Adipaii Arijo Tjokro Negoro.
Regent van Soerabaja.
verstaan doet hij het goed — en zóó
helpen we elkander voort, soms lachend om wederkeerige onbeholpenheid.
Weer verschijnt de dwerg en terwijl de andere inlanders, die nog onder
den indruk van zijn grappigheid met ernstige gezichten, maar met een
lach in de oogen, naar ons kijken, presenteert hij met een stalen gezicht,
sigaren, een afsnijmesje en lucifers. Er is iets onweerstaanbaar komisch
aan dien dwerg — als hij een lucifer aansteekt, moet men lachen, biedt
hij het sigarensnijdertje aan, voelt men lust tot hilariteit en toch zegt hij
niets, maar de dwaasheid zit in zijn bewegingen, in de malle uitdrukking
van zijn gezicht en de deftige onbeschaamdheid die hem eigen is. De
inlandsche vorsten, hebben meest allen van die soort narren of badoets.
-ocr page 290-
278
\'IK SOERABAJA.
De Sultan van Djocja en de Keizer van Solo houden er zelfs verscheidene
op na. Ik vind er iets middeneeuwsch in en onwillekeurig denk ik aan
de stukken van Sliakespeare — misschien is de dwerg die ons bedient
een reus van geestigheid! Wie weet? Als we konden verstaan wat hij
in \'t Javaansch tot de anderen zegt, zouden we misschien evenzeer werk
hebben om ons lachen te houden.
In de pendoppo hangt een trophee van oude wapens, pieken, zwaarden,
goloks, krissen, zilveren stijgbeugels, mooie antieke lansen, een eeresabel,
enz. Zoodra de regent bemerkt dat wij er ons voor interesseeren, roept
hij door een wenk een paar van zijn dienaren tot zich — natuurlijk rept
de kleine kabouter zijn kromme beentjes en maakt dat hij er \'t eerst is.
Hij rolt bijna over zijn eigen bloote voeten, maar hij is nummer één en
mag nu den gouden /"Jj\'oitg i) halen, het waardigheids- en eereteeken van
den regent. Wij bewonderen het zwaar vergulde zonnescherm, bezien de
eeresabel, die een van zijn voorouders — zijn huis is reeds gedurende vijf
geslachten aan de regeering — van de O.-I. Compagnie heeft gekregen.
Als ik het kostbaar stuk in handen neem en bezie, lees ik het opschrift,
dat o]) \'t geciseleerd zilveren gevest, onder het wapen van de O.-I. Companie
is gegraveerd: ,,1\'ropatria merito cum Ind. Orientalis," dan wil ik de
sabel uit de schede trekken — maar ■—- met zeer zachte hand houdt de
regent mij tegen, lacht vriendelijk en hoffelijk even buigend, zegt bij :
—   Ken zwaard moet men nooit uit de schede nemen als \'t niet gebruikt
moet worden — dat geeft Tjelakka (ongeluk), u houdt me ten goede dat
ik \'t zeg, niet waar?
—  Zeker!
—   Is n een liefhebber van antiquiteiten ?
—   Ik zie ze gaarne !
—   Mag ik u dan verzoeken even met mij mede te gaan in de binnen-
galerij, dan zal ik u zilverwerk laten zien dat veel honderden jaren oud is.
De dwerg dribbelt al weer vooruit en houdt met een anderen dienaar
de fraai gegraveerde zilveren schotels vast, die, uit den tijd van \'t rijk
van Modiophaït dateerend, zeker voor een Javaan belangwekkender zijn
I) De gouden pajong (zonnescherm) wordt als de regent uitrijdt, door den achter op \'t rijtuig
staanden palfrenier dichtgeslagen omhooggestoken, maar zoodra de regent te voet gaat wordt die
gouden parasol geopend en door een dienaar, die vlak achter hem wandelt, beschermend boven
zijn hoofd gehouden.
Ik heb eenige dagen later de eer genoten door den regent te worden afgehaild om een bezoek
te brengen aan de Missigit en de graven der verschillende keizers van Modjophait. Bij die
gelegenheid wandelde ik een poos naast hem in (ie schaduw van den gouden pajong en ik moet
erkennen, dat ik wel iets Mahonicdaanseh over me voelde komen, toen ik al die eerbiedige oogen
op mij gevestigd /ag van de inlanders die deemoedig neerhurkten langs den weg.
-ocr page 291-
TE SOEKAHAJA.                                                   279
dan voor een Hollander, die de beteekenis der daarop aangebrachte
wajangfiguren niet begrijpt.
De regent heeft verschillende van die kostbare schotels, vazen en schalen
— mij doen de daarop gegraveerde voorstellingen denken aan de teekeningen
van onze moderne symbolisten — want \'t zijn dezelfde leelijke magere
vrouwenfiguren, met onmogelijk lange armen en slijpplankachtige vormen,
dezelfde verwarring van figuren en lijnen, dezelfde onbegrijpelijke sujetten.
Zouden onze moderne symbolisten, ook reïncarnatiën kunnen zijn van
oude Javaansche teekenaars uit den tijd van Modjophaït?
In ieder geval, wanneer zij kun voorstellingen op zilver graveeren, maar
dan ze nu zijn, kunnen ze
tegen die graveurs van
concurreeren.
dweer, dat het nieuwe
oude nooit oud is 1
genoot van den
ajoe, die anders
officiëele of parti-
de honneurs mede
gen we ditmaal
is eenige dagen
familie, maar de
haar portret, dat
vertrekken hangt.
ken, de eigenlijke
nogal eenvoudig, vol-
gemeubeld, hier en
met glazen deuren, een
marmeren bladen en ette-
tafelkleeden bedekt. De
matten en karpetten belegd
vooral iets duidelijker maken
misschien met vruch <"
tempo doeloe doeloe
Hieruit ziet men
nooit nieuw en het
De wettige echt
Regent, de Raden
gewoonlijk
          bij
culiere receptiën
waarneemt, krij-
niet te zien. Zij
(jp bezoek bij haar
Regent toont ons
in een der binnen -
Die binnenvertrek
woonkamers,
         zijn
strekt niet vorstelijk
daar staan zilverkasten
paar groote tafels met
lijke kleinere met kleurige
grond is met fijn gevlochten
en aan de gewitte muren
Kaden Ajoe.
van Soerabaja.
hangen tusschen verschil-
lende vvapenrekken allerlei staalgravures en portretten.
— Di sini ada portret dari Koning Willem III — dari Njonja Radja
— Koningin Wilhelmina, zegt de regent op beide afbeeldsels wijzend —
itoe portret Gouberneur-General \'s Jacob, itoe bapa (papa) pan Delden,
adviseur ihlandsche zaken — was goeie brave man. Sobat kras!
Zonderling is in die vertrekken de vereeniging van Kuropeesche meubels,
Indische matten en stoffen en Javaansche wapens en rariteiten. Hier
staat b.v. op een tafeltje een mooi versierd album vol photogratién, daar
een gegraveerde koperen gendi (waterkan), een sirihdoos en een paar
-ocr page 292-
jKo
TE SOK KA HA JA.
van hout gesneden hardgekleurde Balinecsche beeldjes en aan de zoldering
hangen ettelijke ronde, van dunne rottan gevlochten kooien met tortel-
duiven, een vogel, die bij den Javaan zeer in aanzien is, omdat bij volgens
bun begrippen geluk aanbrengt. Op een der tafeltjes prijkt een groote
Zwitschersche speeldoos, op een ander een antieke Javaansche koperen
ketel en onder stolpen een paar gewone glazen bloemvazen ■— Neuren-
burgsch goed, met schelgekleurde papieren bloemen en grassprieten van
klatergoud. In het licht van de talrijke petroleumlainpen en kaarsen, die
in pendoppo en binnenvertrekken branden, ziet alles er goed en prettig
uit, maar in eerlijk blank daglicht zou men spoedig tot de ontdekking
kunnen komen, dat een open pendoppo al te vrijen toegang geeft aan
het stof en dat in ,,de kaboepaten" een echte Hollandsche huismoeder,
die dol is op groote schoonmaak en schommelen, haar hart duchtig zou
kunnen ophalen.
De Regent betuigt ons nogmaals met welgekozen woorden zijn spijt,
dat zijn vrouw niet thuis is en stelt ons zijn oudsten zoon voor, de
panghoelo (opperpriester van de missigit), die met neergeslagen oogen
o]) zijn hurken blijlt zitten totdat zijn vader hem wenkt om op te staan.
Die zoon, veel minder aristocratisch van uiterlijk en meer het type van
den gewonen Javaan dan zijn vader, ziet ons met dweepachtige oogen
aan, maakt een buiging en zegt dan —- niemendal. Hij is een van de
wettigi- erfgenamen, maar de Regent heeft nog legio andere af stam me-
lingen, die geen gelijke rechten hebben omdat zij geboren werden uit
bijvrouwen; —- de veelwijverij is n.1. aan de Javaansche hoven nog in
zwang. — Raden Adipati Aiijo Tjokro Negoro heeft in zijn vrouwen-
verblijf verschillende vrouwen van onderscheiden ras, die tegelijk de
onderhoorigen zijn, de slavinnen, van zijn niet jaloersche, wettige echt-
genoote, de Raden-Ajoe. Daardoor heeft hij dan ook zoons — de dochters
worden eenvoudig genegeerd — die zeer verschillend van tint zijn. Ik
zag o. a., toen eenige dagen later de Regent mij met zijn rijtuig afhaalde
om de Missigit te gaan bezichtigen, een alleraardigst mooi ventje van
circa twaall jaar, zeer blank en met gitzwarte oogen, dat met ons mede-
reed en goed Hollandsch sprak. Zijn moeder is een non na, die met
andere Javaansche of Maleische vrouwen de gunsten van den Raden
Adipati deelt. Voor een eerzaam Hollandsch burger klinkt het eenigszins
zonderling, wanneer men leukweg over de polygamie hoort spreken als
over een doodgewone usance en destemeer valt het op, wijl men in Holland
nooit openlijk over dergelijke dingen spreekt, omdat „\'t zoo immoreel is",
maar toch doet zich bij ons het eigenaardig verschijnsel voor, dat menigeen
met een deftig, braaf en godvruchtig witte-das-gezicht de theorie afkeurt,
terwijl hij in \'t geheim de praktijk naarstiglijk beoefent.
-ocr page 293-
TE SOERABAJA.                                                         28I
In den loop van het gesprek valt liet mij op, dat de Regent zeer goed
op de hoogte is van de politieke toestanden in Europa, hij spreekt met
kennis van zaken over een en ander en zegt onder meer van den
Duitschen Keizer, zeer eigenaardig: — Hij is een jong man met grijze
hersenen, en zijn hloed loopt somtijds sneller dan zijn verstand. Voor
onze jonge Koningin koestert hij groote sympathie en vereering. — O !
zegt hij, als het H. M. behagen mocht om Indië een bezoek te brengen,
zou haar tocht door de Kolonie één triomftocht zijn, maar dat zal wel
nooit gebeuren — en toch zou ik haar zoo gaarne eens zien, die mooie
jonge Koningin.
Koningin Victoria noemde hij: de grootmoeder der Vorsten. Dat Frankrijk
geen Vorst had vond hij dwaas, dat begreep hij niet goed.
Zonderling mengsel van naïviteit, verstand, Oostersch despotisme en
volgzaamheid denk ik, als ik hem aanzie en opmerk, hoe allen hem
onderdanig zijn, hoe hij met één wenk, met één blik zijn Javanen
beheerscht en zelf toch feitelijk maar een jongere broeder van den
Resident is !
Als wij, na een uurtje bij hem te hebben doorgebracht, vertrekken
zullen, staat hij op, maakt een buiging voor onze dame, biedt haar gracieus
den arm en geleidt haar terug naar het rijtuig, dat ons nu naar de woning
van den Luitenant-Chinees The Toan Ing zal brengen. De Javanen, zijn
familie en bedienden, die links en rechts in de pendoppo hurkten, komen
langzaam met den eigenaardigen javaanschen hurkenloop achter hem aan,
tot aan de trap en groeten ons zeer eerbiedig —- de kleine grappen-
maker rolt bijna de treden af om het portier te openen. Wij stappen in
en op de onderste treden van de trap voor zijn huis staat de Regent
hoffelijk knikkend en vaarwel wenkend met de hand.
-ocr page 294-
282
TE SOERABAJA.
IV.
Ken Chineesch huis is geheel verschillend van en geheel anders ingericht
dan een regentswoning; het heeft over \'t algemeen een vroolijker aanzien
en, afgescheiden van de groote ronde openingen, die als vensters dienst
doen en de zonderlinge versierselen aan dak en gevel, iets meer Europeesch.
Meestal bestaat het uit één breede verdieping, met een ruime voorgalerij,
groote binnenvertrekken en een open binnenplaats, waaromheen de overige
kamers gegroepeerd
zijn. Alles te samen
beslaat dikwijls een
ruimte groot genoeg
om er een blok van
zes of zeven flinke
Hollandsche huizen op
te zetten.
Het huis van The
Toan Ing echter is niet
volkomen typisch Chi-
neesch, het is eerder
een fraaie, ruime met
smaak ingerichte, ver-
europeeschte woning.
Vóór de groote galerij,
die zich over de geheele
                                      Chineesch huis.
breedte uitsteekt is een
tuin, vol zonderling gegroeide en vervormde boom en, pagoden, Chineesche
tempeltjes, gedrochtelijke porceleinen en steenen standbeelden en groteske
bronzen voorstellingen van dieren, draken, goden en monsters. De
luitenant-Chinees is een groot liefhebber van rariteiten en oude Hindoe
overblijfselen en heeft voor zijn huis ir de open luclii een klein museum
gesticht, waar tusschen groote hoornen, heesters en mooie bloemen allerlei
bezienswaardige zaken staan. Te midden daarvan verheft zich een merk-
waardige uit China geïmporteerde koepel van verguld en beschilderd
-ocr page 295-
283
TF. SOERABAJA.
porcelein, eenmaal dienst doende als eeretroon voor den vader van The
Toan Ing, die op zijn zeventigsten verjaardag door al de Chineezen van
Soerabaja gehuldigd werd. De; Chineezen koesteren een waarlijk treffenden
eerbied voor hun vader, die zoolang hij leeft een onbeperkte macht over
zijn familie uitoefent en dikwijls worden door de zoons ontzachelijke
sommen besteed om dien zeventigsten geboortedag, den dag waarop de
vader, volgens hen, den ouderdom ingaat, luisterrijk te vieren. Zoo had
ook de luitenant vroeger een kostbaar feest gegeven, waarvan de koepel
en andere versieringen in den tuin nog de overblijfselen waren.
Verschillende uit één stuk gehouwen steenen bakken met dwerg-boompjes,
miniatuur-tamarinden, mangga\'s, palmen, waringhins en bamboes, wekten
mijn ongeveinsde zwwondering; bewondering kon ik niet koesteren voor
die min of meer kinderachtige voorstellingen van berglandschappen, met
huisjes, overbrugde watervalletjes, porceleinen menschcnbeeldjcs en
boompjes, alles heusch, echt, klein en ongeproportionne^rd. Ze deden mij
te veel denken aan die ouderwetsche mécanique schilderijen waarop men
een schip met volle zeilen ziet varen in een zee vlak bij een molen, waarin
een molenaar zakken opdraagt, grooter dan de marszeilen van \'t hobbelende
schip, terwijl op den voorgrond een spoorweg uit en in een tunnel rijdt
en tegen den achterwand een luchtballon schuins door de hard blauwe
wolken stijft, \'t Kenige wat ik in die Chineesche dwerg-landschappen
waardeer is het taaie geduld, waarmee de vervaardiger de boompjes heeft
weten te snoeien en te verminken, zoodat ze ten slotte, als ouwelijke,
maar gezonde gedrochtjes, jarenlang kunnen voortleven. Het is nog steeds
een geheim hoe die zonderlinge, verkleinde hoornen worden voortgebracht
en daarom betalen de Chineezen groote sommen voor een dergelijke wei-
geslaagde kreupele en kromme vegetatie-proef.
Is de tuin van den luitenant volkomen Chineesch, zijn huis daarentegen
is bijna Kuropeesch, weelderig en met eenigen smaak gemeubileerd, keurig
gedrapeerd met élégante portières en lambrequins.
In de groote, zeer ruime binnenzaal, netjes behangen en met een, door
Weijermann, een jongmensch, die in het Samarangsche weeshuis zijn
opleiding genoot, geschilderd plafond, voorstellende alle mogelijke soorten
Indische vruchten in natuurlijke kleuren, staan prachtig gebeeldhouwde
Chineesche meubels van ingelegd ebbenhout, tusschen moderne djattihouten
stoelen en spiegelkasten. Een rijkdom van bronzen beelden, artistiek en
zeldzaam, versiert zoowel die zaal als de andere vertrekken, die met be-
reidwillige hand voor ons werden geopend.
Menig museum kan niet zooveel prachtig beeldhouw- en snijwerk in
ijzerbout, speksteen, ivoor, parelmoer, ebben- en palmhout aanwijzen, als
de particuliere vertrekken van Soerabaja\'s luitenant Chinees!
-ocr page 296-
284
TE SOEKABAJA.
Sommige buitengewoon kunstig gesneden meubels zijn van do hand van
Poei Tjing Kik, de artist, die later zijn ongemeene bekwaamheid misbruikte,
door de gravures te maken voor de valsche bankbiljetten, die een paar
jaren geleden geheel Indië in rep en roer brachten. Jammer voor hem
dat de justitie, niet van zulk een groote vaardigheid gediend, zijn kunste-
naarsloopbaan in die eens kettinggangers veranderde.
Als bijzondere merkwaardigheid vernield ik nog den meer dan 1000
jaren ouden scepter van een der Chineesche keizers, die als familiestuk
in het geslacht The Toan bewaard wordt.
Met waarlijk verlegen makende vriendelijkheid en onuitputtelijk geduld
toont en verklaart de luitenant ons al zijn merkwaardigheden en noodt
dan tot rusten in de voorgalerij.
Wij worden voorgesteld aan zijn echtgenoote, die er in haar Chineesche
kleeding allerliefst uitziet. Zij is een knappe, nog jonge vrouw, met bijzonder
mooie donkerbruine oogen, die een zeer zachte, lieve uitdrukking geven aan
haar fijn besneden gelaat, waarop — een zeldzaamheid in Indië — een
natuurlijke blos ligt, die haar reeds aangename trekken nog sympathieker
maakt. Haar prachtige tanden toont zij als ze lacht en zij lacht dikwijls,
goedig en vriendelijk, terwijl zij met een muzikale stem spreekt of vraagt :
— Toewan soeka minoem ajer djeroek ? blieft meneer ook een glas limonade ?
Haar toilet is eenvoudig, maar rijk. Als bovenkleed draagt zij een
crème-kleurig, mooi geborduurde, zijden badjoe met een kanten plooisel
om den hals en kanten manchetten, die halverwege haar sierlijke handjes
bedekken. Uit den korten donkerrooden rok van zwarte gebloemde zijde
komen haar kleine keurige met bonte figuren geborduurde rijglaarsjes te
voorschijn en in haar gitzwarte coiffure vonkelen diamanten kapspelden
naast een roode roos. Ofschoon zij groote brillanten oorhangers, ringen
en armbanden, een schitterende broche en diamanten knoopjes aan haar
„badjoe" draagt, is zij toch in \'t minst niet opgepronkt of overladen ; haar
geheele costuum is smaakvol en harmonisch van kleur.
Even als haar echtgenoot, die Europeesch gekleed is en alleen de
haarstaart en het verplichte Chineesche baadje draagt, echter zóó gemoder-
niseerd, dat het verschil met een gewoon jacquet bijna onmerkbaar is,
heeft zij zeer beschaafde manieren, weet uitstekend te recipieeren en
toont zich in alles vrouw van stand.
The Toan Ing spreekt geen woord Hollandsch, ofschoon hij er iets van
verstaat, wanneer men langzaam spreekt en alweder komt het weinigje
Maleisch dat ik ken mij goed te pas.
Na de aangeboden vorfrissehing te hebben gebruikt brengt de luitenant
ons naar de Chineesche wajang (het theater) dat op zijn hoog-bevel dien
avond voor ons een extra voorstelling geeft.
-ocr page 297-
285
TE SOERABAJA.
De schouwburg is niet ver van zijn woning verwijderd, maar toch rijden
wij er in zijn keurige equipage heen; loopen is in Indië iets wat men
bijna luxe zou kunnen noemen.
Als wij binnenkomen, kijken de niet talrijke toeschouwers ons met
verwonderde oogen en gapende monden aan en een van de directeuren
gaat ons, telkens diep buigend, vóór om de gereserveerde plaatsen
aan te wijzen.
Ken Chineesch theater is een zeer zonderlinge, primitieve inrichting,
gemeenlijk een groot, hol, weinig versierd gebouw, met amphithéaters-
gewijze oploopende ruwe houten banken ;
alleen de twee of drie voorste rijen
zitplaatsen bestaan uit leunstoelen met
rieten zittingen, verder meestal een
galerij, waar de vrouwen mogen zitten.
Het tooneel is een verhevenheid, zonder
voordoek, coulissen of andere schermen.
Schrikkelijk mooie hel-roode, blauwe
en gele zijden lappen vol van met
goud- en zilverdraad en pailletten
geborduurde draken, figuren en letters
hangen boven en aan weerszijden van
het podium. Afgrijselijk woest bukkende
vergulde monsters met vurige tongen
The Toan Ing.
Luit.-Chinees van Soerabaja
• en onmogelijk lange gekrulde staarten,
dienen als versiering, en verschillende
gekleurde papieren lantarens, met gewone petroleumlampen of gasvlammen,
verlichten het tooneel. Voetlicht is er niet. Het orehest is onzichtbaar, omdat
het ter zijde, onder of achter het tooneel is geplaatst. Richard Wagner
heeft dus waarschijnlijk de plaatsing van zijn Bayreuth-orchest heimelijk
van de Chineezen afgekeken. Dat de musici niet zichtbaar zijn is voor
hen een zegen, want ieder welgeaard Europeaan zou, dunkt me, indien
hij ze ontdekte, den lust niet kunnen weerstaan om ze in het haar ....
neen ! naar den staart te vliegen, ze aan dat versiersel op den grond te
trekken en duchtig af te ranselen, want grooter beleediging wordt nooit
het gehoorvlies aangedaan dan door de Chineesche wajangmuziek. Wel
heeft de beroemde pianist 1\'aderewski eenmaal gezegd, dat hij overtuigd
is, dat slechts die muziek „de ware, de eenige aesthetisch-w/^//v//t\'" is,
maar ik geloof, dat de groote kunstenaar op dat oogenblik door overmaat
van artisticiteit of excentriciteit aan een aberratie van \'t onderscheidings-
vermogen heeft geleden, of dat zijn smaak door te veelvuldig genot op
den dwaalweg is geraakt, evenals die van lekkerbekken, die aan een
-ocr page 298-
286
TE SOEKABAJA.
patrijs in vergevordenden staat van ontbinding een buitengewoon haut-
goüt toekennen.
Een helsch lawaai — de openings-symphonie — kondigt het begin der
voorstelling aan.
Het verborgen orkest voert een stuk uit, dat onmiddellijk doet denken
aan een smidswinkel, waar de stormwind, door open deuren en vensters
gierend, ijzeren platen en staven rammelend doet dreunen, totdat er plot-
seling eenige omrollen, in hun val ettelijke bakken met oud-roest en spijkers
medeslepend, terwijl de leerjongens elkander gillend van zenuwachtigheid
afranselen. Een oogenblik wordt \'t stil, de wind is gaan liggen en de
deuren en vensters klepperen nog slechts nu en dan op de maat van een
harmonica, die, met alle registers en kleppen tegelijk open, krachtig wordt
uit- en ingehaald, door iemand die met den eenen voet een hond op den
staart trapt en met den anderen een krolsche kat over den rug strijkt.
Plotseling hoort men voor de deur een blindeman op een valsche klarinet
jammeren en een aantal schoolkinderen met griffels op leien krassen, ge-
accompagneerd door een afloopenden wekker en den ratel van een asch-
karreman. Dan steekt de wind weer op. Huilend en gierend door de
smidse, gooit hij alles omver wat nog staande was gebleven !
De symphonie is uit en de toehoorder op \'t punt van krankzinnig te
worden !
De acteurs — ook de vrouwenrollen worden door mannen vervuld —
doen hun best om in harmonie met het orkest te blijven, want zij spreken
met een allerakeligst piepend fausset geluid, min of meer zingend, geca-
danseerd of schreeuwen als magere varkens om het steeds begeleidende
orkest te kunnen overstemmen. De costumes zijn mooi, schitteren van
\'goud en loovertjes — bont gekleurd overladen met borduursel, valsche
steenen en agrementen — de grimeering is overdreven grappig, ernstig
en monsterachtig. Reusachtig lange zwarte, grijze of witte baarden en
knevels moeten verraders, oude of stokoude vorsten en helden typeeren.
Ik geloof dat in de Chineesche tooneelstukken, als ze niet geschiedkundig
zijn, uitsluitend kwaadaardige schurken of edele en lijdende grooten worden
opgevoerd, want met sabels zwaaien, met pieken steken, moorden, ver-
wonden of met sentimenteel omhoog geslagen oogen sterven, genade
smeeken en met woest geweld „neen" en ,,nooit ofte nimmer niet"
schudden, komt elk oogenblik voor.
Het stuk, dat ons ter eere wordt opgevoerd, is een drama, ten minste
ik houd het er voor, omdat de spelers, zooals mijn vriend het uitdrukt:
,,zoo doodgaanderig" kijken.
Eerst zien we een jonge dame, die erg last heeft van haar maag, want
ze wijst telkens met alle teekenen van afschuw op dat lichaamsdeel; zij
-ocr page 299-
287
TE SOERABAJA.
grient met de oogen knippend en loopt een tijdlang heen en weer met
kleine dribbelpasjes, als iemand die last heeft van buikpijn, totdat zij moe
wordt en op een houten bankje gaat zitten, om daar door hikken en op-
rispen haar lijdende maag eenigszins lucht te geven. Nauwlijks is zij
wat beter en bedaart de kramp of een leelijke, zwaar gewapende „ver-
raaier" met een lange zwarte sik komt, met zevenmijlsstappen, tussenin
twee paarsch-zijden bedsteegordijnen tt* voorschijn tredend, op het tooneel.
üok hij heeft hinder van zijn digestie en longen, dat is duidelijk merkbaar
door de aanhoudende massage, die hij op zijn borstkas toepast. Zijn metalen
beenstukken rinkelen en zijn zuchten doen denken aan een droezig paard.
Chineesch théiilur.
Eensklaps matigt hij zijn tred, zet het hoofd vooruit als een haan die
kraaien wil, maakt met zijn achterlijf een draaiende beweging, ten bewijze
dat hij de jonge maagd ontdekt en bemint en sluipt dan achter haar.
Zij zit in diep droevig gepeins verzonken met de eene hand onder het
hoofd; met de andere krabbelt zij op haar maag. Plotseling ziet zij op;
ontwaart den ge-baarden falsaris en maakt duidelijk de beweging van
scheren, \'t Is alsof ze hem zeggen wil : — Ga je eerst laten scheren,
leelijk mormel, je loopt met het dubbeltje van den barbier in je zak !
Dat schijnt voor den verliefden held een te zware beleediging, want hij
brult als een verkouden leeuw, springt als een kakkerlak heen en weer
en valt eindelijk op zijn knieën. De jonge dochter schudt herhaaldelijk
„neen" en begint, begeleid door infernale muziek achter het tooneel,
-ocr page 300-
2 SS
TE SOERABAJA.
akelig te piepen en te janken. Dat irriteert hem, hij trekt ijn zwaard,
zwaait liet woest eenige malen over haar hoofd en hakt er dan mee op
den grond, zoodat de spaanders van de planken stuiven. De dame loopt
een paar maal het tooneel rond, voor zij besluiten kan gillend achter de
paarsche bedsteegordijnen te ontvluchten.
Zoodra hij ziet dat zij verdwijnt neemt hij een kloek besluit en —
steekt zijn zwaard weer in de schede, als een bewijs dat hij \'t niet zoo
boos had gemeend. Voor \'t publiek staande stompt hij een maal of zes
op zijn maagkuil en kwaakt als een kikvorsch zijn verdriet uit, tot dat
het hem zelf begint te vervelen en hij eensklaps rechts omkeert maakt
en ook maar in de bedstede verdwijnt.
Na hem verschijnt een blonde jongeling in de kleedij van een gewonen
koelie, zijn haarstaart hangt treurig peinzend op zijn breeden rug en zijn
oogen staan scheef van verdriet. (Jok hij vertelt aan het publiek dat hij
benauwd op de borst en kortademig is en houdt dan een lang gesprek
met een witgebaarden ouden heer, die uit een tot dusver onopgemerkt
poortje onder een der lappen kruipt. Dat gesprek duurt ongeveer tien
minuten en schijnt hen beiden erg te vervelen, zóó zelfs dat de oude heer
er eensklaps van dood gaat. Hij krijgt een apoplexie, draait eenige malen
als een aan toevallen lijdende kat om zijn eigen as, hikt, hoest en kromt
zich in allerlei bochten. Dan springt hij eensklaps rechtop overeind, clown-
achtig vóór- en achterover buigend, met een gezicht als verwonderde hij
er zich over dat hij op sijn jaren nog zoo lenig is. Met alle teekenen
van benauwdheid houdt hij zijn buik en achterdeel vast en bibbert zóó,
dat zijn tanden hoorbaar klapperen. De snijingen bedaren echter een
weinig en hij kuiert met deftigen stap naar een stoel, wil nog iets ver-
tellen maar verslikt zich aan zijn eigen stem en neemt dan plaats om op
zijn dooie gemak den laatsten adem te gaan zitten uitblazen.
Zoodra hij goed en wel overleden is, staat hij op, maakt minzaam
lachend een diepe buiging voor het gedistingeerde gezelschap, marcheert
met Hinken pas tweemaal het tooneel rond en kruipt dan evenals de
anderen in de paarsche bedstee.
De jonge Chinees begint, na dit treurig sterfgeval, met alle teekenen
van opkomende krankzinnigheid in \'t rond te loopen en op piependen toon
iets aan het publiek dat hij met schelvisch oogen aankijkt, te \\ertellen,
totdat een erg mooi uitgedost, maar gluiperig scheelkijkend heer, die
blijkens zijn voorzichtigen tred aan eksteroogen lijdt, komt, hem bekijkt
en dan als plotseling door hem aangestoken, even hard begint te piepen.
Met is niet uit te maken of ze ruzie hebben of zich vriendschappelijk
onderhouden, want nu eens maken zij heftige gebaren, dan weer loopen
zij als kippen, die hun ei niet kwijt kunnen raken, achter elkander aan
-ocr page 301-
289
TE SOERABAJA.
om eensklaps op hun schreden terugkeerend, tegenover elkander, met
opgeheven armen, te gaan staan gillen en schreeuwen, terwijl de muziek
voortdurend een leven als een oordeel maakt.
Ik kijk met alle aandacht toe en daar ik toch gaarne weten wil wat ik
eigenlijk zie, vraag ik eindelijk aan mevrouw The Toan Ing, die naast
mij zit: — Mevrouw wees zoo goed en verklaar me eens wat die lui toch
vertellen ?
Allerminzaamst lachend antwoordt de vriendelijke dame: — O! \'t is
een heel interessant stuk, want \'t speelt vier dagen achtereen, maar ik
versta \'t ook niet!
—   En ze spreken toch Chineesch, mevrouw!
—  Zeker! maar een ander dialect dan ik.
—   Maar mijnheer zal \'t toch wel verstaan ?
—  O, neen! hij ook niet — en ik geloof dat hier niemand \'t verstaat;
de acteurs zijn Chineezen uit Hongkong.
—   Maar dan is het een heel ondankbaar werk voor de spelers.
—   Hm, ja! maar ze worden erg goed betaald!
Wat \'n ideale toestand moet het dunkt me zijn voor acteurs om goed
betaald te worden en te spelen voor een publiek, dat niets van de voor-
stelling verstaat. Eerstens behoeven ze dan bun rollen niet te leeren en
tweedens kunnen ze dan ongestraft iedereen uitschelden, die hen niet
bevalt, wanneer ze maar zorgen zich niet zóóver te vergeten, dat ze hun
tong uitsteken of andere beleedigende gebaren maken.
Het publiek kijkt dan ook in de Chineesche theaters gewoonlijk in
stomme verbazing toe en geeft weinig teekenen van goed- of afkeuring.
Tusschenbeiden neemt het meer notitie van de thee, die in kleine kopjes
op bladen wordt rondgevent, dan van de voorstelling en nu en dan
wisselen de kijkers het kunstgenot af met het eten van droge visch, rijst
in pisangblad of inlandsch gebak. Sommige bezoekers nemen zelf hun
theepot mede in een gewatteerd mandje, dat de thee warm houdt. Alleen
te Singapore, waar ik ook een paar Chineesche theaters bezocht, merkte
ik op, dat nu en dan een hartelijk gelach opging, maar ik moet er
bijvoegen dat ik zelf ook meêlachte omdat de acteurs mekaar als een
paar clowns afrosten, op den grond gooiden en fopten. Waarschijnlijk
was het een blijspel dat daar werd opgevoerd, terwijl het stuk te Soerabaja
een drama bleek, omdat er later op den avond nog een paar acteurs
ad patres gingen, de een onder hevige stuiptrekkingen, langzaam, maar
zeker, de andere meer spontaan na \'t gebruik van een beker vocht die
hem niet best scheen te bekomen.
Er is iets erg huiselijks in zoo\'n Chineesch theater, want terwijl het
stuk wordt afgespeeld, zitten op het tooneel ter zijde dikwijls familieleden
\'9
-ocr page 302-
TE SOERABAJA.
290
van de acteurs op den grond bij een potje thee, koekjes etend en op
zeer ongeneerde wijze de kleine kindertjes — onvermijdelijke gevolgen
van hun onderling zeer gezelliger) omgang — helpend en schoon houdend.
Ik moet eerlijk erkennen dat ik mevrouw The Toan Ing nu nog innig
dankbaar ben, dat zij de beleefdheid had, vóór het einde der voorstelling
het sein tot vertrek te geven, want ik was op het punt om mijn gehoor
te verliezen en voelde een onweerstaanbaren lust om den Chinees, die
juist bezig was te sterven, een handje te gaan helpen.
Ken paar dagen na mijn bezoek aan den luitenant-chinees, ontving ik
zijn portret en naamkaartje met een souvenir, bestaande uit een tweetal
steenen Hindoe-beeldjes, die ik in zijn tuin-museum bewonderd had —
ik heb dit gewichtige aandenken, ze wegen samen circa veertig kilo,
gaarne aangenomen. Mijn studeerkamer is er thans mee versierd en ik
herinner mij steeds bij het zien er van de genoegelijke en interessante
dagen te Soerabaja doorgebracht.
-ocr page 303-
EEN TORVVAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.                           291
EEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.
We zaten samen in \'t hotel Egener te Probolingo aan \'t ontbijt. Hij
was na mij binnengekomen en had zich, op de in Indië gebruikelijke wijze,
aan mij voorgesteld met de woorden : — Mag \'k eens even met u kennis
maken. Mijn naam is Verbeke.
—   Ik heet Van Maurik!
—  Justus van Maurik ?
—  Juist!
—  Och ! dat doet me plezier — ik heb in de kranten wel gelezen dat
u een bezoek aan Indië brengt, maar \'k had nog niet het genoegen u te
ontmoeten. En toch heb ik, vooral in den laatsten tijd, dikwijls aan u
gedacht.
—  Ei, hoe komt dat zoo?
—  Wel! ik heb zoo nu en dan wat van u gelezen en daarbij dacht ik:
als ik dien man sprak zou ik hem voor de curiositeit mijn levensgeschiedenis
eens willen vertellen. Een auteur moet, dunkt me, graag zoo iets hooren,
al is \'t maar om zijn menschenkennis te verrijken of er later stof in te
vinden voor een schets of novelle, \'k Heb dikwijls gedacht, hoe halen
de schrijvers de dingen bij mekaar? Ze moeten zeker hier en daar lui
vinden, die hun op de hoogte brengen van een en ander...
—  Dat ziet u aan u zelf meneer... hum?...                             
—  Verbeke. Willem Frederik Hendrik Verbeke. Ja, \'k ben een Toewan!
\'k heb drie mooie voornamen, maar daar koop je niet veel voor. .. Dus
\'t zou u interesseeren als ik u vertelde welk toertje ik al zoo door de
wereld heb gemaakt?
—   Natuurlijk, maar mag ik even mijn notitieboekje halen, dan teeken
ik de hoofdpunten aan — mijn geheugen laat mij soms in den steek.
Hij lachte eventjes en streek met zijn hand over zijn dunnen rossigen
knevel: — Ga gerust je gang meneer, maar wanneer je \'t avond of
morgen mijn lotgevallen vereeuwigt, zet dan een anderen naam in je boek,
-ocr page 304-
2g2                           EEN TOEWAN KN ZIJN INVENTARISSTUK.
asjeblieft ? Ik heb nog veel familie in Holland en die lui mochten zich
eens ergeren; \'t zijn daar zulke brave zielen, weet u! Steunpilaren van de
kerk. \'k Heb twee dominees in mijn familie en ettelijke ouderlingen. De
witte das is erfelijk in ons geslacht.
—    Steek eens op meneer! \'n lichte sigaar — eigen fabrikaat, \'t is
meteen een adreskaartje van den fabrikant, al rookend vertelt men ge-
makkelijker.
—   Graag! Ja \'k heb al menig sigaartje van je naar den blauwen hemel
geblazen en soms terwijl ik een boek van je las. Dan dacht ik zoo: wat
\'n wonderlijke combinatie — sigarenfabrikant en schrijver — die man
moet een goed standje hebben. Hij raakt ze van alle kanten, ha, ha, ha!
—  \'t Is een dringende noodzakelijkheid dat ik fabrikant blijf, want van
zijn pen kan men in Holland niet leven, daarvoor is \'t land te klein, ergo. . .
—   Verkoopt u sigaren, Roko blanda! Hollandsche sigaren in blikver-
pakking, gegarandeerd tegen wormen, insecten en vocht. Hij sprak snel
en op één toon, als iemand die een les opzegt. Je ziet wel meneer, dat
ik de reclame-biljetten uit je kistjes van buiten ken, maar je hebt schoon
gelijk! Je moet turf opdoen zoolang je turven kunt, komt de oude dag
dan hebt je een beetje brandstof in huis om je stijve knoken bij te
warmen, \'k Heb ook altijd zoo gedacht in den beginne, maar och! mijn
turf is me tussebenbeiden door vrienden en buren afhandig gemaakt, en
\'k ben er zelf ook wel \'n beetje ruw mee omgesprongen. Sepada ! — hij
riep den jongen :
—   Minta whiskey-soda? Mag ik u ook een glas offreeren ?
—   Dank u, \'t is me nog te vroeg, \'k heb hier mijn thee nog staan.
—   Och! ik drink ze alleen uit gewoonte om iets te hebben wat m\'n
tong vochtig houdt; \'k heb zeker \'n droge lever! — Sedikit whiskey! zei
hij tot den jongen, die hem inschonk, \'k Neem maar een spoor whiskey
er in, om een smaakje aan \'t Apollinariswater te hebben. IJ zou kunnen
denken, dat ik, hij maakte de bekende beweging, van dat hield. Och
heer! neen, dat is \'t geval niet, zoolang ik onder de tropen ben, heb ik
in alle opzichten matig geleefd, \'k Heb dagelijks één enkel bittertje ge-
bruikt uit oud-Hollandsche gewoonte, voor den eten en \'s avonds een
toddy of een paar splitjes (half glas whiskey-sody) anders zag ik er zóó
niet uit op mijn vijf en veertigste jaar en \'k ben toch van mijn twee en
twintigste al in Indië. Kijk! \'k heb nog een goeien kop met haar en
mijn oogen zijn ook nog perfect.
Ik keek mijn nieuwen kennis oplettender aan. Hij was een man van
middelbare lengte, met een opgeruimd, bruingelig gelaat en helderblauwe
oogen, die frank en vrij onder borstelige, rossige wenkbrauwen rondkeken.
Zijn neus was nog al dik, maar met zeer bewegelijke vleugels, die op een
-ocr page 305-
KEN TOKWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.
293
zenuwachtig temperament wezen en als hij sprak, trok hij nu en dan zijn
bovenlip in \'t midden min of meer driehoekig op, zoodat onder zijn over-
hangenden dunnen knevel, de gave witte voortanden zichtbaar werden.
Over \'t geheel genomen, had hij iets goedigs, zelfs iets kinderlijks in zijn
uiterlijk, dat, ofschoon het een zeer burgerlijk type had, toch volkomen
fatsoenlijk en volstrekt niet ordinair was.
In den loop van het gesprek viel \'t mij op, dat hij de gewoonte had,
om van tijd tot tijd een der punten van zijn langen snor in den mond
te nemen en er op te bijten, terwijl hij zijn gedachten scheen te ver-
zamelen. Zijn handen, ze waren zeer goed verzorgd, schoon sproeterig
en zonverbrand van boven, hield hij al sprekend, geen oogenblik stil. Nu
eens krabbelde hij met zijn lange, zindelijke nagels aan de korte stoppels,
die aan zijn kin uitbotten, dan weer plukte hij met zijn vingers aan zijn
jaslapellen of streek door zijn kort geknipt, dik rosblond haar. Zijn ge-
heele persoonlijkheid was overigens kalm, zijn manier van vertellen klaar,
kort en duidelijk, soms bijna cynisch en zeker zou men hem een volkomen
rustig man hebben kunnen noemen, indien niet zijn handen zoo voort-
durend in beweging waren geweest.
— \'k Ben in Friesland geboren, begon hij ; op een klein dorp, waar
mijn vader plattelands geneesheer was. \'k Heb nog een veel ouderen
broer, die dokter is te Amsterdam — en ik ben ook begonnen met \'t
gymnasium, maar \'k had geen kop voor Latijn en Grieksch. Toen lub
ik \'t over een anderen boeg gegooid en ben gaan leeren voor den post-
en telegraafdienst, \'k Was bijna klaar en zou examen doen, maar daar
trof me een ongeluk met schaatsenrijden ; ik kneusde mijn been erg, heel
erg; \'k was er lang mooi mee! \'t Genas eindelijk, maar \'t was cirka een
halven decimeter korter geworden clan \'t andere. Niets aan te doen,
hoor! Ik was gesjochte, want even van te voren was voor de post- en
telegraafbeambten de keuring ingesteld en ik kon dus met mijn te korte
been naar huis hompelen.
Goeie raad duur! Wat te doen? In Holland liggen de baantjes niet
opgeschept, \'k Had een broer in Indië, ook al dokter, dien \'t naar den
vleesche ging. \'k Had hem geschreven: Jan, mijn eene poot is voorgoed
opgetrokken en heeft mijn carrière in de war geschopt, kun jij me ook
in je apenland gebruiken ?
Jan was een goeie hartelijke kerel en schreef me dadelijk terug: ,,Wim
kom maar over, — \'n aap meer of minder hindert hier niet. Ik zal je
wel op een koffieland plakken, daar kun je zoo mank loopen als je wilt!"
\'k Ben een vol jaar bij hem blijven logeeren om aan \'t klimaat te
wennen en de taal te leeren, want ik kon me beter redden met boeren-
friesch, dan met Maleisch of Javaansch, dat snap je wel. \'k Had \'t
-ocr page 306-
294                          EEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.
Javaanscli vrij gauw te pakken, Maleisch leerde ik van zelf onder de hand
en toen ik zoo\'n beetje van alles wat de planterij aangaat op de hoogte
was, kwam ik als assistent op een koffieland. \'n Hondebaantje hoor!
Toen daarna in de tabak. Ja, ik heb misschien menig plantje verzorgd
wat u later tot je onvergelijkelijke sigaren hebt laten verwerken. Van de
tabak kwam ik in de suiker en van de suiker weer in de koffie : maar
hoewel ik goed mijn brood had en zelfs een aardig stuivertje overlei,
begon me dat eenzame leven op die plantage de keel uit te hangen.
Eten en drinken heb je plenty, je kunt je zelfs vet mesten als je er lust
in hebt — maar leven? Neen! dat doe je op zulke ondernemingen eigen-
lijk niet, je leidt een plantenleven. Daar ben ik de man niet naar, \'k ben
een veel te jolige knaap, \'k hou van pret, van lachen, van dwaasheid op
z\'n tijd, en op zoo\'n land is \'t altijd en eeuwig koekoek-één-zang. Soms
zag ik weken lang geen ander Europeaan, dan m\'n collega, een saaie,
drooge vent, die me verveelde.
\'k Schreef weer aan Jan : „Broer" schreef ik, „als je niet wilt dat ik
hier vastgroei of als een knol in den grond blijf zitten, kijk dan eens
voor me uit naar wat anders.
„Kom maar hier" — antwoordde Jan — „dan zullen we op ons gemak
voor je uitkijken."
Ik weer naar mijn broer; die was toen al aan \'t sukkelen. Beroerd, hè?
dat zoo\'n dokter zich zelf niet cureeren kan en nog beroerder, dat hij
zoo precies weet wanneer ongeveer zijn lampje uitgaat.
„Als je je rept Wim!" zei hij, „dan kan ik je misschien precies nog een
handje helpen, voor ik de pijp uitga." Nu, dat heeft ie dan ook gedaan;
door zijn toedoen en voorlichting heb ik mijn examen kunnen doen als
opzichter bij den Waterstaat. Tegenwoordig maken ze die examens heel
wat zwaarder, maar toen ik het deed was \'t nog zóó erg niet. Wel zat
je zes dagen lang tegenover drie inspecteurs, die je, met permissie! \'t
hemd van je lijf vroegen, maar \'t ging goed — ik rolde er heerlijk door
met nog een ander, maar de rest werd afgewezen. Enfin ! troost jelui je
maar, zei ik, drie gekken kunnen meer vragen dan één verstandig mensch
antwoorden kan.
Ik lekker, dat vat je! En m\'n broer had er deeg van; hij liep in zijn
laatste schoenen, dat zag ik wel en den avond voor we hem dood in zijn
bed vonden, zei hij nog tegen me: „Wim! dat hebben we \'m nog net ge-
lapt, ouwe jongen! Kijk jij nou een beetje toe dat rnijn vrouw en kinderen
goed naar Holland komen."
                                                 . \'
Goddank ! ze konden leven, Jan was altijd zuinig en oppassend geweest.
Een heele poos ben ik opzichter bij den Waterstaat geweest, maar veel
vooruitzicht had ik niet en \'k begon ook alweer genoeg te krijgen van
-ocr page 307-
EEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.                           295
dat dwarskijkersbaantje; \'k heb me nooit lang bij één ding kunnen be-
palen, dat merk je wel! Daar gebeurde me iets wat je toeval of fortuin
zou kunnen noemen, \'k Was te Semarang en maakte er kennis met een
Engelschman. Toen die mijn naam hoorde vroeg hij : Hen jij soms een
broer van dokter Verbeke ? Ja! dan doet \'t me plezier je te ontmoeten. . .
jou broer heeft mij radicaal van de spruw genezen, ik was destijds een
arme slokker en hij heeft me nooit iets laten betalen: daar hen ik hem
nog altijd dankbaar voor!
Ik vertelde hem dat ik mijn bekomst had van den Waterstaat en dat
ik wat anders wou beginnen. Well! zei de Engelschman, word aannemer.
Je zegt immers dat je wat geld hebt — ik ben toevallig in de gelegen-
heid om je goed werk te bezorgen. Je kunt op mij rekenen! \'k Moor
hem nog zeggen: — Your brother cured my body, I shall cure your
affairs! En hij hield woord! Ik nam mijn ontslag, werd aannemer en hij
bezorgde mij plenty werk. Zie je, dat was nog eens een man die voor
een ander wat over had.
Jongens, ik bofte toen zoo! In vier jaren tijd had ik een goeie zestig-
duizend gulden overgelegd, \'k had royaal geleefd en me waarachtig niet
verkniesd. Was ik destijds aannemer gebleven dan zou \'k misschien nu
een ton of wat in de wereld hebben, maar de duivel mag weten hoe \'t
kwam, ik kreeg van de aannemerij ook al weer genoeg, \'k Geloof dat
ik toen, voor mijn doen, te veel geld had, en dat de broodkruimels int;
staken. Op aanraden van een goed vriend — de satan mag hem voor
mijn part halen — kocht ik een koflieplantage. De rakker wist wel dat
\'t ding geen geld waard was, maar hij kreeg zijn provisie en daarom was
\'t hem te doen. Dat was God beter \'t een landsman. Ja! van je vrinden
moet je \'t maar hebben.
\'t Begon me tegen te Ioopen; in de boontjes lukte \'t niet. Eerstens
waren de gronden niet goed en tweedens hielp Toewan Allah niet mee.
Mislukte oogsten, ziekte in de boonen, slechte prijzen, alles werkte samen
om me uit te kleeden. \'k Zat in een minimum van tijd in de beer en
wel zóó dik, dat ik geen gat meer zag om er uit te komen.
\'k Wist geen raad en dacht: waarom zal ik nou langer al die soesah
hebben. Kinderen hou ik er niet op na, mijn familie in Holland zal me
niet missen, ik blaas me een blauw boontje in m\'n kop en Soedah!
Maar \'k heb het niet gedaan en weet je wie me terug gehouden heeft?
Mijn huishoudster!
Je begrijpt wel dat \'k in Indiê zoo\'n nuttig meubel hebben moest, en
toen ik er eenmaal toe overging om zoo\'n inventarisstuk aan te schaffen,
heb ik er naar mijn beste weten een uitgezocht van goeie kwaliteit,
\'k Heb nog al een gelukkige hand in dat soort van zaken — en daarom
-ocr page 308-
296                           KF.N TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.
trof ik \'t zeker ook zoo best. Ik kreeg een Boegineesche, Sina heette
zij. Mooi was ze zoolang ze heel jong was, later had ze toch nog een
dragelijk gezicht, maar trouw! trouw meneer! als een hond. Ik heb haar
achttien jaar lang bij me gehad, nu is ze sedert een paar maanden dood...
Verbeke zweeg even, beet op de punt van zijn knevel, keek naar zijn
lange nagels, nam toen een teugje whiskey-soda en vervolgde:
—   Ja! ze is dood, \'t onthandt me erg, want ze deed alles voor me.
Enfin je kunt niet eeuwig bij mekaar blijven, hè? Maar om op mijn
koffieplanterstijd terug te komen : ik wou me dan maar gewoonweg voor
den kop schieten en \'k zou \'t gedaan hebben ook, wanneer Sina me niet
\'t pistool uit de hand had geslagen. Ze gooide \'t voor mijn oogen in de
kali en zei: — Ben jij een man en kan jij je ongeluk niet dragen?
Toewan Allah heeft je eerst rijkdom gegeven, die heb je aangenomen —
nu neemt hij je het geld weer af — - moet je je daarom doodschieten?
Foei! ik ben maar een zwakke vrouw, maar ik heb meer moed dan jij —
Ajo! wees vroolijk; ik heb den goeden tijd met je doorgemaakt, ik zal
je ook door den slechten helpen. We zullen er samen wel komen. Zij
bracht mij een groote achthonderd gulden, die zij bespaard had en zei:
daar! dat heb ik nog, daar beginnen we weer mee!
Sina\'s broer was tuinjongen bij me en haar vader had ik als mandoer
op mijn land. Je begrijpt, met die familie van je huishoudster bemoei je
je nooit — je blijft altijd Toewan tegenover die lui — maar toen ik met
Sina \'t land afging, waren ze erg beroerd, ze hadden kashian met ons.
—   Ja, die vader van Sina was een wonderlijke kerel, goed van hart,
maar een driftkop. Hij had in vroeger jaren, voor hij getrouwd was met
Sina\'s moeder, een perkara gehad met een anderen inlander en wel door
een haan — dat wil ik u even en passant vertellen, \'t teekent zoo\'n
beetje de toestanden onder die lui.
Hij had namelijk een vechthaan, die zich meten zou met dien van zijn
neef. U weet zeker wel dat de inlanders dolle liefhebbers zijn van hanen-
gevechten en dikwijls bij die gelegenheden voor hun doen groote sommen
verwedden. Soms zelfs verspelen zij op die manier hun heele hebben en
houden, hun huis, hun sieraden, kortom alles! \'t Is een passie, die hen
volkomen beheerscht.
Nu gebeurde het dat de haan van mijn schoonvader het verloor, zijn
neef lachte hem daarom uit, ze kregen woorden en om een eind aan de
zaak te maken trok Sina\'s vader zijn kris en stak zijn soedara overhoop.
Hij vluchtte naar Macassar, werd daar aangeworven als cavallerist en
kwam in later jaren weer op Java terug. Daar nam hij een andere vrouw,
zijn vorige was te Macassar gebleven, en kreeg een dochter, Sina, mijn
huishoudster.
-ocr page 309-
EEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.                            297
Hij was waarachtig een eerlijke flinke kerel, dat heeft hij me later be-
wezen, maar dat zal ik u strakjes vertellen, laat \'k nu bij mijn eigen
lotgevallen blijven.
Met het geld van Sina begon ik weer zoo hier en daar een klein
werkje aan te nemen, \'k Had nog genoeg relaties en \'t gelukte me er
weer in te komen. Eerst vlotte \'t niet te best, maar eindelijk kreeg ik
beter werk en binnen een groote anderhalf jaar bad ik weer een dikke
vijfduizend gulden over. Sina administreerde mijn duiten, begrijp je?
En ze deed dat zóó goed, ze hield van zóó weinig huis en paste zóó op
alle kleintjes, dat ik zelf verwonderd was dat we \'t in ieder opzicht roiaal
hadden en toch zoo bitter weinig uitgaven. Daar kreeg ik op eens een
groote aanneming voor Menado op Celebes, een werk waar een ferme
duit aan te verdienen was. Ik moest er natuurlijk zelf heen, maar wou
Sina niet mee nemen — \'k had haar genoeg geld gegeven en voor alles
gezorgd, zoodat zij \'t goed kon hebben zoolang ik weg was — ze scheen
zich te schikken in die scheiding, maar toen ik goed en wel op de boot
zat, zag \'k haar op eens voor me, met haar vader. Ze kwamen me
smeeken haar mêe te nemen. Eerst wou ik er niet van weten; \'k was
nijdig, want \'k vond het onhebbelijk dat ze me tegen mijn zin gevolgd
was, gaf haar een frisch standje en zei tegen haar vader: — neem haar
weer mee ; \'k kan haar op reis niet gebruiken, maar ze lei als een hond
aan mijn voeten, ze omvatte mijn knieën en riep: ,,\'k Zal sterven als
mijn heer heengaat en ik weet hij kan mij niet missen, hij heeft Sina
noodig om voor zijn geld te zorgen. Och! neem me mee anders kom je
arm terug" en de vader zei: „Sina heeft geen ander in haar hart, laat
haar niet sterven?\'\'
\'t Was een allernaarste historie, een scène van belang aan boord. Enfin!
ik liet me verbidden en zei: — nu in Gods naam dan, blijf! Toen zoende
ze mijn handen, mijn voeten, ze kroop voor me op den grond, meneer
en met al die malligheid was de boot onder stoom gegaan en waren we
al een heel eind van de pier. Schoonpapa had er evenmin op gelet als
wij, maar toen hij zag dat ik Sina bij me hield, kreeg hij het in eens in
de gaten.
Slamat djalan ! riep hij ons toe, trok achter uit zijn hals zoo\'n lang
mes, dat hij op zijn rug onder zijn baadje had, nam \'t tusschen zijn
tanden en jumpte overboord. Hij zwom naar land, dat is voor zoo\'n
Boeginees maar een kleinigheid....
—  En dat mes, meneer Verbeke?
—    O! dat was voor \'t geval dat hij een haai tegenkwam, maar \'t is
overbodig geweest, hij is goed en wel aan land gekomen. Sina en ik
hebben samen — ja bepaald samen — dat werk te Menado afgemaakten
-ocr page 310-
298                           EEN TOEWAN EN 7.IJN INVENTAK1SSTUK.
toen \'t op zijn eind liep werd ik daar zwaar ziek ; hevige koortsen. Toen
was ik toch blij dat ik haar bij mij had. Ze heeft me verpleegd — dat
doet geen sccur de charité beter — achttien dagen lang is ze niet van
mijn bed weggeweest en toen ze zag dat de dokter mijn ziekte niet
meester werd, heeft zij zelf in \'t bosch kruiden gezocht en een drank ge-
brouwen, die me heel gauw er boven op hielp, \'k Herinner me niet alles
van die ziekte, want ik was soms buiten westen, maar ik weet nog best
dat ik niet kikken kon of ze stond voor me. Ze lei op een matje voor
mijn bed, en was er met geen stok weg te slaan. Ja, \'t was in haar
soort een kranig mensch, maar ten slotte werd zij ook ziek en toen
keerden we de rollen om en heb ik haar opgepast. Zij was gauw weer
op dreef, want bij haar was \'t alleen maar overspanning en vermoeienis
en ze zei:
— Sina wordt vanzelf beter nu jij beter bent.
Zoo ben ik dan weer een heelen tijd in de aannemerij gebleven, totdat
ik ineens lust kreeg om een poos naar Holland te gaan. Natuurlijk kon
ik Sina daarheen niet meenemen, mijn heele familie zou een onzedelijk-
heidsstuip hebben gekregen als ik met mijn bruine huishoudster was komen
aanzetten. Ik sprak er met haar over; ze was in die dingen nog al be-
redeneerd en bevattelijk en zei zelf: — Ja: ik begrijp heel goed dat je
eens naar je familie wil en ook dat ik niet mee kan gaan, maar mijn
hart zal bij je zijn — en kom je weerom?
Natuurlijk, zei ik, maar hoe vraag je dat zoo? Och! zei ze, misschien
blijf je in Holland en zoek je daar een blanke, Europeesche vrouw. Dat
zou ik je niet kwalijk nemen, want dat moet er voor ons vrouwen toch
te avond of morgen van komen — maar kijk goed uit wie je neemt. Je
bent goedig en je moet een vrouw hebben die van je houdt, — ze wees
op mijn been — die begrijpt dat Toewan Allah je al genoeg misdeeld
heeft en die je goed behandelt. Als je met haar terug komt en ze is
niet goed voor je — laat ze dan uit mijn weg blijven !
\'k Had Sina nog nooit zóó gezien, ze was compleet in de war en begon
te huilen dat \'k er bepaald beroerd van werd. Ze heeft alles voor de
reis voor me in orde gemaakt, keurig, alles nieuw. Slaapbroeken, kabaaien,
flanellen, zelf genaaid op de machine. Ja, ze was verduiveld handig en
zorgzaam ook, want — hij lachte hartelijk —• ze had zelfs een flesch
obat (medicijn) in mijn koffer gedaan, voor \'t geval dat ik weer eens
zoo\'n koorts mocht krijgen.
In Europa heb ik ruim anderhalf jaar genoten van alles wat te genieten
was, te Parijs, Brussel, Berlijn, Weenen, Hamburg en Amsterdam, \'k Heb
overal een lieve duit laten zitten. Wat \'k over verdiend had, was glad
opgegaan, als \'k niet uit voorzorg een beetje geld in Indië op de bank
-ocr page 311-
KKN TOEWAN KN ZIJN INVENTARISSTUK.                           299
had gezet. Met dat kapitaaltje ben ik weer begonnen toen ik terug
kwam. Sina was blij als een kind. Verbeeld je, ze was mager ge-
worden en stil, \'t was net alsof ze zich mijn afwezigheid aangetrokken
had — nu misschien had ik haar ook eens moeten schrijven, maar ze
kon niet lezen, daarom had ze er toch niets aan gehad, niet waar?
Ze fleurde heel gauw weer op en werd weer dik en vetjes, die inland-
sche vrouwen hebben gauw aanleg tot corpulentie, als ze geen soesah
hebben. Zij had zuinig geleefd terwijl ik weg was en wat ze over had
kwam ons goed te pas, want we moesten \'t toch zuinig overleggen omdat
door mijn verblijf in Europa mijn zaken een knauw hadden gekregen.
De aannemerij lukte niet erg meer, maar Sina wist raad en toen hebben
we een soort van handel opgezet. Zij had er een ongekenden slag van
om voor weinig geld allerlei producten te koopen, ik liet haar maar
scharrelen met de inlanders en leverde dan weer als tusschenpersoon aan
exporteurs en handelaars. Onfortuinlijk ben ik eigenlijk nooit geweest,
want als ik op droog geloopen was, kwam al gauw weer iets wat me
vlot maakte.
We hebben aardig geld verdiend en omdat ik begreep dat als ik \'reis
uitkneep, Sina toch wat moest hebben, had ik een heel flink huis van
circa drieduizend gulden voor haar gekocht, op haar naam gezet, een
aardig duitje op de spaarbank geplaatst en verschillende juweelen van
iemand overgenomen.
En daar gaat ze me nu waarachtig dood, jammer! ze is tot \'t laatst
bij haar positieven gebleven en geen uur voor haar dood zei ze nog tegen
haar vader: „Kijk eens voor hein — dat was ik vat je? — naar een
andere vrouw, want hij kan niet zonder, hij staat als een kind op z\'n
beenen — hoe denkt zoo\'n schepsel in zoo\'n oogenblik aan zoo iets, hè?
Ze is heel kalm gestorven en ze liet mijn hand niet eerder los, dan toen
haar vingers slap werden door den dood.
Ja! \'t was een heele vreemdigheid toen ze weg was, \'t kwam zoo
plotseling; ze was maar een dag of acht ziek. \'k Was heusch erg onder
den indruk, want je hecht je aan zoo\'n mensch en u weet niet hoe ze
je hier van alle kanten beduvelen en exploiteeren als je celibatair bent.
Sina\'s vader, dit wou ik u straks vertellen, was niets inhalig. Volgens
de wet was hij haar erfgenaam, maar hij kwam bij me en zei: — Toewan,
\'t is allemaal van u gekomen, wat doe ik met al dat geld? Geef mij
vijfhonderd gulden, dan koop ik een huisje en haar juweelen, maar zoek
er eerst alles uit wat je zelf hebben wil tot gedachtenis. De Boeginees
viel me betoel mee! Hij ging zelf naar den notaris en liet het huis weer
op mijn naam overschrijven. Ik betaalde hem vijfhonderd gulden en nam
dezen ring, een mooie steen hè? En een paar brillanten oorknoppen, ze
-ocr page 312-
300                              KEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.
hadden me vierhonderd pop gekost, want ik dacht, die ouwe man heeft
er toch niets aan en ik kan ze allicht voor een andere vrouw gebruiken.
Mijn vrouws broer, de tuinman, kwam de vorige maand bij me en zei:
\'k heb een goeie vrouw voor u, jong en zachtaardig, en de ouwe had er
onderwijl ook al een opgescharreld, maar ik heb geen van beiden genomen
—   ik wil nu eens een Chineesche hebben, die zijn wat meer ontwikkeld
en nu is er me een door een sobat aan de hand gedaan. Daarom zit ik
hier in \'t hotel, begrijpt u? \'k Heb met dien staartknaap afgesproken,
dat we mekaar hier zouden treffen, dan zou hij me bij de familie van
mijn aanstaande brengen. De vader wil haar niet te duur afgeven — en
\'t moet een lief vrouwtje wezen. Bevalt ze me, dan neem ik haar meê
—  anders ga ik alleen een poosje naar Japan, dat moet zoo\'n mooi land
zijn. Nu Sina dood is heb ik toch geen idéé dat ik onze zaken kan
doorzetten, dat inkoopen is mijn fort niet. Enfin! \'k zit nu nog goed in
mijn duiten, die moeten weer eens rollen.
\'k Heb voor alle eventualiteiten een levensverzekering van 3000 gulden
genomen, dat \'s voor mijn begrafenis en \'t beredderen van mijn boel.
Die me er onder stopt mag dan de rest, die overschiet, houden —
Ah! daar komt mijn Chinees ■— adieu! meneer, tot het genoegen u weer
te zien, ik ga eens kijken of \'t nieuwe inventarisstuk dat hij offreert me
bevalt. Salut!
-ocr page 313-
BANJOE-BIROE—BLAUWWATER.
301
BANJOE BIROE.
BLAUWWATER.
—    Welzeker! u heeft nog ruim-
schoots tijd om vóór u van middag
naar Probolingo spoort een toertje te
maken naar Hanjoe-Biroe; \'t is wel
de moeite waard, zegt de voorkomende
hótelier te Passaroean, en meteen geeft
hij order aan zijn mandoer om wat
brood met vleesch en vruchten in een
mandje te pakken.
—   U moet wat meenemen, want
te Blauwwater kun je niets krijgen,
wanneer \'t niet vooruit besteld wordt;
\'t is daar nog wat primitief. He,
jongens! haal eens een sado (dos-a-
dos) voor de heeren. Ajo! lekas (gauw),
zijn mandoer: — Breng nog een flesch wijn, een paar glazen en
een tros pisang!
en tot
vooral
-ocr page 314-
IUNJOK-B1ROK—HI.AUWWATKK.
2
De jongen loopt zoo haastig als een langzame inlander dat vermag om
een rijtuig te zoeken, en mijn reisgezel Heremans blijft met mij een
oogenblik alleen. Hij is, zooals wij in Holland zeggen, een man om meê
uit visschen te gaan, goed gehumeurd, gezond, flink ter been en verstandig
genoeg om zich in gezelschap van een altijd vragend en informeerend
auteur niet al te zeer te vervelen, of zich over diens onophoudelijk ver-
zamelen van gegevens, voor latere schetsen, te ergeren. We hebben
samen menig tocht gemaakt en ik breng hem hier in mijn losse reis-
schetsen gaarne hulde voor zijn prettig, opgewekt gezelschap en groote
toegevendheid, \'k Wensch ieder toerist zulk een reisgezel, zulk een vriend,
die taai sappievleesch en droge rijst met magere kip of slechte boter en
klef-brood, door zijn aangenaam gezelschap tot een delicatesse weet te
maken. Wat hem in mijn oogen eeuwig groot en verheven zal doen
blijven, zijn de voortreffelijke hoedanigheden, die hij bezit als ruiter en
op onze latere tochten te paard, langs diepe ravijnen, over steile rots-
paden en door stroomende kali\'s, heb ik menigmaal bewonderend naar
zijn lange beenen gekeken, die, gespierd als ze waren, zijn klein javaansch
paardje bijna samendrukten, terwijl hij bedachtzaam de teugels vast-
houdend, minstens even dikwijls als ik kans had om onderste boven te
vallen met paard en al. Ik heb veel hippische wetenschap door hem
opgedaan; hij heeft me geleerd, dat een javaansch paard een dier is,
dat men zijn eigen gang moet laten gaan, dat alles voor zijn berijder
overheeft, wanneer die maar niet aan zijn teugels trekt en zich hoogstens
er aan vasthoudt. Meer verlangt zoo\'n onredelijk dier redelijker-
wijs niet.
Verschillende malen heeft Heremans me gezegd: — Van Maurik, doe
zooals ik, laat je heerschzucht je niet verblinden, en geef je op genade
en ongenade over. Zorg maar, dat je vast in den zadel zit, voorover
als je stijgt, achterover als je daalt. Heeft je paard onderweg trek om
aan een struik of plant te knabbelen, laat het bedaard zijn hart ophalen.
Je kunt het stomme dier zoo\'n hapje toch niet misgunnen — ik wil ten
minste geen ongenoegen met mijn knolletje hebben om zoo\'n kleinigheid.
Hij mocht \'t me later eens inpeperen; de ravijnen zijn hier diep en de
doktoren schreeuwend duur — dit a governo, vriend!
Ditmaal echter zullen we onze ruiterkunsten niet behoeven te vertoonen,
want de dos-a-dos rijdt voor \'t hotel het erf op.
We pakken onze boterhammen met wat vruchten en een flesch wijn in
een mandje, vouwen onze lange beenen zoo klein op als maar eenigszins
mogelijk is en kruipen recht broederlijk, maar voor \'t klimaat wat al te
dicht naast elkaar, in het smalle voertuig en hobbelen weldra ,,en zig-zag"
over den weg.
-ocr page 315-
HANJOEM-ROE—HI.AUW WATER.
303
\'t Pos-a-dos-paard schijnt van \'t zelfde ras als de rijpaarden en vergoedt
door zijn koppigheid wat het aan dressuur te kort komt.
Van tijd tot tijd kijken wij elkander aan en lezen op onze gezichten
de wederzijdsche gedachte: hoe komen we nog te Blauwwater? Zou het
niet \'t verstandigst zijn om het paard in den wagen te zetten en dien
zelf te trekken — we zullen dan toch kunnen zeggen dat we de toer met
een rijtuig gemaakt hebben en naar alle menschelijke berekening veiliger
verder komen. Maar allengs begint er toch meer rechte lijn in onzen
voortgang te komen — we voelen alleen nu en dan nog een verrassend
schokken, door enkele onregelmatige bewegingen en diepzinnige over-
leggingen van ons paard, dat van tijd tot tijd, als bedacht het zich ernstig
of \'t wel verder zou gaan met twee zoo groote „blandas" achter zich,
peinzend staan blijft, zijn kop schudt en ons dan weer eensklaps met een
ruk verder trekt.
De voerman, die slechts Javaan se h kent en maar een paar woorden
Maleisch spreekt, verstaat onze aan- en opmerkingen niet en antwoordt
op alles wat wij zeggen met een neuzig ,,Enghi" of „Saija" (Ja!) en een
onbarmhartige afstraffing van zijn paard. Als rechtgeaarde dierenbe-
schermers houden wij dus onze verdere critiek terug en doen in stilte
een schietgebedje.
\'t Is een prachtig mooie weg naar Banjoe-Biroe. Goed onderhouden
en beschaduwd door hooge tamarinden en waringhins, voert hij langs
verschil lende kleine, in \'t donker groen verscholen kampongs, pisang-
boschjes en open sawahs (rijstvelden) naar een iets hooger gelegen, koele,
schaduwrijke plek, een ouden, uitgebranden krater, zonderling genoeg,
gevuld met glashelder, altijd frisch opwellend bergwater. Waar dit water
eigenlijk van daan komt, weet niemand, maar een oude, geleerde Javaan,
dien ik later sprak en er naar vroeg, vertelde mij dat voor duizende
jaren, toen ,,Setan" (de duivel) de bergen bij Passaroean nog bewoonde,
de trouwring van zijn grootmoeder in een diepe kloof was gevallen,
\'t Was een ring met een diamant erin, zoo groot als een ei — zoo helder
stralend als de zon. Een juweel, zóó kostbaar, dat zij de geheele wereld
er voor had kunnen koopen, indien zij gewild had.
Sétan\'s grootje was troosteloos, zij weende bloed, omdat zij oud was
en slecht ter been en daardoor niet in staat in de kloof af te stijgen om
haar kleinood terug te halen. Een gewoon dienaar kon den ring niet
aanvatten, hij zou zich den dood berokkenen, omdat de steen hem door
zijn stralen zou neêrbliksemen. Alleen iemand van koninklijken bloede
mocht dat ongestraft doen. Daarom bezwoer zij haar kleinzoon voor haar
in de kloof af te dalen en den ring te zoeken. Natuurlijk bedankte hij,
als rechtgeaarde duivel, er feestelijk voor om zijn grootmama dien kleinen
-ocr page 316-
BANJOE-BIROE—BI.AUWWATER.
304
dienst te bewijzen. Hij vloekte kwaadaardig en lachte haar uit, zoodat
de bergen er van daverden en een groot rotsblok lossprong dat, in de
diepte vallend, den afgrond bijna vulde.
De oude duivelin, ten einde raad, zocht nu den haar leenplichtigen
apenkoning, Siamang, op en beloofde hem het schoonste meisje uit de
kampong tot minnares, indien hij haar den ring wilde terug bezorgen.
Siamang, een oude liefhebber, klom dadelijk tusschen rotsblokken en
steenen omlaag, en begon ijverig te zoeken.
Sétan, woedend dat zijn grootje nu toch haar zin zou krijgen en jaloersch
op \'t mingenot dat Siamang wachtte, nam al zijn kracht en macht samen,
trok uit de naastbijzijnde kali het water omhoog en deed het in de rots-
spleet stroomen, zoodat het geheele bekken in den berg gevuld werd tot
aan den korst der aarde.
De apenkoning verdronk, grootje krabde zich de borst open en rukte
zich de grijze haren uit, maar haar ring bleef bedolven. Sétan zelf ging
nijdig naar den Ardjoeno en stookte daarin een groot vuur.
En sedert schijnt, sinds eeuwen, van uit de diepte de glans van den
ring omhoog door \'t koele water en komen van uit de omliggende bosschen
de apen om hun koning te zoeken aan den oever van Banjoe-Biroe!
Oude volkssproken en legenden hebben voor mij altijd een groote aan-
trekkingskracht, ik vind in die meestal naïef-geheimzinnige verhalen iets
pittigs dat de schoonheden der landstreek als \'t ware releveert, iets opwek-
kends dat als een glimlach is op \'t ernstig gelaat der natuur in bergstreken.
Blauwwater is een groote, goed onderhouden badinrichting, een door
de familie Hofland — zeer bekende en vermogende planters — ten ge-
rieve van het publiek gebouwd bassin.
Inderdaad is eenmaal die plaats een krater geweest van niet al te
grooten omvang, kegelvormig toeloopend naar onderen. Vulkanische
omwentelingen hebben in den rotsachtigen bodem den diepen trechter
doen ontstaan, die nu, netjes ommuurd en aan de kanten glooiend bijge-
werkt, met zuiver gelig zand bevloerd, tot bad- en zwem-gelegenheid
dient voor inlander en Kuropeaan.
Kristalhelder, voortdurend afstroomend koel water vult het bekken, en
in het spiegelend nat ziet men groote en kleine visschen rustig voort-
zwemmen of pijlsnel heen en weder schieten. Die visschen zijn karamat
i heilig), niemand zal ze vangen of hinderen, ze zwemmen rustig tusschen
en langs de badenden heen.
—   Bijten ze niet? vraag ik den oppasser, die voor een kleine geldelijke
tegemoetkoming den badenden een zwembroek en handdoek verschaft.
—   Tida-ah! (neen!) Zegt hij met een ophaal van verwondering op de
laatste a. — Ikan lari, orang ada — [de visschen maken dat ze weg
-ocr page 317-
BANJOE-BIROE —BLAUWWATÊR.                                    305
komen als de menschen er zijn]. Toch is het een griezelig gezicht als
zoo\'n groote, zwarte visch langs de badende menschen heenschiet en
terwijl ik mijn reisgenoot, een volleerd zwemmer, van de plank zie duiken,
kan ik niet nalaten waarschuwend te roepen : — Pas op je speknek, je
duikt op een snoek!
—   Geen nood ! lacht hij proestend en snuivend terug — ik doe hem
niets en hij lust mij niet; want \'t is een mahomedaan!
—  Over de balustrade gebogen zie ik hoe mijn reisgenoot in \'t heldere
water rondzwemt. Elke beweging kan ik volgen : Nu eens schijnt zijn
blanke huid met zilveren pereltjes bedekt, die rollend over elkander ver-
smelten, dan weer, als een zonnestraal spelend tusschen de zware boom-
kruinen heenschiet, schemert zijn lichaam blauwig-rose en violet getint
door de vreemde kleur, die \'t water afwisselend aanneemt.
In \'t midden van \'t bassin, ongeveer, is een plaats, onpeilbaar diep,
waar \'t water door de zonderlinge straalbreking een blauwgroene, soms
in violet of donker paars overgaande kleur heeft. Ongetwijfeld dankt
het oord zijn naam dan ook aan dat kleine, wellicht nog geen zes of
zeven vierkante meter groote plekje.
Verder is \'t water zóó prachtig helder, dat men op den bodem eiken
zandkorrel, elk steentje ziet en zich nauwlijks begrijpen kan dat het diep
genoeg is om er in te kunnen zwemmen. Aan de andere zijde baden
een aantal Javaansehe vrouwen en kinderen. Met schaamachtige blikken
kijken die vrouwen naar den zwemmenden blanda, trekken haar sarongs
hoog over den boezem, lachen verlegen en al fluisterend tegen elkander
en dompelen haar kleinen, die nu en dan hevig protesteeren, met ge-
oefende hand, sneller dan noodig is, onder. Wanneer een inlandsche
vrouw in kali of vijyer baadt doet zij dat op de meest zedige en kiesche
wijs. Zij draagt geen welgekozen verleidelijk badtoilet, dat haar vormen
op \'t voordeeligst doet uitkomen, maar drapeert zich netjes in haar sarong,
zóó, dat slechts haar ontbloote armen en schouders zichtbaar zijn.
Toch schijnt de zwemmer haar te verschrikken, want met een schuin-
schen blik naar den piassenden en duikenden toewan verlaten zij, de eene
na de andere, de badplaats, als waren zij bevreesd aanstoot te geven.
—  Zie zoo! dat heeft me kolossaal verfrischt, roept Heremans meteen
flesch wijn in de hand naderkomend, en tot den koetsier: -- zet daar
maar neer ! Hij beduidt hem dat hij ons mandje met eetwaar in \'t gras
bij een rotsblok moet zetten.
—  \'n Mooie tafel voor ons, die steen — leuk dat we hier twee stoelen
hebben, hoe kom je daaraan ?
—  De mandoer van \'t badhuisje heeft ze gebracht.
20
-ocr page 318-
o6
BANJOE-BJROE—BLAUWWATER.
—    Uitmuntend! \'n lekker plaatsje hier onder de boomen, bepaald
luchtig
          hè! kijk nu \'t water eens, \'t lijkt wel vloeibaar, amethist,
schitterend mooi!
Terwijl we lunchen, schreeuwen zes of zeven spiernaakte Javaansche
knapen, op den rand van \'t bassin zittend, ons toe, vriendelijk grijnzend:
— Kasih doewit, toea-an! Kasih doewit ! en met hun bruine handen
wijzen ze eerst op \'t water en daarna op ons, herhalend: Kasih doewit,
toea-an? Waarschijnlijk is die vraag om geld (geef duiten meneer!) het
eenig Maleisch wat zij kennen, want wat zij ons verder toeroepen verstaan
we niet, maar we begrijpen dat zij ons uitnoodigen om geldstukjes in het
water te werpen.
We gooien eenige duiten en centen in \'t bassin en als een hoop kikkers
springen de Javaantjes, elkander duwend en stootend, te water, duiken,
trappen mekaar al zwemmend bijna dood, maar komen eindelijk weer
boven met de geldstukjes in de hand. In hun groote lachende monden
worden de duiten opgeborgen en opnieuw schreeuwen zij: Kasih doewit!
toe-a-An ! Nogmaals en nogmaals herhalen wij de proef en \'t is opmerkelijk
dat geen der jeugdige Javaantjes er aan denkt zijn portemonnaie behoorlijk
te sluiten, ze hebben zeker wangzakken even als hun stamvaders en
lachen voortdurend smakelijk.
Terwijl ik al mijn aandacht op de stoeiende en duikende knapen vestig,
houd ik een half afgebeten pisang in mijn hand, die op de leuning van
mijn stoel rust. Eensklaps voel ik de vrucht uit mijn vingers rukken en
ontwaar ik naast mij op een boomstam een groote aap, die mij Icnip-
oogend toegrijnst en met de voorpooten vooruit geplaatst, op zijn achter-
deel snel o]) en neer wipt. Hij heeft mijn pisang in zijn mond. Kleine
oogjes makend van genot en met een schor, gutturaal: Ugh, ugh! schijnt
hij te willen aanduiden dat de vrucht hem smaakt.
Ik houd hem een stuk brood voor, hij nadert langzaam en voorzichtig,
als vertrouwt hij mij niet.
\'t Is een groote, tamelijk corpulente aap met een bepaald gedistingeerd
uiterlijk. Zijn gelige oogen blikken fel en brutaal rond en als hij zijn
mond even opendoet zie ik zijn bijzonder groote sterke hoektanden. Hij
heeft iets van een dikken, grijzen ouden heer, want zijn gezicht is licht
bruin en om zijn kin draagt hij een vollen, bijna witten ringbaard. Zijn
kop is kaal op den kruin, maar boven \'t voorhoofd en de ooren, heeft
hij een steil opstaande coiffure, peper en zout kleurig.
—   Hij lijkt waarachtig op Ibsen ! schatert mijn reisgenoot.
—- Neen ! \'t is meer de type van een ouden matroos, antwoord ik.
—- Die last van muskieten heeft, kijk hij zich eens gezellig krabben;
Kees! Kees! Kees! kom hier! en daar mijn vriend hem een pisang toe-
-ocr page 319-
BANJOE-BIROE—BLAUWWATER.
307
houdt, komt het dier met een paar sprongen nader, grist hem de vrucht
uit de hand en wipt vlug een boom in.
Daar begint hij smakelijk te eten, schilt heel netjes met zijn tanden
de pisang, likt zijn kleverige vingers één voor één af en begint dan te
schreeuwen, \'t Is een eigenaardig geluid wat hij voortbrengt; \'t heeft iets
van blaffen en gillen tegelijk.
„Ada Radja monjet!" zegt de badknecht, die ons bedient.
—  Zoo, is dat de apenkoning?
—  Saija! Toewan! lain monjet nanti datang sekarang.
—  Och wat zeg je? Zullen de andere apen nu spoedig komen, dat\'s
leuk, dan heeft hij ze geroepen....
En nu vertelt de mandoer ons: dat die oude aap sedert langen tijd
Radja is over al de anderen, die in \'t bosch bij Hlauw-water huizen. Hij
komt altijd \'t eerst kijken wie hier zijn, zegt de man — bevalt het
gezelschap hem niet, dan gaat hij bedaard weer heen en je ziet geen
andere, maar staat het hem aan, dan roept hij zijn volkje» bij elkaar -
Ziet u! daar zit er al een achter u op den grond, een kleine. En een
eind verder daar in dien vijgenboom zit nu de Radja met zijn vrouw,
die heeft een kleintje aan de borst, ziet u?
—  Ja, waarachtig! verbazend grappig, Hcremans kijk toch eens?
—    Verduiveld komiek. — Zeg! brutale rakker, wil je weggaan —
een aap is bezig om wat uit ons mandje te halen. - - Kijk, Van Maurik
daar komt een groote.
—    Daar heb je een andere — met een bloedenden staart, zeker \'n
robbertje gevochten !
—   O, daar komt nog een wijfje met een jong, wat \'n mager diertje.
—   Sakkerloot! daar heb je er drie tegelijk. Blikslagers! daar haalt er
een onze pisangs van den stoel!
Mijn reisgezel heeft even als ik plezier in de jolige apen, die nu van
alle kanten komen opzetten.
Binnen een paar minuten zijn we omringd door zestig of zeventig van
die half makke apen, de een nog grappiger, brutaler en dwazer dan de
andere.
Zij zitten elkander tusschen de hoornen en struiken na, klimmen op de
over \'t water hangende takken en laten zich af en toe in \'t bassin vallen
waar ze even plassen en dan, zich afschuddend, weer tegen den rand
opklauteren.
De mandoer heeft intusschen van de naastbijzijnde warong nog een
tros pisang gehaald. Hij snijdt de vruchten in kleine stukken en wij
houden uitdeeling.
Zoodra Z. M. de Radja ziet dat er een nieuwe voorraad vruchten is
-ocr page 320-
308                                    BANJOE-BIROE—BLAUWWATER.
komt hij met H.D.Z. gemalin en Kroonprins van den boom en verjaagt
in een ommezien al zijn onderdanen, die reeds begeerig om ons heen
hurken, loopen of springen. Eerst als hij beide wangen propvol heeft en
ook H. M. niet meer schijnt te kunnen bergen, draait hij zich deftig om,
geeft ons gedurende eenige oogenblikken zijn roode, wippende, partes
posteriores te aanschouwen en laat dan het terrein over aan zijn volk.
We amuseeren ons heerlijk, want apen in hun natuurstaat te zien is
iets wat den gewonen mensch niet dikwijls te beurt valt. Apen in een
kooi zijn grappig, maar ze zijn gevangen, niet geheel en al zichzelf.
Wanneer men zoo\'n apen-volk kalm bekijkt, merkt men op, dat er
onder hen evenals bij de menschen verschil van karakter en temperament
bestaat. Vlak voor ons zit een klein, mager, oud aapje met alle aandacht
een pisang-schil te bekijken : hij beruikt haar, plukt met zijn dunne vingers
voorzichtig een paar vezeltjes er af, wrijft de schil over den grond, gaat
er op zitten, beruikt haar opnieuw, rolt haar om zijn vingers, trekt haar
eindelijk vezel voor vezel langzaam uit elkaar, en gooit haar daarna ver-
achtelijk weg, terwijl hij droevig op de verstrooide overblijfsels blijft staren.
Ik zeg tot mijn vriend: — Daar heb je een geleerde, een aap, die \'t
empirisme met de filosofie verbindt, kijk ! hij is treurig dat hij met Faust
moet uitroepen: — Da steh ich nun, ich armer Thor und bin so klug
noch wie zuvor!
—    Dan is dat zeker Mephisto, antwoordt Heremans, wijzend op een
langen zwarten aap met een nijdige tronie en een steile kuif, \'t Beest zit
met over elkander gekruiste armen en half omgewenden kop naar een
paar jonge stoeiende vrouwtjesapen te kijken en als een van die schoonen
in zijn onmiddellijke nabijheid komt, grijpt hij haar eensklaps bij den staart,
trekt haar ondanks schreeuwen en spartelen een poos geweldig heen en
weer en smijt haar dan een anderen grooten aap toe, die dadelijk werk
van haar maakt.
—  \'t Is waarachtig of die rakker zegt: — Ich bin der Werber, du der
Freier, citeert Heremans lachend.
Van de Javaansche badknechts en enkele nieuwsgierige inlanders neemt
het apenvolk weinig notitie; ze beschouwen hen blijkbaar als tot de familie
behoorend, maar met ons of liever met onze pisangs houden zij zich
voortdurend bezig. Sommigen komen met uitgestrekte handen en deemoedige
blikken nader.
—    Dat zijn proletariërs, paupers of diakens, lacht mijn reisgenoot, en
als ik een vluggen, jongen aap een paar malen van mijn stoel heb gejaagd
en omkijkend zie, dat hij toch weer vlak achter me zit, meen ik te mogen
opmerken: ■— Dat \'s een reporter!
- Ja! je hebt er allerlei soort onder, antwoordt Heremans, kijk maar,
-ocr page 321-
BANJOE-BIROE—BLAUWWATER.
309
daar zit een kapper en hij wijst op een grooten grijzen aap, die bezig is
om een ander voorzichtig de pluisjes uit zijn kopharen te zoeken.
—  En dieven zijn er ook! — Allo! Kees geef op! ik merk met schrik,
dat een dik goedig uitziend individu, dat doodkalm naast mij op den
grond heeft gezeten, eensklaps mijn hoed van den stoel heeft gepakt en
er een boom mee inklimt.
Een steen, dien ik hem nagooi, treft in zooverre doel, dat ik mijn hoed
terugkrijg, plus een paar deuken en wat stof door den val op den grond.
De aap klimt haastig hoogcr en een andere, iets grooter dan hij, klautert
hem achterna.
—   Dat \'s de politie! roept Heremans — en kijk! precies als bij ons,
krijgen doet hij hem toch niet, Kashian!
Maar aan alles komt een eind, zoo ook aan onzen voorraad pisang.
Nadat het laatste stukje weggegeven is, blijven de apen nog een poosje
wachtend kijken, rapen hier en daar een schilletje waar nog wat aanzit
op, kluiven \'t af, en nemen zelfs de papieren, waarin onze broodjes
gezeten hebben, nauwkeurig onderhanden. Ze zoeken elk kruimeltje er
uit, verscheuren ze tot kleine snippers en als er niets meer is, gaat de
een na de ander stilletjes heen, nu en dan eens omkijkend of er niet
soms nog bij vergissing een stukje van een of ander is achtergebleven.
■— \'t Zijn toch precies menschen denk ik — zoolang er wat te halen
is: de beste vrienden van de \\ wereld — maar als de boel op is gaan ze
heen, zonder „dankje" te zeggen.
-ocr page 322-
NAAK TOSAKI EN DEN BROMO.
3\'o
NAAR TOSARI EN DEN BROMO.
\'t Is vijf uur \'s
morgens, ik heb
uitstekend geslapen
in het Marine Hotel
te Passaroean. Ik
voel me verkwikt
en uitgerust
als mijn jon-
gen, Oerie, me
komt roepen. Mijn nachtlicht brandt nog flauwtjes en flikkert nu en dan,
op \'t punt van uit te gaan. Ik steek mijn waskaarsen op en laat den
jongen binnen. Met een groet en een: Móge m\'neerr! komt hij de kamer
in, toont mij het matje, waarop hij geslapen heeft, en een groote doode
vleermuis, die hij aan één poot voorzichtig tusschen duim en vinger vasthoudt.
—   Bah ! wat is dat ?
—  Ada kalong, toewan, di kemarcn malam !
—  Zoo! is \'t een vleermuis van gisteren avond; ik bekijk met aandacht
het doode dier, dat, zooals Oerie zegt, voor de deur is neergevallen, één
van de vlucht van duizenden vleermuizen, die ik den avond van te voren,
als een dichte, zwarte wolk, opstijgend uit een oud huis naast het hotel
over \'t erf had zien wegzweven. Oerie schudt het dier af en een menigte
zwart poeder valt ruischelend op den grond, dan wijst hij op zijn slaap-
matje, dat eveneens geheel zwart bepoederd is en zegt:
—   Hoedjan aboe, ini malam!
Hij wijst op de dikke laag zwarte vulkanische asch, die het matje
bedekt en terwijl ik hem goed bekijk, zie ik dat zijn gelaat, zijn kleêren
— de jongens slapen gewoonlijk gekleed, voor de deur van de kamer —
eveneens bestoven zijn met een laagje zwarte stof.
—  Wat is dat, Oerie, heeft het van nacht wcêr asch geregend?
-ocr page 323-
NAAK TOSAKI EN DEN BROMÜ.
3"
—   Saija, toewan, banjak sekali, dari Lamongan!
—  Zoo, is \'t asch van den Lamongan ?
—   Saija, toewan!
Terwijl ik mij aankleed, kom ik tot de ontdekking, dat zelfs in mijn
kamer, tot op mijn waschtafel toe, de fijne, harde, amaril-achtige aseli
door de jaloeziën heen is gestoven en ik moet mijn papieren op tafel,
mijn overhemd, mijn kleêren, kortom alles doen afschudden en uitkloppen,
eer ik er gebruik van kan maken.
Reeds den vorigen dag, toen we van Kraksa-an over Probolingo naar
I\'assaroean kwamen, hadden we onderweg last gehad van aschregen en
zagen wij nu en dan uit den vulkaan Lamongan een zwarte rookwolk,
in de verte een dikke omhoog rollende kolom gelijkend, opstijgen en
\'s avonds langs een der hellingen van den bergtop de gloeiende lava als
een roode, vurige slang langzaam afvloeien, maar nu is gedurende den
nacht een hevige aschregen gevallen en heeft alles met een dikke zwarte
laag bedekt, \'t Is echter nog te duister buiten om het effekt op de
boomen en huizen te zien; ik merk alleen het onaangename er van door
\'t gevoel, want alles wat ik aanvat is bestoven en korrelig, zelfs het
rijtuigje, een zoogenaamde kar-peer (verbastering van \'t woord kar op veeren)
dat voor het hotel op ons wacht, voelt akelig stoffig en knarserig aan.
\'t Wordt langzaam licht aan de kim, tusschen de tamarinde, djatti en
kenariboomen, die den prachtigen, breeden weg beschaduwen, zie ik den
rooden gloed der zon, die, in snelle stijging opgaand, binnen weinig
minuten de vlakte met licht overstroomt.
De hemel is wolkeloos en helder, maar het landschap heeft een
zonderling somberen tint door de zwarte aschlaag, die boomen, huizen,
weg en struiken bedekt, \'t Is alsof de natuur in den rouw is en wonderlijk
steken tegen die donkere stoflaag de witte zijkanten der genummerde
steenen palen langs den weg af. Ons karretje snijdt een blanke voor door
de asch, als \'t gelige zand boven komt door de omwenteling der wielen.
Achter ons stuift een zwarte wolk, het uitzicht belemmerend, vóór ons
proest het paard, heftig den kop schuddend; het dier heeft last van de
asch, die zijn neus prikkelt.
Op den weg is \'t reeds levendig. Javanen, vrouwen en kinderen,
sommigen zich tegen de koele morgenlucht met een om de schouders
geslagen sarong of mantel beschuttend, komen als de ganzen achter
elkander loopend — zoo is de inlandsche gewoonte — ons karretje voorbij;
ik zit alleen achter in, mijn jongen vóór, naast den voerman, die onver-
schillig een strootje rookend, zijn paardje nu en dan met een „Tjo, Tjo!
prrrrt!" en een paar vinnige zweepslagen tot meerder spoed aanzet. Het
schijnt een diep ingewortelde gewoonte van den inlandschen koetsier om
-ocr page 324-
NAAR TOSARI EN DEN BROMO.
312
zijn paard meer zweepslagen dan haver te geven en men krijgt lust om
den onbarmhartigen voerman eens zelf te laten ondervinden hoe aangenaam
het is, telkens om de drie of vier minuten, al zet men zijn beste beentje
voor, een striemenden slag over de ribben te krijgen en van tijd tot tijd,
als afwisseling, een por er tusschen met het achtereind van de zweep.
Talrijke grobaks, vrachtkarren door karbouwen in langzamen stap voort-
Naar den 1\'assar.
getrokken, rijden wij vlug voorbij en als we Gondang-Wettan doorgaan,
passeeren wij een menigte inlandsche mannen en vrouwen, die met korven
op \'t hoofd, met groote pakken beladen of met manden aan den draagstok,
over de schouders, in afgemeten staptred naar de Passar van Pasrepan
trekken. De Javaansche bevolking is altijd vroeg op de been, langs de
wegen, die naar de marktplaatsen voeren. Zij brengen daar rijst en
-ocr page 325-
NAAR TOSARI EN DEN UKOMO.
3»3
maïs, de producten van hun stukje land, vruchten van allerlei soort, goela-
djawa (uit den arèn-palm gewonnen suiker), kippen, gevlochten mandjes,
hoeden van stroo, wapens en gebattikte sarongs ten verkoop en voor \'t
ontvangen geld slaan zij weer artikelen in, die zij noodig hebben. Soms
ook verspelen zij bij den Chinees, op de passar, het weinigje geld, dat
zij ontvangen en keeren platzak, maar zonder noemenswaard verdriet of
gewetenswroeging naar hun dessa terug, om op den volgenden marktdag
weer hetzelfde te doen.
Pasrepan, een gehucht in een sterk bevolkte streek gelegen, is een
pleisterplaats voor de reizigers, die verder de bergen in moeten.
\'t Is ongeveer zeven uur als we daar aankomen, de passar is reeds
druk bezocht en terwijl de voerman zijn paard uitspant en er twee anderen
voorzet, die ons tot Poespo, tegen de vrij steile berghelling gelegen,
zullen brengen, neem ik een kijkje op de druk bezochte markt, die
weinig anders biedt dan wat er gewoonlijk op een inlandsche passar te
koop en te zien is.
Als ik terug kom vind ik mijn jongen, Oeri, in woordenwisseling met
den toekan-koeda (de paarderverhuurder) die méér voor de paarden ver-
langt, dan Oeri, dien ik met de kas onderweg belast heb, geven wil.
Gemakshalve verstrek ik mijn jongen \'s morgens een kleine som,
waarvan hij onderweg een en ander betalen moet, echter steeds zóó
calculeerend, dat hij nooit te veel kas heeft. Gewoonlijk houdt hij er
echter eenige centen van over, die hij \'s avonds bij \'t afrekenen behouden
mag; daarom is hij, uit welbegrepen eigenbelang, zuinig voor mij en
knibbelt en dingt nu met den toekan-koeda, die op zijn beurt van den
vreemde tracht te halen wat te halen is.
Ingelicht door den hotelhouder te Passaroean, weet ik natuurlijk precies
hoeveel ik betalen moet en als ik me nog een paar oogenblikken heb
vermaakt met de levendige gebaren en luide stemmen der met elkander
kijvende inlanders, maak ik een eind aan de zaak door het geld van
Oeri over te nemen, in handen van den toekan-koeda te geven en een
krachtig: „Diam! ada sampé!" (Zwijg! \'t Is genoeg) te zeggen. Nu
begrijpt de man, dat ik geen orang baroe ben, steekt het geld op, maakt
sembah en vraagt nederig: — Minta present? (een fooitje?) ik geef hem,
tot ergernis van Oeri, die me in zijn Hollandsch zegt: O! niet, meneèrr!
hem niet geven, hij pertaai aap!, nog een dubbeltje en we rijden verder.
De weg wordt steiler.
De paarden, die eerst lustig draafden, beginnen langzamer te loopen,
eindelijk staan ze een oogenblik hijgend stil; dan gaan ze weer voort
in regelmatigen stap en de koetsier knikkebolt. \'t Wordt warmer, ik
zjt te puffen in \'t karretje, want de zon schijnt met volle kracht op
-ocr page 326-
NAAR TOSAKI KN DKN HKOMO.
3\'4
den weinig beschaduwden weg, die in lange slingers, om den berg heen,
opwaarts voert.
We zijn de met asch bestrooide velden en boomen ontreden. Allengs
verandert de plantengroei, de tropische boomvarens staan hier en daar
reeds naast en tusschen Europeesche heesters, de klapperboomen worden
zeldzamer, de pisangstammen minder groot en zwaar. Bloeiende kruiden
en grasbloemen, die men elders niet opmerkt, vertoonen zich, eerst
sporadisch, dan menigvuldiger en hoe hooger men stijgt, hoe meer de
Urobaks.
vegetatie een Europeesch karakter begint te dragen. Prachtige vergezichten
op de lagere bergen en hoogvlakten, doen mij vergeten dat de weg lang,
stoffig en benauwd is; eindelijk rijden we weer tusschen boomen en
hooge struiken, totdat we eensklaps, na een langen rit, de eerste inlandsche
huisjes en warongs, die Poespo vormen, bereiken.
De paarden schijnen hun confraters, die voor het logement aan den
weg staan, reeds eenige minuten van tevoren te hebben gespeurd, want
ze hinniken vroolijk om beurten, lang voordat er een paard of hotel
in zicht is.
-ocr page 327-
NAAK TOSAKI EN DEN BROMO.
3 «5
De naam hotel is voor het kleine onaanzienlijke huis, dat blijkbaar aan
ouderdomszwakte en verval van krachten lijdt, wel wat weidsch, maar
heel Poespo ziet er uit alsof het wel eens goed gerepareerd mocht worden.
De bergwind, de afwisselend vallende regens en de felle zon, sloopen
onverbiddelijk de van hout, bamboe en atap (bladeren) opgetrokken huizen,
en de inlander is over \'t algemeen te lui, te traperdoeli (onverschillig)
om, zoolang zijn huis niet bepaald omvalt, of als een pannekoek ineen-
zakt, er iets aan te doen. Zoolang hij nog met een touwtje, een bam-
boesje of een stukje rotan zijn huis en have bijeen kan houden, geeft hij
zich geen verdere moeite. Schoonheidsgevoel toont hij niet veel, ten minste
niet voor onroerende goederen. Hij voelt zich even wèl en behagel ijk in
een hut, die, op invallen staande, groote luchtgaten en spleten heeft en
scheeve misvormde wanden, als in een fraai betimmerd salon. Heeft hij
geen balé-balé om op te liggen, dan ligt hij op een matje op den grond
en heeft hij geen matje, dan behelpt hij zich met zijn sarong. Hij eet
met evenveel smaak zijn rijst uit een pisangblad als uit een gebarsten
kom of van een gebroken bord en wanneer hij drinkt, smaakt hem een
teug water uit de holle hand evengoed als uit een fijngeslepen glas. De
hoofdzaak voor hem is, dat de makanan Chet eten) en de minoeman (het
drinken) er zijn !
De warong, waarvoor we even hebben stilgehouden, is een treurig,
donker winkeltje, waarin bijna geen „heel stuk" te bekennen is, alles
ziet er beschadigd, gebroken, oud en versleten uit, tot de inlandsche
vrouw toe, die met haar aapachtige vingers, sambals, visch en hoopjes
rijst uit de potjes en pannetjes grijpt en op pisangbladen of defecte
schoteltjes aan haar klanten voordient.
Het hotel schijnt, wat het voorste gedeelte betreft, min of meer gebrekkig
en scheef te zijn, het achterste gedeelte daarentegen toont een besliste
neiging om achterover te duikelen en alleen de kamers aan de linker-
en rechterzijde bieden voldoende beschutting tegen regen en zonneschijn,
maar — \'t is het eenige hotel te Poespo en daarom wordt het, met
voorbijzien van alle gebreken, goed bezocht door hen, die frissche berg-
lucht en een koel klimaat noodig hebben en het op Tosari te koud of te
duur vinden. Ik heb ten minste eenige logé\'s gesproken, die zich
behielpen met de localiteit, maar eenstemmig waren in lof over behandeling,
verpleging en rekening.
* *
*
Te Poespo danken we ons karretje af; de voerman krijgt nog een
„present", dat hij onmiddellijk aan de warong in rijst met sambal, vruchten
-ocr page 328-
3>6
NAAK TOSAKI EN DEN BROMO.
en koppi-daoen (aftreksel van koffieboombladeren i) omzet en ik ga naar
het hotel om paarden te vragen voor den verderen rit naar Tosari.
Onder de verandah, die als een droefgeestig bewijs van aardsche ver-
gankelijkheid de zoogenaamde voorgalerij tracht te beschaduwen, zit in
slaapbroek en kabaai een dik grijs heertje met een stroohoed op en een
goedig gelaat, dat onmiskenbaar de sporen van een lang verblijf in de
tropen en liefde tot whiskey-soda verraadt, aan een oude schrijftafel in
de Deutsche lllustrirte-Zeitung te lezen — een klein wekkerklokje vóór
hem op een stapel boeken wijst ongeveer acht uur.
—  Ada tocwan Prij, ghóteljé! zegt Oeri, die vroeger al eens te Poespo
is geweest.
Ik ga beleefd naar hem toe en vraag: — Heb ik het genoegen meneer
Freij te zien ?
Zonder op te kijken antwoordt hij: — Jawoll! Blijkbaar interesseert
hem de lllustrirte-Zeitung ruim zooveel als mijn vraag, maar zoodra ik
er bijvoeg: —• Ik zou gaarne weten of ik rijpaarden naar Tosari kan
krijgen, ziet hij me over zijn prince-nez oplettend aan en vraagt ver-
wonderd terug: — Paarden? Waarschijnlijk denkt de goede man, omdat
hij mij alleen ziet, dat ik als een kunstrijder op twee of meer paarden
tegelijk wil rijden.
—  Ja, één voor mij en één voor mijn jongen !
—   Ach so! ein pferdli für sie und eins fiir den jongen?
—  Sie sind ein Schweitzer, zeg ik, getroffen door zijn accent.
—   Jawoll! hij wordt toeschietelijker en als ik hem vertel dat ik op
mijn heenreis in Zwitserland, in Ziirich en St. Gallen ben geweest, zegt
hij eensklaps: — Ach! dasch ist ja meine Heimath! Ein wunderschönes
Pand, nicht wahr? Noch schoner, wie hier. Het ijs is gebroken, de stroeve
hótclier Freij verandert eensklaps in een spraakzamen ouden heer, die
met opgewektheid van ,,das schone Heimatschland, die herrlichen, grünen
Matten und ewigen Gletscher" vertelt. Hij let niet meer op zijn illustratie,
maar vraagt nu naar alles wat ik in Zwitserland heb gezien. Zijn geheele
gelaat klaart op, zijn anders matte oogen beginnen te herleven en te
glinsteren en een glimlach omspeelt zijn reeds wat ingevallen mond. Met
de hand zijn grijzen baard streelend zegt hij: — Ja, ja! dass freut mich
ungemein; — ich spreche \'mal wieder gern Deutsch — Schwitzerisch
werden Sie wol kaum verstellen. Ich schpreek jewöhnlich Hollandsch of
bitjara melajoe — Maleisch nog \'t meischt, want ich bin hier viel mit
i) De inlander, die zijn gouvernement skoffi e opbrengt, moet voor Je koffie, die hij zelf drinken
7t\'i/, dn boonen koopen en Behelpt zich daarom liever met een aftreksel van de bladeren van den
koffieboon!) dat een bruinen, drabbige» drank geeft, die eenigzzins
den smaak van koffie beeft.
-ocr page 329-
NAAR TOSARI EN DEN BROMO.
3»7
den inlandersch allein. In dem Wescht-mousson wenn\'s so regnet dasch
nier meint der liebe Gott exischtirt gar nicht mehr, kommen hier wenig
fremdlinge. Dann isch\'t\'s hier traurig, öde!
Dan vertelt hij me, dat hij „anfanglich op een handelschcontor war
alsch boekhouder. Lange Zeit im kaufmünnischen Fach wirksam jevveescht,
maar endlich für jezondheidsredenen naar boven — allmahlig jebleven en
toen heb ick hier das Hotel opjericht und hier bin ich nun seit Jahren
bekannt als Kreij-Herr von Poespo — \'n fauler witz ; \'n grapje von ein
loschée! Gott soll mich bewahren, dass ich mir Freiherr nennen soll.
Bin ein gewöhnlicher Bürgerssohn — aber Sie haben vvohl File lieber
Herr — ich werde Sie helfen — doewa koeda — zwei pferdli? W\'ill\'s
besorgen. Over dem alten Freij werden Sie zufrieden sein — dan staat
hij op en terwijl hij een sigaar, die ik hem aanbied, dankbaar met:
—    hm! ein gutes Kraut! aansteekt, vraagt hij nogmaals in gedachten:
—    doewa, zwei? en dan: — Hum! werde mal nachsehen ob ich was
Rechtes für Sie bekommen kann. Ja, ja, es freut mich immer wenn ich
Leute treffe, die in der Schweiz waren — ich vvohne seit vierzig Jahren
auf Java und fand hier meine zweite Heimath, mein Brot, meine Kxischtenz-
aber die Schweiz! Ach, die Schweiz! Leider werde ich mein herrliches
Land wohl niemals wiederschen !" Zuchtend gaat hij heen, na mij eerst
nog een glas limonade te hebben aangeboden, omdat hij tot zijn ver-
wondering hoort dat ik geen liefhebber van whiskey ben.
Een minuut of wat later komt hij terug, slaat me familiaar op den
schouder en zegt: — Lieber Freund, Sie werden zwei tüchtige Pferdli haben
womit Sie sicher nach Tosari kommen, aber nur langsam reiten und keine
Reitgerte gebrauchen ; die Thierli laufen von selbscht und thun ihre
Schuldigkeit. Im Hotel Molijn kunnen Sie bezahlen und von da werde
ich Sie zurück holen lassen, oder nehmen Sie noch ein Führer mit ?
—   Wel ja, geef maar een gids meê, Herr Freij.
—   Der Weg ischt sonscht leicht zu finden, Sie kunnen nicht irren, aber
vielleicht ischt es doch gescheidter Sie nehmen jemand mit. Weer ver-
dwijnt hij een oogenblik om een gids te halen en als ik eindelijk ben
opgestegen reikt hij mij de hand en zegt: — Gliickliche Reise! Und
sollten Sie, auf der Rückreise, noch in der Schweiz kommen dann
—    hij neemt even zijn stroohoed af — dann grüssen Sie mir mein
Iiebes Heimathschland, meine Berge und sagen Sie den Leuten dass
der alte Freij sein Land nie vergisst! Adé lieber Herr, Slamat djalan!
gute Reise!
Mijn jongen stijgt na mij te paard en heeft een afgeschild takje in de
hand, waarmee hij als welkomstgroet zijn hengst een gevoeligen slag
geeft, die daardoor onmiddellijk een sprong vooruit doet en den ouden Freij
-ocr page 330-
3\'8
NAAR TOSARI KN DEN HROMO.
aanleiding geeft tot een barsch: — Djangan pakai tjamboek, djongos!
(geen karwats gebruiken jongen) en tot mij : — Vorsicht! Adé, Gott
befohlen!
* #
•*
Zacht glooiend voert de nieuw aangelegde weg omhoog. Dank zij liet
bezoek van den Koning van Siam is kort te voren het pad geëffend en
hier en daar, waar nog enkele smalle plekken waren, verbreed. Ik dank
heimelijk dien braven vorst, want ik gevoel op mijn klein Javaansch
paardje zittend, al de zegeningen van dien goed onderhouden weg, des
te meer omdat ik een poosje van te voren bij het verlaten van Foespo,
door het verkeerd omslaan van een hoek en de gebrekkige aanwijzing
van den blijkbaar niet al te best georiënteerden gids, een proefje had
gehad van den ouden rijweg, die me sterk deed denken aan de steile
planken, waarop ik als kind in \'t Circus Wollschlager eenmaal de equestri-
sche pantomime ,,de Roovers in \'t Gebergte", had zien uitvoeren. Destijds
rilde en huiverde ik bij het zien van die klimmende en klouterende paarden
met hun onversaagde ruiters; nu zit ik zelf als een held op zoo\'n ros, en
sta in den beginne al de angsten uit, die een leek in \'t paardrijden uit-
staan kan.
Bergstijgen te paard in Indië is iets gansch bijzonders; men kan zich
een flauw begrip vormen van zoo\'n bergbeklimming, wanneer men als
eerzaam zomertoerist aan den Rijn naar Rolundseck of Stolzenfels stijgt,
per ezel of paard — maar die rijdieren behooren voor het meerendeel tot
de „bestjes" van hun geslacht en wedijveren onderling, wie u het langst
zal doen genieten voor de weinige marken die ge voor zoo\'n ritje betaalt.
De Javaansche paardjes daarentegen zijn allen hengsten — de merries
worden zelden als trek- of rijpaarden gebruikt — gewoonlijk niet oud
genoeg om geen kuren te hebben en van zeer prikkelbare natuur. Daarbij
toonen ze een bepaalde voorliefde voor den uitersten rand van den weg
en Ioopen met hun dunne, slanke beenen en korte hoeven keurig netjes
op het smalste paadje, altijd zooveel mogelijk aan den kant van den
afgrond. Het heeft er iets van als of ze u al rijdend een Memento Mori!
willen toeroepen, want voortdurend voeren ze u over nauwe bruggetjes,
langs steile bergwanden en diepe ravijnen, waaruit reusachtige boomen
hun knoestige takken verlangend naar u opsteken, en scherpe rotspunten
u het aangenaam vooruitzicht openen, dat ge, wanneer ge naar beneden
valt, onmiddellijk gekraakt en verbrijzeld wordt. Merkwaardig is echter
de zekerheid waarmee de paardjes Ioopen ; het is alsof ze al het gewicht
van hun ambt, tegelijk met dat van den ruiter gevoelen, want met be-
dachtzamen tred, regelmatig en kalm, klimmen zij de steilste hellingen
-ocr page 331-
NAAR TOSARI F.N DEN BROMO.
3\'Q
op, elke oneffenheid, eiken steen vermijdend. Beproef echter niet hen tot
grooter spoed aan te zetten, ge zoudt er u zelf door benadeelen. Het
Javaansche paard heeft tot leus: „Festina lente!" Het haast zich lang-
zaam, maar komt op den bepaalden tijd waar het wezen moet. Trekt ge
meer aan den teugel dan het gewend is of pleizierig vindt, dan schiet het,
heftig het hoofd schuddend, met een kort rukje haastig een oogenblik
voorwaarts, om na eenige minuten weer in den ouden, regelmatigen,
afgemeten stap, terug te komen.
Ik heb mij gedurende mijn rit van Tosari naar den Bromo voortdurend
verwonderd over de geit-achtige klimvaardigheid van mijn paard en op
den terugtocht Gode en mijn ros, mijn ziel bevolen, want is het klimmen
moeilijk, het dalen is een waar équestrisch kunststuk.
Ik had een juweel van een paard, een mooi bruintje met lange donkere
manen en buitengewoon bewegelijke ooren, die me onderweg allerlei
vreemde gedachten bezorgden, omdat hij ze nu eens opstak, dan weer in
den nek lei, alsof hij afwisselend iets verdachts hoorde of naderend gevaar
speurde. Ongeoefend ruiter en slecht paardenkenner als ik ben, meende
ik op al die teekenen te moeten letten, maar nu begrijp ik dat ik daar-
door een klein deel van \'t schoone dat ik te zien kreeg heb verloren en
me ongerust maakte over iets, dat alleen een hebbelijkheid van mijn paard
was. Zoodra het dalen begon, zette ik mij zoo ver mogelijk achter in den
zadel, hield de teugels strak, strekte mijn beenen in de beugels en liet
dan Gods water over Gods akker en mijn hengstje over het bergpad loopen.
Zoodra wij onderweg water ontmoetten, trok mijn ros me, of ik wilde
of niet, mee naar de kali en leschte zijn dorst, niet vragend of ik het
aangenaam vond, dat hij voortplaste tusschen keien, steenbrokken en
boomstronken, zoodat. het water me soms om de ooren spatte.
Maar ik gunde mijn beestje dien koelen dronk gaarne, ik was alleen
maar jaloersch, nu en dan, dat ik geen lafenis had — want kaliwater heb
ik nooit durven drinken, omdat ik niet wist of er niet hier of daar een
gestorven dier in was afgetrokken en geweekt. Schadelijke bacteriën kan
men zonder kali-water al genoegzaam opdoen in het stof, dikwijls zóó
erg opdwarrellend onder de paardenhoeven, dat men zijn voorrijder niet
kan zien.
Soms bij zeer steil afgaande gedeelten gleden we als \'t ware samen
naar beneden, ik zittend op \'t paard, \'t paard zittend op zijn achterdeel.
Waarlijk, ik ben dat lieve dier nu nóg dankbaar, want als ik al die
steilten op en af had moeten loopen, geloof ik zeker, dat in Holland van
mij niet veel meer dan een rammelend rif zou zijn wedergekeerd. Nu,
bij mijn terugkomst zeiden vrienden en kennissen reeds, als een soort
hartelijk welkom thuis: — Je bent er niet vetter op geworden, — Kerel!
-ocr page 332-
NAAR TOSARI EN DEN BROMO.
320
je hebt een rokje uitgetrokken, of: — Jongens! Van Maurik, wat zie je
er schraaltjes uit! Maar de hemel mag weten, welke vriendelijke liefelijk-
heden men mij zou hebben toegevoegd, indien ik te voet al die bergtoeren
had moeten maken. Voor corpulente menschen, die een heilzame en
aangename vermageringskuur wenschen te doen, kan ik voetreizen in
de Javaansche bergen ten
en bewegingskuur te
afdoende en nuttigers
De rit van Poespo
één schitterend
schen heerlijk be-/
hooge bergen,
mige hellin-
en akkers,
maïs, uien en
groeien. De
als \'t ware
tuin, want
lijke, gema-
van diebergen
Europeesche
geplant en ge-
treffelijk onder de
stralen en de veie
vallen.
         Koolvelden,
zooals bij ons te lande
maar hoog op stam staan,
akkers met Turksche tarwe
De tjemara is een eigen •
een den gelijkende hoorn,
andere en slanker, ijler van
landschap iets meer Euro-
waar hij groeit, is het veel
hooger men in de bergen
diger en grooter komt hij
zeerste aanbevelen ; zweet-
gelijk, is er niet meer
te bedenken,
tot aan Tosari is
mooie tocht tus-
groeide, hemel-
met terras-vor-
gen, sawahs
waarop welig
aardappelen
Tengger is
Java\'s moes-
in het heer-
tigde klimaat
worden alle
gewassen aan
dijen er voor-
stovende zonne-
regenbuien die er
waarop de kooien niet
even boven de aarde,
worden afgewisseld door
en Tjemara-aanplantingen,
aardige, lijn-looverige, op
Somberder van tint dan
vorm, geeft hij aan het
peesch. In de streken,
koeler dan elders, en hoe
komt, des te menigvul-
voor.
draf rijd ik voort over het
hooger opvoerend van tijd
doet genieten. De hooge
Stappend, soms in kleinen
Waterval bij
Tosari.
goede bergpad, dat allengs
tot tijd prachtige panorama\'s
woudboomen worden hoe langer hoe schaarscher en het bosch verdwijnt
om plaats te maken voor akkers, die zich, in verschillende nuancen van
geel, bruin en groen tegen de hellingen der bergen vertoonen. Een
-ocr page 333-
NAAR TOSARI KN DEN HKOMO.
321
onbelemmerd, vrij gezicht heeft men daar over de tallooze scherp getee-
kende berg-ribben en kammen en in de diepe ravijnen, waar hier en daar
klaterend en schuimend een waterval neerstort tusschen de groene bergen.
Onvergelijkelijk schoon is het laatste gedeelte van den weg, wanneer
men reeds in de verte, hoog boven zich, een gedeelte van het gezond-
heids-ctablissement Tosari te zien krijgt. Steeds zigzagsgewijze stijgend,
overziet men, achterom kijkend, de vlakte van Oost-Java. Het zonlicht
glanst en spiegelt in de onder water staande sawahs met duizenden
grillige glansjes en geeft aan de velden tegen de hellingen der bergen
een fluweelachtigen gloed, afwisselend in alle kleuren. Ver in de verte
een lichte streep aan den horizont — de zee.
Plotseling herinnert het landschap aan Tirol, dan weer aan het Salz-
kammergut of aan de Zwitsersche bergen, want het tropische karakter is
schier geheel verdwenen. Palmen, kokosboomen en pakoes groeien er
niet meer; \'t is heerlijk koel en frisch geworden en wanneer niet de ons
tegemoetkomende of voorbijgaande Tenggereezen door hun bruine gezichten
en Indische kleedij er aan herinnerden, zou men vergeten, dat men zich
in \'t midden van Oost-Java bevindt.
Nog een paar wendingen van den weg en het hotel Molijn, Tosari,
ligt voor mij —- binnen een kwartier is het bereikt en als ik den steilen
oprit achter mij heb en het binnenplein bereik, zie ik op mijn horloge:
\'t Is ongeveer twaalf uur. Ik heb dus bijna vier uren gebruikt om van
Poespo naar Tosari te rijden.
Zóó lang? — Ik zou \'t me niet hebben kunnen begrijpen wanneer ik
het niet gevoeld had aan de stijfheid in mijn beenen en de pijnlijke
moeilijkheid, die ik later ondervond bij \'t zitten.
—    Tabé toewan! roept mijn vriend Heremans, die me te Tosari in \'t
hotel wacht, als ik hem in zijn kamer opzoek.
—    Daar ben ik! mooi stijf van \'t rijden, maar voldaan over ih-n heer-
lijken weg en jij, goeie reis gehad van Probolingo?
—   Uitmuntend! maar mooi stijf van \'tloopen...
—   Hè?
—  Ja, ik heb van Poespo af gekuierd...
—  \'n Gezegende wandeling! Hoe kwam je daar zoo toe?
—    Puur liefhebberij! Men had me gezegd dat \'t zoo\'n mooie en ge-
makkelijke wandeling was, maar ze is toch wat al te kras — ik heb niet
meer kunnen genieten op \'t laatst, ik was bek-af en mijn reispak heb ik
er meê bedorven. Kijk! Hij toont mij zijn grijs jacquet, dat erg opge-
21
-ocr page 334-
-ocr page 335-
NAAK TOSARI EN DEN RROMO.
323
krompen is en door \'t geweldige transpireeren, een onmogelijke groenige
kleur aan mouwen, oksels en op den rug heeft aangenomen.
—  En wat doe je nu?
—   Ik behelp me met mijn witte pakken, maar \'t is er hier feitelijk te
koud voor — hoe vindt jij hier de lucht?
—   Heerlijk frisch, maar koel, bij koud af, niets Indisch!
—   Je zult een paar wollen dekens noodig hebben als je na den eten
gaat slapen.
\'k Heb voorzichtigheidshalve twee flanellen over elkaar aangetrokken,
van morgen.
—   Kun je hier best velen — in de biljartkamer staat de kachel, maar
vuur is er nog niet in geweest. Ga je nu eerst wat verfrisschen ouwe
jongen, kom dan rijsttafelen en daarna — je mandje in tot een uur of
vier of vijf! Je zult je krachten morgen noodig hebben, want ik heb,
anticipeerend op je toestemming, met een paar logé\'s, een controleur —
een leuke baas — en een paar lidecle dames partij gemaakt om morgen
vroeg naar den Brom o te gaan ; de paarden zijn al besteld, tegen vijf uur.
—   O, Heer! moet ik morgen zóó vroeg al weer op zoo\'n beest. —
Och kerel! ik kan nu al niet zitten, hoe zal dat gaan?
—   Goed! als je maar rust neemt en je flink met cognak wascht.
—   Enfin ! in Gods naam, stoomtrams of omnibussen hebben ze hier niet.
—   Neen! te paard of per pedes apostolorum, anders zit er niet op.
De table d\'hóte, in casu de rijsttalel, in een gezondheidsetablissement
is gewoonlijk een goede gelegenheid om kennis te maken met allerlei
kwalen van den mensch, die tot dusverre aan onze aandacht ontsnapten.
Men vindt er meestal zenuwaandoeningen van allerlei soort, leverlijden
in verschillende stadiën en malaria in onderscheiden vorm. Veel bleeke,
wasachtig gele en holoogige gezichten, bevende handen en zonderling
trekkende gelaatsspieren, veroorzaken een meewarig gevoel en een dank-
baar erkennen van eigen gezondheid. Maar tegelijk ontdekt men tusschen
de echte patiënten ook simili-dito\'s, die een afwisseling van den dagelijk-
schen tredmolengang niet ongezellig vinden en dat verzetje — indien \'t
niet anders kan — zelf betalen, maar nog liever daarvoor hun firma of
het Gouvernement als kassier gebruiken. Zulke gezondheidszoekers klagen
\'t hardst, blijven gewoonlijk het langst en eten het smakelijkst.
(Jok toeristen treft men aan tafel, evenwel zeer spaarzaam — te Tosari
ten minste bepaalt zich ditmaal die rubriek tot één Engelschman en drie
Amerikaansche dames. Eén dikke, een knappe vrouw aan den schaduw-
kant der twintig en één dunne, met zeer impertinent blond haar en een
profil als Punch. Ze waren — zoo vertelde men mij later —■ eerst vrien-
dinnen en reisgenooten geweest, maar sedert een paar dagen gebrouilleerd
-ocr page 336-
NAAR TOSARI EN DEN HROMO.
324
en reisden nu ieder op zicli zelf verder. De mollige alléén — de magere
met haar maid-servant, een dun, schuchter grijs menschje met een kin
als een fonteinbakje en handen als vleeschschotels.
De Engelschman bemoeit zich veel met de gevulde American miss en
het komt mij voor dat het sproetige, keverachtige kereltje, met minder
haar onder zijn neus dan op zijn skeletachtige handen, de twistappel is
waarover de „friends" gekibbeld hebben.
Immers miss Blucks, de Punch-prohelige dame, schiet tusschen eiken
hap rijst door", onder haar zuurkoolgele wimpers scherpe blikken af, naar
,,her fat companion" en haalt telkens verachtelijk haar Janklaasen neus
op, nijdig haar groenige tanden toonend, wanneer zij ziet dat haar „late
friend" lacht over de aardigheden of gezegden van den Engelschman en
daardoor haar schitterend wit gebit doet bewonderen.
— She is simply disgusting! hoor ik haar eenmaal halfluid zeggen tot
haar maid-servant, die met innige toewijding een eendenvleugel bewerkt.
Zonderling, ik vind die gezette Amerikaansche juist zeer aptijtelijk en
Heremans fluistert me in : — Je zou niet zeggen dat die twee landge-
nooten waren — maar de eene representeert zeker \'t zonnige zuiden, en
de andere het barre noorden.
Aan de rijsttafel, die mij na den rit uitmuntend smaakt, maak ik kennis
met mijn aanstaande tochtgenooten, den controleur Spoor en juffrouw
Wilse, een stevige, gezonde jonge dame, die er zoo frisch en blozend
uitziet alsof ze pas uit Gelderland was geïmporteerd. Zij is evenwel reeds
ongeveer drie jaar in Indië en de gezellin van een dame op leeftijd, die
altijd discours heeft aan tafel, omdat ze niets eet en alleen voor de ge-
zelligheid mee aanzit. Sedert geruimen tijd lijdend aan een maagaan-
doening leeft zij alleen van melk en — toch ziet zij, bittere ironie, er
uit alsof zij de beste vork voert van al de gasten. Heremans stelt me
voor als zijn vriend Van Maurik, auteur, sigaren-fabrikant en geoefend
ruiter, en mevrouw Van der Mand, de dame van de melkkuur, lacht: —
Zoo, zoo! nu dan kunnen wij, juffrouw Wilse en ik, zeker nog een lesje
van meneer krijgen; wij zijn hier anders al flinke écuyères geworden,
niet waar controleur?
—    Zeker, mevrouw! Dank zij het voortreffelijk onderricht in de Tosa-
rische manége, zullen de dames binnenkort bij Carré of Harmstone kunnen
optreden, en tot mij zegt de heer Spoor: — Dat had u toch niet ver-
wacht hier, op ongeveer vijf-en-veertig honderd voet boven de zee, twee
schoolrijdsters en een rijschool te vinden ?
—   Neen ! is \'t heusch ?
—   Betoel! een flinke manége, wel primitief gebouwd, van wat bamboes,
-ocr page 337-
NAAK TOSAKI EN DEN BROMO.
325
hout en matten, maar ruim genoeg om er vijf-en-twintig keer je hals te
breken en dat is de hoofdzaak.
—    Hé, controleur, wat \'n sinistre ideeën, het onderricht is juist zoo
goed en wordt zoo voorzichtig gegeven, zegt mevrouw Van der Mand.
—  Zeker een gepensionneerd kavalerist die hier instructeur is ?
—  Neen, meneer Van Maurik, de boekhouder leert ons rijden. U heeft
hem zooeven gezien.
—   Ik, juffrouw?
—   lT heeft hem nog gegroet, toen hij de conversatiezaal binnen kwam;
ik zag dat u verwonderd naar hem keek. Ha ha ha ! dat deden wij ook
in den beginne . . .
—   O! was het die heer in gala-toilet? Ik hield hem voor een zeer
voorname gast.
—   Juist! — die dandy met \'n fijn-lakensche smoking, \'n laag uitge-
sneden vest, lakschoenen, witte das, een bijzonder mooi gesteven over-
hemd en lange manchetten.
—   Dan is hij bepaald een emeritus dansmeester of een gewezen pikeur
van Carré.
—   Heusch niet, \'t is de boekhouder, fluistert mevrouw Van der Mand,
met de oogen naar de deur wenkend — hij ziet er uit alsof hij, uit een
modeplaat geknipt, den geheelen dag op partij is — maar erg gedistin-
geerd, fijn, chic.
—   En zoo praat hij ook, voegt juffrouw Wilsc er bij en dan lachend :
Sjuut! Daar komt hij juist weer binnen, — is \'t geen type? Betoel! van
hoog-adellijkc afkomst, altijd tiré a quatre épingles met gefriseerde knevels,
in alles gesoigneerd. Zóó zit hij ook altijd in zijn kantoortje facturen te
schrijven : ,,de heer of mevrouw zus of zóó, debet aan den heer Molijn
de somma van item z<\'>óveel voor geleverde uien of aardappelen of
worteltjes of savoije kool" — is \'t niet grappig ?
—   Maar dan is \'t een edelman-groenboer, juffrouw!
—  Juist! De hótelier heeft een uitgebreiden handel in allerlei groenten,
die hier in den omtrek worden gekweekt.
■— Zonderling geval, een groenboer-boekhouder met blauw bloed! Hoe
komt die hooge meneer, hier nog veel hooger dan elders, aan zoo\'n laag
bij den gronds werk?
—    Och! men zegt dat hij een ongelukkige liefde heeft gehad — voor
paarden, maar... enfin! wat doet het er ook toe; de man is een uit-
muntend pikeur, een lijn mensch en een wandelende kleermakers reclame,
een merkwaardigheid van Tosari. —■ Morgen vroeg, nietwaar meneer
Heremans, gaan we dus naar den Bromo en de zandzee?
—   Zooals afgesproken, mevrouw, ik heb voor alles gezorgd, zelfs voor
-ocr page 338-
326
NAAK TOSARI EN DEN BROMO.
een paar flesschen melk voor u — wij zullen ons maar met ajèr blanda
en wat wijn behelpen — \'n beetje koude keuken en sigaren — en voor
Van Maurik heb ik een grooteren hoed dan hij nu draagt.
—   Maar Heremans, ik heb zoo\'n mooi toppie !
—   Te klein van rand, beste vriend! We rijden morgen uren lang door
de barre zon en als je nek niet beschut is, heb je een zonnesteek beet
eer je er om denkt, een pajong kun je onder \'t rijden niet ophouden,
ergo krijg je een hoed, die voldoende waarborgen voor je dierbare ge-
zondheid geeft.
—   Dus zoo\'n soort vloermat als hier de inlanders dragen.
—   Neen! een fijne helmhoed.
—   Banjak trima kasi!
—    Jammer dat meneer Van Maurik niet een week of wat vroeger is
gekomen, dan had hij Z. M. den Koning van Siam getroffen en de Bromo-
feesten kunnen meemaken.
—   De Bromofeesten, juffrouw YVilse?
—   Heeft u daar nooit van gehoord?
■— Neen!
■— O, valt mevrouw Van der Mand in, — dat is hier nog een zeer
interessant oud gebruik, dan offeren de Tenggereezen allerlei dingen aan
den vulkaan. Ze brengen wierook, levende kippen, ganzen, zelfs geitjes,
geldstukken en kleine sieraden — en gooien die in den krater.
—   Die levende kippen en geiten ook ?
—  Ja, natuurlijk, maar als ze beneden komen zijn ze niet levend meer. . .
—   Dat\'s wreed, die arme dieren !
—  Vroeger was \'t nog veel erger.
—   Hoe zoo, controleur?
—   Wel, in ouden tijd werd elk jaar een meisje, gewoonlijk \'t mooiste
uit de kampong, in den krater geworpen en \'t was een hooge onder-
scheiding om aan den Bromo te worden geofferd.
—   Hen pleizierige distinctie — ik zou ze feestelijk hebben bedankt.
—   Maar u is ook geen Tenggereesche, juffrouw Wilse.
—   Gelukkig niet — en controleur— wie heeft dat offeren uitgevonden?
—   Dat weet ik heusch niet.
Ei! clan ben ik knapper dan u — want ik ken de sagen van den
Bromo en den Batok.
—   De Batok?
—   Dat is de berg er naast, meneer Van Maurik, die noemen ze Batok
(klapperdop), omdat hij zoo\'n zonderlingen vorm heeft, veel gelijkend op
een, zoo midden in den Dasar, vóór den Widodarèn neêrgezetten reuzen-
pudding van zand en steen.
-ocr page 339-
NAAK TOSARI EN DEN BROMÜ.
.}27
—     Dasar, VVidodarèn? Neem me niet kwalijk, mevrouw, maar ik ben
nog zoo groen als gras in de topographie van deze streek. Zou u me
niet een beetje willen inlichten ?
—   O, de controleur zal \'t u wel doceeren, die is ook onze professor
geweest; hij is zóó volkomen op de hoogte, zóó knap!
—  Zeer verplicht, mevrouw — niag ik eens even uw gezondheid drinken
met dit glaasje Haantjes bier — maar u is te flatteus, ik weet er zelf
maar \'n klein beetje van.
—   Wees dan christelijk, controleur, en doe me van \'t weinige dat u
dan heeft, een beetje veel over, dan handel je naar de schrift.
—   Meneer Van Maurik, ik zal je alles geven wat ik zelf heb, \'k wil
ten minste den hemel aan je verdienen. Dasar noemen ze de zandzee
rondom den Bromo en de Widodarèn is een uitgebrande vulkaan. De
Zandzee is eigenlijk niets anders dan de bodem van een reusachtigen
krater van den niet minder kolossalen vulkaan Tengger, waarnaar liet
geheele gebergte hier genoemd wordt. Deze krater heeft den vorm van
een cirkel, waarvan in \'t Xoordoosten een segment is afgesneden —
maar ik zal het n liever even voorlezen, dan weet u meteen dat ik uit
een betrouwbare bron heb geput. Kijk! ik heb „Dr. Van Bemmelen\'s
reisgids door Indië" — een handig boekje, hè? juist bij me. Luister
maar. . . . „Het afgeronde gedeelte vormt aan de Noordzijde den Moeng-
galrand, aan de Zuidzijde den Idèr-Idèr. De koorde van het segment aan
de Noordoostzij is veel lager, waarschijnlijk tengevolge van een uitbarsting,
waarbij de berg tot aan zijn voet spleet, en slijk en lavamassa\'s aan die
zijde uit den krater, over den vernielden wand heen, door de spleet
dalwaarts stroomden. Immers de hooge Noordelijke en Zuidelijke krater-
muren Moenggal en Idèr-Idèr strekken zich in Noordoostelijke richting,
ver voorbij de Zandzee, langs de geheele berghelling uit, als de steeds
lager wordende zijwanden van een bergkloof: „het dal van de Kali Bates."
—   Controleur, nu weten we meteen waaruit onze professor zijn wijs-
heid opdoet.
—   Beste juffrouw! ik heb u nooit gezegd, dat ik ze uit mezelf had —
ik ben geen geoloog en ik wil eerlijk bekennen, dat ik het ontstaan van de
Zandzee en Bromo niet volkomen begrijp, al expliceert Dr. Van Bemmelen
\'t ook nog zoo handig; luister verder: „Toen de werkzaamheid van dezen
reuzenkrater was verminderd of geheel had opgehouden, bouwden zich in
zijn binnenste nieuwe kraters op. Deze zijn ten getale van vier. Drie
daarvan liggen op de lengte-as der Zandzee als uit- of inwendig rakende
cirkels en zijn waarschijnlijk achtereenvolgens ontstaan : de VVidodarèn,
de Giri en de Bromo. De vierde, de Batok, ligt benoorden de groote
vuurlijn, is zelfstandig en ongeschonden. Een vijfde klein éruptiepunt, de
-ocr page 340-
328
NAAK TOSARI EN DEN BROMO.
Goenong Kcmbang, ligt ten Zuidoosten van den Giri en vormt schijnbaar
\'t hoogste [>unt van den Widodarèn.
De kraterbodems van den Widodarèn en den Giri vindt men als kleine
zandmeren binnen hunne gedeeltelijk vernielde omwandingen !"
—   Dat klinkt erg mooi en geleerd, contróleurtje. maar voor gewone
menschen zou ik zeggen: — De zandzee is een groote zvvart-grauwe
vlakte, in een bergkom gelegen en in \'t midden daarvan staat een reus-
achtig groote tulband van grauwen steen, met groen begroeide ribben.
Daarachter een berg, de Hromo, die tussebenbeide vuur spuwt en altijd
een onheimelijk brommen doet hooren ; ze moesten hem liever „de brommer"
noemen; daar naast ligt nog een andere berg, de Widodarèn, een gepen-
sionneerde vulkaan, en op den achtergrond rookt de Seméroe — de hoogste
vuurberg van Java. Mij dunkt, zóó kan een kind de situatie begrijpen.
—   Mevrouw ik maak u mijn compliment! u moet bepaald een populaire
beschrijving van de Javaansche bergen uitgeven ; hoe komt u aan zoo\'n
juist beeld ?
—   Ik heb den toer al eens gemaakt en goed rondgekeken. II zal zelf
zien, als u er geweest is, dat ik concreet en duidelijk ben.
—   \'k Twijfel er niet aan, mevrouw!
—   Kn wil meneer Van Maurik nu soms ook de sagen van den Bromo
en den Batok hebben, dan kan ik er hem aan helpen. Ja, controleur-
professor! ik ben een binnenvetter, dat merk je nu eerst; ik doe behalve
aan topografie ook aan sagenkunde, en omdat u nu zoo royaal is geweest
je bronnen te noemen, doe ik \'t ook — ik heb ze opgeschreven uit den
mond van een oude baboe, die heel ernstig en wijs kan vertellen. —
Meneer Van Maurik, mag er wel een beetje aan schaven en vijlen, maar
in hoofdzaak moet hij de sagen onbesnoeid geven, ze verliezen anders te
veel van hun naieveteit.
—    Zeg, amice! je mag mevrouw Van der Mand wel een extra fijne
flesch — pardon — melk bedoel ik, offreeren, want een mooie sage is
dunkt me voor een auteur als een zeldzame munt voor een verzamelaar.
—   Juist, meneer Heremans en daarom moet men ze niet besnoeien,
wil de waarde behouden blijven — en wat een belooning betreft, — ik
doe wat ik doe niet uit winstbejag. Ja, \'t was iets anders als meneer
Van Maurik me een nieuwe maag kon geven. Ik zou hem eeuwig dank-
baar zijn en met liefde alle sagen bier uit den omtrek voor hem uit-
visschen en opschrijven.
—  En als ik nieuwe sterkere zenuwen kon krijgen, zou ik...
—    O goeie heer! daar beginnen ze op eens patiënten te worden; nu
is \'t leuke vleugje weer voorbij. Ajo ! wat is dat nu mevrouw? — Ajo !
controleur, ga jelui nu in eens sip zitten kijken?
-ocr page 341-
-ocr page 342-
NAAK TOSAKI EN DKN BROMO.
33o
—   U heeft mooi praten juffrouw Wilse, u is zoo gezond als een vischje,
u heeft geen last van uw zenuwen.
—  Gelukkig niet, controleur!
—    En jij hebt zoo\'n overheerlijke maag kind! Jij kunt wel spijkers
verteren ; jij eet voor drie zonder dat \'t je hindert.
—  Gelukkig ja, mevrouw !
—   Dien tijd heb ik helaas gehad. O, als je eens wist wat zoo\'n akelige
maag je hinderen kan !
—   Als u maar ééns van je leven neurasthenisch was.
—  Zoo\'n maag maakt je down, totaal ongeschikt voor alles...
■— Die slappe zenuwen doen je rillen en beven voor \'t minste of ge-
ringste. Soms zie je tegen alles, als tegen een berg, op. . .
—  Je maag vraagt om voedsel en je kunt niets inhouden, O!
—    Ha! Ha! Ha! neen maar, nu wordt het goed. Een hospitaal in
optima forma — zóó doen ze nu alle dagen, meneer van Maurik, kliemen
en klagen, bittere nood! En zoodra zij er maar niet aan denken worden
de kwalen beter: Ha! ha! ha! — er is een boel verbeelding bij ook.
- Oh no! valt op eens een lange bleeke Engelschman in, die dichtbij
ons aan tafel zonder eenige belangstelling in ons gesprek te toonen heeft
zitten eten. — Oh not! not verbeelding, miss Wilse, nerves are the most
excecrable things—and malaria is nog een very groot deel erger. I am
now all twee maand hier and ik voel veel beter, maar zoodra ik weer
kom in dat warme temperature of Soerabaja voel ik weer miserabel, ben
ik weer ziek.
—    Ik wou ook dat ik hier nog maar een poosje blijven kon, maar
mijn verlof is om, zegt eveneens deelnemend aan \'t gesprek een wel-
gedane en ronde onderwijzeres, die over hem zit — ik ben hier erg
opgeknapt, maar ik word al zenuwachtig als ik weer aan die vervelende
lessen denk.
En bijval knikkend buigt zich een kaalhoofdig, geelbleek man met kik-
vorsch oogen over de tafel en zucht: — \'t Gaat mij ook zoo, mijn beenen
zijn nog maar half in orde, maar toch zal ik weer naar beneden moeten;
ze kunnen op \'t bureau niet langer buiten mij —- die beroerde malaria
heeft me dan toch zoó te pakken gehad.
Hij is een ambtenaar, die van Tandjong Priok gekomen met moeras-
koortsen, er nog erg naar en smal uitziet, \'t Gesprek wordt algemeen,
want al de gasten, die, nu de tafel is afgeloopen, niets meer hebben wat
hun bepaalde oplettendheid in beslag neemt, voelen \'zich plotseling weer
patiënten.
Een kaptein, met zijn vrouw en kinderen aan het boveneind van de
tafel zittend, staat op en zegt geeuwend tot zijn buurman, een klein,
-ocr page 343-
NAAK IOSAR1 EN OEN BKUMO.                                    33 I
smalwangig jongman: — ik ga achter de kelamboe (slapen), \'k voel me
vandaag weer heel beroerd en mijn vrouw is ook onlekker, niet waar?
—- Ja, \'k heb barstende hoofdpijn, dat komt hier door de kou — ik
kan niet tegen die plotselinge overgangen — en achter een ander om
knikt een corpulent heer haar toe: — Mij is \'t ook koud genoeg, ik zit
geregeld te rillen, maar de dokter beweert, dat mijn hartslag daardoor
beter zal worden al gaat mijn hartkwaal misschien nooit meer over.
En ik heb weer erge steken in de milt, klaagt een dikke dame, met
een blauwig rood gezicht en haar buurman een holoogig, geel man, klopt
even op zijn rechter zijde, bitter schertsend: u is links caduc en ik rechts,
mevrouw, mijn lever is niet in orde.
—   Kasihan ! de mijne deugt ook maar half! pruttelt een overbuur.
—  En de mijne gooi ik eerstdaags op vendutie ! roept van \'t lagere eind
der tafel een tabaksplanter, die voor zijn gestel noodig naar Holland
)iiocst, maar, naar hij beweert, om de blaadjes niet kan.
In een gezondheids-établissement loopen de tafelgesprekken meestal
over de respectieve kwalen der gasten en Tosari maakt daarop geen
uitzondering. Zelfs na de rijsttafel, in de conversatiezaal, worden die
klachten voortgezet en zitten groepjes zieke of halfzieke gasten elkaar te
beklagen of met meewarige gezichten de relazen aan te hooren van
malaria-, koorts-, zenuw- en andere lijders.
De dokter, aan \'t établissement verbonden, een affabel, prettig uitziend
man, maakt nu met deze, dan met gene patiënt een praatje. Hij troost,
bemoedigt en overtuigt eindelijk allen, dat een siësta, van meer uitgebreiden
aard, nu de grootste weldaad, de beste medicijn voor hen is.
Binnen weinig tijds is de zaal ledig en gaan Heremans en ik het terras
voor \'t hotel eens op, om \'t heerlijk vergezicht te genieten. Ik snij mijn
naam in de kolossale bladeren van een buitengewoon groote aloë-p\'ant,
naast dien van den koning van Siam — ik wil ten minste éénmaal in
mijn leven vlak naast een regeerend monarch staan, — al is \'t ook maar
in een bittere aloë.
Heremans graveert zijn naam in de andere plant, die een eind verder
staat en zoo groot is, dat een inlander niet aan de toppen der bladeren
reiken kan, al staat hij op den rand der kuip.
Het panorama, dat men op het terras van het hotel Molijn genieten
kan, is boven alle beschrijving schoon. Van uit den tuin, waar heerlijke
bloemen, heliotropen, reseda\'s, rozen en geraniums welig bloeien, ziet
men neer op de omliggende bergen, met hun begroeide ribben en kammen,
hun groene uitloopers en diep ingesneden ravijnen.
Als een glinsterende, nu eens witglimmende, dan als in zilverlicht of
goudglansen tintelende streep, ligt recht vooruit de zee, de Straat van
-ocr page 344-
\\
332                                 NAAK TOSARI KN DEN BROMO.
Madoera. Bij helder weer in den west-moesson is zelfs het eiland Madoera
duidelijk te onderscheiden.
In de vlakte beneden spiegelen en blinken de natte sawahs als waren
/ij in \'t land gedrongen stukken zee.
Woud en boomen liggen als mos onder tegen de berghellingen aange-
drukt, groote akkers en kleurige velden, schijnen hier en daar, op goed
geluk, tusschen bergtoppen en heuvelklingen neergesmeten en de dunne
gelig-witte slingerende draden der wegen vertoonen zich over de bergen,
nu eens in donkere bosschen verdwijnend, dan blinkend in de zon, een
eind hooger weer verschijnend en voortkronkelend naar den top.
Links verheffen zich de hooge suikerbroodvorrr.ige Penanggoengan, de
Kawi en de vijftoppige Ardjoeno, de berg der sagen, men zou hem bijna
kunnen noemen de Indische Kijffhauser, want de Ardjoenoe, de koningen,
die daar eenmaal heerschten, de berggeesten, monsters, apen en draken,
die er eertijds spookten of huisden, vormen schering en inslag van de fijn
geweven mystieke verhalen, de legenden en sprooken, die de inlander
steeds opnieuw met ademlooze spanning en onbezweken geduld, uren lang
achtereen kan aanhooren, hurkend bij de wajang-vertooning.
Het Hotel Molijn, grootendeels van hout opgetrokken, ligt op een
smallen uitlooper van een der Tenggcrruggen, daardoor is het uitzicht
van alle kanten even ruim en schoon. Het bergplateau, waarop hotel en
bijgebouwen zijn opgericht, is echter zóó klein, dat alles zeer dicht op
elkander is gebouwd en slechts de eetzaal en conversatie-, tevens biljart-
zaal, een tamelijk goede afmeting hebben. De logeerkamers zijn klein
en met weinig comfort ingericht, door gevlochten bamboe-wanden van
elkander gescheiden en voorzien van kleine vensters.
Een en ander heeft men echter zóó moeten inrichten, omdat de veel-
vuldige aardschokken het opmetselen van steenen muren niet raadzaam
maken.
Rondom het plateau van Tosari ziet men de eigenaardige Tcnggereesche
kampongs liggen, huizen van geheel bijzonderen vorm, met vreemde
versieringen, die aan den half Heidenschen, half Brahmaanschen gods-
dienst van het volk herinneren. In den \'I engger leven nog de laatste
afstammelingen van de oude Javanen, die tijdens het rijk van Modjophaït
het eiland bevolkten en na den val van hun rijk, als voortgedreven door
den verder en verder doordringenden Islam, in de ongenaakbare bergen van
den Tengger een schuilplaats zochten. Daarin die streken bestaan nog enkele
Brahmaansche priesters van een kaste, die langzaam uitsterft. De bevolking
is dom, maar goedig en eerlijk van aard, tuk op een extraatje van den
vreemdeling en veel toeschietelijker clan andere inlanders, spraakzamer en
vrijmoediger; enkelen zelfs onbeschaamd en aandringerig als zij iets te
-ocr page 345-
NAAR TOSAKI F.N DEN HKOMO.
333
verkoopen hebben, waaraan ze een duitje meenen te kunnen verdienen.
Zij vereeren den vuurberg Brom o en bouwen daarom hun langwerpige,
vierkante vensterlooze huizen steeds met de lange zijde van het vierkant
naar dien krater gekeerd, met een deur in \'t midden.
Van buiten zien die huizen, evenals de wegen, er tamelijk netjes uit,
maar van binnen ? Laat mij er over zwijgen ! Ik heb er even één kijkje
Tengerreesclie kampong (Gnadiwono).
in genomen, en ik verlangde naar geen tweede. De Tenggerees is op zijn
lichaam even zindelijk als op zijn huis, hij baadt zich weinig of niet en
draagt zijn kleederen totdat ze den strijd tegen regen, wind en zonneschijn
vanzelf opgeven.
Hij leeft van akkerbouw en groenteteelt en weet met groote vaardigheid
en geduld zijn akkers aan te leggen, zelfs tegen de steilste berghellingen.
-ocr page 346-
NAAR TOSARI F.N DF.N BROMO.
334
Rijst wordt door de Tenggerezen niet verbouwd, ten gevolge van een
oud verbod, nog uit den tijd van bun terugtocht voor de Mahomedaansche
overheerschers dagteekenend.
Langzamerhand heeft de bevolking, door het aanleggen van te veel
akkers, het gebergte voor een groot gedeelte ontwoud; daardoor is bet
nadeel van te weinig regenval ontstaan en loopt het bergwater te snel
en gemakkelijk af. Herhaaldelijk is dientengevolge reeds gebrek aan water
ontstaan, deels ook een gevolg van het bij/onder droge klimaat van den
Javaanschen oosthoek.
Geheel Oost-Java wordt door de Tenggereezen van versche groenten
voorzien en onophoudelijk komt men op de wegen de kleine sterke pikol-
paardjes tegen, aan weerszijden van hun zadel groote manden met groenten
en vruchten dragend. (Jok honden worden door de bevolking aangefokt
en een paar goede Tenggerreesehe honden zijn duur en zeldzaam; omdat
ze langharig, een zeldzaamheid in Indië, bijzonder trouw en aan hun
meesters gehecht zijn, iets hebbend van den wolfshond en den St. Bernard.
Terwijl ik te Tosari was, kwam een inlander een jong pantertje, dat
hij ergens in \'t bosch had gevangen te koop aanbieden.
\'t Beestje had de grootte van een kat, was allerliefst speelsch, „een
snoezig diertje", zooals de dames beweerden, maar hoewel de man, heel
beseheiden, maar één ringgit (rijksdaalder) vroeg, was er niemand, die
het „snoezig\'\' beestje koopen wilde, want al brengt men zoo\'n pantertje
ook geheel en al met de flesch op, al houdt men het afgezonderd van
zijn moeder, familie of andere natuurgenooten, een panter blijft een
panter en verloochent zijn natuur niet. Zoodra hij zijn tanden en klauwen
gebruiken kan keert hij die tegen zijn meester.
De koopman ging dus teleurgesteld en verwonderd weer heen, niets er
van begrijpend dat de blanda\'s voor een jong pantertje geen twee gulden
vijftig wilden geven — terwijl het gouvernement voor het vel van een
ouden, dooden, toch vijf-en-twintig gulden premie betaalt.
\'t Is \'s morgens zeer koud op den bergtop, zoo koud zelfs dat het min
of meer gevaarlijk is zich op de gewone wijs te baden ; het badwater is
inderdaad zoo koud als ijs; zelfs \'s middags heeft het nog een temperatuur,
die een zeer omzichtig gebruik noodig maakt.
De Tenggereesche bergbewoners loopen dan ook \'s morgens en \'s avonds
in hun kaïns en sarongs gehuld en krijgen daardoor een schilderachtig
uiterlijk; onbewust drapeeren zij zich in hun bontgekleurde of ellen doeken
oj) eigenaardig artistieke manier.
Een schilder zou zeker in den Tengger overvloedige motieven vinden
voor zijn penseel, zoowel wat het landschap als de stolïage betreft. Het
verwonderde; mij te vernemen, dat zelden of nooit een artist naar fndif"
-ocr page 347-
NAAK TOSARI EN DEN BROMO.
335
is gekomen om daar studiën te maken. Mij dunkt een tropisch landschap,
een Indisch binnenhuis of een Javaansch genrebeeld zou geen onwelkome
afwisseling zijn van onze llollandsche molentjes, vlieten, wilgen en bocren-
kindertjes in tafelstoelen.
Als gezondheids en herstellings-établissement is Tosari voor zenuw-,
lever- en malariazieken dikwijls het eenig reddende oord en menig lijder
dankt het aan de eerste hulp in \'t hotel Molijn, dat hij later in zijn
vaderland geheele beterschap is kunnen gaan zoeken.
*
Onze cavalcade ziet er goed uit den volgenden morgen ; de dames
rijden met den controleur in gestrekten draf vooruit over den weg, die
slechts zeer langzaam glooiend opwaarts voert. Heremans volgt en ik
heb alle gelegenheid om, bedaard als achterhoede rijdend, zijn gekrompen
reispak en flinke martiale houding te bewonderen en op te merken, dat
hij, evenals ik, minder op zijn gemak schijnt zoodra zijn paardje voor
een oogenblik vergeet, dat het een Zondagsruiter draagt en harder gaat
loopen dan hem lief is. Wij houden echter meestal ongeveer gelijken
tred met de koelies, die we hebben meegenomen om de manden met
eet- en drink waren te dragen.
Tusschenbeiden kijkt mijn vriend even om en roept me toe: — Zit je
er nog op ?
Dan richt ik me lier op in den zadel en schreeuw terufr: — Pas maar
op je eigen tabernakel, mijn brave ! en om te bewijzen, dat ik vast op
mijn rijbeest zit, haal ik een sigaar uit mijn koker en steek die man-
moedig op, de lucifer tusschen mijn handen houdend, om haar voor uit-
gaan te behoeden. Wat mijn knieën bij zoo\'n tour de force uitstaan zal
ik maar niet vertellen, maar een feit is, dat ik \'s avonds in \'t hotel een
paar zeer verdachte roode vlekken constateerde — later hoorde ik, dat
het niet noodig is om zóó erg te knijpen en dat men nog wel zóó ver-
standig doet om, zooals Heremans beweerde, „je maar als een zak vol
zand op je paard te laten hangen."
Dikwijls zien wij, een heel eind vóór ons, dan weer boven ons, op den
zig-zag opwaarts loopenden weg, de twee dames, die keurig te paard
zittend, geëscorteerd door den controleur, een volleerd ruiter, nu eens
dravend, dan weer stappend, en op de steilste plaatsen soms zelfs met
korte sprongen omhoog stijgen.
Zij wuiven ons toe met haar zakdoekjes of wenken met de karwats,
omhoog wijzend, als noodend: — Kom dan toch sukkelaars, kom dan toch?
■— Heremans! roep ik, — zet je paard wat aan, wij komen zoo achter,
de dames lachen ons uit, kijk zij eens wenken!
-ocr page 348-
336
NAAR TOSARI KN DRN BROMO.
—    Laat ze maar! — ik heb geen haast en bovendien ik heb een
zonderling paard getroffen, ik ken het nog niet, maar ik ben bezig het
te bestudeeren. \'t Doet zoo mal; als ik het aanzet om harder te loopen
blijft het staan en als ik halt wil houden gaat het draven.
Zou het ook aan jou liggen, kun je wel terecht met de teugels?
—    Waarachtig wel — ik heb ze dubbel om mijn hand geslagen en
allebei goed vast!
—   Laat dan de koelie je paard een poosje bij den kop nemen om het
te wennen — dat doe ik ook, nu en dan.
•— Dat \'s een idee !
—   Gaat \'t nu beter, Heremans?
—   Uitstekend en jij, kom jij goed vooruit ?
—   Heerlijk! — maar langzaam en pijnlijk!
De weg is prachtig mooi, vol afwisselende vergezichten in het gebergte,
dat zich rondom in telkens afwisselende herhalingen van diepe ravijnen
en bergkammen, zadels en ruggen uitbreidt.
Langs den zoom der wegen groeien allerlei kruiden en bloemen in \'t
wild, die in Europa onze tuinen en bosschen sieren. Wilde aardbeien,
boschbeziën en bramen, vergeet-mij-nietjes, edelweiss, wilde reseda, kamille,
boschviooltjes en rhododendrons, kruizemunt en brandnetels, wilde perziken
en druiven vindt men op die bergwegen tusschen de planten en boomen
overal.
Soms omhult plotseling een witte nevel als met een dichten sluier de
toppen der bergen. Zachtkens zweeft hij lager en lager en drijft tusschen
de bergen heen en weer, hier of daar een opening latend, waardoor men
in de diepte iedermaal een ander liefelijk of wild landschap te zien krijgt.
Kven snel als die nevel komt, verdwijnt hij ook, zich telkens verplaatsend,
dalend en stijgend, vaak eensklaps neervallend en liggenblijvend als een
witte wade op de groene en bruine, tegen de berghellingen verspreide
akkers.
Ongeveer op de helft van den weg naar den Moenggalpas, het punt
waar men halt houdt voor men naar de zandzee afdaalt, heeft men een
prachtig vergezicht zuidwaarts. Over de met allerlei nuancen van groen
bewassen hellingen, de zonderling gevormde wilde rotspartijen en prachtige
veelkleurige velden, die als een wonderschoon kleed de bergflanken
bedekken, ziet men in de verte de olijfgroene tjemarabosschen hun donkere
massa\'s uitbreiden als een gekartelden gordel rondom de hoogere berg-
toppen, die scherp tegen de klare, heldere morgen lucht afsteken — en
hoog hoven alles uit heft de Seméroe zijn naakten aschkegel, zacht geel
getint door de zon, omhoog.
-ocr page 349-
NAAR TOSARI EN DEN BROMO.
33 7
Nu en dan stijgt langzaam uit dien vulkaan een rookpluim, zonderling
van vorm, opgestooten in gekroesde, rollende ringen, opklimmend in de
lucht grauw, en geel in \'t midden, aan de uiterste randen wit of gekleurd
door de zonnestralen, die spelend met den rook er allerlei vreemde figuren
in doen zien. tegen het fijne, effen blauwe, wolkenlooze uitspansel.
De bergwind wordt koeler, de felle zonnestralen hinderen minder, als
men hooger en hooger stijgt. De plantengroei wordt armer, de struiken
en heesters aan den weg zeldzamer en eindelijk blijven slechts de
donkere tjemaraboomen over. Melancholisch steken zij hun takken met
lange baardmossen behangen naar ons uit als we den rand van den
Dasar naderen.
Xa een rit van ongeveer twee uren hebben wij den Moenggalpas bereikt.
We stijgen af om onze paarden een oogenblik rust te gunnen onder
\'t afdak, dat daar tot dat doeleind is neergezet.
Met schertsende woorden begroeten de dames ons en de controleur
zegt hoffelijk: — De heeren hebben zich zelf overtroffen.
Wij zetten min of meer gelegenheidsgezichten en dan — zegt niemand
gedurende ettelijke minuten één enkel woord ! We zijn het punt genaderd
van waar men in den Dasar neerziet.
We komen allen onder den geweldigen indruk van dien aanblik, want
plotseling ontrolt zich voor het verbaasde oog een onbeschrijfelijk, wónder-
vreemd panorama.
Uit de prachtige, rijke zonovergoten tropische natuur, vol leven en
warmte, gloed en kleur, ziet men eensklaps neer in een kille donkere
vallei, waar de zon haar kracht schijnt te hebben verloren, waarin geen
enkele kleur het licht weerkaatst, maar somber grijs en zwart, de leven-
brengende zonnestralen opslorpt.
Zwartgrijs zand zoover het oog kan reiken !
Een zee van zand, licht gerimpeld over haar oppervlak, als had de
wind in lange smalle golven het fijne stof voor zich uitgestuwd, het
opwerpend tegen de bergwanden en kale steenmassa\'s, het opstapelend
in de duistere holen en spleten der rotsgevaarten, die in allerlei fantastische
vormen zich dreigend, als versteende berggeesten, van alle zijden verheffen.
Een ontzagwekkende ruimte !
Een oceaan van donkere vulkanische asch ligt daar in geheimzinnig,
doodelijk zwijgen als een dal des doods, als een oord der verschrikking,
onder den heerlijken blauwen hemel, die achter de grauwe bergen in
zacht violet en rosé wegwazigt.
En midden in die zee, oprijzend als een eiland, de Batok, een afge-
knotte, reusachtig groote kegel, regelmatig gegroefd, met afstralende
ribben, zwartbruin met geschulpten onderrand en olijf-groene strepen, de
-ocr page 350-
33"*                                    NAAR TOSARI EN DEN BROMO
lage tjemaraboomen en struiken, die op de randen der diepe, door de
eertijds afstroomende gloeiende lava ingebrande voren groeien.
Een eind daarachter een tweede eiland, de Bromo, een grijze, vale
lage asch- en lavaberg, breed gapend, hol, waaruit langzaam bij tusschen-
poozen een gelige rook opwolkt. Verder, onmiddellijk grenzend aan
beiden, een grillig gevormd, slijkkleurig grauw gebergte — de Widodarèn,
spaarzaam hier en daar begroeid met dunne, arme struiken en dorre helm.
De Zand/.ee met den liatok bij Tosari, Ü.-Java.
En hoog in de verte, als uitgesneden in de goddelijk mooie blauwe
lucht, de majestueuze in de zon lichtende, gelige aschkegel van den
Seméroe, waaruit voortdurend een rookwolk opstijgt.
En rondom in uitgestrekten kring, de hooge, sombere wanden van den
Moenggalrand en den Idèr-Idèr, als de steile oevers van een doodenmeer,
waaruit een enkele dorre boom zijn dunnen takkenloozen stam als een
baken omhoog steekt.
Geen ander geluid treft het oor dan het droefgeestige metaalachtige
ruischen van de tjemaraboomen.
-ocr page 351-
NAAR TOSARI EN DEN BROMO.                                    339
Suizelend bewegen de dunne scherpe naalden in den wind, fluisterend
als waarschuwende geestenstemmen, sprekend van ontzachlijke, dood en
verderf brengende krachten, geketend in den diepen schoot der aarde.
Woelend en dringend, werken zij in onpeilbare afgronden, totdat zij,
eensklaps hun kluisters verbrekend, met woest geweld omhoog stijgend
een uitweg vinden naar het oppervlak der aarde, die beeft en siddert
en schudt onder \'t dreunen van hun bulderende stem, terwijl zij vuur en
asch, dood en verderf opspuwen uit de diepte.
Men gevoelt zich angstig, beklemd en klein, als men bedenkt, dat men
zich op de dunne, broze aardkorst bevindt, die de loeiende onderaardsche
fornuizen, de vurige smeltkroezen van de bovenwereld scheidt.
In den Dasar geen levend wezen — alles is stil; schijnbaar vreedzaam
ligt die ontzachelijke zee van zand tusschen de bergen, -— maar \'t is de
vrede des doods, de kalmte van eenzame verlatenheid!
Daar plotseling ziet men, diep onder zich, iets bewegen, een stip, meer
stippen ! En als ze nader komen, ontwaart men — de lucht is fijn en
helder, zoodat alles naderbij schijnt dan het in werkelijkheid is — ruiters,
microscopisch klein, als insekten voortkruipend over de zandvlakte.
Nu eerst komt men tot het begrip welk een afstand tusschen den
Moenggalrand en den Dasar ligt, welke reusachtige afmetingen de Zandzee
en de omlingende bergwanden moeten hebben, hoe verbazend groot de
schijnbaar zóó daarheen gezette kegels en bergen — de Batok, de W\'ido-
darèn en de Bromo moeten zijn.
De afdaling door de Moenggalpas begint. De paarden loopen omzichtig,
stap voor stap in den aanvankelijk nog tamelijk goeden hollen weg, maar
bij de eerste wending reeds duizelt men bij het zien der groote steilte,
die men te viervoet moet afdalen, \'t Is of de dieren zelf begrijpen, dat
het niet gaat, want ze blijven staan en snuiven.
— Afstijgen !
Het pad is verschrikkelijk steil geworden en hier en daar treft men in
de hooge zijwanden van den hollen weg, aan weerszijden, diepe gewelfde
gaten van geringe hoogte aan, de door de Tenggereesche bevolking
uitgegraven plaatsen waar zij aan hun Dewa\'s (geesten) offeren, vóór zij
afdalen in het verblijf dier onzichtbaren. Het volksgeloof bevolkt namelijk
de zandzee, de holen en grotten der lavamassa\'s van Bromo en Batok
met geesten en kabouters, spoken en aardgoden. De inlanders zijn zeer
bijgeloovig, en schrijven alles wat zij niet begrijpen toe aan de werking
of den invloed van goede of booze onzichtbare wezens.
Het kost moeite om op de been te blijven, zoozeer neemt de helling
van den weg eensklaps toe. Men houdt zich, afdalend, vast aan boom-
stronken en struiken, zet zich schrap tusschen steenbrokken en lava-
-ocr page 352-
NAAR TOSARI KN DEN BKOMO.
34°
klompen en bereikt, na een moeilijken tocht, den ongeveer duizend voet
lager gelegen Dasar.
Langzaam en voorzichtig volgen de paarden, geleid door de koelies.
Eindelijk wordt de cavalcade aan den voet van den Moenggalpas weer
samengesteld en de rit door de zandzee naar den Bromo vangt aan.
Zoodra de paarden den vlakken, harden bodem onder hun hoeven voelen,
beginnen zij te draven. Zonderling is het dat op veel plaatsen in den
Dasar de grond onder hun hoefslag resonneert, alsof een groote holle
ruimte daaronder ligt.
Soms dwarrelt het grauwe zwarte zand in wervelende hoozen op, blakend
in de zon, ruischend neervallend, een eind verder, op de dunne helm en
\'t spichtige zwarte gras, dat op enkele plekken spaarzaam groeit.
Men kan zich verbeelden dat men door een woestijn trekt; hier en
daar liggen enkele beenderen van gestorven dieren, gebleekt door de
zon, meestal overblijfselen van de wilde of half wilde paarden, die in
groote kudden, soms van zestig of zeventig, in het zuidelijk gedeelte van
den Dasar waar, zonderling genoeg, sappig gras groeit, zich ophouden.
Wilde honden, Atjaks, maken jacht op paarden, die stervend neêr-
vallen, of zich verwonden — in een oogenblik hebben zij met hun nijdige
tanden zulk een zwerveling verscheurd en verslonden.
Een enkele roofvogel drijft hoog boven ons op zijn breede vlucht.
Wij rijden midden door de zandzee ; zwijgend — de lust tot spreken
wordt belangrijk minder bij \'t aanschouwen van dit grootsche maar
huiveringwekkende natuurtooneel — naast elkander voort, om den Batok
heen, en eerst als wij na een groot half uur aan den voet van den Bromo
zijn aangekomen, beginnen de tongen weer los te raken. Slechts enkele
uitroepen van bewondering of verbazing zijn heen- en weer gevlogen
door de stille eenzaamheid, waarin de holle weerklank van de hoefslagen
onzer paarden zoo zonderling beklemmend aandoet.
Daar ligt hij voor ons de duistere, dreigende Bromo.
Reeds bij het begin van den rit, aan den voet van den Batok hoorden
wij zijn brullende stem. Nu loeit en buldert hij ons angstwekkend tegen.
Het is een zonderling geluid dat men nooit vergeet, dat onwillekeurig
een huivering door de leden jaagt en het meeste overeenkomst heeft met
het snorren van een fel brandende kachel millioen malen vergroot en versterkt.
Men gevoelt dat men op gevaarlijk terrein staat, men begrijpt dat elk
oogenblik die loeiende stem kan overslaan tot een verderf spellenden
donder, dat op de kleine rookkolommen plotseling dood en verderf
\'brengende uitbarstingen kunnen volgen.
-ocr page 353-
NAAR TOSARI EN DEN BROMO.
341
Als een reusachtige belt van versteende asch en slijk, van grijze lava
en bruine met zwavelhoudende kristallen vermengde rotsblokken en puim-
steenklompen, verheft de berg zich, midden in de zandzee. Zonderling
gevormde, op zware gestolde golven gelijkende lavaruggen, uitloopers en
heuvels, vormen den ver vooruitspringenden bergvoet. Hen vrij steile
helling voert verder opwaarts tot aan een bijna loodrecht, tot den top
oprijzenden loodkleurigen wand.
De Bromo.
■— Moeten we daarop? vraagt een der dames met haar karwats in de
verte naar de houten ladder met onmogelijk wijde sporten wijzend, die.
tegen den steilen wand is aangebracht.
—  Als u durft, juffrouw!
—   Hm! \'t Is een heele hoogte; durft u, mevrouw?
—   Zeker wel, waarom niet? Mevrouw Van der Mand stijgt af, neemt
haar rokken samen en stapt moedig den weg op, die tusschen de als een
doolhof dooreen kronkelende zandruggen en langs de donkere talut\'s.
omhoog voert.
-ocr page 354-
342                                     NAAR ÏOSARI F.N DEN BROMO.
Wij volgen; onze paarden wachten beneden aan den voet onder een
tot dat doel daar geplaatst hutje.
Ik klim langzaam, zachtjes pratend met Heremans, verder — \'t voort-
durend gebrul van den Bromo maakt mij zenuwachtig, maar ik wil het
niet bekennen, ik vrees dat mijn vriend me kinderachtig of laf zal vinden,
maar al spoedig merk ik aan zijn enkele, korte antwoorden dat hij, even
als ik, onder den indruk is van al \'t ongewone wat we ondervinden.
Soms kijken we even om, naar de zandzee beneden ons. Als wonder-
lijk geheimzinnig, loerende reuzenkoppen en sprongvaardige monsters met
gekromde ruggen, grijnzen de fantastische lavablokken ons aan uit de
diepte. De Bromo is als omringd door een heir van aan zijn voet ineen-
gedoken en hurkende berggeesten in grauwe gerimpelde gewaden ; trawanten
gereed, om wanneer hij met zijn vuur en gloeienden modder het dal over-
stelpen wil, dat over hun breede schoften voort te dragen naar de vlakte.
Wij klimmen nog hooger!
Een klein half uur stijgen we zoo omhoog.
De controleur is achter ons met juffrouw Wilse; de moedige mevrouw
Van der Mand heeft de ladder reeds bereikt.
—   Zou zij er waarachtig opkrabbelen ? vraagt Heremans.
—    Daar gaat zij al! Ik zeg het met eenige verwondering, zelfs met
lichten schrik, als ik zie hoe ze haar kleine handen om de ruwe spijlen
van de ladder slaat.
Lachend ziet zij om en roept ons toe: -- Die me lief heeft volgt me!
—    Wij komen! roepen we terug en als zij ten zestal sporten met
groote moeilijke stappen is opgekrabbeld, lacht Heremans:
—    Keer je om Van Maurik, of bedek je aangezicht anders wordt je
blind door die kuitenparade.
—    Juffrouw Wilse — die nu ook in onze nabijheid is roept lachend:
— Mevrouw! u trousseert je te veel! maar de vroolijke dame doet alsof
zij niets hoort, klimt onversaagd verder en knikt, even omkijkend, ons
toe als wilde zij zeggen: — dat weet ik wel, maar wat ik laat zien, mag
gezien worden !
Wij staan aan het begin der ladder.
—  Asjeblieft juffrouw Wilse, na u!
—  Neen meneer Van Maurik ga u maar voor — u ook meneer Here-
mans, controleur asjeblieft, aan u de voorklim — ik volg de heeren wel.
—   Kerel! wat \'n hoogte — zegt Heremans de ladder aanvattend, heb
je nooit last van duizeligheid ?
—  Ja —-ik wel, en jij ?
—  Goddank — niet!
—   Laat mij dan vooruit Heremans, als ik dan duikel kun je me opvangen.
-ocr page 355-
N\'AAR TOSAKI F.N DEN BROMO.
343
— Goed! Kn avant!
We klimmen langzaam de tweehonderd sporten, die ongeveer een halven
nieter van elkander afstaan, op, nu en dan onwillekeurig huiverend omkijkend
naar de donkere vlakte onder ons.
Mevrouw Van der Mand is reeds boven en wuift met haar zakdoek.
Kindelijk staan we allen bijeen op den kraterrand en blazen uit, want
\'t is een vermoeiende klim geweest.
Ilinnenste van den Bromo-krater.
Boven aan de ladder bevestigd, is een klein overdekt houten plateautje,
waarop een vijf of zestal personen kunnen staan. Mevrouw van der Mand
houdt zich vast aan een der stijlen van \'t dakje en kijkt voorovergebogen
in den krater.
Wij volgen haar voorbeeld en zien in de duistere diepte, waaruit voort-
durend rook en zwaveldampen, borstbenauwend en hinderlijk, opstijgen.
Onder ons in de diepte gloeit het onderaardsche fornuis; kokend borrelen
-ocr page 356-
NAAK TOSARI EN DEN BROMO.
344
zwavel en lava dooreen; — plotseling laait soms een vlam op of baant
een dikke, vuile stinkende rookkolom zich een uitweg.
In den ruim tweehonderd meter diepen kratertrechter zieden en bruischen
solfatoren en fumarolen. Gele rook en blauwe zwaveldampen stijgen
omhoog en aschfonteinen laten hun sissende, ruischende en rommelende
stralen langs de gladde wanden neervallen in den gloeienden vuurpoel.
Schijnbaar is het onderste gedeelte van den vuurtrechter niet groot en
lijkt de afstand klein, zoodat ik, die me verbeeld nog al een goed steen-
werper te zijn, probeer om een flink stuk harde lava in de diepte te
gooien, in de hoop dat de Bromo het geschenk zal weigeren en terug-
slingeren.
Ik werp met al mijn kracht, maar het projectiel valt op een der voor-
springende punten van den gloeienden wand en blijft daar liggen.
Wanneer men bedenkt, dat een waaghals, die, zooals men ons later
vertelde, den rand van den kratertrechter heeft omgeloopen, daarvoor
bijna twee uren gebruikte, kan men zich voorstellen hoe ontzachlijk groot
die is en hoezeer het oog, dat de afstanden meten moet, bedriegt.
Wij staren nog een poos zwijgend in dien ijzingwekkend schoonen
vuurpoel en dan zegt de dappere mevrouw van der Mand doodkalm :
—   Verbeeld je nu eens, dat er op dit oogenblik een hevige uitbarsting
kwam? Kr bleef geen stuk van ons over!
—    Heere bewaar me, mevrouw, wat \'n akelig idee! Juffrouw Wilse
draait zich om, vat de ladder en begint eensklaps den terugtocht.
Ik voel plotseling een rilling over mijn rug gaan en \'t loeiend gebrul
van den berg, dat ik een oogenblik niet meer hoorde, door de gespannen
aandacht, die ik aan den krater wijdde, klinkt voor mij opeens heviger
en angstwekkender dan te voren.
—    Mevrouw ik krijg er genoeg van! zegt de controleur en volgt
juffrouw Wilse.
—■ Och \'t was maar gekheid, de Bromo is veel te beleefd om ons zóó
te dupeeren, maar je kunt toch nooit weten, ik zal \'t hier ook maar voor
gezien houden. Gaan de heeren meê terug?
—    I\' heeft me een benauwde suggestie gegeven, mevrouw, zeg ik uit
den grond van mijn hart, en Heremans fluistert me toe: — Ik stond er
juist aan te denken, dat je eigenlijk zoo mir nichts dir nichts, ad patres
zou gaan als de Bromo een kuur kreeg. Ik zal blij wezen als ik weer
goed en wel beneden ben.
—   Ik ook!
Is het opklimmen langs de ladder moeilijk, het afdalen is een aller-
onpleizierigst, duizeligmakend werk en ik wil nu wel eerlijk bekennen,
dat ik, na een tiental treden op de gewone wijze te zijn afgeklommen,
-ocr page 357-
NAAR TOSARI EN DEN BROMO.
345
me heb omgedraaid en erg voorzichtig, niet links of rechts of omkijkend,
achterwaarts verder ben afgedaald, langs de sporten, die mij nu nog veel
wijder van elkaar schenen, dan bij \'t opklauteren.
Als we beneden zijn, zien we elkander even zwijgend aan en bekennen
dan eenparig volmondig, dat \'t een mooie, interessante, maar toch griezelige
tocht is geweest.
# *
*
De avondtafel in \'t hotel is gedekt — de gasten komen, geroepen
door de bel, die precies om zeven uur wordt geluid, in de eetzaal.
Heremans en ik hebben na den vermoeienden Bromo-tocht eenige uren
goed geslapen en zijn verlangend onze tochtgenooten aan tafel te ont-
moeten, om te vernemen hoe de dames zich bevinden. Op onzen terugweg
hebben we een kort, maar even hevig als onverwacht regenbuitje gehad
en dientengevolge zijn we, bestoven en zwart van de Bromo-asch als we
waren, min of meer ontoonbaar, als bemodderde Morianen weergekeerd
op Tosari.
Nu zien we er weer table d\'höte-fahig uit. —
Er zijn intusschen een paar nieuwe gasten in \'t hotel gekomen ; een
doove oude dame met zieke nieren, een luitenant met wisselkoorts en
een jeugdig koopman, die zich overwerkt heeft. Zij zitten een eind van
ons af naast een der leverlijders en worden door hem op de hoogte
gebracht der verschillende kwalen der gasten, van de goede en kwade
eigenschappen van \'t hotel Molijn.
De magere Amerikaansche, miss Blucks, met haar maid servant zit nu
vlak tegenover mij .peinzend te kieskauwen. De mollige miss is ver-
trokken en het Engelsche kevertje zien we ook niet meer, een omstandig-
heid die haar den eetlust beneemt en ons tot nadenken stemt.
Mevrouw van der Mand ziet er uit als of zij geen zes uren te paard
heeft gezeten en juffrouw Wilse bloost van gezondheid en doet de tafel
eer; de controleur is vermoeid en eet weinig. Heremans zegt, dat hij
totaal hol is geworden door den rit en dineert zoo smakelijk, dat hij de
jaloezie opwekt van mevrouw v. d. Mand, die het nu meer dan ooit
betreurt, dat zij op een melkdiëet leeft, want, zegt zij: „de soep ruikt
zoo vreeselijk aptijtelijk en de vol-au-vent ziet er zoo delicaat bros uit,
dat je je waarachtig voor één keer er aan bezondigen zou."
Ik geloof, dat het eten mij nooit beter smaakte dan op dien dag, want
ik wedijver met Heremans in het doorwerken van \'t menu, dat bijzonder
goed is uitgevallen.
— En nu alles goed en zonder ander ongeval of schade dan een klein
-ocr page 358-
346
NAAR TOSARI F.N DEN BROMO.
beetje natte plunje en wat veel asch afgeloopen is, geachte dames en
heeren, veroorloof ik mij een glas te ledigen op onzen tocht, op onze
aangename wederzijdsche kennismaking en de herinnering daaraan in de
toekomst. Mevrouw van der Mand, u wijd ik in de eerste plaats, als
onverschrokken voorrijdster een dronk! U juffrouw Wilse als goede ecuyère
en u, mijne heeren, die zoo schitterend bewezen hebt dat gij geboren
cavalleristen zijt, drink ik een Proficiat toe ! Dames en heeren, leve onze
cavalcade, leve Tosari, leve de Bromo! —
Terwijl wij met den controleur klinken, ziet de Amerikaansche tegenover
mij op uit haar gepeins, slaat haar groote bleekblauwe oogen sentimenteel
omhoog en zucht: — Oh! that Brwomo — Oh! that Brwomo! I nevew
sah such a thing befowe!
Goeie hemel! nu merk ik dat zij een spraakgebrek ook heeft; zij zegt de
■w voor de r, wellicht is \'t ook maar een aanwendsel, want zij heeft een
zekere gemaakte intonatie in haar stem, die aan
die van den „swell" doet denken.
Miss Blucks keert haar poppenkast profiel naar
den controleur, kijkt nogmaals als een stervende
schelvisch omhoog en herhaalt:
—  Is\'n\'t it gwand that Bwomo; is\'n\'t it splendid?
Heremans stoot me aan en zegt zachtjes :
—  Kerel! dat\'s \'n type voor jou, ik laat me villen
als \'t geen artiste is, die hier de streek onveilig
maakt, want ik heb haar zooeven met een teeken
portefeuille zien loopen; maak eens een praatje
met haar, laat je Engelsch eens luchten.
Ik wil niets liever, want de aspergeachtige
Miss begint me te interesseeren; ik vraag dus:
—  Have you been also to the Dasar and the Bromo?
—   O yes thwee times. O I ara quite in love
with that cwatew!
—  Do you understand Dutch ?
—  Oh no! met een ophaal van verwondering.
—   French?                                                                                                 j
—  Not a single wowd!
—   German ? \'                                                                            Miss Blucks-
—  Neithew !
—   Malayan ?
—   Just a little, only so much as I want to ask fow a woom ow
dinnew.
—  I say! and can you help yourself sufficiently ?
-ocr page 359-
NAAR TOSARI EN DEN BKOMO.
347
—   Cewtainly! evewy body hewe undewstands English; of couwse this
is a civilisated countwy.
—   Goeie heer! wat \'n verbeelding! fluistert juffrouw VVilse, die \'t ge-
sprekt volgt; — net alsof er niet genoeg beschaafde menschen zijn, die
geen Engelsch spreken. Ik tenminste heb er maar een beetje van geleerd.
Die Engfelschen en Amerikanen meenen dat iedereen hun taal moet leeren
— en zelf doen ze geen moeite voor Fransch of Duitsch!
—   I have seen neawly all the pwincipal cwatews of the wowld. I have
a fancy fow cwatews!
En dan vertelt de Amerikaansche, dat zij gedurende anderhalf jaar reeds
op reis is om de meest bekende kraters te bezoeken, dat zij, indien het
eenigszins mogelijk is, een uitbarsting bijwoont en van iederen vulkaan
teekeningen maakt.
—  Oh indeed? zeg ik. So you are an artist?
—  Yes ! I dwavv pictuwes and sand them ovew to Amewica!
—   Kerel! zie dat je zoo\'n paar teekeningen van haar te pakken krijgt.
Ik heb zoo\'n idéé dat \'t erg mooi wezen zal; ze ziet er zoo nieuwe -
kunsterig uit.
—   Would \'n\'t you be so kind as to show us vour pictures of the Hromo,
miss ?
—    Cewtainly, with pleasuwe, aftew dinnew is ovew. I have seen the
biggest cwatew of Japan in ewuption, the Yesuv, the Stwomboli, the
Aetna, the Papandajan and Tankoeban-pwahoe.
Nu zij van de kraters, die zij bezocht heeft, begint te vertellen, wordt
zij bepaald welsprekend en verhaalt met een ongeloofelijke radheid van
tong, hoe ze in Japan, bijna is verongelukt, in China een stuk heete lava
op haar voet heeft gehad, op den Yesuvius een uitbarsting heeft meege-
maakt, in den Aetnakrater is afgedaald en nu vjin plan is om naar Ysland
te reizen en de Hécla te bezoeken.
—   Maar dat\'s een specialiteit in kraters, lacht mijn vriend, zich heerlijk
amuseerend over de opgewonden verhalen der Amerikaansche, die eindelijk
vraagt:
—   Have you any cwatews in Holland ?
—   Oh no, not even mountains.
—  Indeed ! what have you then ?
—   Water, meadows, cattle, cheese, butter and milk—and pretty girls!
—  Oh I say! no cwatews at all?
—   No!
—   Poow countwy! I should not like it.
—  Zonderlinge liefhebberij, daar moet je een Amerikaansche voor wezen,
lacht mevrouw Van der Mand.
-ocr page 360-
34«
NAAR TÜSARI EN DEN BROMO.
—  Een kraterdame! giegelt zachtjes juffrouw Wilse.
Na den eten zie ik haar teekeningen — en ik moet eerlijk bekennen
dat ik erg blij ben dat zij met duidelijke letters er onder heeft geschreven
wat ze voorstellen. Een ding vind ik echter opmerkenswaardig; ze lijken
verbazend veel op elkaar en geven allen veel vuur van vermillioen en
chromaatgeel en rook van O.-I. inkt te aanschouwen.
Den volgenden morgen, na het ontbijt, staan onze paarden weer gezadeld.
We maken ons gereed tot den terugtocht naar Passaroean.
De meeste gasten zijn nog in hun kamers, maar onze reisgezellen van
den vorigen dag doen ons uitgeleide tot aan de poort van \'t binnen-
pleintje, achter \'t hotel.
Mevrouw Van der Mand en juffrouw Wilse, beiden uitgerust en frisch,
vol moed tot nieuwe tochten, die zij weldra ondernemen zullen, drukken
Heremans en mij de hand en de controleur Spoor geeft ons nog een paar
nuttige equestrische raadgevingen.
—   Daar komt heusch de krater-miss met haar teeken map, u krijgt
gezelschap, lacht juffrovw Wilse en mevrouw Van der Mand voegt er bij :
— Misschien vertelt ze u onderweg van de kraters in de maan, daar is
ze bepaald ook al geweest.
—   Neem jij miss Blucks ,,en croupe", schertst Heremans, dan kun je
haar nog eens goed bestudeeren, Wan Maurik. Goeie hemel, zouden we
haar dien heelen langen weg naar Passaroen moeten slikken ?
Zij is naast ons gekomen en zegt : — Awe you leaving gentlemen ?
—   Yes, miss ! we go back to Passaroean.
—  Oh ! — on howseback ?
—   Yes!
—  And you take the same howses as yestewday?
—  Of course!
—   Zeg, Van Maurik, wat bedoelt ze? Ik geloof dat zij denkt, dat we
hier een stoeterij hebben.
—  Oh the poow animals! en met een blos van zelfvoldaanheid op haar
sproeterige jukbeenderen, vertelt zij ons, dat zij zoo goed is voor dieren,
dat zij nooit twee dagen achtereen dezelfde paarden gebruikt, omdat die
arme dieren dan zoo ijselijk moe zouden kunnen worden en dat zij
daarom besloten is vandaag maar per tandoe (draagstoel) te gaan.
—   God zegen me! dat\'s een heerlijk vooruitzicht voor de koelies, die
haar dien langen weg naar beneden moeten dragen, roept Heremans
verwonderd en als hij ziet, dat de tandoe, door vier dragers getorst,
nadert, vraagt hij:
—   You have only four porters ?
-ocr page 361-
NAAR TOSARI EN DEN BROMO.
349
—   Oh! quite enough! They awe stwong people.
—  Jawel! zegt de hótel-manager, terwijl hij de Amerikaansche helpt,
die schaamachtig haar stokkerige beenen en reusachtige schoenen door
haar japon tracht te bedekken, als zij in den draagstoel plaats neemt. —
Ja, \'t zijn sterke kereltjes, maar de dame had er bepaald zes moeten
hebben. Enfin! zij beweert, dat \'t maar onnoodige kosten geeft en dat
ze \'t best uithouden. Ik heb haar nog gezegd, dat ze nu niet genoeg
omwisselen kunnen en rust nemen, beurt om beurt, maar ze is op den
penning en dus . . . ? Hij waagt nog een poging en vraagt:
—  So you think four porters will do ?
—   Splendidly!
—   But they will be very tired, miss!
—   Never mind! — Ajo! Djalan ! (Vooruit!)
De tandoe wordt meer of min slingerend opgetild. Miss Blucks slaakt
een paar gemaakte gilletjes en vraagt dan van haar troon :
—  You go to Passawoean, gentlemen?
—  Yes, you go with us?
—  Oh no! I go once mowe to that deaw Bwomo!
—  Goeie hemel! moeten die arme kerels haar berg-op dragen ?
—   What you say, Mr. Mauwik?
—   I pity the porters?
—  O nevew mind, they awe accustomed to it! Good bye!
Wij zien haar vertrekken en vangen dan zelf den terugtocht aan.
-ocr page 362-
DE BROMO-SAGE.
35°
DE BROMO-SAGE.
Hoog in \'t gebergte, waar de klapper niet meer groeit, waar de zon
minder warm is en de wind door de spitse naalden der tjemaraboomen
klagend zingt, stond in overoude tijden, lang vóór de dessa Ngadiwönö
op die plaats ontstond, een kleine hut, de woning van Kiai Koesoemo
en zijn vrouw Njai Oemah; zij waren de eerste bewoners van die bergen.
Njai Oemah was schoon en liefelijk als de bloem in het dal en Kiai
Koesoemo, jong, sterk en lenig als de stam van den palmboom. Ze
hadden elkander lief, maar toch waren zij samen niet gelukkig. Zij hadden
geen bloed van hun bloed, geen leven van hun leven om zich heen —
hun echt was kinderloos.
Njai Oemah treurde, haar oogen werden dof en Kiai Koesoemo werd
somber en wrevelig. Zijn tong was bitter in zijn mond als hij sprak tot
zijn vrouw.
Zij braken de huc af en schudden het stof van hun voeten toen zij ver-
trokken, hooger op naar den Penandjaan, de hoogste top van den krater-
rand, die het midden vormt van \'t breede Tengger-gebergte.
Daar bouwden zij een andere stulp. Kiai hief de handen op, den blik
naar den Bromo en sprak biddend: — Gezegend zullen thans uwe lendenen
zijn, o, Njai Oemah! want heilzaam is hier de lucht, versterkend de wind
en vruchtbaar de plaats waar wij wonen.
Maar de ooren en de harten der goden hoorden Koesoemo\'s stem niet
en hun oogen bleven gesloten voor Njai Oemahs smart! De echtgenooten
bleven alleen, zagen over het land met treurende oogen en hun tongen
zwegen ; ze gevoelden zich oud — want ze waren eenzaam met hun beiden.
En Koesoema dwaalde langs den kraterrand op den top des bergs en
hij dacht aan zijn smart en die van zijn vrouw, en hij zag Java van Noord
tot Zuid, zijn blik overspande negen vulkanen, van den rookenden Seméroe
tot aan den brullenden Bromo, den berg des doods. In zijn ziel was
bitterheid en moeheid van \'t leven : Waartoe was hij geboren als hij niet
-ocr page 363-
DE BROMO-SAGE.                                                  35 I
voortleven mocht in zijn kinderen ; aan Njai Oemah dacht hij niet meer
— maar hij overlegde: waarom zal ik langer bestaan — en hij bad den
Bromo, dat hij hem mocht verslinden, verteren met vuur, zooals zoovelen
vóór hem. En moede viel hij ter aarde, en de slaap strekte zijn donkere
vleugelhand over hem uit.
De geest van den Bromo verscheen hem, en sprak: Kiai Koesoema,
mijn oogen hebben uw leed gezien en de tranen van uwe vrouw druppelden
op mijn hart. — Zweer! dat ge doen zult naar mijn woorden, en uw
huis zal niet langer ledig zijn. Vijf-en-twintig malen zal de schoot van
Njai Oemah gezegend worden.
—   Wat moet ik zweren ?
—   Dat ge mij uw kinderen zult offeren zoodra allen volwassen zijn!
—   En hoe — op welke wijs?
—   Door ze in mijn krater te storten, opdat ik ze levend verslinde!
En Kiai Koesoema zwoer.
—   Njai Oemah baarde hem kort daarna een zoon en hij noemde hem
Tenggèr.
■— Vijf-en-twintig malen werd Njai Oemah moeder en alle kinderen
groeiden op, krachtig en schoon, bloemen en palmen gelijk, dochters
en zonen.
Toen nu allen volwassen waren, werd Kiai Koesoema zijner gelofte
gedachtig; hij verzamelde zijn kroost om zich heen en deelde hen mede
tot welken prijs hij hen had verkregen.
Njai Oemah rukte zich de grijze haren uit, sloeg zich op de borst en
weende bitterlijk, want zij had al haar kinderen gelijkelijk lief.
Alle kinderen zwegen, zonder morren, met gelatenheid hun lot afwachtend.
Stilte hecrschte over en om hen — maar in de verte brulde de Bromo
om zijn prooi. Daar stond de jongste zoon, ,,de bloem" heette hij, op en
sprak : — Vader hoor de woorden mijner lippen ! — Ge moogt die belofte
zóó niet vervullen. Gebogen is uw rug, zwak uw arm — wie zal voor u
zaaien en planten, wie zal oogsten wanneer wij allen sterven. Neem mij
de jongste als offer; dood mij, den vijf-en-twintigsten, en niet alle
vijf-en-twintig. De Bromo zal tevreden zijn wanneer hij één offer ontvangt,
en alle volgende jaren ter herinnering aan mijn dood, die mijn broeders
en zusters het leven bracht, zullen zij op den jaardag van mijn sterven,
beginnen met het patjollen (spitten), met zaaien en planten, maar vooraf
offeranden brengen aan den braker des vuurs.
En de Bromo zond eensklaps brullend een rookkolom uit ten bewijze
dat hij dien voorslag aannam, dat offer aanvaardde: ,,de bloem" stierf
voor zijn broeders en zusters, en de oudste broeder, Tenggèr — werd de
stamvader van de ,,Orang Tenggèr", die nu nog het gebergte bewonen.
-ocr page 364-
DE BROMO-SAGE.
352
Elk jaar op den eersten dag der maand Kesödo vereenigden zich de
afstammelingen van Kiai Koesoemo en Njai Oemah in de Zandzee
offerend aan den voet van den Bromo, en ieder jaar werd het getal der
Tenggeree/en grooter.
En sedert komen nog jaarlijks duizenden mannen en vrouwen in plechtige
bedevaart naar den Bromo. Midden in den nacht reeds maken zij zich
op uit de omliggende dessas en begeven zich in langzamen optocht naar
den Dasar. Daar slaan zij kleine atappen tentjes, op, of blijven in hun
sarongs, dekens en mantels gehuld liggen in de Zandzee, tot dat het
kalme maanlicht wijkt voor den vurigen gloed der zon, die de toppen der
bergen verguldt en den kraterwand als met een rossen gordel omringt.
Dan houden zij feest ter eere van den Vulkaan ; zij brengen gevogelte
mede, maïskolven, rijst en vruchten bestemd tot offeranden. Alle geloften,
die gedurende het afgeloopen jaar werden gedaan, worden dan volbracht,
de priesters doen hun gebeden opstijgen ten hemel met den geurigen rook
van brandend amber, en na het bidden beklimmen allen den kraterrand
en werpen hun offergaven in den donkeren, rookenden, ziedenden afgrond.
Zóó ontstond het offerfeest van den Bromo.
-ocr page 365-
DE LEGENDE VAN DEN BATOK EN DEN SEMEROE.                  353
DE LEGENDE VAN DEN BATOK EN DEN SEMEROE.
Djoevvita was schoon; rein als de heldere beek, slank als de jonge
djeroekboom. Liefelijk waren haar tortelduivenoogen en zwellend haar
jonge boezem, onder \'t lichtend gouddoorweven kleed, dat zij als goden-
dochter droeg. In haar blauwzwarte haren — geurig van melatti — stak
«en diamanten naald die heerlijk was om te zien als de stralen van de
rijzende zon. In haar gemoed woonden vrede en zachtheid, op haar lippen
was honig en in haar handen lag liefkozing.
Haar vader, de god van den Semeroe, had haar lief met heel zijn
trotsch en onbuigzaam hart, dat voor anderen gesloten bleef, maar zich
opende voor Djoewita, omdat zij de dochter was van zijn liefste Dewi
{godin); omdat zij de jongste, de eenige was van zijn kinderen, die hem
overbleef. Al de anderen had de wreede Bromo verslonden.
Allen op eenmaal, toen hij zijn vurigen, hongerigen muil opende.
In den Tengger woonde een godenzoon, een reus, groot als een berg,
krachtig en dapper als een leeuw, maar gedwee en zacht als een lam,
zoodra de tortel-oogen van Djoewita op hem rustten ; zijn naam was Raksasa.
—   Machtige god! sprak Raksasa, beheerscher van den Semeroe, schit-
terende zon van macht en majesteit, geef mij uw dochter Djoewita tot
vrouw, opdat ik haar liefhebbe met mijn hart, haar beschutte met mijn
sterken arm en haar lofzinge met den adem mijns monds. Geef mij uw
kind en ge zult weer kinderen van uw kind, krachtige loten van uw
ouden stam zien spelen aan uwe voeten en klimmen naar uw troon,
buigend voor uw groote macht, lovend uw goedheid!
De god van den Semeroe, reeds oud en moe van \'t leven, streek zijn
langen, grijzen baard, zag den fieren reus somber aan en antwoordde niet.
—  Heer! geef uw dienaar antwoord opdat zijn binnenste warm worde
voor u, den vader van de reinste, de liefelijkste van alle, opdat hij u
dienen kan als uw slaaf. Zie ik ben sterker dan velen te samen. Mijn
.armen zijn voor u — als mijn hart Djoewita heeft! En de berg-god
23
-ocr page 366-
354                 DK LEGENDE VAN DEN BATOK EN DEN SEMEROE.
overlegde in zijn ziel dat Djoewita zijn oogenlust was, de zonnesprank
in zijn leven, en dat hij haar niet van zijn zijde kon laten gaan, zonder
zelf onduldbaar te lijden, maar hij wist dat Djoewita den reus liefhad,
om zijn sterke, onverwinlijke kracht, om de innige goedheid van zijn hart
en den eerbied dien alle andere reuzen hem betoonden. In zijn binnenste
streed de vader tegen den god, die slechts één wil kent, den zijne. Hij
zocht een akal (list), om beiden tevreden te stellen en Djoewita te doen
gelooven, dat hij haar wilde geven wat zij wenschte.
—   Toen sprak hij : — Kaksasa, ik ken de sterkte van uw arm — de
vastheid van uwen voet. Luister naar de woorden die ik spreken zal —
Djoewita zal de uwe zijn, wanneer ge hier, rondom mijn gebied van den
Semeroe, in ééne nacht een ze graaft, duizend voeten diep en duizend
voeten wijd aan alle zijden, zoodat de Bromo zijn vuur niet meer werpen
kan op de rustbank mijner voeten. — Kunt ge dat?
—  Voor Djoewita zal ik alles kunnen ! ■
—    Maar zoodra het eerste hanengekraai wordt vernomen, moet ge
gereed zijn.
—   Ook dit zal ik kunnen — om Djoewita!
—    Blijft ge steken in den arbeid, dan verander ik u in steen en ge
zult duizend jaren lang steen blijven, totdat de dag komt dat ik mijn
berg moet verlaten voor de Soeralaja (het hemelsch godenverblijf).
—  Verheven god van den Semeroe, ik wil steen zijn als Djoewita mijn
vrouw niet wordt, niet duizend jaren, maar duizend maal duizend jaren L
—   Begin dan dezen nacht, als het oog van den dag zich sluit.
—    Beveel, machtige god! uw dienaar is gereed — maar zult ge ook
niet uw hand leggen op de mijne, als ge ziet dat ik volbreng wat ik beloof?
—   Raksasa! — de god van den Semeroe heeft maar één woord!
—  Dan wordt uw dochter mijn vrouw!
—   Zoo zij het Raksasa!
En toen de zon gezonken was en uitgebluscht in de zee, die in \'t
noorden ligt, nam de reus een reuzenklapperdop, een batok zóó groot,
dat hij alleen die tillen kon — en groef met haastige handen een zee
rondom den Semeroe.
En Djoewita zat in haar maligai (vrouwenverblijf) en luisterde naar de
dreunende geluiden uit de verte. En iedermaal als zij hoorde hoe Raksasa
een batok vol zand en steen over de bergen wierp, sprong haar hart op
van vreugd en juichte haar mond: — Hij is sterk mijn reus, hij zal
overwinnen !
Maar haar vader streek zijn baard en iedere batok vol aarde en rots
die op de bergen neerdaverde, dreunde na op zijn hart — want hij wilde
Djoewita niet missen.
-ocr page 367-
DE LEGENDE VAN DEN BATOK EN DEN SEMEROE.                  355
Raksasa werkte voort en groef verder — de maan scheen reeds op
een mijlen grooten gapenden kuil, rondom den Semeroe.
En de reus groef verder, de zee zou met liet aanbreken van den dag
gereed zijn ; hij wischte zich het zweet van zijn gelaat en droogde zijn
voorhoofd onder de lange zwarte haren.
Nog maar één berg was te verlagen, nog maar één heuvelreeks weg
te graven en Djoewita zou de zijne zijn !
Haar vader streek zijn baard en peinsde — hij mocht zelf niet tusschen-
beiden komen, dat had hij beloofd — en géén haan kraaide er nog.
Zou hij dan toch zijn dochter moeten geven? Hij wilde haar niet
missen — zijn schoone parel! In zijn hart klopten angst en vrees, maar
in zijn hoofd was list. Reeds kwam er iets roods aan de kim — nog
één half uur en ... . hij ging achter zijn huis, nam den stamper en begon
rijst te stampen in het rijstblok, zooals de inlanders \'s morgens doen in
de vroegte.
Dadelijk kraaide in een kandang een haan, misleid door dat stampen —
en andere hanen antwoordden uit de verte!
Raksasa hoorde die noodlottige stemmen, de laatste schepper vol steen
en zand, dien hij uit wilde strooien, ontviel zijn hand, bleef omgekeerd
liggen, midden in de wijde ruimte, die hij reeds gegraven had en ligt
daar nog — de „Batok".
Wanhopig viel hij neer, krom gewerkt en moede; hij zuchtte uit de
diepte van zijn goed, warm hart — o, Djoewita! — en werd tot steen.
Duizend maal duizend jaren moet hij zoo blijven; over zijn gekromden
rug waait de wind en geeselt de regen, maar de tjemaraboomen ruischen
smartelijk om hem heen met hun sidderende tongen: ,,Raksasa! Raksasa!"
Dat is de stem van Djoewita, die zij klagend weergeven, want de
liefelijke is dood, al eeuwen lang!
Zij is gestorven in denzelfden nacht, toen haar reus tot steen werd.
De god van den Semeroe — is sedert een kluizenaar, die niet meer
uit zijn berg komt, die wachten moet — tot dat de duizend maal duizend
jaren om zijn en hij berouwvol Djoewita\'s geest met dien van Raksasa
kan vereenen.
Een iedermaal als een haan kraait, voelt hij een hevige pijn in zijn hart
en steunt hij en hijgt benauwd en lang, zoodat zijn adem uit den berg
stijgt, zwart als zijn ziel!
-ocr page 368-
356
EEN SUMATRAAN.
EEN SUMATRAAN.
\'
Rustig stoomt de boot, zachtjes
i
.
_
deinend op de nauw bewogen golven,
tn de straat van Malakka.
Als met diepe, regelmatige adem-
halingen kracht zettend, werkt de
machine en de rustelooze schroef
stuwt het zware schip forsch en
gemakkelijk voort, door \'t kalme,
mooi-groene water, dat, dartelend in
bruisenden overvloed, langs steven en
boord opspattend, achter \'t schip vervloeit
tot een kringelend, kolkend schuimspoor,
waar de log in draait en danst met lustige
wentelingen.
Wolkenloos, blauw, als een koepel vol
feilen zonneschijn, waarin de lucht trilt
van hitte, welft zich de hemel over \'t
zeevlak, dat, in duizenden wiebelende
gouden reflexen, met diamant-flikkeringen
en prismatische kleuren, de loodrechte
zonnestralen terugslaat naar \'t gloeiend
zwerk.
Loodzwaar hangt de hitte tusschen hemel en zee.
Geen briesje koelt de atmosfeer. — Zelfs de tocht, de zuiging die \'t
voortsnellend schip doet ontstaan, is zengend heet.
Onder de zonnetent is \'t broeiig, benauwd — aan dek liggen de passa-
giers aemêehtig, dorstig op hun stoelen of leunen over de verschansing,
te vergeefs een koeler luchtstroom zoekend.
— We krijgen een bui! en terwijl hij dit zegt tuurt de gezagvoerder
6
-ocr page 369-
EEN SUMATRAAN.                                                 357
van de brug met onderzoekend oog naar den kant waar Sumatra ligt.
—   Daar! hij wijst vooruit, bakboord, — daar, zit ie! \'t Duurt geen half
uur meer of we hebben hem volop, en zich overbuigend naar de spreek-
buis voor de machinekamer, geeft hij de noodige bevelen.
Op het dek liggen, tusschen hun bagage en koopwaar, half slapend,
eenige Chineezen, te warm om wakker te blijven, te lui om zich te be-
wegen. Twee Maleische vrouwen met een stokouden Hadji, wiens grijs-
witte baard door \'t felle zonlicht op oud-zilver gelijkt, hurken dicht bij de
machinekamer op een matje en schijnen zich, gebraden door de zon en
gestoofd door de uit de machine opstijgende warmte, zeer „lekker" te
voelen. Ze kauwen voortdurend sirih of snoepen uit een mandje gebak
en vruchten. Onder de zonnetent der eerste klasse zitten eenige reizigers
bijeen, rookend en Apollinaris-water drinkend.
—  Te warm om iets te doen, zucht de een.
—  Zoo benauwd heb ik \'t nog nooit gehad, meent een ander.
—   Terlaloe panas. Pff! O, zó erg warm, ja! Voel als onweer in de
lucht, beweert een Indisch-heer en zijn vrouw roept er bij:
—  O, manlief — ik amper stik! zó warm niet op Java, nooit niet, ja!
—   De bui hangt boven \'t land, zegt de kapitein en de eerste officier,
die naast hem staat, knikt, door zijn kijker in de verte turend:
—   Ja, maar een tweede is achter ons en daar en daar hangen er nog
meer, we zullen er van langs krijgen....
—   Hm! — \'n Sumatraantje! \'t wordt daar al dikker en dikker — de
kapitein wijst in de richting van de kust.
Nog een poos blijft de hemel klaar en helder, \'t zonlicht fel en brandend,
\'t water rustig en glad.
Daar op eens vliegt, als van onder de kust voortgeslagen door een
reuzenhand, een windstoot, een wilde woeste vlaag over \'t zeevlak, gierend
met angstwekkend geluid, plotseling het water hevig beroerend, \'t op-
gooiend in steile golven, de diepte omwoelend, krachtig en snel.
De boot steigert als een angstig ros en als de windvlaag voorbij is,
trilt ze nog een poos na, krakend en steunend als van pijn door dien
plotselingen hevigen stoot.
Kalmer wordt weer de zee — maar onder \'t nauw bewogen oppervlak
schuilt nog de schrik van die windvlaag, want \'t water is in de diepte
oproerig en druk geworden en kleine puntige golfjes steken angstig hun
koppen omhoog, langzaam de zee met korte slagen overheerschend, in
bezit nemend.
De lucht betrekt, haastig als verschrikt. In \'t westen wordt de hemel
lood gelijk, troebel de zee.
Weer een geweldige luchtstoot, een valwind onder de kust vandaan.
-ocr page 370-
358
EEN SUMATRAAN.
De boot schudt, siddert en zwaait als dronken een oogenblik heen en
weer; \'t roer gehoorzaamt ternauwernood en de schroef ratelt, zich ophef-
fend uit \'t water, zonder wederstand, machteloos!
Angstig zien de passagiers elkander aan, sommige gaan naar beneden,
heilzoekend in hun hut op de couchet, bevreesd voor zeeziekte.
De oude Hadji ziet onverstoorbaar kalm voor zich uit en prevelt. De
Chineezen, minder lui nu, zien verschrikt elkander aan — spreken over
hun koopwaar en overtuigen zich dat die vast genoeg gesjord is.
Water en lucht krijgen één grijsbruine, onheilspellende tint. De wolken
hangen zwaar, massaal log, omlaag, bijna den horizont rakend boven een
vale lichtstreep, die lucht en zee nog scheidt. Smaller en smaller wordt
die scheiding, eindelijk is ze opgeslokt door een alles overheerschend
aschgrauw. In \'t oosten stapelen zich met groote snelheid de wolken
opeen, tot zware grillig gevormde luchtreuzen, dreigend hun witte koppen
in het gele zwerk opstekend, nu en dan een seconde lang valsch belicht
door een scherpen zonnestraal, die, even het wolkenvacht verscheurend,
aanstonds weer verdwijnt in dikke ondoordringbaar grijze nevelmassaas.
In \'t noorden, in \'t zuiden, overal kruien de wolken, overal wordt \'t
duister; uit alle windstreken dreigt gevaar — angstig verbeidt de zee!
De golven zwellen !
Groenig-zwart, wit gekuild heuvelen zij op, hooger, al hooger, voort-
rollend over elkander, dan eensklaps brekend, als verlamd neerploffend,
verspattend tot grauwwit, drabbig schuim, zwirrelend ronddraaiend in
\'t waterdal, dat zich wielend, wringend en \' woelend omwerkt en opstuwt
tot een berg, die eensklaps door een grooteren wordt overrold en vervormd
tot een gapenden muil, gereed om andere hoog optorenende golven gulzig
te verslinden.
De boot schokt en schudt, krakend in haar voegen, duikend en hobbelend,
als droegen de onrustige baren haar slechts noode op hun breede ruggen —
geneigd om haar verraderlijk af te werpen in \'t onpeilbaar diep van den
bewogen Oceaan.
Een felle bliksemschicht klieft slangachtig neerschietend de lucht; één
oogenblik scheuren de wolken, een plek schril-blauw zwerk vertoonend,
maar dadelijk schuiven andere, aanvliegend in haastige vlucht, voor de
opening, zich samendrukkend tot wollige ringen, dikker en dikker over
elkander.
— Dat\'s de eerste ! zegt de kapitein, en drukt zich de uniformpet vaster
op \'t hoofd — \'t wordt een flinke bui! — Een jongen brengt hem zijn
geoliede jas en zuidwester.
Schitterend, blauw-wit, met geligen weerschijn flitsen de bliksemschichten
uit de wolken, voor een oogenblik de bijna zwarte lucht vanéénrijtend.
-ocr page 371-
EEN SUMATRAAN.                                                 359
Bliksemend schieten de stralen in en over de zee, die zich, een seconde
lang, in lichtende schoonheid, heftig bewogen, haastig opspringend, doet
zien. De inlandsche passagiers worden onrustig. Als schuwe vogels, kruipen
een viertal kinderen achter hun ouders weg, hun aangezicht verbergend;
de mannen zien somber voor
zich uit, enkele vrouwen houden
den arm voor de oogen, telkens
als de bliksem neerschiet uit
de wolken.
Feller, sterker, menigvuldiger
worden de bliksemende schich-
ten ; de bui uit het westen,
kampt tegen die uit het oosten.
Kn \'t noorden, het zuiden,
mengen zich met verwoede
kracht in den strijd.
Van alle kanten bliksemen
de vurige stralen in zigzag naar
beneden. Soms lijkt de lucht
één vuurkoepel, de zee één
wiebelend brandend veld.
Als strijdende reuzen, met
donderende stemmen hun oor-
logskreet uitbrullend, vallen de
wolken op elkander aan. Ze
dringen, stormend over en op
elkaar, hun koppen verzengend
in den laaien gloed, die onop-
houdelijk de uit zijn kracht
ontstane sissende stralen en
flitsende schichten naar beneden
bliksemt, — donderend met
woest geluid.
De zee beeft angstig!
Onder \'t verterend vuur, dat
van alle zijden in haar schoot schijnt te vallen, smijt zij haar baren wild,
radeloos omhoog. Schuimspattend slaat zij haar golven tegen \'t schip,
slingerend duwt zij het voort, als met een verschrikte hand, die beeft van
inspanning en ingehouden kracht.
Ken nieuwe valsche windvlaag, die de golven woedend maakt en de boot
heen en weer schudt, als een riet in den storm, vliegt aan van onderden wal.
-ocr page 372-
360
EEN SUMATRAAN.
Gierend fluit de Sumatraan door de takelage, brutaal blaast hij de dikke
rookpluim in stofjes uiteen en met ontembare kracht gooit hij het schip
op en neer, heen en weer, doet het duiken en steigeren, slingeren en
stampen, tot hij, moe van dat spel, over \'t zeevlak voortvliegt naar de
kust van Malakka, tegen de eeuwenoude hooge bergen zich doodloopend.
De Maleische vrouwen houden haar gelaat met de sarong bedekt en
dringen angstig tegen elkander.
De Hadji staart met flauwe, moede oogen in de duistere verte, geen
spier vertrekt op zijn bruin gelaat — hij prevelt, even zijn lippen bewegend-
Onder de zonnetent is \'t dek bijna verlaten, slechts een paar heeren
staren belangstellend in de lucht. De kapitein ziet met ernstige blikken
naar de wolken — en naar de masten van zijn schip, waarlangs nu en
dan een electrisch lichtschijnsel glijdt.
\'t Wordt nog donkerder, schier nacht!
Brullend en bulderend weergalmen de slagen door den vurigen hemel,
na elke bliksemende schicht. Elke slag roept een donderende echo wakker,
die over de wateren klatert en hoog in de lucht weerklinkt, wegrommelend
in de oneindige verte.
Enkele zware droppels vallen als lood uit de wolken — groote zwarte
plekken makend op \'t dek der boot, dan volgen er meer — nog meer.
Dichter opeen valt de regen, in dikke droppels, dan plassend en in bellen
opspattend, met sterken weerstand in de golven — eindelijk in stralen,
dicht, in bundels soms, neerpijlend, afschietend van de laaghangende
wolken.
De boot schudt — verfrischt door dat bad — op en neer hobbelend,
de waterstralen af; een zwarte brei van kolenstof blijft hier en daar achter.
Alles koelt af aan boord.
De passagiers genieten van den verkwikkenden regen, herademend
leunen zij over de reeling — begeerig de koelte inzuigend, die de stralen
meebrengen. Met grooter tusschenpoozen klieven de bliksems de wolken,
— de zee wordt kalmer, de golven gaan minder hoog en de boot stampt
niet meer zoo onregelmatig en wild.
Het regent, regent, regent!
Nog flikkert voortdurend het bliksemvuur, minder fel, — de slangstralen
schieten niet meer zoo onophoudelijk van alle kanten omlaag — de donder
verheft zijn geweldige stem niet langer zonder tusschenpoos.
\'t Regent, regent, regent!
Stroomen water vallen uit den hemel en de zee neemt ze op in haar
diepen schoot, zonder dat \'t haar wel doet of wee!
De wolkgevaarten openen hun breede reien; de strijdende drommen
dunnen en wijken uiteen ; flitsend lichten de bliksems er tusschen, ze
-ocr page 373-
361
EEN SUMATRAAN.
verder vaneen rijtend; splijtend de donkere massa, verdrijvend wat nog
stand houdt — dan wordt het eensklaps licht!
Een baan glorieus overwinnend zonlicht!
De zee fonkelt als goud, schittert als juweel aan den gezichteinder in
\'t westen.
De regen houdt op!
Meer licht, meer stralen van de triomfeerende zon schieten tusschen
de wolken heen en naar omlaag, \'t water Verguldend.
Statig wijkt het duister voor middagklaarte!
Verslagen vluchten de donkere buien — enkele droppels vallen nog als
afscheidstranen — de wolken vlieden en een bries, stevig en stadig
opkomend uit zee, jaagt ze voort, — weg, in de matelooze ruimte!
Nog vlamt het op, hier en daar tusschen de vliedende wolken, rossig
geel, soms blauwig dreigend, electrisch — maar zwakker en spaarzamer
wordt dat licht, flauwer de weerschijn, die zich eindelijk verliest in de
verre, blauwe oneindigheid.
De golven bedaren; haar angstige sprongen houden op, zij slaan lang-
zamer, minder heftig langs de boot, die over een schuimend veld wordt
voortgedragen door kleine trillende golfjes, de nawerking van de doorstane
beroering gevoelend. De kapitein ontdoet zich van de zware geoliede
jas; de zuidwester verwisselt hij voor de uniformpet en met de ééne hand
zich steunend op de leuning der brug, tuurt hij door zijn kijker naar de
zijde van \'t land, waar de lucht helderder en helderder wordt.
Een paar matrozen zwabberen het dek schoon, de kwartiermeester zet
de dekstoelen weer op hun plaats en uit de machinekamer steekt, frischheid
zoekend, een stoker het hoofd op.
De passagiers komen weer aan dek, met volle teugen ademen zij de
koeler geworden lucht in, zich lavend aan de lichte bries, die verkwikkend
langs hun slapen strijkt.
De Maleische vrouwen lachen en stoeien met de kinderen, die met
hun bloote voetjes over \'t nog natte dek strijken, de Chineezen lichten
behoedzaam \'t over hun koopwaar gespreide dekzeil op; knikken elkander
bevredigd toe en steken een versche pijp op.
De Hadji kijkt met zijn moede oogen recht vóór zich in de zee — en prevelt.
De Sumatraan is doorstaan. —
Het zwerk wordt prachtig blauw en binnen een uur duidt niets meer
op den wilden, woesten, gevaarlijken strijd der elementen.
Kalm is de zee, helder de hemel en de boot stoomt weer voort, deinend
op de nauw bewogen golven in de straat van Malakka!
-ocr page 374-
362                                                TE MEDAN —DELI.
TE MEDAN —DELI.
— Gauw! gauw, Van Maurik! kom eens kijken, daar komt een
Chineesche begrafenis aan ... en haastig rept de beminnelijke vrouw van
mijn vriend, bij wien ik te Medan logeer, zich naar den voortuin. Haar
sierlijke muiltjes klapperen over het kiezelpad en omkijkend roept zij naar
binnen: — Toe manlief! laat je ontbijt maar even staan! — Gauw!
Willem, haast je wat! Jij kunt Van Maurik alles beter uitleggen dan
ik... daar zijn de voorloopers al.
— Hou je kalm vrouwtje — ik ben present — je neemt me niet
kwalijk amice! dat ik meteen mijn broodje uit \'t vuistje opeet, ik heb
-ocr page 375-
363
TE MEDAN — DELI.
zoo\'n vertooning al zóó dikwijls gezien, dat ik het plechtige er van niet
meer snap. Zóó, blijf nu hier staan, dan zie jelui alles goed passeeren.
Och! Van Maurik hou jij dien eenen kleinen rakker even vast dan neem
ik den anderen.
De twee kleine knaapjes, zoontjes van den KUngeleeschen tuinman, die
in hun gestreepte tjelana monjet (apenbroekje = hansopjes) in den tuin
speelden en verschrikt door het heidensch geweld der naderende begrafenis-
muziek op ons toeliepen, nemen we tusschen ons in. De kinderen blijven
nu rustig staan, met groote oogen en open monden, evenals wij ziende
hoe de stoet nadert.
—    Daar heb je de „kraaien", zooals we in Holland zouden zeggen,
lacht ^Willem en wijst op twee geheel in \'t wit gekleede Chineezen, die
zweetend en blazend met onverschillige gezichten samen aan lange stokken,
één groot rood doek dragen, waarop met zwarte karakters de namen van
den overledene vermeld staan.
—   En daar komt de restauratie voor de geesten die van nacht op \'t
kerkhof festival houden. — Zie je die gedekte tafels — netjes hè? Mooi
wit tafelgoed, keurige schotels — \'n heele toer voor de koelies om die
dingen in evenwicht te houden.
Twee of drie langwerpig vierkante tafels, met fijn damast gedekt en
met groote taarten, schotels vol klein gebak, pagoden van suikorwerk,
varkentjes van koek en allerlei vruchten er op, worden voorbij gedragen.
De dragers loopen niet stapvoets, maar op een eigenaardig dribbeldrafje,
zij balanceeren de tafels zóó netjes dat alle schotels behoorlijk op hun
plaats blijven.
—- \'t Ziet er heusch smakelijk uit, om zóó in te bijten, beweert mevrouw.
—   Waag of we met de djiwa\'s mee mogen soupeeren, dat\'s bepaald
een gloed-nieuwe emotie. — Hè, vrouwlief, wat zou dat gezellig wezen ;
zoo \'s nachts bij maanlicht op \'t Chineesche kerkhof midden tusschen de
graven. Er is iets fantastisch in, dunkt me, zoo iets waar een decadent
van moet watertanden. Nette bediening door geraamten met een lijkwa
over den arm, tafels van doodkistenhout, stoelen van ontvleesde tibias
en ribben. Uniek interessant! Groote illuminatie door dwaallichten en
maneschijn. Dan zoo\'n beetje intense lijklucht als feestaroma, en tand-
geknars met beenderengeklapper er bij als tafelmuziek. Bepaald emotioneel
in de n\' de macht!
—   Foei! Willem, hoe akelig!
—   Ja! en dan champagne-frappe uit grijnzende bekkeneelen of schedels
van dooie Chineezen en overal om je heen graven die klokslag midder-
nacht open gaan en waaruit met langzaam glijdende passen de geesten
verschijnen om meê aan tafel te gaan. Dan na \'t dessert een „danse
-ocr page 376-
364
TE MEDAN—DELI.
macabre", geaccompagneerd door gesteun, gezucht — en castagnetten van
doodsknokkels!
—  Ajakkes, schei uit! wat \'n lugubere onzin.
— Ja, maar mooie symboliek — zóó op de vergankelijkheid der menschen
wijzend — nie dagewesen, frisch! spiksplinter nieuw.
—   Ik zou wel eens willen weten, wie eigentlijk al dat lieve eten
consumeert, want morgenochtend vindt je geen stuk meer van al dat lekkers!
—  Sjuut! daar komt „die Stütze des Soupers!" dat\'s nog eens een
gebraad met eere !
—   Babi! babi! roepen de twee kleine Klingeleesjes, als zij zien hoe
door vier sterke, witgekleede Chineezen op een reusachtigen schotel een
in zijn geheel gebraden varken wordt voortgedragen.
—   Dat\'s een goeie kluif — kijk \'t vet druipt er langs, \'t ziet er bepaald
croquant gebraden uit, enak sekali! (heel lekker).
—   Toe \\\\\'irn, hou nu op; \'t is om weê te worden, zoo\'n klomp vet en
dat hier in de warmte — kijk nu goed Van Maurik en luister, daar komt
de muziek — maar ik ga naar binnen, ze begint weer te spelen en dat
houd ik niet uit, \'t maakt me te zenuwachtig — tot straks, adieu!
Mevrouw ontvlucht haastig het meer dan infernaal geweld van de in
een versierde kiosk voortgedragen muziekkapel. Oorverdoovend geraas
van koperen bekkens en valsche gongs begeleid door gillende, snerpende,
fluittonen, rinkelende tamboerijns en akelige bromgeluiden van een bas-
achtig instrument, maken elke conversatie onmogelijk. We bepalen ons
dus tot kijken.
Naast de muziektent, rijdt op een klein paardje een of ander familielid,
want hij is geheel in \'t wit, zijn kleêren zijn gescheurd en zijn haarstaart
hangt hem ten teeken van zwaren rouw losgemaakt op den rug.
Dan volgen loopend een aantal Chineezen met bloemen, kleine papieren
pajongs, bonte vaandeltjes of rood papieren banieren met opschriften en
franjes van klatergoud.
—   Kijk! die schele staart draagt een palmpaasch! schreeuwt mijn vriend
me toe, bijna onverstaanbaar door \'t aanhoudend, gehoorvliestergend
lawaai der muziek. Meer Chineezen met dergelijke „palmpaaschen"
volgen — dan komt de lijkkist, gedragen door een buitengewoon groot
aantal elkander opdringende koelies, het bovenlijf naakt, \'t Zweet druppelt
van hun voorhoofden, \'t loopt in kleine stralen langs hun bruine ruggen,
want de kist — een wonderlijk gevormd, reusachtig groot houten gevaarte —
is ontzettend zwaar. — Hoe voornamer, hoe rijker de Chinees, hoe
zwaarder zijn lijkkist!
De muziek, nu verder af, blijft steeds door lawaaien, maar wij hebben
er gelukkig minder last van. Achter de kist volgen de bloedverwanten,
-ocr page 377-
36.5
TE MEDAN —DEU.
mannen en vrouwen, de meesten te paard, sommigen in rijtuigen. Zij
dragen witte mutsen en hebben scheuren en winkelhaken in hun witte
of paarsche kleederen ; zonderling steken daarbij de gekleurde waaiers en
pajongs af, waarmee zij zich tegen hitte en zon beschutten.
Er ligt niets deftigs, niets aangrijpends of droevigs in zoo\'n Chineesche
begrafenis, die eerder aan een reclame-optocht van een circus doet denken,
dan aan hetgeen zij is : het ter aarde bestellen van een gestorven mensch!
Lachverwekkend bovendien zijn de klaagvrouwen, die achter de ,,per-
milie" aan komen sukkelen. Zij loopen, geleid en gesteund door anderen,
gebukt, met het hoofd in een gewone gonje-zak gestoken, onophoudelijk
schreeuwend „Oooeie! — Owa-oeie! of Oewa-oeie! maar mijn vriend
beweert, dat hij er duidelijk „ouwe hoeie" uit hoort.
Een menigte voetgangers, karretjes, dos-a-dos en andere kleine voer-
tuigen sluiten den trein, die langzaam naar het kerkhof verder trekt,
door de fraaie Deli-laan, een der mooist begroeide en schilderachtigste
wegen van Medan.
Medan, de hoofdplaats van Deli, maakt dadelijk een alleraangenaamsten
indruk. Men ziet aan alles dat men in een nog jonge stad is, in een
welvarende plaats, vol krachtig opgewekt leven. Men zou Medan gevoe-
gelijk ,,de Tabaksstad" kunnen noemen, want feitelijk dankt zij aan de
tabak haar ontstaan en steeds toenemenden bloei.
Nog geen dertig jaren geleden was Medan een kleine, onaanzienlijke,
zoogenaamd versterkte kampong en eerst toen de ringsom gelegen tabaks-
plantages zich meer en meer uitbreidden, werd die kampong, door haar
gunstige ligging aan. de Deli-rivier en de Boboera daartoe aangewezen,
plotseling een fraaie, ruim aangelegde, bijna een Westersch karakter
dragende stad, waar thans de groote etablissementen en kantoren der
Deli-maatschappij gevestigd zijn.
Een spoorweg verbindt Medan met haar havenplaats Belawan, die om
den moerassigen bodem door de Europeanen wordt gemeden.
De stad is de zetel van den Resident van Sumatra\'s Oostkust en den
Sultan. Zij breidt zich onophoudelijk uit en legt in alles een schitterend
getuigenis af van den vooruitstrevenden geest der bewoners, die voor het
meerendeel bestaan uit tabaksplanters, handelaren en beambten.
De jonge, energieke ondernemende mannen van verschillende natio-
naliteit, die met nieuwe denkbeelden, nieuwe arbeidskrachten en voldoend
kapitaal uit Europa kwamen en partij trekkend van den ongemeen vrucht-
baren grond, overal tabak begonnen te planten, vonden in de groote
boschrijke vlakten van Deli een ware goudmijn, die nog voortdurend door
aanzienlijke dividenden de aandeelhouders der Maatschappij voor hun
-ocr page 378-
Deli-laan te Medan.
-ocr page 379-
TE MEDAN—DELI.                                            367
ondernemingsgeest beloont. Wel moest er ontzachelijk hard worden gewerkt,
de woeste gronden worden afgebrand en geschikt gemaakt voor den bouw,
maar klimaat en bodem werkten mede, zoodat het in een tijdvak van
bijna dertig jaren gelukt is, om Deli tot een der rijkste streken van Sumatra
te maken.
Men ziet aan de keurig nette goed gebouwde en weelderig ingerichte
huizen, dat men te Medan niet op den penning behoeft te zien, dat men
daar begrijpt, dat geld rond is en rollen moet, en dat comfort en luxe
zeer goed te vereenigen zijn met onvermoeid en hard werken.
De Deli-maatschappij kan men veilig de stichtster van Medan noemen,
van haar ging alle leven, alle kracht en welvaart uit. Zij begreep echter
in haar eigen belang, dat van haar werklieden en richtte een Hospitaal
en een Immigranten-asyl op, waar de Chineesche koelies, die zich door
contract aan haar verbinden, bij ziekte of ongeval een goede verpleging
vinden, zelfs een blijvend onderkomen, wanneer ze geheel ongeschikt
worden tot werken.
—   Tabak is, — zoo zei me een planter, die jaren lang te Deli woont, —
een zeer preutsche jonge juffrouw, die met alle mogelijke egards moet
behandeld worden, men dient haar onophoudelijk te koesteren, en zij
vereischt in alle opzichten zorgvuldige behandeling. Even als een jonge
maagd, mag zij geen oogenblik zonder toezicht worden gelaten en daarom
is het planters-baantje nog zoo heel gemakkelijk niet.
Intusschen moet ik zeggen, dat de planters over \'t algemeen begrijpen
— en zeer verstandig begrijpen — dat een zóó onophoudelijk toezicht
houden, een zóó voortdurend zich wijden aan „die preutsche jonge dame"
ook een tegenwicht noodig heeft, wil men ten minste zelf niet putluttig,
droogstoppelig of preutsch worden. Dat tegenwicht nu vinden zij in hun
gezellig leven onder elkaar. Te Medan wordt niet alleen veel gewerkt,
maar ook veel pleizier gemaakt.
De conversatie is er aangenaam, kosmopolitisch ; van cöteriegeest of
afscheiding der standen houdt men niet — men gaat met elkander om
als goede vrienden, die te samen één doel beoogen : het leven zóó frisch
en aangenaam, zoo luchtig mogelijk op te vatten en daardoor een
vergoeding te vinden voor het gemis van vaderland of familie. —
—   ,,Erst das Geschaft — aber dann das Yergnügen" is de leus van de
bewoners en de Witte Sociëteit kan van „das Vergnügen" meepraten,
want daar ontplooien zich de strakste gezichten en praat men eens niet
over tabak — ten minste niet wanneer de dames er bij zijn.
Wat er uit Singapore of elders vermakelijks te krijgen is, wordt zoo
spoedig mogelijk naar Medan in de Soos gehaald om de avonduren van
de leden op te vroolijken.
-ocr page 380-
36K                                                TE MEüAN—DELI.
Ik woonde o.a. een paar voorstellingen bij Van de Willard-troep, een
Engelsen operetten-gezelschap, dat op kosten der Sociëteit eenige uitvoeringen
gaf, die zeer welwillend genoten en beter betaald werden dan ze ver-
dienden, maar \'t komt in Medan gelukkig niet op een paar dollars meer
of minder aan, en de artisten, die het geluk hebben daar te worden
ontvangen, keeren steeds tevreden en met een goed ge vulden buidel
terug, eenstemmig verklarend: ,,Medan people is the nicest people of
the world."
Dat in de Witte Sociëteit het klokje van gehoorzaamheid altijd van
streek is, zal niemand verwonderen, evenmin dat de assistenten der
plantages, ongehuwde jongelui, die slechts van tijd tot tijd eens kunnen
overkomen, zich wel eens vergissen in dag en nacht. — Ik kan je ver-
zekeren, zei me op een pret-avond een assistent, — dat het niet alles is
om maanden en maanden lang, dood-alleen, als Europeaan tusschen zoo\'n
paar leelijke, bruine koelies te zitten en ingespannen te werken, want je
moet die kerels onophoudelijk narijen, anders bederven ze je den boel.
Je zou, wanneer je niet tusschenbeiden hartig moest vloeken, het spreken
verleeren — die eenzame avonden worden zoo lang, hè! — En daarom
halen we als we hier komen onze schade in — dan zijn we als losgelaten —
kom ! laten we nog een whiskev-soda nemen en een roko opsteken —
hij bekeek de sigaar en lachte: — je zou niet zeggen, dat zoo\'n klein
ding zooveel menschen in beweging brengt voor \'t geboren is! — Wou
u al heengaan? \'t is nog zoo vroeg — kom blijf nog wat zitten boomen
— wij gaan nog niet naar huis — hè heeren ? En — „wij gaan nog niet
naar huis, nog lang niet!" zongen al de anderen in koor, — dat is ons
motto! — Wij begrijpen bovendien, dat we zedelijk verplicht zijn den
naam van onze Soos „Gezelligheid\'\' in eere te houden!
Er wordt in die Sociëteit van alles gedaan, gespeeld, gebiljart, muziek
gemaakt, gedanst, zelfs komedie gespeeld, en dat vooral het laatste goed
gedaan wordt, op een heusch tooneel met heusche decoratiën, bewijs ik
door het volgende citaat uit de Deli Crt. van 31 Maart 1897.
Na een tijdperk van ritst, langer dan wc gewoon zijn, had de vereeniging
„Gezelligheid in Deli" weder een programma gereed en konden Maandag
H) dezer de getrouwen opgaan naar de soos om wat lang ontbeerd werd
weder eens te genieten.
Deze avond was voor de geschiedenis der vereeniging zeer belangrijk,
omdat de nieuwe decoratiën, voor kort door den bekenden decoratieschilder
Joh. C. Maandag te Amsterdam vervaardigd, werden ingewijd. Te recht
sprak de voorzitter der vereeniging, de heer J. IV. Schut, den wensch
uit, dat deze eerste uitvoering met geheel nieuw decor, na een tijdperk
van gedwongen rust, de voorbode zou mogen zijn van nieuw leven en dat
-ocr page 381-
369
TE MEDAN —DELI.
zoo aan de vereeniging aller steun en sympathie niet werd onthouden,
die wensch de vervulling stellig nabij zou komen.
Ons tooneeltje in „de Witte" zag er werkelijk Zondagsch uit. Het
eenvoudig, doch keurig afgewerkt voordoek geeft, nadat het is opgehaald,
gelegenheid op een smaakvol tooneel het oog te laten rusten. Zoowel het
ensemble van de huiskamer en salon als dat van den tuin voldoet uit-
stekend en het geheel bewijst, dat men voor geld en goede woorden ook
in Holland nog wel iets goeds gedaan kan krijgen. Dank de vele en goede
zorgen van den president der vereeniging waren al de doeken opgespannen
en gearrangeerd; reeds maanden van te voren kon men hem hiermee in
de weer zien en wat dat beteekent bij de tegenwoordige hitte weten wij
allen zelf het best.
Het programma u>as zeer rijk aan afwisseling: het begon en eindigde
met een tooneelstukje en was aangevuld met cenige concertnommers.
Het voorstukje: ,, Terug van de kostschool" 7verd er wonder goed af ge-
bracht, vooral zoo men nagaat dat dit weinig zeggend blijspel geheel door
de spelers gered moet worden.
Vóór de pauze werden eenige concertnommers voorgedragen. Voor het
eerst na zijn verlof hadden wij het genoegen den heer Krcver weder in
\'t publiek te mogen hooren.
Zoowel de beide soli voor viool „ Vorspiel und Sicillana aus der Cavallcria
Rusticana" en ,,Gavotte Parisiennc", als het trio voor alt, viool en piano
„Der Fischer", in vereeniging met mevr. G. O. en den heer v. K. gegeven,
ontlokten een daverend applaus aan het aandachtig gehoor.
Het stukje na de pauze was een aardig Fransch tooneeltje, een waar
succes. In een stukje als dit, dat geschreven is voor acteurs van professie,
konden wij weder het spel van mevr. M. S. en van den heer J. O. naar
waarde schatten.
Zeer attent werden aan de dames, die tot het welslagen van dezen
avond zooveel bijbrachten, bouquetten geoffreerd.
En nu begon het bal, dat zoo geanimeerd u<as, dat de wanden van
onze club de vele paren haast niet konden bergen. Bij zoo\'n gelegenheid
doet zich de wenschelijkheid van een grooter societeitslokaalgevoelen (wat
tusschen twee haakjes in een land als Deli toch wel niet tot de vrome
wenschen zal behoeven te blijven behooren.)
Gewoonlijk komen in elke Indische stad, die zich ontwikkelt en uit-
breidt, als de muizen naar het spek, de Chineezen en vestigen zich als
tokohouders en handelaars. Zoo ook te Medan — een groote Chineesche
buurt met talrijke toko\'s, warongs en slaaphuizen, enkele opiumkitten,
pandjeshuizen en spcelgelegenheden, is daarvan het bewijs. De nabijheid
der Straits Settlements en Singapore, die handelsstad bij uitnemendheid,
24
-ocr page 382-
TE MEDAN—DELI.
37°
draagt er veel toe bij om in ieder opzicht den handel te bevorderen en
binnen een niet lang tijdsverloop zal Medan\'s handelskracht niet voor die
van andere steden behoeven onder te doen.
De Chineesche tempel, een groot en rijk gebouw, wijst er op dat de
Zonen van het Hemelsche Rijk er meer geld hebben dan elders. Ook
zij verdienen reeds veel door en aan de tabak, en ik geloof dat hun
eenige grief is, dat niet zij, maar de Europeanen oprichters en aandeel-
Hoofdstraat te Medan.
houders zijn van de Deli-Maatschappij. Ik heb eenmaal een Chinees op
een tabaksveld wijzend, hooren zeggen: — Itoe tida tembakoe — ada
mas! (dat is geen tabak, maar goud!) en hij zette daarbij een gezicht
alsof hij dacht: — wat jammer dat zoo\'n veld aan een blanda hoort!
Een tabaksveld — ik zag er vele — is prachtig! Gewoonlijk stelt een
Hollander het zich voor, als de min of meer vergroote type der tabaks-
landen om en bij Rhenen of Amersfoort, waar de planten, drie of vier
voet hoog, op kleine dijkjes als frontmakende soldaten naast elkander
staan, hun meestal spichtige, grauw-groene bladeren loom naar elkander
uitstrekken. Een Delisch tabaksland is volkomen anders. Prachtige,
-ocr page 383-
TE MEDAN—DEL!.                                                371
blauwig-groene en Iicht-groene, breede, groote bladeren aan stammen van
meer dan manshoogte, staan in enkele of dubbele reien in de felle zon,
schitterend mooi, in alle nuancen afwisselend door de schelle belichting,
ritselend en zachtkens wuivend als een zuchtje over de velden strijkt.
Die velden worden van elkander gescheiden door den „plantweg",
voortdurend met groote zorg besproeid, en gezuiverd van onkruid, rupsen
en ander ongedierte. Een menigte koelies van allerlei ras vinden daar-
door werk, en eigenaardig is het, dat die verschillende rassen ook ver-
schillend werk doen. Zoo wordt b.v. het ontginningswerk, het branden,
kappen en rooien der bosschen, \'t aanleggen van wegen en drainage,
meestal door Javanen en Maleiers verricht, de Bengaleezen doen voor
het meerendeel dienst als oppassers en politie-agenten, Klingeleezen hoeden
het vee en drijven de ossenkarren, die de transporten bezorgen, de
Boyans (eilanders van Bawean) timmeren huizen en keeten, en de zoo-
genaamde tamme Battakkers uit de nabijgelegen kampongs worden hoofd-
zakelijk gebruikt om schuren te bouwen.
Het eigenlijke planten en bewerken van den grond geschiedt door
Chineesche koelies, die in grooten getale direct uit China worden geïm-
porteerd en een vast contract hebben met de ondernemers, die verplicht
-ocr page 384-
—
::
3
-ocr page 385-
TE MRDAN—DELI.
373
zijn, behalve voor hun loon, ook voor huisvesting en gedeeltelijke ver-
pleging te zorgen. Voor hun gebruik worden dan ook op de verschillende
plantages groote, luchtige huizen opgetrokken, zoogenaamde kongsi\'s,
waar zij een goed verblijf vinden. In de kleine winkeltjes, die zich
dadelijk om en bij de kong-
si\'s vestigen, kunnen zij
hun inkoopen van dagelijk-
sche benoodigdheden doen.
Een tabaks-onderneming
heeft, in vogelvlucht gezien,
iets van een klein dorp, door
de talrijke woningen van
opzichters en beambten, de
groote fermenteerschuren,
droogloodsen, stallen en
keeten.
De tabaksvelden liggen
beurtelings zeven tot acht
jaren braak. Na een oogst
volgt telkens zulk een tijd-
perk van rust, waarin de
grond slechts gedurende één
jaar door de bevolking met
rijst beplant en verder aan
zichzelf overgelaten wordt.
In de maanden Januari,
Februari en Maart worden
de velden tot de ontvangst
der jonge tabaksplantjes ge-
reed gemaakt. In kweek-
Plantage-oppassers (Iiengaleezen).
bedden uitgezaaid, komt het
tabakszaad spoedig op en ontwikkelt zich tot een klein, teer plantje „de bibit,"
dat met de meeste zorg wordt behandeld en dan overgeplant in de omgespitte
en door afbranden der bosschen bereide gronden. Einde Juni of Juli zijn
de tabaksboomen volgroeid, worden gesneden en in de droogloodsen ge-
bracht. Daar drogen de groene bladeren totdat zij een bruin-gele kleur
aannemen en geschikt zijn om in de fermenteerschuur een lang broeiings-
proces te ondergaan, dat dienen moet om aan de tabak de vereischte
kleur, soepelheid en zeemigheid te geven. Dat fermenteeren geschiedt
door de tabak op hooge stapels te leggen, die telkens met groote omzich-
tigheid worden gekeerd en omgewerkt, opdat de hitte door het broeien
-ocr page 386-
TE MEDAN—DELI.
374
veroorzaakt, niet te groot en daardoor schadelijk voor de plant worde.
Dan volgt het sorteeren in verschillende kleuren, lengten en kwaliteiten ;
een bewerking, die groot geduld, vaardigheid en oefening vereischt. Na
het sorteeren komt het bundelen en verpakken, dan het verzenden en
eindelijk het verkoopen — ,,le fin mot de 1\'histoire!" Over het laatste
zullen de planters, vooral in de laatste jaren, wel tevreden zijn geweest,
want sedert de Amerikanen onze Sumatratabakken boven hun eigen ge-
wassen verkiezen, zijn de Delische goudmijnen bijnadiamantvelden geworden!
Dat echter al die verschillende bewerkingen een voortdurend toezicht,
een ingespannen werkzaamheid noodig maken, zal niemand verwonderen
en gaarne gunt een ieder, die het goed met Oud-Holland meent, den
planters hun succes, want de tabak is tegenwoordig het voornaamste
artikel, dat vreemde handelaren naar onze markten in Holland trekt, dat
geld doet verdienen aan honderden, die rustig in Patria blijven, met-
profiteerend van de inspanning der Delische planters!
-ocr page 387-
TE MEDAN—DELI.
375
Ik stond in de groote, ruime toko van de
heeren Katz & Co., te Medan, in gesprek met
een der chefs, toen een keurig nette berline,
getrokken door twee vurige Bataksche paardjes,
voorreed. De Iooper, wij zouden hier zeggen:
de palfrenier, sprong achter van \'t rijtuig, opende
in deemoedige houding het portier en de juist
voorbijkomende Maleiers hurkten neer, ,,sem-
bah" makend, terwijl een paar Europeanen
beleefd groetten.
— De Sultan van Deli! zei zachtjes de chef,
met wien ik sprak. — Excuseer me? Hij ging
De Sultan van Deli.
hem tegemoet.
Een middelmatig groot, slank en flink ge-
bouwd man, in zeer goed verzorgde Europeesche kleeding, stapte uit.
Hij droeg een grijs fantasie-jacquet van dunne stof, een wit piqué vest,
keurig nette linnen boord, manchetten en overhemd en een slipdas, waarop
een brillanten speld fonkelde. Zijn lichte pantalon viel onberispelijk over
fijne gelakte schoenen en ik merkte op, dat hij in plaats van een gewonen
ronden of helmhoed een mutsje droeg van donkere stof, met rooden bol
en met smalle gouden biesjes afgezet, dat, door zijn eigenaardigen vorm,
aan een kroontje deed denken, \'t Stond hem zeer goed op de zwarte,
reeds hier en daar aan de slapen iets grijs wordende haren. Zijn gelaat
donker van tint, maar blanker dan van een Sumatraan, had eerder een
Oostersch, dan een Maleisch type en was regelmatig van vorm. Kleine,
levendige oogen en een vriendelijken mond gaven het een aangename
uitdrukking, die, als hij sprak, nog sympathieker werd. Een dunne, zwarte
knevel hing over zijn lippen, die zich prettig lachend openden en zijn
benijdenswaardig witte tanden .lieten zien als hij sprak. Enkele sporen
aan wangen, neus en kin duidden aan, dat hij in zijn jeugd de kinder-
ziekte had doorstaan.
Hij wandelde met langzame kleine schreden door de toko, bezag het
-ocr page 388-
376                                                TE MEDAN—DELI.
een en ander, steeds druk pratend met den chef, die zeer eigen met hem
scheen te zijn en aan wien hij herhaaldelijk inlichtingen vroeg.
—    Wil u aan den Sultan voorgesteld worden ? vroeg een der heeren,
die in de toko bezig waren.
—   Heel graag!
—    Kom dan maar meê, en terwijl wij naderden, zei hij: — Nu kan
u je Maleisch eens luchten, want de Sultan spreekt geen woord Hollandsch.
Ik werd voorgesteld als ,,de heer Van Maurik, een heer die boeken
schrijft en kranten."
De Sultan keek mij een kort oogenblik met zijn kleine, scherpe oogjes
onderzoekend aan, vroeg iets aan den chef wat ik niet verstond, bekeek
me — ik moet erkennen, dat hij \'t zeer bescheiden deed — nog eens
goed, deed toen een stapje naar me toe en reikte mij de hand. — Wat
\'n kleine hand, dacht ik, en onwillekeurig keek ik naar zijn voeten — en
wat \'n kleine nette voeten, \'t lijken wel damesvoetjes!
—    Mijnheer komt een bezoek brengen aan Medan voor zijn handels-
relatiën en om stof op te doen voor een boek, dat hij over Indië gaat
schrijven, zei de chef in \'t Maleisch — ik verstond het goed genoeg —
maar toen de Sultan mij aansprak en vroeg: — Hoe vindt u Sumatra,
hoe bevalt het u hier? stond ik vrij wel met mijn mond vol tanden, mijn
kennis van \'t Maleisch was nog in haar geboorte, dat merkte ik toen
maar al te duidelijk. Ik moest echter toch ook wat zeggen en . . . ik
zei wat, maar toen ik dat zoo goed en kwaad als \'t ging deed, betrok
het gelaat van den chef en zei hij haastig: — Wees maar liever stil, want
je zondigt gruwelijk tegen de etikette. Je hebt u tegen den Sultan gezegd.
—   Nu! is dat niet beleefd genoeg?
— Waarachtig niet, je moest Toewankoe zeggen —dat is : „Mijn gebieder."
—   Maar \'t is mijn gebieder niet!
—    Dat doet er niet toe, \'t is zijn titel. En om nu mijn flater weer
eenigszins goed te maken zei hij: — Toewankoe! meneer Van Maurik
heeft u niet aangesproken zooals \'t hoort, maar hij is hier vreemd en dus...
—   O, tida apa! (dat is niets) antwoordde de Sultan uiterst hoffelijk —
want, voegde hij er in \'t Maleisch bij: — mijnheer weet niet beter!"
en zeer beleefd reikte hij mij nogmaals de hand als ten bewijze dat hij
er niet boos om was.
De Toewankoe informeerde zich — de chef als tolk dienst doende —
hoe mijn reis geweest was, of ik lang in Medan dacht te blijven, enzoovoorts
en vroeg eindelijk of ik in dat boek ook over Medan dacht te schrijven.
—   Zeker! Toewankoe!
—  Ook over mij ?
—  Natuurlijk!
-ocr page 389-
TE MEDAN — DELI.                                                 377
Ik zag in zijn kleine levendige oogen een glansje en om zijn mond
een bijna onmerkbaar glimlachje, dat een aangename snelle gedachte
aanduidde. Hij richtte zich nog wat meer op en vroeg met een kleine
toon van zelfvoldoening in zijn stem:
—    Wil u dan mijn paleis ook zien? Ik ga strakjes naar huis en zal
er u gaarne ontvangen. — U kan dan zien dat wij hier in Medan ook
veel mooie gebouwen hebben, ik zal u een fotografie er van geven.
—   Gaarnel \'t zal me een groote eer zijn.
1\'aleis Tan den Sultan van Deli, te Medan.
—   Je schijnt nog al in zijn smaak te vallen, zei mijn vriendelijke tolk
en als je wilt zal ik den Sultan ook om zijn portret voor je vragen, je
kunt dat meteen in je boek afdrukken — dan heb je er zeker iets in
wat geen ander kan hebben, want de Toewankoe is gewoonlijk niet
scheutig met zijn portretten, maar hij kijkt je nog al genadig aan. Ja!
heeren auteurs hebben altijd een streepje vóór; je begrijpt, kranten en
boeken zijn in de oogen van den Sultan dingen van gewicht en de lui
die ze maken of schrijven ziet hij met andere oogen aan dan ons handelaren,
daarom heb ik je maar niet in je kwaliteit als sigarenfabrikant voorgesteld?
—   Begrepen!
-ocr page 390-
37»
TE MEDAN—DELl.
De Sultan keek mij, terwijl de chef hem namens mij om zijn portret
vroeg, onderzoekend aan, stak een sigaret op uit een keurig geciseleerd
zilveren étui — bood er mij ook een aan en vroeg: — Zou meneer \'t
graag hebben ?
—   Zeer gaarne! Asjeblieft!
—   En zal u \'t in uw boek afdrukken ?
—   Ongetwijfeld!
—   Weer zag ik een schier onmerkbaar glimpje van kinderlijke genoeg-
doening op zijn trekken, toen hij zei:
—   Dan zal ik \'t u zenden, met mijn handteekening er op. Van middag
kunt u mijn paleis komen zien.
—  \'k Ben u vooruit ten hoogste dankbaar,
Toewankoe!
De Sultan knikte mij vriendelijk toe, als
^c&L&L
wilde hij zeggen : de audiëntie is afgeloopen                                         ^*
• i                      j                 Handteekening van den Sultan
en stapte, na nog eenige inkoopen gedaan                         e
te hebben, weer in zijn rijtuig.
Eenigen tijd later zond hij mij zijn portret, dat ik hier afdruk even als
zijn handteekening.
Die handteekening beduidt: MAAMOEN ALRASSID PERKASA Alam Sjah,
wat overgezet zijnde beteekent: De getrouwe (maarnoen), de rechtvaardige
(alrassid), de prachtige (perkasa) — misschien is in dit woord dezelfde
wortel te vinden als in het oud-duitsche Perchta — nieuw-hoogduitsch,
Bertha (de schitterende) — Heer van de wereld (alam sjah.) Sjah = Heer,
is nu nog de titel van de heerschers van Perzië.
Al deze benamingen zijn zeker voldoende aanduidingen van de groote
voortreffelijkheid en hoogheid des dragers. Overigens noemen zich bijna alle
vorsten in de Sumatraansche landen Heer VAN DE WERELD, iets wat geen
al te gunstigen indruk geeft van hun bescheidenheid en geographische kennis.
De officieele titulatuur, waarmede men den Sultan aanspreekt is Serie-
PADOEKA, TOEWANKOE SOELTHAN, woordelijk vertaald SERI = verheven
— denzelfden wortel toonend als het Engelsche SlR — \'t Latijnsche CAESAR
en \'t Duitsche KAISER, misschien ook \'t Russische TSAR. PADOEKA
(sanskrit) = schoenen — waarschijnlijk denzelfden wortel hebbend als \'t
Spaansche Zapato (schoen) en \'t Fransche „patte."
TOEWANKOE, afstammend van denzelfden wortel als \'t Maleische toewa =
oud of dewa = geest, god en — koe of akoe = ik = ego (latijn).
Aldus te samen beteekenend mijn-heer.
Deze geheele titulatuur, SERIE PADOEKA TOEWANKOE SOELTHAN is
gebruikelijk in officieele stukken, ook wanneer Europeanen aan den Sultan
schrijven. Een inlander daarentegen zou zich zelfs niet tot de verheven
-ocr page 391-
TE MEDAN—DELI.
379
schoenen van zijn vorst durven wenden, maar adresseert zijn brieven:
KABAWAH DOELI KAOETS aan „het stof onder de schoenen van mijn heer."
Meer eerbied en onderdanigheid is toch waarlijk niet denkbaar — men
zou haast durven beweren dat het al te eerbiedig is.
In \'t algemeen is de etikette aan de Maleische hoven, ofschoon dit
weinig bekend is, veel strenger en ingewikkelder dan aan eenig Euro-
peesch hof.
Niet alleen is de titulatuur en de allocutie voor ieder vorst uiterst
nauwkeurig bepaald, maar ook de houding, zelfs de gebaren en de gelaats-
uitdrukking zijn zorgvuldig voorgeschreven.
Nooit zal een Maleier, zelfs een Tengkoe, een vorst min of meer aan
den Sultan vermaagschapt of een Datoe — een vroeger onafhankelijk,
thans leenplichtig vorst — het wagen zijn gebieder aan te spreken zonder
neer te hurken en de vlak saamgelegde handen voor het voorhoofd te
brengen en sembah te maken. Daarom noemen de inlanders ieder aanspreken
van den Sultan „sembah".
De Sultan zelf beveelt alleen : „titah" of sabdah". Bij een gesprek van
langen duur of in tegenwoordigheid van Europeanen of gala-gelegenheden,
die een voortdurend sembah onmogelijk maken, eischt daarentegen de
etikette, dat degeen, die met den Sultan spreekt, tegen iets aanleunt of zich
aan iets vasthoudt en indien ook dat niet doenlijk is, met zooveel mogelijk
gebogen rug blijft staan, voortdurend de oogen op den Sultan richtend.
De adat (etikette), brengt mede dat de Sultan zelf nooit de met hem
sprekenden aanzien, maar als \'t ware over hen heen of naast hen kijkt.
Hoogst eigenaardig is ook aan het hof \'t gebruik van het voornaam-
woord, ik, AKOE in \'t Maleisch. In het gewone leven mag het volstrekt
niet worden gebruikt, het is alleen geoorloofd aan den Sultan en aan
officieren tegenover hun ondergeschikten, aan hoogeren tegenover hun
minderen. Het gebruiken van „akoe" drukt altijd uit: Bevel, toorn,
verachting of een sterk gevoel van eigenwaarde tegenover den aange-
sproken persoon.
Buitendien gebruikt men „akoe" of „koe" in verbinding met andere
woorden als TOEWANGKOE (mijn gebieder) of TENGKOE (vorst), HANDAi-
KOE (mijn vriend), wanneer een vertrouwelijken toon wordt aangeslagen.
Ook in verliefde taal als BOEWAH HaTIKOE (vrucht van mijn hart) — wij
zouden eenvoudig kunnen zeggen : mijn hartlap — ook in BlDJ! MATA-KOE
(kern van mijn oog, mijn oogappel).
De Maleier gebruikt in de gewone spreektaal voor ik, indien hoogeren
tot minderen spreken, „kita" of „kami" = wij. Aan de Europeesche hoven
was dit vroeger algemeen, aan enkele kleine Duitsche hoven is dit ,,wir"
nog gebruikelijk, terwijl het in ofïicieele regeeringsstukken nog algemeen
-ocr page 392-
38o
TE MEDAN—DELI.
wordt gebezigd. Vorsten, adellijken en lieden van geboorte, gebruiken,
wanneer zij onderling spreken voor ik het woord SAYA, dat eigenlijk
,.dienaar" beteekent, aldus steeds hoffelijk sprekend, uw dienaar wil of
doet of verlangt dit of dat.
De hoffelijkheid van de Maleische grooten onderling is benauwend en
lastig — maar van de hoffelijkheid van den gewonen Maleier heeft de
Europeaan waarlijk géén hinder, want de Sumatranen zijn eer brutaal en
kort-af dan beleefd of onderdanig, geheel anders dan de Javanen, die
zachter van aard en deemoediger van natuur, den Europeaan veel meer
respecteeren.
De Sultan van Deli echter kan als voorbeeld gesteld worden voor zijn
onderdanen, want hij is een in alle opzichten vriendelijk, beleefd en
welwillend man, die zelfs volgens Europeesche begrippen een zeer sympa-
thieke persoonlijkheid is.
Met grooten tact streeft hij er naar alles te vermijden wat in de oogen
der Europeanen zijn prestige, ook maar in \'t minste of geringste afbreuk
zou kunnen doen — maar tegenover zijn onderdanen en DATOES of
TENGKOES is hij de almachtige, onaantastbare gebieder, de absolute vorst
wiens uitingen steeds met een allereerbiedigst sembah en een monotoon
„Toewankoe!" waarvan zonderling genoeg meestal alleen de laatste letter-
groep „koe" hoorbaar is, worden beantwoord.
In zijn opvattingen, meeningen en gewoonten is hij een echte „Orang
Islam", een Mahomedaan, die al de voordeden, aan dat geloof verbonden,
gaarne en waardeerend geniet. Hij leeft in zijn paleis, d. w. z. in een
kleine afdeeling er van, het liefst zeer eenvoudig maar goed, geheel
volgens de gebruiken en gewoonten van den Islam, echter heeft hij zich
toch een Europeesche tint weten te geven, die hem zeker niet kwaad
staat en in de oogen der Europeanen aantrekkelijk maakt.
Wanneer men hem ziet rijden in zijn keurig nette equipage — de
Sultan houdt veel van mooie rijtuigen en paarden — zou men, indien
men niet lette op den zonderlingen hoofdtooi van de koetsiers, die evenals
elders op hun hoofddoek een livreihoed met band en kodardè dragen,
meenen dat hij een Europeesche groote was. Alles ziet er fijn en chic
uit, niet te bont of te kleurig, maar werkelijk net, gentlemanlike; de
tuigen der paarden zijn keurig, van eerste kwaliteit, en de rijtuigen steken
gunstig af bij die van anderen. Ik heb dikwijls eigen rijtuigen van voor-
name Chineezen gezien, die er niet beter uitzagen dan gewoon „huurspul"
van een Hollandsch stalhouder.
De Sultan kleedt zich meestal met veel zorg, maar eenvoudig, in
fantasie-pakken van goeden snit — bij feestelijke gelegenheden in zwarte
rok en witte das — alléén bij groote gala-recepties of officieele partijen
-ocr page 393-
-ocr page 394-
382
TE MEDAN —DELI.
in een mooie uniform met geborduurden kraag, gouden schouderpassanten
en brandenbourgs.
Hij is een groot liefhebber van de wielersport en heeft zelfs aan Deli\'s
ingezetenen een goed ingerichte wielerbaan ten geschenke gegeven.
Zonder twijfel is de Toewankoe een man die alles doet wat hij kan
om zich bemind te maken. Hij is een uitmuntend, vrijgevig gastheer, die
herhaalde malen jaarlijks in zijn prachtig paleis, in Oosterschen stijl,
door een Hollandschen architect gebouwd, zeer aangename en schitterende
dansfeesten geeft.
Die bals, in de rijke, ruime, buitengewoon sierlijke receptiezaal gegeven,
behooren tot de meest gezochte feestelijkheden en die de eer geniet,
daartoe te worden uitgenoodigd, brengt eenige uren door vol afwisseling,
genot en weelde. „Elk wat wils" is des Sultans leus, want hij zorgt er
voor dat iedereen zich kan vermaken, de jongeren met dansen, de ouderen
met kaartspel of muziek.
In die prachtige zalen, schitterend van licht, vorstelijk gemeubeld door
de bekende Haagsche firma Mutters (\'t ameublement enz. enz, van de
receptiezaal kostte alleen zestigduizend gulden) beweegt zich dan de élite
van de Medansche dames en heeren, met de autoriteiten, en vol prinselijke
vrijgevigheid huldigt de Sultan op zulke feesten nog het echt Oostersch
<*ebruik om aan zijn gasten, vóór \'t naar huis gaan, als tanda-mata (aan-
denken) fraaie geschenken te geven. Ik zag o. a. prachtige, met goud
geborduurde zijden sarongs en muiltjes, die de Toewankoe aan dames,
mooie wandelstokken met kunstig gesneden ivoren knoppen, die hij aan
heeren bezoekers had vereerd.
In zijn salons, in zijn paleis, is hij de gebieder, de „Alam Shah" —
maar in de staatkunde zou men hem dien titel niet durven geven. Hij is
onafhankelijk Sultan — maar \'t Nederlandsche gouvernement spreekt
altijd nog een vaderlijk woordje meê, wanneer hij een besluit moet nemen,
dat van te groot gewicht is om door hem alléén te worden genomen.
Wanneer men den Sultan in zijn keurige, élégante equipage door Medan
ziet rijden en de eerbewijzingen opmerkt, die de bevolking hem niet
schuldig blijft, is men wel geneigd — zij \'t dan ook in \'t binnenst binnen
van zijn hart — te denken: dat is nog eens een vorst dien men benijden
kan __ hij heeft al de genoegens van zijn ambt, en den last deelt hij zelfs
niet met anderen. Zoo\'n vaderlijk gouvernement achter de hand is toch
nog zoo kwaad niet!
Maar op aarde mag — de hemel wil dat zeker zoo — geen onvermengd
genoegen, geen zuiver geluk bestaan en daarom is een Sultan meestal
gezegend met een overgroot getal bloedverwanten, „soedara\'s", die, alsof
zulks van zelf spreekt, uit des Sultans schotel een vorkje medepikken, en
-ocr page 395-
TE MEDAN—DEL!.                                                383
zich soms niet ontzien een aanval op de vetste hapjes te doen. Is de
gebieder nu niet al te goedhartig en bij de hand genoeg om die gulzige
familieleden bijtijds op de vingers te tikken, dan blijft zijn schotel goed
gevuld en smakelijk, \'t Is echter wel eens gebeurd, dat de een of andere
gebieder eindelijk de slaaf werd van zijn vrienden en magen en ten slotte
ervoer, dat, waar afgaat en niet genoeg bijkomt, een leege schotel het
eind is.
Voor zoo iets hoeft de Sultan van Deli niet te vreezen, want hij is
door Allah\'s zegen een zeer rijk vorst en zijn hulpbronnen zijn vele.
De Datoe\'s van Hampéran-Perak, van Soengal, van Kampong Bahroe en
van Senembah, zoowel als de Tengkoe van Pertjoet (een lid der regeerende
familie) zijn hem leenplichtig en moeten hem de helft van hun jaarlijksche
inkomsten afstaan.
En wanneer men nu bedenkt, dat bijna de geheele bodem van Deli
aan de bovengenoemde vorsten toebehoort, kan men op zijn vingers
narekenen, dat de Sultan van Deli niet spoedig slecht bij kas wordt.
Voor Europeesche beschaving heeft hij een open oog en oor, hij is
volstrekt niet behoudend en neemt daarom, voor zoover zijn geloof hem
dat toelaat, Westersche gebruiken en gewoonten gereedelijk over. Hij
is prachtlievend en schaft zich gaarne de nieuwste snufjes aan — waarom
zou hij ook niet — hij kan immers met Jesus Sirach zeggen: ,, Wie geld
heeft en \'t zich aan tets ontbreken laat, spaart voor anderen en van
zijn goed sullen vrienden zwelgen."
Een hofhouding als de zijne is voor de vele toko\'s in Medan niet
zonder beteekenis, want de herhaalde feestelijkheden brengen van zelf
belangrijke bestellingen mede en zeker zullen èn handelaren èn parti-
culieren den gastvrijen, naar ontwikkeling en beschaving strevenden
Sultan van Deli een lange en gelukkige regeering toewenschen.
-ocr page 396-
3«4
NAAR EEN BATAKKAMPONG.
NAAR EEN BATAKKAMPONG.
A/6. S.S. Swaardecroon.
Straat van Malakka,
23 Juli \'g6.
Amice !
.... Sedert een paar dagen zwalk ik
weer op zee en terwijl ik al schom-
melend op de zilte baren \'van de
Chineesche zee — zooeven liepen we
de Straat van Malakka uit — zit te
schrijven, hoor ik, achter en vóór mij,
uit de hutten allerlei treurtonen, keel-
schrapingen en verdachte geluiden van
een paar Indische dames, die zich,
zoolang zij aan dek waren, met doods-
verachting groot hielden, maar nu in
eenzame afzondering het erg met sakit-
laut (zeeziekte) te kwaad hebben. Ik
heb gelukkig nog geen seconde last
van die onhebbelijke kwaal gehad; ik
ben „a fine sailor" zooals de kapitein
Bat.iksch hoofd.
me verzekert. Al slingert de boot ook
nog zoo erg, ik voel me senang (lekker),
ik eet van de kostelijke ontbijt-, middag- en avondtafel zooveel, dat ik
mezelf soms voor een ander houd, want veel eten was vroeger nooit mijn
„fort", maar de zeelucht geeft een grage maag en zooals Kees de kwartier-
meester van de Amalia zegt: „Een mensch op zee, is zooveul als een
-ocr page 397-
Naar een batakkampoNg.                                   385
veranderd wezen, meneer, en wat je aan wal met geen oog aankijkt,
schuif je aan boord zonder sporreling achter je halsdas; dat komt door
de zuurkoolstof, die je inademt, meneer! Aan den wal verlies je de aptijt
door de vunzigheid en de lammenadigheid van de uitwaseming van mensch
en dier, maar op zee heb je onze lieven Heer z\'n frisschigheid om je
heen en adem je enkel gezondheid en graagte in -7— en als je niet door
een toevalligheid verzuipt, kun je d\'r honderd jaar bij worden !"
Een dag of drie geleden schreef ik je mijn weêrvaren te Medan, en
nu ik aan boord zoo ruimschoots tijd heb, zal ik je een en ander vertellen
van mijn bezoek aan de Bataks — notabene, gedeeltelijk nog Kannibalen ;
lui die d\'r pa en moe opeten als die te oud worden naar hun zin. Ik
zie je in mijn verbeelding reeds je schouders ophalen en me met zoo\'n
blik van ,,hoor-me-die-nu?" aankijken, maar ik ben heusch geen Heer
Jurriaan, die verre reizen doet en veel verhaalt; ik illustreer niet en zal
naar waarheid meêdeelen wat ik ondervonden heb.
Uit Deli\'s hoofdstad heb ik je reeds gemeld, dat ik plan had een Batak-
kampong te bezoeken en daartoe in de gelegenheid zou worden gesteld.
Toen Oeri, mijn jongen, dien ik ook naar Medan heb meegenomen, dat
hoorde betrok zijn bruin gezicht voor zoover dat mogelijk is en zei hij :
—   Batak, makan orang toewan ! (De Batakkers eten menschen, meneer)
en hij keek me aan alsof hij dacht — hoe kan \'n volwassen mensch voor
z\'n pleizier zulke malle dingen doen !
Ja! Oeri is een ontwikkeld en bereisd individu; een aardig type! Ik
heb het goed met hem getroffen, vooral ook omdat hij vrij verstaanbaar
Hollandsch spreekt.
Op zulke reizen als ik doe, heeft men een bediende noodig en in
Indië vooral is zoo\'n factotum onmisbaar — ik zou het b.v. niet uithouden,
wanneer ik alléén mijn koffers moest in- en uitpakken — of zorgen dat
mijn barang (bagage) behoorlijk naar en van boot of spoor kwam.
Oeri is een soort reis-courier, geen gewoon bediende, hij gevoelt zich
„een heer" en ver boven anderen verheven, omdat hij veel gereisd heeft.
Steeds zie ik hem aan boord omringd van inlanders, meestal vrouwen,
aan wie hij zijn avonturen vertelt; dan zit hij als een profeet onder de
zijnen en zijn geheele gezicht straalt van zelfvoldaanheid. Zijn toehoorders
staren hem met groote oogen en open mond aan. Hij zal op zoo\'n moment
zeker wel een „heer Jurriaan zijn," want zijn fantazie viert dikwijls hoogtij
—  ik leid dit af uit enkele staaltjes die ik zelf van hem vernam. Hij
vertelt b.v. gaarne dat hij overal is geweest: — „door gheele wereld
m\'neerr! — gheelemaal rond! Ik Gollan gewees, m\'neer!—Ik den Haag
gewees, gewoond vlak naast koningin — ik Duisland gewees, sama toewan
Dunlop. Sprechen Deusch. ja! Oeri kan rooken Golland rökö (Hollandsche
25
-ocr page 398-
386
NAAR EEN BATAKKAMPONG.
sigaar). Oeri knappe jongen; mooie meissie den Haag kijken naar Oeri!
Waarachtig! de schelm heeft succes bij de vrouwen, dat merk ik overal
waar ik met hem kom — want dadelijk is hij goede maatjes met de
vrouwelijke bedienden; in de hotels gedraagt hij zich als een reizend
Sultan — en hoeveel zakdoeken hij onderweg aan de schoonen toewerpt
kan ik zelfs niet bij benadering vaststellen. Maar handig en flink is hij
in ieder opzicht; koken doet hij goed, zoowel Indische als Europeesche
pot, tafeldienen verstaat hij als de beste hotel-jongen en wanneer er een
of ander aan mijn ondergoed te verstellen valt, doet hij voor een eerzame
Hollandsche huisnaaister niet onder. Hij zorgt voor mijn toilet, legt, voor
ik opsta, schoon goed — mijn sokken netjes met hieltjes er in — op
den stoel voor mijn bed gereed — de knoopjes doet hij in mijn-overhemd
en manchetten, en wanneer ik \'s avonds op visite moet, weet hij, zonder
dat ik \'t hem zeg, of ik in smoking, gekleede jas of rok moet gaan.
Kortom, Oeri is een mannelijke kamenier; hij heeft de sleutels van
mijn koffers — ik heb hem verantwoordelijk gesteld voor den inhoud —
en over alles kan hij baas spelen, behalve natuurlijk over geld, dat ben
ik zoo vrij zelf te administreeren, want ofschoon ik van Oeri de meest
gunstige getuigenissen heb gekregen, ben ik toch voorzichtig. Immers de
eerlijkste Maleier of Javaan kan men op \'t punt van geld nooit zóó goed
vertrouwen als zich zelf. Zij houden net als de raven van alles wat blinkt
en schittert. Hij bevalt mij anders best, is zeer vlug en gedienstig en
„komt voor zijn baas op". Als ik hier of daar bij een Chinees wat koop,
zegt hij steevast, een anderen weg uitkijkend, tot mij in \'t Hollandsch:
,,veel te duur, m\'neer!" Dan „tawart" hij (afdingen) hardnekkig en lang,
totdat ik mijn inkoopen heb gedaan, maar ik heb gemerkt, dat hij later
bij zoo\'n Chinees of tokohouder doodleuk zijn provisie gaat innen —
meestal een kwartje of hoogstens vijftig cents; er is een koopman of een
makelaar aan hem verloren gegaan. Ik betaal hem ruim, volgens Indische
begrippen, n.1. vijf-en-twintig gulden per maand, maar hij moet daarvan
dan ook zijn eigen eten en drinken bekostigen, daar bemoei ik me nooit
meê. Hij slaapt in de hotels op een matje voor mijn deur, aan boord
aan dek. Reiskosten komen natuurlijk voor mijn rekening, maar die zijn
in Indië gelukkig zeer gering voor een bediende; zoo betaalde ik nu van
Medan naar Muntok (Banka) voor mij honderd en tien gulden, voor Oeri
slechts twaalf gulden en voor dat dozijn guldens krijgt hij nog meer rijst,
kip en gedroogde visch dan hij noodig heeft en zooveel water als hij
lust. \'t Is waarlijk een koopje, in Europa kost het transport van een
koffer ruim zooveel!
Maar ik ben door de beschrijving van mijn overigens niet oninteressanten
jongen van mijn onderwerp afgeraakt — ik keer dus terug naar Medan
-ocr page 399-
3«7
NAAR EEN BATAKKAMPONG.
en wel naar Toentoengan, de tabaks-onderneming, waar ik na een vrij
langen rit tegen den avond aankwam. We bleven daar in het comfortabele
huis van den heer Mees overnachten en genoten de Indische gastvrijheid,
die in alle opzichten haars gelijke zoekt. Hier in Holland krijgen de
menschen soms een halve stuip, wanneer ze een logé verwachten. Dan
is het huis als op stelten en mijnheer ligt gemeenlijk voor een poos
achter de bank, want huisvrouw en meiden met kleuren als boeien loopen
elkander bijna omver van zenuwachtigheid.
Ik herinner me nog hoe vriendelijk ik eens bij een neef en nicht, die
me niet verwachtten, ontvangen werd.
— Och God, neef! zei nicht Saartje, — ben jij daar? Mensch je jaagt
me den dood op \'t lijf; de logeerkamer is niet gelucht, de bedden zijn
niet opgemaakt en we hebben niets in huis dan wat we zelf eten —
waarom schrijf je ook niet vooruit? Maar! — je bent van harte welkom!
en wanneer denk je weer heen te gaan ?
Zoo iets valt in Indië niet voor! Men komt ergens en men wordt
hartelijk ontvangen, zonder omslag of bereddering. Wat het huis biedt
is ter beschikking van den gast, die juist door de betrekkelijk weinige
notitie die van hem genomen wordt, zich dadelijk op zijn gemak gevoelt,
— te huis! —
Zoo ging het ons ook op Toentoengan. Hoewel we laat aankwamen,
was er geen bijzondere drukte of soesah. We aten dadelijk mee van den
avonddisch, en smakelijk, hoor! want na zoo\'n langen rit gaat, zooals
Kees de kwartiermeester het uitdrukt: ,,het eten in \'n mensch z\'n zondig
lijf, als Gods woord in een ouderling!"
Den volgenden morgen om half vijf op, \'t was nog stikdonker, heerlijk
frisch en koel — gauw een bad genomen, aangekleed, ontbeten — \'t
smaakte waarachtig alweer even goed — en toen in kleine karretjes
verder naar de Batak-kampong, Lian Gagan, die wij met een bezoek
zouden vereeren.
Onderweg vertelde een van de heeren, die goed op de hoogte was,
een en ander van de Bataks, die volgens hem veel beter zijn dan hun
reputatie en meer lui dan wild — ik geef hem zelf even het woord —
en je moet je er maar bij voorstellen dat zijn verhandeling tamelijk
hortend en stootend ter wereld kwam, door \'t hotsen en botsen van ons
karretje over den vrij ongelijken weg.
,,De Bataks, zooals er nog veel in de bovenlanden wonen en ook die
we hier in de nabijheid hebben, zijn emeritus-menscheneters. Vroeger
hadden ze nl. de gewoonte om bij feestelijke gelegenheden een of ander
beroemd personage te braden en af te kluiven, evenals wij op bruiloften
of partijen een faisant. Vooral een gedeelte van den schedel en de
-ocr page 400-
388
NAAR EEN BATAKKAMPONG.
handen werd voor een délice gehouden en ik zal je straks een hand laten
vertoonen, die als een reliqui in de kampong wordt bewaard. Zij behoorde
eenmaal aan een Bataksch toovenaar, die als een erg goed exemplaar
bekend stond. Bijna zou men hebben kunnen zeggen: — hij stond in een
reuk van heiligheid
— maar dat is bij een Batak onmogelijk, omdat de
odeur, die hij gewoonlijk zelf afgeeft, te penetrant is.
Om dien man een gerusten ouden dag te bezorgen werd hij naar alle
regelen der kunst door de vrienden toebereid en opgesmuld. Zijn oudste
kleinzoon kreeg het muisje van de hand — door de Bataksche gourmands
even gezocht als bij
ons „het runder-
haasje" — en dat
zooals je zelf zien
zult, erg netjes uit
de beentjes gekloven
is. De wijsvinger is
gedroogd en heel
fijn gepulveriseerd tot
obat (medicijn), waar-
van de zieken een
klein beetje krijgen,
op de borst gesmeerd,
gemengd met var-
kensvet. \'t Moet een
excellent middel zijn
voor alle mogelijke
jGedroogde*15atakhand.                                            kwalen, ze zijn er
dan ook verbazend
zuinig op, *en \'het ,, wordt alleen aan loopende patiënten verstrekt
misschien wel om het prestige ervan niet te verzwakken. De polikliniek
houden ze in hun Soppo. — Drommels! \'t wordt al warm op den weg.
Ajo ! koessir, lekas! — rij dan toch wat aan luie vlegel!
De Soppo is in hun kampong gemeentehuis, logement, gerechtshof en
sociëteit tegelijk. Daar zitten de Bataks gezellig bijeen en leeren elkaar
lezen en schrijven. Ja, dat is curieus, hè? Ze hebben een schrijftaal op
hun eigen hand en snijden allerlei inscripties in planken en stokken.
Overigens doen ze niets anders dan een strootje rooken, dobbelen, paarden
fokken en zoowat dresseeren. Sommigen hebben een zekere handigheid
in het schuren bouwen, maar de meesten bepalen hun werkzaamheid tot
luieren of spelen, terwijl ze hun vrouwen laten zwoegen en sloven, \'t land
bebouwen, rijst stampen, eten koken, kindertjes krijgen en zorgen dat de
-ocr page 401-
3*>9
NAAR EKN BATAKKAMPONf..
varkens niet al te mager blijven, \'t Is waarlijk in zoo\'n Batak-kampong
een ideaal-staat voor de moderne vrouw. De dames mogen er elke be-
trekking bekleeden, ieder ambacht uitoefenen, wanneer zij maar zorgen
dat hun gemaal op zijn tijd gekookte rijst en een gebraden speen varken
of een hondeboutje vindt.
Als heidenen zien zij er geen bezwaar in van het varken te eten, en
tot afwisseling slachten zij nu en dan een gladakker, die als hij oud en
schurftig is, een bijzonderen „haut-goüt" voor hen schijnt te hebben. —
Ho! Stop eens even. Brenti! koessir! — kijk eens rechts daar -- neen
nog meer rechts! Daar zie je een vulkaan rooken. — Hm! dat is meenens
hoor! Kijk eens wat een rookkolom!... Hoe hij heet? Ja, dat weet ik
niet, we hebben er hier verschillende. Zooals ik zei, de Batak eet alles
wat een gewoon mensch niet lust en van zindelijkheid heeft hij zeer
elementaire begrippen, hij baadt zich niet meer dan hoog noodig is en
de vrouwen, dat is weer een van de ideale toestanden van dat volk,
weten niet wrat „schommelen" of „de groote schoonmaak" is.
Een godsdienst houden zij er gemakshalve niet op na, maar ze gelooven
aan spoken en geesten, die door hun Doekoens (medicijnmannen) kunnen
bezworen worden door middel van een tooverstok. Je kunt op mijn kantoor
zoo\'n ding zien — ik heb hem cadeau gekregen en geprobeerd, maar bij
mij werkt hij niet. Trouwens in \'t Museum van Artis te Amsterdam vindt
je verschillende mooie exemplaren, sommige met haneveeren en haar-
lokken versierd.
Als er een van hun hooge oome\'s dood gaat, wordt met veel plech-
tigheid zijn romp gedroogd en in het doodenhuisje van de kampong
opgeborgen, terwijl zijn schedel afzonderlijk wordt bewaard. Zóó goochem
zijn die lui wel, dat ze begrijpen dat een goeie kop alleen meer waard
is, dan de rest — en daarom maken zij dien dan ook apart in. Verder
koesteren zij een groote genegenheid voor hun moeder, vader beschouwen
■?e meer als een heer, die, al naar mate hij ouder wordt en taaier, minder
waarde heeft en dus eigenlijk de moeite van het bewaren niet loont.
Sterft hij, dan misgunnen ze hem den koelen schoot der aarde niet. Hun
moeder daarentegen wordt hoog in cere gehouden, omdat zij haar, wanneer
ze in geldverlegenheid zitten, altijd in den lommerd kunnen brengen.
Van moeder kunnen zij een pandje maken — alleen op schoonmoeders
geeft de Chinees geen duit, naar dat artikel is geen vraag.
De Batak is een hartstochtelijk speler en wanneer hij alles, have en
huis, verdobbeld heeft, maakt hij schulden en geeft zijn moeder in pand.
Lost hij mama niet op tijd in, dan moet de oude vrouw het geld, dat op
haar is voorgeschoten, plus renten en bewaargeld, inverdienen. Zelden
gebeurt het, dat het pand „verstaat", tenzij de pandhuishouder tegelijk
-ocr page 402-
NAAK EEN BATAKKAMPONG.
39°
antiquaar is en daardoor op zoo\'n Bataksche mama verkikkert en haar
trouwt. In ieder geval is een Batak-moeder „een vrouw die geld waard is."
—  Brcnti, koesir. .. ! we zijn aan den zijweg; — uitstappen, heeren!"
Na eenig zoeken vonden wij den weg, die naar de kampong leidt, een
pad tusschen alang-alang (hoog gras) verborgen, tamelijk ongebaand en
lastig door omgevallen boomen en groote steenbrokken. Eindelijk kwamen
wij aan een open plek aan een bocht der Belawan-rivier.
Verschillende leelijke vieze honden, met wonden en kale plekken op
hun huid, kwamen ons schor blaffend tegemoet en ettelijke kleine, zwarte
varkens staken nieuwsgierig knorrend hun snuit tusschen de struiken
door — op een drafje terug loopend naar de kampong, zoodra wij
dichterbij kwamen of met onze stokken dreigden.
De kampong zelf ligt schilderachtig tusschen hoog struikgewas en
onder reusachtige klapperboomen en doerians. De huizen hebben een
zeer eigenaardiger! bouwtrant en zijn allen meer of min met snijwerk,
stukken beestenhuid of boomschors versierd, sommigen zien er zelfs zeer
aardig uit, maar voor het meerendeel zijn ze vervuild en verweerd. De
soppo is tamelijk groot en ruim en met een houten ladder voorzien, die
naar den ingang leidt. Het pleintje er vóór geleek een groot vuilnisvat,
want op den grond lag allerlei soort van rommel, vodden en afval, zelfs
overblijfselen van geslachte varkens en honden, die een zeer bedenkelijken
geur verspreidden.
Het kamponghoofd kwam ons met eenigen van zijn volgelingen tegemoet
en uit het grijnzende gezicht dat hij trok leidde ik af, dat hij gevleid was
dat zooveel „blanda\'s" hem met een bezoek vereerden. Een van de heeren,
die ons tot gids en tolk tegelijk diende, vertelde hem, dat wij zijn kampong
kwamen bezoeken, met het doel om aan „een vreemden heer, die in
kranten en boeken schrijft," de merkwaardigheden der Bataks te laten zien.
De Banghoeloe, zoo was zijn titel, maakte zeer genadig een kleine
buiging en terwijl hij, zooals men dat noemt: „er eentje verzette", door
in een snel tempo zijn linkerribben te krabben, zei hij iets dat ik niet
verstond, maar dat overgezet zijnde zooveel beteekende als: — Meneer
is welkom en of meneer ook iets gebruiken wil ?
—   Kerel! zei mijn vriend, dat\'s een groote eer; hij presenteert je een
verfrissching — aannemen, hoor! Aannemen!
Ik knikte van ja, maar inmiddels ging mij een rilling door de leden
toen ik den vuilen boel om mij heen met een snellen blik nog eens
bekeek en opmerkte hoe een paar rijksgrooten en ook de Fanghoeloe
zelf er uitzagen; „om ze een cent te geven!" — Goeie hemel, dacht ik,
wie weet of ik niet uit zoo\'n ingemaakten of gedroogden Batakschedel
drinken moet, de hemel weet welk vies vocht — maar \'t liep goed af,
-ocr page 403-
I
-.
PQ
-ocr page 404-
NAAR EEN BATAKKAMPONG.
392
De Panghoeloe zei iets tot een van de ministers, die onmiddellijk als een
aap, met handen en voeten, in een hoogen kokosboom klom, een zestal
jonge noten afplukte en voor de voeten van zijn gebieder wierp.
Terwijl die dignitaris daar in het buffet van dat batakhoofd, in dien
klapperboom, vijftien of twintig meter boven den beganen grond bezig
was, verzamelden zich een aantal dorpelingen, die achter hun Panghoeloe
neerhurkend ons met nieuwsgierige blikken bekeken.
—  Zeg! lachte mijn vriend, die ééne, die er zoo hongerig uitziet, krijgt
bepaald trek in je, hij houdt geen oog van je af.
—   Ik ben te mager en te taai, amice! — maar presenteer hem onzen
tolk, daar zullen ze een
heerlijk bik je aan heb-
ben. Notabene — de
tolk was een zeer vet
en smakelijk uitziend
jong man.
De klappers, die nog
zeer ,moeda\' (jong)
waren, werden door
een paar van de hoog-
waardigheidsbeklee-
ders opengehakt — al
de Bataks zijn met
klewangs of goloks
(kapmessen) gewapend en de Panghoeloe bood mij er eigenhandig een aan.
Ik dronk en reikte hem de vrucht over, toen dronk hij ook d.w. z. hij
schonk heel handig met een straaltje, de klappermelk uit den noot, in
zijn wijdgeopenden mond. Toen waren wij sobats (vrienden). Heerlijk
frisch smaakt zoo\'n teug versche klappermelk, vooral na een tocht zooals
de onze. De overige heeren dronken insgelijks en de gezamentlijke rijks-
grooten ontfermden zich dadelijk over \'t geen wij overlieten — zij dronken
en slobberden naar hartelust en hakten eindelijk de klappernoten geheel
aan stukken om de gelei-achtige massa, die er nog in achterbleef, te
kunnen machtig worden.
Een paar vrouwen, met kolossale zilveren oorringen — ze smeden die
zelf — stonden ons aan te gapen, grijnzend als verwonderde meerkatten.
Sommige waren naakt tot aan de heupen, andere droegen blauwe hoofd-
doeken, slendangs en sarongs en groezelige baadjes. Een van haar had
nog een kleintje aan de borst, een jongmensch van ongeveer vier jaren,
die, na zich aan mama\'s buffet te hebben verfrischt, daar blijkbaar te lang
bleef plakken naar haar zin, want hij kreeg eensklaps een zetje, een duw
-ocr page 405-
NAAR EEN BATAKKAMPONG.
393
en toen een trap tegen zijn zitvleesch, die hem gillend deed wegloopen
achter een paar varkens aan, die juist eens poolshoogte kwamen nemen,
wat er toch wel in de kampong te doen was. De jongeheer raapte een
stuk hout op, joeg de zwijntjes handig terug en voegde zich toen bij den
generalen staf, die de klapper moeda at, hij kaapte handig een flink stuk
en verschool zich heel vlug met zijn buit onder een huis — bij een paar
zich krabbende honden.
Meerdere hoog en laag geplaatste dames verschenen, maar bleven op
eerbiedigen afstand; toch keken alle met innige bewondering naar twee
of drie heeren van ons gezelschap, die, zooals men dat noemt, „lief in \'L
vleesch" waren. Men kon zoo aan haar
zien, dat zij voor haar echtgenooten minder
voordeelige paralellen trokken en uit haar
breede grijnslachende monden en guitig-
aanmoedigende blikken was op te maken,
dat zij de blanda\'s en vooral de dikken
onder hen niet te vergeefsch of te lang
zouden laten smachten. Misschien ook
was het alleen de nette witte kleeding
der Westerlingen, die haar aantrok, want
ik durf zonder overdrijving zeggen, dat
onze eenvoudige linnen pakjes gunstig
afstaken bij de gala-toiletten der hoofden,
die, behalve hun bruin en gelooid vel,
weinig anders droegen dan donker blauwe
kains, sarongs en hoofddoeken.
De Batak kleedt zich over \'t algemeen
in \'t blauw — een kleur, die hij door een
Bataksche vrouw.
zeer eenvoudige bewerking met indigo,
aan de weefsels weet te geven. Zonderling stak bij die sombere kleeding
het costuum af van den zoon des Panghoeloes — in zijn soort een knap
jongmensch — volgens mijn vriend, die een poosje met hem had gepraat:
„The lady killer" van de kampong. Hij droeg een tamelijk helder wit
baadje, een Javaansche kain (heupdoek), in zijn blauwzwarte haren een
roode bloem en in zijn mond een sirihpruim van buitengewone afmeting.
Om den hals had hij, aan een gewoon touwtje, een beschadigde beenen
onderbroeksknoop en toonde ons dien met een zekeren eerbied.
— Draag je dien omdat je hem zoo mooi vindt? vroeg ik, want ik
vormde reeds het plan om hem gelukkig te maken, door hem een „rivière"
van die knoopen aan te bieden, \'k Heb altijd op reis een aantal van die
nuttige dingen in voorraad!
-ocr page 406-
NAAK EEN BATAKKAMPONG.
394
—   Tida-ah! (neen) antwoordde hij in \'t Maleisch, ada obat baai sekali
(\'t is beste medicijn).
—   Ah zoo! nu dan wensch ik je veel succes!
Waarvoor hij die medicijn noodig had — de man zag er welgedaan uit
— en waartegen die hielp, ben ik niet te weten gekomen, maar nu ik
eenmaal weet, dat zelfs een gebroken beenen knoop een heilzame uit-
werking op de menschelijke natuur kan hebben, gooi ik in \'t vervolg
niets meer weg. Wie weet of mij later niet blijkt, dat een versleten
Batak-Kampong.
slipdas, een oude hoed of een paar uitgerangeerde slobkousen voor-
treffelijk op zenuwen of ingewanden reageeren.
Door de vriendelijkheid van den Panghoeloe, die zelf met ons mede
ging, hadden we gelegenheid de soppo, zoowel als een gewoon huis, van
binnen te zien en ik wil wel bekennen dat ik bij het verlaten van beide,
in waarheid het stof van mijn voeten schudde.
Ik ben altijd een dood-eerlijk mensch geweest en zelfs tegenover een
onbeschaafden Batak zou ik me niet gaarne willen schuldig maken aan
het toeëigenen van iets wat mij niet behoort, maar toch heb ik ditmaal,
zonder het te weten, een souvenir meegenomen, waarvan ik eenige uren
lang last heb gehad.
De bocht der Belawan rivier, schilderachtig mooi langs de kampong
-ocr page 407-
NAAR EEN BATAKKAMPONG.                                       395
vloeiend, is vol met groote en kleine visschen, die karamat (heilig) zijn
en dus door de Bataks niet gevangen worden. Er zijn echter ook visschen
die zij minder eerbiedigen en als voedsel gebruiken. De heilige ikan
(visschen) voeden zij met rijst en fijngehakt vleesch, maar de andere
vangen zij door ze, onder water zwemmend, met hun kris te steken, een
handigheid, die veel oefening en goede longen vordert.
Mijn tocht naar de Batak-kampong behoort tot een van de interessantste,
maar wanneer ik er nu aan terugdenk krijg ik nog iets jeukerigs over
mij en een lucht van onzuivere varkens, schurkende honden en warme
ongewasschen menschen in den neus.
Ik ben blij dat ik geen Batak en maar een gewoon Amsterdammer
ben — want ofschoon mijn geliefde geboortestad wat miasmen, gracht-
geuren, faecaliën-extract en bacillen-cultuur betreft, gerust elke andere
groote stad naar de kroon kan steken, moet ze onder doen voor de
kleinste Batakkampong en ik kan alle bacteriologen in gemoede aanraden
een tocht naar zoo\'n dorp te ondernemen; zij zullen er bepaald microben,
bacillen en bacteriën vinden, waarvan hun „schoolsche wijsheid" nog nooit
heeft gedroomd!
-ocr page 408-
396
MUNTOK —BANKA.
A\\b S.S. Ricbceck, 2<V Juli \'96.
Amice !
.... Wanneer men niet kaarten kan        en er niet van houd om den
geheelen dag te luieren of te luisteren naar de meestal banale praatjes
van medereizigers, is het verblijf aan boord de geschiktste gelegenheid tot
schrijven — ik ten minste maak geregeld de scheeps-inktpotten leeg.
Per Swaardccroon stoomde ik naar Muntok. We hadden veel wind en
een paar flinke donderbuien gehad en de zee was erg woelig, zoodat de
passagiers voor Riouw een kwaad uurtje hadden in de sloep, die hen aan
wal moest brengen. Twee kanonschoten werden van ons boord gelost en
de misthoorn geblazen totdat onze tanden zeer deden van de trillingen —
maar niemand scheen te Riouw onze nadering te bespeuren of zelfs te
vermoeden. Als een uitgestorven eiland lag het mooie Riouw, schitterend
door de zon verlicht, een kleurig plekje tegen het groen der hooge bergen.
Kindelijk kwam een klein stoombootje om de passagiers over te nemen
— de sloepen keerden terug en we stoomden naar Banka.
Vrijdagochtend vroeg kwam het eiland in zicht.
Ik stond met alle aandacht te kijken naar de bergen, die zich glooiend
uit zee opheffen, toen plotseling vlak naast me het kanon werd gelost.
Voor iemand die nooit naast een stuk geschut heeft gestaan, dat als \'t
ware aan zijn oor wordt afgevuurd, diene, dat zoo iets een alleronaan-
genaamste verrassing is. Men krijgt een schok, men gevoelt dat het
trommelvlies een ernstige poging doet om stuk te springen en dat het
hart een oogenblik „strike" maakt.
Ik maakte dien morgen bovendien nog een luchtsprong en tuimelde
tegen een dame, die in sarong en kabaia, evenals ik niets kwaads ver-
moedend, aan dek zat — we rolden samen om. Ik kwam er het best af,
want ik viel boven op de dame en de dame was bijzonder welgevuld,
zooals de stuurman lachend zei : — „een goeie kurkenzak meneer, u zal
je knoken niet bezeerd hebben ! De dame evenwel had een paar blauwe
plekken — die echter aanleiding gaven tot een prettig discours en nadere
kennismaking met haar en de andere passagiers, zoodat ik het jammer
vond dat het bewuste kanon niet een dag eerder onder dezelfde omstandig-
heden was afgeschoten.
\'t Was zeer moeilijk landen te Muntok door de hevige branding, maar
-ocr page 409-
MUNTOK— BANKA.
M)1
we kwamen er door en aan de pier — een lang ijzeren gevaarte dat
volgens de Muntokkers meer geld gekost heeft dan het waard is, omdat
het bij slecht weer in \'t geheel niet, bij goed weer zeer moeilijk te
naderen is.
Muntok is een allerliefst gelegen plaats, een mooi landelijk stadje,
Muntok.
rustig en stil als een dorp — maar% vroolijk door den^gezelligen toon,
die onder de bewoners heerscht.
De Bankaneezen, de inboorlingen, zijn een goedig en arbeidzaam volk,
handig en niet onbegaafd. Onder hen vindt men enkele werklieden, die
allerlei aardige voorwerpen uit tin weten te vervaardigen en zelfs op
artistieke wijs daarop graveeren. De Muntoksche tinnen sigarenkokers en
poederdoozen genieten een welverdiende reputatie. Evenals overal elders
in den Archipel zijn het op Banka de Chineezen, die den handel in hun
macht hebben. Behalve zeer groote en weivoorziene toko\'s, waarvan die van
Lim Piet Boesing, de algemeen bekende, Hollandse!) sprekende Chinees,
-ocr page 410-
398
MUNTOK—BANKA.
de voornaamste is, heeft men te Muntok handelshuizen, die geregeld zaken
doen met de kleine naburige eilanden. Ook de nabijheid van het eiland
Biliton, waar uitgestrekte tinmijnen zijn, brengt een levendig handels-
verkeer mede en zoolang de rijke tinaderen nog dit nuttige metaal blijven
geven, zullen Banka en Biliton groote factoren zijn van den Indischen
handel.
Muntok is de havenplaats waar het meeste vertier heerscht, waar de
schepen lading brengen en halen. Zelfs Palembang wordt door de kleine
schoeners der Chineesche handelaren bezocht en een geregelde stoomboot-
verbinding met die plaats bevordert den produktenhandel.
Drie dagen ben ik te Muntok gebleven en ik had dus ruimschoots tijd
om het kleine plaatsje goed te bezien ; ik vond zelfs gelegenheid tot een
uitstapje naar Batoe-Balei — de secretaris van Muntok, de heer Twijzel,
was nl. zoo vriendelijk mij met zijn Américaine daarheen te brengen en
zijn vlugge Bataksche paardjes legden den weg in zeer korten tijd af.
Batoe-Balei is een reusachtig groote verzameling steenklompen, waar-
schijnlijk vóór duizenden jaren door een of andere vulkanische eruptie daar
heen geslingerd, midden in de groene vlakte, tusschen boomen en struiken.
De groote granietsteenen liggen los op elkander, sommige juist in
evenwicht en doen onmiddellijk denken aan onze Hunnebedden, maar ze
zijn oneindig veel grooter. Onder een dier rotsblokken is een holte, zwart
besmookt en steeds vol dwalm van de vele daar versmeulende offerstokjes.
Kleine papieren pajongs, waaiers, bloemen, gebak, maïs en andere offers
worden daar schier dagelijks gebracht door vrouwen, die de Batoe-Balei
als een vruchtbaarmakend gesteente beschouwen en gelooven dat hun
kinderlooze echt, wanneer zij, op die steenen zittend offeren en bidden,
in een gezegende zal veranderen. Om daartoe de goede geesten en Allah
gunstig te stemmen, ontsteken zij, behalve de offerstokjes, ook tal van
mortjons, zoogenaamde rotjes — een soort vuurwerk, dat, behalve een
korten, scherpen slag, een alleronaangenaamsten rook geeft.
Daar ik voor zaken te Muntok was, bleef mij weinig tijd over om naar
de Bankaneesche tinmijnen te gaan, maar bovendien was een bezoek
daaraan toch doelloos geweest, omdat de mijnen niet geëxploiteerd werden
in die dagen, wegens gebrek aan water. Als curiositeit kan ik het gewone
vervoermiddel der Chineezen noemen, bestaande uit een zeer eenvoudigen
kruiwagen, overdekt met een dakje van atap. De minder gegoede Chinees
kruit voor een paar stuivers zijn beter bedeelden broeder, waar hij wezen
wil. Ik heb zoo\'n wagentje geprobeerd, maar geef de voorkeur aan een
dos-a-dos of een gewoon karretje, want al loopt de kruiende Chinees ook
als een kiewit, het wagentje doet u in alle opzichten pijn, het schokt,
hotst en stoot en schreeuwt onophoudelijk als een speenvarken, zoodat
-ocr page 411-
MUNTOK—BANKA.
399
men, wat men aan zijn beenen spaart, ruimschoots verliest aan zijn
zenuwen en ooren.
De tandoe (draagstoel), op Banka zeer veel in gebruik, is gemakkelijker,
maar duurder.
Toen ik Muntok den 27 Juli verliet, heb ik een droevig escorte gehad
van een zestigtal berri-berry-lijders, die uit de tinmijnen, waar zij door
\'t voortdurend werken in water, slik en miasmen, ziek waren geworden,
werden geëvacueerd, om zich te Buitenzorg in het gesticht te laten
verplegen, totdat ze gezond genoeg zouden zijn om naar China terug te
gaan, als zij dat verlangden.
Zoo\'n berri-berri-lijdersgroep is deerniswekkend, de meeste zieken
sleepen zich, half zittend, half liggend voort, met gezwollen gewrichten
en onnatuurlijk dikke hoofden. Zwijgend, hun pijn verbijtend, maar met
melankolieke oogen om hulp smeekend, zien die arme drommels de goed-
hartige koelies en soldaten aan, die hen op hun rug aan boord dragen.
Wat eenigszins mogelijk is wordt gedaan om hun verlichting te geven en
de dokter, die persoonlijk de inscheping surveilleert, verdient een oprecht
woord van waardeering voor de menschlievende, kalme en doeltreffende
wijs, waarop hij voor die ongelukkigen zorgt.
Merkwaardig was het om te zien, hoe reeds onderweg, door de frissche
zeelucht, verschillende patiënten, die bijna half dood aan boord kwamen,
herleefden, zóó zelfs, dat zij naar hun waterpijp grepen en een haaltje deden.
Wanneer men al die berri-berri-lijders ziet, krijgt men diep medelijden
met de zonen van \'t Hemelsche rijk, die hun vaderland verlieten omdat hun
landstreek zijn kinderen niet kan onderhouden. Voor een schamel dagloon
stellen zij zich aan de giftige atmospheer der tinmijnen bloot en werken
letterlijk totdat ze er bij neervallen. Toch geven zij daaraan nog de voorkeur
boven een verblijf in China, omdat ze daar honger, ellende en verdrukking,
te Banka tenminste voedsel, kleeren en goede verpleging vinden.
liankaneesche draagstoel.
-ocr page 412-
PORT-SAID.
400
PORT-SAID.
—   Cinquante centesimi, Signore!
—  \'Alve goelde, mieneer, roeie an wal, Sjeg?
—  Want to go ashore ? — fifty cents!
—   Demi franc, monsieur, pour Ie bateau!
—   Sono un gondoliere oneste, credetemi! Demi franc, cinquante
centesimi, alber floriner!
— Allons file cochon ! messieurs prenez ma barque: moiJe suis francais
— ne tavorisez pas ce cochon arabe!
-ocr page 413-
1\'ORT-SAII).
401
—  Take my boat, gentlemen. I\'m a friend of the Dtttch ! —■ pull away
your boat, will you, damned Arab?
—  Sjeg! ick ollands skippcr; in de boot alloh!
Schreeuwend, ruziemakend en met hun bootjes, langs zijde der stoom-
boot elkaar verdringend, trachten verschillende roeiers tle passagiers, die
op het punt staan te Port-Said voor eenige uren aan wal te gaan, over
te halen van hun vaartuig gebruik te maken.
De avond begint reeds te vallen en in \'t roodachtig licht van de snel
ondergaande zon, liggen in \'t blauwe, nu violet getinte, soms goudgeel
opkabbelende water, een menigte bootjes, naast en voor elkaar te wachten —
en daartusschen zwemmen naakte, donkerbruine Arabische jongens, als
bruinvisschen op en neer springend en duikend, met luider stem schreeuwend:
— a Ia mer, a la mer, \'n doebeltje! Allons opgooien — a la mer!
Nu en dan buigt een passagier zich lachend over de verschansing en
werpt een klein zilverstukje in \'t water. Als een dolfijn duikelt dan zoo\'n
jongen om, duikt het geldstuk na, brengt het in een oogwenk boven en
terwijl hij het in zijn mond opbergt, schreeuwt hij opnieuw: — a la mer
doebeltje! a la mer! Al krijgt bij soms een riemslag tegen \'t hoofd, het
hindert hem niet, hij lacht er om, wrijft even zijn wolligen kruin en duikt
een paal maal onder, om dadelijk weer boven te komen en bliksemsnel
den nijdigen slag van een Arabisch jolleman te ontwijken, die, boos over
den last dien de zwemmende jongens hem veroorzaken, met een eind
touw vinnig naar hem slaat.
De donkerbruine, gebaarde Kgyptische politieagenten, forsche kerels in
nette uniformen, kaarsrecht, in militaire houding, de roode fez op \'t hoofd
en met witte handschoenen aan, staan aan boord bij de groote trap en
houden een oogje op al die opdringerige, schreeuwende lieden ; zij helpen
zeer beleefd de passagiers de trap af en zorgen met een kwartiermeester
van den stoomer er voor, dat de dames en heeren zonder ongeval in de
schuitjes komen.
Intusschen varen reeds de kolenschuiten langs zijde, want het korte
oponthoud te Fort-Saïd zal worden gebruikt om den voorraad kolen aan
te vullen.
—    Dames en heeren, ik zou u heusch raden om aan wal te gaan,
want \'t wordt op \'t schip een onpleizierige, vuile boel. We hebben den
wind wel van achteren en daardoor loopt de eerste klasse tamelijk vrij —
maar er vliegt toch altijd meer kolenstof rond, dan je lief zal wezen, —
zegt de administrateur, terwijl hij een oogje houdt op het dichtmaken en
breeuwen van de ramen en deuren der dekhuttcn.
De meeste passagiers geven dan ook gevolg aan zijn waarschuwing en
26
-ocr page 414-
PORT-SAII).
402
verlaten de boot, om zich gedurende een zestal uren aan wal op te houden.
Met een paar riemslagen bereiken de bootjes den steiger, de roeiers
probeeren zelfs gedurende dien korten overtocht nog een fooitje te ver-
overen, door armoedig grijnzend, met half dichtgeknepen oogen en een
tikje met den voorvinger aan hun rechter hoofdslaap klagend: — Rak-
schish? (\'n fooitje) te roepen.
Opnieuw zijn het de kranige Anglo-Egyptische politie-agenten, die met
kalme beleefdheid de uitstappende heeren en dames tegen de lastige
bootslieden en talrijke kadraaiers, de zoogenaamde gidsen, beschermen.
Eén wenk van hen is voldoende om al dat gespuis op een afstand te
houden. Met de wit gehandschoende vingers wijzen zij vooruit naar de
groote straat, Rue de la poste, die midden door Port-Saïd loopt, en door
een hek van de landingsplaats gescheiden is.
—     \'t Is voor een Amsterdamsch agent om dol jaloersch te worden,
zegt een der passagiers, die, met zijn dame aan den arm wandelend,
door één gebiedenden wenk van een politieman verlost wordt van een
aantal zwarte, vuile, Arabische jongens, die over hun hoofd buitelend,
om „Bakschish" schreeuwen.
In groepjes wandelen de dames en heeren voort door de lange, breede
straat, gevormd door twee rijen vrij hooge, in Oosterschen trant gebouwde
huizen, meestal van drie verdiepingen, ieder van galerijen voorzien.
Winkel volgt daar op winkel. Van alles is er te krijgen. Photografieén
van allerlei soort, üostersche tapijten en waterpijpen, snuisterijen, hoeden,
dames- en heerenkleederen, comestibelen, likeuren, wijnen, brood van ver-
schillend baksel, sinaas-appelen, dadels en vijgen, \'t Is één groote bazar,
waaruit, zoodra het eerste groepje wandelaars zichtbaar wordt, van beide
kanten neringzieke winkeliers komen aanstormen.
—  Sjeg! ier is ollands bazar, kom in, kom kijke, sjeg!
—   Sjeg! mot je koope, mooie waaier voor die mefrou?
—  Sjeg! kom binne. Koste niks, niemendal, te kijke, \'oeft nie koope, sjeg!
Dat kleine woordje sjeg! hoort men onophoudelijk; \'t klinkt alsof een
echte, onvervalschte Amsterdamsche vischvrouw met een min of meer
heesch geluid de lettergreep: zeg! uitspreekt. Ik vermoed dat de schrandere
Arabieren opmerkend, hoe dikwijls een Hollander \'t stopwoord „zeg"
gebruikt, willen toonen dat zij Hollandsch spreken kunnen, en daarom
,.sjeg\'\' onophoudelijk gebruiken, zoowel aan \'t begin als aan \'t einde van
een volzin, \'t Kan ook zijn dat het een verbastering is van Sheik = mijnheer!
Port-Saïd is een kleine stad, doorsneden van rails, waarop de carricatuur
van een tramwagen, getrokken door één mageren muilezel, voorthobbelt.
Tot voor een tiental jaren was \'t niet meer dan één groote straat, met
een paar zijstraten, bevolkt met ,,le rebut de toutes les nations", zooals
-ocr page 415-
PORT-SAID.
403
een Fransch reiziger beweerde. Alle nationaliteiten zijn daar niet te
schitterend vertegenwoordigd. Arabieren, Armeniërs, Chineezen, Klinge-
leezen, Italianen, Afrikanen, Franschen, Engelschen, Hongaren, Hollanders,
Duitschers, Zwitsers en Russen, leven en handelen daar op die kleine
plek, ontwoekerd aan de woestijn.
Op de place de Lesseps staan een twintigtal boomen. De bewoners
van Port-Saïd verplegen ze, als de roem van hun stad, maar niettegen-
staande al de zorg, die er aan besteed wordt, staan zij daar, als droeve-
getuigen van de onvruchtbaarheid des bodems. Hun takken steken, krom
vergroeid en knoestig, als magere skelet-armen omhoog en hun harde,
grijsbruine bladeren rammelen naargeestig tegen elkander als dorre knoken.
Nu en dan rijden open wagentjes, bestuurd door een Arabisch koetsier,
die voortdurend met zijn zweep wenkt, rond. Weinig menschen maken
er gebruik van : de afstanden zijn te klein.
Een Arabier met een roode fez op en over zijn witten kaftan een
zwarten rok met glimmende knoopen dragend, draaft op bloote voeten in
blauwe geborduurde muiltjes van \'t eene groepje bezoekers naar \'t andere,
telkens zijn diensten aanbiedend met de woorden : — Sjeg ! ick ollandsche
gids, ick angestelt door gouvernement, sjeg ollandsch gids ! Voor alve
goelde ik laat alles sien ; ier is Alhambra, banque de jeu, roulette, catV-
concert — ick ollands, asjeblieft alve goelde? En omdat een paar andere
pikzwarte barrevoetse concurrenten in blauwe samaaren, hem de loef
willen afsteken, wisselt hij zijn eentonige keelklanken af met een scherp
in faussetgeluid geschreeuwd : — Sales cochons, tichez nous la paix ! —
Messieurs, mesdames, niks goed die gids, imposteurs, scélérats, sono
birbante, ladre! — Hij babbelt onophoudelijk allerlei talen dooreen, deelt
rechts en links schoppen en trappen uit, loopt door zijn drift bijna een
diep gesluierde Arabische eiervrouw om en trekt nu en dan een heer bij
zijn jaspand, altijd herhalend : Alve goelde, voor alles — ick ollandsche gids !
Niemand wenscht echter van zijn diensten gebruik te maken, omdat te
Port-Saïd wanneer men het Arabische kamp, dat \'s avonds nog al onveilig
is, niet bezoekt, een gids geheel overbodig is. De weg wijst zich van
zelf, merkwaardigheden zijn er niet en de winkeliers, die iets bijzonders
te koop hebben, halen de vreemdelingen zelf bij den arm naar binnen.
Maar nóg geeft de Arabier het niet op; hij probeert het nu anders.
Geheimzinnig nadert hij een der jongere heeren en fluistert hem in : —
Moi savoir belle femmes, mooie meissie, eele mooie, sjeg! — Café
Arabe, mousique nationale! danse du ventre, kom! eele mooie bajadère
— ick wijs, voor alve goelde, sjeg!
Als ook dat ft iet lukt, haalt hij de schouders op, spuwt een paar maal
op den grond, trekt een leelijk gezicht tegen de dames en vloekt in zijn
-ocr page 416-
PORT-SAID.
4<>4
zonderling gutturalen toon in \'t Arabisch zoo lang en snel, als hij kan.
Een der heeren, ongeduldiger dan de anderen, roept hem na: — Cochon !
Nijdig blijft de gids staan voor de deur van \'t Alhambra, spuwt opnieuw,
vloekt nog een rhapsodie in allerlei talen en maakt een paar onkiesche
bewegingen om zijn afkeer van de Hollanders, die geen „alve goelde"
voor niemendal willen afdokken, te kennen te geven.
Ongelukkig ziet een politie-agent die beweging en draait zich haastig
naar hem om. Als een haas is de gids op den loop en de wandelaars
kunnen ongehinderd het Alhambra binnengaan.
\'t Alhambra is een groot gebouw. Voorin wordt een winkel gehouden
van allerlei Oostersche artikelen, die men, al kan men ook zonder bezwaar
twee derden afdingen van den prijs, toch altijd nog te duur betaalt.
Een der bezoekers vraagt naar een gewonen gevlochten palmblad-
waaier, die hem door een jongen wordt aangeboden.
—   Combien ?
—- Cinque franque, moussiou !
—   Quoi? zonder plichtpleging pakt hij den jongen bij zijn oor, knijpt
er ferm in en herhaalt: Combien ?
—    O! Oo! pitié, demi franc moussiou! Voor veertig centimes wordt
hij kooper en de jongen, die niet tot het winkelpersoneel behoort, maar
van de straat ingeslopen is, krijgt bovendien van ,,le patron du magasin\'\'
een geweldigen schop, zoodat hij jammerend op straat vliegt.
—  C\'est comme ca qu\'ils vous gatent Ie commerce, ces sales chiens ! Voyez
Mesdames — beautifull laces — parfum d\'Orient, roses de Jericho — curiosities
- line sweetmeats — delicates Geback!-—■ Potreï avere cioccolato Milanesi
— V\'ino spumante! Lekker bier! — Kroot, mooi, dentelle, fichus!
Ik geloof dat die snaak alle talen spreekt, lacht een dame, die een
Chineesche pop bekijkt.
We zullen eens zien, antwoordt haar echtgenoot en vraagt:
- Brapa ? (hoeveel). Dadelijk antwoordt de winkelier in \'t Maleisch:
—  \'liga franc! (drie franc).
—   Saija kasi satenga franc (ik geef u een halve franc).
Na allerlei betuigingen dat hij onmogelijk in zijn magazijn kan laten
afdingen, omdat bij hem alles prix fixe is — Maison de confiance! —
geeft hij de pop voor een halven franc : — Parce que madame est si
gentille! — Wat \'n guit!
De achter- en bovenruimte van het Alhambra is in twee zalen verdeeld;
in de eene, de grootste, wordt muziek gemaakt door een zoogenaamde
Wiener-dameskapelle, die voor de grootste helft uit heeren bestaat.
De muziek, die den bezoekers wordt aangeboden is slecht, maar daaren-
ti\'gen is het consumabH duur — en nog slechter.
-ocr page 417-
PORT-SAID.
40.S
In de tweede zaal is de roulette-tafel. Zoodra er eenige bezoekers
binnen komen, begint een viertal heeren met echte galgentronies te spelen
en te winnen, dat men er jaloersch van wordt. Waagt dan een of ander
bezoeker een inzet .... honderd tegen een dat hij ook een paar francs
wint, maar speelt hij door, dan keert plotseling de kans en terwijl de
vier of vijf habitués blijven winnen, verliest de verschalkte vreemdeling
aanhoudend.
—   \'Ne ganz verflucht gemeine Bande ! zegt een gemoedelijke Duitscher,
die in een paar minuten ongeveer zestig francs heeft aangereikt.
—   Ick begreif die Roulette nich, die andere Schnuiters winnen achter
mekare, und ich . . . ich geloof das sie falsch doen ; es ist Schmierlapperij!
—  Wat doe je ook met je voeten op \'t ijs? lacht een oud zeevaarder,
die met één franc vijf andere gewonnen heeft en dadelijk met spelen
ophoudt, niettegenstaande de croupier hem allerminzaamst toevoegt: —
— Pas cesser, monsieur! continuer! vous avez de la veine ce soir!
—  Jawel, compliment, papa! ik zal van jou vijf franc mijn vertering
betalen, is zijn droog antwoord. En als de croupier dan allerliefst grinnikend
vraagt: — Quoi ? quoi ? zegt de andere heengaande, leuk weg : — Kvva! kwa?
zoo doen bij ons de eendjes. Saluut! afzetters! — Garcon un limonade!
en terwijl hij drinkt, knikt hij de croupiers vriendelijk toe met een : Op
je welwezen, boeven !
—   Ich gloobe dat jij verschtandig hebt gedaan, zegt nu de Duitscher,
die om zijn verdriet te verzetten een flesch champagne heeft besteld
„in Eis, goet frappirt!"
—   Dat geloof ik van mezelf met je — maar die champie zul je niet
voor je mooie oogen hebben.
—   Noen ! ze schtaat notiert, zwölf Franc.
—  Mijn kop af als je niet meer betaalt.
—   Noen! ze sollen doch nich zoo groote Schmierlappen wesen ?
—  Neen, nog grootere, let maar op!
Als hij heengaat, betaalt de dorstige Germaan al protesteerend, twee
en twintig francs voor \'t fleschje ,,angor-poef!"
Monsieur! moest begrijpen dat ijs, immensément couteux was. Dat ■—
Ie vin qu\'il avait bu était supérieur, premier cru, énormément meilleur
que celui, noté sur la carte, etc. etc.
\'t Geen monsieur het best begrijpt is, dat hij op nieuw is afgezet en
niemand van de overige passagiers kan \'t hem kwalijk nemen, dat hij
kwaadaardig uitroept: — Es binnen hier allemaal roovers, die heele
Koemmel ist ein Schweinestall!. . . Aber der Wein war ausgezeichnet,
en berustend likt hij zich de lippen.
-ocr page 418-
4^C                                                       PCRTSAir.
Langzamerhand wordt \'t later, in de straten brandt gewoon gas, gas-
gloeilicht, petroleum en electrisch licht. Een groote Engelsche boot met
Cooks-touristen is aangekomen en :.ls kudden schapen gedreven door de
managers-herders, verspreiden zich de Britten door de straten van Fort-Saïd.
Nu is eensklaps de lastige „ollands gids" „the only genuine English
guide" geworden; hij ho!1: ten minste de verschillende groepen met vol-
harding na en spreidt zijn polyglottisch talent onophoudelijk ten toon.
Voor een café aan den havenkant nemen de meeste passagiers plaats
en drinken daar — na voorzichtig vooraf den prijs te hebben gevraagd,
koffie, limonade of bier. Als vliegen op suiker komen verschillende koop-
lieden op hen af.
—   Sjeg! drei gordons pour tutte Ie panier, oranges? vraagt een donkere
fellah, een mand sinaasappelen aanbiedend. Zijn ivoorwitte tanden flikkeren
tusschen zijn opgespalkte bruine lippen en zijn zwaarmoedige oogen zien
vragend rond. Niemand koopt en hij gaat knorrig heen.
—   Ier bin ick, AH baba — spreek ollands, Inglese, Teutsch, Italiano,
Espanol, bitjara Melajoe, Arabi, Francais! moi parier toutes langues, Ie
joyeux commercant! Look here my nice things. Als een aal glipt de
bruine, jolige koopman tusschen de tafeltjes heen, overal zijn waren, die
hij in een blikken doos meedraagt, aanbiedend. Zijn oogen zijn zóó grappig
sluw, zijn tanden — hij mist er een paar helaas ! zijn zóó schitterend wit
en zijn spraak is zóó leuk, dat hij succes heeft, vooral bij de dames.
Met een zekere elegante behendigheid duwt hij de eene een waaier,
de andere een collier van schelpen of een reukfleschje in de hand.
—   Ah Ie joli collier, pour Ie beau cou de madame, oui! oui! ce monsieur
pour vous 1\'acheter. Pas vrai, Monsieur Ie capitaine? i)
—   Mais ce n\'est pas ma femme !
—   Xever mind! achetez pourtant! en met een allerzotste buiging en
een innemenden glimlach: — Vous pourtant accepter, madame? Mari a
vous pas jaloux — Sjeg! Ali niks vertel aan mari!
—  Eh bien donnez !
Terwijl hij met den kooper over den prijs schachert, hoort hij achter
zich Maleisch praten. Al dingend met den eersten draait hij zich snel om
en stopt de dame een waaier in de hand en zegt tot den heer naast haar:
— Kipas bagoes sekali! foor njonja! koop voor mevrouw! mooie waaier.
Intusschen handelt Ali-baba alweer met een derde over een schildpadden
i igarettenkoker en duwt met een lachend: — that is something nice for
you, cornel! een vierde een tursche pijp in de hand. .\'t Is of de handige
kerel twintig vingers en tien oogen heeft, want met onbegrijpelijke vlugheid
]) Ali noemt ieder heer: capitaine, major of kornel, en indien hij een bril draagt: Docteur.
-ocr page 419-
PORT-SAID.
407
bedient hij iedereen, vangt elk woord, wat in zijn nabijheid gesproken
wordt op en trekt partij van alles wat hij ziet.
Boos worden doet hij nooit, al biedt men hem ook een spotprijs, hij
blijft altijd even beleefd, even grappig en gevat, zelfs vindt hij, tusschen
al zijn bezigheden door, nog ruimschoots tijd om dezen of genen concurrent,
die hem te na komt, uit te schelden, of een paar lastige jongens tusschen
de tafeltjes weg te schoppen.
Een slangenbezweerder, een slim-oogig Arabier, die op een kleedje
eenige cobras kunststukken laat verrichten en daardoor de aandacht der
passagiers in beslag neemt, wekt zijn misnoegen op. Hij blijft met een
ongeduldig gelaat een poosje toekijken, maar als \'t hem te lang duurt en
de man, steeds zacht fluitend, de slangen in de hand neemt en om zijn
Klingeleesche kooplieden.
armen en hals doet kronkelen, roept Ali: — Ce n\'est rien du tout, niks
poison messieurs! Niks poison, sjèg! Fichez nous la paix; en met een
aangestoken sinaasappel werpt hij naar de slangen, die sissend hun dikke
koppen omhoog steken. De bezweerder wordt boos en vloekt in \'t Arabisch,
hartig en lang, maar Ali pakt met vluggen greep een slang, steekt haar
kop in zijn mond en lacht: — Voila! Ali baba, aussi malin que lui.
Ali-baba is nu de held van den avond geworden, hij maakt zaken,
iedereen koopt een kleinigheid van hem, omdat hij zoo vlug en lenig van
begrip is.
Met onnavolgbare juistheid weet hij met allen af te rekenen. Van den
een ontvangt hij Hollandsch, van den ander 1\'ransch geld, een derde
geeft hem Italiaansche franken, een vierde Duitsche marken of Engelsche
shillingen; van elke muntspecie kent hij de waarde. Hij herleidt, tot den
voor hem voordeeligsten koers, in een minimum van tijd, geeft precies
-ocr page 420-
°?7
408                                                       PORT-SAID.
terug wat liij terug geven moet en terwijl hij rekent, berekent en wisselt
>indt hij toch nog gelegenheid om links en rechts nieuwe artikelen te
verkoopen, te verruilen of aan te prijzen. Heeft hij niet wat men hebben
wil, dan laat hij, in goed vertrouwen op de eerlijkheid van de vreemde-
lingen, zijn doos onbeheerd op een der tafeltjes staan, accepteert en
passant een sigaar met een: — O! o! grazie sono bono cigari — en
vliegt als een pijl van een boog naar een, aan hem alleen bekende,
plaats, van waar hij, in minder dan geen tijd, terugkeert met het
verlangde artikel.
Maar de nijd, de afgunst en de politie slapen nooit!
\'t Gaat Ali-baba te goed, een paar concurrenten, minder gelukkig,
misschien ook minder handig dan hij, hebben een politiedienaar op hern
opmerkzaam gemaakt — en eensklaps pakt Ali als de drommel zijn hebben
en houden bijeen, ziet met uitgerekten hals naar zijn naderend fatum,
verkoopt nog gauw een houten rozenkrans, met een ,,vous catholique f
Fine chapelet!" ontvangt een halven franc te veel en wipt als een haze-
wind, zonder zich aan het knorrige: — ik moet nog een halven franc
terug hebben! te storen, tusschen de tafeltjes door en over een stoel heen.
Ali-baba ontspringt ditmaal den dans, en de politieman trekt een zuur-
zoet grinnikend gezicht, als de onverstoorbaar vroolijke koopman hem uit
de verte toeroept: — Bonsoir! mon ami — a revoir!
* #
*
\'t Is nu geheel donker, prachtig helder flonkeren de sterren aan den
hemel, waaruit het nooit, ten minste hoogst zeldzaam, regent. In de verte
branden de electrische booglampen der boot en verlichten de kolendragers,
die mannetje achter mannetje, met hun kleine mandjes vol kolen op het
hoofd, uit de schuiten opduikend, over planken, het groote schip beklimmen.
Op die schuiten branden kolen-toortsen en werpen een schril, roodachtig
licht op die duivelachtige, in lange rij, langzaam voortkruipende gestalten.
In het roode en witte licht zien al die zwarte gestalten, dicht achter
elkander de plank opkruipend, er fantastisch genoeg uit en hun aan-
houdend joelen en krijschen, dat wild en naargeestig over \'t water klinkt,
maakt inderdaad een helschen indruk.
— Over elven, dames en heeren! zegt een van de passagiers, en de
meesten staan op, want: — vóór twaalven (middernacht) verwacht ik de
heeren en dames weer aan boord, heeft de kommandant gezegd.
De zwarte duivels hebben inmiddels afgedaan op het stoomschip —
schreeuwend en gillend roeien zij van boord, en beladen met pakjes,
manden, doozen en waaiers, komen de passagiers op hun bodem terug.
Ken uur later zijn wij op weg naar Europa.