-ocr page 1-
-ocr page 2-
*W iï,é,
-ocr page 3-
-ocr page 4-
•in
-ocr page 5-
HET
3
NIEUWE TESTAMENT
OP
ALLE BOEKEN DES NIEUWEN VEBBONDS
VAN ONZEN HEEKK
JEZUS CHBISTUS.
OP LAST VAN 1)1\'. IIOOGM. IIEEBEN
STATEN-GENERAAL DER YEREENIGDE NEDERLANDEN,
IIEI NEDERLANDSCII BIJBELGENOOTSCHAP.
-ocr page 6-
Stoomdrukker!] ROELOFFZBS & HÜBNEB, Amsterdam.
-ocr page 7-
REGISTER VAN DE BOEKEN
DES
NIEUWEN TESTAMENTS.
lloofdst                                                                                               Bladz.
SS    Het Evangelie van Mattlieüs..........        1—47
16    Het Evangelie van Marcus...........     47— u
24    Het Kvaiiirelie van Lucas...........     77 —1"^7
21     Het Evangelie van Johaunes..........    127—MM
25    De Handelingen der Apostelen.........    164—213
1 ÜltlKVKN VAN PAULUS:
16    Aa» de Romeinen............, .    213—232
16    Eerste aan de Corinthiöra...........    £12—251
13    Tweede aan de Coriutliicrs..........    252—264
6    Aan de Galutiers..............    264—271
(i    Aan de Efeziers...............    271—277
4   Aan de Fllippenien.............   878—8®
4   Aan de Colquenun\'.............   888—887
\'t    Eerste aan de Thessalouiceuzeu........    2«7—291
3    Tweede aan de Tliessaloiiicenzen........   291—293
6   Eerste aan Timótheüs............   294-299
4    Tweede aan Timótheüs............    299—SKI
I    Aan Titus.................    393-305
1    Aan Filémon................    S06—90
13    Aan de llebreëis..............    306-321
ALGEMEENE BRIEVENt
5    Van Jacobus................    321— 326
5    Eerste van Petrus..............    326—Ml
3    Tweede van Petrus.............    332-335
5    Eerste van Joliaunca.............    335-340\'
1    Tweede van Johaunes............            341
1    Derde van Johaunes...... ......            342
1    Van Judas.................    343-344
22    De Openbaring van Johaunes.........   341—367
-ocr page 8-
-ocr page 9-
HET HEILIG
EVANGELIE
NAAB DE BES.
UIRIjriNG VAN
HEUS.
M ATT
Salathiël, en Salutliiël gewon
: Zorobubcl;
13  en Zorobabel gewon Abiud,
I en Abiud gewon Eljuklin, en
lMjakim gewon Azor;
14  en Azor gewon Sadok. en
Sadok gewon Adam, en Aebim
1 gewon Eliud;
15  en Eliud gewon Eloazar,
I en Eleazar gewon Matthau,
\\ en Mattlian gewon Jakob\',
Ificn Jakob gewon Jöxet, den
man van Mnria, uit welke
geboren is Jezus gezegd Chris-
i tus.
17    Alle de geslachten dan
van Al)rabain tot David tijn
\' veertien geslachten, en van.
David tot de Babylonische
1 overvoering sijn veertien ge-
: slachten, en van de Habylo*
nische overvocrinsc tot Christus
j sijn veertien geslachten.
18    De geboorte van Jezus
i Christus was uu aldus: want
! als Maria zijne moeder met
; Jozef ondertrou wd was, eer
lij te zamen gekomen waren,
j werd . zij zwanger bevonden
! uit den Heiligen Geest.
1 19 Jozef nu, linar man, alzoo
I hij rechtvaardig was, en haar
. niet wilde open baarlijk te
schande maken, was van wille
i haar heimelijk te verlaten.
20 Eu alzoo hij deze dingen
in den zin had, zie, de Engel
I des Meeren verscheen hem in
den droom, zeggende: Jozef,
gij zoon Davids, "wees niet be-
HOOFDSTUK 1.
HET bock des gcslachts van
Jkzus Cubiptvs, den loon
van David, den zoon van A-
braham.
2 Abraham [rcwo:i Isalllc, en
Isailk gewon Jakob, en Jakob
gewon Juducn zijne broeders;
:i en Juda gewon Paren en
Zara bij Thamar; en Farcs ge-
won Esrom, en Esrom gewon
Aram;
t en Aram gewon Ammadab,
en Amhiadab gewon Naliussou,
en Nahassou gewon Salmon ;
5 en Salmon gewon Hoüz bij
Hachab, e» Bo.ib gewon O bed
bij Ruth, en Obed gewon Jesse ;
fi en Jesse gewon David den
Koning. En David de Koning
gewon Salomo, bij degene die
l\'rla\'s vrouw wa8 gert-ee-it;
7 en Salomo gewon lïohoam,
en Roboani gewon Abia, en
Abia gewon Asa;
S en Asa gewon Josafat, en
Josafat gewon Jorani, en Joram
gewon Ozias :
1) en Ozias gewon Joathnm,
en Joatham gewon Acliaz, en
Achaz gewon Ezekias;
10  en Ezekias gewon Manasse,
en Manasse gewon\'Amon, en
Amon gewon Josias;
11  en Josias gewon Jechonins
en zijne broeders, omtrent de
llaby Ionische o vervoering.
12    En na de Babylonische
overvoering gewon Jcclionias
-ocr page 10-
MATTHEÜS 2.
van Juda, zfjt geenszins de
minste onder de Vorsten van
, Juda; wau: uit u zal de Leids-
mnn voortkomen die mijn volk
; Israël weiden zal,
7 Toen heeft Herodes de \\vfj-
ien heimelijk geroepen, en ver-
nam naarstk\'lijk van hen den
tijd wanneer de ster verseheneu
; was;
H en hen nnar Bethlehem zeu-
dende, zeide 1 Heist henen eu
onderzoekt naart* tigltjk naar
dat kindeken, mi als gij het
zult gevonden hebben, bood-
sehant bet mij, opdat ik óók
koine en datzelvc aanhidde.
9 K11 zij den Koning gehoord
heb bende, zijn henengereisd ;
• en zie, de ster, die zij in
\'t Oosten gezien hadden, ging
bun voor, totdat zij kwam en
stond boven de jdaata waar het
kiudake» was.
lil Al» zij nu de ster Mgen,
verheugden «ij zielt niet teer
groote vreugde;
11 en in bet hnis gekomen
zijnde, vonden zij het kindeken
met Maria zijne moeder, en
ucdcrvallende, hebben zij bet-
zelve aangebeden; en hunne
schatten opengedaan hebbende,
braehten zij hem geseheiiken,
goud en wierook en mirre.
i 12 En door Goddelijke opeu-
: baring vermaand zijnde in
1 den droom, dat zij niet zouden
i wederkeeren tot llerndes, vcr-
\\ trokken zij door eenen anderen
I weg weder naar hun land,
! i:t Toen zij nu vertrokken
1 waren, zie, de Kngel des Hee-
; ren verschijnt Jozef in den
, droom, zeggende: Sta op, eu
: neem tot u het kindeken eu
: zijne moeder, en vlied in Kgyu*
te, en wees aldaar totdat ik
, het u zeggen zal; want llerodes
! zal het kindeken zoeken, om
hetzelve te dooden.
; 14 II13 dan opgestaan zijnde,
nam het kindeken eu zijne
moeder tot zich in den naeht,
\\ en vertrok naar K;-\'ypte,
! 15 eu was aldaar tot den dood
vrecsd Maria uwc vrouw tot u
te nemen; want hetgeen in huur
ontvangen is, dat U uit den
Heiligen Geest;
21  en lij zal eeuen loon baren,
en gij «"l* *U"*n naam heeten
Jrüith; want liij tal zijn volk
zalig maken van hunne zon-
den.
22    En dit alles 1* geschied,
opdat vervuld zoude worden
hetgeen van denlleere gcxpro-
ke» i* door den Profeet, zcg-
Kcnde :
23  Zie, de maa\'id zal twan-
Êer worden en eencn znon
aren, en u\'ij zult zijnen nuttin
heeten Ëmraauuul; hetwelk Is,
overbezet zijnde, God niet ons.
24  Jozef dan, opgewekt zijnde
va» den slaap, deed gelijk de
Engel des lleeren hem bevolen
had, en heeft zijne vrouw tot
llcli genome»,
\'J.\'i eu bekende haar niet, tot-
dnt zij de/.en horen eerstgebo-
rcti /.Hun gebuurd had, eu
heette zijnen naam Jizus.
HOOFDSTUK 1
TOKN nu Jezus geboren was
te Bethleliem, gelegen in
Judén, in de dagen van den
Koniir; HerodoB, zie, ee.tit/e
wijzen van het Oosten, rijn te
Jeruzalem aangekomen,
2 leggende : Waar is de gc-
boren Koning der Joden? want
wij hebben gezien zijne ster
in \'t Oosten, eu zijn gekomen
om hem te aanbidden.
\'A De Koniirr Herodes mi dit
gehoord bobbende, werd ont-
roerd, en geheel Jeruzalem
niet hem;
4 en bijêén vergaderd hebben-
de alle de Ov< rpriesters eu
Schriftgeleerden des folk»,
vraagde van ben, naar de
Christus zov.de geboren woi-
den.
ó Kit zij zeiden tot hem : Te
Bethleheui, in Joden gelegen;
want aUóó ix genelireven door
den 1\'rofeet:
(i En gij Bethlehem, gij land
-ocr page 11-
MATTI
vu», Herodes; opdat vervuld
zoude worden het nm van
den Ui-ere gesproken Ik door
den Profeet, zeggende; Vit
Egypte heb ik mijnen Zoon
geroepen.
Ui Als II. rnrles zag dut hij
vau \'m wijzen bedrogen was,
toen wen! hij zeer toornig, en
et/tige* afgezonden lichtende,
heeft hij omgebracht alle de
kinderen die binnen Hcthlehem
en in alle ileszelfs landpalen
varen, van twee jaren umi en
daaronder, naur urn tijd dien
hij vau de wijten naarstiglfjk
onderzocht had.
17  Toen i» rcrvuld geworden
\'t Keen gesproken is door den
Profeet Jeremia, zeggende;
18  Kt\'uc stemme is in Kauin
gehoord, gekla\'g, geween en
vee) gekerm ; Kachel beweende
hare kinderen, en wilde niet
vertroost wezen, omdat ze niet
zijn.
1\'J Toen Herodes nu gestorven
was, zie, de Engel des llee-
reu verschijnt Jozef in den
droom, In Egypte,
20  zeggende: Sta op, neem
het kindeken eu zijne uioedei
tot n, en trek iu liet land Isra-
els; want zij zijn gestorven die
de ziel des kindekens zochten.
21   Hij dan, opgestaan zijnde,
heeft tot zich genomen liet kin-
deken en zijne moeder, en is
gekomen iu het land Isracls.
22  Maar als hij hoorde dat
Archelaiis in Judéa Koning
was, in de plaats van zijnen
vader 11 crudes, vreesde h ij
daarhenen te gaan; maar door
Goddelijke openbaring ver-
maand iu den droom, is hij
vertrokken iu de declen van
Ralilea.
23  Eu daar gekomen zijnde,
iifim hfj zijne woonplaats in
de stad genaamd Naxarcth ; op-
dat vervuld zoude worden wat
door de Profeten gezegd jg, da(
hij Nazarener zal geheeten
worden.
El* ::-                                            a.
HOOFDSTUK 3.
EN iu die dagen kwam Juhnn-
nes de Ponpcr, predikende
in de woestijn vau Judcu,
2  en zeggende: 1b keert ;i,
want liet Koninkrijk der hc-
melen is nabij gekomen.
3  Want deze is \'t va» dce-
welken gesproken is door Je-
saja den Profeet, zeggende:
De stemme de* roeprndcii inde
woestijn: Hereidt den weg drs
Ileeren, maakt zijne puden
ree li t.
4   Ku deze Johanucs had zijne
kleedhig van kemelshaar, eu
eeneu lederen gordel 0111 /.ijue
lendenen; eu zijn voedsel was
sprinkhanen eu wilde luu.ig.
i\'> Toen is tot hein uitgegaan
Jeruzalem en geheel Judéa en
\'t geheele land rondom den
Jordaun;
(i en werden van hem gedoopt
in den Jordaau, belijdende
hunne zonden.
7   Hij dan ziende velen van de
Farizeërs eu Snddnccër* tot «||-
uendoon komen, sprak tot hen :
Gij addercngcbroedsrl», «ie
heeft 11 nangewezen te vlieden
vau den toekomenden toorn?
H Krengt dan vruchten voort
der bekcering waardig;
8  en meent niet bij uzelvcu Ie
zeggen: AVij hebben Abraham
tot een vader; want ik zeg u,
dat God zelfs uit deze steeueu
Abraham kinderen kan ver-
wekken.
10  K11 ook is aireede de bijl
aan den wortel der liooiueu ge-
legd; alle boom dun die geen
goede vrucht voortbrengt,
wordt uitgehouwen eu iu \'t
vuur geworpen»
11   Ik doop u wel met water
tot bekcering : muur die na mij
komt is sterker dan ik, wici.s
schoenen ik niet wuardig beu
Aem mi te dragen : il ie zal u nut
den Heiligen Gerst en met vuur
doopeu;
I 12 wiens wan in zijne bni:d
: Is, en hij zal zijnen dorsehvloer
-ocr page 12-
MATTHEU8 4.
j van u bevelen zal, en dat zij u
op de handen zullen nemen.
opdat gij niet te cenigcr tijd
; uwen- voet r.an eenen steen
\\ aanstoot.
7 Jezus zcide tot hem : Daar
U wederom geschreven: Gij
zult den Hceie uwen God niet
, verzoeken.
] S Wederom nam hein de duivel
mede op ecnen zeer hoogeti
: berg, en toonde hem alle de
, koninkrijken der wereld en
j hunne heerlijkheid,
! \'J en zeide to! hem ; Alle deze
dingen nl ik n geven, indien
gij ncdervnlleiiile mij zultanu-
hidden.
li» Toen neide Jezus tot hem:
Ga weg, satan, want daar staat
geschreven: Den Heere uwen
God zult -\'ij aanbidden,en hem
alleen dienen.
11  Toen liet de duivel van hem
af; eii zie, de Engelen zijn toe-
gekomen en dienden hem.
12  Als UU Jezus gehoord had
: dat Johanncsovergeleverd was,
is hij wedergekeerd naar Gft-
lih\'-a.
IS En Nflzareth verlaten heb-
I bende is komen wonen te
Kaperiiaüin, gelegen aan de
: zee, in de landpalen van Ze ba*
, Ion en Nnftali;
I II opdat vervuld\'.oude worden
\'t geen gesproken is door
Jesaja den Proleet, zeggende;
18 Met land Zebulon en het
land Nnftali, aa* den weg der
zee óver den Jordaan, Galiléa
der volkeren,
Ui het volk dat in duisternis
zat, heeft een groot licht gasten f
, en degenen die zaten in liet
land en de schaduwt\' des doods,
denzelven is een Hebt opgegaan.
17 Van toen aan heeft Jezus
begonnen te prediken, en te
zeggen: Bekeert u, want het
Koninkrijk dir hemelen is na-
bij gekomen.
• 1H En Jezus wandelende aan
j de zee van Galiléa, zag twee
\' broeders, uaacliik Slmon ge-
zegd Petra», cu Andaus zijnen
door&ulvereu, en zijne tarwe in
zijne schuur samenbrengen, en
zal hel kaf inctonultblus£Che<
Jijli vuur verbranden.
13 Toen kwam Jezus van Ga-
liléa nanr den Jordaan tot
Johanncs, uin vnu hem gedoopt
te worde»,
11 Doch Johanncs weigerde
lietn zeer, zeggende: Mij is
iioodi; vau o gedoopt t<- wor*
den, en komt «ij tot mij ?
IS Maar Jezus antwoordende,
zei de tol hem: I.ant nu at\', want
aldus betaamt o;:* allcgerech-
tixbeid te vervollen. Toen Het
Lij van hein af.
Mi Kn Jezus gedoopt zijnde, is
terstond opgeklommen uit liet
water; eu zie, de hemelen wcr-
deh hem geopend, en hij zag
den Geest Goal nederdalen ge-
lijk eene duive, en op hem
komen.
17 Kn zie, eene stemme nlt de
hemelen, zeggende; Deze is
mijn Zoon, mijn Geliefde, in
deuwelken ik mijn welbehagen
heb. ,
HOOFDSTUK I.
riiOEN werd Jezus van den
X Gerst weggeleid in de woea*
tijn, om verzocht te worden
van den duivel.
2  Kn nis hij veertig dagen en
veertig nachten gevast had,
hongerde hem ten laatste.
3  En de verzoeker tot hem ge-
komen xtjiidc, seide i Indien gij
Gods /.nou /.ijt, /.eg dat deze
Bteenen brooden worden.
I Doch hij antwoordende
zcide: Daar is geschrevens De
men se li zal hij brood alleen
niet leven, maar bij allewoord
dat door den mond Gods uit*
gaat.
5  Toen nam hem de duivel
mede naar de heilige stad, eu
stelde hem op de tinne des
Tempels,
6  en telde tot hem : Indien gij
Gods Zoon /.ijt, werp uzclven
nederwaarts; want daar is ge-
schreven, dat hij zijne Engelen
-ocr page 13-
broeder. Lot net in de zee
werpende, [want zij «aren
visschers);
19 en hij zeide tot hen : Volgt
mij na, .\'n ik zal u visscliers
der ineuFclion maken.
\'2n Zij dan terstond de netten
verlatende, zijn hem nagevolgd.
21  En hij, van dnar voort!»e-
jraan zijnde, zaï twee andere
broeders, namet\'tUt Jacobus, de»
zoon van Zebedcus, en Jnhan-
nos zijnon broeder, in het schip
met bunnen vader Zebedeus
hunne netten vermakende, en
beeff hen geroepen.
22  Zij dn» terstond verlatende
het Hellip eii hutiUCa vader,
zij» hem na^e.oip\'d.
23  TIn Jezus omging geheel
Galilóa, leereude in li tinne
Synatcoijeit, o* predikende het
Evangelie des Koninkrijk*, en
Kniezende alle ziekte en alle
kwale ouder bet volk.
24  Eu zijn gerucht ging ra.i
daar
uit in gebed Syrië; en zij
brachten tot hem allen die kwa-
lijk gesteld waren, met vcr-
scheidene ziekten eo pijnen be-
vaiiftcn zijnde, en van den
duivel bezeten, c;i laaanzieken,
en geraakte;; j va hij genas
deze i ven.
25   En vele Bedaren volgden
hem na, va» Galiléa, en van
Decapoli», en van Jeruzalem,
en run Judéa, en ra.t óver den
Jordaan.
HOOFDSTUK fl.
EX Jrxuttlc scharen ziende, is
geklommen op eenen bene,
en als hij nedergeeeten was,
kwamen zijne discipelen tot
hem.
2   En zijnen mond geopend
hebbende, leerde hij ben, zeg-
gende i
3    Zalig zijn de armen van
geest; want hunner is bet
Koninkrijk der hemelen.
4  Zalig zijn die treuren; want
zij zullen vertroost worden.
6 Zalig zijn de zacht moedigen;
• want zij zullen bet nauliijk
; heerven.
I  Zali^\' gijn die hongeren en (
dorsten naar de gerechtigheid;
I want zij zullen verzadigd
, worden.
I 7 Zalig zijn de barmhartige»;
want hun zal barmhartigheid
geschieden.
S Zalig gijn de rehien van
hart; uant zij zullen fïod zien.
!> Zalig ey« de vreedzame»;
want zij zullen Gods kinderen
genaamd worden.
1(1 Zalig ~ii" die vervolgd wor-
1 den om der gerechtigheid wil;
want hunner is bet Koninkrijk
der hemden.
II   Zalig ztjt irij als u de mex-
srhen smaden en vervolgen, en
liegende alle kwaad tegen u
spreken om mijnentwille.
12 Verblijdt en verheugt u,
want uw loon is groot in de
hemelen ; want nlzóó hebhen
zij vervolgd de Profeten die
vóór u geweest zijn.
!:t Gij zijt het zout der narde;
indien nu het zout smakeloos
wordt, waarmede zal het ge-
zoutc» worden ï Het deugt ner-
; gens meer toe, dan om buiten
geworpen en vnn de matschcil
. vertreden te worde».
14 Gij zijt her Hebt der we-
1 reld ; cene stad boven op oenen
! berg liggende,kan niet verbor-
gen zijn;
ir» noch steekt me» eenekaars
aan en zet die ouder eenc
korenmnnt, maar op eenen
kandelaar, en /.ij schijnt alle»
die in het huis thn.
hl i .ii.it uw Hebt alzoo schijnen
1 voor de lucuscheu dut zij uwe
goede werken ningen zie», en
uwen Vader die in de hemelen
is verheerlijken.
17  Meent niet dat ik gcltoni"»!
ben om de Wet of de Profeten
te ontbinden: Ik ben niet ge-
komen oin die te ontbinden,
maar te vervullen.
18   Want voorwaar zegge ik
u. totdat de hemel en de aarde
voorbijgaan, zat er uict ééne
-ocr page 14-
IfATTIIKÜ\'S :.
i »ra noch één tittel nu «!« wet
Voorbijgaan, totdat het alles
zal zijn geschied.
I\'.i Zoo wie dan één van deze
minste geboden zal ontbonden,
en de ineuscheu alzuó zal ge-
Ici\'nl hebhen, dit zul de minste
genaamd worden in liet Konink-
rÖk der hemelen; maar zoo
wie deren» zul gedaan en ge*
leerd hebben, die zul groot
genaamd worden in het Ko-
ninkrijk der hemelen.
•Jli Want ik zeg u, tenzij
uwe gerechtigheid overvloedi-
ger zij dan der Schriftgeleerden
en der KarizeCrs, dat gij in het
Koninkrijk der hemelen geens* \'
zins zult ingaan.
21  Gij hebt gehoord dat forde
ouden gezegd is: Gij zult niet
dooden; maar zoo wie doodt,
(lir zal strafbaar zijn door het
gericht.
22  Doch Ik zeg », zoo wie \'
ten onrechte op zijnen broeder |
toornig is, die zal strafbaar
zijn door \'t gericht; en wie tot
zijnen broeder zegt: Itaka, die
zal strafbaar zijn door den
grooten Kaad; maar wie zegt;
(lij dwaas, die zal strafbaar
zijn door bet helsrlie vuur.
•?< Zoo gij dan uwe gave zult
o» het altaar otteren, en aldaar
gedachtig wordt dat uw broe-
der iets tegen u heeft,
24 laat da;ir uwe gave voor
het altaar, en ga beueit, ver*
«oen u eerst met «won broe-
der, en kom dan en offer uwe
[{ave.
2.» Wees hanstelijk welgezind
>egena uwc wederpartij, ter-
wijl gij nog met hein op den
weg zfjt; opdat dr wederpartij
niet misschien u den rechter
overlevere, en ,1e rechter u
den dienaar overlevere, en gij
in de gevangeuia geworpen
wordt.
•yi Voorwaar ik zeg u, gij
zult daar geenszins uitkomen,
totdat g\'j den laatstcn penning
zult betaald hebben.
•:; (üj hebt gehoord dat ton
de ntidc-.i gezegd is: Gij zult
geen overspel doen.
2H Maar ik zeg m, dat zoo
wie ecne vrouw mutlet om
dezelve te begeereu, die beeft
alreede overspel in zijn hart
met hanr gedaan.
\'29 Indien dan uw rechteroog
u ergert, trek het uit en werp
liet van li, want het is tl nut
dat één uwer leden verga, en
niet uw geheele lichaam in de
hi\'! geworpen worde.
\'M Rn indien uwe rechterhand
u ergert, houw* ze al\' en werp
ze van u; want het is u nul
dat één uwer leden rem, en
niet uw geheele lichaam in de
hel geworpen worde.
31 ltaar is ook gezegd: Zoo
wie zijne vrouw verlaten zal,
die geve haar renen scheldbrief.
H3 Maar Ik zeg u, dat zon
w ie zijne vrouw verlaten zal
anders dan uit oorzaak van
hoererij, die maakt dat zij
overspel doet; en zoo w ie de
verlatene zal trouwen, die doet
overspel.
-Ct wederom hebt irij gehoord
dat ntit de ouden trczc.nl is:
Gij zult den eed niet breken,
maar gij zult den Ilecre uwc
ccilen houden.
Til Maar ik zeg n, zweert
gunnchclijk niet: noch bij den
hemel, omdat hij is de troon
God»!
\'X* noch bij de aarde, omdnt
zij is ilc voetbank zijner voeten;
noch bij Jeruzalem, omdat zij
is de stad des grootei* Koning!t
iW noch bij uw hoofd zult gij
zweren, omdat gij niet Één
haar kunt wit of zwart maken.
:I7 Maar laat zijn uw woord
ja, ja; neen, neen: wat boven
deze is, dat is uit den bonze,
SN Gij hebt gehoord dat ge-
zegd is: Oog om oog en tand
om tand.
M Maar Ik zeg u, dat gtj
den bonze niet wcderstnat;
maar zoo wie u op de reehter-
wang «laat, keer hcui ook de
andere toe;
-ocr page 15-
MATTUKtS G.
\'tn en zoo iemand mot u recl
verborgen zij: en uw Vader die
in \'t verborgen ziet, die tal bet
u iu bet openbaar vergelden,
ó Eu wanneer gij bidt, zoo
ruit gij niet zijn gelijk de gc-
veitisdeu; want die plegen
Saarue in de Synagogen en op
e hoeken der straten staande
te bidden, npdut zij van de
mentenen mogen geilen wor-
den: voorwaar ik zeg u, dat
zij liuu loon weg hebben.
(> Maar gij, wanneer gij bidt,
ga iu uwe binnenkamer, eu
uwe deur gesloten hebbende,
bid uwen Vader die in \'t ver-
borgen is: en tiw Vader die in
\'t verborgen ziet, zal bet u in
\'t openbaar vergelden.
7  Eu als gij bidt, zoo gebruikt
geen ijdel verbaal vau woorden,
gelijk de heidenen; want zij
lueeuen dat tij door hunne
veelheid van woorden tullen
verhoord worden.
8  Wordt dan hun niet gelijk;
want uw Vader weet wat gi]
vau noodc hebt, eer gij hem
bidt.
9  Gij dan bidt aldu»: Onze
Vader, die iu de hemelen xijt,
uw naam worde geheiligd;
lil UW Koninkrijk kome; nw
wil geschiede gelijk iu den
hemel tit;ót> ook op de aarde;
11   geef ons bedeu ons dage-
lijkseh brood ;
12  eu vergeet\'on» ouxe schul*
den, gelijk ook wij vergeven
onzen schuldenaren;
i:t eu leid ons niet in verzoe-
kiiin, maar verlos ons vau den
booze; want uw is het Konink-
rijk en de krachten de heerlljk*
heid, in der eeuwigheid. Amen.
14  Want indien gij deu men*
selien hunne misdaden ver*
geeft, zoo zal uw hemelsehe
Vader ook n vergeven ;
15  maar indien irü den men*
schen hunne misdaden niet
vergeeft, zoo zal nok uw Vader
uwe misdaden niet vergeven.
IR En wanneer gij vast, toont
geen droevig gezicht gelijk de
geveinsden; want zij ïnlsmakeu
ten wil, \'\'ii uwen rok nemen,
laat hi\'iu nuk don aiautcl;
41 i-h xon wie n zal dwingen
éêue mijl te Kaan, ka met hem
twee mijten.
12 Geef dengenen die Mi van
ii bidt, en keer n niet at\' van
dengenen, die van u leeium wil.
43  üll liebt gehoord dat er
.-i\'/.,\'-il Ui Gij zult uwen naaste
liefhebben en uwen vijHiid zult
\\-ij haten.
44  Maar )k zeg u, hebt uwe
vijanden liet\', zegent ze die u
vervloeken, duet wel dengenen
die u baten, en bidt voor dege-
ucn die u geweld doen, en die
u vervolgen;
45  opdat gij moogt kinderen
zijn uw» \\ ader» die iu de
hemelen is ; want hij doet zijne
zou opgaan over bonzen en Roe*
den, en regent over rechtvaar*
dijen en onrechtvaardige!!.
41 Want indien ir ij lief hebt
die u liefhebben wat loon
hebt gij? Doen ook de tolle-
naars niet hetzelfde >
47 En indien gij uwe broe-
dor» alleen «roet, wat doet «ij
boven andereni Poen ook niet
de tollenaars al zoo?
4S Weest dan gijlicdeu vol-
maakt, gelijk uw Vader, die
in de hemelen la, volmaakt is.
HOOFDSTUK fi.
H
KUT acht dat gij uwe aal-
moes niet doet voor de
iisoheu, om vau hen gezien
te worden : andere hebt «ij
tree» loon bij uwen Vader die
in de hemelen is.
2 Wanneer pij dan aalmoes
doet, zoo laat vóór u niet
trompette», gelijk de ge velu te-
den in de Synagogen en o» de
straten doen, opdat ze vau de
mentenen peëerd mogen wor-
den ; voorwaar zeg ik u, zij
hebben bun loon weg.
•1 Maar als gij aalmoe» doet,
zoo Iaat uw UnlwntawJ niet
weten wat uwe rechter doet,
4 opdat uwe aalmoes in bet
-ocr page 16-
MATTUEÜS 7-
huimc aangezichten, opdat zij
van do mcuschen mogen gezien
worden als zij vasten. Voorwaar
ik zeg u, dut zij hun loon |
weg hebben.
17 Maar gij, al» gij vast, zalf
uw hoofd en wascu uw uau- ;
gezicht,
opdat het van dn menschen
niet gezien worde als gij vaat,
maar van uwen Vader die in
\'t verborgen is; en uw Vader
die in \'t verborgen ziet, zal liet
« in \'t openbaar vergelden.
iy Vergadert u geen schatten
op de aarde, waar ze de mot en
de roest verderft, en waar de
dieven doorgraven en stelen;
2U maar vergadert ,u sebatten
in den beniel, waar ie noch mot
noch roest verderft, en waar de
dieven niet doorgraven noch
stele 11.
21 Want waar uw schat is,
daar zal ook uw hart zijn.
\'22 De kaars des lichaam» is het
00;;; indien dan uw oog ceu-
voudig is, zoo zal uw gcheele
lichaam verlicht wezen;
2!i maar indien uw nog boos is,
zoo zal geheel uw lichaam duis-
ter zijn. indien dan liet licht,
dat iu u ia, duisternis is, boe
groot :nl de duisternis zelve
zijn!
24  Niemand kan twee heeren
dienen; want öt\' hij zal den
éénen haten on den anderen
liefhebben, öt\' bij /.al den éénen
aanhangen en den anderen ver-
achten. Gij kunt niet God
dienen en den Mammon,
25  Daarom zeg ik u, zijt niet
bezorgd voor uw leven, wat gij
eten en wat gij drinken zult,
noch voor uw lichaam, waar-
mede gij u kleeden zult; is het
leven niet meer dan het voedsel,
en het lichaam dan de kleeding F
26  Aanziet de vogelen des he-
mels, dat z:j niet zaaien, noeh
maaien, noen verzamelen in de
schuren, en uw hemelsehe
Vader voedt nochtaita dezelve;
gaat gij dezelve niet teer veel
te boven ?
27 Wie toch van ukan metbc-
zorgd te zijn ééne cl tut zijne
lengte toedoen ?
2S En wat zijt gij bezorgd voor
de kleeding \'t Aanmerkt de le-
liën des vclds, hoe zij wassen :
zij arbeiden niet en spinnen
niet,
2!» en ik zeg u, dat ook
Salomo in al zijne heerlijkheid
niet is bekleed geweest gelijk
eeue van deze.
XI Indien nu God bet gras des
velds, dat Inden is, en morgen
iu den oven geworpen wordt,
alzóó bekleedt, zal hij u niet
veel meer kleiden, gij klein-
geloovigcn?
31   Daarom zijt niet bezorgd,
zeggende; Wat zullen wij eten,
ot\' wat zullen wij drinken, of
waarmede zullen wij ons klee-
den >
32  Want alle deze dingen zoe-
ken de heidenen; want uw
hemelsehe Vader weet dat gij
alle deze duigen behoeft.
\'Xi Maar zoekt eerst het Ko-
niukrijk Gods en zijne gerech-
tigheid, en alle deze dingen
zullen n toegeworpen worden.
;I4 üijt dan niet bezorgd tegen
den morgen, want de morgen
zul voor het zijne zorgen; elke
dag beeft genoeg aan zijn eigen
kwaad,
HOOFDSTUK 7.
OORDEELT niet, opdat gij
niet geoordeeld wordt.
2   Want met welk oordeel gfi
oordeelt, zult gij geoordeeld
worden; en met welke maat
gij meet, zal u wederge 111 eten
worden.
3  En wat ziet gij den splinter
dleiti het oog uws broeders is,
maar den halk die in uw oog
is, merkt gij niet?
4  Of hoe zult gij tot uwen
broeder zeggen : Laat toe dat
ik den splinter uit uw oog
uitdoe; en zie, daar is een balk
in uw oog.
ft Gij geveinsde, werp eerst
den balk uit uw oog,en dan zult
-ocr page 17-
MATTHEÜS 7.
is Ben goede boom kan geen
kwade vruchten voortbrengen,
noch een kwade boom goede
vruchten voortbrengen.
Hl Iedere boom die geen goede
vrucht voortbrengt, wordt
uitgehouwen en in het vuur
geworpen.
"Ju Zoo zult «ij dan dezelve aan
hunne vruchten kennen.
\'21 Met ecu iegelijk die tot mij
zegt: Heere, lieert\', zal Ingaan
in het Koninkrijk der hemelen,
maar die daar doet den wil
mijns Vadera die in de hemelen
is.
\'22 Velen zullen te dien dage
tot ïnij leggen: Heere, Heere,
hebben wij nie-t in uwen naam
geprofeteerd, en in uwen naam
duivelen uitgeworpen, en in
uwen naam vele krachten
gedaan ?
?:t i\';i dan zal ik hun openlijk
aanzeggen: Ik heb u nooit ge-
kend; trant wei: van mij, Rij
die di: ungererhtigheid werkt.
21 Ken iegelijk dan die deze
mijne woorden hoort, en de-
zelve doet, dien zal ik vergc*
lijken hij een voorzichtig man,
die zijn huis op eene steenrots
gebouwd beeft;
2;\'i en daar is slagregen neder*
gevallen, en de waterstroomeu
zijn gekomen, en de "winden
hebben gewaaid, en zijn tegen
dat huis aangevallen en het is
niet gevallen, want het was op
de steenrots gegrond.
96 En een iegelijk d-ic deze
mijne woorden\'hoort, en dezcl-
ve niet doet, die zal bij eeneu
dwazen man vergeleken wor-
deii, die zijn huis op het zand
gebouwd heelt;
17 en de slagregen is neder*
gevallen, en de waterstroomen
zijn gekomen, en de winden
hebben gewaaid, en zijn tegen
bet iiufs aangeslagen ; en het is
gevallen, en zijn val was groot.
£8 Kn het is geschied als Jezus
deze woorden geëindigd had,
dat de scharen zich ontzetten
over zijne leer;
gij beslen om den splinter uit
uwe broeden ook uit te ,\',u ;,-
(l Geeft lu t hciligcden bonden
niet, noeli werpt uwe parelen
voor de zwijnen ; opdat zij niet
te eenigcr tijd dezelve met huu-
ne voeten vertreden en sich
omkeert nde, u verscheuren.
7 Bidt, en h zal Begeven wor*
den; zoekt, en gij zult vinden ;
klopt, en ,. zal opengedaan
IVOltU\'H.
S Want een iegelijk die bidt,
die ontvangt; on die zoekt, die
vindt; in die klopt, dien zal
opengedaan worden.
tl Of wat mensen is er onder
ur zoo zijn zoon hem zoude
bidden om brood, die hem
een en steen zal geven,
1(1 en zoo hij hem om eeneu
vltch zoude bidden, die hem
•ene slang zal neven?
11 Indien dim gij die booszijt
weet uwen kinderen goede ga-
vc» te icevcu, hoeveel te meer
zal uw Vader die in de hemelen
is; goede gaven geven dengenen
die ze van hem bidden.
IC Alle diiige.i dan, die Rij
wilt dat u de menschen zouden
doen, doet gij hun ook alzoo;
want dat is de Wet en de Pro-
f eten.
13 Gaat in door de enge poort;
want wijd is de poort en breed
is de weg die tot het verderf
leidt, en velen zijn er die door
dezelve ingaan ;
11 want de pooit is eng eu de
weg i« nauw die tot het leven
leidt, en weinigen zijn er die
denzelveu vinden.
15 Maar wacht « van de val-
sche Profeten, dewelke in
Hchaapüldoedeii\'ii tot u komen,
maar van binnen zijn ze grij-
pru.de wolven.
li» Aan hunne vruchten zult
trij ze kennen. Leest men ook
eenc druil\' van doornen ot\'
Vijgen van distelen ï
17 Al zóó iedere goede boom
brengt voort goede vruchten,
en een kwade boom brengt
voort kwade vruchten.
-ocr page 18-
10                                   MATTUEÜS 3.
211 want hij leerde hen als \' Westen, en zullen met Abra-
niuclithehbende en niet ah de ham en Isailk en Jakob aan*
Schriftgeleerden.
                       J zitten in bet Koninkrijk der
ii/wmne-W\'lf o                I heilielcil ;
HOOFDSTLK S.            I 12 en de kinderen des Koniuk-
TOEN hij mi vim den berg | rijks zullen uitgeworpen wor-
afgc klom men was, zijn hem i den in de buitensteduisternis;
vele scharen gevolgd.
                 ! aldaar zal ween ing zijn en
•J En zie, een melnatschc kncrsing der tanden.
kwam en aanbad hem, zeg- 13 En Jezus zeide tot den
-ende: Heerc, indien gij wilt, hoofdman over honderd: Ga
«ij kunt mij reinigen.
                  henen, en u geschiede gel ij R
;t Kn Jezus de hand uitstrek\' gij geloofd hebt. En zijn knecht
kende, heelt hem aangeraakt, is gezond geworden te dicrzelf*
/.eggende: Ik wil, word ge- ; der ure.
reiiiigd. En terstond werd hij \\ 14 En Jezus gekomen zijnde
van zijne melaatsehheid ge- in het huis van Petrus, zag
rcinigd.
                                        zijne vrouw* moeder te bed
I  En Jezus zeide tot hem; ; liggen, hebbende de koorts.
üic dat gij dit niemand zegt; li En hij raakte hare hand
maar ga henen, toon uzelven \' aan, en de koorts verliet haar;
den Priester, cu offer de gave ; en zij stond op en diende hen.
die Mozes geboden heeft, hun | l*i En als het laat geworden
tot eenc getuigenis.
                     was, hebben zij velen, van den
ó Als uu Jezus te Kapémauiu duivel bezeten, tot hein ge-
ingegaan was, kwam tot hem bracht, en hij wierp de booze
een hoofdman over honderd, geesten uit met het woord, en
biddende hem,
                             hij gemis allen die kwalijk ge-
i) cu zeggende: Heere, mijn • steld «aren;
knecht ligt te huis geraakt, en < 17 opdat vervuld zoude wor-
lijdt zware pijnen.
                     I den wat gesproken was door
7  En Jezus zeide tot hem: Ik : Jesnja den Profeet, zeggendei
zal komen en hem genezen. i Hij heeft onze kraiikheden op
8 En de hoofdman over hon- I giek genouien en onze ziekten
derd antwoordende zeide: Hee- \' gedragen.
re, ik beu niet waardig dat , is En Jezus vele scharen rond*
gij ouder mijn dak zoudtinko- om zich ziende, beval aan de
men, maar spreek alleenlijk andere zijde over te varen,
een woord, en mijn knecht zal , 19 Eu daar kwam een zeker
genezen worden.
                        | Schriftgeleerde tot hem, en
!> \\\\ fint ik ben óók een inensch zeide tot hem : Meester, ik zal
onder, de macht van anderen, u volgen waur gij ook benen*
hebbende onder mij krijgs- gaat.
knechten, en ik zeg tot dezen: l ïïu Eu Jezus ieidc tot hem:
(ia, en hij gaat; en tot den an- De vossen hebben holen, en de
deren: Kom, en hij komt; en vogelen des hemels nesten;
tot inijnen dienstknecht: Doe i maar de Zoon des iiieusehen
dat, en hij doet bet.
                    heeft niet waar bij bet hoofd
UI Jezus iin ilit lionrcnde, ! nederlegge.
beeft zich verwonderd, en zeide l 21 En een ander uit zijne dis-
tot degenen die hem volgden: cipelen zeide tot hein: Heerc,
Voorwaar zegge ik u, ih heb lant mij toe dat ik eerst heuenga
zelfs in isracl zoo groot geloof en mijnen vader hegrave.
niet gevonden.
                           j 22 Doch Jezus zeide tot hem:
II  Doch ik zeg u, dat velen Volg mij, en laat de dooden
zullen koiueu van Oosten en , buune doodcu begraven.
-ocr page 19-
e I\'s \'X                                    n
hunne landpalen wilde ver-
trekken.
HOOFDSTUK 9.
EN hi bet schip gegaan zijnde,
voer hij over en kwam in
zijne stad, Kn zie, zfj brachten
tot hem ecu en geraakte, opeen
bed liggende.
2 Kn Jezus hun geloof ziende,
zeide tot den geraakte: Zoon,
wees welgemoed, uwe zouden
zijn u vergeven.
tt Kn zie, sommigen der
Schriftgeleerden zeiden iu zicli*
zelveu: Deze lastert Omt.
t Ku Jezus ziende hunne ge*
durliten, zeide: Waarom over-
deukt gij kwaad iu uwe harten ï
ü Want wat is lichter, te
zeggen : De zonden zijn u ver-
geveu, of te zeggen ; Sta op en
wandel ?
<i Doch opdat gij moogt weten,
dat de Zoon des inenschen macht
heeft op de aarde de zonden te
vergeven (toen zeide hij tot den
geraakte) : Sta Op, neem uw bed
op, en ga henen naar uw huift.
; Ku bij opgestaan zijnde, ging
benen naar zijn buis.
s De scharen nu Hat ziende,
hebben zich verwonderd en
God verheerlijkt, die zoodanige
macht den ïneusehen gegeven
li ad.
!> Ku Jezus van duur voort*
gaande, zag eeneu mensen in
bet tolhuis zitten, genaamd
Matthcus, en zeide tot hem:
Volg mij. Kn bij opstaande,
volgde hem.
iu Ku bet geschiedde all hij in
het buis nut MuttJieiië aanzat,
zie, vele tollenaars en zondaar»
kwamen en zaten mede aan met
Je/.us en zij. e discipelen.
11  Kn de Parizeen Hat ziende,
zeiden tot zijne discipelen i
Waarom eet uw Meester met de
tollenaren en zondaren \'t
12  Maar Jezus zutkt booreiide,
zeide tot hen : Die gezond zijn
hebben den medieljnmeester
niet van uoode, muur die ziek
ztju.
M ATT II
-\'-. Kii al* hij ui \'t schip ge-
gaan «au, zijn hem zijne disci*
pelen gevolgd.
.\' I Kn zie, daar ontstond ecu
groote onstuimigheid in de zee,
alzoo dat bet se Ui» vu» de gol-
ven bedekt werd; doch bij
sliep.
i*i Kn zijne discipelen bij hem
komende, hebben hem opge*
wekt( zeggende: lleere, behoed
mr, wij vergat»».
Jrt Kn hij zeide tot ben : Wat
zijt gij vreesachtig, «ij klein*
geloov i_ri\'11 ? Toen stond hij
»p en bestrafte de w inden en
de zee, en daar werd groote
•til te.
•_7 Ku de inenschen verwon*
derden zieh, zeggende: Iloe*
dnuig een is deze, dat ook de
vrinden en de zee hem gehoor*
uuini zijn I
"J- Kn als hij aan de overzijde
was gekomen in tiet land der
Gergesénen, zij» hem twee,
van den duivel bezeten, ont*
inoet, komende uit de graven,
die zeer wreed waren, alzoo
dat niemand door dien weg kon
voorbijgaan.
\'2*J Ku zie, zij riepen, zeggen*
de: Jezus, gij Zone Gods. wat
hebben wij met u tetlaenf Zijt
gij bier gekomen oin ons te
pijnigen vóór den tijd ï
.\'ft f Kn verre van hen was eene
kudde veler zwijnen weidende;
:;l en de duivelen baden hein,
zeggende : Indien g|t ons uit*
werpt, laat ons toe nat wij in
die Kudde zwijnen varen.
82 Ku hij zeide tot beu : Gaat
benen. Kn zij uitgaande voeren
benen in de kudde zwijnen en
zie, de geheele kudde zwijnen
stortte van de steiltv at\' in «de
zee, en zij stierven In \'t water.
XI Kn die ze weidden zijn ge*
vlocht! en als zij in de stad
gekomen waren, boodsrhapten
zij alle </«e dingen, enwatdeu
bezetenen geachiett um.
\'M Ku zie, de gelieele stad ging
uit, Jezus tegemoet; en als zij
hem zagen, baden zij dat bij uit
-ocr page 20-
MATTIIKLS 9.
i:
13 Doch crar.t henen en leert
wat liet tij : Ik «il barmhartig-
uetd, en niet offerande; want
ik ben niet gekomen om te roe*
pen rechtvaardigen, maar zon-
duars tot bekeerinir.
M Toe» kwamen de discipelen
van Johanucs tot hem, zc^-
gende: Waarom vasten "ij en
«Ie Earizecrs veel, en uwe dis-
ripelcn vasten niet?
15 En Jezus zeide tot hen i
Kunnen nok de bruiloftskinde-
ren treuren /.onlang de brui-
degom hij beo is? Maar de
dagen zullen komen wanneer
de bruidegom van lieu zei weg-
genomen zijn, en dan zullen zij
vasten.
1(1 Ook zet niemand eenen lap
ong.!vnld laken op een oud
kked ; want de*zelt« aangezette
Jap scheurt ai\' van het kleed, en
er wordt eene ergere scheur.
17 En men doet Keen nieuwen \'
uijn in oude le/l<>rtn zakken;
anders bersten de leileren zak-
ken, en de uijn wordt uit\\\'e-
sturt, en de lederen zakken ver-
derven ; iiuiiir men doet nieu-
wen »ij» in nieuwe lederen
zakken, e n belde te znincu
worden behouden,
is Als hij dv.e dingen tot ben .
sprak, zie, een overste kwam
en aanbad hem, zeggende; Mij* \'
ne dochter is nu terstond ge*
storven, doch kom en leg uwe
hand op haar. e» zij zal leven.
19 En Jezus opgestaan zijnde,
volgde hein, en zijne discipelen.
2i> (En zie, eene vrouw die
twaalf jaren het bloed vloeien
gehad bad, komende tot hein
van achteren, taakte den zuoin
üijns kleed s aan:
21   want zij zeide in zichzclve:
Indien ik alleenlijk zijn kleed
aauraak, zoo z:il ik gezond
worden.
22  E» Jezus zich oiukccrendc
en haar zieudti, zeide: Wees
welgemoed, dochter; uw geloof
heeft u behouden. En de vrouw-
werd gezond van die ure af.)
23  E:i nis Jezus in bet huis des
oversten kwam, en za\'T de pij-
per» en de woelende schare,
21 zeide hij tot ben : Vertrekt,
want het dochterken is niet
dood, maar slaapt. En zij lu
lachten hem.
2\'t Als nu de schare uitgedrc-
ven was, ging bij in, en greep
hare hand; en bet dochterkeu
stond op.
2«i En dit gerucht ging uit
door dat geheele land.
27 Kn als Jezus van daar
voortging, zijn hem twee blin*
den gevolgd, roepende en iee>
gendiet Git Zone Itavids, ont*
ferm u onzer.
2s En als hij in buisgekomen
was, kwamen de blinden tot
hem, en Jezus zeide tot ben :
Gelooft g(j dat ik dat doen kan?
Zij zeiden tot hem : Ja, lleere.
29  Toen raakte bij bnnne
oo-jen ;n . ze Tiende: V ge-
schiede naar uw geloof.
3il En hunne OOgen zijn ge-
opend gewovd en. En Jezus
heeft hun zeer itrengelük ver*
boden, zeggende ; Ziet dat het
niemand wete.
31   Maar zij uit-j-eraan z\'jndc,
hebben hem ruchthnar gemaakt
door dat irebeele laiid.
32  Als deze nu uitgingen, zie,
zoo brachten zij tot hein eenen
nu-iiM-b die stom en van den
duivel bezeten was.
33  En.als de duivel nltgewor*
Sen was, sprak de stomme. En
e scharen verwonderden zich,
zeggende: Haar is nooit dcs;re-
lijks in Israël Lrezïcn.
3t Maar de Farizctiis zeiden:
Hij werpt de duivelen uit door
den overste der duivelen.
3.1 En Jezus omging alle de
steden e» vlekken, leercndc in
hunne Synagogen, en predi-
kende het E van\'Tel ie des Ko*
ninkrijks, en genezende alle
•ziekten en alle kwalen onder
liet volk.
30  En bij de scharen ziende,
werd innerlijk met ontferming
bewaren over beu, omdat ze
vermoeid en verstrooid waren.
-ocr page 21-
MATTIIBÜS 10.
13
srclijk schapen die scenen her-
der hebben.
37 Toen zcide bfj tot zijne dis-
cïpcleii : De OOgSt :« wel groot,
maar de arbeiden zijn weinige 1
:w bidt dan den lleere des
oogstes, dar hij arbeiders in
zijnen oogst uititoote*
HOOFDSTUK 10,
IpN zijne twaalf discipelen
ïi totzicb geroepen hebbende,
beeft hij linn maelit ijcgeven
over de onreine geesten, om
dezelve uit te werpen, en 0111
alle ziekte en alle kwaal te
genezen.
•2 De nemen uu der twaalf
Apostelen zij» deze: de eerste,
Sfmon gezegd Petrua, en Au-
dréas zijn broeder; Jaeoboi de
zoon van Zebedciis, en Johuuncs
utjn broeder -.
:i FiÜppus en Hartholomeüs;
Thomas en Mutthcüs de tolle*
naar; Jacnbns, de zoon van Al*
teiis, en Lebben» toegenaamd
Thaddcüs;
4 Simon Kananltes, en Judas
Iskariot, die hein ook verraden
beeft.
ó Deze twaalf beeft Jezus uit*
. ez -jl* 1. n, cu bun hevel ge-
geven, zeggende : (Jij zult niet
iienengaan op den weg der hei*
deuen, en «rij zult niet Ingaan
iu emiye stad der Samaritanen ;
>> maar gaat veel meer benen
tot de verlorene schapen van
bet huis laraela.
7    K11 hen en traande, predikt,
zeggende: liet koninkrijk der
hemelen is nabij gekomen.
8  Geneest de k run ken, reinigt
demelaatschen, wektdedooden
<>p. werpt de duivelen «it. Gij
bebt het om niet ontvangen,
Reeft bet om niet.
8 \\erkrijït u noeb goud, nocb
zilver noch koper»*» in uwe
gordel» t
U» noch male tot den weg,
Men twee rokken, noch schoe-
«ten, noch staf; want de ar-
Deider iu zijn voedsel waardig.
11 Ku in wat stad of \\lek gij
zult inkomen, onderzoekt wie
\'. daarin waardig is; en blijft al«
! daar totdat gij duur uitgaat.
1 13 Ku als s-rïj in het huis gaat,
zoo groet hetzelve.
i:t Kn indien dat buis waardij
I is, zoo kouie uw vrede ovei\'
hetzelve; maar indien het niet
vwiardig is, zoo keere uw vrede
weder tot n.
14   Kn zoo iemand u niet zal
ontvangen, noch uwe woorden
booreu, uitgaande uit dat huis
of uit die stad, schudt bet stol
uwer voeten at\'.
15    Voorwaar zegge ik u, het
zal den lande van Sodom en
Go mor ia veidiaaglfjker zijn ir
den dag des oordeels dan die
stad.
lfi Zie, ik zend O als schapen
In \'t midden der wolven: ztyt
dan voorzichtig gelijk de slau-
gen.en oprecht gelijk de duiven.
17 Maar wacht u voorde inen-
sehen ; want zij zullen u over*
leveren iu de raadsvergaderin*
gen, en iu hunne Synagogen
zullen zij u gecselen;
IS en ïij zult ook voor Stad-
. houders en Koningen geleid
worden om mijnentwille, bun
eu den heidenen tot getuigenis.
19   Doch wanneer zij 11 over*
1 leveren, zoo zult gij niet be-
: zorgd zijn, boe of wat gij zpre*
! ken zult; want bet zal u iu die
1 ure gegeven worden, wat gij
| spreken zult;
20   want gij ziit bet niet die
spreekt, maar het \'m de Gee>t
UWfl Vaders die in n spreekt.
i 21 En de éène broeder zal de.i
anderen broeder overleveren to\'.
\' den dood, en do vader het kind;
en de kinderen zullen opstaan
1 tegen de ouders, en zullen ae
] doodea.
, 22 Ku gij zult van allen gehaat
I worden 0111 mijnen naam; maar
i die volstandig zal blijven tot
den einde, die zal zalig worden.
il Wauueer zij u dan in deze
•tad vervolgen, vliedt in de
I andere; want voorwaar Zegge
ik tl, gij zult uu-e ïeii door Je
-ocr page 22-
14                                  MATTHEÜS II.
steden Israels niet geëindigd ; en de schoondochter tegen
Iian\' schoonmoeder;
,„_____. B___...... _ ...            , 3\'i en zij zulten des inensclicii
24 De discipel is met boven f vijanden tcorUfn, die zijne
h
ü
huisgeuooten jy,4i
37 Die vadei oi\' moeder lief-
heeft boven mij, is mijns niet
waardig: en die zoon ot\' doch-
ter liefheeft boven mij, is
mijns niet waardig;
3s en die, zijn kruis niet o/i
zich
neemt en mij navolgt, is
mijns niet waardig.
:i;i Die zijne ziel vindt, zal
dezelve verliezen; en die zijne
ziel zal verloren hebbeu 0111
den meester, noch de dieust-
knecht boven zijnen heer.
25  Het tij den discipel genoeg
dat hij worde gelijk zijn uiees-
ter, en de dienstknecht Relijk
gijn heer. Indien zij den lieer
des huizes Ueclzebul hebben
geheeteu, hoeveel te meer
zijne huisgeuooten.
26   Vrees dan ben niet; want
daar is niets bedekt hetwelk
verborgen hetwelk\'niet zul ge- | mijnentwil, zal dezelve vhv
weten worden.                           .
27   Hetgeen ik it zeg in de |
duisternis, legt het in \'t licht:
en \'t Keen gij hoort in het oor,
predikt dat op de daken.
28   Uu vreest niet voor degc-
nen die het lichaam dooden,
en de ziel niet kunnen dooden;
maar vreest veel meer Hem die
brhlc ziel en lichaam kan ver-
derven in de hel.
39 Worden niet twee musch-
ki\'us om een penningskcu ver-
kocht r Ku niet één van deze
den.
4^1 Die ü ontvangt, ontvangt
mij; cu die mij ontvangt,
ontvangt Hem die mij gezonden
heeft.
41 Die een Proleet ontvangt
in den naam eens Profeten, zal
het loon eens Profeten out-
vangent en die eeueii rccht-
vaardige ontvangt iu den naam
eens rechtvaardigen, zal het
loon eens rechtvaardigen ont-
vangeu.
E.i zoo wie één va 11 deze
zal ;u|\' de aarde vullen zonder 1 kleinen te driukeu geeft alleen*
uwen Vader.                             !
30 l\'.n ook uwe liaren des
uoofdh zijn alle geteld.
.\'il Vreest dan niet: gij gaat
vele ïuuselikeus te boven.
33 Ken iegelijk dun die mij
belijden zal voor de meuselieii,
dien zal ik ook belijden voor
lijk een beker koud water,
den naam eens discipels, voor-
waar zeg il; u, hij zal zijn
loon geenszins verliezen.
HOOFDSTUK 11.
EN het is geschied toen Jezus
geeiudi/d had zijnen twaalf
mijnen Vader die iu de heine-
discipelen hevelen __ „
geven,
ïen is 1
33   maar zoo wie mij verloo*
cheud zal hebben vonrdenicn-
seben, dien zal ik ook verloo-
ehenen voor mijnen Vader die
ju de hemelen i«.
34  Meent niet dat ik gekomen
hen om vrede te brengen op
de aarde; ik ben niet gekomen
om vrede te brengen, muar het
zwaard.
35   Want ik ben gekomen om
den inenieh tweedraehtig te
inaken tegen zijnen vader, en
de dochter tegen hare moeder,
dat hij van daar voui trin-J,
out te leeicu en te prediken iu
hunne steden.
2   Ku Juliunues in de gevaii*
genis gehooid hebbende de
werken van Christus, zond
twee van zijne discipelen,
3   en zeide tot hem: Zljt gij
degene die komen zoude, of
verwachten wijeenen anderen?
4    Kn Je^us antwoordde en
zeide tot hem: (iaat henen en
boodschapt Johaune* weder
hetgeen gij hoort en ziet:
5   de blinden worden ziende
-ocr page 23-
MATTIIKUS 11.
15
en de kreupelen wandelen, de
melautschcu worden gereinigd
cu de domen uooren, dr do«-
den wolden opgewekt en den
armen wordt lift Evangelie
verkondigd;
6  en zalig is hij die aan mij
niet zal geërgerd worden.
7   Als uu dezen henengingen,
heeft Jezus tot de scharen bc-
•,\'iiiiit\'ii te zeggen van Joliannett:
Uut /.iji. gij uitgegaan in de
woestijn te aanschouwen? Ken
riet dat vuu den wind Kind» en
weder bewogen wordt?
S Maar wat zijt uij uitgegaan
te zien? Keu meusch niet zachte
kleedereu bekleed? Zie, die
zachte kliederen draden, zijn in
der Koningen huizen.
9 Maar wat zijt «ij uitgegaan
te zie» \'t Keu Profeet\'f Ja, ik
zeg u, uok veel meer dan ecu
Profeet.
lil Want deze is het van den-
ueiken geschreven staat; Zie,
ik zend mijnen Engel voor uw
aangezicht, die uwen weg be-
reideu zul voor u henen.
11  Voorwaar zegge ik u, ouder
degenen die van vrouwen ge-
boren zijn, is niemand opgc-
staau meerder dan Joliauues de
Dooper; doch die de minste is
in het Koninkrijk der hemelen,
is meerder dan iitj.
12  Ku van de dagen vau Jo-
haunes den Dooper tot uu toe
tvordt het Koninkrijk der he-
melen geweld aangedaan, eu
de geweldiger» nemen hetzelve
met geweld.
l.\'t Want alle de Profeten en
de Wet hebben tot Johauuea
toe geprofeteerd.
14 Ku zoo gij liet wilt Aanne-
uieu, hij is Klia die komen
/.oude.
ló Wie ooreu heeft om te
uooren, die hoore.
1« Doch waarbij zal ik dit ge-
slacht vergelijken? Het is ge-
i\'jk de kinderkem die op de
!nurkten zitten en huuiieu ge-
zellen toeroepen,
17 en zeggen: Wij hebben u
op de Duit gespeeld en frij hebt
niet gedanst; «ij hebben u
klaagliederen gezongen en gij
hebt niet geweend.
I is Want Johamies is gekomen
| noch etende noeh drinkende,
en zij zeggen: Hij heeft den
. duivel.
1» De Zoon des nienseken is
gekomen etende en drinken»
de, en zij zeggen: Ziedaar
i een meiisck die een vraat en
; wfjiizulper ia, een vriend vau
tollenaren en zondaren. Doch
de wijsheid is gerechtvaardigd
geworden vnu hare kinderen.
: 2»l Toen begon bij de steden,
I in dewelke zijne krachten meest
; geschied waren, te verwijten.
omdat ze zich niet beneem
haddeni
; 21 Wee u, Cbornzin, wee u
Betlisalda! Want zoo in Tyrus
en SiiJnii de krachten waren Ke-
sehied die in u geschied zij»,
zij zouden zich eertijds in /ak
1 en aseii bekeerd hebben.
i -- Doch ik zeg u. bet zal
! Tyrus eu Sidon verdraaglijker
, zijn in den dag des oordeels
, dan ulieden.
I -\'i Ku gij.Kapemaüni, dat (ot
l den hemel toe zijt verhoogd,
•_\'ij zult tot de helle toe neder-
gestooteu worden: want zoo
in Sodom die krachten waren
geschied die in u geschied zijn,
het zoude tot o;> den huidigeu
dag gebleven zijn,
24 Doch ik zegge u, dat het
den lande van Sortoiu verdraag*
. 1 ijker zal zijn iu den dag des
oordeels dan u.
\' •::> Iu dien tijd nutwoordde
I Jezus en zcide : Ik dank U, Va-
der, Heere des hemels en der
aarde, dat irij deze dingen voor
de «ijzen eu verstandige» ver-
borgen hebt, en hebt dezelve
den kiuderkeiis geopenbaard;
1 2fi ju, Vader, want ulzóó is
; geweest het welbehagen voor L\'.
j 37 Alle dingen zijn tul) over-
, gegeven van mijnen Vader; eu
: niemand kent den Zoon dan de
: Vader, noch iemand kent den
-ocr page 24-
M ATT H Et\'S 12.
I-i
VadiT dan de Zoon, on dien
liet di\' Zoon uil openbaren.
2s Kinnt herwaarts tot mij,
allen die vermoeid e» belast
zljt, en Ik zul u ruste eevcn.
29 Neemt mijn juk op n, eu
leert van mij dat ik zachtnioe-
dlg ben en nederig vmi hart;
en jflj aalt rust vinden voor
UWC zielen.
:tn Want mijn juk is zacht en
mijn last is licht.
IIOOFDSTUK 12.
IN dien tijd ging Jezus op
oenen ?ah baldal door het
gezaaide, en zijne discipelen
hadden honger, eu beKOunen
aren te plukken en te eten.
2 Rn de Parizeen dat ziende,
zeiden tot licui: Zie, uwe dia-
eipclen doen wat niet geoor*
loot\'d is te doen op den sabbat.
:( Maar bij geide tot hen:
licht Bij niet gelezen watDavid
gedaan hooit, toen bom hon-
iterde en hun die met hem
waren ?
4  hoe hij gegaan, is In het Huis
Ood», en de toonbrooden gc-
geten beeft, die het hem niet
geoorloofd was te eten, noch
ook hun die met hein waren,
mnar den 1\'i-iestoren alleen?
5  Of hebt gij niet gelexen in
de Wet, dat de Priesters den
sabbat ontheiligen in deuTem-
pel op de sabbatdagen, en noch-
tans
onschuldig zijn i
ü En ik ivi. u, dat oen, meer-
der aan de Tempel, hier is.
7  Üoeb zoo ,\'ij geweten hadt
wat hetzij: Ik wil barmluutig-
beid, en niet offerende, irij
zoudt de onschuldigen niet ver»
oordeeld hebben.
8  Want de Zoon des mensrheii
is ecu Heer ook vau den buq-
bat.
y En van daar voortgaande,
kwam liij in hunne Synagoge.
ld En sie. daar was een
luenscli die eene dorre hand
had; en zij vraagden hem,
zegende: Is \'t ook geoorloofd
o» de sabbatdagen te geneten?
(opdat zfj hem mochten bc-
icnuldigen.)
11 En hij zeidc tot hen i Wat
mcusch zal or onder u zijn, die
één schaap hooft, en zoo dut op
eoncn sabbatdag in oen gracht
valt, dit hetzelve niet zal aau-
grUpen en uitheffen?
13 Hoc veel trant nu een
mensen een schaap te boven!
Zno is hot dan op de sahbat-
dagen geoorloofd wel te doen.
13 Toen zoide hij tot dien
uansch: Strek uwe hand uit;
e» hij strekte ze uit, on zij
werd hersteld, gezond gelijk de
andere.
! i En de KnrtxeSrs uitgegaan
zijnde, hielden te zanion raad
tegen hem, hoe zij hem doodeu
mochten.
15 Maar Jezus dat wetende,
vertrok vnn daar, eu vele scha*
ren volgden hem; en hij (renas
ze allen,
l(t cu gebood hun ceherpolijk
dat zij hein niet openbaar ma-
ken zouden;
17 opdat vervuld zoude wor-
don hetgeen gesproken is door
Jesaja don Profeet, zeggende i
is /ie, mijn knecht weikon
ik verkoren bob, iniiu beminde
in welken mijne ziele een \\vel-
behagen heeft; ik zal mijnen
Geest op hem leggen, eu hij zal
het oordeel den heidenen ver-
kondigen.
19 Hij zal niet twisten, nooit
roepen, en daar zal niemand
zijne stemme op de straten
hooren.
2(1 Het gekrookto riet zal hij
niet verbreken, on de ronkende
vlnswiek zal hij niet uitblus.*
sehen, totdat lifj het oordeel
zal uitbrengen tot overwinning.
21   En iu ziiuen imam zullen
de heidenen nopen.
22  Toen werd tot hem ge-
bracht een van den duivel
bezeten, </<> blind en stom
«\'"*; en hij genas hom, alzoo
dat de blinde en de stomme
beide sprak en «i;.
33 En alle de scharen outzct-
-ocr page 25-
31 ATT.
ren zich, en telden: Is niet
deze de zoon Pavids?
•Ji Hui de Fariaeërs dit (te-
boord hebbende, zeiden: Deze
werpt de duivelen niet uit dan
door Beëlxebul de» overste der
duivelen.
•_\'.. Poch Jezus kennende liun-
ne gedachten, telde tot hen:
Ken ieder koninkrijk dut tegen
zichzelf verdeeld is, wordt vcr-
WOOSt; en een iedere stad of
huli dat tegen* zichzelf verdeeld
is, zal niet bestaan;
2lï en indien de satan den ia-
tan uitwerpt, zoo is hij tegen
ziihzeken verdeeld; hoe zal
dan zijn rijk bestaan)
:.\'7 Kn indien Ik door Keêlzchul
de duivelen uitwerp, door wie»
werpen ie dan uwe zonen uit?
Daarom zullen die uwc rechters
zijn.
5H Maar Indien ik door den
(ieest Gods de duivelen uit-
werp, zoo in dan het Konink-
rijk Gods tot u gekomen.
•1\\) Of hoe kan iemand in
\'t huift eeni merken inkomen
en MJne vaten outrooven, ten-
zij hij eerst den sterke gebou-
den nebbe? en alsdan zal hij
zijn huis berooven.
.\'iH Wie niét mij niet is, die
is tégen mij, en wie met mij
niet vernadert, die verstrooit.
.il Daarom zeg ik u. alle
zoude en lastering zal den
menachen vergeven worden,
maar de lastering tegen den
Heest zal den menschcu niet
vergeven worden.
:<_ Kn zoo wie eeuig woord
gesproken ntl hebben tegen
den Zoon des mensehen, het
zal hein vergeven worden;
maar zoo wie tegen den Hel*
tigen (leest zal gesproken neb-
ben, het zal" hein niet vergeven
worden, noch in deze eeuw
uoeli in de toekomende.
-tf Of maakt den hoorn goed
en zijne vrucht goed, of naakt
den ! ïoiini kwaad en zijne
vrnebt kwaad; want uit de
*rucht wordt de boom gekend.
ELS 12.                                         1"
:i4 GIJ adderengebroedsels, hoe
kuut gij goede dingen spreken
daar gij hoos zijt ? want uit
den overvloed des harten spreekt
de mond.
3M De goede mensch brengt
goede dingen voort uitdengoe-
den schat des harten, en de
hooze mensch brengt hooze
dingen voort uit den hoozeu
se bat.
:v\\ Maar ik zeg u, dat van
elk ijdel woord \'t welk de
in en se ben zullen gesproken
hebben, zij van hetzelve zullen
rekenschap geven in den dag
des nordeels.
.\'17 Want uit uwe woorden
ruit gij irere;"htvaardi-\'d wor-
deu, en uit uwe woorden zult
u-ij veroordeeld worden.
3H Toen antwoordden lom*
raigen der Schriftgeleerden en
l\'arizeirs, zeggende: Meester,
wij wilden van u wel een tee-
ken zien.
:<>J Maar bij antwoordde ei>
zeide tot ben: liet boon eu
overspelig geslacht verzoekt
een teeken, en bun zal geen
teeken gegeven worden dan
het teeken van Jona den Pro-
feet.
Ui Want gelijk Jona drie da-
gen eu drie nachten was in
den buik van den walvisch,
iilzóó /.al de Zoon des menseheu
drie dugen en drie nachten
wezen In het hart der aarde.
41   De mannen van Nincvé
zullen opstaan in het oordeel
met dit geslacht, en zullen
hetzelve veroordeelcn; want
zij hebben zich bekeerd op de
prediking van Jona: en zie,
meer dan Jona is hier.
42   De Koningin van het Zui-
deu zal opstaan in bet oordeel
met dit geslacht, en hetzelve
veroordeeld!; want zij is jre-
komeu van de eluden der aarde
om te booren de wijsheid van
Salomo; eu zie, meer dan
Salomo is hier.
4.\'t Kn wanneer de onreine
geest van den mensch uitgc-
-ocr page 26-
MATTIIias 1.1.
1-.
het ging terstond op, omdat
het geen diepte van aarde had;
R maar al» de zon opgegaan
was, zoo is het verbrand ge-
wurden, en omdat liet geen
wortel bad is het verdord.
7 En een ander ileel viel in
de doornen, eu de doornen
wii\'ssen op en verstikten bet-
zelve.
S Ku een ander deel viel in de
goede aarde, en gaf vrucht,
het één honderd*, het ander
zc*tig-, en het ander dertig-
rond.
9 \\\\ ie ooren beeft 0111 te boo*
ren, die hoore.
lu Kn de diseipeleu tot hem
komende, zeiden tot hem:
Waarom spreekt gij tot hen
door gelijkenissen?
11 Kn bij antwoordende, zeide
tot hen: Omdat liet 11 gegeven
is, de verborgenbeden van bet
Koninkrijk der hemelen te
weten, maar dien is \'t niet
k\'aan is, /nu gaat hij door
dorre plaatsen, toekende rust
en vindt ze niet.
•Il l>an zegt hij: Ik zal weder-
keeren in mijn huis van waar
ik uitgegaan hen; en komen-
de, vindt ii ï.i het ledig, met
bezemen gekeerd en versierd.
46     Dan gaat hij henen rn
neemt niet licll zeven andere
•.\'eesten, booxer dan hijzelf,
en ingegaan zijnde", wonen ze
aldaar; en het laatste van
dien nieuseh wordt erger dan
het eerste. Alxod zal het ook
met dit boon geslarkt zijn.
4ii Kn als hij ii«l- tot de
M-liar.\'h sprak, zie, zijne moe-
der en broeder» «tonden bui-
ten, zoekende hem te spreken.
47   Kn iemand geide tot hem :
Zie, uwe moeder en uwe broe-
der» staan duur buiten, 8oe-
kende u te spreken.
ts Maar hij antwoordende,
zeide tot dengene die hem dat
Reide: Wie js mfjne moederen
wie zijn mijne broeden?
49 Kn zijne hand uitstrekken*
de over zijne discipelen, zeide
hij 1 Zie, mijne moeder en
mijne broeders,
SU Want zoo wie den wil
mijn* vaders doet die in de
hemelen is, die is mijn broe-
der en zuster en moeder.
HOOFDSTUK 13.
EN te dien dage Jezus uit
Let huis gegaan zijnde, aat
bij de zee;
2 en tut hem vergaderden
vele sebaren, znodat hij in een
schip ging en nedcrxnt; en al
de schare stond op den oever.
:t Kn bij sprak tot hen vele
dingen door gelijkenissen. icg-
gende : Zie, een zaaier ging uit
om te zaaien.
I Kn als hij zaaide, viel een
deel eau het zimd hij den weg;
en de vogelen kwamen en aten
datzelvc on,
6 En een ander deel viel op
steenachtige pluatëea, waar
bet niet veel aarde had; en
12 Want wie heeft, dien zal
gegeven worden, en bij zal
orervloedlglUk hebben; maar
wie niet heelt, van dien znl
genomen w orden ouk dat hij
heeft.
i:< Daarom spreek ik tot hen
door gelijkenissen, omdat zij
ziende niet zien, en hooremle
niet liooren noch ook verstaan.
1-1 Kn in hen wordt de 1\'rofetie
\\an Jrsaja vervuld, die zegt i
Met liet gehoor zult gij booren
en geenszins verstaan, enzien-
de /.uit gij zien en geenszins
bemerken.
15 Want het hart dezes volks
is dik geworden, en zij hebben
met de ooren zwaarlijk ge-
boord) en hunne oogen hebben
zij toegedaan ; opdat zij niet te
eeuiger tijd met de oogen zou-
den zien, eu met de ooren I100-
ren en met bet ban verstaan,
en zich bekeereu, en ik hen
genese.
lt\', Doch dwe oogen zijn zalig
omdat zfj zien, en uwe ooren
omdat zfj hooren.
-ocr page 27-
Ut 8 13.                                        11)
gij niet goed zaad in uwen ak-
kcr gezaaid: Van waar beeft hij
dan dit onkruid\':
2S Uu bij zeide tot hen: Een
vijandig uienseli heeft dat ge-
daan. Kn de dienstknechten
zeiden tot beun Wilt gij dan
dat wij bcueugaan en datzelve
vergaderen\'!
21» .Maar iiij zeide; Neen, op-
dat gij het onkruid vergadc-
rende, ook mogelijk met bet*
zelve de tarwe niet uittrekt,
3ll Laat ze beide te samen
opwassen tot den oogst, eu in
den tijd des oogstes zal ik tot
de maaiers zeggen: Vergadert
eerst het onkruid en bindt het
in busselen, om hetzelve te
verbranden; maar brengt de
tarwe te zaaien in mijne
schuur.
:il Ke.ie andere gelijkenis heeft
bij bun voorde-leid, zeggende J
liet Koninklijk der hemelen
is gelijk bet iiiostnardzaad, liet-
welk een mensen heeft ge*
nomen en in zijnen akker ge*
ZHaid;
.\'12 hetwelk wel het minste is
ouder alle de zaden, maar wan*
neer bet opgewassen is, dan is
iiet \'t meeste van de moes*
kruiden, en het wordt een
boom, nlzoo dat de vogelen des
hemels komen eu nestelen in
zijne takken.
33 Eene andere gelijkenis sprak
bij tot beu, zeijyemle: Het
Koninkrijk der hemelen is ge-
lijk een zuurdeesem, welken
eeue vrouw nam en verborg in
drie maten meel, tutdut hel
geheel gezuurd was.
,14 Alle deze dingen heelt
Jezus tot de schuren gesproken
door gelijkenissen eu zonder
gelijkenis sprak bij tot hen niet;
.\'15 opdat vervuld zoude worden
wat geaproken is door den
Profeet, zeggende: Ik zal
mijnen mond opendoen door
gelijkenissen, ik zal voort*
brengen dingen die verborgen
waren vau de grondlegging der
wereld.
17 Want voorwaar ik zeg n,
dat vele Profeten en recht-
vaurdigen bc bht\'ii begeerd te
lien do dingen die gij ziet, en
hebben ze niet gezien, en te
hooreu de dingen die ij lioort,
cd hebben ze niet gehoord.
is Gij dan, hoort de gelijkenis
van den zaaier.
1» AU iemand bet Woord dei
koninkrijk* hoort en niet ver-
staat, zoo komt de boozc en
rukt weg hetgeen in zijn hart
gezaaid was; deze is degene die
l»ij den wc,\' bezaaid is.
Su .Maar die in steenachtige
pluatiteit bezaaid is, deze is
degene die liet voord lioort,
en het teritoud met vreugde
ontvangt;
21  docb hij beeft geen wortel
in ziehzelvcn, maar is voor
eeueu tijd; en als verdrukking
ot\' vervolging komt om des
Woords wil, zoo wordt la ï j
terstond geërgerd,
22   Ka die in de doornen be*
Uald is, deze is degene die bet
Woord boorti en de zorgvul-
digkeid dezer wereld en;dc ver-
leiding des rijkdom* verstikt
liet Woord, en liet wordt on-
vruchtbaar.
\'2\'-i Die uu in de goede aarde
bezaaid is, deze is degene, die
liet Woord hoort en verstaat,
die ook vrucht draagt en voort*
brengt, de één honderd*, de
ander zestig*, en de ander der-
Ügtfoad,
24 Eeueandere gelijkenis beeft
bij liiin voorgesteld, leggende j
liet Koninkrijk der hemelen la
gelijk een menseb die goed zaad
zaaide in zijnen akker;
2.\'> en als de mensehen si lepelt,
kwam zijn vijand ei! zaaide on-
kruid midden in de tarwe, en
ging weg.
ïfi Toen het au tot kruid op-
geschoten was en vrucht voort*
bracht, toen op-nbaarde sicb
üuk het onkruid.
-7 tin de dienstknechten vau
den beer des huizes gingen en
«eideu tot hem i lieer, hebt
-ocr page 28-
Sc                                         HATTH
3fi Toen mi Jezus de scharen
van tieh gelaten had, ging hij
naar Imis. Ku zijne discipelen
kwamen tot hem, zeikende:
Verklaar wis de gelijkenis van
liet onkruid des akkers.
:t7 Ku hij antwoordende, zeide
tot hen: Die het goede zaad
zaait, is de Zoon des mciischeu;
;ts en de akker is de wereld;
en het goede zaad zijn de kin-
deren de* Koninkrijk*; en het
onkruid zijn de kinderen des
booxen;
:v> en de vijand die hetzelve
gezaaid heeft, is de duivel; en
de oogst is de voleinding «Ier
wereld; en de maaiers zijn de
Engelen.
4t) (ïelijkerwijs dan het on-
kruid vergaderd en met vuur
verbrand wordt, alzóo zul het
ook zijn in de voleinding dezer
wereld :
41 de Zooi des iiienseheu zal
zijne Euvelen uitzenden, en zij
zullen uit zijn Koninkrijk
vergaderen alle de ergernissen,
en degenen die de ongerechtig*
heid doen,
12 en zullen dezelve in den
vurlgen oven werpeu: daAr zal
wcening zijn en kueraiog der
tanden.
H Dan zullen de rechtvaar*
digen blinken gelijk de zou lil
\'t Koninkrijk huns Vaders. Ple
ooren beeft om te honren, die
hoore.
44 Wederom is het Koninkrijk
der hemelen gelijk een schat
in den akker verborgen, wei-
ken een menach gevonden heb-
bende, verborg dien, en van
blijdschap over dvnxelven gaat
hij henen en verkoopt al wat
hij heeft, en koopt dien ak-
ker.
4.=> Wederom is het Koninkrijk
der hemelen gelijk een koop-
umn die schoone parelen zoekt;
lil dewelke hebbende één e
parel van gTOOtc waarde ge-
vonden, ging henen en ver*
koelit al wat hij had, en koeht
dezelve.
BUS 13.
17 Wederom is het Koninkrijk
der hemelen gelijk een net
geworpen in de zee, dat allerlei
soorten run risacheu samen-
brengt;
4S hetwelk de viaachera, wan-
neer bet vol geworden is, aan
den oever optrekken, en neder-
sittende lezen /.ij het goede uit
In hunne vaten, inaar het kwade
werpen zij weg.
49 Alzoo zal liet iu de vol-
ciudlng der et-uwen wezen: de
Kogelen zullen uitgaan en de
(muzen uit liet midden der
rechtvaardigen afscheiden,
aü en zullen dezelve in den
vnrigen oven werpen : daar zal
weening zijn en knersiug der
tanden.
bl Ku Jezus zeide tot hen:
Hebt gij dit alles verstaan* Zij
zeiden tot iiem: Ja, Ueere.
M Ku hij zeide lot hen : Haar*
om een iegelijk Schriftgeleerde
in het Koninkrijk der hemelen
onderwezen, is gelijk een heer
des huizes, die uit zijnen schat
nieuwe en oude dingen voort*
brengt.
63 Ku het II geschied als Jezus
deze gelijkenissen geëindigd
ii,\'il. vertrok hij van daar.
54 Kn gekomen zijnde iu zijn
vaderland, leerde hij ze iu
hunne Synagoge, zoodat zij
zich ontzettt-n en zeiden: Van
waar kamt dezen die wijsheid
en die krachten ?
iiü Is deze niet de zoon des
timmermans? Kn is zijne moe-
der niet geuuniud Maria, en
zijne broeders Jaeohus enJosea
en Simon en Judas :
M Kn zijne zusters, zijn ze niet
alle hij ons\'- Van «aar komt
dan dezen dit alles \'f
h\' Ku zij w erden aan hem
geërgerd. .Maar Jezus zeide tot
lien: Ken Profeet is niet on-
geëerd dan in zijn vaderland en
iu zijn huis.
-">t Kn hij heeft aldaar niet
vele krachten gedaan vanwege
hun ongeloof.
-ocr page 29-
HA TT II
HOOFDSTUK 14.
TE dier tijd boorde Herodes
de Viervorst lift gerucht
van Jezus,
•2 en Beide tot zijne knechten :
Deze is Johaouei de Hoopcr;
hfj ia opgewekt van dr dnodcn,
en daarom werken die krachten
in hem.
i Want Herodes bad Johannee
gevangen genomen, en hem
gebonden rn in den kerker ge-
zet, nm den wil vun lieroilias,
de huisvrouw van Filippus
zijnen broeder;
4    want Johaiincs zeide tot
hem: Het is u niet geoorloofd
haar te hebben.
5   En willende hem dooden,
vreesde hij het volk. omdat
zij hein hielden voor "een l*ro-
feet.
B Maar als de dag van Herodes\'
geboorte gehouden weid, dans-
te de dochter van Herodias in
het midden run hen, en zij be-
haagdc 11 \'T, \'!\' !
7  waarom hij haar met eede
beloofde te geven wat zij ook
cischcn zonde.
8  Kn zij, te voren onderricht
zijnde van hare moeder, zeide:
Geef mij Uier iu een schotel
het hoofd van Johannes den
Dooper.
9    En de Koning werd be-
droefd; doch om de eeden en
degenen die met hem aanzaten,
gebood bij dat het kaar zoude
gegeven worden,
UI en zond henen en ont-
hoofddc Johannes inden kerker.
11 Kn zijn hoofd werd ge-
braeht in een schotel, en aan
het doehtcrkcn gegeven; eu zij
droeg het tot hare moeder.
l_ Kn zijne discipelen kwa-
men en namen het lichaam
weg, en begroeven hetzelve,
en gingen en boodschapten
het Jezus.
1 :< Kn als Jezus dit hoorde,
vertrok hij van daar te scheep
naar eenc woeste plaats alléén;
en de scharen dat boorende.
ELS 14.                                        ;i
zijn hem te voet gevolgd uit de
steden.
14    Kn Jezus uii ,u."<ie, zag
eeue groots schare, en «erd
innerlijk met ontferming over
hen bewogen, en genas hunne
kranken.
15   Kn als het nu avond weid,
kwamen zijne discipelen tut
hem, zeggende: Deze plaats
is Hoest, en de tijd is nuvoor-
bljgegaau: laat de scharen van
u, opdat zij benengaan in de
vlekken en zichzelven spijs
knopen.
16   Maar Jezus zeide tot hen :
\'t Is bun \'liet van uoodc henen
te gitan : geeft gij hun te eten.
17   Doch iij zeiden tot hem:
Wij hebben hier niet dan vijf
brood e u en twee vissehen.
is Kn hij zeide: Brengt mij
dezelve hier.
19    Kii hij beval de scharen
neder te zitten op het gras,
en nam de vijf orooden eu
de twee visichen, en opwaart*
ziende naarden hemel, zegende
bij dezelve; en als hij ze pe-
brokeu had, gaf hij de uroodcu
aan de discipelen, en de disei-
peleu aan de scharen.
20  Kn zij aten allen eu werden
verzadigd; en zii namen op
bet overschot der brokken,
twaalf\'volle korven.
21     Die uu gegeten hadden
waren omtrent vijf duizend
mannen, zonder de vrouueu
en kinderen.
22  Ku terstoud dwong Jezus
zijne discipelen in het schip
te gaan, eu vóór hem af te
varen naar de audere zijde,
terwijl hij de scharen van zich
zoude laten.
2:i Kn als hij nu de scharen
van zich gelaten had, klom hij
op den berg alléén, om te
bidden. Kn als het nu avond
was geworden, zoo was hij
daar alléén.
24 Kn het schip was nu 111UI-
den iu de zee, zijnde iu nood
van de baren ; want de wind
was hun tegen.
-ocr page 30-
ELS 15.
2 Waarom overtreden uwe
discipelen de i n zet ü meen der
ouden i Want zfj wastenen
hunne handen niet, wanneer
zij brood zullen eten.
:i Maar hij a»twooi-dcnde,zeide
tot di". -. Waarom overtreedt
ook gij het gebod Gods door
uwc inzettiug\'*
1 Want God heeft geboden,
leggende t Eer uwen vader en
uwc moeder; en: Wie vader of
moeder vloekt, die zal don dood
sterven.
5 Maar t-ij zegt: Zoo wie tot
vader of moeder zal zeggen :
Het ië ee» gave, zoo wat u van
mij zoude kunnen ten nutte
komen, en zijnen vader of zijne
moeder ireenszius zal oeren,
die mlilott.
f. Kn gij hebt <>t:&, Gods ge-
bod krachteloos gi-iuaakt door
uwc inxetting.
7 (Jij geveinsden, wèl heeft
Jcaaia van u geprofeteerd, zeg-
gende:
f* Dit volk genaakt MH met
hunnen mond en eert Mij met
de lippen, maar hint hart houdt
zich verre va» Mij :
9    doch tevergeefs eeren zij
Mij, leerende leeriugen stiego
boden van luenselien zijn.
10  Ku als hij de schare tot
zieh geroepen had, zeide hij
tot hen: Hoort eu verstaat;
u hetgeen ten monde Ingaat
ontreJnigt den menach niet;
maar hetgeen te» monde uit-
gaat. dat on trein igtdeu menach.
12 Toen kwamen zijne dtsei*
pelen tot hem, eu gelden tot.
hem: Weet gij wel, dat de
Farizcërs deze rede hoorend e
geërgerd zijn geweest?
i:i Maar hij antwoordende,
zeide: Alle plant die mijn he-
mclsehe Vader niet geplant
heeft, zal uitgeroeid worden.
tl Laat ze varen, zij zijn
blinde leidslieileii der blinden:
indien uu de blinde den blinde
leidt, zoo zullen zij beiden in
de gracht vallen.
l.ï Kn 1\'etrus antwoordende,
32                                        MATTII
2."> Maar ter vierde nachtwake
kwam Jezus ai" tot hen, wan-
delende op di\' zee.
2ü Kn de discipelen ziende
hem op de zee wandelen, wer*
den ontroerd, zeggende ; IIet
i» ecu spooksel; en «ij schreeuw*
den van vree».
27 Maar terstond sprak Jezus
hen naii, zeggende: Zijt goeds-
tnoeda, ik ben het, vreest
niet.
2H En Petrus antwoordde hem
en ttfide: Heere, indien «ij het
zijt, zoo gebied mij tot u te
komen oii het water.
21* K» liij zeide: Kom. Ktl
Petrus klom neder van bet
sehip, en wandelde op het
water 0111 tot .hv.iis te komen.
:«) Maar Kiende den sterken
wind, werd liij bevreesd, en
als iiij begon ueder te zinken
riep hij, leggende: Heere, be-
lioml mij.
:il Kn Jezus terstond de hand
uitstekende, greep hein aan,
en zeide tot liein : (üj klei n ge*
loovige, waarom hebt gij ge*
wankehl ?
32  Ku als zij in \'t schip gc-
Ulnugncu waren, stilde de wind.
33  Wie nu in het schip irnrem,
kwamen en aanbaden hein,
zeggende: Waarlijk, Bij zijt
Gods Zoon.
:i4 Ku overgevaren zijnde, kwa-
men zij in het land (>cunê-
sareth.
:t.ï En als de mannen va» die
plaats hem werden kennende,
zonden zij in dat geliecle om-
liggende land, pn brachten tot
hem allen die kwalijk gesteld
waren,
3flen baden hein dat zij alleen*
lijk den /.oom zijns k!cei\'..* zou-
den iuii-\'!\';i aanraken : rn zoo-
vele» als hem aanraakten
werden gezond.
HOOFDSTUK 15.
TOEN kwanten tot Jeans. «mi-
mi Schriftgeleerden en Ka-
rizeersdie van Jeruzalem u-aren,
aegjrende:
-ocr page 31-
MA\'lTlt
/.eide tot hem: Verklaur odh
dr/A\' gelijkenis.
|i> Mattr Jeiui gelde: Zi.it ook
pUlleden alsnog onwetende?
17 Verstil»t \'jij dok niet, ilat
nl wat ten mende Ingaat in den
huik komt, e» in deheimc))jk-
heid wordt uitgeworpen?
IS Maar die dingen die ten
wonde uitgaan, komen voort uit
het hart, en die nntreinigen
den mensen.
r.i Want uit het hart komen
voort booxe bedenkingen, dond*
KUS IS.                                         »
lijk irij wilt. En hare dooh-
ter werd gezond vuu diezelfde
ure.
2\'.» En Jezus van daar vertrek\'
kende, kwam aan de zee van
Galiléa, eu klom op den her-
en zat daar neder.
\'Mi Kn vele scharen zijn tot
hem peetomen, hebbende bij
tien kreupelen, blinden, stom-
men, lammen en vele anderen,
eu wierpen ze voor de voeten
van Jezus; en hij genat de-
zelve :
:tl alzon dat de sehareu zioh
verwonderden, ziende de stom-
men sprekende, de lammen
gezond, de kreupelen waude*
lende, en de blinden ziende;
en zij verheerlijkten den God
lsrȏ(s.
*12 Kn Jezus zijne discipelen
tot zieh pceroepen hebbende,
zeide: Ik word innerlijk met
ontferming bewogen over de
sehare, omdat zij uudriedagen
hij mij gebleven zijn, en niet
hebben wat zij eten zouden ; en
ik wil ze niet nuehteren van
inij laten, opdat zij op den weg
niet bezwijken.
33 Rn zijne disei pelen zeiden
tot hem: Van waar zullen wij
zoovele hroodeu iu de woestijn
bekomen, dat «ij zulk eeue
groote schare zouden verza*
algen ?
:u Kn Jezus zeide tot hen:
Hoeveel hroodeu hebt gij? Zij
zeiden: Zeven, en weinige
visehkens,
3fi Kn hij gebood de scharen
neder te zitten op de aarde.
M Kn hij nam de zeven bron-
den en de visschen, en als hij
gedeukt had. brak hij ze, en gat
ze aan zijne discipelen, eu de
discipelen garen ze aan de
K" Kn zij aten allen en werden
verzadigd, en zij namen op het
overschot der brokken, zeven
volle manden.
38 Kn die gegeten hadden wt>
reu vier duizend mannen, ztm-
der de vrouwen en kinderen.
Klagen, oversp
86
elen, hoererijen,
dieverijen, vbIm-Iic getuigen)**
üen, lasteringen;
2n deze dingen zijn liet die
tien meutcb nntreinigen, maar
liet eten met nnirewasscheu
tinndeu otttrehiigt den iseuseh
niet.
21   Kn Jezus nu dnar gaande,
vi-rtrok naar de deeleu VU
Tym» en sidou.
22  Eu zie, eeue Kananeesehe
vrouw uit die Inudpalen ko-
meiide, riep tut hein, zeeren-
de: Heere, f/ii Zone Davids,
ontferm u mijner; mijne doch*
ter is deerlijk van den duivel
beseten.
2.1 Hut\'li hij antwoordde haar
niet een woord. Kn zijne dit*
clnelen tot liem komende, ba-
den hem, zeggende; Laat ze
vi\'in u, want zij roept ons na.
24 Maar hij antwoordende,
telde: Ik hen niet gezonden
dan tot de verloren schapen
van het liuis Israël*.
2a En zij kwam en aanhad
liem, zeggende: Ileere, help
2i> Doch hij antwoordde en
Belde: Het is niet betunc*
lijk het brood der kinderen te
nemen en den houdekeus roor
te werpen.
-7 Kn zij telde: Ja, Heere,
doch de bondeken* eten ook
van de brokskcim die daar val-
len van de tafel hunner beeran.
2s Toen autwnnrddo Jezus en
zeide tot haar: 1) vrouw. gront
w uw geloof: u geschiede ge-
-ocr page 32-
21                                          M ATT II
:•\'.< Kn de M\'ii-\'n\'u van zich
trelaten hebbende, icing hij in
het «chip, en kwam iu de
landpalen ui» Mandala.
HOOFDSTUK 16.
EN de Parizeer» en Saddu-
ceera tot hem gekomen
zijnd*\', en hem vel i.\' ickc ii tl f,
begeerden van hem dat hij liuu
een teekeu uit den hemel zuu.de
tooncn.
2 Maar hij antwoordde en
Beide tol hen: Als het avond
geworden is, zegt jfij: Schoon
weder, want de hemel is rood;
:( en des morgens: lieden o»-
weder, want de hemel is dioe-
vig rood. Gij geveinsden, liet
aanschijn de» hemels weet gij
wel te onderscheiden, en kunt
gij de teekenen der tijden niet
oiuleracheideit f
-1 Het boos en overspelig ge-
Klacht verzoekt een teeken; en
Jiuh zal ireen teeken gegeven
worden dan liet teeken van
Jona den Profeet. Kn beu ver-
latende, ging hij weg,
5 Kn als zijne discipelen op de
andere zijde gekomen waren,
huddeu lij vergeten b ronden
mede te nemen,
li Ku Jezus zeide tot hen : Ziet
toe, en wacht tt van den znur-
deeseui der Parizeen en Sud-
dueeërs.
7  Kn lij overleidcn bij sten*
zelven, zeggende; liet ia omdat
wij «een bmodcu medegenomen
hebben.
8  Kn Jezus dut wetende, zeide
tot beu: Wat overlegt «ij bij
uzelvcu, gij kleiiigchmvigen, dat
gij geen broodeu Medegenomen
ebt?
9  Verstaat «ij non niet, en
gedenkt gij niet aan de vijf
brooden der \\vi duizend auut.
mem, en hoeveel korven gij op-
na a uit \'t
10  Doch aan de zeven broeden
der vier duizendmaiMM.cn hoe
veel manden gij opnaauitï
11   Hoe verstaat «ij niet. dat
ik u van geen brood gesproken
KUS lfi.
heb, ttta ik zeide dat Rij u
wachten Boudt van den /.mik
dcesem der Pnrizecrs eu Sad-
dnceera?
!\'. Toen verstonden zij dat bij
niet gezegd had. dat zij zich
wachten zouden van den zuur-
deeseiu des broods, maar van
de leer der Parizeer* en Saddu-
ceërs.
13  Als uu Jezus trekoineu was
iu de deden van Cesarca PfUppi,
vraagde hij zijne discipelen,
zeggende: wie Keggen de men*
scheu dat ik, de Zoon des
uieiisebcii, ben.
14   Kn zij zeiden: Sommigen:
Johaunet de Dooner; en ande-
ren : Klia ; en anderen : Jeremin
oï een van de Profeten,
l.\'i Hij zeide tot hen : .Maar gij,
wie zegt gij dat ik ben?
lfi Kn 8imon Petrui antwoor*
dende, zeide tot hein: Gij zijt dr
Christus, de Zoon des levenden
Gods.
17 Kn Jezus antwoordende,
zeide tot hein: Zalig zijt gij,
siuiiiu Bar-Jona; want vieeacn
eu bloed heeft u dat niet ge*
openhaard, maar mijn Vader
die iu de hemelen is.
15  Kn ik zee u ook, dat gij zijt
IVtrus, eu op deze petra zal ik
mijne gemeente bouwen, en de
poorten der hel zullen dezelve
niet overweldigen.
lil Kn ik zal ii geven de sleu-
telen van het Koninkrijk der
hemelen; en zoo wat gij zult
hinden op de aarde, zal in de
hemelen gebonden zijn; en zoo
wat gij ontbinden zult op de
aarde, zal iu de hemelen ont-
bnudeu zijn.
2u Toen verbood hij zijnen
discipelen, dat zij niemand seg*
gen zouden dat bij was Jezus
de Christus.
21 Van toen aan begon Jezus
zijnen discipelen te vertoonen,
dat bij moest benengaan naar
Jeruzalem, eu veel lijden van
de Ouderlingen en Overpries-
teren en Schriftgeleerden, en
gedood worden, en ten der-
-ocr page 33-
MA TT II
den (Iftiic opgewekt worden.
SS Kn Petrus hem tot zie» ge-
nonieii hebbende, begon hem
te bestratVeii,/.e^\'-\'i-ude: Heere,
tretsu genadig: dit zalu geens-
zins geschieden.
23 Maar hij zieh om koerende,
zeide tut Petrus : Ga we»achter
mij, satan, gij zijt mfj een
aanstoot; want gij verzint niet
de dimreii die Gmls zijn, maar
die der mensehen zijn.
04 Toen zeide Jezus tot zijne
discipelen : Zoo iemand aeliter
mij wil komen, die verloochene
zichzelven, en neme zijn kruis
on en volgc mij.
SS Want zoo w ie ziin leven zal
willen behouden, die zal het*
zelve verliezen; maar zoo wie
zijn leven verliezen zal om
mijnentwil, die tal hetzelve
vinden.
Sfi Want wat baat het een
uienseh, zoo hij de geheele
wereld gewint, en lijdt sohnde
zijner ziel? Of wat zaleen
mentH\'h geven tot lossing van
zijne ziel \'i
27 Want de Zoon des inenschen
zal komen in de heerlijkheid
zijns Vaders, met zijne Enge*
len, en alsdan zal hij een lege*
lijk vergelden naar zijn doen.
SS Voorwaar Mg ik u, daar
zijn sommigen van die hier
staan, welke den dood niet
smaken zullen, totdat zij den
Zoon des menseheu zullen hen-
ben zien komen in zijn Koniuk-
rijk.
HOOFDSTUK 17.
EN na zes dagen nam Jezus
inet zieh Petrus, en Jaeo-
hua, en Johanues zijnen broe-
der, en braeht ze op eeuen
lioogen tiert: alleen.
2  En hij werd voor hen ver-
nnderd van gedaante ; en zijn
aangezicht blonk Keiijk dezon,
en zijne kleedereu werden wit
gelijk het Ucht.
3  Én zie van hen werden ge-
Kien Mozes en Klia, met hem
sameiisnrckeude.
EUS 17.                                        25
4  Kn Petrus antwoordende,
zeide tot Jezus; Heere, het is
goed dat wij hier zijn; zoo gij
wilt, laat ons hier drie taber-
uakelen maken, voor u éénen,
en voor Mozes éénen, en éénen
voor Klia.
5  Terwijl iiij nog sprak, zie,
eeue luchtige wolk heelt hen
overschaduwd; en zie, eenc
stem uit de wolk. zeggende:
Deze is mijn geliefde Zoon, in
rtenwelken ik mijn welbehagen
heb : hoort hem,
Kn de discipelen dit hoo-
reitde, vielen o]i hun aauge-
zieht en werden zeer bevreesd.
7  Kn Jezus bij hen komende,
raakte ze aan, en zeide: Staat
op fii vreest niet.
8  Bn hunne oogen opheffende,
zagen zij niemand dan Jezus
alléén.
il Kn als zij van den bert; af-
kwamen, gebood hun Jezus,
zeggende: SSegt niemand dit
gezicht, totdat de Zoon des
mcuscheu zal opgestaan zijn
uit de dooden.
10  Kn zijne discipelen vraag*
den hein, zeggende: Wat «eg-
gen dan de Schriftgeleerden,
dat Klia eerst moet komen?
11  Doch Jezus antwoordende,
zeide tot ben: Klia zal wel
eerst komen, en alles weder
oprichten;
12  maar ik zeg u dat Klin
nu gekomen is, on zij hebbeu
hem niet gekend, doch zij heb-
heu aan hem gedaan al wat zij
hebben gewild: alzuó zal ook
de Zoon des meuseheu van beu
lijden.
l.\'t Toen verstonden de disei-
pelen dat hij hun van Johaii-
nes den Pooper gesproken liad.
14 Kn als zij b,\'j de schare
gekomen waren, kwam tot hein
een mensen, vallende voor hem
op de knieën, en zeggende:
lï> Heere, ontferm u over mijn
zoon, want hij is maanziek, en
is in zwaar lijden; want uie-
nigmaal valt hij in bet vuui
en menigmaal in bet water;
-ocr page 34-
2\'ï                                        M.YTTH
lfi en ik lieb hem tot uwe
discipelen gebracht, eu /.ij heb-
ben hem niet kunnen Reneten.
17 En Jezus antwoordende,
gelde : O Otttteloovilten verkeerd
geslacht, hoe lang zal ik nog
met ulieden zijn, line lang zul
ik tl..*iiog verdragen ? Brengt
hem mij uier.
is Ku Jezus bestrafte hem,
en de duivel ging van hem uit,
eu het kind werd genezen van
die ure at\'.
lil Toen kwamen de discipelen
tot Jezus alleen, en zeiden :
Waarom hebbeu wij hein niet
kunnen uitwerpen?
20  Kil Je/.lis zeide tot hen:
Oin uws ongeloof* wil; \\uint
voorwaar zet; Ik u, zon gij
een geloof badt als eeu mos-
taardzaad, \'.rij iflUdt tot dezen
berg zeggVn: Ga henen van
•lier derwaart», eu hij zou lic-
ucngaaii; eu niets zal uonmo*
gelijk zijn.
21  \'Maar dit geslaeht vaart niet
uit dan door bidden en vasten.
22   Kn als zij in Galiléa ver-
keerden, Beide Jezus tot ben:
De Koon des me.iseheti zal
overgeleverd worden in dehau-
deti der nienseheii;
2lt eu zij zullen hem dnoden,
en ten derden dairezal hijnpire-
wckt worden. En zij werden
zeer bedroefd.
24 Km als zij te Kanérnauiu
ingekomen waren, Kluften tot
Petrus die de didrachmeu out*
vingen, eu zeiden: l\'w Mees-
ter, betaalt hij de didrachmeu
niet ?
2-5 Htj zeide: Ja. Kn Kien hij
In huis gekomen was, voor-
kwam hein Jezus, leggende:
Wat dunkt u,8imonï de Ko-
ningeu der aarde, van wie
nemen zij tollen of schatting,
van hunne ionen of van de
vreemden ?
2fi Petrus zeide tot hem ; Van
de vreemden. Jezus zeide tot
hem: Kon zijn dan de ionen vrij.
27 Maar opdat wij hun gecneu
aanstoot geven, ;ra henen naar
KUS IS.
de zee, werp den angel uit, en
neem de» eersten visch die
opkomt; eu zijnen mond ge-
opeud hebbende, zult gij eeneu
stater vinden: neein dien en
geef hem «mi hen, voor ïuij
ril U.
HOOFDSTUK IS.
TV. dier ure kwamen de dis-
rijieleu tot Jeans, aeggeudc:
\\\\ ie is tocfa de meeste in het
Koninkrijk der hemelen?
2 Ku Jezus een kindeken tot
zieh geroepen hehheude, stelde
dat in \'t midden van hen,
;j en zeide: Voorwaar zeg ik
it, indien «ij u niet verandert
en wordt gelijk de kiuderkeus,
zoo zult \'.rij in het Koninkrijk
der hemelen geenszins ingaan.
4 Zoo wie dan ziehzelveu zal
vernederen gelijk dit kindeken,
déze isde meeste in het Kouink*
rjjk der hemelen;
.1 eu zoo wie zoodanig een
kindeken ontvangt in mijnen
naam, die ontvangt mij.
ii Maar zoo wie één van deze
kleinen die iu mij geloovei ,
ergert, het ware bein nutte:
dat eeu molensteen aan zijnen
hals gehangen, en dat hij ver-
lonken ware iu de diepte dei
zee.
7  Wee der wereld van de er-
gernt«sen; want het is uood-
zukelijk dat de ergernissen
komen, doeh wee dien meiiseh
door weikeu de ergernis komt.
8  Indien dan uwe hand ot\'
uw voet u ergert, houw ze af
en werp ze van 11: het is 11
beter tot het leven in te gaan,
kreupel of verminkt sijmtr, dan
twee handen of twee voeten
hebbende, 111 het eeuwige vuur
geworpen te worden.
\'i Ku indien uw oog u ergert,
trek het uit en werp het van
11: het is\'U heter maar éénoog
hebbende, tot het leven iu te
traan, dan twee on gen hebliei:
de, iu het helsehe vuur gewoi-
jieu te «orden.
iu Ziet toe dat gij niet één
-ocr page 35-
M ATT 11
van deze kleinen veracht; want
ik /..\'_• alteden, <lnt hunne Ku-
gcleu in de hemelen altijd zien
het aangelicht raUns Vaders
die in de hemelen 1».
il Want deZooudesmenachen
is gekomen <>ni zalige ie maken
dat verloren was.
V2 Wat dunkt u ? indien eeniir
mensen honderd irhapcii liail,
en één uit dezelve afgedwaald
was, zal hij niet de negen en
negentig laten, eu op_de bergen
henen (taande, het afgedwaalde
/.«.eken ?
i:i Kn indien het geschiedt
dat hij hetzelve vindt, voor*
waar ik zeg ». \'lat hij zich
meer verhlijdt over hetzelve
dau over de neven en negentig
dtc niet afgedwaald zijn ge-
weest.
II Alzód is de wil niet uw*
Vaders die in de hemelen is,
dat één van deze kleinen ver-
luren ga.
ló Maar indien uw broeder
tegen u gezondigd heelt, sa
(tenen en bestraf hem tusscheu
u en hem alléén: indien hij u
hoort, zou heht irij uwen broe*
•Ier gewonnen;
Iti maar indien hij u niet hoort,
(oo neem nog één of twee met
», opdat in den mond van twee
»f drie getuigen alle woord
"csta.
ü Kn Indien hij denselven
Keen gehoor geeft, /.on zet: het
der gemeente, en indien hij ook
iler gemeente geeu gehoor geeft,
\'"o zij hij u nl-s de heiden en
de tollenaar.
\'t Voorwaar zeg ik n, al watgfj
"l> de aarde hinden zult, zal in
den hemel gebonden wezen;en
W wat sij on de aarde uutbin-
\'1\'n /.uit, zal iu den hemel ont-
bonden wezen.
\'1 Wederom zeg ik n, Indien
••aar twee van n MUieuatemuieu
"\\\' de aarde over eenlge zaak
\'j,(i zij zouden mogen begeeren,
\'wt die hun zal geschieden
*** mijnen Vader die iu de he-
uehaï is;
KIS IS.                                         23
3D want waar twee of drie
vergaderd zijn in mijnen uanni,
daar hen ik iu het midden van
hen.
31 Toen kwam Petrus tot hem
eu zeide : Meere, hoe menigmaal
/.al mijn broeder tegen niÜ *on«
dijteH eu ik hem vergeven ï Tot
zevenmaal ?
\'"Jezus zeide tot hein: Ik
zeg iip niet tot zevenmaal,
maar tot zeventigmaal zeven*
hui n l.
2"< Daarom wordt het Ko*
niukrijk der hemelen vergele*
keu hij een zeker Koning, dit\'
rekening met zijne dienstknecht
len houden wilde.
Ï4 Als hii nu Itegon te reke-
nen, werd tot hem gebracht
één die hem ichuldigwas tien
duizend talenten.
23 Ku als hij niet had om te
hetaleu, beval\' zijn heer dat
men hem zoude verkoopeu en
zijne vrouw en kinderen, en al
wat hij had, en dal. de iekuld
zoude betaald worden.
•Ji> He dienstknecht dan neder*
vall
4
ende, aanhad hem, zeggen*
de; 11 eer, w ees lankmoedig
over mij, en ik /.al u alle» be.
talen.
"-7 Kn de heer van dezen dieust*
kneeht met barmhartigheid in-
nerlijk bewogen zijnde, heeft
hem ontslagen en de schuld
hem kwijtiresehnldeu.
\'2» .Maar die dienstknecht uir-
gaande, beeft gevonden ecnen
zijner mededieiistkneehteii die
hem honderd penningen .-ehu!-
dlg was, en hem aanvattende,
greep hem hij de keel, zeggende:
Betaal mij wat z\\\\ schuldig zijt.
2» Zijn niededien.tkiiecht dan,
nedrrvallende aan zijne voete:i,
had hem, zeggende : Wee.* lank-
mocdig over mij, en ik zal u
alles betalen.
HII Doeli hij wilde niet, maar
ging henen en wierp hem iu de
gevangenis, totdat hij de schuld
zoude hetaald hebben.
\'M Als nu zijne inededie:ist-
knechteu zagen hetgeen ge-
-ocr page 36-
2S                                        MATTll
schied waf, zijn lij zeer be-
droefd geworden, en komende,
verklaarden zij bunnen beer al
wat er geschied was.
li-2 Toen beeft hem zijn beer
tot zich geroepen, en zeide tot
hem: Gij bonje dieustkneebt,
al die schuld heb ik u kwijtge-
srliolden, dewijl gij uiij gebe-
-!i :i bebt:
:t;i behoordet gij ook niet u
«ver uwen inededienstknecht te
ontfermen, gelijk ik ook mij
«ver u ontfermd heb ï
34 Bn zij» beer vertoornd
zijnde, leverde beiu den pijui-
gers over, totdat bij Boude be-
taald hebben al wat bij hein
schuldig wan.
:ts Alzóó zal ook mijn hemel*
sche Vader ü doen, indien gij
niet van harte vergeeft een
iegelijk zijnen broeder zijne
misdaden.
HOOFDSTUK 19.
EN bet geschiedde toen .Ïczub
deze woorden geëindigd bad,
dat bij vertrok van Galilca, en
kwnm óver den Jnrdnau, in de
landpalen van Judéa.
2 Kn vele scharen volgden hem,
en iiij genas ze aldaar.
\'.i Eu de Karfxeër* kwamen tot
hem, verwekende beiu, en seg-
gende tot hem : 1* bet een
luenseb geoorloofd ittne vrouw
te verlaten om allerlei oorzaak ?
4  Doch liij antwoordende, zeide
tot beu: Hebt «ij niet gelezen,
die vanden beginne den m*h*c&
gemaakt beeft, dat Hij ze ge-
maakt heeft inau en vrouw,
5  en gezegd heeft: Daarom zal
een mensen vader en moeder
verlaten, en za! zijne vrouw
aanhangen, en die twee zullen
tot één vleesch zijn;
»> alzoo dat zij niet meer twee
zijn, maar één vleesch. Hetgeen
dan God samengevoegd heeft,
se heide de mensen niet.
7 Zij zeiden tot hem : Waarom
beeft dan Mozes geboden,eeueu
seheidbrief te geven en baar te
verlaten \'t
KUS 19.
8 Hij zeide tot ben : afotct
beeft vanwege de bardigbeid
uwer harten u toegelaten uwc
vrouwen te verlaten; maar van
den beginne is \'t alzóó niet
geweest.
\'.» Maar ik zpg ii, dat zoo wie
zijne vrouw verlaat anders dan
om hoererij, en eene andere
trouwt, die duet overspel, en
die de verlatene trouwt, doet
ó»k overspel.
10  Zijne discipelen zeiden tot
hem: Indien de zaak des iueti-
schen met de vrouw alzóó
staat, zoo is \'t niet oorhaar te
trouwen.
11   Doch bij zeide tot ben :
Allen vutten dit woord niet,
maar wieu het gegeven is.
12  Want daar zijn gesnedeuen
die uit moeders lij f alzóó ge-
boren zijn, en daar zijn gesne-
deueu die van de menschen
gesneden zijn, en daar zijn ge-
snedrnen die ziehzelve Resne*
den beiibeu om het Koninkrijk
der heiueleu: die dit vattei
kan. vatte het.
13  Toen weiden khiderkens tot
hein gebracht, opdat bij de
banden hun zoude opleggen,
en bidden; en de discipelen
bestraften dezelveu.
14   Maar Jezus zeide: Laat af
van de kinderkens, en verhiu-
dert ben niet tot uiij te komen:
want derzulkeu is bet Konmk-
rijk der hemelen.
15  En als hij hun de handen
opgelegd bad, vertrok bij van
daar.
1\'! En zie. er kwam een tot
hem, en zeide tot hem : Goede
meester, wat zal ik goeds doen,
opdat ik bet eeuwige leven
behbe?
1" Hu hij zeide tot hem: Wh\'
noemt gij mij goed? Niemand
is goed dan één, numeiïik God.
Doch wilt gij in het leven in-
gaan, onderhoud de geboden.
is Hij zeide tot hem: Welk» f
Ku Jezus zeide: Deze: gfj zult
niet dooden ; gij zult geenover-
spel doen; «ij zult niet stelen;
-ocr page 37-
EL\'S 20.                                        20
om in ij ns naams wil, die lal
honderdvoud ontvangen, en bet
eeuwige leven beerven.
30 Maar vele eersten zullen
de lautsten /.ijn, en vete laat-
sten de eersten.
HOOFDSTUK 20.
Tl/WNT het Koninkrijk der
VV hemelen Is gelijk een heer
des huizes, die met den mor*
genstond uitging om arbeiders
te huren ie zijnen wijngaard.
\'2 Kn als hij n.ct de arbeiden*
ééns geworden was voor eenen
penning \'s daags, zond hij ze
henen in zijnen wijngaard,
•\'t Kn uitgegaan zijnde omtrent
de derde ure, zag hij anderen
ledig staande op de markt;
4 en bij zeide tot hen : (iaat
gij óók henen iti den wijngaard,
en zoo wat recht is zal ik u
geven. Kn zij gingen.
h Wederom uitgegaan zijnde
omtrent de zesde en negende
ure, deed hij desgelijks.
\'» Ku uitgegaan zijnde omtrent
de elfde ure. vond hij anderen
ledig staande, en zeide tot
hen : Wat staat gij bier deu
geheelei: dag ledig?
7 Zij zeiden tot hem : Omdat
ons niemand gehuurd heeft.
11 ij zeide tot hen; Gaat ook gij
henen in den wijngaard, en
zou wat recht is, zult gij out*
vangen.
H Als bet nu avond geworden
was, zeide de beer des wiju-
gaards tot zijnen rentmeester:
Koe]» de arbeiders, en geefhuu
het loon, beginnende van de
laatsteu tot de eersten.
\'J Kn als zij kwamen die ter
elfder ure gekuurd u-uren, ont-
vingeu zij leder eenen penning.
Kt Kn de eersten komende,
meenden dat zij meer outvaii*
gen zouden ; en zijzclven 00tvln-
gen óok elk eenen penning.
11  Ku dien ontvauven hebben-
de, murmureerden tij tegen den
beer des huizes,
12  zeggende: Deifl laatsteu
MATTI1
gij lult gecne valsclie gctuigc-
nia geven ;
1\'J eer uwen vader en uw*"
moeder, en gij IttH uwen
ïuiiiste liefhebben als uielven.
20  De Jongeliug Kide tot heul!
411e deze dingen heb ik onder-
houden van mijne jonkheid af:
wat ontbreekt mij nog?
•21 Jezus zeide tot hem; Zoo
(rij wilt volmaakt zijn, Ra he-
iien, verkoop wat ^ij heht en
geci het den armen, en p-ij zult
eeuen schat hebben in den hr-
mel; en koni herwaarts, volg
mij.
23 Als nu de jongeling dit
woord hoorde, gii:g hij be-
droefd weg; waut bij hud vele
goederen.
23 Kn Jezu» zeide tot zijne
discipelen : Voorwaar ik zei; u,
dat een rijke bezwaarlijk in
het Koninkrijk der hemelen
zal Ingaan*
21   Kn wederom zeg: ik u, bet
\'ir lichter dat een kemel ga
door het ooi; van eeiie naald,
dan dat ee.i rijke Inga in bet
Koninkrijk Gods.
35 Zijne discipelen uu dit boo*
rende, werden zeer verslagen,
zeggende: Wie kan dun zalig
«orden \'t
2i< Kn Jezus heit aanziende.
telde tot hen : Hij de mentenen
is dat onmogelijk, maar hij
God zijn alle dingen mogelijk.
"-7 Toen antwoordde 1\'etrus
en zeide tot hem: Zie, wij
nebben alles verlaten en zijn
ii gevolgd: wat zal óns dan
Keworden ?
2.H En Jezus zeide tot ben:
Voorwaar ik ze^ u, dat .\'ij
jUe mij gevolgd zijt, in de we-
<|ergcboorte, wanneer de Zoon
dea men*cben zal irezetc» zijn
"I\' den troon zijner hcerlljk-
Md, dat gij ook zult zitten
°1\' twaalf tronen, oordeelende
«e twaalf geslachten Israels.
-\'1 Kn zoo wie zal verlaten
\'"\'bben huizen, of broeders of
z"*ters, of vader of moeder, of
^\'"iiw- of kinderen, of akkers,
-ocr page 38-
:tO                                        M ATT II
-.I bbi i: htaar één uur gearbeid,
eu gij Jicbt ze Ou» gelijk ge-
waakt, die deu last dei daag»
en de hitte gedragen hebben.
i;t Doch liij «ntwoordeude,
zeidetotéénen van hem Vricud,
ik doe u geen ourechti zijt gij
niet niet mij ééns geworden
voor cciieu penning ï
II Neem tiet uwc eu ga he-
ueu; ik wil decen laataten ook
Keven gelijk ais u.
!."> 01\' is hi\'t mij niet geonr-
loofd ti\' doen uu-t liet mijne
wat ik wllï Of is uw oog lams
ouidat ik goed beu f
Ui Alzoó zullen dr Ia ut sten
de eersten zijn en de eersten de
laatstcu: want velen zijn ge-
roepeu, maar weinigen ultver*
korf ii.
17 K11 Jezus opgaande naar
Jeruzalem, nam tot zich de
twaalf discipelen alleen opdeu
weg, en zeide tot hen:
Is Zie, wij gaan op naar Je-
nizaleni, en de Zoon des men*
schen zal den Overpriesteren
eu Schriftgeleerden overgele*
verd worden, en zij zullen heul
ter dood veroordeeld!;
1\'J en v,ï.i zullen liein den hci-
denen overleveren, om hem te
bespotten eu te geeseleu en te
kruisigen; ei: ten derden dage
zal hij weder opstaan.
21) Toen kwam de moeder der
zonen vau Zcbedelis tot Item
met hare zonen, hem anubid-
dende, eu bcgeerende wat vau
hein.
21  En hij zeide tot haar: Wat
wilt gij ! Zij zeide tot hem: Zeg
dat deze mijne twee zonen zit*
ten mogen de één tot uwe
rechter* eu de ander tut uwe
JinkerV)<(«i<l in uw Konitik*
rijk.
22  Maar Jezus antwoordde eu
zeide: (üjliideu weet niet nat
s-fj begeert; kuutglj den driuk-
beker drinken dien ik drinken
zat, eu met den doop gedoopt
worden waarmede Ik gedoopt
word? Zij zeiden tot hem 1
Wij kunnen.
KUS 20.
ïi Uu hij zeide tot beu 1 Mfj*
nen drinkbeker zult Rij wel
drinken, eu met den doop
waarmede Ik gedoopt word, zult.
gij gedoopt Morden; maar het
zitten tot mijne rechter* en tut
mijne linker/.»/»/ staat hij mij
niet te gereu, maar het zal
(/tij/even trorden
dien liet bereid
\'is\'vnn mijnen Vader.
2i Kn all de ttudeie tien dut
hoorden, namen zij het zeer
kwalijk vau de twee broeders.
2.Ï Kn als hen Ji-zun tot zieli
geroepen had, zeide hij• (Jij
weet dat de over ten der vol-
keren heerschappij voercu over
beu, eu de grooteu gebrnlkeu
ïnaelit over hen.
2<> llueh alzóo zal het ouder
u niet zijn. maarzoo wie onder
U zal willen groot worden, die
zij uw dienaar;
27 en zoo wie onder 11 zal wil-
leu de eerste zijn, die zij uw
dienstknecht:
2s gelijk de Zoon des men*
ichen niet is gekomen om ge*
dlcnd te worden, maar om te
dienen en zijne ziel te «even
tut een rantsoen voor velen.
M Kn als zij vau Jerlcbo uil*
gingen, is hem ecue gruote
ichare gevolgd,
\'M Kn zie, twee blinden zit-
tende aan den weg, als zij
koorden dat Jezus voorbijging,
riepen, zeggende: Ilecre, gij
Zoon Havids, uutferm u on-
ter.
;tl Kn de schare bestrafte hen,
opdat zij zwijgen zouden ; maar
zij riepen te meer, zeggende:
Ontferm u onzer, Ueerc, gij
Zone Davids.
.12 Kn Jezus */i7staande, riep
ze e» zeide: Wat wilt gij dat
ik 11 doe t
33 Zij zeiden tot hemt Heere.
dat onze OOgeu geopend wor-
den.
\'M Kn Jezus innerlijk bewogen
zijnde niet barmhartigheid,
raakte hunne oogeu aan; en
terstond werden hunne oogeu
ziende, en zij volgden bem.
-ocr page 39-
MATTI
HÜOPlïSTL\'K 21.
EN als zij uu Jeruzalem gc-
naakten, en gekomen WRKD
te Itcthl\'ugO iiiiii di\'ii Olijf*
hcig. toen ziiiul Jezus twee
discipelen, zeggende tol beu ;
2 (iaat heneu m bet vlek dat
tegen u over lifjt, PU gij xult
teratond pene ezelin gehouden
vinden, en een veulen met
haar: ontbindt ze eu brengt
w tot mij.
:: Ku indien u iemand iets
«ejtt, zoo zult gij zeggen dat de
llccre deze vun minde heelt, eu
hij tal ze terstond zenden.
I   Pit alles uu is geschied "1>*
dat vervuld worde betseen Re-
>proken is door de» Profeet,
/.eggende:
.". Zegt der doehter Sinus:\'Zie,
uw Koning komt tot u, xacht*
moedig en gezeten o|> eeue
ezelin en een veulen, thndë een
jong eetier lukdragende ezelin.
ti lai de discipelen hcueu.ge-
gaau zijnde, eu gedaan heb*
bende Keiijk Jezus buu bevolen
had,
7 brachten de ezelin eu het
veulen, e» leiden builllf klee-
deren op dezelve, en zetten kern
daarop.
s Ku de meeste seliare spreid*
den hunne klecderen op den
weg, en anderen hieuwen
takken van de boomeu eu
spreidden ze op den weg.
\'.> Kn de scharen die voorgiie
gen en die volgden, riepen,
\'.eggende: ItosHiuia den Zone
ihwids! Gezegend hij die
komt in den naam des Hecreu !
i 1 osauua in de hoogste kêmeten .\'
in Kn als hij te Jeruzalem
inkwam, weid de gchecle stad
beroerd, zeggende: Wie is deze?
II    Ku de scharen telden:
l}eie is Jezus, de Profeet van
Nazareth in (iidih\'-a.
12 Kn Jezus (fin* \'" dcuTeui*
pel Gods, eu dreef uit allen
\'jie verkochten en koeliteu iu
\'"u Tempel, en keerde de tafels
\'Ier wisselaars oin, en de zit*
KIS 21.                                        .11
stoelen dergeneu die de duiven
verkochten;
i:t eu hij zeide tot ben : Daar
is geschreven: .Mijn Muis zal
t-eu Huis des gelyds ^cuaauid
worden: muur _-i.i hebt dat tot
een moordenaar-kuil gemaakt.
U Kn daar kwamen blinden
en kreupelen tot hem iu den
Tempel, eu hij genat dezelve.
13 Als nu de Overpriestcrs eu
Schriftgeleerden zagen de won*
derheden die hij deed, eu de
kinderen roepende inden Tem-
pel, eu zeggende :£ Hosanna
deu SSoue llavid»! namen zij
dat zeer kwalijk,
X\'. en zeiden tot hem: Hoort
jrij wet wat deze zeggen\'r Kit
Jezus zeide tot hen: Ja, hebt
t\'ij nooit gelexen: l\'it den
mond der Jonge kinderen en
der zuigelingen hebt gij t lot\'
toebereid?
17 Kn ben verlatende, ging hij
van daar uit de stad naar Be*
thanié, eu overnachtte aldaar.
is Ku des morgens (roeit «1*
hij wederkeerde naar de stad,
bomferde Uein,
19 Eu ziende eeuen vügebooni
aan deu weg, ging hij naar
hem toe, en vond niets aan den
denxelveu dan alleen bladeren,
en zeide tot hem: l\'it u worde
geen vrucht meer in der eeu-
wigheid. Kn de t\'ijgebooui ver-
dorde terstond.
S» Kn de discipelen dut ziende
vem onderden /.ieb, leggende:
Hoe is de rfjgebooni zoo ter*
stond verdord ï
•Jl Iloeh Jezus antwoordende,
zeide tut heïi : Voorwaar \'zeg
ik u, indien uij geloof hadt en
niet twijfeldet, gij zuudt niet
alleen doen hetgeen deu vljgc*
bonm in yenphied, imuir indien
gij ook tot dezen bent zeidet:
Word opgeheven en iu de zee
geworpen, liet zoude gesehie-
deu;
•22 en al wat aij zult begeeren
in \'t gebed, gclooTCnde, zult
gij ontvangen.
•2\'A Kn als hij iu den Tempel
-ocr page 40-
ELS 21.
doeh gij zulke ziende, liebt
daarna geen berouw gehad
om hem te gtlooven.
:ct Hoort eeue andere gel ij.
kenis. Daar was een heer des
huizes die eeiicu wijngaard
5)lantte, en zette eenen tuin
laaroui, eu groet\'eenen wiju-
persbak daarin, en bouwde
eenen toren, en verhuurde
dien den landlieden, en reisde
buitensla/id*.
.14 Toen uu de tijd der vruch-
teu genaakte, zond hij zijne
dienstkneclt teu tot de landlie*
deu oin zijne vruchten te om-
vangen.
35 Ku de landlieden nemende
zijne diens (knechten, hebben
anderen gedood, eu deu derden
geiteenlgd.
.\'tri Wederom zond hij andere
dienstknechten, meer m gttal
dan de eerste; en zij deden
hun desgelijks.
.\'J7 Kn teu laatste zond hij tot
hen zijnen zoon, zeggende : Zij
zullen ulijnen /.\'ion ontzien.
:S Maar de landlieden den
zoon ziende, zeiden onder eik-
ander : Deze is de erfgenaam :
komt, Iaat ons hem duoden en
zijne erfenis aan on* behou-
deu.
:«i Ku hem nemende, wierpen
/.ij hem uit buiten den wijn-
gaard, eu doodden hem.
4" Wanneer dan de lieer des
wijngaard s komen zal, wat
zal hij dien landlieden doen \'t
41 Zij zeiden tot hem: il ij
zal den kwaden eeu kwaden
dood aandoen, eu zal den wijn-
gaard anderen landlieden ver-
huren, die hem de vruchten
op hare tijden zullen geven.
<1 Jezus zeide tot hen: licht
gij nooit gelezen in de Schril-
ten: De steen dien de bouw-
lieden verworpen hebben, deze
is geworden tot een hoofd des
hoeks; van deu lleere is dit
geschied, en het is wonderlijk
in onze oogen \'t
41! Daarom zeg ik ulieden,
.t:                                  ma tt ü
Bekomen was, kwamen tot
hem, terwijl hij leerde, de
Ovcrpriesters en de Ouderlin-
Kcu del volks, zeggende; Door
wat macht doet jrij deze dingen,
en wie heelt u deze macht ge-
deren ?
24 Kn Jezus antwoordende,
zeide tot hen; Ik zal u ook één
woord vragen, hetwelk indien
gij mij zult zesven, zoo zal ik
n óók zeggen door wat nmeht
ik deze dingen doe:
iï De doup van Johannes,
ran waar was die, uit den
hemel of uit de mcnsclien?
ëd zij over leiden hij zichzelven
en zeiden: Indien wij zeggen:
l\'it den hemel, zon zal hij ons
zeggen : WaarOW hebt gij hem
dan niet ireloot\'d ï
98 Ku indien «ij zeegen : t\'it
de menschen, zoo vreezen wij
de schare; want zij houden
allen Johannes voor een l*ro-
feet.
37   Ku zij Jezus antwoordende,
zeiden: Wij weten het niet.
Ku hij zeide tot hen: Zoo ze::
ik u ook niet door wat macht
ik dit doe.
\'Js Maar wnt dunkt u? Ken
mensen had twee zonen, en
gaande tot den eersten, zeide
hij: SSoon, ga henen, werk heden
in mijnen wijngaard.
38    Doch liij antwoordde en
zeide: Ik wil niet; eu daarna
berouw hebbende ging hij hc-
nen.
30 K» gaande tot den tweeden,
zeide hij desgelijks, en deze
antwoordde en zeide: Ik yn,
heer; co hij ging. niet.
SI Wie van deze twee heeft
den wil des vaders gedaan ï
Zij zeiden tot hein: He eerste.
Jezus zride tot hen: Voorwaar
ik zeg u, dat de tollenaars en
de hoeren u voorgaan in het
Koninkrijk Oods.
\'-\'<- Want Joiiannes is tot u ge-
komen in den wi\'i der gerceh-
tigheid, en gij hebt hem niet
celoofd, maar de tollenaar* eu
hoeren hebben hem gelooid;
-ocr page 41-
M ATT II
dat het Koninkrijk Gods van
u zal weggenomen worden, en
aan een volk gegeven dat zijne
vruchten voortbrengt.
4t Kn tvieopdeaen steen valt,
die zal verpletterd worden ; en
op wien hij valt, dien zal hij
wnnorzclcn.
la lin als de Overpriesters en
Parixefirs deze zijne ;.\'rlijkenis-
sen hoorden, verstonden zij
dat hij van hen sprak.
4(! Kn zoekende hem te van-
gen, vreesden zij de scharen,
dewijl dezen hem hielden voor
ecu rroleet.
nOOFDSTL\'K 22.
EN Jezus antwoordende, 5 prak
1 tot hen wederom doorgelij-
ke nissen, zeggende:
2 Het Koninkrijk der heme-
len is gelijk een zeker Koning
die zijnen zoon een brui lolt
bereid had,
:t en zond zijne dienstkeeh-
ten uit om de genooden ter
bruiloft te roepen; en zij wil*
den niet komen.
•1 Wederom zond hij andere
dienstknechten uit, zeggende;
Zegt den geiiondcn: ^\'*\'t \'k
lieb mijn middagmaal bereid,
mijne ossen en de gemeste hee*-
ten
zijn geslacht, en alle din-
;i\'ii zijn gereed: komt tot de
bruiloft.
."< Maar zij tulka niet achtende,
iijn neuengegaan, dexe tot zij-
-i«*ii akker, gene tot zijne koon-
inHiiscliap;
ti en de anderen grenen zijne
dienstknechten, deden hm
Btnaadbeid nau, en doodden ze.
7    Als nu de Koning tint
hoorde, weid hij toornig, en
zijne krijgshchen zendende,
heelt hij die doodslage» ver-
nteld en hmiue stnd in brand
gettoken.
8   Toen zeide hij tot zijne
dienstknechten: De bruilott is
wel bereid, doch de eenouden
waren het niet waardig.
1> Daarom gaat op de uitgan-
El\'S 22.                                         33
gen der wegen, en znovelen
als gij er zult vinden, roept ze
tot de bruiloft.
111 Kn die dienstknechten uit-
raaude op de wegen, vergader-
den allen die zij vonden, heide
kwaden en goeden ; en de brui-
loft werd vervuld met aauzit-
tende gatten.
11   Ku als de Koning ingegaan
tras om de aanzittende t/aatea
te overzien, zag hij aldaar
een meiiBch niet bekleed
zijnde met een bruiloftskleed,
12  en zeide tot hein: Vriend,
hoe zljt gij hier ingekomen,
geen bruiloftskleed *,w.ihcbhen-
de? Kn hij verstomde.
1.1 Toen zeide de Koning tot
de dienaars: Bindt zijne kan-
den en voeten, neemt hein
weg, en werpt hem uit in de
buitenste duisternis: daar zal
zijn weening en knersiug der
lauden.
14  Want velen zijn geroepen,
maar weinigen uitverkoren.
15  Toen gingen de Kari/.eers
henen en hielden samen raad»
hoc zij hein verstrikken zouden
in tipt* rede.
Ui En zij zonden uit tot hem
hunne discipelen met de He-
rodianen, zeggende: Meester,
wij weten dat gij waarachtig1
zijt, en den weg Gods 111 waar*
heid leert, e 11 naar niemand
vraagt; want gij ziet den per-
yuu 11 der mensclieii niet nau:
17  zeg ons dan, wat dunkt 11?
Is het geoorloofd den Keizer
schatting te geven of niet?
18    Maar Jezus bekennende
hunne boosheid, zeide:
11» Gij geveinsden, wat ver-
zoekt gij 111 ij \': Toont mij deu-
ichattingpenning. Ku zij brach-
teu hein eeuen penning.
20  Kn hij zeide tot hen : Wien»
is dit beeld en het opschrift?
21  Zij zeiden tot hem : Des
Keizers. Toen zeide hij tot hen :
Geeft dan den Keizer wat des
Keizers is, en Gode unt Gods
is.
22  Ku zij dit hoorcude, ver-
-ocr page 42-
BUS 21.
Sft Meester, welk i» liet gmote
gebod in de Wctr
->7 Kn Jezus /.f.df tot licnu
Gij zult liefhebbeu den lleere
uwen God Hiet ITelicel il iv halt
en niet geheel uwe ziel cu niet
geheel uw verstand.
:is Dit i- bet eerste en het
groote cl\'bod.
3il Kn liet tweede, daaraan
Kil ijk ia: Gij zult uwen uuustc
liefhebben als uzclveu.
4ii Aan deze twee Kchodeu
hangt de gansene Wet cu de
Profeten.
41 Als nu de FariseCra samen
vergaderd waren, vraagde buil
Jezus,
12 cu zcide: AVat dunkt il van
den Christus ? \\\\ ieui zoon is
hij ? Zij zeiden tot lieui i David*
4.1 Hij zcide tnt heu : Hoc
noemt hem dun David In den
Geest «wen lleere, acggeiidv:
il ])e lleere beeft geicgd tnt
mijnen lleere: Zit ann mijne
reeuterAoMlt totdat ik uwe vij-
audeu zul gezet hchhen tot ecu
voetbank uwer voeten?
<U Indien hem dan Davtd
noemt tnum lleere, hoe i> hij
zijn zoon *
n. Kn nii\'imutil kon In in een
woord antwoorden, en niemand
durfde hem tuit dien dag auu
iet» meer vragen.
34                                          MATT!
wonderden zieb, en hem ver-
latende, zijn z\'j weggegaan.
23  Tc dien dage kwamen tot
hein de Sadd nccer», die zeg-
gen dat ergeeue opstanding is,
en vraagden hem,
24  zeggende: Meester, Mozes
heelt gezegd i ludieu iemand
sterft,\'reen kinderen hebbende,
zoo zal ziju broeder deszelfs
vrouw trouwen en zijnen broe-
der zaad verwekken.
"-!.i Nu waren daar bij OUi zeven
broedeis; en de eerste reur
vrouw
uetroiiwd hr Ij bende,
stierf, en dewijl hij neen zaad
had, <•."" liet hij zijne vrouw
voor zijnen broeder.
26  DcseelHks ook de tweede,
en de derde, tot den zevenden
tot\'.
27  Ten laatste na allen is ook
de vrouw gestorven.
2tt lu de opstanding dan,
wiens vrouw zai zij wezen van
die zeven\'* want zij hebben ze
allen gehad.
29 Maar Jezus antwoordde en
zeide tot heu: Gij dwaalt, niet
wetende de Schriften, noch de
kracht Gods.
:«( Wam in de opstanding uc.
men zij niet ten huwelijk, eu
worden niet ten huwelijk uit*
gegeven; maar zij zijn «u ISn-
Kelen Gods in den hemel,
SI Kn wnt aaugaat de oi>stan-
diiiK der dunden, hebt gij niet
gelezen hetgeen van God tot
ulieden gesproken is, die daar
zegt:
32  Ik hen de Bod Abrahams
eu de God Isaaks en de God
Jakobs? God is niet een God
der dooden, muar der leven*
den.
33  Ku de scharen dit hooren*
de, weiden verslagen over
lijne leer.
34   Kn de Pariseen geboord
hebbende dat hij den Saddu-
ceërs den mond ces topt bad,
zijn te samen bijcenvergaderd;
35  eu één uit hen, zijnde een
Wetgelei rdc, heeft gevraagd,
hem verzoekende, en zeggende:
HOOFDSTUK Z\\.
TOKN sprak Jezus tot de
scharen en tot zijne di«*t*
pelen,
2  zeggende: De Schriftgclcer-
dcu eu de Parlzccrs ziju gezeten
op den stoel van Moxca.
3  Daarom al wat zij u zeggen
dat gij holldeil Zlllt, llOlldl ,(rl
en doet het; maar doet niet
naar hunne werken; want /.ij
zeggen het, en doen bet niet.
4   Want zij binden lasten die
zwaar zijn eu kwalijk om te
dragen, en legcm ze op de
schonden der mentenen; maar
zij willen die met bunnen vin»
ger niet verroeren.
-ocr page 43-
K08 53.                                  33
zworen zal hebben bij den
Tempel, dat is niets; maarzoo
wie gezworen zal hebben bij
bet goud des Tempels, die is
schuldig.
17 *\'Ü dwazen eu blinden;
want nat is meerder, bet goud
of de Tempel die het goud
heiligt?
is Ku zoo wie gezworen zal
hebhen bij bet altnar, dat is
niets; maar zoo wie gezworen
zal hebben bij de gave die daar*
op is, die is schuldig.
19 0|J dwacen en blinden;
want wat is meerder, de gave
of het altaar dat de gave.
heiligt?
2il llaarnui wie zweert bij bet
altaar, die gweert hij hetzelve
eu bij al wat daarop is;
21  en wie zweert bij den Tene
nel, die zweert bij denielvcu eu
bij dien die daarin woont;
22  en wie zweert bij den he-
Uiel, die zweert bij den troon
God* eu bij dien die daarop zit.
XI Wee u, gij Schriftgeleerden
eu Farizevrs, gij geveinsden;
want gij vertlent de munt eu
de dille e» de komijn, eu gij
laat na bet zwaarste der Wet,
namelijk het oordeel en de
barmhartigheid en het geloof,
llcze dingen moest uien doen
eu de andere niet nalaten.
24 Gij blinde letdsliedeu, die
de mug uitzijgt eu deu kemel
ibiorzwelgt.
24 Wee u, gij Schriftgeleerden
en 1\'arizeers, t*ij geveinsden:
want uij reinigt het buitenste
des drinkbekers en des schotel •,
uiuar van binnen zijn ze vel
van roof en onmatigheid.
-tï (iij blinde Farizeer, reinig
eerst wat binnen in den drink*
beker en den schotel is, opdat
ook het buitenste derzclve rei.i
worde.
27 Wee u, gij Schriftgeleerden
BU Fhh zeers, gij geveinsden;
want gij zijt den w it;epleister-
den graven gelijk, die van bui-
ten wel schoon schijnen, maar
. van binnen zijn ze vol doods-
MATT11
Ti Ku alle hunne werken doen
zij out vuii de inenscben gezien
te worden; wmit /ij maken
hunne gedenkcedela breed, en
maken de zoomen van hunne
kleederen groot.
r. Kn zij beminnen de vooraan*
zitting in de maaltijden, en de
Yoorgestoclten in de Sjinv
gogen,
" ook de begroetingen op de
markten, en van de uicuscucn
genaamd te worden Kabbi,
Rabbi.
8 Doeli gij zult niet Hnbbi gc-
iiauuid worden; want één is
uw Meester, mmmati/k Christus,
en itij zijt allen broeders.
ü Ku «ij zult niemand uwen
Vader noemen on de aarde;
want één is uw Vader, namelijk
die in de lieuieleii is.
Ui Eu gij zult niet Meesters
genoemd worden; want één is
uw Meester, mimf\'.tjk Christus.
11 Maar de meeste van u zal
uw dienaar zijn.
lil Ku wie zichzclven ver-
hooien zal, <U« zal vernederd
worden; en wie ziclizelvcu /.al
vernederen, die zal verhoogd
worden.
13  Maar wee u, «ij Schrift*
geleerden en Farizeérs. gij ge-
veinsden ; want gij sluit liet
Koninkrijk der hemelen voor
de meuselicn, overmits gij dmiv
niet ingaat, en degenen die
ingaan zouden, niet laat ingaan.
U Wee u, gij Schriftgeleerden
eu Karizei-rs, gij geveinsden;
want gij eet de huizen der wedu-
wen op, eu lint ouder den
schijn van lang te bidden; daar*
oin zult gij te zwanideroordeel
ontvangen.
14  Wee u, gij Schrift geleerden
eu Farizeérs, gij geveinsden;
want icij omreist zee eu land
oui ééueii Jodengcuoot te ma*
ken, en als hij liet geworden
is, zoo maakt gij hem een kind
der hel, tweemaal meer dan
Bij tut,
lfl Wee u, gij blinde leids*
uedeu, die zegt: Zuo wie ge*
-ocr page 44-
3C                                          MA TT II
beenderen en alle onretnigheid.
38 Alzóó ook sehijnt Rij wel
den meuschen van buiten recht-
vaardiir, maar van binnen
z\'jt KÜ vol trevehisdlieid en on-
gereentigheid.
29 Wee n, trij Schriftgeleerden
en Parizeen, ïij geveinsden;
want srij bouwt de graven der
Proleten op, en versiert de
grafteekenen der rechtvaar\'
digen,
;«i en zegt: Indien wij ten
tijde onzer vaderen waren ge*
weest, wij zonden met hen
geen gemeenschap gehad heb-
ben aan liet bloed der Profeten.
:il Aldus getuigt RÜ teyen
uzelven, dat (rij kinderen zijt
dargenen die de Profeten ge-
dood hebben.
,12 (lij dan ook, vervult de
maat uwer vadereu.
;i:t Gij slangen, gij adderen*
gebroedsela, hoe zoudt trij de
nelsche verdoemenis ontvlie-
den ?
:,i Daarom zie, ik zend tot u
Profeten en Wijzen en Schrift*
geleerden, en uit dexelven zult
gij mmmigen dooden en krui-
slgen, en nttmmii/en uit deielven
zult t\'ij geeseien in uwe Syna*
gogen, en zult ze vervolgen van
stad tot stad ;
;{,ï opdat op u Icome al het
rechtvaardige bloed dat vergo*
teu is op de aarde, van liet
bloed des nrlitva irditreu Abels
af, tot op het bloed van Zaelia-
ria, den zoon van Itaraehin,
welken gij gedood hebt tus-
selten den Tempel en het al-
taar.
:«; Voorwaar zog ik u, alle
deze dingen zullen komen over
dit geslacht.
:i7 Jeruzalem, Jeruzalem, gij
die de Proleten doodt, en stee*
nigt die tut u gezonden zijn,
hoc menigmaal heb ik uwe
kinderen w i I ten hijeeuverga*
deren, gelijkerwijs eene hén
bare kiekens hijeenvergadert
ouder de vleugelen, en gijlie-
den hebt niet gewild.
EUS 24.
.18 Zie, nw huis wordt u woest
gelaten.
89 Want ik zeg u, gij zult
mij van nu aan niet zien, tot-
dat gij zeggen zult : Gezegend
hij «He komt in deu naam
des Heeren.
HOOFDSTUK 24.
EN Jezu» ging uit en ver-
trok van den Tempel; en
zijne discipelen kwamen bij
hem, om hem de gebouwen des
Tempels te tonnen.
3  En Jezus telde tot hen: Ziet
•jij niet alle deze dingen ? Voor*
waar zeg ik u, hier zal niet
ren steen op den anderen steen
gelaten Worden, die niet ai\'ge*
DKtken zal worden.
8  Kn als hij op den Olijfberg
gezeten was, gingen de disei-
pelen tot hem alléén, zeggen-
de : Zeg ons, wanneer zullen
deze dingen zijn? Eu welk zal
bet teeken zijn van uwe toe-
komst en van de voleinding
der wereld?
4  En Jezus antwoordende, zef.
de tot hen : Zie toe dat u uic-
iiiaud verleide;
.\') want velen zullen komen
ouder mijnen naam, zeggende:
Ik ben de Christus; en zij zul-
len velen verleiden,
li En gij zult hooien van oor-
logen en geruchten van oor-
logen : ziet toe, wordt niet
verschrikt; want alle die diu-
gen moeten geschieden, waar
nog is het einde niet.
7 Want het ééxe volk zal tegen
/iet andere volk opstuan, en
hel êtne koninkrijk tegen het
andere
koninkrijk; en daar zul-
leu zijn hongersuooden, en
pestilentieu, en aardbevingen
in verscheidene plaatsen.
s Doch alle die dingen zijn
maar
een beginsel der smarten.
9  Alsdan zullen zij u over*
leveren iu verdrukking, en
zullen u dooden, co irij zult
gehaat Worden van alle vol-
keren om mijns naams wil.
10  Eu dan zullen er velen ge-
-ocr page 45-
M ATT II
crgerd worde», en zullen clk-
ander overlevereu eu elkander
haten,
11 11: vele valschc Profeten
zullt\'n opstaat!, en zullen er
velen verleiden.
li\' En omdat de ongerechtig*
beid vermenigvuldigd zal wor*
den, zoo zul de liefde van velen
verkouden.
i:E Muur wie volharden zal tot
den einde, die zal zalig Morden.
II Kn dit Kvangelie des Ko-
uiukrijka zal in de geheele
wereld gepredikt worden tot
ceu getuigenis allen volkeren;
en dan zal bet einde komen.
15  Wanneer gij dan zult zien
den gruwel der verwoesting,
waarvan gesproken is door Da*
niël den Profeet, staande in
de heilige plaats, (wie/iel leest,
die merite daarop),
16  dat alsdan die in Jtidca
zijn, vlieden op de bergen;
17  die op bet dak is, kome
niet af om iets uit zijn huis
weg te neuten;
18  en die oi> den akker Is,
keere niet weder terug om zijne
kleedereu weg te nemen.
19  Maar wee deu bevrachten
en den zoomenden v touwen in
die dagen,
ai Docb bidt dat uwe vlucht
niet geschiede des winter» uoeh
u» eeuen sabbat;
21  want alsdan zal er groote
verdrukking wezen, hoedauigc
niet is gefeest van het begin
der wereld tut nu toe, en ook
niet zijn zal.
22  Eu zoo die dagen niet ver-
kort werden, geen vleeseli zou-
de behouden worden; maar o in
der uitverkorenen wil zullen
die dagen verkort worden.
23  Alsdan zoo iemand tot olie-
den zal zeggen: Zie, hier is
de Christus, of daar, gelooft
het niet.
21 Want daar zullen valsehe
Christussen eu valsehe profe-
teu opstaan, en zullen grnotc
leekenen eu wonderheden doen,
.ilzoo dat zij (indien het moge-
El\'S 24.                                          37
lijk was) ook de uitverkoreuer.
zouden verleiden.
2.» Zie, ik heb het u voorzegd.
.\'• Zoo zij dan tot\'u zullen
zeggen: Zie, hij is in de woes-
tijn, gaat niet uit; «ie, hij ië
in de biuneukaraereu, gelooft
het niet.
27 Want gelijk de bliksem uit*
gaat van het Oosten en schijnt
tot het Westen, alzóó zal ook
de toekomst van den Zoon des
mensehen weien.
38 Wan t al w nar liet doode
üehaaiu /.al zijn. daar zullen
de arend e.i vergaderd worden.
29 Ku terstond na de verdruk*
king dier dazen zul de zou vcr-
duisterd wurdenf en de inaaii
zul huur schijnsel niet geven,
en de sterren zullen van deu
hemel vallen, en de krachten
der hemelen zullen bewogen
worden.
:tu i.n alsdan zal hi den hemel
verschijnen liet teeken van den
Zoon des mensehen; en dan
zullen alle de geslachten dei-
aarde weeueu, en zullen den
Zoon des meuscheu zien, ko*
mende op de wolkeu. des he-
uiels met groote kraeht en
heerlijkheid.
:tl En hij zal zijne Engelen
uitzenden met eene bazuin van
groot geluid, eu zij zullen zijne
uitverkorenen bijeen vergade*
ren uit de vier winden, \\hh
het ttne
uiterste der hemelen
tot het tuidvie uiterste der*
zelve.
33 Eu leert van den vijgehonni
deze gelijkenis: wanneer ziiu
tak uu teer wordt en de blade-
ren uitspruiteu, zoo weet gij
dut de zomer nabij is ;
KI alzóó ook gijlieden, wan-
neer gij alle deze dingen zult
zien, zoo weet dat het nabij is,
voor de deur.
:t4 Voorwaar ik zeg u, dit
geslacht zal geenszins voorbij-
gaan, totdat alle deze dingen
zullen geschied ziiu.
\'Ut De hemel en de aarde zul-
leu voorbijgaan, uiaar mijne
-ocr page 46-
MATTIIKL\'3 i
1 /.n 11 hart
31 ijit heer vertoeft te
woorden tollen ffeenszins foor*
hij gaan.
JWi Doch van dien dn? en die
ure weet niemand, nok niet
de Engelen der hemelen, dim
mijn Vilder alléén.
;i7 Eu gelijk de dagen van
Noacli K-iu-e*, alxóo sul ook zijn
de toekomst van dun Zoon de»
llU\'llM\'hCll.
M Want tri-lijk zij waren inde
dti\'..ri\'n vóór den zondvloed,
etende en drinkende, trouwen*
de en ten liuwelijk uitgevende,
tot den dag toe,-in welken
Nuach in de ark ging,
:.\'.i en bekenden liet niet, tot-
dat de zondv.ocd kwam en hen
allen wegnam: nlzóó\' zal ook
zijn de toekomst van dcU Zoon
de* mensehcu.
4i» Alsdan zullen er twee op
den akker zijn i de één zal aan-
genoineu en de ander zal ver*
laten worden;
il daar zullen twee rionii-en
malen in den molen : de écne
zal aangenomen en de andere
zal verlaten worden.
r.\' Waakt dan, want (rij weet
niet in welke ure uw lleere
komen zal.
411 Maar weet dit, dat zoo de
lieer den huizes geweten had,
iu welke nachtwaak de diet
komen zoude, hij ge waakt
zoude hehheu en zijn hui*
niet zoude hebben laten door-
graven.
11 Daarom zijt ook gij bereid;
want iu welke ure «ij het niet
meent, zal de Zoon de» iuen-
xeheu komen.
45 Wie io dan de getrouwe en
voorzichtige dieusikiieeht, den-
welkeu zijn lieer over zijne
dienstboden gesteld heeft, om
hunlieden Aha voedsel te geveu
ter rechter tijd?
4(1 Zalig is die dienstknecht,
welken zijn heer komende zal
vinden alzóó doende.
47 Voorwaar ik ten u, dat hij
iicm zal zetten over alle zij*ue
goederen,
ft Maar zoo die kwade dienst*
senten
kinnen,
4lJ en zoude beginnen ti/M
inededienstkneehteii te slaau,
en te eten en te drinken 1111-t
de dronkaards:
50  zim zal de lieer dezes dienst*
knechts komen ten dage in
welken hij Ac» niet vernacht,
en ter ure die hij niet weet,
51  en zal hein afscheiden, en
zijn deel zetten niet de jreveins-
den : daftr zal weeuing zijn Cu
kuersing der tanden.
IIOOFl>STUK 25.
ALSDAN zal het Koninkrijk
der hemelen zijn gelijk tien
maagden, welke hare lampen
namen en gingen uit, den brul*
degout te genioet.
•2 Kn vijf van haar waren
wijze en vijf waren dwaze.
3  ]>ie dwaas tntren, hare lam-
pen nemende, namen geen olie
met zieh ;
4  maar de wijze nnmeii olie iu
hare vaten, met hare lampen.
5  Als nu de bruidegom ver-
toefde, werden zij allen sluhue-
rig en vielen iu slaap.
il Kn te middernacht geschied-
de er een geroep: Zie de
bruidegom komt, gaat uit hem
te gemoet.
7 Toen •\'tonden al die manïr-
den op en bereidden bare
lampen.
S Kn de dwaze zeiden tnt de
wijze: Geeft ons van uwe olie;
want onze lampen gaan uit.
!t Hocb de wijze antwoordden,
zeggende: (ireatt\'ma, opdat er
misschien voor ons en voor 11
niet genoeg zij; maar gaat Ito*
rver tot de verkoopers eu koopt
voor uzelveu.
III Als zij nu beueugiugeu om
te koopen, kwam de hruidc-
gotu ; en die gereed irttren, gin-
gen met hem in tot de bruiloft,
eu de deur werd gesloten.
II Daarna kwamen ook de
andere maagden, zeggende 1
Heer, heer, doe ous open.
-ocr page 47-
MATTII
1? En hij antwoordende, zeide:
Voorwaar zeg ik n, ik ken u
niet.
i:; /.uu waakt dan, want gij
weet den das »iet noch de ure,
in dewelke de Zoon des ineu-
scheo komen zal.
14  Want krt is ircli.il; een
mensen, die buitenslands rei-
ï-iidezijne dienstknechten riep,
en gaf hmi zijne voederen over;
IA cu den éétira nf iiij vijf
talenten, en den anderen twee,
en den derden één, een iegelijk
n ui r zfju vermogen, en ver-
reisde terstond.
I\'. Die nu de vijf talenten out-
vanden liad, gmg henen en
handelde daarmede, en wou
andere vijf talenten.
17 Desgelijks ook die de twee
ontvangt* htitt, die won ook
andere twee.
15  Maar die liet ééne ont-
rangen had, icIuk henen en
((roef in de aarde, eu verborg
lier geld zfjns heeren,
1\'J Kn na eeneii langen tijd
kwam de heer van die dienst*
kneebten, en hield rekening
niet ben.
20  En die de vijf talenten ont-
vangen had, kwam eu braelit
tot hem andere vijf talenten,
zegende; lieer, vijf talenten
hebt gij mij gegeven; zie,
andere vijf talenten heb ik bo-
ven dezelve gewonnen.
21   En lijn beer zeide tot hein :
VVèl, «ij goede eu getrouwe
dienstknecht, «ver weinig zijt
gij getrouw geweest, over veel
zul ik u zetten: ga In ind.\'vrcug-
de uw» heeren.
22  En die de twee talenten
ontvangen bad, kwam óók tot
hein, en zeide: Heer, twee
talenten hebt gij mij gegeven;
zie, twee andere talenten heb
ik boven dezelve gewonnen.
2:t /.ijn heer zeide tot hem t
VA\'el, gij goede eu getrouwe
dienstkneebt, over weinig zijt
gij getrouw geweest, over veel
zal ik u zetten : ga in in de
vreugde nwi heeren.
ELS 2T>.                                        39
24  Maar die bet ééne talent
ontvangen had, kwam óók, en
zeide: Heer, ik kende u dat
gij een hard mensen zijt, maai*
ende waar gij niet gezaaid hebt,
eu vergaderende van daar, waar
gij niet gestrooid hebt;
25  en bevreesd zijnde, ben ik
benengegaan en heb uw talent
verdorven in de aarde: zie, gij
hebt het uwe.
2\'i Maar zijn heer antwoor-
deude, zeide tot hein ; Gij booze
en luie dienstkneebt, gij wïst
dat ik maai waar ik niet gezaaid
heb, en van daar vergader,
waar ik niet gestrooid heb:
27 zoo inooFt gij dan mijn geld
bij de wisselaren gedaan heb-
beu, en ik komende, zoude het
mijuc wedergenomeu hebben
niet winst.
2S Neemt dan van hem het
talent weg, eu geeft liet den-
genen die de tien talenten beeft.
20 Want een iegelijk die heeft,
ilieit zal gegeven worden, en
hij zal overvloedig hebben;
maar van dengenen die niet
heeft, van dien zal genomen
worden ook wat bij beeft.
:w En werpt den \'onnutten
dienstkneebt uit in de buiten*
ste duisternis: dririr zal wee-
uing zijn en kuersiug der tan-
den.
:il En wanneer de Zoon des
meiiseben komen zal in zijne
beerlijkheid, eu alle de heilige
Engelen met hem, dan zal hfj
zitten on den troon zijner
heerlijkheid;
32 en vóór hem zullen alle
de volkeren vergaderd worden,
eu hij zal ze van elkander schei-
den, geliik de herder de scha*
pen van ile bokken seheidt;
31 eu bij zal de schapen tot
zijne rei\'litrr/if/W zetten, maar
de bokken tot z\\ine lhiker-
hund.
\'M Alsdan zul de Koning zeg.
gen tot degenen die tot zijne
reeb ter hand -i>i; Komt ir ij ge-
zegenden mijn* Vaders, beërft
liet Koninkrijk hetwelk u be-
-ocr page 48-
MATTHEUS 2«.
«o
reid is van de grondlegging der
wereld;
36  want ik beu hongerig ge-
freest en gij hebt mij te eten
gegeven, ik beu dorstig ge-
wees t en gi) hebt mfj te drinken
gegeven, ik was een vreemde*
ling en gij hebt mij geherbergd,
3fi ik teaa naakt en gij hebt
mij gekleed, ik ben krank gc-
weest en gij hebt mij bezocht,
ik was in de gevangenis en gij
zijt tot mij gekomen.
37  Dau zullen de recktvaar-
dige» hein antwoorden, zeg-
geude: Ilecre, wanneer hebben
wij u hongerig gezien, eu gc-
spijzigd? oi\'dorstig, eu iedrtn-
ken gegeven?
38  Eu wanneer hebben wij u
een vreemdeling gezien, eu
geherbergd? of naakt, eu ge-
kleed ?
31» Bii wanneer hebben wij u
krank gezien of in de gcvau-
genis, en zijn tot u gekomen?
40 lin de Koning zal autwoor*
den en tot hen zeggen: Voor-
\\\\ nar zeg ik u, voor zooveel
gij dit één van deze mijne
minste broeders gedaan hebt,
zoo hebt gij dat mij gedaan.
•Il Dan zul hij zeggen ook tot
degenen die ter linkerhandtijn:
Gaat wen van mij, gij vervloek*
ten, in het eeuwige vuur liet-
welk den duivel en zijnen
engelen bereid is;
42  want ik ben hongerig ge*
wecst en gij hebt mij niet te
eten gegeven, ik ben dorstig
geweest eu gij hebt mij niet te
drinken gegeven,
43  ik was een vreemdeling
eu gij hebt mij niet geher-
bergd, naakt eu gij hebt mij
niet gekleed, krank eu in de
gevangenis eu gij hebt mij niet
bezocht.
44  Dan zullen ook dezen hem
antwoorden, zeggende: Hecre,
wauueer hebben wij u hongc-
rig gezien, of dorstig, of een
vreemdeling, of naakt, of krank,
of in de gevangenis en hebben
ii niet gediend ?
45 Dan zal hij hun ant\\voor-
den eu zeggen: Voorwaar zog
tk u, voor zooveel gij Uit
één van deze minsten niet ge-
daan hebt, zou hebt gfj het
mij nuk niet gedaan.
4fi Kn dezen zullen gaan in
de eeuwige pijn, maar de
rechtvaardigen iu het eeuwige
leven.
HOOFDSTUK 2G.
EX het is geschied alB Jezus
alle deze woorden gcciudigi!
had, dat hij tot zijne discipe-
len /.ciile:
2  Gij weet dat na twee dagen
het Pascha is, «mi de Zoon des
meuschen zal overgeleverd
worden om gekruisigd te wur-
deu.
3  Toen vergaderden de ()ver-
Sriesters en de 8chriftgeleer-
en en de Ouderlingen des
volks iu de zaal des Hooge-
iirii\'sters, die genaamd was
Kajafas,
4  en beraadslaagden samen.
dat zij Jezus met listigheid
vangen en doodeu zouden.
5  Doch zij zeiden: Niet 0])
het feest opdat er geen op-
roer worde ouder het volk.
fi Als nu Jezus te Betlianiü
was, ten huize van Simou den
melaatse lie,
7 kwam tot hem eeue vrouw
hebbende een albasten flesch
niet zeer kostelijke zalf, en
goot ze uit op zijn hoofd, daar
hij aan taftl zat.
h Eu zijne discipelen dat zfen-
de. namen het zeer kwalijk,
zeggende: Waartoe dit ver-
lies?
9  Want deze zalf had duur
kunnen verkocht en de pen-
ninyeii
den armen gegeven
worden.
10  Maar Jezus zulks verstaan-
de, zeide tot hen: Waarom
doet gij deze vrouw moeite
aan? Want zij heeft een goed
werk aan mij gewrocht.
11  Want de armen hebt gfj
-ocr page 49-
MATTIIEIS 2.1.
•II
altijd met u, maar mij hebt gij
niet altijd.
12  Want als zij deze zalf op
miju lichaam gegoten heeft,
too heeft zij bet gedaan tot
eeue VQQrbtrctdiag ra,i mijne
begrafenis.
13  Voorwaar /.\' -- ik u, al-
waar dit Evangelie gepredikt
zal worde» in de gehcele we-
Kld, daar zal ook tot üare ice-
dachtenis gesproken worden
van hetgeen zij gedaan heelt.
14  To.\'ii ging een van de
twaalvc, genaamd Judas lsl,a-
riot, tut de Overpriesters,
15  en zeide i Wat wilt rij mij
Keven, en ik zal Uem u ovei-
leveren £ En zij hebben hem
toegelegd dertig zilveren pen*
ninyea.
Ui Eu van toen af zoebt hij
gelegenheid opdat bij bem over*
leveren inoebt.
17 En op den eersten day der
ongezuurde orooden kwamen
de discipelen tot Jezus, zeg*
Kende tut hem : Waar wilt gij
dat wij u bereiden het Pasebu
te eten i
IS Eu hij zeide : Gaat benen
in de stad tot zulk eeueu, en
zegt bem : De Meester zegt:
Mijn tijd is nabij, ik zal bij u
bet Pascha houden met mijne
discipelen.
ly Ln de discipelen deden ge-
lijk Jezus hun bevolen bud,eu
bereidden liet Pascha.
20  Eu als het avond geworden
was, zat hij aan met de twaalf e.
21   En toen zij aten, zeide hij :
Voorwaar ik zeg u, dat écu
van u mij zal verraden.
22  En zij zeer bedroefd gewor-
den zijnde, begon een iegelijk
van hen tot hem te zeggen :
Keu ik \'t, Meere?
2*1 En bij antwoordende, zci-
de: Die de baud met mij in
den schotel indoopt, die tal
mij verraden.
24 De Zoou desmeuschen L\'oat
wel benen gelijk van beui Be-
schreven ia, maar wee dien
Weuseh door welken de Zoon
des inenschen verraden wordt:
het ware bem goed zoo die
mensen niet geboren ware
geweest.
25 En Judas die hem verried,
antwoordde en zeide s Beu Ik
\'t, Hiiiiin - liij zeide tot hem:
Gij hebt bet gezegd.
2l> Eu als zij aten, nam Je-
2Us het brood, cu ge2Cgcnd
hebbende, brak bij het, en
gaf bet den discipelen, en iel*
de: Neemt, eet, dat ia mijn
lichaam.
27 Eu bij nam den diinkbc*
ker, en gedankt hebbende, gat
hun dien, zeggende; Drinkt
allen daaruit;
2* want dat is wijn bloed, het
bloed des nieuwen Testament»,
hetwelk voor velen vergoten
wordt tot vergeving der zonden.
2\'.i Eu ik zeg u, dat ik van
uu aan niet zal drinken van
deze vrucht des wfjUBtokl, tot
op dien dar. wanneer ik met
u dezelve nieuw zal diiukeniu
bet Koninkrijk mijns Vaders.
3n En als zij den lofzang ge-
zougen hadden, gingen zij uit
naar den Olijfberg.
31  Toen zeide Jezus tot beu :
Gij zult allen aan mij geërgerd
worden in dezen nacht; want
daar is geschreven : Ik zal deu
berder slaan, en de schapen
der kudde zullen verstrooid
worden.
32  Maar undal ik zal opgestaan
zijn, zal ik u vooricuun naar
Qaliléa.
Xi Doch Petrus antwoordende,
zeide tot hem : Al werden zij
ook allen aan u geërgerd,
ik zal nimmermeer geërgerd
worden.
31 Jezus zeide tot hein : Voor-
waar ik zeg u, dat gij iu
dezen zelfden nacht, eer de
baan gekraaid zal hebben, mij
driemaal zult verloochenen.
36 Petrus zeide tot hem: AI
moest ik ook met u sterven,
zoo zal ik u geenszins ver-
loochenen. Desgelijks zeiden
ook alle de discipelen.
-ocr page 50-
MATTHKUS 93,
i-:
kwam, en met hem eene groote
schare met zwaarden eu stok*
keu, gtxontlttt van de Over*
prieiteretl en Ouderlingen de»
volks.
4S Kn die hem verried, had
hun een teekeu «egeven, zeg*
geude: Dieu ik zal kussen, die
is het; grijpt bem.
49 En terstond komende tot
Jezus, zeide bij: Weesgegroet,
ltabbl; eu hij kuste hem.
SU Maar Jezus zeide tot hem:
Vriend, waartoe zijt gij hier?
Toen kwamen zij toe, eu sloe*
gen de banden aan Jezus eu
grepen hem.
ól Kn zie, een va» degenen
die met Jezus waren, de band
uitstekende, trok zijn zwaard
uit, en slaande den dienst*
knecht des 11 Hogepriesters,
hieuw zijn oor at\'.
\'..\' Toen zeide Jezus tot hein:
Keer uw zwaard weder in zijne
plaats; want allen die net
zwaard nemen, zullen doorliet
zwaard vergaan.
63 Of meent gij dat ik mijnen
Vader nu niet kan bidden, en
hij zal mij meer dan twaalf
legioenen Kugelen bijzetten?
,~>l lloe zouden dan de Schrif.
ten vervuld worden, die zeggen
dat het alzóó geschieden moet?
.ï.ï Te dier ure sprak Jezus
tot de scharen: Gij zijt uit-
gegaau als tenen ceneu moorde-
uaar met zwaarden eu stokken,
oin mij te vaneen: dagelijks
zat ik bij ii. Kerende in den
Tempel, eu gij hebt mij niet
gegrepen;
Ü doch dit alles is geschied
opdat de Schriften der Profeten
zouden vervuld worden. Toen
vluchtten alle de discipelen,
bem verlatende.
.".; Pie uu Jezus gevangen
hadden, leidden firm benen tot
Knjafas den lloogcpriester,
alwaar de Schriftgeleerden
en Ouderlingen vergaderd wa-
ren.
j>S Ku Petrus volgde hem van
verre tot aan de zaal des Ilooge*
:i i Toen ging Jezus met lieii
ia eeue plaats genaamd Getb*
ïémané, en zeide tot de disci-
pelen : Zit hier neder totdat ik
heiienga eu nlduar zal gebeden
hebben.
:(7 En »»et zien nemende Pe-
trus en de mee zonen van
Zebedeut, begon hij droevig eu
zeer beangst te «orden.
38 Toen zeide hij tot ben:
Mijne ziel is geheel bedroefd
tot den dood toe i blijft bier
en waakt met mij.
:i<1 Ku een weinig voortgegaan
zijnde, viel bij op zijn aauge-
zicht, biddende en zeggende:
Mijn Vader, indien het moge*
lijk is, laut deze drinkbeker
van mij voorbijgaan; doebniet
gelijk ik wil, maar gelijk Gij
wilt.
in Kn hij kwam tot de disci*
pelen en vond ze slapende, eu
zeide tot I\'etrus : Kondet gijlie-
den dan iiii\'t één uur met mij
waken?
41   Waakt eu bidt, opdat gij
niet in verzoeking komt: de
geest is wel gewillig, maar het
vleeseb is zwak.
42   Wederom ten tweeden ma-
Ie heneniiRiuide, bad hij, zeg*
Sendc : Mijn Vader, indien deze
riultbeker vnu mij niet vnor-
bij kan gaan tenzij dat ik bent
ilrinki\' uw wil geschiede.
i\'< Kn komende Air hen, vond
bij ie wederom slapende; want
bunne ongen waren bezwaard.
44  Ku hen latende, ging bij
wederom henen en bad ten
derden male, zeggende dezelfde
woorden.
45  Toen kwam hij tot zijne
discipelen, en zeide tot beu:
Slaapt nu voort en rust; zie, de
ure is nabij gekomen, eu de
Zoon des meuschen wordt over*
geleverd in de handen der
zoudaren.
41 Staat op, laat ons gaan i
zie, hij is nabij die mij ver-
raadt.
47 Kn als hij nog sprak, zie,
Judas, een van de twaalve,
-ocr page 51-
KUS 27.                                   -n
*i» Maarblj loochende het tooi
allen, zeggende: Ik weet niet
wat gij zegt.
71 En als hij nnnr de voor-
poort uitging, zag hem eene
nndere dienat maand, eu zeide
tot degenen die aldaar waren:
Deze was óók inct Jezus den
Nazarener.
7\'- Kn hij loochende het we.
dcrom met eeneu eed, xryt/endt:
Ik keu den inensch niet.
7^1 Kn een weinig daarna, die
daar stonden, bijkomende, zei-
den tot Petrus: Waarlijk gij
zijt óók van die, want ook uwc
MATTIl
priesters, en biniietifct-ranu
/.Ijnde, zat hij bij de dienaren,
oni liet einde te zien.
59 K» de Overpriesters en de
Ouderlingen en de gebeelc
uroote Raad zochten valsclic
getuigenis tmi Jnaii opdat
zij hem dooden mochten, en
ronden niet;
m» en hoewel daar vele val*
nche getuigen toegekomen wa-
ren, zoo vonden zij toch niet.
lil Maar ten laatste kwamen
twee valsche getuigen, en zei*
rlen: Deze heeft gezegd: Ik
kan den Tempel Gods afbre*
ken, en in drie dagen deiizclven
opbouwen.
b\'2 Ed de Hoogeprrester op*
staande, zeide tot hem: Ant-
woord t gij niets? Wat getuigen
dezen tegen n ï
Kl Doeh Jezus zweeg stil. Kn
de Hoogepriester antwoorden*
de, zeide tot hem i Ik bezweer
11 bij den levenden God, dat gij
nus zegt of gij zljt de Christus,
de Zone Gods :
<>4 Jezus zeide tot hem : Gij
hebt het gezegd. Doeh ik zeg
ulieden, van nu aan zult gij
zien den Zoon des menseheu
zittende ter reehterA««rf der
kracht Ooda, en komende op
de wolken des hemels.
t>j> Toen verscheurde de IIoo*
gepricster zijne kleederen, zeg*
gende: Hij heeft God gelasterd :
wat hehlieu wij nog getuigen
van noode? Zie, nu hebt gij
zijne porfalastering geboord;
\'ft wat dunkt ulieden \'t Kn zij
antwoordende, zeiden: Hij is
des doods schuldig.
"7 Toen spuwden zij in zijn
aangezicht, en sloegen hem
met vuisten;
,\'*s en anderen gaven hem
kinneb&kslagen, zeggende: Pro*
fêteer ons, Christus, wie is het
die u geslagen heeft?
|><J Eu Petrus zat buiten in de
zaal; en eene dienstmaagd
kwam tot hem, zeggende : Gij
waart óók met Jexus den Ga*
lileür.
29
sprank maakt u openbaar.
"4 Toen begon hij siek te ver*
vloeken, en te zweren: Ik keu
den meusclt niet.
75 Eu terstond kraoide de
hnan ; en Petrus werd indachtig
ann liet woord tan Jezus, die
tot hem gezegd had 1 Eer de
hnan gekraaid zal hebben, zult
gij mij driemaal verloochenen.
Kn naar buiten gaande, weende
bij bitterlijk.
HOOFDSTUK 27.
ALS bet tiit morgenstond ge-
worden was, hebben alle dr
Overpriesters en de Ouderlin*
gen de* volks tarnen rand
genomen tegen Jezus, dat zij
hem doodeu zouden;
2  en hem gebonden hebbende,
leidden zij kern weg, eu gaven
hem over ann Poutius PilatUK
den Stadhouder.
3  Toen heeft Judas die hem
verraden lind, ziende dnt hij
veroordeeld was, berouw ge-
lirul, en heeft de dertig zilveren
pfH»ingen den Overprie»teren
eu den Ouderlingen wcderge-
hrncht,
4  zeirgende: Ik heb gezondigd,
verradende het onschuldig
bloed. Maar zij zeiden: Wat
gaat óns dut Han? Gij inoogt
toezieu.
5  Kn als Mide zilveren pe»-
ninaen in den Tempel geworpen
had, vertrok hij, eu heucn*
gaaude, verworgde zickzeivr*
-ocr page 52-
MATTHEÜ8 27.
\'.1
19 Eu als hij op den rechter-
stocl zat, zoo heeft zijne huis-
vrouw tot hem gezonden, zeg-
geude : Heb toch nii\'ts te doen
met dien rechtvaardige, want
ik heb heden veel geleden in
deu droom om zijneutwil.
99 Maar de Uverpriestcrs en
de Ouderlingen hebben de scha-
ren aangeraden, dat zij zouden
ltar-Abbus begeeren en Jezus
dooden.
21     Eu de Stadhouder ant-
woordeude, zeide tot hen: Wei-
keu van deze twee wilt gij dat
ik u zal loslaten • Eu zij zeiden:
Bar-Abbas.
22  Pilatus zeide tot he» : Wat
zal ik dan doen met Jezus die
geuaamd wordt Christus? Zij
zeiden allen tot hem : Laat hein
gekruisigd worden.
2:1 Hocli de Stadhouder zeide :
Wat heeft hij dan kwaads ge-
daan \' Eu zij riepen te meer,
leggende; Laat hem gekruisigd
worden.
24  Als nu Pilatus zag dat hij
niets vorderde, maar veelmeer
dat er oproer werd, nam hij
water en wieseli de handen
voor de schare, (eggende : Ik
hen onschuldig aan liet bloed
dezes rechtvaardigen: gijliedeu
moouct toezien.
25  En al het volk antwoor-
dende, zeide 1 Zijn bloed kome
over ons en over onze kin-
deren.
96 Toen liet hij kun Bar-Ab-
bas los, maar Jezus gegeeseld
bebbeade. gaf hij hem over
om gekruisigd te wordeu.
27 Toen namen de krijgs-
knechten des Stadhouders Jc-
zus met zieb in het Hechthuis,
en vergaderden over hem de
gansehe bende.
28   Eu als zij hem ontkleed
hadden, dedcu zij hem eeneu
purperen mantel om ;
29  en eene kroon van door*
nen gevlochten hebbende, zet-
ten zij die op zijn hoofd, en
een netstok in zijne reeh-
tcr/*«/irf; en vallende op hunne
O En deOvcrpriester8dczilve-
reu penningen nemende, zeiden:
Het is niet geoorloofd dezelve
in de oflferkist te leggen, dewijl
bet een prijs des bloeds is.
7    Kn siiin\'ii raad treuomen
hebbende, kochten zij dnar-
mede den akker des potten-
bakkers, tot eenc begrafenis
voor de vreemdelingen.
8   Daarom is die akker ge-
unamd do akker des bloeds tot
op deu huldigen dag.
9   Toen is vervuld geworden
hetgeen gesproken is door den
Profeet Jercuiia, zeggende; En
zij hebben de dertig zilveren
penningen genomen, de waarde
des «waardeerden vuu de
kinderen Israels, den» eiken
zij gewaardeerd hebbeu,
lil en hebben dezelve gegeven
voor den akker des potten*
bakkers; vol-reus hetgeen mij
de Heere bevolen heeft.
11 En Jezus stond voor den
Stadhouder; en de Stadhouder
vraagde hem, zeggende: Zijt
\'_\'ij de Koning der Joden ? En
Jcxua zeide hem : Gij zegt liet.
\\2 En als hij van de (Jver-
Ïriesters en de O uderliugeu
csehuldigd werd, antwoordde
bij niets.
13    Toen zeide Pilatus tot
hem: Hoort ge niet hoevcle
naken zij tegen u getuigen \'t
14    Maar hij antwoordde hem
niet op een éénig woord, alzoo
dat de Stadhouder zieb zeer
verwonderde.
16    Eu op het leest was de
Stadhouder gewoon deu volke
éénen gevangene los te laten,
weikeu zij wilden.
1(> En .-.i.i hadden toen renen
welbekenden gevangene, gc-
nanmd liar-Abbns.
17  Als zij dn» vergaderd wa*
reu, zeide 1\'iltitUK tot ben i
Welken wilt gij dat Ik u zal
loslaten, Bar-Abbaa of Jezus
die genaamd wordt Christus?
18    Want hij wist dat zü hein
<loor nijdigheid overgeleverd
hadden.
-ocr page 53-
sus :7.                         «
lossen; indien bij de Koning
laraeia is, dat hij nu nfkome
van het kruis, en wij zullen
liein gelooven.
41 Hij beeft op God betrouwd:
dat Hij hem nu verlosse, indien
Mij hem wil wil; want hij heeft
gelegd; Ik ben Gods Zoon.
44  Kn hetzelfde verweten hein
ook de moordenaars, die met
hem gekruisigd waren.
15 Bn van de zesde ure aan
werd er dui>tcruis over de ge-
heelc aaide, tot de negende
ure toe.
4*i En omtrent de negende
ure riep Jezus met eeue irroote
stem, zeggende : Ei.i, Ki.i, i.ama
bar acht Aiii ? dat is : Mijn God,
mijn God, waarom hebt .ij mij
verlaten\':
•17 Kn sommigen van die daar
stonden, zulks hoorende, zei-
den : Deze roept Blla.
45  Ku terstond één van hen
ro-loopende, nam eeuespon*, en
die met edik gevuld hebbende,
stak ze op eeneu rietstok, en
gaf hein te drinken.
•1\'J Doch de anderen zeiden:
Houd op, laat ons zien ot\' l\'.i:
komt om hein te verlossen.
SU Ku Jezus wederom metecne
groote stem roepende, gaf den
geest.
51 Kn zi:1. Uet voorhangsel des
Tempels scheurde in tweeen,
van boven tot beneden, en de
narde heelde, eu de steenrotsen
scheurdeni
SS en de traveil werden gc-
opend, en vele liehHineu der
heiligen die ontslapen waren,
werden opgewekt)
53  en uit de graven uitgegaan
zijnde na zijne opstanding,
kwamen zij in de heilige stad,
en zijn velen verschenen.
54  Kn de hoofdman over hoii"
derd, en die met hem Jezus
bewaarden, ziende de aardbe*
ving en de dingen die geschied
waren, werden zeer bevreesd,
zeggende; Waarlijk, deze was
Gods Zomi.
55  Kn aldaar waren vele vrou*
knieën voor hem, bespotten zij
hem, zeggende: Weea gegroet
L,-ij Koning der Joden ;
:w en op hem gespuwd heb-
bende, namen zij den rietstok
en sloegen op zijn hoofd.
31 Eu torn /.ij hem bespot
hadden, deden zij hem den
mantel af, en deden hem zijne
kleederen aan, en leidden hem
henen om te kruisigen.
H2 En uitgaande, vonden zij
«enen man van (.\'yréue, met
name Simou ; dezen dwongen \'/.ij
dat Lij zijn kruis droeg.
XI Kn gekomen zijnde tot de
plaats genaamd Qolgotba, wol*
ke is gezegd Iloofdsrucdel*
plaats,
\'M naven zij hem te drinken
edik met gal gemengd; en nis
hij dien geproefd luid, wilde hij
niet drinken.
35 Toen zij nu hem gekruisigd
hadden, verdeelden zij zijne
kleederen, het lot «erpendc;
opdat vervuld zonde worden bet-
geen gezegd is door den l\'ro-
i\'eet; Zij hebben mijne klee*
deren onder zich verdeeld, en
hebben liet lot over mijne klcc-
dlng geworpen.
96 Bn zij ne.lerzittende, be*
wnarden hem aldaar.
37  Kn zij stelden boven zijn
hoofd zijn" beschuldiging ge*
scbreren: Dkzb is Jasna na
KoMItfO Dl\'Il JoDBX.
38  Toen werden met hem twee
moordenaars gekruisigd, één
Ut reehter- en tien ter linker*
:tl) Kn die voorbijgingen, las*
terden hem, schuddende hunne
hooiden,
«en leggendes Gij\' die den
tempel afbreekt en in drie da-
gen opbouwt, verlos uzelven ;
indien gij de Zoon Gods zfjt,
W>0 kom at\' van liet kruis.
•11 Kn desgelijks ook de Over*
prlestera met de Seiiriftgeleer-
den en Ouderlingen en Fari-
zeërs },c„i bespottende, zeiden:
42 Anderen heeft hij verlost,
«ij kan ziehzelvon niet ver-
-ocr page 54-
                                   MATTU
IELS 28.
wen van verre aanschouwende,
die Jezus gevolgd waren van
Galilêa om hein te dienen ;
54» onder dewelke wu Maria
Magdahna, en Maria de moe-
der van Jacohus en Joses, en
de moeder der ionen van 2c-
bcdeü*.
«7 Kn nis liet avond geworden
WA*, kwam een rijk man van
Arimathca, met naine Jozef,
die ook zeil\' eeu discipel van
Jezus was :
B0 déze kwam tot PUatus en
begeerde het lichaam van Je-
zus. Toen beval Pilatus dat
hem liet Lichaam gegeven zoude
worden,
.">\',! Ku Jozef liet liebaam nc-
inende, wroud hetzelve in een
zuiver fijn lijnwaad,
<"\' en leide dut in zijn nieuw
graf, hetwelk hij in eene steen*
rots uitgehouwen liad; en eeneu
grool rit steen tf\'/fii de deur des
grafi gewenteld hebbende, ging
bij weg.
(il Ku aldnar was Morin Mag-
dalenn en de andere Maria,
zittende tegenover liet graf.
fü Desanderen daags nu, welke
is na de voorbereiding, Verga»
derden de OveritrJestert eu de
Farizccrs tot 1\'ilatus,
<>:i «eggende: Heer, «ij zijn
indachtig dat deze verleider nor
levende. gezegd heeft: Na drie
dagen zal ik opstaan.
<i4 Beveel dan dat bet eraf
verzekerd worde tot den derden
dag toe, opdat zijne discipelen
misschien niet komen bij nacht
en hem stelen en zeegen tot
bet volk: Hij is opgestaan van
de dooden; en léó zal de laat-
ste dwallug erger zïju dan de
eerste.
(>.ï Kn PUatus zei.Ie tol lien :
Gij hebt eene wacht: gaal
benen, verzekert het gelijk gij
\'t verstaat.
(Hï Kn zij henengnande, vcrze-
kerdeu het eraf met de wacht,
dcu steen ".erzegeld hebbende.
HOOFDSTUK CS.
EN laat HW den sabbat, als bet
l.i--.mil te liehteu, tegen den
eersten day der week, kwam
Maria Mngdalcnn en de andere
Maria om bet gral te bezien.
\'2 Ku zie, daar geschiedde eene
Ïroote aardbeving; want een
Ingel des lieercn uederdalende
uit den hemel, kwam toe eu
wentelde den steen af van de
deur, en zat on denzclveu.
.\'t Ku zijne gedaante nas gelijk
ecu bliksem, en zijne kleediug
uit gelijk sneeu».
4 Kn uit vrees van hem zijn
de wachters zeer verschrikt
eeu orden, Cu weiden als doo-
den.
6  Maar de Bugel antwour-
dcude, zeide tot de vrouwen:
Vreest gijlieden niet; want ik
weet dat gij zoekt Jezus die
gekruisigd was.
(t Hij is bier niet, waut bij is
opgestaan, gelijk bij gezegd
heeft. Komt herwaarts, ziet de
plaats waar de lleere gelegen
heeft.
7  Kn gaat hnnstclijk benen en
zegt zijnen discipelen, dat bij
opgestaan is van de dooden ; en
zie, hij gaat u vóór naar (iali-
léa : diiflr zult gij hein zieu.
Zie, ik heb bet ulieden gezegd.
s Ku baastelijk uitgaande van
bet graf, met vrees en groota
blijdschap, liepen zij henen om
kttxetve zijnen discipelen te
boodschappen.
<J Ku als zij hcnciigingeii om
zijnen discipelen te boodsehap-
pen, zie, Jezus is haar ontmoet,
zeggende: Weent gegroet. Kn
«il tot hem komende, grepen
zijne voeten en aanbaden hem.
lil Toen zeide Jezus tot haar:
Vreest niet ; gaat henen, bood*
sch;iiil mijnen broederen, dat
zij beueiigaan naar (ialiléa, eu
aldaar zullen zij mij zien.
11 Kn als zij heneiigiugeu,
zie, eeuigeu van de wacht
kwamen in de stad, eu hood-
scbanteu den O verpriesters
-ocr page 55-
M V RC
ulle de dingen <ÜC ::< tehïed
waren.
12  Eu tij \'.i\'r :r.iliui zijnde uiet
ie (Juilf rlii.^cn, ca aanieu
raad geuomeu hebbende, pa-
ven zfj den krijgsknechten
veel lïdd,
13  eu zeiden: Zegti Zijne dis.
ctpclcu zijn dei nachts tc«*k<>-
uii\'ii en hebben beiu gestolen,
als wij slk-ncu.
.14 Iji indien zulks komt RC-
hourd te worde» vitn den 5tad-
boudiT, «ij zullen hem t<-,re-
Ü.CH stellen en maken dat. sö
zonder xor« zijt.
ló Ku zij het geld irennmeu
hebbende, deden gelijk zij w
leerd waren. Uu dit woord is
verbreid geworden hij de Joden
tot op don huldigen dag.
lfi Ku de elf diseipelen zijn
hcueniceKun naarGalUéa, naar
den berk «nar Jezus hen be-
scbelden liad.
17 Ku «Is zij hein za;reu, aau-
badeusUheiu; docb Mmiuigeu
tnlj telden.
1M Ku Jezus hij lien komende,
Mnak tot ben, secgcudei Mij
is gegeven ulle macht iu hemel
en op aarde.
j;t Gaat dan henen, onderwijst
alle de volkeren, dezelve doo-
pende in den naam de.s Vaders
en dei SSomifl en des Heiligen
Gecatei, leerende lien onder-
houden alles wat ik u gcbo*
den heb.
2<l Ku zie, ik ben met ulieden
alle de dagen tot de voleinding
der wereld. Amen.
HET HEILIG EVANGELIE
NAAK Ut: Uli&CllRUIIXn l\\IH
M A R 0 U S.
den .Tordmm, belijdende buune
zonden.
a Ku Johaunes vu gekleed
niet kemelshaar, en met renen
ledereu gordel om zijne leu-
deueu, eu at *priuk banen eu
v, Uden honig.
7 Kn bij predikte, leggende:
Na mij komt die sterker is dan
ik, wieu ik niet waardig beu
nedcrhukkemlc den riem zijner
Beboetten te ontbinden.
H Ik beb ulieden wel gedoopt
met water, maar hij zal u doo-
pen met den Heiligen Geest.
u Eu bet geschiedde In die
dagen dat Jezus kwam van
Kataretb, fftttgen iu Galiléa,
en werd van Jolmuucs gedoopt
Iu den Jordaan.
Il) Ku terstond als bil uit het
water opklom, zag bij de lic*
HOOFDSTUK I.
HUT begin des Evangelies
van Jkziis 1\'MMSTOI den
Zomi (lul.
2 Gelijk geschreven is iu de
Profeten: Zie, Ik zend mijnen
i.ii.ri\'1 voor UW aangezicht, die
uwen we; voor u benen berei-
deu zul s
:( de Mteni des roependen iu
de woestijn: llereidt den weg
des Ilecrcn, uuiakt zijne naden
recht.
4  Johaunes was doopeude iu
de woestijn, e.i predikende den
doop der bekcerlug tot verge-
ving der zouden.
5   Ku al bet Joodache land
,\'iug tot beul uit, en die van
.leruzaletn ; eu zij werden allen
van hem gedoopt in de rivier
-ocr page 56-
MARC CS 1.
hebben wij met u tê ilomi, g!J
Jezus Nazarencr? Zij t «ij ge-
komen om on» te verderven ?
Ik ken u wie gij zijt, namelijk
de Heilire Gods.
2.ï En Jezus bestrafte hein,
zeggende: Zwijg stil en ga uit
van hem.
2\'i Kn de onreine «eest hem
sebeurende, en roepende niet
i-i\'tie giuotc stem, ging uit van
IS
melen opengaan, en den G^keenc duif op hem ne
H Eu daar geschiedde e12 Eu terstond dreef uein
27 Kn zij werden allen ver-
huasd, eoodat /.ij ouder elkan-
der vraagden, tergende: Wat
is .Ut? Wat nieuwe leer is deze,
dat hij met maelit ook den on-
rvineu geesten gebiedt, en z\'j
li«in gehoorzaam zijn?
2h En zijn gerucht ging ter.
stond uit in bet gchecle omllg<
i-ei.de land van Gali.\'éa.
29  Kn van stonde aan uit de
Synagoge gegaan zijnde, kwa-
iuen zij in bet buis van Simon
en Andiéas, niet Jacobus en
Johaunea.
;t(> Kn Simons vrouwsmoeder
lag niet de koorts; en terstond
zeiden /.ij hem va:i baar.
:tl Kn hij tot haar gaande,
vutte hare hand, en riehtte /.e
oii; en terstond verliet baarde
koorts, en zij diende hen.
\\l-2 Als liet uu avond geworden
was, toen de zou onderging,
brachten zij tot hem allen die
kwalijk gesteld en van den
duivel bezeten waren.
BS Eu de geheelc stad was.
liijeenvergaderd omtrent de
:tl Kn hij genas er velen die
door verscheidene ziekten kwa*
lijk gesteld waren, en wierp
vele duivelen uit, en liet den
duivelen nirt toe te spreken,
omdat zij hein kenden.
Xi En *s morgens vroeg, als
het nog die|> in den nacht was,
opgestaan lijnde, ging hij uit,
en ging henen m eene woeste
plaats, en bad aldaar.
30  Kn Simon en die met hem
ware*, zijn hem nagevolgd.
\',ï~ Kn zij hem gever.i- en lieb*
11 En nadat JoJmnues over-
^6 En wmnMeuuY V.i\'j de(.\'ali-
Jeesehc zee, zn.\' hij Simon en
pende liet net in «Ie zcc,\'(waut
zfj waren vlaHcuerii :
cobui ara rwu van Zebeueus,
péruauin; fii terstond on den
niet ui» de s.\'l,iii\'twli-,.nloii.
-ocr page 57-
!US 2.                                                4Ö-
raakte, die van vier gedragen
werd.
4   Ku niet kunnende tot hem
genaken wegens de schare, out-
dekten zij het dnk waar hij
was; en dat opengebroken heb-
bende, lieten zij het heddeken
neder waar de geraakte op lag.
5  Kn Jezus hun geloot ziende,
zeide tot don geraakte: Zoon,
uwe zonden zijn u vergeven.
\'i Kn soiuiiiigen van de Schrift-
geleerden zaten aldaar, eu
overdachten in hunne harten:
7 Wat spreekt deze aldus
omfflaateringeu ï Wie kan de
zonden vergeven dan alleen
God?
S Kn Jezus terstond iu zijnen
geest bekennende, dat zij alaoó
in ziehzelveu overdachten, zeide
tot hen : Wat overdenkt gij
deze dingen iu uwe harten?
D Wat is lichter, te zeggen
tot den geraakte: I>e zonden
zijn u vergeven, of te zeggen;
Sta op en neem uw beddeken
op, en wandel ?
iu Doch opdat gij moogt
weten dat de Zoon des raen-
ichen macht heeft om de zon-
den op de aaide te vergeven
(zeide hij tot den geraakte) :
11 Ik zeg u, sta op en neem
uw heddeken op, en ga henen
naar uw huis.
\\1 Kn terstond stond hfj op.
eu het beddeken opgenomen
hebbende, ging hij uit in aller
tegenwoordigheid; zoodat zij
zich allen ontzetten, eu God
verheerlijkten, zeggende: Wij
hebben nooit zulks gezien.
1:1 Kn hij ging wederom ulf
naar de zee; en de geheele
schare kwam tot hem, en hij
leerde ze.
14  En voorbijgaande, zag hij
Lcvi, deit zoint van Allen*, zitten
in bet tolhuis, eu zeide tot
beni: Volg mij. Kn hij op-
staande volgde liem.
15   Kn het geschiedde als hij
aanzat iu deaselfJ huis, dat
ook vele tollenaren en zonda-
ren aanzaten met Jezus en
MAR
bende, zeiden tot liem: Zij
zoeken u allen.
38  Eo hij zeide tot hen : Laat
ona in de bijliggende vlekken
gaan, Ol>(lat ik ook daar pre-
dike; want daar te, e ben ik uit*
gegaan.
39  Kn hij predikte in hunne
Synagogen, door geheel Gali-
léa, en wierp de duivelen uit.
4it Kn tot hem kwam een
melaatsche, biddende hem en
vallende voor hem op de
kniefin, en tot hein /.eggende:
Indien gij wilt, gij kunt mij
reinigen.
-n Kn Jezus met barmhartig*
heid innerlijk bewogen zijnde,
strekte de band uit en raakte
hein aan, en zeide tot hem:
Ik wil, word gereinigd.
4-J Ku als hij dit gezegd had,
ging de melaatechheid terstond
vmihem, en hij werd gereinigd.
tl En als hij hein utrengelijk
verboden bad, deed hij hem
terstond van xlcb gaan,
44 en zeide tot hein : Zie dat
gij niemand iets zegt; maar ga
benen en vertoon uzelven den
Priester, en Offer voor uwe
reiniging hetgeen Mozes ge-
boden heeft, bun tot een gc-
tuigenis.
I.i Maar hij uitgegaan zijnde
begon vele dingen te verton*
digen en dat woord te verniel*
den, alzoo dat hij niet meer
openlijk in de stad kon komen,
maar was buiten in de woeste
plaatsen; en zij kwamen tot
hem van alle kanten.
HOOFDSTUK 2.
EX na summiae da^en is hij
wederom binnen Kanér-
naiiin gekomen. Ku liet werd
geboord dat hij in huis was;
* en terstond vergaderden daar
velen, alxoo dat ook zelfs de
plaateen omtrent de deur ken
[net meer konden bevatten; eu
h_U sprak het Woord tot ben.
3 Kn daar kwamen sommigen
tot hem, brengende eeneu ge-
\'»
-ocr page 58-
US 3.
den sahhatdug wat niet geuor-
loofd is >
25 Ku liij Belde tot hen : lleht
gij nooit gcleseu wat David ge-
daan beeft, als hij nood luid,
en hem b01 ijverde en dengenen
die met Item waren f
2\'i hor hij iuftegaaii !s ia het
Huis Gods, ten tijde van Abja-
thar den LI oogc priester, en de
tooiibroodcn gegeten heeft, die
liet niemand geoorloofd is te
eten dan den l\'rienteren, en ook
gegeven heeft dengenen die met
hem uuren ?
27 Ku hij Beide tot hen : De
sabbat is gemaakt om den
inenseli, niet de ineiisch om
ili\'n sabbat:
_S zoo is dan de Zoon des men-
seheu een lieere ook van den
sabbat.
HOOFDSTUK :t,
EN liij ging wederom in de
Synagoge. Kn aldaar wan
een inenseli hebbende eene ver-
dorde hand;
2 en zij namen hem waar, of
liij op den sabbat hem genezen
zoude, opdat zij hem bescliul*
dl«u mochten.
;t Ku liij zeide tot den meuseli
die de verdorde liaml had: Sta
öp iu het midden.
4 Ku iiij zeide tot hen: Is het
geoorloofd op sabbatdageu goed
te doen of kwaad te doen?
een mensen te behouden of
tedooden\'r Kn zij zwegen stil.
ii Kn als hij ze met toorn
rondom aangezien had, meteen
bedroefd zijnde over de verhar-
ding van hun hart, zeide hij
tot den ïiieuseh: Strek uwe
hand uit; eu hij strekte ze uit,
en zijne hand werd hersteld,
gezcnid gelijk de andere.
(i Bn de Farizeers uitgegaan
zijnde, hebben terstond met
de Ilerodimien samen rand
gehouden tcjeen hem, hoe zij
hem zouden dooden.
7 Ku Jezus vertrok niet zijne
discipelen naar de zee, en hem
Wli.\'i de Schriftgeleerden en
de Faiueer», ïiende Ucui c-leu
hannes en van du Parizeer»
van dr l\'iui/.vür», i-\'n uwe disr\'i-
il
-ocr page 59-
CS 3.                                              SI
gen zij uit 0111 hein vast te
houden; want zij zeiden: li.
is buiten v.ijue zinnen.
23  Kn de Schriftgeleerd™ die
van Jeruzalem afgekomen wa-
ren, zeiden: Hij heeft Bcel-
zel.\'ul, en door den overste der
duivelen werpt hij de duivc-
leti uit.
•J.\'t Kn hen tot xtc.li geroepen
hebbende, zcide. hij tot hen
in gelijkenissen j line kun de
Mtlau den satan uitwerpen?
24   Kn indien een koninkrijk
teven ziehzelf verdeeld is, zoo
kan dat koninkrijk niet he-
staan;
2fi en Indien een huis tegen
zichzelf \\erd \'cld is. zoo kan
dat huis niet bestaan .
\'.\'<> en indien de mi tui» tegen
ziehzilven opstaat en verdeeld
is, zoo kan hij niet bestaan,
maar heeft een einde.
"7 Haar kan niemand in liet
huis eens sterken ingaan en
zij ik\' vaten ontrooven, indien
hij 1 iet eerst den sterke bindt;
en aldan zal hij zijn liuis be-
100veu.
2H Voorwaar ik zeg u. dat
alle de zonden dcu kinderen
der menseben zullen vergeven
worden, eu allerlei Mstctin*
reu waarin» de zij zullen ge-
lasterd hebhen;
29 maar zoo wie gelasterd zal
hebben tegen den Heiligen
Geest, die heeft reene verge-
ving in eeuwigheid, maar Inj
ïs schuldig drs eeuwigen oor-
deels.
SU Want zij z.\'iden: Hij heeft
eeneu onreinen geest.
Hl Zoo kwamen dan zijne hroe-
der* en zijne moeder ; en buiten
staande, souden zij tot hein en
riepen lieui.
H2 Kn de schare za\' rondom
hemt en zij zeiden tot liein •
Zie, uwe moeder en uwe broe*
der» daar hui ten zoeken u.
83 Kn hij antwoordde hun,
zeggende: Wie is mijne moe-
der of mijne broeders?
34 Kn rondom overzien heb-
volgde cene grootc menigte van
Galiléa, en van Jndêu,
S en van Jeiu/.nlcin, en vnu
I du men, en mm óver den Jor*
daan; en die mi omtrent Tyrus
en Sidon, pene grnote menigte,
gehoord hebbende hoc ftroote
dingen hij deed, kwamen tot
hem.
«J En hij telde tot zijne disci-
nelen, dat een scheenken steeds
onitrent Uem hlijven Koude,
nill der schare uil, npdnt zij
hem niet zouden verdringen;
III want liii had er velen gc-
lies..... aizno dat alle degenen
die fruitte kwalen hadden, hem
overvielen, opdat zij hem moch-
ten aanraken.
II En de onreine geesten, als
zij hem zagen, vielen voor hein
neder en riepen, zeggende: (üj
7-fjt de Zoon Gods.
I-J Kn hij gebood hun scher-
pclijk dat zij liein niet zouden
openbaar maken.
13 Kil hij klom op den berg,
en riep tot zich die hij wilde;
en zij kwamen tot hem.
I! Kn hij sfelde er twaalf,
opdat zij met hein zonden zijn,
en opdat hij dezclv.n zoude llit-
zendeu 0111 te prediken,
ló en om macht te hebben
de ziekten t<- geurteii en de
duivelen uit te werpen.
1»; Kn Siuion gat\' dij den toe-
naam Petnis;
17 en .lacnhus, den MOM van
Zcbedeüs, en Johanne», den
broeder van Jacobus, en gat\'
hun ftitriiamen Bnanerges, het-
ivelk is, zonen des donders;
IS en Auüreas, eu Kil lupus,
en Iturtholoineüs, eu Matthcus,
eii Thomas, en Jacobus. den
:QOh van Alfeüs, en Tbaddeus,
en Sinion Kanauites,
1\'J eu Judas Iskmiot, die hein
ook verraden heeft,
20 Kn zij kwannu in huis,
\'n daar vergaderde wederom
eene schare, alsoa dat zij ook
xelh ufet konden brood eten.
-1 Kn als degenen die liein
bestonden, dit boorden. gin-
-ocr page 60-
buiten zijn, geschieden alle
deze dingen door gelijkenis*
8011,
1:2 opdat zij ziende zien en
niet bemerken, en booreude
hooren en niet verstiian, opdat
zij zieb niet te eeniger tijd be-
keeren en Uuu de zouden verge-
ven worden.
KI Kn bij zeide tot hen : Weet
irij deze gelijkenis niet, en hoe
zult gij alle de gelijkenissen
verstaan ?
14 l»e zaaier te die het Woord
zaait.
l\'i Kn dezen zijn die bij den wei;
bezimiil worilf.i waarin het Woord
gezaaid wordt; e» als zij het
gehoord hebben, zoo komt de
satan terstond en neemt het
Woord weg hetwelk in hunne
harren gezaaid wns.
1(1 Kn dezen zijn desgelijks die
op dp strenaehtiire jtlaatsen be-
zanid worden, welke als zij het
Woord geboord hebben, tcr-
Btond hetzelve met vreugde
ontvangen,
IJ eu hebben ireenen wortel
in ziehzelven, maar zijn vixir
eenen tijd : daarna al» verdruk*
king ot vervolging komt om
des Woord* wil, zoo worden zij
terstond \'/oOrgerd.
is Kn dezen zijn die in de
doornen bezaaid worden, m-
metitk degenen die het Woord
hooren,
lü en de zorgvuldigheden de*
zer wereld en de verleiding des
rijkdom» en de begeerlijkheden
omtrent de andere dingen in-
komende, verstikken het Woord,
en bet wordt onvruchtbaar.
_\'\' Kn dezen zijn die inde goede
aarde bezaaid zijn, welke bet
Woord hooren eu aannemen,
eu vruchten dragen, bet ééne
dertig-, en het andere zestig*,
en het andere houderdruur/.
21 Kn hij zeide tot beu : Komt
ook de kaars opdat ze ouder d>\'
korenmaat of ouder het bed
gezet worde? Ia \'t niet opdat
ze op den kandelaar gezet
worde ?
bende dit» öm liem zaten, zeide
hij i Zie, mijne moedor bii mijne
broeders.
3S Want zoo wieden wil Gods
doet, die is mijn broeder eu
mijne zuster en moeder.
HOOFDSTUK t.
EN liij begon wederom te lee-
ren omtrent <le zee; rn er
verwilderde eene groote sebare
bij hem, alzoo dat liij in liet
schip gegaan zijnde, nederzatop
de zee; en de geheele schare
was op liet land aan de zee.
•2 Kn liij leerde bun vele din-
gon door gelijkenissen, en bij
zeide in zijne loering tot hen:
\'.\'• Hoort\' toe. Zie, een zaaier
ging uit om te zaaien.
I En het gesehiedde in het
zaaien, dat liet «Yue deel van
hrt zakd
viel bij tien weg: en
de vogelen de» hemels kwamen
en aten het op.
.*i Kn bet andere viel op liet
steenaehtit-e, waar het niet veel
aarde bad; eu het (rins* terstond
op, omdat het geen diepte van
aarde hnd;
fi maur :il- de zon opgegaan
Wh», zoo is liet verbrand geuor-
deit, en omdat het ireen wortel
had. zoo is het verdord.
7 Kn het andere viel in de
doornen, en de doornen wie-
Ken op en verstikten hetzelve,
en bet gaf Reen vrucht.
S Ku het andere viel iu de
goede aarde, eu gaf Vlucht die
opging en wies; en bet ééne
droeg dertig, eu het andere
zostig-, en het andere houderd-
rotttl.
Ü Ku hij zeide tot beu: Wie
ooren beeft om t.- hooren, die
boore.
10  Kn als hij nu alléén was,
vraagden hem degenen die on-
trent hei» waren, met de tw aai va,
naar de selijkonis.
11   Ku li\'j zeide tot beu : Het
is u, gegeven te verstaan de
verborgenheid van bet Konink>
rijk Gods; maar dengenen die
-ocr page 61-
MAIH
22  Want daar is niets verhor-
gen dat niet .geopenbaard zal
worden, en daar i« niet» ge-
scliicd om verborgen te zint,
maar opdat liet in \'t openbaar
sonde komen.
23  Zoo iemand oori-u heeft om
te hooren, die lioore.
24  Ku hij zeide tot hen : Ziet
wat gij hoort. Met wat maat
gij meet, zal u gemeten worden,
en u die boort zal meer toege-
legd worden.
25  Want zoo wie heeft, dien
zal gegeven worden ; en wie
niet heeft, vim dien zal geuo-
men worden ook wat hij beeft.
2(5 En hij zeide: Alzoo is het
Koninklijk Gods, alsof een
mensch Int zaad in de aarde
wierp,
27 en rooit* sliep en opstond,
nacht en dag, en het zaad uit-
aproot en liane werd, dat hij
zelf niet wist lioe;
39 want de aarde brengt van-
zelf vrucht voort; eerst het
kruid, daarna dr aar, <lnarua
het volle koren in de aar.
88 Ku als de vrucht ziek voor-
doet, terstond zendt hij de
sikkel daarin, omdat de oogst
daar is.
;tn Kii hij zeide: Waarbij zul-
len wip bet Koninkrijk (iods
vergelijken, of met wat gelij-
kenis zullen wij hetzelve
gelijken ï
:il Xamelijk bij een mostaard-
zaad, hetwelk wanneer het in
de aarde gezaaid wordt, bet
minste is van alle de zaden die
op de aarde zlin;
\'.VI en wanneer liet gezaaid is,
gaat het o]) eu wordt het
meeste van alle de moeskruj-
den, en maakt groote takken,
alzoo dat de vogelen des hemels
onder zijne schaduw kunnen
nestelen.
S3 Kn door vele zulke gelijkc-
nissen sprak hij tot hen het
Woord, naardat zij het hooren
konden;
•14 en zonder gelijkenis sprak
hij tot hi\'ii niet; maar hij ver-
klaarde alles zijnen discipelen
in \'t bijzonder.
:::> Kn op dien dat;, als \'t nu
avond geworden «as, zeide hij
tot hen: Laat ons overvaren
aan de andere zijde.
36 Ku zij de >-chare gelaten
hebbende, namen hem mede,
gelijk hij in het schip was; en
daar waren nog andere ichecp-
keun met hem.
:i7 Kn daar werd een groote
storm van wind, eu de baren
sloegen óver in het sehip, al*
zoo dat het nu vol werd.
3* Ku hij was in het achter-
sebip slapende op een oorkus*
sen. en zij wekten hem op en
zeiden tot hein: .Meester, bc-
kommert het u niet dat wij
vergaan \':
3U Ku bil opgewekt zijnde,
bestrafte don wind, en zeide
tot de zee: Zwijg, wees ttll;
eu de wind ging liggen, eu
daar nerd groote stilte.
4(1 Ku hij zeide tot hen: Wat
zijt gjj zoo vreesachtig? Hoe
hebt gij geen geloof?
41 Ku zij vreesden met groote
vrees en zeiden tot elkander:
Wie is toch deze, dat ook de
wind en de zee hem gchoor*
zaam zijn \'r
HOOFDSTUK 5.
EN zij kwamen óver op de
andere zijde der zee, in bet
land der (iadaréuen.
2 Kn als hij uit het schip ge-
gann was, terstond ontmoette
hem uit de graven een meuten
met eeneu onreinen geest;
:i dewelke zijne woning iu de
graven had, en uiemand kon
hem binden, ook zelfs niet
niet ketenen;
4  want hij was menigmaal
met boeien en ketenen gebou*
deu geweest, en de ketenen
waren van hein in stukken ge-
trokkeu eu de boeien verbri^-
zeld, ea niemand was machtig
om ln\'ui te temmen ;
5  en hij was altijd, naeht en
dag, op de bergen en in de
-ocr page 62-
MAK CUP :-.
slaaif.il\' ! triiig, had heni degene die I
graven, roepende
i was ireweest, dat liij me:
uacn, ei, bood«ehap hun «at
ïr.Hitc dingen ii de Meere ire-
daan nwlk, .il /...e Mij zïtii
"*\'KilTij\' ?ïw hénen eu begon
eene grootc schare hij hem;
wn de im-ntrii der Syiuutose,
Uil, !>!,•; ,1: bui u. ,l„t eij klilil!
en zij verdrongen hem.
,£uS^;p\'"üïï-£
•.fi\'Vu "v,;H >-,\'\'i"d,-n had vau
\'!7 !tee\'van" Yeti\',"hüu\'reuuc.
"ai Én terstond J, itia nekeu-
/.tih/.eivcii nut >U*eneu.
ti Ais hij mi Jezus vrii verre
ühiï, liep hij roe en uaiiuiul
hem;
" vu mt\'t eene groote item
roepende, geide hij: Wat heb
ik wet u tr line», Jezus, gij
Zoon Gods des Alli\'iliiMursti\'ii r
Ik bezweer u hij Uod dat gij
ii.ij niet mjnk\'t.
S (Want hij geide tot hem:
(Üj onreine geest, K" uit van
den meuaeh.)
;i Kn hij vraagde hem; Welke
is uw naaui? Kn hij antwoord*
de, teggeude: .Mijn naam is
lii-urio, want «ij zijn vi-ivn,
in Kn liij huil }i(.\'in Keer, dut
Jiij hen buiten dat land uiet
Wetr
11
was
eene
en»
rA
bergci
.* SU ij
IK\'11
weidt\'
:..
duivelei
badei
lK-11
die
\',ë
ilidi
«
ons ii
iu de
xcta
in.
i;i Kn .te/,us liet lift hun ter-
atoud toe. Kn de onreine gec*-
lea uitgevaren zijnde voeren
iu iie ZAïijueu; en de kudde
giortte vkii de ateitte af iu de
v.ei\' (ilaur waren er uu om-
•i.t tweeduizend), e» zij ver*
urdei
• xee
mii
J4 Kn die de zwijnen weidden
lijn gevlucht, eu boodschap*
ten zmlk* in de >tad en on het
land: eu zij gfngeu uit om ie
zien wat het was dat er ge-
sehied was.
15 Kn zij kwamen tot Jexu*.
eu zagen den bczereuc Kittende
eu gekleed en Hél hij /.ijn ver*
•tAlid, nnmrUfk die het legioen
gehad had; en z:j werden be-
vreesd.
Ui Ku die het gezien luidden,
vertelden tuin wnt den bezetene
geschied was, en nok van de
zwijnen.
i; Ku zij begonnen hem te
bidden dat hij van hunne land*
jialen wegging.
1M Kn al» hij iu liet sein»
-ocr page 63-
M.utrt
nendc in zichxelven <1 • kracht
dit\' van hem uitgegaan was,
keerde zich óiu in de schare,
eu zeide: Wie beeft mijne klce-
dereu aangeraakt *
:il Kn zij\'"\' discipelen zeiden
tot hem: <üj siet datdeschare
ti verdringt, en zegt «ij: Wie
heeft mij aangeraakt \'•
:t-\' Un hij zrk rondom, om
haar te zien die dut ^i-daan
bad.
XI Kn de vrouw vreezende en
bevende, wetende wutaanhnar
geschied was, kwam eu viel
voor Uein neder, eu zeide hem
al ilf waarheid.
:t| Kn iiij zeide tot haar:
Dochter, uw Beloof heeft u
behouden; ga henen in vrede,
eu wee» genezen van deze uwe
kwaal,
:t.\'> Terwijl liij nog sprak,
kwamen tenigru van het hnï*
nut
den overste tier Synagoge,
zeggende: Uwe dochter is ge-
storvem wat zi,}t «ij den Mees-
ter uojc moeielijk i
M Kn Jezus terstond gehoord
hebbende liet womd dat er ge-
sproken werd, geide tot den
overste der Synagoge: Vrees
niet, geloof alleenlijk.
.17 Kn hij liet niemand toe
hem te volgen dan Petrus, en
Jaeobus, en Jn hannes, den
broeder - an Jaeobus,
lis en kaam in het huis van
den overste der Synagoge, en
zag de beroerte **« tieurue/i die
zeer weenden en huilden;
\'M eu in ;v:uutii zijnde, z\'.tdeliij
tot beu i Wat maakt gij be«
nierte en trut weent wij \'t liet
kind is niet gestorven, maar
het slaapt.
II) Kn zij belaehren hem:
maar hij, als hij /.e allen had
uitgedreven, nam bij zich den
vader en de moeder des kinds,
en degenen die niet hem irnrr.t,
ea güiw binnen waar het kind
mg.
41 Kn iiij vatte de hand des
kinds, eu geide uit haar: Ta!i-
tha kuini, hetwelk is, ovwse-
\'S >\'..                                                                             ïtS
Zet zijnde: (ïij dochterken, (ik
ze; u) sta op.
42 Kn terstond stond liet
dochterken op eu wandelde:
want het was twaalf jaren owf;
eu zij ontzetten zich met
groote ontzetting.
4^1 Kn iiij gebood hun zeer dat
niemand dat zoude weten, en
zeide dat men haar zoude te
eten geven.
HOOFDSTUK fi.
EN hij irinic vaa daar we-r, en
kwam >n zijn vaderland, eu
zijne discipelen volgden hein.
2 Kn als het sabbat geworden
nas, begon hij 111 de Synagoge
te leeren; eu velen die Arm
hoorden, ontzetten zich, zeg-
•rende : Van waar toste* dezen
deze dingen, en wat wijsheid
is dit die hein gegeven is. dat
ook zulke krachten door zijne
handen geschieden \'t
.1 Ik deze niet de timmerman,
ile zoon van Maria, en de hroe-
iler van Jaeobus eu Joses, en
van Judas en Simou: Ku zijn
zijne zusters niet hier hij ons*
Rn zij werden aan hem geer-
re rd.
I Ku Jezus zeide tot hen:
Keu Profeet is niet ongeeerd
dan in zijn vaderland en onder
siime maren en in zijn huis.
ó Ku hij kon aldaar .reene
kracht doe 11; dan hij leide wei*
uitren zieken de handen op eu
• enas ze.
\'i Kn hij verwonderde zich
over hun ongeloof, en omging
de vlekken daar rondom, lee*
rende.
7 Kn hij liep tot zich de
twaalve, en begon hen uit te
zenden twee eu twee, eu wat
hun ie acht over de onreine
geesten;
* eu hij iiehond hun dat zij
niets zouden nemen tot den
weg dan alléén eeuen stat\', geen
male, geen brood, geen weid
in den worde!,
y maar dat zij schoenzolen
-ocr page 64-
Sf.                                              MAH
souden aanbinden, en met «een
twee rokken trek leed zij».
10  Kn liij zeide tot hem Zoo
waar gij in een huis snit ln-
gaun, blijft duur tiitiiiii gij van
daar nitraat.
11  En zoo wie u niet zulle»
ontvangen noch u hooreu, ver-
trekkende van duur, schudt het
stof at\' dat onderaan uwe voe-
ten is, hun tot eeu getuigenis.
Voorwaar jseir ik u, het zal
Sodoin of Gomorra verdraa«-
iijker zijn in den das des oor-
deels da» die stad.
13  1\'i» uitgegaan zijnde, pre-
dikten zij dat zij zich zoude»
bekeeren;
19 en zij wierpen vele duivelen
uit, en zalfden vele krauken
met olie, en maakten ze ge-
zoiid.
14  En de Koning Herodes
hoorde liet (want zijn naam
was open haar geworden) en
zeide ! Joltannes die doopte, is
van de dooden opgewekt, en
«laar om werken die krachten
in hem;
15  anderen zeiden : Hij isEHa;
en anderen zeiden: Hij is een
Profeet, of als eeu der Pro-
feten.
in Maar alt Herodes het hoor-
de, zeide hij: Deze is Johanues,
dien ik onthoofd heb; die is
van de dooden opgewekt.
1" Want deze Herode* een\'ujen
uitgezonden hebbende, Imd
Johanues gevangen «e nomen
en hem in de gevangenis ge-
bonden, uit oorsaak. van IIero-
dias, de huisvrouw van zijnen
broeder Filimms, omdat hij
haar getrouwd had;
is want Johanues zeide tnt
Ilerodes: Het is ti niet geoor-
loofd de huisvrouw uws broe-
ders te hebben.
11) En Hemd ia« leide op hem
toe en wilde hem dooden, e»
kon niet:
•Ju want Ilerodes vreesde Jo-
hanncs, wetende dat hij een
reehtvaatdig en heilig man
was, en hield hem in waarde;
CUS 6.
en als iiij liem hoorde, deed hij
vele dingen, en boorde hein
gaarne.
21 E» als er een welgelegen
dag gekomen was, toen lle-
rodes op den dag zijuer ire-
bonrte een maaltijd aanrichtte
voor zijne gxooteu eu de over-
sten over duizend en de voor-
uaaiuste» van (ialüéu;
Seu als de dochter van deze
Herodias inkwam en danste,
en Herodes en dengenen die
ïuedeaauzaten, behaagde, zoo
zeide de Koning tot het doch-
terkrn: Eiseh van mij wal gij;
ook wilt, en ik zal bet u geven
\'1\'A en hij zwoer haar : Boo
wat gij van mij zult eisenen,
zal ik u geven, ook tot de helft
mijns koninkrijk*.
34 Kn zij uitgegaan zijnde,
zeide tot hare moeder: Wat zal
ik eisenen? Kn die zeide: Het
hoofd van Johanues <\\vn Hoe-
per.
•Ja En zij terstond met haan
i u traa ude tot den K on in g,
heeft het g. eiseht, zeggende:
Ik wil dat gij mij nn terstond
in een schotel geeft het hoofd
van Jo hannes den Pooner.
2ü Kn de K on Ing zeer bedroefd
geworden zijnde, iw/ituus om
de eedeu en degenen die mede*
aanzateu, wilde hij haarhetselpe
niet afslaan ;
•27 en de Koninggoud terstond
eeuen seherpreehter, e» ge-
bood zijn hoofd te brengen.
Deie nu ging henen en ont-
hoofdde hem in de gevangenis,
\'2- eu braebt zijn hoofd ineen
schotel, eu gat hetzelve aan het
dochterken, en het dochterken
gat\' hetzelve aan hare moeder.
•Jü En als zijne discipelen dit
hoorden, gingen zij en namen
zijn dood lichaam weg, en
leiden dat in eeu graf.
90 E» de Apostelen kwamen
wtêtf te zameu tot Jezus, eu
boodschapte» hem alles, beide
wat zij gedaan hadden en wat
zij geleerd hadden.
31 En hij zeide tot hen: Komt
-ocr page 65-
l\'S fi.                                             o;
mei, zegende, eu brak de broo-
deu, eu gaf ze zijnen diaci-
peleu, opdat zij ze hun zou-
den voorleggen; en de twee
visseheu deelde hij voor al-
42 Ku zij aten alh\'ii, en zijn
verzadigd geworden;
4!t en zij namen óp twaalf
volle korven brokken, en van
de visseheu.
41 Ku die de brooden gegeten
hadden waren omtrent vijl\'
duizend mannen.
45 Ku terstond dwong hij zijne
discipelen in bet schip te gaan,
eu vooruit henen te varen naar
di\'andere z\'jde tegenorrr Beth-
salda, terwijl hij de schare van
zieli zonde laten.
i" Kn al* hij denselven hun
afscheid gegeven had, ging hij
op den berg om te bidden.
47 Kn al» het uu avond was
geworden, zoo was het schip in
\'t midden van de zee, en hij
watt alleen op het land.
4s Kn hij iag dat zij /.ieb zeer
tiijuigden om het acliiii voort te
;rijgen (want de wind wa« hun
tegen); eu omtrent de vierde
naehtvtaak kwam hij tot hen,
wandelende op de zee, en wilde
hen voorbijgaan.
49 Ku zij ziende hem wande-
leu op de zee, meenden dut het
een spooksel was, en »ehrceuw-
deu zeer;
10 want zij zagen hem allen,
eu werden ontroerd. Ku ter*
stond sprak hij met hen, eu
zeide tot hen : Zijt welgemoed,
ik ben \'t, vreest niet.
61 Kn hij klom tot hen iu \'t
schip, en de wind Milde ; en
zij ontzetten zieii bovenmate
zeer iu ziehzelveu, en waren
verwonderd.
.i.\' Want zij hadden niet gelet
op het wonder der brooden;
want hun hart was verhard.
Ü Ku als zij overgevareu wa-
reu. kwamen zij in het land
Gemiésaretlt, en havenden al-
daar.
54 Kn aU zfj uit het schip ge-
MAlt(
gfjlieden in eene woeste plaats
hier alléén, en rust een weinig.
Want daar waren velen die
kwamen en die gingen, en zij
hadden zells geen Reienen tijd
om te eten.
Ui Kn zij vertrokken in een
bcbiji naar eeue woeste plaats
«llt\'L\'ll.
:>.\'( Kn de seharen zagen ze
henen varen, en velen werden
hem kennende, en liepen geza-
menlijk te voet van alle steden
derwaarts, en kwamen hun
vóór, en gingen te /.amen tot
hem.
::i Lu Jezus uitgaande, zag
eene groote sehare, en werd
innerlijk met ontferming be-
wogen over hen; want zij wa-
ii\' ii als M\'tiii]icii die grenen
herder iiehhen; en hij begon
hun vele dingen te leeren.
35 Kn als liet nu laat op den
dag geworden was, kwamen
zijne di»eiprleti tot hein en
zeiden: Deze plaats i- woest,
en het is nu laat op den dag :
:u> laat ze van u, opdat ze
hriieugaau in de omliggende
dorpen en vlekken, eu brooden
voor ziehzelveu mogen knopen;
want zij hebben niet wat zij
eten zullen.
87 Maar hij antwoordende,
zeide tot hen i Geeft «ij hun te
eten. En zij telden tot hem :
Zullen wij lienengaun eu kon-
pen voor ttveehonderd peuuiu-
gen brood, en hun tu eten
(teven f
:tS Kn hij zeide tot hen: Hoe-
Teel brooden hebt efj ? Gaat
henen en beziet het. Ku toen zij
het vernomen hadden, zeiden
zij : Vijf, en twee visnetten.
89 Kn hij gebood hun dut zij
7.e allen zouden doen uederzit-
tcn hij gezelschappen op het
groene gras.
40  Kn zij raten neder in gc-
deelten, bij honderd te zamen
en bfj vijftig te zamen.
41   Ku al» hij de vijf brooden
en de twee vissehen gnomen
luid, zag hij óp naar den he-
-ocr page 66-
:,h                                             MAIM
jranu waren, weiden zij terstond
V-m kennende.
.... Kh het gehecle omliggende
kind donihinpeiide, begonnen /.ij
jp heddeken» degenen die kwa-
lijk gesteld waren, (mi te dra-
:rt-ii, ter plaatse waar /.ij lioor-
dcu dat hij wan,
fit! Kil ton waar 11ij k\'.vmn, in
vlekken of meden ut" dorpen,
ilimr lelden zij de krankeu op
de markten, en baden hem «lm
/.ij mtiar den zoom zijns kleed*
aanraken mochteu: en aoovelcn
nis er liciu aanraakten, werden
gezond.
HOOFDSTUK 7.
EN tot hem vergaderden de
KarixeCni en aominlgen der
Schriftgeleerden, die van J«th-
zaleni gekomen waren t
\'2 em ziende dat Boiaiuigeu va»
zijne discipelen niet onreine,
(hit is met ougewaiwrbeu bau-
itt-ii brood aten, berispten zij
hf,t.
:t Want de FarfceCra en alle de
Joden < ten niet, tenzij dat zij
enst de handen dikwijls \\va.-
sehni, houdende de inzettiitg
der ouden,
4 en vim de markt hom f,uit,
eten zij niet, tenzij dut ze remt
gcwaiBcheu zijn ; en vele mi-
dere dingen tijii er die /.ij aan-
geuowcu hehheu te houden,
al* Httmr\'-ijkAc wanachlngen der
driiikbekerH en kannen en kö-
pcreil vaten en liedden.
ft DtmniH vraagden hem de Pa-
rizeer* en de Schriftgeleerden:
Waarom wandelen uwe dïaclpe-
leu niet nuar de InKettlng
der ouden, muur eten het
hrood met ongewaiiiclieu hau-
den \'t
lï Maar hij antwoordde en
zeide tot beu: Wèl heeft Jeaaja
van u geveinsden geprofeteerd,
gelijk Keichreveti i«: Hit volk
eert Mij met de lippen, maar
hun hart houdt Kleit verre vhii
Mij;
7 noen terergeefi eerou zij Mij,
leerende leeringen die gebo*
den :im der mcnaelicn ;
H want nalatende het gebod
(iods, houdt -:i.\' de iu/.ettingeii
der lueuiicben, alê *ametifk wa«-
Rchlngen der km.....n en drink*
beken; en andere dergelijke
diiiireu duet ei] vele.
•i Kil liij zeide tot hen : Gij
doet tektr Oodi icebod wel te
niet. opdnt \'.\'ij uwe iuxettlug
tondt onderhouden.
lil Want Muze» heeft gezegd :
Ber uwen vader en uwe moe-
der, eu: Wie vader of moeder
vloekt, die zal den d <od »ter-
11   Maar irlj)leden «egt: Zoo
een meiiseh tot vader of moe\'
der zegt; lift in korhau (dat
is tr zff/j/ni, een gave), zoo wat li
van mij zoude kunnen ten nutte
komen, il-r roldnrt ;
12  en v ij laat hein niet meer
toe iets nan zijnen vader of
zijne moeder te (toen,
l:t Hinkende iilzmi God» Woord
krachteloos door uwe tuxettiug
die gil ingezet helit; eu derge-
Üjke dingen doet fcfj vele.
14  Ku tot zieh de iransrhc
seliare geroepen hebbende, zei-
de hij tot hen: Hoort mij allen
eu verstaat:
li» daar is niets van bulten
den ineiiseh in hem tuiraaiide,
hetwelk hem kan outreiniireii;
maar de dingen die vhii hem
uitgaau, die ziju het welke den
menaeb Diitrelnlgeu.
lil Zon iemand ooreu heeft om
te hooren, die Imore.
17 Kn toen hij van de sehare
iu huis gekomen waa, vraagden
hem zijne discipelen vhii de
gelijkenis.
15  Kn hij zeide tot hen: Zijt
ook ir ij hIzóó onwetend.\' Ver-
staat gij niet, dat ui wat van
buiten iu den niensch ingaat,
hem niet kan nutretuigiiii?
lil Wnut het gaat niet iu zijn
hart, maar iu den huik, en
gaat In de heimelijkheid uit,
reinigende alle de spijzen.
Lil Ku hij zeide: Hetgeen uU-
-ocr page 67-
MA1M
cnnt uit dm mcnscli, dat out* I
rein i ir t den iiieiiscli.
-JI Want vim binnen uit hei
hart der iiieiiwlieu komen voort
kunde gedachten, overspelen,
Hoererijen, doodstaken,
•_\'. dieveriieu. KierifCbeaeii,biNw-
heilen, lit-iïroK, outuchtijrhchl,
.vu hou* ooir, hwtcriiiic, I100- ,
Minrtlij, onverstand 1
23  alle dru booxe dintfPii ko- j
Sirèï den meVs\'h.\' \'
24    K11 vau dani\' opstaande, \'
L,iiiï hij weK naar de landpalen \'
• uu Tyrits en Sidon; en in een
buis cegaau zijnde, m lldc hij
niet dm iemand liet wist, en
hij kon nnrhiiias niet verborgen
idjit.
•_\'"> Want cenc vrouw, welker
dochterkcii ceuen niireiiien
;repst had, vau hein irehnord i
hebbende, kwam en viel neder
tuin zijne voeten.
2i> Üexe mi was eeue Orlekscbe
vrouw, van sreboorte uit Syro-
l\'enieië; nu zij bad hem dat hij
iii\'n duivel uitwiern uit ban*
dochter.
".7 Maar Jezus "telde tot baar 1
l.nat eerst de kinderen verza-
dkd worden: want bet is niet
betamelijk, dat men In-t brood
.Ier kinderen neme en den
bondeken* wiwcwcrpe.
•JS Maar zij antwoordde en
Helde totbeiu; Ja, Meere, doeh
ook di* bondeken« eten onder
de tafel vau de krulinkeua der
kinderen.
M Kn lii.i zeide tot haar: Om
dezes woords vul na henen :
de duivel is uit uwe dochter
uitgevaren.
JU) IÏ11 nis ïlj in haar buis
kwam, vond zij dat de duivel
uitgevaren was, en de dochter
llffgeude op het heil.
\'M K11 hij wederom weirtfeicaau
zijnde vau de landpalen van
Tyrus en Sidou, kwam aan de
zee vau (ialih\'a, door liet uiid-
den der landpalen van Deeri-
polls.
;t2 Ku zij brachten tot hem
\'US S.                                            50
eciieu dom-p, die e waarlijk
sprak, en baden hem dat hij
de hand op licm leide.
:s:i Ku hem van de schare al-
h-in ifeiioinen hèliheude, stak
hij zijne viniroivn in zijne noren,
pii gespuwd nebbende, raakte
lifj zijni\' tong aan;
.\'tl en opnaarts tiende naar
den hemel, tochtte hij, en
zeide tot hem : Kiïatha. (lat is,
word geopend.
II"» Ku terstond werden zijne
noren geopend, en de hand
zijner ton,\' werd los, en hij
sprak recht,
:»i Kn hij \'.reliood hun dat zij
liet iiieina ui zeggen zouden ,
maar wat 1 ij hun ook verbood,
zoo verkondigden zij het den
te meer,
:\\" Ku zij ontzetten zirli
hoveiiinnte zeer, /.eggende; Ui)
heeft alles wèl gedaan, en hij
maakt dat de donven hooien
en de stommen spreken.
HOOFDSTUK 8.
IN die dagen, als er eenexcer
Kfoote schare was, en zij
niet luidden wat zij eten
souden, riep Jeans zijne discf*
pelen tot zich,en zeide tot hen:
2 Ik word innerlijk niet ont-
teimiiig bewogen over de sehare;
want zij zijn uu drie dagen bij
Ulij gebleven, en hebben niet
wat zij eten zouden ;
:i en indien ik ze miehteren
naar bun huis laat traan, zou
Mlleu zij op den wen beau ij-
keu ; want sommigen van hen
kinnen van >crre.
•I Ku zijne discipelen aut-
woorddPii hein : Vau waar zal
iemand dezen met hrooden hier
in de woestijn kunnen verz»-
f» Kn bij vraagde hun: Hoe.
veel hrooden hebt gij • Kn zij
zeiden : Zeven.
B Ku liij Kcbood de sehare
Bcder te zitten op de aarde. Kn
hij nam de zeven brood», en
gedankt licMier.dc, brak hij u-.
-ocr page 68-
CO                                                MAIIC
en gaf t.c zijnen discipelen,
opclftt zij se zonden \\oorleg-
gen; eu zij leiden ze dor schare
voor.
I   Kn rij hadden weinige viseh*
ken»*; en als Inj gezet-end had,
zeide hij dat zij ook die zouden
voorleggen.
s En zij hebben gegeten en
zijn verzadigd geworden; en /.ij
nmuen het overschot der brok-
keu on, zeven manden.
!i Die nu gcueten badden, wa*
ren omtrent vierduizend; cu ltij
liet ze gaan.
lil Kn terstond in het schip
gegaan zijnde met ZÜne disci-
peleu, is liij gekomen in de
«leelen van Dnlmauütlia.
II   En de Farizcër* gingen uit
en begonnen mei ii**in te tivis-
ten, begeerende \\ au hem een
teeken van den hemel, hem
verzoekende,
12 En hij B waarlijk zuchtende
in zijnen i;eest, Beide: Wat be-
geert dit geslacht een teeken ï
Voorwaar ik zes n, zoo aan
dit geslacht een teeken gegeven
•/al worden !
in Kn hij verliet hen, en weder*
«in in bet schip gegaan zijnde,
voer hij weg naar de andere
zttdo.
14   Eu riffi* discipelen ltadden
vergeten brood mede te nemen,
en hadden niet dan één brood
met zich in het schip.
15    En hij gebood bun, zeg-
fcende: Ziet toe, waeht u van
den zuunlccscni der FariseiTS
en van den ziiurdecscm van
H erades.
lfi En zij overleiden onder elk-
ander, zeggende t IIH is omdat
M\'fj geen brooden hebben.
I4 En .Ie/u» da\'. Iiekemiende,
scide lot hen 1 Wat overlegt gij
dat gij geen brooden hebt t He-
merkt gij nog niet, en verstaat
gij niet? Hebt gij nog uw ver-
hard hart9
is Oogeu hebbende, ziet gij
niet, en ooren hebbende, hoort
jïü niet?
11» J.i: gedenkt gij niet, toen
CS f>.
ik de vijf brooden brak ouder
de vijfduizend mannen, hoeveel
volle korven niet brokken gij
onuaamt\'f Zij zeggen bent:
Twaalf.
2u Kn toen ik de zeven firnk
ouder de vier duizend mannen,
hoeveel volle manden niet brok*
ken gij opuaumtr Kn zij zei-
deu : Zeven.
21  Kn hij zeide tot hen: Hoe
verstaat irij niet?
22  Kn hij kwam te liethsaida;
en zij bracliten tot hem eenen
blinde, en baden hem dat hij
hem aanraakte.
2:t Kn de hand des blinden
geuonieu hebbende, leidde hij
hem uit buiten liet vlek, en
spuwde In zijne oogen, en lelde
de handen op hem, eu vraagde
hem of hij iets zag.
21 Kn hij omziende, zeide: Ik
zie de nieuscben, want ik zie
ze als hoornen, wandelen.
26 Daarna leide hij de handen
weder on zijne 00 ren. en
deed hem opzien; en hij werd
hersteld, eu zag ze allen, ver
eu klaar.
•2>< Kn hij zond hem naar zijn
buis, zeggende: Ca niet in het
vlek, en zeg het 11 iemand in
het vlek.
2" Kn Jezus ging uit en zijne
discipelen naar de vlekken van
Ceaarea FMIppl; en on den weg
vraagde hij zijnen discipelen.
zengende tot hen: Wie zeggeir
de meusclieu dat ik ben?
28 En zij antwoordden 1 Jo-
hannes de Dooper ; en anderen :
Klia; en anderen; Een van de
Profeten.
59 En hij zeide tot hen : Maar
gijliedeu wie zegt gij dat ik
beu ? Eu Petras antwoordende,
zeide tot hem: Gij zijt de
Christus.
:ü> Eu hij gebood hun seherpe-
lijk, dat zij het niemand zou-
de» zeggen van hem.
.\'il Eu hij begon hun te leereu,
dat de Zoon des mensehen veel
moest lijden, en verworpen
worden van de Ouderlingen en
-ocr page 69-
VS 9.                                             Gl
met zich Petrus en Jacobus en
Jobanues, en bracht ze op
eenen bootten berg bezijden
alléén. En hij werd voor ben
van gedaante veranderd;
3  en zijne kleedereu werden
blinkende, zeer wit als sneeuw»
hoedanigc Keen voller op aarde
zóó wit maken kan.
4   I\'. i van hen werd gezien Klia
met Mozes, en zij spraken niet
Jezus.
;"i Kn Petrus antwoordende,
zeide tot Jezus: Ituhbi, bet is
good dat wfj hier zijn, eu laat
ons drie tabernakelen maken,
voor u éêiiiu, en voor Mozes
ééueii, en v.or Klia éénen.
6  Want bij wist niet wat hij
zeide: want zij waren zeer be-
vreesd.
7  En daar kwam eene wolk
die ze overschaduwde, en eene
stem kwam uit de wolk, zeg-
geude: lleze is mijn geliefde
Zoon : hoort hem.
s Kn hnastelijk rondom alen.\'
de, zatreu zij niemand meer dan
Jezus alléén bij zich.
9 Kn als zij van den bergaf*
kwainen, gebood hij Uuu, dat
zij ii ir in.\'.: ui verhalen zouden
betveen zij Realen hadden, dan
wanneer de Zoon des uienscheu
uit de doudcu zoude opgestaan
zijn.
in Kn zij heliielden dit woord
bij ziclizelven, vragende ouder
elkander wat het was, uit de
Overpriesteren en Scbrfftxeleer*
den, eu gedood worden, en ua
drie da-.*eu wcderopstaau;
\'AH en dit woord sprak hij vrij-
11 it. En Petrui hem tot zich
genomen hebbende, begon hem
te bestraffen.
33 Maar bij zich omkeerende
en zijne discipelen aanziende,
bestrafte Petrus, zeirirende: Ga
benen aehter mij, satan; want
j-ij verzint niet de dingen die
Gods zijn, maar die der men-
sehen zijn.
:i4 En tot zich ïcrocpen heb-
bende de se hare niet zijne
discipelen, zeide hij tot beu:
Zoo wie achter »iij «il komen,
die verloochene ziclizelven, en
neme zijn kruis op en volge
mij.
I(.ï Want zoo wie zijn leven
zal willen behouden, die zal
hetzelve verliezen; maar zoo
wie zijn leven zal verliezen om
mijnentwil cïl om iles Kvau-
gelies wil, die zal hetzelve
behouden.
:t\'i Want wnt zoude het den
menseh baten, zoo hij de ge-
heele wereld won eu zijner
ziel schade leed\':
:tj Of wat zal een menseh
sreven tot lossing van zijne
ziel 1
38 Want zoo wie zich mijns
en mijner woorden zal ge-
schaamd hebben in dit over*
speliif en zondig geslacht, dieus
zal zich de Zoon des uienscheu
óók schamen, wanneer bij zal
komen in de heerlijkheid zijns
Vaders, met de ueili.ee Eu*
gelen.
HOOFDSTUK 9.
EN hij zeide tot ben : Voor-
waar ik ze:; u, dat er soiu-
rotsen zijn van defcuen die
hier itBJ.ii, die den dood niet
zullen smaken, totdat zij iul-
li\'u hebben gezien dat het
Koninkrijk Gods met kracht
gekomen i=-.
- Kn ua zes dagen uani Jezus
doodeu t
11   Kn zijjcende i W
Schriltgcle
staan,
vraagden hem, zeg-
zeggen de
\'ideii, dat Klia eerst
komen moet.\'
12  Kn hij antwoordende, zeide
tut hen; Klia zal wel eerst ko-
iin-ii en alles wederoprichteu;
en Met zit\', gtêekitde» irelijk re-
tehreven is van den Zoon des
mensihen, dat hij veel lijden
zal en vernclit worden.
13  Maar ik zet* u dat ook Klia
gekomen is, eu zij hebben hem
gedaan al wat zij gewild heb-
hen, gelijk viin hem geschre-
ven is.
-ocr page 70-
MA HCVS ii.
strafte den onreiuen geest, ze^-
pende tot hem: Gij stomme en
doove geest, ik beveel u, jca uit
van hem eu kom niet meer in
hem.
—1> Kn bij roepende, en hem
zeer scheurende, ging uit; vu
in-t kind
werd als dood, alxun
dat velen zeiden dat het gestor-
\'27 Eu Jezus hem bij de baud
grijpende, richtte hem op, en
hij stond op,
2s Ku «Is hij in huis gegaan
was, vraagden hem zijne di--
eïpeleii alléén: Waarom heb-
beu v, ij hem niet kunnen uil-
werpen .*
•J\'.i Ku hij zeide tot ben : hit
geslacht kan nerveus door
uittfaau dan door bidden eu
vasten.
3" Kn van daar weggaande,
reisden zij door (JalUem; en hij
wilde niet, dat h-mand het
wist;
:tl want hij leerde zijne dis-
ripelen en zeide uit beu : Ha
Zoon iles meusehen zal ovcrg<\'-
Icverd worden iu de band \'11
der mciisclicn. c.i zij zullen
hem dooden, en gtiloud zijnde,
zal hij ten dei den UUgC wedcr-
opstanu.
\'M .Maar zij vers tonden dat
woord niet, en zij vreesden
hein te vragen.
\'M Ku hij kuam te Kaperliauin,
en iu het huis gekomen zijnde,
vraardc hij hun; Waarvan hielt
irij moorden onder elkander op
den weg?
\'M Doen zij uwegen ; want ;-.ij
waren onder elkander iu wout"
dcu geweest Op den W\'Cg, wie du
meeste vn-ile zijn.
Xt Kn ueilerirezeten zijnde, rie.i
bij de twnuve, eu zeide tot
beu : Indien iemand W il de
eerste zijn, die zal de laatste
van allen zijn, eu aller die*
naar.
311 Kn nemende een kindeken,
stelde hij dat midden ouder
beu, en omving het met zijne
armen, eu zeide tot ben 1
1-1 Eu nis iiij bij de discipelen
gekomen was, uut hij eene
groote schare rondom hen. en
eentffe Schriftgeleerden inct beu
twistende.
15 ICii terstond de gelieelc
schare Item tiende, werd ver-
baasd, en toclooneuttc, groetten
zij liein.
Ui Ku bij vraagde den Schrift"
geleerden: Wat twist «ij met
dezen \'t
17 Kn een uit de schare ant*
unnrdcudc, zeide: Meester, ik
heb mijnen zoon tot u KC-
hiaeht, die een stoiunien gee*-t
heelt;
!•• en wuar hij beni ook aan-
grijpt, zon scheurt hij bcui, en
hij schuimt en knerst met zijne
tanden en verdort; en ik heli
uwen discipelen gezegd ilut zij
heui zuiuleii uitwerpen) en zij
hebben niet gekund.
l\'.i 1\'.: hij jin\' .. i nrdde hem en
zeide: O i.ii-rcioovér geslacht,
hoelang zal ik not bij ulieden
zijn, hoelang zal ik u lioK ver*
drageu? Krengt hem tot mij.
20 Ku zij brachten deuaelven
tol hem; en als liij hem *»*,
scheurde licui terstond de
geest; en liij vallende op de
narde, wentelde zieii al schui-
inende.
-:i Ku hij vraacdo zijnen vndcr;
Hoe langen tii<l is het, «lat hem
dit overkomen is* Kn hij zeide:
Van tiftu kindsheid at;
£2 eu menigmaal heeft hij
hem ook in het vuur eu in het
«ater geworpen, om hen» te
verderven ; muur zoo «Ij iet*
kunt, wees met Innerlijke ont-
feriuiug over ons bewogen eu
bel)) ons.
23 En Jezus zeide tot hem:
Zoo \'.\'i.i kunt Removen, alle diu-
gen zijn mogelijk dengenen die
geloot t.
ïl En terstond de vader des
kinds roepende met tranen, zci-
de: Ik geloot\', Meere, kom mij-
De ougeloovigneid te hulp.
\'2\'t Kn Jezus ziende dat de
schare grxumciilijk toeliep, be-
-ocr page 71-
MARCV:t; Zoo wie één van zoodanige
kïnderkeni zal ontvangen in
mijnen naam, die
63
werp bet uit t het is u heter
>naur één oog liehhende, in het
Koninkrijk God* iu te gaan,
(Ihii twee ooiren liehhende, in
bet hclsehe vuur geworpcu te
worden,
4-* waar hun worm niet sterft
en het vuur niet uitgeblufcrltt
wordt.
40 Want een ieder zal niet
vuur gezouten worden, eu ie*
dere offerande zal niet zout ge-
zouten «orden.
5(1 liet znut is gord; maar in-
dieu het ïollt ouzout wordt,
waarmede zult gij dat smakt,
lijk maken ƒ Neht zout iu ti/.el-
veo.en houdt vrede onder elkau-
der.
HOOFDSTUK IC
rii zoo uii\' uiij zal ont-
vaugei*. die ontvangt mij niet,
muur \'lic;, die mij gezonden
kerft
Itrl Ku Johauncs Antwoordde
hem, zeggende: Meester, «ij
hebben eetieu gezien die de
duivelen uit» Eern iu uwen
miuiit, welke ons niet volict;
en «ij hebben het hem ver*
boden, omdat hij on» uiet
volgt.
3» Jlorli Jezus zeide: Verbiedt
hein niet; want daar is uie-
mand die eeue kracht doen zal
in mijnen naam, en haa^tclijk
van mij zal kunnen kwalijk
spreken,
40  Want «ie tégen ons niet
is, die is voor ons.
41  Want 200 wie ulieden renen
beker water te drinken zal ge-
veu iu Ulijnen iniuiii, omdat
gij <ti*rijir!i-n van Christus zijt,
voorw aar zeg ik u, li ij za 1
zijn loon geenszins verliezen.
42   Ku zoo wie één van deze
kleinen die in mij gelooven,
ergert, het ware hem beter
«"at een molensteen oui zijnen
hals gedaan «are, eu dat hij
iu de zee geworpen ware.
43    Kn indien uwe baud u
ergert, houw ze af: het is u
beter verminkt tot het leven
iu te gaan, dun de twee haiuleu
hebbende, henen te gaan in de
hel, in het ouuitblusselielijk
vuur,
14 «aar hun worm niet sterft
CU het vuur niet uitgehluseht
wordt.
45 Kn indien uw voet u er*
gert, houw hem at: het is n
beter kreupel tot bet leven in
te gaan, dan de twee voeten
hebbende, geworpen te worden
iu de hel, iu liet oiiuitblusnehe-
selielfjk vuur,
4fi waar hun worm niet sterft
en bet vuur niet uitgehlusclit
Wordt
•17 En indien uw oog u ergert,
VifïKr,
opgestaan zijnd
aar de laiidpah
van Judén, do<
r de overzijde va
,,•„ Jor.Ua.,;
eu de seliart
kwamen
bij hem, en gelijk hij gewoon
was, leerde hij ze wederom.
\'2 Kn de Parizeen tot hem
komende, vraagden hem, ui
het een nutu geoorloofd is ;,;»<•
vrouw te verlaten, hem \\ei-
zo e kende.
:t Maar hij antwoordende, zei-
de tot hen i Wat heeft Muze» u
geboden >
4  Kn zij zeiden : Mozes heeft
toegelaten innen wheldbrlef te
sehrijveu en krntr te verlaten.
5  Ku Jezu> antwoordende, zei*
de tut hen: Vanwege de har-
dighehl uwer harten heeft hij
ulieden dat gebod gi^ehrevei.;
ff maar van het begin der
schepping heeft God ze uiati
eu vrouw gemaakt.
7 Daarom zal een menseh / i>
vader en moeder verlaten, eu
zul zijne vrouw aanhangen,
s eu die twee zullen tot één
vleeseh zijn; al/.oo da: zijniet
meer twee zijn, maar één
vleeseh.
11 Hetgeen dnu (iod *anieiige-
vocgd heeft, selieide de menseh
niet.
-ocr page 72-
M                                           MAR(
10 Ku in het hui;* vraagden
hem zijne discipelen wederom
vnn hetzelfde.
11   Ku ii n zeide tot lie» : Zoo
wie zijne vrouw verlaut en
eenc andere trouwt, die doet
overspel tegen liaar.
12  Ku indien eene vrouw lia-
ren man zal verlaten en met
een ander trouwen, die doet
overspel.
13  Ku zij brachten kiuderkeua
tot hem, opdat hij ze aanraken
zoude; en de discipelen be-
stratteii degenen die ze tot hem
brachten,
14    .Maar Jezus dat ziende,
nam liet zeer kwalijk, ei» zeide
tot hen: Laat de kiudeikens
tot mij kinnen, en verhiinlei t
ze niet; want derzulken is het
Koninkrijk Gods.
15  Voorwaar zeg tk u, zoo
wie het Koninklijk Gods niet
ontvangt gelijk een kindeken,
die zal in hetzelve geenszins
ingaan.
Ui Kn liij omving ze met zijne
armen, r.i de handen on beu
gelegd hebbende, zegende hij
dezelven.
17 Ku als hij uitging op den
weg, liep een tot hein, en
voor hein op de knieën val*
lende, vraagde hein : Goede
Meester, wat zal ik doen, op-
dat ik liet eeuwige leven be-
erve ?
W Kn Jezus zeide tot hem \\
Wat noemt «ij mij goed ? Nie-
niaiid is goed dan een, namelijk
God.
19 (ïij weet de geboden : gij
zult «een overspel doen; gij
zult niet dooden; gij zult niet
stelen i (rij zult geen valsche
getuigenis geven; gij zult uie-
mand tekort doen; eer uwen
vader en uwe moeder.
•20 Doch hij antwoordende,
Beide tot hein : Meester, alle
deze dingen heb ik nnderhnu-
deu vai: mijne jonkheid af.
•21 Ku Jezus hem aanziende,
beminde hem, en zeide tot
hem : Ken ding ontbreekt u :
ga henen, verkoop alles wat
gij hebt, en geet\' het den armen,
eu gij zult eeuen schut hebben
in den hemel; eu kom her-
waarts, neem het kruis op eu
volg mij.
22  Maar hij treurig geworden
zijnde over dat «oord, ging
bedroefd weg; want hij had
vele goederen.
23   Kn Jezus rondom ziende,
zeide tot zijuediseiuelen ; Hoe
bezwaarlijk zullen degenen die
goed hebben, inliet Koninkrijk
Gods inkomen !
\'24 Kn de discipelen werden
verbaasd over deze zijne woor-
deu. Maar Jezus wederom
antwoordende, zeide tot hen :
Kinderen, hoe zwaar is \'t, dat
degenen die op het goed hun he-
trouweu zetten, in het Kouiuk-
rijk Godi ingaan !
25 liet is lichter dat een keutel
ga door het oog van eene
naald, dan dut een rijke in
het Koninkrijk Goris inga.
2*ï Kn zij werden nog meer
verslagen, zeggende tot eik-
ander : Wie kan dan talig
worden ?
27   Doch Jezus beu aanziende,
zeide: Bij >le menselien is liet
onmogelijk, maar niet bij God;
want alle dingen zijn mogelijk
bij God.
28  Kn Petrus begon tot hem
te wegen : Zie, wij hebben alles
verlaten eu zijn u gevolgd.
20 Ku Jezus au tw oordende,
zeide: Voorwaar zeg ik ulie-
rieu, daar is niemand die ver-
laten heeft huis, of iiroeders,
of zusters, of vader of moeder,
of vrouw of kinderen, of ak-
kers, om mijnentwil en des
Evangelies wil,
:«i of hij ontvangt honderd-
vond, nu in dezen tijd huizen,
eu broeders eu zusters, en
moeders en kinderen, en ak-
kers, met de vervolgingen, en
in de toekomende eeuw het
eeuwige leven.
.\'il Mniir vele eersten zullen
de laatsteu zijn, en vel™ die
-ocr page 73-
31 Alt CL\'
de lantsten z\\jh, de eerste».
.12 En zij vuren op de» «eg,
opgaande riiiir Jeruzalem, e»
Jezus ging Mx>r hen; en zij
waren verbaasd, en hem vol-
Seiiile, warcu zij bevreesd. Eu
e twaalvc wederom lot zich
nemende, begon u j imn te zeg*
gen de dingen die hem overko*
ïiii\'M zoude»,
:tlt zegijende: \'/Ac, Mij gaatl öp
naar Jeruzalem, e» de Zuoii des
uieuscheii zul den Ovcrpriesle-
ren en de» Schriftgeleerden
overgeleverd «orde», en zij
zullen bem ter dood veroor-
deeleu, en hein den heldene»
overleveren:
:u e» zij zullen hem belpotten,
en bem geeselcu, en hem be-
spuwen, en Item doodeut en ten
derden dage zal hij wederon
staan.
:ü E» tut bem kwame» Jaco-
bus e» Johannes, de zonen van
SSebedeüs, zegrende: Meester,
wij wilde» nel,dat gij ons deedt
Hm wat wij bcgeereu zullen.
3A Ku hij telde tot hen: Wat
Milt gij dat ik u doe?
37  En zij zeiden tot hem Geef
ons dat wij moffen zitten de
ec» anu uwe recliterAaad en
de nndcr anu uwe linkerhand
1» uwe heerlijkheid.
:ts Maar Jezus zeide tot hen:
O ij weet niet wat irij begeert!
kuilt gij den drinkbeker drin-
keu die» Ik drink, e» met de»
doop gedoopt worde» waar Ik
mede gedoopt word?
38  En zij zeiden tot hem : Wij
kunnen. Doch Jezus zeide tot
hen: De» drinkbeker dieu Ik
drink, zult gij wel drinken, en
met de» dooi gedoopt worden
waar Ik mede gedoopt word;
4ti maar liet zitten tot mijne
rechter* en tot mijne li»ker-
luuiil Htant bfj mij niet te geven,
maar het zal gegeven worden w icu
het bereid is.
11 Bn ala de andere tien dit
hoorde» brgonnen zij het va»
JacoUis e» Jouaunes zeer kwa-
lijit te nemen.
s in.                                     
43 Maar Jezus hen tot zieb
geroepen neb bende, zeide tot
he»: Gij weet dat degenen dit
gt-nclit worde» overste» te zijn
der volkeren, beerschap pj
voeren over he», e» hunne
gruoten gebruiken macht over
hen.
43 Doch alzo» zal het onder u
niet zijn; niiiar zoo wie onder
u groot zal willen worde», die
zal uw dienaar zijn;
41 e» zoo wie va» u de eerste
zal uilleu Morden, die zal aller
dienstknecht zijn.
4\'i Want ook de Zoo» des mt*ii-
seben is niet gekomen om ge-
dteud te worde», maar 01» te
dieueu en i.ijite ziel te geven
tot ee» rantsoen voor velen.
46  K» zij kwamen te Jerieho.
Eu als hij en zijne discipelen
e» eenc groote schare va» Je-
rieho uitging, zat de zoon van
Tfmeus, Bnr-TinieüB de blinde,
na» den weg, bedelende.
47  Eu hoorende dat het Jezus
de Nazarener was, bego» hij
te roepen eu te zeggen: Jezus,
gij Zoon Davida, outferm U
mijner!
48  E» vele» bestraften hem,
opdat hij zwijgen zoude; tnuar
hij riep zooveel te meer: Gij
Zoon Davids, outlcrm u 111 ij-
ncr!
4\'J Eu JeZUS il \' - -a;i:..le, zeïde
dat men hem roepen zoude; en
zij riepen de» blinde, /.eggende
tot hem: Heb goede» moed,
sta op, hij roept n.
80 En hij zijnen mantel afge*
worpen hebbende, --l.....i op eu
kwam tot Jezus.
51 En Jezus antwoordende,
snlde tot hem 1 Wat wilt gij dat
ik u doe» zul? Eu de blinde
zeide tot hem : ilabboni, dat ik
ziende moge worden.
63 En Jezus zeide tot hem:
Ga bene», uw geloof beeft u
behouden. Eu terstond werd
hij ziende, eu volgde Jezus op
den weg.
-ocr page 74-
ÜS II.
IJ En des anderen daags, als
zij uit Hetliauie gingen, hon-
gerde hem.
13  K:i ziende van verre eenen
\\ij:(Immn die bladeren had,
ging hij \'>»« (• rif» of hij ook
iets op denzelven zoude vin-
den; en daarbij gekomen zijnde,
voüd hij niets dnn bladeren;
want hut was de tijd der vijgen
niet.
14  Kn Jezus antwoordende,
seidc tot denzelven: Niemand
ete ee.iige vrucht meer vnu u
iu der eeuwigheid. K.i zijne
discipelen boorden liet.
l"i En zij kwamen te Jcruta*
leni; en Jezus iu den Tempel
gegaan zijnde, be«on degenen
die in den Tempel verkochten
eu kochten, uit te drijven; eu
de talels der wissclnara en de
zitstoclen dergenen die de
duiveu verkochten, keerde hij
om,
!-> eu Het niet toe dat iemand
eeni\'r vat duor den Tempel
droeg;
17 en hij leerde, zegende
tot hen : Is er uiet geschreven;
Mijn Huis zal een Huls des ge-
In\'ils «eunauid worden allen
volken? Maar «ij hebt dat tot
een kuil der moordenaren ge-
mankt.
15  Kn de Schriftgeleerde.! en
de (Kerpriesters hoorden dat,
en zochten hoe zij licm doodeu
zouden ; «nut zij vreesden hem,
omdat de «nnselie schare uut-
zet wns mer zijne leer.
19  Kn als het nu laat pewor*
il ii wns, ging hij uit buitcii de
stad.
20  Kn des mnrges vroeg voor-
bijgaande, zuren zij dat de
vij«ebooin verdord was van de
wortels af.
21  Kn Petrus zulk* indachtig
«eworden zijnde, zcide tot
hem: Rabbi, zie, de vijgebooui
dien gij vervloekt hebt, is ver-
do rd.
22  Kn Jezus antwoordende,
zeide tot hen: Hebt geloof op ,
God.
HOOFDSTUK 11.
IjlN toen zij Jeruzalem Ke-
j naakten, te Betlifnga <*u Bc-
thanii\' anti den Olijfberg, /oml
Lij twee van zijne discipelen
uit,
2 en zeïde tot hen: Gaat he-
nen in liet vlek «iit tenen u
over Is; en terstond als «ij in
hetzelve komt, zult iffj vinden
een veulen gebonden, on het*
Welk R.en nieiisch gezeten
liei-ft: iMitljin.lt het en brengt
het.
\'i Hu indien Icmnnd totusezti
Waarom doet «ij dat? 100 xest
dat de Heere hetzelve van
noode heeft, en hij zal het te -
Mond herwaarts zenden.
4  Kn zij Kin ven henen, en
vonden het veulen gehouden
hij de deur. buiten aan de
we«schei<liii«, en zij out bun-
den hetzelve.
ft Kn BOinuiigeu van degenen
die alditur stonden, zeiden tot
hen: Wat doet «ij, dat «ij liet
veulen ontbindt?
fi Doch zij zeiden tot hen, ge-
lljk Jezus bevolen had; eu zij
lieten ze traan
7 En zij brachten het veulen
uit Jezus, en wierpen hunne
kleederen daarop; eu hij zat
op hetzelve.
5  Hu velen spreidden bunue
kleederen op den we«, eu
anderen li ie uwen meien vnn
de hooiueu eu spreidden ze op
den wee
9  Kn die roorgingan en die
roK\'den, riepen, zegende; IIn-
Fnuua, «e/.ercnd ia hij die komt
in den nnam dna ticeren!
10  Gezegend :ij het Konink-
rijk vnn onzen «ader David.
hetwelk komt ia den naam de»
Hperen ! Hnsunna in de hoo^-
nte keutelen!
11   Kn Jezus kwam binnen
Jeruzalem, en iu den Tempel;
en als hij alles mui m bezien
had, en het uu avondstond was,
ging hij uit naar liethatnc met
de twaalve.
-ocr page 75-
MAKCL\'S 12.                                            f,7
Kn Jezus antwoordende, zeide
tot hen : Zoo tcg ik u óók niet
door wal inacUt ik deze dingen
doe.
HOOFDSTUK 12.
23 Want voorwaar zep idat zoo w!e tot dezen bergzeggen: Word opgeheven ede zee. ««\'worpen, en nietwijfelen in zijn hart, m
/.al gclooven dat hetgeen hij
zegt, geschieden zal, liet zal
hem geworden zoo wat hij
ZPlft.
2-1 Daarom zeg ik n, alle
dingen die pij biddende he-
geert, gelooft dat pij ze ont-
vaniren zult, en zij zullen n ge-
worden.
\'J;> Uu wanneer gij staat om te
lijdden, ver treeft indien u Ij iets
hebt tegen iemand; opdat ook
uw Vader die in de hemelen
is, ulieden üwe misdaden ver-
geve.
2fi Maar indien gij niet ver-
geeft, zoo zal uw Vader die in
de hemelen is, ook üwe mis da-
den niet vergeven.
27  Kn zij kwamen wederom te
Jeruzalem. Kn als hij in den
Tempel wandelde, kwamen tot
hem de O ver priesters en de
Schriftgeleerden en de Ouder-
Hngen,
28  en zeiden tot hem: Door
wat macht doet gij deze diu-
gen, en wie heeft u deze macht
gegeven, dat \'-\'i,i deze dingen
doen zoudt?
29  Maar Jezus antwoordende,
zcide tot hen 1 Ik zal u ook
één woord vragen; antwoordt
mij óók, en zoo zal ik u zeggen
door wat macht ik deze dingen
doe:
30  De doop van Johannes, was
die uit den hemel of uit de
menschen? Antwoordt mij.
:il Kn zij overleideu onder elk-
nuder, zeurende: Indien wij
ze-j^en : Uit den hemel, zoo
zal hij zeggen; Waarom hebt
gij hem dan niet geloofd \'t
& Maar indien wij zeggen:
Vit de menschen, zoo vreezen
wij het volk; want zij hielden
allen van Johannes, dut hij
waarlijk een Profeet was,
33 En antwoordende, zeiden zij
tot Jezus: Wij weten het niet.
EN hij bejion door gelijkenis.
sen tot hen te zeggen : Ken
mensen plantte eenen wijn-
Kaard, en zette eenen tuin
daarom, en proef eenen \\vijn-
persbak, en bouwde eenen to-
ron, en verliiiurde dien aan de
landlieden, en reisde buitenB-
2 Kn nis liet de tijd wan, zond
hij eenen dieiistkneebt tot de
landlieden, opdat hij van de
landlieden ontving van de vrucht
des wijtmmrds;
:t maar zij namen en sloegen
hem, en zonden hem ledig
henen.
4 Ku hij zond wederom eenen
anderen dienstknecht tot hen,
en dien steen iurdcu zij, en
wondden hein het hoofd, en
zouden hem henen, schandelijk
behandeld zijnde.
f» Kn wed
4
erom zond hij eenen
anderen, en dien doodden zij;
en vele anderen, waarvan zij
sommigen sloepen en sommi-
gen doodden.
i! Als hij dan nop éénen zoon
had, die hein Hef was, zoo
heelt hij ook dien ten laatste
tot hen gezonden, zeggende;
Zij zullen immers mijnen zoon
ontzien.
7 Maar die landlieden zeiden
onder elkander: Deze is de erf\'
geuaain; komt. Iaat ons hem
dooden, cu de erfenis zul de
01 Z ! Zijll.
s Kn zij namen en doodden
hem, eu wierpen hem uit bui-
tcn den wijngaard,
!> Wat zal dan de heer des
wijnpaards doen? IIij zal ko*
men en de landlieden verderven,
en den wijngaard aan anderen
geven.
in Hebt «ij ook deze Schrift
niet gelezen: De steen, diende
bouwlieden verworpen hebben,
-ocr page 76-
68                                             MARCUS l
déze is geworden tot een hou f il
des hoeks -,
l! van de» Uecre is dit ge
sehied, eu liet is wonderlijk in
onze oo;\'ni.\'
12 Eu zij zoehten hem te vn;i-
gen, maar zij vreesden de
ftcbare; want zij verstonden dat
bij ilii* gelijkenis n|) hen sprak;
" icteu hem eu Kingen
en is gestorven, en ooit deze
liet geen zaad na, en de derde
desgelijks;
22 en alle de zeven namen de-
zelvc, en lieten geen zaad na.
De laatste van allen is ook de
vrouw gestorven.
\'2\'\\ f... de opstanding dan, wan-
neer zij zullen opgestaan zijn,
wiens vrouw zal zij zijn van
dezen? want die zeven hebbeu
haar tot eeue vrouw gehad.
2-i Eu Jezus antwoordende,
zeide tot hen: Dwaalt gij niet.
danrom dat gij de Schriften
niet weet noch tle kiaeht Gods?
SS Want als zij uit de dooden
zullen opgestaan zijn, zoo trou-
wen zij niet, noeli worden ten
huwelijk Regeren; maar zij zijn
gelijk Engelen nie iu de hemc-
len zijn.
26  Doeh aangaande de dondcu,
dat zij opgewekt zullen wor-
den, hebt gij niet gelezen iu
liet boek van Motte*, boe God
iu het duorneiibosch tot hein
gesproken beeft, zeggende: Ik
ben de God Abrahams en de
God Isaaks en de God Jaltobi ?
27  God is niet een Giut der
duuden, maar een God der lc-
veiideii. Gij dwaalt dan zeer.
28  En een der Schriftgeleer-
den, haoreude dat zij tezamen
iu woorden waren, en wetende
dat hij hun wei geantwoord
had, kwam tut hem eu vraagde
hein i Welk is het eerste gebod
vuu alle?
29  En Jezus antwoordde hem;
liet eerste van alle de geboden
is: Hoor, Israël, de Meere mue
God is een één f ge Heer et
30  en gij zult den Heer e uwen
God liefhebben uit geheel uw
hart eu uit geheel uwe ziel
eu uit geheel uw verstand eu
uit geheel uwe kraeht. Dit is
het eerste gebod.
Hl Eu bet tweede hieraan ge-
lijk, is dit: Gij zult uwen
naaste liefhebben als utelven.
Daar is geen ander gebod groo-
ter dan deze.
;;2 En de Schriftgeleerde zeide
wet;.
13  Eu zij tonden tot hen ecni-
gen der FarUecrs en der Hero-
dïaueu, opdat zij hem in zijne
rede vnngen zouden,
14  Dezen uu kwamen en zelden
tut hem: Meester, wij weten
dat nij waarachtig zijt, eu naar
niemand vraagt; want gij liet
den persoon der mentcheu niet
aan, maar gij leert den weg
Gods in der waarlieid: Ea het
geoorloofd den Keizer schatting
te geven ot\' niet? Zullen wij
geven of niet Keven?
15  En hij wetende liuiiue KB*
veinsdheid. zeide tot hen: Wat
verzo.-kt «ij mij ? Brengt mij
eenen penning, dat ik hem
aie.
Ui Eu zij brachten mm». En
hij zeide tot ben: Wiens is
dit beeld en het opschrift? Eu
zij zeiden tot hein; Des Kei-
ters,
17 Ea Jezus antwoordende,
zeide tot beu: Geel\' dan den
Keizer wat des Keizers is, pn
Gode wat Gods is. En zij ver-
wonderden z.ieh over hem.
IX Eu tle Saddueeiirs kwamen
tot hein. welke Keggen dat er
geenc opstanding is, eu vraag*
den hem, zeggende:
]fl Meester, Mu/.es heeft ons
geschreven, indien iemands
broeder sterft, eu eeue vrouw
nehterluat, en geenc kinderen
nalaat, dat zijn broe Ier des-
zelf» vrouw nemen zal eu zij*
Den broeder zand verwekken.
20  Daar waren nu zeven broc-
ders; en de eerste nam eene
vrouw, en stervende, liet geen
zand un.
21  De tweede nam baar óók.
-ocr page 77-
MARC
tot hein : Meester, gij hebt in
waarheid wèl gezegd, dat er ecu
ééiilg God is, eu duur is «een
ander dan Hij;
33  en Hem lief te hebben uit
geheel het linrt en uit geheel
het verstand en uit geheel d\'
ziel en uit geheel de kracht,
en den naaste Hef te hebben
als ziehzelveu, is meer dan
at Ie de biandoffcren en de
slachtofferen.
34  Kn Jezus ziende dat hij
vei\'Rtandijliik geantwoord had,
zeide tot hem: (lij 7.ijt niet
verre van \'t Koninkrijk Gods.
En iiieiuaud durfde hem meer
vragen.
3.r> Kn Jezus antwoordde en
zeide, leerende in den Tempel:
Hoe zeggen de Schriftjjeleer-
den, dut de Christus een zoon
David» is?
36  Want David iclf heeft door
den Heiligen Geest (reiend:
De Heere heeft gezegd tot mij-
nen Heere: titaan mijne rech-
terhand, totdat ik uwe vijnn*
den zal gezet hebbeu tot een
voetbank uwer voeten.
37  David dun zelf noemt hem
zijnen Heere, en hoe is hij zijn
zoon ? Eu de menigte der schare
hoorde hem gaarne.
:« Kn hij zeide tot hen in
zijne leer: Wacht u voor de
Schriftgeleerden, die gaarne
willen wandelen in lange klee-
deren, eu gegroet zijn op de
markten,
39  en de voorgestoelten heb-
hen
in de Synagogen, eu de
vooraanzittiugeu in de inanl-
tijden;
40  welke de huizen der wedu-
wen opeten, eu dat onder den
schijn van lang te bidden:
dezen zullen zwaarder oordeel
i ontvangen.
41   Kn Jezus gezeten zijnde
tegenover de schatkist, zag line
de schare geld wierp in de
schatkist) en vele rijken wier-
pen veel daarin.
42  Kn daar kwam cene arme
weduwe, die wierp twee kleine
I\'S 13.                                                fiO
penningen daarin, hetwelk ia
(\'(\'II OOl\'t.
4:t Ku Jezui zijne discipelen
tot zich geroepen hebbende,
zeide tot hen: Voorwaar ik zeg
u, dat deze arme weduwe meer
ingeworpen heeft dun allen die
in de schatkist geworpen heb-
ben;
44 want zij allen hebhen van
hunnen overvloed daarin ge-
worpen; maar déze heeft van
haar gebrek al wat zij had,
daarin geworpen, haren gau-
Bcheii leeftocht.
HOOFDSTUK 13.
EN als hij uit den Tempel
ging, zeide een van zijne
discipelen tot hem: Meester.
zie, hoedanige stcenen en hoe-
danige gebouwen !
•2 Kn Jezus antwoordende, zei-
de tut Item: Ziet \',\'ij d<v.e groote
gebouwen ? Haar zal niet een
steen op den anderen steen ge-
laten worden, die niet afge-
brokeu zal worden.
3  Ku als hij gezeten was op
den Olijfberg, tegen den Tem-
pel over, vraagden hem Petrus
en Jacobus eu Johannes eu
Andréas alléén:
4  Zeg ons, wanneer zullen
deze dingen zijn? Kn welk is
het teeken, wanneer deze din-
gen alle voleindigd zullen wor-
den \'t
ó Ku Jezus hun antwoordende,
begon te zeggen : Ziet toe dat u
niemand verleide;
f> want velen zullen komen
onder mijnen naam, zeggende:
Ik ben de Christus, en zullen
velen verleiden;
7  Kn wanneer gij zult hooren
van oorlogen en geruchten van
oorlogen, zoo wordt niet ver-
schrikt; want dit moet geseliie-
den, maar nog ia het einde
niet.
8  Want het éine volk zal tegen
het andere volk opstaan, en het
êéne
koninkrijk tegen het andere
koninkrijk; en daar zullen
aardbevingen zijn in verschel"
-ocr page 78-
                                    M.WH
ilt\'.ic plaateen, Pu daar zullen
uoiiKeraiioodcu wezen en he-
roerteu. Dok dingen zijn Maar
beginselen der smarten.
0 Maar ziet gij voor uzelven top;
want zij zuilen u overleveren
in de Itaad• -.i t gadi iii-.\'( n eu in
de Synagogen) gij zult gesla-
geil «orden, en voor Stadhou-
derf en Koningen zult RU u-e-
Meld worden 0111 mij neut w il,
liun tot een getuigenis.
in En het Evangelie moet eerst
gepredikt worden onder alle de
volken.
11   Doch wanneer zij u leiden
zullen out D over te leveren,
zoo zijt te voren niet bezorgd
wat gij spreken zult, eu he-
denkt het niet; maar zoo wat u
in die ure gegeven zal worden,
Spreekt dut; want gij zijt liet
niet die spreekt, maar de 11 ei-
lige Oeest.
12  Eu de ê(ne broeder zul den
naderen
broeder overleveren tot
den dood, en du vader liet kind;
eu de kinderen zullen opstaan
tegen il.\' ouder*, eu zullen ze
donden.
13  Ku zij zult gebaat worden
van allen om mijns naam»
wil; maar w ie volaard eu zul
tot den einde, die zal zalig
worden.
li Wanneer gij dan zult zien
den gruwel der verwoesting,
waarvan door den l\'ronet Da>
uiel gesproken is, staande waar
liet niet behoort ldi- liet leest,
die inerke daarop), alsdan die
in Judéu zijn, dat ze vlieden
op de hergeu;
15 en die op liet dak Is, koum
niet af in liet buis, eu ga niet
• il om iets uit zijn bui» weg te
ii\'.\'ineu;
lii en die on de» akker is,
keere niet weder terug om zijn
kleed te nemen.
I" Mu.\'ir v.ee den bevruchten
en den zongendeu rrouuen in die
dagen.
is Doch bidt dat uwe vhtebt
niet geschiede des winter»;
1\'.) want die dagen zullen znl-
\'S 13.
ke verdrukking zijn, welker
uclijkc niet geweest is van liet
begin der schepselen die God
geselüipen heelt, tot nu toe, en
ook niet zijn zal.
Sll Ru indien de iïeere de da-
gen niet verkort had, geen
vleeseh zoude behouden wor-
den; maar om der uitverkn-
reueii wi), die hij heeft
uitverkoren, heelt bij de dagen
verkort.
"1 Ku alsdan zoo iemand tot
B9B
ulieden zal zeggen: Zie, hier is
de Christus, of zie, hij in dflar,
gelooft bet niet.
33 Want daar zullen valacbe
clurlstusseu en vol»ehe profeten
opstaan, en zullen leekenen en
wonderen doen, om te verlet*
den, indien liet mogelijk «ik,
ouk de uitverkorenen.
-\':i Maar gijliedeu, ziet toe:
zie, ik heb u alles voorzegd.
2-1 Mi.iir in die dagen, na die
verdrukking1, zal de zon ver-
duisterd worden, eu de maan
zal hanr schijnsel niet geven,
£5 en de sterren des hemels
/.tillen daaruit vallen, en de
kraehtPii die in de hpnielen
«Ou, zullen bewogen worden.
Sfi Kn alsdan zullen zij den
Zoon des meiischcu zien, ko-
ineude in de wolken met groote
kracht eu heerlijkheid.
27 Kn nUd&u zul bij zijne En-
geteu uitrenden, eu zul zijne
uitverkorenen l»ljceu?crgadeieii
uit de vier winden, van het
uiterste der aarde tot het uiter*
ste des hemels.
£H Ku leert van den vijgelioom
deze gelijkenis: wanneer nu
zijn tak teer wordt pu de bla*
deren uitspruiten, zoo weet gij
dat de zomer unhij is ;
Sfl ft I zóó ook eij, wanneer gij
deze dingen zult zien \',\'eschie-
den, zon weet dut het nabij, voor
de d\'*ur is.
:i\'i Voorwaar ik zeg u, dat
dit geslurlit niet zal voorbij-
gaan, totdat alle deze dingen
zullen geschied zijn.
:(1 De hemel eu de aarde zul-
-ocr page 79-
US 14.                                           71
gegeven worden eu zij ver-
grimden tegen haar.
(I Maar Jezus zeide: Laat af
van haar; wat doet gij lianr
moeite aan? Zij heeft een goed
werk aan mij gewrocht.
7 Want de armen hebt gij altijd
met u,e» wanneer gij wilt. kunt
gij liun weldoen; maar mij hebt
gij niet altijd.
s Zij heeft gedaan hetgeen zij
kou: zij i^ voorgekomen om
mijn 1 ie h aam te zalven, tot
vem voorbereiding
ter begrafe-
nis.
\'.i Voorwaar zee ik u, alwaar
dit Evangelie gepredikt zal
worden in de gehcele wereld,
ilmtr zal ook tot hare gedaeh-
tenis gesproken worden van
hetgeen zij gedaan heeft.
in Ka Judas Iskarlot, een van
de twaalve, eins; henen tot de
O verpriesters, opdat lifj hem
hun zoude overleveren.
11   Kn zij dat hooreude, waren
verblijd, cu beloofde» hem
geld te Keven; en hij zocht hoe
hij hem bekwame! ijk over-
leveren zoude.
12  Kn op den eersten dag der
ongehevelde branden, wanneer
zij het Pascha slachtten. zei-
den zijne discipelen tot hem:
Waar wilt gij dut wij benen*
gaan en bereiden, dat gij het
Pascha eet?
l\'t Kn hij zond twee van zijne
discipelen uit, en zeide tot
hen: Gaat benen iu de stad,
eu u zaleen mensen ontmoeten,
dravende eeue kruik water:
volgt dien:
14   eu zoo waar bij ingaat,
zegt tot den heer des huizes:
De Meen ter zegt: Waar is de
eetzaal, waar ik het l\'a*cha met
mijne discipelen eten zal?
15   Kn hij zal u wijzen eene
groote nppcrzaal, toegerust eu
gereed: bereidt het ons aldaar.
IR Kn zijne discipelen gingen
uit, en kwamen iu de stad,
c.i vonden liet gelijk hij hun
uexegd liad, eu bereidden het
Pascha,
MARC
len voorbijgaan, maar mijne
woorden zullen geenszins voor*
bfjgaau.
.\'t\' Maar van dien dag en die
ure weet niemand, noch de
KuKelen die in den Itemel /.ij»,
nncli de Zoon, dun de Vader.
£1 Ziet toe, waakt en bidt,
want tt\'j weet niet wanneer de
tijd is.
:U Gelijk een menech buitens-
land» reizende, zij» buia ver-
liet, en zijnen dienstknechten
macht ent, en elk zij» werk,
en den deurwachter gebood dat
liij zoude waken:
:f.ï zoo waakt dan (want Rij
weet niet wanneer de lieer des
huizes komen zal, tfea avonds
laat. ofte middernacht, of met |
het haneiigekiani, of in den
morgenstond).
:t\'i opdat hij niet onvoorziens
konie en u slapende vinde.
\'A7 Kn hetgeen ik ü, zeg/, dut
zee ik allen: Waakt.
HOOFDSTUK 14.
EN het Paseha e:i het /eest
der ongehevelde frroo«tatwaa
na twee dagen; en de Over*
Sriesters en de Sehril\'tgeleer-
en zochten, hoe zij hem met
listigheid vangen en doodeu
zouden.
3 Maar zij zeiden: Niet op
het feest, opdat er niet mia-
sehieii oproer ouder het volk
word;1.
:t Bn als hij te Bctliatiifi waa
in het liuis van Siuioii den
nielaatschc, daar liij aan tafel
zat, kwam eene vrouw, heb-
bende een albasten Me-seli met
aalt van onvervalsehte nardus
van grooten prijs; en dealbaa*
ten tleseh gebroken hebbende,
goot die op zijn hoofd.
\'I Kn daar waren som ui i een
die dat zeer kwalijk namen bij
ziehzelven, e» zeiden i Waartoe
is dit verlies der zalf geschied ?
> U nut dezelve had kunnen
boven de driehonderd peuuin-
gen verkocht, en tlie den armen
-ocr page 80-
72                                             MIRf
17 Kn als liet avoiul geworden
va», kwam liij met detwaahre.
)H 1!ii als zij aanzaten en aten,
zeide Jezus: Voorwaar ik zeg
11, dat één van u, «lic met mij
eet, mij zal verraden.
19   Ku zij begonnen bedroefd
te worden, en de één na den
ander tot hem te ZCggen: Hen
ik *t? en oen ander: Ben
ik \'t?
20   Maar hij antwoordde en
zeide tot hen: \'t Ia een uit de
twaalve, die met mij in den
schotel indoopt.
21  J)e Zoon des inensclicn ™ant
wel henen gelijk van hein pe*
schreven is, maar wee dien
mensen door welken de Zoon
des Pleurenen verraden wordt:
het ware hein goed zoo d ie
nienscU niet geboren ware ge-
weeit.
22  Kn als zij aten, nnm Jezus
brood, en als hij gezegend hud,
brak hij liet, en Kat\' het hun,
en zeide: Neemt, eet, dat ia
mijn lichaam.
23  En hij nam den drinkbeker,
en gedankt hehhende, gat\' hun
dien, en zij dronken allen uit
denzelren.
24  Kn hij zeide tot hen: Hat
is mijn bloed, het bloed des
nieuwen Testament*, hetwelk
voor velen verboten wordt.
2» Voorwaar ik zeg u, «lat ik
niet meer zal drinken van de
vrucht des wijnstok*, tot op
dien dat;, wanneer ik dezelve
nieuw zaI drinken in het Ko-
mnkrfjk Gods.
21! Kn als zij den lofzang gc-
zongeu hadden, gingen zij uit
naar den Olijfberg.
27 Kn Jezus zeide tot hen:
Gij zult in de/en nacht allen
aan mij geërgerd worden; want
daar is geschreven: Ik zal den
herder slaan, cu de schapen
tullen verstrooid worden.
25   Maar nadat ik zal opge-
staan zijn, z:il ik u voorgaan
naar Galiléo.
29 Kn Petrus zeide tot hem 1
Ofschoon zij allen geërgerd
US 14.
wierden, zon zal ik toeb niet
geërgerd truiden.
:t(i Kn Jezus zeide tot hein:
Voorwaar ik zeg u, dat heden
in dezen nacht, eer de liaan
twecinual erkraaid zal hchhen,
gij mij driemaal zult verloo*
ebenen.
31 Maar hij zeide nog des te
meer: Al moest ik met u *ter-
ven, zoo zal ik u geenszins.
verloor henen. Kn dei-gel ij ks
zeiden zij ook allen.
39 Kn zij kwamen in eene
plaats welker naam was Gcth-
séuiané, en hij zeide tot zijne
discipelen: Zit liier neder, tot-
ilnt ik gebeden zal nebben.
33  Kn hij nam met zich Petrus
en Jaeobus cu Jolinunc.9, en
begon verbaasd en zeer beangst
te worden,
34  en zeide tot hen: Mijne ziel
is geheel bedroefd lot den «lood
toe: blijft hier cu waukt,
--\'5 Ku «\'en weinig voortgegaan
zijnde, viel hij op de aarde, en
bad, zoo het mogelijk ware,
dat die ure van hem voorbij-
ging.
\'M Kn hij zeide: Abba, Vader,
alle dingen zijn U mogciijk:
neem dezen tlrinkbeker van mij
weg; doch niet wat ik wil,
maar wat Gij milt.
:i7 Ku hij kwam en vond hen
slapende, en zeide tot Petrus j
Simon, slaapt gij? Koudot gij
niet één uur waken?
38 Waakt en bidt, opdat gij
niet in verzoeking komt: de
geest is wel gewillig, maar bet
vlet se u is zwak.
90 En wederom henengeiraon
zijnde, bad hij, sprekende dc-
lèlfde woorden.
4i> Kn wedergekeerd zijnde,
vond hij ze wederom slapende,
want hunne oogen waren bc-
lwaard; en zij wisten niet wat
zij hein antwoorden zouden.
41 En hij kwam ten derden
male, en zeide tot hen: Slaapt
hm voort en rust. Het is ge-
noeg, de ure is gekomen; zie,
de Zoon des menschen wordt
-ocr page 81-
MAltC
overgeleverd in de banden der
zondaren.
42 Staat op, laat onn rnan .
lic, die mij verraadt, is nabij.
4H Eo terstond als hij i.og
sprak, ki\\atn .1 inlas aan, die
ééu nas van de tuaalve, en
met liem eene groot e schare
met zwaarden en stokken, yc-
;rhifl>\'n
van de Ovcrpiicsrers cu
de Schriftgeleerden en de ün*
derlingen.
44  Kit die licm verried, luid hun
een gemeen toeken gegeven,
zeggende: Dien ik kutten zal,
die is \'t; grijpt hem, en leidt
hem zekerlijk nenen.
46  Kn nis hij gekomen «as
ging hij terstond tot hem, en
zeide: Rabbi, Kabbi, en klitte
hem.
4fi Kn zij sloegen hunne han*
den aan hein, en grepen hem.
47  En één dergeneu die daarbij
stonden, liet zwaard trekkende,
sloeg den dienstkneeht des
IIoogepriesters en hieuw hem
zijn oor at\'.
45  Kn Jezus antwoordende,
zeide tot hen i Zijt ir ij uitgegaan
met zwaarden en stokken als
tegen eeuen moordenaar om
mij te vangen?
4\'J Dagelijks was ik bij ulieden
i» den Tempel, loerende, en gij
hebt mij niet gegrepen; maar
dit geschiedt opdat de Schriften
vervuld zonden «orden.
5\'i Kn zij hein verlatende, zfju
allen gevloden.
51   Kn een zeker jongeling
volgde hein. hchbeude een lijn-
waad omgedaan over het naakte
lijf, en de jongelingen grepen
hem;
52  en hij het lijnwaad vcrla-
tende, is uaukt van hen ge-
vloden.
-\'rt Kn zij leidden Jezus henen
tot den lloogojiriester; en bij
hein vergaderden alle de Over*
priesters en de Ouderlingen en
de Schriftgeleerden.
W Kn Petrus volgde hem van
verre tot b>nnen In de zaal des
Hoogcpriesters; en hij was
US 14.                                              73
medezitteiide met de dienaren,
en zich warmende bij het
vuur.
55 En de Overpriettera en de
geheele Kaad zochten getuige*
nis tegen Jezus, om hem te
dnoden, en vonden niet;
51 want velen getuigden val-
ichelfjk tegen hem, en de
getuigenissen v. <v< ,. niet eeu-
parljt.
57 Ku eenIgen opstaande. gc-
tulgdeu valsehelijk tegen hem.
zeggende:
5s Wij hebhen hem hooren
zeggen: 11; zal deins Tempel
die met banden gemaakt is, af-
breken, en in drie dagen eenen
anderen, «onder handen gc-
uinakt, bouwen.
60 Ku ook alzóó was hunne
getuigenis niet eenparig.
flU 1\'u de Iloogeprïestcr in \'t
midden opstaande, vraagde
Jezus, zeggende: Antwoordt
gij niets? Wat getuigen dezen
tegen u?
fil Maar hij zweeg stil en
antwoordde niets. Wederom
vraagde hein de Hoogepriestcr
en zeide tot hem: Zijt gij de
Christus, de Zoon des gezegen-
den Godst
02 Ë» Jezus zeide: Ik ben \'t;
en gijlieden zult don Zoon des
mensehen zien ziften ter roeh-
terhand der kracht (Sods, en
komen met de wolken de»
hemels.
63 Kn de HoogoprieMer ver-
scheurende zijne 1; leederen,
zeide: Wat hebheu wij nog ge-
tuigen van noode?
fi4 (ïij hebt de pftfelaatcrinff
gehoord: wat dunkt ulieden\'f
l!n zij allen veroordeelden hem
des doods schuldig te zfjn.
\'m Ku sommigen begonnen
hem te bespuwen, en zi;n aan*
geziclit te bedekken, en met
vuisten te slaan, en tot hem te
zeggen: Profeteer; en de die-
naars gaven hem kinnebak-
slagen.
00 Kn als Petrus Ijeiieden in
de zaal was, kwam eene van
-ocr page 82-
71                                     MAKC
ilc dienstmaagden de» IIooge-
priesters;
6J en ziende I\'etrus zieb war-
lucndc, la - zij lit\'ll) aan, en
z ide: Ook gij waart niet Jezus
den Nazarcner.
I\'N Maur liij heeft liet geloo-
eliend, zengende: Ilt ken hem
niet, en ik «eet niet wat jrïj
Wgt. Eu hij gh.g buiten in de
w orzaal, en de baan kraaide.
f\'j Kn de die»>tuiuagd Iiem
wederom ziende, begon te zeg-
gcu tot degenen die daarbij
htm den: Deze is een van die.
7" Maar liij loochende het
wederom. En een weinig daar-
na die daarbij Monden, zeiden
wederom tot Petrus: waarlijk
gij rijt een van die; want gij
K.ïjt ook een (inlileër, en uwe
Biirnak gelijkt.
71 Kn hij begon sichzeïven te
\\ervloekeu, en te zweren: Ik
ken dezen mensen niet, dien
gij zegt.
7-\' Kn de haan kraaide de
tweede maal; en I\'etruswerdin-
dnchtig aan liet woord, hetwelk
Jezus tot hem gezegd luid: Ker
de haan tweemaal gekraaid zal
hebben, zult nij mij driemaal
verloochenen. "
daar makei.de
HOOFDSTUK 15.
EN teratuml dr a morgein
vroeg hielden de Overpries-
ter» Faiuen inad niet de Ouder*
tingen e» Schriftgeleerden,
en de geheele Haad; en Jeans
gebonden hebbende, braeh\'
ten zij /fmi henen, en gaven
hem aan 1\'ilatus over.
2 Ku Filatus vraagde hein: Zijt
gij de Koning der Jodeur kn
hij antwoordende, zeide tot
hem: Cu zegt het.
:i Eu ue Overpriesters be-
sehuldigdcn hem van vele zaken;
maar hij antwoordde niets.
4 Eu 1\'ilatus vraagde hem
wederom, legerende: Antwoordt
gij niets? Zie, hoevele zaken
ifj tegen u getuigen.
ö Eu Jezus heeft niet*, meer
ÜS 15.
geantwoord, zoodat Filutua
zieh verwonderde.
6  Eu op liet feest Het hij hun
éeuen gevangene los, wie» zij
ouk begeerden.
7  En daar was een, genaamd
Itar-A bbas, gevangen met andere
medeoproerrnakers, die iu hut
oproer eenen doodslag gedaan
hadden.
n Ku de • i 1.ni-i\' riep uit, en
brcon te begecren dat hij deed,
gelijk hij I>ii11 altijd gedaan
had.
\'.i Eu ï\'ihitus antwoordde hun,
zeggende: Wilt gij dat ik u den
Koning der Joden loslate?
l» (Want iifj «ist dat de Over*
priesters hem dool nijd over*
geleverd hadden.)
11 Maar de Overpriesters be-
wogeu de lehare, dat hij hun
liever Bar-Abbuszoudc loslaten.
1\'J Kn 1\'ilatus antwoordende,
zeide wederom tot hen: Wat
wilt gij dan dat ik met hem
doen zal, dien gij een Koning
der Joden noemtï
i:i Kn zij riepen wederom:
Kruis hem !
II Poeh 1\'ilatus zeide tot hen :
Wat heett hij dan kwaads ge-
dnau F En zij riepen te meer;
Kruis hem!
j.i l\'ilatus uu willende de
schare te wille aUn, heeft bun
Har-Ahhas losgelaten, en gaf
Jezus over, als hij hem ge-
geeseld had, om gekruist te
worden.
ir> En de krijgsknechten leld-
den hein binnen iu de saai.wel*
ke is tiet Rechthuls, en riepen
de gnutehe bende te zaïiieu;
17   en zij deden hem eenen
purperen mantel aan, en cene
doornenkroon gevlochten heb-
bende, zetten hem die op,
18  en begonnen hem te groc*
ten, zeggende: Wees gegroet,
i/i\' Koning der Joden,
19  en sloegen zijn hoofd met
eenen rietstok, en bespuwden
hein, en vallende op de knieën,
aanbaden hem.
?n En als zij hem bespot bad*
-ocr page 83-
MAR
den, deden zij licm den pur*
tieren mantel af, en deden
tem zijne eigene klccdcrcn
aan, en leidden hem \'uit om
hem te kruisigen.
-JI En zij d woogen e enen
Simon van Cyréne, die ihutc
voorbijging, komende vnn den
akker, den vader vnn Alexau-
der en Kufus, dut hij zijn krul*
droeg.
52 En zij brachten hem tot
de [ilaats Gólgutha, hetwelk in,
overgezet zijnde, Hoofdschcdel*
nlaats.
2.1 En zij (raven hem gemir-
reden wijn te drinken; maar
hij nnin ai** niet.
•Jl En til» zij hem gekruisigd
hadden, verdeelden zij zijne
kleedden, werpende liet lot
over dezelve, «at een iegelijk
wegnemen zoude.
•J"> Eu het wa» de derde ure,
en /.ij kruisigden lieui.
•2\'\\ En het opschrift zijner be-
se huldiging was boven hein
geschreven i 1>k Koning »«b
Joints.
11 Kn zij kruisigden met hem
twee moordenaars, ééuen aan
tiwê rechter* en ééuen auu
zijne Ihikertjjcle.
in E.i de Schrift is vervuld
geworden, die duar zegt i Kn
hij is met de misdadigen ge-
reken d.
•JU Kn die voorbijgingen, las-
terdeu hem, schuddende hun-
ne hoofden, en zeggende: Ha,
gij die den Tempel afbreekt
en in drie dagen opbouwt,
:in behoud u/. cl ven en kom
af van het kruis!
lil En desgelijks ook de <>vor-
priesters met de Sehriftgeleer-
den setdeu tot elkander, al
spottendei Hij heeft anderen
verlokt, zichzelveu kan hij niet
verlossen;
32 de Christus de Koning
Isr irl- komt\' uu af van liet
kruis, opdat w ij het zien en
geloovea mogen. Ook die met
hem gekruist waren, smaadden
hem.
CIS 15.                                     -,b
:n En als de zesde ure jce-
komen was, werd er duisternis
over de gcheele aarde, tot de
negende ure toe.
.\'tl Eu ter uegender ure riep
Jezus met groote Btem,
zeggende: Ki,oï, Ei.oï, lam ma,
sabacutasi\' hetwelk is, over-
gezet zijnde: Mijtl God, mijn
God, waarom hebt Gij mij ver-
laten?
:*» Eu sommigen van die dnar-
hij stonden, dit hnoretide, zet-
deat Zie. hij roept Kliii.
30 Eu daar liep één eu vulde
eene spons met edik, cu stak
ze op cei.eu rietst<jk, en pat\'
hein te Irinken: zeggende:
Houdt stil, laat ons zien of
Klin komt om hem af te nemen.
\'.i~ Bn Jezus eene groote stem-
me van ziek gegeven hebbende,
gat\' den geest.
TH En het voorhangsel des
Tempels scheurde iu tweeën,
van «oven tot beueden.
30 Eu de hoofdman over hon-
derd, die daarbij tegenover hem
stond, ziende dat hij alzóó roe-
pende den geest gegeven had,
zeide: Waarlijk, deze menseb
was Gods Zoon*
411 Eu daar waren ook vrou-
wen van verre dit itauschou-
wende, onder welke ook was
Muvia Mugdaléua en Maria,
de moeder van Jacohus den
kleine eu van Joses, en Salóiue,
41 welke ook toen hij in Ga-
liléa was, hem waren gevolgd
eu hem gediend hadden, en
vete andere vrouwen die met
hem naar Jeruzalem opgeko*
men vvoren.
V2 Kn als het nu avond was
geworden, dewijl het de voor-
bereiding was, welke is de
vuór-sahliat,
4\'t kwam Jozef die van Arima*
théa was, een achtbaar Kaads-
heer, die ook zelf het Kouink-
rijk Gods was verwachtende,
en zich verstoutende, ging hij
iu tot 1\'ilatus on begeerde het
lichaam van Jexus.
44 En Pilatus verwonderde
-ocr page 84-
7G                                             MARC
zich dat h ij alreede gestorven
wan: en den hoofdman over
honderd tut zich geroepen neb-
bende, vraagde hem ot bij lang
gestorven was;
45 en als hij \'t van den hoofd-
man over tio.idcrd verstaan
had, schonk bij aan Jozef bet
lichaam.
4*! lïn hij kocht lijn lijnwaad,
en hom at teiioraeu hebbende,
wond he u in dat fijne lijnwaad,
«u lcide hen in een graf bct-
welk uit eene steenrots gchou-
wen was. en bij wenteldeeenea
steen tegen de deur des graf\'.
47 i-ii Mntia Magdaléua en
Maria, de moeder van Joses, au;i-
schouwden waar hij geleed
werd.
HOOFDSTUK 16.
EN als de sabbat voorbijgegann
was, hnddeu .Maria Mii\',\'-
daléua, en Maria, de moedi r
van Jacobus, en Salóme »pe-
cerijen gekocht, opdat zij k»n-
men en hem zalfden.
2  Kn zeer vroeg op den eerste.i
dag der week kwumen zij tot
het gruf, als de /.on opging,
3  en zeiden t <t elkander: Wie
zal ons den Bteen van de deur
des "t;>i-- afwentelen?
•j (en opziende, zagen zij dut
til\' steen afgewenteld was) wuut
hij was zeer groot.
n Ku in het eraf ingedaan
zijnde, Kagen zij eeueu jonire*
ling zittende ter rcchtcr;nt/<r,
bekleed met een wit lang kleed,
«ii werden verbaasd.
fi M.:iar hij zeide tot baar:
Jiijt niet verbaasd. (Üj zoekt
Jezus deo Naxarener die ge-
kruist was: hij is opgestaan,
hij is Iiïlt niet; zit, de plnats
waar zij hem L-elcgd hadden.
7 Doch gaat henen, zegt zij-
neu discipelen en Petrus, dat
hij u voorzaat naar Galilcu:
aldaar zult gij hem zien, gelijk
hij ulieden geuod heeft.
H Kn zfj haastelfjk uit.\'ccnnii
zijnde, vloden van het graf.
cu beving en ontzetting had
US lfi.
haar bevangen; en zij zeiden
niemand iets, want zij waren
bevreesd.
\'J Kn als Jezus opgestaan was
\'s morgens vroeg op den eer-
sten daij der week, verscheen
bij eerst aan Maria M agdaléna,
uit welke bij zeven duivelen
uitgeworpen bad.
10    Deze henensaaude, bood*
schapte het dengenen die uiet
hein geweest waren, welke
treurden en weenden.
11    Kn als dezen hoorden dat
hij leefde en van baar gezien
was. geloofden zij \'t niet.
12  Kn na dezen is hij geopen.
baard iu eene andere gedaante
aan twee van hen, daar zij
wandeiden en kn bet veld gin*
gen.
13    Dezen ook henengaande,
boodsebupten \'t den anderen,
maar zij geloofde.i ook die niet.
14  Duurna is bij geopenbaard
aan de elve duur zij aanzaten,
en verweet hu» hunne ouge-
loovl\'fheid en hardigheid der
harten, omdat zij niet geloofd
luidden degen en die hem ge-
zien hadden nadat hij opgo*
staan was.
18  Kn hij zeide tot hen: Gaat
henen iu de geheele wereld,
predikt het Evangelie allen
creaturen.
ir, Die geloofd zal hebben,
en gedoopt zal zijn, zal zali •
worden; maar die niet zal ge»
loofd hebben, zal verdoemd
worden.
17 Ka degenen die geloofd
zullen hebben, zullen deze
teekeuen volgen: iu mijnen
naam zullen zij duivelen uit-
werpeu; met nieuwe tongen
zullen zij spreken;
lu slangen zullen zij onnC-
men ; en al is het dat zij iets
dnodelijks zullen drinken, het
zal hun niet schaden; opkrau*
ken zullen zij de handen leg*
gou, en zij zullen gezond
worden.
19  l>c Meere dan nadat hij
tot hen gesproken had, is op-
-ocr page 85-
LUCAS 1.                                               77
genomen f» de» hemel, en I dikten overal, en de Ileere
i du rechter/milt/
God».
ai En jij uitgegaan zijnde, pre-
wrocht mede, en bevestigde
het Woord door teckeneu die
I daaroi> volgden. Amen.
HET HEILIG EVANGELIE
NAAR BK BESCURUrtXO VAX
U C
S.
voor God
de beurt zijner
HOOFDSTUK 1.
NADEMAAL velen ter ham!
genomen hebben, om in
orde te stellen een verbaal van
de. dingen die ouder ons vol-
komene zekerheid hebben,
3  gelijk ons overgeleverd heb-
hen die van den beginne zclven
aanschouw ei . en dienaars des
Woords geweest zijn:
:t zoo heeft bet ook mij gocd-
gcdaeht, hebbende alles van
voren aan naarstig!ijk onder-
zocht, vervolgens aan u te
schrijven, voortreffelijke Theó-
iHns,
4   opdat gij moogt kennen de
zekerheid der dingen waarvan
gij onderwezen zfjt.
"» In de dagen van lleroitcs,
den Koning van Judéu, was er
een zeker Priester met uame
Zacbarias, van de dagorde van
Abia; en zijne vrouw was uit
de dochteren Atlious, en haar
naam Elizabet.
G En zij waren beiden recht*
vaardig voor God, wandelen*
de in alle de trebodeu en
rechten des Heeren ouberis*
peHjk.
7 En zij hadden geen kind,
omdat Elizabet onvruehtbaar
was en zij belden ver op hunne
dagen gekomen waren.
H En hel geschiedde dat, als
hij het Priesterambt bediende
dagorde,
ü naar de gewoonte der Pries-
tcrlijke bediening, hem ten lote
was gevallen, dat bij zonde
ingaan in den Tempel des Hee-
reu om te renkotTereu;
In en nl de meolgte des volks
was buiten biddende, ter ure
des reukoffers.
11    Eu van hein werd gezien
een Eii\'-\'cl des Heeren, staande
ter rechtcm/de van het altaar
des reukoffers,
12    En Zachartas ken ziende,
werd ontroerd, en vrees is oi»
hem gevallen.
13   .Maar de Engel zelde tot
hem: Vrees niet. Zacharins,
want uw gebed \\* verhoord,
en uwe vrouw Ei f 2t.be t zal u
eeueu zoon baren, en gij zult
zijnen naam heeteu Johaiines;
14  en u zal blijdschap en ver-
heuging zijn, en velen zullen
zich over zijne geboorte ver-
blijden.
1 ."> Wan t Ii ij zal groot zijn
voorden Ileere; noch wijn noch
sterken drank zal hij drinken,
eu bij zal met deu Heiligen
Geest vervuld worden, ook «an
zijn moederslUf af:
16   en hl1 zal velen der kin-
deren ïsraéls bekcereu tot den
Ileere hunnen God:
17  en hij zal vóór Hem henen-
gaan mi den geest en de kracht
ven EI ia, om re bcaeeren de
-ocr page 86-
73                                               LUK
lmrteii der vaderen tot ile kin-
deren, CU de OHgehoorzameu
."i il"\'. -i-iiv.ic-iiii^rhi-iil der recht*
i aard Igeu, om den 11 eere te
bereiden een toegerust volk.
IU Eu Zacharias zetde tot den
Engel: Waarbij zal ik dat
neten? Want ik ben oud, en
mij iic vrouw is ver op lm re
dagen gekomen.
1\'J En de Engel antwoordde
en zeide tot licm: Ik ben Cia-
briël, die voor God sta, en
ben uitgezonden om tot u te
•preken en u deze dingen te
verkondigen;
£i> eu zie, gij zult zwijgen en
niet kunnen spreken, tot op
den dag dat deze dingen ge-
schied zullen zijn; omdat vrij
mijne woorden niet geloofd
hebt, welke vervuld zullen
worden on hunnen tijd.
•21 En liet volk wan wae]i-
lende on Zacliarias, eu zij
waren verwonderd dat bij zoo*
lang vertoefde in den Tem*
pel.
•22 \\\'..i als bij uitkwam, kon
bij tot ben niet spieken; en
zij bekenden dat hij een gezieht
in den Tempel gezien liad. Kn
bij wenkte bun toe, en bleet\'
stom.
23 Eu bet geschiedde als de
dagen zijner bediening ver»
vuld waren, dat bfj naar zijn
buis ging.
\'24 l\'ii na die da ren werd
Elizahct zijne vrouw bevruchtI
en zij verborg zich vijf mnau-
deu, zeggende:
£5 Alsoo beeft mij de lleere
gedaan, in de dagen in welke
IIH wiij aangezien heeft, oin
mijne versniaadhcld onder de
menseden weg te nenicu.
2(i En in de zesde maand werd
de Bugel Gabrio) van God ire-
zonden naar eeue stad in Galt*
léa, genaamd Nasarecu,
27 tot eeue mujiL-d, die ouder-
trouwd W&l met eeueu man
wiens naam was Jozef, uit
den huize Davids; en de naam
der maagd was Maria.
AS I.
23 En de Engel tot haar Inge»
komen zijnde, zeide: Wees
gegroet, gij begenadigde; de
lleere 14 niet u, gij ïi/r geze-
gend onderde vrouwen.
_<i Eu als zij hem .\'.ii-\', v,,m|
zij zeer ontroerd over dit zijn
woord, eu overleide hoedanig
deze groeten!* mocht zijn.
:iti Eu de Bngel zclde tol haar i
Vrees niet, Maria, want tij
hebt genade bij Gou gevonden.
:tl En tic, gij zult bevrucht
worden, eu cciien zoon baren,
en zult zijnen uaum beeteu
.ll\'ZUS.
;"\'2 Deze zal groot zijn cu de
Zoon des Allcrhoogsten pe-
uaamd worden, en God de
lleere zal hem den troon zijn*
vaders Davids geven;
33   en hij zal over bet huif
Jakobs Koning zijl In der ecu-
wigheid, en zfjus Koninkrijk!*
zal geen einde ziin.
34  E-i Maria zeide tot den Eu-
gel: Hoe zal dat wezen, dewijl
ik geenen man beken?
33 En de Engel antwoordende,
zeide tot baar: De Heilige Geest
zal over u komen, en de kracht
des Allerhoogsteu zal u over-
sehaduwen : dnainm ook het
Heilige, dat uk u geboren zal
worden, zal Gods Zoon ge-
uaaiud worden.
:« Eu zie, Elizabct uwe nicht
is ook zelve bevrucht meteenen
zoon iu baren ouderdom; en
deze maand is haar, die on-
vruchtbaar geraamd was, de
zesde;
\'(" want geen ding zal bij God
onmogelijk zijn.
35  En Maria zeide: Zie, de
dienstmaagd del Heereu: mij
geschiede raar uw woord. En
de Engd ging weg van haar.
.\'19 En Maria opgestaan zijinle
in dit\' dagen, reisde met haast
naar het gebergte iu eeue stad
van Juda,
40 en kwam iu bet bui» van
Zaeharias, eu groette Elizabct.
•11 Ku het geschiedde als Kli-
zabet de groeteuia van Maria
-ocr page 87-
LUC
boorde, zoo sprong liet kindc-
ken op in haren bulk; eu K!i-
ttbet werd vervuld met den
Heiligen Geest,
4! en riep uit niet grnote stem,
en zeide i Gez<*trend siit gij
onder de vrouwen, en Bezemend
is de vmrbt BWü bulkal
vi Kn van waar komt mij dit,
dnt de moed er mijns Herren
tot mij komt?
41 Want zie, als de stem
uwer groeten!» in mijne miren
Mecbiedde, zoo sprong liet
kindeken vuu vreugde ön in
mijnen buik.
46  Ku zalig i* xij die Beloofd
heeft: want de dingen die baai
van den lieert gezegd zijn,
zullen volbracht worden.
4\'ï K» Maria zeide: Mijne ziel
maakt groot den Heere,
47  en mfin Keest verheugt
zich in God mijnen üalig-
maker,
is omdat Hij de vernedering
zijner dienstmaagd beeft \'aau-
gezicn; want zie, van nu aan
zullen infj zalig •preken alle
de geslachten;
49  want groote dingen beeft
aan mij gedaan Mij die machtig
is, en beilig is zijn titnini,
50  eu zijne barmhartigheid
is van geslacht tot geslacht
over degenen die üeiu viee-
zen.
51   Hij beeft een krachtig; wci-k
gedaan door zijnen arm; Mij
heeft verstrooit! de boOgttioe-
digcu in de gedachten huuuer
harten;
BS Hij beeft uiaelitigeu van de
tronen afgetrokken, rn nede-
rigeu beeft Hij verhoord;
ftll hoiijïerk-cu beeft 11ij met
goederen vervuld, en rijken
beeft Hij ledig weggezonden.
54    Hij beeft Israël zijnen
knecht opgenomen, opdat 11 ij
gedachtig ware. der barnihnr-
tlgheid
55  (gelijk Hij gesproken beeft
tot onze vaderen, namelhk tot
Abraham en zij" zaïid), in
aer eeuwigheid.
IS I.                                                79
5(1 En Maria bleef bij Imar
omtrent drie mnauden, eu
keerde weder tot haar huis.
57 Kn de tijd van KI f za bet
werd vervuld dat zij buren
zoude, en zij haarde eencii
zoon.
BH Kn dii\' daar rondom woon-
den, en hare magen hoorde»,
dat de Heere zijne barmhartig*
lieid grootelijks nim haar bc-
we/.en bad, en varen niet hniir
verblijd.
5\'.i Kn het geschiedde dat zij
op den achtsten dag kwamen
11111 het kil deken te besnijden,
eu noemdeu bet ZaebarlM naar
den nnain zijns vaders.
(Hl Ku zijne moeder au t woord -
de en zeide: Niet ulxóé, inaur
hij tal Johamtes heeten.
til Kn zij zeiden tot haar: Dnar
i" nicntfliid in nwe maagschap
die met dien naam genaamd
wordt.
Ui En zij wenkten zijnen va-
der, hoe hij wilde dat hij ge-
naamd zoude worden.
<>\'! Ku alt hij een schrijl\'-
tafelken geCtscht had, schreef
bij, zeggende: .lohanuea is zij.1
imam. Kn zij verwonderden
clcb allen.
\'14 Kn terstond werd zijn
mond geopend en zijne tong
losyemaakt, en hij sprak. God
lovende.
86 Ku daar kwam vree» over
allen die rondom beu woo»-
den; en in \'t gcheelc gebcrg-
te van Judéa werd veel gerniu-
kcu van aile deze dingen.
>\'>\'\', Kn allen die het boorden,
namen het ter harte, zeegen*
de: Wat zal Inch dit kindeken
wezen\'" Ku de hand des lleeren
was met hem.
07 Kn Jïnclimtas zijn vader
werd vervuld met den Heiligen
Geest e» profeteerde, zeggen-
de:
(Ml Geloofd sy de Heere, de
God Israël»; want Hij heeft
bezocht, en verlossing teweeg*
gebracht zijnen volke,
09 en heelt eenen hoorn der
-ocr page 88-
zaligheid ons opgericht in bet
buis 1\'avids zijns knechts,
7« gelijk Hij gesproken beeft
dooi\' den mnud zijner heilige
Profeten, die van den beginne
der wereld geireest zijn,
"1 vnmclvl crue verlossing
van onze vijanden en van de
band aller dergenen die ons
baten;
7-j opdat Hij barmhartigheid
deed aan onze vaderen, en ge*
dachtig ware aan zijn heilig
verbond,
73  en aan den eed dien nij
Abraham onsen vader gezwo-
ren heeft, om ons te eeven
74  dat wij, verlost zijnde uit
de band onzer vijanden, Hem
dienen zouden zonder vrees,
75  in heilh\'licid en gerechtig*
beid voor Hem, alle de dagen
onzen levens.
7fl Kn gij kindeken, zult een
Profeet des Allerhoogste!! gc-
naamd worden; want gij zult
voor bet aati\'.\'czicbt de» Hee-
ren benengaan om zijne wegen
te bereiden,
77  om zijnen volke kennis der
taligheid te geren, In verge-
ving hunner zouden,
78  door de innerlijke hcwe-
gingen der barmhartigheid 011-
zcb Gods, met welke ons be-
tocht beefc de Opgang uit de
hoogte,
79  om te verschijnen dengenen
die gezeten zijn in de duisternis
en schaduw des doods, om
onze voeten te richten op deu
weg des vredes.
sn Kn het kindeken wies op,
en werd gesterkt in den geest,
en was in de woestijnen tot
den dag zijner vertuoniug aan
IsraC\'1.
HOOFDSTUK 2.
EN bet geschiedde m die
dagen dat er een gebod
uitging van den Keizer Aiigus-
tus, dat de geheele wereld be-
schreven zoude worden.
3 Deze eerste beschrijving
getebfedde als Cyreuiui over
Syrië Stadhouder was,
;t l\'n zij gingen allen om
beschreven te worden, een
iegelijk naar zijne eigene stad.
4 Kn Jozef ging óók op, van
Galiléu uit de stad Nnzarcth,
naar Judêa tot de stad Pavids,
die Bethlchiin genaamd wordt
(omdat hij uit bet huis en
geslacht Davlda was,
6  om beschreven te worden
met Maria zijne ondertrouw*
de vrouw, welke bevrucht
was.
• <: Kn bet geschiedde als zij
daar waren, dat de dngen ver-
vuld werden dat zij baren
zoude;
7  en zij baarde haren eerst*
geboren zoon, en wond hem
iu doeken, en leide hem neder
in de kribbe, omdat voor hen
gcene plaats was in de her-
berg.
8  Kn daar waren herders iu
diezelfde landstreek, zich hou*
dei.de in het veld, en hiel*
deu de ïacbtwacbt over bunue
kudde.
\'.» Kn zie, een Kngcl des Hee*
ren stond bfj hen, en de heer*
lijkbeid des Heeren omsebeeu
ze, en zij vreesden met grooto
vrees.
Hl Kn de Kngcl zeidc tot hen :
Vreest niet, want zie, ik ver-
kondig u groote blijdschap,
die al den volke wezen zal,
11     namelijk dat u heden ge-
boren is de Zaligmaker, welke
is Christus de Hcere, iu de
stad Davids.
12  Kn dit zal n bet tecken zijn :
gij zult bet kindeken vinden in
doeken gewonden en liggende
iu de kribbe.
Kt Kn van stonde nnn was
daar met den Engel ecne mC-
Itigte des beinclscben beirle-
gors, prijzende God en zeg-
gende:
14 Kerc :ij God in de hoogste
hemelen, en vrede op aa.r{*c*
in de inenuchea een welbe*
bflgen.
-ocr page 89-
iS 2.                                               SI
Israi-ls. en de Heilige Geest
was op hem;
2fi en hem was ecne Goddclij-
ke openbaring gedaan door den
Heiligen Geest, dat hij den
dood niet zien zoude eer hij
den Christus des Heeren zoude
zien.
27 En hfi kwam door den
Geest in oen Tempel; en als
de ouders het kindeken Jezus
inbrachten, 0111 nuar de ge-
vvoontc der Wet met hem te
doen,
2s zoo nam hij hetzelve in
zijne armen, en looide God, en
zeide:
29  Nu laat Gij, Heere, uwen
dienstknecht gauu in vrede,
naar uw woord;
30   want iiifiue oogen hebben
uwe zaligheid gezien,
:tl die Gij bereidt hebt voor het
aangezicht van alle de vol*
keren:
32 een licht tot verlichting der
heidenen en tot heerlijkheid
van uw volk larac-1.
:!.\'{ En Jozef en zijne moeder
verwonderden zich over het-
geeti van hem gezegd werd.
.\'M Eu Simeoii zegende ben, en
zeide tot Maiia zijne moeder:
Zie. deze wordt gezet tot een
val en opstanding veler in Israël,
en tot een teeken dat weder-
sproken zal worden
:;.\'i (en ook een zwaard zal door
uw zelfs ziel gaan), opdat de
gedachten uit veie harten ge-
openbaard worden.
:t6 En daar was Anna eene
Profetes, ecne dochter Fanuels,
uit den stHiu Aser; deze was
tot grooteu ouderdom gekomen,
welke met knrtn man zeven
jaren had geieeid van haren
maagdom af;
37 en zij was eene weduwe
van omtrent vier en tachtig ja-
ren, dewelke niet week uit
den Tempel, met vasten en
bidden God dienende uacht en
dag.
3** En deze te dier ure daarbij
komende, heelt insgelijks den
IS En het geschiedde als de
Engelen van hen wenfevapen
waren naar den hemel, dat de
herders tot elkander zeiden:
Laat ons dan henengaan naar
Betblehem, en laat ons zien
het woord dat er geschied is,
hetwelk de Heere ons heeft
kond ttedaan.
lf> En zij kwamen met haast,
en ronden Maria en Jozef, en
het kindeken liggende in de
kribbe.
17 En als zij het gezien bad-
den. maakten zij alom be-
kend het woord dat hun van
dit kindeken retecd was.
IS En allen die bet hoorden,
verwonderden zien over het*
geen hun van de herders gezegd
w erd;
19 doch Maria bewaarde deze
woorden alle te zamen, over*
lesrgende du in baar hart.
90 En de herders keerden we-
d«r, verheerlijkende en prfj-
zende God over alles wat zij
gehoord en gezien hadden, ge*
lijk tot hen gesproken was.
21   En als acht dagen vervuld
waren dat men bet kindeken bc-
-i tij il.\'ii zoude, zoo werd zij ti
naam genaamd Jk 7.1/3, welke
genaamd was van den Enge)
eer bij in het lichaam outvau*
gen was.
22  K11 als de dagen harer rei-
nighig vervuld waren naar de
wet van Mozes, brachten zij
hem te Jeruzalem, opdat zij htm
den Heere voorstelden
\'~-i (gelijk geschreven is in de
wet des Heeren: Al wat man-
nelijk is dat de moeder opent,
zal den Heere heilig genaamd
worden}.
\'-4 en opdat zij offerande ga*
Jen, naar hetgeen in de wet
des Heeren gezegd is, een paar
tortelduiven of twee jonge dui*
ven.
-5 En zie, daar was een menseh
te Jeruzalem wiens naam was
S-meon; en deze inenscb was
rechtvaardig en godvreezend,
verwachtende de vertroosting
-ocr page 90-
s-:                                         IX C
Hecrc beleden, c» sprak van
hem tot allen die. de verlossing
in Je-usalem verwachtten.
:(\'.\' Ku als zij alles voleindigd
hadden wat naar de wet de*
Heereii te dom was, keerden
zij weder naar Galilcu tor liun-
ne stad Nazareth.
40 Kn liet kindeken wiel op,
en werd gesterkt hl den Keent
en vervuld niet wijsheid, ra
de ireuade Godi was over hem.
il Kn zijne ouders reisden alle
jaren naur Jei uzalem op bet
leest van Paseba.
4\'2 Kn toen i.ii twaalf jaren
oud geworden was, en zij naar
Jeruzalem op^ci/nun waren,
naar de gewoonte des leest\'
daffs,
43  e» de daircn aldaar voleiu*
diird badden, toen zij weder-
keerden, bleef tiet kind Jexiu
te Jeruzalem, en Jozef en zijne
moeder wisten bet niet;
44   maar nieenendu dat liij in
\'t BezeUehan uj> den wei; was,
vr ï sa _-1-j l ijj eeue dagreis, en
zuchten hem onder de magen
eu onder de bekenden.
I\'i Kn als zij hem niet von-
den, keerden /.ij weder naar
Jeruzalem, hem Koekende.
4»> En het geschiedde un drie
(la,-eu, dat zij hem vonden in
den Tempel, zittende iu het
midden der leeraien, hen huo-
reude en beu ondervragende;
47 en allen die hem hooiden,
ontzetten zieli over zijn ver-
stand eu antwoorden.
4* Ku zij hem ziende, werden
verslagen, en zijne moeder zeide
tot hein : K ijin. w aaroiu hebt
v: ij ons zóó iredaaiir Zie, uw
v \'der en ik hehbeu u niet angst
gezocht.
4\'.i En hij zeide tot hen: Wat
is het dat rij mij gezocht hebt *
Wist ifij niei dat ik moet zijn
in de dingen mijns Vaders?
iVl Ku zij verstonden liet woord
niet dat hij tot hen sprak.
•ïl Ku liij prinje met hen \\\\\\\', en
kwam te Nazaretb, en was
kun oiid\'.\'rdHiiig. En zijne iuoe-
der bcwa&rde alle deze dingen
iu baar nart.
ó:1 Kn Je/.us nam toe in wijn-
beid eu iu moutte en in gewulc
bij God en de ineiiM-beu.
HOOFDSTUK 3.
EN\' inliet vijftiende jaar dei rc-
K."eriii\'r Vfuidcu Keizer Ti he-
rius, nis Pontius Pilatus Stad-
houder was over Judéu, rn
Herodes een Vlei vorst over
Gullléa, eu Fïlippus zijn br«e-
der een VI er vorst over Ituiéa
eu over bet land Trneboiittis,
en I.ysuuius een Viervorst over
Ahiluue,
ï ouder de Hoogt-priesters Ali-
nas en Kajai\'as, geschiedde het
Woord Gods tot Johanues, den
BOOU vnu Zaeliaiins, iu de woes-
tij";
\'A en hij kwam iu al het om-
liggende land des Jordaans,
predikende den doop der he-
keeritig tot vergeving der ion*
4  gelijk geschreven is in het
boek der woorden van Jeveja
den Profeet, zeggende; l>e Mem
des roependen in de woestijn:
Bereidt den weg des lleeren,
maakt zijne paden recht:
5  alle dal zal gevuld norden,
en alle beig eu heuvel zal vei-
in-derd worden, en de kromme
irriifii Zullen tot eenen reehteu
iren worden, eu de oiielVene tol
ellene wetten,
fï en alle vleeseb zal de zalig-
lieid Gods zien.
7 Hij zeide dan tot de seliareu
die uitkwamen om van hem
gedoopt te worden: Gij adde-
renirebroedsels, wie heelt u
aangewezen te vlieden van den
toekomenden toorn?
s Hieuwt dan vruchten voort
der bekcering waardig: en bc-
gint niet te zeggen bij ii/.elvcn:
Wij hebhen Abraham tot eenen
vader; want ik ze\',\' n, dat
God zelfs uit deze steeuen
Abraham kinderen kun ver-
wek ken.
-ocr page 91-
LUt
" Ki> de hijl ligt ook aireede
itaii tien wortel der booiuen:
alle liiinui dan die geen goede
vrucht voortbrengt, wordt uit-
gebouwen en in het vuur ge-
worpen,
11» Eu de schuren vraagden
AS :t.                                                Kt
der, en over alle booze ttntckeii
die Herode« deed,
2" zoo heeft hij ook dit nog
boven alles daartoe gedaan, dat
hij Jobaniie» i:i de gevangenis
gesloten heeft.
21  Ku het geichledde toen al
het volk gedoopt werd, en .h-zus
mik gedoopt was en bad, dat de
hemel geopend werd,
22  en dat de Heilige Geest Op
hein uederdaalde in lichame*
lijke gedaante gelijk e<.....duif,
en dat er eene stem "c-chiedde
uit den hemel, zeg-rnde; (Jij
zijt mijn geliefde Zoon, in u
heb Ik mijn welbehagen
.\',i Kn iiij, Jezus, begon om*
treut dertig jaren oml te wezen,
zijnde (alsoti men .....eudc) de
zoon van Jozef, den toon van
Heli,
24  den toon van Matthat, den
zoom van Levl, den zim,t van
Melehi, den zoon van Janna»,
den toom van Jozef,
25   den zoon van Mattathias,
den :00a vim AlUOl, den toom
van Naum, den toom van Esli,
den toon van Naggai,
2\'! den goot* van Maath, den
zoin van Mattatliias, den toon
van Scniei, den mom van Jozef,
den zoon van Juda,
,7 den toon van Jnhaunas,
den zoon van Hliesa, den zoo.t
van Zorobahel, den mm van
S;i!;ithiel, den totm van Neri,
2s den roo,i vim .Melehi, den
zoon van Addi, den zoon van
Kosam, den kwik van Kluiudaiu,
den zoon van Kr,
2!l den MM van Joses, den
zoon van Kliezer, den mom van
Jorim, den töOtt van Matthnt,
den toom vau Levi,
.\'f\' den zoo.i van Siineon, den
toom vim Juda, den zoon van
Jozef, den zn\'m van Jonaii, den
zonn vau Kljaliim,
:tl den zwi.i van Meleas, den
toom van Maïuau, den zoon vau
Mattn ha, den ;/i«,i vau Na*
thun, den tOOm vim David,
32 den zo»n van Jesse, den
zoon vau O bed, den zoon vau
D-A
hem, leggeudei Wat xulleii wij
dan doen\'
11   Kn hij antwoordende, telde
tot hen: Die twee rukken heeft,
deele hém mede die er geen
heeft, en die spijs heeft, doe
desgelijks
12  Kn daar kwamen ook tolle*
naars om gedoopt to w orden,
en leiden tut hem; Meester,
wat tullen wij doen?
1:1 Ku hij telde tot hen i Elsclit
niets meer dan hetgeen u ge-
zet is.
14 Kn hein vruarden nok de
krijgslieden, zejfsrendej Kn wij.
wat tullen wij doen? Kn hij
teidc tot hen 1 Poet niemand
overlast, en ontvreemdt uic-
maiid liet zijne met bedrojr, en
laat u vergenoegen met uwe bc*
zoldlngeu.
is Kn nis het volk verwachtte,
pii allen in hunne harten over*
Irideu van Johannei, ot\' hij niet
mogelijk de Christus ware,
Mi zon antwoordde Jolianue»
lao allen, zeggende: Ik don»
u wel niet water, maar hij
komt die sterker is dan i k,
wieo ik niet wnardi\'* In-u den
riem van ïijne schoenen te
autbindeu: déze tal 11 dnopeu
niet den Heiligen Geest en met
vuur;
17 wiens wan in zijne hand
\'s, en hij zal zijnen dor-ch*
\' loer ddoraulveren, en de utrwe
i;il hij ju zijne si huur saaien*
brengen, uiiiar het kaf zal hij
[octotiuitbluHcbeljJk vuur ver-
branden.
u Hij dan ook uoff vele andere
\' \'Ufteu vermanende, verkon-
\'ü\'-\'de den volke het Evangelie.
\'S Maar als Herodes de Vier*
Vl>rst van hein bestraft werd,
0I" den wil van Herodias. de
vruuw van FllïppUB gijnen broe*
-ocr page 92-
M                                        LU<
Hu\'.\'., den zoon van Sulmou,
den £00.1 van .\\iiha*M)N,
:.;i ilrn zoon vhii Aininadnh,
den mom van Anitu, den zoon
van Bsrnm, dm zoon van Fares,
den zoon van Jiula,
\'M den zoon van Jaknh, den
zoo» van lsank, den toon van
Abraham, den zoon van Tiiam,
den zoon van Nnchnr,
\'iï den zoon van Saruch, den
zoon vnn Unirun, den mi van
Falek, den toom van lieber, den
zoon van Sala,
V den zoon van Kaïnan, ileu
zoon vnn Arfaxad, den «ook vnn
Sein, den ;ow/i van Noaeü, den
znnn van I.amceh,
:tj den zoon van Mntbnsala,
den MOM van Knoeli, den som
vnn Jared, de» tOM van Mululcel,
den :o\'(/i van Kainnn,
;>s den rooa vnn Khos, den toom
van Setll, den zoon van Adam,
den zoon van God.
HOOFDSTUK 4.
EN Jezus vol de» Heiligen
Geeates. keerde weder
vnn den Jnnlnnn, en werd
door den Geest geleid in de
woestijn,
2 en werd veertig dagen ver-
zocht van den iluivel, en at
ganfteli niet in die dagen; en
als dezelve geëindigd waren,
zoo hongerde hem ten laatste.
:i Kn de duivel zeide tot hem:
Indien gij Coda Zoon zijt, zeg
tot dezen steen dnt lnj hruod
worde.
4 Kn Jezus nntwoordde hein,
zeggende i Duur is gesehreven,
dat de nienseli bij hruod alléén
niet zal leven, innar bij alle
Woord Gods.
ü Kn nis hem de duivel geleid
hnd op eenen bodeen berg,
tomide hij hen alle de künink-
rijken der wereld in een oogeu-
blik tijd.;
fi en de duivel zeide tot hem:
Ik zal n .il deze macht en de
heerlijkheid dier koninkrijken
gaven; want zij is mij overge-
geven, en ik geef ze wfeo ik
ook wil:
7 indien gij dan mij zult aan-
bidden, zoo zal alles het uwe
zijn.
s Kn Jezus antwoordende, zei-
de tot hem i (ia weg van mij,
sntau; want daar in geachre-
ven: Gij zult dn\\ Weere uwen
God aanbidden, en Heiu alléén
dienen.
\'| Kn hij \'.eidde lieiu naar Je-
ruzalem en stelde hein op de
tinne des Tempels, en zeide tot
liein: Indien :ij de Zoon Gods
zijt, werp uzelven van hier ue-
derwnnrts;
in want dnar is geschreven,
dnt Hij zijne Kngeleu van u
hevelen znl, dat zij u bewaren
zullen,
11  en dat zij u m> de hmiden
nemen zullen, opdat gij uwen
voet niet tf eeniger tijd aan
eenen steen stoot.
12    Kn Jezus nntwoordeude,
zeide tot hem : Daar is gezegd:
Gij zult den Heere uwen God
niet verzoeken.
13  lïn als de duivel alle ver-
zockiug voleindigd had, week
hij van hem voor ecneu tijd,
14  Kn Jezus keerde weder door
de kracht des Oecstes naar
Galiléa; en het gerucht van
hem ging uit door het geheelc
omliggende land.
l.\'i Kn hij leerde in hunne
Synagogen, en werd van allen
geprezen.
1(> Kn hij kwaiu te Nazareth,
waar hij opgevoed nas, en
ging, naar zijne gewoonte, op
den dag des sahhats iu de Sj-
uagoge, eu stond up om te
lezen.
17 Kn hem werd gegeven het
boek vnn den Profeet Jesaja;
en als hij bet hoek opengedaan
had, voud bij de plaats waai*
geschreven was:
15  De Geest des Ileereu il op
mij: danroni heeft Hij mij g<"
zalfd; Hij heeft mij gezonden
om den armen het Hvangelic
te verkondigen, om te genezen
-ocr page 93-
die gebroken zijn van hart,
1!) om den gevangenen te prc-
diken loslating en den blinden
het gezicht, om de verslagenen
henen te zenden in vrijheid, om
te prediken het aangename jaar
ilcs Hoeren.
20   l\'ln als hij het bock toege-
daan en den dienaar wederge-
geven had, zat hij neder; en
de oogen van allen in de Syna-
goge waren oi) hem geslagen.
21   Kn tiIj begon tot hen te
zeggen: Heden is deze Schrift
in uwe ooren vervuld.
22  Kn zij gaven hein allen ge-
tuigeuis, en verwonderden zich
over de aangename woorden die
uit zijnen mond voortkwamen,
eu zeiden: Is deze niet de zoon
Jozefs?
23  En bij zeide tot hen i Gij
zult zonder twijfel tot mij dit
spreekwoord zeggen : Medicijn-
meester, genees uzelveu; al wat
wij gehoord hebben dat in Ka-
pcruaum geschied is, doe \'int
ook hier in uw vaderland.
24   En hij zeide: Voorwaar
ik zeg u, dat geen Profeet
aangenaam is in zijn vader-
land.
25  Maar ik zeg u in der waar-
beid, daar waren vele we-
duwen in Israël in de dagen
van Elia, toen de hemel drie
jaren eu zes maanden gesloten
was, zoodat er groote hongers-
nood werd over bet gehecle
laad;
2fi en tot geene van haar werd
Elia gezonden dan naar Sa-
repta Sidouis, tot eeue vrouw,
die weduwe waa.
27 En daar waren vele melaat-
• :hen in Israël, ten tijde van
den Profeet Ellsa, en geen van
hen werd gereinigd dan Naft-
maii de SyriÖr.
2S En zij werden allen in de
Synagoge met toorn vervuld,
lus zij dit hoorden;
29 en opstaande, wierpen zij
hem uit buiten de stad, en
leidden hem op den top des
bergt op den welken hunne stad
gebouwd was, om hem van de
steilfe af te werpen;
30 maar hij door hot midden
van hen doorgegaan, zijnde,
ging weg.
Hl En hij kwam at naar Ka-
fièrnaUm, eeue stad van Gali-
\'-;i, eu leerde hen op de eau*
batdagen.
32  En zij waren verslagen over
zijne leer; want zijn woord
was met macht.
33  En in de Synagoge waa
een mensch, hebbende eeuen
geest eens onreinen duivels,
en litj riep uit met groote
stem,
34    zeggende: Laat af, wat
hebben wij met u te doen,
gij Jezus Nazarener? Zijt gij
gekomen om ons te verdervent
Ik keu u wie gij zijt, namelijk
de Heilige Gods.
85 Eu Jezus bestrafte hem,
zeggende: Zwijg stil en ga van
hem uit. Kn de duivel hem in
het midden geworpen hebbende,
voer van hem uit, zouder hem
iets te beschadigen.
3fi En daar kwam eene ver-
verbaasdheid over allen, en zij
spraken te zameu tot elkander,
zeggende: Wat woord is dit,
dat hij met macht en kracht
den onreinen geesten gebiedt
en zij varen uit?
37 En het gerucht van hem
gin:; uit in alle plaatsen des
om liggen den lands.
3R En Jexut opgestaan zijnde
uit de Synagoge, ging in het
huis van Siuioii; en Simons
vrouwsmoeder was met eene
groote koorts bevangen, en zij
baden hem voor haar.
39  En staande boven haar,
bestrafte hij de koorts, eu de
koorts
verliet baar; en zij van
stonde aan opstaande, diende
hen.
40  En als de zon onderging,
brachten allen die krauken
hadden, met verscheidene ziek*
ten bevangen, die tot hem, en
hij leide een iegelijk van hen
de handen op; en genas dezelve.
-ocr page 94-
W)                                                         1.1 (
il Kn er voeren ook duivelen
uit vun velen, roepende en zcg-
Kende: Gij zijt de Christua, de
Koon God*. Kn he,i bestraffende,
liet l.ij di.\' uiet sjiickeu,omdat
zij winti 11 dat hij de Christus
VM.
I.\' Ku als bet dag werd, ging
hij ui. en trok uuur eene woeste
idiiats; en de Kcbareii zochten
hein, en kwamen tot bij lieui,
en hielden lu n. op, dat hij van
hen niet zoude wriruiiau,
l\'l Maar l.ij telde tot hen: tl;
moet ook anderen steden bel
K van pel ie «au bet Koninkrijk
God» verkondigen ; want daartoe
beu ik uitgezonden,
•11 Kn hij predikte iu de S31111-
gugen van Gallléa.
HOOFDSTUK 5.
EN het geschiedde als de
schare op lieiu auudroni:
0111 het \\ in..il Gods ie linori\'ii,
dat hij stond b\'j bet meer
Gcunésareth;
\'J CU hij zag twee schepen aan
tien oeverv&u het meer liggende,
en de visscheis waven daaruit
gegaan en spoelden de netten.
:i Eu hij ging iu een van die
schepen, hetwelk vim Shuou
wa>, en bad hein dat hij een
weinig v;|" het land utstak; en
ncdcrziticiidc, leerde hij de
scbarcu uit het schip.
4 Kn als bij afliet van spreken,
zeide hij tot Simoii: Steek af
naar de diepte, en werpt una
nellen uit om te va si ven.
• \' Kn Sjinon antwoordde en
zeide tot hem: Meester, wij
hebbeu den geheelen nacht over
gcaibeid en niets gevangeni
doeli op uw woord zal ik liet
net uitwerpen.
I) Kn als zij dat gedaan bad*
den, besloten zij eene groote
menivte viaaclmji, en bun net
scheurde.
7 Kn zij wenkten hunne me*
degenooteu die in het ander?
schip waren, dat zij beu zouden
komen helpen; en zij kwamen.
A.S 5.
en vulden heide de schepen,
zoodat zij liiji.a zonken.
M Kn Sin ion Petrus tint ziende,
viel neder aan de knieën van
Jezus, zeggende: lleere, ira uit
1,111 mij, want ik beu een zuu-
dig mensch.
y Want verbiiasdheid luid hem
bevangen en illen die met hem
waren, over de vangst der
visschen, die zij gevangen had-
den;
10 en desgelijks ook Jacobus
111 Job an 11 et, de zonen vim
Zebedeus, die Simons mede*
genooteu waren. Kn Jezus
zi ide tot Siuuin: Vrees niet;
van uu aan zult gij uien se hen
vangen.
11   Ku als zij de schepen aan
Inud restuurd hadden, verlieten
zij alles en volgden hem.
IS Kn bet geschiedde als hij
iu eene «lier steden was, zie,
daarteajeeii man vul melaattch-
heid ; en Jezus ziende, viel hij
op het aangezicht, eu had
hem, seggcude: Hcere, zoo
gij wilt, gij kunt mij rei-
ui gen.
II  Kn hij de band uitstrek*
kende, raakte hem aan, en
zeide: Ik wil, word gereinigd.
Kn terstoud ging de niclautscli-
beid van iieni.
14  Kn bij gebood hem dat
hij \'t niemand zeggen zoude;
maar ga benen, zeute hii, ver-
toon uzelveu den Priester, eu
uiVer voor uwe reiniging, gelijk
Muzes geboden heelt, hun tot
een getuigenis.
15  Maar het gerucht van hem
ging te meer voort, en vele
scharen kwamen te zinnen om
hem te hooren, en door hem
genezen te worden vim hunne
krtinkheden;
III  maar hij vertrok lu de
woestijnen, eu had aldaar.
17 Kn *t geschiedde up een
dier da-en dat hij leerde, eu
t/aar zaten 1\'arizeers eu Lieer*
aars der Wet, die van alle
vlekken van Gallléa en Judéa
eu Jeruzalem gekomen waren •
-ocr page 95-
grootcn maaltijd aan in zijn
huU; en er was eeue groote
schare van tollenaren en van
anderen die met hem aan*
zaten.
\'M Kn hunne Schrift roteerden
en di> Parizeer* murmureerden
tot zijne discipelen, zeggende:
Waarom eet en drinkt ir ij niet
tollenaren e:i zondaren ?
:ii Ku Jezus antwoordende,
zeide tot lieni II ie gezand /.iju,
hebben den medicijn meester
niet van noude, maar die ziek
zijn.
:e_ Ik ben niet gekomen om te
roepen rechtvaardigen, maar
zondaren tot bekeering,
:t t Kn zij /.eideu tot hem:
Waarom vasten de discipelen
van Jouannea dikwijls co doen
geboden, desgelijks ook de di.i-
rifflen
der 1\'urizeers, maar de
uwc eten en drinken ï
\'M Doch hij zeide tot hen:
Kunt gij de bruiloft-kinderen
terwijl de bruidegom bij hen is,
doen va .ten :
:iï Maar de dagen zullen ko-
meii wanneer de bruideirnm
van hen zal weggenomen zijn:
d in zullen /.ij vasten in die
dagen.
:«*> Kn hij zeide ook tot hen
eeue gelijkenis: Niemand z"t
eeuen lap van een nieuw kleed
op een oud kleed: ander»
scheurt ook dat nieuwe het
oud\',
en de lap van liet nieuwe
komt met het oude niet over-
\'\\~ En niemand doet nieuwen
wijn in oude lederen zakken;
anders zal de nieuwe wijn de
lederen zakken doen bersten,
en de irii\'d zal uitgestort wor-
deu, en de lederen zakken zul-
leu verderven;
:is maar nieuwen wijn moet
men in nieuwe luieren zakken
doen, ra zij worden heide te
/.amen behouden.
:!> Ku niemand die ouden
drinkt, begeert terstond nieii-
wen; want hij zegt; 1\'e oude
is beter.
en Ac kracht des Hecreu «as
er om licn te genezen.
IS Kii zie, eemiye mannen
brachten op ecu lied oenen
mensen die gerankt was, en
zochten hem in te brengen eu
vóór licin ti\' l«gg?u.
l\'.i Kn niet vindende waardoor
zij Ui\'in lu brengen mochten,
wegen* de schare, 100 I; lom-
men z\\j op hel dak, en lieten
hem door il • tichelen neder
niet liet beddeken in het mid-
den, vóór Jezus.
•Ju Kn hij ziende hun geloof,
zeide tot Uero: Men-eli, dv<
zonden zijn u vergeven.
:i Kn do Schriftgeleerden en
de Furizeërs begonnen re over*
denken, zeggende: Wie i-deze,
die j/oi/dustcrin ; spreekt\' Wie
kun de zouden vergeven dan
Gnd alléén?
23  Maar Jezus hunne over-
deukin reu bekennende, ant-
wnordde en zeide tot hem Wat
overdenkt ;rïj in uwe harten ?
•Ti Wat is lichter, te zeggen:
Uwe zonden /.iju u venteven,
of te zeggen: Sta op en « ondel ?
24  Doch opdat gil inoogt weten
dat de Zoon des lucimcben
macht heeft op de narde de
zouden te vergeven i zeide hij
tot den geraakte): Ik zeg u,
stu op en neem uw beddeken
op, en ga henen naar uw huis,
2."> Ku hij terstond voor hen
opstaande, »•« opgenomen heb*
hen de het reen waar hij op
gelegen bad, peins benen naar
zijn huis, God verheerlijkende.
2fi Ku ontzetting heelt htn
allen bevangen, en zij verdeer*
lijkten God, *\'ii werden ver*
vuld met vrees, zeggende:
Wij hebben heden ongcloofe*
lijke dingen gezien.
-7 Kn uu dezen ging hij uit,
en zag eeuen tollenaar, met
name Levi, zitten in het tol.
huis, en zeide tut hem: Volg
mij.
2* Ku hij alle» verlatende,
stond op en volgde hem.
-\'-i Kn Levi richtte hein een
-ocr page 96-
LU
tS 8.
11 Kn zij werden vervuld met
ui uii j ui:; i ir ui. en spraken te
zamen met elkander, wat zij
Jezus doen zouden.
12 Kn liet geschiedde in die
dazen dat hij uitging naar den
berg om te bidden, en hij bleef
den naelit over in het gebed
tot God.
18 Ku al» het dag was gewor*
den, riep hij zijne diseipelen
tot zieh, en verkoos er twaalf
uit heu, die hij ook Apostelen
noemde:
14  ttartteliik Simon, welken hij
ook I\'etriiH noemde, en An-
diéas zijnen broeder, Jacobus
en Johanucs, Filippus en Bar-
tholomeiis;
15  Mattlieiis en Thomas, Jaeo*
bus, den zoon van Alfeüs; en
Simon genaaind Zelótes;
V< Judas Jaeolij, en Judas
Iskariot, die uok de verrader
geworden is.
17 Ku niet hen afgekomen zijn-
de, stond bij on eeue vlakke
pliiat*, en met hem de sehare
zijner jlisci pelen, en eene
groote menigte des volks van
geheel Jmlca en Jeruzalem, en
van den zeekant «au Tyrus en
Sidon.
is die gekomen waren om
hein te hooien en om van
hunne ziekten genezen te wor-
den, en die van onreine geesten
gekweld waren; en zij werden
genezen.
11) Ku al de schare zocht hem
aan te raken; want daar ging
kracht van hem uit, en hij ge-
nas /.e allen.
20 Kn hij zijne oogen op-
slaande over zijne discipelen,
zeide: Zalig zijt gij armen;
want uwer is het Koninkrijk
Gods.
51 Zalig zijt gij die nu hon-
gert: want ir ij zult verzadigd
worden. Zalig zijt gij die nu
weent; want gij zult lachen.
\'11 Zalig zijt irij wanneer D
de metiseheu haten, en wan-
neer zij u afscheiden en ma-
den, en uwen naam als kwaad
83
HOOFDSTUK fi.
EN het geschiedde op den
tweeden eersten sabbat, dut
bij door het gezaaide ging; en
Zijne discipelen plukten aren,
•o aten ze, die wrijvende niet
de handen.
3 En sommigen der Farizeërs
zeiden tot hen: U,,,,inin doet
K*j wat niet geoorloofd is te
doen op de sabbatten ï
\',l Ku Jezut hun antwoordende,
zeide : Hebt gij ook dat niet ge-
lezen, betwelk Pavid deed wan-
neer hem hongerde en den-
Kenen die met hein waren?
I hoe hij ingegaan is in het
Hui* Gods, en de tooubrnoden
genomen en gegeten heeft, en
ook gegeven dengenen die met
hem waren, welke niet zijn
geoorloofd te eten dan alleen
den I\'riestereu?
.ï Kn hij zeide tot hen: De
Zoon dea menscheu is een Heere
uok vuii den sabbat.
<> En het geschiedde ook op
eenen anderen sabbat, dat hij in
de Synagoge ging, en leerde.
Kn daar was een meusch, en
zijne reehterhand was dor;
7 en de Schriftgeleerden en de
Farlzeërs namen hein waar, of
hij op den sabbat genezen
zoude, opdat zij eeniye be-
•cbuldiaing tegeu hein moeh-
ten vinden.
s Doch hij kende hunne ge-
ilaeliten, en zeide tot den
inenseh die de dorre hnud had:
Hij» np en sta in \'t midden.
Kn hij opgestaan zijnde, stond
orereiud.
9  Zoo zeide dan Jezus tot hen:
Ik zal u rraven i Wat is geoor*
loofd op de sabbatten, goed te
doen of kwaad te doen? ren
ineiiBeh te behouden of te ver-
derven ?
10  Kn hen allen rondom aan-
gexien hebbende, zeide liij tot
den incnsch: Strek uwe hand
uit; en liii deed alxoo, en zijne
hand wera hersteld, gezond ge-
Jijk de andere.
-ocr page 97-
LUC
verwerpen, om des Zoons des
mensen en wil.
23  Verblijdt u te dien dage en
zijt vroolij_k; want zie, uw loon
is groot in den hemel; want
hunne vadereu deden dergelijks
den Profeten.
24  Maar wee u, rij rijken;
want gij ut\'ut uwen troost
weg.
25  Wee u, die verzadigd rijt;
want «ij zult hongeren. Wee
u, die uu lacht; want --ij zult
treuren en weeuen.
36 IVee u wanneer alle do
meuseken wel van u •preken;
want hunne vaderen deden
desgelijks den valsehen pro-
feten.
2? Maar ik /.eg ulieden die
dit hoort: Heht uwe vijanden
lief, ,doet wel dengenen die u
haten,
2S zegent degenen die n ver-
vloeken, en bidt voor degenen
die u geweld doen.
29 Dengenen die u aan de wang
-laat, bied ook de andere; en
den genen die u den mantel
neemt, verhinder ook den rok
niet te neuten;
:hi maar geel\' een iegelijk die
van u begeert, en van dengenen
die liet uwe neemt, eisch niet
weder.
:il Kn gelHk gij wilt dat ü de
meuscheii doen /.uilen, doet gij
hun ook desgelijks.
3! Kn indien i-ij liefhebt die u
liefhebben, wat dank hebt -\'j -
Want ook de zondaars hebben
\'iet\' degenen die hen liefheb*
ben.
M Ku indien gij goeddoet
dengenen die n goeddoen, wat
•\'ank hebt gij l Want ook de
•ndaars doen hetzelfde.
:*4 En indien gij leent dengc-
\'\'ril van welke gij hoont weder
te ontvangen, wat dank hebt
\'-\'ij ? Want ook de zondaars
leenen den zondaren, opdat
\'ij cveugelijk weder mogen
ontvangen.
3ü Maai hebt uwe vijanden
\'«.f, en doet goed, en leent
AS 6.                                               S9
zonder iet* weder te hopen;
en uw loon zal groot zijn, en
gij zult kinderen des Aller*
boogsteu zijn; want Ilijisgoe*
dertiereu over de oudaukbareu
en boozen.
\'M\\ Weest dan barmhartig,
gelijk ook uw Vader barmhar*
tig is.
:i7 Kn oordeelt niet, en gij zult
niet geoordeeld worden; ver-
doemt niet, en gij zult niet
verdoemd worden; laat los, en
gij zult losgelaten worden;
lis geeft, en u zal gegeven
worden: eene goede, neerge*
drukte en geschudde en over*
loopende maat zal men in uwen
sehout geven; want met dezelf-
de maat waarmede gij lieden
meet, zal ulieden wedergeine*
ten worden.
;tï» Ku hij telde tot hen eene
gelijkenis: Kan nok we] een
blinde eeuen blinde op den
weg leiden t Zullen zij niet
beiden In de gracht vallen?
4(1 De discipel is niet boven
zijnen meester, maar een iege-
gelük volmaakt discipel zal zij»
gelijk zijn meester.
41   Ku wat ziet trij den splinter
die in uws broeders oog is, en
den balk die in uw eigen oog
is, merkt gij niet?
42  Of hoe kunt gfj tot uwen
broeder zeggen: Broeder, laat
toe dat ik den lp inter die in
üw oog is, uitdoe, daar gij zelf
den balk die in uw oog is, niet
ziet? Gij geveinsde, doe eerst
den balk uit üw oog, en dan
zult gij bezien on den splinter
uit te doen die in uws broeders
oog is.
4:( Want het is geen goede
boom, die kwade vrucht voort*
brengt, en geen kwade hoorn,
die goede vrucht voortbrengt.
44  Want iedere boom wordt
uit zijne eigene vrucht wekend;
want men leeit geen vijgen van
doornen, en men snijdt geen
druif van bramen.
45  De goede mciiRch brengt
het goede voort uit den goeden
-ocr page 98-
go                                                LUC
schat zijns harten, en tip kwa-
de uicmtuh brengt liet kwade
voort uit den kwaden Mcliat
zijn* harten; want uit den
overvloed drs harten spreekt
^i.iii mond.
ï; Kn wat noemt (rij mij
Heere, Heere, eu doet niet
li;-t reen ïk ZCg?
\'7 Ken iegelijk \'die tot mij
komt en mijne woorden boort
eu dezelve duet, ik zal n toti-
ueu wien hij ireiijk is.
•et Hij is gelijk ecu mensch
die eeu buis bouwde, en smet\',
en verdiepte, en leidc het fun-
damrut op eeue atceurots: als
uu tl \' bootte vloed kwam, zoo
Bloes de waterstroom teren dut
huis mm. en kou liet niet be-
wegen; want bet wan op de
steenrots gegrond.
4H Muur die ze ?ehoord eu
niet gedaan )<al hebbeu, is ire-
lijk eeu menseli die eeu bui*
bouwde o|) de narde zonder
fundnmciit: tegen hetwelk de
waterstroom aansloeg, eu bet
viel terstond, en de val van dut
huis was Kroot.
HOOFDSTUK 7.
NAlUThiJ uu alle zijne woor-
dea voleindigd badteuaaif
boore des volks, ging uij lu te
SaiHTtiauin.
•J Kn een dlenatknccht van een
zeker hoofd man over honilerd,
die hem zeer waard wie*,
krank zijnde, lag oi> zijn ater-
ven.
:( Kn van Jesus gehoord heb-
bende, / tui il hij tot hein de
Ouderlingen der Jod<*u, hem
hidde.;de dat liij wilde komen
ea zijnen dienstknecht Kexoud
maken.
t Pezen nu tot Jezus gekomen
zijnde, baden hem eni*tiglijk,
zeggende: Hij is waardig dat
gij hem tint doet;
."> waut hij heeft OM volk lief,
en heeft zelf on» de Synagoge
gebouwd.
0 Ku Jezus ging met hen. Kn
"AS 7.
ais bij nu niet ver van liet
huis was, zond de hoofdman
over honderd tot hein etnigë
vrienden, eu zeide tot hein:
IIrere, neem de moeite niet;
waut ik beo niet waardig dat
sij onder mijn dak zuudt in-
komen :
7 daarom heb ik nok mfjzelven
niet waardig geacht d»i tot 11 te
komen; maar ze; ket meteen
woord, en mijn knecht zal gc-
ucieu worden.
s Want ik ben uik een mensch
onder de macht ra* H.ulrrrn (te*
Meld, hebbende krij ;s knechten
onder mij, eu ik zeg tot dezen :
Ga, eu tiij gaat; en tot den
untteren : Kont, en hij komt;
e.i tot niij.ieu dienstknecht:
Doe dut, eu hij d iet het.
y K.i Jeans dit booreude, ver*
wonderde zleb u er hem, eu
zich omkeerende, zeide tot de
schare die hem volgd1: Ik zeg
ulieden, ik hel) zoo groot ge-
looi\' zelfs in Israël niet ge-
vonden.
10  Kn die gezonden waren,
wedergekeerd zijnde in liet
ii nis, vondei den kran ken
dienstknecht gezond.
11   Ku liet geschiedde op den
volgenden tlag, dat hij iring
naar eeue stad genaamd Nat 11,
en met hein gingen velen van
zijne discipelen eu ecne groote
schare.
i\'J Ku nis hij de poort der
stad genaakte, ziedaar, een
doode werd uitgedragen, \'/"*
eeu eeu ingeboren zoon zijner
moeder uu*, en zij trits weduwe,
eu eeue groote schare van de
stad wm* met haar.
l.\'t Ku de Heere haar ziende,
werd innerlijk met ontferming
over haar bewogen, eu zeide
tot haar: Ween niet.
11 Kn hij ging toe eu raakte
de baar aan (de dravers uu
stonden stil), en hij zeide: Jon-
geling, ik zeg u, sta op.
15 Kn de dnode zat overeind
en begon te spreken; eu hij gat
hem aan zijne moeder.
-ocr page 99-
\'AS 7.                                            91
te zien? Een Proleet? Ja, ik
Keg u, ook veel nu er dan ecu
Proleet.
27 l>eze is bet van welken
gexchreven is: Zie, Ik zci.d
mijnen >.:.<{ vuur uu aaiige-
zicht, die uwen wc:* vuur u
beneu bereiden zal.
is Want ii; zee ulieden, onder
die van vrouwen geboren zijn,
is uieuiai.ii meerder Profeet
dan Jobaunes de Uooner; maar
de minste in liet Koninkrijk
Gods is meerder dan bij.
\'2\'J Ku al het volk hem boo-
rci.de, en de tollenaars die met
il.\'11 ii\' in vai Jitbai nes gedoopt
waren, rechtvaardigden God;
Sn maar d< Parizeer» en de
Wetceleerden hebben den rnad
Gods toren ziclixclveu verwor*
pen, van hem niet gedoopt
zijnde.
:il Ku de Hcere zeide : Hij wieu
zal ik dan de menschen vau
dit geslacht vergelijken, en
wieu zijn zij gclfjkï
:u Zij zij\'i gelijk den kinderen
die on de markt zitten eu elk\'
auder toeroepen, cu zeegen :
Wij hebben u op de iluit irc-
si»cld en ii? hebt niet gedanst;
wij lubben u klaagliederen ge-
zongen eu v ij hebt nfet ge-
weend.
\'XA Want Jobaunes de Duoper
is gekomen noch brood etende,
iiiich wijn (hinkende, co gij
legt: 11 ij heeft den duivel.
."U De Zoon dis uiciischeii is
gekomen etende eu drinkende,
cu gij zegt: Ziedaar een lueusch
die een vraat eu wijnzuiper i.f,
ecu vriend vun tollenaren eu
lotidaren,
!tn lineb de wijsheid is ge*
iceiitvaardiud gewoideu vau
alle hare kinderen.
:<fi Ku een der Farizecrs bad
hem dat hij met hem ate; en
llivei*aati zijnde in den r\'arizeérs
buis, zat bij aan.
\'.IJ Kn zie, eene vrouw iu de
stad weike eene zondares was,
verstaande dat bij in des Ka-
rilceri buis aanzat, brachteeue
lfi lï;i vut» beving ze allen,
en zij verheerlijkten God, zeir-
gende: Ken irroot Proleet is
uuder ons opgestaan, en; God
beeft zijn volk bezocht.
17 K11 dit geruekt vnn bcin
-n,L.- uit iit geheel Judéa en in
al bet owliiccei.de land.
Is Kn dr discipelen van Jobai:-
i.ea boodschapten hem van
all" deze dingen.
in Kh JohuimeB zekere twee
van zijne discipelen tut zich
geroepen hebbende, zond ze
tot Jezus, zegveiide: Zijt pij
degeue die kouieu zoude, of
verwachten «ij eeueu anderen ï
20  Ën als d«\' mannen tut liein
gekomen wan\'n, zeiden zij:
Jobaunes de 1\'i\'u, i v beeft oiii
tot u at\'czoi.dcn, leggende:
Zijt gij die komen zoude, 01
verwachten wij eenen anderen!
21   Ku in die ure genas iiij
er velen van ziekten en kwalen
en bonze \'.\'eesten, eu velen blin-
den gaf bij liet gezicht.
2\'2 Kn Jezus antwoordende.
Beide tot ben ! Gaat benen eu
boodschapt Jobaunes weder de
dingen die gij gc-tten «1 ge-
boord licht, namelijk dat de
ld inden ziende worden, de
kreupelen wandelen, de me*
laatschen gereinigd worden,
de dooven hooren, de dooden
Opgewekt worden, den ar-
men bet Evangelie verkondigd
wordt;
33 en salie is Iifj, die aan mij
niet zal jjeerirerd worden.
- l Als uu de boden van Johan-
nes wefetretraan waren, bi.*nn
bij Min Jobaunes tot de scharen
te zeggen; Wat zijt «ij uitge*
gaan in de woestijn te aan*
Bebouwen? Keu riet dat van
den wind L-inds en weder be-
Wogen wordt?
Si Maar wat zijt gij uitgegaan
te zien: Keu meuscb inetzachte
kleederen bekleed? Zie, die in
heerlijke kleediuu\' en wellust
zijn, die zijn in de koninklijke
boven.
-r, Maar wat zijt «ij uitKes-aau
-ocr page 100-
92                                                LUC
albasten flcscli met zalf;
88 en staand*\' achter aan zijne
voeten, weenende, begon lij
zijne voeten nat te maken niet
tranen, en zij ilrougde ze at\'
mrt het linar van liaar hoofd,
en ku*te zijne voeten, en zalfde
ze met du zalf.
88 Kii de Parizeer die hem ge-
nood had, sulka ziende, sprak
bij siehselven, leggende i Vete,
indien hij een Profeet wan,
zoude wei weten, wat en hoe*
danige vrouw deze is die hem
aanraakt, want zij is eene zon-
dares.
4U Kn Jezus antwoordende,
zeide tot hem: Simon. ik heb
u wat te zeggen. Kn liij sprak:
Meester, zeg liet.
41 Je:u3 geide: Ken zeker
schuldheer had twee sehuldo-
unars; de één was schuldig
vijfhonderd penningen, en de
ander vijftig;
4- en als zij niet liadden mn
te betalen, schold hfj liet hun
beiden kwijt, ÏSeg dan, wie
van deze» zal hein meer lief-
hebben?
4-1 Kn Stinon antwoordende,
zeidc: Ik acht dat hfj \'m wie»
hij het meest kwijtgescholden
heeft. Kn hij zeide tot hem:
Gij hebt recht geoordeeld.
41 Kn hij zich omkeereude
naar de vrouw, zeide tot Simon :
Ziet gij deze vrouw? Ik hen in
uw huis gekomen; water hebt
gij niet tot mijne voeten Re-
Keven; maar déze heeft mijne
voeten met tranen nat gemaakt
eu met het haar van haar hoofd
afgedroogd.
45  Gij hebt mij Reenen kus
gegeven; maar déze. van dat
zij ingekomen is, heeft niet af-
gelaton mijne voeten te kussen.
46   Met olie hebt gij mijn
hoofd niet gezalid; maar déze
heeft mijne voeten met zalf
gezalfd.
17 Daarom zeg ik u, hare
zonden ziju haar vergeven die
vele warea, want zij heeft veel
liefgehad; maar dien weinig
AS 8.
vergeven wordt, die heeft wei-
ulg lief.
4*> Kn hij zeide tot haar: Uwc
zonden zijn u vergeven.
4!» Kn die medeaauzaten, he-
gnnnen te zeggen bij ziehzelven :
Wie is deze, die ook de zouden
vergeeft?
5u Maar hij zeide tot de vrouw:
Uw geloof heeft u behouden,
gu henen in vrede.
HOOFDSTUK 8.
EN het (Tcschiedde daarna
dat hij reisde vnu de ééue stad
en vlek tot de andere, predikcn-
<Ie en verkondigende liet K-
vangclie van het Koninkrijk
Gods; en de twaalve waren met
hem,
•2 en sommige vrouwen die van
booze geesten en kraukhedeu
genezen waren, uamel\\}k Ma-
ria, genaamd Magdaléna, van
welke zeven duivelen uitge-
gaan waren,
:i eu Johanna, de huisvrouw
van Ohuzas, den rentmeester
vhii Herodes, eu Susanua, eu
vele andere, die hem dieuden
van hare goederen.
4  Als nu eene groote schare
bijeen vergaderde, en zij van
alle steden tot hem kwamen,
zoo zeide hij door gelijkenis:
5  Ken zaaier ging uit oin zijn
zaad tezaaien; euals hij zaaide,
viel het ééue bij den weg, en
werd vertrede», en de vogelen
des hemels aten het on;
o en liet andere viel op eene
steenrots, eu opgewasseu zijn-
de, is bet verdord, omdat het
geen vochtigheid had;
7   eu het andere viel in het
midden van de doornen: eu de
doornen mede opwassende, ver-
stikteu hetzelve;
8  en het andere viel in de
goede aarde, en opgewassen
zijnde, bracht het honderdvou-
dige vrucht voort. Ditzeggeude,
riep hij: Wie uuren heeft om
te hooren, die lioore.
ü Kn zijne discipelen vraag-
-ocr page 101-
LVd
den hem, zeggende: Wat mag
deze gelijkenis wezen ?
10  En hij geide: V is het ge-
geveu de verborgeiiheden van
het Koninkrijk Gods te ver-
staan ; inaAr tot de anderen
spreek ik in gelijkenissen, op-
dat zij ziende niet zien, en boo-
ri\'iulf niet verstaan.
11  Dit mi ia de gelijkenis:
Het zaad is het Woord Gods.
12   Ku die bij deu weg bezanid
worden,
lijn dezen die hooreu;
daarna komt de duivel en neemt
het Woord uit hun hart «e;\',
opdat zij niet zouden se loeven
en /Filk\' worden.
i:t En die up de steenrotB he-
samid worden,
zijn dezen, die
wanneer zij iiet geboord heb-
ben, het Woord met vreugde
ontvangen; en dezen hebbeo
geeneu wortel, die maar voor
eeuen tijd gclooveu, en in den
tijd der verzoeking wijken
*ij af.
14 Kn dut inde doornen valt,
dezen zijn die gehoord hebben,
en henengaande, verstikt wor-
den door de xorgvuldigheden
en rijkdom en wellusten des
levens, en voldragen geen
rrur/it.
lft Eu dat in de traede aarde
fair, zijn dezen, die liet Woord
gehoord liebl)eude, hetzelve in
een eerlijk e» goed hart be-
waren, en in volstaudighcid
vruchten voortbrengen.
1(> Uu niemand die cene kaurs
ontsteekt, bedekt dezelve uiet
een vat of zet ze onder een
bed, maar set ze op eeuen
kandelaar, opdat degenen die
inkomen bet lieht zien mogen.
17   Want daar is niets verbor*
geit dut niet openbaar zal \\vor-
den, nocii heimelijk dat niet
bekend zal w orden en iu \'t
openbaar komen.
18  Ziet dan hoe gij hoort;
want zoo wie heeft, dien tal
gegeven worden; en zoo wie
niet heeft, nuk hetgeen hij
meent te hebben, zal van hem
genomen worden.
\\S S.                                                9li
lil Eu zijne moeder en zijne
broedere kwamen tot hem, en
kouden bij hein niet komen
vanwege de schare.
20 En hem werd geboodschapt
run eeniyea die zeiden: Uwe
moeder en uwe broeden staan
daar buiten, begecrende u te
zien.
2\\ Maar hij antwoordde en
zeide tot hen; Mijne moeder
en mijne broeders zijn dezen,
die Gods Woord hooreu en het-
zelve doen.
22 Eu bet geschiedde In een
van die dagen dat hij iu een
schip ging, eu zijne discipelen
met hem; en hij zeide tot beu:
Laat ons overvaren aan de au-
dere zijde des meers. En zij
staken af.
•j:t Eu als zij voeren, viel
hij in slaap; en daar kwant een
storm van wind <>p het meer,
en zij werden vol water en
waren iu nood.
SM Eu zij gingen tot hem en
wekten hem op, zeggende:
Meester, Meester, wij vergaan.
Ku hij opgestaan zijnde, be-
Btrafte den wind eu de water-
golven, en zij hielden opt en
daar werd stilte.
Sffl Eu bij zeide tut hen : Waar
is uw geloof? Maar zij bevreesd
zijnde, verwonderden zich, zeg-
gende tot elkander: Wit\' is
toch deze, dat hij ookdcuwin-
den en bet water gebiedt, eu zij
zijn hem gehoorzaam f
26 Eu zij voeren voort naar
bet land der Gudarêneu, bet-
welk is tegenover (ialilén.
:\'.\' Eu als hij aan bet land
uitgegaan was, ontmoette hem
een zeker man uit de stad, die
sedert langen tijd met dui-
velen was bezeten geweest; en
hij was met geen kleedereu be-
kleed, en bleef in geen huis,
maar iu de graven.
_s Eu hij Jezus ziende, en
zeer roepende, viel voor hem
neder, en zeide met eeue groo-
te stem; Wat heb ik met u
te doen, Jezus, gij Zoon Gods,
-ocr page 102-
W Kit de man van weikeu de
duivelen uitgevaren wnren,
bad beiu dat bij inoeht bij hem
zijn. Maar Jezus liet hem vim
zieii gaan, zcsrgeiide:
liil Keer weder naar uw huis,
eu vertel wat irrootc dingen u
(ïod gedann heelt. Kn hij ging
tienen, door de geheele stad
verkondigende wat gionte din-
gen .)i\'/,u- hem gedaan had.
«I Kn het geschiedde «Is Je-
zus wederkeerde, dat hem de
Fcliare ontving; want zij wa-
ren allen hem verwachtende.
4i Kn zie, daar kwam een
man w lens nauiu was Jalrua,
en bij w as een overste der
Syuavoge; en hij viel aan de
voeten van Jezus, eu bad hein
dat hij in zijn huis wilde ku-
uieu:
4. want hij had eene ééliUre
doe liter van ointreut Twaalf
jaren, en deze lug o|i haar
I sterven. Kn als bij bencilgilig.
1 zoo verdrongen bent de scliu-
ren.
1 4\'t Kn eene vrouw die twaalf
1 jaren lang den vloed des bloede
| gehad tiad, welke al haren
\' leeftocht aan ïiicdieijniucesters
I ten koste gcle\'d had, en van
niemand bad kunnen genezen
worden,
-l! van achteren tot hem ko-
mende, raakte den zumu zijns
klecds aan; en terst nd stelpte
de vloed baars bloed*.
4S Kn Jezus geide; Wie is het
die mij beeft aaiigcnial.tï Ka
als zfj bet allen ontkenden,
lelde PetrUB en die niet hem
waren: Meester, de sehareu
drukken en verdringen u, eu
zegt \'-ij: Wie is het die mij
nan • nuikt heeft r
4\'i Ei Jezus xeidc: Iemand
beeft mij aangeraakt: want ik
heb bekend dat kracht vim in ij
uitgegaan is.
47 De vrouw nu ziende dat
zij niet verborgen was, kwam
bevende, eu voor hem neder-
valleude, verklaarde bem voor
al bet volk om nat oonuak zij
il.". Allerhoogsten ? Ik bid u
dat i*Ü mij i iet )itj\';i\'-\'t-
_\'.\' Want hij had den nnrei-
nen peest -ft*boden dat litj van
den meitsch xntide uitvaren ;
want hij tuut hein meuigen
lijd bevattireu gehad, en hij
werd roet ketenen en met bod-
en Rcbomleu (nu bewaard te
zijn; cu lm verbrak de banden,
eu werd \\mv den duivel gedre-
ven In de woestijnen.
\'M Kn Jezus vranirde bem,
xe-rfteitde: Welke is uwnaani?
Kn liij zcide; Letjo- want vele
duivelen waren in liein geva-
ren.
:il Kn zij baden bem, dat hij
liun niet \' chiedci xoude in
den afgrond tienen te varen.
\'M Kn aldaar was eene kudde
veler zwijnen, weidende on den
berg; en y.ii baden hem, dat
tii.i hun wilde toelaten in de-
zelve te varen; en hij liet liet
hun toe.
:t:t Kn de duivelen uitvarend.1
van den pieuwh, voeren in de
zwijnen; en de kudde atorttc
van de steiite al\' in liet meer,
en versmoorde.
:u Kn die ze weidden, ziende
hetgeen icesehïed vet», zijn tre-
vluelit, en henengaaiide, bood*
sehHtHen liet in de stad en o|>
bet land.
36 En zfj bIiitren uit om te
zien hetreen geschied was, en
kwamen tot Jezus, en vonden
den meuicli van welken de
duivelen uitgevaren waren,
zittende aan de voeten van
Jezus, gekleed en wèl hij zijn
verstand; en zij werden bc-
vreesd.
\'-V> Kn ook die bet gezien had-
deu, verhaalden bun hoe de
bezetene was verlost gewor-
den.
:*7 Kn de areheelc mentale van
bet Oinli\'rtrende land der (ia-
daiénen baden lieiu dat bij vim
ben arevcbia*! vaut zij Muren
met groote vrees bevangen;
en bij in het schip gegaan zijn-
de, keerde weder.
-ocr page 103-
LUC,
hein aangeraakt had, en hoe xij
terstond genezen wa».
•is Ku hij zeide tot baar:
Dochter, wen welgemoed, uw
geloot\' beeft n behouden; ga
tienen in vrede.
VJ Als lui nog sprak, kwam
daur een van Ar/ /<«<* ran den
overste der Synagoge, *eg-
geude tot hein: Lwe dochter
is gestorven; wees den Meester
niet moeit\'lijk.
H Maar Jeans dut hooiende,
antwoordde hein, zeggende:
Vrees niet; geloof alleenlijk,
en zij zal behouden worden.
51 Kn al* hij in hrt huis
kwam, liet hij niemand inkn-
nifii dan 1\'etrus en Jaeolms
en Johauocn, en den vader en
de moeder des kinds.
öi Kii zij schreiden allen e:i
maakten misbaar over ham*.
Kn hij zeide: Schreit niet; zij
is niet gestorven, maar z j
slaapt.
ai Kn zij bclachten hem, wc-
tende dat zij gestorven was.
54 Maar als hij ze allen uit-
gedreveu had, greep hij hare
hand en riep, zeggende; Kind,
sta op!
na Kn haar geest keerde we-
der. en zij is terstond opge-
Rtaaut en hij gebood dat men
haar te eten «even zoude.
5fi Kn hare ouders ontzetten
zich; en bij beval hun dat /.ij
niemand souden Keggen het
geen geschied was.
HOOFDSTUK 9.
EN zijne twaalf discipelen
samengeroepen hebbende,
Kaf hij bun kracht en macht
over alle de duivelen, eu om
Kiekten te inmeten,
- en zond ze henen om te pre-
dikeu het koninkrijk Gods, en
de krauken gezond te maken.
3 Kn lii.i zeide tot bent Neemt
niets mede tot den weg, noch
staven, noch male, noch brood,
DOCh geld; noch iemand vau u
zal twee rokken hebben.
S 9.                                                95
•t Kn in wat huis gij nok zult
ingaan., blijft alduar, en gaat
vau darir uit.
5 Ku zoo wie u niet zullen
ontvangen, uitgaande vau die
stad, schudt ook het stof at\'van
uwe voeten, tot een getuigenis
tegen hen.
tt Ku zij uitgaande, gingen alle
de vlekken door, verkondigende
het Evangelie, en genezende
de zieken overal.
7 Ku 11 e roden de Viervorst
hoorde alle de dingen die vau
hem geschiedden, en wa- twij-
1\'eluioedig, omdat vau BOIU-
migeu gezegi »erd, dat Jo-
haunes van de doude.t w as
opgestaan;
s eu van sommigen, dat Elia
verschenen was; eu \'\'«,i nude-
ren, dat een Profeet van de
ouden was opgestaan.
9 Ku llerode* tride: Johanues
heb ik onthoofd: wie is nu
deze, van welken ik zulke dïu-
gen hoor? Ku hij zocht hem
te zien.
ld Ku de Apostelen wederge*
keerd zijnde, verhaalden hem
al wat zij gedaan luidden. Ku
hij nam ze mede, en vertrok
alléén in eeue woeste plaats der
stad genaamd Bctlntalda.
11    K,i de scharen dat ver-
staande, volgden hem; en hij
ontving ze, en sprak tot hen
vau hit Koninkrijk Oud*; en
die genezing van noode hadden,
maakte hij gezond.
12  Kn de dag be/ou te dalen;
en de twaake tot heil) komende,
zeiden tot hem : l.aat de schare
van u, opdat zij henen gaande
in de omliggende vlekken en
in de dorpen, herberg nemen
3
mogen, en Spijs vinden; want
wij zijn hier in eeue woeste
plaats.
13   Maar bij zeide tot hen:
Reeft gij bun te i ten. Kn zij
zeiden: Wij hebben niet meer
dan vijf broodeu eu twee via*
scbeii; tenzij dan dat wijheuen-
traau eu spijs koopen voor al
dit volk.
-ocr page 104-
«I                                        LUC
14  Want daar waren omtrent
vijfduizend mannen. Doch tiij
AS 9.
verliezen of schade zijns stift
lijden ?
*_*ti Want zoo w ie zich mijns en
mijner woorden zal geschaamd
hebben, diens zal de Zoon des
meiiselien zich srliamen, wan-
neer hij komen zal in zijne
heerlijkheid en in de kerrtiik\'
heid
des Vaders en der heilige
Engelen.
27 En ik zeg u waarlijk, daar
zijn sommigen deryenen die
iner staan, die den dood niet
zullen smaken, totdat zij het
Koninkrijk Coda zullen gezicu
hebbeu.
2rt En het geschiedde omtrent
acht ilti.:-t-n i.ji deze woorden,
dat hij medenam Petrus en Jo-
liaiines en Jacobus, eu klom
op den bent om te bidden.
2!) Kn als hij bad, werd de ge-
daatlte zijns aainrezichts ver-
auderd, en zijne kleeding wit
en zeer blinkende.
;iti En zie, twee uiaunen spra*
ken met hein, welke waren
Mozes eu Klia:
31 dewelke gezien zijnde in
heerlijkheid, zeiden zijnen uit-
gang dien hij zoude vulbrcir
geu te Jeruzalem.
:;-.\' Petrus nu eu die niet hem
varen, wareu met slaap be-
zwaard; en ontwaakt zijnde,
zagen zfj zijne heerlijkheid e»
de t»ee mannen die bij hem
stonden.
•(3 Eu het geschiedde als zij
van hem alWhcidden, zoo zei-
de Petrus tot Jezus i Meester,
het is goed dat wij hier zijn;
en laat ons drie tabernakelen
maken, voor u éciien, en voor
Mozea ééneu, eu voor Elïa
ééneu, niet wetende wat bij
zeide.
\'il Als hij nu dit zeide, kwam
eene wolk eu overschaduwde
hen; en zij werden bevreesd,
ala die in de wolk ingingen.
36 Eu daar geschiedde eene
stem uit de wolk, zeggende:
Deze is mijn geliefde Zoon;
hoort hem.
\'.\'•<> En als de stem geschiedde.
11
zeide tot zijne discipelen: Doet
hen neder/u ten bij afdeeliugcu,
eik van vijftig.
15  K» zij deden nlzóó, en deden
ze allen nederaitten.
16  En hij, de vijf brooden en de
twee visscheu genomen heb-
bende, zag op i ii,ir den hemel
en zegende die, en brak ze, en
rai ze den rticipcleu om der
sehare TOOT te leggen.
17  En zij aten en werden allen
verzadigd; en daar werd opge-
nomen Letteen hun van de
brokken overgeac boten was,
twaalf korven.
is Ku liet geschiedde als lifj
alléén was, biddende, dat de
discipelen niet hem waren, en
hij vraagde bun, zeggende:
\\\\ie zeggen de scharen dat ik
ben ?
19 Kn zij antwoordende, iei-
den-. Jobaunea de Duoper; en
anderen, Klia; en anderen, dat
eenig Profeet van de ouden
opgestaan is.
•21) En hij zeide tot hen : Maar
gijlieden, wie zegt iflj dat ik
ben? En Petrus antwoordende,
zeide: De Christus God.».
21   En hij gebood hun scher-
pelijk en beval dat zij dit uie-
iiia.ul zeggen zouden,
22    zeggende : De /....... des
meusebeu moet veel lijden,
en verworpen worden van de
Ouderlingen en O verpriesters
en Schriftgeleerden, en gedood,
en ten derden dage opgewekt
worden.
%i En hij zeide tot allen : Zoo
iemand achter mij wil komen,
die verloochene ziciizelvcu, en
neme zijn kruis dagelijks op
en volge mij.
24 Want soa wie zijn leven be-
houdeu n il, die uil het vcrlie*
teut maar zoo wie zijn leven
verliezen zai om mijnentwil,
die zal bet behouden.
2.ï Wölit wat bant het een
mensch die de gebeele wereld
zoude winnen, en zichzelveu
-ocr page 105-
LUCAS 3
zoo werd Jezus alléén gevon-
den. Ku zij Kwegen f til, en
verhaalden in die dn:- n nie-
mand iets van hetgeen zij ge-
zien iiadden.
:<j Ku hel geschiedde des
daags daaraan, nis /.ij van
deu berg afkwamen, dat hem
eene (froote schare te geunoet
kwam.
3fl Kn zie, een man vim de
schare riep uit, zegende:
Meester, ik bid u, zie toch
mijnen zoon aan. want liij is
mij een eenlggeborene:
:J9 en zie, een geest neemt
hem, en vim stonde aan roept
liij, en liij scheurt hem dat
Uij schuimt, en «ijkt nauwe*
lijk» vim hem, eu verplettert
hem;
4ii en ik heb uwc discipelen
gebeden dat zij hem zouden
ging onder hen, namelijk wie
van beu de meeste ware.
47 Maar Jezus ziende de over-
leïnjring hunner harten, nam
een kindekeu en stelde dat bij
zich,
43 en zeide tot hen: Zoo wie
dit kindeken ontvangen zal in
inijneu uaaui, die ontvangt mij;
eu zoo wie mij ontvangen zal,
die ontvangt Hem die mij ge-
zondeu heeft. Want die de
minste ouder u allen is, die zal
groot zijn.
i\'1 Ku Julia: nes antwoordde
eu zeide: Mei-ster, wij hebben
eeuen gezien die iu uwen naam
de duivelen uitwierp, eu wij
hebben *t hem verboden, oin-
dat hij k met ons niet volgt.
"ei Ku Jezus zeide tot hem:
Verbiedt liet niet, want wie
tégen ons niet is, die is vóór
uitwerpen, en zij hebben niet
gekund.
41 Kn Jezus antwoordende,
reide: O ougeloovig en ver-
keerd geslacht, hoe lang zal
ik nog bij ulieden zijn eu ulie-
deu verdragen ? Breng uwen
zoon hier.
43 Kn nog als hij naar hem
toe kwam, scheurde hem de
duivel eu verscheurde kern;
maar Jezus bestrafte den on-
reinen «eest, en maakte het
kind getond, eu gaf hem zijnen
vader weder.
ft Kn zij werden allen versla-
Ken over de grootdudiirheid
Gods. Eu als zij allen zich ver-
wonderden over alle de dingen
die Jezus tredaan had, zeide hij
tot zijne discipelen :
H Legt cij deze woorden in
uwe ooren: Want de Zoon des
mentenen zal overgeleverd
worden m der mentenen ban*
15 Maar zij verstonden dit
Woord niet, eu het was voor
hen verdorren, alzo» dat zij
bet niet be-rrepen; en zij vrees-
den van dat woord hem te
Traeen.
\'\'I Kn daar rees eene overleg»
51 Kn het geschiedde al» de
dagen zijner opneming vervuld
werden, zon richtte hij zijn
aangezicht om naar Jeruzalem
te reizen;
5- en hij zond boden uit voor
zijn aangelicht, eu zij benen-
gereisd zij.ule, kwamen iu een
vlek der Samaritanen, om voor
hem herberg l<* bereiden.
63 Kn zij ontvingen hem niet,
omdat zijn aangelicht Mas at*
reizende naar Jeruzalem.
54    Als nu zij.,e discipelen
Jacobus eu Jnhannes dat sa*
gen, zeiden zij: Ileere, wilt
\'.rij dat wij Keggen, dat vuur
van den hemel nederdale en
dezen verslinde, gelijk ook Küa
gedaan heeft?
55  Maar zich omkeereude, be-
straftc hij ze en zeide: Gij
weet niet van boedauigeu geest
gij üijt;
5li want de Zoon des ïneiisclieu
is niet gekomen om der men-
schen zielen te verderven, maar
om te behouden. Kn zij giu-
gen naar een ander vlek.
57 Kn het geschiedde op den
weg als zij reisden, dat eeu
tot hein zeide: Ileere, ik tal
-ocr page 106-
OH                                                   LUC.
u volgen waar gtj ook heuem
gaat.
58  Kn .ir/.ii" zeide tot hem:
De vossen hebben holen, en de
vogelen dei hemels neuten;
maar de Zoon des menleken
heeft niet «aar iiij het hoofd
nedcrlegire.
59  En hij selde tot renen an-
deren: Vol; mij. Doch hij zei-
de: Heere, laat mij toe dat ik
henenga en eerst mijnen vader
begrave.
fio Maar Jezus geide tot hem:
Laat de dooden hunne dooden
begraven; doeli gij, ga henen
eu verkondig het Koninkrijk
Gods.
til Bn ook een ander zeide:
Heere, ik zal u volgen: maar
laat mij eerst toe dat ik afscheid
neme van degenen die in mijn
hui* zijn.
fV2 En Jezus zeide tot hein:
Niemand die zijne haud aan den
ploeg slaat en ziet naar het-
Seen achter is, in bekwaam tot
et Koninkrijk Gods.
HOOFDSTUK 10.
EN na dezen Ktelde de Heere
nog zeventig anderen, en
zond ze henen voor zijn aange-
zielit, twee en twee, in iedere
stad eu plaats waar hij komen
zoude.
2   il ij zeide dan tot beu: De
oogst is wel ir root, maar de
arbeiders zijn weinige; daarom
bidt den Heere des nugstt s, dat
hij arbeider» in zijnen oogst
uitstoot*.
3  Gaat henen: zie, ik zend u
als luiniuereu in het midden
der wolven.
4  Draait geenen buidel, noeh
male, noch schoenen» eu groet
ïiieiuand op de:i weg.
ó Eu in wat huis gij zult in-
gaan, zegt eerst: Vrede zij
dezen huize!
ti En indien aldaar een zoon
des v red es is, zoo zal uw vrede
op hem rusten; inaur indien
niet, zoo zal «ie tred* tot u
wederkeeren.
S 10.
7 En blijft in dat huis, ctrude
eu drinkende hetgeen van beu
voorgezet wordt; want de arhei-
dcr is zijn loou waardig, (iaat
niet óver van Uet time hui» iu
het andere huis.
• Eu in wat stad gij zult lu*
gaan eu zij u ontvangen, eet
hetgeen ulieden voorgezet
wordt;
\'J eu geneest de kiaukeu die
daarin zijn, en zegt tot hen:
liet Koninkrijk Gods is nabfj
u gekomen.
10  Maar in wat stad gij zult
in. hui, eu zij u niet otttvau*
gen, uitgaande up hare strutuu
zoo zegt:
11   Ook het stof dat uit uwe
stad aan ons kleeft, seh
71
udden
wij af op ulieden; nochtans
a-eet dit, dat bet Koninkrijk
Gods nabij u uekonien is.
1\'ï Eu ik zeg u. dat het
dien rtia Sodoiu verdraaglijker
wezeu zal in dien dag dan die
stad.
13  Wee u Cborazin, wee u
Betbsalda! Want zoo in Tvrus
eu Sidon de krachten geschied
waren die in il .resehied zijn,
zij zouden eertijds in zak en
aseb zittende, zich bekeerd
hebbeu.
14  Doch het zal Tyrus en Si-
don verdraaglijker zijn iu liet
oordeel dan ulieden.
Ifi Eu gij Kapérnaum, dut tut
den hemel toe verhoogd zijl,
gij zult tot de hel toe nedcrgc-
BtOOteu worden.
I(> Wie u hoort, die hoort mij.
eu w ie u verwerpt, die verwerpt
mij; eu wie mij verwerpt, die
verwerpt dengenen die mij ge-
zonden beeft.
17 En de zeventig zijn weder -
gekeerd met blijdschap, ze„--
gende: Heere, ook de duivelen
zijn ons onderworpen in uwen
raam.
1» En hij zeide tut hen: Ik
zag deu satan hls een bliksem
uit deu lieinet vallen.
19 Zie, ik geef u de macht om
op slangen eu Fcliorpiocnen te
-ocr page 107-
LUC
treden, en over alle kracht des
vijand»; en geen ding zal n
ceuigszius beschadigen.
2(1 Doch verblijdt u dafirin
niet, dat de geesten u onder-
worpen zijn; maar verblijdt u
veelmeer dnt uwe nainen ge-
•chretcn zijn in de hemelen.
21  Te dier ure verheugde zicli
Jezus in di\'it geest, en geide:
Ik dank U Vader, Ileere de*
hemel» en der narde, dnt gij
deze dingen voor de wijzen en
verstaudiren verborgen hebt,
en hebt dezelve de.i kinderkens
geupen bnurd; ja. Vader, want
alzóó is geweest bet welbeba-
md voor U.
22  Alle dingen zijn mij van
mijnen Vader overgegeven; en
niemand weet wie de Zoon is
dan de Vader, en wie de Vader
is dan de Zoon, en wien liet de
Zoon zal willen open baren.
2\'A En zich keereudo naar de
discipelen, seide hij tut k*»
alléén: Ziili : zijn de oogcn die
zien hetgeen gij ziet.
24  Want ik zeg u dat vele
Proleten en koningen hebben
begeerd te zien hetgeen gij ziet,
en hebbeu het niet gezien, en
te hoeren hetgeen gij hoort, en
hebben het niet gehoord.
25  Ku zie, een zeker Wetge-
leerde stond op, hein vcrzoe-
kende, en zeggende; Meester,
wat doende zal ik het eeuwige
leven beërven ?
26  Ku hij telde tot hem: Wat
ia in de Wet geschreven? Hoe
keest gij \'
27  Kn hij antwoordende, reide ;
üij zult den Ileere uwen (nul
liefhebben uit geheel uw hart
en uit geheel uwe ziel eu uit
geheel uwc kracht eu uit geheel
uw vermand, ca uwen naaste
als uzclveu.
38 Eu hij zeide tot hem: Gij
hebt recht geantwoord i doe
dat, en gij zult leven.
U Maar iiij willende ziehzel-
ven rechtvaardigen, zeide tot
Jezus: Bu wie is mijn naaste:\'
30 Ku Jezus antwoordende.
VS 10.                                                 VO
telde: Keu zeker iiieusch kwiau
at\' van Jeruzalem naar Jericho,
e.i viel ouder de moordenaars,
welke hum ook uitgetogen en
daartoe zware slagen gegeven
hebbende, heiiengiugeu, en lie-
teu hem halfdood liggen.
.\'U Ku bijgeval kwam een ze-
ker Priester dien weg at\', eu
hem ziende, ging hij tegenover
hem voorbij.
:« En desgelijks ook een Lc*
vlet, al* hij was bij die plaats,
kwam hij eu zag hem, eu ging
tegenover hem voorbij.
:tt Maar een zeker Samaritaan,
reizende, kwam omtrent hem,
en hem ziei.de, werd hij met
innerlijke ontferming bewo-
gen;
\'il en hij tot hem gaande, ver-
bouil zijne wonden, gietende
duarin olie ea wijn; en bent
beffende op zijn eigen beest,
voerde hij hein in de herberg
en verzorgde hem.
:t-\'t Kn des anderen daags, weg-
gaande, langde hij twee pen-
n in gen uit, en gaf zeden waard,
eu zeide tot hem: Draag zorg
voor hem; eu zoo wat gij meer
aan hem ten koste zult leggen,
dat zal ik u wedergeven als ik
wederkom.
36 Wie dan van dese drie dunkt
ll de naaste geweest te zijn
desgeneu die onder de moor-
di-uaars gevallen was?
:t~ Kn hij zeide: Die banuliar-
tigheid anu hem gedaan heeft.
Zoo zi\'ide dan Jezus tot hem:
(ia henen eu doe gij desgelijks.
\'tx Kn het geschiedde als zij
reisden, dat hij kwam in ecu
vlek; eneene zekere vrouw, met
neme Mnrtha, ontving hem in
haar huis.
:<!i Ku deze had eene zuster,
genaamd Maria, welke ook zit*
tende aan de voeten van Jezus
zfju woord hoorde.
i i Doch Martha was zeer bc/.ig
met veel dteueus, eu daar bij-
komeude, zeidezij : Heerc.trekt
gij u dat niet aan, dat mijne
zuster mij alléén laat dienen?
-ocr page 108-
100                                              LUC
Zeg dan haar dat zfj mij lielpe.
41  Eu .ir7.li» antwoordende,
zeide tot haar: Martini, Mar*
tha, gij bekoom inert en ontrust
u over vele dingen,
42  maar één ding is noodig;
doch Maria heeft net goede deel
uitgekozen, hetwelk vnu haar
niet zal weggenomen worden.
HOOFDSTUK 11.
EN het geschiedde toen hij in
eenc zekere plaats wasbid*
deude, als hij o|)hield, dat een
van zijne discipelen tot hem
zeide: Ileerc, leer ons bidden,
gelijk ook JonannCl zijnen dis-
cipelen geleerd heeft.
2  En hij zeide tot hen i Wan-
neer gij bidt, zon zegt: Onze
Vader die in de hemelen zij/,
uw naam worde geheiligd; uw
Koninkrijk home; UW wil go-
sehiode gelijk in den hemel
tihoti ook op de narde;
3  geef ons eiken dag ons dage-
lijksch brood;
4  en vergeel ons onze zonden,
want ook wij vergeven aan een
iegelijk die ons schuldig is; en
leid ons niet in verzoeking,
maar verlos oni van den boozc.
5  Eu hij geide tot hen: Wie
van u zal eenen vriend hebben,
en zal te middernacht tot hem
"\'iiiin.in tot hem zeggen : Vriend,
leen inij drie broeiden,
fi overmits mijn vriend van de
reis tot mij gekomen is, en ik
helj niet wat ik hem voorzette:
7 en dut die van binnen ant-
WOOrdeude, zoude zeggen : Doe
nifj peen moeite aan; de deur
is nu gesloten, e.i mime kin-
deren zijn met mij in de slaap-
kamer: ik kun niet opstaan om
u te geven?
S Ik zeg ulieden, hoewel hij
niet zonde opstaan en hem
geven omdat hij zijn vriend
Is, nochtftna om zijner onhc-
acnaamdheid wil zal hij op-
ita&n on hem geven zooveel als
hij er behoeft.
9 Eu ik zeg ulieden: Bidt,
AS 11.
en u zal gegeven worden ; zoekt,
en gij zult vinden; klopt, en u
zal ofieugedaau worden.
10  VVftiit een iegelijk die bidt.
die ontvRiigt; en die zoekt,
die vindt ; en die klopt, dien
zal open -, . .. n morden.
11   En wat vader onder u,
dien de zoon oin brood bidt,
zal hem eenen steen geven ?
of ook om eenen viseh, zal
hem voor eenen viseh eene
slang geven?
1_ Of zoo hij nok oni een ei
zoude bidden, zal hij hein ecu
schorpioen geven?
l\'t Indien dan gij die hoos
zijt, weet uwen kindereu goede
gaven te geven, hoeveel te
meer zal de heuielsehe Vader
den Heiligen Beest geven den-
genen die Hem liiddeu!
14 Kn hij wierp eenen duivel
uit, en die was stom; en het
geschiedde als de duivel uitge-
vuren w as, dat de stomme
sprak. Kn de bchnreu verwnn-
derdeu zieh;
l.\'i maar sommigen van hen
zeiden: Hij werpt de duivelen
uit door lieclzebul, den ovcr-
BtC der duivelen.
Ui En anderen hem rcrzoe-
kcude, begeerden van hem een
teekeu uit den hemel.
17 Maar hij kennende hunne
gedachten, zeide tot hen -. le-
der koninkrijk dat tegen zich-
zelf verdeeld is, wordt vcr-
woe-t; en een huis teeeu zich-
zelf rerrleeltt runde, valt:
Is indien uu ook de satan
tegen lïchf elven verdeeld is,
hoe zal zijn rijk bestaan? De-
wiil irii zegt dat ik door Be*l-
zebnl de duivelen uitwerp.
Mi Kn indien ik door Hefclze-
bul de duivelen uitwerp, door
tt ieu werpen uwe zniieu ze
uit? Daarom zullen dézen uwe
rechters zijn.
•_\'" Maar tr dien ik door den
vinger Gods de duivelen uit-
werp, zoo is dan het Kom uk-
rijk (ïods tot u gekomen.
21 Wanneer een sterke gewa-
-ocr page 109-
LUCAS 11.
Ml
pende zijn liof bewaart, zoo is
ui wat lnj heeft, in vrede;
22   maar ;il- een daarover komt
die sterker is dan hij, en lieiu
overwint, die ueemt zijne ge-
heele wapenrusting waar hij
op vertrouwde, en deelt ziji.cn
roof uit.
23  Wie met mij niet ip, die is
tégen inij; i\'n wie met mij niet
vergadert, die verstrooit.
2-t Wanneer de onreine geest
van den meuteli uitgevaren is,
Zoo (raat hij door dorre plaat-
sen. Koekende rust, en die niet
vindende, zegt hij : Ik zal we-
derkeeren in mijn huis naar ik
uitgevaren ben;
26 en komende, vindt hij liet
met bezemen gekeerd en ver-
sierd.
2fi Dan gaat hij henen en
neemt met zich zeven andere
geesten, boozer dan hijzelf
is, eu mg< gaan zijnde, wonen
zij aldaar; en bet laatste van
dien mensen wordt erger dun
het eerste.
27 Eu het \'.i"rliii-il.].\' als lifj
deze dingen sprak, dat een e ze*
kere vrouw de stem verbefft*nde
uit de schare, tot hem geide:
Zalig is de buik, die u gedra-
gen heeft, eu de borsten, die
gij hebt gezogen.
2m Maar hij zeide: Ja, zalig
zijn degenen die het Woord
God» hoon-n en hetzelve be-
waren.
29 Ku als de scharen diebt b|J-
cenvergaderden, begon bij te
zeggen: Dit is een hoos geslacht:
het verzoekt een terken, en aan
hetzelve zal geen teeken gege-
veu worden dan het teeken van
•lona den Profeet.
•iit Want gelijk Jona voor de
Niuevieten een teeken geweest
\'S, n!/.uu zul ook de Zoon des
menschen zijn voor dit geslaebt.
31 i)c Koningin, van het Zui-
den zal opstaan in het oordeel
met de Diannen van dit ge-
s\'acht, eu zal ze vrroordeeleu ;
want zij i» gekomen van de
\'inden der aarde om te ltooren
de wijsheid van Salomo; eu zie,
meer dan Salomo ia bier.
32 l>e uiamieu van Ninevé zul-
len opstaan in het oordeel met
dit geslaebt, en zullen hetzelve
veroordeeleu; want zij hehbeu
zieb bekeerd o|> de prediking
van Jona. en zie, meer dan Joua
is hier.
.\'(.\'{ Kn niemand die eeuc kaars
ontsteekt, zet die in het ver-
borgen noeli onder eene koren-
maat, maur op eeuen kaude-
laar, opdat degenen die iuko-
men het licht zien mogen.
34  De kaarb des lichaam» is
het oog: wanneer dun uw oog
eenvoudig is, zoo is «tuk uw
geheele lichaam verlicht; maar
zoo het boos is, zoo is ook uw
geheele lichaam duister.
35  Zie dan toe, dat niet het
licht hetwelk in u is, duister-
nis zij.
:W Indien dan uw liehnam ge-
heel verlicht is, niet hebbende
ecnig deel dat duister is, zoo
zal het geheel verlicht zijn, ge-
lijk wanneer de kaars niet het
schijnsel u verlicht.
:t7 Als hfj nu dit sprak, bad
hem een zeker Parizeer, dat hij
bij hem bet middagmaal wilde
eten; en ingegaan zijnde, zat
bij aan.
:is Eu de Parizeer dat ziende,
verwonderde zieb dat hij niet
eerst vóór het middagmaal zieh
gewasselieu had.
:i9 En de lleere zeide tot hem:
Nu, gij Parizeer*, gij reinigt
het buitenste des drinkbekers
en des schotels, maar het bin-
neuste van u is vol van rnufeu
boosheid.
4t) Gij ouverstandigen, die bet
buitenste beeft gemaakt, heeft
Hij ook niet het binnenste ge-
maakt?
41  Doch geeft tot aalmoezen
hetgeen daarin is, eu zie, alles
is u rein.
42    Maar wee u, Parizeer»;
want gij vertient niunte en ruit
en alle uiocskrutd, eu gij gaat
voorbij het oordeel eu de liefde
-ocr page 110-
\\s IS.
geleerden en Karizei\'rs hard onn
te houden, en hem van vele
dingen te dnen spreken,
54 hem lagen leggende, en
zoekende let» uit zijnen mond
te bejagen, opdat zij hem be-
Echuldigeu mochten.
HOOFDSTUK 12.
ALS intnssrheii vele duizen-
den der schare bijeenver*
gaderd waren, zoodat zij eik-
ander vertraden, begon bij te
zeggen tot zijne dist-i pelen :
Vooreerst, wnelit uzelven voor
den zuurdcescni der Farfzeers,
welke is «eveinsdheid.
•2 En daar is niets bedekt dat
niet zal ontdekt worden, en
verborgen d,a niet zul geweten
worden.
:f Daarom al wat gij in de dni --
ternis gizegd hebt. zal in het
lieht gehoord worden; en wat
gij in het oor gesproken hebt
in de binnenkamer*, zal au de
daken gepredikt worden.
1 En ik zeg it mijnen vrien-
den, vreest niet voor degenen
die het lichaam dooden, en
daarna niets méér kunnen
doen;
.\'. maar ik znl u toonen wien
gij vreezen zult: vreest dien,
die nadat Hij gedood heeft, ook
macht heelt in de hel te wer-
Sen: ja, ik zeg u, vreest
ien.
fi Worden niet vijf musehkens
verkocht voor twee »cimings-
ki\'iiv\' Eu niet één van die is
voor God vertelen.
7 Ja, ook de haren Itwa hoofd*
zijn alle geteld. Vreest dan
niet: «ij gaat vele muscltkens
te boven.
H Kit ik zeg u, een iegelijk die
mij belijden zal voor de men-
sehen, dien zal ook de /nou des
meiisehen belijden voor de En-
gclcn Gods;
!> maar wie mij verloochenen
zal voor de meiisehen, die znl
verloochend worden voor de
Engelen Gods.
IlC                                            LUC
fiods. Dit morst men doen en
het andere niet nalatee.
43   Wee u, Furizeërs; want
jcij bemint liet voorirestnclte in
de Synagogen, en de begroet in*
gen nji de markten.
44  Wee u, gij Schriftgeleerden
en Fartzefir*, gij geveinsden -,
want gij zijl «elijk de graven
die niet openbnar zijn, en de
llieuieben die daarover \\tandc-
len weten \'t niet.
4"> Btt een van de \\Vet<releer<
den antwoordende, zcide tot
beui: Meester, nis gij deze din-
gen Met zoo doet gij ook ons
smaadlicid aan.
*i Doelt liij telde 1 Wee ook u,
Wetgeleerden, want gij belast
de mensrlieii met lasten zwaar
Olll CC dragen, en zelven raakt
u-ij die lasten niet aan met één
van uwe vinïereii.
47 Wee u; want gij bouwt de
(Traven der Profeten, en uwc
vaderen hebben deze 1 ven ge-
diood.
4* Zei\' getuigt gij dan dat gij
mede behagen hebt aan de
werken uwer vaderen; want zij
hebben ze gedood, en gij bouwt
hunne graven,
4\'.i Waarom nok de Wijsheid
Godi zegt: Ik zal Profeten en
Apostelen tot hen zenden, en
van die zullen zfj tommigeit
doodeu, en mmmige* zullen\'zij
uitjagen,
Jili opdat van dit geslacht at-
gcüischt worde het bloed van
alle de Profeten dat vergoten
is vnu de grondlegging der we-
reld af,
fil van het bloed Ahela tot liet
bloed van Zneharia, die gedood
is tusacbeii het altaar en het
tlnis fiodn ,- ju, :vz ik u, het
/.al afu\'eëischt worden van dit
geslaeht.
Ü Wee u, «Ij Wetgeleerden;
want gij sent den sleutel der
kennis weg::enouien : gijzelveu
lUt niet ingegaan, en die in-
gingen, hebt gij verhinderd.
Ml En al* hij deze dingen tot
hen zeidc, begonnen de Schrift*
-ocr page 111-
LUC
Ui En een tegelijk die eenig
woord spreken /.ai tegen den
üoon des menscheu, het zul
hem vergeven worden; maar
wie teren den lleiligeu Geest
gelasterd zul hebben, dien zul
liet niet vergeven worden.
11   i:,i wanneer /.ij u licucn*
brengen zullen in de Synngo-
gen en tot de overheden en de
machten, zou zijt nici bezorgd,
boe iit\' wat «ij toe verantwoor*
ding zenden of wat gij spreken
zult;
12  want de Heilige Geest zal
u in die ure loeren hetgeen yii
spreken moet.
i:{ Kn een uit d" ncliare zeide
tot hClll: Meester, zc« ulijnen
broeder dat hij met mij de
erfenia deele,
M Maar liij Belde, tot hem i
Mengelt, wie heeft mij tot een
rechter ntscuculMuuu over ulie-
deu verteld!
IS Ku Iiij zeide tot lien: Ziet
toe en wacht u van de «icri«-
heid; want liet is niet in den
overvloed gelegen, dat iemand
leeft uit zijne goederen.
1\'i Kn 11ij Zeide tot ben eeue
gelijkenis, en sprak: Eeim ril-
Ken meuseheii lauil lind wél
gedragen;
17 en hij overleide bij zich*
zelven, zeggende: Wat zal ik
doen? want ik heb niet waarin
ik mijne vruchten zul verzu-
meleu.
IM Kn liij zeide: Dit zal ik
doen: ik zal mijne schuren at\'-
lirekcu eu «runtere bouwen, en
zal aldaar verlamden al dit
mijn gewas eu deze mijne (roe-
dereu,
19   eu ik zal tot mijne ziel
leggen: Ziel, gij hebt vele goe-
deren die opgelegd ziju voor
vele jaren ; neem rust, eet,
drink, wee» vroolllk.
20  Maar God zeide tot hem :
Gij dwaas, In dezen nacht zal
men uwe ziel win u iit\'cischcu;
en hetgeen gij bereid hebt,
wiens zal liet zijn?
21    Al.\'.ui» \\t \'t wet ditn die
\\S l_\\                                             103
ilchselven schatten vergadert,
eu niet rijk is in Oud.
23 Ku liij zeide tot zijne dis-
cipelen: l>naroin zee ik u, zijt
niet bezorgd voor uw leven,
wat «ij eten zult, noch voor
liet lichaam, waarmede KÜ u
kleeden zult:
\'-\':t het leven is meer dan het
voedsel, en liet lichaam dan de
kleedlug.
-i Aanmerkt de raven, dat zij
niet za lien noch maaien, welke
«een spijs kam er noch schuur
hebben, en God voedt dezelve:
hoeveel gaat KÜ de vogelen te
boven!
•J."i Wie toch van u kan met
bezorgd te xfju ééneel tot zijne
lengte toedoeo?
•Jti Indien «ij dan ook het min-
ste niet kunt, wat zijt «ij voor
andere dingen bezorgd"\'
.7 Aanmerkt de leliën, boe zij
wassen: zij arbeiden niet eu
spinnen niet, eu ik zeg u, ook
Salomo in al zijne heerlijkheid
is niet bekleed geweeat als ééne
van deze.
SN Indien nu God het gras,
dat heden op bet veld is eu
morgen in den oven geworpen
wordt, alzoo bekleedt, hoeveel
te meer U, "ij kleingelnnvigcu!
2".) Kn irijliedeu, vraa\'t niet
wat «ij eten of wat L\'ij drinken
zult, eu weest niet wankel-
moedig;
:|D want alle deze dingen zoe-
ken de volkeren der wereld:
maar uw Vader weet dut «ij
deze dingen behoeft.
31 Maur zoekt het Koninkrijk
God*, eu alle deze dingen zul-
Ion u toegeworpen worden.
\'M Vrees niet, «ij klein kudde-
ken; want het is uwa Vaders
welbehagen, ulieden het Ko-
uinkrijk te geven.
SI Verkoopt hetgeen «ij hebt,
en geeft aalmoes . maakt usel*
ven buidels die niet verouden,
oenen schut die niet alueeiut
in de hemelen, waar de dief
niet bijkomt uocli de mot ver-
derft.
-ocr page 112-
HU                                             LUC
ril Want waar uw schat is,
nhlaur zul ook uw hart zijn.
\'.\',\'•• Laat uwc lendenen nm.\'ord
zijn, en «Ie kaarsen brandende;
:»i en zijt gij deu mcuschen ge-
lijk die ti]) hunnen heer wach-
tcu, wanneer liij wederkomen
zal van tic bruiloft, opdat all
hij komt en klopt, zij hem
terstond mogen opendoen.
:i7 Kftlig zijn die dieiistknceh-
teu, welke de beer al» liij komt,
zal wakende vhiden: voorwaar
ik Keg H, dat tiij zieli zal om-
gorden, en ze zal doen aausit*
t<* 11; en bijkomende, zal hij ben
dienen.
ns Kii zoo hij komt in de twee-
de MflcAfwiiak, en komt in de
derde «aak, en vindt ze ai/, ió
salie zijn die dienstknechten.
30 Maar weet dit, dat indien
de lieerde» huizes \'«weten had,
in welke ure de dief zoude ko-
mt\'ii, hij zoude gewaakt hebben
en zoude zijn huis niet hebben
laten doorgraven.
4U (iij dan, zijt óók bereid;
want in welke ure t^ïj liet niet
meent, zal de Zoon des men*
sehen komen.
41   Ku lV-tnn zi\'ide tot hem:
Heere, Mirt gij deze gelijkenis
tot ons, of ook tot allen\'f
42  Kn de Heere zcide: Wie is
dan de getrouwe en voorzieh-
tige buishezoijer, dien de heer
over zijne dienstboden zal zet-
ten, om hun ter rechter tijd
liet bescheiden deel spijze U\'
geven ?
4:t Zalig is die dienstknecht,
welken zijn heer als hij komt,
zal vinden alzóó doende:
44 waarlijk, ik leg ulieden dat
hij Item over alle zijne goede-
ren zetten zal.
•15 Maar indien die dienst-
knecht i" zijn hart zou zeg-
gen: Mijn beer vertoeft te
komen, en zoude becinnen de
knechten en de dienstmaagden
te slaan, en te eten en te drin-
ken en dronken te worden,
4)> zoo zal de lieer van dien
dienstknecht komen teu dage
.S 12.
op «eiken hij hein niet ver-
waeht, en ter ure die hij niet
weet, en zal hem afscheiden,
en zal zijn deel zetten met de
ontrouwen.
47 Kn die dienstknecht welke
geweten heeft den wil zijns
herren, en ziek niet bereid noeh
naar zijnen wil gedaan heelt,
die zal met vele dlaijen geslagen
worden;
4S maar die denzelvea niet ge-
weten heeft en cedaan heeft
dingt* die slagen «aardig zijn,
die zal niet weinige sint/c* ge-
slagen worden. Kn een iege-
lijk uien veel ircjevcn is, van
dien zal veel geeïscht worden;
en wieu men veel vertrouwd
heeft, van dien zal men over-
vloedtger eischen.
4\'J ik ben gekomen om vuur
Op de aaide te werpen; en wat
wil ik, indien het alrerde out-
stokeu ïs;
511 Maar ik moet met eenen
ii\'n,|i gedoopt worden, eu hoe
word ik geperst, totdat het vol-
bracht ia!
51   Meent «ij dnt ik gekomen
ben om vrede te geven op de
aarde? Neen, zeg ik u, maar
veeleer Verdeeldheid.
52  Want van nu aan zullen er
vijf in één buis verdeeld zijn,
drie tegen twee, eu twee tegen
drie;
53  de v&der zal tenen den zoon
verdeeld zijn, en de zoon tegen
deu vader; de moeder teven
de dochter, eu de dochter tegen
de moeder; de schoonmoeder
tegen hare schoondochter, eu
de schoondochter ie .vu hare
schoon moeder.
54  Kn hij zcide ook tot de schn-
reu : Wanneer eij eene wolk ziet
opgaan van liet Westen, ter-
•tondxegt gijUedeu i Paar komt
regen; en het geschiedt alsoo;
55   eu wanneer «ij deu zui-
denwiud zift waaien, zoo zeirr
gij: Daar zal hitte zijn; en bet
geschiedt.
56   üij geveinsden, het nan-
schiju der aarde eu dés hemels
-ocr page 113-
LUC
weet gij te beproeven, en hoe
beproeft gij dezen tijd niet?
57 Kn waarom oordeelt gij ook
van uz cl ven niet hetgeen reent
is?
5S Want als gij henengaat met
uwe wederpartij voor de over*
lu-id, zou beiiaarstig u op den
werf om van hem verlost te wor-
den: opdat hij misschien u niet
voor den rechter trekkc, en de
rechter u den gerechtsdienaar
overlevere, en de gereebtsdie*
naar u iu de gevangenis werpe.
59 Ik Keg u, gij zult van
daar geenszins uitgaan, n>td;it
gij ook het laatste pcnnings-
ken betaald zult hebben,
HOOFDSTUK 13.
EN daar waren te dicrzclfdcr
tijd eenlgen tegenwoordig,
die heui boodschapten van de
Galileérs, welker bloed 1\'ilatus
met hunne offeranden gemengd
had.
2  En Jezus antwoordde en zei-
de tot hen: Meent uij dat deze
Galilcërs zondaars zijn geweest
boveu alle de Galilecrs, omdat
zij zulks geleden hebbeu?
3  Ik zeg u, neen zij; maar
indien gij u niet bekeert, loo
zult gij allen desgelijks ver-
gaan.
4  Of die achttien, op welke de
toreu iu Silóaiu viel en doodde
ze, meent gij dat deze schulde-
naars zijn geweest boven alle
inenseUeu die in Jeruzalem
wonen ?
r> Ik zeg u, noen zij; maar
indien «ij u niet bekeert, zoo
zult gij allen insgelijks ver-
gaan,
fi Eu hij zeidc deze gelijkenis:
Keu zeker man had oenen vijge-
boom, geplant iu zijnen wiju-
\'.,\'aard; en hij kwam en zucht
vrucht daarop, en vond ze niet.
7 Eu hij zeide tot den wfju-
•raardeuier : Zie, ik kom nu
die jaren, zoekende vrucht op
dezen vfjgcboom, en vind zo
niet. houw hem uit: waartoe
\\S 13.                                     105
beslaat bij ook onnuttclijk de
aarde?
S En hij antwoordende, zeide
tot hem: Heere, laat hem ook
in-:/ dit jaar, totdat ik oiu hom
gegraven on niest gelegd zal
hebben;
*) en indien hij vrucht zal
voortbrengen, laitt hem stan,i;
maar indien niet, zoo zult gij
hem nainanls uitbouwen.
lil En hij leerde op den sab-
bat in een der Synagogen.
11 Ku zie, daar was eene
vrouw die oenen geest der
krankheid achttien jaren lang
gehad had, on zij was samcu-
gebogen en kou zich gansene*
lijk niet oprichten.
i2 En Jezus haar ziende, riep
se tot zich, en zeide tot haar :
Vrouw, irij zijt verlust van
uwe krankheid.
llt Ku hij leide de handen op
haar, eu zij word terstond
weder recht, eu verheerlijkte
God.
1-1 En de overste der Synago-
ge, kwalijk nemende dat Je-
zus o]» den sahbat Reneten
had, antwoordde en zeide tot
de schare: Daar zijn zes dageu
op welke men moet werken;
komt dan op dezelve on laat u
genezen, en niet op den dag
des sahbats.
15 H.\' Meere dan antwoordde
hem on zeide : Gij geveinsde,
maakt niet een iegelijk van u
op den sabbat zijnen os of ezel
van de kribbe los, oa leidt hem
henen om te doen drinken?
Ui En deze, die eene dochter
Abrahams is, welke de satan,
zie, nu achttien jaren gebot>-
dcu had, moest die niet losgc
maakt worden van dozen baud
op den dag des sabbuts?
17 Ku als bij dit zeide, wer-
don zij allen beschaamd dier
zich tegen hem stelden, eu al
de schare verblijdde zich over
alle de heerlijke dingen die van
hom geschiedden.
Is En hij zeide: Waaraan is
het Koninkrijk Gods gelijk,
-ocr page 114-
Mi                                             l.VV
en waarbij zul ik hetzelve ver-
gelijken?
lü liet is gelijk een mostaard -
laad, hetwelk een meiiscfa ge-
nomen en in zijnen bof ge-
worpeu heeft; en het wlea op
en werd ti)t eeuen grooteu
boom, en de vogelen des he-
mels nestelden in zijne t ikken.
30 En hij gelde wederom -.
Waarbij zal ik het Koninkrijk
Goda vergelijken?
21     Het is gelijk een zuur-
deesem, welken eeue vrouw
nam en verborg in drie maten
meel, totdat het geheel gc-
zuurd was,
22  Ku hij reisde van de ééne
titail en vlek tot de andere,
leercndc, en riehtcude zijne
reis naar Jeruxalem.
2:t Kn daar zeide een tot hem :
lleere, zijn er ook weinigen
die zalig worden ? Eu hij zeide
tot hen:
24 Strijdt nin In te «aan door
de enge poort; want velen
(zeg ik UJ /.nllen zoeken iu
te gaan, en zuilen niet kuu-
nen;
SS namelijk nadat de heer
des hui/.cs zal opgestaan zji,i
en de deur zul gesloten heb-
beu, en gij zult beginnen bui*
ten te ataa.i eu aan de deur
te kloppen, zeggende: lieer,
heer, doe ons open; eu hij
zal antwoorden eu tot u zeg-
gen: Ik keu u niet van waar
gij zijt.
2" Alsiloi zult gij beginnen
te zeggen: Wij hebben iu uwe
te.*cu woord igheid gegete.i en
gedronken, en gij hebt iu onze
straten geleerd.
•_7 Ka hij zal zeggen : Ik zeg
ii, ik keu u niet van waar gij
zijt: wijkt vmi mij nf, alle gij
werker» der otigereehtigheid.
2s Aldaar i, il zijn ween ing
en knersiug der tanden, wan-
neer gij zult zien Abraham eu
lsaak eu Jakob eu alle de Pro*
feten In het Koninkrijk Gods,
maar ulieden buiten uitgewur*
pen.
,\\S 14.
29 En daar zullen er komen
van Oosten eu Westen, eu
vnu Noorden en Zuiden, en
zullen aauzitt:*.! iu het Kn
ninkrijk Gods.
:n Kn zie, daar zijn laatsten
die de eersten zullen zijn, eu
daar zijn eersten die de laat-
sten zullen zijn.
:tl Te die i dage kwamen daar
eeuige Farize^-ra, zeggende tot
hem: Cia weg eu vertrek van
hier, want Herodes wil u doo-
38 Eu hij zeide tot hen: Gaat
henen tti zegt dien vos: Zie,
ik werp duivelen uit en maak
gezond, heden eu morgen, eu
ten derden dm/e word ik vol*
eiudigd.
\'M Poeh ik moet heden eu
morgen en den volgenden dag
reiz\'ti; want liet gebeurt niet
dat een Profeet gedood wordt
buiten Jeruzalem.
:tl Jeruzalem, Jeruzalem, gij
die de Profeten doodt, eu rtee-
uigt die tot u gezonden zijn,
hoe menigmaal heli ik uwe
kinderen willen bijeen verga-
dereu, gelljkcrw ijs een e hen
bare kiekens o.uier de vleuge-
ïen vergadert, en gijliedeu
hebt niet gewild.
85 Zie, uw huis wordt ulie-
den woest gelaten. Eu voor-
waar ik zeg ii, dat gij mij
niet zult zien, totdat de tijd
zul gekomen zijn als gij Kult
zeggen: Gez \'gend ij» hij die
komt Iu den naam des lleercu.
HOOFDSTUK 14.
EN het geschiedde als hij
gekomen was in het uula
I van een der oversten der I\'ari-
zeërs, "[i den sabbat, om brood
te eten, dat zij hem waarna*
men.
2 Kn zie, daar was een ze-
ker waterzuehtig meuseh vóór
Item.
8 Ku Jezus antwoordende, iei-
de tot de Wetgeleer en e.i Fa*
rizecr-s, eu sprak: la het ook
-ocr page 115-
LUCA
geoorloofd on den sabbat ge-
Zond te intiki ii ?
4 Maar zij zwegen stil. Kn hij
uniii hem en --ri,n:i- hem, en
liet hem Kaan.
-ï Kn hij li uu antwoord emir,
gelde; VYienx ezel of os van
ulieden zal in eeiieu put wal*
len. en die hem niet terstond
zk! uittrekken op den dag des
gahhats \'t
ft Ku /.ij kouden hem daarop
liet weder antwoorden.
7 Kn hij zeide tot de genon-
deu eene gelijkenis, aanmer*
kende hoe zij de vooraiiuzittiit-
gen verkoren,zengende tot hen \\
s Wanneer gfj van iemand ter
bruilnlt genood zult zijn, zoo
zet u niet op de eerste zit-
plliats; opdat niet misschien
een waardiger dan gij van hein
{feuond zij,
9   en hij komende die u en
hem rei.ood heeft, tot u zen-
Te: Ceel dezen plaat», en uij
alsdan soudt beginnen met
sehaauite de laatste plaats te
houden.
10  Maar wanneer gfj genood
zult zijn, te» henen en zet u
op de laatste plants; ojidat
wanneer hij komt die n ge-
nood heeft, hij tot u zernre :
Vriend, nu honger np : alsdan
zal het u eer zijn voor degenen
die met n aanzitten.
11  Want een iegelijk die zieli*
zelveu verhoogt, zal vernederd
worden en die ziehzelven ver*
nedert zal verhoogd worden.
12  Ku hij zeide ook .ot den-
Renen die hem genood had:
\\\\ anneer gij een middagmaal
of avondmaal zult houden, zoo
roep niet uwc vrienden, noeh
uwe broeders, noch uwe ma-
gen, uoeh bmw rijke geburen,
opdat ook dezelven u niet te
eeuiger tijd vtedemnnden en u
vergelding geschiede.
l\'\\ Muur wanneer gij een iuaul-
tijd zult honden, zoo nood
armen, verminkten, kreupelen,
blinden;
14 eu gij zult talig zijn, 0»-
S 11.                                              li>7
dat zfj niet hebben om u te
vergelden; want het zal u ver-
golden worden in de op>tau-
diug der rechtvaardigen.
16  Kn als een van degenen die
iiieileaauzaten, deze dingen
hoorde, zeide hij tot hêm:
Zalig is hij die brood eet in
het Koninkrijk (ïods.
I« Maar hij zeide tot hem:
Een zeker Inenacli hereidde een
tfront avondmaal, en hij nood*
de er velen;
17  eu hij zond zijnen dieust-
kueeht uit ter ure des avond*
ntaala, om den geuooden te
zeggen; Komt, want alle diu-
geu zijn nu eereed.
In Ku zij liegouneu allen zich
eendraehtiglijk te verontscliul.
iligen. De eerste zeide tot hein :
1 k heb eeneu ukker gekoeht,
eu het is no dig dat ik uitga
eu hem bezie; ik bid u, boud
mij voor verontschuldigd.
l\'.i Kn een ander zeide: Ik heb
vijf juk ossen gekoeht, eu ik
ga henen om die te beproeven ,
ik bid u, houd mij voor ver-
oulsehuldigd.
£n Kn een ander zeide: Ik heb
eene vrouw getrouwd, en daar-
mn kau ik niet komen.
31 Kn die dienstknecht veder*
gekomen zijnde, boodschapte
deze dingen zijnen lieer. Toen
werd de heer des huizes tonr-
nig, en zeide tot zijnen dienst*
knechti Ga liaasteltjk uit in
de straten en wijken der stad,
eu breng de armen en ver-
iniukteu en kreupelen eu hliu-
deu bier in.
".2 Kn de dienstknecht zeide:
lieer, het is geschiedt gelijk
gfj bevolen hebt, en nog is er
plaats.
Z\\ Kn de heer zeide tot den
dienstknecht: (ia uit iu de
wegen eu heggen, en dwing ze
in te komen, opdat mijn huis
vol worde;
•J4 want ik gag ulieden, dat
niemand van die mannen die
genood waren, mijn avondmaal
smake.i zal.
-ocr page 116-
1(18                                                  LUC/
25 En vele scharen gingen met
hem; en liij ïieb omkeereude,
ïi-ide tot In ii :
_ii Indien iemand tot mij
komt, en niet huat zijn rader
en moeder, en vrouw en kin-
deren, en broeders en zusters,
ja, ook xell\'s zijn eigen leven,
die kan inijn discipel niet
2j en wie zijn knus niet
draaft en mij uavoltrt, die kan
mijn discipel niet zijn.
Set Want wie van u willende
eeneii toreu bouwen, zit niet
eerst neder en overrekent de
kosten, ot\' liij ook heeft bet*
geen tot volmaking ttoodig i«.\'
39 opdat niet misschien, al*
hij het fundament gelegd heeft
en niet kan Voleindigen, allen
die liet zien, hem beginnen te
bespotten,
,\'ill zeggende: JVze mensch
heeft begonnen te bouwen, en
heeft niet kunnen voleindigen.
.\'tl Of wat koning gaande naar
den krijg, om tegen een en ande-
reu Koning te slaan, zit niet
eerst neder en beraadslaagt,
ot\' bij machtu* is met tien
duidend te ontmoeten dengenen
die met twintig duizend tegen
hem komt ï
\'.i\'2 Ander» zendt hij gezanten
uit, terwijl gene nor verre ie,en
begeert hetgeen tot vrede dient,
\'.\'•\'.<
Alzóó dan een iegelijk van
u die niet verlaat alles «at hij
heeft, die kun mijn discipel
niet zijn.
34     1 let zout is goed; maar
indien het zout smakeloos ge*
worden is, wnarmede zal het
smakelijk gemaakt worden?
35  Het It uoeh voor het land
noch voor den uie-thoop ge-
schikt: men werpt het Weg.
Wie ooren heeft om te booren,
die hou re.
HOOFDSTUK 16.
EN alle de tollenaars cu de
zondaars naderden tot hem
om In-u\' te uooreu.
S 15.
\'2 En de FariteCri en de Schrift*
geleerden murmureerden, zeg-
gende: Dcse ontvangt de zon-
daars, en eet uiet ben.
\'A En hij sprak tot hen deze
gelijkenis, gereende:
4  Wat mensen onder u, heb-
l.\' .uii\' honderd schapen, en
één van die verliezende, verlaat
niet de negen en negentig iu
de woestijn, en gaat naar het
verlorene, totdat hij hetzelve
vindt\'
5    En als hij het gevonden
heeft, legt hij het op zijne
schouders, verblijd zijnde;
tl eu te huis komende, roept
hij de vrienden en geburen
te zameu, zegende tot hen:
Meest blijde met mij, want ik
heb mijn schaap gevonden dat
verloren was.
7  Ik zeg ulieden dat er al zóó
blijdschap zal zijn m den hemel
over ééneu zondaar die zich
bekeert, meer dan over negen
en negentig rechtvaardigen, die
de bekeeriug niet van noode
hebhen.
8  Of wat vrouw, hebbende tien
penningen, indien zij ééneu
penning verliest, ontsteekt niet
eene kaars, en keert het huis
ttiet bezemen, eu zoekt uaarsti£-
lijk totdat zij dien vindt?
Si Eu als zij dit» gevonden
heeft, roept zij de vriendinnen
en de ge burinnen te zamen,
zeggende: Weest blijde met mij,
want ik heb den penning ge-
vonden dien ik verloren had.
lil Alsoó (seg ik ulieden) is
daar blijdschap voor de Entfe-
leu lïoda over ééneu zondaar die
zich bekeert.
11    Eu hij zeide: Een zeker
mensch had twe zonen.
12    En de jongste van hen
zeide tot den vader: Vader,
geef uiij het deel des mni • dat
mij toekomt. Kn hij deelde buu
het goed.
i:i En niet vele dagen daarna,
de jongste zoon alles bijeen-
vergaderd hebbende, is w»gge-
reisd in een \\ci-f/ele>/en land, en
-ocr page 117-
LUC
heeft aldaar zijn voed doorge-
braebt, levende overdaderlijk.
14  Kn als hij bet alles verteerd
had, werd daar een groote Iton-
gersnood in dat land, en hij
begon gebrek te lijden;
15  en hij ging henen en voeg-
de zieh bij een van de burger*
van dat huid, en die zond hem
op zijn land om de zwijnen te
weiden;
16  en hij begeerde zijnen huik
te vullen met den draf dien de
zwijnen aten, en niemand ;a1
hem dien.
17  Kn tot ziehzelven gekomen
zijnde, zeide hij ! lloevele huur-
lingen mijns vaders hebben
overvloed van brood, en Ik verga
van honger!
IS Ik zal opstaan en tot mij*
uen vader gaan, en ik zal tot
hein zeggen: Vader, ik heb ge-
zond igd tegen den hemel en
voor n,
19 en ik ben niet meer waardig
uw zoon genaamd te worden:
mank mij als eeneu van uwe
huurlingen.
•20 Kn opstaande, ging hij naar
zijnen vader. Kn als hij nog
verre ran kern was, zag hem zijn
vader, en werd met innerlijke
ontferming bewogen, en toetoo-
pende, viel hein om zijnen hals
en kuste hem.
Jl Kn de zoon Beide tot hem:
Vader, ik heb gezondigd tegen
den hemel en voor u, en ben
niet meer waardig uw zoon ge-
naamd te worden.
\'J2 Maar de rader zeide tot zij-
ne dienstknechten: Brengt hier
vóór het beste kleed en doet bet
hem aan, en geelt eeneu ring
tan zijne hand en sehoeueu aan
\'Ie voeten,
2^1 en brengt bet gemeste kalf
en slacht het, en laat ons eten
en vroolijk zijn;
24 want deze mijn zoon was
\'lood en is weder levend :rewnr-
den, en hij was verloren en is
.evonden.Ënzij begonnen vroo-
\'ijk te zijn.
2* Kn zijn oudste zoon wal in
\\S l(ï.                                             ICfl
het veld, p:i als hij kwam en
liet huis genaakte, hoorde hij
het gezang en het gerei;
•J\'i en tot zich geroepeu heb-
bende een van de knechten,
vraagde wat dat mocht zijn.
27 Kn deze zelde tot liera: Uw
hroeder Is gekomen, en uw vader
beeft liet gemeste kalt\'geslacht,
omdat hij hem gezond \\veder-
ontvaugen heeft.
Js Maar hij werd toornig en
«rilde niet ingaan. Zoo giug
dan zijn vader uit, en had hem.
•2\'.\\ Doch hij antwoordende, zei-
de tot den vader: Zie, ik dien
u nu zoovele Jaren en heb nooit
uw gebod overtreden, en (tij
hebt mij nooit een boleuken ge-
Keven, opdat ik metmllneTrien-
den mocht vroolijk zijn;
:Wl nianr als deze uw zoon gc-
koinen is, die uw goed niet
boeren doorgebracht heeft, zoo
hebt --ij liem bet gemeste kalt
geslacht.
:il Kn hij zeide tot hem: Kind,
gij zlji altijd bij mij, en al het
mijne is liet uwe:
.\'C men behoorde dan vrooli;!\'.
en blijde te zijn; want deze uw
hroeder was dood en is weder
levend geworden, en hij was
verloren en is gevonden.
HOOFDSTUK lfi.
EX hij Belde ook tot zijne dis-
cipelen : Daar wns eenzeker
rijk nienseh, «elke eeneu rent-
meester had, en déze werd bij
hem verklaagd als die zijne goe-
deren doorbracht.
2 Kn bij riep hem en zeide tot
hem: Hop boor ik dit van u\'f
Geef rekenschap van uw rcnt-
meesterschap: want \'jij zult
niet meer rentmeester kunnen
zijn.
:i Kn de rentmeester zeide hij
zichzelveu s Wat zal ik doen,
dewijl mijn heer dit reiitmecs-
terschap van mij neemt? fïra-
ven kan ik niet, te bedelen
sehanm ik mij.
4 Ik weet wat ik doen zal.
-ocr page 118-
110                                             LUC
opdat, wanneer ik van het rent*
meestersel ap afgezet zal weien,
zfj mij in liunne huizen out*
vaniren.
5 Ku hij riep tot zieli een ipge-
lijk van de sehuldeuaars zijns
heeren, en zeide tot den eersten :
Hoeveel zijt gij mijnen lieer
itchuldig?
fi En lifj zeidc : Honderd vaten
olie. Ku hij zeide tot hem:
Neem uw handsehrift, en nt*-
derzittende, schrijf haastelijk
vijftig.
7 ]>aarna zeide hfi tot eeneu
anderen i l.n gij, hoevee) zijt
gij schuldig \'t Eu hij zeide:
Honderd mudden tarwe. Ko hij
zeide tut hein; Neen uw kaud-
sehrift, eu schrijl tachtig,
S En de heer prees den onrecht*
vaardi -i 11 rentmeester* omdnt
hij voorzichtiglijk redaauhad:
want de kinderen dezer wereld
zijn voorzichtiger dan de kin-
deren des lichts in hun ge*
?)acht.
9   Kn ik zei: ulieden, maakt
uzelven vrienden uit den ou-
rechtvaardigen Mannnon, op-
dat, wanueer u ontbreken zal.
zfj u mogen ontvangen in de
eeuwige tabernakelen.
10  Die getrouw i- in \'t miii-
ste, die is ook in \'t groote
getrouw; en die in het minste
onrechtvaardig i", die is ook
in het groote onrechtvaardig.
11  \'/.\'M gij dan in den onrecht*
vaardigen Mammon niet ge-
trouw zijt geweest, wie zal u
het ware vertrouwen ?
12  Ku zoo gij in eens anders
Hoed niet getrouw zijt geweest,
wie zal u liet uwe geven?
n Geen huisknecht knu twee
heereu dienen; want öf hij zal
den ééueii haten eu den ande-
rcu liefhebben, Of hij zal den
éénrii aanbangeu en den aude*
rcu verachten. O ij kunt God
niet dienen en den Muuiiiiou.
1-f En Alle deze dingen hoor-
den ook de Farizeers die geld-
gierig waren, en zij beschimp*
ten hein
AS 16.
15 En hij zeide tot hen: Gij
zijt liet die uzelven rechtvaar*
digt voor de mentenen, maar
God kent uwe hartent want wat
hoog is ouder de ïueiischen, is
een gruwel voor God.
lfi He Wet en de Profeten :i>*
tot op Jobaunes* van dien tijd
at wordt het Koninkrijk Gods
verkondigd, en een iegelijk doet
geweld op hetzelve.
17 Eu het is liehtcr dat de
hemel en de aarde voorhijgaan,
dan dat eéu tittel der Wet
val Ie.
is Ken iegelijk die zijne vrouw
verlaat eu eene andere trouwt,
die doet overspel; en een iege-
lijk die de \\erlateue van den
inau trouwt, die doet óók over*
.pel.
19  Kn daar nu een zeker rijk
meuscb, en was gekleed met
purper eu zeer tiju lijnwaad,
levende alle dagen vroolijk en
prachtig.
20  En daar was een zeker bede-
laar met name Lazarus, welke
lag voor zijne poort, vol zwe*
ren,
21  en begeerde verzadigd te
worden van de kruimkeus die
van de tafel des rijken vielen;
maar ook de honden kwauu.i
en lekten zijne zweren.
22  Kn het geschiedde dat de
bedelaar stierf, eu van de En*
gelen gedragen werd iu den
•cbont Abrahams.
£t Kn de rijke stierf óók, eu
werd begraven. Ku ala hij iu
de bel zijne oogen ophief, zijnde
iu de pijn, zag hij Abraham van
verre, eu Lazarus iu zijnen
selioot.
24 Eu hij riep en zeidci Vader
Abraham, ontferm u mijner eu
zend Lazarus, dat hij het uiler*
ste zijns vingers in het water
doope, en mijne tong verkoele;
want ik lijd smarten in deze
vlam.
•J."i Maar Abraham zeide : Kind,
gedenk dat gij uw goed out\'
vangen hebt in uw leven, eu
Lazarus desgelijks het kwade;
-ocr page 119-
LUC
en nu wordt hij vertroost, en
gij lijdt smarten.
2(> Kn boven dit alles, m>-
selieu oog en ulieden is eeuc
groote klont\' gevestigd, zoodat
degenen die van Uier tot u
willen overgaan, niet souden
kunnen, noch ook die ddde
zijn,
vnn daar tot on» over*
komen.
•J7 En hij zeide: Ik bid u dan,
vader, dat gij hem zendt tot
mijns vaders huis;
-s want ik heb vijf broeders:
dat hij hun dit betuigu, opdat
ook zij niet komen in deze
plaats der pijniging.
29 Abraham zeide tot hem:
Zij hebben Muzen en de I\'ro-
fetent dat ze die hotnen.
311 Ku hij zeide: Neen, vader
Abraham, maar zoo iemand
van de doodeu tot hen heueu-
ging, zij zouden zieh bekeereu.
:il Hm*li Abraham zeide tot
hem: Indien zij Mozes en de
Proleten niet hooreu, zoo zul-
leu zij ook, al ware het dat er
iemand uit de dooden opstond,
zieh niet laten gezeggen.
HOOFDSTUK 17.
EN hij zeide tot de discipc-
li\'n : liet kan niet wezen dat
er Reene ergernissen komen,
doch wee htm door welken zij
komen:
2 liet zoude hem nutter zfjn
dat een molensteen om zijnen
hals geduuu ware, en hij in
de zee geworpen, dan dat hij
één van deze kleinen zoude
ergeren,
:t Wacht uzelveu. En indien
uw broeder tegen u zondigt,
zoo bestraf hein; en indien het
hem leed is, zoo vergeef het
hem.
\\ En indien htj zevenmaal
\'s daags tegen u zondigt, en
zevenmaal \'s daags tot u we-
derkeert, zeggende: Het is mij
leed, zoo zult gij liet hem ver-
geven.
•"> En de Apostelen zeiden tot
\\S 17.                                              lil
den Heere: Vermeerder ons het
geloof.
•> Eu de Heere zeide: Zoo gij
een geloof hadt als een mos-
taardzaad, srij xoudt tegen de-
zen moer bezie boom zeggen :
Word ontworteld en in de zee
geplant! en hij zoude u gchoor-
zaaui zijn.
7   En wie van u heeft ecnen
dienstknecht ploegende of de
beesten
hoedende, die tot hem,
als hij van den akker inkomt,
terstond zal zeggen: ivom bij
en zit aan \'t
8  Maar zal hij niet zeggen:
Bereid wat ik te avond zal eten,
en omgord a en dien mij, tot-
dat ik zal gegeten en gedrnu-
keu hebben, en eet en drink
gij daarna?
\'J Dankt hij ook dien dienst*
kueelit, omdat hij gedaan heeft
hetgeen hem bevolen was? Ik
meen, neen.
1» Alzóó ook g|L wanneer gij
zult gedaan hebben al bet-
geen n bevolen is, zoo zegt: Wij
zijn onnutte dienstknechten,
want wij hebben maar gedaan
hetgeen wij schuldig waren te
doen.
11   Eu het geschiedde als hij
uaar Jeruzalem reisde, dat hij
door het midden van Sainarie
en (ïaliléa ging.
12  En als hij in een zeker
vlek kwam, ontmoetten hein
tien melaatselie mannen, wel»
ke van verre stonden;
l.\'t en zij verhieven hunne stem,
zeggende: Jezus, Meester, ont-
feriu u onzer!
14 En als hij ze zag, zeide hij tot
ln\'ii: Oaat henen en vertoont
uzelven den IMestereu. En het
geschiedde, terwijl ze henen-
gingen, dat zij gereinigd werden.
l-i Eu één van hen, ziende dut
hij genezen was, keerde we-
der, met groote stem God
verheerlijkende;
16 en hij viel op het aange-
/. ir Ik voor zijne voeten, hem
dankende; en déze was eeu
Samaritaan.
-ocr page 120-
112                                            LUC.4
17 Kn Jezu* antwoordende,
zeide; Zijn niet de tien gerei-
iii-il gewordenï En waar zijn
de negen ?
IS Zijn er Reenen gevonden
die wederkeeren om Gode eere
te Keven, dan deze vreemde-
ling?
19 Kn hit zeide tot hem : Sta
op en ifa henen; uw gelout\'
heeft u behouden.
30 Kn gevraagd zijnde van de
1\'ari zeers, wanneer het Ko-
uinkrijk Gods komen zoude,
heeft hij hnn geantwoord en
gezegd: Het Koninkrijk Gods
komt niet met uiterlijk ge-
laat,
21   en uien zal niet zeggen :
Zie hier, of, zie (laar; want zie,
het Koninkrijk God» is binnen
ulieden.
22  Kn hij zeide tot de disci-
pelen: Daar zullen dagen ko-
uien, wanneer gij zult begce-
ren éeneu der dagen van den
Zoon des men He hen te zien,
en gij zult dien niet zien.
•Zi Eli zij zullen tot » zeggen:
Zie hier, of, zie driiir is hij:
raat niet henen, en volgt niet.
24 Want gelijk de bliksem,
die van het ééne einde onder
den hemel bliksemt, tot het au-
dere onder den hemel schijnt,
alzóó zal ook de Zoon des
nieiiseheu wezen in zijnen dag.
2ö Maar eerst nmet hij veel
lijden, en verworpen worden van
dit geslaeht.
26  Kn gelijk liet geschied is
in de da-ze» van Nnaeh, al-
zóó zal het ook zij» in de da-
gen van deu Zoou des men*
sehen :
27  zij aten, zij dronken, zij
namen ten huwelijk, zij wer-
den ten huwelijk gegeven, tot
deu dag op welken Noacfa in
de ark ging, en de zondvloed
kwam en verdierf ze alle».
28  Desgelijks ook gelijk het
Ïesrhieilde iu de dagen van
int: zij aten, zij dronken, zij
kochten, zij verkochte», zij
pluimen, zij bouwdeni
5 is.
59 maar op den dag, op *e!-
keu U>t van Sodoni uitzing,
regende liet vuur en zwavel
van deu hemel, en verdierf ie
allen i
3il even alzóó znl liet zijn in
den dag, on «reiken de SSooo
des iiiciiM\'lii-ii geopruhanrd &al
worde».
lil In dien dag, wie op iiet
dak zal zijn, en zijn huisraad
in huis, die konie niet at\' om
hetzelve weg te nemen; en wie
op de» akker zijn zal, die keere
desgelijks niet naar hetgeen
aeliter is.
,\'VJ Gedenkt aan de vrouw van
Lot.
;j:t ZOO wie zijn leven znl zoeken
te behouden, die zul het ver-
liezen; en zoo wie hetzelve zal
verliezen, die zal het in \'t leven
behouden.
-ii Ik ze1* u, in dien nneht
zullen twee op één bed zijn:
de een znl aangenomen en de
nnder zal verlaten worden.
3& Twee rrouirr.i zullen te
zanien malen i de eene zal aan-
gcnouien en de andere zal vcr-
hiten worden.
tti Twee zullen op den akker
zijn: de één zal aangenomen
en de ander zal verlaten wor-
den.
\'<t Bn zij antwoordden en zei-
den tot hem: \\Yfinr, Ueere?
Kn hij zeide tot hen: Waar
het Helman) is, aldaar zullen
de arenden vergaderd worden.
HOOFDSTUK IS.
EN hij zeide ook eere ;:elrjke-
i i- tot hen, daartoe strek\'
kende,
dut men altijd bidden
moet en niet vertragen,
2 zeggende: 1 )anr was een
zeker rechter in eene stad,
die God niet vreesde en geen
mensen ontzag,
\'A Kn daar was eene zekere
weduwe in die stad, en zij
kwam tot lieui, zeggende: Doe
mij recht tegen mijne weder-
pariij.
-ocr page 121-
derkens tot hem, opdat hij die
zoude aanraken; en de disci<
pelen dat ziende, bestraften de*
zclven.
lfi Maar Jezus riep die ktadêr*
ftc/is tot zich, en zeide: Laat
de kinderken» tot mij komen,
en verhindert hen niet; want
der/.ulken in h.:t KouinkrijU
Gods.
17 Voorwaar zeg ik u, zoo wie
het Koninkrijk Gods niet /..il
ontvangen als een kindeken,
die zal geenszins m hetzelve
komen.
IS Kn een zeker overste vraag*
de hem, ze "geude: Goede Mees-
ter, wat doende zal ik het eeu-
wige leven beerven?
19 En Jezus zeide tot hem:
Wat noemt gij mij goedï Nie-
mand is goed dan één, namelijk
God.
•Ji> (Jij weet de geboden: Gij
zult geen overspel doen; gij
zult niet dooden; gij zult niet
stelen: gij zultgeenevalscliege-
tuigenis geven; eer uwen vader
en uwe moeder.
•1\\ Kn hij zeide : Alle deze
dingen heli ik onderhouden van
mijne jonkheid uaii.
22 Doch Jezus dit hoorende,
zeide tot hem: Nog één ding
ontbreekt u: verkoop alles wat
ïlj hebt en deel het onder de
armen, en gij zult eenen schat
hebben in den hemel; en kom
herwaarts, volg mij.
•j:f Maar als hij dit hooide,
werd hij zeer droevig; want hij
was zeer rijk.
•J4 Jezus nu ziende dat hij zeer
droevig geworden was, zeide;
Hoe bezwaarlijk zullen degenen
die goed hebben, in het Ko-
imikrijk Gods ingaan!
•J\'> Want het is lichter dat een
kemel ga door het oog van eene
naald, dan dat ecu rijke in \'t
Koninkrijk Gods inga.
-i> En die Uit hoorden, zeiden;
Wie kan dan zalig worden?
.7 En hij zeide: De dingen
die onmogelijk zijn bij de men»
scheii, zijn mogelijk bij God.
4  E» hij wilde voor eenen Ja»-
yen tijd niet; maar daarna zeide
hij bg ziobzolveu: Hoewel ik
God niet vree» eu geen mensen
ontzie,
5  nochtans omdat deze weduwe
mij moeielijk valt, zoo zal ik
haar recht doen, opdat /.ij niet
eindelijk konie en mij liet hoofd
breke.
li Kn de Ileere zeide: Hoort
wat de onrechtvaardige rechter
zegt.
7 Zal God dau wi>n recht
doen zijnen uitverkorenen die
date en nacht tot hem roepen,
hoewel hij lankmoedig is over
hen ?
s Ik zen » «lat Mij hun hnaa-
teiijk recht doen zal. Doch de
Zoon des meuBcheu als liij komt,
zal hij ook geloof vinden op de
narde?
» Kn hij zeide ook tot sommi-
gen die bij zichzelven vertrouw-
den dat zij rechtvaardig waren,
en de anderen niet* achtten,
deze gelijkenis;
10  Twee metischen gingen öp
:n den Tempel om te bidden :
de één was een Farizcër en de
ander een tollenaar.
11   lic Parizeer staande, bad
dit bij zichzelveu\'. O God, ik
dank \'u dat ik niet ben gelijk
de andere menscheu, roovers,
onrechtvaardigen, overspelers,
of ook gelijk deze tolle-
naar:
12  ik vast tweemaal ter weel;,
ik Keef tienden van alle» wat ik
bezit.
13   En de tollenaar van verre
staande, wilde ook zelfs de
oogen niet opheffen naar den
hemel, maai- sloeg op zijne
horst, zeggende: O God, wees
mij zondaar genadig.
14  Ik zeg ulieden, deze ging
af gerechtvaardigd in zijn huis,
•neer dan die; want ecu ieder
die zietizelvcn verhoogt, zal ver-
nederd worden, en tlie zlcuzel<
ven vernedert, zal verhoogd
worden.
15  Eu zij brachten ook de kin*
-ocr page 122-
114                                             LUC
2s Ku Petrus zeide: Zie, wij
hebben alles verlaten eu zijn u
(revolrd.
3b Ku liij /.ciclc tut Uein Voor-
waur ik 6eg ulieden, diu er
niemand ii die vei lateu beeft
huis, of ouden of broeders, o
vrouw of kinderen, om liet Ko-
ui uk rijk God»,
:«l die niet zal veelvotuii-r we-
dcroiitvauircti in dezen tijd en
in de komende eeuw liet eeil-
Wiire leven
SI Kn bij iiftiu de twanlve bij
zieh, eti ïfide tot hen: Zie, wij
paan on uanr Jeruzalem, en
iiet zit) alles volbrneltt worden
aan den Zoon des nieusehen, wat
geschreven is door de Profeteu;
:>•.\' want li i /al den heidenen
overgeleverd worden, en hij zal
bespot worden en smadelijk In—
haudeld worden en bespuwd
Worden;
:t\'t en tem jjeceeseld hebbende,
zullen zij hom dunden; en ten
derden dage. zal hij wederop-
BtlUUl.
\'M Kn zij verstonden «een van
deze dingen, en dit woord wits
voor hen ver bonten, en zij ver-
stonden niet hetgeen gezegd
werd.
:r> Kn het geschiedde al» hij
nabij Jerieho kwuiu, dat een
zeker blinde aan den weg K*t,
bedelende.
w\\ Kn deze hooiende de acbate
voorbijgaan, vraagde wat dut
was,
\'M Ku zij boodschapten hem,
dat Jezus de Naxareuer voorbij-
ging.
3M Kn hij riep, zeurende ; ,le-
zui, gij Zoon ItavitU, o ut term
ii mijner !
:i\'J Ku die voorbij ringen, be-
straften hem, njidat hij twijnen
zoude; maar hij riep zooveel te
meer: Zoon Uuvids, uutterm u
mijner!
40 Ku Jezus «ii/staande, beval
dat men denzelveu tot hem
brengen zoude; en als hij nabij
hem gekomen was, vraagde hij
hem.
AS 11).
41 zegende: Wat wilt trij dat
ik udoen zal? Kn hij teldei Hoe-
re, dat ik ziende moge wenden.
•ii Eu Jezus zeide tot hein:
Word ziende; UW gelooi\' heelt
u behouden.
VA Ku terstond werd hij zien-
de, eu volgde hem, God ver
heerlij kende. Ku al het volk
tint ziende, gul\' Code lol.
HOOFDSTUK 19,
EN Jtsua ingekomen zijnde,
ging door Jerieho.
_\' Ku /.ie, daar was een man
met uaiue geheeteu Zaeheiis;
en deze was een overste der
tollenaren, eu hij was rijk;
;: eu bij zneht Jezus te zien,
wie hij was, en kon niet van*
wege de seliare, omdat hij klein
van persoon was.
4 Kn v(ioruitloo|iende, klom hij
op eeiieu Wilden vijgelmom,
opdat hij hem mocht zien;
want liij zoude door dien teeg
voorbijgaan.
h Kn als Jezus aan die plants
kwam, opwaarts ziende, UK bij
he.....\'ii zeide tot hem: Zu-
eheus, haast u eu kom af; waul
ik moet bedeu iu uw bul» blij.
ven.
ii Kn bij haastte zieh en kwam
ai\', eu ontving hein met blijd-
Bcliau.
7 Ka allen die het zaten, nntr-
iiiureerdeii, zeggende: Hij is
tot eeueu zondigen man inge-
gnan oiu te herbergen.
H Ku ZnclieUs stond eu zeide
tot den lleere: Zie, de helft
vau mijne goedereu, lleere, geel
ik den armen i en Indien ifc
iemand iets door bedrog ont-
vreeiud heb, dat geef ik vier-
dubhel weder.
H Ku Jezus /rjilc tnt hem:
Heden is dezen huize zaligheid
geschied, uadeuiaal ook deze
een zoon Abrahams is;
lil want de Zoon des uienschcn
ï& gekomen om te zoeken en
zalig te niuken wat verloren
was.
-ocr page 123-
•J Ml.                                              II.\'
ap^ Srff-Sfsüi
M wiumilu hebt «ij dan Ulijn
met winst mogen elucben?
di\'êu\'i\'V li!\'Ht\'.\'vH,"\'\'.I i.n\', "m\\",\'-
r<!l«ile\' li\'ij voor Am lio\'iéu\'! cii
g=L3nE&»2
op iceen uien «e h ooit beeft |te-
zetru : <uttlundt lieUelve en
II Ku nis zij dat hoorden,
voegde hij daarbij en zeide
eene irel ij keurs, omdat hij
nabij .lent/.alrm wn*, in n:mlnt
zij nicetidru itat lift Kuniuk-
rijk God» teratuiid zoude o|ieii-
banr worden.
IJ Mij geide dati i Ken zeker
welgeboren Qiau reisde lii i\'cn
vargetegen land, dui voor *irü-
Zclvcu ecu koninklijk ti\' Ut»t-
vangen, en dm* weder te
fcccri\'ii.
|:t Kn geroepen hebbende
zijne tien dienstknechten, gaf
bij liuii tien |>oiitlrn. en zeide
tot licn : l>nct handeling tot-
dat ik koih.
U Kn zijne burgers baatten
lu\'iii, ru zouden hein gezanten
na, leggende: Wij willen wiet
dat deic over oim Koning zii.
i:> Kn bet geschiedde, toen bij
wederkwam, al* hij het k«-
ninkrijk ontvangen liad, dat
hij telde ilat die dieiiatkiiech-
ten tot hem souden geroepen
worden, wleu hij het geld
gegeven had, opdat hij weten
mocht wat een iegelijk nut
handelen gewonnen bad.
1\'\' Kn de eerste k» hui en *el-
de: Heer, uw poud beeft
tien ponden daarbij gewon*
ueu.
17 Ku hij zeide tot hem: Wèl,
gij goede diem-tkneelit, dewijl
«ij in het minste (fe trouw jsijt
geweest, zoo heb nmcht over
tien atvdeu.
Is Ku de tweede kwam en
selde: lieer, uw pond heeft
v ij f nondeu gewonnen.
Hi Ku hij zeide mik tot dezen:
Kn gij, weet over vijl\' meden.
Al Ku een ander kwam, aea-
gende; lieer, tlvtiirr uw pond,
hetwelk ik In een zweetdoek
weggelegd bad)
-i want ik vreewie u, omdat
WÜ een straf ineiiscli zijt; gij
neemt weit wat ttlj niet gelegd
hebt, en -_rij maait wat i;ij niet
getaald heiit.
23 Maar liij zeide tot hem:
Lit uwen mond zal ik u oor-
0
blmlVïij\'".U\'vfUl.-i.?ttr\'"
:u Eu 7.ij iciilni: I>c Ilicr.\'
-ocr page 124-
111                                      l.UK
:£i En zij hrarhtrii hetzelve
lot Jezu«: rn hunne hleederen
°i; Eu ™1°\'\' hij" mfVenaaktc
K,:!;",„i"r,^,;!:;ü:;iïï\':E:
ei|ielni /.i.li te verliiyden, en
(i„cl te loven met BTiHite «tem,
den die tij gezien bodden,
3-i U\'iKeedr Gelet-eud .« de
z?ÉCl3:iH3!
Uwt\'ii dag. hetireeii tot uwen
vrede dient! Maar nu is het j
verhoi-cn voor Uwe OOpe».
-l.t Want daar zullen dmren i
over ii komen, dat uwe vijaii-
den eene verschansing rondom
4ii zetitende tot hen: Dunt l>
as a».
dat tot een kuil der ïnoordo
naren gemaakt.
17 Eu ni.i leerde dacclijkn iu
den Tempel; en de Overprlea*
ters en de Schriftgeleerden en
de oversten dei volks zochten
hem tedooden,
4H en /.ij vonden niet wat zij
doen /.ouden; want dl liet volk
liiiifï hem aan en hoorde htm.
HOOFDSTUK 2;).
EN het getchiedde op één van
die dagen, als hij in den
Tt-mnt\'1 liet volk leerde en Int
. Evangelie verkondigde, dat de
. Uverpriestero en Sfhriftgeleer-
I den met de Ondei lingcu daar*
I over kwamen,
j 3 en lot hem spraken, seg-
geude; Zeg ons door wat
macht i;ij deze dingen doet, of
wie hij is die 11 deze uuieht
heeft gegeven.
:; En hij antwoordende, zeide
tot hen: Ik zal u ook één
WOOrd vragen, en «egt Ulij :
4 De doop van .lohnui.es, was
die uit den hemel of uit de
meuselieii ?
."> K11 zij «verleiden onder eik-
ander, Hintende: Indien wij
EPMeni l\'it den hemel, zoo
/.al hij zeggen 1 Waarom liebt
•4ij hem dan niet geloofd?
t! Hn indien «ij zeggen* Vit
de men schril, zoo zal ons al
het \\olk Bteenigeni want zij
houden voor zeker, dat Johau-
11 Cl een Profeet was.
7  Km zij antwoordden, dat zij
niet wisten van waar die teaM,
8  Ë11 Jezus zeide tot hen : Zoo
zeur ik u óók niet door wut
niaeht ik deze diuircn doe.
\'.i En hij begon tot het volk
deze gelijkenis te leggen; Ken
zeker menseh plantte eenea
wijngaard, en hij verhuurde
dien aan lnudlieden, en trok
renen langen tijd buitenslands.
1i> En als het de tijd was,
zond hij tot de landlieden
eenea dienstknecht, opdat zij
hem van de vrucht dea wijn*
-ocr page 125-
3 -:.\\                                      117
macht des Stadhouders over te
leveren.
21 Kn zij vraagden hem, zeg-
gende: Meester, wij weten dat
gij recht spreekt en leert, en
den persoon niet aanneemt,
maar tb\'n weg Gods leert in
der «aarheid:
"2 is liet mis geoorloofd den
Keizer schatting te geven of
niet?
-j:i Kn hij hunne arglistigheid
bemerkende, zeide tot hen:
War. verzoekt gij mij ?
24  Toont mij eenen penning:
wiens beeld en opschrift heeft
hij? Kn /.i| antwoordende, zei-
den: Des Keizers.
25  Kn bij zeide tot hen: Geeft
dan den Keizer wat des Keizers
is, en Gode wat Gods is.
26  Kn zij konden hem iu zijn
woord niet vatten voor het
volk, en zich verwonderende
over zijn antwoord, zwegen zij
stil.
27  En tot hem kwamen som-
migeu der Snddiuvers, welke
tegensprekende, xepgea dut er
geen e opstanding is, en vraag»
deu hem,
2S zeggende: .Meester, Mozes
heeft ons geschreven, zoo ie.
mands broeder sterft, die eene
vrouw heeft, en hij sterft zon-
der kinderen, dat zijn broeder
de vrouw nemen zal en zijnen
broeder zaad verwekken.
29 Daar waren nu zeven brne-
ders; en de eerste nam eene
vrouw, en hij stierf zonder kin-
deren.
:«> Eu de tweede nam die
vrouw, en ook deze stierf zon-
der kinderen.
31 Kn de derde nam die vrouw,
en desgelijks ook de zeven, en
hebbeu geen kinderen uagela*
ten, en zijn gestorven.
:u Kn ten laatste na allen
stierf ook de vrouw.
:i:t lu de opstanding dan, \\\\ iens
vrouw van dezen zal zij zijn?
want die zeven hebben dezelve
tot eene vrouw gehad.
34 Kn Jezus antwoordende,
LUC
«aards geven zouden; maar de
landlieden sloegen deuzelvca,
en zouden hem ledig henen.
11  Uu wederom /.oud liij nog
oenen anderen dienstknecht;
maar ook dien geslagen en
smadelijk beluu.deld hebbende,
zonden zij hem lcdi-ï benen,
12   Eu wederom zond liij nog
eenen derden; maar zij ver-
wondden ook dezen, en wier-
pen Aem uit.
l!f Eu de lieer des wijngnards
zeide: Wat zal Ik doen? Ik zal
mijnen geliefden /,„()tl zenden;
mogelijk dezen ziende, zullen
zij kern ontzien.
14  .Maar als de landlieden hein
zagen, overleiden zij ouder eik-
ander, en zeiden: Deze is de
erfgenaam: komt. laat ons hem
dooden, opdat de erfenis de
onze worde.
lü Kn al» zij hem buiten den
wijngaard uitgeworpen hadden,
doodden zij hein. Wat /.al dan
de heer des wijngaard* hun
doen ?
Ui Hij zal komen en deze land-
lieden verderven, en zal den
wijngaard aan anderen geven.
En als zij dat hoorden, zeiden
zij: Mat zij verre.
17 Maar hij zag ze aan, en
zeide: Wat is dan dit hetwelk
geschreven staat: De steen,
dien de bouwlieden verworpen
hebben, déze is tot een hoofd
des hoeks geworden?
15  Een iegelijk die op dien
steen valt, zal verpletterd wor-
den, en op wieu hij valt, dien
zal hij vermorzelen.
1<) Kn de Overpriesters en de
Schriftgeleerden zochten te dier
ure de handen aan hem te
slaan, maar zij vreesden het
volk; want zij verstonden dat
hij deze gelijkenis tegen hen
gesproken had.
2ü Kn zij namen hem waar. en
zonden verspieders uit, die zicli-
zelven veinsden rechtvaardig
te zijn, opdat zij hem in sijne
rede vangen mochten, om hein
aan de heerschappij en de
-ocr page 126-
-iik                                      jxc
zeide tor hen: l \'<• kinderen
dezer eeuw trouwen eu worden
ten huwelijk u\'tici\'fti\'ven;
.Vt maar die waardig zullen
Kcaclit /.ijo die eeuw te ver-
werven eu de opstanding uit dr
dood en, zullen nocli trouwen
nor li ten huwelijk uitgegeven
\'v\\ want zij kunnen niet meer
sterven, want zij zijn den Kll-
ïelen irelijk; en zij zij» kiude-
ri-ii (io<l>. denijl zij kinderen
der np»tnuding /-ijn-
v." Kn dm de dnoden opgewekt
zullen Morden, heeft nok Mi:Ze>
aautcewnen hij liet doornen-
bosch, nis hij den lieert\' noemt
den Oud Abrahamn en den (ïud
Isaliks en den God Jakobf*:
.Is God nu is niet een God der
dnoden, ïniuir tier levenden;
want zij leven llem allen.
:«l Kn sninmiven der Sehrii\'t-
tfeleeideu, antwoordende, zei.
den: Meester, jrij hebt wèl ge*
zesd.
4\') Kn zij durfden hem niet
meer iets vrav\'en.
41   Kn hij /.eide tot hen: Hoi*
Koggen zij dat de Christin* l>a>
vids zoo» in\'r
42  Ku Davld zelf legt in liet
hoek der I\'kiiIiik\'ii: De Ileere
heeft gezeurd tot mijnen Ileere:
Zit aan mijne rechtcrAawf,
t:t tot int Ik uwe vijanden zul
gezet licltben tot een voetbank
uwer voeten.
44 David dan noemt hem :l;nra
Ileere, en hoe i*> hij BÜusooii?
4.1 Ku daar al het volk het
hoorde, zeide hij tot zijne dU-
eiueleu:
4-ï Wnrht u vmi de Sehriftïe-
leerden, die willen wandelen in
liunre kleedrren, en heiiiinuen
de gTOetlllgen Op de markten,
eu de voorcestoelten hi de
Synagogen, en de vnnraauzit-
tiiiecn in de maaltijden;
47 die der weduwen huizen
opeten, eu onder een seliiju
laiuce nebedC\'i doen: dezen znl-
len ?.wuard<>r oordcel out van-
gen.
I1ÜOFDSTLK 51.
•J Kn hij UB nok eene zekere
arme weduwe twee kleine /jr,i-
\'s ïji i\'i\'lsMiiMi.iï.ii iridni «II
ilnce.i komen, in\' «elki- nlrl «m
Sxte? \';ïï\'si
.Hinten tulleniriJScde»?
H Kn hij zeide: Ziet dat gij
•luid wordt; want \'eim
ide
kon
uii<
lijnen
naam, ze-\'irenile: 1 k hen ile
Vh tint nu,
rn de tijd is nabij
gekomen: gaat dan hen niet
II Ku wanneer t-\'ij zult uooren
van nnrlogen en beroerten, zoo
wordt niet verschrikt; want
deze dilifCBII nloeten eerst ge*
gebieden, maar ituy is temtoud
het einde niet.
Il) Toen zeide hij tot hen :
Het éé*ë volk zal teren kat
andere volk opstaan, eu het éémê
kuuinkrijk tegen hrt ti.nlere
koninkrijk;
II eu daar zullen irrontc anrd-
beviugcii wezen in verscheidene
nhiat -rn, eu hoii^crsuoodeii,
eu pestilentie».; daar zullen
-ocr page 127-
i.rc.
ook schrikkelijke dingen en
;* roti te teckem n van den he-
jncl ireschicdeii.
i1.\' Maar voor Uit alles zullen
zij hunne banden aau ulieden
>ljiau, eu m vervolgen, u over-
leverendc in de Kyi.agogen en
gevangenissen ; en gij zult ge-
trokken «orden voor Kouin-
tien en Stadhouders, om mijns
uaami wil •
13* en dit /.al o overkomen tot
eene getuigenis.
14  Neemt dun in uwe harten
voor, van te voren niet te
overdenken koê gij u verant-
noorden zult;
IA want Ik za) n mond en
wijsheid geven, welke niet zul-
len kunueil tegenspreken noch
wcderstaan allen dia zich tegen
u zetten.
ïti Kn «ij zult overgeleverd
worden ook van ouders en
broeders eit magen en vrien-
deti, eil zij zullen er aommif/eu
uit u doodeu,
17 en gij zult van allen gehaat
worden 0111 mijns raam* wil.
15  Doch niet een haar uit uw
hoofd zal verloren HUI,
U> Uezit uwe zielen in uwe
lijdzaamheid.
31 Maar wanneer gij zieniult,
dat Jeruzalem van hei r legers
omsingeld wordt, zoo weet
alsdan dat hare verwoesting
naliij gekomen is.
.1 Alsdan die in Judéa zijn,
dat ze vlieden naar de bergen;
en die in \'t midden van de-
zelve zijn, dat ze daar uittrek*
ken; en die op de voldon zijn,
dat ze in dezelve niet komen;
i2 want deze zijn de dagen der
wraak, opdat alles vervuld
worde wat geschreven is.
23 Doch wee den bevruchten
en den googeuden rramrea in
die dagen; want daar zal irroo-
te nood zijn in liet land, en
toorn over dit volk;
\'Ü en zij zullen vallen door
de scherpte des zw aards, en
gevankelfjk weggevoerd WOT-
den onder alle volkeu; en Je-
AS 21.                                             119
ruzaleui zal van de heidenen
vertreden worden, totdat de
tijden der heidenen vervuld
zullen zijn.
-.i Ku daar zullen teekeneu
zijn in de zon en manu en ster-
ren, en o)> de aarde henauwd-
beid der volkeren, met twijfel*
moedigheid, als dr zee en wa-
tergolveu groot geluid tullen
geven,
| \'2i\' en den menseden het hart
zal hezw ijken van vrees en
verwachting der dingen die
liet aardrijk lullen overkomen;
want de krachten der hemelen
zullen bewogen worden.
*.\'7 Kn alsdan zullen zij dcu
Zoon des iiieusclieii zien ko-
inen in eene wolk met groote
kracht en heerlijkheid.
•JS Als uu deze dingen begin*
tien te geschieden, zoo ziet
omhoog en heft uwe hoofden
opwaarts, omdat uwe vcrlos*
siug nabil is.
i*J Ku hij zeide tot hen eene
gelijkenis: Ziet den vijgeboom
en alle de hoornen :
3l» wanneer zij i:u uitsprui-
ten, eu gij dut ziet, zoo weet
gij uit uzelveu dat de zomer uu
nabij is;
.\'tl alzóo ook gij, wanneer gij
deze dingen zult zien gesehie-
den, zoo weet dut het kouink-
rijk Gods nahij is.
:tJ Voorwaar ik zeg u, dat
dit geslacht geenszins zulvoor-
bijgaau, totdat alles zal ge-
sehied zijn.
33 Ue hemel en de aarde zul.
len voorbijgaan, maar infjuc
woorden zullen geenszins voor-
bijgaau.
.\'!4 Ku wacht mrlveti, dut uwe
harten niet te cci iger tijd be-
/.waard worden met brasserij
en dronkenschap en torgvul-
dighcden dezes levens, en dat
u dlc dag niet onvoorziens urer-
komc.
3fi Want gelijk een strik zal
hij konien over al degenen
die op den gaaseheu aardbo*
dem gezeten zijn.
-ocr page 128-
120                                            LUC.
3fi Waakt dan te aller tiid,
biddende dat ^ij moogt waardig
geacht wordcu te ontvlieden
alle deze dingen die geschieden
zullen, en te staati voor den
Zoon dei meuncheii.
:i7 Dei daags nu «as hij lee-
reudc in den Tempel: maar
dos nachts ging hij uit, en
vernachtte op den berg, gc-
naaind de Olijfberg.
:is Kn al het volk kwam \'a mor-
gena vroeg tot hein in den Tfiu-
pel, urn hem te booreu.
HOOFDSTUK 22.
EN het feest der ougeheveldc
brootlfa, genaamd Pascha,
was nabij ;
2 en de O verpriesters en de
Schriftgeleerden zochten hoe
zij hem ombrengen zonden;
«ant zij vreesden liet volk.
.. En Ai\' satan voer in Judas
die tocgenaamd «as Lskarïot,
zijnde uit liet getal der twaalvc;
4  en hij ging henen en sprak
met di\' Over priesters en de
hoofdmannen, hoe hij hein
hun zoude overleveren.
.ï Ën zij waren verblijd, en
zijn het ééns geworden dat /.ij
hem geld geren /.ouden.
li Kn hij beloofde het, en
Kocht gelegenheid om hem bun
over te leveren /.onder oproer.
7 Kn de dag der ougclievel-
de hroodm kwam, op dcuwel-
keu liet Pascha moest geslacht
worden.
5  Kn hij zond Petrus en Jo*
hannes uit, zeggende: Gaat
henen en bereidt ons het I\'a-
acha, opdat wij het eten mo-
gen.
9   Ku zij zeiden tot hem: Waar
wilt L\'ij dat wij het bereiden\'*
10  Kn hij zeide tot hen: Zie,
als ^ij in de stad zult gekomen
zfju, zoo zal it een meusch nnt-
moeten, dragende eenc kruik
water: volgt hein in het huis
wnar iiij ingaat;
11  en gij zult zeggen tot den
huisvader van dat huis: De
Meester zegt u : Waar is de
petsaal, waar ik het Pascha met
Ulijnc discipelen eten zal \'
12    K.i hij zal u ee.ie grootC
toegeruste opperzaal wijzen:
bereidt het aldaar.
13  Kn /.ij hctiengnn ide, vonden
bet gelijk hij bun gezegd had, en
bereidden het Pascha.
14    Kn als de ure re komen
was, zat bij ann eu de twaah\'
Apostelen met hein.
15  Ka hij zeide tot hen: Ik
heb grootthjks begeerd dit
1\'aseha met u te eten eerdat
ik lijd ;
ifl wa:it ik zeg n, dat ik niet
meer daarvan eten zal, tntdiit
bet vervuld zal zijn in het Ko-
iiinkiijk Gods.
17 Ku als hij een drinkbeker
genomen had, eu gedankt
bad, zeide hij: Neemt dezen
en deelt Item onder ulieden;
IS want ik zeg u, dat ik
niet drinken zal vn*j de vrucht
des wijustoks, totdat het Ko-
iiiukrijk Gods zal g.\'komcn zijn.
111 Ka hij na.n brood, en als
bij gedankt bad, brak hij het,
en gaf bet hun, zeggende: Dat
is mijn lichaam hetwelk voor
il gegeven wendt: doet dut tot
mijne gedachtenis.
2\'Desgelijks nok den drink-
bcker na het avondmaal, seg-
gende: Deze drinkbeker bat
nieuwe Testament in mijn
bloed, hetwelk voor u vergoten
wordt.
21   D
3
och zie, de hand delgend)
die mij verraadt, i> met mij aan
de tafel;
22  en de Zoon des menselieu
gaat wel benen gelijk besloten
is, doch wee dien uieuscb door
welken liü verraden wordt!
2"( Ku zij be-onnen ouder elk-
audcr te vragen, wie vau hen
het toch mocht zijn die dat
(leen zoude.
24 Kn daar werd ook twisting
onder ben, wie van hen scheen
de meeste te zijn.
2:. Kn hij zeide tot hen: De
Koningen der volkeren heer*
-ocr page 129-
121
LUC
sciien over beu, cu die macht
over hen hebben, worden wcl-
dadigc keeren genaamd.
2li Poeh gij niet lü/.o»; maar
de moeste ouder u, die zij Re-
lijk de minste; en du; voor-
gnnger is, als een die dient.
27 Want wie is meerder, die
aanzit of die dient\'; Ia het niet
die aanzit\':1 .Maar ik ben in
\'t midden van u als een die
dient.
2s E,| gij /.ijt degenen die met
mij steeds gebleven zijt in
mijne verzoek iu .\'en.
2S» En ik veroidiueer n het
Koninkrijk, gelijkerwiJH mijn
Vader mij Uut verordiueerd
heeft;
;in opdat gij eet en drinkt aan
mijne tafel in mijn Kouink-
rijk, en zit op tronen, oor-
deelcnde de twaalf geslachten
Israüls.
;tl Ku de Ilecre zeide: Pimon,
Siinim, zie, de satan heeft u-
licdeu zeer begeerd om te zif-
ten als de tarwe;
32 maar Ik heb voor u gebc-
deti, dat uw geloot\' niet o»-
houde; en gij, als gij eens zult
bekeerd zijn, zou versterk uwe
broeders.
,\'Ct Ku liij zeide tot hem: IIee-
re, ik beu bereid met ü ook
in de gevangenis en in den dood
te gaan.
\'M Maar hij zeide; Ik zeg u
Petrus, de haan zal heden niet
kraaien, eer gij driemaal zult
geloochend hebben dat gij
mij kent.
:ió Ku hij zeide tot hen: Als
ik il uitzond zonder buidel en
male en schoenen, beeft u ook
iets ontbroken? En zij zeiden:
Niets.
:;ii 11 ij zeide dau tot hen:
Maar nu, wie eeneu buidel
heeft, die neme hem, deBgc-
lijks ook een male, en die er
geen heeft, die verkoope zijn
kleed en koope een zwaard,
:*7 Want ik zeg u, dat nog dit
hetwelk geschreven is, in mij
moet volbracht worden, uauic-
VS ï
lijk: Eu hij is met de misda-
digeu gerekend; want ook die
dingen die van mij t/e.idii-ereu
tipt,
hebben een einde.
\'.is En zij zeiden: Ilecre, zie-
liier twee zwaarden. Eu hij
zeide tot hen: ilet is genoeg.
:ti) Eu uitgaande, vertrok hij,
gelijk hij gewoon was, naarden
Olijfberg; en hem volgden ook
zijne discipelen.
•10 Kn als liij aan die plaats
gekomen was, zeide hij tot
hen: Htdt dat gij niet iu ver-
zockiug komt.
41 En hij scheidde zich van
hen af, omtrent eeneu steeu-
worp, en kut bh\' neder en bad,
12 zeggende: Vader, of gij wil-
det dezen drinkbeker van mij
wegnemen! Doch niet mijn wil,
maar de uwe geschiede.
4\'t En van hein werd gezien
ecu Engel uit den benul die
hem versterkte.
-II Eu iu zwareu strijd zijnde,
bad hij te ernstiger. En zijn
zweet werd gelijk -rroote dni|i-
nelcn blueds, die op de aarde
afliepen.
4ó Eu als hij van bet gebed
opgestaan was, kwam hij tot
zijne discipelen, en vond hen
slapende van droefheid;
4fi en hij zeide tot beu: Wat
slaapt gij? Staat op en bidt,
opdat gij niet iu verzoeking
komt.
47 Eu als bij nog sprak, zie-
daar eeue schare; en één van
de Lwaalve, die genaamd was
Judu3, ging hun voor, eu
kwam bij Jezus om hem te
kussen.
4S En Jezus zeide tot hem:
Judas, verraadt gij deu Zoon
des ïuenseben met eeneu kus?
49    En die bij hein waren,
ziende wat er geschieden zou-
de, zeiden tot hem: Ilecre,
zu 1 ten wij met het zwuard
slaan ?
50  Kn één uit ben sloeg den
dienstknecht des IIoo.;eprie;s-
ters en hieuw hem zijn rech-
teroor af\'.
-ocr page 130-
12:                                              U(
51 Kh Jezus artwnordemle,
zeide; I.aat te tut hiertoe yr-
warde*, eu raakte zijn «mr min
cu becldf htm.
82 Kn Jezus zi ide tot de Over-
Sriestirs cu de hoofdmannen
et Tempels en de Ouderlingen,
die teven hein HTkomen waren:
Zijt gij uitgegaan uiet twaar*
deu «mi stokken «1» tegen een
moordenaar \'
53  Als ik dagelijks niet n was
in den Tcuipel, zoo hebt gij de
hnuden tetre» itif] liiel uit rc-
tttokcii; muur dit is uwc ure. en
d<\' macht der duisternis.
54  Ku zij «repen heni eu leid-
den kern vtg, en brachten hem
in het huis des Iloogeprfcti-
ters, Kn Petrus volgde van
verre;
tö en uls zij vuur ontstoken
hadden in het midden van de
/nul, en zij tv zinnen nedcrta-
ten, zat Petrus in \'t midden
van hen.
56    Kn eene zekere dieiist-
maagd tiende hem bij het vuur
zitten, en hare oneen nji hem
houdende, zeide : Ook deze nas
met hem.
57  Haar hij verloochende hem,
temende ] Vrouw, ik keu hem
niet.
68 Kn kort ilnnrua een ander
hem ziende, zeide: Ook gij zijt
van die. Maar Petrus zeide:
Menseh. ik hen niet.
5!> Kn als liet omtrent één uur
geleden was, bevestigde tlut een
andrr, zeggende: In waarheid
nok deze was met hem; want
liij is ook ecu Oalileer.
fin Maar Petrus zeide: Menseh,
ik weet niet wnt gij tegt. Kn
terstond als Ij ij nog sprak,
kraaide de liaan;
(il eu de Ileere zieii omkev
remie, /.ui: Petnis aan, en Pe-
trus werd Indachtig aan liet
woord dei Ileeren, hoe hij hem
gezegd had. Eer de liaan zul
gekraaid hebben, zult gij mij
driemaal verloochenen.
03 Kn Petrus naar buiten
gaande, weende bitterlijk.
AS 21.
KI Ku de mannen die Jezus
hielden, bespotten hem, en
sloeicen kern;
t\'4 en als zij hein overdekt
hadden, sloegen zij hem on liet
aangelicht, eu vraagden hem,
zecgeude: i\'rol\'eteer, wie het li
die u geslagen heeft.
«\'» Kn vele andere dingen sei-
den zij tegen hein, lasterende.
flti Ku uls het dag uewordcii
was, \\irgaderdeu de Ouder*
lfligen des volks, en de Over-
prlesters eu Schriftgeleerden,
111 hinehteu hem iu hunnen
Itaad,
(17 zeggende: Zijt gij d" Chris.
tusr ze;: het ons. Kn hij zeide
tot hen: It.dien ik het 11 zeg,
gij zult het niet geluoven;
\'N en indien ik ook vraag, «ij
zult mij niet antwoorden ol
loslaten.
t{> Van nu aan zul de Zoon des
mei se hen gezeten zijn aan de
nehlerA»«<Mer kraelit Oods.
7<> Ku zij zeiden allen: Zijt gij
dan de Zoon Gods? Ku hij zei.
de tot hen: Gjj tegt dut ik het
beu.
71 Kn zij zeiden : Wat hebben
wij nor* getuigenis vau noode?
! Want wf.urlveii hebben het uit
zijnen mond gehoord.
HOOFDSTUK 23.
EN de •fcheele meuicte van
hen stond op en leidde hem
tot Pilatns.
Kn zij begonnen hem te he-
M-liuldigen, zeggende: Wij heb-
beu bevonden dat deze het volk
verkeert, eu verbiedt den Kei-
ter schattingen te geren, teg-
gende dat hij tel f Christus, de
: Koning is.
:t Kn Pilatns vraagde hem,
I «eggende: Zijt gij de KoninK
; der Joden? En hij antwoordde
hem eu zeide: (iij zegt liet.
4 Kn Pilatns zeide tot de Over
priesters en de scharen 1 i*
vind geen schuld in acse-U
menseh.
h Ku zij hielden te sterker aan,
-ocr page 131-
IXCA
leggendei Hij beroert hot volk,
toerende door geheel Judéa, be-
gotinen bebbeude van Galiléa
tut bii\'rtoe.
ii Als nu Pilatui van (ialiléa
hoorde, vraagde Mj of die
mensen een Galilecr wam
7 en verstaande dat hij uit bet
gebied van llerodes was, zond
hij lictii henen tut Ilerodea,
(lir ook «elf in die dagen binnen
Jeruzalem was.
R Ku als Hercules Jezus Mg,
werd liij zeer verblijd; want
liij was sedert lang begeerlg
geweest hem te zien, omdat
nij veel van hem hoorde, en
hoopte ren Ir teekeii te zien «Int
van hem gedaan 7.011de worden.
U B» hij vraavde hem met vele
woorden.; docb hij antwoordde
hem niets.
IQ Kn de Ovcrpriesters en de
Schrift geleerden «tonden en
beschuldigden hem heftiglijk.
11 Ku Ilerodea met zijne krijgs*
Ileden hem veracht en besnot
hebbende, deed hein een hlin-
keild kleed aan, en zond hem
weder tot Pilatus.
13 Ku on dien dag werden l\'i-
latus en Ilerodea vrienden niet
i-lkauder; want zij waren te
voren in vijaiid>chup tegen elk*
ander.
13  Eu alt l\'IIatus de OverpriCB*
ters en de oversten en het volk
bijeengeroepen had, zeide hij
lot hen:
14  Gij hebt dezen niensrh tot
mij gebracht als eenen die het
volk afkeetig maakt: en zie,
ik heli /mm in uwe tcgenwoor-
dlgheid ondervraagd, en bcb
In dezen meiiseh geen se huid
gevonden van hetgeen waar gij
bent mede beschuldigt:
l.i ju, ook Herodes niet; want
ik heh ulieden rot hem gezn:i-
den, en zie, daar is van hein
niets gedaan dut de» doods
waardig ia;
11 zou zal ik hem dan kust ij*
den en loslaten.
.17 Ku hij Btoeat hun op liet
leest ééueu loslaten.
|H Dorb al de menigte riep ge*
lijkelijk, zeggende: Wet: met
dezen, en laat ons Itar-Ahhas
los;
l»l dewelke was om zeker op-
roer dat in de aiud geschied
whs. en \'>m eenen doodulag, in
de gc-angenis geworpen.
SU l\'ila\'us dan ib\'p hun we»
derom toe, willende Je/.u» los-
laten.
"Jl Maar zij riepen daartegen,
zeggende: Kruis Arm, kruis
hem!
22    K.i bij zeide ten derden
umie tot hen\' Wat heelt deze
dan kwaads gedaan\'f Ik heh
geen schuld des doods in hein
gevonden: zno zal ik hein dnu
kastijden en loslaten.
23  Maar zij hielden AAn mei
groot geroep, ei>che,de dat hij
zoude gekruist worden, en
hun en der Ovcrpric-tercn ge-
roep werd geweldiger.
24    Kn 1\'itatiis oordeelde dat
hun eiacb geschieden zoude;
2\') eu hij liet hun los den*
genen die om oproer en dood*
slag in de gevangen ia geworpen
WAS, welken zij geeiselit had-
den, iniiar Jezus gaf hij óver
tot hunnen wil.
2fl Kn als zij hein wegleidden,
namen zij eenen Sinion van
Cyrélie, komende van den ak-
ker, en leiden hem het kruis
op, dat hij het achter Jems
droeg.
27 Kn eene groot e menigte van
volk en van vrouwen volgde
hem, welke ook weenden en
hem beklaagden.
2i Kn Jezus zich tot haar koe-
rende, zeide: (Üj doe liters van
Jeruzalem, weent i.ict over mij,
maar weent over uxelven euover
uwe kinderen;
29 want zie, danr komen da*
gen in welke men zeggen zal:
Zalig zijn de on vruchtbaren,
en de buiken die niet gebaard
hebben, eu de horsten die niet
gezoogd hebben.
3D Alsdan zuilen zij beginnen
te leggen tot de bergen: Valt
-ocr page 132-
LUC
\\S 23.
43  Kn Jezus zeide tot hem:
Voorwaar zeg ik n. heden
zult gij met mij in het I\'uiadijs
lijn.
44  Kn liet was omtrent de
zesde ure, en daar werd duis-
tcrtiia over de gcheclc aarde
tot de negende ure toe;
4& eu de zou werd verduisterd,
en het voorhangsel des Tem-
pels scheurde middcin/uuf.
Ui Kn Jezus roepende met
grootc stem, zeide: Vader.,
iu uwe hundeu beveel ik mij-
ucu geest. Ku als hij dat gc-
zegd had, gaf hu den geest.
17 AU nu de liimtdniau over
honderd zag wat er geschied
was, verheerlijkte liij God en
zeide: Waarlijk, deze meiiseh
was rechtvaardig,
45  Kn alle de scharen die sa-
inenvi•komen waren oio dit te
aanschouwd!, ziende de diugcii
die geschied waren, keerden
weder, slaande, op hunne hor-
sten.
iii Kn alle /.iji:e hekenden stou-
dcu Vttll verre, ook de viini-
wen die hein te samen gevolgd
waren van Guliiéa, en zagen
dit aan.
i>n K.t zie, een man met name
Jozef, zijnde een Raadsheer.
een goed en rechtvaardig man
j>! (tieze had uiet mede bcwil-
ligd iu hunnen raad en bundel),
vun Aiimuthéa, eciic slud der
Joden, eu die ook zelf het Ko-
uiiikrijk Gods verwachtte:
a\'2 deze iring tot l\'ilatus en bc-
geerde liet lieliaaiu van Jezus.
5.3 Ku als hij hetzelve at\'---e-
iioineii had, wond hij het iu
een lijn lijnwaad, eu leide bet
iu een graf, in eene rots ge-
houweUi waarin i.og nooit ie-
maml gelegd was.
54 En het was de dag der
voorbereiding, en de sabbat
kwam aan.
•jö Eii ook de vrouwen, die
nut hem gekomen waren uit
Guliiéa, volgden, en aanschouw*
dun het graf, en hoe zij"
lichaam gelegd werd.
134
op ons, en tot df heuvelen:
Hcdekt ons;
\'M want Indien zij dit doen
H.tn Int groene bout, wat zal
aan het dorre geschieden?
:>" En daar werden ook twee
anderen, zij mie kwaaddoeners,
geleid om niet liein gedood te
worde n.
:t;t Un to.\'n /.ij kwamen op de
plaats, (rennamd lloofdschedcl-
plaatê, kruisigden /.ij hem al-
daar, en de kwaaddoeners, den
eéuen ter reclit(*r- en den ande-
ren ter liukerzhWt*.
:u En Jezus zclde: Vader, ver-
(Cecf bet hun, want /.ij weten
niet wat zij doen. Eli verdcc-
lende zijne Uleederen, wierpen
zij het Int.
:<:> Kn het volk stond en zag
het aan i en ook de oversten
met hen beschimpten hem, zeg-
tiende; Anderen heelt hij ver-
lost, dat hij uu zich/.eken ver-
losse, /.tin hij is de Christus,
de uitverkorene Gods.
\'M\\ Kn ook de krijgsknechten
tot kern komende, bespotten
hein, en brachten hem edik,
\\\\~ en Beiden: Indien «ij de
Koning der Joden zijt, zoo ver-
los uxelvcn.
3*4 Kn daar was ook een op-
schrift hoven hem •,-eschre>v.i,
met Griekscue en Itouiciusclic
enDebreeuwscheletters: Dbzk
IS DR KuMNO UKIl JODEX.
\'.Ut Kn één van de kwatuldoe-
uera die gehangen waren, las-
terde hem, zeggende: Indien
jïÜ de Christus zijt, verlos uxcl-
veu en ons.
4\'l Maar de andere antwnnr-
deude, bestrafte hein. zegende:
Vreest yrij ook Gou niet, daar
gij in hetzelfde oordeel zijtï
11 Kn wij toch reehtvaurdi :-
lijk, want v.tj ontvangen ut ca/
waardig hetgeen wij Kedaau
liebhen; maar déze heelt niets
onbehoorlijks gedaan.
42 Ku hij Mide tot Je/.us:
Meere, gedenk mijner als gij in
uw Koninkrijk zult gekomen
zijn.
-ocr page 133-
S 24.                                             125
zelven over hetgeen geschied
was.
i:t Kn zie, twee van hen gin-
gen op dien dag nnar een vlek
dat zestig stadiën van Jeruza-
lein was, wel ka naam was Eiu-
niaus;
II en zij spraken samen onder
elkander van alle deze dingen
die er gebeurd waren.
\\:t Kn het geschiedde |tcrwijl
zij te samen sorakeu en elkaii*
der ondervraagden, dat Jezus
zelf bij ken kwam en met ben
ging;
|l! en hunne oogen werden ge-
bouden, dat zij hem niet ken-
17 En hij lelde tot hen: Wat
redenen zijn dit, die gij wan-
delende onder elkander verban*
delt, en tmaroai ziet gij droe-
vig?
is Kn de één, wiens naam was
Kléonaa, antwoordende, geide
tot hem : Zijt gij alléén een
vreciudcliug te Jeruzalem, en
weet niet de dingen die dezer
dagen daarin "esehied zijn?
19 Kn hij xeidc tot hen: \\Ve|-
ke? Kn zij zeiden tot hein : De
dingen aangaande .lezus de;i
Nazarener, welke een Proleet
was, kraebtig in werken en
woorden, voor God en al hit
volk;
Stl en boe onze Overprlcaters
en oversten denzelven overge*
leverd bobben tot bet oordeel
des doods, en hem gekruisigd
hebben.
21   Kn wij Sloopten dat hij was
degene die Israël verlossen zou-
de; doch ook b-eneveui dit
alles is net heden de derde dag
van dat deze dingen geschied
zijn.
22  Maar ook sommige vrouwen
uit ons hebben outt ontsteld,
die vroeg iu den morgenstond
aan bet L-ral geweest zijn;
23  en zijn lichaam niet vin-
dende, kwamen zij en zeiden,
dat /.ij ook een irezieht van En-
gelen geilen hadden, die zeggen
dat hij leeft.
f»<! En wedergekeerd zijnde, be-
relddeu tij specerijen en ial-
veu; en op den sabbat rustten
zij naar liet gebod.
HOOFDSTUK 21.
EN (iii den eersten dag der
week,leer vroeg inden mor
rrenstmid, vinden /.ij naar liet
Krat\', dravende de specerijen die
/.ij bereid hadden, cu sommigen
mot baar.
•J Kii zij vonden den steen af*
gewenteld van liet graf;
!t en In ife traall zijnde, vonden
zij liet lichaam des lleeren .ic-
1U8 niet.
-1 Kn het trewhieddc als zij
daarover twjjfclmoedig waren,
zie, twee mannen stonden bij
baar in blinkende kleedereu,
S en nis zij zeer bevreesd \\ver-
den en Int aangezicht uuur de
aarde neigden, zeiden zij tot
baar : Wal zoekt gij den levende-
bij di\' doodeu?
(I Hij is bier niet, maar hij is
opgestaan. Gedenkt boe hij tot
ii gesproken beeft als hij nog
iu Galïléa was,
7 zeggende: De Zoon des ineii*
seken moet overgeleverd wor-
den in de handen der zondige
iiieusehen, en gekruisigd wor>
den, en ten derden dage weder*
opstaan.
x Kn zij werden Indachtig aan
zijne woorden;
9 en wedergekeerd zijnde van
liet graf, DOOiW hapten zij alle
\'leze dingen aan de clve. en aan
alle de anderen.
1" Kn dett* waren Maria Mag-
\'bilêua, en Jnhauua, en Maria
•if moeder van Jacobus, en de
anderen met haar, die dit tot
de Apostelen zeiden,
11   Kn hare woorden schenen
•oor hen als ijdel geklap, en
zij geloofden haar niet.
12  Doen Petrus opstaande, liep
t\'U bet graf, en ncderbukken-
»*, zag hij de linnen doeken
liggende alléén, en ging weg,
lieh verwonderende bij zich-
-ocr page 134-
isi                            wc
24  Kn sommigen dergenen die
met ons zijn, (riniren henen tot
het snif\', ru bevonden het al-
Bóó irclijk ook ile vrouwe» ge*
zeird hadden; maar bèui Karen
lij niet.
25  Kn hfj Beide tut hen: O
onverstand iiren en traeen van
hart om Ie irclooven al het*
ceen de Profeten irrsprokeu
hebbeu,
2fi moeit de Christus niet deic
dingen lijden, ru attiki in zijne
heerlijkheid Ingaan?
•_\'7 Ku bcrouucn hebbende van
tfoaea en van alle ile Profeten,
leide hij bun uit in alle du
Schriften hetgeen van hem ge\'
dchrevtm
whk,
2-t Kn zij kwamen nabij het
vlek waar -/.ij naar toe (tingen;
en hij hield «leb al-ut\' hij ver-
der «aan Boude;
29 en /.ij dwonnen hem, ieg-
gende: Blijf met mn*, want het
in hij den ir mul en dc dag is
gedaald. Ku bij ging in, oiu niet
ben te blijvi-u.
3li Ku bet geschiedde als bij
niet hen aanzat, nam hij het
brood, en zegende het; en nN
hij het gebroken bud, nut\' hij
het bun;
.\'tl en bunne oogen weiden
geopend, en zij kenden hem;
en hij kwam weg uit hun gc-
zicht.
:i" Kn zij zeiden tut elkanderi
Was ons hart niet brandende
in ons, als bij tot ons sprak
op den weg en als hij ons de
Schriften opende?
33  Bu zii opstaande te dier
ure, keerden weder naar -\'eru-
zalcin, en vonden de elve sa-
menvergaderd, en die met ben
waren,
34  welke Beiden: 1>.\' Meere is
waarlijk opgestaan, en is van
Siuiou gezien.
:ij Ku /.ij vertelden hetgeen on
deu weg geschied wat, en boe
hij bun bekend was geworden
in \'t breken des brood*.
•Ui Ku als zij vau deze dingen
spraken, stond Jezus lelf in
AS 24.
het midden van ben, en zeide tot
hen: Vrede zij ulieden.
:i7 Kn y.ij verschrikt en zeer
bevreesd ice worden Bijnde,
meenden dat zij eeneu geest
zagen.
.\'« Ku hij eeide tot hen: Wal
Bijt gij ontroerd, en waarom
klimmen za\'.ke overleggingen
in uwc harten ?
:i\'J Ziet mijne handen eu mijne
voeten, waat ik ben bet zelf;
tast mij aan cu ziet, want een
veest beeft geen vleesch en
beenderen, gelijk trij ziet dat ik
heb.
ia Ku als hij dit zeide, toonde
hij hun de handen en de voeten.
•Il Ku toen zij het van hlijd-
schnp uög niet geloofden en
zich verwonderden, z"ide bij
tot lieiu Hebt ,ii hier iets om
te eten?
4- Kn zij traven hem een stuk
van eeneu gebraden viseh, en
van bonivrateu;
41 en hij muil het en at het
voor hunne ontren.
41 Kn bij telde tot hen; Pit
Biju de woorden die ik tot u
sprak, als ik nog met u was,
Humriük dat het alles moest
vervuld worden wat van mij
geschreven is in dc wet van
Mozes eu de Profeten en de
Psalmen.
4", Toen opende hij hun ver-
stand, opdat zij de Schriften
verstonden,
4\'i eu zeide tot ben: Alzóó is
er geschreven, eu al zóó moest
de Christus lijden, en van de
doodeu opstaan ten derden
dage,
4" en in zijnen naam geprf*
dikt worden bekeering en ver*
geviug der zonden onder »1"
volken, beginnende van Jeru-
xaleui.
4s Ku gij zijt getuigen van oexe
46 Kn\'zie, Ik Bdid de bflofM
mijns Vaders op u; maar bbjjt
irij in dc stad Jeruzalem, tot-
dat irij zult aangedaan ztjn met
kracht uit de hoogte.
-ocr page 135-
JOH A.N NES t.
1-7
.\'»(• Eu lii.i leidde heti buiten
tut hrii Hethanie, en sfjti<? Iinii-
den opheffende, zegende liïj hen.
ól Eu bet geschiedde als hij
ze zegende, dut Lij van hen
sclietddc en werd opgenomen
in den hemt I.
.">. Ku zij aanbaden hem, en
keerden weder naar Jeruzalem
niet groote blijdschap.
KI Ku zij waren te allen tijde
in di\'ii Tem |k i, loveude e»
dunkende God. Amen.
HET HEILIG EVANGELIE
saab »e UEsciiRijrrxa van
JOHANNES.
11 II ij is gekomen tot bet
zijne, en de zijnen hebben hem
niet aangenomen.
i"~\' Maur zoovelen hein aan-
penomen hebben, dien heelt hij
inaeht gegeven kinderen Gods
te worden, namelijk die in zijnen
naam gehjoven;
i:( welke niet uit den bloede,
noeh uit den wil des vlee-
sehes, noeh uit den wil des
mnns, maar uit God geboren
zijn.
14 Eu het Woord is vleeseh
geworden, en heeft ouder ons
gewoond leu wij hebben zijne
heerlijkheid aanschouwd, eene
heeilijkbeid als des Ki\'uiggebo-
renen van den Vader vol van
genade eu waarheid.
i.\'i Jobanuei getuigt van heui
en heeft geroepen, zeggende;
Déze was het. van welken ik
zeide: Die mi mij komt is vóór
mij Lreworden, want hij wan
eer dun ik.
16  En uit zijne volheid heb-
ben wij allen ontvangen, ook
genade voor genade;
17  want de wet is door MoZCS
gegeven, de genade eu de waar-
beid is door Jezus Christus ge-
wordeu
Is Niemand heeft ooit God
gezien: de eeniggeboren Zoo::,
die in den schoot des Vaders
HOOFDSTUK 1.
IN den beginne Was het Woord
en liet Woord wi- 1>ij God.
en liet Woord was Ood.
\'2 Dit was in den beginne bij
God.
\'• Alle dingen zijn door bet-
zelve gemaakt, en londer bel-
zelve U geen ding gemankt dat
gemaakt f*.
4 In hetzelve was bet leven,
en bet leven was het licht der
uieuscheii;
•ï en bet Hebt sehi.ïnt in de
duisternis, en de duisternis
beeft hetzelve niet beurenen.
t Daar wat een menseb van
God gezonden, wiens naam wcs
•\'ohaiines:
7  deze kwiiin tot eene getuï-
genia, om van het licht te ge-
tulgen, opdat zij allen door hein
,\'elooven zouden.
8  Hij was liet Hebt niet, maar
jNH gezoiultfu opdat hij vun bet
licht getuigen zoude.
i DU was bet waarachtige
licht, hetwelk verlicht een
iegelijk mensen, komende in de
wereld.
10 Hij wan in de wereld, eu de
wenla is door hem gemaakt;
«•ii de wereld heeft hem niet
gekend.
-ocr page 136-
1CS                                      JOIIANN
is, dit\' heeft Hem om ver-
klaard.
lil Kn dit i* de getuigenis van
JoliauilPB, toen dv Jodcil eenu/e
Priesters en Levieten afronden
van Jeiu/.aleni, opdnt /.ij Item
souden visben: \\Vie /.iji u\'ij\'
2l) Kn hii beleed en lnuehen-
de liet niet, eit heieed: ik ben
de C\'Urifttua niet.
\'2\\ Kn /.ij vraagden lient: Wat
dan \'r Zijr gij Kilo? Kn hij
zeide; Ik hen die niet. Zijt :;ij
de Profeet? Kn liijantw.ntnl.le:
Neen.
\'2\'2 Zij zeiden dan tot hem:
Wie zijt «ij? u])(int wij aut-
WOOrd Reveil mogen dengenen
die mis gezonden hebben; wat
zegt siy van uzelveu\'
33 Hij Beide: Ik hen de stem
des roependen in de woestijn:
Maakt den we? den Meeren
reclit, gelijk .iesnjn de Profeet
gesproken beeft.
24 Kn de afigezoudeiira naren
uit de Kuri/.eers.
•2h Kn zij vraagden bent en
spraken tot hem: Waarom
doopt :rij dun, zoo gij de Chrö-
tu> niet zijt, uocb Kliti, uucb
dr Profeet?
•2< Jobaiuiea antwoordde hun,
zeggende: Ik doop niet water,
maar bij staat midden ouder
ulieden dien «ij niet kent:
\'2~ dezelve is \'t die n;. mij
komt, welke vóór mij gewor*
deu is, trien ik niet waardig
ben dat ik zijnen srlioeuriem
zoude ontbinden.
\'JS Deze dingen zijn iresehied
iu Betbftbara óver den Jordaan,
waar ïoluutiiea waa doopende.
\'2!l Hes anderen dnacra zag Jo-
banues Jezus tot. /,ieh komen,
en zeide: Zie, het Lom Goda
dat de zonde der wereld weg-
lieemt.
30  Deze is \'t van welken ik u\'P-
zegd heb: Nii mij komt een
man, die vóór uüj geworden
is, want hij was eer dan ik.
31   Kn ik kende hem niet;
maar opdat hij aan Israël zou-
de geopenbaard worden, diiar-
KS |.
B«i"=Jfk\'ï.°b\'l£"°&"™
!!ILk"uók»1ku\'\'2L,lad™ biSt
liiiii
:tl Li ik heb Bezien rn heb
Miii;.l, .Int dele de Zoon God»
:J5 Hes anderen daftïs wpder.
ss ,«ïdii°X\'r\'e"tm
WauMendc, Wide h«?3c,*ÏÏt
S\'Wot lockl .."ij? En zij zei-
deii tol ham: Rabbi (hctoeik
Mj,\'\'«,-^\'Lwinr™;mt\'\'\'\'i?-J\'"\'\'\'\'
\'-Tl \'"l\'.\'.\'lr.«»?"\'tle broeder tan
Slmon l\'etru», m één tan do
twee, die het van .Inhaniie*
tohtd waren :
VeÜ\' hij leidde lira tot Jratii.
IS^SnM
Cefaa ; hetwelk overgezet wordt
«"&» anderen d»aB, tviide
-ocr page 137-
JOÏÏAN
Jezus henengaan nnar Galiléa,
en vond Filippus eu Beide tot
hem: Vols mij.
(,ï Filippus nu was van Beth*
saïda, uit de • tad van Andréas
en Petrus.
4fï Filippus vond Nath&nafel
en zeide tot hem: Wij hebben
dien gevonden, van wel kim
Mozcs in de Wet geschreven
heeft, en de Profeten, namelijk
Jezus, den zoon Jozef», van
Nazaretb.
4" Eu Nathnnaël zeide tot
hera: Kan uit N azareth iets
goeds zijn? Filippus zeide tot
hem : Kom en zie.
48  Jezus v<.; Nathénael tot
Zich komen, en zeide van hem:
Zie, waarlijk een Israëliet in
welken Reen bedrog is.
49  Nathaunël zeide tot hem:
Van waar kent gij mij? Jezus
antwoordde en zeide tot hem:
Ker u Filippus riep, daar gij
onder den vijgeboom waart,
Zag Jk U.
60 Nathnnaëi antwoordde en
zeide tut hem: Rabbi, «ij zijt
de Zoon Gods, gij zijt de Ko-
nitig Israël».
51  Jezus antwoordde en zeide
tot hein: Omdat ik u gezegd
heb: Ik zag u onder den vijge-
honm, zoo gelooft gij: gij zult
grootere dingen zien dan deze.
52  Eu hij zeide tot hein i Voor-
waar, voorwaar zeg ik ulie-
den, van nu aan zult gij den
hemel zien geopend, en de
Engelen Gods opklimmende en
ncderdnlcnde op den Zoon des
menschen.
HOOFDSTUK 2.
EN op den derden dag was
er een bruiloft te Kana
in Galiléa, en de moeder van
Jezus was aldaar;
2 en Jezus was óók genood,
en zijne discipelen, tot de
bruiloft.
\'i En als er wijn ontbrak, zei-
dc de moeder van Jezus tot
hem: Zij hebben geen wijn.
NES 2.                                         129
4  Jezus zeide tot haar: Vrouw,
wat hel) ik met u te doen \'f
.Mijne ure is nog niet ge-
komen.
5  Zijne moeder zeide tot de
di naars; Zoo wat hij ulieden
gal zeggen, doet dut.
fi lïn aldaar waren zes steencn
watervateu gesteld, naar de
reiniging der Joden, elk hou*
denilc twee of drie metrétcu.
7  Jezus zeide tot hen: Vult de
watervateu niet water. Hu zij
vulden ze tot boven toe.
8  En hij zeiiletothen: Schept
nu en draagt het tot den hof-
meester. En zij droegen het.
9  Als nu de hofmeester liet
water dat wijn geworden was,
geproefd had (eu hij wist niet
vnn waar de wijn was, maar
de dienaren die het water ge-
schept hadden, wisten liet), zon
riep de hofmeester den bruide-
gom,
Ui eu zeide tot hem: Alle man
zet eerst den goeden wijn op.
en wanneer men wè.1 gedron-
ken heeft, alsdan den minde-
ren; maar gij hebt den goeden
wijn tot nu toe bewaard.
11  Dit begin der teekenen
heeft Jezus gedaan te Kana In
Galiléa, en heeft zijne heerlijk*
heid geopenbaard: en zijne dis»
cipeleu geloofden in hein.
12  Daarna ging hij af naar
Kapérnaum, hij en zijne moe-
der en zijne broeders en zïjue
discipelen, en zij bleven aldaar
niet vele dagen.
13  En het Pascha der Joden
was nabij, en Jezus ging öl>
naar Jeruzalem.
14  En hij vond in den Tempel
die ossen eu schapen en dui*
veo verkochten, eu de wissel*
aars daar zittende;
15  en een geesel van touw*
keus gemaakt hebbende, dreef
hij ze allen uit den Tempel,
ook de schapen en de ossen;
en het geld der wisselaren
stortte hij uit, en keerde de
tafels om;
Ifi en hij zeide tot degenen die
-ocr page 138-
NES :i.
doen die f ij doet, zoo God met
hem niet is.
\'.i Jezus antwoordde en geide
tot hen: Voorwaar, voorwaar
zes ik u, tenzij dat iemniü
wederom geboren worde, hij
kun het Koninkrijk Gods ui. ;
zie».
4  Ntcodéiuui zeide tot hen::
Hoe kan een mensen gehore,i
worden, nu oud zijnde? Kun
hij ook andermaal inden huil;
zijner moeder ingaan en fcC\'
boren worden ?
6   Jezus aii tw oorddc : Vooi -
waar, voorwaar zeg ik u,
zoo iemand niet geboren wordt
uit wuter en Geest, hij kan ju
het Koninkrijk Gods niet in-
gan».
fi Hetgeen uit liet vleesch gc-
bore» is, dut is vleeseh, en
hetgeen uit den Geest geboreu
is, dut is geest,
7  Yerwoiuler u niet dut ik u
gezegd heb: Gijlieden lUOCt
wederom geboren wolden.
5  De uu,il lilunst wuurlieueu
hij wil, en gij boort zijn ge-
luid, maar rij weet niet va»
waar bij komt en waar hij hc-
neuguut: aizóó is een iegelijk
die uit den Geest geboren is.
9 Mcodémni antwoordde eu
zeide tot hemt Hoe kunnen
deze dingen geschieden f
in Jezus antwoordde en zeide
tot hem: Zijt gij M> Leernar
Israël» eu weet gij deze dingen
niet?
11  Voorwaar, voorwaar les; ik
u, wij spreken wat wij weten,
en getuigen wat wij gezien
hebben, en gfjlieden neemt
onze getuigenis niet aan.
12   Indien ik ulieden de mini
sehc dingen gezegd heb eu gij
niet gelooft, hoe zult gij gc-
loove» indien ik ulieden de
hemelsehe zoude zeggcu?
1\'( 1\'n nicmaiid is opgevaren
iu den hemel, dan die uit den
hemel neder ge kom en is, saste*
tijk de Zoon iles mensebeu die
iu de» hemel is.
14 Eu gelijk Mozes de slang
J3D                                         .1011.\\N
ilc duiven verkochten: Neemt
deze dingen vnu hier ft ex,
maakt niet liet Huis mijns Va-
der» tot een huis van kooiilian-
del.
17  Kti zijne discipelen werden
indaehtig dat er eew breven is:
De Ijver van uw Huis heelt mij
verslonden.
18  De Joden dun uut woord-
de» e» zeiden tot hein: Wat
teekeu toont gij <H"S »l"t «ij
deze dingen doet?
19  Jezus Antwoordde en telde
tot lic»: Breekt dezen tempel,
en in drie dagen zul ik denzel-
veu oprichten.
SU De Joden dun zeiden: Zes
eu veertig jaren ia arer dezen
Tempel gebouwd, en gij, zult
Rij dien in drie du?e» uprieh-
ten?
SI Maar hij telde dit van den
tempel zijns Ucbamius.
-\'- Daarom a\\< liij opgestaan
was van de dooden, werden
ziinp discipelen gedachtig dut
hij dit tot hen gezegd bad, en
zij geloofden de Schrift en liet
woord dat Jezus gesproken
bad.
Z\\ Ku als bij te Jeruzalem
was op liet 1\'aseliu, op liet
feest, geloofden velen in zij.
nen naam, ziende zijne teek«-
ueu die bij deed.
24 Maar Jezus zelf betrouwde
hun ziebzelveti niet, omdat bij
ze allen kende,
tï5 en omdat liii niet van nou-
de had dat iemand getuigen
zoude van den mensch; want
hijzelf wist wat iu den mensen
was.
HOOFDSTUK 3.
EN daar was een mensch uit
de Fuiizeérs, wiens nauin
was Nicoduiuiis, een overste
der Joden:
2 déze kuiii\'i des nachts tot
Jezus, en zeidt\'tot hein : Rabbi,
wij weten dut gij zijt een l>er-
atir van God gekomen; want
niemand kun deze teekenen
-ocr page 139-
JOU.O
m de woestijn verhoogd heeft,
alzóó moet de Zoon des incu-
sehen verhoogd worden,
ló opdat een iegelijk die in hem
gelooft, »>et verderve, maar het
eeuwige leven nebbe.
K> Want alïóo lief heeft God
de wereld gehad, dat Hij zijnen
eeniciceboren Soou gegeven
heeft, opdat een iegelijk die in
hem gelooft, niet verderve, maar
het eeuwige leven hebbc.
17 Want God heeft zijnen Zoon
niet ge/.oiiden in de weretd, op-
dat hij dfl wereld veroordeeleu
zoude, maar opdat de wereld
door hem Koude behoude.i nor-
den.
IS Die hl hem gelooft, wordt
niet veroordeeld, maar die niet
gelooft, is aireede veroordeeld,
dewijl hij niet heeft geloofd in
den naam van deu ceuiggebo-
rcu Zoon God*.
19 En dit i* het oordeel, dat
het lieht in de wereld gekomen
is, en de menseheu hebben de
duisternis liever gehad dan het
Ucht; want hunne werken wa-
ren hoos.
2u Want een iegelijk,dir kwaad
doet, haat het lieht, r.i komt
tot het üeht niet, opdat zijne
werken Biet bestraft worden;
31 maar die de waarheid doet,
komt tot het lieht, opdat zijne
werken openbaar worden, dat
zij in God gedaan zijn.
-- Na dezen kwam Jezus en
zijne diseipeleu in het land van
Judêa, eu onthield zich aldaar
Uiet hen, en doopte.
-: Ku Johanuea doopte o Vu
in Kim i bij Salim, u e wijl al-
daar vele watereu waren; en
zij kwumen daar eu werden
\'.\'.•doopt;
-1 want ,1 nlian i f - was nog
niet in de gevangenis gewor-
peu.
25 Daar ree» dan eeue vraag
van e* uitjen, uit de diseipeleu
van Jnhaimes niet de Joden
over de reiniging;
2(1 eu zij kwamen tot Johan-
DM en zeiden tot hem: Kabbi,
NKS 4.                                          131
die met u was óver den Jor*
daan, welken gij getuigen)*
gaaft, zie, die doopt, eu zij ko-
inen allen tot hem.
-7 Jolianiii\'s antwoordde eti
telde: Ken meiiscu kan geen
ding aauueuiea, zo > het hem
uit den hemel uiet gegeven
ia.
ïs Gijzelveu zijt mijne getuigen
dat ik gezegd heb: Ik ben de
Christus niet, maar dat ik voor
hem henen uitgezonden beu.
2\'J Die de bruid heeft, is de
bruidegom j inaar de vriend des
bruidegoms, die staat en hein
hoort, ver.dijdt zieh met blijd-
sehnp om de stem des bro.UK*
gom*. Zou is dan deze mijne
51
Blijdschap vervuld geworden.
:iil II ij moet wassen maar ik
minder worden.
:tl Die vau hoven komt, is bo-
veu allen. Die uit de aarde is
roai-tyfkomfii, die in uit de
aarde en spreekt uit de aarde:
die uit deu hemel komt, is bo-
ven allen;
:>.\' en hetgeen htj gezien en
gehoord heeft, dat getuigt hij,
eu zijne getuigenis neemt nie-
maiid aan.
;il Die zijne getuigenis aange-
nomen beeft, die heeft beze-
geld dat God waarachtig is;
.il want dien Ood gezonden
heeft, die spreekt de woorden
Gods; want God geeft hem den
Geest niet met mate.
3r> De Vader heeft deu Zoon
lief, eu heeft alle dingen i.i
zijne hand gegeven.
:tii Die iu den Zoon gelooft,
die heeft het eeuwige leven;
maar die den Zoon ougehnor-
zaaiu is, die ia! het leven niet
zien, maar de toorn Guds blijft
op hem.
HOOFDSTUK i.
ALS dan de lleere verstond
dat de Faiizecr* gehoord
hadden, dat Jezus meer di-ei-
uelen maakte eu doopte daa
I J"llHl!lil -
-ocr page 140-
JOU.IN\'
NES 4.
zal in hem worden eene (on\'
tein van water, springende tot
in het eeuwige leven.
15  De vrouw zeide tot hem;
Heere, geef mij dat water, op-
dat mij niet dorste, en ik hier
niet meet komen om te putten.
16  Jezus zeide tot haar: Ga
henen, roep uwen man en kom
h ier.
17    De vrouw antwoordde en
zeide: Ik heb geenen man. Je-
zus zeide tot haar: Gij hebt
wel gezegd: Ik heb geenen
man;
IS want gij hebt vijf mannen
gehad, en dien gij mi heht, is
uw man niet: dat hebt gij met
waarheid gezegd.
19 De vrouw zeide tot hem:
Ileere, ik zie dat gij een Pro*
feet zijt.
2ii Onze vaderen hebben op
dezen berg aangebeden, en gij-
lieden zegt dat te Jeruzalem de
plaats is, waar men moet aau-
hidden.
21  Jezus zeide tot haar: Vrouw,
geloof mij, de ure komt, wau-
ueer gij lieden noch op dezen
berg, noch te Jeruzalem den
Vader zult aanbidden.
22  Gijlieden aanbidt wat gij
niet weet, wij aanbidden wat
wij weten; want de zaligheid
is uit de Joden;
~:> maar de ure komt en is
nu, wanneer de ware anubid-
ders den Vader aanbidden zul*
len iu geest en waarheid;
want de Vader zoekt ook de-
zul ken, die Kern alzóó aan*
bidden.
24    God is een geest, en die
Hein aanbidden, moeten Hem
aanbidden in geest en waar-
beid.
25  De vrouw zeide tot hem: Ik
weet dat de Messias komt (die
genaamd wordt Christus); wan-
neer die zal gekomen zijn, zoo
zal hij ons alle dingen verkon-
iligen.
2(1 Jezus zeide tot haar: Ik
ben het, die met u spreek.
27 Kn daarop kwamen zijne
t:;-:
2 (hoewel Jezus zelf niet doop-
tc, maar zijne discipelen),
:i zoo verliet h»j Judéa en ging
wederom henen naar Gal i 10a.
4 En hij moest door Samarie
gaan.
ft IIij kwam dan in eene stad
van Saniarië, genaamd Sichar,
nabij het stuit land hetwelk
Jakob ziiueu zoon Jozef gaf;
(i en aldaar was de fontein Ja*
kobs. Jezus dan vermoeid ziin*
dc van de reis, zat alzoo neder
nevens de fontein: het was om-
trent de zesde ure,
7  Daar kwam eene vrouw uit
Samarie om water te putten.
Jezus zeide tot haar : Geef infj
te drinken.
8  (Want zijne discipelen wa-
ren hcnengegaati in de stad,
opdnt zij spijs zouden knopen.)
y Zoo zeide dun de .Samari*
taansche vrouw tot hem: Hoe
begeert «ij, die een Jood zijt,
van mij Ie drinken die eene
Samaritaan sche vrouw beu?
Want de Joden houden ireen
gemeenschap met de S;iiii,n i
tanen.
10  Jezus antwoordde en zeide
tot haar: Indien gij de gave
Gods keudet, en wie hij is die
tot u zegt: Geef mij te drinken,
zon znudt «ij van hein iiebben
begeerd, en hij zoude u levend
water gegeven hebben,
11   De vrouw zeide tot hem:
Hcere, gij hebt niets om mede
te putten, en de pur is diep:
van waar hebt gij dan het )e-
veud Mater?
12  Zijt gij meerder dan onze
vader Jakob die ons den put
gegeven heeft, en hijzelf heeft
daaruit gedronken, en zijne
kinderen, en zijn vee?
13  Jezus antwoordde en zeide
tot haar: Ken ieder die van
dit water drinkt, aal wederom
dorsten;
14   maar zoo wie gedronken
zal hebben van het water dat
ik hem Keven zal, die zal in
eeuwigheid niet dorsten, nmiir
het water dat ik hem aal geven,
-ocr page 141-
JOIIAN
discipelen, en verwonderden
zich dat hij met eene vrouw
sprak. Nochtans zeide nic-
mnud : Wat vraart \\ :ij, ol\' wat
spreekt «ij mei haar?
~2s Zoo verliet de vrouw dan
haar waterval, en Ring henen
in de stad, en zeide tut de
lieden :
\'.29 Komt, liet een mensch
die uii] gezegd heelt alles wat
ik gedaan heli t is déze niet de
Christus?
;il) Zij dan gingen uit de stad
en kwamen tot hem.
31    En ondertusicken baden
ln\'in de discipelen, leggende:
Rabbi, eet.
32  Maar hij zeide tot hen: Ik
heb eene spijs om te eten die
uij niet weet.
lil Zoo zeiden dan de diseipe*
len tegen elkander: Heelt hem
iemand te eten gebracht ;
34  Jezus zeide tot hen: Mijne
spijs is, dut ik doe den wil
detgenen die mij gezonden
heelt, en zijn werk volbreng.
35  Zegt gijlicden niet: liet /.ijn
nog vier munnden eu dan komt
de oogst? Zie, il; zeg u, heft
uwe oogen op en aanschouwt de
landen, want zij zijn aireede
wit om te oogsten.
3<> Kn die maait, ontvangt
loon, en vergadert vrucht ten
eeuwigen leven, opdut zich te
zawcu verblijden beiden die
zaait eu die maait;
37 want hierin is die spreuk
waarachtig: Ken ander i* \'t
die zaait, en een at\'der die
maait.
33  Ik heb u uitgezonden om
te maaien hetgeen gij niet be-
arbeid hebt; anderen hebben
\'t bearbeid, en gij zijt tot htm-
in-ii arbeid ingivrauu.
3U Kn velen der Samaritanen
uit die stad geloofden in hein,
om het woord der vrouw die
getuigde: Hij heeft mij gezegd
alles wat ik gedaan heb.
40 Als dnn de Samaritanen
tot hem gekomen waren, ba-
den zij hem dat hij bij hen
NKS 4.                                           133
Diere; eu hij bleef aldaar twee
dagen.
41   Kn daar geloofden veel ïneer*
dereu 0111 ziins woords wil,
42    eu zeiden tot de vrouw:
Wij gcloovcn niet meer om
uws zegirens wil, want wij-
zclven hebben hem gehoord, eu
weten dat déze waarlijk is de
Christus, de Zaligmaker dei-
wereld.
43  Kn na de twee dagen ging
hij van daar, en ging henen
naar Galiha;
41 want Jezus heeft zelf gc-
tuigd, dat een Profeet iu zijn
eigen vaderland geen eer
heeft.
45    Als hij dan iu Galilüa
kwam, ontvingen hem de Ga-
1 Heers, gezien hebbende alle
de dingen die hij te Jeruznlem
op bet feest gedaan had; want
ook zij waren tot het leest ge-
gaan.
46  Zoo kwam dan Jezus wc*
derom te Kann in Onliléa,
waar hij het water wijn ge-
maakt had. Kn daar wai een
zeker koninklijk hoveliiiy, wiens
zoon krank waa, te Kaper*
naüui s
47  déze gehoord hebbende dat
Jezus uit .\' i.i\'.i-.i iu Galilca
kwam, ging tot hein en bad
hem dat hij afkwaine en zijnen
zoon gezond maakte; want hij
lag op z(jn sterven.
4s Jezus dan zeide tot hem:
Tenzij dat gij lieden trekene 11
eu wonderen ziet, zoo zult gij
niet gelooven.
19 ])e koninklijke horelhitj
zeide tot hem: Heere, kom at,
eer mijn kind sterft.
50   Jezus zeide tot hem: Ga
henen, uw zoon leeft. Kn de
mensen geloofde het woord dat
Jezus tot hem zeide, en ging
benen.
51   En als hij du afging, kwa-
men hem zijne dienstknechten
tegemoet en boodschapten, ICft>
KCndc : Vw kind leeft.
52    Zoo vrangde hij dan van
hen de ure iu welke het heter
-ocr page 142-
134                                         JOIIAN
met hein geworden was, en zij
Kcideu tot hem: (listeren te
zeven uur verliet hun de
koorts.
5\'t De vader dan bekende, dat
liet in die ure iraa in dewelke
Jezus tot lifin gezegd had: Uw
loon leeft: en hij geloofde zelf,
en zijn geheclc huis.
."! Dit tweede teeken heeft
Jezus wederom ircdaatli als liij
uit Judéa in Üaliléa gekomen
HOOFDSTUK 5.
VTA dezen was er een feest
1.1 der Joden, en Jezus lcii:-_r
óp naar Jeruzalem.
9 Ku daar is te Jeruzalem aan
de Sehaapapowt een badwater,
hetwelk in \'t Hebreeuwseh
toi"_reiiaaiiul wordt liethesda,
hehhende vijf /.alen.
:t In dezelve hik\' eene eroote
menigte van krauken, hlindeu,
kreupelen, verdorden, waeliten*
de (<|i de roering des waters;
1 want ren Engel daalde neder
op zekeren tijd in het badwater,
en beroerde bet water: die dan
liet eerst daarin kwam na de
beroering van het water, die
werd gewild, van wat ziekte hij
ook bevangen wan.
*i Ku aldaar was een zeker
inenseli, die aelit en dertig jaren
krank gelegen had.
il Jezus ziende dezen liggen, en
wetende dat hij uu langen tUd
gelegen had, gelde tot hem i Wilt
\',\'ij gezond worden?
7 üe kranke antwoordde hem:
Ileere, ik heb geen mensen
om mij te werpen in liet bad-
water, wanneer het water be-
roerd wordt; en teiwijl ik kom,
zon daalt een ander vóór mij
neder.
S Jezus zeide tot hein: Sta
on, neem uw bcddekeii on eu
wandel.
D Kli terstond werd de ïnenseh
getond, en nam zijn beddeken
o]> en wandelde. Kn het was
sabbat op dien dag
NES B.
10  De Joden zeiden dan tot
dengenen die genezen was:
Het Is sabbat, \'t is u niet ge-
oorloofd het beddeken te dra-
Ken.
11   Hij antwoordde htm: Die
mij gezond gemaakt heeft, die
heeft mij gezegd: Neem uw
beddekeu op en wandel.
12  Zij vraarden hun dan: Wie
is de men se li die u gezegd
beeft; Neem uw beddekeu op
en wandel?
13  Kn die gezond gemaakt was,
w ist niet w ie hij wa«; w ant
Jezus was ontweken, alzon daar
eei.e yrvote sehare in die plaat*
was.
14  Daarna vond hem Jezus m
den Tempel eu zeide tot hem :
Zie, gij zijt gezond gewordenj
zondig niet meer, opdat u niet
wat erkers geschiede.
1.\'> De men bc h ging benen eu
boodschapte den Joden, dat
het Jezus was die hem gezond
gemaakt had.
I<: En daarom vervolgden de
Joden Jezus, eu zoehten hem te
doeden, omdat hij deze dingen
Op den sabbat deed.
17 Ku Jezus antwoordde hun:
M|jtl Vader werkt tot nu toe,
en ik werk óók.
i • Daarom dan zochten de
Joden te meer hem ie dooden,
omdat hij niet alleen den sab-
lint brak, naar ook zeide dat
God zijn eigen Vader was,
/.iehzelven Gode even gelijk ma-
kende.
l\'.i Jezus dan antwoordde en
zeide tot hen : Voorwaar, voor-
waar zeg ik ii, de Zoon kan niets
van ziehzetven doen, tenzij hij
den Vader dat ziet doen; want
zoo wat die doet, hetzelve doet
ook de Zoon desgelijks.
20  Waxt de Vader heelt den
Zoon lief, eu toont hem alles
wat Hij doet, en Hij zal hem
grootere v. erken tonnen dan
deze, opdat gij u verwon*
dert.
21     Want gelijk de Vader
de doodeu opwekt eu levend
-ocr page 143-
JOIIAN
maakt, alzóo maakt ook de
Zoon levend die hij wil.
ii Want ook de Vader oor-
deelt niemand, maar beeft al
het oordeel den Zoon gegeven,
•l\'.i opdat zij allen den Zoou
eeren, (tel ijk zij den Vader
eeren. Wie den Zooil niet eert,
eert den Vader niet die hem
gezonden heeft.
\'2\\ Voorwaar, voorwaar zeg ik
u, die mijn woord hoort, en
gelooft Hem die mij gezonden
heeft, die üeefi het eeuw ige
leven, en komt niet in de ver*
doemenis, maar is uit den dood
overgegaan in het leven.
•J5 Voorwaar, voorwaar zeg ik
n, de ure komt en is nu, wan-
neer de doodcii zullen liooren
de Btein van den Zoon Gods,
en die ze gehoord hebben,
/.uilen leven;
•JU want gelijk de Vader het
leven heeft in sichxclveu, alzóó
heeft Hij ook dr i Zoon gegeven
het leven te hebben in zicb-
zelven,
•_7 en heeft hera mocht gc-
gi\'ven ook geiiht te houden,
omdat hij dei menscheu Zoou is.
2S Verwondert o daar niet
over; wnut de ure komt, in
welke allen die in de graven
zijn, zijne item zullen hoo-
ren,
-\'.i en zullen uitgaan, die het
goede gedaan hebben tot de
opstanding ili" levens, en die
het kwade gedaan hebben tot
de opstanding der verdoeme-
3Ü Ik kan van iiifjzclvcn niets
iloen: gelijk ik hoor, oordcel
ik, en mijn oordeel la recht*
vaardig; want ik zoek niet
mijnen wil, mnnr den wil
des. Vadem die mij gezonden
heeft.
81 Indien ik mui mijzelven ge-
tuig, inijue getuigenis is niet
waarachtig;
33 daar ia een ander die van
mij getuigt, en ik weet, dat de
getuigenis welke Hij van mij
getuigt, waarachtig is.
NES S.                                          135
33 Gfjliedcn hebt tot Johan*
ues gezonden, en hij heeft der
waarheid getuigenis gegeven;
:il doch ik neem gecue getui*
gen is van een mensch, maar
dit zeg ik, opdat gijliedcn zoudt
behouden worden.
33 Hij w&< t-ene brandende on
liehtendc kaars, en gij hebt u
voor een korten tijd in lijn
licht willen verheugen;
\'Mi maar Ik heb eene getuige*
nis meerder dan die van Jo-
hannct; waut de «erken die
in ij de Vader gegeven heeft om
die te volbrengen, die werken
die ik doe, getuigen van mij,
dut mij de Vader gezonden
beeft.
37 Ku de Vader die mij ge-
zonden heeft, die heeft zelf vzn
mij getuigd: gij hebt noch
zijne stem ooit gehoord, noch
zijne gedaante gezien;
\'M en zijn Woord hebt gfj niet
iu u blijvende; wnnt gij ge-
looft dien niet, dicu II ij ge-
7. uiden heeft.
39 Onderzoekt de Schriften,
want gij meent iu dezelve hot
eeuwige leven te hebben, en
die zijn het die van mij ge-
tuigeu;
4\'i cu gij wilt tot mij niet
komen, opdat gij het leven
luoogt hebben.
41 Ik neem geene eer van
uien scheut
4- maar ik ken ulieden, dat
gij de liefde Gods iu uzelvcii
niet hebt.
4\'t Ik beu gekomen in dcu
naam mijns Vaders, en gij
neemt mij niet aan; loo een
ander komt in zijnen eigenen
naam, dien xult rij aannemen.
44 Hoe kunt gij geloovcu, gij
die eer van elkander neemt, en
de eer die vuu God allécu is,
niet zoekt ?
46 Meent niet dat Ik u verkla-
gen zal bij den Vader; die u
verklaagt, is M<"/.es, op weikeu
gij gehoopt hebt.
4\'i Want indien tij Mores ge-
loofde!, loo zoudt gij mij ge-
-ocr page 144-
NES C.
zeide hij tot zijne discipelen:
Vergadert de overgescfiotene
brokken, opdat er niets ver-
loren tra.
13    Zij vergaderden ze dan,
Ou vulden twaalf korveu met
brokken vau de vijf gerstc-
broodeu, welke overgeschoteu
waren dengenen die gegeten
hadden.
14    De meusclicn dan, gezien
hebbende het teekeu dat Jezus
gedaan had, zeiden: Déze is
waarlijk de Proleet die in de
wereld komen zoude.
l.j Jezus dan wetende dat zfj
zouden komen, en hem met
ireweld nemen, opdat zij hem
Koning maakten, ontweek we-
deroin op den berj:, hijzelf
alléén.
Ui En als het avond geworden
was, giugeu zijne discipelen af
uaar de zee;
17    en in het schip pregaa; 1
zijnde, kwamen zij o\\er de zee
naar kniciiuutui. Eu het was
aireede duister (geworden, en
Jezus «as tot hen niet gc-
koiueu;
18    eu de zee verhief zich,
ovrnnits er ecu groote wind
waaide.
19  En ais zij omtrent vijf en
twintig of dertig stadiën ge-
varen waren, zagen zij Jezus
wandelende op de zee eu ko-
iiii\' ilc bij het schip; en zij
worden bevreesd.
20  Maar hij zeide tot hen: Ik
ben \'t, zijt niet bevreesd.
i\'i \'.\'. ij hebben hem dan gc-
willlglrjk in het schip ^cuo-
men; en terstond kwam het
rchip aan het land waar zij uaar
toe voeren.
\'ïl Des anderen dna^s de
schare die aan de andere zijde
der zee stond, ziende dat al-
danr geen ander seheepkeu
was dan dat éénc wnar zijne
discipelen inïCTaau naren, en
dat Jezus met zijne discipelen
iu dat Bclieepkeu niet was ge-
L\'aan, uiRur dat zijne diseij>e-
lcii alléén w e^\'gevaren waren
K36                                        JOÜAiN
iooven; want bij Leeft van mij
geschreven.
47 Maar zoo "..t zijne schriften
niet gelooft, hot.\' /.uit gij mijne
woordcii geh,üVL\'n ?
HOOFDSTUK G.
NA dezen vertrok Jezus over
de zee vim Galiléa, welke
is de zee van Tibcrias;
2 en hem volgde eeue uroote
schare, oiudnt zij zijne tcckc-
uen zugcu die hij deed aan de
k tanken.
:i En Jezus Ring op den berg,
en zat aldaar neder met zijne
discipelen.
4  En bet Pascha, liet feest der
Joden, was i.abjj.
5   Jezus dan de oogeu ophef*
fendc en ziende dat eene groote
schare tot hein kwam, geide
tot Fillppus; Van waai zullen
wij bi ouden koopcu, opdat
dezen eten moseii i
fi (Doch dit zeide liij hem be-
prnevende, want liij wist zelf
uut hij dueu zoude.)
7  Fillppus antwoordde hem:
Voor tweehouderd penningen
brood is dezen niet genoeg,
Opdat een iegelijk vuu hen een
weinig neme.
8    Een van zijne discipelen,
Hinneliik Andiéus, de broeder
van Sim on Petrus, zeide tot
hein:
\'J Hier is een jonghen dat vijf
gerstebroodeu lieeft, en twee
vischkens; maar wat zijn déze
onder zooveluu \'t
10   En Jezus zeide: Doet de
ïmnschcn uederzitteu. En daar
was veel ^ras in die plaat*.
Zoo zaten dan de mannen ue-
der, omtrent vijf duizend in
getal.
11    Ku Jezus nam de broodeu,
en gedankt hebbende, deelde
hij ze den discipelen uit, en de
discipelen dengenen die neder-
gesetcn waren; dergelijks ook
van de vischkeus, zooveel zij
wilden.
IS En als zij verzadigd waven,
-ocr page 145-
NES 6.                                          H7
Heere, geef ons altijd dit
brood.
35 En Jezus zeide tot beu: Ik
ben bet brood des levens . die
tot mij komt, znl Beenszius bon-
geren, en die in mij Belooft,
zal nimmermeer dorsten.
:H! Maar ik beb u gezegd1, dat
BÜ mij ook Bezien hebt, en gij
Belooft niet.
37 Al wat mij de Vader geeft,
zal tot mij komen, en die tot
mij komt, zul ik geenszins uit-
weriien.
3s Want ik ben uit den hemel
ueder^edaa>d, niet opdnt ik
mijnen wil zoude doen, maar
den wil deagenen die mij ge-
zouden heelt.
3\'J Kii dit is de wil des Vaders
die mij gezonden heeft, dat al
wat Hij mij gegeven heeft, ik
daaruit niet verHeze, maar
hetzelve opwekke ten uiter-
sten dage.
41) Kn dit is de wil deagenen
die mij gezonden beeft, dat een
iegelijk die den Zoon aau-
schouwt en in hein irelooft,
bet eeuwige leven nebbe, en
ik zal beui opwekken ten uiter-
sten daBC.
41   De Joden dan miirmiircer-
den over hem, omdat hij ge-
zegd bad: Ik ben liet brood
dat uit den hemel uederge-
dnnld ia ;
42  en zij zeiden: Is deze niet
Jezus, de zoon Jozefs, wiens
vader en moeder wH kennen?
Hoe zegt déze dan ; Ik beu uit
den hemel nedergedaald ?
13 Jezus dan antwoordde en
zeide tot hen: Murmureert
niet onder elkander.
44 Niemand kun tot mij ko-
men, tenzij dat de Vader die
mij Bczoudcn heeft, heuitrekke;
en ik zal hein opwekken ten
uitersten dage.
4"> Daar is geschreven in de
Profeten: En zij /.uilen allen
van God geleerd zijn. Een iege-
lijk dan die htt van den Vader
geboord en Beleerd heeft, die
komt tot mij;
JOH A.N
S2 (doch doar kwamen andere
ccbccpkeiis vau Tiberias nabij
de plaats, waar zij bot brood
gegeten liadib .1, als de Heere
gedankt had).
24  toen dan di\' schare gag,
dat Jezus aldaar niet was noch
zijne discipelen, zoo gingen zij
ook iu de schepen, ca kwa-
111 en te Knpérnuum, zoeken-
dc Jezus;
25  en als zij hem Bevonden
hadden óver de zee, zeiden zij
tot lieni\'. Habbi, wanneer zfjt
gij bier gekomen?
2fi Jezus antwoordde bun en
zeide: Voorwaar, voorwaar
zeg ik u, BÜ zoekt mij niet
omdat «ij leekenen gezien
hebt, maar omdat ir ij van de
hrooden gegeten hebt en ver
zadigd .\'.ij:.
27  Werkt niet om de spijs die
vermat, maar run de spijs die
blijft tot in liet ceuwi.ee leven,
welke de Zoon des uiensclien
ulieden Beven zal; want dezen
heeft God de Vader bezegeld.
28  Zij zeiden dan tot hem:
Wat zullen wij doen, opdat
wij de werken (Juds mogen
werke n ?
29  Jezus antwoordde en 7.cide
tot hen -. Dit is het werk Gods,
dat gij Belooft in hem dien Hij
gezonden heeft.
30  Zij zeiden dan tot hem:
Wat teekeu doet bU dan, op-
dat wij liet mogen zien en u
seloovcn? Wat werkt bÏJ ï
31  Onze vaderen hebben het
manna gegeten in de woestijn,
Belijk Beschreven is: ilij gaf
hun het brood uit den hemel
te eten.
89 Jezus dan telde tot hen:
A\'oorwaar, voarv. aar gag ik
u, Mozes heeft tl niet Beseven
liet brood uit den hemel, maar
mijn Vader geeft u het ware
brood uit den hemel;
SS want het brood Gods fs hij
die uit den hemel nederdaalt,
*\'n die der wereld het leven
Beeft.
M Zij zeiden dan tot hem:
-ocr page 146-
N ES r>.
.VJ Deze dingen zeide hij in de
Synagoge, leerende te Kapér-
imuin.
(>ll Velen dan van zijne <li.-ci-
felen dit hoorende, zeiden:
leze rede is hard, wie kan de-
zelve hooreu ï
)>1 Jezus uu wetende bij zïeh-
zelvcu, dat zijne discipelen
daarover murmureerden, zelde
tot hen : Ergert ulieden dit ?
<>2 Wat sonde het dan :ij/t, ZOO
v ij den Zoon des menseheu
zaagt opvaren waar hij te vu-
ren wan ?
rti De geest is het die levend
maakt, het vleeseh is niets
nut: de woorden die ik tot u
spreek, zijn geest en zijn leven.
ti-l Maar daar zijn sommigen
van ulieden die niet irelooveu.
Want Jezus wist van den be-
glnue wie zij waren die niet
geloofden, en wie hij was die
hem verraden zoude.
li» Eu hij zeide: Daarom heb
ik u gezegd, dut niemand tot
mij komen kan, tenzij dat het
hem gegeven zij van mijnen
Vader.
Mi Van toen af gingen velen
zijner dieipeleu terug, en wan-
deldeu niet meer met hem.
Jezus dan zeide tot de
twaalve: Wilt gijlieden óók
niet weggaan?
lis Siinon Petnu dan ant-
wnordde hein i lleere, tot wien
zullen wij beiieiigaan \'t (Jij hebt
de woorden des eeuwigen le-
vens;
ii<) eu wij hebben geloofd en
bekend, dat gij ïijt de Chris-
tus. de Zoon des levenden
Qoos,
7H Jezus antwoordde hun :
Heb ik niet u twaalve uitver-
koren\': en één uit u is een
duivel.
71 Kii hij zelde dit nut Judas
Simons som* lhkiuiot; want
deze zoude hem verraden, zijn*
de een van de twaalve.
13S                                        JOHAN
\\\'- niet dat Iemand den Vader
•tezien heeft dan die van God
is: deze heeft den Vader gezien.
47 Voorwaar, voorwaar leg
ik n, die in mij «dooit, heeft
het eeuwige leven.
44 Ik ben liet brood des lc*
veü*.
411 Uwe vaderen hebben liet
in.ci.iii gegeten in de woestijn
en zij zijn gestorven:
50 dit i» het brood dat uit den
hemel nederdaalt, opdat de
mcuscli daarvan etc en niet
«terve.
51  Ik ben het levende brood
dat uit den hemel nedcrge-
daald is: zoo iemand van dit
brood eet, die zal in dereenwig*
heid leven; en het brood dat
ïk geven zal, is mijn vleeseh,
hetwelk ik geven zal voor het
leven der wereld.
52  De Joden dan streden on-
der elkander, zeggende: Hoe
kan ons deze zijn vleeseh te
eten Keven?
53  Jezus dan zeide tot hen:
Voorwaar, voorw aar zeg ik
ulieden, tenzij dat gij het
vleesdi van den Zoon des men-
sclieu eet en zijn bloed drinkt,
zoo hebt gij geen leven in u-
zelven,
51 Die mijn vleeseh eet en
mijii bloed drinkt, die beeft
liet eeuwige leven, en Ik zal
item opdekken ten uitersten
dage;
5J want mijn vleeseh is waar-
rijk :-i»ijs, en mijn bloed is
waarlijk drank.
511 Die in ijl i vleeseh eet en
miin bloed drinkt, die blijft in
mij en ik in hem.
57 (ielijkerwjs mfj de leven-
de Vader ge/.ouden heeft en ik
leef door den Vader, ntsöé die
mij eet , dezelve zal leven door
mij.
W Dit is het brood dat uit
den hemel nedergedaald ia;
niet gelijk uwe vaderen het
manna gegeten hebben en zijn
gestorven t die dit brood eet,
zul in der eeuwigheid leven.
-ocr page 147-
NES 7.                                         139
midden van bet feest Mas, zoo
ging Jezus óp in den Tempel
en leerde.
I\') Eu de Joden verwonderde»
ziefi, zeggende: Hoe weet déze
de Schriften, daar hij ze niet
geleerd beeft?
1<< Jezus antwoordde bun en
zeide: Mijne leer is de mijne
niet, maar desgenen die mij
gezonden beeft:
17 zoo iemand wil deszelfs mü
doen. die zal van deze leer
bekennen of zij uit Oud is, dan
of ik van mijzelven spreek.
1H Die van ziebzelven •preekt,
zoekt itjne eigene eer; maar
die de eer zoekt dengenen die
hem gezonden heeft, die is
waarachtig* en geen ongerech*
tk\'luid is in hem.
11» Heeft Mozes u niet de Wet
gegeven ? eu niemand van il
doet de W et. Wat zoekt gij mij
te dunden ?
2C )>e schare antwoordde en
zeide: Gij hebt den duivel: wie
zoekt u te dooden \'
21  Jezus antwoordde en zeide
tot ben: Eén werk heb Ik
gedaan, en gij verwondert U
allen.
22   Daarom Mozes heeft ulie*
den de besnijdenis gegeven
(niet dat ze uit Mozes is, manr
uit de vaderen), en gfj besnijdt
een mensch op den sabbat.
23  Indien een mensch de be*
snijdenis ontvangt up den sab-
bat, opdat de wet van Mozes
niet verbroken worde, zijt gij
toornig op mij, dat ik een ge-
heelen mensch gerond gemaakt
heli op den sabbat?
24  Oordeelt niet naar het aan*
zien, maar oordeelt een reeht*
vannli\'i oordeel.
23 Sommigen dan uit die van
Jen iiü\'in zeiden: Is deze niet
dien \'.ij zoeken te dunden?
26    Kn xie, hij spreekt vrij-
nicn di-\'lijk eu zij zeggen hein
niets, /ouden nu wel de over*
sten waarlijk weten, dat deze
waarlijk is de Christus?
27  Doeh van dezen weten wij
HOOFDSTUK "-
EX na dezen wandelde Jezus
iu Galiléa; nanl hij wilde
in .ii.iirii niet wandelen, om*
dut dr Joden hem znehteii te
dunden.
2  En bet feest der Joden, wn-
atfïijk de /oo/\'huttcnzcttiiig, Mas
nabij.
:i SEoo zeiden dan zijne broe-
dera tot bein : Vertrek van
li ier en ni benen in J udés,
opdat ook uwe discipelen uwe
Merken mogen aan gebouwen
die Rij doet;
I want niemand dort iet* in
\'t verborgen, en zoekt zeil\' dat
men openlijk van hem spreke
Indien gij dexe dingen dort,
zoo openbaar melven Inn de
wereld.
3    Want ook zijne bloeders
\'.doofden niet in hein.
(i Jezus dan relde tot bon:
Mijn tfjd i* nog niet daar,
maar ii« tijd is ultijd bereid.
7 De wereld kan ulieden niet
baten, maar mij baat zij, om-
dat ik van dezelve getuig dat
bare werken oo n zijn.
H Gaat gij lieden <>[> tot dit
fee*ti ik kb nog niet op tot dit
(Vest; want mijn tijd ia nog
niet vervuld.
il Eu als liii deze dingen tot
ben gezegd bttd, bleef hij iu
GalUèa.
ld Maar als zijne broeders
opgegaan waren, toen i-ing bij
nok zelf op tot het feest, niet
openlijk, maar als in \'t ver*
borgen.
il De Joden dim gochten bcm
op het feest, eu leldeni Waar
is hit?
i- Eu daar waa veel gemompel
van hem onder de scharen i
sommigen zeiden: Hij is goed;
eu anderen zeiden : Neen, inaar
hij verleidt de schare.
la Noebtans sprak nieuiftnd
v rij moed iu\'1 ijk van hein, om de
de vrees der Joden.
14 Doeh als bet nu in het
-ocr page 148-
140                                        JOHA-N
van waar liij is; mnnr de
Christus waui;"er hij komen
zal, zoo zal niemand weten van
waar Uij in.
CS Jezus dan rif-p, in den
Tempel leerende en legweude:
Kn gij kent mij, en gij weet
vau waar ik ben; en ik ben
van mfjzelveu niet gekomen,
uiunr Hij is waaraehtig die mij
gezonden heeft, welken gijlie-
rlen niet kent;
•J\'J inuar Ik ken Hem, want ik
ben van Hem, en Hij heeft mij
gezonden.
80 Zij Kochten hem dan te
«rijnen; maar niemand sloeg
de liond aan hem, want zijne
ure was nog niet gekomen.
31  Kn velen uit de schare ge-
loofden in lieiu, en zelden :
Wanneer de Christus zal ge-
komen zijn, zal bij ook meer
teekeueu doen dan die welke
deze gedaan beeft?
32   De Parizeers hooiden dat
de se bare dit van hem inoin-
pelde; en de Farize^rs en de
Overpriesten zonden dienaren,
opdat zij liem grijpen zonden.
:>\'( Jezus dun zeide tot ben:
Nog eencn kleinen tijd hen ik
bij u, en ik i»i benen tot den-
genen die mij eezondeu heeft.
31 Gij zult inij zoeken en gij
zult mij niet vinden, en waar
ik ben, kunt gij niet komen.
3.\'i De Judeu dan zeiden tot
elkander: Waar zal deze he-
iieugann, dat •ij heui niet
zullen vinden\'\' /al bij tot de
verstrooide Grieken gaan, en de
Grieken leereu?
3iï \\Vat is dit voor een rede
die hij gezegd heefti Gij zult
mij zoeken en zult mij niet vin-
den, en waar ik It.u kunt gij
niet komen \'t
37   Kn op den loatsten dag,
zijnde de groote Ang van het
feest, stond .Jezus en riep, zeg-
gcude; Zoo iemand dorst, die
kome tot mi] en diïnke.
38   Die in mij gelooft, gelij-
kerwijs de Schrift zegt, stroo-
men dea levenden watert zul-
NE8 7.
len uit zijn binnenste vloeien.
39  (Kn du zeide bij vau den
Geest, deuwelken ontvangen
zouden die in liem gelonven;
want de Heilige Geest was nog
niet, overmits Jezus nog niet
verheerlijkt was.)
40   Velen dan uit de sehare
deze rede booreude, zeiden :
Deze i> waarlijk de Profeet;
tl anderen zeiden: Deze inde
Christus; en anderen zeiden:
Zal dan de Christus uitGaliléa
komen ?
42  Zegt de Schrift niet, dat de
Christus komen zal uit den zade
Davids, en van bet vlek Bcth-
lebem, waar David was?
43  Daar werd dan tweedracht
ouder de schare om zijnent-
wil;
44  en sommigen van beu wi!-
den hem grijpen; maar nic-
maud sloeg de handen aan
hem.
45   De dienaars dan kwamen
tot de üverpriesters en Fari-
zeërs; en die telden tot hen:
Waarom hebt gij hem niet g*-
braebt ?
4l! De dienaars antwoordden:
Nooit heeft een meuten nlzoó
gesproken gelijk deze inentch.
47 De 1\'arizeérs dan antwoord*
den hun : Zijt ook uijiieileu
verleid ?
4i Heeft iemand uit de over-
sten in Li ui geluofd, of uit de
Parizeer* T
4\'J Maar deze schare, die de
Wet niet weet, is vervloekt.
50   Nicodéinus zeide tot ben,
welke des nachts tot hem ge-
komen was, zijnde één uit
hen :
51  Oordeelt ook onze Wet den
menseb, tenzij dat ze eerst van
liem gehoord heeft en verstaat
wat hij doet?
52  Zij antwoordden en zeiden
tot hem: Zijt gij óók uit Ga-
llléa? Onderzoek en zie, dat
uit Galiléa geen Profeet opgc-
staan is.
&3 En een iegelijk ging benen
naar zijn buis.
-ocr page 149-
NES S.                                        141
zal In de duisternis niet wan-
delen, maar zal het licht de*
levens hebben.
13 De Fariaeéri dan zeiden tot
hem: Gij getuigt van uzelven,
uwe getuigenis is niet waai-
aehtig.
1» Jezus antwoordde en zeide
tot ben: Hoewel ik van mij-
zelven getuig, zoo is Hoc/duns
mijne getuigenis waarachtig,
want ik weet van waar ik ge-
komen ben en waar ik henen-
ga; maar irjjjlieden weet niet
van wnar ik kom en waar ik
henenga.
15 (ïij oordeelt naar hetvleescb,
Ik oordeel i.iemand.
l<! Eu indien tk ook oordeel,
mijn oordeel is waarachtig;
want ik ben niet ullééu, maar
ik eu de Vader die mij gezon-
den heeft.
17 En daar is ook in uwe Wet
geschreven, dat de getuigenis
van twee inenacben wuarach-
tig is:
is Ik ben het die van miizelveu
getuig, en de Vader die mij
gezonden beeft, getuigt van mij.
l:i Zij dan zeiden tnt hem i
Waar is UW Vader? Jezus ant-
uoordde: (lij kent noch mij,
noch uiijiicu Vader; indien gij
mij kendet, zoo zoudt gij ook
mijnen Vader kennen.
•Jl) Deze woorden sprak Jezus
bij de schatkist, leerendie in
den Tempel; en niemand greep
hem, want zijne ure was nog
niet gekomen.
21  Jezus dan zeide wederom
tot heu: Ik ira henen, en gi.i
zult mij zoeken, en in uwe
zonde zult gij sterven; waar
Ik heuenga, kunt gij lieden niet
komen,
22  De Joden dnn zeiden : Zal
hij ook zichxelven dooden, om-
dat hij zegt: Waar Ik henenga,
kunt gijliedeu niet komen?
2:1 Kn hij zeide tot hen: Gij-
liedeu zijt van beneden. Ik ben
van boven; gij zijt uit deze
wereld. Ik ben niet uit deze
wereld.
HOOFDSTUK S.
MAAK Jezus ging naar tien
Olijfberg.
S K» dei morgens vroeg kwam
liij wederom in «en Tempel, en
al het volk kwam tut Item; eu
uedergezeten zijnde, leerde liij
hen.
3  Kil de Schriftgeleerden en
de Parizeer* braehtcu tot hem
eene vrouw in overspel gegrc-
pen;
4  en haar gesteld hebbende in
het midden, zeiden zij tot hem:
Meester, deze vrouw is op de
daad zelve gegrepen, overspel
begaande;
5  en Mo*ea heeft o.is in de
Wet geboden, dat dezulken ge-
steeuigd zullen worden : gij dan,
wat zegt gij ?
iï Kii dit zeiden zij hem ver-
zoekeude, op<l»t zij ieta had-
den om hem te beschuldigen.
Maar Jezus nederbukkendi\',
schreef met den vinger in de
aarde.
7 Kn als zij hem bleven vra-
gen, richtte hij zich op eu zeiile
tot hen i Die van ulieden zou-
der zonde is, werpe het eerst
den steen op haar.
s Kn wederom nederhukkciide,
schreef bij in de aarde.
0 Maar zij dit hoorende, eu
van hunne conseientie overtuigd
zijnde, Kingen uit, de één un
den ander, beginnende van de
oudsten tot de htatsten; en Je-
zus werd alléén gelaten, en de
vrouv in \'t midden staande.
10 K i Jezus zieh oprichtende,
eu niemand ziende dan de
vrouw, zeide tot haar: Vrouw,
waar zijn deze uwe hese hu 1-
digers? Heeft u niemand ver*
oordeeld ?
U Kn zij zeide; Niemand,
Ueerc, Kn Jezus zeide tot haar:
Zoo veroordeel Ik u óók niet:
ga benen en zondig niet meer.
12 Jezus dan Bprtik wederom
tot beu, zeggende: Ik ben het
licht der wereld; die mij volgt,
-ocr page 150-
JOIIANNKS 8.
S7 Ik weet dat gij Abrahams
zaad zijt; maar gij zoekt mij te
doodeu, «tuit mijn woord heeft
iu n geeiie plaats.
38 Ik spreek wat ik bii mij-
nen Vader gezien heb: gij doet
dan iink wat gij bij uwen vader
gezien hebt.
\'<\'.» Zij antwoordden en zeiden
tot hem : Abraham is onze va-
der. Jezus zeide tot hen: In-
dien gfj Abrahams kinderen
waart, zoo zoudt gij de werken
Abrahams doen;
lil maar uu zoekt gii mfj te
doodeu, een nicusch die u de
waarheid gesproken heb, wel-
ke ik van God gehoord heb:
dut deed Abraham niet.
i) Gij doet de werken uws
vaders. Zij dun zeiden tot hem;
Wij zijn niet geboren uit hoe*
rerij; wij hebben ééuen Vader.
namelijk God.
4Ï Jezus dan zeidc tot beu:
Indien God uw Vader was,
zoo zuudt gij mij liefhebben;
want ik beu vau God uitge-
gaau en kom run Hem; want
ik ben ook van milzetveti niet
gekomen, maar Hij heeft mij
gezonden.
43 Waarom kent gij mijne
spraak niet? Het is omdat gij
in ij ii woord niet kunt hoo-
reu.
41 Gij zijt uit den vader deu
duivel, en wilt de begeerten
uws vaders doen. Die was eev
mensehennmorder vau deu be-
giune, en is iu de waarheid
niet staande gebleven; want
geen waarheid is in hem. Wan*
neer hij de leugen spreekt, zoo
spreekt bij uit zijn eigen; want
hij is een leugenaar en de va-
der der leugen.
•Ü Maar mij, omdat ik *
de waarheid zeg, gelooft gij
niet.
:ü Wie vau u overtuigt mij
van zonde? Ku indien ik de
waarheid zeg, waarom gelooft
gij ml] niet?
4/ Die uit God is, hoort de
woorden Gods; daarom hoort
Ui
SI Ik heb u dan gezegd d
in uwe zouden zult stewant indien «ij niet gd«t ik die ben, gij zult izonden sterven.
% Zij zeiden dan tot hemzijt gii i Ku Jezus zcidc tu\\\\;it. ik van deu beginne u
Ook Va-J.
.\'• Ik beb vele dingente zegeen en teomdeelen;die mij gezonden heelt, isaebtiic, en de dingen dvan Hem geboord beb, dspreek ik tot de wereld.
-7 Zij verstonden niet dbun van deu Vader sprak
£8 Jezus dun zeide tutWanneer gij den Zoon dessebeu zult verhoogd bedan zult gij verstaan datbeu, en dat ik van mfjniets doe; muur de/.e dspreek ik gelijk mijn Vadgeleerd beeft.
£*J V. i die mij gezondenis met mij: de Vader beeniet alléén gelaten, wa•doe altijd wat Hein belijk is
ii.» Als bij deze dingen sgeloofden velen iu hein.
:il Jezus dan zeide tot d•ilcn die in hein geloofdendien gijlieden iu mijnblijft, zon zijt gij waarlijye discipelen,
\'A- en zult de naarheidtitaan, en de waarheid•vrijmaken.
\'AA Zij uutwoordden hemzijn Abrabumtt zaad. enben nooit iemand gediendzegt gij dan: Gij zult vrij•deu ?
34 Jezus antwoorddeVoorwaar, voorwaar zeu, een iegelijk die de•doet, is een dienstknechzonde;
:>.\'» en de dienstknechtniet eeuwiglijk iu bet buzvou blijft er eeuwiglijk.
\'A\\\\ Indien dan de Zoonvrijgemaakt hebben, zoogij waarlijk vrij zijn.
-ocr page 151-
JOU A.N
eUlleden niet, omdat gij uit
God niet zijt.
4S De Joden dan antwnord-
den en zeiden tut iiein: Zeg*
Keu wij niet vel, dat gij een
Samaritaan zijt en den duivel
bebt?
4\'J Jezus antwoordde: Ik heb
den duivel niet, maar Ik eer
mijnen Vader, cu «ij onteert
mij.
5it Doch Ik zoek mijne eer
niet: daar is een die u zoekt
en oordeelt.
ól Voorwaar, voorwaar ze; ik
u, zoo iemand mijn woord zal
bewaard hebben, die zal den
dood uiet zien in der eeuwig*
held.
52 l)e Joden dan zeiden tot
hem: Nu bekennen wij dat gij
den duivel hebt. Abraham in
gestorven, en de Profeten, en
zegt gij! Zoo iemand mijn
woord bewaard zal hebbeu, die
zal den dood niet smaken in
der eeuwigheid ï
ó\'i Zijt gij meerder dan onze
vader Abraham, welke nestor-
ven ia? Kn de Proleten zijn
gestorven: wieu maakt rij u
zelven ï
54 Jezus antwoordde: Indien
ik mij/.elven eer, zoo ia mijne
eer niets; mijn Vader ia het
die mij eert, welken gij zegt
dat uw God is,
.">\'> en gij kent Hein niet: maar
Ik keu ïlem, en indien ik zeg
dat ik Hein niet ken, zoo zal
ik ulieden gelijk zijn, tint in
een leugenaar; maar ik ken
Hem en bewaar zijn Woord.
.W Abraham uw vader beeft
niet verheugiug verlangd, op-
dat hij mijnen dag zien zoude,
eu hij heeft hem gezien en ia
verblijd geweest.
•\'\'7 De Joden dan zeiden tot
bein: Gij hebt oog geen vfjt\'-
tig jaren, eu hebt gij Abraham
gezien?
SM Jezus telde tot beui Voor-
waar, voorwaar zeg ik u, eer
Abraham was beu ik.
-\'»\'1 Zij namen dan stceueu 0|>,
XE8 3.
m
dnt zij ze op hem * terpen;
maar Jezus verborg zich en
ging uit den Tempel, gaande
door het midden van hen, en
ging alzóó voorbij.
IIOOFDSTCK 9.
E
N voorbijgaande, zag bij
1 eeuen meusch, blind van de
geboorte af.
3   En zijne discipelen vrnag-
den hein, zeggender Rabbi)
wie beeft er gezondigd, deze
of zijne ouders, dat hij blind
zoude geboren worden?
:t Jezus a111woordde: Noch
deze heeft gezondigd noen
zijne ouders; maar rfi\'r ië ye-
tchied
opdat de werken Gods
iu hem zouden geopenbaard
worden.
4  Ik moet werken de werken
deagcuen die mij gezonden
heeft, zoolang bet dag is: de
naeht komt, wAuneer niemand
werken kau.
5   Zoolang ik in de wereld
ben, ben ik het licht der we-
reld.
i> Uitgezegd hebbende, spuwde
hij op de aarde, en maakte
slijk uit dat speeksel, eu streek
dat slijk op de oogen des bliu-
deu,
7 en zeide tot hem: Ga henen,
wasch u fn het badwater Niló-
am (hetwelk overgezet wordt
Uitgezonden). Hij dan ging
benen en wieseli zieb en kwam
ziende.
s De gebaren dan, en die hem
te voren gezien hadden dat bij
blind was, zeiden; Is deze niet
die zat en bedelde?
U Andereu zeiden: Hij is het;
eu anderen: Hij is hem gelijk.
Hij zeide: Ik ben het.
ld Zij dan zeiden tot hein:
Hoe zijn n de ooven geopend?
11 Hij antwoordde eu zeide:
De men se b, genaamd Jezus,
maakte slijk, en bestreek mij-
ut! oogeu, en zeide tot mij: Ga
henen naar het badwater si
lóam en waseh u. Eu ik ging
-ocr page 152-
141                                        JOIIAN
henen en «toten mij, en ik
werd slende.
12 Zij dan zeiden tot Item:
Waar is die? Hij zeidc: Ik
weet liet niet.
i:( Zij brachten licin tot de
Farizeërs, hem namrlhk die te
voren blind ijrurrnt team.
14  En liet was sabbat als Je-
zus liet slijk maakte en zijne
ooKen opende.
15  De Parizeer» dan vraagden
hem ook wederom, hoe hij
ziende geworden was; en hij
zeide tot hen : Hij. leide slijk
op mijne oo^en, en ik wiesen
mfj, en ik zie.
l(i Sommigen dan uit de Fa-
rizcfirs zeiden; Deze meuscli is
van God niet, want hij houdt
den sabbat niet. Anderen zei-
den : Hoe kan een mciisch die
een zondaar if, zulke teckeiien
doen? Kn daar was tweedraeht
onder hen.
17 Zij zeiden wederom tot den
blinde: Gij, wat zegt Rij van
hem, dewijl hij uwe oogen gc-
opeud heelt? Kn hij zeide: llij
is een Profeet.
IS De .loden dan geloofden
van hem niet, dat hij blind ge-
weest was en ziende was ge-
worden, totdat zij geroepen
hadden de ouden dengenen die
ziende geworden was;
1\'J en zij vraagden hun, zeg-
gende: Is déze uw zoon, welken
gij zegt dat blind ireboreu is?
Hoe ziet hij dan nu?
20   Zijne ouders antwoordden
hun en gelden: Wij weten dat
déze onze zoon is, en dat hij
blind geboren is;
21  maar hoe hij nu ziet, weten
wij niet, ol\' wie zijne ooge»
geonend heelt, weten wij niet;
hfj fieeftx^MfMouderdom, vraagt
henizelven; hij zal van ziehzel-
ven spreken.
22    Hit zeiden zijne ouders,
omdat zij de Jodeu vreesden;
wapt de Jod> n hadden aireede
te zanieu een besluit gemaakt,
zoo Iemand hem beleed Chris*
tus te zijn, dat die uit de Syua-
NES 9.
goge zoude geworpen worden;
2t! daarom zeiden zijne ouders t
11 ij heen zijne* ouderdom,
vraagt hemzelven.
24 Zij dan riepen voor de
tweede maal den meiiseh die
blind geweest was, en zeiden
tot hem: Geef Gode de eer:
wij weten dat deze meuseh
een zondnar is.
2ó Hij dun antwoordde en
zeide: Ol\' hij een zondaar is,
weet ik niet; één ding weet ik,
dat ik blind was, en uu zie.
2<> En zij zeiden wederom tot
hem: Wat heelt hij u gedaan ?
hoe heelt hij uwe oogen ge-
opend?
27 Hij antwoordde hun: Ik
heb het u aireede gezegd en trij
hebt het niet gehoord; wat
wilt gij het wederom hooreu?
Wilt gijlieden uok zijne disci-
pelen worden ?
2s Zij gaven hem dan scheld-
woordeu en zeiden: Gij /.ij.
zijn diseipel, maar wij zijn
Mozes\' discipelen;
2\'J wij weten dat God tot Mo-
zes gesproken heeft, maar van
dezen weten wij niet van waar
hij is.
:;•\' De meuseh antwoordde en
zeide tot hen: Hierin is immer*
irat wonders, dat gij niet weet
van waar hij is, en stochiaii*
heeft hij niiji.e ooiceii geopend.
:il Kn wij weten dat God de
zondaars niet hoort; maar zoo
iemand godvruchtig is en ziji.cn
wil doet, dien hoort Hij.
:i2 Van alle eeuw is het niet
gehoord, dat iemand eens hlind-
geboreueu oogen geopend
heeft.
33  Indien déze van God niet
ware, hij zoude uieta kunnen.
doen.
34  Zij antwoordden en zeiden
tot hem: Gij rijt geheel In
zonden geboren, en leert srij
ons? Kn zij wierpen hem uit,
35  Jezus hoorde dat zij hem
uitgeworpen hadden, en hem
vindende, zeide bij tot tiein :
Gelooft gij in den Zoon Gods?
-ocr page 153-
JOH AS
3C> Hij antwoordde en zeide;
Wit\' is Uij, Heere, opdat ik in
lU\'lll UlOge gelouveuï
.17 Kn .U-ZUs Zeide tot hem:
Kn gij hebt hem gezien, en die
met u spreekt, dezelve is liet.
SM Kn liij eeide: Ik geloof,
lleerc : en hij uubad hem.
39 Kn Jezus zeide: Ik beu tot
een oordeel m deze wereld ge-
knuieu, opdat degenen die niet
zien, ziun mogen, en die zien,
blind worden.
•ti» Kn \'dit lioorden eeniyen uit
de Furizeërs die bij Uem «aren,
eu zeiden tot hein : Zijn wij
t/it.i oók blind ?
41 Jezus zeide tot hen: Indien
gij blind waart, zoo zmidt mij
geen zonde beblien; maar nvi
zegt gij: Wij zien; zou hl ijlt
dan uwe zoude.
HOOFDSTUK 10.
VOOR WA Ut, voorwaar zeg
ik ulieden, die niet ingaat
door de deur in den stal der
schapen, maar van elders iu-
klinit, die is een dief eu IUOOr-
deuaar;
\'2 maar die door de deur ingaat,
is een herder der sehapen.
:f Dezen duet de deurwachter
open, eu de schapen honren
zijne stem; en hij roept zijne
schapen bij name, eu leidt ze
uit.
4  Kn wanneer hij zijne seha-
peu uitgedreven heeft, zoo
gaat hij voor hen henen ; eu de
schapen volgen hem, overmits
zij zijne stem kennen;
5  maar eeuen vreemde zullen
zij geenszins volgen, maar zul-
leu van hen vlieden, overmits
zij de stem der vreemden niet
kennen.
\'i Deze gelijkenis zeide Jezus
tot hen; maar zij verstonden
niet wat het was dat hij tot
hen sprak.
7 Jezus dan zeide wederom tot
hen: Voorwaar, voorwaar zeg
ik u, ik ben de deur der •cUa-
peu.
NES 10.                                         H".
s Allen, zoovelen als er vóór
inij zijn gekomen, zijn dieven
eu moordenaar*; maar de seha-
pen hebben lieu niet gehoord.
\'.> Ik ben de deur; indien Ie*
inaud door mij ingaat, die zat
behouden worden, en bij zal
en uitgaan, en weide
lu De dief komt niet dan op-
dat hij stele eu slacbte eu vei*
derve: ik ben gekomen, opdat
zij het leven hebben eu over*
vloed hebben.
11   Ik ben de moede Herder.
De goede herder stelt zijn le-
ven voor de sehapen;
12  maar de huurling en die
geen herder is, wieu de BC na-
pen niet eigen zijn, ziet den
wolf komen eu verlaat de scha-
pen, en vliedt, en de woh
grijpt ze eu verstrooit de tteha-
peu ;
V-i en de huurling vliedt,
overmits hij een huurling is,
en heeft geene zorg voor de
sehapen.
II Ik hen de goede Henier.
eu ik keu de mijnen tui word
van de mijnen gekend.
l.ï (ieiijkerwijs de Vader mij
kent, alzin, keu ik ook den Va-
der; en ik stel mijn leven voor
de schapen.
lf» Ik heb nog andere scha-
pen, die van dezen stal niet
zijn ; déze moet ik oók toebreu-
geu, en zij zullen mijne stem
hooreu, en het zal worden êêne
kudde #m één herder.
17   Daarom heeft mij de Vader
lief, overmits ik mijn leven
afleg, opdat ik hetzelve \\ve-
.1. iu.ii neme.
18    Niemand neemt hetzelve
vfln mij; maar ik leg liet van
inijzelveu af: ik heb macht
hetzelve af te leggen en heb
macht hetzelve weder te nemen;
dit gebod heb ik van mijnen
Vader ontvangen.
1\'.» Daar werd dan wederom
tweedracht ouder de Joden om
dezer woorden wil;
Cl» eu velen van hen zeiden :
lil
-ocr page 154-
SES 11.
•ló Indien de W-fdie goden ge-
naaiud heelt tot welke het
Woord Gods ir esc bied is, en
de Schrift niet kan gebrul.en
worden,
\'M zegt ufjliedeji tot mij, dien
de Vader geheiligd eu in «ie
wereld gezonden heelt: Gij
lastert (iod, omdat ik gezegd
heb: Ik ben Qoda Zoon \'t
\'.<! Indien ik niet doe de wer-
keu mijn» Vaders, zoo gelooft
inij niet;
:ts maar indien ik ze doe, en
zoo gi( inij niet gelooft, zon
gelooft de werken; opdat gij
moogt bekennen en gelooven
dal de Vader in mij is, en ik
in liem.
39  Zij zochten dan wederom
hem te grijpen, eu hij ontging
uit hunne hand.
40  Eu hij ging wederom over
den Jordaan, tot de plaats
waar JnhamicH eerst doopte,
en hij bleef aldaar.
41  Eu velen kwamen tot hem
eu zeiden : Johanncs deed wel
geen teeken, manr alles wat
Johanues van dezen zeide, was
waar.
42  En velen geloofden aldaar
in hem.
HOOFDSTUK tl
EN daar was een zeker ataa
kran V.,geiuiuintl Lazarus, van
Betbanié, uit het vlek van
Maria en hare zuster Martba.
2 (Maria uu was degene die
den Heer e gezalfd heeft met
zalf, eu ayue voeten afge-
droogd heeft met hare baten;
welker broeder Lazarus krank
was.)
;i Zijne zusters dan zonden
tot hem, zeggende; Heere, zie,
dien u-ij liefhelit, is krank.
4   Kii Jezus dut hoorende, zei-
de: Deze krankheid is niet tot
den dood, maar ter lieer lijk -
heid Gods, opdat de Zoon Gods
door dezelve verheerlijkt wor-
de.
5    Jezus nu had Martini en
llfi                                       JOHAN
Hij heeft den duivel en is uit-
sinnifc: wat hoort irij hein ?
21 Anderen zeiden : Hit zijn
geen woorden eens bezetenen;
ItM ook de duivel der blinden
oogen openen\':
32 En liet «ns liet feest der
vernieuwing des Tempels te
Jeruzalem, en het was winter;
\'2\',i en Jezus wan
32
delde in den
Tempel, in het voorhof Salo*
ino\'s.
•24 De Joden dan omringden
liem, en zeiden tot Item: lloe*
laitï houdt gij onze ziel op?
Indien «ij de Christus ztjt, ze\',\'
het om vrijuit.
_i> Jezus antwoordde hun: Ik
heb het n Kezeird, en gij gelooft
het niet. De werken die ik doe
in den naam mijns Vaders, die
getuigen van mij;
2<i inaar «ijlieden gelooft niet,
want \'.:ij zijt niet van mijne
schapen, gelijk ik u gezegd
heb.
27   .Mijne schapen linnreii DilJ-
ne stem, en ik keu dezelve,
en zij volgen mij,
28  en ik geef hun het eeuwige
leven, en zij zullen niet ver*
ÏOfCn Kaan in der eeuwigheid,
en niemand zal dezelve uit inij*
ne hand rukken.
29  Mijn Vader die ze mij gc-
geven heeft, is meerder dan
allen, eu niemand kan ze ruk-
ken uit de band mijns Vaders.
W Ik en de Vader zijn één.
\'M De Joden dan namen we*
derom xteeiieu op oiu liem te
steen [Reu.
32 Jezus antwoordde bun: Ik
heb u vele treffelijke werken
getoond van mijnen Vader:
.nu welk werk van die stceuigt
gij mij ?
:t:i De Jodrn antwoordden
hem, zeggende: Wij steenigen
u niet over eettij goed werk,
maar over god*lastering, eu
omdat i_-ij een menach zijnde,
uzelven (ïod maakt.
\'M Jezus antwoordde hun - Is
er niet geschreven in uwe Wet:
Ik heb gezegd . Gij zijt goden ?
-ocr page 155-
JOH ANK
hare zuster en Lazarus lief.
\'i Als hij dun geboord had dat
liij krank wa», toen bleef liij
.,<>; twee tl ui-e u in dr plaats
wanr liij was.
7 Daarna zeide liïj verder hit
de discipelen: Laat ons weder*
"in naar Judéa Kaan.
S De discipelen zeiden tot
hein: Kahbi, de Joden heb*
\'n\'ii ii nu uuUihijh gezocht te
Kteeulj*en, en gaat gij weder*
oin derwaarts?
Il Jezus Biitwoordde: Zijn er
niet twaalf uren in den dag?
Indien iemand lil den dag wan*
delt, 7.00 stoot hij zich niet,
overmits hij bet Hebt dezer
wereld tiet;
li> maar indien ieiunnd in deu
nacht wandelt, zoo Ktnot liij
zich, overmits bet licht in hem
niet i>.
11    Dit sprak liij, en dnarnn
zelde hij tot beui Lazarusonze
vriend slaapt, maar ik ga henen
om heul uit deu slaap op te
wekken.
12  Zijne discipelen dan zeiden:
Heere, indien hij slaapt zoo
zal lifj gezond worden.
13  Doch Jeans had gesproken
van zijnen dood; manr tij meen.
dim «Int hij sprak van de rust
des slaapt*.
14   Toen telde dan Jezus tot
hen vrijuit: Lazarus is ge-
storven,
15  en ik hen blijde om Itwent*
wil dut ik daar niet geweest
hen, opdat -^ij geluoveu MOOfCt;
doen laat ons tot hein gaan.
1 Thomas dan, genaamd
Didyjinis, zeide tot -ó«r iucde-
dfseineleii: Laat ons óók gaan,
opdat wij met hem sterren.
17 Jezus dan gekomen zijnde,
vond dat hij nu vier dagen in
het graf geweest was.
is (Bethauft! uu was nabij
Jeruzalem, omtrent vijftien
stadiën vuu daar.)
lö Kn velen uit de Joden Maren
gekomen tot Martha en Maria,
opdat zij baar vertroosten sou-
den over haren broeder.
ES 11.                                           H"
2fl Martha dan, als zij hoorde
dat Jezus kwam. jrintr hein te
geiuoet; doch Maria bleef in
huis zitten.
\'2\\ Zoo telde Martha dan tot
Jezus: 11 eere, waart gij li Ier
gew eest, zoo ware mijn broeder
niet gestorven;
•?2 maar ook nu weet ik. dut
alles wat -_\'ij van God begeercii
zult, God het u geren zal.
\'2\'A Jezus zeide tot haar: l\'.v
broeder zal wederopataan.
24 Marlba zeide tot hem: Ik
weet dat hij opstaan zal in de
opstanding ten laatsten dage.
2.ï Jezus zeide tot haar: Ik hen
de opstanding en liet leven:
die iu mij gelooft tal leven, al
ware hij ook gestorven:
26 en een iegelijk die leeft, en
iu mij gelooft, zal niet sterven
in der eeuwigheidi gelooft gij
dat\':
57 Zij zeide tot hem: -\'a,
Ilceic, ik heb geloofd dat gij
zïjt de Christus, de Zoon Gods
die in de wereld komen xoude.
2H Kn dit gezegd hebbende,
ging zij benen, en riep Maria
bare zuster heimelijk, zeggen-
de: De Meester is daar, en hij
roept u.
2!> Déze als zij rffll boorde,
stond hnastelijk op en ging
tot hem.
:m (Jezus nu was hok in bet.
vlek niet gekomen) manr wns
iu de plaats waar hem Martba
te genioet gekonien was.)
:tl De .loden dan die niet huur
in het huis waren en haar ver-
troostten, ziende Maria dat zij
hanstelijk opstond en uitging,
volgdeu baar. zeggende: Zii
gaat nanr het graf, opdnt zij
aldaar weene.
\'M Maria dan al» zij kwitr.i
waar Jezus was, en, hem laif,
viel aan zijne voeten, zeggende
tot hein: Meere, indien \'.\'ij
bier geweest waart, zoo ware
mijn broeder niet gestorven.
XI Jezus dan al- bij baar sas
wecnen, cu de Joden die met
haar kwamen, óuk wecnen.
-ocr page 156-
148                                 JOHAN
werd zerr bewogen in den geest
eu ontroerde ziehzelveu,
:u eu geide; Waar hebt «ij
hem gelegd ? üij zeiden tot
hem; Ileere, kom eu zie liet.
SS Jezus weeude.
3ti De Joden dun zeiden; Zie,
boe lief hij hem liud.
1(7 1-n sommigen uit hen zei-
den i Kou hij, die de oogen
des hlinden geopend heeft, niet
maken dut ook déze niet g«-
storveu ware \':
:is Jezus dan wederom in
ziehzelveu zeer bewo-eu zijnde,
kwam tot het grut; eu het WRB
eeue spelonk, en een steen wus
daarop gelegd.
.\'(\'.) Jezus zeide: Keeuit den
steen weg. .Martini, de zuster
des gestorvenen, zeide tor hem
Heere, hij riekt uu al, waal
hij heeft vier dagen uldtittr
grtrrirn.
40  Jezus zeide tot haar: Heb
ik u niet gezegd, dut zoo tri.i
gelooft, jdj de heerlijkheid Gods
zien zult\'!
41    Zij uameu dan den steen
WCJfi waar de gestorvene lag;
en Jezus hief de oogen op-
waait* eu zeide: Vader, ik dank
V dat Gij mij gehoord hebt.
43 Doch ik wist dut Gij mij
altijd hoort; maar om der
se hare wil die rondom staat,
heb ik dit gezegd, opdat zij
zouden relooveu dat Gij mij gc-
zundeu hebt.
4\'i Ku als hij dit geze-rd bad,
riep hij met irroote steUi; La-
zaru», kom uit!
11 Eu de gestorvene kwam
uit, gebonden itau handen en
voeten met grafdoeken, en zijn
aangezicht was omwonden n.et
eeneu zweetdoek. Jezus telde
tot hen: Unibiudt bun eu laat
hi\'iu heuengaan.
15 Velen dan uit de Joden die
tot Maria gekomen waren, eu
aanschouwd huddeu hetgeen
Jezus gedaan bad, geloofden
in hem;
46 maar sommigen van beu
gingen tot de rurUeërs, en
:<es ii.
zeiden tot hou hetgeen Jezus
gedaan had.
47 l>e Ovcrpricstcrs dan en
de Earizecrs vergaderden deu
ltaail, en zeiden: Wat zullen
wij doen? Want deze nieuseh
doet vele teekeuen.
is Indien wij hem alzóó laten
?mandril, zij zullen allen in
lein gekloven, eu de Romeinen
zullen komen en wegnemen
beide onze plaats eu volk.
4\'.l Eu één uit hen, namelijk
Kajat\'as, die dut jaar llooge*
priester was. zeide tot hen:
Gij verstaat niets,
50  en «ij bedenkt niet dat het
ons nut is, dat één mensen
sterve voor het volk, en het j;e-
heele volk niet verloren (ra.
51   En dit zeide hij niet uit
zielizelven, maar zijnde !lun-
gepricster vim dat jaar pro-
feteerde hij dat Jezus sterven
zoude voor het volk;
52   en niet alleen voor het
volk, maar opdat hij ook de
kinderen Gods, die verstrooid
waren, tot één zoude verga*
deren.
63 Van dien dag dan af heraad-
slaagdeu zij te zauicn, dut zij
hein doodflu zouden.
54 Jezus dan wandelde niet
meer vrijelijk ouder de Joden,
maar Ring vun daar uaar het
land hij de woestijn, uaar de
stad genaamd Efralm, en ver-
keerde aldaar met zijne dlaci-
pelen.
66 En het Pascha der Joden
was uahij, eu velen uit dat
land gingen óp naar Jeruzalem
vóór het 1\'aseha, opdat zij zieli-
zelven reinigden.
66 Zij zochten dan Jezus, en
zeiden onder elkander, staande
in deu Tempel: Wat dunkt n?
Jhtnkt u dat hij niet komen zal
tot het feest ?
57 I>e Overpricsters uu eu de
Karizeers hadden een gebod
gegeven, dut zoo iemand wist
waar hij was, hij het zoude te
kennen geren, opdat zij hem
mochten vangen.
-ocr page 157-
JOUANN
149
gekomen was, booreude dat
Jezus uuur Jeruzalem kwam,
13  uameu de takken van palm*
bootneu, en gingen uit hem
te gemnct, eu riepen i Ilosan*
na, gezegend is hij die komt
in den naam des lleeren, hij
dit* ia
de Koning Israëls!
14  Ku Jezus vond eeneii jon*
gen ezel en zat daarop, gelijk
gesebreven is:
!.\'» Vrees niet, gij doe liter Si-
oiih : zie, uw Koning komt,
zittende op het veulen eener
ezelin.
Ifi lloeb dit verstonden zijne
diseipel\'u in \'t eerst niet;
maar als Jezus verheerlijkt
was, toen werden zij indaeh-
tig dat dit van hem gesehreveti
wat*, eu dat zij hem dit gedaan
hadden.
17 De sehare dan die met hein
was, getuigde dat hij Lazarus
uit het graf geroepen eu hem
uit de dooden opgewekt had.
Is Daarom ging ook de sehare
hem te gemoet, overmits zij ge-
hoord had, dat hij dat teekeu
gedaan had.
19 De Karizeers dan zeiden
onder elkander: Ziet irij wet
dat gij gauseh niet vordert?
Zie, de geheet* wereld gaat
hem na.
2tt Ku daar waren sommige
Grieken, uit degenen die op-
gekomen waren, opdat zij op
het feest zouden aanbidden:
2. iliv.. 11 dan gingen tot Pilln*
pus die van liethsaïda in Gali-
lêa was, eu baden hem, zeg-
gende: Heere, wij wilden Jezus
wel zien.
22 Filippus kwuin en zeide
het Audréas, en Andréas eu
Filippus wederom zeiden het
Jezus.
2:1 Maar Jezus antwoordde
bun, zeggende; De nre is ge-
kouieu, dat de Zoon des nien-
sehen zal verheerlijkt worden,
24 Voorwaar, voorwaar zeg ik
u, indien het tarwegraau in
de aardt; niet valt en sterft,
zoo blijft hetzelve alléén; maar
HOOFDSTUK 15.
JEZUS dan kwam zes dagen
voor het Pascha te liethauic,
waar La/.ams was, die gest,or-
ven wna gew eest, wel keu hij
opgewekt luul uit de dooden.
2 Zij bereidden Ueni dan al-
dtiar eeu avondmaal, en Miirthn
diende; eu Lazarus was een
van degene» die net hem aan-
zateu.
:i Maria dan genomen heb*
bende een pond zalf van on*
vervaUcbten *eer kostelljkeu
nardus, beeft de voeten van
Jezus gezalfd, en niet Lare ha-
ren zijne voeten afgedroogd; en
bet huis werd vervuld van den
reuk der zalf.
4 Zoo zeide dan één van zijne
discipelen, ntimeliik Judas Si-
in ons zoon lakarlot, die hem
verraden zoude:
ü Waarom is deze zalf niet
verkoel) t voor driehonderd
penningen, en den arineu ge*
geven ?
li Ku dit zeide hij niet omdat
bij bezorgd was voor de ar-
nien, maar omdat hij een dief
was, en de beurs had, en
droeg hetgeen peireven werd.
7  Jezus dan zeide: l.aat af
van haar: zij heeft dit bewaard
tegen den dag mijner begra-
feu is.
8  Want de anncit hebt gtyllc*
deu altijd met u, maar mij
hebt gij niet altijd.
9    Kene groote nehare dan
der Joden versto.id dat hij
aldaar was; en zfj kwamen
niet alleen om Jezus\' wil, maar
opdat zij ook Lazarus zouden
zien, dien hij uit de dootteu
Opgewekt had.
Hl Ku de üverpriesters be-
raadslaa\'-deu dat zij ook La-
zarus dooden zouden;
11 want velen van de Joden
gingen henen om zijiieutwil en
geloofden in Jezus.
1*2 Des anderen ilangi eenc
groote schare die tot het feest
-ocr page 158-
1*1                                  JOIIAN
indien liet sterft, zoo brengt
bet veel vrucht voort.
31 Die zij» leven liefheeft,
zul hetzelve verliezen; en die
zijn leven limit in deze wereld,
zal hetzelve bewaren tot liet
eeuwige leven.
Stï Zoo iemand mij dient, die
vnlge mij, en waar ik ben, al*
di\'uir zal ook mijn dienaar zijn.
Ku zoo iemand mij dient, de
Vader zal hem eeren.
\'J7 Nu is mijne ziel ontroerd,
en wat zal ik leggen? Vader,
verlos mij nit deze ure? .Maar
hierom beu ik in deze ure ge-
komen.
•_s Vader, verheerlijk uwen
naam. Daar kuHin dan ceuc
.••\' in uit den hemel, teggmdt:
Eu Ik heb hem verheerlijkt,
en 1 k zal hem wederom vcr- <
heerlijke».
2".l De sebare dan die daar
atoud eu ilit hoorde, feide dat
er een donderslag geschied
was; anderen zeiden: Ken Ku-
jrel heeft tot liem gesproken.
\'M) Jezus antwoordde en zeide:
Niet om mijnentwil is deze
stem geschied, maar oui uwcnt-
wil.
:il Nu is het oordeel dezer
Wereldi nu/.al de overste dezer
wereld buiten geworpen «or-
denï
\'.i\'2 eu ik, zoo wanneer ik van
de aarde zal verhoogd zijn, zal
ze allen tot mij trekken.
XI [Eu dit lelde hij, betecl;e-
nende lioedauigeu dood hij
sterven /.oude.)
\'M De sehare antwoordde liem :
Wij hebben uit de Wet gehoord
dat de Christus blijft iu der
eeuwigheid; en hoe zegt gij
dat de Zoon des uieuschen
moet verhoogd worden ï Wie
is deze Zoon des menseden ï
36 .li7,ih dan zeide tot hen i
Nog eeiien kleinen tijd is liet
NES 1?.
3fi Terwijl gij het Hebt hebt,
gelooft iu het licht, opdat gij
kinderen des lichts moogt zijn.
Me/.c dingen sprak Jezus, en
weggaande, verborg hij zich
van hen.
;;7 Ku hoewel hij zoovele tee-
keueu voor hen gedaan had,
Hurhtaaa geloofden zij iu liem
niet,
:<s opdat het wunrd vau Je sa ja
den Profeet vervuld wierd, dat
hij gesproken heeft i lleere,
wie heelt onze prediking ge-
loofd, en wieil is de arm des
Meeren geopenbaard?
39 Daarom kouden /.ij niet ge-
looveu, dewijl Jcsaja wederom
ge/.e-.\'d heeft:
4U Hij heeft hunne oogen ver-
hl Ind eu hun hint verhard,
opdat zij met de oogen niet.
zien, eu met het hart niet
verstaan, en zij bekeerd wor-
deu, eu Ik hen genezc.
4i Dit zeide Jesaja, toen hij
zijne heerlijkheid zug eu van
hem sprak.
I? Nochtans geloofden ook
zelfs velen uit de oversten in
hein; maar om der Parizeen
wil beleden zij het niet, op-
da t zij uit de Synagoge niet
zouden geworpen worden;
41 want zij hadden de eer der
meiisclieu lief, meer dau de
eer Gods.
H Kn Jezus riep en zeide : Du-
in mij gelooft, gelooft iu mij
niet, maar iu dengenen die
mij gezonden heeft;
l-"i on die mij slet, die ziet den-
genen die mij iccxoiideil heeft,
4(1 Ik ben een licht, in de
wereld gekomen, opdat een
iegelijk die iu mij gelooft, iu
de duisternis niet bhjve.
47 Ku indien iemand mijne
woorden gehoord eu niet ge-
Inniil /.al liehbeu, ik oordeel
hein niet; want ik ben nictge-
konieu opdat ik de wereld our-
dcelc, maar opdat ik de wereld
zalig make.
4S Die mij verwerpt en mijne
woorden niet ontvangt, heeft
Heht hij
C2A
ulieden: wandelt ter-
wijI gij het licht hebt, opdat
de duisternis :i niet lievaiure;
.•ii die inde d\'iisternis wandelt,
weet niet waar hij heucu::aut. .
-ocr page 159-
JOH AM
die hein oordeelt: hot woord
dat ik gesproken heb, dat zal
hi\'iu oordeelcu tcu laats ten
dage.
4«J Want ik heb uit mijzekeu
niet gesproken; maar de Vader
die mij gexonden heeft, die
heeft ïnlj een gebod gegeven,
wat ik zeggen zal en wat ik
spreken /.al.
Ml Kn ik «eet dat zijn gebod
liet eeuwige leven is. Hetgeen
ik dan spreek, dat spreek ik
NKS 13.                                         151
schen in der eeuwtjeheid. Jezus
antwoordde hein: Indien ik u
niet wasclt, «ij heht «een deel
met mij.
\'.1 Siiuou Petrus zeide tot bent:
llcere, niet alleen mijne voe-
•i\'ii. maar ook de handen eu
het hoofd.
In Jezus zeide tot hein ; Die
«ewasseheu is heeft niet vau
noode dan de voeten te waa-
MC heil, maar is geheel rein; eu
gijiieden zijt rein, doch niet
nlleti.
Il Want hij wist wie hein ver-
raden zouile; daarom zeide hij:
(üj zijt niet allen rein.
)\'2 Als hij dan hunne voeten
gewaaschen en zijne kleederen
«enomen had, zat hij wederom
aan, en zeide tot hen: Ver-
staat «ij wat ik ulieden gedaan
heli ?
lü (lij heet mij Meester en
Ileere, en «ij zegt wél, want ik
beu het.
il Indien dan ik, de Ueere en
de Meester, uwe voeten ge-
WHsscheu heb, zoo zijt «ij ook
schuldig elkanders voeten te
wasseheu;
13 want ik heb u een exempel
gegeven, opdat geüjkerwijs ik
u «edaau heli, «ijlieden óók
doet.
Hl Voorwaar, voorwaar ze« ik
u, een dienstknecht is niet
meerder dan zijn heer, noch een
«ezant meerder dan die hem
gesoudeu heeft.
17 Indien «ij deze dingen weet.
talig zijt «ij zoo «ij dezelve
doet.
IS Ik ze« niet van u allen:
ik weet weikeu ik uitverkoren
heli; maar dit tjrtchtvdt opdat
de Schrift vervuld worde: Die
niet mij het brood eet, heeft
tegen mij zijne verzenen opgc-
heveu.
I!) Van nu iiini ze« ik het ulie-
den eer het «csehied is, opdat
wa 1111 eer liet geschied zal zijn,
«ij «elooven mougt dat ik het
hen.
2i> Voorwaar, voorwaar zeg ik
nlxou gelijk
mij de Vader ge-
IIOOFUSTUK 13.
EN vóór liet feest van liet
Pascha, Jezus wetende dat
zijne ure gekomen was, dat liij
uit deze wereld zoude overgaan
tot den Vader, ahsoo hij de
/.ijlicn die in du wereld waren,
liefgehad had, zoo heeft hij ze
li
12
efgehad tot den einde.
i Kn als het avondmaal gedaan
wan (toen uu de duivel in het
hart vau Judas Simons ;«o«
Ultariot vexeren had dat hij
hem verraden zonde),
\'i Jezus wetende dat de Vader
hem alle dingen in de banden
gegeven had, en dat hij van
(ïod uitgegaan was eu tot (ïod
beueuglng,
I  stond óp van het avondiuaal,
en leide zijne kleederen af, en
neuieude een linnen doek, oin-
riirdde ziehzelven;
\'t daarna goot liij water in het
hekken, en begon de voeten
der discipelen te wasseheu, eu
af te drogen met den linnen
doek waarmede hij omgord
was.
II   Hij dnu kwam tot Sinion
Petrus, en die zeide tot hem;
Ueere. zult «ij mij de voeten
waasenen ?
7 Jezus antwoordde en zeide
tot hem; Wat ik doe, weet «ij
nu niet, maar «ij zult het na
dezen verstaan.
H 1\'etrns zeide tot hem 1 Gij
«uit mijne voeten niet wav
-ocr page 160-
132                                        J(HIA>
u, zoo ik Iemand zend, wie
dien ontvangt,dien.itvangt mij;
en wie mij ontvangt, die ont-
van ,i Hein die mij gezonden
heeft.
21 Je/.ua deze dingen gezegd
hebbende, werd ontroerd in den
Keest, en bet ui.\'de en zeide:
Voorwaar, voorwaar ik Keg u,
dat Één van ulieden mij zal
verraden.
32  De discipelen dan zagen op
elkander, twijfelende van wien
hij dut zeide.
33  Ku één van zijne discipelen
was aanzittende m den schoot
van Jezus, welken Jezus lief-
had.
24 Simon Petrus dan wenkte
dezen dat hij vragen zoude, wie
hij toch was van welken hij </tf
zeide.
2.*» Ku deze vallende on de
borst van Jezus, zeide tot hem :
Heere, wie is het?
36 Jczu» antwoorddei Déze
is het, wien ik de bete, als ik
ze Ingedoopt hel», geven zal. En
als nti de bete ingedoopt had,
gaf hij ze aan Judas Simons
soon Iskariot.
«NES 14.
SU Kiuderkens, nog eenen
kleinen tiul beu ik bij u. Gfj
zult mi.i zoeken, en tri\'Iijk ik
den Joden gezegd heb i niai
ik henenga, kunt [rij niet ko-
uien, alzoo zeg ik ulieden nu
óók.
M Ken nleitw gebod eeef ik o,
dat gij elkander liet\'hebt; gelijk
ik u liefgehad lieb, dut ook
Rij elkander liefhcht.
85 Hieraan zullen zij alle» be-
kennen dat trij mijne discipelen
zijt, zoo gij liefde hebt onder
elkander.
\'M Sbnon Petrus zeide tot
hem: il eere, waar nit gij
henen? Jezus antwoordde hem:
Waar ik henenga, kunt gij mij
uó niet volgen, maar pij zult
mij namnals vol .ren.
:i? Petrus zeide tot liein:
Heere, waarom kan ik u uu
niet volgen? Ik zal mijn leven
voor u zetten.
ss Je/, us antwoordde hein: Zult
ïij uw leven voor nitj zetten ï
Voorwaar, voorwaar zeg ik u,
de haan /al niet kraaien, tot-
dat rij uiij drieiuaul verloochend
zult hebben.
27 Ku na de bete, toen voer de
satan in hem. Jezus duu zeide
tot hein: Wut gij doet, doe hut
bnustclfjk.
2* Ku dit verstond niemand
dergenen die aanzaten, waartoe
bij hem dut zeide;
il\'.\' want lommtgen meenden,
dewijl Judas de beurs bad, dat
hem Jezus zeide: Koop hetgeen
wij van uoode hebben tot het
feest; of dat hij den armen
wat «even zoude.
:tli II ij dan de hete genomen
hebbende, (ring terstond uit;
e» bet was nacht.
31 Als hij dan uitgegaan was,
zeide Jezus: .Nu is de Zoon des
mentenen verheerlijkt, en God
is in hem verheerlijkt.
\'M Indien God in hem ver-
hcerlijkt is, zoo tal ook God
hem verheerlijken in zichzel-
ven, en lifj zal hein terstond
verheerlijken.
HOOFDSTUK 14.
UW hnrt worde niet ont-
roerd; gij Heden gelooft In
God, gelooft ook in mij.
2 Iu het huis mijne Vaders
zijn vele woningen . anderszins
zoo zoude ik het u gezegd heb-
ben; ik ira henen om u plaats
te bereiden.
• Ku zoo wanneer ik henen
zal gegaan zijn en u plaats zal
bereid hebben, zoo kom ik
weder en zal u tot mfj nemen,
opdat gij óók zijn muogt waar
Ik hen.
4 En waar ik henen-\'a, weet
gij, en den wei; weet gij.
*i Thomas zeide tot hem:
Heere, wij weten niet waar gij
henengaat, en hoe kunnen wij
den weg weten t
f» Jezus zeide tot hem : Ik ben
de weg, eu de waarheid, en
-ocr page 161-
NES 14.                                        153
IU Nog eenen kleinen tijd
de wereld zal mij niet meer
tien; maar gij zult mij zien,
want )k leef en «ij zult leven.
2» In dien das.\' zult gij bekeu-
uen dat ik in mijnen Vader ben,
en \'.\'ij in mij, en ik in u.
21 l>ie mijne geboden heeften
dezelve bewaart, die is bet die
mij liefheeft; en die mij lief-
beeft, zal van mijnen Vader ge-
liefd worden; en ik zal liem
liefhebben, en ik zul mijzelveu
aan hem openbare».
23    Judas, piet de Iskariot,
geide tot liem: Ueere, wat is
bet, dat gij nxelven aan ons
zult openbaren eu niet aan de
wereld ?
•J\'i Jezus antwoordde en zeide
tot hem: Zoo iemand mij liet-
beeft, die zal mijn woord be-
waren; en mijn Vader zat hem
liefhebben, eu wij zullen tot
liem komen eu zullen woning
bij bei» maken.
24  Die mij niet liefheeft, die
bewaart mijne woorden niet;
eu liet woord dat gij lieden
hoort, is het mijne uiet. maar
des Vader« die mij gezonden
heeft.
Cö Deze dimren heb ik tot u
gesproken, bij u blijvende:
2*1 muur de Trooster, de llei-
liltc Geest, welken de Vader
zenden zal iu mijnen imam,
die zal u alles leer en, eu zal u
iudaehtig maken alles wat ik
u gezegd heli.
27 Vrede laat ik u, mijnen
vndc geef ik u: niet gehjker*
wijs de wereld hem geeft, geet
ik hem U. Uw hart worde
niet. ontroerd eu zij uiet vcr-
•aagd.
38 Gij hebt geboord dat ik tot
u gezegd heb; Ik ga lieneu eu
kom teeder tot u. Indien gij
mij lieflmdt, zoo zoudt srij U
vei\'lilijden omdat ik gezegd
heb: Ik ga henen tot den Va-
der; want ui ij ii Vader is Beer-
der dan ik.
89 Ku nu heb ik het u gezet-d
eer het geschied is, opdut wan*
JilHAN\'
het leven: nieinaud komt tut
ili\'ü Vader duu duur mij.
7 Indien gijlieden mij gekend
liiliil, ZOO /.muil Lïij Ook UlijlK\'ll
Vader gekend hefibeu; Cu van
nu aan kent gij Heut en hebt
Hem gezien.
ttFilippna zeide tot hei»; II ee*
re, toon ons deu Vader, en bet
is ons genoeg.
1) Jezus zeide tot hein : Hen ik
zoo langen tijd met ulieden,
en hebt gij mij niet gekend,
FUippus? Die ïuii gezien heeft,
die heeft den Vader gezien; en
hoe zegt gij: Tooti ons den
Vader?
lil Gelooft gij niet dat ik in
den Vader ben, rn de Vader in
mij la? He woorden die ik tot
ulieden spreek, spreek ik van
mijzelveu niet, muur de Vader
die in mij bliji\'t, die doet de
werken.
11  Gelooft mij dut Ik in deu
Vader beu, en de Vader in
mij is; eu indien niet, zoo
gelooft mij om de werken
zelve.
12  Voorwaar, voorwaar zeg ik
ulieden, die iu mij gelooft, de
werken die ik doe, zal bij ook
doen, en zal meerdere doen dan
deze; want ik ga henen tot
ulijnen Vader,
13  en zoo wat gij begceren zult
in mijnen uainn, dat zalikdoen,
ojidut de Vader iu deu Zoon
verheerlijkt worde.
14  Zoo gij iets begeeren zult iu
mijnen uaum, ik zal bet doen.
l\'i Indien gij mij liefhebt, zuo
bewaart mijne geboden;
KI en ik zal deu Vader bidden,
(Mi II ij zal u eeueu anderen
Trooster geven, opdat bij bij u
blijve in der eeuwigheid,
17 namelijk deu Geest der
waarheid, welke» de wereld
niet kan ontvangen, want zij
ziet hem uiet eu kent hem
niet; maar gij kent hein,
want hij blijft bij ulieden eu
zal in u zijn.
is Ik zal u geene weezen laten,
ik kom weder tot u.
-ocr page 162-
NES la.
de geboden mijns Vaders be-
unard lieb en blijf iu zijne
liefde.
11 Deze dingen heb ik tot u
gesproken opdat mijne h)ijd-
seiinp in ti blijve, eu uwe blijd-
BChap vervuld worde.
15  ltit is mijn gebod, dat gij
elkander liet\'heht, gelijkerwijs
ik u liefgehad heb.
13    Niemand heeft meerder
liefde dan deze, dat iemand
zijn leven zette voor zijne
vrienden.
14  Gij zijt mijne vrienden, zoo
gij doet wat ik u gebied
16  Ik heet u niet meer dienst"
knechten, want de dienst*
knecht weet niet wat zijn heer
doet; inaar ik hch u vrienden
genoeuid; want al wat ik vau
iiiiinen Vader gehoord heb, dat
heb ik ii bekendgemaakt.
16   Gij hebt mij niet uitvcr-
koren, maar ik heb ü uitver-
koreu, en ik heb u gesteld dat
gij /.tuiili hencugnau eu vrucht
dragen, en dat uwe vrucht
blijve; opdat zoo wat sfj vau
deu Vader begeeren zult iu Ulij*
neu naam, Hij u dut geve.
17  Hit gebied ik u, opdut gij
elkander liefhebt.
1* ludieu u de wereld haat,
zoo weet dat zij mij eer dan u
IU                                        JOIIAN
neer liet ir< tchicd zal zijn, jcij
Ui\'iu i\'l\'ll lllOOgt.
30 Ik zal uiet veel moor met
u «preken; want de orerstede-
Eer wereld komt, en heeft aim
mij niet»;
itl maar opdat de wereld wete
dat ik den Vader liefheb, en
al zoo doe irdijkerwijs mij de
Vader geboden beeft: Maat op,
laat om van hier gaan.
HOOFDSTUK IS.
JK ben de ware wijnstok, en
mijn Vader is de landman.
_ Alle rank die in mij geen
vrucht draagt, die neemt Hij
wi\'if, in alle die vrucht draagt,
die reinigt Hij, opdat zij meer
vrucht drage.
:; Gij lieden zijt uu rein om het
woord dat ik tot u gesproken
heb :
4  blijft in mij, eu ik in u. Ge-
lijkerwijs de rank men vrucht
kan drmren van zichzelve, zoo
zij niet iu den wijnstok blijft,
alzón ook gij niet, zoo gij iu
mij niet blijft.
5  Ik hen de wijnstok en gij de
ranken: die iu mij Wijlt, en ik
in hem, die draaft veel vrucht;
want zonder mij kunt gij niet*
doen.
(i Zoo iemand in mij niet blijft,
die i* buitenxeworpeu irelUker*
Wijs de rank, eu is verdord; eu
men vergadert dezelve, eu men
werpt ze iu \'t vuur, en zij wor-
den verbrand.
7 Indien gij iu mij blijft eu
mijne woorden in u blijven, zoo
wat gij wilt, zult ïij begecren,
en liet zal u geschieden.
H Hierin is mijn Vader ver-
beerlijkt, dat gij veel vrucht
draagt; eu gij zult mijne disci-
pelen zijn.
!1 Gelijkerwijs de Vader mij
liefgehad heeft, heli ik ook u
liefgehad: blijft iu deze mijne
liefde.
10 ludieu gij mijne geboden
bewaart, MM zult gij in mijne
liefde blijven, gelijkerwijs ik
IV intiien gij van «e wereiu
waart, zoo zoude de wereld het
hare liefhebbeu; doch omdat
gfj vau de wereld niet zijt,
maar ik u uit de wereld heb
uitverkoren, daarom haat u de
wereld.
•:•\' Gedenkt het woord dat ik O
gelegd heb: Ken dienstknecht
in niet meerder dan zijn heer.
Indien zij mij vervolgd hebben,
lil zullen ook ü vervolgen; iu-
dieu zij mijn woord bewaard
hebben, zij zullen ook het tïwe
bewaren.
il Maar alle deze dingen zullen
zij u doen om mijns naams wil,
omdat zij Mem niet kennen die
iu ij gezonden heeft.
22 Indien ik niet gekomen
-ocr page 163-
S\'ES l(ï.                                        135
de droefheid uw hart ver-
vu ld.
7 !>oeh ik xe« u de \\vuar-
heid, bet i» u uut dat ik we«-
lth; want iudieu ik niet weg-
ga, zoo zul de Trooster t.>t n
niet komen; muur indien ik
heueuga, zoo zul ik hem tot
u zenden.
S Kn die gekomen zijnde, zal
de wereld overtuigen vun zon-
de, en vun gerechtigheid, eu
van oordeel:
\'.i van zoude, omdat zij in mij
niet gelooveu;
lil en van gerechtigheid, om-
dut ik tot mijnen Vader henen-
ga, en gij zult mij niet meer
11 en vau oordeel, omdut de
o erste dezer wereld geoor-
deeld is.
i- Nog vele dlngeu heb i\'. u
te zeggen, doeh «ij kunt die
uu niet drogen;
13 maar wanneer die zul ge-
komeu zijn, namelijk de Geënt
der waarheid, hij zul u in al
de waarheid leiden; want hij
zal van ziehzelven niet npre-
ken, umnr zoo wat hij zal ge-
lumrd hebben, zul bij spreken,
en de toekomende dingen zul
bij u verkoudi\'.\'eu.
I-I Die zul mij verheerlijken;
-.vaut hij zal \'t uit bet mijne
milieu, eu zal \'t u verkon-
di«en.
1.*) Al wat de Vader heeft, is
liet mijne: daarom heb ik ge-
zegd dat bij \'t uit bet mijne
zal ueiueii eu u verkondigen.
Ui Kenen kleinen ti}d en «ij
zult mij niet Kien, cu wederom
eenen kleinen tijd en «ij zult
mij zien; want ik «a hetieu tot
deu Vader.
17 Stmmfae* dau uit zijne dia*
eipelen Keiden tot elkander:
Wat is dit dat hij tot on» zegt:
Kenen kleinen ttid en «ij zult
.nij niet zien,en wederom reuen
kleinen tijden «ij zult mij zien;
en: Want ik ga lieueu tot den
Vader?
IS Zij zeiden dan: Wut a dit
JOUAN
was en tot heil gesproken luul, j
zij luidden geen Kunde; maar
mi hebben zij geen voorwendsel |
voor hunne Koude.
23 Plc mij buut, die liaut ook
ïuijni\'i) Vader.
-i Indien ik de werken on-
der hen niet huil gedaan, die
niemand anders «etluun heeft,
/.ij hadden «een Koude; manr j
nu bebben zij «e gcxleu, en
beiden mij eu mijnen Vader !
gehaat.
£."» Maar dit t/rscjtii\'tlt Opdat
liet woord vervuld worde dut
in hunne Wet gearhreven i*:
Zij hebben mij /.onder oorzaak
gehaat.
2fï Maar wanneer de Trooster
zal gekomen zijn, dien ik u
/.eudeu zul vun den Vader. n«-
mel\'ijk
de Geest der waarheid
die van den Vader uitgaat, die
zal van mij getuigen;
•J7 eu «ij zult óók getuigen,
want vij /.ijl van den beginne
met in|| KüweeM.
HOOFDSTUK lfi.
DBZK dingen heb ik tot u
gesproken, opdat «ij niet
«cfirgerd wordt.
•J Zij zullen u uit de Syua«o-
«eu werpen: ja, de Ure komt,
nat een iegelijk die u aal duo-
ilen, zal meeueii Gode eeiieu
dienst te doen.
.: Lu deze il Uuren \'/.uilen zij
u doen, ouulnt zij deu Va-
der niet «ekend hebben noeh
mij.
4 Manr de/.e dingen h\'ib ik
tot u gesproken, opdat wan-
ueer de ure zul gekomen zijn,
u\'ij aan dezelve moogt geden-
ken dat ik ze u «iv.eu\'d heb.
Doch deze dingen heb ik u van
den beginne ulet gcxegd, oiudnt
ik bij ulieden whh;
"» en uu ga ik henen tot deu-
«enen die mij gezonden beeft,
<\'ii niemand van u vraagt mij:
Waar «aat «ij henenï
•\'< Manr omdut ik deze dingen
tot u gesproken heb, zoo heeft
-ocr page 164-
NES 17.
2S Ik ben van den Vader nit-
gegaan en ben in de wereld
gekomen; wederom verlaat ik
de wereld en ga henen tot den
Vader.
29 Zijne discipelen zeiden tol
heni; Zie, nu spreekt gij vrij-
uit en zegt geeiie gelijke-
nis;
;in nü weten wij dat gij alle
dingen weet, en gij hebt niet
van noode dut u icmaud vrage:
hierom gelooven wij dat gij van
God uitgegaan zijt.
:d Jezus autwourdde huu:
Gelooft gij nu ?
82 Zie, de ure komt en is
nü gekomen, dat gij zult ver-
strooid worden eeü iegelijk
nuur het zijne, en gij mij alléén
zult laten. Eu uociittinn ben ik
niet alléén; want de Vader is
met mij.
H3 Deze dingen heb ik tot u
gesproken, oudat gij in mij
vrede hebt. In de wereld zult i
gij verdrukking hebben; maar
hebt goeden moed, ik heb de
wereld overwonnen.
HOOFDSTUK 17.
DIT heeft Jezus gesproken, en
hij biet\' zijne ooge» ö|> naar
den hemel, en zeide: Vader,
de ure is gekomen, verheerlijk
uwen Zoon, npdut ook uw Zoon
L\' verheerlijke;
2 gelijker wij b (lij hem macht.
gegeven hebt over alle vleeseli,
opdat al wat (Jij hem gegeven
hebt, hij hun het eeuwige leven
;t Kn dit iw het eeuwige Ie
ven. dat zij l\' kennen, den
eenigeu wanraclitigen God, ei
Jezus Christus dien Gij gczon-
deu beht.
4 Ik h b V verheerlijkt op de
aarde, ik heb voleindigd het ]
werk, dat Gij mij gegeven hebt
om te doen.
ï En nu verheerlijk mij, Gij
Vader, bij U/.elven, met de
heerlijkheid die ik bij U had,
eer do wereld wp.b.
I3R                                         JOlIA_\\
*lat hij zegt? Eenen kleinen
tijdt W(j weten niet wat hij
»egt.
19  Jezus dan bekende «lat zij
hei» wilden vragen, en zeide
tot hen: Vraagt gij daarvan
onder elkander, dat ik gezegd
heb: Kenen kleinen tijden gij
zult mij niet zien, m wederom
renen kleinen tijd en gij zult
mfj zien ?
20  Voorwaar, voorwaar ik zeg
u, di.t gij zult schreien en
klaaglijk weenen, maar de we-
reld zal zieh verblijden; en gij
zult bedroefd zijn, maar uwe
droefheid zal tot blijdschap
worden.
21    Kene vrouw wanneer zij
haart, heeft droefheid, dewijl
hare ure gekomen is; maar
wanneer zij hef kindeken ge-
baard heelt, zoo gedenkt zij
de benauwdheid niet meer, om
de blijdschap dat een mensen
ter wereld geboren in.
22   Kn prij dan hebt uu wel
droefheid, maar ik zal u we*
dertien, en uw hart zal zich
•verblijden, eti niemand zal
uwe blijdschap van u wcgue*
men;
2:t en in dien dag zult gij mij
niets vragen. Voorwaar, voor-
waar ik zeg u, al wat gij den
Vader zult bidden in mijnen
naam, dut zul Hij u geven.
"2-1 Tot nog toe hebt gij niets
gebeden in mijnen naam • bidt
en gij zult ontvangen, opdat
uwc blijdschap vervuld zij.
2» Deze dingen heb ik door
gelijkenissen tot u gesproken;
maar de ure komt dat ik niet
meer door gelijk missen tot u
spreken zal, maar u vrijuit
van den Vader zal verkondi*
gen.
2<ï In dien dag zult gij in
mijnen naam bidden; en ik
zeg u niet Jut ik den Vader
voor u bidden zal:
27 want de Vader zelf heelt
u lief, dewijl gij mij liefgehad
hebt, en hebt gelooid dut ik
van God ben uitgegaan.
-ocr page 165-
johan:
il Ik heb uweu naam geopen*
banrd den ïueiiaehen die Gij
inij uit de wereld sreireveu hebt.
Zij waren de uweu, eu Gij hebt
mij dezelven gegeven, en zij
hebben uw Wooru bewaard.
7 Nu hebhen zij bekend «lat
alles wat (lij mij geifcven hebt,
van U is;
:i want de woorden die Gij
ui ij s;e:j;even hebt, heb ik hun
segeveu, en zij hebben ze ont-
vangen, en zij hebbeu waar-
lijk hekend dat ik van V uit-
gegaan ben, en bc b ben ge-
luot\'d dat Gij mij gezonden
hebt.
il Ik bid voor hen; ik bid niet
voor de wereld, maar vonr de-
prenen, die (Jij mij gegeven hebt,
want zij zijn de uwen;
lil eu al het mijne is het uwe,
eu bet uwe is het mijtte; en
ik ben in hen verheerlijkt.
11 Ku ik hen niet meer in de
wereld, maar dézen zijn in de
wereld, en ik kom tot U. Hei-
lige Vader, bewaar ze in uwen
naam, die Gij mij tfesreven hebt,
niulat zij één zijn gelijk als
wij.
13 Toen ik met ben in de we-
reld was, bewaarde ik ze in
uweu naam: die Gij mij ge-
geven hebt, heb ik bewaard, eu
niemand uit hen ia verloren
CCgaan, dan de zoon der ver-
derfenia, opdut de Schrift ver-
uld worde.
i:t Maar nu kout ik tot l",
en spreek dit in de wereld,
opdat zij mijne blijdschap ver-
vu ld mogen heb beu in zieh-
Eelven.
Il Ik heb liint uw Woord ire-
peven; en de wereld heelt ze
-ehaat, ouidiit zii van de wereld
"iet zijn, gelijk als Ik van de
wereld niet ben.
I") Ik bid niet dat Gij hen uit
de wereld wegneemt, maar
dat Gij hen bewaart van den
bnoze.
1\'! Zij zijn niet van de wereld,
geltjkerwiji ik van de wereld
met beu.
\'.ES IS.                                          157
17 Hcili« ze in uwe waarheid:
uw Woord is de waartieiil.
H Gelijkerwijs Gij mij gezon-
den hcl>t in de wereld, atzwi
heb ik hen óók in de wereld
gezonden;
lil en ik heilig mijzelvcn vonr
hen, opdat ook zij ireheili^d
ïiio\'.\'eu zij» in waarheid.
2i> Kn ik l>id niet alleen voor
dezen, maar ook voor degenen
die door hun woord in mij ge-
looven zuilen:
"21 opdat zij allen één zijn*
iïelijkerwijs Gij Vader fn mij,
en ik in l\', dat ook zij in ons
één zijn, opdat de wereld •*e-
lnovu dat (Üj mij gezonden
hebt.
22  En ik heb hun de heerlijk\'
beid gegeven, die Gij mij ire-
geven hebt, opdat zij één zijn
gelijk als wij één zijn:
23  ik in hen, eu Gij in mij;
opdat zij volmaakt zijn in één,
en opdat de wereld hekeune dat
Gij mij gezonden hebt, en hen
liefgehad hebt geluk Gij mij
liefgehad hebt.
24  Vader, ik wil dat waar ik
ben, ook die hij mij zijn die (Jij
mij gegeven hebt, opdat zij
mijne heerlijkheid iiiii-tii aan-
sehouwen, die <iij mij trciïeven
hebt; want Gij bebt mij llef-
ja-had vuurde gioudleggiug der
wereld.
2-\'i Rechtvaardige Vader.de ue-
reld heeft l" niet gekend; maar
ik heb U gekend, eu dezen heb-
ben bekend dat Gij uiij geson*
den hebt;
~Jii eu ik heh hun uwen naam
bekendgemaakt en \'al Uem be-
kendmaken, opdat de liefde
waarmede Gij mij liefgehad
hebt in hen zij, eu ik in hen.
HOOFDSTUK 1M.
JKZUS dit gesegd hebbende,
Kiusï uit met zijne diseipelen
over de heek Kedron, waai1 een
bof was, in welken hij ging en
zijne diseipelen.
2 Kn Judas die hem verried.
-ocr page 166-
NE8 is.
het nut VII dat één iiienseli
voor het volk stierve.
16  En Siinou 1\'etru» volgde
Jezus, en een ander discipel:
deze discipel nu was den Ilon-
jrepriester hekend. vu ging met
Jezus in des Iluo^epricsters,
zaal;
lti en Petrus stond buiten aan
de deur. He andere discipel
dan, die den IluoL-epricster ne-
kend was, «ing uit en sprak
luet de deurwaarster, en bracht
Petrus in.
17  De dienstmaagd dun die de
dcurw tiarstcr was. zeide tot Pe*
trus: Zijl (Hik «ij niet uit de
discipelen vau dezen mengelt":
llii zeide: Ik ben niet.
1m Kn de dienstknechten en
de dienaars stonden, hebbende
een koleuviiiir gemaakt, omdat
bet koud was, en warmden zich.
Petrus stond hij hen en waruidr
zich.
l\'.i Ile Ilongepricxtcrdau vraa«-
de Jezus van zijne discipelen en
vau zijne leer.
2n Jezus antwoordde hem: Ik
heb vrijuit «espinken tot de
wereld; ik heli altijd geleerd in
de Synairoirc en in den Tcin-
pi\'l, waar de Joden van alle
plaatsen samen kernen, en in
\'t verborgen beb il; niets jïc-
snrokeu:
SI wat ondervraagt «ij mij?
Ondervraag degenen die het ge-
hoord helibcu, wat ik tot lieu
gesproken heb; zie,dezen weten
wat ik gelegd heb.
£2 Kn als hij dit zeide, wat
een van de dienaren, die dnar-
bij stond, Jezus eeuen kfiine*
bakwlaft, zeggende: Antwoordt
«ij alziMi den HoogeprleJEter?
23  Jezus antwoordde hem:
Indien ik kwalijk gesproken
heb, bctui-r van het kwade:
cu indien wel, waarom slaat
pij mij ?
24   (Anna* dan bad hem gc-
bonden «cznuden tot K.ijatas
den Hootrcpriester.)
.\'.\'• En Siinou Petrus stond en
warmde zich; zij zeiden dan
lös                                        J01IA.N
wist ö6k die plaats, dewijl Je*
zus aldaar dikwijl» veranderd
mhs lirwwnt uivt zijne disel\'
82
:i Judas dn» genomen heb*
bende «Ie beiide krügtknrciten
en temigt dienaars van de ()vcr-
priesters en h\'arizei rs, kwam
aldaar met lantaamcii en lak>
kelen ril wapenen.
4  Jezus dan wetende alles
wat over liein komen zoude,
jriutr uit en zeide tot ben: Wien
wekt «ij •
:» Zii antwoordden hem: Je-
iii» den Kaxamier. Je«u* zeide
tot hen: Ik beu \'t. Eu Jm\'iis
die hem verried, Mond ook bij
(1 Alf bij dan tot hen zeide:
Ik ben \'t, (ringen zij nehtci-
naartfl en vielen ter aarde.
7 Hij vraatrde huu dan weder-
erin: \\Yien zoekt icij\'. Kn zij
zeiden: Jezus den Naiarener.
5  Jezus antwoordde: Ik lieb u
gezegd dat ik het betii Indien
,\'ij dan mij zoekt, zoo laat dézen
hcix-niranu.
\',l Opdat liet woord vervuld
zoude worden dat hij irezeird
had: Vit degenen die (Jij iuU
ireireveu hebt, heb ik niemand
verloren,
10  SilllOH Petrus dan hebbende
eeu zwaard, trok hetzelve uit.
en sim «ie des Hooeepr leuters
dienstknecht en hieuw zijn
rechteroor at\'; en de naam van
den dienstknecht was Malehtis.
11  Jezus dan zeide tot 1\'etrus:
Steek uw zwaard in de seheede.
Oen drinkbeker dien mij de
Vader gegeven beeft, zul ik
dien niet drinken\'r
IS I>e hende dan en de overste
over duizend en de dienaar* der
Joden namen Jezus gexauicii\'
Jijk en bonden hem,
V.i en leidden hem henen, eerst
tot Aunns; want hij was de
vrouw vader van Ki\'tjatas, welke
de Uoogepriester van dat jaar
wa».
14 Kajafas nu wns degene die
den Joden geraden had, dat
-ocr page 167-
JOIIAN
tot lieiu: Zijt ook «ij uiet uit
zijne discipelen! Hij loochen*
mi\' bet, en zeide: Ik beu
niet
cn Ben van de dienstknechten
des Hoo«cpricsters, die ma:t«-
schap «as van d"n«enen wicn
Petrus bet oor afgehouwen
had, zeide: tl eb ik u uiet pre-
zien iu den hot* wet hein?
2" Petrus dau loochende het
wederom; en terstond kraaide
de liaan.
•J> üij ilau leiddeu Jezus van
Knjut\'as in het K echt huis; ru
bet was \'s morgens vroeg. Kn
zij «in «en uiet iit bet Reebt-
buis, opdat zij uiet vernnt-
reiufgd zouden worden, maar
opdat zij bet Pascha eten
mochten.
-\'1* l\'ilatus dan ring tot ben
uit, en zeide: Wat bcschul-
digïug brengt «ij tegeu dezen
mensch?
J0 Zij antwoordden en zeiden
tot hem: indien déze geen
kwaaddoener was. zoo zou-
den wij hem U niet ovcrjïeli-
verd hebben.
31   l\'ilatus dan zeide tot hen s
Neemt «ij hem en oordeelt
ncttl naar uwe wet. l>e Joden
dan zeiden tot hem: liet is on»
niet .\'.....u loofd iemand te
dooden.
32  Ondut het woord van Jezus
vervuld wierd, dat hij sjezend
had, heteekeuende hncdaiii«cn
dood hij sterven zoude.
33  l\'ilatus dan ging wederom
\'n het Rechtkuls, en riep Je-
2uk, en zeide tot liem: Zijt «ij
de Koning der Joden?
84 Jezus antwoordde hem:
«Kt gij dit van uzelven, ol\'
hebben het u anderen van mij
ReScgd ?
3fi l\'ilatus antwoordde: Beu
|k een Jood? ÜW volk en de
Uverpriestera hebben u aan
mij overgeleverd: wat hebt «ij
gedaan ?
SB Jezus antwoordde: Mijn
Koninkrijk is niet van déze
wereld: indien mijn Kouink-
NKS 19.                                        K.\'.)
rijk van déze wereld was, zoo
zouden mijne dienaars «e*tre-
den hebben opdat ik den Jo-
den niet nare overgeleverd:
maar nu i* mijn Koninklijk
uiet van bier.
\'7 l\'ilatus dan zeide tot hem:
Zijt «ij dan een Koning? Je-
zns antwoordde: (üj zeet dat
ik een Koning beu. II Icrtne
ben ik neboren en hiertoe ben
ik in de wereld gekomen, op-
dat ik der waarheid getuigenis
«even zoude. Keu ieirelijk die
uit de waarheid is, lioort mijne
stem.
:w l\'ilatus zeide tot hein: Wat
is waarheid ? tëu nis bij dat
tteze«d bad. glug hij wederom
uit tot de Joden, en gelde
tot hen: Ik vind «een schuld
iu hem.
:t» Doch irsj licht eene gewoon*
te, dat ik u on het Pascha
ééuen loslaat: wilt -ij dau dat
ik u den Koning der Joden
loslaat?
4(1 /ij dim riepen allen weder*
0111, ze««ende: Niet dezen,
maar Bar-Abbas, Kn Itar-Abbas
wus een moordenaar.
HOOFDSTUK 10.
TOEN nam Pilatus dau Jeins
en geesekte hem.
5 Hu de krij«skneehten eenc
kroon van doornen gevlochten
hehhende, zetten dit op zijn
liootd, en wierpen hein een
purperen kleed om,
S en zeiden: Wees gegroet «ij
Koning der Joden: en zij «aveu
hem kiuiiehakslageu.
4  l\'ilatus ilau kwam wederom
uit, en zeide tot hen : Zie, ik
breng hein tot ulieden uit, op-
dat «ij weet dat ik iu hem «een
schuld vind.
5  Jezus dan kwam uit, dra-
«eude de doornenkroon en het
purperen kleed; en Pilutni
zeide tot hen: Zie, de mensen.
>> Als hem dau de Overprics-
ters en de dienaars Mgen,
riepen zij, ze«\'_-ende: Kruis
-ocr page 168-
KS 19.
17 en hij dragende zijn kruis.
ging uit naar de fduitts ge-
naauid
         Iloofdseliede) plaats,
welke in *t HebreeuHsch ge.
nniuiid wordt Gólgothat
Is alwaar zij hem kruisten,
en met hem twee anderen, aan
elke zijde één en, eu Jezus in
\'t midden.
ly En I\'ilatus scheef ook een
opschrift, eu zette dat op bet
kruis; en daar was ireschre-
ven : JFStTS uk Nazarkskh, of
KoïCitcg dmr JonFJt.
2(1 Dit opschrift dim lazen ve-
leu van de Joden; want de
plaats waar Jezus gekruist
werd, was nabij de stad; eu bet
was L-eseh reven in \'t ïle-
lirceuwseb,, in \'t Griekseh, en
in \'t Latijn.
21   De Overpriesters dan der
Joden zeiden tot I\'ilatus:
Schrijf niet: De Koning der
Joden, maar dat hij :rezei:d
heeft: Ik ben de Koning der
Joden.
22  Pilatui antwoordde: Wat.
ik geschreven heb, dut beb ik
geschreven.
2:i De krijgsknechten dnn als
zij Jezus gekruist hadden, na-
uieii zijne klcedcrcn (eu maak*
ten vier deeleu, voor eiken
krijgsknecht een deel) en den
rok. De rok nu was zonder
naad, van boven af ge heel lijk
geweven;
24  zij dan zeiden tot elknnder:
l.aat ons dieu niet scheuren,
maar laat ons danrover loten,
wiens die zijn lal: opdat de
Schrift vervuld worde, die zegt:
?,ij hebben mijne Meederen on-
der zich verdeeld, en over inij-
ne kleeding hebben zij het lot
geworpen. Dit hebben dan de
krijgsknechten Eedaan.
25  Eu bij het kruis van Jezus
stonden zijne moeder, en zijne
moederasuster Maria, de vrouw
van Klopus, eu Maria Mag-
daléna.
8(1 Jezus nu ziende zi)ne moe-
der, eu den discipel dien hij
liefhad, daarbij staande, zeide
lfiO                                       JOII.YN
hem, kruis hem! Pilatns zeide
tot hfu: Neemt gijlieden hem
en kruist hem; want ik vind
in hem (reen schuld.
7 De .loden antwoordden hem:
Wij hebben eeue wet, en naar
onze wet moet hij sterven;
want hij heeft zichzclveu Gods
Zoon gemaakt.
» Toen Pilatua dnn dit woord
boorde, werd hij meer bevreesd,
\'J en ging wederom in lier
Reeb thuis, en zeide tot Jezus i
Van waar zijt gijï Maar Jexus
gaf hem geen antwoord.
Il\' PilatUI dan zeide tot hem:
Spreekt sij tot mij niet? Weet
ïij niet dat ik macht heb u te
kruisigen en macht heb u los
te laten?
11 Jezus antwoordde: Gij
Koudt neen macht hebben te-
gen mij, indien het u niet vaii
hoven gegeven was; daarom
die mij aan u beeft overgele-
verd, heeft gTOOter zonde.
IS Van toen af zocht I\'ilatus
hem los te laten; maar de Jo*
den riepen, zeggende: Indien
•jij dezen loslaat, zoo zijt gij
des Keizers vriend niet: een
iegelijk die zichzelven Koning
iiiuukt, wcderspreckt den Kei-
zer.
13  Als Pitatus dan dit «oord
hoorde, bracht hij Jezus uit,
en zat neder on den Rechter*
stoel, in de plaats genaamd
Üthostrotos. en m \'t Hc-
brecuusch Gnblmtha.
14  Kn het was de voor*ocrei-
ding van het Pascha, en om*
treut de zesde ure; en bij
zeide tot de Joden: Zie, uw
Koning.
l-\'i Maar zij riepen: Neein
weg, neem weg, kruis hem!
Pilatu* zeide tot hen: Zal ik
uwen Koniug kruisigen? l>e
Overpriëstcr* antwoordden: Wij
behhen geenen ii.ii.iu/ dan
den Keizer.
Ifi Toen gaf hij hem dnn bun
over, opdat hij gekruist zoude
Worden, Eu zij naiueu Jezus
en leidden hem weg;
-ocr page 169-
NES 20.                                        Ifii
Jezus was, maar bedekt om
de vrees der Joden) bad Pila-
tua dat hij het lichauiu van
Jezus mocht wegnemen; en Pila*
tus liet liet toe. Hij dan ging
en nam het lichaam vuu Jezus
werf.
39 E» Nicodémus kwam óók,
(die het eerst des nachts tot
Jezus gekomen was), brcngcn-
de een mengsel van mirre en
aloë, omtrent honderd ponden
gewicht.
4" Zij namen dan het lichaam
van Jezm en bonden dat in
linnen doeken niet de specc*
rijen, ge ijk de Joden de ge-
woonte hebbeu van begraven.
41 Ku d.iar was i» de plaats
waar hij gekruist was, een hof,
eu in den hof een nieuw graf,
in hetwelk nog nooit iemaud
gelegd was geweest:
l.\' aldaar dan leiden zij Jezus,
om de voorbereiding der Jo-
den, overmits het graf nabij
was.
HOOFDSTUK 20.
EN op den eersten dag der
week ging Maria Magdaléna
vroeg, als het nog duister waa,
naar liet graf, eu zag deu steeu
van het graf weggenomen.
3 Zij liep da» eu kwam tot
Simon Petrus en tot de» a»de-
ren discipel, welke» Jezus
liefhad, e» zeide tot ben: Zij
hebben den lleere wegge*
nomen uit het graf, en wij
weten niet waar zij hem ge*
legd hebben.
3  Petrus dan ging uit, en de>
andere discipel, eu zij kwamen
tot het graf;
4  en deze twee liepen te gelyk.
K» de andere discipel liep
vooruit, Mieller dan Petrus,
en kwam het eerst tot het graf;
5  eu als hij nederlmkte, zag hij
de doeke» liggen, nochtans
ging hij er niet in.
6    Simon Petrus dan kwam
en volgde hem, en ging in het
graf, en zag de doeken liggen;
11
JOIIAN
tot zijne moeder: Vrouw, zie,
uw toon*
•27 Daarna uide hij tot den
discipel : /ie, uwe moeder. Ku
van die ure tutu nam haar de
discipel in zijn huis.
2s Hierna Jezus wetende dat
nu alles volbracht was, opdat
de Schrift zoude vervuld wor-
den, zeide; Mij dorst.
89 Haar Stond dan een vat
vol edik, en zij vulden eeue
spons met edik, en omleiden
ze met hysop, en brachten ze
aau zijnen mond.
30  Toen Jezus dan den edik
nnomen had, zeide hij: Het
is volbracht, en het hoofd
buigende, gaf hij den Keest.
31    De Joden dan, opdat de
lichamen niet aan bet kruis
zouden blijven op den sabbat,
dewijl het de voorbereiding
was (want die dan des sahbats
was Rroot), baden PUatttl dat
liuime been ei) zouden gebro-
keu en zij weggenomen wor-
den.
32 De krijgsknechten dan
kwamen, en braken wel de
beeuen des eersten en des an-
dereu die met hem gekruist
was;
\'Si maar komende tot Jezus,
als zij sagen dat hij uu gestor-
ven was, zoo braken zij zijne
heeneti niet;
34 maar een der krijgskuech-
ten doorstak zijne zijde met
eene speer, en terstond kwam
er bloed en water uit.
36 Kn die het gezien heeft, die
heeft het getuigd, en zijne ge*
tuigenia is waarachtig, en hij
weet dat hij zegt hetgeen
waar is, opdat ook gij geloo-
veii moogt.
•ti> Want deze dingen zijn ge-
Bchled opdat de Schrift vcr-
vuld worde: Geen been van
hem zal verbroken worde»;
;*7 eu wederom zegt eene an-
dere Schrifti Zij zullen zien
in welken zij gestoken hebben.
88 En daarna Jozef van Ari-
luathéa (die een discipel va»
-ocr page 170-
JOHANNES 20.
7 en dcu zweetdoek die o|>
zijn hoofd geweest was, zag hij
met bij de doeken liggen,
maar atzomleilijk in eeue uif
der*
plaat • samen gerold.
S Toen ging dun ook de andere
discipel er In, die liet eerst tot
het graf gekomen was, en zag
het en geloofde;
*.i want /.ij wisten nog de
Schrift niet, dat hij van de
dooden moest opstaan.
ld De discipelen dan gingen
wederom naar liuis.
11  Kn Maria stond buiten bij
het eraf, weenende. Als zij
dan weende, bukte /.ij in bet
graf,
12   en zag twee Engelen |n
witte kletderett zitten, êéiien
aan het hootd eti ééueti tuin de
voeten, waar bet lichauin van
Jezus gelegen bad.
13  En die zeiden tot baar:
Vrouw, wat weent gij? Zij
zcide tot ben: Omdat zij mij-
nen Heere weggenomen ueb-
ben, en ik weet niet waar zij
hem gelegd hebben.
14  Eu als zij dit gezegd had,
keerde zij zich achterwaarts,
en zag Jezus staan, eu zy wist
niet dat het Jezus was.
15    Jezus zeide tot haar:
Vrouw, wat weent gij?Wien
zoekt gijr Zij ineenende dat liet
de hovenier was, zcide tot hein:
Heere, zoo gij hem i»pgedra-
gen hebt, zeg mij waar gij hem
gelegd hebt, eu ik zul hem
wegnemen.
l(ï Jezus zeide tot haar: Ma-
ria ! Zij zfeb ouikccrende, zcide
tot hem: Habhouui, hetwelk
ia gezegd Meester.
17  Jezus zcide tot baar: Baak
mij niet aan ; wart ik beu nog
niet opgevaren tot mijnen Vu-
der; maar ga henen tot mijne
bloeders, en zeg hun: Ik vaar
öp tot mijnen Vader en uwen
Vader, en tat mijnen God en
uwen God.
18  Maria Magdaléua ging en
boodschapte den discipelen,
dat zij den Heere gezien had,
eu dat hij baar dit gezegd
bad.
V.\' Als bet dan avond Mas op
dien eersten dag der weck, en
als de deuren gesloten waren,
waar de discipelen vergaderd
waren, om de vrees der Jo-
dt\'n, kwam Jc/.us eu stond in
het midden, eu zeide tot ben:
Vrede zij ulieden.
2» Ku dit gezegd hebbende,
toonde hij hun zijne banden en
zijne zijde. He discipelen dan
werden verblijd, als zij den Hce-
re zagen.
21  Jezus dan zeide wederom
tot hen ; Vrede zij ulieden: ge-
lijkerwijs mij de Vader gezon-
den beeft, zend ik ook u-
liedeu.
22  Eu als hij dit gezegd hnd,
blies bij o/> hen, eu zeide tot
hen: Ontvangt den Heiligen
Geest.
23  Zoo gij iemands zouden ver-
geeft, dien worden ze vergeven;
zoo gij iemands zonden houdt,
dien zijn ze gehouden.
24  En Thomas, een van de
twaalve, gezegd Didymus, was
met hen niet, toen Jezus daar
kwam.
2ft He andere discipelen dan
zeiden tot hem: Wij hebben
den IIeere gezien. HocIt hij
zeide tot hen: Indien ik in
zijne liundeu niet zie het tec-
ken der nagelen, en mijnen
vinger steek in bet teekeu der
nagelen, eu mijne band steek
in zijne zijde, ik zal geenszins
gelooven.
2<i Eu na acht dagen waren
zijne discipelen wederom bin-
neu, eu Thomas met hen; en
Jezus kwam als de deuren ge-
sloten waren, en stond in het
midden, en zeide : Vrede zij
ulieden.
27  Daarna zeide UU tot Tho-
mas: Breng uwen vinger hier,
eu zie mijne handen, en breng
uwe hand en steek ze iu mijne
zijde, en wees niet ougeloovig
maar geluovig
28  En ïThomas antwoordde en
-ocr page 171-
JOIIAN
zei.Ie tut hem: Mijn Heere en
iiiijn God:
?J Jezus zeide tot hem: Om-
dat vrij mij gezien hebt, Ttio-
nas, zoo hebt gij eeloofd 1 zniig
zijn ze die niet zullen gezien
hebben en nocktanê zullen pce-
limtil hebben.
."{() Jezus da» beeft noir wel
vele luidere leekenen in de te-
genwoordigheid zijner dlscipe-
leu .\'cihui!.. die niet zijn ge-
Bclirevcn iu dit boek;
SI naar déze zijn geschreven,
opdat irij gelooft dat Jezus is
de Christus, de Zoon (toda, eu
opdat gij gclooveudc, liet leven
hebt in zijnen unaiu.
HOOFDSTUK 21.
NA dezen openbaarde Jezus
ziebzelven wederom den dis-
cipeleu aan de zee van Tiberias;
en bij openbaarde zicli aldus.
2 Daar waren te samen Simou
Petrus, en Thomas gezegd Di-
dytttttS, en Nathauacl, die van
Kana iu Galiléa was, en de
zonen van Zcbedeus, eu twee
andere van zijne discipelen.
:t Simou Petrus zeide tot ben -
Ik ga vissehen. Zij zeiden tot
hein: Wij gaan ook met u. Zij
gingen uit en traden terstond
iu bet schip, eu in dien nacht
vingen zij niets.
I Kn als het uu morgenstond
geworden was, stond Jezus op
den oever; doch de discipelen
wisten niet dat het Jezus was.
5 Jezus dan zeide tot beu :
Kinderkcns, hebt gij niet ecni-
ge toespijs ? Zij antwoordden
liem: .Neen.
<> Ku bij zeide tot lirn: Werpt
bet net mui de reebterzijde van
bet schip, en gij zi.lt vindei;.
Zij wierpen het dan, eu kon-
de» hetzelve niet meer trekken
vanwege de menigte der vis*
schen,
7 De discipel dan welken Je-
SUS liefhad, zeide tot Petrus:
Het is de Heere. Simou Petrus
dun hooreude dat liet de Heere
v.ns, omgordde liet opperklced
(want hij was naakt) en wierp
ziebzelven in de zee.
N Ku de andere discipelen kv.a-
lucu met het seheepkeu (want
/.ij waren niet ver van het land,
maar omtrent tweehonderd
ellen), slcepende bet net met
de vissehen.
9 Als zij dan aan bet land
gegaan waren, zagen zij een
koleuviiur liggen, en viscll
daarop liggen, en brood.
IU Jezus zeide tot lieu : BretlEt
van de vissebeu die gij uu gc-
vaiiL\'en hebt.
11  Simou Petrus ging op en
trok liet net op bet land, vol
groute vissehen, tot honderd
drie eu vijftig; en boewei er
zoovele waren, zoo scheurde bet
net niet.
12  Jezus zeide tot hen: Komt
herwaarts, houdt bet middug-
maal. Ku niemand van de dis-
cipelen durfde hem vragen:
Wie zijt gij ï wetende dat het
de Heere was.
VA Jezus dan kwam, en nam
het brood, en gaf liet bun, en
de visch desgelijks.
Il Dit was uu de derde maal
dat Jezus zijne» discipelen ge-
openbaard is, nadat hij van de
doodeu opgewekt was.
15 Toen zij da» het middag-
maal gehouden hadden, zeide
Jezus tot Simou Petrus: Simou
Jnna\'s zoon, hebt gij mij liever
dau deze? Hij zeide tot hem:
Ja, Heere, gij weet dat ik 11
Hef beh. Hij zeide tot beui:
Weid mijne lamineren.
lfi Hij zeide wederom tot
hem ten tweeden malei Simou
Jona\'s zoon, hebt gij mij lief*
Hij zeide tot hem: Ja. Heere,
gij weet dnt ik u liefheb, lli.i
zeide tot hem: Hoed mijne
sebapen,
17 II ij zeide tot hem ten der-
den male: Simou Jona\'s zoon,
hebt gij mij liet\' Petrus werd
bedroefd, omdat bij ten derden
male tot bem zeide: Hebt gij
mij lief? eu zeide tot hem:
-ocr page 172-
104                               HANDEI
Heere, sij weet alle dingen,
gij weet dat ik u liefheb. Je-
«U telde tui hem: Weid mijne
schapen.
is Voorwaar, voorwaar zeg ik
u, toen gij Jonger waart, gord*
det gij uzelvcn en wandeldet
alwaar Bij wildet; maar wan-
neer gij £ult oud geworden
zijti, zou zult :;i.i uwe handen
uitstrek ken, en een ander zal
u «orden eu brengen naar pij
niet wilt.
19 Kn dit lelde hij, heteckc-
neudc met boednnigen dood hij
God verheerlijken zoude. Eu
dit gesproken hebbende, zeide
bij tot lu\'iii: Volg mij.
2tl En Petrus ziehouikeerende,
zag den discipel volgen welken
Jezus liefhad, die ook r.nu het
avondmaal op zijne borst ge-
valleu was en gesegd had:
Heere, wie is het die u verra*
den zal?
21 .Als Petrus dezen zag, zeide
INGE.X 1.
hij tot Jezus: Heere, maar wat
nu deze?
22 Jezus zeide tot hein: Indien
ik wil dat hij bltjve totdat ik
kom, wat gaat het u aau ? Volg
gij mij.
2:t Dit woord dan ging uit
onder de broederen, dat deze
diseipel niet zoude sterven; en
Jezus had tot hem niet gezegd
dat hij niet sterven zoude,
manr: Indien ik wil dat hij
blijve totdat ik kom, wat gaat
het u aau\':
2-t Déze is de discipel die van
deze dingen getuigt en deze
dingen geschreven heeft; en
wij weten dat zijne getuigenis
waarachtig is.
25 En daar zijn nog vele an-
dere dingen die Jezus gedaan
heeft, welke zoo ze elk bijzon-
der geschreven wierden, ik acht
dat ook de wereld zelve de
tretchrevene hoeken niet zoude
bevatten. Amen.
DE HANDELINGEN
APOSTELEN,
BESCirjïKJ\'EX DOOR LUCAS.
vend vertoond beeft, met vele
gewisse keateekenen, veertig
dagen lang, zijnde van beu \'re-
zien, en «prekende van de diu-
gen die het Koninkrijk God*
aangaan.
4 Kn als hij met Aan verga-
derd was, beval hij bun dat
zij van Jeruzalem niet schei-
den zouden, maar verwachten
de belofte des Vaders, die git
(zeiife kit) van mij gehoord
hebt;
."> want Johannes doopte wel
HOOFDSTUK 1.
HET eerste boek heb ik ge-
inaukt, oTheofllus, van al
hetgeen Jezus begonnen heeft
belde te doen en te leeren,
2 tot op den dag op welken
bij opgenomen is, nadat hij door
den Heiligen Geest aau de Apos-
teleu, die hij uitverkoren had,
bevelen had gegeven;
:i aan welke hij ook, nadat
hij geleden bad, ziehzelveu Ie*
-ocr page 173-
11ANDK
met water, maar cij /.uit met
de» Ueiligcn Geest gedoopt
worde» niet lati£ na deze
dagen.
(> Zij dan die samengekomen
waren, vraagden hein, zeggeu-
de : llcere, zult i*ij in dezen
tijd aan Israël liet koninklijk
wederoprichten s
7 Kn iiij zeide tot hen: Het
komt u niet toe te weten de
tijde» of gelegenheden, die de
Vader in zijne eigene macht
gesteld beeft;
s maar i:ij zult ontvangen de
kracht des Heiligen Qccstes
die over u komen zal, e» cij
zult mijne getuigen zij», zoo
te Jeruzalem als in gebeel Ju-
déa e» Samarië, en tot aan liet
uiterste der aarde,
\',i Lu hU hij dit gezeild had.
werd hij Opgenomen daar zij
het sagen, en eene wolk nam
hem WCg van hunne oogen.
10   En als zij hunne oocen
naar den heinel hiel Ie», terwijl
ïiij henenvoer, zie, twee muu-
neu stonden bij hen in witte
kleeding,
11  welke ook zeiden: Gij Ga-
lUeeiehe mannen, wat staat -\'fj
e» ziet öp naar de» hemel ï
Deze .Jezus, die va» u ongeuo-
men in i» den hemel, zal alzóó
komen uelijkerwijs ,-ij hein
naar de» hemel hebt zien lie-
neuvareii.
12   Toen keerden zij weder
naar Jeruzalem van de» berir,
die genaamd wordt de 01ijf-
htrg, welke is nabij Jeruzalem,
liggende van. daar eene sab-
batareis.
13  Kn als zij ingekomen wa-
re», gingen zij on i» de opper-
zaal, waar zij bleven, namelijk
Petrus en >laeobus, en Johuu-
nes, e» Andréas, Filippus eu
Thomas, Battholonieüs e» Mat-
theüs, Jaeobus de zoon va»
Alfeu*, eu Simon Zclótcs, en
Judas de hrovder van Jaeobus.
14  Deze allen waren eendracht
tifïlijk volhardende in\'t bidden
eu Eiucekeu, ïuct de vrouweu,
,IXGK\\ 1.                               mi
e» Maria, de moeder van Jezus,
en inel zijne broeders.
i.i Kii ui die dagen stond
Petrus öp in het midden der
discipelen, en sprak (daar was
nu eene schare bijeen va» om-
treut honderd eu twintig per*
souen):
1\'i Mannen broeders, deze
Schrift moest vervuld worden,
welke de Heilige Geest door
den mond Davids voorzegd
heelt va» Judas, die de l«iils-
man geweest is dergcue» die
Jezus vingen ;
17 want hij was met ons gcre.
kend en had het lot dezer be-
dieulng verkregen.
l-i Déze da» heeft verworven
eene» akker door het loon der
ongerechtigheid, en voorover
gevallen zfjnde, is midden opge-
barsten, cu alle zijne iugcwau-
deu zijn uitgestort;
)\'J eu het is bekend geworden
allen die te Jeruzalem wonen,
alzoo dat die akker in hunne
eigene taal genoemd wordt
Akeldauin, dat is, een akker
des bloeds.
2il Want daar staat inschreven
in het boek der Psalmen; Zijne
woonstede worde woest, en «laar
zij niemand die in dezelve
woue; en : Keu ander neme
zijn Opzieucrsambt.
21  liet is dnu noodtg dat van
de mannen, die met ons om ge-
gaan hebben al den tijd i» u el-
keu de Ueere Jezus ouder ons
ln- eu uitgegaan is,
22   beginnende va.i den doop
van Johannes, tot den d.. . toe
op welken hij va» ons opgeno-
men is, één derzelvcn met ons
getuige worde zijner opstau-
ding.
•2 i En zij stelden er twee,
Jozef genaamd Barsahas, die
toegenaamd was J ustus, en
M ftthias.
24 En zij baden en zeiden:
Gij lleere, Gij kenner der liar-
ten van alle», wijs van deze
twee téue» aan, dien Gij uitver-
koreu hebt,
-ocr page 174-
HANDKU.NGE.N" !
Ititi
2.") om te ontvangen het lot
van deze bediening en dit Apos-
telschap waar vu u Judas at\'ge-
wekcu ia, dat hij heuciigiug in
/.iji.....igene plaats.
2ii Ku zij wierpen hunne loten,
en liet hit viel op M/itthias, en
liij werd met algemceue toe*
Ktcmiuiug tot de elt\' Apostelen
gekozen.
HOOFDSTUK 2.
E>" als de dag van het Pink*
Atvrfce.it vervuld werd, wa-
reu zij allen eendrachtig lijk
bijeen.
2 Ku daar geschiedde haaste-
lijk uit den hemel een geluid,
gelijk als van een geweldi*
gen gedreven wind, en vervul*
de het geheele huis waar zij
zaten;
;t en van hen werden gezien
verdeelde tongen aU xnu vuur,
en het zat op een iegelijk van
hen;
•1 en zij werden alten vervuld
met den Heiligen Geest, en be-
gounen te spreken met andere
talen, znoals de Geest hun gat\'
uit te spreken.
r> l.u daar waren Joden te
Jeruzalem wonende, godvrueh-
tige mannen van allen volk e
dergeneti die ouder den hemel
zij»;
i> en als deze stem geschied
was, kwam de menigte samen
en werd beroerd, want een lege*
lijk hoorde hen in zijne eigene
taal spreken.
7 Ku zij ontzetten zich allen
en verwonderden zich, zeggen-
de tot elkander: Zie, zijn niet
alle dezen die daar spreken, Ga-
Meers?
H En hoe hooren wij ze een
iegelijk iu onze eigene taal in
welke wij geboren zijn\'
9 Parthers en Meders en Ela«
niicten, en die inwoners zijn
van Mesopotamië, en Judéa, en
(\'appadocië, I\'ontus en Azië,
1» en Frygië. en Pamfylfë,
Egypte, en dedcelenvan J.ibyé 1
hetwelk hij Cyréne ligt, en
uitlaudfche Itouieinen, beiden
Joden en Jodcngeuooteu,
11  Cretenzeu en Arabieren, wij
hooren ze in onze talen de
groote werken Gods spreken,
12  Eu zij ontzetten zich allen
en werden twijfelmoedig, zeg-
iceiide de één tegen den ander:
«Vat wil toch dit zijn ?
)\\i Kn anderen spottende, zeï-
den: Zij ziiu vol zoeten wijn.
11 Maar Petrus staande met
de elve, verhief zijne stem en
sprak tot hen : Gij Joodsclic
mannen, en zij allen die te
Jeruzalem woont, dit zij u be*
kend, en Inat mijne woorden
tot uwe ooren ingaan.
15 Want dezen zijn niet dron-
ken, gelijk gij vermoedt; want
het is eerst de derde ure vau
den dag;
Ui maar dit is het wat ge-
sproken is door den Profeet
Joel:
17 Eu het zal zijn iu de lant-
ste dagen (zegt God), Ik zal
uitstorten vau mijnen Geest
op alle vleeseh; en uwe zonen
en uwe dochters zullen pro-
t\'eteeren, en uwe jongelingen
zullen gezichten zien, en uwe
ouden zullen droom e 11 droo-
iiieu ;
ls eu ook op mijne dienst*
knechten eu op mijne dienst*
maagden zal Ik iu die dagen
vau Ulijnen Geest uitstorten;
en zij zullen profetecreu.
19  En Ik zal wonderen geven
in den hemel boven, en teeke.
tien op de aarde beneden, bloed
en vuur en rookdamp.
20  De zon zal veranderd wor*
den in duisternis, eu de maan
in bloed, eerdat de groote eu
doorluchtige dag des Meeren
komt.
21    Kn het zal zijn dat een
iegelijk, die den naam des
Heer en zal aanroepen, zalig
zal worden.
22   Gij lsraélietische mannen,
hoort deze woorden; Jezus
den Nazarener, eenen uiau
-ocr page 175-
handel
van God muirr ulieden be-
tnond door kraehten en won-
deren en trekenen, die God
door hem gedaan heeft in \'t
midden van u, gelijk ook gij-
zelveu weet:
23 dezen, door den bepaalden
raad en voorkennis Gods over*
gegeven zijnde, hebt «ij ge*
nomen en door de handen der
oiirt\'clitvaardi\'-\'cn aan het kruin
gehecht en gedood:
\'2A welken God opgewekt heeft,
de smarten des doods ontbou*
den hebbende, alzoo bet niet
mogelijk was dat hij van den-
zelven dood zoude gehouden
worden.
"J.ï Want Pavid ïesrt van hein:
Ik zat! den Heere te allen tijde
vóór mij; want Mij is aan mijne
rechter««M</, opdat ik niet oe-
wogen worde.
2<i Daarom is mijn hart ver*
blijd en mijne tong verheugt
\'ii\'li. ja, ook mijn vleesch zal
rusten in hope;
C7 want Gij zult mijne ziel
in de hel niet ver.aten, en zult
uwen Heilige niet oetrrgeven om
verdervinic te zien.
\'28 Gij hebt mij de wesen des
levens bekendgemaakt; Gij zult
mij vervullen met verheuging
door uw aangezicht.
23 Gij iiiauneu broeders, het
is m\'n geoorloofd vrijuit tot u
te spreken van den Patriarch
David, dat hij heide gestorven
en begraven is, en zijn graf is
onder ons tot op dezen dag.
30 Alzoo hij dan een I\'roteetwas, en wist dat God hem
met eede ^\'/.«m\'i\'n had, dat
hij uit de vrucht zijner lende,
zooveel het vleesrh aangaat,
den Christus verwekken zoude,
om htm op zijnen troon te
zetten,
31  zoo heeft hij dit voorziende,
gesproken van de opstanding
van Christus, dat zijne ziel
niet is verlaten in de hel noeh
zijn vleesch verderving heeft
gezien.
:tt Dezen Jezus heeft God op- I
iINOEN 2,                                     lf!7
gewekt, waarvan wij allen gc-
tuftren zijn.
:;; Hij dan door de nchtttAend
Gods verhoogd zijnde, eu de be-
lofte des Heiligen Gerat» ont*
vauu\'en hebbende vanden Vader,
heeft dit uitgestort wat gij nu
ziet eu hoort.
\'M Want David is niet opgeva*
ren in de hemelen; maar hij
zeet: De Deere heeft gesproken
tot mijnen Heere: üit aan mijne
reehterAnW,
3A totdat Ik uwe vijanden zal
gelet hebben tot een voetbank
uwer voeten.
\'M< Zoo wete dan zekerlijk iiet
gausche huis Israi-1*, dat God
hem tot eenen Deere en Chris-
tus gemaakt heeft, uauiriijk
dezen Jezus dien gij gekruist
hebt
37 Kn nis zij dit hoorden, wer*
deu zij verslagen in het hart,
en leiden tot Petrus eu de an-
dere Apostelen: Wat zullen wij
doen, mannen broeders?
:*X Kn Petrui zeide tot lien:
Bekeert u, eu een iegelijk vim
u worde gedoopt in den naam
vnn Jezus Christus tot verge*
ving der zouden, en uij zult de
gave des Heiligen Geestes ont*
vangen.
:t9 Want u komt de belofte
toe, en uwen kinderen, eu allen
die daar verre zijn, zooveleu als
er de Deere onze God toe roe-
pen zal.
411 Kn met veel meer andere
woorden betuigde hij en ver-
maande zi; /.ergeudr: Wordt
behouden van dit verkeerd ge-
•lacht,
41 Die dan zijn woord gaarne
aannamen, werden gedoopt; en
daar werden op dien dag lef hen
toegedaan omtrent drie duizend
zielen.
i- Kn zij waren volhardende
in de leer der Apostelen, en
in de gemeenschap, en in de
breking des hroods, eu in de
| gebeden.
i 43 Kn eene vrees kwam over
1 alle ziel, en vele wonderen
-ocr page 176-
lts                           hak:
ni teekenni geschiedden door
de Apostelen.
44  Kn allen die geloofden, va-
ren bijeen, en hadden alle diu-
gcn geineen;
45  en zij ver kochten Jiunne goe-
deren en luive, en verdeelden
dezelve aan allen, naardat elk
van noode had .
4ti rn dadelijk* cendrachtiglijk
in den Tempel vul hardende, en
van huis tot huis brood bre*
kende, nteu 7.ij te zamen met
verheuginz en eenvoudigheid
des harten,
4" on prezen God en hadden
genade bij bet gansene volk.
Kn de Heen deed dagelijks tot
de gemeente die talig werden.
HOOFDSTUK 3.
PETRUS nu en Johannes gin*
gen te zanten óp naar den
Tempel omtrent de ure des ge*
bed*, zijnde de negende ure.
2 Ku een zeker man, die kreu-
pel was van inoederslijf af,
werd gedragen, «eiken zij da-
gelijks zetten aan de deur des
Tempels, genaamd de Schoone,
om een aalmoes te begeeren van
degenen die i» den Tempel gin*
8 welke Petrus en Johannes
ziende, als zij in den Tempel
zouden ingaan, bad dat hij een
aalmoes moeht ontvangen.
4 Ku Petrus sterk op hem zien*
de, met Johannes, zeide : Zie op
ons.
ft Kn hij hield dr togen op hen,
verwachtende dat hij iets van
ben zoude ontvangen.
(i Kn Petrus zeide: Zilver en
goud heb ik niet, maar hetgeen
ik hel), dat geef ik u: in den
naam van Jezus Christus den
Kaxarener, sta on en wandel.
7 Kn hem grijpende bij de
rechterhand, rf entte hij htm
op; eu terstond werden zijne
voeten en enkels vast,
•S eu lui opspringende, stond
**i» wandelde, en gin* met ben
in deu Tempel, wandelende eu
LIKGEK 3.
spriuircude en lovende God.
9  Kn al het volk sag hem wan-
delen eu God loven;
10  en zij kenden hem dut hij
die was die om een aalmoes
gezeten had aan de Schoone
poort des Tempels ; en zij wer-
den vervuld met verbaasdheid
en ontzetting over hetgeen hem
geschied was.
11   Ku als de kreupele, die ge*
zond gemaakt was, itün Petrus
en Johanuea vasthield, liep al
het volk irezamenlijk tot hen in
het voorhof, hetwelk Salnmo\'s
voorhof genaamd wordt, ver-
baasd zijnde.
12  Ku Petrus dut ziende, ant-
woordde tot het volk: Gij Isra-
elietischc mannen, wat verwon*
dert gij u over dit, of wat ziet
gij zoo sterk op óns, alsof wij
door onze eigene kracht of god-
zaligheid dezen hadden doen
wandelen?
13  De God Abrahams en Isa-
aks en Jattnhs, de God onzer
vaderen, heelt zijn Kind Jezus
verheerlijkt, welken gil over*
geleverd hebt, eu bent hem
verloochend voor het aangc-
zicht vau Pilatus, als hij oor-
deelde dat men hem zoude lus-
laten ;
14  maar gij hebt den Heilige
en Rechtvaardige verloochend,
eu hebt hegcerd dat u een inmi
die een doodslager was, zoude
geschonken worden;
1» en den Vorst des levens
hebt gij gedood: welken God
opgewekt heelt uit de dooden,
waarvan wij getuigen zijn.
Ifi Rn door het geloof in zijnen
naam heeft zijn naam dezen
gesterkt, dien gij ziet eu kent;
en het geloof dat door hem is,
heeft hem deze volmaakte ge-
zondheid gegeven, in u aller
tegenwoordigheid.
17 Kn nu, broeders, ik weet
dat gij het door onwetendheid
gedaan hebt, gelijk als ook uwe
oversten;
15  maar God heeft alzóu ver-
vuld hetgeen Hij door den mond
-ocr page 177-
IIANDEI
van alle zijne Profeten te vo-
ren verkondigd had, dut de
Christus lijden zoude.
l\'.i Betert u dan en bekeert u,
opdat uwe zouden mogen uit-
gewiscut worden, wanneer de
tijden der verkoeling zullen
gekomen ziju van het auuge-
zicht des Heeren,
2d en Hij gezonden znl hebben
Jezus Christus, die u te voren
gepredikt is:
-l welken de hemel moet ont-
vaugeu tot de tijden der we-
deroprichting «Her dingen, die
("iod gesproken heeft door den
mond van alle zijne heilige
Profeten van alle eeuw.
22  Want Mozea heelt tot de
vaderen gezegd: De Heere uw
God zal u een Profeet ver-
wekken uit uwe broederen ge-
lijk mij: dien zult gij hooreu
in alle» wat hij tot u spreken
zal;
23  en het zal geschieden dat
alle ziel die dezen Profeet niet
zal gehoord hebhen, uitgeroeid
zal worden uit den volke.
24  En ook alle de Profeten,
van Sftinni\'l aan en die daarna
gevolgd zijn, zoovelen als er
hebben gesproken, die hebbeu
ook deze dagen te voren ver-
kondigd.
2» (üjlieden zfjt kinderen der
Profeten, en des Verbonds
hetwelk God met onze vaderen
opgericht heeft, zeggende tot
Abraham: Kn iu uwen zade
zullen alle geslachten der aar-
de gezegend worden.
2<i God opgewekt hebbende
ziju Kind Jezus, heeft dcnzel-
vi\'ii het eerst tot u gezonden,
dat hij ulieden zegenen zoude
daariu dat hij ecu iegelijk van
u
afkeere van uwe boosheden.
NOEN 4.                                    169
2 zeer ontevreden zijnde, om-
dat zij het volk leerden eu ver-
kondigden in Jezus de opstau-
diug uit de dooden;
.\'t eu zij sloegen de handen aan
hen en zetten ze iu bewaring
tot den anderen dag; want het
wa» nu avond.
4 Eu velen van degenen die
liet Woord gehoord hadden, ge-
loofden, en het getal der man-
nen werd omtrent vijfduizend.
r> Eu het geschiedde des an-
dereu daags, dat hunne over-
steu eu Ouderlingen en Schrift-
geleerden te Jeruzalem verga-
derdeu,
ii en Annas de Hoogepriester,
eu Kajafas eu Johannes en
Alexauder en zoovelen daar
van het lloogepriestcrlijk ge-
slacbt waren;
7  eu als zij ze iu hel midden
gesteld hadden, vraagden zij:
Door wat kracht of door wat
naam hebt gij lieden dit gedaan?
8  Toen zeide Petrus, vervuld
zijnde met den Heiligen Geest,
tot hen; Gij oversten des
volks eu gij Ouderlingen ls-
raëls,
ö alzoo wij heden gerechtelijk
onderzocht worden over de
weldaad aan een krankmensch
geschied, waardoor hij gezond
geworden is,
KI zon zij aan u allen kenne-
lijk en aan het gansene volk
Israëls, dat door den naam
van Jezus Christus den Naza-
rener, dien gij gekruist hebt,
welken God van de dooden
heeft opgewekt, door hem,
zi\'i) ik, staat de/.e hier vóór u
gezond.
11    Déze is de steen die van n,
de bouwlieden, veracht is, wel-
ke tot een hoofd des hoeks ge-
worden is.
12  Eu de zaligheid is in gee-
nen anderen: want daar is ook
ouder den hemel geen andere
naam, die ouder de mcuBcheii
gegeven is, door welken wij
moeten zalig worden.
13  Zij uu ziende de vrijmoe-
HOOFDSTUK 4.
EN terwijl zij tot het volk
spraken, kwamen daarover
tot hen de Priesters en de
hoofdman des Tempels en de
Sadduceërs,
-ocr page 178-
170                                     IIANDKI
digheid van Petrus e» Johan-
nes, en vernemende dat zij on-
geleerde eu eenvoudige meu-
scheu waren, verwonderden
xich, en kenden ben dat zij
niet Jezus geweest waren;
14 en ziende den ineiisch bij
hen staan die genezen was,
hadden zij niets daartegen te
zeggen.
U Ku hun geboden iiehhende
uit te gaan buiten den Kaad,
overieideu zij niet elkander,
ir» zeggende: Wat zullen wij
dezen nieuselieu doen \'t Want
dut er een bekend teekeu door
beu geschied is, is openbaar
aan allen die te Jeruzalem wo-
iii-n, eu wij kunnen het niet
loochenen;
17 maar opdat het niet meer
eu meer onder het volk ver-
spreid worde, laat mn hen
scherpelijk dreigen, dat zij
niet meer tot eenig mensch in
dezen naam spreken.
is Ku als zij ze geroepen liad-
deu, zeiden zij hun aan, dat
zij ganse hel ijk niet zuudeu
spreken noeU leereu in den
naam van Jezus.
lü Maar I\'etrus en Jnhannes
antwoordende, zeiden tot beu:
Oordeelt üij of bet rechtisvoor
God, ulieden meer te booreu
dan God;
2t» want wij kunnen niet laten
te spreken netgeeu wij gezien
eu gehoord hebben.
-\'l Maar zij dreigden ze nog
meer, en lieten ze gaan, niets
vindende boe zij ze straffen
zouden,\' om des volks wil;
want xij verheerlijkten allen
God over hetgeen er geschied
was;
22 want de mensch was meer
dan veertig jaren oud, aan
welken dit teekeu der gene-
zing gcsehied was.
.:; Kn xij losgelaten zijnde,
kwamen tot de hunnen, eu
verkondigden al wat de Over*
priesters eu de Ouderlingen
tot heu gezeed hadden.
24 Ku als dezen dat boorden,
hieven zij eendraebtelijk Aumie
stem óp tot God en zeiden:
Ileere, Gij zilt de God die ge-
maakt hebt den hemel en de
aarde en de zee eu alle dingen
die in dezelve zijn;
-."i die door den mond Davids
uw-s knechts gezegd hebt i
Waarom woeden de heidenen
en hebben de volken ijdele
dingeu bedacht!\'
2>> De Koningen der aarde
zijn re samen opgestaan, en de
oversten zijn bijeenvergaderd
tegen den Ileere en tegen zijn
Gezalfde.
27  Want iu waarheid zijn ver-
uaderd teren uw heilig Kind
Jezus, welken Gij gezalfd hebt,
beiden Ilcrodes eu l\'ontius Pi-
latus, met de heidenen en d«*
volkeu Israëls,
28  om te doen al «at uwe
baud eu uw raad te voren bc-
paald had dat geschieden zoude.
ü\'J Ku uu dan, Ileere, zie op
hunne dreigingen, eu geef
uwen dienstknechten met alle
vrijmoedigheid uw Woord te
spreken,
:«i daarin dat Gij uwe hand
uitstrekt tot genezing, en dat
teekeuen en wondereu geschie-
deu door den naam vau uw
heilig Kind Jezus.
31 Kn als zij gebeden hadden,
werd de plaats in welke zij
vergaderd waren, bewogen ; eu
zij werden allen vervuld met
den Heiligen Geest, en spra-
keu het Woord Gods met vrij-
mocdigbeid.
\'M Ku de menigte van detre-
nen die geloofden, was één hart
eu énne ziel, en niemand zeïde
dat iets vau hetgeen hij had,
zijn eigen was, maar alle din-
gen waren hun gemeen.
\'A\'.\\ Kn de Apostelen gaven
met groote kraeht getuigenis
van de opstanding des Heereu
Jezus; en daar was groote ge
nade over beu allen.
\'M Want daar was ook nie-
uiaud ouder hen die gebrek
had; want zoo velen als er be-
-ocr page 179-
HANDEL
gitten waren van landen of
huizen, die verkochten zij, en
brachten rli\'n prijs der ver-
kochte gnnlrrfti eu leiden dttn
aan de voeten der Apostelen f
36 en aan een iegelijk werd
uitgedeeld naartlut elk van noo-
de liad.
3<i Eu Joses, van de Apostelen
tncgenaamd Baniabas [hetwelk
is, overgezet zijnde, een zoon
der vertroosting), een Leviet,
van geboorte uit Cyprus,
:i",\' al zoo iiij eenen akker had,
verkocht dien, eu bracht liet
geld en leide liet aan de voeten
der Apostelen.
IIOOFDSTCK 6.
EN een zeker man niet name
Ananias, met SaiVira zijne
vrouw, verkocht eene have,
•2 en onttrok van den prijs, ook
met mede weten zijner vrouw,
en bracht een zeker deel en
leide dat aan de voeten der
Apostelen.
3  Kn PetrQI zeldc: Ananias,
waarom heeft de satan uw-
hart vervuld, dat gij den lh J-
Hgeu Geest lieren zoudt eu
onttrekken van den prijs de»
land».\'
4  Zoo het gebleven was, bleef
liet uiet het uwe, en verkocht
zijnde, was het niet in uwe
macht f Wat ia het dat gij
deze daad in uw hart hebt
voorgenomen I Gij hebt den
mensehen niet gelogen maar
Gndc.
\'i Ku Auanias deze woorden
bnoreiide, vii\'1 neder en gaf den
ffeest! Eu daar kwam groote
vree» over allen die dit boor*
den.
fi Kn de jongelingen opstaan-
dc, schikten hem toe, en droe-
iteu htm uit en bedroeven htm,
7 Kn het was omtrent drie
uren daarna, dat ook zijne
vrouw er inkwam, niet wetende
wat er gexchicd was.
H Kn Petros antwoordde hanr:
Zr,\' uüj, hebt .Ij lieden het
JXGEN :,.                               171
land voor zooveel verkocht? En
zij zeide: Ja, voor zooveel.
*.! Ku Petrus zeide tot haar:
Wat Is bet dut gij onder u
hebt overeen gestemd te ver-
zoeken den Geest do Ileereu?
Zie, de voeten dergeneu die
uwen m».u begraven hebben,
zijn voor de deur, eu zullen u
uitdragen.
in Eu zij viel terstond neder
voor zijne voeten, eu gat\' den
Keest; en de jongelingen luge-
komen zijnde, vonden ze dood,
en droegen ie uit, cu begroeven
te bij haren man.
11  Ku daar kwam groote vrees
over de geheele gemeente
eu over allen die dit hoor*
den.
12   En door de handen der
Apostelen geschiedden vele
tcekeueu en wonderen ouder
het volk. Kn zij waren uilen
eeudraeliti-^lijk in bet voorhof
Saloiuo\'s.
i:t Ku van de anderen durfde
niemand zich bij beu voegen;
maar bet volk hield ze in groote
achting.
14  Kn daar werden er meer en
meer toegedaan die den Meere
|reloofdent menigten beiden van
mannen en van vrouwen:
15   alzoo dat zij de krankeu
uitdroegen 011 de straten eu
leiden op bedden en beddekens,
opdat als Petrus kwam, ook
maar lic schaduw iemand van
beu beschaduwen mocht.
II En ook de menigte uit de
omliggende stedun kwam gc-
zameiilijk te Jeruzalem, brcu-
geude krankeu en die van ou-
reinc geesten gekweld waren,
welke allen genezen werden.
17 Ku de lloo\'tepriester stond
op, eu allen die met hein waren
(welke was de sekte der Sad-
dureêrs), en zij werden vervuld
met nijdigheid,
IS eu sloegen hunne banden
aau de Apostelen, eu zetten ze»
iu de algemeene gevangenis.
l\'J Maar de Engel des Ileereu
opende de» nachts de deuren
-ocr page 180-
i;:                              haxdei
der gevangenis, en leidde ze
uit, Cu zeide:
20 Gaat henen, en staat pu
spreekt i:i den Tempel tot liet
volk alle de noorden dezes le-
vens.
21  Als zij du dit gehoord had-
den, gingen iij tegen den mor-
genstomi in den Tempel en
leerden. Maar de IIoozeprit\'s-
ter, en die met hem waren,
gekomen zijnde, riepen den
Itaad te lameti, en alle de oud-
sten der kinderen Israëls, en
zonden naar den kerker om hen
te halen.
33 I>oeh als de dienaars daar
kwamen, vonden zij hen in de
gevangenis niet, maar keerden
weder en boodschapten dit,
23 zeggende; Wij vonden wel
den kerker met alle verzekord-
heid toegeslnten, en de waeh-
ters buiten staande voor de
deuren; maar als iv[j die geo-
jicnd hadden, vonden wij uie-
mand daar binnen.
21 Toen nu de Ilooi/rpr\'iester
en de hoofdman des Tempels
en de Overpriesters deze woor-
den hoorden, werden zij twij-
folmnedig over hen, wat toeb
dit worden zonde.
25 En daar knam een en bood-
j*e hapte hun, zeggende: Zie, de
mannen die «ij in de gevauge-
ïii\'. gezet hebt, staan in den
Tempel en leeren het volk.
2ü Toen ging de hoofdman
henen met de dienaren, en
braeht ze, rforA niet met ire-
weld (want zij vreesden het
volk, opda. zij niet gesteenigd
wierden);
97 en als zij hen ge braeht
hadden, stelden zij ze voor den
Itaad; en de Hoogenricster
vraagde hun en zeide:
2* Hebben wij u niet omstig-
lijk aangezegd dat «ij in dezen
naam niet z.iudt leeren ? En
zie, gij hebt met deze uwe leer
.Tcruzalein vervuld, en gij wilt
liet bloed van dezen niensch
«over on> brengen.
29 M^ar 1\'etrus en de Apos-
IXGEX 5.
telen antwoordden en zeiden:
Men moet Gode meer gohoor-
zaain zijn dan den inensrheiv
:w De God onzer vaderen beeft
Jezu:; opgewekt, welken inj om-
gebracht licht, handende hem
aan het hout.
31   Kezen heeft God door zijne
rechterMW verhoogd tot eeneu
Vorst en Zaligmaker, om ls-
raël te geven bekeering en ver»
geving der zouden.
32  En wij zijn zijne getuigen
van deze woorden, en ook de
Heilige Geest, welken God ge-
geven heeft dengenen die Hem
gehoorzaam zijn.
33   Als zij nu dit hoorden,
barstte hun het hart, en zij
hielden raad om hen tedooden.
\'M Maar een zeker Karizcer
stond óp in den Raad, met na-
nie Gamalicl, een Lecraar der
Wet, in waarde gehouden hij
al het volk, en gebood dut men
do Apostelen een weinig zoude
doen in.li --:.fii--\', ,
35 en zeide tot hen: Gij Isra-
elietisehe mannen, ziet voor u,
wat gij doen zult aangaande
deze uienschen.
3i> Want vóór deze dagen stond
ThendaB op. zeggende dat hij
wat was, wieti een getal van
omtrent vierhonderd mannen
aanhing: welke is omgebracht,
en allen die hem gehoor gaven,
zijn verstrooid en tot niets ge-
worden.
37   Na hem stond óp Judas de
Galileer, in de dagen der be-
sebriiving, en maakte veel volk
afvallig achter zich; en deze
is óók vergaan, en allen die
hem gehoor gaven, zijn ver-
strooid geworden.
38  En nu zeg ik ulieden, houdt
af van deze nienseheu en laat
ze gaan; want indien deze raad
of dit werk uit mensebeu is,
zoo zal het gebroken worden;
3B maar indien het uit God is,
zoo kunt gij dat niet breken;
opdat gij niet misschien be-
vonden wordt ook tegen God te
strijden.
-ocr page 181-
IJANDELI?
•10 En zij gaven hem gehoor;
en als zij tlt\' Apostelen tut zich
geroepen hadden, geeselden
/.ij heit, en geboden hnn dat
ze niet zuuüVn spn ken in den
naam van Jezus, en lieten ze
gaan.
41  Üij dan gingen henen van
hel aangezicht des Raads, ver-
tiii.nl zijnde dat zij waren waar-
dig geacht geweest, om zijns
naams wit smaad heid te lij-
den ;
42  en zij hielden niet op, alle
dagen in den Tempel en hij
de huizen te heren en Jezus
Christus te verkondigen.
HOOFDSTUK fi.
EN In die dagen, als de dis
eipeleu vermenigvuldigden,
ontstond eiue niunuareerJBg
der Griekseheii tegen de lle-
hretirs, omdat hunne weduwen
in de dagelij ksclie bediening
verzuimd weiden.
"J En de twaalve riepen Je
menigte der discipelen tut zirli,
en zeiden: liet is niet behoor*
Hjk dat wij het Woord God*
nalaten en de tafelen dienen.
:i Ziet dan om, broeders, naar
zeven mannen uit u, die goede
getuigenis nebben, vol des llei-
iigeu Geeatea en der wijsheid,
welke wij mogen stellen over
deze nouuige zaak;
•1 maar wij zullen volharden
in het gebed en in de bediening
des Woord».
". En dit womd behaagde aan
al de menigte; en zij w rkozeu
K tetanus, e< nen man vol des
geloof! en des Ileili-eu Gees-
tes, en FilippuB, en l\'róehorus.
eu Nieauor, en Tiiuun, en
l\'armenus, eu Nieolaus. eeneu
Jodeiigenoot van Autioebtt;
\'i «elke zij voorde Apostelen
"telden: en dezen, als zij ge-
heden hadden, leiden hun de
banden op.
7 Ku hei Woord Gods wie»,
en het getal der discipelen ver»
naeufgnudlgdc te Jeruzalem
\'GEM fi, ".                                   I"3
zeer; en eene groote schare
der Prlesteren werd den ge-
loove gehoorzaam.
^ Eu Stéfanus, vol geloof eu
bracht, deed wonderen en groote
teekeneu onder het volk.
1) En daar stonden öp som-
niigeu die waren van de Kyna-
goge, genaamd der Libertijnen,
en der Uyreueers, en der Alex-
andrijnen, en dergenen die van
Cïlieie en Azië waren, en twist*
ten met Stéfanus;
10  en zij konden niet weder-
staan de wijsheid en deu Geest
door welke,, hij sprak.
11  Toen maakten zij mannen
öp die zeiden: Wij hebben hein
hooren spreKen lasterlijke voor-
den tegen Mozei en God;
12  en zij beroerden het volk
en de Ouderlingen en de
Schriftgeleerden; en hem aan-
val lende, gn pen zij hein eu
leidden kern voor deu Raad,
i:t en stelden valsebe gettti-
gen die zeiden: Deze meuseh
houdt niet op, lasterlijke wnnr-
deu te spreken tegen deze hei-
lige plaats eu de Wet;
II want wij hebben In in hoo-
reu zeggen, dat deze Jezus de
Nazarcner deze plaats zal ver-
breken, eu dot hij de zeden
veranderen zal die Mozes ons
overgeleverd heeft.
15 En allen die in deu Raad
zaten, de oogen op hem uou-
dende, zagen zijn aangezicht
als het aangezicht eens Engels.
HOOFDSTUK \',.
EN de lluogepriester selde:
Zijn dan deze dingen alzuó?
•j En hij zeide: Gij mannen
broeders eu vaders, hoort toe.
De God der heerlijkheid ver-
sebeeu onzen vader Abraham,
nog zijnde iu Atesopotainië,
eer hij woonde iu liman.
3  en zeide tot hem: Ga uit
uw land en uit uwe maagschap,
en kom in een land dat Ik u
wijzen zal.
Toen ging bij uit het land
-ocr page 182-
174                                    HANDEL!
der Chaldeifrs, en woonde in
lliirau. Kn van dnar, nadat zij"
vader gestorven was, bracht
Hij hem óver in dit land, waar
gij ui. in woont;
.ï en Hij gaf hem «een erfdeel
in hetzelve, ook niet ecueu
voetstap, en beloofde dat II ij
In in hetzelve tut eeue bezitting
lieven zoude, en aan zijnen zade
na hem, als hij hoi/ geen kind
had.
<> Ku God sprak ulzóó, dat zijn
znad vreemdeling zijn zoude In
een vreemd land, en dut zij
het zouden dienstbaar maken
en kwalijk behandelen Tier-
honderd jaren;
7 on het volk dat zij dienen
zullen, zal Ik oordeelen, sprak
God, en daarna zullen zij uit-
goan, en zij zullen Mij dienen
in deze plaats.
S En Hij gat\' hem het verhoud
der besnijdenis; en alzoo ge-
won liij [nallk, en besneed hein
op den achtsten dag; en lsaük
gewon Jakob, en Jakob de
twaalf Patriavchcii.
l.\' En de 1\'atriarelien nijdig
zijnde, verkochten Jozef om
naar Egypte gebracht te wor-
den;
e» God was met hein,
10  en verloste hem uit alle
zijne verdruk kluften, en (taf
hem genade en wijsheid voor
Farao, den Koning van Egypte;
en hij stelde hein tot een over-
ste «ver Egypte on zijn geheel u
huis,
11  En daar kwam een liongers-
nood over liet gcheele land
van Ejtypte en Kanaan, en
groote I" H811W <lln"i<l , en 011ZC
vaderen vonden Reene spijs.
12  Maar als Jakob hoorde dat
in Egypte koren was, zond hij
onze vaderen de eerste maal uit:
13   en in de tweede reis werd
Jozef zijnen broederen bekend,
en het geslacht van Jozef werd
aan Farao openbaar.
14  En Jozef zond henen en
ontbood zijnen vader Jakob,
en al zijn geslacht, bestaande
ia vijf en zeventig zielen.
NOEN 7.
15 En Jakob kwam afin Egypte,
en stierf, hijzelf en onze va-
der en ;
ltï eu zij werden overgebracht
na;ir Siehem, en gelegd in liet
graf, hetwelk Abraham ge-
kocht bad voor eeue som gehis
van de zonen van llenior, den
vader
van Siehem.
17 Maar als nu de tijd der be-
lofte, die God aan A braham
gezworen had, genaakte, wies
het volk eu vermenigvuldigde
in Egynte,
is totdat een ander Koning
opstond, die Jozef niet gekend
had.
19 Iteze gebruikte listigheid
tegen ons geslacht, eu handel -
de kwalijk met onze vaderen,
zoodat ze hunne jonge kindc-
ren moesten wegwerpen, op-
dat zij niet zouden voortte*
leu.
2u In welken tijd Mozei werd
geboren, en hij was uitnemend
schoon; welke drie maanden
opgevoed werd in het huis zijns
vaders,
21   en als hij weggeworpen
was, nam hem de dochter van
Farao op, en voedde hem voor
zichzelve op tot ecneu zoon.
22  En Mozes werd onderwezen
in alle wijsheid der ËgyptemV
ren, eu was machtig in woor-
deu eu in werken.
23  Als hem uu de tijd van
veertig jaren vervuld was,
kwam kent in zijn hart, zijne
broeders, de kinderen I sraüls,
te bezoeken.
24  En ziende renen die on-
recht leed, beschermde hij
hem, en wreekte dei genen dien
overlast geschiedde, en ver-
sloeg den Egyptenaar.
25  En hij nu ende dat zijne
broeders zouden verstaan, dat
God door zijne hand hun ver-
lossing geven zoude; maar zij
hebben bet niet verstaan.
2<> En den volgenden dug
werd hij van beu gezien daar
zij vochten, en hij drong ze tot
vrede, zeggende: Mannen, gij
-ocr page 183-
HA NI) E
zijt broeders: waarom doet gij
elkander ongelijk!\'
27 Ku die zijnen naaste on-
geltjk deed, verstiet liem, zeg-
geilde: Wie ht-ett u tot een
overste eu rechter over ons
gesteld ?
2.s Wilt gij mij mik oiubrcn-
gen, gclijkerwijs gij Kistereu
den Kgypteunar omgebracht
liebt \'t
39 Ku Mozes vluchtte op dat
woord, en werd een vreemde"
ling in liet land Midian, waar
bij twee zonen gewon.
30 Kn als veertig jaren ver-
vuld waren, verscheen hem de
Euvel de» lleeren in de wocs-
tijn van den berg Sinaï, in een
vlammend vuur van bet door-
neiibnsch.
.\'(i Mozes nu dat ziende, ver-
wonderde zieli over bet gezicht;
en als bij derwaarts ging om
dut te bezien, zoo geschiedde
eene stem des lleeren tot hem,
32 zengende: I k beu de CJod
uwer vaderen, de God Ahrn-
hams en de God lsailks en de
God Jnkobs. Kn Mozes werd
zeer bevende, eu durfde het
niet bezien.
XI Kn de lleere zcide tot hem :
Untbiud de schoenen van uwe
voeten, want de plaats in wel-
ke gij staat, is lieilig land.
34  Ik heb duidelijk gezien de
inlshaudeliiig mijn* volk* dat
in Egypte is, en Ik heb hun
zuchten geboord, en beu nc-
dergekoineu om beu daaruit
te verlossen; eu uu kom her-
waart*, Ik zal u naar Egypte
/. enden.
35   Pezen Mozes welken zij
verloochend hadden, zeggende.
Wie beeft u tot een overste
en rechter gesteld \'t dezen,
•eg ik, heeft God tot eenen
overste en verlosser geznuden
door de hand des Engels die
hem verschenen was in het
doornenboseh.
88 Deze beeft beu uitgeleid,
doende woudereu en teekenen
"i \'t land vau Esypte, en in de
UNGKN 7.                                     175
Koode zee, en in de woestijn,
veertig jaren.
37 Deze is de Mozes, die tot
de kinderen Israëls gezegd
heeft: De lieert uw God zal u
eenen Profeet verwekken uit
uwe broederen gelijk mij: dien
zult gij hnoren.
3s Deze is het die in de vcrgn-
deriug des votkt in de woestijn
was met den Engel die tot hem
sprak op den berg SUiaï, en
met ome vaderen; welke de Ie.
vende woorden ontving, om mts
die te geven;
311 den we. keu onze vaderen
niet wilde i gehoorzaam zijn,
maar verwierpen hem, eu keer-
den met hunne harten weder
naar Egypte,
in zeggende tot Aar on: Maak
ons goden die voor ons henen-
gaan; want mrf dezen Mozes
aangaat, die oui uit bet land
vau Egypte geleid beeft, wij
weten niet wat hein geschied
is.
41  Ku zij maakten een kalf in
die dagen, eu brachten offeran*
de tot den afgod, eu verheug*
den zich in de werken hunner
banden.
42  Kn God keerde zich, en gaf
ben over, dat zij liet beir des
hemels dienden, gelijk gesebre-
ven is in het boek der l\'rote-
ten: Hebt srij ook slachtofferen
en offeranden Mij opgeofferd,
veertig jaren iu de woestUu,
gij huis Israels?
43  Ja, gij hebt opgenomen den
tabernakel Moloch*, en bet ge-
stemte uw» gods Iteuifan, de
afbeeldingen die \'.\'ii gemaakt
hebt om die te aanbidden; eu
Ik zal u overvoeren op gene
tijde vim llabylonié.
44   De Tabernakel der getui-
genis was ouder onze vadereu
in de woestijn, gelijk geordi-
neerd bad Hij die tot Mozes
zeide, dat hij dcnzelveii maken
zoude naar de afbeelding die
hij gezien had:
45   welken ook onze vaderen
ontvangen hebbende, met Jo-
-ocr page 184-
HANDEL
NG EN 8.
176
58 en wierpen hem ter staïl
uit, en steeuigden hem. Eu de
getuigen leiden hunne kleedc-
ren af aan de voeten eens jou-
geliugs, genaamd Saulus;
\'ii* eu /.ij steeuigden S tetanus,
aanroepende en zeggende:
Heere Jezus, ontvang mijnen
geest!
*JÜ En vallende op de knieën,
riep hij met groote stem: Hee-
re, reken hun deze zonde niet
toe! En als hij dat gezegd had,
ontsliep hij.
HOOFDSTUK 8.
EN Saulus had mede eeu wei-
behagen aan zijnen dood.
Eu daar w erd te dien dage
eene groote vervolging tegen
de gemeente die te Jeruzalem
was; en zij werden allen ver-
strooid door de lauden van Ju-
dun eu Saiuarie, behalve de
Apostelen.
2 En etniije godvruchtige inan-
ueu droegen Stétaiius te zameu
ten grave, eu maakten grootcu
rouw over hem.
,1 Eu Saulus verwoestte de
gemeente, gaande in de hui-
zen; eu trekkende mannen en
vrouwen, leverde hij ze óver
in de gevangenis.
4   Zij dan uu die verstrooid
waren, gingen het lumlAuot eu
verkondigden het Woord.
5  Eu Filippus kwam af in de
stad van Saiuarie, eu predikte
hun Christus.
t; En de seharen hielden zieh
eendrachtiglijk aan hetgeen
van Filipnus gezegd werd, de-
wijl zij noorden en zagen de
teekenen die hij deed.
7 Want van velen die onreine
geesten hadden, gingen dezelve
Ulr, roepende met groote stem,
en vele geraakten en kreupelen
werden genezen;
s eu daar werd groote blijd-
scbap in die stad.
9 En een zeker man, met name
Simon, was te voren in de stad
plegende tooverij, en verruk"
zua gebracht hebben in het
land dat de heidenen bezaten,
die God verdreven heeft van
het aangezicht onzer vaderen,
tot de dagen Davids toe:
4(i dewelke voor God genade
Ï;evoudeu heeft, en begeerd
leeft te vinden eene woonstede
voor den God Jaknbs.
47 En Salomo bouwde hem
een Huis.
4S Maar de Allerhoogste
woont niet 111 tempelen met
handen gemaakt, Keiijk de
Profeet zegt:
4lJ De hemel is Mij een troon,
en de aarde een voetbank mij-
ner voeten. Hoedanig Huis
zult gij Mij bouwen, zegt de
Heere, of welke is de plaats
mijner rust?
5tJ Heeft niet mijne hand alle
deze dingen gemaakt ?
51 Gij hanlnekki :en en onbe-
fliiedenen van hart en ooren,
f:ij wederstaat altijd den Hei-
leen Geest, gelijk uwe vaderen
fin.» ook gij.
83 Wien van de Profeten heb-
ben uwe vaderen niet vervolgd?
Rn zij hebben gedood degenen
die te voren verkondigd hebben
de komst des Rechtvaardigen,
van welken \'.rij lieden nu ver-
raders en moordenaars gewor*
deu zijt,
53   gij die de Wet ontvangen
hebt door bestellingen der En-
Seleu, en lulu te niet gehou-
eit.
54    Als zij uu dit hoorden,
barstten hunne harten en zij
knersten de tanden tegen hein.
Ü Maar hij vol zijnde des
Heiligen Geestcs, en de oogen
houdende naar den hemel, zag
de heerlijkheid Gods, en Jezus
staande ter rechterhand Gods;
5li en hij zeide: Zie. ik zie de
hemelen geopend, en den Zoon
des menaehen staande ter reeb*
tethand Gods.
">" Blaar zij roepende met
groote stem, stopten hunne
ooren, en vielen eendrachtig*
lijk op hein aau,
-ocr page 185-
HANDEL
kende de zinnen des volks van
Suinarie, gegronde vau tleh-
zelven dat liij wat groots
in welken zij allen aanhingen,
van den kleine tot don groot e,
zeggende: Deze is de groote
kraelit Gods.
il Kn zij hingen hem aan,
omdat hij eeum langen tijd
met tooverijeu huune zinnen
verrukt had.
IS Maar toen zij Filippus jre-
lnofdcn, die liet Evangelie van
het Koninkrijk Gods eu van
den naam van Jezus Christus
verkondigde, werden zij ge-
doopt, huiden inauiieii eu vrou-
wen.
l.\'t Kn Simou geloofde ook
zelf, en gedoopt zijnde, bleef
gedurig bij Filippus; eu ziende
de teekenen en groote krach*
ten die er geschiedden, ont-
zette hij zich.
I-I Als uu de Apostelen die
te Jeruzalem waren, hoorden,
dat Samarië het Woord Gods
aangenomen had, /.ondeu zij
tot hen Petrus en Johauues,
IS dewelke afgekomen zijnde,
hadeu voor hen, dat zijden Hei.
llgen Geest on l van gen mocu-
ten
Ui (want hij was nog op nie-
mand van hen gevallen, maar
zij waren alleenlijk gedoopt in
den naam des Heereu Jezus);
17 toen leiden zij de handen
op hen, eu zij \'ontvingen deu
Heiligen Geest.
Is Kn als Simon zag dat door
de oplegging van de handen
der Apostelen de Heilige Geest
gegeven werd, zoo bood hij hun
geld aan,
19 zeggende: Geeft ook mij
deze macht, opdat zon wien ik
de handen opleg, hij deu IIei-
ligen Geest ontvanire.
2(t Maar Petrus zeide tot hem:
l\'w geld zij met u ten ver-
derve. omdat gij gemeend hebt
dat de gave Gods door geld
verkregen wordt.
21 Bij hebt geen deel of lot
1NGEX S.                                    177
iu dit woord; want uw hart
is niet recht voor God.
22 Bekeer u dan van deze uwe
boosheid, en bid God, of mis-
sehien n deze overlegging uw»
harten verbeven «{era;
_:f v\\ nut ik zie dut gij zijt in
eene ganseh hittere gal en,
samenknooping der ongerech*
tigheid.
?4 Doch Siuion antwoordende,
zeide : Bidt eijlledeu voor mij
tot den Heere, opdat niets
over mij kome van hetgeen
gij gezegd hebt.
25 /ij dun nu, als zij het
Woord des liet ren betuigd en
gesproken hadden, keerden
weder naar Jeruzalem, eu ver-
kondigden het Evangelie i»
vele vlekken der Sumarita-
ueii.
•Jfi Kn een Engel des Heeren
sprak tot Filippus, zeggende:
Sta op en ga henen tegen het
Zuiden, op den weg die van.
Jeruzalem afdaalt naar Gaza,
welke woest is.
27 Kn hij sloud op en ging
henen. Kn zie, een Moorman,,
een kamerling en een machtig
heer van (\'andacé, de Koningin
der Moorcn, die over al haren
schat wa», welke was geko-
men om te aanbidden te Jeru-
zalem;
2S en hij keerde weder, en
zat op zijnen wagen, eu la»
den Profeet Jcsajn.
29  En de Geest zeide tot Filip-
Sms: Ga toe en voeg u bty
lezen wagen.
30  Kn Filippus Hen toe, en
hoorde hein den Profeet Jesaja
lezen, en zeide: Verstaat gi)
ook hetgeen g|) leest?
31   Ku hij zeide: Hoe zoude ik
toch kunnen, zoo mij niet
iemand onderricht ? Kn hij bad
Filippus dat hij zoude opko-
men en hij hem zitten.
83 Kn fle plaats der Schriftuur
die hij las, was deze: Hij is
gelijk een schaap ter slachting
geleid; eu gelijk een lam stem-
meloos is voor dien die het
12
-ocr page 186-
178                               HANDEL
scheert, alzóó doet hij zijnen
mond niet open,
33  In zijne vernedering ir zijn
oordeel weggenomen, en wie
zal zijn geslacht vcriialen ?
Want zijn leven wordt van de
aarde weggenomen.
34  Kn de kamerlintr antwoord"
de Filippus en zeide \\ Ik bid u,
van wien zt-rt de Profeet dit?
van zichzelvcn of van iemand
anders?
3.\'» En Filippus deed zijnen
ïuond open, en beginnende van
die Schrift, verkondigde hem
Jezus,
36 i;.: als zij overweg reisden,
kwamen zij aan een zeker hh-
ter; en de kamerling zeide:
Ziedaar water: wat verhindert
mij Beloopt te worden ?
3/ Ku FÜippus zeide: Indien
iri.r van kanselier harte geloof*,
zoo is het geoorloofd. En hij
antwoordende, zeide: Ik geloof
dut Jezus Christus de Zoon
Gods is.
35  En hij ir c bood den wagen
stil te houden, en zij daalden
beiden at" in liet water, zoo
Filippus als de kamerling, en
hij doopte hein.
:t\'.i Kii toen z\'j uit liet water
waren opgekomen, nam de
Geest des Heeren Filfpput
weg, en de kamerling zag
hem niet meer: want hij reis-
de zijnen wer met blijdschap,
4li Maar Filippus werd gCVOlf
den te Azotus; en het land
doorgaande, verkondigde hij
het Kvutnrclie in alle steden,
totdat hij te t\'esarêa kwam.
HOOFDSTUK 9.
Eu Saulus, blazende nog drei-
gini: en moord tegen de discl*
Ïelcn dei Meeren, ging tot den
loo ge priester,
2 en begeerde brieven van
hem naar Daniascua aan de
SyuaxogiMi, opdat, zoo hij eeui*
gen die van dien wei; waren,
vond, ii ij dttelve, belden Hlftu*
uen en vrouwen, zoude gebon*
IMiK.N 9.
den brengen naar Jeruzalem.
3  Kn als bij reisde, is het ge*
scliicd dat hij nahij Damaseus
kwam, en hem oinscheen snel-
lijk een licht van den hemel ;
4  eu ter aarde gevallen zijn-
de, hoorde hij eene stem die
tot hem zeide: Saul, Sunl,\\vat
vervolgt KÜ mij ?
En hij zeide : Wie zijt gij,
Heere? Ku dr Heere zeide: Ik
ben Jezus dien (fij vervolgt;
het is u hard, de verzenen tenen
de prikkels te slaan.
(1 En hij bevende eti verbaasd
zijnde, zeide : ileere, wat wilt
irij dat ik doen zal ? Eu de
Heere zeide tot hem: Sta op
en ga in de stad, en u zul <d-
daar
gelegd worden wat pij
doen moet.
7  Kn de maniipu die met hem
overweg rei-den, stonden ver*
buasd, Uooreude wel de stem,
maar niemand ziende.
H Ku Saulus stond op van de
aarde; en als hij zijne ooge.i
opendeed, zier hij niemand; eu
zij hem bij de liaud leidende,
brachten hetu te Ihimascu*.
U Eu bij was drie dairen dat
hij niets zag; en at niet eu
dronk niet.
10  En daar was een zeker dis-
eipel te Daniascua, met mime
Ananias; eu de Ileere zeide tot
hem iu een gezicht: Ananias!
Kn bij zeide; Zie, hier ben ik,
Ileere.
11  Eu de Heere zeide tot hein:
Sta op, eu n in de straat, ge*
naamd de Hechte, eu vraag iu
het huis van Judas naar tenen,
met name Siiulus van Tursus;
want zie, bij bidt,
12   en hij beeft in een geziekt
geilen, dHt een man, met name
Ananias, inkwam en hem de
hand opleïde, opdat hij weder*
om ziende wlerd.
13    Ku Ananias antwoordde:
Heere, ik heb uit velen ge-
boord van dezen man, hoeveel
kwaad hij uwm heiligeu iu
Jeruiulem gedaan heeft;
14  eu hij heelt hier macht vnu
-ocr page 187-
HANDEL
dr Overprieater*, om te binden
nlk\'ii die uweu imam aanroc*
pen.
13 Maar de Heere acide tot
hem: (in henen, want deae is
mij een uitverkoren vat, om
mijnen iiaum te dragen voor
de heidenen en de Koningen
ra de kinderen Israël»;
lf> want ik zal bein tooiien
hoeveel hij lijden moet uin
mijnen naam.
ij Kn Aiuuiiaa Ring henen en
kwuiu in liet bui»; en de han-
den oi> hem leggende, icide
hij : Saitl, hroeder, de Heere
heeft inij gezonden, Minnelijk
Jezus die n verre henen is «in
den uit; dien Rij kwaaint, op-
dat Rij w eder ziende en met
deu Heiligen Gecat vervuld
znudt worden.
IS En terstond vielen af van
zijne oogcu celijk als ichellen,
en hij werd terstimd wederom
ziende, eu stond op, eu werd
gedoopt;
lt» eu al» hij spijs genomen
had, werd hij versterkt. Kn
Saulut was sommige daRen bij
de discipelen die te Vaiuaacuii
waren;
3\' eu hij predikte terstond
Christus in de ï>jrnagogeii, dut
hij de Zoon Gods is.
21 Kn zij ontzetten zieh al-
len, die het iioordeu, eu zei-
den: Is deze niet degene die
te Jeruzalem verstoorde wie
dezen naam aanriepen, en
die daarom hier ueknuien is,
• .\'ii;ir. hij deselven Re houden
/oude brengen tot de Over*
priester* \'t
\'22 Doch Saulua werd meer en
\'neer bekrachtigd, en over-
tui\'.-de du Joden die te llama>-
eus woonden, bewijzende dat
déze de Christus is,
33 Eu als vele dagen verlno-
hen waren, zoo hielden de Jo-
«en samen raud om hein te
dooden;
-4 maar hunne laure werd Sau-
\'Ui bekend. Kn zij bewaarden
de poorten, beide des datiRs eu
IN\'GBN 9.                              170
den nachts, opdat /.ij hem doo-
deu mochten;
lVi doch de discipelen namen
Iti\'iu des uaehts eu lieten Ar»i
neder door den inutir, hem ui-
latende in eene mand.
2fi Suil lus uu te Jeruzalem
inkomen zijnde, poogde zien
hij de diacipelcn te voegen;
maar zij vreemden hein allen,
niet geloovcndc dat hij een
di-ripel wv.s.
_7 Maar Btirnaliaa hem tot
zieh uenicude, leidde hem tot
de Apostelen, en verhaalde
huu hoe hij op den weg deu
Heere gezien had, en dat bij
tot hem t\'esproken hnd. eu hoe
hij te i\'ama-eus vrijmuediRlijk
gesproken had in den imam
\'.8 Hu hij was met hen in-
gaande eu uitgaande te Jeiu-
xaJcm;
m2\\i en vrijmoediRlijk spreken-
de in deu naam des lleereu
Jezus, spruk hij ook en han-
delde tegen de Griekse bc Jtttlm;
maar dezen trachtten hem te
dooden.
\'M Doeh di\' broeders dit ver-
Btaaude, geleidden iiem tol
Cesaréa, eu souden lieui ui
nuar Tursus,
31 De RCineeuten dan door
geheel Judéa en Galiléa en
Sumarie hadden vrede, eu arcr*
deu Restielit; en wnudeleude
in de vreeze des lleereu en d.
vertroosting des Heiligen Geci-
tes, werden vermenigvuldigd.
3J Kn het geschiedde als 1Y-
trus alom doortrok, dat hij ooi.
afkwam tot de heiligen die te
Lyddu woonden.
:i:i Kn aldaar vond hij een zeker
nieiiM-h. met name Kneus, die
acht jaren te bed gelegen had,
welke gemakt was.
\'M En I\'etrus zeide tot hem:
Knéas, .le/.us Christus maakt
u gezond; sta op en spreid
uzelveu htt bed. Eu hij stond
terstond op.
3."» En zij lagen hem allen die
te Ljdda en Saróua woonden,
-ocr page 188-
180                                    IIANDEI
dewelke zich bekeerden tot den
Hcere.
uil Kn te Joppe was eene zekere
discipel in, met name Tahitlia,
hetwelk, overgezet zijnde, is ge-
xegd Korea». Iteze was vol van
goede werken en aalmoezen die
zij deed.
87 En liet geschiedde in die
dagen dat zij krank werd en
stierf; en als /.ij /.e gewasschen
hadden, leiden ,. j haar in de
opperzna).
!» Kn al/.no l.ydda nabij Joppe
wat, de discipelen boerende dat
Petrus aldaar was, zonden twee
mannen tot hein, biddende dat
hij niet zoude vertoeven tot
hen over te komen.
:i\'J Eu Petrus stond op en prjnic
met hen; welken zij, als hij
daar gekomen was, in de opper-
zai.1 leidden; en alle de wedu-
wen stonden bij hem, weenende
en toonende de rokken en klee-
deren, die Horens gemaakt had,
als zn bij haar was.
•in Maar Petrul iiehnende hen
allen uitgedreven, knielde ne-
dcr en bad; en zich keereude
tot het lichaam, xeide hij : Ta-
bttha, -ta op. Kil zij deed hare
oogeu open, en Petrus gezien
hebbende, zat zij overeiud;
41  en bij zat haar de hand en
richtte ze on, eu de heiligen
en de weduwen geroepen heb*
hende, stelde hij ze levend
vóór ken
42  Kn dit werd bekend door
geheel Joppe, en velen geloof*
dcir in den Heer*.
43  Eu liet geschiedde dat hij
vele dagen te Joppe bleef bij
eenen zekeren Siitiou, eeueu
leder beredder.
HOOFDSTUK 10.
EN daar was een zeker man
te Ccsaré.i, met name (.\'or-
ucllus, een hootduiaii over bon.
derd, uit de bende, genaamd
de Italiaanschc,
2 godzalig, en vreezende God
met geheel zijn huis, eu doen-
.I.XGEN 10.
de vele aalmoezen aan het
volk, en God geduriglijk bid*
deude.
\'A Deze zag in een gelicht
klaarlijk, omtrent de negende
ure des daags, eeu Kugel Gods
tot hem inkomen, en tot hem
zeggende: Cornelius!
4 Kn hij de oogen op hem
houdende, en zeer bevreesd
geworden zijnde, telde: Wat
is het, üeere? Ku hij zeide
tot hein -. Uwe gebeden en uvtc
aalmoezen zijn tot gedachtenis
opirckouieu voor God.
h En uu, zend mannoii naar
Joppe, eu ontbied Simon die
toetrenaamd wordt Petrus:
f> deze liirt te huis bij eeucn
zekeren Siinon, eeueu |eder-
bereider, die zijn huis heelt bij
de zee; deze zal u zeggen wat
gij doen moet.
7   Ku als de Engel die tot
Cornelius sprak, weggegaan
was, riep hij twee van zijne
huisknechten, eu eenen god-
zaligen kriigsknecht van de-
genen die gedurig bij hein
waren;
8   en als hij bun alles ver-
liaald had, zond hij ze naar
Joppe.
9  Ku des anderen daags, ter*
«ij! dezen reisden en nabij de
stad kwamen, klom Petrus up
het dak om te bidden, omtrent
de zesde ure.
Hl Ku hij werd hongerig en
begeerde te eten; en terwijl
zij het bereidden, viel over hein
eene vertrekking van zinnen ;
11  en hij zag den hemel ge-
opend, en een zeker vat tot
hein nederdalen, gelijk een
groot linnen laken, aan de vier
hoeken gebonden, en uederge*
laten op de aarde;
12   in hetwelk waren alle de
viervoetige dieren der aarde, en
de wilde en de kruipeuderfiemt,
en de vogelen des hemels.
18 Eu daar geschiedde eene
stem tot hemt Sta op, Petrus,
slacht eu eet.
14 Maar Petrus zeide: Geens-
-ocr page 189-
II AND El
zins, Ilccre; want ik Lob nooit
iets gegeten <lat gemeen ot on-
rein was.
l.i E» eene stem geschiedde
wederom ten tweeden male tot
hem: Hetgeen God gereinigd
heeft, zult gij ulet gemeen
maken.
10 Kn dit geschiedde tot drie-
maal ; en het vat werd weder*
om opgenomen in den hemel.
Ij Kn als Petrus in; sichzel-
ven twijfelde, wat toch het ge
licht mocht zijn dat hij gezien.
had, zie, de uinunen die van
Cornelius afgezonden waren,
gevraagd hebbende naar het
hui» van Sinion, stonden aan
de poort;
18  eu iemand geroepen heb-
bende, vranirden zij, ot\' Siuiou,
tocgena;iiud Petrus, daar te Luis
la*.
19  En als Petrus over dat ge-
zicht nadacht) geide de Geest
tot hein: Üie,drieinanneuaoe-
ken u:
Cu daarom sta op, ira af, en
reis met hen, niet twijfelende;
want ik heb hen gezonden,
•21 Kn Petrus ging al\' tot de
mannen die van Cornelius tot
hem gezonden waren, en xelde:
üie. Ik hen liet dien t-rij zoekt;
wat is de oorzaak waarom srij
hier zijt?
\'22 Eu zij zeiden: Cornelius,
een hoofdman over honderd,
een rechtvaardig man, en vree-
zende God, en die goede getut*
Kenis heeft van het gansene
volk der Joden, is door Godde-
üjke openbaring vermaand van
ecuen heiligen Engel, dat hij n
zoude ontbieden te zijnen huize,
en dat li ij van U woorden der
zaligheid
zoude hooren.
23  Als hij se dan ingeroepen
had, ontving hij ze in huis.
Doch des anderen daags ging
Petrus met hen henen; en
sommigen der broedereu die
van Joppc waren, gingen met
hem.
24  En des anderen daags kwa-
meu zij te Cesarta. Kn Cor-
IN GEN 10,                                   181
neliua verwachtte ben, samen -
geroepen bebbeude die van
zijn maagschap en bijsonderste
vrienden.
2ö Eu als liet geschiedde dat
Petrus inkwam, ging Cornelius
hem te gemoet, en vallende aan
zijne voeten, aanhad hij.
CO Maar 1\'etrns riclttte hem
op, leggende: Sta op, ik hen
ook zelf een mC0BCh.
27  Eu met hein oprokende.
ging liij in, eu vond er velen
die samengekomen waren;
28  en hij zelde tot hen: Gij
weet hoe het «\'enen .loodschcu
man ongeoorloofd is, zich te
voegen of te gaan tot eeuen
vreemde; doch God heeft mij
getooud dat ik geen mensen
zoude gemeen of onrein hee-
ten.
39 Paaroiu hen ik nok zonder
tegenspreken gekomen, outbo-
den zijnde. Zoo vraag ik dun,
oin wat reden gijliedcn mij hebt
ontboden?
\'M En Cornelius zeide: Vóór
vier dagen was ik vastende tot
deze ure toe, en ter negende
ure had ik in mijn huis;
31 en zie, een man stond vóór
mij in een blinkend kleed, en
zeide: Cornelius. uw gebed is
verhoord en uwe aalmoezen
zijn voor God gedacht gewor-
den.
:•_ Zend dan naar Joppe, en
ontbied Siinon die toegenaamd
wordt 1\'etrus: deze ligt te huis
in het huis van Siutuu, den
lederbereider, aan de zee, welke
hier gekomen zijnde, tot uspre-
ken zal.
33 Zoo heb ik dan van stonde
aan tot u gezonden, en gij hebt
wel gedaan dat pij hier geko-
men zijt. Wij zijn dan allen
nu hier tegenwoordig voor God,
om te hooren al hetgeen u van
God bevolen is.
\'M En 1\'etrus den mond open-
doende, zeide: Ik verneem in
der waarheid, dut God geen
aannemer des persoon* is:
3ó maar in allen volke i*s wie
-ocr page 190-
is;                          handel;
Mem vreest en gerechtigheid
werkt, Hem aangenaam.
36 Dit in het woord dat Hij ge-
zonden heelt den kinderen Ie
raöla, verkondigende vrede door
Jezus Christus: deze is een
Heer e van allen.
;(7 Gijlieden weet de zaak die
geschied is door geheel Judéa,
beginnende van Gnlilêa, na den
doop welken Joliannea gepre*
dUït heeft,
;;s belangende Jezus van Naza-
veth, hoe God lu in trezutfd heeft
met den Heiligen Geest en met
kracht; welke het laad doonrc-
gaau is goeddoende, en gene-
zende allen die van den duivel
overweldigd waren; want God
:;ö Kn wij zijn getuigen van al
hetgeen hij tredaan heeft, beide
in het Joodaehe land en te Je-
ruzalem; welken zij gedood
hebben, hem hangende aan een
hout.
40  Dezen heeft God opgewekt
ten derden dage, en gegeven dat
hij openbaar zoude worden,
41  niet al den volke, maar den
getuigen die van God te voren
verkoren waren, öus namelijk
die met hem gegeten en ge-
dronken hebben, mulat hij uit
de dooden opgestaan was;
42  en hij heeft oua geboden
den volke te prediken en te be-
tuitren, dat hij is degene die van
God verordineerd is tot een
[iechter van levenden en doo-
dea.
j:t Dezen geven getuigenis alle
de Profeten, dat een iegelijk
die in hem gelooft, vergeving
der zonden ontvangen zal door
zijnen naam.
41 Als Petrus deze woorden
nog sprak, viel de Heilige Geest
op allen die het Woord hoorden.
45 En de geloovigen die uit de
besnijdenis waren, zoovelen als
er met Petrus waren gekomen,
ontzetten zich dat de gave des
Heiligen Geestes ook op de liei-
deuen uitgestort werd;
4G want zfj hoordtm hen spre-
INGEN\' 11.
ken met vreemd? talen, en God
grootniakeu. Toen antwoordde
Petrus:
47 Kan ook iemand bot water
weren, dat dezen niet gedropt
zouden worden, welke den ilei-
ligen Geest ontvangen hebben,
gelijk als ook wij\'r
4H Kn hij beval dat zij zouden
iredoopt worden in de» naam
des lieereii. Toen baden zij
hem, dat hij eeuitic dagen bij
hen wilde blijven.
HOOFDSTUK 11.
DE Apostelen nu en de broe-
ders die in Judéa waren,
hebben gehoord, dat ook de i:ci-
deneu het Woord Guds aan ge-
nomen hadden.
2 Kn toen Petnis opgedaan
was naar Jeruzalem, twistten
tegen hem degenen die uit de
besnijdenis waren,
:( zeggende; Gij zijt Emregaan
totmannendie d - voorhuid heb-
ben, en hebt met hen gebeten.
4  Maar Petrus beginnende,
verhaalde het hun vervolgens",
teutende:
.j Ik was in de stad Joppe
biddende, en zag in eeue ver-
trekkiug van /innen een ge-
zieht, ndtui\'i.ijk een zeker vat,
geiijk ecu groot linnen laken,
nedcrdalende, bij de vier hoe-
ken nederjretiiten uitden hemel,
en het kwam tot bij mij;
il on welk luken als ik de dogen
hield, zoo merkte jk en zat;
de viervoet!ire dieren der aarde,
en de wilde en de kruipende
dieren, en de vogelen des he-
in els.
7 Ku ik hoorde pene stem die
tot mij zeide: Sta op, Petnis,
placht en eet.
5  Maar ik zeide: Geenszins,
lleere, want nooit is iets dat
gemeen of onrein was, in mij*
ueu mond ingegaan.
\'J Doch de stem antwoordde mij
ten tweeden male uit den hemel:
Hetgeen God gereinigd heeft,
zult gij niet gemeen maken.
-ocr page 191-
HANDEL
1i) Kti dit geschiedde tut drie-
maal; en nllrs werd wederom
opgetrokken in den hemel.
11   Kn zit\', terxclfder«reston-
ilt\'ii er drie mannen vóór liet
huis, waar ik in was, die van Ce-
sarea tot mij afgezonden waren.
12   Kil de Grot lelde tot mij,
dat ik met lieu nuui zoude,
niet twijfelende Ku niet mij
Kinden ook deze zes broeder»,
en wij zijn in di\'" mans hui*
ingegaan:
13 en hij heeft ons verhaald, hoe
hij eenen Kogel Realen bad. die
ia zijn huis stond en tot hein
zeide: Zend mannen naar Jon*
pc, on ontbied Slnton die toe-
gcuaaiud is IVtrUs,
14  die woorden tot u zal snre*
ken, door welke gij zult zalig
worden, en geheel uw huis.
I) Ku als ik begon te spreken,
viel de Heilige Geeat on hen,
gelijk ook on ons in het begin.
Ifi En ik werd gedachtig na"
het woord des 11 reren, hoe hij
zetde: •lohiinues doopte wel met
Mater, maar gij lieden zult ge-
doopt worden met den Heiligen
Geest.
17 Indien dan God hun even.
gelijke gave gegeven heeft als
ook ons, die in den Heere Je-
zus Christus geloofd hehhen,
wie was Ik toeli die God kou
weren\':
is Kn als zij dit hoorden, wa-
ren zij tevreden en ver beerlij k-
teu (iod, zeggende; Zoo heeft
dau God ook den heidenen de
bekeeriug gegeven ten leven.
19 Degenen nu die verstrooid
waren door de verdrukking die
over S tetanus geschied was,
Ringen het tand door tot Fe-
nicië toe, en Cyprus, on An-
tioehië.tot niemand het Woord
sprekende dan alléén tot de Jo-
den,
2» En daar waren eenige Cy-
prisrhe en Cyrencïsohe inauiieu
uit hen, welke te Autinehfë ge-
komen zijnde, spraken tot de
Griekachen, verkondigende den
Heere Jexuo.
INGEN 12.                                    183
21 En de hand des Ileeren was
met hen, en een groot getal ge-
loofde en bekeerde zich tot den
Meere.
25 En het irerucht van hen
kwam tot de ooren der gemeen*
te die te Jeruzalem was, en zij
zonden liarnahas uit, dat hij
het land doorging tot Autiochïe
toe:
21 dewelke daar Rekomen zijn-
de, en de genade Gods ziende,
verblijd werd, en ze allen ver-
maande, dat zij met een voor-
nemen dos harten bij den Heere
Zoudou tlijven;
21 want hij was een goed man,
en vol dos Heiligen Geestes eti
iles RCloofa. Eu daar werd eene
Kroote schare deu Heere ïtoe-
rrevocgd.
\'2\'t Eu Uiïrnahas rIur uit naar
Tarsus om Saulua te zoeken;
en ais hij hem gevonden had,
bracht hij hem te Antioohtë.
\'JU Kn het is gesehied dat zij
een gebcel jaar te zinnen verga-
derdeu in de gemeente, en eene
groote schare leerden, en «lat
de discipelen het eerst te An-
tioehië Christenen genaamd
werden.
"7 Kn in die da-zen kwamen
eeniye Profeten af van Jcruzn-
lera te Antiochië;
:s en één uit hen, met name
Agahus, stond op, en gaf te
kennen door den Geënt dat er
eeu irroote hongersnood /.oude
wezen over de gebcelc werehi;
dewelke ook gekomen is onder
den Keizer Claudius.
29  Kn naardat eeu iegelijk der
discipelen vermocht, besloot
elk van hen iet» te zouden ton
dienste der broederen die iu
.Inden woonden;
30   hetwelk zij ook deden, on
zouden het tot de Ouderlingen
door de band vun ilarnabas en
Saulua.
HOOFDSTUK 12
N omtrent dion tijd sloeg
de Koning Herodes de bau-
E
-ocr page 192-
^84                             HANDEL
den aan sommigen van de gc-
meen te, om die kwalijl; te be-
handelen,
2 Kn hij doodde Jacobus, den
broeder van Joliuuncs, met het
zwaard;
ïi en toen hij zag dat het den
Joden behaaglijk was, voer hij
voort ook Petrus te vangen (en
liet «aren de dagen der onge-
bevelde broodea);
4   den we) ken ook gegrepen
hebbende, bij in de gevange-
nia zette, en gaf heat óver aan
vier nachten, elk van vier
krijgsknechten om hem te be-
waren, willende na bet Paascb*
feest hein voorbrengen voor het
volk.
5  Petrus dan werd in de gc-
vangeuis bewaard; maar van
de gemeente werd een gedurig
gebed tot God voor hem ge-
daau.
(i Toen hein nu Herodes zoude
voorbrengen, sliep Petrus dien
nacht tusachen twee krijgs.
knechten, gebonden met twee
ketenen; en de wachters vóór
de deur bewaarden de gcvau-
ftenis.
7 Kn zie, een Engel de» IIee-
ren stond daar, en een licht
scheen in de woning, en slaan*
de de zijde van Petrus, wekte
hij hem op, zeggende: Sta haos-
telijk op. Kn zijne ketenen vie-
len at\' van de banden.
s Kn de Engel zeide tot hem:
Omgord u en bind uwe schoen-
zolen aan. En hij deed alzóó.
Kn liij zeide tot hem : Werp
uwen mantel om en volg mij.
9 Eu uitgaande, volgde hij
hem, en wist niet dat bet
waarachtig was, bet-reen door
den Engel geschiedde, maar
hij meende dut hij een gezicht
zag.
Il» En nis zij door de eerste
en tweede wacht gegaan wa-
ren, kwamen zij aan de ijzeren
poort die naar de stad\'leidt,
dewelke vanzelf bun geopend
werd. Kn uitgegaan zijnde, gin*
gen zij ééiie straat voort, en
£NGKN 12.
terstond scheidde de Kogel van
hein.
11   En Petrus tot zichzelvcu
gekomen zijnde, zeide: Nu weet
ik waarachtiglijk dat de Jleerc
zijnen Engel uitgezonden beeft,
en mij verlost beeft uit de
hand van Ilerodes en uit al de
verwachting vuu bet volk der
Joden.
12   Iiu als liij alles overlegd
bad, ging hij naar het huis
van Maria, de moeder van Jo-
biiuncs, die toegenaamd was
Marcus, alwaar velen samen-
vergaderd en biddende wa-
ren.
13  Eu als Petrus aan de deur
van de voorpoort klopte, kwam
eene dienstmaagd vóór om te
luisteren, met name lthode;
14  en zij de stem van Petrus
bekennende, deed van blijil-
schap de voorpoort niet open,
luaur liep naar binnen en bood-
schaptc dat Petrus aan de voor-
poort stond.
15  Eu zij zeiden tot haar: Gij
raast. Doch zij bleef daar sterk
bij, dat het al zoo was, Eu zij
zeiden: liet is zijn Engel.
1(1 Maar Petrus bleef kloppen-
de; en als zij opengedaan liud-
den, zagen zij hem en ontzetten
zich.
17  En als bij bun met de hand
gewenkt had dat ze zwijgen
zonden, verhaalde hij bun, hoe
hein de llecre uit de gevaiiire-
iiis uitgeleid had, en zeide:
Boodschapt dit aan Jacobus en
de broederen. En bij uitgc-
gaan zijnde, reisde naar eeiic
andere plaats.
18  En als bet dag was gcwor-
den, was daar geen kleine be-
roertc ouder de krijgsknechten,
wat toch Petrus mocht geschied
zijn.
li) Kn al» Ilerodes hem ge-
zocht bad en niet vond, en de
wachters gerechtelijk onder-
vraagd bad, gebood hij dat ze
weggeleid zouden worden. E»
hij vertrok van Judéa naar Ce-
: fimt, en onthield zich aldaar.
-ocr page 193-
handel:
20  En Herodes liad in den zin
tegen de Tyriër» en Sidnnhrs
te krijgen; maar zij kwamen
eend rachtigl ijk tot licm, en
Jllastus, die des Konings ka-
merliug was, overreed heb-
bende, begeerden zij vrede,
omdat hun Inndgespijzigd werd
van des Konings land.
21   En op ceiien gezetten das
llcrudcs, een koninklijk kleed
aangedaan hebbende, cu op den
Kechtorstoel gezeten zijnde,
deed eene rede tot hen;
22  en liet volk riep hem toe:
Een stem Gods en niet eens
me u bc hen !
2:i En van stonde aan Rloeg
hem een En Rel des Uecren,
daarom dat hij Gode de eer
niet gat\'; en hij werd van de
wormen gegeten en nat\' den
geest.
24 Eu het Woord Gods wies
en vermenigvuldigde.
26 Itaruabas nu en Saulus
keerden weder van Jeruzalem,
als zij den dienst vulbraelit
hadden, medegenomen heb-
bende ook Johannea, die toe-
genaamd werd Marcus.
HOOFDSTUK i:i.
EN daar waren te Autiochtë
in de gemeente die daar was,
eenige Profeten en Leeraars,
namelijk Itaruabas, en Simeon
genaamd Niger, en Lucius van
Cyréiic, en Manahcn die met
Iferodes den V iervorst opge-
voed was, en Sn 11 lus.
2 Kn als zy den Heerc dien-
<lcu, en vastten, zeide de Uei-
Dgc Geest: Zondert mij af
beiden Barnabas en Saulus tot
liet werk, waartoe ik ze ge-
roepen heb.
\'.i Toen vastten en baden zij,
on hun de handen opgelegd
hebbende, lieten zij ze gaan.
4  Dezen dan uitgezonden zijnde
"van den Heiligen Geest, kwa-
meii af naar Scleueië, en van
daar voeren zij af naar Cyprus;
5  en gekomen zijnde te Süla-
NGEN 13.                                     185
mis, verkondigden zij het
Woord Gods iu de Synagogen
der Joden; en zij hadden ook
Johannes tot eeneu dienaar.
fi Eu als zij het eiland door-
gegaan waren tot Paft» toe,
vonden zij eeneu zekeren too-
venaar, eeuen valschen pro-
i\'eet, eeneu Jood, wiens naam
was lïar-Jezus,
7 welke \\»as bij den Stad-
houder SergiiiK Paulus, eeuen
verstandigen man. Deze, iïar-
uiihas en Saulus tot zich ge-
roepen hebbende, zocht zeer
het Woord Gods te hooren;
H maar Eiymas de tooveuaar
(want al zóó wordt zijn naam
overgezet) wederstond hen ,zoe-
kende den Stadhouder van bet
geloof af te keeren.
9 Doch Saulus (die ook Paulus
Ïtnaamd in) vervuld met den
[eilïgen Geest, en de oogen op
hem houdende, zeide:
PI O gij kind des duivelt;, vol
van alle bedrog en van alle
arglistigheid, vijand van alle
gerechtigheid, zult gij niet op-
houden te verkeeren de rechte
wegen des Heer en?
11    Eu uu zie, de hand des
Heeren ia tegen u, en gij zult
blind zijn en de zon niet zien
voor eeuen tijd. En van stonde
nau viel op hem donkerheid en
duisternis, eu rondom gaande,
zocht hij die hem met de hand
mochten leiden.
12  Als de Stadhouder zag het-
geen geschied nas, toen ge-
loofde hij, verslagen zijnde
over de leer des Heeren.
1:1 Eu Paulus en die met hem
waren, van Pafos afgevaren
zijnde, kwamen te Terge, een?
stad
iu Painfylië; maar Jo-
hauues van hen scheidende,
keerde weder naar Jeruzalem.
14  En zij van Perge het land
doorgaande, kwamen te A11-
tiochië, eene atttd in Pisidië,
en gegaan zijnde iu de Syna-
goge on den dag des sabbats,
zaten zij neder.
15  i:n nu het lezen der Wet
-ocr page 194-
180                                     HANDEL
en tier Profeten zonden de
oversten der Synagoge tot hen,
zeggende: Mannen broeders,
indien daar eenig woord van
vertroosting tot liet volk in u
is, zoo spreekt.
lli Kk I\'aulus stond np en
wenkte met de hand, en geide:
Gij IsrnëHetisehc umuiieii cu,Kij
die God vreest, hoort toe.
17 De God van dit volk Israël
heeft onze vaderen uitverko-
reu, en liet volk verhoogd, als
/ij vreemdelingen waren in
het huid van Egypte, en heelt
ze met een hoogcu arm daar-
uit geleid,
IS en heeft omtrent den tijd
van veertig jaren hunne zeilen
verdragen in de woestijn;
1!) en zeven volkeren uitge-
roeid hebbende in liet lnnd
Kanaan, heeft Hij hun door
het lot het land derzelven uit-
gedeeld;
20 eu daarna, omtrent vier-
honderd en vijftig jaren, gaf
Hij hun Richters, totonSaiuuël
den Profeet.
\'.\'I V.n van toen aan hegeerden
zij een en Koning, eu God caf
hun s,ui!. den zoon van Kis,
eenen mini uit den stam Heu-
Jarain, veertig Jaren;
\'1-1 en dezen ntgezet hebbende,
verwekte Hij liuu David tot
eenen Koning; denwelkeu Hij
ook getuigenis gaf, en zeide ;
1 k heb gevonden David, den
zoon v«n Isni, vvwvn man naar
mijn hart, die al mijnen wil
zal doen.
•;:t Van diens zand heeft God
Israël, naar de belofte, ver*
wekt den Zaligmaker Jezus,
24 als .Inhnuiics eerst al den
volke Israëlb vóór zijne aan-
kouist gepredikt had den doop
der bekeer ing.
-\'"i Doch als Jobannen den
loop vervulde, zeide hij; Wie
meent gijlicden dat ik hen? Ik
beu de Vhrïatu$ niet; maar zie,
hij komt nu mij, wie» ik niet
waardig \'oen de sehoeneu fijner
voeten te ontbinden.
I.NGEN 13.
2fi Mannen broeders, kindc-
reu van het geslacht A hr»-
hams, en wie ouder u God
vreezen, tot u is liet Woord
dezer zaligheid gezonden.
-7 Want die te Jeruzalem wo-
lien, eu hunne oversten, dezen
niet kennende, hebben ook de
stemmen der Profeten, die op
eiken sabbat/tor; gelezen wor*
den, hem veroordeeleude, ver-
vu ld;
2s eu geene norzank des doods
vindende, hebben zij van Pl-
latus begeerd dat liij zoude
gedood worden;
39 en als zij alles volbracht
hadden wat van hein geselire.
ven was, namen zij kern af
van het hout eu leiden hem in
het graf.
:to Maar God heeft hem uit
de doodeu opgewekt;
:tl welke gezien is geweest,
vele dagen lang, van degenen
die met hem opgekomen wa-
reit van Galiléa naar Jeruza-
leiu, die zijne getuigen ziju hij
het volk.
;W En wij verkondigen u de
belofte die tot de vaderen ge-
seliied is, dat namelijk God
dezelve vervuld heeft aan ons,
hunne kinderen, als Hij Jezus
verwekt heeft:
Xi gelijk ook in den tweeden
Psalm geschreven staat; (Jij
/.ïjt mijn Zoon, bedeu heb Ik
u gegenereerd.
:i4 Kn dat Hij hem uit de
doodeu heeft opgewekt, alzoo
dat hij niet meer tot verder-
ving zal keeren, heeft Hij aldus
gezegd: Ik zal ulieden de wel-
dadighcden David» geven, die
getrouw zijn;
:;.\'» waarom Hij ook in eeneu
anderen Psulm zegt: Gij zult
uwen Heilige niet overgeven
om verderving te zien.
:t(i Want David, als hij in
zijnen tijd den raad Gods ge-
dieud had, is ontslapen, en is
bij zijne vaderen gelegd, eu
heeft wél verderving gezien;
lij maar bij, dien God opge-
-ocr page 195-
IUNUKL1
wekt heeft, heeft Reene verder*viug gezien.
3S /nu zij ü dan bekend, man*
nen broeders, ilut door dezen u
vergeving der gouden verkou*
digd wordt;
."(9 en dat van alles, waarvan
rij niet kondet gcrechtvaar*
diifd worden door de Wet van
Mozes, door dexeu een iegelijk
die gelooft, gerechtvaardigd
wordt.
tn Ziet dan toe «lat over ulle-
den niet komt* hetgeen gezegd
is in dr Profeten.
41 Ziet, «ij verachten, on ver-
wondert u, t\'n verdwijnt; want
ik werk een werk in uwc dagen,
een werk hetwelk gij niet zult
gelonveu, zou iemand het u
ver! malt.
4.\' Ku «1« de Joden uitgegaan
waren uit de Synagoge, baden
<lc heldenen, dat tegen den naai*
ten sahhat hun dezelfde woor-
dc» zouden gesproken worden.
43   Kn als. de Synagoge ge-
schciden was, volgden velen
vnu de Joden en van de gods-
dieustige Jodcngenooten Pau*
lus en i;:ir-1.:i            welke tot
hen spraken, en hen vermaan*
den te blijven bij de genade
God*.
44  En Op den volgenden sub-
bat kwam bijna de grheelc ntad
te zaïiicu om het Woord Gods
te hooren.
4.i Doch de Joden de scharen
ziende, werden met nijdigheid
vervuld, en wedersnraken het-
geen van Pau lui gezegd werd,
wedersprekemie en lasterende.
ir. Maar Paului en bYiniabas
vrijmoedigheid
        ijebrui kende
zeiden: Het «as iioodlft dat
eerst t<it u l»-t Woord Gods ge-
sprokeu zoude worden; doch
imdcmaal gij hetzelve verstoot,
en uzelven «es eeuwigen levenr
niet waardig oordeelt, zie, wij
keeren ons tot de lieideueu.
47 Mant alxdO heeft ons de
lleera geboden, zet/i/nule: Ik
lieb U gesteld tot een lieht der
hcideiicni opdat gij soudt zijn
inc;i:n u.                          ist
! tor zaligheid, tot aan het uitcr-
ste der aarde.
4-ï Al» UU de heidenen dit
hoorden, verblijdden zij zieh
en prezen hel Woord des llee-
ren; en daar geloofden soovelen
als er geordineerd waren tot
liet eeuwige leven;
4Ü en bet Woord des Herren
werd door het geheele land uit-
gi-hreid.
5ti Maar de Jmlen maakten 6p
de godsdienstige rii achtbare
vrouwen eu de vn-u-naamstcn
van de stad, en verwekten ver.
volgiug tegen Paului en B»r-
uabai, en wierpen ze uit hunne
landpalen.
U\\ Doeh zij schudden het stof
van huune voeten af tegen
dezelven, en kwanten te Iou>-
niiuu ;
52 en de discipelen werden
vervuld met blijdschap en met
den Heiligen GeritC.
HOOFDSTUK 1(.
EN het geschiedde te Iconi*
nui, dat zij te zameii gingen
in de Synagoge der Joden, eu
alzóo spraken, dut eene grooti*
menigte beiden van Judeu en
Grieken gelooide.
•1 .Maar de Judeu die oitgehoor*
zaïim waren, verwekten en ver-
bitterden de zielen der heido
nen tegen de broeders.
:t Zij verkeerden dan aldaar
eeneu lnngcii t-sd, vrijmoedig-
lijk sprekende in den Heere,
die getuigenis L-af aan het
Woord zijner genade, en gat\'
dat teekenen eu wonderen ge*
scliieddeu door hunne handen.
4 Ku de menigte der stad werd
verdeeld, en sommigen waren
met de Joden, eu Minimi gen
met de Apostelen.
\'t Ku als daar ecu oploop ge-
sehiedde beiden van heidenen
en van Joden, met hunne ttvrr-
sten, oio hun smnadheid aan
te doen eu hen te steenigeu,
t\'i zijn zij, allen overlegd heb-
bende, gevlucht naar de ste-
-ocr page 196-
HANDELINGEN 14.
188
lende onze harten inet spijs
en vroolijkheid.
IS En dit zeggende, wedpril iel-
deu zfj nauwelijks de scharen,
dat zij hun niet offerden.
10 Maar daarover kwamen
Joden \'..".il Autioeliië en Iconi-
um, en overreedden de scharen,
en steellijden Paulus, eu slecp-
ten hem buiten de stad, mee-
nende dat hij dood was.
20  Doch als de discipelen hem
omringd hadden, stond hij op
eu kwam iu de stad; eu des
anderen daags ging hij niet
Barna bas uit naar Dcrbe.
21  En als zij aan die stad het
K vangel ie verkondigd eu vele
discipelen gemaakt hadden,
keerden zij weder naar Lystra
en Iconium en Autioeliië,
22  versterkende de zielen der
discipelen, en vermanende dat
ze zouden blijven in het geloof,
en dat wij door vele verdruk*
kingen moeten ingaan iu het
Koninkrijk Gods.
2:1 En als zij hun iu elke ge-
tneente met opsteken der han-
den Ouderlingen verkoren had-
den, gebeden hebbende met
vasten, bevalen zij ze den
Heere, in welken zij geloofd
hadden.
24  En Pisidii: doorgereisd heb-
bende, kwamen zij in 1\'aiii*
fylië;
25   eu als zfj te Pergc het
Woord gesproken hadden, kwn-
meu zij al\' naar Attalie;
26  en van daar voeren zij al
naar Antioehic, van waar zij
ier genade Gods bevolen waren
geweest tot liet werk dat zij
volbracht hadden.
27  En daar gekomen zijnde,
en de gemeente vergaderd heb-
bende, verhaalden zij watgroote
dingen God met hen gedaan
lind, en dat 11 ij deu heidenen
de deur des gcloofs geopend
liail.
2s En zij verkeerden aldaar
geen kleinen tijd met de dis-
ripelcu.
den van Lycaoniö, namelijk
Lystra en Derbe, e» hut oiii-
liggende land,
7 en verkondigden aldaar het
Evangelie.
s En een Keker man te Lystra
zat onmachtig aan de voeten,
kreupel zijnde van zijn moe-
derslijf, die nooit had gewan*
•d.-ld.
9 Deze hoorde Paulus sprc-
ken; welke de oogen op hem
houdende, en ziende dat hij
geloof had om gezond te wor-
den,
iu zcide met groote stem:
Sta recht op uwe voeten! Eu
ii ij sprong op en wandelde.
11   Eu de schuren, ziende het-
geen Paulus gedaan had, ver-
hieven hunne stemmen eu zei-
den iu \'t Lycaoniscli: De go-
deu zijn den inenscheu gelijk
geworden eu tot ons ncderge-
komeu;
12  en zij noemden Hiinmlms
Jupiter, en Paulus Merctirius,
omdat hij het woord voerde.
13  Eu de Priester van Jupiter
die vóór hunne stad was, als hij
ossen en kransen aan de voor-
poorten gebracht had, wilde hij
offeren met de schuren.
14  Maar de Apostelen Barna-
bas en Paulus dat hoorende,
scheurden hninie kleederen en
sprongen ouder de schare, roe-
pende
15     en zeggende: Mannen,
waarom doet gij deze dingen \'t
Wij zijn óuk raenscheu van gc-
lijke bewegingen als gij, eu
verkondigen ulieden, dat gij u
van deze ijdele dingen zoudt
bekeeren tot den levenden God,
die gemaakt heeft den hemel
en de aarde en de zee en al
hetgeen in dezelve is:
11 welke iu de verledene tijden
alle de heidenen heeft laten
wandelen iu hunne wegen;
17 hoewel Hij nochtans zich*
zelveu niet onbetuigd gelaten
heeft, goed doende van den
hemel, ons regen eu vrucht-
bare tijden gevende, vervul*
-ocr page 197-
HAXDEUXGEN 13.
is»
gemmakt tusschen ons en hen.
gereinigd hebbende hunne har-
ten door bet geloof.
lu Nu dan, wat verzoekt irij
God, om een juk op den bals
der discipelen te leggen, bet-
welk noen onze vaderen noch
wij hebben kunnen dragen?
U Maar wij gelooven door de
genade des Ueeren Jezus Chris-
tus talig te worden op zurke
wijze als ook zij.
12 En al de menigte zweeg
stil, en zij hoorden BArnnbns
en Puulus verhalen, wat groo-
tc teekenci: en wonderen (iod
door beu onder de heidenen
gedaan had.
i;i En nadat dezen zwegen,
antwoordde Jacobns, zeggen-
de: Mannen broeders, hoort
mij.
1-i Simeon heeft verhaald, hoc
God eerst de heidenen heelt be-
zocht, om uit hen een volk aan
te nemen vnnr zijnen naam.
16  Eu hiermede stemmen over-
een de woorden der Profeten,
gelijk geschreven is:
UI Na dezen zal Ik wcdcrkee-
ren en w edcropbnuwen den
Tabernakel Davlds die verval-
len is, en hetgeen daarvan ver-
hrokeu is, weaci op bouwen, en
Ik zal donselven wcderoprichr
ten,
17    opdat de overblijvende
mensénen den Meere zoeken,
en \'alle de heidenen over welke
mijn naam aangeroepen is,
spreekt de II eer e die uit alle»
doet.
IS Gode zijn alle zijne werken
van eeuwigheid bekend.
]\'.) Daarom oordeel ik, dat
men degenen die uit de heide*
uen zich tot God bekeeren, niet
beroere,
20  naar hun wil aanschrijven,
dat zij zich onthouden van de
dingen die door de afgoden be-
Btnet zijn, en van hoererij, en
van het verstikte, en van bloed.
21   Want Moz.es heelt er van
oude tijden in elke stad die
hem prediken, en hij wordt
HOOFDSTUK 15.
En sommigen die afgeko-
mcii muren van Judéa, leurden
de broederen! xegpemdei In-
dien irij niet besneden wordt
nnnr de wijze van Mozes, zoo
kunt gij niet zalig worden.
\'2 Als er dan teen kleine we-
dcrstund en twisting geschied*
de bij 1\'aulus en Barnaban te-
gen ben, zoo liebbeu zij geor-
dineerd dat Pau)UI en Barnabax
en ecnige anderen uit beu zou-
den opgaan tot de Apostelen
cu Ouderlingen naar Jeruza-
lem, over deze vraat;.
:i Zij dan van de gemeente
uitgeleid zijnde, reisden door
Keuieië en Suinaric, verbalende
de bekeering der heidenen, en
deden allen den broederen
groote blijdschap aan.
4 Eu te Jeruzalem gekomen
zijnde, werden zij ontvangen
van de gemeente en de Apos*
telen en de Ouderlingen; en
55
/.ij verkondigden wat groote
dingen God met beu gedaan
had.
6  Maar, zeiden zij, daar zijn
sommigen opgestaan van die
van de sekte der Faiizcors,
die geloovig zijn geworden.
leggende dat uien ben moet
lu-snijden, en gebieden de wet
vun Mozes te onderhouden.
\'i En de Apostelen en de
Ouderlingen vergaderden te
zamen om op deze zaak te
letten.
7  Eu als daarover groote twis-
ting geaehiedde, stond Petrus
<>p en zeidc tot bent Mannen
broeders, gij weet dat God
sedert langen tijd onder ons
"i\'i) verkoren heeft, dat de hel*
denen door mijnen mond het
Woord des Evangelie* zouden
uooren en gelooven
* En God, de kenner der har-
ten, heeft bun getuigenis ge>
Reven, bun gevende den Hei*
ligen Geest gelijk als ook on».
9 en beett geen onderscheid
-ocr page 198-
]\'.»•                                   HANDEL!
i.|\' eiken sabbat in de Syuago*
gen «elezen.
23  Toen beeft In-t den Aposte*
len en den Ouderlingen uict de
«eheeie «eineente «oed «edaelit,
etrnxge mannen uit zieli te ver*
kiezen en met l\'auluB en H«r-
nabai te zenden uuur Alitio*
eliie, namelijk Judas, die toe*
genaamd wordt Hjirsahas, en
Sila>, nuuineu die voorgangers
waren onder de broeders;
2i en zij schreven door hen
dit iitirolyende: Ite Apostelen
en de Ouderlingen en de broe*
ders trenarhen den broederen
uit de heidenen, die in Autio-
ehiij en Syriü eu Cillc.fi xijit.
zaliieheid.
24  Nadeiuanl wij gehoord heb*
ben dat M»nnui ren, die van
on» uitgegaan zijn, it met
woorden ontroerd hebhen, en
uwe zielen wankelend gemaakt,
leggende dat \'_rij moet bc*iue-
deu worden en de Wet i»nder-
houden, welken wij tint niet
bevolen hadden,
2.» zoo neeft het ons eeudraeh-
Uïlijk te za.....n zijnde, goed
gedacht, enting mannen te ver-
kiezen en tot u te zenden niet
onze geliefden, llarnabas en
Pau lus,
^fi meiisehen die hunne zielen
overgegeven hebben voor den
ïiaaiu onzes Uceren Jezus
Christus.
27 Wij hebben dau Judas eu
Silas gezonden, die óók met
den mond hetzelfde zullen ver-
koudtgvii.
•2* Want het heeft den llcill*
«cn Geest eu ons goed gedacht,
ulieden geen meerderen last
op te leggen dan deze nood*
zakelijke dini\'eu:
Si» namelijk dat gfj u onthoudt
van hetgeen den at\'iroden ge*
oft\'erd is, en van bloed, eu van
het verstikte, eu van hoererij;
van welke dlngeu, indien «ij
uzelven wacht, zoo zult «ij wél
doen. Vaarwel.
au Dcsen dan hun afscheid ont-
vangeu hebbende, kwamen te
NGEN lfi.
Antioehië; en de menigte ver*
L-aderd hebbende, «aveu zij den
brief over.
.tl Kn zij. rüej* geleien heb-
bende, verblijdden zich over de
vertroosting.
\'M Judas nu eu Silas, die ook
zelve Profeten waren, vcnnaaii*
den de broeders met vele woor-
den en versterkten ze.
33 Ku als zij daar een tijd-
Immg vertoefd luidden, lieten
hen de broeders wederom gaan
met vrede, tot de Apostelen.
:il Maar het dacht Silas «oed
aldaar te blijven.
Xt En Paulus en Barnabas
onthielden zieh te Antioehië,
leerende eu verkondigende niet
nog vele anderen het Woord
des lleeren.
36 Kn ua cenige dagen zeide
Paulus tot linniu\'j;:* : Laat ons
nu wederkeereu eu bezoeken
onze broeders in elke stad in
welke wij het Woord des Hec*
ren verkondigd hebben, hoe zij
het hebben.
:t; Kn Barnabai ried dat zij
Johaiines, die «eunamd is Mai-
nis, zouden niedenenieu;
:w maar Paulus aehtte billijk
dat men dien niet zoude mede-
nemen, die van Pamfylië at\'
van hen was af«cwekeu, en
met hen niet was «e«aan tot
het werk.
:t\'J Daar ontstond dan eene ver*
blttering, alzoo dat zij van eik-
ander gescheiden zijn, eu dat
Hriruahas Mareus luedeiiam eu
naar (\'y|irus afvoer.
4(1 Maar Paulus verkoos Sfla*,
eu reisde henen, der «puade
Qods van de broederen bevu-
len zijnde;
4l en hij doorreisde Syrië en
CMictë, versterkeude de «>\'-
meenten.
HOOFDSTUK lfi.
EN hij kwam te Derbe eu
Lystta. En xit>,aldnar was een
zeker diseï|>el met name Timó-
theüs, zoon van eenc gcloovlga
-ocr page 199-
HANDEL!
Joodeche vrouw, mnnr van
eeuen Griekschen vader ;
\'2 Welken fjottte gel uigeu i- s-e-
gcvcn werd van de broedereu
te Lystra en Icoiiium.
3  Deze wilde Paulus dat biet
hem zoude reizen. en hij iihiu
en besneed hem, om der Joden
wil die in die plaatsen wa-
ren; want zij kenden allen zij*
nen vader dat hij eeu Griek
wan.
4  Kn nis zij de steden door-
reisden, gaven zij hun de or-
doiinanticii over, die van de
Apostelen en de Ouderlingen te
Jeruzalem goedgevonden waren,
«•in die te onderhoud en.
5    lle gemeenten dan worden
bevestigd in het geloof, en
werden dagelijks overvloediger
in getal.
«I Kn nis zij l\'rygië en het land
van (l;i Int ie doorgereisd had-
den, werden zij van den Hein-
Ben Geest verhinderd het Woord
tu Azië te spreken;
7 tu aan Mysië gekomen zijn-
de, poogden zij taar Bithynic
te reizen, en de Geest liet het
hun niet toe;
H eu zij Mysië voorbij gereisd
zijnde, kwamen af naar Troas.
\'.\' Ku van Paulus werd in den
nacht een gezicht gezien : daar
was een Maccdnnisch man
staande, die hem bad eu zeide:
Kom over iu Macedonië, en
help oni,
li> Als liij nu dit gezicht ge-
Kien had, zoo zuchten wij ter-
stoud naar Macedonië te rei-
gen, besluitende daaruit, dat
ons de Ileere geroepen had om
deitielven het Evangelie te ver-
kondigen.
11   Van Troas dan afgevaren
zijnde, liepen wij recht naar
^aiuothrace, en den volgenden
«BB naar .Neapolis;
12  eu van daar naar Filipni,
welke is de eerste stad van uit
deel van Macedonië, eene kolo-
nie; eu wij onthielden ons in
die stad ettelijke dagen.
l\'l En op den dag des sabbats
NGE.N Ifi.                                    11)1
gfainu wij buiten de stn.1 aan
de rivier, waar het gebed placht
te geschieden, en nedergcze-
ten zijnde, spraken wij tot de
vrouwen die samengekomen
waren.
14  Ku eene zekere vrouw, niet
name Kydia, eene purperver*
koopster van de stad Thyatiia,
die God diende, hoorde (*«*,•
welker hart de Heere heeft
geopend, «lat zij acht nam op
hetgeen van Paulus gesproken
werd.
15   Ku als zij gedoopt wns en
haar huis, bad zij onn, zeggen*
de: Indien gij hebt geoordeeld
dat ik den Meere getrouw beu,
zoo komt in mijn huis eu blijft
er; eu zij dwong ons.
Ifi Eu het geschiedde als wij
tot het gebed henetigingeii, dat
eene zekere dienstmaagd, heb-
bende eencu waarzeggenden
geest, ons ontmoette, welke
haren lierren groot gewin toe-
bracht uu-t waarzeggen,
17  Deze volgde Paulus eu oua
achterna, en riep, zeggende:
Deze meuselieu zijn 3feu*C-
kneehteu Gods des Allerhoog*
sten, die ons den weg der zulig-
heid verkondigen.
18  En dit dei\'d zij vele dugen
lang. Maar Paulus daarover
ontevreden zijnde, keerde zieh
om, eu zeide tot den geest: Ik
gebied u iu den naam nu
Jezus Christus dat gij van haar
uitgaat. Eu hij ging uit ter
zelfder ure.
19  Als nu de herren van de-
zelve zagen dat de hoop huns
gpwins weg was, grepen zij
Paulus en Silas eu trokken /.e
naar de markt voor de over-
sten;
-<i eu als zij ze tot de hoofd-
inaniieu gebracht hadden, «et-
den xij-. Deze lucuscheit herur--
ren onze stad, daar zij Joden
zijn;
"1 en xlj verkondigen zedpn
die ons niet geoorloofd zijn
aan te nemen of te doen, alzoo
wij Romeinen zijn.
-ocr page 200-
192                                    IIANDELi
22 En de schare stond geza-
ïnenlijk tegen ben op; cu de
hoofdmannen hun dc klcede-
ren afgescheurd hebbende, be-
valeu ze te geeseleu;
\'2\'i en als /.ü hun vele slagen
gegeven hadden, wierpen zij
ze in dc gevangenis, en gebo-
deu den stokbewaarder dut hij
ze zekerlijk bewaren zoude;
24    dewelke zulk een gebod
ontvangen hebbende, wierp
hen in den binnensten kerker
en verzekerde hunne voeten in
den stok.
25   En omtrent middernacht
baden Paulus eu Silas en MD\'
gen Gode lofzangen, en de ge-
vaugeneu hoorden naar beu.
2\'i En daar geschiedde snel-
lijk ceuc groote aardbeving,
n 1 zon dat de fundamenten des
kerkers bewogen werden; en
terstond w eiden alle de deu-
ren geopend, en de banden
van allen werden Ins.
27  Eu de stokbewaarder wak-
leer geworden zijnde, en ziende
de deuren der gevangenis ge-
(mond, trok ecu zwaard en
zoude zichzclveu om gebracht
hebben, inci-uende dat dc ge-
vangeiien ontvloden waren.
28    Maar Paulus riep met
groote stem, zeggende: Doe
uzelveu geen kwaad; want wij
NGEN 17.
werd terstond gedoopt, cu alle
de zijnen;
\'M mi liij bracht ze in zijn
huis, cu zette /\'i•\',\'( de tafel voor,
en verheugde zich dat hij met
al zijn huis aau Uod gcloovig
geworden wan.
:t5 En als het dag geworden
was, zonden de hoofdmannen
de stadsdienaars, zeggende :
Laat die menschen los.
86 En de stokbewaarder bood-
schapte deze woorden aau
Paulus, teggmute .• De hoofd -
ïiiauncu hebben gezonden dat
gij zoudt losgelaten worden:
gunt dan uu uit en reist henen
in vrede.
.t" Maar Paulus zeide tot hen;
Zij hebben ons die Romeinen
zijn, onveroordeeld in \'t ópen-
baar gegccscld en in de gevan-
genis geworpen, eu werpen ze
ons nu heimelijk daaruit\'. Niet
nlzoo; maar dat ze zelven ko-
men en ons uitleiden.
38 Eu de stadsdienaars hond-
schuptcn deze woorden weder*
om den hoofdmannen; en zij
werden bevreesd, hoorende dat
zij Romeinen waren;
:iy en zij komende, baden hen,
en als zij ze uitgeleid hadden,
hegeerden zij dat ze uit de stad
gaan zouden.
i\'i Eu uitgegaan zijnde uit de
gevangenis, Kingen zij lu bij
Lydia; eu de broeders eesten
hebbende, vertroostten zij hen,
eu gingen uit de atad.
ïy i\'.n ais iiij neut gcciscui
had, sprong bij in en werd
zeer bevende en viel neder MM
de voeten van Paulus en Si-
las;
:tlt en hen buiten gebracht
hebbende, zeide hij: Lieve
heereu, wat moet ik doen op-
dat ik zalig worde ?
\'M Eu zij seiden: Geloof in
den Ilecre Jezus Christus, en
gij zult zalig worden, gij eu
uw buis.
32 Ku zij spraken tot hein
het Woord des Herren, en tot
allen die in zijn huis waren.
\'ï\' En hij nain hen tot zich in
die ure des nachts, en wiesen
hen van de striemen; eu hij
HOOFDSTUK 17.
EN door Amfipolis cu Apol-
lonia hunnen weg genomen
hebbende, kwamen zij te Thea-
salonica, alwaar eene Synagoge
der Joden was.
2   En Paulus, gelijk hij ge-
WOOD was, ging hij hen iu; en
drie sabbatten lang handelde
hij met hen uit de Schriften,
3   dezelve openende, en voor
OOgt» stellende dut de Christus
moest lijden eu onstaun uit dc
doodcu, cu dat deze Jezus is
-ocr page 201-
HANDKL
de Christus, dien ik, ze\'ule hij,
ulieden verkondig.
4 En sounuigeu uit hen ge-
loofden en werden nau 1\'aulns
en Silas toegevoegd, e» vau de
godsdienstige Grieken cene
groote menigte, en vnn de
voornaamste vrouwen niet wei-
nigc.
."» Maar de Joden die ongehoor*
/.aam waren, dit benijdende,
nuiuen tot zich eenige booze
mannen uit de mnrktboeveu,
en maakten dat het volk te
hooi» liep» CD beroerden de stud;
en op het huis Jasons nnnva)-
lende, zochten zij ze tot het
volk te brengen.
(j Eu als zij ze niet vonden,
trokken tij Jasou en eenige
broeders voor de overaten der
Btad, roepende: Dezen, die de
wereld in beroering hebben
gebracht, zijn ook hier geko*
men,
welke Jasou in zint hui* ge-
nonien heelt; en alledezen doen
tegen de geboden de» Keisers,
zeggende dat er een andere
Koning is, nameliik Jezus.
8   Kn zij beroerden de schare
en de oversten der stad die dit
hoorden;
\'J doch als zij vau Jason en de
anderen genoegdoening ontvnu-
gen hadden, lieten zij ze gaan.
U» Ku de broeders zonden ter*
stond des nachts I\'uulus en
Silas weg naar Beréa; welke
daar gekomen zijnde, henen*
giugen naur de Synagoge der
Joden:
11  en dezen waren edeler dan
die te Thessalonica waren, al*
die het Woord o.itviugeu niet
alle toegenegenheid, onderdoe-
kende dagelijks de Schriften,
i\'t\' deze dingen alzóó waren.
12  Velen dan uit hen geloofden.
en van de Grleksche achtbare
vrouwen en van de mannen niet
weinige;
\'•\' maar als de Joden van Thes-
jalonlca verstonden dat het
Woord Gods ook te lleica va.i
"aului verkondigd werd, kwa-
NOEN 17.                                    193
men zij ook daar en bewogen
de scharen.
14 Doch de broeders zouden
toen van Monde nau Pau las
vicg, dat hij ging als naar de
zee; maar Silas en Timótbcüs
bleven aldaar.
18 Eu die I\'aulus geleidden,
brachten hem tot Athene toe;
en als zij bevel gekregen had-
den aan Silas en Timóihcüs,
dat zij ten spoedigste tot
hem zouden komen, vertrok*
ken zij.
10 Ku terwijl I\'aulus hen te
Athene verwachtte, weid zijn
geest in hem ontstoken, ziende
dat de stad zoozeer afgodisch
was.
1" Hij handelde dan in de
Synagoge met de Joden en met
degenen die godsdienstig w-a-
ren, en op de markt alle dagen
met degenen die hem voorkwa*
men.
is Ku sommigen van de Kpi-
eureïsche en Stoïsche philoso-
li-ii streden met hem,en sommi-
gen zeiden: Wat wil toch deze
klapper zeggen? maar andereu
teuten: Hij schijnt een verkondt*
ger te zijn van vreemde goden,
omdat hij hun Jezus en de op-
standing verkondigde.
1\'J Ku zij namen hem en brneh-
ten htm op de plattt*, genaamd
Areópagus, zeggende: Kim-
pen wij met weten welke deze
nieuwe leer is, waar gij vau
epreekt?
20  Want gij brengt eenige
vreemde dingen voor onze
ooreu; wij willen dan wcteu
wat toch dit ziju wil.
21  [Allen die van Athene nu, en
de vreemdelingen die zich daar
onthielden, besteedden AwMMJt
tijd tot uie;s anders dan om
wat nieuws te zeggen en te
Inioreu.)
*-l Eu I\'aulus staande in het
midden van de plaat», gr.taamtl
Aredpatrus, xeidet Gij mannen
vau Athene, ik bemerk dat gij
alleszins gelijk als godsdien-
stiger zijt;
13
-ocr page 202-
!94                                    HANDEL
21! want de stad doorgaande,
en aanschouwende uwe heilig*
dnmmen, licb ik nok ecu nltnar
gevonden, op hetwelk een op-
schrift stond; DüM ONBUKKN-
den God. Dezen dun, dien t.-ij
niet kennende dient, verkondig
ik ulieden,
24 De God die de wereld ge-
mankt heeft en alles wat daar-
in is, deze zijnde ecu Heere
drs hemels en der aarde, woont
niet in tempelen met handen
gemaakt,
•Ji en wordt nok van mcn-
fichenhanden niet gediend als
iets behoevende, alzoo Hij zelf
allen het leven en den adem
en alle dingen geeft,
2(ï en heeft uit éénen bloede
het gansehe geslacht der meu-
schen gemaakt, oin oj) den ge-
heclcn aardbodem te wonen,
bescheiden hebbende de tijden
te voren geordineerd, en de Be-
palingen van hunne woning,
27  opdat zij den Ilcere zouden
zoeken, of zij II ei tl immers
tasten en vinden mochten, hoe-
wel Hij niet ver ia van een
iegelijk van ons.
28  Want in Hem leven wij,
en bewegen wij ons, en zijn
wij, gelijk ook cenigrn van
uwc poëten gezegd hebben:
Want wij zijn ook zijn ge-
slacht.
29  Wij dan zijnde Gods ge-
slacht, moeten niet meenen
dat de Godheid goud of zilver
of steen gelijk is, welke door
meiischeiikunst en bedenking
gesneden zijn.
Hit God dan de tijden der nnwc-
tendheld voorbijgezien hebben-
de, verkondigt nu allen uien*
BC.hen alom dat zij zich bekeeren:
M daarom dat il ij eeuen dag
INGK.N IS.
32 Als zij nu van de opstan*
iling der dooden hoorden, spot-
teu som tuigen daarmede, en
sommigen zeiden: Wij zullen
u wederom hiervan hooren.
:i:t Eu alzoo is I\'aulus uit het
midden van hen weggegaan;
\'A-k doch sommige utannen hin-
gen hem aan en geloofden,
onder welke ook Dionysius
de Areópagiet was, en eene
vrouw niet name Damaris, en
anderen met hen.
HOOFDSTUK 18.
EN nn dezen scheidde Faulr.s
van Athene en kwam te Co-
rinthe,
2 en vond eenen zekeren .lood
met nnine Aquila, van geboorte
uit I\'ontus, die onlangs van
Italië gekomen was, en Prisrilla
zijne vrouw (omdat Claudius
bevolen had dat nlle de Joden
uit Home vertrekken zouden),
en hij ging tot hen;
\'A en omdat hij van hetzelfde
handwerk was, bleef hij bij
hen en werkte; want zij waren
tenteniuakers van handwerk.
4 Eu hij handelde op eiken
sabbat in de Syiaïoge, en be-
woog tot het i/eloof Joden en
Grieken.
\'i En als Silas en Thnóthcus
van Macedonië afgekomen wn-
ren, werd 1\'aulus door den
Geest gedrongen, betuigende
den Joden dat Jezus is de
Christus.
fi Maar als zij wederstonden
en lasterden, schudde hij tijne
kleederen af en zeide tot hén:
Uw bloed zij op uw hoofd; Ik
hen rein, en van nu af zal ik
tot de heidenen bcnengaan.
7  En van daar gegaan zijnde,
kwam hij in het huis van eeuen
hinn, met name Justin», die God
diende, wiens huis paalde aan
de Synagoge.
8  En Crispus, de overste der
Synagoge, geloofde aan den
llrere met geheel zijn huis, en
velen van de C\'orinthiëis hem
gesteld heeft
op welken Ihi det
\'riitviiaidiglijk za
aardbodem rc
l
oerdeeleu, door eeuen man
dien IIij daartoe geordineerd
heeft, verzekering daarvan
doende aan allen, dewijl Hij
hem uit de doodcu opgewekt
heeft.
-ocr page 203-
HANDEL
uonrcnde, geloofden e» werdsn
gedoopt.
B Kii de Heere zelde tot Pau-
lus door i-en gezicht iti den
nacht: Wees niet bevreesd,
maar spreek, en zwijg niet;
ld want ik beu met u, en nie-
inaud zal de hand aan u leggen
om tl kwaad te doen; «nut ik
heb veel volk i:i deze stad.
11   Ku iiij onthield zich aldaar
een jaar en zes maanden, lcc-
rendc ouder lien het Woord
Gods.
12   Maar als Oallio Stadhou-
der van Achnjc was, stonden
de Joden eendrachtiglijk tegen
i ;ü ! • - o|i, en brachten hem
voor den Rechterstoel,
13  zeggende** Déze raadt den
inenschen aan, dat ze God zou-
dcu dienen tegen de Wit.
14  En als 1\'auius ry„« mond
zoude opendoen, zeidt! Gallio
tot de Joden: Kou daar eenijt
ongelijk of kwaad stuk beyaan
was, o Joden, zon zoude ik met
reden ulieden verdragen;
15   maar indien daar geschil
is over een woord en namen
en or-rr de Wet die onder u is,
zoo zult s-ijzelvcn toezien ; want
ik \\» il over deze dingen geen
Hechter zijn.
1\'! Eu hij dreef ze weg van
den Rechterstoel.
17 Maar alle de Griek en na-
men Sósthcncs, den overste der
•"tynagoge, en sloegen hvi.i voor
den Rechterstoel; en Gullio trok
zich Reen van deze dingen aan.
Is Eu als 1\'uulus ei\' nog vele
dagen :-eble\\c:i was, nnui hij
afscheid van de broedere!\', eu
voer van daar naar Syrië, en
1\'riseilln en A<|tiila met hem,
s\\JH hoofd te (\'euehria gC8Cho-
reu hehbende; want hij had
cene gelofte gedaan.
W Ku hij kwam te Kfeze aan,
t\'n liet ze ahhuir; maar hij gin?
ui de Synagoge cu handelde
met de Joden.
"•» Ka nis zij baden dat bij
langer bij hen blijven zoude,
bewilligde hij het niet;
XGKN 10.                                    llü
21  maar hij nam afscheid van
ben. zeggende: Ik moet vol-
strekt liet toekomende feest
te Jeruzalem houden; doch il;
zal tot u wcdcrkccrcn, zoo
God wil. Ku hij voer weg van
Kfeze.
22  Ku als hij te (\'esaiéa was
gekomen, ging hij op naar
Jeiuznle.,1,
en de gemeente tre-
KTOet hebbende, l.\' i;. lt bij af
naar Autioehië;
it en nis hij aldaar eenigcu
tijd gewest «as, ging hij «(":,
en doorreisde vervolgens het
land van Gal at ie en Frygiü,
versterkende alle de discipc*
•_\'4 Eu een zekere Jood, met
name A polios, van geboorte een
AlexaudrIOr, ecu welsprekend
man. Iwmii te Kfeze, machtig
zijnde iu de Schriften.
28 Deze was iu den weg des
Herren onderwezen; en vurig
zijnde van geest, sprak hij en
leerde naarstiglljk de zaken
des Ilecreti, wetende alleenlijk
den dooi. rail Joliannes;
2fi rn uezc besroti vrijmoedig*
lijk te spreken iu de Synagoge.
Kn als Ai[Uila en l\'riseilla htm
gehooid hadden, uaiucu zij
hem tot zich eu leiden licni
den weg Gods nauwkeuriger
uit.
27 Knals bij naar Achaje wilde
reizen, schreven de biocdeiK,
hem vermaand hebbende, aan
de discipelen dat zij hein out*
vaugen zouden ; welke daar
gekomen zijnde, veel heeft tOC-
irebracht aan degenen die l-c-
loofdeu door de genade.
38 Want hij overtuigde de Jo*
den met zrooten ernst iu het
openbaar, bert ijzende door de
Schriften dat Jezus de Christus
HOOFDSTUK 10.
EN het geschiedde terwijl
Apolios te Corintbc was,
dat 1\'uulus, de bovenste dcelcu
dei lands doorreisd hebbende,
-ocr page 204-
NGEN 19.
zwervende Joden, zijnde dwvH-
bezweerders, hebben zicb ou-
derwouden den naam des II ec*
rru Jezus te iioemeu over de-
geucn die booze geesten hnd-
den, seggende: WH bezweren
n bij Jezus, dien Puulus pre-
dikt.
14    Dezen nu waren zekere
zeven zonen van Seeva. een
Joodschen Üverpriester, die dit
deden.
15  Maar de booze Keest ant-
woordendc, zeide: Jezus keu
ik, en mh 1\'aulu* weet ik;
maar grilleden, wie zrjt .:;,;\'•
lfi Eu de meusch iu welken de
booze geest was, sprong op hen,
eu ben meester geworden zijnde,
kreeg bij de overhand tegen hen,
alzoo dat zij naakt en gewond
uit dat huis ontvloden.
17 Kn dit werd allen bekend,
beiden Joden eu Grieken die te
Bfetc woonden, eu daar viel eene
vrees over hen allen, en de naam
des Hoeren Jezus werd groot-
gemankt;
ls eu velen dergenen die ge-
loofden, kwomeu, belijdende en
verkondigende buuue dttdeu.
19 Velen ook dergeuen die
ijdele ktuUtea gepleegd hadden.
Drachten de boeken bijeen eu
verbrandden ze In aller tegen*
woordiglieid, en berekenden de
waarde derzelve, en bevonden
dit vijftig duizend zilveren fwt*
ainye.t.
2if Alzoo wies het Woord des
Hoeren met macht en nam de
overhand.
21    Eu als deze dingen vol-
bracht waren, nniu Pnulus voor
iu deu geest, Macedonië eu
Acliaje doorgegaan hebbende,
naar Jeruzalem te reizen, zeg-
geude: Nudat ik aldaar zal
geweest zijn, moet ik ook lto-
me zien.
22   Kn als hij naar Macedonië
gezonden bad twee van dege*
ncn, die hei» dieudeu, namelbk
TiiuótbeUs on Erastus, bleef
hijzelf een tijdlang iu Azië.
33 Maar op dieu tijd out*
193                                    11ANDKI
te Efczo kwam; en cenigc dl»*
cipelen aldaar vindende,
2  reide hij tot hen; licht gij
de» Heiligen Geest ontvangen
als gij gelooid hebt? Eu zij
zeiden tot in in: Wij hebben
zelfs niet geboord ot\' er ven
Heilige Geert is.
3  Eu bij zeide tot ben: Waar-
in zijt \'„\'ij dim gedoopt? Kn
zij zeiden : Iu den duoi> van
Jnhauuos.
i Maar Paulu» zeide: Johnn-
nes heeft wel gedoopt den doop
der bekeering, leggende tot het
volk dat zij gelooveu zouden
in dengenen die na hem kwam,
dat is in Christus Jezus.
6  En die Ae„i hoorden, werden
gedoopt in den uaani de» Hce*
ren Jezus;
\'• en als Pnulus bun de liim-
deu ii;. t 1 u- r<l had, kwam de
Heilige Geest op hen, en zij
spraken met vreemde talen en
profeteerden,
7  En alle dezen waren omtrent
twaalf mtiuueu.
8  En bij ging iu de Synagoge
en sprak vrijmoediglijk drie
maanden lang, mei ken bande*
lende en kun aanradende de ia*
ken «Ui bet Koninkrijk Gods.
y Maar als sommigen verhard
werden en ongehoorzaam wa-
ren, kwaadsprekende van den
weg det lieert* voor de menlg*
te, week hij vnn hen en scheid*
de de discipelen af, dagelijks
handelende iu de school van
sekereu Tyrannus.
10  Eu dit geschiedde twee ia-
ren hing, alzoo dat allen die
in Azië woonden, het Woord
des Hoeren Jezus hoorden, hei-
den Joden en Grieken.
11    En G. d deed ongewone
krachten door de handen van
Paul iis,
12  alzoo dat ook van zijn lijf
op de krunkou gedragen wei-
den de zweetdoeken of gordel-
doeken, eu dat de ziekten vnn
hen weken eu de booze geesten
van hen uitvoeren.
13  Eu sommigen vnn de om*
-ocr page 205-
HANDEL
stond daar gcenc kleine be-
roerte vanwege den weg des
Meeren
.
21 Want cru, met name Dcmé-
trius, een zilversmid die klmte
zilveren tempelen van Diana
maakte, braeht dien vnn die
kunst trfeii klein gewin toe;
25 welke hij samenvergaderd
hebbende met de bandwer
kers Tan dergelijke dingen,
zefde: Mannen, gij weet dat
wij uit dit gewin onze welvaart
heli ben;
2f> en gij ziet <*n boort, dat
deze Paulus veel volk niet al-
leen van Kl\'eze maar ook bijna
van geheel Azië overreed en
afgekeerd heeft, zeggende, dat
bet geen (roden zijn die met
ïiar.dcn gemaakt worden;
27 en «ij sjjn niet alleen in
gevaar dat dit deel in vcrach-
tiug koine, maar dat ook de
tem pel van de groote ff od i 11
Dinna als niets geacht zul «or-
deu, en dat ook hare majesteit
zal ten onder Kaan, aan «elke
Kansen Asia en de geA&ett we-
reld godsdienst bewijst.
2tf Als zij nu dit hoorden,
werden zij vol van tonrnighcid
en riepen, «eggende! Groot Is
dn Diana der Rfetitirs I
29 Ku de gehecle stad werd
vol verwarring, en zij liepen
met een gedruiscli eendraclf
ti,\'lijk naar de se bouwplaats,
met zich trekkende Gajus en
An-tiii chus, Maccdouicrs, met-
gezellen van Paulus op de reis.
SI Ku als Paulus tot bet volk
\\vildc Ingaan, lieten de ilisi i-
pelen bet liein niet toe;
31 en sommigen ook derover*
"ten van Azii.\', die vrienden van
hem «aren, zouden tot hem en
baden dat bij xiebzelven op de
schouw plaats niet zoude be-
geven.
;,2 JSij riepen dan de één dit,
de ander «at anders; want de
vergadering was verward, en
bet nkviv!, hel «ist niet om
wat oorzaak zij sauicugcko-
inen waren.
nGKN 20.                                     197
31 En zij deden Alexniuler uit
de seliare voorkomen, alsoo
hem de Joden voortstleten; en
Alexandcr gewenkt hebbende
met de band, wilde bij bet
volk verantwoording d«cn.
\'M Maar als zij verstonden dat
bij een Jood was, werd daar
conc stem van allen, roepende
omtrent twee uren lang: Groot
is de Diana der Kt\'ezicrs!
35 Ku nis de «/«(/«schrijver
de schare gestild bad, zcide
bij: Gfj mannen van Ëfece,
wat mensen is er toch die niet
weet, dat de stad der Kl\'eziërs
de tctnnelbewaarster is van de
ir root e godin Diana, en van
het beeld dat uit den hemel ge-
vallen is?
M Dewijl dan deze dingen on-
wedersnrckclfjk zijn, zoo is bet
behoorlijk dat gij stil zijt cu
niets onbedacht* doet.
37  Want srij hebt deze mannen
hier gebracht, die noch tem pel-
roovers zijn noch uwe godin
lasteren.
38  Indien dan nu Demétrlus,
en die niet hem van de kunst
zijn, tegen iemand eeuigc zaak
hebben, de reelitsdageu wor-
deu gehouden en daar zijn
Stadhouders; laat ze elkander
verklagen.
ü\'J En indien gij Iets van an-
dere dingen verzoekt, dat zal
in cene wettige vergadering be-
slci\'hi worden.
•10 Want wij staan in gevaar
dat wij van oproer zullen ver-
klaagd «orden om den dny van
beden, alzoo daar geene oor-
zaak is waardnor w ij reden
zullen kunnen geven van de-
zen oploop. Ku dit gezegd heb-
bende, liet hfj de vergadering
gaan.
HOOFDSTUK 2i>.
VTA DAT nu het oproer gestild
iN was, Paulus de discipelen
tot zich geroepen fa gegroet
hebbende, giuK uit out naar
Macedonië te reizen.
-ocr page 206-
19S                                    HANDE1
•J Kn als hij ilic doelen door-
gereisd en ben met vele rede-
neii vermaand had, kwam liij
in Griekenland;
:i en nis hij aldaar drie inann-
den doorgebracht had, en hein
van do Joden lagen gelegd
werden als hij naar Syrié zou-
de vaten, zoo werd hij van /.in
weder te keereti door Mace*
donië.
4  Ku hem vergezel se hapte tot
in A/.iü Sópater van Hcréa, en
vim de Thessalonieonzon Arls-
tarchns en Secundus, en Ga-
jus van Derbe, en Tiiuótlieüs,
en van die van Azië Tyehicuu
en Trófimus:
."> dezen vooraf henensregnau
zijnde, wachtten ons te Troas.
li Wij nu voeren af van r*ilip-
pi na de dagen der ongehevel-
de brooden, en kwamen in vijf
dagen hij hen te Troas, alwaar
wij ons zeven dagen ontbiel-
den.
7 Kn op den eersten thtu der
week, als de discipelen bfieen-
gekomen waren om brood te
breken, handelde 1\'nuhis met
hen, zullende des anderen
daags verreizen; en hij strekte
siine rede uit tot middernacht;
5  en er «aren vele lichten Ju
de opptrzaal waar tij verga•
derd v.aren.
\'.) Kn een zeker jongeling, met
name Kutjchus zat in het ven-
ster, eu met een en diepen
slaap overvallen zijnde, alzoo
l\'aulus lang tut hen sprak,
door den slaap ncdcrstiirtcnde,
viel van de derde zoldering
nederwaarts en weid dood
opgenomen.
lil lfoeh Pau lus afgekomen
zijnde, viel o|i hem, en hem
omvaniceiide, zcide liiit Weest
niet beroerd, want zijne ziel
is in hein.
II Ku nis hij weder boven ge-
gaan was, en brood gebroken,
en wnt gebeten bad, en lang,
tot den dageraad toe, met hen
gesproken luid, vertrok bij al*
12  Kn zij brachten den knccl.-t
levend, eu waren bovenmate
vertroost.
13  Maar wij vooruit naar het
schip gegaan zijnde, voeren
af raar Assus, waar wij Paitlus
zouden innemen; want hij bad
het alzóó bevolen, en hijzelf
zoude te voet gaan.
14  Kn als hij zich te Assus bij
ons gevoegd bad, namen wij
hem in, eu kwamen te Mitv\'-
lénc;
15  en van daar afgevaren zijn-
de, kwamen wij den volgenden
dag tegen (\'bios over, en des
anderen dnuya leiden wij aan
te Samos, eu bleven te Tm-
gyllluni, eu den dag daarna
kwamen wij te Miléte.
Ui Want l\'aulus had voorgc-
nomei) Kfczc voorbij te varen,
opdat hij niet den tijd in Azië"
zoude verslijten ; want hij epoed-
de zich, om (zoo het hem mo-
gelijk was) op den Pinksterdag
te Jeruzalem te zijn.
17 Maar hij zond van Miléte
naar Kfczc, en hij ontbood de
Ouderlingen der gemeente;
I In en als zij tot hem gekomen
I waren, zcide bij tot hen: Gij-
I lieden weet, van den eersten
I dam af dat ik in Azië ben aai:-
gekomen, hoe ik bij u den
| gaiiM-hcu tijd geweest ben,
I 19 dienende den llcere niet
! alle ootmoedigheld, en vele
I tinnen, en verzoekingen, die
mij overkomen zijn door de
lagen der Joden;
•20 boe ik niets aehtergehou-
den heb van hetgeen nuttig
was, dat ik n niet zoude ver-
koud igd en u geleerd hebben,
in bet openbaar eu bij de
buizen,
21 betuigende beiden Joden en
Grieken de bekeering tot God
en het geloof in onzen Ileere
Jezus Christus.
2-2 Ku nu zie, ik, gebonden
zijnde door den Geest, reis
naar Jeruzalem, niet wetende
wat mij danr ontmoeten zal,
33 dan dat de Heilige Geest
-ocr page 207-
NGKX 21.                                     IM
dat men al zóó arbeidende, de
K.i zij geleidden ben naar het
HOOFDSTUK SI.
HANDEI.ivnu stad tot stad betuigt, zeg-
gende, ilat mij handen en ver-
urukktngc i aanstaande zijn.
-J1 Maar ik acht on xeen dinar,
en houd mijn leven niet dierbaar
voor mijzelven, opdat ik i»ij-
uen loop met blijdschap moge
volbrengen, en den dienst «el-
ken ik van deu lleere Jezus
ontvangen beb, om te betuigen
het Evangelie der genade Gods.
_"> En uu zie, ik weet dat
ie ij allt\'it, waar ik doorgegaan
ben, predikende het Koninkrijk
Gods, mijn aangezicht niet
meer tien zult.
2fi Daarom betnis; ik ulieden
up dezen huldigen das;, dat Ik
rt\'iu ben van het liiu.\'.l inu u
allen;
27 want ik beb niets achter*
gehouden, dut ik u niet zoude
verkondigd hebben al don raad
Gods.
38 Zoo hebt dan neht op uxel*
ven,en op de gehcele kudde over
dewelke de Heilige (leest u tot
op/.ieners gesteld lieeit, om de
gemeente Gods te weiden, welke
Hij verkregen beeft door zijn
eigen bloed.
•Jü Want dit weet ik, dat na
mijn vertrek /.ware wolveil tot
u inkomen zullen, dit1 de luidde
niet «pareu;
:i" en uit uzelveu /.uilen man*
neu opstaan, sprekende ver-
keerde dingen, om de diseipe-
len til\' te trekken achter zieh.
31 Daarom waakt, en gedeukt,
(lat ik drie jaren tuur/ nacht en
dag uit\' opgehouden heli een
ie,\'clijl; met tranen te verma-
•\'12 En nu, broeden, ik beveel
u Gode en den Wnnrde zijner
genade, die machtig is u op te
bouwen en u een erfdeel te
neven onder alledeKchelllgden.
33 Ik heb niemand* zilver ot\'
woud of kleed ing begeerd]
M en gfjzeken weet, dat deze
handen tot mijne nooddruft,
en dengenen die met mij ware i,
gediend hebben.
35 Ik heb u in allen getoond,
EN als het geschiedde dat wij
van heit gescheiden en at\'g«-
vareu waren, XOO liepen wij
rechtuit en kwamen te Vos, en
den it\'iij daaraan te Rhodui, en
van daar te 1\'atnra.
1 En een schip gevonden heb-
bende dat naar Kcnicid over*
voer, gingen Mij er in en
.\'l Kil al* wij Cyprus In \'t ge-
zicht gekregen en dat aan de
11 aker Art «d gelaten hadden,
voeren wij naar Syrië, en kwa-
nieu aan te Tyrus; want het
schip zoude aldaar den last
ontladen.
4  Ei de discipelen gevonden
hebbende, bleven wij daarzeven
dagen; dewelke tut 1\'aulus zei-
den door den Geest, dat htj niet
Koude op Tian naar JeruzHlem.
5  Toen het uu geschiedde dat
wij deze dagen doorgebracht
luidden, gingen wij uit en reïa-
deu voort; en zij geleidden ons
allen met vrouwen en kinde-
reu tot buiten de stad, en aan
den oever neder knielende, heb-
beu wij gebeden;
i\\ en als wij elkander gegroet
hadden, gingen wij in het
schip, ui Aar /.ij lieden keerden
weder elk naar het zijne.
-ocr page 208-
INGKN SI.
]S Ku den volgenden dag ging
I\'aulun met ons in hij Jacoijus;
en alle de Ouderlingen waren
daar gekomen.
19  Kn als hij\' ze gegroet had,
verhaalde hij van stuk tot
stuk, wat (iod ouder de hei-
(leneu door zijnen dienst ge-
daan had.
20  liu zij dat geboord heb-
bende, looiden den lleere, eu
zeiden tot bent: (3ij ziet, broe-
der, koevele duizenden van Jo-
deu er zijn die gelooven. eu zij
zijn allen ijveraars voor de Wet;
21  eu zij zijn aangaande u
bericht, dat gij alle de Joden
die onder de heidenen zijn,
leert van Mozes afvallen, zeg-
gende dat zij de kinderen niet
zouden besnijden noch naar de
wijzen der Her wandelen.
2a Wat is er dan re doen? Het
is zeer noodig dat de menigte
samenkome; want zij zullen
hooren dat gij gekomen zijt.
•j:t Doe dan hetgeen wij u zeg-
geu. Wij hebben vier mannen
die eencgelofte gedaan hebben:
24  neem dezen tot u, en heilig
u met beu, en doe de onkosten
nevens beu, opdat zij hetboofd
bescheren mogen, en allen ino-
gen weten, dat er niets aan is
WH hetgeen waarvan zij aan*
Kaande u bericht zijn, maar dat
gij iihnii wandelt, dat gij ook
zelf de Wet onderhoudt.
25  Doch van de heidenen die
gelooven, hebbeu wij geschre-
ven en goedgevonden, dat zij
niets dergelijks zouden onder*
honden, dan dat zij ztcliwach*
ten van hetgeen den afgudcu
geofferd is, eu van bloed, eu
van bet verstikte, en van hoe-
rerij.
98 Toen nam Taulus de inan-
in\'ii met zich, en den dag
daaraan niet ben geheiligd
zijnde, ginif hij in den Tem-
pel, en verkondigde dat de
dagen der heiliging vervuld
waren, Uitrende daar totdat
voor een iegelijk van hen de
offerande opgeofferd was.
200                                     UANDKl
7 Wij nu de vaart volbracht
hebbende van Tyrus, Itwameu
.iü i te Ptolcmals, en de broe*
den gegroet hebbende, bleven
tenen dag bij ben.
S Kn des anderen daitga Kin-
gen Paulna eu wij die niet hem
waren, van daar en kwamen te
Ceaarea; en gegaan zijnde in
bet huls van Filippus den
Evangelist (die een was van de
zeven), bleven wij bij bent.
9  Deze nu iiad vier dochters,
nog maagden, die profeteer*
den.
10  En als wij daar vele dagen
gebleven waren, kwam er een
zeker Profeet af van Judéa,
met name Agabus;
il m liij kwam tot ona, en
nam den gordel van 1\'aulns,
en zich zrl ven banden en voc*
ten (gebonden hebbende, zeide :
Dit zegt de Heilige Geest: Hen
man, wiens deze gordel is,
zullen de .Inden alzóó te Jcrn-
zalem binden, eu overleveren
in de banden der heidenen.
12 AU wij nu dit boorden,
baden beiden wij en die van die
plaats waren, dat hij niet zou-
dc opgaan i nar Jeruzalem.
Kt Maar PauhiH antwoordde:
Wat doet gij dat ir ij weent en
mijn hart week maakt? Want
ik beu bereid niet alleen ge-
bonden te worden, maar ook
te sterven te Jeruzalem voor
den naam des lieeren Jezus.
14  En als bij zich niet liet at-
raden, hielden wij ons tevrc*
den, leggende: He wil des
lierren geschiede!
15  Kn na die dagen maakten
wij ons gereed eu gingen op
naar Jeruzalem;
II! en met on» gingen ook
nommiuen der discipelen van
Cesarea, leidende met nek eeueu
zekeren Muasou van Cyprus,
eeneu ouden discipel, bij den-
welken wij zor.deu te huis lig-
gen.
17 Kn als wij te Jeruzalem
gekomen waren, ontvingen ons
de broeders blijdelfjk.
-ocr page 209-
handel:
27 Als nu de zeven dagen zon-
den voleindigd worden, taffen
hein de Joden van Azië in den
Tempel, en beroerden al het
volk, en sloegen de handen aan
hem,
2S roepende: G\\j Israülictischc
mannen, komt te hulp! Deze is
de meunen die legen het volk
en de Wet en deze plaats allen
overal leert; en bovendien heeft
hij ook Grieken in den Tempel
gebracht, en heeft deze heilige
plaats ontheiligd.
29 Want zij hadden te voren
Tróflmus den El\'eziër niet hem
in de stad gezien, welken zij
meenden dat Paulus in den
Tempel gebraeht had.
3ü En de geheele stad kwam in
beroering, en het volk liep sa-
men, en zij grepen Paulus cu
trokken hem bulten den Tem-
Sel; en terstond werden de
euren gesloten.
31  En al» zij hem zoehteti te
dooden, kwam het gerucht tot
den overste der bende, dat ge-
heel Jeruzalem in verwarring
was;
32      welke terstond kiijgs-
knechten en hoofdmannen over
honderd tot zieli nam, en naar
hen toe liep. Zij nu den over-
ste en de krijgsknechten alen*
de, hielden op van 1\'aiilus te
slaan.
33   Toen naderde de overste
en greep hein, en beval dat
men hem met twee ketenen
zoude binden, en vraagde wie
hij was en wat hij gedaan
had.
34   En onder de schare riep
de één dit, de ander wat au-
ders; doch als hij de zekerheid
niet kon weten vanwege de
beroerte, beval hij dat men
liem in de legerplaats zoude
brengen.
35  En als hij aan de trappen
gekomen was, gebeurde bet dat
"ij van de krijgsknechten gedra-
gen werd, vanwege liet geweld
der schare;
3ö want de menigte des volks
INGEN 22.                                   201
volgde, al roepende : Weg met
hem !
37 En als Paulus uk in de le-
gerplaats zoude geleid worden,
zeide hij tot den overste: Is
het mij geoorloofd tnt u wat te
spreken? En hij zeide: Kent trii
Grickucli?
3H Zijt gij dan niet de Egypte-
nnar, die vóór deze dagen oproer
verwekte en de vier duizend
moordenaars naar de woestijn
uitleidde?
39 Maar Paulus zeide: Tk ben
een Joodsch man van Tarsus,
een burger van eeue niet onver*
manrde stad in Cilicië, en ik
bid u, laat mij toe tot het volk
te spreken.
4\') Eu als iiij liet toegelaten had,
Paulus staande op de trappen,
wenkte niet de hand tot het
volk; en als daar groote stilte
geworden was, sprak hij ze
aan in de llebrceuwsche taal,
zeggende t
HOOFDSTUK 22.
MANNEN broeders en vaders,
hoort mijtte veraut«oor-
ding die ik tegenwoordig tot u
doen zal.
2  (Als zij nu hoorden dat hij
hen in de Hebreeuwsche taal
aansprak, hielden zij zich te
meer stil. Eu hij zeide:)
3    Ik hen een Joodsch man,
te Tarsus in Cilicié geboren,
opgevoed in deze stad, aan de
voeten Gamaliüls onderwezen
naarde nauwgezetste wijze der
vaderlijke wet, zijnde een ijver*
aar Gods, gelijkerwijs gij allen
heden zijt;
4  die dezen weg vervolgd heb
tot den dood, bindende en in de
gevangenissen overleverende
beiden mannen en vrouwen:
5    gelijk mij ook de Ifooge-
pricstcr getuige is, en de ge-
heele Kaad der Ouderlingen;
van dewelke ik ook brieven
genomen hebbende tot de broe-
ders, hen naar Damascus ge*
reisd, om ook degenen die daar
-ocr page 210-
INGKN 22.
uwe zonden afwasschen, aan»
roepende den naam den IIec-
ren.
17  En het gebeurde mij, als ik
te Jeruzalem wedergekeerd was
en in den Tempel bad, dat ik
iu eene vertrekking van zinnen
was,
18  en dat ik hem zag, eu hij
tot mij zeide: Spoed U en
ga iu der haast uit Jeruzalem;
want zij zullen uwe getuigenis
van mij niet aannemen.
11) Kn ik zeide: lleere, zij we-
teu dat ik iu de gevangenis
wierp en in de Synagogen gee-
selde die iu u geloofden;
2" en toen het bloed van Sté-
(anus uwen getuige vergoten
werd, dut ik daar nok bij stond,
eu mede een welbehagen had
iu zijnen dood, en de kleedereu
bewaarde dergeucn die nou»
doodden.
21    Eu bij zeide tot mij: (in
henen, want ik zal u ver tot
dp heidenen afzenden.
22   Zij hoorden hem nu tot dit
woord toe; eu zij verhieven
hunne stem, zeggende: Weg
van de aaide met zulk penen;
want het is niet behuorlijk dat
hij leve!
23    Kn nis zij rieppu eu de
kleedereu van giro smeten en
stof iu de luelit wierpen.
\'_\'4 zoo beval de overste dat
men hem in de legerplnats
goode brengen, en zeide dat
men hem met geeselen onder-
zoeken zoude, opdat hij ver-
staan moeht om wat oorzaak
zij alzóó over hem riepen.
25 Ku als zij hem met de
riemen uitrekten, zeide Paulus
tut deu hoofdman over honderd
die danr stond: Is het ulieden
geoorloofd eenen Hoineiusehen
iiieuseh, en dita ouveroordeeld,
te geeselen ?
2ll Als nu de hoofdman over
honderd dut hoorde, ging hij
toe eu bood gehapte het den
overste, zeggende: Zie wat
gij te doen licht; want deze
ineiisch is een Homein.
202                                    HANDEL
warm, gebonden te brengen
naar Jeruzalem, opdat zij ge-
straft zouden Worden.
il Maar het gesrhiedde mij, als
ik reisde en Damaseus irenaak-
te, omtrent den middag, dat
snel lijk uit den hemel een
Kroot lieiii mij rondom om-
itchcen;
7 en ik viel ter aarde, en ik
boorde eene item, tot mij
zeggende: Saul, Saul, wat ver*
volirt gij mij?
s Kn ik antwoordde: Wie xijt
(tij lleere? Kn hij zeide tot mij:
Ik ben Jezus de Nazarener wei-
ken gij vervolgt.
\'J En die met mij waren, za-
gen wel het Hebt, en werden
zeer bevreesd, maai de stem
desgeneu die tot mij sprak,
boonlen zij niet.
10  En ik teldei Hecre, wat
zal ik doen? En de lieere zeide
t<it mij: Sta op en pabonen
naar ffamaseiis, en aldHar tal
met u gesproken «orden van
al hetgeen u geordineerd is te
doen.
11   Eu als ik vanwege de heer-
lijkbeid van dut licht niet zag,
zoo werd ik bij de hand geleid
van degenen die met mij wa-
ren, en kwam te Uamaseus.
12    En een zekere Anania*,
een godvruchtig man naar de
Wet, yoede getuigenis, hebben-
de van alle de Joden die daar
woonden,
13    kwam tot mij, en bij mb
staande, gelde tot mij: Saul,
broeder, word weder ziende.
Eu terzelfder ure werd ik gieu-
de op lieni.
11 Ku lui geide: De God onzer
vaderen heelt U te voren vcror*
dineerd om gijnen wil te keu-
iien, en dm Rechtvaardige te
zien, en de strin uit zijnen
mond te hooren;
IS want gij zult hem tot ge-
tui ge zijn Dij alle men>ebeu
van hetgeen gij gezien en ge-
hoord hebt.
UI En nu, wat vertoeft gij?
Sta op, en. laat u doopen eu
-ocr page 211-
IJA.NHKMNGKN :i.
SJXÏ
27 En ilc overste kwam toe en
zeer, eens Farizeër» zoon; ik
word over de hoop en opstan-
dius der dooden Beoordeeld.
7 Ku als hij dit gesproken
bad, ontstond er tweedracht
tusselien de Fnrizeers en de
Saddueeëra, en de menigte werd
verdeeld.
s Want de Sndducecrs zeggen
dat er geene opstanding is,
noch Engel ot\' geest; maar de
Farizcers belijden bet beide.
\'J Ku daar iresehiedde een groot
geroep; e.i de Schriftgeleerden
van de zijde der Parizeer* ston*
den Op en streden, zeggende:
Wij viudei Leen kwaad in de»
zen ïuensili; en indien eeu
geest tot hem gesproken heeft
of een Kugel, laat ons tegen
God niet strijden.
m Kn als er groote twee-
dracht ontstaan was, de overste
vreezende dat Paulus va» hen
verscheurd mocht worden, (re-
bood dat bet krijgsvolk zoude
afkomen en hem uit bet mid-
den van ben wegrukken eu in
de legerplaats brengen,
11 Kn den volgenden nacht
stond de Meere bij hem, en
zeide: Heb goeden moed, Pau-
lus; want gelijk jij te Jeruza*
lem van mij betuigd hebt, alzóó
moet gij ook te Rome getuigen.
)H Kn nis het dng geworden
was, maakten sommigen van de
Joden ee.ie samen rotting, eu
vervloekten zichzelven, zeg-
gende, dat zij uocb eten nocU
drinken zouden, totdat zij l\'au-
lus zouden gedood hebben.
|:i Kn zij waren meer dnn
veertu die dezen eed te tarnen
gedaan hadden;
lt dewelke gingen tot de Over-
priesters en de Ouderlingen,
en zeiden: Wij hebben onszel-
ven niet vervloeking vervloekt,
niets te zullen nuttigen tot-
dat wij l\'aulus zullen gedood
hebbeu.
IS Gij dan nu, laat den ovcr*
ste weten met den ltHad, dat
hij hem morgen tot u af breofpe,
alsof gij nader kennis zoudt
zeide tot hem: Zeg mij, zijt jrij
een Romein? Eii hij zeide: Ja.
28 Kii di\' overste antwoordde:
Ik heb «Ut burgerrecht voor
cene gronte boio gelds verltrc-
(fen. Kn Paulus zeide: Maar Ik
ben ook er.i burger geboren,
2!i Terstond dan lieten zij van
hein at\', die hem zouden onder-
zocht nebben; en de overste
werd óók bevreesd, toen bij
verstond dat bij een Romein
was, en dat hij hem had ite*
boude».
30 Kn des anderen daags,
Willende de zekerheid weten,
waarom hij van de Joden hc-
sehnldiicd weid, mankte hij
hein los van de banden, en
beval dat itc Overpricstori en
hun geneele Itnnd souden ko-
nieu; en Paulus afgebracht
helibeiide, stelde hij kext vóór
ben.
HOOFDSTUK 23.
E
EN PaulllS de oogeu op den
Haad houdende, zeide; Mhii-
\'ii broedeis, ik heb met alle
Roede eonseientie voor God ge*
wandeld tot op dezen da;.
2 Maar de llongcpriester Ana-
nias beval dengenen die bij hem
stonden, dat zij hem on den
Mond zouden slaan.
-\'i Toen zeide Pau Lui tot hem:
Sod zal ll slaan, «ij gewitte
wand! Zit lïij ook om mij te
oordeeleu uaar de Wet, eu be*
veelt gij tegen de Wet dat men
mij zal slaan!\'
1 Ku die daarbij stonden, zei-
den: Scheldt gij den llougc-
pricster (ïods?
"\' Kn l\'aulus zeide: Ik wist
niet, broeders, dut het de Iloo-
gf priester wbi want daar is
\'eschreveu: Den overste uw»
volks zult gij niet vloekeu.
,\'» Kn l\'aulus «etende dat het
éénc deel was van de Saddu-
\'cers eu bet andere van de Fa*
nzcera, riep in den Naad: .Mau-
nen broeders, ik ben een Fari-
-ocr page 212-
1I.\\M>KT,
IN GEN 23.
op zetten en behouden over*
brengen tot den Stadhouder
Fclix.
2.") Kn hij schreef ecnen brief,
hebbende dezen inhoud:
2fl Clnudius Lystaa aan den
machtigste» Stadhouder Felix
groetenis.
27 Alzoo deze man van de Jo-
den gegrepen was, en van hen
omgebracht zoude geworden
zijn, ben ik daarover gekomen
met het krijgsvolk, en heb hein
Zn\',i ontnomen, bericht zijnde
dnt hij een Romein is;
2s en willende de zaak weten
waarover zij hein beschuldig*
den, bracht ik bem af in hun-
nen ltaad :
2\'.l welken ik bevond bcschul*
digd te worden over vragen
hunner Wet, maar geeue bc*
scliuldiging tegen hein te zijn
die den dood of handen waai-
dig is.
3(1 En als mij te kennen ge-
geveu was, dat van de Joden
eene lage tegen dezen man gt-
legd
zoude worden, zoo heb ik
kern terstond aan u gezonden,
gebiedende nok den beschuldi*
gers voor u te zeggen hetgeen
zij tegen bem hadden. Vaarwel.
31 Pc krijgsknechten dan, ge-
lijk hun bevolen wns, namen
Paulus en brachten hein des
nachts tot Antipatris;
33 en des anderen daags, la-
tende de ruiters met hem trek-
keu, keerden zij weiter naar de
legerplaats.
33 Dewelke als zij te Cesnrea,
gekomen waren en den briet
den Stadhouder overgeleverd
hadden, hebben zfi ook Pau-
lus vóór hem gesteld.
31 En de Stadhouder de* brie\'
gelezen hebbende* vraagde uit
wat provincie hij was; en ver-
staande dat hij van Ulicie was,
x> zeide bij: Ik zal u hooreu
als ook uwe beschuldigers hier
zullen gekomen zijn. Eu hij
beval dat hij in het Reeb thuis
van Herodes zoude bewaard
worden.
.Ml
nemen van zijne inleen ; en wij
zijn bereid hem om te brengen,
eer bij bij « komt.
ld En als de toon van Paulus\'
zuRtcr deze lage geboord hnd,
kwam bij daar m ging in de
legerplaats, eu boodschapte liet
Paulus.
17  Bn Paulus riep tot zich een
va» de hoofdmannen over hon-
derd, en zeide: Leid dezenjnn-
geliug benen tot den overste*;
want bij lieeft hein wat te
boodschappen.
18    Dese dan nnm hem en
braeht htm tut den oterate, en
zeide: Paulus de gevangene
beeft mij tot zich geroepen, en
begeerd dat ik dezen jongeling
tot u zoude brengen, die a wat
beeft te zeugen.
19  De overste nu nam bem bij
de baud, en ter tijde gegaan
zijnde, vraagde hij: Wat is het
dat gij mij hebt te boodschap*
penf
20  En bij zeide: De Joden zijn
overeengekomen om van u te
begeeri\'n, dat gij Paulus inor-
gen in den ltaad zoudt afbren*
eren, alsof zij iet» van hein na-
der zouden onderzoeken.
21  Doch geloof hen niet; want
meer dan veertig mannen uit
ben leggen hem lagen, welke
zichzelven met eene vervloeking
verbonden hebben, noch te eten
noch te drinken totdat zij hein
zullen omgebracht hebben; en
zij zijn nu gereed,verwachtende
cte toezegging van u.
22  De «verste dan liet den jon-
geliug gaan, hrm gebiedende:
/eg niemand voort, dat gij mij
zulks geopenbaard hebt.
23    Kn zekere twee van de
hoofdmannen over honderd tot
zich geroepen hebbende, zeide
hij: Maakt tweehonderd krijgs-
knechten gereed, opdat zij naar
Ceairéa trekken, en zeventig
ruiters, en tweehonderd schut*
ters, tegen de derde ure des
nachts;
24  en laat ze -ir(/r\'beestcn be-
stelle», opdat zij Paulus daar*
-ocr page 213-
handel:
hoofdstuk 24.
EN vijf dagen daarna kwam
de lloogepiiester Ananlusaf
met de Ouderlingen en eeneu
zekeien vunn-piaak, genuiimd
Tertullus, dewelke Terscbe-
oen voor deu S\'.udhouder te-
gen TaitluB.
2 En als hij geroepen was,
begon Tertullus hem te be-
sehuldiLTPii, zeggende:
\'A Dat «ij grooten vrede door
u bekomen, en dat rrle loft"e-
lijke diensten degen volke gc-
scbieden door uwe vuorzieh-
tighcld, machtigste Felix, u«*
men wij ganschelfjk en overal
met alle dankbaarheid aau.
4  Maar opdat ik u niet lang
ophoude, ik i ui u dat i\'ij oiü1,
naar uwc bescheidenheid, kor-
telijk hooit.
5  Want wij hebben dezen man
bevonden te zijn een nest, en
een die oproer verwekt onder
alle de Joden door de gansche
wereld, en een opperste voor-
stander van de Kilte der Na-
y.H n • i i e i\' > ;
fi die ook gepoogd heelt deu
Tempel te outkeUigen; wei-
ken wij ook* gegrepen hebben
en naar onze Wet nebben wil*
len «oideelen.
7    Maar LysIaH de overste
daarover komende, heeft hem
met groot geweld uit onze
banden weg\', ebrueht,
8  gebiedende zij;.en beschuldi*
Rere tot u te konicui van den-
welken i-\'ij geit\', htm onder-
zocht hehbei.de, zult kunnen
verstaan al h< tgeen waarvan
wij hem beschuldigen.
\'J En ook de Joden stemden
liet toe, leggende, dat desa
dingen alzóo naren.
10 Maar Paulus, als hem de
Stadhouder gewenkt hnd dat
ij zoude spreken, antwoord*
<!<*: Dewijl ik «eet dat t:lj uu
vele Jaren over dit volk Heeh-
tcr grweest zijt, ion verant-
woord ik inUxeheu met des te
beteren moed :
NGEN 24.                                   205
u alzoo gij kimt weten dat
het niet meer dan twaalf da*
gen zfju, van dat ik ben opge-
koineu om te aanbiddeti te
Jeruzalem.
12  En zij hebben mij noch iir
deu Tempel gevonden tot ie-
mand sprekende of enitge sa-
111. i.i ott i ..; des volks makcn-
de, nurii in de Synagogen,
nocfa in de stad;
13  en zij kunnen niet bewij-
zen waarvan zij uiij nu be-
Echnldigen.
14  Maar dit beken ik u, dat
ik, naar dien weg welken zij
sekte noemen, deu Oud der
vaderen alzoó dien, geloo*
vende alles wat in de Wet en
in de Profeten geschreren ia,
l.\'i lub bende hoop op God,
welke dezen ook zelven verwaeh*
ten, dat er een e opstanding
der dooden wezen zal, beiden
der rechtvaardigen en der ou-
rechtvaardigeu;
16  en hierin oefen ik in ijzel-
ven, om altijd eeue onerger*
iijke couscieiitie te hebben bij
God en de menseben.
17    Doch na vele jaren lien
ik gekomen om aalmoezen te
doen aan mijn volk, en offer*
andeni
\\H waarover mij gevonden heb-
beu, geheiligd zijnde, in den
Tempel, niet met volk noch
met beroerte, eeuige Joden
Uit Azië;
19  welke behoorden hier vóór
u tegenwoordig te zfju en mi}
te beschuldli\'eu, indien zij iets
tenen mij hadden.
20  Of dat dezen zelven zeggen,
of zij eenltf onrecht in mij ge-
vouden hebben als ik voor deu
Itaad stond,
21  dan van dit lénige woord,
hetwelk ik liep, staande ouder
hen: Over de opstanding der
donden word ik heden vun
nlieden geoordeeld!
2? Toen nu Pellg dit gehoord
had, stelde hij ze uit, gee*jeen-
dei Als ik nader wetenschap
van dezen wei; zal hebben.
-ocr page 214-
CV,                                     HANDEL
wanneer Lysias de overste zal
afgekomen zijn, zoo zal il;
volle kennis nomen van uwe
•::i Kii hij 1)0 al do» hoofd.
ie.....over honderd dat Paulus
zoude bewaard worden, on
verlichting hebben, en dat hij
niemand van do zijnen zoude
beletten hem te dienen of tot
hom te komen.
24 K» na sommige dagen 1V-
lix daar gekomen zijnde mot
Drusilln zijne vrouw, die eonc
Jodin was, ontbood I\'aulus,
ni hooide hom van het geloof
in Christus.
2r> En als hij handelde van
rechtvaardigheid en matigheid
en van het toekomend oordeel,
Felix zoor bevreesd ee worden
zijnde, antwoordde: Voor dit-
nnial ga henen, en als ik ire-
legcn tijd zal hebben beko*
men, zoo zal ik u tot mij roe-
2fi on te gelijk ook hopende,
dat hom van I\'aulus Lceld ge-
geven zoude worden opdat hij
hom losliet; waarom hij hem
nok dikmnals ontbond en mot
hem sprak.
27 Maar als twee jaren ver*
vuld waren, kreeg Felix Por*
eius Festus in zijne plaats;
en Felix willende den Joden
gunst bewijzen, liet I\'aulus
gevangen.
HOOFDSTUK 25.
FESTUS dan in de provincie
gekomen zijnde, ging na drie
dagen van Ceraréa Op naar
Jeruzalem;
2 c.i de Hoogenriester en de
voornaams ten der Joden ver*
schenen vóór hem. tegen Pau-
lus, en baden hein,
:i begeereude gunst tegen
hem, opdat hij hem zoude
doen komen te Jeruzalem, en
leggende eene lage om. hein
op den weg om te brengen.
4 Poeh Festus antwoordde
dat I\'aulus te Cesaréa bewaard
1\\GKN 23.
werd, en dat hijzelf haast
derwaarts zonde verreizen:
ó Die dan, zei de hij, onder
u kunnen, dat zij mode afrei*
zen, en zoo daar iets onbe*
hoorlijks in dezen ma» is, dat
zij hem beschuldigen.
(> Ku als hij ouder hen niet
moor dan tien dagen doorge*
bracht had, kwam hij al\' naar
Cesaréa; en des anderen daags
op den Heehterstoel gezeten
zijnde, beval hij dat i\'aulus
zeulde i\'OOfgehracbt worden.
7 Kn als hij daar gekomen
was, stonden do Joden die
van Jeruzalem afgekomen wa-
ren, loiidom hem, vele en zwa-
re beschuldigingen togen Pau-
lus Eu brengende, die zij niet
konden bewijzen;
S dewijl hij zieli verantwoor*
dende, zcide: Ik heb noch te*
gen de wet der Joden, noch
tonen den Tempel, noch tegen
don Keizer iets gezondigd.
9  Maar Festus willende den
Joden gunst bewijzen, ant-
woordde Paulua en zeide: Wilt
:-n naai\' Jeruzalem opgaan, eu
aldaar voor mij over deze dïu-
gen geoordeeld worden ?
10  Kn I\'aulus zeide: Ik sta
voor den Heehterstoel des Koi-
zers, waar ik geoordeeld moet
worden; den Joden heb ik
geen onrecht gedaan, gelijk
gij ook zeer wel weet.
11    Want indien ik onrecht
doe, en iets des doods waardig
gedaan heb, ik weiger niet te
sterven; maar indien er niets
aan ih van hetgeen waarvan
dezen mij beschuldigen, zoo
kan niemand mij hun uit gunst
overgeven. Ik beroep mij op
don Keizer.
12  Toen antwoordde Festus,
als hij mot den Raad gespro*
ken had: Hebt gij u op den
Keizer beroepen, gij zult tot
den Keizer gaan.
Ut Kn als eenige dagen voor*
hij gegaan waren, kwamen de
Koning A grip pa en Bernlce te
Cesarco om Festus te begroeten.
-ocr page 215-
IIANDELI
14    lin toen zij aldaar vele
dagen doorgebracht hadden,
heeft Festus de zaken viui Pau*
lus aan den Koning verhaald,
zendende: Hier is een zeker
mui) van Felix gevangen ge-
laten ;
15   0111 wiens wil, al» ik te
Jeruzalem was, de Overpries-
ters en de Ouderlingen der
Joden verschenen, begeerendc
vonnis tegen hein:
10 aan dewelke ik antwoord-
de, dat de Romeinen de ge-
wooute niet hebben eeuïgen
menscü uit gunst ter dood
over te geven, eer de beschul*
digde de beschuldigers legen*
woordig heeft, en plaats van
verantwoording gekregen hesl\'i
over de beschuldiging.
17 Als zij dan gezamenlijk
alhier gekomen waren, zoo
ben ik, geen uitstel nemende,
des ttaaua daaraan op den Rech-
terstoei gezeteu, en beval dat
de man zoude roofge bracht
worden:
IS over welken de beschuldi*
Kers hiei\' staande, Reene zaak
hebben ingebracht waarvan
ik vermoedde,
11) maar hadden tegen hem
eenigc vragen van hunnen
godsdienst, en van zekeren
Jezus die gestorven was, wei-
keu 1\'aulus zeide te leven,
20 Eu als ik over de onder*
zoeking van deze zaak in twü*
feliug was, zeide ik oi hij wil*
de gauu naar Jeruzalem, en
aldaar over deze dingen ge-
oordeeld worden.
-\\ Ku als 1\'aulus zich beriep
dat men hein tot de kennis*
nciuiug des Keizers bewaren
zoude, zoo heb ik bevolen,
dat hij bewaard zoude worden
ter tijd toe dat ik hem tot den
Keizer zenden zoude.
*-2 En Agrippa zeide tot Fes-
tus: Ik wilde ook zelf dien
luensch wel hooien. Eu hij
ïeide. Morgen zult gij hem
booren.
-i i!>\'.- anderen daags dan, als
NOEN 2J.                                     2i-7
Agrippa gekomen was en ller-
nice met grootc pracht, en
als zij ingegaan waren in liet
Reeb thuis met de oversten
over duizend Cll de itiauucn
die de voornaamsteu der stad
waren, werd 1\'aulus op bevel
van Festus fou/\'gebracht.
2-1 En Festus zeide; Koning
Agrippa, en alle gij mannen,
die met ons hier tegenwoordig
zijt, gij ziet dezen, van wei-
ken mij de gansche menigte
der Joden heeft aangesproken,
beide te Jeruzalem en hier,
roepende dat bij niet meer be-
hoort te leven.
•J5 Maar ik bevonden hebben-
de dat hj niets des doods
waardig gedaan had, en dewijl
hij ook zelf zich op den Kei*
zer beroepen beeft, heb be-
sloten hem te zenden,
2fi Van welken ik niets zekers
heb aan den lieer te BChrij-
ven; daarom heb ik hem voor
ulieden voorgebracht, en meest
voor u, Koning Agrippa,
opdat ik, nu gedane onder-
zoeking, wat bebbe te schrij-
veu ;
•2" want het dunkt mij tegen
rede, eeneu gevangene te zen*
den, en niet ook de beschul*
digiugen die tegen hem zijn,
te kennen te geven.
HOOFDSTUK 20.
EN Agrippa zeide tot 1\'aulus:
liet is u geoorloofd voor
uzelven te spreken. Toen strekte
Paulus de ha.id uit, en ver-
antwoordde zieh aldus:
2 ik acht niijzelveu gelukkig,
o Koning Agrippa, dut ik mij
lieden voor u zal verantwoor-
den van alles, waarover ik van
de Joden beschuldigd word;
:i allermeest dewijl ik weet,
dat gij kennis hebt van alle
gewoonte,i en vragen die on-
der de Joden zijn: duaroui bid
ik u dut gij mij lankmoediglijk
hoort.
4 Mijn leven dan van der
-ocr page 216-
HANDELINGEN 20.
-JlH
breeuwsche taal: Saul, Saut,
wat vervolgt gij mij ? Het is u
hard tegen de prikkels de ver-
zenen te slaan.
lü Eu ik zeide: Wie zilt gij,
Hecre? En hfj zeide; Ik beu
Jezus, dien gij vervolgt.
lfï Maar richt u op en ata op
uwe voeten; want hiertoe ben
ik u verschenen, oin u te stel-
len tot een dienaar en getuige
der dingen, beide die gij gezien
licht en in welke ik u nity zal
verschijnen,
17 verlossende u van dit volk
en i-\'-t de heidenen, tot dc-
welke ik u nu zend
is om hunne oogen te openen,
en hen te bekeeren vau de duis-
tcmis tot bet licht, en van de
macht des satans tot God;
opdat zij vergeving der zonden
ontvangen, en ecu erfdeel onder
de -ehei! i :>l i-.i, door het geloot\'
in in ij.
19  Daarom, o Koning Agrlppa,
ben ik dat hemelsch gezicht
niet ongehoorzaam geweest,
20  inaar heb, eerst dengenen
die te Damascus waren, en te
Jeruzalem, ei in het geheele
land van Judéa, en den lieide-
uen verkondigd, dat zij zich
zouden beteren en tot God
bekeeren, werken doende der
bekeering waardig.
•21 Om dezer zaken wil hebben
mij de Joden iu den Tempel
gegrepen en gepoogd om te
reugen.
32 Dan, hulp vau God verkrc-
gen hebbende, sta ik tot op
dezen dag, betuigende beiden
klein en groot, niets zeggende
bulten hetgeen de Profeten en
Mozes gesproken hebben dat
geschieden zoude -
:"i namelijk dut de Christus
lijden moest, cu dat hij, de
eerste uit de opstanding der
dooden zijnde, een licht zoude
verkondigen dezen volke en den
heidenen.
24 En als hij deze dingen tot
verantwoording sprak, zeide
Festus met groote stem\' Gij
jonkheid aan, hetwelk van den
bc-ri i ut\' onder mijn vol k te Jeru-
zalcm geweest is, weten alle
de Joden,
5 aU die sedert lang mij te
voren gekend hebben {indien
zij het wilden getuigen), dat
ik naar de nauwgezetste sekte
van on/.en godsdienst als een
Farizeër geleefd heb.
fi En nu sta ik en word geoor-
deeld over de hoop der belofte,
die van God tot de vaderen ge-
schied ia;
7  tot dewelke onze twaalf ge-
slachten, :- l ;i ri jlijk nacht en
dag God dienende, hopen te
komen; over welke hoop ik, o
koning Agripna, van de Joden
word beschuldigd.
8  Wat ? Wordt het bij ulieden
onjceloofelijk geoordeeld dat
God de doodcu opwekt ?
!i Ik meende waarlijk bij mij-
zclveu, dat ik tegen den naam
van Jezus van Nazaretii vele
wederpartij dige dingen moest
doen;
1(1 hetwelk ik ook gedaan heb
te Jeruzalem, en ik heb velen
van de heiligen in de gevange*
nissen gesloten, de macht van
de O verpriesters ontvangen
hebbende; en als zij omge-
braclit werden, stemde ik het
toe;
11  en door alle de Synagogen
heb ik ze dikmaal» gestraft en
gedwongen te lasteren; en bo-
venmute tegen hen woedend e,
heb ik ze vervolgd ook tot in
de buitcalandscha steden.
12    En als i k daarvoor ook
naar Damascua reisde, met
macht en last welke ik van de
Uverpriesters had,
13   zag ik, o Koning, in het
midden van den dug op den
weg een licht, boven den glans
der zou, vau den hemel mij en
degenen dij met mij reisden,
oinschijiicade;
14  en ais wij allen ter aarde
neder/gevallen waren, hoorde
ik ecne stem tot mij spre*
kende, en zeggende in de lïe-
-ocr page 217-
HANDEL
mast, Fnulus, de groote gc-
leerdheid brengt u tot razernij.
25 Maar hij zeide; Ik raas
niet, inacliti-ste Festus, maar
ik spreek woorden van waar-
licid en van een gezond ver*
stand.
2(5 Want de Koning weet van
deze dingen, tut welken ik
ook, vrij moed iirbeid gebruiken-
di\', spreek; want ik geloof niet
dat hem iets van deze dingen
verborgen is, want dit is in
peen en hoek geschied.
27 Gelooft jrfj, o Koning A*
iriippa, de Profeten? Ik weet
dat sjij ze gelooft.
2s Kn Agrippa zeide tot. Pau-
lus: Gij beweegt mij bijna eeu
Christen te worden,
29 Kn Paulns zeide: Ik
wenschte wel van God, dat èn
bijna èn geheel ijk, niet alleen
gij maar ook allen die mij he-
den booren, zoodai igen wier-
den gelijk als ik ben, uitgcno-
iik n deze banden.
31! En als hij dit gezegd had,
stond de Koning op, en de
Stadhouder, en Berniee, en die
met hen gezeten waren;
31 en ter zijde gegaan
zijnde, spraken zij tot elkan-
der, zeggende: Deze mensen
\'loet niets des doods of der bun-
den waardig.
-*- Ku Agrippa zeide tot Fea-
tus: Deze nienscli kon losgela*
ten worden, indien hij zieh op
den Keizer niet had beroepen.
HOOFDSTUK 27.
EX als het besloten was dat
wij naar Italië zouden afva*
i\'i\'n, leverden zij 1\'aulus en
(\'t\'nige andere arevan genen óver
a«n eenen hoofdman over hon*
derd, met nnnie Juliu», van de
keizerlijke bende.
2 En in een Adramytteensch
"chip gegaan zijnde, alzoo wij
"<•\' plaatsen langs Atië bevaren
zouden, voeren wij af; en Aris-
tarelms de Macedoniër van
•luessaloniea was met ons.
:NGEN 27.                                     3\'9
:f En des anderen daags kwa*
men wij aan te Sidon; en Ju-
lius vriendelijk met Paulus
handelende, liet htm toe tot de
vrienden te gaan om van, hen
verzorgd te worden.
4  En van daar afgevaren zijn-
de, voeren wij onder Cyprus
henen, omdat de winden una
tegen «aren ;
.i en de zee, die langs Cilicië
en 1\'aintylië is, doorgevareu
zijr.de, kwamen wij aan te
Myra in Lycië.
(I En de hoofdman aldaar een
schip gevonden hebbende van
Alexandrië, dat naar Italië
voer, deed ons in hetzelve over*
gaan.
7 En als wij vele dagen lang-
zaam voortvoeren, en uauwe-
lijka tegenover Cnidua geko-
men waren, overmits de wind
bet ons niet toeliet, zoo voeren
wij onder (\'reta henen, tegeu*
over Salmóne;
5  en hetzelve nauwelijks voor-
bijzeilende, kwamen wij in
eene zekere plaats, genaamd
Schoone-haveus, waar de stad
Lasea nabij was.
9  Kn als er veel tijd verloopen
en de vaart nu zorglijk was,
omdat ook de vasten uu voor-
bij was, vermaande Paulua ze
10  en zeide tot hen : Mannen,
ik zie dat de vaart zal gerichte-
den met binder en groote scha*
de, niet alleen van de lading
en van het schip, maar ook
van ons leven.
11  Doch de hoofdman geloof*
de meer den stuurman en den
schipper dan hetgeen van Pau-
lus Lrezegd werd.
IC Eu alzoo de haven ongele*
gen was om te overwinteren,
vond het meerencteel geraden
ook van daar te varen, of zij
soms te Fenix konden aauko-
niiiii om te overwinteren, zijn-
de eene haven in (\'reta, strek-
kende tegen het Zuidwesten en
tegen het Noordwesten.
13 Ku alzoo de zuidenwind
zacht waaide, meenden zij Uun
14
-ocr page 218-
INGKN :7.
vrcKtelt! worden; en rie, God
heeft u geschonken uilen die
ni\' t u voren.
•.\'"> Daarom Ztjt goed. .nned*,
mannen, want ik gclon.\' G id,
dat het atzóó zijn zal ir.liji.M--
wüs liet mij gezegd te.
•Jfi Doch wij moeten op ren
z?kcr eiland vervallen.
•27 Als mi de veertiend - recht
gekomen wa*, akoo wij in de
Adrintitehc :.o • herwiu;t< en
derwaarts eedreveu «erdeii,
omtrent het midden <les nacht»,
vermoedden de scheepslieden
dat hun eenig land naderde.
2"i Ku liet dieplood witge-
worpen hebbende, vonden zij
twintig vademen; eu een \\ < i-
liig voort gevaren zijmle, wier*
pen zij wederom het dieplood
uit, en vonden vijftien \\ade-
llten;
2\'J en vreezcude dat zij ercciit\'
op harde plaatsen wrvaliee
mochten, wierpen zij vier au-
keia van het ach terne Mp uit.
en weuschten dat her dag
wierd.
:<H .Maar als de scheepslieden
uit hei senip zochten te vlie-
deu, eu de boot ucdcrlieteii in
de zee, onder den schijn alsof
zij uit het vonrseiiïp de ai\'-ers
zouden uitbrengen,
:il Beide I\'miius tnt den lioofd*
miui en tot de krijgsknechten :
Indien dezen in liet schip nh .
blijven, kunt gij niet belmu-
deil worden.
\'M Toen hieuwen de kr"jir^-
knechten de touv.cn af\'a.ide
boot en lieten haar afvallen.
•Xi Kn oiidci-tusschcn dat het
dag zoude worden, vermaande
1\'uulus urn allen dal zij zouden
spijs nemen, eu zeide: Het
is heden de veertiende dag.
dut trij verwachtende blijft
zonder eten eu niets hebt ge*
nomen :
:t4 daarom vermnau ik u i-pfj*
te nemen, want dat dient tol
uw behoud; want niemand
van u zat een haar van het
hoofd vullen.
sio                        lïANPrr.
voornemen verkregen te heb-
ben, en afgevaren zijnde, /.<ii-
dcn zij dicht voorbij i\'rcia iu-
neu.
11 Maar niet lang daan-a
i-lor:* tegen hetzelve een sturi!i-
ttind, genaamd Kuroclydo:i;
15 on als het schip daarmede
weggerukt werd, en niet tegen
den wind kou opzcilen, Raven
wij liet on en dreven henen.
lfi Kii looneude onder een ze-
ker eilandje, genaamd • iuu-
da, kouden v.ij nauwelijks de
hont machtig H-ordent
17  dewelke opgehaald hebben-
de, gehriiiktcn zij aUr hulpmid*
delen, bet schip ondcrinnl\';i-
de; rn ai^oo zij vreesden dat
zij on de itioo<tte Syrris ver.nl-
It\'ti zonden, streken zij het teil
en dreven alzoo benen;
18   en alzoo wij van liet 0li-
weder geweldiglij k geslingerd
werden, deden zij den volgen*
den êag eei en uitworp,
11> tu den derden daff \\\\ ierpen
wij met onze els-ene handen
liet scheepsgerccdschap ui:;
2ii en n!s noch zon uoeli rre*
stcmtcu verschenen in vele, dn*
gen, en geen klein onweder ««k
drukte, zoo werd om voorts
alle boon van behouden te wor*
den benomen.
21   Ku als m. ii langen tij.1 zon-
der eten geweest was, toen
stond Paulus b/< in het middeu
van ben, en Kefdc; O mannen,
men behoorde mij wel gehoor
gegeven e hebben en van Cre*
ta niet afgevaren te zijn, en
dezen iiimier en ileze schade
verhoed te hebben.
22   Doch al mui vermaan ik
ulieden goedsmoeds te zijn;
v.ai\'.t daar zal geen verlies ge*
nchieden van iemnad» leven on-
der u, maar alleen van het
schip.
23   want dezen zelfden nacht
heeft bij mij gentaun een Kogel
fiods, wiens ik ben, welken
ik ooi; dien.
£J zeggende; Vrees niet. Vau-
lus, gij moet voor den Keiier
-ocr page 219-
UANDEUXGE3 28.
r>5 Eu ala hij dit gezegd en
brood irenoincn luul, dankte
hij GuJ in aller tegen woord ig-
licid, en hetstlvt gebroken beb-
boude, begon \'iij te t\'ti\'si.
36 Kn -iij alle.i gocdtmncds
geworden zij • de, namen ook
zclven B{)jjs.
;s; Wij waren uu in bet schip
in ailfü tweehonderd zes cm
zeventig ziele*),
3* Eu als zij met «pfjs "erza-
dïgd waren, liclitteii /ij liet
schip en wierpen liet !.ureu uit
in de zei\'.
M Kn tuen hu dn-j werd, kcn-
dcu zij bet ia:.il uict; luoar zij
merkten ecueu zekeren\'inham
die eeucu oever «ad, tegen
deuweikcu zij geraden vonden,
zoo /.ij kouden, In-t scliip aan
te zetten.
4\'\' Kn als zij de ankers op-
gehaald hadden, gaven zij /.rt
schip
aan de zee over, meteen
de rarrlutudeii loMuukci.de; en
liet razeil naar den wind op-
gehaald hebbende, liieldeu zij
net «aar dcu oever iol\'.
11 Maar \\ervulleide op eene
plnats die de zee aan beide
zijden luid, zetten zij liet schip
daarop; en het voon-cuip vast-
zittende, bleef onbeweeglijk,
maar bet achterschip brak van
het geweld der baren.
4J Ue raadslag uu der krijgs-
lieden was, dut /.ij de gevnu-
Kenen zouden dunden, opdat
«ieinaiid on u wemmen zijnde,
zoude ontvlieden;
•lif maar de hoofdman willen*
de Paulus behouden, belette
bun dat vooriieiuen, en beval
dat degenen die zwemmen kon-
den, zicb eerst zouden afwerpen
<".\' aan land komen,
•M en de anderen, sommigen
\'M» .planken, en loiniutecn op
\'"enige stukke.t van bet schip.
Kn alzoo is het -.;eaeiiied dat
*lJ allen behouden aan laud
^\'^komeii zijn.
IIOOFDSTL\'K 24.
EN als zij ontkomen waren,
Uien verstonden zij dat bet
eiland Melite iuvtre.
- Kn de barbaren bewezen on:;
geen geweeue vriendelijkheid;
w^ut een -*root vuur ontstoken
hebbende, nauien zij iiiii allen
in, oin den reven dlë opkwam,
en oiu de koude.
:f Ku als Paulus een hoon rij-
zen bijeengeraapt en op bet
vuur geleïd liatl, kwam er e.nc
adder uit door de likte en vatte
zijne hand.
4  Kn als de barbaren het berst
aan zijne baud zagen uaugcu,
zeiden zij tot elkander: Deze
meiiacb is (few isbelfjk een dood-
slager, welltcii de wraak niet laat
leven, daar iiij uit de zee out*
komen is.
5  Maar bij i-ehudiie bet bce:>t
at\' iu bet vuur, en leed niets;
kwaads;
(! en zij verwachtten dat bij
zoude op/, wellen nt\' ter.-tinin
dood Deuervalleu. Maar als zij
lang verwacht hadden en zagen
dat geen oiuccmak over bein
kwam, veranderden zij en zei-
den dat bij een god was,
7 Ku hier omtrent die plaats
luid de voornaamste van bet
eiland, met name 1\'ulilius, zijne
land boeven, die ons ontving
en drie dagen vriendelijk ber-
ben.de.
« Kn bet geschiedde dat de
vader van L\'ubiiuM, nut Lmrt*
se:i en den ronden loop bevau*
gen zijnde, te bed lag; tot den-
welken l\'aulut Inging, en alu
liij gebeden bad, leide Lij de
banden op neiu, en maakte hem
gezond.
9 Als dit dan geschied was,
kwamen nok tot uem de aude>
reu die krankhedt\'ii badden o|)
liet eiland, en werden genezen:
1" die ons ook eerden nut veel
eer, en als wij vertrekken xou*
deu, bestelden zij ons hetgeen
van uoode waa
-ocr page 220-
212                                    IIANDELI
11  En na drie maanden roe-
ren wij af ii. een schip van
Alexaudrte, dnt op het eiland
overwinterd liad, hebbende tot
een teekeu Castor en Pollux.
12  Ku nis wij te Syraeuse aan*
gekomen waren, bleven wij
aldaar drie dagen;
13  viui waar wij ontvoeren en
te Ithegium aankwamen; en
als na éénen dag de wind Zuid
werd, kwamen wij den tweeden
da.; te Putéoli:
14  alwaar wij broeders vonden,
en werden gebeden zeven dagen
bij hen te blijven; e:i alzoo
gingen wij naar Rome.
15   Lu van daar kwamen de
broeders, van onze zaken ge-
boord hebbende, ons te gemoet
tot Appiusmarkt en de Drie*
Tnberi.cn; welke I\'aulus tien*
de, dankte hij God en greep
moed.
1(1 Eu toen wij te Rome ge-
komen waren, gaf de hoofd-
man de gevangenen over aan
den overste des Ie.\'er»; ninar
aan 1\'aulus weid toegelaten op
ziehzelven te wonen met den
krijgsknecht die hem be-
waarde.
17  Bn bet geschiedde na drie
dagen dat Paului samenriep
degenen die de voornaamsten
der Joden waren; en als zij
samengekomen waren, zeide hij
tot hen: Mannen broeders, ik
die niets gedaan heb teren het
volk of de vaderlijke gewoon*
ten, ben gebonden uit Jeruza-
Iciii overgeleverd in de handen
der Romeinen,
18   dewelke mij onderzocht
hebbende, mi) wilden loslaten,
omdat geene schuld des doods
in mij was;
L9 maar als de Joden -. til i
tegenspraken, werd ik genood*
zaakt mij op den Keizer te bc-
roeiMto, dor/i niet alsof ik mijn
volk van iets te beschuldigen
had.
2ü Om deze oorzaak dan heb
ik u bij mij geroepen, om « te
zien en aan te spreken; want
NGEN 33.
vanwege de hope Israï-ls ben
ik met deze keten omvangen.
21  Maar zij zeiden tot hein:
Wij hebbeu uoeb brieven uaau-
gaaude van Judéa ontvangen,
noch icina.id va i de broeders
hier gekomen zijnde, heeft van
u iets kwaads geboodschapt of
gesproken,
22  Maar wij begeeren wel van
u te ho,nvn, wat -.\'ij gevoelt;
want wat deze sekte aangaat,
ons i-i bekend dat ze overal
tegen ;e-s)>ioki:.i wordt.
2! Ku aU /.ij hem eeucn dag
gesteld nadoe i, kwamen er
velen in zijne woonplaats; den-
welken li ij bet Koninklijk
(Jods uitleide, en betuigde, en
poogde beu te bewegen tot bet
geloof va i Jezus, beide uit de
wet van Mozes en de Profeten,
van *s morgens vroeg tot den
avond toe.
21 Kn sommi \'en geloofden wel
hetgeen gezegd werd, maar aom-
ïuigcu geloofde,t niet;
2S en te reu elkander oneens
zijnde, scheidden zij, als Pau-
lus dit ééae woord gezegd bad,
namelijk; U\'èl heeft de Heilige
Geest gesproken door Je>aja
den Profeet tot onze vade-
ren,
W zeg-.re.ide: Ga henen tot
dit volk, en zer: Met het ge-
hoor zult _-ij l ooren en geetis-
zius verstaan, en ziende zult
gij zien en geenszins beiucr-
keu;
27 want hot hart dezes volks
is dik geworden, en met de
ooren hebbeu zij sgwaarlijk gc-
hoord, en hunne ooreu hebben
/.ij toegedaan; opdat zij niette
eeuiger tij tl met de oogeu zou-
den zien, en met de ooren hoo-
ren, en met het hart verstaan,
en zij zich bekeereu en Ik he.i
genese.
2S Het zij u dan bekend, dat
de iiligheid Gods den heide-
uen gezonden is, en dézen sul*
leu hooren.
2\'J Eu als hij dit gezegd bad,
gingen de Joden weg, veel
-ocr page 221-
ROMEINEN 1.
•:i:s
twisting hebbende onder eik-
ander.
:}\'.i En Paulus bleef twee gc-
heolc jaren in zijne eigene ge-
huurde woning, en ontving
allen die tot hem kwamen,
"1 predikende liet Koninkrijk
God», en loevende van den
lleere Jezus Christus met alie
vrijmoedigheid, ouviihindeid.
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
ROMEINEN.
in het Evangelie zijns Zoons,
hoe ik zonder nalaten uwer
gedenk,
10  te allen tijde in mijne ge-
beden biddende, of niogelijk
mij nog te eeuiger tijd goede
gelegenheid gegeven wierd door
den wil Gods om tot ulieden
te komen.
11  Want ik verlang om u t<
zien, opdat ik u eeuige geeste-
lijke gave mocht niededeelen,
ten einde gij versterkt zoudt
worden :
12  dut is, om mcdevertroosl
te worden onder u, door het
onderling geloof, zoo het uwe
als bet mijne.
13   Hoen ik uil niet dnt u on-
bekend zij, broeders, dat ik
menigmaal voorgenomen heb
tot u te komen (en ben tot
nog toe verhinderd geweest),
opdat ik ook onder u eeui.re
vrucht zoude hebben, gelijk
als ook onder de andere hei-
den en.
14  Beiden Grieken en bnrba-
ren, beiden wijzen en onwij-
zen ben ik een schuldenaar:
15  alzou hetgeen in inii is, dat
is volvaardig om u ook die te
Rome zijt, het Evangelie tu
verkondigen.
KI Want ik schaam mij des
Evangelies van Christus niet;
want het is eene kracht Gods
tot zaligheid een iegelijk die
HOOFDSTUK 1.
PAULUS, een dienstknecht
vun Jezus Christus, een
„\'croepeii Apostel, afgezonderd
tot het Evangelie Gods
•2 (hetwelk Hij te voren bc-
lootd had door zijne Profeten,
in de heilige Sehvii\'tcu),
3 van zijnen Zoon, (die ge-
v.orden is uit den zudc Davids
nanr het vleesch;
•1 die krachtiglijk bewezen
is te zijn de Zoon fioils naar
«len Geest der heiligmaking,
uit de opstanding der dooden),
mtmelijk Jezus Christus onzen
lleere
5 (door welken wij hebben
ontvangen genade en liet Apos-
telschap, tot gehoorzaamheid
des geloofs onder alle de hei-
denen, voer zijnen imam;
fi onder welke gij óók zijt,
geroepenen vun Jezus CUriB-
tus):
7 allen die te Rome zfjt, ge-
liefden Gods en et roepene hci-
Ügen, genade zij u en vrede
van God onzen vader cd den
Heere Jezus Christus.
« Eerstelfik dank ik mijnen
God door Jezus Christus over u
allen, dat uw geloot\' verkondigd
Wordt in de gekeele wereld.
9 Want God is mijn getuige,
welken ik dien in mijnen geest,
-ocr page 222-
ixek 2.
gingen; want ook hunne vrmt-
wen hebben het natuur! ij \'n
vrebruik veranderd in het ye-
bruut
teren natuur,
ij" en in i elijks ook de man*
tien nalatende bet natuurlijk
gebruik der vrouw, zijn verhit
gewordt;.] i,t hunnen lust te-
gen elkander, mannen niet
mannen Bchaudclïjklieid bc-
drijve. de, en de vergelding
van biiiine dwaling die ilattrtoe
behoorde, in aichzclveu ont-
vangende.
2-4 Ku gelijk het hun niet goed-
gedacht heeft God in erkeiito
i:is te boude i, zoo beeft God
ze overgegeven in eeuen ver-
keerden zin, om te doen dhi-
gen die niet betamen:
29 vervuld zijnde met alle on-
gerechtigheid, hoererij, boci*-.-
heid, gierigheid, kwaadheid;
vol van nijdigheid, moord,
twist, bedrog, kv,nadanrdig-
hcid;
;<n oorblaxera, achterklapncrs,
haters van Gnd, vniaders, hoo-
vaardlgcui laatdui. kenden, nit-
viuders van kv.ade dingen, den
ouders ongehoorzaam;
:tl oiiverstmidigeu, verbond-
brekers, zo, der natuurlijke
liefde, o: i verzoen lijken, OU*
barniijnrtigeii:
"J deutlkc daar zij het recht
Gods weten [namelnk dat de-
tïeuen die zulke dingen doen,
des doods waardig zijn!, niet
alleen dezeive doen, ninr.r ook
mede een welgevallen hebben
ui degenen dit\' ze doen.
HOOFDSTUK 2.
DAAROM zijt "ij niet te vcr-
ontsehuldlgeu, o ntcnseh,
wie gij zijt, die ttwtcren ooi-
deelt; want v,aari\\ gij een an-
der oordeelt, veroordeelt g$J
UXelven; wa.it "ij die amfeir/t
oordeelt, duet dezelfde dingen.
2 Ku wij WetCll dat liet oor-
deel Gods nisar w:\\arheid is o\' er
degenen die zi ll.e dingen doen;
:: en denkt gij dit, o mensch.
SM                                         ROME
gelooft, ncrst den Jood, e» ook
den Griek.
1" Want de rechtvaardigheid
Gods wordt in hetzelve goonen-
baard uit geloof tot geloot\',
gelijk geschreven isi naarde
rechtvaardige zal uit liet ge-
loot" leven.
IS Want de toorn Gods wordt
geopenbaard van den hemel
over alle goddeloosheid en on-
gcrechtigbeid der menachen,
at» die de waarheid in on*xe-
reehtiglieid ten onder houden:
l\'.i ovennit.\' hetgeen van God
kennelijk is, in hen openbaar
is; want God heet\'t het kun
geopenbaard.
2i> Want zijne onzienlijke din-
gen worden «an de schepping
der wereld aan uit de schepsc-
len verstaan en ititor/.ien, oei-
de zij in\' eeuwige kracht en
Goddelijkheid, omhrt zij niet
te verontschuldigen zouden
zijii;
21   omdat ..ij Gnd kennende,
Hen als God niet hebben ver-
heerlijkt ot\' gedankt, maar
zijn verijdeld geworden in
hunne overleggingen, en hun
onverstandig hart is verduis-
terd geworden.
22  Zich uitgevende voor «ij-
zon, zijn zij dw;ia^ geworden,
J\'i en hebben de hceriijklici i
de\' onverdi-iielijken Gods ver-
anderd in de gelijkenis een*
beelds van een verderfelijk
iiiensch, en van govog.-ltc, en
van viervoetige en kruipende
gedierten,
2l Daarom heeft God ze ook
overgegeven in de begeerltfk-
beden hunner harten tot on-
rrinirliiid, om btitinc liclia-
men raider elkander te out-
ceren:
nis die de waarheid Gods
veranderd hebben in de lengen,
en het schepsel geëerd en gc-
diend hebben boven den Sehcp-
per, die tr prijzen is in der
eeuwigheid. Amen.
2<i Danrom heeft God ze over-
gegeven tot oneerbare bcwc-
-ocr page 223-
ROMKI
die oordeelt degenen die zulke
diugc.i doen, r.i dezelve doet,
dat v-ij liet oordcel Goda zult
ontvlieden ?
4 Of verae!:t \'MJ don rijkdom
zijner goedertieren beid eu ver-
draai^anuilieid en lankmoedig*
beid, uiet wetende dat de poc-
derticrcnbeid Gods u tot l»e-
kecriug leidt?
ó Maar naar uwe hardtgheid
esi unbekecriijk hart vergadert
srii itzclven toom nis eeu Bvliat
in den dag des toonm en der
openbaring van bet rechtvaar*
diiï oordeel Gods,
\'S welke een iegelijk vergelden
zal naar zijne werken:
7deugeneu wel, die met vol*
bardiug in goeddoen heerlUk*
lieid eii eer eu n:i verderfelijk*
lieid zoeken, bet eeuwige leven;
s maar deilffeiicn die t\\vist-
fficrig zijn, en die der waar-
licid onirehnorzaain doch der
ongerechtigheid i*choorzaunt
zijn, zul verholenheid en toorn
vergot.tttt wordem
ïi verdrukking en benauwd beid
over alle ziel den menta-hen
die liet kwade werkt, eerst
van den Jood, en ook van den
Griek;
Ui maar heerlijkheid en eer
en vrede een iegelijk die bet
KOedc werkt, eerst den Jood,
en ook den Griek.
1! Want daar ia geen aniine-
minr «les persoon* bij God.
12 Want zoovelcn al> er zon-
der v.vt gczo^üik\'d lieblie.:, zni-
len ook zonder wet verloren
"aan; en zoovelcn n\\* eronder
de wet gezondigd hebben, zul-
li\'n door de wet geoordeeld
borden;
|\'l (want de hoorders der wet
ziju uiet rechtvaardig voor Ood,
\'naar de daden der wet zullen
gerechtvaart)! :d worden;
,1.1 want wanneer de heidenen,
die de wet niet hebben, van
aattirc de dingen doen die der
}\'\'\'t zijn, dezen de wet niet heb-
i);;ni:-, /.iu, zichselveueene wet,
lo at& die bewonen bet werk
XEN 2.                                         513
lilt!
RCuaalud, en rust op de v,ct,
eu roeiut op Gul;
IS eu ::ij wii-t zit.trn v, il, e»
ai\'ecTóuderrichtcr der oimij-
\'-J1 Die dim ecu ander leert,
!S£«„ ÏÖ\'JS!
iiiliii
•I Walit de naam finds wordt
ff KKÜ ÖSÏ-JJBS:
rechten der wet bewaart, zal
is Waut die is niet een Jood,
-ocr page 224-
ROME
INEN 3.
ken, dat ze allen onder de
zunde zijn,
IU gelijk geschreven is: Paar
is niemand rechtvaardig, ook
niet ééu;
11    daar is niemand die ver-
standig is, daar is uieinand die
God zoekt;
12   allen zijn zij afgeweken,
tezamen zijn zij onnut gewor-
den, i!aar is niemand die goed-
doet, daar is ook niet tot ééu
toe;
13  hunne keel is een geopend
graf; met huuue tongen plegen
zij bedrog; slangen venijn is
onder hunne lippen;
14   welker mond vol is van
vervloeking eu bitterheid;
15  hunne voeten zijn snel om
bloed te vergieten;
Ifi vernieling en ellendigheid
is in hunne weven,
17 eu den we* des vredes heb-
beu zij niet gekend :
IS daar is geen vreeze Gods
voor hunne oogcu.
19 Wij weten nu dat al vrat de
wet zegt, zij dat spreekt tot
degenen die onder de wet zijn,
opdat alle mond gestopt worde
en de geheele wereld roor God
verdoemeiljk 7.\\\\ -.
2ii daarom zal uit de werken
der wet geen vlcesch gerecht\'
vaardigt! worden voor llem;
want door de wet is de kennis
der zonde.
21  Maar nu is de rechtvaar*
digheid Gods geopenbaard ice-
wordeu zonder de wet, heb-
bende getuircuis van de Wet
en de 1\'rut\'etcu :
22   namelijk de rcclitvaardiir-
beid Gods door bet geloot\' van
Jezus Christus, tot allen en
over allen die treiooven; want
daar is geen onderscheid.
23  Want zij hebben allen ge-
londigd eu derven de heerlijk-
heid Gods,
24  en worden oin niet gereeht-
vaardigd uit zijne genade door
de verlossing die iu Christus
Jezus is,
25    welken God voorgesteld
216
die het iii \'t openbaar is,
noch ttic is de besnijdt nis, die
bet iu \'t openbaar iu liet
vlecsch is:
29 maar die is een Jood, die
bet in \'t verborgen is; en de
besnijdenis dc» harten, iu den
geest, niet in de letter, is de
besmj\'lr.tis;
wiens lol niet is uit
de menschen maar uit God.
HOOFDSTUK 3.
WEI-K is dan bet voordcel
van den Jood, of welke is
de nntti-rbeid der besnijdenis?
2  Veel in alle manier. Want
dit is wel liet eerste, dat hun
de woorden (ïods zijn toebe*
trouwd.
3  Want wat is \'t. al zijn som-
migen ongeloovig ireweeat? /al
hunne on\'-elnovi\'-heid bet ge-
loof Gods te niet doen?
4  Dat zij verre; doeb God zij
waarachtig, iimnr alle menseh
leugenachtig, gelijk als ge-
schreven is ; Opdat Gij gerecht*
vaardigd wordt in uwe woor-
deu. en overwint waaneer Gij
oordeelt.
5   la lien na onze ongerech-
tigheid Gods gerechtigheid be-
vestigt. wat zullen wij zeggen ?
Is Gttd onrechtvaardig als Hij
toorn over ons brengt (ik
spreek naar den menseh)?
f< Hat zij verre; anders boe zal
God de wereld oordeelen ?
7    Want indien de waarheid
Gods door mijne leugen over-
vloediger is geworden tot zijne
heerlijkheid, wat word ik ook
nog als een zondaar gcoor*
decld,
8    en tfij0fn wn niet liever
(gelijk wij gelasterd worden, en
gelijk sommigen zeggen dat wij
zeggen): Last ons liet kwade
doen. opdat tiet goede ttttarnit
home? Welker verdoemenis
rechtvaardig is.
•J Wat dan? Zijn wij uitne-
inender"\' Gnuschelijk niet;
want wij hebben te voren be-
uchnldi <l beiden Joden en Grie-
-ocr page 225-
HOM EI
heeft fot eene verzoening door
het geloof in zijn bloed, tot
eene berooning va» zijne recht»
vaardigheid door de vergeving
der zonden, die te voren gc-
Bchied zijn onder de verdraag*
zaamhcid Gods,
2fi tot eene bctooning van zij-
ne rechtvaardigheid in dezen
tegemroordigen tijd; opdat ltij
rechtvaardig zij, en recht.aar-
i!L_ru-. iii- dengenen dit\' uit het
geloof van Jezus is.
•27 Waar is dan de roem? Hij
is uitgesloten. Hoor wat wet?
Der werken? Neen, muur door
de wet drs gelooft.
SS Wfj besluiten dan dat de
men se ii door liet geloof ge*
reehtvaaidiL\'d wordt, zonder de
werken der wet.
29 Is God een Gotl der Joden
alleen, en is Hij het ook niet
der heidenen? Ja, ook der hei*
deur 11:
\'M nademaal Hij ren éénig God
is, tl ie de besnijdenis recht*
vaardigen zal uit net geloof, en
de voorhuid door het geloof.
:tl Doen wij dun de wet te niet
door lier geloof? Hut zij verre;
maar wij bevestigen de wet.
HOOFDSTUK 4.
WAT zullen v,ij dan zeggen
dat Abraham onze va*
der verkregen heeft naar het
vleeschr
\'2 Want indien Abraham uit
de werken gerechtvaardigd is,
zoo heeft hij roem, maar niet
hij God.
» Want wat zetrt de Schrift?
Bn Abraham geloofde God, en
net i» hem gerekend tot recht*
vaardigheid.
4   Nu, dent-Piicn die werkt,
wordt het loon niet toegere-
keud iionr genade, maar naar
Bchnldi
5  doch dengenen die niet werkt,
niaar gelooft in Hem die den
goddelooie rechtvaardigt, wordt
zrjo geloof gerekend tot recht-
vaardigheld;
NKN 4.                                        517
fi gelijk ook Pavid den nienseh
talig smeekt welken God de
rechtvaardigheid toerekent zou-
der werken,
7 teggende: Zalig zijn ze wel*
ker ou gerechtigheden vergeven
zijn en welker zonden bedekt
zijn,
s zang is de man welken de
Ileere de zonde niet toerekent.
y Deze zaligspreking dan, ia
die alleen over de besnijdenis
of ook over de voorhuid * Want
wij zeggen dat aan Abraham
het geloof gerekend is tot recht*
vaardigheid.
|(l Hoe is \'t bent dan tocge-
rekend? AIn hij in de besnjj-
deuis wan of in de voorhuid?
.Niet in de besnijdenis, maar in
de voorhuid.
11  Ku hij heeft het teeken der
besnijden» ontvangen tot een
zegel der rechtvaardigheid des
geloof*, die hem in de voorhuid
wat totgtrekend, opdat hij zou-
de zijn een vader van uilen die
gclooven, in de voorhuid zijnde,
ten einde ook hun de reent*
vaardigheid toegerekend worde,
12  en een vader der beanljde*
nis, densrenen mime\'.\'nk die niet
alleen uit de besnijdenis zijn,
maar die ook wandelen in de
voetstappen des gelooft van
onzen vader Abraham, hetwelk
in de voorhuid was.
18 Want de belofte ia niet
door de wet aan Abraham of
zijn zaad geschied, namelijk
dat bij een erfgenaam der
wereld Zoude zijn, maar door
de rechtvaardigheid des ge-
looft.
N Want iudicn degenen die
uit de wet zijn, erfgenamen
zijn, zoo is het ircloof ijdel ge-
wordeii en de belofteuil te niet
gedaan.
16 Want de wet werkt toorn;
want waar geene w et is, Udér is
ook geene overtreding.
ifl Daarom is ze uit het ge-
loof, ondat ze naar genade zij,
ten einde de belofte vast zij al
den zade, niet allecu dat uit de
-ocr page 226-
ROME]
21S
NEN S.
de hoop der heerlijkheid Gods.
:t Kii i iet alleen dit, maar wij
roemen ook in de verdmkkiu-
iieii, wetende dat de verdruk-
king lijdzaamheid werkt,
•1 en de lijdzaamheid berin-
ding, en de bevinding hoop:
"> en de hoop beschaamt niet,
omdat de liefde Gods in onze
harten uitgestort is door den
Heiligen Geest, die ons is ge-
geven.
(> Want Christus, als wij nog
krachteloos waren, is te zfjner
tijd voor de goddeloDXeti ge-
sforveu.
7 Want nauwelijks zal iemand
voor eeiicu rechtvaardige ster-
ven; want voor den \'roede zal
mogelijk iemand ook bestaan
te sterven;
s maar God bevestigt zijne
liefde jegens ons, dat Christus
voor ons gestorven is als wij
nog zondaars waren ;
Ü veelmeer dan, zijnde nu ïc-
rcchtvaardi_:d door zijn bloed,
zullen wij door hein behouden
Worden van den toorn.
1(1 Want indien wij vijnnden
zijnde, met God verzoend zijn
door den dood zijns Zoons,
veelmeer zullen wij verzoend
zijnde, heiiuuden worden door
zijn leven;
11  en niet alleenlijk Hit, maar
wij roemen ook iu God door
onzen Heere Jezus Christus,
door welken wij m\\ de vcrsoe-
ning gekregen hebben.
12  Daarom gelijk door cénen
meDSCU de zonde in de wereld
ingekomen is, en door de zoude
de dood, en alzoo de dood tot
alle inenselien doorgegaan is,
i:i welken allen gezondigd heb-
ben ;
1:1 want tnt de wet was de
zonde in de wereld; maar de
Koude wordt niet toegerekend
als er geen wet h;
11 maar de dood heeft ge-
heerscht van Adam tot Mozes
toe, ook over degenen die niet
«czondisrd luidden in de gelijk*
heid der overtreding Adams,
wet is, mr.nr ook dat uit liet
geloof Abrahams is, welke is
ecu vader van ons allen
i7 (trelijk gc:- e breven staat :
Ik heb u tot een vader van vele
volken gesteld); voor Hem aan
welken liij geloofd heeft, Kff-
meliik God dit; de dooden le-
veud maakt, en roept de din-
c. 11 die niet zijn, alsof se wa-
re,i.
H Welke tetren hope np bone
geloofd heelt, dat hij zoude
worden een vader van vele vol-
ken, volgens het .reen gelegd
was: Al\'.ió aal uw zaad wezen ;
ly en niet verzwakt zijnde in
*t geloof, beeft hij zijn eigen
lichaam niet aangemerkt dat
aireede verstorven wa», alzoo
hij omtrent honderd jaren oud
WW, noch ook dat de moeder
in Sara verstorven was;
20  en hij heeft aan de belof*
tenis Gods niet getwijfeld door
ongeloof, maar is gesterkt ge-
weest in \'t geloof) geveildeGodc
de eer,
21  en len volle verzekerd zij::-
de dat hetgeen beloofd was,
Hij ook machtig was te doen.
22  Daarom is bet hem ook tot
rechtvaardigheid gerekend.
23  Nu is het niet alleen om
zij:ient\\vil geschreven, dat het
hem toegerekend i\',
24   maar ook om onzent wil.
welken het z;il toegerekend
worden, uameliik dcuaeneu die
gelooven in il cm die .lezn.-
onzen Heere uit de dooden op-
g ".vekt heeft,
\'j\'< welke overgeleverd is om
0\'...:e zouden ei: op-rewekt om
o:.ze rechtvaardigmaking.
HOOFDSTUK 6.
WIJ dan jrereehtvaardi^d
zijnde uit het geloof, lieb-
ben vrede hij God door onzen
Heere Jezus Christus;
2 door welken wij ook de
toeleiding hebben «foor \'t ge-
looi\' tot deze genade in \\vel-
ke wij staan en roemen i:i
-ocr page 227-
hojik
welke em voorbeeld is desge*
umi die komen /.oude.
!.\'i Doeli uiet gcIMkde misdaad,
alzwó is ook de genade .it\'t.
Want indien door de misdaad
va» ééneu velen gestorven zijn,
zoo is veelmeer di: genade Gocls,
en de gave door de genade, die
daar is vu» ééiien nienseh Jezus
Christus, overvloedig geweest
nver veleu.
Ui En niet gelijk de êekmld tra*
iltinr den ééne» die gezondigd
heeft, dl:óó in de gift. Want
de soliuld is wel uil t-é.n* min-
itmtd
tot verdoemenis», maar do
geitadcgift is uit vele misdaden
fit rechtvaardiginaking.
17 Want indien door de inis-
daad va» één on do dood ge-
lieerscltt heef) door dien éénen,
• eelmeer sullen degenen die
den overvloed der genade en
dor gave dor rechtvaardigheid
ontvangen, in bet leven lieer*
1 hen door dfen éénen, namelijk
••ozus Christus.
H Zoo dan "olijk door ééne
ittNdaad dr? ariiuld gekomen is
«ver allo mensebeu tot verdoe*
menis, al/.ón ook door ééne
rechtvaardigheid komt de genade
over alle nieuw*, hen tot recbt-
vaardigmakiug des levens 1
19 want gelijk door de onge*
lioorxaamheid van dien éénen
menseh vele» tot zondaars ge-
•lold zij» geworden, alxód znl-
li\'n ook door de gehoorzaamheid
van éénen velen tot rechtvaar»
dip*cn gesteld worde».
,-Hi Maar do wet is bovendien
ingekomen, opdat do misdaad
ti\' meerder worde; en waar do
ü\'mde meerder geworden is,
daar ia de genade veel meer
overvloedig geweest;
81 opdat telijk de zonde ge-
heerscht been tot de» dood,
al zóó ook do genade zoude
ueersebcn door rechtvaardig;"
lield tot bet eeuwige leven,
door Jezus Christus onzon
HOOFDSTUK fi.
WAT zulle» wij dan zeggen?
Kullen wij in de zoude
blijven, opdat de genade te
meerder worde ?
2    Dat zij verre. Wij die der
sonde gestorven zijn, hoe sul-
len wij iios iu dezelve leven?
3  Of weet gij niet, dat zoowie»
als «ij in Christus .k-zus ge-
doopt zijn, wij iu zijnen dood
gedoopt zij» ?
4  Wij zijn dan mot lioni begra-
ven door den .loop in de» dood,
opdat gelijken*, ijs Christus uit
de doodo» opgewekt is tot do
heerlijkheid des Vaders, alzóó
ook wij in nieuwigheid des
levens wandelen zoude».
\'t Want i ml ion wij met hem
ééne plant geworden zij» i» de
gelfjkïnakibg zijns doods, zoo
zulle» wij het ook zijn in de
getijkmakitta tutter
opstanding,
ii dit wetende dat onze oude
menseh niet t,em gekruhdgd is,
opdat het lichaam der xoude te
niet gedaan worde, opdat wij
niet moer de zoi.de dienen;
7 want die gestorven is, die is
gerechtvaardigd va» de zonde.
5  Indien wij nu met Christus
gestorven zijn, 200 golooven wij
dat wij ook niet hein zullen
leven,
ü wetende dat Christus opge*
wekt zijnde uit de doeden, niet
meer sterft; de doud becracht
niet meer over hem.
10  Want wat hij gestorven is,
dat is hij Uer zoude éénmaal
gestorven; en wat hij leeft, dat
loeit hij Gode.
11   Alzoo ook gijliodon, houdt.
het daarvoor dat gij wel dor
sonde dood zijt, maar Gode
levende zijt in Christus Jezus
onzon Heere.
12  Dat da» de zonde niet heer-
sehe i» uw sterfelijk lichaam,
om haar te gehoorzame» in
de begeerlijkheden van dat
Heiman:
13    K» stel: uwe leden niet
-ocr page 228-
220                                         ROME
fier zonde tot wapenen «Ier on-
gerechtigheid, maar stelt uzel-
veii Gode als uit de doodeti lc-
vend geworden zijnde, en stelt
uwe leden Gode tot wapenen
der gerechti ;heid.
11 Want de zonde zal over u
niet heerachen; want gij zijt
niet onder de wet maar ouder
de genade.
ia Wat dan? Zullen wij zon-
digcu, omdat wij niet zijn on-
der de wet maar ouder de gc-
iiade\'r Dat zij verre.
lf> Weet gij niet, dat wlen \'rij
uzelven stelt tot dicnstkiieeii-
teu ter gehoorzaamheid, gij
dienstknechten zijt deseeiieu
wien gij gehoorzaamt, oi\' der
zoude tot den dood, öl\' der
gehoorzaamheid tot gerechtig*
hcidr
1/ Maar Gode zij dank, dat
gij wel dienstknechten der
zoude waart, maar dat gij "«
van harte gehoorzaam gewor*
den zijt aan het voorbeeld der
leer tot hetwelk gfj overgege-
ven zijt,
18   en vrijgemaakt zijnde van
de zonde, zijt gemaakt dienst*
kneenten der gerechtigheid.
19  Ik spreek u|> mcnscbeljjke
wijze, om der zwaklieid uws
vleescbcs wil; want gelijk gij
uwe leden gesteld hebt ont
dienstbaar t* zijn der onreiuig-
heid en der ongerechtigheid tot
ongerechtigheid, alzóó stelt nu
uwe leden iw dienstbaar te zijn
der gerechtigheid tot heilig*
making.
20  Want toen gij dieustknech-
tcn waart der zoutte, zon waart
gij vrij van de gerechtigheid.
21  Wat vrucht dan luidt gij
toen vau die dingen waarover
gij u uu schaamt? Want het
einde derzelve is de dood.
22  Maar nu van de zoude vrij-
Eemaakt zijnde, eu Godedienst-
aar gemaakt zijnde, hebt gij
uwe vrucht tot heiligmaking,
en het einde het eeuwige
leven.
23   Want de bezoldiging der
INEN 7.
zonde Is de dood, maar de ge-
nadegift Gods is het eeuwige
leven door Jezus Christus ou-
aeu Ileere.
HOOFDSTUK 7-
WEET gij niet, broeders
(want ik spreek tot dege*
neu die de wet verstaan), dat de
wet heerscht over den inenack
zoo langen tijd als hij leeft?
2 Want eeue vrouw die onder
den man staat, is aan den Ie*
veuden man verbonden door du
wet; maar indien de man ge-
storven is, zoo is zij vrijge-
maakt van de wet des mans.
\'i Daarom dan indien zij eena
andereu mans wordt, terwijl de
man leeft, zoo zul zij eeue
overspeelster genaamd wor-
den; muur indien de man gc-
storven is, zoo is zij vrij van
de wet, ulzoo dat zij ^ecu over-
speelster is als zij eens ande-
reu mans wordt.
4    Zoo dan, mijne broeders,
gij zijt ook der wet gedood
door het lichaam van Christus,
opdat gij zoudt worden eens
anderen, ,iame\',-jlt desgeueu die
van de dooden opgewekt is,
opdat wij Code vruchten dra-
gen zouden.
5  Want toen wij in het vleesch
waren, werkten de bewegingen
der zouden die door de wet zijn,
in onze leden, om den dood
vruchten te dragen;
(> maar nu zijn wij vrfjge*
maakt van de wet, overmits
wij dien gestorven zijn onder
welken wij gehouden waren,
alzoo dat wij dienen in nieu-
wighcid des geestes, en niet 1»
de oudheid der letter.
7 Wat zullen wij dan zeggen?
Is de wet zonde? Dat zij verre.
Ja, ik kende de zonde niet dnii
door de wet; want ook had ik
de begeerlijkheid niet gewc-
ten zoude te zijn, indien de
wet niet zeide: Gij zult niet
begeeren.
s Muur de zonde oorzaak ge-
-ocr page 229-
ROME!
nomen hebbende door liet ge-
bod, heeft in mij alle begeer-
lijkhcid gewrocht; want zou-
Ji -r •( wet is dr sonde dood.
\'.) Kii zonder de wet, zoo lecf-
ile ik eertijds; muur als liet
gebod cekouieu is, zoo is de
/oude weder leve- d geworden,
doch ik beo zes orven,
in en liet gebod dut ten loven
was, hetzelve j» mij ten dood
bevonden.
11   Want de zonde oorzaak
\'.renomen hebbende door het
Itebod, heeft mij verleid en
door hetzelve gedood.
12  Alzo» is dun de wet heilig,
en het gebod is heilig en
rechtvaardig en goed.
i:t Is dan het troede mij de
dood geworden? Dat zij verre;
maar de tonde i* mh de dood
aetooreUm,
opdnt zij zoude opeu-
baar worden zonde te ;iin,
werkend.1 mij door het goede
den dood, opduc de sonde bo-
veumate wierd zondigende door
liet gebod.
14    Want wij weten dttt de
wet geestelijk is; maat\' ik ben
vleeschclijk, verkocht ouder de
zonde.
15  Want hetgeen ik doe, dat
ken ik niet; want hetgeen ik
wil, dat doe il< ni< t, maar
hetgeen ik haat, dat doe ik.
Ifi Eu indien ik hetgene doe
wat ik niet wil, zoo atem ik
der wet toe dat zij roed is:
17 Ik dan doe hetzelve ntt niet
meer, maar de zonde die in
mij woont.
1M Want ik weet dat 111 mij,
dat is in mijn vleesch, geen
goed woont. Want liet willen
is u-el bij mij, maar het goede
te doen, dat vind ik niet:
19  want het goede dat ik wil,
doe ik niet, maar liet kwade
dut ik niet wil, dat doe ik.
20  Indien ik hetgene doe wat
\'K niet wil. zoo doe Ik uu het-
zelve niet meer, maar de zonde
die itt mij woont.
.-1 Zoo vind ik dan deze wet
\'» mtj, als ik het goede wil
NEN A.                                           ?:i
doen, dat het kwade mij bij-
ligt:
52 want ik heb een vermaak
in de wet Gods i:uar deti iu-
wi\'udigeu meiiscli,
23   maar ik zie eene andere
wet in mijne leden, welke
strijdt te en de wet mijns ge-
moeds, en mij gevangenneeint
onder de wet der zoude die in
mijne leden is.
24    Ik ellendig niensch, wie
zal mij verlossen uit het
lichaam dezes doods?
\'.\'.\'» Ik dank God door Jezus
Christus, onzen Ilcere.
2fi Zoo dan, ikzeli\' dien wel
met het geilocd de wet Gods,
maar met liet vleesch de wet
der zoude.
UOÜFDSTUK 8.
ZOO is er dan nu geene ver-
uoemenis voor degenen die in
Christus Jezus zijn, die niet
naar het vleesch wandelen
maar naar den Geest.
2 Want de wet des Gerstes
des levens iu Christus Jezus
heeft mij vrijgemaakt van de
net der zonde en des doods.
:i Want hetgeen der wet on-
mogelijk was, dewijl zij door
het vleesch krachteloos was,
heeft God, zijnen Zoon zenden-
de in gelijkheid des zondigen
vleesches, en dut voor de zon-
de, de zoude veroordeeld iu bet
vleesch,
4 opdat het recht der wet ver-
vuUl zoude worden in ons, die
niet naar liet vleesch wandelen
mnar naar den Geest.
.i Want die naar het vleesch
zijn, bedenken wat des vleesches
is; mnar die naar den Geest
zijn, bedcnkr,i wat des Gcc.»les
is;
11 want het bedenken drs
vleesches is de dood; maar het
bedenken des Gccstcs is bet
leven en vrede;
7 daarom dat het bedenken
des vleesche* vijandschap is
tegen God, want het ouder-
-ocr page 230-
222                                         HOME
werpt ïieh der wet Gods niet,
v.aut liet kan nuk niet;
s en die in het vlecfech zijn,
kaunen Qodc niet beluvseu.
\\> Doch iffjliedcu ziit niet in
het vlcesch, maar in don Geest,
zoo anders de Geest Gods in
u woont; maar zoo iemand
don Geest van Christus niet
heeft, die komt hem niet toe.
10  En indien Christus in ulie-
di\'ii is, zoo is wel hei lichaam
dood om der zoude wil, maar
de Keest is leven om der gerccli*
tiifheid wil.
11   Eu indien de Geest des;.-
geueu die Jezus uit de doodeu
opgewekt beeft, in h woont,
zoo zal Hij, die Clnfatus uit
de dooden opgewekt heelt, ook
uwe sterfelijke liehaine.t levend
maken door zijnen Geest die in
u woont.
12  Zoo dan, broeders, wij zijn
schuldenaars niet aan het
vlceseh, oiu naar het vleeackte
leven.
i:: Want indien pij naar het
vleescb Weit, zoo zult - ij ster-
ven; maar indien u-ij door den
Geest de wcrkiiieeu des lichaaius
doodt, zoo zult gij leven.
14 Want tonvele» als er door
den Geest Gods Kjcleid worden,
die zijn kinderen Gods.
la Want gij hebt niet ontvnn-
gen den geest der dienst)Kutr-
hcid wedcïom tot vrees, maar
gij hebt outvaugcu den Geest
der au i neming tot kindere:.,
door welken wij roepen; Abiia,
Vad.r!
10 Deze Geest getuiert met
onzen geest dat wij kinderen
Gods E ij n;
17 en indien wij kinderen
zijn, zoo zijn wij ook erfgeuu*
men, erfgenamen Gods en uw
deèri\'geitaine:i van Christus;
zoo wij anders met Aem lijden,
opdat wij ook nu\'t hem verueer-
lijkt worden.
is Wart ik boud het daar-
voor, dat h.-t lijden dezes te-
:;en wonril e,e. i tijils niet i« te
waardecreu ugeu de heerlijk\'
INEN *.
iieid die aan ons zal gcope:.-
baard worden.
19  Want liet schepsel, «;« n.et
opgestoken hoofd, verwacht
de openbaring der kinderen
Gods.
20  Want het schepsel is der
ijdelheid ouder worpen, niet
i\'ewilli;, maar om diens wil
die liet der ijdelheid onderwor-
pen beeft,
-1 op hoop dat ook liet schcp-
sel zelf sal vrij eieaakt worden
van de dienstbaarheid der ver-
derienis, tot de vrijheid van de
heerlijkheid der kinderen Gods.
52 Want wij weten, dat het
panache seliepsel te zanten
Kucht en te zanien itls in ba-
reusiiood is tot nu toe.
•_\'!t En niet alleen dit, maar
ook wijzelven die de e.v.-.tei\'ii-
geu des Gceatcs hebben, wij
ook zeiven, ;ec///,•,/.uehte;i hions-
zelven, verwachtende de nanue*
lilin,\' Kit kinderen, nn.u.-\'.ijk de
verlossing nuzes lichaaius.
24  Want wij zijn in hope zalig
pc worden, He hoop nu die ge-
sieu uonlt. is gcene hoop; want
liet reen iema;.d ziet, WOaroiu
aat hij het ook hopen?
25  Maar indien wij hopen hct-
peen wij niet zien, zo;» ver-
waeiitLM wij lut niet lmi^;,atn-
heid.
2fi Kn desgelijks komt nok de
Geest onze zwakheden mede te
hulp; want wij weten niet wat
wij bidden zuilen gelijk het be-
lioort, maar de Geest zelf bidt
voor ons nu\'t onuitsprekelijke
veriuelitin.eii;
27 en di : de harten doorzoekt,
weet welke de itieeiliug des
Gecstes is, dewijl hij naar God
voor de heiligen bidt.
2S Kn wit wi ten. dat denpc-
iicn die God lief heb beu, alle
diligen medewerken ten goede,
iiam(-Uif; dengenen die naar ry«
voornemen «Troepen zijn.
2\'.l Want die iüj te voren gc-
kend heeft die heeft ITijook J-
voren verordiueerd den heelde
zijns üuons gelijkvormig te
-ocr page 231-
;xew o.                                  223
KOM KI
zijn, o;>dat hij de eerstgeborene
zij ond< r vele broederen;
30 eu die iiij te voren veror*
dineerd beeft, dezen beeft Ilij
ook geroepcu; e» die Hij ev
roepen heelt, dezen heeft I!ij
ook gerechtvaardigd; en die
iiij gerechtvuurdigd luvit, dezen
beeft IIij ook verheerlijkt.
:tl Wat /•.uilen wij dan tot deze
einden zeggen * Z.*o God vóór
ons is, wie zal tégen ons tfjn?
;;_\' Die ook zij.i elften Zo.in
niet gespaard heeft, maar hem
voor uus aiitf.i beeft overge-
Rcven, lioe aal Hij ons ook
met lieiu niet alle diuge.ï
scheuken \'i
s.t Wie zal beschuldiging in-
brengen teven de uitverkorenen
Goilt::\' God is bet die recht*
vaardig maakt.
:it Wie is liet die verdoemt ?
Christus is het die gestorven
is, ja, wat meer is, die nok op-
gewckt is, die ook ter rechtcr-
iiaiid Uods is, die ook voor ons
bidt.
\'<"> Wie zal ons scheiden van
de liefde van Christus:\' Ycr-
drukkiug of benauwdheid,
of vervolging of honger, of
naaktheid, of gevaar, of
zwaard r
\'i i (gelijk geschreven is :
Want om uwentwil worden wij
den Kattsclie;i dag gedood, wij
aiju geacht ais Bchapeu ter
slachting.)
:t7 Maar in dit alles zijn wij
meer dan ovcrwiuuaars, door
hem die ons liefgehad beeft.
:<"< Want ik \'ten verzekerd,
dat noch dood, noeh leven.
noch Engelen noch overheden,
noch machten, noeh tegen-
W\'Oordlire noeh toekomende
dingen,
•f\'.i noch hoogte noch diepte
noch cetiig ander schepsel ons
Ml kunnen scheiden van de
"e!"u*e Gods, welke is in C\'bris*
tua Jezus oneen Heere.
HOOFDSTUK 9.
IK zeg d" waarheid in Chris-
tus, ik lic \' niet (mijne con-
Bcleutic in ij mcdegetuigenia
gevende door den Ueiligcu
Geest),
2 dat het mij cene groote
droet heid, en i.,ij.t hart n\'iie
gedurige smart is.
:i Want ik zoude zelf urrl \\ven-
sehen veilmuuen te zijn van
Christus voor mijne broederen,
die mijne maagschap zijn i:uar
het vleesciti
t welke Israëlieten zijn, v,e]-
ker is de aanneming tot kin-
deren, en tte lieer lijk heid, en
de verbonden, en de wetgeving,
en de dienst Gods, en de be-
lol\'tenisseii ;
5 welker zijn de vaderen, en
uit welke Christus is zooveel
het vleescb aai,/uut, dewelke
is God boven alles te prijzen
in der eeuwigheid. Amen.
(i Doelt ik seg dit niet alsof
het Woord Gods ware uit.-e-
valleu. Want die zijn niet uilen
Israël, die uit Israël zijn;
7 noeh omdat zij Abrahams
zaad zijn, zijn zij allen ki;ide-
reu, maar; In Isa&k Kal u het
zuud genoemd worden:
S dat is, niet de kinderen des
vleesehes, die zijn kinderen
Gods; maar de kinderen der
beloften is worde» voor het
zaad gerekend.
ïi Waut dit is het woord der
belofteiiis: Omtrent dezen tijd
zal Ik komen, eu Sum zal
eeoeu zoon hebben.
in En niet alleenlijk deze, maar
ook Re bek ka in daarvan een
beu nu,
ais zij uit één en bc-
vrucht was, namelijk Isatth
onzen vader.
11 Waut als de hinderen nog
niet geboren waren, noeh iets
goeds of kwaads gedaan had-
den, opdat het voornemen Gods
dat naar de verkiesing is, vest
blere, niet uit de werken maar
uit den roepende,
-ocr page 232-
224                                       ROMEIK
12  zoo werd tot haar trezeird;
Di\' meerdere zat den mindere
dienen;
13   (rclijk geschreven In Ja-
kob heb Ik liefgehad, en Esau
bolt Ik irehaat.
U Wat zullen «ij dan zeggen ?
Is er onrechtvaardigheid bij
God ï Dat zij verre.
15 Want Uij zeu\'t tot Mozes:
Ik zal Mij nut termen wiens Ik
Mij ontferm, en zal harmhar-
ti\'< zijn wien Ik barmhartig
ben.
l(i Zoo ia het dan niet des-
Keuen die wil, nocb desi-eueii
die loopt, maar des ontfer-
ïiiendcu Gods.
17  Want di- Schrift zegt tot
Farao: Uier toe heb Ik u ver-
wekt, opdat Ik in u mijne
kracht bewijzen zonder, en op-
dat mijn naam verkondigd
worde op de gansche aarde.
18  Zoo ontfermt Hij zich dan
wiens Hij wil, en verliardt wïen
Hij wil.
19  Gij zult dan tot mij zerken s
Wat klaagt Mij da* nog? want
wie heelt zijnen wil weder*
staan ?
2it Maar toch, o nienseh, wie
zijt pij die tegen God ant-
woordt \'t Zal ook het maaksel
tot dengenen die liet gemaakt
beeft. Keggen: Waarom hebt
pij mij alxóu gemaakt ï
21    Ül\' heeft de potten bakker
j*pcii maeiit over het leem, om
uit denzelfden klomp te ma-
ken het éene vat ter ecre eu
bet andere ter oneere ?
22  Eu of God willende zijnen
toorn bewijzen en zijne macht
bekend ma ken, met veel lauk-
moedigheid verdragen heeft de
vaten des toorn», tot het ver-
derf\' toebereid:
21 eu oiuLu Ifij zoude bekcnd-
niakeii den rijkdom zijner heer-
üjkheid over de vaten der
barmhartigheid, die Hij te vo-
ren bereid heeft tot heerlijk-
beid*
24 Welke IIij ook geroepen
heeft, namrl\'tjk ons, niet alleen
EN 10.
uit de Joden maar ook uit de
heidenen;
35 (,\'elijk Hij ook in Hoséa
zegt: Ik zal hetgeen mijn volk
niet was, mijn volk noemen,
en die niet bemind was, mijtte
beminde;
Sfi eu het zal zijn in de plaats
waar tot beu gezegd was: Gij-
lieden zijt mijn volk niet, al*
daar sullen zij kinderen < es
levenden Gods genaamd wor-
den.
27 En Jesaja roept over Is-
rael: Al ware het getal der
kinderen lsraèls cel ijk het
zand der zee, zoo zal het ovcr-
blijïsel behouden worden.
2s Want (lij voleindt cene
zaak eu snijdt ze al iu reeht-
vaardigheid; want de Ileere
zal cene nfgesucdene zaak doen
op de aarde.
il Eu gelijk Jesuja te voren
gezegd heeft: Indien de Heen\'
Zebaoth o.is steen zaad had
overgelaten, zoo waren wij
als Sodoin frewordcu, eu Go-
morra irelijk gemaakt geweest.
:iil Wat zuilen wij dim ze^-
tten ? Dat de heidenen die de
reehtvaardiirheid niet zoehten,
de rechtvaardigheid verkregen
hebben, doch de reehtvaar*
diïheid die uit het geloof is;
31    maar Israël dat de wet
der rechtvaardigheid zoeht. is
tot de wet der reehtvaaidi^*
held niet gekomen.
32  Waarom ? Omdat ze rfiV
zochten niet uit het (reloot,
maar als uit de werken der
wet; want zij hebben zich srr-
Htooten aan den steun des aan-
stoots,
3( irelijk geschreven is: Zie,
Ik leg in Sioii eeneu steen des
aanstoots en eeue rots der er-
vernis, eu een iegelijk die in
Hem gelooft, zal niet bc*
scbaamd worden.
HOOFDSTUK 1(1.
B HOEDERS, de toegenegen
heïd mijus harten, eu bet
-ocr page 233-
\\\'KN 11.                                         225
aanroepen, i» welken ztj niet
geloofd hebben? En boe zullen
zij in hem gelooven, van wei-
ken zij niet gehoord hebbeu \'i
Ku hoe zullen zij hooreu, zon-
der die hun predikt?
15 Eu hoe zullen zij prediken,
indien zij niet gezonden wor-
deti ? Gelijk geschreven is:
Hoc liefelijk zijn de voeten
dergenen die vrede verkondt*
gen, dergenen die het goede
verkondigen 1
1(1 Doch zij zijn niet allen
hi t Kvungelie gehoorzaam ge-
weest; want .lesnja zegt: Hee-
jc, wie heeft onze prediking
geloofd ?
17  Zoo is dan het geloof uit.
het gehoor, e» het gehoor
door bet Woord Gods.
18  Maar ik zeg; Hebben zij
het niet geh. ord ? Ju toen,
bun geluid is over de gebeele
aarde uitgegaan, en hunne
woorden tot de einden dei-
wereld.
19  Maar ik zeg; Heeft Israël
het niet verstaan? Mozes zegt
eerst: Ik zal ulieden tot ja-
loerschheld verwekken door
degenen die geen volk zijn;
door een onverstandig volk zal
Ik u tot toorn verwekken.
2(1 En Jesaja verstout zieb en
zeut: Ik ben gevonden van de-
genen die Mij niet zochten. Ik
beu openbaar geworden deu-
geuen die naar Mij niet vraag*
den.
21 Maar tegen Israël zegt hij:
Den gebeelen dag heb Ik mijne
handen uitgestrekt tot een on-
gehoorzaam cu tegensprekend
volk.
KOM KI:
gebed dat ik tot God voor Israël
doe. is tot kunne zaligheid.
2 Want ik geef htm getuige-
uis, dat zij eeiien ijver tot God
hebben, maar niet niet ver*
stand.
:( Want nlz(K) zij ae rechtvaar-
litgluid Gods i.iet kennen, en
ii ii nne eigene gerechtigheid
zoeken op te richten, zoo zijn
zij der rechtvaardigheid Gods
iiiet onderworpen.
4 Want het einde der wet is
Christus, tot rechtvaardigheid
een iegelijk die gelooft,
."i Want Mozes beschrijft dr
rechtvaardigheid die uit de wet
is. zet/t/ende: De mensen die
deze dingen doet, zal door de-
zelve leven.
6  Maar de rechtvaardigheid
die uit het geloof is, spreekt
aldus: Zeg niet in uw hart:
Wie zal iu den hemel opklim*
men ? dat is Christus van bO\'
\'-—i
afbrengen;
7  of wie zal in den afgrond
nederdalen ? dat ia Christus
uit de doodeu opbrengen.
N Maar wat legt ze? Nabij u
i> het Woord, in uwen mond
hi iu uw hart. Dit is bet
Woord des gelools, hetwelk
«ij prediken:
9 namelijk, indien :-\\i met ti-
wen nu nul zult belijden den
Heere Jezus, en met uw hart
gelooven dat God hem uit de
dooden opgewekt heeft, zoo
• uit gij zalig worden;
l" want met het hart gelooft
""•ii ter rechtvaardigheid, en
met den mond belijdt uien ter
zaligheid.
H Want de Schrift zegt: Keu
iegelijk die in hem gelooft, die
\'•\'il niet beschaamd worden.
\'-\' Want daar is geen onder*
S|,lieid noeb van .lood noch
Ja.il Griek; want een zelfde is
Heere van allen, rijk zijnde
over allen die hem aanroepen.
\'•• Want een iegelijk die den
iiiiaui des Ileeren zal uauroe*
1"". zal zalig worden.
il Hoe zullen zij dan hem
HOOFDSTUK 11.
IK zeg dan: Heeft God zijn
volk verstouten ( Dat zij verre;
want ik ben óók een Israëliet,
uit den znde Abraham», van
den stam Benjamin.
2 God heeft zijn volk niet ver-
stoot eu, hetwelk Hij te voren
gekeud heeft. Of weet gij niet
15
-ocr page 234-
ROMEINEN 11.
wat de Schrift zegt van Elia?
hoe hij God aanspreekt tegen
Israël, leggende)
,1 Hccre, zij liehbeu uwe Pro-
feten gedood en uw altaren
omgeworpen, en ik hen alléén
overgebleven, en zij zoeken
mijne tlcl.
4 Maar wat Kgt tot hem het
Goddelijk antwoord? Ik heb
Mij iel ven nog zeven duizend
mannen overgelaten, die de
knie voor het beeld vun Battl
niet gebogen hebben.
b Alzoo is er dan ook iu dezen
tegouwoordigen tijd een over»
blij f se I geworden, naar de
verkiezing der genade.
T> En indien het dour genade
is, zoo is het niet meer uit de
werken; ander» is de genade
geene genade meer. Ku indien
het is uit de werken, zoo is het
Kcene genade meer; anders is
bet werk geen werk meer.
7  Wat dan \'t Hetgeen Israël
zoekt, dat heeft het niet ver-
kregen; maar de uitverkore-
nen hebben het verkregen, en
de anderen zijn verbard ge-
word e u
8  (gelijk geschreven is: God
heeft hun gegeven eenen geest
des dienen slaaps, oogeu om
niet te zien, en ooreu om niet
te hooren), tot op den huidi-
gen dag.
9  Eu David zegt: Hunne tafel
worde tot eenen strik en tot
een en val en tot eenen ann-
stoot en tot eeue vergelding
voor hen;
10  dat buune oogeu verduis-
terd worden om niet te zien,
en verkrom hunnen rug te allen
tijde.
11  Zoo zeg ik dan: Hebben zij
gestruikeld opdat zij vallen
KoudenI Dat zij verre; maar
door hunnen val is de zalig*
beid den heidenen geworden,
om hen toe jaloersehbeid te
verwekken.
12  Eu indien hun vul de rük-
dom is der wereld, en hunne
vermindering de rijkdom der
heidenen, hoeveel te meer
hunne volheid!
13  Want ik spreek tot u, bel*
deneni voor zooveel ik der hei-
deneu Apostel beu, maak ik
mijne bediening heerlijk,
14 of ik «enigszins mijn vlcotcb
tot jalnersehheid verwekken
en eenigeu uit hen behouden
moeht.
li Want indien hunne verwer
ping de verzoening is der we-
reld, wat zhI de aanneming
wezen, anders dan het leven
uit de doodeu \'t
lfi En indien de eerstelingen
heilig zijn, zoo is ook bet deeg
heilig; en indien de wortel
heilig is, zoo zijn ook de tak-
keu heil\'ir/.
1" Eu zoo eeitige der takken
afgebroken zijn, en gij, een
wilde olijfboom zijnde, in
denelver plaats zijt ingeënt,
en des wortels en der Vettig*
beid des olijfbooms mede
deelaehtig zijt geworden,
In zoo roem niet tegen de
takken; en indien gij daar-
tegen roemt, gij draagt den
wortel niet, maar de wortel ü.
IU GIJ zult dan zeggen: De
takken zijn afgebroken, opdat
ik zoude ingeënt worden.
2» Het is wel; zij zijn door
ongeloof afgebroken, en gij
staat door liet geloof. Wees
niet booggevoelende, maar
vrees;
21   W8»t is het dat God de
natuurlijke takken niet ge-
spaard beeft, zie toe dat II ij
ook mogelijk u niet spare.
22    Zie dan de goedertieren -
heid eu de gestrengheid Gods;
de gestrengheid wel over de-
genen die gevallen zijn, maar
de goedertierenheid over ui
indien trfj iu de goedertieren*
beid blijft; anders zult ook
gij afgehouwen worden,
23    Maar ook zij, indien tt
in het ongeloof niet blijven,
zullen ingeënt worden; want
God Is machtig dezelve weder
in te entcu.
-ocr page 235-
ROM Ei:
54 Want indien (tij affceho«-
wen zljt uit den olijfboom die
vau nature wild was, en tegen
nature in den Kneuen olijf-
boom ingeënt, hoeveel te meer
zullen déze, die natuurlijke
takken zijn, in hun eigen
olijfboom iceetlt worden!
•2h Wnnt ik wil niet, broe-
der*, d.it u deze verhorgen-
heid onbekend zij (opdat gij
niet wijs zljt bij uzelven), dat
<le verhardiutr voor een deel
over Israél gekomen is, tot-
dat de volheid der heidenen
zal ingegaan zijn.
2fi Ku alzóü zal geheel Israël
zalig worden; gelijk gesehre-
ven is: De Verlosser zaluitsiou
komen, eu zal de goddeloos-
heden afwenden van .lakob;
27 eu dit is hun een verbond
van Mij, als Ik hunne zonden
zal wegnemen.
2-1 Zoo zijn zij wel vijanden
wat aangaat liet Kvangelie,
om uwentwil, miiar wnt aan-
••.•uit de verkiezing, zijn zij be-
inindeu, oin der vaderen wil;
29 want de genadegifteu en
de mening Gods zijn onherou-
weliik.
3li Want gelfjkerwfjs ook gfj-
Heden eertijds Godr oiigehuor-
zaatn geweest zijt, manr nu
barmhartigheid verkregen hebt
door de ongehoorzaam beid vau
dezen,
31  alzóó zijn ook dézen uu on-
gehoorzaam geweekt, opdat
ook zij door uwe hnnnliHrtig-
lieid zouden barmhartigheid
verkrijgen;
32  want God heeft ze allen
onder de ongehoorzaamheid
besloten, np \'at Hij hun tulen
zoude barmhartig zijn.
33   O diepte de» rijkdom* hei-
de der wijsheid en der kenuisse
Gods! Hoeuudoorznekelijk *ïju
zijne onrdeeleu, en ounuspeuT-
Ijjk zijne wegen !
34  Want wie heeft den gin
«e» Heereu gekend? of wie is
zijn raadsman geweest?
•*5 Of wie heelt Hem eerst ge-
•JEH IC.                                         227
geven, m bet zal hein wedci*
vergolden worden ?
:t(i Want uit Hein, en door
Hem, en tot Hem zijn alle dhi-
reu. Hem zij de heerlijkheid
in der eeuwigheid. Amen.
HOOFHSTIK 12.
IK bid u dan, broeders,
door de outferiniugeu Gods,
dat gij uwe lichamen stelt tot
eenc levende, heilige e*» Gode
welbeiianrlijke offerande, trr\'tcn
is
uwe redelijke godsdienst;
2  en wordt dezer wereld niet
gelijkvormig, innar wordt ver-
anderd dmr de vernieuwing
uw-s gemoeds, opdat gij mnogt
beproeven welke de goede en
wel behaaglijke eu vul maak te
wil Gods zij.
3  Want door de genade die mij
gegeven is, zeg ik aan een iege-
lijk die onder u i-, dat hij niet
wijs zij boven hetgeen men be-
hoort wijs te zijn, uinar dat hij
wijs zij tot matigheid, gelijk als
God een iegelijk de mate des
gelnnfs toegedeeld heelt.
4  Want gelijk wij iu één
lirbaam vele leden hebben, eu
de leden niet alle dezelfde wer-
king hebben,
5    alzoó zijn wij velen één
liehaam iu Christus, innar rlk-
een zijn wij elkanders leden.
fi Hebbende nu verscheidene
gaven, naar de genade die ons
gegeven is,
7 X0O Unit Od» dit r/arr,i hfstc
den,
hetzij piofetie, nnar de
mate del kcIooisi hetzij bedie-
ning, iu het bedienen; hetzij
die leert, in liet leeren;
H hetzij die vermaant, in het
vermanen; die uitdeelt, in een-
voudigheid ; die een voorstau-
der is, iu naarstigheid; die
harmhartigheid doet, in blij -
moedigheid.
9 I»e liefde zij ongeveinsd.
Hebt eenen ntkeer van het
booze, eu hangt het goede aan.
11) Hebt ellcnuder harteliii.
lief met broederlijke liefde,
-ocr page 236-
22S                                        ROM KI
met eere de één deu ander voor-
gaande.
11  /ijt niet Iran.* ui t iH-na:ir-
etlgen. Zijt vurig van geest.
Dient den Heere.
12  Verblijdt u in de hoop. Zijt
geduldig in de verdrukking.
Volhardt in het gebed.
in Deelt mede tot de behoef*
ten der heiligen. Tracht naar
her bergman! beid.
14  Zege,»: ze die u vervolgen;
zegent, en vervloekt niet.
l.\'i Verblijdt u met de blijden,
en weent met de weenenden.
lfï Weeft eensgezind onder
elkander. Tracht niet naar de
hoog e dingen, inaar voegt u
tot de nederige. Zijt niet wijs
bij uxelven.
17 Vergeldt niemand kwaad
voor kwaad. Hcznrgt hetgeen
eerüjk is voor alle meuicheu.
15    Indien liet mogelijk is,
zooveel iu u is, houdt vrede
met alle meiuehen.
1!) Wreekt uzelven niet, be-
minden, uiuar geeft den toorn
Slaats; want daarUgeschreveni
lij komt de wraak toe. Ik zal
het vergelden, zegt de tleere.
2n Indien dau uwen vijand
hongert, zoo spijzig hem; in-
dien hem dorst, zoo geef hem
te drinken; want dat doende
zult u-ij kolen vunrs ug> zijn
hoofd I..... «11.
21 Word van het kwade niet
overwonnen, maar overwin
het kwade door bet goede.
HOOFDSTUK 13.
ALLE ziel zij den machten
over haar gesteld, ouderwor-
]>en; want daar is geen macht
(l.m van God, en ue maeliteu
die daar zijn, die zijn van God
geordineerd:
2 alzoo dat die zich tegen de
macht stelt, de urdinnutie Gods
weder&tant; en die ze weder*
staan, zullen over ziehzelveu
een oordeel balen.
:t Want de oversten zijn niet
tot eene vrees den goeden wer-
XKX 13.
ken, maar den kwaden. Wilt
jrij uu de macht niet vreezen,
doe het goede, en gij zult lof
van liaar hebben j
4   want zij is Gods dienares,
u ten goede. Maur indien gij
kwaad doet, zoo vrees; want
zij draagt het zwaard niet te-
vergeefs ; want zij is Gods die-
nares, eene wreek ster tot straf
dengenen die kwaad doet.
5  Daarom is het noodig onder-
worpen te zijn, uii-t alleenlijk
om der straf maar ook om der
eonseientie wil.
Il Want daarom betaalt -^ij
ook schatting; want zij zijn
dienaars Gods, hierin gedurig-
lijk bezig zijnde.
7 Zoo geeft dan een iegelijk
wat gij schuldig zijt, schatting
wieu gij de schatting, tol wieu
gij den tul, vrees wien gij de
vreet, eer wieu gij de eer
schuldig *yï.
s Zijt niemand iets schuldig,
dan elkander lief te hebben;
want die den ander liefheeft,
die heelt de wet vervuld.
U Want dit i Gij zult geen
overspel doen, gij zult niet
dood e ii, gij zult niet stelen,
gij zult geene vaiache getuige*
iiis iceven, gij zult niet be-
geeren, en zoo daar eenig ander
gebod is, wordt in dit woord
als iu eene hoofdsom begrepen,
namelijk in dit: Gij zult uwen
naaste liefhebben gelijk uxel-
ll> De liefde doet den naaste
geen kwaad: zoo is dan de
liefde de vervulling der wet.
11   h\'n dit zey ik te meer, de-
wijl wij de gelegenheid des
tijds weten, dat het de ure is
dat wij nu uit den slaap op-
waken ; want de zaligheid is
ons uu nader dan toen wij
eerst geloofd hebben.
12  De nacht is voorbijgegaan
en de dag is nabij gekomen:
laat ons dau afleggen de wer*
keu der duisternis en aandoen
de wapenen des lichts;
13  laat ons, als iu deu dag,
-ocr page 237-
ROM EI
eerbaar wandelen, niet in hras-
m> rij f n en drnnkeuschappeii,
niet in slnnpkaiucreu en on-
tnchtir heden, niet in twist en
nijdigheid;
14 maar doet AAn den Heere
Jezus Christus, en verzorgt
het vleeseh niet tot begeerlijk-
beden.
HOOFDSTUK 14.
DENGENEN nu die zwak is
in het geloof, nMmt aan,
maar niet tot twistige sauieu-
sprekfngen.
"_\' De één gelooft wel dat uien
alles eten mag, muur die zwak
is, eet inoeskruiden.
3  Die eet, verachte hem niet
die niet eet, en die niet eet,
oordeelt hem niet die eet; want
God beeft hem aangenomen.
4  Wie zijt gij die eens anders
huisknecht oordeelt? Hij itaat
of bij valt zijn eigen beer; doch
li ij zal vastgesteld worden,
want God is machtig hem vast
te «tellen.
h De een acht wel den étaen
dag boven den afleren dag,
maar de ander acht alle de
dagen gelijk. Ben iegelijk zij
in zijn eigen gemoed ten vuile
verzekerd.
6  Die den dag waarneemt, die
neemt hem waar den Heere;
en die den dag niet waar-
neemt, die neemt hem niet
«aar den Heere. Die eet,
die eet zulk» den Heere, want
bij dankt God; en die niet eet,
die eet zulks den Heere niet,
en bij dankt God.
7  Want niemand van on» leeft
ziehzdven, en niemand sterft
ziebzelveu;
3 want hetzij dat wij leven,
Y\'j leven den Ileere, hetzij
dat wij sterven, wij sterven
«en Heere: tietzij. dan dat wij
le*W>i hetzij dat wij stenen,
*U zijn des Hecrcu.
» Want daartoe is Christus
ook gestorven en opgestaan en
weder levend geworden, opdat
XEN 14.                                       229
hij heiden over dooden en leven-
ili\'n beersebeu zoude,
lit Maar gij, wat oordeelt gij
uwen broeder ? Of ook gij,
wat veracht gij uwen broeder?
Want wij zullen allen voorden
rechterstoel van Christus ge-
steld worden.
11   Want daar is ges eb reven:
Ik leef, zegt de Heere; voor
Mij zal alle knie zich buigen,
eu alle tong zal God belijden.
12   Zoo dan een iegelijk van
ons zal voor ziehzelveu Godc
rekenschap geven.
lil Laat ons dan elkander niet
meer oordeelen ; maar oordeelt
dit liever, namelijk dat gij den
broeder Reen aanstoot ot erger-
nis geeft.
14    Ik weet en ben verzekerd
in den Ileere Jezus, dat geen
ding onrein is in zichzelf; dan
die acht iets onrein te zijn,
dien is liet onrein.
15    Maar indien uw broeder
om der spijze wil bedroefd
wordt, zoo wandelt gij niet
meer naar liefde. Verderf dien
niet met uwe spijze, voor wei-
ken Christus gestorven is.
\\\'< Dat dan utv goed niet ge*
laaterd worde.
17 Want bet Kouinkrijk Gods
is niet spijs eu drank, maar
rechtvaardigheid en vrede eu
blijdschap door den Heiligen
Geest.
IS Want die Christus in deze
dingen dient, is Gode welbe-
haaglijk en aangenaam den
mentenen.
19  Zoo dan laat onx najagen
hetgeen tot den vrede en bet-
geen tot de stichting ouder
elkander dieft?.
20    Verbreek het werk Gods
niet om der spijze wil. Alle
dingen zijn wel rein, maar het
is kwaad voor deu meuuch die
niet aanstoot eet.
21   Het is goed geen vleescli
te eten noch wijn te drinken,
noch iets waaraan uw broeder
zich stoot of geërgerd wordt,
of waarin bij zwak is.
-ocr page 238-
NEK 15.
Weent vroolijk, gij heidenen
met zijn volk.
11 En wederom: Looft den
lieert, alle gij heidenen, en
prijst Hein, alle gij volken.
1\'J Kn wederom zegt Jesaja:
Kr zal zijn de wortel van
Isal, eu die opstaat om over
de heidenen te gebieden: op
hem zullen de heidenet) hopen.
13 De God nu der hope ver-
vuile ulieden met alle hlijd-
sehap en vrede in het gelooven,
opdat gij overvloedig inoogt
zijn in de hope, door de kracht
des Heiligen Geestes.
II Doch, mijne broeders, ook
ikzelf ben verzekerd van u,
dat gij ook xclven vol zijt van
goedheid, vervuld met alle
kennis, machtig om ook elkau-
der te vermanen;
l.j maar ik heb u eenigszina
Btoillelijker geschreven, broe-
ders, u als wederom dit in-
dachtig makende, om de ge-
nude die mij van God gegeven
is,
KI opdat ik een dienaar van
Jezus Christus zij onder de
heidenen, bet Kvangelie Gods
bedlenende, opdat de otTeraude
der heidenen aangenaam wor-
de, geheiligd door den Heiligen
Geest.
17 Zoo heb ik dan roem in
Christus Jezus In de dingen,
die God aangaan.
IS Want ik zoude niet durven
iets zeggen, het wel k Christus
door mij niet gewrocht heeft
tot gehoorzaniulieid der helde*
nen, niet woorden en werken,
19   door kracht van teekenen
en wonderen, fa door de
bracht van den Geest Gods,
zoodat ik van Jeruzalem af en
rondom, tot Illyric toe, het
Kvangelie van Christus vervuld
heb;
20  en alzoo zeer begeerig ge*
wceit beu om liet Kvangelie te
verkondigen, niet waar Chri*-
tus genoemd «as, opdat ik
niet op eens anders fundament
zoude bouwen;
%iO                                      ROM KI
22 Hebt Rij geloof, Ueb tint
bij uzelven voor God. Zalig is
hij die ifchielven niet oor-
deelt in hemeen hij voor goed
houdt.
£1 Maar die twijfelt Indien hij
eet, is veroordeeld, omdat hij
niet uit liet geloot eet; en ai
wat lilt het geloof niet is, dat
HOOFDSTUK 15.
MAAR wij die sterk zijn, zijn
«•h
9
uldigde zwakheden der
oustrrlieii te dragen, eu niet
oiis/,i\'iven te behagen.
3  Dat dan een iegelijk van ons
zijnen naa*U\' behage ten goede,
tot stichting.
:t Want ook Christus hoeft
zichzclvcii niet behaagd, uiaar
gelijk geschreven is; De »na-
dingen denrenen die U smaden,
zijn o]i mij gevallet:.
4   Want al wat te voren ge-
schreven is, dat is tot onze lee-
ring te voren geschreven, op-
dat wij door lijdzaamheid en
vertroosting der Schriften hoop
hebben zouden.
5   Doch de God der lijdzaaui-
beid en der vertroosting geve
u, dat gij eensgezind zijt onder
elkander naar Christus Jezus,
6  opdat gij ceudrarhtiglijk met
écnen mond luoogt verhoor! ij-
ken tien God en Vader onzes
Heeren Jezns Christus.
7  Daarom neemt elkander aan,
gelijk ook Christus ons aange-
iiomeu heeft tot de heerlijk-
beid Gods.
S Kn ik zeg. dat Jezus Cbris-
tus een dienaar geworden is
der besnijdenis vanwege de
waarheid Gods, .ipdat hij be<
vestigen zoude de hel ofte nissen
der vaderen,
9 en de heidenen God vanwege
de barmhartigheid zouden ver-
beerlijken ; gelijk geschreven
is: Daarom zal ik ï\' belijden
ouder de heidenen, en uwen
naam lofziugeu.
lt> Kn wederom zegt Hij:
-ocr page 239-
ROMEINEN lfi.
EU
door den wil Gods tot u moge
komen en met u verkwikt wor-
den.
:« Kn de God des vredes zij
met u allen. Amen.
21  mnar gelijk geschreven is:
Den wel keu van hem niet was
geboodschapt, die zullen liet
zien, en dewelke het niet ge-
lioord hebben, die zullen het
verstaan.
22  Waarom ik ook menigmaal
verhinderd Beweent ben tot n
te komen;
2\'.i maar nu geeue plaats meer
hebbende in deze gewesten, en
sedert vele jaren ir root ver-
langen hebbende om tot u te
24  zoo zal ik, wanneer ik naar
Spanje reis, tot u komen; want
ik hoop in het doorreizen u te
aicu, en van u derwaarts ge-
leid te worden, nis ik eerst van
ui ieder teyenteoord\'tyheid ecnigs-
/.ins verzadigd zal zijn.
25  Maar nu reis ik naar Jcru-
/.aleni. dienende de heiligen.
2fi Want het heeft dien van
Macedonië en Achaje goedge-
dacüt, eene nlgeuieene hand-
rciking te doen aan de armen
onder de heiligen die te Jeru*
zalem zijn.
27 Want het heeft bun 200
goedgedacht; ook zijn zij hun-
11e achuldeiiaars; want indien
de heidenen hunner geestelijke
<ioederen deelachtig zijn gewor-
den, zoo zijn zij ook sehuldig
hen van lichamelijke goederen
te dienen.
\'-S Als ik dan dit volbrachten
hun deze vrucht verzegeld zal
HOOFDSTUK 16.
X ik beveel u Fébe onze zus-
E
ter, die eene dienares is der
gemeente die te Cenehrea is;
2 opdat ;\'ij haar ontvangt in
den Heer e, gelijk bet den beili-
gen betaamt, en baar bijstaat
iu wat zaak zij u zoude mogen
van noode hebben; want zij is
eene voorstandster geweest van
velen, ook van mijzelven.
:: Groet I\'riscilla en Aa,uila,
mijne medewerkers iu Christus
Jezus,
\'I die voor mijn leven hunnen
hals gesteld hebben; dewelke
niet alleen ik dank, maar ook
alle de gemeenten der beide.
11 en.
\'t Groet ook de gemeente iu
hun huis. Groet Knénetus mfj-
ucn beminde, die de eersteling
is van Achaje in Christus.
(i Groet Maria, die veel voor
ons gearbeid beeft.
7 Groet Andronlcus en Jiniias,
mijne magen en mijne mede-
gevangenen, welke . vermaard
zijn ouder de A))osteleu, die
ook vóór mij iu Christus gc-
weent zijn.
s Groet Amplias mijnen bc-
minde iu den lleere.
U Groet Urbanus onzen mede-
arbeider in Christus, eu Sta-
chys mijnen beminde.
ld Groet Apelles die beproefd
is iu Christus. Groet ze die van
het huisyezin van Aristubülus
zijn.
\\ 1 Groet Heródiou die van
mijne maagschap is. Groet ze
die van het huisyezin van Nar-
eissus ziiu, degenen nmnelijk die
in den lleere zijn.
1 \' Groet Tryféua en Tryfósa,
vrouwen die in den lleere ar-
bcideu. Groet Persis de benii"-
79
hebben, zoo zal ik door ulieder
"tnd naar Spanje afkomen;
29 en ik weet dat ik tot 11
Mimende, met vollen zegen des
Kvangelies van Christus komen
zal.
Bi En ik bid u, broeders, door
uuzen Heer e Jezus Christus en
door de liefde des Geestes, dat
\'jij met mij strijdt in de gebe-
den tot God voor mij;
•»1 opdat ik moge bevrijd wor-
den van de ongehoorzame!) in
•\'Udéa, en dat deze mijn dienst,
l"eii ik aan Jeruzalem dot, aan*
Kfiiaam zij den heiligen;
•f- opdat ik met blijdschap
-ocr page 240-
233                                    l CORIN\'
de tutter, d ie veel gearbeid heeft
in den Ileere.
13  Groet Rufai den uitverko-
rene in den Ileere, en zijne
moeder en de mijne.
14  Groet Asyncrlius, Flegon,
Henna». I\'atrobas, Hennes,
eu de broeders die met hen
zijn.
liï Groet Filólogus en Julia,
Nereus eu zijne zuster, en
Ulyinpas, en alle de heiligen
die met hen zijn.
lfi Groet elkander met eenen
heiligen kus. De gemeenten
van Christus groeten ulieden.
17 Eu ik bid u, broeders,
neemt acht op degenen die
tweedracht en ergernissen aan-
riehteu tegen de leer die gij mm
ohm geleerd hebt, eu wijkt at\'
van dezelven.
i» U\'anl dezulken dienen on-
zen Ileere Jezus Christus niet,
maar hunnen buik, en verlei-
den door sehoonspreken eu
Srijzen de harten der eeuvou-
igen.
19 Want uwe gehoorzaamheid
is tot kennis van allen gekn-
mcn. Ik verblijd mij dan
uweutbalve; en ik wil dat gij
wijs zijt iu het goede, doeh on-
noozel iu het kwade.
2ii Ru de God des vrede* zal
den satan haast ouder uwe
IIIE RS 1.
voeten verpletteren. De genade
onzes Heeren Jezus Christus zij
met ulieden. Amen.
21   U groeten Thnótheus mijn
medearbeider, en l.ucius en
Jason e» Bosipater mijne bloed*
verwanten.
22  Ik Tertius, die den brief
geschreven heb, groet u in den
II et-re.
2:t U groet Gajus, de huis*
waard van mij en van de ge-
beele gemeente. U groet Eras-
tus de rentmeester der stad,
en de broeder Uuartus.
24 De genade onzes Heeren
Jezus Christus zij uiet u allen.
Amen.
2i Hein uu die machtig is u te
bevestigen, naar mijn Evange-
lie eu de prediking van Jezus
Christus, naar de openbaring
der verborgenheid die nta de
tijden der eeuwen verzwegen is
geweest,
2<> maar nu geopenbaard is,
en door de profetische SchriJ\'-
teu, naar het bevel den eeuwi-
gen Gods, tot gehoorzaamheid
des Beloon ouder alle da heide»
iini bekend is gemaakt;
27 Hem, den alleen wijzen
(Jod, rij door Jezus Christus de
heerlijkheid in der eeuwigheid.
Amen.
DE EERSTE BRIEF VAK DEK ArOSTliL PAULUS
« DB
CORINTHIËRS.
te Corinthe is, den gebeiligdcn
iu Christus Jezus, deu geroe-
peneii heiligen, met allen die
den naam van onzen Ileere Je-
zus Christus aanroepen in alle
plaats, beiden hunnen eu
onzen Heere;
\'.i
genade zij u en vrede van
HOOFDSTUK 1.
PAULUS, cpii geroepen Apos-
tel van Jezus Christus door
den wil Gods, vu Sóstbenes de
broeder,
2 aan de gemeente Gods die
-ocr page 241-
1 COHIN\'
God onzen Vader e» deu Ilcere
Jezus Christus.
4 Ik dunk mijnen God te allen
tijde over u, vanwege de ge-
nade Gods die n gegeven is in
Christus Jezus,
6   dat gij in alles zfjt rijk ge-
wordeu in hem, in alle rede en
alle kennis,
ti Rel ijk de getuigenis van
Christus bevestigd is onder u;
7  alzoo dat Int u aan geeue
gave ontbreekt, verwachtende
du openbaring onzes lleeren
Jezus Christus :
M welke God u ook zal beves*
tigen tot deu einde tot\', om on-
straffelijk te zijn in den Uag
onzes lleeren Jezus Christus.
\'.\' God is getrouw, door welken
ïij Beroepen zijt tot de geineen*
MMp van zijnen Koon Jezus
Christus, onzeu IIet re.
hl Maar ik hid u, broedere,
door deu nanm onzes lleeren
lezua Christus, dat gij allen
hetzelfde spreekt en dut onder
u geeue scheuringen zijn, maar
dat gij samengevoegd zijt in
een zeilden zin cu in een zelfde
gevoelen.
11    Want mij is van u be-
keudgemaakt, mijne broeders,
door die van Chhie\'s huisgezin
tint, dut er twisten ouder u
zij...
12    Kh dit iept ik dat een
iegelijk vau u zegt: Ik beu
van 1\'aulus, en Ik vau Apollos,
en Ik vau Cefas, eu ik vau
Christus.
IS Is Christus gedeeld? Is
1\'aulus voor u gekruist? Of
zijt «ij in Pau lus\' naam ge-
doopt?
14 Ik dank God dnt ik nie*
mand vau ulieden gedoopt heb
dan Crispus en Gajus,
e» opdat niet iemand zegge
dat ik in mijueu ïiaaiu gedoopt
heb.
hl Doch ik beb ook het huls-
gezin van Stéfui.a* gedoopt;
voorts weet ik ule* of ik iemand
anders gedoopt heb.
17 Want Christus heeft mij
1IKRS I.                                    233
niet gezonden om te doopen,
maar om het Evangelie te vcr-
koudigtti ; niet niet wijsheid
van woorden, opdat het kruis
van Christus niet verijdeld
worde.
1** Want het Woord des krui-
ses is wel dengenen die verlo-
reu gaan, dwaasheid, maar ons
die behouden worden, is hut
oei ie kracht Gods;
19   want daar is geschreven :
Ik zal de wijsheid der wijzen
doen vergaan, eu het verstand
der verstandden zal ik te niet
maken.
20  Waar is de wijze? Waar is
de Schriftgeleerde? Waar is de
onderzoeker dezer eeuw? Heeft
God de wijsheid dezer wereld
niet dwaas gemaakt?
?l Want uademaal in de \\vijs-
hei d (iods de wereld God niet
beeft gekend door de wijsheid,
ZOO heelt het (ïode behaagd door
de dwaasheid der prediking
zalig te maken die gejouven:
•22 overmits de Joden een toe-
ken begeeren, en de Grieken
wijsheid zoeken;
23  doch wij prediken Christus
den gekruisigde, den Joden wel
ecne ergernis, en deu Grieken
eene dwaasheid;
24    maar hun die geroepen
zijn, beiden Joden en Grie-
ken, jiretlikrn wij Christus de
kraeht Gods eu de wijsheid
Gods.
25   Want het dwaze Gods is
wijzer dan de meuseheu, en het
zwakke Gods is sterker dan de
luenscbcii.
2(1 Want gij ziet uwe roeping,
broeders, dat gij niet vele wtj-
ien zijt naar bet vleeacb, niet
vele machtigen, niet vele ede*
km;
27 maar het dwaze der wereld
heeft God uitverkoren, o)»dat
Hij de wijzen besehamen zou-
de; en het zwakke der wereld
heeft God uitverkoren, opdat
Hij het sterke zoude bescha*
lu eu;
-ocr page 242-
I1KBS 2. X
zien, en liet oor niet heeft ge-
boord, en in het liart des men-
ncben niet i> opgeklommen,
hetgeen God bereid heeft dien
die Ui in liefhebben.
10  Hoen (i»d beeft het ons ge-
openhaard door zijnen Gerst.
Want de Geest onderzoekt alle
dingen, ook «Ie diepten God».
11   Want wie van de menscheu
«eet hetgeen des meusclicn is,
dun de geest dei uiensclien die
in hem I»? Alzoo weet ook nie-
mnnd hetgeen Gods is, dan de
Geest Gods.
1- Doch wij hebben niet ont-
vnngeu den Keest der wereld,
maar den Geest die nit God is,
opdat w ij zonden weten de din-
geu die ons van God gesehou-
ken zijn;
13 dewelke wij ook spreken,
niet met «oorden die de nien-
sehelijke wijsheid leert, maar
met woorden die de Heilige
Geest leert, feestelijke dingen
niet geestelijke »auienvoegen-
de.
11 Maar de natuurlijke nienseh
begrijpt niet de dingen die des
Geestei Gods zijn; want zij zijn
hem dwaaslieid, en bij kan ze
niet verstaan, omdat ze geeste-
lijk onderseheideu worden.
IA Doch de geestelijke menaeh
ouderseheidt wel alle dingen,
maar hijzelf wordt van niemand
onderseheideu.
11! Want wie beeft den zin des
Heeren gekend, die hem zoude
onderrichten } Maar wij hebben
den zin van Christus.
234                                 1 COltlNl
en bet verachte heeft God Bit-
verkoren, en hetgeen niets is,
opdat Hij hetgeen ietê is te
niet zoude maken;
_9 opdat geen vlcesch zoude
roemen voor Hein.
:to Maar uit Hem zijt gij in
Christus Jezus, die ons ge uur-
den is wijsheid van God, en
rechtvaardigheid, en heiligina-
kmg, en verlossing;
:il opdat het zij gelijk gesehre-
ven is: Die roemt, roeme in
den Heere.
HOOFDSTUK 2.
EX ik, broeders, als ik tot u
gekomen hen, beu niet ge-
komeu met uitnemendheid van
woorden of van wijsheid u ver-
koudiger.de de getuigeuisGods;
2 want ik lieh niet voorgeno-
nieu iets te weten ouder u dan
<le/.us Christus, en dien gekrui*
sigd.
:t F,n ik was bij ulieden iu
zwakheid en iu vrees en in vele
beving,
4 en mijne rede en mijne pre*
Tiking was niet in beweeglijke
woorden der uiensehelijke wijs-
beid, maar iu betooning des
gecstcs en der kraeitt;
.\'. opdat uw geloof niet zoude
zijn in wijsheid der uiciiseben,
maar in de kracht Gods.
T> Kn wij spreken wijsheid on-
der de volmaakten; doch eeue
wijsheid niet dezer wereld,
noch der oversten dezer wereld
die te niet worden;
7 uinar wij spreken de wijsheid
Gods, beatumute iu verhorsen*
hcid, die bedekt was, welke
(iod te voren verordim-erd heeft
tut heerlijkheid van ons, eerde
wereld was:
-- welke niemand van de over-
sten dezer wereld gekend heeft.
Want indien zij ".e gekend had-
den, zoo zouden zij den Heere
der heerlijkheid niet gekruist
hebben;
!> maar gelijk gesehreven ia:
Hetgeen b*.t oog niet heeft ge-
IIOOFDSTVK :i.
EN ik, broeder», kon tot u
niet spreken als tot gceste*
lijken, maar als tot vleesehelij*
ken, als tot jonge kinderen in
Christus.
\'2 Ik heb u met melk gevoed,
eu niet inet mate spijs, want
•rij vermocht tnen nog niet,
ja, gij vermoogt ook uu nog
niet,
3 want gij zijt nog vleesche*
-ocr page 243-
[II1ÏRS4.                             235
16  Weet gij niet dut gij Gods
tempel zijt en de Geest Gods in
ulieden woont:\'
17    /"" ieinainl den tempel
Gods schendt, dien znl God
schenden; want de tempel
(ïods is heilig, welke gij zijt.
1H Niemand bedriege zichzel-
ven : zoo iemand onder u dunkt
dat hij wijs is in deze wereld,
die worde dwaas, opdat hij wijs
moge worden.
IS Want de wijsheid dezer
wereld is dwaasheid hij God.
Want daar is geschreven; 111)
vat de wij/.en in lituine argli.v
ti-lieid;
2l> en wederom: Dfl Ileere kent
de overleggingen der w ijzen dat
ze ijdel zijn.
-1 Niemand dan roeme op
meuxcheii, want alle» is het
uwe:
22 hetzij Paiilus, hetzij Apol-
los, hetzij Cefas, hetzij de we-
reld, hetzij leven, hetzij dood,
hetzij tegenwoordige, hetzij
toekomende dingen, zij zijn
alle de uwe;
\'2\'i doeli trij zijt van Christus,
eu Christus is Gods.
1 CORIN\'
lijk; want dewijl er onder u
nijd is en twist en tweedracht,
/.ijt ("ij niet vleeseiielijk en wan-
delt \',\'n niet naar den nieuseh \'1
l Want als de één /.egt l Ik ben
van l\'aulus, en een ander: Ik
/"•H van A pol los, zijt (rij niet
vleeschelijk?
Ó Wie is dan Panlas. en wie
is Apolios, anders dan dienaars
door welke irij geloofd licht, en
•Int (relfjk de II e. re aan een
iegelijk rare eu heeft?
n Ik heh geplant, A polios heeft
natgemaakt, maar God heeft
deu wasdom gegeven:
7 zoo is dan noch hij die plant
iets, nocll hij die natmaakt,
inaar God die den wasdom
treeft.
H Kn die plant endienntinaakt.
zijn één; maar een iegelijk zak
zijn loon ontvangen naar zijnen
arbeid.
\'.I Want wij zijn Gods medear-
lieiders; Gods akkenverk, Gods
gebouw zijt trij.
hl Naar de genade Gods die
mij gegeven is, heb ik als een
wijs bouwmeester het funda-
lueilt gelegd, en een ander
houwt daarop. Maar een icge-
üjk zie toe hoe hij daarop
bouwt.
il Want niemand kan een an-
der fundament leggen dan hct-
Keen gelegd is, hetwelk is Je-
zus Christus.
12 Cu indien iemand op dit
fundament houwt goud, zilver,
kostelijke steenen, hout, hooi,
stoppelen,
|:i eens iegelijk» werk zal opeu-
haar worden; want ite dag zal
liet verklaren, dewijl het door
vuur ontdekt wordt; en hneda-
itift een» iegelijk» werk is, zal
het vuur beproeven.
M Zoo iemands werk blijft,
dat hij daarop gebouwd heeft,
die zal loon ontvangen;
IS zoo iemands werk zal ver*
brand worden, die zal seliade
lijden; maar zelf zal hij behnu-
oeu worden, doeh alzoó als door
vuur.
HOOFDSTUK 4.
ALZOU houde ons een ieder
ineuseh als dienaars van
Christus en uitdeelers der ver-
bnrgenhcdcn Gods.
2 Kn voorts wordt in de uit.
deelers vereischt, dat elk ge-
trouw bevonden worde.
:{ Doch mij is \'t voor het
minste dat ik van ulieden pre-
oordecld Morde, of van een men*
schelijk oordeel; ja, ik oordeel
ook 111 ijzelveu niet;
1 want ik ben mij/elven van
geen ding bewust, doeh ik hen
daardoor niet gerechtvaardigd ,
maar die mij uordeelt, is de
Heere.
5 Zoo dan oordeelt niets vóór
den tijd, totdat de Heere zal
gekomen zijn, welke ook in \'t
licht zal brengen hetgeen iu
de duisternis verborgen in, eu
-ocr page 244-
I C0R1NTHIKKS 5.
-j;ih
lend leermcenters in Christus,
zoo hebt t/ij toch niet vele
vaders; want lu Christus Jezus
beb ik u door het Evangelie ge-
teeld.
lf» Zoo vermaan ik u dan, zijt
mijne navolgers.
17 Daarom heb ik Thuótheüs
tot n gezonden, die mijn lieve
en getrouwe zoon is in den
Hecre, welke u zal indachtig
maken mijne weven die in
Christus zijn, gel ijker wijs ik
alom in alle gemeenten leer.
Is Doch sommigen zijn opge-
blazeu, alsof ik tot ulieden niet
komen zoude;
19 maar ik zal baast tot o ko-
nien, zoo de lleere wil, en ik
zal dan verstaan niet de woor*
den dergenen die opgeblazen
zijn, maar de kraebt;
-.M want het Koninkrijk Gods
is uivt yetet/en in woorden, maur
in kraebt.
21 Wat wilt gij? Zal ik met
de roede tot u komen, of in
liefde en in den geest der
zachtmoedigheid r
HOOFDSTUK 5.
MEX hoort ganschelijkrfflf er
hoererij onder u is, en zoo-
danige boererfj die ook ouder
de heidenen niet genaamd
wordt, alzoo dat er ecu zijns
vaders huisvrouw heeft.
2 En zijt tfij nog opgeblazen,
en hebt niet veelmeer leed ge-
dragen, opdat hij uit het mid-
den van u weggedaan worde,
die deze daad begaan beeft?
:t Doch ik, als wel met bet
lichaam afwezen tl maar tegeu-
woordig zijnde met deu geest,
heb alreedc, al»/ Ut tegeu-
WOOrdlg irtire, dengenen, die
dat alzoo bedreven heeft, be-
sloten,
i in den naam onzes llecret
Jezus Christus, als gijliedeu cii
mijn geest te zinnen vergaderd
zullen zijn, niet de kracht
onzes Meeren Jezus Christus,
5 denxulken over te geven deu
openbaren de raadslagen der
harten; en alsdan zal een lege*
lijk lof bebbeu van God.
6   En deze dingen, broedere,
heb ik on mijzclveu eo A pol-
lot. bij gelijkenis toegepast om
uwentwil, opdat gij :i:"; °"s
zuudt leereii niet te gevoelen
boren hetgeen geschreven is,
dat -\'ij niet, de reu oiu eens
anders wil, opgeblazen wordt
tegen den ander.
7  Want wie onderscheidt u ?
En wat bebt pij dut gij niet
hebt ontvangen t Kn soa gij
bet ook ontvangen bebt, «at
roemt gij alsof gij het niet ont-
vangen badt?
S Aireede zijt gil verzadigd,
aireede zijt ^ij rijk geworden,
zouder ons bebt gij gcheerscht;
en oeb of gij beerscbteti opdat
ook wij met u heersenen moch-
ten!
\'.» Want ik arbt dat God ons,
die de laatste Apostelen zijn,
ten toon beeft gesteld al» tot
deu, dood verwezen; want wij
zijn een schouwspel geworden
der wereld en den Engelen en
den meuseben.
1(1 Wij zijn dwazen om Chris-
tus* wil, maar gij zijt wijzen in
Christus\', wij zijn zwakkeu,
maar gij sterkeu; gij zijt beer-
lijken, maar \\\\u verachten.
11  Tot op deze tegenwoordige
ure lijden wij honger en lijden
wij dorst, en zijn uaHkt, en
worden met vuisten geslagen,
en hebben geenc vaste woon-
plaats,
12  en arbeiden, werkende niet
onze eigene handen: wij wor-
deii geseboldeu en wij zegenen;
wij worden vervolgden wij ver-
dragen;
i:i wij worden gelasterd en wij
bidden; wij zijn geworden als
uitvaagsels der wereld en aller
at\'schrapscl tot uu toe.
14 Ik schrijf deze dingen niet
om u te beschamen; maar al*
mijne lieve kinderen vermaan
ik u.
16 Want al badt gij tien dui-
-ocr page 245-
1 COltINT
siitan tot verderf des vleesches,
opdat de geest behouden moge
uurden in den dag den ileeri\'u
.ll\'ZUS.
\'i Uw roein is niet goed. Weet
ii\'j niet dut een weinig zuur-
deesem bet geheele deeg zuur
maakt?
7  Zuivert dan den nuden znur-
deesem uit, opdat gij een nieuw
deeg zijn moogt, gelijk gij on*
bezuurd zijt. Want nok ons
l\'ascha is voor on» geslacht,
itamrlijk Christus.
8  Zoo dan laat on» feest hou-
den, niet in den ouden zuur-
ileesem, noch in den zuurdee-
sein der kwaadheid en der boos*
beid, innar in de ongezuurde
brootte» der oprechtheid en der
waarheid.
y Ik heb u geschreven m den
brief, dut gij u niet zoudt ver-
uieiiiren met de hoereerders;
10 doch niet gehecllijk met de
hoereerders dezer wereld, of
met de gierigaard!, ot\' nut de
roovers, of met de afgoden-
dlenaars; want anders zoudt
gij uit de wereld nioeteii gaan.
il Maar uu heb ik u gesebxe*
ven dat uij u niet zult vcrineu-
iren, mititf\'.ijk indien iemand,
een broeder genaamd zijnde,
eeu hoereerder is, of een gie-
: igiiiinl, ot" eeu afgodendienaar,
of een lasteraar, of een drouk-
aard, of een roover, dat i:ij
niet zoodanig ceueu ook niet
zult eten.
12  Want wat hcl> ik ook die
buiteti zijn te oordeeleu \'t Oor-
deelt gijlieden niet die binnen
ïiju t
13  Maar die buiten zijn nor-
deelt God. Eu doet gij dezen
booxe uit ulieden weg.
HOOFDSTUK 6.
DURFT iemand van ulieden,
die eeue zaak heeft tegen
een ander, te recht gaan voor
de oureehtvaardigeii, en niet
voor de heiligen?
- Weet gij niet dut de heiligen
HIKKSfi.                                    217
de wereld oordeeleu Kallen?
Eu indien door u de wereld ge.
oordecld wordt, zijt gij mi-
waardig de minste rechtzaken \'t
:i Weet eij niet dat wij de Ku-
gelen oordeeleu zullen ? Hoe
veel te meer de zaken die dit
leven aangaan!
4  Zoo gij dan rechtzaken hebt
die dit leven aangaan, zet die
daarover die iu de gemeente
minst geacht zijn.
.\'i Ik zeg u dit tot schaamte.
Is er dan alzo» onder u geen
die wijs is, ook niet één, die
zoude kunnen oordeeleu tu.s-
sehcu zijne broeders?
(i Maar de ttne broeder gaat
met den ttttdere* broeder te
recht, en da: voor ongeloo*
vigeu!
7 Zoo is er dan nu gansche-
ltjk gebrek onder u, dat gij
met elkander rechtzaken hebt.
Waarom lijdt gij niet liever
ongelijk? Waarom lijdt gij niet
liever schade?
5  Maar gijlïedeu doet onge-
lijk eu doet sehade, en dat den
broederen!
y Of weet gij uier dat de
ouieehtvaardi^en het Kouink-
rijk (ïods niet zullen beerven?
IU Dwaalt niet; noch hoer-
eerdere, noch afgodendienaars,
noch overiuiclcrs, uoeh on-
tucbti&eu, noch die hij uiau-
neu liggen, noch dieven, noch
gierigaards, noch dronkaards,
geen la* te run i\'s geen rnnvers
zullen het Koninkrijk Uodi
beerven.
11   Ku dit waart gij soiuiui-
gen; maar gij zijt afgewu*-
schen, maar gij zijt geheiligd,
maar gij zijt l. e rechtvaardig!
iu den naam des Meeren Jezus
eu door den (leest onzes Gods.
12  Alle dhlgetl zijn mij ge-
oorloofd, iin.ar alle duigen
zijn niet oorbaar; alle dingen
zijn mij geoorloofd, maar ik
zal uiij ouder de macht van
geen ding Iflieit brengen.
i:t De snijzen zijn voor den
bui!;, eu de buik in voor de
-ocr page 246-
£W                                   1 COKINT
:-1• iJze» ; maar God zal berde
dezen en die tenietdoen. Doch
het lichaam is niet voor de
hoererij, maar voor den Heere,
en de Hef re voor het lichaam.
U Kn God heeft ook den IIee-
rc opgewekt, en zal on» op-
wekkcu door zijne kracht.
l.ï Weet irfj niet dat uwe licluv
men leden van Christus zijn?
Zul ik dan de leden van Chris*
tus nemen en ze leden eeuer
hoer maken? Dat zij verre.
lfi Of weet gij niet. dat die de
boer aanhangt, één lichaam
Met huur is? Want die twee,
zegt Hij, zullen tot écu vlcesch
vezen.
17  Maar die den Heere aan-
liantct is één geeft niet hem.
18  Vliedt de hoererij. Alle
zonde die de mensen doet, is
buiten het lichaam; maar die
hoererij bedrijft, die Kondigt
teiren lijn eigen lichaam.
19  Of weet gij niet, dat uiie-
der lichaam een tempel is des
Heiligen Geesten die in u is,
dien gij van God hebt, en dut
jfij van uzelveu niet zfit?
90 Want «ij rijt duur gc-
kocht: zoo verheerlijkt dan
God in uw lichaam en in uwen
jreest, welke Gods zijn.
HOOFDSTUK 7.
AANGAAN DE nu de dingen
waarvan «ij mij geschreven
bebt, het is een mensch goed
geeue vrouw aan te raken;
•J maai 0111 der hoererijen wil
ïal een iegelijk man zijne eigene
vrouw hebben,en ceue icgelijke
vrouw zal haren eigenen man
hebben.
3  De man /.al aan de vrouw
de schuldige goodwill k\'iieid
betalen, cu desgelijks ook de
vrouw aan den man.
4  De vrouw heeft de macht
niet over baar eigen lichaam,
maar de niiui; en desgelijks
heeft ook de man de macht
niet over zijn eigen lichaam,
ïuuHr de vrouw.
IUKKS 7.
5 Onttrekt u elkander niet,
tenzij dan met beider toestem-
inhig voor ecuen tijd, ondnt
gij u tot vasten en bidden
inoogt verlcdigeu; en komt
wederom bijeen, opdat de satan
u niet verzoeke, omdat gij u
niet kunt onthouden.
li Doeh dit zeg ik uit toe)a-
ting, niet uit bevel.
7  Want ik wilde dat alle men-
schen waren gelijk nis ikzelf
ben; maar een iegelijk heeft
zijne tlccne gave van God, de
één wel aldus, maar de ander
alzoó.
8  Doch ik zeg den ongetrouw*
den cu den weduwen: het is
huu goed, indien zij blijven
gelijk als ik.
9  Maar indien zij zich niet
kunnen onthouden, dat ze
trouwen; want het is beter
te trouwen dan te branden.
10  Doch den getrouwden ge-
bied niet ik, maar de Heere,
dat de vrouw van den inaii
niet fchcidc;
11  en indien zij nok scheidt,
dat zij ouiretrouwd blijve, of
zich met den mnu verzoeuc;
en dat de man de vrouw niet
verlate.
12  Maar den anderen zeg Ik,
niet de Heere: indien eenig
broeder eeue ongeloovige
vrouw heeft, eu deze tevreden
is bfj hem te wonen, dat hij ze
niet verlate;
13  en eeue vrouw die eeue»
nugeloovi\'.ren man heeft, eu
bij tevreden is bij haar te wO*
uen, dat zij hen niet verlate.
14  Want de ongeloovige man
is geheiligd door de vrouw,
eu de ongeloovige vrouw ia
geheiligd door de 11 man; want
anders waren uwe kinderen
onrein, maar nu zijn zij heilig.
1» Maar indien de ougeloo-
vige scheidt dat bij schelde:
de broeder oi de zusier wordt m
zoodanige geratte* niet dienst*
haar gemaakt. Maar God heeft
ons tot vrede geroepen.
16 Want wat weet gij, vrouw,
-ocr page 247-
1 C01UN
of gij den iiinti zult zalig ma-
ken? Ut wat weet \'_\'ij, man, of
gij de vrouw zult zalig maken\':
17   Doch gelijk God aan een
iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk
ile Heere een iegelijk geroepen
heeft, dat hij alzoo wai.dele;
en alzoo ordineer ik in alle de
gemeenten.
18  I» iemand besneden zijnde
geroepen, die late tien geeue
voorhuid aantrekken; is iemand
in de voorhuid zijnde geroepen,
die late zieli niet besnijden.
ly De besnijdenis is niets en
de voorhuid is niets, maar
de onderhouding der geboden
Gods.
20  Keu iegelijk blijve in die
roeping «aar bij in geroe-
pen is.
21   Zijt gij een dienstkueelit
zijnde geroepen, laat u tint niet
bekommeren i manr indien gij
ook kunt vrij worden, gebruik
ilnt liever.
22   Want die in den Heere
geroepen i» een dienstknecht
zijnde, die is een vrijgelatene
des Heereu; desgelijks ook die
vrij zijnde geroepen is, die is
eeu dienstknecht van Christus.
~\'i Gij zijt duur gekocht: wordt
gceue dienstknechten der men-
schen.
24  Ken iegelijk waarin hij ge-
roepen is, broeders, die blijve
in hetzelve hij God.
25  Aangaande de maugden uu
heb ik geen hevt\'l des Heereu;
niaur ik zeg uüut gevoelen, nis
die barmhartigheid vun den
Meere gekregen heb 0111 ge-
trouw te zijn.
2fi Ik houdc dan dit goed te
7-\'ju om den aanstaanden nood,
dat liet, zeg ik. den lucnsch
goed is alzóó te zijn.
27 Zijt gij iia:i eene vrouw
verbonden, zoek Reene ontbln*
diug; zijt gij niet aau eene
vrouw verhouden, zoek \\zv:cue
vrouw.
r? Maar indien gij ook trouwt,
\'-ij zondigt niet; en indien eene
^aagd trouwt, zij zondigt niet.
111KKS 7.                                   239
Doch dezulken zullen verdruk*
kiug hebben in het vleesch.
Kii ik spaar ulieden.
\'.\'.\' Maar dit zeg ik, broeders,
dat de tijd voorts kort is; op-
dat ook die vrouwen hebben,
zouden zijn als niet hebbende;
\'M en die wcencii, als niet
weeuende; en die blijde zijn,
als niet blijde zijnde; en die
koopen, als niet bezittende;
31  en die deze wereld gehrui-
ken, als niet 111 t»br ui kende;
want de gedaante dezer weield
gaat voorbij.
32  Kn ik wil dat gij zonder
bekom 111 eruii\' zijt. De ougc-
trouwde bekommert zich over
de dingen des Heereu, hoe hij
den licerc zal behagen;
33  maar die getrouwd is, be-
komuiert zich over de diuuen
der wereld, hoe hij de vrouw
zal behagen.
34  Kei.e vrouw eu cene maagd
zijn onderscheiden. De ouge-
trouwde bekommert zich over
de dingen des Heereu, opdat
zij heilig zij, beide aan lichaam
en aan geest; maar die ge-
trouw d is, bekommert zich over
de dingen der wereld, hoe zij
den man zal behagen.
35  Ku dit zeg ik tot uw eigen
voordeel, niet opdat ik eencn
strik over 11 zoude werpen,
maar om u te leiden tot hetgeen
wèl voegt en bekwaam is 0111
den Heere wèl aan te hangen,
zonder herwaarts en derwaarts
getrokken Ie worden.
3ii Maar zoo Iemand acht dat
hij ougevoeglijk handelt met
zijne uinngd, indien zij over
de» jeugdigen tijd gaat, en het
alzoo moet geschieden, die doe
wat hij wil; bij zondigt niet:
dat ze trouwen.
\'XI Doch wie vaststaat in zijn
hart, geeue noodzaak hebben-
de, maar macht heeft over zijn
eigen wil, eu dit in zijn hart
besloten heeft dat hij zijne
maagd zal bewaren, die doet
wèl.
38 Alzoo dan die Maar ten hu-
-ocr page 248-
24(1                              1 CORINT
wel ijk uitgeeft, die doet wèlj
en die ze ten huwelijk niet uit-
Reeft, die doet beter.
:t9 Een e vrouw is door de wet
verbonden zoo landen tijd haar
in uu leeft; maar indien haar
man nut slapen is, zoo is zij
vrij om te trouwen uien zij
wil, alleenlijk in den Hecrc.
4ll Maar zij is irelukkiirer iu*
ilieii zij alzoó blijft, naar mijn
tcevoeleu; en ik meen ook den
Geest Gods te hebben.
IERS 8, 9.
niet eten, wij hebben geen ge-
brek.
i) Maar ziet toe, dat deze uwe
itiaeht niet eenigerwijze een
aanstoot worde dengenen die
zwak zijn.
lil Want zoo iemand U die de
kennis hebt, ziet in den afgnd*-
tempel aanzitten, zal de cou-
seieutie van hem die zwak is.
niet irestijfd worden om te eten
de dingen die den afgoden ge-
otïerd zijn ?
11   C . zal de broeder die /.wak
is door uwe kennis verloren
iraan, om welken Christus ne-
stnrveu is?
12  Doch gijlicden alzóó tegen
de broeders zondigende en hun*
ne zwakke cnuseientic kwet-
seude, zondigt tegen Christus.
l.\'l Daarom indien de spijs
mijnen broeder ergert, Uu zal
ik iu eeuwigheid geen vleeseli
eten, opdat ik mijnen broeder
niet ergere.
HOOFDSTUK 9.
BEN ik niet een Apostel ï
Hen ik niet vrij? Heb ik
niet Jezus Christus onzen Heen1
gezien* Zijt irijliedeu niet mijn
werk iu den Ileere?
2 Zoo ik anderen geen Apos-
tel beu, nochtans ben ik het
ulieden; want net zegel miin-
Apostelsebiips zijt gijliedcn
iu den Heere.
:t Mijne verantwoording ann
degenen die ouder&oek over mij
doen, is deze.
4 Hebben wij niet mneht om
te eten en te drinken \':
h Hebben wij niet mneht out
eeue vrouw, eene zuster zijnde.
met oh* om te leiden, irelijk
onk de andere Apostelen en
de broeders des Ileeren en
Cefas ?
ü Of hebben alleen ik eu Bdf
nabas geene macht van niet W
werken ?
7 Wie dient ooit iu den krij-
op eigen bezuldiug ? Wie plant
eenen wijngaard, eu eet niet
HOOFDSTUK 8.
AANGAANDE nu de dingen
die den afgoden geofferd
zijn, wij weten dat wij allen
te zaïnen kennis hebben. De
kennis maakt opgeblazen* maar
je liefde sticht.
2 En zoo iemand meent iets te
weten, die heeft DOR niets gc-
keud gel ij k men behoort te
kennen;
\'; maar zoo iemand God liet-
beeft, die is van Hem gekend.
4 Aangaande dan het eten der
dingen die den afgoden geofferd
zijn, wij weten dut een afcnd
niets is in de wereld, en dat er
geen ander God is dan één.
.\'» Want hoewel daar ook zijn
die goden genaamd worde.i,
hetzij in den hemel, het/.ij op
de aarde (gelfjk er vele goden
eu vele neereu zijn),
tl nochtans hebbeu wij muur
éénen God, den Vader, uit wei-
ken alle dingen zijn en wij tot
Hem, en muur éenen Ileere,
Jezus Christus, door welken
alle dingen zijn en wij door
hein,
7 l>och iu allen is de kennis
niet; maar sommigen, met
fi\'iM\' oouscientic des afgods tot
uog toe, eten nis iets dat den
afgoden geofferd is; en hunne
conscieutie zwak zijnde, wordt
bevlekt
s De spijs uu maakt ons Gode
niet attuirennnm; want hetzij
dat wij eten, wij nebben geen
overvloed; eu hetzij dat wij
-ocr page 249-
1 CORINTHIERS 9.
Hl
van zijne vrucht? Üf wie weidt
eene kudde, en eet niet vuu de
melk der kudde?
s Spreek ik dit naar den
meusch, of zegt ook de Wet
.ii niet?
\'J Want in de wet van Mozcr.
ia geschreven: Gij zult ecueit
dorschendeu os niet iiiuilbaii-
den. Zorgt God ook voor de
08SCII?
lil Of zegt hij tUit gansehelijk
om onzent» il ? Want om on*
zentwil is dat geschreven;
overmits die ploegt, op hope
suoct ploegen, en die op hope
dorscht, moet zijner hope deel*.
aebtig worden.
11   Indien wij ulieden het gces-
tt\'iijke gezaaid hebben, is het
ceue groote zaak, zoo wij het
uwe dat lichamelijk is, maaien ï
12  Indien anderen dezer inaeht
over u deelachtig zijn, trnarom
niet veelmeer wij \'t Doch wij
nel)ben deze macht niet ge«
bruikt, maar wij verdragen
het alles, opdat wij niet cenige
verhindering geven aan het
Evangelie van Christus.
Kt Weet tcij niet dat degenen
die de heilige dingen hedieiien,
van bet heilige eten, en die
steeds bij het altaar zijn, niet
het altaar deeleu ?
14 Alzóó beeft ook de Meere
geordineerd dengenen, die het
Evangelie verkondigen, dat zij
\'au het Evangelie leven.
Ifi Maar ik heb geen van deze
dingen gebruikt, En ik heb dit
niet geschreven opdat het al-
ïód aan mij geschieden zoude;
fl au t bet ware ui ij beter te
Horven, dan dut ieuiaud dezen
i\'iijncn roem ijdel zoude ma-
ken,
Ifl Want indien ik het Evan-
Belle verkondig, het ismtj geen
foein; want de nood is mij o|i-
felegd, en wee mij, indien ik
,;i\'t Evaugclic niet verkondig!
17 Want indien ik dat gewillig
|Joe, zoo heb ik loon; maar in-
-H*p onwillig, de uitdeeling is
;;\'ij evenwel toebetrouwd.
IS Wat loon heb ik dan?
Namelijk dnt ik bet Evangelie
verkondigende, het Evangelie
van Christus koBtcloos stel,
om mijne inaeht in het Evau-
gclie met te misbruiken.
19 Want daar ik van allen
vrij was, heb ik mij zei ven
allen dienstbaar gemaakt, op-
dat ik er meer zoude winnen.
2H Ku ik beu den Joden ge-
wordeu als een Jood, opdat
ik de Joden w innen zoude;
dengenen die onder de wet zijn,
ben ïk geironlrn als onder de
wet zijnde, opdat ik degenen
die ouder de wet zijn, winnen
zoude;
21 dengenen die zonder de
wet zijn, beu ik yrtrorden als
zonder de wet zijnde (voor God
itochttinê zijnde niet zouder de
wet, maar voor Christus oud<T
de wet), opdat ik degenen die
zonder de wet zijn, winnen
zoude.
\'22 Ik ben den zwakken ge-
worden als een zwakke, op*
dat ik de zwakkeu winnen
zoude: allen beu ik alles ge-
worden, opdat ik immers
eenigen behouden zoude.
2:i En dit doe ik om des
Kvangelies wil, opdat ik bet-
zelve mede deelachtig zoude
worden.
24 Weet gijlieden niet, dat
die in de loopbaan loopeu,
allen wel loopeu, maar dat
één den prijs ontvangt? Ixwpt
alzóó, dat gij dien moogt ver-
krfjgen,
\'2a En een iegelijk die om
prija
strijdt, onthoudt zich in
alles. Dezen dun doen dit wel
opdat zij eene verderfelijke,
kroon zouden ontvangen, maar
wij eene onverderfelijke.
2\'t Ik loop dito alzóó, niet
als op bef onzekere; ik kamp
alzóó, niet als de lucht
slaande;
-7 maar ik bedwing mijn
lichaam en breng het tot
dienstbaarheid, opdat ik niet
soms, daar Ik anderen gepre-
-ocr page 250-
TIUEHS 10.
12  Zoo dun die meent te
staan, zie toe dut hii niet
val Ie.
13  l\'li den heeft ;-eene ver*
Koekiits bevanicen dau men-
schclijke; doch God is ge-
trouw, welke u niet zal laten
verzocht worden hoven hct-
geeu gij vermoogt, maar Üij
zal met de verzoeking ook de
uitkomst geven, opdat gij ze
kunt verdragen.
11 Daarom, mijne geliefden,
vliedt van den afgodendienst.
ia Als tot verstandigen spreek
ik: oordeelt j;ij betgcui ik
zeg.
1(1 De drinkbeker der dnuk-
zegging. dien wij dcnkteygcmle
zegenen, is die niet eeue ge-
mecuschap des bloed* van
Christus;:\' liet brood dat wij
breken, is dat niet eene ge-
meenschap des liehaams van
Christus?
17  Want één brood is het, ;>><
zijn wij velen ét-n lichaam,
deu ijl w ij allen ééns broods
deelachtig zijn.
18  Ziet Isriel dat naar bet
vleest*h is: hebben niet de-
genen die de otieranden eten,
gemeenschap met het altuar?
Il» Wat ze; ik dan? Dat een
afgod iets i", of dat hctafgodeu-
offer iets is \'t
SU Ja, ik reg* dat hetgeen de kei •
dencu oneren, zij iet den dui-
velen offeren, en niet Gude.
Eu ik wil ..iet dat gij met de
duivelen gemeenschap hebt.
21  Gij kunt den drinkbeker
des Hceren niet drinken ei
den drinkbeker der duivelen
ir ij kunt ulet deelachtig ziji
der tafel des Ilecren en der
tafel der dn;., len.
22  Of tergen wij den lleerc?
Jiijn wij sterker dan bij?
23  Alle dingen zijn mij gr-
OOrloofd, mt\'iir alle dingen zij\'1
niet oorbaar; alle dingen zijn
mij geoorloofd, maar alle di»-
gen stichten niet.
24  Niemand zocke wat zijns*
zelfs is, ninur een iegelijk
dikt heb, zelf verwerpelijk
worde.
HOOFDSTUK M.
EN ik wil niet, broeden, dat
i*ij ouweteude zijt, dat onze
vaderen uilen undrr de wolk
waren, eu allen door de zee
doorgegaan zijn,
2  en allen in tfozca gedoopt
lijn in de wolk en in do zee,
3  en allen dezelfde geestelijke
spijs gegeten hebben,
4  t\'ii allen deuzelfde» irees-
telijken drank gedronken heb-
ben t want zij dronken uit de
geestelijke steenrots die volgde;
en de steenrots was Christus.
fi Maar in \'t raaercudeel van
hen heeft God geen welgevul-
len gehad; want zij zijn in de
woestijn temedcrgeslagen.
ti Kn deze dingen zijn geschied,
ons tot voorbeelden, opdat wij
geeuen lest tot bet kwaad zon-
den heb hen, geliikenvijs als
zij lust Ki-had bebbeu.
7 Kn wordt geen afgodeudie-
naars, gelijkt-mij* als sommi-
gen van hen. wlijk geschreven
staat: liet volk «at neder om
te eten <vi om te drinken, en
zfj stonden o[i om te sne-
len.
5  Eu hint ons niet hoerecren,
gelijk sommigen van ben -^e-
noereerd bebben, en er vielen
op ééuen duif drie en twintig
duizend.
9  Kn laat ons Christus niet
verzoeken, gclij \\ ook sommi-
gen van hen verzucht hebben,
en weiden van de slangen vcr-
nicld.
10  En murmureert niet, re-
lijk ook sommigen van hen
gemurmureerd bebben, eu
werden vernield van deu ver-
derver.
11  En alle deze dingen zijn
hun overkomen tot voorbed*
den, en zijn beschreven tot
waarschuw in;; van ons, on
dewelke de einden der eeuwen
gekomen zijn.
-ocr page 251-
1 COUÏNTIJ
zoeke wat drs anderen is. I
25 Eet ui wat In liet vleeacU*
huis verkocht wordt, niets mi-
dervrageude uut der couscientic
wil.
SC Want de aarde i.< des lice-
Ku, e» de vol beid derzclve.
\'2"i En indien iemand van de
ongeloovigeii n noodt, en ;rij
duur gaan wilt. eet al wat
ulieden voorgesteld wordt,niets
ondervragende om dercontcb u-
tie wil.
2rt Maar zoo iemand tot ulie-
den zegt) l\'ut is afgodcuoffer,
eet het niet, om desgeneu
wil, die u dat te kennen ire-
geven heelt, en om der con*
seientie wil; want de aarde
is des Beeren, eu de volheid
derzelve.
_y Doch ik ze\'; om de con-
scientie, nii-t van uxelven maar
des anderen; want waarom
wordt mijne vrijheid geoor*
dceld van eene andere GOU*
Btieutie?
:in Kn indien Ik door genade
der gjntee deelachtig ben, waar-
oui word ik gelasterd over ket-
gecn waarvoor ik dankzeg?
31   Hetzij dan dat ufjlieden eet,
hetzij dat uij drinkt, hetzij dat
i-\'ij iets H.ulern doet, doet het
alles ter eere Gods.
32   Weent zoi.der aanstoot te
Keven, èu den Joden, en den
(\'Heken, en der gemeente
Gods;
•VI gelijkfrwijs ik ook in alles
allen oeiiaag, niet zoekende
\'lijn eigen voordeel, maar het
\'\'iurdecl va:i velen, opdat zij
mochten behouden worden.
I411S 11.                                   243
ieirclijken mans, eu de man het
hoofd der vrouw, Pu God bet
hoofd van Christus.
4 Een iegelijk man die hidt oi
firofeteert, hebbende iets op het
lool\'d, die onteert zijn eigen
hoofd;
.ï maar cene iegelijke vrouw
die bidt of profeteert met onge-
dekten hoofde, onteert haar
eigen hoofd; want het is één
en hetzelfde alsof Afrar het haar
afgesneden ware.
f. Want indien eene vrouw niet
gedekt is, dat zij nuk geschoren
worde; maar indien het heiijk
is voor eene mouw, geschoren
te zijn of liet haar afgesneden
te hebben, iat zij zich dekke.
7  Want de man moet bet hoofd
niet dekken, overmits iiij hel
beeld en de heerlijkheid Gods
is; maar de vrouw is de beer-
lij kh<id des maus.
8    Waut de man is uit de
vrouw niet, maar de vrouw uit
den man.
9  Want ook is de Ulftu niet ge»
eckanen om du vruuvt, maar de
vrouw om den man.
10    Daarom moet de vrouw
reue maeht on het hoofd heli-
beu, om der Engelen wil.
11  Nochtans is uoch de ma»
zonder de vrouw . noch de
vrouw zonder den man in den
Ileere.
IJ Want selUkerwjJa de vrouw
uit den niun is, alzoó is ook de
man door de vrouw; doch alle
dingen tiin uit God.
V.i Oordeelt \',\'ij onder uzelvcu:
is het betamelijk dat de vrouw
ongedekt God bidder
14 Of leert u ook de itatUUt\'
zelve niet, dat zoo een man
uur: baar draagt, het hem eene
oneer is,
ïfi maar zoo eene viouw lang
haar draagt, dal het haar eei\'e
eer is, omdat haar het lange
baar voor een deksel is gegeven ?
10 Doch indien itmtn d schfji.t
twistgierig te zijn, v. ij hebben
zulke gewoonte niet, noch de
gemeenten Gods.
HOOFDSTUK 11.
WEKST mijne navolgers, ec-
lijkerv. ijs ook Ik van
Christus.
2 Kn ik mij* u, broeder», dat
\'-\'Ü in alles mijner gedachtig
zi.it, en de iuzcttiugeu behoudt,
\'-.\'e!ijk ik u dit\' <i.erire--\'even heb.
,! Doch ik wil dat gij weit,
ll&t Cliristui het hoofd is eens
-ocr page 252-
244                                    1 CORIN\'
17 Dit on hetgeen ik k aanzesr,
prijs ik niet, namelijk dut ,-ij
niet tot beter, maar tot erger
samenkomt.
IS Wnut eerstelijk, ala trij
samenkomt in de gemeente,
zoo hoor ik dat er scheuringen
ouder u zijn, en ik geloof tiet
ten decle.
19 Want daar moeten ook
ketterijen onder u zijn, opdat
degenen die oprecht zijn, ópen-
baar mogen worden onder u.
2n Als gij daü samen bjjeen-
komt, dat is niet des Heeren
Avondmaal eten .
21    want in Int eten neemt
een iegelijk te voren zijn eigen
avondmaal; en déze is iiouge-
rig, en d*; ander is dronken.
22   Hebt gij dan geen huizen
om er te eten en te drinken?
Of veracht gij de gemeente
Gods. en beschaamt gij dege-
nen die niet hebben? wat zal
ik n zeggen? Zal ik n prijzen?
In dezen prijs ik u niet.
33 Want ik heb van den Heere
ontvangen liet;, en ik u ook
overgegeven heb, dat de Heere
Jezus in den nacht in welken
hij verraden werd, het brood
nam;
24 en als hij gedankt had, brak
hij het, en tolde: Neemt, eet,
dat is mijn liehuam dut voor u
gebroken wordt: düL\'t dat tot
mijne iredaehtenis.
26  Desgelijks utint hij ook den
drinkbeker ur het eten des
Avondmaals, en zeidu; Deze
drinkbeker is het nieuwe Tes-
tameut in mijn bloed : doet
dat, zoo dikwijls als gij dien
zult drinken, tot mijne gedacb*
tenii.
2(i Want zoo dikwijls als gij
dit brood zult eten en dezen
drinkbeker zult drinken, zoo
verkondigt den dood des llce-
ren, totdat hij komt.
27  Zoo dun wie nuwnardiglijk
dit brood eet of den drinkbeker
des Hoeren drinkt, die zal
schuldig zijn aan het lichaam
eu bloed des lleeren.
H1KHS 12.
2S Maar de mensch beproeve
ziclizelven, en ete al zóó van
liet brood en drinkc van den
drinkbeker.
29  Want die onwnardiglijk eet
en drinkt, die eet eu drinkt
ziclizelven een oordeel, niet
onderscheidende het lichaam
des Heeren.
30   Daarom zijn onder u vele
zwakken en kranken, en velen
slapen.
31   Want indien wij onszelven
oordeelden, zoo zouden wij niet
geoordeeld worden.
32    Maar als wij geoordeeld
worden, zoo worden wij van
den Heere getuelitird, opdat
wij met de wereld niet zouden
veroordeeld worden.
33  Zoo dan, mijne broeders, als
gij samenkomt om te eten, ver-
wacht elkander.
34  Doch zoo iemand hongert,
dat hij te hui» ete, ondat gij
niet tot een oordeel samen
komt. De overige dingen nu
zal ik ordineeren, als ik zal ge-
komen zijn.
HOOFDSTUK 12.
EN van de geestelijke naren,
broeders, wit ik niet dat gij
onwetende zijl.
2  (Jij weet dat \':ij heidenen
waart, tot de stomme afgoden
henengetrokken, naardat gij
geleid werdt.
3  Daarom maak ik u bekend,
dat niemand die door den
Geest God» spreekt, Jezus een<\'
vervloeking ooemt; eu niemand
kan zeegen Jezus den llerre t?
zijn,
dau door den Heiligen
Geest.
I Kn daar is verscheidenheid
der gaven, doch het is dezelfde
Geest;
5 en daar is verscheidenheid
der bedieningen, en het is de-
zellde Heere;
h\' en daar ia verscheidenheid
der werkingen, doch bet i?
dezelfde God die alles in allen
werkt.
-ocr page 253-
1 CORINTII1ERS 12.
:v~.
Maar aan een iegelijk wordt
de <>: \'\'.. i:;i r i11 -" dl\'S (iiTMcs
gegeven tot Letteen oorbaar
is.
s Want aan dezen wordt door
den Geest gegeven bet woord
der wijsheid, en ann een ander
het woord der kennis, door den-
zelfden Gerat;
\'J en aan een ander het geloof,
door denselfdeu Geest; eu aan
een ander de gaven, der gezond-
makingeu, door denzelfden
Geest;
10  en aan oen ander de wcr*
kingen der krachten; en aan
een ander profetie; en aan een
ander onderscheidingen der
geesten ; en aan een ander me-
nigerlei talen; en aan een ander
uitlegging der talen.
II  Doch alle deze dingen werkt
één en dezelfde Geest, toedec
lende aan een iegelijk in \'t bij-
zonder gelijkcrwijs hij wil.
12   Want fielijk het lichanni
één is en »ele leden heeft,
en alle de leden van dit ééne
lichaam vele zijnde, maar één
lichaam zijn, alzóo ook Chris-
tus.
13  Want ook wij allen zijn
door éénen (ir, t tot één
lichaam gedoopt, hetzij Joden
hetzij Grieken, hetzij dienst*
knechten hetzij vrijen; en wij
zijn allen tot éénen Geest ge-
drenkt.
11   Want ook het lichaam i-
nlet één lid, maar vele leden.
16 Indien de voet zeide: De-
Mijl ik de hand niet ben, zoo
ben ik van bet Hebaam niet:
ja die daarom niet van bet
lichaam"\'
16 En indien bet oor zeide:
He wijl ik liet oog niet ben,
zoo beu ik van het lichaam
tiiet; is het daarom niet van bet
lichaam?
\'7 Ware bet gehccle lichaam
bet ook, waar zoude het gehoor
*v« ? Ware het geheele lichaam
schoor, waar zoude de reuk
*u*t
Is Maar uu heeft God de le-
den gezet, elk van dezelve in
bet lichaam gelijk Hij gewild
beeft
19 Waren ze allen maar één
lid, waar zoutte bet lichaam
tint ?
2i> Maar nu zijn er wel vele
leden, doch maar één lichaam.
.1 Eu bet oo\'-r kan niet zeggen
tot de hand: Ik heb u niet van
nomle. of wederom het hoofd
tot de roeten : Ik heb u nictvau
noode.
2*J Ja veel eer, de leden d ie
oii« dunken de zwakste des
liehaama te zijn, die zijn uoo-
dig;
\'XI en die oi s dunken de minst
aanzienlijke leden des liehaama
te zijn, denselven doen wij over*
vlnedigcr eer aan, en onze on-
sierlijke fedm hebben overvloe-
diger versiering.
34 Docli nnze sierlijke hebben
bet niet van noode; maar God
heeft het lichaam alzóó samen-
gevoegd, gerende overvloediger
eer aan hetgeen gebrek aan de-
zelve
beeft,
39 Opdat geen tweedracht in
het lichaam zij, maar de leden
voor elkander gelijke zorg zou-
den dragen.
M En betzij dat één lid lijdt,
zoo lijden alle ilc iedeu mede;
hetzij dat een lid verheerlijkt
wordt, zoo verblijden zich alle
de leden mede.
27 En rij lieden zij t het lichaam
van Christus, en leden in *t bfj-
zonder.
ffl E» God heeft er sommigen
in de gemeente gesteld, ten
eerste Anostelen, ten tweede
Profeten, ten derde Leeraars,
daarna krachten, daurua gaven
der gezmidmnkingen, behulp*
sels, rcgccriugcn, menigerlei
talen.
21» Zijn ze allen Apostelen?
Zijn ie allen Profeten? Zijn ze
allen Leeraars? Zijn ze allen
krnchten ?
:ti) Hebben ze allen gaven
der gezoiidmakingen ? Spre-
ken ze allen niet meniqeiiei
-ocr page 254-
Cl.-Ï                                  1 CORINTi
tal ?n ? Zij.1 ze alleu uitleg-
gert ?
;;i Doch Ijvert naar do beste
gaven; en ik wijs u eeneu weg
die nog uituemeuder U.
HOOFDSTUK 13.
AI, ware het dat ik de talen
der menschen en der Knïe-
ien sprak, en de liefde niet had,
zoo ware ik ecu klinkend me*
te.nl ot luidende schol ge-
worden.
J Kn al ware het dat ik de
gare der profetie had. ca wist
alle de verborgenheden en al
de. weten se hap; en al waru
het dat ik al liet geloof had,
zoodat ik bergen verzette, en
de liefde niet had, zoo uure ik
niets.
.\'S Kn al ware het dat ik alle
mijne poederen tot onderhoud
der armen uitdeelde; en al ware
het dat ik mijn lichaam over-
gaf, opdat ik verbrand zoude
worden, en had de Heide niet,
ioo zoude liet mij geen nuttig-
beid reven.
\\ De liefde is tank moedig, zij
is goedertieren; de liefde is niet
afcuustig; de liefde handelt niet
lichtvaarditrlijk, ..ij is niet op-
geblazen;
\'i zij handelt niet ong*eschik-
telijk, zij zoekt zich/.elve niet,
zij wordt niet verbitterd, zij
deukt geen kwaad;
G zij verblijdt zich niet in de
on\'.\'ercchtiifbeid, iniinr zij ver*
blijdt zich in de waarheid ;
7 zij bedekt alle dingen, zM
nlooft alle dfltgeii, zij hoopt
alle dingen, zij verdraagt alie
dingen.
H De liefde vermat nimmer*
nieer; maar hetzij profetieën,
zij sullen te niet itedaau wor-
deu; hetzij talen, zij zullen op-
houden; hetzij kennis, zij zul
te niet gedaa-i worden.
\'J Want wij kennen ten deele
en wij profeteeren ten deele;
in doei. wanneer bet voI-
mauktc zal gekomen zijn, dau
KÏÏS U, 11.
zal hrtjreeii ten declc is, te niet
•_-c"!ii:i ! worde.i.
11  Toen ik een kind won, sprak
ik als een kind, was ik gcsïnd
nis een kind, ovcrleide ik nis
een kind; maar wanneer ik een
man geworden ben, zoo heb ik
te niet gedaan hetgeen eens
kinds was.
12    Want wij zien mi door
eeneu spiegel in eene duistere
rede, maar alsdan zullen trij tien
aangericht tot aangeef ebt; mi
ken ik teu deele, maar alsdan
zal ik kennen gelijk ook ik ge-
kend beu.
n En uu blijft geloof, hoop
en liefde, deze drie; doeli de
meeite van deze is de liefde.
HOOFDSTUK 1».
JAAGT de liefde na, en ijvert
om de irecs tel ij ke ƒ;<.•••?«, maar
meest dat k.Ü inoogt profe-
toeren.
•_* Want die eene vreemde tnnl
spreekt, spreekt niet den meu-
scben maar Oode; want nie-
ïiiand verstüat het, doch met
den «rest spreekt hij veibor-
genheden ;
:; maar die profeteert, spreekt
den mensebeu stichtingen rer-
niaiiim* eu vertroosting.
4 Die eene vreemd* taai
spreekt, die sticht zicbzelveu:
maar die profeteert, die sticht
de iremeenle.
r> Eu ik wil rel dat gij alle:;
in vreemde talen spreekt,
maar meer dat ifij profeteert;
want die profeteert is meerder
dau die vreemde talen spreek:,
tenzij dan dat hij bet uitlegge,
opdat de gemeente stichting
moge ontvangen.
ii En nu, broeders, indien i»
tot u kwam en sprak vreemde
talen, wat iiutti arbeid aoude
ik u doen, zoo ik tot U ui;-
nprak öf in openbaring, of S:i
kennis, öf in profetie, öf »a
leering ?
7 Zelfs ook de levenleoiie dn;;
gen die geluid geven, hetzij
-ocr page 255-
1 COHIN\'niI\'KRS II.
M7
fluit, hetzij citer, zoo zij (teen
onderscheid met kmmmem klank
geven, hoc zal bekend worden
hetgeen op de Duit of op de
citer gespeeld wordt ?
H Want ook indien de bazuin
ecu mzeki r geluid geeft, wie
gal zich tot den krijg bereiden ï
\'.) Alzoo ook gij lieden, indien
trij niet door de tual cene dui-
delijke rede treilt, hoe zul ver-
staan worden hetgeeu gespro*
keu wordt: Want pij zutt zijn
als die in de lucht spreekt.
Hl Haar zijn. naar het voor-
valt, zoovele soorten van stiin-
men in de wereld, en geen
derzelve is zonder stem.
U Indien ik dan de kracht
der Mem piet weet, zoo zul ik
Item die spreekt, barbaaneli
zijn, eu hij die spreekt, zul hij
Ulij barhnarsch zijn.
1. Alzoo ook gij, dewijl gij
ijverig zijt naar geestelijke
saven, zoo zoekt dat trij moogt
overvloed ij zijn tot stichting
der gemeente.
13 Daarom wie in eeue vreemde
taal spreekt, die bidde dat liij
het moge uitleggen;
il want indien ik in cene
vreemde taal bid, mijn geest
bidt wet, maar mijn verstand
is vruchteloos.
)\'> Wat is \'t dan? Ik zal rel
met den geest bidden, maar ik
zal ook met bet verstand hid-
deu; ik zal wel met den geest
zingen, maar ik zul ook met
«et verstand zingen.
IA Anderszins Indien gij dank*
Mgt met den geest, hoe zal
degene die de plaats eens on-
geleerden vervult, amen zcggi-n
pp uwe dankzegging, dewijl
h\'i niet weet wat gij segt ?
\'7 Want gij dankzegt wel hc-
\'\'"orlijk, maar de ander wordt
«let gesticht.
is Ik dank mijnen God dat ik
meer vreemde talon spreek dan
Pu allen;
\'y maar ik wil tiewr in de
Roaeeute vijf woorden spreken
met uiiju verstand, opdat ik
ook ai.deren moge onderwijzen,
dan tien duizend woorden in
ecne vreemde taal.
2tl Broeders, wordt gecne kin-
deren in het vt rstüid, maar
/.ijt kinderen in de boosheid,
en wordt in liet verstand vol-
wassen.
21     In de Wet is geschreven:
Ik zal door lieden van andere
talen eu door andere lippen tot
dit volk spreken, en ook alzóó
zullen zij Mij niet hoorc.i, zegt
de Ileere.
22   Zoo dan, de vreemde talen
zijn tot een teekeu niet denge-
iicii die gelooven, maar den
ongeloovigeu eu de profetie
niet den 01 geloovigcu, maar
dengenen die gelooven.
SS Indien dan de gehcele ge-
nieeute bijecnvergadeni ware,
en zij uilen in vreemde talen
spraken, eu eeniye ongelecrdeu
of ongeloovigeu inkwamen,
zouden zij niet roggen dat gij
uitzinnig waart?
21 Maar indien zij allen pro-
feteerden, en een ongcloovige
of ongeleerde in kwam, die
wordt van allen overtuigd, en
hij wordt van allen geoor-
deeld,
.5 en alzóó worden de ver-
bordene dingen zijns harten
openbaar; en alzoo vallende
op t\\in aangezicht, zal hij God
aanbidden, en verkondigen dat
God waarlijk onder u is.
"<> Wat is het dan. broeders?
Wanneer gij samenkomt, een
iegelijk van u heeft hij eeuen
psalm, beeft hij cene leer,
heeft bij eene vreemde taal,
beeft bij eene openbaring,
heeft bij eene iiitlcririug 1 laat
alle dingen geschieden tot
stichting.
27 K11 zoo Iemand eene vreemde
taal spreekt. <lnl bet door twee
ot\' teil meeste drie getckied*,
en bij beurte, en dal één het
nitlegge;
U*S inaar indien daar geen uit-
legger is, dat hij zwijg.; in de
gemeente, doch dat\' hij tot
-ocr page 256-
248                                   1 COKIN\'
ziehzelven spreke en tot God.
29 En dat twee ot\' drie Pro-
feten spreken, e» dut de andc*
ren oordeelen;
.\'10 doch indien cencn anderen
die er zit, ieta geopenbuard
is, dat de eerste i wij ge.
31  Want (rij kunt alle» de één
na den ander profeteeren, op-
dat zij allen leeren en allen
getroost «orden.
32  En de fteesten der Profeten
zijn den Profeten onderwor-
pen;
HS want God is geen God van
verwarring maar van vrede, ge-
lijk in alle de gemeenten der
heiligen.
\'M Dat uwe vrouwen in de
gemeenten zwijgen; want het
is haar niet toegelaten te spre-
keu, maar bevolen onderwor*
pen te zijn, gelijk ook de Wet
zegt.
35  En zon zij iets willen lee-
ren, lnat ze te huis liare eigene
mannen vragen; want het
staat leelijk voor de vrouwen
dat zij in de gemeente »pre-
kcn.
36  Is het Woord Gods van u
uitgegaan, ot\' is liet tot u allOéu
gekomen ?
\'ij Indien iemand meent een
Profeet te zijn ot\' geestelijk,
die erkeuue dat hetgeen ik u
schrijf, des Ileeren geboden
zijn ;
38 maar zno iemand onwetend
is, die zij onwetend.
:ty Zoo dan, broeders, ijvert
om te profeteeren, en verbin-
der t niet iu vreemde talen te
•wreken.
40 Laat alle dingen eerlijk en
met orde geschieden.
I1KKS 15.
op zoodanige wijs als ik het u
verkondigd heb, tenzij dan dat
gij tevergeefs gelooid hebt.
:i Want ik heb ulieden ten
eerste overgegeven hetgeen ik
ook ontvangen heb, dat Chris*
tus gestorven is voor onze zou-
den, naar de Schriften;
4   en dat hij is begraven, en
dat liij is opgewekt ten derden
dage, naar de Schriften;
5  en dat hij is van Cefas ge-
zien, daarna van de twaalve.
(i Daarna is hij gezien van
meer dan vijfhonderd broede-
ren on éénmaal, van welke bet
raeereutfcW nog overig is, en
sommigen ook zijn ontslapen.
7     Daarna is liij gezien van
Jacobus, daarna van alle de
Apostelen.
8  En ten laatste van allen is
hij ook van mij als van een
ontijdig geborene gezien.
9   Want ik ben de minste van
de Apostelen, die niet waardig
ben een Apostel genaamd te
worden, daarom dat ik de gc-
meente Gods vervolgd heb.
1(1 Doch door de genade Gods
hen ik wat ik ben; en zijne ge-
nade die aan mij bewezen is, i*
niet ijdel geweest, maar ik heb
overvloediger gearbeid dan zij
allen; doch niet ik, maar de
genade Gods die met mij is.
11   Hetzij dan ik, betzij zii!ie-
den, alzóó prediken wij en alzóó
hebt gij geloofd.
12  Indien nu Christus gepre-
dikt wordt dat hij uit de doeden
opgewekt is, hoc zeggen som-
migeu ouder u dat er geene
opstanding der dooden is?
M En indien er geene opstan-
ding der dooden is, zoo is
Christus óók niet opgewekt.
14   En indien Christus niet
opgewekt is, zoo is dan onï*
prediking ijdel, en ijdel is ook
uw geloof;
15  en zoo worden wij ook hn-
vonden valsebe getuigen Gods;
want wij hebben van God Ke\'
tuigddat HijChristusopgewekt
heeft: dicu Hij niet heeft opgC\'
HOOFDSTUK 15.
VOORTS, l.ioeders, ik maak
u bekend bet Evangelie dat
ik u verkondigd heb, hetwelk
gij ook aangenomen hebt, iu
hetwelk gij ook staat,
•2 door hetwelk gij ook zalig
wordt, indien gij bet behoudt
-ocr page 257-
1 COHJ.N\'
wekt, zoo namelijk du doodeu
niet opgewekt worde».
](i Want indien de doodeu niet
opgewekt worde», zoo is ook
Christus niet opgewekt;
17 en indien Christus niet op-
gewekt is, zoo is uw geloof
tevergeefs, zoo zijt gij nog iu
uwe zonden;
IS zoo zijn dan ank verloren
die in Christus ontslapen zijn.
19  Indien wij alleenlijk in dit
leve» op Christus zij» Lopende,
zoo zij» wij de ellendigste vau
alle meuscheu.
30 Maar nu, Christus is op;re-
wekt uit de dooden, m il de
eersteling geworden dergeuen
die ontslapen zijn.
21 Want dewijl de dood door
een meuscli is, zoo is ook de
opstanding der doodeu door een
mensen.
33 Want gelijk ze allen in
Adam sterven, alzóó zullen ze
ook En Christus alleu levend
gemaakt worden;
23 maar een iegelijk i» zijne
orde: de eersteling Christus,
daarna die va» Christus zijn
i» zijne toekomst.
:\'! Daarna zal het einde zijn,
wanneer hij het Koninkrijk aa»
God eu deu Vader zal over-
gegeven hebben, wanneer bij
zal te niet gedaan hebhen alle
heerschappij eu alle maehi en
kracht.
2ö Want hfj moet als Koning
heerscheu, totdat hij alle de
vijanden onder zijne voeten zal
gelegd hebben.
20   De laatste vijand die te
niet gedaan wordt, is de dood.
2) Want Hij heeft alle dingen
zijne» voeten onderworpen.
Doch wanneer IIÏj ze*t dat leut
•He dingeu onderworpen zijn,
zoo is het openbaar dat Hij uit-
^i\'noine» wordt dit; hem alle
thiige» onderworpen heeft.
« En wanneer hem alle din-
*-e» zullen onderworpen zij»,
aan aal ook de Zoon zelf onder*
*°n*en worden dien, die bem
alle diugeu onderworpen beeft,
II1LRS 15.                                  149
opdat God zij alles in allen.
29 Anders wat zullen zij doen
die voor de doodeu gedoopt
worden? Indien de doodeu gan-
schelijk niet opgewekt worden,
waarom worden zij voor de
doodeu ook gedoopt!
:tu Waarom zijn ook wij alie
ure iu gevnar?
:tl Ik Btert alle dagen, het if elk
tk betuii/
bij ou/.en roem dien
ik heb iu Christus Jezus ouzeu
Heer e.
\'M Zoo ik naar den mensch
tegeu de beesten gevochten heb
te Kfeze, wat nuttigheid is het
mij, indien de dooden niet op-
gewekt worden ? I.aut ons eteu
eu drinken, v.aut morgen ster-
ven wij.
:).\'{ Dwaalt niet. Kwade sa-
inensprekingen verderven goe-
de zeden.
:i4 Waakt öp rcchtvanrdiglijk,
en aondigt niet, want sommi-
gen hebben de kennis Gods
niet. Ik zeg het u tot schaamte.
\'A\'t Maar, zal iemand zeggen,
hoe zullen de dooden opge-
wekt worden, eu met hocda-
nig een lichaam zullen zij ko-
nien ?
Bfi Gij dwaas, hetgeen trij zaait,
wordt niet levend, tenzij dut
bet trestorven zij.
lij Kn hetgeen gij zaait, daaf
van
zaait gij liet lichaam niet
dat worden zal, maar een bloot
graan, naar het voorvalt, vau
tarwe ot\' vau eeuig der andere
granen.
\'A* Mnnr God geeft nnn hetzelve
een lichaam gelijk Hij wil, en
aan een iegelijk zaad zijn eigen
lichaam.
39   Alle vuwaeh is niet bet-
zelfde vleesch; maar een ander
is bet vleesch der menschen,
en een ander is het vleesch
der beesten, eu een ander der
visschen, eu een ander der
vogelen.
40   Kn daar zijn hemelsehe
lichamen, eu daar zijn anrd-
sehe lichamen; maar eeuc an-
dere is de heerlijkheid der he-
-ocr page 258-
2S!>                                       1 COMN\'
melsclie eu eene andere der
aardache.
41 Bene andere is de iienlijk-
heid der son, en eene andere
is de heerlijkheid der maan,
en eene andere is de heerlijk"
beid der sterren; want de éêne
ater verschilt in heerlijkheid
vau d" tiitdere ster.
12 Al zóó aal ook de opstanding
der dooden Rijn. Het lichaam
wordt gezaaid in verderfelijk-
htid, het wordt opgewekt in
on verderft\'1 ijk beid.
43  Het wordt gezaaid in oneer,
bet wordt opgewekt iu becr-
lijkhrid. Het wordt gezaaid in
zwakheid, bet wordt opgewekt
in kracht.
44    Een natuurlijk lichaam
wordt er gezaaid, een geeste-
1 ij k lichaam wordt er opge*
v.ckt. Daar is een natuurlijk
lichaam, en daar ia een geeste-
lijk lieliaam.
i.\'i Alaóo is et ook geschreven :
De eerste mensen Adam is ge-
wortlon tot eene levend\'1 ziel,
de laatste Adam tot eeueu
levendmakend en geest.
4fi Doelt het geestelijke is niet
eerst, maar het natuurlijke,
daarna bet geestelijke.
i7 De eerste mensen is uit
de aarde aardsch; de tweede
inensch is de Hecre uit den
hemel.
I-; Hoedanig de aardache is,
zoodanig zijn ook de aardschen;
eu hoedanig de hemelsche in,
zoodanig z\'iy.i ook de heluel-
schen.
4!) En gelijkerwijs wij bet
beeld des aardschen gedragen
hebben, aXsaó zullen wij ook
bet beeld des hemel-dioii dra-
gen .
Sfl Doch dit zeg ik, broeders,
dat vleeseh en bloed het Ko-
uinkrijl\' Gods niet beerven
kunnen, eu de verderfelijkheid
beërft de on verderfelijkheid
niet.
51 Zie, ik zeg u eene verhor-
genbeid. wij zullen wel niet
allen ontslapen, muar wij zul-
HIEltS 1^
len allen veranderd «orden,
52 in een punt den t. «!.<. in
een oo\',\'enbhk, niet de laat!*!.\'
bazuin; want de bazuin zal
slaan, en de dooden zullen
onverderfelijk opgewekt «or-
den, en wij lullen veranderd
worden.
ft:t Want dit verderfelijke moet
onverderfelijkheid aandoen, fn
ilft sterfelijke moet onsterfelijk\'
lieid aandoen.
54  En wanneer dit verderfelijk
ke onverder lelijkheid zal aan-
iroduan hebben, en dit sterfe-
lijkc onsterfelijkheid /.al aun-
gedaau hehbeu, als <au zal liet
woord (fesehiedeu dut geschre-
veu is: De dood is verslonden
tot overwinning.
55  Dood. waar is uw prikkel.\'
Hel, waar is uwe overwin*
uiiig?
.">fi Ue prikkel nu des doods fs
de zoude, e» de kracht der
zonde is de wet
\'<" Maar Gode zij dank, die
ons de overwinning geeft door
onzen lieere Jeaus Christus.
5s Zoo dan, mijne geliefde
broeders, zijt standvastig, on*
beweeglijk, altijd overvloedig
zijnde in het werk des Heeren,
als die weet dat uw arbeid niet
ijdel is lu den lleerc.
HOOFDSTUK 16.
AANGAANDE nu de verza*
ïueliug die voorde heiligen
fftêekïeit, gelijk als ik aan de
gemeenten in Galatifl rerordl-
neerd heb, doet ook gij al-
zóó.
2   Op eiken eersten dag der
week legge een iegelijk van u
iet* bij Zichxelven weg, ver_\'a-
derende eeneo schat, naar dat
hij welvaart verkregen heeft;
ondat de inzamelingen alsdan
niet eet at geschieden, wanneer
ik gekomen zal zijn.
3   En wanneer ik er zal ge-
komen zijn, die gij zult be-
kwaaiu achten door brieven,
dezelve zal II; zenden om u"C
-ocr page 259-
1 COIÏINTIIIEKS lfl.
-J.il
13  Waakt, staat in het geloof,
houdt u mannelijk, zijt sterk.
14  Dat alle uwe dingen in de
liefde geschieden
15  En ik bid u, broeders, gij
kent bet huis van Stéfanas, dat
het is de eersteling van Aehaje,
en dat zij stiehzelvcn den heili-
gen ten dienste hebben ge-
schikt,
lil dat ook gij u aan de 200-
danigeii onderwerpt, en aan
een iegelijk die medewerkt en
arbeidt.
17  En ik verblijd mij over de
aankomst van Stéfanas en For.
i una1 11 • en Acuaïeus; want
dezen hebben vervuld hetgeen
mij aan u ontorak.
18  Want zij hebben mijnen
geest verkwikt, en ooft den uwen.
Erkent dan de zoodauigeu.
19  U groeten de gemeenten
van Azië. U groeten zeer in
den Deere Aquila en Priscilla,
met de gemeente die te hunnen
huize !b.
2(1 U groeten alle de broeders.
Groet elkander met eeuen hei*
ligeu kus.
21   De groetcnia inet mijne
hand, van I\'aulus.
22  Indien iemand den Hecre
Jezus Christus niet liefheeft,
die zij eene vervloeking; Ma-
rau atha.
2:i De genade des Heeren Je-
zus Christus zij met u.
21 Mijne liefde zij met u al*
le:i in Christus Jezus. Amen.
jravf* naar Jeruzalem over te
draven.
4 Kn indien liet de moeiteyvaar-
di^ mocht zijn dut ik ook zelf
reizen zoude, zoo zullen zij met
mij re iaën.
"> Doeli ik zal tot u komen
wanneer ik Macedonië zal door-
gegaan zijn (want Ik zul door
Macedonië paan);
fi en ik znl mo-elljk bij u blij*
ven of ook overwinteren, updut
;c>j mij moogt geleiden waar ik
zal henenreizen.
7 Want ik wil u nu nier zien
in \'t voorbijgaan ; maar ik iioop
eevigeu tijd bij u te blijven,"
indien de lleere het zal toela-
ten.
K "laar ik zal te Kfeze olijven
tot den Pinksterdag.
\',i Want mij i» eei.c grootc en
krachtige deur geopend, endaar
zijn vele tegenstanders.
In Xn.i nu Timótheus komt,
ziet dat hij buiten vreeze bij u
zij; want hij werkt liet werk
des Heeren gelijk als ik.
11   Dat hem dan niemand ver-
achte; maar geleidt hem ia
vrede, opdat hij tot mij kome;
want ik verwacht hem met de
broederen.
12  En wat aangaat Apolios den
broeder, ik heb hem zeer (re-
beden dat hij met de broederen
tot u komen zoude; maar het
was ganschelijk tyn wil niet
dat hij nü zonde komen; doch
hij zal komen wanneer het hein
welgelegen zal zijn.
-ocr page 260-
BE TWEEDE BÜIE1\' VAN DEN ATOSTEL PAULUS
COEINTHIËRS.
s Want wij willen niet, broe-
ders, dat gij onwetende zijt vaii
onze verdrukking die ons in
Azië overkomen is, dat wij uit-
nemend zeer bezwaard zijn ge-
weest boven ome macht, alzoo
dat wij zeer in twijfel waren
ook van het leven.
9 Ja, wij hadden al zelvrn
in onszelveu bet vonnis des
doods, opdat wij niet op onszeb
veu vertrouwen zonden, maar
o)) God die de doodeu op-
wekt;
10 die ons uit zoo grooten dood
verlost heeft en nog verlost, op
welken wij honen dat ilij ohs
ook nog verlossen zal:
11  alzoo gijlieden ook mede-
arbeidt voor ons door het ge-
bed, opdat over de gave, door
vele personen aan ons teweeg\'
gebracht, ook voor ons dank-
zeggiug door veleu gedaan
worde.
1? Want onze roem is deze,
HfiMclyk de getuigenis onzer
eonseieutie, dat wfj in eeuvon-
digheid en onrechtUcid Gods,
niet in vleescheliikc wijsheid,
maar in de genade Gods in de
wereld verkeerd hebbeu, en
allermeest bij ulieden.
13  Want wij schrijven u geene
andere dingen dan die (jij kent
of ook erkent; en ik hoop dut
irij ze ook tot den einde toe
erkennen zult,
14  gelijkerwijs jrij ook ten
deele ons erkend hebt dat wij
uw rucin zijn, gelijk gij ook
HOOFDSTUK 1.
PAULUS, eeu Apostel van Je-
zus Christus door den wil
Gods, en Timóthetis, de broe.
der, aan de gemeente Gods die
te (\'orinthe is, met alle de hei-
ligeu die in geheel Acuaje zijn:
2 genade zij u en vrede van
God onzen Vader en den IJ «ere
Jezus Christus.
;i Geloofd zij de God eu Vader
onzes Beeran Jezus Christus,
de Vader der barniliartirheden
eu de God aller vertroosting,
4  die on» vertroost in al onze
verdrukking, opdat wij zouden
kunnen vertroosten degenen
die In allerlei verdrukking zijn,
door de vertroosting met welke
n ij .cl. en van God vertroost
worden.
5  Want gelyk liet lijden van
Christus overvloedig is in ons,
alzóó is ook door Christus
onze vertroosting overvloedig.
6  Doch hetzij dut wij ver-
drukt worden, het ia tot uwe
vertroosting cu zaligheid, die
gewrocht wordt in de lijdzaain-
heid van hetzelfde lijden hct-
welk wij óók lijden: hetzij dat
wij vertroost worden, het ia
tot uwc vertroosting en zalig-
heid;
7  en onze hope van u is vast,
als die weten dat, gelijk et) ge-
mecuschap hebt aan het lijden,
gij ook alzoo gemecntchcji hebt
aan de vertroosting.
-ocr page 261-
2 COKINT
de onze zijt iu den dn ; des \\
Heeren Jezus.
ló En op dit betrouwen wilde
ik te voren tot u komen, opdat
gij eeue tweede genade zoudt
hebben.
Hi en door uwe alnd naai Ma-
cedonie traan, en wederom van
Macedonië tot u kinnen, en
mui ulieden naar Judéu geleid
worden.
17 Als ik dan dit voorgenomen
heb, heb ik ook lichtvaardig*
iieid gebruiktï Of neem ik naar
bet vleesch voor, hetgeen ik
voorneem, opdat bij mij zoude
wezen ja ja, en neen neen?
1» Doch God is getrouw, dat
inis woord hetwelk tot u il ge-
tchied,
niet is gewent ja en
neen ;
1\'J want de Zoon Gods Jezus
Christus, die onder u door ons
is gepredikt, namelijk door mij
en Silvauus en Timótlicüs, was
niet ja en neen, maar is ge-
ueest ja in hein.
28 Want zoovele beloften Gods
als er zijn, die zijn in hem ja,
eu zijn in hem amen, Gode tot
heerlijkheid door ons.
-1 Maar die ons met u beves-
tiset in Christus, en die ons ge-
:iHd heelt, is God;
-2 die ons ook heeft verze-
eeld, en het onderpand des
Geestes in onze harten jrege*
•en.
23 Doch ik roep God aan tot
Pen getuige over mijne ziel,
Ut ik om u te sparen nog te
I  nrinthe niet ben gekomen.
-t Met dat wij heerschappij
"oeren over uw geloof, maar
J\'ij zijn medewerkers uwer
\'\'lijdschap; wai.t Rij stuat door
"et geloof.
HOOFDSTUK 2.
MAAR ik heb dit bij mijzel-
ven voorgenomen, dat ik
\'"et wederom in droefheid tot
II  knnien zoude.
- Want indien ik ulieden
°edroef, wie is het toch die
HEKS 2.                                   2S3
mij zal viool ijlt maken, dan
degene die van mij bedroefd is
geworden ?
:( Kn dit heb ik u geschreven,
opdat ik daar komende, niet
zoude droefheid hebben van
degenen van welke ik moest
verblijd worden ; vertrouwende
van u allen, dat mijne hlijd-
ichap u aller blijdschap is.
t Want ik heb ulieden uit vele
verdrukking eu benauwdheid
des harten niet vele tranen ire-
sehreven, niet opdat irij zoudt
bedroefd worden, maar opdat.
•rij de Helde zoudt vi\'rstaau die
ik overvloedig!ijk tot u heb.
5 Doch indien iemand be-
droefd heeft, die heeft niet mij
bedroefd, maar ten deele (op-
dat ik hem niet bezwarc) ulle-
den allen.
i\'< Den zoodanige is deze be-
Straffing genoeg, die van velen
geschied is:
alzoo dat gij daarentegen
hem liever moet vergeren eu
vertroosten, opdat de zooda-
nige door al te overvloedige
droefheid niet eenigszius wor-
de verslonden.
S Daarom bid ik u dat gij de
liefde aan hem bevestigt.
\'.1 Want daartoe heb ik ook
gesebreven, opdat ik uwe be-
proeving mocht verstaan, of
gij in alles gehoorzaam zijt.
10 Wien gij nu iets vergeeft,
ditn vergeef ik óok; want zoo-
ik ook iets vergeren heb, wien
ik vergeven heb, heb ik het
vergeven
om uwentwil, voor
het aangezicht van Christus,
opdat de satan over ous geen
voordeel krUge,
II  Want ziji e gedachten zijn
ons niet onbekend.
12    Voorts als ik te. Troa*
kwam 0111 het Evangelie van
Christus te prediken, en als
mij eene deur geopend was iu
den Heere, zoo heb ik geeu
rust gehad voor mijnen geest,
omdat ik Titus mijnen broeder
niet vond;
13  maar afscheid van hen ge-
-ocr page 262-
UIERS 3.
7  Ru indien de bediening des
doods, in letters beatnnade ca
in steenen ingedrukt, in heer-
lijkheid is geweest, alzoo dat
de kinderen Israëla het aan*
gezicht van Mozes niet sterk
kouden aanzie:, om de heerlijk-
beid zijns aangezicht*, die te
niet gedaan zoude worden,
8   hoe zal niet veelmeer de
bediening des Gcestea in heer*
lijhheid zijn?
!l Want indien do bediening
der verdoemenis heerlijkheid
geweest i*. veelmeer is de
bediening der rechtvaardigheid
overvloedig in heerlijkheid.
10  Want ook het verheerlijk te
in zelfs niet verheerlijkt i:i dc-
zen deele, ten aanzien vau deze
uitnemende ucerljjklicid.
11   Want indien hetgeen t"
niet gedaan wordt, in heerlfjk-
heid was, veelmeer ia hetgeen
blijft, in heerlijkheid.
13   Dewijl »ü dan zoodanige
hope hebben, zoo gebruiken
wij vele vrijmoedigheid in \'t
spreken*
i:i en tloe.i niet gelijkcrwij*
.Mozes, die een deksel op zijn
aangelicht leide, opdat de km*
deren Israël» niet merk zoudeu
zien op het einde desgeneu dat
te niet gedaan wordt.
14   Maar hunne zinnen zijn
verhard geworden. Want tot
op den diiff van heden biijtt
hetzelfde deksel in bet lezen
des ouden Tcstameuts, zonder
ontdekt te worden, hetwelk
door Christus te niet gedaan
wordt.
15  Maar tot den huldigen i\'i\'-\'.l
toe, wanneer Mozes gelezen
wordt, U-t een deksel op hu»
hart;
lfl doch zoo wanneer het \'ot
den lleere zul bekeerd zw-<
zoo wordt bet deksel wegge
nomen.
17 Dl\' lleere UU is de Geest;
en waar de Geest des Ilecrcn
is, aUiaar is vrijheid.
IS Ku wij allen met ongeile.•;
teu aaijgezithtc de heerlijkheid
BS1                                2 COfllNT
nomen hebbende, vertrok ik
naar Macedonië.
u Ku Gode zij dank, die ons
te allen tij n\' doet trionifeereii
in Christus, en den reuk zijner
kennis do>r uns openbaar
mankt in alle plaatsen.
15 Want wij zijn Gade ecu
Soede reuk van Christus, in
ego.iei die zalig worden en in
degenen die verloren gnnu:
Ui dézen wel ecu reuk des
doods ten donde, maar genen
een reuk des tevens tcu leven.
En wie is tot deae dingen be-
kvvaamï
17 Want wij dragen niet, ge-
lijk velen, het Woord Gods te
koon; maar als uit oprecht*
heid. maar als uit God, in de
tegenwoordigheid Gods, sprc-
keu wij het in Christus.
HOOFDSTUK ::.
BEGINNEN wrjnnnclven we-
derom u ann te prijzen? Of
behoeven wij ook, gelijk som*
migeu, brieven van voorschrij*
ving aan u, ot\' brieven van
voorsckrfjviiig van u?
2  Gijlieden zijt onze brief, ge-
tchreveu in onze harten, Be*
kend en gelezen van alle men*
Bchcn,
3  als die openbaar zijt gewor* |
den dat gij ten brief vau Chris*
tui zijt, en door onzen dienst
bereid, die Beschreven is niet
met inkt maar door den Geest j
des levenden Gods, niet in stec*
nen tafelen waar in vleeschen
tafelen des harten,
4   Ku zoodan is; een vertrou*
wen hebben v. ij door Christus
bij God.
5  Niet dat wij vau onszclven
bekwaam zijn iets te denken
als uit ouuclven; maar onze
bekwaamheid Is uit God,
f> die ons nok bekwaam [re-
maakt heeft om te :ijn dienaars
des nieuwen Testament*, niet
der letter maar des GeCSte»;
want de letter doodt, mam de
Geest maakt levend.
-ocr page 263-
iiiilS 4,5.                        su
10  altijd rtc dooding des llee-
ren Jezus in liet lichaaiu nui-
drageude, updat ook het leven
van Jezus iu ons lichnaui zoude
geopenbaard worden,
11    Want wij die leven, worden
altijd in den dood overgegeven
om Jezus\' wil, opdat ook het
leven van Jezus in ons sterfc*
lijk vlccsch zoude ;:copcubaard
worden.
12  üoo dan de dood werkt wel
in ons, maar bet leven Iu
ulieden.
i:i Dewijl wij nu denselfdeu
Geest d.s Keloofs hebben, ge*
Hjk er geschreven is: Ik heb
gelooid, duaimu heb ik ge-
sproken, itoo gelooven wij
ook, daarom spreken wij ook,
1-1 wetende dut Hij die den
Ileere Jezus opgewekt heelt,
ook ot.s door Jezus zal opwek-
keu en met ulieden daar zal
stellen.
15 Want alle deze dingen zijn
0111 uwentwil, opdat de ver-
mentgvuldigde genade dooi\' de
daukzeg-ing van velen over*
vloedig worde ter heerlijkheid
Gods.
Ifi Daarom vertragen wij niet;
maar hoewel onze uitwendige
ineusch verdorven wordt, zoo
wordt nochtans de inwendige
vernieuwd van dn1: tot dag.
17 Want onze lichte verdruk-
kiug, die zeer haast voorbij-
r/tuit. werkt ons een gansen
zeer uitnemend eeuwig gewicht
der heerlijkheid:
im dewijl wij niet aanmerken
de dingen die men ziet, maar
de diii\'/eu die men niet ziet,
want de dingen die men ziet,
zijn tijdelijk, maar de dingen
die men niet ziet, zijn eeuwig.
HOOFDSTUK 5.
WANT wij weten dat, zoo ons
aardsehe huis dezes taber-
nakels gebroken wordt, wij een
gebouw van God hebhen, een
huis niet met banden gemaakt,
m««r eeuwig, iu de hemelen.
2 C0RINT1I
iles Ilecroü al* in oenen spiegel I
aanschouwende, worden war
hetzelfde beeld In gedaante ver-
anderd vim heerlijkheid tot
heerlijkheid, als van dei IIee-
ri\'ii Geest.
mjornsTUK j.
DAAROM dewijl wij deze be-
diening Lubben, naar du
barmhartigheid die ons ne-
schiet! U, zoo vertragen v. ij niet;
•J maar wij hebben verworpen
de bedekselen der schande, niet
wandelende in ur\'-\'listiuhcid,
noch het Woord Gods verval* •
0
menende, maar door opeuba*
ring der waarheid ouszelven
aangenaam makende bij alle
cnuscicutiëu der menschen, in
de tegenwoordigheid Gods.
3 Doch indien ook uns Evange*
gelie bedekt is, zoo is het bedekt
ui degenen die verloren taan:
I iu dewelke de irod dezer
eeuw de linnen verblind heeft,
namelijk der ougeloovigcn, op-
dat beu niet bestiale de ver-
jichting van het Evangelie der
heerlijkheid van Christus, die
liet beeld Gods is.
;> Want wij prediken niet ons-
\'f Iven, maar Christus Jezus den
ileere, en onsselven, Jat wi.)
uwe dienaren zijn. oni Jezus*
\' Want God die gezegd heeft
«at het Ucht Uit de duisternis
zoude schijnen, is degene die
i\' onze harten geschenen beeft,
°in te gevet verlichting van de
Kennis der heerlijkheid Gods
"i het aangezicht van Jezus
Christus.
,7 Maar wij hebben dezen schat
111 aarden vaten, opdat de uit-
\'J.i\'.nendheid der kracht zij
""des en niet uit ons;
s "la die in alles verdrukt
gorden doch niet benauwd,
\'\'\'ijtelniocdiB doch niet uiia-
\'aoedlg,
J vervolgd doch niet daarin
verlaten, nedergeworpeu doch
•"et verdurven,
-ocr page 264-
2C0R1NTHIKBS fi.
2 Want ook in ilczcn zuchten
wij, verlangende met onze
woonstede die uit den licmel ie,
overklced te worden.
:j zoo wij ook bekleed en niet
naakt zullen bevonden worden.
4  Want ook wij die in dezen
tabernakel zijn, zuchten be«
zwaard zijnde; nadeinaal wij
niet willen ontkleed mnar over»
kleed worden, opdat bet *ter-
felijke van het leven verslou-
den worde.
5  Die ons nu hiertoe bereid
heeft, is God, die ons ook liet
onderpand des Geestes gegeven
beeft.
li Wij hebben dan altijd Roeden
moed, en weten dat wij, inwo-
nende in bet lichaam, uitwo-
neu van den lleere.
7    (Want wij wandelen door
geloof en niet door aanschou-
wen.)
S Maar wij hebben \'.\'nedeu
moed, en hebbeu meer behagen
om uit bet lichaam uit te wo-
nen en bij den Heere in te
wonen.
8  Daarom zijn wij ook zeer
begeerig, betzij inwonende
betzij uitwonende, om hem
wel behaaglijk te zijn.
10  Want wij allen moeten ire-
opcnhaaid worden voor den
Heebterstoel van Christus, op-
dat een iegelijk wendraze het-
l^eeu door bet lichaam .(/•w/rirr\'r,
naardat hij gedaan heelt, het\'
zij Kncd hetzjj kwaad.
11     Wij dun wetende den
schrik des Ileeren, bewetreu
de menschen tot het [reloof,
en zijn Gode openbaar cewor*
deu; doeh ik hoop ook in uwe
contcientifin ^cupenbaard te
zijn.
12   Want wij pr\'jzen onszelvcn
li niet wederom aan, maar wij
jreveu u oorzaak vnn roem over
ons, opdat trij stof zoudt heb-
ben tenen degenen die in het
aangezicht roemen en niet in
bet hart.
13  Want hetzij dat wij uitzin-
Dig zijn, wij zijn het Gode;
hetzij dat wij gematigd van zin-
nen zijn, wij zijn het ulieden.
14  Want de liefde van Chris-
tus dringt ons
15  als die dit oordeelcn, dat,
indien één voor allen gcstor-
ven is, zij dun allen ge«tor-
veu zijn. Ku hij is voor allen
gestorven, opdat degeuen dii
leven, niet meer ziebzetven
zouden leven, maar dien, die
voor ben Bestorven en opge-
wekt is.
lfi Zoo dan wij kennen van
nu aan niemand naar het
vleesrh; en indien wij ook
Christus naar het vleeseh ge-
kcud hebben, nochtans kennen
wij Acm uu niet meer naar
het vleeach.
17 üoo dan indien iemand
in Christus is, die is een nieuw
schepsel: het oude is voorbij-
gegnun, zie, het is alles nieuw
ircworden.
in Ku alle deze dingen zij:i
uit God, die ouB met ztch-
zclvcn verzoend beeft door
Jezus Christus, en ons de br-
dicning der verzoening gego-
ven heeft.
19 Want God was in Chmtir
de wereld met zichzelven ver-
zocnende, hunne zonden hun
niet toerekenende, en heeft
het Woord der verzoening in
ons gelegd.
90 Zoo zijn wij dan gczante:i
van Christus\' wenc, alsof God
door ons bade: wij bidden van
Christus\' vrege, laat u in ft
God verzoenen.
21 Want dien die gecne zoude
gekend heeft, heeft Hij zomi\'\'
voor ons gemaakt, opdat wü
zouden worden rechtvaardig*
beid Gods in hem.
HOOFDSTUK 6.
EN* wij als medearbeideiuli\'.
bidden u ook, dat \'dj de •-\'f\'
nade Gods niet tevergeei*
inooet ontraii\'.-cn hebben.
2 Want Hij zetrt: In den aa»-
genamen tijd heb Ik u ver
-ocr page 265-
[IERS 7.                                     257
heeft Christus met Belial, of
wat deel heeft de geloovigr
met den ongeloovigc ?
lfi Of wat samenvoeging heeft
de Tempel Gods met de afgo-
den? Wiiiit rH 2ijt de tempel
des levenden Gods, gelfjkerwijs
God gezegd heelt 1 Ik zal in
hen wonen en Ik zal onder
hen wandelen, eu Ik zal hun
God zijn, en zij zullen Mij een
volk zijn.
17 Daarom traat uit het mid-
den van hei; en scheidt u af.
zegt de Ileere, en raakt niet
aAn het-reeu onrein is, en Ik
zal ulieden aannemen,
IS eti Ik zal u tot ren Vader
zijn, eu trïj :;ult Mij tot zonen
eu dochtereu zijn, zegt de
Ileere, de Almachtige.
boord, eu In den dag der zalig-
licid heb Ik u geholpen; zie,
nu is het de wclaauireuame
tijd, zie, nu is het de dag der
zaligheid.
\'i AVij geven geenen aanstoot
in eenig ding, opdat de bedie •
11 ing niet gelustcrd worde;
4  maar wij alt* dienaars Gods
maken otiszelven ia alles aan-
genaaiu, in veel vcrdraagzaam•
beid, in verdrukkingen, in 1100-
den, in benauwdheden,
5  in Blaften, in gevangenissen,
in beroerten, in arbeid, in
waken, in vasten,
<i in reinheid, in kennis, in
lankmoedigheid, in goedertie-
renheid, in den Heiligen Geest,
in ongeveinsde liefde,
7 in het woord der waarheid,
in de kracht Gods; dt>or de
wapenen der gerechtigheid aan
de rechter* en aan de linker*
:<id*.
N door eer en oneer, door kwaad
gerucht en goed gerucht; als
verleiden eu nochtans waurach*
Ugen,
\') nis onbekenden en nochtans
bekend, als stervende en zie,
11 ij leven, nis getuchtigd en
niet gedood,
10    nis droevig zijnde doch
\' \'ui blijde, uls nriueu doch
velen rijk makende, als niets
hebbende en nochtans alle* be*
zittende,
11   Onze mond is opengedaan
tegen u, o (\'oriuthiërs, ons hart
\'* uitgebreid.
1- G|j zijt niet nauw in ons,
"laar gij zijt nauw in uwe ii»ge-
wauden.
13 ISu, om dezelfde vergelding
Je itncn (ik spreek als tot mijne
kinderen), zoo wordt gij óók
Uitgebreid.
\'I Trekt niet eea ander juk
aan met de ougeloovigcu. Want
«ut deelgenootsehap heeft de
-< luchtigheid met de onire-
"\'\'\'htigheid, eu wat geineen-
"hap hecit het licht met de
"uieternli?
\'6 Kn wat saineustemmiug
HOOFDSTUK 7.
DKWIJL w ij dan deze beloften
hebben, geliefden, laat ons
ouaselveu reinigen vau a.le be-
•mettlng des vleeschei eu des
geeates. voleindigende de hei-
ligniakiug in de vrceze Gods.
2 Geeft ons plaats: wij heb-
beu niemand verongelijkt, wfj
hebben niemand verdorven, wij
hebben bij niemand oua voor-
deel gezocht.
;t Ik zeg dit niet tot utre ver-
oordeeliug; muit ik heb te
voren gezegd dat gij in onze
harten zijt, om te zameu te
sterven en te zaïnen te leven.
; Ik heb veel vrijmoedigheid
in her spreken tegen u. ik heb
veel roem over u; ik ben vcr-
vuld uiet vertroosting, ik ben
zeer overvloedig van blijdschap
in al onze verdrukking.
.\'» Want ook als wij in Mace-
douie gekomen zijn, zoo beeft
ons vleescli geeue rust gehad,
maar wij waren in ulles ver-
drukt: vau builen waB strijd,
van binnen vrees.
(> Doch God, die de nederigen
vertroost, beeft ons getroost
door de komst van Titus.
7 Kn niet alleen door zyue
17
-ocr page 266-
2 COKINTHIKUS 8.
•:.\')•<
koniBt, maar ook door de ver-
troosting met welke hij over n
vertroost is geweest, als hij ons
verhaalde uw verlangen, uw
kennen, uwen ijver voor mij;
alzoo dat ik te meer verblijd
beu icewccst.
?s Want hoewel ik u in den
zendbrief bedroefd heb, het be-
rouwt mij niet, hoewel het mij
berouwd heelt; want ik zie
dat die zendbrief, hoewel voor
eenen kleinen tijd. u bedroefd
heeft.
9 Nu verblijd ik mij, niet om-
dat gij bedroefd zijt geweest,
maar omdat gij bedroefd l(Jt
geweest tot beki-eriug. Want
i.\'ij zijt bedroefd geweest naur
God, znodat irij in geen
ding schade van ons geleden
hebt.
ld Want de droefheid naar God
werkt eene onberouwelijke he*
keeriug tot zaligheid, maar de
droefheid der wereld werkt den
dood.
11  Want zie, dit, dat gij naar
God zijt bedroefd iteworden,
boe groote naarstigheid beeft
het in u gewrocht, ja verant*
woording, ja onlust, ja vrees,
ja verlangen, Jh ijver, jh wraak :
In alles hel ir gij uzelven
bewezen rein te zijn lu deze
zaak.
12  Hoewel ik dan aan u ge-
schreven heb, dat is niet om
diens wil die onrecht tcedaau
had, noch on diens wil wieu
onrecht gedaan was, uinar op-
dat onze vlijtigheid voor u bij
u zoude openbaar worden, in
de tegenwoordigheid Gods,
13  Daarom zijn wij vertroost
geworden over uwe vertroos-
tinsr, en zijn nog overvloediger
verblijd geworden over de blijd*
ichap van TUui, omdat zijn
geest van u allen verkwikt is
geworden.
14  Want indien ik iets bij lient
over u geroemd heb, zoo beu
ik niet beschaamd geworden;
maar celijk wij alles met waar*
Leid tot u ge.-i>roken hebbeu,
alzóó is ook onze roem, dien
ik bij Titus geroemd heb, waar-
beid gewordeu,
15  En zijjje innerlijke newe-
giugeu zijn te overvloediger
jegens u, als hij u aller ge-
lioorzaamheid overdenkt, hoc
gij hem met vreeze en beven
hebt ontvangen.
16  Ik verblijd mij dan dat ik
in alles van u vertrouwen mag
hebben.
HOOFDSTUK S.
VOORTS maken wij ti bc-
kcud, broeders, de genade
Gods die in de gemeenten van
Macedonië gegeven is;
2 dat in vele beproeving der
verdrukking de overvloed hun-
m-r blijdschap en hunne teer
diepe armoede overvloedig ge-
weest is tot den rijkdom hun-
uer gocddadigluid.
:i Want zij zijn naar vermogen
(ik betuig het), ja, boven ver-
mogen gewillig geweest,
4  ons met vele vermaning bid*
dende, dat wij wilden aannemen
de gave en de gemeenschap
d zer bediening die voor de
heiligen rie.tr/tifdt;
5  en ry deden niet alteen gelijk
wij gehoopt hadden, maar gaven
zielizelven eerst aan den Heen1
en daarna aan ons, door den
wil van God;
f. alzoo dat wij Titus ver-
maanden, dat, gelijk hij te w
ren begonnen httd, hij ook alzoi>
nog deze gave bij u voleinden
zoude.
7 Zoo dan gelijk gij in all*\'"
overvloedig zijt, in geloof en
in woord en in kennis en in
alle naarstigheid, en in uv><\'
liefde tot ons, ziet, dat «ij ook
in deze gave overvloedig zijc
S Ik zeg dit niet alt gebied\'11\'
de, maar ah door de nuntii?
heid van anderen ook de op-
rechtheid uwer liefde benn""
veude.
9 Want gij weet de genad\'\'
onzes Heereu Jezus CbriiW\'
-ocr page 267-
Hl ËRS 9.                                    250
zen overvloed die van ons wordt
bediend;
21 als die bezorgen hetgeen
eerlijk is, niet alleen voor den
Ueere muar ook voor de men*
seheo.
\'-"J Wij hebben ook niet hen
gezonden onzen broeder, weikeu
wij in vele dingen dikmaal» be-
proefd hebben dat hij naarstig
is, en nu veel uaarstiger door
bet groot vertrouwen dut hij
heeft
tot ulieden.
-\'i Hetzij dan Titus, hij i- mijn
metgezel in medearbeider bij
u; hetzij onze broeders, zij zijn
afgezanten der gemeenten, en
eene eer van Christus.
24 Bewijst dan aan hen de be-
vt ijzing uwer liefde eu onzes
roems van u. ook voor het uau-
gezieht der gemeenten.
HOOFDSTUK ü.
WANT van de bediening die
voor de heiligen geschiedt,
is het mij ouuoodig aun u te
«e brij ven.
\'J Want ik weet de volvaar-
digheid uws gemoeds, van
welke ik roeui over u bij de
Macedouiers, dat Acliaje se*
dert een jaar bereid is ge-
weest; eu de ijver, van u be-
gnnnen,
heeft er velen opge-
wekt.
:i Maar ik heli deze broeders
Sezonden, opdtit onze roem
ien trij over u hebben, niet zou-
de Ijdel gemaakt worden in
dezen deele, opdat (gelijk ik ge-
zegd lirli gij bereid inoogt
zijn,
l en dat niet mogelijk zoo do
Maeedouiürs met mij kwamen
eu u onbereid vonden, wij
{opdat wij niet zeggen: gij) be-
seliiiaiiid worden in dezeu vas-
teu irrond des roemens.
G Ik heb dan noodig geaebt
deze broeders te vermanen, dat
zij ecrat tot u zouden komen,
en voorbereiden uwen te
voren aangedienden zegen;
opdat die gereed zij, aUoo als
2C0RÏN1
dat hij om uwentwil arm is ge-
worden, daar hij rijk wan, opdat
gij duur zijne armoede zondt
rijk worden.
10   Kn ik zeg in demi mijne
meening. Wam dit is u oor-
1 urnv, als die niet alleen het
doen maar ouk het willen te*
dtrt een jaar te voren hebt be-
goniien.
11  Maar nu voleindigt ook liet
doen, opdat, gelijk als er ire-
vveeat is de volvuardigheid de»
gemoeds om te willen, er ook
alzóó zij het voleindigen uit
hetgeen gij hebt.
1- Want indien te voren de
volvuardigheid des gemoed» daar
ie, zoo is iemand Mnrennam
naar hetgeen hij heeft, niet
naar hetgeen hij niet heeft.
lil Want dit zei/ ik, niet opdat
onderen verlichting zouden heb-
beu, en gij verdrukking,
1-1 maar opdat uit gelijkheid,
in dezen tegenwuurdigen tijd,
uw overvloed zii om hun gebrek
te verruilen; opdat ook hun
overvloed zij om uw gebrek te
invullen,
opdat er gelijkheid
worde,
15 gelijk gesehreven ia: Die
veel verzameld had, bad niet
over, en die weinig verzameld
\'<<id,
had niet te weinig.
Mi Poeh Oode zij dauk, die
dezelfde naarstiïbeid voor u
in het hart van Titus gegeven
heeft,
17 dat hij de vermaning heeft
MnfrettomeD. en zeer naarstig
lijnde, gewillig tot u gereisd
i*.
1"* Kn wij hebben nok niet hein
gezonden den broeder, die lot\'
heeft in liet Evangelie dooi alle
de gemeenten.
19 Kn dat niet alleen, maar
\'ij is ook van de gemeenten ver-
koren, om met ons te reizen
met deze gave, die van oni be-
\'tiend wordt tot de heerlijkheid
des Meeren zelveu en de vol*
vaardigheid uws gemoeds;
*U dit verhoedende, dat ie-
mand ons moge lasteren in de-
-ocr page 268-
260                             2 COBIN\'
een zegen, en niet als eene
vrekheid.
(ï En dit zeg ik: die spaarzame-
lijk zaait, zul nok spaarzamelijk
maaien, eu die in zegeningen
zaait, zal ook iu zegeningen
maaien.
7 Een iegelijk doe gelijk hij iu
zijn hart voorneemt, niet uit
droefheid ot\' uit uooddwang.
Want God heeft een blijmocdi-
gen gever lief.
H Kn God is machtig alle ge-
nade te doen overvloedig zijn
in n, opdat gij In alles te allen
tijde alle genoegzaamheid heb-
bende, tot alle goed werk over-
vloedig moogt zijn.
a Gelijk er geschreven is: Hij
heeft gestrooid; hij heeft den
armen gegeven ; zifnc gercch-
tigheid blijft in der eeuwig*
heid.
IU Doch die het zaad den zaai-
er verleent, die verleen e ook
brood tot spijs, cu vennen ig-
vuldige uw zaaisel, en vermeer-
dere de vruchten uwer gereeh-
tigheid;
11  dat gij in alles rijk wordt
tot alle goeddadlgheid, welke
door ons werkt dankzegging tot
God.
12  Want de bediening van dezen
dienst vervult niet alleen het
gebrek der heiligen, maar is
ook overvloedig door vele dauk-
zeggingeu tot God;
i:t dewijl zij door de beproe*
ving dezer bediening God ver-
heerlijken over du onderwerping
uwer belijdenis onder het Evan-
gelie van Christus, en over de
goeddadighcid der mededeeling
aan hen en aan allen,
11 en door hun gebed voor u,
welke naar u verlangen, om
de uitnemende genade Gods
over u.
15 Doch Gode zl) dank voor
zijne onuits])rekelijkc gave.
HEKS 10.
en goedertierenheid van Chris-
tus, die tegenwoordig zijnde, wel
gering ben onder u, maar at\'-
wezend, stout ben tegen u;
•2 ik bid dan, dat ik tegen*
WOOrdlg zijnde, niet stout mag
zijn met die vrijmoedigheid,
waarmede ik geacht word stou-
teüjk gehandeld te hebben te-
gen sommigen, die ons achten
alsof wij naar het vleesch wan-
delden.
:i Want wandelende in het
vleesch, voeren wij den krijg
niet naar het vleesch;
I    want de wapenen onzes
krijgs zijn niet vleeschclijk,
maar krachtig door God tot
nederwerpiiig der sterkten;
ó dewijl wij de overleggingen
teriiederwcrpen, en alle hoogte
die zich verheft tegen de ken-
nis Gods, en alle gedachte ge-
vangen leiden tot de gehoor-
zuanihcid van Christus,
fi en gereed heb ben hett/ee.t
dient
oin te wreken alle onge-
hoorzuainlicid, wanneer uwe
gehoorzaamheid zal vervuld
zijn.
7  Ziet gij aan wat voor oogen
is? Indien iemand bij zicbzcl-
ven betrouwt dat hij van Chris*
tus is, die denkc uit wederom
uit zichzelven, dat geil}kerwijs
hij van Christus is, alzóó ook
wij van Christus ziju.
8    Want indien ik ook iets
overvloediger zoude roemen
van onze macht, welke de
Heere ons gegeven heeft tot
stichting en niet tot uwe ne-
derwerping, zoo zal ik niet be-
sehaamd worden:
il opdat ik niet zoude schijnen,
alsot ik u door de brieven wilde
verschrikken.
10 Want de brieven jzeggen zij)
zijn wel gewichtig en krachtig;
maar de tegenwoordigheid des
lielinauifl is zwak, eu de rede is
verachtelijk.
II    Dezulke bedenke dit, dat
hoedanigeu wij zijn iu het
woord door brieven als wij «t\'-
W«ig zijn, wij ook zoodanige"
HOOFDSTUK 10.
VOORTS ik, Paulus zelf, bid
u door de zachtmoedigheid
-ocr page 269-
3 CORINTIIIKRS 11.
zijn inderdaad al» wij tegen-
woordig .\'.iiii.
12 Want wij durven nnszclven
niet rekenen of vergelijken met
soiuinigi u die zielizelveu prij-
zen; maar dezen verstaan niet
dat zij zichzelven inetzicbzelven
meten en zichzelveu niet zich-
zelven vergelijken.
V.l Doch wij zullen niet roemen
buiten de maat, maar daarin
dat wij naar de maat des regels,
welke maat God ons toegedeeld
beeft, ook tot u toe zijn uri-ki>-
men.
il Want wij strekken onsxel-
ven niet te wijd uit, al» die tot
u niet zouden komen; want
wij zijn ook gekomen tot u
toe, in liet Evangelie van
Christus;
15 niet roemende buiten de
maat in anderer arbeid, maar
bobbende hoop, als uw geloot\'
zal gewassen zijn, dat wij onder
ulieden overvloedig! fjk zullen
vergroot worden naar onzen
regel,
ifi oui bet Evangelie te verkon-
digeu iu de plaatsen die aan
,\'riic zijde van u gelegen zijn;
niet om te roemen in een* an-
ders regel over hetgeen alreette
bereid is.
17 Doch wie roemt, die roemc
in den Ileere;
Is want niet die zielizelveu
prijst, maar dien de Ileerc
prijst, die is beproefd.
HOOFDSTUK 11.
OCH of gij mij een weinig
verdroegt iu de onwijsheid;
ja, ook verdraagt mij.
- Want ik beu ijverig over u
met......m ijver Gods. Want ik
heb ulieden toebereid om uala
eene reine maagd aan eY*neii
man voor te stellen, namelijk
aan Christus;
H doch ik vrees dat eenigs-
zini, gelijk de slang Kva door
hare arglist igheid bedrogen
beeft, alzóó uwe zinnen be-
dorven worden, om af te wij-
ken van de eenvoudigheid die
in Christus is.
4  Want indiendegcncdiekoHit,
eenen auderen Jem* predikte,
dien wij niet gepredikt hebben,
Of indien gij eenen anderen
Geest oiitvingt, dien gij niet
hebt ontvangen, of een ander
Evangelie, dat gy niet hebt
aangenomen, zoo verdroegt gij
hem met recht;
b want ik acht dat ik ner-
gens minder iu beu geneest
dmi de uitueiueudste Aposte-
len.
6  En indien ik ook onbedre*
ven hen ii woorden, nochtans
beu ik het niet in wetenschap;
muur iilhs/Jus zijn wij iu alle
dinxen ouder u openbaar ge-
word en.
7   Heb ik zonde gedaan, als
ik uiijzerven vernederd heb op-
dat gij zoudt verhoogd wor-
den, overmits ik u het Bvange*
lie Gods oui niet verkondigd
beb?
5   Ik heb andere gemeenten
beroofd, bezoldiug ran haar ne-
mende om ü te bedienen; en
als ik bij u tegenwoordig was
en gebrek had, ben ik niemand
lastiir gevallen.
9 Want mijn gehrek hebben
de broeders vervuld die van
Macedonië kwamen; en ik beb
11 lij /.elven iu alles gehouden
zonder u te bezwaren en zal
mij nog alzvo houden.
K) De waarheid van Christus
is in mij, dat deze roem iu de
gewesten vuu Achaje aan mij
niet zal verhinderd worden.
11    Waarom? Ik het omdat
ik u niet liefheb? God weet
het.
12  Maar wat ik doe, dat zat ik
nóg doen, om de oorzaak af te
snijden dengenen die oorzaak
hebben willen, opdat zij in \'t
geen zij roemen,bevonden mocb-
ten wurden gelijk als wij.
13  Want zulke valsehe aposte-
leu zijn bedrieglijke arbeiders,
zich veranderende in Apostelen
van Christus.
-ocr page 270-
262                                 2 CORLNI
14   Eu het is geen wonder;
want de satan zelf verandert
zich in een Engel des licht»;
15  zoo is bet dan niets groots,
indien ook zijne dienaars zich
veranderen als waren ze die-
naars dor gerechtigheid; van
welke het einde zal zijn naar
hunne werken.
lfi Ik zeg wederom, dat nie-
mand mecne dat ik onwijs beu;
doch zoo niet, neemt mij dan
aan als ecnen onwijze, opdat
ik óók een weinig moge roe-
men.
17 Wat ik spreek, spreek ik
niet naar den Heere, maar als
iu onwijsheid, in dezen vasten
grond des rocmens.
is Dewijl velen roemen naar
het vleesch, zoo zal ik óók
roemen.
19 Want gij verdraagt gaarne
de onwijzen, dewijl gij wijs
zijt.
211 Want gij verdraagt het, zoo
iemand u dienstbaar maakt,
zoo iemand u opeet, zoo iemand
van u neemt, zoo iemand zich
verheft, zoo iemand u iu het
aamrezicht slaat.
21  Ik zeg dit naar oneer, alsof\'
wij zwak waren geweest; maar
waarin iemand stout is (ik
spreek in onwijsheid), daarin
hen ik óók stout.
22  Zijn zij llebreers? Ik ook.
Zijn zij Israëlieten\'\'. Ik ook.
Zijn zij het zaad Abrahams?
Ik ook.
2.\'t Zijn zij dienaars van Chris*
tusï (ik spreek onwijs zijnde:)
Ik beu boven hem iu arbeid
overvloediger, in shigcu uit*
nemender. iu gevangenissen
overvloediger, iu dooatffeoaar
menigmaal.
24 Van de Jodcr. heb ik verr*
tig slagen min één vijfmaal
ontvangen.
2.\'» Driemaal beu ik met roe-
den gegeeseld geweest, e«\'-ns
ben ik gestoenigd, driemaal
heb ik schipbreuk geleden,
een yanacheii nacht en dag heb
ik in de diepte doorgebracht.
IIKRS 12.
2(> In het reizen menigmaal in
gevaren van rivieren, in geva*
reu van moordenaars, in geva-
run van mnn geslacht, in ;\'t\'vu-
ren van de heidenen, in geva-
ren in de stad, in gevaren in de
woestijn, in Klaren op de zee,
in gevaren onder de valschc
broeders;
27 in arbeid en moeite, in
waken menigmaal, in honger
en dorst, in vasten menigmaal,
in koude en naaktheid.
2S Hehalve de dingen die van
buiten zijn, overvalt mij dage*
lijkH de zorg voor alle de ge-
meenten.
29 Wie is er zwak, dat Ik niet
zwak hen? Wie wordt er ge-
ergerd, dat ik niet braudci\'
:s\'! Indien men moet roemen,
zoo zal ik roemen de dingen
mijner zwakheid.
:tl He God en Vader onzes
Heeren Jezus Christus, die ge-
prezen is iu der eeuwigheid,
weet dat ik niet lieg.
\'V: De Stadhouder van den
Koning Arétas in Damascus
bezette de stad der Damasce*
ners, willende mij vangen.
\'Xi Én ik werd door een venster
iu eeue mand over den muur
nedergi\'iaten, en ontvlood aan
zijne handen.
HOOFDSTUK 1?.
Ti: roemen is mij waarlijk niet
oorhaar. Want ikzal komen
tot gezichten en openbaringen
des Heeren.
2  Ik ken eenen mensch in
Cliristus, vóór veertien jaren
(of het0£«Aiect(*fn liet lichaam,
weet ik niet, of buiten bet
lichaam, weet ik niet, God weet
het), dat de zoodanige opgc-
trokken is geweest tot in den
derden hemel;
3    en ik keu een zoodaute
mensch (of het in het lichaam
ot\' buiten het lichaam gesekieil
ia,
weet ik niet, God weet het),
4   dat hij opgetroKken is g<\'-
I wcest iu het 1\'aradfjs, en s*-"
-ocr page 271-
: CORINTIIIKBS 15.
SKI
boord heeft onuitsprekelijke
woorden, die bet een mcnsch
niet geoorloofd is te spreken.
.". Van den zoodanige zal ik
roemen, ilorli van mijzclveu
/.h1 ik niet rocmeu dan in mijne
zwakheden.
\'i Want zoo ik roemen wil,
ik zal niet onwijs zijn; want
ik zal de waarheid zeugen;
maar ik houd Uuurrnn at, op-
dat niemand \' au mij deukt\'
hoven hetgeen lilj ziet dat ik
ben, of\' dat hij uit mfj hoort.
7 Kn opdat ik mij door de
uitnemendheid der openharin*
„•in niet zoude verheffen, zoo
i* mij generen een scherpe
doorn in het vieeseb, namelijk
een enccl des satans, dat hij
mij met vuisten slaan zoude,
opdat ik mij niet zoude ver-
heffen.
s Hierover heb ik den Heere
driemaal gebeden, opdat hij
van mij zoude wijken.
M Ku hij heelt tot mij gezegd:
Mijne genade js u genoeg,
want mijne kraelit wordt iu
zwakheid volbracht. Zoo zal
ik dan veel liever roemen iu
mij in\' zwakheden, opdat de
kracht van Christus in mij
won e.
10 Daarom heb Ik een wel*
behagen in zwakheden, iu
smaadhedcu, in nooden, in
vervolgingen, in benauw dhe-
den, om Christus* wil ; want
ui* ik zwak hen, dan beu ik
machtigt
M Ik hen roemende nu wijs
geworden: gij hebt mij ge*
noodzaakt; want ik behoorde
van u geprezen te zijn; want
ik ben in geen ding minder
geweest dan de uitnemendste
Apostelen, hoewel ik niets
hen.
IS De merk teekenen van een
Apostel zijn onder u betoond
in alle lijdzaamheid, met tee*
keuen eu wonderen en kracb-
ten.
1\'t Want wat is er waarin
•ïij minder geweest lijt dan
de uudere gemeenten, anders
dan dat ikzelf u niet lastig
hen geweeste\' Vergeeft mij dit
ongelijk.
U Zie, ik ben ten derden
male gereed om tot u te ko*
liien, en zal u niet lastig zijn ;
want ik zoek niet het uwe,
maar u; want de kinderen
moeten niet schatten verga-
deren voor de ouders, maar de
ouders voor de kinderen.
15 Ku ik zal zeer gaarne de
kosten doen, eu voor uwe
zielen ton koste gegeven wor-
den; hoewel ik u overvloedi-
ger beminnende, minder ue-
mind word.
lti Doch het zij zoo: ik heb
u niet bezwaard, maar al zoo
ik listig was, heb ik u met
bedrog gevangen.
17 Heb ik door iemand der-
genen die ik tot u gebonden
heb, van u mijn voordeel ge-
zocht?
IS Ik heb Titus gebeden, en
den broeder medegezondeu:
heeft ook Titus van u zijn
voordeel gezocht? Hebben wij
niet iu den zelfden geest ge-
wandeld? Hebben trij niet «/«•
icatideld in dezeltde voetstap-
pen ?
Iu Meent gij wederom dat wij
ons bij u verontschuldigen?
Wij spreken in de tegeuwoor-
digheid Uuds iu Christus; en
dit allen, geliefden, tot uwe
stichting.
20 Want ik vrees, dat, als ik
gekomen zal zijn, ik u niet
eenigszins zal vinden zoodaui*
gen als ik wil, eu dat ik vau
u zul gevonden worden zooda-
uig nis gij niet wilt; dat daar
eenigszins sij-t twisten, uljdig*
heden, toorn, gekijf, achter-
klap, oorblaziugeu, opgeblazeu-
heden, beroerten:
Cl opdat wederom als ik zal
gekomen zijn, mijn God mij
niet veruedere bij u, en ik
rouw hehbe over velen die te
voren gezondigd hebben, eu
die zich niet bekeerd zullen
-ocr page 272-
CORINTIIIERS 13, GALATIERS I.
7 Kn ik wensch van God dat
gij Rceii kwaad doet; niet op-
dat wij beproefd zouden be*
vonden worden, maar opdat
-i| bet goede zoudt doen en
wij als verwerpelijk zouden
zijn.
h Want wij vermogen niets
tegen de waarheid, maar voor
de waarbeid.
y Want wij verblijden ons
wanneer wij zwak zijn en «ij
sterk tfjt; en wij wenseheu
nok dit, namelijk uwe vohna-
kiuï.
in Daarom schrijf ik afwe-
zeud deze dingen, opdat ik
niet teven woord lg zijnde, ge»
strenitheid zoiitlc urehruikeu,
naar de macht, die mij de
Heere gegeven beeft tot op-
bouwtag en niet tot ncder-
werpiuir.
11 Voorts, broeders, zijt blij-
de, wordt volmaakt, zijt fre-
troost, zijt eensgezind, leeft
ia vrede; eu de God der liefde
en des vredes zal met u zijn.
IJ Groet elkander met cenen
heiligen kus. U Koeten alle de
heiligen.
13 De penade des Heeren Je-
zus Christus e» de liefde Gods
en de gemeenschap des Ueili-
Ken Geestea zij met u allen.
Amen.
264
hebben van den hoererij eudie zij gedaan
HOOFD
Dit is de detot u komvan twee of dalle woord best
•J Ik heb heten ieg het tegenwoordlg zijmaal, eu ikafwegend nanvoren gezond kaan alle de anik wederkom,e paren;
A dewijl «ij zve van Chrisspreekt, welkeis, maar kracht
4 Want lioewis door zwakhij nochtansGod-; want oin hem, inaurleven door de k
h Onderzoekthet geloof zijt, bui kent ij uzezus Christus inKij eeuigszins
6 Doch ik hoverstaan dut w
pelijk zijn.
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN D£
GALATIËRS.
door Jezus Christus, en God
den Vuder die hein uit de doo-
den opgewekt heeft),
2 eu alle de broeders die met
mij zijn. aan de genieën ten
vau Galatie:
HOOFDSTUK 1.
PAULUS, een Apostel (gerot-
pen
niet van menseben,
noch door een ïucusch, maar
-ocr page 273-
GALAT
3 genade zij u en vrede van
God den Vader en onzen Heere
Jezus Christus;
•I die zicbzelveu gegeven heeft
voor onze zonden,opdat in 1 ons
trekken zoude uit deze tegeu*
woordige booze wereld, naar
den wil onzes Gods en Vaders,
6   denwolken zij de heerlïjk-
beid in alle eeuwigheid. Amen.
li Ik verwonder mij, dat gij,
BOO haast wijkende van deuge-
neii die u in de genade vau
Christus geroepen heeft, over*
gebracht wordt tot een ander
Kvangclie,
7  daar er geen ander is; maar •
er zijn sommigen die u ont-
roeren en het Evangelie van
1 hristus willen verkeeren.
8   Doch al ware het ook dat
wij ot\' een Kugel uit den he-
mei u een Kvangclie verkon*
\'iigde buiten hetgeen wij u
verkondigd hebben, die zij ver-
v leekt.
9   Gelijk wij te voren gezegd
hebben, zoo zeg ik ook nu we-
•lerom: Indien iemand u een
i-vangclie verkondigt buiten
hetgeen gij ontvangen hebt,
die zij vervloekt.
In Want predik ik nu de men.
Benen of God? Of zoek ik
tnenachen te behagen \'t Want
indien ik nog meusehen be-
haagde, zoo ware ik geeu
dienstknecht van Christus.
11    Maar ik maak 11 bekend,
broedera, dat het Evangelie
hetwelk van m*j verkondigd
\'Bi niet is naar den mensch.
12   Want ik heb ook hetzelve
niet van eeu mensch ontvan-
Jten noch geleerd, maar door
<h\' opeubaring>\'an Jezus Chris*
tns.
!:* Want gij hebt mijnen om-
Rang gehoord die eertUdl in
°et Jodendom was, dat ik
Uitnemend zeer de gemeente
\'"ids vervolgde en dezelve ver*
woettte,
! I en dat ik in het Jodendom
\'wiiani boven velen vau mij-
Hen ouderdom iu mijn ge-
ERS 2.                                        265
slacht, zijnde overvloed iglijk
ijverig voor infjiic vaderlijke
in zettingen.
i-\'i Maar wanneer het Ciode
behaagd heeft, die mij van
mijn ïnoederslijf aan afgezon-
derd beeft, en geroepen door
zijne genade,
lil zijnen Zoon in mij te open*
baren, opdat ik deuzclvcu
door het Evangelie onder de
heidenen zoude verkondigen,
zoo ben ik terstond te rade
gegaan niet niet vleeach en
bloed.
17 en ben niet wederom ge-
gaan naar Jeruzalem tot dege-
nen die vóór mij Apostelen
waren; maar ik ging henen
naar Arahië, en keerde weder-
oni naar Damascus.
is Daarna kwam ik na drie
jaren weder te Jeruzalem om
Petrus te bezoeken, en ik bleef
bij hem vijftien dagen,
19 en zag geenen anderen van
de Apostelen dan Jacobus, den
broeder des Heeren.
SU Hetgeen ik u nu schrijf,
zie, ik getuig voor God dat ik
niet lieg.
21  Daarna ben ik gekomen in
de gewesten van Syrië en vau
Cilicië.
22   En ik was van aaugezieht
onbekend aan de gemeenten iii
Judéa, die in Christus zijn.
23   Maar zij hadden alleenlijk
gehoord dat men zeule: Degene
die ons eertijds vervolgde, ver-
kondigt uu het geloof hetwelk
hij eertijds verwoestte.
24  Eu zij verheerlijkten God
in mij.
IIOOFDSTUK 2.
DAARNA ben ik, na veertien
jaren, wederom naar Jeru-
zalcm opgegaan met Darnahas,
ook Titus medegenomen heb-
bende.
2 En ik ging op door eeue
openbaring, en stelde bun bet
Evangelie voor, dat ik predik
ouder de heidenen, eu iu \'t
-ocr page 274-
2M                                         GALAI
bijzonder dengenen die in ach-
ting waren, opdat ik niet eenigs-
zina teven-eet» zoude la-open of
gcloopen hebben.
:( Maar ook Titus die met mij
was, een Griek zijnde, werd
niet trenuodzaakt zieli te laten
besnijden.
En dat om der iuirckropeuc
valscbe broederen wil, die van
ter zijde ingekomen waren
om. te verspieden onze vrijheid
die wij in Christus Jezus heb-
licii, opdat zij ons tot dienst-
baarheid zouden breuken,
5 denwelken wij ook niet een
uur zijn geweken met oiider*
werping, opdat de waarheid
des Evangelies hij u zoude ver-
blijven.
(> En van degenen die geacht
waren wat te zijn, hoedanigen
zij eertijds waren, verschilt mij
niet: God neemt den persoon
des menschen niet aan ; want
die geacht waren, hebben mij
niet» toegebracht.
7   Maar daarentegen, als zij
zagen dat mij het Evangelie
der voorhuid toe betrouwd was,
gelijk aan Petrus dat der be-
snijdenis
8  (want die in Petrus krach*
tiglijk werkte tot het Apostel*
schap der besnijdenis, die
werkte ook kraehtiglijk in mij
«rider de heidenen);
9  en als Jacobus en Cefas en
Johaunes, die geacht waren
pilaren te zijn, de genade die
mij gegeven was, bekenden, ga*
ven zij mij en rhiruahas de
rechterhand der gemeenschap.
opdat wij tot de heidenen en
zij tot de besnijdenis gouden
paan:
lil alleenlijk dat wij de armen
zouden gedenken, hetwelk ik
mij ook benaarstigd heb te
doen.
II  En toen Petrus te AntiochW!
gekomen was, wederstond ik
hem in het aangezicht, omdat
hij te bestraften was.
liï Want eer sommigen vim
Jacobus gekomen waren, at
E US 2.
hij mede met de heidenen;
maar toen zij gekomen waren,
onttrok hij zich en scheidde
zichzelveu af, vreezende dege-
nt\'ii die uit de besnijdenis wa-
reu.
VA En ook de andere Joden
veinsden met hem: alzoo dat
ook Barnabas mede afgetrok-
keu werd door hunue veiii-
zing.
14 Muur als ik zag dat zij
niet recht wandelden naar de
waarheid des Evangelies, *jei-
de ik tot Petrus in aller tegeu-
woordiglicid ; Indien gij die
een Jood zfjt, naar heidenseln\'
wijze leeft, en niet naar Jood-
sche wijze, waarom noodzaakt
gij de heidenen naar de Jood-
sehe wijze te leven?
la Wij zijn van nature Joden,
en niet zondaars uit de heide*
uen;
16  doch wetende dat de meiisch
niet gerechtvaardigd wordt uit
de werken der wet, maar door
het geloot van Jezus Christus,
zoo hebbeu wij ook in Christus
Jezus gelooid, opdat wij zou-
den gerechtvaardigd worden
uit het geloof van Christus en
niet uit de werken der wet;
daarom dat uit de werken der
wet geen vleesch zal gerecht-
vaardigd worden.
17    Maar indien wij die in
Christus zoeken gerechtvaar
digd te worden, ook zelven zon*
daars bevonden worden, i*
dan Christus een dienaar der
zonde? Dat zij verre.
IK Want indien ik hetgeen ik
afgebroken heb, wederom op-
bouw, zoo stel ik mijzelveit
tot een overtreder.
19   Want ik ben door de wet
der wet gestorven, opdat ik
Umie leven zoude.
20   Ik hen met Christus ge-
kruist; en ik leef\', doch ni«
meer Ik, maar Christus leen
in mij; en hetgeen ik nu »»
het vleesch leef, dat leet iK
door het geloof des Zoons Gou*,
die mij liefgehad heeft en zich"
-ocr page 275-
GAL VIT
I /.elven voor mij overgegeven
| heeft.
31 Ik doe dr genade Gods niet
te niet. Want indien de recht*
irdigheid litmr d(\' wet i-,
zoo i- dan Christus tevergeefs
--i-storveu.
11 Kn dat niemand door de
wet gerechtvaardigd wordt voor
God, is openbaar , want de
rechtvaardige zal uit het ge-
loof leven.
13 Doch de wet is niet uit
het geloof; maar de uu-iisch
die deze dingen doet, zal duur
dezelve leven.
13  Christus heeft ons verlost
van den vloek der wet, een
vloek geworden zijnde voor
ons; want daar is geschreven:
Vervloekt is een iegelijk die
aan het hout hangt;
14   opdat de zegening Ahra-
hains tot de heuleuen komen
zoude in Ch: ietus Jezus, en
opdat wij de belofte des Gces-
tes verkrijgen zouden door het
geloof.
15    Broeders, ik spreek naar
den uieusch : zelfs eens men*
seheu verbond dat bevestigd
is, doet niemand te niet, of
niemand duet daartoe.
lfi Zoo zijn nu de beloftenissen
tot Abraham en zijn zaad ge-
sproken. Hij zegt niet; Ku den
zaden, als van velen; maar als
van één: Kn uwen zade, het*
welk is Christus.
17 Bh dit zeg ik: Het ver-
bond, dat te voren van God
bevestigd is op Christus, wordt
door de wet, die na vierhon-
derd en dertig jaar gekomen
is, niet krachteloos gemaakt
om de belofteuis te niet te
doen.
IH Want indien de erfenis uit
de wet is, zoo is ze niet meer
uit de beloften tl] maar God
heeft ze Abraham door de be-
loftenis genadiitlijk gegeven.
19    Waartoe is dan de wet?
Zij is om der overtredingen wil
daarbij gesteld, totdat het zaad
zoude gekomen zijn, aan het*
welk het beloofd was; en zij is
door de Kogelen besteld in de
hand des middelaars.
20   Kn de middelaar is niet
middelaar vau éénen, maar God
is één.
21    Is dau de wet tegen de
HOOFDSTUK :t.
Oarij uitzinnige Galatiërs, wie
heeft u betooverd, dat gij
der waarheid niet zoudt ge*
lioorzaam zijn; deiiwelkcn Jezus
Christus voor de oogen te vuren
,*<>(• hilderd is geweest, ouder
D gekruist zijnde?
\'2 Dit alleen wil ik van u lee-
ren : hebt gij den Geest outvan-
ten uit de werken der wet of
uit de prediking des geloofs\'r
3 /ijt gij zou uitzinnig:1 Daar
.\'ij met den Geest begonnen
/ijt, voleindigt gij nu met liet
i leescb?
1 Hebt gij zooveel tevergeefs
geleden ? indien ook maar te-
vergeefs!
•r> Die u dan den Geest verleent
Pil krachten onder u werkt,
•Zoet Hij dat uit de werken der
wet of uit de prediking des
gelooft ?
\'> Gcliikerwijs AbrahAin Gode
Veloom heeft, en het is hem tot
rechtvaardigheid gerekend.
7 Zoo verstaat gij dan, dat
degenen die uit liet geloof zijn.
Abrahams kinderen zijn.
(t Kn de Schrift te voren zien*
\'Ie dat God de heidenen uit het
geloof zoude rechtvaardigen,
jieett te voren aan Abraham
liet Kvmigclie verkondigd, rey-
oende: In u zullen alle de vol-
Keren gezegend worden.
\'\'Zuo dan, die uit het geloof
*Mtli worden gezegend met den
Keloovigen Abraham.
111 Want zooveleu als rr uit
de werken der wet zij», die zijn
"i\'der den vloek; want daar is
y sehreven : Vervloekt is een
{\'gelijk die niet blijft in al
hetgeen geschreven is in bet
boek der wet, om dat te doen.
-ocr page 276-
2SR                                        DALAI
beloftenisbcn Gnds ? Dat zij
verre. Want indien daar eene
wet Begeven wan* die machtig
was levend te maken, zoo 2011de
waarlijk de rechtvaardigheid
uit de wet lijn.
22 Maar de Schrift heeft liet
alles onder de zonde besloten,
opdat de belofte uit het geloof
van Jezus Christus den (C**
loovigen zoude gegeven wor-
den.
2:i Doch eer het geloof kwam,
waren wij onder de wet in
bewaring gesteld, en zijn be-
sloten geweest tnt op het ge-
loof dat geopenbaard «oude
worden.
24    Zoo dan, de wet is on-
ze tuchtmeester geweest tot
Christus, opdat w ij uit het
geloof zouden gerechtvaardigd
worden ;
25  maar als het geloof geko-
men is, zoo zijn wij niet meer
onder den tuchtmee-stcr.
2fi Want gij zijt allen kinde-
ren Gods door het geloof in
Christus Jezus.
27 Want zoovelen als gij in
Christus gedoopt zijt, hebt gij
Christus aangedaan.
2s Daarin is noch Jood noch
Griek, daarin is noch dienst*
bnre noch vrije, daarin is geen
mau en vrouw. Want gij allen
zijt één in Christus J<-xus.
29 t\'n indien gü van Christus
zijt, zoo zijt gij dan Abrahams
zand, en naar de beloftcuiB
erfgenamen.
BBS 4.
eerste beginselen der wereld;
4 innar wanneer de volheid
des tijds gekomen is, heeft God
zijnen Zoon uitgezonden, ge-
worden uit eene vrouw, gewor-
deu onder de wet,
ft opdat hij degenen die onder
de wet waren, verlossen zoude,
at opdat wij de aanneming
tot kinderen verkrijgen zou-
den.
R En overmits gij kinderen
zijt, zoo heeft God den Geest
zijns Zoons uitgezonden in
uwe harten, die roept: Abba,
Vader !
7 Zoo dan, gij zijt niet meer
een dienstknecht maar een
zoon; en indien gij een toon
zijt, zoo zijt trij ook een erfgc-
naam Gods door Christus.
H Maar toen, als gij God niet
kendet, diendet gij degenen die
van nature geen goden zijn;
\'j en nu, als gij God kent, Ia
veelmeer van God gekend ziji.
hoe keert gij u wederom t"1
de zwakke en arme eerste bc
ginselen, welke gij wederom
van voren aan wilt dienen.\'
10   Gij onderhoudt dagen, en
maanden, en tijden, en jaren.
11    Ik vrees voor u, dat ik
eenk\'szhis tevergeefs aan 11 g<-"
arlieid heb.
12  Weest gij als ik, want nuk
ik hen aU gij; hroeders, ik biil
u: gij hebt mij geen ongelijk
gedaan.
13  Ku gij weet dat ik u d»"r
zwakheid des vleesehcs het
Kvangelie de eerste maal ver-
kondigd heb;
14  en mijne verzoeking die 1"
mijn vleesch yeschieddt, beW
gij niet veracht noch verfoeid:
maar gn naamt mij aan «J*
eenen Knircl Gods, ja, a\'s
Christus Jezus.
lft Welke was dan uwe g*"
lukaehting? Want ik geet u
getuigenis, dat gij, zoo het mo-
gelijk ware, uwe oogen zoin"
uitgegraven en mij gegcv<-*"
hebben.
Ui Ben ik dan uw vijand ge*
HOOFDSTUK 4.
DOCH ik zeg, zoo langen tijd
als de erfceiiaam pen kind
is, zoo verschilt hij niets van
een dieustkiieeiit, hoewel hij
een heer is van alles;
2  maar hij is onder voogden
en verzorgers, tot den tijd van
den vader cc voren gesteld.
3  Alzóu wij ook, toen wij kin-
deren waren, zoo waren wij
dienstbaar gemankt ouder de
-ocr page 277-
IERS 5.                                         Sfi9
vervolgde den Renen die naar
den geest geboren wun, alzóó
ook nu.
IW Maar wat ztRt de Schrift?
Werp de dienstmaagd uit en
baren zoon; want de zoon der
dienstmaaRd zal geenszinserven
met den zoon der vrije,
.\'il Zoo dnu, broeders, wij lijn
niet kinderen der dienstmaaRd
maar der vrije.
HOOFDSTUK 5.
STAAT dan in de vrijheid met
welke Christus ons vriJRe-
maakt heeft, en wordt niet
wederom met het juk der
dienstbaarheid bevangen.
2 Zie, ik 1\'aulus zeg u, 200
Rij u laat besnijden, dat Cbris-
tus u niets nut zal zijn;
.\'( en ik betuig wederom aan
een iegelijk mensch die zich
laat besnijden, dat hij een
schuldenaar is de Rcheele wet
te doen.
4  Christus is u ijdel geworden,
die door de wet gerechtvaardigd
wilt worden; Rij zijt van de rc-
nade vervallen.
5  Want wij verwachten door
den Geest uit het geloof de
boon der rechtvaardigheid.
(> Want in Christus Jezus
heeft noch besnijdenis eeuig**-
kraeh t, noch voorhuid, maar
het geloof, door de liefde wer-
kende.
7 Gij liept wel: wie heeft u
verhinderd der waarheid rc-
hoorzaaui te zijn ?
H Dit gevoelen is niet uit Hem
die 11 roept.
I» Ken weinig zuurdeesem
verzuurt het Reheele deeir.
10  Ik vertrouw van u iu den
Heere, dat gij niets anders
zult Bevoelen: maar die u
ontroert, zal het oordeel dra-
Ren, wie hij ook zij.
11  Haar ik, broeders, indien
ik hor de besnijdenis predik,
waarom wordt ik nog vervolgd?
Zoo is dan de ergernis des krui
ses vernietigd.
GALA\'
worden, u de waarheid see>
Rende!
17 Zij ijveren met rèclit over
u. maar zij willen ons uit-
sluiten, opdat .;:j over hen
zuudt ijveren.
1-* Doch in het Roede te allen
tijde te ijveren is goed, en niet
alleenlijk al» ik bij u tegeu-
«oordig ben,
IU in ij iir kinderkeus, die ik
wederom arbeid te baren, tot
Christus eene gestalte in u
k rij ge.
-1> Doch ik wilde dat ik nu
ï>ij 11 tegenwoordig ware, en
mijne stein mocht veranderen;
want ik ben in twijfel over u.
21 Zegt mij, Rij die onder de
wet wilt zijn, hoort Rij de wet
u iet?
" Want daar is geschreven,
\'lat Abraham twee zonen liad,
mien uit de diiMiHtmaaffd en
éénen uit de vrije.
23 Maar génc die uit de dienst*
tagd was, ia naar het vleescb
geboren geweesti doch déze die
uit de vrije was, door de be-
loftenis.
-4 Hetwelk dineren zijn die au*
\'Ii-re bedulding hebben. Want
«itze zijn de twee verbonden:
iit\'t ééne van den berg Sinaï,
\'<>t dienstbaarheid barende,
hetwelk is llagar.
,28 Want dit, namelijk llagar,
\'» Sinaï, een berg iu Arahie,
\'/ii komt overeen met Jcruza-
:\'m dat nu is, en dienstbaar
\'• met hare kinderen.
,-r> Maar Jeruzalem dat beven
\'*i dat is vrij, hetwelk is onzer
aller moeder.
\'•j Want daar is geschreven:
»eee vroolijk.xij onvruchtbare
••e niet baart; breek uit en
[U(\'Il. Rij die (teen barensnood
«ebt; want de kinderen der
\'\'.\'\'"zame zijn vele, meer dan
"jTgPiie die den man heeft.
,V Maar wij, broeders, zijn
\'mderen der belofte, als Isalik
•\'\' Doch gelijkcrwijs toen die
\'"«ar het vleeach geboren was.
-ocr page 278-
270                                        GALA\'
13 Och of zij ook afgesneden
wierden die « onrustig maken!
13  Want gij zijt tot vrijheid
geroepen, broeder»; alleeulij k
gebruikt de vrijheid niet tot
eenc oorzaak voor het vieeseh,
maar dient elkander door de
Hefde.
14  Want de gehcele wet wordt
in één woord vervuld, mnljli
in dit: Gij zult uwen naaste
liefhebben gelijk uzelveii.
lï Maar indien sfij elkander
bijt en vereet, ziet toe dat
srij van elkander niet verteerd
wordt.
1T» Eu ik zeg, wandelt door
den Geest, en volbrengt de
begeerlijkheid des vleesches
niet.
1" Want het vieeseh begeert
tegen den Geest, en de Geest
tegen het vieeseh; eu deze
t-taan tegen elkander, alzoo
dut gij niet doet hetgeen gij
wtldet.
15  .Maar indien gl( door den
Geest geleid wordt, Zoo zijt
gij niet onder de wet.
19 Ite werken des vleesches
nu ziju oiieiibaar i we 1 ke zijn
overBpol, hoi tc rij, onrein ig-
heid, outurhtigheid,
\'20 afgoderij, venijngeving, vij-
andschappe.it, twisten, afgun-
sttgheden, toom, gekijf, twee*
draeht, ketterijen,
21 nijd, moord, droukenschap-
pen, bnewrfjen, en dergelijke;
van dewelke ik u te voreu zeg,
gelijk ik ook te voren gezegd
heb, dat die zulke dingen doen,
bet Koninkrijk Gods niet zullen
beerven.
93 Maar de vrurht des Gees-
tea is liefde, blijdschap, vre*
de, lankmoedigheid, goeder*
tierenbeid. goedheid, geloof,
zachtmoedigheid, matigheid.
-\'i Tegen de zoodanigeu is de
wet niet.
SI Maar die vim Christus zijn,
hebben bet vleescb gekruist
met de bewegingen en begeer*
lijkheden.
25 Indien wij door den Geest
KRS f».
leven, zoo laat ons ook door
den Geest wandelen.
2ii Laat ons niet zijn zoekers
vuu Ijdele eer, elkander tergen-
de, elkander benijdende.
HOOFDSTUK 6.
BROEDERS, indien ook een
mensen overvallen ware door
eenige misdaad, gij die geeft*
telijk zijt, brengt den zooda-
nige te reeht met den geest der
zachtmoedigheid : ziende op u-
zei ven, opdat ook gij niet
verzocht wordt.
9    Draagt elkanders lasten,
eu vervult alaoó de wet van
Christus,
.\'< Waut zoo iemand ineeut
iets te zfju, daar hij nietr i>.
die bedriegt zicbzelveu in zijn
gemoed.
4 .Maar een iegelijk beproevc
zijn eigen werk; en alsdilu gal
hij aan ziehzelveu alleen roem
hebben, en niet aan eenander.
.\'i Waut een iegelijk zal zijn
eigen pak diagen.
fi Kn «h« onderwegen wonlt
in het Woord, deele mede van
alle goederen dengenen die htm
onderwijst.
7  Dwaalt niet, God laat zit-h
niet bespotten. Want zoo W*j
de meusrh zaait, dat zal hij
ook maaien.
8    Want die in zijn eigen
vieeseh zaait, zal uit 1W-
vieeseh verderfeuis maaien\'.
iiiiiar die iu den geest zaai\'\'
zal uit den geest het eeuwi*1\'
leven mauien.
\'J Doch laat ons goeddoen"1\'
niet vertragen; want te ziji"\'/
nul zullen wij maaien, zoo wU
met verslappeu.
                        ...
10   Zoo dan, terwijl wij tijd
hebben, laat ons goeddoen a«"
allen, maar incest aan de bul*"
genooten des geloofs.
              .
11  Ziet hoe grooteu brie»1*
u geschreven beb niet u-\'J»e
baud.
12    Alle degenen die een
-ocr page 279-
JUS 1.                                          *J71
la witnt iu Christus Jezus
heeft noch besnijdenis eenige
kracht, noch voorhuid, muur
een nieuw schepsel.
Ifi Eu zoovelen als er naar
dezen regel zuilen wandelen,
over dezelven zal zijn vrede en
luiMti littrii dn iil, en over bet
Isrm-1 Gods.
17 Voorts doe niemand mij
moeite aan; want ik draH;,* de
litteekeiien des lleeren Jezus
in mijn lichaam.
IS l)e genade onzes lleeren
Jezus Christus zij met uwen
geest, broeders. Amen.
schoon gelaat willen tootten
naar hot vleosch, die nood-
zaken u besneden te worden,
alleenlijk opdat zij vanwege
het krui» vuu Christus niet
zouden vervolgd worden.
KI Want ook zïjzclvcii die be-
sneden worden, houden de wet
niet; maar zij willen dat gij
Insneden wordt, opdat zij in
uw vleeBch roemen zouden.
M Maar het zij verre van mij
dat ik zoude roemen anders
dan in het kruis onzes lleeren
Jezus Christus, door welken
dn wereld mij gekruisigd is,
cu ik der wereld;
D
DE BEIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
.\\.\\y
AAN DE
EFE Z
IËES.
E
6    tot prijs der heerlijkheid
zijner genade door welke Hij
ons begenadigd heeft in deu
Geliefde,
7  In welken wij hebben de
verlossing door zijn bloed, na-
melijk
de vergeving der mis-
daden, naar den rijkdom zijner
genade,
S met welke Hij overvloedig
is geweest over ons in alle
wijsheid en voorzichtigheid,
9     ons bekendgemaakt lul)
bende de verborgenheid vnn
zijnen wil, nnnr zijn welbe*
hagen, hetwelk Hij voorgeno-
men had iu /.ichzelven,
10    om in de liedeeling van de
volheid der tijden wederom al-
les tot één te vergaderen in
Christus, beide wat iu den he-
mei is en w at op de aarde is,
11  in hem in welken wij ook
een erfdeel geworden zijn, wij
die te voren verordineerd wa-
ren naar het voornemen des*
HOOFDSTUK 1.
PAULUS, een Apostel van
Jezus Christus door den wil
Gods, aan de heiligen die te
Kfeze zijn, en geloovigcu in
Christus Jezus:
\'- genade zij u en vrede vnn
\'i"d onzen Vader en deu Heere
Jezus Christus.
:\' Gezegend zij de God en Va-
der onzes lleeren Jezus Chris-
tus, die ons gezegend heeft
inet alle geestelijke zegening
ui deu hemel in Christus,
I Keiijk Hij ons uitverkoren
heeft in hein vóór de grond*
legging der wereld, opdat wij
zouden heilig en onberispelijk
\'Uu voor Hem in de liefde;
\'» die ons te voren verordi*
i-ecrd heeft tot aanneming tot
Mndereu door Jezus Christus
\'ii zichzelvcu, naar het wclbc-
hagen van zijnen wil,
-ocr page 280-
EFEZIERS 3.
de vervulling desgenen die al*
les iu allen vervult.
HOOFDSTUK 2.
EN u heeft Hij mede levend
gemankt,
daar gij dood waart
door de misdaden en de zon-
den,
2  in welke gij eertijds gewan-
deld hebt, naar de eeuw dezer
wereld, naar den overste van
de macht der lucht, van den
geest die uu werkt in de kin-
deren der ongehoorzaamheid,
3  ouder dewelke ook wij allen
eertijds verkeerd hebben inde
begeerlijkheden onzes vlec-
iches, doende den wil des
vleesches en der gedachten;
en wij waren van nature kin-
deren des toorus gelijk ook de
anderen.
4   Maar God die rijk is lil
barmhartigheid, door zijne groo*
te liefde, waarmede Hij on*
liefgehad heeft,
5   ook toen wij dood waren
door de misdaden, heeft OM
levend gemaakt met Christus
(uit genade zijt gij zalig ge-
norden),
fi en heeft ons mede opgi -
wekt, eu heeft on» mede gezet
iu den hemel in Christus Jezus,
7 opdat Hij zoude betoond)
in de toekomende eeuwen den
uituemendeu rijkdom zijner
genade, door de goedertiercn-
heid over ons ui Christus
Jezus.
H Want Uit genade zijt (tfj
zalig geworden door het ge-
loof, eu dat i.iet uit u, het is
Gods gave;
\'.) niet uit de werken, opeist
niemand roeine.
10  Want wij zijn zijn maak*
sel, geschapen in Christin
Jezus tot goede werken, wel"
ke God voorbereid heeft opdat
wij iu dezelve zouden wan-
delen.
11  Daarom gedenkt, dat fnl
die eertijds heidenen waart i\'j
het vleesch, en die voorhuid
genen, die alle dingen werkt
nuni\' den raad van zijnen wil,
1\'J opdat wij zouden zfin tot
Srijs zijner heerlijkheid, wij
ie ci-rst in Christus gehoopt
hebbeu.
18 I» welken ook gij zijt, na-
dat gij bet Woord der waarheid,
namelijk het Kvutigelie uwer
ZHliglieid, gehoord hebt; in
welken gij ook, nadat .ij ge-
loofd hebt, zijt verzegeld ge-
worden met den Heiligen Geest
der belofte,
M die het onderpand is van
onze erfenis tot de verkregeue
verlossing, tot prijs zijner hcer*
lijkheid.
16 Daarom ook ik, gehoord
hebbende het geloof in den
lleere Jezus dat onder u is, en
de liefde tot alle de heiligen,
16   boud niet op voor u te
danken, gedenkende uwer in
mijne gebeden,
17  opd&t de God onzes Hee-
reu Jezus Christus, de Vader
der heerlijkheid, u geve den
Geest der wijsheid en der open-
bariug in zijne kennis,
18   namelijk verlichte oogen
uws verstand», opdat gij moogt
weten «elke de hope is van
zijne roeping, en welke de
rijkdom is van de heerlijkheid
zijner erfenis in de heiligen;
1\'J en welke de uitnemende
grootheid zijner kraeht ia aan
bus die gelooven, naar de wer-
king der sterkte zijner macht,
3i» die Hij gewrocht heeft in
Christus, als Hij hein uit de
dooden beeft opgewekt en htm
heeft gezet tot zijne rechter*
hand iu den hemel,
21  ver boven alle overheid
en macht en kracht en heer*
schappij, en alleu nnam die
genaamd wordt niet alleen in
deze wereld, maar ook in de
toeko mende:
22  en Hij heeft alle dingen ztj-
nen voeten onderworpen, en
heeft hem der gemeente gegeven
tot een Hoofd boven alle dingen,
23  welke zijn lichaam is, en
-ocr page 281-
KI-\'EZIKUS 3.
VS
genaamd werdt van degenen
die geuaamd zijn besnijdenis
ia bet vleeseb, die utet banden
geschiedt,
12  dat ril in dien tijd waart
zonder Christus, vervreemd
van bet burgerschap Israi\'ls
en vreemdelingen van de ver*
bonden der belofte, geeue hope
hebbende eu zouder God in de
wereld.
13  .Maar nu in Christus Jezus
zijt Kij die eertijds verre waart,
nabij geworden door bet bloed
van Christus.
1» Want bij is onze vrede, die
deze beiden één gemaakt beeft,
en den middel muur des af-
seheïdseli gebroken hebbende,
l-"i beeft bij de vijandschap iu
zijn vleesch te met gemaakt,
namelijk de wet der geboden
in inzettiugeu bestaande, op-
dat hij die twee in zichzelveu
tot Oenen nieuwen mensen
/.oude scheppen, vrede ma-
kende,
1\'! eu opdat hij die beiden niet
Ood in één lichaam zoude ver-
zoen en door het kruis, de vij-
audschap aan hetzelve gedood
hebbende.
\'7 En komende, heeft hij door
het Evangelie vrede verkondigd
U die verre waart, en dien die
HOOFDSTUK 3.
OM deze oorzaak ben ik Paului
de gevangene van Christus
Jezus voor u die heidenen zijt:
..\' indien gij maar geboord
hebt van de nedeeling der ge-
nade Gods die mij gegeven is
aan u,
;i dat ilij mij door openbaring
beeft bekendgemaakt deze ver-
borgen beid (gelijk ik met wei*
nige woorden te voren geschre-
ven heb,
4 waaraan gij, dit lezende,
kunt bemerken mijne weten-
schap iu ilivi\' verborgenheid
van Christus)
.ï welke in andere eeuwen den
kinderen der menseden niet is
bekendgemaakt, gelijk ze nu is
geopenbaard aan zijne heilige
Apostelen en Profeten door den
Geest;
ii namelijk dat de heidenen zijn
medeirfgeiiameu, en van het*
zelfde lichaam, eu niedcuVelge-
uooten zijner belofte iu Chris-
tus door het Evangelie,
7  waarvan ik eeu dienaar ge-
wordeu ben naar de gave der
geuadc Gods, die mij gegeven
is naar de werking zijner
kracht.
8  Mij, den alleriniiisteu vau
alle de heiligen, is deze genade
gegeven, om ouder de heidenen
door het Evangelie te verkon-
digeu den onnaspcurlijkeu rijk-
dom van Christus,
9  en allen te verlichten, dat
ze mogen rerntaau
welke de ge-
mecnschap der verborgenheid
is, die van ttlle eeuwen verbor*
geu is geweest iu God, welke
alle dingen geschapen heeft
door Jezus Christus,
10  opdat nu door de gemeente
bekendgemaakt worde aan de
overheden eu de machten in
den hemel de veelvuldige wijs*
beid Gods,
11   nanr het eeuwig voornemen
dat Hij gemaakt heeft in Chria-
tus Jezus uuzen Heere,
13
nabij waren.
Is Want (f
r hem hebben wij
heiden den toegang door êéuen
Beest tot den Vader.
1\'J Zoo zijt gij dan niet meer
vreemdelingen eu bijwoner»,
Qiaar medeburgers der heiligen
\'ii buisgenooten Gods,
-\'1 gebouwd op bet fundament
dL\'r Apostelen en Profeten,
Waarvan Jezus Christus is de
uiterste hoeksteen,
-I op welken het gJbeele ge*
\'\'"uw, bekwame!ijk samenge*
|oi".-d zijude, opwast tot eenen
heilif-eu tempel iu den Heere,
-2 op welken ook gij mede*
tebpuwd wordt tot eeue woon-
Hede Gods iu den Geest.
-ocr page 282-
274                                          EFBZ
12 in denwelken wij hebben de
vrijmoedigheid en den toegang
met vertrouwen, door het ge-
loof aan hem.
l.\'t Daarom bid ik dut gij niet
vertraagt in mijne verdrukkiu-
geu voor x, hetwelk is uwe
heerlijkheid.
14  Om deze oorzaak buit; ik
mijne knieën tot dun Vader
onzes Ilecreu Jezus Christus,
15  uit welken al het geslacht
in de hemelen en op de aarde
genaamd wordt,
l\'i opdat Hij u geve, naar den
rijkdom zijner heerlijkheid, met
kracht versterkt te worden door
zijnen Geest in den inwendigen
mensch,
1" opdat Christus door liet ge-
loof in uwe harten wone, en
gij in de liefde geworteld en
gegrond zijt;
IS opdat gij ten volle kondet
begrijpen met alle de heiligen,
welke de breedte en lengte en
diepte en hoogte is,
19  en bekennen de liefde van
Christus die de kennis te boven
gaat, opdat gij vervuld wordt
tot al de volheid Gods.
20   Hem nu die machtig is
meer dan overvloedig te doen
boven al wat wij bidden of den-
ken, naar de kracht die in ons
werkt,
21   Hem, zeg ik, zij de heer-
lijkbeid in de gemeente door
Christus Jezus, in alle ge-
slachten, tot alle eeuwigheid.
Amen.
3RS4.
door den baud des vredf*.
4  Ki\'rn lichauin is bet en één
Geest, gclijkerwfjs gij ook ge-
roepen zijt tot ééue hoop uwer
roeping;
5  één Heere, één geloof, één
doop;
f» één God eu Vader van allen,
die duar is boven allen eu door
allen eu in u allen.
7  Maar aan elk van ons is de
genade gegeven naar de mate
der gave van Christus.
8  Daarom zegt Hij: Als hij
opgevaren is in de hoogte, heeft
hij de gevangenis gevangenge-
noir.en, en heeft den menschen
gaven gegeven.
il Nu dit: Hij is opgevaren,
wat is het, dan dat hij ook eerst
is nedergedaald in de beneden-
ate deeleu der aarde?
10   Die nedergedaald is, is
dezelfde ook die opgevaren is
ver boven alle de hemelen, op-
dat hij alle dingen vervullen
zoude.
11    En déze heeft gegeven
sommigen tot Apostelen, en
sommigen tot Profeten, eu
sommigen tot Evangelisten, en
sommigen tot Herders en
Leeraars,
12  tot de volmaking der beili-
gfii, tot het werk der bediening,
tot opbouwiug des licuaains
van Christus;
l.\'t totdat wij allen zullen ko-
men tot de eeuigheid des ge-
loof s en der kennis van den
Zoon Gods, tot een volk*\'\'
men man, tot de mate van
de grootte der volheid van
Christus;
14  opdat wij niet meer kin-
deren zouden zijn, die als d<\'
vloed bewogen en omgevoeru
worden met allen wind der
leer, door de bedriegerij der
menschen, door arglistigheu\'
nut listiglijk tot dwaling Ie
brengen,
15  maar de waarheid betrad»"
trndi\' in liefde, alleszins *oU-
den opwassen in hein die be*
Hoofd is, namelijk Christus.
HOOFDSTUK 4.
ZOO bid ik u dan, ik de
gevangene iu den Heere, dat
gij wandelt waai\'diglijk der roe-
ping met welke gij geroepen
zijt,
2   met alle ootmoediglieid en
zachtmoedigheid, met lank*
moedigheid, verdragende elk-
ander iu liefde,
3  u henaarstigende te behou*
den de eeuigheid des Geestes
-ocr page 283-
KUS 5.                                          £JS
te deelen dengenen, die nood
heeft.
2y Geen vuile rede ga uit u-
wen mond, niHiir zon er eenige
goede rede is tut nuttige stieh-
ting, u|ul;a zij genade (perc
dien die ze hooien.
:« En bedroeft den Heiligen
Geest Gods niet, door welken
pij verzegeld tijt lot den das
der verlossing.
31 Alle bitterheid en toornïg-
beid en grauisehap en L-eroep
eu lastering zij van u geweerd,
met atle boosheid.
33 Maar zjjt jegens elkander
goedertiere i, harmlinrtiir, ver-
gevende elkander, gelijkerwijs
ook God in Christus ulieden
vergeven heeft.
lf! uit welken liet geheelc
liehaam, bek namelijk samen-
gevoegd en samen vastgemaakt
zijnde door alle voegselen der
toebrenging, naar de werk ing
van ieder deel in ii)«e mate.
den wasdom dea lichaam* be-
komt, tot zijns lelf* opbouwing
in de Helde.
17 Ik zeg dan dit en betuig
het in den lleere, dat gij niet
meer wandelt gelijk als de
andere heidenen w andelen in
de ijdelheid huns getimed*;
Is verduisterd in bet ver-
stand, vervreemd zijnde van
het leven Gods, door de oji-
weteudheid die in hen is,
door de verharding huns har-
teu;
lü welke ongevoelig treworden
ïijnde, ziehxelven hebben over*
gegeven tot ontuchtfgheid, on
alle onreiuigheid gieriglijk te
bedrijven.
2» Doch gij hebt Christus al-
sóó nipt geleerd,
-1 indien gij mnar bent ge-
boord hebt en door hein ge-
leerd zijt, gulijk de waarheid
in Jezus is,
"" ie weten dat gij zoudt af-
leggen. uunguaude de vorige
Wandeling, den ouden meuseh
die verdorven wordt door de
begeerlijkheden der verleiding,
2K en uat gij zoudt vernieuwd
worden iu den geest uws ge-
moed s,
-4 en den nieuwen meuseh
aandoen, die naar God ge*
schenen is in ware reehtvuar*
digheid en heiligheid.
\'-ó Daarom legt at\' de leugen,
en spreekt de waarheid een
"•gelijk met zijnen naakte;
want wij zijn elkanders leden.
38 Wordt toornig eu zondigt
niet: de zon ga niet onderover
"we toornigheid,
-" en geeft den duivel geene
plaats.
* Die Bestolen heeft, stele
niet meer, maar arbeide liever,
perkende wat goed is met de
banden, opdat bij bebbc mede
HOOFDSTUK 5.
ZIJT dan navolgers Gods, r,!-
geliefde kinderen;
. eu wandelt in de liefde, ge-
lij kerwljs ook Christus ons
liefgehad heeft eu zichzelven
voor ons heeft overgegeven tot
een offerande en een slacht-
ofter, Gode tot eenen welrits
keudeu reuk.
:i Maar laat hoererij en alle
onreiuigheid of gierigheid on-
der u ook niet genaamd wor-
den, gelijkerwijs het deu hei*
ligcn betaamt;
4  noch oueerhnarheid, nocll
zot geklap, of gekkernij, welke
niet betamen, maar veelmeer
dankzegging.
"i Want dit weet gij, dat geen
hoereerder, of onreine, of gic-
rigaard, die een atgodendie-
naar is, erfenis heeft in het
Koninkrijk van Christus eu
van God.
fi Dat niemand u verleide met
ijdele woorden; uaut om deze
dingen komt de toorn Gods
over de kindereu der ongehoor*
zaamheid.
7 Zoo zijt dan hunne <uede-
geuooteu niet.
5  Want gij waart eertijds
duisternis, maur uu zijt gij
-ocr page 284-
EFEZIKKS G.
27<\',
licht in den Heere: wandelt
als kinderen des lichts
9  (want de vrucht des Gecstes
is in alle goedigheid en recht*
vaardigheid en naarheid),
10  beproevende wat den Ilcere
welhcbaairlijk is.
11   Kn hebt Keen eemecuschap
niet de on vruchtbare werken
der duisternis, maar bestraft
ze ook veeleer.
12  Mant hetgeen heimelijk
van beu geschiedt, i- schau-
delijk ook te zeggen.
13  Maar alle deze dingen van
het licht bestraft zijnde, wor-
den openbaar; want al wat
openbaar maakt, is licht.
14  Daarom zegt Hij: Ontwaak
gij die slaapt, en sta öp uit de
dunden, en Christus zal over u
lichten.
15  Ziet dan hoe gij voorzich-
tÏTÜjk wandelt, niet uls on-
wijzen maar als wijzen,
If. den tijd uitkoopendc, de-
wijl de dagen boos zijn.
17  Daarom zijt niet onver-
stand is, maar verstaat welke
de wil des Hccren is.
18  Kii wordt niet dronken
van wijn, waarin overdaad i-.
maar wordt vervuld met den
Geest,
f» sprekende onder elkander
met psalmen eu lofzangen en
geestelijke liedekens, zingende
eu psaliueude den IIeerc in uw
hart,
•Ju dankende te allen tijde over
alle dingen God en den Vader
in den naam onzes Heercn
Jezus Christus,
21  elkander onderdanig zijnde
in de vrecze Gods.
22  Gij vrouwen, vent uwen
ei\',\'enen mannen onderdanig.
Keiijk den Heere:
:."i want de man is het hoofd
der vrouw, gelijk ook Christus
bet Hoofd der gemeente is; en
hij is de behouder des lichaams.
24 Daarom gelijk de gemeente
Christus onderdanig is, alzóó
ook de vrouwen haren eigenen
ïuauucu in alles.
25 Gij mannen, hebt uwe
eigene vrouwen lief, gelijk
ook Christus de gemeente lief-
gehad heeft en zichzelven voor
haar beeft overgegeven,
2\'i opdat hij ze heiligen zoude,
kaar gereinigd hebbende met
het bad des waters door het
Woord,
27 opdat hij ze zichzelven heer-
lijk zoude voorstellen, eene
gemeente die geen vlek of rim*
pel heeft of iets dergelijks,
maar dat zij zoude heilig zijn
eu onberispelijk.
2* Alzóó zijn de mannen
schuldig hunne eigene vrou-
weu lief te hebbeu gelijk hunne
eigene lichamen. Die zijne ei-
gene vrouw liefheeft, die heeft
zichzelven lief.
29 Want niemand heeft oott
HJu eigen vleescü. gehaat, maar
hij voedt het en onderhoudt
het gelijkerwijs ook de Heere
de gemeente.
\'M) Want wij zijn leden zijus
lichaams, van zijn vleesch eu
vnn zijn been,
.\'II Daarom zal een inensch
zijn vader en moeder verlaten
en zal zijne vrouw aanhangen;
en die twee zullen tot één
vleesch wezen.
.\'12 Deze verborgenheid is
groot, doch ik zeg dit, ziende
op Christus en op de ge-
nieente.
XI Zoo dan ook gijlieden elk
in \'t bijzonder, ecu iegelijk
hebbe zijne eigene vrouw alzóó
lief als zichzelven; en de vrouw
zie dat zij den man vrecze.
HOOFDSTUK 6.
GIJ kinderen, zijt uwen ou-
ders gehoorzaam in den
Heere; want dat is recht.
2 Eer uwen vader eu uwe
moeder (hetwelk het eerste
gebod is met eenc belofte),
:; opdat het u wél ga eu dat
gij lang leeft op aarde.
4 En «ij vaders, verwekt uwe
kinderen niet tut toorn, maar
-ocr page 285-
:itS fi.                                          277
liet borstwapen der gerechtig-
heid,
15  en de voeten geschoeid
hebbende niet bereidheid van
bet Kvaugelif des vrede.*;
16  bovenal aangenomen heb-
bende liet schild des geloots,
met hetwelk gij alle de vurige
pijlen des boozen zult kunnen
uitblussehen.
17  Hu neemt den helm der
taligheid, eu bet zwaard des
Geestes, hetwelk is Gods
VVoord;
1H met alle bidding en smee-
kiug biddende te allen tijde in
den geest, eu tot hetzelve wa-
kende met alle gedurigheid eu
smeeking voor alle de heiligen,
1!) eu voor mij, opdat mij het
Woord gegeven worde in de
opening mijns uinnds, met
vrijmoedigheid om do verbor-
genheiddes Evangelies bekend
te maken;
2U waarover ik een gezant
ben in een keten; opdat ik in
hetzelve vrijmoediglijk moge
spreken gelijk mij betaamt te
spreken.
21 Ku opdat ook gij moogt
weten hetgeen mij aangaat en
wat ik doe, dut alles zal u
Tychicus, de geliefde broeder
en getrouwe dienaar in den
Heere, bekendmaken:
.. denwelken ik te dien einde
tot u gezonden beb, opdat gij
ouze zaken zoudt weten en hij
uwe harten zoude vertioosten.
£1 V rede zij den broederen
en liefde met geloof, van God
den Vader en deu Heere Jezus
Christus.
24 De genade zy met alle de-
genen die omen Heere Jezus
Christus liefhebben iu ouver-
derfelijkheid. Aiueu.
voedt ie on in de lecring e»
vermaning des Uecreu.
5 Gij dienstkuechten, zijt gc-
hoorzaam utren heereu naar
liet vleeseb, niet vreeze en be-
ven, in i\'cn\\ tiutl ir liriil nws
harten, gelijk al» mui Christus,
fi niet naar oogeiidicust als
menschcnbehagcrs, inanr als
dienstknechten van Christus,
doende den wil Gods van
harte,
7 dienende niet goedwilligheid
den Heere en niet de menseden.
S wetende dat zoo wat goed
een iegelijk gedaan zal hebben,
hij dut van den Heere zal OUt-
vangeu, hetzij dienstknecht
hetzij vrije.
9  Bn gij heer en, doet hetzelf-
de bij hen, nalatende de drei-
ging, als die weet dat ook uw
eigen Heere in de hemelen is,
en dot er Reene aanneming des
persoon» hij Hem is.
10    Voorts, mijne broeders,
wordt krachtig in den Heere
en in de sterkte zijner macht.
11  Doet Jian de geheele wapen-
rustiug Gods, opdat gij kunt
Maan tegen de li-ii^c omlei-
diugen des duivels.
13 Want wij hebben den strijd
niet tenen vleeseh en bloed,
maar tegen de overheden, tegen
de niaehten, tegen de geveld-
hebben der wereld, der duis-
teruis dezer eeuw, tegen de
feestelijke boosheden in de
lueht.
13 Daarom neemt flAn de ge-
heele wapenrusting Gods, op-
dat gij kunt wederstntui in den
boozen dag, eu alles verrieht
hebbende, staande blijven.
11 Staat dan, uwe lendenen
omgord hebbende met de waar-
ueid, eu aaugedaau hebbende
-ocr page 286-
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN 11 V.
FILIPPENZEK
opdat gij oprecht zijt en zon-
der aanstoot te geven, tot den
dag van Christus,
11 vervuld niet vruchten der
gerechtigheid die door Jezus
Christus zijn, tot heerlijkheid
en prijs van God.
1-2 Ku ik wil dat gij weet,
broeders, dat hetgeen aan mij
iê gfurfiinl, meer tot bevordt -
ring des Evangelies gekomen
i»;
1:1 alzoo dat mijne banden in
Christus openbaar geworden
zijn in \'t gausehe ltcchthuis Cu
aan alle anderen,
14  en ilat het incerew/rfï der
broederen in den lleere, door
mijne banden vertrouwen gr-
kregeu lubbende, overvloediger
het Woord onbevreesd durven
spreken.
15   Sommigen prediken ook
wel Christus door nijd en
twist, maar sommigen <>«.:•.
door goedwilligheid.
lfi Géneu verkondigen wel
Christus uit twistiug, niet ziii-
ver, meenende aan mijne ban-
den verdrukking toe te breu-
1~ doch dézen uit liefde, dewijl
zij weten dat ik tot verant-
wnordiug des Evangelies gezet
beu.
18 Wat dan? Nochtans wordt
Christus op allerlei wijze, liet*
lij ouder een deksel hetzij iu
waarheid, verkondigd; en
daarin verblijd ik mij, ja, ik
zal mij ook verblijden.
IU Want ik weet dat dit mij
ter zaligheid gedijen zal door
HOOFDSTUK I.
PAULUS en Timóthctls,
dienstknechten van Jezus
Christus, ann alle de hrilln*n
lil Christus Jezus die te Kilippi
zijn, wet de Opzieners en
Diakenen:
-J genade lij u en vrede van
Go3 onzen Vader en den lleere
Jezus Christus.
n Ik dank mijnen God zoo
dikwijl» nis ik uwer gedenk
4 (te allen tijde in «I mijn ge-
ln\'d voor n allen niet blijdschap
liet gebed doende),
6  over uwe gemeenschap aan
liet Kvnngelic, rm dt-n eersten
dag af tot nu toe;
il dit vertrouwende, dat 11 ij
die in U een goed werk begon-
nen heeft, i/at voleindigen zal
tot op den >in.:. van Jezus
Christus;
7  «elijk het bij mij recht U
dut ik van o allen dit gevoel,
omdat ik in miiu hart houd
dat gij, beide in mijne handen
en in mijne verantwoording en
bevestiging des Evangelies, gij
«Hen, xrij ik, mijner genade Die-
de deelachtig Bijt,
8  Want God is mijn getuige,
hoezeer ik )>c-;eerig ben naar
u allen met innerlijke hewe-
gingeu van Jezus Christus.
9  Ku dit bid ik Oml, dat uwe
liefde nog meer en meer over*
vloedig worde iu erkentenis en
alle gevoelen,
li> opdat gij beproeft de din*
geu die daarvan verschillen;
-ocr page 287-
FiLirn:
uw gebed pii toebrcngiug des
Geesten vuu Jezus Christus,
31 uil.viis mijne ernstige ver-
\\\\ ,u-iitüi--r en hnop, dut ik in
Iteene znak zal beschaamd \\vor-
de», maar Hut in alle vrijnioe-
diglcid. gelijk te allen tijde
alzoo nok nu, Christus zal
L\'rnetgeinaakt worden in mijn
;.i . natu, hetzij door het leven
heuii door den dood.
21 Want het leven is mij
Christus, en liet sterven is
ati gewin,
3 Maar ot te leven in het
vbesch, hetzelve mij oorbaar
z|j, tii wat ik verkiezen zal,
weet ik niet.
•1\\ Want ik word van deze
twee gedrongen, hebbende be-
.\' tTtt\' mn ontbonden te wnr-
deii cu met ( hristus te zijn;
vent dm is zeer verre het
beste;
-4 maar in het vleosch te
blijven is uoodiger om uwent-
wil.
\'ló Eu dit vertrouw en weet
ik, dat ik zal blijven en met
u allen zal verblijven tot uwe
bevordering en blijdschap des
gelooft.
2fi opdat uw roem In Chris*
tua Jezus overvloedig zij aan
mij, door mijne tegenwoordig*
beid wederom bij u.
"-T Alleenlijk wandelt waar*
diglijk het Evangelie van Chris*
lus; opdat liet/ij ik kom en
u zie, hetzij ik afwezig beu, ik
van uwe zaken moge hooren,
dat gij staat in éénen geest,
met één gemoed geiameitlUk
strijdende door het geloot\' de»
Evangelies,
38 en dut «ij in geen ding ver-
schrikt wordt van degenen die
tegenstaan : hetwelk hun wel
*en bewijs is des verderft,
maar ü der zaligheid, en dat
van God.
2it Want u is uit genade ge*
"even in de zaak van (\'hristus,
niet alleen in hem te geloovcn,
•naar ook voor hem te lijden,
•\'*> dcuzcitdeu strijd hebben*
INZEN 2.                                      279
de, hoedauigen gij in mij ge-
zien hebt en uu in inij hoort.
HOOFDSTUK 2.
INDIEN er dan eenigc ver-
troosting is in Christus, in-
dien er eenige troost is der
liefde, indien er eenige ge-
meeusehap is des Geestes, in-
dien er eenige innerlijke be-
wegingen eu on tfer mingen
zijn,
2 zoo vervult mijne hlijd*
schap, dat gij mootrt eenmee*
ziud zijn, dezelfde liefde heb-
bende, \'..in één gemoed en van
één gevoelen zijnde.
:* Daet geen ding door twis-
ting ot\' rjdele eer, maar door
ootmoedigheid aelite de één
den ander uituemeuder dan
ziehzelven.
4 Keu iegelijk zie niet op het
zijne, maar een iegelijk zie
ook op hetgeen der anderen is.
ó Want dat gevoelen zij in u
hetwelk ook in Christus Jezus
was,
6  die in de gesteltenis Gods
lijnde, het geen roof geacht heeft
Godc even gelijk te zijn,
7   maar heelt ziehzelven ver-
nietigd, de gestal teuis eens
dienstkueebs aangenomen heb-
bende, en is den inensehcn ge-
lijk geworden;
X en in gedaante gevonden
als een mensen, heeft hij zich*
zelveu vernederd, gehoorzaam
geworden zijnde tot den dood,
ja, den dood des kruises.
\'j Daarom heeft God hem ook
uitermate verhoogd, eu heeft
hem eeneu naam gegeven \\vel-
ke hoven allen naam is.
Ut opdat in den naam van
Jezus zich zoude buigen alle
knie dergeueu, die in den he-
mel, en die op de aarde, en die
onder de aarde zijn,
11   en alle tong zoude beln-
den dat Jezus Christus de
Deere is tot heerlijkheid Gods
des Vaders.
12    Alzoo dan. mijne gelief*
-ocr page 288-
280                                       FILIPPI
den, gelijk irij te allen tijde
gehoorzaum geweest zfjt. niet
als in mijne tegenwoordigheid
alleen, maar veelmeer nu in
mijn afwezen, werkt uws zelfs
zaligheid niet vreeze en beven ;
13   want het is God die in u
werkt beide het willen en het
werken, naar zijn welbehagen.
14    Duet alle il in urn zonder
inurmurecren en tegenspreken,
15   opdat -\'i_i mooRt onberis-
pelijk en oprecht zijn, kinde-
ren Gods zijnde, onstrafïelijk
in \'t midden van een krom en
verdraaid geslarht, onder wel*
ke L.- ij schijnt als lichten in de
wereld;
lf> voorhoudende het Woord
des levens, mij tot reuen roem
tenen den ii;i ; van Christus,
dat ik niet tevergeefs heb ge-
loopeu noch tevergeefs gear-
beid.
17 Ja, indien ik ook tot een
draukoffer geofferd wnrd over
de offerande en bediening uw»
gcloofs, zoo verblijd ik mfj en
verblijd mij met u allen,
IK en om datzelfde verblijdt
gij u üók, en verblijdt u nok
met mij.
11) Kn ik hoop tn den Ileere
Jezus, Timótheus haast tot u
te zenden, opdat ik óók wei-
gemoed mag zijn als ik uwe
zaken zal verstaan hebben.
20  Want ik heb niemand die
even alzoo gezind is, dewelke
opreehtelfjk uwe zaken zal be-
zorgen.
21  Want zij zoeken allen het
hunne, niet hetgeen van Chris*
Urn Jezus is.
98 Kn gij weet zijne beproe*
ving, dat hij, als een kind zijnen
vader, niet mij geuiend heeft
in het Evangelie.
23 Ik hoo]> dan wel dezen van
stonde aan te zenden, zoodra
als ik iu mijne .aken zal voor*
zien hebben ;
84 doch ik vertrouw in den
Ileere, dat ik ook zelf haast
tut ii komen zal.
\'-\'., Maar ik heb noodig geacht
EN ZEN 3.
tot u te zenden Epafroditus,
mijnen broeder en medearbei-
der en medestrijder, en «wen
afgezondene eu m-dienaar mij*
ner nooddruft,
26    dewijl hij zeer begerig
was naar u allen, eu zeei be-
anirst was, omdat gij gehiord
li.\'nit dat hij krank was.
27   Kn hij is ook krank ge-
wecst tot nabij den do»d;
maar (iod heeft zieh zfjier
ontfermd, en niet alleen zijier
maar uok mijner, opdat ik n et
droefheid op droefheid zouic
hebbeu.
2S Zoo heb ik dan hem te
spoediger gezonden, opdat g.j,
hem ziende, wederom u zoiut
verblijden, en ik te minder
droevig zoude zijn.
29  Ontvangt hem dan in den
Ileere met alle blijdschap, en
houdt dezulken in waarde.
30   Want om het werk tan
Christus was hij tot nabij Jen
dood gekomen, zhn leven niet
achtende, opdat hij het gebrek
uwer bediening aan mij ver-
vullen zoude.
HOOFDSTUK 3.
VOORTS mijne broeders, ver-
blijdt u iu den Ileere. De-
zelfde dingen aan u te schrijven
is mij niet verdrietig, en het is
il zeker.
2 Ziet op de honden, ziet op
de kwade arbeider», ziet op de
versuijding.
.\'f Want wij zijn de besnijdiinr,
wij die God in den Geest die-
nen, en in Christus Jezus roe-
men, eu niet iu het vleesch
betrouwen :
4 hoewel ik heb dat ik ook iu
bet vleesch betrouwen mocht.
Indien iemand anders meent
te betrouwen in het \'vleeseh,
Ik nog meer,
h besneden ten achtsten doge,
uit het geslacht Israüls, van
den stam Benjamin, een He-
breër uit de Ilebreers, naar de
wet een Karizeër,
-ocr page 289-
FILIPPÏ
6  naar den ijver een vervolger
der gemeente, naar de recht-
vaardigheid die in de wet is,
zijnde onberispelijk.
7  Maar hetgeen mij gewin was,
dat heb ik om Christus\' wil
schade geacht.
s Ja gcwisselijk, ik acht onk
alle dingen schudc te zijn om
de uitnemendheid der kennis
van Christus Jezus mijnen Hee-
re, om wiens wil ik alle die
dingen schade gerekend heb,
en acht die drek te zijn, opdat
ik Christus moge gewinnen,
ö en in hem gevonden worde,
niet hebbende mijne rechtvaar*
ttigheid die uit de wet is,\'
maar die door liet geloot\' van
Christus is, namelijk de recht-
vjiardigheid die uit God is door
het geloof;
10  opdai ik hem kcuiie, en de
kracht zijner opstanding, en
de gemeenschap zijns lijdena,
z\'jnen dnod gelijkvormig wor-
dende:
11   of ik eeuigszins moge ko-
nien tot de wederopstanding
der dooden.
I- Niet dat ik het aireede ge-
kregen heb of aireede volmaakt
ben; maar ik jaag er naar of ik
het ook grijpen mocht, waartoe
ik van Christus Jezus ook ge-
grepen ben.
13   Broeders, ilc acht niet dat
ikzelf het gegrepen heb.
14  Maar één ding doe ik, ver-
Ketende hetgeen achter is,
en strekkende mij tot hetgeen
vóór ia, jaag ik naar het
wit tot den prijs der roeping
Gods, die van boven is in
Christus Jezus.
15  Zoovelcu dan als wij vol*
\'naakt zijn, laat ons dit gevoe-
len; en indien gij iets anders
gevoelt, ook dat zal God u
openbaren.
IJ\' Doch waar wij toe gekomen
zijn, laat ons daarin naar dcu-
\'/•ellden regel wandelen, laat ons
hetzelfde gevoelen.
\'7 Weest mede mijne navol*
Sera, broeders, en merkt op
INZEN 4.                                       281
degenen die alzóó wandelen,
gelijk gij ous tot een voorbeeld
ebt.
In Want velen wandelen an-
dera,
van dewelke ik u dikmaals
gezegd lieb en nu ook weeneude
zeg, dat ze vijanden des kruises
van Christus zijn,
19 welker einde is het verderf,
welker God is de buik, en wel-
ker
beerlijk beid is in hunne
se bande, dewelke aaidsche
dingen bedenken.
3) Maar ónze wandel is in de
hemelen, waaruit wij ook den
Zaligmaker verwachten, nnnie-
lijk
den Heere Jezus Chris*
tits,
•_\'1 die ons vernederd lichaam
veranderen zal, opdat hetzelve
gelij kvormig worde aan zijn
heerlijk lichaam, naar de wcr-
king waardoor hij ook alle
dingen zichzelvcn kan onder-
werpen.
HOOFDSTUK 4.
ZOO dan, mijne geliefde en
zeer gewensehte broeders,
mijne blijdschap en kroon, «taat
alzóó in den Heere, geliefden.
2 Ik vermaan Ruodia en ik ver-
maan Syntyché, dat zij eensge*
zind zijn in den Heere.
:<• Kn ik bid ook u, gij mijn
oprechte metgezel, wees deze
vrouwen behulpzaam, die met
mij gestreden hebben in het
Evangelie, ook met Clemens eu
mijne andere medearbeiders,
welker namen zijn in het boek
des levens.
4  Verblijdt u in den Heere te
allen tijde; wederom zeg ik,
verblijdt u.
5  Uwe bescheidenheid zij al-
leu menseheu bekend. De ïlee*
re is miliij.
)> Weest in geen ding bezorgd,
maar laat uwe begeerten iu
alles door bidden en smeeken,
met dankzegging, bekend wor*
den bij God.
7 Kn de vrede Gods, die alle
verstand te boven gaat, zal
-ocr page 290-
9B3                                 FILIPPI
uwe harten en UWC zinnen bc-
waren in Christus Jezus.
M Voorts, broeders, al wat
waaracht i.: Ie, al wat eerlijk
Is, Al uat rechtvaardig IS,
al wat rein is, al wat liefelijk
is, al wat wel luidt, zoo daar
ecuige deuird is en zoo daar
ecuige lot is, bedenkt dat.
9 Hetgeen ^ij ook geleerd en
ontvangen en gehoord en in
mij gezien hebt, doet dat; en
de God des vredes zal met u
zijn.
in Ku ik beu grootelfjk* ver-
blijd geweest la den Ileere,
dat irij im eemuaal wederom
aangewakkerd zijtom aan mij te
gedenken; waaraan gij ook ge-
dacht hebt, maar gij hebt de
gelegenheid niet gehad.
11   Niet dat ik dit zeg vanwege
gebrek; want ik heb geleerd
vergenoegd te zijn in hetgeen
ik ben;
12    en ik weet vernederd te
worden, ik weet ook overvloed
te hebben; alleszins eu in alles
beu ik onderwezen, beide ver
zadïgd te zijn en honger te lij-
den, beide overvloed te hebben
eu gebrek te lijden,
13  Ik vermag alle dingen donr
Christus die mij kracht geeft.
14  Nochtans hebt gij wel ge*
daan dat gij met mijne ver-
drukkiug gemeenschap gehad
hebt.
15    En ook gij, Filippenzeu,
NZEN 4.
weet, dut in het begin des
KvangeliiM, toen ik vau Mace-
ilnüii\' vertrokken beu, geene
gemeente mij ieta medegedeeld
heeft tot rekening vnu uitgaat\'
en ontvangst, dan gij alleen.
li> Want ook in Theasaloniea
hebt gij mij eenmaal en au-
deruiRal gezonden tot mijn?
nooddruft.
17 Niet «lat ik de gave zoek,
maar ik zoek de vrucht die
overvloedig is tot uwe rck<-
iiing.
IS Maar ik heb alles out-
vangen, eu ik heb overvloed;
ik hen vervuld geworden al*
ik van Kpafroditus ontvangen
heb wat van u gezonden wat, al"
een wel riekenden veuk,ecueanii-
gename offerande, Gode wclbt -
haadijk.
ltf Doch mijn God zal nanr
zijnen rijkdom vervullen at
uwe nooddruft, in heerlijkheid
door Christus Jezus.
2» Onzen God nu en Vader zij
de heerlijkheid in alle eeuwig\'
hcid. Amen.
21     G roet alle heiligen i n
Christus Jezus. U groeten de
broeders die niet mij zijn.
22  Alle de heiligen groeten u.
en meest die van het huis des
Keizers zijn.
33 De genade onzes Heercn
Jezus Christus zij met u allen.
Amen.
-ocr page 291-
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
COLOSSENZEK
9 Waarom ook wij, van dien
dag at\' dnt wij het gehoord
hebben, niet ophouden voor u
te bidden en te begeeren, dat
gij inipir..\'! vervuld worden met
de kennis van zijnen wil, in
alle wijsheid en geestelijk ver-
stand,
1U opdat gij moogt wnnde-
leu waardigliik den Heere tal
alle behaaglijk Uvid, in a\'V*
goede werken vrueht dragende,
en wassende in de keimisse
Gods;
11    niet alle kraelit bekrach-
tigd zijnde, naar de sterkte
zijner heerlijkheid, tot alle
lijdzaamheid en lankiuoedig-
heid, met blijdselmp;
12   dankende deu Vader, die
ons bekwaam gemaakt heeft
om deel te hebben in de erve
der heiligen in het licht;
i;t die ons getrokken heeft uit
de macht der duisternis, en
overgezet heeft in het Kniiink-
rijk van den Zoon zijner liefde,
Il in deuwclkeu wij de ver-
lossing hebben door zijn bloed,
namelijk de vergeving der zon-
den,
ló dewelke het beeld is den
onzienlljken Gods, de eerstgc-
borene aller creature.
I(i Waul door hein zijn nlle
dingen geschapen die in de
hemelen cu die op de aarde
zijn, die zienlijk en die on zien*
lfjk zijn, hetzij tronen, hetzij
keerschappijen, hetzij over-
hedeu, hetzij machten : alle
HOOFDSTUK 1.
pAULUS, pril Apostel van
I Jezus Christus door deu
wil Gods, en Tïmótheüs de
1) roeder,
\'2 aan de heilige cu geloo-
vitte broederen in Christus
die te Colosse zijn: genade
/•ij u en vrede van God onzen
\\ader en den Heere Jezus
Christus.
•f Wij danken den God en
Vader onzes Ileeren Jezus
\'liristus, altijd voor u bid-
dende,
4 alzoo wij vnn uw geloof in
Christus Jezus gehoord heb.
bcn, en van de liefde die gij
hebt
tot alle heiliiceu,
ü om de hope die u weg-
Ee]cj(d is in de hemelen, van
welke gij te voren gehoord
"fbt door het Woord der
* uurheid, namelijk dea Evau-
Jfelies;
f> hetwelk tot u gekomen is,
Rpiyk ook in de geheele we-
r(,»l; en het brengt vruchten
^°rt, gelijk ook onder u, van
aien das at\' dat rij het gehoord
"ebt en de genade Gods in
tvnarhcid bekend hebt:
\' KClijk cij ook geleerd hebt
^«n Bpafras, onzen «Hielden
^«\'dedlcnstkiiecht, dewelke een
f\'etrouvv dienaar van Christus
ls voor u,
8 die ons ook verklaard heeft
«we liefde in den Geest.
-ocr page 292-
NZBN 2.
27 aan wie God heeft willen
bekendmaken, welke is derijk-
dom der heerlijkheid dezer ver*
horgcuheid ouder de heidenen,
welke is Christus onder u, du
hope der heerlijkheid;
2s dejiwelken wij vcrknndi-
gen, vermanende een iegelijk
lueimch en leereude een iegelijk
meuten iu alle wijsheid, op-
dat wij een iegelijk mensen
volmaakt zouden stellen in
Christus Jezus;
*J9 waartoe ik ook arbeid,
strijdende naar zijne werking
die iu mij werkt met kracht.
HOOFDSTUK 2.
WANT ik wil dat gij weet,
hoe grooteu strijd ik voor
u heb, en roor degenen die U\'
l,:mii u-ci zijn, en zoovelen als er
mijn Aangezicht iu het vleescli
niet hebben gezien,
"_\' opdat hunne harten vertroost
mogen worden, en zij samen-
gevoegd zijn in de liefde, W
dat tot allen rijkdom der volh\'
verzekerdheid des verstand*,
tot kennis der verborgenheid
van God en den Vader, eu van
Christus,
5  in deuwelkeu alle de schnt-
ten der wijsheid en der kennis
verborgen zijn.
4 En dit zeg ik, opdat niet
iemand u misleide met bewecg-
redeuen die eeueu schijn heb-
ben.
6   Want hoewel ik met het
vleesch van k beu, nochtans
hen ik met den geest bij u>
mij verblijdende en ziende u«<\'
goede ordening eu de vastheid
nwi gelooft )n Christus.
« Gelijk gij dan Christus Jc-
zus den Heere hebt aaugeuo-
inen, wandelt alzaó In hem,
7  geworteld eu opgebouwd in
hem, eu bevestigd in het ge-
loof, gelijkerwijs gij geleerd
zfjt, overvloedig zijnde in bet-
zelve met dankzegging.
s Ziet toe dat niemand u ais
eeueu roof vervoere door de
2S4                                     COLOSS
dingen zijn door hein en tot
hem geschapen:
17 e» Lij is vóór alle dingen,
eu alle dingen bestaan te za-
iiii*m door hein.
IS En hij is het Hoofd des
lichaam», namelijk der gc-
meente, hij die het begin f»,
de eerstgeborene uit de doo-
den, opdnt hij in allen de eer*
ste zoude zijn.
19 Want liet is de» Vader»
welbehagen geweest, dat in
hem al de volheid wonen
zoude,
2t( en dat Hij door hem, vrede
gemaakt hebbende door het
hlneil zijns kruiscs, door hem,
zeg ik, alle dingen verzoenen
zoude tot zichzclven, hetzij de
dingen die op de narde, het/.ij de
dingen die in de lienteleu zijn.
21 En hij hect\'t u die eertijds
vervreemd waart, eu vijanden
door liet verstand in de booze
werken, nu ook verzoend
33  in het lichaam zijns vlee*
sches door den dood, opdat hij
u heilig en onberispelijk eu
onbestrniTelijk vóór zich zoude
stellen:
23 indien ïrij maar blijft in
het geloot" gefundeerd eu vast,
en niet bewogen wordt van de
hope des Evangelies dat gij
gehoord hebt, hetwelk gepre*
dikt is ouder al de ereature
die onder den hemel is; van
hetwelk ik I\'aulus een dienaar
geworden ben;
34  die mij uu verblijd in mijn
lijden voor u, eu vervul in mijn
vleescli de overblijfselen der
verdrukkingen van Christus
voor zijn lichaam, hetwelk is
de gemeente .
25 welker dienaar ik gcwor*
den beu naar de bedeel ing
Gods, die mij gegeven is aan
ti om te vervullen het Woord
Gods:
2fi namelijk de verborgenheid,
die verborgen is geweest van
alle eeuwen en van alle geslach-
ten, maar nu geopeuboard is
aan zijne heiligeu,
-ocr page 293-
«ZEN 3.                                     285
19 en lift Hoofd niet bchou-
dende, uil hetwelk tiet gcheele
lichaam, door de samenvoeg*
selen eu sauieuhindingeu voor-
zien en samengevoegd zijn-
dis \'opwast met Goddelijke»,
wasdom.
2»l Indien gij dan met Chris*
tus de eerste beginselen der
wereld zijt afgestorven, wat
wordt sij, alsof gij in de we-
reld lectdet, met iiizettiugeu
belast,
.1 namelijk r Kaak niet, en
smaak niet, en roer niet aan?
35 welke dingen alle verderven
door liet gt hruik, ingevoerd
naar de geboden eu leeriugeu
der mensclien:
£1 dewelke wel hebben eene
fcAyitrede van wijsheid ineigeu-
willigeu godsdienst, en uederig-
heid, en in liet liehaam niet te
sparen, doch zijn niet in eeitigc
waarde, staar tot verzadiging
des vleesehes.
[iliilosofie en ijdele verleiding,
naar de overlevering der meu-
srlien, naar de eerste begjnse*
len der wereld, en niet naar
Christus.
1) Want in hem woont al de
volheid der Godheid lichamc*
lijk;
1>\' en gij zijtin lirm volmaakt,
die bet flootd is van alle over*
beid eu maeht;
U in welken gij ook besne*
den ztjt niet eene besnijdenis,
die zouder handen geschiedt,
in bet uittrekken van bet U-
eliaam der zonden des vlee-
sches, door de besnijdenis vau
Christus:
1". zijnde met hem begraven
in den doop, in welken trij ook
met hem Opgewekt zijt door
\'iet geloof der werking Gods,
die hem uit de doodeu opge-
wekt heelt.
i:i lin Hij beeft u, als gij dood
waart in de misdaden en in de
voorhuid uws vleesehes, mede
levend gemaakt met hem, alle
wee misdaden u vergevende;
14 uitgevtischt hebbende het
jiaudschrlft dat tegen on» was,
in inzettiiigeii bestaande, het*
welk, zeg ik, eeuigerwfjze tegen
ons was, en heeft dat uit het
midden weggenomen, hetzelve
"au bet kruis genageld heb*
bende;
en de overheden en de
i\'utebten uitgetogen hebbende,
heeft bij die in bet openbaar
Jen toon gesteld, en heeft door
hetzelve over beu getriomfeerd.
,1\'ï Dat u dan niemand oordeelc
"\' spijs ot\' in drank, of in het
\'tuk des teewtdagê of der uicu-
*e maan of der sabbatten,
\'7 welke zij» eene schaduw
•J** toekomende dingen, maar
\'•\'t liehaam is van Christus.
.« Dat dan niemand u over*
\'"•ersL-lie naar zijnen wil iu
""«engheid en dienst dür Eu-
P?.,en. intredende in hetgeen
blJ niet gezien beeft, tevergeefs
\'\'l\'gehlazeu zijnde .loor bet ver*
stand zijns vleesehes,
HOOFDSTUK 3.
IK DIEN gij dan met Christus
opgewekt zijt, zoo zoekt de
dingen die boven zijn, waar
Christus js /.itteudc aan de
rechterhand Gods:
1 bedenkt de dingen die hoven
zijn, niet die op de aarde zijn.
;{ Want gij zijt gestorven, eu
uw leven is met Christus ver-
hortreu in God.
4 Wanneer nu Christus zal
geopenbaard zijn, die ons leven
is, dan zult ook gij met hem
geopenbaard worden iu beer*
iijk[ieid.
.ï Doodt dan uwc leden die op
de aarde zijn, ntimeliik hoererij,
onrein igbeid, *vhunilel\\ike be-
weging, kwade begeerlijkheid,
en de gierigheid, welke is at-
godeudienst:
fi om welke de toorn Gods
komt over de kinderen der ou-
geboorzaamheid;
7 in dewelke ook gij eertijds
hebt gewandeld, toen gij ia
dezelve leefdet.
-ocr page 294-
COLOSSENZKN 4.
:Ni
s Maar nu, loict ook gij dit
alles at\', namelijk gramschap,
toorniirheid, kwaadheid, laste-
rmg, vuil spreken uit uwen
mond.
9   Liegt niet tegen elkander,
dewijl gij uitgedaan hebt den
ouden meusch met zijne wer-
ken,
10    en aangedaan hebt den
nieuwen menarh, die vernieuwd
wordt tot kennis, naar het
evenbeeld daagenen die hein
geschapen heeft;
11    waarin niet is Griek en
Jood, besnijdenis en voorhuid,
barbaar ta Scyth, dienstknecht
ea vrije, maar Christus is alles
en in allen.
12  Zoo doet dan aan, als uit-
Terkoreueu God*, heiligen en
beminden, de innerlijke bilwc-
^niu\'en der barmhartigheid,
goedertierenheid, ootmoedig*
heid, zachtmoedigheid, lank-
moedigheid :
IS verdragende elkander en
vergevende de één den ander,
zoo iemand tcseu iemand ecmi/e
klacht heeft; gelijkerwijs als
Christus u vergeven heeft, doet
ook gij alzóó.
14  Kn boven dit itlles, ,!<irt thi,t
de liefde, dewelke is de hand
der volmaaktheid.
U Kn de vrede Gods heersene
in uwe harten, tot welken rij
ook geroepen zijt in cén li-
chaam; en weent ilankhaar.
10 Bet Woord van Christus
wone rijkelijk in u, ili allewjja*
iu\'iil; leert en vermaant elkan-
der met psalmen en lofzangen
en geestelijke liedckens, zin-
gende den Meere met nangr-
uaamheid in uw hart.
17 Kn al wat gij doet met
woorden of met werken, ilurt
het alles in den imam des
lleeren Jezus, dankende God
en den Vader door hem.
15    Gij vrouwen, zijt uwen
riteenen riuni.cn onderdanig,
gelijk het brtanmt in den
Ileere.
19 Gij mannen, heht uwe
vrouwen lief, en wordt niet
verbitterd tegen haar.
£0 Gij kinderen, zfjt wrr«
ouders gehoorzaam in allo,
want dat is den Ileere wel-
behaaglijk.
21  Gij vaders, tergt uwe kin-
deren niet, opdat zij niet iuue-
deloos worden.
22  Gij dienstknechten, zijt in
alles gehoorzaam meen heeren
nnar liet vleeach, niet met
oogeudienatcn als nieuacbeu*
heliagers, maar met eeu*ron-
ilirheld des harten, mezende
God.
23  Kn al wat gij doet, doet dat
van harte als den Ileere en
niet den uiensehen,
\'2i wetende dat gij van den
Heen; zult ontvangen de ver-
retdttlIC der erfenis; want gij
dient den Ileere Cliristus.
25 Maar die onrecht doet, die
/.al het onrecht dragen dat hij
gedaan heeft, en er is geene
luiuneiuing des nersoous.
Il Üü FUST UK •!.
GIJ beeren, doet mm* dienst*
knechten recht en gelijk,
wetende dat ook gij eeuen lieert\'
hebt in de hemelen.
S Houdt sterk aan in het ge-
bed, en waakt in hetzelve niel
dankzegging;
;i biddende meteen ook voor
ons, dat God ons de deur des
Woords. opeitC, om te spreken
de verborgenheid van Christus,
om welke ik ook gebonden
ben,
1 opdat ik dezelve mag opeii*
baren gelijk ik mort "preken.
\'i Wandelt met wijsheid bij
degenen die buifen zijn, den
bekwamen tijd uitkoopende.
<i t\'w woord zij te allen tijde
in aaugenaamheid, niet zout be-
spreugd, opdat rij nmogt weten
hoe Rij eeu iegelijk moet aut-
woorden.
7 Alle mijne zaken zal u he-
kend maken Tyehiuus, de ge*
liefde broeder eu getrouwe
-ocr page 295-
NICKNZEN 1.                            2H7
volkomen in al den wil Gods.
13  Want ik ceef hem getui-
genis dat hij grootcn ijver
heeft over u eu degenen die
in Laodicéa /ijii en degenen
die in Hicrftpolis zijn.
14  U groet Lucas de medi-
cijnineester, de geliefde, en
Dcmas.
15  Groet de broederen die in
Laodicéa zijn, en N*rmfa*,
eu de gemeente die in zijn
huis is.
IC Kn wanneer deze zendbrief
van u zhI gelezen zijn, maakt
dat die ook iu de gemeente
der Laodiccnzeu gelezeu wor-
de, eu dat cok gij dien leest
die uit Laodicéa geschreven iê.
17 En zegt aan Archippus:
Zie op de bediening die gij
aangenomen bebt indeullcere,
dat gfj die vervult.
IS Ui\' groeten is met mijne
hand, van Pau lus. Gedenkt
mijne banden. De genade zij
met u. Amen.
1 TIIESSALO
dienaar en mededienstkneeut
in den Heere,
s deuwelken tk tot hetzelfde
einde tot n gezonden heb,
opdat hij uwe zaken wete en
uwe harten vertrooste,
9 met Ouésiinus, den Retros*
wen en geliefden broeder, de-
welke uit de uwen is; zij zul.
len u alles bekendmaken wat
liier is.
Ju U groet Aristnrchu* mijn
medegevangene, eu Mareus,
de neet\' van BArnabas (aan*
taande welken gij bevelen
ontvangen hebt: zoo hij tot
ii komt, ontvangt hem),
11  eu Jezus, Kezend Justus,
welke uit de besnijdenis zijn:
\'lezen alleen zijn mijne niedear-
beiders in het Koninkrijk Gods,
die mij cene vertroosting ge*
«eest zijn.
12   Ij groet Knafras die uit
de uwen is, een dien si knecht van
Christus te allen tijde strijdende
*oor u in de gebeden, opdat
Rij staan inoogt volmaakt eu
DE EERSTE BRIEF VAN 1>KN APOSTEL PAULUS
THESSALONICESTZEN.
den arbeid der liefde, en de
verdraagzaamheid der hope op
onzen Heere Jezus Christus,
voor onzen God en Vader;
4 wetende, geliefde broeders,
uwe verkiezing van God.
.) Want ons Evangelie is on-
der u niet alleen in woorden
geweest, maar ook in kracht,
eu iu den Heiligen Geest, eu
in vele verzekerdheid, gelijk
gij weet hoedanigeu wij onder
u geweest zijn om uwentwil.
6 Kn gij zijt onze navolgers
geworden eu des Ueereu, het
HOOFDSTUK 1.
PAULUS eu Silvanus en Ti-
mótheüs aan de gemeente der
\'ht\'ftsaloiiiceiizen, welke ia in
yoq den Vader en den Heere
Jezug Christus: genade zij u
en vrede van God onzen Vader
*0 den Heere Jezus Christus.
2 Wij danken God altijd over
« allen, uwer gedachtig zijnde
"\' onze gebeden;
1 zonder ophouden iredenken-
*w het wcik uws geloofs, en
-ocr page 296-
28H                            1 THES8ALC
Woord aangenomen hebbende
in vele verdrukking, met blijd-
schap des Heiligen Geeates,
7   alzoo dat gij voorbeelden
geworden zijt allen den geloo-
vigen in Macedonië en Ar lui je.
8  Want van u is het Woord
des Ileeren ruchtbaar gewor-
den niet alleen in Macedonië
ru Acliüje, maar ook in alle
plaatsen j* uw geloof dat i/ij
oj> God hebt, uitgegaan, zoodat
Hij niet van noode hebben iets
daarran te spreken.
9  Want zij iel ven verkondigen
van ons, hoedanigen ingang
wij tot u hebben, en boe gij
tot God bekeerd zijt van de at-
goden, om den levenden en
waarnehtigen God te dienen,
10  en zijnen Zoon uit de he-
nieleii te verwachten, deuwel-
ken Hij uit de doodeu opgewekt
heeft, nainftnk Jezus, die ons
verlost vau den toekomenden
toorn.
HOOFDSTUK 2.
WANT «ij weet zelven, broc-
der», onzen ingang tot u,
dat die niet ijdel is geweest;
\'J maar hoewel wij te voren
geleden hadden, en ook ons
•maadbeld aangedaan was, ge-
lijk gij weet, te Filippi. zoo
hebben wij nochtans vrij moe-
dikheid gebruikt in onzen God,
otn liet Evangelie Gods tot u
te spreken in veel strijd.
\'A Want onze vermaning is
niet geweest uit verleiding,
noch uit oureiuigheid, noch
met bedrog;
•4 maar gelijk wij van God
beproefd zijn geweest, dat ons
bet Evangelie .mul e toebe*
trouwd worden, alzóó spreken
wij, niet als meuscheu beha-
gende, maar Gode, die onze
harten beproeft.
."> Want wij hebben nooit met
pluimstrijkende woorden om-
gegaan, gelijk gij weet, noch
met eeuio bedeksel van gicrig-
heid, UoU ia getuige;
NICKNZEN 2.
fi noch zoekende eer uit hum -
se hen, noch van u noch van
anderen; hoewel wij u tot last
konden ziju als Christus\' Apos-
teleu;
7    maar wij zijn vriendelijk
geweest in het midden van a,
gelijk als eene voedster hare
kinderen koestert,
H alzóó wij, tot u zeer gene.
gen zijnde, hebbeu u gaarne
willen mededeel en niet alleen
het Evangelie Gods, maar nuk
onze eigene zielen, daarom om-
dat gij ons lief geworden waart.
8    Wa.it gij gedeukt, broe-
ders, onzen arbeid en moeite;
want nacht en dag werkende,
opdat wij niemand ouder u
zouden lastig ziju, hebhen wij
het Evangelie Gods ouder u
gepredikt.
In Gij zijt getuigcu en God,
hoe heiliglijk en rechtvaardig-
lijk en onberispelijk wij u die
gelooft, geweest zijn:
11    gelijk gij weet, hoc wij
een iegelijk van u, als een va-
der zijne kinderen, verinaan-
den en vertroostten,
12  en betuigden dat gij zomlt
wandelen waardiglijk Gode,
die u roept tot ziju Koninkrijk
en heerlijkheid.
13     Daarom danken wij ook
God zonder ophouden, dat, als
gij het Woord der prediKiuï
Gods van ons ontvangen hebt,
gij dat aangenomen hebt iik\'t
ulit der ïuenschen woord, maar
{irciijk iiet waarlijk is) als Gods
Woord, dat ook werkt iu u aie
gelooft.
H Want gij, hroeders z\'Jt
navolgers geworden der ge*
mcenteu Gods die in Jurtea
zijn, iu Christus Jezus, dewijl
ook gij hetzelfde geleden hebt
van uwe eigene medeDurgcrs
gelijk als zij van de Joden,
15 welke ook gedood hebben
den Heere Jezus en hum"\'
eigeue Profeten, en ons h<;b-
ben vervolgd, en Gode Biet
behagen, en alle ineuscheu
tegen ziju,
-ocr page 297-
SICENZEN 3, 4.                          283
fi Maar als Timótheüs nu van
ulieden tot ons gekomen was,
en ons de goede boodschap ge-
bracht had van uw geloof en
liefde, en dat gij altijd goede
gedachtenis van ons hebt, zeer
begeerig zijnde om uns te zien,
gelijk wij ook om ulieden :
7 zoo zijn wij daarom, broe-
derB, ii\', er u in al onze verdruk\'
kiug en nood vertroost gewor-
den door uw geloof;
S want nu leven wij, indien gij
ra#r?taat in den Heere.
9  Want wat dankzegging kun-
nen wij (ïode tot vergelding
wedergeven voor u, vanwege al
de blijdschap waarmede wij ons
om uwentwil verblijde» voor
onzen God,
10  nacht en dag zeer overvloc-
di\'.\'lijk biddende om uw aange •
zicht te mogen zien, en te vol-
maken hetgeen aau uw geloot\'
ontbreekt:\'
11    Doch onze God en Vader
zelf en onze Heere Jezus Chris-
tus riehte onzen weg tot u.
12  Eu de Heere vermeerdere u
?n make u overvloedig in de
iefde jegens elkander en je-
gens allen, gelijk wij ook zijn
jegens u;
13  opdat hij uwe harten ver-
sterke om onberispelijk te zijn
in ueiliiminking voor onzen
God en Vader, in de toekomst
onzes Heercu Jezus Christus
uiet alle zijne heiligen. .
1 THESSAEO
16  en ons verhinderen te spre-
ken tot de heidenen, dat zij za-
lig mochten worden; opdat zij te
allen tijde hunne zonden vervul-
len zouden. Eu de toorn is over
hen gekomen tot den einde.
17  Maar wij, broeders, van u
beroofd geweest zijnde voor een
kleine wijle tijds, naar het auu-
gezicht, niet naar het hart,
hebben ons te overvloediger be-
naarBtfgd om uw aangezicht te
zien, met groote begeerte.
is Daarom hebben wij tot u
willen kuincn (immers ik Pau-
lus) eenmaal en andermaal,
maar de satan heeft het ons
belet.
19 Want welke is onze hoop of
blijdschap of kroon desroems?
Zijl ij die ook niet, voor onzen
Heere Jezus Christus in zijne
toekomst ?
2i) Want gij zijt onze heerlijk*
heid en blijdschap.
HOOFDSTUK 3.
DAAROM deze begeerte niet
langer kunnende verdragen,
hebben wij gaarne te Athene
willen alléén gelaten worden,
2  en hebben gezonden Tirau-
theüs, onze» broeder, en Gods
dienaar, en onze» medearbeider
in het Evangelie vau Christus,
om u te versterken en u te
vermanen aangaande uw ge-
loof,
3  opdat niemand bewogen wor-
de in deze verdrukkingen; want
-.\'ij weet zelven dat wij hiertoe
Sesteld zijn.
4    Want ook toen wij bij h
waren, voorzeiden wij u dat
*\'-J zouden verdrukt worden,
gelijk ook geschied is, en gij
weet het.
6 Daarom ook deze begeerte
niet langer kunnende verdra-
Ken, neb ik hem gezonden om
"W\' geloof te verstaan, of niet
misschien de verzoeker u zoude
y.trzocht hebben en onze arbeid
yaei zoude wezen.
HOOFDSTUK 4.
VOORTS da», broeder», wij
bidden e» vermanen u in
de» Heere Jezus, gelijk gij van
o»b o»tva»gen hebt hoe gij
moet wandelen e» Gode beha-
ge», dat gfj daarin meer over-
vloedig wordt.
2  Want gij weet wat bevelen
wij u gegeven hebben door den
Heere Jezus.
3   Want dit is de wil Gods,
uwe heiligmaking: dat gij u
onthoudt van de hoererij,
4  dat eeu iegelijk vau u we te
19
-ocr page 298-
MO                             1 TIIBS8AX
lijn vat te bezitten in heilig-
making en cere,
5  niet in kwade beweging der
begeerlijkheid, gelijk als de
heidenen die (Lul niet kennen.
6  Dat niemand zijnen broeder
vertrede Doch bedriege in zijne
handeling; want de* Meere is
een wreker over dit alle», gelijk
wij u ook te voren gezegd en
betuigd hebben.
7  Want God heeft ons niet Be-
nepen tot onreiuigheid, uiuar
tot heiligmaking.
S Zon dan wie dit verwerpt,
die verwerpt geen mensch,
maar God, die ook zijnen
Heiligen Geest in ons heeft
gegeven.
9   Van de broederlijke liefde
nu hebt gij niet van nonde dat
ik u schrijve, want srijzelveu
zijt van God geleerd om elkan-
der lief te hebben.
10  Want L\'ij doet hetzelve ook
aan alle de broederen die in
geheel Macedonië* zijn. Maar
wij vermanen u, hroeders, dut
gij meer overvloedig wordt,
11  eu dat gij u beuaarsti/t stil
te zijn, en uwe eigene dingen
te doen, en te werken met uwe
eigene handen, gelijk wij u bc-
voleu hebben ;
12  opdat gij eerlijk wandelt bij
degenen die buiten zijn, en geen
ding van nonde hebt.
13  Doch, broeders, ik wil niet
dat gij onwetende zijt van de-
genen die ontslapen zijn. opdat
gij niet bedroefd zijt gelijk als
de anderen, die geene hope neb-
ben.
14  Want indien wij eelooven
dat Jezus gestorven is eu op-
gestaau, alzöó zal ook God de-
genen die ontslapen zijn in Je*
zus wer/erhrentreu met hem.
i\'i Want dat Keggen wij u door
het Woord des Heereu, dat wij
die levend overblijven zullen
tot de toekomst des 11 eeren,
niet zullen vóórkomen degenen
die ontslapen zijn.
16 Want de Ileere zelf r,al met
een geroep met de stem den
iNICENZEN 5.
Archangels en met de bazuin
Gods, nederdalen van den he-
mel, en die in Christus gestoi-
ven zijn, zullen eerst opstaan;
17 daarna wfj die levend over-
gebleven zfjn, zullen te zamen
met hen opgenomen worden in
de wolken, den Ileere te ge-
moet in de lucht; en alzuó
zullen wij aldjd met dcu Ileere
wezen.
IS Zoo dan vertroost elkander
met deze woorden.
HOOFDSTUK 5.
MAAR van de tijden en de ge-
legeuhedcn, broeders, hebt
gij niet van uoode dat men u
schrijve.
2  Want gil weet iclven zeer
wel, dat ili\' iiit-: des Heercn alzóó
zal komen, gelijk een dief til den
nacht.
3    Want wanneer zij zullen
zengen: Met is vrede en zonder
gevaar, dan zal een hiiii>tk\' ver-
der t hou overkomen, gelijk de
bnrensnood eeue bevruehte
vrouw, en /.ij zullen het geens-
zins ontvlieden,
4  Maar gij, broeders, eij zijt
niet in duisternis, dtit u die
dag als een dief zoude bevau-
gen.
5  Gij zijt allen kinderen des
lichts en kinderen des dags; wij
zijn niet des nachts noch der
duisternis.
fï Zoo laat oiib dan niet slapen
gelijk als de anderen, maar
laat ons waken en nuchter
zijn.
7 Want die slapen, slapen des
nachts, eu die dronken zijn,
zijn des nachts dronken.
H Maar wij die des dags zijn,
laat ons nuchter zfjn, aan-
cedaau liehheude het lmrstwa-
peu des geloofs en der liefde.
eu tot eeueu helm de hoop der
zaligheid.
9 Want God beeft ons niet
gesteld tot toorn, inaitr tot ver-
k rij ging der zaligheid door ou-
zeu Ileere Jceus Christus,
-ocr page 299-
2 THESSALC
10 die voor on* gestorven in,
opdat wfj, hetzij dut wij waken,
hetzU dat wij slapen, te Kamen
met hem leven zouden.
11  Daarom vermaant elkander,
en sticht de éé.. den ander, ge-
iijk icij ook doei.
1*2 En wij bidden u, broeders.
erkent d eiren en die ouder u
arbeiden, en uwe voorstanders
zijn in den lleere en u ver-
matieii,
13 en acht ze zeer veel in lief-
de, om huns werks wil. Zijt
vreedzaam onder elkander.
il Eu wfj bidden u, broeder»,
veriuaaut de ongeregelde», ver-
troost de klein moedigen, onder-
steunt de zwakken, zijt lauk-
mocdiir. jegens a len.
15 Ziet dat niemand kwaad
voor kwaad iemand verbelde,
n>aar jaagt te allen tijde bet
[oede na, zon jegens elkander
al» Jegens allen.
IA Verblijdt u te allen tijde.
17 Bidt zonder ophouden.
S\'ICENZEN 1.                             ;«Ji
IS Dankt God in alles; want
dit is de wil Gods in Christus
Jezus over u.
19  Bluscbt den Geest niet uit.
20  Veracht de profetieën niet.
21   Beproeft alle dingen; be-
houdt het goede.
22  Onthoudt u van allen schijn
des kwaads.
33 En de God des vrede* zelf
heilige u geheel en al, en uw
geheel oprechte geest en ziel
en lichuaiu worde onberispelijk
bewaard in de toekomst onzes
Heere:. Jezus Christus,
24  Hij die u roept, is getrouw,
die het nok doen zal.
25  Broeders, bidt voor ons.
2<> Groet alle de broeders met
eeiien heiligen kus.
27  Ik bezweer ulieden bij den
Heere, dat deze zendbrief allen
den heiligen broederen gelezen
worde.
28  De genade onzes 11 reren
Jezus Christus zij met ulieden.
Amen.
DEN APOSTEL PAULUS
DE TWEEDE BRIEF VAN
AAM DB
THESSALONICENZEN.
jegens elkander overvloedig
wordt,
4  alzoo dat wijzelven van u
roemen in de gemeenten Gods,
over uwe lijdzaamheid en ge-
loof in alle uwe vervolgingen
eu verdrukkingen die gij ver-
draagt :
5  een bewijs van Gods recht\'
vaardig oordeel, opdat gij \\vaar-
dig geacht wordt het hoiiiuk*
rijk Gods voor hetwelk gij ook
Hjdt!
fi alzoo bet recht is hij God,
verdrukking te vergelden den-
genen die u verdrukken,
HOOFDSTUK l.
PAULUS en Silvanus en Ti-
mótheus aan de gemeente
der Thessalouiceuzen, welke ta
in God onzen Vader eu den
Heere Jezus Christus:
2 Kcnade zij u en vrede van
God onzen \\ader enden Heere
Jezus Christus.
* Wij moeten God te allen tijde
danken over u, broeders, ge-
«Jk billijk is, omdat uw ge-
loof zeer wast, en omdat de lief-
UB van een iegelijk van u alle»
-ocr page 300-
2 THES3ALONICEN2EN 2.
ï>:
7 en n die verdrukt wordt, ver-
k« ikKi11; met oiib, in de opeiw
haring des Hcereu Jezus vtiu
den hemel met de Engelen zij-
uer kracht,
x met vlammend vuur wraak
doende over degenen die God
niet kennen, eu over degenen
die het Evangelie onzes Hee-
reu Jezus Christus niet gehoor-
zauni zijn ;
\'.\' dewelke zullen tot straf
lijden het eeuwig verderf van
het aangezicht des Ileereu eu
vit ti de heerlijkheid zijner
sterkte,
10  wanneer hy zal gekomen
zijn hui verheerlijkt te worden
iu zijne heiligen, eu wonder*
baar te worden in allen die
gelooven (overmits onze getui-
genis onder u is geloofd ge-
worden) iu dien dag.
11  Waarom wij ook altijd bid-
deu voor u, dat onze God u
waardig aehte der roeping, en
vervuilt\' al liet welbehagen
zijner goedheid, eu het werk
des geloofs met kracht;
12  opdat de uaam onzes Hec-
ren Jezus Christus verheerlijkt
worde iu u, en gij in hem, naar
de genade van onzen God en
den Ileere Jezus Christus.
HOOFDSTUK 2.
EN wij bidden u, broeders,
door de toekomst onzes Hre-
ren Jezus Christus en onze toe-
vergadering tot hem,
2 dat gij niet hanstelijk be-
wogen wordt van verstand, of
verschrikt, noch door geest,
noch door woord, noch door
zendbrief als van ons yeachre-
rea,
alsof de dag vau Christus
aanstaande ware.
:i Dat niemand u verleide op
eenigerlei wijze j want die komt
niet,
tenzij dat eerst de afval
gekomen zij, en dat geopen*
baard zij de mensch der zoude,
de zoon des verderf»,
4 die zich tegeustelt en ver-
heft boven al wat God ge-
tiaamd of ais God geëerd wordt,
alzoo dat hij iu den Tempel
Gods als een God zal zitten,
zichzelveii vertooueude dat bij
God is.
5 Gedeukt gij niet dut ik, nog
hij u zijnde, u deze dingen ge-
zegd heb 1
tï Ku nu, wat kern wederhoudt,
weet gij, opdat hij geopenbaard
worde te zijner eigener tijd.
7   Want de verborgenheid der
ongerechtigheid wordt aireede
gewrocht; alleenlijk die hem
nu wederhoudt, die zal hem
weder houden,
totdat hij uit het
midden zal wet/gedaan worden;
8   eu alsdan zal de ougereeh-
tige geopenbaard worden, den-
welkeu ile Ileere verdoen zal
door den geest zijns moiids,
en te niet maken door de ver-
Kchijuiug zijner toekomst,
\'J hem, tey ik, wiens toekomst
is naar de werking de» satuus,
iu alle kracht en teekeueu en
wonderen der leugen,
10   eu iu alle verleiding der
onrechtvaardigheid iu degenen
die verloren gaan, daarom dat
zij de liefde der waarheid niet
aangenomen hebben om zalig
te worden.
11    Kn daarom zal God hun
zenden eene kracht der dwa-
liug, dat zij de leugen zouden
gelooven;
12  opdat zij allen veroordeeld
worden, die de waarheid niet
geloofd hebben, maar een wei-
behagen liebben gehad in de
ongerechtigheid.
i:[ Maar wij zijn schuldig al-
tijd God te danken over u,
broeder», die van den Heere
bemind zijt, dat God u van den
beginne verkoren heeft tot za-
ligheid, in heiligmaking des
Geestes en geloof der waar-
beid;
14    waartoe Hij u geroepen
heeft door ons Evangelie, tot
verkrijging der heerlijkheid
onzes Heereu Jezus Christus.
15   Zoo dan, broeders, staat
vaut, en houdt de iuzettiugeu
-ocr page 301-
2 TIIESSALON
die u geleerd zijn, hetzij door
ons woord, hetzij dooi\' onzen
zendbrief;
IG t\'n onze Ileere Jezus Chiis-
tus zelf, en onze God en Vader
die ons heeft liefgehad, en ge-
geven heeft een** eeuwige ver-
troosting en goede hope in ge-
nade,
17 vertrooste uwe harten, en
versterke u in alle goed woord
eu werk.
HOOFDSTUK 3.
VOORTS, broeders, bidt voor
ons, opdat het Woord des
II eer en zijnen loop nebbe, en
verheerlijkt worde gelijk ook
bij u,
£ en opdat wij mogen verlost
worden van de ongeschikte en
hooze menscheu; want het ge-
loof is niet aller.
3  Maar de Ileere is getrouw,
die u zal versterken eu bewa-
ren van den booze.
4  En wij vertrouwen van u in
den Heere, dat gij hetgeen wij
u bevelen, ook doet en doen
zult.
» Doch de Heere riebte uwe
harten tot de liefde Gods en
tot de lijdzaamheid van Chris-
tus.
6  En wij bevelen u, broeders,
>n den imam onzes Heereu Je-
ztts Christus, dat gij u onttrekt
aan een iegelijk broeder die
oiiKeregeld wandelt, en niet
naar de inzetting die hij van
ons ontvangen heeft.
7 Want gijzelven weet hoe uien
ons behoort na te volgen; want
wij hebben ous niet ongeregeld
gedragen onder u.
ICENZEN 3.                        293
8 en wij hebben geen brood
bij iemand gegeten voor niet,
maar in arbeid en moeite,
nacht en dug werkende, opdat
wij niet h in:i:.<l van u zouden
lastig zijn:
\'J niet dat wij de macht niet
hebben, maar opdat wij ons-
zelven u geven zouden tot een
voorbeeld om ons na te vol-
gen.
10  Want ook toen wij bij u
waren, hebben wij u dit bevo*
len, dat zoo iemand niet wil
werken, hij ook niet cte.
11  Want wij hooren dat som-
migen onder u ongeregeld
wandelen, niet werkende maar
ijdele dingen doende.
12  Doch de zoodatli\'ïen bevelen
en vermanen wij door onzen
Heere Jezus Christus, dat zij
met stilheid werkende, hun
eigen brood eten.
13  En gij, broeders, vertraagt
niet in goed te doen.
14   Maar indien iemand on»
woord, door dezen brief ge-
schreven,
niet gehoorzaam is,
teekent dien, en vermengt u
niet niet hem, opdat hij be-
Bchaamd worde;
15  en houdt hem niet als eenen
vijand, maar vcruiuaut hem als
eenen broeder.
1(1 De Heere nu des vredes zelf
geve u vrede te allen tijd op al-
lerlei wijze. De Heere zij met
u allen.
17 De groeten!» niet mijne
baud, van 1\'aulus; hetwelk is
een teeken in iedercn zend-
brief: alzóó schrijf ik.
1H De genade onzes Iïeeren
Jezus Christus zij met u allen.
Amen,
-ocr page 302-
DE EERSTE BRIEF VAN" DEX APOSTEL PAULUS
\\ \\ M
TIMOTHEÜS.
nOOPDSTÜK 1.
PAULUS, een Apostel van
Jezus Christus, naar liet
bevel vhii God onzen Zaligimi-
ker, en den Heere Jezus Chris-
tus, die onze hopp is,
2   aan Timótheüs mijnen op-
reekteu zoon in liet geloof: gè*
nade, barmhartigheid, vrede zij
U vnu God onzen Vader eu
riiristii1* Jezus onzen llcere.
3  Gelijk ik u vurinaand heb
dat gij te Efeze /muit blijven,
als ik naar Macedonië reisde,
zoo vermaan i/c het u nog, opdat
frfj sommigen beveelt geeue
andere leer te leeren,
4  noch zich te begeven tot
fabelen en oneindige geslacht*
rekeningen, vclkc meer twist-
vragen voortbrengen dau stich*
ting Gods die in bet gehint\'
is.
5  Maar bet einde des gebods
is liefde uit een rein hart en
uit cene goede conacientle en
uit ecu ongeveinsd geloof,
ii waarvan sommigen afgewe-
Iteu zijnde, hebben zich gewend
tot ijdelsprekinir;
7 willende Leeraars der wet
zijn, niet verstaande noch wat
zij zeggen, noch wat zij beves-
tigen.
s Doch wij weten, dnt de wet
goed i», zoo iemand die wettelijk
gebruikt,
\'J eu hij dit weet, dat den
rechtvaardige de wet niet is
gezet, maar den ongerechtigen
en den halsstarnden, den god-
dcloozen en den zondaren, den
onhciligeu eu den ongoddelij-
ken, den vadermoorders, en
den moedermoorder», den dood-
slagers,
lit dei» hoereerders, dien die
bij mannen liegen, den men-
seheudieveii, den leugenaars,
den meineed igrii, en zoo daar
iets anders tegen de gezonde
leer is,
11  naar liet Evangelie der heer-
lij kheid des zaligen Gods, dat
mij toebetrouwd is.
12   Kn ik dank hem die mij
bekrachtigd heeft, namelijk
Christus Jezus onzen lleere,
dat hij niij getrouw geacht
heeft, mij in de bediening ge-
steld hebbende,
i:i die te voren een /?orf«lastc-
raar was en een vervolger en
een verdrukker; maar mij is
barmhartigheid geschied, de-
wijl ik het onwetend gedaan
hel in mijne ougeloovigheld;
14 doch de genade onzes Hee*
ren is zeer overvloedig geweest,
met geloof en liefde die daar is
iu Christus Jezus.
l.j Hit is een getrouw woord
eu alle aanneming waardig, dat
Christus Jezus iu de wereld
gekomen is om de zondaren
zalig te maken, van welke ik
de voornaamste beu;
Mi maar daArom is mij barm-
liartigheid geschied, opdat
Jezus Christus in mij, die de
voornaamste beu, al zijn?
lankmoedigheid zoude betoo-
! ueu, tut een voorbeeld derge*
-ocr page 303-
EÜS 2, 3.                              295
bidden in alle plaatsen, ophef\'
feude heilige handen, zonder
toorn en twisting.
9 Desgelijks ook dat de vrou-
wen in een eerbaar gewaad
met Bcuaa.ni te en matigheid
zichzelven versieren, niet in
vlechtingen des kaart, of goud,
of puarlcn, of kostelijke klee-
ding,
lü maar (hetwelk den vrou-
we» betaamt die de godvruch-
tigheid belijden) door goede
werken.
11  Eene vrouw late zich lee-
ren in stilheid, in alle onder-
danigheid.
12  Doch ik laat de vrouw niet
toe dat ze leere, noch over den
man heersene, maar wil dat ze
in stilheid /.ij.
IS Want Adain is eerst ge-
maakt, dnarna Eva;
il en Adam ia niet verleid
geworden, maar de vrouw ver-
leid zijnde, is in overtreding
geweest.
15 Doch zij zal zalig worden
in kinderen te baren, zoo zij
blijft in geloof en liefde en
heiligmaking met matigheid.
I TIMÜT
nen die in hem gelooveu zullen
ien eeuwigen leven.
17 Den Koning nu der eeu-
wen, den onverderfelijken, den
onzienlijke», den alleenwijzcn
God, zij eerc en heerlijkheid
in alle eeuwigheid. Amen.
is Dit gebod beveel ik u,
mijn zoon Tiinótheüs, (ha gij
naar de profetieèu die over u
voorafgeguan zijn, iu dezelve
den goeden strijd strijdt,
19  houdende liet geloof, en
eene goede conscientie; welke
sommigen verstooten hebbeu-
de, iu het geloof schipbreuk
geleden hebben:
20  onder welke is IJymenéus
en Alexander, die ik den satan
overgegeven heb, opdat zij
zouden leeren niet meer te lus-
teren.
HOOFDSTUK 2.
IK vermaan dan vóór alle
dingen, datcr gedaan worden
smeekingen, gebeden, voor-
biddiiigcu, dankzeggingen voor
alle meuscheu,
2 voor Koningen en allen die
iu hoogheid zijn, opdat wij
een gerust en stil leven leiden
mogen iu alle godzaligheid en
eerbaarheid.
\'•\'• Wnut dat is goed en aange-
naam voor God onzen Zalig-
maker,
4  welke wil dat alle men*
scheu zalig worden en tot keu-
nis der waarheid komen.
5  Want daar is één God, daar
is ook één Middelaar Gods en
der menseben, de inensch
Christus Jezus,
\'i die zichzelven gegeven heeft
\'"\' een rantsoen voor allen,
itü\'ntic de getuigenis te zijner
tijd ;
7 waartoe Ik gesteld ben een
Prediker en Apostel (ik zeg
«e waarheid iu Christus, ik
heg niet), een Leeraar der
heidenen iu geloof en waar*
heid.
s Ik wil dan dat de mannen
HOOFDSTUK 3,
DIT is een getrouw woord:
zoo iemand tot een Opzie-
zienersaiubt lust heeft, die
begeert een treffelijk werk.
2  Keu Opziener dan moet on-
berispelijk zijn, ééner vrouwe
man, wakker, matig, eerbaar,
gaarne herbergende, bekwaam
om te leeren;
3  niet geneigd tot den wiju,
geen smfjter, geen vuilgewm-
zoeker, maar bescheiden, geen
vechter, niet geldgierig;
4  die zijn eigen huis wèl re-
geert, zijne kinderen in onder*
danigheid houdende met alle
stemiuigheid,
5  {want zoo iemand zijn eigen
huis niet weet te regeeren, hoe
zal hij voor de gemeente Gods
zorg dragen \'r)
G geen nieuweling, opdat hij
-ocr page 304-
1 TIMOT
HEUS 4.
sommigen zullen afvallen vtn
het geloof, zich begevende t*t
verleidende geesten en Jeerin-
gen der duivelen,
2  door ipeveinsdheid der l;u-
gensprekers, hebbende lni.nn\'
eigene couscieutie ala met een
brandijzer tocgeschroeid;
3  verbiedende te huwer, ge-
biedende
van spitzen te ont-
houdeu die God geschapen
heeft tot nuttigiug niet dank-
zegging voor de gelonvfgeu en
die de waarheid hebben be-
keud.
4  Want alle schepsel Gods i*
goed, en daar is niets verwer-
pelijk, met dankzegging ge-
nomen zijnde.
B Want het wordt geheiligd
door het Woord Gods en door
het gebed.
fi Als gij deze dingen den broe-
deren voorstelt, zoo zult gij
een goed dienaar van Jezus
Christus zijn, opgevoed in de
woorden des gelooft en der
goede leer welke gij achter*
voled hebt.
7 Maar verwerp de oneodde-
lijke en oudwijfsche labelen;
eit oefen uzelven tot godzalig-
heid.
x Want de lichamelijke oefe-
ning is tot weinig uut; maar
de godzaligheid is tot alle din-
gen nut, hebbende de belofte
des tegen woordigen en des
toekomenden levens.
9 Dit is een getrouw woord
en alle aanneming waardig,
KI Want hiertoe arbeiden wij
ook en worden gesmaad, om-
dat wij gehoopt hebbeu op den
levenden God, die een behou-
der is aller menscheu, maai\'
allermeest der geloovingen.
11  Beveel deze dingen en
leer ze.
12  Niemand verachte uwe
Jonkheid; maar wees een voor-
beeld der geloovigen iu woord,
in wandel, in liefde, in den
geest, in geloof, in reinig\'
beid.
13  Houd aan in \'t lezcu, in t
_..<;
niet opgeblazen worde en in
bet oordeel des duivels valle.
7 En hij moet ook eeuc goede
getuigenis hebben van degenen
die buiten zijn, opdat hij niet
valle in smaadheid en in den
strik des duivels.
S De Diakenen insgelijks moe-
te»
eerbaar lijn, niet twee-
tongig, niet die zich tot veel
wijn begeven, geen voilgewln*
zoekers;
U houdende de verborgenheid
des gelooft in eene reine cou*
seientie.
UI En dat dezen ook eerst be-
proefd worden, n dat ze daar-
na dienen, zoo zij onbeatraflfe-
lijk zijn.
11  De vrouwen insgelijks moe-
ten
eerbaar zijn, .teen laste*
raarsters, wakker, getrouw iu
alles.
12  Dat de Diakenen ééner
vrouwe mannen zijn, die nun-
ne
kinderen en hunne eigene
huizen wel regecren.
13  Want die wel gediend
hebben, verkrijgen zichzelven
eeneu goeden opgang en veel
vrijmoedigheid in het geloof,
hetwelk is in Christus Je-
zus.
14  Peze dingen schrijf ik u,
hopende zeer haasst tot u te
komen;
15   maar zoo ik vertoef, op-
dat gij moott weten boe men
iu het Huk Gods moet verkee-
ren, hetwelk is de gemeente
des levenden Gods, een pilaar
ril vastigheid der waarheid.
1(1 Kit buiten allen twijfel,
de verborgenheid der godzalig\'
heid is groot: (tod is geopen-
baard in het vleesch, is ge*
rechtvaardigd iu den Geest,
ia. gezien van de Engelen, is
gepredikt ouder de heidenen,
Jr geloofd in de wereld, is op-
genomen in heerlijkheid.
HOOFDSTUK 4.
OCH dr Geestzegtduidelijk,
dat iu de laatste tijden
D
-ocr page 305-
1 TIMOTHTÜ8 5.
•:«.»7
vermanen, in \'t leem, totdat
ik kom.
U Verzuim de gave niet die
in u is, die u gegeven is door
de profetie, met oplegging der
linnden der Ouderiiugichap.
15  Bedenk deze dingen, wee»
hierin btaig, opdat uw toeue-
uwn openbaar zij in alles.
16  Ueb acht op uzelveu en op
de leer, volhard in deze; wam
dat doende, zult (rij en uzelveii
behouden en die u booreu.
HOOFDSTUK 5.
BESTRAF eenen ouden aura
(niet hardelijk, maar ver-
uiuau hem als eeneu vader, de
jonge ;i.- broeders,
\'2 de oude vrouwen als moe-
der», de jonge als zusters in
alle reiuighcid.
il Eer de weduwen die waarlijk
weduwen zijn.
\'t Maar zoo eenige weduwe
kinderen heeft Of kindskiude-
ren, dat die leeren eerst aati
buu eigen luii> godzaligheid
te oefenen, en den vooroude*
ren wedervergelding te doen;
want dat is goed en aangenaam
voor God.
•r» Die nu waarlijk weduwe is
f" alléén gelaten, die hoopt op
L\'od, en blijft in siucekiugen
en gebeden nacht en dag;
r> maar die haren wellust volgt,
dje ia levende gestorven.
7  En beveel dit, opdat zij on-
herispelijk zijn.
8  Doch zoo iemand de zijnen
•\'» voornamelijk zijne iiuisge-
i\'ooten niet verzorgt, die heeft
het geloof verloochend, en is
**Mv dan een ougeloovige.
-1 Dat een e weduwe gekozen
Worde niet minder dau van
zestig jaren, welke ééns ïuuns
vrouw geweest is,
111 getuigenis hehhendc van
goede werken, zoo zij kinderen
"l\'gevoed heeft, zoo zij i/narne
peen geherbergd, zoo zij der
\'"•\'ligen voeteu heeft gewas-
•Oben, zoo zij den verdrukten
genoegzame hulp gedaan heeft,
zoo zij alle goed werk uage-
trncht heeft.
11  Maar neem de jonge wedu-
wen niet aan ; want als zij
weelderig geworden zijli tegen
Christus, zoo willen zij huwen,
12  hebbende haar oordeel, om-
dat zij haar eerste geloof heb-
ben te niet gedaan.
13  En meteen ook leeren zij
ledig omgaan bij de huizen, en
zijn niet alleen ledig, maar ook
klapaehtig en ijdele dingen
doende, sprekende hetgeen niet
betaamt.
14   Ik wil dan dat de jonge
ueduwen liuwni, kinderen te*
len, bet buis regeeren, geen
oorzaak va i lastering aan de
wederpartij geven.
1-\') Want eenigen liebben zieh
aireede afgewend achter den
satan.
in Jioo eenig geluovig man
of geloovige vrouw weduwen
heeft, dat die haar geuocgza-
me hulp doe, en dat de ge-
ïneente niet bezwaard worde,
opdat zij aan degenen die waar-
lijk weduwen zijn, genoegzame
hulp doen moge.
17 Dat de Ouderlingen dicwèl
regeeren, dubbele eer waardit-
geaelit worden, voornamelijk
die arbeiden in het Woord en
de leer.
IU Want de Schrift zegt: Eenen
durscheudeu os zult -n niet
muilbanden; en: De arbeider
is zijn loon waardin.
19 iN\'eem teven eenen Ouder*
ling geene heschuldigintr aau,
anders dau ouder twee of drie
getuigen.
\'Ju Itcstraf die zondigen in
tegenwoordigheid van allen,
opdat ook de anderen vrees
mogen hebhen.
\'.:! Ik betuig voor fiod en den
Ileere Jezus Chtistül en de
uitverkorene Engelen, dat gij
deze dingen onderhoudt zon-
der vooroordeel, niets diende
naar toegenegenheid.
22 Leg niemand baiistelijk de
-ocr page 306-
293                                       1 TIMC
banden op, en heb geen ge-
meenschap aan auderer zou-
deu. Bewaar uzelveu rein.
23   Drink niet langer water
alleen, maar tcebruik een wei-
ui „\' wijn, mi. uwe maag en
uwe meuigvuldire zwakheden.
24    Van sommige meuscheu
zijn de zonden te voren open-
baar, on gaan vooraf tot hunne
veroordeel ing, cu in sommige
ook volgen ztj na.
25   Desgelijks ook de goede
werken zijn te voren openbaar,
en die waar het anders mede
gelegen is, kunnen niet verhor-
Ken worden.
HOOFDSTUK 6.
DE dienstknechten, zoovelcn
als er onder het juk zijn,
zullen hunne heereu alle eer
waardig achten, opdat de naam
Gods en de leer niet gelasterd
worde.
2    Ku die gehiovige heeren
hebben, zullen ze niet ver-
achten, omdat ze broeders zijn,
maar zullen ze te meer dienen,
omdat zij gcloovig en geliefd
zijn, als die dezer weldaad
mede deelachtig zijn. I,eer en
vermaan deze dingen.
3  Indien iemand eene andere
leer leert, en niet overeen-
komt met de gezonde woordeu
onzes Heeren Jezus Christus,
eu met de leer die naar de god-
zaligheid is,
4   die is opgeblazen en weet
niets, maar hij raast omtrent
tteirtvrageu en woordenstrijd ;
uit welke komt nijd, twist,
lasteringen, kwade oedenkin-
tce»,
ft verkeerde krafeeelingcu van
meiischeu, die een verdorven
verstand hebben en van de
waarheid beroofd zijn, mee*
neude dat tic godzaligheid een
gewin is. Wijk af van dezulken.
ii Doch de irodzaligheid is
eeu groot gewin met vcrge-
noeging.
7 Want wij hebben niets in
HELS 8.
de wereld gebracht: het is
openbaar dat wij ook niet
ktnineu iets daaruit dragen;
s maar als wij voedsel eudek-
sel hebben, wij zullen daar-
mede vergenoegd zijn.
9  Doch die rijk willen wor-
den, vallen in verzoeking en
i:i den strik, en in vele dwaze
en schadelijke begeerlijkheden,
welke de menuetten doen ver-
ziuken tn verderf cu ouder\'
gang.
10  Want de geldgicrighcid is
eeu wortel van alle kwaad:
tot welke sommigen lust heb*
bende, zijn afgedwaald van het
geloof, en hebben zicbzelveu
met vele smarten doorstoken.
11  Maar gij, o mensch Gods,
vlied deze dingen, en jaag naar
gerechtigheid, godzaligheid,
geloof, liefde. lijdzaamheid,
zachtmoedigheid.
12  Strijd den goeden strijd des
geloofs, grijp naar het eeuwige
leven, tot hetwelk gij ook ge-
roepen xijt, en de goede belij*
deuis beleden hebt voor vele
getuigen.
in Ik beveel u voor Gnd die
alle ding levend maakt, en
roor Christus Jezus die onder
Pontius 1\'ilatus de goede be-
lijdenis betuigd heeft,
14 dat gij dit gebod houdt,
onbevlekt en onberispelijk, tot
op de versehijiiiug onzes Heeren
Jezus Christus;
lft welke Ie zijner tijd ver-
tonnen zal de zalige en alleen-
machtige 11 eer**, de Kun in-
der koningen en 11 cere der
der heeren,
lfi die alleen onsterfelijkheid
heeft, en een ontoegankelijk
licht bewoont, denwelken geen
mensch Mllen heeft, noch zien
kan; welken zij eere en eeu-
wige kracht. Amen.
17 Beveel deu rijken in deze
tegenwoordi re wereld dat zij
niet hoogmoedig zijn, noch
kunne hoon stellen op de on*
gestadigiieid des rijkdom*,
maar op den levenden God
-ocr page 307-
2 TIMüTHEl\'S 1.
die ons all.\' dingen rijkelijk
verleent om te genieten;
is dat ii.i weldadig zijn, rijk
worde» in goede werken,
raarne luededeelende zijn e«
^\'rnieenzaani;
19 leggende zit hzelven wei:
tnt eenen nchat een goed fuu-
liantent tegen liet toekomende,
opdat zij het eeuwige leven
2ii O Timóthcüs, bewaar het
pand >i toe betrouwd, eenen
afkeer hebbfi.de van het on-
goddelfjk ijdelroepen, en van
de tegenstellingen der va]ache-
lijk reuaamde wetenschap;
*.\'! dewelke summigeu voor-
gevende, zijn van het geloot\'
afgeweken. He genade zij niet
il. Amen,
verkrijgen moffen.
DE TWEEDE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
TIMOTHEÜS.
wekt de gave Gods, die in u
is door du oplegging mijner
banden.
7 Want God beeft ons niet
gegeven eeneu geest der vrees-
achtizbcid, maar der kracht
eu der 1 tefdc eu der gema-
tiirdheid.
H Schaam u dan niet der ge-
tnlgenis onzes Meeren, noch
mijns, die zijn gevangene ben;
maar lijd verdrukkingen met
het Evangelie naar de kracht
Gods,
9  die ons beeft zulig gemaakt
eu geroepen met eeue heilige
roepinir, niet naar onze wer-
ken, maar naar zijn eigen
voornemen eu :renade, die ons
gegeven is iu Christus Jezus
vóór de tijden der eeuwen,
10    doeb uu geopen baard ia
door de verschijning onzes Za-
ligmakers Jezus Christus, die
den dood heeft te niet gedaan,
en het leven eu de onverderfe*
Hjkheid aan \'t lieht gebracht
door het Kvangelie,
11  waartoe ik gesteld ben een
Prediker eu een Apostel en
een Leerai.r der beidenen ;
12   om welke oorzaak ik ook
HOOFDSTUK !.
PAULUS, een Apostel van Je-
zus Christus door den wil
Qodl, naar de belofte des levens,
dat iti Christus Jezus is,
- aan Timótheus mijnen ge-
licfdeu zoon: genade, barm-
lmrtigheid, vrede zij u van
God deu Vader en Ctirfatua
Jezus onzen Heere.
;\' Ik dank God, wien ik dien
van m\'xjae voorouderen af in
fene reine conscieutie, ttelijk
ik zonder ophouden uwer ge-
oachtig ben in mijne gebeden
"acht eu dag,
4 zeer bwéettg zijnde om u
te zieu, als ik gedenk ann
pw« tranen, opdat ik met
"lijdsrhau moge vervuld wor-
den,
r> als ik mij in gedachtenis
\'Teug het ongeveinsd geloof
dat in u is, hetwelk eerst ire-
wound heett In uwe groot-
moeder Lola en uwe moeder
cuulcei eu ik ben verzekerd
\'l«t bet ook in u troont.
\'\' Om welke oorzaak ik u
Indachtig maak, dat gij op-
-ocr page 308-
300                                      2 TIMO
deze dingen lijd, maar ik
word niet beschaamd; want
ik weet wien ik geloofd heb.
en ik ben verzekerd dat 11 ij
machtig is mijn pand, bij Hem
weggelegd, te bewaren tot dien
«Ur.
13    Houd het voorbeeld der
gezoude woorden, die gij van
mij gehoord hebt, in geloof
eti liefde die in Christus Jezus
is:
14  bewaar liet goede rand dat
u toebetrouwd is, door den
Heiligen Geest die in ons
woont.
15   Gij weet dit, dat allen die
iii Azië zijn, zich van mij atjre-
wend hebben, onder dewelke
is Fygellus en Hcnuógeucs.
lfi De Heere geve den huize
van OnetUorus barmhartig-
beid; want hij heeft mij dik*
maals verkwikt, en heeft zieh
mijner keten niet geschaamd;
17  maar als bij te Konic ge-
komen was, heeft hij mij zeer
uaarstiglijk gezocht, eu heeft
ikij gevonden.
18  De Heere geve hem dat hij
barmhartigheid viude bij den
Heere iu dien dag; eu hoeveel
hij „tn te Efeze gediend heeft,
weet gij zeer wel.
HOOFDSTUK %
GIJ dan, mijn zoon, word
gesterkt in de geuade die
iu Christus Jezus is;
2  en hetgeen gij van mij gc-
hoord liebt umler vele gctui-
geu, betrouw dat aan getrouwe
mcuscheu, welke bekwaam
zullen ziju oiu ook anderen te
leereu.
3  Gij dan, lijd verdrukkingen,
als een goed krijgsknecht van
Jezus Christus.
4  Niemand die iu den krijg
dient, wordt ingewikkeld in de
haudeling-ni Jes leeftochts, on-
dat hij dien moge behagen die
hem tot il\' ii krijg aaugeuomeu
heeft.
5    Kii indien ouk iemand
strijdt, die wordt niet gekroond,
zoo bij niet wettelijk hectt
gestreden.
ii De landman als hij arbeidt,
moet alzoo het eerst de vruch-
ten genieten.
7 Merk hetgeen ik zeg; doch
de Heere geve u verstand iu
alle dingeu.
S Houd in gedachtenis dat
Jezus Christus uit de doodeti
is opgewekt, welke is uit den
zade Davids, naar mijn Evau-
gclie.
9  om hetwelk ik verdrukkin-
gen lijd tut de banden toe ah
ecu kwaaddoener; maar het
Woord Gods is niet gebou-
den.
10   Daarom verdraag ik alles
om de uitverkorenen, opdat
ook zij de zaligheid zouden
verkrijgen die iu Christus
Jezus is, met eeuwige heer*
lijkiieid.
M Dit is een getrouw woord;
want indien wij met hem ge-
itorven zijn, zoo zullen wy ook
met hem leven;
12  indien wij verdragen, wij
zullen ook met hem heerscheu;
indien wij hem verloochenen,
hij zal ous óók verloor hc-
neu ;
13   indien wij ontrouw zijn,
hij blijft getrouw: hij kan licV
zelven niet verlooeiiencn.
\'I Kreng deze dingen in ge-
daehteuis, eu betuig voor den
Heere dat zij geen woorden*
strijd voeren, heticelk tot geen
ding nut ia dan tot verkeeriug
der toehoorders.
15  Ueuaarstig u om uzelven
Gode beproefd voor te stellen,
als een arbeider die niet be-
schaamd wordt, die het Woord
der waarheid recht snijdt.
16  Maar stel u tegen het on-
goddeüjk Ijdelroepeu; want zij
zullen iu meerder goddeloos-
hcid toenemen,
17  eu hun woord zal voort*
cten gelijk de kanker; ouder
welke is Hymeuéüs en Filé*
tus,
-ocr page 309-
2 TIMUTIIECS X
SDI
zijn liefhebber» van ziehiejven,
geldgierig, Iniitdunkend, hoo-
vaardig, lasteraars, den ouders
ongehoorzaam, ondankbaar, ou-
heiiig,
:( zonder natuurlijke liefde,
onverzoenlijk, ach ter klappers,
oumutig, wreed, zouder liefde
tot de goeden,
4     verraders, roekeloos, op-
sreb lazen, meer lief heb hers
der wellusten dau liefhebbers
Gods.
5    hebbende eene gedaante
van godzaligheid, maar die de
kracht derzelve verloochend
hebben. Heb ook eeneu afkeer
van dezen.
6  Want van dezen zijn het die
in de huizen insluipen, eu
de vrouwkeus gevaugenne-
nien die met zouden beladen
zijn en door menigerlei hcgeer-
lijkheden ge.1reven worden,
vrouwkeM, die altijd leercn
en nimmermeer tot kennis der
waarheid kunnen komen.
8  Gelijkerwijs uu Janues en
dam bres Mozes tegenstoudeu,
alzóó staan ook dezen de waar-
heid tegen, ineuschen verdor*
ven zijnde van verstand, vcr-
wcrpclijk aangaande het ge-
loof.
9  Maar zij xullen niet meer
toenemen; want hunne uit-
zinnigheid zal allen openbaar
worden, gelijk ook die van
genen geworden is.
10  Maar gij hebt achtervolgd
mijne leer, wijze van doen,
voornemen, geloof, laukmoe-
digheid, liefde, lijdzaamheid,
11    mijne vervolgingen, mijn
üjdeu, zooals mij overkomen
is in Antioekië, in leóuiiuu eu
in Lystra 1 hoedanige vervol-
gingen ik geleden heb, eu de
Ileere heeft inij uit alle ver-
lost.
12  Eu ook allen die godzalig*
lijk willen leven in Christus
Jezus, die zullen vervolgd wor-
den.
13    Doeli de boozc menschen
eu bedriegers zullen tot erger
IS die van de waarheid zijn
afgeweken, leggende dat de
opstanding aireede geschied js>
t\'ii het geloot\' van sommigen
verkeereu.
19  Evenwel het vaste fuuda-
nient God» staat, hebbende dit
zegel: De Ileere kent degenen
die de zijnen zijn, en: £en
iegelijk die den naam van
Christus noemt, sta at\' van ou-
gereehügheid.
20    Doch ui een frroot huis
ziju uiet alleen gouden en zil-
vi\'ren vaten, maar ook huuten
en aarden raten, en sommige
ter eere, muar sommige, ter
oneere.
21  Indien dan iemand zicli-
zelvcn\' van deze reinigt, die
zal een vat zijn ter eere, ge-
lieiligd en bek waant tot ge-
bruik des Ileeren, tot alle
goed werk toebereid.
23 Maur vlied de begeerlijk*
liedeu der jonkheid, en juag
uaar rechtvaardigheid, geloot\',
liefde, vrede met degenen die
den Ileere aanroepen uit een
rein hart.
23 Eu verwerp de vragen die
dwaas en zolder leering zijn,
• etende dat ze tw Ut ui gen
voortbrengen;
34 eu een dienstknecht des
11.
eren moet niet twisten.
muar vriendelijk zijn jegens
uilen, bekwanm om te leereu,
<"\'. die de kwaden kan verdra-
gen;
-ü met lacht moedigheid on-
derwijzeude degenen die tegen-
staan, of hun God te eeniger
tijd bekeering L*ave tot erkeu-
teiiis der waarheid,
-ii eu zij wederom ontwaken
Kochten »it den strik des dui-
v,\'l«, ouder welken zij gevangen
«aren tot zijnen wil.
HOOFDSTUK 3.
T^-N\' weet dit, dat in de laatste
nKdagen ontstaan zullen zware
til dun.
- Want de menschcu zullen
-ocr page 310-
rw:                               ü timo\'
voortgaan, verleidende en ver-
leid wordende.
14  Maar blijf efj in betren
gij geleerd hebt en waarraa u
verzekering gedaan is, weten-
de van wien g|j het geleerd
bebt,
15   en dat jrïj van kind af
de heilige Se li rif ten geweten
bebt, die n wijs kunnen ma-
ken tot zaligheid, door liet |te-
loof hetwelk in Christus Jc-
zus is.
16  Al de Schrift ia van God
ingegeven, en is nuttig tot
leering, tot wederlegging, tot
verbetering, tot onderwijzing
die in de rechtvaardigheid
is;
17   opdat de nienseh Gods
volmaakt zij, tot alle ftoed
werk vuliiiaaktelfjk toegerust.
IELS 4.
eiudigd, ik heb het geloof be-
houden;
H voort» is m|j weggelegd de
kroon der rechtvaardigheid,
welke de Heere, de rechtvaar-
dige Hechter, mij in dien dag
geveu zal, en niet alleen mij,
maar ook allen die züne ver-
schijniug liefgehad hebben.
9   Benaarstig u haastelijk tot
mij te komen.
10   Want De in aa heeft mij
verlaten, hebbende de tegen-
woordige wereld Hefgekrcgen,
en is nnRr Ttu\'ssalontca ge-
reisd, Creccena naar Galatië,
Titus naar Dalinatië.
11  Lucas is alleen met mij.
Neem Marcus mede en. breng
hem met u; want hij is mij
zeer nut tot den dienst.
12  Maar Tyrhicus heb ik naar
Kfeze gezonden.
1:1 lireng den reismantel mede,
dien ik te Troas bij Carpus
gelaten heb, als gij komt, en
de boeken, inzonderheid de
perkamenten,
14   Alexandcr de kopersmid
heeft mij veel kwaads betoond:
de Heere vergelde hem naar
zijne werken.
15   Van welken wacht gij u
óók; want hij beeft onze woor*
den zeer tcgeugestaan.
Ui In mijne eerste verantwoor-
ding is niemand bij mij ge-
weest, maar zij hebben mij
allen verlaten, liet worde hun
niet toegerekend.
17 Maar de Heere beeft mij
bijgestaan en beeft mij be-
krarhtigd, opdat men door
mij ten volle zoude verzekerd
/.ijn van de prediking, en alle
heidenen dezelve zouden I100-
ren; eu ik beu uit den muil
des leeuws verlost.
1H Eu de Heere zal mij verlos-
Beu van alle boos werk, eu be-
waren tot zijn heinelscb Ko-
1; in k rijk. Den welken zij de
heerlijkheid in alle eeuwigheid.
Amen.
19 Groet Princa en Aiiuila en
het huis van Onesiforus,
HOOFDSTUK 4.
IK betuig dan voor God en
den Ileerc Jezus Christus, die
de lerenden en dooden oordee-
len zal in zijne verschijning
en ia zijn Koninkrijk:
2 predik het Woord; houd
Aan tijdiglijk, ontijdiglyk; wc-
derleg, bestraf, vermaan in alle
lankmoedigheid rn leer.
:i Want daar znl een tijd xijn,
wanneer zij de gezonde leer
niet zullen verdragen; maar
kittelaclitig zijnde van gehoor,
zullen zij zich «elven leeraars
opga ren naar hunne eigene bc-
geerlijkhcdcn,
4  en zullen hun uehoor van
de waarheid afwenden, eu zul-
li\'n zich kecreu tot fubelen.
5  Maar gij, wees wakker in
alles; lijd verdrukkingen; doe
bet werk van een Evangelist;
maak dat men van uwen dienst
tcu volle verzekerd zij.
(\\ Want ik word uu tot een
draukofïer geofferd, en de tijd
mijner ontbinding la aau-
staandc.
7 Ik ii.\'b den iroedeu strijd
gestreden, ik heb den loop ffr
-ocr page 311-
s 1.                                               m
en Claudia, en alle de broe-
den.
22 De Heere Jezus Chriatw
/.ij met uwen geest. De genade
zij met ulieden. Amen.
20 Kraatus 1* te Cortnthe ge-
bleven; en Trófimus heb ik
te Miléte krank gelaten.
31 Bcnaarstig u om vóór den
winter te komen. U poet Ku-
bülus, ea 1\'udiMs, eu l.ii.ns,
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
T I T TJ S.
7 Want een Opziener moet
onberispelijk zijn, als een
huUverzorger Gods, niet ei-
genziuuig, niet geneigd tot
toornigheid, niet geueigd tot
den wÜn, geen «mijter, geen
vuilgewinzoeker,
H maar die gaarne herbergt,
die de goeden liet beeft, ma-
tiir, rechtvaardig, heilig,
kuisch;
y die vasthoudt aan het ge-
trouwe Woord, dat Jiaar de
leer is, opdat bij marhtig zij,
beide om te vermanen door de
gezonde leer eu om de tegen-
sprekers te wederleggen.
10   Want daar zijn ook vele
ougeregelden, f jdel heidspre-
kers, en verleiders van zinnen,
inzonderheid die uit de besnij*
deuis zijn,
11  welken men den mond moet
stoppen; die ceheele huizen
vi-rkcereii, leereude wat niet
behoort om vuilgewins wO.
VI Keu uit hen, zijnde hun
eigen profeet, heeft gezegd:
De (\'retenzeu zijn altijd leugen*
ach tig, kwade beesten, luie
buiken.
1\'i Deze iretuigenis is waar.
Daarom bestraf ze scherpelijk,
opdat zij gezoud mogeu zijn in
bet geloof,
14 eu zich niet begeven tot
Joodsche fubeleu en geboden
HOOFDSTUK I.
PAULUS, een dienstknecht
Gods en een Apostel van
Jezus Christus naar liet geloot\'
der uitverkorenen God», en de
kenuia der waarheid die naar
ili\' godzaligheid is,
- in d - hupe des eeuwigen
levens, welke God die niet
liegen kan, beloofd heelt vóór
de tijden der eeuwen, maar te-
openbaard heeft te zijner tijd,
3 namelijk zijn Woord, door
de prediking die mij tocbe-
trouwd is, naar het bevel
Gods onzes Zaligmakers, aan
Titus. mijnen oprechten zoon
nau het geween geloot":
i genade, barmhartigheid,
vrede zij u van God den Vader
eu den H eere Jezus Christus,
onzen Zaligmaker.
;> Om die uurzaak heb ik u in
Creta gelaten, opdat gij bet-
Reen nog ontbrak, voorts
loudt terechtbrengen, en opdat
\'f}i
van stad tot stad <)uder-
\'\'iigeu zoudt stellen, gelijk ik u
bevolen heb:
.6 indien iemand onberispelijk
18i ééner vrouwe man, geloo*
\'l-\'\'\' kindereu liebbeude, die
niet te beschuldigen zijn van
\'ivt-rdadigheid, noch ougehour*
\'aaiu zijn.
-ocr page 312-
304                                            T1TI
der menschen die zich van dr
waarheid at\'keereu.
15 Alle dingen rijn wel rein
deu reinen, maar den bevlek*
ten en ongeloovigen is geen
ding rein, maar beide hun ver-
- tan il en conscicutic zijn be-
vlekt.
)" Zij belijden dat ze God ken-
nen, maar zij verloochenen
Hem uiet de werken, alzoo zij
gruwelijk zijn en ougehoor-
zuam en tot alle .nul werk
ongeschikt.
2, 3.
10    niets onttrekkende, maar
alle goede trouw bewijzende;
opdat zij de leer van God onzen
Zaligmaker in alles mogeu ver-
sieren.
11   Want de zaligmakende ge-
nade Gods is verschenen allen
menschen,
i_ en onderwijst ons, dat wij
de goddeloosheid en dr wereld*
Rclie begeerlijkheden verza*
kende, matiglnk en rechtvaar-
diglijk en godzalig lijk leven
zouden in deze tegenwoordige
wereld,
13  verwachtende de zalige ho-
re en verschijning der heer-
ijkheid van den grooten God
en van onzen Zaligmaker Jezus
Christus,
14  die zichzelven voor ons ge-
geven heeft, opdat hij ous zou-
de verlossen van alle ongerecli-
tigbeid, en zichzelven een eigen
volk zoude reinigen, ijverig in
goede werken.
15  Spreek dit, en vermaan en
bestraf met allen ernst. Dut
nicmaud u verachte.
HOOFDSTUK 3.
VERMAAN hen dat zij den
overheden en machten oit-
derdauig zijn, dat ze hun ge-
hoorzaam zijn, dat ze tot alle
goed werk bereid zijn;
2 dat ze niemand lasteren,
geen vechters zijn, maar be-
scheiden zijn, alle zachtmoe-
dtgheid bewijzende jegens alle
menschen.
;t Want ook wij waren eer-
tijds onwijs, on gehoorzaam,
dwalende, menigerlei begeer*
lijkheden en wellusten dienen*
de, in boosheid en nijdigheid
levende, hatelijk zijude en elk*
ander hatende;
4   maar wanneer de goeder-
tierenhcid van God onzen Zh-
Hgmaker en zijne liefde tot de
menschen verschenen is,
5  heeft Hij ons zalig gemaakt,
niet uit de werken der recht*
vaardigheid die wij gedaan
HOOFDSTUK 2.
ÖOOH (tjj, spreek hetgeen de
gezonde leer betaamt:
2  dat de oude mannen nneh*
ter zijn, stemmig, voorzich-
tijï, gezond In \'t geloof, in de
liefde, iu de lijdzaamheid.
3  De oude vrouwen insgelijks,
dat zij in hare dracht zijn ge-
lijk den heiligen betaamt, dut
ze geen lasteraarstcrs zijn,
zich niet tot veel wijn bege.
veude, maar leeraressen zijn
van het goede;
4  opdat zij de jonge vrouwen
leeren voorzichtig te zijn, hare
mannen lief te hebben, hare
kinderen lief te hebben,
5  matig te zijn, kuisch te zijn,
het huis te bewaren, goed te
zijn, haren eigenen mannen on*
derdanig te zijn, ojHlat het
Woord Gods uiet gelasterd
worde.
f> Vermaan de jonge mannen
insgelijks, dat zij matig zijn.
7 Betoon uzelven in alles een
voorbeeld van goede werken;
betoon in de leer on vervalsen t-
lieid, deftig heid, oprechtheid,
M het Woord gesond en on-
verwerpelijk, opdat degene die
daartegen in, beschaamd worde
en niets kwaads van ulieden
nebbe te zeggen.
y Vermaan de dienstknechten,
dat zij hunneu eigenen heeren
onderdanig zijn, dat ze in ulles
wel behaaglijk zijn, uiet tegen*
sprekende;
-ocr page 313-
ON.                                             306
gen over de Wet; want zfj zijn
onnut en ijdel.
10  Verwerp eenen ketterschen
mensch na de eerste eu tweede
verman in ir,
11  wetende dat de zoodanige
verkeerd ia en zondigt, zijnde
bij zichzelven veroordeeld.
12  Als ik Artcmas tot u za!
zenden of Tyehieus, zoo be-
naarstig u tot mij te komen te
Nicöpolis; want aldaar heb ik
voorgenomen te overwinteren.
13  Geleid Zenas, den Wetge-
leerde, en Apollos zorgvuldig\'
lijk, opdat hun niets mitbreke.
14  Eu dat ook de onzen lceren
goede werken voor te staan tot
noodig gebruik, opdat zfj niet
ouvruohtbaar zijn.
ir» Die met mij zijn, groeten u
allen. Groet ze die ons liet\'-
hebben in het geloof. De ge-
uade zij met u allen. Amen.
hadden, maar naar zijue barm<
lianigheid, door het bad der
wedergeboorte en vernieuwing
des Heiligen Geestes,
fi denwelken Hij over ons rij-
k e lijk heeft uitgegoten door
Jezus Christus onzeu Zalig-
maker;
7 opdat wij gerechtvaardigd
zijnde door zijne genade, ert-
:euamen zouden worden naar
de hope des eeuwigen le-
vens.
S Dit is oen getrouw woord,
en deze dingen wil ik dat gij
ernstiglijk bevestigt, opdat de-
Reuen die aan God gelooven,
zorg draden om goede werken
voor te staan. Deze dingen zijn
het, die goed en nuttig zijn
den meuscheu.
9 Maar wedersta de dwaze
vragen en geBlacutsrckeningeu
en twistingen en strijdvoeriu-
DE BKIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
FILEMOK
PAULUS, een gevangene van
Christus Jezus, en Thuó-
thelia de broeder, aan Filéuiou
den geliefde en onzen mede-
arbeider,
\' eu aan Appia de geliefde, eu
aan Arehippus onzen medestrij-
der, en aan de gemeente die te
Uwen huize is:
\'! genade zij ulieden en vrede
van Oud onzen Vader en den
Heere Jezus Christus.
\'j Ik dank mijnen God, uwer
altijd, gedachtig zijude in mijne
gebeden,
5 alzoo ik hoor uwc liefde en
geloof, hetwelk gij hebt aan
den Heere Jezus eu jegeus alle
ue heiligen,
fi opdat de gemeenschap uw*
geloofs krachtig worde in de
bekendmaking van alle goed,
hetwelk in ulieden is door
Christus Jezus.
7 Want wij hebben grooti;
vreugde eu vertroosting over
uwe liefde, dat de ingewanden
der heiligen verkwikt zijn ge-
worden door u, broeder.
x Daarom, hoewel ik groote
vrijmoedigheid heb in Christus
om u te bevelen hetgeen bèta*
melijk is,
\'J zoo bid ik nochtans liever
door de liefde, daar ik zooda-
liig een ben, te weten 1\'aulus,
een oud man, eu nu ook een
gevangene vau Jezus Christus;
-ocr page 314-
i\' RS 1.
voor een metgezel, zoo neem
hem aan, gelijk als mij.
Is Ku indien hij u iets ver«n-
gflijkt heeft of schuldig is,
reken dat mij toe
19 Ik, run I us, helt het geschre-
ven met deze mijne hand: Ik
zal het betalen; opdat ik u niet
zegge dat jij ook uzelven mij
daartoe schuldig zijt.
-i\' Ja, brocdür, laat mij uwer
ktertn genieten in den lleere;
verkwik mijne ingcwanden iti
den Heere.
21  Ik heb aan u geschreven,
vertrouwende on uwe lt<-1n>nr-
zaumlic\'id, en ik weet dat gfj
doen zult ook boven hetgeen
ik zeg.
22   Mn bereid mij ook te gelijk
eene herberg; want ik boon dat
ik door uwe gebeden ulieden
zal geschonken worden.
23    U groeten Kpafran, mijn
medegevangene in Christus
Jezus,
24  Marcus, Aristnrchu", I>e-
nuts, Lucas, mijne medearbcï-
d(TB.
25   De genade onzen Heeren
Jezus Christus zij UlCt uwen
geest. Amen.
306                                         IIEBH
10  ik bid u linn voor mijnen
zoon, den welken ik in mijne
banden heb geteeld, namelijk
Ouésiwus,
11  die eertijds u onnut was,
maar nu u en mij zeer nuttig;
den welken ik wedergezouden
heb.
12  l)och gij, neem hem, dat
il, mijne ingewanden, tceder
aan,
13  denwelken ik wel had wil*
len bij mij behouden, opdat
hij mij voor u dienen zoude in
de banden des Evangelies;
14  maar ik heb zonder uw
goedvinden niets willen doen,
opdat uwe gneddndigheid niet
zoude zijn nis naar bedwang,
niaar naar vrijwilligheid.
15  Want voetlicht is hij daar-
om voor eetien kleinen tijd van
u
gescheiden geweest, op.lat
gfj hem eeuwig zoudt weder
hebben:
Ui na voortaan niet als een
dienstknecht, maar meer dan
een dienstkm-cht, namelijk een
geliefden broeder, fauouder-
heid mij, hoeveel te meer dan
u, beide in het vleesch en in
den Ileerc.
17 Indien gfj mij dan houdt
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAS DR
HEBREËRS.
een erfgenaam van alles, door
weikeu Hij ook de wereld ge-
mankt heelt.
3 Dewelke, alsoo hij is het
afschijuscl tiiner heerlijkheid,
en het uitgedrukte beid zfjuer
zelfstandigheid, en alle dingen
draagt door bet woord zijner
kracht, nadat bij de reinigma-
kiug onzer zonden door zieli-
HOOFDSTUK 1.
GOD voortijds vcelmaals en op
velerlei wijze tot de vaderen
gesproken helibemle door de
Profeten, beeft in deze laatste
dagen tot ons gesproken dour
den Zoon,
2 weikeu Hij gesteld heeft tot
-ocr page 315-
11E lilt
zelven teweeggebracht beeft.
is „t/i\'(<-;; anu de rcCuterAtMa
der M piji - leit in de lioopstc
/i f mei en,
l zooveel treffeUJker gewor-
<len iliui lic Engelen, als hij
u\'tneinender naam boven beu
geërfd heeft.
."> Want tot uien van de Enge*
Ie» heeft Uij ooit gexeed: Gij
zijt :nijii Zoon, heden hei» Ik u
gegenereerdi En wederom: Ik
zal hein tot een Vader zijn en
liij zal Mij tot een Zoon tljn?
f> Kit als Hij wederom dm
Eerstgeborene in brengt in de
wereld, zegt Hij: En dat alle
Engelen Gods hem aanbidden.
7 En tot de Enrelen zegt Hij
wel: Die. zijne Engelen maakt
geesten, en zijne dienaars eene
vlam den vuur»,
s maar tol den Zoon zegt llii:
l\'w troon, o God, is in alle
eeuwigheid; de schepter uws
Koninkrijk» is een rechte
fehepter.
9   Gfi hebt rechtvoHrdigheid
liefgehad en ongerechtigheid
gehaat: daarom heeft u, o
God, uw Oud gezalfd met olie
tier vreugde boven uwe mede
genooten.
10   Eu : Gij, lleere, hebt in
den beginne de aarde freirrond,
en de hemelen zijn werken
uwer banden;
11      de\'ze zullen vergaan,
maar Gij blijft altijd; en zij
zullen alle al» een kleed ver-
onden,
1- en all een dekkleed, zult Gij
ze meun rollen, en zij zullen
veranderd worden; umar Gfj
zijt dezelfde, en uwe jaren zul-
len niet ophouden.
13  Bu tot welken der Enirelen
heeft Hij ooit gezegdi Zit aan
mijne recbterAflfir/, totdat Ik
UWC vijanden zal geut hebben
tot een voetbank uwer voeten ?
14  Zijn ze niet allen «edien-
Rtige geesten, die tot dienst
uitgezonden worden om der*
«renen wil die de zaligheid
beerven zullen:\'
EKS 2.                                         31)7
HOOFDSTUK C.
DAAROM moeten wij on» te
lm. r houden uuii hetgeen
ran oNë gehoord i*, opdat wij
niet te eeurver tijd doorvloeleii.
_ Want indien liet woord,dooi\'
de Engelen gesproken, vast i,
geweest, en a Ie overtreding
en ongehoorzaamheid recht»
vaardige vergelding ontvangen
heeft,
8 boe zullen wij ontvlieden,
indien wij op zoo groote zulig-
heid geen acht nemen ? Dc-
welke begonnen zijnde verkou-
digd te worden door den lleere,
aan ons bevestigd is geworden
van degenen die htm gehoord
hebben,
4 God bovendien medeiretui-
pen de door teekeni\'ii en won-
deren en menigerlci krachten,
en bedoelingen des Heiligen
Gcestes naar zijnen wil.
6    Want Hij beeft den En-
golen niet onderworpen de
toekomende wereld, tan welke
wij spreken.
fi Maar daar heeft iemand
ergens betuigd, screende: Wat
is de mengen dat Gij zijner ge-
deukt, of des mcuschcu Zoon
dat Gij hem bezoekt ?
7   Gij hebt hem een weinig
minder gemaakt dan da Enge*
leu: met heerlijkheid en eere
hebt Gij hem gekroond, en Gij
hebt hem gesteld over de wei-
ken uwer handen:
8   alle dingen hebt Gij on-
der zljuc voeten onderworpen.
Want daarin dat llii hem alle
dingen heeft onderworpen,
heeft Hij niets overgelaten dat
hem niet onderworpen is;
doch nu zien wij nog niet dat
alle dingen hein onderworpen
zijn.
9    Maar wij zien Jezus met
heerlijkheid en eere gekroond,
die een weinig minder dan de
Engelen geworden was, van-
wege het lijden des doods, op-
dat bij door de genade Gout:
-ocr page 316-
303                                         IIEBH
voor allen den dood Bmaken
zoude.
Ut Want liet betaamde Hem,
om welke» alle dingen zijn en
duur welken alle dingen zijn,
dnt Hij vete kinderen tot de
heerlijkheid leidende, den
oversten Leidsman hunner za-
Hgheid door lijden zoude hei-
üscen.
11   Want en hij die heiligt èn
zij die geheiligd worden, zijn
allen uit één; om welke oor-
zaak hij zich niet schaamt hen
broeders te noemen,
12 zetlende: Ik zal uwen naam
mijnen broedereu verkondigen,
iu het midden der gemeente
zal ik U lofztngen;
i;t en wederom: Ik zal mijn
betrouwen op Hem stellen; en
wederom: Ziedaar, ik en de
kinderen, die God mij gegeven
heeft.
14  Overmits dan de kinderen
des vleesches en blocds deel-
ni\'liti : zijn, zoo is hij ook detc
gelijk» derzelve deelachtig ge-
worde», opdat hij door den
dood te niet doen zoude den-
£enen die het geweld de» doods
ad, dat is, den duivel,
15  en verlossen zoude alle de-
genen die met vrees des doods
door nl hun leven der dienst*
baarheid onderworpen waren,
l(i iin.iii waarlijk, hij neemt
de Engelen niet aan, maar hij
neemt het zuad Abrahams nau.
17   Waarom hij iu nlles den
broederen moest gelijk worden,
opdat hij een barmhartig en
een getrouw Il ooge priester
zoude zijn in de dingen die bij
God te doen waren, om de zou-
den des volks te verzoenen.
18    Want in hetgeen hijzelf
vflrzocht zijnde, geleden beeft,
kun hij degenen die verzocht
worden, te hulp komen.
HOOFDSTUK 3.
HIEROM, heilige broeders,
die der hemelsche roeping
deelachtig zijt, aanmerkt deu
1.1 ÜS 3.
Apostel en Hoogepriester onzer
belijdenis Christus Jezus,
:: die getrouw is dengenen die
hem gesteld heeft, gelijk ook
Mozes iu geheel zijn huis was.
:s Want deze is zooveel meer-
der keerlij kheid waardig ge-
fu-nt dan Mozes, als degene
die het huis gebouwd heeft,
meerder cere heeft dan het
huis.
1 Want ieder huis wordt van
iemnud gebouwd; maar die dit
alles gebouwd heeft, is God.
5 Eu Mozes is wel getrouw
geweest in geheel zijn huis als
een dienaar, tot getuigenis der
dingen die daarna gesproken
zouden worden;
(i maar Christus, als de Zoon
over zijn eigen buis, wiens
huis wij zijn, indien wij maar
de vrijmoedigheid en den roem
der hoop tot den einde toe vast
behouden.
7 Daarom gelijk de Heilige
Geest zegt: Heden, indien gij
zijne stem hoort,
S zoo verhardt uwe harten
niet, gelijk het geschied is in de
verbittering ten dage der ver-
zoeking in de woestijn,
9    alwaar Mij uwe vadereu
verzocht hebben ; zij hebben
Mij beproefd, en hebben mijne
werken gezien, veertig jaren
lang.
10  Daarom was Ik vertoornd
over dat geslacht, en sprak:
Altijd dwalen zij met het hart,
en zij hebben mijne wegen niet
gekend.
11  Zoo heb Ik dan gezworen
in mijnen toorn: Indien zij in
mijne rust zullen ingaan t
12  Ziet toe, broeders, dat niet
te eeuiger tijd in iemand van
u zij een boos, ongeloovig hart,
om af te wijken van den leven-
den God;
VS maar vermaant elkander
te allen dage, zoolang als het
Aeden genaamd wordt, opdat
niet iemand uit u verhard
worde door de verleiding dei
zonde.
-ocr page 317-
ERS 4.                                        309
zevenden dag van alle zijne
werken gerust.
b Kn in deze plaats wederom:
Indien zij in mijne rust zullen
6   Dewijl dan blijft, dat som-
inigen in die rust ingann, en
degenen wieu het Evangelie
liet eerst verkondigd was, niet
ingegaan zijn vanwege de on-
gehoorzaamheid,
7   zoo bepaalt II ij wederom
een zekeren dag, namelijk he-
den, door David zeggende zoo
langen tijd daarna (gelijker-
wijs gezegd is): Heden indien
gij zijne stem hoort, zoo ver-
hardt uwe harten niet.
H Want indien Jozua hen in
de rust gebracht heeft, zoo
had Hij daarna niet gesproken
van eetien anderen dag.
9 Daar blijft dan eene rust óver
voor het volk Gods.
in Want die ingesraan is in
zijne rust, die heeft zelf óók
van zijne werken gerust, gelijk
God van de zijne.
11 Laat ons dan ons benaar-
stigen oin in die rust in te
gaan, opdat niet ieiunud in
hetzelfde exempel der ongcloo-
vigheid valle.
18 Want het Woord Gods is
levend eu krachtigt eu r>cherp-
snijdender dan eeuig tweesnij-
deud zwnard, en gaat dóór tot
de verdeeling der ziel en des
geestes, eu der samenvoegse-
len en des mergs, eu is een
oordeeler der gedachten en der
overleggingen des harten;
13 en daar is geen schepsel
onzichtbaar voor Hein, maar
alle dingen zijn naakt en ge-
opeud voor de oogen desgenen
niet welken wij te doen hebben.
II Dewijl wij dan penen groo-
tcn Uoogepricster hebbeu, die
door de hemelen doorgegaan
is, namelijk Jezus den Zoon
Gods, zoo laat ons deze belij-
denis vasthouden.
tó Want wij hebben geenen
Hoogepriester die niet kan ine-
delfjdcn hebben met onze iwak-
14 Want wij zij» Christus
deelachtig geworden, zoo wij
anders het beginsel van de*
zen vasten grond tot den einde
toe vast behouden,
16  terwijl daar gexetrd wordt i
Heden indien gij zijne item
hoort, zoo verhbrut uwe harten
niet, gelijk in de verbittering
geschied is.
Ifi Want sommigen als zij
die u-r h in ml h.-iiiiii\'n, hebben
Hem verbitterd; doch niet allen
die uit Egypte door Mozes
uitgegaan ZJjli.
17  Over welke nu is Hij ver-
toomd geweest veertig jaren ?
Was het niet over degenen die
gezondi il hadden, welker
lielianieu gevallen zijn in de
woestijn ?
Is En welken heeft Iltj gczwo-
ri-ii dat zij in zijne rust niet
zouden ingaan, anders dan
dengenen die ongehoorzaam
geweest waren ?
19 En wij zien dat zij niet hen-
ben knnnm ingaan vanwege
hun ongeloof\'.
HOOFDSTUK 4.
LAAT ons dan vreezen, dat
niet te cenigcr tijd de be*
lol\'te van in zijne rust in te
gaan nagelaten zijnde, iemand
van u schijnc achtergebleven
te zijn.
2 Want ook ons is het Kvan-
grlie verkondigd, gelijk als
liUn; maar het Woord der pre-
d ik ing deed hun geen nut,
dewijl het met het geloof niet
RetnenÊd was in degenen die
net gehoord hebben.
\'•> Want wij die geloofd heb-
ben gaan in\'de rust, gelijk Hij
gezegd heeft: Zoo heb Ik dan
gezworen in mijnen toorn:
Indien zij zullen ingaan in
i\'iijue rust! hoewel zijne wer*
keu van de grondlegging der
wereld af al volbracht waren,
t Want Hij heeft ergens van
den zevenden datj aldus ge-
*proken: En God heeft op den
-ocr page 318-
31(1                                     IIEBRf
heden, maar die in alle dingen
gelijk als wij i« verzocht ge*
weest, tlueh zonder zoude.
)<\', Laat ons dan met vrijnioe-
digbeid toegaan tot den troon
der genade, opdat wij barm-
hartt\'.\'hejd mogen verkrijgen
en genade vinden om \'eholpen
te worden ter bekwamer tijd.
HOOFDSTUK -i.
WANT alle Hoogeprieater uit
de meuseben genomen,
«onH gesteld voor de inenselien
in de zaken die hij God tn doe*
sim,
opdat bij Onere gaven en
slachtofferen voor de konden;
\'2 die behoorlijk medelijden
kan hebben met de onwetenden
CU dwalenden, overmits hij
nok /.elf met zwakheid omvan-
gen is.
;i En om dier strakheid wil
moet hij, gelijk voor het volk,
nlzóó ook voor zie h ze 1 ven offe-
ren voor de zonden.
4  Eu niemand neemt ziehzel-
ven die eer aan, maar die nu
God geroepen wordt, gelijker*
wiji als Aarou.
Ti Alzóó ook Christin heeft
girhselven niet verheerlijkt om
Hoogepriester te worden, maar
die tot hem gcaproben heelt:
Gij zijt mijn Zoon, heden heb
Ik u gegenereerd.
<i Gelijk Hij ook op eene an-
dere plaat* zegt) Gij /.ijt l>rics-
ter in der eeuwigheid naar de
ordening Uclchlaédeka*
7 Die in de dagen zijns
vleeachea gebeden en aineekin*
gen tot dengenen, die hein uit
den dood kou verlossen, met
sterke roeping en tranen, ge-
offerd hebbende, en verhoord
zijnde uit de vrees,
5    hoewel hij de Hoon was,
noch tan» gehoorzaamheid ge»
leerd heeft uit hetgeen hij beeft
geleden,
9 en geheiligd zijnde, is hij
allen dit: hem gehoorzaam zijn,
eene oorzaak der eeuwige zalig*
beid geworden.
uns s, n.
ld en is van God genaamd
reu Hoogepriester naar de or-
deuiug Melrhizêdeks.
11 Van den wel keu wij heb-
ben vele dingen, en zwaar om
te verklaren, te leggen, dewijl
irij traag o ui te hooren gewor-
den zijt.
1. Want gij, daar gij leeraars
behoordet té zijn, vanwege
den tijd, hebt wederom van
nnode dat men u leere welke
de eerste beginselen, zijn der
woorden Gods; en gij zijt ge-
worden rils die melk van noode
hebben en niet vaste spijs.
1,1 Want een iegelijk die der
melk deelachtig is, die is on-
ervaren in bet Woord der
gerechtigheid, want hij is een
kind.
U Haar der volmaakten is
de vaste spijs, die door de
gewoonte de zinnen geoefend
hebben tot onderscheiding bei-
de des goeds en des kwaads,
HOOFDSTUK t.
DAAROM nalatende lief be-
iriusel der leer van Chris*
tns, laat ons tot de volmaakt*
held voortvaren, niet wederom
leggende bet fundament van de
bekeeriug van donde werken,
eu van het geloof iu (Jod,
- van de leer der doopen. en
van de oplegging der handen,
eu van de opstanding der doo-
den. en van het eeuwig oor-
deel.
:i Ku dit zullen wij ook doen,
indien God het toelaat.
I Want liet is onmogelijk, de-
genen die ééns verlicht geweest
zijn, eu de hemelsein\' gave ge-
smaakt hebben, eu des Heili-
gen Geestes deelachtig gewor-
deu zijn,
h en gesmaakt hebben het gor-
de Woord Gods en de krachten
der toekomende eeuw,
fi eu afvallig worden, die, ztff
ik,
wederom te vernieuwen
tot bekeering, als welke zirh-
zclveu den Zoon Gods weder-
-ocr page 319-
KItS 7.                                        311
met eetien eed daartusschen
gekomen is;
IS opdat wij door twee on-
veranderlijke dingen, in wel-
ke het onmogelijk is dat God
liegt, ecne sterke vertroosting
zouden hebben, w\\j namefiik
die de toevlucht genomen heb-
ben om de voorgestelde hope
vast te houden;
lil welke wij hebben als een
anker der ziel, hetwelk zeker
en vast is, en ingaat in\'t biu-
heuste des voorhangsels,
•2» waar de voorlooper voor
ons J8 ingegaan, namelijk
Jezus, naar de ordening Mel-
chlzéurks een II oogepriester
geworden lijnde in der eeu-
wigheid.
HOOFDSTUK 7.
WANT deze Melchizédek was
Koning van Salem, een
Priester des allerhoogste» Gods,
die Abraham tegemoet ging,
als hij wederkeerde van het
verslaan der Koningen, en hem
zegende ;
\'2 aan welken ook Abraham
van alles de tienden deelde;
die vooreerst overirezct wordt
Koning der gerechtigheid, en
daarna ook was ecu Koning
van Salem, hetwelk is een Ko-
ning des vrede»;
\'\\ zonder vader, Zonder moe-
der, zonder geslacht treken f ng,
noch begin der dagen, noch
einde des levens hebbende;
maar den Zoon Gods gelijk
geworden zijnde, een Triester
blijft in eeuwigiieid.
i Aanmerkt uu hoc groot
deze geweest is, nnu den wei-
keu ook Abraham de Patriarch
tienden gegeven heeft uit den
buit.
& Kn die uit de kinderen van
Levi het Priesterschap ont-
vangen, heb beu wel bevel om
tienden te nemen van het volk
naarde Wet, dat is, van hunne
broederen, hoewel die uit de
lendenen A braliam» voortge-
koiuen zijn;
om kruisigen en openlijk te
schande maken.
7 Want de narde die den regen,
menigmaal «i|\' huar komende,
indriiikt, en bekwaam kruid
voortbrengt voor degenen.
door welke zij ook Bebouwd
wordt, die ontvangt tegen
van God;
H maar die doornen en diste-
len drangt, die is verwerpelijk
en nabij de vervloeking, wel-
ker einde is tot verbranding.
9 Maar, geliefde», wij ver-
Bekeren ons van u betere
dingen, m met de zaligheid
gevoegd, hoewel wij nlzóó
spreken.
il) Want God is niet onrecht\'
vaardig, dat Hij uw werk sou-
de vergeten, en den arbeid
der liefde die gij aan zijnen
naam bewezen hebt, als die
de heiligen gediend hebt en
«00 dient.
11  Maar wij begceren, dat een
iegelijk van u dezelfde naarstig"
beid bewijze tot de volle ver-
zekerdheid der hoop, tot den
einde toe;
12  opdat gij niet traag wordt,
maar navolgers zijt dergenen
die door geloot\' en lankmoe-
digheld de beloi\'teuissen be-
erven,
13  Want als God Abraham de
belofte deed, dewijl Hij bij
niemand die meerder was, bad
te zweren, zoo zwoer Hij bij
ïieuuelven,
14  zeggende: Waarlijk, zege-
ueude zal Ik u zegenen, en ver-
raeni gvnldlgen de zal Ik u ver-
•neuiirvuldigen.
lïi Kn alzóó lankinoeilirllik
verwacht hebbende, heeft hij
de belofte verkregen.
"J Mant de mcuschen zweren
wel bij den meerdere dan tij
ƒ»»; en de eed tot bevestiging
\'s denzelven een einde van alle
t\'"genspreking-,
i/. waarin God willende den
erfgenamen der beloftenii o-
V(>rvloediglJjker bewijzen de
onveranderlijkheid zijn raad»,
-ocr page 320-
SIS                                          ÏIEBREËRS 7.
G maar bij die zijne geslacbts-
rekeuing uit ben niet beeft»
die heeft vau Abraham tienden
genomen; en hou die de be-
loftenisseu iiad, beeft bij ge-
zegend.
7 Nu /.onder eenig tegeuspre-
ken, hetgeen minder is, wordt
Ketegeud van hetgeen meerder
is Want de vernietiging van
bet voorgaande gebod ge-
scbledt om deszelfs zwakheid*
en onprofijtclijkheids wil;
19 want de Wet heelt geen dtng
volmaakt, maar de aanleiding
van eene betere hoop, door
welke wij tot God genaken.
-li Eu voor zooveel bet niet
zouder eedzwcring i» geschied
(want genen zijn wel zonder eed*
xweriug Priesters geworden,
\'21 maar déze met cedzwcriii.\'
door dien, die tot hein gezegd
beeft: De lieere heeft gexwo-
rcn, en het zal Hem niet beroe-
wen: Gij zijt Priester in der
eeuwigheid naar de ordening
Melchizédeks):
22  vau een zooveel beter Ver-
boud is Jezus borg geworden.
23  En genen zijn wel vele Pries-
ters geworden, ouulat zij door
den doud verhinderd werden
altijd te blijven;
24  maur déze omdat hij in der
eeuwigheid blijft, heeft een
onvergankelijk Priesterschap,
25  waarom bij ook volkomen
kan zalig maken degenen di<-
door hem tot God gaan; alzon
hij altijd leeft om voor ben te
bladen.
36 Want zoodanig een IIooirc-
priester betaamde ons, heilig,
uunoozcl, onbesmet, afg<\'-
sc heiden vau de zondaren en
hooger dun de hemelen gewor*
den;
27    wien het niet alle dngcu
iiiKidi.\' was, gelijk den Hooge*
priesters, eerst voor zijne el-
gene zonden slachtofferen op
te offeren, daarna voor de zonden
des volks; want dat beeft hij
éénmaal gedaau, als hij zich-
zelven opgeofferd heeft.
28  Want de Wet stelt tot Hno-
gepriesters mentenen die zwak-
beid hebben; maar bet woord
der eediwering, die na de
Wet is yevulijd, ëtelt den Zoon
die in der eeuwigheid gebei\'
ligd is.
s En bier nemen wel tienden
de uiensckeu die sterven, maar
aldaar neemt :e die, van welken
getuigd wordt dat bij leeft.
ü En om zoo te spreken, ook
Levi, die tienden ueemt, heelt
door Abraham tienden gegeven;
UI want bij was nog in de lcn-
deuen des vaders, als hem Mei*
chizédek tegemoet ging.
il indien dun uu de volko*
menheid door bet Levitiscue
Priesterschap ware (want on-
der hetzelve beeft liet volk de
Wet ontvangen}, wat nood was
bet nog, dat een uuder Pries-
ter naar de ordening Melcbi*
zédeks /oude opstaan, ea die
niet zoude gezegd worden te
iiju naar de ordening Aarons?
12   Want bet Priesterschap
veranderd zijnde, zoo gesehh-dt
er ook noodzakelijk verande-
riug der Wet.
13    Want bij, op wien deze
dingen gezegd worden, behoort
tot een anderen stam, va» \\vil-
keu niemand zich tot bet al-
taar begeven heeft.
14  Want bet is openbaar dat
onze lleere uit Juda gesproten
is, op welken stam Mozes niets
gesproken heeft van het Prïes-
tersebap.
15    En dit is nog veelmeer
opcsibanr, zoo er naar de ge-
iijkenis van Melchizédek een
ander Priester opstaat,
1\') die dit niet naar de wet des
vieeschelfjken gebods is ge-
worden, maar naar de kracht
des onvergankelijke!! levens.
17 Want Hij getuigt: Gij zijt
Priester in der eeuwigheid
;iaar de ordening Melubizé-
deks.
-ocr page 321-
S S, 9.                                         313
dit mijn Verbond niet ceble-
veu, i ii Ik heb op hen niet ge-
aclit, zegt de Heere.
in Want dit is lift Verbond
dat Ik met bet buis Israüls
maken zul na die dagen, z< gt
de Heere: Ik zal mijne wetten
in buu verstand geven, en in
hunne harten zal Ik die in-
schrijven; en Ik zal hun tot
een Üod zijn eil zij zullen Mij
tot een volk zijn.
11    Ku zij zullen niet leeren
een iegelijk zijnen naaste en
een iegelijk zijnen broeder,
zeggende; Ken den Heere;
want zij zullen Mij allen kcu-
nen, van den kleine onder heu
tot den gronte ouder hen;
12  want Ik zal liuniie ongc*
rechtigkeden genadig zijn, en
hunne zonden en hunne over-
tredingen zal Ik geenszins meer
gedenken.
13  Als IIfj zegt: Een nieuw
Verband, zoo heelt Hij bet eer-
ste oud gemaakt: wat nu oud
gemaakt en verouderd is, is
uabij de verdwijning.
HOOFDSTUK 8.
DE hoofdsom nu der dingen
waarvan wij spreken, i*,dat
wij hebben zoodanigen Iloo-
gepriester, die gezeten is aan
de reebterA(i«</ van den troon
der Majesteit iu de hemelen,
i een bedienaar des heilig-
doius, en des waren Tiil>ern<i-
kels, welken de Heere heeft
opgericht, en geen meuseb.
\'.i Want een iegelijk llnoge-
priester wordt gesteld om va-
ven en slachtofferen te offeren;
waarom het noodzakelijk wns
dat ook deze iets had wat hij
zoude offeren.
4  Want indien hij o» narde
ware, zoo zoude hi) zelfs «een
Triester zijn, dewijl er Prlcs-
tcra zijl\'. J\'e naar de Wet
gaven offeren;
."i welke bet vóórbeeld en de
schaduw der hemelsche din-
gen dienen, gelijk Mo/.es door
Goddelijke aan smaak ver-
maand was, als bij den Ta-
hcrnakel volmaken zoude.
Want zie, zegt Hij, dat gij het
ui les niaakt naar de afbeel-
ding die u op den berg ge-
tooud is.
fi Eu nu heeft hij zooveel uit-
nemendcr bedlening gekregen,
«Is hij ook eens beteren Ver-
bnnds Middelaar is, hetwelk
in betere beloftenissen bevea-
tigd is.
7 Want indien dat eerste Ver-
Itoud
onberispelijk geweest wa-
re, zoo zoude voor het tweede
Reene plaats gezocht zijn ge-
Meest.
5  Want hen berispende, zegt
\'lij tut beu: Zie, de dagen ko-
oieo, spreekt de Heere, en Ik
zal over bet huis Israels en
over bet huis van Juda een
nieuw Verbond oprichten,
9 niet naar bet Verbond dat
Ik met hunne vaderen gemaakt
heb ten dage als Ik ben bij de
«ttiid nam om beu uit Egypte-
**na te leiden; want zij zijn iu
HOOFDSTUK \'J.
ZOO had dan ook wel het
eerste Verbond rechten van
den fj((f/«dieiist, en bet wereld-
lijk heiligdom.
2 Want de Tabernakel was
toebereid, namelijk de eerste,
iu welken was de kandelaar en
de tafel en de tooubrooden,
welke geuuamd wordt het
Heilige;
:; maar achter het tweede
voorhangsel was de Tahcrua-
kel, genaamd het Heilige der
heiligen,
-1 hebbende een gouden wie-
rookvat, en de Ark des Ver-
bonds, alom met goud ovcr-
dekt, In welke was de gouden
kruik waar het manu» iu was,
cu de staf Aarons die gebloeid
had, en de tafelen des Ycr-
bonds,
5 En boven over deze Ark
waren de cherubs der beerlijk*
-ocr page 322-
.114                                          HEM
beid, die het verzoendeksel
beschaduwden : van welke din-
geu wij UU van stuk tot stuk
niet zullen zegge»,
(i Deie dingen UU aldus toe-
bereid zijnde, zoo gingen wel
de Priester! in d Ui eersten Ta-
bernakcl te allen tijde om de
Godadfenateu te volbrengen;
" innar in den tweeden Ta-
bernnkfl ging
alléén de Uooge-
priester éé.imaai des jaars.nict
zonder bloed, liet welk hij of-
ferde voor ziehzelven en root
des volks misdaden,
8 waarmede de Heilige Geest
dit beduidde, dat de weg des
heiligdom* nng niet openbaar
gemaakt was, zoolang de eerste
Tabernakel nog stand had,
•.\' welke was ceue afbeelding
voor dien tegenwoordigeu tijd,
in welken saven en slacht-
oiTeren geofferd werden, die
dengenen die den dienst pleeg-
de, niet konden heiligen naar
de conscleutie,
in bcstaamie alleen in spijzen,
en dranken, en verscheidene
wassehingen, en rechtvaardig\'
lunkiugeu des vleesehes, tot
op den tijd der verbetering op-
gelegd.
U Manr Christus de llooge-
priester der toekomende goc-
dereu geko.....u zijnde. Is door
den meerderen en volmaakte-
reu Tabernakel, niet met bau-
den gemankt, dat is, niet van
dit maaksel,
12  noch door liet bloed der
bokken en kalveren, maar door
,:ijn eigen bloed, éénmaal in-
gegaan in bet heiligdom, eeue
eeuwige verlossing teweegge-
braeht hebbende.
13  Want indien liet bloed der
stieren en bokken, en de aseh
der jonirc koe, besprengende de
uureiueu, ken heiligt tot de
reinigheid des vleeschMi
14  hoeveel te meer zal bet
bloed van Christus, die door
den ri\'nvj.\'cii Gei -; ziehzelven
Oode onstrnfTelijk opgeofferd
heeft, uwe couscientie rei»i-
IERS 9.
gen van doode werken, om
dm levenden God te dienen!
15  Eu daarom is hij de Mldde-
Inar des n ieuweu Testament*,
opdat, de dood ilaintuasc/ifn
gekomen zijnde tot verzoening
der overtredingen die ouder
het eerste Testament waren,
lierenen die geroepen zijn, de
beloftenis der eeuwige erve
ontvangen zouden.
16  Want waar een testament
is, daar is liet noodzaak du:
de dood des testaiiieutiuakrrs
fuffgcAiukome;
17   want een testament is vast
in de dnodeu, dewijl het nog
geen kracht heeft wanneer de
testameutmaker leeft:
1M waarom ook bet eerste niet
zonder bloed is ingewijd.
!" Want als alle de geboden
naar de wet van Mozes tot nl
het volk uitgesproken waren,
nam hij het hloed der kalveren
en bokken, niet water en pur-
peren wol eu hysop, en be-
sprengde beide het boek zeil\'
en al het volk,
\'M zeggende: Dit is het bloed
de» Testament» hetwelk God
aan ulieden heeft geboden.
•Jl En hij bespreiigde desfrr-
lijks ook den Tabernakel en
alle de vaten van den dienst
met het bloed.
:V-. Eu bijna alle dingen worden
door bloed gereinigd naar de
Wet, eu zonder hlncdstortinK
geschiedt geene vergeving.
\'?.i Zoo was het dan noodzaak,
dat wel de vóór beeld in gen der
dingen die in de hemelen zijn.
door dezo dingen gereinigd
werden, maar de hemelse In\'
dingen zelve door betere ol!Vr-
;, iil.-it dan deze.
1\'f Want Christus is niet in-
gegaan in het heiligdom dut
met handen gemaakt is, het*
welk is een tegenbeeld van liet
ware, maar in den hemel zei*
ven, oiu nu te verschijnen voor
liet aangezicht Gods voor OU»!
2ó noch ook opdat hij zich*
zelven dikmaal» zoude opOB*"
-ocr page 323-
IIE Bit ï
ren, gelijk de Hoogeprtester
alle JHren in bet heiligdom in-
gaat niet vreemd bloed
aï (anders liad liij dikmaal*
moeten lijden van de groudleg-
ghig der wereld af); maar nu
la hij éénmaal in Ie voleinding
der eeuwen geopenbaard, om
il.\' zonde te niet ie doen door
zijna zelf» offerande.
-7 lïii p-lijk liet den mcuschen
srezet is éénmaal te sterven, en
daarna bet oordeel,
28 alzón zal ook Christus, één-
maal geofferd zijnde oin veler
/.nide wei; te uemen, ten aude*
rvu male zonder zonde geiten
worden van degenen die beur
verwachten tot zaligheid.
HOOFDSTUK 10.
WANT de Wet, hebbende
pene sehaduw der tneku*
mende goedereu, niet het beeld
zelf der zaken, kan met dezelt\'-
de offeranden, die /.ij alle jaren
gedurlglijk opofferen, nimmer*
i neer heiligen degenen die er toe-
gaan :
" anderszins zouden zij opge*
Inmdeu hebben i-enffcrd te wor-
ili-ii, omdat degenen die den
dienst pleegden, geeueeonsrien-
tiet meer zouden hebben der
zonden, éénmaal gereinigd ge-
weeat zijnde;
:i maar hu t/rar/iiedt in dezelve
alle jaren weder gedachtenis der
•il lm.
1 Want het is onmogelijk dat
i"t. bloed van «tieren en bok*
ken de zonden wegneemt.
*\' Daarom komende iu de we*
i\'ld, tei\'t bij: SlaebtoiVer en
offerande hebt Gij niet gewild,
maar Gij hebt mij het Hehaaiu
\'in-bereid;
(> hraiidolïeien eu offer voor
we /,011de hebben L\' niet be-
liaand;
7 toen sprak ik: Zie, ik kom
\'11 het begin de» bock* is van
my gesehnven) om uwen wil
te doen, o God.
•s AU hij te voren gezegd bad:
KUS 10.                                        315
Slaebtoffer en offerande en
brandoffers eu offer voor de
zonde hebt Gij niet gewild,
noch heb beu Ij behaagd (de-
welke naar de Wet geotterd
worden),
D toen sprak hij: Zie, ik kom
om uwen wil te doen, o God.
Hij neemt het eerste weg, om
het tweede te stellen.
in In welken wil wij geheiligd
/.ijn door de offerande des li-
ehaama van Jezusührhttut,éthi*
maal ;/esr/iie<l.
11 Eu een iegelijk Priester
stond wel alle dagen dienende,
en dezellde slaehtoffereu dik-
ninala offerende, die de zonden
nimmermeer kunnen wegne-
UH\'ii;
\\t maar déze, één slachtoffer
vonr de zonden ireofl\'erd heb-
bende, is in eeuwigheid gezeten
aan de rechtenhrad Gods,
13    voorts verwaehtende tot-
dat zijne vijanden gesteld wor-
den tot eeue voetbank zijner
voeten.
14   Want met ééne offerande
heelt bij In eeuwigheid vol-
maakt degenen die geheiligd
worden.
15  Ku de Heilige Geest getuigt
liet ons óók.
1*1 Want nadat hij te voren
gezegd had: Dit is liet Ver-
bond dat Ik met beu makcu
zal na die dagen, zegt de
lleerei Ik zal mijne wetten
Keven iu hunne harten, eu Ik
za! die iusehrijven in hunne
verstanden;
17 en hunner zonden eu hllli-
ner ongereehtigheden zal Ik
geenszins meer gedenken.
IS Waar uu vergeving dcrzel-
ve Is, daar is geeue offerande
meer vonr de zonde.
19   Dewijl n ij dan, broedei ••,
vrijmoedigheid hebben om in
te gaan iu het heiligdom door
liet bloed van Jezus,
20  op eeneu verschen eu leveu-
den weg, welken hij ons :ngc-
wijd heeft door bet voorhmi\'^-
sel, dat is, dwr zijn vleesch.
-ocr page 324-
316                                        BEBRI
21    en detriil icïj hebben eenen
grooten Priester over \'t Huis
God»,
22   zoo laat ons toegaan met
een waarachtig hart, in volle
verzekerdheid des geloof*, ome
harten gereinigd zijnde van
de kwade couscieutie, eu het
lichaam gewastenen zijnde met
rein water;
83 laat ons de onwankelbare
belijdenis der hope vat /houden
(want die het beloofd heelt is
getrouw;)
24    CU laat ons on elkander
acht Demen, tot onscberpitig
der liefde en der goede wer-
ken;
25  en laat ons onze onderlinge
bijeenkomst niet nalaten, gelijk
sommigen de gewoonte hebben,
maar elkander vermanen: en dat
zooveel te meer als ;fj ziet dat
de dag nadert.
26  Want zoo wij willens zon-
digen, nadat wij de kennis
der waarheid ontvangen heb-
ben, zoo blijft daar geen
slachtoffer meer óver voor de
zonden,
27  maar eene schrikkelijke ver*
wachtiug des oordeels, en hitte
des vuuis, dat de tegenstanders
zal verslinden.
2rt Als iemand de wet van Mo-
zes heeft te niet gedaan, die
sterft zonder barmhartigheid
ouder twee of drie getuigen;
29 hoeveel te zwaarder straf,
meent gij, zal hij waardig ge-
ncht worden, die den Zoon
God» vertreden heeft, en het
bloed des Testament* onrein
geacht heeft, waardoor hij ge-
heiligd was, en den Geest der
genade smaadueid heeft aangc-
daau ?
;t0 Want wij kennen Hem die
gezegd beeft: Mijne is de
wrake, Ik zu\' het vergelden,
spreekt de Heer e. En wederom;
De Heere zul zijn volk oor-
deeleu.
31 Vreeswijk is het te vallen
ra de handen des levenden
Gods.
:ns n.
32   Doch gedenkt der vorige
dagen, in dewelke, nadat gij
verlicht zijt geweest, eij veel
strijd des lijdens hebt ver-
dragen,
33    ten deelc als gij door
smaad lieden en verdrukkii>-
geu een schouwspel gcwor-
den zijt, eu ten deele als dj
gemeenschap gehad hebt met
degenen die ulzóó behandeld
werden.
34  Want L\'lj hebt ook over
mijne banden medelijden ge*
had, en de roovlng uwer
goederen met blijdschap aan-
getiomen, wetende dat gij in u-
zelveu een beter en blijvend goed
in de hemelen hebt.
Bö Werpt dan uwe vrljmoe*
digheid niet weg, welke ce»e
groote vergelding des loons
heeft.
:«"> Wnut gij hebt lijdzaam*
heid van noode, o])dut g|]
den wil Gods gedaan heli-
bende, de beloftenis moogt
wegdragen.
3J Want nog een zeer weinig
tijde, en hij die te komen
staat, zal komen en niet ver-
toeven.
:iS Maar de rechtvaardige zal
nit het geloof leven; en zoo
iemand zich onttrekt, mijne
ziel heeft ïu hem geen De-
hagen.
38 Maar wij zijn niet van de-
genen die zieii onttrekken
ten verdervc, maar van degc-
nen die \'/elooveu tot behotule-
nis der ziel.
HOOFDSTUK 11.
HET geloof nu is een vaste
grond der dingen die uic»
hoopt, en een bewijs der zaken
die men niet ziet.
2 Want door hetzelve hebben
de ouden getuigenis beko-
men.
:i Door het geloof verstaan
wij dat de wereld door het
Woord Gods is toebereid, ar
-ocr page 325-
EEBS 11.                                  317
11  Door het geloof heeft ook
S;ira zelve kracht ontvangen
om zaad te geven, en boven
den tijd haar» ouderdoius heeft
zij gehaard, overmits zü Hem
getrouw heeft geacht die het
beloofd had.
12  Daarom zijn ook van éénen,
en dat van eenen verstorvene,
zoorclea in menigte geboren
als de sterren des hemels, en
als het zand dat aan den oever
der zee is, hetwelk outallijk
is.
UI Deze allen zijn in het ge-
loof gettorvt n, de beloften
niet verkregen hebbende, maar
hebben dezelve van verre ge-
zien en geloof! en omhelsd, en
hebben beleden dat zij gasten
en vreemdelingen op de aarde
waren.
Il Want die zulke dingen xeg-
geu, betonnen klaar lijk dat zij
een vaderland zoeken.
15 Ku indien zij aan datrorfer-
latut gedacht hadden van het-
welk zij uitgegaan waren, lij
zouden tijd gehad hebben om
weder te keeren;
IA maar nu zijn zij begecrig
naar een beter, dat is, naar het
lii\'inelsehe. Daarom schaamt
zich God hunner uiet, om hun
God genaamd te worden ; want
Hij had hun eene stad bereid.
17 Door het geloof heeft Abra-
ham, als hij verzocht werd,
Isaak geofferd, en hij die de
beloften ontvangen had, heeft
zijnen eeniggeborene geofferd
1M (tot denwelken gezegd was:
In IsaiLk zal u het zaad ge-
naamd worden), overleggende
dat God machtig was hem ook
uit de doodeu te verwek*
ken;
19 waaruit bij hem ook bij ge-
lij ken is wedergekregen heeft.
il) Door liet geloof heeft Isaak
zijne xonen Jakob en Kbru ge-
zegend aangaande toekomeude
dingen.
-J1 Door het geloof heeft Jakob
stervende een iegelijk der zo*
ueu Jozefs gezegend, en heeft
?.no dat de dingen die men
liet, niet geworden zfju uit
dingen die (resten worden.
i Door hot geloof heeft Abel
eeiie meerdere offerande Gode
ceofferd dun Kaïn, door het*
•reik hij getuigenis bekomen
heeft dat hij rechtvaardig
was, nlzoo God over zijne
roven getuigenis gaf; en door
nat gelui)/ spreekt hij nog na-
dut hij gestorven is.
5  Door het geloof is Henoch
teggenomen geweest, opdat
hij den dood niet zoude tien, en
lnj werd niet gevonden, daar*
wn dat God hem weggeuomen
bad. Want voor zijne wegne-
ming heeft hij getuigenis ge-
IjikI dat hij Gode behaagde.
6  Maar zonder geloof i» het
\'m moge! ij k Gode te behagen.
»ant die tot God komt, moet
relooven dat il ij ia, en een
helooucr ie dergencu die Hem
toeken.
7  Door het geloof heeft No-
Sch, door Gnddclij ke aau-
raak vermaand zijnde aau-
-uande de dingen die nog uiet
geilen werden, e» bevreesd
jee worden lijnde, de ark toe-
bereid tot behoudenis van zijn
huisgezin; door welke ark hij
de wereld heeft veroordeeld,
fii is geworden een erfgenaam
der rechtvaardigheid die naar
bet geloof ia.
^ Door het geloof is Abraham
geroepen zijnde, gehoorzaam
geweest, om uit te gaan naar
w plaats, die hij tot een erf*
•oei ontvangen zoude, en hij
[» uitgegaan niet wetende waar
by komen zoude.
.\'•• Door het geloof is hij een
\'"wouer geweest in het land
j*r belofte als in een vreemd
\'«.ij, en heeft in tabernakelen
\' y \'>w>und, met Isaak en Jakob
^i\' medeërfgctiatueii waren
«erielfde belofte;
1,1 want hij verwachtte de
«ad die fundamenten heeft,
Melker kanttenaar en bouw
>aeettei God is.
-ocr page 326-
HEIMEERS 12.
aangc ln-\'" >, leunende op liet
opperatt van ifjneti stuf.
22 Door het geloof heeft Jozef
stervende gemeld van den uit-
gaug der kinderen lsraels, en
heeft bevel gegeven van zijne
gebeenten,
2:i Door het geloof werd Mo-
ze», toen hij Keboren km, drie
maanden l;iji-; van zijne ouders
ver burgen, overmits zij zagen
dat het kindeken schoon was;
en zij vreeaden het gebod des
Konhigs niet.
24  Door bet geloof heeft Mo.
zes, uu groot geworden zijnde,
geweigerd een zoon van Farao\'s
dochter gennaiml te worden,
25  verkiezende liever «iet bet
volk Gods kwalijk behandeld
te worden, dan voor cenen tiid
de genieting der zonde te heb-
ben,
2G achtende de vcrsiiiaadhcid
van Christus meerdere rijk-
dom te zijn dan de schatten in
Egypte; want hij zag op de
vergelding des loons.
27 Door het geloof heeft hij
Egypte verlaten, niet vreezen.
de den toorn des Koning»;
want hij hield zich vast als
ziende den Onzienlijke.
2S Door het geloof beeft hij
hot Pascha verordtneerd, en de
besprciiging den bloeds, opdat
de verderver der eerstgeboren
uen hen niet raken zoude.
29  Door liet geloof zijn zij de
Koode zee doorgegaan al» door
het droge; hetwelk de Egypte*
naars wik beproevende, zijn
verdronken.
30    Door het ireloof zijn de
muren van Jericho gevallen,
als ze tot zeven du ren toe om-
ringd waren geweest.
31  Door het geloof is ltaehah
de hoer niet omgekomen met
de cii-\'elnior/.\'iiiH\',.. als /.ij de
verspieders met vrede bad out-
vaneen.
32  Kn wat zal ik nog meer
zeggen ? Want de tijd zal mij
ontbreken, zoude ik verhalen
vau Gideon, eu Barak, en
Simsou, cu Jefta, en David,
en SamutU, en de Profeten;
33  welke door het geloof ko-
ntnkrijkeii heli hen overwon*
nen, gerechtigheid geoefend,
de beloftenittxen verkregen, de
muilen der leeuwen toegestopt,
34  de kraeht des vuurs heb-
beu nitgebliMcht, de scherpte
des zwaards zijn ontvloden,
uit zwakheid krachten hebben
gekregen, iu den krijg Eterk
geworden zijn. heiriegers der
vreemden op de vlucht hebben
gebracht;
3ö de vrouwen hebben hare
doodeu uit de opstanding vr-
rfri-gekregcn; en anderen zijn
uitgerekt geworden, de aunyf
bodene
vertoning niet m;i,
ineiidc, opdat zij eene betere
opstanding verkrijgen zouden;
li\'iin nudereu hebben beapottiti\'
geu en gecselingeu ondergaini,
en ook banden en gevniigenis,
37 zijn gesteenigd geworden,
in stukken geiaagd, verzocht,
door het zwaard ter dood g*-
braebt, hebben gewandeld i"
schaapsvelleu en in geltevel-
leu, verlaten, verdrukt, kwalijk
behandeld zijnde
3Ji (welker de wereld niet
waardig «as), hebben iu woe*-
tijiien gedoold eu Ofi bergen en
in spelonken en 1/1 de holen
der aarde.
39 En deze allen hebbende
door het geloof getuigenis g<-
bad, hebben de belofte »W
verkregen,
4ii alzoo God wat beters over
ons voorzien bad, opdat £\'J
zonder ons niet zouden vol-
maakt Morden.
HOOFDSTUK 12.
DAAROM dan ook, alzoo wij
zoo groot eeue wolk der jte*
tuigen rMiiduiu ons hebben 1\'-"
gende, laat ohm atteggen aHe-
last en de zonde die on* lichte-
lijk omritigt, eu laat ons met
lijdzaamheid loopen de loop-
baan die ous voorgesteld is.
-ocr page 327-
HEBREERS 12.
319
C ziende op den oversten Lelds*
man en Voleinder des geloofs.
Jezus, dewelke voor de vrctt-rdc
dip licin voorgesteld was, het
kruis beeft verdragen en de
si\'Lande veracht, en is gezeten
«nu de reehterAaml des troon*
God».
:i Want aanmerkt dezen, die
zoodanig een tegeuspreken van
de zondaren tegen lirb Leeft
verdragen, opdat gij niet ver-
Bauwt en bezwijkt in uwe
zielen.
4 Gij hebt nog ten bloede toe
niet tegen gestaan, strijdende
tegen de zonde;
•:> en gij hebt vergeten de ver-
niauiug, die tot u als tot zonen
spreekt: Mini /.oom, acht niet
klein de kastijding des Ileeren.
en bezwijk niet als gij van
Hem bestraft wordt.
(I Want dien de llcere lief-
heeft kastijdt Ilij, en Hij gee-
aelt eenen legelijkeu loou dien
Hij aaniieeiut.
7  Indien gij de kastijding ver*
draagt, zoo gedruagt God zieii
jegens u als ionen; (want wat
zoon is er dien de vader niet
kastijdt:)
s maar indien gij zonder kas-
tijdiuj; lijt. welker allen deel*
•chttg zijn geworden, zoo zijt
~\'j dan bastaarden en niet
zonen.
8   Voorts, wij hebben de va-
der» onzes vleeschcs wel tot
kastijders gehad, en wij ont-
\'•«gen ze : zullen wij tlan niet
veelmeer den Vader der gee»-
teu onderworpen zijn, en le-
h\' Want genen hebben Ou.* wel
Y»or eenen korten tijd, naar-
dat het hun goeddacht, gekat*
\',:|1; maar déze kastijdt om
jW pus nut, ondat wij zijner
heiligheid zouden deelachtig
*orden.
11 Ka alle kastijding, als die
egcuwoordig is, schijnt geene
-\'\'»k van vreugde maar van
«roefheid te zijn; doch daarna
geeft zij vau zich eene vreed*
znnie vrucht der gerechtigheid
dengenen die door dezelve ge*
oefend zijn.
12  Daarom richt weder öp de
trage handen en de slappe
knieën,
13   en maakt rechte paden
voor uwe voeten, opdat bet-
geen kreupel is, niet verdraaid
worde, maar opdat liet veelmeer
genezen worde.
11 Jaagt den vrede na met
allen, en de heiligmaking, zou-
der welke niemand den lleere
zien zal :
1.S toeziend1 dat niet iemand
verachtere vau de genade Gods;
dat niet eenige wortel der bit-
terheid, opwaarts spruitende,
beroerte inuke, en door dezelve
velen mitreinigd worden.
1\'i Dat niet iemand zij een
hoereerder, of een onheilige
gelijk Baalt, die om ééue spijze
liet recht van zijne ecrstgc-
bootte weggaf.
17 Want gij weet, dat hij ook
daarna de zegening willende
beërven, verworpen werd; want
hij vond geene plaats de» be-
rouws, hoewel hij dezelve niet
tranen zocht.
IS Want gij zijt niet gekomen
tot den tastelij keu berg, en
het brandende vuur, en don*
kerheid, eu duisternis, en on-
wed er,
19 en tot het geklank der l>a-
zuin, eu de stem der woorden,
welke die ze hoorden, baden,
dat het woord tot hen niet meer
zoude gedaan worden
2(1 (want zij konden niet dra-
gen hetgeen er geboden went:
Indien ook een gedierte den
berg aanraakt, bet zal gestee-
nigd of met cencu pijl door-
schoten worden;
21 en Mozes, zoo vreesclijk was
liet gelicht, zeidc: Ik beu zeer
bevreesd en bevende);
-- maar gij zijt gekomen tot
den berg Sion en de stad des
levenden Gods, tot bet hemel*
sebe Jeruzalem en de vele dui-
zeuden der Engelen,
-ocr page 328-
320                                        IIKHR
ïi tot de algcmeenc vergadc*
ring en de gemeente der eerst-
geboreiiea, jie in de beulden
opgeschreven zijn, en tot God,
de» Rechter over allen, en de
geesten der volmaakte recht-
vaardigeu,
24 en tot den Middelaar den
nieuwen Testament* Jezus, en
liet bloed der hespreiigmg, dat
betere dingen spreekt dan Abel.
SS Ziet toe dat «ij die» die
spreekt, niet verwerpt; want
indien déze» niet zijn ontvlo-
de», die dengenen verwierpen,
welke op aardt\' Goddelijke a»t-
wonrden gaf, veelmeer zulten
wij niet ontrlieilen, zoo wij on»
van die» afkeereu die van de
liemelen i$;
2d wiens stem toen de aarde
bewoog; maar nu beeft liij
verkondigd, zegge»dc: Nog
éénmaal zal Ik bewegen niet
alleen de aarde, maar ook den
beiuel.
-" Kn dit iroard: Nog éénmaal,
wijst a;i» de verandering der
beweeglijke diuge», nis welke
gemankt waren, ondnt blijven
zouden de dingen die niet be*
weeirlijk zijn.
28 Daarom, al zoo wij een ou-
beweeglijk Koninkrijk ontvan-
".i\'.i, laat ons de genade vitst-
boudi\'u, door dewelke wij God
welhehaaglijk mogen dienen,
met eerbied en godvruebtig*
beid.
SB Want onze God is ecu ver-
terend vuur.
KUS 13.
4  liet buwelijk eti eerlijk on-
der allen, en bet bed oubc-
vlekt; maar hoereerders eu
ovcrspelers zal God uordec-
le».
h Vm wandel zij zonder geld-
gierigheid, en zijt vergenoegd
met bet tegenwoordige; want
Hij beeft gezegd: Ik zal U niet
begeven en Ik zal u niet ver-
late»;
fi zoodat wij vrijmoediglijk
durven zeggen: De Heere is
mij een belper, en ik zal niet
vreezen wat mij ee» nieusch zal
doen.
7 Gedenkt uwer voorga»gr-
ren, die u het Woord Gods
gesproken hebben, en volgt
hun geloof na, aauschouwea-
dc de uitkomst hunner waude-
liiie.
5  Jezus Christus Is gistere»
en heden dezelfde en in der
eeuwigheid.
\'J Wordt niet omgevoerd niet
verse heldene e» vreemde lee-
ri»ge»; want het is goed dat
het hart gesterkt worde door
genade, niet door spijze», door
welke geen nuttigheid bekome»
hebben die daarin gewandeld
hebben.
10  Wij hebben een altaar,
van hetwelk geen maeht heb-
ben te eten die den Tabernakel
dienen.
11  Want welker dieren bloed
voor de zonde sedragen werd
in bet heiligdom door de»
[loogepriester, derzelver Helm-
uien werden verbrand buiten
de legerplaats.
13 Daarom beeft ook Jezus,
opdat bij door zij» eigen bloed
het volk zoude heilige», bui-
ten de poort geleden.
13   Zoo Inat ons da» tot hein
uitgaan buiten de legerplaats.
afjne sinaadheid dragende.
14  Want wij hebbeu hiergeene
blijvende stad, maar wij zoe-
kcu de toekomende.
ir» baat ons dan door hem
altijd Gode opofferen eene ot-
teraudf des lofs, dat is, de
HOOFDSTUK Kb
DAT de broederlijke liefde
blijve.
2 Vergeet de berbergzaaniheid
niet; want bierdoor hebben
Kommigcu ouweteus Kugeleu
geherbergd.
;i Gedenkt der gevangenen,
alsof gij medegevangen waart,
en dergene.i die kwnlijk be-
baudeld worden, nimf gij ook
zelve in het lienauiu kwulijk
behandv\'.d
vwiurt.
-ocr page 329-
b\'S 1.                                           321
pen door het bloed des eetnvU
gen Testament» uit de doodeu
heeft wedergebracht, namelijk
onzen Ileere Jesun Christus,
21  die volmake u in alle goed
werk, opdat gij zijnen wilmoogt
doen: werkende in u hetgeen
vinii\' Hein welbehaaglijk is door
Jezus Christus, denwclkeu zij
de heerlijkheid in alle eeuwig*
heid. Amen.
22  Doch ik bid 11, broeders,
verdraagt het woord dezer ver-
niauing; want ik heb u in \'t
kort geschreven.
23  Weet dat de broeder Timó-
theüi losgelaten is, met wei-
keu (zoo hij haast komt) ik u
zal zien.
24  Groet alle uwe voorgange-
ren en alle de heiligen. U groe-
ten die van Italië zijn.
25  De geuade zij met u allen.
Amen.
vrucht der lippen die zijnen
naam belijden.
Ui Eu vergeet de weldadigheid
en de mededeelzaamheid niet;
want aan zoodanige offeranden
heeft God een welbehagen.
17 Zijt uwen voorgangeren ire-
huorzaam en zijt hun ouderda-
uig; want zij waken voor uwe
zielen, als die rekenschap geven
zullen : opdat zij dat doen mo-
gen met vreugde, en niet al
zuchtende; want dat is u niet
nuttig.
is Bidt voor ons; want wij ver-
trouwen dat wij eeue goede
couscientie hebben, als die in
alles eerlijk willen wandelen.
1\'J i. 1 ik bid u te meer dat
gij dit doet, opdat ik te eerder
ulieden moge wedergegeven
worden.
20 De God uu des vrede», die
den grooten Herder der scha-
DE ALGEMEENE BKIEP
VAN DEN
APOSTEL JACOBUS.
oprecht, ia geen ding gebrek*
kei ijk.
5 K11 indien iemand van u
wijsheid ontbreekt, dat hij ze
van God hegeere, die een iege-
lijk mildelijk geeft, en niet ver-
wijt; eu zij zal hem gegeven
worden.
fi Maar dat bij ze hegeere in
geloof, niet twijfelende; want
die twijfelt, is cene bare der zee
gelijk, die van den wind gedre-
ven en op- eu neergeworpen
wordt.
7 Want die menseh meene niet
dat hij iets ontvangen zal van.
den Heen\'.
s Een dubbclhartig mau ia
21
HOOFDSTUK 1.
JACOBUS, een dienstknecht
Gods en des Heereu Jezus
Christus, aan de twaalf stam-
men die iu de verstrooiing zijn,
zaligheid.
2  Acht het voor groote vreug*
ȣ* mijne broeders, wanneer
RU in velerlei verzoekingen
valt,
3  wetende dat de beproeving
uws gelooi\'s lijdzaamheid
werkt.
4  Doch de lijdzaamheid hebbe
een volmaakt werk, opdat gij
"•oogt volmaakt zijn en geheel
-ocr page 330-
322                                          JA CC
moedigheid bet Woord dat ia
u geplant wordt, hetwelk uwe
zielen kan zalig maken.
22 En tijt daders de* Woord s,
en niet alleen hoorders, uzcl-
ven met valsche overlegging be-
driegende.
2"i Want zoo iemand een hoor-
der is des Woords, en uiet een
dader, die in een man gelijk,
welke 7,ijü aangeboren aange-
ziebt bemerkt in oenen spiegel.
24  Want hij heeft ziehzelven
bemerkt, en is weggegaan, en
heeft terstond vergeten hoeda-
nig hij was.
25  Maar die inziet in de vol-
maakte wet die der vrijheid is,
en daarbij blijft, déze geen ver-
Ketelijk iioorder geworden zijn-
de, maar een dader des werk*,
déze, ::•.\'/ ik, zal gelukkig zijn
in dit zijn doen.
, 2fi Indien iemand onder u dunkt
crzoeht worden met het kwa- ; dat hij godsdienstig is, en
oi
dbg
mdiKvi
kbzolo
li
1wv
zijne tong uiet in toom houdt,
hart verleidt, diens
dr, en Hijzelf verzoekt niemand
14 Maar een iegelijk wordt ver-
zocht als hij van zijne eigene j godsdienst is ijdel,
begeerlijkheid afgetrokken en j 27 De zuivere en onbevlekte
; godsdienst voor God en den
verlokt wordt;
15 daarna de begeerlijkheid \\ Vader is deze: weezen en \\ve-
ontvaugeu hebbende, baart j duwen bezoeken in hunne ver-
zonde, en de zoude voleiudigd
zijnde, baart den dood.
16  Dwaalt uiet, mijne geliefde
broeders.
17   Alle goede gave eu alle
volmaakte gift is van boven,
van den Vader der liehten af-
koincude, bij welken geene ver*
auderiug is of schaduw van
omkeeriug.
18  Naar zijnen wil heeft Mij
ons gebaard door het Woord
der waarheid, opdat wij zouden
drukking, en ziehzelven onbe-
smet bewaren vau de wereld.
HOOFDSTUK 2.
MIJNE broeders, hebt niet
het geloof onzes Heereu
Jezus CbrlstlMi ilen Herren der
heerlijkheid, met aauueiniug
des persoon s.
2 Wam zoo in uwe vergade-
ring kwam een man met eeueu
gouden rins aan den vinger,
zijn alt eerstelingen zijner 1   in eene sierlijke kleeding, en
schepselen, I   daar kwam ook eeu arm man
19   Zoo dan, mijne geliefde j   lu met eene slechte kleediug,
broeders, een iegelijk meuscb i
    3 en gij zoudt auuzlcu den-
zij rasch om te booren, truag
      genen die de sierlijke kleeding
om te spreken, traag tot toorn,
      draagt, en tot hein zeegen; Zit
20  Want de toorn des mans      urij hier op eene eervolle plaats,
werkt Gods gerechtigheid niet.
      en zoudt zeggen tot den arme:
21   Daarom afgelegd hebbende      Sta gij dA/ir, of zit hier ouder
alle vuiligheid en overvloed van
      mijne voetbank:
boosheid, outvaugt met zucht•       4 hebt gij dan uiet in uzelven
-ocr page 331-
eeu onderscheid gemaakt, en
zijt rechters geworden van
kwade overleggingen ?
i Hoort, mijne geliefde broe-
ders, heeft God niet uitverko-
ren de armen dezer wereld om
rijk te zijn in \'t geloof, en
erfgenamen d\'.\'9 Koninkrijks
\'ietwelk Hij belnott dengenen
die Hem liefhebbeu?
<; Maar gij hebt den arme on-
eer aangedaan. Overweldigen
u niet de rijken, en trekken zij
n niet voor de Rechterstoelen?
7 Lasteren zij niet den goeden
naam die over u aaugeroe-
nen ia?
S Indien gfj dan de kouink-
lijke wet volbrengt, naar de
Schrift: Gij zult uwen naaste
liefhebben ais uzelven, zuo
doet gfj wel;
\'J maar indien gij den persoon
iiauneemt, zoo doet gij zonde
t-n wordt van de wet bestraft
al» overtreders.
in Want wie de geheele wet
/.al liuuden, en in één zal strui-
kelen, die is schuldig gewor-
den aan alle.
11  Want die gezeird beeft: Gij
zult geen overspel doen, die
heeft óók gezegd i Gij tuit niet
duoden. Indien gij uu geen
overspel zult doen, maar zult
dooden, zoo zijt «ij een over-
treder der wet geworden,
12  Spreekt alzóó en doet nl-
zóó, als die door de wet der
vrijutid zult geoordeeld wor-
deu.
13  Want een oubarmbartig
oordeel :ul yuan over dengenen
die geene barmhartigheid ge-
daan heeft; en de barmhartig-
heid roemt tegen het oordeel.
1\' Wat nuttigheid is bet,
mijne broeders, indien iemand
z<gt dat hij het geloof heeft,
en de werkeu niet heeft? Kan
dat geloof hem zalig maken ?
11 Indien er uu een broeder
o» zuster naakt zouden zijn,
-1» gebrek zouden hebben aan
\'Wgelijkseh voedsel,
.\'• cm jeniaud van u tot ben
zoude xeggeu: Gaat henen iu
vrede, wordt warm en wordt
verzadigd; en gijlieden zoudt
hun niet geven de nooddruf-
tigheden des lichaam s, wat
nuttiglicid is dat?
17 Alzóó ook het geloof, in-
dien het de werken niet heeft,
is bij zichzelf dood.
is Maar, zal iemand zeggen,
gij hebt het geloof, en ik heb
de werkeu. Toon mij uw ge-
loot uit uwc werken, eu )k zal
u uit mijne werken mijn geloof
tooueu.
1<J Gij gelooft dat God een
éénig God it; tïij doet wel; de
duivelen celooveu het ook, en
zij sidderen.
2tl Maar wilt gij weten, o
ijdel mensi\'h, dat het geloot
zonder de werken dood is?
il Abraham onze vader, is
hij niet uit de werken gcrecht-
\\aardigd, all b|j Isaak zijnen
zoon geofferd heeft op het
altaar?
32 Ziet gfj wel dat het geloof
niedcgewrncht heeft met zijne
werken, en het geloof volmaakt
is geweest uit de werken ?
SS En de Schrift is vervuld
geworden, die daar zegt: Eu
Abraham geloofde God, eu het
is hem tot rechtvaardigheid
gerekend, en hij is eeu vrieud
Gods genaamd geweest.
\'24 Ziet -ij dan uu dat eeu
mensch uit de werkeu gerecht-
vaardigd wordt, en niet alleen-
lijk uit het geloof?
25 En desgelijks ook Itachab
de boer, is zij niet uit de wer-
ken gerechtvaardigd geweest,
als zfj de gezondenen heeft
ontvangen, eu door een en
anderen weg uitgelaten?
38 Want gelijk liet lichaam
zouder geest dood is, alzóü
is ook liet geloof zouder d«a
werken dood.
HOOFDSTUK 3.
ZIJT niet vele meesters, mij-
DC broeder?, wetende dat
-ocr page 332-
324                                           JA CO
wij te meerder lordeel zullen
ouCv_..^eii.
3  Went wij struikelen allen iu
veel. Indien iemand in woor-
den niet struikelt, die is een
volman kt inan, machtig oui
ook liet gehcele lichaam, in
toom te houden.
\'.i Zie, wij leggen den paarden
toornen in de monden, opdat
zij ous zouden gehoorzamen,
cu wij leiden daarmede hun
gehecle lichaam om;
4  zie, ook de schepen, hoe-
wel ze zoo Kroot zijn en van
harde winden gedreven, zij
worden omgevend van een
zeer klein roer, waarhenen
ook de begeerte des ituurderi
wil:
5  alsoó is ook de tong een
klein lid, eu roemt nochtans
groote dingen. Zie, een klein
vuur, hoe \'.rrooteu hoop hout
het aansteekt.
(> De tong i- óók een vuur,
een wereld der ongerechtig-
hcid: alzóó is de tong onder
onze leden gesteld, welke liet
geheele lichaam besmet, eu
ontsteekt het md onzer ge-
boorte, en wordt ontstokeu
van de hel.
7 Want alle natuur beide der
wilde dieren eu der vogelen,
beide der kruipende eu der
zeedieren, wordt getemd eu
is getemd geweest van de
nienschelijke natuur;
s maar de tong kan geen
mensen temmen. Zij is een
Qnbedwlift4»*ar kw.w, vol vau
doodtüjrt venijn.
\'.» Door haar loviin wij God
en den Vader, en door tiaar
vervloeken wij de ïueuscheu,
die naar de gelijkenis Gods
gemaakt zijn.
ld Uit denzelfdeu mond komt
voort zegening eu vervloeking.
Vilt moet, mijr.e broeders, alzóu
niet geschieden.
11  Welt oefc een fontein uit
eene zelfde ader het zoet en
het bitter?
12  Kan ook, mijne broeders,
ÜS 4.
een vijgeboom olijven voort-
brengeu, of een wijnstok vij«
gen ? Alzóó kan geene fontein
zout en zoet water voort*
brei i tren.
18 Wie is wijs en verstandig
onder u ? Die bewijze uit
siiuen goeden wandel zijne
werken, iu zachtmoedige wijs-
heid.
14  Maar indien gij bitteren
nijd en twistgierigheid hebt
in uw hart, zoo roemt en liegt
niet tegen de waarlieid.
15  Deze in de wijsheid niet
die vau hoven afkomt, maar
is aardsch, natuurlijk, dui*
velsch.
16  Want waar nijd en twist*
gierigheid is, aldaar is ver-
warring en alle booze handel.
17  Maar de wijsheid die van
boven is, die is ten eerste zui*
ver, daarna vreedzaam, be-
scheiden, gczcglijk, vol van
barmhartigheid en van goede
vruchten, niet purtijdiglijk oor-
deeleude, en ongeveinsd.
18  En de vrucht der recht"
vaardigheid wordt iu vrede
gezaaid voor degenen die vrede
ma keu.
HOOFDSTUK 1.
VAX waar kamen krijgen en
vechterijeu onder u r Komen
ze
niet hiervan, namelijk uit
uwe wellusten die in uwe le-
den strijd voeren t
2 Gij begeert, en hebt niet:
gij benijdt eu ijvert naar di/i\'
yen,
en kunt ze niet verkrij*
gen; gij vecht en voert krijg,
doch gij hebt niet, omdat gij
uiet bidt.
it Gij bidt, en gij ontvangt
niet, omdat gij kwalijk bidt,
opdat gij het in uwe wellusten
doorbrengen zoudt.
4 Overspelen en overspeel-
stera, weet gij niet dat de vriend-
schap der wereld eene vijand*
schaii Gods is> Xoo wie dan eet!
vriend der wereld wil zijn, di?
wordt ecu vijand Gods gesteld.
-ocr page 333-
JACOBUS 3.
5   Of meent gij dat de Schrift
tevergeefs zegt: De Geest die
in dub woont, heeft die lust
tot nijdigheid ?
6  Ja, hg geeft meerdere ee-
nadc. Daarom zegt de Schrift :
God wederstaat de hoovaardi-
gen, maar den nederigen geelt
Hij genade.
7  Zoo onderwerpt u dan Gode:
wederstaat den duivel, en liij
zal van u vlieden.
x Naakt tot God, en bij zal tut
tl naken. Reinigt de banden,
Ei.i zondaars, en zuivert de
alten, gij dubbelhartfircu.
9 Gedraagt u als ellendigen
en treurt en weent; uw lachen
worde veranderd in treuren,
en uwe blijdschap in bedroefd*
beid.
lil Vernedert u voor den
Heere, en Hij zal u vcrhoo-
gen.
11 Broeders, spreekt niet kwa-
lijk van elkander. Die van zij-
nea
broeder kwalijk spreekt en
zijnen broeder oordeelt, die
spreekt kwalijk van de wet eu
oordeelt de wet. ludicn gij nu
de wet oordeelt, zoo zijt irij
geen dader der wet, maar een
rer liter.
15 Haar is een éénlg Wetge-
ver, die behouden Kan en ver-
derven, doelt wie zijt gij, die
een ander oordeelt?
13    Welaan nu, gij die daar
zegt: Wij zullen lieden of\' mor-
gen naar zulk eeue stad reizen,
en aldaar een jaar doorbrengen,
en koopmanschap drijveu eu
winst doen,
14  gij die niet weet wat mor-
Sen yeachicdcit zal; wnut hoe-
anig is uw leven? Want het
is een damp, die voor een wei-
nig tijde gezien wordt en daar*
na verdwijnt.
15    In plaats dat gij zoudt
zoggen : Indien de Ileere wil
en wij leven zullen, zoo zul-
len wij dit of dat doen.
16    Maar uu roemt gij iu
uwen hoogmoed: al zoodanige
roem is boos.
17 Wie dan weet goed te doen
eu bet niet doet, dien is bet
zonde.
HOOFDSTUK 5.
WELAAN nu, gij rijken,
weent eu huilt over uwe el*
lendjgheden die over u komen.
- Uw rijkdom is verrot, eu
uwe kleederen zijn van de mot-
teu gegeten geworden;
3   uw goud en zilver ïs ver-
roest, en bun roest zal u zijn
tot eeue getuigenis, en zal uw
vleesch als een vuur verteren;
gij hebt schatten vergaderd in
de laatste dagen.
4  Zie, het loon der werklieden
die uwe landen gemaaid heb-
ben, hetwelk van u verkort is,
roept; eu het geschrei derge-
nen die geoogst hebben, is ge-
komen tot in de ooren des
Heeren ZebaOth.
•S Gij hebt weelderig geleefd
op de aarde, en wellusten gc-
volgd; gij hebt uwe harten
gevoed ;.i- iu eeneu dag der
slachting.
f\' Gij hebt veroordeeld, gij
hebt gedood den reclitvaardi-
gc, en hij wederstaat u niet.
7   Zoo zijt dan lankmoedig,
broeders, tot de toekomst des
Heeren. Zie, de laiidmau ver-
wacht de kostelijke vrucht des
lands, lankmoedig zijnde over
dezelve, totdat liet den vroe-
geu en den spaden regen zal
nebben ontvangen.
8   Weest gij óók lankmoedig,
versterkt uwe harten, want
de toekomst des Heeren ge-
naakt.
y Zucht niet tegen elkander,
broeders, opdat irij nictveroor-
deeld wordt : zie\', de Hechter
staat voor de deur.
UI Mijne broeders, neemt tot
een exempel des lijden» en der
lankmoedigheid de Profeten,
die in den naam des Heeren
gesproken hebben.
11 Zie, wij houden ze geluk-
zalig die verdragen. Gij hebt
-ocr page 334-
32fi                                          1 PBTK
de verdraagzaamheid Job» -re-
boord, en l: ij hebt bet etude
des Ilccrcu u-iv.ii\'ti, dat de
Ileerc zeer barmhartig is eu
een Ontferiner.
12    Doch vóór alle dinsen,
mijne broeders, zweert niet,
nooit hij den hemel, uoeb bij
de narde, uoeb eeiiigen ande-
ren eed; maur uw ja zij ja,
en bet neen neen, opdat gij
iu Reen oordeel valt.
13   Is iemand onder u in lij-
den, dat bij bidde. Is iemand
goedsmoeds, dat bij psalm*
zin ge.
14    Is iemand krank onder u,
dat bij tot llcli roepe de Ouder-
lin<reu der gemeente, en dat
zij over bcui bidden, hem Ml*
veude met ulie in den unam des
Ileereu:
15   en het trvbcd des gelooftt
zal den lieke behouden, en de
Heere zal hem oprichten, en
zo» hij zouden gedaan zal heb
;US ï.
ben, bet zal hem vergeren
worden.
KI üelijdt elkander de mlsda*
den, en bidt voor elkander,
opdat -ij irezond wordt. Ken
krachtig gebed des rechtvaar*
dlceu vermag veel.
17 KHa was een raenseb van
gelijke bewegingen als wij, en
hij oud «en cebed dat het niet
zoude rerenen, eu het regende
niet op de aarde iu drie jaren
eu zes maanden.
is E., hij bad wederom, en de
hemel «af reeen, en de aarde
bracht hare vrucht voort.
i\'i broeders, indien iemand
onder u van de waarheid is 1
afgedwaald, eu iemand hem
bekeert,
90 die wetp, dat degene die
eenen zondaar van de dwaling
/ij.is we£s bekeert, eeue ziel
vai den dood zal behouden, eu
menigte der zouden zal be-
dekken.
DE EERSTE ALG]
vas :
APOSTEL
MEENE BRIEF
RX
PETRUS.
onzes Hoeren Jezus Christus,
dl.\' uanr zijne groote barm-
Imrtiglieid ons heeft wederge-
boren tot eeue levende hope,
door de opstanding van Jezus
Christus uit de dooden,
4   tot ee.ie on verderfelijke en
onbevlekkelijke en onverwelke*
lijkc erfenis, die iu de hemelen
bewaard i* voor u,
5   die in de kracht Gods be-
waard wordt door het geloof
tot de lalitrheid, die bereid is
om Mopeu baard te worden iu
den laatsten tijd.
fi Iu weikeu gij u verheugt,
HOOFDSTUK 1.
PKTHUS, een Apostel van Jo-
zun Christus, den vreemde-
HuKou v rstrooid iu Poutik»,
OalatiC, Cuppudocic, Azië en
Bitbyufe,
•2 den uitverkorenen naar de
voorkeuu is Gnd> des Vaders,
iu de lieili"uiKkiug drs Geet-
tes, tot ïehimrzaamlieid en
bespren\'ïing des bloeds van
Jezus Christus: ceiuide en vre-
de zij u vermenigvuldigd*
.\'» Gelooid zij de God eu Vader
-ocr page 335-
1 PET
nu een weinig thds (zoo bet
noodig is) bedroefd zijnde door
inenigerlei verzoekingen;
7  opdat de beproeving uws ge-
loofs, die veel kostelijker is dan
des gouds, hetwelk vergaat en
door het vuur beproefd wordt,
bevonden worde te zijn tot lof
en eer en heerlijkheid, iu de
openbariug van Jezus Christus;
8    deiiweikcu gij niet gezien
hebt en nochtans Hef hebt; in
deuwelken gij nu, hoewel hem
niet ziende, maar geloovende,
u verheugt met eeue ouuitspre*
kelijke en heerlijke vreugde,
ïl verkrijgende het einde uws
geloofs, namelijk de zaligheid
der zielen.
U) Van welke zaligheid onder*
vraagd en onderzocht hebben
de Profeten, die geprofeteerd
hebben van de genade aau u
tjvttchied,
11  onderzoekende op welken of
boedanigen tijd de Geest van
Christus, die iu hen was, be-
duidde en te voren getuigde bet
lijden dat op Christus komen
zoude,
en de heerlijkheid daarna
volgende ;
12  denwelkeu geopenbaard is,
dat zij niet ziebzelveit inaar
ons bedienden deze dingen,
die u nu atmgedieud zijn door
degenen, die u het Evangelie
verkondigd hebben door deu
Heiligen Geest, die van den
hemel gezonden is ; iu welke
dingen de Engelen begeerig
zijn iu te zien.
13    Daarom opschortende de
lendenen uws verstand», en
nuchter zijnde, hoont volko-
iiienlllk op de genade die u
toegebracht wordt in de opeu-
bariug van Jezus Christus.
11 Als gehoorzume kinderen
wordt niet gelijkvormig aan de
begeerlijkheden die te voren iu
uwe onwetendheid waren.
15 Maar gelijk Hij die u ge-
roepen heelt, heilig is, zoo
wordt ook gijzelveu heilig iu
al ween wandel,
lö daarom dat er geschreven
I\'S 2.                                          327
is: Zijt heilig, want Ik beu
heilig.
17    Eu indien pij tot eenen
Vnder aanroept dengenen die
zonder aanneming des per-
snons oordeelt naar eens iege-
Hjks werk, zoo wandelt in
vreeze den tijd uwer inwo-
uing,
18  wetende dat gij niet door
vergankelijke dingen, zilver of
goud, verlost 7.ijt uit uwe ijdele
wandeling, die u van de vade*
ren overgeleverd i»,
lil maar door het dierbaar
bloed van. Christus, als van een
on bes treffelijk en ott bevlekt
Lam;
\'.o dewelke wel vóorgekend is
geweest vóór de grondlegging
der wereld, innar geopenbaard
is in deze laatste tijden oui
uwentwil,
21 die door hem gelooft in
God, welke hem opgewekt heeft
uit de dooden, en hem heerlijk*
heid gegeven beeft, opdat uw-
geloof en hoop op God zijn
zoude.
2? Hebbende den uwe zielen
gereinigd in de gchoorzaam-
heid der waarheid, door duit
Geest, tot ongeveinsde broe-
derlijke liefde, zoo hebt elkan-
der vuriglijk lief uit eeu rein
hart,
23  gij die wedergeboren zijt,
niet uit vergankelijk maar uit
onvergankelijk zaad, door het
levende en eeuwig blijvende
Woord Gods.
24  U\'imt alle vleesch is als
gnis, en alle heerlijkheid des
meiisclien is als mie bloem
van het gras. Het gras is ver-
dord, en zijne bloem is afgc-
vallen;
25  maar bet Woord des Hee-
reu blijft in der eeuwigheid. En
dit is bet Woord dat onder u
verkondigd is.
HOOFDSTUK 2.
ZOO legt dan ftf alle kwnad-
lu\'iil en alle bedrog eu ge-
-ocr page 336-
32S                                           1 I-KI
veinsdheid Cu nijdigheid en alle
ach terk tappin gen;
2  en ala nieuwgeborene kinder-
keus zijt zeer begeerig naar de
redelijke onvervalschte melk,
opdat gfj door dezelve iimini
opwassen;
3  indien irïj anders gesmaakt
hebt dat de Heere goedertie*
reu is.
4  Tot welken komende als t«t
cenen levenden steen, van de
nenschen wel verworpen, maar
bij God uitverkoren en dier-
baar,
5  zoo wordt gfj ook zelve als
levende stcenen {rebound tut
een geestelijk huis, tut een
Kciiig Priesterdom, om geeBte*
lijke offeranden op te offeren,
die Gode aangenaam zijn door
Jezus Christus.
f> Daarom is nok vervat in de
Schrift: Zie, Ik leg in Slotl
eenen uitersten hoeksteen, die
uitverkoren en dierbaar is j en
die in hem gelooft, zal uiet be-
schaamd worden.
V dan die gelooft, is hij dier-
baar; maar den ongchoorza-
rnen wordt gettgd: De steen,
dien de bouwlieden verworpen
hebben, déze is geworden tot
ecu hoofd des hoeks, en ecu
steen des aanstoots, eu ecne
rots der ergernis;
8  dengenen namelijk die zieh
aan bet Woord stooten, onge-
hoorzanm zij..de, waartoe zij
ook gezet zijn,
9  Maar gij zijt een uitverkoren
geslacht, een koninklijk Prit\'s-
terdoiu, een heilig volk, een
verkregen volk, opdat gij zoudt
verkondigen de deugden desge-
nen die u uit de duist mis ge-
roepen heelt tot zijn w ouder*
baar licht,
10  gij die eertijds geen volk
waart, maar nu Gods volk
zijt; die ecrtijifn niet ontfermd
waart, maar nu ontfermd zijt
geworden.
11    Geliefden, ik vermaan u
als inwoners en vrcemdeliu-
gen, da: gij u onthoudt van
,US 2.
de vlceschelijke begeerlijk te-
den, welke krijg voeren tegen
de ziel;
13 en houdt uwen wandel eer-
lijk ouder de heidenen, opdat
in hetgeen zij knalijk van u
spreken als van kwaaddoeners,
zij uit de goede werken die zij
in u zien, God verheerlijken
mogen in den dag der bezoc*
kinir.
i:< Zijt dan alle meiischclfjkc
ordening onderdanig om des
Heeren wil, hetzij den Koning,
als de opperste macht heb-
hcude,
11 lietzfj den Stadlmuderen,
als die van hem gezonden wor-
deu tot straf wel der kwaad*
doeners, maar tut prijs derge-
oeu die goed doen.
15 Want alzoo is bet de wil
Gods dat gij wèl doende den
mond stopt aan de ouweteud*
heid der dwaze uicusehcti;
Iti als vrijen, cu niet de vrtj*
lieid hebbende tot een deksel
der boosheid, maar als dienst*
knechteu Gods.
1" Eert een iegelijk; bebt de
broederschap lief; vreest God;
eert den Koning.
is Gij huisknechten, zijt met
alle vreeze onderdanig den hce-
ren, niet alleen den goeden eu
bescheidenen, maar ook deu
harden.
19 Want dat is genade, indien
iemand om de eoiiseientie voor
God zwarigheid verdraagt, lij*
dende ten onrechte.
M Want wat lof is het, indien
gij verdraagt als gij zondigt en
daarover geslagen wordt": Maar
indien gij verdraagt als gij wï-1
doet en daarover lijdt, dat ia
genade hij God.
21   Want hiertoe zijt gij geroe*
pen, dewijl ook Christus voor
ons geleden heeft, ons een
exempel nalatende, opdat gij
zijne voctstuppcu zoudt navol-
gen;
                                          .
22    die geene zonde gedaan
heeft, eu duar is geen bedrog
in zijueu mond gevonden ;
-ocr page 337-
uwc gebeden niet verhinderd
worden.
s Kii eindelijk, zijt allen eens-
grziud, medelijdend, de broe-
ders liefhebbende, met inner*
Hjke barmhartigheid bewogen,
vriendelijk;
» vergeldt niet kwaad voor
kwaad, ot\' schelden voor schel-
den, maar zegent daarentegen;
wetende dat gij daartoe geroe*
pen zijt, opdat gij zegening
zoudt beerven.
in Want wie het leven wil
liefhebben, en goede dagen
zien, die stille zijne tong vau
het kwade, en zijne lippen dat
ze geen bedrog snrekeu .
11  die wtjke at vau het kwe.-
de, en doe het goede; die zoe*
ke vrede en jage denzelven ua.
12  Want de oogeu des Ueeren
zijn over de rechtvaardigen,
en zijne ooien tot hun gebed;
maar het aangezicht des IIee-
ren is tegen degenen die kwaad
duen.
13  En wie is het die u kwaad
doen zal, indien gij navolgers
zijt van het goede?
11 Maar indien gij ook lijdt
om der gerechtigheid wil,
zoo zijt gij zalig; en vreest niet
uit vreeze van hen, en wordt
niet ontroerd;
15 maar heiligt God den Hce*
re iu uwe harten; en zijt altijd
bereid tot verantwoording aan
een iegelijk die u rekenschap
afeisclit van de hope die in
u is, met zachtmoedigheid en
vreeze.
l(i En hebt eene goede con*
seietitie, opdat in hetgeen zij
knalijk van u spreken als vau
kwaaddoeners, zij beschaamd
mogen worden die uwen goe-
den wandel iu Christus laste*
ren.
1" Want het is heter dat gij
wel doende (indien de wil
Gods het uil) lijdt, dan kwaad
doende.
IS Want Christus heeft ook
ééns voor de zouden geleden,
hij rechtvaardig voor de ou-
23 die als hij gescholden werd,
tiiet wederschold, en als bij
leed, niet dreigde, maar liet
overgaf aan dieu die rechtvaar-
diglrjk oordeelt,
\'24 die zelf onze zonden in zijn
lichaam gedragen heeft op het
hout, opdat v i.\' der zonden
afgestorven zijnde, der ge-
rcchtigheid leven zouden, door
wiens striemen dj genezen
zijt.
25 Want gij waart als dwalen*
de \'-i\'li;ijn\'!i, maar gij zijt nu
bekeerd tot den Herder en
Opziener uwer zielen.
HOOFDSTUK 3.
DESGELIJKS Rij vrouwen,
zijt uwen eigenen mannen
onderdanig, opdat ook zoo eeui-
gen den Woorde ongehoorzaam
zijn, zij door den wandel der
vrouwen zonder woord niogeu
gen uini(\';i worden,
- als zij zullen ingezien heb-
hen uwen kuischeu wandel in
vreeze.
:t Welker versiersel zij, niet
hetgeen uiterlijk is, bestaande
In het vlechten dei baars, en
omhangen van goud, of van
kleederen aan te trekken,
l maar de verborgen mensen
des harten, in het ouverdert\'elijk
versiersel van eeuen zachtmoc-
digen en stillen geest, die kos-
telljk is voor God.
.\'t Want al/..in versierden zïeh-
zelve eertijds ook de heilige
vrouwen, die op God hoopten,
en waren haren eigenen mau-
iien onderdanig:
(> gelijk Sara Abraham gehoor*
zaain is geweest, hem noemen*
de lieer, welker dochten gij
geworden zijt, als gij wel doet,
en nist vreest »oor veilige ver-
•chrlkking.
7 Gij mannen insgelijks, woont
hij haar met verstand, aan het
vrouwelijke vat als het zwak-
*te, eere gevende, als die ook
i\'< edeerfgenaraen der genade
«es levens met kaar zijt, opdat
-ocr page 338-
1 I\'KTIM\'S A.
dezelfde uitgieting der oven! i-
digheid, en w lasteren;
5 dewelke zullen rekenschap
geven dengenen die bereid staat
om te oordeelen de levenden eu
de dooden.
C> Want daartoe is ook den
dooden het Kvatigelie verkou-
digd geworden, opdat zij wel
zouden geoordeeld worden naar
den ineiiseh in het vleeseh,
maar leven zouden naar God
in den geest.
7 Kn het einde aller dingen is
nabij : zïjt dan nuchter, cu
waakt in de gebeden.
s Maar vooral hebt vurise
liefde tot elkander: want de
liefde zal menigte van zonden
bedekken.
tl Zijt herberg/.nam jegens elk-
ander, zonder niurinureeren.
10  Een iegelijk gelijk hij gave
ontvangen heeft, alxóó bedien?
hij dezelve aan den ander, al*
goede uitdeelers der ineniger-
ici genade Gods.
11  Indien iemand spreekt, die
spreke
als de woorden God";
indien iemand dient, r/ie dien f
als uit kracht die God ver-
leent i opdat God in allen
geprezen worde door Jezus
Christus, welken toekomt de
heerlijkheid en de kracht in
alle eeuwigheid. Amen.
12    Geliefden, houdt u niet
vreemd over de hitte der rW
drukking onder u, die tl gc-_
sehiedt tot verzoeking, nlsoi
u iet* vreemds overkwame;
i:t maar gelijk gij gemeen*
schap hebt aau het lijdeu van
Christus, ateóó verblijdt u:
opdat gij ook inde openbaring
zijner heerlijkheid u nioogt
verblijden eu verheugen.
14  Indien gij gesmaad wordt
om den naam tan Christus,
zoo zijt gij zalig; want «"
Geest der heerlijkheid en de
Geest
Gods rust op u. Wat hen
aangaat, hij wordt wel gcla*;
terd, maar wat u aangaat, luj
wordt verheerlijkt.
15  Doch dat niemand van u
rechtvaardigen, opdat hij ons
tot God zoude brengen; die
wel is gedood in het vleeseh,
maar levend gemaakt door den
Geest.
V.i In denwelken liij ook hc-
neugegaan zijnde, den geesten
die in de gevangenis zijn, ge-
predikt heeft,
20 die eertijds ongehoorzaam
waren, wanneer de lanknme-
dikheid Gods eenmaal ver*
wnehttc in de dairen van No*
ach, als de nrk toebereid werd,
waarin weinige (dat is, aeht]
zielen behouden werden door
het water.
31 Waarvan het tegenbeeld,
de doop, ons nu ook behoudt,
niet die eene aflegging is der
vuiligheid de» lieliaants, maar
die eene vraag is eeiter goede
eonscientie tot God, door de
opstanding van Jezus Chris-
tus;
22 welke is aan de rechter*
hand Gods, opgevaren ten hc-
inel, de Kngelen en maehten
en krachten hein onderdanig
gemaakt zijnde.
HOOFDSTUK 4.
DKWIJL dan Christus voor
ons itt het vleeseh geleden
heeft, zoo wapent gij u ook met
dezelfde gedachte, namelijk dat
w ie in liet vleeseh geleden
heeft, die heeft opgehouden
van de zoude,
-\' om nu niet meer nnar de
hegeer lijkheden der mensehen,
maar naar den wil Gods den
tijd die overig is in het vleeüeli,
te leven.
\'.i \\\\ ii\'.t. het Is ons genoeg,
dnt wij den voorgnandeu tijd
des levens der heidenen wil
volbracht hebben, en gewau-
deld Jiebben in ontuchtighc-
den, begeerlijkheden, vvlju.
zuiperijen, brasser! jen, drïn.
kerijeu en gruwelijke afgnde-
rfjen,
4 waarin zij zich vreemd hou-
den, als gij niet medeloopt tot
-ocr page 339-
Jijde als een dood Minere r, of
dief, of kwaaddoener, of als een
die zich met eens uuder-s doen
bemoeit;
\\>i inanr indien iemand Hult als
een C\'liristen, die schuine zich
niet, maar verbeerlijke God in
dezen deele.
17 Want het ia de tijd dat het
oordeel beginne vuu het lïuin
\'\' ids: en indien het eerst
rcm ons beyint, welk znl liet
einde zijn dergciicu die liet
Evangelie Gods ongehoorzaam
lijn t
In Ën indien de rechtvaardige
nauwelijks zalig wordt, wa.ar
zal de goddclooze en zondaar
verschijnen ?
19 Zoo dan ook die lijden naar
den wil Gods, dat zij hunne
zielen Hem, als den getrou-
weii Schepper, bevelen met wel
doea.
HOOFDSTUK 5.
DE Ouderlingen die onder »
zijn, vermaan ik, die een
mede-ouderling eu getuige des
lijdens van Christus beu, en
deelachtig der heerlijkheid die
geopenbaard zal wordeni
\' weidt de kudde Gods die
ouder u is, hebbende opzicht
daarom niet uit bedwang maar
gewilliglijk, noch om vuilge*
win maar met een volvaardig
gemoed,
\'t nocii nis heerschappij voc-
rende over het erfdeel des Hee-
ren, maar alt voorbeelden der
kudde geworden zijnde.
4 Kn nis de overste Herder
verschenen zal zijn. zoo zult gij
de onverweikelfjke kroon der
heerlijkheid behalen.
5 Desgelijks gij jongen, zijt
den ouden onderdanig; en zijt
allen elkander onderdanig; zilt
met de ootiuoedigheid bekleed;
want God wederstaal de hoo-
vaarditren, maar den nederigeu
geelt Hij genade.
fï Vernedert u dan onder de
krachtige hand Gods, opdat
Hij u verhoogt* te zijner tijd.
7 Werpt n\' uwe bekommernis
op Hem, want Hij zorgt voor u.
H Zijt nuchter e* waakt;
want uwe tegenpartij, de duivel,
gaat ou als een brieschende
leeuw, zoekende wien hij zoude
mieren vers! inden ;
il denwelken wederataat, vaat
ziji.de in Let geloof, wetende
dat hetzcllde lijden aan uwe
broederschap die in de wereld
is, volbraclit wordt.
10   De God nu aller genade,
die ons geroepen heeft tot
zijne eeuwi-re heerlijkheid in
Christus Jezus, nadat wil een
weinig tiid* zullen geleden
hebben, dezelve volmake, be-
vestige, versteikc eu fundeere
ulieden.
11  Hem zij de heerlijkheid en
de kracht in alle eeuwigheid.
Amen.
12  Door Silvnuus die u een
getrouw broeder is, zoo ik acht,
heb ik met weinige woorden
Beschreven, vermanende en
betuigende dnt déze ia de
waarachtire genade Godi, in
welke gij staat.
13  TJ groet de mede-u E tverko-
ren gemeente die iu Hnbylou is,
eu Marcus mijn zoon.
14  Groet elkai.der met eeneu
kus der liefde. Vrede zij u al-
len die in Christus. Jexus zijt.
Ameu,
-ocr page 340-
DE TWEEDE ALGEMEENE BRIEF
VAN\' DEN
APOSTEL PETRUS.
zij zullen u niet ledig of
onvruchtbaar laten in de keu-
nis onzes Heeren Jezus Chris*
tui.
9 Want bij welken deze din-
geu niet zijn, die is blind, van
verre niet ziende, hebbende
vergeten de reiniging zijner
vorige zonden.
lil Daarom, broeders, benaar-
stigt u te meer om uwe roeping
eo verkiezing vast te maken;
want dut doende, zult gij nini-
mermeer struwelen.
11  Want al zoo zal u rijkelijk
toegevoegd worden de iiiganS
In het eeuwig Koninkrijk onaes
Heeren eu Zaligmakers Jezut
Christus.
12    Daarom zal ik niet verzin*
men u altijd daarvan te ver-
manen, hoewel gij het weet en
in de tegenwoordige waarheid
versterkt zijt.
13  Eu ik acht het recht te zijn,
zoolani* ik in dezen tabernakel
beu, dat ik u opwekke door
vermaning,
14  alzoo ik weet dat de ifleg*
ging mijns tabernakels haast
zijn zal, gelijkerwijs ook on!1.;\'
Ileere Jezus Christus mij been
geopenbaard.
15  Doch ik zal ook nanrsti.\'-
heid doen bij alle gelegenheid,
dat gij na mijnen uitgang van
deze dingen gedachtenis nioogt
hebben.
1C> Want wij zijn geen kun-
stiglijk verdichte fabelen na-
gevolgd, als wij u bekeud-
gemaakt hebbeu de kracht eu
HOOFDSTUK 1.
SIMEON Petrus, een dienst\'
knecht en Apostel van Jezus
Christus, aan degenen die even
dierbaar geloof met ons ver-
kregen hebben, door de recht-
vaurdigheid im/.i\'s Gods e» Za-
Uitmaken Jezus Christus:
2  genade en vrede zij u ver-
men igvuldigd door de kennis
van God cu van Jezus onzen
Hcere,
3  gelijk ons zijne Goddelijke
kracht nlies wat mt het leven
en de godzaligheid bekoort, ge-
schonken heeft, door de keunis
desgeneu die ons geroepen heeft
tot heerlijkheid en deugd;
4  door welke ons de grootste
en dierbare beloften geschon-
ken liju, opdat gij door dezelve
der Goddelijke natuur deel-
Achtig zoudt wordeu, nadat teïj
ontvloden zijt liet verderf dat
in de wereld is door de begcer-
1 ijkheid.
ö En gij tot heUelve ook al-
lc naarstigheid toe breuken de,
voegt bij uw geloof deugd, en
bij de deugd keunis,
f. en bij de kennis matigheid,
en bij de matigheid lijdzaam-
heid, en bij de lijdzaamheid
godzaligheid,
7  en bij de .\'odzaligheid hroc-
derlÜke liefde, en bij de broe-
derlijke liefde liefde jegens
nllca.
8    Want zoo deze dingen bij
u zijn en in u overvloedig SÜn,
-ocr page 341-
2 PET
toekomst onset Ileereu Jezus
Christus, maar wij zijn aau-
nehouweri geweest vhii zijne
majesteit.
17 Want hij heeft vim God
de» Vader eer en heerlijkheid
nu tvaugeu, als zoodanig eeue
item van de hoogwaardige
heerlijkheid tot hein gebracht
werd : Déze is ïniju geliefde
Zoon, in denwelken Ik mijn
v.illich.-iv.vii heb.
is Kn deze stem hebben wij
gehoord, als zij van den hemel
gebracht is geweest, toen wij
met hem op den heiligen berg
waren.
19 Eu wij hebben bet profetï-
Mhe Woord dat zeer vast is,
en gij doet wel dat gij daarop
aeht hebt als op een licht,
schijnende in eeue duistere
plaats, totdat de dag aauliebte
en de umi-geust< i\' up-rn in uwc
harten.
2» Dit eerst wetende dat «een
profetie der Schrift is vau
eigene uitlegging ;
21 want de profetie is voor-
tijd» uiet voortgebracht door
deu wil eens meuscueu, maar
de heilige nieiischen Gods,
van den Heiligen Geest gedre-
veu zijnde, hebben ze gespro-
keu.
HOOFDSTUK 2.
1? N daar rijn ook valschc
J profeten onder het volk (CO-
Went, gelijk ook onder u val"
tche leeraars zijn /.uilen, die
verderfelijke ketterijen bedek-
Hijk invoeren zullen, ook deu
Heere, die hen gekocht heeft,
verloochenende, en een haastig
verderf over ziebzelven bren-
gende;
2  en velen sullen hunne ver-
Qorvenheden navolgen, door wel-
*e de weï der waarheid zal
gelasterd worden;
3  en zij zullen door ïierigheid,
hiet gemaakte woorden, vau u
e,,ne kon]nuaiischan maken; over
welke bet oordeel sedert lang
RUS 2.                                   KS
niet ledig is, en hun verderf
sluimert niet.
4 Want indien God de £nge-
leu die gezondigd hebben, niet
gespaard heeft, maar die iu de
hel geworpen hebbende, over-
cegeven heeft aan de ketenen
der duisternis, oui tot het oor-
deel biwaard te worden;
ó en de oude wereld niet
heeft gespaard, maar Noach
den prediker der gerechtigheid
zijn achttal bewaard heeft, als
Hij deu zondvloed over de we*
reld der goddeloozen heeft ge-
bracht ;
f» en de steden Sodoni en
Gouiorra tot asch verbranden"
de, met oinkeeriug veroordeeld
heeft, eu tot een exempel gezet
deivreuen die goddeloos lijk zou-
den leven;
" en den rechtvaardigen Lot,
die vermoeid was van den on-
tuchtigen wandel der gruwe*
lijkc meiiscUen, daaruit verlost
beeft
8 (want deze rechtvaardige
man wonende onder ben, beeft
dag op dag zijne rechtvaardige
ziel gekweld door het zien en
li,inrcn van humte ougerechtige
werken):
\'J zoo weet de Heere de god-
zaligen uit de verzoeking te
verlosseu, en de onrechtvaar-
digeu te bewaren tot den dag
des oordeels om gestraft te
worden;
10   maar allermeest degenen
die naar het vleesch iu onreine
begeerlijkheid wandelen, en
de heerschappij verachten: die
stout zijn, zichzelveu behagen,
en die de beerlijkbedeu uiet
schromen te lasteren;
11  daar de Engelen, in sterkte
en kracht meerder zijnde, geen
lasterlijk oordeel tegen haar
voor den Heere voorbrengen.
V2 Maar dezen, als onredelijke
dieren, die de uatuur volgen
en voortgebracht zijn om ge-
vangen eu gedood te worden,
dewijl zij lasteren hetgeen zij
uiet verstaan, zullen in hunue
-ocr page 342-
2 PETRUS 3.
verdorvenheid verdorven wor>
den,
13   en zullen verkrijgen het
loon der ongerechtigheid, als
«lic de dagelijkscbe weelde hun
vermaak achten, zijnde v]ek-
ken en metten, en zijn weet*
derig in hunne bedriegerijen,
als zij in de maaltijden met u
zijn;
14  hebbende de oogen vol over*
spel en die niet ophouden van
zondigen; verlokkende de on-
vaste zielen, hebbende het hnrt
geoefend in gierigheid, kiude-
rra der vervloeking;
15 die den reenten weg verla-
ten hebbende, zijn verdwaald,
en volgen den weg van Hilciun,
den zoon Heors, die liet loon
der ongerei htighcid liefgehad
heeft;
16  maar hij heeft de bestraf*
fine zijner ongerechtigheid ge*
had; want het jukd ragende
stomme dier, «prekende met
menacuenntetn, heeft drs pjo.
feten dwaasheid verhinderd.
17  Dezen zijn waterlooxe fon»
teinen, wolken van eenen draai-
vinil gedreven, den welken de
donkerheid der duisternis in
der eeuwigheid bewaard wordt,
IS Want zij, zeer opgeblazene
Ijdelheid sprekende, verlokken
door de begeerlijkheden des
vleesches, en door ontueh tig-
hedeu degenen die waarlijk
ontvloden waren van degenen
die in dwaling wandelen,
lil belovende hun vrijheid, daar
zijzelven dienstknechten zijn
der verdorvenheid; w aut van
wien iemand overwonnen is,
dien is hij ook tut een dienst-
knecht gemaakt.
30 Want indien zij, nadat ze
door de kennis des Heeren en
Zaligmakers Jezus Christus de
besmettingen der wereld ont-
vlodcu zijn, en in dezelve we*
derom ingewikkeld zijnde, van
dezelve
overwonnen worden, zoo
is hun het laatste erger gewor-
den dan het eerste.
81 Want het ware huu beter
dat zij den «eg der gerechtig,
beid niet gekend hadden, dan
dat zij dien gekend hebbende,
zieh weder afkeeren van het
heilig gebod dat hun overgcge-
ven was.
\'22 Maar hun is overkonieit
hetgeen met een waar sprcek-
woord yezeyd wordt: De houd
is wedergekeerd tot zijn eigen
uitbraakte), en de gewasseheiie
zeug tot de wenteling in het
slijk.
HOOFDSTUK 3.
DEZEN tweeden zendbrief,
geliefden, schrijf ik nu aan
u, in welke beide ik door ver-
maning uw oprecht geiuued
opwek,
•2 opdat gij gedachtig zljt aan
de woorden die van de heilige
Profeten te voren gesproken
zijn, en aan ons gebod, die des
Ilccren en Zaligmakers Apos-
telen zijn:
:t dit eerst wetende, dat In
het laatste der dagen spotters
komen zullen, die naar hunne
eigene begeerlijkheden zullen
wandelen
4 en zeggen: Waar is de bfr
lofte zijner toekomst? want van
dien dai/ dat de vadereu ont-
slapen zijn, blijven alle dingen
alzóó gelijk van het begin der
schepping.
ft Mant willens is dit huu on-
bekend, dat door het Woord
Gods de hemelen sedert huig
geweest zijn, en de aarde all
het water en in het water be-
staaude,
fi door welke de wereld die
toen wa«, met het water van
den zondvloed bedekt zijnde,
verman i«.
7   Maar de hemelen die na
zijn, en de aarde, zijn door bet-
zelfde Woord als een schut
weggelegd, eu worden ten vure
bewaard tegen den dag des
oordeels en der verderving der
goddelooze meiiscben.
8  Doch deze ééuc zuuk zij u
-ocr page 343-
1 JOII.1
niet onbekend, geliefden, dat
één dag bij den Heere is als
duizend jaren, ea duizend ja-
ren als één dag.
il De Heere vertraagt de be-
lofte niet (gelijk ecnigen dat
traagheid achten), maar is
lankmoedig over ons, niet
willeude dat eeuigen verloren
gaan, maar dat ze allen tot
bekeer Ing komen.
li\' Maar de dag des Ileereu
zal komen als een dief in den
nacht, in welken de hemelen
met een gedruisch zullen
voorbijgaan, en de elementen
branden zullen en vergaan,
en de aarde en do werken die
daarin zijn, zullen vcrbmu*
Il Dewijl dan deze dingen
alle vergaan, hoedauigen be-
hoort gij te zijn in heiligen
wandel eu godzaligheid,
1- verwachtende eu haasteu-
de tot de toekomst van den
dag Gods, in welken de heme-
len door vuur ontstoken zijn-
de, zullen vergaan, eu de ele-
menten brandende zullen ver-
smelten 1
13 Maar wij verwachten,
naar zijne belofte, nieuwe he-
melen eu eenc nieuwe aar-
VN\'NKS 1.                                       335
de, lu dewelke gerechtigheid
woont.
14    Daarom, geliefden, ver-
wachtende deze dingen, be-
naarstict u dut gij onbevlekt
en onbestrafte! ijk vati hem
lu vn:iil.\'il moogt worden in
vrede;
15  en acht de lankmoedigheid
onzes Heeren voor taligheid,
golijkerwfis ook onze geliefde
broeder 1\'aulus, naar «l(; wijs-
lieid die hein gegeven is, ulie-
den geschreven heeft,
li> gelijk ook in alle zend*
brieven, d»tiriu van deze din-
gen «prekende; in welke som*
mi ge dingen zwaar zijn om te
verstaan, die de ongeleerde en
onvaste memehtH verdraaien,
gelijk ook de andere Schriften,
tot bun eigen verderf.
17 Gij dan. geliefdon, sulka
te voren wetende, ziet toe dat
gij niet door de verleiding der
gruwelijke meuBchen mede at-
gerukt wordt, en uitvalt van
uwe vastigheid;
IS maar wast op in de genade
en kennis onzes Ileereu en
Zaligmakers Jezus Christus.
Hem zij de heerlijkheid, heide
nu en m den dag der eeuwig*
lieiil. Amen.
GEMEENE BRIEF
\' DEN
rOHANNES.
DE EERSTE ALG
VAN
APOSTEL J
ze handen gefaxt hebben van
het Woord des levens
2 (want het leven is gcopen*
haard, en wij hebben het ge
zien, eu wij getuigen en ver
kondigen ulieden dat eeuwige
leven, hetwelk bij den Vader
wus en ons is geopenbaard);
HOOFDSTUK 1.
HETGKEN van den beginne
was, hetgeen wij gehoord
hebben, hetgeen wij gezien heb-
wen met onze oogen, hetgeen
wij aanschouwd hebben en oti*
-ocr page 344-
338                                       1 JOH.i
3  hetgeen wij dan gezien en
gehoord hebben, dat verkon*
digcu wij m, opdat ook gij met
ons gemeenschap zoudt heb-
beu, en deze onze gemeeu-
scliap ook tij met den Vader
en met zijnen /...... Jezus
Christus.
4    En deze dingen Bedrijven
wij u, opdat uwe blijdschap
vervuld zij.
• i En dit is de verkondiging
die wij van hem gehoord heb-
ben en wij u verkondigen, dat
God een licht is en ganscu
geene duisternis in Hem is.
<i Indien wij zeggen dat wij
gemeenschap met Hein heb-
ben, en wij in de duisternis
wandelen, ztio liegen wij en
doen de waarheid niet;
7  maar indien wij in het lieht
wandelen, gelijk Hij in het
licht is, zoo hebben wij ge*
meenschap met elkander, en
het bloed van Jezus Christus
zijnen Zoon reinigt ons van
alle zoude.
8  Indien wij «eggen dat wij
geene zonde hebben, zoo ver-
leidcu wij onszelven eu de waar-
heid is in ons niet.
9  Indien w ij onze zonden be-
lijden, Hij is getrouw en recht-
vaardii,\', dat Hij ons de zonden
vergeve en ons reiuige van alle
ongerechtigheid.
lü Indien wfj /eggen dat wij
niet gezondigd hebben, zoo ma-
keu wij Hem tot een leugenaar
eu zfju Woord is niet in ons.
NNES 2.
3 En hieraan kennen wij dat
wij hem gekend hebben, bot
wij zijne geboden bewaren.
•J Die daar zegt: Ik keu hem,
en zijne geboden niet beuaart,
die is een leugenaar, en indien
is de waarheid niet;
f» maar zoo wie zijn woord bc-
waart, in dien is waarlijk de
liefde Gods volmaakt gcwor-
den. Hieraan keuueu wij dat
wij in hem zijn.
fi Die legt dat bij in hem
blijft, die moet ook zelf aUuo
wandelen gelijk hij gewandeld
heeft.
7 Broeders, ik schrijf u geen
nieuw gebnd, maar eenoud gc-
bod, dat irij van den beginne
gehad hebt. Dit oude gebod is
liet woord dat gij van den be*
ginue gehoord hebt.
S Wederom schrijf ik u een
nieuw gebod : hetgeen waar-
ftöhtig is in hem, zij ook in U
iranrarhtig; want de duisternis
gaat voorbij eu het waaraehti*
ge licht schijnt nu.
\'J Die zegt dat hij in het licht
is, en zijnen broeder haat, die
is in de duisternis tot nog toe.
lt! Die zijnen broeder liefheeft,
blijft in het licht, eu geeue
ergernis is iu hem;
11    maar die zijnen broeder
haat, is in de duisternis eu
weet niet waar hij heueugnat;
want de duisternis heeft zijne
OOgen verblind.
12   Ik schrijf u, kiuderkens,
want de zouden zijn u verge-
veii om zijns naams wil.
i:t Ik schrijf u, vaders, want
gij hebt hem gekend die va»
den beginne is. Ik schrijf «.
jongelingen, want gij hebt oen
booze overwonnen, ik sclirijt
u, kinderen, want gij hebt den
Vader gekend.
Il Ik heb u geschreven, va-
ders, want gij hebt hem gekend
die van den begiune is. Ik heb
n geschreven, jongelingen,
want gij zijt sterk, en nef
Woord Gods blijft In n, en gU
hebt den booze overwonnen.
HOOFDSTUK 2.
MIJ>\'E kinderkeus, ik schrijf
u deze diutren opdat gij niet
zondigt. Ëu indien iemand ge-
zondigd heeft, wij hebhen ee-
lien Voorspraak hij den Vader,
Jezus Christus den rechtvaar-
dige.
2 En hij is eene verzoening
voor onze zonden, en niet al-
leeu voor de onze, maar ook
voor de zonden der gebeele we-
reld.
-ocr page 345-
ïftES 3.                                       33J
van degenen die u verleiden.
27 Eu de zalviug die gljlie-
den van hem ontvangen hebt,
blijft in u, eu gij hebt niet
van uoode dat iemand u leere;
maar gelijk deze zalving u
leert van alle dingen, zoo is
zij ook waarachtig en U geen
leugen; eu gelijk zij u geleerd
heeft, zoo zult gij iu heiu blij*
ven.
2s En nu, kiuderkeuE, blijft in
hein, opdat wanneer hij zal ge-
openbaard zijn, wij vrijnioudig-
heid hebben, eu wij van hem
uiet beschaamd gemaakt \\\\ur-
deu iu zijne toekomst.
29 Iudieu gij weet dat Hij
rechtvaardig is, zao weet gij
dat een iegelijk die de recht-
vaardigheid duet, uit Hein ge-
boreu is.
HOOFDSTUK 3.
ZIET boe groote liefde ons de
Vader geguveu heeft, namelijk
dat wij kiudcreu Gods genaamd
zouden worden. Daarom kent
ons de wereld uiet, oiudat zij
Hem uiet keut.
2  Geliefden, nu zijn wij kin-
dcreu Gods, eu het is nog niet
geopenbaard wat wij zijn zul-
len; maar wij weten dat, als
Ay zal geopenbaard zijn, wij
hem zullen gelijk wezen; want
wij zullen hem tien gelijk hij is.
3  Eu een iegeliik die deze hoop
op lu\'iu heeft, die reinigt zich-
zelveu, ^i-lijk hij reiu is.
4  Een iegelijk die de zoude
doet, die duet ook de ongerech-
tigheid; waut de zoude is de
ongerechtigheid.
5  En gij weet dat bij geopeu-
baard is, opdat bij onze zouden
zoude wegnemen, eu geeu zou-
de is iu hem.
B Een iegelijk die iu hem
blijft, die zondigt uiet; eeu
iegelijk die zondigt, die beeft
hem uiet gezien eu heeft hum
niet gekend.
7 Kiuderkeus, dat u uiemaud
22
1 JOU.
15 Hebt de wereld niet lief,
noch hetgeen in de wereld is:
zoo iemand de wereld liefheeft,
de lictUe des Vaders is niet in
hem.
lfi Want al wat iu de wereld
is, namelijk de begeerlijkheid
des vleesches en de begeerlijk-
iieid der uogeu en de grootscb-
beid des levens, is niet uit deu
Vilder, maar is uit de wereld.
17 En de wereld nat voorbij
en hare begeerlijkheid, maar
ilic den wil Gods doet, blijft in
der eeuwigheid.
W Kinderkens, liet is de laat-
stc ure; en gelijk gij gehoord
hebt dat de Antichrist komt,
;oo zijn ook nu vele Antichrist
ten geworden; waaruit wij ken-
nen dat bet de laatste ure is.
19  Zij zijn uit ons uitgegaan,
maar zij waren uit ons niet;
want indien zij uit ons geweest
waren, zoo zouden zij met ons
-,-t bleven zijn, maar dit is y-
nchied opdat ze zouden ouen-
baar worden dat ze uiet allen
uit ons zijn.
20  Doch gij hebt de zalving
van den Heilige, cu gij weet
alle dingen.
\'21 Ik heb u niet geschreven
oindat gij de waarheid niet
weet, maar omdat gij die weet,
en omdat geen leugen uit de
waarheid is.
22 Wie is de leugenaar, dan
die loochent dat Jezus is de
Christus ? Deze is de Auti-
ehrist, die den Vader eu deu
Zoon loochent.
-:s Een iegelijk die den Zoon
loocheut, heeft ook deu Vader
uiet.
24  Hetgeen gijliedcn dan van
den beginne gehoord hebt, dat
blijve in u. Indien iu u blijft
wat gij van den beginne ge-
noord hebt, zoo zult gij ook iu
deu Zoon en iu den Vader blij-
veu.
25  En dit is de belofte die hij
ons beloofd heeft, namelijk het
eeuwige leven.
26  Dit heb ik u geschreven
-ocr page 346-
1 JOHANNKS 4.
verleide. Die de rcchtvaardfg-
lieid doet, die is rechtvaardig,
gelijk hij rechtvaardig is.
s fiie de zo..de doet, is uit den
duivel, want de duivel londlttt
van den beginne. Hiertoe is de
Zoon Gods geopenbaard, opdat
hij de werken de» duivels ver-
breken zoude.
9  Een iegelijk die uit God
geboren is, die doet de zoude
niet; want zijn zaad blijft in
hem, en bij knn niet zondi-
geu; want Hij is uit God ge-
boren.
10    11 ierin zijn de kinderen
Gods en de kinderen des dui-
vels openbaar. Keu iegelijk die
dr rechtvaardigheid niet doet,
die is niet uit God, en die zij-
neu broeder niet liefheeft.
11  Want dit is de verkondt*
ging die gij van den beginne
geboord hebt, dat wij el kan-
der zouden liefhebben.
12  Met gelijk Kaïn, die uit
den booze was en zijnen broe-
der doodsloeg: en oin wat oor»
zaak sloeg hij hein dood? Om-
dat zijne werken boos waren,
en die zijns broeders rechtvaur-
dig.
13  Verwondert u niet, mijne
broeders, zoo u de wereld haat.
14  Wij weten dat wij overge-
gaan zijn nit den dood in liet
leven, dewijl wij de broeders
liefhebben. Die zijnen broeder
niet liefheeft, blijft in den
dood.
i.\'i Een iegelijk die zijnen broe-
der haat, is een doodslager; en
gij weet dat geen doodslager
het eeuwige leven heeft in zicli
blijvende.
Ui Hieraan hebben wij delict-
de gekend, dat hij zijn leven
voor ons gesteld heeft: en wij
zijn schuldig voor de broeders
het leven te •tellen.
1" üoo wie nu het goed der
wereld heeft, en ziet zijnen
broeder gebrek hebben,en sluit
zijn hart toe voor hein, boe
blijft de liefde Gods in hem?
18 Mijne kiuderkeus, laut ons
niet liefhebben met het woord
noch niet de tong, maar niet
de daad en waarheid.
19 En hieraan kennen wij dat
wij uit de waarheid zijn, en
wij zullen onze harten verse*
kereu voor hein.
SU Want indie:: ons hart on»
veroordeelt. God is meerder
dan ons hart, en Hij keut alle
dingen.
21 Geliefden, indien ons lniri
ons niet veroordeelt, zoo heb-
ben wij vrijmoedigheid tut
God,
SC en zoo wat wij bidden, ont-
vaugen wij van Hein, dewijl
wij zijne geboden bewaren en
doen hetgeen behaaglijk is voor
Hem.
2* En dit is zijn gebod dat
wij gelooveu in den naam zijns
Zoons Jezus Christus, eit clk-
auder li
12
efhebben, gelijk Hij ons
een gebod gegeven heeft.
24 Eu die zijne geboden be*
waart, blijft in Hem, en Hij ia
densefven. Hu hieraan kennen
wij dat Hij in mis blijft, mme-
lijk
uit den Geest dien Hij ons
gegeven heeft.
HOOFDSTUK 4.
GELIEFDEN, gelooft niet
eenen iegelijkeu geest,maar
beproeft de geesten of zij uit
God zijn ; want vele valschepro*
feteu zijn uitgegaan in de we-
reld.
2 Hieraan kent gij den Geest
Gods: alle geest die belijdt dm
Jezus Christus in het vleescu
gekomen is, die is uit God;
S en alle geest die niet he-
lijdt dut Jezus Christus in het
vleeseh gekomen is, die is uit
God niet; maar dit is de ft*6
van den Antichrist, welke yent
gij gehoord hebt daf komen
zal, en is uu aireede iu de
wereld.
4 Kiuderkens, gij zijt u>t
God, en hebt hen overwon"
ïieu; want Hij is meerder die
in ü is, dan die iu de wereld is.
-ocr page 347-
1 JOH Al
5 Zij zijn uit de wereld: duur-
om spreken zij uit de wereld,
en de wereld hoort hen.
r> Wij zijn uit God. Die God
kent, hoort ons; die uit God
niet is, hoort ons niet. Hieruit
kennen wij den geest der waar-
heid en den geest der dwaling.
7 Geliefden, laat ons elkaiw
der liefhebben, want de liefde
is uit (»od; en een iegelijk die
liefheeft, iB uit God geboren en
kent God.
* Die niet liefheeft, die heeft
God niet gekend, want God is
liefde.
9    Hierin is de liefde Gods
jegens ons geopenbaard, dat
God zijnen eeniggeboreu Zoon
gezonden beeft in de wereld,
opdat w ij zouden leven door
hem.
10   Hierin is de liefde, niet
dat wij God liefgehad hebben,
maar nat Hij ons Hef heeft ge-
had, en zijnen Zoon gezonden
heeft tot eene verzoening voor
onze zonden.
11  Geliefden, indien God ons
alzóó lief heeft gehad, zoo zijn
ook wil schuldig elkander lief
te hebben.
12   Niemand heeft ooit God
aanschouwd 1 indien wij eik-
ander liefliebhen, zoo blijft
God in ons, en zijne liefde
is in ons volmaakt.
in Hieraan kennen wij dat
wij in Hem blijven, eu Hij in
ons, omdat Hij ons van zijnen
Geest gegeven heeft.
14    Ku wij hebbeu het aan*
schouwd en getuigen, dat de
Vader zijnen Koon gezonden
heeft tot eeueu Zaligmaker der
wereld.
15   Zoo wie beleden zal heb-
ben dat Jezus de Zoon Gods
«. God blijft in htm eu hij
1» God.
W En wij hebben gekend eu
geloofd de liefde die God tot
ons heeft. God is liefde, eu
«ie in de liefde blijft, die blijft
In1 God en God In hem.
17 Hierin is de liefde hij ons
NKS 5.                               ^ 3:i9
volmaAkt, opdat wij vrijmoe-
digheid mogen hebben in den
dag des oordeels, namelijk dat
gelijk Hij is, wij óók zijn in
deze wereld.
is Daar is in de liefde geen
vrees, niaar de volmaakte
liefde drijft de vrees buiten;
want de vrees beeft pijn, en
die vreest, is niet volmaakt in
de liefde.
10 Wij hebben Hem lief, om-
dat Hij ons eerst liefgehad
heeft.
20    Indien iemand zegt: Ik
heb God lief, eu zijnen broe-
ih r haat. die is een leiuee*
naar; want die zijnen broeder
niet liefheeft dien hij gezien
heeft, hoe kan hij (iod liet-
hebben dien hij niet (testen
heeft ?
21    En dit gebod hebben wij
van Hein, namelijk dat die
God liefheeft, ook zijnen broe-
der liefhebbe.
HOOFDSTUK 5.
EEN iegelijk die gelooft dat
Jezus is (ie Christus, die is
uit God geboren; eu een iege-
lijk die liefheeft dengenen die
geboren heeft, die heeft ook
lief dengeueu die uit Hem ge-
boren is.
8 Hieraan kennen wij dat wij
de kinderen Gods liefhebben,
wanneer uil God liefhebben en
zijne geboden bewaren.
8 Want dit is de liefde Gods,
dat w ij zijne geboden bewaren.
En zijne geboden zijn niet
zwaar.
4 Want al wat uit God ge-
boren is, overwint de wereld;
eu dit is de overwinning die
de wereld overwint, namelijk
ons geloof.
.ï Wie is het die de wereld
overwint, dan die gelooft dat
Jezus is de Zoon Gods ?
(I Déze is het die gekomen
is door water en bloed, «o*
weiijk Jezus de Christus: niet
door het water alleen, maar
-ocr page 348-
340 v
door bet water en hetKn de Geest is het die gedat de Geest de waarheid
7 Want drte zijn er dtuigeu in den hemel: dder, het Woord, en de HGeest; en deze drie zij
H Kn drie zijn er diegen op de aarde: deen het wntcr, en heten die drie zijn tot één.
9 Indien w ij de getuder meuseben aannemegetuigenis Godü is mewant dit is de getuigeniswelke Hij vau zijnen Zotuigd heelt.
1*) Die in den Zoon Golooft, heeft de getuigenzichzelveii; die God nielooft, heeft Hem tot eengenaar gemaakt, dewijniet geloofd heeft de genis die God getuigd heezijnen Zoon.
11    Ku dit is de getuinamelijk dat God ons hewigc leven gegeven heedit leven is in zijnen Zoo
12    Die den Zoon heefheeft het leven; die denGods niet heeft, die heeleven niet.
):; Deze dingen heb ikschreven, die gelooft innaum des Zoons Gods,
Ï:lj weet dat gij het eeeven hebt, en opdat glooft in den naam desGods.
1 JOHANXES 5.
14   Kn dit is de vrijmoedig*
heid die wij tot Hem hebben,
dat zoo wij iets bidden nuar
zijueu uil. Hij ons verhoort.
15    Ku indien wij weten dat
II ij ons verhoort, wat wij ook
hinden, zoo weten wij dat wij
de beden verkrijgen die wij van
Hem gebeden hebben.
Ifi Indien iemand zijnen broe-
der ziet zondigen eeue zoude
niet tot den dood, die zal God
bidden, en Hij zal hem het
leven geven, dengenen, zeg ik,
die zondigen niet tot den dood.
Daariseene zoude tot den dood :
voor die sonde zeg ik niet dat
hij zal bidden.
1? Alle ongerechtigheid is
zonde, en daar is zoude niet
tot den dood.
Is Wij weten, dat een iegelijk
die uit God geboren is, niet
zondigt; maar die uit God ge-
boren is, bewaart zichzelveu,
eu de booze vat hem niet.
19   Wij weten dat wij uit God
zijn, en dat de geneele wereld
ligt in het bonze.
20    Doch wij weten dat de
Zoon Gods gekomen is, en ous
het verstand gegeven heeft dat
wij den Waarachtige kennen;
en wij zijn in den \\Vaarach-
tige, namelijk iu zijueu Zoon
Jezus Christus. Déze is de
waarachtige God eu het eeuwige
leven.
21  Kiuderkens, bewaart uzelveu
vim de afgoden. Amen.
-ocr page 349-
DE TWEEDE BEIEF
TAB DEX
APOSTEL JOHANNES.
DE Ouderling aan de uitvcr-
korene vrouw pu aan bare
kinderen, die ik in waarin id
liefheb, i\'ii niet alleen ik, maar
ook allen die de waarheid ge-
kend hebben,
- om der waarheid wil die in
mis blijft, en met oua zal zijn
iu der eeuwigheid i
genade, barmhartigheid,
vrede zij met ulieden van God
den Vader en van den Heere
Jezus Christus, den Zoon des
Vaders, in waarheid en liefde.
4    Ik beu zeer verblijd ge-
wcest, dat ik van uwe kiudc-
ren gevonden heb, die in de
waarheid wandelen, gelijk wij
ecu gebod ontvangen hebbeu
van deu Vader.
5  Eu nu bid ik u, uitrerkorene
vrouw, niet als u schrijvende
een nieuw gebod, maar hetgeen
wij gehad hebben van den be-
giuue, namelijk dat wij elkauder
liefhebben.
6  Kn dit is de liefde, dat wij
wandelen naar zijne geboden.
Dit is het gebod, gelijk gfjlie-
den van den beginne gehoord
hebt. dat gij iu hetzelve zoudt
wandelen.
7  Want daar zijn vele vcrlei*
ders iu de wereld gekomen, die
niet belijden dat Jezus Chris*
tus in het vleesch gekomen is.
Déze is de verleider eu de Auti-
christ.
s Ziet too voor uzelven, dat wij
niet verliezen hetgeen wij ge-
arbeid hebben, maar een vol
loon mogen ontvangen.
9 Een iegelijk die overtreedt
en niet blijft in de leer van
Christus, die heeft God niet;
die iu de leer van Christus
blijft, déze heeft beiden den Va-
der en den Zoon.
ld Indien iemand tot ulieden
komt en deze leer niet brengt,
ontvangt hem niet in hui», eu
zegt tot hem niet: Wees ge-
groet.
11   Went die tot hem zegt:
Wees gegroet, die heeft ge-
meentchap aan zijne booze
werken.
12  Ik heb veel aan ulieden te
schrijven, doch ik heb niet ge-
wild door papier en inkt; maar
ik hoop tot ulieden te komen
en mond tot mond met u te
spreken, opdat onze blijdschap
volkomen moge zijn.
13  U groeten de Kinderen van
uwe zuster de uitverkoreue.
Amen.
-ocr page 350-
DE DERDE BRIEF
VAN lil\'A
APOSTEL JOHANNES.
DK Ouder)ing aan den ge-
licfdeu Gajus, welken i« i:i
naarheid Met heb.
•2 Geliefde, vuór alle dingen
wentich ik dat gij welvaart en
gezond zijt, gelijk uwe /.iel wei-
vaart.
.\'J Want ik be» zeer verblijd gc-
weest, al» de broeders kwamen
en getuigden na uwe waar-
beid, gelijk gij in de waarheid
wandelt.
4 Ik heb geen meerdere blijd*
schap dan hierin, dat ik hoor
dat mijne kinderen in de waar-
heid wandelen.
fi Geliefde, gij doet trouwelijk
iu al hetgeen gij doet aan de
broederen en aan de vreemde-
gen,
6 die getuiïd hebben van uwe
liefde, iu de tegenwoordigheid
der gemeente; welken indien
«Ü geleide doet, gelijk het Go-
de waardig is, hm zult gij wel
doen.
" Want zij zijn voor zijne»
naam uitgegaan, niets nemen*
df van de heidenen.
\'! Wij dun zijn schuldig de zoo-
dnuigen te ontvaugeu, opdut w ij
medearbeiders der waarheid
mogen worden.
9 Ik heb nan de gemeente ge*
acbrercu; maar IMotrcfes, die
onder hen zoekt de eerste te
zijn, neemt ons niet aan.
in l>aarom, indien ik kom, zoo
zal ik iu gedachten il breugen
zijne werken die hij doet, inet
booze woorden Munterende te-
gen on»; en hiermede niet ver-
geuocsrd ziji.de, zoo ontvangt
hijzelf de broeders niet, en
verhindert degenen die het wll-
len doen, en werpt ze uit de
gemeente.
11    Geliefde, volg het kwade
niet na, maar het goede, IMe
goed doet, is uit God, maar
die kwaad doet, heeft God niet
gezien.
12  Aan Dcinetrius wordt ge-
tuigeuis gegeven van allen, en
van de waarheid zelve; en w-ij
getuigen óuk, eu gij weet dat
onze getuigenis waarachtig is.
i:( Ik had veel te schrijven,
maar ik wil u niet schrijven
met inkt en pen;
M maar ik hoon u haast te
zien, eu wij zullen muud tot
mond spreken.
IS Vrede zij u. De vrienden
groeten u. Groet de vrieudeu
met name.
-ocr page 351-
DE ALGEMEENE BRIEF
VAN DEK
APOSTEL JUDAS.
JUDAS, ren dienstknecht van
Jetus Christu», en broeder
van Jacobus, aan de geroepenen
die door God den Vader gehei*
li ,\'it zijn, en door Jezus Christus
bewaard i
2 barmhartigheid en vrede en
liefde zij <>. vermenigvuldigd.
\'i Geliefden, alzoo ik alle
naarstigheid doe om u te
schrijven van de gemeeuc zalig-
heid, zoo heb ik noodzaak «e-
had nau u te schrijven, en u te
vermanen dat gij strijdt voor
het geloof, dat een maal den
heiligen overgeleverd is.
4 Want daar ziju sommige
menschen Ingeslopen, die eer-
lijd» tot dit oordeel te voren
opgeschreven zijn, goddeloozen,
die de genade onzes Gods ver-
andcren in oiituchtigheid, en
den (énigen Hecrscher, God, en
omen Heen Jezus Christus
verloochenen.
ft Maar ik wil u indachtig
maken, als die dit eenmaal
weet, dat de Ileere liet volk uit
Kgyptelaud verlost hebbende,
wederom degenen die niet ge-
loofden, verdorven beeft.
r> Kn de Engelen die hun be-
ginsel niet bewaard hebben
maar bun eigene woonstede
verlaten hebben, heeft Hij tot
het oordeel des grooten dag*
niet eeuwige banden onder de
duisternis bewaard :
7 gelijk Sodnm en Gomorra en
de steden rondom dezelve, die
op gelijke wijze als dezen gehoe-
reerd hebben, en ander vleesch
zijn nagegaan, tot een exempel
voorgesteld zijn, dragende de
straf des eeuwigen vuurs.
fi Desgelijks evenwel ook dezen,
in slaap gebracht zijnde, ver-
ontreiuigen het vleesch, en ver
werpeu de heerschappij, en
lasteren de heerlijkheden.
\'J .Maar Micliaël de Archangel,
toen hij met den duivel twistte,
en handelde van het lichuam
van Mozes, durfde geen oor-
deel van lastering tegen hem
voortbrengen, maar zeide: De
Ileere bestratfc u.
in Maar dezen hetgeen zij niet
weten, dat lasteren zij; en
hetgeen zij natuurlijk, als de
onredelijke diereu, weten, in
hetzelve verderven zij zich.
11 Wee bun; want zij zijn den
weg Kaïns ingegaan, en door
de verleiding van bet loon 1Ü-
ieami zijn zij beueugestort, en
ziju door de tegenspreking Ko-
rnchs vergaan.
IS Dezen zijn vlekken in de
lieldeinaaltfjden, e.i als zij met
u ter maaltijd ziju, weiden zij
liehielven zonder vrees; zij zijn
waterlooze wolken, die van de
winden omgedreven worden;
zij zijn als boom en in het af-
iraan van den herfst, oiivrucht*
banr, tweemaal verstorven, en
ontworteldt
1.1 wilde baren der zee, bun
eigen schande op^c lm i mende;
I dwalende sterren, den welken
de donkerln-id dt»r duisternis
in der eeuwigheid bewaard
wordt.
-ocr page 352-
344                                       OPENBA
14   Eq van dezen beeft ook He-
noch, de zevende van Adam,
geprofeteerd, zeggende: Zie,
de Heen is gekomen met zijne
vele duizenden heiligen,
15  om gericht te liouden tegen
Allen, en te straffen alle god-
deloozcu ouder hen, vanwege
alle hunne goddelooze werken
die zij goddelooslijk iredaan
Lebben, en vanwege alle de
harde Hoorden die de goddc-
looze zondaars tegen IIciu gc-
sproken hebbeu.
Ifi Dezen zijn raurmnreerders,
klagers over hunnen staat,
"wandelende naar hunne bc-
geerlfjkbeden, en hou mond
spreekt zeer opgcbhizenc din-
gen, zich verwonderende over
de personen om des voordeels
wil.
17    Maar, geliefden, gedenkt
gij der woorden die voorzegd
zijn van de Apostelen onzes
Ileercii Jezus Christus:
18  dut zij u gezegd hebben,
rliit er in den Inatsteu tijd
spotters zullen zijn, die naar
RING 1.
hunne goddelooze begeerlijk-
bedeu wandelen zullen.
19 Dezen zfju hetdiczichzelvcn
afscheiden, natuurlijke mrn-
achen,
den Geest niet hebbende
80 Maar, geliefden, bouwt g(j
uzelven op uw allerheiligst g\'\'-
loof, biddende in dcu Heiligen
Geest;
21  bewaart uzelven in de liefde
Gods, verwachtende de barm-
hartighcid onzes Hecren Jezus
Christus: ten eeuwigen leven.
22   En ontfermt u wel over
cenigen, onderscheid maken-
de;
..\'; maar belioudt anderen door
vrees, en grijpt ze uit het vuur;
eu linat ook den rok die van
het vleesch bevlekt is.
24 Hem nu die machtig is u
van struikelen te bewaren, eu
onstrnft\'elijk te stellen voor
zijne heerlijkheid in vreugde,
i;j den alleen wijzen God, onzen
Zaligmaker, zij heerlijkheid
en majesteit, krucht eu macht,
beide uu en in alle eeuwigheid.
Amen.
DE OPEN
DE OPENBARING
VAM
JOHAN
ES.
2 dewelke het Woord Gods
betuigd heeft, en de getuigenis
van Jezus Christus, eu al wat
hij gezien heeft.
.\'I Zalig is hij die leest en zijn
zij die hooren de woorden dezer
profetie, en die bewaren het-
geen in dezelve geschreven is;
want de tijd is nabij.
4 Johannes aan de zeven ge*
meenten die in Azië zfju: ge-
nade zfj 11 eu vrede van Hem
HOOFDSTUK 1.
DE openbaring van Jezus
Christus, die God hein ire-
geven heelt, om zijnen dienst-
kn echten te toonen de ditigeu
die haast geschieden moeten,
«n die hij door zijnen Engel
gezonden eu zijnen dienst*
knecht ,\'ohaunes te kenuen
gegeven heelt:
-ocr page 353-
OPENBJ
dip ie, en die was, en die Ito*
iiH\'n zal, en van de zeven
--ti-n die vóór zijnen troon
zijn,
ó en van Jezus Christus, die
de getrouwe Getuide is, de
eerstgeborene uit de dooden,
en de Overste van de Koningen
der aarde. Hem die ons heeft
liefgehad en ons van onze zon-
den gewasscheu heeft in zijn
hlned,
             •
fi en die ons gemaakt heeft tot
Koningen en Priesters God e en
zijnen Vader, hem, ztg ik, xij de
heerlijkheid en de kracht in alle
eeuwigheid. Amen.
7  Zie, hij komt met de wol*
ken, en alle oog znl hem zien,
ook degenen die hem doorsto-
ken hebben; en alle geslachten
\'Ier ttarde zullen over hem rouw
hedrijveu; ia, amen.
8  Ik ben de Alpha en de Ome-
ga, het begin en het einde,
zegt de Heere, die Is, en die
was, t-!i die komen zal, de Al-
machtige.
\'.) Ik, Johauncs, die ook uw
broeder ben en medegeuoot in
de verdrukking en in het Ko-
\'inikri.il, en in de lijdzaamheid
van Jezus Christus, was op het
eiland gennaind I\'ntinos, om het
Woord Gods en om de getuige-
nis van Jezus Christus.
1" En ik was in den geest op
den dag des Heeren, en ik
hoorde achter mij eeue groote
steni als van eene bazuin,
H zeggende: Ik ben de Alpha
f1» de Omega, de eerste en de
laatste; en: Hetgeen «ü ziet,
schrijf dat iu een boek, en
zend het aan de zeven geneen*
ten die in Azië zijn, namelijk
"aar Efeze, en naar Sniyrua,
*n naar Pérgainus, en unar
Thyatira, en naar Sarde», en
naar Filadelfia, en naar Lao-
dicéa.
12 En ik keerde mij om, om
te zien de stem, die met mij
«csproken had; en mij oinge-
keerd hebbende, zag ik zeven
Kouden kandelaren.
LKING 2.                                      345
19 en in het midden van de
zeven kandelaren eenen, den
Zoon des mensclien gelijk xljn-
de, bekleed met een lang kleed
tot de voeten, en omgord aan
de borsten met eenen gouden
gordel;
14 en zijn hoofd en haar was
wit gelijk als witte wol, gelijk
sneeuw, en zijue oogen gelijk
eene vlam vuurs;
ló en zijne voeten waren blin-
kend koper gelijk, en gloeiden
als iu eenen oven ; en zijne
stem tm* als eene stem van vele
watereu.
W Eu hij had zeven sterren in
zijne rechterhand; en uit zijnen
mond ging een tweesnijdend
scherp zwaard; en zijn aange-
zicht watt gelijk de zon schijnt
in hare kracht.
17  Kn toen ik hem zag, viel ik
als dood aan zijne voeten; en
hij leide zijne reebtentana op
mij, zeggende tot mij: Vrees
niet; ik beu de eerste en de
laatste,
18  eu die leef, en ik ben dood
geweest; eu zie, ik hen levend
in alle eeuwigheid. Amen. En
ik heb de sleutels der hel en
des doods.
19   Schrijf hetgeen gij gezien
hebt, en hetgeen is en hetgeen
geschieden zal na dezen :
20   de verborgenheid der ie-
ven sterren die gij gezien hebt
in mijne rechtcrAatid, en de
zeven gouden kandelaren. De
zeven sterreu zijn de Engelen
der zeven gemeenten, en de
zeven kandelaren, die gij ge-
zien hebt, zijn de zeven ge-
meeuten.
HOOFDSTUK 2.
SCHRIJF aan den Engel der
gemeente van Efeze: Dit
zegt hij die de zeven sterren in
zijue rechterhand houdt, die iu
het midden der zeven gouden
kandelaren wandelt:
2 Ik weet uwe werken, en uwen
arbeid, eu uwe lijdzaamheid, en
-ocr page 354-
*tt                                      OPENB,
dat gij de kwaden niet kunt
verdragen, en dat zij beproefd
hebt degenen die voorgeven dat
zij Apostelen zijn, en zij ziju
het niet, en hebt ze leugenaars
bevonden;
\'.i en Rij hebt verdragen en hebt
geduld, en zij hebt om mijns
naams wil gearbeid, en zijt niet
moede geworden.
4 Maar ik beb tegen u. dat
Rij uwe eerste liefde hebt ver-
lateu.
ü Gedenk dan waarvan gij uit-
gevalleu zijt, en bekeer u, en
do? de eerste werken; en zoo
niet, ik zal u haast» lijk 4ij-
komen, en zal uwen kandelaar
van zijne plaats weren, indien
«ij u niet bekeert.
ii Maar dit hebt gij, dat zij de
werken der Nicolaïeteii haat,
welke ik óul» haat.
7 Die ooreu heeft, die hoon\'
wat de Gee^t tot de gemeen*
ten zegt. Die overwint, ik zal
hein Reven te eten vau den
boom des levens, die in het
midden van het Paradijs Gods
is.
g En lehrljf aan den Engel der
gemeente vau die vim Siuyrna:
Dit zegt de eerste en de laatste,
die dood geweest is en weder
levend is geworden;
Dik weet uwe werken, en ver-
druk k ing, en armoede {doeh
gij zijt rijk), en de lastering
dergenen die zeggen dat ze
Jodeu zijn en zlju liet niet,
maar zijn eeue Synagoge des
satans.
in Vrees geen der dingen die
gij lijden zult. Zie, de duivel
zal eenigen van ulieden in de
gevangenis werpen, opdat gij
verzucht wordt, en zij zult eene
verdrukking nebben vau tien
dagen. Wees getrouw tot den
dood, fn ik z\'tl u geven de
kroon des levens.
11 Die ooreu heeft, die hoore
wat de Geest tot de gemeenten
zegt. Die overwint, zal van den
tweeden dood uïet beschadigd
worden.
AIUXG 2.
12 Eu schrijf aan den Eng?]
der gemeente die in Pérgamus
is: Dit zegt hij die het twee*
snijdend scherp zwaard heeft:
l.\'t Ik weet uwe werken, eu
waar gij woont, namelijk waar
de Hm in des satans is; en gij
houdt mijnen naam, eu hebt
mijn geloof niet verloochend,
ook in die dagen, in welke Anti-
lias mijn getrouwe getuige was,
welke gedood is bij ulieden waar
de satan woont.
14  Maar ik heb eenifft weinige
dingen tegen u, dat gij aldaar
hebt die de lening Bileauis
houden, die Ilalak leerde den
kinderen Israëls een aanstoot
voor te werpen, opdat ze zou-
den afgodenoffer eten en hoe-
reeren.
15  Alzó(\'» hebt ook gij die de
leeriug der Micolaïeten houden,
hetwelk ik haat.
Ui Bekeer u; en zoo niet, ik
zal u haastelijk 6i/komcn, eu
zul tegen beu krijg voeren niet
bet zwaard mijns niouds.
17  Die noren heeft, die hoore
v.at. de Geest tot de gemeenten
zegt. Die overwint, ik zal hem
geven te eten van het manna
dut verborgen is, en ik zal hem
geven een en witten keursteen,
eu op den keursteen eeneu
nieuwen naam geschreven, wei-
ken niemand kent dan die hem
ontvangt.
18   Eu schrijf aan den Bugel
der gemeente te Tliyattra: Dit
zegt de Zoon Gods, die zijne
oogen heeft als eene vhnn vuurt,
eu zijue voeten ziju blinkend
koper gelijkt
19    Ik weet uwe werken, en
liefde, eu dienst, eu geloof, en
uwe lijdzaamheid, en uwe wer-
keu, eu dat de laatste meer zij*
dan de eerste.
SU Maar ik heb eeuiat weinige
dingen tegen u, dat gij de vrouw
Jéznbcl, die zich zelve zegt eeue
prof e te» te zijn, laat leeren en
mijne dienstknechten verleiden
dat ze hoerecreu eu afgoden-
offer eten.
-ocr page 355-
ARING 3.                                       347
vangen en gehoord hebt, en
bewaar het, en bekeer u. In-
dieu grj dan niet waakt, zoo
zal ik over 11 komen als een
dief, eu gij zult niet weten op
wat «re ik over u komen zal.
4 Doch gij hebt emige weinige
namen ook te Sarden, die hun-
ne kleedereu niet bevlekt heb.
ben, en zij zullen met mij
wandelen in witte kleedereu,
overmits zij het waardig zijn.
6  Die overwint, die zal be-
kleed worden met witte klee-
dereu; eu ik zal zijnen naam
geenszins uitdoen uit liet boek
des levens, en ik zal zijnen
naam belijden voor mijnen
Vader eu voor zijne Kogelen.
>\'> Die ooren heeft, die hoorc
wat de Geest tot de gemeenten
zetrt.
7  Ku schrijf ii-.ü den Kogel
der gemeente die in Filadelfla
is: Dit zegt de Heilige, de
Waarachtige, die den sleutel
Dnvlda heeft, die opent eu
niemand sluit, eu hij sluit eu
niemand opent:
s Ik weet uwe werken; zie,
lic heb eene geopende denr
voor u gegeven, en niemand
kan die sluiten; want gij hebt
kleine kracht, eu gij hebt mijn
Woord bewaard eu hebt mij*
ticii naam niet verloochend.
9  Zie, ik geef u eenigen uit
de Synagoge des nataus, der-
genen die zeggen dat ze Joden
zijn, eu zijn het niet, maar
liegen; zie, ik zal maken dat
zij zullen knmeii eu aanbidden
voor uwe voeten, en bekennen
dat ik u liefheb.
10   Omdat gij het woord mlj-
i.ei\' lijdzaamheid bewaard hebt,
zoo zal ik ook 11 bewaren uit
de ure der verzoeking, die over
de geheele wereld komen zal,
om te verzueken die op de
aarde wonen.
11   Zie, ik kom lmastelijk;
houd wat gij hebt, opdat nie-
umnd uwe kroon neme.
12  Die overwint, ik zal hem
makeu tot eeucn pilaar in den
21 En Ik hel» haar tijd gege-
ven, opdat zij zieh zoude be-
keeren vnn bare hoererij, t\'n
zij heeft zien niet hekeera.
2- Zie, ik werp haar te hed,
en die met haar overspel be-
drfjven, in pronte verdruk\'
kiug, zoo zij zich niet bekee-
ren van hunne werken.
?.l Ed hare kinderen zal ik
door den dood ombrengen, en
alle de gemeenten zullen we-
ten, dat ik het bttU die nieren
en harten onderzoek. Eu ik
zul ulieden geven een iegelijk
naar uwe werken.
_4 Doelt ik ze; tot ulieden,
en tot de anderen die te Thy*a-
tira zijn, zuovelcu als er deze
leer niet hebbeu, en die de
diepten des satans niet gekend
hebben, gelijk zij zeggen: Ik
zal u gceneu anderen last op*
lenen.
2:> Maar hetgeen gij hebt,
\'iiu.it dat totdat ik zal komen.
2t> Ku die overwint en die
mijne werken tot den einde
toe bewaart, ik zal hein niaclit
geven over de heidenen;
27 en hij zat ze hoeden met
eenen ijzeren staf; zij zullen
als pottenbak kersvateu ver-
uiorzeld worden, gelijk ook ik
van mijnen Vader ontvangen
heb.
?s Ku ik zal hem de morgen-
ster ueven.
2!) Die ooren heeft, die hoor1
wat de Geest tot de geuieeii-
ten zegt.
HOOFDSTUK 3.
EN* schrijf aan den Eiiïelder
gemeente die te Sardes \'ia:
Dit zegt die de zeven Geesten
Gods heeft, en de zeven ster-
ren: Ik weet uwe werken, dat
(tij den naam hebt dat gij
leeft, en gij zijt dood.
2 Wees wakende, en venter»
het overige dat sterven zoude;
Wint ik heb uwe werken niet
Vol gevonden voor God.
:; Gedenk dau, hoe gij het oiit-
-ocr page 356-
3iS                                       OPENB
Tempel myns Gods en hij ial
niet meer daar uitgaan; en
ik zal op licui schrijven den
naam mijns Gods, en den
naam van de stad mijns Gods,
namelijk van het nieuwe Jeru-
zalem dat uit den hemel van
mijnen God afdaalt, en ook
mijnen nieuwen naam.
13  Die ooren heeft, die hoore
wat de Geest tot de gemeenten
zegt.
14  En schrijf aan den Engel
van de gemunte der Laodi-
cenzen: Dit zegt de Amen, de
trouwe en waarachtige Ge-
tuiire, het Begin der schepping
Gods:
15  Ik weet uwe werken, dat
gij noch koud zijt, noch heet:
och of gij koud waart of heet:
16  Zoo dan omdat gij lauw
zfjt, en noch koud, noen heet,
ik zal u uit mijnen mond
spuwen.
17  Want gij zegt: Ik ben rijk,
en verrijkt geworden, en heb
geens dings gebrek. en uii
weet niet dat gij zijt ellendig
en jammerlijk en arm en blind
en naakt.
18   Ik raad u dat gij van mij
koopt goud, beproefd komende
uit het vuur, opdat gij rijk
moogt worden; eu witte klee-
dereu, opdat gij moogt bekleed
worden en de schande uwer
naaktheid niet geopenbaard
worde; eu zalf uwe oogen met
oagenzalf, opdat gij zien inoogt.
19  Zoo wie ik liet heb, die be-
straf en kastijd ik: wees dan
ijverig en bekeer u.
-JU \'/Ac, ik sta aan de deur en
Ik klop: indien iemand mijne
stem zal hooren eu de deur
opendoen, ik zal tot bent in-
komen, en ik zal met hem
avondmaal houden en hij met
mij.
\'M Die overwint, ik zal hem
geven met mij te zitten in mij-
nen troon, gelijk als Ik over-
wouneu heb eu ben gezeten
met mijnen Vader in zijnen
troon.
AR1NG 4.
22 Wie ooren heeft, die hoorr
wat de Geest tot de gemeenten
legt.
HOOFDSTUK 4.
VTA dezen zag ik, en zie, eene
Xi deur was geopend in den
hemel; en de eerste stem, die
ik gehoosd had als eeuer ba-
zuiu met mij sprekende, zeide:
Kom hier óp en ik zal u too-
ncn hetgeen na dezen geschie*
den moet.
2  Eu terstond werd ik in dcD
geest; en zie, daar was een
troon gezet in den hemel, eu
daar zat een op den troon.
3  Eu die daarop zat, was in
\'t amizieii den steen jaspis en
sardius gelijk; en een regen-
hoog was rondom den troon,
in het aanzien den «fee» sma-
ragd gelijk.
4  Eu rondom den troon wa-
reu vier en twintig tronen, en
op de tronen zag ik de vier eu
twintig Ouderlingen zittende,
bekleed met witte kleederen,
eu zij hadden gouden kronen
op hunne hoofden.
5  En van den troon gingen
uit bliksemen en donderslagen
en •temmen i en zeven vurige
lampen waren brandende vóór
deu troon; welke zijn de zeven
Geesten Gods.
fi En vóór den troon was eene
glazen zt-e, kristal gelijk. En
in bet midden des troous en
rondom deu troon vier dieren,
zijnde vol oogen van voren eu
vnu achteren.
7 Eu het eerste dier was eeuen
leeuw gelijk, en bet tweede
dier een kalf g. lijk, en bet
derde dier had het aangezicht
als een inensch, eu het vierde
dier was eeuen vliegenden
arend gelijk.
H En de vier dieren hadden
elk voor zichzelf zes vleugelen
rondom, eu waren van binnen
vol oogen; eu zij hebben geen
rust dag en nacht, zeggende:
Heilig, heilig, heilig is de
-ocr page 357-
OPENBABING 5.
;t;.*
fleere God, de Almachtige,
die was, en die is, en die komen
zal.
(i Kn wanneer de dieren heer*
VijUhcid en «ere en dankzegging
gaven Hem die up den troon
zat, die in alle eeuwigheid
leeft,
Hl 200 vielen de vier en twin-
tig Ouderlingen vóór Hein die
Op den troon zat, en aiuitm-
den 11 f in die leeft in alle eeu-
.vighcid, cu wierpen ltuune
kronen vóór den troon, zeg-
geude:
11 Gij, Hcerc, zijt waardig te
ontvangen de heerlijkheid en
de eer en de kracht; want Gij
hebt alle dingen geschapen,
en door uwen wil ziju zij, eu
zijn ze geschapen.
HOOFDSTUK .\'..
EX ik zag iu de rechterncuui
desgeucu die op deu troon
zat, eeu boek, beschreven van
binueu en van buiteu, verzegeld
iih\'t zeven zegelen.
2  En ik zag eenen sterken
Engel, uitroepende met eene
groutc stem: Wie is waardig
liet boek te openen eu zijt.e
zegelen open te breken?
3 En niemand in den hemel,
noch op de aurde. noch ouder
de aarde, kou het bock opeucu
uoch hetzelve inzien.
4  En ik weende zeer, dat uie-
maud wnardig bevoudcu was
om dat boek te openen eu te
lezen, noch hetzelve in te zien.
5  Kn eeu vau de Ouderliugeu
zeide tot mij: Weeu niet; zie,
de Leeuw die uit den stam
Juda is, de wortel Davlds,
heeft overwonnen, om het boek
te opeueu, en zijne zeven zegc-
leu open te breken.
6  Eu ik zag, eu zie, in bet
midden van deu troon en van
de vier diereu en in het mid-
den vau de Ouderlingen een
Lam staande als geslacht,
hebbende zeven hoornen en
leven oogeu, dewelke ziju de
zeven Geesteu Gods, die uitge-
zonden ziju in alle landen.
7 En bet kwam, en heeft het
boek genomen uit de rechter-
haiui desgenen, die op deu
troon zat.
H Eu als het dat boek geno-
men had, vielen de vier diereu
en de vier en twintig Ouderliu-
gen voor het Lam neder, heb-
bende elk citers en gouden
fiolen, zijnde vul reukwerk,
welke zijn de gebeden der hei
ligen.
9 Eu zij zongen een nieuw
lied, zeggende; Gij zijt win*
dig het boek te neuieu eu
zijne zegelen te opeueu; want
gij zijt geslacht, en hebt ons
Gode gekocht niet uw bloed,
uit alle geslacht en taal eu
volk en natie;
1<) eu xij heht ons onzen God
gemaakt tot Kouiugen eu
Priestereu, eu wij zullen als
Kuningcu heerschen op de
aarde.
11 En ik zag, en ik hoorde
eene stem veler Engelen roud-
mii deu troon eu de dieren en
de Ouderlingen; eu hun getal
was tieuduizendmaal tiendui-
zeudcu eu duizendmaal dui-
zeuden,
13  zeggende met eene groote
stem: Het Lam dat geslacht
is, is waardig te ontvangen
de kracht eu rijkdom en w{js-
heid en sterkte en eer eu heer-
ltjkheid en daukzegging.
i;i Eu alle schepsel dat in den
hemel is, eu op de aarde, en
onder de aarde, en die in de
zee zijn, eu alles wat iu de-
zelve is, hoorde ik zeggen:
Hem die op den troon zit en
het Lam zij de dankzegging
en de eere eu de heerlijkheid
en de kracht iu alle eeuwig*
heid.
14  En de vier dieren zeiden:
Amen. En de vier eu twintig
Ouderlingen vielen neder en
aanbaden dengenen die leeft
iu alle eeuwigheid.
-ocr page 358-
OPENBARING fi, 7.
God» en om de getuigenis die
zij hadden.
1() Kn zij riepen met groote
stem, zeggende: Hoe lang, o
heilige en waarachtige Heer-
HChcr. oordeelt en wreekt (Jij
Olll bloed niet vnn degenen dit;
un de aarde wonen \'t
11  En aan een iegelijk werden
lange witte kleederen gegeven,
en hun werd gezegd dat dj
nog eenen kleinen tijd rusten
zouden, totdat ook hunne me*
dedienstknechteu en hunne
broeders zouden vervuld zijn,
die gedood zouden worden ge-
lijk als zij.
12  En ik zag, toen het \'t zesde
zegel geopend had, en zie, daar
werd eetie groote aardheving;
en de zon werd zwart als een
haren zak, en de uiaan werd
als bloed,
13  en de sterren des hemels
vielen op de aarde, gelijk een
vfigchooin zijne onrijpe vijgen
afwerpt, als hij van eenen
grootcn wind geschud wurdt.
14  En de hemel is weg--\'ew!\'-
ken, als een boek dat tocge*
rold wordt; en atle bergen en
eilanden zijn bewogen uit hunne
plaatsen.
15  Kn de Koningen der aarde,
en de grooteu, en de rijken,
en de oversten over duizend,
en de machtigen, en alle dienst*
knechten, en alle vrijen, ver-
borgen zichzciven in de spe-
lonkeu en in de steenrotsen der
bergen,
l<i en zeiden tot de herteen en
tot de steenrotsen: Valt op
ons, en verberirt ons van het
aaugeziebt desgeneu die op
den troon zit, en vim den toorn
des Lams;
17 want de groote dag zijns
HOOFDSTUK
E
N ik zag, toenéén van de zegelen
bad, en ik hoorde éévier dieren zeggen,stem van ceucn doKom eu zie.
\'2 Kn ik zag, en ziepaard, en die daaropeenen boer, en hemkroon gegeven, enuit, overwinnende, euoverwonue.
3  Eu toen bet \'t twegeopend had, boordtweede dier zeggen. Ko
4  Eu een ander paauit, dat rood was; endaarop zat, werd macveu den vrede te nemeaarde, en dat zij elkanden dooden: en heingroot zwaard gegeven.
ft En toen het \'t degeopend had, hoordederde dier zeggen:zie. Eu ik zag, euzwart paard, en diezat, had eeue weegszijne hand.
6  Eu ik hoorde eenehet midden van de viedie zeide: Een maatvoor eenen penning,maatjes gerst voor eening, eu beschadig dden wijn niet.
7  Eu toen het \'t viegeopend had, hoordeetein van het vierdezeide: Kom eu zie.
X Kn ik iac, en zie,paard, en die daarupnaam was de dood, evolgde hem na; eu bmacht gegeven om te
tot het vierde 4eel der aarde j toorus is gekomen, eu wie kan
toe, met zwaard en met hou* j bestaan \'
ger eu met den dood en door i
de wilde beesten der aarde.
9 Eu toen het \'t vijlde zegel
geopend had, zag ik onder het i
iihjiiir il> zielen dergenen die I
j"eduod waren om bet Woord I
HOOFDSTUK \\
EN na dezei. —
gelen stuuii op de vier hoeken
houdende de
-ocr page 359-
OPEN!
winden der aarde, opdat Keen
wind zoude waaien op de aar-
de, noch op de zee, uocli tegen
ligeii boom.
2 Kn ik tag cenen anderen
. ;;i i opkouiea van den op-
gang der zon, hebbende liet
zegel de» levenden Gods; en
hij riep met ecne groote stem
tot de vier Engelen, welken
macht gegeven was de aarde
eu de zee te beschadigen,
\'i zeggende: Beschadigt de
aarde niet, noeli de zee, noch
ile hoornen, totdat wij de
dieaatkueciiten onzes Gods
/uilen verzegeld hebben aan
hunne voorhoofden.
I Bu ik hoorde het getaldergc-
nen die verzegeld waren: hon-
derd vier en veertig duizend wa-
reu verzegeld uit alle gesiaeh-
ten der kinderen Itraëls.
ó Uit het geslacht Judu wn-
ren twaalf duizend verzegeld;
uit het geslacht Kuben waren
twaalf duizend verzegeld; uit
het geslacht Gad waren twaulf
duizend verzegeld;
<ï uit het geslacht Aser waren
twaalf duizend verzegeld; uit
het geslacht NAftali waren
twaalf duizend verzegeld; uit
het geslacht Manusse wareu
twaalf duizend verzegeld;
7 uit het geslacht Simeoii wa-
ren twaalf duizend verzegeld;
uit het geslacht Levi waren
twaalf duidend verzegeld; uit
het geslacht Issaschnr waren
twaalf duizend verzegeld;
M uit het geslacht SSébulon wa-
MD twaalf duizend verzegeld;
uit het geslacht Jozef wareu
twaalf duizend verzegeld; uit
het geslacht Benjamin waren
twaalfduizend verzegeld.
\'J Na dezen zag ik, en zie,
eeue groote schare, die nie-
ntaud tellen kou, uit alle natie
\'\'» geslachten en volken en tn-
len, staande vóór den troon en
*66r het Lam, bekleed zijnde
"net lange witte kleederen, en
\\>nUiitakkvn waren iu hunne
\'linden.
LR1NG 8.                                     361
1» Ku zij riepen met groote
stem. zeggende: De zaligheid
zij onzen God die op den troou
zit, eu het Lam.
11 Kn atle de Kogelen stonden
rondom den troon en rondom
de Ouderlingen eu de vier die-
ren, en vielen voor den troon
neder op hun aangezicht, eu
aanbaden God,
VI zeggende: Amen. De lof eu
de heerlijkheid eu de wijsheid
eu de dankzegging eu de eere en
de kracht eu de sterkte zij on-
zen God in alle eeuwigheid.
Amen.
U Ku een uit de Ouderlingen
antwoordde, zeggende tot mij :
Dezen die hekleed zijn met de
lange witne kleederen, wie zijn
zij en van waar zijn ze geko-
men \':
II Kn ik sprak tot hem: Hee-
re, gij weet het. Ku hij zeide
tot mij: Dezen zijn het die uit
de groote verdrukking komen;
en zij hebbeu hunne lange klee-
dereu gewasscheu, en hebbeu
hunne lange kleederen wit ge-
maakt in het bloed des Lams.
15 Daarom zijn zij vóór den
troou Gods, en dienen hem dag
eu naiht in zijnen Tempel; eu
die op den troon z\\*., zal hen
overschaduwen.
!« Zij zullen niet meer houge-
ren eu zullen niet meer dor-
steu, eu de zon zal op hen niet
vallen, noch eeuige hitte.
17 Want het Lam dat in \'t
midden des troon» is, zal ze
weiden, eu zal hun een Leids*
ïiuui zijn tot levende fonteinen
der wateren; eu God zal olie
tranen van hunne oogeu af-
wisseheu.
HOOFDSTUK 8.
EN toen het \'t zevende zceel
geopend had, werd duar een
stilzwijgen in den hemel, mn-
treut van een half uur.
2 Kn ik zag de zeven Engelen
die voor God stonden, en hun
werden zeven bazuinen gegeven.
-ocr page 360-
OPENBARING 9.
bet derde deel derzelve zoude
verduisterd worden, en opdat het
derde deel van den dag niet
zoude lichten, en van deu
nacht desgelijks,
l.t En ik zag, en ik hoorde
eeuen Engel vliegen ia net
midden des hemels, zeggende
niet groote stem: Wee, wee,
wee dengenen die op de aarde
wonen, vanwege de overige
stemmen der bazuin der drie
Engelen die nog bazuinen zul-
leul
HOOFDSTUK 9.
EN de vijfde Engel beeft ge-
bazuind, eu ik zag eeue ster,
gevallen uit den hemel op de
aarde, eu haar werd gegeveu
de sleutel van den put des
afï ronds.
2  Eu zij heeft den put des
afgrond» geopend; eu daar is
rook opgedaan uit deu put,
als rook eens grooten ovens;
eu de zou en de lucht is ver-
duisterd gowordeu van den
rook des puts.
3  En uit den rook kwamen
sprinkhanen op de aarde, eu
liuu werd macht gegeven, ge-
lijk de schorpioenen der aarde
macht hebben.
4  Eu buu werd gezegd, dat
zij bet gras der aarde niet
zouden hesebadigen, noch ee-
nig groen, noch eenigen
boom, dan de ïueuschen alléén
die het zegel Gods aan huuue
voorhoofden niet hebben.
5  Eu hun werd macht gcgc-
ven, uiet dat zij ze zouden doo-
den, maar dat zij van hen zou-
den gepij n igd worden vlj t
maanden; en hunne pijniging
was als de pijniging van een
schorpioen wanneer bij eeu
mensen gestoken heeft.
fi En in die dagen zullen de
menseben den dood zoeken en
zullen dien niet viuden, en zij
zullen begeeren te sterven en
de dood zal van ben vlieden.
7 Eu de gedaanten der spriuk>
3  En daar kwam een andere
Engel, en stond aan het altaar,
benbende een «ouden wierook*
vat; en hem werd veel reuk-
werk gegeven, opdat hij het
met de gebeden aller heiligen
zoude leggen op het gouden al-
taar dat vóór den troon ie.
4  En de rook des reukwerk»
met de gebeden der bciliireu
ging óp van de hand des En-
gels voor God.
;> Eu de Engel nam het wie»
rnokvat, eu vulde dat met het
vuur des altaars, eu wierp het
op de aarde; en daar geschiedden
stemmen en donderslagen eu
bliksemen eu aardbeving.
fi En de zeven Kogelen, die de
zeven bazuinen hadden, bereid-
den zich om te bazuinen.
7  En de eerste Engel beeft ge-
bazuind, eu daar is geworden
hagel en vuur, gemengd met
bloed, en zij zijn op de aarde
geworpen; en net derde deel
der boomen is verbrand, eu al
bet groene gras is verbrand.
8 En de tweede Engel beeft
gebazuiud, en daar werd iet*
als een groote berg, van vuur
brandende, in de zee eewor-
pen; en bet derde deel der zee
is bloed geworden.
9 En bet derde deel der schen-
selen in de zee die leven heb-
ben, is gestorven, en het derde
deel der schepen is vergaan.
lil Eu de derde Engel heeft
gebazuiud, en daar ia eeue
groote ster, brandende als een
fakkel, gevallen uit den hemel,
en is gevallen op het derde deel
der rivieren eu op de fonteinen
der wateren.
11 Eu de naam der ster wordt
genaamd Alsem; en bet derde
deel der wateren werd tot al-
sem, en vele meusebeu zijn Ke-
storven van de wateren, want
zij waren bitter geworden.
13 Eu de vierde Engel beeft
gebazuiud, eu bet derde deel
der zon werd geslagen, en bet
derde deel der maan, en bet
derde deel der sterren, opdat
-ocr page 361-
OPENBARING 10.
borstwapenen; en de hoofden
der paarden waren als hoofden
van leeuwen, en uit hunue
monden ging uit vuur eu rook
en sulfer.
is Door deze drie werd het
derde deel der menschen gc-
dood, namelijk door het vuur
eu door den rook eu door bet
sulfer dat uit hunne moudeu
uitging.
19 Want hunne macht is in
hunnen moud en in hunne
staarten. Vaut hunne staarten
zijn den slangen gelijk, en
hebben hoofden en beschadi-
gcu met dezelve.
2i) En de overige menschen
die niet gedood zijn door deze
plagen, hebben zich niet be-
keerd van de werken hunner
handen, dat zij niet zouden
aanbidden de duiveleu, eu de
gouden en zilveren en koperen
eu steeuen en houten afgo-
den, die noch zicu kunnen,
noch hooreu, noch wandelen;
SI en hebben zich ook niet be-
keerd van hunne doodslagen,
noch van hunne veuijugeviugeu,
noch van hunne hoererij, nocli
vau hunne dievcryeu.
HOOFDSTUK 10.
E?f ik zag eenen anderen ster-
ken Kugcl, afkomende van
den hemel, die bekleed was mei
eene wolk; eu een regenboog
was boven zijn hoofd, eu zijn
aangezicht was als de zon, en
zijne voeten waren als pilaren,
van vuur.
. Eu bij bad in zijne hand een
boekskeu dat geopend was; eu
hij zette zijnen rechtervoet op
de zee, eu deu liuker op de
aarde.
S En hij riep met eeue grootr
stem, gelijkerwijs ecu leeuw
brult; en als hij geroepen had,
sprakeu de zeven donderslagen
hunne stemmen.
4 En toen de zeven dondersla-
geu hunue stemmen gesproken
hadden, zoo zoude ik ze ge-
schrevcu hebben; en ik hoorde
hanen waren den paarden |te-
lijk die toe den oorlog bereid
zijn; en op hunne hoofden h-
ren als kronen, het goud Keiijk ;
en hunne aangezichten als
aangezichten van inenschen.
8 Eu zij hadden haar al» haar
der vrouwen; en liman* tanden
waren als tanden der leeuwen.
.\' En /ij hadden borst«ape-
nen als ijzeren borstwapeueu;
en het gedruisch hunner vleu-
geleu was als een gedrui-sch
tier wagenen, wanneer vele
paardeu naar deu strijd loo-
pen.
10  l\'n /.ij hadden staarten deu
schorpioenen Keiijk, en daar
waren angels in hunne stnur-
ton; en hunne macht was de
menschen te beschadigen vijf
niaauden.
11  En zij badden over zich tot
eeneu Koning den engel des
tfgronda; zij 11 naam w as in
\'t U ebreeuwsch A baddon. en
in de Griekschc taal hau hij
den naam Apollyon.
12   Het ééue wee is wegge-
ïaan: zie, daar komen nog
twee weeëu na dezen.
13   En de zesde Engel beeft
ïebazuind, en ik hoorde ééne
stem uit de vier hoornen des
gouden altaars dat vóór God
was,
14  zeggende tot den zesden
f\'.iigel die de bazuin had: Out-
bind de vier Engelen die ge-
bonden zijn bij de groote, rivier
oen Eufraat.
15   En de vier Engelen zijn
"inbonden geworden, welke
bereid waren tegen de ure en
dng en maand en janr, opdat
ZIJ het derde deel der meimcheu
zouden dooden.
"» En het getal van de heir-
\'("•Iers der ruiterij was twce-
jöaal tienduizenden der tien-
duiznndeu1 eu ik hoorde Uuu
«Ui.
13 En ik zag alzóu de paarden
111 dit gezicht, en die daurop
Z)\'ten, hebbende vurige en he-
«eubunnre en sulfervervige
-ocr page 362-
HING 11
van buiten den Tempel is, en
meet dat niet; want het is den
heidenen gegeven; eu zij zullen
de heilige stad vertreden twee
eu veertig maanden.
:i En ik zal mijnen twee ge-
tuigen markt geven, eu zij zul-
leu nrot\'eteercn duizend twee*
honderd zestig da,\'en met zak*
ken bekleed.
4 Dezen zijn de twee olUfboo-
ini\'ii eu de twee kandelaren,
die voor den God der aarde
staan.
r> l\';i zoo iemand die wil be*
scbadigcu, een vuur zal uit
hunnen mond uitgaan eu zal
hunne vijanden verslinden; eu
zoo iemand beu wil beschiuli
gen, die uioet ulzuó gedood
worden.
6   Dezen hebben macht den
hemel te sluiten, opdat er geen
regen reeene iu de dagen Bun*
ner prufeteering; en zij hebbeu
macht over de wateren, om
die in bloed te verkeereu, en
de aarde te slaan met allerlei
plage, zoo menigmaal als zij
zullen willen.
7  En als zij hunne getuigenis
zullen geëindigd hebben, zul
het beest dat uit den afgrond
opkomt, hun kit)* aandoen, eu
bet zal ze overwmueu en zal ze
doodeu.
8   Eu hunne doodc liehamen
zullen liggen op de straat der
gronte stad, die geestelijk ge*
iinemil wordt Sodolu eu Egypte,
alwaar ook ouze Ileere ge-
kruist is.
B Eu Je hieaschta uit de vol-
keu eu geslachten eu talen en
uu tic n zullen hunne doode
lichamen zien drie dagen en
ecueii lialveu.eu zullen niettoe-
lateu dat hunne doode lirha-
incn in graven gelegd worden.
10 Eu die op de aarde wonen,
die zullen verblijd zijn over
hen, en zullen vreugde bedrij-
ven, eu /uilen elkander ge*
schenken zenden, omdat dcz<\'
twee Profeten degenen die op de
aarde wouen, .gepijnigd hadden.
354                                     OPBNBJ
cfiic stem uit ucr liemel, die
tot mij zeide: Verzegel hetgeen
de zeven donderslagen geapro*
km hebben, en schrijf dat niet.
.\'. Bu de Engel, dien ik zag
staan on de zee en op de aurde,
hief zijne baud öp naar den
bemel;
fi en bij zwoer bij dien die
ieeft in alle eeuwigheid, die
den hemel geschapen heeft en
hetgeen daarin is, eu de aarde
en hetgeen daarin Is, en de zee
en hetgeen daarin is, dat daar
Keen tijd meer zal zijn;
7 maar in de dagen der stem
des zevenden Engels, wanneer
iii.i bazuinen zal, zoo zal de
verborgenheid God» vervuld
worden, gelijk Hij zijnen
dienstknechten den Profeten,
verkondigd beeft.
S Eu de «tem, die ik gehoord
had uit den liemel, sprak we-
derom met mij en zeide: Ga
henen, neem het boekekea dat
geopend n in de hand des Kif
gels is, die op de zee en op de
aarde staat.
9   En ik ging henen tot den
Engel, zeggende tot hem: Geef
mij dat boeksken. En hij zeide
tot mij: Neem dat en eet het
op; en bet zal uwen buik bitter
maken, maar iu uwen uioud
zal het zoet zijn als honig.
10   En ik niiui dat hoekskeu
uit du band des Engels, en ik
at dat op; en het was in mijnen
mond zoet als honig, en als
ik bet gegeten had, werd mijn
buik bitter.
11    Eu hij zeide tot mij: Gij
moet wederom profeteereu
voor vele volken en nutiCn eu
tulen eu Koningen.
HOOFDSTUK 11.
EN mij werd een rietstok ge-
geven, eene mwfroede gelijk;
eu de Bugel stond en zeide:
Sta op, en meet den Tempel
Gods, eu het altaar, en dege*
i.i\'ti die daarin aanbidden.
- Eu laat het voorhof uit, dat
-ocr page 363-
OPENBARING 12,
:;;,:.
11  En un dit1 drie dagen en
eenen halven ia een geest des
levens uit God iu ben gegaan ;
en zij stonden op hunne voeten,
en daar i* groote vrees gevallen
op degenen die hen aanschouw-
den.
12  En zij hoortleu eene groote
«tem uit den hemel, die tot hen
zeide: Komt herwaarts óp. En
zij voeren Op naar den hemel iu
de wolk, en hunne vijanden aan*
schouwden ze.
13  En in die ure geschiedde
eene groote aardbeving, en liet
tiende deel der stad is geval*
len, en daar zijn in de aardbe-
viug gedood zeveu duizend uu-
men van menschcu, en de
overigen zijn zeer bevreesd ge-
worden en hebben den God
de* hemels heerlijkheid gege-
ven.
14  Het tweede wee is wcgge*
gaau: zie, het derde wee komt
haast.
En de zevende Engel heeft
gebazuind, en daar geschiedden
groote Bteminen iu den hemel,
zeggende: I)e koninkrijken der
wereld zijn geworden onzes
lleercn en van zijnen Christus,
en Hij zal als Koning heersehen
iu alle eeuwigheid.
10 En de vier en twintig Ou-
üerlingen, die vóór God zitten
op hunne tronen, vielen neder o\\)
hunne aangezichten en nanba*
den God,
17  zeggende: Wij danken U,
Ilcere God almachtig, die is, en
die was, co die komen zal, dat
Gij uwc groote kracht hebt aan-
geuomen cu als Koning hebt
-\'<\'heerscht;
18  en de volkeren waren toor-
"ig geworden, en uw toorn is
gekomen, en de tijd derdooden
01» geoordeeld te worden, en
<>in het loon te geven aan uwe
dienstknechten de Profeten en
«e heiligen en degenen die
uwen naam vreezen, de kleinen
en de grooten, en om te ver*
tlerven degenen die op de aarde
verdierven.
19 En de Tempel Gods iu den
hemel is geopend geworden, en
de Ark zijns verbonds is gezien
in zijnen Tempel; en daar wer-
den bliksemen en stemmen en
donderslagen en aardbeving en
groote hagel.
HOOFDSTUK 12.
EN daar werd ecu groot tee-
ken gezien iu den hemel,
namelijk eene vrouw, bekleed
met de zon, en de maan was
ouder hare voeten, en op haar
hoofd eene kroon van twaalf
sterren;
2  en zij was zwanger, en riep,
barensnood hebbende, en zijnde
iu pijn om te baren.
3  Kii daar werd een ander tee-
keu gezien in den hemel; en
zie, daar was een groote roode
draak, hebbende zeven hoofden
en tien hoornen, en op zijne
hoofdeu zeven kouiuklijke hoe-
den.
4  En zijn staart trok het dei-
de deel der sterren des hemels,
en wierp die op de aarde. En
de draak stond vóór de vrouw
die haren zoude, opdat hij
haar kind zoude verslinden,
wanneer zij het zoude gebaard
hebben.
5  Eu zij haarde eeuen mannc-
lijken zoon, die alle de heide-
nen zoude hoeden met eeneijze-
ren roede; en haar kind werd
weggerukt tot God en zijnen
troon.
il Eu de vrouw vluchtte in de
woestijn, alwaar zij eene plaats
had, haar van God bereid, opdat
zij ze aldaar zouden voeden
duizend tweehonderd zestig
dagen.
7  En daar werd krijg in dei
hemel: Michael en znue Enge-
len krijgden tegen den draak,
en de draak krijgde óók en zij-
:u\' engelen.
8   En zij hebben nfets ver-
mocht, en hunne plaats is
niet meer gevonden iu den
hemel.
-ocr page 364-
OPENBARING 13.
Ö.r.
0 En de groote draak is ge-
worpen, namelijk de oude slang,
welke genaamd wordt duivel
en satan, die de geheele we*
reld verleidt, bij is, zeit ik, ge-
worpen op de aarde, en zijne
engelen zijn met hein gewor*
peii.
in En ik hoorde eene groote
stem, gemeende In den liemel:
Nu is de zaligheid en de kracht
en het Koninkrijk geworden
onzes Gods, en de macht van
zijnen Christus; want de ver-
klager onzer broederen, die
hen verklaarde voor onzen
God dag en nacht, is nederge-
worpen,
11 en zij hebben hem overwon*
neu door bet bloed des Lams
en door het woord hunner ge-
tuigeuis, eu zij liebben huu
leven niet liefgehad tot deu
dood toe.
13 Hierom bedrijft vreugde,
gij hemelen eu gij die daariu
woont. Wee dengenen die de
aarde en de zee bewonen j want
de duivel is tot u afgekomen,
eu beeft grooten toorn, wetende
dat hij eeueu kleiueu tijd
beeft.
13  En toen de draak zag dat
hij op de aarde geworpen was,
zoo heeft hij de vrouw vervolgd
die het jougskeu gebaard
bad.
14  Eu aan de vrouw zijn gcge-
veu twee vleugelen eens groo*
teu areuds, opdat zij zoude
vliegen in de woestijn, in hare
plaats, alwaar zij gevoed wordt
eenen tijd eu tijden en eeuen
halven tijd, buiten het gezicht
der slang.
15  Eu de slang wierp uit ha-
reu moud achter de vrouw wa-
ter als eeue rivier, opdat zij
haar door de rivier zoude docu
wegvoeren.
16  Eu de aarde kwam de vrouw
te hulp, eu de aarde opeude
baren mond eu verzwolg de ri-
vier, welke de draak uit zijnen
mond had geworpen.
17  Eu de draak vergrimde op
de vrouw, en ging benen om
krijg te voeren tegen de overi-
gen van baar geslacht, die de
geboden Gods bewaren eu de
getuigenis van Jezus Christus
bebbeu.
W Eu ik stond op het zand
der zee.
HOOFDSTUK 13.
EN ik zag uit de zee een
beest opkomen, hebbende
zeven hoofden en tien hoornen,
en op zijne hoornen waren tien
koninklijke boedeu, eu op zijne
hoofden was ecu naam vanyads-
lastering.
2  Eu bet beest dat ik zag, was
ceneu pardel gelijk, en zijne
voeten als de voeten eens bcers,
en zijn mond uls de inond eens
leeuws. En de draak gaf hem
zijne kracht en zijnen troon eu
groote macht.
3    En ik zag één van zijne
hoofden als tot den dood ge-
wond, en zijne doodelijke wond
werd geuezen ; eu de geheele
aarde verwonderde zich achter
het beest.
4  En zij aanbaden den draak,
die het beest macht gegeven
had, en zij aanbaden het beest,
zeggende; Wie is dit beest ge-
Ifjk ? Wie kan krijg voeren te-
gen hetzelve ?
5  En aan hetzelve werd een
mond gegeven om groote diu-
gen en >/orf«lasteringeu te »pre-
ken, eu aan hetzelve werd macht
gegeven om zulka te doen twee
en veertig maauden.
fi Eu bet opende zijnen mond
tot lastering tegen God. om
lijnen naam te lasteren, e»
zijnen Tabernakel, en die m
den hemel wonen.
7 En aau hetzelve werd WK»
gegeven om deu heiligen krijg
aan te doen, en om die te over-
winnen; eu aan hetzelve werd
macht gegeven over alle ge-
slacht en taal en volk.
S En allen die op de aarde
wonen, zullen hetzelve aanbid*
-ocr page 365-
ARING 14.                       f "57
1" en (int niemand ina? koo-
pen of verknopen dan die dat
merkteckeii heeft, of den nanin
van het beest, of het getal zijns
naams.
1M Hier is de wijsheid: die
het verstand heeft, berekene
het getal van het beest; want
het is een getal eens mensehen,
en zijn geul is zeshonderd zes
eu zestig.
HOOFDSTUK 14.
EN ik zag, eu zie, het Lam
stond op den berg Sion, en
met hem honderd vier en veer-
tiïdui/.eiid,hebhcndedeunaani
nijns Vilders geschreven aan
hunne voorhoofden.
2  Kn ik hoorde eene stem uit
den hemel,als eene stem van vele
wateren en als eene stem van
een grooteu donderslag. En
ik hoorde eene stem van citer-
spelers, speleude op hunne
citers;
3  en zij zoneen als een nieuw
gezang vóór den troon en vóór
de vier dieren en de Ouderlin-
geo, en niemand kou dat ge-
zang leeren dan de honderd vier
en veertite duizend, die vau de
aarde gekocht waren.
4  Dezen zijn het die inet vrou-
weu niet bevlekt zijn, want zij
zijn maagden. Dezen zjjn het
die bet Lam volgen, waar het
ook heuengaat. Dezen zijn ge-
koeht uit de mensebeu, tot
eerstelingen voor God eu het
Lam.
5  En in hunnen mond is geen
bedrog gevonden, want zij zijn
onberispelijk vóór deu troou
Gods.
ö En ik zag eenen anderen
Kngel, vliegende in het mid-
den des hemels, en hij had bet
eeuwig Evangelie, om te ver-
kondigen aan degenen die op
de aarde wonen, eu aan alle
natie en geslacht eu taal eu;
volk,
7 zegceiide met eene groote
stem: Vreest God eu geeft Hem
OPENB
den, welker namen niet zijn
Beschreven in het boek des Ie*
veus des Lam» dat i < lachl
is, van de grondlegging der
wereld.
9  Indien iemand ooren heeft,
die hoore.
10  Indien iemand in de gcvan-
genis leidt, die itaat zelf in de
-i-\\an\'_-i-;.is : indien iemand niet
Let zwaard zat doodeu, die
moet zelf niet liet zwatird Re-
dood worden. Hier is de liid-
zaamheid eu bet geloof der
heiligen.
] I Kn ik zag een ander beest
nit de aarde opkomen, en bet
bad twee hoornen, des Lams
/toornen gelijk, en het sprak
als de draak.
12  Ëu het oefent al de maeht
van bet eerste beest in tegen-
woordigheid van hetzelve, en
het maakt dat de aarde en die
daarin wonen, het eerste beest
aanbidden, welks duodelfjke
wond genezen was.
13  Ed het doet groote teeke-
nen, zoodat het ook vuur uit
den hemel doet afkomen op de
aarde voor de nieuschen,
14  en verleidt deirencn die op
de aarde wonen, door de teeke-
urii die aan hetzelve te doen ge-
«even zijn in de tegen wooidisr-
beid van het heest, zeggende
tot degenen die op de aarde
wonen, dat zij voor het beest,
dat de woud des zwaard* bad
en weder leefde, een beeld zou-
den maken.
1» En aan hetzelve werd macht
gegeven om het beeld van bet
beest eenen Keest te geven op-
dat het beeld van het beest ook
zoude spreken, en maken dat
allen die het beeld van bet
beest niet zouden aanbidden,
gedood zouden worden.
]J Eu het maakt dat het aan
a.U.en> kleinen en grooteu, eu
ryken en armen, eu vrijen en
dienstknechten, eeu merktee-
ken geeft aan hunne reehter-
haud of aan huuae voorhoof\'
den,
-ocr page 366-
OPENBARING 16.
:ij-,
heerlijkheid; wmit de ure zijns
oordeels is gekomen; eu aan-
uidt Hem die den hemel en de
aarde en de zee en de fonteinen
der wateren gemaakt heeft.
S Kn daar ia een andere Eu-
-.\'el gevolgd, zeggende: Zij i*
gevallen, zij is gevallen, Ba-
oylon die groote stad, omdat
zij uit den wijn des tuorns ha*
rer hoererij alle volken heeft
gedrenkt.
9 Eu een derde Engel is hen
gevolgd, zeggende met eene
groote stem: Indien iemand
. het beest aanbidt en zijn beeld,
en ontvangt het merkteeken
aan z-iju voorhoofd of aan zijne
band.
lil die zal óók drinken uit den
wijn van den tiiorn Gods, die
ongemengd ingeschonken is iu
den drinkbeker zijns toorns;
eu hij zal gepijnigd worden
met vuur en sulfer voor de
heilige Euvelen en voor hut
Lam.
11  Kn de rook van hunne pij*
nigiug gaat op in alle eeuwig*
beid, eu zij hebben geeue rust
das: eu nacht, die het beest
aanbidden en zijn beeld, en 100
ieimuid het merkteeken zijns
naams ontvangt,
12  Uier is de lijdzaamheid der
heiligen; hier zijn ze die de
geboden Gods bewaren eu het
geloof van Jezus.
i:i Eu ik hoorde eene stem uit
den hemel, die tot mij zeide:
Schrijf: Zalig zijn de dooden
die in den Heere sterven, van
nu aan. Ja, ze>*t de Geest,
opdat zij rusten mogen van
iiuunen arbeid; en hunne «er-
ken volgen met hen.
14 Kn ik zag, eu zie, pene witte
wolk, eu op de wolk was een
geseten. des mentenen Zoon
gelijk, hebbende op zijn hoofd
een gouden kroon eu iu zijne
hand eene scherpe sikkel.
]\'> Kn een andere Kugel kwam
uit den Tempel, roepende met
eene groote stem tot dengenen
die o]) de wolk zat; Zend uwe
sikkel eu maai; want de ure
om te maaien is voor u geko-
men, dewijl de oogst de aarde
is rijp geworden.
H> Eu die op de wolk zat, zond
zijne sikkel op de aarde, en de
aarde werd gemaaid.
17  Eu een andere Engel kwam
uit den Tempel die iu den he-
mel is, hebbende ook zelf eeue
scherpe sikkel.
18  En eeu andere Engel kwam
uit van het altaar, die macht
bad over het vuur, eu hij riep
met een groot geroep tut deu-
geneu die de seherpe sikkel
had, zeggende ; Zend uwe seher-
pe sikkel en snijdt af de drui-
ventakken van den wijngaard
der aarde, want zijne druiven
zijn rijp.
19  En de Engel zond zijne ifk-
kel op de aarde, eu sneed dr
dntivcn
af van den wijngaard
der aarde, eu wierp ze in den
grooteu wijnpers balt vau den
toorn Gods.
2it Eu de wüupcrsbak werd bui-
teu de stad getreden, eu daar
is bloed uit den wijupersbak
gekomen, tot aan de tooiiieu
der puardeu, duizend zeshou-
derd stadiën ver.
HOOFDSTUK 15.
EN ik zag een ander groot
en wonderlijk teekeu iu den
hemel, namelijk zeven Engelen,
hebbende de zeven laatste pla*
•en; want iu deze is de toorn
Gods geëindigd.
2 Eu ik zag als eeue glazen
zee met vuur gemengd; e» die
de overwimiiug hadden van bet
heest eu van zijn beeld, en van
zijn merkteekeu en vau het ge-
tal zijus naams, welke stonden
aan de glazen zee, hebbende
de citers Gods.
:: Kn zij zougea liet gezang
van Muzen, deu dienstknecht
Gods, en het gezang des Lams,
zeggende: Groot en wonder*
lijk gtiu uwe werken. Ueere,
CRI
almachtige God; recht*
-ocr page 367-
OPENBARING 16.
:-,t:i
vaardig en waarachtig zijn
uwe wegen, Gij Koning der
heiligen.
4 Wie zoude U niet vreezen,
Heere, en uwen naam «i>f
ver L ec rl ij ken \'t Want Gij zijt
alleen heilig; want alle volke-
ren zullen komen en voor U
aanbidden; want uwc oordee-
len zijn openbaar geworden.
\'> Kn na dezen zag ik, en zie,
de Tempel van den Tabernakel
der getuigenis in deu hemel
werd geopend;
«l en de zeven Kogelen die de
zeven plagen hadden, kwamen
uit den Tempel, bekleed met
rein en blinkend lijnwaad, en
•omgord om de borst met gou*
den gordels.
7  Kn een van de vier dieren
gat\' den zeven Engelen zeven
gouden fiolen, vol van deu
toorn Gods die in alle eeuwig-
heid leeft.
8  Kn de Tempel werd vervuld
met rook uit de beerlijkheid
Gods, en uit zijne kracht; eu
niemand kou iu den Tempel
ingaan, totdat de zeven pla-
geit der zeven Engelen geein*
digd waren.
HOOFDSTUK 16.
EN ik hoorde eene groote
item uit den Tempel, zeg-
gende tot de zeven Engelen:
Gaat heueu eu giet de mm
ttoleu van tien toorn Gods uit
op de aarde.
Ü Kn de eerste ging henen eu
goot zijne tiool uit op de aar-
de eu daar werd een kwaad
eu boos gezweer aan de men-
«clien, die het inerkteeken van
het beest hadden en die zijn
beeld aanbaden.
8[Eu de tweede Engel goot
zijne fiool uit in de zee: en zij
werd bloed als eens dooden,
e» alle levende ziel is gestur*
Wn in de zee.
4 En de derde Engel goot
zijne riool uit iu de rivieren eu
iw de fonteinen der wateren:
en de wateren werden bloed.
5 En ik hoorde den Engel der
wateren zeggen ; Gij zijtrecht-
vaardig, Heere, die is, eu die
was, en die zijn zal, dat Gij
dit geoordeeld hebt;
fi dewijl zij het bloed der hei-
ligen en der Profeten vergoten
hebben, zoo hebt Gij hun ook
bloed te drinken gegeven; want
zij zijn het waardig.
7 Eu ik boorde eeneu anderen
van het altaar zeggen: Ja,
lleere, Gij almachtige God,
uwe oordeeleu zijn waarachtig
en rechtvaardig.
S En de vierde Engel goot
zijne i\'n nl uit op de zou: eu
haar is markt gegeven de raeii*
m\'Ih\'ii ti\' verhitten door vuur;
9 eu de mentenen werden
verhit met groote hitte, en
lasterden deu naam Gods, die
macht heeft over deze plagen,
eu zij bekeerden zich niet om
Hein heerlijkheid te geven.
in Eu de vijfde Engel goot
zijne fiool uit op deu troon
van het beist: en zijn rijk is
verduisterd geworden, en zij
kauwden hunne tuiigcu van
pij".
11 en zij lasterden den God
des hemels vanwege hunne
pijnen en vanwege hunne zwe-
rt-ii, eu zij bekeerden zich niet
van hunne werken.
|j En de zesde Engel goot
zijne fiool uit op de groote
rivier deu Eitfraat s eu zijn
water is uitgedroogd, opdat
bereid zoude worden de weg
der Koningen die van deu
opgang der zon icot,ini zullen.
).{ En ik zag uit deu mond van
den draak en uit den mond
van het beest eu uit den mond
van den valse beu profeet drie
onreine geesten yuan, deu vor-
seheu gelijk;
l-l want het zijn geesten der
duivelen, en zij doen teeke-
nen, welke uitgaan tot do
Koningen der aarde en der ge-
heele wereld om die te verga-
dereu tot den krijg van dien
-ocr page 368-
360                                      OPENB
,ïrooteii dag des ahnachtigen
Gods.
18  Zie, ik Kont als een dief.
Zalig is bij die waakt en zijne
kleedercu bewaart, opdat bij
niet naakt waiidele en men
zijne schaamte niet zie.
16  Ku zij hebben ze vergaderd
in de plaats welke in \'t IIe-
breeuwscb genaamd wordt
Armageddon.
17  Ku de zevende Enge] (root
zijne fiool uit in de lucht: en
daar kwam ecne groote stem
uit den Tempel des Hemels,
vun den troon, zeggende; Het
is geschied.
IS Ku daar geschiedden stem-
meu en donderslagen en blik-
senieii, en daar geschiedde
«eui\' groote aardbeving, hoe-
danige niet is geschied van
dat de meuscheu op de aarde
geweest zijn, namelijk ecne
zoodanige aardbeving eu zóó
groot.
19  Ku de groote stad is In
drie decleii gescheurd, en de
steden der heidenen zijn ge-
vallen. Ku het groote Btibyloi
is gedacht geworden voor God,
om haar te geven den driuk-
beker van den wijn des tonrns
zijner gramschap.
£0 Ku alle eiland is gevloden,
en de bergen zijn uiet gcvon-
den.
21 En een groote hagel, elk als
een talcnt/JoW zwaar, viel neder
uit deu hemel op de ineuscbeu:
en de menscheu lasterden God
vanwege de piage des nagels,
want deszelfs plage was zeer
groot.
HOOFDSTUK 17.
EN een uit de zeven Engelen
die de zeven fiolen hadden,
kwam en sprak met mij, en
zeide tot mij: Kom herwaarts,
ik zal u tooneti bet oordeel der
groote boer d!e zit op vele wa-
tereu,
C met welke de Koningen der
aarde gehoereerd bebbcu; e»
die de aarde bewonen zijn
ARING 17.
dronken geworden van den \\vjjn
harcr hoererij.
:i En hij bracht mij weg in
ecne woestijn, in den geest:
en ik zag eene vrouw, zittende
op een schurlakenrood beest,
dat vol was van namen der
^nrlllastcring, en zeven hoof-
den had en tien hoornen.
4 Ku de vrouw was bekleed
niet purper en scharlaken, ca
versierd met goud en kostelijk
gesteente eu paarlen, en had \'ia
bare baud eeiicu gouden drink-
beker, vol van gruwelen en van
oureiuigheid harer hoererij.
6  En op haar voorhoofd wts
een naam geschreven, nams-
lijk:
Verborgenheid, het groo-
te Babylou, de moeder der
hoererijen en der gruwelen dei-
aarde.
(1 Kn ik zag dat de vrouw-
dronken was van het bloed
der heiligen en van het bloed
der irctuigen van Jezus. Kn ik
verwonderde mij als ik ze zag,
inct groote verwomlering.
7  Ku de Engel zeide tot mij:
Waarom verwondert gij u? ik
zal u zeggen de verborgenheid
van de vrouw en van bet beest
dat baar draagt, hetwelk de
zeven hoofden en de tien hoor*
mm heeft.
H (Iet beest dat gij gezien
hebt, was eu is niet, en bet
zal opkomen uit den afgrond,
eu ten verderve gaan; en die
op de aarde wonen {welker
namen niet zijn geschreven iu
bet boek des levens van de
grondlegging der wereld), zul-
len verwonderd zijn, ziende bet
beest dat was eu niet is, hoe-
wel het is.
9  Hier is het verstand dat
wijsheid heeft. De zeven hoof-
den zijn zeven bergen, op welke
de vrouw zit.
10  Kn het zijn oofc zeven Ko-
ningen: de vijf zfjn gevallen,
en de één is, de ander is nog
niet gekomen, en wanneer hij
r.al gekomen zijn, moet bij
een weinig tijds blijven.
-ocr page 369-
OPBMBJ
11 En het beest dat was en
niet is, dit is nok de achtste
Koning, en is uit de zeveu, eu
gaat ten verderve.
IS En de tieu hoornen die
gij gezien hebt, ziju tien Ko-
ïringen, die hoc koninkrijk hok
niet hebben ontvangen, maar
h1» Koningen macht ontvangen
op H\'nf ure niet bet beest.
13  Dezen hebben ééuerlei mee-
ning, en /.iilit\'ii hunne kracht
en macht aan het beest over-
gcven.
14  Dezen zulleu tegen het Lam
krijgen, eu het Lam zal ze
overwinnen (want het is een
Ileere der heeren en eeu Ko-
ning der koningen), en die
met hem zijn, de geroepenen
en uitverkorenen eu geloovi-
gen.
15  En hij zeide tot mij: De
wateren die gij gezien hebt,
waar de hoer zit, zijn volken
en scharen eu natiën en tou-
gen.
lfi Eu de tien hoornen die gij
gezien hebt op het beest, die
zullen de hoer haten, en zul-
lcn /..\' woest en naakt maken,
eu zij zullen haar vleesch eten,
en zullen ze met vuur vcrbrau-
den.
17 Want God heeft hun in
hunne harteu gegeven, dat zij
zijne meeniug doen, en dat zij
éeuerlei meeniug doen, en dat
zij hun koninkrijk aau het
beest geven, totdat de woor-
rten Gods voleindigd zullen
zijn.
ft En de vrouw die gij gezien
hebt, is de grnote stad die het
koninkrijk heeft over de Kouiu-
ge» der aarde.
HOOFDSTUK 18.
E^ na dezen zag ik eenen
anderen Engel afkomen uit
den hemel, hebbende groote
macht; en de aarde is verlicht
geworden van zijue heerlijk-
heid.
2 Eu hij riep krachtiglijk met
iING IS.                                :i6l
eene groote stem, zeggende:
Zij is gevallen, zij is gevallen,
de groote atad Kabylon, en in
geworden eene woonstede der
duivelen, eu eene bewaarplaats
van alle onreine geesten en
eene bewaarplaats van alle on-
reiu en hatelijk gevogelte;
:i dewijl uit den wijn des
toorns harer hoererij alle vol-
keren gedronken hebben, en
de Koningen der aarde met
haar gehoereerd hebben, en de
kooplieden der aarde rijk zijn
gewordeu uit de kracht harcr
weelde.
4 En ik hoorde eene andere
stem uit den hemel, zeggende:
Gaat uit van haar, mijn volk,
opdat gij aan hare zouden geen
gemeenschap hebt, en opdat
gij van hare plagen niet out-
vangt.
6  Want hare zonden zijn de
ééne op de andere
gevolgd tot
den hemel toe, eu God is harer
ongerechtigheden gedachtig ge-
worden.
l> Vergeldt haar gelijk als zij
ulieden vergolden heeft, en
verdubbelt haar dubbel naar
hare werken; in den drinkbe*
ker waarin zij geschonken heeft,
schenkt haar dubbel.
7  Zooveel als zij ziebzelve vor-
heerüjkt heeft en weelde ge-
had heeft, doet haar zóó groote
pijniging en rouw aau. Want
zij zegt in haar hart: Ik zit
alt eene Koningin, en beu
geene weduwe, en zal gceucii
rmnv zien.
8 Daarom zullen hare plagen
op ééneti dag komen, namelijk
dood en rouw en honger, eu
zij zal met vuur verbrand wor*
den; want sterk i» de Ueere
God die haar oordeelt.
y En de Koningen der aarde,
die met haar gehoereerd en
weelde gehad hebben, zullen
ze beweenen en rouw over
haar bedrijven, wanneer zij
den rook haars brauds zulleu
zien,
10 van verre staande uit vrees
-ocr page 370-
3(13                                         OPENB
va» hare pijni rinir. zeggen-
de; Wee, wee, de grootc *tad
Babyion, de sterkt\' stad; want
uw oordeel is in één uur ge-
komcu.
11 En de kooplieden der aarde
zullen weeueu en rouw maken
over haar,omdat niemand hunne
waar ineer koopt:
t_ %vaar van Koud, en van Kil-
ver, en van kostelijk gesteente,
e» van paarlen, en van fijn lijn-
waad, en van purper, en van zijde,
en van scharlaken, en allerlei
welriekend hout, en allerlei
ivoren vHten, en allerlei vaten
van \\\\i"~ kostelijkste hout, en
van koper, en van ijzer, en van
marmers teen,
13 en kaneel, en reukwerk, en
welriekende zalf, en wierook,
en wijn, en olie, en meelbloein,
en tarwe, en lasthccsrcn, en
schapen; en van paarden, en
van koets wagens, en van 1I-
chaincn, en de zielen der mcir
echen.
II Ku de vrueht der bcgeer-
lijklieid uwer ziel is van u weg-
gegaan, en al wat lekker e»
wat heerlijk was, is van u weg-
geganil, (\'II gij /.uil. dat Illel
meer vinden,
1"> De kooplieden dezer dln*
gen, die rijk geworden waren
van haar, zullen van verre
staan uit vrees van hare pij*
uigtnjr, weenende en rouw ma-
kende,
l<! en leggende: Wee, wee,
de grootc stad, die bekleed was
niet fijn lijnwand en purper en
scharlaken, eu versier» niet
goud en met kostelijk geitëen-
te eu met paarlen; WHnt in
één uur is zoo grootc rijkdom
verwoest.
t" l\'.\'n alle stuurlieden, en al
het volk op de sehepen, en
bootsgezellen, en allen die ter
zee handelen, stonden van
verre
is en riepen, ziende den mok
van haren brand, en zeggende:
Wat ataJ was deze groote stad
gelijk?
A.B1NO 19.
1!) En tti wierpen stof op lui ir
ue hoofden, eu riepen, wee*
nende en rouw bedrijvende,
zeggende: Wee, wee de groote
stad, in dewelke allen die
scbepen in de zee hadden, van
hare kostelijkheid rijk gewor-
den zijn; want zij is inéén uur
verwoest geworden.
*Sl Bedrijf vreugde over haar,
gil hemel, eu Kij heilige Apos-
telen en Kij Profeten; want
God hcett uw oordeel aan baar
geoordeeld.
21 En een sterke Euvel hief
eenen •urn op als een grooten
molensteen, en wierp dien in
de zee, zegende: Aldus zal
de groote stad liabylou met
geweld geworpen worden, en
zal niet meer worden gcvou-
deu.
±2 En de stem der citerspelers
en der zanger* eu der fluilspe-
lers eu der bazuin blazers zal
niet meer in u tcehoord wor-
den; en Keen kunstenaar van
eeiiiKe kunst zal meer in u ge
vonden worden, en Keen Keluid
des molens zal in u meer ge-
hoord worden,
2:i eu het licht der kaars zal
in u niet meer schijnen; eu de
stem eens bru idcgnius eu ee-
ner bruid zul iu u niet meer
gehoord worden; want uwc
kooplieden waren de Krootcn
der aarde, want door uwe too-
verij zijn alle volkeu verleid
geweest.
SM En in dezelve is gevonden
het bloed der Profeten en der
heiligen en aller derKeiten die
gedood zijn op de aarde.
HOOFDSTUK 19.
EN na dezen hoorde ik als
eene groote stem eeuer
groote schare in de» hemel,
zorgende: Halteh\'gali! Dezaliif\'
iieid en de heerlijkheid eu de
eere eu de kracht zij den Heere
onzen God.
•2 Want zijne oordeelen zijn
waarachtig eu rechtvaardig,
-ocr page 371-
OPENBA
dewijl Hij de groote hoer ge-
oordeeld heeft, die de aarde
verdorven heeft met hare lioe-
rerfj, en Hij het bloed zijner
dienaren van hare hand ge-
wroken heeft.
:: En zij zeiden ten tweeden
male: Hallelüjah! En haar rook
gaat op in alle eeuwigheid.
4 En de vier en twintig Ouder*
derlingen en de vier dieren vielen
neder en aanbaden God die op
den troon zat, zeggende; A-
nien. Hallelüjah!
•i En eene stem kwam uit den
troon, zeggende; Looft onzen
God, gij alle zijne dienst*
knechten en gij die Hem vreest,
heiden klein en groot.
\'i En ik hoorde als eene stem
rener groote schare en al» eene
stem va» vele wateren en als eene
stem van sterke donderslagen,
zeggende: Hallelüjah 1 want de
Heere, de almachtige God,
heeft aU Koning geheerscht.
7   Laat ons blijde zijn en
vreugde bedrijven, en Hem de
heerlijkheid geven; want de
bruiloft des Lams is gekomen,
en zijne vrouw heeft zichzelve
bereid.
8  En haar is gegeven dat zij
bekleed worde met rein en
blinkend lijn lijnwaad; want
dit fijne lijnwaad zijn de recht*
vaardiginakingen der heiligen.
9  En hij zcide tot mij: Schrijf:
Zalig zijn ze die geroepen zijn
tot het Avondmaal van de
bruiloft des Lams. En hij zei-
de tot mij: Deze zijn de waar*
achtige woorden Gods.
1" En ik viel neder voor zijne
voeten om hem te aanbidden,
en hij zeide tot mi): \'Me dat
«ij dat niet doet; ik ben uw
mededienstkiiecht, en die uwer
broederen die de getuigenis
van Jezus hebben: aanbid God.
Want de getuigenis van Jezus
is de geest der profetie.
11 En ik zag den hemel ge*
onend: en zie, een wit paard,
en die op hetzelve zat, was ge-
uaamd Getrouw en Waaraeb*
RING 19.                     \'          363
tig, en hij oordeelt en voert
krijg in gerechtigheid.
12 Eu zijne oogeu waren als
eene vlam vuur», en op zijn
hoofd waren vele koninklijke
hoeden; en hij had eenen naam
geschreven dien niemand wist
dan hijzelf.
i:ï En hij was bekleed met
een kleed dat met bloed ge-
verfd was; en zijn naam
wordt genaamd het Woord
Gods.
! l En de helrlegers in den
hemel volgden hem op witte
pnardeu, gekleed met wit en
rein rijn lijnwnad.
1\') En uit zijnen mond ging
een scherp zwaard, opdat hij
daarmede de heidenen slaan
zoude. En hfj zal ze hoeden
met eene ijzeren roede; en
hij treedt den wijnpersbak van
den wijn des toams en der
gramschap des almachtiger
Gods.
ld En hij heeft op z\\in kleed
eu op zijne dij dezen naam ge*
schreven: Koning der konin-
geu en Heere der heeren.
17 Eu ik zag eenen Enge),
staande in de zou; en hij riep
met eene groote stem, zeggen-
de tot alle de vogelen, die in
het midden des hemels vlogen :
Komt herwaarts en vergadert
u tot het avondmaal des groo-
ten Gods,
IS opdat gij eet het vleescb
der Koningen, en het vleesch
der oversten over duizend, en
het vleesch der sterkeu, en
liet vleesch der paarden en der-
genen die daarop zitten, en
het vleesch van alle vrijen en
dienstknechten, en kleinen en
groote».
1\'J En ik zag het beest en de
Koningen der aarde eu hunne
heirlegers vergaderd om krijg
te voeren tegen hem, die op
het paard zat, eu tegen zijn
heirleger.
20 En liet beest werd gegre-
pen, en met hetzelve de val-
sche profeet, die de teekenen
-ocr page 372-
OPENBARING 20.
:sfij
de dood geen macht, maar ztj
zullen Priesters vau God en
Christus zijn, en zij zullen met
hein als Koningen heerscheu
duizend jaren.
7 Eu wanneer de duizend ja-
ren zullen geëindigd zijn, zal
de satan uit zijne gevangenis
ontbouden worden,
K en hij zal uitgaan om de
volken te verleiden die in de
vier hoeken der aarde zijn,
Gog en Magog, om hen te ver-
gadercu tot den krijg; welker
getal is als het zand aan de zee.
9  En zij zijn opgekomen op
de breedte der aarde, en om-
ringden de legerplaats der hei-
ligen en de geliefde stad; eu
daar kwam vuur neder vau
God uit den hemel, en heeft ze
verslonden.
10  En de duivel die hen ver-
leidde, werd geworpen in den
poel van vuur en sulfer, al-
waar het beest en de valsche
profeet is; en zij zullen gepij"
nigd worden dag eu nacht in
alle eeuwigheid.
11  En ik zag eenen grooteu
witten troon/en dengenen die
daarop zat, van wiens aau-
gezicht de aarde en de hemel
wegvlood, en gecne plaats is
voor die gevonden.
12  Eu ik zag de dooden, klein
eu groot, staande voor God;
en de boekeu werden geopend;
en een ander boek werd geo-
Seud, dat des levens is; en de
noden werden geoordeeld uit
hetgeen in de boeken geschre-
ven was, naar hunne werken.
!:; En de zee gaf de dooden die
in haar waren; en tle dood eu
de hel gaven de doodeu die in
hen waren, en zij werden ge-
oordeeld ecu iegelijk naar zijne
werken.
14  En de dood en de hel wer>
den geworpen in den poel des
vuurs: dit is de tweede dood.
15  En zoo iemand niet gevon*
den werd geschreven in het
boek des levens, die werd ge-
worpen in de» poel des vuurs.
ia de tegenwoordigheid van
hetzelve gedaan had, door wel-
ke hij verluid had die het merk*
teekeu van het beest ontvan-
een hadden, en die deszelfs
beeld aanbaden. Deze twee zijn
levend geworpeu in den poel
des vuur» die met sulfer brandt.
21 Eu de overigen werden ge*
dood met het zwaard dealenen
die on het paard zat, hetwelk
uit /.ijurn mond gin?; eu alle
de vogelen werden verzadigd
vau hun vleesch.
HOOFDSTUK 20.
EN ik zag eenen Engel af-
komen uit deu hemel, heb-
bende den sleutel il"- afgronds
en eene grootc keten in zijne
hand;
S en hij greep den drank, de
oude slang, welke is de duivel
en satan, en boud hem dui-
zend jaren,
3  en wierp hem in den af-
grond, en sloot hem daarin,
eu verzegelde dien boven hem,
opdat hij de volkeren niet meer
verleiden zoude, totdat de dui-
zend jaren zouden geëindigd
zijn. Ëu daarna moet hij renen
kleinen tijd ontbonden worden.
4  Eu ik zag tronen, en zij
zaten op dezelve; eu het oor-
deel werd hun gegeven ; en ik
zag
de zielen dergeueu die ont-
hoofd waren om de getuigenis
van Jezus en om het Woord
Gods, en die het beent en de*-
zelfs beeld niet aangebeden
hadden, eu die het merkteekeu
niet ontvangen hadden aan hun
voorhoofd eu aan hunne hand;
en zij leefden eu ueerscuteu
als Koningen met Christus de
duizend jaren.
5  Maar de overigen der dooden
werden niet weder levend, tot-
dat de duizend jaren geëindigd
waren. Deze in de eerste op-
standing.
6  Zalig; en heilig is hij die
deel heeft in de eerste opstau-
ding; over dezen heeft de twee-
-ocr page 373-
1ING 21.                               365
zal u toon en de Bruid, de
vrouw des Lams.
10  En bij voerde mij weg in
den geest op eenen grooten en
hoogen berg, en hij toonde mij
de groote stad, het heilige Je-
ruzalem, nederdalende uit den
hemel van God;
11  en zij had de heerlijkheid
Gods, en baar licht was den
allerkostelijksten steen gelijk,
namelijk als de steen jaspis,
blinkende gelijk kristal.
12  Kn zij had eenen grooten
en hoogen muur, en bad twaalf
poorten, en in de poorten
twaalf Euireleu, en nainen
daarop geschreven, welke ifjn
de namen van de twaalf geslach-
ten der kiudercu Is rat1 Is.
18 Van bet Oosten waren drie
poorten; van het Noorden drie
poorteu; vh.i het Zuiden drie
poorten; vau het Westen drie
poorten.
14  Eu de muur der stad hnd
twaalf fundamenten, en in de-
zelve de namen der twaalf
Apostelen des Lams.
15  En hij die met mij sprak,
bad een gouden rietstok, op*
dat hij de stad zoude meten,
en hare poorteu, >u haren
in uur.
i<; En de stad lag vierkant, en
hare lengte was zoo groot als
hare breedte; en hij mat de
stad met den rietstok op twaalf
duizend stadion; de lengte eu
de breedt een de hoogte derzelve
waren evengelyk.
17   Kn hij mat baren muur op
honderd vier en veertig ellen,
naar de maat eens meuscheu,
welke des Engels was.
18 En het gebouw van haren
muur was jaspis; eu de stad
was zuiver goud, zijnde zuiver
glas gelijk.
18 Eu de fundamenten van
den muur der stad waren met
allerlei kostelijk gesteente ver-
sierd. Het eerste fundament
was jaspis, het tweede saffier,
het derde chalcedon, het vierde
smaragd,
HOOFDSTUK 21.
EN\' ik zag eenen nieuwen
hemel en eene nieuwe aarde ;
want de eerste hemel en de
eerste aarde was voorbijgegaan,
en de zee was niet meer.
2  Kn ik, Johaunes, zag de hei*
lige stad. het nieuwe Jeruza*
It\'in, nederdalende van God uit
den hemel, toebereid als eene
bruid die voor haren man ver*
sierd is.
3   Rn ik hoorde eene groote
stem uit den hemel, zeggende:
SJie, de Tabernakel Gods is hij
de menucben, en Hij zal bij hen
wonen, en zij zullen zijn volk
zijn, en God zelf zal bij beu e»
bun God zijn.
4  Ën God zal alle tranen van
hunne oogen afwisscheu, en de
dood zal niet meer zijn, noch
rouw, noch gekrfjt, noch nioei-
te zal meer zijn; want de eerste
dingen zfjn weggedaan.
5  Én die op den troon zat, zei-
de: Zie, Ik maak alle dingen
nieuw. En hii zeide tot mij i
Schrijf; want deze woorden zijn
waarachtig en getrouw.
fi En Hij sprak tot mjj: Het is
geschied. Ik ben de Alpha en
de Omega, het begin en het
einde, ik zal den dorstige ge-
ven uit de fontein van het wa-
ter des levens voor niet.
7  Die overwint, zal alles he-
erve», en Ik zal hem een God
zijn, en hij zal Mij een zoon
zijn.
8  Maar den vrecsachtigen, en
ongeloovigen, en gruwelijke»,
en doodslager», en hoereerders,
en toovenaars, en afgodendie*
«aars en al den leugenaars, is
hun deel in den poel die brandt
van vuur en sulfer; hetwelk is
de tweede dood.
9   En tot mij kwam ren van
de zeven Engelen die de zeven
fiolen hadden, welke waren
*ol geweest van de zeven hiat*
ste plagen, en sprak niet mij,
zeggende; Koin herwaarts, [k
-ocr page 374-
OPENBARING 22.
:ii\'.f,
20   het vijfde sardónyx, liet
zesde sardius, het zevende
chrysoliet, het at\'htste beryl,
het meende topaas, het tiende
chrysopraas, het elfde hyacint,
het twaalfde amethist.
21   Hu de tvvualf poorten waren
twaalf paarlen: iedere poort
was uit ééne parel: en He straat
der stad was zuiver goud, gelijk
doorschijnend glas.
22  En ik xag geenen Tempel
in dezelve; want de Ileere, de
almachtige God is haar Tem*
pel, en het Lam.
\'2\'A Eu de stad liehoeft dr zou
en de maan niet, dat zij in
dezelve zouden ichUueti; want
de heerlijkheid Gods heeft ze
verlicht, en het Lam is hare
kaars.
:.\'! En de volkereu die zalig
worden, zullen iu haar licht
waudelcu; i\'n de Koningen der
aarde breuken hunne heerlijk*
heid en eere in dezelve:
-.\'-\'i en bare poorteu zullen niet
gesloten n orden des daags.
want aldaar za! Keen nacht
zijn;
2(> en zij zullen de heerlijkheid
en de eere der volkeren daarin
brengen.
27 Eu in haar lal niet inko-
men iet* dat ontreinigt en
gruwelijkheid doet en leugen
spreekt, maar die geschreven
zijn iu het bock des levens des
Lams.
HOOFDSTUK 22.
EN hij toonde mij cene zui*
vcre rivier van het water des
levens, klaar als kristal, voort*
komende uit den troon Gods
en des Lams.
2 Iu bet luidden van hare
straat, en op de ééne cu de
andere zijde der rivier, was de
boom de» levens, voortbren*
gende twaalf vruchten, van
maand tot maand gevende zijne
vrucht; en de bladeren des
booms waren tot genezing der
heidenen.
3  En genie vervloeking zal er
meer tegen i f ma mi zijn. Eu de
troon Gods c» den Lams zal
daarin zijn, en zijne dicust*
knechten zullen hem dienen,
4    en zullen zijn aangezicht
zien, en zijn naam zal op hunne
voorhoofden zfjn.
h En aldaar zal geen nacht
zijn. en zij zullen geen kaar»
noch licht der zon van noode
hebben; want de Ileere God
verlicht ze, en zij zullen als
Koningen heersenen iu alle
eeuwigheid.
6  K i hij /.rille tot mij: Deze
woorden zijn getrouw en waar*
achtig; en de Ileere, de God
der heilige Profeten, heeft zij-
tien Engel gezonden, om zij*
iicil dienstknechten te tonnen
hetgeen haast inoet gesehie*
den.
Zie, ik kom haastclijk. 7.n-
lig is bij die de woorden der
profetie dezes boeks bewaart.
tt Eu ik, Jnhaunes, ben degene,
die deze dingen geboord en
gezien heb. Eu toen ik ze ge-
hoord en gezien had, viel iU
neder om te aanbidden voor de
voeten des Engels, die mij deze
dinireu toonde.
9  En hij zeide tot mij: Zie
dat gij het niet doet; want ik
ben uwe mededieuatkuecht, en
die uwer broederen, de Profeten,
en van degenen die de woorden
dezes boe ka bewaren: aanbid
God.
10  En bij zeide tot mij: Ver-
zegel de woorden der profetie
dezes boeks niet; want de tijd
is nabij.
11  Die onrecht doet, dat hfi
nog onrecht doe: en die vuil
is, dat bij nog vuil worde; en
die rechtvaardig i>, dat hij nog
gerechtvaardigd worde; en die
heilig is, dat hij nog geheiligd
worde.
12  Eu zie, ik kom haastelijk,
en mijn loon is niet mij, om
een iegelijk te vergelden, ge-
lijk zfjn werk zal zijn.
13  Ik beu de Alpha en de Ome*
-ocr page 375-
OPENBARING !
:n,7
kuine; en die wil, neme het
water des leven» om niet.
is Want ik hetuig aan een
iegelijk die de woorden der
Srofetie dezes hoeks hoort : In-
ien iemand tnt deze dingen
toedoet, God zul over hem toe-
doen de phv/eti die in dit boek
geschreven xijn;
1D en indien iemand afdoet
vnii de woorden de» hoeks dezer
Srofetie, „yd zal zijn deel at-
oen uit net bock des levens,
en uit de heilige stad, en uit
hetgeen in dit hoek gesclire-
ven is.
20   Die deze dingen getuigt,
zegt: Ja, ik kom uaastelijk.
Amen. Ja, kom Ileere Jezus.
21    De genade onzes II eeren
Jezus Christus zij met u allen
Aiueu
ga* het begin en het elmlc, de
eerste en de laatste.
14  Zalig zijn ze die zijne ge-
boden doen, opdat hunue macht
zij kh.1i deu boom des levens, en
zij door de poorten mogen iu-
gaan m de stad.
15  Maar buiten zullen itju de
honden, en de toovenaars, en
de hoereerders, en de dooda)a-
gers, en de afgodendienaars, en
een iegelijk die de leugen lief-
heeft en doet.
16  Ik, Jezus, heb mijnen Kii!?el
gezonden, om ulieden deze diu-
gen te getuigen in de geineen.
ten. Ik ben de wortel en het
geslacht Davids, de blinkende
morgenster.
17  Bn de Geest en de Bruid
zeggen: Kom. En die het hoort,
zegge: Kom. Ku die dorst heeft,
EINDE DES NIEUWEN TESTAMENTS.
*
!