-ocr page 1-
ZWXSCHE
HERDRUKKEN
N* 8
POËZIE
4,
M". I-..AC DA COSTA i
■.urnr.or.vEH doo*
c. & *
J. H. VAN DEN BOSCH
V <E cJ-TeJEENK: WILIiN^
(
sd ,
-ocr page 2-
WV* \\1\\Z<Jj
V.V. N°
Kast10,Pl.H &K Z
1          GESCHENK
h %
fV\'7U. f \'/Ut.: <Z OCltS
o
\' "cMeitcA
fc#$*?^s##$@@$©#s#®$s*@$##?#@$@
-ocr page 3-
t
-ocr page 4-
-ocr page 5-
POËZIE
VAN
Mr. ISAAC DA COSTA.
-ocr page 6-
ZWOLSOHE HERDRUKKEN,
ONDER REDACTIE VAN
D«. P. BUITENRUST HETTEMA, N. A. CBAMER,
J. H. VAN DEN BOSCH.
VIII
POËZIE VAN Mr. ISAAC DA COSTA.
ZWOLLE,
TJEENK WILLINK.
W. E. J.
-ocr page 7-
8
POËZIE
MK. ISAAC DA COSTA.
UITGKQKVEN HOOI!
J. II. VAN I) E N 15 O S G IL
ZWOLLE,
\\V. E. J. TJEENK WILLINK.
[l^]
-ocr page 8-
-ocr page 9-
I N II O ü I).
ui/
Aan mijne Egade.............      2
Inleiding tot de Hymne Voorzienigheid.....      f>
De Stem................      9
Aan de Poëzy..............    12
Aan Bilderdijk..............    15
Jericho............ ...    18
God met üns: Voorzang..........    22
De Stem des Heeren, 1848.........    20
Heimwee................    31
Bij het Afleggen van uiterlijken Rouw over Hanna.    32
Hflm&r........ t . ...                           \'A\'A
-ocr page 10-
-ocr page 11-
VOORBERICHT. *)
Met liet couplet dat, karaktoriseerend, het- bundeltje
opent, zijn de drie eerste daarop volgende gedichten naar
den door Da Costa zelf bezorgden tweeden druk (1847)
van Poëzy 1821 en 1822 genomen. Ue varianten geven
wat de eerste druk anders heeft dan de tweede. Druk-
fouten in den tweeden druk heb ik verbeterd, als de
eerste druk ze niet heeft, en natuurlijk, — als er dan
inderdaad niets tegen is om aan te nemen, dat de auteur
het niet zoo gewild heeft en het werkelijk drukfout is.
Te noteeren Tieb ik hier nu, dat ik in Inleiding tot de
Hymne Voorzienigheid
vers 25 gij (tweeden druk dus), als
drukfout, in gy (zoo ook in den eersten druk) veranderd
heb; en 46 hewelwaart (tweeden druk) in hemelvaart;
en zoo heb ik ook gehandeld met De Stem 46, waar in
den tweeden druk enkVe maar in den eersten en&\'le staat,
blijkbaar alweer druk-ioui. Nog wijkt de eerste druk in
kleinigheden af in: De Stem 6 {Englenmng\'ren) en 9
(Dichteridealenf). Het gedicht Jan de Poézy is uit Zangen
uit verscheidenen I/eeflijd
(1847) en het staat daar met
het jaartal 1824. Achter vers 69 bevindt zich een punt,
die ik door een komma heb meenen te moeten vervangen.
Van dit gedicht is mij geen andere authentieke tekst be-
kend en evenmin van Jericho; van de Dichterlijke Krijgs-
muziek
(1820) waartoe Jericho behoort, bestaat een tweede
druk van 1845, die ik niet ken: dat die tekst verschillen
zou is echter niet waarschijnlijk, (iccn tweede authen-
tieke tekst bestaat er van Aan Jiilderdijk, dat de op-
*i Mijn denkbeelden over tekst-uitgeven heb ik meegedeeld
in Taal en Letteren III 31—46, 158—169.
-ocr page 12-
\\ I
dracht i.s van het geschrift Hel karakter ran /\'rins Manrih,
Eerste stukje»/
I S3-1>, waaraan mijn (i-I<hI is ontleend. Kr
moei hij opgemerkt, Hal het motto in de, lïditic van llase-
broek voorkomende, nii\'-t hij hel gedicht maar hij het
hoek behoort. God met Ons heeft weer varianten. Ik
geef liet, znoals \'t in 1848 in tweeden druk met het ge-
dicht Zit aan mijne Iteclilerhand onder den titel Lijden
en Heerlijkheid
voreenigd werd en daarbij de afwijkende
lezingen van INïili. In vers OS veranderde ik uil-mal in
uitzondt; in den eersten druk slaat uitzondt en \'t komt
dus blijkbaar voor rekening van den /.etter of drukker.
In 00\'heeft IS20: ,/eloren. Uit den bundel l\'ulitieke
Poizy
IS5I n.\'iin ik De Stem des lleeren. Dit is liet eerst
geplaatst geweest in De Tijd (het tijdschrift van Uouclo-
wijn) van ISIS I, 234 230, en daaruit zijn de varianten ;
de komma daar achter duizendtallen ($]\') heb ik in mijn
tekst genomen; nog vindt men er achter nederzet (24)
een puilt; achter schouw het aan (32) een komma; een
nitroeptooken achter rer/ossini/sp.ialmen (47) en gèèn komma
achter taalakkoorden (51); en in 00 en \'.II wet on zijner
zonder hoofdletter. Of in De Tijd zelfeolmakinif in 77
soms niet hoofdletter staaf, geloof ik niet, maar ik weet
het niet absoluut zeker; ik kan \'t na niet nazien. In
vers ]() en II heb ik En laten aceontueercn ; liet stond
gespaticcrd, maar dit komt niet genoeg uit. Heimwee en
Hij het AJIetjijen rau /dierlijken Rouw orer llanna zijn uil
Hesperiden IS55; een andere gedrukte tekst is daar niet
van. Nu is llai/ar aan de beurt. Van llai/ar is meer dan
één tekst. De eerste is in de oorspronkelijke uitgaaf
van het Dichterlijk Album liijlielsche trouwen van 1848
(kompleet in 1852). De laatste in Hexperiden (lN.r),r>), en
dezen heb ik afgedrukt. Mijn varianten zijn die van den
eersten tekst. Tusschen beide teksten in echter staat de
tweede, druk van liijbelsehe t roulren, dien ik niet. onder
de oogen gehad heb, maar waarvan [lonigh (in Neder-
lai/d.ii-he Dicht- en Prozawerken \\
Bloemlezing ten gebruike
bij Jonckbloets Letterkunde] door Dr. (I. I\'enon, voort-
gezet door (!. llonigh), VI, 175—100 de varianten mee-
deelt. Ik ben die voorbcoldig-nauwkourigo Editie nage-
gaan en er blijkt uit dat do lcksl der Hexperiden reeds
in dien tweeden druk aldus door den dichter vastgesteld
was; alleen staaf daar in 103 waarheid nog zonder hoofd-
-ocr page 13-
\\ II
letter.*) Ondci\' ilc varianten heli ik niet vermeld de
navolgende iil\'wijkitijj;t\'ii (in den loksl van 1848): II, 09,
110, ia4, 3-1.5: />>; il iraterfle*; 12 UK \'Auou; 05, 118,
\'27\'.», 28(1, 329 (tweemaal), 331 (tweemaal), 33:5, 334:
(lij rn <///,• 07 iriu\'sli\'iii) ■ 85 //\'« .-//,- 117 X\'7; 171 /Vu-
/«rf; 200 /W .-//,- 222 <iy___ijij; 240 ////; 284,290, 292,
:>33 (Iweeniiiid) Hij en //;\'/. De heer llonigh heel\'t ook
hel llaiithilirij\'l vim llagar gezien en deelt de varianten
mede.
Dit omtrent den tekst.
Dal de Aanteckeniugcii zooveel rui in te (iinniers 35
bladzijden kleinen druk) beslaan, /.il hem eensdeels hierin
dal er in Da (Insla zooveel zakelijks te verklaren w,
anderdeels daarin dal wij mis niet Int hel zakelijke lieli-
lien bepaald. De Itednelie der Xwohehe Herdrukken is
bescheidenlijk van oordeel, dat hel er niet cmzc dichtcr-
slndie sleehl uil/.iel en er op dit terrein nog wel wat Ie
doen valt. /.ij wil mei\' de hand aan den ploeg slaan.
In de stille hoop duel zij dil, dat hot ecnige waardcering
en nuk (maar dan alleen van bevoegde zijde) navolging
vinden mag. De twintig bladzijden Aantccke.ningen op
llaijnr zullen vooral onze onderwijzers welkom zijn.
Asterisken plaatsten wij weinig. In lliti/ar niets anders
dan telkens np \'t eind van zulk een hoofd-stuk. Rn zoo
zijn ook in de andere gedichten vaak een aantal regels,
soms stukken van tien of meer, meteen enkelen asterisk
hij elkaar genomen, niet zelden strool\'sgcwijze. |{.v. in
Jericho vindt men een asterisk achter regel 120; dit ver-
wijst nu naar III 120 in de Aanteckoningen. Ik ver-
gat den asterisk hij Jericho IK); men plaatse, hem; hij
heeft betrekking np lol- 110. Kr moei er ook een staan
hij Umi mei (hm .r>0; dit geldt dan voor 37- 50. Onge-
twijfeld is dit wel waf lastig en \'t is eigenlijk heter, dan
maar wat meer van die toch niet on-sierlijke teekentjes
aan te brengen. Nu men \'t weet, houde de lezer er
rekening mee dat er in de Aantcekeningcn veel meer
verklaard is dan de asterisken verraden. Ik merk hier
*) Een .derde druk" van liijhetsehe Vrouwen liij Gebroeders
Klister te Amsterdam, 1K7\'.I, bevat den oorspronkelrjken eersten
ilruk weer.
-ocr page 14-
VIII
tevens op, dat achter de Inleiding een Toevoegsel tot de
Aanteekeningen gevonden wordt.
De afkortingen in dit boekje zullen denkelijk weinig
hinderlijk zijn; v. is van; d. = door, dit, den of de; i. =
in; u. = uit; t. =. tot; m. = met; een enkelen keer is een
bezittelijk voornaamwoord afgekort. — Bij de varianten
moet men er op bedacht zijn, dat als er twee-------
naast elkaar staan, het eene dan tot den voorafgeganen
variant behoort; het andere scheidt de varianten.
Verkeerdelijk staat het jaartal 1821 onder Aan de Pöèzy
tusschen haakjes, want Da Costa plaatste het daar zelf;
waar de dichter zoo niet deed, plaatsten wij tusschen
haakjes het jaartal van den bundel of het boek waar
\'t gedicht oorspronkelijk in verscheen; dat onder Hagar
moet 1848 zijn. Nog zouden we wel hebben gedaan met
onder den titel God met Ons te zetten: (Voorzang).
Er is hier geen woordenlijst bij. Zij komt (in den
trant van het Glossarium op Staring, dat naar wij tot
ons onbeschrijfelijk genoegen vernemen, de studeerende
Nederlandsche taal- en letterkundigen goede diensten
bewijst) bij het tweede deeltje Da Costa dat op dit eerste
volgen zal.
De Inleiding is niet geworden wat wc ons hadden
voorgesteld. Hieraan is schuld dat men physiek niet
steeds ten allen tijde kan, wat men wel wil. Maar de
collega\'s zullen hoop ik wel zien, dat het ons niet aan
vlijt en goeden wil ontbroken heeft, en zoo durf ik dit
werkje dan bij alle vrienden van de Vadcrlandsche
Letteren en vooral bij de vrienden vaii Da Costa met
een gerust hart aanbevelen. Ik beveel het ook aan in
de bescherming van alle fatsoenlijke lieden. *)
Hun die ons in dezen kleinen arbeid steunden onzen
hartelijkcn dank.
Maart 1894.                                      De Bkwkrkeh.
*) Zie De Schoolwereld 18 Jan. 1894, waar eeii nian dien
ik gecritiseerd had, revanche neemt; in een tweeden Staring-
bundel, die verschijnt, deel ik dat stukje mede.
-ocr page 15-
DE GAAF DER POEZY. *
Gevoel, Verbeelding, Heldenmoed,
Tot ééne ondeelbre kracht verbonden,
Te zaam gesmolten tot één gloed,
En door den boezem uitgezonden
Op vleugelen van melody,
Om al wat ademt te betooveren,
Om al wat hart heeft te veroveren —
Zie daar de «aaf der Poëzy!
7. I veroveren! —
De lectuur der Inleiding moet aan hel lezen der Gedichten
voorafgaan.
Da Costa , J\'utzi
-ocr page 16-
AAN MIJNE EGA UK. *
Zeg het my, herhaal het my,
Dat ik u gelukkig make,
Dat de zucht, waar van ik blakc,
Als ik n mijn leven wij\',
Xiet vergeefsch ten hemel steigert,
Noch dat God Zijn zegen weigert,
Als ik \'t oog naar boven sla
8.
                   Voor uw welzijn, dierhre Ga!*
\'k Ben u schuldig, wat een man
Met geen schatten, met geen kroonen,
Met zijn bloed zelf niet beloonen,
Of genoeg erkennen kan :
Liefde, mildlijk toegedragen,
Waar des Hemels welbehagen
Zich in spiegelt op eene aard,
16.
                   Buiten haar zoo luttel waard!*
\'k Weet, uw zacht, uw rein gemoed
Wenscht geen schatten, wenscht geen kroonen
Om uw teêrheid te beloonen,
Noch het offer van mijn bloed!*
\'k Weet, uw boezem is te vredcn
Met de ontfangen huwlijkseeden,
Met het u geheiligd hart
24.
                   Van een onberoemden Bard! *
24. I een\'.—
-ocr page 17-
:;
Doch een havt, gelijk het mijn,
Sints den aanvang zijner dagen
Treurig, kwijnend, en verslagen,
Kan dat uwer waardig zijn?
Of wat vreugde kunt gy smaken
My heel de aard te zien verzaken,
Om te drijven op den stroom
Van een\' dichterlijken droom V*
Zeg het my, herhaal het my,
Dat gy deel neemt zonder smarte *
In den toestand van mijn harte,
In mijn dorre poëzy!
Dat de lente van uw dagen
Door de sombre najaarsvlagen
Van de klachten, die ik stort,
Niet geheel ontluisterd wordt!
O! gezegend zij de traan,
En de glimlach zij gezegend,
Die mijn oog van u bejegent,
Die me uw antwoord doen verstaan! *
Ja! uw ziel verstaat de mijne,
En de zucht, waarvan ik kwijne,
(Wie haar ooit miskennen moog\')
Is geheiligd in uw oog!
Meer nog!* — Dierbre! wy zijn één!
Aan de weêrhelf\'t van mijn leven
Is mijn zucht niet vreemd gebleven!
Ze is ons beiden thands gemeen!
De eigen dag, die onze handen
Sloot in zachte huwlijksbanden,
Stemde ook onze zielen zaam
In des Echtbeschikkers naam!
I Zints (zoo ook 57). —
1*
-ocr page 18-
I
Sints dien onvergeetbren tijd
Werd uw boezem in de smarten
Mijns aandoenelijken harten
(Maar blijmoedig) ingewijd!
O! gy deelt in mijn verdrukking!*
Maar gy deelt ook mijn verrukking,
Als me een licht des hemels treft,
Of de Dichtgeest my verheft!
Op de vleugelen der min
Stijgen wy vereend ten hoogen;
Keeren naar deze aard onze oogen
Met gelijken wederzin;
Branden van gelijk begeeren
Naar de ontmoeting onzes Heeren,
En verachten \'t rijk der stof,
Mensehenblaam , en menschenlof! *
Voor de Waarheid leven wy!
Voor de Waarheid wil ik strijden.
Voor de Waarheid wil ik lijden,
En, mijn dierbre! gy met my!
Als de stormen zich vergaren
Die dees sombre dagen baren,
Wilt gy aan mijn zijde staan!
En uw wenschen zijn voldaan!*
Heer der Schepping! neen! een wensch
Leeft in \'t hart steeds van een gade!
\'t, Is de trek, dien uw genade
Ingeplant heeft in den mensch!
Dat ook onze huwlijkssponde
D\'ouden zegen weer verkonde
Dien Uw liefde aan \'t achtbaar hoofd
Onzer stammen heeft beloofd! *
vergiiren,
-ocr page 19-
5
O! indien een dierbaar kroost
Mocht herbloeien uit mijn aderen,
Tot de glorie van zijn vaderen,
\'t Droevige verval ten troost!
En in dit herbergzaam Noorden
Als aan Taag- en Iberboorden
Costa\'s oud en eerlijk bloed
96.
                  Weder blonk van riddergloed ! *
O indien.... doch zwijg, mijn mond!
Weten wy, verblinde menschen,
Wat wy van den hemel wenschen,
In een onbedachte» stond?
Die ons \'t aanzijn heeft gegeven *
, Zal dat aanzijn doen herleven,
Dierbre weêrhelft! uit uw schoot,
104.
                   Op den dag, dien Hy besloot!
Neen! ik slake slechts één wensch, *
En die wensch wordt niet verstoten!
Want hy is uit God gesproten,
Niet uit d\' opgeblazen mensch!
\'t Is, Almachtige Genade!
Dat ik leve voor mijn gade,
Dat ik sterve voor mijn God!
112.
                   En — gezegend is mijn lot!
(1822.)
90. I mijne —• 91. I Vaderen,
-ocr page 20-
IK LEI DING TOT DE HYMNE
VOORZIENIGHEID.
De hai\'inony tier schallende trompetten,
Wanneer Homeer zijn forsche krijgsluit slaat,
Wien zal ze \'t hart niet in verrukking zetten,
Daar ze Ilium doet siddren op de maat?* ,
5. Meoonsche zwaan! verheven is uw zingen,
Zieltreffend stout, en hartinnemend zacht,
Gelijk de hand, die Heetor kon bedwingen,
Gelijk de traan der wednw, die hem wacht!*
Maar hoe ge ook praalt in \'t Kijk der dichtgelniden,
10. Hoe eeuw aan eenw ter neer knielt voor uw lied;
(Wil, achtbre schim! mij niet dit woord misduiden!)
Ook gy voldoet den eisch mijns boezems niet!
Ik ben geen zoon der laauwe Westerstranden!
Mijn Vaderland is daar de Zon ontwaakt!
15. En als de gloed der Libyaansche zanden,
Zoo is de dorst naar Dichtkunst, die my blaakt!*
Wat is me een krijg, gevoerd door menschenzonen,
En ondersteund door machtelooze Goön ? *
Wat, heel deze aard, en \'t geen zy nog kantoonen?
20. \'t Misvormde lijk van \'t uitgebloeide Schoon!
Wat zijn my uw verganklijke idealen,
Gy, Grieksche Bard, of wie zijn voetspoor drukt?*
5. I zingen! — Cl zacht! — 7. I bedwingen; — 11. I
niet dit mijn woord. —
-ocr page 21-
7
De hemelen, de heemlen moeten dalen,
Zoo de echte geest der Dichtkunst u verrukt! *
25. Vermoogt gy dit, Helleensche Pnikpoëten ?
Vermoogt gy dit, gy, Barden van het Noord ? *
Neen! Gy alleen, Jerusalems Profeten ,
Verkondigers der Godheid en haar woord! *
Bevoorrecht kroost van uitverkoren Vaderen!
30. Gy, Jesscs Zoon,* tot wiens doorluchten stam
Dat bloed behoort, dat lof bruiseht door mijn aderen ,
En nog verkondt van waar het d\'oorsprong nam! *
Gy, Koningskind, verengelde Isaïas!*
Van \'t Godsbesluit ontzachelijkste tolk!
35. Die, Wraakheraut, maar Bode des Messias,
Doodschiïk en hoop door één strooit over \'t volk;
En de Engelen het heilig, heilig, heilig,
Waarmee hun koor God op zijn\' troon begroet,
In vleuglenschaauw voor \'t vuur zijns weèrschijns veilig,
40. In uw gezang voor de aard herhalen doet!
Gy, Heiligen! Gy zijt de ware Dichters!
Uw taal is ziel in zielenmelody!
Verheft ge uw stem, gy, aardsche hemelstichters? *
Het Heidendom wijkt sidderend op zij!
45. Mijn hart springt op, en wil zijn boei ontglippen,
En golven met uw hymnen hemel waart. *
De kou der koorts bevangt mijn blceke lippen,
Rondom mijn hart is \'t brandend bloed vergaard.
Mijn Vaderen! geeft me adem, krachten, woorden!
50. En storte ik uit het geen mijn borst doet gloên!
Verhoort gy my? Zoo zullen mijn akkoorden
Den psalm van \'t Oost in \'t West weergalmen doen! *
Bezielt gy my? Zoo zal ik de aard bezielen,
En hupplen doen ter glorie van haar Heer! *
55. In assche zal de Godverloochnaar knielen,
En Hallels op doen stijgen God ter eer, *
24. I Geest — 33. I Izaïas — 46. I heinelwaart I ~
47. I lippen! — 48. T vergaard! —■
-ocr page 22-
8
Wanneer mijn mond d\' Almachtige zal zingen,
Den Opperheer van Eeuwigheid en tijd,
Pen Legervorst, die vlammende Englenkringen
60. Tot wachters heeft, en op de wolken rijdt! *
Slaat u dan uit, mijn dichterlijke vleugelen!*
Al moet ik ook neèrtuimlen in uw vaart!
\'k Vermag het niet, u langer in te teugelen!
Ik hen vermoeid van \'t kruipen over de aard!
65. Mijn lier! hef aan, en doe de snaren bruischen!
Verhef! verhaas! sleep weg! doordring! doorgloei!
Mijn zielsgevoel! breek open uwe sluisen!
68. En, Goddelijke Hymne! vloei!*
(1822.)
58. I Tijd, — 60. 1 Wachters — 65. ] briu\'zeul —
67. I sluizen !
-ocr page 23-
DE STEM.
Een speeltuig is het hart, een luit!
En \'t zijn de tonen, die zy uit,
Als wy gevoelen, willen, handelen!
Ja! wordt de ziel zich-zelf gewaar,
Het is het trillen van een snaar,
6.
          Waarover Englenvingren wandelen! *
Een toon gegrepen ! Levenssmart!
Een tweeden! Heiliging van \'t hart!
Een derden! Dichteridealen !
Een vierden! Dreunende oorlogsmoed ,
Die weergalmt in het bruischend bloed,
12.
          En overgaat in zegepralen!*
En of de toon, die hier ontspringt,
Verheffend of weemoedig klinkt,
Verkondigen gelaat en oogen!
Geheel het lichaam houdt de maat,
Die \'t Goddelijke kunsttuig slaat,
18.
           Waar door ons leven wordt bewogen! *
Maar, als die wondre cither speelt,
En aan het stofkleed mededeelt •
Den indruk door den geest ontfangen,
Wie drukt den trouwstcn nagalm uit
Van dat betooverend geluid,
24.
          Waar aan de Geesten-zelve hangen ? *
7. I Eén — 20. I mededeelt,
-ocr page 24-
1(1
Gy zijt het, adem onzer borst!
Gy, stroom van lucht! die door de dorst
Des vuur\'gen harten ingezogen,
En, gloeiend weder uitgestort,
Zijn Echo over de aarde wordt,
Op zilvren wieken uitgevlogen! *
Gy, Stemgeluid, op wicn * de Taal,
Gelijk een held in wapenpraal,
Hervoort treedt uit haar donkre woning!
Gy zijt het, rijk begaafde Stem!
Gy, koninklijkst geschenk van Hem,
Die Adam schiep ten wereldkoning!
Geen hand volvoert den wil zoo snel,
Geen oog vertoont de vlam zoo fel,
Die in den boezem is verrezen!
In u vertoont zich heel de ziel,
Als of ze in eens zich-zelve ontviel!
In u, het wezen van haar wezen!*
ü zachte, teedre, lieve maagd,
Wier schuldloos hart in stilte klaagt,
By \'t eerst ontluiken van de liefde!
\'t Is de enk\'le stem, die u verraadt,
Voor wie haar melody verstaat,
Ofschoon gy zwijgt van \'t geen u griefde!
Zoon van den bliksemenden krijg!
Dat slechts uw stem ten hemel stijg\'!
En alle weerstand is verdwenen!
Achilles heft den krijgskrect aan —
De Grieksehe vluchtelingen staan,
En \'t Trooische leger stuift uit éénen! *
84. I stem! — 30. I Wereldkoning!
-ocr page 25-
11
En gy! verheven Dichtrenrij!
O! van uw lippen wensehen wy
De hemelstreelende gezangen! *
Geen onbezielde strook papier
Is waard de klanken van uw lier,
60.
          Is waard uw adem op te vangen!
Men zinge uw Ilias, Homeer!
Geen gouden stift, geen zwanenveêr
Vermag haar in het hart te schrijven,
Gelijk de zwervende Rhapsood
Haar in de boezems overgoot,
66.
          En boven \'t eeuwgegolf deed drijven ! *
Maar gy, die u geroepen voelt
Om, waar de Geest des afgronds woelt,
Voor \'t recht der hemelen te strijden!
Kent gy de kracht, die in deze eeuw
Verlammen moet het helgeschreeuw
72.
          En \'t helsch verbond der Ongewijden?*
Gy zijt gewapend door Gods Macht
Met een ontzachelijker kracht,
Dan bajonetten en kanonnen!
Verbreed de borst! sla \'t oog naar Hem!
En met de levendige stem
78.
          "Wordt heel een aardrijk overwonnen!*
(1822.)
-ocr page 26-
AAN DE POEZY.
Volzoete geest der Poëzy!
Keer in mijn doffen boezem weder!
Beziel op nieuw de ziel in my,
En in mijn hand den zwanenveder!
5.              Met traagheid klopt mijn smachtend hart,
Wanneer gy \'t opgeeft aan de smart
Van een ondichterlijke wereld!
Mijn hoofd hangt moedloos op mijn borst,
Terwijl ik naar den dauwdrop dorst,
10. Die, waar gy treedt, den dorren grond beperelt!
Keer weder, en begeef my niet,
Maar onderhoud dat hemelsch leven, *
Dat zich ontwikkelt uit het lied
Door uwe omzweving ingegeven!
15.
              Gelijk een hemel zonder zon,
Een vlakte zonder waterbron,
Zoo is my zonder u deze aarde!
\'kZink in de sluimring van den dood,
En \'s hemels licht noch \'s aardrijks brood
20. Heeft (keert gy niet) noch kracht voor my, noch waarde!
Vergeefs vermoeit zich mijn verstand
In wetenschap- en ker.niszoeken,
Daar is geen orde, geen verband,
In al den wijsheidsschat der boeken!
25.
Al wat het zwoegende vergaart
Is vormloos, als de drijvende aard*
-ocr page 27-
13
Voor dat Gods Geest haar overzweefde;
Koud, als de klei, waaruit Gods Macht
Den eersten raensch heeft voortgebracht;,
30.
          Voor dat Zijn adem in hem leefde!
O! dat uw kracht weer in my woon\'!
O poëzy! o troost mijns levens!
Gy, moeder van het zichtbre schoon
En waarheidsleeraresse tevens! *
35.
              Vergader gy tot één geheel
Elk nog onzamenhangend deel
Der bouwstof, die \'t verstand vergadert!
En rijze er op uw harpgeluid
Een tempel voor den hemel uit,
40.
          Van levend zielsecment dooraderd!
Keer tot me uw lieflijk aangezicht,
En \'k zal het leven weer ontfangen!
Mijn oog. ontsluit zich, en \'t ziet. licht,
Mijn oor, en \'t hoort de hemelzangen!
45.
              Mijn borst verbreedt zich vol van moed,
Mijn hart ontvlamt in heldengloed,
(Wie zal my in mijn geestdrift krenken?)
Mijn ziel verbreekt haar engen band, *
En voelt zich aan dat oord verwant,
50.
          Waar \'t leven loven is, geen denken!
De vorstelijke Dichterlier
Schijnt zich mijn vingren op te dringen!*
En \'t in mijn boezem vlammend vier
Dwingt heel dit stofgewaad tot zingen! *
55.
              Ik leer\'van Waarheid en van God,
\'k Voorzie des werelds nadrend lot, *
\'k Ontzie geen wereld, en zy luistert!
Uw haters, Goël, o mijn Heer! *
Uw haters siddren, storten neer,
60.
          En liggen aan Uw voet gekluisterd.
-ocr page 28-
14
En ik, te midden van de wolk
Dei- uit mijn lier gerezen walmen,*
\'k Ontstijg het geestelooze volk,
En zoek by de Englen hymnegalmen! *
65.
              Met die ik liefheb hand aan hand,
Vinde ik een ander Vaderland,
Een door geen zonde ontheiligd Eden;
En \'k snel den Heiland te gemoet,
Die mij gekocht heeft met Zijn bloed,
70.
          En dien \'k voor de aarde heb beleden.
(1824.)
-ocr page 29-
\\\\y BI L DEK DU K.
Neen Bilderdijk! wij sidd\'ren niet,
Schoon hel en wereld woede!
Schoon Satan knarstande om ons lied,
Wij zingen \'t in Gods hoede!
Schoon de aard vervloeke wie haar wekt,
Om God, haar Heer, te loven,
De stem, die ons ten hemel trekt,
Zal \'t woest gejoel verdoven!
Verbinde zich en aarde en hel,
Om onzen moed te smooren,
God heeft zijn geestlijk Israël
Tot zegepraal verkoren. *
Met wapenen van vleesch en bloed *
Moog ons de haat bestrijden!
Wij wachten ze af met Christenmoed;
God heiligt door het lijden!
Of zendt ons onze Vorst in \'t veld,
Zijn Geest zal ons verzeilen,
En ieder onzer is een held,
Die Goliaths zal vellen.
Ons schild is Gods Voorzienigheid,
Ons zwaard, het woord der Waarheid,
Dal \'t binnenste der harten scheidt,
En glinstrend is van klaarheid! *
Zoo dringen wij het heir te rug
Van \'t helsche bondgenootschap,
En God maakt onze voeten vlug
Door de Evangelieboodschap!
-ocr page 30-
16
De zege, dierbre Christusknecht!
De zege kan niet falen!
Ze is ons door God-zelf toegezegd,
Hij zal ze ons doen behalen!
Behalen, schoon hun overmoed
Ons \'t lijf ter dood moog prangen,
Als onze ziel den welkomstgroet
Der Englen zal ontfangen!
O Bilderdijk! van op den Rots,
Dien de Almacht voor ons bouwde, *
Galm uit den donder onzes Gods,
Dien U Zijn Geest vertrouwde. *
Galm uit dien schellen oorlogskreet,
Den kreet der hemelridderen , *
Die, dringend door des afgronds spleet,
Beëlzebul doet sidderen ! *
O]) dezen kreet ontstak mijn bloed,
Mijn bloed uit Davids aadren,
En \'k voelde me in gewijden moed,
Tot Jesus heir vergaadren.
Hoort niet mijn hart ver in de lucht,
De hemeltrommen rommen V
Is niet der Kerkbrnid droeve zucht
Tot \'s Bruigoms troon geklommen ? *
Daalt niet der legerscharen God,
Om aan ons hoofd te strijden ? . . ..
Beslischt is \'t hachlijk oorlogslot!
Stort neder, ongewijden!
Hij, die de sterren roept bij naam,
Bij naam zijn Englenorden,
Hij, Hij herschiep ons door Zijn aam,
Zijn heil zal ons omgorden!*
O! welk een glorie! welk een heil!
Den kruisvaan mag ik dragen! *
\'k Heb alles voor mijn Heiland veil,
Ik durf den aanval wagen!
Zwak is mijn arm, maar God is trouw
-ocr page 31-
17
£n Hij zal niet gehengen,
Dat ik behouden blijven zou,
Waar ik mijn bloed moest plengen.
Neen! \'k plant den vaandel op liet slot,
70.
                  Dat de Eeuwgeest dorst bezetten,
Of moog, ter eere van mijn God,
\'t Geweld mijn hoofd verpletten,
Dan blikk\' mij, met dien dierbren vaan
Geklemd in stervende armen,
75.
               De gloriedag van Christus aan,
En \'t uur van Gods erbarmen! *
(18-24.)
Pa Costa, Poëz\'it.
•j
-ocr page 32-
JERICHO. *
Door bel geloove zijn de niucren van Jericlio getallen,
silssc lot Beven dagen toe omringt waren geweest.
Hkbh. XI : :i0.
Zoo de kracht van \'t zwaard zal gelden,
Caleb is oen bloem dor Helden,
Josua, een machtig Hoofd,
Wien de glorie is beloofd;
•r).               Over den Jordaan getrokken,
Staat heel Isrel onverschrokken
Tegen \'t Cananeesche rot;
Doch, o Jericho! uw wallen,
Zullen voor geen wapens vallen,
1"-
                  Maar voor d\'adem zelf van God! *
De Arke Gods voor uit gedragen,
Den bazuinklank aangeslagen,
Zevental uit Arons zaad!
Tot de trotsche stad vergaat. *
15.
              Zesmaal zullen deze muren
D\'aanval van \'t geschal verduren,
En de heerlijkheid weerstaan; *
Bij het zevende ochtendrijzen
Zal hier God Zijn kracht bewijzen,
-\').
                  En de hoogheid nederslaan !
m
Zevendubbele ommegangen,
Kamsbazuinsgeschal, vervangen
-ocr page 33-
19
Door den kreet van \'t juichend heir,
Stormen ijzren wallen neer!
Ziet! de ontzette gronden knakken!
Ziet! de ontwrichte muren zakken!
\'t Is Jehova, Hij-alléén;
Hij, de in Israël bekende,
Die den slavernijdag wendde,
Heeft de vesting plat getreèn! *
Nu staat Jericho n open,
Israël! Gij zult haar slopen;
Haar gedachtenis verga!
En vermeet\' zich, vroeg of spa,
Niemand ooit haar torenspitsen,
Die Jehovaas bliksemflitsen
Tergend lokten door haar trots,
Uit haar puin weer op te trekken,
Want geen stadsmuur zal hem dekken
Tegen \'t wraakgerichte Gods! *
Hicls eerst- en jongstgeboonie
Tuigden de afgedreigde toorne,
En betaalden met hun bloed
Vaders gruwbren overmoed!
Al wie Jericho herbouwen,
Door hun voorbeeld onweêrhouen,
Zullen mêe ten afgrond gaan!
Waar Gods gramschap uitgestort is,
Waar des Scheppers recht verkort is,
Kan geen Schepsels werk bestaan! *
Ook Uw vesten zullen beven,
Ook Uw stichters zullen sneven,
Jericho van \'t ongeloof,
Voor de heilvermaning doof!
liukt gij aan, gewijde scharen,
Wien zich God wil openbaren,
2*
-ocr page 34-
20
Als uw Krijgshoofd in het veld!
Wien Hij \'t woord wil toebetrouwen,
Dat geen woede kan weêrhouen
60.
                  Van \'tvereenigd helgeweld!*
In \'t gebed voor uit getreden!
In \'t geloof den strijd gestreden !
De Evangelische bazuin
Stormt het duivlenrijk tot puin!
t>5.
              Predikt Jesus den Gekruisden,
Den om onze schuld verguisden
Menschgeworden \\Vrereklheer!
Durft Zijn naam, Zijn kruis belijden,
Durft u Zijn versmaadheid wijden!
70.
                  En de Palmstad berste weer! *
Zij \'t heelal U ongenadig!
Dat de vijand zich verzadig\'
Aan uw tranen, aan uw bloed!
Die verdrukking is ons zoet!
75.
              ünverbitterd, onbezweken,
Zult gij Recht en Waarheid wreken
Door de kracht van \'t Geestlijk zwaard,
\'t Levenswoord der hemel boden
Tot ontwapening der snooden,
!■>(>.                    Tot verlossing van heel de aard!
Neen! geen zichtbre stalen zwaarden!
Neen! geen pijlen! Neen! geen paarden!
Aardsche wapens baten niet,
Waar Gods stem den strijd gebiedt! *
85.
              \'t Volk van God zal overwinnen
Over wereld, hel, en zinnen;
En, verécnigd als één man,
Zonder krijgsmacht paden banen
Voor zijn wapperende vanen
90.
                  Door \'t verbaasde Canaiin!*
-ocr page 35-
21
Maar gij, Raehab! uitverkoren!
In de duisternis geboren
Van een afgevallen stam!
Loof don God, die tot u kwam!
95.
              Onder \'t dond\'ren der bazuinen,
Toen uw vaderstad in puinen,
En haar macht in onmacht viel,
Bracht Hij, zwevende op de wolken,
Slachting aan de ontaarde volken,
100.
                  Maar verlossing aan uw ziel! *
Dien Verlosser zult ge aanbidden,
En uw naam in Isrels midden
Zal beroemd zijn bij \'t geslacht,
Waar u God in overbracht!
105.
              Salmons gade zult ge wezen,
Tot een moeder uitgelezen
Van den Spruit, die komen zal,
Die, gezegendste aller loten,
Die uit Jesse opgeschoten
110.
                   \'t Aardrijk overschaüwen zal!
Diamant, uit de aard gedolven,
Parel uit het diepst der golven,
Neem uw plaats in aan de kroon
Der verlosten van Gods Zoon!
115.
              In de nacht van \'t wereldsch duister
Flonker met ondoofbren luister
Als een Leidstar in de wolk,
Tot een teeken aan den Heiden,
Dat zich \'t Godsrijk uit zal breiden
120.
                  Tot op \'t afgelegenst Volk!*
o Mijn God! hoe menige oogen
Zijn in \'tJericho der logen
Afgesloten voor het Licht,
Waar der zonde nacht voor zwicht!
-ocr page 36-
22
t2f>.              Tegen \'t Heil, uit L\' gevloten,
Hoe veel harten nog omsloten
Met een meer dan ijzren muur,
Die Uw liefde vrij zal maken,
Die Uw adem door zal blaken,
130.
                  0]> \'t welras voldragen uur!*
(1820.)
-ocr page 37-
GOD MET ONS.
In diepten verzonken van leed en ellende,
Het hart in bedwelmende droomen verward,
Door prikkels van onrust, wier bron ik niet kende,
Gedreven, gefolterd tot eindlooze smart,
5. Heeft de aarde mij lang in mijn dorheid gedragen,
In morrende wanhoop aan wereld en lot.
Een knagend verlangen verteerde mijn dagen,
Een woede van honger naar zielengenot!
Ik zocht het, ik riep wat dit hart zieh verbeeldde, *
10. In alles wat de aarde verlokkendst belooft:
In brandende driften, in bruischende weelde,
In Eidderverdienste, die \'tmaagdenhart rooft,
In palmen, gewassen voor wereld bedwingeren,
In zangen, bewonderd door \'t luistrend gewelf....
15. Maar \'t schaduwbeeld vluchtte voor d\' indruk der
vingeren; *
\'t Was ijdelheid, ijdler dan de ijdelheid-zelf! —
In diepten des onheiïs * verzonken, verloren,
Versmachtte mijn ziel naar den levenden God!
Maar ach! in de blindheid der zonde geboren,
20. Bleef rustlooze woeling mijn pijnigend lot!
Hoe zoude ook het schepsel zich nog onderwinden,
Den Schepper te zoeken in \'t afgekeerd hert ?
En waar is het licht, dat Hem weder doet vinden,
Wiens beeld door de zonde in ons uitgewischt werd ? *
G. m. O. 6. lot: — 10. belooft; — 14. gewelf — —
16. zelf! — 21. Schepsel. — 22. trouweloos. —
-ocr page 38-
24
lT). Dat licht kan geen Heidensche wijsheid doen schijnen,
Geen stelsels, verganklijk als\'t wegsnellend Thands,
Geen boeteverordning van Wet en Rabbijnen,
Geen eigengewillige dienst des Verstands ... .*
O God des ontfermens! Gij zaagt op mij neder,
30. En \'k werd tot een nieuwe bevatting herteeld!
In d\' Eeniggeboren keert God tot ons weder,
In d\' Eeniggeboren, Zijn uitgedrukt Beeld ! *
Die Een\'ge .... Zijn hand heeft mijn oogen bestreken,
En \'t hartenbewindsel des ongeloofs viel. *
Mn. Ik zag Hem, ik gaf mij! De hel is geweken;
De hemel ging op uit Uw woord in mijn ziel!
Ik zag Hem, beloofd aan den balling van Eden, *
Als \'t vlekkeloos Zaad der vernederde Vrouw;
Die \'t dwangjuk der zonde te pletter zou treden,
4(». Den kop van den Heldraak verbrijzelen zou!
Ik zag Hem, voorzegd in den stam der Hebreeuwen,
Uit Abrahams lenden, uit Koninklijk bloed,
Den Spruit, die volbloeid in de rijpheid der eeuwen,
Den scheidsmuur der Heidnen uit één storten doet!
4f>. Ik zag Hem, geschaduwd op Sions altaren,
In offer en wetboek van Horebs Verbond!
Ik zag Hem, den Godmenseh, die \'t Al moest verklaren,
Door Israëls Zicnders aan \'t aardrijk verkond!
Ik zag Hem, den Wortel van Davids geslachte,
50. Zijn Heer en zijn Koning, en tevens zijn Zoon!
Den God van den hemel, d\'op aarde Verachte,
Geheiligd, verheerlijkt door lijden en hoon,
Mensch met ons geworden voor menschenbehoefte,
Voor mijne overtreding tot zonde gemaakt,
55. Geslagen, gesmaad door dolzinnig geboefte,
Aan \'t vloekhout doorboord, van God zelven ver-
zaakt !. . . .
28. Verstands. — — 36. gaat. — 36. Woord — 38. zaad —
39. treden; — 45. Zions. — 47. \'t Al moet — 52. hoon; —
53. Een niensche geworden. —
-ocr page 39-
•25
Mijn Bedder, mijn Goël, mijn Zonden vernieler,
Mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer en mijn God!
Mijn Onheil verwinner, mijn Levensbezieler! *
60. Gezegend, geheiligd, beslist is mijn lot!
Voor TJ wil ik strijden, voor U wil ik lijden,
Voor U wil ik de aarde doorga]men van lof!
Aan U wil ik adem en levenskracht wijden,
Tot de Engel des levens mij slake uit dit stof!
65. Zijt Gij, o mijn Koning! (Gij!) tot mij gekomen?
Hebt Gij Hem gezocht, die naar U niet en zag?
Zoo wasch mij, zoo baad mij in loutrcnde stroomen
Des Geestes, dien Ge uitzondt ten Vijftigsten dag! *
Ja! stort in mijn aadren die kracht van gelooven,
70. Die hoogten ter neer stort, en marmer verbreekt,*
Die hemelvuur inroept en afdwingt van boven,
En ijskoude harten in liefdebrand steekt!
Ja! geef mij te galmen met loven en danken,
In vlammenden ijver, in worstlenden moed,
75. In lieflijke psalmen, in dondrende klanken:
Vall\' hemel en aarde voor Jesus te voet!
(1826.)
58. Heer, en — 60. beslischt. — 64. Levens— 75. klanken
76. Jezus. —
-ocr page 40-
DE STEM DES HEEREN. *
VIBH EN TWINTIG FEBRUARI 1848.
Dr stem des Hoeren is op de wateren, de God
der eere douderl. — In zijnen tempel zegt hem
een iegelijk eere. — De lieer heeft gezeten over
den watervloed, ja! de Heer zit, koning in eeu-
wigheid.
                            I\'s. XXIX : 3, 9, 10.
De Eeuw hernam het geen zy gaf.
Orléans naar alle kanten
Schudt zijn koningsdiamanten
Als onrijpe druiven af!*
By het zwijgen der kanonnen
Voor den schorren vrijheidsschreeuw;
By den weekreet der Bourbonnen,
8.
                  En de snikkingen der Weeuw;
Bij het baldrend handgeklap
En der gram geworden Volken
En der hoogst gevierde tolken
Van Vernuft en Wetenschap;
Bij het staren van den Christen,
Wien de orakels van zijn God
Van het einddoel vergewisten,—
16.
                  Op de gangen van het lot. *
God is koning! de aarde beeft.
Bergen slonken, dalen rezen ,
18. T Bergen schokken,
-ocr page 41-
27
Alle wereldhoogten vreezen, —
God is \'t, die gedonderd heeft!
Die de breed getakte boomen
Van den Libanon verplet!
Die bevel geeft aan de stroomen
24.
                  Of de branding nederzet! *
God is koning! de aarde dreunt.
Ziet! een Machtige is gevallen,
Hoop en steun der duizendtallen,
Door tienduizenden gesteund.
Maar het Godsuur had geslagen,
En de menschenschepping viel!
\'t Zij gy roem of rouw moogt dragen,
32.
                  Menschheid! schouw het aan en kniel!
God is Eichter! de aarde wacht.
De aarde ontroert en staat verwonderd,
Als de God der eere dondert
En den dag verkeert in nacht.
Over de opgedreven waatren
Wandelt Zijne koningstem!
Zeeën schuimen, scharen schaatren, —
40.
                  En de storm verheerlijkt Hem.
En te midden van d\' orkaan
Geeft Hy vrede aan wie gelooven!
Hier beneden en daarboven
In Zijn tempel bidt Hem aan!
Tussehen al die onweêrsgalmen
Bollende over berg en rots,
Euischt het daar verlossingspsalmen ,
48.
                  Daar, genadewegen Gods!*
48. ï genadedaden. —
-ocr page 42-
28
Zanger, eenmaal opgevoed
By gewijde Bijbelwoorden,
Straks, door kracht van taalakkoorden,
Tot een heerscher op \'t gemoed,
Tot een heerscher over scharen,
Die Ge op één gegeven stond
Op doet bruischen en bedaren
Naar \'t bezweeren van uw mond! *
Wat gy waart en wat gy deedt,
Toen Ge op eens uw idealen
In het leven at\' deedt dalen,
En een troon in duigen smeet,
Toen Gy meer dan koningsplichten
Op uw schouders overnaamt, —
Zal de God der waarheid richten,
Die des aardworms waan beschaamt.
Dichter! Volksheld! Wie ge ook zijt,
Roekloos Wet- en eedverbreker,
Of van God verwekte Wreker,
Vloek of redder van uw tijd!
\'k Wil geen glorie u betwisten,
Slingren op uw hoofd geen blaam;
Maar de toekomst hoort den Christen, —
Gy! maakt ge aanspraak op dien naam ?
Dichter! Volksheld! en gy vielt!
Voor een andren rosbeklemmer,
Voor een driester monstertemmer
Zaagt ge straks dat volk geknield.
Als de vrijheidswaatren holden
Over Frankrijks paradijs,
56. T Naar de klanken. — 65. T zijt, — — 67. T
Wreker, — — 71. T Christen; — — 72. T Gij! — —
75. T \'t Woord, dat. —
-ocr page 43-
29
Klonk een stem, en ziet! zy stolden,
En de stortvloed keerde in ijs.
Is \'t op nieuw des Aadlaars tijd ?
Is Xapoleon herrezen
Met die vlucht die ze allen vreezen ? —
Consul! Keizer! wat ge ook zijt!
\'kZal geen stoutheid u betwisten,
Werpen op uw hoofd geen blaam.
Maar de toekomst hoort den Christen, —
Maakt gy aanspraak op dien naam V *
Wie dien voert, hy gaat te raad
Met geen wijsheid dezer aarde!
\'t Woord dat God eens openbaarde,
Is de rots, waarop hy staat.
Tegen de Eeuwleus: „zelfvolmaking!"
Tegen Romes Schriftverzaking
Antwoordt zijn banier: „Genil!"
Aller wereldsmerten slaking
Gaat hem op uit Golgotha! *
Ja! op Golgotha onthuld
Staat ook \'t raadsel dezer dagen!
Op den bodem aller vragen
Ligt des werelds zondeschuld.
Waart ge in staat d i e weg te dragen,
Menschenkindren, aardsche goön?
Zoo bestijgt den zegewagen —
Maar zoo niet, — aanbidt den Zoon! *
En verwacht het heil van Hem,
Grooten, kleinen, zondaars, volken!
In dat kraken Zijner wolken
Dreigt een oordeel, roept een stem.
Dat Hem alles hulde geve,
Hymnen brenge, knieën buig\' !
-ocr page 44-
30
Hem, den Richter! de aarde beve!
96.
                   Hem, den Koning! de aarde juich\'!
Plascht het tranen, ruischt het bloed,
Dondren woede- en lasterkreten ?
God als koning is gezeten
Over d\'opgezetten vloed.
Wederkaatst door hemelpsalmen,
Antwoordt uit het heiligdom,
Midden onder de onweêrsgaluien,
104.
                   \'t Jongste woord Zijns Woords: Ik kom.*
18 Maart 1848.
95. Hem den Richter, — 96. T. Hem den Koning,
-ocr page 45-
II E I M W E E.
Kriin9t du das Land? *
Kent gy het land, waar hoog de ceder wies?
Een adem Gods door \'t moerbeiboomdal blies ?
Van \'t eêlste bloed de bruine druiftros zwol ?
De olijftak glom, van malsehe koornen vol?
Kent gy dat land? daarheen, daarheen
o Leidsman mijner vaadren! voer mijn schreên!
Kent gy de stad? Haar hoog en heerlijk huis
Beeldde, eeuwen door, by palm- en lofgeruisch,
Met offerbloed, in \'t heiligdom gebracht,
Den Eedder af, door eigen volk geslacht.
Verstrooide schaar, daarheen, daarheen!
De Rijkstad ligt niet yoor altoos vertreên.
Kent gy het volk? Zijn dooden leven weer!
Zijn stammen gaan weer opwaart, God ter eer.
Zijn oog aanschouwt wiens hart zijn misdrijf brak.
Vergeving stroomt uit d\'ader, dien \'t doorstak.
Daarheen, o aard, den blik! daarheen.
Uw heil vangt aan by \'t einde zijner ween!
(1855.)
-ocr page 46-
BIJ HET
AFLEGGEN VAN UITERLIJKEN ROUW
OVER ONZE ONVEKGBTELIJKE KANNA. *
Neen, over haar geen rouw meer, teer geliefde!
Die, steeds zoo diep in hart en huis betreurd,
Slechts door haar dood die ingewanden griefde
Waaraan haar jeugd zoo schokkend werd ontscheurd.
5. Slechts voor een tijd betaamden deze kleederen
De moeder, voor wier geestesoog zy staat,
In \'t vergezicht der hemelsche gelederen,
Met haar van God verwaardigd w i t gewaad.
Wy hebben tot aan \'t voorhof van die oorden
10. Ons kind, mijn dierbre! aanbiddend begeleid.
Wy vingen op de honigzeem dier woorden,
Waarmee zy in de vreugd trad, haar bereid.
Wy zagen haar den jongsten adem gevend,
In een bevriende hand de hand geklemd ,
15. En met dien Naam haar op de lippen zwevend,
Wiens macht den koning der verschrikking temt.
Zoo blijf\' de traan steeds wellen, —• van geen alsem
Maar zachten daauw doortrekt zy ons gemoed!
En leken blijf\' de wonde, — daar is balsem,
20. Herinneringen! in uw bitter zoet!
Herinn\'ring aan die stem meê, die zoo teder
Aan \'t vaderlijk Daarheen! haar zang verbond!
Vernemen wy op aard die stem niet weder,
Zy stijgt tot God thands van op hooger grond.
25. Met d\' angel van den dood is weggenomen
De rouw, die niet verpoost. Wy gaan tot haar.
Maar zal ook zy niet eenmaal wederkomen
Met Koning Jesüs en de ontelbre schaar?
Oct. 1855.
-ocr page 47-
H A G A R.
Wat wondren zaagt ge al niet, woestijn vorstin van
\'t Oosten!
Een grond vereeuwigen, dien \'s hemels vuren roostten
Tot ééne onoverzienbre, één waterlooze zee
Van golven steen en rots, tooneel van schrik en wee,
5. Verlatenheid en dorst en zonder laafnis sterven! —
Wat hebt ge al in die lucht, die d\' ademtocht doet
derven
Aan wat daar adem zoekt, den stormwind vaak gezien
Zich als aan ketenen ontwringend; niet slechts dien,
Waarvoor de reiziger \'t gelaat verbergt in de aarde,
10. Tot dat de gruiskolom, die werv\'lend zich vergaarde
Bij \'t loeien van den reus, voorbijgerold zal zijn!
Nog andre schuddingen bestookten uw woestijn,
Aloud Arabië! \'t Zijn zulken, die de scharen
Opdreven, uit uw schoot, van land veroveraren.
15, Hier, langs uw noordergrens, trok Israël weleer,
Omstuwd van teeknen Gods, naar \'t erfland op en neer,
De veertig jaren door; — daar, twintig eeuwen later,
Verhief de Saraceen met dweepend krijgsgeschater
Zijn wapens, om aan de aard een half gekenden God
20. Te brengen, en een keer in heel der volkren lot.*
1—2. Wat zaagt ge al wonderen, woestijnen van het Oosten!
Verrijzen op uw grond, dien. — 4. Van golvend zand en. —
6. d\'ademstroom laat. — 7. daar. — 11. dien reus, voorbjj-
gerold. — 15—16. Hier. — daar. —
Da Costa, Poëzie.                                                          *x
-ocr page 48-
34
Maar in hot hachlijk uur, hier voor des Dichters
oogen
Herroepen, is het stil, van stormen onbewogen,
In deze wildernis, en eenzaam. Slechts één vronw,
Met fierheid, diep verneèrd, in \'t oog, — met naberouw
25. En kommer in de ziel, diep in die ziel bestreden, —
Ilicht op den sombren weg haar ongewisse schreden.
De waterflesch klopt op haar borst, eerlang geleegd,
Het brood ontbrak alreede, en dubbel klemmend weegt
De last haar onder \'t hart, waarop voor weinig dagen
30. Haar blik zoo onbedacht naast Sara roem dorst dragen.
Verwatene! waarheen? De tent van Abraham
Wierp tuchtigend u uit! Keer tot geen land van Chain,
Maar tot de schaduwen van Mamres eiken weder,
En dat zich \'t hart voor God aan Saraas voet verneder\'!
35. Voor u ook is daar brood en water, heul en troost
En Goddelijke trouw! Wees dienstmaagd, — en uw kroost
Zal groot zijn! meer dan één belofte omvat die woning,—
En wat uit Abrams heup geboren wordt, is koning.*
De moeder Lsmaëls!
40.                                          Maar Sara mede staat,
Op Gods gezetten stond, de moeder van een zaad,
Een zoon, waaruit de Zoon eens menschlijk wordt ge-
boren ! —
En nu — die Abram \'t eerst den vadernaam deed hooren,
Die veertien jaren op de aartsvaderlijke kniên
45. Geen tweeden nevens zich gekoesterd had gezien,
Moet thands dien tweeden als zijn\' meerdere gehengen,
En, man in zelfgevoel en krachten, hulde brengen
Een weenend kindeke! Gelijk den pijl zijn boog,
Schiet op den zuigeling zijn verontwaardigd oog
50. Den blik des wrevels en des spots. De moederzonde
Herhaalt zich in dien spot en slaat een versche wonde
51. spot, en. —
-ocr page 49-
35
In \'t hart der meesteres; — en deze blik beslist.
Het woord des fleeren handhaaft Sara. Neen! geen twist
Van broeders onder \'t oog van Abram! Twee vorstinnen
55. Gedoogt de tentgordijn van Harare niet, noch binnen
Haar plooien deze twee, schoon spruiten van één stam :
Den herder en den held, den woudstier en het lam.*
De moeder Ismaëls!
Een moeder veler volken
60. Ook zy! — Wel dekten eens verwarrende onheils-
wolken
De ster der moeder en des zoons, wanneer de dorst
Der schroeiende eenzaamheid het leven in de borst
Des jonglings, reeds ten grave als uitgestrekt, ging
doven.
Maar neen! des Engels stem spreekt deernis uit van
Boven.
65. Gy zult niet sterven, zoon uit Abram! De woestijn
Heeft zich een oogenblik uw graf gewaand te zijn, —
Die woesteny zal eens uw gloriën getuigen!
Voor u zal stam aan stam het hoofd met eerbied buigen
Bij \'t gonzen van uw boog, o Schutter! Vrij en fier
70. Plant, kennende zijn bloed, de zwervende Arabier
Uw naam voort en uw beeld. Zijn hand is tegen allen !
Geen menschlijk bondgenoot, die hem te beurt zal
vallen, —
Het dier slechts in zijn dienst! geen koutertrekkende os,
Geen jacht- of huishond, — maar zijn kemel en zijn ros. *
75. Zijn kemel! .— \'t Levend schip, dat door de zandzee-
baren
Zijn koers houdt, rijk bevracht met keur van Ooster-
waren, —
68. buigen, Bij. — 72. vallen! — 73. dienst, — geen. —
76. Oosterwaren; — —
3*
-ocr page 50-
36
\'t Woestijnpaard, dat in \'t zaal, hem door natuur ge-
wrocht ,
Zijn ruiter rustig voert door d\'eindeloozen tocht,
Hem knielend afwerpt en weer opvangt, en, waar de
oogen
80. Vergeefs een waterdrop als uit te lokken pogen,
De karavane met zijn reuk ten dienste staat,
En wellen opspoort, die nog laven. Op de maat,
Van dat de zon herrijst, vervolgt het dier te vrede
Met onvertraagden vaart, met onverhaasten trede,
85. Gelijk de kloknaald tikt, zijn\' weg, ten zij zich\'t lied
Ver.snelle, waar ook hy gevoelig \'t oor aan biedt:
De klaagzang, niet altijd eentoonig, van den drijver,
Of wel, de lofpsalm van den pelgrim, vol van ijver
Maar lijdzaam, die aan \'t eind van \'t onverkwikkend pad
90. Jerusalem zal zien, de onsterfelijke stad.*
Zijn ros! — de roem van ouds, de vriend van zijn
berijder!
Dat ros steeds, waar de spreuk van d\' Idumeeschen lij dei-
Ter eer zijns Gods van zong: „Wie gaf het paard zijn
kracht,
„Zijn heldenhart ? Wie heeft zijn hals bekleed met pracht
95. „Van manen, golvende op den wind? Men ziet hem
dansen
„Gelijk een sprinkhaan, bij de bliksemende lansen,
„De pijlen, rootlend in hun koker, en het zwaard
„ Dat flikkert in zijn oog, voor galm noch glans vervaard;
„Een wolk gaat opwaart van zijn snuiven, — met zijn
hoeven
100. „Verslindt hy \'t slagveld of hy trappelt het tot groeven,
„En ijlt het harnas te gemoet, of schuimt en woelt,
„Terwijl hy aan \'t gebit zijn krijgsdrift bloedend koelt,
„En antwoordt brieschend op den donder der trompetten,
„Waarbij de vaandelen zich in beweging zetten."*
77. Het isadpaaid, dat. — 80. uit te vorschen. —
-ocr page 51-
37
105. De moeder Ismaëls!
Hoe schudt en schokt die schoot!
\'t Zijn volken, — stroomen van veroovraars, die den dood
(Een paradijs in \'toog!) met waanzin» lust verbeiden,
Ja, tot des aardrijks eind uitdagen en verspreiden.
110. \'t Schiereiland goot hen uit, Egyptes Zevenmond
Gelijk, wen hy zijn bed als opheft, en den grond
Met waterdicpten dekt waar bergen in bezwijken;
Of zoo zich de Oceaan een baan veegt door de dijken,
En \'t land in zee herschept, of uitbijt met zijn zout.
115. Geen hoogte die weerstaat, geen glooijingdic weerhoudt!
Geen kracht of kunst bij macht den aanloop te verduren!
Zy stappen zeeën door en springen over muren,
En vielen ze in een lans, de lans verwondt ze niet.
Half de aarde werd op eens Arabisch grondgebied.
120. En, als een veld in \'t rond bezaaid met hagelsteenen,
De donderwolk ontperst, zoo zien van Hagarenen
Drie werelddeelen van den Indus tot den Taag
Hun breedten overstelpt. Buig, Syriër! en waag
Geen weerstand, Palestine! en torsch bij al uw weeën,
125. Stad Davids! nog den last der Omarsche moskeeën.
Zink, Oosterchristenheid, dien naam sintslang onwaard !
Onredbaar, voor den zwaai van \'t Damasceensche zwaard!
Ach! werd het Bijbelwoord voor fabelen en beelden
En menschenvonden, die uw zinlijke ooren streelden,
130. Te lang te rug gezetV aanvaard den Koran thands,
Wiens halve waarheid in haar duizelenden glans
Uw afgoon wel kan slaan, maar u geen God hergeven, —
En overmogen moest, waar Christendom voor leven
Een vorm werd, — schijn, geen zijn. Egypte! ontfang
de wet,
135. U weer in dezen tijd van den Nomaad gezet!
Neig \'t hoofd, Alexandrië! en geef dien woestijnieren
113. Of, zoo. — 115. weerhoudt, Geen. — 118. ze niet! —
125. nog "t gesteent der. — 133. overmogen moet, waar —
geen leven Maar vorm. —
-ocr page 52-
38
Do boektresoren prijs, die uw paleizen sieren,
Met al de wijsheên van uw scholen! Laatste bloed
Van Oud Numidië! laat varen uwen moed.
140. Carthager of Vandaal! spaar \'t slagzwaard in de schede!
Het geldt heel Af\'rica; het geldt Europe mede!
Zie! Calpes rotsen zijn beklommen, overheerd
Ligt Spanje, diep ook daar de Christennaam verneêrd!
De fiere West gut li heeft zijn kerken zien ontwijden,
145. En, dolende in \'tgebergt, wacht op den eb dier tijden.
Maar neen! nog wast de vloed. De Pyreneën staan
Geen gieren in den weg, geen Muselmansche vaan.
Waak op, gy Noordenwind! en drijf die sprinkhaan-
zwermen
Te rug! rijs, Karcl! rijs om \'t Westen te besehermen;
150. En wees in hooger hand een Hamer die verplet,
En wat nog kruis belijdt van Mekkaas dwang ontzet. *
De moeder Ismaëls!
Wie heeft der krijgren klingen
Tot dezen kamp gescherpt, en de aarde loeren dwingen
155. Van uit hun eenzaam zand en vesten, naauw bekend
Voor dezen? Wie dat volk uit d\'armelijke tent
Verplaatst op troonen ? Wie de toekomst en het leven
Der wereldnatiën als in hun hand gegeven? —
Een man, als uit het niet gebiedend opgetreên,
160. In aart en levensloop vol tegenstrijdigheên;
Veehoeder, handlaar, held, straks Staat- en sectestichter,
Wel ongeletterd, maar in \'t diepst zijns wezens dichter,
Voor Godsdienst brandende, voor Waarheid kool van zin,
En (zoon van Abram on de Egyptische slavin!)
165. Zich voelende beheerscht door Israëls propheten,
Voor Issa bovenal gedrongen in \'t geweten
Tot eerbied en ontzag, toch in onbuigbren trots
146—147. Geen Pyreneën staan Aan—, geen Muselmansche.—
15\'J. opgetreên; — 160. levensgang. — 161. Schoon —, toch
in. — 163. waarheid. — 163. zin; En. —
-ocr page 53-
39
Zich zei ven predikend als opper zendling Gods, —
Hervormer, ja (wellicht!) zijns tijds, en voorbereider
170. Van beetre, maar weldra slechts zelf- en volksmisleider;
Om strijd zich vleiende en gevleid, gewaand Propheet,
En lasterlijk in \'t eind begroet als Paracleet.
Mohammed! o, wat kracht, wat wijsheid waren de uwen ?
Slechts deze: een waarheid Gods den logen uit te huwen
175. En teelen uit dien echt een monsterachtig kroost
Van dweopend zingevlei en ingebeelden troost.
Ach! uwe niet alleen was \'t opzet om één waarheid
Met al haar hemelglans en goddelijke klaarheid
Te spannen in \'t gareel ten dienste van een Macht
180. Van menschenvonden en verfoeisels: — of de kracht
Van ééne zondedrift met ijzren wil te breken
Om de andren ongestoord te koestren en te kweken.
Maar uwe, o Koreischiet! was de Oostersche natuur,
\'t Bezielend krijgsgenie, \'t betoovrend dichtervuur,
185. Waardoor ge een fakkel werd, die wijd en zijd de stammen
In lichterlaaien gloed vermogend waart te ontvlammen,—
Een gloed, nog niet gebluscht, maar blijvend, tot die Zon,
Die eens by \'s menschen val zijn wond ren loop begon,
En nacht èn fakkelglans èn dwaal- en flikkerlichten
190. In zijn volheldren dag verzwonden zal doen zwichten.
Verhaast, o God! dien stond, en laat van oord tot oord,
Tot dat hy daa,r zal zijn, uw Evangeliewoord,
Klaar als de feestbazuin, het menschdom vergewissen
Van wat er volgen zal op zoo veel duisternissen;
195. Ja, van dat koninkrijk, dat over \'t wijd heelal,
Wat dreige of tegensta, eens zegevieren zal,
Niet door toegeeflijkheên aan menschelijken logen,
Noch door verbindingen met menschlijk alvermogen,
168. Gods;— — 174. Logen. — 178. Goddelijke. —
180. verfoeisels;— of. — 189. Èn — èn — èn — èn. —
191. Verhaast o Godl dien. — 191. tot oord Tot. —195. Ko-
ninkrijk, dat. —
-ocr page 54-
40
Maar enkel Waarheid, enkel Leven, enkel Licht,
200. Op vastigheid van kruis en lijden blijft gesticht. *
De moeder Ismaëls!
,
                                            God heeft een woord gesproken!
Geen stofken heeft er ooit by de uitkomst aan ontbroken;
\'t Zij oordeel, lang getergd, \'t zij hecrlijkheên beloofd
205. Voor de aarde of de eeuwigheid, en neergelegd op \'t hoofd
Het zij van Jacob of van Edom. Aan uw zonen,
o Hagar! was de glans beloofd van koningskrooncn, —
Ziet! de eeuwen wentelden! En honderd troonen zijn
Ten buit geleverd aan de kindren der woestijn.
210. Wat schittring! welke gloed of\'t waar van regenbogen,
Robijn en esmerald en diamanten, de oogen
Verblindend! wat muzijk van waterval by val
In lustspelonken, als getooverd uit kristal:
Caïro, Balsora, Granada, paradijzen,
215. Wie geen Geschiedenis maar Fabel schijnt te prijzen,
Wanneer zy aanheft van uw wondren, wier geraamt\'
Of ingestorte puin steeds Morgenluchten aamt!
Van uit uw scheppingen verhieven, ja, tirannen
Hun ijzrcn roede vaak, maar andre Muselmannen
220. Een scepter, \'t Eecht ter eer, of Wetenschap en Kunst,
Geleerdheid, onderzoek, en letteren ter gunst.
Alraschid, gy hier \'t eerst, gy Bagdads Charlemagne!
Of Abderahman, gy! sieraad van \'t Moorsche Spanje!
Hoe slaat het nageslacht uw prachtig Cordua
225. Niet om zijn bouwkracht slechts en duizend zuilen ga,
Maar om die scholen meê, waar studiën herleven,
Den Noordlijken Barbaar sints eeuwen prijs gegeven!
Hier boogt Geneeskunst op Averroës genie,
En kiemde Scheikunst reeds in \'t slijk der Alchymie,
230. En wenkte \'t sterrenheir met vriendelijk geflonker
Heur banen te bespiên by \'t Andalusisch donker.
Gy Dichtkunst, gy vooral, der woestijnieren lust
210. regenbogen Kobijn. — 213. kristal. Cairo.
-ocr page 55-
41
Van ouds! gy vondt hier stof in ridderfeiten, rust
In schaduw van den troon des Arabiers, herschapen
235. In kunstenkwekend Griek. — De Christenvolken slapen
Hun middeneeuwschen slaap, \'t Is nacht. Maar juist
dien nacht
Beheerscht de Halvemaan met heel haar sterrenwacht. *
De moeder Ismaels!
Ja moeder, in geslachten,
240. Van koningen, die de aard aan hunne voeten brachten, —
En toch! by al dien roem Egyptische slavin,
Geen evenboortige der achtbre Tentvorstin,
Die in haar ouderdom den Vreugdverwekker baarde! —
Neen, welk een uitstel \'t hart der Meesteres bezwaarde,
245. Zy zou niet altijd bij de dienstmaagd achterstaan —
Uw waarheid niet altoos by d\' Islam en zijn waan,
Verneêrde Christenheid! als overschaduwd treuren.
Ook \'t Noorden wordt zich zelf bewust. De nevels scheuren
Van d\' eeuwenlangen nacht. Een nieuwe morgen naakt;
250. Een nieuwe wereldtijd, een nieuwe kamp ontwaakt.
Wat stormen! welk een reeks van nieuwe worstelingen,
Onvruchtbaar lang, zoo \'t scheen, maar kiem van grooter
dingen!
Zie ! \'t Westen werpt zich op het Oosten by den kreet,
Van Clermont uitgegaan: „God wil het!" leus en eed
255. Dier in gestalte en hart onovertroffen Ridderen,
(Voor wie de Bondgenoot het eerst moest leeren sidderen!)
Gekleed in ijzer, en van ijzer zelf. Naar \'t graf
Des Heil\'gen trekken ze op, het zwaard voor pelgrimstaf
Geheven, om dien grond, vóór \'t rijpen van Gods tijden,
260. (By- tegen Wangeloof!) van d\'Islam rein te strijden!
Ai! zoek den Levende niet by de doón! noch wacht
Van \'tijdel zelfgekwel, van de ijzren heldenkracht,
233. Ridderfeiten, rust. — 240. braehten En. — 241. slavin —
Geen. — 247. treuren! Ook. — 259. grond voor. — 259. tij-
den (By. —
-ocr page 56-
42
Triumfen, die alleen Gods waarheid kan behalen.
Het Oosten staat n nog. Uw negen tochten falen !....
265. God had iets beters voor u weggelegd, Enroop!
In zijner mogendlieên aanbiddelijken loop:
Der talen sleutel weer-, de Drukkunst uitgevonden,
De Schrift der waarheid van haar windselen ontbonden,
Het Woord des levens op het aardrijk wijd verspreid,
270. Van \'t aardrijk te gelijk de grenzen uitgebreid ....
Uw tijden gaan te rug, uw geestdrift vlammen kwijnen,
Een teering schijnt allengs uw krachten te ondermijnen,
Mohammed! wien ge ook nog (een jongste flikkerschijn
Van stervend nachtlamplicht!) ontzachlijk dreigt te zijn.
275. Constantinopel vall\', sints eeuwen reeds zieltogend,
Den Muselman in d\'arni! die arm werd onvermogend
In Spanje. Brenge straks, een enkel oogenblik,
Aan Weenen en Euroop het Turksche kromzwaard
schrik! ....
Gy, negentiende reeks van dubble jubeljaren!
280. Getuig gy wat er werd van \'t rijk dier Oostbarbaren.
De Janitsaar verdween. Het zwaard van Mahomet
Viel in den Bosporus. Vergeten wordt zijn wet.
De Sultan aan den disch drinkt Griekschen wijn met
Franken;
Hy baadt zich in \'t genot van Fransche zangspelklanken.
285. \'t Is Westersch, wat de Turk nog tot zich nemen mag
Van leven, en do dag bevestigt aan den dag,
Wat Navarino eens met luid kanongedonder
Aan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder! *
De moeder Ismaèls!
290.
                                         Hy heeft ook u herdacht,
o Zoon der dienstmaagd, u tot in uw verst geslacht,
De Aartsvader, — als hy riep, voor God in \'t stof
gebogen:
267. uit-gevonden, Het. — 269. \\erspreid,— Van. —
277. Spanje I Brenge. —
-ocr page 57-
43
„Ach, dat ook Ismaël gena vinde in Uwe oogen
„En leve!" Heeft die God van Abrahams gebed
295. Ooit de ooren afgewend? De tijden zijn gezet,
Waarin ook Ismaël den schedel diep zal buigen,
En van zijns broeders eer, verrukt van zin, getuigen.
Ge ontfingt, o Salomon! van dien vernieuwden zin
Een eerstling uit den mond van Schebaas koningin!
300. Straks bracht Arabiën in Bethlems herderwoning
Zijn wierook, myrrhe, en goud aan hooger Vrede-
koning, —
Ook dit een eerstling slechts van ruimer heilverschiet,
Wanneer, om Jesus naam en koninklijk gebied
Te vieren, Sions stad van volkeren zal weemlen,
305. Ja , van uw rammen meê, o Kedar! van uw keemlen
Nebajoth, Midian, en Hefa! Welk een dag,
Waarop ook Ismaël met Isaac hopen mag!
Wat tijden, vast voorzegd, van groote schuld vergeving,
Van voor geheel deze aard volzalige herleving!
310. Wen Israël zal zien Wiens hart zijn hardheid brak,
Wiens zijde \'t met de speer der Heidenen doorstak,
En dan — den Christusmoord beschreiende aan Zijn
voeten,
Zich uit dien eigen mond op eenmaal hooren groeten
Als d\' eerstgeboren weer der volken; — wen zich daar,
315. Voor d\' eigen voetbank Gods ontmoeten zal Barbaar
En Griek, Romein en Parth, het Zuidenen het Noorden,
En van den Ganges af tot Missisippis boorden
Door elke natie, eiken tongval, elk geslacht,
Met daverendcn dank de lof wordt uitgebracht:
320. Verzoening! Vrede op aard! In menschen welbehagen,
\'t Besluit van eeuwigheid voor de eeuwigheid voldragen!
Lof zij den Vader! lof aan \'t onbevlekte Lam,
Dat, even groot, Zijn sterkte èn aflegde èn hernam!
293. „Ach! dat. — 300. herderswoning. — 301. myrrhe
en. — 314. daar, Voor. — 320. welbehagen \'t Besluit.
-ocr page 58-
14
En aan den Heil\'gen Geest, die de aard met heil be-
regent,
325. En uit de volheid Gods met levensstroomen zegent! *
De moeder Ismaëls!
Op u een laatste blik!
Op u, te midden van dier steenwoestijnen schrik,
Gy ongetrooste, gy door onweer voortgedrevene,
330. Aan zielsmart en ellende en wanhoop prijs gegevene!
Gy ook — gy gaaft in \'t eind den God des hemels eer!
Hy kwam, Hy sprak tot u. De hoogten vielen neer.
Gy gaat voor Saraas voet uw dwazen trots bekennen;
Gy wilt in Abrams tent u aan Gods ordning wennen!
335. Ja! (roept ge en voelt, met één, geheel uw aanzijn vrij!)
„o God des levens! Gy zaagt neder ook op my." *
(1847.)
328. schrik! Gij.—
-ocr page 59-
AANTEEKENINGEN.
De Gaaf der Poëzy: Het eerste couplet v. d. tien gaat
hier als onovertrefbare eigen karakteriseering v. \'s Dichters
Poëzie i. d. bundeltje vooraf. Het gedicht is uit D. Cs eerste
Poëzy, 1821—1822, 2« deel.
Aan mijne Eyaile : Hanna Belmonte, een nicht v. d. dichter;
«innemende, schier Andalusische Schooue" noemt Potgieter haar.
In 1821 waren ze getrouwd. (Het gedicht Liefde, Kompl.
Werk, 157 is, naar Dr. W. G. C. Byvanck mij verzekert, niet
voor Hanna B. geschreven.) Tot den dood toe was er een ideale
Liefde tusschen hen. Hasebr. zegt (779): "Had men alles
willen geven, wat er van (poëzie aan zijne Vrouw) in des
Dichters nalatenschap voorhanden was, het had op zich zelf
een kleinen dichtbundel gevormd." — 3—8: zacht = innige
liefde; maar D. C. denkt hier tevens aan zucht in de andere
beteekenis, meer bepaald in die v. «biddende verzuchting":
vandaar dat: ten hemel steigert. — Dat welzijn van 8 is het
geluk waarvan vers 2 spreekt. — 13—16: liefde: nl.v. Hanna
jegens hèm. haar i. 10 slaat op Liefdei. 13. — 20: vgl. 9—12,
op welke regels deze een terugslag zijn (let op de rijmher-
haling!): Wenscht is dus = winscht ook. — 24: D. C. was
toen (1822) nog niet de beroemde v. later. Men merke op,
hoe hij zich evenwel vöör alles "Bard" noemt. — 25—32:
Doch een hart: terugslag op 23. — Als kind al (26) had
D. C. dat heimwee naar Liefde, naar Goddelijke Liefde name-
lijk, die ook in Vrouwenliefde zijn kan, en geen behagen in
alles wat de wereld daar buiten bezit. Be aard is al wat
de menschen anders begeerenswaard dunkt en geheel "de
werkelijkheid van \'t dagelijksche leven"; die droom is het
dichterlijk aanschouwen der dingen die "niet van deze aarde
zijn": de Goddelijke Waarheid. — Of (29) = Immers toch. —
34: vgl. 1—2, en «gelukkig" met dat «{althans) zonder
-ocr page 60-
46
smarté": daar is als een gevoel v. tekortkoming, een zelf-
verwijt en een smeeking in; let op \'t verklarend althans. —
44: liet antwoord op zijn «Zeg het mij!" — 49: Meer nog:
niet slechts is die zucht, dat verlangen lietlïsr in uw oog, maar
gij deelt daarin. Van deze zucht wordt in de volgende couplett.
gezongen. — 61: verdrukking: Bijbelsche term voor "het
lijden v. h. Volk Gods, de Vromen." — blijmoedig in 60
geldt v. Hanna. — 05—72: De Liefde die de 1). Cs ver-
eenigt, huu min, is een heilige Liefde, vloeit uit een en
dezelfde bron met hun Liefde tot God en het Goddelijke: zoo
zingen min en godsvrucht hier zonder profanatie één lofzang. —
De ontmoeting onzes Heeren: het aanschouwen v. d. Messias,
die het hoogste verlangen is v. d. vromen Israëliet v. d.
ouden en d. nieuwen dag. — 71 : de stoffelijke (zinnelijk-
waarneembare) wereld, maar stof in verwerpelijken zin, met
bijgedachte aan »het stof", dat in dichtertaal de nietige, ver-
gankelijke
aardsche wereld beteekent: Boven \'\'t stof verheven
zijn; de stof en het stof
spelen bij dichters wel door elkaar. —
80: vgl. strophe 3; «en als gij dat maar moogt, dan zijn nw
w. voldaan. — 81—88: neen! terugslag op dat «voldaan";
lees: één wensch. ■— genade: Gods vrije gunst d. i. zijn on-
eindige en door het schepsel niet verdiende goedheid. — Op
onze in 85 accent. Het achtbaar hoofd in 87 is Abraham:
zie Genesis XII, 2; XIII, 16; XV, 5 etc. — 91—96: -en
mijn kroost de glorie van onze Portug. voorvaderen wederom
in dien bloei herwinnen mocht," en dat «ten troost v. h. ver-
vallen Israël" (92). — droevig = beklagenswaardig. Vgl.
de Inleiding.
— 101: ons: met klemtoon. In 104 is besloot
=
"dien Hij dan zal besloten hebben": want voor 1). C. is
daar niets buiten God. — 105: ik slake is geen conjunctief,
wel ik leve (111).
Inleiding tot de Hymne Voorzienigheid *): 4: Als Bilder-
dijk was I). C. vol bewondering voor de Homerische gedichten,
Ilias en Odyssee. Daaronder imponeerde hem de Ilias (de be-
legering v. Troje), die grootendeels schildering v. strijd en kamp
is tusschen heroïsche menschen, het meest: heroïsche strijd was
D. Cs element. Homerus was eertijds, nog i. d. dagen v.
Bilderdijk als de eigenlijke Vader der Poëzie geëerd. — De
*) In den Kunst\' en Letterbode 1842, ], 66 vindt uien: ProSemw»
Ihjmni cm titnhis: Protidentia; scripsit Istwc da Costa, ex vermit;ulo
.irrinotte Ltit\'wh rrrsibus mltlidit W. lleclcer:
beginnende aldus: Cum luba
magnanimi vocat ad certaiucn Houieri etc.
-ocr page 61-
-17
luit geldt hier als vertegenwoordiger v. hèt snaar-instrument:
lier, cither en phorminx begeleidden de voordracht v. Homerus\'
poëzie bij de Ouden. De zin v. 1—4 is: In dat Heldendicht
hooren wij de krijgsmuziek der Grieken, en gelijk zij de Trojanen
(Mum = Troje) dan doet sidderen naar haar wil (op de
maat),
zoo zet zij ons lmrt in verrukking: Ze in 3 en 4 is
die harmony. — 8. Meoonsche zwaan: Homerus zou in Lydië
(oudtijds ook Maeonië genoemd) geboren zijn; de zwaan is
symbool der Poëzie en dichters heeten wel zwanen; vgl. Sta-
ring, De Twee Bultenaars 365, Zwolsche Herdruk Vil; Vondel
Olijftak aan Gustaaf Adolf, Coup]. 5 Bilderdijk, Ode aan
Napoleon,
Couul. i en 5, Zwuhche Herdruk VI. — 7—8: de
hand die Hector kon bedwingen is Achilles, de eigenlijke held
v. d. Ilias, om wien alles draait: die Homerische Achilles is
een »zieltren"end stoute" schepping. Een aandoenlijk tooneel
in die wereld v. ruwen heldenmoed nu is het afscheid v. d.
Trojaauschen held Hektor en zijn vrouw Andromache, als hij
heengaat om Achilles te bekampen : Ilias VI, 381—502 (zie
Vosnjaers vertaling, en de eigen vertaling van D. C., Kompl.
W.,
pag. 615); Ilias XXII, 437—515 is Andromache\'s smart
verteld als Hektor is gevallen. (Vgl. Kompl. «\'. 617.) — 16: Liby-
aansche zanden
sr de Afrikannsche woestijn: Libye is de oude naam
v. A. Vgl v de juiste opvatting dezer regels b.v. het gedicht Aande
Poizy;
de interpretatie v. Huet in Fan/, en Krit. Ien anderen is
niet precies juist. — 18: i. d. Ilias nemen de goden a. d.
strijd deel: men leze b.v. Ilias V waar Aphrodite (Venus) als
zij den gewonden Aeneas u. d. krijg wil dragen, zelf Tan
Diomedes gewond wordt en, d. h. broeder Ares (Mars) op zijn
strjjdwagen ten Olympus gevoerd, dan bij vader en moeder
^eus en Dione) troost gaat zoeken. In datzelfde boek V ziet
men, als Aphrodite en Ares de Trojanen, zoo Athene en Hera
de Atheners bijstaan: dan wordt Ares zelf v. Diomedesgewond,
dat hij een geschreeuw als v. 10,000 mannen laat hooren. — 22:
wie zijn voetspoor drukt: 1). C. bedoelt de zoogenaamde Cyclische
Dichters,
die na Homerus, hem trachtende na te volgen, al
die verdere geschiedenissen die m. d. oorlog v. Troje in ver
band stonden, verhaalden: de Grieksche Epische Poëzie; docli
ook de andere Epische Dichters: Camoëns, Tasso en zoo. —
23—24: De hemelen: die hoogere wereld, de wereld v. d.
Goddelijke Waarheid, der Onzienlijke dingen. De waarachtige
dichter aanschouwt ze en openbaart ze. — 26: de dichters v.
Europa; de nieuwere dichters. — 27: «Profeet" heeft his-
torisch niet bepaald de beteekenis van voorspeller v. h. Toe-
komende, en hier ook niet. üe Profeten v. h. Oude Testa-
-ocr page 62-
48
ment zijn Godsraannen, die in hachelijke tijden als het volk
Israëls hoogere leiding behoeft, optreden om Jehova\'s wil te
verkondigen. God-zelve rust den Profeet met gaven toe, en
daaronder is ook de gave der voorzegging: hij kent de Godde-
lijke raadsbesluiten en wijst het volk op eindelijke zegepraal of
houdt hun de strafgcrichten v. Gods wraak, zoo zij in afgoderij
en ongeloof volharden, voor oogen. Aan deze oude Gods-
mannen is het dat D. C. zich verwant gevoelt, en zulk een
Godsman is hij geweest. — 30—32: Jesses Zoon is David, de
Koning v. Israël, als zoon v. Isaï of Jesse u. d. stam v. Juda,
waaruit ook D. C. H\'er \'t èèrst genoemd om zijn veelledige
betrekking tot d. Messias. l)e Messias was u. d. stam v. David
en D. is als dichter der Psalmen zijn Profeet geweest: vgl.
Ps. XXII, XLV, LXVIII, LXIX; ook geldt hij als zijn type
of voorbeeld. De zin v. 31—32 is: «ook ik ben v. dat Dichter-
profeteni/cwa? en i. d. Goddelijken Lofzang dien ik zingen ga
spreekt het; Uw lof te zingen doet mij het bloed door de
aderen bruischen; m dat bruischen is Vw lof. Het »lof«
bruischeu" doelt bepaald op de Hymne Voorzienigheid. —
33—40: In deze verzen (tot 40) staat Jezaia als de allergrootste,
de allermachtigste en allerverhevenste der profeten. Koningskind
heet hij, naar de Kabbijnsche overlevering, dat Jezaia\'s vader
Amos, broeder was v. Koning Amazia; verengeld: vgl. 37—40:
als de Engelen-zelve zoo heeft hij Jehova\'s Majesteit gezongen
(men leze een hoofdstuk als Jezaia XL!): het driemaal Heilig
en de voorstelling v. die zich met hun vleugelen dekkende Engelen
vindt men Jez. VI, 1—4 (echter ook elders). Jezaia is ook
de grootste Messias-profeet: zie Jet, LUI. Overigens denke men
aan de aanteekening bij 27. — 43: aardsche hemelstichters: op
te vatten i. d. zin van dat hemelstreelend in De Slem 24, 57
(bladz. 9, 11), zie de Aant. daar. Den Hemel zelve te stichten
dat vermag het Heidendom (44: de heidensche dichters.\'),
zelfs Homerus niet. — 45—46: let op 46: hij blijft geboeid
aan de aarde, gekerkerd in het lichaam. — 52: hij zal zingen
als die Üostersche profeten hebben gedaan. — 54: dat huppelen
is Oud-Testamentisch. De dans hoorde bij d. Israëlieten ook
i. d. eeredienst thuis: zie b.v. 2 Samuel VI, 16. — Gram-
maticaal is het de moeite waard op het verband te letten
v. dit Zoo zal ik en de voorafgegane vraag: hetzelfde in
61—52, 43—44. In de vraag ligt een voorwaarde opge-
sloten , en deze vragen behooreu tot het eigenaardige v. D. Cs
gemoedsbeweging en poëzie. Hoe uit dit soort vragen de
voorwaardelijke zinnen i. d. vraagvorm ontstaan zijn, daarover
Taal- en Letteren I, 162. — 55—56: In assche: »in zak en
-ocr page 63-
49
assche zitten" deed de Israëliet ten teeken v. rouw; hij deed
zich een rnwen zak om rle lenden en strooide zich asch over
\'t hoofd. — Hallels: "Halleluja" is een Hebreenwsche juich-
toon: hier = \'lofzangen". — 60: Legervorst: Jehova als de
»Heere der Heirscharen", waarover de Aant. bij Aan Bilder-
dijk
50—52 hierna. Voor «op de wolleen rijdt" vgl. Jee. XIX,
1 en Psalm C1V, 3; voor die engelenkring en Ps. CIV, 4 en
1 Kon. XXII, 19. — 61.: dichterlijke vl. = dichtervleugelen:
vgl. taalkundig Taal en Letteren II, 398, 302. — 64: vgl.
Aan mijne Egade, Aant. 25—32. — 68: vgl. voor \'t beeld
ook vers 46. —
De Stem: 4—6: zie de Inleiding. — 7—12: dat speeltuig
zingt v. Levenssmart, v. Heiliging, v. Dichteridealen , v. Krijg
en Overwinning. — 18: dat kunst-tuig: het hart. — 24: de
hoogere Geesten, de Engelen: vgl. 58 en Inl. Hymne Voor:.
43, Aant. — 30: vgl. D Cs beschrijving der Poëzie in De
Gaaf der Poëzie,
waarvan het eerste couplet onzen bundel opent. —
31—33: vgl. coupl. XII, XIII. Denk bij wien (31), hoezeer
geluid onzijdig, aan de personificatie. Koninklijkst: \'t mcest-
voegend voor een Koning als Adam. — 42: alsof de ziel-zelve
uitgaat, alsof gij, Stem, de ziel zelve waart. — 54: wederom
Achilles! Om zijn geweldige stem en zijn vreeselijken krijgskreet
is hij i d. Ilias befaamd. Wat angst zich bij \'t hooren meester
maakte v. d. Trojanen is ilias XVIII, 217— 229 geschilderd.—
57: Gezangen die God en de engelen aangenaam zijn: want de
hoogste poëzie is bij I). C. Godsopenbaring. Vgl 24. — 55 —60:
de Profeten-Dichters, waarvan hij in de Inl. Hymne Voor:.
zingt. — 61—66: Voor de Homerische gedichten schriftelijk
opgeteekend waren, bestonden zij i. h. geheugen en d mond
der Rhapsoden, de epische zangers, die ze v. geslacht t. geslacht
overleverden en i. hun voordracht overal onder de Grieken
bekend en geliefd deden worden. — zwanenveêr\': in ouder
dichtertaal, met gedachte aan d. zwaan als den dichtervoüel,
veel = dichlerpen, dichtpen, dichtveder gebruikt. Anders kau
zwaneveer ook ecu «zware groote pen" zijn; meest diende de
ganzeschacht om te schrijven. — 72: Ongetoijden = »onheilig•en\'\',
«ongeheiligden."
— 78: in de twee laatste coupletten denkt
I). C. weer aan zijn eiaeu roeping, waarover de Inleiding.
Verbreed de borst: vgl. Aan de Poëzy, 45—46 hierna.
Aan de Poëzy: 12: vgl. coupl. V; de hemellust en hemel-
wellust waarvan 1). C. elders zingt. — 26: vgl. Genesis I,
7, 9, 10. — 33—34: het Schoone is zichtbaar (of ruimer:
Da Costa, Poëzie.
                                                         4
-ocr page 64-
50
zinltjk waarneembaar) geworden poëzie. Vergelijk verder Inl.
Hymne Voorz.
83—24 Aant. en v. dit zelfde vers 55—56. —
45: Vgl. Aan de Stem 76. — 48: vgl. Inl. t.d. Hymne Voor-
zienigheid,
45. — 52: vorstelijk: daar de waarachtige dichters
hem, terecht, de vorsten en goden onder de menschheid ziju:
vooraan die Dichter-profeten v. h. Oude Israël, waaraan hij zich
verwant kent: zie Inl. t. d. Hymne Voorz. — 54: StoJgewaad:
lichaam; heel zijn stoffelijk bestaan ook komt onder den invloed;
vgl. eens Inl. Hymne Voorz. 47—4^; al die aandoening zoekt
eindelijk een uitweg en uit zich in zingen: poëzie! Vgl. De
Stem
20. — 55—56: vgl. Inl. Hymne Voorz. 23—41 m. de
Aant. bij 24 en 27: daar was profetie in D. C.: denk aan
Wachter! wat is er v. d. Nacht.— 58: Goël: dit Hebreeuwsche
woord komt bij I). C. nog al eens voor; voor d. eigenlijke be-
teekenis zie Leviticns XXV, 25 en v.v.; hier is het Christus,
die de zijnen heeft losgekocht en vrijgemaakt. Vgl. eens Job XIX,
25 in I). C\'s vertaling Kompl. IV. 496, waar\'t oorspronkelijke
Goei staat met onze Statenvertaling, waar Verlosser staat. —
62: verklaar 62 uit 64: Zijn eigeu Gezangen voldoen hem niet
meer; het is hem Keen heilige wierook maar walm. Hij zoekt
hoogere tonen iu die volmaakte wereld vz.ijn eigenlijk Vaderland),
waarnaar hij met zijn verbeelding opvaart, — die wereld,
waar zijn verheerlijkte Heiland het middelpunt is. — 64: vgl.
b.v. Jezaia VI, 1—3; Lucas II, 1—15. Bij 65 denke men
aan Hanna Belmonte, Abraham Capadose, Bilderdijk, Willem
v. Hoogendorp, Willem de Clercq.
Aan Bilderdijk. In d. trant en d. geest van Luthers Ein
feste Burg ist rinser Gotl,
dat 1). C, ook vertaalde: zie in
de Kompl. Dichtte, pag. 672. — 12: het Geestelijk Israëlzijn
de Kinderen Gods. de in Christus Verlosten: daar zij als
Israël i. h. Oude Testament, Gods uitverkoren volk zijn. Ook
heeten de Geloovigen, gelijk de Israëlieten als natie, \'m geeste-
lijken
zin kinderen v. Abraham: vgl. Gala/en III, 7: vgl.
Romein. IV. — 13: vgl. 2. Cor. X, 4 en Efez. VI, 12—17,
ook voor \'t verstaan der volgende regels. — 22—24: vgl. Hebreeën
IV, 12. — 38: Christus heet i. d. Brieven der Aposteleneen
rots; vgl. vooral Jezaia XXVIII, 16. — 40: Iu het O. T.
openbaart Jehova in donder Zijnen toom. — 42 : vgl. 19—24.
I)it geheele gedicht is eigenlijk de reeds vroeg middeleeuwsche
en ook i. cl. Renaissance tijd niet zeldzame voorstelling v. d.
Miles t\'hristiatws, den (hristelijken Ridder. — 44: Beëlzebub
is een Joodsche naam v. d. Satan. Des afgrond» spleet doet
daaraan denken, dat de Grieken eenige spleten die naar de
-ocr page 65-
51
onderwereld voerden, met name noemden. — [n d. volgende
regels heeft men a. 11 Cs Christen-worden onder Bilderdijks
invloed te denken. Hij is u. h. bloed v. David den Israëliet
die zijn Messias verwacht, v. David den Messias-profeet die Hem
i. d. geest aanschouwd en gekend heeft, David den krijgsheld:
hoe zon hèm Bilderdijks kreet niet hebben doen ontwaken en
oprijzen? — Gewijde moed: heilige m.; vgl. 56 ongewijde»
=
«onheiligen"; vgl. Ve Stem 72. — zich vergaderen tot:
èèn worden met — 50—52: BilJerdijk heeft het sein gegeven
en nu is het een strijd des Hemels: de Hemel strijdt mèt hem !:
want de zuchten der Bruid (in Nienw-Testam. beeldspraak is
de kerk d. z. de ware geloovigen, Bruid van Christus) zijn tot
den Troon geklommen. Trekt God-zelve op? ... . Als dit
bij d. dichter zekerheid wordt, dan klinken, hoezeer de strijd
nog niet begonnen is, vers 55—56! Hij toch die met hem is,
is Die de sterren roept bij naam etc. (hl—60): der legerscharen
God
(53)! 1). C. namelijk spreekt hier van Jehova als Jehova
Zetaoth
d. i de Heere der Heirscharen: die heerscharen zijn
het heir der hemelsche Geesten (de Etigelenorden: 58) en het
heir der sterren (57). «Als nadere bepaling v. h. begrip Jehova
ziet Zebaoth vooral op de daden Gods voor zijn rijk, in
het bijzonder voor zoo verre er sprake is v. strijd en over-
winning, in het algemeen van betooning zijner goddelijke
majesteit tegenover de hem weerstrevende wereld, en van d. be-
scherming v. h. volk des Verbonds" (Oehler, Theologie v.h. O. T.
720—730\'. — ailm in 59 is bezieling (herschiep: vgl. Gene-
sis
II, 7). — omgorden: krijgsterm (zich omgorden met =
zich wapenen met): »in zijn heil zal onze kracht zijn, dat
zal ons beschutten en ons doen overwinneu;" vgl. Efeze VI,
13—14. — 61—62: kruisvaan, ook kruisbanier: vaan in. h.
teeken des kruises. De vaandrig was i. d. middeleeuwen een
man v. groote dapperheid en trouw. Hij zwoer, het vaandel,
dat hem met plechtigheid werd overgegeven, tot i. d. dood te
verdedigen en zich stervend in zijn vlag te wikkelen om haar
niet levend i. handen v. d. vijand te laten. Daaraan denkt
D. C. Zulk een vaandrig wil hij zijn. — 69—76: De voor-
stelling is dus: de Christenridders die het slot v. d. Eeuw-
geest gaan innemen: D. C. hun vaandrig in de voorste ge-
lederen om het vaandel op de muren te planten.
Jericho: Na veertig jaren in de woestijn te hebben rondge-
trokken, gingen de Israëlieten, onder aanvoering v. Josua (Mozes
was toen gestorven), het hun van Jehova toegezegde land
Kanaiin veroveren. Van de oostzijde den Jordaan overgetrokken,
4*
-ocr page 66-
52
sloegen zij ook het beleg om de westelijk van den Jordaau (niet
ver daar van daan waar hg zich in de Uoode Zee stort, noor-
delijk v. Jeruzalem) gelegen stad Jericho. Jericho echter zou
niet vallen d. d. kracht van het zwaard, maar d. een wonder
Gods; zie Jozua V, 13—15; VI, 1—27. Iu h. gedicht wordt
deze stad het zinnebeeld van het Ongeloof. — 1—10; Kaleb:
allen die met Mozes uit Egypte getrokken waren , had om hun
ongeloof de straf getroffen, dat zij sterven moesten voor het
Beloofde Land aanschouwd te hebben. Twee mannen waren
van dit lot uitgezonderd: Jozua en Kaleb. Beide waren ze
onder die twaalf verspieders geweest, waarvan Numeri XIII,
1—3, 6, 8, 16, 17—33; XIV, 1—3S (vooral 6 en v.v.;
24, 30, 38), en hadden (zie aldaar), de èènigsten, het volk
opgewekt tot moedig vertrouwen. — heel Israil: het jongere
geslacht namelijk onder aanvoering dier twee helden. — Zin:
«Indien krijgsgeweld het doen moet, Jericho zal niet bestand
zijn: want, ouder de uitnernendste aanvoerders, staat Israël als
cèn man en is niet te verwinnen: maar God heeft anders be-
sloten". — 11—14: Zie voor dezen Imperatief Jozua VI, 4.
I)e Arke Gods of des Verbonds is de kast, waarin de Tafelen
des Verbouds (de X Geboden) werden bewaard ; deze Ark was het
Allerheiligste der Israëlieten: op het deksel (het z.g. Verzoen-
deksel) waren twee gouden Cherubim, de zinnebeelden v. Jehova s
tegenwoordigheid
(vgl. vooral Exodus XXV, 22 en Levit. XVI,
2). Gouden ringen waren a. d. zijden, en aan daardoor gestoken
m. goud overtrokken draagboomen kon de Ark worden vervoerd.
U. h. geslacht v. Aiiron waren de Priesters. Jehova zelve (dit
is de zin v. h. gebod aan Jozua, Jozua VI, 2 etc.) trok dia
voorop.
— 17: de heerlijkheid: nl. Jehova in de heerlijkheid
v. z. verschijning: zie daarvoor in D. Cs Kompl. W. 660—661 zijn
weergeven v. Ezechiel I en 434 Sterkte in God, coupl. II. In \'t O.T.
komt de uitdrukking »de Heerlijkheid des Heeren" dikwijls voor;
zij beteekent «de uitstraling, glans, openbaring van Gods volmaakt-
heid, deugden en eigenschappen naar buiten". Zie b.v. Exod.
XXXIII, 18—23; Levit. IX, 6, 23—24. — 30: nl. den
slavernijdag v. Egypte. — 40: zie Joz. VI, 26 en vgl. dit met
1 Koning. XVI, 34: hierin ligt ook de verklaring v. h. vol-
gende couplet: Hielt oudste en jongste zoon kwamen bij het
weer-opbouwen om.— Geen stadsmuur: synecdoche voor: «geen
menschelijke macht". — 41—50: Tuigden de af gedreigde ioorne:
dat Jehova metterdaad zijn toorn gedreigd had over d. ver-
metelen herbouwer, daarvan was hun dood het getuigenis. —
Af dreigen: hier met de zaak als object; vandaar de passieve
constructie; af: van omhoog — hun voorbeeld: nl. van Hiëls
-ocr page 67-
53
zonen. — 50: geen-Schepsels werk: geen werk van eenig
schepsel. Bijzonder (XVII« eeuwsch) is ook 44 (Je genitief
Vaders: zonder lidw. — 51—60: bij 56—57 vgl. de Aanteek.
bij 11. — Het Woord (58): Zie de Inleiding. — Woede (59)
van \'tvereenigd helgeweUl is onderwerp — 61—70: Ve Evan-
gelische bazuin: de b van H Evangelie.
— den Geler■uisden:
in overeenptemming m. dezen verbogen vorm schrijft D. C. ook
wel gekruisd, doch elders weer vindt men gekruisten, en kruisen.
Let op het rijm. — Palmsiad is een andere Oud-Testameutische
benaming voor Jericko. — In berste, conjunctief (de wijze
v. \'t geen niet als feitelijk, niet als geheel zeker, als min
of meer subjectief wordt voorgesteld), staat hier een gedachte
uitgedrukt die, zoo wij vers 70 als afhankelijk beschouwen van
68—69, in de voorstelling v. d. Dichter ongetwijfeld een gehèèl
zeker toekomstig feit behelst: verkeerdelijk gebruikt I). C. dan,
om d. Indicatief v. d. Toekomstigen tijd uit te drukken, den
Conjunctief Tegenw. T. Doch \'t is mogelijk, dat de Dichter
tusschen 68—69 en 70 niet dat directe voorwaardelijke verband
(Indien gij durft belijden etc.) gedacht heeft; dan staat 70 op
zich-zelf en heeft de Conjunctief, in overeenstemming, m. d.
voorafgegane Imperatieven "Predikt!" «Durft!" de beteekenis:
moet weer bersten (nl. in dezen zin: Maakt dat zij weer
berst!). — 84: Gebieden staat hier in. 4™ nv., als bij van
Lennep in: «\'t Is Breêroó, die den tocht gebiedt"; en Span-
daw in: «Maar hij, die \'t weerloos schip gebiedt", i. d. zin v.
«heersenen over" en «besturen". — 90: verbaasd: in veel
sterker zin (XVIIe eeuwsch) dan tegenwoordig. — 91—100:
voor Rachab zie eerst Jozua II, 1—22; dan Joz. VI, 17,
22—25. Rachab is hier het beeld van al dat ellendige en ver-
lorene, dat Gods vrgmacht opzoekt en in heerlijkheid zet. Zie
\'t volgende couplet. Uit de heidenen werd zij, met Salmon
huwende, i. d. stam v. Jnda overgebracht, en dan wordt Boaz
uit haar geboren en zoo wordt zij de stammoeder v. Isaï, v.
David, v. Jezus den Messias-zelven (Matth. I, 5 etc). —110
Se Spruit, die komen zal: zie de Aant. bij Voorzang van God
met Ons
41—44; aldaar voor Jesse (Isaï). Voor de beeldspraak
in 107—110 vgl. God m. Ons 41—43; schaduw = verkwikking
en rust en vrede. — Bijzonder is in 97 nog het woord on-
macht,
dat hier, in zijn tegenstelling met macht zuiver etymo-
logische beteekenis krijgt. — 111—120: de diamant en parel
is Rachab; uil het diepst: niet alleen uit de verworpen Hei-
denen, maar onder hen v. d. geringsten, v. d. verworpenen
weer. Leidstar is een oude naam v. de Poolster: op haar
moeten alle Heidenen (de niet-Israëlietische volken) vertrouwend
-ocr page 68-
54
het oog gericht houden: zij is het heerlijkst bewijs van Gods
vrijmachtige Genade. Het beeld v. il. schitterende diamant gaat
over in dat v. d. lichtende ster. van Gods Zoon (115) hoort
bij kroon: eeu bij l). C. zeer gewone woordschikking. —
130: het einde der dingen is uaar \'s dichters treloof nabij. Zie
de Aant. bij Slem des lleeren hierna; vooral die bij de slot-
verzeu.
Voorzang der Hymne God met Ons: 9: wal dit hart zich
verbeeldde:
ui. een geheel het harl vervulleud geluk; zalig-
heid; verzadiging. — Riddenerdienste, die etc. (12): toewij-
ding a. een Vrouwelijk Ideaal: een ideale Vrouwenvereering.—
In palmen (IS), In zangen (14): in overwinnaars- eu dichter-
roem. Het luisterend gewelf: d. i. het gansche heelal. —
15: o» \'t oogeublik, dat men het waande te grijpen: als een
schaduw doet. — 17: onheil: hier i. d. etymologischen zin
v.: kwaad, ongeluk. — 24: klemtoon in 23 op Hèm. Wiens
beeld etc:
de Mensen is oorspr. naar Gods beeld geschapen:
vgl. Gen. I, 26; V, 1; en 2 Corinth. IV, 4 met Romein. VIII,
29. — 25—28: In 25—26 spreekt 1). C. van de Wijsbegeerte.
Bij boeteverordening denke men a. d. -schuld"- en «zondeoffers"
en andere boeten in de Israëlietische Wet voorgeschreven eu
door de Rabbijnen later ontwikkeld. Men vergete niet dat IJ. C.
Israëliet was. De ziu v. 28 is, dat het verstand niet bij machte
is den meusch tot God te brengen. — Omtrent /hands (26)
dit: de spelling met d was enkel ter wille der etymologie (te
hande);
vandaar dat men bij 1). C. ook thands vindt iu rijm
op krans (Aan Hanna Belmonte) eu glans (Kompl. W. 661),
waar de uitspraak dus thans is. Hier echter de ten gevolge der
etymologische spelling voortbestaande uitspr. met d. — 3l—32.
Deze regels, waar het zeer op aaukomt, vindt men in de In-
leiding verklaard. Eeniggeboren: de «eeniggeboren" Zoon v. God.
Denk bij 30 aan de Weder geboorte. Bevatting: een geheel-
begrepen denkbeeld. De nieuwe bevatting is in 31—32 gemeld.—
34: vgl. Joh. IX, 1—7; Matlh. IX, 27—30. Let op dien
plotselingen overgang: Zijn hand heeft mijn oogeu bestreken:
ik zag Hem: ik gaf mij. — De Hel iu 35: de toestand v. z.
gemoed boven beschreven: vgl. 36. Uw Woord: Vgl. Mark. Vil,
(32)—34. — 37—56: al deze verzen m. hun vijfvoudig Ik
zag Hem
zijn in dat eerste. Ik zag Hem v. vers 35 begrepen:
een hand ging over ziju blinde oogeu en — daar aanschouwde
hij den Vol/en, den Ganschen Christus der Schriften: de
vreeselijkste duisternis was iu eeu alles overstralend middag-
licht veranderd: daar verstond hij op eenmaal het gansche
-ocr page 69-
55
Woord Gods ia O.- en X. Testament. 37—40: vgl. Gen. III,
14—15, waarin voor D. C. de voorspelling (aan Adam) v. d.
Christus, den uit een vrouw geboren Godmensen ligt, die den
Satan zou overwinnen. In de Openbaring wordt de Satan
Draai genoemd; men denke a. d Paradijsslani;. 41—44:
Hem, v. wien voorzegd was, dat hij iu d. stam der Israëlieten
zou geboren worden uit Abrahams geslacht (Koninklijk: vgl.
Gen. XVII, 6; uit dit geslacht was ook Koning David). —
Lenden (het weeke boven de heup): Bij de Israëlieten werden de
heup en de lendenen als de zetel der manlijke voortbrengings-
kracht beschouwd. Vgl. Dr. lt. A. Kollewiju, Poëzie v. Bil-
den! ijk, Zwohche Herdrukken,
n°. 6, pag. 102 — scheidsm.
der Heidenen
is genitief v. kenmerk: de muur die de Heidenen
(de niet-lsraëlielische volken) v. h. door Jehova uitverkoren
Israël scheidt. Met de komst v. d. Messias kregen ook de
Heidenen toegang tot Jehova en deel aan het Heil in Christus;
en «als eenmaal de Wereldgeschiedenis voltooid zal zijn en dan
die Spruit uit Isaï\'s stam in volle Schoonheid staat, Christus
volle Heerlijkheid gezien zal worden" (43), dan zullen alle
Heidenen met Israël zijn toegetreden. Let op de éénheid van
voorstelling in: Spruit vo/bloeid-rijpheid. (Voor Spruit vgl.
Zacliarias III, 8; VI, 12; Jesaia XI, 1, waarin Isaï, de
Vader van David). — 45—46: schaduwen is (van schaduw
als omtrek, schets■. vgl. Vondels Lucifer, het sonnet op Fer-
dinaud III, eu de aanteekening in Cramers Uitgaaf, Zwolsche
Herdrukken,
n°. 3—4): schetsen, afbeelden. Het ceremonieel
v. d. Israëlietischen eeredienst wordt beschouwd als de zinne-
beeldige voorstelling (het beeld, de "afschaduwing", de «schaduw")
geweest te zijn v. d. toekomstigeu Messias (Christus) en\'t geen
Hij verrichten zou (zon b. v. de Hoogepriester het beeld v. d.
Messias-zelf; de twaalf edelsteenen in. d. namen der XII stammen
het beeld daarvan, hoe Christus zijn volk draagt; etc.) —Sion
is Jeruzalem, de Tempelstad, — Horebs Verbond: Met Abrah.,
d. stamvader, had Jehova zijn verbond gesloten: op den tocht
door de woestijn bevestigde Hij dit en aaf de Israëlieten de
Wet die zij hunnerzijds te houden hadden: zij bevatte niet
alleen de bekende Tien Geboden, maar het gansene Boek Levi-
ticus (zie ook Exodus XIX en vervolgens) en schreef den ge-
heelen Eeredienst voor met al zijn offers en plechtigheden, tot
iu de kleinste détails: dit alles was vol Symboliek. I)e Wet
werd op den Sinaï gegeven, maar deze wordt wel m. d. berg
Horeb, daar dichtbij, verwisseld. — 47—48: in Christus is
het Levensraadeel opgelost: vgl. o. a. Johan.l, 18. — 49—56:
den Wortel van O\'s geslachte: vgl. Jesaia XI, 10; Wortel
-ocr page 70-
56
(oorzaak) en Spruit béide v. dien Stam: dit geslacht was om
den Messias voort te brengen: dus is de Messias de Wortel
daarvan. Heer en Koning noemt David den Messias in zijn
Psalmen, en Christus heet de Zoon Davïds. Vgl. voor 52 : llelr. IJ,
10; V, 7— 9. Voor 56 denk aan: Mijn God, Mijn God, waarom
hebt Gij mij verlaten: Markus
XV, 34. — 57—59: Goei:
zie Aant. bij vers 58 Aan de Poézy. Onheilverwinner: viel.
17. — 61—68: klemtoon in 61 on «—ii; ook in 62, 63; op
Gij en m\\j in 65; in 66 on hem en w. We hebben hier van
die vragen als in de Inleiding v. V oorzimigheid 43—44,
51—52, 53—54 (zie Aant. aldaar): «Indien Gij dat hebt
willen doen, O, maak mij U dan waardig, reinig en heilig mij
U zelven (67—68) door den Heiligen Geest: Vijftig dagen na
Paschen,
op het Pinksterfeest zond Christus zijn discipelen d.
Trooster, d. H. Geest (vgl. Joh. XIV, 26). — In 66 is niet
in
de oude «dubbele" ontkenning, die D. C. mèèr heeft. —
Engel des Levens (61): De Engels Doods is een oud- Joodsche
voorstelling; de dood als Engel des Levens is zekerlijk een
christelijke idee; denk aan Vondels Constantijntje eu zijn Uit-
vaart v. Maria v. d Vondel.
Den oorsprong van het idee ken
ik niet; \'t is niet Bijbelsch. — 70 : Vgl. Mattheus XVII, 19—20.
Voor 71 vgl. 2 Kon. I, 10, 12, maar toegepast i. d. zin van vers 72.
De paar volgende gedichten zijn u. d. tweede periode v.
D. Cs leven. Over het veranderen v. z. denkbeelden zullen
wij het in een tweeden te verschijnen bundel hebben. Nu slechts
ter toelichting van
De Stem des Heeren het volgende: Sinds omtrent 1840
was D. C. niet meer de Reactionuair, die, tegenover de Eeuw,
alleen heil in het Oude zag. De geschiedenis was hem v. toen
af de v. God gewilde en door Hem geleide voorbereiding van
het naderende. Koninkrijk Gods op Aarde. Het onderhavige
gedicht is de uiting v. d. indruk dien de Februari-llevolutie
op hem maakte. Het heroïsche D. C.-hart wordt vervuld v.
verheven ontzetting: hij voelt Gods nabijheid, hij ziet Jehova
Zebuoth, de Heere der Heirscharen iu de heerlijkheid v. Zijn
strijd. Hèm slechts hoort hij in die donders en die stormen.
En hij, D. C. siddert niét: in de onweersgalmen klatert de
Stem v. h. boek der Openbaring: Ik Kom! — 1—4: De
mannen der Juli-Revolutie (1830) zelf, de mannen in wie de
Geest der Eeuw
was, hadden Frankrijk in d. waarachtig-
vrijzinnig gewaanden Louis Philippe een koning gegeven: de
-ocr page 71-
57
Orléansen kwamen met hem op den troon. In 1848 nam de
Eeuw dat koningschap terug:\'de «Burgerkonin;;" had zijn
roeping niet volbracht, zijn Huis werd v. d. troon vervallen
verklaard en de Koninklijke Familie moest Frankrijk verlaten. —
5—16: schilderen de omstandigheden waaronder 1—4 plaats
had. 5: de nationale Garde werd den Koning ontrouw. 7: Or-
léans was een zijtak van Bourbon; doch tevens zal hier gedacht
zijn aan de eigenlijke Bourbons, de afstammelingen v. Lode-
wijk XIV, die in Lodewijk XVIII (1824) en Karel X (1830)
hun laatste koningen hadden gehad, en door Orléans in 1830
verdrongen waren. 8: Die Weeuw is de Hertogin v. Orléans,
de Duitsche echtgenoo\'e v. Louis Philip z\'n in 1842 overleden
oudsten zoon den Hertog v. Orléans (vgl. Kompl. IV. 462—465:
Orléans), moeder v. d. elfjarigen Graaf v. Parij9, den wettigen
troonopvolger. Zij h:id steun gezocht bij de Volksvertegenwoordiging :
velen wenschlen haar Kegeutschnp: ondertusschen werd de Repu-
bliek uitgeroepen. Vgl. De Génestets De Hertogin v. Orléans, Eerste
gedichten, 74.—11 : de voornaamste mannen waren onder de tegen-
standers der regeering: onder hen Lamartine, de groote Dichter en
Staatsman. 13—16: de orakels: Gods Woord; het einddoel: de
komst v. Christus en de stichting v. een duizendjarig Godsrijk
op aarde; de gangen v. h. lol: de loop der geschiedenis. —
17—24 en v.v.: D. Cs interpretatie v. 1 — 4, zich nun-lui-
tend bij 13—16: de Christen staart het aan en hij ziet het:
»God is Koning!" (in 25 en 33 behoeft God dien krachtigen
klemtoon niet). — Bergen en wereldhoogten: de Vorsten, al
wat hoog is. — 25—32: Gevallen, hoezeer door tienduizenden
gesteund. Maar etc. — 41—48: bidt is Imperatief: met
vooropgaande bepalingen; daar in 47 is daarboven (43), in 48
is het hierbenèden; genadewegen: de wouderbare wegen die de
Goddelijke Genade den vrome langs leidt (in 48: tangen daar-
van). — 56: Die Zanger is Lamartine. Hij wns door een vrome
moeder opgevoed, en met zijn romantische, reliuieuse poëzie werd
hij voor heel Europa in 1820—1830 de Dichter bij uitnemendheid :
ook D. C. vereerde hem en men vindt in de Kompl. W.
eenige door een gedicht Aan Lamartine voorafgegane verlalingen
uit hem, waaronder Geestdrift(L\'Enthousiasnie)geheel Da Costi-
aansch is geworden. Wat I). C. bovenal geboeid moet hebben,
is de wonderbaarlijke macht v. Lamartines welsprekendheid
(51 etc), zooals zij zich metterdaad in \'t beteugelen v. razende
volksmenigten in de Revoluticdagen deed kennen (53—56; vgl.
Orléans, 464). Als Staatsman speelde L. een belangrijke rol. Hij
behoorde i. d. Volksvertegenwoordiging t. d. oppositie en werd op
deu dag v. h. oproer (24 Febr.) mee gekozen i. h. Voorloopig
-ocr page 72-
58
Bewind. Vergeefs trachtte hij (gematigde beginselen toegedaan) de
directe afkondiging der Republiek den dag daaraanvolgende legen
tfl gaan. Ondertusschen werd hij de man van h. oogenblik en
twaalf departementen zonden hem naar de Nationale Constitu-
eerende Vergadering, die in Mei bijeenkwam. Hoe de dichter-
persooidijkheid v. L., I). O. imponeerde, blijkt ook hieruit, dat,
in den toon v. teleurgestelden eerbied, drie coupletten over
hem gaan. 58—59: «toen gy uwe vrijheidsidealen gingt ver-
wezenlijken;
61—62: «een last zwaarder voor u dan de plichten
v. een koning"; 63—64: God zal beslissen wat gij waart
(vgl. 65—68) in uwe daden: wij nietige, vergankelijke menschen
{aardwormen) weten het niet, ons oordeel kon Hij beschamen
(aardworm slaat niet op L.). — 1\'Aa—88a: Deze twee cou-
pletten sla men bij eerste lezing over. Zij behooren toch niet
tot het oorspronkelijk gedicht en werden na 2 l)ec. 1851 hier
inKelascht. Dit is de datum v. d. bekenden Staatsgreep v.
Lodewijk Napoleon, die, als president der Republiek, zich toen
geweldadig vau d. Nationale Vergadering ontsloeg en in een
nieuwe staatsregeling zich den grondslag legde v. h. toekomstig
Keizerschap (1 l)ec. 1852), dat I). C. i. zijn ontboezeming hier
profeteert. Lamartincs politieke beteekeuis was v. zeer korten
duur geweest en met h. opkomen v. Lodewijk Napoleon spoedde
de Republikeiusche vrijheid snel ten einde. — 78—80; Zelf-
volmaking:
de volmaking v. d. Mcnsch uit en door zich-zelven :
daartegenover stelt de Schrift dat de mensch gevallen is en, ook
voor den vrome: «zonder Slij kunt gij niets doen." Dit is inderdaad
de XlXue-eeuwsche inbeelding. Dat hij in 1851 , eer dan in 1848,
bepaaldelijk ook tegen Rome protesteert, heeft zijn oorzaak mis-
schien
daarin, dat, terwijl in het transigeeren v. Pius IX met de
vrijzinnige denkbeelden de Stoel van Rome een oogenblik zelfs
wankel scheen (Pius\' vlucht: 24 Nov. 1848—12 April 1850),
deze Paus na zijn terugkeer m. grooteu ijver en verstand, en
groot geluk, ging arbeiden om de Middeleeuwsche Kerk in
haar heerlijkheid te doen herleven. — 88: Bij 85—88 vgl.
weer taalk. Inleiding Hymne Voorzienigheid Aant. 54; Waart
^85) is dus geen Voorwaard, wijs: «Hebt gij dat kunnen
doen?" —
97—104: vgl. couplet 5—6, 10, ook b.v. het be-
gin v. Wachter, wat is er v. d Nacht; en v. De Chaos en
het Licht.
Taalk. vgl. 85—88. — \'t Jongste woord zijns
Woords;
Zijn laatste openbaring: vgl. Openb. XXII, 20. Hij
die antwoordt is Christus. Die komst v. Chr. is de toekomst
waarvan in 71 en 87a: het eind der geschiedeuis, dat I). C.
geloofde niet meer ver af te ziju; vgl. voor die verwachting
vooral het slot v. Wachter, wat is er v. d. Nacht?; den
-ocr page 73-
59
zang op het slot v. Een Lied in 184\'); zie ook in de laatste
regels v 1648 en 1S4S het slot v. ons onderhavig gedicht
herhaald.
Heimwee: "at land is Palestina; die stad is Jeruzalem;
dat Huis de Tempel; die Schare de Joden in hun balling-
schap;
het Volk is Israël; de Leidsman dier F aderen:
Jehova die hen uit Egypte tot dat Beloofde Land heeft ge-
leid. Uit lied is het IsraëlietischChristelijke Kennst du das
Land.
=^Goethe\'s «Ballade" Mignon, naarvan het navolging
is): ingegeven door diezelfde verwachting, die De Slem des
lleeren
inspireerde: Christus, de Zone Uavids zal d. troon
Davids eenmaal zelve weer i. zijn heerlijkheid herstellen:
mijn Jeruzalem zal weer herrijzen, mijn Volk zal weer aller
Volken middelpunt zijn: dan zal mijn Volk gekomen zijn t. d.
Messias, dien het doorstoken heeft. In d. tijd v. dit gedicht
begon het geloof a. Israëls naderende wederherstelling krachtig
op te leven (men denke aan h. profeteeren v. d. bekenden Schot
John Cumining): daaraan herinnert dat «Verstrooide schaar,
daarheen!"
en dat Praesens: «Zijn dooden leven weer! Zijn
stammen gaan weer opwaart". — De vier eerste regels i. d.
Ver!. Tijd schilderen Paleslina\'s voormaligen bloei. — Het
tweede couplet spreekt v. die \'schaduwen", waarover onze Aant.
bij den Voorzang v. God. met Ons, vers 45—46: het bloedig
offer is bet zinnebeeld v. d. Gekruisteu Messias; in\'t heiligdom
gebracht:
bedoeld wordt het Zoudofer v. d. Orooten Verzoen-
dag,
wanneer voor de zonden v. h. gansche volk boete gedaan
werd: met h. oferbJoed, ging de Hoogepriester dan i. h. Heilige
der Heiligen
(bier het Heiligdom) eu besprenkelde daarmee het
deksel v. d. Arke des Verbond»: daarover zie men de Aant. bij
Jericho 11—14. — Iu couplet III beteekeut dood geeste-
lijk dood. Opwaartgaan is: ten tempel. Misdrijf is onder-
werp, in 15. In 16 denke men a. het bloed der Verzoeniug.
17—18: als Israël tot Christus komt dan is het tijdstip nabij,
dat Christus weerkeert tot de aarde: Israëls bekeering kondigt
de naderende vestiging aan v. h. Duizendjarig Rijk. Vgl. ook
Kom. XI, 13—16. — Bij het nu volgende gedicht teekent
(vers 22) I). C. zelf aan: Het Heimwee, voor mijne dochters
op muzijk v. Mendelsohn Bartholdy door mij geschreven."
By het Afleggen van Uiterlijken Rouw over Hanna:
1—3: «die vader en moeder nooit anders dan blijdschap was".
Ingewanden = het binnenste, het hart. — 7—8: in \'t ver-
gezicht:
die onafzienbare rijen (vgl. 28); de gezaligden zijn,
-ocr page 74-
60
in de Openb. v. Johannes, in witte kleederen. — 9—10:
H voorhof: het sterven, mijn dierbre!: de teer geliefde v. 1,
de moeder en echtgenoote. Aanbiddend: nl. Gods goedheid
en genade. — 11 —12: honigzeem: zoetheid; de vreugd =
de Hèmelsche Vreugde. — 17, 19: de zinnen ra. Zoo en
conjunctief zijn «toegevend". — 20: de herinneringen a. al
wat zij in haar en met h. genoten hebben. Nu lette men
op dien innig-schoonen overgang tot 21 en vervolgens. Weder-
om is het de Stern, het geluid (21), dat voor D. C. de ziel
vertolkt. Het Daarheen is het gedicht Heimwee hiervoor. —
24: hooger: veiliger, ver v. cl. aarde, dichter, ja dicht bij
God. — 25—28: Voor d. Christen heeft de prikkel des
Doods zijn scherpte verloren: hoe zonden wij dan eeuwig kunnen
rouwen: Wij gaan tut haar, of zij komt weder tot ons. on-
telbre:
vgl. Openb. VII, 9. ü. C. denkt hier a. de weder-
komst v. Chr. met zijne Heiligen. Vgl. b.v. Matth. XXIV, 30—32.
Hagar: God had aan Abraham voorzegd, dat hij de stam-
vader v. volken zou worden, zoo talrijk als de sterren des
hemels en het zand der zee. Maar hij en Sara bleven kinder-
loos. In haar bezorgdheid gaf hem Sara toen haar dienst-
maagd Hagar, een Egyptische, tot vrouw. Die Hagar werd
moeder. Nu werd de ijverzucht bij Sara wakker. Zij kon de
dienstmeid, die m. minachtende oogen op haar neer durfde
kijken, niet langer uitstaan. En Abraham vond het goed, dat
zij Hagar wegjoeg.
Hagar vluchtte de woestijn in, — om straks terug te keeren.
Zij mag niet ondergaan, want het kind dat ze bij zich draagt
is een zoon v. Abraham. Wel zal hem straks nog een ander
worden geboren, een Izak, iiit Sarazelve, maar ook op Isinaël,
Hagars zoon, rusten Gods Beloften: ook uit dien zullen volken
voortkomen en koningen.
Als nu Ismaèl veertien jaar is geworden, komt Izak, en dan
ontbrandt de oude ijverzucht, weer, en ook Ismaèl haat den
jonggeborene. Wederom moeten zij heengaan. Maar Ismaèl
is nu een opwassend held, en de woestijn wordt het tooneel v.
zijn daden.
Gods Beloften gaan in vervulling. De zoon v. de slavin wordt
de Vader der Ismaëlieten, der Arabieren, en men kan v. hem niét
spreken, of het eindeloos perspectief v. Arabiës grootheid ont-
rolt zich: aan \'t begin v. die koninklijke heirbaan die de Ara-
bieren zich midden door de volkeren slaan, staat Ismaèl, en
achter hem zijn uitgeworpen moeder: Hager.
-ocr page 75-
61
De inhoud v. Genesis XVI, en vervolgens, had zich voor
een idyllisch Episch Verhaal geleend, üe uitgever Kruaeman
noodigde D. C. iiit tot een Hagar-gedicht; hij wou zulke ge-
dichten bij een verzameling Engelsche gravures (aan d\' orde v.
d. dag toen), die Bijbelsche Vrouwen voorstelden, en onder
dien titel zou dat gezamenlijk als een Dichterlijk Album uit-
komen *). De plaat die D. C. voor zich kreeg, was öök nog
al idyllisch: \'t stelde een schoone jonge vrouw voor, tegen een
schaarsbegroeiden wal geleund, met «at woestijn tot achter-
grond; iu \'t gebaar v. \'t zijwaarts buigend hoofd en de langs
het lijf gestrekte armen, met de handen zijwaarts-af wijzend,
in h. gehèèle gelaat, i. h. mooie, gloedvolle oog vooral, ligt
dit: "Mij rest niets meer; ze hebben mij uitgeworpen, waar
zal ik heengaan". Om deze voorstelling nu heeft de dichter
zich niet bekommerd. Bij hem zien we Hagar vermoeid voort-
hijgen, m. voorovergebogen lijf, geheel af van haar tocht; ook
is er op de plaat geen waterfiesch (vs. 27) of iets anders dat
a. h. bijzouderen toestand doet denken. Hij heeft zich ook niét
tot de schildering v. belangwekkende idyllische tafereelen laten
verlokken. Hèm inspireerde het, dat die vrouw "de Moeder
lsmaëls",
de v. God gezegende stammoeder v. dat groote Ara-
bieren-volk was geweest. Hij scriildert ons de Arabische woestijn
met haar verschrikkingen. En dan de ellendige i. h. verlaten-
heid. Maar daar wordt zij hem tot een wonder van Gods Trouw.
Daar verandert het tooneel. De woestijn bevolkt zich. De-
honderden worden tot duizenden. Duizenden voegen zich bij
duizenden. Een wereld-godsdienst wordt uit dit volk geboren!
Tienduizenden trekken op en verspreiden zich, al vermeerde-
rend, over de aarde, oin rijken te vernietigen en nieuwe
te doeu verrijzen. Het oog v. d. dichter volgt hen en vliegt
de eeuwen door. En telkens weer denkt hij terug a. die
verstootene moeder, de slavin die vorstin was: «De Moeder
lsmaëls!"
De geheele geschiedenis doemt op voor zijn geest:
tafereel na tafereel. Daar gaat het Ismaëlieten-volk deel
nemen i. d. Arbeid des V redes. Het heeft een wereldrijk ge-
sticht; het zal ook een wereld v. wetenschap en kunst ver-
overen. In een breed perspectief laat ü. C. zijn visioen zich
voor ons uitbreiden en uitstrekken, tot op de Nieuwere Tijden
toe, neen verder, al verder in een weinelend verschiet, tot d.
eindpaal v. alle geschiedenis, want voor D. C. is de Geschie-
denis geen raadsel. Die Hagar in de woestijn is een symbool
*) Bijbelsche Vrouwen. Dichterlijk Album. Bi} A. C. Kruaeman te
Haarlem, 1848.
-ocr page 76-
62
voor hem. Gelijk zij zelve eenmaal is weergekeerd tot de tent
v. Abraham, zoo zal heel Ismaël eens weerkeeren t. dien Vader
v. alle Geloovigen: immers Ismaël zal aan \'t eiude der dagen m.
alle volkeren t. Christus komen, en Christus is uit Abraham.
Gods Belofte zal dan in algeheele vervulling gaan. Ismaël zal
genade vinden in Zijn oogen en leven voor eeuwig\' Ook dat
aanschouwt de dichter, en wederom rust ziju oog op de Ver-
latene in de steenwoestijn, die zich voor God vernederen gaat:
Ja waarlijk, God is getrouw!
Om een volledig overzicht te verkrijgen, onderscheiden we
in dit geheel de navolgende deelen: I. Inleiding: de woestijn;
de uitgedrevene Hagar (1—20—3S) Gods Belofte en Terug-
keer; — II. Moeder en zoo» andermaal uitgedreven (39—57); —
III. De Arabier met kemel en ros: Ismaël een stam ge-
worden (58—74—90—104); — IV. De Arabieren treden op
in de Geschiedenis (105—151); — V. Mohammed (152—200); —
VI. De bloeitijd der Arabieren in \'t Westen en Oosten
(201—->37); — VII. De botsing m. het Christendom; de
Kruistochten en de Hervorming (238—288); kwijuing en
ondergang; — VIII. De toekomst v. Ismaëls volk: alle volken
naderen tot Christus (289 — 325); — IX. Laatste blik op Hagar.
1—20. In 1—2 is wonderen het subject v. vereeuwigen
en grond h. object v. dit werkwoord: Gij zaagt hoe die won-
deren den grond vereeuwigden. -^ Over de constructie met
laat derven zie Taal en Letteren 1892, pag. 200. — 7: de
stormwind: de Samoem. Het beeld in 7—8 doet aan vreese-
lijke worstelingen en geweldige krachten denken: de storm is
hier als een geboeide reus (vgl. 11). — 10: wervelen is
draaien, ronddraaien. Let op liet reflexivum! — Lees 8—11
alsof achter zal zijn! een komma stoud. — 13: "grammaticaal"
behoort dit zulke te zijn. — Van land veroveraren is bepaling bij
scharen: deze scheiding v. de genitief bepaling van \'t bepaalde
woord hoort tot de kenmerken v. D. Cs dictie. — 15:
de Israëlieten trokken na hun uittocht uit Egypte 40 jaren in
de woestijn rond; «de veertig jaren" (17) nl. de welbekende
veertig: vandaar \'t bep. lidw.; teekenen: wonderdoden Gods,
als bewijzen (teekens) van Zijn trouw en mogendheid; het
erfland (16) is Kanaiin (Palestina), dot God reeds aan Abrah.
als een erfelijke (vaste) bezitting v. zijn nakomelingen had
toegezegd: het -Beloofde Land". — 17: twintig eeuwen:
het rondtrekken door de woestijn gerekend op 1400 v.
Chr., komt men op ± 600 n. Chr. toen Mohammeds op-
-ocr page 77-
63
volger, de eerste Khalif, Aboe Bekr, d. Islam begon Ie ver-
breiden. — Saracenen: de naam die den Arabieren (later ook
de Mohammedaaiische Turken) in Europa gegeven werd). —
19: half gekend: er lag waarheid in Mohammeds Godsdienst:
«Er is maar één God.\'; maar de volle waarheid was het niet.—
20: «en een keer te brengen": in deze twee regels is samen-
trekking.
2]—39. In 27 maakt het «kloppen" hnar stootenden gang
aanschouwlijk. — 28: klemmend: vgl. "klemmende angst" bij
onze dichters: «nijpend". Weegt: wegen is hier «zijn zwaarte
doen gevoelen": vgl. «zwaar woog de koningskroon bem op het
hoofd"; deze beteekenis brengt mede, dat het vi.w. dan meest
m. d. «datief" van den persoon staat. — 30: naast Sara: de
beteekenis v. dat roem dragen komt in «naast Sara" uit: zij
stelde zich i. dat roemen als met de meesteres gelijk. — 31:
Yerwatene: I). C., die nog al eens een archaïsme heeft, ge-
bruikt verwaten hier merkbaar in zijn oorspronkelijke beteekenis:
\'.uitgebannene", «verstootene", «smadelijk verworpene". Het is
bet verl. dtelw. v. verwaten, verwiet: uit de gemeenschap der
kerk stooten, excommunioeeren. Bij de nu volgende regels
denke men aan Genes. XVI, 7—14: de vertroosting en het
gebed des Engels roept V. C. haar i. d. geest toe. — Het
land van Charn is Egypte; Hagar was een Egyptische. De
eikeniosschen van Mamre worden Gen. XIII, 18 genoemd:
Abr. woonde daar toenmaals. — 35—36: let op de tegenstelling.
Belofte: een woord v. groote beteekenis vooral in het O. T.
en nog in h. werkdadig Orthodox Christelijk geloofsleven: het
behoort t. d. vaste terminologie v. h. Joodsch-Christelijk Geloof;
zie het Doopfnrmnlier der Hervormden, achter het kerkboek.
Onder de Beloften verstaat de geloovige al wat God a. zijn
volk heeft toegezegd als bewijzen van z onveranderlijke liefde
en trouw: de eerste belofte vindt men Gen III, 15; aan
Abraham vielen (en in hem a. Abrahams kinderen in het Geloof,
d. z. allen die van Christus zijn) de heerlijkste beloften ten
deel. Het geheele O. T. door openbaart Jehova zich in be-
loften, zoo in Gen. XII, 2, 3, 7; XVII, 4—9; Exodus XXIX,
43—46 etc. De geloovigen worden wel »Kinderen der Belofte"
genoemd; vgl. het Doopformulier. Van deze dingen althans
iets te weten is voor \'t verstaan v. 11. C. noodzakelijk. —
36: de heup was bij de Israëlieten de zetel der mannelijke kracht
(teelvermogen); vgl. Gen XLVI, 26; Exod. 1,5; Richteren
VIII, 30. Onze dichters namen de uitdrukking over; zoo
noemt Bilderdijk zijn kinderen: Spruitjens van (sijn) heup. —
Is koning: ui. als patriarchen der volken en als stamvaders
-ocr page 78-
64
der vorsten, die, naar de belofte, uit Abr. zonden voortkomen;
vgl. ook Gen. XVII, 6, 20.
39—57. Vgl. Gen. XVII, 15—22; XVIII, 1—16; XXI,
1—22. — Uit eerste De moeder Ismaëls is in een toon v.
meewarigheid. — 40—42 Bijzonder gebruik van staan bij
1). C., dat ook voorkomt in Uitboezeming (Kompl. W. 43S),
vs. 8 (zie T. en L. IV); vergelijk vooral. De juiste opvatting is wel:
»Maar Sara staat daar, op Gods gezetten stond, als demoeder
v. b. zaad, waaruit de Messias eens zal geboren worden. Men moet
indachtig zijn, hoe de belofte aan Abraham zoo lang onvervuld
blijft, dat er, naar menschen berekening, v. vervulling geen
sprake meer ziju kan. De aartsvader is straks honderd jaar,
Sara zal haar negentigste voltooien; beide hebben ze gelachen
om het denkbeeld v. vader- en moederschap. En evenwel —
God heeft het uur vastgesteld, dat Sara daar staan zal en ge-
zien worden als een teekeu van ziju getrouwheid en macht.
Maar S. mede staat is: S. mede wordt gezien: staat voor het
oog v. Abraham en de menschen, staat daar op eenmaal voor
zich-zelve als de moeder v. een grooten zoon, daar, nl. op
Gods gezetten stond. — Menschelijk is »op mensohelijke wijze." —
De Zoon: staat gespatieerd = die èènige Zoon, Gods Zoon.—
44: de aartsvaderlijke knion: de adjectieven op -lijk komen,
vooral in XVII15 eeuwsch, voor met de beteekenis v. d. genitief v.
\'t grondwoord : »de moederlijke schim" (Palamedes): nog «de
stedelijke inkomsten", »het Koninklijk paleis." Maar «een
koninklijk paleis" kan iets anders beteekenen: ■als v. een
koning." Aartsvaderlijke knién nu is als genitief bedoeld,
maar ongetwijfeld hebben we hier tevens te denken a. al het
liefelijke in d. vadernaam: We hebben namelijk met nog
een derde schakeering in de beteekenis der adjcctiva op -lijk
te rekenen, en deze staat tussehen de beide andere in en vormt
d. overgang als \'t ware: Bij een woord als "vaderlijk", -/godde-
lijk" kan men, behalve enkel op aanhoorigheid (bezit), tevens
op het kenmerkende zien, dat in die aanhoorigheid gelegen is.
Dat we bij «aartsvaderlijk" hier ook moeten denken a. de
vaderlijke liefde is voelbaar in gekoesterd (45). — 47: man
in z. en kr.
= «terwijl hij man i. z. en kr. is" of «hoezeer
hij etc." Hulde brengen is hier het juiste woord, in de oor-
spronkelijke beteekenis: het was de daad v. erkenning v. een
leenheer door d. leenman of vasal. — 48: zijn boog (le vn.):
si. van Ismaël. Treffend drukt deze vergelijking de gezindheid
v. Ismaël uit. Te letten op het aan hoofd- en bijzin gemeen-
schappelijk schiet, en op het meesterlijk vooraanplaatsen s.den
pijl:
hierin zit het effect der vergelijking : daardoor voelen we
-ocr page 79-
65
in 50 dien blik ook als een pijl, de korte woorden -pijl" en
-blik" trekken elkander aan. — 50: er zon ook kunnen staan :
«een blik van wrevel en van spot", maar de voorstelling is dan
niet dezelfde. "De blik v. d. wrevel\'*, met het bepalendlidw. is:
die bekende, d. i. die eigenaardige blik: door dien blik aldus
meer onderscheiden (bepaald) voor te stellen, wordt tegelijker-
tijd de gemoedsaandoening voorgesteld als zich eigenaardig v.
andere aandoeningen onderscheidende: dit gaat samen en vandaar
ook des wrevels. Het bepaalde den bl. des wr. zégt: men be-
hoeft niet te twijfelen, wat daar is in zijn oog; het is die bekende
blik v. den wrevel, lsmaël is verontwaardigd. (49), daar hij zich
naar achter geschoven gevoelt; die verontwaardiging wordt gram-
storigheid of wrevel; en hij wreekt zich in spot (50) over de
oude Sara die nog moeder wordt, en over den honderdjarigen
Abraham met zijn schootkind. — 51—52: vgl. vers 29—30,
de zonde v. Hagar. — slaat een versche wonde-, het juiste
woord: vgl. 48—49: die pijl trof haar in \'t hart. — 53: zie
Gen. XXI, 12. «Iemand handhaven" heeft gewoonlijk nog een
bepaling met in bij zich («iemand in z. recht handhaven").
Maar de nadere bepaling blijft ook wel weg. Het is dan
«iemand steunen en staande houden", «in \'t gelijk stellen",
«beslissen in \'t voordeel v.". — Het Neen! wil zeggen: «Neen,
ook de Heer duldt het niet." — 54—57: Hagar is Vorstin
als de eerste v. d. volken en koningen, die uit haar voort-
komen. — In d. zin noch binnen haar plooien etc. hoort het
onderw. en gezegde v. d. voorafgeganeu; haar plooien: ui. de
plooien v. de tentgordijn; deze twee: die twee zonen. — tent-
gordijn
staat voor tent. — 57: Vgl. Gen. XVI, 12, waar
lsmaël «een woudezel v. een mensch" heet: «zijn hand zal
tegen allen zijn, en de hand v. allen tegen hem." Voor «woud-
ezel" zegt 1). C. wondstier; het is namelijk niet geheel zeker
wat dier er met \'t Hebreeuwsche woord dat er staat, bedoeld
wordt; in \'t O. T. komt \'et mèèr voor. Blijkbaar was \'t een
mooi, sterk en snel dier. Gelijk woudstier tegenover held,
staat nu lam tegenover herder. Izak werd een herdersvorst.
1). C. denkt hem zich als een zachtmoedig man: vgl. Gen. XXVI,
17—23. — Opmerkelijk is de symmetrische rangschikking der
deelen in 54—56: in den eersten zin gaat het voorwerp aan
het gezegde vooraf, i. d. tweeden (noch \\jedoogt zij\'] binnen
haar plooien deze twee)
volgt het voorwerp: juist door deze
schikking komen die voorwerpen (Sara en Hagar, Izak en
lsmaël) krachtig naar voren. Iets dergelijks is er in de rang-
schikking der bijstellingen in 57: ab-ba. — Omtrent de tent-
gordijn
merken we op, dat \'de gordijn", door «het gordijn"
Da Costa , Poësie.
                                                                 5
-ocr page 80-
66
steeds meer verdrongen, daardoor, als min alledailgsch, een
lievelingsvorm v. dichters en redenaars is geworden. Het is
een kenmerk v. de taal der Woordkunst, dat zij veel oudere
vormen heeft: die zijn ongemeen: zoo de ure, den oogenblik,
de getuigenis.
Op deze eigenaardigheid, die b.v. ook uitkomt
in de keus v. d. meervoudsuitgang -e» voor -s, lette men steeds.
58—74. Omtrent de bedoeling v. h. telkenmale herhaalde
De Moeder lsmaëls, zie pag. 61. — 60: Men lette op het
voor aan den regel geïsoleerde, en daardoor naar voren komende:
Ook zyt Door zulk isoleeren laat I). C. vaak meesterlijk voor-
uit komen waar \'t op aankomt. — 60—63: het geloof a d.
samenhang tussohen d. loop en de standen der sterren en den
levensloop der mcnschen is ook bij de Israëlieten oud. I). C.
schrijft het blijkbaar a. H.igar toe en is daarbij misschien ge-
dachtig, dat Hagar een Egyptische wordt srenoemd en Egypte
gehouden werd voor het moederland der astrologische weten-
schap. Verwarrend noemt hij die wolken, die hun gelukster
a. hun oog ontlrokken, daar het Hagar deed twijfelen a. de
profetieën, die haar gegeven waren.— Wanneer is = »toen".—
Eenzaamheid: hier concreet; in deze drie woorden {de dorst der
schroeiende eenzaamheid)
is de woestijn uitmuntend geteckend.—
64 : spreekt: de dichter laat het verleden feit eensklaps tegenwoordig
worden, opdat wc de woorden des Engels nu als zelf honren. Ver-
geleken met \'t geen de Engel in \'t Bijbelverhaal zegt, is het
duidelijk, dat de dichter de breede omschrijving, 65—74, ook
hier niet i. d. mond v. d. Engel legt, maar daarin diens woorden
zelf herdenkt; net als in 32—33. — 65: klemtoon op zult. In
"Gij die uil A. zijt" ligt het argument voor Gij zult niet sterven:
want, Gij zijt Abrahams bloed, een zoon der Belofte. —
66—67: men lette op het verband dezer twee zinnen, hoe de
tegenstelling daarin is uitgedrukt. Bij het lezen van De
Woestijn heeft zich een oogenblik uw graf gewaand, te zijn
moet de stem aldoor krachtig rijzen en de woorden moeten al
sneller op elkaar volgen; het wordt bijna een rhetorische vraag
en zinnen als deze zijn dat soms geheel en ze hèhben dan ook
een vraagtèèkeu. |Jan, bij d. tweeden zin, daalt de stem: de
tegenstelling uit zich i. d. toon: tegenover d. nadruk en de
raschheid v. d. eersten komt het kalme, gelijkmatige, vaste
rhythmus v. dezen; klemtoon op gtoriën getuigen. De tegen-
stelling uit zich verder in dat replicecren met hetzelfde begin-
woord en in het nadrukkelijke die: die woestenij d. i. die
zelfde w.
Het is dus ongeveer met deze zinnen , als m. twee
meuschen, waarvan de een, i. h. bewustzijn v. zijn meerdere
kracht, de ingebeelde meerderheid v. d. anderen met zijn tar-
-ocr page 81-
07
tende, kracht-sparende kalmte als verplettert; i. h. dagelijksch
leven hoort men in <le spreektaal dezelfde manier v. repliceeren;
het eenig onderscheid is, dat de dichter niet tot de woestijn-,
zelve spreekt. Let ook op \'t vooraanplaatsen van Voor u in
68. — 67: glorièn: het woord betcekent hier, als niet zelden,
oorlogsroem, met bijgedachte a. d. verschillende gelegenheden
van behaalden roem (vandaar \'t meerv.V Getuigen m. d. voor-
werpsaccusatief = •«verkondigen"; ook getuigen van = "ge-
tuigenis afleggen v.", dus minder sterk. — 68—71: "Overal
zullen ze uw meerderheid erkennen": meerderheid in al wat
woestijnvolken goed en voortreffelijk achten (68—69 is zeer
karakteristiek). »En al de edele eigenschappen, waarmee Gij
uit Abraham en uwe moeder begiftigd zijt, zullen de erfeuis
zijn v. uwe nakomelingen: Gij zult in hen blijven leven: want
uw nakomeling zal zwerven als Gij, Uw leven zal hij voort-
zetten en — zijn bloed zal hij kennen (d. i.) hij weet wat hij
zijn edele afkomst schuldig is, hij is te fier en te vrij om zich
met minder qnaliteit v Hoed te vermengen : zoo znl de onver-
basterde
Arabier, de zuivere Ismcëliet het beeld v. z. stam-
vader zijn en blijven, gelijk hij zijn naam in eere zal houden."
Het is hekend hoe de echte Arabieren zich kenmerken door
bijzonderen familietrots; I). C. zelf had dal ook. — Gelijk vrij
en fier
(69—70) aan Magars fierheid (24) en Ismaëls zelfgevoel
(47) herinnert, zoo 68—69 aan de vergelijking in 48; zie
Gen. XXI, 20. — 71—74: Zijn (des Arabiers) hand is tegen
allen:
vgl. Gen. XVI, 12. Deze trek is dns weer op den
Arabier overgebracht, en in 72—74 is dat «de hand v. allen
tegen hem" (XVI, 12) omschreven.— «Gèèn menschelijk \\>oni-
genoot": «het dier slechts"; klemtoon op geen en op dier (niet
klemtoon op dienst; in zijn dienst toch is een attributieve be-
paling bij dier, hoort daar onmiddellijk bij: het dier-in-zijn-
dienst). — geen-os etc.: de echte Arabieren zijn noch land-
bouweud, noch jachtvolk en leiden een zwervend leven; in
overeenstemming met het voorafgaande leggen wij den klem-
toon op géén, géén en kèmel en ros, liever dan op os, jacht,
huis.
— te beurt vallen: daar ons dit als eeu gemis moet
voorkomeu; het werkwoord wordt meest gebruikt v. het goede
dat ons v. hooger hand wordt toebeschikt. 72—74 moeten
nu aldus verstaan worden: Daar is gèèn menschelijk bondge-
noot, die hem te beurt zal vallen, het dier-in-zijn-dienst slechts
is zijn bondgenoot, doch gèèn kontertr. os, gèèn jachthond of
huishond, maar zijn kèmel en zijn ros.
75—90. «Schip der W." noemen de Arabieren zelf d. ka-
meel. — Rtjk en keur (76) staan tot elkaar in betrekking. —
5*
-ocr page 82-
68
83 te vrede: de k. is goedig en lijdzaam van aard. Ti vrede is de
oorspronkelijke bijw. uitdrukking, uit welker bijvorm te vreden
.(met een in de oudere taal in bijw. uitdrukkingen met een voor-
zetsel zeer gewone n: eerst bij zwak verbogen woorden) het adject.
tevreden ontstond; te = »in". — 84 : vaart heeft, ook bij IJ. C.
anders het adject. zonder n; hier geeft hij het een n (d. i. hij ge-
bruikt het woord zoogenaamd «manlijk"); daarmee brengt hij de
eerste helft v. \'t vers iu overeenstemming met de tweede en
zoo komt, met die slepende n\\, de gelijkmatige gang v. h.
dier ook in de woorden. Over het woordgeslacht bij 1). C.
zie Taal en Letteren III mijn critiek van Schelts van
Kloosterhuis z\'n Da Costa-tekst 37—41. Trede kan datief v.
tred zijn; maar \'t is zeer goed mogelijk, dat de dichter aan
\'t anders vrouwelijke trede gedacht heeft; met voordacht bracht
hij dan, om der wille v. \'t effect (zie boven) de béide «\'s in
\'t vers. Zie T. en L. IV over deze plaats. — 85 : kloknaald
ss de slinger (Beets meent: de wijzer; vgl. Fr. aiguille). —
zich versneUe: vgl. b. v. 10, 51; niet «worde versneld", «wordt
herhaald", want het gaat onwillekeurig, als vanzelf; vgl. «het
kwaad straft zich-zelf\' m. «het kw. wordt gestraft", «de deur
opende zich" mei «de d. werd geopend". ■— ook hij: even
goed als de menschen. — 87: niet altijd eentoonig slaat op
dat zich versnellen = «die toch niet altijd eentonig is";
waarom gewaagt I). C. nu juist v. d. lofzang v. d. p.? —
SS—90: dat hij aan \'t eind v. d. tocht die \'t geduld zoo op
de proef stelt, in zijn verbeelding Jeruzalem ziet verrijzen,
dat verklaart des pelgrims gemoedsstemming, en die uit zich
in een lofzang. (Jok de Arabieren houden Jeruzalem heilig.
91—104. De «Idumeesche lijder" is Job, een Edomiet
(Edom of Idumea, zuidelijk v. Palestina, deel v. Petraeïsch
Arabii). De beschrijving v. \'t paard, Job XXXIX, %%—29.
Sprev.k: alles wat in de Ilebreeuwsche poëzie didactisch (leerend),
gnomisch (spreukmntig), of ook wel beschrijvend, is, heet maschal:
hier en daar nu wordt dat in onze vertaling van het O. T. met
Spreuk weergegeven. Dat Spreuk staat o. a. ook Job XXVII, 1.
1). C. neemt het hier voor «dichterlijke beschrijving". — Ter eer
zijns Gods:
in \'t boek Job is die schildering om Gods Majesteit te
prijzen. Hier is ze de illustratie van 91: Job de Idumeeër zingt
natuurlijk v. \'t paard van Arabii. — 96: een echt Oostersche
vergelijking. Bij hoort ook tot de pijlen en het zwaard. —
100: verslinden: vgl. de uitdr. «afstanden verslinden": het
doorvliegt het slagveld : de ruimte verdwijnt als achter hem. —
Waartoe de laatste regel? vgl. 101. — Of IJ. C. \'t zou toe-
geven dat, zooals vaak gezegd is, ros en kemel hier eigenlijk
-ocr page 83-
09
buiten het gedicht staan, er niet in hooreu? Ts het niet de
Arabier in vrede en in oorlog? En is niet dit strijdros ver-
aauschouwlijkt — de krijgvoerende Arabier zélve? Is deze
schildering dan niet een meesterlijk geziene overgang tot het
volgende nedeelte, en dit niet alleen, maar ook, daar het de
poëzie v. d. oorlog
zoo levendig in ons opwekt, — tot het mee-
maken van die snelle wereldtochten op de ruggen dier paarden ,
de ware voorbereiding?
105—152. Die schoot: zie 14. Misschien heeft I). C. metèèn
nog het oog op de zwangere Hngar, tot wie hij pas den blik weer
wendde. Een sterk kind, als een ïsinaël, laat voelen dat het
er is. Goot uit in 110 is öök een baren. 108—109: Den
Islam te verbreiden was een hoofdplicht der Mohammedanen en
die i. d. Heiligen Oorlog viel verwierf zich het Paradijs. —
Een lust aan \'t gevaar en aan sterven die als uit waanzin voort-
kwam : het denkbeeld v. d. Paradijs, waarin d. Muzelman de
hoogste zaligheid beloofd was, werd idéé fixe. — Uitdagen en
verspreiden:
zij zoeken en brengen den dood. — 110—11 5 : een
zoogenaamde Homerische Vergelijking, die b. d. Homerus-minnaaT
en Homerns-kenner D. C. niet zeldzaam is. Kenmerkend zijn
in Ilias en Odyssee die breed-, tot gelijkenissen, uitgewerkte
vergelijkingen. Ze beginnen vaak met een "Zooals, gelijk", maar
dun blijft de dichter bij z. beeld verwijlen, hij maakt het tafe-
reel los v. \'t vergelijkend voegwoord eu zet het in zelfstandige
zinnen voort. Zoo ook I). C. hier, want 115—11(> behoören
tot de vergelijking. In \'t algemeen spreekt, men van Hom.
Vergel., als de breede Epische stijl (en lï. C. vis episch in zijn
grootere dichtwerken!) het aanschouwelijk beeld als element in
zich opneemt, \'t Zelfde vindt men in het heldendicht (Epos)
v. Vergilius (de Aeneis), en Seneca nam het uitgewerkte beeld
in zijn tragedie op. Door invloed van deze beiden kwam het in
onze XVIIe eeuwsche tragedie: Vondel (Palamedes, Lucifer
b.v.). *) — Let op goot uit: dit juist riep het beeld in
\'s dichters verbeelding op. — zijn bed als opheft: zulk een
geweldig sterk rijzen v. \'t water, dat het dien indruk maakt;
aanschouwelijk is ook \'t volgende, door de tegenstelling v.
diep/en en hoogten. Voor \'t gebruik v. als vgl. SO, 63, —
zoo in 113 = «zooals". — 115: ■iwtirstaat"\' \'t juiste woord
bij hoogte; -vieèrhoudt bij glooijing. Hoogte slaat op bergen 112,
glooijing op dijken 113—116: merk op hoe de dichter in
dézen regel, meteen in den volgenddi overgaande tot de zaak,
*) Verkeerd is liet dat de term il. V. zou beteekenen een grooUche,
verheven
vergelijking.
-ocr page 84-
70
als \'t ware beeld en zaak laat ineenvloeien. Aanloop is «aanval",
«storm". — 118: men ziet niet, dat hun getal vermindert.
Let o|> \'t verschil van «tijden": zij vielen, maar zij zijn er
nog. — 120: Vgl. de aant. bij 110 Het beeld harmonieert
m. h. voorafgegane in 110—116 en is op zich-zelf indrukwek-
kend juist. — 123—126, 130, 131—141, 148—150: De
wonderbare zeggingskracht in 105—152 openbaart zich vooral
iu deze snelle reeks van Imperatieven. De Imperatief onder-
stelt tegenwoordigheid. In de voorafgaande schildering hebben
we die ontzaglijke legerstroómeu reeds als op korten afstand
gadegeslagen; thans trekken we mede, we zijn als midden in
die tijden, midden in de gebeurtenissen verplaatst. De Impera-
tief is hier het woord van de macht die niemand weerstaan
kan, het gezag waaraan slechts te gehoorzamen valt: die
Imperatief is de alom zegevierende Arabier zelve, en in zijn
snelle opeenvolging, gevoelen we die geheele wereld als in een
spanne tijds onderworpen (in nauwelijks honderd jaren hadden
de Arabieren eeu rijk grooter dan ooit het Roineiusche geweest
is). De dichter dompelt zich in die warreling, hij leefl alles
mee, eu als eindelijk de Westersehe Cliri-teulieid bedreigd
wordt, dan mengt hij zich, met zijn woord, i. d. strijd en roept
de natuurkrachten v. het Noorden op, roept Karel .Martel wakker
om deu stroom uu te keeren. Dut D. C. als onmiddellijk tegen-
woordig was, ligt ook in de rhetorische vraag met haar ant-
woord in 12S—130 ^voor de constructie vgl. de Aant. hij
Inleiding tot de Hymne Voorzienigheid); ook dezen 135 moet
in dien zin opgevat; eu prachtig komt het uit iu 141—143.
Bewonderenswaardig is iu die regels de rassche voortgang v.
d. Islam veniauschomvlijkt: let op het parallelisme in 141:
vau Afrika gaat het in èènen door uaar Europa en daar is
het: «ik kwam, ik zag, ik overwon": Calpes rotsen zijn be-
klommen
èn — overhèèrd ligt Spanje, dièpook-
daar etc. vernèèrd!:
het effect zit iu dat vooiöpkomen
vau overheerd en in het sluiten v. d. zin met vemeerd, dat
evenwel, zoo goed als overheerd, zijn volle kracht krijgt door
\'t vooroptreden van diep; in ligt voelen we hier de eigenlijke
beteekeuis nog. Voor de woordorde v. overheerd — Spanje,
de Chrislennaam-vemeérd
vgl. de aant. bij 5 1—56: door zulk
een omzetting juist komt het eeue en het andere scherp uit.
Eindelijk moet gelet op het isoleeren vau waag (met accent,
en pauze: niet als iu proza doorlezen) 123; Ti lang ie rwj
gezet
(accent op Te eu rug) 130; Maar vurm werd 1VJ4; met
overheerd tegelijk ook Ligt Spanje (daardoor juist ontwaakt in
Ligt de eigenlijke beteekenis); Te rug 149. Ook dit isoleeren
-ocr page 85-
71
v. \'t hoofdwoord kenmerkt 1). C.; daar lette men altijd op;
vgl. de Aant. bij 60. Hoofdaccenten komen nog op: Buig,
waag, al; zink, Onredbaar; Koran, (eenige nadruk op aan-,
niet aanvaard; pauze achter gezet), afgoón. God, moest, leven,
vorm;
\'t overige regelt zich van zelf. Neig, hoofd, boek-,
paleizen, al
(korte pauze); laat varen; slag-, heel, Eurbpe,
mede; eb; neen, nog, wast; op. Noordenwind, drijf, rug;
rijs, rijs, beschermen, verplet, kruis, ontzet. —
125: Jeru-
zalem, de stad v. I). Cs heimwee: dit moet gevoeld worden
in deu toon; de zelfde bij \'t woord verwijlende nadruk op
Stad. en Davids. — Gesteente = steenmassa\'s. — Ut. Ds. is hier
dè naam: Omar, de tweede der Kaliefen ( 641\') stichtte een
heerlijke moskee op de plaats waar in Jeruzalems bloeitijd
David en Salomo den later verwoesten Tempel hadden gebouwd;
die Omar-Moskee staat er nog. — 12o\' 127: Damascus werd
onder Omar reeds Mohammedaanse!» en was honderd jaar laug
Residentie der Kaliefen; het was een uitgangspunt v. nieuwe
veroveringen. Ook zinspeelt de dichter er op, dat L). in de
middeleeuwen de groote fabriekstad der Turksche icapens is ge-
weest (men denke aan: «Damascener klingen" «damasceeren").
Tot die Oosterchristenheid (de z. g. Grieksche kerk) behoor-
den, behalve Syrië en Palestina, ook Egypte, Klein-Azië en
het Balkan-Schiereiland en meer. In die Gr. kerk nu is de
beeldeudienst (vs. 128, 132) al voor de 4e eeuw ontstaan (ver-
schillende sekten keudeu dat al in de 2e; — in de 8e en 9e
kreeg men er d. bekenden Beeldenstrijd: zie elk geschiedenis-
handboek). !) C , den Israëliet en Protestant, is wel niets
onheiliger. Ook had men i. d. Oostersche Christenheid allerlei
zonderlinge Secten eu Ketterijen (128, 12ü).— Onredbaar (Ml)
in verband met h. vlak voorafgegane = daar Gij toch niet te
redden zijt. Halve waarheid: vgl. Aant. bij 19; Uw afgoón:
uw beelden. Mooi zijn ISO—134 en 124—130 in vers 130
tegenover elkaar gezet in hun hoofdwoordeu : (Het Bijbelwoord) —
te rng gezet: Aanvaard, den Koran! Iu zulk ziubouweii
is 1). C. een meester; daar lette nieu op. De zin v. 130—134
is: Met uw Christendom is het nu gedaan: Gij wordt Moham-
medanen: dat is uw onafwendbaar noodlot. — In 130—131
blijkt dat de d iu thands vroeger geen uitspraak, maar spelling
was ; maar elders laat D. C. die oude uitspraak met d weer in
\'t rijm terugkomen. Vgl. God met Ons, vers 2(i—28. Voor de
woordorde in waar Christendom — — geen zijn vgl. aant. bij
142—143 hiervoor. -— 134—138 Egypte: van 123—138 is 1). 0.
met die ineenstortende Oosterchristeuheid bezig.— De «Hyksos"
die 2000 Egypte overheerd moeten hebben, wareu öök een
-ocr page 86-
72
Nomadenvolk — Onder denzelfden Kalief Omar werd Alexandrië
in 041 veroverd; naar oude (in onzen tijd v. onwaarde ge-
bleken) verhalen, zonden de kostbare Alexaudrijusehe Bibliotheken
(onder de Piolomaeën was A. het middelpunt der Grieksche
wetenschap geworden!) daarbij vernietigd zijn. De beroemdste
dier Bibliotheken had men i. h. Museum (de aan \'t Koninklijk
paleis verbonden Muzenttmpe}) en het Serapaeum (tempel v.
Serapis): dat zijn die paleizen. Tresoor is schat en schat-
kamer. — 138—141. Numidiërs: een in de Oudheid ver-
maard krijgshaftig (daarom Iaat varen etc.) volk, ongeveer waar
nu Algerije is. — Carlhagers en Vandalen, die beide om dezen
tijd ( 700) hun rol lang hadden uitgespeeld, waren ook geen
onderscheiden volken meer; de Gennaunsche Vandalen hadden
zich in andere Noord-Afrik. stammen opgelost: van daar dat
of. — 141—145. Calpe, ook Gibel-al-Tarik, is Gibraltar, waar
de Arabieren in 711 uit Afrika landden om Spanje biuuen te
stroomen, dat toen ecu West-Gotisch Christen-rijk was. —
D. C. is, blijkens "eb" en «vloed", in de voorstelling die zich
v. hem heeft meester gemaakt, gebleven: vgl. IOC—HG; het
is niet maar een beeldspraakje geweest om het nu eens mooi te
maken, maar hij ziet die Arabieren in hun veroveringen als een
stormvloed voor zijn oogeri. Voor den vorm eb (naast ebbe)
komt bij 1). C. meermalen den. — 146—151. De zin v.
146 — 147 is: Gieren gaan op breeden vleugelslag daarover:
zö6 ook de Arabieren, die a/s gieren zijn; gèèn klemtoon op
gieren. In 732 en 736 werden groote Arabieren-legers aan
deze zijde der Pyreneeën door Knrel Martel (d. i. Hamer) ver-
nietigd en teruggedreven: dat was het Tot /liertoe en niet
verder.
— Niet minder mooi als \'t beeld der hagelsteenen (120),
is hier dat echt-Oostersche der sprinkhaanzwermen, en dit beeld
is het dat deu dichter tot dat oproepen v. d. Noordenwind
brengt. — Met kruis, heel in \'t algemeen zonder lidw., vgl.
waanzin 10S (als eigennaam).
152—200. Der krijgren klingen: de meervoudsvorm met
•en is, als minder algemeen en dus ougemeener, dichterlijk;
vooral past hij in I). Cs breed Episch rhythme; dichterlijk
(als overblijfsel uit ouder taal; dus wederom ongemeen) is ook
\'t vooropgaan v. d. genitief: merk op dat de dichters ook niet
zeggen b. v. der krijgers klingen: \'t cène hoort bij \'t andere.
Ook op dit soort dingen moet men acht geven.— 154. Versta:
«Wie heeft der krijgren klingen geleerd, v. uit hun vesten
de aarde te dwingen"; de aarde is bepal. bij dwingen. —
159: Als gebieder, als machthebbende èn: uit het niet: een
mysterie! — 161: Dichter i. d. hoogen ziu waarin I). C.
-ocr page 87-
73
het woord neemt: Goclstolk en Profeet. IVaarheid in 168 is
de waarheid v. onze dagelijksche ervaring en het gewone weten
de "kennis", niet de hoogere Waarheid. — 160. Issa is Jezus,
bij de Mohammedanen als een groot profeet geëerd. In \'tge-
iceten:
d. i. hij gevoelt voor Issa een eerbied dien hij niet zou
kunnen onderdrukken: die uit een innig besef voortkomt. —
172: Vgl Joh. XIV, 16: voor dien door Christus toegezegden
Trooster (d. i. Raadsman, Bijstand) hield men Mohammed,
\'t Grieksche woord dat Joh. XIV voor «Trooster" staat, luidt
Parakleet. Lasterlijk = Godsl. — 173: de uwen: naar
\'t voorschrift onzer «Grammatica" is het in een geval als dit
de uwe. — 174—176: Vgl. 19, 181. Logen is bij I). C.
steeds manlijk. Dweepend zingev/ei: vgl. 108; de hoogste
zinnelijke genietingen waren den geloovigen in \'t Paradijs voor-
gespiegeld. De constructie m. d. Infinitief in deze regels is
gewoon in de spreektaal: «Z\'n bedoeling was om mij van de
baan te krijgen en nemen dan zelf de kans waar"; «hij zou
een paar honderd gulden probeeren over te honden en zien
dan naar Indië te komen". — 177: Het zelfst. bezitt. vnw.
uwe (mijne, zijne etc.) komt in de oudere taal genoeg voor
(zie o. a. v. Helten, Vondels Taal I, 128), ook i. d. Staten-
bijbel ("Want alles is uwe", «mijne is de wrake"). Daarnaast
een meer bekende vorm zonder e: «dat boek is mijn", *al
\'t vee is uw" (Vondel). Vgl. D. C. Kompl. II\'. 463: Orle-
ans
, Coupl. III. — 180—182; «(uwe niet alleen was) de
kracht". In de constructie v. 174—175 (die we ous in
ons schrijven als m. d spreektaal in overeenstemming moeten
aanwennen) zou het luiden: «van èène zondedrift te breken en
koesteren en kweekeu de anderen". — Die èène zondedrift is
de onmatigheid (men deuke ook aan \'t wijuverbod); onder die
andere telt D. C. voorzeker den wellust: Moh. behield de poly-
gamie. — 183: Mohammed was uit den stam Koreisch.— 186:
Tegenover sommige tnalpedanten moet nog altijd opgemerkt
dat lichterlaaie (ook lichtelaaié), hoezeer \'t oorspronkelijk was:
in lichter laaie (waarin laaie substantief = «vlam" en lichter
datief na in), nu ook adjectief is geworden: «een lichtelaaié vlam",
«de lichtelaaié vlammen", «in lichtelaaié vlam". — «Vermo-
gend zijn" =
kunnen, vermogen. — 187—190; nog niet ge-
bluscht:
want de gewelddadige verbreiding v. d. Islam is en
blijft een heilige plicht. — Die Zon is de «Zon der Gerechtig-
heid", Christus, van wien in \'t Paradijs reeds is geprofeteerd
en die sinds de hoop en de kracht der Geloovigen geweest is
(vgl. Gen. III. 14—15). En die Zon stijgt hooger en hooger
in zijne heerlijkheid, tot i. zijn vollen dag alle nacht zal verzwon-
-ocr page 88-
74
den en de machten der duisternis gezwicht zullen zijn. Nacht-.h
de toestand; fakkelglans (1S5: de oorlog;) en dwaallicht (valsch
licht) en lichtflikkering (onzeker licht) is het licht in dien nacht.
De Zon = Christus: daarom hier mannelijk 190. — 193 : Klaar
d. i. helder en vroolijk als de feestbazuin: het Evangeliewoord
(= Blijde boodschap!) is als het bazuingeschal dat de Hooge
dagen der Israëlieten aankondigde. —195: (vergewissen) na».—
197—198: zal wel op Rome zinspelen. — 199: Maar (dat),
enkel —. Enkel waarheid\' etc. is bijstelling bij koninkrijk. —
200: vastigheid: cuncreet. Christus lijden, is de zin, is de
waarborg, dat dat Koninkrijk komen zal.
VI: 201—237. Zal dit gedeelte tot zijn recht komen, en
\'t is met het voorafgaande over Mohammed evenzoo, dan dient
men eigenlijk iets v. die Arabische Beschaving te weten, daar
eenige voorstelling v. te bezitten. Daartoe is aan te bevelen
Carrière, Die Kunst im Zusaminenhang der Culturentwickelung,
III, 1, Das Chrislliche Alterthum tmd der Islam in üichtnng,
Kunst und Wissenschaft,
133—246. Wij blijven ons ook
hier tot korte toelichting bepalen van \'tgeen D. C. aanroert.—
Dat woord zie Gen. XVI, 10, XXI, 13, 18, XVII, 20. —
204; de eerste en de tweede helft v. d. vers zijn niet op gelijke
wijs geconstrueerd en \'t verschil is met de komma achter oor-
deel
(Keen achter heerlijkheén!) aangeduid. Heerlijkheén be-
lbo fd-voor-de-aarde-of de-eeuwigheid
is èèn begrip; beloofd mèt
zijn bepalingen staat als achtergeplaatst adjectief, iets dat wel
een enkelen keer meer bij Hollaiulsche auteurs voorkomt, steeds
met een deelwoord: het zuiver-werkwèórdelijke is dan bij die
auteurs levendig geweest: het zijn een soort "samengetrokken"
zinnen; zoo is het hier weer te geven met: »\'t zij dat heerlijk-
heen door Hem beloofd zijn geworden" en de zin is niet: heer-
lijkheén, die etc.
(maar wèl: oordeel, dat etc). Oordeel:
zonder lidwoord heel in \'t algemeen; tergen: uitlokken. —
205—209: neergelegd: als een negen. Jacob en Edom (ofEzau):
zij verhouden zich ongeveer als Izak en Isrnaël: beide zonen
v. Isak, maar de een, als de uitverkorene, stamvader v. Gods
volk, de Israëlieten, de andere v. de Heidensche Elomieten:
zij staan hier als vertegenwoordigers v. Uitverkorenen en Hei-
denen. Het zij: d. w. z. God vervult zijn beloften zonder
aanzien des persoons: dit uu blijkt op \'t schitterendst in de na-
komelingen v. Hagar: het logisch verband verkrijgen we ook met d.
vraagzin: »Was uiet, o Hagar, aan-uw zonen etc. en zijl) niet
honderd tronen hun ten buit geleverd? Maar welk een kracht
in de zinsverbinJiug van D. C.: let op de komma achter
koningskroonen (gèèn stcmdaling-en-pauze); klemtoon op wen-
-ocr page 89-
75
telden; op honderd. En al wat dan volgt is liet bewijs v. dat
liet zij. Voor de tegenstelling v. honderd tronen, in al die
heerlijkheid
en hinderen der woestijn, zie 15.\'i—158. —
210—213: In deze en de volgende verzen wordt de heerlijkheid
der Arabische bouwkunst bezongen. Met die lustspelouken be-
doelt de dichter de zoogenaamde «Stalactietgewelven", waarvan
men overal waar spraak is v. de Moorsche Architectuur gewag
vindt gemaakt. Voorts denke m. a. d. zin der A. voor kleuren
en voor die figuren, die men nog arabesken noemt. — 214—217 :
te Granada is nog het beroemde Alhainbra. — Zij in 216 is
de Geschiedenis: als de Geschiedenis daarvan begint, klinkt het
als een verdichte fabel. — Morgenlichten (vgl. "-Morgenland"
= het Oosten) aamt: het is alsof de geest v. het Oosten daar
om ons is. — De verbogen vorm ingestorte bij een onz. subst.
zonder bepalend woord is ongewoon. — 218—221: De A.zijn
in verschillende wetenschappen groot geweest en hebben geen
geringen invloed op hun ontwikkeling geoefend. — Die schep-
pingen
zijn de paleizen dier tirannen ; roede is hier = scepter,
maar staat tevens in dien anderen zin, daarom ijzeren. — andre
Muselmannen
= andere Kaliefen, waarvan er in \'t vervolg nog
genoemd worden. — Lees in 220: een scepter die «\'t Recht
ter eer, de Wetenschap ter gunst" gevoerd werd. — 222—227:
Harun al Haschid, de tijdgenoot v. Charlemagne, Karel den
Grooten, als deze een groot bevorderaar v. d. Kunsten des
Vredes; Bagdad, lang de hoofdstad v. h. Oostersch kalifaat,
had onder hein haar hoogsteu bloei. — Ahderaliman II, even
later, de mau, ouder wien het kalifaat van Cordua (dat geheel
Spanje bijna omvatte) met Bagdad in beschaving wedijverde.—
227: Wetenschappen waar de Europi\'csche volken zich sinds
eeuwen al niet meer om bekommerd hadden.
228—235: Averroes: de grootste der Arabische Wijsgeeren
(f 1198), een uitstekend kenner v. Aristoteles en als zoo-
danig vooral, maar ook door eigen philosofie, v. grooten invloed
op het ( hristelijk Europa der Middeleeuwen; ook vermaard
medicus. De Alchemie is het begin v. d. chemie of scheikunde
geweest, \'t Was de kunst om onedele metalen in edele te ver-
anderen; het middel daartoe, dat men eeuwen lang gezocht
heeft, heette «Steen der Wijzen", ook wel het «Levens elixer",
omdat het tevens, als medicament voor alle kwalen en ziekten,
\'s mcuschen leven zon verlengen. Ze was, in Egypte wel be-
gonnen, vooral door Arabische geleerden in de middeleeuweu
een heele wetenschap geworden: en van d. A. nam het overige
Westelijk Europa haar, met d. naam op den koop toe, alweer
over. Ook in wis- en sterreiunde en nog vele andere weten-
-ocr page 90-
76
schappen werden zij de voorgangers en meesters v. d. Wester-
lingen. — Andalnsie: dat gedeelte van Spanje dat ook het
voornaamste van "toude kalifaat uitmaakte; het bevat Spanjes
schoonste streken. — Een dichterlijk volk zijn de A., en dat
inderdaad van ouds, zooals hun poëzie dat getuigt. Hier in 233
is Spanje, Cordua met name; de Arabier in 234 Abderahman;
herschapen etc. is bepaling bij des Arabiers. — Griek als eigen-
naam zonder lidw. 235—237: In I). Cs tijd heerschte
(is \'t nu anders?) nog algemeen het idee dat de middeleeuwen
een tijd v. duisternis waren geweest. — Tot een mooi beeld is
hier die Mohammedaansche Halvemaan geworden. Die wacht
v. sterren die den troon der kaliefen omgeven, zijn die talenten
en genieën die zij om zich verzamelden.
VII: 238—28S. Zooals Sara niet altijd zou achterstaan bij
Hagai (immers i. haar ouderdom nog baarde ze Isak, wiens
naam Vrevgdverwelclcer beteekent), zoo zou ook de Christenheid
eenmaal over den Islam zegevieren: vs. 238—247. In geslachten
= geslachten lang. Voor 243 zie Gen. XXI, 1—7. D. C.
schildert nu, 251—204, de latere middeleeuwen als een begin
v. ontwaken. In de kruistochten werpt het Westen zich op
het Oosten, om den Islam het graf v. Christus en Palestina
te bestrijden. Hoogst karakteristiek voor den Protestantschen
I). C. is hier zijn oordeel. Wat zou het Katholicisme, dat Bijge-
loof
(260) van doode vormen vermoogd hebhen? Den Levenden
Christus kenden zij niet, hadden zij niet, zij gingen twisten
over zijn graf (vgl. in. 201 Lucas XXIV, 1—7!) en waanden
dien Islam te zullen meester worden, dien alleen Gods zuivere
Waarheid kon nederwerpen. Zij faalden, die negen tochten,
als eigeuwillig menschenwerk. Met een enkel woord slechts
(252) gewaagt T). C. van hun beteekenis ten opzichte juist v. d.
morgen die dan eindelijk in \'t herleven der taalkennis en de
uitvinding der boekdrukkunst aanbreekt (2P5—"2C7> en den dag
der Hervorming die er op volgt (268—369). Hoezeer hij een
schemering erkent (248—252), de Middeleeuwen, in hun ge-
heel, zijn en blijven hem nacht. Doch de Hervorming kwam,
Gods zuivere Waarheid openbaarde zich, en..... -Uw tijden
gaau terug, Mohammed! Een teering schijnt uw krachten te
ondermijnen" (270—274). Zoo wil de dichter dan, dat het
teruggaan van d. Islam i. d. Nieuwen Tijd als het wijken van
Hagar voor Sara, van Ismaél voor Izak is: het wijken v. Mo-
hammed voor Christus. Wel is nog Constantinopel, en met
zijn hoofdstad heel het Grieksche Rijk (Byzantium), iu 1453
in de macht der Muzelmannen gevallen, wel dringen ze iu
1529 en 1683 nog tot Weeuen 4e* door, maar in de Negen-
-ocr page 91-
77
tiende Eeuw, terwijl zich de teekenen dat het Einde der Ge-
schiedenis, de Toekomst v. Christus nadert, vermenigvuldigen,
is het snel onderdaan der Halve Maan voor de geheele wereld
zichtbaar geworden. — 254: Te Clermont, op de kerkver-
gadering, gaf Paus Urbanus II den stoot t. d. eersten kruis-
tocht in 1096. -God wil het!" was daar de algemeene kreet
geweest, die belofte en leus v. d. kruisvaarders werd. —
250. Die bondgenoot is de Keizer v. \'t Byzantijnsche Rijk,
Alcxius I Comuenus, op wicus bede om hulp Paus Urbanus
de Wejtersche Christenheid daar te Clermont l. d. kruistocht
bewoog. Maar toen hij zijn hoofdstad Konstantinopel van de
kruisvaarders overstroomd zag (de eerste kruistocht telde 600,000
deelnemersl) en de rust v. zijn landen bedreigd, ontsloeg hij
zich zoo spoedig mogelijk v. hen. — 264: n is Ue nv. —
2G6: mogendheén (v. mogend, Tegenw. Deelw. v. mogen =
kunnen, machtig zijn ; vgl. vermogend v. vermogen): Hebreeuwsch
meervoud v. mogendheid = -macht", meer concreet genomen
als de uitwerkselen, de beschikkingen (Ier Goddelijke Almacht.—
267: Der talen sleutel is «appositioneele genitief": sleutel =
talen; de nieuwe kennis v. Grieksch, Hebr. en Lat. (Renais-
sance eu Humanismus.\') wordt de sleutel tot het recht verstand
der H. Schrift. Men late zich niet verleiden onwillekeurig
Drukkunst als appositie bij Der talen sleutel te nemen: weér-
is: weergevonden. — 268: Op \'t laatst der XVe en in \'t begin
der XYIC eeuw ging men aan de studie v. d. grondteksten des
Bijbels, die toen in druk verschenen; merk op dat terwijl 268
op de eerste, zoo 269 op de tweede helft slaat v. vers 267,
en 270 (let op te gelijk) een climax op 269 is: tegenover dit
uitbreiden komt nu dat Vio tijden gaan te rug. — 273—274:
Metterdaad is het Mohammedanisme gedurende de latere Middel-
eeuwen niet alleen, maar ook tot ver iu de Nieuwere tijden
een schrik voor Europa geweest. — 27"—277: Sints eeuwen
lag het Grieksche Kijk, uitwendig voortdurend bestookt, ook
in geestelijk en zedelijk verval; daarom gebruikt !). C. ook
in d\'arm vallen, als was het eigen schuld; in Spanje was \'t al
èèuwen voor de Hervorming met de macht der Arabieren ge-
daan ; in 1492 viel hun laatste koninkrijk, Granada. — 277—
278: als 275 een toegevende zin, waarbij 279—281 hoofd-
zin. — 281—2S8: In de voorafgegane verzen is nog gèèu feit
genoemd, waaruit het blijkt dat met de Hervorming de Islam
gaat wijken. Thans wijst de dichter op zijn zichtbaar verval
in de XIX\' eeuw; de vraag is echter of dit nu met de Her-
vorming in verband staat; dat het Mohammedanisme zich blijft
uitbreiden in \'t Oosten en in Afrika, komt niet in aanmerking,
-ocr page 92-
7*
daar Europa voor I) C. het terrein is waar alles beslist zal
worden. — Van 1821 — 182S vocht Griekenland zich vrijv.d.
Mohammed. Turken; Engeland, Frankrijk en Rusland hadden
zich daarin gemengd, en in 1827 werd de Turksch-Egyptische
vloot door die der Mogendheden bij Navarino vernietigd. Onder-
tusschen zag men Turkije meer en meer onder den invloed
der Westersche zeden komen. I). C. verwijst hier zelf naar
een artikel v zijn boezemvriend W. de Clercq in zijn 1). Cs
en H. J. Koeni\'ns Tijdschrift Nerlevlandsche Stemmen III (1835)
118-—120: liet Oosten. We lezen daar o. a. tot bevestiging
v. d. stelling dat «het Turksche rijk — — zijnen ondergang
met rasse schreden nadert\'*: »l)e beheerscher zelve boezemt
geen vertrouwen meer in. Het zwaard van Mahomed ontviel
zijn heup, om voer altoos i. d. Bosphorus te verzinken, (ü. C
teekent aan: «een voorval, onder de regeering des vaders
[Mahmud II] v. d. tegenwoordigen Sultan, bij de Turken voor
een zeer treirig voorteeken gehouden";. Hij drinkt wijn m.
de Franken [d. z. de Westerlingen in \'t algemeen] en ver-
lustigt zich in hunne maaltijden [men bedenke dat wijn de
Mohammedanen verboden is, en evenzeer alle intieme gemeen-
schap m. de ongeloovigen]. Hij heeft den Oosterschen tulband
zijner krijgslieden afgeschaft, en hun den Europeschen krijgs
rok opgedrongen. Het is alsof men ten tweeden male in de
geschiedenis Rome aanschouwt, hetwelk ook, naarmate haar
val naderde, de zeden en wapenen overnam dier barbaarsche
volken, welke hel overblijfsel liarcr vroegere grootheid be-
dreigden." I). C. herinnert (284) nog a. h. verschijnen v. de
Fransche Opera te Konstantinopel; dit brak het verbod v. d.
Koran alweer, volgens welken geen vrouwen ongesluierd in
\'t publiek gezien mogen worden. Als teeken v. verval be-
schouwt 1). C. eindelijk de afschaffing v. h. Janitsareneorps.
Dit maakte van ouds de kern uit v. \'t Turksche leger, maar
was allengs een voor de rust gevaarlijke macht i. d. staat ge-
worden; Mahmud II maakte een einde a. zijn bestaan; 15000
werden er omgebracht, 20000 verbannen. — 279: Om de
50 jaar hebben de Israëlieten en de Katholieken een Jubeljaar.
Daar twee geen reeks vormt, is reets hier miuder juist. —
281—282: zijn i. d. laatste helft v. 2S2 slaat op Mahomet
in 281, waaruit volgt dat L). O. terwijl hij gewaagt v. h.
zwaard dat dien Mahomed II ontviel, aan dieu anderen Mahmud,
aan Mohammed den Profeet zelveu denkt: \'t is het zwaard
v. h. Islamisme-zelf dat daar zonk.
VIII: 289—325. Hoofdgedachte: Maar toch is Ismaël niet
verworpen: Ismaël, als Isak, zal den Verlosser vinden: Christus\'
-ocr page 93-
70
Toekomst nadert! — Hij in 290 is de Aartsvader (292); ah
= «toen", val. Gen. XVII, 18. — 297: Ismaël zal den
Messias erkennen, die is voortgekomen uit Isak zijn broeder
(vgl. Matth. I): niet langer Mohammed maar Christus zal hem
Allahs Profeet zijn. — 297—301: In \'t komen v. d. koningin
v. Scheba (Saba, Sabaea: in Zuid-Arabië) tot Salomo(l Kon.X,
1—10) ziet de dichter een eerste toenadering v. Ismaels ge-
slacht (Salomo stamt weer v. Isak: zie Maith. I); voor het
verhaal der Wijzen uit het Oosten zie Matth. 1,1—\\%;hooger:
nl. hooger dan Salomo, onder wien Israël een tijd van vrede
had — 302—307: Voor deze verzen zie Jesaja LX, waar
heerlijk de dag wordt geschilderd, dat alle Heidenen tot Sions
Stad
d. i. Jeruzalem en zijn tempel komen zullen. Kedar,
Neiiijoth, Midian
en He fa zijn stamvaders v. Oud-Testamen-
tische Heidensche volken, de beide eerste zonen v. Ismaël; die
worden in O. T. beeldspraak hemelen genoemd, omdat de
kameel de Israëlieten onrein was, en rammen als weerstre-
vigen. — In 310—311 is wiens op te vatten als vragend
vnw. en krijgt den klemtoon. Er is een medische onderstelling
dat inderdaad Jezus hart gebroken was (zie het geschriftje:
I)e natuurlijke oorsaak v. \'s Heeren dood door?). — Vgl.
Johann. XIX, 34, waar die krijgsknecht natuurlijk een Romein
is; Jezus werd v. wege den Romeinschen Landvoogd gekrui-
sigd. — 314: d"eerstgeboren: i. d. ouverbogen vorm, wat we
meer bij dichters zien; in onze gewone taal krijgt het een e,
behalve enkele oude vormen als de gele, de zot, een groot , de
vrek, het goed.
— Israël, is de zin, is en blijft onder alle
volken het Uitverkorene, het is als de Eerstgeborene onder de
zonen v. een huisgezin. — 314: wen knoopt weer aan bij
309. — 320: die lof is begrepen in 320—325.
IX: 326—336. Dit sluit weer aan bij de laatste verzen
v. I; vgl. die. De dichter ziet de verstootene weer voor zich.
Zij zal wedcrkeeren. Voor den slotregel vgl. Gen. XVI, 13.