-ocr page 1-
mm vVi£"C)
7-ZZ7-Z/ZZZZZZZZZ-ZZZZZZ \' 7-ZZ.ZZ7Z ZZ \'-ZZZ Z .\'J Z\'Z • .*.\' Z\'\'Z.\'\'ZJZ \'ZZfi \' ,\'Y
/ak 3
•»-
lip
\'M
1
1
DE PROSTITUTIE
i
I BIJ DE VOLKEN DER OUDHEID. |*
0100530053010102015302020102000001000102020023020500530210020148
9
1
SOCIAAL-HYGIËNISCHE STUDIE
VAX
•:•
\'Dr. EDM. DUFOUY.
Met Af 1) op ld in go n.
m
m
tl
ï-* =
M
Ril
KI
li
d
>;
• !
t
.
- §
592212544541
„Slechts de verdorvenheid voelt zichbeleedipd
door do tafereelen der verdorvenheid."
Sexfca.
„Pe wijsbegeerte bemoeit zich met, en spreekt
vrij over allo zaleen om er de*oorzaak van te
vinden, 2e te beoordeelen on to verbeteren.\'*
CtUXKOK.
t;
II
m
*i-*ll;
fo-
73
ïï-
t-ü I-ra
z
il 8
t
DERDE DRUK.
I
i
•
il
m
w
B
AMSTERDAM,
VAN KLAVEKEN.
&Gf;H^
SSBSSSIBpSsHnSS
pTl
rTTrpTTTTTTT«rTT,
-ocr page 2-
f
s
-ocr page 3-
Bij A. VAN KLAVEREN, te Amsterdam, is verkrijgbaar dederdedruk van:
CLARISSE
OF HET LEVEN EENER
BLANKE SLAVIN
IN DE NEGENTIENDE EEUW,
door LORD MONROE.
— MET OFFICIE E LE B IJ LAGEN. —
Royal 8° - 216 bladz. druks - Prijs/1.90.
Het werk, waarvan wh\' hierboven den titel afschrijven en dat,
dank zn\' de welwillende toestemming van den auteur, nu ook
hier te lande in den handel gebracht mag worden, heeft in
sommige kringen niet weinig sensatie veroorzaakt.
Hoewel het Publiek slechts als \'t ware noode, er mede in
kennis werd gesteld (de eerste uitgave was slechts voor enkele
Regeeringspersonen en belangstellenden verkrijgbaar),
was de ver-
schh\'ning er van voor verschillende belanghebbenden, als
daar zijn \'bordeelhouders, handelaars in meisjes, geheim».
agenten en het legio hunner handlangers, wier vuil en laag
bedrijf in dit boek openlijk wordt aan de kaak gesteld, gelijk aan
een donderslag bh\' helderen hemel.
En niet ten onrechte!
Hunne schandelijke praktijken — niet alleen oogluikend
toegelaten maar zeli\'s gewettigd, zoo niet begunstigd — door
Overheidspersonen, wier eerste plicht het ware onschuldigen
en zwakken te beschermen, voor te lichten, en zoo noodig, te
redden, worden hier met onverbiddelijke gestrengheid onthuld,
wereldkundig gemaakt en gebrandmerkt.
Zoo werd er ook de aandacht der Hooge Regeering op
gevestigd.
Dat de in dit werk onthulde schandelh\'kheden, die er met
onervaren, meest althd minderjarige meisjes, plaats vinden, ten
Hemel schreien, wordt bevestigd door de woorden van onzen
tegenwoordigen Minister van Justitie, Baron du Tour van
Bellinchave.
Immers, in eene zitting van de Tweede Kamer der Staten-
Generaal, bracht Z. E. de eerste uitgave van dit boek ter
sprake en noemde het toen „een werk dat door geheel
Europa een kreet van verontwaardiging heeft doen
opgaan." *)
Van zekere zh\'de heeft men den schrijver verweten, dat hij
jacht maakte op schandalen.
Niets is echter minder verdiend en minder waar, hetgeen
trouwens reeds duidelijk blijkt uit het feit dat Mevrouw Jos.
E. Butler, de welbekende en edele beschermster van gevallen
meisjes, volgaarne de opdracht van dit werk aanvaardde.
Des schrijvers doel was tweeledig, eerstens: de aandacht dei-
verschillende Regeeringen te vestigen op misdaden, die, in de
*) Het Algemeen Handelsblad van 6 Dec. noemde het oen wereldhe
roemd werk.
-ocr page 4-
laatste jaren vooral, straffeloos bedreven konden worden, en
tweedens: jeugdige en onervaren meisjes of vrouwen te waar-
schuwen voor de helsche listen en lagen van handelaars
in Blanke Slavinnen.
Het eerste doel werd reeds voor een gedeelte bereikt; immers
de Nederlandsche Staatscourant van 19 December 11. bevatte het
volgende bericht:
„Op 18 dezer is door Zr. Ms. Gezant te
Brussel met den Minister van Buiten-
landsche zaken van Z. M. den Koning
der Belgen eene verklaring o n d e r t e e-
kend, betreffende maatregelen tegen den
handol in jeugdige vrouwen en meisjes."
Moge ook het tweede doel bereikt worden!
Mogen ouders, voogden en opvoeders dit boek met aandacht
lezen, ten einde, door kennis van zaken beter gewapend, hunne
kinderen of pupillen des te beter te kunnen beschermen, tegen
lieden, die uit vuig winstbejag niets anders beoogen, dan het
licltaamlijk en zede/ijk verderf van de slachtoffers, die hun in
handen mochten vallen.
Hoe dikwijls leest men niet in verschillende dagbladen enkele
advertentiën, waarbij onder de gunstigste voorwaarden, jonge
meisjes van knap uiterlijk
eene gemakkelijke en aangename
betrekking wordt aangeboden (liefst buitenslands), als gouver-
nante, dame van gezelschap of iets dergelijks, en hoe dikwijls is
het niet na een nauwkeurig onderzoek gebleken, dat zulke
aanbiedingen door of namens zeer verdachte personen waren
ingezonden!!
Dikwjjls had de persoon, die zulk een onderzoek instelde,
gegevens genoeg, om openlijk te kunnen waarschuwen, z\\j het
dan ook onder bedekte termen of verzwijging van namen.
Maar doordien men angstvallig nauwkeurig moest zijn, kwam
zoodanige waarschuwing altijd veel later — dikwijls te laat —
en wie kan becijferen hoeveel slachtoffers er dan reeds gemaakt,
verhandeld en opgezonden waren, om na enkele dagen in een
bordeel en van daar uit enkele jaren later in het Gasthuis aan
te landen, het Gasthuis, waarin het in het bordeel gevoerde
leven veelal zulk een ontzettend einde vindt.
"Welnu, het is de treffende geschiedenis van zulk een slacht-
offer, welke hier geheel naar waarheid en gestaafd
door o f f i c i e e 1 e b ij 1 a g e n, verhaald wordt.
Dit boek waarschuwt vooruit.
Die het eenmaal gelezen heeft, heeft veel geleerd en vergeet
dat nimmer.
Feiten, niets dan feiten worden vermeld en zoo onverbidde-
lijk onthuld, dat sommige Ambtenaren van Politie, meer
speciaal belast met het toezicht op de bordeelen en de. inschrü-
ving van publieke vrouwen, al een zeer treurig figuur maken *) —
dat zelfs een Burgemeester eener groote en welbekende stad
openlh\'k, met name gesignaleerd wordt als eigenaar van een___
publiek huis!
Men leze en oordeele !!!
*) Deze Ambtenaren mochten wel eens een voorbeeld nemen aan
den Heer Van Schermbeek, Hoofdcommissaris van Politie te \'s-Hage,
die — warm bestrijder der prostitutie als hij is — zich o. a. zeer ver-
dienstelijk heeft gemaakt door eene onpartijdige en strenge toepassing
der verordeningen op de openbare zeden.
-ocr page 5-
frL V Vak 3
DE PROSTITUTIE
BIJ DE VOLKEN DEE OUDHEID.
SOCIAAL-HYGIËNISCHE STUDIE
VAN
Dr. EDM. DUPOUY.
Met Afbeeldingen.
„Slechts* de verdorvenheid voelt zich beleedigd
door de tafereelen der verdorvenheid."
Seneca.
„De w\\jabegeerte bemoeit zich met en spreekt
vrij over alle zaken om er de oorzaak van te
vinden, ze te beoordeelen en te verbeteren."
Charrox.
Bibliotheca
Conventus
Woerdensis
DERDE DRUK.
!
AMSTERDAM,
VAN KLAVEREN.
A.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
DE PROSTITUTIE BIJ DE VOLKEN
DER OUDHEID.
De geschiedenis van de prostitutie bij de volken der Oud-
heid raakt zooveel belangrijke vraagstukken, en hecht zich
aan zooveel moeilijke raadsels vast, dat zij, om volledig
geschreven te worden, de medewerking zou vereischen van
uitstekende mannen in de archeologie, de letterkunde en
wetenschappen, de wijsbegeerte en geneeskunde, zooals": de
verschillende werken van Dulaure, A. Béraud, P. Creuzer,
Famin , Sabatier , Rosenbaum , Rabutaux, Pierre Dufour,
Parent-Duchatelet, enz., enz. het bewijzen. Maar het valt
misschien in de macht van een electrisch wijsgeerig ver-
nuft de verspreide studiën samen te vatten van die schrij-
vers, wier werken men heden slechts in de groote biblio-
theken vindt.
Als men deze verschillende monographieën de een na de
ander ontleedt, wordt men onwillekeurig ertoe gebracht,
uit een nieuw en oorspronkelijk gezichtspunt de geschiede-
nis van \'s menschen geest te beschrijven, in zijn vooruit-
gang door de oude godenleer en de Oostersche godsdiensten,
en om tot een zeer nauwkeurig onderzoek over te gaan
van de opvolgende beschavingen in haar betrekking tot de
zeden, de wetgevingen en de gezondheidsleer der volken.
Zoo zullen wij in de prostitutie drie onderscheiden tijd-
vakken vinden: 1° dat van de prostitutie der gastvrijheid,
-ocr page 8-
— 8 —
d. i. van het om een min of meer vleiende reden afstaan
van de slaafsche vrouw aan den gast, dien het toeval in
de hut van den oermensch voert: dit is het steenen tijd-
perk der prostitutie; 2°. dat van de gewvjde prostitutie, die
uitgeoefend wordt onder den invloed der bijgeloovige denk-
beelden en woeste hartstochten van de Oostersche volken ;
ten laatste de wettige prostitutie, die den tuchteloozen handel
van het menschelijk lichaam duldt en bekrachtigt in naam
der physische en zedelijke gezondheidsleer.
Deze drie vormen der prostitutie zijn door alle schrijvers
aangenomen geworden, die haar algemeene geschiedenis
geschreven hebben. Wij hebben een zeer opmerkelijke be-
schrijving ervan gevonden in het werk van Rabutaux:
„Overal," schrijft hij, „zoover de geschiedenis ons laat door-
dringen, bij alle volken en in alle tijden zien wij als een
min of meer algemeen feit, dat de vrouw de afschuwelijkste
slavernij ondergaat en zich zonder keuze of neiging, aan
de woeste driften overgeeft van hem, die haar begeert of
uitlokt. Dikwerf verliest in dat noodlottig duister de edele
en zachte gezellin van den man, zoodra alle zedelijk be-
wustzijn uitgedoofd is, het laatste spoor van haar waardig-
heid en rangschikt zij zich zelve — door een uiterste ver-
laging onverschillig geworden voor hem, die haar bezit —
als een nietig iets onder de geschenken der gastvrijheid;
de heilige betrekkingen, waaruit de vreugde en de banden
van het huisgezin ontstaan, zijn bij deze gezonken volken
van geen belang, van geen waarde."
Andere malen vereenigt zich in het oude Oosten, bij
voorbeeld, en van land tot land bij schier alle volken, die
oude overleveringen eraan ontleend hadden, door een nog
afschuwelijker koppeling het offer der schaamte van de vrouw
met de dogma\'s van een monsterachtig naturalisme, dat alle
hartstochten opwindt, door ze te vergoden; dat offer wordt een
gewijd kerkgebruik van een zonderlingen en ontaarden eere-
dienst, en het aan eene ontuchtige priesterschaar betaalde
salaris wordt als een offerande beschouwd aan hun goden.
-ocr page 9-
— 9 —
Bij andere volken, eindelijk bij hen, die op de ladder de
verhevenste plaats innemen, leveren nog de ellende en de
ondeugd een geheele, tot de onderste lagen teruggestooten,
geduld, maar met eerloosheid gebrandmerkte klasse van
ongelukkige vrouwen, voor wie de uitspatting en de schande
een beroep zijn geworden, over aan de grove opwellingen
der zinnen en aan haar onbeschaamde lusten.
Indien men de documenten betreffende de zeden der eerste
beschaafde volken uit een physiologisch oogpunt beschouwt,
kan men in het algemeen bij alle a priori twee klassen van
vrouwen onderscheiden: de eene door het huwelijk bestemd
tot de voortteling der soort en nagenoeg levende onder het
nakomen der natuurwetten ; terwijl aan de andere als werk-
kring aangewezen is, zich aan geslachtsverrichtingen van
een andere soort over te geven, waarvan het doel onvrucht-
baarheid voor haar is, en voor de mannen overprikkeling
der voorttelings-zinnelijkheid met al de verfijningen van den
wellust. Het is bij deze, dat men de eerste oorzaken moet
zoeken der venerische ziekten en die afdwalingen der zede-
lijke eigenschappen, waarvan de physische formule nog ge-
vonden moet worden. De geschiedenis van dit gedeelte der
pathologie is dus nauw verbonden aan die der prostitutie:
de wonde der Oostersche rassen en de noodlottige geesel
van de toekomstige geslachten, die op ons voorbeeld waar-
schijnlijk de veiligheidsklep der menschelijke hartstochten
ervan zullen maken en de zedelooze bewaarster van de
openbare zedelijkheid.
Eenige geschiedschrijvers en wijsgeeren der oudheid heb-
ben den godsdienstigen oorsprong der prostitutie verklaard
door den angstvalligen geest der menschen. Zij toonen ze
ons, den toorn der hemelsche machten trachtende te bevre-
digen, door haar de eerstelingen te offeren hunner oogsten,
vruchten en kudden, totdat voor hun oogen mannen optre
den, die zeggen dienaren der goden op de aarde te zijn. Als
priesters eischen zij van hen voor hunne altaren offeranden
en gaven. En, misbruik makende van hunne onwetende
-ocr page 10-
— 10 —
lichtgelovigheid, blazen zij hen in, dat de goddelijke goe-
dertierenheid hun deelachtig kan worden door de gewijde
prostitutie hunner dochters, wier maagdelijkheid het mono-
polie is, dat wettig toegestaan wordt aan de ingewijden en
wachters der tempels. Van toen af vingen die geheimzinnige
ceremoniën aan, waarin de prostitutie de rol van grond-
wettige leerstelling van den eeredienst gaat spelen, in tegen-
woordigheid van wonderlijke afgodsbeelden, die uit hout of
steen vervaardigd van het mannelijk organisme slechts het
mannelijk voorttelingslid bezitten.
Op de gewijde prostitutie moest noodwendig de wettelijke
prostitutie volgen, die als een bedrijf uitgeoefend wordt en
wier eenige drijfveer geld is. Zij zette het werk der verdor-
venheid, door de godsdienstige prostitutie begonnen, voort,
maar met minder weerklank ten opzichte van de openbare
gezondheid. Met haar ziet men wel mannen en vrouwen
zich aan al de buitensporigheden der wellust overgeven ;
maar het menschelijk wezen is niet meer in het ziekelijk
hypnotisme gedompeld der mysteriën van Isis en Belphégor,
waarin men het zijn lichaam evenals een ledepop ziet over-
leveren aan alle tegennatuurlijke verrichtingen.
De eerediensten dezer goden hadden de Oostersche vol-
keren door-en-door ontzenuwd en hunne beschaving slechts
stoffelijk doen ontwikkelen. Gelukkig kwam de Grieksche
Venus een gunstige wijziging in die barbaarsche zeden
aanbrengen. Hoewel zij nog de lichtekooi van den Pireüs
en der eilanden van den Archipel vergoddelijkte, en de
beschermster was der ontuchtige prostituees, vertoonde zij
zich echter in de tempels en in de eerbare vrouwenzalen
der huismoeders als de dichterlijke allegorie der liefde in
haar vurigste streven naar het schoone. Met haar herneemt
de menschelijke geest zijn vrijheid ; zij staat aan het Griek -
sche genie toe die heilige fakkel te ontsteken, wier stralen
de wereld zullen gaan verlichten, en haar het gevoel voor
de kunsten,
de fraaie letteren en de wetenschappen open-
baren.
-ocr page 11-
— 11 —
Onder de tallooze standbeelden, die men haar oprichtte,
bewijzen die der Venus Aphrodlte, der Venus Genitrix, der
Vernis van Cnide, der Venus Victrix (waarvan de Venus van
Milo
slechts een namaaksel is) en de standbeelden van
Adonis en Cupido, der Muzen en der Gratiën, gezellen dei-
godin, dat de eeredienst van Venus, in de verbeelding der
Hellenen, slechts het gedicht was van dat gevoel, dat een
der grootheden van onze natuur vormt; hetwelk de beitel
van Phidias en van Praxitèle bestuurd en Homerus, en
Pindar, en Corinnus en de groote Plato bezield heeft.
Zooals men ziet, is d? afstand groot tusschen de erotische
verpersoonlijking der Oostersche goden en deze vergoding
der viouw, door de bekoorlijkheden van haren geest en de
volmaakte schoonheid van haar lichaam, koninginne der
wereld. De Venus-Urania is dus in werkelijkheid het uit-
gangspunt, vanwaar de menschelijke geest zijn vlucht neemt
naar hooger sferen.
Haai\' eeredienst, door alle groote mannen der oudheid
geëerd, door alle volkeren der bekende wereld erkend, zal
weergevonden worden in de tempels van het oude Rome, en
zal een der goede geniussen worden van de latijnsche be-
schaving. En zij zal het zijn, die in de schoone dagen der
Renaissance onze dichters, onze schilders en onze beeld
houwers zal bezielen. Want onsterfelijk is haar wezen en
almachtig de gloed, dien de natuur op de harten der men-
schen doet uitoefenen! Maar, waarom heeft het noodlot
gewild, dat naast het schoone het misvormde bestaat,
naast de Venus-Urania Venus-Pandemos, naast de liefde de
prostitutie ?
Deze voorafgaande beschouwingen waren noodig, om deze
geschiedkundige studie der zeden in de oudheid te doen be-
grijpen; wij moesten de lezers voorbereiden op de sombere
tafereelen, die wij hun voor de oogen zullen voeren, tafe-
reelen die voor de zedenleer zijn, wat de pathologische
ontleedkunde voor de geneeskunde is.
-ocr page 12-
DE PROSTITUTIE IN INDIË.
De eeredienst van Lingam.
De chronologische orde volgende moeten wij in Indië,
waarvan het bestuur als maatschappij tot de hoogste oud-
heid opklimt, de eerste sporen van de gewijde prostitutie
zoeken.
De Indische Lingam is dezelfde als de Grieksche Phallus
en de Egyptische Priapus: het mannelijk lid werd door alle
volken der Oudheid als het symbool van de algemeene be-
vruchting beschouwd. Zyn eeredienst is een der populaire
fabels van Indië, die men als volgt vertaald heeft: Op den
goudberg Kailasa, woont de god Siva. Daar is een terras,
waarop zich een vierkante tafel bevindt door negen edel-
gesteenten versierd en in het midden de lotus, in haar
schoot den driehoek dragende, den oorsprong en de bron
van alle dingen. Uit dezen driehoek komt de Lingam voort,
eeuwige god, die er zijn eeuwig verblijf van maakt.
„Op dezen berg," zeggen Fr. Creuzer en D. Guignant (\'),
„verscheen voor den eersten keer de oude Phallus van Siva,
dien de god, volgens een andere overlevering in twaalf Lin-
•gams verdeelde schitterend van licht, en die de blikken der
goden en der menschen op hen deden richten; vervolgens
plaatste hij hen over in verschillende gedeelten van Indië,
(1) Religions dans 1\'antiquité considirées dans leurs formes symboli-
ques et mythologiques par Creuzer et Guignant, professeurs d\'histoire a
1\'Ecolo normale.
-ocr page 13-
— 13 —
waar de goden en de genieën, voor de acht wereldstreken
bestemd, hun vrome hulde bewezen; en nu nog worden zij
er aangebeden."
„Daar werden ook," zeggen deze schrijvers, „ter eere van
Siva de feesten van Phallus gevierd, waarop men dit hei-
lige beeld plechtig droeg; daar bleken ook zijn aanbidders
in de waanzinnige Bacchusfeesten, door een wild enthusi-
asme gedreven, zelf toe te geven aan de macht, die de
natuur met een onweerstaanbaar geweld meesleept en haar
versterkt met een verzengend vuur."
Alle Indische legenden hebben den Lingam voorgesteld
als een der oudste Hindoe-goden. In de oogen van die
instinctmatige godsdienstige volksstammen konden de teel-
deelen slechts heilige deelen zijn, die hunne verbeelding
onder de hooge bescherming eener godheid plaatste. Deze
werd hun door hunne priesters werkelijk voorgesteld in den
vorm van een mannelijk lid, dat zij onder den naam Lin-
gam aanbaden. Deze door de Brahmanen begunstigde eere-
dienst voerde hen, volgens de overleveringen, tot alle bui-
tensporigheden der zinnen, en bracht hun besmettelijke
ziekten der geslachtsorganen.
Pierre Sonnerat geeft in zijn belangwekkende reis in Indiè
een andere legende over den eeredienst van Lingam betrek-
keiijk de venerische aandoeningen bij de aanbidders van
Siva en Vischnoe. Ofschoon dit verhaal slechts de waarde
van een fabelachtige geschiedenis heeft, verbergt het echter,
onder den schijn van verdichtsel, een waarschijnlijk feit,
dat overigens met andere geschiedkundige documenten van
onbetwistbare echtheid overeenstemt. Sonnerat laat zich
als volgt uit: „De boetelingen waren door hunne offeran-
den en gebeden tot een hoogen graad van macht geraakt;
maar om die te behouden moesten hun harten en die hun-
ner vrouwen altijd rein blijven. Doch Siva of Chiven had
de schoonheid der laatsten hooren roemen en hij besloot
haar, te verleiden. De gedaante van een jongen bedelaar (x)
(1) De bedelaars of Fakirs loopen in Indië het land af bij duizenden,
-ocr page 14-
— 14 -
van een volmaakte schoonheid aangenomen hebbende, noo-
digde hij Vischnoe uit, die van een mooi meisje aan te ne-
men, en naar de plaats van bijeenkomst der boetelingen
te gaan, om hen verliefd te maken. Vischnoe ging er heen,
en hen voorbijgaande, wierp zij hun zulke teedere lonkjes
toe, dat zij allen verliefd op haar werden; zij lieten hun
offeranden in den steek om deze jonge schoonheid te vol-
gen. Hun hartstocht werd aldus steeds grooter, zoodat zij
eindelijk zielloos neerstortten en hun kwijnende lichamen
op was geleken, dat bij de nadering van vuur wegsmelt.
„Chiven ging van zijnen kant naar het verblijf der vrou-
wen, evenals de bedelaars in eene hand een flesch water
houdende en als zij zingende. Zijn zang had zooveel bekoor-
lijks, dat al de vrouwen zich om hem vereenigden ; en de
gestalte van den zanger volbracht verder, wat zijn stem
begonnen had. De verwarring was zoo groot, dat eenigen
haar juweelen en kleederen verloren, zoodat zij hem volgden
in Eva\'s costuum, zonder het zelf te bemerken.
„Het dorp doorloopen hebbende, verliet hi] het; allen
vergezelden hem naar een naburig bosch, waar hij van haar
verkreeg, wat hij verlangde. Weldra merkten de boetelingen
op, dat hun offeranden niet meer hun oude uitkomst had-
den, en dat hun macht niet meer dezelfde icas. Na eenige
vrome overwegingen bleek het hun duidelijk, dat de schuld
aan Chiven lag, die in de gedaante van een jongen man
hun vrouwen verleid had, en dat zij zelf misleid waren
geworden door Vischnoe, als jong meisje hervormd. Zn\'
besloten Chiven als een offerande te dooden. Beschaamd,
de eer verloren te hebben, zonder zich te kunnen wreken,
namen zij tot de uiterste middelen hun toevlucht; zij ver-
eenigden al hunne gebeden tegen Chiven. Dit offer was van
de meest verschrikkelijken, en de god zelf kon geen weer-
bijna naakt en buitengewoon vuil. Hunne bezoeken geven, volgens Strabo,
de vruchtbaarheid aan de vrouwen. Het volk beijvert zich hun alle
mogelijke eer te bewijzen, en de mannen verlaten hun dorpen om den
monniken vrij spel te laten. (Rosenbaum).
-ocr page 15-
— 15 —
stand bieden. Het was als een vuur, dat zich op de geslachts-
deelen van Chiven wierp, en die van zijn lichaam scheidde.
(\')
Verbitterd tegen de boetelingen, besloot hij er zich van te
bedienen, om de geheele wereld in brand te steken; reeds
breidde het vuur zich meer uit, toen Vischnoe en Brahma,
belast met de bewaring der schepselen, op middelen dach-
ten, om het te stuiten. Brahma nam den vorm van een voet-
stuk aan, en Vischnoe dien van de geslachtsdeelen van een
vrouw, en zij ontvingen de organen van Chiven. De alge-
meene verbranding werd aldus gestuit. Chiven liet zich door
hun gebeden zachter stemmen, en beloofde de wereld niet
te zullen verbranden, als de menschen aan zijn deelen god-
delijke eer bewezen."
Indien wij over deze mythe nadenken, zooals zij hier
verhaald wordt, schrijft Rosenbaum, kunnen wij ons niet
van de gedachte ontdoen, dat zij in jongere tijden te huis
behoort; want deze fabel is geheel en al geëigend om de
syphilis op eene wijze te constateeren, die niets te wenschen
overlaat. Ook heeft Schaufus er den grondslag van zijn
meening van gemaakt, als hij zegt, dat deze ziekte uit Indië
in Europa gebracht is geworden. Van een andere zijde stem-
men zekere bijzonderheden van deze geschiedenis zoozeer
overeen met de oude geloofsleer der Indiërs, dat men moet
toestaan, dat zij, bijaldien zij op een legende berust, samen-
gesteld is geworden met gebruikmaking van de oude aan-
wijzingen.
Sedert heeft Dr. F. Klein (2) bewezen door de jaarboeken
van Malabar, dat de syphilitische ziekte niet alleen vóór de
ontdekking van Amerika bekend was in Oost-Indië, maar
dat de geneesheeren Sangarasiar en Alessianambi, die voor
omstreeks tien eeuwen leefden, en vele anderen reeds vóór hen
van de syphilis spreken en van hare genezing door het kwik.
(1)    Het is niet vermetel in deze fabel de legende der geschiedenis
van de syphilis te zien.
(2)  De morbi veneri curatione in Judia orientali usitata, 1796.
-ocr page 16-
— 16 —
Later nog heeft in 1863 P. Dabry, Fransen consul in China,
een werk uitgegeven, getiteld: La medecine ches les Chinois.
waarin men de beschrijving vindt van de syphilis naar
handschriften, die van meer dan 2500 jaren vóór Christus
dagteekenen.
Eindelijk heeft Dr. Scheube, van Leipzig een manuscript
uitgegeven, (*) dat geheel onbekend in Europa kostbare in-
lichtingen bevat ten opzichte van de oudheid der syphilis in
de oude wereld. Dit manuscript: Dai-dorui-shiu-ho, of ver-
zameling van recepten naar klassen gerangschikt uit het tijd-
vak van Dai-do,
werd omstreeks het jaar 808 van onze tijd-
rekening geschreven.
In dit tijdperk besloot keizer Heizei Tenno, daar hy in
zijn land meer en meer de Chineesche geneeskundige we-
tenschappen ingevoerd zag, al de voor Japan geschikte
grondbeginselen der geneeskunde in een boek te verzamelen.
Hij belastte met dit werk zijn beide geneesheeren A-be
Ma-nao en Idzu-mo Hiro-sada. Maar het handschrift raakte
zoek, en werd eerst in 1827 in een tempel op een eiland
der provincie Bungo teruggevonden. Dit manuscript, door
Bude uitgegeven, en waarvan de lezing zeer moeilijk was,
aangezien het in de oude Japansche taal geschreven is, was
bijna geheel onbekend bij de geleerde wereld, toen een Ja-
pansch geneesheer. Dr. Kayama, leerling van Dr. Scheube,
aan zijn ouden leermeester de vertaling der hoofdstukken
zond, betrekking hebbende op de syphilis. Als uitlegging
laat deze vertaling niets te wenschen over, want Dr. Kayama
heeft zich voor de moeielijke passages van de medewerking
van geleerde Japansche landgenooten verzekerd.
Hoofdstuk 94 luidt als volgt:
Kata-shine-kasa, d. i. het doorbreken van een der liezen. In de dwarslig-
gende plooi, tusschen de dij en den onderbuik gelegen, vertoonen zich
ontsteking en opzetting vergezeld van hevige pijnen en koortsen. Na
eenige dagen ontstaat ettering: het gezwel breekt door, en er vloeit etter uit.
Mara-kasa-hyami, d. i. aan uitslag gepaard gaande ziekte der roede. In
(1) Archive für Path. de Virchow, mars 1883, p. 448.
-ocr page 17-
- 17 -
<len aanvang opzetting als een gerste-korrel groot, en pijnen. Na enkele
dagen verzwering en uitstorting van etter.
Fuse-kasa. De huid der roede, de plaats van den uitslag, bevat water ;
een verschijnsel, dat vooral in <!en zomer zich vertoont. De roede is ge-
zwollen en veel dikker geworden. De opzwelling strekt zich over de geheele
roede uit, en men kan den eikel niet zien. Uit de huid vloeit etter.
Shiri-mara-kasa. d. i. tweede uitslag van de roede. In den beginne ver-
toont zich die uitslag als bij Mara-kasa-hyatni. Daarop volgen verzwering
en pijnen. Na eenige dagen breidt zich de verzwering uit, en valt de
eikel af. Vervolgens gaat de verzwering langzamerhand naar achteren
voort, de roede valt geheel af, en de teelballen worden eveneens door
de verzwering aangetast.
Kaskiri-kusa, d. i. de vliegende uitslag. Het gif der roede of van een
der liezen wordt heviger, en de uitslag overweldigend. Warmte en koude
worden waargenomen, en de beenderen der handen en voeten, worden
pijnlijk. Na eenige maanden vertoont zich op den rug en op het Bange*
zicht een kleine uitslag zonder pijn of jeuk. Er vloeit een geelachtig vocht
uit. Na enkele maanden verkankert het gelaat, en verspreidt het een
stinkende lucht. Er loopt etter uit.
Nu volgt Hoofdstuk 95:
llone-no-hari-kaxa, d. i. uitslag en opzetting der beenderen. Na de gene-
zing van den uitslag der roede worden de gewrichten der ledematen
pijnlijk, zoodat men ze noch uitstrekken, noch buigen kan. Over het alge-
meen heerscht er koorts bij. Dit wordt Hone-no-hari-kaso genoemd. Dan
wordt het gif sterker, en komen verschillende onaangename verschijnselen
erbij. De zieke heeft koorts, deze duurt den gehoelen dag, en de eetlust
houdt op. Er bestaat hardlijvigheid. De pis is rood en vloeit moeilijk.
Xondo-faki-kasa d. i. uitslag van de keel. Het overige van de gifstof van
den uitslag der voorhuid bereikt de bovenste lichaamsdeolen en verwoest
het gelaat en het hoofd. Jarenlang is geen genezing mogelijk. Wat van
het gif overblijft verwoest het hoofd, de huid, het vleesch en de been-
deren. Dan worden de ooren verwoest, of er ontstaat uitslag op den neus
of blindheid. Of ook zwellen handen en vooten op, of zijn gedurende
vele jaren pijnlijk. Dan gaan de zieken tot verrotting over. Het gif ver-
woest het geheele lichaam, de teelballen worden door puisten overdekt,
zwellen op en verkankeren, en er vallen verscheiden gaten in. Vervol-
gens gaat de geheele opperhuid van het lichaam te niet.
Mimi-no-hi-kasa, d. i. uitslag der ooren. Het overige van het gif bereikt
de bovenste liehaarnsdeelen; er bestaat oorsuizing en hardhoorigheid. Na
enkele maanden ontstaan hevige pijnen en vloeit er een geelachtig vocht
uit. De oorsuizingen houden op. maar de zieken zijn doof.
Er bestaat zeker, zegt Gille de Tourette, een groote ver-
2
-ocr page 18-
— 18 —
warring in de verschijnselen, die aan de syphilis toege-
schreven worden; maar het is niettemin gemakkelijk de
primaire, secondaire en tertiaire gevallen der venerische
ziekte te herkennen : verzwering der roede, verzwering van
de keel, pijn in de beenderen, syphilitischen uitslag en been-
vlies-gezwellen van de schedelhuid en van het gelaat.
Indien er twijfel overbleef ten opzichte van den aard dei-
ziekte, zou het voldoende zijn, erbij te voegen, dat het woord
Kasa, in oud Japansch zoowel als in de nieuwe taal, dient,
om de besmettelijke aandoeningen aan te duiden, die na de
geslachtsgemeenschap ontstaan, en die men thans in Japan
zeer goed kent.
De eeredienst van Lingam en de gewijde prostitutie, welke
het gevolg ervan was, strookten zoo met de Indische zeden,
dat reizigers, die voor een kleine eeuw, zekere provincies
van Oost-Indië doortrokken, den een zoowel als de andere
even populair vonden als in het tijdperk der historische
overlevering. De abt Mignot heeft in zijne tweede Mémoire
sur les anciens philosophes de F Inde
gezegd: „Deze soort
Lingam wordt heden nog in Indië gevonden, zooals men
zien kan uit de afbeeldingen der afgoden van dat land, die
aan den markies de Marigny gezonden zyn." Men ziet nog
in de pagoden bas-reliefs den Lingam voorstellende in meer
of min groote afmetingen, en er bestaan eveneens schilder-
stukken en beeldhouwwerken van. In enkele pagoden stelt
men op dezelfde wijze de vereeniging der twee geslachten
onder den naam Pulicior voor. Die teekeningen vindt men
bovendien nog terug op de amuletten, Taly genaamd, die,
na gezegend te zijn door den Brahma, op den huwelijksdag
door den man aan z\\jn bruid worden gegeven. Sonnerat
verhaalt hierover een anecdote, die bewijst, wat de ijver
voor het proseliet-maken waard is bij zulke onwetende stam-
men. Eenige zijn bekeerd geworden tot het Katholieke ge-
loof, maar twee soorten zendelingen wedijverden met elkan-
der bij hen : de Jezuïeten en de Capucijners. De laatsten
klaagden hun mededingers te Rome aan, wegens hun ver-
-ocr page 19-
- 19 -
draagzaamheid jegens de vrouwen, aan wie zij toestonden,
amuletten te dragen met kleine Lingams bedrukt. De Je-
zuïeten verklaarden hun gedrag door de oude gebruiken van
het land, en zij verkregen de goedkeuring van het Pauselijk
hof; maar zij eischten evenwel van de Indische vrouwen
aan hunne taly een kruisje toe te voegen! ...
Andere verhalen toonen den eeredienst van Lingam zoo
in Indië ingeworteld, dat men in de hotels en aan den
openbaren weg overal den hindoegod ontwaart, hetzij in
zijn organisch menschelyke gedaante of in zijn allegorischen
vorm : een voetstuk, dat een vaas draagt, waar een lange
cylinder uitsteekt. Het voetstuk is Brahma; de vaas is
Vischnoe, de vrouwelijke god ; de cylinder is Chiven of de
mannelijke god; dit is de Indische drieëenheid. Maar bij
plechtige processiën voegt men bij den gewonen Lingnam de
gedaante van een mensch. „En het godsdienstig denkbeeld
is zoo overheerschend in den geest der Indiërs, dat zij het
ontuchtige van hun handeling niet begrepen." Zoo ziet
men in de pagode van Elephanta een bas-relief, die een
groep voorstelt, welke zich aan het schandelijk bedrijf over-
geeft, dat de latijnsche schrijvers door het woord irrumatio
aanduiden; op de poorten der stad Suri-Patnam-Sita: de
vrouw van Rama, de 7e vleeschwording van Vischnoe, om
ringd door zes Fakirs of boetelingen, geknield en de oogen
naar haar opgeheven, terwijl elk een Lingam in de hand
houdt; in de pagode Villenour: afzonderlijke Lingams van
een buitengewone afmeting op al de muren afgebeeld. De
Grandpré verhaalt in zijn voyage dans l\'Inde, op zijn beurt,
dat een officier der marine op de kust van Trovencour
eenige mannen aan land zond, om inlichtingen in te win-
nen. De matrozen ontdekten in een nis een Lingam van
gelijke grootte; zij maakten zich meester ervan, en bedien*
den zich op hun vaartuig ervan als een boom.
Over het godsdienstig karakter van Lingam in het he-
dendaagsch Indië heeft Dulaure gemeld, dat, volgens zekere
navorschers, de priesters van Chiven dagelijks op het mid-
-ocr page 20-
— 20 —
daguur den heiligen Lingam met guirlanden van bloemen
en sandelhout versieren, en dat in Canara de priesters naakt
rondloopen, terwijl zij schellen luiden, waardoor zij de
vrouwen tot zich roepen, om hun geslachtsdeelen godvruch-
tig te kussen.
Wat de godsdienstige prostitutie aangaat, zijn de feiten,
die haar bewijzen, door Duquesne gecontroleerd geworden.
Hij heeft in een pagode, in de omstreken van Pondichéry.
jonge bruiden gezien, die aan den god het offer hunner
maagdelijkheid kwamen aanbieden. Men liet ze op een hou-
ten of ijzeren Lingam gaan zitten. Maar, voegt hij eraan
toe, in vele pagoden „hebben meer behendige priesters aan
dien god een zoo edele verrichting ontrukt."
In een andere pagode, die van Tréviscaré en aan Chiven
gewijd, ziet men een kolossaal monument, de Indische drie-
eenheid voorstellende. „In dit heiligdom, op den gewijden
steen, zegt dezelfde schrijver, wijden de priesters van Chi-
ven de jeugdige Devedassi, die wij onder den naam van
Bayaderen of Balaidera kennen, in de geheimen der liefde
in; en terwijl zij aan den eeredienst gewijd zijn, dienen
zij tevens tot de genoegens van het publiek, evenals de
lichtekooien en prostituees van Griekenland."
Wij weten, dat die Indische meisjes balletten opvoeren ;
maar de akkoorden der stemmen en der instrumenten, de
geur der oliën en der bloemen, misschien zelfs de verlei-
ding der bekoorlijkheden, waarmede zij op de toeschouwers
werken, alles vereenigt zich langzamerhand, om verwarring
en dronkenschap in haar zinnen te verwekken. Evenals bij
de aulétriden van Griekenland schijnt somtijds een zachte
aandoening, een ongekend vuur haar te overmeesteren.
Verwonderd, bewogen, trillende schijnen zij onder den in-
druk eener te machtige illusie te bezwijken. Zoo hebben
zij door gebaren, door de meest sprekende houdingen van
het lichaam, door onderdrukte en hevige zuchten en fonke-
lende blikken, soms een zacht smachtend verlangen uit-
drukkende, eerst de verlegenheid der schaamte, daarna het
-ocr page 21-
— 21 —
verlangen, de ongerustheid en de hcop, en eindelijk de be-
dreigingen en het ongeduld van den wellust weten weer
te geven.
„De Bayaderen, Indische danseressen," zegt Raynal (*),
„leven in troepen vereenigd in de seminaria van den wellust.
De best saamgestelde gezelschappen van deze soort zijn aan
de rijke en druk bezochte pagoden gewijd. Hare bestemming
is in de tempels te dansen en de genoegens der brahma\'s
ter wille te zijn. Om aan de volkeren het schandaal van
zoo\'n buitensporig leven te verbloemen, zijn al die vrouwen
gewijd aan den dienst der altaren. De bevolkingen schikken
zich deste gewilliger aan dit soort van bijgeloof, omdat het
binnen een enkele omheining de toomelooze lusten van
een troep monniken opsluit, en zoodoende haar vrouwen
en dochters beschermt tegen verleiding.
„Het is waarschijnlijk, dat de ouders, door het gewijde
karakter aan dit soort lichtekooien toegekend, zonder weer-
zin hun schoonste dochters, door deze roeping medegesleept,
het vaderlijk huis zagen verlaten, om in dit seminarie bin-
nen te treden, vanwaar de \'vrouwen, die boven de jaren
waren, zonder schaamte in de maatschappij konden terug-
keeren ; want er bestaat geen misdaad, die door de tusschen-
komst der goden niet geheiligd kan worden, geen deugd,
die zij niet verachtelijk kan maken. Het begrip van een
absoluut wezen is in de handen van priesters, die er mis-
bruik van maken, de vernietiging van elke zedeleer.
„Er bleef den Brahmanen slechts een schrede over, om
de instelling tot de laatste volkomenheid te voeren. Dit
was den bevolkingen te overreden, dat het den goden aange-
naam, dat het eervol en heilig zou zijn, bij voorkeur een
Bayadere boven elke andere vrouw te huwen, en als een
bijzondere gunst naar het overschot van hun uitspattingen
te dingen.
„Er zijn minder uitgelezen troepen in de groote steden
(1) Raynal. Histoire philosophique des Deux-Indes.
-ocr page 22-
— 22 —
voor het genot der rijken, en andere voor hunne vrouwen.
Maar men kan van welken godsdienst, van welke caste
men ook zij, ze laten roepen. Er bestaan zelfs ambulante
troepen door oude vrouwen aangevoerd, die, leerlingen van
deze seminaria, op het eind directrices worden. (l)
„Op de eentonige en snelle klanken der tam-tam raken
de Bayaderen, verhit door de begeerte om te behagen en
door de geuren, waarvan zij voorzien zijn, eindelijk geheel
buiten zich zelven. Haar dansen zijn gebarenspelen der liefde.
De voorstelling, de teekening, de houdingen, de maten, de
tonen en de gang in deze balletten, alles ademt hartstocht,
en drukt den wellust en de woede ervan uit.
„Alles werkt mede aan het wonderdadig succes dezer wei-
lustige vrouwen: de kunst en de rijkdom van haar tooi
evengoed als de handigheid, die zij bezitten, om haar schoon-
heid te verhoogen. Haar lange zwarte haren overdeschou-
ders uitgespreid of in vlechten opgebonden, zijn beladen
met diamanten en opgeluisterd met bloemen. Kostbare
steenen versieren haar halssnoeren en armbanden.
„Niets evenaart bovendien haar oplettendheid, om haar
boezem te verzorgen, als een der kostbaarste schatten
harer schoonheid. Om dien te beletten dikker of misvormd
te worden, sluiten zij dien in twee aan elkander gehechte
bakjes van licht hout, die op den rug vastgebonden worden.
De buitenzijde dezer doosjes is met bladgoud bekleed en
bezaaid met briljanten ; maar dit scherm, dat den boezem
bedekt, verbergt er de trillingen, de zuchten en de zachte
golvingen niet van; het ontneemt niets aan den wellust.
„Het meerendeel dezer danseressen gelooven den luister
van haar kleur, den indruk van haar blikken te verhoogen,
door om haar oogen een zwarten cirkel te trekken, dien zij
met een naald met spiesglas-poeder gekleurd aanbrengen."
In de kunst van te behagen bestaat het geheele leven,
de geheele bezigheid, het geheele geluk der Bayaderen. Men
weerstaat bezwaarlijk haar verleiding.
(1) Voorbeeld Tan den overgang der gewijde tot de wettelijke prostitutie.
-ocr page 23-
— 23 —
Onafhankelijk van de Devadassi, in het bijzonder aan de
gewijde prostitutie verbonden, bestaan er verscheidene an-
dere klassen van Bayaderen : de Natches. die dezelfde functiën
uitoefenen, maar aan geen bepaalden tempel verbonden zijn;
de Vestiatris en de Cancenis, die zich aan de genoegens dei-
rijke particulieren van het Oosten opofferen. Zij worden uit
de schoonste meisjes gekozen ; haar tooi is rijk en schitte-
rend; en niettegenstaande haar losbandig leven wordt haar
staat toch niet als onteerend beschouwd. De priesters hebben
aldus beslist.
In Mogol en Hindostan, waar de gewijde prostitutie nog
in de macht der priesters is, maken deze een buitengewoon
misbruik van hun gezag op hun ongelukkige ingewijden.
Bernier vertelt in het verhaal van zijn reis door die landen,
dat men in de pagode van Jagrenat de maagden brengt,
opdat zij er het offer aan den god Lingam zelf opdragen,
die voor die gelegenheid mensen wordt. Het jonge meisje
wordt \'s avonds in het heiligdom gebracht; men zegt haar,
dat de god komen zal, om haar te huwen, dat zij naar hem
luisteren moet en hem ondervragen moet over haar toe-
komst. Begunstigd door de duisternis van den nacht profi-
teert een priester van dit buitenkansje, en het misleide
meisje gelooft gemeenschap met den god gehad te hebben.
Zij verkondigt daarna als een goddelijke mededeeling, al
waarbij de priesters belang hebben om den bevolkingen
te doen weten, ten einde hun dwang op haar te kunnen
blijven handhaven.
Van zh\'n kant deelt de abt Dubois in zijn werk, Moeurs
de l\'Inde
mede, wat hij in 1825 op zijn reis door Indië ge
zien heeft: „De Lingam," zegt hij, „die de vrome mannen
en vrouwen aan hun haren of armen vasthechten of om
den hals hangen, is eene kleine reliquie veranda utriusque
sexus in actn copulalionis
voorstellende; bovendien teekent
men zich twee witte lijnen op het voorhoofd, die aan het
ma8cidi liquorum seminalem herinneren, en een roode lijn,
het feminae fluxum menstruum beduidende.
-ocr page 24-
- 24 —
„De vereerders van Lingam zijn zeer talrijk in Malabaren
Coromandel; zij maken minstens de helft der bevolking uit.
Zij beschouwen den Lingam als alle menschen gelijk ma-
kende; en hunne priesters, Gourous genaamd, genieten groote
voordeelen. Als een Gourou een bezoek brengt aan zijn
distrikt, betwisten zijn aanhangers elkander de eer, hem tot
gast te hebben.
Zoodra hij zijn keus gedaan heeft, verlaten alle mannen
het huis; hij blijft er dag en nacht alleen met de vrouwen
van zijn gastheeren, welke zich allen beijveren hem naar
zijn" luimen te dienen, zonder dat de mannen de minste
jaloezie toonen.
„Men moet opmerken," zegt verder de abt Dubois, „dat hij
er voor gezorgd heeft, het huis uit te kiezen, waarin zich
de jongste en schoonste vrouwen bevinden. Deze Gourous
hebben bovendien bijzondere maitressen, echtgenooten der
goden genaamd; eene klasse, die wel onderscheiden is van
de Bayaderen, maar niet minder verdorven. Zij dragen op
de dij het teeken van Lingam."
Zoo was de gewijde prostitutie in Indië en het gebruik
dat, sedert de meest verwijderde eeuwen, de priesters ervan
wisten te maken in naam van de goddelijke aanschouwing
der volken !
Wij zullen dezelfde priesters in andere landstreken terug-
vinden, de menschelijke schepsels weder in den helschen
cirkel drijvende der zinnelijke gedrochtelijkheden, hen ver-
stompende door hun leugenachtige fabelen, de mannen ver-
liederlijkende en de maagden onteerende, van prostitutie
en corruptie levende, tempels stichtende voor hun losban-
dige afgoden, te hunner eere priester spelende en in hun
naam goud eischende voor hun praal, de noodige gehoor-
zaamheid aan hun trots en de vrouwen onmisbaar voor hun
wulpschheid.
-ocr page 25-
DE PROSTITUTIE IN KLEIN-AZIE.
§ 1. Eerediensten van Phallou, Baiil-Péor,
Moloch, Atis en Adonis.
Onder de namen Phallou, Baal-Péor, Moloch, Atis en Adonis
zullen wij den eeredienst van Lingam met weinig onder-
scheid bij de Assyriërs de Chaldeën, de Canaanieten en de
Pheniciërs terugvinden.
Phallou werd voornamelijk te Hiëropolis aan de boorden
van den Eufraat vereerd. Daar stond een uitgestrekte tem-
pel, van een ongehoorden rijkdom, voor welks portiek zich
twee Phallous van 170 voet hoogte verhieven, met het op-
schrift, dat zij door een Assyrischen god ter eere van zijn
schoonmoeder opgericht waren.
De tempel van Baiil-Péor of Belphegor was op den berg
Péor gelegen; van wien hij zijn naam ontleende: bij de
Chaldeërs beteekende Baal heer.
Moloch was de mannelijke afgod van de Moabieten, de
Syriërs, Lydiërs en Ammonieten. Zijn bronzen standbeeld
stelde in kolossale afmetingen een man voor met een stie-
renkop; het hield de armen uitgestrekt om de offeranden
van allerlei aard te ontvangen, die de ingewijden in de even
reusachtige openingen neerlegden, die in zijn buik gemaakt
waren. De slachtoffers, die dus Moloch aangeboden werden,
waren gewoonlijk huisdieren, maar somtijds ook kinderen.
Het voetstuk van het standbeeld rustte op een verbazend
groot, fornuis, dat men ontstak, om de slachtoffers by een
-ocr page 26-
- 26 -
barbaarsche door de priesters der godheid uitgevoerde mu-
ziek te verbranden.
Zoodra de plechtigheid begon, en het metaal van het
standbeeld gloeiend werd, gingen de geloovigen er om heen
dansen onder het uitstooten van wilde kreten, terwijl zij
zich aanstelden als waanzinnigen. Daarna pleegden zij, op
een gegeven oogenblik, de meest schaamtelooze pederastie.
De mysteriën van den eeredienst van Baal-Peor waren,
op de slachtoffers na, geheel gelijk aan die van Moloch. De
god was aan de Midianieten voorgesteld nu eens door een
reusachtig mannelijk lid, dan weer door een tweeslachtig
standbeeld. Zijn tempel werd voor alle losbandigheid van
mannen en vrouwen gebruikt en ook voor de prostitutie
der jeugdige meisjes, die den god haar maagdelijkheid moes
ten afstaan, zoodra zij huwbaar waren.
Volgens de beschouwingen van de archeologen en de toe
lichtingen van de Kerkvaders aangaande de mysteriën van
Baal, herkent Pierre Dufour als grondslag van zijn eeredienst
de gewijde prostitutie. En betrekkelijk de acolieten van de
priesters van den god, voegt hij er aan toe: „het waren
schoone jongemannen zonder baard, die zich de huidharen
uittrokken en het lichaam met welriekende oliën wreven,
om er in het heiligdom een schandelijken ontuchtigen han
del mede te drijven. De vulgata noemt hen verwijfden {ef-
feminati)
; in het Hebreeuwsch noemde men ze Kedeschim,
d. i. heiligen of gewijden. Hun gewone rol bestond in het
min of meer werkdadig uitoefenen der schandelijke myste-
riën: zjj verkochten zich zelf aan de aanbidders van hun
god, en legden op het altaar het salaris van hun prostitutie
neer. Dit is evenwel nog niet alles, zij hadden honden op
dezelfde schanddaden afgericht, en de onreine opbrengst, die
zij uit den verkoop of verhuur dezer dieren trokken, voegden
zij ook als den prijs van den hond bij de inkomsten van den
tempel. Eindelijk vielen priesters en gewijden elkander met
messen aan, en overdekten elkander met insnijdingen en
weinige diepe wonden b\\j zekere plechtigheden, die \'s nachts
-ocr page 27-
— 27 —
in het diepst der heilige bosschen gevierd werden, terwijl
de starren heur gelaat schenen te bedekken en zich uit
schrik te verbergen ; dan vielen zij verhit door de verdorven-
heid en opgewekt door hun muziekinstrumenten door elkan-
der in plassen bloeds."
„De verwijfden," zegt dezelfde schrijver, „vormden eene
sekte, die hare kerkgebruiken en inwijdingen had, en waarvan
de oorsprong klaarblijkelijk zich aan de rijke verscheidenheid
vastknoopt van verschillende schandelijke ziekten, die het
bloed der vrouwen vergiftigd hadden, en de gemeenschap
met haar zeer gevaarlijk maakten: melaatschheid, bloed-
vloeiing en allerlei andere soorten.
„Niettegenstaande dit voegde men aan de verwijfden, om
de inkomsten van den eeredienst te vermeerderen, een ver-
eeniging van vrouwen toe, die zich ten voordeele van het
altaar prostitueerden. Deze vrouwen, Kedeschott genaamd,
hielden onder kakelbonte tenten in den omtrek van den
tempel van Baal verblijf; zij maakten zich gereed tot de
prostitutie door reukwerken te branden, liefdedranken te
bereiden en op de muziek te spelen."
Na het tijdperk der gewijde prostitutie, vinden wij dezelfde
vrouwen terug, zich aan de wettelijke prostitutie overge-
vende, waarin zij sedert hare kindsheid geoefend waren.
De eeredienst van Baal-Péor, Moloch, Astarte en andere
gelijksoortige godheden, waarvan de naam alleen veranderde
naar het land, bestond dus in de prostitutie der vrouwen
en der mannen, en in het bedrijven van pederastie. Het
was hetzelfde in Egypte in de mysteriën van Isis en Osiris;
maar het moet gezegd worden, dat deze onreine ongebonden-
heid der zinnen vooral de geliefkoosde ondeugd der Pheni-
ciërs, Syriërs en Lydiërs was, die haar in alle landstreken,
die zij bezochten, verspreidden. De apostel Paulus van deze
volken sprekende, schreef: „hun lichaam was vol lusten.
God liet hen over aan de ontucht, opdat hun lichamen ont-
eerd zouden worden." Evenals de vrouwen tegennatuurlijke
genoegens in de plaats stelden van het natuurlijk sexueel
-ocr page 28-
— 28 -
genot, zoo begeerden de mannen, de samenleving met vrou-
wen opgevende, individuen van hun geslacht en deden zy
met hen schandelijke dingen. De bijslaap volgens de wetten
der natuur behoorde in Azië tot den eeredienst van Venus,
maar de pederastie maakte er ook deel van uit.
Deze prostitutie van den man was de oorsprong van
de ontmanning bij de Oosterlingen. Lucius zegt het
zeer duidelijk in deze passage (l): „Toen men nog
onder de zeden van den ouden tijd leefde, ontzag men nog
de deugd, de dochter der goden, men hield zich aan de
wetten der natuur en zij, die op een betamelijken leeftijd
huwden, brachten krachtige kinderen voort. Van lieverlede
zocht men, van het verheven gebied der zedeleer in den
afgrond der losbandigheid afdalende, de geslachtsgenietingen
te voldoen langs schandelijke en dierlijke wijze. De verdor-
venheid verspreidde zich overal, en men trad de wetten der
natuur met voeten. Er werd een man gevonden, die het
eerst zijn gelijke nam in plaats van een vrouw en op wien
hij, hetzij door geweld of door list, zijn beestelijkheid beging ;
aldus paarden twee individuen van hetzelfde geslacht op
dezelfde slaapstede, en hadden zij geen schaamte over het-
geen zij deden, of hetgeen met hen gedaan werd. Op een
dorre rots zaaiende, zooals men zegt, oogstten zij veel schande
en veel kwalen voor weinig genoegen. Eenigen gingen zoo-
ver in de laatste verstomping van dit verworpen leven, dat
zij zich met het staal de deelen afnamen, die hun het ka-
rakter van een man gaven, en dachten het toppunt van hun
wellustige schande bereikt te hebben, door zich van de
teekenen der mannelijkheid te berooven. Maar, terwijl zij
hun toestand als jonkman wilden verlengen, bleven zij niet
lang mun maar werden een type gelijkvormig aan een
twijfelachtig geslacht, dat hen weldra het kenmerk van hun
oorspronkelijke natuur deed verliezen ; zij wisten zelf niet
meer, tot welk geslacht zy\' behoorden. De kracht der jeugd
(1) Amores, Cap. 20—21.
-ocr page 29-
— 29 —
putte hen des te sneller uit; en terwijl men ze nog onder
de aankomende jongelingen rekende, waren zij reeds grijs-
aards; er bestond voor hen geen tusschen-leeftijd. Aldus
leidde de wellust, het eene genoegen in het andere zoekende,
en steeds drijvende naar hetgeen het schandelijkst en het
meest verdorven was, tot een niet te erkennen ondeugd,
zoodat hun geen enkele soort van genieting onbekend bleef."
Die losbandigheid der mannen en vrouwen, welke zich aan
den eeredienst der Oostersche goden overgaven, heeft niet
nagelaten bij hen een zeker getal aandoeningen der geslachts-
organen te veroorzaken, die moeilijk zijn te specificeeren,
maar waarvan men noch het bestaan, noch den oorsprong
kan betwisten. Herodotus spreekt ervan bij den inval der
Scythen in Azië en hun verblijf in Syrië; zij keerden naar
hun land terug met een door ziekte ontstaan gebrek, dat
zij in hun betrekkingen met de Syriërs opgedaan hadden;
een gebrek, dat de legende als een wraak van Mylitta be-
schouwde, van wie zij den tempel te Ascalon geplunderd
hadden. Er wordt nog melding van gemaakt in een passage
van den geschiedschrijver Eusebius Pamphilius, de beschrij
ving betreffende van den tempel van Venus op den berg
Liban. „Daar bestond," zegt de schrijver, „een school van
ontucht voor de losbollen, die er hun lichaam op alle wijzen
onteerden ; verwijfde mannen loochenden er hun natuurlijke
waardigheid, en zij vereerden als godheid de ondeugd, waar-
mede zij aangedaan waren. Er hadden buitendien tusschen
vrouwen onderling een wulpsche bijslaap en omhelzingen
plaats, die niet geoorloofd zijn ; er werden bovendien schan-
delijke en eerlooze daden gepleegd, als in een plaats, waar
God noch gebod heerscht."
De schrijvers hebben ons de namen van enkele andere
ziekten nagelaten, die den mond en de geslachtsdeelen aan-
deden : morbus phenicus, scelerata lues, enz., namen, die dui-
delijk een venerischen oorsprong, een besmettelijk karakter
verraden, en die men beschouwen kan als de grondslagen
van de Syphilis. Evenwel was de ziekte der Scythen, de-
-ocr page 30-
— 30 -
Nosos rhailcia, volgens zekere uitleggers en volgens Rosen-
baum in het bn\'zonder, geen besmettelijke venerische ziekte,
maar een verzwakking der manbaarheid door den harts-
tocht der passieve pederastie teweeggebracht.
Er kan dus geen twijfel bestaan over dezen toestand der
prostitutie van den mensch in de oudheid: de afgod van
den tempel van Amathonto was trouwens vertegenwoordigd
door een standbeeld van een gebaarde vrouw, met de ken-
teekenen van een man en in vrouwenkleeren; terwijl hij te
Paphos ter eere van de godin van Cipris voorgesteld werd
in den vorm van een eenvoudigen wit steenen kegel.
§ II. De Aziatische Vernissen.
De Assyrische Venus droeg den naam van Mylitta of
Milidath, dat, volgens Scaliger, genitrix beteekent, want er
lag in haar het denkbeeld van een wezen, dat de oorsprong
van alle anderen was. De Perzen noemden haar Mitha en
de Arabieren Alitta, zooals Herodotus en Selden aanduiden.
Volgens den abt de la Chau werd zij door de Chaldeërs on-
der den naam van Delephat, door de Babyloniërs onder dien
van Salambo, door de Saracenen onder dien van Cabar aan-
gebeden. In Syrië en in Phenicië noemde men haar Astarte
of Assera; in Armenië, Anaïtis of Anais. Te Askalon en te
Joppe was zij Derceto. Deze werd in de gedaante van een
vrouw voorgesteld, wier onderste lichaamshelft in een visch-
staart eindigde.
In beginsel was Mithra of Militta niets anders dan de
hemelsche Venus of de liefde als de oorsprong van de voort-
teling. In verscheiden Oostersche dialecten beteekent Mithra
inderdaad licht en liefde. Volgens Heiodotus namen de Per-
zen dezen eeredienst van de Indiërs over, en brachten zij
dien weder bij de volken van Cilicië over.
-ocr page 31-
— 31 —
De Hammer beschouwt Mithra als de genius van de zon.
Ized. De naam van dezen genius, is Mihr; en dit woord
beteekent in het Perzisch nog Ized, de zon en de liefde.
In Chaldea nam de eereJienst van Mylitta zijn oorsprong
en vandaar verspreidde hij zich bij de naburige volken. Hij
vestigde overal den godsdienstigen vorm der prostitutie en
ontaardde weldra in schaamtelooze losbandigheid, die in
het openbaar plaats greep, midden in de tempels, voor de
godin opgericht. Herodotus, de vader van de historische
overlevering heeft ons omtrent de gebruiken ingewijd van
den eeredienst van Mylitta, die kenteekenen, wat men on-
der den naam van gewijde prostitutie verstaat. Hij zegt:
„De dochters van Babyion zijn verplicht zich eens in haar
leven voor geld aan een vreemden man over te geven in
den tempel van Mylitta. Vrouwen van aanzien laten zich
voor den tempel brengen in overdekte wagens, daar zij door
den hoogmoed, dien haar rijkdommen haar inboezemen, een
tegenzin hebben met de anderen verward te worden. Daar
gaan zij zitten, terwijl zij een groot aantal bedienden ach-
ter zich hebben, die haar beschermen tegen de aanrakingen
der priesters. Maar het meerendeel neemt in de omstreken
van den tempel plaats met een bloemenkrans op het hoofd.
Men ziet," zegt de geschiedschrijver, „in alle richtingen lanen
door gespannen koorden gescheiden ; de vreemdelingen wan-
delen in die lanen en kiezen de vrouwen, die hen aanstaan.
Als een vrouw in deze plaats gekomen is, kan zij niet heen-
gaan voor eenig vreemdeling gemeenschap met haar gehad
heeft buiten het heiligdom, en haar geld gegeven heeft met
de woorden : Ik roep de godin Mylitta aan. Hoe gering de
som ook zij, zal zij toch niet geweigerd worden, daar de
wet dit verbiedt, want dit geld is nu heilig. Zij volgt dus
den eerste, die haar geld toewerpt, en het is haar verbo-
den iemand af te wijzen. Als zij zich dan gekweten heeft
van hetgeen zij der godin schuldig was, gaat zij naar haar
huis terug. Daarna kunnen noch beloften, noch giften, hoe
groot ook, haar weder in de armen van een vreemdeling
-ocr page 32-
— 32 —
voeren. Zij, die een elegante taille en schoonheid deelachtig
zijn, verblijven gewoonlijk niet lang in den tempel, maar
de leelijken blijven er deste langer, omdat zij niet aan de wet
kunnen voldoen. Er zyn er zelfs, die daar drie of vier jaar
blijven (»)."
De wijsgeeren en geschiedschrijvers hebben den oorsprong
opgezocht van deze gewoonte om de maagdelijkheid der
vrouwen aan den meest onzedelijken handel met vreemde-
lingen over te leveren, een gewoonte, die niet alleen bij de
Babyloniërs bestond, maar ook bij alle volkeren van Klein-
Azië, die den eeredienst van Mylitta kenden. Men heeft de-
zen vorm van gewijde prostitutie toegeschreven aan de ge-
loofsleer, bij alle oude volken van Azië verbreid, dat de
eerstelingen van alle dingen aan de godheid gewijd moeten
worden en dat, bygevolg, de maagdelijkheid der vrouwen de
godin der liefde moest toekomen. Maar, bijaldien dit een
godsdienstig werk was, waarom noodigde men dan bij deze
plechtigheid vreemdelingen, die langs officieusen weg ver-
wittigd werden, dat zij geld moesten geven aan de meisjes,
die hun hare maagdelijkheid aanboden ?
Men heeft ook, om de ontmaagding der Oostersche meis-
jes uit te leggen, het denkbeeld geopperd van de onreinheid
van het bloed, dat na het verbreken van het maagdevlies
vloeit. Maar dit is een verklaring, die nooit door een authen-
tieken tekst bewezen is geworden. Indien volgens de gods-
dienstige leerstellingen het bloed van den eersten bijslaap
werkelijk als onrein werd beschouwd, waarom belastten de
priesters zich dan met het werk voor de personen van aan-
zien (a). Waren er overigens niet de Phallou en andere Pria-
pen van hout, bestemd om het maagdelijk vlies te verbreken ?
Onze meening is, dat het voor alles een geldquaestie gold,
(1)  Herodotus, Lib T § 199.
(2)  Sonnerat vertelt in zijn Voyagê mix lndes orientalea, dat de koning
van Calicut aan zijn hoofdpriester 500 kronen betaalt, om bij zijn vrou-
wen den Venusgordel te ontknoopen.
-ocr page 33-
— 33 —
en dat de vreemde kooplieden, die in de havensteden woon-
den, deze maagdelijkheid ruim betaalden, die dus onder de
voornaamste inkomsten van de tempels en van de arme
huisgezinnen gerekend werd. Men vindt er het bewijs van
in de huwelijksplechtigheden van zekere stammen : „Bij de
Nasamons, een volksstam van Lydië/\' verhaalt Herodotus,
„staat de bruid den eersten nacht van haa,r huwelijk hare
gunsten aan alle gasten toe, en ieder geeft haar iets cadeau,
wat hij van huis meegebracht heeft (\')• De handel der maag-
delijkheid heeft sinds langen tijd aan meisjes een uitzet
bezorgd, dien zij niet bezaten. De anderen der bevoorrechte
klassen, hadden de hulpbron in den tempel der godin sla-
vinnen te onderhouden, die, bekend onder den naam hiéro-
dules permanentes,
zich belastten voor haar de schatting van
de gewijde prostitutie aan te zuiveren.
Zoo verloor Venus haar karakter van godin der voortte-
ling, om de beschermster te worden van ontuchtige liefde.
De tempels en de bosschages hielden op de plaatsen te zijn,
waar de twee seksen zich vereenigden met het doel der
voortteling, en eindigden met plaatsen van losbandigheid
te worden, de offeranden waren niets meer dan de schatting
aan de prostitutie betaald; de tempels werden werkelijke
publieke huizen, waarin de priesteressen van Mylitta of
van Astarte de rol van officieele prostitué\'s vervulden onder
de oogen der priesters en den dekmantel van den godsdienst.
Buitendien was de prostitutie der maagden slechts het
voorspel van die der vrouwen, en zoo werd ook de tempel
van Mylitta te Babyion te klein, om al de aanbidders van
de godin te bevatten; maar er was om dezen tempel een
uitgestrekte omwalling, die deel ervan uitmaakte en die
tempeltjes, boschjes, vijvers en tuinen omvatte; dat was
het veld der prostitutie, zegt Pierre Dufour. De vrouwen,
die er zich aan overgaven, bevonden zich op een gewijd
terrein, waar het oog van een vader of echtgenoot haar
(1) Herodotes, Lib. N Cap. 172.
3
-ocr page 34-
— 34 —
niet kwam verontrusten. Herodotus en Strabo spreken niet
van het aandeel, dat de priesters zich voorbehielden, in de
offeranden der vrome aanbidsters van Mylitta; maar de pro-
feet Baruch toont hen ons als lieden, die zich niets onthielden.
De gewijde prostitutie bracht snel de ontaarding dei-
zeden in Babyion. Deze uitgestrekte stad met millioenen
inwoners werd aan de meest ongelooflijke uitspattingen
overgeleverd. Quintus-Cursius heeft in zijn Geschiedenis van
Alexander den Grooten
het tafereel geschilderd der losban-
digheid van de groote Assyrische stad: „Er was niemand
meer verdorven dan dit volk," zegt hij, „niemand meer
geleerd in de kunst der vermaken en van den wellust. Va-
ders en moeders duldden, dat hunne dochters zich voor geld
prostitueerden aan hunne gasten, en de mannen waren
niet minder toegevend ten opzichte van hunne vrouwen.
De Babylcniërs gaven zich vooral aan dronkenschap over
en aan de ongeregeldheden, die daarvan het gevolg zijn. De
vrouwen, die aan hun feestmalen deelnamen, ontdeden zich
van haar bovenkleeding en vervolgens stuk voor stuk van
het overige, langzamerhand de schaamte afschuddende, tot
zij geheel naakt waren. En dit waren geen publieke vrou-
wen, die zich zoo vergaten ; het waren de aanzienlijkste
vrouwen zoowel als hare dochters."
De eeredienst van Mylitta draalde niet, zich over geheel
westelijk Azië uit te breiden, in alle landen het beginsel
der gewijde prostitutie met zich voerende en het geheim
der openbare losbandigheid, die de volken met geestdrift
onder een verschillenden naam en met eenige wijzigingen
naar hunne bijzondere gewoonten aannamen.
In Armenië, bij voorbeeld, had Anaïtis een tempel, waar-
van de bijgebouwen bestemd waren voor de jonge meisjes
van het land, die zich aan den eeredienst wijdden. De vreem-
delingcn werden in dit serail toegelaten, waar hun tegen
eene vergoeding de gunsten der Armenische meisjes wach-
tende waren. Strabo voegt er aan toe, dat men zooveel
mogelijk zorg droeg, den leeftijd, het voorkomen en den
-ocr page 35-
- 35 -
maatschappelijken stand der minnenden passend bijeen te
voegen, om aan Anaïtis te behagen. Als zij een zekeren
tijd in den tempel doorgebracht hadden, gingen de ouders
hun dochters terughalen en huwelijkten zij haar des te ge-
makkelijker uit, als zjj meer geluk gehad hadden in haar
werkkring van priesteressen der liefde.
"Wij weten, dat in Syrië en in Phenicië de godin den naam
van Astarte of Assera droeg; evenzoo nam Phallou dien
van Adonis, haar minnaar, aan, die het mannelijk element
vertegenwoordigde, en van wien de eeredienst aan vrouwen
werd voorbehouden, totdat Astarte in hare standbeelden de
dubbele geslachts-kenteekenen van den man en de vrouw
aangenomen had. Op de nachtelijke feesten van de goede
godin
nam de prostitutie een karakter van priapismus en
van nymphomanie aan, die onmogelijk te beschrijven zijn.
Mannen en vrouwen vermomden zich en gaven zich bij de
akkoorden der muziek en der trommen aan alle wulpsche
buitensporigheden over in tegenwoordigheid der priesters,
die zelf de plechtigheden bestuurden.
Bij de rouwfeesten van Adonis waren alle vrouwen ge-
houden zich de haren te laten afsnijden, of zich een dag
aan vreemdelingen over te geven ter eere van de godin en
voor het beeld van den god, dat bij die gelegenheid omhan-
gen was met een ontelbare menigte phalli van verschil-
lende grootten. Zij gaven zich aan dien schandelijken han-
del over, zegt Lucius, zoo dikwijls men haar wilde betalen,
en al het geld, dat deze openbare prostitutie opbracht, werd
voor de offeranden gebruikt, die Anaïtis aangeboden werden.
Deze eeredienst, die de wulpsche genietingen vergodde»
lijkte, had zich geleidelijk over al de landstreken van de
oude wereld verspreid; hij was door de Phenicische koop-
lieden, die handelsbetrekkingen hadden met de steden van
het Oosten, medegebracht. Wij vinden hem terug in Pontus,
te Zila, te Comones, te Sidon, te Askalon, in het gebied van
Carthago en in het algemeen over al de bewoonde kustlan-
den der zee. Overal richtte men voor de Venus van het
-ocr page 36-
— 36 —
land tempels op, voor welke men zorgde, ze op hoogten in
het gezicht van de zee te plaatsen, om aan de zeevarenden
het verblijf der godin aan te wijzen, waar hun jonge doch-
ters wachtten, die haar voorbereidingstijd der liefde voor
haar huwelijk hadden te vervullen en die een bruidsschat
moesten verdienen, welke door weinig nauwgezette echtge-
nooten met graagte aangenomen werd.
Bij de Lydiërs kon men het eerst de prostitutie haar ge-
wijd karakter zien verliezen. De uitspattingen der meisjes
en vrouwen hadden slechts het geld, dat zij er mede ver-
dienden, tot doel. Macrobius en Athénéus hebben het verhaal
der wellustige zeden van de Lydiërs geschreven, hetwelk
door Pierre Dufour in de volgende bewoordingen weergege*
ven wordt: „Zij hadden in hunne legers een menigte dan-
seressen en vrouwen, die muziek maakten, en bovendien
wonderlijk bedreven waren in de kunst van den wellust.
De muziek werd toen de prikkel tot losbandigheid, en er
werd geen groote maaltijd gehouden, waarop dronkenschap
en uitspattingen op de akkoorden der instrumenten, on-
tuchtige zangen de wulpsche dansen der lichtekooien niet
uitgelokt werden. Dit schandelijk tooneel, dit voorspel van
een breidelooze zwelgpartij, spaarden de oude Perzen zelfs
niet aan de blikken hunner wettige vrouwen en dochters,
die op het feest ongesluierd en met bloemen getooid plaats
namen. Verhit door den wijn, opgewekt door de muziek
en overspannen door de wellustige pantomime der tooneel-
kunstenaressen verloren deze maagden, deze huismoeders
weldra alle ingetogenheid, en met den beker in de hand
namen zij de schandelijkste uitdagingen aan, wisselden of
lokten die uit in tegenwoordigheid van haar vaders, mannen,
broeders en kinderen. Leeftn\'d, geslacht en stand werden
onder den invloed van een algemeenen roes dooreengemengd ;
de zangen, kielen en dansen namen toe. Een afschuwelijke
wanorde maakte zich dan van de feestzaal meester, die
een schandelijk dictérion werd. Het banket en de wulpsche
entre-actes duurden, totdat de dageraad het licht der toort-
-ocr page 37-
— 37 -
sen deed verbleeken en dat de gasten halfnaakt door elkan-
der op hun zilveren en ivoren bedkoetsen in slaap vielen."
Herodotus heeft vrij lang uitgeweid over de wettige pro-
stitutie der Lydiërs. Om de levenswijze hunner dochters te
schilderen, heeft hij zich van woorden bediend, die voor
geen dubbelzinnige uitlegging vatbaar zijn, en die Heine
vertaald heeft door: Deze meisjes oefenen haar beroep hori-
zontaal liggend uit.
Abrabo heeft hetzelfde gezegd van de
Armenischen. En wat de Pheniciërs aangaat, heeft de H.
Augustinus, volgens Anthénagoros, gezegd: Veneri etiam
Phcenices donum dabant de prostitutione fdiarum, antequam,
jungerent eas viro.
Zoo is de geschiedenis der prostitutie in Westelijk Azië
volgens de geschreven gedenkschriften. De getuigenissen der
schrijvers zullen in het hoofdstuk, dat voornamelijk aan de
werken der archeologen betreffende de prostitutie der Oud-
heid gewijd is, versterkt worden door die der zinnebeeldige
gedenkteekenen.
-ocr page 38-
DE PROSTITUTIE IN EGYPTE.
De eeredienst Tan Priapus, van Isis en Tan Osiris. (\')
De priesters van het oude Egypte leerden, dat Osiris, de
Zon, in de lente, als zij het leven aan de natuur en de
vruchtbaarheid aan de aarde en de dieren teruggeeft, in het
sterrenbeeld van den Stier gaat. Osiris moest dus, in de te
Mefnphis gesproken taal, als zinnebeeld dat van den Stier
hebben ; en Isis, de aarde, dat der Koe. Aan het woord Apis
het\' voorvoegsel pre toevoegende, dat op een heilige zaak
wijst, verkreeg men priapus, dat op de gewijde geslachts-
deelen van Osiris doelt. Deze verklaring wordt er door Du-
laure van gegeven, en berust op een langdurigen weten-
schappelijken arbeid, die te lang zou zijn, om medegedeeld
te worden. Herodotus zegt overigens, „dat de Egyptenaren
menschelijke gedaanten verzonnen hadden, aan welke zij
geslachtsdeelen toevoegden, die zoo lang als het beeld wa-
ren en dat deze alle maat te buiten gaande priapus, die van
een Stier was."
De abt Mignot denkt volgens zijn navorschingen over de
godsdienstige oudheden der Assyriërs en der Pheniciërs, dat
de eeredienst van Priapus oorspronkelijk is uit Assyrië en
Chaldea, waar hij bekend was onder den naam van Phallou.
(1) De Grieken hebben de Egyptische namen Iseth en Osireth in Isis
en Osiris veranderd.
-ocr page 39-
— 39 —
Uit dit land zou hij in Egypte gekomen zijn, waar hij tot
de 4e eeuw van onze tijdrekening voortbestond.
Bh\' de feesten van Osiris droeg men een Priapus in pro-
cessie door de velden, om een overvloedigen oogst te ver-
krijgen ; de priesters deden hem bewegen door middel van
een veer, die door een koord gespannen was. Deze plechtig-
heid werd in 1787 aan den Congo door de Grandpré weer-
gevonden ; Plutarchus had er in de volgende regels melding
van gemaakt: „Men vierde de geboorte van den god Osiris
op de lente-nachtevening. Men voerde zijn beeld rond, waar-
van de phallus driemaal de lengte van het lichaam had ;
want deze god is het beginsel der voortteling, enelkbegin-
sel vermenigvuldigt door zijn voortbrengende kracht al, wat
van hem uitgaat.
De Egyptische vrouwen moesten zich ook, zegt Herodotus,
voor den nieuwgekozenen stier Apis in het openbaar ontklee-
den, want deze eer, die zij den vertegenwoordiger van den
god bewezen, moest haar voor onvruchtbaarheid vrijwaren.
Met hetzelfde doel droegen zij ook, zooals Michel Montaigne
zegt, amuletten, die den vorm van een priapus hadden:
„de Egyptische dames droegen er om den hals, voortreffelijk
uit hout gesneden, groot en zwaar, een elk naar hare kracht
;
terwijl het beeld van haar god er een te aanschouwen gaf, die
in grootte het overige van het lichaam overtrof."
Om deze zeden te begrijpen, moet men zich rekenschap
geven, dat het eerste godsdienstige gevoel der menschen,
toen zn\' zich uit den staat van wilden ophieven, de aan-
bidding was der geheimzinnige machten, die tot de voort-
planting van de soort strekken. Zij aanbaden de zon; en
door al de volken der oudheid werd de zon als het beginsel
van het vuur beschouwd; het vuur als het beginsel van
de voortplanting; en de geslachtsorganen als het zinnebeeld
van de godheid, die de natuur bevrucht. Al deze denkbeelden
vermengen zich en geven aan dezelfde eerediensten het
ontstaan.
vDe godsdienstige prostitutie werd in Egypte doordeChal-
-ocr page 40-
— 40 —
deeërs en door andere volken van Westelijk Azië ingevoerd (\').
Het vurige gestel der Egyptische vrouwen leende er zich
overigens evengoed toe als hare onverzadigbare inhaligheid,
en hare verbreiding strekte zich des te gemakkelijker uit,
daar zij in de priesters machtige en rechtstreeks belang-
hebbende bondgenooten vond. Deze vergoddelijkten dus de
zon of Osiris, als den vertegenwoordiger van het manlijke
geslacht en de aarde of Isis, als het beginsel der vrouwln\'ke
natuur. Bij deze plechtigheden, zegt Pierre Dufour, droegen
de priesteressen der godin de zinnebeeldige wan, die het
graan en de zemelen ontvangt, maar die het eerste slechts
behoudt en het tweede uitwerpt. De priesters van den god
droegen het Sint Antonie\'s kruis of den sleutel, die de best
geslotene sloten opent. Dat kruis of dien sleutel stelde het
manlijk orgaan voor; de wan dat der vrouw. Men had nog
het oog, met of zonder wenkbrauwen, dat in de attributen
van Osiris naast den sleutel geplaatst werd, om de betrek -
king tusschen de beide seksen voor te stellen. Evenzoo
droegen bn\' de feesten van Isis onmiddellijk achter de
melkkoe, gewijde jonge meisjes, Cistophoren genaamd, den
bij de feesten van Ceres gebruikelijken korf, en bij haar
stond een priesteres, die in haar schoot een gouden urn
droeg, waarin de Phallus zich bevond, die volgens Apuleus het
aanbiddelijk beeld van de verhevenste godheid was en het
werktuig voor de meest geheime vermaken.
„De gewijde prostitutie moest bij een dergelijken eeredienst
de grootste uitbreiding hebben; maar zij was zeker, ten
minste in de eerste eeuwen, voor de priesters bewaard, die
er een van de meest winstgevende inkomsten voor hunne
altaren van maakten.
„Zij heerschte schaamteloos bij de inwijdingen, waartoe
men zich voorbereiden moest door wasschingen, rust en
(1) De Egyptenaren zijn van Aziatischen oorsprong. Door hun ken-
merkende eigenschappen evenals door hun taal waren zij verwant aan
de blanke bovolking van West-Azië. Maspero.
-ocr page 41-
0
— 41 —
vasten. De god en de godin hadden volmacht gegeven aan
dienaren, die er geheel stoffelijk gebruik van maakten.
Epiphanus zegt beslist, dat die geheime plechtigheden een
toespeling waren op de zeden der menschen voor de ves-
tiging der maatschappij. Het waren dus de gemengdheid
der seksen en al de uitspattingen van de grofste losban-
digheid."
De studie der geschreven en figuurlijke bewijsstukken
der geschiedenis van de oudheid laat geen twijfel meer
over aan de geloofwaardigheid van die buitensporige zeden.
Volgens Strabo werden de schoonste maagden den Egyp-
tischen god aangeboden, aan wien zij zich door tusschen-
komst van zijn priester moesten overgeven. Later huwde
men haar uit. Maar hierbij bepaalden zich de voordeelen voor
de priesters van Isis niet. Zij wijdden de nieuwelingen van
beiderlei kunne in de geheimen der buitensporigste losban-
digheid in bij plechtigheden, die om de tempels en in on-
deraardsche gewelven, die met het binnenste van den tem-
pel gemeenschap hadden, plaatshadden. Herodotus zegt, dat
alle jaren, gedurende de feesten van Isis, 700,000 pelgrims
zich lieten inwijden te Bubastis. Deze gewijde prostitutie —
men zou kunnen zeggen deze dwaasheid der gewijde wulpsch-
heid — was de bron van aanzienlijke inkomsten voor de
altaren der godin, inkomsten, die de priesters onder elkan-
der verdeelden; die, met uitsluiting van anderen, van de
godin de noodige macht ontleenden tot de inwijding in de
mysteriën.
In evenredigheid van de ontaarding der Egyptische ze-
den, die het noodlottig gevolg was der godsdienstige ge-
bruiken van den eeredienst van Orsis, werd de prostitutie
in zoo\'n mate alledaagsch, dat Ramses, om den dief teken-
nen, die hem een gedeelte van zijn schat gestolen had, zijn
eigen dochter liet prostitueeren in een ontuchtig huis, dat
door de ergste bandieten van zijn rijk bezocht werd, tegen-
over wie zij de rol van verspiedster speelde. Cheops, een
andere Koning, offerde insgelijks zijn dochter op, om zich
-ocr page 42-
- 42 -
de noodige fondsen te verschaffen voor de voltooiing van
de groote piramide. Herodotus deelt het feit als volgt mede:
„Door onberekenbare uitgaven voor een twintigjarigen arbeid
uitgeput, werd Cheops derwijze eerloos, dat hij zijn dochter
in een ontuchtig huis prijsgaf en haar beval, van haar min-
naars al het mogelijke geld te trekken; ik weet niet, tot
welk bedrag die sommen opliepen, de priesters hebben het
mij niet gezegd. Niet alleen volgde zij de bevelen van haar
vader op, maar zij zelf wilde ook een gedenkteeken achter-
laten. Zij verzocht dus aan allen, die haar kwamen bezoe-
ken, haar elk een steen te geven voor bouwwerken, die zij
ondernemen wilde. Met deze steenen, zeiden mij de pries-
ters, werd de piramide gebouwd, die in het midden van de
drie staat."
De archeologen kunnen, als zij de steenen van het mo-
nument tellen, aangenomen dat deze pyramide eene hoogte
van 147 meter heeft, zich rekenschap geven van het aan-
tal vorstelijke gunstbewijzen, die de dochter van Cheops
aan de onderdanen van haar koninklijken vader toestond.
De geschiedenis heeft ons de namen van vele beroemde
lichtekooien van Egypte bewaard en voornamelijk die der
stad Naucratis: laat ons Rhodopis aanhalen, die de piramide
van Mycerinus liet bouwen. Zij verwierf ter wille van
hare schoonheid verbazende rijkdommen van haar talrijke
minnaars, onder welke Charaxus van Mytilene, de broeder
van de befaamde Sapho, genoemd moet worden; na haar
was het Archidice, die haar gunsten op zoo\'n hoogen prijs
stelde, dat een fortuin noodig was, om ze te verwerven. In
de aanteekeningen van Larcher vindt men aangaande deze
vrouw de volgende anecdote: Een jonge Egyptenaar, die
slechts een middelmatig vermogen bezat en smoorlijk ver-
liefd op haar was, stelde voor een enkelen nacht harer
liefde, al wat hij bezat, te harer beschikking. Archidice wei-
gerde zijn aanbod. Onze verliefde smeekte in zn\'n wanhoop
Venus hem in den droom de gunsten toe te staan, die de
schoone hem in de werkelijkheid weigerde. Zijn wenschen
-ocr page 43-
— 43 —
werden vervuld, maar toen de inhalige lichtekooi de zaak
vernomen had, daagde ze haar smachtenden minnaar voor
de rechters, om betaling te eischen van den prijs van dezen
wellustigen droom. De magistraten zonden hen terug, zon-
der het geschil te beslechten, terwijl zij aan de schoone
Archidice wijselijk aanraadden, aan dezelfde godin te vragen,
haar in den droom het geld te laten zien, dat zij van haar
denkbeeldigen minnaar eischte.
De wettelijke prostitutie werd, zooals men ziet, ten allen
tijde in Egypte geduld en met dezelfde verdraagzaamheid
als de gewijde prostitutie behandeld. De Ptolomeüssen gin-
gen nog verder: zij begunstigden de beroemde lichtekooien
derwijze, dat zij haar, zooals Ptolemeüs Philadelphus deed,
zekere ambten aan het hof gaven. Het is dus niet te ver-
wonderen, dat deze Egyptische lichtekooien, met de bescher-
ming der Koningen eenerzijds en met de baatzuchtige
aanmoedigingen der priesters van den anderen kant, maar
bovendien met haar onvergelijkelijke talenten om de harts-
tochten op te wekken, de vermaardheid verkregen hebben,
die haar door alle geschiedschrijvers toegeschreven is.
Zij hadden evenwel eenige Grieksche lichtekooien tot me-
dedingsters, die groote geldelijke voordeelen verwierven bij
de Egyptische Vorsten, zooals wij in het hoofdstuk, aan de
lichtekooien van Athene en Corinthe gewijd, zullen zien.
Overigens hadden de koninginnen en prinsessen van Thebe
en Memphis geen afkeer van de prostitutie, en vonden zij
het zelfs zeer natuurlijk, voordeel uit hunne bekoorlijkheden
en koninklijke liefde te trekken. Zoo was koningin Cleopa-
tra even beroemd door hare schoonheid als door hare mis-
daden. Cesar betaalde haar gunsten, door haar den troon
van Egypte terug te geven, en Antonius verkreeg ze op
zijn beurt, door haar eenige Romeinsche provinciën in het
Oosten af te staan. Wat zou zij van Octavius geëischt heb-
ben, indien de overwinnaar van Actium erin toegestemd
had Cesar en Antonius op te volgen in de welwillendheid
van de dochter der Lagiden ?... Maar zij was reeds negen
-ocr page 44-
— 44 —
en dertig jaar oud en op dien leeftijd slaagt men zelden
erin, een overwinnend generaal te verleiden. Zij had dit wel
begrepen, toen zij haar borst aan den doodelijken beet van
de hoornslang overliet.
Men weet, dat er in het Oosten en voornamelijk in Egypte
een klasse van vrouwen bestond, die, evenals de Indische
bayaderen, een corporatie van danseressen, zangeressen en
toonkunstenaressen vormde. Dit waren de Almeën, van het
Arabische Almeh, dat geleerde wil zeggen. Hare zangen wa-
ren bovenal wulpsch en ofschoon zij bij familie-plechtighe-
den toegelaten werden, behoorden zij niettemin tot de klasse
der groote lichtekooien. Zij, die zich aan het volk vertoon-
den, werden Gawasi genoemd. Men kon de eene zoowel als
de andere zonder schande huwen : de zedeleer verzette er
zich niet tegen en de godsdienst evenmin.
Er werden trouwens geen feesten zonder haar gegeven,
geen partijen, waarvan zij het sieraad niet uitmaakten (*).
Savary voegt er bij :
„De lenigheid van haar lichaam is onbegrijpelijk. Men is
verwonderd over de beweeglijkheid harer gelaatstrekken,
aan welke zij naar willekeur de uitdrukking geven, die voor
de rol past, welke zij spelen. Dikwijls wordt de onbetame-
lijkheid harer standen tot het uiterste gevoerd. De blikken,
de gebaren, alles spreekt, maar op een zoo veelbeteekenende
wijze, dat het niet mogelijk is, zich te vergissen.
„Bij den aanvang van den dans leggen zij, tegelijk met
haar sluiers, de schaamte harer kunne af. Een lang dun
zijden kleed reikt tot aan haar hielen ; een rijke ceintuur
omsluit haar zacht; de lange zwarte haren hangen gevloch-
ten en welriekend over haar schouders; een als gaas door-
schijnend hemd verbergt ternauwernood haar boezem. Naar
gelang zij zich in beweging stellen, schijnen de vormen, de
omtrekken van haar lichaam zich achtereenvolgens los te
maken. De toon van de fluit, van de trom en der cimbaal
1) Savary, Voyage en Egypte.
-ocr page 45-
— 45 —
regelt haar passen en verhaast of vertraagt de maat. Woor-
den, voor deze soort scènes geschikt, wekken haar nog
meer op ; zij schijnen dronken : het zijn waanzinnige bacchan-
ten. Op zoo\'n oogenblik geven zij zich, alle ingetogenheid
vergetende, geheel aan de wanorde harer zinnen over." De
Hebreeuwen, voor wie door een lang verblyf in Egypte de
gewoonten van dat land een tweede natuur waren geworden,
hadden ook Almeën. Het schijnt dat zij te Jeruzalem evenals
te Caïro les gaven aan de vrouwen. Markus heeft een ge-
schiedenis bewaard, die bewijst welke macht de Oostersche
dans over het hart der menschen uitoefende:
Herodes-Antipas vierde zijn geboortedag met een kwistig
feestmaal, waarop hij de hoofden van het volk, de tribunen
en de vorsten van Galilea verzameld had. Terwijl de gas-
ten aan tafel zaten, kwam Salomé, de dochter van Herodias,
binnen en danste voor hen volgens de wijze van het land.
Het geheele gezelschap juichte de bevalligheid toe, die zij
ten toon gespreid had. De koning zwoer in verrukking, dat
hij haar geven zou, wat zij verlangde, al ware het de helft
van zijn rijk. Door haar moeder opgestookt, vroeg de jonge
Salomé het hoofd van Johannes den Dooper, en verkreeg het.
De Almeën wonen tegenwoordig nog de huwelijksfeesten
by ; zij gaan, op instrumenten spelende, voor de bruid uit.
Maar de voorname Almeën gaan slechts bij de vorsten en
bij de rijken en laten haar uitvoeringen duur betalen. Een
dichter heeft voor haar deze verzen geschreven, die slechts
een vrije vertaling zijn van de Oostersche ode:
Kom dan, hemelsche Almee.
Mijn welbeminde Houri;
Kom bij \'t vallen van den dag
Onder den ouden vijgeboom.
De zoete geuren en de zang van den Moor,
Fathma! Fathma! doen mij van liefde droomen.
De Almeën werden voor de rol afgericht, die zij in de maat-
schappij te vervullen hadden. Men koos ze uit de schoonste
-ocr page 46-
— 46 —
en edelste meisjes van het land. Salomé was de volle nicht
van Herodes en toch noemde men haar slechts onder den
naam van Salomé de danseres. Men gaf deze lichtekooien
een volledig onderwijs: de toonkunst, de zang en deletter-
kunde vormden den grondslag van haar opvoeding. Zy im-
proviseerden verzen, die slechts liefdezangen waren en niets
dan den hartstocht en wellust der zinnen ademden, de eenige
dingen wellicht, die men niet zeer noodig moest oordeelen,
in het program harer studiën opgenomen te worden — om
geleerd te worden in de kunst van Venus!
-ocr page 47-
DE PROSTITUTIE BIJ DE HEBREEUWEN.
De eeredienst van Haiil.
Met reden zegt A. Béraud, dat de prostitutie tot den oor-
sprong van de wereld opklimt en dat zij zich met de ge-
bruiken van de oudste godsdiensten ineenstrengelt.
Genesis toont ons Hagar, zich aan Abraham prostituee-
rende; de twee dochters van Lot aan haren vader, na hem
dronken gemaakt te hebben; terwijl Lea en Eachel hare
dienstmaagden aan Jakob prostitueeren; de bijzit van Ja-
kob, Bela, zich aan zijn zoon Ruben; en Thamar zich aan
haren schoonvader Judas prostitueert.
De Aartsvaders waren de eersten om het voorbeeld van
losbandigheid en van wulpschheid aan hun kinderen te geven.
Maar, toen zij onder geleide van Mozes Egypte verlieten,
waren de Hebreeuwen wel anders verdorven door den om-
gang, dien zij met de aanbidders van Isis en Osiris gehad
hadden. Gedurende de veertig jaren, die zij in de woestijn
doorbrachten, hadden zij betrekkingen met andere volken,
die nog dieper gezonken waren dan de Egyptenaren, want
allen waren in de eerediensten van Baal en Mylitta, de Azia-
tische goden, ingewijd.
Mozes begreep toen, hoe moeielijk het zou zijn, de verdor-
vene neigingen van zh\'n volk te keeren. Hii spande al zijn
krachten in, om in naam der dictatoriale en godsdienstige
macht, die hij beweerde van Jehovah te ontleenen, hun
neigingen tot losbandigheid, welke de eeredienst der afgo-
-ocr page 48-
— 48 —
den hun aanbood, tegen te gaan. Op den berg Sinaï zeide
hij hun : „Gij zult niet hoereeren, gij zult de vrouw van uw
buurman niet verlangen." In Exodus is hij weder verplicht
hun te zeggen : „hij, die vleeschelijke gemeenschap zal ge-
had hebben met een lastdier, zal met den dood gestraft
worden. Gij zult geen geslachtsgemeenschap hebben noch
met een man, noch met een vrouw, want dat is een gru-
wel. Gij zult met geen dier inwonen noch u daaraan be-
zoedelen, de vrouw zal geen hoererij plegen met een dier,
en zij zal zich met hetzelve niet vereenigen, want dat is
een wanbedrijf."
Den noodlottigen invloed voorziende, dien de Canaanieten
op de zeden zouden hebben, zeide hij in Leviticus, in naam
van zijn God: „Gij zult de dwalingen van deze volkeren
niet volgen, want zij hebben schanddaden gepleegd, die ik
u verbied. Gij zult uwe dochter niet prostitueeren, opdat
de aarde niet bezoedeld worde, noch vervuld van onrein-
heid." Sn in Deuteronomium: „er zullen geen hoeren zijn
onder de dochteren, noch boeleerders onder de zonen Israëls."
Daarentegen stond Mozes de wettige prostitutie met vreemde
vrouwen toe. Hij zelf gaf het voorbeeld door in onecht te
leven met eene Ethiopische. Met zijn wijze voorschriften
voor de Hebreeuwen had hij niet alleen ten doel, den gods-
dienst van Abraham te verdedigen, maar ook het Joodsche
ras, dat reeds gedeeltelijk ontaard was, te beschermen te-
gen losbandigheid. Hij verbiedt zoowel uit een hygiënisch
beginsel als volgens een wijsgeerig leerstelsel de samenle-
ving van een man met zijn bloedverwante, moeder of schoon-
moeder, zuster of schoonzuster, dochter, kleindochter of
schoondochter, tante van moeders- of vaders zijde, volle
nicht of halve nicht.
Dit is wel de veroordeeling van de vereeniging van bloed-
verwanten, die de volken ontaardt, welke er zich aan o ver-
geven.
Het is ook in naam der gezondheidsleer, dat de wet van
Mozes den bijslaap verbiedt met vrouwen in den tijd der
-ocr page 49-
— 49 —
maandelijksche zuivering, om de ziekten, die na dergelijke
vereenigingen de geslachtsorganen van den man aandoen.
„Die Jodinnen," zegt Pierre Dufour, „waren — hoe schoon
zij ook waren met haar groote zwarte oogen, met haar wel-
lustigen mohd met kersroode lippen en spierwitte tanden,
met haar lenige en goed gevormde taille, met haar vasten
en gevulden hals, met al de schatten van haar mollige
vormen — indien men Mozes gelooven wil, met geheime
ongemakken behept, die zekere archeologen der geneeskunde
als de kenteekenen van de venerische ziekte hebben willen
beschouwen."
Men kan evenwel het venerische karakter van de geheime
ongemakken
der schoone Jodinnen niet betwisten, als men
Hoofdstuk XV van Leviticiis leest betreffende de vloeiing, die
bij den man plaats heeft: Vir qui partitur fluxum seminis
immundus erit; et tune indicabitur huk vitio subjacere, cum
per singula momenta adheeserit carni ejus atque concreverit
fcedus humor.
Dit zijn wel de kenteekenen van de blennoragie, en het
was voor de mannen, die vloeiden, volgens de uitdrukking
der orthodoxe vertalers van den Bijbel, dat Mozes zoo ge-
streng de wasschingen en de zuivering van alle door hen
besmette kleederen bevolen had.
In weerwil van al deze door den wetgever genomen voor-
zorgen maakte de venerische ziekte dusdanige vorderingen
onder de Joden gedurende hun langzame omzwervingen
in de woestijn, dat Mozes gedwongen werd al degenen,
die ermede besmet waren, uit het leger weg te jagen. (Nu-
meri V.)
Met deze voorwaarden van vatbaarheid voor bijzondere
aandoeningen der geslachtsorganen kwamen de Hebreeuwen
in het beloofde land aan, dat door de aanbidders van Baal-
Péor, Moloch, Mylitta, Astarte en andere goden en godinnen
der gewijde prostitutie bewoond was. Reeds hadden zij, toen
zij door de landen trokken, die door de Moabieten, Ammo-
nieten en Syriërs bewoond waren, min of meer de zeden,
4
-ocr page 50-
- 50 —
de geloofsleer en de ondeugden van die verdorven volken
overgenomen. Een laatste maal beproefde Mozes hen te
beletten tot de afgoden der wulpschheid te gaan, waarvoor
zij een aanzienlijke aantrekking gevoelden. Hij zeide hun:
„Wie van de zonen Israëls van zijn zaad aan Moloch zal
gegeven hebben, zal met den dood gestraft worden; het
volk zal hem steenigen. Gij zult in den tempel van den
Heer het salaris van de prostitutie, noch den prijs van
den hond
offeren, welke ook de gelofte zij, die gij gedaan
hebbet, omdat deze beide dingen een gruwel zijn voor den
Heer, uw God."
De bedreigingen van Mozes waren, niettegenstaande zijn
verbod en de bestraffingen, tevergeefs.
De Hebreeuwen kenden den eeredienst van Baal en de
ongemakken, die er het noodlottig gevolg van waren. Zoo
zullen wij, als wij het oude testament opslaan, een kost-
baar bewijsstuk vinden voor de geschiedenis der prostitutie
en van de syphilis in de oude tijden :-
„Israël woonde te Sittim, waar hij zich weldra ging over-
geven aan de ontucht met de dochters van Moab.
„Zij noodigden het volk op de offerfeesten, hun goden aan-
geboden, en zij aten met haar en aanbaden dezelfde goden.
„En Israël kleefde Baal-Péor aan: toen liet de toorn van
Jehovah zich over hen gevoelen.
„En Jehovah zeide tot Mozes: Grijp al de hoofden
des volks en hang ze, om mijn verbolgenheid te stillen,
naar de zijde van de zon, opdat mp toorn zich van Israël
afwende.
„En Mozes sprak aldus tot de richteren Israëls: dat ieder
diegenen zijner lieden doode, die aan Baal-Péor verknocht zijn.
„En ziet een der zonen Israëls brengt een Midianitische
voor zijne broeders, welke op het gezicht van Mozes en van
de geheele vergadering begon te weenen.
„Waarop Pinchas, zoon van Eleazer, toen hij dit zag, op-
stond, een lans nam, de kamer binnenging, waarin de man
en vrouw waren, en hen beiden doodde.
-ocr page 51-
— 51 —
„Dus werd de plaag van de kinderen Israëls afgewend, na
23,000 menschen getroffen te hebben (\').
„De man van Israël, die gedood was geworden, heette
Simri, zoon van Salus, vorst uit een huis der Simeonieten ;
de naam der vrouw, die gedood was geworden, was Casbi,
dochter van Sur, hoofd van een stam der Midianieten.
„En Jehovah zeide tot Mozes: Doe den Midianieten den
oorlog aan en verdelg hen, want zij hebben er ulieden eene
door list aangedaan en zij hebben u bedrogen door Baal-
Péor en door de dochter van een vorst van Midian, hun
zuster, die gedood is geworden den dag, waarop Baiil-Péor
de plaag veroorzaakte.
„En zij trokken tegen Midian op, zooals Jehovah Mozes
bevolen had, en zij doodden al de mannen. De mannen Is
raëls namen de vrouwen der Midianieten en hunne troepen.
„En Mozes tegen de legerhoofden vertoornd, zeide hun :
gij hebt al de vrouwen laten leven ! Welnu! zij zijn het
juist, die op den raad van Bileam (*) de oorzaak geweest
zijn, dat de kinderen Israëls tegen Jehovah gezondigd heb-
ben, door aan Péor te offeren, en dat de plaag hen getrof-
fen heeft.
„En nu, doodt alle kinderen van het mannelijk geslacht
en alle vrouwen, die een man gekend hebben door den bijslaap.
Maar gij zult alle kinderen van het vrouwelijk geslacht laten
leven, die de mannen aldus niet kennen.
„En gij zult gedurende zeven dagen buiten het kamp
(1)   In zijn brief aan de Corinthiërs, Hoofdst. 10 vers 8, zegt Paulus:
Laat ons geen hoererij plegen, gelijk eenigen van hen deden, en waar-
voor 23,000 op een en denzelfden dag vielen.
(2)   Bileam was een toovenaar aan den persoon van Balak, Koning der
Moabieten, verbonden. Hij werd door zijn meester den Hebreeuwen te-
gemoet gezonden, die uit Egypte kwamen, en alle volken, die zij op hun
weg ontmoetten, schatting opleidden. Bileam had de opdracht hen door
zijn kunst te verdelgen; maar hij vergenoegde zich met hen tegemoet te
gaan en hun de gastvrijheid bij de Moabitische vrouwen aan te bieden,
wat hen ten verderve moest voeren.
-ocr page 52-
— 52 —
slapen, gij allen die mannen gedood hebt en de dooden
aangeraakt, en gij zult u den derden en den zevenden dag
van de zonde zuiveren, gij en uw gevangenen. En gij zult
al de kleederen zuiveren en al de lederen vaten, al wat
van geitenhaar vervaardigd is en al de houten gereed-
schappen.
„Daarna sprak de priester Eleazar aldus tot de soldaten:
dit is het bevel, dat Jehovah aan Mozes gegeven heeft.
Het goud, het zilver, het koper, het ijzer, het tin en het
lood, al wat het vuur doorstaat, moet door het vuur gaan;
men zal met water reinigen al, wat het vuur niet weer-
staat. En gij zult uw kleederen den zevenden dag wasschen,
en gij zult, gereinigd zijnde, in het leger kunnen weder-
keeren."
De genomene voorzorgen bleken waarschijnlijk onvoldoende
te zijn, want in een anderen tekst van het Oude Testament
is weder sprake van de ziekte van Péor:
„Was het niet genoeg, Péor aangebeden te hebben, dat
de oorzaak is der plaag, die het volk van Jehovah getrof-
fen heeft en waarvan wij nog niet gereinigd zijn.\' (\')
De verbreiding der ziekte geschiedde voornamelijk door
het Joodsche leger. Josephus, de geschiedschrijver en gene-
raal, van de sekte der Phariseeën, zegt zeer juist (a): „de
hoererij was toen door het geheele leger verspreid; er bleef
toen zelfs om zoo te zeggen geen spoor van de oude zeden
over. Het gevolg van de uitspattingen der Joden met de
dochteren Moabs was een besmettelijke ziekte, die zich
aan de bloedverwanten van den besmetten persoon mede-
deelde."
Het is klaarblijkelijk, dat deze besmettelijke ziekte slechts
een venerische kon zijn, daar zij, volgens de verordeningen
van Mozes, uit de geslachtelijke gemeenschap der Israelie-
ten met de Moabitische vrouwen voortkwam, zoodat slechts
(1)  Jozua. Hoofdst. 22 vors 17.
(2)  Antkjuitós» judaïques, Lib. IV. chap. 6.
-ocr page 53-
— 53 —
de samenleving met maagdelijke meisjes aan de Joden ge-
oorloofd werd. Nu moet de kwaal wel sterk gewoed heb-
ben, om door den grooten wetgever van het Hebreeuwsche
volk den moord van 23,000 krijgsgevangenen en het ter
dood brengen van al de vrouwelijke gevangenen (er waren
er 32,000), die gemeenschap met mannen gehad hadden, te
doen bevelen. Alleen de maagden werden gespaard.
Na deze venerische epidemie, gedurende welke door het
Joodsche volk de wetten der hygiëne verwaarloosd waren
geworden, gelastte Jozua, toen hij in het land van Canaün
aankwam, in naam van Jehovah de besnijdenis van alle
kinderen Israëls, een bewerking, die in den aanvang op den
berg Araloth door middel van steenen messen plaats had.
Niettegenstaande dit verdween de ziekte van Péor, die ken-
baar was aan onreine vloeiingen en zweren aan de ge-
slachtsdeelen, nooit geheel bij het Joodsche volk. De ziekte
werd, niettegenstaande de strengste verbodsbepalingen van
den godsdienst, door de prostitutie der vrouwen onderhouden.
Zij gaven zich niet evenals de Moabitische vrouwen in de
tempels over, noch prostitueerden zich als bij de andere
volken van Azië, volgens den eeredienst van Mylitta; maar
velen onder haar oefenden het beroep van publieke vrouw
uit, zooals verscheidene passages uit het Oude Testament
bewijzen. Volgens het Boek der Koningen (*) stonden er in
de nabijheid van den tempel te Jeruzalem hutten in den
vorm van cellen met de beelden van Astarte, waarin de
Joodsche meisjes zich ter eere der godin voor geld prosti-
tueerden.
Zooals men ziet, is het Hebreeuwsche volk, evenals alle
Oostersche volken, een der ijverigste verspreiders geweest
van de syphilis en de prostitutie in de oudheid. Deze ge-
volgtrekking kan niet betwist worden, niettegenstaande de
strijdige beweringen, die opgeworpen zijn, en de door den
(1) Boek der Koningen. II, Hoofdst. 17 vers 30.
-ocr page 54-
Joodschen godsdienst gestelde voorschriften ten aanzien van
de gezondheidsleer.
Talrijke documenten bewijzen inderdaad, dat de prostitu-
tie bij de Joden een algeheele vrijheid genoot en niet als
onteerend beschouwd werd. Jephta, die als opperbevelhebber
aan het hoofd van hun legers stond, was de zoon van een
lichtekooi en zonder zijn belangen te schaden, kon hij de
maagdelijkheid van zijn dochter aan Baal opofferen. Met re -
den dus hebben al de geschiedschrijvers bevestigd, dat de
„geesel der prostitutie, evenals de melaatschheid, het Jood-
sche volk bleef aankleven," niettegenstaande de gevaren,
die zij voor de openbare gezondheid opleverde, zooals men
het eenen keer te meer kan staven in een hoofdstuk van
de Spreuken van Salomon, waar deze duizend-vrouwen-rijke
vorst zegt: „Honing vloeit van de lippen eener lichtekooi,
hare mond is zachter dan olie, maar zij laat sporen na, die
bitterder zijn dan alsem en snijdender dan een tweesnedig
zwaard..." Deze woorden kunnen wel als de bekentenis
uitgelegd worden van een venerische ziekte, die de Joodsche
monarch tengevolge van een der talrijke erotische plech-
tigheden opliep, waaraan hij in de tempels van Astarte en
Moloch deelnam. (\')
De geschiedkundige feiten zijn trouwens overvloedig, om
den trap van schande te kennen, waartoe de prostitutie bij
de Hebreeuwen afdaalde. „De profetieën van Ezechiël ver-
toonen ons," zegt Dufour, „slechts publieke slechte huizen,
tenten voor de ontucht op alle wegen geplaatst en huizen
(1) Salomon aanbad Astarte, godin der Sydoniërs ; Camos, god der Moa-
bioten, en Moloch, god der Ammonieten; hij stichtte voor al die valsche
goden tempels en beelden op den berg, die tegenover Jeruzalem gelo-
gen was; hij brandde wierook voor hen en bracht hun onreine oft\'eran-
den. Zijn vrouwen en bijwijven waren de priesteressen bij deze offeran-
den. In dat tijdperk had de prostitutie bij het Joodsche volk een wettig,
erkend en beschermd bestaan. Do heldinnen van het vermaarde oordeel
van Salomon waren twee prostitué\'s (meretrices.) (Dufour.)
-ocr page 55-
— 55 —
van schande en ontucht; men bespeurt slechts lichtekooien
in zijde en met borduurwerken gekleed, schitterend van
edelgesteenten, doortrokken van welriekende geuren, en men
beschouwt slechts tooneelen van hoererij !"
Dit maakten de ondeugd, de afgodendienst en de pro-
stitutie van de zonen van Abraham, Isaak en Jakob, niet-
tegenstaande de wijze en strenge voorschriften van Mozes.
-ocr page 56-
DE PROSTITUTIE IN GRIEKENLAND.
§ 1. De eeredienst van Venus en van Phallus.
De Grieken hebben, misschien meer dan alle andere vol-
ken, de werking der voortplanting vergood; zij hebben de
bedwelmingen van de genietingen der liefde niet kunnen
begrijpen dan onder de geheimzinnige bescherming van een
goddelijk wezen, dat even volmaakt was door zijn licha-
melijke schoonheid als door de bekoorlijkheden van zijn
geest. Ook zag men ze naar alle zijden tempels voor Venus
oprichten, wier eeredienst tevens — onder de verschillende
namen, waaronder hun dichterlijke en wulpsche geest haar
kende en vereerde — de verheerlijking der liefde door de
scheppende volmaking der vrouw en het zinnebeeld der
wulpsche begeerten is. Vandaar de twee Venussen van
Xenephon, de hemelsche Venus-Urania, wier eeredienst
kuisch is, en de menschelijke Venus. die onrein is.
De Hellenen deden hun Venus uit het schuim der zee
geboren worden, hetgeen zeker, zooals Bouillet gezegd heeft,
beteekent, dat haar eeredienst door vreemde zeevaarders
in Griekenland gebracht werd. Al de Grieksche schrijvers,
en Homerus in het bijzonder, schrijven den eeredienst van
Venus inderdaad een Oosterschen oorsprong toe. Evenzoo
stemmen Heroclotus en Pausanius overeen door te erkennen,
dat haar invoering in Griekenland den Pheniciërs en Cy-
priërs toekomt. En al de overleveringen bevestigen het\'
-ocr page 57-
— 57 —
samenvallen van het heldentijdvak met de invoering der
mysteriën van Astarte. Ook wordt Venus met recht voor
de oudste der godinnen gehouden en hare eeredienst als
voor dien van Jupiter gevestigd. Want in haar was het
denkbeeld van het leven opgesloten, van een wezen, dat
de oorsprong van alle anderen was.
De Grieksche overlevering verhaalt ons, dat het toeval
aan Venus het eiland Cyprus, om er haar rijk te grondves-
ten, ten deel viel — wat de dichterlijke lezing is van het
invoeren der gewijde prostitutie door Pheniciërs op de eilan-
den van de binnenzee. Aan dezen Oosterschen oorsprong
moet men het stoffelijk karakter van den eeredienst van
Venus in de zeehavens van Griekenland toeschrijven. Maar
het Grieksche genie kon dezen groven eeredienst niet laten
gelden, en het maakte een scherpe onderscheiding tusschen
zijn Aphrodite-Urania, maagd en moeder der goden, en de
kuische liefde leidende en de Pandemos der andere volken,
aan wie men de havens en eilanden, vooral Cyprus met
de gemeene godin der liefde overliet. De eeredienst van de
Aziatische Venus volgde dus, op zijn tocht van het Oosten
naar het Westen, de kusten der zee. Het is inderdaad vol-
doende, om zich een denkbeeld te vormen van den gang
van zijn verbreiding, dat men de steden kent, waar tem-
pels der godin bestonden, waarvan de beroemdste die van
Paphos was, waarheen jaarlijks veel menschen gingen om
het feest van Aphrodite bij te wonen; verder die van Samos,
van het geld der lichtekooien gebouwd, en eindelijk die van
Hermione, waarheen voornamelijk de jonge dochters en de
weduwen zich voor haar huwelijk begaven.
Strabo (*) verhaalt, dat op het eiland Cos in den tempel
van Esculaap een beeld van Venus-Anadyomine stond; en
Pausanias (2) deelt mede, dat er te Epidaurus in een bosch,
bij den tempel van denzelfden god, eene kapel was van
(1)  Strabo, Lib. XIV, p. 657. <
(2)  Pausanias, Lib. 2, cap. 27.
-ocr page 58-
— 58 —
Aphrodite. Deze aanwijzingen veroorloven te veronderstel-
len, dat de geneesheeren van Cos eenige kennis bezaten
der geslachtsaandoeningen. Bottinger (l) vermeent, dat de
oudste geneeskunde der Grieken uit de hospitalen en lazarets
gekomen is, die de Pheniciërs op het eiland Cos, te Egine
aan de kust van den Peloponesus en vooral te Epidaurus
opgericht hadden. Het is dus waarschijnlijk, dat deze in-
richtingen in den beginne onder de bescherming van de
erotische godheid geplaatst waren, totdat deze door Esculaap
vervangen werd. Dit is de meening van Rosenbaum.
Kortom, Venus werd geheel Griekenland door aangebeden,
maar het eerst te Paphos, op het eiland Cyprus en te Cythère,
vanwaar de bijnamen Papheia, Cypris en Cytheria. Men
noemde haar ook Anadyomene, uit-het-water-getogene, en
Genetyllide, leidster der bevruchting. Men erkende in de
Venus-Urania de godin der vruchtbare liefde en der weten-
schappen en men stelde haar als dusdanig tegenover de
Venus-Pandemos, dat is: populaire of publieke, die de ver-
persoonlijking was der prostitutie. De liefde was bij de Grie-
ken evenwel niet geheel en al platonisch, zooals wij zien
zullen.
De standbeelden van Venus waren menigvuldig; elke
stad telde er dikwijls velen. Zij herinnerden soms door een
bijnaam aan een harer bekoorlijkheden of aan eene eigen-
aardigheid van haren eeredienst. Zoo duidde men haar onder
de volgende benamingen aan :
Venus Peribasia (van Argos), dat beteekent: de beenen
wijd uiteengezet, verrichting om schrijlings te paard te
zitten.
Venus Milania of de Zwarte, die de mysteriën van den
nacht der liefde bestuurde.
Venus Mucheia, godin van de schuilhoeken, van de meest
verborgen plaatsen van het huis.
De Gewapende Venus met den helm op het hoofd en de
(1) Bottinger, Ideen zur Kunst-Mythologie. Dresde, 1826.
-ocr page 59-
— 59 —
werpspies in de hand herinnerde te Sparta, hoe de vrouwen
van Lacedemonië haar stad tegen de Messeniërs verdedig-
den, terwijl haar mannen Messene belegerden. De vijanden
hadden zich, de waakzaamheid der belegeraars misleidende,
gedurende den nacht naar Sparta begeven, dat zij hoopten
te overrompelen. Maar de vrouwen, van hun tocht verwit-
tigd, wapenden zich en weerden den aanval af. Zij waren
nog onder de wapenen, toen de Spartanen, hun stad ter hulp
komende, haar nog tijdig herkenden ; en de strijd, die nu
geleverd werd, was slechts een worsteling uit liefde tus-
schen krijgshaftige mannen en vrouwen — een krachtige
worsteling, die de oorsprong was van de Gewapende Vernis.
Vemts Callypige:
die mooie billen heeft. Haar geschiedenis,
die Villebreux volgens Athënëus vertelt, luidt als volgt: de
tempel van Venus Calhjpvje heeft zijn ontstaan aan een oor-
deel te danken, dat niet zooveel gerucht maakte als dat van
Paris, want de partijen waren geen godinnen en de rechter
had niet tusschen drie uitspraak te doen. Twee zusters
twistten eens, terwijl zij zich in den omtrek van Syracuse
baadden, om den prh\'s der schoonheid ; een jonge man uit
de stad, die daar langs ging, zag, zonder gezien te worden,
de stukken van het proces, boog, als voor Venus zelf, een
knie ter aarde en riep uit, dat de oudste den prijs gewon-
nen had. De beide twistenden vluchtten half naakt. De
jonge man kwam te Syracuse terug en vertelde, nog be-
wogen door aandoening, wat hij gezien had. Zijn broeder
verklaarde, door dit verhaal opgetogen, dat hij zich met de
jongste zou vergenoegen. Kortom, zij brachten het kost-
baarste, dat zij bezaten, bijeen, gingen naar den vader der
twee zusters en vroegen hem hun schoonvader te willen
worden. De jongste was uit verdriet en verontwaardiging,
dat zij overwonnen was, ziek geworden ; zij verzocht een
herziening van de zaak, en de beide broeders verklaarden,
als uit een mond, dat zij beiden recht hadden op de overwin-
ning, al naar dat de scheidsrechter de een van de linker- en
de andere van de rechterzijde beschouwde. De twee zusters
-ocr page 60-
— 60 —
huwden dus de beide broeders en brachten naar Syracuse een
roep van schoonheid mede, die steeds grooter werd. Men
overlaadde haar met geschenken en zij verzamelden zooveel
waarde, dat zij een tempel konden oprichten voor de god
heid, die de oorzaak van hun geluk was geweest. Het stand-
beeld, dat men in den tempel bewonderde, gaf tegelijkertijd
de verborgen bekoorlijkheden van elke zuster weder, en de
vereeniging van deze twee modellen in een enkel beeld had
het volmaakte type gevormd van Venus Callipyge, dat is :
van de stoffelijke schoonheid van het lichaam der vrouw en
van de volmaakte vormen uit het oogpunt van een beeld-
houwer beschouwd.
De tempels van Venus waren dikwijls op kosten van
lichtekooien opgericht, die zich tijdens de gewijde prostitutie
als de wezenlijke priesteressen ervan beschouwden; maar
de voornaamste inkomsten der altaren behoorden den pries-
ters, van wie zij slechts handlangsters waren. De tempel
van Corinthe werd door een groot aantal prostitué\'s in orde
gehouden, die onderhouden werden door de geloovigen en
de aanbidders. Men noemde haar hiérodules of geivijden, en
zij hadden priesterlijke verrichtingen (openbare gebeden tot
de godin, processies, enz.) te vervullen, dat zeker een on-
omstootbaar bewijs voor de gewijde prostitutie is. Aan den
eeredienst van Venus verbonden zij dien van Adonis, dien
de liefde van zijn beschermvrouw vergoddelijkt had. En die
feesten werden, voor zij ineensmolten met die van Priapus,
met de grootste praal gevierd; zij trokken een aanzienlijk
aantal vreemdelingen, die zij met een wonderlijke kunst
plukten ter eere van Venus en ten voordeele van haar
geestelijkheid.
De eeredienst van Venus was niet de eenige, dien Azië
aan Griekenland schonk; de dienst van den manlijken god
had er zich voor het eerst gevestigd, toen de Pelasgen in
het land vielen en hunne goden medebrachten. Deze ver-
tegenwoordigden alle krachten der natuur. Een dezer goden
was samengesteld uit een mannenkop op een kolom staande,
-ocr page 61-
— 61 —
die met manlijke organen omringd was; men maakt Her-
mes ervan. Een andere werd de Grieksche Bacchus, die
volgens Aristophanus, de Atheners van een ernstige aandoe-
ning der heilige deelen genas.
De Egyptische Priapus kwam insgelijks in Griekenland.
Op zijn reis had hij de inwoners van Lampsaque, waar hij
sedert aangebeden werd, van een zelfde ziekte genezen als
die der Atheners. Volgens Herodotus en Lucianus hadden de
vrouwen der steden en dorpen wassen beeldjes van hem,
waarvan zij het monsterachtige lid naar welgevallen lieten
bewegen, dat hij, volgens de mythologie, aan Juno, de godin
van het kraambed, verschuldigd was.
De Grieksche Phallus stamde van den Assyrischen Phallus
af, evenals de Priapus oorspronkelijk was uit Egypte. Even-
als in die streken deden de ziekten, waaraan de manne
lijke en vrouwelijke organen in hun buitensporige verrich-
tingen lijdende zijn, de Grieken goede en kwade geniussen
veronderstellen, die al hunne gewaarwordingen bestuurden.
De denkbeelden van een bizondere bescherming aan die
bovennatuurlijke wezens toegeschreven door de priesters
werden natuurlijk, evenals in Azië, het uitgangspunt van
de gewijde prostitutie. Eerst was het de Phallus van het
standbeeld of van den priester, die de meisjes ontmaagde
als een offer, dat zij den mannelijken god verschuldigd wa-
ren; daarna bedacht men den handel met het lichaam der
meisjes, ten voordeele van de altaren en somtijds half ten
voordeele van haar famielje.
Talrijke legenden zijn verhaald geworden, om de invoering
van den eeredienst van Phallus in Griekenland te verkla-
ren. Maar zij zijn weinig belangrijk, daar zij zich slechts
bepalen tot de pederastie door de priesters der eerste stam-
men onderwezen, die zich in het land kwamen vestigen.
Na ze in haar schaamtelooze bizonderheden verteld te
hebben, voegt Dulaure deze juiste overweging er aan toe:
„Door deze ontuchtige verhalen, die de onzedelijkheid der
tijden verraden, waaraan zij ontleend zijn, vermaakten de
-ocr page 62-
— 62 —
priesters het volk, en bedrogen zij het met de werkelijke
aanleiding tot de invoering van den eeredienst van Phallus,
alsof dergelijke logens den eeredienst meer voordeel aan
brachten dan de eenvoudige waarheid, wier kennis voor de
enkele ingewijden der hoogste klassen bewaard was."
Maar moest de gewijde prostitutie der mannen en vrouwen
hun belangen niet komen dienen en hun priesterlijk niets-
doen verrijken ? In Griekenland werd het dus hetzelfde als
in Egypte, in Indië en in West-Azië: de geslachtsdeelen
der vrouw werden een handelswaar, waar de wachters der
tempels hun onzedelijke berekeningen op bouwden, en waar-
uit zn\' de inkomsten van hun altaren trokken. Dat zu\', die
de geschiedenis der godsdiensten schrijven zullen, dit niet
vergeten.
§ II. De wettige prostitutie in Griekenland.
De dictérions.
De gewijde prostitutie duurde slechts een zekeren tijd;
haar ontuchtige plechtigheden en schaamtelooze erotische
mysteriën pasten niet voor het hartstochtelijk en kunstlie-
vend karakter der Grieken. Doch hun verzaken aan den
eeredienst der Aziatische Venus liet hen over aan over-
spel, veelwyverij en tegennatuurlijke ontucht.
Zoowel om de eer der vrouwen en de schaamte der
Grieksche meisjes te beschermen, als om de pederastie voor
de jonge mannen te voorkomen, stelde Solon dus de wettige
prostitutie in onder toezicht van den staat. Hij kocht, voor
rekening van de republiek, Aziatische slavinnen op en sloot
ze, ten dienste van de openbare prostitutie, in inrichtingen
op, die dictérions genaamd werden en te Athene, bij den
tempel van Venus-Pandemos, in den omtrek der haven ge-
legen waren. Hij vertrouwde het bestuur aan mannen toe,
die pornotropos genaamd en belast waren met de verant-
-ocr page 63-
— 63 —
woordelijkheid van de inrichting tegenover de schatkist
en met den prijs, die elk dezer meisjes van hare klanten
kon eischen. Dit tarief, Mesthoma (loon) of Empolai (winst)
genaamd, bedroeg nu eens 8 chalkai (8 centen) dan weer
2 diabolai (31 centen). De dichter Philemon, van het nut
dezer instelling doordrongen, drukt zich als volgt over de
dictérions van Athene uit: „O Solon, gij zijt waarlijk de
weldoener van het menschelijk geslacht geweest; want
men zegt, dat gij de eerste zijt, die aan een zaak gedacht
heeft, welke zoo voordeelig voor het volk of juister voor het
algemeen welzijn is. Ja, met reden zeg ik dit, als ik onze stad
vol jonge mannen zie met een opbruisend gestel, dat hen
tot onduldbare buitensporigheden zou voeren. Daarom hebt
gij vrouwen gekocht en ze in woningen geplaatst, waar zij,
van alles voorzien wat zij noodig hebben, beschikbaar zijn
voor wie haar hebben willen."
Spoedig werd de opgang, dien de stedelijke dictérions
maakten en de behoefte van de mannelijke bevolking der
stad, gevolgd door de stichting van vrije dictérions, door
de particuliere nijverheid opgericht en bestemd om met de
eersten te wedijveren. Men zag dus een groot aantal dic-
térions onder goedkeuring der overheid en onder den naam
van kapaleia verrijzen in de voorsteden en langs de Pireus.
Eenige kroegen, in den omtrek van de haven gelegen, had-
den evenzoo een zeker aantal vrouwen ten gebruike voor
haar clientèle. Maar daar de prostitutie als een handel of
een nijverheid beschouwd werd, waren deze inrichtingen
aan een belasting onderhevig. Alle jaren werd de verpach-
ting der vrije dictérions, dat is de belasting op de prostitutie,
Thelos pornicon, in veiling gebracht door de opzieners over
de markten, de Agaranomoi, onder welks toezicht de vrouwen
(dictériaderi) én haar koppelaars door de politie geplaatst
waren. Deze huizen waren kenbaar aan een uithangbord,
dat zich boven den ingang vertoonde en een roode priapus
te aanschouwen gaf, even duidelijk als de groote huisnunv
mers der bordeelen in Frankrijk.
-ocr page 64-
— 64 —
Natuurlijk zag men met het voortgaande zedebederf dic-
térions verrijzen in het midden der stad en deze bevolken
niet alleen met slavinnen, zooals die in de dictérions der
havens gevonden werden, die slechts de taal van baar land
spraken, maar ook door ürieksche vrouwen van minderen
stand. „In deze huizen," zegt Dufour, „waarover een soort
gemeentelijk politietoezicht gehouden werd, werd niets aan
het oog onttrokken, en men stalde zelfs met een zeker be-
hagen uit al, hetgeen maar in het bizonder de bewoonsters
van de inrichting kon aanbevelen." Xedarchus in zijn
Penthales en Eubulidus in zijn Pannychl, vertoonen ons deze
naakte vrouwen naast elkander staande in het voorportaal
en als eenig kleedingstuk slechts lange, doorschijnende slui-
ers aanhebbende, die voor het oog niets verborgen. Eenigen
hadden met een verfijnde wulpschheid het gelaat bedekt,
den boezem in een fijn weefsel omsloten, dat den vorm
weergaf en het overige van het lichaam ontbloot. Volgens
zekere schrijvers was het niet \'s avonds, maar overdag, in
het volle daglicht (in aprico stantes) dat de dictérions al
haar ontuchtige schatten ten toon stelden. Deze uitstalling
van naaktheden diende deze huizen der uitspatting beter
als uithangbord dan den geschilderden of gebeeldhouwden
phallus, die den ingang versierde; maar volgens andere
archeologen zag men deze wellustige schouwspelen slechts
op de binnenplaats der huizen. De ingang was dag en nacht
open, alleen verhinderde een hel gekleurd voorhangsel den
voorbijgangers hun onbescheiden blikken naar binnen te
werpen. Achter dit gordijn stond een oude Thessaalsche
vrouw, die eenigszins in de hoedanigheid van tooverkol drank-
jes en reukgoed verkocht; hare bezigheden waren de bezoe-
kers binnen te laten, hun inlichtingen te geven en waar-
schijnlijk ook .het entreegeld te ontvangen.
Dit entreegeld was in de vrije dictérions niet hetzelfde
als in die van den staat; en het verschilde ook volgens de
weelde, die er heerschte en de vrouw, die men koos; maar
het was vrij hoog en bedroeg soms een gouden stater ƒ 8.72.
-ocr page 65-
- 65 -
Ook brachten de groote dictérions van Griekenland ruime
voordeelen op aan hen, die ze hielden en aan de eigenaars der
gebouwen. De openbare losbandigheid heeft ten allen tijde veel
lieden rijkgemaakt, die weinig nauwgezet zijn over den oor-
sprong van het geld, dat voor hun begeerlijkheid noodig\'is.
De Grieksche dictérions werden als inrichting zoo noodig
beschouwd voor de handhaving der openbare zeden, dat zij
door de wetgevers als schuilplaatsen erkend werden. Zij
waren dus onschendbaar. Binnen hun muren kon de gehuwde
man niet van overspel beschuldigd worden, de vader kon
er zijn zonen niet zoeken, evenmin als de schuldeischer er
zy\'n schuldenaars kon vervolgen. Demosthenes zegt het in
een zijner pleidooien : „De wet staat niet toe op overspel te
betrappen bij vrouwen, die in een huis van prostitutie zijn
of die zich neerzetten om hetzelfde bedrijf op een openbaar
plein uit te oefenen." De dictérions waren dus onder be-
scherming der wet geplaatst als inrichtingen van openbaar
nut, om in de physiologische behoeften der vreemdelin-
gen en jongelieden te voorzien. Dit was zeker wel de on-
zedelijkheid beschermen ter wille van de openbare gezond-
heid. „Want," zegt P. Dufour, „men kon daar geen gevaar
oploopen, daar het doorzicht van Solon een apotheek aanzijn
stichting toegevoegd had" —
eene meening, die door deze aan-
haling van den wijsgeer Eubulides versterkt wordt: „Bij
deze mooie meisjes kunt gij voor enkele kronen genoegen
koopen en wel zonder het minste gevaar." De geheime pro-
stitutie bood dus reeds gevaar aan.
Om zich een denkbeeld te vormen van de waarde der
stichting van Solon, moet men nagaan hoe de zeden te
Sparta waren; waar de wettige prostitutie niet bestond.
Daar de wetten van zijn eersten wetgever alle vrouwen
nagenoeg als gemeenschappelijk deden beschouwen en zij
de schaamte bij de spelen der jeugdige Lacedemonische
meisjes verbanden, traden de losbandigheden onder alle stan-
den der maatschappij in de plaats der openbare ontucht
by andere volkeren bestaande.
5
-ocr page 66-
- 66 —
Terwijl Lycurgus er slechts op bedacht was flinke sol-
daten te vormen, die alleen de africhting der krijgsoefeningen,
der gymnastische spelen, als vereischten voor een krijgs-
man kenden of daarnaar streefden, had hij er niet aan
gedacht het gedrag der vrouwen te regelen. Overigens had-
den de vrouwen van Sparta, deugdzaam of ontrouw, slechts
weinig invloed op die krijgsmannen, welke slechts de eer op
het slagveld hoog hielden en daardoor vanzelf weinig vat-
baar waren voor vrouwelijke verleiding.
Onder den invloed van deze denkbeelden heerschte in
Sparta eene soort van prostitutie, die men vaderlandslievend
zou kunnen noemen. „De mannen," zegt H. d\'Hancarville,
„brachten bij het bed shunner vrouwen mannen met een
flink voorkomen om sterke en welgeschapen kinderen te
krijgen." (x)
(l) Deze soort van prostitutie is aan alle wilde volken eigen en is
slechts een afwijking der prostitutie van de gastvrijheid. Aan deze vol-
ken, die weinig waarde hechten aan de ingetogenheid en de kuischheid
der vrouwen, ontbreken zedelijke denkbeelden en gewoonten, die slechts
verkregen worden door de samenleving. „Onder zekere stammen van
Kamtschatka," zegt Sabatier, „beschouwen de mannen het als een onver-
mijdelijken plicht, als zij een vriend bij zich ontvangen, dezen het genot
hunner vrouwen en dochters aan to bieden: en het zou een beleediging
jegens zijn gastheer zijn, indien men deze beleefdheid van de hand wees."
Op de kust van Guinea, op enkele eilanden der Zuidzee en in vele
andere streken der wereld hebben de inwoners de gewoonte voor eenige
nietige geschenken hun vrouwen den vreemdelingen aan te bieden, die
het land doortrekken.
De Laplander, beschaamd over zijn eigen niisvormdheid, noodigt den
gast uit, dien hij ontvangt, hem kinderen te verwekken van een minder
zwakke en onvolkomene soort.
Cook deelt mede dat de vrouwen van het eiland Paschen zich op het-
zelfde uur aan een menigte matrozen overgaven.
Bij de Jalofi, de Foelis, de Madingoos en andere Afrikaansche stam-
men zijn de nogers zeer vereerd, indien de Europeanen bij hun vrouwen,
zusters of dochters willen slapen. Zij bieden haar dikwijls den officieren
van do kantoren aan.
Te Juida wijdt men meisjes den fetisj slang, d. i. aan het genoegen
-ocr page 67-
— 67 —
Deze toestand van maatschappelijke prostitutie, die te
Sparta heerschte, was het noodlottig gevolg van het ver-
zuim de prostitutie te reglementeeren, en bewijst het nut
der wetten van Solon uit een oogpunt van zedelijkheid en
gezondheidsleer. Dit feit is door alle wetgevers begrepen
geworden, en in dezen zin hebben dan ook de zedenleeraars
uitspraak gedaan over dit belangrijk vraagstuk der gezond-
heid van het algemeen. Aldus heeft de heilige Thomas ook
gezegd: „Verwijdert de publieke vrouwen uit de maatschappij
en de losbandigheid zal haar door wanordelijkheden van elke
soort verstoren. De prostituees zijn in eene stad, wat een
riool voor een paleis is; neemt het riool weg en het paleis
zal een onzindelijk en stinkend verblijf worden."
Indien men een misbruik niet kan keeren, dan moet men
trachten het te beteugelen en de gevolgen ervan onscha-
deln\'k te maken.
§ III. De wetten op de prostitutie in Griekenland.
Indien men geneigd was Solon een buitensporige toege-
vendheid voor menschelijke zwakheid te verwijten en als
onzedelijk de instelling der wettige prostitutie te beschou-
wen, zou het geheel der wetten op de zeden, waarvan hij
de nakoming aan het gerechtshof der Areopagus opdroeg,
voldoende zijn om hem te rechtvaardigen. Deze wetten wa-
ren de waarborg voor den huiselijken haard ; zij brachten
der priesters. Deze gelasten in zekere omstandigheden een algemeene
prostitutie om de goden gunstig te stemmen.
De eerste inwoners van Mexico leefden vrij met alle vrouwen tot den
dag van het huwelijk.
De Illineezen, Irokeezen en andere volken van Zuid-Amerika breide»
len zich niet in den omgang met vrouwen, die dan ook van een losban
digheid zonder weerga zijn.
In Arabiö ziet men op de groote wegen vrouwen, die zich den pelgrims,
welke naar Mekka gaan, aanbieden, om kinderen te krijgen, aan wie een
dergelijke omgang een reuk van heiligheid geeft. Sabatier.
• *
-ocr page 68-
— 68 -
regel in een misbruik, om grootere te vermijden en organi-
seerden de prostitutie, om de losbandigheid te bestrijden.
Door de strengheid dezer wetten werd de gehuwde vrouw
beschermd tegen de verleiding. Zij bleef rein te midden eener
omgeving met alle wellustige buitensporigheden bezwangerd.
En uit voorzorg bovendien werd zij gadegeslagen door over-
heidspersonen, gynécocosmes genaamd, die in het bizonder
belast waren haar gedrag na te gaan. Daarentegen was de
man volkomen vrij: „Wij hebben lichtekooien," zeide De-
mosthenes, „voor ons vermaak, bijwijven (\') om onze perso-
nen te verzorgen en echtgenooten om ons kinderen te schen-
ken en met trouw het inwendig bestuur onzer huizen te
leiden." De hedendaagsche zedeleer zou het voorstel van den
grooten redenaar van Athene niet aannemen. Maar indien
men rekening houdt met de neiging tot zedelijke verdorven-
heid van de volkeren der oudheid, met hun zinnelijke be-
hoeften onder een Oosterschen hemel en met de overleverim
gen, die zij bewaard hadden aangaande den eeredienst van
de Aziatische Venus, dan zal men moeten toestemmen, dat
het reeds een groote uitkomst is, de matrone, de huismoeder,
gevrijwaard te hebben tegen de besmetting der ondeugden,
die de voorafgaande beschavingen verwoest hadden. De wet-
ten stonden dezen mannen alles toe: de bijwijven, de lich-
tekooien en zelfs die der bordeelen, maar op voorwaarde de
echtgenoote te eerbiedigen en recht te doen wedervaren aan
haar huiselijke deugden en aan de huwelijkstrouw, waaraan
zij onderworpen was.
De Atheensche wet op het overspel luidde aldus: „Indien
een man zijn vrouw op overspel betrapt zal hebben, kan hij
niet meer met haar samenwonen, zonder zijn goeden naam
te verliezen. De vrouw, die overvallen zal worden, kan niet
meer in de tempels komen; indien zij erin komt, kan men
haar straffeloos alle soorten van slechte behandelingen aan-
doen, uitgezonderd den dood."
1) De bijwijven waren de dienstmaagden van het huis.
-ocr page 69-
- 69 —
Volgens den grondregel van Plato: de naam eener eerbare
vrouw moet in haar huis besloten zijn,
zag men haar niet
op de openbare spelen, noch in den schouwburg. In de stra-
ten mocht zij slechts gesluierd komen en in een voeglijke
kleeding. Men voedde haar volkomen onwetend op wat we-
reldsche zaken aangaat; zij was ongeletterd en bijna zon-
der opvoeding. Het gedrag van haar echtgenoot buiten het hui-
selijk dak ging haar niet aan. Haar geheele rol was de moeder-
schap, al hare voorrechten in haar onbeperkt recht alleen wet-
tige kinderen te hebben en den titel van burgeres te voeren.
Ook toonden de rechters zich altijd onbuigzaam jegens de
prostitués, die zich de rechten wilden aanmatigen, welke
voor de eerbare vrouwen voorbehouden waren of die de plaats
wilden innemen, die voor haar bestemd was in het maat-
schappelijk leven. De wet beschouwde alle lichtekooien als
eerloos, hetairen zoowel als dicteriaden, vrijen als slavinnen;
zij onthief haar van de verplichting haar kinderen te voeden,
indien zij arm waren. „Want het is klaarblijkelijk," zeide
Solon, „dat zij, die derwijze de eerbaarheid en de heiligheid
van het huwelijk veracht, geen wettig doel op het oog heeft,
dat men zich voor moet stellen, maar slechts bedacht is
geweest om haar hartstochten te bevredigen. Door aldus te
handelen heeft zij niet het minste recht behouden op hen,
die uit dien handel voortgesproten zijn en van wie zij het
leven evengoed als de geboorte tot een eeuwige schande heeft
gemaakt." Haar kinderen werden inderdaad als bastaards
beschouwd, konden den titel van burger niet voeren, hadden
het recht niet tot het volk te spreken, noch voor de gerechts-
hoven te pleiten (J).
(1) Abratonum evenwel, publieke vrouw uit een dictérion van Athene,
was de moeder van Themistocles, opperbevelhebber van het Atheensche
leger, de held van Marathon en de overwinnaar van Salami in . In het
gedicht van Amphicrates op de beroemde mannen, worden de volgende
regels aan hem gewijd:
nik ben Abratonum, Thracische vrouw, die gebaard heeft,
„Waarop ik mij beroem, den grooten Themistocles van Griekenland \'
-ocr page 70-
— 70 —
Het was haar verboden de openbare tempels binnen te
gaan, en met de matrones deel te nemen aan de plechtig-
heden van den eeredienst. Indien zij het deden, kon men
haar evenals de overspelige vrouwen beleedigen, haar tooi
afrukken, ze mishandelen door woorden en daden, mits
men ze niet verwondde. Te Corinthe en te Athene evenwel
konden de courtisanen als priesteressen deelnemen aan de
feesten van Venus. Maar hare tegenwoordigheid in de tem-
pels werd als een goddeloosheid beschouwd (*).
De Wet op de Prostitutie, door Solon uitgevaardigd, was
dus zeer streng voor de prostituees. In een zijner redenen
beveelt Eschine dit artikel aan: „Wie zich de koppelaarster
gemaakt zal hebben van een jongen man en een vrouw
uit den vrijen stand, zal met den dood gestraft worden."
Maar boete werd evenwel altijd in de plaats van de dood-
straf gesteld, want de overtredingen werden altijd voor de
rechtbank van de opzieners of der politie gebracht, die slechts
lichte straffen kon opleggen. Als schadeloosstelling werden
de boeten ruim toegepast op de overtreders niet alleen,
maar dikwijls op de geheele corporatie, die erkend werd
verantwoordelijk te zijn voor de vergrijpen door hare leden
gepleegd.
De hetairen, vooral die van Grieksche afkomst waren,
werden met minder gestrengheid behandeld dan de dicte-
riaden, auletriden, danseressen of muziekspeelsters. Indien
in zekere omstandigheden evenwel haar gedrag te veel in
tegenspraak was met den geest der wet, aarzelden de recht-
banken niet haar aan het vernederende van haar treurig
beroep te herinneren.
Tot voorbeeld moet men het pleidooi lezen van Demos-
(1) De beschuldiging van goddeloosheid was zeer ernstig en werd met
de uiterste gestrengheid gestraft. De wet duidde niet voldoende het
karakter der misdaad van goddeloosheid aan, en liet de deur open voor
veel beschuldigingen, die slechts op feiten zonder waarde berustten en
door particulieren wrok gestookt werden.
-ocr page 71-
— 71 —
thenes tegen Neera, een courtisane, die een burger van
Athene, Stefanus genaamd, gehuwd had. De groote rede-
naar, na de wetten aangehaald te hebben, volgens welke
men burger werd, eindigt met dit welsprekend slot, dat een
echt bewijsstuk daarstelt van de wet op de prostitutie : „Gjj
kunt de beleedigingen tegen onze zeden van de zijde eener
vrouw niet ongestraft laten, die zich openlijk door geheel
Griekenland geprostitueerd heeft, eener vrouw, wier voor-
ouders haar geen titel van burgeresse nagelaten hebben of
aan wie het volk dien toegestaan heeft. En waar heeft zij
haar schandelijk bedrijf niet uitgeoefend ? Waar heeft zij
het loon voor hare misdadige genegenheid niet ontvangen?
Heeft zij niet den geheelen Peloponnesusdoorloopen? Heeft
men haar niet gezien in Thessalië en in Magnesië met Si-
mus van Larisse en met Eurydamos, zoon van Midias? In
Chio en in het grootste deel van Jonië met Sotades den
Cretenzer ? Prees Nicarette haar niet, toen zij haar nog toe-
behoorde? Maar waartoe is eene vrouw niet in staat, die
zich aan mannen overgeeft, en die overal een ieder volgt,
die haar betaalt? Moet zij zich niet schikken naar elk ver-
langen van hen, aan wien zij zich overgeeft ? Kunt gij een
dergelijke vrouw, van wie openbaar en algemeen bekend
is, dat zij zich door het geheele land geprostitueerd heeft,
als burgeresse erkennen? Indien men het u vraagt, zult gij
dan vermeenen een goede daad gedaan te hebben, door haar
vrij te spreken ? Aan welke schandelijkheid, aan welke god-
deloosheid zoudt gij u niet schuldig maken ? Voordat zij
aangeklaagd en voor het gerecht gedaagd werd, voordat
een ieder wist, wat zij was en de goddeloosheden kende,
die zij gedaan heeft, was zij alleen schuldig voor haar fou-
ten en kon de stad alleen wegens nalatigheid aansprakelijk
gesteld worden: onder u was de een niet bekend met haar
wangedrag, terwijl de anderen, die het vernomen hadden,
verontwaardiging bewezen door redevoeringen, zonder tegen
haar te kunnen handelen, omdat niemand haar voor hen
daagde en hen in de gelegenheid stelde over haar lot een
-ocr page 72-
- 72
uitspraak te doen. Maar thans, nu gü haar allen kent, nu
zij in uw macht is, nu gij meester zijt haar te straffen, nu
zult gij schuldig zijn jegens de godin, indien gij haar niet
straft. Wat zult gij, teruggekeerd in uwe woningen, aan
uw vrouw, aan uw dochter, of aan uw moeder kunnen
zeggen, indien gij een Neera vrijgesproken hebt ? Wie ?
zullen zij dadelijk vragen ? Neera, zult gij ongetwijfeld ant-
woorden.
„Waarom heeft men haar voor uw rechtbank gedaagd?
Omdat zij, vreemdelinge zijnde, in strijd met de wet een
burger gehuwd heeft ; omdat zij haar dochter, die met haar
lichaam handel gedreven heeft, gegeven heeft aan Theo-
genus, Koning der offeranden ; omdat diezelfde dochter in
naam van Athene geheime offeranden gedaan heeft, omdat
zij als echtgenoote aan Bacchus gegeven is, enz. Gij zult
haar de geheele beschuldiging weergeven en haar zeggen
met welk een zorg, welke bizonderheden en welke nauw-
gezetheid men al de grieven blootgelegd heeft.
„Wat hebt gij daarop gedaan? zullen zij dan vragen. Wij
hebben haar vrijgesproken, zult gij zeggen. De eerbaarste
vrouwen zullen verontwaardigd zijn, dat gij haar de bur-
gerlijke en godsdienstige voorrechten zult laten deelen met
Neera en hare dochter: de slechtste zullen toonen, dat zij
al haar grillen mogen inwilligen, daar de wet en de rech-
ters haar straffeloosheid waarborgt. Indien gij een onacht-
zaam of een zwak oordeel velt, zult gij er voor gehouden
worden, schuldig te zijn aan de losbandigheid der beschul-
digde, zoodat het oneindig beter ware geweest, haar in het
geheel niet te oordeelen, dan haar vrij te spreken. Van
stonde af zullen de lichte vrouwen een vrijpas hebben te
huwen, wien zij begeeren, en haar kinderen toe te schryven
aan den eerste, dien zij ontmoeten zullen. Uwe wetten zul-
len zonder kracht zijn, en de liefkoozingen van een lichte-
kooi zullen haar alle3 doen verkrijgen, wat zij wil. Let op
onze burgeressen en verhindert niet, dat de dochters van
arme burgers uitgehuwelijkt kunnen worden. Nu toch ver-
-ocr page 73-
— 73 —
schaft de wet een voldoenden bruidsschat aan het meisje,
hoe arm zij ook zij, mits zij van de natuur een voorkomen
heeft verkregen, dat behaagt. Maar indien gij deze wet ver-
treedt, indien gij haar vernietigt, door Neera vrij te spreken,
dan zal de eerloosheid der prostituees het deel worden der
dochters van uwe burgers, die uit gebrek van een bruids-
schat niet uitgehuwelijkt kunnen worden, en de waardig-
heid der deugdzame vrouwen zal overgedragen worden op
de lichtekooien, die ongestraft kinderen zullen kunnen heb-
ben, zooals zij verkiezen, aan de offeranden zullen kunnen
deelnemen, aan de mysteriën der tempels en aan alle eer-
bewijzen, waarvan een burgeres kan genieten. Dat een
ieder van u zich dus bedenke, dat hij hier een uitspraak
heeft te doen hetzij voor zijn vrouw, of voor zijn dochter,
een ander voor zijn moeder, weer een ander in het belang
van Athene, voor de wetten, de tempels en de offeranden,
opdat eerbare vrouwen niet gelijkgesteld worden met een
prostituee, opdat burgeressen, die met veel zorg en wijsheid
door hun ouders opgevoed en volgens de wetten uitgehu-
welijkt zijn geworden, niet verward worden met een vreenv
delinge, die verscheidene malen op een dag met verschillende
mannen gemeenschap heeft gehad en naar de keus van
ieder op de eerlooste wijze."
Volgens de rede van Demosthenes, waarvan wij de per-
soonlijke gevoelens hebben doen kennen met betrekking
tot de huwelijkstrouw der burgers, is het klaarblijkelijk,
dat de courtisanen eerst in Griekenland beschouwd werden
of als gemeene werktuigen tot genoegen, of als vriendin-
netjes bestemd het leven op te vroolijken door de lieftallig-
heden van haren geest, de verleiding harer praal en de kunst
harer wellustige liefkoozingen, maar dat zij geen enkel recht
bezaten in de maatschappij, die haar onverbiddelijk opof-
ferde aan de strengheid van haar strafwet.
Zoo waren de vrije courtisanen, voordat de wetten van
Solon in verval geraakten, verplicht een bizondere kleeding
te dragen, die haar van de fatsoenlijke vrouwen moest
)
-ocr page 74-
— 74 -
doen onderscheiden. Die kleeding bestond uit bonte stoffen
met sprekende kleuren, waar bouquetten op gedrukt waren.
Haar kapsel bestond slechts in een rozenkrans. De tunica
en de mantel uit een effen stof, de gouden kroon en de
juweelen waren slechts aan gehuwde vrouwen toegestaan,
later evenwel uit inschikkelijkheid ook aan de groote hetairen.
De politiereglementen eischten bovendien, dat heur haren
geel geverfd waren, welke kleur zij verkregen door een op-
lossing van saffraan en van andere planten. Maar velen
onder haar gaven er eenvoudig de voorkeur aan een blonde
in Germaniö gekochte pruik te dragen. Evenals alle voor-
gaande en toekomstige prostituees namen zij haar toevlucht
tot blanketsel ; zij bedekten zich het gelaat met wit en
rood om de gelaatskleur der jeugd na te bootsen ; de ouden
vulden de rimpels harer huid met vischlijm. De hetairen
en de befaamdste dictériaden lieten zich beschilderen door
artisten, pomotrophoi bijgenaamd, die de specialiteit beoe-
fenden standbeelden te beschilderen evengoed als het gelaat
der lichtekooien.
„De oude hetairen," zegt P. Dufour, „plaatsten zich als
zij beschilderd en getooid waren aan een bovenvenster, dat
op straat uitkwam, vanwaar zij met een mirtetakje tusschen
de vingers en dit als een tooverstokje of het langs de lip-
pen bewegende, de voorbijgangers aanriepen. Hield een van
hen stil, dan maakte de vrouw een bekend teeken door
den duim met den ringvinger saam te brengen, waardoor
deze met de halfgeslotene hand een ring vormden. Als ant-
woord op dit teeken hief de man slechts den wijsvinger der
rechterhand in de hoogte, waarop de vrouw onmiddellijk
verdween, om hem tegemoet te gaan 1"
De koppelarij werd niettegenstaande de gestrengheid der
wet openlijk te Athene uitgeoefend. Als altijd waren het
oude lichtekooien gewoon van de prostitutie te leven, die
zich belastlen jonge meisjes te verliederliiken en haar in
de geheimen van het beroep in te wijden. Tezelfdertijd
maakten zij liefdedrankjes klaar, en belastten zij zich als
-ocr page 75-
— 75 —
vroedvrouwen met bevallingen of liever met vruchtafdry-
vingen (\').
Om zich een denkbeeld te vormen van het lichtzinnige
leven van Oud-Griekenland moet men de samenspraken
van Lucianus (a) en de brieven van Alciphron (3) lezen,
vol staaltjes over zijn zeden en gebruiken, voorgesteld in
den vorm van briefwisselingen tusschen Courtisanes en haar
parasieten.
Men neemt in deze documenten waar, dat de wetten
langzamerhand verslapten. De vrije vrouw van Griekenland
gaf zich meer en meer aan de prostitutie over, en zij had
vaak haar eigene moeder als verleidster en koppelaarster.
Listiger en geleerder dan de vreemde lichtekooien begon
zij in de prostitutie een weelderig bestaan te vinden, dat
meestal slechts gedurende haar jonge jaren aanhield, en
(1)  In de samenspraak tusschen Socrates en Theetetes van Plato zien
wij door Socrates, de zoon van de vroedvrouw Phenarete, aan zijn on-
derwijzer antwoorden, dat de vroedvrouwen niet alleen door artsenijen
en betooveringen de smarten van het baren konden opwekken en ver-
zachten, de vrouwen verlossen, die moeilijk baarden, maar ook eene
ontijdige bevalling bevorderen, als de moeder zich van het kind wenschte
te ontdoen. Maar zij hadden slechts als klanten lichtekooien, wier belan-
gen in strijd waren met die van het moederschap. Zij kwamen slechts in
aanraking met burgervrouwen om haar bij te staan in de verlossing,
haar de gezondheidsregelen der zwangerschap te leeren, en denkbeeldige
middelen aan de hand te geven, om de onvruchtbaarheid te bestrijden.
Zij hielden zich evenzoo met de behandeling van ziekten der baarmoeder
bezig als met huwelijksonderhandelingen. Onder de Grieksche vroedvrou-
wen, wier naam tot ons is gekomen, kan men Agnodice aanhalen, die
de geneeskunst der vrouwenziekten uitoefende, Olympias van Thebe, die
de zetpillen uitvond voor de vruchtafdrijvingen; Aspasia (wie men niet
verwarren moet met de beroemde hetaire) die verscheidene werken na-
gelaten heeft, door Aetius bewaard in do Tetrabiblon en waarvan het
voornaamste aan de vruchtafdrijving gewijd is; ten slotte Elephantis, die
boeken geschreven heeft over afdrijvende middelen en het blanketsel en
buitensporige werken, die den wellust van Tiberius uitmaakten.
(2)  Lucien, dialogue de courtisane.
(3)  Lettres d\'Alciphron, traduction de 1\'abbé Richard. 1785.
-ocr page 76-
— 76 —
waarop op gevorderden leeftijd de zwartste ellende volgde.
Meer dan de anderen vond zij inderdaad smaak in de zucht
om te behagen, in dwaze uitgaven, in het spel en in den
drank. En noodlottig genoeg boezemde zij, niettegenstaande
haar ondeugden en inhaligheid, groote hartstochten in, en
was zij dikwerf de oorzaak van den ondergang en de oneer
van famieljes. Bijgeloovig en begeerig ging zij in de tem-
pels der godin offeren in de hoop een rijk buitenkansje
deelachtig te worden, een vrijgevige liefhebber te ontmoe-
ten, die zij op haar gemak kon „plukken", fortuin te maken
ten koste van een onervaren edelmoedig jongmensch of van
een rijk en belust grijsaard.. . Die afwijking van het ge-
zond verstand bestaat heden nog bij katholieke lichtekooien
in Spanje en Italië.
Onder al de prostituees van Griekenland waren het zeker
de vrouwen van Corinthe, die het meest befaamd waren om
de veilheid harer liefde, en die den eeredienst der prostitutie
tot den hoogsten trap gevoerd hadden. In deze stad, die als
stapelplaats diende voor den handel op het Oosten, oefenden
bijna alle vrouwen het bedrijf van courtisane uit; en de
huizen waren slechts dictérions van meer of minder belang-
rijkheid ; de geheele bevolking offerde aan Venus. De kunst
om de vreemde kooplieden en de zeevaarders uit te kleeden,
die te Corinthe kwamen, is historisch geworden. Horatio
heeft haar beschreven in dit beroemde vers van zijn brief
aan Sewa: Non cuivis homini contingit adire Corinthum. (Het
is alle stervelingen niet geoorloofd naar Corinthe te gaan).
Men moest inderdaad geld hebben, om zich in deze wereld-
stad der gewijde en der wettige prostitutie te wagen, die
zich erop beroemde voor de hoogeschool door te gaan in de
uitspattingen en in den wellust, en de Academie te zijn,
waar alle hetairen en dictériaden van Griekenland zich kwa-
men vormen. De erotische dichters hebben ons het programma
overgebracht van het onderling onderwijs, dat er gegeven
werd : de kunst liefde in te boezemen, de kunst die te ver-
sterken en te onderhouden en de kunst er zooveel geld, als
-ocr page 77-
— 77 -
mogelijk is, van te trekken. Daar leerden zij de theorie en
de praktijk der karakterloosheid en der verleiding: aanmoe-
digende houdingen, zuchten, ontuchtige lachjes, blikken vol
smachtend verlangen en vol beloften, ingetogenheid en on-
gedwongenheid van het lichaam, spel der gelaatstrekken, on-
verschillighéid of hartstocht uitdrukkende, en verder elk
vindingrijk overleg van de vrouw, die veroveren wil, alle
physische en zedelijke overredingen, om het verlangen op te
wekken, de zinnen aan te sporen, de driften voor vleesche-
lijke onreinheden te doen ontvlammen, ze te onderhouden
en te voldoen.
De courtisanen van Athene genoten haar opvoeding te
Corinthe. Maar zij vergenoegden zich niet al de kunstgrepen
der coquetterie in werking te brengen, overspanning te vein-
zen, zich melancholisch te houden of de rol te spelen van
slachtoffers der liefde. Om beter nog haar gevoelens te doen
begrijpen aan hen, dien zij dachten te verleiden, lieten zij
zijn naam naast den hunne schrijven op de muren van het
Ceramicon.
Niettegenstaande de wetten van Draco op het overspel,
bestond er een klein aantal gehuwde vrouwen, die zich aan
de ontucht overgaven, en met de courtisanen wedijverden.
Het loon voor hare gunsten was veel hooger dan dat der
Grieksche dictériaden. En toch sleepte het bedrijf, op heeter
daad betrapt, de doodstraf met zich of die der karwats naar
de keus van den beleedigden echtgenoot. Het is waar, dat
op een gegeven oogenblik alles geschikt werd door groote
schadevergoedingen aan den belanghebbende door de onvoor-
zichtige minnaars uitbetaald, die zich aan de schande van
een openbare geeseling wilden onttrekken, welke onvermij-
delijk gevolgd werd door de straf met de zwarte radijs (\')
(1) Na ze vooraf beiden gegeeseld te hebben, staken de slaven aan de
overspelers een groote zwarte radijs in den aars. Deze straf met een
soovt van plantaardigen paal was zeer pijnlijk en wekte evenwel slechts
het hoonend lachen der menigte op.
-ocr page 78-
— 78 —
Ook gebeurde het soms wel, dat een dictériade zich voor
een gehuwde vrouw uitgaf, en dan in vere.eniging met een
koppelaarster een onnoozel man exploiteerde, die zich door
de vertooning van de overspeelster liet vangen.
§ IV. De vrye prostitutie. — De courtisanen.
De vrye dictériaden. — De wettige prostitutie werd in
Griekenland dus niet alleen vertegenwoordigd door de vrou-
wen, die verblijf hielden in de erkende of in de gemeente-
lijke dictérions, door Solon tot stand gebracht. Zij had ook
hare vrije courtisanen, die men in drie groote, wel onder-
scheiden categorieën kan rangschikken : de dictériaden ; die
gelijk waren aan de hedendaagsche publieke vrouwen met
een kaart, en die het bedrijf voor eigen rekening uitoefenden ;
de auletriden, danseressen en fluitspeelsters, die voorstellin-
gen aan huis gaven, en op de openbare plaatsen kwamen,
en de hetairen, galante vrouwen, demi-mondaines van de
eerste of tweede keur, van wie eenigen een zekere rol ge-
speeld hebben in de letterkundige, wijsgeerige, politieke of
artistieke geschiedenis van Griekenland.
Oorspronkelijk waren de dictériaden in de voorstad Pireüs
gevestigd; de eenen woonden bij logement" en koffiehuis-
houders van de haven, de anderen in huisjes buiten de om-
walling. Het was haar verboden, volgens de wet van Solon,
voor zonsondergang in het binnenste der stad te komen ;
maar later kwamen zij er zich ongestraft vestigen en er
haar beroep uitoefenen. Men zag haar de straten, de open-
bare pleinen en frissche wandeldreven van het CeramiconO)
(1) Het Ceramicon was een tuin in de schoonste wijk van Athene. In
dezen tuin, die aan een zekeren Academus toebohoord had, werd onder
den naam van Academie de wijsgeerige school van Plato gesticht. Op eene
afgezonderde plaats werden er de burgers begraven, die met de wapens
in de vuist voor het vaderland gesneuveld waren.
-ocr page 79-
— 79 —
overstroomen, die vóór haar door de hotairen en haar min-
naars uit de Atheensche aristocratie bezocht werden. Zij
maakten van dezen tuin een verblijf voor de openbare pro-
stitutie, dat zij \'s daags noch \'s nachts verlieten, eene hulp-
inrichting dus van de groote markt van Pireüs, terwijl zij
zich aan de voorbijgangers trachtten vast te klampen of
door de onbeweeglijke houding van de sphinx hun lusten
op te wekken, het loon voor hunne gunsten bedongen, en
zich meestal openlijk overgaven onder het portiek van een
tempel, op de grasperken, waar Plato onderwezen had, en
op de graftomben der helden van Griekenland.
Zoodra het tijdperk van verval aanbrak, zag men er nog
wel eenigen de gebloemde kleeding dragen, die haar door
de wetten van Solon voorgeschreven werd, maar de mees-
ten waren slechts met gazen sluiers gekleed, die haar bijna
naakt aan de voorbijgangers vertoonden. Die tot de laagste
klassen der prostitutie behoorden, gingen in de rendez-vous-
huizen (tegos) of in stinkende krotten (kamaieunas), waar
slechts de grond voor bed diende.
De vrije dictériaden werden onder de vrijgemaakte of on-
der de Grieksche meisjes der lagere standen aangeworven ;
over het algemeen kwamen zij uit Azië of Egypte. Het
grootste gedeelte dezer vrouwen sleepte een ellendig be-
staan voort, erger dan van haar, die in de dictérions thuis
behoorden; zij werden door de koppelaars geëxploiteerd, van
wie zij steeds min of meer afhankelijk waren, en zij hadden
slechts te doen met visschers, matrozen en verder het
schuim der bevolking. De meest door de uitspattingen, den
ouderdom of de gebreken verliederlijkten hielden zich over-
dag schuil, en slopen \'s nachts in de stegen der voorsteden
of op de modderige paden der kerkhoven rond. Men noemde
haar de wolvinnen. Zij stelden zich met enkele goudstuk-
ken, een weinig visch of wijn tevreden. Men gaf eenige
drachmen aan haar, die een weinig voorkomen hadden en
nog jong waren.
Naast deze ongelukkigen bestond een andere klasse van
-ocr page 80-
80 -
dich\'riaden, een soort van zwervende hetairen, die zeer in
trek waren om haar schoonheid en de oorspronkelijkheid
van haar geest. Hare eischen waren veel hooger dan die
der anderen: zij exploiteerden zelfs met een zekere handig-
heid de onervarenheid der jongelieden en de belustheid der
grijsaards. Zij kostten of een gouden stater (f 8.72) of een
prijs van ruim f 43.
In deze demi-monde en quart-de-monde van Athene waren
eenige vrouwen, die door haar bedrijf een zekere vermaard-
heid kregen, welke door een bijnaam, aan een gewoonte of
een bizonder gebrek ontleend, weergegeven werd. Zoo be-
stonden de hinde, de hen, de vlieg, de gebaarde, de geit, de
kraai, de visehvangster!
Men had ook de min, die haar min-
naar onderhield, de lantaarn, die naar olie riekte, de zand-
looper,
die haar klanten slechts den tijd (een klein kwar-
tier) gunde, dat het vallen van het zand in haar tijdmeter
duurde, eindelijk de maagd, aldus genaamd door den wijs-
geer Timocles .... ? Dit waren dezelfde meisjes als die men
heden nog de baronnes, de veelvraat, enz. noemt, want de
volken gaan voorbij, de beschavingen verdwijnen, maar de
prostitutie blijft als het onmisbare zuiveringskanaal der
menschheid.
Uit het oogpunt van physische vormen beschouwd, ver-
tegenwoordigde deze soort van prostituees talrijke variëteiten.
Xedar,chus van de dictériaden sprekende, zegt: „Er zijn er
met een slanke taille, dikken, langen,korten; jongen, ouden
en van middelbaren leeftijd. Uit een oogpunt, dat der zede-
lijkheid, kan men zeggen, dat zij allen, de eene zoowel als
de andere, in gelijke mate dictériades. zijn, ofschoon men
de nagedachtenis bewaard heeft van enkelen, die vrij wel
met de Desgrieux\'s van voorheen de altijd ware, maar altijd
zeldzame rol speelden van de Manon Lescaut\'s en der Mar-
guerite Gauthier\'s.
De Auletriden. — Een andere soort van courtisanen om-
vatte de Auletriden. Evenals de dictériaden waren zij vreem-
delingen. Kunstenaressen, muziekspeelsters en danseressen
-ocr page 81-
— 81 —
ging men haar in de tavernen en op de openbare maaltijden
zien; men liet ze aan huis komen. (*)
Haar talent de fluit te spelen, terwijl zij dansten, bracht
haar reeds veel geld op, maar dit was slechts een verleiding
te meer, om de mannen tot zich te lokken. Deze klasse
van prostituees was eenigermate gelijk aan die onzer tooneel-
en café-concert-nimphen, koristen en figuranten der balletten,
opera\'s en tooverstukken. Zij stonden hare gunsten gemaklijk
af aan hen, die haar een behoorlijken voorslag konden doen,
maar zij waren geen alledaagsche prostituees, ofschoon zij zich
na afloop der maaltijden dikwijls in veiling deden brengen.
De Auletriden bezaten een onvergelijkelijke kunst om harts-
tocht en wellustige begeerten in te boezemen door de
wulpsche aria\'s harer muziek, de pose in haar dans en de
uitdrukking harer gelaatstrekken ; maar nog grooter was
haar talent de zinnen op te wekken door haar liefkoozingen
en kussen. Zij genoten ook een groot succes bij de Grieken, die
door hun gestel geneigd zijn tot de uitersten van den wellust.
Vele oude Grieksche geschiedschrijvers, Theopompus, de
Cos en Epicratus hebben over de Auletriden geschreven. P.
Dufour heeft van hen eenige belangrijke passages weerge-
geven, waaruit men kan opmaken, dat de hartstocht der
Atheners voor deze vrouwen van het eene einde van Grie-
kenland tot het andere zijn toppunt bereikte. "Wij zien, dat
zij over het algemeen hartelijker liefhadden en minder in-
halig waren dan de andere lichtekooien. Maar, zij verwekten
zooveel geestdrift door haar wulpsche muziek, dat de gasten
zich van hun ringen en sieraden ontdeden, om ze haar aan
te bieden. Een bekwame fluitspeelster had aan haar beide
handen niet genoeg, om al de giften aan te nemen, die men
haar op een feest aanbood, waar zij door haar muziek de
hoofden op hol had gebracht. Op zekere maaltijden schoot
al het gouden en zilveren tafelgereedschap er bij in, en
telkens dat de fluitspeelster bedwelmender tonen wist te
(1) De matronen verwijderden zich, zoodra zij do feestzaal binnenkwamen.
6
-ocr page 82-
— 82 -
ontlokken, de danseres passen en gebaren maakte, die nog
scherper geteekend waren, volgde een regen van bloemen,
juweelen en geldstukken, die zü met een wonderbare be-
hendigheid in hun vlucht opving. Deze klasse van courti-
sanen verrijkte zich dus vlugger dan de anderen, en zoodra
zij opgang maakten, verzamelden zij aanzienlijke goederen.
De fraaiste huizen van Alexandrië droegen de namen van
Myrtion, Mnesis en Pothyne. „En toch," zeide de geschied-
schrijver Polybe, „waren Mnesis en Pothyne fluitspeelsters,
en Myrtion een dier publieke vrouwen tot de eerloosheid
gedoemd, die wij dictêriaden noemen." Myrtion was, evenals
Mnesis en Pothyne, de minnares geweest van Ptolemeüs
Philadelphus, koning van Egypte. Ouderdom, rang noch
positie waren gevrijwaard tegen de bedwelming, die de
danseressen en toonkunstenaressen verwekten.
Atheneus verhaalt, dat arcadische gezanten aan den
koning Antigonus gezonden werden, die hen met veel eer-
bewijzen ontving, en hun een luisterrijk feestmaal aanbood.
Die afgezanten waren strenge en eerbiedwaardige grijsaards;
zij zetten zich aan tafel, aten en dronken met een somber
en stilzwijgend voorkomen. Maar eensklaps geven de Phry-
gische fluiten het signaal van een dans: danseressen, in
doorschijnende sluiers gewikkeld, komen de zaal binnen,
zachtjes op de toonen wiegelend; hare bewegingen worden
sneller, zh\' ontblooten zich het hoofd, dan den hals en ach-
tereenvolgens het geheele lichaam. Zij zijn geheel naakt
op een broekje na, dat haar slechts de lendenen dekt; haar
dans wordt steeds wulpscher en vuriger. 0) De afgezanten
wonden zich bij dit ongewone schouwspel op, en zonder eer-
bied te toonen voor de tegenwoordigheid van den koning,
die schudde van het lachen, wierpen zij zich op de danse-
ressen, die ofschoon zij zoo\'n warm onthaal niet verwachtten,
zich toch aan de plichten der gastvrijheid onderwierpen."
(1) Deze dansen teekenden geheel de ongebondenheid der priapische
feesten; zij heetten: Aphrodite, Apokinos, Aposeitis, Kmismos, Bryda-
licha, Epiphallos, Lamprotera, enz.
-ocr page 83-
- 83 —
De liefde der Auletriden was niet altijd veil. Deze vrouwen
waren aan betere gevoelens onderhevig, die zij aan de oefe-
ning harer kunst verschuldigd waren, en aan de onafham
kelijkheid, die deze haar verschafte. Onder den invloed van
de opwekkingen op een feestmaal, waarvoor zij geëngageerd
waren geworden, ondervonden zij zelf de gewaarwordingen,
die de bezieling harer muziek en dans bij haar toeschouwers
opwekten; evenals zij werden zij overweldigd door de koorts
van den wellust, en dan weigerden zij als gewone courtisa-
nen behandeld te worden.
Die danseressen, fluitspeelsters, bijna altijd jong en lief-
tallig, schertsend, vroolijk, onbezorgd voor haar toekomst,
vol geestdrift voor haar kunst, medesleepend en opgeruimd,
waren bij de bevolking van Athene zeer gezien, die nooit
naliet haar komst op de feesten door herhaalde bravo\'s te
begroeten. Velen zijn beroemd gebleven : Boa was de moeder
van den eunuuk Philaeterus, die zich tot koning van Per-
gamus verhief, waarvan hij gouverneur was; Parthenis, die
voor de rechtbanken een klacht indiende tegen een burger,
die haar geslagen had en die afgewezen werd, omdat zij
vreemdelinge en een courtisane was; Pyrallis, bijgenaamd
de vogel, omdat zij vleugels scheen te hebben, als zij danste;
Sigea, aan wie de strengste deugd geen weerstand wist te
bieden ; Phormcesium, die in de armen eener mailres stierf, enz.
De vermaardste onder allen was zeker de Atheensche
Lamia. Fluitspeelster in Egypte, won zij het hart van Pto-
lemeüs, aan wien zij behoorde tot aan zijn nederlaag op
zee door den koning Demetrius Poliorcetus. Krijgsgevangene
gemaakt door den overwinnaar, werd zij onmiddellijk zijn
erkende minnares en verkreeg zij over den geest van den
koning van Macedonië een macht, die eerst bij zijn dood
tijdens een drinkgelag ophield.
De schrijver van de Histoire de la Prostitution heeft in na,-
volging van Atheneus en Machon de liefdeopwekkende ge-
heimen beschreven door deze beroemde fluitspeelster aan-
gewend om haar koninklijken minnaar te boeien: Zij ge-
-ocr page 84-
^ 84 —
bruikte dag en nacht met een wonderlijke kunst; \'s nachts
noopte zij hem te erkennen, dat zij geen gelijke had ; overdag
schreef zij hem bekoorlijke brieven, vermaakte hem met
levendige en geestige uitvallen, bedwelmde hem door de
tonen harer fluit, maar bovenal vleide hem. „Machtige ko-
ning", schreef zij hem, „gij staat een hetaire toe U brieven
te zenden, en gij denkt, dat het niet beneden uw waardigheid
is, eenige oogenblikken aan mijn brieven te wijden, omdat
gij u zelf aan mijn persoon gewijd hebt! Mijn gebieder, in-
dien ik u buiten mijn huis hoor of zie met den diadeem
bekroond, omringd door wachten, legers en afgezanten, dan,
bij Venus Aphrodite! dan bleef ik en ben ik bevreesd; dan
wend ik van u mijn blikken af, zooals ik die van de zon
afwend, om niet verblind te worden, dan herken ik in u
Demetrius, den stedendwinger. Wat is uw blik verschrik-
kelijk en krijgshaftig. Ternauwernood kan ik mijn oogen
vertrouwen en zeg ik tot mijzelf: O Lamia, is deze waarlijk
de man, met wien gij het bed deelt."
Plutarchus heeft in zijn Leven van beroemde mannen
breedvoerig over de liefde van Demetrius en Lamia geschre-
ven. Hij toont ons den Koning van Macedonië als zoo\'n
volmaakte schoonheid, met zoo\'n edel en majestueus voor-
komen, dat nooit een schilder of beeldhouwer zijn gelijkenis
kon machtig worden; zijn gelaat drukte tegelijk de zacht-
moedigheid en den ernst uit, het verschrikkelijke en het
aangename; en aan de fierheid, aan de levendigheid der
eugd waren gepaard een heldhaftig voorkomen, een waarlijk
koninklijke waardigheid, die bijna onmogelijk was na te
bootsen. — Ziedaar den held van Attila, den overwinnaar van
Ephesus, den stedendwinger, den gemaal van verscheiden
vorstinnen, maar bovenal den verdorven minnaar van een
fluitspeelster. Zijn wellustige krankzinnigheid was zoo sterk,
dat hy „in het bed zijner beminde zich verbeeldde haar
nog te hooren en met wellust de maat volgde, die hem
onder het souper bekoord had. Aü Demetrium ab incubante
Lamia concinne suaviterque subagüatum fuisse
— dat van
-ocr page 85-
— 85 —
alle reukwerken, die in Azië uit planten bereid werden,
geene hem zoo aangenaam was als de onreine uitwasemin-
gen van Lamia, cum pudendum manu confricavisset ac digitis
contrectavisset.
Plutarchus heeft verscheiden anecdoten verhaald, die de
onbeperkte macht bewijzen, die Lamia over den zoon van
Antigonus uitoefende, ofschoon hij vele andere courtisanen
aan zich verbonden had en zelfs schandjongens. Met be-
trekking hiertoe verhaalt de groote Grieksche levensbeschrij-
ver en zedenleeraar het volgende: Eens ging zijn vader, ge-
hoord hebbende, dat Demetrius ziek was, hem bezoeken.
Binnenkomende ontmoette hij aan de deur van het vertrek
een mooi jongmensch, die heenging. Demetrius vertelde
hem, dat hij pas de koorts kwijt was. — Ik weet het, mijn
zoon, zeide Antigonus; ik heb haar aan de deur ontmoet,
terwijl zij heenging.
Lamia kende de ondeugden van den grooten generaal der
Oudheid en gebruikte al haar talent om ze te bevredigen :
zU waren de een den ander waard. De dichter Philippidus
heeft Demetrius geschetst met zijn minnares het Parthenon
bewonende:
Hij die in den Acropolis als in een logement leeft,
En lichtekooien in \'t verblyf der Maagd gebracht heeft.
De Auletride had van haar minnaar verkregen den tem-
pel van Minerva in een slaapkamer te veranderen!
En de Atheensche had na die heiligschennis haar land-
genooten als een overwonnen volk behandeld: Toen Athene
genomen was, legde Demetrius, op aanstoken van Lamia,
der stad een oorlogsschatting op van twee honderd vijftig
talenten, een millioen drie honderd duizend franken.
Toen na veel moeite deze som gevonden en aan de voe-
ten van den overwinnaar neergelegd was, zeide Demetrius
verachtelijk: „dat men dit goud aan Lamia geve, opdat zij
zeep koope voor haar toilet."
De schande van een dergelijk gebruik van hun geld, voegt
Plutarchus er aan toe, deed den Atheners meer aan dan
-ocr page 86-
\'
— 86 —
de opbrengst, en dit gezegde beleedigde hen meer dan de
zaak zelve. En toch richtten zij na den dood van de lichte-
kooi een standbeeld op voor de Venus-Lamia(l) wat bewijst
dat de onzedelijkheid der vorsten dikwijls slechts de uiting
is van die der volken.
§ V. De hetairen.
De hetairen waren de groote prostituees van Griekenland.
Uit een maatschappelijk oogpunt beschouwd vervulden zij
te Athene zoo ongeveer de rol van onze vrouwen der groote
wereld.
Zooals haar naam het aanwijst, was de hetaire de vrien-
din van alle notabiliteiten in de financiën, het leger, de
wijsbegeerte, de letteren en de kunsten. De betrekkingen
van beroemde mannen met bekende hetairen was van alge-
meene bekendheid en de geschiedschrijvers hebben er ge-
trouw melding van gemaakt. Noch de Romeinsche, noch de
jonge beschaving, uitgezonderd misschien in Frankrijk Ninon
de Lenclos en Marion Delorme, hebben hare hetairen gehad,
een klasse van lichtekooien, die uitsluitend in Griekenland
thuis hoort. Men moet inderdaad deze „trotsche gunstelin-
gen niet verwarren met gewone prostituees. De eenen wer-
pen over den handel der zinnelijkheid een sluier vol illu-
siën, die hem versiert en vergoddelijkt. De edelmoedigste
hartstochten, de bekoorlijkheid voortgebracht door de beval-
ligheid en den geest vormen den band van deze onweer-
staanbare verleiding." Zoo denkt de schrijver over de Fêtes
et courtisanes de la Grèce, en wat de anderen aangaat:
zij richten zich slechts tot de zinnen en vermaken zich een
voorbijgaande opwelling of een bedriegelijke bedwelming te
doen opbruisen.
Gewoonlijk kwamen de hetairen van Corinthe, de hooge-
school van elke prostitutie; daar leerden zij niet alleen de
kunst van te beminnen, maar ook die van te behagen, de
-ocr page 87-
muziek, de wijsbegeerte, de welsprekendheid. Evenals alle
andere lichtekooien, wijdden zij zich aan den eeredienst
van Venus, en offerden zij aan haar tempels de opbrengst
van haar eerste liefdesbetrekkingen. Maar de dienst van
deze gewijde prostitutie duurde niet lang, want weldra gin-
gen zij zich te Athene of in een andere stad van Grieken-
land of van de beschaafde wereld vestigen. Daar joegen zjj
eerst de fortuin na voor de voor haar succes noodige weelde ;
en dan stelden zij roem er in een hof van aanbidders te
vormen tot alle aristocratiën behoorende, in welks midden
zij de elementen van overheersching vonden, waarnaar zij
streefden. Zoo slaagden zij erin een overwegende rol te spe-
len in de geschiedenis der Grieksche beschaving. Hunne
krachten bestonden, onafhankelijk van alle drijfveeren van
zinnelijk genoegen, in het uitgelezene harer weelde en de
scherpzinnigheid van haren geest, dat een buitengewone
tegenstelling vormde met de eenvoudigheid, de kuischheid
en de onwetendheid der gehuwde vrouwen. Aan deze de
strenge plichten der echtgenoote en der moeder; aan gene
de vermaken van het wereldsche, elegante en hartstochte-
lijke leven: de Grieksche zeden wilden het alzoo, sedert
Pericles gedurende zijn dictatuur het voorbeeld gegeven had
der vorstelyke mildheid en der onwettige liefdesverbinte-
nissen, met hem al de beroemde mannen van zijn eeuw
medeslepende : Sophocles, Euripidus, Aristophanus, Phidias,
Callicrates, Zeuxis, enz. De hetairen waren de modellen voor
de schilders en de beeldhouwers; zij juichten de dichters
toe in den schouwburg en de redenaars in de academische
vergaderingen. Zij waren het sieraad van alle feesten, van
alle wereldsche plechtigheden, van alle militaire of burger-
lijke bijeenkomsten.
Zij hielden haar hof in de tuinen van het Ceramicon ;
daar critiseerden zij de eenen, roemden de anderen, maar
tevens het succes van allen aanmoedigende. Op de open-
bare wandelingen verschenen zij voortreffelijk door schoon-
heid en bevalligheid, op prachtige wagens staande, met de
-ocr page 88-
— 88 -
rijkste stoffen van het Oosten gekleed, schitterend en getooid
als de onbeperkte heerscheressen van een dweepziek volk.
„Haar bevallige geest," zegt Dufour, „schiep geoefend en
sierlijk om haar heen den wedijver van het schoone en de
betrachting van het goede, verspreidde de lessen van den
smaak, en volmaakte de letteren, de wetenschappen en de
kunsten, door ze met het vuur der liefde te bezielen. Daarin
bestond haar kracht en haar verleiding. Bewonderd en be-
mind spoorden zij haar bewonderaars aan zich harer waar-
dig te maken. Zonder twijfel waren zij de onteerende oor-
zaken van veel uitspattingen, verkwistingen en dwaashe-
den ; somtijds verzachtten zij de zeden, verlaagden zekere
vaderlandsche deugden, verzwakten de karakters en bedier-
ven zn\' de zielen, maar gelijktijdig gaven zij den stoot aan
edelmoedige denkbeelden, aan eervolle daden van vader-
lansliefde en moed, aan werken van het genie, aan de rjjke
vindingen der poëzie en der kunst."
De dichters, de wijsgeeren, de generaals en zelfs de ko-
ningen wisten zich niet te vrijwaren tegen de verleiding
der hetairen. Zij stonden haar toe deelgenoote te worden
van hunnen roem, van hunne rechten op de onsterfelijk"
heid der geschiedenis. Velen weigerden zelfs niet haar tot
wettige echtgenooten te nemen en zoodoende in naam van
den hartstocht, dien zij voor haar gevoelden, de beginselen
der zedenleer en de oordeelvellingen van de openbare mee-
ning te trotseeren.
De wijsbegeerte leert, dat de liefde ten allen tijde een
overheerschenden invloed op de menschen uitgeoefend heeft,
en de geschiedenis bewijst ons, dat dit gevoel nooit een
willekeuriger en onbeperkter heerschappij bezeten heeft, dan
zoodra het door een der groot-priesteressen van Venus ge-
inspireerd wordt. Minder dan de anderen nog hebben de
mannen van genie aan de bizondere overredingen der lichte-
kooien weerstand kunnen bieden. En de reden ervan is,
dat de een zoowel als de andere tot de zwakkere psycho-
logie behooren.
-ocr page 89-
— 89 —
De beroemde Hetairen. — Aspasia. Zij werd te
Milete geboren, een stad beroemd door haar vermaken, fa-
belen en courtisanen ; zij kwam te Athene, om er hare denk-
beelden over de wijsbegeerte en de vrije gedachte te ver-
spreiden. De natuur had haar alle bekoorlijkheden geschonken,
haar vader alle talenten. Zij was vergezeld door een menigte
schoone Grieksche jonge meisjes, de schitterendsten van
haar school, allen met een volmaakt voorkomen, met een
uitmuntende opvoeding, maar ook allen hetairen even galant
als haar leermeesteres. Met een buitengewoon verstand en
een voorbeeldelooze schoonheid moest Aspasia door dezen
voortreffelijken stoet van zendelingen vergezeld eenbuitem
gewoon succes behalen. Ook heeft Chaussard met recht gezegd,
dat de wulpsche en wellustige tooi en gang en de kunstgrepen
van deze soort vrouwen meer en meer verleidelijk werd, en
dat Athene van toen af de eerste school werd voor het ver-
maak en voor alle schoone zaken in het algemeen. Haar
huis werd dus de plaats van bijeenkomst van de merkwaar- "
digste mannen van Griekenland. Er werden conferentiën
gehouden, waar de belangrijkste vraagstukken over wijsbe-
geerte, staatkunde en letterkunde verhandeld werden. Niet
alleen zag men er Socrates, Pericles, Alcibiades, Phidias,
Anaxagores en den geheelen hoogen adel der stad, maar
ook de matronen en hare dochters; ter wille van Aspasia,
de gewoonten en de wetten van haar land vergetende.
„Zij gingen er heen om haar te hooren spreken, ofschoon zij een leven
leidde dat weinig eervol was, daar zij in haar huis jonge meisjes hield,
die handel met haar lichaam dreven." (1)
Nooit drukte een koningin haar karakter zoo op haar on-
derdanen, als Aspasia dit op het volk van Athene deed. Zn\'
bestuurde de openbare zaken, besliste over vrede en oorlog,
loste alle betwistbare artistieke en letterkundige vraagstuk-
ken op, gaf den mannen den toon en den vrouwen de mode
(1) Jacques Amyot, traduction de Plutarque.
-ocr page 90-
— 90 -
aan. Zij verpersoonlijkte de overwinning van de prostitutie.
En indien men geschiedkundig zegt: de eeuw van Pericles.
kan men even gegrond zeggen: de eeuw van Aspasia.
Hare oppervlakkige wijsbegeerte overheerschte dermate
Pericles, den overwinnenden held van Mycali, het erkende
hoofd van de Republiek, dat hij van zijn vrouw scheidde,
om haar te huwen. Aldus slaagde een prostituee erin een
werkdadig aandeel te nemen aan de staatkundige belangen
van Griekenland, en de veldtochten van Samos, Migare en den
Peloponesus te veroorzaken om redenen van persoonlijk be-
lang. Die bloedige oorlogen waren zeker haar oorlogen : nu
eens omdat de Samiërs in strijd waren met de Mileters haar
landgenooten; dan weer omdat de Megariörs twee hetairen
van haar hof opgelicht hadden uit weerwraak, dat Alcibia-
des, een harer minnaars, de schoone Simaetha eene vrouw
van Megare geschaakt had. En opdat de vrede niet zonder
hare toestemming zou gesloten worden, volgde zij al de
bewegingen van het leger met haar vliegend legioen van
courtisanen.
Deze moesten overigens hare bevelen mededeelen aan de
andere hoofden van het Atheensche leger, die haar dan ook
om strijd met goud en kostbare steenen beloonden.
Het despotische karakter van Aspasia eindigde haar hef-
tige vijandschap te berokkenen vooral van de zijde der vrou-
wen. Men verweet haar de onzedelijkheid harer wijsbegeerte
en zij werd voor den Areopagus gedaagd onder de verschrik-
kelijke beschuldiging van ongodsdienstigheid ! Zij zou onfeil-
baar veroordeeld geworden zijn, indien Pericles zelf haar
niet was komen verdedigen en door zijn tranen en smeeken
het hart harer rechters vermurwd en haar aldus van de
lijfstraf gered had.
Na den dood van Pericles zette zij niettemin het bedrijf
van courtisane voort en behield zij nog genoeg invloed om
een harer minnaars, den rijke en jongen Lysicles, tot de
eerste waardigheden der Republiek te doen verheffen.
P h r y n e a. — Zij was van Thespië, een stad in Beotië, aan
-ocr page 91-
— 91 —
de Muzen gewijd. Even zooveel als Aspasia de toejuichingen
der menigte najoeg en den schitterenden voorspoed in de
openbare bijeenkomsten, even zoozeer hield Phrynea zich
verwijderd van de wereld en leefde zij afgezonderd. Minna-
res der kunsten, bezocht zij slechts de werkplaatsen van
Apelles en van Praxitelus, van wie zij de dankbare maitres
werd, want haar verbazende schoonheid werd slechts geo-
penbaard door de meesterwerken van die groote kunstenaars
van Griekenland. Zij was er fier op als model te poseeren
zoowel voor den grooten schilder als voor den beeldhouwer
voor zijn schoonste beelden van Venus. Haar lichaam was
het meest overeenstemmende type der zuiverheid van vor-
men bij de vrouw. „Op de mysteriën van Eleusis," zegt
Dufour, „verscheen zij als een godin onder de galerij van
den tempel en liet zij haar kleeding vallen voor een van
verwondering verbaasde en hijgende menigte ; zij verdween
achter een purper doek. Op de feesten van Neptunus en
Venus liet zij ook haar kleeding op de trappen van den
tempel achter, en niets dan haar lange zwarte haren heb-
bende, om de naaktheid van haar lichaam te bedekken, dat
in de zon schitterde, naderde zij de zee, midden door het
volk, dat zich uit eerbied opende, om haar plaats te maken,
en haar met één kreet van geestdrift begroette. Phrynea
trad de zee in, om eer te bewijzen aan Neptunus, en zij
kwam er uit als Venus bij haar geboorte. Men zag haar
een oogenblik op het zand het zilte water afschudden, dat
langs haar vleezige lendenen droop, en hare natte haren
uitwringen: men zou gezegd hebben, dat Venus een tweede
maal geboren werd. Na deze overwinning van een oogen-
blik onttrok Phrynea zich aan de toejuichingen, en verborg
zij zich in haar gewonen schuilhoek. Maar de uitkomst van
deze verschijning was daarom niet minder ontzaglijk, en de
naam van de courtisane vervulde aller monden en ooren.
Elk jaar vermeerderde derwijze het aantal nieuwsgierigen,
die slechts haar de mysteriën van Eleusis en de feesten
van Neptunus gingen, om Phrynea te zien."
-ocr page 92-
— 92 —
Het succes van de hetaire van Thespié was te groot ge-
worden, dan dat zij niet het onweer om haar zag samen-
pakken. Evenals Aspasia werd zij dus door een afgewezen
verliefde voor de onbuigzame rechtbank van den Areopagus
beschuldigd van ongodsdienstigheid. De ter-dood-veroordeeling
was in beginsel beslist, en de openbare aanklager had
zijn requisitoir voorgedragen tegen Phrynea, aangeklaagd
van ontheiliging van den eeredienst van Eleusis en van
verleiding der burgers, toen een jong redenaar de hand
naar haar uitstrekt om aan te duiden, dat hij haar verde-
diging op zich neemt. Zijn naam is Hyperides; hij heeft
vroeger de gunsten van Phrynea genoten, en pleit met
warmte de onschuld van zijn vroegere minnares. De rechtbank
der Heliasten blijft gevoelloos, en zal het noodlottig vonnis uit-
spreken. Toen brengt Hyperides door een vlugge beweging
de beroemde courtisane voor de balie, rukt haar de kleederen
af en toont haar geheel naakt in al haar welgevormde schoon-
heid aan de verwonderde blikken van de rechters. Hij eischt
de vrijspraak van zijn cliënt in naam der schoonheidsleer, in
naam van de volmaaktheid der vormen, waaraan de Grieken
altijd hulde hebben bewezen. En Phrynea wordt vrijgesproken!
Moet men er aan toevoegen, dat Phrynea dankbaar was,
en dat zij er onbetwistbare bewijzen van gaf aan haar wel-
sprekenden verdediger? Dat was zeker. Maar zij werd ver-
volgens voorzichtiger, en weigerde hare gunsten niet meer
aan de magistraten en rechters van Athene, een altijd on-
feilbare voorzorg om niet van goddeloosheid jegens de godin
beschuldigd te worden. Het fortuin van Phrynea werd toen
onberekenbaar. Zij liet te Corinthe onderscheidene tempels
en gebouwen oprichten; zij bood de Thebanen aan op haar
kosten hun stad te doen herbouwen, op de enkele voor-
waarde, dat men op haar muren deze enkele inscriptie zou
plaatsen: Alexander heeft Thebe verwoest en Phrynea heeft
het weder opgebouwd.
Maar hare landgenooten weigerden
waardig het geld, dat zij met het bedrijf der prostitutie ge-
wonnen had. Na haar dood richtte men haar evenwel een
-ocr page 93-
— 93 —
gouden standbeeld op, door Praxitelus gebeiteld en dat in
den tempel van Diana te Ephesus geplaatst werd.
Laïs. — Zij was even beroemd om haar geest als om
haar onvergelijkelijke schoonheid. Nog kind zijnde, werd zij
in een expeditie van Nicias genomen, van Sicilië naar
Athene gebracht en als slavin aan den schilder Apelles ver-
kocht, die haar de liefde leerde kennen. Eenige jaren later
vrij zijnde, ging zij naar Corinthe, leerde er de kunst van
het hetairisme en vestigde zich in deze stad, waar van
alle kanten der wereld rijke vreemdelingen kwamen om
haar gunsten te erlangen, die zij op een fabelachtigen prijs
stelde. Demosthenes ondervond het te zijnen koste: Niet-
tegenstaande zijn grooten roem van welsprekendheid vroeg
Laïs hem 10000 drachmen voor een nacht: „Ik koop zoo
duur geen berouw," antwoordde de beroemde Athener, die
ternauwernood het tiende deel van die som in zijn zak had.
Daarentegen bood zij zich zelf Xenocratus aan, een der
leerlingen van Plato; maar het was tevergeefs, dat zij den
strengen wijsgeer trachtte te verblinden door haar wónder-
volle schoonheid, tevergeefs dat zij zijn zenuwen trachtte
op te wekken door hare liefkoozingen en hare meest wei-
lustige omhelzingen. Xenocratus weerstond hare verleiding
geheel. „Ik had gewed een man gevoelig te maken," zeide
zij, „en niet een beeld." Zij was niet gelukkiger bij Eubates,
een der overwinnaars in de Olympische spelen. Die jonge
man wilde trouw blijven aan zijne liefde voor een meisje
van Cyrene en weigerde al haar dringende uitnoodigingen.
Laïs was wispelturig, zij zocht de tegenstellingen. Op hetzelfde
tijdstip had zij voor minnaars den eleganten en geestigen
Aristippus en den lompen, onbeschaamden Diogenes, aan
wien zij zich in het openbaar overgaf. In haar tegenwoordig-
heid trachtten de beide wijsgeeren elkander wederkeerig te
bekeeren tot hun leer, maar zonder succes. Hun argumenten
versterkten slechts de groote hetaire in de eclectische wijs-
begeerte van haar liefde.
Plutarchus verhaalt aangaande haar dood de volgende
-ocr page 94-
— 94 -
geschiedenis : Corinthe verlaten hebbende om een jong man
naar Thessalië te volgen, waarop zij verliefd was, vermoord-
den de vrouwen dier streek haar, omdat zij jaloersch waren
op haar schoonheid. De Corinthiërs erkentelijk voor devor-
stelijke geschenken, die zij hun stad deed, richtten voor
haar een gedenkteeken op, dat een leeuw voorstelt, die
een ram ter aarde werpt. Men zegt ook, dat men voor haar
een grafstede liet bouwen op de plaats, waar zij het leven
liet en dat men er dit grafschrift op plaatste:
Het roemrijke en onoverwinlijke Griekenland is door de goddelijke
schoonheid van Laïs onderworpen geworden.
Dochter der liefde, in de school van Corinthe gevormd, rust zij in de
velden van Thessalië.
Het zou buitengewoon geweest zijn, indien in Frankrijk
geen galant dichter opgestaan ware om aan Laïs een strophe
of een vers te wijden. Voltaire heeft zich hiermede belast
door ons een vertaling te geven van de opdracht van Laïs
aan Venus, toen zij op gevorderden leeftijd haar spiegel
aan de voeten van het beeld der godin legde. In deze choix
de fleurs,
scherpe puntdichten onder den naam van Anthologie
grecque
bekend, doet de schrijver de hetaire van Corinthe
als volgt spreken:
Ik goef hem aan Venus, omdat die altijd schoon is;
Want hij vermeerdert slechts mijn zorgen!
Ik zou mij niet meer kunnen zien in dien trouwen spiegel
Zooals ik was, noch zooals ik ben.
Geoote mannen en hetairen. — De meesten van de he-
tairen waren haar vermaardheid verschuldigd aan de groote
mannen, die haar beschermers waren. Onder de menigte
zullen wij aanhalen:
H e r p y 1 i s. Zij werd door Aristoteles bemind en schonk
hem een zoon. De vorst der tcysgeeren maakte haar tot zijn
erfgenaam, voor hu\' stierf.
Lagischus. De leeraar der welsprekendheid Isocrates,
de vriend van Philippus van Macedonië en de mededinger
-ocr page 95-
— 95 —
van Demosthenes, weerstond de bekoorlijkheden van dit
mooie meisje niet.
M a g a 1 o s tr a t e s. Zij was een aanhangster der eroti-
sche wijsbegeerte van Alcman, een dichter, die Homerus
voorafging, en die door zijn erotische uitspattingen eene
ziekte opliep, waaraan hij stierf.
L e o n t i u m. Atheensche hetaire, leerling en maitres
van Epicures, opmerkenswaardig door de sierlijkheid van
haar stijl; zij boezemde eens hevige hartstocht in aan den
dichter Hermasianax en onderhield een levendigen penne-
strijd met den wijsgeer Theophrastus.
Thaïs. Hetaire van Athene, zij slaagde erin, toen
Alexander in deze stad kwam, hem door haar schoonheid
te ketenen en volgde hem tot in Azië. Zij nam deel aan
de zwelgpartij, waarbij de overwinnaar Persepolis liet ver-
branden. Zij werd daarna de maitres van Ptolemeüs, die
koning van Egypte werd. Deze verhief haar onder zijn \\vet-
tige vrouwen en had drie kinderen bij haar.
B a c c h i s. Deze trouwe minnares van den redenaar
Hyperides was bekend door haar belangeloosheid en de goed-
heid van haar hart. Men noemde haar de goede Bacchis;
Hyperides schreef, dat zij den naam van courtisane ge-
adeld had.
T e o d e t e. Zij beminde Alcibiades teeder, en bewees zeer
vroom de laatste eer aan den beroemden generaal van
Athene.
G 1 y c è r e. Zij verkreeg van Menander, de prins van het
nieuwe tooneelspel,
dat hij de comedie, die hij te harer eere
gemaakt had, op de lijst van zijn geliefkoosde stukken plaat -
ste. Zij zeide dikwerf: „Ik ben liever de koningin van
Menander dan van Tarsus," eene stad, die zij bewoonde,
toen zij door den goeverneur van de Aziatische provinciën
koninklijk onderhouden werd.
Agathoclea oefende een onbeperkte heerschappij uit
over Ptolemeüs Philopator, wiens rijk zij het onderst boven
keerde.
-ocr page 96-
— 96 —
Archeanassa werd evenals Ninon tot op eenhoogen
leeftijd bemind. Plato beminde haar, en vergat voor haar de
strenge beginselen van zijn wijsbegeerte. Men zegt, dat hij
haar deze verzen wijdde :
De beminnelijke Archeanassa heeft mijn trouw verdiend,
Zij heeft rimpels, maar ik zie
Een bende liefdegoodjes in die rimpels spelen.
Gij, die haar kondet zien, voor dat haar bekoorlijkheden
Door den loop der jaren die kleine gebreken bekomen hadden,
O wat moet gij niet geleden hebben !
Aristagore, courtisane van Corinthe, minnares van
Demetrius van Phalere. Deze op het feest der Panatheneas
tot hipparchus benoemd, liet voor deze hetaire een zetel
plaatsen boven Hermes. Bij het vieren der mysteriën van
Eleusis plaatste hij haar aan den ingang van het heiligdom.
Demetrius voor den Areopagus gedaagd om zijn weelde,
antwoordde: „Ik leef als een welgeboren man ; indien ik
voor maitres een zeer schoone vrouw heb, doe ik niemand
nadeel. Ik drink wijn van Chio, ik leef weelderig, maar ik
verteer slechts mijn inkomsten. Ik leef niet verkocht door
giften of als overspeler, zooals eenigen uwer." En hij noemde
vele leden van de rechtbank. Antigonus maakte hem na
deze rede thesmotheet.
B e d i o n, rijk door den roof op den dichter Antagoras.
Simonidas maakte tegen haar en twee harer vriendinnen
deze verwensching:
Ontvlucht, ontvlucht Cyther en deze ondankbare kust
Verpest door de Sireen en den begeerigen zeeroover;
De minnaar van Bedion en die van Thaïs
Lichten u genoeg in door hun volkomen ondergang.
Zij weenen: omdat zij uitgeschud zijn. Ga op den oever
Uw oogen verschrikken door een waanzinnige schipbreuk!
C1 e o n i c e. Zij heeft ons verscheiden wijsgeerige werken
geschreven, die niet tot ons gekomen zijn. Zij kwam bij
-ocr page 97-
— 97 —
vergissing door een dolksteek van Pausanias om het leven,
doordat ztf \'s nachts zijn kamer binnenkwam zonder te
waarschuwen.
M a n i a. Men noemde haar ook de Wesp om de dunte van
haar taille. Zij had de houding en de trekken van een der
gratiën en de stem eener Sireen. Zij ketende aan haar wa-
gen van courtisane talrijke burgers en vreemdelingen. De
Grieken noemden haar liefde een zachte krankzinnigheid.
Demetrius vroeg haar eens die verborgen schoonheden te
mogen zien, die Venus Callipyge haar benijd zou hebben :
Zij keerde zich om en twee regels van Sophocles paradiee-
rende, zeide zij: „Aanschouw, voortreffelijke zoon van Aga-
memnon, deze zaken, waarvoor gij steeds zoo\'n sterke
genegenheid koestert." Zij werd haar minnaar, Leonticus,
ontrouw voor twee jonge mannen, die zij denzelfden nacht
bij haar ontving, en aan wien zij zich beurtelings overgaf,
zonder dat zij het wisten: „Ik was nieuwsgierig te weten,
vertelde zij later, welke wond twee athleten, beiden over-
winnaars in de olympische spelen, mij wel in eenzelfden
nacht konden toebrengen."
M i 11 o. Men noemde haar de Oostersche Aspasia. Zij werd
in Phocid^geboren ; hare zedigheid evenaarde haar schoon-
heid. Men verhaalt hare geschiedenis als volgt: een satraap
licht haar op en brengt haar te Sardip in het paleis van
Cyrus. De gesnedenen brengen haar in het vrouwenverblijf.
Milto weent; het afschuwelijke van haar noodlot ontplooit
zich voor haar blikken ; zij werpt met verontwaardiging den
tooi van zich, dien men haar aanbiedt; zij roept beurtelings
de goden, haar vader en de wraak aan.
Men sleept haar naar de feestzaal. Cyrus was dronken. Zij
weerstaat eerst alle pogingen tegen haar schaamte gericht,
maar eindelijk staat zij der liefde toe, wat zij den dwang
geweigerd had. Cyrus wilde haar met geschenken overladen ;
zij antwoordde hem met deze in den mond van een lichte-
kooi zeldzame woorden : „Deze prachtige geschenken moeten
Parisatis, de moeder van Cyrus, toebehooren. Dit geld, deze
7
-ocr page 98-
— 98 —
schatten zijn van uw volk ; maar mijn schat is in uw hart"
Zij richtte nochtans een gouden standbeeld op voor Venus,
die haar lot geleid had. Na den dood en de nederlaag van
Cyrus werd zij als gevangene bij Artaxerxes gebracht, die
haar schoon vond, en tot maitres nam. Maar ztf had nooit
liefde voor dezen vorst, die naast haar als mededinger naar
zijn koninklijke gunst een afschuwelijke eunuuk plaatste,
voor wien hij een grooten hartstocht koesterde.
L e ae n a. Wijsgeerige hetaire, maitres van Harmodius ;
spande met hem samen tegen den tyran Hippias. Op de pün-
bank gebracht, opdat zij haar medeplichtigen zoude noemen,
beet zij, om zeker te zijn stand te houden en haar geheim te
bewaren, met haar tanden haar tong af, en spoog die haar
beulen in \'t gelaat. Men richtte voor haar een koperen ge-
denkteeken op, een leeuwin met geopenden muil en zonder
tong voorstellende, dat men bij den burcht van Athene
plaatste.
Targelia. Zij weigerde haar vaderland te verraden, ten
voordeele van Xerxes; zij was de maitres van al de hoof-
den van de Grieksche legers, en aan haar opmerkelijk ver-
stand zoowel als aan haar schoonheid was zij het verschul-
digd. koningin van Thessalië te worden. Zooals Plutarchus
geschreven heeft.
N ie ar e te. Zij was de maitres van den beroemden wijs-
geer Stilpon van Megare. Buitengewone wiskunstenares,
had haar hart een sterk zwak voor haar broeders in de wis-
kunde.
Theo ris. Zij gaf zich aan de dorre liefde van den groo-
ten Sophocles over. Demosthenes liet haar, om zich over
haar afkeer te wreken, ter dood veroordeelen voor een voor-
gewende misdaad van goddeloosheid in hare werkzaamheden
als priesteresse van den tempel van Venus en van Neptu-
nus gepleegd. Voor Theoris richtte de oude Sophocles dezen
lofzang tot Venus:
„O Godin, verhoor mijn bede! Maak Theoris ongevoelig
voor de liefkoozingen van die jeugd, die gij begunstigt, stort
-ocr page 99-
— 99 —
bekoorlijkheid over mijn grijze haren uit; maak datTheoris
een grijsaard de voorkeur geeft. De krachten van den grijs-
aard zijn uitgeput, maar zijn geest begrijpt nog de vervoe-
ringen."
T h e o d o t e. Zij was dermate verliefd op Socrates, die
zich den wijzen raadsheer in de liefde deed noemen, den
vriend der vrouwen, dat Aristophanus, de mededinger van
den wijsgeer zich wreekte door tegen dezen de ernstige be-
schuldiging in te brengen van de jeugd te verderven en
nieuwe goden in te voeren, een beschuldiging, die door den
gifbeker gevolgd werd, maar die den dichter niet gelukki-
ger maakte bij de schoone courtisane.
G n a t e n a. Beroemd door haar geest en de gevatheid
harer uitvallen, was zij langen tijd de tyranieke minnares
van den dichter Dyphile. Op het voorbeeld van de wijsgee-
ren, die in hun academie de tafelen van hun bizondere wet-
ten ophingen, had zij in haar voorportaal het wetboek harer
instelling, de erotische wetten en de reglementen van het
huis in 320 verzen geplaatst.
P i t h i o n i c e. Beroemd om de weelde, die zij ten toon
spreidde ten koste van Harpalus, den luitenant van Elexan-
der, die Babyion knevelde.
Scyonne, Satyra, Lamia en Nanion, die zich
eens voor den wagen van Themistocles spanden.
En meer anderen nog, courtisanen en liefhebbenden, haar
intiemste gunsten even gevallig aan de meesters der dicht-
kunst, welsprekendheid en kunst aanbiedende als aan de
bevoorrechten door het fortuin of de geboorte.
§ TI. De tegennatuurlijke liefde in Griekenland.
Pederastie en Sodomie.
De ontaardingen, de Aziatische zeden, de tegennatuurlijke
betrekkingen tusschen mannen en vrouwen, breidden zich
-ocr page 100-
— 100 -
in Griekenland met den eeredienst der afgoden uit, door
over te gaan, zegt men, in een overgevoelige en zinnelijke
afdwaling der schoonheidsleer van het menschelijk lichaam.
De eeredienst van Venus en de prostitutie der vrouw hielden
gedeeltelijk deze neiging der Grieken tegen naar deze inge-
kankerde ondeugd der Oostersche volken en voornamelijk
der Lydiërs, Syriërs en Macedoniërs. Ook vestigden de eerste
wetgevers, Draco en Solon, al hun aandacht erop, om de
noodlottige gevolgen van de tegennatuurlijke liefde te on-
derdrukken en bovenal om de jeugd tegen de aanslagen te
beschermen, waaraan deze was blootgesteld.
In zUn pleidooi tegen den ontuchtigen Timarchus, zegt
Eschinus tot de rechters: „Wij zijn verplicht onze kinderen
aan de schoolmeesters toe te vertrouwen, die slechts be-
staan kunnen, zoo zij goede zeden hebben, en aan wie het
gebrek aan wijsheid alle hulpmiddelen zou ontnemen. De
wetgever nochtans, steeds vol argwaan, wijst duidelijk het
uur aan, waarop een vrij kind naar school moet gaan, en
wanneer het er uitgaat. Hij verbiedt den meesters en hoofden
van gymnasiën voor het opgaan der zon deze te openen,
en hij gelast hun, de eenzaamheid en de duisternis voor
verdacht houdende, ze voor zonsondergang te sluiten. Hij
wil, dat de bestuurder der feesten van Bacchus, die daarbij
kinderen gebruikt, boven de veertig jaar zij, opdat hij slechts
met hen op een rijpen leeftijd in aanraking komt. Volgens
den wetgever kan een welopgevoed kind, tot man opgegroeid,
zijn vaderland nuttig zijn. Maar als reeds dadelijk de inborst
bedorven is door een slechte opvoeding, kunnen de kinde-
ren slechts verdorven burgers zooals Timarchus worden.
„De wetgever heeft, ook voor de veiligheid uwer kinderen,
nog een andere wet vastgesteld, die op de prostitutie: Zij
stelt de zwaarste straffen vast tegen wie ook, die een vrij
kind of vrouw prostitueert. Welke andere wet heeft hij nog
afgekondigd ? De wet tegen de beleediging, die in één woord
al de overtredingen van dezen aard omvat. Zij zegt uitdruk"
keiijk, dat wie ook een kind, een man of een vrouw, hetzij
-ocr page 101-
- 101 —
vry of slaaf, beleedigt (en men beleedigt hen, als men ze
voor zijn vermaak koopt), wie zich tegen een dezer perso-
nen aan misdadige buitensporigheden zal overgeven, be-
schuldigd en tot een lichaamlijke kastijding veroordeeld kan
worden."
Eschinus herinnert voorts de beschikking der wet tegen
mannen, die zich zelven aan de prostitutie overleveren, en
die aldus vervat is: rWie der Atheners zich prostitueeren
zal ten genoege van anderen, zal niet gekozen kunnen
worden voor de negen Archonten ; hij zal tot geene hooge-
priesterschap beroepen kunnen worden; hij zal voor het
volk niet kunnen pleiten, noch een overheidsplaats in of
buiten de stad, door het lot of bij stemming kunnen ver-
krijgen ; hij zal noch als afgevaardigde, noch als heraut
afgezonden kunnen worden ; hij zal zijn meening niet kun-
nen zeggen noch in den Senaat, noch in de volksverga-
dering."
Al deze voorzorgen, door den wetgever genomen, bewijzen
wel de neiging, die de Grieken hadden voor de tegenna-
tuurlijke ontucht. Inderdaad verkreeg Athene, niettegen-
staande al de gestrengheid der wetten, bijna evenveel be-
faamdheid door zijne pederasten en zijn kindervrienden als
Corinthe door zijn tribaden. Aristophanus zegt in zijn comedie
de Wolken, tegen Socrates geschreven: „Voorheen was het
een jongen verboden in de Arena te gaan zitten anders
dan met een kleed, dat hem laag over de dijen hing, ten-
einde niets onwelvoegelijks aan vreemden te vertoonen;
hij vergat nooit, als hij opstond, tot zelfs de sporen van
zijn zitten weg te maken, opdat de indruk van de vleezige
deelen geen verlangen bij verliefden zou opweken."
Volgens de Grieksche geschiedschrijvers weten wij ook,
dat in de nabijheid der gymnasia en van de worstelper-
ken zich winkels bevonden van barbiers, parfumeurs, wis-
selaars en fabrikanten, benevens badplaatsen, die tot plaats
van samenkomst dienden voor actieve en passieve pede-
rasten. Indien men vertrouwt op de toespraak van Eschinus,
-ocr page 102-
— 102 —
hadden de bedrijven van Pederastie en Sodomie dezer man-
nen openlijk plaats in de afgelegen en donkere plaatsen
van de stad, voornamelijk op de Pnix, een plein in Athene
tegenover den Acropolis.
Deze ondeugd, die volgens Elien, Plato en Xenophon ge-
straft werd met oneer, verbanning en den dood, werd bij
de Elieners en Beotiërs geduld en zelfs toegestaan. En zij
was in de stad Chalcis in Eubea, op Chios en op Siphnos,
eilanden van den Archipel, zoodanig verbreid, dat men zich
spreekwoordelijk van den naam dezer landen als wortel
bediende om werkwoorden te maken, die eensluidend waren
met sodomieteren. „Volgens Rosenbautn zagen de Grieken
in de pederastie slechts een tegennatuurlijken hartstocht,
een soort van losbandigheid. Men vond misschien bij de eenen,
zegt hij, redenen, die hun bizonderen smaak schenen te
wettigen, en men zag in hun doen, om zich vermaak te
verschaffen, slechts een middel om hun zinnen te verpoozen,
slechts een figura Veneris, die het onanisme nabij kwam.
Maar voor de passieve pederast, die de eersten aanmoedigde,
bestond een dergelijke reden niet, want men kon een zekere
kitteling niet aannemen als een der physische oorzaken
van dezen hartstocht. Men moest hem beschouwen als een
wezen, dat onder een ziekelijken invloed geplaatst is....."
Deze tegennatuurlijke betrekkingen bestonden niet alleen
tusschen individuen der lagere standen, maar zij vonden
ook plaats bij mannen, die tot de aristocratie behoorden.
Een hetaire, Nico genaamd en beroemd om haar spottenden
geest, was eens met den schandjongen van Sophocles,
Demophon genaamd. Deze vroeg haar verlof, zich te verze-
keren of zij geschapen was als de Venus Callipyge: „Wat
wilt g\\j daarmede uitvoeren," zeide zij verachtelijk, „is het
om aan Sophocles te geven ?"
Een ander geschiedkundig bewijs voor de tegennatuurlijke
liefde is de geschiedenis van den hartstocht van Socrates
voor Alcibiades, die verscheidenen beschouwd hebben als een
gevoel van sentimenteele liefde, van overdreven kinderliefde.
-ocr page 103-
— 103 —
Men vatte de zaak op, zooals men wil; maar Plato heeft
een brokstuk van een gesprek tusschen Aspasia en Socrates
over Alcibiades medegedeeld, dat geen volkomene en kuische
onschuld van de zijde des wysgeers in zich sluit. De ver
taling is:
—  Socrates, ik heb in uw hart gelezen; het klopt voor
den zoon van Dinomachus en Clinias. Hoor, als gij wilt,
dat de schoone Alcibiades u wederliefde betoont, let dan op
den raad van mijn genegenheid...
—  O verrukkelijk gesprek! roept Socrates uit, o vreugde!...
Een klam gevoel heeft mijn lichaam doorloopen, mijn oogen
vullen zich met tranen...
—  Houd op met zuchten, brak zij af; doordring u met een
verheven geestdrift; verhef uw geest tot de goddelijke hoogte
der poëzie: deze betooverende kunst zal u de ziel openen.
De zoete dichtkunst is de bekoring van het verstand; het
oor is de weg naar het hart, en het hart is die naar het
overige...
—  Waarom weent gij, dierbare Socrates ? Zal ze dan altyd
uw hart storen, die liefde, die als de bliksem uit de oogen
van een gevoelloos jongmensch geschoten is ? Ik heb je
beloofd hem voor je te vermurven.
Hoe moet men die liefde noemen van een man voor een
opgeschoten knaap ? De zedenmeesters hebben gezegd, dat
de oorzaak van de tegennatuurlijke ondeugden der Grieken
gezeteld was in zekeren omgang, dien zij zich als eerbaar
veroorloofden, maar die hen noodlottig tot eerlooze handelin*
gen moest voeren. De samenspraak der liefde, aan Lucianus
toegeschreven, geeft een andere oorzaak aan de liefde voor
kleine jongens. Wij vinden inderdaad twee personen, die in
den omtrek van den tempel van Cnide, de een over de liefde
der vrouwen, de ander over die der jongens debatteeren.
Onze twee redenaars zijn Charicles en Callicratidas. Wij
zullen de argumenten hooren, die ztf aanvoeren, voor hunne
meeningen.
Charicles. Uw slachtoffer lijdt en weent onder uw
-ocr page 104-
— 104 —
afschuwelijke lief koozingen ; als men dergelijke verstoringen
bij de mannen toelaat, moet men aan de Lesbische vrouwen
haar dorre liefde laten.
Callicratidas. Leeuwen huwen geen leeuwen, zegt
gy. Dat komt omdat leeuwen niet philosopheeren. \'s Morgens
lh\'kt de vrouw, als zij uit het bed komt, een apin ; oude
vrouwen en dienstmeisjes, op een rij geschaard als bij een
processie, brengen haar de gereedschappen en de drogeryen
voor haar toilet: een zilveren waschkom, een waterkan,
een spiegel, frizeerijzers, blanketsel, potjes met opiaat en
zalf om haar tanden schoon te maken, de wenkbrauwen
zwart te maken en het haar te kleuren en te parfumeeren;
men zou meenen de werkplaats van een apotheker te zien.
Zij bedekt half haar voorhoofd onder de krullen van haar
haren, terwijl een ander gedeelte over haar schouders golft.
De riemen van haar schoeisel zijn zoo nauw aangehaald
dat zij in het vleesch dringen ; zij is minder gekleed dan
wel in een doorschijnende stof ingesloten, die zien laat,
wat zij gehouden is te verbergen. Zij doet kostbare paarlen
in haar ooren, en armbanden in den vorm van een slang
aan haar polsen en armen ; een diadeem van diamanten
en edelsteenen uit Indië zit op haar hoofd; lange halssnoe-
ren hangen om haar hals; gouden hakken versieren haar
purperen schoenen : zij maakt haar schaamtelooze wangen
rood om haar bleekheid te verbergen. Zoo uitgedost gaat
zij uit, om onbekende godinnen te aanbidden, die noodlottig
voor haar man zijn. Deze aanbiddingen worden gevolgd
door slecht befaamde inwijdingen en verdachte mysteriën.
Zij komt weer thuis, en gaat na lang een bad gebruikt te
hebben aan een overdadige tafel zitten; zij overlaadt zich
met spijzen en neemt van alle gerechten. Een weelderig
bed wacht haar: zij geeft zich aan een onverklaarbaren
slaap over, indien het een slaap is; en als zij van dit don-
zige bed opstaat, gaat zij gauw naar de naastbijzijnde warme
bronnen.
Laat ons nu een ;ongen man beschouwen. Hij staat voor
-ocr page 105-
— 105 —
het krieken van den dag op, dompelt zich in frisch water,
bestudeert de grondregels van de wijsheid, speelt op de lier,
oefent zijn kracht met loopers van Thessalië en werpt de
spies. Wie zou de vriend niet zijn van zoo\'n jongeling ? De
liefde was de bemiddelaar der vriendschap tusschen Orestes
en Pilades; zij voeren beiden op hetzelfde schip door het
leven ; het is schoon elkander tot heldhaftige daden op te
wekken door een drievoudige gemeenschap van vermaken,
gevaren en roem. De ziel van hen, die volgens deze hemel-
sche liefde beminnen, bewoont de hemelsche streken en
twee minneneten van deze soort krijgen na het leven den on-
vergankelijken prijs der deugd.
Callicratidas, heeft Chateaubriand (*) gezegd, heeft in zijn
pleidooi de meening uitgedrukt van Plato en van Socrates,
de wijsten der menschen. Hij doet opmerken hoe Lincinius
het geding tusschen Charicles en Callicratidas beslist: hij
laat de vrouwen voor de gewone stervelingen en de kleine
jongens voor de wijsgeeren.
Theomnestes, een ander rechter in het debat, „lacht om
de vermeende reinheid der wijsgeerige liefde, en eindigt
met de schildering van een verleiding, waarvan de naakt-
heden nauwelijks verdraagbaar zijn in het kleed van de
Grieksche taal." Het is Chateaubriand, die deze passage
aldus vertolkt, en hem tot de gevolgtrekking leidt, dat de
grootste personagen van Griekenland en de grootste namen
onder het juk van deze vernederende hartstochten gebukt
gingen. Alexander deed zijn soldaten blozen om zijn ge-
meenzaamheid met den gesnedenen Bagoas. Sophocles gaat
uit Athene met een jongen, die hem zijn mantel steelt;
Euripides bespot Sophocles en verklaart hem, dat hü het-
zelfde schepsel voor niets gehad heeft.
Een ander feit: In de samenspraak der Courtisanen van
Lucianus hoort men Chelidonion aan Drosé voorstellen met
houtskool op de muren van het Ceramicon te schrijven:
(1) Chateaubriand, études historiques.
-ocr page 106-
— 106 -
Aristenet corrupit Clinias. Deze Aristenet was een wijsgeer
die Clinias van Drosé geschaakt had.... Het is stichtend!
Zoo waren de Grieksche zeden! De dichters bezongen de
tegennatuurlijke liefde der goden, van Minos voor Theseüs,
van Laïus voor Chrisippus. Hiëronanymus, de peripatetische
wijsgeer, prees de pederastie en roemde het legioen van
Theba; en Agnon, het lid der Academie, beschouwde de
prostitutie van beider kunne voor het huwelijk bij de Spar-
tanen geoorloofd.
Halen wij nog een zeer zonderlinge passage aan van
Dion Chrysostomus (\'), die de verschrikkelijke verspreiding
bewijst, welke de pederastie bij de inwoners van Tarsus
genomen had, en die een denkbeeld kan vormen, wat toen
die ondeugd in het Oosten was. Ziehier: „Het zal niet zon-
der belang zijn, een opmerkelijk feit te doen kennen, en
wel, dat veel individuen door een ziekte aangetast zijn, die
vroeger bij anderen veel algemeener was dan bij u. Gij
vraagt mij, welke die ziekte is. Ofschoon ik mij niet dui-
deln\'ker kan uitdrukken, zal het niettemin niet moeilijk
vallen haar te raden.
„Denkt niet, dat ik van geheime of verborgen zaken spreek;
neen, de feiten spreken duidelijk genoeg voor zich zelven.
Velen slapen wandelende en sprekende, ofschoon zij goed
wakker schijnen en toch is dit zoo niet. Het duidelijkste
bewijs van hun slaap is, dat zij snurken. Ik kan mij zeker
met niet meer betamelijkheid uitdrukken. Allen evenwel, die
slapen, zijn door het kwaad niet aangetast. Deze ondeugd
verteert en brandmerkt de stad. Zij vooral, die overdag
slapen, zijn de grootste schande voor het vaderland, en gij
moest ze het land uitbannen, evenals men hen overal
vandaan moest jagen. Ofschoon met alle straffen bedreigd en
aan de openbare verachting overgegeven, vindt men hen op
alle tijdstippen in verschillende plaatsen der stad. Overigens
zijn hun ondeugden voor de kleine en de aankomende jon-
(1) Orationes XXXIII vol. II.
-ocr page 107-
- 107 -
gens verderflijk : zonder op te houden braaf te zijn, beschou-
wen deze de zaak slechts als onbeteekenend, en ofschoon
zij zich voor het feit wachten, verlangen zij het niettemin.
Indien men een stad vond, waar men slechts zuchten zou
hooien en waar niemand zou kunnen wandelen, zonder ieder
oogenblik gekweld te worden door klachten, wie zou daar
inderdaad willen wonen ? Het gewone zuchten is, zooals
een ieder weet, de uitdrukking van het ongeluk ; maar dat,
waarvan ik spreek, is het gevolg van de afschuwelijkste
ontucht. Het is zeker verkieslijker betrekkingen te hebben
met ongelukkigen dan met pederasten.
„Zoo het onmogelijk is altijd de fluit te hooren spelen,
en indien, zooals men zegt, het verblijf op de rots, die van
den zang der sirenen weerklinkt, ondragelijk is, welk deugd-
zaam man zou kunnen wennen aan deze onwelluidende
en rauwe tonen ? Wie langs een huis gaat, waarin hij dit
klagen hoorde, zou zeker denken, dat het een bordeel is ;
maar wat zou hij van een stad zeggen, waar die zuchten
zijn oor op alle plaatsen, op elk uur, in elke minuut treffen ?
„De pederastie wordt in de straten, in de huizen, op de
openbare pleinen, in den schouwburg, op de gymnasiën
gepleegd. Ik voeg er aan toe, dat ik tot heden nog geen
fluitspeler gehoord heb, die zich \'s morgens vroeg op zijn
instrument oefende, terwijl het afschuwelijk misbaar der
pederasten reeds bij h§t krieken van den dag aanvangt.
„Waarlijk, ik verheel mij niet, dat men mij beschuldigen
zal ongerijmdheden te vertellen, als ik van deze zaken
spreek ; zij z\\jn evenwel niets minder dan nietig. Gij die
op uw karren groenten naar de markt brengt, kijkt niet
alleen op uw weg naar de groote hoeveelheid wit brood
en naar het versche en gezouten vieesch, maar beschouwt
deze afschuwelijkheid ook eens met dezelfde oplettendheid.
„Zoo iemand in een stad kwam, waar die ondeugd met
den vinger aangewezen kon worden, wat zou hij van zoo\'n
plaats zeggen ? Wat zou het wezen, indien allen er met
het kleed opgetrokken wandelden, alsof zij in de modder
-ocr page 108-
— 108 —
liepen ? Weet gij dan niet, vanwaar uw schande komt, die
aan uw vijanden het recht geeft u te verachten ? En waarom
noemt men u Kerchidas ? Weinig kan het u schelen, wat
anderen van u zeggen, maar wel wat gij zelf doet.
„Is het niet afschuwelijk (en ik denk) gevaarlijker dan
de pest door een ziekte zekere mannen van het volk te
zien treffen, zoodat zij allen een vrouwenstem krijgen, en
geen grijsaard, noch jongeling meer een manlijk geluid
kunnen voortbrengen ? — Een ieder hoort met genoegen
een vrouw spreken, omdat die stem natuurlijk is; maar
het is niet hetzelfde met de tweeslachtigen of met de
individuen, van wie men de geslachtsdeelen afgesneden
heeft. Ofschoon men dien toon niet overal en bij allen hoort,
is hij hun niettemin eigen ; voor hen is het een kenmerkend
schandmerk. Welnu 1 indien iemand u op een afstand wilde
beoordeelen door den klank alleen van uw stem, zou hij
kunnen beslissen welk soort man gij zijt en wat gij doet,
want gij zijt slechts goed om ossen of schapen te hoeden.
In plaats van u te beschouwen als de afstammelingen der
Argiven, zooals gij volhoudt, zou hij u voor Grieken houden,
die de Phenicièrs in ontucht en wellust overtreffen. Wat
mij aangaat, ik denk dat een deugdzaam man niets beter
te doen heeft, dan zich de ooren met was dicht te stoppen,
indien hij zich in een stad bevindt, die vol sirenen scheen,
die hij voorbijkwam. Hier beloopt hij doodsgevaar: maar
daar dat der oneer en der schandelijkste ontucht. Vroeger,
hoorde men bij u slechts de tonen der Jonische of Dorische
muziek of wel de Phrygische of Lydische harmonie; maar
tegenwoordig vindt gij slechts de muziek der Arcadiërs en
Pheniciërs bekoorlijk ; gij geeft de voorkeur aan deze maat,
alsof het mogelijk is goede muziek te maken door den
neus ? — Zoo\'n rhythmus moet noodwendig door iets anders
gevolgd worden.
„Gij weet, dat een inheemsche ziekte uw neuzen aange-
tast heeft, op dezelfde wijze als de toorn des hemels bij
anderen de handen, de voeten en het gezicht. Men zegt,
-ocr page 109-
— 109 —
dat Aphrodite om de vrouwen van Lesbos te straffen haar
een ziekte aan de oksels gezonden heeft; welnu ! Zoo heeft
de goddelijke toorn den neus van de meesten van u ver-
woest, vandaar ontstaat die bizondere klank, want uit welke
andere oorzaak zou hij voortkomen ? Het is het teeken der
schandelijkste tot den waanzin gedreven ontucht en van de
verachting der zedelijkheid. Uw taal, uw gang, uw blik, alles
levert er het bewijs van."
Deze aandoening van den neus, die wijst op de verzwen\'ng
van syphilitische puistjes van het slijmvlies en op de been-
vreting van den neus, die er het gevolg van zijn, is ook
door Ammianus Marcellus gemeld geworden in zijn beschrij-
ving der zeden van de Romeinen (*): aut pugnaciter aleis
certanl, turpl sono fragosis naribus introrsum reducto spiritu
concrepantes.
Het was niet alleen aan de stem, dat de pederast her-
kenbaar was, Aristoteles (2) teekende hem als volgt uit:
„De pederast heeft een schuwen blik, de bewegingen dei-
handen zijn slap; hij gaat met de beenen over elkander
slaande, de oogen zijn zeer beweeglijk. Zoo was de drogrede-
naar Dionysius."
Polemon (3) van zijn kant herkent den tweeslachtige „aan
zn\'n kwijnenden en wulpschen blik, hu\' beweegt de oogen;
hij ondervindt een groote beweeglijkheid en zenuwtrekken
aan het voorhoofd en de wangen en samentrekkingen dei-
oogleden ; de hals is gebogen; de heupen zijn voortdurend
in beweging; de knieën en handen schijnen gebogen; de
blik is vast en recht vooruit. Hii spreekt met een fluitende,
schreeuwerige en bevende stem."
Philon, platonisch wijsgeer heeft, na over de wetten van
Mozes op de hoererij gesproken te hebben, een zeer nauw-
keurige leer der ziekte-kenteekenen van den pederast be-
(1)  Ammiatus Marcellus, Rerum gutarum lib. XIV cap. 19.
(2)  Physiognomicon, cap. 3.
(3)  Physiognomicon, lib. II.
-ocr page 110-
— 110 —
schreven, die recht heeft ook in de geschiedenis der prosti-
tutie opgenomen te worden. Hü zegt:
„Een ander kwaad, grooter dan ik zooeven aangeduid heb,
is de staten binnengeslopen, te weten de pederastie. Vroe-
ger was het bijna een schande dit woord uit te spreken ;
heden is het bijna een eer niet alleen voor hen, die er zich
aan overgeven, maar voor hen zelf, die men zegt door de
aarsverzakking aangetast te zijn ; deze ziekte doet b\\j hen
nochtans eiken trek van manlijkheid verdwijnen en verwijft
hen op het ergst. Om hun doel te bereiken vlechten en
maken zij hun haar op ; zij blanketten zich en tinten het gelaat
met loodwit, rood en andere dergelijke dingen; zij parfu-
meeren zich met welriekende oliën, (want aan reukwerken
hebben zij de grootste behoefte); veel aan zichtbare weelde
hechtende, zijn zij niet beschaamd, zich kunstmatig in vrou-
wen te veranderen. Men moet streng tegen hen zijn, indien
men de wet der natuur wil gehoorzamen ; men moet hun
geen dag laten leven, zelfs geen uur, want zij zijn niet alleen
een schande voor zich zelf, maar ook voor hun famielje,
hun vaderland en zelfs voor de geheele menschheid.
„De pederast moet deze straf ondergaan, omdat hij een
tegennatuurlijk genot zoekt, en omdat hij van zijn kant niet
bijdraagt aan de vermeerdering der bevolking, want hij ver-
nietigt in zich zelf de macht om voort te telen en hij ver-
breidt twee der grootste ondeugden : de onmacht en de ver-
wijfdheid; zij schikt de jonge mannen op als vrouwen en
verslapt de mannen in den bloei des levens, in plaats van
hen aan te moedigen kracht en energie te verkrijgen. Kortom,
op de wijze van een slecht landbouwer, laat hij een diepen
en vruchtbaren grond braak en maakt hem onvruchtbaar;
hij beploegt daarentegen nacht en dag een terrein, waarvan
hij met zekerheid geen oogst kan verwachten. Dat komt,
zooals ik geloof, omdat men in een groot aantal landen,
prijzen ingesteld heeft op de wulpschheid der pederasten en
pathetischen."
In een andere passage zegt Philon, over de inwoners van
-ocr page 111-
— 111 —
Sodom sprekende, dat: „indien liet gebeurde, dat zij kinderen
kregen, zij pathici zouden worden en zich een gebrek op den
hals zouden halen, waartegen alles nutteloos aangewend
is geworden, en zij konden zoo het geheel menschdom
verderven."
De geschiedenis van de pederastie heeft aan Starck reeds
toegelaten deze ondeugd als een Vithim corporis of effemi-
natio interno morboso corporis statu procreata
te beschouwen.
De hedendaagsche pathologisten rangschikken haar onder
de zelf-bewuste erotische krankzinnigheid, en zien slechts
in haar een ontaarding van de teeldrift. Zij erkennen zelfs
een onderscheid tusschen de aangeboren en de aangewende
pederastie.
De eerste bij de geboorte ontstaan komt uit een oor-
spronkelijke verstoring der hersenen voort. De tweede ont-
staat nu eens door slechte gewoonten als: Ontucht en
dronkenschap ; dan eens door ziekten, zooals de algeheele
verlamming bii grijsaards of door aandoeningen der geslachts-
deelen, voornamelijk de ontsteking van het vlies om de
blaas. (\')
(1) Dr. Ball drukt zich in een zijner cliriische lessen als volgt uit:
„In de oudheid werd de pederastie toegelaten als een zeer natuurlijke
en bijna in eer zijnde zaak. Het is zeker, dat zij gepaard kan gaan aan
het gezondste verstand en de schitterendste kennis. Ook zien wij Gany-
medus met Jupiter dingen verrichten, die men tegenwoordig niet op de
altaren zou zien.
„Wij hebhen de gewoonte de oudheid door een prisma te zien. In
onze bewondering voor de groote mannen van Plutarchus vergeten wij
dikwerf, dat de braafste der helden van Griekenland Epaminondas de
minnaar van zijn soldaten was, en dat twee van zijn getrouwen, toen
hij op het slagveld van Mantinea viel, zich uit wanhoop het zwaard door
het lijf staken.
„De groote Alexander zelf hield slechts van jongens, zoo zelfs dat het
moeilijk werd, hem de noodige voorzorgen te doen nemen, den roem
van zijn naam voort te planten.
„Maar dit waren slechts de gevolgen van de ondeugd, en wij hebben
ons slechts met zieken bezig te houden. Een beroemd en bijna histo»
risch voorbeeld is dat van graaf C... medegedeeld door Casper. Deze
-ocr page 112-
— 112 —
De prostitutie gaf niet alleen het aanzyn aan de pede-
rastie. Zij wijdde de menschen in alle soorten van ontucht
in en leverde hun de ondeugden, waarvoor de Grieken een
bepaald woord hadden, dat beteekende: de Lesbische vrou-
wen nadoen.
Hierover moet men Lucianus (*) lezen, terwijl hij zich
tot den onwaardigen Timarcus richt, die zijn vrouw door
de vuilste liefkoozingen bezoedeld had. „Welnu, waarom
wordt gij woedend, als het volk nog eraan toevoegt, dat
gij een fellator en cunnilingus zu\'t, woorden die gij even
weinig schijnt te begrijpen als apophrus: mogelijk neemt
gij ze als eervolle titels aan ? Of zijt gij er wel aan gewoon
zonder het aan het woord apophrus te zh\'n ? Wilt gij van
uwe titels dien weglaten, dien gij niet kent ?
„Ik weet al, wat gij in Palestina, Egypte, Phenicië, Syrië,
Hellas en Italië doet en wat gij thans te Ephesus uitvoert,
waar gij de kroon op uw werken zet.
„Maar gij zult nooit er in slagen uw medeburgers te
overtuigen, dat gij niet aan hen allen walgt, dat gij het
uitvaagsel van de geheele stad niet zijt. Gij boogt misschien
man, die, van een der beste geslachten van Pruisen, tot den leeftijd van
twee en dertig jaar een bijna volkomen kuischheid bewaard had, recht-
vaardigde dit woord van den grooten Frederik: „De liefde is een trou-
welooze godin, als men haar van voren weerstaat, keert zij zich om."
Toen de graaf een gezelschap van pederasten gesticht had, aan wie hij
hartstochtelijke brieven schreef en tooneelen van jaloerschheid en on-
trouw aandeed, werd hij vervolgd, veroordeeld en krank van geest ver-
klaard, misschien wel een weinig door den machtigen invloed van zijn
geslacht.
„De menschen van mijn ouderdom herinneren zich nog wel een der-
gelijke vereeniging, die gedurende de laatsto jaren van het tweede kei-
zerrijk te Parijs bloeide en die de grootste namen van Frankrijk verborg.
Men had vele soorten van waardigheden ingesteld, o. a. die van aarts-
bisschop van Parijs, die de huwelijken inzegende. Deze vereeniging, lan-
gen tijd geheim gehouden, weerstond de toen zeer ijverige nasporingen
van de prefectuur van politie niet.
(1) Pseudologist (Opera) Cap. VIII.
-ocr page 113-
— 113 —
op de meening, die men van u in Syrië had, waar men u
van geen enkele fout, van niet een ondeugd beschuldigd
heeft ? Maar, bij Hercules, geheel Antiochië kent de geschie-
denis van den jongen man van Tarsus, dien gij verdorven
hebt; en evenwel past het mij weinig dergelijke zaken
openbaar te maken. Al die zich op de plaats bevonden
hebben, herinneren het zich en weten het zeer goed, wyl
zij u geknield gezien hebben om te doen, wat gij wel weet,
indien gij het niet vergeten hebt.
„Maar toen men u op de knieën van den zoon van den
kuiper Oinopion liggende verraste, wat dacht gij toen ? Hield
men u toen niet voor zoo iets, toen men dergelijke dingen
zag? Bij Jupiter, hoe zoudt gij ons nog durven omhelzen
na een dergelijke daad ? Liever een adder gekust! Want een
geneesheer kan ten minste het gevaar van den beet nog
wegnemen. Maar wie zou, na van u een kus, die zulk venijn
heeft, ontvangen te hebben, nog een tempel of een altaar
durven naderen ? Welke god zou dien verzoeker nog willen
aanhooren ? Hoeveel wijwaterbakjes en drievoeten zou hij
niet noodig hebben ?"
Evenals men een woord gebruikte om de ondeugd van
fellator aan te duiden, zoo wees men onder een ander woord
de schandelijke gewoonte van cunnilingere aan, die in Phe-
nicië plaats greep. Men dreef de verachting der schaamte zoo
ver, zegt Rosenbaum, dat men zich niet schaamde zich van
vrouwen en meisjes te bedienen, die de regels hadden ; dit is
een feit van groot belang voor het ontstaan van het syphilis.
Deze ondeugd, dikwijls onder een bizonderen naam aan-
geduid, omdat zij door de honden gepleegd wordt, was zeer
algemeen in Griekenland; zooals de puntdichten van Aris-
tophanes, die niet aarzelde in zijn comedies (l) er over te
spreken, zekere passages der grieksche bloemlezing (a) en
eindelijk de opmerkingen van Galianus (s) het bewijzen.
(1) Acharw. 271. — Equit. 1284. — Pax 886. (2) Lib. II tit. 13. N° 19.
(3) De simpl. medic. temperam. ac facult. Lib. X. cap. 1.
8
-ocr page 114-
— 114 -
Tribaderie en Saphisme.
Men heeft erkend, dat bij een volk, als de zeden der man-
nen ontaard zijn, die der vrouwen het steeds erger zijn.
Deze stelling moet besproken worden. De Lesbische liefde
bestond in Griekenland in den hoogsten graad, het is waar,
maar z\\j was onbekend aan de vrouwen en dochters der
Atheensche burgers, die de wijsheid des wetgevers in het
vrouwentimmer opgesloten had. Onbekend met de uitspat-
tingen der zinnen waren de matronen door hem van het
wereldsche leven buitengesloten en met opzet binnen de
nauwe grenzen van een meer dan middelmatige opvoeding
gehouden. De groole courtisanen, de musiciennes, danse-
ressen, wijsgeerige, dichterlijke en welsprekende hetairen
waren daarentegen zeer verslaafd aan de Aziatische ondeugd.
Zich tot het gebied der hoogere geestesontwikkeling wil-
lende verheffen, de voorschriften der gewone zedenleer ver-
achtende, hadden zij de vruchten van den boom der kennis
gevonden. En evenals bij de mannen verscheen bij de vrou-
wen de tegennatuurlijke liefde in den vorm van nympho-
manie, maar uitsluitend gepleegd door eenige courtisanen,
wier zinnen door de uitspattingen verstompt waren. Onder
den naam van Lesbische liefde bekend, werd zij eerst door
de dichterlijke verbeelding van Sapho juist omschreven: zh\'
omvat dus in haar geheel de studie der afdwalingen van
het verstand en van het gevoel.
De geschiedschrijvers der oudheid hebben ons het relaas
der ziekelijke aandoeningen achtergelaten, die tegelijkertijd
de pathologie en de psychologie raken. De Grieken hadden
aan deze ondeugd der vrouwen den naam van wederzijd-
sche liefde gegeven en aan haar, die er zich aan overgaven,
dien van tribaden. Lucianus heeft in haar kleinste bizonder-
heden een nachtelijke zwelgpartij van tribaden weergegeven
in den vorm van een samenspraak tusschen twee courti-
sanen, Clenarium en Lesena. Deze, door haar vriendin on-
-ocr page 115-
— 115 —
dervraagd, bekent onder welke omstandigheden zh\' geslachts-
gemeenschap met Megilla gehad heeft, en hoe zij nog on-
schuldig zijnde, door deze tribade van Corinthe verleid
werd. Zij eindigt aldus het verhaal van dit tooneel van
hysterische verrukking. Megilla vervolgde mij langen tijd en
maakte mij een prachtig halssnoer en een doorschijnend
kleed cadeau. Ik gaf mij aan haar over; zij omhelsde mij
toen als een man: zij dacht dit te zijn ; zij handelde en be-
zweek onder den indruk van den wellust. „En welke of hoe
waren jou gewaarwordingen ?" vraagt haar vriendin Clena-
rium. „Vraag mij de rest niet," antwoordt haar Leaena. „Een
werkelijke schandelijkheid I Bij Urania! Dat zal ik niet open-
baar maken."
Dufour, die zeer lang uitweidt over de tribaderie der
courtisanen en fluitspeelsters, heeft belangrijke overwegingen
op dit punt gemaakt: „Deze vrouwen waren minder gesteld
op de liefde der mannen," zegt hij, „dan op die waarvan zn\'
alleen het genot hadden. Jong reeds in de kunst van den
wellust geoefend, ontstonden bij haar weldra uitspattingen,
waarin haar verbeelding heur zinnen meesleepte. Haar ge-
heele leven was één eeuwigdurende strijd naar ontucht, één
onafgebroken studie van lichaamlijk schoon; door steeds
haar eigen naaktheid en die harer gezellinnen te zien, von-
den zij smaak erin en schiepen zij zich zonderlinge genie-
tingen, die deste meer^zonder medewerking harer minnaars
vurig waren, daar deze haar dikwijls koud en gevoelloos
lieten. De geheimzinnige hartstochten, die aldus bij de
aulétriden ontbrandden, waren heftig, verschriklijk, ijver-
zuchtig, onverbidlijk___"
Deze ontaarde zeden waren bij de fluitspeelsters zoo in-
geworteld, dat zij zich dikwyls onderling op feesten ver-
eenigden, waarop geen man toegelaten werd; en daar
maakten zy uitspattingen onder aanroeping van Venus
Peribasia. Op deze feesten, die men callipygische feesten
noemde, te midden der met rozen versierde wijnbekers voor
deze vierschaar van halfnaakte vrouwen werd de strijd om
-ocr page 116-
- 116 -
de schoonheid nogmaals geleverd evenals ten tijde va»
Cypelus, zeven eeuwen voor de Christelijke jaartelling op
de boorden van de Alphea.
Om zich juist rekenschap te geven van deze nachtelijke
feesten, waar de hetairen, fluitspeelsters en danseressen
elkander den palm der schoonheid niet alleen, maar ook
dien der wellust betwistten, moet men de brieven van
Alciphron
(*) lezen. In deze verzameling is een brief, die
Megare,\'de loszinnigste courtisane van haar tijd aan de
zachtzinnige Bacchis schreef, de kuischte der hetairen, wier
zeden en gedrag volgens hare gezellinnen te deugdzaam
waren voor den staat, waarin zij leefde. Megare verhaalt
aldus 1 de bizonderbeden van een prachtig feest voor
hetairen en aulétriden : „Wat een overheerlijk maal! Welke
liederen! Welke uitvallen\' Men heeft de bekers geledigd
tot het*aanbreken van den dag. Er waren reukwerken,
bloemkransen, de uitgezochtste wijnen, de lekkerste spijzen.
Een schaduwrijk boschje van laurierboomen was de feest-
zaal; niets ontbrak eraan..." Men kan het overige raden ;
het zijn tooneelen van prostitutie en van waanzin, die
elkander opvolgen en die meer en meer opgewonden worden
door de dronken en de meest ontuchtige gesprekken.
Naast de nymphomanische zinnelijkheid der prostitutie
moeten wij ook de erotomanie plaatsen. Esquiral heeft zeer
juist deze twee aandoeningen gescheiden. Bij de iiympho-
manie ontstaat het kwaad bij de voortplantingswerktuigen,
waarvan de verhitting op de herbenen terugwerkt. Bij de
erotomanie zetelt de liefdedrift in het hoofd. De nymphomaau
is het slachtoffer van een physische storing, de erotomaan
is de speelbal van zijn verbeelding: hij is door een gedeel-
telijken waanzin aangetast. Met andere woorden de eroto-
manie staat tot de nymphomanie gelijk de levendige aan-
doeningen van het hart tot de losbandigheid. „Gedurende de
(1) Zij zijn in het Fransch uitgegeven in 1785 door den abtRichard en
vervolgens door Chaussard.
-ocr page 117-
— 117 —
erotomanie," voegt de geleerde er bij, „zijn de oogen levendig,
bezield, de blik hartstochtelijk, de gesprekken teeder, de
handelingen openhartig... Maar in hun slaap hebben de
zieken droomen, die het nachtwijfje en de nachtmerrie doen
ontstaan."
Men moet dus niet uit het oog verliezen, zooals Lorry
het gezegd heeft, dat bij erotischen er altijd een zekere
overspanning der geslachtsorganen bestaat. De uitleggingen,
die Esquirol ons geeft over het verband tusschen de zenuw-
toevallen en den bijslaap der vrouwen, waren noodig om de
Lesbische liefde te begrijpen, die Sapho aan de Grieksche
wereld bekend maakte en die het onderwerp is geweest
van verschillende uitleggingen.
In de geschiedenis der tegennatuurlijke liefde is Sapho
de vrouwelijke Socrates van Griekenland. Het uitgangspunt
van haar wijsbegeerte was de overgevoelige liefde der vrouw
voor de vrouw en de uitkomst waarschijnlijk deze: „over-
spanning der organen", die de Lesbische vrouwen op een
gegeven oogenblik ertoe bracht haar lichaam schaamteloos
over te geven. Dit is een opmerkelijk geval der prostitutie.
Sapho evenwel was geen courtisane in de beteekenis
van het woord ; zij behoorde tot een rijke en aanzienlijke
familie van Metylene op Lesbos. Nauwelijks huwbaar ver-
slond zij de erotische dichtwerken en liefderomans. Haar
dagen en nachten waren aan een lectuur gewijd, die zuch-
ten en zenuwtrekkingen bij haar opwekten, die \'s nachts
in vurige droomen veranderden en haar de tafereelen schet-
sten, in haar verbeelding gezien. Aan Cercola van Andros
gehuwd, werd zij spoedig weduwe, (omstreeks het jaar 590
voor de gewone tijdrekening). Wijsgeer en dichteres kwam
zy door een toenemende verbijstering harer verbeelding en
harer zinnen ertoe zich te overtuigen, dat de liefde van
vrouwen onderling verheven was boven de physiologische
liefde.
„Zy was schoon," zegt Plato. En Mevr. Dacie, die haar
leven geschreven heeft, schetst haar aldus: „Het karakter
-ocr page 118-
- 118 —
van het hoofd van Sapho, zooals het op de oude medailles
voorgesteld is, toont een buitengewoon erotisch gestel.
Sapho was bruin en klein; haar zwarte oogen schoten
vlammen.
In de redevoeringen, die zy tot hare leerlingen en be-
minden over de Lesbische liefde hield, lag ongelukkig een
overredende welsprekendheid, die haar talrijke volgelingen
maakte, [waaronder: Amyctene, Athys, Cydno, Anagore,
Phyrrine, Andromede en „honderd anderen; zegt zij, die
ik niet zonder mij te bezondigen bemind heb."
Atque Alioe centum quar non sine crimine amavi.
De ouden waren eenstemmig in de bewondering van de
geestdrift en den gloed, die in de verzen van Sapho schit-
terden; zij noemden haar de tiende muze, wat aan Lebrun
doet zeggen\':
Sapho sliep met de muzen,
Zij was b\\jna haar minnaar.
Wat zeker het schoonste is in de fragmenten van haar
poëzie, die tot ons gekomen zijn, is zeker de ode aan de
beminde. De waanzin, die in deze poëzie heerscht — waarin
de heete koorts der liefde, de verrukking, de verlegenheid,
het verlangen, de onderwerping, de verbijstering en tot
zelfs de laatste crisis van den hartstocht met een tweevoudig
vuur van het genie en den wellust zijn gepenseeld; waar-
van zij alle beelden op den bodem van het hart drukken,
en dat zij door de eenvoudige waarheid van de schilderij
verleiden, verwonderen en medesleepen door die vervoering,
welke niet veinst en die men ondervonden moet hebben,
om haar te kunnen schilderen — die is het, die Sapho op
den eersten rang in de jaarboeken der kunst en der liefde
geplaatst heeft. Zoo is de waardeering van den schrijver
van Fêtes et couronnes de la Grèce. De kenteekenen van de
koorts der liefde, voegt hij er aan toe, hebben in de genees-
kunde den naam van Saphisch karakter gekregen. En men
moet het durven zeggen, het genie van Sapho hangt met
-ocr page 119-
— 119 —
haar zeden samen. Deugdzaam, zou zij de hartstochtelijkste
dichteres van de oudheid niet geweest ztfn.
Men vindt in de gedichten van Sapho wellustige verzen
terug aan twee Griekschen gewijd, haar leerlingen en min-
naressen. Op deze gedenkteekenen, en niet op de getuigenis
van eenige schrijvers, vestigde zich de roep der ontucht
van deze vrouw. Deze afwijkingen, die verdorvenheid van
smaak, welke de natuur doen blozen, vonden een voorbeeld
en geen verontschuldiging in deze algemeene ontaarding,
die toen de andere sekse in dorre en slechte omhelzingen
stortte. Doch het beeld der vervoeringen van Sapho is minder
walgelijk dan dat der afdivalingen van Socrates
(Chaussard).
Lesbische, hartstochtelijk, op haar tijd courtisane zal Sapho
van Metylene niettegenstaande dit alles een der grootste
genieën en een der grootste dichteressen der oudheid blijven.
Begaafd met een vurige ziel, een heldere verbeeldingskracht
en een uitgezochten smaak vraagt men zich af, hoe zooveel
genie zich met zooveel verdorvenheid kon vereenigen. Om
zich rekenschap te geven van dit feit, moet men de losheid
der zeden in de oudheid en de macht van de prostitutie
kennen, die alleen aan deze vrouwen toestond tot de groote
verstandelijke ontwikkeling toegelaten te worden; en men
moet het ook wel zeggen, men moet die vreemde uitstra-
lingen van het Oosten genoten hebben, die het hoofd ont-
wikkelen en het hart doen ontvlammen. Sapho leefde door
den geest en door de zinnen, overal het coëfficiënt stich-
tende van het ideale en van de werkelijkheid : vurig mengsel
van ether en stof, dat onwillekeurig de aardsche wetten
miskent 1
Wat deze vrouw zingt, is van gloed doortrokken, zeide
Plutarchus, en het vuur, dat evenals de liefde alles zui-
vert, staat tot een zeker punt toe aan de dichteres, die de
ode aan de beminde geschreven heeft en vervolgens aan
haren beminde haar leven geofferd heeft, recht te doen
wedervaren.
Deze schoone zang op de liefde is voor ons bewaard ge-
-ocr page 120-
— 120 -
bleven door den leeraar Longin, die er de ontleding van
gegeven heeft in zijn Traite du Sublime: „Als Sapho," zegt
hij, „de drift der liefde wil uitdrukken, verzamelt zij van
alle zijden de gebeurtenissen, die dezen hartstocht inderdaad
volgen en vergezellen; maar, waarin hare bekwaamheid
voornamelijk uitkomt, is van al die gebeurtenissen die
te kiezen, welke het voordeeligst de buitensporigheid en
het geweld der liefde kenschetsen, en om dit alles goed
saam te voegen... Door hoeveel tegenstrijdige gevoelens
wordt zij niet bewogen ! Zij bevriest, zij verteert, of zij is
geheel buiten zich zelve of zij sterft. In eén woord, men zou
zeggen, dat zij niet door een hartstocht aangegrepen wordt,
maar dat haar ziel het verzamelpunt is van alle hartstoch-
ten ; en dit gebeurt werkelijk aan wie beminnen."
Catullius heeft een navolging van deze schoone ode ge-
maakt, maar zij is ongelukkig genoeg niet in zijn geheel
voor ons bewaard gebleven. Hij droeg haar aan Lesbie op:
UU mi per esse deo videtur.
Na hem heeft Boileau haar willen vertalen, maar hij is
er slechts in geslaagd een kleur- en gevoelloos twaalftal
alexandrijnen voort te brengen. De vertaling van Delille
geeft een juister denkbeeld der saphische verzen (\'). Men
oordeele er over:
Gelukkig hij, die bij je toeft,
Op wien alleen je schoone oogen staren,
Voor wien deze lieve tonen en dit teeder lachen zijn\'
Hij is gelijk den goden.
Van ader tot ader doorloopt een vluchtig vuur
Mijn borst, zoodra ik je zie;
En door de onrust, waarin mijn ziel verkeert,
Verstikt mijn stem.
Ik hoor niet meer, een sluier dekt myn gezicht,
Ik droom vol smachtend verlangen;
En ademloos, verstomd, verward
Beef ik en vermeen te sterven.
(l) Het saphische vers: een trochaeus, een spondeus, een dactylus en
twee trochaeussen werd door Sapho gevonden.
-ocr page 121-
— 121 —
De Almanach des Muses van 1775 heeft een navolging
van M. de Langcac opgenomen, die niet zonder leven is.
Het nummer van hetzelfde journaal heeft twee andere na-
volgingen van Louis Gorsse en 0. de Guerle. Er bestaan
er nog meer, maar wij zijn een bizondere vermelding ver-
schuldigd aan den Engelschen schrijver van den lofzang
aan Venus, Addison, die in zijn verzen die trapsgewijze
ontwikkeling der beelden en der gewaarwordingen heeft
weergegeven, wat door Longin zoo bewonderd is geworden
en door Cetullen zoo goed is weergegeven.
De titel, door Sapho aan de ode gegeven, laat geen twijfel
over, dat het een harer beminden was, die ze haar inboe-
zemde. De eenvoudige, woordelijke vertaling, die ik mij ver-
oorloof ervan te maken, zal bij benadering de geheele harts-
tochtelijkheid ervan doen begrijpen:
„Hij schijnt mij gelijk aan de goden, die uw gelaat kun-
nen zien en uw lieve stem hooren. Uw glimlach ontbrandt
mijn hart en in mijn borst is het aan den waanzin ten
prooi. — Zoodra ik je zie, kan het woord mijn mond niet
meer verlaten, nog mijn tong zich bewegen. — Een vluch-
tig vuur doorloopt snel mijn leden ; mijn oogen bedekken
zich en een plotselinge tuiting treft mijn ooien. — Een
koud zweet staat op mijn geheele lichaam, ik beef en blee-
ker dan een vreesachtig blad, zonder adem, voel ik, dat ik
sterf.
Het is moeilijk dergelijke dichterlijke gevoelens te doen
samengaan met de gewone bedrijven der tribaderie, waarvan
de hetairen en de fluitspeelsters ons een te treffend bewijs
hebben geleverd. Niettegenstaande dit hebben zekere schrij-
vers bevestigd, dat de leerlingen van Sapho „vroegtijdig
het tegennatuurlijk gebruik harer ontwikkelde bekoorlijk-
heden leerden", en dat de leer van de schrijfster van dit
meer eleyisch dan erotisch gedicht „een school der prosti-
tutie"
was.
Men kan aan deze strenge oordeelvelling de schoone min-
nezangen tegenstellen, die zij ter eere van bruiloften en
-ocr page 122-
— 122 —
van haar liefde voor haar dochter Cléis maakte, van wie
zij in een harer oden zeide : „Ik heb een schoon kind, welks
schoonheid gelijk is aan die der chrysanthimen, Cléis, mijn
welbeminde Cléis, die ik voor geheel Lydië niet zou afstaan."
En indien Sapho werkelijk de gewaarwordingen der tegen-
natuurlijke liefde gekend heeft, was het door deze toch niet,
dat zij het meest geleden heeft en waaraan men haar dood
moet toeschrijven.
Op een avond vertoonde zich een jonge man, van een
uitstekende schoonheid, overeind in een bootje door de
golven der zee gewiegd, aan haar oogen ; het was Phaon.
Zij beminde, verafgoodde hem en slaagde er in zich weder
te doen beminnen. Maar de liefde is onbestendig en Phaon
vertrok weldra zonder terug te komen. Voor hem maakte
zij vele harer gedichten en inzonderheid dezen lofzang op
Venus, waarvan hier de vertaling volgt van M. P. de Sivry:
Geduchte Venus, die op Cyprus aangebeden
U vermaakt door stervelingen te misleiden,
Verlaat Paphos en zijn altaren,
En kom de onrust stillen, waaraan mijn ziel ten prooi is.
O Godin! o Venus! gij weet, hoe dikwerf
Gij uw troon verliet om op mijn stem te komen.
Eens voor mijn oogen, terwijl zij de hemelen doorboorden.
Daalden uw rappe vogelen, sneller dan de zephirs
Met uw wagen van het azure gewelf;
Gij wildet toen zelf, beminnelijke Cytherea,
Mijn smart ondervragen en mijn verlangen streelen.
Sapho, zeidet gij mij met een lachenden mond
Mijn Sapho! wolk verdriet verbittert uw leed!
Van welke jonge ondankbare, wilt gij, nieuwe beminde,
De liefdedrift boeien?
Ga, die uw gang ontvlood, zal weldra uw sporen volgen:
Wie uw gaven verwierp, zal er u nu spoedig mee overladen;
En in uw oogen of zijn ondergang of zijn genade zoekende
Zal uw hoogmoedige vijand voor u beven.
Godin, het ia nu lijd, vervul uwe beloften.
Heb medelijden met de kwellingen, waaraan gij mij ziet lijden.
Wreek voor mij de schicht, die mij verwondt,
En laat de ondankbare, dien ik bemin, leeren zich te verteederen.
-ocr page 123-
— 123 —
Sapho scheen, hebben hare uitleggers gezegd, van de
goden de hemelsche gave der ingeving verkregen te hebben.
Door dichtvuur verterende, improviseerde zij verzen zonder
gezochtheid en zonder moeite, die uit een zuivere en ge-
maklijke bron schenen te vloeien. De Muzen wilden haar
schadeloos stellen voor de gestrengheid van Venus. Maar
zü konden niet erin slagen. Toen zij zag, dat haar bekoor-
lijkheden en haar lier het hart van den ontrouwen Lesbiër
niet meer konden treffen, wierp zij zich verward, krank-
zinnig, radeloos in de zee van Leucade(!)-
De dichters hebben niet nagelaten te zeggen, dat het
tragische uiteinde van Sapho eene wraakneming van Venus
was, die haar niet had kunnen vergeven „dat zij haar leer-
lingen buitensporig bemind had" volgens de uitdrukking
van Barthelemy. Laten wy voor ons dien vrijwilligen dood
als den uitslag beschouwen van een verwarde verbeelding,
als de uitwerking van de wanhoop eener grootsche ziel.
Deze Lesbische hysterische had al haar verstandelijke en
physische krachten tot een brandpunt van stoutmoedigen
wellust saamgetrokken. Daar vond zij de geheimen der
Saphische liefde, die de maatschaplijke wetten terecht om
dezelfde reden veroordeelden als de Socratische liefde, want
beiden zijn in strijd met de wetten der natuur; en daar in
die ontzenuwende omgeving, ontmoette zij de ontgoocheling
en de wanhoop, die haar tot zelfmoord voerden, een uit-
einde, dat op het gebied der psychologie der ontzenuwende
ziekten thuis behoort.
Al de moderne wijsgeerige stelsels hebben de tegenna-
tuuriyke liefde veroordeeld, omdat zii allen betrekkelijk
kuisch zijn in vergelijking met de leeringen der Oudheid.
(1) In dit oogenblik van wanhoop laat Ovidius haar zeggen:
Hoeveel verkieslijker zou het zijn, fluisterde zjj, dat uw hart met het
mijne vereenigd ware, in plaats van deze rotsen afgestort te worden!
Het is dit hart, o Phaon, hetwelk gij gewoon waart te roemen, dat u
zoo dikwerf voorkwam als voor de liefde geboren.
-ocr page 124-
— 124 —
Maar om deze met onpartijdigheid te beoordeelen, moet
men rekening houden met de zeden van toen, die verre
van streng waren. Lezen wij niet in de Uialogues des femmes
van Lucianus op elk oogenblik tooneelen tusschen moeders
en dochters ? De moeders trachten haar dochters te ver-
derven, haar alle wroeging en alle schaamte te ontnemen,
terwijl zij haar de ontucht, de geheimen der prostitutie,
den diefstal, de leugen leeren, en haar aanraden zich aan
den onbeschoftste, oudste, eerlooste over te geven, vermits
hij betaalt en zich gemakkelijk door haar laat uitkleeden.
Is dit niet de zedelijke verdorvenheid tot haar hoogsten trap
gebracht en overerfelijk gemaakt ?
In les Sectes a Vencan van denzelfden schrijver, vinden
wij een zonderling staaltje der leerlingen van de meesters
der wijsheid, dat een kostbaar bewijsstuk is voor de wijs-
geerige geschiedenis der Oudheid. Jupiter zit voor en is
afslager op de verkooping van alle philosophische ondeugden.
Hij heeft voor deurwaarder Mercurius, die de kooplieden
oproept en hun aanbiedt tegen borgstelling een jaar crediet
te geven...
Pythagoras werd voor tien mina\'s verkocht, omdat men
ontdekt had, dat hij een gouden dij had. De anderen zullen
ons een juist denkbeeld geven van hun zedenleer. Hoort:
Mercurius laat Diogenes binnenkomen. Men ondervraagt hem.
—   Welk is uw beroep?
—  Diogenes. Geneesheer der ziel, heraut der vrijheid en
der waarheid. Ziehier mijn leer: op alles wat te zeggen te
hebben, een rauwe stem, een barbaarsch voorkomen, een
woest en wild gedrag te hebben ; onder de menigte te leven,
alsof er niemand is, alleen te zijn te midden van allen,
de voorkeur te geven aan de Vernis der prostitutie en in het
openbaar doen waarvan een ander kleurt, als hij het in het
verborgen doet.
Als je je verveelt een weinig vergift nemen
en de wereld verlaten. Ziedaar het geluk, wilt g\\) er van
gediend zijn ?
Na Diogenes, voor wien slechts twee obolen gegeven
-ocr page 125-
— 125 —
worden, laat Mercurius Aristippus komen ; hij is dronken
en kan niet antwoorden. Mercurius legt zijn leer uit: zich
om niets bekommeren, van alles gebruik maken en, onver-
schillig waar, den wellust zoeken.
Socrates volgt op Heraclites en Democrites. Men stelt hem
deze vraag: Wat zijt gij ? Hij antwoordt onbeschaamd :
—  Een liefhebber van kleine jongens en meester in de
kunst der liefde.
De Grieksche tekst is nog juister dan de vertaling. Over
zijn leer, zegt h;j: ik heb een republiek ontworpen en ge-
draag mij volgens haar wetten. De vrouwen behooren niet
aan een enkelen man; ieder man kan met haar gemeen-
schap hebben.
Men doet hem nog veel andere vragen :
—  Zijn de wetten op het overspel ingetrokken ?
—  Onnoozelheid, antwoordt hij.
—  En wat hebt gij voor de kleine en mooie jongens vast-
gesteld ?
—  Zij zullen, antwoordt Socrates, den prijs der deugd
worden en hun liefde de belooning van den moed...!
Socrates wordt voor twee talenten verkocht, voegt Lu-
cianus er aan toe. (\')
En wat moet men thans zeggen van de wijsgeeren van
dit volk, dat in den tempel van Corinthe twaalfhonderd
prostitué\'s als vestalen, had, die geraadpleegd en gebruikt
werden in de aangelegenheden van de republiek. (a) Hoe
kan men hen van onzedelijkheid beschuldigen, als de die-
naren der goden van den Olympus al de schandelijkheden
van de Mythologie onderwezen. Juno, die zich bij Jupiter
beklaagt, dat hij haar niet meer liefkoost sinds hij Gany-
medes ontvoerd heeft, Mercurius met Apollo spottende over
(1)   Men kent de waardeering van Lélut van den psychologischen toe-
stand van Socrates. De toestand van krankzinnige excentriciteit van den
wijsgeer paarde zich aan werkdadige zinsverbijsteringen van het gehoor.
(2)  Athaen, bib. XIII.
-ocr page 126-
- 126 -
het avontuur van Mars door Vulkaan in de armen van
Venus geketend en de moeder der liefde Paris tot overspel
overhalende ? . ..
Zou men niet zeggen dat de godsdiensten bewonderens-
waardig ontworpen werden om al de ondeugden toe te staan
en elke prostitutie aan te moedigen ? Dit is de logische
conclusie. Overigens regeert men de menschen slechts door
hunne hartstochten (\') te vleien en de bedienaren der oude
eerediensten hebben altijd de heerschappij zeer bemind.
DE GEWIJDE PROSTITUTIE IN ITALIË.
De eeredienst van Priapus en van Venus.
Zuidelijk Italië, dat de Ouden Groot Griekenland noemden,
was lang voor de stichting van Rome, door de Pheniciërs,
Egyptenaren en Grieken bevolkt geworden. Deze hadden hun
godsdiensten en zeden medegebracht en bijgevolg ook de
gewijde prostitutie, die de grondslag was van den eeredienst
der Oostersche Venussen.
Noordelijk van Groot-Griekenland lag Etrurië, waarvan de
bewoners volgens de geschiedschrijvers afstammen van de
Pelasgen, maar die volgens latere archeologische ontdekkin-
gen uit Lydië kwamen. Evenwel waren het de Corybanten,
priesters van Cybelle, die, zooals Heraclites verhaalt, den
eeredienst van Phallus en van Bacchus in Italië overbracht
ten. Deze Corybanten, ook Cabiren genoemd, kwamen uit
Phrygië, waar zij zich schuldig hadden gemaakt aan twee
broedermoorden, waarna zij den gewijden korf stalen, waarin
de phallus van den god Bacchus zich bevond. Zij brachten
dien naar Etrurië over; en daar zij uit hun land verjaagd
waren, vestigden zij hun woning bü\' de Etruriërs, predikten
(1) (en wel hunne slechte). Vert.
-ocr page 127-
— 127 —
hun leer en bevalen dezen volken aan Phallus en den ge-
wyden korf te aanbidden.
De Etruriërs deelden weldra aan de Romeinen deze nieuwe
godsdienstige instelling mede, evenals de ceremoniën en
gebruiken, die haar vergezelden. Het tijdstip evenwel dei-
invoering van dezen eeredienst in Rome schijnt niet hoog
op te klimmen, want diens inwoners kenden ten tijde hunner
koningen den eeredienst van Venus niet. Die van Bacchus
en van Priapus moest hun eveneens onbekend zijn.
Het bewijst overigens, dat de eeredienst van Priapus sedert
geruimen tijd in Etrurië inheemsch was, daar Athaeneus
reeds gezegd heeft, dat de Etruriërs een tuchteloos leven
leidden en dat de Messapiërs, Samnieten en Locriërs, andere
volksstammen van Latium, hun dochters prostitueerden;
van de Romeinen evenwel spreekt hij niet.
In de Etrurische en Italiaansch-Grieksche begraafplaatsen
heeft men toch een menigte geschilderde vazen ontdekt, die
verschillende tooneelen der gewijde prostitutie voorstellen,
zooals men het in het hoofdstuk over de zinnebeeldige ge-
denkteekenen der geschiedenis van de prostitutie
zien kan. Het
zyn altijd dezelfde offeranden, zooals de meisjes die brachten
in de tempels van Babyion en Tyrus, van Bubastis en Nau-
crates, van Corinthe en Athene. De gewijde gaat in het hei-
ligdom naast het beeld van de godin zitten; een vreemde-
ling bedingt den prijs van haar schaamte en zij legt dezen
op het altaar, dat rijk wordt door dezen schandelijken han-
del, waarbij de priester alleen belang heeft. Zoo is volgens
de urnen de schier onveranderlijke vorm, onder welken de
prostitutie in de Phenicische en Grieksche koloniën in Italië
zich uitte....
De schilderingen der Etrurische vazen laten ons niet on-
wetend met de reeds verfijnde verdorvenheid, die tot deze
inboorlingen was doorgedrongen, die de blinde en domme
slaven hunner zinnen en hartstochten waren. De bestialiteit
en de pederastie waren hunne gewone ondeugden, en deze
afschuwelijkheden, naïef gemeen aan alle leeftijden en alle
i
-ocr page 128-
— 128 -
standen der maatschappij, hadden geen ander middel tot
herstel dan ceremoniën voor boetedoening en zuivering, die
somwijlen de onbelemmerde uitoefening ervan schorsten.
Evenals bij alle oude volken huldigde de gemengdheid der
seksen de wetten der natuur en was de vrouw, aan de
brutale ingevingen van den man onderworpen, gewoonlijk
slechts het geduldig werktuig van zijn genietingen : zij be-
hoorde aan hem. die kracht had. De physische ontwikkeling
van deze wilde voorvaderen der Romeinen rechtvaardigt
overigens al hetgeen men van hun schaamtelooze zinnelijk*
heid kan verwachten: zij hadden de mannelijke geslachts-
deelen van gelijken vorm als die van een stier, zij geleken
op bokken en hadden aan het onderlijf een bos rood haar,
dien men onmogelijk als een conventioneel teeken kan be-
schouwen op de teekeningen, die dit sikje aan het achterste,
dit vleezige en harige uitwas tevens, dit begin van een
werkelijken dierenstaart vertoonen. Men zou zeer in verle-
genheid zitten om te zeggen op welk tijdstip dit vreemd-
soortig kenteeken van een bestiaal gestel geheel en al ver-
dween, men bewaarde het in de allegorische beeldenleer
als het kenmerk van den sater en den faun. (\')
Wij vinden de gewijde prostitutie bovendien in Sicilië
terug in den tempel van Venus-Erycine. Aan dien tempel
waren slavinnen verbonden, die zich, evenals te Corinthe
en in Azië, half ten voordeele van het altaar en half voor
zich zelve prostitueerden, totdat zij het rantsoen harer vrij-
heid verworven hadden. De eeredienst van Venus-Erycine
was beroemd; maar onder Tiberius was haar tempel verla-
ten en werd hij bouwvallig. Deze keizer liet hem herstel-
len en bevolkte hem met slavinnen, die met de functiën
van priesteressen van Venus belast waren.
Er bestond nog in Etrurië een eeredienst, die overeen-
komstig was met dien van den Indischen Lingam en den
Aziatischen Phallos. Hij diende tot hetzelfde doel: de meis-
(1) Histoire de la prostitution. Dufour.
-ocr page 129-
— 129 —
jes voor haar huwehjk te ontmaagden en als zoodanig be-
hoorde hij tot de gewijde prostitutie. Deze Etrurische goden,
die wij niet alleen door de zinnebeeldige gedenkteekenen der
geschiedenis, maar ook door de geschriften van Arnobe en
van den H. Augustinus kennen, heetten Mutunus en Mutuna;
want er bestond een god en een godin. Hun tempels waren
slechts geringe kapellen door boschjes omgeven, waarin het
beeld van de godheid geplaatst was.
Toen de dienst van de gewijde prostitutie zich in Rome
en in het zuiden van Italië verspreidde, werden Priapus en
Mutunus steeds als godheden beschouwd, die de vruchtbaar-
heid der vrouwen en de macht der echtgenooten leidden en
de schadelijke invloeden op het voltrekken van het huwelijk
en op de zwangerschap der vrouwen weerden. Aan deze
veronderstelde deugden moet het gebruik van de godsdien-
stige prostitutie toegeschreven worden, die daarin bestond
dat de jeugdige bruiden naar het afgodsbeeld van Priapus (*)
gebracht werden en men ze op het vooruitstekend gedeelte,
dat dit beeld aanbood, deed zitten. „Het werd onder de
Romeinsche dames als een zeer eerbare en godsdienstige
gewoonte beschouwd," zegt de H. Augustinus, „de jonge
bruiden op de ongehoorde en overgroote manlijkheid van
Priapus te doen zitten. Sed quid hoc dicam, cum ibi sit et
Priapus nimius mascidus, super cujus immanissimum et tur-
pissimuin fasciniim, sedert nova nupta jubeatur, more hones-
tissimo et religiosissimo malronarum."
(2)
Op zyn beurt zegt Lucianus: „Zal ik over den Mutunus
spreken, op welks uiteinde de jonggehuwden gaan zitten, opdat
het schijne, dat de god het eerst het offer harer schaamte ont-
vangen heeft. Et Mutunus in cujus sinupudendo nubentes prwsi-
dent; ut illarum puditiam prio deus delibasse videatur."
(3)
(1). De Phallos alleen heette Mutunus; als hij bij Hermes of Termes
behoorde, werd hij Priapus genoemd.
(2)    Civit. Dei. lib. 6. Cap. 9.
(3)    De falsa religione. Ibid. I.
9
I
-ocr page 130-
— 130 —
Het is duidelijk, dat deze plechtigheden uit Indië en Wes-
telijk Azië overgebracht waren, die de zetel waren van de
gewijde prostitutie.
De onvruchtbare vrouwen namen de toevlucht tot dezelfde
godheden om de invloeden te bannen, die zich tegen haar
zwangerschap verzetten, zooals Arnold aan zijn landgenooten
gezegd heeft: „Geleidt gij zelf niet met ijver uw vrouwen
bij Mutunus ? En laat gij ze niet om een soort begooche-
ling te vernietigen op de afschuwelijke en geweldige Phallos
van dit afgodsbeeld zitten ? Etiamme Mutunus, cujus imma-
nibus pudendis horrentique fascino, vestras inequüare matro-
nas, et auspicabile ducitis et optatis ?"
O)
Hoe meer de mindere standen voor hun Priapus een vu-
rige en diep godsdienstige toewijding over hadden, deste-
meer verachtten de menschen der hoogere klassen deze
domme Aziatische godheid. De eerste wetgevers hadden het
voordeel begrepen een eeredienst te erkennen, die belang-
rijk de uitbreiding der bevolking bevorderde. Maar innerlijk
stelden zij niet meer belang er in dan Horatius, toen hij aan
een vriend schreef, dat hij een vijgeboom geveld had,
waarvan een bank of een Priapus ad Kbitum gemaakt zou
worden.
Door de beelden, die men voor hem in de tempels op-
richtte, werd Priapus voorgesteld in de gedaante van een
behaard man, met bokkepooten en hoorns, in de hand een
staafje houdende en voorzien van een ontzaglijk manlijk
lid, waarop somtijds plechtige bezweringen vermeld stonden.
In de oudste tijden der Latijnsche beschaving bewezen de
Romeinsche vrouwen, matronen zoowel als jeugdige meisjes,
hem een bizondere eer en verwaarloosden zy voor hem Venus
zelf. Zij legden aan zijn voeten talrijke offers neder, niet
alleen in de openbare tempels, maar ook in kapellen, die
zij tehuis opgericht hadden. Zn\' hadden voor dezen belache-
lijken god een bizonder zwak, terwijl zij toch haar eerbaar-
(1) Lib. IV. p. 131.
-ocr page 131-
— 131 —
heid als vrouw hoog hielden. Hij verpersoonlijkte in haar
oogen het beginsel der voortteling; hij was het embleem
der algemeene bevruchting, zooals de Lingam van Indië en
de Osiris der Egyptenaren. Zij bekroonden hem met groen
en versierden hem met guirlanden van bloemen en vruch-
ten. En de dochter van Augustus voornamelijk legde eiken
morgen zooveel kronen op zijn beeld, als zij hem \'s nachts
offers gebracht had. Op zekere dagen ontstaken de gehuwde
vrouwen vreugdevuren voor zijn standbeelden en dansten zij
op de tonen van de fluit om zijn voetstuk. Het is waar, dat
zij na zonsondergang of \'s morgens bij het aanbreken van
den dag schaamtevol gesluierd aan den god van Lamsache
kwamen vragen haar liefde te beschermen en de schande-
lijke onvruchtbaarheid van haar te weren. Maar zij waren
in het minst niet geërgerd door zijn naaktheid.
De eeredienst van Priapus kon, zoo begrepen en beoefend,
eenigen schijn van godsdienstige bijgeloovigheid hebben,
maar hij had bovenal het aandeel in plechtigheden van een
twijfelachtige reinheid eerbare vrouwen en jonge meisjes
met al de prostituees der stad in aanraking te brengen.
Deze priapische feesten werden dus zeker een der elemen-
ten van verderf voor de Romeinsche vrouwen.
Als embleem van het huwelijksleven en der voorttelende
kracht werd Priapus onder de gestalte van het manlijk lid
als heerschend motief *in alle omstandigheden van het daag-
lijksch leven teruggevonden. Men zag hem in den vorm
der brooden, der glazen en van het tafelgereedschap in toi-
letbenoodigdheden, de kostbaarheden, de lampen en de flam-
bouwen. Men maakte ervan edel metaal, hoorn, ivoor, brons
en aardewerk. Evenals de Phallos en de Lingam diende hij
aldus als amulet voor vrouwen en kinderen. Men zag hem
in één woord overal (de talrijke teekeningen in de ruïnen
van Pompei gevonden bewijzen het) en hij eindigde zelfs
door zijn alledaagschheid een groot gedeelte van zijn ontuch-
tig karakter te verliezen, zooals men het nog in Turkije en
in eenige steden van Algiers onderden naam van Garageuss
-ocr page 132-
— 132 —
ziet. De boeren van Apulië noemen hem heden nog: il
membro santo,
het heilige lid.
Wat de mannen aangaat, deze hadden de traditie dei-
inwoners van Lamsachus bewaard en zagen in hem slechts
den beschermgod van het uitwendig orgaan der voortteling,
den god, die de besmetlijke aandoeningen en de geheime
ziekten genas. Een gedicht der Priapeés leert ons de ge-
schiedenis kennen van een ongelukkige, wiens penis ernstig
aangetast is. Maar het mes van den chirurg vreezende en
beschaamd de oorzaak van zijn kwaal te bekennen, nam
hij zijn toevlucht tot een gelofte aan Priapus en had het
geluk te genezen zonder de hulp van een arts. (*) Het is
werkelijk een document voor de geschiedenis der venerische
ziekten.
De godenleer der volkeren van de oudheid leende zich
uitstekend voor al hunne hartstochten. De Romeinen, zoowel
als de Grieken, hadden hun godin der liefde, die hunne
vermaken beschermde en aan wie de vrouwen, door haar
wierook en myrrhe te offeren, om de gunst smeekten van
te behagen en te verleiden.
Er bestonden in Rome twee Venussen evenals te Athene :
eene eerbare Venus, die de kuische liefde bestuurde, maar
(1)                               VOTI SOLUTIO.
Cur pictum memori sit in tabella
Membrum quseritis unde procreamur ?
Cura penis mihi forto loesus esset,
Chirurgique manum miser timerem.
Diis me legitimis, nimisque magnis
Ut Phoebo, puta, filioque Phcebi
Curatam dare mentulam verebar,
Huic dixi: fer opem, Priape, parti,
Cujus tu, pater, ipse par videris :
Qua salva sine sectione facta,
Ponetur tibi picta, quam levaris,
Parque, consimilisque, concolorque.
Promisit forte : mentulam movit
Pro nutu deus et rogata fecit.
Priapeia, sive diversorum poetarttm in Priapum lusses No. 87.
-ocr page 133-
— 133 —
die weinig getrouwen telde en de Venus der courtisanen,
die meer succes dan de eerste had. Haar eeredienst was,
het is waar, nooit innig genoeg om dweepzieke priesteressen
tot haar te trekken, die tot haar voordeel het bedrijf der
prostitutie uitoefenden. En zoo eenige priesters somtijds
poogden de gewijde overleveringen der tempels van Corinthe
te Rome in te voeren, stuitten zij bijna altijd af op het gods-
dienstig scepticisme van het Romeinsche volk.
Wij weten dat de tempels van Venus te Rome zeer talrijk
waren; wij zullen onder de voornaamsten de volgende
aanhalen: dien van Venus-rictrix, Venns-genitrix, Venus-ery-
cine, Venus-volupia, Venus-sctlacia, Vernis myrlea, Venuslutentia,
enz. Alleen de dienst der gewijde prostitutie werd er niet
beoefend. Doch indien de courtisanen, minder belangloos,
zich niet in de tempels verkochten ten voordeele van de
godin en der priesters, namen zij er soms genoegen mede
zich aan de laatsten over te geven om van Venus te er-
langen hun liefdehandel te bevoordeelen ; maar dit was ook
alles. De tempels der Godin waren hoofdzakelijk plaatsen
van bijeenkomst voor verliefden en de Beurs der koppelaars.
Zü waren vervuld met ex-toto\'s : spiegels en andere toilet-
artikelen, lampen, maar vooral priapen, die plechtig beloofd
waren. Men offerde op hun altaren duiven, geiten en bokken.
Haar voornaamste feesten hadden in de lente plaats en
bestonden in dansen, soupers en zwelgpartijen, overeen-
komstig met onze carnavals. Dit alles had \'s nachts buiten
de tempels plaats en die uitspattingen werden Avondbvjeen-
komsten van Venus
genoemd. De maand April werd dus aan
de godin der liefde gewijd, die door de jongelieden en cour-
tisanen met meer of minder onbetaamlijkheid en ontuchtige
gebruiken gevierd werd, volgens den trap van opvoeding
der speelgenooten, die aan de lentevermaken deelnamen.
In dit opzicht kan men dus zeggen: Er is niets nieuw
onder de zon.
-ocr page 134-
- 134 —
De feesten der kerkelijke Prostitutie.
Men weet wie de eerste inwoners van Rome waren: een
samenraapsel van dieven en vagebonden en van vrouwen,
die niet beter waren dan de mannen. Voordat hun eerste
wetgever het huwelijk ingesteld had, bestond bij hen geen
zedelijkheid en het geslachtsleven verhief zich van Titus
Livius af niet boven het beestachtige. Ook vond men reeds
publieke vrouwen in Rome, voordat dit eene geschiedenis
had. Aan de geprostitueerden van den Tiber had men den
bijnaam van wolvin, lupa, gegeven, evenals men de ellendige
dicteriaden der voorsteden van Athene met een scheldnaam
aanduidde. De min van Romulus, Acca Laurentia, was
slechts een wolvin van deze soort, eene der bevoorrechte
prostituees der herders van Faustulus. Hare woning had den
naam van lupanar gekregen en de feesten, te harer eere
na haar dood gevierd, dien van lupercaliën, welke de Senaat
verbood om de wanordelijkheden, die zij veroorzaakten.
Niettegenstaande dit kan men toch zeggen, dat de schoone
tijd van Oud Rome onder de eerste koningen begon: strenge
overheden gaven het voorbeeld der deugd. De Censoren, zegt
Sabatier, waren met de macht bekleed de misbruiken te
verbeteren, waarin de wetten niet voorzien hadden, de
openbare en huiselijke ongeregeldheden te hervormen en de
losbandigheid vond een heilzamen breidel in den eerbied,
dien de burgers in het algemeen voor de fatsoenlijkheid en
de welvoeglijkheid hadden.
In dit tijdperk hadden de verre oorlogen, de rijkdommen
van Azië en de leerstellingen van Epicurus, die Frabricius
door al de vijanden van zijn vaderland wenschte aangeno-
men te zien, de Romeinen nog niet ontaard.
„Later drongen de weelde, de weekheid, de gehechtheid
voor goud en wellust tot alle klassen door en bedierven
zij die. Hun ondeugden vertoonden zich, na gelegenheid
gehad te hebben in de beroering en te midden der afschuw*
-ocr page 135-
— 135 —
lijkheden der burgeroorlogen losgebarsten te zijn, zonder
vrees in de kalmte en genoegens van den vrede. De veel-
vuldigheid van het overspel, een schandalig celibaat, een
waanzinnige ontucht volgden spoedig den buit, dien de
overwinning aanbracht en droegen er aan toe de kwalen
van de wereld te wreken."
Toen zag men een andere wolvin, Flora genaamd, met
Taritius huwen, een der rijkste patriciërs van Rome, aan
welke stad deze prostituee stervende haar onmetelijk fortuin
vermaakte. Het goud van deze courtisane aannemende,
dacht de stad verplicht te zijn hare erkentelijkheid te be-
wijzen door feesten te harer eere vast te stellen: Dit waren
de Floralia\'s, die in de circussen onder bescherming der
prostituees en edilen gevierd werden.
Deze ontuchtige feesten, die Juvenalis\' onsterfelijke verzen
onder den naam van pana et circences aangeduid heeft. dag-
teekenen reeds van de zesde eeuw der stichting van Rome.
Misschien moet men ze gelijk stellen met de Flora-spelen,
die, van de Sabijnen afkomstig en ter eere van Flora, de
godin der tuinen, ingesteld waren? Wat er ook van zü,
deze feesten waren buitengewoon onzedelijk; zn\' zijn door
Lactance in de volgende termen beschreven geworden:
„De Courtisanen verlieten in optocht hare huizen, door
trompetters voorafgegaan en in zeer wijde kleederen gewik-
keld, waaronder zij geheel naakt en met al haar kostbaar-
heden getooid waren; zij verzamelden zich in het circus
onder de oogen van het volk, dat zich om haar verdrong
en daar ontdeden zij zich van haar kleêren en vertoonden
zij zich in de schaamtelooste naaktheid, terwijl zij met
welgevallen aan de toeschouwers tentoonstelden, wat deze
wilden zien en van schandelijke bewegingen deze ontuch-
tige tentoonstelling deden vergezeld gaan. Z\\j liepen, dans-
ten, worstelden en sprongen als athleten en baladijns en .
elk harer wellustige houdingen ontrukte kreten en bijvals-
betuigingen aan dit in waanzin verkeerende volk. Eensklaps
wierpen zich dan mannen, die insgelijks naakt waren, op
-ocr page 136-
- 136 —
de tonen der trompetten in de arena en een verschrikkelijke
algemeene prostitutie werd dan in het openbaar onder nieuwe
toejuichingen van het volk gepleegd. Cato, de strenge Cato,
verscheen eens in het circus op het oogenblik, dat de edilen
het signaal voor het spel zouden geven ; maar de tegen-
woordigheid van dien grooten burger verhinderde de orgie
los te breken. De courtisanen bleven gekleed, de trompet-
ters hielden op en het volk wachtte. Men deed Cato op-
merken, dat hij alleen een hinderpaal was voor de viering
der feesten ; hij stond op, hield de slip van zijn kleed voor
zijn gelaat en verliet zoo het circus. Het volk klapte in de
handen, de courtisanen ontkleedden zich, de trompetten
weerschalden en het schouwspel begon."
Om andere voorbeelden van openbare prostitutie terug te
vinden ter eere eener godin, die slechts eene vergode cour-
tisane was, moet men teruggaan tot de tooneelen van ero-
tischen waanzin, die om het beeld van Moloch plaats von-
den en tot zekere feesten van Isis, die de Romeinen niet
nalieten van de Egyptenaren over te nemen.
Deze feesten, onder den naam van Isiaques bekend, zh\'n
door Apuleus in de Ane d\'or verhaald geworden. Zij hadden
gedeeltelijk in de straten en op de openbare wegen plaats,
waarheen men de ingewijden, mannen en vrouwen, van
alle kanten der stad zag samenstroomen, allen gekleed met
witte doorschijnende kleederen en hun metalen citers be-
spelende. Zij begaven zich in optocht naar den tempel der
godin in het gevolg der priesters van Isis, de walgelijkste
en verachtelijkste personages van den eeredienst der pro-
stitutie. Zij droegen in hun armen een gouden phallos „de
achtingswaardige beeltenis van de eerbiedwaardige godin,"
zegt Apuleus. Zoodra de geheele troep binnen was gegaan,
begon de inwijding in de mysteriën van Isis, d. w. z. too-
neelen van verschrikkelijke zinnelijke worstelingen, gelijk -
soortig aan die der Floraliën, die wü zooeven bespraken.
Het waren nog dezelfde priesters van Isis, bedelaars en
koppelaars van een terugstootende onreinheid, die bij andere
-ocr page 137-
— 137 -
feesten der prostitutie ter eere van Bacchus voorgingen,
welke gevierd werden onder den naam van Bacchanaliën
of van Dionysictchen, omdat men in Bacchus een der vleesch-
wordingen van Osiris zag. De plaatsen, die men bij voor-
keur voor de viering der Dionysiachen koos, waren de meest
eenzame, zoowel omdat de eenzaamheid de bacchanten aan-
moedigde, als omdat zij meer geëigend was voor het geluid van
de stem. Evohe! Evohe! was dekreet, zegt men, waarmede
Jupiter zijn zoon Bacchus aanmoedigde om de hinderpalen te
verwinnen, die de jaloersche Juno hem in den weg legde.
Het beeld van den god was gewoonlijk met vermiljoen
geschilderd. De hiërophantus of de priester, belast om de
gewijde dingen te openbaren, heette de schepper Demiourgos.
Zij die de fakkels droegen, werden Lampadophoren ge-
naamd ; hun hoofd of Daduche stelde de zon voor.
De voornaamste plechtigheden bestonden in omgangen,
waarbij men vazen droeg met wijn gevuld en met wijnran-
ken versierd. Jonge vrouwen, beladen met korven vol vruch-
ten en bloemen, volgden daarop : dit waren de Cenephoren.
Achter deze zag men fluit- en cymbaalspeelsters en ver-
volgens troepen van Saters, pans, faunen, sylenen, nimfen
en bacchanten, vermomde mannen en vrouwen ; allen waren
gekroond met viooltjes en klim-op-bladeren met de haren in
wanorde en het gelaat door de dampen des wijns verhit;
de kleederen waren met een ontuchtigen smaak zóó ge-
schikt, dat zij alles bloot lieten, wat verborgen had behooren
te blijven ; en allen zongen de phallica, ontuchtige liederen,
ter eere van Bacchus.
De Phallophoren en de Ityphalen volgden deze massa;
de eersten vertoonden onbeschaamd aan de blikken der toe-
schouwers nagemaakte priapen op de heupen, door middel
van riemen vastgemaakt, terwijl de tweeden dezelfde voor-
werpen van grooter afmetingen op lange staken ronddroe-
gen. Eindelijk werd de colonne door veertien priesteressen
gesloten, die door den archont-koning of voorzitter van het
feest belast waren met alle voorbereidselen.
-ocr page 138-
— 138 —
Op de plaats van bijeenkomst aangekomen, die of midden
in een verlaten woud of wel in een diepe door rotsen omringde
vallei was, haalde deze menigte van losbollen en dwepers
uit een koffer, door de Latijnen arca ineffabilis genaamd, het
beeld van Bacchus te voorschijn, plaatsten dit op een Hermes
en offerden hem een varken. De wijn en de vruchten werden
vervolgens vrijgevig uitgedeeld. In weinig tijds brachten
de overvloed van dronken, de herhaalde kreten, de onmatige
vreugde en de vermenging der seksen de hoofden van allen
op hol en werden de priesters van deze schandelijke godheid
met waanzin getroffen. Iedereen deed dan in tegenwoor-
digheid van allen, alsof hij van de geheele wereld afgeschei-
den was, en de meest schandelijke ontuchtigheden hadden
als getuigen verscheiden honderden van toeschouwers.
Naakte vrouwen liepen hier en daar, terwijl zij de mannen
met gebaren en wulpsche gesprekken aanspoorden ; en deze
dachten op dit oogenblik er weinig aan wat hun vrouwen,
zusters of dochters in die menigte uitvoerden ; de oneer
scheen hun weinig toe, omdat zij wederkeerig was; er
was zeker geen uitspatting in een woord, die bij deze gele-
genheid niet verfijnd werd.
Als eindelijk de nacht, die zijn sluier over dit tooneel van
afschuwlijkheden uitgespreid had, voor den bleeken gloed
van het Oosten vluchtte, werd de god in de arca ineffabilis
opgeborgen. De mannen gingen verzadigd van wijn en
ontzenuwd door het genot waggelend naar hun eenzame
woning terug of kwamen achtereenvolgens met hun vrou-
wen en kinderen.... maar geschonden en onteerd !
Deze schandelijkheden werden zoo walgelijk, dat de Senaat
ze dikwyls verbood, maar zonder er ooit in te kunnen sla-
gen ze geheel uit te roeien. De eer, ze beslist uit dezeden
der Romeinen te doen verdwijnen, moest den keizer Diocle-
tianus toekomen.
Maar niet alleen in deze soorten van feesten speelden
de courtisanen een rol. Titus Livius (>) zegt, dat de Ro-
(1) Lib. IL
-ocr page 139-
— 139 —
meinen de gewoonte hadden haar op het tooneel te brengen.
Zij figureerden in de voorstelling van den Sabijnschen maag-
denroof en zij prostitueerden zich als de spelen afgeloopen
waren ; ook maken vele schrijvers der oudheid geen onder-
scheid tusschen de schouwburgen en de bordeelen. Tertullia-
nus zegt, dat een heraut hardop deze heldinnen der prosti*
tutie aanbeval, terwijl hij een omschreven lofspraak harer
bekoorlijkheden gaf, haar woningen en den prijs opgaf, dien
men voor haar bereidwilligheid moest over hebben. Z\\j wa-
ren zoo talrijk, dat zij buiten de plaatsen in de zaal nog het
geheele tooneel innamen om beter blootgesteld te zijn aan
de blikken der toeschouwers. Pompejus zag, nadat hij zijn
schouwburg ingewijd had, dat hij een vrijplaats voor de
ontucht geopend had en veranderde hem in een tempel»
dien hij aan Venus wijdde, ten einde door dezen schijn van
godsdienst het verwijt te ontgaan, dat hij vreesde, waar-
mede de censoren zijn nagedachtenis zouden bezwaren. (\')
De courtisanen, die de kluchten speelden, vertoonden zich
geheel naakt op het tooneel; zij bootsten voor de oogen
van het volk al de bedrijven der prostitutie na en eindigden,
in het tijdperk van Heliogabalus, het schouwspel ervan in
werkelijkheid op te voeren. Lampside bevestigt dit. Aldus
waren de vermaken der Romeinen, de overwinnaars der
wereld !
Titus Livius heeft ons ook een stuitend tafereel geschil-
derd der wanordelijkheden, die op die nachtelijke en gods-
dienstige bijeenkomsten, Bacchanaliën geheeten, plaats gre-
pen ; hij heeft ons de beschrijving van de plechtigheid der
inwijding tot de mysteriën van Bacchus achtergelaten. Het
was de priesteres Paculla Minia, die het eerst haar beide
zonen inwijdde. Van af dat tijdstip nam men de jonge
mannen aan, als zij hun twintigste levensjaar intraden. (a)
(1)  Balinger, de Theatro lib. I; Rosin, antiq. rom. lib. V.
(2)  Dulaure, Les divinités génératrices ou Ie culte de Phallus. Paris
1805.
-ocr page 140-
— 140 —
Door priesters in onderaardsche plaatsen gebracht, was
de jonge ingewijde aan hun beestelijkheid overgeleverd,
Afschuwelijk gebrul en de tonen van verscheiden instru-
menten, cimbalen en trommen, dienden om de kreten te
smoren, die de gewelddadigheden, waaraan hij blootstond,
hem ontrukten. De buitensporigheden aan tafel, waar de
wijn in overvloed vloeide, spoorden tot andere buitensporig-
heden aan, welke de nacht door zijn duister begunstigde.
Leeftijd en geslacht waren vermengd. Iedereen voldeed den
smaak, waaraan hij overgegeven was; alle schaamte was
verbannen; alle soorten van wellust, zelfs die, welke de
natuur verbiedt, bezoedelden die der godheid. (Plura virorum
inter sese, quam foeminarum esse stupra).
Indien enkele jeugdige ingewijden schaamte deden blijken
voor zooveel gruwelijks en weerstand boden aan die on-
tuchtige priesters of zelfs, indien zh\' zich slordig kweten
van hetgeen men van hen eischte, werden zij opgeofferd ;
en uit vrees voor hun praatzucht ontnam men hun het
leven. Men bond ze stevig aan zekere werktuigen vast,
waardoor zij plotseling opgeheven en vervolgens in een
diep hol geslingerd werden. De priesters rechtvaardigden
in het openbaar hun verdwijnen, door te zeggen dat de
vertoornde god de bedrijver van deze ontvoering was.
De dans, het loopen, de kreten der mannen en vrouwen,
van welke men zeide, dat zij door een goddelijke woede ver-
voerd waren, en die het slechts door de dampen van den
wyn waren, vormden een voorname episode dezer plech-
tigheden, en maakten een afwending voor andere wanor-
delijkheden. Men zag vrouwen met verwarde haren in de
handen brandende fakkels houden, die zh\' in den Tiber
dompelden, zonder ze te blusschen. Maar dit voorgewende
wonder was mooglijk, zegt Titus Livius, omdat de ont-
torandbare stof dezer flambouwen uit zwavel en kalk was
saamgesteld.
Op deze nachtelijke bijeenkomsten vond men ingewyden
van alle rangen en zelfs mannen en vrouwen van de eerste
-ocr page 141-
— 141 —
standen; en hun aantal was grenzenloos. Het was geen
gezelschap, maar een geheel volk, dat deze afschuwelijke
uitspattingen pleegde en zelfs tegen den Staat samenspande.
Uit dit laatste gezichtspunt deed de consul Posthumius
deze vereeniging beschouwen, toen hij haar bij den Senaat
aanklaagde en het is misschien alleen deze beschouwing,
die hem deed besluiten den godsdienst van Bacchus aan te
vallen door deze bijeenkomsten in het jaar 624 van Rome
af te schaffen. (*)
Indien de Romeinen al voor eenigen tijd de Bacchanaliën
verboden hebben, lieten zij toch den eeredienst der goede
godin
bestaan. De mannen waren wel is waar van hare
mysteriën verbannen, maar de uitspattingen waren het niet.
Juvenalis geeft er ons een beschrijving van in zijn zesde
satire, die wij in een onzer vorige werken ontleed hebben. (a)
De Liberaliën waren ook gelijksoortige feesten, die in de
maand Maart gevierd werden, ter eere van den Pater liber,
een pseudoniem van Bacchus. De Phallos nam met eere
een plaats in op de feesten der Liberaliën. Zooals wij weten,
noemden de Romeinen dit namaaksel der manlijkheid Mu-
tunus.
„Dit was het onkuische symbool," zegt de H. Augus-
tinus, „dat men niet in het geheim, maar in het openbaar
vereerde en dat men vol praal gedurende de Liberaliën op
een wagen door de voorsteden der stad rondvoerde."
Te Livinium duurde het feest van den god JAber een maand,
gedurende welke men zich, zegt Varron, aan de vreugde,
den wellust en de losbandigheid overgaf. De meest wulpsche
liederen, de ongebondenste gesprekken beantwoordden aan
deze handelingen. Een prachtige wagen, die een enorme
Phallos droeg, ging langzaam voort tot midden op de open-
bare plaats. Daar verwijlde men en zag men dan een matrone,
mater famüias, een kroon plaatsen op dit ontuchtige zinne-
beeld. Zoo waren de feesten en plechtigheden der gewijde
prostitutie in Italië....
(1)  Titus Livius, 4" D. liv. 9.
(2)  Médecine et moeurs de Rome, d\'après les poètes latins.
-ocr page 142-
— 142 —
De wettige prostitutie.
Evenals in Athene bestonden in Rome twee groote klas-
sen van prostituees: zij, die haar bedrijf in de publieke
huizen, de lupanars, uitoefenden en de vrije courtisanen, die
ontelbaar waren en in wier rangen een groot aantal ge-
huwde vrouwen, met of zonder toestemming van haar man-
nen, heimelijk binnensloop. (*)
Ofschoon de Romeinsche jeugd op een zeker tijdstip de
groote courtisane onder den naam van Amica heeft willen
doen opgang maken als mededingster van die van Athene
en Oorinthe, zag men te Rome nooit vrouwen, die op de
hetairen van Griekenland geleken en door haar schoonheid
en hooge geestesontwikkeling opmerking verdienden. De
Romeinen waren te stoffelijk in hun hartstochten, te trotsch
op hun staatkundige grootheid om zich met gewone cour-
tisanen te verbinden, die overigens noch door haar geest,
noch door haar kennis uitblonken. Hun zinnelijkheid waar-
deerde slechts een zwelgpaitij met de meisjes en de bru-
tale bevrediging hunner lusten. Zij vergenoegden zich met
veile vrouwen, die zij delicatce of pretiosce noemden, als
zij slechts rijke lieden bezochten, manieren hadden en weelde
vertoonden. Voor het volk bestond een categorie van pu-
blieke vrouwen der laagste rangen, die aangeduid werden
onder den naam van prosübulw en onderverdeeld in putce,
alicarice, casorüa; copce, diabolw, forarke, blüidce, noctu-
vigila, drabolce, prosedw, perigrina. qvadrantarice, vagat,
scorta, scrantue,
al naar gelang zij de broodbakkerijen, de
herbergen, de openbare pleinen, de straten, de begraafplaat-
sen of de aanliggende bosschen bezochten ; of wel dat zij
min of meer gezonken, Italiaanschen of vreemdelingen waren,
(1) Om haar minnaars aan de wet op de prostitutie te doen ontsnap*
pen, namen de gehuwde vrouwen de kleeding en de blonde pruik der
prostituees aan.
-ocr page 143-
- 143 —
de klanten bij zich aan huis opwachtten, of die van uit haar
venster of op straat aanklampten; zij min of meer ruim
haar gunsten deden betalen, aan burgers, slaven of vrijge-
maakten de voorkeur gaven. Al deze benamingen hebben
geen andere waarde dan ons te leeren, dat de openbare pro-
stitutie zich over de geheele stad uitstrekte, dat zij voor
alle standen genietbaar was en dat zij geduld werd zonder
eenige andere beperking clan inschrijving op de registers
en betaling der belasting, meretricium.
Het is evenwel noodig eene afzonderlijke klasse vast te
stellen voor de danseressen en fluitspeelsters, die aan de
befaamde Grieksche Auletriden herinnerden, en die de Ro-
meinsche politie liet begaan, zonder haar aan de Ucentia
stupri
(*) te onderwerpen. Bijna allen overigens kwamen uit
het Oosten, Griekenland of Egypte. Zij hadden weldra een
grooten naam te Rome verworven, ter wille harer volkomen
bedrevenheid in alle geheimen der wellust; zij lieten zich
zeer duur betalen en voegden de voordeelen harer kunst tyj
die der prostitutie. Men zag haar slechts bij rijke lieden op
het einde der feestmalen te midden der zwelgpartijen. De
Caditanen van Spanje^ deden de andere vreemde danseres-
sen een groote mededinging aan: Martialis en Juvenalis
hebben van haar talent om de wellustige begeerten bij de
toeschouwers op te wekken gewag gemaakt.
Men noemde haar Sodtatrices, fidicinoe, tibicinoe al naar
zij danseressen, fluit- of lierspeelsters waren. Men kan
zich geen denkbeeld vormen van de ongebondenheid der
bewegingen, die zij op de tonen der instrumenten uitvoer-
den, terwijl zij de verschillende phasen der liefde naboot-
sten, dan door zich te herinneren, hetgeen wy van de
Auletriden van Athene en Corinthe gezegd hebben, ofschoon
zij nooit het prestige van de groote Grieksche courtisanen
bereikten.
Eenigen hadden wel is waar de eer door de groote La-
(1) Vergunning tot hoerery.
-ocr page 144-
- 144 -
tijnsche dichters Horatius, Ovidius, Catullius, Propertius,
Tibullus bemind te worden. Cytheris ontving dikwh\'ls Cicero
en andere groote burgers aan haar tafel, maar haars gelij-
ken hadden nooit een invloedrijke rol in de publieke aan-
gelegenheden.
De groote courtisanen, bonce meretrices, gaven den toon
aan, schreven de mode voor, trokken de aristocratie tot
zich, ruïneerden de ouden en verdierven de jongen, doof-
den de physieke en zedelijke wilskracht van allen uit, maar
dat was ook alles.
Haar praal was bh\'na even groot als die der Atheensche
hetairen en zij vertoonden zich in het openbaar op straat
in al haar glans en in al haar onbeschaamdheid. Daar
moest men \'s avonds gaan om ze te zien in haar opzichtige
toiletten, met juweelen beladen en onderling wedijverende
in coquetterie, terwijl zij haar wellustige nonchalance in
hare draagkoetsen ten toon spreidden, die door een zwerm
van krachtige negers getorst werden. Zij speelden met den
waaier met een volmaakte bevalligheid of hielden den me-
talen spiegel in de hand, die haar veroorloofde de kunstig"
heid van haar kapsel en den weerschijn van den gouden
diadeem op de blonde kleur harer haren waar te nemen.
Er waren er die te paard reden en met vaardigheid prach-
tige paarden of rijk opgetuigde muildieren bestuurden. Er
waren weer anderen, die te voet gingen, maar steeds voor-
afgegaan of gevolgd door eenige slaven, die haar minne-
briefjes droegen of aannamen.
Ofschoon zeer rijk, waren zij de belasting op de prostitutie
niet verschuldigd en bijgevolg niet onderworpen aan de
licentia stupri: de wet is nooit anders gemaakt dan voorde
arme slokkers. De groote lichtekooien van onzen tijd zijn
evenmin in de registers der politie ingeschreven. En dat
zal altijd zoo zijn.
De bonce meritrices van Rome bezaten een wonderlijke gave
haar gedachten aan de mannen mede te deelen, die zij op
haar wandelingen tegenkwamen. Het wenken met de oogen,
-ocr page 145-
— 145 -
onmerkbare teekenen met de handen en vingers, een wei-
sprekende mimiek harer lippen, dat alles zeide evenveel en
nog meer dan de langste redevoeringen.
Deze pantomime der liefde was haar evenwel niet alleen
eigen; zij muntten erin uit, maar het was voor alles de taal
der geliefden van alle klassen der maatschappij.
Wat de gewone prostitutie aangaat, deze had te Rome
verschillende erkende plaatsen, die van de politie gekend
en geduld werden, en de geheime huizen. Een bizondere
clientèle bezocht deze verschillende inrichtingen : de inge-
schreven meisjes waren in de lupanars, de tegenstrevenden
in de logementen, de winkels der bakkers, wijnverkoopers
en barbiers. In deze soort rendez-vous\' verborgen de gehuwde
vrouwen en jonge meisjes haar minnarijen.
De publieke huizen bevonden zich voornamelijk in de
buitenwijken, zooals die van Suburre, op den berg Ccelius
bij de kazernen van Esquiliu» en van het groote Circus.
In het middenpunt der stad bij den tempel van den Vrede
stonden er ook eenigen; dit waren de meest aristocratische
en de best ingerichte, — natuurlijk.
De lupanars van het volk, die Tertullianus de raadkamers
der openbare ontucht genoemd heeft, bestonden uit een
aantal donkere cellen met volmaakt naakte personen van
beide seksen bevolkt. De schatting der prostitutie Jwerd
vooraf ontvangen. Deze cellen hadden een in- en een uitgang
in twee verschillende straten uitkomende. Het ameublement
eener cel bestond slecht in een biezen mat of een slecht
bed, pulvinar, van een vuile en gelapte deken voorzien,
cento; verder een lamp met een stinkende olie gevuld, die
door den stank van den rook, dien zij op de kleêren over-
bracht, een ieder verried, die deze plaatsen der ontucht
verliet. Op de muren zag men ruw uitgevoerde wellustige
teekeningen. Voor de deur van het lupanar verrees een
priapus, als sprekend wapen, die \'s nachts verwisseld werd
voor een lantaarn, die denzelfden vorm had. Verder wees
een bordje boven elke cel aan of zij ledig, nuda, dan wel
10
-ocr page 146-
— 146 —
bezet, occupata, was, evenals het tarief der gunsten van de
bewoonster, welke het afdingen vermeed. In de aristocratische
lupanars kwamen de cellen, cellce, niet op straat uit, maar
op een binnenplaats, in welks midden een fontein zich in
een bekken verhief!1). De ontuchtige teekeningen waren op
de muren door mythologische tooneelen vervangen, waarin
de goden en godinnen aan de liefde offerden. Het meubi-
lair was ook comfortabel en de liefhebbers vonden daar
een volledig personeel voor den dienst.
De ancillce ornatrices waren bedienden, bestemd voor het
toilet der meisjes, om ze te kleeden, te tooien, te blan-
ketten, enz. ; de aquarioli brachten den bezoekers verfris-
schende dranken en wijn (a); de bacario was belast met de
hygiënische zuiveringen, waaraan de man en de vrouw zich
voor en na den bijslaap onderwierpen ; de villicus was de
chef van den leno of de Una, die het huis hield en aan
hem gaf men het geld op het bordje vermeld over. De ad-
missarii
waren eindelijk mannen en vrouwen, die belast
waren op den openbaren weg klanten te werven en die
naar het lupanar te brengen. Om deze reden noemden men
ze ook adductores of conductores.
Het aantal lupanars was aanzienlijk en toch waren er
nog vele vrouwen, die zich aan de geheime prostitutie
overgaven. Deze had zich in de legerkampen verspreid met
verachting der gestrengheid van de oude krijgstucht, die
den vrouwen niet toestond de legers te volgen. Valerius
Magenius, die dit feit aangeteekend heeft, voegt er bij, dat
de zaak zoo ver gekomen was, dat de jonge Scipio, toen
hij het bevel in Afrika tijdens den derden Punischen oorlog
op zich nam en begeerig was een snelle hervorming in zijn
kamp daar te stellen, er tweeduizend publieke vrouwen uit
liet jagen. Sabatier.
                                                  : l(
(1)  Er waren er die voorzien waren van een balkon, waarop de meisjes
in een bont toilet en met bloemen gekroond stonden, terwijl zij in de
band een mirtetak hielden.
(2)  Lib. II Cap. 2, til. I.
-ocr page 147-
— 147 -
De vrouwen, die zich aan de geheime prostitutie overga-
ven, d. i. zonder ingeschreven te zijn op de registers der
edilen, werden tot een boete veroordeeld en ingeval van
herhaling de stad uitgezet, als zij ten minste geen leno konden
vinden, die haar positie regelde en haar verder onder zijn
kostgangsters opnam. Niettegenstaande dit was er te Rome
een aanzienlijk getal zwervende meisjes, erralica scorta, die
geen ander verblijf hadden dan de straat, de groote wegen,
de treden van de monumenten, de banken der markten, de
grafzerken, de gewelven der waterleidingen, den voet van
een standbeeld van Venus of van Priapus.
De geruchtmakende en dikwijls belanghebbende üver der
edilen was ontoereikend om de geheime prostitutie te be-
strijden en de schandelijke tooneelen, misdaden en overtre-
dingen weg te nemen, die zij dagelijks uitlokte. Overigens
hadden zij slechts uit het oogpunt van het belang der schat -
kist tusschenbeide te komen en behoefden zij geen kennis
te nemen van aanslagen tegen de openbare zedelijkheid.
Bijna alle nachten deden zij, door verscheiden lictoren ver-
gezeld, ronden en als zy er geen werk van maakten de
louves in de vuile schuilhoeken te vervolgen, waar zij haar
leven sleten, deste meer bewerkstelligden zij huiszoekingen
in sommige bordeelen. Somtijds onthielden zij zich door de
lictoren te doen aankondigen en verlangden zij van enkele
courtisanen gunsten, die zij als de prerogatieven van hun
mandaat beschouwden. Zoo werd Hostilius Mancinus ver-
wond door een steenworp van de courtisane Mamilia, wier
deur hij wilde forceeren, onder voorwendsel haar woning
te inspecteeren.
De Romeinsche prostitutie was niet alleen het uiteinde
van het wangedrag der vrouwen ; men wierf voor haar ook
maagden, die zonder slag of stoot in de ondeugd debuteerden,
als slachtoffers de wulpschheid der amatores voorgeworpen.
„Als een ongelukkige, als een arm kind," zegt Pierre
Dufour, „zich voor de eerste maal opofferde, was het feest
in het lupanar; men hing aan de deur een lantaarn, die een
-ocr page 148-
— 148 —
ongewoon licht over den omtrek van de slechte plaats wierp ;
men hing om den gevel van het afschuwlijk heiligdom lau-
riertakken, die gedurende vele dagen de openbare zedigheid
beleedigden en dikwijls werd na het volvoeren van het offer,
de bedrijver van deze lage daad, die hij zeer duur betaalde,
zelf met laurierbladen getooid, als hij het hol verliet. Deze
onreine vijand der maagdelijkheid verbeeldde zich een schoone
overwinning behaald te hebben en deed haar door muziek-
spelers vieren, die ook tot het personeel van de ontucht
behoorden. Een dergelijk gebruik, door de edilen geduld, was
een zooveel te bloediger beleediging der zeden, omdat de
jonggehuwden, vooral onder het volk, een gelijksoortig ge-
bruik bewaarden, door ook \'s daags na de bruiloft de deur
hunner woning met lauriertakken te versieren. „Ornankir~
postes et grandi juana lauro",
heeft Juvenalis gezegd. Ter-
tullianus heeft dit gebruik afgekeurd en gezegd: „dat zij uit
hare deur durven komen, die, versierd met guirlandes en
lantaarnen, als een nieuwe raadskamer der openbare zede-
loosheid is."
Een niet minder belangrijke passage voor de geschiedenis
der Romeinsche zeden is deze van Symphosianus (*), waarin
dit gesprek voorkomt:
—  Hebt medelijden met mijn maagdelijkheid, zegt een arme
slavin voor het,_lupanar gekocht, prostitueer mijn lichaam
niet door mij door een schandelijk bordje te onteeren !
—  Dat eene dienstmaagd, zegt de leno tot den pachter
der meisjes, haar kome tooien en dat men op het bordje
schrijve: „Wie Tarsia ontmaagdt zal een half pond zilver
geven, daarna zal zij een ieder geleverd worden tegen een
goudstuk."
Men moet aannemen, dat de maagdelijkheid tegen een zeer
hoogen prijs verkocht werd, want Latijnsche schrijvers beves-
tigen, dat het verlangde loon der lupanars zeer laag was. Zoo
schrijft Juvenalis, om .te zeggen dat Messalina den prijs harer
(1) Symphosianus, Histoire d\'Appolonius de Tyr.
-ocr page 149-
— 149 —
gunsten eischt, Aera poposcil, d. i. vraagt eenige stuivers.
Petronius laat hetzelfde door Ascijlte zeggen, als deze „door
een achtenswaardigen grijsaard" naar een lupanar gebracht
wordt: Jam pro cella meretrix assem exegerat. Reeds had
de pachtster der meisjes een as voor den prijs van haar
cel gekregen. (*)
Deze handel in de maagdelijkheid was evenwel dikwijls
niet anders dan een speculatie van de zijde der koppelaars.
Men vond meer pseudo-maagden dan werkelijke. En Lucil-
lius laat in een zijner satieren niet na aan een onervaren
jonkman dezen zeer practischen raad te geven : „Koop het
meisje zonder waarborg."
De bondgenooten der prostitutie te Rome.
Evenals de officieele koppelaars waren de vrouwelijke
geneeskundigen van Rome de medeplichtigen der groote
courtisanen en der overspelige matronen, aan wie zij haar
zorgen wijdden. Men duidde deze vrouwen, die zich aan de
praktijk der cliniek der minnenden overgaven, onder ver-
schillende namen aan: Medica, 6bstetrk.es, sagw. Zij waren
belanghebbende helpsters der prostitutie, voornamelijk de
saga. En een ieder weet dat van dit woord sage-femme,
vroedvrouw,
afgeleid is, wat Stern met reden aanraadt niet
met femme-sage, wijze vrouw, te verwarren.
In een van zijn puntdichten in La Mêdecine et les Moeurs
de la Rome antique, d\'après lespoètes latins,
spreekt Martialis
van deze medicce, die een hysterische, de schoone Leda, be-
handelden, die aan een ouden onvermogenden grijsaard ge-
huwd was. Zij trekken zich onmiddellijk terug, zegt de dichter,
zoodra men het noodig oordeelt, geneesheeren te laten roepen :
Protinus accedunt medicimedicaeque
recedu n t.
De obstetrices waren de eigenlijke verloskundigen; zij
(1) Petronius. Satyricon. Cap. VIII.
-ocr page 150-
— 150 —
hadden als handlangsters de adstetrices. De sagce, evengoed
als de medicee en de obstetrices hielden zich met verlossin-
gen en met vrouwenziekten op. Die geheele wereld was dus
niet veel waard en hield zich voornamelijk bezig met ver-
boden handelingen, vruchtafdrijvingen koppelarij. Onder haar
werden^de tooverheksen, de reukwerkmaaksters, de kapsters,
enz. geworven. Al hare handelingen droegen het kenmerk
van feen bijgeloovigen oude-wijvenpraat, die op de behaag-
zucht, de ontucht en de lichtgeloovigheid der vrouwen spe-
culeerde. Er was in haar iets van de koppelaarster, van de
vroedvrouw en van de kleerenkoopster. Zij lieten niet-erkende
kinderen verdwijnen, bereidden door offeranden een gelukkige
zwangerschap en een gunstige verlossing vrij van tegenspoed
voor. Onder het werk riepen zij Diana driemaal aan, of
meer, indien dit noodig was.
Aan haar nog was de plicht het kind te wasschen en
gedurende vijf dagen het toilet van de kraamvrouw te
maken. Eindelijk riep|men haar nog als de pasgeborene
ziek was, en haar geheele behandeling bij deze gelegenheid
bestond in het lichaam van het kind met amuletten te be-
dekken, waarbij zij Juno, Lucine, Diana en zelfs Castor en
Pollux aanriepen.
Plinius heeft eenige harer voorschriften medegedeeld be-
trekkelijk de behandeling van ziekten door versch of tot
asch verbrand bloed der stonden. Tusschenpoozende koort-
sen en dolheid waren geneesbaar door het virus lunare (\')
hetzij door wrijvingen of door aanraking met de huid in
een zakje of in een zilveren medaljon. Dit bloed had vol-
gens de Romeinsche vroedvrouwen nog een hoedanigheid:
een vrouw, die de regels had, vernietigde de rupsen en
de insekten van een veld, indien zij er eens of meermalen
omheen liep. Maar als tegenwicht sloeg zij de planten met
onvruchtbaarheid, deed zij de vruchten van de boomen
vallen, de merries voor den tn\'d werpen, verjoeg zij de bijen,
(1) Maandelijkscke vloeiingen.
-ocr page 151-
— 151 —
maakte zij de scheermessen bot, enz. Het privaatleven der
vrouwen stond in verband met haar onwetendheid; zij had-
den een zwak voor druivennat, zooals men ziet in Andrlenne,
een der bekoorlijkste tooneelstukjes van Terentius, waarin
Lesbie, de sagee, die geroepen wordt om de jonge Glycerie
bij te staan, ons voorgesteld wordt als de gezellin der drink-
gelagen van oude slaven. Dezelfde Lesbie schreef, volgens
denzelfden schrijver, onmiddellijk na de bevalling van haar
patiënt een bad voor en vier dooiers van eieren.
Te Rome en te Athene hadden de vroedvrouwen niet al-
leen het monopolie der vruchtafdrijvingen en der kinder-
moorden, misdaden die door de wetten en de openbare
zeden zoo wat geduld werden, maar ook dat der geheinv
houdingen en der vooronderstellingen van de geboorte van
een kind. Zij brachten de jonggeborenen, waarvan men zich
ontdoen wilde, naar de boorden van den poel van Velabre,
aan den voet van den berg Aventin. In dezen afschuw-
lijken grafkuil zag men anderen de voorwerpen komen
zoeken, die zij voor een gefingeerde bevalling noodig had-
den om een erfenis te bemachtigen.
Juvenalis zegt wel inderdaad in zijn welsprekende satire
op de vrouwen: „Ik dring niet aan op de onderschuiving
van kinderen, noch op de trouwloosheid van haar, die met
de wenschen en vreugde van een echtgenoot spottende, hem
van de boorden der schandelijke Velabre erfgenamen mede-
brengen, waarvan hij de vader denkt te zijn."
Deze kwaadstichtende schepsels deinsden voor geen mis-
daad terug om haar inhaligheid te voldoen ; zij verkochten
ook drankjes tot prikkeling of tot beteugeling der minne-
drift, waarin dikwijls, zooals Horatio ons gezegd heeft, bloed
van een jong kind kwam, dat door haar vermoord was. De
drogerijen van Canidie, de recepten van Salpé (}), de nage-
(1) Salpé, een obstetrix, door Plinius (liv. 28) aangehaald, schreef tegen
het onvermogen voor, zevenmaal de geslachtsdeelen van een ezel in ko-
kende olie te dompelen, en met deze olie de geslachtsdeelen te wrijven.
-ocr page 152-
152 -
boorte der paarden van de tooverkollen (*), de Erijngion (a)
van Sapho : hieruit bestonden haar geneeskunde en middelen.
Het is onnoodig andere schrijvers aan te halen en tal-
rijker nasporingen over dit onderwerp te doen, wij weten
nu wat de functiën waren der vrouwelijke geneeskundigen
in Rome. Zij hadden bovenal het monopolie der vruchtaf-
drijvingen en waren de hulp der prostitutie.
De Romeinsche wet strafte evenwel vrij streng de vrucht-
afdrijving, maar men paste haar niet toe; de overheid liet
de Sagcc met hun winstgevend bedrijf ongemoeid. De tekst
der wet was als volgt:
„Wie een vruchtafdrijvend drankje zal hebben laten in-
nemen, zelfs zonder eenige misdadige bedoeling, zal, zoo
hij arm is, naar de mijnen gezonden worden. En als hij rijk
is, zal hij naar een eiland verbannen worden en een ge-
deelte zijner bezittingen verbeurd verklaard. Indien de moe-
der of het kind door het gebruik van dezen drank zullen
bezweken zijn, zullen de schuldigen met den dood gestraft
worden."
Qui abortitionis poculum dant, et si dolo non faciant,
humiliores ad metallum, honestiores in insulem, amissa
parte bonorum, relegantur. Quod si poculo muiier aut homo
perierit, summo supplicio afficiuntur.
Niettegenstaande dit had de vruchtafdrijving burgerrecht
verkregen in de Romeinsche zeden en werd zij openlijk uit-
geoefend. De schrijvers spreken ervan als de gewoonte, die
door de wetten gedeeld werd en waartoe vorstinnen en
patricischen uit verschillende beweegredenen haar toevlucht
namen.
Juvenalis toont ons nog in zijn Satire tegen de schijn-
heiligen, hoe Domitianus wetten tegen het overspel maakte,
(1)  Vocht, dat na de dekking uit de scheede der merries vloeit.
(2)  Erijngion Campertre soort van het geslacht der Bloemkroondragen-
den, bekend onder den gewonen naam van veld-kruisdistel. Haar wortel
(zegt Plinius liv. 22) vertoont de geslachtsdeelen van den man of der
vrouw. Deze Sapho niet te verwarren met Sapho van Mitylene.
-ocr page 153-
— 153 —
terwijl zLjn nicht Julia zich befaamd maakte door haar af-
drijvingen.
Quum tot abortivis f o e c u n d u m J u 1 i a
vulvam,
en dat zy uit haar te vruchtbare lendenen nog trillende
stukken scheurde, die door hun gelijkenis tegen haar oom
getuigden. Sol ver et, et patruo similes effun-
deret offas.
Met ziet: Julia had de vrucht af laten drijven om het
bewijs harer betrekking met haar oom Domitianus te ver-
nietigen. Het was ook meestal voor gelijke redenen dat de
vrouwen haar toevlucht namen tot de vruchtafdrijving.
Corinna, de minnares van Ovidius en de kleindochter van
Augustus, liet zich ook behandelen om het bewijs harer
betrekkingen met den dichter te doen verdwijnen : „Corinna
heeft als zooveel anderen," zegt de schrijver van Amours,
„een aanklager zien komen, die haar levensdagen zou komen
verontrusten en als zooveel andere vrouwen heeft zij ge-
tracht het kind te vernietigen, dat haar rust en haar schoon*
heid bedreigde."
Dum labefactat onus gravidi temeraria
v e n t r i s,
In dubio vitse lassa Corinna jacet.
Ovidius, die niet medeplichtig was aan de misdaad, werd
verontwaardigd tegen zijn minnares, daarna heeft hij de
goden gesmeekt haar te vergeven; maar hij heeft de vrouw
vervloekt, die het eerst het voorbeeld van een dergelijke
misdaad\'gegeven had.
„Zij verdiende," zegt hy, „in dezen strijd tegen de natuur
te bezwijken, want zij wilde haren buik slechts vooreenige
tüdrimpels besparen;"
Ut careat rugarum crimine venter;
„en zij beliep de kans in het graf te dalen."
„Vrouwen," roept hij uit, „waarom in uwen buik een moor-
dend ijzer te steken, waarom het kind, dat nog niet leeft,
vergif te geven."
-ocr page 154-
— 154 -
"Vestra quid effoditis subjectis viscera telis.
Et nondum natis dira venena datis.
Hij besluit zijn welsprekende elegie met deze slotrede:
„Zij sterft na haar kind gedood te hebben en als men
haar met loshangende haren op haar sterfbed draagt, roepen
allen die haar zien uit: Dat is rechtvaardig, dat is goed.
Zij heeft het wel verdiend I"
Ssepe, suos utero quae necat, ipsa perit.
Ipsa, perit, ferturque tor o resoluta capillos:
Et clamant, merito! qui nodocumque vident.
In de Heroïde laat Ovidius ons den brief na van Cassana
aan haar broeder Macarea, van wien zij zwanger is: Mijne
min had het eerst het voorgevoel van mijn zwangerschap;
zij zeide mij : Dochter van Eole, gij bemint! Ik kleurde, de
schaamte deed mij de oogen op mijn boezem nederslaan;
dit zwijgen, deze bekentenis waren reeds beteekenend.
Reeds rondde de last mijn ontuchtige lendenen en waren
mijn zieke ledematen bezwaard door zijn heimlijk gewicht."
Jam que tumescebant vitiati pondera
v e n t r i s,
Aegraque furtivum membragravabatonus.
„Wat een kruiden, wat een medicamenten bracht mijn
min mij niet, hoeveel liet zij mij niet stoutmoedig innemen,"
Quas mihi non herbas, quae non m e d i c a-
mina nutrix Attulit, audaci suppo-
suitque manu;
„om, — en dat alleen hebben wij u verborgen, — den
steeds grooter wordenden last uit mijn ingewanden geheel
te verdrijven ! O, te taai reeds weerstond het kind de po-
gingen der kunst en was het in veiligheid tegen zijn ge-
heimen vijand."
Wij zien daardoor, dat het meestal met behulp van zelf-
standigheden, die de maandelijksche zuivering bevorderen,
was, dat men de afdrijving zocht uit te lokken, maar deze
middelen slaagden niet alth\'d en het kind bleef veilig in
een hoek der baarmoeder. Dan moest men de vrucht met
-ocr page 155-
— 155 —
een moordend ijzer doorsteken, zooals men dit het jonge
meisje deed, die „stierf na haar kind gedood te hebben."
Maar het was niet altijd om de vrucht van onwettige
betrekkingen te vernietigen, dat de Romeinsche vrouwen
zich lieten behandelen. Het was ook en wel het meest,
zooals Ovidius zegt, om de misvorming van de taille te
voorkomen en uit vrees voor de striemen op den buik, die
aan een minnaar een deel zijner illusiën ontnemen ... —
striemen, die een eerbare vrouw als de roemrüke litteeke-
nen van het moederschap beschouwt 1
De last der zwangerschap, de barensweeën, de zorgen van
het moederschap, te vermijden en het bewaren der bekoor-
lijkheden om aan haar minnaars te behagen, waren dus de
zedenleer der Romeinsche matrone in het tijdperk van verval.
Tot haar richt zich Arela-Gellius met een gerechtvaardigde
verontwaardiging: „Denkt gij, dat de natuur aan de vrouw
borsten heeft gegeven als bevallige verhevenheden om de
borst te versieren en niet om kinderen te zoogen ?"\' Met dit
denkbeeld bezield spannen de meeste onzer modepoppen,
prodigiosce mulieres, zich in om deze heilige bron uit te
putten en op te doen drogen, waaraan het menschelijk
geslacht het leven ontleent en wagen zij het haar melk
te bederven, alsof deze de attributen harer schoonheid be-
derft. Dezelfde dwaasheid brengt er haar toe de vrucht
te doen afdrijven door verschillende kwaaddoende middelen,
opdat de gladde oppervlakte van haren buik niet rimpele
en niet neerhangt onder den druk van zijn last en de weeën
van het kraambed."
Wij hebben gezien, dat de Sagce niet alleen werk maakten
van de koppelarijen en de vruchtafdrijving, maar dat zy
ook de blanketsels, de reukwerken en alle liefdedrift op-
wekkende middeltjes leverden. Voor de bereiding gebruikten
zy de aromatische zelfstandigheden van Azië en Afrika, die
een prikkelende werking op de geslachtsorganen hadden.
In het overdreven gebruik dezer stoffen vonden de Romeinen
het geheim hunner onvergelijkelijke wellustigheid en hunner
-ocr page 156-
— 156 —
wulpsche buitensporigheden. Al de soorten van prostitutie
waren dus schatplichtig aan de Sagce, die tegelijk reuk-
werkverkoopsters en tooveressen, vroedvrouwen en koppe-
laarsters waren, maar ook altijd oude lichtekooien, die in
het gareel der prostitutie grijs geworden waren.
Evenals de scheerders, werkzame handlangers der pede-
rastie, trokken zij groote voordeden uit haar nijverheid,
want iedereen parfumeerde zich in Rome: de mannen, de
vrouwen, de kinderen, de publieke vrouwen en de schand-
jongens. Bij het opstaan, bij het naar bed gaan, voor den
maaltijd, na het bad werd het geheele lichaam met welrie
kende oliën overgoten, de kleederen en de haren waren
met geurige aftreksels doortrokken ; men liet in de]vertrek-
ken aromatische poeders branden, men deed er van in de
spijzen, in de dranken, in de meubels, in het water, voorde
zuiveringen bestemd; men besprenkelde er de beddekens
mede. Het zenuwstelsel was door den doordringenden reuk
der parfumerieën in een voortdurenden staat van overprik-
keling en overspanning. Maar het waren de losbollen en
lichtekooien voornamelijk die er het meeste gebruik van
maakten. „Hoofdzakelijk," zegt Dufour, in de inleiding van
de "Worstelschool van Venus, palsestra venera, „kwamen,
om ons van een oude uitdrukking te bedienen, de parfu-
merieën den wellust te hulp. De beide minnenden lieten zich
het geheele lichaam met liefelijk geurende oliën zalven, na
in welriekend water een bad genomen te hebben ; de wierook
brandde in de kamer als voor een offer; het bed was met
bloemenslingers versierd en met rozenbladeren bestrooid,
de meubels ontvingen een regen van nardus- en kaneelolie.
De zuiveringen met aromatische waters werden dikwijls
herhaald, gedurende die lange uren aan de liefde gewijd, te
midden eener atmosfeer, die meer welriekend was dan de
Olympus."
Al de hulpmiddelen van den wellust, al de voorwerpen,
die nog aan de prostitutie het middel konden verschaffen
om kunstmatig de zinnen op te wekken, behoorden tot de
-ocr page 157-
— 157 —
geheime handelsartikelen van de Saga. Wij zullen de be-
schrijving niet geven van al die werktuigen van den wellust
en ontaaarding, die den dienst der tegennatuurlijke liefde
bevorderden.
Die monsterachtige verfijningen van de ontaarde zonen
der eerste Romeinen werden door den apostel Paulus ge-
schandmerkt (\'): God heeft hen aan de hartstochten der
schande overgeleverd ; want de vrouwen hebben het natuur-
lijk gebruik der mannen verwisseld voor een tegennatuurlijke
gewoonte; en evenzoo hebben de mannen, het natuurlijk
gebruik der vrouw verwaarloozende, zich vervuld met onreine
gedachten jegens elkander en ontvangen zij in zich zelven
de straf hunner dwaling.
Deze tuchtiging was, zooals wij zien zullen, de ziekten
der voorttelingsorganen : vloeiingen, zweren, vijgwratten aan
den aars. En hoe kon het ook anders zijn met de schande-
lijke gewoonte der onanie en sodomie, terwijl de vrouwen
aan een nagemaakten phallos de gewaarwordingen vragen,
die haar oververzadigde zinnen onmachtig zijn in den na-
tuurlijken omgang te gevoelen en de mannen om hun ver-
mogen op te wekken de hulp inroepen van prikkelende
zetpillen, van schijnmiddelen, waarvan voornamelijk de wel-
lustelingen gebruik maken, die door al de verfijningen der
prostitutie verslapt zijn. Zij duidden die ontuchtige voorwer-
pen onder den naam van fascina aan, een uitdrukking die
Petronius bezigt in de beschrijving der geheimen, „die aan
de zenuwen al haar kracht teruggeven." Ziehier waarin die
geheimen bestonden :
Simul que profert (Enothea scorteum fascinum, quod ut oleo
et minuto pipere atque urticce trito circumdedit semine, pau-
latim ccepit inserere ano meo... Viridis urticae fascem com-
prehendit, omniaque infra umbilicum ccepit lenta manu cce-
der e
(*).
(1)  Eerste brief van Paulus aan de Romeinen.
(2)    Petronius. Latyricon Cap. CXXXVIII.
-ocr page 158-
— 158 —
„Op deze woorden brengt (Enothea een lederen phallos,
bestrooit hem met peper en gestampte brandnetelkorrels,
met olie verdund, en stopt hem langzaam in mijn aars...
Daarna bestrijkt zij met een handvol versche brandnetels
zachtjes mijn onderbuik."
Onnoodig te zeggen dat (Enothea een tooverheks, een
priesteres, een afschuwelijk oud wijf was, die evenals al
de sagce van Rome de liefde-opwekkende therapie beoefende.
Als andere bondgenooten der prostitutie moet het geheele
personeel der baden genoemd worden, want het is zeker, dat
de lupanars en andere plaatsen der wettige prostitutie niet
de eenige verblijven van den wellust te Rome waren. De
badhuizen waren daaronder en met recht heeft Petronius
van hen gezegd :
Balnea, vina, Venus, Corrumpunt corpora sana;
Et vitam faciunt balnea, vina, Venus.
„De baden, de wijn en de liefde verwoesten de gezondheid
van het lichaam en toch wat maakt het leven bekoorlijk,
zijn het niet de baden, de wijn en de liefde."
Tegen drie uur in den namiddag kondigden de klokken
de opening dezer inrichtingen aan. De eenen waren voor
de aristocratie, de anderen voor het volk bestemd. De toe-
gangsprijs tot deze was buitengewoon matig en enkele ba-
den waren zelfs vrij, want zij werden als een propaganda^
middel voor de verkiezingen door rijke particulieren opge-
richt en onderhouden. In den beginne waren de baden zóó
ingericht, dat zij de zalen in een half-duister lieten, terwyl
de seksen gescheiden waren. Maar later liet men het licht
ruimschoots binnen en waren zij voor beider kunne gemeen.
De menging bracht noodlottig de grootste wanorde in de
zeden. Er waren bassins, die tot duizend personen konden
bevatten. Mannen, vrouwen en kinderen krioelden in het
water in de mcc3t volkomen naaktheid. In die uitgestrekte
Oostersche lupanars was het veld ruim voor de prostitutie.
En onder de oogen der edilen vertoonde zij zich met de
grootste onbeschaamdheid. Niet alleen werden er rendez-
-ocr page 159-
— 159 -
vous gegeven, niet alleen werden er in het openbaar too-
neelen van schaamteloosheid gegeven, maar zelfs van mon-
sterachtige ontucht. De Romeinsche Lesbieschen gaven den
mannen haar meest onkuische liefkoozingen en leerden
haar kunst aan de slavinnen en kinderen. Men duidde de
laatsten aan onder den naam van fellatores en de vrouwen
onder dien van fellatrices. En al die walgelijke hartstochten
vertoonden zich op klaarlichten dag. Men leze hierover Ju-
venalis, de Satires van Martialus, de comedies van Plautus
en Terentius. Matronen gaven haar lichaam aan masseurs
van beroep over: TJnctor sciebat dominam suam hitjusmodi
titillatione et contrectatione gaudere.
Juvenalis had hetzelfde
gezegd in een beroemd vers. Zoo waren de baden: plaatsen
van openln\'ke prostitutie, wellust en uitspattingen van aller-
lei soort, want men at er dikwijls, men dronk, men speelde,
men gaf er zich aan alle vuile wulpschheid over, niettegen-
staande de edicten van zekere keizers, van Marcus-Aurelius
en van Alexandrus Severus, niettegenstaande de krachtige
protesten van burgers, die de ongelukken voorzagen, waar-
door het vaderland bedreigd werd.
De prostitutie vond nog een verblijf in de wijnhuizen,
herbergen en kroegen. In de wijnhuizen of popina zag men
in een donkere en gewelfde zaal, die gelijkvloers was, te
midden der tonnen en vaten mannen en vrouwen aan tafels
zitten. Daar aten, dronken, speelden zij en gaven zich aan
alle losbandigheid over. In de herbergen, cauponce, waren
kamers, die men aan de bezoekers verhuurde. Maar de diver-
soria
waren slechts hotels-garnis, waar men \'s nachts lo-
geerde.
De edilen hadden het toezicht over die inrichtingen en
holen, waar zich den meesten tijd misdadigers en niet-in
geschreven meisjes verschuilden, die de belasting op de
prostitutie wilden ontduiken. De eigenaars waren verant-
woordelijk voor alle overtredingen, die bij hen plaats grepen
en de edilen legden hun talrijke boeten op, die zjj hetzelfde
oogenblik moesten betalen of by onwil werd, corampopulo,
-ocr page 160-
— 160 -
een zeker aantal rietslagen door de lictoren toegediend.
De kelders der bakkers, waar de molensteenen stonden
om het koren te malen, dienden ook tot schuilplaats van
zwervende meisjes en van haar gezellen. Het korps der
edilen deed er zijn besten slag, maar verzette zich niet
tegen den droevigen handel, die er dag en nacht gedreven
werd.
Eindelijk als andere plaatsen der prostitutie, moet men
de donkere hoeken noemen, die zich onder de donkere trap-
pen van het circus en tusschen de kolommen en de cavece
bevonden, waar de zwaardvechters en de wilde dieren op-
gesloten waren. Op de dagen, dat er openbare spelen plaats
hadden, lieten de minste lichtekooien zich in de vochtige
benedengedeelten van het worstelperk prostitueeren. Van af
de plaatsen, die zij binnen het gebouw innamen, maakten
zij teekens aan de toeschouwers en namen hen door de
vomitoria (uitgang) mee naar buiten. Dat duurde gedurende
de geheele voorstelling en men zag slechts haar en de pu-
blieke omroepers, die haar beschermers waren, langs de
trappen der cunei gaan en komen, en der prcecinctiones,
rondgaande wandelplaatsen tusschen het podium, waar de
keizer, de vestalen, de senatoren en de ridders waren en
de steenen trappen popularia, die voor het volk bestemd
waren. De edilen duldden deze schaamtelooze tooneelen,
die, het is waar, slechts weinig de openbare zedelijkheid
kwetsten en verlangden slechts .van herbergiers, kroeg-
houders, bakkers, omroepers, handlangers en beschermers
der prostituees nauwkeurig de belasting, meretricium, te
betalen.
Wetten en reglementen op de prostitutie in Rome.
Dank zij de strenge wetten van Romulus en de bekwaam-
heid van zijn opvolgers gaf de instelling van het huwelijk,
voornamelijk uit een staatkundig oogmerk in het leven ge-
-ocr page 161-
- 1«1 -
roepen, aan de vrouwen strenge zeden, die het voornaamste
grondbeginsel waren van de Romeinsche grootheid. De \\vet-
ten van Romulus, ten getale van vier, waren noodig om
de heftigheid der hartstochten van die half wilde mannen
te breidelen en om den voornaamsten maatschaplijken
grondslag van den nieuwen staat te vormen. Maar de be-
schikkingen van het huwelijkswetboek, op koperen platen
gegraveerd in het Capitool, raakten slechts de burgeressen ;
het vrijgeworden volk bleef overgeleverd aan de onechtelyke
samenwoning en aan de prostitutie. Dit was een groote
politieke misslag, ongelukkig bestemd om dat brandpunt van
verderf te onderhouden, dat zich onder het keizerrijk, na de
groote Aziatische oorlogen, tot alle klassen der maatschappij
uitstrekte en al verergerende het verval der Romeinen met
zich bracht.
Het huwelijk was te Rome in aanzien, had min of meer
uitgestrekte burgerlijke kracht, naar den vorm, waarin het
gesloten was. Dat, hetwelk zich met het offer der confar-
ratlon
bezegelde, d. i. door het gebruik van hetzelfde brood,
dat de echtelieden bij de plechtigheid aten, werd als het
welvoegelijkste beschouwd; dit was het, hetwelk de meeste
rechten evenals de eervolste titels aan de vrouw toestond.
Het huwelijk bij usucapion, minder geëerd en waaraan men
den naam van half-huwelijk gaf, kwam enkel door de samen-
woning van een jaar tot stand, mits er geen afbreking van
drie achtereenvolgende dagen had plaats gehad : het werd
veelvuldig door het verslappen der zeden. De onwettige
samenleving had volstrekt niets schandelijks in zich; z\\]
werd voor een derde soort huwelijk gehouden ; de wetten
noemden haar een geoorloofde gewoonte.
Deze staat evenwel, waarvan de wettigheid slechts be-
rustte op het schijnbare voornemen van hen, die hem aan-
namen, en waarvan het bestaan slechts uitgemaakt werd
door het vermoeden van hun wil, ex sola animi destinatione,
zooals de wetgever zich uitdrukt, kreeg de benaming van niet-
gerechtelijk huwelyk, injustce nuptice. De bijzit was geen
11
-ocr page 162-
— 162 —
echtgenoote; zjj nam er de plaats voor in en was er van
onderscheiden door de kleeding. De kinderen, ofschoon toe-
gelaten tot den omgang met andere burgers, maakten geen
deel uit van de familie hunner vaders; zij erfden niet van
hem; en toen het slechts vergund werd vrouwen uit den
slavenstand of uit geringe ouders tot bijzit te nemen of
wel die van een hooge geboorte onteerd zouden worden
door zich aan de prostitutie over te geven of door andere
beroepen uit te oefenen, die evengoed laag en verachtelijk
waren, waren de bijzitten niet zeer gezien ; men onder-
scheidde haar weinig van de lichtekooien ; de openbare los-
bandigheid kwetste de zeden niet meer, omdat zij er een
deel van uitmaakten (*).
De geschiedschrijvers hebben ons de verachting der Ro-
meinen van de Republiek doen kennen voor het overspel,
de afschuwelijke straffen aan de schuldige vrouwen opge-
legd, die, in het openbaar aan de bespringing door een ezel
overgeleverd, als beesten voor den wagen van den beul
werden gespannen, om ten slotte tot de openbare prostitutie
gedoemd te worden. Maar terwijl de matrone, mater fami-
lias, door ontzag en eerbewijzen omringd werd, terwijl de
vestalen belast waren op de altaren het heilig vuur der
eerbaarheid te onderhouden, onderwierpen vele vrouwen en
meisjes zich aan de zwaarste der slavernijen: de prostitutie.
De groote jurist Domitius TJlpianus, schrijver van singu-
laris regularum,
van wien de werken over Romeinsch recht
bijna geheel weergegeven zyn in de Pandectes, heeft ons
onder den titel De ritu vuptiarum de wettelijke omschrn\'-
ving der prostitutie te Rome nagelaten. Hij zegt:
Eene vrouw bedrijft in het openbaar prostitutie, als zijniet
alleen zich in een plaats van ontucht prostitueert, maar ook
als zij kroegen en andere plaatsen bezoekt, waar zij niet voor
hare eer zorg draagt.
(1) Sabatier, Romeinsche wetgeving. — Terrasson, Geschiedenis van de
Romeinsche Rechtspraak.
-ocr page 163-
- 163 —
Men verstaai door een openbaar bedrijven de handeling dier
vrouwen, die zich aan iedereen en zonder keus prostitueeren.
Deze uitdrukking strekt zich niet uit tot gehuwde vrouwen,
die zich aan overspel schuldig maken, noch tot meisjes, die
zich laten verleiden.
Een vrou w, die zich voor geld aan een of twee personen
overgegeven heeft, wordt niet gerekend in het openbaar pro-
stitutie te bedrijven.
Octavianus denkt met recht dal zij, die zich in het openbaar
prostitueeren, zelfs zonder geld aan te nemen, lot die vrouwen
behooren gerekend te worden, die in het openbaar prostitutie
bedrijven.
De publieke vrouwen werden niet in de volkstelling be-
grepen, maar zij waren op de registers der prostitutie, door
de edilen gehouden, ingeschreven, die haar dan het equi-
valent van de hedendaagsche politiekaart afgaven, een vrij-
brief voor ontucht in het latijn licentia stupri genaamd. Deze
vergunning tot prostitutie werd gedurende langen tijd slechts
aan de vrouwen der plebeërs afgegeven; maar onder het
keizerrijk, toen de verdorvenheid haar uiterste grenzen be-
reikt had, eis enten de vrouwen der patriciërs, ingenuce hare
inschrijving 0).
De prostituees waren geschandvlekt, hetgeen wettelhk
het burgerlijk onvermogen na zich sleepte. Deze staat was
evenzoo en met recht aan die personen opgelegd, die zich
aan het bedrijf van koppelaar, lenocinium (a) overgaven.
(1)   Vrouwen van Senatoren en van ridders verzochten als meretricen
op de registers der edilen vermeld te worden, om zich aan de straffen
te onttrekken, die haar bedreigden, aan het toezicht harer familie en
om het ongebonden leven te leiden, wat haar aanstond.
(2)  De ritu nuptiar. Lib. XXII, tit. 2.
Ziehier overigens wat Tacitus zegt, Anna/es Lib. II, Cap. LXXXV:
,De senaat maakte dit jaar strenge wetten om de losbandigheid dei-
vrouwen te beteugelen. Men verbood het bedrijf van prostituee aan haar,
wier grootvader, vader of man Romeinsch ridder was; want Vestilia, van
een pretoriaansche familie, was bij de edilen geweest om zich op de
lyst der publieke meisjes te doen inschreven; (nam Vestilia, pr&toria
-ocr page 164-
— 164 —
Het schandmerk was een onuüwischbare vlek, die al de
agenten der prostitutie teekende, de publieke meisjes en
de patroons, de leno en de lena, de kroeg- en logementhou-
ders, de verhuurders, de bakkers, de parfumeurs en andere
kooplieden, onder den geslachtsnaam van meretrices aange-
wezen, d. i. allen, die winst maakten uit den schandelijken
handel van het menschelijk lichaam. Want de schandelijk-
heid, zeide de wet, wordt niet weggenomen door de tus-
schenkomst.
Door een tegenstrijdigheid met den geest der Romeinsche
wet waren alle meretrices, die van hun burgerrechten ver-
stoken waren, voor de evenredige belasting voor de stad inge-
schreven ; zij moesten het vectigal of het meretricium betalen.
Het was Caligula, die het denkbeeld had de openbare
ontucht met een belasting te treffen, zooals dat in Grie-
kenland plaats vond, maar zonder ze evenwel te verpach-
ten. Alexander Xeverius, die vond dat dit geld slecht rook,
stemde slechts toe het te ontvangen onder den naam
van belasting tot onderhoud der openbare gebouwen. De
geschiedenis zegt ons niet, of het budget der openbare ge-
bouwen op de civiele lijst van den keizer thuis hoorde.
Dit zou een zeer opmerkelijk precedent geweest zijn van
wat de politieke financiers overschrijving noemen. Theodo-
sius en Valentinianus schaften haar geheel af, maar hun
opvolgers herstelden haar zonder schaamte. Anastatius liet
haar eindelijk voor goed verdwijnen.
Een andere wet betrekkelijk de prostitutie verbood aan
de burgers slavinnen te huwen, die door leones vrijgemaakt
waren; ontzegde aan publieke vrouwen het huwelijk en
aan Senatoren de dochters van leones te trouwen.
familia genita, licentiam stupri apud wdiles vulgaverat;) volgens een ge-
woonte van onze vaderen, die vermeenden dat eon vrouw reeds genoeg
gestraft zou zijn door de verklaring alleen van haar ontucht. (More inter
vetere» recepto, qui satis pcenarum adversum impudicas in ipsa pvofesaione
flagitii credebant.)
-ocr page 165-
— 165 -
Politiereglementen schreven aan alle prostituees een bizon•
dere kleeding voor. In plaats van de voegzame stola dei-
matronen, die tot aan de voeten reikte, mochten zij slechts
een korte tunique en een toga dragen, die van voren open was
en haar den bijnaam van logatce deed geven. Op een zeker
th\'dstip namen zij van de Oostersche lichtekooien de door-
schijnende zijden kleederen, sericce vestes, over, die alle
deelen van het lichaam in hun volle naaktheid lieten zien.
De matronen namen onder het keizerrijk deze mode over
en droegen op haar beurt deze livrei der schande, wat
Senecus zoo verontwaardigd heeft. „Wij lieten met groote
kosten," zegt hij, „deze stoffen uit de meest verwijderde
streken komen, opdat onze vrouwen niets meer in het
verborgen hoefden te toonen aan haar minnaars." De witte
linten, vlttcc tenes, die de haren der jonge meisjes en dei-
eerbare vrouwen bijeenhielden, waren haar niet vergund. Zij
moesten een blonde pruik dragen of zich de haren geel
laten verven, wat zij op straat onder een kap, palliolum,
verborgen. In het circus, den schouwburg of publieke bijeen-
komsten droegen zij een bizonder kapsel, volgens haar keus :
de myter, de krans of de tiara met bloemen en soms een
versiersel van goud of edelgesteenten. De myter, minder
uitgesneden dan die van de R. C. bisschoppen, was even-
zoo van twee slippen voorzien, die zij over de ooren haal-
den. .. . Eindelhk moesten zh\' met sandalen geschoeid zijn ;
geregen laarsjes waren alleen den matronen vergund.
Bij een besluit van Domitianus was het haar verboden in
een draagkoets door de straten te gaan (J). Want dit voer-
tuig, bh\' zijn verschijning voor de zwangere matronen be-
(1) Dit besluit van Domitianus, betrekkelijk de prostitutie, was even-
als die van Augustus en Tiberius slechts huichelarij. Deze gekroonde
monsters tooiden zich bij hun troonsbestijging met het uiterlijke van de
deugd en gaven den grootsten ijver voor de zuiverheid der zeden voor,
terwijl zij tegelijk het voorbeeld der vuilste uitspattingen gaven. Maar,
zegt Sabatier, wat vermogen de wetten in het belang der zeden, als de
zeden openlijk gekwetst worden door hen zelf, die de wetten maken.
-ocr page 166-
— 166 —
stemd, werd spoedig voor de groote courtisanen een soort
draagbaar alkoof, door acht slaven getorst, waarin zij haar
minnaars in het voorbijgaan lieten instijgen, waaraan zij
zich dan, na de gordijnen dichtgetrokken te hebben, over-
gaven. Als zij alleen waren, in palenta sella, vertoonden zij
zich op de openbare wandelingen op kussens uitgestrekt,
terwijl zij de blikken der mannen trachtten te trekken en
hun lusten op te wekken. Na Domitianus namen zij de
draagkoetsen weder in gebruik en de getrouwde vrouwen
deden evenzoo, wat aan Senecus deed zeggen : „Toen legden
de Romeinsche matronen zich in haar koetsen als om geveild
te worden."
DE PROSTITUTIE DER MANXEN.
§ 1. Verdorvenheid der Cesars.
Wij hebben achtereenvolgens al de soorten van prostitu-
tie te Rome in oogenschouw genomen, de prostitutie der
gastvrijheid, de gewijde en eindelijk de wettige prostitutie
door publieke vrouwen, wolvinnen en groote courtisanes,
matronen en vrije meisjes uitgeoefend. Wij moeten nu de
prostitutie der mannen leeren kennen, die even verbreid
was als die der vrouwen en niet alleen onder het plebs,
onder vrijgemaakten en slaven, maar ook in de hoogere
standen, bij keizers, senatoren en ridders, wier ondeugden
en verdorvenheid eeuwig de beschaafde volken zullen ver-
bazen. Ziehier feiten :
C e s a r. — Het was hem niet voldoende Posthumia, de
vrouw van Servius Sulpicius; Lollia, die van Aulus Gabi-
nius; Tertulla, die van Marcus Crassus; Marcia, die van Cneius
Pompeus ; Servilia en hare dochter Tertia verleid te hebben (*).
Na al de overspelen, waarin hij de Romeinsche matronen
meegesleept had, na zijn liefde voor de koningin Eunoe van
(1) Suetonius cap. 4. Les douze Cesars.
-ocr page 167-
— 167 —
Mauritania en voor Cleopatra, moest hij zich zelf ook nog
aan de mannen overgeven. Nicomedus, koning van Bithynië,
had zijn maagdelijkheid. Cicero bevestigt het in zijn brieven.
Dolabella verweet het hem op de tribune van den Senaat
en noemde hem de bijzit van een koning ; Curion maakte
hem voor lupanar van Nicomedus uit en voor prostitué van
Bithynië.
Eens, dat hij de onbeschaamdheid had ten gunste
van Nysa, de dochter van zijn minnaar, te spreken, viel
Cicero hem met een gebaar van walging in de rede : „Laat
dat met rust, wat ik je bidden mag; men weet te goed
wat gij van Nicomedus ontvangen en wat gij daarvoor in de
plaats gegeven hebt."
Octavius duidde Gesar aan onder den naam van Koningin
en Pompejus onder dien van Koning. Na de verovering van
Gallië hoorde Cesar, toen hij naar het Capitool optrok, door
de soldaten om zijn zegewagen zingen: Cesar heeft de Gal-
liërs onderworpen, Nicomedus heeft Cesar onderworpen. Zie
Cesar nu triompheeren door de Galliërs onderworpen te heb-
ben ; Nicomedus triompheert toch niet, ofschoon hij toch
Cesar onderworpen heeft,"
Toen hij eens woedend werd en zeide, dat hij over de
hoofden van zijn medeburger zou loopen, antwoordde men
hem dat dat moeilijk zou zijn voor een vrouw. En hi| ver-
genoegde zich te antwoorden, dat Semiramis in Assyrië en
de Amazonen in een groot gedeelte van Azië geregeerd
hadden. Suetonius. Zoo was Cesar: „de man van alle vrou-
wen en de vrouw van alle mannen."
Octavius. — Suetonius zegt van hem(9): „Zijn goede
naam werd van zijn jeugd af door meer dan een schanddaad
bezoedeld." Marcus Antonius verwijt hem „ten koste van
znn oneer de aanneming door zijn oom gekocht te hebben."
Lucius, de broeder van Marcus Antonius, zegt, dat Octavius
„na voor het eerst zijn onschuld aan Cesar overgeleverd te
hebben, haar een tweede maal in Spanje verkocht voor
(1) Suetonius. Vie des douze Cesars. Cap. LXVIII et suivants.
-ocr page 168-
— 168 -
300,000 sesternen aan Hirtius." Lucius voegde eraan toe :
„dat Octavius de gewoonte had het haar op zijn beenen te
verbranden, opdat het zachter zou opgroeien." SextusPom-
pejus maakte hem voor verwijfde uit en men weet, wat dit
woord te Rome beteekende.
Het geheele volk paste eens onder toejuiching een vers
op hem toe, dat op het tooneel voorgedragen, van een pries-
ter van Cybele sprak, die het psalter bespeelde. Dit vers,
in een dubbelzinnige beteekenis opgenomen, kon zeggen :
Ziet deze cina3de de wereld regeeren. Vidisut cincedus orbem
digito temperet!
Octavius was niet alleen een cincede, maar hij was ook,
evenals zijn oom, door denzelfden erotischen waanzin aan-
gegrepen voor gehuwde vrouwen en voornamelijk voor
maagden, ad vitiandas virgines promtior. Suetonius bevestigt
het in dezer voege: „Zijn vrienden hielden zich slechts be-
zig gehuwde vrouwen en huwbare meisjes voor hem te zoe-
ken, die hij naakt voor zich liet brengen om ze te onder-
zoeken als slaven, die te koop z\\jn op de markt van Toranius."
Aldus moesten, zegt Dufour, deze treurige offers van kei-
zerlijke wellust, voordat zij gekozen en goedgekeurd werden,
aan zekere voorwaarden voldoen door de grillen van Augustus
vereischt, die nieuwsgierig bleek naar de meest geheime
onderdeelen harer schoonheid. Aldus hebben de schrijvers
van commentaren de woorden : conditionis qucesitas uitgelegd,
die de geschiedschrijver in zeker opzicht onder een door-
schijnenden sluier gelaten heeft.
Een ander staaltje van zijn zedeloosheid en despotisme
wordt door Suetonius en Marcus Antonius medegedeeld:
„Midden in een feest liet Octavius van de eetzaal de vrouw
van een afgetreden consul naar een aangrenzende kamer
gaan, ofschoon haar man onder de gasten was ; en toen zij
met Octavius terugkwam, na aan de genoodigden tijd gelaten
te hebben om menig glas ter eere van Cesar te ledigen,
waren de ooren van de dame rood en haar haren in wan-
orde. Alleen de man sloeg er geen acht op." Suetonius
-ocr page 169-
- 169 -
voegt in een volgend hoofdstuk eraan toe: „Men sprak
ook veel van een geheim feestmaal, dat men den maaltijd
der twaalf goden
noemde, waarop de gasten als goden en
godinnen gekleed waren en hij zelf Apolio voorstelde."
Antonius heeft in verscheiden zeer heftige brieven tegen
den keizer niet geaarzeld degenen te noemen, die op dit
befaamde feest kwamen, waarop een anonymus de volgende
dichtregelen gemaakt heeft:
Als onder luide kreten, het schandaal en gehoon
Cesar en zijn vrienden door misdadigen jok
Het vermaak nabootsten en de misdaden der goden,
Van Apollo ontheiligend het heerlijk en heilig beeld,
Keerden al die beschermende goden van Rome en Italië
Vol walging de oogon van zoo\'n godloos bedrijf.
En de groote Jupiter daalde vol toorn
Van den troon, waarop Romulus hem voor ons plaatste.
Dit was Octavius-Augustus, de schijnheilige maker van
de wet op het overspel, en de bloedschendende minnaar
van zijn dochter Julia.
Tiberius. — Suetonius heeft de verdorvenheid van zyn
zeden verhaalde1): Hij stelde een nieuwe magistratuur in,
die men het opzicht van den wellust kon noemen en welke hij
\'aan Casonius Priscus, een Romeinsch ridder, toevertrouwde.
Novum officium instituit, a voluptatibus, preeposito equito ro-
mano Tito Cossonio Prisco.
„Hij had op zijn verblijfplaats in Caprea stille plekjes
voor zijn geheimste uitspattingen; daar vormden jongelingen
en meisjes, de monsterachtigste vermaken voorstellende,
die hij spinlria noemde, een drievoudige keten en, zoo aaneen-
\' geschakeld, prostitueerden zu\' zich in zijn tegenwoordigheid,
om door dit schouwspel de uitgedoofde lusten van den grijs-
aard weer op te wekken. Hrj had verscheiden kamers met
de geilste teekeningen versierd uit de boeken van Elephan-
tis (a), opdat men steeds aan alle zijden lessen en voor*
(1)  Cap. XLIII, XLIV en XLV.
(2)  L\'Aloïsia de 1\'Antiquité. Er is ons niets van dit werk overgebleven,
maar het wordt aangehaald in Martialis en in de Priapelce.
-ocr page 170-
- 170 —
beelden van genot kon vinden, ne cui in opera edenda exem-
plar imperatce, schema; deesset.
„Hij dreef de schandelijkheid nog veel verder en tot een
punt, dat even moeilijk te gelooven als mede te deelen is.
Men beweert dat hij kleine kinderen africhtte, die hij zijn
kleine visschen noemde, om tusschen zijn beenen te spelen als
hij in het bad was, hem te bijten en te zuigen ; een ver-
maak, dat met zijn leeftijd en neigingen strookte.
„Men deelt ook mede, dat hij bij een offerfeest plotseling
bekoord op de schoonheid van hem, die het wierookvat
droeg, ternauwernood wachtte, tot de plechtigheid afgeloopen
was, om dien jongen man evenals zijn broeder, die fluit-
speler was, met geweld te dwingen; en dat hij hun daarna
de beenen liet breken, omdat zij elkaar hun schande ver-
weten. Hij deed Mallonia omkomen, die hem luid voor vuilen
en walgelijken grijsaard uitgemaakt had, obscenitate oris
hirsuto atque olido seni clare exprobata."
(*) In de Atellanen
pastte men ook onder algemeene toejuiching op Tiberius
de voorstelling toe van een ouden bok, die een geit likt,
hircuni vetulum capris naturam Ugurite. De geschiedenis
heeft Pomponius Flaccus, Sestius Gallus en anderen ge-
brandmerkt, met wie hij zich op nachtelijke zwelgpartijen
prostitueerde, waarbij hij door naakte jonge meisjes bediend
werd. Nudis puellis nnnistrantibus.
C a 1 i g u 1 a. — Hij had, zegt Suetonius, een misdadigen
en aanhoudenden omgang met al zijn zusters, die hij later
aan zijn schandjongens overgaf. Hij was even schandelijk in
zyn huwelijken als in zijn echtscheidingen. Hij was ver-
dorven en verleider. Hij beminde met een schandelijke lust
Marcus Lepidus, >Enester den hansworst en eenige gijzelaars.
En Valerius Catulus, een jonge man uit een consulsgeslacht,
verweet hem, dat hij van zijn jeugd misbruik had gemaakt,
tot hij er pijn van in de lendenen had. Valerius Catulus
consulari familia juvenis stupratum a se, ac latera sibi con-
(1) Satirische en wulpsche liederen, die te Atella uitgevoerd werden.
-ocr page 171-
- 171 -
tubernio ejus defessa etiam vociferatus est. Zonder van de
bloedschande met zijn zusters te spreken en van zijn harts-
tocht voor de lichtekooi Pyrallida, eerbiedigde hij de hoogst-
geplaatste vrouwen niet. Hij noodigde haar met hare man-
nen by zich uit op een souper, liet ze voor hem de revue
passeeren, ze met oplettendheid en de kieskeurigheid van
een slavenhandelaar beschouwende en haar zelfs onder de
kin steunende, indien de schaamte haar het hoofd deed
buigen. Hij bracht haar dan, die hem beviel, in een zijkamer;
en als hij met de nog versche sporen van den wellust op
het gelaat weer binnenkwam, prees of laakte hij luid de
bekoorlijkheden en gebreken, die hij gelegenheid had gehad
waar te nemen.
Hij at en sliep in een stal met jonge koetsiers. Aan een
hunner, Cythicus genaamd, gaf hij na een feestmaal twee
millioen sesternen om zijn bereidwilligheid te beloonen.
Hij veranderde zijn paleis in een lupanar en een speelhol,
waar hij de hooge Romeinsche aristocratie heenlokte om
haar te bestelen en deelgenoot te maken van zijn vuile
uitspattingen.
Aan hem is men de Vectigal op de prostitutie verschul-
digd, een belasting van een achtste op de dagelijksche
winsten (ex capturis) (J), die elke publieke vrouw en persoon,
die voordeel uit de openbare ontucht trok, betalen moest.
C1 a u d i u s. De domme echtgenoot van Messalina, die
zich aan de muilezeldrijvers van Suburre overgaf. Hij had
ten minste dit op zijn voorgangers voor, dat hij zich niet
voor tooneelspelers prostitueerde en zijn hartstochten be-
perkte tot zuiver physiologische uitspattingen. Suetonius heeft
het zich tot plicht geacht hem in dit opzicht te rechtvaar-
digen in deze passage van zijn geschiedenis: „Libidinis in
feminas profusissimce, marium omnino expers."
Hij dreef de
liefde voor vrouwen tot het uiterste, maar hij had geen
gemeenschap met mannen.
(1) Het hoerenloon.
-ocr page 172-
— 172 —
Deze uitzondering moest gemeld worden.
Nero. — Domitius, zijn vader, antwoordde aan zh\'n vrien-
den, die hem bij de geboorte van zijn zoon kwamen geluk
wenschen: „Van Agrippina en mij kan slechts een mon-
ster, een geesel der menschheid voortkomen, Domiti neganüs
quidquam ex se et Agrippina nisi detestabile et malo publico
nasci potuisse."
De voorspelling was juist, doch volgen wij
Suetonius, den geschiedschrijver der Cesars: „Zonder over zijn
schandelijken omgang met vrije mannen en over zijn over-
spelige minnarijen te spreken, verkrachtte hh\' een Vestaal-
sche maagd, Rubria genaamd. Hij liet een jongen, Sporus
genaamd, ontmannen en huwdej\'hem met den plechtigsten
luister. „Puerum Sporum, ezsectis testibus, etiam in muliebrem
naturam transfigurare conatus est: cum dote et Jlammeo per
solemni nuptiarum celeberrimo officio deductum ad se pro
uxore habuit." i1)
Hij liet dezen Sporus als een keizerin
kleeden en vergezelde hem in een draagkoets op de ver-
gaderingen en markten van Griekenland en in de verschil-
lende wyken van Eome, terwijl hij hem af en toe kuste,
identidem exosculans. Het is bewezen, dat hij van zijn moe-
der zijn minnares wilde maken en dat de vijanden van
Agrippina hem terughielden, uit vrees dat deze heersch-
zuchtige en geweldige vrouw misbruik zou maken van deze
nieuwe soort van gunst. Hij nam onder zijn bhwijven een
lichtekooi op, die veel op Agrippina geleek; en men verzekert
zelfs dat men telkenmale, dat hij met zijn moeder in een
draagkoets uitging, op zijn kleed sporen van zelf bevlekking
zag, libidinatum inceste ac maculis vestis proditum affirmant.
Hij prostitueerde zich dermate, dat er geen lid aan zijn
lijf was, dat niet bezoedeld was. Suam quidem pudicitiam
usque adeo prostituit, ut contaminatis pene omnibus membris.
Hij verzon als een nieuw soort van spel zich met een die-
renhuid te bedekken en zich uit een loge op mannen en
vrouwen te werpen, die aan palen gebonden en aan zijn
(1) Suetonius, Leven van Nero, cap. XXVIII.
-ocr page 173-
- 173 -
lusten overgeleverd waren; en als hij die voldaan had,
diende hij zelf voor prooi, zooals aan zijn vrijgemaakten
slaaf Doryphorus, dien hij, evenals Sporus, huwde. Confice-
retur a Doryphoro liberto, cui etiam, sicut ipsi Sporus, ita
ipse denupsit.
Hij bootste zelfs bij hem de kreten na, die de
smart bij het ontmaagden veroorzaakt. Voces quoque et eju-
latus vimpatientium virginum imitatus.
Ik w eet van verschil-
lende getuigen, zegt Suetonius, dat luj overtuigd was, dat
geen mensen in een enkel deel van zijn lichaam rein was,
maar dat de meesten hun ondeugd wisten te verhelen:
Ook vergaf hij alles aan hen, die hun onreinheid erkenden.
Er waren geen banden, die tegen zijn aanslagen konden
beschermen. Hij verkrachtte den jongen Aulus Plautius voor
hem ter dood te doen brengen. Hij was een der werkzaamste
verspreiders der Romeinsche verdorvenheid en der prostitutie
der matronen. Hij verachtte alle eerediensten, behalve dien
van Isis, godin van Syrië....
De geschiedenis heeft terecht keizer Nero Claudius JEno~
barbus
gebrandmerkt!
G a 1 b a. De pederastie was een van z\\)n ondeugden. Maar
hy gaf de voorkeur aan manlijke kracht boven jeugdige
weekelijkheid. Libidines in mares pronior, et eos nonnisi prae-
duros, exoletosque, Suetonius.
Toen Icelus, een van zijn oude schandjonkers, hem in
Spanje den dood van Nero kwam aankondigen, omhelsde
hy hem niet alleen onwelvoegelijk voor de geheele wereld,
maar hij nam hem ter zijde om hem de grijze haren te doen
uittrekken en zgn oude betrekking weder te doen aanvaarden.
Othon. Vitellius. Na Othon, die in het openbaar
de mysteriën van Isis vierde gedurende den korten duur
van zh\'n regeering, kwam Vitellius. Hij bracht zijn kinder-
jaren en zijn jeugd te Caprea door, de genoegens van Tibe-
rius ter wille, wat de voornaamste oorzaak van de verhef-
fing van zijn vader was: hij behield daarvan den bijnaam
van Spintria, die door Tiberius uitgevonden was om de
monsterachtigste ontucht uit te drukken.
-ocr page 174-
— 174 -
Zijn regeering was die der tooneelspelers, der koetsiers
en vooral van Asiaticus, den vrijgemaakten slaaf. Hij was
aan Vitellius sedert zijn prilste jeugd verbonden geweest
door wederzijdschen ontuchtigen omgang. Hunc adolescentu-
lem mutaa libidine constupratum.
Hij verliet hem eens uit
walging. Vitellius vindt hem te Pouzolles terug, doet hem
gevangen zetten, bevrijdde hem weder en kreeg opnieuw
genegenheid voor hem. Keizer geworden, gaf hij hem open-
lijk aan tafel den gouden ring der ridders.
C o m m o d i u s. Hij was even wellustig, even schandelijk
als Caligula en Nero. De geschiedschrijver Lampridius heeft
van hem geschreven „dat hij schaamteloos, ondeugend,
wreed, wellustig was en dat hij tot zelfs zijn mond bezoe*
delde: Turpis, improbus, crudelis, libidinosus, ore qaoque
pollutus, constupratus fittt."
Hij maakte van zijn paleis een
huis van ontucht; hij lokte er de schoonste en jongste
vrouwen, als slavinnen aan het lupanar verbonden, om aan
zijn vuilste grillen te voldoen. Popinas et ganeas in palati-
nis semper cedibus fecit; muliercidas formae scitioris, utpros-
tibida mancipia lupanarium, ad ludibriumpudicitiae contraxii.
Hij leefde met tooneelspelers en publieke vrouwen ; hij be-
zocht bordeelen en als gesnedene verkleed, ging hij in de
cellen water en ververschingen brengen.
Op den wagen, waarmede hij zijn intocht in Rome deed,
had hij zijn begunstigden schandjongen, den walgelijken An-
terus, by zich, aan wien hij de vuilste liefkoozingen gaf.
Met hem was hij gewoon een gedeelte van den nacht in
de krotten van Rome door te brengen, die hij niet verliet,
voor hij dronken was.
Hij herbergde in zijn paleis verscheiden honderden vrou-
wen uit de matronen en prostituees genomen en een gelijk
aantal cinseden uit de verschillende klassen der maatschappij,
die allen bestemd waren voor zijn onreine grillen. Mannen
en vrouwen waren daaglijks aan zijn tafel en aan zijn kei-
zerlijke drinkgelagen genoodigd. Nu eens gelastte hij aan
al zijn bywijven onderling het meest onkuische saphisme
-ocr page 175-
- 175 -
te plegen, dan weder vergunde hij zich het schouwspel van
een algemeene prostitutie der twee seksen, terwijl de een
zich op de ander wierp om de natuurwetten te schenden.
Ipsas concubinas suas sub oculis suis stuprari jubebat, nee
irruentium in se juvenum carebat infamia, omniparte corporis
atque ore in sexum utrumque pollutus.
Hij bezoedelde een
ieder, die hem naderde en gaf zich zelf daarna aan hen
over, omne genus hominum infamavit quod erat secum et ab
omnibus est infamatus.
Hij gaf zich bij voorkeur aan een
vrijgemaakten slaaf over, die door hem Onon genoemd werd,
uit hoofde van zekere physische bizonderheden van dit in-
dividu, die aan den ezel deden denken.
Voordat hij zich voor al zijn lage gunstelingen prostitu-
eerde, had hij zijn zusters en bloedverwanten verkracht en
het betreurd, dat hij geen bloedschande met zyn moeder kon
plegen.
Volgens Herodianus kon Commodius niet lang dit on-
tuchtig leven uithouden, waardoor hij dan ook een ziekte
opliep, die als kenteekenen had groote gezwellen in de liezen
en talrijke roode plekken in het gelaat en op de handen
Heliogabalus was de verpersoonlijking van de on-
deugd en van den waanzin van hetpriapismus. Hij kleedde
zich als vrouw, droeg juweelen en stelde er een eer in zich
aan een ieder te prostitueeren, die bij hem kwam. Hij was
de waardige zoon van de courtisane Semiamiris en van Cara-
calla. Hij deed door zijn geheele rijk de mannen opsporen, die
de gunstigste physieke hoedanigheden bezaten, die voor zijn
wellust van lichtekooi het meest geschikt waren. Op de
spelen in het circus zag hij slechts naar de zwaarst gebouwde
gladiators om er zijn gezellen in de schande van te maken.
Daar merkte hij veel koetsiers op, die hij aan zijn vuile
uitspattingen liet medewerken, o. a. Hierocles, voor wien
hij zoo\'n hartstocht gevoelde, dat hij hem in het openbaar
de walgelijkste liefkoozingen gaf. Hieroclem vero sic amavit
ut eidem oscularetur inguina.
Om geheel op zijn gemak de keus zijner minnaars te kun-
-ocr page 176-
— 176 —
nen doen, volgens de hoedanigheden, die hij zocht, ut ex
eo conditiones bene vasatorum hominum colligeret,
deed h\\j
in zijn paleis openbare baden bouwen, waarin hij zich met
het heele gepeupel van Rome baadde. Met hetzelfde doel
bezocht hij dagelijks de bordeelen, de boorden van den Tiber
en de drukste punten der stad, en verhief hij tot de hoogste
waardigheden van het Rijk hen, die de zwaarste mannelijke
geslachtsdeelen bezaten. Commendabos sibi pedibüium enor-
mitate membrorum.
Eens ontmoette hij een slaaf, die een reuzengestalte en
athletische vormen had. Hij liet hem, geheel met zweet en
stof bedekt, wegvoeren en naar zijn slaapkamer brengen.
Den volgenden dag huwde hij hem plechtig. Hier volgt
overigens de vertaling door den president Cousin van den
geschiedschrijver don Cassius: „Hij liet zich door zijn man
mishandelen, uitschelden en zoo hevig slaan, dat hij dik-
wijls op zijn gelaat de sporen droeg van de slagen, die hij
ontvangen had. Hij beminde hem niet met een slappe en
voorbijgaande drift, maar met een sterken en standvastigen
hartstocht, zoodat hij, in stede van kwaad te worden over de
slechte behandelingen, die hij van hem ontving, hem des te
teederder beminde. Hij had hem tot Cesar doen uitroepen,
indien zijne moeder en grootmoeder zich niet tegen deze
waanzinnige schanddaad verzet hadden.
Deze slaaf was niet de eenige bevoorrechte minnaar van
den keizer. Hij had als mededinger den kok Aurelius Zoti-
cus, dien Heliogabalus, op het verhaal, dat men hem van
zijn lichamelijke voordeelen deed, zonder hem te kennen,
kamerheer deed worden. „Zoodra Heliogabalus hem in het
paleis zag komen, liep hij met een hoog blozende kleur
naar hem toe en toen Zoticus, hem groetende, heer en keizer
genoemd had, antwoordde hij hem, terwijl hij het hoofd met
een weeklijk voorkomen als dat eener vrouw afwendde en
wulpsche blikken op hem wierp: „Noem mij geen heer,
daar ik een dame ben!" Terstond nam hij hem met zich
naar het bad en daar hn\' hem bevond, zooals men hem
-ocr page 177-
— 177 —
voorgesteld had, soupeerde hij als zijn beminde in zijn
schoot liggende.
Wij zouden nog veel meer zaken te vertellen hebben over
dien vuilen hoogepriester van de zon, over zijn betrekkingen
met de priesters van Cybele en met de vertegenwoordigers
der vrouwelijke en mannelijke prostitutie, maar die keizer-
lijke poel van gemeenheid maakt ons mislijk en wij breken
hier de geschiedenis van de verdorvenheid der Cesars en der
andere tyrannen van het oude Rome af, aan anderen over-
latende te zeggen tot welk een trap van verachtelijkheid een
volk gekomen moet zijn om zich zulke meesters te geven!
Van deze historische schets evenwel van de afschuwelijk"
heden der Romeinsche keizers zijn vele gevolgtrekkingen te
maken : vooreerst de invloed der zeden van de vorsten op
die van het volk; de verderfelijke werking van de losban-
digheid der aristocratie op de lagere maatschappelijke standen;
en dan het aanstekend voorbeeld dat de prostitutie aan de
hoven noodlottig op al de rangen der maatschappij uitoefent.
De geleerde Barthelémy heeft dit denkbeeld in de Introdac-
tion du Voyage de la Grèce
aldus uitgedrukt: „Hoe lager zij
vallen, die aan het hoofd van het bewind staan, hoe dieper
de indruk, dien zij veroorzaken. Het zedenbederf der minste
burgers wordt gemaklijk onderdrukt en strekt zich slechts
in het verborgen uit, want het bederf klimt nooit van de
eene klasse tot de andere op; maar als het zich van de
plaatsen durft meester maken, waar het gezag zetelt, treft
het van daar met meer kracht dan de wetten zelven : ook
heeft men niet geschroomd te beweren, dat de zeden van
een volk alleen van die van den vorst afhangen. (*)
Om deze reden is in alle tijdperken en bij alle volken
het onbeperkt gezag een voorbeeld geweest der zedelijke
verdorvenheid en een der werkende oorzaken van de pro-
stitutie. En het zou niet anders kunnen zijn, als men in
de handen van een man, die onder pluimstrijkerij verheven
(1) Anacharsis. p. 272.
12
-ocr page 178-
— 178 —
wordt, de oppermacht geeft, die hem toestaat volgens zijn
grillen over gunsten, onderscheidingen en rijkdommen te
beschikken en als men om dien troon en in de binnen-
kamer van dien vorst edele hofdames laat naderen, die
slechts de gewillige werktuigen zijn voor de eerzucht der
edele hovelingen.
Deze bloeddorstige Saters, die in elk opzicht gevaarlijk
waren, zijn door de wijsgeeren niet altijd beschouwd ge-
worden als geheel verantwoordelijk te zijn voor hun mis-
daden. Zij behooren tot een zeker punt, het is waar, tot de
psychologie der ziekteverschijnselen ; tot de clientèle van
den geleerden Moreau du Tours, d. i. tot de rechterlijke
geneeskunde. Als zooveel andere vorsten en vorstinnen,
evenals de maarschalk Gilles de Rez en als de befaamde
markies de Sades, waren zij zeker door een ziekelijke verdor-
venheid der geslachtsdrift van een bloeddorstigen vorm,
aange-
tast, waarvoor als hoofdkenmerk door M. Ball erkend wordt:
een onmogelijk te voldoene geslachtsdrift, waarvan de af-
wijking zich door wreedheid kenmerkt (*); — de onver-
schilligheid die de schuldigen toonen om hun wandaden te
(1) Dergelijke neigingen kunnen tot wreedheid en het eten van men-
schenvleesch voeren. Een duitsch schrijver haalt het feit aan van een
man, wiens halve borst door een geile vrouw weggevreten werd.
Een herder, Andreas Pichel genaamd, kwam voor het crimineel gerecht
in Duitschland voor het verkrachten, dooden en in stukjes snijden van
kleine meisjes. Hij verhaalde zelfs op de terechtzitting, hoe hij het aan-
legde en hij voegde er aan toe, dat bij hem dikwerf de lust opkwam er
een stuk vleesch van af te bijten en hot op te eten.
Een vier en twintigjarig wijnbouwer verliet eensklaps zijn oudors onder
voorwendsel een betrekking te zoeken. Na gedurende acht dagen in de
bosschen rondgezworven te hebben, ontmoette hij een klein meisje, dat
hij verkrachtte en doodde en welks borst hij, niet tevreden de geslachts-
deelen afschuwelijk verminkt te hebben, openreet en het hart opat.
Ezquirol, die de lijkschouwing van dien man verricht heeft, vond aan-
hangsels van het onderst hersenvlies aan de hersenkrommingen die een
soort aandoening of ontsteking der hersenen moesten veroorzaken. Er
bestaan andere waarnemingen van hersenvliesontsteking in gelijksoortige
gevallen.
-ocr page 179-
— 179 —
verbergen of te ontkennen; — de bijna zekere tegenwoor-
digheid bij de lijkschouwing van stoffelijk letsel tot zekere
bizondere punten der zenuwcenters beperkt.
Hoe anders kan men inderdaad de wreedheden van die
mannen verklaren, die in verschillende tijdperken van de
geschiedenis de vertegenwoordigers geweest zijn van de
geslachtsafwijkingen der volkeren, dan als een soort op-
wenenden waanzin of als een omgekeerde orde van de
geslachtsdrift? De afschuwelijkheden van Gilles de Laval,
Heer van Retz, tegen het midden der XVe eeuw zijn een
treffend voorbeeld van deze priapische en bloeddorstige ma-
nie. Deze hooge en machtige heer der leen roerigheid offerde
na den veldtocht van Frankrijk op zijn kasteel van Machecoul
in Bretagne, in de tijdruimte van enkele jaren, meer dan
achthonderd kinderen aan zijn tegennatuurlijke hartstochten
op. Hij werd hiervoor voor het hooge Hof van Bretagne
gebracht. H\\j bekende zijn misdaden en schreef aan Karel VII
een brief, waarin hij zijn geschiedenis verhaalt. Deze brief
is een ware clinische waarneming en verdient medege-
deeld te worden. „Ik weet niet," zegt hij, „of ik heb uit mij
zelf en uit mijn eigen hoofd, zonder raad van anderen,
deze gedachten gekregen aldus te handelen, alleen uit ver-
maak en opwelling van wellust; trouwens ik vond er een
onvergelijkelijk genot in, zeker door aanstoken van den
duivel. Het is acht jaar geleden, dat dit duivelsche denk-
beeld bij mij opkwam... Toen in de bibliotheek van het
kasteel snuffelende, vond ik een Latijnsch boek over het leven
en de zeden der Cesars te Rome, door een geleerd geschied-
schrijver, Suetonius genaamd. Dit boek was met zeer goed
geteekende plaatjes versierd, waarop de uitspattingen van
die heidensche keizers gezien werden, en ik las in die mooie
geschiedenis, hoe Tiberius, Caracalla en andere Cesars zich
verlustigden met kinderen en er vermaak in vonden ze te
martelen. Waarop ik die Cesars wilde nadoen en dienzelfden
avond begon ik het te doen volgens de plaatjes van de les
en van het boek." Hij bekende de kinderen misbruikt te
-ocr page 180-
— 180 —
hebben „voor zijn aandrift en bevrediging van den wellust
en ze door zijn lieden te hebben doen dooden, hetzy door
hen de keel af te doen snijden, met daggen en messen het
hoofd van den romp scheidende, of door hen de hoofden te
verbrijzelen met stokslagen of andere dingen, en enkele
keeren hun de ledematen ontnam of deed ontnemen om de
ingewanden te hebben, ze aan een ijzeren haak deed binden
om ze te wurgen of te doen wegkwijnen, daar zij draalden
met sterven, wat ik van hen gewoon was; en een enkelen
keer, nadat zij dood waren, vond ik er pleizier en welbeha-
gen in de mooiste hoofden dezer kinderen te zien, welke
vervolgens zeldzaam werden." Verder vervolgde hij: „Wat
de te.... vermoorden aangaat, die werden op mijn kamer
verbrand, op eenige mooie hoofdjes na, die ik als reliquieën
bewaarde. Nu kan ik niet juist zeggen, hoeveel er aldus
gedood werden als anderszins, dan dat zij wel zestig per jaar
bedroegen. Dikwijls betreur ik het en verwijt het mij voor
zes jaren uw dienst verlaten te hebben, mijn hoog vereerde
heer, want door er in te blijven had ik zooveel misdaden
niet begaan; maar ik moet niettemin bekennen, dat ik door
een woedenden hartstocht en verlangen gedwongen werd mij
op mijn goederen van Raijs terug te trekken, daar ik dien
reeds zoozeer voor uw eigen dauphin gevoelde, dat ik hem
eens bijna vermoordde, zooals ik sedert door verzoeking
van den duivel zooveel kleine kinderen vermoord heb. Ik
bezweer u dus, zeer gevreesde heer, uw zeer nederige ka-
merheer en maarschalk van Frankrijk niet in dit gevaar te
verlaten, die volgens de Carmelieter orde gered kan wor-
den door een schoone boetedoening voor zijn misdaden."
Niettegenstaande dit werd hij te Nantes in 1440 veroor-
deeld en verbrand. Misschien zou men heden weifelen een
dergelijk monster ter dood te brengen en zou men hem als
gedeeltelijk onverantwoordelijk beschouwen. De rechterlijke
geneeskunde en psychologie der ziekteverschijnselen toonen
al meer en meer neiging de ontuchtigen, verdorvenen en
prostituees op te eischen als voorwerpen, tot hun recht-
-ocr page 181-
— 181 —
spraak behoorende. Ongelukkig ontduiken zij de wet, als zij
op den troon zitten.
§ 2. De wettige pederastie.
De Etruriërs, de Samniërs en de Messapiërs kenden even-
als de eerste inwoners van Groot-Griekenland de ondeugd
van de pederastie en brachten haar bij de Romeinen over.
Men moet zich dus na de schandalige zwelgpartijen der
keizers niet verwonderen, dat men mannen en kinderen
der lagere klassen zag, die zich aan de prostitutie overga-
ven en zich lijdelijk onderwierpen aan de brutale hartstoch-
ten van andere mannen. Men vond weldra in de huizen
van ontucht evenveel cellen voor jongens bestemd als er
voor meisjes waren. De wet paste op de pederastie en op
de tegennatuurlijke betrekkingen dezelfde verdraagzaamheid
toe als op de veile minnarijen der lichtekooien. Zij ontving
evengoed de belasting op de prostitutie der mannen als op
die der vrouwen. De beperking was vrije mannen te ont-
zien (*), maar deze konden naar goedvinden slaven, mannen
en kindei en, die niet als burgers beschouwd werden, ge-
bruiken. Zoo wilde de wet Scanlinia het, die uitgevaardigd
werd naar aanleiding van een poging tot verkrachting door
Caius Scantinius op den zoon van den patriciër Metellus
gepleegd. Deze wet liet dus alle vrijheid aan de aanslagen
der burgers op de ongelukkige heloten der Romeinsche be-
schaving, zóó zelfs dat enkele aristocratische families aan
hun zonen een jongen slaaf, Concubinus, gaven om er hun
(1) Een zekere Fabricius werd veroordeeld voor pederastie gepleegd te
hebben op een vrijen man Publius genaamd. En dezelfde Publius werd
later veroordeeld voor een gelijksoortig feit op een ander vry individu.
Morgus, een militair tribuun, werd insgelijks veroordeeld om een officier
van zijn legioen niet ontzien te hebben.
Ce centurion Cornelius werd gedood om een burger van zijn compagnie
verkracht te hebben.
-ocr page 182-
— 182 —
opkomende hartstochten op te oefenen. De Epithalame van
Julia en Mallius door CatullusO), geeft er eenmerkwaardig
voorbeeld van met welken trots en verdorvenheid van zeden
de patricische famieljes de overwonnen volken, de vrijge-
maakten en al de ongelukkigen behandelden, die onder hun
gezag gebukt gingen. De Latijnsche taal had de uitdrukking
pueri meritorü aangenomen om kinderen aan te duiden, die
tot de manlijke prostitutie gedoemd waren; daarna werden
zn\' op een zekeren leeftijd, pathici, ephebi, gemelli genoemd.
Sedert hun kindsheid afgericht voor het droevig bedrijf,
waarvoor zij geboren schenen, leerden zij zich het haar
uittrekken, zich parfumeeren, het lange hoofdhaar vlechten
en aan hun voorkomen een schijn van vrouwelijkheid geven-
De danseressen, de tooneelspelers en hansworsten werden
onder hen aangeworven en werden daarna cinadi, die men
meestal liet snijden.
De ontmanning werd of door de scheerders, tonsores, of
door de kooplieden in eunuken, mangones, bewerkstelligd.
Nu eens geschiedde dit reeds in de kindsheid; ab ubere rap
tus puer,
heeft Claudius gezegd en Martialis in denzelfden
geest in deze verzen :
Rapitur castrandus ab ipso
Ubere; suscipiunt matris post viscera painoz.
Dan weder had de ontmanning op een gevorderden leef-
tijd plaats, ut mentulatiores essent, om aan de Romeinsche
dames, volgens de uitdrukking van den H. Hiëronimus,
securas Ubidmaliones te geven. Juvenalis heeft het overi-
gens zeer duidelijk in zijn satire op de vrouwen gezegd.
En hij heeft bovendien doen opmerken, dat het nooit een
misvormd kind was, dat door het staal van een dwingeland
beroofd werd van de bron des levens. Want nooit heeft Nero
onder de jonge Patriciërs, die hij begeerde, de kreupelen,
melaatschen of gebochelden uitgezocht.
(1) Dupouy, Médicine et moeurs de la Rome antique, d\'après les poètes
latins.
-ocr page 183-
— 183 —
Nullus ephebum
Deformem sceva castravit, in arce tyrannus,
Nee pratextatwn rapuit Nero loripedem, nee
Strumosem alque utero pariter gibboque tumentem.
Maar deze soort van gesnedenen dienden niet alleen voor
de vrouwen; zij hadden ook iets aantrekkelijks voor de
echtgenooten-pederasten, pcedicones, vandaar het spreek
woord:
Inter fceminas viri et inter viros fceminw.
Om overigens, zegt Dufour, goed de ongelooflijke gewoon-
te dezer afschuwelijkheden bn\' de Romeinen te begrijpen,
moet men zich voorstellen, dat zij van de mannelijke kunne
alle genietingen vroeg, die de vrouwelijke sekse hun geven
kon en eenige andere meer buitengewone nog, die deze kunne,
door de wet der natuur voor de liefde beschikt, hun moei-
lijk had kunnen verschaffen. Elke burger dus, al ware hij
de meest aanbevelenswaardige door zijn karakter of de
hoogst geplaatste door zijn maatschappelijke positie, had in
zijn huis onder de oogen van zijn bloedverwanten, zyn vrouw
en zijn kinderen een serail van jonge slaven. Rome was
overigens vol schandjongens, die zich evenals de publieke
vrouwen verhuurden, vol huizen, voor deze soort van pro-
stitutie bestemd, en vol van koppelaars, die geen ander
bedrijf uitoefenden, dan de afschuwelijke gewilligheid van
een menigte slaven en vrijgemaakten te hunnen bate te
verpachten.
In een hoofdstuk van het Satyricon, doet de Latijnsche
schrijver (*) ons een tooneel der zeden bijwonen, dat een
der belangwekkendste documenten is voor de geschiedenis
der prostitutie. Over „dien achtenswaardigen grijsaard" spre-
kende, dien hij \'s nachts in de straten van Rome verdwaald
ontmoet, voegt Ascyltus eraan toe: Nauwlijks aangeko-
men trekt die man met de eene hand zijn beurs en met de
andere... de schaamtelooze! durft hij mnn oneer tegen het
(l) Petronius, Satyricon, cap. VIII.
-ocr page 184-
- 184 —
wicht van goud te koop vragen. Reeds greep die Sater mij
met een ontuchtige hand aan en zonder de kracht van mijn
wederstand, mijn waarde Eucolpius, gij begrijpt mij...!
Gedurende het verhaal van Ascyltus komt juist de grijsaard
in kwestie aan, door een vrij lieve vrouw vergezeld. Zich
tot Ascyltus wendende, zegt hij: In deze kamer wacht ons
het genot; stel u gerust over de soort van den strijd, de
keus van de rol is aan u. — De jonge vrouw van haar
kant drong mij insgelijks hem te volgen. Wij lieten ons
verleiden; en op de schreden onzer gidsen gingen wij door
verscheidene zalen, die wulpsche tooneelen van wellust
aanboden. Aan de furie der deelgenooten zou men denken,
dat zij dronken zijn van wellust. Op het zien van ons ver-
dubbelen zij hun ontuchtige houdingen om ons te nooden
hen na te doen. Eensklaps heft een hunner zyn kleed tot
den gordel op en Ascyltus aanvallende, werpt hij hem op
een dichtbijstaand bed en wil hem geweld aandoen. Ik
vlieg ter hulp van den armen lijder en onze vereenigde
pogingen overwinnen dezen brutalen aanvaller zonder moeite.
Ascyltus bereikt spoedig de deur en vlucht, mij alleen la-
tende tegenover de aanvallen van hun zinnelooze ontucht;
maar hun meerdere in kracht en moed zijnde, kwam ik
heelhuids van dezen nieuwen aanval af.
Dit is een der tafereelen van de verdorvenheid der Ro-
meinsche zeden, zooals die door Petronius, den gunsteling
van Nero, Arbiter elegantiarum, d. i. intendant der verma-
ken van den keizer, geschilderd zijn. Als de wellustige ho-
veling, de afgod van een bedorven hof, de lichtzinnige maar
waarheidlievende schrijver van het Satyricon, ons een der-
gelijk staaltje heeft kunnen geven van den erotischen waan-
zin van zijn medeburgers, kan men zeggen, dat Juvenalis,
wat ook sommige zedenmeesters ervan mogen zeggen, de
grenzen van de waarheid niet overschreden heeft in zijn
onsterfelijke satiren. En zonder de instelling der wettige
prostitutie in eer te willen herstellen, heeft men het recht
zich af te vragen, aan welke buitensporigheden die mannen
-ocr page 185-
- 185 -
van het keizerrijk zonder haar zich zouden overgegeven
hebben om hun cynische hartstochten te bevredigen.
Deze werden niet alleen tusschen Cincedes en pathici be-
dreven; alle verfijningen der ontucht werden in werking
gebracht om de schaamtelooze en wellustige begeerten van
mannen en vrouwen te voldoen. Want meer nog dan de
Grieken kenden zij de ondeugden van de Pheniciërs en
Lesbiërs: irrumare, fellare en cunnilingere. Dat men de
hekeldichten van Martiales en van Catullus, het leven der
Cesars en voornaamlijk dat van Tiberius leze en men zal
volledige geschiedkundige getuigenissen hebben over het
vraagpunt; getuigenissen, die versterkt worden door de
schilderstukken, gravures en beeldhouwwerken, welke ons
als zinnebeeldige monumenten der prostitutie in het Romein-
sche rijk van de Latijnsche beschaving overblijven.
Aan de beschrijvingen, die wij in ons werk „la Médicine
et les moeurs de la Bome antique, d\'après les poêtes latins"
aantreffen, hebben wij niets toe te voegen. Al hetgeen wij
zeggen kunnen is, dat deze ondeugden door de Pheniciërs
naar Griekenland en van uit Syrië (J) naar Italië overge-
bracht werden, zooals de dichter Ausonius in een zijner
hekeldichten zegt.
ONTAARDING DER ZEDEN IN DE ROMEINSCHE
MAATSCHAPPIJ.
De prostitutie der matronen.
De getuigenissen der geschiedschrijvers, die over de pro-
stitutie geschreven hebben, hebben aan Chateaubriand een
welsprekend hoofdstuk over de zeden der volkeren van de
(1) Syrië was de voortdurende kweekplaats van het schurft en van de
lues venerae. Ausonius. Epigramme 128.
-ocr page 186-
— 186 —
oudheid ingegeven (\')• Hij heeft ons de Romeinen geschetst,
terwh\'1 zij een prijs aan den ontuchtigste uitloven:
Impios infamia turpississima....
Volgens de krachtige uitdrukking van den Latijnschen
schrn\'ver (9).
En hij voegde er bij: „Er waren geheele steden aan de
prostitutie gewijd. De opschriften boven de deur der plaat-
sen van ontucht en de menigte van ontuchtige nabootsin-
gen, te Pompei gevonden, hebben doen vermoeden, dat deze
stad dit voorrecht genoot. Wijsgeeren peinsden toen over
de natuur van God en van den mensch in dit Sodom; hun
opgegraven boeken hebben minder de asch van den Vesuvius
weerstaan, dan de koperen beelden van het geheim museum
van Portici. Cato de Censor prees de jongelieden, die aan
de ondeugden overgegeven, door de dichters bezongen wer-
den. Na de maaltijden zag men op de bedden van het feest
ongelukkige kinderen in afwachting van de misdaad. Tran-
seo puerorum infelicium greges quos post transacta convivia
alice cubiciili contumelice exspectant." (3)
Een geschiedschrijver der IVe eeuw, Ammien Marcellin (*)
heeft ook een nauwgezet tafereel geschilderd der Romeinsche
zeden, dat toont tot welken trap van ongebondenheid zij
gekomen waren. Over de afstammelingen der beroemdste ge-
slachten sprekende, zegt hij : „In hooge wagens liggende
zweeten zij onder het gewicht van hun mantel, ofschoon
die zoo licht is, dat de wind hem oplicht. Zij schudden dik-
wijls de linkerzijde om er de franjes van te laten zien en
tevens de tunica, waarop verschillende beelden van dieren
geborduurd zijn. Vreemdelingen, gaat hen zien ; zij zullen
u met liefkoozingen en vragen overstelpen. Zij doorloopen
de straten met hun slaven en narren... Voor deze niets-
doende famieljes gaan eerst de berookte koks, daarna de
(1)  Chateaubriand. Etudes historiques.
(2)  Philo, de proemis et poenis.
(8) Senec. Epist. 95.
(4) Ammien Marcellin (Rerum gestarum libri).
-ocr page 187-
— 187 —
slaven met de klaploopers. Het escorte wordt gesloten door
de gesnedenen, ouden en jongen, bleek, lijkkleurig, af-
schuwlijk!
„Laat men naar een zieke informeeren? Dan zal de
bediende niet weer binnen durven komen zonder zich van
het hoofd tot de voeten gewasschen te hebben. Het gepeu-
pel heeft geen andere schuilplaats gedurende den nacht dan
de wijnhuizen, of zeilen over de schouwburgen gespannen :
het speelt met verwoedheid met de dobbelsteenen of ver-
maakt zich door met de neusgaten een geweldig leven te
maken.
„De rijken gaan naar de baden door vijftig slaven verge-
zeld. Ternauwernood zijn zij in het bassin, of zij schreeu*
wen: „Waar zijn mijn bedienden?" Indien er zich een
schepsel bevindt, dat vroeger reeds versleten werd in den
dienst van het publiek, een oud wijf, dat haar lichaam ver-
kwanseld heeft, gaan z\\) naar haar toe en onthalen haar op
vuile liefkoozingen. Dat zijn de mannen, wier voorvaderen
een Senator de les lazen, omdat hij zijn vrouw een zoen
had gegeven in tegenwoordigheid van zijn dochter!
„Gaan deze beroemde patriciërs naar een buitenverblijf
of op een jacht waaraan anderen voor hen deelnemen; of
laten zij zich bij eenigszins warm weer in gekleurde vaar-
tuigen van Puteolis naar Caiete vervoeren, dan vergelijken
zij hun reizen bij die van Cesar en Alexander. Een vlieg,
die op de franjes van hun vergulden waaier gaat zitten,
een zonnestraal, die door eenig gat in hun zonnescherm
doordringt, bedroeft hen; zij zouden onder de Cimmeriërs
geboren willen zijn.
„Cincinnatus had den roem der armoede verbeurd, indien
hij na zijn dictatuurschap velden bebouwd had, die zoo uit-
gestrekt waren als de ruimte door een der paleizen van
zu\'n afstammelingen ingenomen. Het volk is niet meer waard
dan de Senatoren ; het heeft geen sandalen aan de voeten
en laat zich luid klinkende namen geven ; het drinkt, speelt
en geeft zich aan ontucht over: het circus is zu\'n tempel,
-ocr page 188-
— 188 -
woning en forum. De oudsten zweren bij hun rimpels
en grijze haren, dat de Republiek verloren is als zoo\'n koet-
sier niet het eerst afrijdt en behendig langs den hoeksteen
gaat. Door de lucht van het vleesch gelokt volgen die
meesters der wereld vrouwen, die als verhongerde pauwen
schreeuwen en sluipen zij de eetzalen der meesters binnen."
Volgens Socrates, den schoolschen godgeleerde, door Cha-
teaubriand aangehaald, waren de ongeregeldheden der politie
buitengewoon; men kan erover oordeelen door een gebeur-
tenis onder de regeering van Theodosius voorgevallen: de
keizers hadden groote gebouwen laten oprichten waar de
molens en de ovens zich bevonden om het koren te malen
en het brood te bakken, dat aan het volk uitgedeeld werd.
Verscheidene herbergen hadden zich nabij die huizen geves-
tigd; publieke vrouwen lokten de voorbijgangers in die
inrichtingen; maar zn\' waren ternauwernood binnen, of zij
vielen door luiken in sousterrains. Daar bleven zij voor
het overige van hun leven gevangen om de molens te
draaien, zonder dat ooit hun bloedverwanten konden te weten
komen, wat van hen geworden was. Een soldaat van Theo-
dosius in den strik gelokt, trok zijn dolk, doodde wie hem
vast wilden houden en ontkwam. Theodosius liet de gebou-
wen slechten, die boven deze holen stonden; en hij deed
tevens de huizen van prostitutie verdwynen, waarheen over-
spelige vrouwen verwezen werden.
Salvianus verklaart van zijn kant, dat er geen straf be-
staat, die de Romeinen niet verdiend hebben. „De gulzig-
heid en de onreinheid heerschen overal. De wettige vrouw
wordt met de bijzit verward. De meesters bedienen zich
van hun gezag om hun slaven te dwingen zich aan hun
lusten over te geven. (l) Afschuw heerscht in die plaatsen,
(1) Be wet op de .slavernij, die de particulieren de middelen verschafte
zonder uit hun huizen te gaan al de verscheidenheid van hun driften te
voldoen, was een zeer werkzame oorzaak der prostitutie, omdat huiselijke
ongeregeldheden eindelyk naar buiten slaan en eindigen met de maat-
schappij te verpesten.
                                                                    Sabatieb.
-ocr page 189-
— 189 —
waar meisjes het recht niet meer hebben kuisch te zijn.
De steden zijn vol slechte plaatsen en deze zijn niet min-
der bezocht door vrouwen van stand dan door die van ge-
ringe afkomst. Zij beschouwen deze ontuchtigheid als een
der voorrechten van haar geboorte en laten zich niet weinig
voorstaan de andere vrouwen niet minder in onkuischheid
dan in adel te overtreffen."
Men was in dit opzicht zoo ver gekomen alle dagen arme
meisjes, die het ongeluk hadden van een dienstbare afkomst
te zijn, te verkoopen om den wellust te voldoen; de wet op
de slavernij maakte dezen schandelijken handel gemakkelijk,
die op de volle markt gedreven werd.
De elegante prostitutie heeft inderdaad altijd als gevolg
gehad het zedenbederf in het huisgezin te brengen. De groote
lichtekooien trekken de gehuwde mannen tot zich en de
wettige vrouwen offeren dikwijls haar eer op om aan de
anderen haar kortstondig geluk te betwisten. Zij achten
het voor zich een eer, aan haar mededingsters een deel te
ontrukken van de veroveringen en vleierijen, die de man-
nen haar toestaan. Met dit doel zag men de matronen,
evenals de meretrices, zich op den heiligen weg vertoonen.
Evenals deze wilden zij haar bedkoetsen hebben, zich goed
voordoen op rijke kussens en zich door een talrijken stoet
van bedienden laten volgen. Zij namen haar modes over,
maakten haar buitensporige kleeding na en ten slotte wil-
den zij ook haar minnaars hebben, patriciërs of plebejers,
dichters of boeren, vrijen of slaven, mannen of gesnedenen.
Zij stichtten in een woord de prostitutie der matronen....
„De dienstmaagden, die het voertuig begeleiden, waarin zy
zich in een meer dan onwelvoegeltjke kleeding vertoonden,
verwijderden zich, zegt Walkenaer, bij de nadering van jonge
verwijfde mannen, effeminati, wier vingers met ringen be-
laden waren, de toga altijd sierlijk omgehangen, het haar
gekamd en geparfumeerd en het gezicht met die kleine
moesjes opgesmukt was, door middel waarvan onze dames
in de vorige eeuw heur gelaat zochten aantrekkelijker te
-ocr page 190-
— 190 —
maken. Men merkte ook in diezelfde plaatsen mannen op,
wier kleeding athletische vormen deed uitkomen en die met
trots hun gespierde leden lieten aanschouwen. Hun vlugge
en krijgshaftige gang bood een volmaakte tegenstelling aan
met het effen voorkomen, de langzame en afgemeten pas-
sen van die jongelingen, die, de haren zorgvuldig gevlochten
en de wangen geblanket, links en rechts wulpsche blikken
wierpen. Die twee soorten van wandelaars waren meestal
niets anders dan zwaardvechters of slaven; maar sommige
vrouwen van een hoogen stand zochten haar minnaars in
de lagere rangen, terwijl haar jonge en lieftallige dienst-
meisjes zich rein hielden tegen de aanslagen van mannen
harer kaste en slechts toegaven aan de verleiding van rid-
ders en senatoren."
De tooneelspelers, de zwaardvechters en de hansworsten
waren dan ook de bevoorrechte minnaars der groote Romein-
sche dames. In zijn zesde satire, die hij aan haar gewijd
heeft, heeft Juvenalis de geschiedenis van haar schandelijke
prostitutie verhaald, zooals wij haar in ons werk „la Méde-
cine et les moeurs de la Rome antique"
geschreven hebben.
Persius heeft haar evenmin gespaard in zijn beoordeelingen
en hekeldichten. En Petronius heeft haar beschreven als
heur minnarijen in het slijk zoekende, daar hare zinnen
niet meer ontwaken dan op het gezicht van een slaaf of
een knecht met een opgeschort kleed. Anderen, vervolgt hij,
zijn verzot op een zwaardvechter, een bestoven muilezel-
drijver of een tooneelspeler, die zijn aanvalligheden op het
tooneel vertoont. Mijne minnares behoort hiertoe: zij over-
schrijdt de banken van den Senaat, de veertien van de rid-
ders en gaat in het bovenste gedeelte van het amphitheater
het voorwerp van haar plebeïschen gloed zoeken.
Op zeker oogenblik, toen de Aziatische zeden zich in de
Romeinsche maatschappij verspreidden, nam deze den grond-
regel van Aristippus aan : Vivamus dum licet esse, bene. Het
leven had voor haar geen ander doel dan het genoegen, de
feesten, de spelen van het circus, de tafel en den wellust.
-ocr page 191-
- 191 -
De comessationes, die voor haar zooveel aantrekkelijks had-
den, waren feestmalen, die van \'s avonds tot den morgen-
stond duurden, zwelgpartijen, waarbij Priapus, Comus, Isis,
Venus, Voluptla en Lubentia voorzaten en die in dronken-
schap, ontucht en uitputting van alle organische krachten
eindigden. De dag was aan den slaap en aan de luidruch-
tige schaamtelooze vermaken in de openbare baden gewijd.
Om zich nauwgezet rekenschap te geven van de ondeug-
den en ongeregeldheden van het Romeinsche volk, moet men
de satirische gedichten en vooral het Satyricon van Petro-
nius lezen. Hij verhaalt ons den naijver tusschen twee man-
nen die op denzelfden schandjongen verliefd waren, daarna
de verkrachting in het openbaar door dit verachtelijk per-
soontje op den jongen Pannychis gepleegd, die zeven jaar
oud reeds in al de geheimen der prostitutie ingewijd is; de
tooneelen van liederlijkheid van een oude tooveres met een
oververzadigd en onvermogend jongen man; het feestmaal
van den ouden en afschuwelijken Trimalcion, met al de ver-
fijningen van een ijdele weelde, een beestachtige gulzigheid
en de meest waanzinnige wellust.
Op dit weivoorziene maal, dat slechts een critiek is op
de keizerlijke drinkgelagen, woont men tusschen elk gerecht
de walgelijke pantomimes der acrobaten bij ; de gekruide
gesprekken der narren, de wulpsche dansen der Indische
almea\'s in haar volle naaktheid onder den doorschijnenden
sluier, die haar dekt, de wellustige krommingen der hans-
worsten en de erotische omhelzing van al de gasten. En om
het tafereel te voltooien vergeet Petronius niet ons de mees-
teres van het huis, Fortunata, de wettige vrouw van den
gastheer, voor te stellen, terwijl zjj zich aan prostitutie met
Scintilla, de vrouw van Habinnas, de gast van Trimalcion,
schuldig maakt. Dit gebeurt voor het dessert, zoodra de
dampen van den wijn het laatste gevoel van schaamte der
gasten verdreven hebben. „Op een teeken van hun meester
begonnen de slaven Fortunata drie- tot viermaal te roepen.
Eindelijk kwam zn\'. Haar kleed door een bleek groenen gor-
-ocr page 192-
- 192 —
del opgeschort, liet daaronder haar kersroode tunica, haar
kousebanden van gedraaid gouddraad en haar met dezelf-
de stof geborduurde muilen zien. Zij plaatst zich op het-
zelfde bed van Scintilla, die haar voldoening daarover te
kennen gaf. Zij omhelsde haar en zij geraakten tot zoo\'n
innigheid, dat Fortunata haar armbanden aan Scintilla aan-
bood... Doch de twee vriendinnen, reeds door den wijn be-
dwelmd, beginnen te lachen en in haar dronkenschap val-
len zij elkaar om den hals. Maar terwijl zij elkander zoo
vast omarmd houden, staat Habinnas heimelijk op en laat
hij, Fortunata bij de beenen grijpende, deze een buiteling
op het bed maken. O! O! riep zij, toen zij haar kleeren tot
boven de knie opgelicht zag. Plotseling werpt zij haar kleed
weder goed en terwijl zij zich in de armen van Scintilla
werpt, verbergt zij onder haar zakdoek een gelaat, dat de
blos nog ontuchtiger maakt." (*)
Wat kon men na zoo\'n tooneel doen om den nacht te
besluiten ? Zich aan de ergste ontucht overgeven voor het
beeld van pastei van Priapus en uitroepen, terwn\'1 men van
het bed opstond: De hemel bescherme den Keizer, den va-
der van het vaderland! Consurreximus altius et Augusto,
patri patrice feliciter! diximus.
Maar dit is nog niet alles. De gasten maken zich gereed
om te vertrekken, als Habinnas een zijner slaven begint te
prijzen, die gesneden is, den blik van een Venus heeft, of-
schoon hij een weinig scheel ziet----Scintilla valt hem in
de rede, maakt hem een scène uit jaloerschheid en verwijt
hem, dat hij van dien schurk van een slaaf zijn schandjon-
gen gemaakt heeft, die eenmaal het teeken ervan zal dra-
gen. Op zijn beurt overdekt Trimalcion ook een zijner slaven
met kussen. Fortunata overlaadt nu haar man met scheld-
woorden, daar zij haar rechten als echtgenoote eischt en
schreeuwt dat het vuil, schandalig is zich zoo zonder zich
in Ie houden aan zijn lage hartstochten over te geven.
(1) Satyricon, cnp. LXVII.
-ocr page 193-
- 193 —
Kortom, aan al die woorden voegt zij nog dat van hond !
Trimalcion werpt verwoed over die beleediging een beker
naar het hoofd van Fortunata. Deze begint te schreeuwen. ..
Laat ons hier afbreken. Het tafereel is compleet; onze
lezers kunnen zich een oordeel vormen over de zeden der
Romeinsche aristocratie.
Het is zeker, dat de Satyricon van Petronius geen ge-
schiedkundig document is, dat de schrijver slechts een ro-
man heeft geschreven en dat de personen in het rijk der
verbeelding thuis hooren. Maar niemand betwist, dat zijn
werk een studie der zeden is en men moet in de zinne-
beeldige tooneelen, die hij met groot talent en een opmer-
kelijkheid van karakter geschreven heeft, de schandalige
nachten van het hof van Nero erkennen. En deze bloedige
Satire had de verdienste zoo juist getroffen te hebben, dat
de Romeinsche Sardanapalus het doodvonnis van den schrijver
onderteekende. Is de Satire van Petronius overigens niet
de beschrijving van de Romeinsche maatschappij, zooals alle
Latijnsche geschiedschrijvers haar geschilderd hebben ? Eu-
colpus en Ascyltus zijn wel de losbollen door Martialis be-
schreven. Quartilla vertegenwoordigt juist de lichtekooi van
Subura, Eumolpus is het portret van de ijdele dichters, die
in Rome krioelden ; en Chrysis, Circeus, Philumenus zijn
waargenomen en natuurlijke typen, die men niet maakt;
Trimalcion eindelijk geeft een juist denkbeeld van de onbe-
schoftheid, ruwheid des gevoelens en belachelijke ijdelheid
van den parvenu, van den armen stakkert, die millionnair
is geworden en nu zijn gasten wil verblinden door een praal
van slechten smaak en een druktemakende edelmoedigheid,
die hem door zijn vrienden en gasten doen verachten. In
een woord al die personen zijn waar, al die toestanden zijn
gebeurd, al die portretten zijn naar de natuur genomen.
Wat de overige dronkenmanstooneelen aangaat, die wü
op het feestmaal van Trimalcion zien, men vindt die mis-
schien minder breedvoerig omschreven door Juvenalis, Sue-
tonius, Tacitus en een aanzienlijk getal Latijnsche schrijvers,
13
-ocr page 194-
- 194 —
die den moed hebben gehad de schanddaden bekend te ma-
ken, die in de paleizen der Patriciërs en aan het hof der
Cesars gepleegd werden. Cicero vatte ze in een zijner plei-
dooien te zamen in deze woorden, die, volgens zijn gedaclv
ten, allen synoniem waren: Libidines,amores,adulteria,con-
vivia, comessationes.
De venerische ziekten by de Grieken en Romeinen.
Het bestaan van venerische ziekten bij de volkeren der
oudheid zou heden niet betwist kunnen worden, met de ge-
tuigen is van de talrijke wetenschaplijke en letterkundige
documenten, die wij bezitten. Wij hebben in de voorafgaande
hoofdstukken aangetoond, dat het syphilis en de druiper
reeds zeer lang bekend waren in China, Japan, Indië en in
andere streken van Azië. Wij hebben onbetwistbare feiten
medegedeeld over de veelvuldigheid der venerische ziekten
bij de Hebreeuwen en bij andere volken van het Oosten.
Deze ziekten, waarvan men den oorsprong slechts aan ero-
tische buitensporigheden en aan tegennatuurlijken omgang
van mannen en vrouwen kan toeschrijven, moesten nood-
wendig de Grieken en Romeinen aantasten, die de ontaarde
zeden van de Oosterlingen overgenomen en die zich evenals
zij aan al de uitspattingen der prostitutie overgegeven had-
den. Deze uitspattingen hadden onder den invloed van het
heete en vochtige klimaat van het Oosten het eerst bij
de vrouwen aandoeningen der baarmoeder en der scheede
veroorzaakt, die besmettelijk werden en die zij aan de man-
nen mededeelden.
Volgens Rosenbaum zou Neumann (*) gezegd hebben; na
zijn meening over de morbus phenicus blootgelegd te heb-
ben : „men vindt in het schrift van den Pseudo-Galenus
(1) Manuel de Clinique de Neumann. Vol. VII. p. 88.
-ocr page 195-
— 195 —
een lijst van woorden, die ons doen gelooven, dat de ouden
de venerische aandoeningen wel gekend hebben." En die
woorden toelichtende komt de Duitsche schrijver ertoe te
besluiten, dat de ondeugden van fellator en van irrumator
een der hoofdoorzaken zijn van die ziekten.
De prostitués der beide seksen, die zich aan deze soort
van ontucht overgaven, waren onderhevig aan ontstekingen
in den mond, de tong en het verhemelte. Tegen hen hebben
de hekeldichters hun scherpste satiren gericht en Euripides
heeft in het bizonder het feit omschreven als de pijnlijkheid
der tong door den mond en het gebruik der geslachtsorganen
veroorzaakt. De beschrijving van zweren in de keel door
Areteus (*) wordt door Rosenbaum als een zeer goed om-
schrevene syphilitische. aandoening beschouwd, maar ten
onrechte aan slecht begrepen oorzakelijke feiten vastgeknoopt.
Die keelontstekingen van Egypte en van Syrië waren de ge-
volgen van het fellare. „Daardoor verklaren zich," vervolgt
Rosenbaum, „de woorden die Salmatius volgens Aetius aan-
haalt en die hij hetzelfde verklaart te zijn als de Egyptische
en Syrische zweren ; want Herodotus heeft ons reeds ge-
sproken over de mysteriën van Bubastis op de feesten van
Isis. De aandoening draagt hier zeker slechts den naam van
de plaats, waar zij het hevigst heerschte, terwijl Aretheus
haar aan het geheele land toeschrijft."
Wat de venijnige puisten aangaat, die de Grieken evenals
de Romeinen onder den naam van atra lues en dien van
mentraga kenden, zij hebben een des te meer duidelijk vene-
risch karakter, daar zij besmettelijk waren en hare etiologie
zich aan het cunnilingere vastknoopt.
Deze puisten verschenen gewoonlijk bij voorkeur op de
lippen en het grootste gedeelte van het gelaat, maar het
kwaad beperkte zich niet altijd tot de klieren der huid ; de
haarwortels werden er ook door aangetast. Vandaar kaal-
hoofdigheid, gevolgd door zweren van de schedelhuid, waar-
(1) Do signi.s et causis acutorum morborum. C\'ap. 9.
-ocr page 196-
-r- 196 -
van de verwoestingen buitengewoon snel waren. Als de
ziekte algemeener werd en het geheele lichaam aantastte,
nam zij den naam van psora of van lepra aan, belangrijke
verschijnselen uit het oogpunt der geschiedenis van het
syphilis, want de secondaire gevallen ontgingen het door-
zicht der geneesheeren van de Oudheid.
Zij hebben ons evenwel de beschrijving en de behandeling
van zekere ziekten der geslachtsorganen nagelaten, waarvan
de ontleding, die wij voor het grootste deel aan Rosenbaum
ontleenen, niet alleen veroorlooft tot de oudheid der vene-
rische ziekten\' maar ook tot haar oorsprong in de uitspat-
tingen der prostitutie te besluiten, zooals de schrijver van
la Syphilis dans V Antiquité met een merkwaardige geleerd»
heid heeft doen zien.
De zaaddruiper, aldus genoemd naar zaad en drui-
pen. Galianus. (\')
Dit is een aandoening der zaadvaten en niet der geslachts-
organen, [die slechts als kanaal dienen om het zaad uit te
storten. Galianus. (2)
Men moet twee soorten onderscheiden, al naar de aan-
doening door stijfwording der roede vergezeld is of niet. (3)
Galianus.
De druiper met stijfwording der roede wordt nu eens sa-
tyriasis, dan weer priapismus genoemd. (4) Het is een soort
kramp, die slechts de roede aangrijpt. (B) Hij wordt veroor-
zaakt door een toevloed van vochten, vooral van die ver-
dikt en slecht vermengd zijn. (6)
Paulus van Eginus evenwel noemt priapisme dien kramp-
achtigen toestand van de roede, terwijl hij door den naam
satyriasis de overige ontsteking der zaadvaten aanduidt. Het
(1)  De locis affect. Lib. VI. cap. 6.
(2)  De locis affect. Lib. XIV. cap. 10.
(3)  De symptom. raorb. caus. Lib. II. cap. 2.
(4)  De tumor, praetern. cap. XIV.
(5)   De iisu part Lib. XIV. cap. 10.
(6)  Meth. med. Lib. XIV. cap. 7.
-ocr page 197-
- 197 —
is onnoodig te bewjjzen, dat beide meeningen hierin juist
zijn, dat de krampachtige en vurige druiper in beide geval-
, len vergezeld is door het priapismus. Er komt weinig of
geen uitgeworpen stof, waarna de lijders zich verlicht ge-
voelen ; zij worden evenwel opnieuw door de kwaal aan-
getast, totdat de oorzaak der erectie verdwenen is en dan
slinkt ook de roede. 0) Actuarius.
Volgens Paulus van Eginus openbaart de verlamming der
zaadvaten zich als de ziekte niet vermindert of dat er al-
gemeene krampen zijn. Zij, die door kramp aangetast wor-
den, sterven spoedig onder koud zweeten en gerommel in
den buik.
Alexander Trallianus heeft gezien, dat de erecties nog
tot na den dood duurden. Deze omstandigheid komt niet
veel voor; zij wordt hoofdzakelijk bij jongelingen aange*
troffen. (2) Galianus. Deze ziekte is door Themison waar-
genomen geworden, die ze dikwyls op Creta gezien heeft,
waar zij veelvuldig voorkomt en dikwijls het gevolg is van
pederastie.
De druiper zonder stijfwording der roede of de werkelijke
druiper veroorzaakt een aanhoudend en onwillekeurig af-
loopen van zaad. Galianus. (3) Zij biedt overeenkomst aan
met de pisvloeiing en heeft evenals deze tot gewone oor-
zaak de zwakte of het ontbreken van spierkracht der zaad-
dragende vaten. Galianus.
Dikwijls wordt de vloeiing voorafgegaan door een tijd-
perk van ontsteking, waardoor de ziekte den eersten vorm
nabij komt. De zieken hebben veel verhit zaad, dat hen tot
loozing aanzet, wat hen veel verzwakt; maar als zij den
bijslaap vermijden, krijgen zij hoofd- en buikpijn en misse-
lijkheid; en de nachtelijke zelfbevlekking veroorzaakt hun
evenveel last als de bijslaap zelf. De uitstorting heeft onder
(1)  Actuarius, Meth. med. Lib. I. cap. 22.
(2)  Meth. med. Lib. U. cap. 7
(3)  De locis affect. VI. cap. 6
-ocr page 198-
— 198 -
hitte en smart plaats en dit niet alleen bij de mannen, maar
ook bh" de vrouwen. Galianus schrijft inderdaad (\'): „Een
dezer zieken heeft mij gezegd, dat niet alleen hij, maar ook de
vrouwen, met wie hij den bijslaap verrichtte, een bijtende
pijn gevoeld hadden op het oogenblik van de uitstorting."
Volgens Areteus daarentegen zoude de jeuk in de ge-
slachtsdeelen, het gevoel van wellust en het groote verlan-
gen naar den bijslaap slechts bij de vrouwen plaats vinden.
Dit is\'eene bewering, die verklaard wordt, doordat in de
zuidelijke landen de duur van de ontsteking zeer kort en
gewoonlijk bijna onmerkbaar is, indien ten minste gedurende
dien tyd de bijslaap niet wordt uitgeoefend, wat zeer dik-
wijls plaats heeft. Overigens heeft de geneesheer meesteiv
tijds slechts den chronischen vorm te behandelen. (a)
Gewoonlijk merkt de zieke de kwaal eerst op als de vloei-
ing begint; maar deze gaat zonder ophouden dag en nacht
voort, ,als de ontsteking minder is, zonder erotisch gevoel
of wellustige droomen, dikwijls zelfs zonder dat de lijder
het voelt. Celsius. (s)
Wat er uitvloeit is een koude, bleeke en onvruchtbare
vochtige stof, die bij het einde der ziekte verdikt, dan wa-
terachtig wordt en eindelijk ophoudt. Alex. Trallianus. <*)
Als evenwel de ziekte voortduurt, begint het gelaat dei-
lijders vooral van jongelieden op dat van grijsaards te ge-
lijken : zij worden traag, slap, moedeloos, vreesachtig, dom,
verliezen hun kracht, worden mager en onbekwaam voor
den arbeid; zij krijgen een slechte kleur, en een vrouwelijk
voorkomen, worden bleek, hebben geen eetlust, zijn koud
op het gevoel, en klagen over loomheid in de ledematen
en de lendenen; zij zijn zwak en onbekwaam voor alles.
De onderbuik verzwakt evenals het overige van het lichaam
(1)  De Sarritute, secundu. Lib. VI. cap. 14.
(2)  De morb. chron. sympt. Lib. II cap. 11.
(8) De Te med. Lib. IV cap. 21.
(4) Lib. IX. cap. 9.
-ocr page 199-
— 199 —
dat uitdroogt; bij de lijders liggen de oogen diep in de
kassen. Galianus. (\').
De ziekte is uit haar zelve niet gevaarlijk, maar zij kan
zich met meer aandoeningen compliceeren en zij heeft een
neiging een chronischen loop te volgen. Aretheus (2), Coelius,
Aurelianus.
Men moet den druiper goed onderscheiden van nachtelijke
zelfbevlekking, die dikwijls zelf slechts een secundair geval
is. Coelius Aurelianus. (3)
Wat den druiper der vrouw aangaat is het schier onmo-
gelijk een juiste kennis op te doen van wat de oude ge-
neesheeren ervan wisten; omdat hun denkbeeld, dat het
bedorven bloed van de stonden en van de vloeiingen het
geheele lichaam van kwade sappen zuiverde, een waarne-
ming zonder vooroordeelen volkomen verhinderde, Galia-
nus. (4) Evenals in den nieuweren tijd de witte vloed langen
tijd de oorzaak is geweest van een onvolledige kennis dei-
stonden van de vrouw.
Zoo zijn dus de documenten, die de geneesheeren der
Oudheid ons over de vloeiingen nagelaten hebben. Hun
voornaamste dwaling bestaat slechts hierin, dat zij voor zaad
aangezien hebben, wat slechts slijmige etter is, maar bezij-
den dit ziet men, dat hun waarnemingen met eenzorgvul-
dige nauwgezetheid verzameld zijn.
Indien met betrekking tot de etiologie de Grieksche ge-
neesheeren al niet de besmetting in het bizonder door den
bijslaap gemeld hebben, wisten zij toch de ontucht als een
der voornaamste oorzaken der ziekte te doen erkennen;
voornamelijk de ontstekingen van den mond en der lippen
der fellatrices door Aretheus beschreven en volgens hem van
dezelfde natuur beschouwd als de Syrische zweren, die door
een gelijke oorzaak ontstaan. Overigens zijn de pisbuisont-
(1)  De finit. medio. No. 288.
(2)  De morb. cliron. lib. II. cap. 5.
(8) Morb. chron. lib. V. cap. 7.
(4) Galianus de Sympl. Causis, lib. III. Cap. II.
-ocr page 200-
I
— 200 —
stekingen, door de geslachtsbevrediging met den mond ver-
oorzaakt, door de nieuwere syphiliskenners waargenomen
geworden. En met reden erkennen zij de besmetting even-
als door den gewonen bijslaap, daar zij in deze vloeiingen
gonococcus der soortgelijke vloeiing bevonden hebben. Wij-
ders moet men wel toestaan, dat de witte vloed en de
regels der Grieksche en Romeinsche vrouwen, die zich aan
al de uitspattingen van den wellust overgaven, bij hen die
haar naderden gelijksoortige gevallen te voorschijn moesten
doen roepen, als die wij nog dagelijks waarnemen.
De z ak-o nt s tek i n g. Galianus noemde dit de ontste-
king der ballen (\'). Volgens Pau lus van Eginus wordt de
zak-ontsteking door pijn opgemerkt, die door een vrij sterke
drukking der vingers veroorzaakt wordt, terwijl een zwakke
drukking bijna onopgemerkt, blijft. De roodheid en de hard-
heid zijn van buiten nauw waarneembaar, maar de vinger
ontdekt de laatste meer naar binnen (a).
Somtijds gaat koorts aan de zak-ontsteking gepaard (3)
en als deze niet dadelijk bestreden wordt, strekt de pijn
zich tot de liesstreek en de lendenen uit; de deelen zetten
op, de zaadstreng wordt dikker en hard. Celsius (4).
De verharding der teelballen is een oorzaak van onvrucht-
baarheid. Celsius (6).
Aretheus heeft eindelijk melding gemaakt van de zenuw-
pijn der ballen en Hippocrates van de jeuking der zelfde
organen.
Zweren der geslachtsorganen. — De zweren
der geslachtsorganen komen veelvuldig voor, daar de deelen
uit hun zei ven reeds tot verrotting voorbeschikt zijn, zoo-
wel uit hoofde van hun natuurlijke vochtigheid, die het be-
staan van veel opslurpende klieren en dat der haren ver-
(1)  De dieet, in acut XV.
(2)  Rib. III. cap. 54.
(3)  Galianus de pronost. expuls., lib. N. cap. 10.
(4)  Lib., VII, 18.
(6) De semine, cap. 15.
-ocr page 201-
- 201 —
klaart, als omdat zij tevens loozingskanalen zijn. Galianus (x).
Het jaargetijde heeft invloed op de verschijning van die
zweren, die veelvuldiger bij warm en vochtig weer voorko-
men (2). Zij vertoonen zich in den vorm van spruw, vooral
bij de vrouwen. Als zij oppervlakkig zijn, bezitten zij een
groote neiging zich uit te breiden. Dikwijls genoeg komt er
ontsteking bij en eene opzetting der aangetaste deelen.
Dikwijls zijn zij ook pijnlijk, nu eens vochtig, dan weer
droog. In de meeste gevallen nemen zij een verrottend
karakter aan en hebben zij neiging te verkankeren. In zoo\'n
geval bestaat gewoonlijk slechts een enkele zweer uit een
puist bestaande. Dikwijls ook nemen zij een chronisch ver-
loop en verharden zij dan of bedekken zij zich met uitwas-
sen. Hypocrates (3).
Spleten en barsten komen dikwijls aan de voorhuid voor,
als die te nauw of met kracht teruggetrokken is; er ver-
toont zich dan pijn en ontsteking en als de genezing niet
spoedig aangebracht wordt, verharden de kanten en moet
men die dan met het mes wegnemen. Maar over het alge-
meen genezen de wonden van de voorhuid moeilijk. Hypo-
crates (4).
Als de voorhuid verkankert, moet men haar rondom af-
snijden en het bloed met een gloeiend ijzer stelpen. Paulus
van Eginus (6).
Men merkt zweren op den binnenkant van de voorhuid
op, die dikwijls genoeg de oorzaak worden van vernauwing
der voorhuid en van de Spaansche kraag. Er bestaan ze-
kere zweren, die een zwartachtige kleur aannemen. Bij
(1)  Meth. med. libr., cap. 4.
(2)   Hyppocrates, Aph. vol. III. Onder deze weersgesteldheden ver-
meerderen de uitwerpingen der huid, der vetklieren en der holte van
de scheede in overvloed en in stank. Zij staan dus in een zekere afhan-
kelijkheid tot de epidemische regeling. Rosenbaum.
(3)  De natura mulierum. vol. II.
(4)  Coac. proenot. vol. I.
(5)  Lib. VI, cap. 57.
-ocr page 202-
— 202 —
andere ziet men uitwassen en vijgwratten opkomen. Cel-
sius (\').
                                                        *
De droge zweren van den eikel moeten onderscheiden
worden van de vochtige en etterende, die de oorzaak wor-
den van de vernauwing der voorhuid en van de Spaansche
kraag. De afgescheiden stof is nu eens helder, dan weder
etterachtig; zij heeft somtijds een slechte lucht. Deze zwe-
ren worden langer en breeder, vreten zelfs den eikel onder
de voorhuid weg, zoodat hij afvalt en men verplicht is in-
snijdingen te doen. Celsius, loc. sit.
Er bestaat een soort zweren circa corona glandis en een
andere cancer colis, die zacht en invretend zijn en een hei-
der met bloed vermengd vocht afscheiden. Aetius. (9) Een
andere soort der Grieken, breidt zich spoedig uit.
De Pestbuil is een zweer, die zich door steken aan-
kondigt, die door een of meer blaasjes ter grootte van een
gierstekorrel gevolgd worden, welke het voorkomen van
brandblaren hebben. Zij springen open en laten een ulcus
crustaceum
in den vorm van een korst achter. Actuarius. (3)
De pestbuil ontstond na een onreinen bijslaap, zooals deze
passage van Phalladius in Lausiaca historia bewijst: „Een
zekere Heron was te Alexandriö gekomen, waar hij den
schouwburg, de wedrennen en de slechte kroegen bezocht.
Op deze wijze losbol en dronkaard zijnde, verzonk hij in het
slijk der ontucht. Hij kreeg omgang met een tooneelspeel-
ster en ontknoopte haar den venusgordel. Nadat hij dit be-
dreven had, vertoonde zich door den goddeüjken wil een
pestbuil op zijn eikel en werd hij gedurende zes maanden
zoo ziek, dat zijn geslachtsdeelen afrotten en vanzelf afvie-
len. Hierop stierf hij."
Niettegenstaande de moeilijkheden, die de woorden van den
tekst vertoonen, is het niettemin duideljjk en zonder twijfel,
(1)  Lib. VI, eap. 18.
(2)  Tetrab IV. § 2 en 3.
(3)  Metli. med. II. (.Jap. 12.
-ocr page 203-
- 203 —
voegt Rosenbaum, die deze waarneming mededeelt, er bij.
dat Heron een pestbuil gekregen had door met een tooneel
speelster den bijslaap uit te oefenen en de voorwaarden die
I\'halladius er bij maakt, kunnen het feit niet geringer maken ;
ook heeft Becket aan de twijfelaars van Duitschland ge-
vraagd: Welke bewijzen men voor de syphilis in de oudheid
wilde hebben, indien deze niet medetelden ?
Het is overigens niet zonder belang erop te wijzen, dat
nog heden de pestbuil en de chancres in Indië als een en
hetzelfde beschouwd worden ; en de Cabirajas of Indische heel-
meesters duiden, volgens William Jones, deze beide aandoe-
ningen door den naam van Nar Farsi of Ateshi Farsi aan.
De anthrakosis is een gelijksoortige zweer, die door etter-
gezwellen vergezeld wordt, welke Hippocrates als epidemisch
beschouwt. Galianus loc. cit.
Evenals bij de zweren op de voorhuid verheffen zich op
die van den eikel sponsachtige uitwassen en in sommige
gevallen verhardingen aan de kanten, die een litteeken na-
laten, dat door de Romeinen clavus genoemd wordt. Celsius. (\')
Er is niet veel verbeeldingskracht toe noodig om deze
plaatselijke ziektegevallen der roede te beschouwen als in-
vretende chancres verergerd door het syphilitisch gif op den
eikel.
Celsius overigens laat niet na eraan toe te voegen, dat de
verkankering van het orgaan soms volgt, dat zij de geheele
roede aantast en dat men in een dergelijk geval insnijdingen
in het gezonde vleesch moet doen, de verkankerde deelen
wegsnijden en door een mengsel van kalk en Spaansche
peper de wond uitbranden.
Verscheiden Grieksche en Latijnsche schrijvers hebben over
de zweren der vrouwelijke geslachtsorganen geschreven,
onder welke men Aetius, Aretheus, Paulus van Eginus en
Archigenus moet aanhalen. Aetius zegt:
„Men ontmoet in de dikte der schaamlippen zweren, die
(1) Roe. Cit. V. 8.
-ocr page 204-
— 204 —
met het mes niet gesneden kunnen worden, als zij naar
den aars gericht zijn, omdat er anders gemaklijk fitsels uit
over kunnen blijven, wat niet te vreezen is, als zij bij het
piskanaal gelegen zijn. — De scheede en de mond van de
baarmoeder zijn gevoelig voor zweren, pustalcn scabrai, die
.schilferige korsten nalaten en anderen tubercula miliaria,
die men op het gevoel en met de speculum matris zeer goed
onderscheiden kan. De laatsten zijn schadelijk voor de men-
struatie en vruchtbaarheid." Aetius. (l)
Sommige zweren, die zich aan den baarmoedermond ver-
toonen, hebben den vorm van spleten, worden hard of ma-
ken plaats voor uitwassen. Zij scheiden gewoonlijk een
heldere waterige etter af en zijn pijnlijk gedurende den bij-
slaap. Galianus. (2)
De eigenlijke zweren zh\'n oppervlakkig en vertoonen ont-
vellingen ; zij zijn groot en scheiden eene kleine hoeveelheid
dik en reukloos etter af. Tot deze klasse behooren de zwe-
ren der spruw van Hippocrates. Anderen bestaan, die diep
en pijnlijk zijn en een stinkend etter afscheiden. In enkele
gevallen vreten deze diep in en worden haar kanten hard;
zij laten een stinkend waterig etter los, zijn vergezeld door
hevige smarten en verwoesten eindelijk het cellenweefsel
van de baarmoeder. Deze soort is zeer gevaarlijk en eindigt
met den dood. Hippocrates. (3)
De zweren van de geslachtsorganen der vrouw worden
gevaarlijk voor den man, die den bijslaap met haar uitoefent,
die er mee besmet zijn. Cedrenus. (4)
Deze besmettelijke werking was bij de Romeinen bekend,
zooals dit feit, door Palladius verhaalt, bewijst. (6)
Gedurende de vervolging der christenen onder keizer Dio-
cletianus werd een jong meisje van een zeldzame schoon-
(1)  Tetrab. IV. § 4.
(2)  De loc. affect. IV. Cap. 5.
(3)  De natura muliebri et de morh. muiier.
(4)  Synopsis. Paris 1647 in folio, pag. 26(5.
(5)  Vita Patrum. Cap. CXLVIII.
-ocr page 205-
— 205 —
heid aangeklaagd christinne te zijn. Voor den rechter ge-
roepen, zocht zy niet haar godsdienst te loochenen en wei-
gerde zelfs de voorslagen, die deze haar met aandrang en
onder bedreigingen deed. Veroordeeld aan de openbare pro-
stitutie prijsgegeven te worden, werd zij naar een lupanar
gebracht en door den leno aan al de wellustelingen der stad
aangeboden. Op het punt voor hun gewelddadigheden te be-
zwijken, zeide zij hun dat zij op een verborgen plaats een
zweer (ulcus) had
en dat zij zich zou overgeven, zoodra zij
genezen zou zijn. Deze uitvlucht spaarde haar de marteling,
die zij vreesde — hetgeen helder op de kennis wijst der
besmetlijkheid der zweren van de geslachtsorganen dei-
vrouw, het morbiis indecens of lues venerea, waarvan de
werking door de prostitués der beide seksen zeer geducht
werd.
De bersten. — De zweren en spleten aan den aars
waren bij de passieve pederasten zeer gemeen. Galianus
noemde hen brandende pijnen en Celsius bersten.
Aetius die zeer breedvoerig over de ziekten van den aars
geschreven heeft, heeft deze aandoeningen gecompliceerd
gezien met etterbuilen met een fistelachtig verloop. In zoo\'n
geval namen zij een ander karakter aan. Dikwijls vormden
zich ook aanzettingen of uitwassen.
Celsius heeft nog een andere aandoening van den aars
aangewezen, die het gevolg van de ontucht was: dat was
de darmverzakking en een zweer die gelijk was aan een
paddestoel en zich aan den aars of aan de bilspleet vertoonde.
Er bestonden eindehjk nog de vijgwratten en andere ver-
groeiingen, waarvan wij in een afzonderlijk hoofdstuk zul-
len spreken.
De ettergezwellen. — De geneesheeren der Oud-
heid verstonden onder ettergezwel, bubo, elke ontsteking der
lymphatische klieren ; maar daar deze aandoening zich hoofd-
zakelijk in de liesstreek vertoont, noemde men in het bizon-
der ettergezwel de ontsteking der liesklieren, zoowel als de
liesstreek zelf. De Romeinen gebruikten alsdan het woord
-ocr page 206-
— 206 —
ingucm, zoowel om de ziekte als om haar plaats aan te wij-
zen. Later maakte men verscheidene onderscheidingen ; men
noemde bubo de ontsteking door opzetting vergezeld enphyma
die welke spoedig verliep en tot ettering overging. Galianus
wees door een woord het zwellen der klieren aan, dat ver-
gezeld was door een roosachtige ontsteking der huid, welke
struma genoemd werd, als er verharding plaats had. Volgens
denzelfden schrijver (\') zijn deze klieren door haar weeken
bouw in het algemeen voorbeschikt aangedaan te worden.
Daarom ontsteken de klieren der lies, der oksels en van den
hals, zoodra er zich zweren vertoonen aan de teenen, de
vingers en het hoofd. De bubo\'s vormen zich evenzoo en
zijn moeilijker te genezen, zoodra het lichaam overladen is
met kwade sappen. De meeste schrijvers geven toe, dat door
andere oorzaken de bubo\'s voorafgegaan werden door zwe-
ren, ofschoon geen hunner in het bizonder de zweren der
geslachtsorganen beschrijft. Evenwel laten, in een tekst van
Hippocrates, (2) eenige woorden een uitlegging in dezen geest
toe. Rosenbaum.
Galianus beval aan koppen op de ettergezwellen te zet-
ten, die neiging hadden tot ettering over te gaan, maar zich
niet te haasten ze te openen. Alleen als hij geen oplossing
kreeg, ging hij tot de operatie over, die hii door een dwars-
snede, gelijkloopend met de liesstreek, bewerkstelligde, en
niet met het dijbeen, omdat in dit geval de kanten van de
wond slechts moeilijk tot elkander te brengen waren.
De nieuwere Syphiligraphen hebben evenals de heelmees-
ters der Oudheid een verschil gemaakt tusschen de bubo,
die slechts zelden ettert en door een wond of zweer veroor-
zaakt wordt en de bubo, die door een verbreiding van het
giftstof van een chancre en diens samentrekking op een of
meer lymphatische zenuwknoopen ontstaan is.
De huiduitslag. — De uitslag der geslachtsorganen,
(1)  Meth. med. ad Glaucum lib. II cap. 1 et lib. XIII cap. 5.
(2)  Lib. IV aph. 82.
-ocr page 207-
- 207 -
gevolgd door verzwering, de herpen van Hippocrates (*),
volgens de uitlegging van den tekst door Hensier, deelde
zich door den bijslaap mede. Een passage van Galianus kan
in denzelfden geest verstaan worden ; want hij staat de be-
smetting toe, maar men zou niet kunnen bevestigen of er
sprake is van de herpen of van een anderen huiduitslag van
de scheede. (a)
Aetius heeft in de Tetrabiblon van pustulae spontancae in
pudendls
melding gemaakt, die vernauwing teweegbrengen,
en in hetzelfde hoofdstuk (3) heeft hij de beschrijving gege-
ven van sabies scroti, die geneigd zijn zich in zweren met
afschilvering te veranderen, terwijl zij een zeer hevig pru-
rilus scroti
achterlaten. Galianus van zijn kant stelt de pso-
riasis scroti
als een verharding van den balzak voor, verge-
zeld door jeuking en zelfs door zweren.
De v ij gw ratten. Dit zijn vergroeiingen, die in groo-
tere of kleinere menigte zich aan den aars of aan de ge-
slachtsorganen voordoen. Galianus gaf haar den naam van
vijgwratten, als zij zich aan den aars vertoonden, maar de
andere Grieksche heelmeesters duidden haar onder een an-
deren naam aan, als zij aan de geslachtsdeelen voorkwa-
men. De Romeinen noemden haar ficus.
Galianus beschreef de ficus als een zwerend knobbeltje,
dat vocht afscheidde (Coc. cit.). Volgens Oribasius was zij
rond van vorm, roodachtig van kleur, een weinig hard en
pijnlijk. Zij vertoonde zich niet alleen aan den aars en de
geslachtsdeelen, maar ook op de lippen, de kin en de be-
haarde gedeelten van het lichaam.
Hippocrates bespreekt de vijgwratten der geslachtsorganen
van de vrouw en zegt dat zij een vuilen reuk verspreiden. (4)
Aetius heeft er deze omschrijving van gegeven: Condy-
lorna est rugosa eminentia. Rugae enim circa os uleri exisien-
(1)  Aphorisme. vol. III et de liquidorum nsu vol II.
(2)  Synops. med. sec. loc. lib. IX cap. 8.
(3)  Serm. 2, cap. 15.
(4)  De natur. muiier, vol. II.
-ocr page 208-
- 208 -
(es dum injlammatur, attolluntur et indurantur, tumoremque
ac crassitudincm quandam in locis efftchmt.
(*)
De vijgwratten kwamen vooral bij de mannen aan den
aars voor. Celsius. En men schreef ze dan ook aan de pe-
derastie toe. Maar het is onmogelijk van deze vijgwratten
te beslissen, welke oorspronkelijk en welke secondair wa-
ren, hetgeen ons evenwel niet machtigt het bestaan dezer
laatsten in de oudheid te ontkennen. Rosenbaum. De be-
handeling der vijgwratten, die door Celsius beschouwd wer-
den als uitwassen door een bizonder ontstokenen toestand
van den aars voortgebracht, tiiberculum, quod ex quadam
inflammatione nascl solet,
was gelijk aan die der bersten, die
denzelfden ontuchtigen oorsprong hadden, d. i. trekpleisters
en krachtige uitbrandingen.
Men behandelt nu de vijgwratten door uitsnijding en uit-
branding en beschouwt ze als een ontsteking door de aan-
raking met druiper- of syphilitische etter ontstaan. Men zou
niet kunnen toegeven, dat de vijgwratten voorheen een ver-
schillende oorzaak hadden, daar het bewezen is, dat die uit-
wassen het gevolg waren van de ontucht en zich slechts
vertoonden bij de prostitués beider kunne en bij allen die
omgang met hen hadden.
De vijgwratten, die zoo algemeen bij de Romeinen waren,
waren niet anders dan die van den aars, waarvan de oor-
zaak met recht toegeschreven werd aan de schandelijke han-
delingen van den tegennatuurlijken omgang en die een on-
voldoende behandeling tot verettering liet overgaan en bijna
erfelijk maakte. Zoo waren geheele geslachten door vijgwrat-
ten aangestoken. Deze uitwassen vertoonden verschillende
variëteiten, die als pathologisch bestaande omschreven zijn
geworden, niettegenstaande haar overeenkomst met anderen.
Zoo is de thymion, door Celcius(2) beschreven als eenknob-
belige, pijnlooze, roodachtige buil, die aan den voet nauw,
(1)  Tetrab. IV, serm. 4.
(2)  Lib. IV. cap. 28.
-ocr page 209-
— 209 —
aan den top hard en ruw is, de akrochordon als een gladde,
ronde vleezige knobbel met een dun, rond gevoelloos en ver-
hard voetstuk. Nu eens vallen de laatsten vanzelf af, dan
weder ontsteken zij en gaan tot verettering over, en als
men ze afsnijdt laten ze geen wortels achter. Celsius. (l)
Galianus en Aetius hebben akrochordon aan den aars en
aan de geslachtsdeelen der vrouw gevonden. Men neemt ze
met het mes of met bijtende middelen weg.
De onder den naam van formica door de Grieksche genees-
heeren omschreven vijgwrat is een andere zeer hardnekkige
vorm van uitwas, die veel op de akrochordon gelijkt. Zij
is niet zoo hoog maar harder dan de thymion ; zij heeft
langer wortels en is pijnlijker dan deze; zij is breed aan
den grondslag en smal aan den top. Als men haar aanraakt,
veroorzaakt zij aan den lijder het gevoel van den beet van
een mier, vanwaar zij den naam van formica ontleende.
Dit zyn kortom de venerische aandoeningen, die de ge-
neeskundigen van de oudheid aan de geslachtsorganen der
mannen en vrouwen waargenomen hebben. Ofschoon zij ons
geen voldoende bewijsstukken achtergelaten hebben, om be-
slist een besmettelijken oorsprong vast te stellen, schijnt
het ons evenwel onmogelijk dezen niet volgens de leer van
de oorzaken der ziekten en de kenmerken harer verschijn-
selen als bewezen aan te nemen.
Melaatschheid en Olifantsziekte. — De ve-
nerische ziekten, die over Egypte en al de landstreken van
Klein-Azië verspreid waren, waar de gewijde prostitutie uit-
geoefend werd, namen op een gegeven oogenblik in Syrië
en Judea een meer ernstig karakter aan. Want toen entte
zich op haar de melaatschheid met haar van gedaante ver-
wisselende vormen, die evenwel altijd van een regelend
grondbeginsel getuigden, dat misschien zelf slechts een wij-
ziging was van de heerschende syphilis van Indiö en het
verre Oosten.
(1) Meth. med. Lib. XIV. cap. 17.
14
-ocr page 210-
- 210 -
Uit dit mengsel zag men onder den invloed van de onrein-
heid der volken en der onwetendheid van de meest elemen-
taire voorschriften der gezondheidsleer die talrijke ziekten dei-
geslachtsorganen ontstaan, die lues venerea, die zich tot du
huid en de slijmvliezen bepaalden, waarvan eenige genees-
heeren der oudheid ons de zeer uitgewerkte beschrijving
hebben gegeven. Hetzelfde kon niet gedaan worden van de
behandeling, want in het algemeen richtten de lijders zich
tot de kwakzalvers van hun tijd: verkoopers van drankjes,
amuletten en tooverspreuken, toovenaars en priesters, allen
min of meer erkende handlangers van de gewijde of van de
wettige prostitutie.
Slechts bij uitzondering toch namen de lijders hun toe-
vlucht tot de geneeskundigen, die overigens slechts zoo
weinig mogelijk belang toonden te stellen in deze ziekten,
zooals Celsius in zijn 6(\' boek bewijst, waar hij in de inlei-
ding zegt: „ Om een dergelijk onderwerp te behandelen be-
staan in de Latijnsche taal geen geschikte uitdrukkingen;
en het is moeilijk de welvoegelijkheid te eerbiedigen, ter-
wijl men de voorschriften der kunst in het oog houdt. Deze
beschouwing heeft evenwel mijn pen niet mogen terughou*
den, omdat ik ten eerste de nuttige inlichtingen, die ik
opgedaan heb, niet onvolledig wil laten en omdat het ver-
volgens van belang is, onder het algemeen de geneeskundige
denkbeelden te verspreiden, aangaande de behandeling dezer
ziekten, die men nooit aan anderen dan tegen zijn wil
mededeelt. Dein, quia in vulgus eorum cnratio etiam pr<eci-
2>ue cognoscenda, quw invitissimus quisque alteri ostendit."
Deze ziekten waren dus reeds de geheime ziekten ten tijde
van Augustus.
De melaatsen heid kwam, zooals men weet, uit
Egypte en Klein-Azië, die voortdurende brandpunten van alle
pestziekten. De Hebreeuwen, Syriërs, Pheniciërs en Egypte-
naren waren er sedert lang door aangetast. Zij had bij deze
volken een chronischen, geregelden en erfelgken vorm aan-
genomen, zich volgens den ouderdom en het gestel der lij-
-ocr page 211-
— 211 —
ders en de klimaatsomstandigheden in haar voorkomen wij-
zigende en de ziekte-kenmerkende verhefïingen en verergc-
ringen vertoonende door de onreinheden der prostitutie en
de wellustige uitspattingen veroorzaakt.
Eerst omstreeks het jaar 650 der stichting van Rome
maakte zij haar verschijning in Italië onder den naam van
olifantsziekte der Grieken, en gaf zij aan de venerische
ziekten een bizonder kenmerk, die er de secondaire syphilis
van maakte.
Men hoort inderdaad Celsius verklaren, terwyl hij zich op
enkele alleenstaande waarnemingen beroept, „dat die ziekte
het geheele gestel aantast, zoodat zelfs de beenderen aan-
gedaan worden." Maar voor hem had een Grieksch genees-
kundige Aretheus van Cappadocië er een aangrijpende om-
schrijving van gegeven en haar voorgesteld als een vuur,
dat zich slechts dan eerst naar buiten openbaart na eerst
al de inwendige deelen van het lichaam overmeesterd te
hebben. „Bij het opkomen der ziekte," zegt hij, „wordt de
huid van het gelaat en van enkele lichaamsdeelen glimmend,
eenige dikke en ruwe knobbels komen de een na den ander
te voorschijn en de ruimte tusschen die ongelijke gezwellen
barst evenals de huid van een olifant open. Spoedig is het
geheele lichaam door dergelijke knobbels bedekt; de haren
sterven en vallen uit, het hoofd wordt kaal, het gelaat en
het schaambeen volgen op hun beurt om het haai^te ver-
liezen. Het gelaat wordt bezet met harde en puntige wratten,
vurige puisten verschijnen aan de vingers, de knieën en de
kin. De wangbeenderen zwellen op en worden rood, de oogen
verduisteren en krijgen een koperkleur, de wenkbrauwen
trekken samen en worden bezet met groote lijkkleurige
wratten. De wangen en de neus geven ook zwartachtige
uitwassen te zien, de lippen zwellen op, terwijl de onderste
afhangt en kwijlt, de tanden worden zwart, zweren ver-
toonen zich om de ooren en laten een etterachtig vocht
uit. De geheele oppervlakte van het lichaam is doorsneden
met harde rimpels en zelfs met zwarte spleten : vandaar haar
-ocr page 212-
— 212 —
naam van olifantsziekte. Bersten verdeelen ook de hielen
en de voetzolen tot aan het midden der toonen. Indien de
ziekte in kracht toeneemt veranderen de knobbels der wan-
gen, kin, vingers en knieën in stinkende en ongeneeslijke
zweren; zij zetelen zelfs de een op de ander, zoodat de
laatsten de eersten schijnen te beheerschen en weg te vre-
ten. Het gebeurt zelfs, dat de ledematen voor den lijder
sterven en zich van het overige van het lichaam afscheiden,
dat aldus achtereenvolgens den neus, de vingers, de voeten,
de geheele handen, de geslachtsdeelen verliest; want de
ziekte doodt den lijder, om hem van een afschuwelijk leven
en wreede kwellingen te verlossen, eerst na hem van al
zijn ledematen beroofd te hebben."
Dit is de leer der ziekte-kenteekenen van de melaatsch-
heid (\'). Zij verschilt aanmerkelijk van de huidziekten der
hedendaagsche syphilis; maar wie kan er voor instaan,
dat deze, zoo zij in alle vrijheid op zekere klieraclitige
sujetten zonder de therapeutische hulp van het kwik en
iodium-potassium ontwikkelde, niet bij voorkeur een verloop
zou volgen gelijksoortig aan versterving en bloedberlerf ?
Archigenus heeft ook zyn meening over de olifantsziekte
doen kennen. Hij verklaart niet alleen, dat de ziekte be-
smettelijk is, maar ook dat de huidziekte slechts secondair
is. Hij zegt, dat haar oorzaak hem onbekend is, maar dat
de zieken \'zeer wulpsche individuen zijn en dat gesnedenen
ervan bevrijd blijven... . Dit zou nog een bewijs voor den
venerischen oorsprong van de melaatschheid zijn, doch zekere
schrijvers vermeenen, dat men geen voldoende aanwijzingen
vindt om te besluiten, dat deze ziekte oorspronkelijk de
geslachtsorganen aangetast heeft. Maar de geleerde uitlegger
der Grieksche en Latynsche teksten aarzelt niet in zijn werk,
VHistoirc de la Syphilis dans VAntiquitt te bevestigen wat b\\jna
alle nieuwe Syphiligrapen gedaan hebben, dat de melaatsch-
heid en de syphilis te zamen werkende slechts één ziekte
(1) In Ned.-IndiP onder Jen naam van Besu bekend. Vert.
-ocr page 213-
— 213 —
gevormd hebben. Voor hen kon, evenals de mentagra zich
in jisora kon veranderen, de elephantiasis in aanraking ge-
bracht met de morbus phmnicus evengoed ontstaan door
den bijslaap en bewijst haar verschijnen voornamelijk op
het gelaat niets tegen dit feit, daar de huidklieren van het
gelaat een groote betrekking hebben met de geslachtsor-
ganen. Overigens bewijzen een groot aantal voorbeelden,
door schrijvers der middeleeuwen aangehaald, dat de me-
laatschheid door den bijslaap overgeplant werd; hetgeen
toelaat te besluiten, dat de syphilis der XV1\' eeuw dezelfde
ziekte is, maar door een bizonder genius cpidemicus gewijzigd,
die vijftien eeuwen vroeger onder den naam van elephan-
tiasis heerschte, een ziekte, die haar oorsprong nam in een
onreinen omgang en in de uitspattingen der prostitutie.
ZINNEBEELDIGE GEDENKTEEKENEN VAN DE
GESCHIEDENIS DER PROSTITUTIE.
Archeologische bewijzen voor de godsdienstige en
gewijde prostitutie.
De geschiedenis van den dienst der Oostersche godheden,
die zich aan de prostitutie der Oudheid verbindt, is niet
alleen door de geschriften der geschiedschrijvers tot ons
overgebracht geworden. Men vindt haar ook terug in de
zinnebeeldige gedenkteekenen, zorgvuldig door de archeologen
opgespeurd: medailles, opschriften, fragmenten van monu-
menten, gegraveerde steenen, cameeën, kegels, cylinders,
enz.
De teekeningen op die steenen, brokstukken van beeld-
houwwerk, schandpalen, ringen, stempels, vazen en bekers
in de bouwvallen der oude steden ontdekt, komen getuigenis
afleggen voor de werkelijkheid der eerediensten van Mylitta,
Priapus, Phallos, Osiris en andere gelijksoortige goden.
-ocr page 214-
-214 —
Die kleine cylinders en kegels van steen of aardewerk,
die men in de kasten van de museums kan zien, waren
zinnebeeldige amuletten, die de mannen en vooral de vrou-
wen om den hals of aan de armen droegen. De hiërogly-
phische opschriften en teekeningen zijn door de archeologen
ontcijferd geworden en slechts door hen onderricht zal ik
trachten het bewijs erin te vinden voor de voorgedragen
feiten over den oorsprong der prostitutie.
Menant in zijn opmerkelijk werk les Pierre» gravées de la
haute Asie et les cyündres de la Chaldée
bestrijdt tot op een
zeker punt de verklaring, door zijn voorgangers van deze
zinnebeeldige figuren gegeven. Maar hij stemt toch toe, dat
die gegraveerde steenen, keurige voortbrengselen van een
werk van geduld en nauwgezetheid, een der belangrijke
elementen zijn, waarmede men de kunstgeschiedenis dei-
volkeren kan opmaken. „Want de hebzucht," zegt hij, „die
de gouden en zilveren voorwerpen verandert, zou naar geen
agaat of vuursteen grijpen." Deze steenen waren werkelijke
kostbaarheden, die verschillende vormen weergaven: schij-
ven, amandels, klossen... Eenigen dienden voor stempels,
ringen, scarabeeën. Velen hebben den vorm van kegels en
cylinders. De cylinder heeft gewoonlijk een hoogte van
2 tot 5 centimeter ; hij is volgens zijn as doorboord ; de tee-
kening bevindt zich op de bolle zijde en de figuren worden
dikwijls door legenden vergezeld. Deze kenmerken overigens
de herkomst en laten dus toe, Chaldeeuwsche, Assyrische,
Egyptische, Phenicische en Persische cylinders van elkaar
te onderscheiden.
Menant heeft een groot aantal Aziatische cylinders be-
schreven ; hu\' is erin geslaagd een godenleer vast te stellen,
waarin de opperste god, Hou, voorgesteld wordt in den vorm
van een menschlijk borstbeeld, uitloopende in veeren en ver-
gezeld van twee uitgespreide vleugels. Onder hem staat een
dne-eenheid van groote goden: Samas, de god-zon, zinne-
beeldig voorgesteld door een lichtende schijf; Sin, de godin-
maan, door een halve maan ; Mar, een andere groote godin
-ocr page 215-
— 215 -
door een groote ster. Deze drie-eenheid herinnert juist aan
Osiris, Isis en Horus.
De werken van Lajard hebben een groote overeenkomst
met die van Menant; maar zij bieden een veel grooter be-
langrijkheid aan voor de studie der gewijde prostitutie.
Zonder ons tot verdedigers van de stelling van dezen ge-
leerde te willen maken, zullen wy in het bizonder een tekst
uit zijn verschillende gedenkschriften aanhalen, die tot de
Académie des Inscriptions gericht waren. Het betreft een
agaten kegel, waarvan het zeer breede grondvlak, hol ge-
graveerd en van voren gezien, een staand beeld met twee
hoofden van ter zyde gezien weergeeft. Het eene van rechts
naar links gewend, geeft de trekken van een gebaard man,
het andere van links naar rechts is dat eener vrouw. Eene
kroon met vijf punten omvat de beide hoofden, en op het
vlak van den steen, onmiddellijk boven deze kroon, neemt
men drie sterretjes waar, die op eenzelfde lijn en op gelijken
afstand van elkander geplaatst zijn. Het overige der kleeding
van dit tweeslachtig beeld bestaat uit vier onderscheiden
deelen, een onder* en een onderste kleed, een gordel, die
beide verbindt en een bovenkleed.
Fig. 1.
Met de rechterhand en bijgevolg naar de zyde van het
gebaarde hoofd, houdt dit beeld een slang bij den staart vast.
Een andere veel langere slang slingert zich om een gedeelte
-ocr page 216-
- 216 —
van het middel van het beeld. In de ruimte tusschen de
twee armen en de twee slangen ziet men aan beide zijden
een gevleugelden draak met geopenden muil, die de slang,
die tegenover hem is, schijnt te willen aanvallen. De zonne-
stralen, waarmede de kop van een der twee slangen om-
Fig. 2 en 3.
ringd is, de halve maan, die boven den kop van de andere
slang prijkt en de zorg, die men zich gegeven heeft om de
twee kruipende dieren derwijze te plaatsen, dat het eene
met het vrouwen- en het andere met het manshoofd over-
eenkomt, vertoont zooveel eigenaardigheden, die beslist het
voornemen aanwijzen, dat men gehad heeft er de kenteeke-
nen van de manlijke of actieve voorttelingskracht en der
vrouwlyke of passieve aan te geven. Nu weet men zeer goed,
-ocr page 217-
— 217 —
dat bij de oude de slang het teeken was van het leven en
de voortplanting, zooals men het ziet in de beelden van
Isis en van Mithra (tig. 2 en 3) en volgens het beeld van
het museum der villa Albani.
Aan de linkerzijde van de basis van den kegel (flg. 1) is
een rad, dat niet door de velgen gesloten is, maar waarvan
de spaken in een kleinen bol uitloopen. „Dit ook is het
teeken van de voorttelingskracht," voegt Félix Lajard er
aan toe. Want de uitlegging der zinnebeelden klimt tot een
ver verwijderde oudheid terug, daar zij aan de vorming zelf
der taal bij de oude Oostersche volken verbonden schijnen
geweest te zijn.
Beneden de voeten van het tweeslachtig beeld bemerkt
men een vaas met twee ooren, op een amphora gelijkend,
een ander embleem dus der manlijkheid, terwijl de opene
vaas, die zich links bevindt, het vrouwelijk orgaan voor-
stelt. Ter rechterzijde van het beeld eindelijk bevindt zich
een Cteis, die het duidelijk zinnebeeld is van het uitwendig
geslachtsorgaan der vrouw.
De twee gevleugelde draken, die op denzelfden steen te-
genover de twee slangen staan, bieden ons een merkwaar-
dig voorbeeld aan van dit godsdienstig geloof, dat twee
scheppingen erkende ; de een vol goede en weldoende wezens,
de andere vol slechte en kwaadstichtende. Dit dogma, zeer
breedvoerig uiteengezet in de boeken van Zoroaster en zeer
duidelijk op eenige zinnebeeldige gedenkteekenen van den
eeredienst van Mithra aangeduid, wordt in de meeste dei-
godsdienstige stelsels der Oudheid teruggevonden.
De overwegingen van Lajard over dezen kegel nu zijn:
„De tegenwoordigheid van het orgaan zelf der vrouwelijke
voorttelingskracht onder de attributen van het tweeslachtig
beeld, dat ik voor de Assyrische Venus Mylitta houd, is een
belangrijk feit. Dit orgaan zien wij ook op verscheiden ke-
gels of cylinders, die naar mijn gevoelen tot de mysteriën
van Mylitta behooren. Ik ken daarvan twee voorbeelden :
Het eerste is naar een mooien cylinder van het Britsch
-ocr page 218-
— 218 -
Museum genomen, het tweede wordt mij verschaft door het
grondvlak van een kegel uit het kabinet Calvet (Avignon).
,Een andere kegel door La Chausse (fig. 4) beschreven,
toont ons een priester in Oostersch kostuum in aanbidding
voor een altaar, waarop men een Ctéis en Venusster ziet
Hier schijnt de Ctéis het zinnebeeld van de godin zelve te
Fig. 4.
worden en haar godsdienst met die energie, die naïeve ruw
heid te teekenen, waarmede zonder tv/ijfel bij haar oor-
sprong de godsdienststelsels doortrokken waren, die bij de
Assyriërs en Pheniciërs in zwang waren. Deze leerstellin-
gen hebben door een lange reeks van eeuwen en van gods-
dienstige of burgerlijke omwentelingen hier op den bodem
van Westelijk Azië zulke diepe sporen achtergelaten, dat
men, de gewoonten en zeden der tegenwoordige bevolkiiv
gen bestudeerende, de treurige overtuiging verkrijgt, dat,
niettegenstaande de opvolgende pogingen van het Christen-
dom en van den Islam, de aanbidding van Ctéis bij zekere
godsdienstige sekten van het Oosten niet opgehouden heeft
in gebruik te zijn.
„Op den kegel (fig. 1) juist naast deze helft van het beeld
van Mylitta geplaatst, dat aan het mannelijk geslacht be-
hoort, schijnt de Ctéis door deze plaats er op te wijzen,
welke bizondere opoffering deze godheid van haar talrijke
volgsters eischte, eene verplichting, die door een betreurens-
waardig misbruik, hetwelk makkelijk te voorzien en wijzer
te voorkomen ware geweest, in het vervolg tot schandelijke
prostitutie ontaardde.
-ocr page 219-
— 219 -
,,Deze instelling bestond niet alleen in Babyion, waar men
haar nauw verbonden zag met den eeredienst van Mylitta.
maar in Phenicië, Syrië en over het algemeen in al de lan-
den die door Assyriërs en Pheniciêra bezocht werden. Ook
vindt men haar bij de Moabieten en Midianieten terug, mer
den eeredienst en de mysteriën van Baal-Péor. Men vindt
haar nog in de Phenicische volksplantingen van Afrika, bij
de oude Armeniërs met den dienst van Venus-Anaïs, bij
de Cypriërs en Corinthiërs terug, altijd min of meer tot
schandelijke ontuchtigheden vervormd. Indien wij bij de
Lydiërs het gebruik der openbare prostitutie waarnemen,
moet men gelooven, dat zij die, evenals de Cypriërs en
Grieken, van de Pheniciërs en Assyriërs met den dienst van
Astarte en van Mylitta gekregen hadden. Deze gevolgtrek-
king schijnt volgens de getuigenis van Strabo gewettigd,
die, na over de prostitutie der jonge Armenischen in den
tempel van Anaïs gesproken te hebben, er bijvoegt dat het
volgens Herodotus bij de Lydiërs hetzelfde is. Van zijn kant
wijst deze geschiedschrijver aan dit gebruik wel degelijk een
Aziatischen oorsprong toe, daar hij zegt, dat met uitzondo-
ring van de prostitutie der meisjes, de wetten der Lydiërs
talrijke overeenkomsten hebben met die der Grieken."
Niet alleen in Azië werd Venus door de eigenschappen
Fig. 5.
van een man voorgesteld. Volgens Guidas en andere schrij-
vers hadden de Romeinen in Rome zelf aan deze godin
-ocr page 220-
— 220 —
standbeelden gewijd, die haar beeld met een baard en met
de geslachtsdeelen beider kunne weergaven. Om deze reden
gaf men aan de godin den bijnaam van biformis. Een me-
daüle van Demetrius II draagt op de weerzijde het beeld
van Venus met een baard; het is met een helm met drie
kronen gedekt en houdt in de rechterhand een boog, het
kostuum is dat eener vrouw. Figuur 5 is de teekening van
aen medaille der Nationale Bibliotheek te Parijs, die aan de
eene zijde een mannenkop voorstelt en aan de andere Ve-
nus, aan haar zijden een reeks phallossen hebbende. Dit is
ten minste de meening van Mionnet in Frankrijk, van Froe-
lich en Richter in Duitschland en van Duane in Engeland.
Als andere archeologische bewijzen zullen wij de onder-
werpen melden, die op de cylinders van de rijke collectie
der Nationale Bibliotheek gegraveerd zijn. Ziehier de voor-
naamsten, volgens den catalogus van Chabouillet.
Op n". 705 ziet men een priester, Mylitta staande aanbid-
den, die op een troon gezeten is, terwijl zij een kroon vaat*
houdt en de voeten op een geit laat rusten, wier lichaam
in een visch eindigt. Achter de zeegeit ziet men de Gtéis.
Op n°. 734 zit Belus op een troon of Thalamns, die een
pyramide met trappen draagt. Een biddende vrouw schijnt
hem een jong meisje, met het hoofd en de borst bloot, te
brengen, aan wie hij een bloem aanbiedt. Boven Belus
de schijf van Venus en de halve maan. Dit jonge meisje
is de bruid, die volgens de getuigenis van Herodotus alle
nachten aan Belus in den tempel van Babyion hem aange-
boden wordt.
Op n°. 743 is Anaïtis zittende, terwijl zij een kroon houdt
en door twee biddende personen gevolgd wordt. Op het veld
ziet men de halve maan en de Venus-ster. Achter de godin
de Mir, de helft van Hom en de Ctcis.
Op n°. 806 is een vrouw, den oorlogsgod aanbiddende en
Venus-Anaïtis van voren gezien.
Op n°. 812 Mylitta en Anaïtis. Voor deze staat eenpries-
ter; Mylitta heeft de priesteres Koun der Egyptenaren voor
-ocr page 221-
— 221 —
zich en in haar hand heeft zij den schepter van boven met
een bloem en twee Urwus.
De Mir was het teeken der goddelijkheid ; het goddelijk
symbool wordt voorgesteld door een kleinen dobbelsteen met
afgeronde hoeken op zijn zij- en onderkanten door talrijke
stralen omgeven. Hom is de boom des levens, de heilige
boom, de boom der kennis. Hij neemt verschillende vormen
aan op geenerlei wijze de homa herinnerende, waarvan men
de takken slechts met een eerbiedig ceremonieel afsneed
gelijk aan dat der druïden voor den heiligen eiken-mistel.
Wat de Ctéis aangaat, dit is een ruit, waarvan de hoeken
der kleine middellijn afgerond zijn en in wier midden een
zeer duidelijke punt zich bevindt.
Wij zullen de uitlegging niet bespreken, die men \'aan die
teekeningen moet geven, maar wij zullen bij andere echte
en talrijke zinnebeeldige monumenten stilstaan, die hun
getuigenis komen voegen bij de geschreven gedenkteekenen,
om te bewijzen, dat bijaldien de prostitutie niet door de
burgerlijke wetten van Griekenland geoorloofd was, wij haar
toch moeten begrijpen onder het aantal godsdienstige ge-
woonten, die met den Aziatischen eeredienst van Venus bij
de Grieken inheemsen werden. Onder deze gedenkteekenen
kunnen wij verscheiden aanhalen uit de verzameling van
Durand door de Witte besehreven, onder anderen twee vazen,
twee bekers en een gegraveerden steen. Een der vazen ver-
toont ons een Venustempel, waarin een lichtekooi door de
tusschenkomst van een slaaf het voorstel van een met mirte
gekroond vreemdeling aanneemt, die buiten het portiek ge-
plaatst is en een beurs in de hand houdt.
Op de andere vaas zit een insgelijks met mirte omkransd
vreemdeling op een soort bed en schijnt het woord te rich-
ten tot een courtisane, die naast hem staat.
De beide bekers stellen soortgelijke onderwerpen voor,
vergezeld door groepen mannen en lichtekooien; men merkt
er ook een spiegel op, het kenmerkend zinnebeeld van Venus.
„Op den gegraveerden steen," zegt Lajard, „ziet men een
-ocr page 222-
— 222 —
zeer ontuchtig tooneel, waarbij de godin of de ingewijde
zelf een spiegel ter hoogte harer oogen houdt. De vijf andere
zijden van den steen stellen verscheiden dieren voor, die
den dienst van de Oostersche Venus kenmerken. Deze too-
neelen toonen ons hoe de verdorvenheid der zeden de oor-
spronkelijke instelling van het offer der maagdelijkheid in
hut heiligdom van Venus ontaard had. Deze opmerking
schijnt mij evenzeer gewettigd door de wijze, waarop eenige
schrijvers der oudheid zich uitlaten over de min of meer
ontuchtige gebruiken, die in verschillende plaatsen van Grie-
kenland het vieren der mysteriën van Aphrodite of van ver-
scheiden godheden vergezelden, waarmede Venus oorspron-
kelijk een was."
Al die kegels, emblemen van Venus, werden in de steden
hoofdzakelijk aan vreemdelingen verkocht, die de tempels
der godin bezochten. Zij droegen bijna allen dezelfde teeke-
ningen, wat wel de overeenkomst bewijst der gebruiken van
den eeredienst van Mylitta bij de Assyriërs met dien van
den Venusdienst bij de Grieken en Romeinen en van den
Mithradienst bij de Perzen. Andere gegraveerde steenen en
Persische en Romeinsche bas-reliefs vertoonen inderdaad
Mithra, evenals de tweeslachtige Venus van den kegel van
Lajard, tusschen de twee poorten van den hemel, d. i. aan haar
rechterzijde de zon en aan haar linker de maan hebbende,
{een kleinen omtrek met stralen omringd en een halve maan).
Eenige zinnebeeldige monumenten veroorloven insgelijks
den stier en den leeuw te beschouwen als de eigenaardige
kenteekenen van Venus in het Oosten en in het Westen.
Wij zullen tot ondersteuning van dit beweren het groote
Assyrische bas-relief van Yazili-Kaïa door Ch. Texier bij
Pterium en de kroonlijst in de ruïnen van Babyion opge-
graven van de verzameling van baron Roger aanhalen. Het
eerste dezer gedenkteekenen stelt de godin staande op een
leeuw voor; in het tweede staat zij op een stier. Eengroot
aantal andere monumenten stellen haar nog op leeuwen of
stieren zittende voor.
-ocr page 223-
— 223 —
Indien men niettegenstaande de bevestigingen der ge-
schiedschrijvers nog kon twijfelen, dat de Ürieksche Venus
en de godsdienstige prostitutie als oorsprong den Pheniei-
schen Astartedienst had, zou men nog een stoffelijk bewijs
vinden in de op Cyprus gevondene oudheden (flg. 6). Op dit
Fig. 6.
eiland was de bevolking, zooals men weet Phenicisch, maar
het kreeg sedert de oudste tijden Grieksche volksplantingen.
De eeredienst van Aphrodite is van daar uitgegaan en de
verbeelding der dichters maakte er de godin van. die uit
het zeeschuim ontstond. Jules Soury heeft in zijn Etudes
historiques bewezen, dat volgens archeologische gegevens
de kunst en al de goden van Griekenland uit Azië gekomen
z;jn. „Onder de Phenicische afgoden van Cyprus, die op het
Louvre zijn, zegt deze schrijver, is er een, wiens hoofd met
een kroon gesierd is. Halssnoeren hangen om zijn hals en
vallen op zijn borst neer. De rechterhand der godin is naar
haar borst gericht; de linker naar haar heilige z\\jde, waaruit
de goden en menschen voortgekomen zijn. Is dit niet de
houding der Venus van Cnide en van die der Medicis ? Het
is hetzelfde gebaar, maar men moet niet er aan denken
-ocr page 224-
— 224 —
hierin het teeken te zien van een gevoel van bewogen en
vreesachtige schaamte. De algemeene moeder van zooveel
kinderen, bij wie de schepsels een altijd nieuw leven ont-
leenen aan haar nooit opdrogende borsten, in stede van haar
forschen boezem te verbergen, vertoont dien niet zonder
trots aan de menschen en de goden. Haar leger van duiven,
dat den geheelen dag door een verliefd gekir laat hooren
onder de sombere cipressen, die in de gewijde boschjes van
den tempel groeien, de duizende. volgelingen der beide sek-
sen, die haar dienen, de menigte pelgrims, die op de feest-
tijden zich beurtelings in het heiligdom en onder de tenten
der priesteressen komen vermaken, dit al houdt van de
goede godin en van haar tempel die kuische en beschaamde
bevalligheid verwijderd, die de verfijnde zinnen van den
beschaafden mensen bekoren. In den grond is die grove
gebakken aarde en het werk der Grieksche beeldhouwers
een en hetzelfde symbool. Men zou kunnen zeggen, dat de
gedaanteverwisselingen van dezen afgod het trouwe beeld
zijn der overgangen, waarmede de oude oostersche bescha-
ving door tusschenkomst der volkeren van Klein-Azië die
van Griekenland is geworden."
P. Greuzer en Guiguant zeggen ook, dat zij op Cyprus beslist
Oostersche vormen gevonden hebben van dien eeredienst der
tot god verheven natuur in haar voorttelingskracht, de twee-
slachtige Aphrodite, die de manlijke en vrouwelijke kracht
en den gewijden kegel vereenigde als het kenmerkend
symbool van de eerste kracht. Maar sedert de oudste tijden
had naast die niet minder zonderlinge dan beteekenisvolle
emblemen, die in beginsel tot de Indische godsdiensten
schenen te behooren, de bekoorlijke godin plaats genomen,
die door haar naam Cyprus bewijst, dat het geheele eiland
aan haar heerschappij onderworpen was. Overal werd zij
aangebeden, maar nergens openbaarde zich het denkbeeld
eener bevruchtende godheid met duidelijker Oostersche regels
en zinnebeelden, die wulpscher en zinnelijker waren, dan
te Corinthe en op den berg Eryx. Te Corinthe bedienden
-ocr page 225-
— 225 -
duizend volgelingen of gewijde hchtekooien, die wij reeds
in menigen Aziatischen tempel ontmoet hebben, de altaren
van Aphrodite. Op den berg Eryx stond een oude en rijke
tempel van de godin, waarin de vrouwen zich op de feesten
te harer eere prostitueerden.
Van een anderen kant vertoont een oude intaglio, uit het
eiland Cyprus afkomstig (Cabinet van medailles van de na-
tionale Bibliotheek te Parijs n°. 1582), een tempel van Venus,
in het midden waarvan men het afgodsbeeld der godin ziet:
een kegel vormigen steen. Rechts en links staat een duif op
een kolom. Boven de schijngestalte de halve maan en de
zon, evenals op de Egyptische en Assyrische steenen.
Eerediensten en priesteressen waren dus op weinig na
dezelfden; en men kan zeggen, dat de volken de gebruiken
en leerstellingen ervan met denzelfden ijver aannamen ; zij
vleiden hun zinnelijke begeerten. Wij zullen dit feit nog be-
wijzen, dat zeer opmerkelijk in de oude geschiedenis is. De
godsdienstige bijgeloovigheid der Egyptenaren bracht hen
ertoe zich met priapussen van allerlei vorm te omringen.
Deze werden van gebakken aarde en van porselein van ver-
schillende kleuren gemaakt. En evenals aan de Assyriêrs
en andere Oosterschen dienden die hen voor amuletten. Men
heeft ervan in de mummies teruggevonden ; en Muniloti
heeft eenige jaren geleden de beschrijving der priapische
schilderstukken op de muren van den tempel van Karnac
gegeven. De graf- en andere steenen, de schandpalen en
verdere door die volken gebruikte voorwerpen droegen de
teekening van den god.
In Egypte werd de overledene bij Osiris vergeleken, en
deze vergelijking was een waarborg voor de onsterflijkheid.
Waarschijnlijk moet men aldus de tegenwoordigheid der pri-
apen op de Sarcophagen uitleggen en voornamelijk op die
van het Louvre, die, volgens het opschrift, het graf van een
priester is van de regeering van Psametik I. In het midden
der teekeningen op de buitenzijde ziet men inderdaad een
Osiris op den rug uitgestrekt met een priapus evenwijdig
15
-ocr page 226-
— 226 —
aan de as van zijn lichaam. Dit is het symbool van het le-
ven, van de vruchtbaarheid, die een eigenschap van den
god-zon is, maar het is weder de valsche verklaring, aan
dit zinnebeeld gegeven, die den priester de macht heeft ge-
geven de gewijde prostitutie te exploiteeren bij volken, wier
onontwikkelde geest onbekwaam was het wijsgeerig denk-
beeld te onderscheiden, dat zich onder een stoffelijk beeld
verborg.
De vrouwen, die altijd een sterken smaak gehad hebben
voor amuletten en dergelijke voorwerpen, droegen halssnoe-
ren, waaraan een zeker aantal cylinders aan een dubbel
ijzerdraad geregen waren. Onder de cylinders van het Cabi-
net van de medailles der nationale Bibliotheek
zullen wij n°.
934 vermelden. Hij stelt twee naar Egyptische wijze gekleede
personen voor, ieder een schepter vasthoudende, naast elke
zijde van het beeld Hom met mir er bovenop geplaatst. Men
ziet daarachter drie symbolen : den vogel met het menschen-
hoofd (de ziel volgens de Egyptenaren), de Ctéis en den al-
ruin wortel.
Een kegel, n°. 1056, vertoont een gebaarden god Egyptisch
gekleed, ook een schepter in de hand houdende en voor een
verlengd aan het vuur gewijd altaar der Magiërs gezeten.
Op het veld, de aardbol op een halve maan en de Ctéis.
Men ziet in dezelfde verzameling veel andere kegels, waarop
een halve maan en twee aardbollen met Mir en Ctéis gegra-
veerd zijn of wel Ouoti, het oog, als zinnebeeld van het le-
ven en de werkzaamheid, soms een halve maan op de Hom
door een kroon omringd of een vrouw met verschillende
symbolen en de slang Urams. Men ziet ook ontuchtige too-
neelen, zooals op den steen n°. 1104. Eindelijk twee cylin-
ders (n°. 175 en 176), een Egyptische Venus met koehoorns
voorstellende, dat de gelijkheid vaststelt tusschen Isis en de
Assyrische Venus, dikwijls in den vorm van een koe, die
een kalf zoogt, voorgesteld. De gelijkheid is treffend, zooals
men ziet.
Men kan zich het denkbeeld eener courtisane niet voor-
-ocr page 227-
— 227 —
stellen zonder aan coquetterie en aan blanketsel te denken.
In de zaal van Julius II, bestemd voor de gedenkstukken
van het privaat leven der Egyptenaren, ziet men niet alleen
prachtige kostbaarheden voor vrouwen bestemd, als gouden
met email ingelegde armbanden, halsnoeren van dezelfde
soort, ringen, die een vrouw voor Osiris voorstellen, maar
ook al de voorwerpen, die dienen om het gelaat te ver-
sieren en te blanketten. In een der kasten van deze zaal
vindt men ook, zooals Rouge dit beschreven heeft, kleine
potten en doozen van verschillenden vorm, van hout of van
aardewerk, die dienden om de benoodigdheden, voor het toilet
der vrouwen vereischt, op te bergen. Het voornaamste was
het antimoniumzwart, voor de oogen bestemd ; de houten,
steenen en ivoren naalden, stomp eindigende, hadden den
geschikten vorm om de oogleden bij deze gevaarlijke bewer-
king niet te kwetsen. De potjes hadden nu eens den vorm
van een kolom, dan weder dien van een rietbosje, dat men
van geëmailleerd aardewerk namaakte. De monsterachtige
God Bes, die naar het schijnt niettegenstaande zijn leelijk-
heid bij het toilet der vrouwen tegenwoordig was, vormt
ook gewoonlijk het voornaamste motief der versiering van
deze kleine benoodigdheden. Is het noodig er bij te voegen,
dat pruiken en valsche vlechten deel uitmaakten van de
kunst der Egyptischen om zich op te schikken ? Er zijn
daar nog staaltjes van valsch goed, die vrij goed bewaard
zijn gebleven, met al den nasleep van vrouwelijke coquetterie
om het lichaamschoon te verhoogen.
De tastbare bewijzen der prostitutie in Italië en van den
eeredienst van Venus en van Priapus zijn ook even over-
vloedig bezorgd geworden door de archeologen. Het geheime
Museum van schilderijen, bronzen en standbeelden van Na-
pels bevat zeer merkwaardige origineelen, die met een groot
artistiek talent door Famin bescheven zijn geworden. Deze
gedenkstukken, die zoo\'n levendige belangstelling bij de
wetenschap opgewekt hebben, hebben de eeuwen doorloopen
en zijn in den schoot der aarde bewaard gebleven om aan
-ocr page 228-
— 228 —
de komende geslachten de geschiedenis te ieeren. Velen zijn
op de hellingen van den Vesuvius, begraven onder de vul-
kanische asch te Herculanum, Pompei en Bastia ontdekt
geworden.
Volgens het bestek der huizen van Pompei heeft men
kunnen aannemen, dat bij gezeten lieden een verblijf gewijd
was aan den dienst van Venus. De Latijnen noemden het
Venereum. Deze kamer bevatte gemeenlijk ontuchtige schil-
deringen. in het Latijn Libidines. In bijna alle huizen heeft
men erotische voorwerpen weergevonden in beeldhouwwerk,
brons, marmer, kristal, aardewerk of andere grondstoffen,
priapen, amuletten of andere onkuischheden. Waaruit door
de studie en de vergelijking dezer oudheden, waarvan het
overzicht alleen de schaamte opwekt, voortspruit, dat er
voor het christelijke tijdperk geen andere eeredienst bestond,
dan dien men theophallisch zou kunnen noemen.
Men heeft in Pompei verscheidene lupanaria teruggevon-
den, op welker deur men een groot priapisch teeken in
steen ziet. Maar niet alleen in de publieke huizen werd de
eeredienst van Priapus beoefend. De Romeinen namen dezen
werkelijk in ernst op, en brachten hem een hulde, die in
strijd was met hun wijsgeerig scepticisme, zooals een bas-
relief in marmer, op plaat IV in het werk van Famin voor-
gesteld, bewijst.
Dit bas-relief vertoont een tooneel binnenshuis, een daad
van reinheid en godsvrucht en niet een walgelijke zwelg-
partij. De twee echtgenooten. zoo voegzaam gekleed als
de aard van het offer toelaat, waartoe zij overgaan, schij-
nen den god, die de voortteling regelt, het eindigen van
een noodlottige onvruchtbaarheid te vragen. Vooral in de
beteekenisvolle gebaren der vrouw moet men deze uitleg-
ging lezen. De man is bezig een gordijn te spannen, dat
de mysteriën van het offer aan de blikken zal onttrekken.
De god in den vorm van een kalen en gebaarden grijsaard
staat op een kleine kolom. De vrouw, die voor hem staat
met de oogen op het manlijk lid gericht, biedt hem met eenige
-ocr page 229-
— 229 —
eikenbladen een pijnappel aan, die de Tyrsus der prieste-
ressen van Bacchus bekroont.
Plaat VII is de copie van een marmeren bas-relief, dat
een tooneel van Bacchanaliën weergeeft, een der meest
beroemde feesten van het heidendom, dat men ook dikwijls
onder den naam van Elensinus, Lampteries, Mysteriën van
Isis
of Feesten der goede godin aanduidde. In het midden
van het bas-relief ziet men een ouden Silenus met klimop
gesierd, terwijl hij in de eene hand een beker en in de
andere een kroon houdt als den prijs der overwinning op
de drinkers, hij waggelt en zou zeker vallen, indien hij niet
door twee jonge faunen ondersteund werd. Aan de linker-
zijde van den Silenus ziet men achtereenvolgens een Bac-
chante, eene fluitspeelster, een jongen, die eenige instru-
menten voor de wijding draagt; een schaamteloozen Phalli-
phorus
zelf zijn riem vastmakende ; een vrouwelijke sater het
pediim (herdersstaf) vasthechtende, en de sirinx (fluit met
zeven pijpen) aan de voeten van Bacchus-Termes. In den
hoek ziet men den god Cupido, die schijnt deel te willen
nemen aan het feest. Aan de linkerzijde van den Silenus
staat een klein altaar, waarop een pijnappel; een brandende
fakkel is daar gereed voor het offer. Een bacchante, op een
berenhuid uitgestrekt, rust wellustig in een houding uit,
die weinig twijfel over de oorzaken van haar vermoeidheid
overlaat. Eindelijk aan het einde van het bas-relief zet een
vrouw, als sater vermomd, zich zelf op het attribuut van
een Priapus-Hermes.
Plaat VIII stelt een offerande aan Priapus voor. Dit bas-
relief wijst op een onloochenbaar.feit der gewijde prostitutie.
Het is de voorstelling van een der wreedste plechtigheden
van het heidendom. Verscheidene vrouwen geleiden een jong
meisje, dat men veronderstellen kan de bruid te zijn, naar
een standbeeld van Priapus; de ongelukkige staat reeds op
het punt het offer harer maagdelijkheid te brengen. Zij al-
leen van de troep is geheel naakt: zij buigt het hoofd met
een beschaamd en droevig gelaat en steunt op den schouder
-ocr page 230-
— 230 —
van een oude vrouw, haar moeder misschien I Niet ver van
daar speelt een klein meisje op de dubbele fluit, om de
kreten te overstemmen, die de smart aan het slachtoffer zal
ontrukken; verderop een oude vrouw, op een knie liggende,
beschouwt zij dit tooneel en schijnt ongeduldig te worden over
de aarzeling, die de jeugdige echtgenoote aan den dag legt.
„Men kan vermoeden," zegt Famin, „dat deze onreine regel
niet lang bestond ; maar het is geoorloofd te veronderstellen,
dat de priesters van de valsche godheden tot hun voordeel
de publieke lichtgeloovigheid exploiteerden en zich zelf in
de plaats van de gevoellooze afgoden stelden. Men ziet in
den tempel van Isis, te Pompei, op het altaar, waarop het
beeld der godin geplaatst was, een hol voetstuk, waarin men
door een verborgen trap kon komen, die in het verblijf der
priesters uitkwam. Hierlangs ging de schurk, die het beeld
liet spreken."
Wij zien in hetzelfde werk steenen priapen, die op de
hoeken der straten, bij de openbare fonteinen, boven de
woningen geplaatst waren, zooals die, welke aan de deur
van een bakker van Pompei gevonden werd, met dit opschrift:
Hic habitat feücitas. Men ziet er nog kolommen enphallussen
krachtens een gelofte opgericht, phallusvormige lampen,
amuletten, libidines en spinthria, tafereelen, die erotische
scènes voorstellen van een walgelijke ontuchtigheid.
De laatste platen vertoonen ons Grieksche, Italiaansch*
Grieksche, Siciliaansch-Grieksche en Etrurische vazen, met
een zwarten grond en roode beelden, klokvormige vazen met
een rooden grond en zwarte figuren van dezelfde herkomst.
Al deze voorwerpen bevestigen op een kenschetsende wijze de
bekende of onbekende gebruiken van den eeredienst van Pria-
pus, en ondersteunen de beweringen der geschreven ge-
denkstukken over de geschiedenis der prostitutie in de
oudheid.
Overigens merkt men nog in het Museum van het Louvre
in de zaal der zwarte vazen een groot aantal voorwerpen
op van Etrurischen oorsprong, waarvan het grootste deel
-ocr page 231-
— 231 —
afkomstig is van de graven van het oude Coereus en van
de opgravingen, te Veies en te Clusium gedaan. De vazen
zijn versierd met gegraveerde of en relief gevormde figuren,
die grove nabootsingen voorstellen van de menschelijke
natuur, of wel Oostersche monsters : Sphinxen, stieren met
een menschengelaat, centauren met menschenvoeten, enz.
Men ziet er evenzoo met jachten, die zich op den buik dier
vazen ontwikkelen en de motieven der Assyrische cylinders
herinneren, wat de verklaringen van Lajard zou bevestigen.
Het woordenboek van Pitiscus heeft de beschrijving ge-
geven van een beeld van den god Mutinus, te Rome op den
berg Viminal in de bouwvallen van een ouden tempel ont-
dekt; het is heden nog in die stad te zien. Het is van
marmer en omstreeks drie palm hoog.
In de galerij van Florence bevindt zich een groep, een
staande vrouw voorstellende, wier hoofd, geheel bedekt door
een soort muts, een weinig natuurlijken vorm vertoont.
Haar handen, die veel lager dan de heupen reiken, schijnen
haar kleederen op te tillen en een gedeelte van haar ontbloot
te laten. Een enorme Phallos verheft zich van den grond tot
de geslachtsdeelen van dit beeld, die uitermate kenschetsend
met het bovenste deel van den Phallos in aanraking schijnen.
De kabinetten van oudheden, voornamelijk dat der natio-
nale bibliotheek te Parijs, bezitten verscheidene ontuchtige
amuletten, die den eeredienst van Priapus te Rome bewij-
zen. „De eenen," zegt Dulaure, „stellen den Phallos voor
vereenigd met de mullos of de nabootsing van het vrouwe-
lijk geslacht. Anderen stellen den phallos alleen voor, maar
voorzien van twee vleugels en een paar vogelpooten en
somtijds van belletjes. Andere ontuchtige amuletten hebben
den vorm van een liggenden hond of van menschelijke ge-
vouwen dijen en beenen zonder lichaam. De welvoeglijkste
stellen een gesloten hand voor, waarvan de duim tusschen
de twee voorste vingers geplaatst is. Dit beeld noemen de
oudheidkundigen de ontuchtige hand."
Evenals Osiris somtijds met een drievoudigen Phallos prykte
-ocr page 232-
— 132 —
om de menigvuldigheid van zijn voorttelingsvermogen uit
te drukken, evenzoo vindt men op veel oude monumenten
een dubbelen of drievoudigen Phallos afgescheiden of vast-
zittend aan een menschelijk lichaam. Er bestaan er in Frank-
rijk op de brug van den Gard en in het amphitheater van
Nimes, die afzonderlijk zijn.
In het koninkrijk van Napels en in de provincie Peucetia
heeft men gegraveerde steenen gevonden, die het beeld van
Priapus voorstellen, van een dubbelen Phallos voorzien ; en
in de stad Trani een votief tafereel in baksteen, dat den-
zelfden afgod met een driedubbelen Phallos laat zien.
Die losse Phallos, Fascinum genaamd, wordt gebeeldhouwd
of gegraveerd op vazen, gereedschappen en in het algemeen
op meubels teruggevonden. In de kabinetten van oudheden
zijn de ontuchtige gegraveerde ringen, zegels, medailles en
steenen niet zeldzaam. M. de Chaduc, een Fransch oudheid-
kundige, was er in geslaagd in zijn verzameling drie tot
vierhonderd der meest zeldzame ontuchtige gegraveerde
steenen bijeen te brengen.
De beelden van Priapus waren langs de wegen geplaatst;
en in dat geval werden zij gelijkgesteld met Mercurius of
Termen genaamd. Zij dienden, zegt Scaliger, den weg aan
te wijzen door de richting van hun lid. De beroemde philoloog
heeft een van die Phallo-Hermen te Rome in het paleis van
een zeer bekend Kardinaal gezien.
„De Phallos aan een wegwijzer toegevoegd," merkt Dulaure
op, „moest de reizigers voor ongevallen hoeden, evenals de
Phallos aan een boomstam gehecht aan de naburige velden
voor den oogst nadeelige zaken moest afwenden ; dit was
het standvastig gevoelen der ouden en de eenige reden dei-
oprichting van een zoo groot aantal afgodsbeelden van
Priapus."
De gegraveerde steenen, door d\'Harcanville (*) beschreven,
klimmen bijna allen tot den tijd van Augustus en Tiberius op.
(1) Monument* du culte secret des dames romaines. H. d\'Harcanville.
-ocr page 233-
- 233 —
Zij stellen Termen van Priapus voor, offeranden aan den God
Lampsachus, saters en nimfen, zelfs goden en godinnen,
keizers en keizerinnen, die zich aan den bijslaap in al zijn
vormen overgeven. Onder de platen van dit werk, merken wij
de Nos. XXXII en XXXV op ; zij behooren tot denzelfden
steen, die aan beide zijden gegraveerd was; een steen, die
met het overige van het kabinet van den baron Itoch in
handen van den koning van Pruisen is overgegaan. Plaat
XXXII  stelt Messalina, de vrouw van keizer Claudius voor,
wier naam tot de nakomelingschap is gekomen als het type
van ontucht en prostitutie; zij zit voor een tempeltje of
kapelletje van Priapus met een myrtentak in de hand. Plaat
XXXIII  stelt een cirkel voor aan welks omtrek zeven Pria-
pen uitsteken. Boven den cirkel leest men M e s s a 1., en er
onder C 1 a v d i. Tusschen eiken Priapus ziet men een letter;
van links naar rechts lezende, vindt men het woord i n v i et a.
„In het midden van den cirkel," schrijft d\'Harcanville, „be-
vindt zich een slak, een tweeslachtig dier en wel waard
door Messalina benijd te worden. De zeven Priapen, die de
slak omringen en haar hulde brengen, zijn te klein in aan-
tal om een denkbeeld te geven van het onverzadelijk gestel
dier vrouw, van wie Juvenalis het portret eindigt met:
„Et lassata viris, nondum exsattata recessit."
Plaat XLV is een offerscène aan Priapus.
De priester, die bij deze plechtigheid de dubbele fluit
speelt, behoort tot hen, die Sidonius Appollinaris Mistce
noemt, omdat zij zoowel Priapus als Bacchus dienen. He-
rodotus noemde hen Fhalliphorm of Priapusdragers, omdat
zij bij processiën het afgodsbeeld van den god Lampsachus
droegen. Deze processiën waren zeer plechtig, en de vrouwen
verwachtten er vruchtbaarheid van.
Men moet in Apuleus al de schandelijke bizonderheden
der ontuchtige plechtigheden en van den afschuwelijken
eeredienst lezen, waarvan de priesters der Assyrische godin
de leiding hadden. Men beval er het grootste geheim aan,
evenals in de mysteriën van Priapus. Quartilla, in Petronius,
-ocr page 234-
— 234 -
bidt aanhoudend de getuigen van haar ontucht trouw te blij-
ven aan het diepste zwijgen. Die onverzadelijke lichtmissen
hadden, terwijl zij zich als gevallen vrouwen prostitueerden,
de stoutmoedigheid het altaar van dien god te kussen en
hem hun schanddaden te wijden :
Non te movere lumbos in crocotula
Prensis videbo altaribus.
In een ander werk van H. d\'Harcanville (\') kunnen wij
ons rekenschap geven van de bandelooze prostitutie dei-
mannen en vrouwen te Rome onder de regeering der Cesars.
Het is vooral op de matronen, dat de nasporingen van den
schrijver betrekking hebben, die gedurende zijn verblijf te
Rome al de archeologische cabinetten en Oostersche verza-
melingen van medailles en gegraveerde steen en heeft kun-
nen bezoeken. Indien men niet voor authentieke stukken,
voor zinnebeeldige gedenkstukken der geschiedenis stond,
die niet, evenals de geschreven monumenten, aan bespre-
kingen en critiek van allerlei aard onderworpen kunnen zijn,
zou de werkzaamste verbeeldingskracht weigeren dergelijke
tooneelen van ontucht en prostitutie te ontwerpen.
De platen van het werk van d\'Harcanville doorloopende,
kan men geen oogenblik in twijfel trekken, dat de prosti-
tutie der vrouwen van de Romeinsche aristocratie alle grenzen
overschreed.
Slechts met goud en niet dan met goud kon Cesar de
neiging voldoen, die hem aan hartstochten van elke soort
overleverde, en die hem de hoogste vrouwen der Romeinsche
aristocratie als minnares gaf, die zich aan hem als gewone
lichtekooien overgaven, welke men roept en betaalt. Het is
waar dat, als huwelijks-gelijkheid, Pompeia de wettige vrouw
van Cesar, eens den jongen Clodius, haar minnaar in den
tempel van Venus-Urania liet komen. Deze onderging, ont-
dekt zynde, een vervolging. Hij werd op last van den keizer
(1) Monuments privés do la vie des douze Césars. Caprie chez Sabel-
lus in 4°. 1784.
-ocr page 235-
— 235 -
•ontslagen, die bij deze gelegenheid de beroemde woorden
sprak: „De vrouw van Cesar moet zelfs niet verdacht wor"
den." Dit was behendig.
Een andere medaille vertoont Claudius als vrouw gekleed
met de keizerin Postumia voor een drievoet van het altaar
der godin.
Laat ons nu de cameeën van Arellius beschouwen, die Au-
gustus voorstelt, als hij zich aan zijn oudoom Cesar prosti-
tueert. Wij weten, dat het volk, toen hij in den schouwburg
was. eens deze verzen op hem toepastte :
Vides ne ut cinadus orbem digito temperet?
Ziet gij hoe een prostitué de teugels van de wereld houdt?
De zinnebeeldige monumenten komen steeds, zooals men
ziet, de geschreven getuigenissen der geschiedenis ver-
sterken.
Ziehier nog anderen. De camee van Apollonius van Sicy-
one stelt een ontuchtig tooneel voor tusschen Augustus en
zijn dochter Julia, die de geschiedschrijvers altijd als een
toonbeeld van schoonheid, geest en kuischheid beschouwd
hebben.
De camee van Artemon Rhodius geeft de keizerin Livia
te aanschouwen, terwijl zij twee jonge meisjes aan Augustus
haar man, aanbiedt, die hartstochtelijk op maagden gesteld
was. Deze zucht om te believen van de echtgenoote had
een staatkundig doel: den geest van den keizer te beheer-
schen. Het feit der prostitutie bestaat daarom niet te min.
Een andere camee van Arellius beeldt de vrouw van Mae-
cenus af, terwijl zij zich aan Augustus in tegenwoordigheid
van haar man prostitueert, die doet, alsof hij slaapt. Deze
Maecenus was de vriend en beschermer van Horatius, van
Virgilius en van al de groote dichters hunner eeuw.
Hh\' moedigde de letterkunde en de kunsten aan!
De medaille door plaat XVI voorgesteld, vertoont den af-
schuwelijken Tiberius met zijn gewone mannelyke en vrou-
welijke prostitués.
Van dezen keizer heeft Tacitus gezegd: Toen hij over de
-ocr page 236-
— 236 —
schande en de vrees heen was, volgde hij slechts zijne na-
tuurlijke neiging en stortte zich in een poel van misdaad
en schande. In scelera simul ac dedecora prorupit, postquam,
remoto pudore et metu, suo tantum ingenio utebatur.
Plaat XVII is een teekening, volgens een oud schilderij,
Tiberius in den tuin van zijn paleis vertoonende, omringd
door kleine grotten vol mannen en vrouwen als nimfen en
saters gekleed, die hem duizend ontuchtige en afwisselende
tooneelen te aanschouwen geven.
De camee van Lysias geeft een tooneel van sodomie van
Tiberius weer. Een offerande voor het beeld van Priapus
bijwonende, neemt hij met geweld de twee jeugdige pries-
ters, die den dienst deden. Suetonius heeft dit feit in deze
termen herinnerd: „ Vix dum re divina peracta, ibidem sta-
tim seductum constu praret, simulque fratren ejus tibicinem.
Nauwlijks was de offerande geëindigd, of hij nam op dezelfde
plaats den jongen bedienaar van het altaar ter zijde en vol-
deed zijn onbeschaamden hartstocht, en hij draalde niet met
zijn broeder, die de fluit speelde, hetzelfde te doen."
De camee van Terentius laat denzelfden Tiberius zien,
terwijl hij zich met drie lichtekooien aan de buitensporigste
ontucht overgeeft. Het is compleet.
De medaille door plaat XVII voorgesteld is ook een too-
neel van walgelijke prostitutie tusschen Mallonia, een dame
der hooge Romeinsche aristocratie, en Tiberius.
Plaat XXV is de reproductie van een medaille, die de
prostitutie van de vrouw van Piso met Caligula herinnert,
dien keizer, welke van zijne zusters eischte, dat zij zich aan
hem en aan zijne deelgenooten in de ontucht zouden pro-
stitueeren.
De medaille, op plaat XXVII geteekend, is een tooneel
van prostitutie van mannen en vrouwen met Caligula. Het
onderwerp van deze medaille is door een beroemd hekeldicht
der bloemlezing uitgelegd.
De camee van Appollodorus van Messina (plaat XXVIII)
stelt Caligula voor als Cassius Cherea hem het wachtwoord
-ocr page 237-
— 237 —
vraagt. De keizer toont hem de hand in een ontuchtige hou-
ding en geeft als parool: Priapus. Dit was de oorzaak van
zijn dood.
De camee van Pythadores van Tralies is de beeltenis van
Messalina, aan Priapus veertien mirte-kransen wijdende, als
zooveel overwinningen op veertien krachtige kampvechters
behaald.
De camee van Epitincanus is eene scène tusschen Nero en
een vestaalsche maagd, die gedwongen wordt zich aan hem
te prostitueeren (plaat XXXIV).
De camee van Craterus stelt Nero als vrouw gekleed voor
en zich aan Doryphorus overgevende, die zeer verrast is door
de gril van zijn meester.
Een andere camee van Pythadores van Tralies is een ta-
fereel van ontucht tusschen Nero, een vrouw en drie cinae-
den (plaat XXXVI).
                                           #
Plaat XXXVIII is de afbeelding van een medaille, die een
andere scène van sodomie tusschen Nero en Doryphorus,
zijn officieelen prostitué, vertoont.
Plaat XL is nog een tafereel van ontucht en sodomie tus-
schen een vrouw, Otho en Nero, volgens de camee van Par-
thenius (van Athene).
De andere platen stellen slechts tafereelen van prostitutie
van mannen en vrouwen voor. Onnoodig ze te beschrijven.
De feesten van Venus werden, zooals wij in een vorig
hoofdstuk gezien hebben, in de laatste dagen van Maart ge-
vierd. En evenals in Griekenland, in Syrië, in Egypte was
de Romeinsche Venus verbonden aan het schijnbeeld der man-
nelijkheid. De Romeinsche dames togen plechtig naar den
berg Quiniral, waar de kapel van Phallos stond, namen het
gewijde voorwerp in bezit en brachten het in processie tot
den tempel van Venus-Erycina, buiten de poort Colline ge-
legen. In den tempel der godin van de liefde gekomen, plaat-
sten deze matronen zelf den Phallos in den schoot van
Venus. Wij weten dit door de geschiedschrijvers.
-ocr page 238-
- 238
Een oude steen geeft ons de uitlegging van deze plech-
tigheid. Het is een gegraveerde kornalijn, die er al het
kostbaar en heerlijk praalvertoon van vertoont:
Een triomphwagen draagt een soort altaar, waarop de
Phallos van een kolossale grootte. Een genius verheft zich
boven het afbeeldsel en houdt een kroon erboven. De wagen,
zoowel als het beeld van den genius, zijn geheel beschut
door een troonhemel of een uitgestrekt vierkante draperie,
aan de vier hoeken ondersteund door lansen, die elk door
een halfnaakte vrouw gedragen worden. Deze wagen wordt
door bokken een stieren getrokken, waarop gevleugelde
kinderen zitten. Hij wordt door een groep vrouwen vooraf-
gegaan, die de trompet blazen. Meer naar voren en voor
den wagen is een karakteristieke vorm van het vrouwelijk
geslacht, de Sinus Veneris voorstellende Deze vorm, geëven-
redigd aan, den Phallos op den wagen, wordt door twee
geniussen vastgehouden, die de plaats schijnen aan te wijzen,
die hij in bezit moet nemen (\'). Als de plechtigheid afgeloo-
pen is, brengen de Romeinsche dames den Phallos vol gods-
vrucht terug in zijn tempel, die in het vervolg beroemd
werd door het gebouw, dat keizer Heliogabalus in zijn nabij-
heid deed oprichten. Daar vestigde hij zijn senaat van vrou-
wen, die belast waren alle vraagstukken over galanterie en
ontucht te beslissen.
Hugues d\'Harcanville heeft zeker moeten aarzelen voor
hij deze teekeningen aan de publiciteit overgaf, die de onder-
werpen der medailles en gegraveerde steenen voorstelden,
welke hij gedurende zijn verblijf in Italië beschouwd had.
Hij heeft den moed der groote zedenmeesters noodig gehad,
die de historische waarheid voor de schijnheilige vooroordee-
len van de onwetende preutschheid stellen. Ook heeft hij als
motto voor zijn boek dit wijs voorschrift van Seneca genomen :
(1) De gravure van dezen ouden steen bevindt zich in het werk : Le
Cu/te secret des dames romaines.
-ocr page 239-
- 239 —
Slechts de verdorvenheid voelt zich beleedigd door de
tafereelen der verdorvenheid. — Depictam semet adversatur
pravUas."
Charron heeft hetzelfde gezegd in zijn werk over de wys-
heid: „De wijsbegeerte bemoeit zich met en spreekt vrij
over alle zaken om er de oorzaken van te vinden, ze te
beoordeelen en te verbeteren."
Het is onder de hoede van diezelfde uitspraken, dat ik
dit werk over maatschappelijke gezondheidsleer wil plaatsen,
dat voornamelijk voor mijn medeleden van het gild dei-
geneeskundigen geschreven is, als ik zelf, gewoon aan het
schouwspel van de verschillende tafereelen der pathologische,
physische en zedekundige anatomie der menschheid.
-ocr page 240-
- 240
MOLOCH IN SARDINIË GEVONDEN.
-ocr page 241-
INHOUDSOPGAVE.
Inleiding. — De verschillende vormen der prostitutie in de
oudheid. De prostitutie der gastvrijheid, de gewijde en de wettige
prostitutie. Verleiding der volken door de priesters der heidensche
godsdiensten..................Blz. 7
De Prostitutie in Indië. — De eeredienst van Lingam.
De legende van Vishnoe en Chiven. Het manuscript van Sangarasiar.
De syphilis in China en Japan 2500 jaren voor de Chr. jaartelling.
De Indische zeden. De Bayadèren, de Natcheas, de Vestiaris, deCan-
cenis. Ontuchtig leven der priesters en der danseressen. De Gourous
en de echtgenooten der goden...........Blz. 12
De Prostitutie in Klein-Azië. — De eerediensten van
Phallus, Baal-Péor, Moloch, Atis en Adonis. De mysteriën der gewijde
prostitutie. De verwijfden, de Kedeschim en de Kedeschott. Prostitutie
beider kunne ten voordeele van de altaren. Venerische ziekten. De
gebruiken der pederastie bij de Pheniciërs, Syriërs en Lydiërs. De
ontmanning. De ontucht der vrouwen. Het Nosos thaileia, het Morbus
pheniceus.
De mannelijke prostitutie in Azië......Blz. 25
De Aziatische Venussen, Mylitta, Mithra, Salambo, Astarte, Derceto,
Alitta, Assera, Cabar, Delephat, Anaïtis. De Mihr en de Ized. De
prostitutie der dochters van Babyion met vreemdelingen. De priesters
van Mylitta. Huwlijksplechtigheden. Losbandige zeden der Babyloniërs.
De priesteressen der liefde in Armenië. De nachtelijke feesten der
goede godin in Phenicië. De feesten van Adonis. De lydische danse-
ressen....................Blz. 30
De Prostitutie in Egypte. — De eeredienst van Priapus,
Isis en Osiris. De stier Apis. De processiën van Priapus op de len-
tefeesten. Priapische amuletten. De vurige hartstochten der Egyptische
vrouwen. De mysteriën van Isis. Ontuchtige feesten van Bubastis.
Prostitutie der dochters van de koningen van Egypte. Wat de Pyra-
miden kostten. Beroemde courtisanen van Egypte. Rhodopis, Archidis,
Cleopatra. De Almeeën. Haar wulpsche dansen op de feestmalen. Sa-
lome op het feest van HerodesAntipas........Blz. 38
De Prostitutie bij de Hebreeuwen. — Overspel der
16
-ocr page 242-
— 242 —
Patriarchen. Verdorvenheid der zeden in Egypte en Arabië. HygiënU
sche voorschriften van Mozes
Ontaarding van het joodsche geslacht door de ontucht. Besmettelijke
witte vloed der vrouwen. De vloeiing bij de mannen. De prijs van
den hond. Prostitutie en venerische ziekten. Bevelschriften van Mozes.
Uitroeiing der Moabieten. De besnijdenis. Prostitutie der joodsche meis-
jes. Salomo en zijn bijwijven, priesteressen van Astarte. . Blz. 47
De godsdienstige Prostitutie in Griekenland. —
De hemelsche Venus en de menschelijke Veuus. Aziatische afkomst
van de Grieksche Venus. De eeredienst van Venus in de zeehavens.
Beroemde tempels. De Kapel van Aphrodite te Epidaurus. De ver-
schillende Venussen. Venus-Pandemos. De standbeelden van de godin.
De gewapende Venus. Venus Callipyge. De hierodulen van den tempel
van Corinthe. De Neurospasia. De eeredienst van Phallos in Grieken-
land. De gewijde prostitutie en haar onzedelijke gevolgen . Blz. 56
De wettige Prostitutie; de Dicterions. — De ge-
woonte der tegennatuurlijke liefde der Grieken. Solon stelt de wettige
prostitutie in. De Dicterions. Nut dezer instelling uit het oogpunt
der zeden. De dichter Philemon aan Solon. Inwendige inrichting der
Dicterions. Prijs der vrouwen. De Dicterions, toevluchtsoorden. Toe-
zicht over de vrouwen met het oog op de hygiëne. Meening van
Demosthenes. Losbandige zeden der Spartanen. Het overspel tot het
voortbrengen van schoone kinderen. De landen, waar het nog bestaat.
......................Blz. 62
Wetten op de Prostitutie te Athene. — De Areopa-
gus. De vrouwenwereld. Onbeperkte vrijheid van den gehuwden man.
De kuischheid bij de matronen vereischt. Strenge wet op het overspel
der vrouw. Stelregel van Plato. Burgerlijke dood der lichtekooien.
Strenge reglementen haar betreffende. Wet tegen de koppelaars der
pederastie. Pleidooi van Demosthenes tegen Neera. Verplichte kleeding
der lichtekooien. Het blanketten. Koppelarij. De samenspraken van
Lucianus. De vroedvrouwen. Socrates en Theëtetes. Het boek van
Elephantis over de vruchtafdrijvingen en de blanketsels. De courti-
sanen van Corinthe. Programma van het onderling onderwijs op de
school der prostitutie. De straffen op het overspel volgens het wet-
boek van Draco................Blz. 67
Devrije Prostitutie, de Courtisanen. — De dictéri-
aden. Politie-reglementen, die op haar toegepast werden. De prosti-
tuées in de tuinen van het Ceramicon. Haar kleeding. De rendez-
vous-huizen. De wolvinnen. Zwervende hetairen. Haar bijnamen. De
Auletriden. De muziekspeeisters en de danseressen. Haar opgang in
de Atheensche wereld. De minnarijen van die vrouwen. De beroemd-
sten. Parthenis en haar proces. Pyrallis, de vogel. Phormesium. Lamia,
de minnares van Demetrius-Poliorcetus. liedenen van haar invloed op
dien vorst. Lamia in het Parthenon. Het gebruik, dat zij van de oor-
logsschatting maakte..............Blz. 7S
-ocr page 243-
- 243 -
De Hetairen. - Haar goede opvoeding en haar talenten. In-
vloed, dien zij op de politiek, de letterkunde en de schoone kunsten
te Athene hadden. Weelde en rijkdom dier groote courtisanen. Aspa-
sia, haar leven en haar betrekking tot Pericles, Aleiliiades, Phidias en
Socrates. Haar vereeniging met Pericles en de oorlogen, die zij met de vol-
ken van Griekenland verwekte. Phrynia. Haar betrekkingen met Apelles
en Praxiteles. Haar plastisch succes bij de mysteriën van Eleusis en
op de feesten van Neptunna en Venus. Phrynea voor de Areopagus.
Rede van Hyperides ter harer gunste. Laïs. Haar betrekking tot den
schilder Apelles. De luim van Demosthenes. Deugd van Xenocrates.
Vers van Voltaire aan Phrynea...........BIz. 86
Groote mannen en Hetairen. — Haar minnarijen met de
dichters, wijsgeeren, generaals en vorsten. Herpyles en Aristoteles.
Lagisehas en Isocrates. Leontinum, Epicuras en Theophrastus. Thaïs.
Alexander en Ptolemeus. De goede Bacchis en Hyperides. ïheodotes
en Alcibiades. Glycere en Menander. Agathoclea en Ptolemeus-
Philopator. Archeanassus en Plato. Aristogones en Demetrius van
Phalere. Bedion en Antagoras, de verzen van Simonides. Cleonice
en Pausanias. Mania en Demetrius. Milto, de oostersche Aspasia en
haar liefde voor Cyrus. Leaena en Harmodius. Haar moed. Nicarete,
de wiskunstenares, en Stilpon. ïheoris en Sophocles. ïbeodote en haar
verliefde grillen voor Socrates. Gnathene en de dichter Dyphile. Pytho-
nice, haar koninklijke weelde. De minnaressen van ïhemistocles.
De tegennatuurlijke liefde in Griekenland. —
Ondeugden der Grieken. Toespraak van Eschinus tot den pederast Timar-
chus. Wetgeving tegen de prostitutie der mannen. Arstophaues tegen
Socrates. De winkels der scheerders en parfumeurs en de badhuizen :
plaatsen voor manlijke ontucht. De pederasten van de Pnix en van de
Acropolis. De schandjongen van Sophocles. De pedophylie van Socra-
tes voor jongens en voor Alcibiades. Gesprek van Aspasia met Socrates
o ver dit onderwerp. Samenspraak over minnarijen door Lucianus. Cha-
ricl es en Callicratides. Paralel tusschen de vrouw en den huwbaren jon-
geling uit het oogpunt der esthetiek. Grieksche zeden. Brief van Dion
Chrysostomus over de uitgebreidheid der pederastie en de verzwakkende
ziekten, die zij veroorzaakt. Haar gelijksoortigheid met tertiaire ge-
vallen van de syphilis. Diagnostiek van den pederast; teekenen waar-
aan men dezen herkent. Symptomatologie van den pederast door den
wijsgeer Philon. Andere soorten van ontucht. De Fellators. Verwijt
van Lucianus aan ïimarchus............Blz. 9\',)
Tribaderie en Sap h isme. — Opvoeding der matronen en
der courtisanen. Wederkeerige liefde der vrouwen. Een nachtelijke
zwelgpartij van tribaden. De callipygische feesten. De brieven van
Alciphron. Erotomanie en Nymphomanie. Haar verschil. Meening
van Esquirol en van Lorry. Geschiedenis van Sapho van Mitylene.
Haar redevoeringen voor haar leerlingen over de lesbische liefde. De
gedichten van Sapho. Meening van Plutarchus. De ode aan de be-
-ocr page 244-
- 244
minde. Vertaling van Delille. Liefde van Sapho voor Phaon ; haar
tragische dood. De hymne aan Venus, vertaling door P. de Sivry.
Veroordeeling der tegennatuurlijke liefde. Het gesprek der courtisanen
van Lucianus. De Sekten in veiling door Lueianus. Verkoop der wijsgee-
rige levens van Diogenes, Aristippes, Socrates en anderen. Blz. 114
De gewijde Prostitutie in Italië. — Godsdienstige pro-
stitutie bij de Etruriërs. De eeredienst van Priapus. De tempel van
Venus-Erycine op Sicilië. Koppelarij door de priesters. Mutunus en
Mutuna. Eerbewijzen door vrouwen en meisjes aan Priapus. De beelden
van den God. Genezing der venerische ziekten. De Priapeeën, voti
solutio.
De eeredienst van Venus te Rome en haar tempel. De ex-
voto.
De Venus-avondfeesten............Blz. 126
De feesten der kerkelijke Prostitutie te Rome. —
Kuischheid der Romeinen in de eerste eeuwen der Republiek.
De Lupercaliën. De Floraliën. Gestrengheid der zeden van Cato.
De Isiachen, Bacchanaliën en Dyonisiachen. Ontuchtigheden dezer
feesten en plechtigheden. Processie der courtisanen en losbollen.
VVulpsche drinkgelagen. De schouwburgen en de spelen in het cirkus.
De openbare prostitutie der gebarenspelers. Inwijding tot de mysteriën
van Bacchus. Verhaal van ïitus Livius. Nachtelijke ongeregeldheden.
De eeredienst van de goede godin. De Liberaliën .... Blz. 134
De wettige Prostitutie in Italië. — De lupanars.
De verschillende soorten van lichtekooien. De Arniea en de gewone
prostitué\'s. De plaatsen van heimelijke prostitutie. De belasting der
prostitutie, meretriaium. De inschrijving op de registers der edilen,
licentia stupri. De danseressen en fluitspeelsters. Weelde der groote
courtisanen. Beschrijving der lupanars, hotels en kroegen. Het per-
soneel der huizen van ontucht. De publieke vrouwen in het gevolg
der legers. De prostitutie op den openbaren weg door de wolvinnen
en zwervenden. Maagden aan de prostitutie geleverd; feesten in de
lupanars. Prijs van de maagdelijkheid. De prijs in de publieke huizen.
......................Blz. 142
De Bondgenooten van de Prostitutie. — Demedicce,
de saga, de obstetrice. De bevallingen en vruchtafdrijvingen. De kop-
pelarij der vroedvrouwen. Verdwijning van niet-erkende kinderen. Het
virus lunare. De onderschuiving van kinderen. De kindermoorden.
De koppelaarster Achantis. De liefde-verwekkende en de liefde-ver-
drijvende drankjes. Behandeling van het onvermogen. De wet tegen
de vruchtafdrijving. De wet tegen het overspel. Oorzaken der talrijke
vruchtafdrijvingen der Romeinsche vrouwen. De schoonheidsmiddelen
en de reukwerken. De barbiers: koppelaars der manlijke prostitutie.
De verfijningen der wellust.» De aandoeningen der geslachtsorganen
......................Blz. 149
Wetten en reglementen op de Prostitutiete Rome.
— Het wetboek voor het huwelijk door Romulus. De plechtige hu-
welijksvoltrekking der Patriciërs. Het huwelijk door verjaring
-ocr page 245-
- 245 —
en de onechtelijke samenwoning, oorzaken vau het zedenbederf.
De wetten op de prostitutie volgens het Romeinsche recht. De
prostitutie als eerloos beschouwd. De burgerlijke dood voor de
licbtekooien en koppelaars. De vrouwen der Aristocratie vragen het
licentia Stupti. Meening van ïacitus. De openbare baden, plaatsen
van openbare prostitutie. De vermenging der seksen. Ongebonden-
heid der matronen. De edilen. opzichters der plaatsen van ontucht.
De prostitutie in de cirkussen. De vectigal, belasting der leno s en
der vrouwen. Kleeding der meretrtces bij politieverordening voorge-
schreven. De draagkoet-en der groote courtisanen. . . . Blz. 160
De mannelijke Prostitutie. Verdorvenheid der
C e s a r s. — Het overspel van Cesar. Hij prostitueert zich aan den
Koning vau Bythinië. Beschuldiging door Cicero in den Senaat uit-
gesprokeu. Leven van Cesar door Suetonius. Octavius, zijn ontuchtige
jeugd. De prijs zijner aanneming tot kind door Cesar. Hartstocht van
Octavius voor maagden. Zijn onzedelijkheid en dwingelandij. Het
feestmaal der twaalf gasten. Pamphlet tegen Octavius. Tilerius. De
intendance der wellust. De ontuchtige mysteriën van Caprea. Zijn
gewoonten van pederastie. De schandjongens, aan wie hij zijn zusters
prostitueert. Zijn overspelige betrekkingen met hooge patricische vrou-
wen in tegenwoordigheid harer mannen. Minnarijen niet jonge koetsiers.
Het Vectigal ex Capturis. Zijn paleis in een speelhol en lupanar veran-
derd. Glaudius. Zijn wulpsche uitspattingen. Prostitutie van Messa-
lina. Nero, monster, geesel der menschheid. Zijn schandelijke omgang
met de Romeinen. Hij trouwt in het openbaar zijn schandjongen
Sporus. Hij verkracht een Vestaalsche maagd. Dolle uitvindingen van
zijn erotische verbeelding. Hij laat zich door Doryphorus verkrachten.
Zijn aanslagen op mannen en vrouwen. Galba. Zijn neiging tot So-
domie. Zijn onbeschaamd gedrag met zijn schandjongens. Otto. Hij
viert openlijk de mysteriën van Isis. Vitellius. Opgevoed te Caprea
in het paleis van Tiberius, wiens gunsten hij koopt. Monsterachtige
ontucht van dezen keizer. De gouden ring der ridders als belooning
zijn schandjongens aangeboden. Commodiua. Even ontuchtig en even
schandalig als Nero. Zijn omgang met tooneelspelers en publieke
vrouwen. Zijn nachten in de krotten en lupanars van Rome. Veran-
dering van zijn paleis in een lupanar. Schoffeering van al de vrouwen
zijner familie. Hij sterft aan een venerische ziekte. Eeliogabalus.
Verpersoonlijking der ondeugd en van den priapischen waanzin. Zijn
liefde voor tooneelspelers. Hij prostitueert zich aan slaven en aan
priesters van Cybele.
Invloed der verdorvenheid der vorsten op de zeden des volks. Gil-
les de Laval, Heer van Retz, Kamerheer en Maarschalk van Frankrijk
verkracht achthonderd kleine jongens in zes jaren tijds! . Blz. 166
De wettige pederastie. — De Romeinsche wet duldt de
manlijke prostitutie der slaven en vrijgemaakten. De cellen der jonge
mannen in de lupanars. De Seantinia-viet voor de kinderen der
-ocr page 246-
— 246 -
patriciërs. Huwelijkszang van Julia en Mallius. Pueri meritorii.
De pathici, ephebi, gemtlli. De cincedi. Ontmanning der kinderen
voor de prostitutie bestemd. De jonge eunuken. Tafereelen van zeden
en van de ontucht in het Satyricon. Petronius, magister elegantiarum
van Nero. Het hekeldicht van den dichter Ausonius. . . Blz. 181
Zedenbederf d e r R o m e i n s c h e m a a t s c h a p p ij. — De
prijs der ontucht. De verwijfden. Zeden tijdens Rome\'s verval. De
ongeregeldheden der politie. Avonturen van een soldaat van Theo-
dosius. Vermeerdering der plaatsen van ontucht. Verkoop van slaven
voor de prostitutie. Invloed der groote courtisanen op de gehuwde
vrouwen. De prostitutie der matronen. De hansworsten, zwaardvech-
ters en tooneelspelers. De Oostersche uitspattingen. Een jeugdige
prostituó van 7 jaar. Tooneelen uit het huwelijksleven. Het feest van
Trimalcion. De ondeugden van de Romeinsche maatschappij. De co-
messationes
.................Blz. 185
De venerische ziekten bij de Grieken en Rome i-
n e n. — \'Haar oorsprong in de tegennatuurlijke betrekkingen. In-
vloed van het klimaat op haar ontwikkeling. De aandoeningen der
huid en der slijmvliezen. De astra lues, de mentagra. De druiper.
Zijn beschrijving en behandeling volgens Galianus, Paulus van Egine,
Actuarius, Areteis. Cselius Aurelianus. De etterachtige vloeiingen bij
de vrouw. Meening van Galianus. De leer der oorzaken vau de
ontsteking-veroorzakende aandoeningen der geslachtsorganen.
De zakontsteking. Haar beschrijving volgens Galianus, Cel-
sius, Areteus. Zij veroorzaakt onvruchtbaarheid bij den man. Zenuw-
pijnen van de teelballen door Hippocrates.
Zweren van de geslachtsorganen. Haar samenloop.
De invreting. De spleten en bersten van de voorhuid. Verschillende
soorten van zweren aan den eikel. De waarneming van Heron : chancres,
secondaire en tertiaire gevallen, zijn dood. De anthrakosis. Besmettelijke
ulcus, waarneming\' door Palladius. Morbus indecens, lues venerea. De
liesgexirellen. Spoedige verettering der kwaadaardige liesgezwellen.
Slechte invloed der klieren op de ziekten der geslachtsorganen. Huid-
uitslag der.\' geslachtsorganen. De phymoris. Het pruritus seroti,
proriasis seroti.
Aetius, Hippocrates.
De vijgwratten. — Geliefkoosde plaatsen dezer uitwassen.
Beschrijving, etiologie en behandeling door Grieksche en Latijnsche
geneeskundigeu. Verschillende vormen van de vijgwratten. Benamingen
door Galianus,~Celsius en Aetius gegeven.
Wordings^geschiedenis der venerische ziekten.—
Inleiding vans, het werk van Celsius over de aandoeningen der ge-
slachtsorganen.
De melaatschheid en de olifantsziekte. — Plaatsen
van oorsprong. Haar verschijning in Italië. Beschrijving door Celsius
en Aretetus vau Cappadocië. Meening van Archigenus. Uitlegging van
-ocr page 247-
- 247 -
Kosenbflum over de betrekking van de melaatschheid tot de vene-
rische ziekten. De syphilis en de elephantiasis.....Blz. 191
Zinnebeeldige gedenkstukken der geschiedenis
van de Prostitutie. — Archeologische bewijzen der godsdien-
stige prostitutie in Azië: medailles, gegraveerde steenen, kegels,
cylinders, enz. van het Museum van het Louvre en van het Cabinet
van Medailles en Oudheden der Nationale Bibliotheek te Parijs. Ge-
graveerde steenen van Boven-Azië en cylinders van Chaldea volgens
Menant. Rapport van Lajard aan de Akademie der Opschriften.
Beschrijving van den agaten kegel van het Cabinet Calvet. Zinne-
beeldige bewijzen van den eeredienst van Mylitta, Anaïtis en Baal-
Péor.
Beschrijving der Assyrische cylinders van het Cabinet der Biblio-
theek door Chabouillet.
Vazen, bekers en gegraveerde steenen van de verzameling Durand.
Hun beschrijving door de Witte. Bewijzen voor den eeredienst van
de Aziatische Venussen in Griekenland. Het Assyrische bas-relief van
Yazili-Kaïa, platte steenen der ruïnen van Babyion door baron Roger.
De oudheden van Cyprus. Beschrijving door J. Soury. De werken
van Creuzer en Guignant over den eeredienst der natuur in haar
voorttelingskracht. Zinnebeeldige kegels. Oude intaglio van Cyprus.
De Egyptische amuletten. Priapische schildering van den tempel
van Karnac. De beeldhouwwerken op de grafsteeuen. Halssnoeren
en cylinders der vrouweu. De gedenkstukken van het privaatleven
der Egyptenaren in de zaal van Julius II. De blanketbenoodigdheden
der vrouwen.
Zinnebeeldige gedenkstukken der prostitutie in Italië. De schilder-
stukken, bronzen en beelden van het Geheim Museum van Napels.
De beschrijving door Famin. De opgravingen van Pompei\', ontuchtige
schilderijen, erotische beelden in brons, marmer, aardewerk, enz. Mar-
meren bas-reliefs de feesten en ceremoniën der prostitutie voorstellende.
Etrurische vazen van het Louvre. De ontuchtige amuletten. Beelden
van Priapus. De gedenkstukken van den geheimen eeredienst der
Romeinsche dames door d\'Hancarville. Gegraveerde steenen, agaten,
onyxen, witte agaten, kornalynen, sardonixen, ametisten uit den tijd
van Augustus en Tiberius. Tafereelen van ontucht. Beschrijving der
gegraveerde steenen en Cameeën van de archeologische cabinetten en
vorstelijke verzamelingen van Rome en der groote steden van Italië.
......................Blz. 213
Besluit.
-ocr page 248-
-ocr page 249-
- 249 —
NIEUWE UITGAVEN VAN A. VAN KLAVEREN
TE AMSTERDAM.
(Swelinckstraat No. 14—16.)
Op ontvangst van postwissel of blauwe postzegels worden
alle
werken op de volgende bladzijden vermeld, franco en
goed verpakt verzonden door geheel Nederland.
SV Voor Nederlandsch-Indië en het Buitenland wordt voor
franco
zending 20% van het bedrag berekend.
Verzoeke duidelijk adres- en juiste titel-opgave.
-ocr page 250-
— 250 —
Nieuwe Romans, uitgegeven door A. VAN KLAVEREN
te Amsterdam :
LIEVEN EN LIJDEN.
Realistische schetsen uit het Amsterdamsche volksleven,
DOOR
A. R. WESTERHOUT.
Post 8°. — 274 bladz. druks.
Prijs f2.50.
.....deze nu eens roerende dan weer schokkende verhalen,
verraden zoo duidelijk het talent van den schrijver om te »tee-
kenen", te »typeeren", dat men wel zal doen dezen arbeid en
alle volgende van deze hand opmerkzaam gade te slaan.
De Portefeuille.
CL A RISSE,
OF HET LEVEN EENEB BLANKE SLAVIN
IN DE NEGENTIENDE EEUW,
DOOR
LORD MONROE.
Derde druk.
Met offlcieele bijlagen.
Koyal 8°. — 216 bladz. druks.
Prijs f 1.90.
HET TOOVERMIDDEL DER VROUW,
DOOR
G. HARTWIG.
2 deelen royal 8°. — 448 bladz. druks.
Prijs f4.25.
M0F" Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto).
-ocr page 251-
- 251 —
Nieuwe Romans, uitgegeven door A. TAN KLAVEREN
te Amsterdam:
DE SPEELDUIYÏÏL,
door Ad. STRECKFUSS.
Royal 8°. — 220 bladz. druks.
Prijs f2.00.
WRAAK EN BEROUW,
door Ecl. SWARTH.
Royal 8°. — 256 bladz. druks.
Pri,s f2.50.
IEJ XD IE 3L. IEJ J2 X IE I-iE :£T,
door J. RICHSPIN.
Vertaling van C. H. P LELT TE.
2 deelen royal 8°. 458 bladz. druks.
Prijs f4.50.
EEN KONINGIN ZONDER KROON,
door CATHARINA F. VAN REES.
Post 8". — 29G bladz. druks.
Prijs f2.50.
DE DOCHTER YAÏT DEÏ SPION,
DOOR fi. VON )VALD ^EDWITZ.
Royal 8°. — 392 bladz. druks.
Prijs f3.75.
W&" Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto.)
-ocr page 252-
— 252 -
Nieuwe Komans, uitgegeven dodr A. TAN KLATEREN
te Amsterdam:
GELD ALLEEN MAAKT NIET GELUKKIG,
DOOR
Ad. STRECKFUSS.
2 deelen royal 8°. — 625 bladz. druks.
Prijs f5.90.
HEMELSCHE EN AARDSCHE LIEFDE,
DOOR
PAUL HEYSE.
Royal 8°. — 208 bladz. druks.
Prijs f 1.90.
LEVEND BEGRAVEN,
DOOR
Gr. GRABOWSKY.
Royal 8°. — 294 bladz. druks.
Prijs f2.75.
DONDOKFE EN" ZONEN,
DOOR
E. A. KÖNIG.
Royal 8°. — 384 bladz. druks.
Prijs f3.75.
B&" Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto).
-ocr page 253-
— 253 -
Nieuwe Romans, uitgegeven door A. VAN KLAVEREN
te Amsterdam:
HAAR EER GEWROKEN,
DOOR
JS. fi.. J( Ö N I G,
Royal 8°. — 228 bladz. druks. Prijs f 2.25.
DE TIJD DER BEPROEVING,
DOOE
J. FOTHERGILL.
2 deelen royal 8°. — 596 bladz. druks.
Prijs f5.75.
DE EERSTE VIOOL,
DOOE
J. FOTHERGILL.
2 deelen royal 8°. — 640 bladz. druks.
Prijs f5.90.
DE STEM DES HARTEN,
DOOR
E. A. K ö n i g.
2 deelen royal 8°. — 472 bladz. druks.
Prijs f4.50.
Ter perse:
DE ARCHENBACHS,
OF ZIELEÏÏADEL EK GELDTROTS.
DOOR
G. HARTWIG.
fi^* Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto).
-ocr page 254-
— 254 -
Nieuwe Romans, uitgegeven <loor*A. VAN KLAVEREN
te Amsterdam:
Ter perse:
DE HOUTVESTER VAN MARGRABOWO,
DOOK
Ad. STRECKPUSS.
s int x t n ac co.
DOOK
GEORGE R. SIMS,
Schrijver van „De Acrobaten".
2 deelen royal 8°. — 500 bladz. druks.
Prijs f5.25.
DE DOCHTER VAN DEN BANKROETIER,
DOOR
G. L Ö S S E L.
Royal 8°. - 240 bladz. druks.
Prijs f2.25.
DE VONDELING,
DOOR
Jï. fi.. J( Ö N I G.
2 deelen royal 8°. — 532 bladz. druks.
Prijs f5.00.
&G~ Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto.)
-ocr page 255-
— 255 —
Nieuwe Uitgaven van A. VAN KLAVEREN te
Amsterdam:
HET HAAR EN DE BAARD,
Handleiding tot het verkrijgen
en tot in boogen ouderdom behouden
VAN
EEN SCHOONEN HAARTOOI.
EEN BOEK VOOR BEIDE SEKSEN,
BEVATTENDE
DE lATl\'UR, ZIEKTEKINÜE EN GENEZINtiSLEER VAN HET HAAR,
BENEVENS
MIDDELEN 011 DEN HAARGROEI TE ONTWIKKELEN EN TE REVORDEREN,
DOOR
Dr. A. DEBAY.
Met een recepten lijst, bevattende de beste en meest krachtdadige
bereidingen voor de ontwikkelirg, het behoud en het kleuren van
het haar en den baard, en om de schub- en korstvormige huid-
uitslagen, alsmede ongedierten te verdrijven; benevens middelen
tegen kaalhoofdigheid; om het haar te verwijderen van plaatsen,
waar men het niet verlangt enz.
Post 8°. — 17G bladz. druks. — Prijs f 1.25.
SV Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto.)
-ocr page 256-
— 256 —
Nieuwe uitgaven van A. V A N *K L A V E R E N te
Amsterdam:
HET BEHOUD VAN ONS
HUWELIJKSMATERIAAL,
DOOK
J. SCHOONDERMARK Jr.
DERDE DRUK.
Post 8°. — P r ij s f -.90.
DE VOORBEHOEDMIDDELEN TEGEN
ZWANGERSCHAP,
DOOR
J. SCEOONDSSMASZ Jr.
VIERDE DRUK.
met afbeeldingen.
Post 8°. — Prijs f —.90.
BACTERIËN,
DE OORZAAK VAN BESMETTELIJKE ZIEKTEN,
DOOlt
Dr. HUGO MITTENZWEIG.
Royal 8°. - Prijs f 1.75.
IETS OVER DE VERPLEGING
VAN
ZENÏÏWLIJDEES,
DOOK
J. SCHOONDERMARK Jr.
Klein 8°. — Prijs f 0.40.
MT* Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhoogiug voor porto).
-ocr page 257-
— 257 -
Nieuwe uitgaven van A. V A N KLAVEREN, te
Amsterdam:
HET BEHOUD VAN ONZE
T -A_ 2ST 3D E3 2ST.
Raadgevingen en wenken voor allen, die prijs stellen op een
gaaf, gezond en fraai gebit. Het wisselen der melktanden.
Middelen om kies- en tandpijn te voorkomen. Het vullen
der tanden. Tandpasta, zeep en poeders, enz. enz.,
DOOR
J. SCHOC^PERMARX Jr.
TWEEDE DRUK.
Post 8°. — Prijs f -.25.
DE VERZORGING VAN ONZE
HUIE,
DOOR
J. SCHOONDERMARK Jr.
met afbeeldingen.
Post 8°. — Prijs f-.35.
LES SAVONS MÉDICINAUX DU DOCTEUR USNA,
PAR
J. SCHOONDEEMARK Jr.
Troisième édition.
Groot 8°. - Prijs f —.25.
EENVOUDIGE HANDLEIDING VOOR HEN DIE WILLEN LEEREN
DOOR
p. J. J.ÖWENSTROM,
TWEEDE DRUK.
Klein 8°. - Prijs f—.20.
Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto.)
17
-ocr page 258-
- 258 -
Nieuwe Uitgaven van A. VAN KLAVEREN, te
Amsterdam:
K. F. BECKER\'S
Gesehiedenis der Middeleeuwen. (476—1486).
Geheel herziene derde druk. Voor het Nederlandsdie volk be-
werkt door J. JONGENEEL eu J. C. DIEHL. 2 deelen,
royal 8°. te zameu ruim 950 bladz. druks, met pi. Uitgave
van 1885 (f 7.85).............f 3.20
Nieuwe Gesehiedenis. (1487-1788).
Geheel herziene derde druk. Voor het Nederlandsehe volk be-
werkt door J. C. DIEHL. 3 deelen, royal 8°. te zamen ruim
1600 bladz. druks, met pi. Uitgave van 1885. (/Ï2.55). ƒ3.90
Nieuwste Gesehiedenis. (1789—1871).
Geheel herziene derde druk. Voor het Nederlandsehe volk be-
werkt door J. JONGENEEL, J. H. T. de VOGEL en J.C.
DIEHL. 5 deelen, royal 8°. te zamen ruim 1850 bladz. druks,
met pi. Uitgave van 1885. (/" 14.65)......ƒ5.50
Sinds velo jaren geniet „Becker\'s Wereldgeschiedenis," zoowel in Duitsch-
land als hier te lande, eene groote en inderdaad welverdiende populari-
teit, want zij munt uit door grondige studie en door een aangenomen,
levendigen en boetenden verhaaltrant. Do schrijver en zijne omwerkers
bezaten de gave, in weinige trekken een sprekend beeld van tijden en
personen te ontwerpen. Het ligt evenwel in den aard der zaak, dat his-
torische werken eindelijk verouderen, maar met Beckek\'s boek is dit niet
het geval; het verheugt zich in eene altijddurende jeugd, of juister gezegd,
in eene steeds voortdurende verjonging.
Telkens als er eene nieuwe uitgaaf
noodig was, hobben de uitgevers de bewerking daarvan aan bekwame
handen toevertrouwd, zoodat de fouten verbeterd en de nieuwste resul-
taten der wetenschap werden opgenomen, terwijl, zoo dikwijls dit noodig
was, geheele hoofdstukken werden weggelaten, toegevoogd of omgewerkt
enz. enz. S. P. A. iJozg.
ij^" Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto.)
-ocr page 259-
— 250 —
Nieuwe uitgaven van A. TAN KLAVEREN, te
Amsterdam:
VOOR NEDERLANDSCHE JONGE DAMES
SAMENGESTELD DOOR
CATHAEINA ALBERDINGK THIJM.
Post 8°. — 372 bladz. in twee kleuren gedrukt, met fraaie
omlijsting en versierde letter op iedere bladzijde.
ÜJ^P" Dit keurige boek dient als 1\'oëzy, Vriendschap»* en Ver-
juardag-Alhum, Dagboek, (Jcdenkboek enz., en bevat teven»
eene fraaie bloemlezing uit de meest gezochte auteurs.
Gebonden in keurigeu prachtband en verguld op snee.
Prijs 2.90.
... De talentvolle redactrice van »Lelie- eu Rozekuoppen", Mej. Catharlna
Alberdingk Thijm,
thans ook conservatrice van de Internationale Kmistver-
ecniging, heeft nog de» tijd gevonden een Album voor NederlandsellC
jonge dames samen te stellen, dat door den uitgever A. VAN KLAVEREN,
te Amsterdam, in een keurig bandje gedost en op fraai papier gedrukt is.
Iedere datum is van een welgekozen citaat voorzien en van eenige woorden
die verheffen, veredelen, althans voor een oogenblik stof tot overdenking
geven; men kan daaronder eene herinnering, een vriendsclianswensell,
eene haildteekciling plaatsen. In de citaten wisselen de beste buiteuland-
sche dichters en schrijvers af met Nederlandsche moralisten, als: TENKATE,
DE GENESTET, BEETS, LOUISE STRATEN VS
en LAVR1LLARD. De
Amsterdammer.
... Naar ous oordeel is Mej. THIJM in de taak, die zij zich voorstelde,
gelukkig geslaagd. Zij heeft voor eiken dag des jaars een goed woord gevon-
den, dat pleit voor haar hart eu haar hoofd, en dat ons waarborgt dat dit
boek veel uut zal stichten. Nevens hare eigene gedachten gal\' Mej. THIJM
voor eiken dag des jaars een kernachtig gezegde, eene spreuk, eene gedachte
of een kort versje van anderen, uit de letterkunde van verschillende volken
verzameld en zeer goed gekozen. Zoowel de inhoud van het boek, als druk
eu papier en een fraaie band, maken dit Album tot een bij uitnemendheid
geschikt geschenk voor jongedames. — Alles getuigt van smaak. — Mejuffrouw
ALBERDINGK THIJM, de bekwame redactrice van "Lelie-en Rozekuoppen",
is voor de Nederlandsche jonge dames eene zóó sympathieke persoon, dat aan
dit Album een ruim debiet mag voorspeld worden. De Huisvrouw.
... Als iets nieuws kondigen wij aan een Album voor Nederlandsche
jonge dames, samengesteld door Mejulfr. C. ALBERDINGK THIJM, die
daarin aan het hoofd van elke bladzijde — voor eiken dag van het jaar —
eenige woorden heeft geplaatst, die «verheffen, veredelen, althans voor een
oogwenk stof tot overdenking geveu." De door velen hooggeschatte schrijfster
heeft hierin zoowel hare eigeu gedachten als een keur uit een aantal van de
beste dichters eu prozaschrijvers verzameld, eu verdient daarvoor een woord
van lof eu waardeering. Het Album is zoowel uiterlijk als inwendig zeer
smaakvol uitgevoerd, eu wij twijfelen niet of het zal vele koopsters of koopers
vinden. Nieuws van den Dag.
f/0" Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto.)
-ocr page 260-
260
Ooedkoope Romans,
verkrijgbaar l>ü A. VAN KLATEREN, Swelinckstraat
No. 14—16 te Amsterdam:
Amstcl, A. V. (I., Het Huis Enghien. Historisch-romantisch
tafereel. 2 deelen, groot 8°..........ƒ 1.50
Annie Foore, Drie novellen. Tweede druk. kl. 8° . . . ƒ0.60
Annie Foore, De van Sons. Een verhaal uit Indië.
2 declen, royal 8°.............ƒ1.90
Bern hard C, Tafereelen uit den tijd van Christiaan II
koning van Denemarken. 3 deelen, groot 8°.... ƒ 1.75
Björnson, B., Magnhild. Een Noorsch verhaal. Uit het
Duitsch door Holda. groot 8°........ƒ0.45
Blackmore, R. D., Erema of de schuld mijns vaders. Uit
het Engelsen, groot 8°...........ƒ0.75
Brachvogel. A. E., Hamlet. Een historische roman. Naar het
Hoogduitsch door S. J. Andriessen. 2 deelen, groot 8°. ƒ1.50
Braddon, M. E., Aurora Floyd, de bankiersdochter.
2 deelen, post 8°.............f 1.25
Bret Harte, Jeff Brigg\'s Roman. Vertaling van J. L.
Wertheim. post 8°............ƒ0.65
Brooks, Sh., Vroeger of later. 3 deelen, groot 8° . . . ƒ 2.25
Brunings, P. F., Onze militaire bijeenkomsten door een
Plattelander. Met een brief aan Kolonel Bömketel te
Kooldorp. post 8°.............ƒ0.60
Brunings, P. F., Het gezin van den rentmeester. 2 deelen,
royal 8°................ƒ1.90
Buis, F. A., (A. N. J. Fabius), De dochter van den Over-
ste. groot 8°...............ƒ 0.75
Chappuis, H. F., Zijn geheim, royal 8°.......ƒ0.90
Claretie, J., Zijn Excellentie de Minister. Parijsche roman.
Naar de 62u Fransche uitgave, door Arnold Ising.
2 deelen, royal 8°.............ƒ 1.90
Delpit, A., Een huwelijk uit wraak. Historische roman.
Naar het Fransch. 2 deelen, groot 8°......ƒ1.80
Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto.)
-ocr page 261-
- 261 -
Goedkoope Romans,
verkrijgbaar bij A. TAN KLAVEREN, te Amsterdam:
Detleff. K., Russische Idyllen. Met een voorwoord van
Lodewijk Mulder, post 8°.........ƒ 0.50
Dickens, Ch., Zie op het einde, post 8°......ƒ 0.15
Donker, N., (H. Th. Boelen). Twee neven, groot 8° . . ƒ0.60
Glümer. C. von, Döninghausen. Een Familie-roman.
2 deelen, groot 8°.............ƒ1.50
Gréviile, H., Uit de Russische wereld. Naar het Fransch
door Fr. Gallé. post 8°...........ƒ1.25
Groneman, J., Indische schetsen. 2 deelen, groot 8° . . f 1.90
Harland, M., Alleen! Een verhaal naar het Engelsen.
2 deelen, groot 8°.............f 1.50
Heeringen, C. V., De koerier van Simbirsk. Een verhaal
uit den tijd van Katharina de Tweede, groot 8° . . f 0.50
Heiberg, H., De gouden Slang. Vertaling van Mw. A.
Rössing-Sablairolles. post 8°........ƒ 1.00
Hoeve, A. H. V. d., Frederiks grootvader, royal 8°...    f 0.90
Hoeve, A. J. V. d., De fout van Ferdinand Reinach. post 8°.    f 0.75
Hoeve, G. J. V. d., Stomme goden, royal 8°.....    f 1.25
Hoeve, G. J. V. d., Marie, post 8°........    f 0.90
Hoeve, G. J. V. d., Het vervloekte huis. royal 8° . . .    ƒ 1.25
Jensen, W., De pastorie van Ellernbrook. Naar het Duitsch
door J. V. Hendriks. 2 deelen, groot 8°.....f 1.50
Jewry, L, De losprijs. 2 deelen, groot 8°......ƒ 1.50
Kepper. G.. Novellen en schetsen, royal 8°.....ƒ 0.75
Krieg, E., Een ontmaskerd misdadiger, post 8°.... ƒ 0.30
Levanti. F., Aan den rand des afgronds. Naar het Hoog-
duitsch. post 8°............../ 0.50
Lewis, H., Verstooten. Naar het Engelsch. 2 dln., gr. 8°. f 1.75
Lië, J., De loods en zijn vrouw, royal 8°......f 0.75
Lië, J., De Rutland. Een zeemansvertelling. Vertaling
van F. J. Arntzenius. post 8°........ƒ0.90
ÏW* Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto.)
-ocr page 262-
- 262 -
Goedkoope Romans,
verkrijgbaar bij A. YAN KLAYEKEN, te Amsterdam:
Loo, H. van, Voor het oog der wereld, groot 8° . . .    ƒ 0.90
Loon, G. van, Uit den vreemde. Novellen, post 8n. . .    ƒ 0.60
Lynn Linton, E., Stella. 2 doelen, royal 8°.....    ƒ1.90
Lynn Linton, E., Te duur gekocht? 2 deelen, groot 8° .    ƒ1.75
Lynn Linton, E., Onder welken heer? 2 deelen, groot 8°.    ƒ1.75
Martineau, H., Tweetal verhalen, groot 8°......    ƒ0.50
Meij, H. Wolfgang van der, Rusland en het Nihilisme, gr. 8°.    f 0.75
Möllhausen, B., De honderdguldeusprent. Naar het
Duitsch. 3 deelen, groot 8°..........ƒ2.75
Murray, D. Chr., Een verwoest leven. Vertaling van P. F.
Bkunixgs. 2 deelen, royal 8°.........ƒ1.90
Paul, (N. M. Schild), Heer Reiuoud van Ravenhorst.
Historische roman. Met een voorwoord van Mr. A.
Haakma van Roten, royal 8°........ƒ0.90
Payn, J., Druiven van doornen. Uit het Engelsen door
Mw. Teding van Berkhout — Ciiappuis. 2 dln., roy. 8U. ƒ 1.90
Quarles, Mw., De Ruiter met het »Rosse paard." Histo-
rische roman, post 8°............f 1.—
Reade, Ch., Een vrouwenhater. Naar het Engelsch door
C. H. Plevïe. 2 deelen, groot 8°.......ƒ1.75
Rees W. A. van, Wijnanda. Een Indische novelle, roy. 8°. ƒ 0.90
Rees, Rich. P. A. van, Tusschen de keerkringen, post 8°. ƒ0.75
Rees, Rich. P. A. van, Marie van Doornweerdt. 2 deelen,
royal 8"................ƒ1.90
Ring, Max, De leugenaars. Roman uit de hedendaagsche
wereld.. Uit het Hoogduitsch. 2 deelen, groot 8° . . ƒ 1.90
Rooze, Edw., (K. C. Tobias). Engelsche schetsen, post. 8°. ƒ1.40
Rooze, Edw., (K. C. Tobias), Jong gehuwd, post 8° . .f 1.—
Rllffini, J., Doctor Antonio. 2 deelen, groot 8° .... f 1.75
jPF" Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto.)
-ocr page 263-
- 263 -
Goedkoope Romans,
verkrijgbaar bij A. AAN KLAVEREN, te Amsterdam:
Sacher Masoch, L. VOn, Kinderen Israëls. Twee verhalen
uit het leven der Joden in Galicië. royal 8°. . . . f 0.90
Schücking, L, Luther te Rome. Historische roman. 2 dee-
leu, groot 8°...............ƒ 1.50
Söndermann, A., Van den dood gered! Episode uit den
Fransch-Duitschcn oorlog in 1870-71. post 8°. . . ƒ0.30
Spill, P. ter, Twee zusters, post 8°........ƒ0.40
Stratenus, L, Paolo en Francesca. Een verhaal uit den
tijd van de Nihilistische woelingen in Rusland, post S". /"0.G0
Swarth, Ed., Moderne struikroovers. groot 8° . . . . ƒ0.90
Trollope, A., De predikant van Bulhamptou. Uit het En-
gelsch door M. Busken Huet. 2 deelen, groot 8°. . ƒ 1.50
Trollope, A., Wie heeft gelijk? Uit het Engelsch door
J. C. van Deventer. 3 deelen, groot 8°.....ƒ 1.50
Tromp, Theod. M., De hut op den Arendsberg. royal. 8°. f 1.—
Tromp, Theod. NI., Emma. Oorspronkelijke novelle, post 8°. / 0.50
Wachenhusen, H., Sabel en Rozenkrans. Naar hetHoog-
duitsch door M. Buys. 2 deelen, groot 8°.....ƒ1.75
Wachenhusen, H., De Heiduk. Naar het Hoogduitsch door
Dr. J. A. Stamkart. 2 deelen, groot 8°.....ƒ1.50
Westervoort, F. van, Herman. 2 deelen, royal 8° . . . ƒ1.90
Westhreene, Mevr. van, Benijd en beklaagd. 2 dln., gr. 8°. ƒ 1.50
Yates, E., Gezocht maar niet gevonden. Naar het Engelsch
door S. J. Andriessen. 2 deelen, groot 8° . . . . ƒ1.50
Yates, E., De beproevingen van Lady Mitford. Verta-
ling van H. Jonker. 2 deelen, groot 8°.....ƒ2.25
fl^" Op ontvangst van het bedrag franco toezending.
(Voor Indië met 20 pCt. verhooging voor porto.)
-ocr page 264-
Nieuwste uitgave van A. van KLAVEREN te
Amsterda m (Svvelinckstraat 14 —16).
DE ZIEKTEN EN KWALEN VAN EEN
5 E I 1T K E
DOOR
Dr, 6. DELAUNOIS
VOOE NEDERLAND BEWERKT.
Roynl 8°. — Prijs ƒ 0.60 franco per post.
(Hij getallen ter verspreiding belangrijk rabat).
Het krnehtigsto middel om het misbruik
van sterken drank tegen to gaan, is om van
lieverlede liet volk tot ilo overtuiging te
brengen, «lat ile jenever een vergift is, \'t welk
don monseli eerst ontadelt om hem daarna
te dooden.
•
Dn. Lf.ff.bvbe.
\'
INHOUD.
Inleiding. Het Alcoholisme.
EERSTE GEDEELTE.
.
Besc, hrijving van het Alcoholisme. — I. Het o n-
4 de r 1 ij f. De maag. — De lever. — De nieren. — De blaas. —
II. De borst. De longen en de adembalingstoestel. — Het hart
en -de bloedvaten. — III. Het hoofd. Het verstand. — De be-
weging. — Het gevoel. — De Zintuigsorganen. — IV. Wonden
bij dronkaards. — V. De sterfte onder de drinkers. —
VI. Zelfverbranding. — VIL De afstammelingen der
dronkaards.
V *                                                                     TWEEDE GEDEELTE.
I. Vergiftigde b r a n d e w ij n. — II. O v e r d o n Alcohol
in verschillende hoeveelheden. — III. Over het
dagelijksch gebruik van Alcohol. -- IV. Over het
-
nut van den Alcohol. — V. Over de plotselinge
onthouding van den Alcohol. — Besluit.
-ocr page 265-
N
4
-ocr page 266-
Belangrijke Prijsvermindering van een
STANDAARDWERK!
In plaats van f 41.05 voor .slechts f 13.90.
DE ONDERWIJSWETTEN IN NEDERLAND
EN
HARE UITVOERING.
Administratieve verzameling van alles wat daarop betrekking
heeft uitgegeven met machtiging van Zijne Excellentie
den Minister van Binnenlandsche Zaken
EN MET AANTEEKENINGEN VOORZIEN
DOOR
Mr. P. F. HUBRECHT,
Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken.
15 deelen groot 8°, met platen.
Dit belangrijk Standaardwerk, onmisbaar voor ieder die met
het Onderwijs in \'t algemeen, of een bixonder onderdeel daarvan,
in betrekking staat, wordt tijdelijk aangeboden voor den belangrijk
verminderden prijs van slechts ƒ 13.90 in plaats van ƒ 41.05.
Door de uitvoering van het grondwettig voorschrift, »het onderwijs is
een voorwerp van de voortdurende zorg der regeeriug", is datzelfde onder-
wijs een voorwerp van de warme belangstelling der natie geworden.
Mogen de oorzaken dier belangstelling verschillend zijn, het feit, dat
zij bestaat, is niet te loochenen.
Groot is in de eerste plaats het aantal van hen, die met de wettelijke
-ocr page 267-
bepalingen bekend moeten zijn, die moeten weten op welke wijze en in
welken geest deze bepalingen uitgevoerd behooren te worden, en deze ken-
nis niet alleen aan de woorden der wetten zelven ontleenen, maar vooral
aan de voorschriften, die van hooger hand gegeven en de beschikkingen,
die genomen zijn.
Zeker is dat aantal groot. Wanneer men alleen maar samentelt wie
als leden van het Dagelijksch Bestuur of van den Raad eener Gemeente,
als leden van het Rijks- of Gemeentelijk Schooltoezicht of als leeraars bij
Inrichtingen van Hooger-, Middelbaar- of Lager onderwijs bijna dagelijks
met wettelijke regelingen van het onderwijs in aanraking komen, dan vindt
men reeds een aanzienlijk cijfer.
Maar er zijn nog zooveel andere landgenooten, die in onderwijs, weten-
schap en kunst belangstellen, daarin gewichtige factoren van volksont-
wikkeling en volkswelvaart zien en daarom aan eene goede wettelijke
regeling groote waarde toekennen. Sommigen, uiterst tevreden over hetgene
na jaren van inspanning op dit gebied verkregen is; anderen, bedenkelijk
het hoofd schuddende over hetgene zij overdrijving achten, zich luide be-
klagende, dat, waar de wetten reeds te ver gaan, de uitvoering deze nog
verre achter zich laat; enkelen, misschien velen, het betreurende, dat de
wettelijke regelingen in menig opzicht tekort schieten. Bij allen, tot welke
groep zij mogen behooren, is de begeerte aanwezig om grondig en nauw-
keurig met de onderwijswetten bekend te wezen.
Nergens is met zooveel volledigheid, juistheid en historische trouw aan
deze verklaarbare weetgierigheid voldaan als in het belangrijke boek:
DE ONDERWIJSWETTEN JN NEDERLAND
EI MEE UITVOERING
DOOR Mr. P. F. HU BR ECHT.
Secretaris-Generaal aan het Min. v. B. Z.
Het ia verdeeld in 5 afdeelingen :
A.  Hooger        Onderwijs 3 deelen. ]
B.  Middelbaar          » 2 »             Deze afdeelinSen ziJn *«•
p r k > verkiezende ook afzonderlijk
D.  Alferiei Inst. v. » 3 l ( verkrijgbaar. Zie de achter-
E.  Wetenschap en Kunst 2 » ] zijde van dlt Pr°spectus.
Samen 15 boekdeelen in groot-octavo.
De inhoud dier boekdeelen is even rijk als wetenswaardig. Men vindt
er niet alleen de wetten en de noodige toelichting harer bepalingen, maar
ook alles wat tot de behoorlijke uitvoering dier wetten is ontworpen, ver-
ordend en voorgeschreven. Bovendien bevatten zij een levendig tafereel
van alle handelingen vau het Hooger Bestuur ter nadere verklaring of
opheffing van misverstand, eene volledige verzameling van alle vragen,
die bij de uitvoering der wetten gedaan en de antwoorden, die daarop
gegeven zijn.
De uitvoerige Registers, achter ieder deel geplaatst, stellen de gebrui-
-ocr page 268-
kers in staat, om in eene korte spanne tijds alles te vinden, wat zij op
een gegeven oogenblik noodig hebben.
Zulk eene uitmuntende, en nauwkeurige verzameling van gegevens, een
vertrouwbare gids op het pad der dagelijksche practijk, kon alleen bijeen-
gebracht worden door iemand, die vrijelijk beschikken mocht over den
voorraad van stukken, die in het Departement van Binnenlandsche
Zaken aanwezig zijn. In dit opzicht zal wel niemand de bevoegdheid van
den Schrijver betwisten of in twijfel trekken. Aan deze bevoegdheid paart
hij eene onbegrensde liefde voor de volksschool en haar beginsel, eene
oprechte ingenomenheid met het onderwijs in het algemeen, de wetenschap
en de kunst.
Ofschoon het zijn werk niet aan dankbare waardeering ontbroken heeft,
is het toch niet in de handen van zoovelen gekomen, als men in het
belang der zaak wenschen mocht. Geen wonder! Een uitvoerig degelijk
werk in 15 deelen kan niet anders dan betrekkelijk duur, voor menigeen
te duur zijn.
De ondergeteekende, door aankoop eigenaar geworden, wil eene poging
wagen om dit bezwaar op te heffen en door eene belangrijke vermindering
van den prijs het boek te brengen, waar het zijns inziens niet ontbre-
ken mag: in de werkkamer van belangstellenden en belanghebbenden, op
de kantoren der Gemeentebesturen, in de Arrondissements-bibliotheken der
onderwijzers. Overal zal het zijne heldere stralen uitzenden en een veel-
zijdig nut stichten.
Amsterdam,                             A. TAN KLAVEREN.
BESTELBILLET.
£W" Zie ommezijde.
-ocr page 269-
Onderstaande af deelingen xijn ook afzonderlijk verkrijgbaar:
A.  Hooger Onderwijs. 3 deelen, in plaats van ƒ 7.95 voor ƒ2.90
B.  Middelbaar Onderwijs. 2 deelen, in plaats van ƒ 5.30 voor/2.25
C.  Lager Onderwys. 5 deelen met 14 platen, in plaats van ƒ 13.25
voor ƒ 4.90
D.  Terdere instellingen van Onderwijs.
Teekenscholen. — Veeartsenijkunde. — Muziekonderwijs. — Ambacbts-
onderwijs. — Stenographie. — Anibachtsonderwijs voor meisjes. —
Onderwijs voor machinisten. —Teeken-en kuEstnijverheids-onderwijs.—
Deel III bevat: Het Onderwijs voor de Zeemacht, bewerkt door
J. A. WALDECK.
Te zamen 3 deelen, in plaats van f 9.25 voor f 3.50.
E.  Wetenschap en Kunst.
Koninklijke Akademie van Wetenschappen. — Koninklijk Instituut
van Ingenieurs. — Hollaudsche maatschappij der wetenschappen. — Het
genootschap Pro Excolendo iure patrio te Groningen. — Bataafsch
genootschap der proefondervindelijke wijsbegeerte. — Zeeuwsch genoot-
schap der wetenschappen. — Maatschappij der Nederlandsche letterkunde. —
Prov. genootsch. van Kunsten en wetenschappen te Utrecht. — Genoot-
schap ter bevordering der natuur-, genees- en heelkunde te Amsterdam. —
Natuurkundig genootschap te Groningen. — Hollandsche maatschappij
van fraaie kunsten en wetenschappen. — Priesch genootschap van ge-
schied-, oudheid- en taalkunde. — Prov. genootschap van K. en W. in
N. Brabant. — Historisch genootschap te Utrecht. — ïeijler\'s stichting.—
Nederl. entomol. vereeniging. — Vereeniging ter beoefening van Over-
ijsselsch recht en geschiedenis. — Geschied- en oudheidkundig genoot-
schap in Limburg. — Nederlandsche dierkundige vereeniging. — Aard-
rijkskundig genootschap. — Maatschappij Felix Meritis. — Nederlandsche
botanische vereeniging. — Koninklijk oudheidkundig genootschap. —
Koninklijk instituut van Taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-
Indië. — Indisch genootschap. — Koninklijk meteorologisch instituut.—
Maatschappij ter bevordering der pharmacie. — Archiefwezen.
Te zamen 2 deelen, in plaats van ƒ 5.30 voor f 2.25.
De ondergeteekende verlangt door tusschenkomst van den Boek-
handelaar............................................................................................................................................................._.._...........___
...........................Ex. De Onderwijswetten in Nederland en hare uitvoering.
15 deelen met platen, voor f 13.90.
Van bovenstaand werk afzonderlijk:
............................Ex. A. Hooger Onderwijs. 3 deelen, voor f 2.90.
............................Ex.    B.    Middelbaar Onderwijs. 2 deelen, voor f 2.25.
...........................Ex.    O     Lager Onderwijs. 5 deelen met 14 platen, voor f 4.90.
...........................Ex.    D.    Verdere instellingen van Onderwijs. 3 dln., voor f 3.50.
........................._Ex.    E.    Wetenschap en Kunst. 2 deelen, voor f 2.25.
(Wat MET verlangd wordt gelieve men door te halen).