-ocr page 1-
MEDEDEEL!NeEN
UIT
\'S LANDS PLANTENTUIN.
XXI.
ONDERZOEK
VAN
BENIGE GRONDSOORTEN IN DELL
DOOR
Du. A. VAN BIJLERT.
Batavia — \'s Gkavenhaoe
U. Kolff & Co.
1897
-ocr page 2-
I
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
ONDERZOEK VAN BENIGE GRONDSOORTEN IN DELL
-ocr page 6-
Typ. O. Koi.rr & Co.— Batavia.
-ocr page 7-
MEDEDEELINGEN
UIT
\'S LANDS PLANTENTUIN.
XXI.
ONDERZOEK
VAN
EENIGË GRONDSOORTEN IN DELL
DOOR
1)k. A. VAN BIJLERT.
Batavia. — \'s Gravenhaqe
Q. Kolff & Co.
1897
-ocr page 8-
-ocr page 9-
I3stk:oxjid.
VOORBERICHT.
HOOFDSTUK I.
De monsterneming benevens eene korte beschrijving van
eenige algomeeno eigenschappen van den grond......
         1
HOOFDSTUK II.
Uitkomsten van het onderzoek van ieder grondmonster afzon-
derljjk.................... 22
HOOFDSTUK III.
Algemecno opmerkingen, waartoe de vergelijking dor uit-
komsten onderling aanleiding geeft.......... 69
-ocr page 10-
-ocr page 11-
VOORBERICHT.
Van de hand van Dr. van Bij lekt verschoon in Teysmannia
Dl. VII afl H eono beschrijving van vde grondsoorten, trelke in
„Deü voor <h tabakscultuur worden gebezigd, en hare eigenschappen.\'1\'\'
Daar tor plaatse werd er reeds op gewezen dat bovengenoemde
beschrijving ter inleiding en orientecring zoude dienen, tot een moer
uitvoerige beschrijving dierzelfde grondsoorten, waartoe een physisch
en chemisch onderzoek aanleiding zoude geven.
In navolgende bladzijden vindt men de uitkomsten van dit onder-
zoek door Du. A. vax Biji-ert ingesteld, waarbij de heer L. Schaap,
verbonden aan de .S8tc afdceling van \'s Lands I\'lantcntuin, bchulp-
zaam was bij de te verrichten analyses, waardoor in betrekkcljjk
korten tijd een groot aantal gegevens kon verzameld worden.
Zooals bij de lezing zal blijken, vormt dit verslag slechts een
gedeelte van liet onderzoek dat wij ons ten doel stellen. Tot het
verkrijgen van betrouwbare gegevens, welke den planter tot voor-
lichting kunnen strekken, is toch niet voldoende een onderzoek
als\'t volgende, zich alleen uitstrekkende over den bodem alvorens
deze beplant werd, maar moeten ook de gevolgen dor cultuur en
de verandering tijdens deze worden nagegaan en onderzocht. Heeft
men deze gegevens vereenigd, dan zal hot wellicht blijken welke
eischen de tabakscultuur aan den bodem stelt en in hoeverre
daarin door den planter kan worden tegemoet gekomen.
Doe verlokkelijk het ook moge zijn reeds naar aanleiding der
navolgende gegevens in bespiegelingen en raadgevingen zich te
verdiepen, zoo verbiedt het rationeelo onderzoek reeds nu conclu-
siën te trekken en daardoor van den logischen weg af te wijken.
Voorbarige conclusies worden dus terzijde gesteld en al zal men
dus nog eenigen tijd geduld moeten oefenen, zoo zal later met des
-ocr page 12-
II —
te meer gerustheid en zekerheid een besluit getrokken kunnen
worden uit hot volledige onderzoek.
Na eene voorafgaande beschrijving der wijze van monsterneming
en der eigenschappen van den bodem welke men wenschte na te
gaan, vindt men dus in een reeks cijfers de uitkomsten van het
onderzoek samengesteld. Voorzoover deze aanleiding gaven tot eene
onderlinge vergelijking der grondsoorten in Deli werden dezegege-
vens vereenigd en gozamelijk beschouwd, waaruit zal blijken dat
ook reeds de sobere opsomming van cijfers aanleiding kan geven
tot ecnig inzicht in de structuur en samenstelling van den bouw-
kruin in Deli, wat reeds van het grootste gewicht geacht mag
worden.
De chef der 8" Afd. van \'s Lands Plantentuin
Laboratorium voor onderzoekingen
over Deli-tabak,
J. van Breda dk Haak.
Buitenzorg, December 181)6.
-ocr page 13-
HOOFDSTUK I.
De monsterneming benevens de korte beschrijving van
eenige algemeene eigenschappen
van den grond.
De verscheidenheid in grondsoorten, de uitgestrektheid van het
terrein en de afwisselende gesteldheid maakten het onderzoek van
een groot aantal monsters noodzakelijk.
De plaatsen, waar monsters werden genomen, zijn, voor zoover
dit mogelijk was, zoodanig gekozen, dat een verband tusschen de
grondsoorten onderling voor den dag kan komen.
Voor het landschap Deli liggen deze plaatsen daarom in een vrij smalle
strook, die zich van het gebergte tot de zee uitstrekt. Het eene uiterste
ligt ongeveer 50 K.M. van de zee en 400 M. er boven, bij het
andere bedragen deze afstanden respectievelijk ± 10 K.M. en ^ 6 M.
De monsters zijn bovendien, zooveel mogelijk van plaatsen geno-
men, waar in dit jaar (189G) tabak wordt geplant, omdat het onder-
zoek van de tabak in verband met dat van den grond, waarop zij
gegroeid is, van belang geacht moet worden.
Het groote aantal monsters, waarvan boven werd melding gemaakt,
is, als volgt, over de verschillende landschappen verdeeld.
Het aantal grondmonsters uit Deli afkomstig, bedraagt acht; zij
zijn genoemd A, B, C, D, E, F, G en H.
Bij de vijf in Langkat genomen monsters is er een, J, uit de
aan het landschap Deli grenzende strook, de overige zijn afkomstig
uit gronden van de voor Langkat karakteristieke formatie 1). Zij
zijn genoemd I, J, K, L en M.
Uit Serdang zijn drie monsters genomen van de hoogere bij het
gebergte gelegen gedeelten en een van een plaats dicht bij de zee;
zij zijn aangeduid door de letters N, O, P en Q.
1) Zie Te\\jsmannia Dl. VII afl. 8 pag. 32.
Meded. PI. XXI.                                                                               1
-ocr page 14-
— 2 -
Van Padang-Bedagei is één monster onderzocht geworden, cven-
zoo van een dicht bij de zee gelegen veld afkomstig. Het is
genoemd R.
In het geheel achttien grondmonsters met de er hij behoorende
monsters van den ondergrond.
De monsterneming.
Op het terrein, waar de verlangde grondsoort zich bevindt, wordt
een zooveel mogelijk in het centrum ervan gelegen veld uitgekozen,
dat door zijne ligging, hoogte boven het water, enz. als gemiddeld
gelden kan voor dat gedeelte.
De loodrecht afgestoken wanden van de parits langs het veld geven
doorgaans een duidelijk inzicht in de verschillende lagen, zoodat
gemakkelijk kan geconstateerd worden, of de bodem tot een voor de
monsterneming noodige diepte van voldoende homogeniteit is. Was
dit het geval, zoo is van den boven- zoowel als van den ondergrond
een monster genomen. Als hovengrond geldt de laag, die bewerkt
wordt, hetzij door ploegen, hetzij door tjankollen; in het algemeen
bedraagt, de dikte 25 cM. Als ondergrond is aangenomen eene laag
van dezelfde dikte, waarop de bovengrond rust.
Op terreinen, waar zich nog talrijke resten van vroeger bosch
bevonden, is de plaats voor de monsterneming gekozen op een open
gedeelte tusschen de boomstronken.
Eigenschappen van den grond, die door blootstelling aan de lucht
snel veranderen, zijn in het Laboratorium te Medan (Deli) nagc-
gaan; hiertoe zijn te rekenen de aan- of afwezigheid van een zure
reactie van den grond en het voorkomen van oplosbare ijzerverbin-
dingen.
Ook werden de monsters aldaar gereed gemaakt voor het later
te verrichten physisch en scheikundig onderzoek.
De monsters zijn door mij persoonlijk genomen, om zekerheid te
hebben, dat de monsterneming op de juiste wijze is geschied. Bij
de bijzondere behandeling van de monsters zal van de plaatsen, waar
zij genomen werden, de afstand van de zee (in K.M.) en de hoogten
boven zeepeil (in M.) voor zoover dit mogeljjk is, vermeld worden.
Eerstgenoemde cijfers zijn verkregen door meting van deze afstanden
-ocr page 15-
— 3 -
op een kaart; de laatstgenoemde zijn voor het meerendeel appro-
ximatief.
Physisch en scheikundig onderzoek.
Het physisch en scheikundig onderzoek der grondmonsters heeft
in het algemeen plaats gehad in de zoogenoemde luchtdroge fijnaarde.
A. Physisch onderzoek
De  volgende eigenschappen zijn onderzocht geworden:
a.    Gehalte aan fijnaarde.
b.    Plasticiteit.
c.     Specifiek gewicht.
d.    Volume-gewicht.
e.     Poreusiteit, berekend uit c en d.
f.    Watercapaciteit.
De onder a en b genoemde eigenschappen, die door sommigen
onder de mechanische worden gerekend, zijn evenzoo bij de physische
eigenschappen ingedeeld geworden.
Boven- zoowel als ondergrond zijn onderzocht geworden, waar-
door niet alleen de grondsoorten onderling, doch ook de boven- en
ondergrond zelf met elkaar kunnen worden vergeleken.
Omschrijving der genoemde eigenschappen.
a. Gehalte aan fijnaarde. (Zeef met openingen van 3 mM.).
Het gedeelte van het monster, dat bij liet ziften door een zeef
met openingen van 3 mM. gaat, wordt de fijnaarde genoemd.
Op de zeef blijven de grovere deelen achter, als grind, steentjes,
conglomeraten van aan elkaar gebonden fijnere deeltjes door een of
ander bindmiddel, enz.
De onderzochte grondmonsters zijn nagenoeg zonder onderscheid
afkomstig van een bodem, die door verweering van een vulcanische
zand- en aschlaag is ontstaan. Bij een gedeelte bevindt zich de
verweerde bovenlaag nog op de oorspronkelijke plaats; bij een ander
deel zijn de fijnere deeltjes door het water meegevoerd naar de lager
-ocr page 16-
— 4 —
gelegen streken en hebben daar aanleiding gegeven tot het ontstaan
van aangeslibde bodems.
In het algemeen zijn de samenstellende deeltjes dus zeer klein
en vindt men daardoor een groot bedrag aan fijnaarde. Zeer vele
monsters bleken uitsluitend uit fijnaarde te bestaan.
De geringste hoeveelheid fijnaarde is gevonden in twee monsters,
die uit de bergstreek afkomstig zijn; zij bevatten een groote menigte
trachytische of tufachtige steenen, afkomstig van het gesteente
waaruit door verweering de bovenlaag was ontstaan. Een bij de zee
in Serdang gelegen terrein, dat hoofdzakelijk uit grove kwarts-
achtige deeltjes bestond, bevatte evenzoo een geringer bedrag aan
fijnaarde, hetgeen veroorzaakt werd door de groote afmeting dezer
kwartsdeeltjes.
De pamah-, paja- en bijna alle lager gelegen klei-gronden bleken
nagenoeg geheel uit fijnaarde te bestaan.
In de bergstreek komen plaatsen voor, waar de bodem zeer rijk
is aan groote steenen, die na het wegspoelen van de verweerde,
fijnere deelen, bloot zijn gekomen.
Zeer veel grind vindt men op plaatsen, waar vroeger rivieren
stroomden.
b. Plasticiteit.
Plasticiteit is de eigenschap, hoofdzakelijk vfin klei- en leem-
gronden, om met water een kneedbare massa te vormen, die na
droging meer of minder hard wordt.
Losse en zandige gronden missen deze eigenschap, zoodat zij na
met water bevochtigd te zijn, hun losse structuur behouden. De
meer of minder groote plasticiteit komt duidelijk voor den dag bij
het graven van parits. Bij lossen en zandigen grond storten daarbij
gemakkelijk de wanden in, terwijl bij kleiachtige gronden de bijna
loodrechte wand van de parit langeren tijd bestaan blijft.
De grootte der plasticiteit hangt direct samen met de hoeveel-
heid kleiachtige deeltjes, die de grond bevat.
Is de klei met zandachtige mineraalfragmenten gemengd, zoo
ontstaat veelal een korrelige structuur, die voor de tabak zeer gunstig
moet genoemd worden. De meer of minder groote plasticiteit van
-ocr page 17-
— 5 —
den ondergrond oefent evenzoo een belangrijken invloed uit op de
algemeene eigenschappen van den bodera. Groote plasticiteit, door het
aanwezig zijn van veel kleideeltjes veroorzaakt, maakt den grond on-
doorlaatbaar, waaruit zoowel bij langdurige droogte, als bij overmatige
regens groote nadeelen voortvloeien. Bij langdurige droogte zal de
groote dichtheid en ondoorlaatbaarheid, die aan plastische bodems eigen
is, maken, dat niet te rekenen is op watertoevoer uit den ondergrond,
omdat de circulatie te zeer wordt belemmerd. Bovendien belet
een diohte ondergrond aan vele gewassen en met name aan de
tabak het wortelnet in de dieper gelegen lagen door te doen drin-
gen, waardoor zij geen voordeel kunnen hebben van het eventueel
daar aanwezige water. Voor de plant blijft dus slechts het water
in de betrekkelijk dunne laag bovengrond over om te voorzien in
haar behoefte aan vocht. Neemt men in aanmerking, dat de tabak
door de groote bladoppervlakte, met de daarmede gepaard gaande
sterke verdamping, veel water noodig heeft, dan wordt het groote
gewicht duidelijk, dat aan het steeds voorhanden zijn van een
voldoenden watervoorraad moet gehecht worden. Is de ondergrond
dus plastisch, kleiachtig en ondoorlaatbaar dan wordt do plant in
zeer vele gevallen, bij eene geringe hoeveelheid water in den boven-
grond, uitsluitend afhankelijk van den regen.
Bij veel regen doet zich daarentegen het volgende voor. De bo-
vengrond is over het algemeen door de bewerking los en laat het
water voor een groot deel wegzinken. Bevindt zich nu een plas-
tische kleilaag in den ondergrond, zoo stuit het water hiertegen
en zal langzamerhand alle met lucht gevulde openingen vullen.
Daardoor wordt de ademhaling der wortels in hooge mate belem-
merd en een abnormale groei en ziekteverschijnselen kunnen er het
gevolg van zijn, nog daargelaten de schadelijke werking van de stof-
fen, die bij luchtafsluiting in den bodem gevormd worden.
Waar de schade bij langdurige droogte en bij overmatig veel
regen hoofdzakelijk het gevolg blijkt te zijn van niet voldoende
doorlaatbaarheid van den plastischen ondergrond, moet nog gemeld
worden, dat groote droogte ook mechanisch schade kan veroorzaken
door het scheuren en splijten van den bodem, waardoor teere wortels
verscheurd worden tot groot nadeel van de plant.
-ocr page 18-
— 6 -
Bij zandgrond ondervindt het water weinig weerstand en verdwijnt
het zeer snel in de dieper gelegen lagen. Omgekeerd zijn de
openingen tusschen de vrij groote zandkorrels te wijd, dan dat bij
droogte door het opstijgen van water tengevolge van capillaire
werking, op een voorziening langs dezen weg te rekenen is.
De gemengde gronden (zand met klei) verkeeren dus in betere
conditiën. De aangewezigheid van humus-stoffen, zoowel in klei-
ah in zandgrond, heeft evenzoo een gunstigen invloed op de
structuur. In den kleigrond verhinderen de aanwezige humus
deelen eenigszins het aan elkaar bakken der kleideeltjes onderling;
zij nemen een meer korrelige structuur aan en verminderen
daardoor de ondoorlaatbaarheid van don bodem. Men dient echter
voor eene voldoende bewerking, waardoor luchttoevoer mogelijk is,
te zorgen, om die humus-stoffen niet in schadelijke bestanddeelen
te zien veranderen. Gemengde paja-kleigronden leveren hiervan
een goed voorbeeld. De in zandgrond voorkomende humus stoffen,
werken gunstig door hun vermogen het in den bodem wegzin-
kende water vast te houden, waardoor zij dus in drogere perioden
een waterreservoir voor de plant kunnen zijn. Bij hooger gelegen
zandachtige gronden is daarom do hoeveelheid aanwezige humus
eenigszins een maat van geschiktheid voor de cultuur. Voor-
beelden zijn de pematangs in de lagere kleistreek. Bij de aan
humus betrekkelijk arme pematangs, wordt men echter eenigzins
onafhankelijk van het aanwezig zijn dezer verbindingen, indien de
niet al te dunne zandlaag op een kleilaag rust, die het water ver-
hindert weg te zakken.
Grondsoorten die uitsluitend uit klei bestaan, zouden dus te
verbeteren zijn door vermindering der plasticiteit, waarvan eene
grootere doorlaatbaarheid het gevolg zoude zijn. Ter verbetering van
de structuur van lossen zandgrond is een der beste middelen de ver-
meerdering van de humus, waardoor een meer gebonden structuur
wordt verkregen. Het brengen van klei op lossen zandgrond
brengt geen verbetering, omdat de losse kleideeltjes door het water
in den ondergrond worden weggespoeld; alleen indien zich ook
mergel bevindt in den grond, of dit er opgebracht wordt, neemt
de bodem een korrelige structuur aan en spoelt de klei niet weg. Ver-
-ocr page 19-
— 7 —
meerdering der organische stoffen in den bodem, hetzij door stal-
mest of door humus leverende gewassen is dus wellicht voor ver-
betering der losse structuur van zandgrond geschikt.
Heeft men te doen met zwaren kleigrond, zoo kan de ondoor-
laatbare structuur door de volgende middelen verbeterd worden: een
regelmatige bemesting met organische meststoffen (stalmest), aanplant
van diep wortelende gewassen, en het vermijden van een bemesting,
uitsluitend met kunstmest.
Het gebruik van kalk werkt in streken, waar de werking in den
bodem minder intensief is dan in tropische streken, gunstig op een
betere, meer korrelige structuur. Het gebruik van asch op zware
klei behoeft niet afgeraden te worden, omdat de hoeveelheid asch
die gewoonlijk wordt gebruikt, te weinig kalk bevat dan dat deze
veel schade zal doen.
c.    Specifiek gewicht.
Het specifieke gewicht van den bodem is hot gewicht van de
volume-eenheid van de grondsoort. Men heeft zich hierbij het geheel
als één homogene massa zonder met lucht gevulde poriën, voor te
stellen.
Het specifieke gewicht van een grondsoort hangt af van de spec.
gewichten der afzonderlijke bestanddoelen, waaruit zij bestaat, zooals
van dat van de kleideeltjes, van de fragmenten der verschillende
mineralon, van de organische resten, enz. Het vrij hooge spec. gewicht
van vele onderzochte grondmonsters hangt samen met het hooge
ijzergehalte.
Het spec. gewicht is bepaald ter vergelijking van boven- en on-
dergrond van ééne grondsoort en ter vergeljjking der grondsoorten
onderling. Bovendien moet het bekend zjjn om de poreusiteit te
kunnen bepalen.
d.    Volume-gewicht.
Het volume-gewicht is het gewicht van de met watervrije aarde
gevulde volume-eenheid, waarbij dus wel de met lucht gevulde poriën
en ruimten in rekening worden gebracht. Dit getal is daarom kleiner
dan het vorige Om dezelfde redenen als het spec. gewicht is ook dit
bepaald geworden.
-ocr page 20-
— 8 —
e.     Porensiteit.
De poreusiteit is de eigenschap van den bodem om tusschen de vaste
aardachtige deeltjes een grooter of kleiner aantal poriën en kleine
ruimten te bevatten. Uit de voor het specifieke gewicht en liet volume-
gewicht gevonden cijfers laat zich berekenen, welk deel van het volume
der watervrije aarde uit vaste bestanddeelen bestaat, welk deel uit
met lucht gevulde ruimten. Met uitzondering van een enkel grond-
monster, is voor de overige gevonden, dat het volume der met
lucht gevulde ruimten grooter is dan dat der vaste bestanddeelen.
Een groote poreusiteit gaat door de meerdere capillair-werking
gepaard met het vermogen om veel water vast te houden, dat
de kleine openingen vult. Bij laag gelegen klei- of paja-achtige
gronden wordt daardoor het toetreden van lucht in de diepere lagen
onmogelijk, tot schade van de .aldaar groeiende gewassen, wier
wortels in de uitoefening hunner functiën belemmerd worden.
Op hooger gelegen, humusrijke gronden heeft men met dit bezwaar
niet te kampen, omdat door de korrelige of losse structuur tengc-
volge der vele organische resten, voldoende gelegenheid is voor het
overtollige water om weg te zinken in den ondergrond Bovendien
is bij deze gronden de stand van het grondwater zoo laag, dat dit
geen schade kan aanrichten.
Bij de in de lagere streken gelegen klei- en pajagronden werken
het hooge kleigehalte met het hooge gehalte aan turfachtige stoffen
in één richting, terwijl in de hooger gelegen humusrijke gronden, de
aardachtige, minder poreuze deeltjes een tegenwicht zijn tegen de
te groote poreusiteit der humus bestanddeelen. Kunstmatig gaat
men weleens door het vermengen van turfachtige gronden met zand de
schadelijke eigenschappen van een te groote poreusiteit tegen.
De groote poreusiteit gepaard met eene groote watercapaciteit
welke deze grondsoorten bezitten, worden na vermenging met zand
verminderd en nu kan de lucht gemakkelijker toetreden dan
vroeger.
f.   Watercapaciteit.
De eigenschap van den bodem om bij aanraking met water een
bepaalde hoeveelheid daarvan op te nemen en in de poriën vast te
-ocr page 21-
— 9 —
houden, noemt men de waterhoudende kracht of de watercapaciteit.
Het cijfer, dat de hoeveelheid opgenomen en vastgehouden water
aangeeft per 100 gewichtsdoelen luchtdroge aarde, geeft de water-
capaciteit aan in procenten van het gewicht der luchtdroge aarde.
De cijfers, gevonden voor de poreusiteit, houden dus eenigszins
gelijken tred met die voor de watercapaciteit; liet zijn in beide gevallen
de poriën, die met water of met lucht gevuld zijn. De watercapaciteit
wordt bepaald in de luchtdroge aarde, waarvan de poriën dus reeds
gedeeltelijk met water gevuld zijn ; de poreusiteit geeft het totaal
volume aan van alle poriën in de watervrije aarde; om deze reden
zijn de cijfers voor de watercapaciteit kleiner dan die voor het bedrag
aan de met lucht gevulde ruimten in geheel watervrije aarde.
In het algemeen vertoonen dus bij de meest verschillende grond-
soorten de cijfers voor poreusiteit en voor watercapaciteit afwijkingen
in gelijken zin.
Zeer humus-rjjke grond bezit zoowel een groote watercapaciteit als
een groote poreusiteit. Zandgrond bezit beide eigenschappen in ge-
ringen graad, zoodat de daar groeiende planten in hooge mate af-
hankeljjk worden van het op den juisten tijd invallen van den regen,
omdat de bodem zelf weinig water na den regen vasthoudt en het
overige snel in den ondergrond wegzinkt.
De klei- en paja-gronden hebben evenals humus-gronden, een
groote watercapaciteit. Zijn zij laag gelegen, zoo levert dit het
nadeel op, dat de ruimten tusschen de aarddeeltjes te lang achter
elkaar met water gevuld kunnen zijn, vooral in een regenachtigen
tijd en dat daardoor de voor de wortels onontbeerlijke luchtcirculatie
belemmerd wordt.
Treedt daarentegen een langdurige droogte in, zoo zal het volume
van den aanvankelijk met water verzadigden bovengrond, na het
verlies hiervan, aanmerkelijk verminderen en dit het ontstaan van
spleten en scheuren ten gevolge hebben. De watertoevoer uit den
ondergrond is dikwijls niet voldoende om het door de warmte
verdampende water, dat zich aan de oppervlakte bevindt, aan te
vullen; ten eerste is de waterbeweging door de dichtheid der klei
in den ondergrond uiterst langzaam en ten tweede is door de be-
werking van de bovenlaag de structuur meestal zoodanig, dat het
-ocr page 22-
— 10 —
opstijgen van het water door capillariteit hierin zeer verminderd is.
Dat het scheuren en splijten van de bovenlaag nadeelig is voor de
tabak, is een gevolg van de omstandigheid, dat in zwaardere klei-
gronden het wortelstelsol hoofdzakelijk aan het oppervlak is ontwik-
keld, en zich dus juist op de plaats bevindt, die het meest daaraan
is blootgesteld.
Gronden met een losse of korrelige structuur, zooals zandgrond,
gemengde klei- en zandgrond en humusgrond vertoonen bij droogte
geen of slechts onschadelijke scheuren; de grootere bewegelijkheid,
of de kleine watercapaciteit, zooals dat bij zandgrond het geval is on
waarvan ook mindere volume-veranderingen het gevolg zijn, gaat
dit tegen. Voor gemengde klei- en zandgronden belet de korrelige
structuur het ontstaan van scheuren, evenals het hooge humusge-
halte met de losse ermede gepaard gaande structuur, het ontstaan
van scheuren in humusrjjke grondsoorten verhindert.
De geringe watercapacitoit van een grond rs te verbeteren, door
er stoffen in te brengen, die deze eigenschap in hooge mate bezitten.
Zandgrond krijgt een grootere watercapaciteit door het humus-
gehalte te vermeerderen; waar dit mogelijk is, gebruikt men daartoe
stalmest, in de overige gevallen kan men door herbossching dit doel
trachten te bereiken.
Wil men omgekeerd gronden met een te groote watercapaciteit
in een beteren toestand brengen, zooals zware klei, dan kan het ver-
mengen met zand goede resultaten geven, doch ook van ver-
meerdering van organische bestandeelen, mits tijdig voor luchttoevoer
en waterafvoer wordt gezorgd, is veel heil te verwachten. De vcr-
meerdering van organische bestanddeelen zal men kunnen berei-
ken, niet door het aanplanten van gewassen, die als tabak, door hun
teer wortelstelsol niet door een dichten bodem heen kunnen dringen,
en zich hoofdzakelijk aan de oppervlakte bevinden, doch van gewas-
sen, wier wortels in den dichten klei-ondergrond kunnen doordringen
en op deze wijze, nadat zij afgestorven zijn, openingen en kanalen
in den ondergrond vormen, waardoor de structuur langzamerhand
beter wordt en lucht en water ook in die lagen vrij circuleeren kun-
nen. Een meer korrelige structuur is er het gevolg van, zoodat de
schade, door een ondoorlaatbaren ondergrond veroorzaakt, vermindert
-ocr page 23-
— 11 —
B. Scheikundig onderzoek.
Het scheikundig onderzoek der grondsoorten heeft plaats gehad
in de luchtdroge fijnaarde; alleen werd, zooals reeds gemeld is, de
al dan niet zure reactie en de aau- of afwezigheid van oplosbare
ijzerverbindingen in het oorspronkelijke monster bepaald.
Het onderzoek heeft zich over het volgende uitgestrekt:
a.     Totaal gloeiverlies.
b.     Watergehalte in luchtdroge aarde (ontwijkend bij 100° C.)
c.     Humusgehalte.
d.    Gebonden water; uit o, b en c te berekenen; d = a — (b-\\-c).
e.     Absorptievermogen van den bodem voor stikstof uit een
ammoniakzout-oplossing. (N II« Cl).
f.     Totaal stikstof.
g.     Phosphorzuur (Pa 0B).
h. Kali (K8 O).
i. Kalk (Ca O).
De onder a en b genoemde bepalingen zijn in den boven- en in
den ondergrond godaan ; de overige alleen in den bovengrond.
De hoeveelheid organische stoffen van plautaardigen en dierlijken
oorsprong is voorloopig bepaald geworden door destructie dezer
stoffen met zwavelzuur en natriumbichromaat. Deze methode bleek,
mits eenige wijzigingen en correcties werden aangebracht, volkomen
te voldoen aan de eischen aan dit onderzoek gesteld. Later zal
hierop worden teruggekomen.
Was langs dezen weg de hoeveelheid in den grond aanwezige
koolstof gevonden, zoo werd voorloopig gebruik gemaakt van den
Wolffscben factor om het bedrag aan humus te bepalen.
Uit den aard der zaak mag aan dit bedrag geen groote waarde wor-
den gehecht, ten eerste, omdat uit latere onderzoekingen (1) omtrent
humus gebleken is, dat er veel tegen dezen factor is in te brengen;
ten tweede, omdat niet bewezen is, of deze factor (ook al was het
mogelijk voor een mengsel van stoffen van de meest verschillende
samenstelling één factor te vinden) geldt voor humus in de tropen,
waar de omzettingen veel sneller verloopen en dus het geheel van
organische resten er den invloed van ondervindt.
-ocr page 24-
- 12 -
Aan het totaal bedrag van koolstof heeft men dus voorloopig
niet veel; te meer, omdat bij vele Deli-gronden dit bedrag ver-
hoogd wordt door de hoeveelheid kool, die na het branden van
lalang en bosch zich onvermijdelijk ophoopt in den bovengrond
en ook uit het monster niet te voren verwijderd kan worden wegens
de fijne verdeeling en innige vermenging Het is dus met het bepalen
van het totaal bedrag van koolstof in den grond als met het totaal
bedrag aan stikstof\'; uit latere onderzoekingen (2) in Europa is ge-
bleken, dat een grond rijk kan zijn aan totaal stikstof en toch een
stikstofbemesting noodig kan hebben voor het welslagen van het
gewas; een bodem eveneens rijk kan zijn aan totaal koolstof, zonder
dat het gehalte aan humus daarmede behoeft te correspondeeren.
Onderzookingen in deze richting worden voorbereid.
Met het oog op den schadelijken invloed van chlorieden op het
fermentatie-proces bij tabak en later op hare brandbaarheid, (3)
zijn in de drie monsters, die het dichtst bij de zee gelegen waren,
de hoeveelheden. chloor bepaald. De quantiteiten waren, waar-
schijnlijk door de groote hoeveelheid regen, die deze oplosbare
chloorverbindingen in den ondergrond wegspoclen, zoo gering, dat
zij als onschadelijk kunnen beschouwd worden.
Zoo bedroeg de hoeveelheid chloor, als choried aanwezig, in een
bij de zee gelegen veld in het Deli\'sche 0,002°/o, in een in Serdang
gelegen land ook 0,002°/o en in een in Padang-Bedagei gelegen
veld 0,0085°/o; dus onschadelijke hoeveelheden.
Ook aan het voorkomen van in water oplosbare ferro-verbindingen
in nog onbewerktcn grond behoeft geen groot gewicht gehecht te
worden, omdat bij voldoenden luchttoevoer deze verbindingen spoedig
in onschadelijke worden omgezet. Voldoende grondbewerking en
vooral droogmaking van de lagere streken zijn hiertoe noodzakeljjk.
Hetzelfde geldt voor de buiten luchttoetreding gevormde schade-
lijke humeuze verbindingen, die eene zure reactie van den grond
veroorzaken.
(1)    Zie Mayer Agrikulturclieniie Hd. II |>ag. 65—71 en 157.
(2)    IbieL pag. 72.
(3)    Nessier, der Tabak pag. 126 en vgl.
Kosutiinij, Tabaksorten Ungarns ]iag. 34 enz.
-ocr page 25-
— 13 -
Stikstof in den vorm van nitraten kon in de onderzochte monsters
niet worden aangetoond; degroote oplosbaarheid dezer verbindingen,
en het feit, dat zij in den bodem door absorptie niet worden vaat-
gehouden, doen deze verbindingen snel met het water in den onder-
grond wegzinken.
In alle monsters zijn quantitatief bepaald gewordende van a—i ge-
noemde bestanddeelen.
De hoeveelheden Mangaan, IJzer en Kiezelzuur en van het door
van Bemmelen colloïdaal xilicaat genoemde bestanddeel, dat voor
vele kleigrouden van vulcanische afkomst karakteristiek is en van
veel belang voor den plantengroei, worden later bepaald.
a.    Gloeiverlies.
Het totaal gloeiverlies is het bedrag van de door gloeihitte uit
den grond ontwijkende bestanddeelen.
Als zoodanig ontwijken het water, dat zich steeds in de luehtdroge
aarde bevindt en de vluchtige bestanddeelen; na omzetting of ver-
branding, het gebonden water en de humus en turfachtige bestand-
deelen van organischen oorsprong.
De rest is dus ongeveer het bedrag van de anorganische bestand-
deelen, die in den bodem aanwezig zijn.
Een weinig humus-rijke zandgrond vertoont slechts een geringe
gewichtsvermindering na gloeiïng; de hoeveelheid humus in een
watervrijen zandgrond wordt dus ongeveer aangegeven door deze
gewichtsvennindering. In watervrijen kleigrond bestaat het ge-
wichtsverlies niet alleen uit de hoeveelheid humus doch ook uit
het door de hitte uit zijn verbindingen vrijgemaakte en daarna
verdampte water, dat gebonden voorkwam.
b.    Watergehalte in de lnclitdroge aarde, ontwijkend hij 100° C.
Het watergehalte in de luehtdroge aarde moet bekend zijn ter
berekening van het gebonden water. De vrees, dat bij de gebezigde
temperatuur gebonden water ontwijken zou, bleek bij onderzoek
ongegrond.
Het drogen van aarde boven zwavelzuur bij 25° C. of in een
waterdroogstoof bij 100° C. gaf geen verschil in uitkomsten.
-ocr page 26-
— 14 —
e. Iluninsg-ehnlte.
De humus wordt gevormd door omzetting van dieren- en planten-
resten in en op den bodem; waar dus door brand het plantendek,
dat hoofdzakelijk de humus moet leveren, vernield wordt, kan dus van
humus-vermeerdering of verbetering van den bodem geen sprake zijn.
De humus is een der gewichtigste bestanddeelen van den bodem.
Haar invloed op de bouwkruin is hoofdzakelijk van physischen
aard, zooals reeds hiervoor bij de korte bespreking van eenige phy-
sische eigenschappen van den grond, is aangegeven.
De humus is ook indirect van groote beteekenis voor den bodem.
De planten, die tot de humusvorming hebben bijgedragen en dat zijn
voor de hier behandelde streken de boomen van het vroegere oerbosch
geweest, hebben door een uitgebreid en diep wortelstelsel niet slechts uit
den bovengrond doch ook uit de diepere lagen de voor hun groei
noodige anorganische bestanddeelen gehaald. Omdat de humusvor-
mende plantendeelen zich hoofdzakelijk aan het oppervlak bevinden,
wordt het grootste deel der anorganische bestanddeelen, die zij be-
vatten, ook in den bovengrond teruggevonden. Voor verlies door
wegspoelen met het regenwater in den ondergrond behoeft men niet
al te zeer te vreezen, omdat met de humusvermeerdering, het ab-
sorptievermogen in gelijke mate toeneemt. In den bovengrond vindt
men dus de gedurende jaren uit groote diepte naar boven gehaalde
plantenvoedingsstoffen in een betrekkelijk dunne laag bovengrond terug.
Evenmin als voor verlies door wegspoelen, behoefde men zoolang de
bodem met oerbosch bedekt was, te vreezen, dat door het wegvoeren van
oogsten, plantenvoedende bestanddeelen aan den bovengrond zijn ont-
trokken. De tabak groeit derhalve op oerboschgrond zeer welig, zoowel
door de gunstige structuur van den bodem, dank het hooge humusge-
halte, als door het ruimschoots aanwezig zijn van gemakkelijk assimi-
leerbare voedingsstoffen.
De planten, die tot vorming van den oerboschgrond hebben bjjge-
dragen, zijn verschillend, zoodat dikwijls op een betrekkelijk kleine
oppervlakte groote afwisseling is ontstaan in structuur en samenstelling
van den bodem.
Bij eene eerste beplanting vertoont daarom de tabak niet den
geljjkmatigen groei, die men later, bijna als regel, waarneemt.
-ocr page 27-
— 15 —
Op plaatsen, waar stikstof verzamelende planten groeiden, is de
bodem rijk aan dit bestanddeel en zal de tabak een weelderigen
stand vertoonen.
Op plaatsen, waar gewassen groeiden met een fijn verdeeld,
uitgebreid wortelstelsel, of met andere organen, die veel humus leveren,
zal de tabak een ander aanzien vertoonen, dan op gedeelten van het
terrein, waar dit niet het geval was. Na één- of meermalen beplant
te zijn, verdwijnen deze verschillen; op de rijkste plaatsen wordt
door de tabak het meeste weggenomen; door later aan de zon en den
regen blootgesteld te zijn, worden ook de humusrjjkste gedeelten
arm aan deze waardevolle bestanddeelen, zoodat na verloop van tijd
grootere homogeniteit in structuur, zoowel als in samenstelling
verkregen wordt. Bovendien wordt deze bevorderd door een zelfde
wijze van grondbewerking.
In de lager gelegen streken, zoowel in de klei- als in de paja-
gronden geschieden de omzettingen der plantenresten veelal buiten vol-
doende luchttoetreding; hot gevolg is het ontstaan van zuur reagee-
rende, voor tabak schadelijke stoffen. Worden zij in den bodem aan-
getroffen, zoo is dit een bewijs, dat de luchttoevoer onvoldoende is;
een reden, die op zich zelf reeds een krachtige ontwikkeling van
de plant tegengaat. Om dezelfde reden moet de aanwezigheid van
schadelijke ijzerverbindingen, die in een bodem ontstaan, waar geen
lucht toegang heeft, gevreesd worden, omdat zij het bewijs zijn van
onvoldoende drooglegging.
Maakt men de luchttoetreding mogelijk en zorgt men voor afvoer
van overtollig water, zoo is dit voldoende om de zure eigenschappen
vanden bodem weg te nemen en de genoemde schadeljjke ijzerver-
bindingen in onschadelijke om te zetten.
Plantenresten, die geheel onder water blijven, zooals die van moe-
rasplanten in de paja\'s, geven aanleiding tot veen vorm ing. De samen-
stelling der aschbestanddeelen, dus van de anorganische verbindingen
in de turf, hangt grootendeels af van den ondergrond van het moeras,
waarin de wortels der plant zich bevonden en verder van den aard
der bestanddeelen, die worden medegevoerd met het in de paja\'s
uitstroomende water.
Ook voor deze veengronden geldt, dat tijdige drooglegging en
-ocr page 28-
— 16 —
de zorg voor luchttoevoer voldoende zijn, om omzettingen teweeg
te brengen, die aan de zure bestanddeelen hun schadelijke eigen-
schappen ontnemen.
Wil men in een bodem het humusgehalte vermeerderen, zoo moet
de plantengroei daarop zooveel mogelijk bevorderd worden. In
de laatste jaren heeft men zich elders op de groonbemesting toege-
legd, d. i. het verbouwen van een gewas, dat na zijn grootsten
wasdom bereikt te hebben, wordt ondergeploegd. Door het vergaan
dezer plantenmassa neemt de hoeveelheid humus aanmerkelijk toe.
Onder meerderen is een bezwaar hiertegen in tropische streken, dat
men er veelal cultures heeft, die eerst na een aantal jaren op denzelfden
grond terugkomen. Men zou dus bjj tabak, öf ieder jaar opnieuw een
veel humus leverend gewas moeten aanplanten, onderploegen, enz. of
het land braak laten liggen en eerst een jaar voor op nieuw tabak
wordt geplant, een later onder te werken gewas verbouwen. In
de jaren, die verloopen tusschen den laatsten tabaksoogst en het ver-
bouwen van dit groene gewas is dan echter de kans groot, dat het
terrein door het open en onbedekt liggen zeer achteruit gaat.
De thans gevolgde methode van grondverbetering door het aan-
planten van jong bosch (albizzia\'s) kan dan ook niet genoeg aan-
geraden worden. Gedurende de geheele periode tusschen twee
tabaksoogsten in, blijft de bodera dan met een veel humus leverend
plantendek bezet.
Bij stijvere grondsoorten dringen de fijne wortels in alle richtin-
gen door en veroorzaken een lossere structuur; bij zandige, losse
grondsoorten, verandert de structuur in de meer geboudene, die aan
humusnjke gronden eigen is.
Aangezien jong bosch, ploegen of omwerken gedurende deze periode,
uitsluit, blijft het land ook gevrijwaard voor de schade, die voort-
vloeit uit het te lang onbedekt blootgesteld zijn aan zon en regen.
Bij groenbemesting met een oenjarig gewas heeft men daarentegen
telkens het nadeel, dat het land na het onderwerken, gedurende
eenigen tijd van het jaar, onbedekt liggen blijft. Bovendien zjjn
de kosten aanzienljjk geringer om eenmaal jong bosch aan te leggen,
dan om herhaaldelijk gewassen te kweeken en onder te werken,
zooals dat bij eene groenbemesting noodzakelijk is.
-ocr page 29-
— 17
d.    Gebonden water nit a, b en c te berekenen :d = n — (l> • c).
Het gebonden water, dat hij verhitting ontwijkt, is voor een
gering deel afkomstig van de humus, voor liet grootste deel cch-
ter van sommige verwccringsprodukten, die voornamelijk in de
kleiachtige grondsoorten voorkomen. Daarom zal uit later vol-
gendc cijfers blijken, dat in liet algemeen de hoeveelheid gebonden
water geljjkcn tred houdt met den graad van verwcering. Bij
grondsoorten van meer zandachtige geaardheid of bij die, waar de
bovenlaag onmmiddellijk op een tufsteenachtigen ondergrond rust
is zij derhalve geringer. In beide gevallen zijn de colloïdaalsilicaat-
houdende verbindingen niet, of in geringe hoeveelheid aanwezig.
Zij ontbroken, hetzij, omdat de mineralen, uit wier verweering zij
ontstaan kunnen, afwezig zijn of in kleine hoeveelheid voorkomen,
of, omdat deze mineralen nog niet ver genoeg verweerd zijn en dus
de eindprodukten der omzetting nog niet zijn gevormd.
In pamahgrond, pematangs en zandgronden zal dus door het
weinig of niet voorkomen dezer verwccringsprodukten, een gering
bedrag aan gebonden water worden gevonden.
liet gehalte aan gebonden water is dus een gewichtige factor ter
beoordeeling en vergelijking van de afkomst van verschillende
grondsoorten.
e.    Absorptievermogen vsm den bodem voor stikstof uit een
ammonlakzont-oplossing.
Onder dit absorptievermogen wordt verstaan het vermogen van den
bodem, om uit eene oplossing van zekere stoffen, een deel van
deze te ontleden en er zich mede te verbinden, zoodat de in den
ondergrond wegzinkende oplossing van een andere samenstelling
is en eenigc der oorspronkelijk aanwezige, opgeloste bcstanddeelen
achter bleven.
Deze eigenschap van den bodem geldt vooral voor opgeloste
anorganische bcstanddeelen, waarvan zeer vele voor de planten-
voeding van groot gewicht zijn en welke op deze wijze worden
vastgehouden.
Eene uitzondering hierop maken de verbindingen, waarin de
stikstof in den vorm van salpeterzuur voorkomt.
Meded. PI. XXI.                                                                              2
-ocr page 30-
— 18 —
Wordt stikstof in dezen vorm in den grond gebracht, zoo wordt
de verbinding of als zoodanig, of na ontleding, in den vorm
van een ander salpeterzuurzout, door het regenwater in den onder-
grond weggespoeld. Met het oog op de vele regens moet dus in het
algemeen in de tropen elke bemesting met salpeterstikstof worden
ontraden; de tijd, gedurende welken het stikstof houdende zout
in het bei-eik der plantenwortels blijft, is uiterst gering, zoodat het
dikwijls reeds grootendeels in den ondergrond is weggespoeld, voor
de plant het opnemen kan.
Kleigronden en humusrijke bodems bezitten een grooter absorptie-
vermogen dan zandige gronden. Eene zekere hoeveelheid meststof
zal dus in klei- of humusgrond door een veel geringere hoevcel-
hcid aarde worden vastgehouden en zich dus dichter bij het oppcr-
vlak bevinden dan met deze zelfde hoeveelheid, in een zandachtigen
bodem het geval zoude zijn.
In zandgrond is toch meer aarde noodig om dezelfde hoeveelheid
te absorbeeren, zoodat de plantenvoedende stoffen tot op grootere
diepte verspreid worden.
Bij zandgrond moet daarom de meststof bij gedeelten aan de
plant zelve worden gegeven, opdat zij beter binnen het bereik van
het wortclstelscl bljjve.
Bij gronden met een groot absorptievermogen, zooals bij klei,
is dit niet noodig, doch kan alle meststof in eens verstrekt wor-
den of wel kort voor het planten worden uitgestrooid en ondiep
ondergewerkt.
Van de onderzochte monsters vertoonen do kleigronden het groot-
stc absorptievermogen voor het gebezigde ammoniakzout; daarop
volgen do gronden, die het rijkst aan humus zijn. Gronden,
die van zandachtige geaardheid zijn, of die uit nog niet geheel
verweerde mineraalfragmenten bestaan, of ook, die geen water-
houdende dubbelsilicaten bevatten, en tegelijk humusarm zijn, heb-
ben in het algemeen een gering absorptievermogen.
liet groote absorptievermogen, dat de pajagronden vertoonen,
hangt gedeeltelijk samen met het gehalte aan klei; door de aan-
wezigheid van humuszuren treden hier echter andere omstandig-
heden op. (Maijer Agrikulturchemic Bd. II p. 93).
-ocr page 31-
— 19 —
Totaal-Stikstof.
Stikstof ia den vorm van salpeterstikstof kwam in de onderzochte
monsters óf niet, óf in zoo geringe hoeveelheid voor, dat oen afzon-
derljjke bepaling niet gedaan werd.
Van de grondmonsters is het totaalstikstof-gehalte bepaald gewor-
den. Door de snelle omzetting der humus-stoffen mag verwacht
worden, dat een groot deel der in de humus bevatte stikstof, die
als zoodanig voor de plant ontoegankelijk is, gedurende de maanden,
dat de tabak te velde staat, assimileerbaar zal worden. Ook de
stikstofverbindingen welke in turfachtige grondsoorten voorkomen,
en stabiel die zeer zijn, worden gedurende de bewerking en tijdens
den groei evenzoo in ruim voldoende mate ontleed en assimileer-
baar gemaakt; de stand van de tabak op den pajagrond is steeds
zoodanig, dat aan gebrek aan assimileerbarc stikstof niet te denken
valt.
Paja-achtige en zeer humusrijko gronden vertoonen het grootste
stikstofgehalte. Zooals reeds boven word medegedeeld, vinden om-
zettingen hot snelst plaats in de zandgronden, omdat de luchttoe-
voer verzekerd is. In pama\'s en andere zandgronden zullen dus de
stikstofverbindingen het snelst omgezet worden en of in opgeloston
toestand wegzinken in den ondergrond, óf na omzetting tot stikstof,
als zoodanig in de lucht verdwijnen.
Phosphorzuur-gchalte.
In den bodem is het gehalte bepaald aan phosphorzuur, oplosbaar
in 11 °/0 salpcterzuur na een uur kokens.
Het geringe phosphorzuur-gehalte in sommige gronden werd ver-
klaard, doordat er vroeger bij herhaling rijst geplant was; evenals
alle graangewassen neemt rijst veel phosphorzuur uit den bodem weg.
Het meeste phosphorzunr is gevonden in een zeer humusrijke,
losse en hooggelegen, grondsoort, die ook van bijna alle andere
onderzochte bestanddeelen de grootste hoeveelheden bevatte.
Het geringste bedrag kwam in den gelen hcuvelgrond van Lang-
kat voor.
Door het hooge gehalte aan jjzer- en aluinoxyde in colloïdaal toe-
stand van do meeste grondsoorten kan echter eerst uit het onderzoek
-ocr page 32-
— 20 —
der tabak blijken, of van een aan phosphorzuur rijke kunstmest wel
het voordeel te wachten is, dat men er zich van voorstelt. (1) Een groot
deel dor hoeveelheid, die doorgaans gegeven wordt, komt ten slotte
niet een humus leverend gewas ten goede, waardoor hot in den bodem
zoude blijven en later voor een volgend tabakgewas zoude kunnen
dienen, doch wordt in de meeste gevallen met de padi-oogst van
het land weggevoerd.
Een gering bedrag aan phosphorzuur in een physisch gunstigen
bodem zal bij gelijkmatige verdeeling, voor de tabak van meer nut
zijn, — omdat in een dergelijken lossen grond, het wortelstelsel
ook uitgebreid is, — dan een groote hoeveelheid in een bodem,
waarvan de physischo gesteldheid niet toelaat, dat de plant een
wortelnet van voldoende grootte vormt.
Bevindt de bodem zich niet in een voor do plant physisch-gunstige
conditie, zoo is deze niet in de mogelijkheid de aangeboden mcst-
stof op te nomen.
Evenals voor phosphorzuur geldt voor allo andere voedingsstoffen,
dat zonder een gunstige structuur van den bodem en zonder mede-
werking van de weersgesteldheid, deze stoffen niet tot hun recht
kunnen komen. Aangezien de gesteldheid van den grond in veel
gevallen maken kan, dat men voor langer of korter tijd onafhan-
kclijk wordt van het weder, blijkt hieruit weder do groote invloed
van den physischen toestand van den bodem.
Kali-gehalte.
Het gehalte aan kali in den bodem is in hoofdzaak afhankelijk
van de mineralen, die tot vorming der grondsoort hebben bjjge-
dragen.
Bij het onderzoek van het kaligehalte (door koking van don grond
in 5 % zoutzuur) is voor den dag gekomen, dat zonder onderscheid,
alle monsters, die genomen zijn van het in het landschap Deli op do
aschlaag gelegen terrein, tusschen de bergstreok on de lichtgekleurde
gronden meer bij de zee, een lager kaligehalto hebben, dan de overige
die onderzocht werden. Alleen maakt oen monster gele heu-
velgi\'ond uit Langkat, dat ook aan de andere onderzochte bestand-
1) Maner Agrik. Cliom. Bd. II p. <)2.
-ocr page 33-
— 21 —
doelen zoor arm was, hierop een uitzondering. De kalirijke mineralen
zijn van de hoogere streken, waar ook het kaligehalte grootcr
is of als zoodanig, óf na verweering, naar de lager gelegen streken
gevoerd. Het is echter zeer waarschijnlijk, dat de vergevorderde en
steeds voortgaande verweering, waarin zich de aschlaag in het Dc-
lische bevindt, voortdurend assimileerbare kali beschikbaar stelt. Wil
men met kali bemesten, zoo moet men gebruik maken van de gczui-
verde kalizouten, in geen geval van de chloorhoudende, ruwe zouten.
Ook hier zal het onderzoek van de tabak, die op de verschillende
grondsoorten gegroeid is, van groot belang zijn.
Kalk-gehalte.
Het kalkgehalto der onderzochte monsters bleek over het alge-
meen gering te zijn. Voor ocnige gronden werd het verklaard
omdat door de vroeger verbouwde padi behalve phosphorzuur, ook
kalk was weggenomen.
De hoofdreden is echter, dat in den bodem van vulcanischc afkomst
kalkrijke gronden en mergel enz. niet voorkomen. Bovendien wordt
de kalk welke door vervoering uit de mineralen vrijkomt, gemak-
kolijk en snel door het koolzuurhoudende water in den ondergrond
gespoeld en dit nog zooveel te meer, naarmate het absorptiever-
mogen van den bodem voor kalk geringer is. In zandgronden is
om deze redenen het kalkgehalte dikwijls zeer klein. In humusrjjke
gronden, waarvan verwacht mocht worden, dat zij veel anorganische
bcstanddeelen en dus ook veel kalk in den bovengrond zouden bevatten,
kwam toch soms eene geringe hoeveelheid van dit bestanddeel voor.
De reden is of dezelfde als die voor het geringe bedrag aan phos-
phorzuur, dus dat het door de padi is verbruikt, of dat de kalk
naar de diepere lagen word weggespoeld.
Evenals van de meeste andere bcstanddeelen, bevatte de grond,
afkomstig van een gele heuvel uit Langkat, ook het geringste bedrag
aan kalk.
Do kalk in den bodem is hoofdzakelijk afkomstig van de ver-
wccringsprodukten der mineralen, waaruit deze gevormd is en verder
van de asch van planten en van sommige kunstmeststoffen.
-ocr page 34-
HOOFDSTUK II.
Beschrijving van ieder urondmonster afzonderlijk.
Bij do bewerking van dit hoofdstuk zijn, behalve de gegevens, die
door het onderzoek der grond monsters werden verkregen, de inlich-
tingen, die steeds met grooto welwillendheid door de administrateur
zijn verstrekt, van groot nut geweest.
De grondmonsters zijn verdeeld in vier groepen, naarmate het land-
schap, waaruit zij afkomstig zijn.
Deze groepen zijn dus:
De grondmonsters uit Dcli, die uit Laugkat, die uit Scrdang en
hot monster uit Padang-Bedagoi.
In iedore groep wordt het grondmonster, dat afkomstig is van de
plaats, die het verst verwijderd is van de zee, het eerst beschreven
en komen daarna in volgorde van de grootte van dezen afstand, de
overige.
LANDSCHAP DELL
Groiidiuonster A. Verweeringsgrond, humusrijk, van een hoogge-
legcn plateau in de bergstreek.
Het plateau, waarvan bet grondmonster afkomstig is, heeft een
langen smallen vorm; het strekt zich uit in een N — Z rich-
ting en is door zeer steile wanden begrensd, zoodat alleen op het
meer vlakke bovengedeelte tabak kan geplant geworden. Dit ge-
deelte ligt ± 100 M. boven de dichtstbjj zijnde rivier en ongeveer
400 M. boven de zee. De afstand tot het zeestrand bedraagt ruim
50 K.M.
Het plateau bestaat in hoofdzaak uit een tufstecnachtige massa,
waarvan alleen de bovenlaag met een vrij dikke, grootendcels ver-
-ocr page 35-
— 23 —
weerde, vulcanische asch-cn zandlaag bedekt is. Stcenon komen in
het bovengodeelte niet voor, zoodat het tot een diepte van minstens
0,5 M. een losse, humusrijkc, zeer homogene grondsoort is. Tot
een diepte van 2,5 dM. bestaat de laag geheel uit fijnaarde; op
een grootere diepte, in den ondergrond, bevat de bodem 0,3 °/„ door
ijzerhydoxyde aan elkaar gebonden vcrweerings-conglomeraten; deze
hadden een diameter, grooter dan 3 mm. en bleven dus op de zee
achter.
In drogen toestand valt de grond vrij los en korrelig uit
elkaar, zoodat in het algemeen de structuur gunstig mag genoemd
worden.
In 1895 is op een gedeelte van het plateau voor de eerste maal
tabak geplant; vóór dien tijd was liet vroegere oerbosch, waar-
mede het aanvankelijk bedekt was, sinds gcruimen tijd door de
oorspronkelijke bewoners (Battaks) geveld en opgeruimd en het
terrein door hen bebouwd geworden; zij hadden er talrijke vrucht-
boomen laten staan en herhaaldeljjk padi geplant.
In het voorjaar 1896, was een groot deel van het plateau weer
met jong bosch bedekt, uitgenomen op de plaatsen, waar nog ladangs
in cultuur waren.
De bewerkingen, die het terrein ondergaat, voor het met tabak
wordt beplant, zijn de volgende: het jonge bosch wordt gekapt en
nadat het voldoende droog is, met de lalang verbrand. Daarna
wordt het land omgetjankold, zoodat de ascli niet den bovengrond
vermengd wordt.
Bemesting met kunstmest had niet plaats gevonden.
Thans volgen de cjjfers voor eenigc in boven- en ondergrond
gedane bepalingen waaruit de groote overeenkomst, die tusschen
beide bestaat, duidelijk aan den dag komt.
a„„rf«.„ v i f v IiOri"""t0it.,„i. Wateroa- Plaatioi- Fiinaarilu
Soort-tlüW. Vul. (ïcw. V;i«tc ui-eleu l.uclit , :. :. . ;.
          V ,
(vol. proo.)        P"™«- Ult          1\'«*-
A. Bovengrond 2.659 1.229 46.2 53.8 39.6 gering 100
A. Ondergrond 2.61 1.193 45.7 54.3 38.3 gering 99.7
Het soortelijk gewicht van den bovengrond is in het algemeen
kleiner dan dat van den ondergrond, gedeeltelijk is dit toe te
schrijven aan het grootere gehalte aan organische stoffen; het is
-ocr page 36-
— 24 —
dus wel waarschijnlijk, dat in dit geval do herhaalde cultuur,
die op het terrein plaats had, gemaakt heeft, dat het humus-
gehalte van de bovenlaag minder is geworden, dan dat van de
diepere lagen en dat daarvan liet liooger soortelijk gewicht van den
bovengrond liet gevolg is. De watercapaciteit is iets beneden het
gemiddelde van wat in de onderzochte monsters werd gevonden,
de aard van de verweeringsprodukten dezer aschlaag draagt bij tot
vergrooting van deze capaciteit, ook al wordt zij door hiimusver-
mindering kleiner.
Overigens blijkt uit de cijfers de groote homogeniteit tusscheu
boven-en ondergrond.
Het scheikundig onderzoek heeft in het monster bovengrond
plaats gehad, uitgenomen het totaal gloeivcrlies, het bij 100° ont-
wijkend water en het bedrag aan humus gebonden water, door
berekening gevonden, welke in boven- en ondergrond bepaald zijn
go worden.
Ook deze cijfers, die nu volgen, wijzen op de groote liomoge-
nitcit van dezen bodem, tot een diepte van 0,5 M.
Totaal gloeivcrlies Water ontwakend hij looo uit Humus jrefo. water
proe.
                    luolitdroge aarde, proe.                 (ber.) proc.
A. Bovengrond 23,0                        9.                           14.6
A. Ondergrond 22,9                        9.5                         13.4
De voor de plant meest gewichtige bestanddeelen zijn alleen in
den bovengrond bepaald geworden
De hoeveelheid gebonden water is voor een deel afkomstig van de
humus, voor het grootste deel komt het voor als een bestanddeel
van de verweeringsprodukten, die uit do vulcanische asch- en zand-
laag zijn ontstaan.
De volgende cijfers zijn gevonden:
Humus goli. water Humus Geb. water Stikstof riiospor- Kali Kalk
(lier.) proc.
               i>roc. (hor.) proe. totaal         uuur prou. proc
proc. proc.
A. Bovengrond. 14.6             4.7 9.9 0.26 0.05 0.1 0.06
Hot absorptievermogen van dezen grond voor ammoniakstikstof is
door het vrij hooge humusgehalte en door den aard der verweerings-
produkten tamelijk hoog 100 gr. aarde (bovengrond) absorbeeren
95.7 mg. stikstof uit een chloorammonium oplossing.
-ocr page 37-
- 25 —
Opvallend hoog, niettegenstaande sinds langen tjjd het oerboseh
is verdwenen, moet hot humusgehaltc genoemd worden; het geeft
aanleiding tot de opmerking om dezen grond, door het tegengaan
van de meer en meer veld winnende lalang, te beschutten voor ach-
teruitgang door liumusverlies, tot nadeel van de structuur. liet is
voldoende de lalang, die na de padi komt, zoo veel mogelijk te
bestrijden, liet jonge bosch komt dan van zelf zeer welig terug.
De hoeveelheid stikstof in verhouding tot de groote hoeveelheid or-
ganische stof is gering in vergelijking met wat elders werd gevonden.
De hoeveelheid kali geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
De invloed van vroegere cultures, en wel hoofdzakelijk van de
padicultuur is zeer merkbaar aan het gering bedrag aan phosphor-
zuur en kalk; zooals bekend is, nemen de graangewassen relatief
veel phosphorzuur uit den bodem tot zich.
Voor rijst, afkomstig van sawah\'s, is gevonden, (zie de opgaven in
de Ind. Cultuur-alinanak 1896) dat de hoeveelheid phosphorzuur,
die per II. A. aan den grond onttrokken wordt, staat tot de
hoeveelheden kalk en kali als 1 : 2.3. Voor ladang-rijst zijn deze
cijfers niet onderzocht, doch zij wijken er waarschijnlijk slechts
weinig van af. Daarentegen wordt door tabak 1 phosphorzuur
tegen 8.8 kali en kalk aan den grond onttrokken. Een herhaalde
padicultuur verarmt den bodem dus relatief meer aan phosphorzuur
dan de tabakscultuur.
Het onderzoek van op dit terrein gegroeide tabak zal moeten
uitmaken, welken invloed het geringe gehalte aan phosphorzuur op
dit gewas heeft gehad.
Indien gezorgd wordt, dat jong bosch ongestoord op dit plateau
kan blijven groeien, zoo zullen de tot groote diepte in den onder-
grond doordringende wortels, voldoende voorraad voedingsstoffen uit
de dieper gelegen lagen naar boven halen en zullen deze zich dus
later na huiiiiHceering der plantenresten, waarin zij zich bevonden,
in den bovengrond ophoopen.
<.romliiioiistiT It. Donkere, humusrijkc, zandachtige grondsoort,
met tufachtigc steenon vermengd, op do helling van een uit tufsteen
bestaande heuvel.
-ocr page 38-
— 26 —
De heuvel, waarvan het grondmonstcr B afkomstig is, ligt in do
nahjjhcid van het plateau, waar het monster A word genomen on
heeft een hoogte van ± 80 M. boven de dichtstbij zijnde rivier.
Nabjj ecu weg, die in de helling langs do heuvel is uit gehakt,
werd hot monster genomen. De plaats ligt 300 M. boven de zee
en is ongeveer 49 K.M. ervan verwijderd.
De oorspronkelijk uit tufsteenachtige rots opgebouwde heuvel is
aan do oppervlakte verweerd, hierdoor zoowel als door het binnen-
dringen van plantenwortcls ontstond een humusrijke, zandigc grond-
soort, donker gekleurd door de vrij groote hoeveelheid humus-
bcstanddeelcn. Reeds in den bovengrond komen vele steenen voor,
wier aantal in de diepere lagen steeds toeneemt. Van allo ondcr-
zochto grondmonstera is van het monster B het gehalte aan tijnaardc
het geringst. Het bedraagt voor boven- en ondergrond resp. 77.4
en 67.9 procent.
De groote homogeniteit, die in het algemeen werd gevonden bjj
boven- on ondergrond, bestaat hier dus niet. Klciachtige deeltjes
komen niet voor, hetzij, doordat zij van do helling, waarop zij gevormd
werden, zijn weggespoeld hetzij, omdat do vcrweering van dezen
tufsteen nog niet ver genoog gevorderd is.
Voordat op deze helling tabak werd geplant (in 1895), was zjj met
oerbosch bedekt; nadat dit geveld was en de stammen opgeruimd of
verbrand waren, is het terrein ondiep omgewerkt on met tabak be-
plaut. Daarna is het land uitgegeven voor padi; na de padi bleef
du lalang weg doch kwam onkruid en jong bosch zeer welig terug;
in het algemeen toch schijnt de lalang aan vlak land de voorkeur
te geven.
Do tabak werd om schade te voorkomen door het afstroonien van
water langs de steile helling, in horizontaal verloopende rijen ge-
plant; kunstmest is niet gebezigd.
De verschillen, die zich bjj vergelijking dor uitkomsten van het
onderzoek van den bovou- en van den ondergrond vertoonen, wor-
den in hoofdzaak verklaard door het hoogere humusgehalte van den
bovengrond.
In het algemeen zijn de verschillen gering, zooals uit de volgende
cijfers zal blijken:
-ocr page 39-
— 27 —
Porcusitcit
Soort-Gew. Vol.-Gew. Vaste stof Lucht Watorcapa- Plasticiteit Fijnaarde
vol. proe.)
          citeit                               proc.
B. Bovengroad \'2.563 1.256 49. 51. 45.4 los en 77.4
B. Ondergrond 2.639 1.307 49.5 50.5 43.4 zandig 67.9
De vrij groote porcusitcit van den bodcin hangt samen met den
aard van het tufachtige gesteente, waaruit de grondsoort ontstond.
De losse bovenlaag heeft slechts geringe afmetingen, omdat het
nog niet verweerde gesteente reeds vrij snel een grens stelt aan
de binnendringende wortels; op enkele doorsneden in deze helling
vertoont zich reeds op een diepte van 1 M. het oorspronkelijke nog
niet verweerde gesteente.
Uit de thans volgende cijfers blijkt duidelijk, dat men met een
grondsoort van geheel andere afkomst te doen heeft dan die van
het vorige monster. De cijfers vertoonen veel meer overeenkomst,
met die later gevonden werden in zandachtigc grondsoorten of in
gronden hoofdzakelijk uit nog niet verweerde mineraalfragmenten
bestaande. Karakteristiek is de kleine hoeveelheid humus -\\- gebon-
den water in verband met de hoeveelheden van ieder dezer be-
standdeelen afzonderlijk.
Totaal Rloeivurlius Water ontwijkend bij KMI" uit Humus gcb.
proc.
                      luchtdroge aarde. proc.          water (her.) proc.
B. Bovcngroud         9.5                        4.3                        5.1
B. Ondergrond         8.3                        3.4                        4.9
Het sterkst komt het verschil uit bij de vergelijking van de hoe-
veelheid gebonden water van dit monster met die der andere; dit
bedrag, evenals dat aan ceuigc voor de plant gewichtige bcstaud-
declen volgt hier:
Humus -f- (fob. Humus Greb. water Stikstof Phosphor- Kali Kalk
water her proc. proc. (her.) proc. totaal, proc. zuur proc. proc. proe.
B. Bovengrond 5.1        3.9 1.2 0.25 0.13 0.12 0.41
De zandige geaardheid van den grond heeft ten gevolge, dat het
absorptievermogen voor stikstof betrekkelijk gering is; de hoeveol-
heid humus, die de grond bevat, draagt er in hoofdzaak toe bij, dat
100 gr. bovengrond nog 65,6 mg. stikstof absorbeert.
In den bovengrond is het kalkgehalte vrij groot, ten eerste
in samenhang met den aard van het gesteente, waaruit de grond
ontstaan is on ten tweede, omdat men met een maagdeljjken bodem
-ocr page 40-
— 28 —
te doen heeft, waar door de cultuur van gewassen als padi,
kalk en andere bestanddeclen nog niet van het land zijn weg-
gevoerd.
De vrij hooge cijfers, die voor de watercapaciteit zjjn gevonden,
hangen grootendeels samen met de poreuze structuur der uiteen-
gevallen tufsteendeeltjes, waaruit het minerale gedeelte van dezen
bodem hoofdzakelijk bestaat.
Door de gesteldheid van het terrein, stroomt bij regen jecn
deel van het gevallen water snel naar beneden; van het overige
zinkt door de groote doorlaatbaarheid van deze grondsoort spoo-
dig een groot gedeelte in de diepe lagen weg. Men wordt
derhalve zeer afhankelijk van het op den juisten tijd invallen van
do regens.
liet planten van de tabak op horizontaal langs de helling verloo-
pende rijen belet slechts voor een gedeelte het wegvloeien van het
water. Voor de cultuur komt de betrekkelijk dunne bovenlaag
bijna uitsluitend in aanmerking, omdat de plantenwortels spoedig
op dun stecnachtigen ondergrond stuiten; meer dan elders moet hier
dus zorg gedragen worden voor het in standhouden van een goede
structuur van den bovengvond.
diroiidinoiistcr C. Zwartachtige, losse, zeer humusrjjkc vulcanische
zandgrond.
Liet monster is afkomstig van het hooggelegen, vlakke terrein,
dat zich zacht hellend van de bergstreek uitstrekt naar de groote
laagvlakte bij de zee. Uit deze vlakte zijn op vier plaatsen de vol-
gendc monsters genomen C, D, E en ¥. C. is het hoogst gelegen
en op den grootsten afstand van do zee; do cijfers bedragen ± 65
M. voor de hoogte en ongeveer 36 K.M. voor den afstand van het
strand.
Het is een zoor humusrijke, zandige, losse grond, van een bijna
zwarte kleur; de verweering van den zandigen, lossen vulcanischen
bovongrond en een ongestoorde humusvorming van het vroegere
oerbosch hebben tot op groote diepte oen homogene laag doen
ontstaan. Stecncn ontbreken, met uitzondering van enkele zeer
kleine van tufachtige geaardheid; evenzoo is een harde, ondoor-
-ocr page 41-
— 29 —
dringbare ondergrond, afwezig zoodat do fijnste wortels tot groote
diepte in alle richtingen kunnen doordringen. Het is dus zeer losse,
humeuze, op tuinaarde gelijkende grond met eene voor planten als
tabak zeer gunstig structuur. De groote verschillen, die deze grond-
soort vertoont met de moeste andere, zijn bijna alle te vorklaren
door humusgelialtc.
Sedert 1890, in welk jaar tabak zou geplant worden, lag het
land gedurende 8 jaren braak en was met lalang en jong bosch
bedekt.
Door de vlakke ligging groeit de lalang zeer welig en wordt
het jonge bosch voortdurend door lalangbranden bedreigt. Op de
hellingen bij do kleine riviertjes komt de lalang minder voor.
Het jonge bosch en de lalang worden gekapt en verbrand en
daarna do ascli ondergctjankold. Als bemesting wordt kunstmest
gebezigd. Uit later volgende cijfers zal liet duidelijk worden, dat
het de vraag is, of die kunstmest op grond als deze wel noodig is,
met hot oog op de vrij groote hoeveelheid voor de plant gewichtige
voedingsstoffen.
Door het aanzienlijke humusgelialte, de hoogo ligging en de
afwezigheid van een ondoorlaatbaren ondergrond, doen zelfs de
hevigste regens door overmaat van water geen schade. Omge-
kcerd is de watercapaciteit van den grond zoo groot, dat de plant
zelfs bij langdurige droogte voldoende water kan halen uit den
bodem.
Onderstaande cijfers wijken om de reeds genoemde redenen, van
die van bijna alle andere monsters belangrijk af.
Gevonden werd in boven- en ondergrond.
g00rt                             l\'orcusiti\'lt          WatiTca- Plastioi- Fijnaarile
Vol. Gcw. Vaste «tof Lucht pariteit tcit.            proo.
°cw>                            (vol. proc.)
C. Bovcngrond. 2.414 0.931 38.5 61.5 60.8 los, iets 99 3
C. Ondergrond. 2.355 0.983 41.7 58.3 56.4 zandig 97.2
Het spec. gewicht van C, is het geringste van allo monsters, die van
de hoogcr gelegen streken afkomstig zijn; evenals de verschillen in
do overige eigenschappen, hangt ook dit direct samen mot het hooge
humusgelialte.
Om dezelfde reden is ook het glocivcrlies zoor hoog, evenals de
-ocr page 42-
— 30 —
andore hier volgende cijfers voor het water ontwijkende bij 100°
uit de luchtdroge aarde en voor de som van humus en gebonden
water.
Gloeiverlics i.roc         Watcr ontwiJkend Humus geb. water
Uloeivemca proc.          ^ 1000 c proc                    proc
C. Bovengrond.              27.5                    11.2                    16.3
C. Ondergrond.              24.6                    10.5                    14.1
Behalve de kali zijn de voor de plant belangrijke bestanddeelen
in cene vrij aanzienlijke hoeveelheden aanwezig. In den bovengrond
werd gevonden:
Humus Humus Geb.wa- Stikstof Phospor- KaU          Kalk
geb. water                 ter (bcr.) totaal          zuur
(ber.) proc. Proc- proc.          proc.          proc.          P1™\'          Proc-
C. Bovengrond. 16.3 7.6 8.7 0.45 0.36 0.04 0.32
< )ok het absorptie"vermogen van dezen grond voor een ammoniak-
zout is vrij hoog, daar 100 gr. aarde (bovengrond C,) 98.6 mg.
stikstof\' absorbeeren.
Omdat deze grond in zekere mate onafhankelijk is van de
weersgesteldheid en dus do invloed van den bodem op het gewas
zich meer kan doen geldon, is het onderzoek der aldaar gegroeide
tabak van gewicht. Door zware stormen, waarvan deze streek
bijna jaarlijks te lijdon hooft, wordt soms een deel van den oogst
vernield.
Ook zal uit liet onderzoek dor tabak voor den dag moeten komen,
in hoeverre het betrekkelijk geringe kaligehalte van den bodem,
invloed heeft gehad op het gewas.
Uit don aard der zaak komt noch in den bovengrond, noch daar
beneden een zure reactie voor, en zijn schadelijke ijzerverbindingen
ovenzoo afwezig. De plaats, waar hot monster werd genomen,
was met achtjarig bosch bedekt; de goede eigenschappen van
den grond, die samenhangen met de structuur en het humus-
gehalte, worden dus door een dergelijk hosch bewaard en wellicht
nog vermeerderd.
(•roiHlinonster D. Iloode, plastische grond, ontstaan door ver-
weering van de vulcanische aschloag.
Evenals C is dit monster afkomstig van de groote, zacht hellcn-
-ocr page 43-
— 31 —
de vlakte, die zich van de bergatreek naar de laagvlakte bij
de zee uitstrekt. De plaats, waar het monster genomen ia,
ligt ± 28 K.M. van het strand en op een hoogte van ongeveer
26 M.
Het ia een donkerrood gekleurde, plastische grondsoort, die door
verweering van de vulcanische aschlaag is ontstaan. Zandige minc-
raalfragmenten komen er slechts weinig in voor.
De grond was oorspronkelijk met oerboscli bedekt en zal toen
waarschijnlijk de eigenaardige losse structuur en de bruinroodc
kleur vertoond hebben welke men op deze vlakte nog terug vindt
bij enkele gedeelten, waar door herhaalde tabakscultuur en lalang
de eigenschappen nog niet veranderd zijn.
Nu vertoont deze grond groote overeenkomst met de gewone
kleiachtige grondsoorten. Het humusgelialte is in den loop van
den tjjd zeer verminderd, zoodat de bovengrond in vele opzichten
weder aan de dieper gelegen lagen gelijk is geworden.
Boven- en ondergrond vormen een homogene, gelijkmatige laag,
met een zeer groot gehalte aan fijnaarde; de enkele deeltjes, die bjj
et ziften achterbleven, waren conglomeraten van klei, door ijzer-
oxyde aan elkaar gebonden.
Bij herhaling is op dit land tabak geplant geworden gedurende
de laatste jaren was het onbebouwd en met lalang bedekt.
Het land is, voor het opnieuw met tabak zou worden beplant,
geploegd; ter controle van de juiste diepte, waarop moest geploegd
worden, heeft men de lalang te voren verbrand. Met liet oog
op de meer kleiachtige geaardheid van deze grondsoort, moet
door voldoend diepe parits voor eenc goede afwatering worden gc-
zorgd, zoo men geen schade wil ondervinden van liet water dat na
hevige regens blijft staan.
Het terrein is zoo hoog boven de dichtstbij zjjnde rivier gelegen,
dat overatrooming van het land, waar het monater D werd genomen,
niet voor kan komen.
Ala bemesting wordt kunstmest gebezigd.
Uit do volgende cjjfera zal blijken, dat boven- en ondergrond
geen groote verschillen vertoonon.
Er is gevonden:
-ocr page 44-
— 32 —
s._.                                  Porcnsiteit W;itercii- „. ... . .... .
^"I Vol. Gcw. vaste stof lucht paciteit p|;l9<"\'- >\'Jnaw.lc
0oW-
                                (vol. proc.)          proc.         to,t              l,roc-
I). Bovcngrond 2,50G 1,153 40, 54, 39,5 gebonden 99,9
D. Ondergrond 2,5G1 1,217 47,5 52,5 38,2 gebonden 99,1
De watercapaeiteit komt ongeveer overeen mot die van liet monster
A. een dergelijke grondsoort, maar humusrijker. De geringere hoevcel-
lieid humus in I). wordt eeliter vervangen door de grootere hoe-
veelheid Ideiachtige deeltjes, zoodat de watercapaciteit toch ongeveer
dezelfde blijft.
Do plasticiteit is om dezelfde reden grootcr dan van ecnig der
tot dusverre onderzochte monsters.
In bovcn- en ondergrond zjjn evenzoo bepaald liet gloeiverlies,
de hoeveelheid water, die uit luchtdrogc aarde ontwjjkt bij 100° C
en de som van humus gebonden water (door berekening) Zij bedragen
Gloeiverlies Water in Inclihloogo narde Humus gob.water
proe.
                  ontwijkend bij 100" C.                     (br). proc.
D. Bovcngrond 16,5                      7,6                          8,9
1). Ondergrond         17,9                    10,1                          7,8
Deze cijfers vertoonen meer overeenstemming met die gevonden
zjjn in de lager gelegen kleigronden (de monsters G. en IL) dan
met de tot dusverre behandelde van de vorige monsters.
Er blijkt dus ook hieruit, dat door de herhaalde cultuur deze
aanvankelijk losse humusrijke vorweeringsgrond, meer en meer
veranderd is in een gewonen kleigrond, zooals ook vroeger werd
waargenomen door F. Reuter (1) (medegedeeld door van Bemmeeen),
zonder dat het toen mogelijk was, dit met cijfers te staven.
In den bovcngrond zjjn eenige voor de plant gewichtige bcstand-
deelen, bepaald geworden. Behalve het geringe humusgehaltc geven
deze cijfers thans nog geen aanleiding tot een nadere bespreking.
Er werd gevonden:
Humus Gebonden water Stikstof Vbosphorzuur Kali proc. Kalk proc.
proe.
          (br. proc. tot. proe.         proc.
D. Bovcngrond 2,8 6,1          0,18 0,14 0,09 0,28
De hoeveelheid totaal stikstof, die in direeten samenhang staat
met de qualiteit organische stoffen (humus) is geringer dan die der
tot dusverre onderzochte monsters, omdat ook het humusgchalte
van D. het geringst is.
(1) Landw. Versuchtst Bil. 37 18\'H). pag. 397.
-ocr page 45-
— 33 —
Het absorptievermogen voor stikstof\' uit een ammoniakzout oplos-
sing bedraagt minder dan dat van de lager gelegen uit het water
bezonken kleigrondcn, 100 gram bovengrond D. absorbeert 86,6
mg. stikstof.
Daar de bodem zorgvuldig bewerkt was, was eene zure reactie of
de aanwezigheid van schadelijke jjzerzouten niet te verwachten.
Beide bleken dan ook afwezig te zijn, ook de stand van het grond-
water is te laag, dan dat van die zijde nadeel was te vreezen.
Monster E. en F.; oorspronkelijke verwcerings-grond, afkomstig
van hetzelfde vlakke terrein als de beide voorgaande C. en D.
De monsters E. en F. worden tegelijk behandeld, omdat zij door
ligging en afkomst de grootst mogelijke overcenstcmmiug vortooncn.
liet verschil bestaat slechts hierin dat liet eerstgenoemde monster
afkomstig is van een veld, waarop in 1895 tabak was geplant, ter-
wijl het andere op ecu plaats werd genomen, welke eerst in dit jaar
(1896) in cultuur wordt genomen.
Van de monsters uit do vroeger beschreven vlakte afkomstig, lig-
gen E. en l\\ het meest naar de zee; zij zijn er 25 KM. van
verwijderd en liggen ongeveer 20 M. boven zeepcil.
Men kan bij dezen grond zeer duidelijk den nadeeligen invloed
bemerken, die een herhaalde tabakscultuur op den oorspronkelijken
oerboschgrond heeft gehad, wanneer door het onderhouden en den
aanleg van jong bosch niet voorkomen is, dat zich lalanggrond
gevormd heeft.
In plaats van een lossen huinusrjjkcn chocolade-klcurigen ocrbosch-
grond heeft men een roodachtige grondsoort gekregen, die iets gebon-
den is on bij geringen druk los en korrelig uit elkaar valt. Het
gedeelte dat in 1895 in cultuur was geweest, vertoonde door de
voorafgegane bewerking en beplanting eene geringere plasticiteit
dan het nog niet met tabak beplante deel.
De kleur, die aan het oppervlak grijsachtig rood is, gaat in de
diepere lagen over tot een oranjeachtige en later tot een geelach-
tige tint. Deze kleurschakeeringcn hangen samen met het geringer
humusgehalte en met de geringere verandering door vorweering in
de diepere lagen.
Meded. PI. XXI.                                                                       3
-ocr page 46-
— 34 —
Boven zoowel als ondergrond van liet in 1896 te beplanten deel
bestaan geheel uit fijnaarde. In den ondergrond van het in 1895
reeds beplante gedeelte kwam een gehalte van ± 5 °/0 voor aan
grind van tufsteenachtigen aard en van door ijzer aan elkaar gebon-
den verweerings-conglomeraten.
In het najaar 1895 bij de eerste monsterneming, was do tabak
reeds geoogst van het land, waar het monster E. genomen is en
zou het met padi beplant worden. liet veld, waarvan F. afkomstig
is, was op dien tijd met eenig jong bosch bedekt, terwijl de vroeger
zich er tusschen bevindende lalang door tjankollen ondergewerkt
was. Bjj het nemen van monsters in het voorjaar 1896 was van
het eerstgenoemde veld de padi geoogst, zoodat het noch met jong
bosch, noch met lalang bedekt was, en men er slechts de resten
van het stroo van de padi afkomstig aantrof.
liet terrein, waarop in 1896 tabak zou geplant worden (monster F)
was getjankold, nadat de lalang en het jonge bosch gekapt en ver-
brand waren; het land had toen ongeveer 6 jaren braak gelegen.
Bemest wordt met kunstmest, die in vrij groote hoeveelheid bij
het eerste aanaarden, plant voor plant gegeven wordt.
Door de minder gunstige structuur van de diepere lagen is
het maken van parits noodzakelijk om voldoende waterafvoer te
verzeker.
Van het reeds in \'95 met tabak beplante gedeelte is de homoge-
niteit van den ondergrond door de aanwezigheid van eenig grind
minder dan die van den bovengrond. Overigens vertoonen bij het
onderzoek van den boven- en den ondergrond beide monsters E. en
F. weinig van elkaar afwijkende cijfers. Door het verlies van humus
met de daarmede gepaard gaande veranderingen in structuur is de
bovengrond meer gelijk geworden aan den ondergrond; uit de vol-
gende cijfers blijkt zulks.
1\'oreusiteit
Soortelijk Volume volume proe. Waterca- Plasticiteit Fijuaarde
gewicht gewicht vaste stof. lucht pariteit
                             proc.
E. Bovengrond 2,602 1,221 46,9 53,1 37,8 gering 100
E. Ondergrond 2,693 1,189 44,1 55,9 41, gering 95,5
De geringe afwijkingen, die de bovengrond vertoont van den
ondergrond hangen voor oen deel samen met het in korten tijd
tweemaal beplant geweest zijn, eerst met tabak, later met padi;
-ocr page 47-
— 35 —
door de daarmede gepaard gaande bewerkingen worden de eigen-
schappen van de aanvankelijk meer op elkaar gelijkende boven- en
onderlaag eenigszins verschillend.
Door de aanwezigheid van eenig grind in den ondergrond zullen
zich tevens eenige verschillen voordoen in doorlaatbaarheid, enz.
Bij het monster F., afkomstig van een veld, dat behalve eenmaal
getjankold, nog niet bewerkt was, vertoonen boven- en ondergrond
in de verschillende cijfers van zelf moer overeenstemming. Uit het
onderstaande wordt dit duidelijk:
Soortelijk Volume vXST^L ™g*         »** Fï-«*°
gewicht gewicht vastcstof lucht l1»»™11            "»•
F. Bovengrond 2,647 1,256 47,5 52,5 36,6        gering, 100
iets meer
F. Ondergrond 2,679 1,224 45,7 54,3 35,1 dan E. 100
Bovcn- en ondergrond vertoonen dus een groote ovoreensteming.
Van alle monsters, die door afkomst en ligging tot deze rubriek
behooren, hebben E. en F. de geringste watercapaciteit.
Ook uit het scheikundig onderzoek blijkt, dat de verschillen
tusschen E en F klein zijn.
De volgende cijfers zijn gevonden voor boven- en ondergrond
van E en F voor gloeiverlies, enz.
Gloeiverlies
Water ontwijkend
proc.
bij 100 "0.
E.
Bovengrond 24,3
8,1
E.
Ondergrond 24,9
9,8
F.
Bovengrond 23,—
8,3
Humus gebonden
water.
16,3
15,1
14,7
12,8
F. Ondergrond 22,6                        9,8
De cultuur van tabak en de onmiddellijk daarop volgende beplan-
ting met padi hebben van den grond E. het gloeiverlies niet doen
verminderen, in vergelijking met het onbeplant gebleven gedeelte
F. Van te voren was dit wel te verwachten omdat do wortels van de
tabak en van de rijst tot de vorming van humusrijke bostanddeelen
hebben bijdragen en het land nog geen nadeel ondervonden had
van onbebouwd aan regen en zon blootgesteld te zijn.
In den bovengrond zijn eenige der voor de plant gewichtige
bestanddeelen bepaald geworden; er werd gevonden in den boven-
grond van E en F:
-ocr page 48-
- 36 -
,.......           GeÏK)tnlen water Stikstof Posph<»r- v .. .- ,.
Humus              (berekend)             totaal            zuur.          K\'ül Kalk
E.  Bovcngrond 3,3              13,            0,34 0,03 0,02 0,1
F.  Bovengrond 3,4              11,3          0,22 0,04 0,03 0,27
Het bedrag aan chemisch gebonden water is voor het grootste
deel afkomstig van de in de vulcanische aschlaag ontstane verweo-
ringsprodukten.
Vergelijkt men de cijfers van deze beide gronden niet elkander,
zoo is het verschil in het kalkgehalto liet eenige van beteekenis!
de overige zijn ongeveer gelijk.
Aanvankelijk zou men dit niet verwachten, omdat het veld waarvan
E, afkomstig is, destijds met kunstmest bemest werd; deze is echter
zoowel de tabak als de later geplante padi ten goede gekomen en
dus voor een groot deel verdwenen. Neemt men bovendien in aan-
merking, dat het absorptievermogen voor ammoniak bij den grond,
waarvan E. afkomstig is, geringer is dan dat van het monster E, zoo
wordt het geringe verschil tusschen het wel en niet bemeste land
verklaarbaar. De kunstmest heeft zich door het betrekkelijk kleinere
absorptievermogen in eenc grootere diepte verspreid en men vindt
dus minder in den bovengrond terug.
Bij de bepaling van het absorptievermogen voor een ammoniakzout
werd gevonden, dat:
100 gr. bovengrond E. absorbeert 83 mg. stikstof en
100 gr. bovengrond E. „           94 mg. n
In de beide onderzochte monsters kwam noch in den boven-
grond, noch in den ondergrond een zure reactie voor; evenzoo ble-
ken schadelijke, oplosbare ijzerverbindingen afwezig te zijn; door
de geringe plasticiteit en daarmede gepaard gaande losse structuur,
was de luchttoevoer in de meer aan het oppervlak gelegen lagen
voldoende.
Kecds is medegedeeld, dat op het land, waarvan het monster
E. afkomstig is, in 1895 tabak geplant geweest is met minder gun-
stig gevolg. Uit de cijfers van het verrichte onderzoek en uit de
overige gegevens moet dit waarschijnlijk worden toegeschreven aan
de verhouding van dezen grond tegenover het water. Van de tot
dusverre onderzochte monsters is van deze do watercapacitcit het
geringst, terwijl door de hooge ligging van hot land niet te rekenen
-ocr page 49-
— 37 —
valt op watertoevoer uit diepere lagen, omdat daarvoor de grond wa-
tcr8tand te laag is. Bij dezen grond wordt men dus grootendeels
afhandelijk van de weersgesteldheid en kan een langdurige droogte
groot nadeel aan het gewas doen.
Monster G.
De tot dusverre behandelde monsters waren afkomstig van de
bergstreok en van het er aan grenzende zacht hellende terrein, dat
zich voortzet tot de groote laagvlakte, die zich tot de zee uitstrekt.
Zij waren zonder onderscheid gekarakteriseerd door een vrij geringe
plasticiteit en door een donkere meestal roodachtige kleur.
Het grondmonster G., dat thans behandeld wordt en evenzoo het
volgende H. zijn afkomstig uit de laagvlakte, die in den loop der
tijden door het met de rivieren meegevoerde zand en klei gevormd
is geworden.
liet hoogst gelegen gedeelte dezer laagvlakte ligt ongeveer 15 M
boven de zee, om zacht hellend met een verval van iets meer dau 1 :
1000 zich te verliezen in de banken en moerassen langs het strand, liet
monster G ligt ongeveer 12 M boven de zee, en is er 19 K.M.
van verwijderd. Ten opzichte van het omringende terrein ligt de
strook, waar G genomen is, iets lager en iu de nabijheid van een
rivier. Jaarlijks is het blootgesteld aan overstrooming, wanneer door
de hevige regens in de laatste maanden van het jaar deze rivier
buiten hare oevers treedt. Voor het eerst ontmoeten wij hier dus
een ligging van tabaksland, die uit den aard der zaak minder gunstig
te noemen is; reeds vroeger toch werd medegedeeld dat in de hooger
gelegen streken overstroomingen slechts op geringe schaal plaats
hadden en wel alleen van de pamah-grondeu.
Het grondmonster G is gryze klei, gemengd met zandige mineraal-
fragmenten ; door de herhaaldelijke bewerking is de bovenlaag vrij
homogeen, eerst op grootere diepte wordt de afscheiding van do
klei en zandlagen, zooals zij achtereenvolgers bezonken zijn, meer
merkbaar.
De plasticiteit is zeer groot, met water gekneed en gedroogd vormt
de grond een harde massa, die eerst bij grooter druk uit elkaar
valt. Deze grond vertoont dan ook niet de eigenaardige korrelige!
-ocr page 50-
- 38 —
structuur, die den meesten gomengden kleigrondeu uit de laagvlakte
eigen is.
De lage ligging, in verband met de ondoorlaatbaarhcid vooral van
de diepere lagen die niet meer bewerkt worden, maakt de cultuur
wisselvallig.
Toon het monster werd genomen, was het land met lalang bedekt,
en was sedert 1890 of\' 1N91 niet met tabak beplant geweest. Ken
half jaar voor met het planten werd aangevangen, is liet land
gostoomploegd geworden. In den aanvang van 1896 is de grond
nogmaals omgewerkt geworden; daarna is een grootc hoeveelheid
asch van te voren uitgestrooid en ondiep ondergetjankold gewor-
den, terwijl onmiddellijk voor het planten van de bibitsguano even-
zoo werd uitgestrooid en ondiep ondergewerkt.
Zooals uit de volgende cijfers zal blijken, bestaat er tusschen
boven- en ondergrond niet meer die grootc overeenkomst, waardoor
zicli bijna alle tot dusverre behandelde monsters kenmerkten, doch
doet zich de invloed van de wjjze waarop deze gronden gevormd
werden, gevoelen. Vooral bij het gehalte aan fijnaarde komt een
grootere afwijking voor, dan tot nu toe werd geconstateerd; de
bovengrond bestaat nagenoeg geheel uit fijnaarde (99.7°/0) terwijl
bij den ondergrond ruim 6°/0 aan tufaehtig grind achterbleef op de
zeef.
Gevonden werd voor den bovcn-en den ondergrond:
Poreusitoit
Soort. Vol. vol- proc. Waterca- l\'lastici-             Fijaaarde
Gcw.         Oow. vasto ötol\' iuolit paciteit          toit.                    proc.
O. Bovengrond. 2,488 1,153 46,3 53,7 41,5 zeer groot 99,7
G. Ondergrond. 2,606 1,232 47,3 52,7 35,6 zeer groot 93,8
Aangezien het humusgcgalte gering is, hangt de watercapacitcit
hoofdzakelijk af van het gehalte aan klei; uit het onderzoek van
een monster kleigrond in de nabijheid van de plaats, waar G genomen
werd, is gevonden voor het proc. gehalte aan klei en voor do
watercapacitcit in boven- en ondergrond:
Kleideeltjus proc.                      Watorcapacitoit
Klei bovengrond            55,2°/0                        35,5
„ ondergrond             61,8°/0                          47.
waaruit de samenhang duidelijk voor den dag komt.
-ocr page 51-
— 39 -
Ook uit het onderzoek van het gloeiverlies, enz. bljjken de groo-
tere verschillen tusschen boven* en ondergrond vim het monster G.
Gloeiverlies           Water ontwijkend Humus -j_ gebonden
proc.                          bij 100 0.                       water
G. Bovengrond                    15,3                   5,5                 9,8
G. Ondergrond                   14,1                    9,4                 4,7
De cijfers, die het gehalte aangeven van enkele voor do plant
gewichtige voedingsstoffen, geven geen aanleiding tot ecne nadere
bespreking.
Humus Gebonden Stikstof Phosphorzuur Kali            Kalk
proe.         water (ber.) totaal            proe.                proc.           proe.
proc.           proc.
G. Bovengrond 2,8          7, 0,16 0,06 0,06 0,22
liet absorptic-vermogen van dezen grond voor een ammoniakzout
is vrij groot, hetgeen in directen samenhang staat mot de groote
hoeveelheid kleideeltjes; 100 gram aarde G. absorbeeren 108,4 mg.
stikstof, een cijfer dat door geen der tot dusverre behandelde mon-
sters bereikt is geworden.
Van hetzelfde monster kleigrond, waarvan boven het pvoc. ge-
halte aan kleideeltjes werd opgegeven, is ook het gehalte aan in
koolzuur houdend water oplosbare kalk bepaald geworden. Van
veel gewicht is dit echter voor de hier voorkomende kleigronden
niet, omdat ook het gehalte aan in minerale zuren oplosbare kalk
zeer gering is in vcrgcljjking met wat elders wordt gevonden,
liet gehalte aan kalk, oplosbaar in CO- houdend water bedroeg in
boven zoowel als in ondergrond 0.012%, in Holland zoude men
deze grond dus tot de zeer stijve kleigronden rekenen. Toch
brengt volgens mededeeling deze grondsoort bij gunstig weder een
zeer voldoend gewas aan tabak op.
Niettegenstaande de lage ligging van het land kwam in de onder-
zochte monsters boven- en ondergrond geone zure reactie voor en
bleken schadelijke, oplosbare ijzerverbindingen afwezig te zijn.
Veel regen kan bij deze grondsoort schaden omdat de waterafvoer
door de lage ligging ten opzichte van het omringend terrein zeer
bemoeilijkt wordt; daarbij moet gevoegd worden het nadeel uit de
groote plasticiteit voortvloeiende, waarvan een groote ondoorlaat-
baarheid het gevolg is.
-ocr page 52-
— 40 —
Monster II. Gemengde lichtgrijze kleigrond.
Het grondmonster U. belioort tot dezelfde grondsoort als G. het is
lichtgrijs gekleurde, gemengde klei; de plaats, waar de monsterneming
geschiedde is, ligt ongeveer 1U K. M. van het strand en ± G M. boven
de zee. Bij lioogen waterstand van de rivieren is het door zijn lage
ligging aan overstrooming blootgesteld. Het monster bevat meer
zandaclitige mineraalfragmenten dan liet vorige, omdat het land in do
diepere lagen overgaat in een meer uitsluitend uit zand bestaande
grondsoort.
De plasticiteit is zeer groot, na bevochtiging met water en weder
gedroogd te zijn vormt liet een harde, samenhangende massa, die
het water moeielijk doorlaat. Op het veld zelf treedt de korrelige
structuur op den achtergrond, doch vertoont het land bij langdurige
droogte diepe scheuren.
De lage ligging en de moeieljjkheid om het land voldoende droog
te houden, verder de ondoorlaatbaarheid van sommige gedeelten
en liet voortdurend gevaar voor overstrooining, maken de cultuur
op dit terrein zeer wisselvallig.
Het land wordt gcstoomplocgd, evenals bijna al het land de in
laagvlakte, wordt het, nadat de tabak geoogst is, snel met lalang
bedekt.
Uit onderstaande cijfers is nog slechts in geringe mate de invloed
waar te nemen van den meer en meer toenemonden rijkdom aan
zandaclitige mincraalfragmenton in de diepere lagen; het soort-
gelijk gewicht en de watercapaciteit zijn hiervoor het sterkst
sprekend.
Porcusituit. Wiitorcii- Plwti- Pgnaards-
Suurt. Gewicht Vul. Oi-w. vol. proc.
           pacituit.         cituit.          proc.
vasto ntt>f. lucht.
H Bovengrond 2.4C7 1.14 4G.2 53.8 40.3 , zeer 100
II Ondergrond 2.581 1.143 44.3 55.7 38.3 | groot 100
Destijds is in een monster grond, dat in de nabijheid van de
plaats, waar H gelegen is, werd genomen, do hoeveelheid klei
bepaald geworden; deze bedroeg in den bovengrond 4G,1 proc. in
den ondergrond 41.3 proc; uit welke cijfers bljjkt, dat de grond
in den omtrek van H weder minder klei bevat, dan het vorige
monster G, dat verder van do zee is verwijderd, en tevens dat op
-ocr page 53-
— 41 —
deze plaats hot kleigeli.ilte minder wordt, naarmate men in dieper
gelegen lagen komt. Voor het gloei verlies, do hoeveelheid water,
die uit de luchtdroge aarde ontwijkt bij 100° C en voor de som van
humus en gebonden water is gevonden:
Gloeiverlies. Water inluohtdroeo Humus - geb.
aarde ontwijkend bij
               water.
lim " C.
II Bovengrond.                    20.7                1Ö.2                  10.5
II Ondergrond.                    20.9                12.8                    8.1
In den bovengrond alleen, is het gehalte bepaald  geworden van
eenige voor de plant gewichtige bestanddcclen.
Humus Gebonden Stikstof Pbospor-           Kali           Kalk
proc.           water          totaal             zuur              proe.           proc.
proc.           proc.              proc.
II Bovengrond. 3.6 6.9 0.21 0.15 0.13 0.56
Koolzure kalk bleek ook in dit monster afwezig te zijn; het hoogc
kalkgelialte in II — het is het hoogste van alle oiulerzoclito monsters
— moet waarsebjjnlijk hieraan worden toegeschreven, dat in de
streken het dichtst bij de zee gelegen de kalkhoudende mineralen
ook het meest verweerd zijn, zoodat er door een verdund mineraal-
zuur ook het meeste wordt opgelost. Ook de samenhang tusschen
het totaal gehalte aan stikstof en do boeveelheid humus komt bij
vergelijking van de uitkomsten dezer bepalingen voor G en II voor
den dag.
De hoeveelheden jdiosphorzuur en ]caü zijn aanzienlijk hooger dan
die in het vorige monster zijn gevonden.
Het absorptievermogen van dezen grond voor een ammoniakzout
is cvenzoo, in vergelijking met wat hieromtrent voor alle andere
monsters gevonden werd, buitengewoon groot: 100 gram aarde II
absorbeert 146.9 mg. stikstof, een hoeveelheid, die door geen der
overige monsters wordt overtroffen.
De groofce hoeveelheid klei met veel eolloïd-silicaat bljjkens het
gebonden water, en de hoeveelheid humus die hooger is dan van het
vorige monster, geven er de verklaring van.
Niettegenstaande de lage ligging werden noch in den bovengrond,
noch in den ondergrond een zure reactie noch schadelijke ijzerver-
bindingen gevonden.
-ocr page 54-
— 42
LANDSCHAP LANGKAT.
Groiiduioiister I. Pamahgrond.
Van do vijf uit het landschap Langkat onderzochte grondmonsters,
belioorcn er vier I, K, L en M tot de voor dit landschap karakte-
ristieke formatie, zie Teysniannia dl. VII, ah\\ 8, pag. 32, liet vijfde
behoort door zijne ligging meer tot de Deli\'sche grondsoorten.
liet monster I is afkomstig van een nog maagdeljjken boschgrond,
waarop in dit jaar (1896) voor de eerste maal tabak wordt geplant.
Het terrein is vlakke lage grond aan den voet van heuvels, die het
aan twee zijden begrenzen, en waarvan het door rivieren gescheiden
is, do beide andere zijden van liet terrein zijn evenzoo door rivieren
begrensd, zoodat het een eiland vormt.
De plaats, waar het monster genomen werd, ligt op een afstand
van ± 43 K.M. van de zee en ongeveer 15 M. erboven; opmerking
verdient, dat op dezen afstand van liet strand, in liet landschap Deli
de hoogte reeds minstens 40 M. bedraagt. Uiterlijk biedt de
grondsoort een geheel ander voorkomen, dan de tot dusverre bchan-
deldc, zij is zandig, van een gele kleur en vertoont in den boven-
grond alleen in de geheel aan het oppervlak gelegen laag over
eenige cM. dikte een meer donkere kleur, tengevolge van planten-
vesten, die tot humusvorming zijn overgegaan. Ook vertoont de
bovcugrond een zeer geringe plasticiteit. Overigens is de grond tot
een groote diepte zeer homogeen. Plaatselijk komen strooken voor,
waar vroeger het bed was, van oude waterloopcn, dio zeer rijk zijn
aan grind. Ook dit grind, dat van een oudere formatie is dan het
in Deli voorkomende, wijst op een andere afkomst.
Wegens de lage ligging van het terrein in de nabijlieid van de rivie-
ren, heeft men hot door dijken tegen overstrooming moeten beschermen;
voordeze aangelegd waren en ook daarna bij zeer hoogen waterstand
het najaar, loopt het terrein onder water. Bij deze gelegenheid
in wordt door het water telkens conig slib achtergelaten, hetgeen ten-
gevolge heeft gehad, dat liet zandgehalte in den bovengrond gerin-
ger is dan dat van den ondergrond. Volgens onderzoek met het
slibtoestel Schóne-iTaijer bedraagt het gehalte aan zand, dat bij 2
cM. piezometer druk achterblijft, wanneer 0,1 L. water per minuut
-ocr page 55-
— 43 —
bij 5 cM. piëzometer druk door do toestel stroomt, voor bovcn-
cn ondergrond het volgende:
Zand (mineraalfragmenten proc.)
I Bovengrond                      59,7
I Ondergrond                      70,5
Het water, dat bij regen of na overstroomingcn zich op liet land
bevindt, kan dus snel in den ondergrond wegzinken.
Het terrein was met oerbosch bedekt; nadat de boomen, waar-
van er vele zeer kostbare houtsoorten leveren, geveld en gedroogd,
waren zijn zij met uitzondering van enkele, die voor technische
doeleinden gebezigd werden, verbrand geworden. De asch is ge-
lijkmatig verspreid en ondergewerkt geworden. Niettegenstaande
de zeer welige plantengroei, gedurende een reeks van jaren bleek de
huiuusvorining uiterst gering te zijn. llecds vroeger is er op gewe-
zen, waaraan dit feit waarschijnlijk moet worden toegeschreven, uaine-
lijk hieraan, dat de omzetting der plantenresten niet ophoudt wanneer
tot humus is gevormd, docli dat de humus door de ruime luchttoevoer,
ook nog verder geheel wordt omgezet, op de wijze als stalmest in
een lossen zandgrond.
Voor dat met het tabakplauten werd aangevangen zijn de velden
schoongemaakt en getjaukold geworden. Bemesting met kunstmest
vindt niet plaats.
Bjj de hier volgende cijfers komen de verschillen met de üeli-
grondeu niet sprekend voor den dag, wel blijkt uit de watercapa-
citcit in don boven- en in den ondergrond, dat deze geheel in over-
eerstemming is met het grootere zandgehalte van den ondergrond.
Bovendien blijkt ook, dat de plasticiteit in den bovengrond groo-
ter is dan in de dieper gelegen lagen, evenzoo om boven genoemden
reden.
Poroaritfrit
Soort. Gew. Vol. gew. Vol. proc w;iUircni>u-          Pliutiui- Fijiiiiardo
VilStoStcf lucllt        rilril                       tril                 piOO.
I Hovongrond 2.6G6 1.263 47.4 52.G 39.2 (fijn los zan.lllOU.
I Ondergrond 2.694 1.344 50. 50. 35. | gering jlOO.
De groote verschillen met de Deli gronden komen beter aan den
dag uit de cjjfers voor het gloeiverlies, voor de hoeveelheid water
in de luchtdroge aarde en uit de som van humus en gebonden water.
-ocr page 56-
— 44 —
Zij bedragen:
Cloeiverlics            Water in luehtdogo         Humus gcb. wator
proc.                 aarde ontwijkend bij                   proe.
100" [ii-oo.
I Bovcngrond.                  6.8                     2.6                        4.2
I Ondergrond.                  4.—                   2.                          2.—
Docli ook liet gebonden water is gering in vergelijking met wat hier-
voor in de Deli gronden werd gevonden. De groote rij kdom aan zand-
achtige nog niet verweerde mineraalfragmenten is hiervan de oorzaak.
Over het geringe bedrag aan humus werd reeds vroeger een opmerking
gemaakt. De hoeveelheid der andere voor de plant gewichtige stoften
geelt geen aanleiding tot eene bijzondere bespreking.
Gevonden werd:
Humus Gebonden         Stikstof totaal 1\'liosphorzuur kali kalk
proe.            water                   proe.                     proc             proc proc.
proc.
I Bovongrond. 1,7          2.5             0.13              0,1         0,12 0,24
Koolzure kalk is in den grond niet aanwezig; met het oog op de
groote bewegelijkheid van dit bestanddeel wordt hetgeen ervan door
verweering van kalkhoudende mineralen gevormd werd, met het
water in den ondergrond weggespoeld.
Dat aan gronden van een zandige geaardheid een gering absorptie
vermogen voor een ammoniakzont eigen is, werd ook hier bevestigd,
het kleine bedrag aan humus kon hierin geene verandering brengen.
100 gram bovcngrond I absorbeeren 72 mg. stikstof, een hoeveelheid
geringer dan door alle uit Deli afkomstige monsters wordt vastge-
houden, met uitzondering van het eveneens aandachtige grondmon-
stcr IJ, afkomstig van de helling van een uit een tufsteenachtige
massa bestaande heuvel.
Door een voldoende hooge ligging boven den grondwaterstand en
door de groote doorlaatbaarheid, doen noch overvloedige regens
noch het water dat jaarlijks eenigen tijd op het land blijft staan
na een overstrooming, schade. De lucht kan ruimschoots toetreden
om de vorming van zuur reagoereude humusachtige bestanddeelen
of van schadelijke ijzerverbindingen tegen te gaan.
(•rniiilinniishT J. lloode, iets plastische, humusrijkc verwecrings-
grond op de vulcauische asch- en zandlaag.
-ocr page 57-
— 45 —
Ofschoon de onderneming, waar het grondmonster J genomen werd
tot het sultanaat Langkat behoort, moet liet grondmonster gerekend
worden tot dezelfde categorie als die van de in de nabijheid gelegen
Deli-gronden.
Uit de meeste cijfers, die door het onderzoek voor den dag zijn
gekomen, zal dit duidelijk blijken, wanneer men ze vcrgeljjkt èn mot
hetgeen voor de andere uit Langkat afkomstige monsters werd
gevonden, èn met de cijfers, die het onderzoek der Deli-monsters
opleverde.
De plaats, waar liet monster werd genomen, ligt ± 37 K.M. van
de zee, de hoogte is 25 M.
De plasticiteit van den grond is gering, bij geringen druk valt de
gedroogde grond los en korrelig uit elkaar; in den ondergrond bestaat
ecnigc grootere samenhang tusschen de deeltjes.
Boven- en ondergrond vormen een zeer homogene laag; het
gehalte aan fjjnaarde is voor beide nagenoeg hetzelfde, het bedraagt
respectievelijk 09.o\' "/,, en 99.7"/,,. liet bij liet ziften achtergebleven
gedeelte bestaat in hoofdzaak uit aan elkaar gebonden verwee-
ringsprodukten, waarbij jjzerhydroxydo het bindmiddel is geweest.
De hoogte boven den dichtstbij zijnde rivier is zoodanig, dat van
ovorstrooming geen sprake is.
De bewerking, die het land ondergaat, voordat het met tabak
wordt beplant, is de volgende; hot jonge bosch en de lalang, waar-
mede het terrein aanvankelijk bedekt is, worden gekapt en verbrand ;
bjj het omwerken van den bodem wordt de asch mede ondcrgetjankold;
later wordt het omtjankollon herhaald. Behalve de asch wordt ook
kunstmest aan de tabak gegeven.
Bij het onderzoek van dit monster blijkt o.a. ook de vrjj grootc
watercapaciteit, die zoowel door het gehalte aan humus wordt vcr-
oorzaakt als ook door de samenhang van deze grondsoort met de
er aan grenzende in het landschap Dcli. Hier toch vertoonen de
roode en andere donker gekleurde gronden, zooals uit het onderzoek
der betreffende monsters is voor den dag gekomen, door hun cigen-
aaardige structuur, in het algemeen een vrij hoogo watercapaciteit.
Voor het soortelijk gewicht enz. zijn do volgende waarden
gevonden:
-ocr page 58-
— 46 —
Porcusitcit Watcrca- Plasticiteit Fijnaarde
Soort-gew. Vol.-gew. vaste stof luclit paciteit.
                             proc.
vol.         proc.
J Bovengrond 2.474 1.125 45.5 54.5 44.8 eeiiae 99.6
iets meer
J Ondergrond 2.554 1.125 44 56 38.5 gebonden. 99.7
De waarden, die voor het gloeiverlies, het water, bevat in do
luchtdroge aarde en voor de som van humus en gebonden water
zijn gevonden, vertoonen cvenzoo meer overeenstemming met de
voor de Deli gronden gevonden cijfers dan met die der andere uit
Langkat onderzochte monsters.
Zij zijn do volgende:
Gloeiverlies Water in luchtdroge aarde              Humus geb water
proc.                ontwijkend bij 100 e                         proc. (her.)
proc.
J. Bovengrond 20.4                 8.9                            115
J. Ondergrond 18.9                10.2                              86
Voor de overige uit Langkat afkomstige monsters, die in hoofd-
zaak ook uit de gele grondsoort van meer zandigen aard bestaan,
zijn deze cijfers kleiner.
Van de voor do plant gewichtige bestanddcelen zjjn de volgende
hoeveelheden gevonden:
Humus Oeliondcn water Stikstof Pliosphorzuur Kali Kalk
proc.
          (ber.) proc.         totaal              proc.            proc. proc.
proc.
J. Bovengrond 4.1          7.4         0.25        0.08 0.14 0.21
De hoeveelheid totaal- stikstof vertoont bij vergelijking mot de
hoeveelheid organische stoffen (humus) ongeveer een verhouding,
zooals die ook in de Deli\'sche monsters werd aangetroffen.
De overige bestanddcelen geven voorloopig geen aanleiding tot
eene nadere bespreking.
Het hooge humus-gehalte, gevoegd bij do afkomst uit een ver-
weerde vulcanische asch- en zandlaag maakt, dat het absorptievermogen
voor een ammoniakzout vrij hoog is, 100 gr. aarde bovengrond
absorbeeren 101.3 mg. stikstof. Dit monster behoort tot de weinige,
waarin een zure reactie werd gevonden; deze kwam alleen voor
in den ondergrond, en bleek niet afkomstig te zijn van kool-
dioxyde.
Omdat het land, toen het monster werd genomen, langen tijd
onbewerkt had gelegen, en dus do ondergrond minder gelegen-
heid had met lucht in aanraking te komen, is het zeer waarschijn-
-ocr page 59-
— 47 —
lijk, dat door de bewerking en door het maken van voldoende parits
deze zure reactie zeer snel zal verdwijnen; de stand van het grond-
water is bovendien zoo laag, dat van die zijde niet de minste vrees
behoeft te bestan.
Grondmoiistcr K. Pamahgrond, zandig en weinig gebonden;
kleur helgeel.
liet grondmonstcr E vertoont in bijna alle opzichten een groote
overeenkomst met het monster I. Het is evenals dit laatste afkomstig
van een door riviertakken ingesloten terrein ; dit eiland is aan eenc
zijde door een heuvelreeks begrensd, waarvan het door de rivier ge-
scheiden is. Op het gedeelte van het terrein, dat het meest stroom-
opwaarts ligt, is de grond het meest zandig; op de andere plaatsen
wordt de bodem iets gebonden, door het gemengd zijn van het zand
met meer kleideeltjes. Men moet aannemen, dat deze meerdere klei
zoowel afkomstig is van den bovengrond van het zandige hoogere
deel van het eiland, waar het door de rivier bij overstoomingen van
is weggespoeld, als van het bezinken van de klei, die door de rivier
van hooger gelegen streken meegevoerd is.
De plaats, waar het monster is genomen, ligt ± 35 K.M. van de
zee, de hoogte is gering in vergelijking met wat bij Deligronden
gevonden is op dezen afstand van het strand; zij bedraagt 12 M.
Do grondsoort is hoofdzakelijk een fijn, geelachtig zand, dat een zeer
doorlaatbaren bodem vormt. Het is door de rivieren van de gele heu-
vels, die in Langkat voorkomen, meegevoerd en meer of minder met
klei gemengd. Grind of andere grove deelen komen niet voor; zoo-
wel boven- als ondergrond bestaan voor 100 proc. uit fijnaarde.
Vóórdat het terrein voor de tabakscultuur in gebruik is
genomen, was het met oerbosch bedekt; waarschijnlijk om de-
zelfde redenen als reeds bij het monster I zijn vermeld, bevat
ook dit monster desniettegenstaande slechts een gering bedrag
aan humus bestanddeclen. Door de betrekkelijk lage ligging
ten opzichte dor rivieren, is het land aan overstrooming bloot-
gesteld. Ten einde te voorkomen, dat dit zou geschieden, tijdens de
tabak te volde staat of tijdens de bewerking van den grond, is het
eiland mot een dijk omgeven; het wordt nu alleen overstroomd bij do
-ocr page 60-
— 48 —
zeer hoogc waterstanden van de rivier in den regentijd. Veel schade
ondervindt de grond hier niet van, omdat hij door de losse, zandige
structuur zeer spoedig liet overtollige water kwijtraakt.
In bovon-noch ondergrond kwam een zure reactie voor; ook schade-
lijke jjzerverbindiugen bleken afwezig te zijn.
Het oerboscli, waarmede liet eiland aanvankelijk was bedekt, is
gekapt en voor bet grootste deel verbrand; de asch is gelijkmatig
over het land verspreid en ondiep ondergewerkt. Tot een belang-
rjjkc humusvorniing heeft dit oerboscli niet bijgedragen, omdat de
organische plantenresten telkens bij iedere overstrooming bedekt wor-
den met een laagje zand, en daardoor in zoodanige omstandigheden
kwamen, dat de omzetting ongeveer gelijken tred biclil met den aanwas.
In dit omdijkte terrein is een hoofd af\'vocrparit 0111 bij hevige regens
of overstrooming het water een uitweg te geven. De velden zelf hebben
door hun zandige, doorlaatbare geaardheid, geen bijzondere voorzic-
ning noodig.
Nadat liet bosch gekapt was en het land aau zich zelf overgelaten
werd, is lalang in mindere hoeveelheid opgekomen dan andere in
het wild groeiende gewassen.
Bemesting vindt slechts plaats op velden, die nagenoeg uitsluitend
uit zand bestaan.
De thans volgende cijfers wijzen op een grootere overeenkomst
met het monster I.
Poreusiteit
Soort Gewicht Vol. Gow. Vaste stof lucht Watcrc.i]>.i- Fijmianlo
vol. proc.                    citeit             proc.
K. Bovcngrond 2.59S 1.223 47.1 52.9 41.8 100
K. Ondergrond 2.686 1.308 48.7 51.3 36.9 100
Ook uit de onderstaande gegevens bljjkt deze groote overeenkomst.
Glooiverlies                Water ontwijkend bij 100"               Humus - - geb.
proc.                     uit luehtdroge aarde proc.                   water proc.
K. Bovcngrond 7.6                            3.                              4.6
K. Ondergrond 4.9                            2.4                            2.5
Het onderzoek naar do hoeveelheid van eenige voor de plant
belangrjjkc bcstanddeelen, heeft het volgende resultaat gehad:
Humus geb. water Stikstot Fhosphorzutir Kali Kalk
proc. (her.) proc. tot. proc.
            proc.             proc. proc.
K Bovengrond.            1.7         2.9          0.1          0 07 0.25 0.13
Bovenstaande cijfers geven tot de volgende opmerkingen aanleiding;
-ocr page 61-
— 49 —
het humusgehalte is in vergelijking met hetgeen elders werd gevonden
gering, niettegenstaande de bovengrond van oerboschgrond afkomstig
is; waarschijnlijk hebben de omzettingen in dezen zandigen bodem
zoo\'n snel verloop dat de aangroei niet opweegt tegen het verlies.
Hiertoe wordt bijgedragen door het laagje zand dat van vroegere
overstroomingen achterblijft, waardoor de organische resten in zeer
gunstige omstandigheden kwamen om omgezet te worden. De ge-
ringe hoeveelheid kleiachtige deeltjes, en het gering bedrag aan
humus liet reeds van te voren geen groot bedrag aan gebonden
water verwachten. De omzettingen geschieden ook voor stikstof-
houdende bestandeelen zoo snel, dat op een grootere voorraad niet
kan gerekend worden.
De gehalten aan phosphorzuur, kali en kalk geven voorloopig tot
geen opmerkingen aanleiding.
Het absorptievermogen van den bodem voor stikstof uit een ammo-
niakzout is, zooals bij alle zandachtige gronden te verwachten is,
minder dan dat bjj liumusrijke of kleiachtige gronden het geval is.
100 gr. aarde bovengrond K absorbeeren dan ook slechts 66,3 mg.
stikstof.
Indien door de indijking de herhaaldelijke toevoer van zand
verminderd wordt, zal de bodem meer tot rust komen en een
meer blijvende humusvorming wellicht er het gevolg van zijn.
tiroiidinonster L. Gele heuvelgrond, waarvan de eigenschappen
gewijzigd zijn door zijn ligging in de paja.
Het grondraonster L. is afkomstig van een geisoleerd voorkomend
heuveltje in een laag gelegen pajagrond, die onmiddellijk aan de
gele heuvels grenst. Door de geringe afmetingen van dit heuveltje
zijn de eigenschappen van den gelen grond eenigzins gewijzigd door
het vermengd zijn met de kleideeltjes van de paja. De gele heu-
velgrond is voor vele gewassen minder geschikt, ook voor tabak,
hetgeen de reden is, dat van dezen grond een monster is genomen om
later de daarop gegroeide tabak te onderzoeken. Op de grootere
gele heuvels was het in 1896 niet mogelijk tabak te planten, zoo-
dat daarom van dit gedeelte gebruik moest worden gemaakt.
De plaats, waar het monster werd genomen, ligt ± 32 K. M.
Meded. PI. XXI.                                                                        4
-ocr page 62-
— 50 —
van de zee op een hoogte van ongeveer 12 M. Aangezien dit ge-
deeltc aanvankelijk niet beplant zou worden, was het niet vooraf
bewerkt geworden; hoofdzakelijk hieraan zal het moeten worden
toegeschreven, dat bovcn- zoowel als ondergrond een sterk zure
reactie vertoonden, en dat in beide schadelijke fcrroverbindingen
voorkwamen. In den onmiddellijk er naast gelegen pajagrond, die
bewerkt was, kwam in den bovengrond een zeer zwakke zure reactie
voor, in den ondergrond echter was deze zeer sterk. Er zou echter
nog een geruime tij il moeten verloopen voor met het planten van
tabak zou worden aangevangen, zoodat er gelegenheid was door
inwerking van de lucht deze schadelijke eigenschappen te doen
veranderen.
Van het monster L. was de ondergrond hard en ondoorlaatbaar en
de plasticiteit voor boven- en ondergrond zeer groot door het gemengd
zijn met kleideeltjes.
De fjjnaarde bedraagt in bovcn- zoowel als in ondergrond l()0°/o.
Uit onderstaande cijfers volgt eenigszins de overeenstemming
tusschen dezen grond en de pamah K., alleen met wijziging der
eigenschappen, die van een grooter kleigehalte afhangen.
Porcusiteit.
S]k.\'C. (,\'i\'W. Vol gcw. Vaste stof lucht Wiitcrc»pa- Plasti- Kijnaurdc
vol. proe.
            citcit eitcit.         proc.
L. Bovengrond 2.598 1.166 44.9 55.1 40.7 j zeer 100
L. Ondergrond 2.642 1.157 43.8 56.2 44.8 (groot 100
Aangezien de bovengrond door het wegspoelen van de fijnere
deeltjes het meest gelijkt op den pamahgrond, komt het grootere
verschil van dezen grond met de pamah het best uit in den onder-
grond, waar de eigenschappen van een paja of een kleigrond meer
voor den dag komen, zooals uit de cjjfers blijkt.
Ook uit de volgende opgaven blijkt de overeenstemming met den
gelen grond van K. zooals die door eene meerdere hoeveelheid klei
gewijzigd wordt, vooral in den ondergrond;
„.          ..             Water ondi rwijkend          Humus - -
Ulociverlies         ^ 1()()U uU lu(.htdroge        Beb. Wllter
P                          narde proc.                   (bar.) proc.
L. Bovengrond 12,1                  4,9                    7,2
L. Ondergrond 14,4                  5,4                    9,—
-ocr page 63-
— 51 —
Uit liet scheikundig onderzoek blijkt, dat in vergeljjking met
de andere grondsoorten de meeste plantenvoedende stoffen slechts
in een zeer kleine hoeveelheid voorkomen. Het totaal bedrag aan
stikstof maakt hierop een uitzondering, hoewel het tocli nog gering
is in vergelijking met de hoeveelheid die op weinige meters af-
stand van deze plek in den grond werd gevonden.
De hoeveelheid organische stoffen zijn waarschijnlijk te danken
aan de paja-achtige grondsoort, waarmede het gemengd is;
De volgende cijfers zijn gevonden:
Flumna Oeb. water Stikstof Phosphorzuur Kali Kalk
Proc.
          proc. (bor.) tot proc.             proc.              proc. proc.
L. Bovengrond 3.1          4.1           0.19         0.02 0.04 0.02
Het absorptievermogen voor stikstof is natuurlijk zeer groot, om-
dat de grond met kleiachtige deeltjes gemengd is.
100 gram bovengrond L. absorbeert 132,8 mg. stikstof uit een
ammoniakzout-oplossing. Hieraan moet waarschijnlijk ook worden
toegeschreven, dat nog 0.19 proc. stikstof werd gevonden, ten eerste
omdat het absorptievermogen groot is van dezen grond voor stikstof
en ten tweede, omdat omzettingen, die het verlies van stikstof ten
gevolge hebben (bacteriënwerking) in dit zuur reagcerend medium
niet of langzaam plaats kunnen vinden.
Dat een dergelijke grond niet voor tabak geschikt is, wordt door
de volgende omstandigheden veroorzaakt:
De bodem is hard en ondoorlaatbaar, de plasticiteit zeer groot, de
zure reactie en de aanwezigheid van schadelijke ferro-verbindingen
wordt veroorzaakt door de moeiel ijkheid, die de lucht ondervindt
in de dieper gelegen lagen door te dringen en de schadelijke ver-
bindingen door omzetting te doen verdwijnen. Met het oog op de
ongunstige structuur is het voor de meeste planten nagenoeg on-
doenlijk een groot en diep wortelnet te vormen, zoodat ook in de
bovenlaag weinig plantenvoedende bestanddeelen door vroegere ge-
wassen zijn verzameld en achtergelaten.
Groiulmonstcr M. Pajagrond met klei gemengd
Het grondmonstcr M. is genomen in do onmiddellijke nabijheid
van de plaats, waar L. zich bovond. Men mag dus aannemen, dat
-ocr page 64-
— 52 —
de afstand van de zee evenzoo ongeveer 32 K. M. bedraagt, terwijl
de hoogte ±12 M. is. Het is een pajagrond, gemengd met geel-
achtige klei; deze kleideeltjes zijn door de rivieren van de hooger
gelegen streken meegenomen en zijn, nadat de rivier buiten het
heuvelachtig terrein de vlakte is binnengetreden, aldaar bezonken.
Buiten het eigenlijke bed van de rivier bestond in het lager ge-
legen en telkens overstroomde gedeelte, voldoende gelegenheid tot
pajavorming. Niettegenstaande een groot gedeelte dezer grondsoort
uit dichte klei bestaat, heeft de aanwezigheid van de organische
resten, waarmede zij innig was gemengd, gemaakt dat de plasti-
citoit gering is, zoodat deze grondsoort na met water gekneed en
gedroogd te zijn, reeds bjj geringen druk los uit elkaar valt.
De hoeveelheid fijnaarde bedraagt voor boven — zoowel als voor
ondergrond 100 proc.
Zooala alle pajagronden, verkeerde ook de plaats waar het mon-
ster genomen was, vroeger het grootste deel van het jaar in een
zeer vochtigen, drassigen toestand; reeds geruimen tijd te voren
moest door het maken van een zeer uitgebreid stelsel van kanalen
en goten de grond droog gemaakt worden. Nadat de grondwater-
stand tot een voldoende diepte was gedaald, is het bosch gekapt
en na droging verbrand. De asch is ondiep ondergewerkt, na
gelijkmatig te zijn uitgestrooid. Toen in liet voorjaar 1S9G het
monster werd genomen, dat thans behandeld wordt, was de reactie
in den bovengrond zeer zwak zuur, in den ondergrond duidelijk
zuur; dezelfde verhouding vertoonde zich ten opzichte der hoeveel-
heden schadelijke jjzerverbindingen, die aanwezig waren. Met het
oog op de vochtige periode, die gedurende de aan dit tijdstip
voorafgaande maanden hier geheerscht had, mag verwacht worden
dat in het volgende meer droge tijdvak, waarin de tabakscultuur
valt, deze schadelijke eigenschappen geheel zullen verdwenen zijn.
Bij hot onderzoek van dit monster zijn cijfers voor den dag ge-
komen, die het meest afwijken van de tot dusverre gevondene. De
groote hoeveelheid organische resten, die in dezen bodem voorko-
men, geeft bijna uitsluitend hiervoor de verklaring. Om deze reden
vertoont dit monster in vele opzichten dergelijke afwijkingen met
de andore monsters, als reeds bij het zeer humusrijko grondmon-
-ocr page 65-
— 53 —
ster C. werden geconstateerd. Dat in het thans beproken monster
de afwijkingen nog grooter zijn, wordt veroorzaakt door het feit,
dat behalve een grooter gehalte aan plantenresten ook klei en geen
mineraalfragmenten als bij C. tot den opbouw van den grond heb-
ben bij gedragen.
De groote hoeveelheid plantenresten heeft op alle onderstaande
gegevens een aanmerkelijken invloed gehad, zooals uit de volgende
cijfers blijkt.
PoreUBiteit Waterca- Plasti- Fijn-
Spec. t;uw. Vol. gew. Vastestof lucht paciteit          citeit          aarde
vol. proc.                                                proc.
M Bovengrond 2.396 0.859 35.9 64.1 59.2 iets ge- 100
M Ondergrond 2.284 0.794 34.8 65.2 70.7 bonden 100
Van alle onderzocht grondmonsters vertoonen alle cijfers, die
boven gegeven zijn, de grootste afwijkingen, omdat de eigenschap-
pen van de groote hoeveelheid huinus-stoffen hier den doorslag
hebben gegeven. Verder blijkt er uit, dat de ondergrond deze
eigenschappen in nog hoogere mate bezit dan de bovengrond, hct-
geen zeker voor een deel moet worden toegeschreven aan de snelle
omzetting, die deze plantaardige resten ondergingen, nadat zij na de
drooglegging met de lucht in aanraking kwamen.
De thans volgende cijfers vertoonen evenzoo en om dezelfde re-
donen groote afwijkingen van die tot dusverre werden gevonden.
Gloeiverlies           Water ontwijkend uit          Humus - - geb.
proc.                 luchtdroge aarde bij 100"          water proc.
proc.                             (ber.)
M Bovengrond 24.5                      8.5                    16.
M Ondergrond 31.6                      9.                      22.6
Omdat door een jaren langen plantengroei voortdurend hocveel-
heden plantenvoedende stoffen verzameld zijn, die in hoofdzaak in de
dunnere laag die den bovengrond vormt, bewaard bleven, is het gehalte
aan deze bcstanddeelen, in vergelijking met wat in de monsters L. enK.
werd gevonden, zeer hoog te noemen. Het stikstofgehalte is zeer
aanzienlijk en wordt alleen overtroffen door dat van het monster C,
dat evenzoo zeer rijk was aan plantenresten.
Gevonden werd in den bovengrond:
Humus Geb. water Stikstof totaal Pliosphor. Kali Kalk
proc.
          proc. (bcr.)              proc.              zuur proc. proc. proc.
M. Bovengrond. 9.           7.             0.44          0.08 0.13 0.17
Opmerkingen omtrent de andere plantenvoedende bcstanddeelen
-ocr page 66-
— 54 —
zullen worden gemaakt, nadat ook de tabak, die hier gegroeid is,
zal onderzocht zijn.
Het absorptie*vermogen van dezen grond voor stikstof is minder
dan men bij kleigrond vindt, doch komt meer overeen met wat bij
het humusrijke monster C. werd gevonden.
100 gr. aarde bovengrond M. absorbeert 9!),9 mg. stikstof uit
een ammoniakzout-oplossing.
Het gehalte aan gebonden water is van de vier monsters uit
Langkat, die tot deze categorie belioorcn, evenzoo het hoogst, ook
dit wordt voor een groot deel veroorzaakt door de aanzienlijke
hoeveelheid plantenresten, die in dit monster voorkomen.
LANDSCHAP SERDANG.
ftroiidiiionstcr V
Uit het landschap Serdang zijn vier monsters voor het onderzoek
genomen; daarvan zijn er drie gelogen in de hoogere streek en komen
dus, wat de ligging betreft, overeen met de grondmonsters A.-P. uit
Dcli, terwijl het vierde monster door zijn ligging dichtbij de zee meer
tot de categorie behoort, waarvan de monsters G en H deel uit maken.
Het monster N is van een losse, humusarmc, bruinachtig ge-
kleurde grondsoort van vulcanischcn afkomst, waarschjjnljk is het
ontstaan door gedeeltelijke verweering van vulcanisch zand.
Boven- zoowel als ondergrond vormen, ook onderling, een zeer
homogene laag, zooals uit de later volgende cijfers zal blijken.
De bovengrond bestaat voor 100 proc. uit fijnaarde; do ondergrond
bevat 0,2°/0 grovere doelen, welke uit kwartsachtige partikels bestaan.
De plaats, waar het monster werd genomen, is op een plateau
gelegen, dat 47 KM. van do zee verwijderd is; omtrent do hoog-
te zijn geen nadere bijzonderheden bekend. Door zijn hooge lig-
ging boven de rivieren, die zich in de nabijheid bevinden, is het
voor ovcrstrooining gevrijwaard; doch omgekeerd geeft de hooge
ligging van hot terrein waarop geplant wordt, tot eigenaardige
moeielijkheden aanleiding bij de cultuur van tabak. Heeft men de
bibitbedden op het plateau zelf aangelegd, zoo is men genoodzaakt
hot voor het begieten noodige water naar boven te dragen. Heeft
-ocr page 67-
— 55 —
men do kweekbedden beneden bij een rivier gemaakt zoo is men
gedwongen later de bibits naar het hooggelegen te beplanten terrein
te brengen.
Het plateau was oorspronkelijk met bosch bedekt en is blijkens
de cijfers, die bij het onderzoek voor den dag zijn gekomen, waar-
schijnlijk ook reeds door Bataks bebouwd geweest. Toen het mon-
ster N. werd genomen, was het eenmaal met tabak beplant geweest
en sedert met lalang en eenig jong bosch bedekt. Nadat dit was
opgeruimd, is de grond omgetjankold geworden. Aan de tabak
wordt ecnige kunstmest gegeven.
Vergelijkt men de eigenschappen van deze grondsoort met de
door hun ligging hier het meest mede overeenkomende in Deli,
zoo kan men de volgende verschillen waarnemen. Om dan
echter den invloed, die de hoeveelheid organische stoffen op iedere
grondsoort heeft, eenigszins te ontgaan, moeten ter vergelijking twee
betrekkelijk humusarme grondmonsters uitgekozen worden. Men
ziet dan, dat na verlies der humus-bestanddeelen de Deligronden
meer de eigenschappen krjjgen van een kleiachtigen bodem, terwijl
uit de thans volgende cijfers blijken zal, dat de grond uit Serdang
meer tot de zandachtige moet gerekend worden.
Gevonden werd in :
Poreusiteit
Speo. grw. Vol. gew. wiste Btof lucht Waturoa- Plastici- Kijnaarde
vol. proc.
         paciteit.         teit.           proc.
N. Bovengrond 2.629 1.264 48.1 51.9 32.5 (los grof- 100
N. Ondergrond 2.625 1.266 48.2 51.8 32.3 (korrelig. 99.8
Van deze cijfers zijn het vooral die voor de watercapaciteit, welke
het sterkst afwijken van die der Deli-monsters; in geen der grond-
inonsters van Deli afkomstig, werd zulk een laag cijfer gevonden,
hetgeen echter door de meer zandige geaardheid van den grond N
geheel verklaard wordt.
De verschillen met Deli-grond laten zich uit de thans volgende
cijfers minder afleiden, in samenhang met den aard der eigenschappen,
waarvan zij de waarde aangeven.
Water ontwijkend
Oloeiverliis
          uit luchtdroge aarde bij          Humus goh. water
proc.                          100» proe.                           (ber.) proc.
N. Bovengrond 22.                     10.8                        11.2
N. Ondergrond 18.                     10.6                          7.4
-ocr page 68-
— 56 -
De invloed van de cultuur en het verder bedekt zijn met lalang
en jong bosch, doet zich het meest gevoelen in de physische eigen-
schappen van den bodem; men ziet echter ook aan de hoeveelheden
van voor de plant belangrijke bestanddeelen, dat sinds geruimen
tijd de opéénhooping dezer stoffen in de bovenlaag heeft opgehouden,
tengevolge van de afwezigheid van een plantendok, dat hiertoe
bijdraagt.
Uit de volgende cijfers volgt het van zelf:
Humus Gcl>. water Stikstof to- Phonphotzonr Kali Kalk
l»roc.
         proc. (l«r.) taal proc.               proe.              ptoe. |>roi\'.
N. Bovengrond 2.           9.2           0.18           0.03         0.18 0.06
Opvallend gering is de hoeveelheid humus; daarentegen is het
kaligehalte, waarschijnlijk door de aanwezigheid van meer kalihou-
dende mineralen dan in Deli voorkomen, vrij hoog te noemen. Op
deze cijfers zal overigens eerst later worden teruggekomen, nadat
ook de tabak onderzocht geworden is.
Zooals te verwachten is, kan het absorptie vermogen voor stikstof
van dezen lossen grond, die bovendien humusarm is, niet groot zijn.
100 gram bovengrond N absorbeeren slechts 69.1 mg. stikstof uit
de oplossing van een ammoniakzout.
Opmerking verdient, dat niettegenstaande door de losse structuur
de luchttoevoer zeer goed mogelijk is, toch in den ondergrond een
zeer zwak zure reactie werd waargenomen en ook een spoor ferro-
verbindingen is aangetroffen. De bovengrond vertoont deze reactie\'s
niet.
Voor grondsoorten als deze mag men aannemen, dat de vermeer-
dering van organische resten in den bodem, gunstig moet werken
op den algemeenen physischen toestand ; voornamelijk de watercapa-
citeit wijst op gebrek aan gebondenheid in dezen grond, welk gebrek
door meerdere humusvorming te verbeteren is.
Grondnioiister O. Losse, humuarijke, donkergekleurde grond van
vulcanischen oorsprong.
Evenals het vorige monster is ook dit afkomstig van een hoog-
gelcgen plateau in de bergstreek. De afstand van de zee en de
hoogte zijn ongeveer dezelfde als die van het vorige monster; de
afstand bedraagt ongeveer 46 K.M., de hoogte is niet bekend.
-ocr page 69-
— 57 —
Door den rijkdom aan humus van den bovengrond hebben de eigen-
schappen zich hiernaar gewijzigd en heeft men dus niet de groote
homogeniteit van boren* on ondergrond onderling, die bij liet
monster N. voorkwam. Reeds aan de veel donkerder kleur van
de laag aan het oppervlak, die door de aanwezigheid van organische
resten wordt veroorzaakt, onderscheidt zich de bovengrond van den
meer licht bruin gekleimlen ondergrond.
De bovengrond bestaat voor 99.8% uit tij naarde, de rest is een
gering aantal tufachtige steentjes;
de ondergrond bevat 100°/o fijnaarde.
Uit de ligging der plateau\'s, uit de afkomst en uit sommige
gegevens, door hot onderzoek verkregen, blijkt, dat de beide plateau\'s,
waarvan de monsters N. en ü. afkomstig zijn, groote overeenkomst
vertoonen; alleen verschillen beide in het gehalte aan humus on
daardoor ook in die eigenschappen, die met de aanwezigheid van
organische stoffen in den bodem samenhangen.
Door vergeljjking met de overeenkomstige cijfers in beide mon-
sters wordt de groote invloed van den humus op vele eigenschap-
pen van den grond recht duidelijk.
Door de hooge ligging van het terrein, waarop geplant wordt,
heeft men hier met dezelfde bezwaren te kampen bij het aanloggen
van bibitbedden en later bij het planten, als reeds bij de vorige
plateau\'s werden medegedeeld.
Dit plateau is oorspronkeljjk met oerbosch bedekt geweest, zooals
ook uit de groote hoeveelheid humus kan worden afgeleid.
Daarna is het door Bataks met padi beplant geweest (afgeladangd),
terwijl tabak er nog niet gegroeid had. Dat deze ééne padioogst
betrekkelijk nog weinig heeft medegewerkt tot vermindering der
verschillende bestanddeelen, die onderzocht werden, zal later uit
de cijfers, die daarop betrekking hebben, blijken.
Het geringe volume gewicht, dat voor een deel samenhangt met
het hooge humusgehalte en de daaruit voortvloeiende structuur, is
oorzaak van een groote poreusiteit, zoodat het in dit opzicht alleen
door het monster C. wordt overtroffen. De watercapaciteit, hoewel
de grootste van de uit Serdang onderzochte monsters, is betrek-
keiijk gering in vergelijking met wat in dit opzicht voor de Deli-
-ocr page 70-
— 58 —
monsters werd gevonden; de rjjkdom aan humus heeft dus ook hierin
zijn invloed doen gelden.
De volgende cijfers zijn gevonden; zij doen vergeleken met die
van het monster N., do verschillen sterk uitkomen, tengevolge van
een grooter gehalte aan organische stoften in O. boven dat in N.
werd gevonden.
Poreusiteit
Spec. Rew. Vol. jrew. Vaste, stof lucht Watoreapa* Plasti- Fijnaardc
vol. proe.
             eitoit.         citeit.         proc.
O. Bovengrond 2.634 1147 43.5 56.5 37.8 (los grof- 99.8
O. Ondergrond 2.691 1.1
         40.9 59.1 36.2 jkorrelig 100
Doch ook op de andere eigenschappen is de grootere hoeveelheid
humus van invloed geweest, zooals uit het gloei verlies in bovcn-en
ondergrond blijkt.
Gloeiverlics Wiltcr, in !"S!?T Hïm,ls t
"J                  aarde ontwijkend         geb. water
1 "*•                    hij 100<i prm..             pruc. (ber.)
O. Bovengrond 27.7                 14.2                13.5
O. Ondergrond 26.6                15.6                11.—
Uit deze cijfers volgt dat het uitsluitend de bovengrond is, die
humusrijk is en men dus niet, zooals bij het monster A. het geval
was, niet een zeer dikke laag te doen heeft, die door groote hoe-
veelhcden organische stoffen gekarakteriseerd is. Tevens is het een
aansporing de hoeveelheid humus in den bovengrond zoo goed
mogelijk te bewaren of te vermeerderen omdat men in dit geval
van den ondergrond niet veel heeft te verwachten. Ook in andere
opzichten geven de monsters A. en O. aanleiding tot opmerkingen.
Er blijkt in het algemeen uit, dat indien de oorspronkelijk humus-
rjjke oerbosehgrond in Deli door de cultuur als anderzins zijn
humus verloren heeft, men een cenigszins kleiachtigen bodem over-
houdt, terwijl in het zelfde geval bij de Serdanggrond een meer
losse zandachtige grond terugblijft.
(Vergelijk bijv. de monsters N. en E.)
In hoeverre de hoeveelheden colloid-silicaat, die in beide grond-
soorten aanwezig zijn tot dit verschil medewerken, zal later blijken.
Door den grooten humusrjjkdom van O was te verwachten dat
de plantcnvoedende bestanddcelen zich in aanzienlijke hoeveelheid in
den bovengrond hadden opgehoopt en er bewaard gebleven zijn.
-ocr page 71-
— 59 —
De bovcngrond bevat de volgende gehalten aan onderstaande
bestanddeelen:
Humus Gcb. water Stikstof totaal Phospliorzuur Kali          Kalk.
proc. proc. bcr.           proc.                  proc.            proc.          proc.
O Bovcngrond           4,8 8,7          0,34           0,29 0,11 0,41
Uit het hooge gehalte aan phospliorzuur on aan kalk blijkt, dat
de eerste padi-oogst, die van dit maagdelijk terrein word gekregen,
niet de nadeelige gevolgen gehad hoeft, die bij de andere gronden,
waar zulks meermalen het geval was, heeft plaats gehad.
Het hooge stikstofgehalte is geheel in overeenstemming met de
groote hoeveelheid organische bestanddeelen; terwijl, waarschijnlijk
in samenhang met den aard der mineralen, evenals voor allo mon-
sters uit Serdang, een grootere hoeveelheid kali wordt gevonden,
dan in de meeste die uit Deli afkomstig zijn.
De hoeveelheid stikstof, die de grond uit een ammoniakzout kan
absorbeeren, is zeer aanzienlijk on meer dan de hoeveelheid humus
alleen, zou doen verwachten.
100 gram aarde bovcngrond O absorbeeren 111,1 mg. stikstof
uit een chloorammonium-oplossing.
In bovengrond noch in ondergrond kwam oen zure reactie voor;
ook schadelijke, oplosbare ijzerverbiiidiitgen bleken afwezig te zijn.
Met liet oog op de doorlaatbaarheid van den ondergrond on de
betrekkelijk geringe watercapaciteit, zoowel van boven-als onder-
grond, is men bij dezen grond evenals bij dien, waarvan het rnon-
ster N afkomstig is, cenigszins afhankelijk van het op den juisten
tijd invallen van den regen. Daar liet nu gebleken is, dat een
groote hoeveelheid organische resten den grond de eigenschap
verleent het water vast te houden, moet alleen reeds om dozen
reden, de terugkeer van jong bosch voor tabak zeer gewenscht ge-
acht worden.
(üroiidmonstcr 1\'. Donker gekleurde, losse grond van vulcanischen
oorsprong; humusarm; doorlaatbaar; zandaohtig met veel mineraal
fragmenten.
Hot grondraoustcr P. is afkomstig van een zacht hellend naar
de zee afdalende vlakke strook land die in de N-Z richting door
rivieren begrensd is.
-ocr page 72-
— 60 —
De plaats, waar het monster genomen werd is ± 35 elf. van de
zee verwijderd en ligt op een hoogte van ongeveer 85 M.
Het gedeelte van Serdang, dat tegen het landschap Deli aanligt,
vertoont dus wat onderlinge hoogte en afstand van de zee betreft,
vergeleken niet wat in Langkat in dit opzicht voorkomt, meer over-
cenkomst met Deli. Verder naar het Z.O. schijnt dit echter weer
te veranderen. Van de onderzochte grondmonsters heeft P. het
grootste spec. gewicht, in samenhang met den ijzerrijkdom. De
bodem bevat verder een groote hoeveelheid mineraal fragmenten,
die men in groot aantal terugvindt in de bij de zee gelegen
vlakte waarheen zij door de rivieren zijn meegevoerd. Dergelijke
groote glasachtige fragmenten komen in Langkat evenzoo voor,
men mist ze echter geheel in het landschap Deli, met uitzon-
op zeer hoog gelegen, ver binnenlands zich bevindende platoau\'s
waar zij als insluitsels in puimsteen voorkomen. De eigenaardige
plastische geaardheid, waarop reeds door van Bemmelen werd gowe-
zen, die in de hooger geleger Deligronden voorkomt, mist men
ook hier. Een vergelijkend onderzoek naar de hoeveelheid colloid-
silicaat, in monsters uit de verschillende landstreken, is in bewer-
king, omdat wel verwacht mag worden, dat dit de verklaring van
dit verschijnsel zal geven. Evenals de humusrijke eii de kleiachtige
grondsoorten door de aanwezigheid van deze bestanddeclen gekarak-
teriseerd zijn, is het in dit geval de zandige, losse geaardheid, bij
afwezigheid van veel humus of veel kleiachtige deeltjes, die reeds
van te voren de uitkomst van de meeste bepalingen doet vermoc-
den. Uit onderstaande cijfers blijkt reeds dadelijk, dat de water-
capaciteit zeer gering is; van alle onderzochte monsters heeft P de
geringste watercapaciteit, uitgenomen ecu monster Q, dat nagenoeg
uitsluitend uit grof zand bestaat.
Uit de andere cijfers laten zich voorloopig minder ver strekkende
gevolgen afleiden. Zij volgen hier:
PoreiiBitcit       Wateren* Plaati- Fijnaarde
vustu stof lucht    pariteit citcit prov.
vol. proo.
50.7 49.3 30.5 jlosgrof- 99,9
48.5 51.5    28.1 (korrelig 100.
Spcc. gcw. Vol. gew.
P. Bovengrond 2,824 1,433
P. Ondergrond 2,831 1.374
-ocr page 73-
— 61 —
Evenzoo blijkt uit de onderstaande cijfers, dat men niet met een
humusrijke of kleiachtige grondsoort te doen heeft.
Gloeiverlies Water ontwijkend bij 100" Humus 4- gel), water.
proc.
                  uit luchtdroge aarde                        bor. proc.
proc.
P. Bovengrond          1G 5                    8.                                8.4
P. Ondergrond          17.4                  11.1                               6.3
Vergelijkt men de cijfers uit het scheikundig onderzoek voor den
dag gekomen, van dit monster met die van O, zoo is ook hierin
duidelijk de invloed van de meerdere humus bestaiiddoelen waar-
neembaar.
In den bovengrond werden de volgende hoeveelheden van voor
do plant gewichtige stoffen gevonden:
Humus           (leb. water Stikstof totaal Phospbor. kali           kalk
proe.              proe. tber.)              proe.                     zuur proe.          proc
proc.
P. Bovengrond 2.7            5.7            0.18              0.1 0.15 0.25
Het kaligehalte blijkt dus evenals in alle onderzochte monsters
uit Serdang liooger te zjju dan dat van de Deli\'sche grondnionsters;
dit hangt waarschijnlijk samen of met de aanwezigheid van andere
mineralen, of dat de verhouding der hoeveelheden van ieder niet
dezelfde is in de beide landstreken. Het kalkgehalte geeft voor-
loopig geen aanleiding tot nadere bespreking: ook bij dit monster
moet het onderzoek van de daar gegroeide tabak afgewacht worden,
om nadere conclusies te kunnen trekken.
De losse, zandige geaardheid van deze grondsoort komt ook voor
den dag bij de bepaling van het absorptievermogen van dit mon-
ster voor stikstof. 100 gram bovengrond I\' absorbeeren niet meer
dan 76.8 niGr. stikstof uit ecu ammoniak-zoutoplossing.
In boven-noch in ondergrond kwam een zure reactie voor; ook
waren oplosbare, schadelijke ijzerverbindingen afwezig.
Toen het monster werd genomen was het land sedert negen jaren
niet met tabak beplant geweest; om het voor het plantjaar 1896 in
gereedheid te brengen, is het jonge bosch, dat er sedert ontstaan
was, opgeruimd en evenzoo het gras. In vele hoog gelegen streken
van Serdang word nl. niet zooveel lalang aangetroffen als elders,
doch treden naast jong bosch meer andere gewassen als roompoet
(gras) enz. op den voorgrond. Als onkruid tusschen de te veld
staande tabak zijn zij dan zeer gevreesd.
-ocr page 74-
— 62 —
De grond wordt uitsluitend bewerkt door tjaukollen: kunstmest
wordt niet gebezigd.
Met het oog op de vrij losse structuur is het voor de grondsoorten
als de monsters N, O en P aan te raden om op hellingen van
de heuvels, die uit deze grondsoorten bestaan, vooral zorg te
dragen in horizontaal verloopende rijen te planten. De losheid
van den grond, de groote doorlaatbaarheid en het geringe vermogen
om het water vast te houden, maken reeds de horizontaal gelegen
gedeelten zeer afhankelijk van den regen, dus nog zooveel te meer
de hellingen, die beplant worden.
t.ioml monster» Q. Grofzandige grond; humusarm; in de laag-
vlakte bij de zee gelegen.
Het grondmonster Q, is afkomstig van de laagvlaktc, die zich
langs de zee door de landschappen Langkat, üeli, Serdang, Padang-
Bedagei, en verder Z.O.-waarts uitstrekt. In het gedeelte, dat tot
het landschap Serdang behoort, vindt men dezelfde grondsoorten als
in het Dclische en Langkatsche, nl. zandigc, kleiachtige en paja-
gronden met de verschillende overgangen De zandachtige grond
van Serdang onderscheidt zich echter van die der andere landschap-
pen door de zeer grove kwartsachtige deeltjes, waaruit hij bestaat,
zoodat alleen daardoor do hjnaarde van het monster Q geringer is
dan die der meeste andere monsters. De plaats, waar het monster
is genomen, ligt in eenc zich iets boven het omringende terrein verhef-
de zandstrook, waardoor zij in het algemeen niet, zooals de zich in
de nabijheid bevindende lager gelegen kleigronden, aan overstrooming
is blootgesteld. Haar hoogte boven de zee bedraagt slechts eenigc M.,
terwijl zij er ± 5 K.M. van verwijderd is; de kleine afstand van
de zee heeft overigens op de in den bodem aanwezige bestanddeelen
geen invloed gehad, voorzoover zich dit uit het tot dusverre verrichte
onderzoek laat afleiden. De eigenschappen van dit monster geven
een duidelijk beeld van hetgeen van een zandgrond te verwachten
is; de meeste cijfers vertoonen dan ook vergeleken met de tot
dusverre gevondene, de grootste afwijkingen. De bovengrond is
humusarm, en vertoont een heldere, lichte kleur, door de aanwezig-
heid van talrijke als glas glinsterendo kwartsachtige fragmenten.
-ocr page 75-
— 63 —
De parits storten spoedig in door de groote losheid van den
bodem; met het oog echter op de zeer groote doorlaatbaarheid
is deze fout niet van overwegend belang. Het water, dat bij het
graven van putten voor den dag komt, is glashelder, in tegen-
stelling met het melkachtig gekleurde, dat de putten in de
nabijgelegen kleistreek dikwijls opleveren; van de putten in den
zandgrond moeten de wandon door planken voor instorten beschermd
worden.
Door de grove structuur der meeste deeltjes zijn de fijnere met
het wegzinkende water in den ondergrond gevoerd, zoodat hot
gehalte aan fijnaarde in den bovengrond geringer is dan in den
ondergrond, het bedraagt in den bovengrond 93.2 °„; in den
ondergrond 97.6 °/0; de rest bestaat voor beide uit dezelfde
kwartsachtige partikels, waaruit de geheele bodem is samenge-
steld, alleen zijn de afmetingen ervan grooter. Behalve het ver-
schil in fijnaarde, vormen boven- en ondergrond overigens een vrij
homogene laag.
De volgende cjjfers doen duidelijk uitkomen, dat het monster Q
van een zuiveren zandgrond afkomstig is. Van alle onderzochte
gronden heeft deze de geringste poreusiteit; omdat de openingen
echter zeer groot zijn, heeft dit op de doorlaatbaarheid niet den
minsten invloed; de watercapaciteit wordt er echter uiterst gering
door, temeer, omdat een groote hoeveelheid humus ontbreekt om in
dit gebrek te voorzien.
Poreusiteit.
Spec. gew. Vol. ruw. Vaste stof Lucht. Watorcapa- Plast!" Fyoaarde
vol. proc.
            citeit citoit. proc.
Q. Bovengrond 2.582 1.507 58.4 41.6 23.7 Mos 93.2
Q. Ondergrond 2.615 1.512 57.8 42.2 25.8 jzand 97.6
Van alle monsters heeft Q het grootste vol. gewicht; de samen-
hang tusschen den .aard van de vaste stof, die in den grond voorkomt
en dit vol. gewicht komt hier dus weder duidelijk voor den dag.
Zoodat gronden, die zeer rijk zijn aan humus-bestanddeelen, zooals
dio, waarvan C en M afkomstig zijn, om dezen roden een zeer gering
vol. gewicht hebbon.
Ook het gloei verlies enz. is zeer gering zooals blijkt uit de vol-
gende cijfers:
-ocr page 76-
— 64 —
Glociv-erlies            u-^ïS" ?(P,,WHk.?d "»«"»
,)rot.                  bij 1<KK> uit liirlitdrogc geb. water
aarde proc.            proc. bcr.
Q. Bovengrond 5.2                      1.6                3.6
Q. Ondergrond 3.1                      1.2                1.9
Cijfers die met deze overeenkomen, zijn alleen gevonden in de
eveneens zandige pamah gronden, waarvan K en I de monsters re-
presenteeren.
Uit de geringe gehalten aan voor de plant gewichtige bestand-
deelcn, blijkt deze bodem in dit opzicht bjj K en I echter achter
te staan. (Bjj liet monster B heeft dit een andore oorzaak).
De volgende cijfers werden gevonden :
Humus (i.b. water Stikstof tot. Phosphorz. Kali Kalk
proc.
          proc. (bcr.)            proc.                 proc.           proc. proc
Bovengrond (J. 1.4           2.2          0.08          0.04 0.23 0.09
Door het geringe absorptievermogen van zandgrond en de snelle
omzettingen van de organische resten is het gehalte aan humus zoo-
wel als aan stikstof zeer gering. Ook is bij uitzondering in dit
monster, niettegenstaande zijn nabijheid bjj de zee, het kalkgehalto
gering. De zich in de grootc laagvlakte bevindende kalkhoudcndc
mineralen, die van hooger streken afkomstig zijn, hebben toch na
verweering deze kalk in den ondergrond zien wegspoelcn. Waar
do grondsoort meer kleiachtig was, zooals bij II. en R., bleef de
kalk door absorptie in de meer aan het oppervlak gelegen gedeelten
van den bodem, bij den zandgrond spoelde hij weg in den onder-
grond.
Het phosphorzuur — gehalte moet gering genoemd worden, te meer,
omdat eene beplanting mot padi niet heeft plaats gehad. liet terrein
was niet jongbosch bedekt; de bovengrond had in vochtigen toestand
een eenigzins donkere kleur door de aanwozigheid van enkele
plantenresten; de ondergrond is helder licht gekleurd. De bodem
werd nadat bet jonge bosch was opgeruimd, omgetjankold; door de
zeer doorlaatbare structuur van den grond was het op de meeste
plaatsen onnoodig veel zorg te besteden aan den waterafvoer.
In een bodem, waar zich geen stagneerend water kan bevinden,
zooals in dit geval, en waar de lucht steeds toegang heeft, was het
niet te verwachten, dat eene zure reactie of schadelijke ijzerverbin-
dingen zouden voorkomen; beide bleken bij onderzoek, zoowel in
-ocr page 77-
— 65
den bovengrond als in de dieper gelegen lagen, afwezig te zijn.
Evenals bij allen zandgrond is het absorptievermogen van Q voor
stikstof zeer gering.
100 gram bovengrond Q absorbeerden uit een ammoniak zout-
oplossing niet meer dan 31.3 mg. stikstof.
Zandgrond als zoodanig is voor de tabak evenmin als zware klei
de meest geschikte grondsoort; het betrekkelijk teere wortclnet kan
door de aan deze grondsoorten eigen structuur zich niet voldoende
ontwikkelen.
Bovendien mist zandgrond de eigenschap door absorptie water of
de meeste plantenvocdende stoffen vast te houden waardoor dus het
gewas in hooge mate afhankelijk wordt van het op den juisten tjjd
en het herhaaldelijk invallen van den regen;
De nabijheid van de zee en de betrekkelijk lage ligging heeft,
geen schadelijken invloed gehad op den grond door het veroorzaken
van een hoog chloorgehalte. Ook van de twee andere dicht bjj
het strand gelegen plaatsen, waar monsters werden genomen, bleek,
zooals reeds boven is medegedeeld, dat de hoeveelheid chlorieden
uiterst gering is.
LANDSCHAP PADANG-BEDAGEI.
firoiidmoiister R. Kleigrond met plantenresten, laag gelegen
bij de zee (paja-achtigo kleigrond).
Het grondmonster R is, evenals het vorige, afkomstig van de zich
langs de zee uitstrekkende laagvlakte. De grondsoort vertoont
groote overeenkomst met dergeljjken grond uit het landscluip Deli,
zooals uit de vergelijking van de eigenschappen van dit monster
met die in II werden gevonden, zal blijken. De verschillen zijn
de volgende: 1° De hoeveelheid kleideeltjes is grooter en zij schjjnen
in fijner verdeelden toestand voor te komen, zoodat het water, dat
bij het graven voor den dag komt, steeds melkachtig troebel is.
2e De vermeuging van klei met mineraalfragmcnten treedt op
den achtergrond, waarvan het gevolg is, dat men óf zware klei-
grond, zooals het monster It bijv. is, aantreft, óf oen zeer lossen
zandgrond. Behalve aan andere oorzaken, moet dit waarschijnlijk
Meded. PI. XXI                                                                        5
-ocr page 78-
— 66 —
in hoofdzaak worden toegeschreven aan de grootc afmetingen der
mineraalfragmenten, waardoor de vermenging van klei met zand-
achtig deeltjes, zooals dat bij Deli- grond voorkomt, grootendeels is
buitengesloten.
Om dezelfde redenen is de kleur meer heldcrwit, in tegenstel-
ling met de grijze kleur van de meeste kleigronden in Deli.
De plaats, waar het monster werd genomen, ligt slechts weinige
M. boven de zee; bij hoogen waterstand der rivieren in den regen-
tijd wordt het plaatselijk overstroomd; de afstand tot de zee be-
draagt ongeveer 6 K.M. Jn de nabijheid komen plaatsen voor, die
door een lagere ligging meer het karakter van pajagrond hebbeu
verkregen.
Het terrein was oorspronkelijk met bosch bedekt; nadat de boo-
men geveld, gedroogd en verbrand zijn, is de aseh gelijkmatig
over het land gestrooid en ondergetjankold. Door de aanwezigheid
van een zeer groot aantal resten van hoornen is ploegen onmoge-
hjk en is getjankold geworden. Bemesting vindt niet plaats De
hoeveelheid fijnaarde bedraagt in den bovengrond 100 proc, de
ondergrond bevat 0,2°/0 door ijzerhydroxydo aan elkaar gebonden
kleideeltjes.
Dat de aanwezigheid van vrij veel plantenresten op bijna alle
eigenschappen grooteu invloed heeft gehad, volgt uit de vergelijking
der voor H. gevonden cijfers met die van K.
Gevonden werd het volgende:
Poreusitoit
Spee. gew. Vol. pew. vaste stof lucht Watereapa- Plasticiteit Kijnaarde
vol. proc.
              eiteit                                  proc.
R. Bovengrond 2.449 1.035 42.3 57.7 43.1 hard         100
R. Ondergrond 2.525 1.042 41.3 58.7 39.6 zeer hard 99.8
De volumegewichten van slechts twee monsters zijn kleiner dan
dat van R, het eene is een monster hooggelegen, zeer humusrijke,
oude boschgrond; het andere is van do paja, waarvan het monster
M afkomstig is; hiermede in samenhang is ook de poreusiteit van
R. zeer groot.
De watercapaciteit, hoewel vrij aanzienlijk, is niet zoo groot als
men van het vereenigd voorkomen van klei en plantenresten zou
verwachten.
-ocr page 79-
- 67 —
Xa droging van den met water bevochtigden grond, vormt
hij een zeer harde massa ; de bovengrond echter in iets mindere
mate door het gemengd zijn met plantenresten; de ondergrond bevat
zeer weinig van deze bcstanddeelen, omdat de stijve bodem aldaar
te veel weerstand biedt aan de binnendringende wortels. Uit onder-
staande cijfers komt dit verschil tusschen boven- en ondergrond
duideljjk voor den dag.
Gloeivcrlies Water ontwijkend bij 100"         Humusgeb. -f- water
proe.              uit <le luchtdroge aarde                   proc. bor.)
R. Bovengrond          28.5                 13.1                         15.4
R. Ondergrond           24.7                  15.3                           9.4
Met het oog op de vrij groote hoeveelheid hnmus-stofl\'en en
de kleiachtige geaardheid van den bodem, is te verwachten, dat
zicli veel voor de plant belangrijke bestanddeelen in den bodem
zullen bevinden. Door het groot absorptievermogen en de ondoor-
laatbaarhcid is een verlies door wegspoelen in den ondergrond
niet te vreezen, terwijl de hoeveelheid humus door het moeieljjk
toetreden van lucht beter bewaard blijft dan in lossere grondsoorten
De volgende hoeveelheden voor de plant belangrijke bestanddeelen
zijn in den bovengrond gevonden:
Humus         Geb. water         Stikstof tot. Pliosphorzuur Kali Kalk
proe.           proe. (Ikt.)              proe.                  proe.           proe. pro**.
R. Bovengrond 5,6           9,8             0,33           0,13 0,24 0,52
Evenals bij de meeste in de nabijheid van de zee gelegen gronden,
is ook hier het kalkgchalte hoog ; gronden als Q, uit los zand bestaan-
de, en waar de door verweering vrij geworden kalk snel in den
ondergrond wegzinkt, maken hierop natuurlijk eene uitzondering.
Het hooge kaligehalte wordt veroorzaakt zoowel door de ver-
weeringsprodukteu als ook door de weinige kans, die voor het
wegzinken ervan in den ondergrond bestaat. Omzettingen geschieden
in de laaggelegen, vochtige gronden veel minder intensief dan in
lossen, zandigen grond, waardoor ook het hoog stikstofgohalte ver-
klaard wordt.
Het absorptievermogen van dezen grond voor stikstof uit een
ammoniakzout-oplossing is door de kleiachtige geaardheid aanzienlijk,
100 gram aarde bovengrond R absorbecren 121,(5 mg. N uit eene
N II4 Cl oplossing.
-ocr page 80-
— 68 —
Met hot oog op do groote ondoorlaatbaarhoid van gronden als
waarvan het monster II afkomstig is, zou het nemen van een proef
aanbeveling verdienen of het maken van een parit in de lengte
van het veld en halfweg tusschen de beide bestaande geen voor-
deelen biedt.
Door omstandigheden kon in dit monster de reactie niet worden
nagegaan, en evenmin de aan of afwezigheid van schadelijke ijzer-
zouten worden geconstateerd. Naar aanleiding van hetgeen bij
dergelijke andere monsters werd gevonden, mag men wel aanne-
men, dat tijdige bewerking en een voldoend lage stand van het
grondwater zullen bijdragen tot het onschadelijk maken van deze
bestanddeelen.
-ocr page 81-
HOOFDSTUK III.
AlAiEMEENE OPMERKINGEN, WAARTOE DE VERGELIJKING DER UIT-
KOMSTEN ONDERLING AANLEIDING GEEFT.
De uitkomsten van het onderzoek der grondmonstcrs zijn tot dus-
verre bij de behandeling van ieder monster afzonderlijk medegedeeld
geworden.
Om nu een gemakkelijk te overzien geheel te verkrijgen van het
groot aantal gegevens, dat voor den dag is gekomen en daardoor
de vergelijking der grondtnonsters onderling gemakkelijk te maken
is het grootste deel, van hetgeen omtrent de grondsoorten, waaruit
de monsters bestaan, bekend is, geworden in een staat te zamen
gebracht; zie hierachter pag.
Eenige opmerkingen, waartoe ieder onderdeel van het onderzoek
aanleiding geeft, zullen hier kort vermeld worden.
Bij de beschrijving der afzonderlijke monsters, zijn die van het
landschap Deli het eerst behandeld, omdat dit gebied het eerst voor
de tabakscultuur gebezigd is; daarna volgden die der andere land-
schappen.
In ieder landschap afzonderlijk is de volgorde geregeld naar den
afstand tot de zee waarop de plaats, waar het monster werd genomen,
gelegen was.
Uit de vergelijking dezer afstanden met de hoogten boven de zee,
volgt, dat voor het terrein, waarover zich het onderzoek uitstrekt,
als regel geldt, dat een grootere afstand van de zee gepaard gaat met
een grootere hoogte van het terrein.
In het landschap Langkat maakt hierop het monster J eene uit-
zondering. De afwijking was te verwachten, omdat J blijkens onder-
zoek de grootste overeenkomst vertoont met de in Deli op soortge-
-ocr page 82-
- 70 —
lijke plaatsen voorkomende gronden. Alloen is het terrein, dat in
Deli op denzelfden afstand van de zee gelegen is, hooger.
Voor Langkat levert overigens de vergelijking der hoogte-cijfers
en de afstanden van de zee, met de correspondeerende van het
landschap Deli voldoende zekerheid om een karakteristiek verschil
tusschen beide aan te nemen.
Het gedeelte van Serdang, vertoont in den vorm en gesteldheid
van het land meer overeenkomst met het Ueli\'sche landschap. Ver-
der Z-0 waarts wordt het terrein meer gelijk aan dat van Langkat
d. i. men vindt een vrij groote vlakke strook langs de zee en daarna
een plotseling oprijzende heuvelreeks, zonder den geleidelijken over-
gang die men in Deli vindt.
De grondsoorten hangen ten nauwste samen met de hoogte boven
de zee, waarop zij voorkomen.
Waar de hoogte het geringst is, zijn zonder onderscheid grond-
soorten te vinden, waarvan de bestanddeelen door de rivieren zijn
aangevoerd. Omdat de stroomsnelheid door het geringe verval
zeer klein is, zijn de deeltjes daar bezonken en hebben zoodoende
tot de vorming van de lager gelegen klei- en zandgronden en van
paja\'s aanleiding gegeven. Ook de zandige pamahs behooren tot
deze rubriek.
Op het hooger gelegen terrein, verder van de zee verwijderd, treft
men een meer of minder humusrijken verweeringsgrond aan, die
veelal door den grooten ijzerrjjkdom van de vulcanischc asch- en
zandlaag donkerrood of donkerbruin gekleurd is.
Is door de cultuur het gehalte aan organische resten in den
bodem kleiner geworden, zoo komt een hclroode of een gele tint
voor den dag.
Een dergelijke verweerde asch- en zandlaag komt tot op de hoogst
gelegen plateau\'s voor, waar zjj door de vlakke ligging grootendeela
voor wegspoelen gevrijwaard is. De hellingen van de heuvels zijn
soms steenachtig, vooral de aan den voet gelegen gedeelten. Indien
de steenmassa tufachtig en dus gemakkelijk verweerbaar was, is
deze met een laag donker gekleurde humusgrond bedekt geworden.
Het monster A is een voorbeeld voor een verweerde vulcanische en
humusrijke asdilaag op een plataau, dat aan don voet zoer steen»
-ocr page 83-
— 71 —
achtig is. B is een voorbeeld voor een humusrijken lossen bodem,
door vorweering van de tufachtige massa onstaan. Do kleur is
daarom van dit laatste monster grijs en niet rood of bruin. Evenzoo
zijn de grondsoorten uit mineraalfragmenten van tufsteen afkomstig
meer zandachtig en grijs gekleurd, zooals blijkt uit het monster C,
dat zich op een terrein bevindt, dat overigens hoofdzakelijk uit
rooden verweeringsgrond bestaat.
De hoog gelegen gronden in Langkat, buiten degene, die onmid-
dellijk aan Deli grenzen, bestaan bijna alle uit een geelachtig zand,
met kwartsachtige partikels, en zijn voor de tabakscultuur minder
geschikt. Wordt dit zand als pamah in het vlakke land afgezet en
zoowel door de lagere ligging als door het bedekt worden met eenig
slib in gunstigere omstandigheden gebracht, zoo levert het een
goed gewas.
De hoogggelegen landen in Serdang vertoonen in structuur en
gesteldheid veel overeenkomst met die in Deli; echter bestaat er bij
vele een verschil door de meer zandachtige geaardheid van het
minerale gedeelte van den bodem. Bevindt zich nu nog eene vol-
doende hoeveelheid plantenresten in den grond, zoo doet zich het
nadeel hiervan weinig gevoelen, bijv. de grond, waar het monster
O werd genomen. Is door de een of andere omstandigheid het
humusgehalte verminderd, zooals bij N en P, dan treedt de meer
zandachtige geaardheid op den voorgrond, in tegenstelling met wat
bij de Deli-gronden in dergelijke gevallen voorkomt. Deze toch knj-
gen door verweering van de daar voorkomende aschlaag meer het
karakter van een kleiachtigen grond. Vergelijking van cenige cijfers,
zooals van do watercapaciteit van de monsters E en F uit Deli met
de monsters N en P uit Serdang doen dit verschil uitkomen
Bovendien bestaat de grond in Serdang voor een groot deel uit
zeer grove kwartsachtige deeltjes, welke men in Deli alleen aantreft
op zeer hoog gelegen plateau\'s, die voor de cultuur nog niet in gebruik
zijn genomen. Zij komen aldaar voor als insluitsels en puimsteen.
In Serdang hebben deze grove kwartsachtige partikels, na door de
rivieren naar de vlakte te zijn gevoerd, aanleiding gegeven tot het
ontstaan van een zeer grofzandige grondsoort, waarvan Q als re-
presentant kan gelden.
-ocr page 84-
— 72 —
De groote afmetingen der mineraalfragmenten hebben bovendien
tot gevolg gehad, dat in Serdang en ook in Padang-Bedagei de
scheiding van de kleiachtige en aandachtige deeltjes zeer scherp is,
zoodat gemengde grondsoorten minder, doch zware klei en zeer los
zand betrekkelijk meer naast elkaar voorkomen dan dit in Deli het
geval is.
In Deli heeft men bovendien het voordeel, dat de eigenaardige
structuur van het kleiachtige gedeelte (colloid silicaat) in vereeni-
met de fijnere mineraalfragmenten, waardoor cene vermenging
gemakkelijker plaats vindt, tot een zeer gunstige korrelige structuur
heeft aanleiding gegeven.
Omtrent de plasticiteit kan volstaan worden met eenige algemeene
opmerkingen.
In de lager gelegen streken is plasticiteit overal groot waar klei
voorkomt, onverschillig in welk landschap zij gelegen zijn. Men
vergelijke slechts G, H, R en ook L, waar de aanwezigheid van
klei uit de paja zijn invloed heeft doen geldon op de zandige be-
standdeelen van dit monster, die van de gele heuvels afkomstig zijn
De verweeringsgronden in het Deli\'sche vertoonen na het verlies
van de humus een grooter plasticiteit dan de onder dergelijke
omstandigheden verkeerende gronden in de andere landstreken.
De eigenaardige verweeringsprodukten van de in Deli voorkomende
aschlaag zijn hiervan de oorzaak.
Dergelijke gronden in Langkat en Serdang nemen na het verlies
van do humus een meer losse, zandige structuur aan, zooals voorna-
meiijk uit de cijfers voor de watercapaciteit, duidelijk blijkt.
Vindt men in Deli een bodem uit tufsteenachtige, weinig ver-
weerde fragmenten samengesteld, zoo mist deze ook de plastische
eigenschappen. Zie bijv. de monsters B en C.
Uit den aard der zaak zijn do pamah\'s die hoofdzakelijk uit zand
bestaan, weinig plastisch, zooals volgt uit I en K. Bevat kleiachtige
grond zeer veel plantenresten, zooals bij de paja M, zoo wordt
daardoor do plasticiteit evenzoo gering.
Zooals te verwachten was, vertoonde het monster Q, dat uit zeer
grof\' zand bestaat, deze eigenschap in het geheel niet.
Het plantendek, dat gevonden werd tijdons het monster is genomen,
-ocr page 85-
— 73 —
of op den onmiddellijk er aan voorafgaanden tijd, is uit denaard
der zaak afwisselend. Wel laat zich uit de gegevens afleiden, dat
hoofdzakelijk het vlakke terrein, dat herhaaldelijk is afgeplant, bijna
uitsluitend met lalang is bedekt. Men vergelijke, wat is medegedeeld
omtrent D, G. en H. Oerbosch werd in het algemeen aangetroffen
in die plaatsen, die het verst verwijderd zijn van het centrum van
de tabakscultuur, omdat eerst later met het planten van die meer
verwijderde terreinen is aangevangen. Op nog niet met tabak
beplante gedeelten komt echter niet altijd oerbosch voor, omdat dit
dikwijls reeds langer of korter tijd geleden, door de oorspronkelijke
bewoners is gekapt en daarna het terrein door hun in cultuur geuo-
men is.
Het zijn hoofdzakelijk de gunstig gelegen plateau\'s in do bcrg-
streek, die voor dit doel van hun oerbosch beroofd zijn.
Dat een dergelijke voorafgegane cultuur onder omstandigheden
niet gunstig gewerkt heeft op den grond, volgt uit het geringe
gehalte aan humus of aan sommige plantenvoedende stoffen, zooals
phosphorzuur en ook kalk.
Men vergelijke, wat de vermindering van humus betreft, de
monsters N. en O, waarvan N reeds lang geleden afgeladangd was, en
O, dat na verlies van het oerbosch, slechts één padioogst heeft
geleverd.
Het geringe gehalte aan phosphorzuur en kalk na een padioogst
springt ook in het oog bij A.
Opmerking verdient, dat het oerbosch, waarmede I en K bedekt was,
slechts weinig had bijgedragen tot de vorming van humus in dien
bodem. Bij de speciale behandeling van I en V is er eene ver-
klaring voor gegeven.
Ook is vermeldenswaard, dat vooral in het hooggelegen gedeelte
van Serdang, de lalang niet zooveel voorkomt als elders, wellicht
gedeeltelijk door het zeer geaccidenteerd terrein. Men vindt echter
in do plaats een grassoort, die als een zeer hinderlijk onkruid tusschen
de te veld staande tabak opschiet en zich daardoor in dit opzicht
ongunstig onderscheidt van lalang, die zulks minder doet.
Omtrent de reactie van den grond en de aanwezigheid van oplos-
bare ferrooerbindingen
kunnen wij \'t volgende op merken.
-ocr page 86-
- 74 -
AHoon in do laag gelegen gronden, waar door een hoogen
grondwaterstand, of door de ondoorlaatbaarhoid van de dieper gelegen
lagen stagnoerend water voorkomt, heeft men voor oen zure reactie
te vreezen. Aangezien de bewerking van den bodem in het algemeen
voldoende is, komt deze reactie slechts zelden voor. Zij werd
geconstateerd in het monster M, waar zij in den bovengrond zwak,
in den ondergrond sterker voorkwam. Met het oog op een plaats
gehad hebbende overstrooming, en de groote watercapaciteit van
dezen grond kon het niet bevreemden, dat de lucht onvoldoende
gelegenheid had om do zure humusstoffen in onschadelijke om te
zetten. Aangezien nog een geruime tijd moest verloopen voor met
het planten van de tabak zou worden aangevangen en in dien
tusschentijd niet voor overstroomingen behoeft gevreesd te worden,
is er ruimschoots gelegenheid, dat deze schadelijke humus-stoffen
kunnen worden omgezet in onschadelijke. Is een dergelijke grond
niet bewerkt geweest, zoo treedt een zure reactie ook in den boven-
grond in sterke mate op, zooals blijkt uit het monster L.
De aanwezigheid van schadelijke ijzerverbindingen wordt onder
dezelfde omstandigheden veroorzaakt als die van een zure reactie,
zoodat beide in de meeste gevallen samengaan.
Behalve in laag gelegen gronden zooals paja\'s en de in de laag-
vlakte voorkomende kleilanden dicht bij de zee komt soms ook in
de liooger gelegen verweeringsgroud een zure reactie voor. Is deze
grond langoren tijd onbewerkt geweest, zoo kan door het wegzakken
van de kleiachtige verweeriugsdeeltjes een voor water minder door-
laatbare laag ontstaan en heeft dit een moeieljjkc toetreding van de
lucht ten gevolge, waardoor de aanwezigheid van zuur reageerende
humusstoffen wordt verklaard. De monsters I en ook N zijn er voor-
beelden van.
Bij liet zeer diep omwerken van dergelijke roodo gronden, zonder
dat men voldoenden tijd laat om schadelijke bestanddeelen door de
inwerking van de lucht onschadelijk te laten worden, kon in derge-
lijke gevallen een mislukken van de op zulken grond geplante
tabak het gevolg zijn. In de hoog gelegen roode gronden, die be-
trekkclijk liumusarm zijn, moet om deze reden voor eene te diepe
bewerking worden gewaarschuwd, omdat men daardoor de kans
-ocr page 87-
— 75 —
hooft een ondergrond aan hot oppervlak to brengen, dio schadelijke
ijzerverbindingen bevat.
Geheel in overeenstemming met de afkomst van de meeste grond-
monsters was reeds viin te voren te verwachten, dat het gehalte
aan f ij naarde zeer groot moest zijn.
Een uitzondering van beteekenis hierop maakt het monster B,
dat afkomstig is van de verweerde bovenlaag van een hoofdzakelijk
uit tufachtigen steen opgebouwde heuvel. Bij dit monster bleven
op de zeef een aantal tufachtigc steenen achter; de ondergrond, die
dichter bij de oorspronkelijke tufmassa ligt, heeft het geringste ge-
halte aan fijnaarde van alle onderzochte monsters nl. 67,9 °/0.
Een gering gehalte aan fijnaarde vertoont ook het uit grof zand
bestaande monster Q, omdat de afmeting van vele der kwartsachtige
deeltjes grooter was dan 3 mm.
Bij sommige kleiachtige monsters bleven conglomeraten achter
van kleideeltjes, die door ijzerhydroxyde aan elkaar zijn gebonden.
Het is te verwachten, dat op plaatsen, waar door de rivieren
grint is afgezet, een gering gehalte aan fijnaarde in den grond zal
worden gevonden. Deze strooken komen zeer plaatselijk voor, en
zijn vooral bij herhaalde regens ongeschikt voor de tabak, omdat
door het wegspoelen der fijnaardc tusschen het grint, de wortels
groote schade lijden, door blootstelling aan do zon en omdat veelal
op dergelijke plaatsen zeer spoedig gebrek aan water ontstaat.
Het soortelijk gewicht en het oolumcgcwicht zijn bepaald gewor-
den om gegevens voor do poreusitoit te verkrijgen.
Vergelijkt men de verschillende waarden, die voor het soortelijk
gewicht werden gevonden onderling, zoo blijkt er uit, dat in het
algemeen weinig afwijking bestaat. Alleen de grondsoorten, die
zeer humusrijk zijn of zeer veel organische resten bevatten, maken
hierop een uitzondering. De geringste waarden zijn gevonden voor
C. een zeer humusrijken verweeringsgrond en voor M. een paja-
grond met veel klei gemengd. In samenhang met deze cijfers is
ook voor het volume gewicht een geringe waarde gevonden.
Het hoogste spec. gew. is gevonden bij liet monster P uit Serdang,
omdat hier een gering humusgehalte samenging met do aanwezigheid
van veel kwartsachtige fragmenten in een ijzerrijken verweeringsgrond.
-ocr page 88-
— 76 —
Afwisselend werd nu eens voor den bovengrond, dan weder voor
den ondergrond het grootste spec. gewicht gevonden. Is de laag dio
humus bevat dun, zoo is in het algemeen de bovenlaag lichter
dan de ondergrond, omdat deze een grootere hoeveelheid zwaardere
minerale bestanddeelen bevat. Is de humus bevattende laag dik, zoo
vindt men het omgekeerde, omdat door de bewerking en de cultuur
in den bovengrond het spec. lichtere bestanddeel verloren gaat en
dus een zwaardere, — uit meer mineraal fragmenten bestaande—boven-
grond terugbhjft naast een humusrij ken ondergrond van een geringer
spec. gewicht. A. levert hiervan een sprekend voorbeeld, evenzoo O
liet volume-gewicht vertoont afwijkingen voor de monsters onder-
ling in den zelfden zin als de spec. gewichten.
Ook hier zijn het weder de grondmonsters met het hoogste gehalte
aan organische resten, die het kleinste volumegewicht hebben.
De poreusiteit van een grondsoort, die zooals boven werd medege-
deeld door berekening uit het spec. gewicht en het vol. gewicht
wordt gevonden, houdt om deze reden gelijken tred met deze
waarden.
In het algemeen vertoonen de monsters een even groote waarde
voor de poreusiteit; het zijn weder dezelfde monsters, die in spec.
gew. en in vol. gew. sterk afwijken, die ook in dit opzicht zich het
meest van de andere onderscheiden.
De monsters C. en il, die liet grootste gehalte aan organische
resten bevatten, hebben ook daardoor de grootste poreusiteit.
Waar dit bedrag zeer gering is, zooals bij Q, en de samenstellende
deeltjes bovendien een groote afmeting hebben door de grove zand-
aclitige partikels, waaruit Q is samengesteld, heeft men de geringste
poreusiteit. In samenhang hiermede is ook het bedrag aan water,
dat in de poriën kan worden vastgehouden, zeer gering, omdat door
de aanzienlijke grootte der openingen tusschen de vaste deeltjes, het
snel in den ondergrond wegzinkt.
Kleigronden, die uit deeltjes van geringe afmeting zijn samen-
gesteld en daardoor een groote menigte kleine ruimten tusschen de
vaste bestanddeelen bevatten, vertooneu een groote poreusiteit. Dij
aanwezigheid van water, wordt daardoor een groote hoeveelheid in
de poriën vastgehouden, omdat de weerstand te groot is, dan dat
-ocr page 89-
— 77 —
hot, zooals bij zandgrond, in do diepere lagen kan wegzinken. Vindt
men gecombineerd veel organische resten en klei, zooals bij pajagrond,
dan vindt men in een dergelijke grondsoort het grootste bedrag van
niet met vaste deeltjes gevulde ruimten, dus de grootste porousiteit.
Het monster M. dat in dit geval verkeert, heeft de grootste poreu-
siteit, zoodat in den watervrijen grond ruim 64 proc. van het volume
uit lucht bestaat en slechts 36 proc. uit vaste bestanddeelen. Rij
den zeer lossen zandgrond Q bedragen deze cijfers resp. 41,6 proc.
en 58,4 proc.
De watercapaciteit hangt samen met de hoeveelheid en de afmeting
van de zich tusschen de vaste deeltjes bevindende ruimten, dus
eenigzins met de poreusitcit. Zijn de poriën klein, zoo moet men
aannemen, dat zij alle met water gevuld kunnen zijn; zijn de openingen
groot, zooals bij grof zand, dan vindt geen cappillaire werking plaats,
maar vloeit een groot deel van het water langs de vaste deeltjes
weg in den ondergrond.
De watercapaciteit is dus voor gronden, die uit grove deelen zijn
samengesteld, zooals Q, (grof zand) het geringst. Zeer groot bij
gronden, waar het volume, dat niet uit vaste bestanddeelen bestaat,
groot is en de ruimten zelf een kleine afmeting hebben. Om deze
redenen is de watercapaciteit van kleigrond, zoowel als van humus-
rijke gronden, zeer aanzienlijk. Komt kleigrond voor met veel orga-
nische resten, zooals bij paja\'s het geval is, danwerken beide bestand-
deelen in gelijken zin en resulteert er een groote watercapaciteit uit.
Het monster M (paja met klei) staat dus in dit opzicht bovenaan.
Een zeer groote watercapaciteit moet voor laag gelegen landen als
een nadeel worden beschouwd, omdat het opdrogen van het land
en het binnendringen van de lucht er door bemoeielijkt wordt.
Grondsoorten, die hoog gelegen zijn en rijk aan organische resten
hebben om deze roden, onverschillig, wat de geaardheid is der
minerale deeltjes, die mede den grond vormen, een groote water-
capaciteit.
Treedt het gehalte aan humus op den achtergrond, dan hangt
het bedrag van het vastgehouden water af van den meer of minder
fijn verdeelden toestand der minerale bestanddoelen.
Voor Deligronden vindt men in het algemeen, dat de humus-
-ocr page 90-
— 78 —
arme gronden een grootere watercapaciteit bezitten, dan dergelijke
in de andere landschappen gelegen.
Gaat men de grondsoorten na, zoo is dit niet te verwonderen.
Voor Deli bestaan deze hoofdzakelijk uit verweeringsprodukten van
vulcanische asch, die in het .algemeen na de verweering een klei-
achtige geaardheid vertoonen en waardoor de grootere watercapa-
citeit verklaard wordt.
In Langkat komt moer een zandachtige van de gele heuvels
afkomstige grondsoort voor, die behalve dat zij in het algemeen
humusarm is, ook als zoodanig slechts weinig water vermag vast
te houden.
In Serdang en ook in Padang Bedagci komt een dergelijk iets
voor; in het algemeen houdt men nadat een oorspronkelijk
humusrjjke bodem zijn organische resten verloren heeft, een grond-
soort over, die arm is aan kleiachtigc bestanddeclen en dus ook
een geringe watercapaciteit bezit.
Vergelijking van do bedragen van de hoeveelheid water, die de
Deligronden vermogen vast te houden met die van de andere land-
streken, doet het verschil duidelijk uitkomen.
Een gehalte aan kleiachtigc deeltjes doet het vermogen om
water vast te houden, sterk stijgen, waaraan het moet worden toe-
geschreven, dat de pamahgronden I en K in Langkat nog een vrij
groote watercapaciteit bezitten. Wanneer echter de voortdurende
slibtoevoer ten gevolge van het niet meer plaats vinden van over-
stroomingen, ophoudt, zal de bovengrond door het wegspoelen
der fijnere slibdeeltjes in diepere lagen langzamerhand een hooger
zaudgehalte krijgen en zal de watercapaciteit veel minder worden
Zonder onderscheid treedt bij alle monsters de samenhang op den
voorgrond tusschen liet humusgehalte en de watercapaciteit, het
zal dan ook onnoodig zijn hier nogmaals te herinneren aan het
groote belang, dat men heeft om de voorraad organische resten in
den bodem te vermeerderen. Een groote watercapaciteit van een
hooger gelegen grond, maakt do tabak gedurende langen tijd onaf-
hankelijk van het weder; daarom vertoont tabak op een humusrijkcn
bodem na een lange droogte een geheel ander aanzien dan tabak
in dezelfde omstandigheden, die op zandgrond geplant geworden is.
-ocr page 91-
- 79 —
Iïumusrijke grond als C heeft een watercapaciteit van C0.8°/o, een
humusarmc zandgrond als Q een van 23,7°/0, welke cijfers voor
zich zelf voldoende spreken.
Bij de overige grondsoorten hangt de watercapaciteit samen met
het bedrag aan organische resten en met de hoeveelheid kleiach-
tige deeltjes.
Door herbossching wordt dus om twee redenen de watercapaciteit
vergroot; vooreerst door de vermeerdering van humus-bestand-
deelen, die er het gevolg van is, en ten tweede, omdat de fijnere
verweeringsprodukten, slib, klei, beschermd door het plantendek, niet
door de regens weggespoeld worden.
Het glociverlies hangt af van het gehalte aan vluchtige en brand-
bare bostanddeelen, dat is dus van het aanwezige water, van de
humus en van de hoeveelheid minerale bestanddcelen, die door ver-
hitting ontleed worden en in hoofdzaak daarbij water verliezen.
Zandgrond bevat zulke mineralen in geringe hoeveelheid, zoodat
het glociverlies voor een humusarmen zandgrond ook het geringst
is. Men vergelijke het cijfer, dat voor den zandgrond Q gevonden
is en dat van alle onderzochte monsters het kleinste is, nl. 5,2"/0,
voor den bovengrond, en slechts 3,l°/0 voor den ondergrond, met de
overige cijfers. Ook de andere humusarme aandachtige grondsoor-
ten, zooals de pamah\'s I en K verliezen slechts weinig aan gewicht
na gloeiïng Daarop volgt het monster B, omdat do aanwezigheid
van de humus hier de hoofdoorzaak is van het glociverlies en de
nog onverweerde tufachtige steen weinig of geen bostanddeelen
bevat, die gebonden water in de hitte doen ontwijken.
Uit de overige cijfers volgt, dat bij de gronden, die veel organi*
sche resten bevatten, zooals C, M, vooral in den ondergrond, O en
R het gloei verlies het grootst is.
Daarna volgen de grondsoorten, die zoowel humus bevatten als
ook gemakkelijk ontleedbare silicaten, zooals A, E, F, II, J en N.
In het algemeen is het glociverlies in den Deligrond het grootst,
in dien van Langkat het geringst, wanneer althans gronden van
soortgelijke gesteldheid met elkaar vergeleken worden.
Vergelijkt men de humusarmc gronden onderling, dan is het
gloeiverlies bij de kleiachtige gronden grooter dan dat van de zand-
-ocr page 92-
— 80 —
achtigc, in verband met de grootere hoeveelheid waterhoudendo
silicaten van de eerstgenoemde.
De hoeveelheid water in de liichtdrogc aarde, die bij verwarming
tot 100" C
ontwijkt, moet bekend zijn om de hoeveelheid gebonden
water te berekenen, zooals boven reeds werd aangegeven.
Alleen wordt opmerkzaam gemaakt op het feit, dat deze hoeveel-
heid nauw samenhangt met de grootte der watercapaciteit, zoodat
het weder de zandachtigc gronden zijn die het minste en de humus-
rijke en kleiachtige, die het meeste water bij gewone temperatuur
vasthouden.
De hoeveelheid humus -f- gebonden water is gevonden door bereke-
ning; zij moet bekend zijn om de hoeveelheid gebonden water te
leeren kennen. Ook voor deze waarde geldt, dat humusnjke gronden
en die veel verweerde kleiachtige deeltjes bevatten, de grootste
hoeveelheid bezitten.
De hoeveelheid gebonden water is bepaald door van het bedrag
aan humus-h het gebonden water, de hoeveelheid humus af te nemen.
Opschoon de aldus gevonden waarden niet op een zeer groote
nauwkeurigheid aanspraak kunnen maken, omdat niet uitgemaakt
wordt, welk deel dezer hoeveelheid van de organische resten, en welk
deel van de minerale bestanddeelen afkomstig is, geven zij toch
eene voldoende aanwijzing voor de verschillen, die tusschen de
gronden van de landschappen onderling, bestaan.
De hoeveelheid gebonden water is hoofdzakelijk afkomstig van
het verwceringsprodukt van de vulcanische asch- en zandlang, Bij
vergelijking der cijfers van de hoeveelheid gebonden water in de
hooger gelegen gronden in de verschillende landschappen blijkt
duidelijk, dat het verwceringsprodukt, dat in Deli voorkomt eene
andere samenstelling heeft dan die van de andere landschappen;
hierop maakt een uitzondering het monster J in Langkat, waarvan
echter reeds boven werd medegedeeld, dat het om de vroeger op-
gegeven redenen, tot de Deli\'sche grondsoorten moet gerekend worden.
In Deli zelf maakt hierop weder eene uitzondering het monster,
dat van de tufsteenachtige helling afkomstig is (B), omdat dit groo-
tendeels uit onverweerde bestanddeelen bestaat.
Bij de dicht naar de zee gelegen landen, onverschillig in welk
-ocr page 93-
— 81 —
landschap, komt steeds, als het kleigrond is, een groote hoeveelheid
gebonden water voor.
Bij vergelijking van Langkat en Serdang met Deli wijkt echter
Langkat in dit opzicht meer van Deli af dan Serdang (voor zoover
de monsters onderzocht werden.)
Overigens zal later, als het onderzoek van het colloidsilicaat ge-
eindigd is, hierop nader worden terug gekomen.
Het humusgehalte moet als een der gewichligste factoren be-
schouwd worden bij de beoordeeling van een grondsoort.
Het grootste gehalte aan organische resten is gevonden in den
paja- achtigen kleigrond, waarvan liet monster M afkomstig is, nog
meer naar de zee toe wordt deze hoeveelheid onder omstandigheden
zoo groot, dat de betreffende grondsoort geheel met laagveen ver-
geleken kan worden.
De invloed van de plantenresten op de structuur van den klei-
grond komt duidelijk aan den dag, wanneer men de plasticiteit van
M vergelijkt met die van kleigronden zonder deze groote hoeveel-
lieid organische resten, zoo is bjj M de plasticiteit gering, bij (i en
H zeer groot.
Door de lage ligging van de plaats, waar 11 werd genomen, moet
aangenomen worden, dat de groote hoeveelheid organische resten
ook hier van een paja- achtigo afkomst is.
Een zeer hoog gehalte aan humus is gevonden in het monster C.
den grooten invloed, dien deze organische resten op bijna alle eigen-
schappen van den grond gehad hebben, springt duidelijk in het
oog, wanneer men de verschillende cijfers, die voor dit monster
werden gevonden, vergelijkt met die der overige monsters. Als een
der voornaamste moet beschouwd worden de groote watercapaciteit,
waardoor deze grond niettegenstaande de hooge ligging, langen tijd
voor uitdroging gevrijwaard is en ook zelfs bij langdurige droogte
de tabak voldoende water uit den ondergrond kan krijgen. Boven-
dien heeft de losse structuur, die ermede gepaard gaat, het mogelijk
gemaakt, dat de wortels zich over een veel grooter uitgebreidheid in
den grond uitstrekken en dus meer water en meer voedsel kunnen
verkrijgen.
Niettegenstaande de groote watercapaciteit in kleigrond, ver-
Meded. PI. XXI                                                                                6
-ocr page 94-
— 82 —
dwijnt het voordeel hiervan grootendeels, omdat het wortelnet door
de dichtheid van den bodem of door stagnoerend water te veel bclet*
selen vindt om zich te kunnen verbreiden.
De aanwezigheid van organische resten werkt gunstig op de
structuur, mits eene groote hoeveelheid ervan aanwezig is; het
blijkt zeer duidelijk uit de geringe plasticiteit van M., dat behalve
uit klei evenzoo uit vele plantenresten is samengesteld.
Gaat men de gehalten aan humus na in do monsters der verschil-
lcnde landschappen, zoo ziet men dat zonder uitzondering de nog
weinig in cultuur geweest zijnde gronden in het algemeen het hoog-
ste humusgehalte hebben.
Echter zijn hierop zeer karakteristieke uitzonderingen.
Vooreerst de losse, zandige, laaggelegen pamah-gronden als I. en
K. die niettegenstaande zij met oerbosch bedekt waren, toch een
zeer gering bedrag aan humus bevatten.
Ook bij den groven zandgrond Q is om soortgelijke redenen de
kwantiteit humus-stott\'en zeer gering; zij bedraagt niet meer dan
l,4°/o.
Gronden, die nog weinig met tabak beplant zijn geweest, doch
waarop wegens de gunstige ligging, de oorspronkelijke bewoners
herhaaldelijk padi plantten, hebbon daardoor ook het grootste deel
van hun aanvankelijk grooten humusrjjkdom verloren. liet mon-
ster N, dat van een dcrgelijken grond genomen is, bevat slechts
2 °/0 humus; als onmiddelijk gevolg ervan zijn de watercapaciteit
en ook het vermogen om stikstof te absorbeeren uit een ammoniak-
zoutoplossing, zeer gering.
Vindt men belangrijke verschillen in eigenschappen tusschen den
boven- en den ondergrond, zoo moet dit voor een groot deel wor-
den toegeschreven aan het grootere humusgehalte van beide of van
een van beide, en eerst daarna aan den meerderen of minderen
graad van verweering.
Lulanglanden zijn zonder onderscheid humusarm, omdat dit ge-
was betrekkelijk weinig bijdraagt tot vermeerdering van de orga-
nische resten in den bodem en bovendien na het branden van de
lalang den grond in een hoogst ongunstigen toestand achterlaat.
D. E. en F. zijn in vergelijking van de humusrijke gronden van
-ocr page 95-
— 83 —
dergelijken afkomst die zich elders bevinden, in een veel minder
goede conditie. De afhankelijkheid van het op den juisten tijd
invallen van den regen, die door veel organische resten \\erniin-
derd wordt; de wijziging in de structuur, waardoor de luchttoevoer
gemakkelijker wordt, en het vermogen om water zoowel als plan-
tenvoedende stoffen vast te houden onderscheiden de humusrjjke
gronden gunstig van do overige. Hoveiulien is de tabak in staat
in dezen lossen grond een groot en krachtig wortelnet te ont-
wikkelen, hetgeen voor het groote aantal en het groote oppervlak-
van de bladeren onvoorwaardelijk noodig is
Het beste middel ter verbetering van den grond komt neer op
eene vermeerdering van de humus en het behouden van de orga-
nische resten, die er nog zijn.
Eerst daarna komt de vraag, welke planten voedende stoffen moeten
worden toegevoegd. Zonder een goede verdeeling dezer voedings-
stotfen, zonder een goede structuur en een voldoende watercapaciteit,
welke drie factoren hoofdzakelijk van de aanwezige humus afhangen,
kan de plant toch geen voordeel hebben van de toegevoegde meststof
Iiij zware klei is het absorptie-vermogen voor de voedingsstoffen
zoo groot, dat bij bemesting plant voor plant liet gevaar bestaat,
dat het toch reeds minder ontwikkelde wortelnet in een te gecon-
centreerde hoeveelheid meststof komt; zoo noodig is daarom het
uitstrooien van de meststof en ondiep onderwerken aan te bevelen
boven het bemesten plant voor plant.
Omgekeerd moet in een humusarmen zandgrond de meststof,
plant voor plant worden gegeven, omdat weinig organische resten
en weinig kleideeltjes aanwezig zijn om de meststof voor wegspoelen
in den ondergrond te behoeden.
Er zal blijken ook een direct verband te bestaan tusschon de hoevcel-
heid humus en liet absorptievermogen voor stikstof van de verschil-
lende grondsoorten. Men dient echter wel in het oog te houden,
dat kleigrond evenzoo deze eigenschap in hooge mate bezit zoodat
ook bij afwezigheid van veel humus toch veel stikstof kan goabsor-
beerd worden.
De hoeveelheid Stikstof in den grond was in het algemeen vrij
aanzienlijk, waartoe de volgende oorzaken hebben bijgedragen.
-ocr page 96-
— 84 —
Bij de humusrjjke gronden bleef de hoeveelheid stikstof, die in de
plantenresten aanwezig is, bewaard, omdat de omzettingen ten
gevolge van de meer gebonden structuur minder snel plaats vinden
en dus ook de stikstof houdende verbindingen voor stikstofverlies
gevrijwaard bleven. De monsters C, M, O en II zijn hiervan
voorbeelden. Voor laatstgenoemd monster komt er bij, dat door de
kleiachtige grondsoort en de lage ligging de omzettingen niet alleen
langzaam plaats vinden, maar ook het absorptievermogen voor
stikstof buitengewoon groot is, evenals voor L, lioewcl bij dit laatste
de invloed van de humus op den achtergrond treedt door de groote
hoeveelheid kleiachtige deeltjes in deze paja. De geringste hoeveel-
heid stikstof is gevonden in de grondsoorten die een losse, zandige
structuur hebben, omdat de stikstofhoudende bestanddeelen snel en
volledig worden omgezet en er noch humus, noch kleiachtige deeltjes
in voorkomen, om de stikstofhoudende ontledingsprodiikten, welke
er voor vatbaar zijn, voor wegspoelen te bewaren.
In Langkat is om deze reden bet bedrag aan stikstof gering, met
uitzondering in de meer op den gebonden Deligrond gelijkende
grondsoort .T.
Een soortgelijk iets vindt men in de van Serdang onderzochte
monsters; alleen het humusrijke monster O is stikstofrijk, bij de
andere wordt dit om de losse structuur en het geringe humus-
gehalte ten gevolge van de herhaalde cultuur, veel minder. Het
geringste bedrag werd gevonden in den lossen zandgrond Q, omdat
daar de omzettingen van stikstofhoudende bestanddeelen het snelst
en meest volledig verloopen.
Bij eene bemesting met stikstof zal men dus rekening hebben te
houden, dat het in de eerste plaats voornamelijk de losse, zandige
grondsoorteii zijn, die zich dankbaar voor een stikstof toevoer zullen
betoonen, dus gronden als waarvan de monsters I, K, N, V en Q
afkomstig zijn.
Kleigronden met zandachtige niineraalfragmenten gemengd en
waar langen tijd lalang heeft gegroeid, zooals G en ook D komen
daarna in aanmerking. Bekend is dat lalang hot vermogen mist
stikstof uit de lucht in zijn wortels in samengestelde verbindingen
vast te leggen die later na ontleding voor de tabak als stikstof
-ocr page 97-
— 85 —
bemesting kunneu dienst doen. De Albizzia\'s bezitten dit vermogen
in hooge mate, zoodat de humus-bcstanddeelen, die door bet vergaan
van bare wortels gevormd worden, rijk zijn aan dit bestanddeel.
De verhouding van de hoeveelheid totaal stikstof tot de hoeveelheid
humus
is voor de verscbillende gronden niet dezelfde In het alge-
meen is de hoeveelheid stikstof\' voor alle gronden gemiddeld hooger
dan dit op vele plaatsen in Java het geval is.
In de huig gelegene en in de kleiachtige gronden komt be-
trekkelijk het geringst bedrag aan stikstof\' voor in verhouding
tot de hoeveelheid humus. Waarschijnlijk moet dit worden toege-
schreven aan de afwezigheid van stikstof verzamelende planten op
de laag gelegen gronden, waar in het algemeen meer een moeras-
plantengroei voorkomt en door het overheerschen van de lalang op
de kleiachtige landen, die evenmin in staat is stikstof te verzamelen.
Men vergelijke de verhoudingen voor G, II, M, en II met die
der andere.
Waar de stikstof gemakkelijk kan wegspoclen na omzetting, is
ook slechts weinig te vcrwachteu; de pamah K en liet losse zand
van (\\ zijn er voorbeelden van.
Dat een herbaalde cultuur ook invloed heeft blijkt uit A, dat
betrekkelijk arm is aan stikstof is vergelijking met de hoeveelheid
humus.
Overigens zal uit het onderzoek van de tabak moeten blijken in
hoeverre dit gewas van de aanwezige hoeveelheden stikstof heeft
gebruik kunnen malen.
Het phosphorzuur gehalte vertoont cvenzoo groote afwisseling.
Het zijn wederom de boog gelegen zeer humusrijke gronden, die
in het algemeen de grootste boeveelheid bevatten.
Een zeer oud, diep wortelend plantendek heeft sedert geruimen
tijd de betrekkelijk geringe hoeveelheid phospborzuur, die in deu
oorspronkelijken bodem voorkomt, verzameld, afgezet in don hoven-
grond. Waar noch door padi, noch door tabak deze hoeveelheid
verbruikt is, vindt men bet hoogste gehalte aan phospborzuur; als
zoodanig zijn de gehalten van C en O opmerkenswaard.
De padicultuur onttrekt veel phospborzuur aan den bodem, waar-
aan de geringe hoeveelheden moeten worden toegeschreven, die
-ocr page 98-
— 86 —
nog in A en N zijn overgebleven. Een enkele padioogst op oer-
boschgrond doet in dit opzicht nog weinig schade, zooals Mijkt
uit O, dat iu dit geval verkeert en waarvan het phosphorzuurge-
halte vrij hoog is.
De booordeeling van enkele cijfers, die op phosphorzuur betrek-
king hebben, moet met omzichtigheid plaats hebben, omdat soms
niet meer bekend was, of bij eene vroegere beplanting met tabak
een phosphorzuur-houdende meststof is toegevoegd. Het onderzoek
van de tabak die op de plaatsen gegroeid is, waar de monsters
werden genomen, zal moeten uitmaken in hoeverre het schijnbaar gering
bedrag aan dit bestanddeel, hetgeen in verreweg de meeste gevallen
voorkomt, invloed heeft uitgeoefend op de kwantiteit en de kwaliteit
van de tabak.
Tabak zelf bevat, zooals bekend is, in vergelijking met de
hoeveelheden der andere voedingsstoffen, slechts weinig phosphor-
zuur.
De hoeveelheden kali vertoonen onderling minder afwisseling dan
die der andere bestanddeelen. In do grondsoorten, die het dichtst
bij de zee gelegen zijn en waar de veelal moeielijk verweerbare
kalihoudenden silicaten het verst ontleed zijn, wordt in het algemeen
het hoogste kaligehalte gevonden.
Men vergelijke H, M en R.
Bij andere, die hooger zijn gelegen, wordt liet groote kaligehalte
veroorzaakt door den rijkdom aan kalihoudende silicaten, hetgeen
in het algemeen in Langkat en Serdang meer het geval is, dan in
Deli; alleen do tufsteenachtige massa, waarop B ontstaan is, heeft
bijgedragen tot een hooger kaligehalte van den Deligrond B. I, K,
N, O, 1\' en evenzoo in hooge mate Q, hebben omdat zij zeer rijk
zijn aan silicaten, veel kali. In het Delische is het in liet algemeen
gering, ofschoon ook hier niet buitengesloten is dat door vroegere
bemestingen met kunstmest hooge gehalten worden gevonden, zooals
het op Deligrond gelijkende monster J doet uitkomen.
Het onderzoek van do tabak moet ook hier worden afgewacht, om
den invloed van dit schijnbaar gering kaligehalte van den grond
op de tabak na te gaan.
De kalle is een der meest bewegelijke bestanddeelen in den bo-
-ocr page 99-
— 87 —
dom, als koolzure kalk wordt zij door koolzuurhoudend water, ge-
raakkehjk naar den ondergrond gevoerd.
De hoeveelheid kalk hangt evenals die der kali in hoofdzaak af
van den aard der mineralen, waaruit de bodem is samengesteld.
Daarom is van B, dat op do helling ligt van een tufsteenachtige
heuvel met veel ingesloten mineralen, het kalkgehalte zeer hoog,
evenzoo van de meeste laag gelegen landen, omdat daar de kalk-
houdendo mineralen als zand zijn heengevoerd, en verweerden waar-
door de kalk oplosbaar is geworden. De monsters H en It be-
vatten om dezo reden meer kalk dan de overige.
Humusrijke gronden bevatten om dezelfde reden als zij een groote
hoeveelheid phosphorzuur bezitten, ook veel kalk, zij het ook, dat
door herhaaldelijke cultuur, vooral van padi, hier veel van verloren is
gegaan. Men vergelijke bijv. de hoeveelheid kalk van A. en N, waar
dikwijls padi werd geplant, met B en O, waar zulks niet het geval was.
De padi-cultuur heeft dus niet alleen het nadeel, dat de physi-
scho toestand van den grond er door achteruitgaat, omdat zij het
jonge bosch in zijn ontwikkeling belemmert, doch ook door ontrek-
king van voedingsstoffen, hoofdzakelijk van phosphorzuur, en kalk
werkt de herhaalde padi-cultuur nadeelig.
Toevoeging van kalk moot vooreerst worden ontraden, omdat de
omzetting van de humus er buitengewoon door bevorderd wordt en
deze dus verloren gaat en omdat in het lange tijdsverloop, dat tus-
schen twee tabakoogsten verloopt, er ruimschoots gelegenheid is
voor de steeds aanwezige kalkhoudende silicaten om door ontleding
kalk beschikbaar te maken. Is het terrein dan door een humus-
leverend gewas bedekt, zoo blijft het grootste deel van de kalk in
den bovengrond bewaard.
Een buitengewoon slechte grond met betrekking tot de hoeveelheden
plantenvoedende stoffen is de gele heuvelgrond in de paja, waarvan
het monster L werd genomen. Hier moet zoowel de aanwezigheid
van schadelijke bestanddeelcn, als do geringe hoeveelheid plantenvoc-
dende stoffen de oorzaak zijn, dat de tabak grootendeels mislukt is.
Daarbij komt dat dezo gele heuvelgrond een geringere watercapa-
citeit heeft dan uit het monster L zou blijken, omdat do invloed van
de paja zich in dit speciaal geval te veel doet gevoelen.
-ocr page 100-
— 88 —
De kalk kan onder omstandigheden naar den ondergrond worden
weggespoeld, zooals volgt uit Q, dat zeer kalkarm is, niettegen-
staande de overige van Serdang onderzochte monsters door de aan-
wezighcid van kalkhoudende silicaten veel meer van dit bestand-
deel bevatten.
De nadeelige invloed van de herhaalde padicultuur op de meeste
plateau\'s door de Uataks blijkt ook uit het geringe bedrag aan kalk
van het monster N, hetgeen nog slechter wordt door de meer zand-
achtige geaardheid van deze grondsoort, waardoor wat er nog ovor-
bleef gemakkelijk wegspoelen kon in den ondergrond.
Door het brengen van asch op het land, wordt het kalkgehalte
verhoogd, omdat de asch van de meeste planten vrij veel kalk bevat.
Het abxor/die vermogen voor stikstof uit een «mmoniakzouto[>los-
sing
houdt gelijken tred, zoowel met de hoeveelheid humus als met
de hoeveelheid kleiachtige bestanddeelen. Om deze beide redenen
is dit vermogen voor alle Deli-gronden hot grootst, omdat deze
na verweering een meer kleiachtige structuur aannemen. Bij
de zandige gronden als pamah\'s, die humusarm zijn en op
den zandgrond Q, die in nog ongunstiger conditie verkeert is dit
vermogen liet kleinst. Ook de meer zandachtige, weinig plastische
gronden uit Serdang vertooncn in dit opzicht met uitzondering
van het humusrijke O een gering absorptie vermogen. Zeer hoog
wordt dit in zwaren klcigrond of in paja-achtige gronden. Men
vergelijke de cjfers voor H, L en R mot die der overige om van
het groote verschil overtuigd te worden.
-ocr page 101-
ALGEMEEN OVERZICHT.
LANDSCHAP
13 IE
!L I
TL, A. 1ST C3r KI -A.T.
SEÏlID^^3Sr<3-.
PADANG
BEDAGEI
1
Naam van liet monster
A.
II
C.
9.
E.
F.
(i.
11.
I.
J.
Iv.
L,
M.
\\.
O.
»\\
Q
R.
Naam van het monster .
1
2
Afstand van do zeo in K.M.
50
± 49
± 36
± 28
25
± 25
± 18
± 10
± 43
± 37
35
± 32
± 32
± 47
± 46
± 35
± 5
± 6
Afstand van do zee in K. M.
2
3
4
5
Hoogte boven de zeo in M.
Grondsoort.....
Plasticiteit.....
± 400
humus-
achtige
verweerde
aschlaag.
gering.
± 340
osse, weinig
verweerde
grond.
los.
± 65
zondige hu-
musaehtigo
verweerde
grond.
los.
± 26
verweerde
aschlaag.
gebonden.
20
verweerde
aschlaag.
iets
gebonden.
± 20
verweerde
aschlaag.
iets
gebonden.
± 12
kld.
zeer groot.
± 6
klei,
zeer groot.
± 15
pamah.
gering.
± 25
humus-
achtige
verweerde
aschlaag.
iets
gebonden.
± 12
pamah.
los.
± 12
gt\'lc heu-
velgrond in
paja.
zeer groot.
± 12
paja met
\'kin.
iets
gebonden
± 275
verweerde
aschl tag.
gering.
± 275
humus-
aehtige
verweerde
grond.
gering.
± s5
Iobsc
verweerings-
grond.
gering.
± 6
grof zand.
zeer los.
± 5
kl.i.
zocr groot.
Hoogte boven de zee in M.
Grondsoort......
Plasticiteit......
3
4
5
6
Bedekt geweest met . .
padi.
tabak padi.
jong bosch.
lalang.
tabak padi.
lalang on
jong bjsch.
lalang.
lalang en
cenig
jong bosch.
oerbosch.
lalang en
jong bosch.
oerbosch.
—
oerbosch.
éénmaal
tabak - jong
bosch lalang.
oerbosch
padi
jong bosch
en gras.
jong bosch.
oarbosch.
Bedekt geweest met . .
6
7
Znre reactie ....
bovengr.
ondergr.
__
__
__
:
:
__
__
__.
__
zwak zuur.
_
sterk zuur.
sterk zuur.
zwak zuur.
zuur.
zwak zuur.
__
__,
__
bovengr.
ondergr.
Zure reactie.....
7
8
Ferro-verbindingen opl.
Pliysisclie eigenschappen.
b. g.
0. g.
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
spoor,
spoor.
spoor,
aanw.
spoor
—
—
—
b. g.
o. g.
Ferro-vorbindingon opl. .
8
9
Fijnaarde proc. , . .
b. g-
o. g.
100
99,7
77,4
67,9
99,3
97,2
99,9
99,1
100
95,5
100
100
99,7
93,8
100
100
100
100
99,6
99,7
100
100
100
100
100
100
100
99,8
99,8
100
99,9
100
93,2
97,6
100
99,8
b. g.
0 g.
10
Soortelijk gewicht der ,<
b <r
2,659
2,563
2,414
2,506
2,602
2,647
2,488
2,467
2,666
2,474
2,598
2,598
2,396
2,629
2,634
2,824
2,582
2,449
b. g.
Soortelijk gewicht dor wa-
10
watervrije aarde. <
0. g.
2,61
2,639
2,355
2,561
2,693
2,679
2,606
2,5 81
2,694
2,554
2,686
2,642
2,281
2,625
2,691
2,831
2,6 5
2,525
0. g.
I tor vrij e aarde ....
11
Volume-gewicht der wa-;
b. g.
1,229
1,256
0,931
1,153
1,221 \'
1,256
1,153
1,14
1,263
1,125
1,223
1,166
0,859
1,264
1,147
1,433
1,507
1,035
b. g.
, Volume-gewicht der wa-
11
tervrije aarde.
0. g.
1,193
1,307
0,983
1,217
1,189
1,224
1,232
1,\'43
1,344
1,125
1,308
1,157
0,794
1,266
1,1
1,374
1,512
1,042
0. g.
tervrije aarde. . • .
12
Vaste bestandd. vol. \\ È
s
b. g.
46,2
49
38,5
46,
46,9
47,5
46,3
46,2
47,4
45,5
47,1
44,9
35,9
48,1
43,5
50,7
58,4
42,3
b. g.
Vaste bestandd. vol. \\ i
12
1 ei
proc. 1 g
l "* 3
0. g.
45,7
49,5
41,7
47,5
44,1
45,7
47,3
44,3
50, -
44,-
48,7
43,8
34,8
48,2
40,9
48,5
57,8
41,3
0 g.
J £ .
proc. | u^
\\ ^ ai
13
Lucht vol. proc. . 1 g
1 (2
b. g.
0. g.
53,8
54,3
51,
50,5
61,5
58,3
54,
52,5
53,1
55,9
52,5
54,3
53,7
52,7
53,8
55,7
52,6
50,
54,5
56,
52,9
51,3
55,1
56,2
64,1
65,2
51,9
51,8
56,5
59,1
49,3
51,5
4,1,6
42,2
57,7
58,7
b. g.
0. g.
) *
Lucht vol. proc. . 1 1k
) ^
13
14
Watercapaciteit . . .
Chemische eigenschappen.
b. g.
0. g.
39,6
38,3
45,4
43,4
60,8
56,6
39,5
38,2
37,8
41,
36,6
35,1
41,5
35,6
40,3
38,3
39,2
35,
44,8
38,5
41,8
36,9
40,7
44,8
59,2
70,7
32,5
32,3
37,8
36,2
30,5
28,1
23,7
25,8
43,1
39,6
b g-
0. g.
Watercapaciteit ....
14
15
Oloeiverlies proc. . .
b <>•
0. g.
23,6
22,9
9,5
8,3
27,5
24,6
16,5
17,9
24,3
24,9
23,
22,6
15,3
14,1
20,7
20,9
6,8
4,-
20,4
18,9
7,6
4,9
12,1
14,4
24,5
31,6
22,-
18,-
27,7
26,6
16,5
17,4
5,2
3,1
28,5
24,7
b. g.
0. g.
Gloei verlies proc. . . .
15
16
Water in luchtdroge aarde,/
b. g.
9,-
4,3
11,2
7,6
8,1
8,3
9,8
5,5
9,4
10,2
12,8
2,6
2,-
8,9
10,2
3,rr
2,4
4,9
5,4
8,5
o,
10,8
10,6
14,2
15,6
8,-
11,1
1,6
13,1
b. g.
o- g
j Water in luchtdroge aarde,
16
ontwijkend bij 100° C. proc.\'
0. g.
9,5
3,4
10,5
10,1
9,8
1,2
15,3
\'ontwijkend bij 100°C.proc.
17
Humus 4- geb. water /
b. g
14,6
5,1
16,3
8,9
16,3
14,7
9,8
10,5
4,2
11,5
4,6
7,2
16,
11,2
13,5
8,4
3,6
15,4
b. g.
1 Humus geb. water
17
proc. (berekend).
0. g.
13,4
4,9
14,1
7,8
15,1
12,8
4,7
8,1
2,
8,6
2.5
9, -
22,6
7,4
11, -
6,3
1,9
9,4
0. g.
proc. (berekend).
18
Gebonden water proc. (ber.)
b. g.
9,9
1,2
8,7
6,1
13,
11,3
7,
6,9
2,5
7,4
2,9
4,1
7,
9,2
8,7
5,7
2,2
9,8
b. g.
Gebonden water proc. (ber).
18
19
Organische bestanddeelen
(humus) proc. . . .
n n
4,7
3,9
7,6
2,8
3,3
3,4
2,8
3,6
1,7
4,1
1,7
3,1
9,
o __
4,8
2,7
1,4
5,6
» V
Organische bestanddeelen
(humus) proc. . .
19
20
Totaal-stikstof proc. . .
n n
0,26
0,25
0,45
0,18
0,24
0,22
0,16
0,21
0,13
0,25
0,1
0,19
0,44
0,18
0,34
0,18
0,08
0,33
r, V
Totaal-stikstof proc. . .
20
21
Verhouding stikstof tot
1) D
1:18
1:16
1:16
1:16
1:14
1:15
1:18
1:17
1:13
1:16
1:17
1:16
1:20
1:11
1:13
1:15
1:17
1:17
v fl
Verhouding stikstof tot
21
22
Pliosphorzuui\' (PjOj) proc.
v w
0,05
0,13
0,36
0,14
0,03
0,04
0,06
0,15
0,1
0,08
0,07
0,02
0,08
0,03
0,29
0,1
0,04
0,13
n v
Phosphorzuur (P20.) proc.
22
23
Kali (K20) proc. . . .
» »
0,1
0,\'l2
0,04
0,09
0,02
0,03
0,06
0,13
0,12
0,14
0,:
>
0,04
0,13
0,18
0,11
0,15
0,23
0,24
V "
Kali (KaO) proc. . , .
23
24
Kalk (CaO) proc. . .
n «
0,06
0,41
0,32
0,28
0,1
0,27
0,22
0,56
0,24
0,21
o,:
•
0,02
0,17
0,06
0,41
0,25
0,09
0,52
n v
Kalk (CaO) proc. . . .
24
25
100 gram aarde absorbeert
uit een NH4C1 opl. mg. N
n Tt
95,7
65,6
98,6
86,6
83,—
94,-
108,4
146,9
72,-
101,3
66
i
132,8
99,9
69,1
111,1
76,8
31,3
121,6
n »
100 gram aarde absorbeert
uit een NH4C1. opl. mg. N.
25
Moded. PI. XXI.