-ocr page 1-
-ocr page 2-
l\\J\\
mm
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
sftS
pHRISTELUK
HUIS- en VOLKSBOEK
VOOR ALLE STANDEN.
<—vw@y^w^—>
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Vak 27
CHRISTELIJK
HUIS- en VOLKSBOEK
VOOR ALLE STANDEN,
bevattende
eene uitmuntende en breedvoerige verklaring van
de voortreffelijkheid en het groote voordeel
van het
Ijoopiaaroio, JEisofNr^
MET VITLEGG1NG VAN DESZELFS CEREMONIËN EN
MEI VE1.E SCllOOXE VOORBEELDEN VERRIJKT^
dom-
Martin Von Cochem, Capueijn.
Vrij vertaald ea bewerkt naar het Iloogduitsch en vermeerderd \\
met ecnige wenken over het vieren van de Zon- en
Feestdagen, alsmede met .Mis- en Lofgebeden
door
jj. pE pRUYTER, ƒ1. ji. ^RIESTER EN ^ASTOOR
TE BEEGDEN,
overladen den 27 November 1*7..
(toedragen aati Zijne Doorluchtige lloogwaardiglieid
Monseigneur J. A. Pakhuis, Bisschop van Roermond,
hij gelegenheid van \'/.. I>. II.\'s ÏSjarig Jnliilé ala Bisoebop.
Nieuwe Druk.
—&—A—;<S--
GULPEN.
Katholieke Boekhandel v. M. Alherts.
18%.
-ocr page 8-
^w
KKinPltlUATlH.
A\'nr,,"mundce, 22 jfiilü 1896.
V\' P. MANNENS,
Librorum Censor.
N-#----------------
-ocr page 9-
VERKLARING VAN DEN VERTALER.
Om te gehoorzamen aan de besluiten van den
13. Maait 1(><25 en den 5. Juli 1831, waarbij Z. H.
Urbanus vm. verbiedt, zonder goedkeuring en toe-
stemming van den diocesaan-bisschop eenig boek
te drukken , \'t welk handelingen, mirakelen en
veropenbaringen bevat van personen, die in geur
van heiligheid gestorven zijn , of die als marte-
laren beschouwd worden, en bepaalt, dat wanneer
aan die personen den naam van Heilige of Geluk-
zalige gegeven wordt, het onder verklaring zij ,
<lat men dien slechts gebruikt om de onschuld
huns levens en de verhevenheid hunner deugd
uit te drukken, zonder het gezag der katholieke
Kerk te willen vooruitloopen , aan wie het alleen
toekomt Heiligen te verklaren en deze aan de
vereering der geloovigen voor te stellen — zoo
betuig ik hierbij mijne volkomene en oprechte
onderwerping aan die besluiten en verklaar niet
als Heiligen , Gelukzaligen en Martelaren te er-
kennen, dan diegenen, aan wien de H. Stoel deze
titels toekent. Ik verklaar tevens, dat de feiten,
mirakelen enz. in dit boek medegedeeld, slechts
«en menschelijk gezag hebben, voor zooverre zij
niet door de uitspraak van den H. Stoel, waardoor
zij alleen hunne bewijskracht ontvangen, beves-
tigd zijn.
De Vertaler.
Verkl. d. H. Mis.                                                             1
-ocr page 10-
*
-ocr page 11-
OPDRACHT.
1
CVli(U\\ \\UU\\ \\
Te vergeefs zoude ik trachten <le warme gevoelens
van eerbied en verknochtheid, welke ceniedet van ons
jegens Uwe 1). Hoogwaardigheid op dezen voor ons
allen zoo gelukkigen feestdag bezielen, aan den dag
te leggen. Meer dan iemand ben ik overtuigd, dat
hiertoe mijne kroelden Ie kort schieten; desnieltegen~
slaande koester ik het vaste vertrouwen, dat U.D.H..
niet zonder eenig welgevallen , deze geringe blijken
van eerbied en erkentelijkheid zal aannemen; blijkens
wel is waar, aan de grootheid der ontvangene wei-
daden in gecnen declc geëvenredigd, maar die U.D.H.
nochtans worden opgedragen door iemand, die l\'we
verdiensten met de innigste hoogachting poogt te hul-
digeu. In juistheid van denkbeelden
, in smaak en
gepastheid om de algemeenc heilwensehen uit te druk-
ki\'n. mogen mij anderen verre overtreffen, daar echter
waar \'t liefde en dankbaarheid geldt, durf ik vrijelijk
tnet hen wedijveren.
-ocr page 12-
VI —
Laat anderen derhalve tien luister van Roermond\'s
Kerk , de voortreffelijke hoedanigheden en de uilmun-
tende deugden van haren Kerkvoogd verheerlijken •
laat een grootmoedig Vorst U D.Hw\'s deugden mei
den stempel van adeldom bezegelen ; voor ons, die het
geluk en hel eeuwig welzijn van de aan U.U II toe-
vertrouwde schapen moeten bevorderen, is eene andere
laak weggelegd; voor mij in hel bijzonder, die er
Irotscli np ben onder de eerstelingen van het nieuwe
Seminarie van Roermond te mogen behooren; voor
mij, die sedert bijna
25 jaren onder Uwe leiding op-
gekweeld , en door Uwe bisschoppelijke handen als
priester des Allerhoogstcn gezalfd ben, ligt een anderen
plicht te vervullen; immers als medewerkers in den
wijngaard des Ileeren , moeten wij , zooveel mogelijk,
Uwc inzichten nopens het heil der zielen trachten te
bevorderen, en het goede zaad van Jezus\' leer bijzonder
onder hel volk trachten te verspreiden , opdat dit zaad
honderdvoudige vruchten moge voortbrengen voor de
gelukzalige eeuwigheid.
l\\\'og onlangs lazen wij in Uwen vastenbrief, niet
welke vurigheid U.D.H, verlangt, dat de \'/.on- en
Feestdagen op behoorlijke wijze lot den dienst van
(lod besteed worden, en hoezeer Gij de misbruiken
betreurt, welke langzamerhand in ons, zoo echt katho-
liek Limburg, beginnen in te sluipen. Dit deed in
mij de begeerte ontstaan om, gehoor gevende aan Uwe
herderlijke roepstem, ook ecnigszins het mijne bij te
dragen, en mijne zwakke pogingen in het werk te
stelten, om
, bij gelegenheid van dit zoo plechtig jubel-
fee.sl, ook door een nuttig werkje aan dit verheven
doel eenigermale mede te werken. Mijne oogen vielen
-ocr page 13-
— VII —
op een onlangs opnieuw in \'t Hoogduilsch vertellenen
boek, dal tot titel heeft: „Verklaringen over ile voor-
Ireffelijkheid van het H. Misoffer"; ik vond hierin
zeer sehoone en nuttige wenken, om de godsvrucht der
geloovigen op te wekken en hunne harten niet eenen
diepen eerbied jegens dit Hoogwaardig Sacrificie Ie
bezielen. Ik betreurde dat dit boek, zoo treffend en
zoo eenvoudig tevens, niet in onze taal bestond; ik
uitte hierover mijn gevoelen aan eenige mijner ambt-
genooten, en deze spoorden mij dringend aan, om het
in onze taal Ie bewerken. Van mijne onbekwaamheid
li iertoe ten volle overtuigd , aarzelde ik langen lijd
dit werk te ondernemen ; eindelijk besloot ik echter
aan liun aanzoek gevolg Ie geven, vertrouwende, dal
ik door eenc even eenvoudige vertaling en vrije bewer-
king van dit voortreffelijk Hoogduitschc volksboek ,
misschien eenig goed zoude kunnen stichten , en de
godsvrucht lol hel Allerheiligste Sacrificie der Mis eenigs-
zins in Nederland zou kunnen bevorderen.
Ook durf ik de hoop koesteren , dal de geloovigcn .
door deze lezing opgewekt, en van de heiligheid en
voortreffelijkheid van het verheven Misoffer al meer
en meer overtuigd, zich des te beter zullen beijveren
om op verlangen van hunnen eerbiedwaardige)! Kerk-
vooijd
, die dogen met zoo veel te meer ijver tol den
dienst van God Ie besteden , waarop zij aan die ver-
heven mysteriën en veelvuldige genaden zijn deelachtig
geworden. Derhalve heb ik gemeend er eenige wenken
over liet vieren van de Zon- en Feestdagen Ie moeien
bijvoegen, en eenige misbruiken aan te slippen, welke
op genoemde dagen maar al Ie zeer, zoowel in sleden
als ten platten lande, plaats hebbeu. Ook heb ik er
-ocr page 14-
— VI tl —
een hoofdstuk aan toegevoegd over de /tartverheffende
ceremoniën der 11. Mis, meestal uit het werk van den
geleerden Rippel getrokken.
/\'. durf mij dus vleien met de hoop, dut U.D.H\'
op dit werkje renen gunsligen blik zal werpen , en dat
liet zeer dienstig zal wezen voor de zeer eerwaarde
herren geestelijken van ons bisdom, die er eenc over\'
rloeilige slof in zullen vinden , zoowel voor hunne
bijzondere overwegingen , als ook om den ijver der
geloovigcn lol het ilikwijls Mis-hooren op te wekken.
(lok de eerw. hoeren seminaristen, zoowel als de jonge
kweckelingen die zich voor het verheven priesterambt-
bestemmen , zullen er de verherenheid van hel aller-
lieiligsle Misoffer beier door leeren kennen en waat—
ileeren. Aan de oversten van coUegicn , pensionaten,
geestelijke vercenhnngen of gestichten
, zul ilil werkje
niet minder welkom zijn . om als prijs Ie worden uit-
geileebl
, telt einde langs dien weg in den familiekring
doordringend , lol eene nuttige lezing Ie verstrekken,
zooals ook aan de communie-kinderen, om iles te
beier in hunne onscliuldigc harten den eerbied van
(iods huis en ilit 11 Misofferande in Ie prenten, daar
tleze in hunne jaren meer voor rerstrooidheden en
lic/tl\'zinnigheid vatbaar zijn.
Maar wat ik bijzonder wensch, Monseigneur .\' is, dat
het moge dienen als een lluis- of Volksboek , en ilaar-
om zoo veel mogelijk door de eerwaarde heeren gees-
telijken moge verspreid worden ; dit is immers het
geval in ons naburig Duilschland , alwaar schier ieder
huishieulen een soortgelijk boek bezit, waaruit in de
winteravonden in den familiekring wordt voorgelezen ;
daarom heb ik ook bij de vertaling en omwerking van
-ocr page 15-
IX
•lil werkje getracht, zooveel doenlijk, den eenvoudigen
stijl Ie behouden, opdat het voor iedereen\', verstaanbaar
wezen en dun tot grooter nul en voordeel der gcloov\'ujen
strekken moge. Daarenboven hel verheven doelwit, dal
ik bij de samenstelling van ilit hoek heb bcoo/jd, te
welen, den Si, l\'ictrrsucnuiiuj, die reeds in ons katho-
liek Limburg zoo bloeiend is
, en noy dagelijks aan-
ijroeil, al meer en meer Ie bevorderen, alsmede de
gunstige gelegenheid, welke zich dil jaar bij hel schoone
jubclfeest van U.JJ.ll. opdoet, en waaraan Limburgs
Kerk zich zoo zeer beijverd heeft deel te nemen , doen
mij met meer grond nog de hoop koesteren, dat Ij.D.H.
•lil werkje met welgevallen zult aannemen , en met
Uwe hooge goedkeuving zuil bekronen. Dan voorzeker
zal het veel nul kunnen slichten en ruimschoots aan
hel verheven doel kunnen beantwoorden, waarvoor het
is samengesteld.
Hoge de almachtige God voortdurend Zijnen zegen
over l\'we Doorluchtige lloogwaardigheid en ons <lier-
haur bisdom uitstorten ; moge Hij U, tot lieil en geluk
van de aan l\'we zorg toevertrouwde kudde, nog met
^\'ene reeks van jaren bekronen, dit wenscht vuriglijk.
Van Uwe Doorluchtige Hoogwaardiglieid,
De ootmoedigste dienaar,
De Veutai.eh.
*|*
-ocr page 16-
-ocr page 17-
VOORWOORD.
— ¥.*—
Onder alle geheimen, welke onzen heiligen Gods-
dienst hier op aarde viert, bekleedt voorzeker liet
Heilig Misoffer verreweg de eerste plaats, als zijnde
het verlievenste en voortreffelijkste van alle. Deze
waarheid grondig te bewijzen, zal het voorwerp
uitmaken van deze weinige bladen , welke ik mij
voorgenomen heb aan de Christelijke geloövigen
van Nederland aan te bieden. Eenmaal van deze
waarheid ten volle overtuigd, zal niemand dit
boek doorlezen hebben, of\' hij zal geheel andere
en meer verheven denkbeelden over dit hoog-
waardig Misoffer kunnen opvatten ; de godvruch-
tige personen zullen hierdoor eenen nieuwen
spoorslag ontvangen om hunnen ijver en hunne
godsvrucht jegens deze verheven geheimen te ver-
dubbelen , terwijl de flauwe en onverschillige
Christenen met droefheid eenen blik op het ver-
ledene zullen werpen, daar zij zoo vele heilzame
-ocr page 18-
— XII —
genaden, welke hun zoo ruimschoots in deze hei-
lige Offeranden worden aangeboden, hebben ver-
waarloosd.
Inderdaad, is liet niet met bloedige tranen te
beweenen, dat die hoogwaardige geheimen vooral
in onze dagen, met zulk eene onverschilligheid
worden bijgewoond.\'\' .Maar wat zoude de oorzaak
hiervan wel kunnen wezen.\' Mijns dunkens is het
grootendeels aan eene schandelijke en strafbare
onwetendheid van alles, wat op deze verhevene
offerande betrekking heeft, dat men voornamelijk
de flauwheid, de onverschilligheid van een groot
aantal Christenen moet toeschrijven. Ach, ware
liet mij gegeven, door deze korte wenken, welke
ik den geloovigen aanbied, den heiligen eerbied
der eerste Christenen voor deze aanhiddelijke
mysteriën eenigszins te doen herleven, om aldus
hunne harten wederom van vurige liefde en ijver
tot dezelve te doen ontvlammen.
Dit waren de hoofdgedachten, welke mij bij het
lezen van dit voortreffelijk volksboek bezielden.
Maar eene korte levensbeschrijving van den god-
vruchtigen schrijver zal vooral hier niet van on-
pas zijn: De beroemde pater Martin von Cochem,
van de orde der Capucijnen, werd in het jaar
1030 in het kleine stadje Cochem, aan de Moezel
gelegen, geboren. Hij trad aldaar in de orde der
Capucijnen , in welke hij , én door zijne geleerd-
heid, én door eene ware en oprechte godsvrucht
-ocr page 19-
— XIII —
bijzonder uitmuntte. Weldra werd hij benoemd
tot leeraar iu de godgeleerdheid, maar moest
in het jaar lüOü deze betrekking verlaten, wegens
het uitbreken eener vreeselijke pest, welke in
korten tijd duizenden mensclien ten grave sleepte.
Dit had ten gevolge, dat de jonge novicen het
klooster moesten verlaten, zoodat de ijverige pater
zich nu geheel en al aan het schrijven van god-
vruchtige werken kon toewijden. Zijne schriften,
meer dan dertig in getal, kenmerken zich bij-
zonder door eene hartroerende taal en door eene
rijke kennis van het menschelijk hart. Onder deze
talrijke werken bekleedt zijne „Verklaring van
het Heilig Misoffer" voorzeker de eerste plaats.
Met groote geschiktheid is hij er in geslaagd, om
de leering der 11. Misofferande, volgens de 11.
Schrift, de algemeene kerkvergaderingen , bijzon-
der van ïrente, de leering der heilige Kerkvaders
en andere voorname godgeleerden, uit te leggen
<\'n door schoone voorbeelden te bekrachtigen.
Daarenboven is hij in zijnen schrijftrant zoo eeu-
voudig, dat een ieder hem gemakkelijk kan ver-
staan, en tegelijk zoo aantrekkelijk, dat ook
de geleerde dit boek immer met genoegen zal
lezen.
In het jaar 182\'2 werd dit werk reeds voor de
achtste maal gedrukt. Dat het sedert dien tijd
niet in achting is gedaald, bewijst de dubbele
aankondiging eener zesde uitgaaf te Regensburg,
-ocr page 20-
— XIV —
in 18G0, on van eene gelijktijdige, ook zesde uit-
gaaf, bij Thomann te Landshut, in 1801. Onlangs,
in het jaar 1805 , is wederom te Keulen eene
nieuwe bewerking van dit hoek verschenen, door
oenen pastoor van het aartsbisdom Keulen, en het
is van dit werk dat ik mij bij deze vertaling en
bewerking grootendeels hediend heb. Daar het
nochtans al te breedvoerig is, om als een volks-
boek te kunnen dienen, zoo heb ik het eenigszins
verkort on hot oorspronkelijke werk zooveel doen-
lijk, behouden.
Door deze omwerking heb ik getracht den
wensch van den godvruchtigen en vermaarden
schrijver eenigszins te vervullen, namelijk: dat
door de lozing en verspreiding van dit zoo heil-
zaam boek, de ffeloovigen al meer en meer mo-
gen kennen en begrijpen welk een kostbare schat
voor de ziel in het H. Misoffer verborgen ligt. Hij
immers, die de vruchten van dit hoogwaardig Sa-
crificie wel weet te benuttigen, zal ook voorzeker
in deze wereld wel weten te leven en eenen za-
ligen dood te sterven.
Dit is do hoofdgedachte van den godvruchtigen
schrijver en men zal moeielijk in een ander werk
de voortreffelijkheid van het H. Misoffer en de
jjroote voordeelen hiervan, zoo klaar, zoo bondig,
en tevens zoo levendig bewezen vinden, als in dit
boek. Maar ik zal den geleerden schrijver zei ven
laten spreken in zijne voorrede van eene der eer-
-ocr page 21-
— XV —
ste uitgaven, want zij verdient wel liier aange-
haald te worden:
„Aandachtige zielen, weet, dat onder alle schat-
ten der wereld er geen troostvoller is dan de H.
Mis en dat de wereld, mijns dunkens, geen groo-
ter schade treilen kan, dan de onwetendheid of
het gebrek aan de noodige kennis van deze ver-
hevene Offerande. De schat der H. .Mis, is onuit-
putbaar; bijgevolg is ook de schade, die uit het
minachten derzelve voortspruit, onberekenbaar.
Van de H. Mis kan ik zeggen, wat de H. Schrift
van de wijsheid zegt Sap. 7: 14, nl., dat hij, die
dezelve wel benuttigt, de vriendschap Gods deel-
achtig wordt. Het is immers zeer te beklagen, dat
deze kostbare schat, waardoor alle geloovigen zich
zoodanig konden verrijken, als in de aarde be-
graven ligt, en slechts door weinige personen
wordt gekend en geacht, daar er zoo weinig over
de H. Mis geschreven of gepredikt wordt. Üpdat
dan de wereld deze groote schade niet langer lij-
den zoude, heb ik mij voorgenomen, in dit boek,
met Gods bijstand klaar en bondig te bewijzen,
dat het hoogwaardigste Misoffer zulk eenen voor-
trelfelijken eeredienst is, waardoor de H. DrievuU
digheid op eene waardige wijze geëerd, het koor
der Engelen hoog verblijd, de katholieke Kerk ten
zeerste gesterkt, de ellendige wereld van veel
kwaad bewaard, en de arme zielen in het vage-
vuur merkelijk verkwikt worden. Dit bewijs heb
-ocr page 22-
— XVI —
ik zeil\' niet uitgevonden, maar ontmoet in de H.
Schrift, in de algemeene kerkvergaderingen, bij
«Ie Heilige Oudvaders en andere geleerde en god-
vruchtige schrijvers. Ik heb alle boeken, welke
maar eenigszins over de II. Mis handelen en mij
in handen gekomen zijn, ijverig doorsnuffeld en
gelezen en alles getrouw aangeteekend, wat ik er
over de voortreffelijkheid van liet II. Misoffer in
gevonden heb. In dezen moeielijken arbeid heb ik
drie jaren doorgebracht. Dezen mijnen arbeid en
den rijken schat, welke ik er in gevonden heb,
bied ik u nu aan geachte lezers, met de vrien-
delijke bede, dat gij u zult beijveren, dit boek ten
minste eenmaal opmerkzaam door te lezen en wel
in uw geheugen te prenten. Ik geef\' u de stellige
verzekering, dat gij hierin zulke heilzame lessen
over de II. Mis zult vinden, als gij nog ooit zult-
gelezen of gehoord hebben. Dit alles zal u zoo
zoet, zoo troostvol, zoo aangenaam voorkomen, dat
gij u daarover hartelijk zult verheugen, en een
vast vertrouwen er uit putten zult, om door de
II. Mis uwe zaligheid te helpen verwerven. Daarom
noem ik dit boek eene honigzoete verklaring, de-
wij! alles, wat het bevat, zoeter en smakelijker
dan honig is. Ik wensch vuriglijk, dat dit boek u
diep ter harte ga en eene vurige aandacht tot de
H. Mis in u moge opwekken. Ik beveel mij ook
hartelijk aan in alle H. Missen, welke gij in
uw leven zult lezen of hooren. Alles wat ik
-ocr page 23-
— XVII —
in deze verklaring geschreven heb, onderwerp
ik aan tiet oordeel «Ier Heilige Roomsch-katho-
lieke Kerk, die liet eigenlijk toekomt de waar-
heid der katholieke leering te onderzoeken, in
wier moederlijken schoot ik verlang te leven en
te sterven".
Moge dan deze nieuwe bewerking in o,ze Ne-
derlandsche taal, den/elfden zegen verspreiden in
den familiekring, als dit boek vóór 150 jaren een
zegen voor onze vooronders geweest is, en moge
het zich weldra in aller banden bevinden, om al-
<lns beter te beantwoorden aan het inzicht, dat
de bewerker zich beeft voorgesteld. Thans, daar
de gewapende arm van CJods rechtvaardige wraak
weer boven ons hoofd hangt, daar het oorlogs-
z waard wederom van alle kanten dreigt, en de
stedehouder van Jezus Christus, onze uitmuntende
J\'ius, weder op het punt is, liet slachtoffer te
worden eencr goddeloozc revolutie, door de Euro-
peesclie vrijmetselarij bewerkt, om troon en al-
taar te verdelgen; thans, daar de rampzalige vee-
pest zulke vreeselijke verwoestingen alom heeft
aangericht; daar die vervaarlijke cholera we-
derom in ons dierbaar Nederland het hoofd op-
steekt en misschien talrijke slachtoffers vordert;
thans, daar (iod de zondige wereld wederom kas-
tijdt door Zijne gewone straffen, als oorlog, pest
en hongersnood; waartoe zouden wij dan beter
onze toevlucht nemen, dan tot de II. Mis, waarin
-ocr page 24-
— XVIII —
Jezus Christus, onze goddelijke Middelaar, zelf
voor ons bidt, zich dagelijks opnieuw voor ons
opoftërt, en zijn kostbaar bloed dagelijks in de
IJ. Mis tot den Hemelschen Vader voor de zon-
dige wereld om genade en barmhartigheid roept.
1867.
-ocr page 25-
HUIS- en VOLKSBOEK
voor alle standen.
EERSTE HOOFDSTUK.
Het Wezen der Heilige Mis.
1. De H. Mis heet in het latijn Sacrifi-
cium, waarvoor wij, in onze taal, niet het
eigenlijke woord, van dezelfde uitgebreide be-
teekenis, vinden. Men noemt haar wel is waar
Offer of Offerande, doch geheel juist is
deze benaming mot, wijl „Offer" veel min-
der zegt, dan het woord „Sacrificie". Werpt
men een geldstuk op het altaar, zoo is dit
een offer, maar op verre na geen sacrificie.
Het eigentlijke Sacrificie bestaat volgens den
Catechismus in de opoffering van eene uit-
wendige zaak, die met zekere vernietiging of
verandering door eenen wettigen bedienaar,
aan den allerhoogsten God alleen wordt op.
-ocr page 26-
2                              EERSTE HOOFDSTUK.
gedragen, en op zekere wijze door hem ge-
consacreerd of geheiligd wordt, tot erkenning
en huldiging der hoogste heerschappij van
den almachtigen God over alle schepselen.
Uit deze bepaling leidt gij natuurlijk af, dat
een sacrificie oneindig meer, oneindig voortref-
felijker is dan een offer. Derhalve zal ik in
dit boek gewoonlijk in plaats van het woord
„Offer", het woord „Sacrificie" gebruiken, op-
dat gij aan dit woord zoudt herk
61111611 • Gilt
het zoo een voortreffelijk offer, of zulk een
verheven eeredienst is, die uitsluitend aan den
oneindigen God en geenszins aan het schepsel
toekomt.
2. Dat zulk een sacrificie God alleen toe-
komt, bewijst de H. Augustinus uit het al-
getneen gebruik der volkeren, zeggende L.
10, De Civite, c. 4: „Wien heeft men ooit
voor God gehouden, wien heeft men ooit sa-
crificiën opgedragen, tenzij den waren God
alleen, of hem, dien men, hoewel valschelijk.
als God erkend heeft". En op eene andere
plaats zegt hij: „De duivel zoude van zijne
aanhangers geene sacrificiën vorderen, wist
hij niet, dat deze den waren God alleen toe-
komen. Vele groote mannen dezer wereld
hebben zich de eerediensten, welke aan den
waren God bewezen worden, zelven toegeëi-
gend; weinigen zijn er echter geweest, die
bevolen hebben, dat men hun sacrificiën of
goddelijke offers zoude opdragen". — Uit
deze woorden kunt gij opmaken, dat het
-ocr page 27-
3
HET WEZEN OER H. MIS.
Sacrificie eeuen goddel ij ken eeredienst is,
die noch den menschen, noch den Engelen of
Heiligen toekomt.
3. De H. Thomas leert, dat het eene wet
der natuur is, aan den almachtigen God sa-
crificiën of goddelijke offeranden op te dragen,
en dat de mensch, zonder wet of vermaning,
van natuurwege hiertoe wordt aangespoord.
Dit zien wij in het Oude Verbond plaats heb-
ben in Abel, Noach, Abraham, Job en andere
patriarchen, welke zonder goddelijk bevel, en-
kel uit natuurlijke neiging, goddelijke offers
hebben opgedragen. Niet alleen de oprechte
geloovigen, maar ook de Heidenen, door het
natuurlijk licht der rede geleid, hebben aan
hunne afgoden of beelden, welke zij voor go-
den hielden, sacrificiën of\' goddelijke offeran-
den opgedragen. Later heeft God in zijne wet
aan de Israëlieten bevolen, dat zij Hem da-
gelijks, en vooral op hooge feestdagen god-
delijke offers zouden brengen. Hij beval hun
niet enkel, dat zij Hem lammeren, schapen,
kalveren of ossen vereeren en opofferen zou-
den, maar ook, dat zij deze dieren door de
gewijde priesters, gepaard met zekere gebeden
en ceremoniën, zouden opofferen, ze slachten,
het bloed ooi het altaar doen vloeien, het
vleesch op hetzelve verbranden, onder het ge-
luid der bazuinen en het zingen van psalmen.
Dit waren de heilige offers, waardoor zij den
allerhoogsten God de verschuldigde eer \\vil-
den bewijzen en tevens te kennen geven, dat
-ocr page 28-
4
KERSTK HOOFDSTUK.
Hij de ware en hoogste Heer over alle schep-
selen is.
4.   Dewijl dan alle volkeren, behalve hunne
gebeden, gezangen en aalmoezen, ook hunne
sacrificié\'n of goddelijke offeranden hadden ,
waardoor zij den hoogsten God of hunne ver-
meende goden, de verschuldigde eer wilden
bewijzen, zoo betaamde het immers ten zeerste,
dat Christus aan zijne Kerk ei> hare geloovi-
gen ook een sacrificie of uiterlijke eeredienst
voorschreef\', waardoor zij aan hunnen God de
Hem verschuldigde eer konden bewijzen; im-
mers geen verstandig meusch zal zich inbeel-
den, dat Christus zijne Kerk, welke hij in
alles op het volmaaktste heeft ingericht, van
dezen hoogen eeredienst zoude hebben willen
berooven; want dan toch ware zijne Kerk,
onder dit opzicht minder volmaakt gewee-t
dan het Jodendom, dat zulke heerlijke sacriti-
ciê\'n had, dat zelfs voorname Heidenen uit verre
landenkwamen toesnellen, om ze te aanschouwen.
5.  Wat voor een sacrificie Christus nu aan
zijne Kerk heeft geschonken en voorj>-eschre-
ven , dat leert ons de katholieke Kerk in de
algemeene Kerkvergadering van ïrente, sess.
22, luidende aldus: „Wijl onder het Oude
Verhond, volgens de getuigenis van den apos-
tel Paulus, wegens de onvolmaaktheid van het
Levietisch Priesterdom, niets tot voleinding
kon komen, moest naar de beschikking Gods,
den Vader der barmhartigheid, een ander
priester volgens de orde van Melchisedech,
-ocr page 29-
HET WEZEN DKR H. MIS.                     5
t. w. Jezus Christus, opstaan, die allen, welke
moesten geheiligd worden, tot volmaking kon
brengen. Ofschoon deze onze God en Heer,
zich eens voor ons op het altaar des kruises
aan God den Vader door den dood wilde otte-
ren, om aldaar eeuwige verlossing te bewer*
ken, moest evenwel zijn priesterschap door
den dood niet uitsterven. Hij heeft derhalve
in het Laatste Avondmaal, in den nacht,
waarin Hij werd overgeleverd, zijne beminde
bruid, de Kerk, een zichtbaar offer, zoo als
\'s menschen natuur vordert, achtergela-
ten, om daardoor het bloedige otter, dat een-
maal op het kruis moest voltrokken worden,
in herinnering te houden, het aandenken
daaraan tot aan de voleinding der eeuwen te
bewaren, en opdat de heilzame kracht van
dit offer ter vergeving van de zonden, welke
wij dagelijks bedrijven, zoude toegepast wor-
den, (zoo heeft Hij) zich tot priester in eeu-
wigheid aangesteld, naar de orde van Melchi-
sedech, zijn licbaam en bloed onder de ge-
daanten van brood en wijn aan God den Va-
der opgedragen; en deze onder de teekens
dierzelfde dingen ter nuttiging gegeven aan
de apostelen, die Hij toen tot priesters van het
Nieuwe Verbond aanstelde ; en heeft Hij aan
diezelfde apostelen en hunnen opvolgers in het
priesterschap bevolen, ze op te dragen, met
deze woorden: „Doet dit tot mijne gedachte-
nis"; zooals de katholieke Kerk dit te allen
tijde verstaan en geleerd heeft".
-ocr page 30-
6
KEttSTK HOOFDSTUK.
b\\ Deze en meer andere zaken houdt ons de
II. katholieke Kerk voor; zij beveelt ons te
gelooven, dat Christus in het Laatste Avond-
maal niet alleen brood en wijn in zijn lichaam
en bloed heeft veranderd, maar zich ook daar-
enboven aan God den Vader heeft opgeofferd,
en alzoo de offerande van het Nieuwe Ver-
bond heeft ingesteld en in eigen persoon ver-
richt. Uit deed Hij om aan te toonen, dat Hij
een priester was volgens de orde van Melchi-
sedech. Van dezen spreekt immers de H. Schrift,
Gen. 14: » Melchisedech, koning van Salem,
bracht brood en wijn te voorschijn, want hij
was een priester van God den allerhoogste en
zegende Abraham". Hier zegt de tekst wel
niet uitdrukkelijk, dat Melchisedech den aller-
hoogsten God heeft geofferd, nochtans heeft de
katholieke kerk het aldus van den beginne af
altijd verstaan, en de heilige Oud vaders heb-
ben het aldus uitgelegd ; ja de profeet David
verklaart het aldus, zeggende in den 109. psalm:
»De Heer heeft gezworen en het zal hem niet
berouwen, gij (mijn Zoon) zijt priester in eeuwig-
heid naar de orde van Melchisedech." Dat nu
Melchisedech en Christus geofferd hebben,
blijkt uit de woorden van den ap. Paulus tot
de Hebreeuwen, cap. 8: »Ieder floogepriester
wordt aangesteld om offeranden op te dragen."
Nog klaarder zegt hij in het 5. cap.: »leder
Hoogepriester uit de menschen genomen, wordt
voor de menschen beschikt in die zaken, welke
God aangaan, opdat hij gaven otfere, en sa-
-ocr page 31-
HET WEZEN DEK H. MIS.                        7
«rificiën voor de zonden opdrage"; en vervol-
gens v. 4: »Dat niemand zich zelf die eer
aanmatige, maar die van God daartoe geroe-
pen wordt als Aaron". Alzoo heeft Christus
zich niet zelven verheerlijkt om Hoogepriester
te worden , maar die tot hem gezegd heeft:
»Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik U geteeld,
en gij zijt priester in eeuwigheid naar de orde
van Melchisedech". Hiervan zouden wij breed-
voeriger kunnen spreken, maar dat gaat meestal
het verstand der gewone geloovigen te boven.
7. Uit deze woorden blijkt klaar, dat, de-
wijl Christus en Melchisedech Hoogepriesters
geweest zijn, beiden ook aan den hoogsten God
offeranden hebben opgedragen. Melchisedech
heeft geen slachtdieren geotterd, gelijk Abra-
hani en anderen van dien tijd, maar hij heeft
door ingeving van den H. Geest, tegen het
bestaande gebruik in, brood en wijn met zekere
gebeden en ceremoniën gewijd en den aller-
heiligsten God tot een aangenaam sacrificie
opgeofferd, en daarvoor heeft hij verdiend eene
afschaduwing of zinnebeeld van Christus en
van de offerande des Nieuwen Verbonds te
worden Dewijl dan Christus van God den Vader
tot priester is gezalfd geworden, niet naar de
orde van Aaron, die slachtdieren offerde, maar
naar de orde van Melchisedech, die brood en
wijn geofferd heeft, zoo volgt hieruit, dat ook
Hij in zijn leven zijn priesterambt uitgeoefend,
brood en wijn opgeofferd heeft, — en dit heeft
Hij gedaan in het Laatste Avondmaal.
-ocr page 32-
8
EERSTE HOOFDSTUK.
8.  Van deze reine offerande voorspelde de
profeet aldus, sprekende van de Joden: »Ik
heb in u, o priesters! geen behagen, spreekt
de Heer der Heerscharen, ik wil ook geen
offer uit uwe handen aannemen — want van
den opgang der zon tot haar ondergang is
mijn naam groot onder de Heidenen en op alle
plaatsen zal aan mijnen naam eene zuivere
offerande opgedragen worden". Dit is de ware
voorzegging der H. Mis, welke aldus door
alle H. Vaders wordt uitgelegd. Deze voor-
zegging is niet in het Oude , maar in het
Nieuwe Verbond vervuld geworden. Zij is ook
niet te verstaan van liet offer des kruises, want
dit is slechts op eene enkele plaats gebeurd ;
noch van den lof van God , noch van onze
goede werken, want deze zijn geene zuivere ,
maar zelfs bevlekte offeranden, volgens de woor-
den van Isaïas, cap. 64: »A1 onze gerechtig-
heden, o Heer! zijn voor u als een onrein doek".
9.   Zoo is dan deze voorze<nrin£ uitdrukke-
lijk van de H. Mis te verstaan, welke de eenige
en eigenlijke offerande van het Nieuwe Ver-
bond, geheel rein en heilig in zich zelve zijnder
en op alle plaatsen en ten allen tijde, van
Christus zelven door de handen des priester»
aan God den Vader wordt opgeofferd. Want
Christus is de voornaamste Opperpriester; de
priesters zijn slechts zijne dienaren en leenen
Hem hunnen mond en hunne handen, tot vol-
trekking van deze zichtbare offerande. Want
dewijl Christus onzichtbaar is hier op aarde,
-ocr page 33-
HET WEZEN DER H. MIS.                     9
en het offer zichtbaar moet zijn , opdat de
menschen het kunnen zien en hooren, daarom
heeft Hij de hulp des priesters noodig.
De apostelen hebben reeds Mis gelezen. —
De H. Mattbias is aan het altaar doorstoken
geworden. — De H. Jacobus en Marais heb-
ben reeds de manier aangewezen om Mis te
lezen. — Er bestaan gronden om aan te ne-
men dat de H. Petrus den Canon of de stille
Mis heeft opgesteld, welke, op eenige bijvoeg-
sels na, door alle eeuwen der Kerk altijd de-
zelfde is gebleven.
10. In de eerste duizend jaren heeft geen
enkel ketter de Mis durven aanranden. De god-
delooze Luther bekent zelf, in zijne rede-
voering met den duivel, dat deze hem over-
reed heeft de Mis af te schaffen, daar hij
toch zeer goed wist, dat de duivel eenen haat
heeft tegen al wat goed en godsdienstig is.
Immers ware de Mis eene afgoderij, dan zou
de duivel ze niet bevechten , veel minder af-
schaffen, maar meer en meer bevorderen ; want
daardoor zou de afgoderij al meer en meer
toenemen en tot grootere minachting en smaad
van God strekken.
Maar niet alleen heeft de listige satan de
Lutheranen, maar ook de Calvinisten en alle
andere hieruit voortgesproten secten, van de
H. Mis beroofd; hij heeft hun zelfs zulk eenen
haat tegen deze allerhoogwaardigste geheimen
ingeboezemd, dat zij haar als eene vervloekte
afgoderij beschouwen , gelijk ook onze Calvi-
-ocr page 34-
10
EERSTE HOOFDSTUK.
nisten leeren in hunnen, op bevel der Staten
uitgegeven Catechismus. Voorwaar, eene gru-
welijke godslastering, waarvoor alle vrome
harten moeten sidderen, welke alle Christenen
eenparig verafschuwen.
Laat ons dus toezien , dat ons niet over-
kome, wat dezen rampzaligen ketters overko-
nien is. Want dezen heeft de listige satan,
tot hunne allergrootste schade, de Mis ont-
nomen; maar ook ons Katholieken heeft hij
verblind, opdat wij de groote kracht des H.
Misoifers niet zouden erkennen. Zonder twijfel
is het den arglistigen satan toe te schrijven,
•dat er zoo zeldzaam over deze hooge gehei-
men geschreven wordt, waaruit volgt, dat de
meeste lieden de H. Mis op de werkdagen
verzuimen, of met weinig aandacht aanhooren,
omdat zij ze niet genoegzaam kennen, niet
achten, of ten minste zich geene moeite doen
om er zich in te laten onderrichten. Zij zul-
len in dit boek leeren , dat er in de geheele
katholieke Kerk, geen hoogwaardiger, troos-
tender, noch nuttiger geheim is, dan het
hoogw. Sacrificie der 11. Mis; zij zullen dit
boek niet doorlezen, zonder het vast besluit
te maken, eenen grooten eerbied op te vatten
voor deze hoogwaardige geheimen en ze da-
gelijks zooveel mogelijk met aandacht bij te
wonen.
-ocr page 35-
HET WEZEN DEE H. MIS.                      11
VOORBEELD.
Ofschoon de Albigenzen in de 13. eeuw on-
der zware straften de Stille Mis verboden hadden,
beschrijft ons de kerkelijke geschiedschrijver
Cesarius nochtans, dat er zich toenmaals in
Frankrijk een godvreezend priester bevond, die
weinig acht sloeg op dit verbod en de H. Mis
in het geheim las. Dit kwam ter oore van de
rechtbank, welke de waarheid hiervan begeerde
te weten, üe priester sprak onverschrokken :
»Ik antwoord met den apostel Petrus , toen
hij voor den joodscben raad verscheen en zeide:
Men moet eerder aan God dan aan de men-
schen gehoorzamen, en daarom heb ik, niet-
tesienstaande uw verbod, de II. Mis ter eere
van de Moeder Gods gelezen". Dit antwoord
verbitterde de rechters zoodanig, dat zij den
vromen priester geweldig uitscholden, en na
zware mishandelingen door den beul, in te-
genwoordigheid van al het volk, de tong uit
den hals lieten rukken. Deze afgrijselijke pij-
niging onderstond de priester met het grootste
geduld; hij begaf zich met zijnen van bloed
vloeienden mond naar de kerk, knielde oot-
moedig voor hetzelfde altaar neder, waarop hij
de H. Mis gelezen had , klaagde aan de H.
Moeder Gods de groote beleediging en smar-
ten, welke hij te harer eer geleden had, en
daar hij niet spreken kon , bad hij haar in-
wendig, dat zij zich toch over hem zoude ont-
fermen en hem zijne tong wedergeven. Zijn
-ocr page 36-
12                        ËEKSTE HOOFDSTUK.
gebed was zoo vurig, dat Maria hem met zijne
tong in de hand verscheen en deze wederom
op hare plaats stelde, zeggende: » Wegens de
eer, welke gij aan God en aan mij door de
H. Mis bewezen hebt, geef ik u uwe tong
weder, en vermaan u, dat gij in het vervolg
zult voortgaan ijverig Mis te lezen". Na deze
overgroote weldaad, bedankte hij Maria uit
geheel zijn hart, begaf zich tot de verzamelde
menigte en toonde hun de herstelde tong, tot
groote schande van de ketters en vijanden der
H. Mis.
%£•
-ocr page 37-
TWEEDE HOOFDSTUK.
De Voortreffelijkheid dar H. Mis.
Alhoewel de H. Mis zoo voortreffelijk, zoo
uitmuntend is, dat zij zelfs door geen Engelen-
taal kan beschreven worden, wil ik nochtans,
om ons hiervan een klein denkbeeld te vor-
men, het een en ander tot stichting bijbren-
gen. De H. Franciscns van Sales spreekt van
de H. Mis onder deze voortreffelijke eeretitels:
»De Mis is de zon der geestelijke oefeningen,
het hart der aandacht, de ziel der godsvrucht,
de vlam der goddelijke liefde, de afgrond der
goddelijke goedheid, en een kostbaar middel,
waardoor ons God zijne genade werkelijk toe-
eigent". O, welke kostbare eeretitels! Hoe
zoude ik ze naar behooren kunnen uitleggen?
De H. Franciscus wil dus door deze woorden
te kennen geven dat, als iemand oprecht god-
vruehtig en aandachtig is , en door de liefde
Gods wil ontstoken worden, hij slechts vlijtig
behoeft Mis te hooren: hij heeft reeds daar-
door het beste middel aan de hand om de
goddelijke genade te verwerven.
De geleerde pater Osorius beschouwt de
H. Mis als ver boven alle andere werken van
-ocr page 38-
14                       TWEEDE HOOFDSTUK.
godsvrucht verheven. „Onder alle zaken, zegt
hij, welke zich in de Kerk bevinden, i.s het
Misoffer het allerhoogste en het allerkost-
baarste, wijl het goddelijk Sacrament des A1-
taars daarin geconsacreerd en aan den hoog-
sten God tot een sacrificie wordt opgeofferd".
Met hem stemt de geleerde Fornerus Wey-
land, wijbisschop te Bamberg, van wien in
dit boek dikwijls sprake is, overeen, zeggende:
„De H. Mis overtreft door hare waardigheid
vele andere Sacramenten". En hij voegt er
bij: „uitmuntend en vol majesteit zijn, wel
is waar, de Sacramenten, maar veel uitmun-
tender is het H. Misoffer; de eerste zijn kost-
bare vaten der barmhartigheid voor de leven-
den , het tweede echter, namelijk de H. Mis,
is eene onuitputbare zee der goddelijke mild-
dadigheid, zoowel voor de levenden als voor
de afgestorvenen". Nu zullen wij zien waarom
de H. Mis zoo voortreffelijk is, en waaruit
men deze voortreffelijkheid kan afleiden.
§ 1. Over het wijden der kerken en altaren.
1. Vooreerst erkent men die hooge voor-
treffelijkheid der Mis aan de hoogwaardige
wijding of consecratie der kerken en altaren.
Hij, die deze plechtigheid nooit heeft bijge-
woond, en verstaan welke gebeden de bisschop
uitspreekt, en hoe vele aandoenlijk ceremoniën
hij gebruikt, zal zich gewis ten hoogste ver-
wonderd hebben, indien hij aandachtig heeft
-ocr page 39-
HET WIJDEN DER KERKEN EN ALTAREN. IS
waargenomen, hoe treffend en hoogwaardig
al deze verschillende ceremoniën, zalvingen t
wijdingen en gebeden zijn, waardoor eene kerk
geheiligd, gewijd en geconsacreerd wordt. En
waarom dit alles \'i Waarom, die langdurige
en kostbare ceremoniën\'!1 Opdat de nieuwe
kerk waardig worde, dat daarin het allerhoog-
waardigste Misoffer opgeofferd worde; en zoo
ook worden de altaren geheiligd en geconsa-
creerd, omdat het allerreinste en allerheiligste
Lam Gods hierop geestelijkerwijze wordt ge-
slachtofferd.
2. Uit dit alles kan een Christen genoeg-
zaam ontwaren en waardeeren hoe heilig onze
kerken en altaren zijn. Immers, de tempel van
Salomo bij het joodsche volk, was slechts eene
flauwe afbeelding en voorbeduiding van onze
kerken, en nochtans werd hij én van Joden
én van Heidenen zoo hoog in eere gehouden.
Hoe veel te meer zullen clan onze kerken, door
zoo vele heilige wijdingen en zalvingen aan
God toegewijd, in groote eer moeten gehou-
den worden. Van de inwijding van Salomo\'s
tempel meldt ons de H. Schrift in het 3. Boek
der Koningen , dat deze koning 22,000 ossen
en 120,000 stuks andere slachtdieren heeft
opgeofferd, welke vooraf geslacht en gereinigd,
stukswijze op het altaar werden gelegd. Ter-
wijl Salomo luide zijn gebed verricht, ziet,
daar valt eensklaps het vuur des hemels en
het verteert alle slachtoffers. De gansche tem-
pel was met rook gevuld en de Majesteit Gods
-ocr page 40-
16
TWEEDE HOOFDSTUK.
verscheen er. Het geheele volk zag het vuur
en de glorie Gods; het viel vol van eenen
heiligen schrik op het aangezicht neder, en
aanbad God uit ganscher harte. De koning
Salomo viel op eene hoogere plaats op zijne
knieën en sprak met luide stemme: ,,Zon het
dan te gelooven zijn, dat God bij do menschen
op aarde wilde wonen? Als de hemel, en de
hemel der hemelen U niet kunnen bevatten,
hoe veel minder dan de tempel, dien ik U
gebouwd heb?"
8. Wie zou zich hierover alleen niet ver-
wonderen, en wie zal ooit de waardigheid van
dezen tempel genoegzaam begrijpen ? Noch-
tans was hij maar een flauwe schaduw, een
onvolmaakt afbeeldsel, eene figuur van onze
christelijke kerken. Immers in Salomo\'s tem-
pel bevonden zich de ark Gods, en in deze
de twee steenen tafelen van Mozes, een korf
manna en de roede van Aaron, welke gebloeid
had. De joodsche offeranden bestonden slechts
in geslachte en «;ebrandoffeide dieren, met
eenige toonbrooden; maar geheel iets anders
bevatten onze kerken. Deze, onvergelijkelijk
heiliger dan de tempels der Joden. worden
door den bisschop gewijd, met heilige olie
gezalfd, met wijwater besproeid, door den ge-
zegenden wierook en honderden kruisen ge-
heiligd, en door de opoffering van het aller-
hoogwaardigste Misoffer geconsacreerd. In plaats
van de ark des verbonds hebben wij de hei-
lige ciboriën en vaten, waarin het ware Brood
-ocr page 41-
HET WIJDEN DEK KERKEN EN ALTAREN. 17
des Hemels, het heilig en aanbiddelijk Sacra-
menfc des Altaars, het waarachtig lichaam en
bloed van Jezus Christus, wordt opgesloten.
Wanneer dus de tempel van Salomo in zulke
eer werd gehouden, welke eer verdienen dan
onze kerken niet, waarin God persoonlijk zijne
woning heeft gevestigd?
4. Onze kerken worden genoemd, en zijn
in waarheid, het huis van God, waarin God
persoonlijk woont en altijd te vinden is. Hij
is altijd vergezeld van eenige duizenden En-
gelen, die Hem omringen, aanbidden, loven,
eeren en ons gebed opdragen. Dit was voor-
beduid door de verschijning van den patriarch
Jacob, Gen. 28, cap. 17, toen hij zich des
nachts in het veld ter rust had nedergelegd
en in zijnen slaap eene ladder zag van de
aarde tot den hemel reikende, waarlangs de
Engelen Gods opklommen en nederdaalden,
en God den Heer op de ladder liggen zag.
Jacob werd wakker van schrik en sprak:
„Hoe schrikkelijk is deze plaats, voorwaar zij
is niets anders dan het huis van God en de
poort des hemels". Hij zalfde den steen, waarop
zijn hoofd gelegen had, met Olie, richtte hem
op tot een altaar, en toen hij van zijne reis
terugkwam, offerde hij dien aan den hoogsten
God op. Dit ook is een afbeeldsel van onze
christelijke kerken, waarin de altaarsteenen
met de H. Olie worden gezalfd, en waarvan
men met meer waarheid zeggen kan; Hoe
verschrikkelijk is deze plaats; voorwaar, zij
Verkl. d. H. Mis.                                                        3
-ocr page 42-
18
TWEEDE HOOFDSTUK.
is niets anders dan het huis Gods en de poort
des hemels; waarlangs insgelijks de Engelen
op- en afklimmen, om ons gebed aan God op
te dragen. Onze kerken zijn wezenlijk die
plaats, waarvan God spreekt bij den profeet
Isaïas, eap. 56: „Ik wil u boven op mijnen,
heiligen berg geleiden, ik wil u verheugen in
het huis mijns gebeds; uwe brand- en slacht-
offers zullen mij op mijn altaar gevallen, en
mijn huis zal door alle volkeren een huis van
gebed genoemd worden". Wanneer wij dus een
levendig geloof hebben, zullen wij met schrik
en eerbied onze gewijde kerken binnentreden,
met diepe godsvrucht Christus in het H. Sa-
crament aanbidden, en alle tegenwoordige En-
gelen aandachtig vereeren, gelijk David zegt:
,,Ik zal uw huis ingaan en U met vrees in
Uwen heiligen tempel aanbidden: bij het aan-
schouwen der Engelen zal ik psalmen zingen
en uwen H. Naam loven". Die zich dus on-
stichtig in de kerk gedraagt door praten,
lachen, omzien of door andere onbetamelijk-
heden te bedrijven, begaat eene groote oneer-
biedigheid jegens de Goddelijke Majesteit en
Gods heilige, gewijde woning.
5. Het is eveneens, om de herinnering aan
deze schoone ceremoniën en wijdingen diep in
de harten der geloovigen te prenten, dat de-
H. Kerk jaarlijks het feest der Kerkwijding
beveelt te herdenken, hetwelk niets anders is
dan eene gedachtenis van dien grooten dag,
waarop onze tempels en altaren door zooveel
-ocr page 43-
HET WIJDEN DER KEUKEN EN ALTAREN\'. 19
heilige ceremoniën, wijdingen en zalvingen,
door den bisschop, aan den allerheiligsten God
zijn toegewijd.
Vooraf echter wil ik u de bestemming en
den oorsprong der Christentempels met eenige
woorden verklaren. Zij zijn bestemd om de ge-
loovigen gemeenschappelijk te vereenigen in
het gebed, het aanhooren van Gods woord,
voor het ontvangen der H. Sacramenten, maar
voornamelijk om er het hoogwaardig Sacrificie
der Mis aan God op te dragen. Men kan, wel
is waar, in huis en overal bidden, maar ner-
gens zal men zoo ernstig en krachtig bidden
als in de kerk, en inzonderheid onder de H. Mis,
wanneer het voorbeeld der vrome en godvruch-
tige Christenen, de majesteit der uitwendige
ceremoniën., en de bijstand der goddelijke ge-
nade, de ziel tot het gebed uitnoodigen en
helpen.
6. De tempel is verder nog een schoon zin-
nebeeld der geheele katholieke Kerk, van de
groote gemeenschap der Heiligen. Gelijk alle
ware christelijke geloovigen in die gemeen-
schap op eene geestelijke wijze vereenigd zijn
door hetzelfde geloof en dezelfde H. Sacra-
menten, door het gebed en het H. Misoffer,
zoo zijn ook zij, die in eene kerk vergaderd
zijn, gelijk eene eensgezinde heilige familie
vereenigd. Door het H. Misoffer en in het
allerheiligste Sacrament des Altaars, bezitten
wij dan ook in ons midden Jezus Christus, het
Opperhoofd en de Bestierder van de geheele
-ocr page 44-
20
TWEEDE HOOFDSTUK.
Kerk. Ook is de Christentempel eigenlijk zoo
oud als het Christendom zelf. De zaal te Je-
rusalem, waarin de Heiland het Laatste Avond-
maal hield en het aanbiddenswaardig Sacra-
ment des Altaars instelde, werd hierdoor zelfs
een Christentempel, en de zaal, waar de apos-
telen, vereenigd in het gebed, de komst van
den H. Geest afwachtten, was niets anders dan
zulk eene heilige bidplaats. Welk een prach-
tig en aandoenlijk tooneel geven ons, in den
tijd der bloedige vervolgingen van de eerste
eeuwen des Christendoms, die onderaardsche
gewelven en grafkelders (catacomben) te aan-
schouwen, waar de Christenen zich des nachts
in het geheim kwamen vereenijjen om aldaar
de goddelijke diensten bij te wonen, en alwaar
het aanbiddelijk Sacrificie der Mis werd op-
gedragen door eenen grijzen, eerbiedwaardigen
priester, op het altaar, nog rookende van het
bloed der martelaren. Daar werden des nachts
in stilte de uitgeschudde lichamen der marte-
laren heengevoerd, en neergelegd in een graf,
waarvan de steen tot altaar diende, om er het
H. Sacrificie tot dankzegging op te dragen.
O, wie zal ons zulk een hartroerend tooneel
kunnen beschrijven, wie zal ons die aandoe-
ning en die vreugde kunnen schetsen, met
welke de geloovigen de dierbare overblijfselen
dier heilige lichamen uit de handen der beu-
len ontvingen, nog druipende van het bloed
hunner wonden!
Deze grafplaatsen werden alzoo in christe-
-ocr page 45-
HET WIJDEN DER KERKEN EN ALTAREN. 21
lijke tempels veranderd, waaruit de lof Gods
en het gebed der geloovigen zich even mach-
tig en heerlijk ten hemel verhieven, als uit
onze luisterrijkste domkerken; ja, waar de ge-
nade Gods en de godsvrucht der geloovigen
zonder twijfel veel overvloediger werkten.
7. Van daar het gebruik reliquiën van ze-
kere Heiligen te plaatsen, niet alleen in iedere
kerk, maar in het altaar zelf; want het is
verboden het H. Misoffer op een altaar op te
dragen, waarin zich geene reliquiën van Hei-
ligen bevinden. Is de priester genoodzaakt de
H. Mis onder den blauwen hemel of in eene
bijzondere kamer te lezen, dan nog vereischt
de H. Kerk, dat hij zich bediene van een zoo-
genaamd draagbaar altaar, hetwelk uit eene
steenen plaat bestaat, met eene opening voor-
zien, waarin de heilige reliquiën zijn besloten.
De eerbied , welke alzoo de eerste Christe-
nen voor de rustplaatsen van het martelaren-
geloof toonden, verflauwde nu ook geenszins
bij het ophouden der vervolgingen, want het
was op het graf van den eenen of anderen
H. martelaar, dat zij dan ook nog hunne ker-
ken of kapellen bouwden; zij trachtten ze zelfs
zoo in te richten, dat het altaar zich juist
boven het graf verhief, zoo dat dit eigenlijk
den grafsteen verbeeldde. Gebruikt men nu
wel kostbare gesteenten, om het altaar te ver-
sieren, dan nog overtreffen deze heilige over-
blijfsels altijd in de oogen des geloofs alle an-
dere voorwerpen of sieraden in kostbaarheid
-ocr page 46-
22
TWEEDE HOOFDSTUK.
en waarde. Ziedaar de reden, waarom nien het
aanbiddelijke Sacrificie der Mis nergens zoo
waardig kon opdragen, noch hetzelve ergens
zoo eervol kon laten berusten, dan op het graf
van eenen heiligen martelaar. In latere tijden,
toen de Christenkerken menigvuldiger werden,
bezorgde men zich reliquiën van Heiligen, die
men naar de nieuwe kerk plechtig overdroeg
en daar in \'t altaar opsloot. Van daar, dat
men heden het altaar niet meer opricht op
het graf van eenen Heilige, maar dat men toch
van het altaar zelf een dusdanig graf ver-
vaardigt.
8. In de eerste eeuwen des Christendoms
werden er veelvuldige tempels den waren God
ter eere opgetrokken; doch zij werden weldra
door de Heidenen weder omvergeworpen. Het
was slechts nadat de vervolgingen een einde
hadden genomen, omtrent 300 jaren na de
geboorte van Christus, dat men er aan den-
ken mocht, zulke heerlijke gebouwen op te
richten, als thans dienen om er het hoogwaar-
dig Sacrificie der Mis op te dragen. Het was
omtrent dezen tijd, onder de regeering van
Constantijn den Groote. dat het den Christe-
nen toegelaten werd, eigen kerken te bouwen,
en dat men deze ook plechtig begon in te
wijden. Groot was het gejubel en de vreugde
van het Christenvolk bij zulk een plechtig
feest; de menigvuldige bisschoppen en pries-
ters, die zulke inhuldiging bijwoonden, ver-
hoogden deze plechtigheid zoo door de cere-
-ocr page 47-
HET WIJDEN DER KERKEN EN ALTAREN. 23
moniën, die zij tot het Christelijk volk hielden,
als door het H. Misoffer, dat alsdan op het
nieuw gewijd altaar den waren God werd op-
gedragen.
9. Het is nu nog het vurig verlangen der
katholieke Kerk, dat wij ons verheugen, onzen
grooten God zoo nabij te bezitten, Hem dage-
lijks de H. Offerande op te dragen en niets
verzuimen, om aan deze zoo groote genade
waardig te beantwoorden. Ook houdt zij zich
niet tevreden, ons enkel door de inwijding der
kerken hiertoe op te wekken, maar zij her-
nieuwt nog alle jaren door een bijzonder feest,
door het feest der Kerkwijding, die heilzame
gedachten in ons. Het feest der Kerkwijding
is dus eeiie herinnering aan dien dag, op wei-
ken onze kerk eens van den bisschop werd
gewijd, en er voor de eerste maal het H. Sa-
crificie der Mis werd opgedragen. Deze herin-
nering zal alle jaren onze dankbaai-heid ver-
nieuwen, voor het geluk, dat wij hebben, eenen
tempel des Heeren in ons midden te bezitten,
waarin Jezus Christus zich zelf gewaardigt te
wonen en zich dagelijks voor ons aan zijnen
Hemelschen Vader opdraagt. Wat groote re-
denen hebben wij dan niet, ons hiervoor dank-
baar te toonen. Immers, hoe vele Christenen,
in afgelegen landen moeten zich heden nog
gelijk in de eerste tijden des Christendoms,
van eene zaal of soms van eene vervallen
schuur bedienen, en moeten zelfs uren ver
gaan, om het H. Misoffer te kunnen bijwonen?
-ocr page 48-
24                       TWEEDE HOOFDSTUK.
Schande dus over den Christen, die eene kerk
in zijne nabijheid heeft, en geene genegenheid
gevoelt, God, door het hoogste Sacrificie dat
op aarde bestaat, te vereeren. Jezus Christus
is uit liefde tot ons van den hemel in onze
kerken nedergedaald; daar berust Hij opge-
sloten, soms in armoedige tabernakelen, en
velen van hen, die Hij door zijn dierbaar bloed\'
verlost heeft, en voor wie Hij zich dagelijks
door de handen des priesters opnieuw slacht-
offert, zijn zoo lafhartig, dat zij uit liefde tot
Hem niet eenige schreden willen doen, om
Hem in de kerken te komen bezoeken, of het
H. Misoffer bij te wonen.
VOORBEELD.
Tot meerdere eer en glorie van God, tot
luister van het hoogwaardig Misoffer, willen
wij nu vernemen, hoe Christus zich zelf ge-
waardigd heeft, de ceremoniën der plechtige
inwijding van de beroemde kapel der Moeder
Gods te Einsiedeln, in Zwitserland, te ver-
richten en de H. Mis daarin heeft opgedragen.
In het leven van den H. Meinrad lezen wij r
hoe 80 jaren na zijn dood, een vrome klui-
zenaar, met name Eberhard, van een adelijk
geslacht, den H. Conradus, bisschop van Con-
stance, verzocht had, de kapel van den heili-
gen Meinrad in te wijden. Toen in den nacht,
voor de inwijding bestemd, de H. Conradus
-ocr page 49-
HET WIJDEN DER KEUKEN EN ALTAREN. 25
zich naar de kapel begaf om te bidden, hoorde
hij het gezang der Engelen, die de Antiphonen
of de gebeden der Kerkwijding zongen. De
kapel binnen tredende, zag hij ze vol Engelen
en Christus zelf, in bisschoppelijk gewaad, be-
zig met de ceremoniën der inwijding. Hierdoor
kwam hij in zulk eene verbazing, dat hij als
buiten zich zelven geraakte. Hij zag en hoorde
nauwkeurig, hoe Christus, omgeven van de
H. Apostelen, eene groote schaar van Engelen
en Heiligen, dezelfde woorden en ceremoniën
gebruikte, welke de bisschoppen bij de Kerk-
wijdingen plegen te verrichten.
De Moeder Gods, tot wier eer het altaar en
de kapel werd gewijd, stond op het altaar in
groote heerlijkheid, schitterender dan de zon.
Na de volbrachte wijding hield Christus zelf
de Hoogmis met groote plechtigheid. Nadat
de Mis geëindigd was, verdween het gansche
hemelsche koor, en liet den H. Conradus als
opgetogen van heilige vreugde. Hij vond in
de gewijde kapel de voetstappen van Jezus
Christus in de gestrooide asch gedrukt, en de
muren met het H. Chrisma gezalfd. Den vol-
genden morgen begeerden de aanwezende hee-
ren, dat de bisschop de kapel zoude inwijden.
Maar Conradus sprak: „Dit mag ik niet doen,
want zij is reeds door den hemel gewijd".
Daar zij echter hierop aandrongen, hoorden
zij allen eene hemelsche stem, welke driemaal
tot hun sprak: Houdt op, broeders! de kapel
is reeds ingewijd. Toen zag de heilige bis-
-ocr page 50-
26                      TWEEDE HOOFDSTUK.
schop van de wijding af, en maakte deze zon-
derlinge gebeurtenis te Rome bekend.
Over deze inwijding, welke in September
van het jaar 948 onder den abt Eberhard
plaats had, lezen wij in de bijdragen der Ker-
kelijke geschiedenis van dr. C. J. Hel\'ele, Tü-
bingen 1864, t. 1, bl. 273 het volgende:
„Als merkwaardigheid voegen wij hierbij,
dat het Paus Leo de VIII. was, die voor het
klooster van Einsiedeln eene bulle vervaar-
digde, waardoor het wonder der verschijning
en der inwijding van de vermaarde kapel aan-
erkend en eene nieuwe inwijding verboden
werd; ook werd aan de bezoekers dier kapel
een grooten aflaat geschonken.
„Een afschrift van het oorspronkelijk di-
ploom van den bisschop Hendrik van Con-
stance, uit het jaar 1382, waarin deze merk-
waardige gebeurtenis vernield is, wordt nog
heden ten dage in Einsiedeln getoond".
§ 2. De Priesterwijding.
Van den anderen kant erkent men de voor-
treffelijkheid der H. Mis uit de heilige Pries-
terwijding. Ieder priester moet zevenmaal ge-
wijd worden, alvorens hij de macht bekomt
het allerhoogste Misoffer op te dragen. De
vier mindere wijdingen zijn hoofdzakelijk in-
gesteld, om de ievieten in den dienst der Kerk
op te nemen, ten einde de priesters aan het
altaar bij te staan; niemand hunner mag den
-ocr page 51-
HET WIJDEN DER KERKEN EN ALTAREN. 27
kelk, corporaal of verdere gewijde vaten aan-
raken; deze bevoegdheid is enkel aan de vijfde
wijding, namelijk het subdiaconaat verbonden.
Gelijk eertijds in de wet van Mozes slechts
de levieten de gewijde zaken mochten aan-
roeren, zoo komt dit in de nieuwe wet alleen
toe aan de subdiakens, diakens en priesters.
Wanneer de diaken tot priester gewijd wordt,
knielt hij aan het altaar voor den bisschop
neder. Deze houdt hem het hooge gewicht
van \'t ambt, dat hij wil aanvaarden, voor
oogen, en vraagt het volk, of hij dit waardig
is. Indien niemand hierop antwoordt, knielt
de bisschop neder en bidt met luider stemme
de Litanie van alle Heiligen, terwijl alle dia-
kens plat op den grond liggen uitgestrekt.
Daarna strekt de bisschop zijne hand uit,
spreekt nog een krachtig gebed tot God, op-
dat Hij hen, die Hij tot het Priesterschap
heeft uitgekozen, op eene bijzondere wijze
moge zegenen. Na het Vent Creator zet zich
de bisschop neder, terwijl de diaken voor hem
op het altaar nederknielt. Wrvolgens neemt
de bisschop de H. Olie un zalft daarmede het
binnenste der beide handen van den wijdeling,
zeggende: ,,0 Heer! gewaardig U deze hand
te heiligen en te consacreeren door deze H.
zalving en onzen zegen; alles, wat deze han-
den zullen zegenen, val gezegend zijn, en wat
zij zullen consacreeren, zal geconsacreerd en
geheiligd zijn, in den naam van onzen Heer
Jezus Christus". Daarna bindt de bisschop
-ocr page 52-
28
TWEEDE HOOFDSTUK.
hem beide handen met een linnen doek, reikt
hem den kelk over met wijn en water, de pa-
teen en de hostie, zeggende: „Ontvang de
macht aan God \'t offer op te dragen en de
H. Mis te lezen, zoowel voor de levenden als
voor de afgestorvenen, in den naam des Hee-
ren. Amen". — Dan wordt het linnen doek
los gedaan, waarna de bisschop de H. Mis
voortzet. De nieuwe priester zit geknield, met
een misboek in de hand, achter den bisschop,
leest tegelijkertijd met hem woord voor woord
de H. Mis, en onder de Communie ontvangt
hij de H. Hostie uit de handen van den bis-
schop. Na de geloofsbelijdenis legt de bisschop
zijne beide handen hem op het hoofd, zeg-
gende: ,,Ontvang den H. Geest, wier zonden
gij vergeven zult, dien worden zij vergeven;
en wier zonden gij zult houden, dien zijn zij
behouden." Eindelijk belooft de nieuwe pries-
ter aan zijnen bisschop de gehoorzaamheid,
daarna wordt hij van hem gezegend met de
volgende woorden: ,,De zegen van den almach-
tigen God , den Vader, den Zoon en den H.
Geest dale over u neder, opdat gij gezegend
moget zijn in de priesterlijke orde, en zoen-
offers opdragen voor de zonden en de over-
tredingen des volks van de wetten des almach-
tigen Gods".
Ziedaar in het kort de voortreffelijke Pries-
terwijding volgens het gebruik der oude ka-
tholieke Kerk. En waartoe nu al die cere-
moniën? Is het niet voornamelijk, opdat de
-ocr page 53-
DE AVAARDIGHEID VAN HET PRIESTERSCHAP. 29
priester genoegzaam gereinigd, geheiligd en
waardig gemaakt worde, om het allerreinste,
allerheiligste en allerhoogwaardigste Misoffer
aan de oneindige Goddelijke Majesteit op te
offeren ?
§ 3. De waardigheid van het Priesterschap.
1. Uit al die schoone ceremoniën en voor-
treffelijke wijdingen, zult gij gemakkelijk de
groote waardigheid van het Priesterschap er-
kennen en daardoor de voortreffelijkheid der
H. Mis zooveel te beter begrijpen. Het Fries-
terambt is volgens den H. Ignatius, martelaar,
de hoogste onder alle andere geschapen waar-
digheden; ja, de H. Ephrem noemt het eene
oneindige waardigheid. De H. Chrysostomus
wil, dat het Priesterschap, ofschoon het hier
op aarde zijne bediening heeft, nochtans onder
de hemelsche zaken behoort te worden ge-
rangschikt. Immers, de priester, zegt Cassia-
nus, is boven al wat machtig is op de aarde,
en boven al wat groot is in den hemel, ver-
heven, God alleen is boven hem; hij is in het
midden geplaatst tusschen God en den mensch;
hij is minder dan God, maar meer dan de
menschen. De H. Dionysius noemt den pries-
ter een goddelijk mensch, hij beschouwt het
Priesterambt als ei>ne goddelijke waardigheid;
van daar ook, dat de H. Chrysostomus zegt,
dat hij, die den priester eert, aan Christus
zei ven eene groote eer bewijst, en die den
-ocr page 54-
30
TWEEDE HOOFDSTUK.
priester versmaadt, Christus zelven versmaadt.
De eerbiedwaardige zuster Maria van Ognies,
doordrongen van eerbied voor de priesterlijke
waardigheid, kuste den grond, waarop de pries-
ter de H. Mis had gelezen.
2. Die hooge waardigheid nu van den pries-
ter, vindt haren grond in de verhevene bedie-
ning, welke hij uitoefent. De priesters zijn
Gods uitverkorenen; zij zijn hier op aarde be-
last met al de zaken en belangen der Godheid.
De H. Ambrosius noemt de priesterlijke be-
diening een goddelijk ambt, want de priester
is de dienaar van God; zijne bestemming is
openbaar zaakgelastigde der gansche Kerk te
zijn, ten einde God den Heer te eeren en voor
al de geloovigen, den schat der genaden te
openen. De geheele Kerk kan aan God zoo-
veel eer niet geven, noch van den hemel zoo-
veel gunsten verwerven, als éen priester, wan-
neer hij eene enkele H. Mis opdraagt; immers
de Kerk zou zonder den priester aan God geen
verhevener offer kunnen brengen, dan dat van
het leven aller menschen; maar wat is dit
alles in vergelijking met de offerande van het
leven van Jezus Christus, offerande van eene
oneindige waarde? Wat zijn alle menschen
voor Cod; wat anders dan een weinig stof\'?
De priester derhalve, wanneer hij eene H. Mis
opdraagt, geeft aan God, met Hem Jezus Chris-
tus te slachtofferen, oneindig meer eer, dan
hem alle menschen zouden geven, wanneer zij
zelfs door hunnen dood, Hem het offer huns
-ocr page 55-
DE WAARDIGHEID VAN HET PRIESTERSCHAP. 31
levens brachten. Ja, ik zeg nog meer, door
eene enkele H. Mis bezorgt de priester aan
God meer glorie, dan alle Engelen en Heiligen
met de allerheiligste Maagd Maria ooit gedaan
hebben en immer zullen doen, omdat zij aan
God geene oneindige eer kunnen geven, ge-
lijk de priester doet, zoo dikwijls hij aan het
altaar het Goddelijk Lam slachtoffert.
3.  De priester offert daarenboven, door het
opdragen der H. Mis, aan God eene waardige
schatting van dankbaarheid voor al de gun-
sten, welke Hij ooit, zelfs aan de Heiligen in
den hemel, verleend heeft; deze waardige
schatting van dankbaarheid kunnen alle Hei-
ligen te zamen hem niet aanbieden; waaruit
volgt, dat ook te dezen opzichte de waardig-
heid des priesters alle andere waardigheden ,
zelfs die van den hemel niet uitgezonderd,
overtreft. Daarbij komt nog, dat de priester
een zaakgelastigde is, die door het heelal wordt
afgezonden, om als tusschenspreker bij God
de genaden voor alle schepselen af te smeeken.
4.  Jezus is gestorven om het bestaan aan
den priester te geven. Inderdaad, de dood van
den Verlosser was niet volstrekt noodig om
de wereld zalig te maken; een bloeddruppel,
éen traan, een gebed door Hem gestort, zou
voldoende geweest zijn voor de zaligheid der
menschen, omdat die bloeddruppel, die traan,
dat gebed, als zijnde van eene oneindige
waarde, voldoende was om, niet slechts éene,
maar duizenden werelden te verlossen. Doch
-ocr page 56-
32
TWEEDE HOOFDSTUK.
het was noodzakelijk, dat Christus stierf, om
den priester het aanzijn te geven; hoe anders
toch kon het Offerlam aanwezig zijn, hetwelk
de priesters thans in de nieuwe wet opdragen;
dat Lam, hetwelk geheel en al heilig en vlek-
keloos in zich zelf, voldoende is, om God op
• eene Zijner Godheid waardige wijze te eeren?
Het leven aller menschen en aller Engelen
zoude dus niet toereikend zijn, om aan God
de oneindige eer te bewijzen, welke de pries-
ter hem geeft, wanneer hij éene H. Mis op-
draagt.
5. De waardigheid van den priester kan ook
nog berekend worden naar de macht, welke
hij uitoefent, zoo op het wezenlijke als op
het mystieke lichaam van Jezus Christus. Wat
het wezenlijk lichaam betreft, dit leert ons \'t
geloof, dat op het oogenblik als de priester
onder de H. Mis de woorden der consecratie
uitspreekt, het vleesch geworden Woord zich
verplicht heeft te gehoorzamen, en onder de
sacramenteele gedaanten in diens handen wer-
kelijk te verschijnen. Verbazing treft ons,
wanneer wij lezen, dat God eertijds aan Jozua
gehoorzaamde, zoodat de zon op de stem eens
menschen bewegingloos stond. Maar hier is
een grooter wonder: de priester spreekt slechts
de woorden: „Dit is mijn lichaam", en oogen-
blikkelijk gehoorzaamt God zelf en daalt neder
op het altaar; overal waar de priester Hem
roept, en zoo dikwijls hij Hem roept, stelt Hij
zich tusschen zijne handen, al ware die priester
-ocr page 57-
DE WAARDIGHEID VAX HET PRIESTERSCHAP. 33
zelfs zijn vijand. En eeninal op zijne stem
nedergedaald, blijft Hij geheel tot beschikking
van den priester; deze draagt Hem van de
eene plaats naar de andere, waar hij het goed-
vindt; liet staat hem vrij, indien hij het ver-
langt, Hem in het tabernakel op te sluiten,
of op het altaar uit te stellen, of zelfs buiten
de kerk te dragen ; hij kan even vrij zich zel-
ven met zijnen God voeden of Hem aan ande-
ren tot spijs geven.
6.   Wat nu het mystiek lichaam van Jezus
Christus betreft, dat namelijk uit alle geloo-
vigeu bestaat, hierop heeft de priester de macht
der sleutelen, dat is, hij kan den zondaar aan
de hel ontrukken, hem den hemel openen en
van een slaaf des duivels in een kind van God
veranderen. En God zelf is verplicht zich aan
het oordeel des priesters te houden , de ver-
giffenis te weigeren of toe te staan, naar dat
de priester de ontbinding weigert of geeft,
ingeval de boeteling die waardig is. De uit-
spraak des priesters gaat vooraf, zegt de H.
Petrus Damianus, en God gewaardigt zich
deze te onderteekenen. De priesters zijn dus
de uitdeelers der goddelijke genaden; zij hebben
eene gemeenschappelijke zaak met God, zij
zijn de eer en de kolommen der Kerk: zij
zijn de poorten en tegelijk de portiers des
hemels.
7.   De waardigheid van den priester is der-
halve de edelste van alle geschapen waardig-
heden. Zij overtreft, zegt de H. Bernardus, al
Verkl. d. H. Mis.                                                                  4
-ocr page 58-
34                      TWEEDE HOOFDSTUK.
de waardigheden der koningen, ja zelfs die
der Engelen. Ook hebben vele godvruchtige
koningen niet recht hunnen roem er in ge-
steld de priesters te eeren. Ziet, zegt de H.
Chrysostomus, hoe bereidwillig zij voor de
priesters de knieën buigen, hun de handkus-
sen en met neergebogen hoofd den zegen ont-
vangen. De H. Martinus, aan tafel van den
keizer Maxirninus genoodigd, bood de eer van
den beker eerst aan zijnen kapelaan en ver-
volgens aan den Keizer. Constantius de Groote
verkoos in de Kerkvergadering van Nicea de
laatste plaats achter de priesters, en op een
minder verheven zetel, en nog wilde hij zich
niet nederzetten zonder hunne vergunning.
8. De waardigheid des priesters overtreft
zelfs die der Engelen, volgens de leer van den
H. Thomas. De Engelen eerbiedigen het Pries-
terambt. Alle Engelen immers te zamen kun-
uen niet éene enkele zonde vergeven. De Enge-
lenbewaarders kunnen wel de zielen bewaken,
die hun zijn toevertrouwd en daarom , indien
die zielen zich in staat van doodzonde bevin-
den, dan wekken zij ze op, om zich tot de
priesters te vervoegen, wachtende tot dat dezen
het ontbindend vonnis der vergeving mogen
uitspreken.
De H. Franciscus van Sales, bisschop van
Geneve, had eens de priesterwijding aan eenen
braven geestelijke toegediend; op het oogen-
blik datdeze de deur zou uitgaan,ziet hem de bis-
schop in eens stil staan, en evenals wisselde hij
-ocr page 59-
BK WAARDIGHEID VAX HKT PRJfcSTKRSCHAP. 35
eenige woorden met een anderen, scheen het
hem , als ot\' aan den nieuwen priester plaats
werd gemaakt. Hij ondervroeg daarover den
pas gewijde, en deze antwoordde, dat de Heer
hem de gunst had gedaan, zijnen Engelbe-
waarder aan zijne oogen zichtbaar te maken;
dat deze tot hiertoe altijd aan zijne rechter
hand, en vóór hem was uitgegaan, maar dat,
nu hij priester was, deze zich aan zijne linker
hand hield, en weigerde hein vóór te gaan;
dat hij daarom bij het uitgaan was blijven
staan, als in een heilig geschil met zijnen
Engel verkeerende.
De H. Franciscus van Assisen was gewoon
te zeggen: „Indien ik een Engel uit den hemel
en tegelijk een priester zag, zou ik eerst de
knie voor den priester en daarna voor den
Engel buigen".
y. Wat zal ik nog hierbij voegen V De macht
van den priester overtreft zelfs in zekeren zin
die van de Moeder Gods. Maria kan zeker
bidden voor eene ziel, en door hare gebeden
alles, wat zij wil, verkrijgen; maar zij kan
geen e enkele zonde, hoe gering ook, recht-
streeks vergeven. Maria heeft Jezus Christus
maar eenmaal in haar moederschoot ontvan-
gen; maar de priester ontvangt Hem zoo dik-
wijls als hij het H. Misoffer opdraagt.
10. l\'it al het voorgaande zien wij genoeg,
hoe groot de waardigheid van den priester is:
hoe grooter echter deze waardigheid is, des te
meer moot hij voor haar schrikken , en zich
-ocr page 60-
36
TAVEËDK HOOFDSTUK.
wel wachten vermetel het priesterschap te aan-
vaarden, zonder van God hiertoe geroepen te
zijn.
De H. Cyprianus zeide, dat zij, die waarlijk
ilen geest Gods bezaten, met schrik en huive-
ring de priesterwijding ontvingen. De H. Epi-
phanus zegt, dat hij schier niemand konde
vinden , die zich priester wilde laten wijden.
Vele Heiligen verborgen zich uit diep gevoel
van nederigheid, en namen de vlucht, wanneer
zij de heilige wijdingen moesten ontvangen.
Oudtijds werden er onder de monniken , die
zoo streng leefden , weinige priesters gevon-
den, en naar het priesterschap te dingen werd
als verwaandheid door hen aangezien.
11. Jezus Christus had bij zijne komst op
aarde geen ander doel, dan het vuur der god-
delijke liefde te ontsteken; dit moet dan ook
de priester doen; hij moet zijn leven lang en
uit al zijn krachten arbeiden, om God door de
menschen te doen beminnen. „Ik heb u ge-
kozen", zegt de Heer, ,,en u van de overige
menschen afgescheiden, opdat gij alleen voor
mij zoudt wezen : dat is, geheel bezig met
mijnen lof, met mijnen dienst, om de hoofden
te zijn van mijn volk, de geleiders van mijne
schapen". De priesters zijn wezenlijk de afge-
zanten van God, zij zijn zijne medehelpers en
werken met Hem aan de zaligheid der zielen:
daarom moeten zij bezield zijn met eenen bran-
denden ijver voor de glorie van God en voor
het zieleheil; zij moeten alle mogelijke zorg
-ocr page 61-
37
DE CEREMONIËN.
aanwenden, om het heilig Misoffer met de
grootste zuiverheid des harten op te dragen ,
ten einde aldus in de harten der mensehen op
hunne beurt het vuur der goddelijke liefde al
meer en meer te kunnen ontsteken.
Dus van alle levensstandtn, welke op aarde
zijn, is de priesterstand de edelste, de verhe-
venste, de stand bij uitmuntendheid, uithoofde
der hoog verheven einden, waartoe hij inge-
steld is. En welke zijn die einden V Voorname-
lijk het H. Misoffer op te dragen, de eer van
God in alles te bevorderen, voor het zieleheil
te werken, en aldus het werk der verlossing.,
dat Christus zelf op aarde is komen voltrek-
ken, voort te zetten. Ziedaar het doel, waartoe
Christus zelf de priesters in deze wereld heeft
aangesteld; ziedaar de reden, waarom zij niet
meer aan zich zelven , maar alleen aan God
toebehooren.
§ 4. De ceremoniën der II. Mis.
1. Eindelijk erkent men de hooge voortreffe-
lijkheid der H. Mis uit de menigvuldige zaken,
welke voor iedere Mis noodig zijn , alsmede
uit nare ceremoniën.
Tot het Mis lezen wordt gevorderd: 1. Een
gewijde priester, die den persoon van Jezus
Christus moet vervangen ; 2. Een geconsa-
creerd altaar, dat in alle kapellen en kerken
zich in de hoogte moet verheffen , dewijl het
den berg van Calvarië beteekent, waarop het
-ocr page 62-
38
TWKKDK HOOFDSTIK.
onschuldig Lam, Jezus Christus, is geslacht-
ott\'erd en op het kruis is verheven geworden;
:>. De priesterlijke kleederen, namelijke de
aniict of het schouderkleed. waarmede de
priester zijpen hals bedekt , den linnen doek
leteekenende , waarmede de Joden Christus\'
aangezicht in het huis van Caïphas bedekt
hebben; 4. Üe albe of lange witte tabbaard
beteekent het kleed, waarmede Jezus Christus
in het huis van Herodes spotswijze is gekleed
geworden; 5. De singel of kleine gordel om
dit kleed duidt de koorden aan waarmede Jezus
Christus door de Joden is gevangen genomen
en gebonden weggesleurd; ü. De manipel,
dien de priester aan zijnen linker arm draagt,
is de band waarmede Christus aan de geesel-
zuil gebonden werd; 7. De stool, welke de
priester kruiswijze over de borst draagt. be-
teekent de koorden of het kruis , waarmede
Christus\' schouders na zijne veroordeeling be-
laden werden; 8. Het casuivel of misge-
waad beduidt het purperen kleed , waarmede
Christus bij zijne kroning spotswijze bekleed
werd; 9. Het kruis op het misgewaad betee-
kent het kruis van Calvariën; 10. De gewijde
kelk beteekent het graf van Christus, als-
mede den bitteren kelk des lijdens, welke Hij
tot den bodem toe moest ledigen ; 11. De p a 11 a,
waarmede de kelk overdekt wordt, beduidt
den vierkanten grafsteen; 12. De pateen of
het vergulde ronde bordje, dat den kelk be-
dekt, beteekent het schoteltje, waarop de zal-
-ocr page 63-
39
DE CEREMONIËN.
ven lagen om liet lichaam van Christus te
zalven; 13. De corporaal, waar de H. hostie
op ligt, den grafdoek waarin het lichaam van
Christus werd gewikkeld; 14. Het purifica-
torium of kelkdoekje beteekent de doeken,
waarmede het doode lichaam van Christus van
het kruis is afgenomen; 15. Het velum of
den doek, die den kelk bedekt, beteekent het
voorhangsel of de gordijn van den tempel te
Jerusalem , welke bij Jezus\' dood van boven
tot beneden scheurde. Verder wordt nog tot
de Mis gevorderd: wijn, eene hostie, twee
waskaarsen , welke Christus , het ware licht
der wereld, beduiden, een misboek, drie altaar-
doeken en een kruisbeeld midden op het altaar.
Al deze zaken worden noodzakelijk tot het Mis-
offer vereischt, en de priester mag geen en-
kele, dan in geval van no;>d , verwaarloozen.
Nu zullen wij nog een enkel woord zeggen
over de ceremoniën der H. Mis in het al-
gemeen.
2. Het woord Mis wordt afgeleid van het.
latijnsche woord Missa, van daar ons Neder-
landsch Mis, dat zoo veel zeggen wil als
gezondene offerande, wijl de priester door zijne
handen, als een gezant van Christus, het on-
bloedige offer tot den Hemelschen Vader op-
zendt. Zoo noemt de apostel Paulus zich en
zijne opvolgers , de priesters, gezanten van
Christus.
Maar de priester is ook een afgezant der
geloovigen, als hij voor het altaar staat; wijl
-ocr page 64-
40
TWEEDE HOOFDSTUK.
hij daar aan den Heraelschen Vader, in den
naam van het geheele volk, zijnen Goddelijken
Zoon opoffert, en Hem den nood en de be-
langen van allen voorstelt. Zorgt dus altijd ,
zoo dikwijls gij de H. Mis bijwoont , eenen
vloed van gebeden te storten, die de priester
in uwen naam voor Gods troon kan opdragen.
Volgens eene andere meer algemeen aange-
nonien afleiding, wil het woordje Mis (ver-
korting van missio) zooveel als been zending
zeggen. Immers, bet was eertijds bet gebruik,
dat bij bet eindigen der Mis de diaken met
luider stem het volk wegzond. Dit bad eigen-
lijk tweemaal plaats , eerst na het evangelie
en de bierbij verbonden prediking. Het was
namelijk den nieuw bekeerden , die bet H.
Doopsel nog niet ontvangen badden. niet toe-
gestaan, zoo min als den openbaren zondaars,
dit tweede deel der H. Mis bij te wonen;
men gebood hun voor het offertorium of de
offerande de kerk te verlaten , wijl men hen
nog niet waardig genoeg erkende, om het
H. Offer zelf bij te wonen. Voor het einde
der Mis riep de diaken ten tweede maal „Tte
missa est": „Gaat heen, de Mis is uit", ge-
lijk ook nog heden plaats beeft.
3. Men onderscheidt voor de priesterlijke
gewaden vijf kleuren , te weten ; wit, rood ,
groen, violet en zwart. De witte kleur ver-
beeldt de geestelijke vreugde bij de groote
leesten van Christus en zijne Heiligen , als-
mede de onschuld en zuiverheid. De roode
-ocr page 65-
DK GEBEDEN EN CEREMONIËN.             41
verbeeldt ons de liefde van God voor den
mensch, als ook de liefde der apostelen en
martelaren hunnen God bewezen door hun
bloed voor het geloof te vergieten ; zij wordt
op hunne feestdagen gebruikt. De groene
kleur verbeeldt onze hoop op onsterfelijkheid.
Het violet is de kleur der ootmoedigheid,
der boetvaardigheid en wordt gebruikt in de
vasten, den advent en op de vigilie-dagen. De
zwarte eindelijk, drukt onze diepe droefheid
uit op den sterfdag van onzen Zaligmaker,
verder onzen rouw en ons medelijden bij de
begrafenissen, weshalve zij op Allerzielendag
gebruikt wordt, en bij alle diensten , welke
voor de overledenen gehouden worden. Deze
priesterlijke kleederen moeten voor hun ge-
bruik op eene bijzondere wijze worden ge-
zegend , waardoor deze voorwerpen aan alle
wereldsch gebruik onttrokken, en aan God
toegeheiligd worden, tot wiens dienst zij voor-
taan uitsluitend moeten dienen.
Gaan wij nu over tot de gebeden en cere-
moniën in het bijzonder.
§ 5. De gebeden en ceremoniën bij de II. Mis.
Ik bemerk dan vooreerst, dat de Mis uit
verscheidene deelen bestaat, voornamelijk uit
deze drie: de offerande, de consecratie
en de nuttiging. Deze drie deelen zijn de
voornaamste, en maken eigenlijk het H. Mis-
offer uit. Het eerste deel, de offerande, wordt
-ocr page 66-
42
TWEEDE HOOFDSTUK.
door de volgende voorbereiding voorafgegaan,
waarvan wij het eerst zullen spreken.
Het voet ge bed. De priester, aan den voet
des altaars gekomen , beklimt het nog niet
terstond , maar tot teeken van ootmoed en
onderwerping aan God , zich onwaardig er-
kennende , om eene zoo heilige zaak Ie ver-
richten , blijft hij eenige oogenblikken voor
den laagsten trap des altaars staan, overden-
kende wat hij gaat doen ; en met den mis-
dienaar, die hier de plaats van \'t volk be-
kleedt, inzonderheid van de geloovigen, die in
de kerk zijn , eenige boetgebeden wisselende,
smeekt hij de barmhartigheid Gods af, bid-
dende den 42. psalm, waardoor hij zijn groot
verlangen uitdrukt, om het altaar te beklim-
men en het heilig Offer aan God op te dragen.
Daarna buigt hij zich diep ter aarde, legt
zijne zondenbelijdenis af, biddende het confi-
teor, en slaat tegen zijne borst om barmhar-
tigheid. Ook de geloovigen , in den persoon
van den misdienaar , herhalen dit gebed , en
de priester roept weer God aan, om barmhar-
tigheid voor zich en het volk. Het altaar be-
klimmende , kust hij het, op de plaats waar
de reliquiëu der Heiligen zich in den altaar-
steen bevinden , om zijnen eerbied te toonen
jegens Christus, door het altaar verbeeldt, en
jegens de Heiligen, wier gebeenten hier rusten.
Deze gebeden vindt men in alle goede kerk-
boeken , zoo niet letterlijk, ten minste naar
den zin. En hadt gij ook , als gij de H. Mis
-ocr page 67-
DE GEBEDEN EN CEREMONIËN\'.              43
bijwoont, geen boek bij de hand, gij zoudt u
nog met den priester in het gebed kunnen
vereenigen, om God te aanbidden. Vele men-
schen nochtans gelooven, doch ten onrechte,
dat zij aan hunnen plicht te kort schieten ,
indien zij hun gebed niet uit een boek lezen.
Voor hen, die dikwijls verstrooid zijn, is het
gebedenboek van groot nut. Het ware echter
te wenschen, dat elk Christen in staat ware,
ook zonder boek zich met zijnen Hemelschen
Vader te kunnen onderhouden, en het van
tijd tot tijd te ontberen. Immers, God ver-
eischt geen welluidende woorden, noch schoone
.spreekwijzen, (lelijk een arm kind met zijnen
vader spreekt, zoo moeten wij door ons hart
eenvoudig tot God spreken; en gelijk het kind
geen boek noodig heeft, om brood , kleeren
en andere zaken aan zijnen vader te vragen,
ot\' om hem te danken voor eene ontvangen
weldaad, zoo ook hebben wij geen boek noo-
dig, om deze of gene genade van God af te
smeeken of om hem te danken. — Dit in het
voorbijgaan.
Na het altaar gekust te hebben, begeeft de
priester zich naar de rechter zijde, en leest
daar als inleiding tot de Mis een klein gebed,
gewoonlijk getrokken uit de psalmen betrek-
kelijk het feest dat gevierd wordt; daarna
gaat hij naar het midden van het altaar, al-
waar hij met den dienaar het kyrie eleïson
bidt; woorden, aan de Grieksche taal ontleend,
die zooveel willen zeggen als: „Ontferm U
-ocr page 68-
44                       TWEEDE HOOFDSTUK.
onzer, o Heer!" Tot negenmaal worden deze
woorden herhaald , dat is driemaal ter eere
van eiken persoon der H. Drievuldigheid.
Nu volgt de schoone lofzang gloria in
excelsis, welke in alle gebedenboeken te
vinden is. Dit is geen boet- of\' treurzang r
maar een lofzang tot God, gemaakt naar dien,
welken de Engelen eens, bij gelegenheid der
geboorte van onzen Zaligmaker, gezongen
hebben. Het gloria in excelsis is een vreugde-
of jubelzang, en wordt dus in den advent, in
de vasten , enz. niet gebeden of gezongen.
Dan volgen de gebeden, welke de priester
in naam aller aan wezenden verricht, die men
daarom ook collecten of verzamelde gebeden
noemt. Het is alsof de priester in de kerk
eenen rondgang bij al de aanwezigen gedaan
had, om hun te vragen welken bijstand, welke
genade zij voor hunne zaligheid begeereu, om
deze smeekingen vervolgens op het altaar, atin
den Hemelschen Vader voor te stellen. Het is
Jezus Christus\' wil, dat hij om verhooring bidt,
zoowel voor zich als voor de zijnen. Hij is
hier gelijk aan dien Engel, van wien de
H. Joannes spreekt, Ap. 8 , die de gebeden
der Heiligen in een gouden vat verzamelde ,
om ze voor den troon des Allerheiligsten op
te dragen. Na de gebeden des priesters ant-
woorden alle omstanders: amen, dat is : „Zoo
zij het". Zulks was het gebruik ten tijde van
den apostel Paulus ; en de heilige martelaar
Jnstiuus, in de tweede eeuw, zegt uitdrukkelijk,
-ocr page 69-
UE GEBEDEN EN CEREMONIËN.             45
dat, zoodra de gebeden geëindigd zijn , al de
aanwezigen te gelijk roepen niet een vroolijke
stem : Amen.
Hierop volgt de epistel, dat is, brief, aldus
gebeeten, als zijnde meestal een uittreksel uit
een brief van den eenen of anderen apostel.
Gelijk de Joden eertijds de gewoonte hadden
in hunne synagogen een deel der schriften
van Mozes of van de profeten te lezen , zoo
lazen de eerste Christenen ook in hunne gods-
dienstvergaderingen bijzonder de zendbrieven
der apostelen. Eenige korte gebeden, getrokken
uit de H. Schrift , worden nu nog vóór het
evangelie gelezen.
Het evangelie is een uittreksel uit het
verhaal van een der vier evangelisten, zoo
gekozen, dat het betrekking heeft op het feest
van den dag. Reeds in de tweede eeuw was
bet een gebruik in de Kerk, het evangelie bij
den godsdienst voor te lezen, hetgeen men
dan, gelijk ook nog heden, als een der bijzon-
derste deelen van voorbereiding tot de H. Mis
aanzag. Daarom bidt ook de priester om de
reiniging van zijn hart en zijne lippen te be-
komen , vooraleer hij de verkondiging dezer
heilige leer durft ondernemen.
De epistel wordt nog aan de rechter zijde
des altaars gelezen , wijl Christus zich door
zijne prediking eerst tot de Joden keerde, die
tot daartoe het uitverkoren volk van God
waren. Daarna leest men het evangelie aan
de linker zijde, omdat, na de verwerping der
-ocr page 70-
46
TWEEDE HOOFDSTUK.
synagoog, het evangelie aan de Heidenen ver-
kondigd werd.
Het is om ons in liet geloof te versterken,
dat wij bij het begin van het evangelie het
kruisteeken maken op het voorhoofd. den
mond en de borst, ten einde de zalige lessen,
welke het bevat , diep in ons geheugen te
prenten, ze door onze woorden en werken
zorgvuldig te belijden en ze in ons hart al-
tijd te bewaren.
Daarna volgt ook op alle Zon- en Feest-
dagen terstond na het evangelie het credo
of de geloofsbelijdenis, welke door den priester
gebeden en door het koor gezongen wordt.
Hierdoor drukken de verzamelde geloovigen op
eene plechtige wijze hunne gevoelens van ge-
loof, onderwerping en dankbaarheid uit, waar-
mede zij het heilig woord van het evangelie
uit den mond der evangelisten ontvangen, en
het ontvangen onderricht aannemen.
Het zingen van het credo had oudtijds nog
een ander doel. Tot hier namelijk gaat de
algemeene voorbereiding tot de H. Mis, welk
deel de boetelingen, zelfs de ongedoopten moch-
ten bijwonen. Daar het kon gebeuren . dat
ketters en ongeloovigen intusschen heimelijk
waren binnen geslopen, en men bij dat deel,
\'twelk eigenlijk de Mis uitmaakt, geen dezer
in de kerk duldde, zoo was deze geloofsbelij-
denis tevens een herkenningsteeken der geloo-
vigen onder elkander, en een middel om die-
genen , die zonder recht in de kerk waren ,
-ocr page 71-
DE GEBEDEN EN CEUF.MONIEX.             47
te verwijderen. Dit oud gebruik mag nu ook
voor ons eene dringende vermaning wezen r
dat wij niet dan niet een levend geloof en
diepe godsvrucht dit verheven Offer mogen
bijwonen, dewijl wij anders, ook volgens het
oud gebruik, zouden verdienen, bij het begin
der Mis, buiten de kerk gedreven te worden.
Wij zijn dan gekomen aan de eigenlijke
viering der H. Mis, en wel aan het eerste
deel namelijk\', de offerande.
Van de offerande tot do consecratie.
Wij willen eerst van de offerande of het
offert o rium spreken.
De priester vangt wederom aan met het
volk te groeten, zeggende: Do minus vo-
biscum, ,,De Heer zij met U"; vervolgens
vermaant hij de aanwezigen tot het gebed
voor de heilige handeling welke hij gaat be-
ginnen , en leest eenige korte verzen uit de
H. Schrift, welke in de Hoogmis gezongen
worden.
Dit gezang diende eertijds, om de geloovigen
op eene behoorlijke wijze bezig te houden r
terwijl allen aan het altaar naderden, om daar
hunne offerande, bestaande in brood en wijn,
af te given. Immers , het was in de eerste
Christentijden het gebruik, dat allen die, on-
der de H. Mis wilden communiceeren, brood
en wijn, soms ook was of andere giften, ten
offer brachten. Hetgeen noodzakelijk was voor
-ocr page 72-
48
TWEEDE HOOFDSTUK.
de communie des priesters en der geloovigen,
werd van dit alles afgezonderd , en het ove-
rige diende deels tot onderhoud der geeste-
lijken, tot dekking der kosten van den eere-
dienst, en deels voor de armen. Doch daar
deze giften niet altijd edel genoeg waren, om
bij den heiligen dienst gebruikt te worden,
vond men hater beter, deze offeranden in eene
geldgift te veranderen, die elkeen op het al-
taar nederlegde, of zij werd door eenen per-
soon opgehaald, en in aller naam afgegeven.
Ziedaar tevens den oorsprong van het gebruik,
volgens \'t welk de geloovigen nog heden ten
dage op vele plaatsen onder de Hoogmis en
lijkdiensten ten offer gaan, of dat iemand in
de kerk rondgaat, om de vrijwillige giften der
geloovigen in te zamelen.
Hadden de dienaars des altaars nu liet brood
en den wijn, welke zij voor de communie der
aanwezigen noodzakelijk oordeelden, afgezon-
derd, dan legde de priester dit alles op het
altaar neder, er woorden van zegen over uit-
sprekende en zijn gebed in naam van alle
tegen woordigen tot God richtende. Deze op-
dracht der offergaven heeft ook thans plaats,
alhoewel de wijn en het brood voor de Mis
reeds zijn toebereid; en dit is het, wat men
offerande of offertorium noemt. Doch dit
mag men nu zoo niet verstaan, alsof het
eigenlijk brood en wijn ware, dat wij enkel
aan \'nrod opofferen, neen, ons offer is Jezus
Christus zelf, die slechts onder de consecratie
-ocr page 73-
DE GEBEDEN EN\' CEREMONIËN.             49
werkelijk en wezenlijk tegenwoordig komt. In
dit deel der H. Mis wordt alles, wat voor
het heilig Offer noodzakelijk is, tot den hei-
ligen dienst bestemd en gewijd. Het is dan
ook een vereischte, dat allen daarbij tegen-
woordig zijn. Het bijdragen der offergiften
werd eertijds zoo hoog geschat, dat men als
afwezend beschouwde, al wie hieraan geen
deel genomen had , en dat men geene offer-
giften aannam van hem, dien men niet waar-
dig oordeelde , om tot de H. Communie te
naderen.
Vóór de offerande van den kelk doet de
priester een weinig water bij den wijn; dit
herinnert ons het water , dat vermengd met
Jezus\' bloed aan het kruis uit zijne zijde
vloeide. Het verbeeldt ons ook de vereeniging
der menschheid met de Godheid in Christus,
alsook de geestelijke vereeniging der menschen
met Jezus Christus, hun opperhoofd, door den
band van geloof en liefde.
Thans volgt de wassching der handen.
Deze handeling was oorspronkelijk door de
omstandigheden geboden , wijl de handen des
priesters door het afzonderen der offergiften
altijd min of meer besmet raakten; heden is
het een zinnebeeld geworden der reiniging,
die bijzonder onze ziel van noode heeft, als
wij dit heilig Offer aan God willen opdragen.
De priester smeekt nu verder de II. Drie-
vuldigheid , genadig aan te nemen het aller-
heiligste Offer, dat wij opdragen tot gedach-
Verkl. d. H. Mis.                                                 5
-ocr page 74-
50
TWEEDE HOOFDSTUK.
tenis van het lijden, de verrijzenis en de
hemelvaart van Christus, tot eer zijner heilige
Moeder en der andere Heiligen, en vermaant
de geloovigen nogmaals dringend, hun gebed
bij het zijne te voegen , ten einde van God
te bekomen, dat dit Offer Hem aangenaam
zij. Daarom kust hij eerst het altaar , keert
zich vol ootmoedigheid tot het volk, en strekt
zijne handen uit, zeggende: orate fratres,
bidt broeders, opdat mijn offer, dat ook het
uwe is, aangenaam worde bij God, den Vader
almachtig. Hij keert zich hierbij geheel om,
als of hij de geheele kerk wilde doorloopen
om de vergaderde geloovigen te smeeken, toch
voor hem te bidden ; ook antwoord de dienaar
in aller naam: de Heer ontvange het offer
uit uwe handen tot lof en verheerlijking van
Zijnen naam, en ook tot heil van ons en van
geheel Zijne heilige Kerk.
De priester bidt nu met stille stem eenige
gebeden, die daarom secreten genoemd wor-
den. Daarna begint de pref at i e, dat zooveel
wil zeggen als voorrede. En inderdaad is zij
niets anders dan een voorbereidingsgebed, eene
verheerlijking der Goddelijke Majesteit, welke
de priester uitspreekt, onmiddellijk voor de
gebeden van den can on, waaronder de heilige
zelfstandigheidsvernndering plaats heeft. Hier-
door vermaant de priester de geloovigen,
hunne harten hemelwaarts te verheffen, God
te danken, en de dienaars antwoorden , dat
zulks billijk en rechtvaardig is. Nu volgt de
-ocr page 75-
DE Gd BEDEN EN CEREMONIËN.              51
eigenlijke prefatie, welke slechts weinig ver-
schilt , naar de feestdagen en in alle kerk-
boeken te vinden is; bijzonder zielroerend zijn
de gebeden, waarmede de priester sluit, zijne
stem vereenigende met alle hemelsche koren
om gezamenlijk het driemaal „heilig, heilig,
heilig is de God der Heerscharen" uit te roepen.
Van de consecratie tot de nuttiging.
Na de prefatie vangen nu de gebeden aan,
die tot het tweede en voornaamste deel der
Mis, tot de consecratie behooren. Depries-
ter verheft dan zijne oogen en handen ten
hemel, en in de diepe overtuiging zijner on-
waardigheid , om tot de Goddelijke Majesteit
te naderen, legt hij zijne gevouwen handen op
het altaar, zijne oogen op de aarde gevestigd,
en het lichaam diep gebogen. In deze houding
begint hij die gebeden, welke de canon of
stille Mis genoemd worden, en schier in alle
missen dezelfde zijn; daarna bidt hij in stilte
voor de levenden, het memento der le-
venden geheeten , en voor alle aanwezigen.
Verder noemt hij onder deze heilige handeling
de namen der apostelen en andere heilige mar-
telaren en dit heeft wederom eene schoone
beteekenis. In de eerste Christentijden was
het de gewoonte in dit gebed de namen uit
te drukken van al degenen, die in eene Chris-
telijke gemeente hun bloed voor het geloof
vergoten hadden. Doch dit kon men niet lans
-ocr page 76-
52                     TWEEDE HOOFDSTUK.
volhouden , aangezien het getal dezer heilige
helden te zeer aangroeide; men bevredigde
zich dan, de namen dergenen uit te drukken,
die het eerste voor het geloof gestorven wa-
ren, en die men in de kerk te Korne, onder
de H. Mis placht te noemen.
Tot hieraan heeft de priester met uitge-
strekte armen gebeden , nu houdt hij zijne
handen over den kelk en de hostie uitgestrekt.
Dit is de oude wijs, waarop men iets zegende,
en herinnert ons aan eene ceremonie der
Joden, welke verplicht waren hunne handen
op het offerdier te leggen, vóór zij het slachtof-
i\'erden. Hierdoor beteekende men, dat de offeraar
zeer plichtig was, en tot straf\' zijner zonden
wel zijn bloed en leven zou moeten geven ,
maar dat hij dit offerdier in zijne plaats aan
den Heer opdroeg. De priester beduidt dus
door deze uitstrekking der handen over de
offergaven , dat alle menschelijke voldoening
onbekwaam is, om de beleedigende rechtvaar-
digheid Gods te voldoen, den Almachtige
biddende , dat Hij het vleesch en bloed van
Zijnen mensch geworden Zoon , als zoenoffer
en voldoeningsprijs voor de zonden der wereld
gelieve aan te nemen. De gezegende woorden
der consecratie en hunne beteekenis worden
elders in dit boek breedvoerig uitgelegd,
weshalve wij ze hier stilzwijgend voorbijgaan.
Iets later volgt het memento of de ge-
dachten is der overledenen. Oorspron-
kelijk werden onder dit deel der H. Mis de
-ocr page 77-
DE GEBEDEN EX CKHEMOMEN.             53
namen der overledenen, voor welke men wilde
bidden, luidop voorgelezen, als eene openbare
verklaring, dat deze allen in vrede met de H.
Kerk en in de gemeenschap der geloovigen
gestorven waren; daarom werden de namen
van ketters of andere onwaardige Christenen
nooit op deze lijst gesteld.
Daarna bidt de priester met luider stemme
het gebed des Heeren of het pater noster,
en na een kort gebed eindigt bet tweede deel
der H. Mis.
Het bellen , dat onder de Mis plaats heeft
bij het sanctus, vóór en onder de consecra-
tie en onmiddellijk vóór de communie, dient
om de geloovigen opmerkzaam te maken op
hetgeen de priester, bijzonder in eene stille
Mis , op het altaar verricht. Men belt dan
eerstens bij het sanctus , wijl hier de stille
Mis , de canon begint; tweedens , bij het ze-
genen der ottergiften, wijl een oogenblik daarna
<le consecratie plaats heeft; derdens, bij de
consecratie zelve, om de aanwezigen tot aan-
bidding van het allerheiligste Sacrament op
te wekken; vierdens, vóór het pater noster,
bij het eindigen van den canon, en eindelijk
voor de communie van den priester, om de
geloovigen te vermanen zich in den geest met
den priester te vereenigen , of zich voor te
bereiden, om het H. Sacrament te ontvangen.
Hierbij zij opgemerkt, dat op de meeste plaat-
sen de zeer slechte gewoonte heerscht, dat
velen bij dit laatste bellen vóór de communie
-ocr page 78-
54
TWEEDE HOOFDSTUK.
dadelijk opstaan of\' gaan nederzitten , zouder
na te denken, dat Jezus Christus wezenlijk op
het altaar tegenwoordig is en blijft, totdat de
priester het H. bloed uit den kelk genuttigd
heeft.
Van de communie of de nuttiging.
Na de gebeden , welke onmiddellijk op het
pater noster volgen en ter voorbereiding die-
nen voor de communie , laat de priester een
afgebroken gedeelte der H. hostie in den kelk
vallen, God biddende, dat het lichaam en bloed
van Jezus Christus al degenen, die hetzelve
ontvangen, tot het eeuwig leven moge strek-
ken. De H. Hostie wordt gebroken volgens
het voorbeeld van onzen Zaligmaker, toen Hij
deze plechtigheid met zijne apostelen in het
Laatste Avondmaal vierde, en dit gebruik is
van de aposteltijden af altijd onderhouden ge-
worden. Dit breken der H. hostie had ook
réërtijds eene bijzondere reden. De hostiën na-
[ meiijk van welke men zich bediende , waren
; veel grooter dan de onzen ; het waren onge-
deesemde brooden, gelijk die, welke de joden
gedurende hunnen paaschtijd gebruikten; ook
zijn het slechts ongedeesemde hostiën, die
men nog heden in de latijnsche Kerk hiertoe
mag gebruiken. De priester nuttigde alsdan
een stukje dezer H. hostie, waarna hij het
overige den geloovigeu uitdeelde. Alhoewel er
geene rechtstreeksche reden meer bestaat, om
-ocr page 79-
DE GEBEDEN\' EN CEREMONIËN. 55
dit gebruik te onderhouden , heeft men het
\'nochtans bewaard wegens zijne mystieke be-
teekenis. Dat de priester een gedeelte der H.
hostie in den kelk laat vallen, rust op het ge-
bruik der Oostersche landen , volgens \'twelk
het brood eerst in den wijn gedoopt werd,
voor het te eten Doch alles wat men aldus
aan de dagelijksche levenswijze ontleend heeft,
behoudt nu nog in de H. Mis eene beduide-
nisvolle zinnebeeldige beteekenis. Tot in de
twaalfde eeuw gebruikte men bij het H. Mis-
offer zeer groote hostiën ; zij werden op het
altaar geplaatst in grootere schotels en men
brak ze in menigvuldige stukken, om ze aan
de geloovigen in de H. communie uit te dee-
len. Het is slechts, nadat het gebruik is op-
gekomen den geloovigen ook buiten de H.
JYIis de heilige communie uit te reiken , dat
men onze kleine hostiën in plaats van die
groote heeft beginnen te gebruiken. Toen ook
werden deze grootere schotels met de kleine
zilveren bordjes, onze hedendaagsche patenen,
verwisseld.
Nu volgt het agnus Dei, „Lam Gods, dat
wegneemt de zonden der wereld", waarbij de
priester tweemaal om ontferming bidt en de
derde maal zegt: „Schenk ons den vrede". De
geloovigen hielden zich eertijds niet tevreden
met dit gebed uit te spreken, maar allen, die
in de H. Mis tegenwoordig waren , ook de
priesters , omhelsden elkander, zeggende :
„De vrede zij met u"; en dit gebruik wordt
-ocr page 80-
50
TWKEDE HOOFDSTUK.
nog hedendaags door de priesters en de die-
naars des altaars onderhouden.
Hierna volgen de gebeden voor de com-
munie, en de nuttiging van het allerheiligste
lichaam en bloed van onzen Heer Jezus Chris-
tus. Onmiddellijk hierna, terwijl hij den kelk
zuivert, stort hij zich uit in dankzeggingen
voor de weldaden van God ontvangen, of
reikt de H. communie uit aan de geloovigen,
die zulks verlangen, öndertusschen zullen de
geloovigen, die niet communiceeren, zeer wel
doen zich op eene geestelijke wijze met den
priester te vereenigen , vurige akten van ge-
loof, hoop, liefde en berouw te verwekken, als-
ook te verlangen, zoo zuiver te mogen wezenr
om werkelijk het H. lichaam en bloed te
kunnen nuttigen.
Na de communie bidt hij luid, of zingt in
zijnen naam, zoowel als in naam van het volk,
een of meerdere gebeden tot dankzegging aan
God, voor de genade , die Hij aan het volk
gedaan heeft, met hetzelve de H. Mis te laten
bijwonen en aan derzelver vruchten deelachtig
te laten worden. Na dit gebed groet de priester
nogmaals het volk, en zendt het dan heen
met deze woorden: Ite, missa est, „Gaat
heen, de Mis is geëindigd". Soms op vasten-
dagen en in den advent, zegt hij in plaats van
deze woorden: Benedicamus Domino,
,,Laat ons den Heer prijzen"; dit was eertijds
een verzoek tot het volk , om de kerk nog
niet te verlaten, wijl men dan nog eenige ge-
-ocr page 81-
OVER HET GEBRUIK DER LATIJNSCHE TAAL. 57
beden deed na de H, Mis. Hierop volgt de
priesteilijke zegen. De priester heft zijne oogen
en handen tot het kruisbeeld op, keert zich
tot het volk en zegt: U zegene de almachtige
God, Vader , Zoon en H. Geest, waarna hij
ten slotte het evangelie van den H. Jo-
annes leest, hetwelk de treffendste toepassin-
gen op de voltrokken plechtigheid bevat.
§ (5. Over het gebruik der Latijnse/te taal.
Ten slotte nog een woordje over de latijnsche
taal, waarin de Mis in de westersche Kerk
gelezen wordt. Menigeen zal misschien vragen,
waarom doet men dan al deze gebeden niet
in de moedertaal ? Hebben de apostelen dan
ook den eeredienst verricht in eene doode, aan
het volk onbekende taal? Het is hiermee ge-
legen , gelijk met alles, wat de kleeding van
den priester betreft. Deze was oorspronkelijk
de gewone volksdracht. Afgeschaft door \'t
verloop des tijds, behield men deze, reeds door
het gebruik geheiligde gewaden , nog altijd
bij den godsdienst.
Zoo is het ook met de hebreeuwsche, grieksche
en latijnsche talen; dit waren ten tijde der
apostelen de volkstalen, en de zendelingen des
Heeren hebben in deze tahn den eeredienst
verricht en gepredikt. Doch alhoewel deze
talen allengs verouderden , heeft de Kerk ze
toch altijd voor de gebeden bij den heiligen
dienst uitsluitend bijbehouden. Zoo behooren
-ocr page 82-
58
TWEEDE HOOFDSTUK.
immers de woorden „Hosanna", alleluia",
„amen", tot de hebreeuwsche taal; liet „kyrie
eleison" tot de grieksche. De H. Kerk ver-
bindt en verwisselt deze woorden in de H.
Mis met de latijnsche taal. Het schijnt, dat
door eene bijzondere schikking Gods, het op-
schrift van het kruis in het hebreeuwsch,
grieksch en latijn was geschreven , om daar-
door des te beter de verlossing van alle vol-
keren door \'s Heeren dood te verbeelden.
Daarom heeft men ook getracht de geheim-
zinnige herhaling van het kruisoffer, de H.
Mis, in deze drie talen te verrichten.
Dat thans de latijnsche taal juist onze
kerk taal is geworden, komt daarvandaan: 1.
Dat de geloofsverkondigers, die de meeste vol-
keren in de leer van Jezus Christus onderwe-
zen hebben , middellijk en onmiddellijk van
Rome gekomen zijn; 2. Heeft men dit gebruik
bewaard uit eerbied voor zijne oudheid, wijl
de Kerk bij den godsdienst die taal wil be-
waren, waarvan de oudste geloofsverkondigers
zich bediend hebben; 3. Üm des te beter onze
dankbaarheid uit te drukken jegens onze moe-
der de Kerk van Itome , die het H. Misoffer
in deze taal altijd verricht heeft, en van welke
wij de H. Mis met al hare ceremoniën en ge-
beden ontvangen hebben; 4. Eindelijk, en dit
is zonder twijfel de gewichtigste reden: ten
einde aldus de eenheid en eensgezindheid van
alle katholieke landen in het geloof uit te
drukken, en door deze algemeene gelijkvor-
-ocr page 83-
OVER HET GEBRUIK DER LATIJN\'SCHE TAAL. 59
niigheifl der taal, de eenheid van \'t geloof
heiliger te bewaren, vooral in zulk eene uiterst
gewichtige zaak als het heilig Misoffer is. Daar
de geloofsleer vast staat, moet ook de liturgie
en dus de taal, waardoor die uitgedrukt wordt,
vast staan. Hoe schoon vertoont zich derhalve
de eenheid der katholieke Kerk in dit gebruik,
volgens hetwelk wij overal, in alle gewesten,
niettegenstaande de verscheidenheid der talen,
het H. Misoffer altijd in dezelfde taal hooren
opdragen, zoodat men zich overal als het ware
in zijn eigen vaderland verplaatst ziet, zoodra
men eene katholieke kerk binnentreedt. Hoe
aanstootelijk zou het wezen, en hoe onwaar-
dig voor zulk een verheven eeredienst, indien
wij bij het overschrijden onzer landgrenzen,
den priester aan het altaar eene andere taal
hoorden spreken!
Ik wil u ten slotte nog eene andere korte
uitlegging der H. Mis geven, als de uitdruk-
king van de voornaamste omstandigheden van
het leven onzes Heeren.
De ingang tot het altaar en het herhaald
kyrie verbeeldt het vurig verlangen der oud-
vaders naar de komst van den Messias. Het
ylor\'ut herinnert aan den lofzang der Engelen
bij de geboorte van onzen Zaligmaker.
Het eerste Dominm vobisaim, hoe Christus
zich aan de herders, aan den H. Simeon en
aan de Koningen van het Oosten openbaarde.
Bij den epistd kan men zich het doopsel
van den H. Johannes voorstellen, en hoe hij
-ocr page 84-
60
TWEEDE HOOFDSTUK.
aan den oever van den Jordaan de boetvaar-
digheid predikte.
Het graduale verbeeldt de openbare boet-
vaardigheid, waarmede het volk aan die pre-
diking beantwoordde. Het evangelie verbeeldt
ons Christus in zijne openbare prediking , en
het credo, hoe eene groote schaar Hem volgde
en in Hem geloofde.
Bij het offertorium herinnert men zich hoe
Christus in zijn gebed zich als een bereid-
willig slachtoffer voor der menschen verlos-
sing aan zijnen Hemelschen Vader heeft aan-
geboden.
Het sancties maakt ons dien plechtigen in-
tocht van Christus in Jerusalem indachtig,
toen het volk Hem te gemoet kwam, palm-
takken voor zijne voeten werpende en hem
met het blijde „Hosanna" begroetende. Bij
den canon of\' de stille Mis verbeeldt men zich
het Laatste Avondmaal, dat Christus met zijne
apostelen hield.
De elevatie of opheffing van de H. hostie
en den kelk verbeelden de kruisiging. Het
pater noster, de zeven woorden van Christus
aan het kruis.
Bij het agnus Dei kan men denken aan de
onuitsprekelijke droefheid van Maria en den
H. Johannes, die bij het kruis tegenwoordig
waren.
Bij de communie zal men zich de begrafenis,
en bij het Dominue volnscuni \'s Heeren ver-
rijzenis herinneren.
-ocr page 85-
OVER HET OEBRUIK DER LATIJNSCHE TAAL. 61
Eindelijk verbeelden het ite Missa est en
de zegen van den priester, de hemelvaart van
Christus en de nederdaling van den H. Geest
over de apostelen.
Nog ten laatste eene wederlegging betref-
fende het s 11 p e n d i u ra.
Dat de priesters voor het opdragen der H.
Mis eene kleine schatting of aalmoes kunnen
ontvangen, daartegen wordt in de wereld nogal
veel gezegd. Hierop antwoord ik. Deze op-
werping ware niet zonder reden , indien de
zaak zich werkelijk verhield, zooals men ze
voorstelt. Doch elk wel onderwezen Christen
weet zeer goed, dat het otter der H. Mis niet
gekocht noch verkocht, noch met geld kan of
mag betaald worden. De H. Mis is eene gees-
telijke zaak, die alle wereldlijke oneindig over-
treft; en gelijk de priester kosteloos van
Christus de macht ontvangen heeft, om voor
zijn heil en tot dat der geloavigen het heilig
Otter op te dragen, zoo moet hij dit ook kos-
teloos verrichten. Het zoogenaamde stipen-
dium, of de geldelijke tegemoetkoming, welke
de priester ontvangt om de H. Mis te lezen,
is geen loon voor hem noch eene betaling voor
de H. Mis , maar een geschenk , eene ware
aalmoes tot onderhoud van den priester, die,
dewijl hij het altaar bedient, ook van het al-
taar moet leven, volgens den apostel Paulus:
„Indien wij n geestelijke (goederen) gezaaid
hebben , is het clan iets groots, indien wij
uwe lichamelijke goedereu maaien V . .. Weet
-ocr page 86-
62
TWEEÜK HOOFDSTUK.
gij niet, dat zij , die in het Heiligdom wer-
ken, eten van hetgeen des Heiligdoms is, en
dat zij, die het altaar bedienen, met het al-
taar deelen ? Zóo heeft ook de Heer voor
hen , die het Evangelie verkondigen , veror-
dend, dat zij van het Evangelie zonden leven".
(I ad Cor. IX, 11, 13 en 14.)
§ 7. Van den voornaamsten Priester der
II. Mis.
1.  Ofschoon, gelijk wij gezien hebben, het
H. Misoffer boven alles verheven is, is er
geen betere maatstaf, om daarvan de voor-
treffelijkheid te erkennen , dan dengenen te
betrachten, die dit otter opdraagt. En wie
denkt gij is hier de offeraar? Misschien de
priester, de bisschop of zelfs de Paus? Oneen.
Dan is het wellicht een Engel, een heilige ot
wel de Moeder Gods? Geenszins.
De offeraar is niemand anders dan de
priester aller priesteren, de eeniggeboren Zoon
Gods, Jezus Christus zelf. Hij is de van God
gezalfde priester naar de orde van Melchise-
decli. Hij alleen deelt het H. Misoffer eene
verhevenheid en voortreffelijkheid mede , die
alle begrip te boven gaat; Hij maakt het H.
Misoffer tot eene goddelijke offerande.
2.   Dat Jezus Christus zelf de voornaamste
priester is, bewijs ik uit den heiligen Chrv-
sostomus , die aldus spreekt: „Ook nu is de-
zelfde Christus tegenwoordig , die deze tafel
-ocr page 87-
VAN DEN VOORNAAMSTEN PRIESTER.        63
bereid heeft, ten einde ze ook nu te sieren.
Want het is de mtnsch niet, die oorzaak is,
dat de aanwezige offergaven het lichaam en
bloed worden van Christus, maar het is Christus
zelf, die voor ons is gekruisigd". Wanneer gij
dus den priester ziet offeren, zoo meent niet,
dat de priester dit doet, maar weest verzekerd,
dat de onzichtbare uitgestrekte hand van
Christus zelven dit verricht. Met deze woor-
den toont dan die heilige klaar aan, dat
Christus zelf in eigen persoon het voornaamste
werk van het H. Misoffer verricht, dat Hij
namelijk van den hemel nederdaalt, het brood
en den wijn in zijn lichaam en bloed veran-
dert, zich zelf aan God den Vader voor het
heil der wereld opdraagt, en als een getrouwe
middelaar voor het welzijn des volks bidt. De
priesters zijn slechts de dienaars van Christus;
zij leenen hem hunnen mond, hunne stem en
hunne handen , opdat Christus door hunne
medewerking het goddelijke offer volbrenge.
Zoo leert ook de kerkvergadering van Trente,
sess. 22, cap. 2: „Want eene en dezelfde is
de offerande , dezelfde is Hij , die nu offert
door het ministerie der priesters, die toen zich
zelven aan het kruis heeft opgeofferd , enkel
de wijze van offeren is verschillend". Door
deze woorden leert ons de H. Kerk, en stelt
zij ons voor te gelooven , dat de priesters
slechts dienaren zijn van Jezus Christus , en
dat Hij zich zelven op het altaar even zoo
waarachtig en even zoo krachtig opoffert, als
-ocr page 88-
<u
TWEEDK HOOFDSTUK.
Hij zich eertijds aan het H. Kruis voor de
zaligheid des menschen opgeofferd heeft. O
welk eene eer, welk eene onuitsprekelijke
genade en weldaad voor ons, dat onze God en
Heer, Jezus Christus, zich gewaardigt onze
priester, onze middelaar en onze voorspreker
te zijn en zich zelven in eigen persoon aan
den Hemelschen Vader opdraagt!
•i. Thans willen wij overwegen , waarom
Christus deze zijne offerande aan geenen
aardschen priester als hoofdofferaar heeft \\vil-
len toevertrouwen. De voorname oorzaak is
deze: De offerande moet geheel rein en on-
bevlekt wezen, volgens de voorzegging van
den profeet Malachias: ,,0p alle plaatsen zal
aan mijnen naam geofferd en opgedragen wor-
den eene zuivere offerande"; waarover de
kerk aldus spreekt, sess. 22, cap. 1: „Endit is
dat reine offer, hetwelk door geene onwaar-
digheid , noch boosheid der offeraars kan be-
vlekt worden". Indien nu de priesters de
voornaamste offeraars waren , zoude wellicht
het H. Misoffer soms bevlekt of onzuiver
kunnen worden, en men zoude ten minste
kunnen twijfelen of er een welgevallig sacri-
ricie aan den hoogsten God werd opgedragen.
Daarom heeft God gewild, dat zijn allerhei-
ligste Zoon den naam en het priesterambt
voor zich zelven behouden zoude, volgens
zijne eigene woorden, ps. 209: „Gij zijt
priester in eeuwigheid , volgens de orde van
Melchisedech". Ofschoon nu de priesters de
-ocr page 89-
VAN DEN VOORNAAMSTEN\' PRIESTKR.          65
H. Mis lezen , daarom zijn zij toch niet de
voornaamste offeraars, maar slechts dienaars
dezer offerande; en gelijk een dienaar, als hij
van zijnen heer een goudstuk ontvangt, om
het bij eene pelgrimage te offeren , het niet
kan bevlekken, ofschoon hij deze offerande
doen zou in staat van doodzonde, evenmin
kunnen ook de priesters het hooge Misoffer,
hetwelk zij in den naam van Christus opotfe-
ren, bevlekken, al waren zij zelfs in staat van
doodzonde.
4.   Waarom heeft dan Christus geenen Engel,
geenen Heilige , of zelfs niet zijne allerzui-
verste Moeder Maria , het H. Misoffer willen
toevertrouwen, vermits deze laatste toch gansch
heilig en vol genade is, en deze reine offerande
in het minste toch niet zoude bevlekt geweest
zijn, maar op de voortreffelijkste wijze zoude
zijn opgedragen? Want, o mijn God! hoe hei-
lig zoude zulk eene Mis zijn , wanneer zij
door eenen H. Petrus of Paulus, door eenen
Engel of Cherubijn ware opgeofferd ! Gewis
zouden hunne harten door de goddelijke liefde
ontstoken worden. Wanneer dit bij de Mis
eens Engels zou geschieden , wat zoude het
dan wel wezen indien de Moeder Gods zelve
haren eenigen Zoon op het altaar zoude op-
offeren. 0 hoe krachtig, hoe indrukwekkend,
hoe heilig zoude zulk een Misoffer niet
wezen !
5.   Hoe heilig zulk een Misoffer ook zou
•wezen, nochtans ware het den oneindig heiligen
Verkl. d. H. Mis.                                                                 6
-ocr page 90-
66                       TWEEDE HOOFDSTUK.
God nog niet heilig genoeg, dewijl Hem eeit
offer betaamt, hetwelk aan zijne oneindige
goddelijke majesteit volkomen beantwoordt.
Daarom heeft Christus het allerheiligste Mis-
ofier geenen Engel, geenen Heiligen, veel
minder eenen zondigen mensch willen noch
kunnen toevertrouwen, als zijnde daarvan de
eigenlijke en eenige otteraar; maar Hij heeft
het zich zelven voorbehouden , opdat Hij da-
gelijks aan zijnen almachtigen Vader, tot heil
zijner beminde geloovigen, een met de godde-
lijke majesteit evenredig offer konde opdragen,
om hetzelve op zulk eene oneindige , onbe-
grijpelijke en krachtige wijze te otteren , dat
het aan de allerheiligste Drievuldigheid tot
DO
bijzonder welgevallen strekken moge.
0. Hieruit volgt nu, dat iedere Mis van eene
ondoorgrondelijke waarde is, en van Christus
zelven met zulk eene volkomenheid geofferd
wordt, dat dit alle menschelijk verstand verre
te boven gaat. Dit heeft Christus zelf aan de-
H. Mechtildis veropenbaard, lib., 2., cap 31.:
,,Ik alleen weet en versta op eene volkomene
wijze, hoe ik mij dagelijks op het altaar voor
het heil der geloovigen opoffer, hetwelk nog
Cherubijnen, noch Seraphijnen, noch alle he-
melsche krachten volledig begrijpen kunnen".
O mijn God! hoe voortreffelijk, hoe onschat-
baar moet dan niet die opoffering van Chris-
tus in de Mis wezen, dewijl de hemelsche
Geesten zelven hiervan de ondoorgrondelijke
diepte niet kunnen begrijpen! O mijn lieve
-ocr page 91-
VAN DEN\' VOORNAAMSTEN PRIESTER.         07
Jezus! welk onpeilbaar geheim van grootheid
moet dan deze uwe offerande niet wezen, daar
Gij zelf\' getuigt, dat Gij alleen door uwe god-
delijke wijsheid en verstand dezelve volkomen
begrijpt! O, hoe gelukkig is dan de mensch,
die de H. Mis bijwoont en daardoor op ze-
kere wijze verdient, dat Gij zelfs deze on-
doorgrondelijke, allerkrachtigste en allerheil-
zaamste offerande voor hem verricht!
7. Geliefde lezer, prent toch deze woorden
diep in uw geheugen, en overweeg wel bij u
zei ven, van hoe groot nut u het inis-hooren
is, dewijl Jezus Christus zelf\' zich onder de-
zelve voor u opoffert, zich als middelaar stelt
tusschen de goddelijke rechtvaardigheid en
uwe ongerechtigheden, en hierdoor de recht-
vaardige wraak welke gij dagelijks door uwe
zonden verdient, geheel kunt ontgaan. O als
gij dit wel begreept, hoe hoog zoudt gij de
H. Mis niet schatten, hoe aandachtig ze I100-
ren en hoe ongiarne zoudt gij u van dezelve
onthouden. Ja, gij zoudt immers liever aan
uwe tijdelijke goederen schade lijden, dan met
verzuim der H. Mis aan uwe ziel zulk eene
groote schade toe te voegen. Dit hebben de
eerste Christenen gedaan, welke zulk eenen
ijver voor de H. Mis aan den dag legden,
dat zij liever verkozen te sterven dan het
heilig Misoffer te verzuimen. Hiervan deelt
ons de geleerde Baronius, een voornaam ker-
kelijk geschiedschrijver, de volgende zeer ge-
loof\'waardige geschiedenis mede van hst jaar 30(j.
-ocr page 92-
G8
TWEEDE HOOFDSTUK.
VOORBEELD.
In de stad Aluta in Afrika, waar alle chris-
telijke kerken reeds verwoest waren, waren
vele mannen en vrouwen tegen het bevel des
keizers Galerius in een afzonderlijk huis de
H. Mis komen bijwonen, maar door de Hei-
denen opgespenrd, werden zij aan de rechters
op de openbare markt voorgesteld. Daar werd
het missaal met andere boeken, welke de Hei-
denen aan de Christenen ontnomen hadden,
onder de grootste beschimpingen in het vuur
geworpen, maar God zond eenen onvoorzienen
piasregen, die het vuur uitdoofde, enhetmis-
saal voor den brand bewaarde. Hierover ver-
schrok de rechter zoodanig, dat hij de gevan-
genen, 34 mans- en 17 vrouwspersonen, naar
den keizer te Carthago zond. Dit vernamen
ze met groote vreugde en zij zongen onop-
houdelijk psalmen en lofzangen. Als zij den
keizer werden voorgesteld, sprak een officier
tot hem: Deze boosaardige Christenen, o kei-
zer, hebben wij in de stad Aluta in een huis
betrapt, terwijl zij, tegen uw verbod, hunnen
valschen godsdienst bijwoonden. Dadelijk liet
de keizer een hunner ontkleeden, op de pijn-
bank uitstrekken en met scherpe haken ver-
scheuren. Inmiddels riep een der Christenen,
genaamd Telica, met heldere stem uit; O
tiran! waarom pijnigt gij dezen alleen, wij
allen zijn Christenen en hebben te zamen
met hem de II. Mis gehoord. Toen liet de
-ocr page 93-
VAN DEN VOORNAAM8TEN PRIESTER.        69
rechter ook dezen ontblooten en naast den
anderen ophangen, zeggende: Wie is het hoofd
geweest uwer vergaderingV Hij antwoordde:
De Priester Saturninus, en wij allen te za-
men; gij echter, o booswicht! gij handelt te-
gen alle recht met ons aldus te pijnigen; wij
zijn toch geene moordenaars noch roovers,
en hebben niets onrechtvaardigs begaan. Maar
de rechter sprak: gij hadt onze bevelen in
acht moeten nemen en uwen valschen gcds-
dienst moeten verlaten. Telica antwoordde:
Ik ken geen ander bevel dan dat van mijnen
God, voor wien ook ik bereid ben te sterven.
Toen beval de keizer de martelaars los te
maken, en zonder spijs of drank in den ker-
ker te brengen. Daarna trad de broeder van
de H. Victoria te voorschijn en beschuldigde
eenen zekeren raadsheer, met name Dativus,
zijne zuster Victoria naar de Mis geleid te
hebben. Maar deze heilige zeide : Ik heb mij,
door niemand begeleid, vrijwillig in het huis
begeven, om Mis te hooren; want ik ben
Christin en schuldig van aan \'t gebod van
Christus te gehoorzamen. Haar broeder sprak
tot haar: Gij spreekt als eene zinnelooze. Maar
zij antwoordde: Neen, ik ben Christin, ik er-
ken u niet voor mijn broeder, deze alleen zijn
mijne broeders en zusters, die voor Christus
willen lijden. Daarop zeide de keizer: Red u
toch en volg den raad van uwen broeder.
Maar zij hernam: Ik zal van mijne broeders
en zusters niet afwijken, want ik beken u,
-ocr page 94-
70                       TWEEDE HOOFDSTUK.
dat ik met hen de Mis heb gehoord en het
hoogwaardig Sacrament ontvangen heb. Toen
beval de rechter haar in de gevangenis te
brongen, en alle middelen aan te wenden, om
haar van \'t geloof afvallig te maken, want
zij was van eene uitmuntende schoonheid en
van de voornaamste familie der stad, en toen
hare ouders haars ondanks haar wilden uit-
huwen, was zij uit het venster gesprongen,
om zich door den priester Saturninus onder
de Godgewijde maagden te laten opnemen.
Toen wendde zich de booswicht tot den
priester Saturninus, wien hij dezelfde verwij-
tiugen deed. Doch deze antwoordde, dat hij
zelf de Mis gelezen had en ze niet durfde acb-
terlaten. Nu liet de keizer vol woede ook dien
priester ontkleeden , zijn lichaam met ijzeren
haken zoo lang verscheuren tot de ingewan-
den zichtbaar werden , en deed hem na die
vreeselijke folteringen in de gevangenis werpen.
Eindelijk liet de keizer zich den H. Eme-
ricus voorstellen, die zijn huis tot het mis-
lezen had afgestaan. Deze antwoordde wede-
roui als de vorigen, dat hij zonder de H. Mis
niet kon leven, en onderging hetzelfde lot.
Toen sprak de keizer tot de overigen: Ik
hoop dat gij n aan deze ellendigen zult spie-
gelen. Maar allen antwoordden tegelijk: „Wij
zijn Christenen en wij zullen de wet van
Christus volbrengen, al moesten we ook ons
bloed storten". Op deze wijze bracht de woe-
dende rechter den geheelen dag door met de
-ocr page 95-
VAX DK KOSTBARE GAAF.                   71
martelaars te pijnigen ; zij die nog adem kon-
den scheppen , liet hij in de gevangenis wer-
pen, waar allen van honger en dorst omkwamen.
Deze geschiedenis uit de oude gerechts-pro-
cessen getrokken, hewijst klaarblijkelijk, dat
de H. Mis in de eerste tijden van het Chris-
tendom gelezen en door de geloovigen bijge-
w\'oond is geworden. Vanwaar die groote ijver
dezer martelaars? Dewijl zij de hooge voor-
treffelijkheid der H. Mis erkenden, en gaarne
aan hare vruchten wenschten deelachtig te
worden. Welk eene schande voor onze heden-
daagsche Christenen!
§ 8. Welk eene kostbare gaaf in de H. Mis
wordt opgeofferd.
1. Die gave moet voorzeker zeer kostbaar
en waardig wezen, om aan den allerhoogsten
God te worden opgeofferd. Want hoe grooter
en voortreffelijker de persoon is, die ze ont-
vangt, zoo veel te kostbaarder moet ook deze
gaaf zijn. Nu is de almachtige God van zulk
eene oneindige majesteit, dat hemel en aarde
als een niet zijn voor Zijn goddelijk aanschijn;
zooals we dan ook lezen in de H. Schrift:
Gelijk een druppel van den morgeudauw, zoo
is de gansche wereld voor U. Is dit zoo, wat
zal men dan in de wereld waardig «ïenoejr
vinden, om aan Hem te worden opgeofferd \'i
Wat zal dan Christus buiten God in den gan-
schen hemel vinden, heilig genoeg om de H.
-ocr page 96-
72
TWEEDE HOOFDSTUK.
Drievuldigheid als eene waardige en welge-
vallige offerande te kunnen opgedragen wor-
den? In den hemel en op aarde vindt hij
slechts eene zaak hiertoe waardig, namelijk
Zijn allerheiligste, onbevlekte hoog ge-
zegende menschheid; dat is: Zijn heilig
lichaam, zijn rozenklearig bloed, en zijne ge-
benedijde ziel; want dit is het allerkostbaarste,
wat ooit uit de hand van den almaclitigen
Schepper is voortgekomen. God heeft immers
aan deze allerheiligste menschheid zoo vele
en zulke groote genaden, rijkdommen, deug-
den en wijsheid medegedeeld, dat Hij haar
niets grooteis had kunnen geven , en deze
menschheid ook niets grooters had kunnen
bevatten. Alhoewel de Moeder Gods van eene
onschatbare schoonheid en heiligheid is, is
zij nochtans, met de gezegende menschheid
van Christus vergeleken, niet hooger te sehat-
ten dan een brandende fakkel bij de hitte en
het licht der zon. Wegens deze honge voor-
treffelijkheid, wordt de menschheid van Chris-
tus niet alleen door de vrome Christenen op
aarde, maar ook door de H. Engelen in den
hemel geëerd en aangebeden; vermits de hooge
genaden en deugden welke Hem alleen, als
het voornaamste hoofd van het menschelijk
geslacht, in zulke groote mate zijn medege-
deeld, alles overtreffen, wat ooit aan een
schepsel dezer aarde medegedeeld is.
2. God heeft bij de schepping der Engelen
dezen vele onschatbare en ontelbare volmaakt"
-ocr page 97-
VAN DE KOSTBARE GAAF.                  73
heden medegedeeld, ook heeft Hij, uit loutere
goedheid, aan vele Heiligen groote genaden
en deugden geschonken; maar boven allen is-
de H. Maagd Maria, zoowel bij hare ontvan-
genis als in haar leven, met vele onbegrijpe-
lijke genaden, voorrechten en volmaaktheden
begunstigd geworden. Al deze genaden te za-
men genomen, heeft de H. Geest echter bij
het scheppen der menschheid van Christus aan
haar medegedeeld, behalve nog vele andere
onpeilbare gaven en voorrechten. Oordeelt nu,
hoe ondoorgrondelijk, hoe edel, hoe schoon r
hoe lieflijk en hoogwaardig de menschheid
van Christus moet wezen, die zulk eene on-
begrijpelijke zee van alle volmaaktheden in
zich besluit.
Deze zijne hoogwaardige menschheid nu is
dat eenige dierbare offer, hetwelk de aller-
heiligste Priester, de eeniggeboren Zoon GodsT
Jezus Christus, aan de alleraanbiddelijkste
Drievuldigheid, dagelijks, in ieder Misoffer T
op de allerzuiverste wijze aanbiedt en opdraagt.
Ja, hij ottert deze niet alleen, maar te gelijk
niet haar al datgene, wat deze allerheiligste
menschheid, tot grootere eer en glorie der
H. Drievuldigheid, op aarde gedurende 33
jaren, met de hartelijkste liefde gedaan, en
met de grootste smarten geleden heeft; na-
melijk al zijn vasten, waken, bidden en pre-
diken; al zijne ontberingen, zijne vervolgin-
gen, bespottingen en smarten, zijne geeseling
en kroning, al zijne wonden, pijnen en tor-
-ocr page 98-
74
TWEEDE HOOFDSTUK.
men ten, al zijne bloedige tranen, zijne zweet-
druppels, zijn doodzweet; ja, dit alles stelt
Jezus Christus in alle Missen aan de H. Drie-
vuldigheid voor oogen, en offert liet Haar op
dezelfde krachtige wijze als Hij het gedurende
zijn leven op aarde deed.
3.  Bij dit alles evenwel dient zeer bijzon-
derlijk aangemerkt te worden, dat Christus
niet alleen zijne H. menschheid opoffert, maar
tegelijk zijne menschheid vereenigt niet de
Godheid. Want, ofschoon in het goddelijk
Misoffer eigenlijk niet de Godheid, maar de
menschheid van Christus aan de H. Drievul-
digheid wordt opgeofferd, wordt nochtans deze
met die oneindige volmaaktheid opgeofferd,
welke zij door die persoonlijke vereeniging
met de Godheid ontvangen hoeft. Wegens
deze vereeniging is Christus\' menschheid ver-
goddelijkt, met oneindige goddelijke schatten
verrijkt, en van oneindige waardigheid gewor-
den. Hieruit ziet gij, welke allerkostbaarste
offerande onze Heiland, Jezus Christus, in alle
Missen opdraagt.
4.   Eindelijk is nog op te merken, dat Chris-
tus zijne menschheid niet opdraagt met dien
schitterenden glans zijner goddelijke majesteit,
^500 als Hij voor \'t oog zijner Heiligen heer-
lijk gezeten is aan de rechter hand zijns Va-
ders. Want in den hemel is deze menschheid
zoo heerlijk en vol majesteit, dat de Engelen
hierover sidderen en beven. Maar op het al-
taar is ze zoo klein en gering, dat diezelfde
-ocr page 99-
VAN DE KOSTBARE GAAF.                   75
Engelen zich hierover niet genoeg kunnen
verwonderen. Hier toch schuilt Zijne Godde-
lijke Majesteit weg onder de gedaante eener
kleine hostie, waaronder Hij den glans zijner
heerlijkheid verbergt voor onze sterfelijke
oogen, te zwak voorwaar om die verplette-
rende glorie te kunnen aanschouwen.
Ach, wie zou de gedachten der H. Drie-
vuldigheid kunnen doorgronden, wanneer zij
die hoogwaardige menschheid van Christus
onder zulk eene nietige gedaante aanschouwt,
en, indien ik zoo mag spreken, als een ver-
achtelijk wormpje aan hare voeten ziet lig-
gen! O welk eene bijzondere eer vloeit hier-
uit den Hemelschen Vader toe, wanneer Hij
zijnen Zoon, Jezus Christus, in den nederi-
gen staat aanschouwt, en erkent, dat Hij dit
alles tot zijne glorie verricht! O welk eene
onschatbare kracht en voortreffelijkheid ont-
leent hieraan het H. Misoffer, waarin deze
groote goddelijke geheimen volbracht worden!
O welk een troost en geluk voor het ellen-
dig menschdoin, voor hetwelk zulke uitne-
mende wonderen geschieden ! O welk een troost,
welke verkwikking voor de arme zielen is het
vagevuur, voor wie zulke heilzame Missen
worden opgedragen.
5. Wij zullen ons dus beijveren onzen Hei-
land, Jezus Christus, op de hartelijkste wijze
te bedanken, daar Hij voor ons, arme zon-
daars, dat zoo krachtig en heilig Misoffer
heeft ingesteld, en Hij zich zelven door zich
-ocr page 100-
7«5
TWEEDE HOOFDSTUK.
zelven aan de H. Drievuldigheid alle uren van
den dag opoffert; wij zullen Hem onze er-
kentenis betooneu voor die krachtige wapens,
welke Hij ons gegeven heeft, om de godde-
lijke genade en ontfermingen meer en meer
door het H. Misoffer te kunnen verwerven.
-ocr page 101-
DERDE HOOFDSTUK.
Van de Geheimen, die in de II. l/Lis
begrepen zijn.
1.   Daar ik van de allerhoogste en menig-
vuldige geheimen van het hoogheilig Misoffer
DO                                                          O            O
moet spreken, ben ik genoodzaakt met den
grooten profeet David voor de geheele wereld
uit te roepen ps. xlv, 9: „Komt en ziet des
Heeren werken, welke wonderen Hij gewerkt
heeft op aarde". Wel is waar, vele mirakelen,
heeft Christus, op deze aarde gedaan, maar
onder die allen, is er geen grooter, geen
voortreffelijker, dan de instelling van het
hoogwaardig Misoffer op het Laatste Avond-
rnaal. Dit is het kort begrip van alle won-
deren Gods, een mirakel zoo vol geheimen,
dat de H. Bonaventura heeft durven zeggen:
„De H. Mis is op hare wijze zoo vol van ge-
heimen, als de zee vol van druppels, de lucht
vol van stofjes, het firmament vol van ster-
ren, en de hemel vol van Engelen is"; want
in haar geschieden dagelijks zoo vele gehei-
meu, dat ik niet weet of de almachtige hand
des Allerhoogsten ooit iets voortreffelijkere
heeft uitgewerkt.
2.   O wondervolle en schier ongeloofelijke
-ocr page 102-
78
DEIiDE HOOFDSTUK.
woorden! Zou liet dan waar wezen, dat het
hoogwaardig Misoffer zoo vele geheimen be-
vat, dat het door geen getal kan afgemeten
worden. De vermaarde godgeleerde P. San-
chez, stemt met den H. Bonaventura overeen,
zeggende: „In de H. Mis ontvangen wij zulke
waarachtige en wonderbare schatten, zulke
kostbare, hemelsche gaven, zoo vele goederen
voor het tegenwoordig leven, en zulk eene
zekere hoop voor het toekomende, dat wij,
om dit alles te gelooven, de gaaf van het
bovennatuurlijk geloof noodig hebben". En
als ons God dit niet mededeelde zouden wij
nooit kunnen gelooven van welk groot nut
de H. Mis voor ons is. „Want", vervolgt deze
geleerde schrijver, „gelijk gij uit de zee al-
tijd genoeg water kunt putten, zonder dat ze
vermindert, zoo kunt gij \'t ook met de H.
Mis doen. Want hare onmetelijkheid is zoo
groot, dat zij niet slechts nimmer uitgeput,
maar ook niet in \'t geringste kan verminderd
worden."
3. Wij lezen in het leven van den H. Jo-
annes van Facundo, van de orde der Augus-
tijnen, dat deze vrome priester zoo langzaam
de H. Mis las, dat niemand meer ze wilde
dienen.
Hij maakte zijnen overste, de reden van
zijn langzaam lezen bekend, op voorwaarde
deze niemand mede te deelen.
Later verzocht de overste Joannes het ge-
heiin aan eenen vertrouwden pater te mogen
-ocr page 103-
79
VAN DE GEHEIMEN,
mededeelen. Na bekomen verlof zeide de overste;
„Geloof mij gewis, dut de H. priester daarom
zoo langzaam de Mis leest, wijl God hem met
hare grootste geheimen bekend maakt, ge-
heimen zoo groot, dat geen menschelijk ver-
stand ze ooit zal kunnen bevatten. Hij heeft
mij hiervan zulke dingen verhaald, dat ik
door een heiligen angst en schrik bevangen
werd, en schier als dood op den grond ne-
derviel. Geloof mij stellig, dat Christus zich
aan dezen priester op eene lichamelijke wijze
vertoont, met hem vriendelijk spreekt, hem
zijne vijf wonden toont, en daaruit zulk eenen
glans over hem verspreidt, en hem volgens
lichaam en ziel zoozeer verkwikt, dat hij zon-
der voedsel zou kunnen leven. Pater Joannes
ziet ook het lichaam van Jezus Christus als
eene glinsterende zon, en erkent zijne onein-
dige glorie en schoonheid. Ja, hij ziet dik-
wijls zulke verhevene zaken, dat geen mensch
ze kan doorgronden of uitspreken".
Uit deze woorden kunnen wij genoeg be-
grijpen, hoe vele ondoorgrondelijke geheimen
het H. Misoffer bevat, en hoezeer wij het
diensvolgens moeten eeren. Behalve deze ge-
heimen, worden ook de figuren en voorbedui-
dingen van het Oud-verbond in de H. Mis
vervuld, en als het ware vernieuwd, welke
figuren ik hier in het kort ga beschrijven.
4. De eerste figuur van het H. Misoffer
was de offerande van den vromen Abel, die
deze uit ware godsvrucht en liefde tot God T
-ocr page 104-
80
DEltDK HOOFDSTUK.
van de eerstelingen zijner beste lammeren aan
God, tot erkentenis zijner oneindige majesteit,
als brandoffer heeft opgedragen. De voor-
naamste reden nu, waarom God met welge-
vallen op het ofier van den rechtvaardigen
Abel neerzag, zooals wij in de H. «Schrift le-
zen, was hierin gelegen, dat dit offer, als eene
voorbeduiding van het offer van Jezus Chris-
tus, in het geloof aan den beloofden YTerlos-
ser door Abel werd opgedragen; welk wei-
gevallen, volgens den H. Hieronymus en an-
deren, God door een wonder toonde, doordien
Hij het offer van Abel door vuur uit den he-
mel verteerd heeft.
Iets dergelijks geschiedt ook in de H. Mis
na de offerande, als namelijk op de woorden
der consecratie het goddelijk vuur van den
H. Geest als het ware uit den hemel valt,
de offeranden ontsteekt en het brood en den
wijn in het ware lichaam en bloed van Je-
zus Christus verandert. Deze offerande even-
wel bevalt God oneindig meer dan die van
Abel, want als de priester de H. Hostie in
de hoogte heft, spreekt God dezelfde woorden
uit als bij den doop van Christus: „Deze is
mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn be-
hagen gesteld heb".
Hetzelfde kan men ook zeggen van de offe-
rande van Noach, bij welke God beloofde, de
aarde in het vervolg niet meer te zullen ver-
vloeken wegens de zonden der menschen, of
niet eeuen zondvloed te bestraffen. Heeft die
-ocr page 105-
VAN DE GEHEIMEN.                            81
groote God zulk een behagen genomen in het
sacrificie van Noach, hoe oneindig meer zal
Hem dan de offerande des priesters bevallen,
waarin Hem zijn geliefde Zoon als een kost-
baar reukwerk der liefde wordt opgeofferd!
Aldus offeren de priesters dagelijks aan den
almachtigen God een sacrificie, krachtens \'twelk
de zoetste geur der verdiensten van Christus
ten hemel opstijgt en aan God een oneindig
behagen veroorzaakt.
5. Andere treffende voorafbeeldingen van
het H. Misoffer waren de verscheidene offer-
anden der patriarchen Abraham, Izaiik, Jacob
en bijzonder dat van den hoogepriester Mel-
chisedech, die, bij de overwinning van Abra-
ham over zijne vijanden, den almachtigen God
tot dankbaarheid eene nieuwe offerande op-
droeg, namelijk brood en wijn, waarvan hier-
voren genoegzaam gesproken is.
Ook alle andere offeranden, door de wet
van Mozes voorgeschreven, waren zinnebeel-
den van de H. Mis, en deze bestonden bij-
zonder in brand-, dank- en zoenoffers. Dage-
lijks moesten de Joden twee lammeren op-
offeren , een des morgens en e\'en des avonds.
Al deze offers hadden betrekking op Christus
en waren klare vóorbeduidingen van de offer-
ande des kruises.
Van de offeranden van Abel, Abraham en
Melchisedech, geschiedt nog dagelijks uitdruk-
lijk melding in de H. Mis. waarin de priester
na de consecratie aldus bidt: „Wij offeren
Verkl. d. H. Mis.                                                        7
-ocr page 106-
82
DERDE HOOFDSTUK.
Uwer overheerlijke Majesteit .... het liei—
lisx brood des eeuwigen levens en den kelk
van het altijddurend heil; over welke Gij U
moogt gewaardigen met genadig en helder
gelaat neer te schouwen, en ze welgevallig
aan te nemen, gelijk Gij U gewaardigt hebt
welgevallig aan te nemen de gaven van uwen
rechtvaardigen dienaar Abel, en het sacrificie
van onzen patriarch Abraham, en hetwelk U
heeft opgedragen de hoogepriester Melchise-
dech".
6. AVat nu de geheimen der H. Mis betreft,
moet men weten, dat de voornaamste gehei-
inen van het leven en den dood van Jezus
Christus hierin begrepen en voorgesteld wor-
den, gelijk Christus tot de apostelen sprak!
,,Doet dit te mijner gedachtenis", als wilde
Hij zeggen: Daar ik van u ga vertrekken, en
na voltrekking der menschelijke verlossing tot
mijnen Heinelschen Vader ga wederkeeren, en
opdat gij mijner altijd indachtig zijt, daarom
stel ik het H. Misoffer in, als het eenigste
olter van het nieuwe verbond, waarin alle ge-
heiuien van mijn geheel leven en lijden zijn
opgesloten, en voor alle mijne geloovigen zul-
len zichtbaar wezen. j .
Dit wil ik in het kort verklaren.
Vooreerst wordt het hoogwaardig geheim
der genadevolle menschwording van Christus
ons niet alleen in de 11. Mis voorgesteld, maar
als het ware vernieuwd. Want, gelijk de H.
Maagd Maria haar reinste bloed ten beste gafr
-ocr page 107-
83
VAN DE GEHEIMEN.
en aan God tot volbrenging van dit groot
geheim opofferde, en de H. Geest uit dit kost-
baar bloed het lichaam van Christus vormde,
er eene edele ziel in schiep, en de Godheid
met de menschheid vereenigde, evenzoo offert
de priester brood en wijn aan den alinachti-
gen God, en de H. Geest verandert ze door
de kracht der woorden van de consecratie, in
het ware lichaam en bloed van Christus. Op
zulk eene wijze wordt het goddelijk geheim
der menschwording vernieuwd, en de priester
heeft denzelfden Christus in zijne handen, die
de H. Moeder Gods eertijds in haar lichaam
droeg. Welk een groot geheim, welk een won-
der aller wonderen, dat een menscli als het
ware zijnen eigen schepper volbrengt!
7. Het genadevolle geheim der geboorte van
Christus wordt ook op dergelijke wijze in de
H. Mis vernieuwd, en ons klaar voor oogen
gesteld. Wan f, gelijk Christus uit den maag-
delijken schoot van Maria geboren is, zoo ook
wordt Hij in de H. Mis door den mond des
priesters opnieuw geboren; nauwelijks heeft
hij de laatste woorden der consecratie uitge-
sproken, of hij draagt het lieve kind Jezus
waarachtig op eene lichamelijke wijze in zijne
priesterlijke handen. Daarom valt hij dadelijk
op de knieën, bidt zijnen God en Schepper
in zijne handen ootmoedig aan, heft Hem met
godsvrucht boven het hoofd, en toont Hem
met vreugde aan het geheele volk En evenals
Maria haar pas geboren kind in doeken ge-
-ocr page 108-
si
DER\'JB HOOFDSTUK.
wikkeld, en aan de herders getoond heeft ter
aanbidding, evenzoo toont ook de priester aan
het volk datzelfde goddelijk kind, onder de
gedaante van brood en wijn, als in doeken
gewonden, opdat alle geloovigen het zouden
erkennen en aanbidden. Die dit nu uit gan-
scher harte doet, deze beoefent eene grootere
deugd dan de vrome herders bij de kribbe;
want deze zagen de menschlieid van Christus
met hunne eigene oogen en geloofden aan zijne
Godheid, maar wij zien slechts de onder de
zinnen vallende gedaanten van brood en wijn
en gelooven nochtaus vastelijk, dat de God-
heid en menschlieid van Christus hieronder
waarachtig verborgen liggen.
8. In de H. Mis is ook dezelfde Christus
tegenwoordig, dien de H. drie Koningen heb-
ben aangebeden, dien de H. Sinieon op zijne
armen genomen en dien Maria in den tempel
aan zijnen Hemelschen Vader heeft opgeof-
ferd. Deze drie personen kunnen wij onderde
H Mis navolgen; dan zal deze onze gods-
vru;l)t aan Christus bijzonder aangenaam zijn
en eene eeuwige belooning helpen verdienen.
Wij hooren ook het Evangelie van Christus
door den mond der priesters prediken, wij
zien Hem ook mirakelen doen, met den wijn
in zjn H. Bloed te veranderen, hetwelk zon-
der twijfel een grooter mirakel is, dan \'twelk
Hij op de bruiloft te Cana verrichtte. Wij
zien Hem ook zijn Laatste Avondmaal we-
derom vieren en opnieuw het brood en den
-ocr page 109-
VAN DE GEHEIMEN.                        85
wijn in zijn waarachtig vleesch en bloed ver-
anderen; eindelijk zien wij Hem ook opgehe-
ven aan het kruis en hooren Hem ook voor
ons, arme zondaars, bidden: „Vader, vergeef
het hun, want zij weten niet wat zij doen".
Zij weten inderdaad niet, hoe oneindig zwaar
zij door hunne zonden God beleedigen. Dit
alles, wel is waar, zien wij niet met onze
lichamelijke oogen, maar wij gelooven het van
ganscher harte, en verdienen door dit ons vast
geloof\' veel grooter loon, dan zij, die het met
hunne oogen gezien hebben, volgens de uit-
drukkelijke woorden van den Zaligmaker:
„Zalig zijn zij, die niet gezien, en toch ge-
loofd hebben".
Hoe hooger en onbegrijpelijker deze groote
geheimen zijn, zoo veel te krachtiger en ver-
dienstelijker is ons geloof\', zoo veel te rijker
ons eeuwig loon. Daarom zegt P. Sanchez:
„Als een Christen uit dit alles slechts nut
wist te trekken, zoo kon hij door eene enkele
Mis veel rijker worden, dan door alle gescha-
pen dingen".
0. In de H. Mis vervult Christus ook zijne
troostvolle belofte: „Zie, Ik ben met u al de
dagen, tot aan de voleinding der wereld". Deze
belofte is niet alleen te verstaan van zijne
Godheid, waardoor hij overal tegenwoordig
is, en zijne Kerk op bijzondere wijze beschermt,
maar ook van zijne menschheid, waardoor Hij
in de H. Mis en in het hoogwaardig Sacra-
ment des Altaars wezenlijk tegenwoordig is.
-ocr page 110-
«.;
UKRDK HOOFDSTUK.
In dit laatste is Hij dag en nacht waarlijk
en wezenlijk bij ons, altijd bereid ons te ont-
vangen, onze begeerten aan te hooren, en in
01 .zen nood te helpen. Maar in de H. Mis is
Hij niet alleen persoonlijk tegenwoordig met
zijne Godheid en menschheid, maar is Hij ook
onze offerande, onze voorspreker, en de ver-
zoening onzer zonden. Want, omdat Christus
in de H. Mis zijn priesterlijk ambt uitoefent,
daarom staat het Hem ambtshalve toe, gelijk
de H. Paulus schrijft aan de Hebreeuwen:
,.gaven en slachtoffers op te dragen voor de
zonden (des volks)", namelijk, zich zelven aan
zijnen H. Vader voor het volk op te offeren,
zoo als Hij zich aan het kruis heeft opgeof-
ferd. Hieruit blijkt, dat tusschen de H. Hostie
welke in het tabernakel berust, en de H.
Hostie in de Mis, eenig onderscheid is. alhoe-
wel Christus in beide op gelijke wijze tegen-
woordig is, namelijk in bet tabernakel als
spijs, in de Mis als offerande.
ld. Dat nu de goede Jezus dagelijks bij
ons is. en wil blijven tot het einde der we-
reld, dit heeft onderscheidene gewichtige re-
denen. Want, gelijk Hij het hoofd is van zijne
Kerk of van zijne geloovigen, en deze zijn
geestelijk lichaam uitmaken, daarom is het
immers betamelijk, dat, terwijl het lichaam
nog niet bij het hoofd in den hemel kan we-
zen, het hoofd daarom in deze wereld bij het
lichaam zijn moet. Christus is tevens de brui-
deuom, en de Kerk de bruid; daarom spoort
-ocr page 111-
S7
VAN J)E GEHEIMEN\'.
Tzijne liefde Hem aan, onophoudelijk bij zijne
beminde bruid te wezen. Daarom zegt Paulus
tot de Ephezen, v. 25: „Gij, mannen! hebt
uwe vrouwen lief gelijk ook Christus de Kerk
heeft lief gehad, en zich zelven voor haar
heeft overgegeven, opdat Hij haar zoude hei-
ligen, haar reinigende door het bad des wa-
ters met het woord des levens, opdat Hij zelf
zich de Kerk heerlijk zoude aanbieden , geen
vlek of rimpel of iets dergelijks hebbende ,
maar dat zij heilig zoude zijn en onbesmet".
De menschen worden ledematen der Kerk door
het Doopsel en bekomen in dat Sacrament
zulk eene wonderbare schoonheid als de En-
gelen zelven, daarom verheft zich Christus als
het ware in eene reine ziel meer, dan ooit
een bruidegom zich in eene schoone bruid
kan verlieven; daarom is het Hem niet mo-
gelijk van zijne lieve bruid gescheiden te we-
zen, maar wil alle dagen bij haar zijn, tot
aan het einde der wereld.
11. Daar Christus echter op eene onzicht-
bare wijze bij zijne Kerk zijn wil, en niet op
eene lichamelijke wijze, zooals weleer, tijdens
zijn sterfelijk leven, daarom betaamt het, dat
hij verborgen blijve, opdat zijne bruid of zijne
ware geloovigen gelegenheid hebben, om hun
geloof te oefenen en dagelijks hunne ver-
diensten te vermeerderen. Verder, dewijl Chris-
tus de bruidegom zijner kerk is, daarom be-
taamt het, dat Hij zijne bruid voorsta, haar
het noodwendige voedsel verschafte, en bijzon-
-ocr page 112-
SS
DERDE HOOFDSTUK.
der zich aan haar heil en welvaart gelegen
late zijn. Dit alles en veel meer doet Hij in
de H. Mis, en in het lichamelijk nutten van
het H. Sacrament, en bewijst hierdoor inder-
daad, dat hij een trouwe minnaar is van zijne
bruid, en haar alle noodwendigheden verschaft,
zoo wel naar ziel als naar lichaam.
12. O, christene ziel, besef het wel, zijt gij
in staat van doodzonde, en al hadt gij er
slechts eene enkele bedreven, zoo zijt gij de
bruid des duivels, en de nijdige duivel heerscht
over u. Zijt gij echter in staat van genade,
dan zijt gij eene bruid van Jezus Christus,
gij wordt door uwen bruidegom hartelijk be-
mind, en ontvangt alles, wat tot uw heil en
geluk kan dienen. En welke genaden en wei-
daden meent gij dan wel, dat uw geliefde
bruidegom u in éeue enkele H. Mis bewijst,
en hoe vele middelen hij u aan de hand geeft,
om deugden te oefenen en uwe zaligheid te
vermeerderen? Hoor en wees verbaasd, ik zeg
u in allen ernst, en wil het in dit boek breed-
voerig en grondig bewijzen, dat uw allerliefste
Jezus, uit loutere liefde voor u in elke Mis,
welke gij zonder doodzonde met aandacht bij-
woont, en waarin gij uit geheel uw hart bidt,
ontelbare lief debe wijzen en wonderen ten toon
spreidt, welke allen tot uw grootste voor-
deel en verdiensten strekken kunnen. Opdat
gij deze oprecht waardeeren en daaraan ge-
looven zoudet, wil ik ze u de eene na de an-
dere voor oogen houden.
-ocr page 113-
VOORTSPRUITENDE GENADEN EN WELDADEN. 89
§ 1. Genaden en toeldaden, welke uit het aan~
dachtig Mis-hooren voortspruiten.
Het is voor uw heil en zaligheid, dat Godr
de Vader, zijnen beminden en eenigen Zoon
van den hemel afzendt.
Voor uw heil verandert de H. Geest het
brood en den wijn, in het waarachtig lichaam
en dierbaar bloed van Jezus Christus.
Om uwentwil daalt de Zoon Gods uit den
hemel af, en verbergt zich onder de gedaante
der heilige Hostie.
Ja, hij vernedert zich zoo zeer, dat hij ook
in de allerkleinste deeltjes der H. Hostie we-
zenlijk tegenwoordig is.
Voor uw geluk hernieuwt hij het genade-
volle geheim der menschwording.
Voor u verricht Hij op het altaar die ge-
beden , welke Hij op aarde verricht heeft.
Voor uw heil hernieuwt Hij de werkelijke
voorstelling van zijn bitter lijden, om er «
aan deelachtig te maken.
Voor u offert Hij zich tot een waarachtig
brandoffer, en geeft aan de Godheid zulk
eene groote eer, als zij waardig is te ontvan-
gen; als gij deze eer aan God opdraagt, her-
stelt gij Hem de eer, waaraan gij ontbroken
of die gij verwaarloosd hebt Hem te geven.
Voor u draagt hij zich als een lofoffer
op, en herstelt hierdoor, wat gij in den lof
van God verzuimd hebt; als gij dezen lof van
Christus aan God opoffert, geeft gij Hem eene
-ocr page 114-
\'90
BERDE HOOFDSTUK.
grootere eer, dun de Engelen Hem kunnen
bewijzen.
Voor u offert zich Christus tot eene vol-
maakte dankofferande, en herstelt, waarin
gij doorliet verzuimen der verschuldigde dank-
zegging te kort zijt gebleven; als gij dezen
dank van Christus aan God opdraagt, kunt
gij Hem rijkelijk alle weldaden vergelden,
welke Hij n bewezen heeft.
Voor u offert zich Christus als het krach-
tigste zoenoffer, en maakt u den vertoorn-
den God wederom tot vriend; hij vergeeft u
ook al uwe dagelijksche zonden, welke gij met
rouwmoedig hart hebt voorgenomen niet meer
te bedrijven, en herstelt al uwe verzuimnissen,
welke gij door het venvaarloozen van het goede
begaan hebt.
Hij offert zich als een voldoen ingso f f er,
en betaalt een gedeelte van uwe schulden en
straffen. Door eene enkele Mis kunt gij voor
meer straffen boeten, dan door een ander ge-
wichtig werk van boetvaardigheid; dewijl
Christus u een gedeelte zijner verdiensten
schenkt, welke gij aan God den Vader voor
uwe zonden kunt opofferen.
Christus draagt zich voor u op als een krach-
tig bid offer, en bidt voor u zoo hartelijk
als Hij aan het kruis voor zijne vijanden ge-
beden heeft. Zijn H. Bloed roept tot u met
zoo vele woorden, als er bloeddruppels uit zijn
H. Lichaam gevloeid zijn. Zijne H. Wonden
roepen voor u met zoo vele stemmen, als er
-ocr page 115-
VOORTSPRUITENDE GENADEN EN WELDADEN. 91
wonden in zijn H. Lichaam geweest zijn. Dien-
tengevolge wordt uwe bede veel spoediger
verhoord; want liet gebed, dat gij met (len
priester spreekt, is veel krachtiger dan dat gij
buiten de Mis verricht. Want Christus ver-
eenigt het met zijne gebeden, en offert het op
aan zijnen Hemelschen Vader. Hij stelt Hem
getrouwelijk uwen nood en uwe gevaren voor
oogen, en bemoeit zich geheel en al met uwe
zaligheid. Alle tegenwoordige Engelen bidden
ook voor u en dragen aan den allerhoogsten
God uw armzalig gebed op.
De priester leest de H. Mis voor u , door
welker kracht de booze vijand van u wordt
afgehouden. Hij bidt ook inzonderheid en uit-
drukkelijk voor de aan wezenden, en maakt zoo-
doende de H. Mis voor hen bijzonder vrucht-
baar. Als gij bij de H. Mis tegenwoordig zijt,
kunt gij geestelijker wijze mede offeren, en
Christus verleent u de macht de H. Mis op
te offeren, zoowel voor u, als voor ieder
ander.
Als gij de Mis opoffert, vereert gij de H.
Drievuldigheid, met de aangenaamste gaaf.
Gij offert Haar een dierbaar geschenk, dat
meer waard is dan hemel en aarde. Gij offert
Haar eene kostbare gaaf, die zoo veel waard
is als God zelf. Door eene dusdanige offerande,
bewijst gij God eene zoo hooge eer, als waar-
mee God zelf waardig is geëerd te worden.
Door deze offerande verheugt gij derhalve de
H. Drievuldigheid op oneindige wijze. Deze
-ocr page 116-
02
DEEDK HOOFDSTUK.
zoo edele gaaf offert gij als uwe eigene, de-
wijl zij u door Christus zelven geschonken is.
Als gij de Mis oprecht hoort, verricht gij
een werk van allerhoogste godsdienstigheid.
Door de Mis te hooren bewijst gij aan de
nienschheid van Christus de grootste eer. Daar-
door vereert gij het lijden van Christus zoo
veel te beter, en maakt u aan deszelfs vruch-
ten deelachtig.
Gij kunt ook daardoor de Moeder Gods veel
beter vereeren, dan anders met vele gebeden
tot haar te stieren.
Insgelijks kunt «ij, door de Mis te hooren,
alle Engelen en Heiligen meer vereeren, dan
door andere gebeden of goede werken.
Door het aandachtig\' Mis-hooren kunt gij
grooter schatten voor uwe ziel vergaderen,
dan alle goederen der wereld. Want daardoor
verricht gij een van de beste goede werken.
Gij verricht eene verhevene oefening van waar
geloof en verdient daardoor een zeer groot
loon. Wanneer gij u ootmoedig nederbuigt
voor de H. Hostie, zoo verricht gij een voor-
treffelijk werk van aanbidding. Zoo dikwijls
gij de H. Hostie geloovig aanschouwt, ver-
dient gij een bijzonder loon in den hemel
Indien gij in staat van doodzonde Mis hoort,
zoo biedt God u de genade tot bekeering aan.
Hoort gij Mis in staat van genade, zoo ver-
meerdert Hij merkelijk zijne goddelijke ge-
nade.
Onder de Mis kunt gij op eene geestelijke
-ocr page 117-
VOORTSPRUITENDE GENADEN EX WELDADEN. 93
wijze gespijsd worden met het lichaam en bloed
van Christus.
Gij wordt waardig Christus met uwe eigene
oogen te aanschouwen, en door Hem aan-
schouwd te worden.
Gij ontvangt ook den priesterlijken zegen,
dien Christus in den hemel bekrachtigt.
Door het vlijtig Mis-hooren wordt gij in
tijdelijke goederen gezegend, als zij voor uwe
zaligheid dienstig zijn. Hierdoor wordt gij van
vele onheilen bewaard, die u anders zouden
treffen. Gij wordt in uwe aanvechtingen en be-
koiingen versterkt, waardoor gij wellicht an-
ders zoudt overwonnen worden.
Door elke Mis verwerft gij eenigerwjjze de
genade van een zaligen dood. Wegens uwe ge-
hoorde Missen, bekomt gij hulp en troost in
uw sterfuur van de Engelen en Heiligen. In
dit laatste uur zullen u die Missen bijzonder
troosten en u een vast vertrouwen op Gods
barmhartigheid verwerven. Zij zullen u ver-
gezellen bij den goddelijken rechter en voor
u om genade bidden.
Gij moogt vertrouwen een kort en zacht
vagevuur te bekomen, dewijl gij door uwe
menigvuldige Missen uwe straffen meest hebt
afgeboet. Want door elke Mis vermindert gij
uw vagevuur, meer dan met vele andere wer-
ken van boetvaardigheid. Eene Mis, aandach-
tig in uw leven gehoord, kan u veel voor-
deeliger wezen dan vele Missen, welke na
uwen dood voor u zullen gelezen worden.
-ocr page 118-
!U
DERIIK HOOFDSTUK.
Gij zult voorzeker in den hemel eenen hoo-
geren trap van glorie bekomen. Want elke
Mis verheft u hooger in den hemel en ver-
meerdert werkelijk uwe zaligheid.
Gij kunt geen krachtiger gebed voor uwe
bloedverwanten en vrienden verrichten, dan
wanneer gij voor hen de Mis hoort en op-
offert. Uwe weldoeners kunt gij door dezelve
op het rijkelijkst vergelden. Gij kunt daardoor
aan de ellendigen, de zieken, de stervenden,
de beste hulp verschaffen en voor vele zon-
daars de bekeering verwerven. Gij kunt alle
christen geloovigeu tot groot heil verstrekken.
Gij kunt de arme geloovige zielen in \'t va-
gevuur krachtig verkwikken. Als gij voor uwe
afgestorvene bloedverwanten en vrienden geene
Missen kunt laten lezen, zoo kunt gij ze door
de Mis te hooren verlossen.
Het bewijs van al deze gunsten en voor-
deelen zult gij in dit boek breedvoerig kun-
nen lezen, gestaafd door sclioone voorbeelden.
Wat dunkt u hiervan, christen ziel? Wat
zegt gij nu van de H. Mis? Meent gij wel,
dat er op aarde een of ander goed werk be-
staat, waardoor gij zoo vele vruchten en ge-
naden kunt verwerven als door de II. Mis?
Meent, gij dan niet, dat het waar is, wat de
geleerde Sanchez zegt: „Indien een Christen
slechts wist zich deze dingen ten nutte te
maken, zoo kon hij door eene enkele H. Mis
rijker worden, dan door alle van God gescha-
pene dingen?\'\' O, welk een groote schat is
-ocr page 119-
VOORTSPRUITENDE GENADEN EN WELDADEN. 9&
dan de H. Mis! O, hoe gelukkig hij, die met
geringe moeite zulk eenen grooten schat ver-
werven kan! Wie zal zich dan in het vervolg
niet beijveren, zooveel mogelijk de H. Mis bij
te wonen? Wie zal ze voortaan nog zoo licht-
vaardig verzuimen? Wie zal te lui zijn een
half uurtje vroeger op te staan, om zulke bui-
tengewone genaden te bekomen ? Wie zal niet
uit den grond zijns harten betreuren, zoo
menige H. Mis vrijwillig te hebben verzuimd?
Wie zal geene bloedige tranen storten ze zoo
oneerbiedig en onstichtend te hebben bijge-
woond? O, beminde ziel, ga diep in uw hart
en zucht, hoor God over al die overtredingen;
wil toch de H. Mis zoo licht niet meer ver-
zuimen, maar hoor zoo vele Missen als gij
kunt, om het verledene te herstellen. Als gij
dit boek vlijtig zult doorlezen hebben, geef
het dan aan uwe vrienden, zoo zullen ook zij
allen dezen hemelschen schat beter waardeeren
en met meer ijver zoeken.
^@^
-ocr page 120-
VIERDE HOOB^DSTUK.
In de H. Mis hernieuwt Christus zijne
menschwording.
1. In het voorgaande hoofdstuk hebben wij
de geheimen der H. Mis slechts in het kort
aangeduid en ter loops overwogen, thans ech-
ter willen wij het eene na het andere ver-
klaren en behartigen, en vooreerst het groote
geheim der menschwording van Christus over-
O                                                                                 Cl
wegen.
Dat in iedere H. Mis de menschwording
van Christus hernieuwd wordt, bewijs ik eer-
stens door de getuigenis van den geleerden
Marchantius, die in zijnen „Hortus pastorum"
aldus spreekt: „Wat is de H. Mis anders dan
eene levendige en volkomene voorstelling, ja
hernieuwing van de menschwording, de ge-
boorte, het leven, lijden en den dood van
Christus, en der geheele door Hem volbrachte
verlossing?" O, welk eene voortreffelijke,
vruchtbare en onuitsprekelijke weldaad heeft
de goddelijke goedheid en liefde aan het men-
schelijk geslacht bewezen, als de Zcon Gods,
wegens het heil der menschen, uit den hemel
nedergedaald is, en door den H. Geest in de
*
-ocr page 121-
HERNIEUWING DER MENSCHWORDING.        97
H. Maagd Maria de menschelijke natuur heeft
aangenomen. De priester aanbidt dit wonder-
baar geheim, als hij onder het credo, bij de
woorden: ,,Et incarnatus est", niet alleen zijn
hoofd, maar eerbiedig zijn knie buigt, en aan
de Goddelijke Majesteit voor deze diepste
vernedering den mogelijkst grooten dank be-
toont.
2. De H. Kerk heeft ook zeer heilzaam
verordend, dat alle geloovigen jaarlijks, ten
tijde van den advent, deze groote weldaad
overwegen, aandachtig vereeren en de godde-
lijke goedheid daarvoor oprecht zouden be-
danken. Want door deze genadenrijke mensch-
wording heeft Christus ons zoo veel goed
bewezen, voor ons zoo veel gedaan, dat wij
Hem niet alleen in dezen tijd, maar ook in
de gansche eeuwigheid hiervoor moeten dan-
ken. Maar, o wonder! de goede Jezus heeft
zich niet willen vergenoegen eenmaal rnensch
te worden, neen, maar Hij heeft dagelijks
die groote weldaad willen hernieuwen, en
daarom heeft Hij in zijne goddelijke wijsheid
het hoogste geheim der H. Mis uitgevonden
en ingesteld, waardoor Hij alzoo deze zijne
menschwording op een levendige wijze her-
nieuwt, alsof ze werkelijk wederom plaats had.
Want de H. Kerk legt ons op den 9den Zon-
dag na Pinksteren het volgende gebed in den
mond: „Zoo menigmaal de gedachtenis van dit
slachtoffer gevierd wordt, zoo dikwijls wordt
het werk onzer verlossing verricht".
Veikl. d. H. Mis.                                                         8
r
-ocr page 122-
os
VIERDE HOOFDSTUK.
3. Dit betuigt ook de groote Augustinus:
„O, hooge waardigheid der priesters, roept
hij uit, in wier handen Christus wederom
mensch wordt! O, hemelsch geheim, hetwelk
God de Vader, Zoon en H. Geest door de
priesters zoo wonderlijk bewerkt". De H. üa-
mascenus zegt: „Wanneer iemand vraagt, hoe
het brood in het lichaam van Christus ver-
anderd wordt, antwoord ik : De H. Geest over-
lommert den priester en werkt datzelfde uitT
wat hij in het lichaam van Maria heeft uit-
gewerkt". En de H. Bonaventura zegt:,,God
schijnt niets weiniger te doen, als Hij zich
gewaardigt dagelijks uit den hemel op het al-
taar te verschijnen, dan Hij gedaan heeft, toen
hij, uit den hemel dalende, de menschelijke
natuur heeft aangenomen". Ja, nogmaals moet
ik uitroepen: O groote waardigheid der pries-
ters, in wier handen God wederom mensch
wordt! O, groote waardigheid der Christenen,
tot wier zaligheid Jezus Christus dagelijks in
alle Missen wederom op eene geestelijke wijze
mensch wordt! O, voorzeker eene voortreffe-
lijke liefde van God jegens ons, arme zon-
daars ! want, zoo lief heeft God de wereld ge-
had, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gege-
ven heeft?
4. Het geloof leert ons dat, als de priester
vóór de consecratie de hostie in zijne handen
houdt, hij slechts natuurlijk brood voor zich
heeft, maar dat, door de woorden der con-
secratie, dit op hetzelfde oogenblik door de
-ocr page 123-
HERNIEUWING DER MKXSC1IWOEDING. 09
goddelijke kracht in het waarachtige lichaam
van Christus veranderd wordt. En dewijl een
levend lichaam niet zonder bloed kan wezen,
zoo heeft de priester in plaats van het brood,
Jezus Christus, den waren Zoon Gods, in zijne
handen. O, welk een «root geheim! welk een
onschatbaar wonder, dat alle wonderen in zich
bevat!
Want inderdaad, is het niet een wonder
boven alle wonderen, dat het brood in het
ware lichaam, en de natuurlijke wijn in het
ware natuurlijke bloed van Christus veranderd
wordt! Wat meer is, dat geen brood noch
wijn meer tegenwoordig is, maar alleen de
gedaante van brood en wijn is overgebleven;
want de H. Hostie heeft nog hare kleur, ha-
ren vorm, haren smaak gelijk te voren, en
zoo is het ook met den wijn. Is het geen
wonder boven alle wonderen, dat Christus, in
zijne natuurlijke wijze van bestaan, vol heer-
lijkheid gezeten aan de rechter hand zijns
Vaders, hier op onze altaren geheel en al in
eene kleine hostie, ja zelfs in het geringste
gedeelte dezer zich tegenwoordig steltV
Dit alles werkt Christus onder de conse-
cratie. in iedere mis, voor ons heil en zalig"
heid. Gij zult dus vóór de consecratie geden-
ken, welk groot wonder voor u op het altaar
staat te gebeuren en een hartelijk verlangen
in u verwekken, dat door uwe medewerking,
het H. Sacrificie tot grootere glorie van God
en tot zaligheid der geloovigen moge strekken,
-ocr page 124-
100                     VIKRDE HOOFDSTUK.
zeggende met de H. Gertrudis: „O allerzoet-
ste Jezus, het werk, \'t welk gij nu verrichten
gaat, is zoo voortreffelijk, dat mijne uiterste
nietigheid het niet eens durft aanschouwen.
Daarom verberg ik mij in den afgrond van
mijn niet, en wil aldaar mijn onverdiend deel
der genaden afwachten; want door deze ver-
andering zal allen uitverkorenen heil te beurt
vallen". Gave God? dat ik, o zoete Jezus! een
weinig konde medewerken aan dit voortreffe-
lijk n erk, dan zoude ik gaarne, van ganscher
harte, al mijne krachten aanwenden, opdat
door deze offerande allen, zoowel levenden als
afgestorvenen, de hoogst mogelijke schat van
genade mocht toevloeien. Ik smeek u dus, aan
allen, die de H. Mis lezen of ze bijwonen, de
genade te verleenen, dat zij dit hoogwaardig
Offer altijd tot uwe grootere eer en tot heil
der geloovigen mogen opofferen.
5. Nu willen wij dan ook overwegen, welke
groote macht Christus niet aan de Engelen,
maar aan de priesters heeft verleend, om met
weinige woorden dit groot mirakel voort te
brengen; eene macht, zoo groot, dat zij als
het ware met de schepping kan vergeleken
worden. De macht van God den Vader, zoo
lezen we bij een geleerd schrijver, is zoo groot,
dat Hij uit niets hemelen aarde heeft kunnen
scheppen; maar de macht des priesters is zoo
groot, dat hij den Zoon Gods zelven, tot
slachtoffer, uit den hemel kan doen neder-
dalen, en den verworven schat der verlossing
-ocr page 125-
HERNIEUWING DER ME.VSCIIWORTHNG. 101
door dit allerheiligst Sacrificie aan ile inen-
schen kan uitdeden. Hierin ligt het grootste
deel der glorie Gods, dewijl de allerhoogste
God door het Misoffer zijne grootste eer en
glorie ontvangt; hierin ligt ook het grootste
deel der blijdschap van Maria, dewijl men
haar geen grootere eer kan bewijzen, dan tot
hare eer de Mis te hooren, en haar, niet haren
als opnieuw mensch geworden Zoon te ver-
eeren. Dit maakt ook het grootste genoegen
der Heiligen uit, dewijl men nergens zoo zeer
hunne vreugde mede kan vermeerderen, dan
door de H. Mis aan God te hunner eere op
te offeren; dit ook is de grootste troost der
levenden en afgestorvenen, zoo als gij het ver-
der in dit boek zult vinden.
6. Hier word ik gedwongen wederom met
Christus uit te roepen: „Zoo lief heeft God
de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeboren
Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in
Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeu-
wig leven hebbe". Deze groote en oneindige
liefde betoont hij dagelijks opnieuw, als hij
zijnen Zoon wederom uit den hemel afzendt,
om zijne menschwording te hernieuwen.
Door zijne eerste menschwording heeft Chris-
tus den henipl verblijd, heil en zaligheid aan
de wereld gebracht, en evenzoo doet hij ook
in zijne dagelijks hernieuwde menschwording,
door de hemelsche schatten der goddelijkf f.
genaden aan de aandachtige Mis-lezenden e x
Mis-hoorenden rijkelijk uit te deelen.
-ocr page 126-
102                     VIERDE HOOFDSTUK.
VOORBEELD.
In de kronieken der Minderbroeders, dl. 3,
bl. 2, lezen wij, dat de zalige Joannes van
Ferino dikwijls zulk eene onbegrijpelijke zoe-
tigheid en troost in het Mis-lezen ondervond,
dat zijne zwakke krachten vaak te kort scho-
ten. Toen hij eens op Maria-Hemelvaart de
Hoogmis zoude zingen, ondervond hij onder
het lezen der Mis eene zoo groote innerlijke
liefde tot Jezus Christus, dat hij vreesde ze
niet te kunnen voltooien, gelijk het ook we-
zenlijk geschiedde. Want aan de consecratie
gekomen, en de oneindige liefde van God in
zijne menschwording overwegende, eene liefde
welke Hem nog onophoudelijk aanspoort ze
dagelijks in alle H. Missen te hernieuwen,
werd zijn hart dusdanig bevangen, en zijne
krachten zoo zwak, dat hij de woorden der
consecratie niet konde uitspreken. Als de over-
ste des kloosters dit bemerkte, ijlde hij niet
eenen anderen pater naar het altaar om hem
de heilige woorden te helpen uitspreken. Alle
omstanders waren in den grootsten angst,
ineenende dat den pater een ongeluk overko-
men was. Eindelijk sprak hij niet de grootste
moeite de woorden der consecratie uit, en ziet,
eensklaps was de gedaante der H. Hostie in
de gedaante van het kindje Jezus veranderd,
zoodat de zalige Joannes het als pasgeboren
in zijne priesterlijke handen droeg. Maar wei-
dra verlaten hem zijne krachten en hij valt
-ocr page 127-
HERNIEUWING DER MENSCHWORDING. 103
onmiddellijk in onmacht op den grond neder.
Allen kwamen toesnellen om hem de noodige
hulp te bewijzen, ten einde hem tot zich te
brengen, dat ook eindelijk gelukte. Maar hij
kon zijne ledematen niet bewegen , noch het
kruis maken; nochtans kon hij het met be-
hulp der beide paters toch zoo ver brengen,
dat hij het heilig Lichaam van Christus, die
wederom de gedaante van het brood had aan-
genomen,kon nuttigen. Edoch nauwelijks was
dit geschied, of hij valt voor de tweede maal
in onmacht, hij scheen als een doode en moest
in de sacristie gedragen worden. Daar bleef
hij eenige uren aldus liggen, zijne vingers
krampachtig ineengesloten, zoodat hij van al-
len voor dood gehouden werd. Eindelijk kwam
hij weder tot zich, en nu kon hij de omstan-
ders verhalen wat hem overkomen was, hun
daardoor klaarblijkelijk bewijzende, welke on-
doorgrondelijke liefde de goede Jezus aan ons
arme zondaars betuigt, met dagelijks voor onze
taligheid zijne genadevolle menschwording te
hernieuwen, en ons de vruchten derzelve zoo
rijkelijk toe te passen.
Leer uit dit voorbeeld, godininnende ziel,
welke wellusten uit den hemel nederdalen, als
de bron van alle hemelsche geneugten op het
altaar open ligt; zulke geneugten hebben vele
godvreezende zielen ondervonden, en gij zult
ze ook kunnen smaken, als gij slechts met
grooter aandacht de H. Mis wilt bijwonen.
Bemerk dus wel, van welk nut en voordeel
-ocr page 128-
104                     VIERDE HOOFDSTUK.
voor u die hernieuwde menschwording is, daar
de zoete Jezus de verdiensten zijner eerste
menschwording aan de geloovigen toepast en
in iedere Mis uitdeelt. Door zijne diepe ver-
nedering verzoent hij den rechtvaardigen toorn
van God, en verwijdert de verdiende straffen
van ons. Wij kunnen Hem dus voor deze en
alle andere weldaden nimmer genoeg danken,
dat Hij de H. Mis heeft ingesteld en daarin
alle geheimen van zijn leven en lijden op eene
levendige wijze hernieuwt. Maar geenen groo-
teren dank zullen wij Hem bewijzen, dan met
dagelijks de H Mis aandachtig bij te wonen,
en ze aan de H. Drievuldigheid tot dankzeg-
ging voor alle bewezen e weldaden op te of-
leren.
wr
-ocr page 129-
VIJFDE HOOFDSTUK.
In de H. Mis hernieuwt Christus zijne
geboorte.
1. Wij hebben reeds gedeeltelijk in het vo-
rig hoofdstuk bewezen, dat Christus bij zijne
intrede in de wereld de waarachtige vreugde
en blijdschap uit den hemel heeft medegebracht;
Hij heeft namelijk den menschen die van goe-
den wil zijn, den vrede aangekondigd, de be-
droefde harten getroost en de wereld onuit-
sprekelijke genaden verschaft. 0, wie zal ooit
begrijpen de blijdschap van den Hemelschen
Vader in dezen gezegenden nacht, toen Hij
zijnen allerliefsten Zoon, van alle eeuwigheid
uit Hem voortgebracht, op eene nieuwe wijze
uit zijne geliefde dochter, Maria, zag geboren
worden? Welke vreugde voor den Zoon Gods,
als Hij zich met zulk eene edele menschheid
bekleed zag, en niet alleen eenen Vader in
den hemel, maar nu ook eene moeder op aarde
had! Welk een welgevallen voor den H. Geest,
als Hij ontwaardde, hoe de Zoon, dien Hij van
eeuwigheid door den band der liefde met God
den Vader vereenigd, thans door zijne mede-
werking de menschelijke natuur zoo innig met
-ocr page 130-
10G
VIJFDE HOOFDSTUK.
zich vereenigd heeft , dat Hij twee oneindig
van elkander onderscheidene naturen, de god-
delijke en de menschelijke, in eenen persoon
bevatte. Wie zal ons beschrijven alle zoetig-
heden van het moederlijk hart van Maria,
wanneer zij haar pasgeboren kind met de
oogen des geloofs aanschouwde, en in Hem
den eeniggeboren Zoon des hemelschen Vaders
erkende.
2. Maar ook , hoe gelukkig de menschen,
die toen geleefd hebben , en waardig waren
het goddelijk kind, het schoonste onder alle
kinderen der menschen , met eigen oogen te
aanschouwen en in hunne armen te drukken.
Met welken ijver bv. begaven zich de herders
naar dat goddelijk kind, om aan den nieuw
geboren Koning hunne hulde te brengen. Of-
schoon wij zoodanige personen terecht geluk-
kig achten, zijn wij nochtans veel gelukkiger,
dewijl wij dagelijks datzelfde Goddelijk Kind
met de oogen des geloofs aanschouwen , en
aan de blijdschap zijner geboorte kunnen
deel nemen. Ja, diezelfde geboorte wordt nog
dagelijks in de H. Mis hernieuwd en ons bijkans
zoo levendig voorgesteld als vóór 1800 jaren.
Immers, zegt de H. Hieronymus, dat Christus
uit den mond der priesters geboren wordt,
telkens als zij de woorden der consecratie
uitspreken.
Dit stelt ons ook de H. Kerk voor oogen,
daar s;ij bevolen heeft denzelfden lofzang te
herhalen, welken de Engelen op Kerstnacht
-ocr page 131-
HERNIEUWING DER GEBOORTE.            107
gezongen hebben: Glorie zij God in het aller-
hoogste (hemelen) en op aarde vrede aan de
menschen, die van goeden wil zijn. — „Ik
verkondig u, zoo sprak de Engel, eene groote
blijdschap, welke voor het gansche volk zijn
zal: heden is u een Zaligmaker geboren . . . .
En dit zij u het teeken: Gij zult een kindeken
vinden, in doeken gewonden, liggende in eene
kribbe". Verbeeld u dus bij iedere Mis , dat
uw Engelbewaarder u komt zeggen: Verheug
u, mijn kind, want in deze H Mis wordt uw
Heiland voor uwe zaligheid wederom geboren.
Hij bedekt zijn aangezicht, als het ware, met
diezelfde doeken, waarin zijne H. Moeder Hem
wikkelde; deze doeken zijn de zichtbare ge-
daanten der geconsacreerde hostiën, welke wij
met onze oogen zien; maar het lieve kind ,
dat daaronder verborgen ligt, zien wij slechts
met de oogen des geloofs . om des te beter
ons geloof te oefenen en een grooter loon te
verdienen.
Wel is waar, verbergt Christus zich voor
onze zondige oogen, maar niet voor de oogen
van zijnen Hemelschen Vader en het bemelsch
hof; hij vertoont zich aan hen in alle H. Missen,
met zulke bovennatuurlijke schoonheid, dat der
H. Drievuldigheid hierdoor eene oneindige
glorie, der Moeder Gods en den Engelen eene
onschatbare blijdschap toevloeit.
3. Wanneer de Engelen dit nieuw geboren
kind in de H. Mis aanschouwen, aanbidden zij
het met de diepste ootmoedigheid, zooals de
-ocr page 132-
108
VIJFDE HOOFDSTUK.
Kerk zingt in de prefatie: Door wien de En-
gelen uwe Majesteit loven, de heerschappijen
aanbidden , de machten sidderen. De hemelen
en de krachten der hemelen en de zalige
Seraphijnen vieren mede met vereende
vreugde.
4.  Immers, alles wat op Kerstnacht gebeurd
is, geschiedt nog dagelijks in alle H. Missen,
wanneer de eeniggeboren Zoon Gods, in de
handen des priesters wederom mensch wordt,
en als \'t ware uit hunnen mond opnieuw ge-
boren wordt. Door de woorden der consecratie
wordt toch geen nieuwe Christus geschapen,
noch zijn persoon vermenigvuldigd, maar zijne
persoonlijke tegenwoordigheid wordt slechts
vermeerderd, zoodat op eene plaats, waar zijn
menschheid zich te voren niet bevond, zij thans
lichamelijker wijze rustende is. Hij blijft ook
onder de gedaante der H. hostie zoo lang
tegenwoordig, als die gedaante onverteerd
blijft; verdwijnt echter de gedaante, dan houdt
ook Christus op in het H. Sacrament te be-
staan.
5.    O, wie zal dat onbegrijpelijk geheim
kunnen doorgronden ? Welke vreugde voor den
Hemelschen Vader, telkens als zijn eenigge-
boren Zoon door den mond des priesters ge-
boren en zich opnieuw aan Hem opdraagt!
Deze zoete vreugde , deze eer en lof, welke
de Godheid van des Zaligmakers heilige
menschheid ontvangt, overtreft oneindig allen
lof en alle aanbidding, welke al de menschen
-ocr page 133-
HERNIEUWING DER GEBOORTE.            109
dezer wereld, ja zelfs alle Engelen en Heiligen
Hem kunnen geven. Want de allerhoogwaar-
digste menscliheid van Christus, welke met de
Godheid in eenen persoon vereenigd is, en
door deze persoonlijke vereeniging oneindig
verheven is , kan en weet alleen de Godheid
naar hare oneindige hoogheid waardig te eeren
en te beminnen, gelijk Christus zich gewaar-
digd heeft aan de H. Mechtildis te openba-
ren : ,,Ik alleen weet en versta volkomen ,
hoe ik mij dagelijks op het altaar voor het
heil der geloovigen opoffer, hetwelk noch
Cherubijnen, noch Serafijnen, noch hemelsche
krachten ooit kunnen begrijpen". Het geheele
heirleger des hemels, alle Engelen en Heili-
gen , aanschouwen wel is waar met starende
oogen en vurige harten dit ondoorgrondelijk
geheim, maar een sluier blijft altijd over die
hemelsche wellusten heengespreid Dewijl dit
dan dagelijks in honderd duizenden Missen
plaats vindt, o wie zal dat kunnen navorschen?
Wie kan dit uitspreken, wie ooit verklaren,
hoe vele, hoe groote , welke zoete hemelsche
wellusten, de H. Drievuldigheid uit al die
Missen ontvangt. O heerlijke, o zoete, o god-
delijke vreugde en wellusten! O alleidiefste
God, ik verheug mij hierover van ganscher
harte en wensch slechts, dat ik al deze
wellusten door mijne godsvrucht moge ver-
meerderen. Hierom bid ik u, o lieve Jezus!
dat gij in mijne plaats de H. Drievuldigheid
uioogt verblijden en beminnen , en voor mij
-ocr page 134-
110
VIJFDE HOOFDSTUK.
zult aanvullen , al wat ik U in liefde ben te
kort gebleven.
ü. Bemerkt eindelijk , welk heil en geluk
de zondige wereld dagelijks door deze her-
nieuwde geboorte in alle Missen ontvangt. Ja,
in waarheid kunnen wij zeggen, volgens den
profeet Isaias: Een klein kind is ons geboren,
en tot geschenk gegeven aan de zondige we-
reld. 0 , welk eene roemvolle eer! Welk een
rijk en kostbaar geschenk! Voorwaar geen
ander dan de dierbaarste schat des hemels,
geen ander dan de allerliefste Zoon des Aller-
heiligsten. Deze komt ook in alle Missen, ge-
lijk eertijds de H. Driekoningen uit een ver
afgelegen land kwamen , uit het vruchtbaar
paradijs en brengt onschatbare rijkdommen
des hemels met zich , namelijk: goddelijke
genade en barmhartigheid , berouw en ver-
geving der zouden , uitwissching der straffen
en schulden, genaden van eenen zaligen dood,
vermeerdering der hemelsche glorie , alsmede
tijdelijk geluk met zijnen goddelijken zegen. Al
deze genaden is Hij bereid aan allen, die de H.
Mis lezen of hoor en, rijkelijk uit te deelen.
Wordt dan de lieve Jezus in de Mis ge-
boren en ons als een geschenk gegeven , zoo
is Hij immers ook ons eigendom, en alles wat
Hij op het altaar verricht, behoort ons toe,
namelijk: de eer, de dank, de lof en hulde,
die Hij aan de H. Drievuldigheid bewijst. Zal
dit alles dan voor de menschen geen groote
troost wezen, als zij bedenken, dat niet alleen
-ocr page 135-
HERNIEUWING DER GEBOORTE.             111
de H. Mis , maar o >k het lieve kiud Jezus
zelf hun toebehoort. Waart gij dus met Kerst-
nacht in Bethlehem bij zijne geboorte tegen-
woordig geweest, en hadt gij het lieve kin-
deken Jezus in uwe armen genomen en aan
zijnen H. Vader opgeofferd , hem biddende t
dat Hij zich uwer ter wille van dit kind
mocht ontfermen, meent gij dan niet, dat Hij
u in genade opgenomen , en u alle zonden
vergeven zoude hebben? Welaan, doe dit dan
ook in de H. Mis, bijzonder ten tijde van den
Advent en het Kerstfeest; treed in den geest
tot het altaar, neem het kind Jezus in uwe
armen, gelijk eertijds de grijze Simeon in den
tempel, en offer het aan God den Vader op.
7. Ach , lieve Christenen ! beseft het wel r
hoezeer Christus onder de gedaante der H.
Hostie zich vernedert en als het ware ver-
nietigt. Want waar is hier de glorie , welke
zijn glorierijk lichaam toekomt? Waar is zijne
goddelijke almacht, welke terecht van alle
menschen moet aangebeden worden? Waar is
zijne doorluchtige majesteit, welke den gan-
schen hemel vol eerbied doet sidderen en
beven? Dit alles laat Hij daar, omeenealler-
nederigste gedaante aan te nemen. Want Hij r
die het eenwig Woord des Vaders is, spreekt
hier geen enkel woord uit! Hij, die de heme-
len gebouwd heeft, verroert hier noch hand,
noch voet! Hij, dien de hemelen niet kunnen
begrijpen , ligt hier onder de gedaante eener
kleine hostie verscholen !
-ocr page 136-
112
VIJFDE HOOFDSTUK.
Hij, die in alle majesteit op zijnen troon
zit, ligt hier als een gebonden offerlain op het
altaar , en is bereid zich nog eens voor ons
op geestelijke wijze te slachtofferen. O, welke
ondoorgrondelijke ootmoedigheid van den al-
lerheiligsten God van hemel en aarde! O,
welke onschatbare liefde voor ons, arme
menschen!
Lof en dank zij dan in alle eeuwigheid U
toegebracht, o allerzoetste Jezus! voor de on-
eindige liefde, waardoor Gij U gewaardigt, in
alle H. Missen van den hemel neder te dalen
op onze altaren, in zulke nederige gedaanten,
om door zulk eene onbegrijpelijke ootmoedig*
heid, den toorn uws hemelschen Vaders te
stillen, en de verschuldigde straffen van ons
af te wenden! Wij danken u van ganscher
harte voor deze onuitsprekelijke weldaad, wij
loven, prijzen en verheerlijken U uit al onze
krachten en bidden geheel het hemelsche
hof, dat het te gelijk met ons , U love en
prijze, om aldus te vergoeden, wat aan onze
daukbaarheid ontbreekt. Wij bidden U ook
ootmoediglijk de oogen van ons geloof te
openen, opdat wij die genadevolle geheimen,
welke Gij dagelijks iii alle Missen hernieuwt,
klaar mogen erkennen , waardig vereeren en
dat ze tot vermeerdering onzer eeuwige za-
ligheid mogen strekken. Amen.
-ocr page 137-
HERNIEUWING DEI! GEBOORTE.            113
VOORBEELD.
In de kerkelijke geschiedenis van Saksen
lezen wij , met welken ijver de beroemde
keizer Karel de Groote tegen de heidensche
Saksers streed , om ze tot het ware geloof te
brengen. Ofschoon dikwijls gedwongen hunne
afgoderij te verzaken, werden zij toch nog al-
tijd opgeruid door hunnen hertog Wittekind,
om het reeds aangenomen geloof te verloo-
chenen. Terwijl nu deze keizer voor de twaalfde
maal met een machtig leger gedurende den
vastentijd Saksen binnentrok , beval hij aan
het geheele leger, zich tot het ontvangen der
H. Sacramenten voor den paaschtijd voor te
bereiden. Terzelfder tijd had de hertog ook
«•ene groote begeerte het keizerlijk leger te
bezichtigen, om getuige te zijn van de ehris-
teljjke godsdienstplecbtigheden. Ten einde niet
erkend te worden, verkleedde hij zich in eenen
bedelaar, en vroeg den s ddtten eene aalmoes.
Ondertusscheu vorschte hij alle.3 na, zag op
Goeden Vrijdag de droefheid op ieders gelaat,
*/ag hoe zij vastten, baden, allen gingen biech-
ten en met Paschen de H. Communie ont-
vingen. God liet door een groot mirakel toe,
dat op Paaschdag, toen de priester de woor-
den der consecratie had uitgesproken, de her-
tog met lichamelijke oogen zag, hoe dé priester
een schoon kind in zijne handen had, op welks
aanzien hij eene onbegrijpelijke vreugde gevoelde
en gedurende de geheele Mis geen oog meer
Verkl. d. H. Mis.                                                 9
-ocr page 138-
114
VIJFDE HOOFDSTUK.
van den priester afsloeg. Toen Je soldaten tot
<1e H. (\'omninnie gingen, zag hij niet groote
verwondering, hoe de priester aan ieder dat
schoone kind uitreikte, en het door een ieder
genoten werd, ofschoon op velschillende wijze.
Want tot de eenen ijlde het kind niet won-
derbarc blijdschap, aan anderen wilde het zich
niet overgeven, worstelde niet handen en voe-
ten, maar werd toch genoodzaakt zich mede
te deelen. Dit alles zag de hertog met eigen
oogen , en kon zich over zulke ongehoorde
geheimen niet genoeg verwonderen. Na de
H. Mis verborg hij zich weder tusschen de
bedelaars; de keizer gaf ieder eene aalmoes ,
maar toen Wittekind kwam , bespeurde een
dienaar des keizers aan diens krommen vinger,
dat liij de hertog zelf was. De keizer liet
hem in zijne tent roepen en sprak tot hem :
Waarom geeft gij u uit voor eenen bedelaar,
daar gij de hertog van Saksen zelf zijt ?
Wittekind werd ten uiterste verbaasd van
schrik, en vreesde nu als een bespieder gevan-
gen te worden. Hij sprak aldus: „Uwe Ma-
jesteit zal mij dit niet kwalijk nemen , want
ik heb dit alles gedaan, om zoo veel te beter
den godsdienst der Christenen te kunnen na-
vorschen". „Wat hebt gij dan gezien" , her-
nam de keizer? En nu vertelde hij aan den
keizer al die wonderbare zaken, waarvan hij
zelf getuige geweest was. De keizer verwon-
derde zich zeer, dat God aan dezen verstokten
heiden de genade verleend had, het goddelijk
-ocr page 139-
HERNIEUWING DEB GEBOORTE. 11")
kind Jezus in de H. hostie met eigen oogen
te aanschouwen, eene genade, welke Hij aan
vele Heiligen geweigerd heeft. Daarna ver-
klaarde hem de keizer de oorzaak van al die
ceremoniën in den vnsten- en paaschtijd , en
bewoog zijn hart dusdanig, dat Wittekind het
heidendom afzwoer, en weldra den H. doop
kon ontvangen. Hij verkreeg ook van den
keizer eenige priesters, die in korten tijd liet
Christendom in Saksen verspreidden , en eene
algemeene bekeering van dit volk was er het
gevolg van.
-ocr page 140-
ZESDE HOOFDSTUK.
In do H. Mis hernieuwt Christus zijn leven.
1. Wanneer wij de groote geheimen der
H. Mis wel betrachten, ons levendig in \'t ge-
moed prenten op welke wijze Christus aldaar
verschijnt, ons alle geheimen van zijn won-
dervol leven zoo duidelijk voor oogen stelt en
wederom hernieuwt, Wan zouden wij nimmer
eene enkele Mis verzuimen, waarin de ver-
diensten van onzen Goddelijker] Verlosser ons
zoo rijkelijk geschonken en toegeëigend wor-
den. Immers de Mis is niets anders dan het
kort begrip van het gansene leven van Chris-
tus en eene hernieuwing van al deszelfs ge-
heiinen. Zij is evenwel niet alleen eene bloote
voorstelling, zooals iets dergelijks in de schouw-
burgen plaats heeft, maar eene werkelijke en
waarachtige herhaling van dezelfde daden,
welke Christus op aarde heeft verricht Want
in de Mis hebben wij datzelfde kind Jezus op
het altaar liggen , in doeken gewikkeld , van
de herders en de Koningen aangebeden en
door den II. Simeon in zijne armen gedragen.
Onder de Mis hooren wij hetzelfde Evangelie
van Christus verkondigen door den mond des
-ocr page 141-
HERNIEUWING VAN HET LEVEN.           117
priesters, wij zijn getuigen van veel grooter
mirakelen dan er op de bruiloft van Cana
plaats grepen; hier hernieuwt Hij zijn Laatste
avondmaal onder de consecratie. Hij wordt
door de priesters geestelijkerwijze geslacht-
offerd en aan den allerheiligsten Vader opge-
dragen, zoodat de meergemelde Sanchez zegt:
„dat men even zoo wel onder de 11. Mis ver-
geving zijner zonden en hemelsche genaden
verkrijgen kan, als of men bij al deze gehei-
men van het leven van Christus persoonlijk
tegenwoordig geweest was , waaruit wederom
blijkt, hoe heilzaam en verdienstvol de H.
Mi\'s is".
2. De vrome Dyonisius Carthusianus zegt:
„dat het gansche leven van Christus op de
wereld doorgebracht, slechts als het ware eene
enkele hooge Misofï\'erande geweest is, waarin
hij zelf\' én tempel én altaar , én priester én
offer was". Zijne geboorte wordt ons voorge-
steld bij het begin (introïtus) der H. Mis.
Het ..kyrie" heeft hij gezongen, weenende in
de kribbe. Het „gloria" werd gezongen door
de Engelen, die zijne geboorte verkondigden.
De „collecten" of de „gebeden" stellen ons
de gebeden van Christus voor, geheele nach-
ten doorbrengende met bidden. Het ,,evange-
lie" zijne predikatie door geheel het joodsche
land. Het „offertorium" heeft hij gelezen,
toen hij zich dagelijks aan Zijnen Hemelschen
Vader tot verlossing van het menschdom op-
droeg. De „prefatie", toen Hij de Godheid on-
-ocr page 142-
118                       ZESDE HOOFDSTUK.
ophoudelijk geprezen en gedankt heeft. Het
„sanctus" hebben de Joden gezongen op Palm-
zondag, uitroepende: Gezegend, die komt in
den naam des Meeren. De „consecratie" heeft
hij gewrocht in het laatste Avondmaal. De
„elevatie" of „opheffing" is geschied toen Hij
aan het kruis <fena<feld, in de hoogte geheven
werd. Het „pater noster" heeft hij gebeden,
sprekende zijne zeven laatste woorden aan
liet kruis. Het breken der hostie beduidt het
«ogenblik, waarop zijne allerheiligste ziel van
zijn gebenedijd lichaam is gescheiden. Het
„agnus Dei" heeft de hoofdman bij het kruis
gebeden, kloppende op zijne borst en uitroe-
pende: Waarlijk deze was de Zoon Gods. De
„communie" is geschied toen zijn dood lichaam
gezalfd en in het graf gelegd werd. Eindelijk
heeft hij den „laatsten zegen "gegeven toen hij
bij zijne glorierijke hemelvaart zijne leerlingen
met uitgestrekte handen den laatsten zegen gaf.
Ziedaar de uitvoerige Mis , welke Christus
op aarde heeft gevierd, en waarvan hij het
kort begrip aan zijne apostelen en hunne
wettige opvolgers heeft achtergelaten; zoodat
de geleerde Fornerus aldus spreekt: „De Mis
is een kort begrip van het leven van Christus,
waarin ons op een hall uur wordt voorgesteld,
wat Christus in drie-en-dertig jaren op aarde
verricht heeft". Op deze wijze worden alle
geheimen van het leven en den dood van
Christus te zamen gevat en ons in het kort
voor oogen gesteld. Wij zijn dan even zoo
-ocr page 143-
HERNIEUWING VAN HET LEVEN. 119
gelukkig, ja zelfs gelukkiger dan die men-
schen, welke niet Christus zelven op aarde
verkeerden; deze zijn slechts eenmaal getuige
geweest van zijn wondervol leven en dood;
wij echter kunnen, met dagelijks Mis te hoo-
ren, ons met weinig moeite de vruchten van
het geheele leven van Christus verwerven, en
wel zoo menigmaal als wij zulks verkiezen.
Opdat wij echter nog klaarder erkennen,
dat Christus alle geheimen zijns levens her-
nieuwt onder de H. Mis, wil ik hiervan eene
waarachtige geschiedenis naar een ooggetuige
zelven verhalen.
VOORBEELD.
Thomas van Cantimpré, wijbisschop van
Kamerijk, beschrijft ons, hetgeen in het jaar
1254 te Douai heeft plaats gehad in de kerk
van den H. Amatus. Een priester was aldaar
bezig de H. Communie uit te deelen, en zag
tot zijnen grooten schrik, dat eene H. hostie
op de aarde lag. Hij valt op zijne kniëen en
wil ze met allen eerbied opnemen, maar zag
toen, hoe zij zich van zelve bewoog en in de
lucht zweefde Hij nam het kelkdoekje in
zijne hand, legde het onder de H. hostie,
welke daarop kwam rusten. Alsdan droeg hij
ze met innige vreugde naar het altaar, en ze
eerbiedig aanstarende, zag hij tot zijne grootste
verwondering de gedaante der H. hostie ver-
-ocr page 144-
i20                         ZESDE HOOTDSTtK.
dwijnen en in de gedaante van een klein kind
veranderen. De priester begon van vreugde te
weenen, en zoo overluid, dat alle koorheeren
hem wilden te hulp komen. Deze zagen allen
hetzelfde verschijnsel; het volk snelt oogen-
blikkelijk toe, om getuige van het groote
wonder te wezen. Maar ziet een nieuw won-
der gebeurt; want de leeken zagen in plaats
van een kind , Jezus in zijne mannelijke ge-
stalte en in zijne goddelijke majesteit. Allen
vallen ter aarde neder, ootmoedig op hunne
borsten om genade slaande, zoo lang Christus
zich aan hen vertoonde, en dit had plaats ge-
durende een geheel uur. Wat iedereen op dit
oogenblik ondervond, laat zich beter gevoelen
dan uitdrukken.
Dit mirakel kwam weldra ter oore van den
bisschop Thomas, die zich haastte naar Douai
te reizen , om er zich van te overtuigen. Hij
kwam bij den zeer eerwaarden deken van het
kapittel aan, die hem al het voorgaande be-
vestigde. „Daar ontstond in mij", schrijft de
bisschop zelf\', „eeiie groote begeerte om Chris-
tus ook te zien , en ik verzocht den deken
mij de H. hostie te toonen. Deze opende het
tabernakel, niet zonder eenigen schrik; maar
nauwelijks had hij den zegen met het Sacra-
raent gegeven of het volk roept wederom met
luider stemme: „o Jezus! o Jezus!" Ik vroegT
wat dat geschreeuw beduidde en het ant-
woordde: wij zien onzen beminden Heiland
niet lichamelijke oogen. Maar ik, ik kon niet»
-ocr page 145-
HERNIEUWING VAN HET LEVEN. 121
anders zien dau de gedaante der H. hostie en was
hierover zeer bedroefd, meenende om mijne zon-
den niet waardig te wezen Christus te aanschou-
wen. Ik onderzocht mijn geweten en daar ik mij
aan niets bijzonders plichtig meende, bad ik
Christus met weenende oogen zich te gewaardi-
gen zich ook aan mij te vertoonen. Weldra werd
ik verhoord, en ik zag niet de gedaante eens
kinds, maar de lichamelijke gestalte van eenen
volwassen man. Ik zag Christus geheel klaar
en duidelijk met heldere oogen, het haar tot
op de schouders, met eenen tamelijk langen
baard, een weinig gekruld onder de kin, zijn
voorhoofd was glad en breed , zijne wangen
een weinig mager, met langen hals en gebo-
gen hoofd. Nadat mijn hart, als het ware
van liefde versmolten was, verandert eensklaps
deze liefelijke gestalte in eene zeer droevige
en ik zag hem juist als in zijn bitter lijden,
met zijne doornen kroon, met veel bloed ver-
mengel, hetwelk uit zijn hoofd over den neu&
en de wangen heenvloeide. Bij dit erbarmelijk
schouwspel kon ik mijne tranen niet langer
bedwingen, ja, ik meende zelfs, dat de door-
nen in mijn hoofd doordrongen. De menigte
volks, hierbij tegenwoordig, weende bitterlijk,
dewijl een ieder iets bijzonders aanschouwde.
Want eenigen zagen Jezus Christus op het-
zelfde oogen blik in de gestalte van een kind,
anderen van eenen jongen knaap , dezen als
een volwassen jongeling en genen in zijn
lijden. Wat hier in hunne harten omging,
-ocr page 146-
122                       ZESDE HOOFDSTUK.
is onmogelijk te beschrijven". Cantiprat. Apum.
lib. 2, cap. 40, p. 2.
Dit wonder wordt bevestigd door alle ker-
kelijke geschiedschrijvers van België. Het
duurde verscheidene dagen en was zichtbaar
voor duizenden en duizenden menschen. Ook
hebben de pausen eene broederschap ter ge-
legenheid van dit wonder aldaar opgericht,
met vele aflaten verrijkt, en alle honderd
jaren heeft er nog een plechtig jubelfeest
plaats tot herinnering aan deze gebeurtenis.
Welk een schoon, hartroerend en troostend
tooneel! O, zal hier een ieder uitroepen, ware
ik ook bij zulk een schouwspel tegenwoordig
geweest! O, hadde ik ook eene dusdanige ge-
nade mogen ontvangen, mijnen Heiland in
zoo vele gedaanten te kunnen aanschouwen!
Welke vreugde , welken troost en zoetigheid
des harten zoude ik ondervonden hebben!
Maar alhoewel ik U, o dierbare Jezus ! nooit
in de H. hostie lichamelijk heb aanschouwd,
geloof ik nochtans vastelijk, dat Gij er waar-
achtig tegenwoordig zijt. Hetgeen Christus
toen op eene wonderbare wijze gedaan heeft,
iets dergelijks doet hij in iedere Mis, waarin
hij zijn geheel leven en lijden hernieuwt en
het aan den Hemelschen Vader, aan den H.
Geest, aan zijne beminde moeder , aan alle
liemelsche koren van Engelen en Heiligen zoo
klaarblijkelijk voorstelt, als of dit alles wederom
werkelijk plaats had.
Met deze levendige voorstelling en waarach-
-ocr page 147-
HERNIEUWING VAX HET LEVEN. 123
tige hernieuwing van zijn heilig leven en
lijden, verschaft hij aan den Hemelschen Vader
geen geringere verheerlijking dan eertijds, ge-
durende de verschillende tijdvakken zijns le-
vens ; en daarom ontvangt de hemel door de
eene enkele Mis onvergelijkelijk meer eer, dan
door alle andere goede werken , welke wij in
dit leven verrichten. Want in iedere Mis eert,
looft, bemint , dankt, dient en verheerlijkt
Christus de allerheiligste Drievuldigheid uit
de gansche kracht zijner Godheid en mensch-
heid, en uit den geheelen grond zijns harten,
en dat op zulk eene onbegrijpelijke wijze, dat
deze verschillende oefeningen allen lof en alle
liefde der Engelen , alle eer en diensten der
Heiligen , welke zij Hem op aarde bewezen
hebben, oneindig ver overtreffen; waaruit men
klaar kan opmaken , welk een hoogon eere-
dienst de II. Mis is en hoe veel men door
haar bij God kan uitwerken.
Overweegt eindelijk , hoe vele groote ver-
diensten wij door de Mis kunnen verwerven.
Christus heeft drie en dertig jaren op aarde
gearbeid en hierdoor eenen overvloediyen schat
van verdiensten verzameld , niet voor zich,
maar voor ons, zijne arme kinderen. En toch
laat Hij ook nu niet na voor ons te zorgen ,
niet alsof Hij opnieuw verdiende, maar door
ons in staat te stellen , ons zijne oneindige
verdiensten toe te eigenen. Daarom hernieuwt
Hij in iedere II. Mis zijn heilig leven en stelt
dit alles zijnen Vader voor oogen , opdat Hij
-ocr page 148-
124
ZESÜK HOOFDSTUK.
ons genadig zij en onze schulden vergeve. Dit
alles offert Hij aan zijnen Hemelschen VaderT
om onze schuld te betalen; en zijn wij zelven bij
de H. Mis aandachtig tegenwoordig, dan schenkt
Hij ons tevens in overvloedige mate, naar gelang
van onze gesteltenis, kwijtschelding onzer nog
te boeten straffen.
Dankt dan dezen getrouwen Vriend, die u
zulk eenen rijken schat heeft verzameld, en
verzuimt dus niet de H. Mis bij te wonen,
om door zulke geringe moeite, eenen dusda-
nigen grooten schat deelachtig te worden, en
eeuwigdurende rijkdommen te verwerven. God
moge uwe verblindheid wegnemen, uwe traag-
heid opbeuren en u met eenen nieuwen ijver
voor de H. Mis bezielen!
Uk
-ocr page 149-
-Mr \'Mr ~M~ -Mr \'Mr -M" -M-
ZEVENDE HOOFDSTUK.
In de H. Mis hernieuwt Christus zijn
gebed.
1. De beminde apostel van Jezus Christus,
de H. Joannes, schrijft in zijnen eersten brief
de volgende woorden : ,,W(j hebben eenen
voorspreker bij den Vader, Jezus Christus,
den rechtvaardige, en deze is de verzoening
voor onze zonden". Is dat niet eene troost-
volle verzekering voor ons eeuwig heil, daar
de EL Schrift zelve getuigt, dat juist de zoon
Gods zelf, die de ware Hechter is der leven-
den en der dooden, ook onze voorspreker en
zaakgelastigde is.
Doch het is hier de vraag, wanneer en
waar Christus dit verheven ambt verricht?
De katholieke Kerk gelooft en leert ons, dat
Christus niet alleen in den hemel, maar ook
op aarde voor ons bidt en ons aan den He-
nnelschen Vader aanbeveelt. Dit getuigt de
geleerde Suarez, zeggende: „Zoo dikwijls de
H. Mis wordt opgeofferd , zoo dikwijls bidt
Christus voor hem, die ze opdraagt, alsmede
voor diegenen, voor welke zij wordt opge-
dragen".
-ocr page 150-
12G                    ZEVENDE HOOFDSTUK.
2.   Op welke wijze zulks geschiedt, beschrijft
ons de H. Laurentius Justinianus: „AlsChris*
tus op het altaar geslachtofferd wordt, dan
roept Hij tot zijnen Henielschen Vader . en
toont Hem zijne heilige wonden, opdat deze
de menschen door zijns Zoons vurig gebed
van de eeuwige straften beware". Schoone
woorden voorwaar, die ons aantoonen hoe "e-
trouw de goede Jezus voor ons bidt, en hoe
ijverig Hij zich onze eeuwige zaligheid aan-
trekt. Dit heeft Hij op deze aarde gedaan
volgens de getuigenis van het Evangelie, dat
ons zegt , dat Hij nienigen langen nacht in
aanhoudend gebed heeft doorgebracht. Zoo
lezen wij bij den H. Lucas, cap. vi, 12 : „Hij
ging uit op den berg om te bidden , en Hij
bracht den nacht in gebed met God door".
En wat meent gij wel, voor wien Hij gebe-
den heeft ? Xiet voor zich , maar voor mij ,
voor u en voor alle menschen heeft hij me-
nigen nacht in gebed doorgebracht , om ons
van den eeuwigen ondergang te bewaren, ge-
lijk dezelfde Laurentius zegt. Dewijl Christus
voorzag, hoevele menschen, voor welke hij den
bitteren dood moest lijden , eeuwig zouden
verloren gaan, perste hem deze ondergang der
zielen duizenden tranen uit zijne milde oogen
en duizenden zuchten uit zijn medelijdend hart.
3.    Al deze vurige gebeden hernieuwt en
herhaalt onze goddelijke Verlosser in elke
H. Mis, en stelt deze zoo klaar aan God den
Vader voor oogen , of Hij ze alle nog eens
-ocr page 151-
CHRISTUS HERNIEUWT ZIJN GEBED. 127
uitsprak. Hij toont Hem ook die heete tranen,
welke Hij voor het heil der zondaren gestort
heeft, telt Hem op die hartelijke zuchten,
welke voor het behoud der zondaren uit zijne
borst zijn opgeweld, en rekent Hem voor, die
menigvuldige nachten, welke Hij in waken en
bidden voor het heil der zondaren heeft door-
gebracht. Dit alles, wel is waar, draagt Hij
op voor het heil der gansche wereld , voor-
naraelijk echter voor het heil dergenen , die
bij de H. Mis tegenwoordig zijn. Bedenk nu
hoe heilig, hoe aandachtig, hoe krachtig zulk
een gebed moet wezen , hetwelk de Heilige
aller Heiligen, Jezus Christus, de Zoon Gods
in eigen persoon uit de geheele kracht zijner
goddelijke menschheid uitspreekt. O mijn God!
hoe krachtdadig, hoe heilig moet zulk een
gebed zijn! Hoe heilzaam moet dit hun we-
zen , voor welke het wordt gesproken! Hoe
aangenaam moet het den Hemelschen Vader
wezen tot wien het gericht wordt! Hoe wel-
gevallig aan de H. Drievuldigheid aan welke
het wordt opgeofferd !
4. Bemerkt verder, dat Christus op het
altaar niet alleen voor alle tegenwoordigen
bidt, maar, opdat zijn gebed des te krachtiger
zij, zich ook voor hunne zaligheid aan den
Hemelschen Vader opoffert. Hoe krachtig, hoe
heilzaam deze offerande is , wie zal het ooit
kunnen doorgronden ! Hoort, wat hiervan in
de openbaringen van de H. Gertrudis te lezen
staat: „Bij de opheffing der H. hostie zag
-ocr page 152-
128                    ZEVENDE HOOFDSTUK.
deze Heilige, hoe Christus zijn geb^ne1
hart onder de gedaante van eenen goiu
kelk niet zijne eigene handen omhoog hi
het zijnen Hemelschen Vader voorstelde , »
zich zelven op zulk eene onuitsprekelijke wi;
voor zijne Kerk opofferde, dat geen schep
ooit vermag zulks te begrijpen".
Bemerkt dus uit dit alles , welk hoog g
heim en welke hoogst gewichtige, goddeliJKi
offerande de H. Mis is. Staat verbaasd, over
de ondoorgrondelijke wijze, waarop onzeHeila>"
zich zelven in iedere H. Mi3 aan zijnen He
melschen Vader voor het heil der geloovigt.
opoffert, dewijl deze manier van offeren geei
mensch, noch Engel, noch de H. Moeder God
zelve kan doorgronden. En hoe offert Hij ziei\'
opV Niet in zijne glansrijke majesteit, waar
mede Hij thans in den hemel troont , man
onder het uiterlijke van een slaaf, dat Hij
mensch wordende, heeft aangenomen.
5. In deze nederige gedaante, roept hij va\'
het altaar tot zijnen Hemelschen Vader, me
zulk eene almachtige st< m, dat zij de wolk»
doorklieft, de hemelen doorbreekt, ten eim
de goddelijke barmhartigheid te genaken. Wa
Hij staat op, als \'t ware van zijnen godd
lijken troon, berooft zich van zijne majeste\'
verbergt zich ouder de gedaante der H. hos)
en roept met volle kracht tot den almac
tigen God om barmhartigheid voor zijn g
liefd volk, zeggende als \'t ware: „0 Hemelse
Vader, aanschouw uit de hoogte des hem<
-ocr page 153-
CHRISTUS HERNIEUWT ZIJN GEBED.        129
c/e mijne uiterste vernedering; zie, hoe ik
\'\'• v?or U verootmoedig! Dit alles doe ik
iör de arme zondaars, opdat Gij hen zoudet
. \'rgeven en genadig zijn. Zij hebben zich
"\'gen U verzet, uwe geboden met voeten ge-
leden, maar ik, ik verneder mij voor U. Zij
ebben U door hunne zonden vertoornd, maar
ik, ik wil mij voor hen ten beste geven. Zij
Hebben de rechtvaardige wraak verdiend, maar
\'ik, ik zal haar door mijn vurig gebed trach-
ten af te wenden. Daarom , om mijnentwil,
\' u mijn Vader! gelief hen te verschoonen, en
•straf ze niet volgens uwe gerechtigheid. Geef
\'ife toch niet over aan den nijdigen satan, en
\'laat ze niet voor eeuwig verloren gaan ; want
\'>.ij behooren mij toe en zijn door mijn bloed
\'vrijgekocht. Maar bijzonder bid ik U , aller-
"•iefste Vader, voor alle hier tegenwoordige
Zondaars en zondaressen, voor welke ik thans
•nog eens mijn leven ten beste geef en mijn
bloed op geestelijke wijze vergiet, opdat Gij
\'*,e door de kracht van mijn H. bloed en bit-
•V.eren dood van den eeuwigen dood moget
\'^ewaren\'\'.
! 6. O mijn lieve Zaligmaker! waartoe leidt
r dan toch de liefde voor uwe dierbare ge-
\'iovigen, dat Gij U hun lot zoodanig aan-
\'*èkt, zoo veel op het altaar voor hen doet,
\'fa ijverig voor hen bidt? Deze uwe groote
.yfde kunnen wij nimmer hoog genoeg schat-
\'in, en slechts door het vlijtig Mishooren
\'enigszins vergelden. Wie zal dan niet gaarne
-\'-- Veikl. d. H, Mis.                                                           |Q
-ocr page 154-
130                    KETKXDtt KOOVÜSTl\'K.
de H. Mis bijwonen, daar hij weet, dat Chris-
tus zelf voor zijn heil bidt, zijn lijden her-
nieuwt en zich zelven op eene onuitsprekelijke
wijze slachtoffert ? Wie zal niet op zulk eene
voorbede vertrouwen V Wie zoude niet harte-
lijk verlangen, zulk eenen voorspreker te be-
koruen? O, hoe licht kunt gij hem bekomen!
ja, gij hebt hem inderdaad zoo dikwijls als
gij de H. Mis aandachtig bijwoont. Er is
geen twijfel, dat Christus , hangende aan het
kruis, de onder het kruis staande geloovigen
aan zijnen H. Vader bijzonderlijk heeft aan-
bevolen , en hun de vruchten zijns lijdens op
gansch bijzondere wijze heeft toegevoegd; zoo
ook lijdt het geen twijfel , dat Christus het-
zelfde doet voor de omstanders in de H. Misr
voornamelijk, wanneer zij Hem smeeken hun
voorspreker te zijn, en zij Hem bidden, zich
zelven voor hen te willen opofferen. Want
dan bidt Jezus even zoo krachtig voor hen ,
als Hij aan het kruis voor zijne vijanden ge-
beden heeft. En wat zal zulk een gebed niet
kunnen uitwerken? Wat heil zal het ons niet
verwerven ? O , welk eene vaste hoop der
eeuwige zaligheid zal het in ons verwekken,
indien wij verzekerd zijn , dat de eenigge-
boren Zoon Gods zich gewaardigt dagelijks
voor ons te bidden , en de moeielijke zaak
onzer zaligheid op zich te nemen!
7. Indien de allerzaligste Maagd Maria u
verscheen en tot u sprak: Mijn lief kind, wil
niet vreezen, want ik beloof u, dat ik de ge-
-ocr page 155-
CHRISTUS HKRXIKIWT ZIJN GEBKD.        131
vaarlijke zaak uwer zaligheid op mij zal nemen,
mijnen Zoon onophoudelijk voor u bidden, en
niet zal nalaten, tot dat Hij mij belooft u
zalig te maken, zoudt gij dan niet opspringen
van vreugde en uit geheel uw hart uitroepen:
Nu ben ik van harte getroost; nu heb ik niets
meer voor mijn eeuwig heil te vreezen; want
Maria zelve is mij verschenen en heeft mij
gerust gesteld. Wanneer wij dus met gegronde
redenen zulk een groot vertrouwen op de
krachtige voorbede der Moeder Gods zouden
stellen, waarom stellen wij dan geen grooter
vertrouwen op de almachtige voorbede van
Jezus Christus zelven, die ons niet alleen be-
looft voor ons eeuwig heil den Hemelschen
Vader te bidden, maar in elke H. Mis, waarin
wij tegenwoordig zijn, bijzonderlijk voor ons
bidt, en Gods strenge rechtvaardigheid geweld
aandoet, dat Hij ons toch niet volgens onze
zonden zoude straffen , maar ons moge ge-
nadig zijn. Want Jezus Christus bidt niet
alleen, maar met Hem bidden, ja, roepen zijne
weenende oogen met zoo vele opwekkingen
als Hij tranen gestort heeft; met Hem roepen
zijne H. wonden, met zoo vele stemmen als
er wonden in zijn H. lichaam geweest zijn ;
met Hem roept zijn kostbaar bloed, niet zoo
vele woorden als er druppels uit zijne smar-
telijke wonden gevloeid zijn ; met Hem roept
ook zijn goddelijk hart, met zoo vele bewe-
gingen als er zuchten uit hetzelve geslaakt
zijn. Deze stem van het H. bloed, en dit
-ocr page 156-
132                    ZEVENDE HOOFDSTUK.
roepen der wonden, der tranen en zuchten is
almachtig, dringt door de wolken heen, door-
klieft de hemelen en doorboort het hart des
Heinelschen Vaders Wat zal zulk reu geroep
dan niet vermogen ! Welke genaden zal het
ons niet schenken, welke kwalen zal het niet
van ons afwenden !
8. Daar gij dus weet, dat Christus in de
H. Mis voor alle aanwezenden inzonderheid
bidt, waarom zijt gij dan zoo traag om ze
bij te wonen en aan zijn gebed deelachtig
te worden? Gij beklaagt u dikwijls, dat gij
niet aandachtig kunt bidden, waarom gaat gij
dan niet naar de H. Mis, opdat Christus al-
daar voor u bidde? r Immers, Hij roept u
toch zoo vriendelijk toe: „Komt tot mij, allen
die vermoeid en beladen zijt, en ik zal u ver-
kwikken". Zoo riep Hij nog op deze aarde
rondwandelende, maar van het altaar schijnt
Hij u toe te roepen: „Komt tot mij , gij
allen die niet aandachtig kunt bidden , en ik
wil voor u bidden". O, ellendige mensch, waar-
om luistert gij niet naar zulke treffende en
hartroerende uitnoodigingen? Gij pleegt im-
mers in uwen nood naar andere menschen te
loopen, hun te klagen , en u in hunne gebe-
den aan te bevelen. Als gij dus op het gebed
eens menschen vertrouwt, waarom vertrouwt
gij dan niet veel meer op het gebed van
Christus zelven? Gij zijt toch in zulk eenen
grooten nood, in gevaar van misschien eeuwig
verloren te gaan. Dewijl gij dus weet, dat
-ocr page 157-
CHRISTUS HERNIEUWT ZIJN GEBED.        133
het u niet mogelijk is, door uwe eigene krach-
ten de eeuwige zaligheid te bekomen , neem
dan in dat groot gevaar dagelijks uwe toe-
vlucht tot de H. Mis, opdat Christus voor u
moge bidden en uw voorspreker moge wezen.
9. Uit al het voorgaande blijkt genoeg-
zaaui, hoe krachtig de goede Jezus op het
altaar voor ons bidt, en hoe heilzaam dit ge-
bed voor ons allen is. Dit alleen blijft nog
overig, dat gij uw gebed met het gebed van
Christus vereenigt of Hem smeekt, dat Hij
het met Zijn gebed moge vereenigen, waar-
door het zoo krachtig wordt , dat het vele
andere gebeden verre overtreft.
Dit bewijst ons de meer gemelde bisschop
vau Hebron , Fornerus, zeggende : ,,I)e gebe-
den , welke door hem , die de H. Mis aan-
dachtig hoort, en Gode voor zich opoffert, met
het Misoffer vereen igd worden, overtreffen
verre alle andere langdurige en ijverige ge-
beden en hemelsche beschouwingen, wegens
de kracht der verdiensten van het lijden van
Christus, die zijne macht in de H. Mis door
eenen wonderbaren overvloed van hemelsche
genaden toont. Want gelijk het hoofd het
edelste deel des lichaams uitmaakt en alle
andere ledematen in waardigheid overtreft ,
zoo overtreft ook het gebed van Christus, die
ons hoofd is en in de H. Mis voor ons bidt,
het vereenigde gebed van alle Christenen, zijne
ledematen".
Wanneer dan de mensch zijn zwak gebed,
-ocr page 158-
134                   ZEVENDE HOOFDSTUK.
dat hij onder de H. Mis spreekt, met liet
alleredelste gebed van Christus vereenigt ,
wordt het, gelijk eene koperen munt, in ge-
smolten goud geworpen, verguld wordt, even-
eens door de samensmelting met het »-ebed
des Verlossers veredeld; het wordt tegelijk
met het goddelijk gebed van Christus ten
hemel gedragen en de Godheid als eene wel-
gevallige gave aangeboden. Hieruit volgt dus,
dat een zonder uwe schuld verstrooid gebed,
onder de H. Mis uitgesproken , veel beter is
dan een ijverig gebed te huis verricht. Daar-
oin doen de geestelijken , die hunne getijden,
alsook de wereldlijke menschen, die soms lange
gebeden te huis bidden, veel beter deze te
bidden onder het Mishooren, dan daar buiten.
Want indien zij deze onder de H. Mis bid-
den, niet de meening tegelijkertijd ook de
H. Mis te hooren en hun gebed met dat des
Verlossers te vereenigen, zoo zullen zij veel
meer verdienen, dan wanneer zij te huis of
elders bidden. Hierdoor zullen zij aan alle
genaden, welke in dit boek beschreven zijn ,
deelachtig worden en eenen yrooten schat
van verdiensten voor den hemel inzamelen.
-ocr page 159-
ACHTSTE HOOFDSTUK.
In de H. Mis wordt het lijden van Christus
hernieuwd.
1.   Onder alle geheimen van Christus\' leven
is er voorzeker geen nuttiger en waardiger te
overwegen en te vereeren, clan zijn bitter lij-
den en dood. Overschoon spreken hiervan de
H. Vaders en beloven hun, die het bitter lij-
den van Christus vlijtig vereeren, eene rijke
vergelding voor God.
Alhoewel er echter vele nuttige manieren
zijn om zulks te doen, vermeen ik nochtans,
dat men het niet beter, noch waardiger kan
vereeren, dan door het aandachtig Mis-hooren.
Want op het altaar is Hij wezenlijk tegen-
WOOfdig, aldaar wordt Zijn bitter lijden dage-
lijk.s hernieuwd; daarom kan men het des te
beter betrachten.
2.    Dat onder de H. Mis het lijden van
Christus op eene geestelijke wijze hernieuwd
wordt, is toch zonneklaar; want alles , wat
zich aldaar aan onze oogen voordoet, zijn niet
anders dan kruisbeelden, kruisen en kruistee-
kenen. In den altaarsteen zijn vijf kruisen uit-
gehouwen, welke met menigvuldige kruistee-
kenen door den bisschop zijn gewijd. Op het
-ocr page 160-
136                    ACHTSTE HOOFDSTUK.
altaar staat een kruisbeeld , insgelijk op de
hostie, zoowel als in het misboek voor de ge-
beden der elevatie. Alle miskleederen zijn ge-
teekend met het kruis, de priester ttekent
zich zelf zestien maal en de offerande negen
en twintigmaal met het kruis. Wat betee-
kenen deze menigvuldige kruisen anders, dan
dat het bloedige offer van het kruis, het
bitter lijden en de dood, ons voorgesteld, her-
haald en hernieuwd wordt?
3. Alhoewel Christus onder het Laatste
Avondmaal tot zijne Apostelen zeide : „Doet
dit te mijner gedachtenis", geschiedt nochtans
het Misoffer niet alleen ter herinnering, maar
ook ter hernieuwing van het bitter lijden van
Christus. Want aldus spreekt de katholieke
Kerk, Trid. sess. 22, can. 3: „Indien iemand
zegt, dat het Misoffer___ eei^ • bloote gedach-
tenis zij van het sacrificie aan het kruis vol-
bracht___ die zij gedoemd". En in dezelfde
zitting: „In dit goddelijk Sacrificie, \'t welk in
de H. Mis wordt opgedragen , is dezelfde
Christus behouden en wordt op onbloedige
wijze geslachtofferd, die zich zelven eens op
het altaar des kruises op bloedige wijze heeft
opgeofferd". „Want het is een en hetzelfde
offer, een en dezelfde offeraar, nu door den
dienst der priesters, die zich aan het kruis
heeft opgeofferd ; alleen de manier van offeren
is verschillend". Want aan het kruis heeft Hij
zich zelf op bloedige wijze opgeofferd, of-
schoon Hij door de handen der beulen ge-
-ocr page 161-
HERNIEUWING VAN HET LIJDEN.         137
slacht werd; op het altaar offert Hij zich
zelf op onbloedige wijze, ofschoon door de
handen en den dienst der priesters, en wordt
Hij door hen op geestelijke wijze geslacht.
De H. Mis is dus eene voorstelling van het
lijden en den dood van Christus; niet eene
voorstelling in woorden, maar eene wezenlijke
voorstelling; daarom noemen de H. Vaders
de Mis „het herhaalde lijden van Christus" en
zeggen ons dat Christus in de H. Mis op ge-
heimnisvolle wijze zijn lijden ondergaat en ge-
dood wordt. „Want", zegt Marchantius, „ge-
lijk Christus eenmaal lijdend de zonden der
geheele wereld op zich genomen heeft, om ze
met zijn bloed uit te wisschen, zoo laden wij
dagelijks onze zonden op Hem, als op het-
zelfde Lam Gods, hetwelk op het altaar moet
geslacht wordei*.; om onze misdaden uit te
wisschen". In deze woorden lezen wij de re-
den , waarom Christus zijn lijden in alle H.
Missen hernieuwt.
4. De beroemde pater Segneri geeft hiervan
eene schoone uitlegging : „Toen Christus op
aarde leefde, voorzag Hij door zijne godde-
lijke wijsheid, dat, niettegenstaande zijn bitter
lijden, vele millioenen menschen verdoemd en
zijner verlossing niet deelachtig zouden wor-
den. Als onze ware broeder beminde Hij
echter de zaligheid der menschen op onein-
dige wijze en had overgroot medelijden met
het eeuwig verlies van zoo vele zielen. Christus\'
liefde jegens de menschen werd nu nog meer
-ocr page 162-
138                     ACHTSTE HOOFDSTUK.
ontstoken om ons, arme, ellendige zondaars
ter hulp te komen. Daarom vond Hij in zijne
goddelijke wijsheid een middel uit, waardoor
Hij ook na zijnen dood op de wereld ver-
blijven, zijn genadenrijk lijden voortzetten, en
evenals aan het kruis hangende, onophoudelijk
voor onze zaligheid God bidden kon.
Dit wonderbaar middel was geen ander dan
het allerheiligste Misoffer, in hetwelk hij da-
gelijks, ja, onophoudelijk geestelijker wij ze aan
het kruis hangende voor ons lijdt en met eene
almachtige stem tot God om barmhartigheid
roept, gelijk Christus eens openbaarde aan de
H. Coleta. Zij zag eens onder de elevatie
Christus aan het kruis hangen en met zijne
bloedende wonden tot zijnen Hemelschen Va-
der uitroepen: „Aanschouw, mijn Vader, deze
gedaante , welke ik aan het kruis heb gehad
en in welke ik voor de wereld geleden heb.
Aanschouw mijne wonden, mijn vergoten bloed,
geef acht op mijn lijden en mijnen dood. Dit
alles heb ik daarom geleden , opdat de arme
zondaars niet zouden verloren gaan. Nu echter
wilt gij ze voor hunne zonden verdoemen. Wie
vergeldt mij dan mijn lijden en mijnen dood ? ik
zal van de verdoemde zondaars niet alleen gee-
nen dnnk te verwachten hebben, maar zij zullen
mij en mijn lijden voor eeuwig vervloeken. Maar
worden zij zalig, dan zullen zij mij eeuwig gebe-
nedijden en mij voor mijn lijden danken".
5. Hieruit ziet gij, hoe Jezus onder de H.
Mis bidt en zijn bloed voor ons om barmhar-
-ocr page 163-
HERNIEUWING VAX HET LIJDEN.         139
tigheid roept. Dan, wijl de Mis eene vernieu-
wing is van het lijden van Christus , daarom
moet ook onder dezelve plaats hebben wat
aan het kruis heett plaats gehad. Toen riep
Jezus uit: „Vader, vergeef hun, want zij
weten niet wat zij doen". Evenzoo roept hij
ook onder de H. Mis op het altaar voor alle
zondaars der wereld, maar bijzonder voor hen,
die de H. Mis bijwonen. Deze stem is al-
machtig en van oneindige kracht; want zij
dringt door de wolken tot in Gods vaderlijk
hart. Daar vervult Christus het ambt van
voorspreker , waarvan de H. «lohannes zegt :
,,Wij hebben eenen voorspreker bij den Vader,
Jezus Christus, den rechtvaardige". Hij bidt
wel is waar in den hemel voor ons , maar
ook bidt Hij inzonderheid op het altaar, de-
wijl Hij aldaar zijn priesterlijk ambt uit-
oefent op aarde en het den priesters toekomt
voor de zonden des volks te bidden.
O! hoeveel goeds werkt Christus op het
altaar uit! Ach, hoe menigmaal weerhoudt
hij niet den straffenden arm van den He-
melschen Vader, gereed om ons te verdelgen.
O! hoe dikwijls waren gansche landstreken te
gronde gegaan, had Christus ze niet door zijn
gebed behouden ! Hoe vele duizenden zielen
ra
waven thans in de eeuwige vlammen , hadde
Christus ze door zijne almachtige voorbede
hiervan niet bevrijd V O zondaars! woont toch
met allen ijver de H. Mis bij, opdat gij, deel-
achtig aan de voorbede van Christus, van vele
-ocr page 164-
140                     ACHTSTE HOOFDSTUK.
kwalen moogt bewaard blijven; want, zoo dik-
wijls gij met aandacht de H. Mis bijwoont,
wordt ons de waarde en de kracht van het
lijden van Christus toegevoegd, niet in het
algemeen noch aan allen op dezelfde wijze ,
maar aan iedereen volgens zijne bijzondere
aandacht en gesteltenis.
6.    Dit kostbaar lijden zullen wij ons ten
nutte maken , gelijk Christus eertijds tot de
H. Mechtildis sprak: „Zie, ik schenk u al de
bitterheid mijns lijdens tot uw eigendom, op-
dat gij ze mij zoudt wedergeven en opofferen,
als of\' zij uw eigen ware; want wie dit doet,
dien geef ik het dubbel terug".
O mijn God, welke troostende woorden!
Zijn wij dus bij de H. Mis niet bovenmate
gelukkig, waarin Christus ons zulk eenen rij-
ken schat schenkt, en wij dezen zoo gemak-
kelijk vermeerderen en vergrooten kunnen?
7.  Eindelijk moeten wij nog bemerken, dat
de H. Mis dezelfde uitwerksels heeft als het
Kruisoffer, en dus voorzeker eene zeer krach-
tige offerande wezen moet. „Want", zoo leert
P. Molina, „indien de H. Mis even hetzelfde
offer is als het Kruisoffer, zoo moet zij ook
dezelfde kracht en verdiensten hebben en aan
God den Vader even aangenaam als het Kmis-
offer zijn. Dat nu de Mis hetzelfde wezenlijke
en werkelijke offer is. volgt hieruit, dat zij
een en hetzelfde slachtoffer, een en dezelfde
Priester heeft en aan denzelfden God wordt
opgeofferd om dezelfde reden. Het onderscheid
-ocr page 165-
HERNIEUWING VAN HET LIJDEN.         141
bestaat slechts hierin, dat de H. Mis op eene
andere manier wordt opgeofferd als het Kruis-
offer; want toen werd Christus vol bloed en
smarten jjeofferd, nu echter zonder bloed en
zonder smarten".
Dus volgt hieruit, dat wij door het Mis-
hooren aan Christus even zoo aangenaam
worden en even groote verdiensten verwerven
kunnen, als of wij op den uerg van Calvarië
gestaan hadden, mits wij slechts bij de H. Mis
dezelfde godsvrucht hebben , die wij op den
Calvarieberg zouden gehad hebben. Zijn wij
dan niet bovenmate gelukkig, daar wij bij
onzen gekruisten Jezus onder het kruis staan,
Hem met onze oogen aanschouwen, met Hem
spreken, Hem onzen nood klagen en van Hem
even zoo wel hulp en troost verwerven kun-
nen als diegenen, die wezenlijk zijn H. kruis
omringden! 0 Christenen ! beseft toch wel deze
onuitsprekelijke genade . en maakt u dezer
schatten, welke Christus U dagelijks aanbiedt,
ook dagelijks deelachtig.
-ocr page 166-
NEGENDE HOOFDSTUK.
In de H. Mis wordt de dood van Christus
hernieuwd.
1.   De H. Joannes zegt ons, dat Christus
eens deze woorden sprak: „Niemand heeft
grooter liefde dan deze, dat iemand zijn leven
geeft voor zijne vrienden". Dewijl nu niemand
iets kostbaarder en aangenamer bezit dan zijn
leven of zijne ziel, zoo kan hij ook eenen
anderen niets beters schenken. Edoch, de liefde
van Christus tot ons, ellendige schepselen, is
onvergelijkelijk grooter geweest , dewijl hij
zijne edele en heilige ziel, niet alleen voor
zijne vrienden, maar voor zijne bitterste vij-
anden ten beste geeft; immers zegt Hij bij
Joannes: ,,Ik geef mijn leven voor mijne
schapen", dat wil zeggen: Ik geef zonder op-
houden mijn leven ten beste. Dit nu doet hij
dagelijks in de H. Mis, waarin hij zijnen dood
hernieuwt. Hoe dit geschiedt, wil ik u in dit
hoofdstuk verklaren.
2.   In vroegere tijden, placht men op vele
plaatsen in den vastentijd, het gansche lijden
van Christus in een treurspel voor te stellen.
Onder anderen werd een jonge man aan een
kruis gehecht, die na lang gehangen te heb—
-ocr page 167-
HERNIEUWING VAN DEN DOOD. 143
ben, eindelijk begon te sterven, en zich on-
machtig toonde, alsof hij uit louter smarten
zijnen geest moest geven, en wel zoodanig,
dat alle omstanders tot het diepste medelijden
bewogen werden.
Wanneer wij ook vroeger de H. Mis met
een treurspel vergeleken hebben, geschiedt het
toch hierin niet, alsof een ander persoon de
plaats innam van den stervenden Heiland, de-
wijl het Christus zelf in persoon is, die hier
op eene geestelijke wijze sterft. Immers, hij
beeft het noch aan eenen Engel, noch aan
eenen Heilige willen toevertrouwen, dit offer
des doods voor hem op te dragen, dewijl deze
bet ons niet zoo levendig en zoo natuurlijk
hadden kunnen voor oogen stellen, gelijk Hij
bet zelf doet. Opdat God, de hemel en de
aarde dit schouwspel van zijnen dood dagelijks
zouden voor oogen hebben, daarom vertoont
Hij hun bij iedere H. Mis zijnen dood op
dezelfde wijze, alsof Hij eerst pas den dood
des kruises geleden had, niet om hen te be-
droeven, maar om hen des te beter zijne groote
liefde, door welke Hij zulk eenen bitteren dood
voor de verlossing der wereld geleden heeft,
te kennen te geven. .
3. De geschiedschrijver Cesarius van Heis-
terbach verhaalt ons, dat een pastoor, met
name Adolf Van Delferen , eens bezig zijnde
met de Mis te lezen, eensklaps vóór het Ag-
nus Dei, bij het breken der H. hostie, in
plaats van de H. hostie, een schoon kindje in
-ocr page 168-
144                   NEGEN\'DE HOOFDSTUK.
zijne handen zag, dat hein vriendelijk toela>
Hierover in den beginne zeer ontsteld, z;
hij hetzelve toch met de innigste vreng .
Maar ook willende weten wat het anuj:
deelte der H. hostie bevatte, zag hij den •
venden Christus aan het kruis, die zijn L
neigde en den geest gat\'. Dit ging hem
danig ter harte, dat hij bitter begon te "
nen. Hij zag de gedaante van den sterven \'.;
Heiland langen tijd voor zijne oogen, en vvi
niet of hij de Mis zoude vervolgen. Het vc\'
zag hem met verwondering aan, en kon •
reden niet gissen van dat gedurig we«.\'i»e<
Intusschen verdween de gedaante, en de ï
hostie vertoonde zich wederom als te vorer
zoodat de pastoor nu de H. Mis onder h
storten van vele tranen kon voltrekken. H.
volk wilde echter de oorzaak weten van .
dat weenen; daarom beklom hij den kanse\'
verhaalde hun de verschijning van het li •
kind Jezus, en wilde ook de smartvolle gedaa >-
van den stervenden Heiland beschrijven. M «i
zijn hart was zoo week, zijne oogen zoo
tranen, dat hij geen verstandig woord i
uitbrengen. Daarom verliet hij al weeiv
den kansel, bracht eenige dagen door
zijne zonden te beweenen, en met de betr
ting van den stervenden Jezus gedurig
oogen te hebben, waarin hij tot aan z
dood volharde.
„O, genoten wij ook zulk eene gunst
4eze priester, hoe aandachtig zouden wil
-ocr page 169-
HERNIEUWING VAN DEN DOOD. 145
;.heilige Mis bijwonen! welk een hartelijk me-
\', \',fj(ïen zouden wij dan voor onzen Verlosser
- ^Oelen!" zal de eene of andere zeyi^en. —
• ij^Laar zoodanige moet weten dat, ofschoon wij
i^em aldus niet aanschouwen met de oogen
...lie^ lichaams, wij Hem toch zien met de oogen
r^es geloofs; en zoo menigmaal wij dit geloof
ivótternieuwei), bewijzen wij aan Christus eene
r.^roote eer en verdienen voor ons een groot
.i). loon.
,h ; 4. De godgeleerden zeggen ons, dat, toen
.i; Christus in het Laatste Avondmaal, het brood
.]: en den wijn in zijn heilig lichaam en bloed
i. veranderde, Hij dit niet op eenmaal en onder
•, eene enkele gedaante wilde verrichten, maar
, Hij wilde tweemaal en onder tweeërlei ge-
daanten consacreeren, om ons zijnen dood recht
i levendig voor oogen te stellen. Immers, hij
•thad alleen over het brood kunnen zeggen:
)i i.„Dit is mijn lichaam en mijn bloed", maar
.:;;dan ware deze gedaante van brood geen klare
i\'iy voorstelling van zijnen dood geweest. Daarom
/wilde hij eerst het brood alleen, door de kracht
\' i4er woorden van de consecratie, in zijn H.
;9r;iiichaam veranderen, en zijnen Apostelen tot
Sjgpijs geven; daarna wilde hij evenzoo den
/wijn alleen in zijn H. bloed veranderen en
(fijjnen discipelen te drinken geven. Hij beval
nevens aan zijne Apostelen hetzelfde op gelijke
j wijze te verrichten, om zoo aan het volk
{zijnen dood klaarder voor oogen te stellen.
5. Hoezeer deze hernieuwing en voorstel-
Verkl. d. H. Mis.                                                       H
-ocr page 170-
14(5                      NEGENDE HOOFDSTUK.
ling van Christus\' dood aan God aangenaam
is, kan geene menschelijke tong uitspreken.
Hierdoor draagt Hij Hem opnieuw zijne ge-
hoor/.aaniheid op, want, zegt Paulus: ,,Hij
vernederde zich zelven, daar hij gehoorzaam
was tot den dood, en wel tot den dood des
kruises. Daarom heeft ook God Hem verhe-
ven en Hem eenen naam gegeven die boven,
alle naam is". Deze volkomene gehoorzaam-
heid biedt Christus zijnen Hemelschen Vader
aan onder de H. Mis, en met haar al die
deugden , welke Hij al stervende heei\'t uitge-
oefend: zijne hoogste onschuld, zijne diepste
nederigheid, zijn onuitputtelijk geduld, zijne
vurige liefde, welke Hij zijnen beulen en den
ondankbaren zondaren altijd toegedragen heeft.
Christus stelt ook onder de H. Mis zijnen
Hemelschen Vader al de bittere smarten voor,
welke Hij bij zijn sterven heeft geleden; dien
schrikkelijken doodstrijd, welke zijn hart ge-
voelde ; de verscheuring van al zijne ledema-
ten, den gruwelijken lanssteek, welke zijn
hart doorboorde. Dit alles stelt Hij hem zoo
levendig voor oogen, alsof het nu weer op-
nieuw plaats had. Daardoor hernieuwt Hij dat
oneindig welgevallen, dat eertijds God de Va-
der bij den dood van zijnen lieven Zoon ge-
voelde , daar Hij zag, hoe bereidwillig Jezus
den allerbittersten dood tot zijne meerdere
liefde en glorie leed. Gelijk nu Christus toen-
maals door zijnen dood den rechtvaardigen
toorn zijns Vaders gestild, barmhartigheid
-ocr page 171-
HERNIEUWING VAN DEN DOOI).           147
voor de zondaren verworven, en de wereld
met God verzoend heeft, zoo doet Hij dit—
zelfde nog in alle H. Missen en verwerft ons
zulk een groot heil en geluk, dat wij het
Hem nooit kunnen vergelden.
(i. De 11. Gregorius zegt ons, dat dit hei-
lig slachtoffer de zielen op eene bijzondere
wijze van den eeuwigen ondergang bewaart,
dewijl het den dood van den Zoon Gods door
dit heilzaam geheim voorstelt; en de geleerde
Mansi voegt er bij: „Dewijl de eeniggeboren
Zoon des Allerhoogsten, die zich op het al-
taar des kruises als een bloedig slachtoffer
heeft opgedragen, in elke Mis wederom wordt
opgeofferd, volgt hieruit, dat de offerande der
H. Mis eene zoo groote waarde heeft, als de
dood van onzen Verlosser zelf".
De kardinaal Hosius zegt: „Ofschoon wij
Christus in dn H. Mis niet wederom doen
sterven, zoo eigenen wij ons zijnen dood niet
anders toe, dan alsof Hij hem nu onderging.
In het bloedig Kruisoffer was zijn dood ook
bloedig, in deze onbloedige offerande is zijn
dood onbloedig en heeft plaats op geheimvolle
wijze; en toch geschiedt dit met dezelfde uit-
werksels van zijnen bloedigen dood, alsof deze
nu plaats greep. Want in dit geheim worden
den dood van Christus en zijne vruchten ons
toegeëigend, alsof Hij nu werkelijk stierf". Is
dit zoo, welk eene kracht moet dan de H.
Mis niet hebben, en hoeveel goed moet zij
dengenen niet verschaffen, die ze aandachtig
-ocr page 172-
148                   NKGKNDE HOOFDSTUK.
bijwoont. Waart gij tegenwoordig geweest op
den Calvarieberg bij den dood van Christus,
welke genaden zondt gij niet verworven heb-
ben V Evenzoo vele, evenzoo groote genaden
kunt gij in iedere H. Mis bekomen, indien
gij u gedraagt, zooals gij u bij den sterven-
den Jezus zoudt gedragen hebben.
7. Bemerk ook, wat de abt Rupertus hier-
over zegt: „Zoo waar Christus in zijn sterflijk
lichaam, met \'twelk Hij aan het kruis hing,
aan al diegenen vergeving der zonde heeft
bewerkt, die Hem van het begin der wereld,
van den onschuldigen Abel af tot aan den
goeden moordenaar, hebben verwacht, even-
zoo waarachtig bewerkt Hij onder de gedaante
van brood en wijn , voor alle geloovigen de-
zelfde vergiffenis". Uit deze troostrijke woor-
den kunt gij afleiden, dat wij door aandach-
tig Mis te hooren, een groot gedeelte van
onze straffen kunnen uitboeten, gelijk wij het in
het 15. hoofdstuk breedvoeriger zullen verklaren.
De geleerde pater Segneri spreekt hier over
ook zeer schoon, zeggende: ,, De offerande des
kruises is de algemeene oorzaak geweest om.
de zonden te delgen; maar het offer des al-
taars, is de bijzondere oorzaak, welke de kracht
en de werking van het vergoten bloed van
Christus aan dezen of genen toeeigent. De dood
en het bitter lijden hebben den schat verza-
meld, het Misoffer deelt denzelven uit. De
dood van Christus is de gemeenzame schat-
kamer, het Misoffer de sleutel, welke ze ont-
-ocr page 173-
HERNIEUWING VAN DEN DOOD. 149
sluit". Dus als gij in de H. Mis komt, zoo
rijkt u Christus den sleutel van zijne kost-
bare schatkamer over, en veroorlooft u de-
zelve in te gaan, en er zoo veel uit te nemen
als gij u volgens de grootte uwer aandacht
kunt toeè\'igenen. Als gij dus met den priester
de H. Mis opdraagt, is dit zooveel alsof gij
bewerkt, dat dezelfde God, die voor alle men-
schen te zamen gestorven is, nu wederom op
geestelijke of onbloedige wijze sterft voor mij
en voor ieder van u. God bemint u dusdanig,
en Hij vergeldt u dezen dienst zoo rijkelijk,
dat Hij nog eens zijn leven voor u ten beste
wil geven en u de verdiensten van zijnen dood
schenken wil. Hij sterft telkenmale in de Mis
voor u geestelijkerwijze , en is ook bereid
voor u nog eens lichamelijkerwijze te sterven,
indien zulks noodig ware.
Leert daaruit dagelijks naar de H. Mis te
gaan en denkt daarbij dat gij met Christus
den Calvarieberg beklimt, om Hem in zijnen
smartvollen dood bij te staan. Dit leert ons
ook de vrome Thomas a Kempis , die aldus
spreekt: „Zoo groot, zoo nieuw en zoo tref-
fend moet het u voorkomen, als gij de Mis
leest of aanhoort, alsof Christus eerst op dezen
dag, aan het kruis hangende, voor het heil
der menschen stierf". Ja , hij sterft geestelij-
kerwijze voor een ieder , die de H. Mis bij-
woont, en zelfs met dezelfde liefde, met welke
hij eertijds lichamelijkerwijze voor alle zon-
daars gestorven is.
-ocr page 174-
150                     NEGENDE HOOFDSTl\'K.
8. O God , welk eene liefde, en welk eene
onuitsprekelijke genade voor ons arme zon-
daars! Doet dan in de H. Mis, wat gij op
den Calvarieberg zoudt gedaan hebben, en
zegt uit den grond uws harten: Heiligste
Vader, aanschouw uwen lieven Zoon, die eens
voor mij onder de bitterste smarten den kruis-
dood stierf, die onder iedere H. Mis wederom
zijnen dood voor mij hernieuwt, en U de ver-
diensten van zijnen dood voor mijne zonden
ten otter brengt. In vereeniging met zijn
otter, offer ik u op door het zoete hart van
Jezus , alle smarten , kwellingen en wonden ,
welke uw Zoon in zijn lijden heeft verdragen,
maar voornamelijk zijnen bitteren doodstrijd
en smartvollen dood. Zie , allerliefste Vader !
dit alles heeft uw Zoon voor mij verdragen,
dit alles hernieuwt hij op dit altaar en offert
het voor mij op; dit alles past Hij op mij toe
en schenkt het mij als mijn eigendom. Ik
stel u nu dit alles voor oogen , en offer het
U op tot uwe grootere eer en tot heil mijner
arme ziel, en smeek U, dat Gij hierdoor mijne
zonden moogt vergeven , mijne verdiende
straffen uitwisschen, mij beternis des levens
moogt schenken en door den bitteren dood
uws Zoons mij van den eeuwigen dood der
ziel moogt bewaren. Amen.
°W
-ocr page 175-
TIENDE HOOFDSTUK.
In de H. Mis wordt het bloedvergieten van
Christus hernieuwd.
1. De H. Panlus beschrijft ons, hoe men
in het Oude Verbond liet volk met het bloed
der offerdieren besprengde, om het daardoor
te reinigen en te heiligen. Zijne woorden lui—
den aldus: Hebr. xi, 19 en volgende: „Toen
Mozes alle geboden der Wet aan het geheele
volk had voorgelezen, nam hij het bloed der
stieren en bokken met water en purperroode
wol en hysop. en besprengde het boek zelf
en al het volk, zeggende: Dit is het bloed
des verbonds, hetwelk God met u gesloten
heeft. Ook de tent, en alle tot den dienst noo-
dige vaten , besproeide hij op dezelfde wijze
met \'t bloed". Dit alles was een afbeeldsel
van het goddelijk bloed van Christus, waar-
door wij veel beter van onze zonden gereinigd
worden, dan de Joden door het bloed der die-
ren en de bestrooiing met de asch der offer-
dieren. „Want, vervolgt Paulus , indien het
bloed van bokken en stieren , en de bespren-
keling met de aseh der koe , de besmetten
-ocr page 176-
152
TIENDE HOOFDSTUK.
heiligt, zoodat zij lichamelijk rein worden r
hoeveel te meer zal het bloed van Christus,
die in den H. Geest zich zelven als een on-
bevlekt offer aan God heeft opgedragen , ons
geweten van doode werken reinigen, opdat wiij
den levenden God zouden dienen".
Dat heilig bloed van Christus is even zoo
zeer voor ons, als voor de toenmaals levende
geloovigen, aan het kruis vergoten geworden.
Maar Christus heeft in zijne goddelijke wijs-
heid een middel gevonden, waardoor Hij nog
dagelijks zijn H. bloed vergiet, onze zielen)
daarmede besproeit en reinigt, en dit geschiedt
in alle H. Missen.
2. „In de H. Mis", zegt de H. Angustinus,
„wordt het bloed van Christus voor de zon-
den der wereld vergoten". „Het Lam Gjds",
zegt de H. Chrysostomus, „wordt voor u ge-
slacht, het bloed vloeit geestelijker wijze van
het altaar. Het bloed , dat in den kelk is r
wordt tot uwe reiniging uit de onbevlekte
zijde van Christus geput" ; dat wil /.eggen :
Christus heeft zijn bloed eenmaal zichtbaar
in smarte vergoten , waarbij wij niet hebben
kunnen tegenwoordig zijn, maar in de H. Mis
wordt dit bloedvergieten dagelijks hernieuwd,
want daar worden op onzichtbare wijze zijne
handen en voeten doorboord , zijne zijde ge-
opend en zijn bloed aan \'t vloeien gebracht.
Zijne oneindige verdiensten kunnen wij ons
door berouw en leedwezen, door een gloeiend
verlangen tot Hem , maar bijzonder op de-
-ocr page 177-
HERNIEUWING VAN HET BLOEDVERGIETEN. 153
krachtigste wijs , door de H. Communie, eii
door het aandachtig hooren der H. Mis toe-
eigenen. In de H. Mis put, als \'t ware , de
priester, door de woorden der consecratie, het
goddelijk bloed uit de zijde van Christus, op>-
dat het vloeie tot uwe reiniging, tot uwe he£-
liging en tot vergeving uwer zonden. Bij de
consecratie van den kelk zegt immers de
priester: „deze is de kelk van mijn bloed,.. .
dat voor u en voor velen zal vergoten wor-
den tot vergeving der zonden"; dat is: voor
u tegenwoordigen en voor vele afwezenden,
inzonderheid voor die, welke de H. Mis laten
lezen, en voor diegenen, die de H. Mis gaarne-
zouden hooren, indien zij slechts konden, doch
door ziekte of gewichtige oorzaken belet zijn.
3. Welk een ondoordringbaar geheim, welk
eene onuitsprekelijke liefde van Christus voor
ons, arme zondaars! Zouden wij het dan waar-
lijk durven gelooven, dat de zoete Jezus, die
zijn dierbaar bloed tot den laatsten druppel
voor ons heeft vergoten , datzelfde bloed op-
nieuw alle dagen en uren voor ons vergiet,,
en wel tot vergeving onzer zonden en tot
onze eeuwige zaligheid! Gewis durven wij
zulks, ja wij moeten het gelooven , dewijl
Christus ons dit zelf heeft verzekerd. Welk
eene overheerlijke genade ontvangt dan degene,
die de H. Mis bijwoont. Het bloed van Chris-
tns wordt niet alleen voor hem vergoten,
maar ook vergoten tot vergeving zijner zon-
den, zoo als de H. Ambrosius zegt.
-ocr page 178-
154
TIENDE HOOFDSTUK.
Ook moeten wij gelooven, dat én liet lichaam
én het bloed van Christus , onder beide ge-
daanten van brood en wijn, tegelijkertijd te-
genwoordig zijn, ofschoon, door de kracht der
woorden van de consecratie, alleen het lichaam
van Christus in de H. hostie en alleen zijn
bloed in de kelk is, gelijk wij ook het lichaaam
•des Heeren bijzonder onder de H. hostie , en
zijn hoogwaardig bloed in den kelk plegen
te aanbidden. Er is dus geen kostbaarder
heiligdom in de geheele katholieke Kerk, de-
wijl een enkel druppel van Christus\' bloed,
-als zijnde met zijn goddelijken persoon ver-
eenigd, meer waard is dan alle schatten des
hemels en der aarde. Dit kostbaar bloed is in
de H. Mis niet alleen tegenwoordig, maar het
is ook ons eigendom en behoort ons even zoo
zeer toe , als ons het een of ander geschon-
ken goed toebehoort. Dan, dewijl Christus in
de H. Mis ons eigendom is, gelijk wij vroeger
aanstipten, zoo is ook zijn H. bloed ons eigen-
dom , en wij kunnen het in die hoedanigheid
aan God opofferen.
4. Gelijk derhalve het gezegend bloed in
de H. Mis waarachtig vergoten wordt, zoo
wordt het ook over alle aanwezenden op eene
geestelijke wijze over hunne zielen uitgestort.
„Als gij onder de H. Mis ontwaart", zegt de
H. Chrysostomus, „dat Christus geslacht-
offerd wordt, als gij ziet, dat het om-
staande volk met het rozenkleurig bloed be-
.sproeid wordt, meent gij wel, dat gij u dan
-ocr page 179-
HERNIEUWING VAN HET BLOEDVERGIETEN. 155
nog onder de menschen bevindt en op aarde
staat ?"
Met dezen grooten Heilige stemt ook de
geleerde Marchantius overeen, als hij zegt:
„Het kostbaar bloed wordt in de PI. Mis als
een offer vergoten, en de omstaande geloovi-
gen worden met datzelfde bloed geestelijker-
wijze besproeid". De H. Joannes zegt: „Chris-
tus heeft ons bemind en ons van onze zonden
afgewasschen in zijn bloed"; en de H. Paulus
voegt er bij, ad Hebr. 12, 25: „Gij zijt toe-
getreden tot Jezus, den middelaar van het
Nieuwe Verbond , en tot het bloed der be-
sproeiing, \'tvvelk beter spreekt dan dat van
Abel". Hier moet ik vragen: Wanneer gaan
wij tot Jezus onzen middelaar ? In de H.
Communie, wel is waar, vereenigen wij ons
zeer nauw met Jezus, met Hein in onze har-
ten te ontvangen, doch wij gaan niet tot hem
als onzen middelaar , maar genieten hem als
spijs onzer zielen. In de H. Mis echter bege-
ven wij ons tot Hem als tot onzen waarach-
tigen middelaar en voorspreker; want hierin
bekleedt Hij den persoon eens priesters, ja
van den allerhoogsten Priester, aan wien het
van ambtswege toekomt voor het volk te
bidden. Gaan wij dan tot hem in de II. Mis
als tot onzen middelaar , zoo treden wij ook
tevens toe tot de besproeiing met het bloed,
gelijk Paulus zegt. En dit geschiedt in alle
.Mi ssen, niet op eene lichamelijke, maar gees-
telijke wijze , niet over onze lichamen , maar
-ocr page 180-
156
TIENDE HOOFDSTUK.
over onze zielen. In zijn lijden vergoot Chris-
tus zijn bloed, dat op de handen en kleederen
der beulen, zoowel als op de aarde neer vloeide;.
in de H. Mis vergiet Hij datzelfde bloed,,
\'twelk over de zielen der aanwezige geloovi-
gen nedervloeit. Ja, gelijk Mozes eertijds met
het bloed der dieren het joodsche volk be-
sproeide, en de priester van het Nieuwe Ver-
boud het geloovige volk met wijwater be-
sproeit, zoo besproeit, omtrent op dezelfde
wijze, Christus de zielen met zijn bloed, dat
voor haar in de H. Mis vergoten wordt.
5. Deze geestelijke besproeiing is ons voor-
zeker veel nuttiger dan eene lichamelijke;
want wij zien, dat de beulen en de omstaande
Joden met het goddelijk bloed van Christus
besproeid werden en zich toch niet bekeerden,
maar nog meer verstokt en verbitterd bleven.
Zoo ook zou het ons weinig baten , indien
onze lichamen alleen met het bloed van Chris-
tus besproeid worden; maar het zal ons van
groot voordeel zijn , als dit bloed onder de
Mis op onze zielen valt, om ze te reinigen,
te heiligen en meer en meer te versieren.
Hoort wat de H. Magdalen a van Pazzis
zegt: ,,Als de ziel dit bloed ontvangt, dan
bekomt zij zulk eene waardigheid , alsof zij
met een kostbaar gewaad bekleed werd , ja,
zij glinstert zoo heerlijk, dat, als gij haren
glans kondet aanschouwen , gij haar bijkans
zoudet aanbidden!" Duizendmaal gelukkig dus
die ziel met zulk eenen luister versierd! O,
-ocr page 181-
HERNIEUWING VAN HET BLOEDVERGIETEN. 157
gelukkige oogen , die waardig zijn zulk eene
wonderbare schoonheid te aanschouwen! Ach,
lieve lezer, ga toch dikwijls naar de H. Mis,
opdat gij daar met het bloed van Christus
besproeid, en met zulk een kostbaar gewaad
bekleed wordt, dat gij eeuwig voor alle En-
gelen en Heiligen vol glorie moogt verschijnen.
VOORBEELD.
De kerkelijke geschiedschrijver Platina ver-
haalt ons in zijn „Levens der Pausen" nage-
noeg het volgende van paus Urbanus iv.:
Het gebeurde in het jaar 12(53, dat te Bolsena,
«ene stad kort bij Rome gelegen, een priester,
na de woorden der consecratie over de heilige
hostie uitgesproken te hebben, door ingeving
van den boozen satan begon te twijfelen , of
deze hostie de waarachtige Christus was. Hij
hief de geconsacreerde hostie omhoog, maar,
o wonder! weldra begon er eene menigte
bloed uit te vloeien , gelijk aan een milden,
zachten regen, welke uit de wolken neerdaalt.
Door dit schouwspel verschrok hij zoodanig,
dat bij niet wist wat aan te vangen. Het
volk , dat getuige was van dit wonder , was
zoo ontsteld, dat het luidop begon uitte roe-
pen: o heilig bloed, wat beduidt dit? o god-
delijk bloed! wat is de oorzaak van deze
vloeiingV o kostbaar bloed! vloei op onze zie-
len en roep bij God om barmhartigheid; allen
sloegen op hunne borst en weenden bitterlijk.
-ocr page 182-
158
TIKXDJS HOOFDSTUK.
Door dit geschreeuw kwam de priester weder
tot zich , liet de H. hostie neder en wilde ze
op den corporaal nedei leggen. Maar hij zag,
dat deze zoodanig van het heilig bloed door-
trokken was, dat hij nauwelijks een droog
plaatsje kon vinden, om zijnen God daarop
neer te leggen. Toen gingen hem de oogen
open, hij bekends zijne schuld, en betreurde
uit ganscher harte zijn ongeloof. Hij zette
echter de H. Mis voort , maar niet zoo vele
tranen, dat hij dikwijls moest ophouden. Na
de communie vouwde hij den corporaal weder
bijeen , bedekte hem zoo goed hij kon , en
wilde dat groot wonder verbergen. Maar liet
volk kwam bij hem na de Mis, en wilde
weten of het werkelijkheid was , wat het
onder de Mis gezien had. Toen werd de priester
genoodzaakt den H. corporaal te toonen, en
dien vol bloed ziende, viel het volk oji de
knieën en weende bitterlijk.
Het gerucht van dit wonder werd weldra
verspreid; alle lieden begaven zich uit gods-
vrucht naar Bolsena , om dit groote wonder
te aanschouwen. Toen paus Urbanus iv. , die
destijds in de siad Orvieto verbleef, dit won-
der vernomen had, liet hij den priester bij
zich ontbieden en den corporaal meebrengen.
De priester kwam niet zonder grooten angst,
viel voor den Paus en de kardinalen neder,
toonde hun den bloedigen corporaal en ver-
haalde hun zijnen twijfel en de storting van
het H. bloed. Allen vielen dadelijk op de
-ocr page 183-
HERNIEUWING VAX HET BLOEDVERGIETEN. 159
knieën, aanbaden liet H. bloed en kusten eer-
biedig den corporaal. Na verder onderzoek liet
de Paus ter eere van het heilig bloed eene
prachtige kerk te Bolsena bouwen, en beval,
dat tot aandenken van dit wonder, jaarlijks
een prachtvolle processie zou gehouden wor-
den. Dit wonder was eene der hoofdoorzaken,
waarom de feestdag van het H. Sacrament,
die voor het eerst in het jaar 1246 door
lïobertus , bisschop van Luik , werd gevierd,
door paus Urbanus iv. ingesteld en later in
de algemeene kerkvergadering van Vienne,
onder Clemens v. voor de geheele Kerk be-
vestigd werd. Deze wondervolle, bloedige cor-
poriuil wordt tot op den huidigen dag in de
kathedraal te Ürvieto bewaard, terwijl men te
Bolsena den altaarsteen vereert, waarop het
wonder geschiedde. Wereldberoemd is het
schilderstuk van Raphaël in de galerijen van
het Vatikaan, dat dit wonder voorstelt.
6. Wat te Bolsena gebeurd is, dat gebeurt
nog dagelijks in de H. Mis; want als de
priester de heilige hostie en den kelk met het
H. bloed opheft , vloeit dat goddelijk bloed
uit beide, als een milde regen uit de wolken,
niet over de lichamen, maar over de harten
en zielen ; niet alleen over de godvruchtigen,
maar ook over de zondaars. Het reinigt en
versiert de godvreezende menschen, versterkt
hen in hunne zwakheden en werkt veel goeds
in hen uit; de kwaden echter zoekt het deugd-
•\'aam te maken , de verstokte harten te be-
-ocr page 184-
160
TIENDE HOOFDSTUK.
wegen en te bekeeren, en biedt allen vijanden
Gods genade en vergeving aan. Is echter de
zondaar zoo verstokt, dat hij deze genade niet
wil ontvangen, zoo roept het heilig bloed
niettemin nog voor hem tot God , en weer-
houdt zijne rechtvaardige wraak.
§ 2. Hoe het bloed van Christus voor ons
ten hemel roept.
1. Onder de vele genaden en weldaden, welke
izrj ontvangen, die de H. Mis met eerbied
hooren, is voorzeker eene der voortreffelijkste
dat het goddelijk bloed van Christus, als het
op het altaar vergoten wordt, voor hen tot
God roept, en hun genade en barmhartigheid
verwerft. O, hoe voordeelig is dit roepen voor
•den zondaar! Alle zware zonden , welke wij
begaan, roepen tot God om kastijding, en
verwekken zijnen toorn tegen ons, gelijk wij
het duidelijk kunnen zien in de H. Schrift.
Want aldus spreekt de Heer: „Het geroep
van Sodonia en Gomorrha is toegenomen en
hunne zonde is zeer zwaar geworden. Daarom
wil ik afdalen en zien, of zij het geroep, dat
tot mij kwam, metterdaad voltrokken hebben".
•Uit deze woorden zien wij duidelijk, dat vele
zware zonden tot God roepen en zijne straffen
over den zondaar doen nederdalen. Evenzoo
spreekt de H. Jacobus, 5. 4: „Ziet, het loon
der arbeiders , die uwe velden hebben inge-
oogst, dat door u is teruggehouden , roept;
-ocr page 185-
HOE HET BLOED TEST HEMEL KOEPT. 161
•en hun geroep is tot de ooren van den Heer
der Heerscharen gekomen".
2.    Wie is nu in staat, dezen oneindigen
ioorn te bevredigen? Wie zal deze schrikke-
lijke wraak afwenden ? Niemand is hiertoe
beter in staat, noch in den hemel, noch op
aarde, dan de stem van het kostbaar godde-
lijk bloed van Jezus Christus. Want, ofschoon
het geschreeuw der talrijke zonden zoo ijse-
lijk is, dat het tot in den hoogen hemel weer-
galmt, is nochtans de stem van het vergoten
bloed van Christus veel machtiger, dewijl zij
almachtig en oneindig is , en niet alleen de
lucht, maar den gansenen hemel vervult, en
het vaderlijk hart van God doordringt. A1-
\'hoewel het gruwzaam geschreeuw van zoo
vele boosheden en misdaden het goddelijk hart
bittere pijn veroorzaakt, is nochtans die liefe-
lijkheid der stem van het vergoten bloed van
Jezus Christus zoo oneindig zoet, dat het, om
y.oo te spreken, alle verdriet uit het goddelijk
hart verbant en het meer bedaart dan het
•door het geschreeuw der zonden verbitterd was.
3.   Maar hoe kan dat heilig bloed van
Christus tot den hemel roepen , zult gij mij
gewis vragen , daar men hiervan toch niets
ontwaart? Maar ik vraag u, hoe kon het ver-
goten bloed van Abel tot den hemel roepen,
daar Abel toch dood was? En toch lezen wij,
dat God tot Caïn aldus sprak: „De stem van
uws broeders bloed schreeuwt tot mij van de
aarde". Zoo is dan deze stem niet lichamelijk,,
Verkl. d. H. Mia.                                                            12
-ocr page 186-
162                     TIENDE HOOFDSTUK.
maar op eene geestelijke wijze te verstaan ,.
en was toch zoo machtig, dat zij van de
aarde tot den hemel opklom , het hart des
Hemelschen Vaders doordrong, en hem tot
bestraffing jegens den broedermoordenaar aan-
zette. Zoo ook is de stem van Christus in de
H. Mis, eene stem zoo machtig , dat zij den
vertoornden God tot barmhartigheid dwingt
voor de zondaren, en luider voor hen spreekt
dan liet bloed van Abel, zoo als de H. Paulus
zegt: „Gij zijt toegetreden tot Jezus, den
middelaar van \'t Nieuwe Verbond, en tot het
bloed der besproeiing, hetwelk luider spreekt,,
dan dat van Abel".
Luistert hoe dit kostbaar bloed, als het in
de H. Mis vergoten wordt, met eene gewel-
dige, doordringende stem tot den almachtigen
God roept: Zie en overweeg, o rechtvaardige
God hoe ik, het kostbaar bloed van uwen
eenigen Zoon, zoo schandelijk, zoo smartelijk,
zoo rijkelijk en zoo liefelijk vergoten, ben
geworden! Zie en aanschouw , hoe geweldig,
hoe gruwelijk ik versmaad, vervloekt en met
voeten getreden werd. Dit alles heb ik met
groot geduld verdragen , opdat de zondaars
door mij gereinigd en zalig zouden worden,
(iij toch, o strenge God, Gij wilt ze wegens
hunne zonden verdoemen\', en voor eeuwig in
den afgrond der hel storten. Wie vergeldt
mij dan al die beleedigingen , welke ik ver-
dragen heb? Wie betaalt mij al dien hoon
en laster, die bespottingen en versmadingen ?
-ocr page 187-
HOE HET BI.OED TEX HEMEL ROEPT. 1G3
Zeker niet de verdoemde zondaars; deze im-
mers zullen mij veel eerder in hunnen dui-
velschen haat vervloeken en verwensenen.
Worden zij echter door mij zalig. zoo zullen
zij mij eeuwig prijzen en mij eeuwig allen
mogelijk en dank bewijzen. Daarom, o barm-
hartige God! verleen een gunstig oor aan
ïnijn geroep, en verleen om mijnentwil aan
de zondaren de genade eener oprechte bekee-
lïng, en aan de rechtvaardigen vermeerdering
der genade en standvastigheid in het goede.
4.  Als nu het hoogwaardig bloed van Chris-
tus op dusdanige wijze tot God roept, hoe
zal het dan wel mogelijk wezen , dat God
zulk een geroep niet verhoort ? Heeft toch
het onschuldig bloed van Abel met zulk eene
machtige stem tot den hemel geroepen en de
straften van God doen nederdalen , wat zal
dan niet het onschuldig vergoten bloed van
Christus vermogen, als het dagelijks onder
de H. Mis opnieuw vergoten en opgeoft\'erd
wordt? Het bloed van Abel schreeuwt om
bestraffing, maar het bloed van Christus roept
om barmhartigheid. Nu dan, God is meer ge-
negen tot barmhartigheid dan tot straften ,
gelijk de Kerk zich in hare gebeden uit-
drukt, zeggende: „O God, aan wien het eigen
is barmhartig te zijn en te sparen". En de
H. Petrus zegt: „God wil niet , dat iemand
verloren ga, maar dat allen zich tot boet-
vaardigheid bekeeren".
5.   Dit goddelijk bloed heeft in de besnij-
-ocr page 188-
164                     TIENDE HOOFDSTUK.
denis, in den hof der Olijven, in de geeseling,
kroning en kruisiging van Christus , tot God
om verzoening geroepen voor de zondige we-
reld, en heeft ze ook bekomen, zoo als Panlns
zegt: „God heeft in Christus de wereld met
zich verzoend". Datzelfde bloed roept ook
onder de H. Mis, niet met éene stem , maar
met zoo vele stemmen als er bloeddruppels
vergoten zijn. Het roept met eene doordrin-
gende , met eene almachtige stem; het roept
uit al zijne goddelijke en menschelijke kracht;
het roept niet slechts in éene, maar dagelijks
in zoovele duizenden Missen. Het roept niet
alleen; maar met hetzelve roepen ook de
wonden van Christus, met zoo vele woorden
als er wonden geslagen zijn; het hart van
Christus roepe met zoo vele smeekingen als
er bewegingen in dat hart geweest zijn; de
mond van Christus met zoo vele zuchten, als
er zuchten dien goddelijken mond ontvlogen
zijn. Zoude het dan wel mogelijk wezen, dat
deze vijfvoudige almachtige stem , komende
uit het bloed, uit het hart, uit den mond en
uit de wonden van Christus, het hart van
God niet doordringt? Indien God ook ernstig
besloten had, de zondaren volgens hunne on-
gerechtigheden te straffen, zoo is toch het
goddelijk bloed van Christus van zulk eene
kracht en werkzaamheid, dat alles wat in den
hemel en op aarde is voor hetzelve wijken
moet en dat God geene billijke smeeking kan
afslaan.
-ocr page 189-
HOK HET BLOED TEN HEMEL ROEPT. 165
VOORBEELD.
Tot bevestiging van \'t zoo even aangehaalde
wil ik de geschiedenis van den wondervollen
corporaal te Walldurn verhalen, welke in
Duitschland zeer bekend is, dewijl zich daar-
heen reeds sedert vele eeuwen ja, tot op den
huidigen dag, menigvuldige processiën begeven
onder de octaaf van het H. Sacrament. Het
gebeurde in het jaar 1330, dat de pastoor
dezer plaats, niet name Otto, onder de H. Mis
uit onachtzaamheid den geconsacreenlen kelk
had omgestooten, en het heilige bloed op den
corporaal gestort had. Oogenblikkelijk versclie-
nen hierop, in het midden Christus hangende aan
het kruis, en van weerskanten van het kruis
elf gekroonde en met bloed bevlekte hoofden
van Christus (zoogenaamde Veronica-beelden),
zoo natuurlijk en kunstig , dat geen schilder
in staat ware geweest ze .aldus te schilderen.
De pastoor beefde van schrik op het gezicht
van dit mirakel, en vreesde natuurlijk eene
groote straf voor zijne onachtzaamheid , zoo-
wel van den kant van God als van zijne gees-
telijke overheid. Daarom verborg hij den bloe-
digen corporaal onder den altaarsteen. Ver-
scheidene jaren gingen voorbij , maar sedert
hij dit wonder der goddelijke liefde en barm-
hartigheid verborgen hield, kon hij geene
rust meer genieten , zoodat hij weldra met
eene doodelijke ziekte werd aangetast. Hij leed
zoo verschrikkelijk, zoowel naar lichaam als
-ocr page 190-
ÏG\'Ó                        TIENDE HOOFDSTUK.
naar ziel , dat hij zelf naar den dood ver-
langde. Daar hij nu hing met den dood wors-
telde, kwam hij al meer en meer tot de overtui-
giug, dat God hem die vreeselijke ziekte had toe-
gezonden , wijl hij den bloedigen corporaal
zoo lang verborgen hield. Daarom liet hij een
pastoor uit zijne buurt bij zich roepen, en
biechtte hoe hij uit onachtzaamheid het hei-
lige bloed had omvergeworpen en den corpo-
raal verborgen had, en gat\' hem verlof\' aan
iedereen mede te deelen, wat hem onder de
Mis was overkomen. Na deze bekentenis stierf
hij. Met alle ceremoniën, welke de kerk in
soortgelijke gevallen voorschrijft, werd de al-
taarsteen uitgenomen, en de corporaal met de
zich daarop bevindende hoofden waren nog
geheel en al behouden. Weldra vertoonden
zich zoo menigvuldige buitengewone genaden,
genezingen en andere wonderen, door de voor-
spraak van het allerheiligste bloed van Jezus
Christus bekomen, dat paus Urbanus de v. ,
eerlang hiervan werd onderricht , en na no-
pens de oorzaak van het wonder een degelijk
onderzoek te hebben doen instellen, vele groote
aflaten verleende, aan allen, die zich tot ver-
eerina van het H. bloed in bedevaart naar
Walldurn zouden begeven.
Nu ontstaat de vraag, waarvan de gedaante
van elf hoofden, welke het H. bloed had aan-
genomen? Onder andere oorzaken vermeen ik,
ook deze te moeten aangeven , dat het ver-
goteu bloed van Jezus Christus om barmhar-
-ocr page 191-
KOK HKT BLOED TEN HEMKl ROEPT. 167
tigheid roept. Menschelijkerwijze gesproken ,
is het immers met den mond, dat wij roepen
of schreeuwen. Wellicht beteekenen die elf
hoofden, zoo vele druppelen van het H. bloed,
als uit den kelk gevloeid waren, zoo vele
stemmen, welke tot God om barmhartigheid
roepen, zoo wel voor den pastoor zelven, als
ook voor het volk , dat dit H. bloed komt
vereeren. Want het heeft aan dien priester
de genade tot boetvaardigheid verleend; de-
zelfde genade smeekt het ook nog heden af
voor het volk , zoodat de grootste zondaren,
die hunne zonden jaren lang verzwegen had-
den, op deze heilige plaats voor het H. bloed
nedergeknield, ze verzaakten en oprecht be-
leden. Men kan thans , wel is waar , de elf
heilige hoofden door het verloop van tijd niet
duidelijk meer op den corporaal onderscheiden,
maar nog bespeurt men aanzienlijke vlekken
op dezelfde plaatsen, waar de heilige hoofden
geweest zijn, terwijl de corporaal zelf nog ge-
heel ongeschonden «jebleven is.
(i. Als de priester den kelk met wijn op-
offert, opdat deze in het bloed van Christus
veranderd worde, spreekt hij aldus: „Wij dra-
gen U, o Heer, den kelk des heils op, Uwe
goedertierenheid smeekende , dat hij in het
aanschijn van uwe Goddelijke Majesteit, tot
ons heil en dat der geheele wereld met liefe-
lijken geur moge opklimmen". Inderdaad, toen
dit kostbaar slachtoffer aan het kruis werd
opgeofferd, en zijn bloed zoo smartelijk ver-
-ocr page 192-
168
TIENDE HOOFDSTUK.
goten werd, steeg er zulk een liefelijke geur
tot den hemel op, dat deze den walgenden
reuk der afgodenoffers en der ontelbare zon-
den ten eenenmale deed verdwijnen. Wordt
dit kostbaar slachtoffer nu op onze altaren
opgeofferd, zoo stijgt er ook dagelijks een
liefelijke, frissche geur tot den hemel opr
welke, wel is waar, niet den afschuwelijke»
reuk aller zonden der wereld wegneemt, maar
toch voornamelijk den giftigen reuk der zon-
den van hen, die de H. Mis bijwonen , ver-
mindert of verdrijft.
Zoo tracht dan in alle H. Missen het kost-
baar bloed van Christus aandachtig te aan-
bidden, hartelijk aan te roepen en met ijver
op te offeren, en zegt tot God: 0, Heilige-
Drievuldigheid ! zie in deze goddelijke Offerande,
zoo als in alle H. Missen , welke op dit uur
gelezen of gezongen worden, is waarachtig
hetzelfde kostbaar bloed tegenwoordig, dat
onze aanbiddelijke Verlosser gedurende zijn
geheel lijden gestort heeft, zoo wel voor mij
als voor alle zondaren. Ik breng het voor
den troon van uwe Goddelijke Majesteit en
offer het U op door het hart van Jezus
Christus en door de handen aller priesters,
en wensch het U niet alleen op dezen dag,
maar op alle oogenblikken mijns levens en
in het uur van mijnen dood , met dezelfde
liefde en smarten op te dragen , waarmede
het vergoten is geworden. Ook offer ik U op
al de zweetdruppels, tranen , bloedig zweet
-ocr page 193-
HOK HET BLOED TEN HEMEL ROEFr. 16&
en het heilig water, \'t welk uit Christus\'\'
lichaam is gevloeid. Hiermede vereenig ik al
het bloed der martelaren, in vereeniging met
deze en alle heilige Misofferanden tot uw
oneindig welgevallen, tot vergiffenis mijner
zonden, tot volkomen uitwissching van hare
straffen, en tot herstel mijner verzuimenissen.
Ook offer ik het U op tot troost der be-
droefden, tot versterking der zieken in hun-
nen doodsnood, tot verkwikking der zielen in
het vagevuur, en tot bekeering van alle ver-
stokte zondaars en ongeloovigen, opdat allen
de eeuwige zaligheid daarom mogen bekomen.
Amen.
-ocr page 194-
^l >§y§i-S^«§ifs>S SrS >SvSrfei&ö*t§#\'§L k§\'§<®*-fe&**«S r
ELFDE HOOFDSTUK.
De H. Mis is het voornaamste brandoffer.
1. In het Oude Verbond treffen wij voor-
namelijk vier soorten van offers aan: eerstens
brandoffers, tot erkenning en huldiging
van Gods hoogste Majesteit; tweedens lof-en
dankoffers, voor de van God ontvangen
weldaden; derdens bid offers, ter verkrijging
der goddelijke weldaden; vierdens verzoen-
en boetoffers, tot vergiffenis der zondenen
kwijtschelding der straffen. Ieder van deze
offers werd op eene bijzondere wijze opge-
dragen, volgens de voorschriften der wet, en
men mocht geen tweeërlei offers op eene en
dezelfde wijze opdragen. — Van het begin der
wereld tot aan de komst van Christus werden
aan den almachtigen God ontelbare brandoffers
opgedragen, welke Hem, volgens de getuigenis
der II. Schrift, aangenaam waren. Volgens de
wet van Mozes , moesten de Joden dagelijks
twee eenjarige lammeren, het eene \'s morgens
en het andere \'s avonds , als brandoffers op-
offeren, welk getal op de sabbatdagen verdub-
beid werd. Hij elke nieuwe maan moesten zij
zeven lammeren, twee kalveren en éenen ram
-ocr page 195-
HET VOORNAAMSTE BRANDOFFER.         171
tot brandoffer opdragen, en even zoovele dieren
moesten zij met Paschen en Pinksteren gedu-
rende zeven achtereenvolgende dagen opofferen.
Bij het loofhuttenfeest moesten zij wederom
gedurende zeven dagen dagelijks veertien lam-
meren , dertien kalveren, twee rammen en
éenen bok offeren. Benevens deze offeranden
offerde men nog, ieder volgens zijne gods-
vrlicht, een aantal ossen, kalveren, schapen,
duiven, wijn, brood, wierook, zout- of olie-
koeken , hetwelk alles volgens de bovenge-
melde viervoudige wijze aan den almachtigen
God werd opgedragen.
2. Van dit alles maak ik hier gewag, op-
dat zij wel weten, van welke omslachtige,
dure en onreine offeranden de oude patriarchen en
de joodsche priesters zicli eertijds bedienden.
Evenwel bewezen zij met al hunne kostelijke
offeranden aan den almachtigen God slechts
eene geringe eer, en verdienden hierdoor maar
eene kleine belooning, gelijk de apostel Paulus
in zijnen brief tot de Hebreeuwen op ver-
schillende plaatsen uitlegt. Indien dan toch
nog de Heilige Schrift zegt, dat deze offeran-
den als een liefelijke geur tot God opstegen,
dan komt dit daarvan, dat zij afbeeldsels wa-
ren van het bloedige offer van Christus zelven.
Hieruit ziet gij hoe ongelukkig de toenmalige
Joden waren en hoe gelukkig wij katholieke
Christenen zijn. Want de goede Jezus heeft
ons een brandoffer gegeven, dat, ofschoon het
weinig kost, nochtans aan de Goddelijke Ma-
-ocr page 196-
172
ELFDE HOOFDSTUK.
jesteit het aangenaamste, aan den hemel het
liefelijkste, aan de wereld het nuttigste en
aan het vagevuur het troostrijkste offer is.
3. Indien iemand alle slachtoffers, welke van
het begin der wereld tot aan Christus zijn
opgeofferd, met eigen handen en met de
grootste aandacht geslacht, verbrand en op-
geofferd had , dan zoude hij voorzeker hier-
door aan God een grooten eeredienst bewezen
hebben. Maar deze eer is op verre na niette
vergelijken met den eeredienst, welke aan de
Goddelijke Majesteit door eene enkele H. Mis
bewezen wordt, welke een zwakke priester
leest, of welke een brave geloovige aan God
opoffert. Mijn God, wie zou zulks kunnen ge-
looven? Opdat gij dit echter wel moogt be-
grijpen, zoo zal ik u verklaren welk een
brandoffer de katholieke Kerk bezit, en waarin
het bestaat.
Het christelijk brandoffer is een sacrificie ot
eene uiterlijke offerande, voor God alleen be-
stemd, door hetwelk eene zichtbare zaak, door
eenen behoorlijk gewijden priester, tot erken-
ning der hoogste heerschappij, welke God over
alle schepselen bezit, gewijd en opgedragen
wordt. Üe H. Thomas zegt: „Door het offer
of brandoffer betuigen wij, dat God de eerste
oorsprong van al het geschapene, het laatste
einde van alle zaligheid en de hoogste be-
heerscher aller dingen is". Dit brandoffer heeft
God zich alleen voorbehouden, en nooit willen
toelaten, dat het aan eenen anderen zou op-
-ocr page 197-
HET VOORNAAMSTE BRANDOFFER.          173
gedragen worden; hieruit kunt gij tevens de
voortreffelijkheid van het brandoffer opmaken,
daar men het aan geen schepsel, noch aan
de Moeder Gods, noch aan eenen Heilige,
zonder groote afgoderij kan opdragen. Hij
heeft ons toegestaan , dat wij zijne Heiligen
zouden loven, beminnen, eeren, aanroepen, tot
hunne eer wierook branden , kaarsen ont-
steken , in een woord , dat wij hun alle uit-
wendige en inwendige eer zouden bewijzen ,
maar nooit heeft Hij ons toegestaan om hun
onze brandoffers, namelijk de H. Mis, op te
dragen. Daarom zegt het concilie van Trente:
„Ofschoon de Kerk gewoon is, tot eer en tot
gedachtenis der Heiligen somtijds eenige Mis-
sen op te dragen, zoo leert zij toch, dat niet
aan hen , maar alleen aan God , die ze ge-
kroond heeft, het offer wordt opgedragen.
Daarom pleegt ook de priester niet te zeggen:
Ik draag aan u, Petrus of Paulus, het offer
op; maar, daar hij God voor hunne zegepraal
bedankt, smeekt hij om hunne bescherming,
dat zij, wier gedachtenis wij hier op aarde
vieren, voor ons in den hemel mogen bidden".
Uit deze leering der Kerk ziet gij dus, dat
wij aan geenen Heilige de Mis opdragen, maar
slechts aan God alleen, tot meerdere eer der
Heiligen.
4. Thans willen wij de natuur en de ma-
nier der brandoffers verklaren, opdat wij hun-
ner voortreffelijkheid beter mogen begrijpen.
Bij de brandoffers der Joden werd het vleesch
-ocr page 198-
174
ELFDE HOOFDSTUK.
der dieren door het vuur verteerd; bij de
andere offeranden echter geschiedde dit niet ,
maar er werd slechts een gedeelte van liet
offer verbrand , en het overige moest dienen
tot spijs der joodsche priesters en offeraars.
Bij de brandoffers werd daarom alles ver-
brand, om aan te toonen, dat alles aan God
toebehoort en tot zijne eer en zijnen dienst
moest worden opgeofferd. Evenzoo kon God
volgens zijne strenge rechtvaardigheid vor-
deren , dat ieder niensch hem zijn leven ten
beste gave, gelijk hij aan Abraham bevolen
heeft, hem zijnen eenigen zoon Izaiik op te
offeren. In het Oude Verbond bestond zelfs
het gebod, dat de eerstgeboren jongetjes den
Heere zonden toegeheilif\'d worden; maar God
vergenoegde zich echter hiermede, dat de
moeders hare kinderen naar den tempel brach-
ten , om ze voor eene kleine som weder los
te koopen. Zoo moest Hem ook zijn eenig-
geboren Zoon door zijne Moeder Maria wor-
den opgeofferd , en ofschoon Maria hem voor
vijl sikkels vrijkocht, zoo was God hiermede
niet te vreden ; maar zij moest hem later
overgeven , om den schandelijksten dood te
.sterven, ten einde door dezen kostbaren dood alle
nienschen van de verplichting te bevrijden, hun
leven aan God als een brandoffer op te dragen.
Hierover zegt de H. Paulus, ad Cor. 5, 14:
,,Is een voor allen gestorven , dat zijn allen
gestorven, en voor allen is Christus gestorven".
Het leven van Christus was nochtans veel
-ocr page 199-
HET VOORNAAMSTE BRANDOFFER.         175
edeler , dan liet leven van alle mensehen te
Kamen. Daarom was ook zijn dood in de
oogen van God verdienstelijker en welgeval-
liger, dan Hem de dood aller menschen wezen
kon; en dewijl nu Christus in alle heilige
Missen aan God ten ofter wordt gebracht, zoo
bekomt God de Vader meer eer uit eene en-
kele Mis, dan indien te zijner eer het leven
van alle menschen werd opgeofferd.
5. Daarom zegt een godvruchtig schrijver,
dat het H. Misoffer onder alle andere werken
van godsvrucht, verre het voortreffelijkste is.
Want daarin betuigen wij niet zoo zeer door
woorden, als wel met de daad, dat God waar-
dig is de offerande van ons leven te ont-
vangen. Met deze meening zullen wij Hem
dit hoogwaardig offer opdragen, zooals eertijds
een joodsch priester onder zijne offerande kon
spreken: „Gelijk ik hier dit dier tot eer van
God slacht, alzoo konde ook God, als de
hoogste Heer , ons al te zamen , indien Hij
zulks wilde, vernietigen. Want Hij is waardig,
dat ons leven Hem ter eere wordt ten beste
gegeven , wat ik door de slachting van dit
dier wil betuigen. En zoo verschijn ik hier
voor U , o Heer , om U het leven van dit
dier, in plaats van het mijne, te offeren". Op
dezelfde wijze spreekt de geleerde Sanchez:
,,In de H. Mis bewijzen wij God zulk een
eervollen dienst, dat Hem op de wereld geen
grootere kan bewezen worden. Want daardoor
betuigen wij, dat zijne Majesteit zoo groot is,
-ocr page 200-
176
KLFDE HOOFDSTUK.
dat Hij waardig is, met zulk een offer geëerd
te worden, in hetwelk Hem niet het leven der
kalveren of het bloed der bokken, maar het
allerkostbaarste leven en het dierbaarste bloed
van zijnen beminden Zoon wordt opgeofferd".
Behartigt toch wel deze woorden en ziet
toch eens goed in, welk eene oneindige eer wij
door het H. Misoffer aan God kunnen betoo-
nen. Zult gij dan daarom niet gaarne de Mis
bijwonen, om Hem tegelijk met den priester
deze hooge eer te bewijzen ? Verzuimt gij ze
echter lichtzinnig, zoo steelt gjj , om zoo te
spreken, aan uwen God de eer, welke gij Hein
door de H. Mis had kunnen bewijzen. Hoort
verder wat Marehantius zegt: „Wat is de H.
Mis anders dan een gezantschap aan de H. Drie-
vuldigheid, met een onschatbaar geschenk, het-
welk wij aan haar tot erkenning harer hoogste
heerschappij over alle schepselen en tot be-
tooning onzer onderwerping opdragen. God
wordt, als opperste oorzaak van leven en dood,
het leven en de dood van Jezus Christus, als
eene dagelijksche schatting van de strijdende
Kerk, onder medewerking en in tegenwoor-
digheid der triomfeerende, opgeofferd, opdat
Hem, als den eenigen en drievoudigen God,
de hoogste eer van al zijne schepselen bewe-
:zen worde, en opdat ook zijne hoogste macht,
wijsheid, goedheid en oneindige volmaaktheid,
welke uit dit geheim zoo klaar schitteren, op
eene waardige wijze geëerd worden. Wat kan
den hoogsten God aangenamer wezen, dan
-ocr page 201-
HET VOORNAAMSTE BRANDOFFER.         177
•wanneer hemel en aarde te zamen, zijne groote
macht en heerlijkheid erkennen?"
6.   De hoogste eer, welke God door deze
offerande ontvangt, wordt hem noch door de
menschen, noch door de Engelen, maar door
Christus zelven bewezen. AVant Hij alleen kent
de oneindige grootheid en heerlijkheid der God-
delijke Majesteit, en weet welke oneindige eer
haar toekomt. Daarom kan Hij slechts alleen
en niemand anders Gode die eer bewijzen,
welke Hem verschuldigd is, en Hij bewijst ze
inderdaad in alle H. Missen met zulk eenen
oneindigen eerbied als slechts mogelijk is.
Ofschoon de Engelen en de menschen veel tot
eer van God doen kunnen, zoo is toch dit
alles bijna voor niets te achten, bij de eer
welke Christus Hem bewijst.
7.  Verbeeld u eens. geachte lezer, dat de
goddeloozen in ons Europa meester werden
en ons ernstig dreigden, dat, zoo wij niet
Christus verloochenden en de schandelijke wet
hunner valsche profeten wilden aannemen, wij
allen onder de schrikkelijkste tormenten ge-
marteld en eindelijk levend zouden verbrand
worden. Als wij hun nu eenparig zouden ant-
woorden: dat wij duizendmaal liever de grootste
smarten willen verdragen, dan Christus te
verloochenen, ja, zelfs ons werkelijk lieten pij—
nigen en verbranden, zoude deze heldendaad
den almachtigen God niet op hit hoogste ge-
vallig en Hem tot de grootste eer strekken V
Wel zeker, en nochtans zoude deze groote
Verkl. d. H. Mis.                                               13
-ocr page 202-
178                      ELFDE UOOFDSTl\'K.
eer, in vergelijking met die oneindige eerr
welke iiiin de hoogste Goddelijke Majesteit toe-
komt, als voor niets of voor een ellendig stoije
te schatten zijn. Maar als de glorierijke Zoon
Gods, een Heer van oneindige Majesteit, zich
op het altaar voor de allerheiligste Drievul-
digheid op het diepste vernedert, en Haar in
deze uiterste nederigheid de hoogste eer be-
wijst, dan is dit voor God zulk eene eer, dat
men Hem geene grootere kan bewijzen.
Dewijl nu dezelfde Zoon Gods zich aan onze
macht overgeeft, zoodat wij Hem als een on-
schuldig lam op geestelijke wijze slachten, en
aan de H. Drievuldigheid als een waarachtig
brandoffer kunnen opdragen, zoo is het ons
hierdoor mogelijk geworden, Haar zulk een
groote eer te kunnen bewijzen, als haar toe-
komt. Hadde Christus ons dit brandoffer der
H. Mis niet verleend, zoo zouden wij immers
als de grootste schuldenaars tegenover God
blijven en ook als dusdanig sterven. Heeft dus
de goede Jezus ons niet de grootste weldaad
bewezen, door uit louter liefde tot ons dit al-
lerheiligste Misoffer in te stellen en zijn wij
niet verplicht Hem van ganscher harte daar-
voor te danken, en het tot korting onzer schulden
te benutten? Gij hebt dan gehoord, hoe veel-
vuldige kostbare brandoffers de arme Joden
aan den almachtigen God hebben opgeofferd
en hoe zij hebben gewedijverd, om hem de
behoorlijke eer te geven; gij echter, gij hebt
een onvergelijkelijk kostbaarder brandoffer in
-ocr page 203-
HET VOORNAAMSTE BRANDOFFER.          179
de H. Mis, dat u niets kost, maar dat u van
Christus vrijwillig geschonken wordt, en wel,
om aan de allerheiligste Drievuldigheid de
behoorlijke eer te bewijzen. En gij hebt niet
het minste verlangen om dit kostbaar geschenk
aan te nemen en aan God op te dragen ? Hoe
zult gij dat ooit kunnen verantwoorden? Daarom
richt uwe bezigheden zoo in, dat gij dagelijks
de H. Mis kunt hooren, om ze aan God tot
erkenning Zijner hoogste Majesteit te kunnen
opdragen.
-ocr page 204-
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De H. Mis is het hoogste lofoffer.
I. Hoe oneindig groot, heilig en machtig
God is, zal nimmer een mensch kunnen be-
grijpen noch een Engel uitspreken. Zijn wezen
is oneindig, zijne heiligheid ondoorgrondelijk:,
zijne glorie onschatbaar en zijne rijkdommen
onuitputtelijk. Hij is de strengste gereehtig-
heid, de mildste barmhartigheid, de beminne-
lijkste vriendelijkheid, de aantrekkelijkste
schoonheid. Alhoewel alle Engelen en Heili-
gen Hem van harte beminnen, sidderen zij
nochtans voor zijne ontzaglijke Majesteit en
bidden haar in de diepste ootmoedigheid aan.
Uit al hunne krachten loven, prijzen en ge-
benedjjden zij zijne oneindige volmaaktheid, en
kunnen zich nooit genoegzaam aan den lof
Gods verzadigen. Dezen lof begeert God van
hen, dewijl hij Hem als den Heer van hemel
en aarde toekomt. Van alle eeuwigheid, en al
voor er iets van het geschapene bestond, loofde
de almachtige God zich zelven, en de drie
Goddelijke personen verheugden zich in hunne
majesteit en heerlijkheid. God de Yader loofde
de ondoorgrondelijke wijsheid des Zoons, God
de Zoon loofde de milde goedheid van den
-ocr page 205-
HET HOOGSTE LOFOFFER.                 181
Heiligen Geest, en deze prees de oneindige
almacht van God den Vader.
2.   Door zijne oneindige goedheid aange-
spoord, schiep God hemel en aarde, Engelen
en menschen, levende en levenlooze schepselen,
opdat Hij van hen naar waarde, en zooveel
mogelijk, geloofd en geëerd zoude worden. Dat
dit het voornaamste doelwit der schepping was,
toont de H. Schrift met deze woorden: „De
Heer heeft alles zjjnenthalve gemaakt"; na-
melijk, om van zijne schepselen gekend en
geëerd te worden. Dit hebben de Engelen
dadelijk na hunne schepping gedaan, en doen
het nog altijd , en zullen nimmer ophouden
dit in alle eeuwigheid te doen. Dit hebben
ook zon, maan en sterren gedaan, gelijk God
zelf getuigt bij Job 38, 4: „Waar waart gij
als ik de fondamenten der aarde legde.....
als mij de morgensterren altegader loofden en
alle kinderen Gods juichten?" YTerder alle re-
delooze schepselen, alle tamme en wilde dieren,
alle boomen en gewassen, metalen en steenen
loven God, ieder naar zijn vermogen, en strekken
hunnen Schepper tot lof en eer, dewijl Hij
hun het bestaan gegeven heeft.
3.   Wanneer dan alle schepselen God loven,
hoe veel te meer zijn dan de menschen ver-
plicht hunnen Schepper te loven en te prijzen,
dewijl zij bijzonder tot dit einde van God ge-
•schapen, en met rede en verstand begaafd zijn
geworden. Dit heeft van alle oudvaders van
het Oude Verbond, koning David het meest
-ocr page 206-
162                  TWAALFDE HOOFDSTUK.
behartigd; daarom heeft hij in zijn vurig ver-
langen, oin God naar behooren te loven, de
Psalmen samengesteld, heerlijke gezangen, die
schier allen van louteren lof van God weer-
galmen. Zelfs om God naar waarde te kunnen
verheerlijken, roept hij hemel en aarde aan
en noodigt alle levende en gevoellooze wezens
uit, om zich met hem te vereenigen, zijnen
en hunnen (iod uit al hunne krachten te loven
en te prijzen. Opdat echter ook liet nageslacht
in dezen lof altijd zoude voortvaren, liet hij
zijne Psalmen in de handen der priesters en
levieten, en beval hun, den God van Israël
dagelijks onder den dienst op dusdanige wijze
te loven en te prijzen. De drie jongelingen,
van welke Daniël zegt, dat zij in een gIoeien-
den oven geworpen werden, hebben David na-
gevolgd en midden in de vlammen den lof
des Ileeren gezongen, en alle schepselen hiertoe
uitgenoodigd.
4. Daar nu het joodsche volk zoo ijverig
den Heer hunnen God heeft geloofd, hoeveel
te meer zijn wij Christenen dan niet verplicht
hetzelfde te doen; wij, die tot dit einde als
kinderen van God zijn aangenomen geworden,
om zijne genade en heerlijkheid te loven en
te prijzen. Dat is eene groote verplichting,
welke oj) iederen mensch rust, zoo dat hij,
die dezen plicht verzuimt, zich tegen zijnen
God bezondigt. Dat hebben vele vrome kei-
zers, koningen en vorsten zoo wel begrepen,
dat zij vele heerlijke kloosters en kerken hebben
-ocr page 207-
HET HOOOSTK I.OFOIFEK.                 183
gebouwd, opdat er dag en nacht de lof des
Heeren onophoudelijk zou weergalmen. Daarom
heeft ook de katholieke Kerk onder zware
zonden bevolen, dat ieder geestelijke, zoodra
hij de wijding van het subdiaconaat heeft ont-
vangen, tot zijnen dood toe, dagelijks de zeven
getijden zoude bidden, om zijnen God te loven
en te verheerlijken. Dezelfde plicht is aan alle
ordens-geestelijken en aan vele vrouwelijke
kloosterlingen opgelegd, om dag en nacht
hunnen God en schepper vlijtig te loven en
te prijzen.
Maar wie zal zulks naar behooren kunnen
doen, dewijl Zijne heerlijkheid oneindig en
onbegrijpelijk is, en allen lof der Engelen en
menschen verre overtreft?
5. Wijl nu Christus voorzag, dat de men-
schelijke zwakheid den grooten God nooit
waardig genoeg zoude kunnen loven , stelde hij
de H. Mis in, welke met recht eene lofoffe-
rande wordt genoemd, en van de H. Kerk
dagelijks aan den Allerhoogsten als dusdanig
wordt opgedragen. Immers, de priesters zeggen
menigmaal onder de Mis: „Wij otteren U op,
o Heer, het Sacrificie des lofs", of: „wij dragen
U op het offer des lofs , ter eere van uwe
Heiligen". En welk een heerlijken lofzang be-
helst het Gloria niet: „Eere in de hoogste
hemelen aan God, wij loven U, wij pi-ijzen
U", enz. En hoe schoon zijn niet de woorden
van de Prefatie en van den Sanctus: „Heilig,
heilig, heilig is de Heer, God Sabaoth. Hemel
-ocr page 208-
184                 TWAALFDE HOOFDSTUK.
en aarde zijn vol van uwe heerlijkheid". Kan
men eenen voortreffelijkeren lof hooren! En
hebben de hemelsche Seraphijnen dit driemaal
heilig niet gezongen ? In de H. Mis verheer-
lijken wij aldus God met denzelfden lof, welken
hemel en aarde hem onophoudelijk bewijzen;
niet eens, maar dagelijks en op duizenden
plaatsen door den mond des priesters, zoo me-
nigmaal als dit hoogwaardig Sacrificie aan God
den Heer op onze altaren wordt opgedragen.
6. AVij, zwakke menschen, zijn tot dat ver-
heven doel geschapen, om God te loven en
te prijzen op de voortreffelijkste wijze; en
daar de heerlijkheid van God oneindig is, zoo
komt Hem ook oneindige lof toe. Wie zal
echter zulk eenen lofzang uitvinden, welke alle
goddelijke voortreffelijkheden in zich begrijpt
en ze naar waarde weet te prijzen? Dewijl
zulks niemand vermag, zijn wij aan Christus
oneindigen dank verschuldigd, dat Hij ons in
het H. Misoffer een dergelijken lofzang heeft
verschaft, waardoor wij aan den almachtigen
God een waardiyr lof\'offer kunnen aanbieden.
„Zeker is het", zegt de H. Laurentius Justi-
nianus, „dat God door geene andere offerande
eervoller geloofd wordt, dan door het onbe-
vlekte offer des altaars, hetwelk Christus heeft
ingesteld, opdat de Kerk dien goildelijken lof
zou kunnen voltrekken". Hieruit volgt alweer,
dat, willen wij onzen God naar waarde loven,
wij dit door niets beters kunnen doen dan
door het hooren en opofferen der II. Mis. Hoe
-ocr page 209-
HET HOOGSTE LOFOFFER.                 185
dit geschiedt, beschrijft ons de geleerde Mo-
lina: „In de H. Mis wordt aan God den Va-
zijn eeniggeboren Zoon met alle lof en eer,
welke Hij Hem op aarde bewezen heeft, op-
geofferd". Op deze wijze ontvangt de Vader
eenen oneindigen lof, namelijk den goddelijken
lof zijns Zoons. Ja, Christus prijst de Godheid
op het altaar met zulk een verheven lof, als
God waardig is geloofd te worden; met eenen
lof, welken noch de Engelen, noch de Heili-
gen of menschen vermogen uit te drukken.
Daarom ontvangt ook God in eene enkele
H. Mis een grooteren lof, dan Hij van alle
Engelen en Heiligen in den hemei kan ont-
vangen.
7. P. Segneri verhaalt het volgende van
eene jongedochter, die eene brandende begeerte
had, God naar al haar vermogen te loven.
Zij zuchtte dikwijls tot den hemel, zeggende:
,,0, hadde ik toch duizend tongen, waarmede
ik U, mijn God, konde loven! Hadde ik toch
alle menschen in mijne macht, opdat zij met
mij God mochten loven. Konde ik toch alle
redelooze schepselen verstand en een hart
geven om God eeuwig te gebenedijden ! Konde
ik toch nieuwe hemelen scheppen, en met lou-
tere Seraphijnen aanvullen, om den Heer te
loven ! Hadde ik toch zulke lichaams- en ziels-
krachten , dat ik U, o mijn God, meer aan-
bidden, loven, eeren, prijzen en gebenedijden
konde, dan alle koren der Engelen en hemelsche
scharen; hoe gelukkig zoude ik mij niet achten!"
-ocr page 210-
186                  TWAALFDE HOOFDSTUK.
Als zij zich eens wederom van deze heilige
begeerten geheel en al ontvlamd gevoelde,
hoorde zij eene stem, zeggende: Weet, mijne
dochter, dat eene enkele H. Mis mij niet alleen
eenen dusdanigen lof bewijst, als gij verlangt,
maar eenen onvergelijkelijk grooteren. Hoor
dus ijverig de H. Mis, en offer mij den lof
op, welken ik daaruit schep, zoo kunt gij mij
«aar uw verlangen loven en uwe begeerte vol-
komen vervullen.
8. Hieruit kunt gij besluiten, aandachtige
zielen, welk een voortreffelijk offer de H. Mis
moet zijn, dewijl God daardoor eene grootere
eer en verheerlijking ontvangt, dan door allen
lof der hemelsche geesten. Veronderstelt dat
de gansche hemel tot hoogsten lof en eer der
allerheiligste Drievuldigheid, de heerlijkste
processie instelde, aan wier hoofd zich de
Moeder Gods bevond, vergezeld van de negen
koren der Engelen, van de ontelbare scharen
van Heiligen en Gelukzaligen, welk eenen lof
zou zulks aan God niet verschaffen V Indien
echter de strijdende Kerk eenen enkelen pries-
ter afzond, welke tot slot van deze heerlijke
processie, eene enkele H. Mis ter eere der al-
lerheiligste Drievuldigheid zou lezen en opof-
feren, wat meent gij wel, dat hij hiermede
zou uitwerken? Nochtans, in waarheid zeg
ik u, deze priester met zijn enkele Mis zoude
aan de nooit volprezen H. Drievuldigheid eenen
onvergelijkelijk hoogeren lof geven, dan deze
hemelsche processie Haar ooit zoude kunnen
-ocr page 211-
HET HOOGSTE LOFOl\'FER.                 187
toebrengen , ja, eenen lof zooveel grooter en
verhevener als de Zoon Gods verheven is boven
alle schepselen.
9. Als wij dit wel overwegen, moeten wij
dan Christus niet zoo veel te meer beminnen,
daar Hij ons door de H. Mis zulk een gemak-
kelijk middel verschaft heeft, om de Godde-
lijke Majesteit naar behooren te prijzen en te
eeren. Deze overweging zal dus in onze harten
eene vurige begeerte ontsteken, dikwijls de
H. Mis aandachtig bij te wonen om hierdoor
te voldoen aan dien grooten plicht van de
Goddelijke Majesteit te loven. Bemerkt nu, dat
de lof, welken Christus op het altaar aan de
Godheid aanbiedt, Hij dit voornamelijk doet
in naam van hen, die de H. Mis bijwonen,
en aldus aanvult , wat deze in den lof Gods
verzuimd hebben; ja, Hij schenkt hun, als het
ware, dezen zijnen lof, opdat zij Hem aan den
Allerhoogste als hun eigen zouden opofferen,
en zich daardoor van hunne schuld kwijten.
Wanneer dus iemand onder de Mis in zijn
hart tot God spreekt: Mijn God, ik draag IJ
zulk eenen lof op, als U uw Zoon Jezus op
het altaar aanbiedt, zoo verschaft hij aan den
almachtigen God eenen grooteren lof, dan Hem
alle Engelen en Heiligen gegeven hebben of
geven kunnen. Want deze offeren Hem slechts,
als geschapen wezens, eenen beperkten lof;
zulk een mensch echter biedt Hem met den
lof van Christus, geenen menschelijken, maar
eenen goddelijken en oneindigen lof aan.
-ocr page 212-
188                  TWAALFDE HOOVDSTUK.
10. Wij lezen in de openbaringen dei- H.
Brigitta, welke door de Kerk zijn goedgekeurd,
het volgende: „Toen eens een priester bezig
was met Mis te lezen, en aan de woorden der
Consecratie gekomen was, zag en hoorde ik
de zon en maan met alle sterren en planeten,
ja, alle hemelen met hunne bewegingen in de
zoetste akkoorden den lof des Ueeren zingen___
Hierbij voegde zich nog een groot aantal he-
melsche zangers, wier liefelijk gezang onmo-
gelijk kan beschreven worden. De koren dei-
Engelen zagen den priester aan, en bogen
zich met den diepsten eerbied voor Hem neder.
De duivels echter beefden van schrik en vlucht-
ten weg. Nauwelijks waren de woorden der
Consecratie uitgesproken, ziet, daar verandert
eensklaps het brood in een levend lammetje
met een menschelijk aangezicht. En alle En-
gelen, die zoo groot in getal waren als stofjes
in de zonnestralen, baden hetzelve aan en
dienden het. Daar waren ook zulk eene me-
nigte heilige zielen tegenwoordig, dat mijne
oogen ze niet allen konden aanschouwen, en
deze prezen en loofden tevens met de Engelen
Gods het aanbiddelijk Lam, en bewezen het
eere".
Deze merkwaardige verschijning doet ons
zien, hoe de Engelen en Heiligen in groot
getal bij de H. Mis tegenwoordig zijn, en
welke heerlijke lofzangen zij zingen, en hoe
zon, maan en alle hemelsche lichamen >eich
met hen vereenigen. In het midden van deze
-ocr page 213-
HET HOOGSTE LOFOI\'FKK.                189
Engelen staat gij aandachtige zielen, als gij
in de H. Mis tegenwoordig zijt, en zij helpen
u uwen Heer en God loven en prijzen. Zoo
overweegt dus bij u zelven, welk eenen
voortreffelijken lof en welke verheerlijking God
van hen en van u onder de H. Mis ontvangt.
Ofschoon nochtans deze lof groot is, dien gij
Hem bewijst, is toch de eer welke de H. Mis
zelven aan den almachtigen God verschaft,
oneindig grooter. Hoort wat een godvruchtig
schrijver hiervan zegt: „Deze offerande is zoo
verheven en voortreffelijk, en God zoo lief en
aangenaam, dat alle deugden en goede werken,
alsook alle lof, eer en diensten, welke van
alle Engelen en menschen ooit zijn uitgeoe-
fend en der Godheid bewezen geworden, met
haar geenszins kunnen vergeleken worden.
Want, dewijl Christus hier zelf het slachtoffer
en de priester is, wie zal het durven looche-
nen, dat de lof en de eer, welke God daardoor
ontvangt, wegens de oneindige voortreffelijk-
heid van den persoon van Christus, die offert
en geofferd wordt, ook op oneindige wijze den
lof en de eer van alle schepselen verre over-
treftV"
11. Welk eene oneindige liefde, welke ver-
heerlijking moet dus der «allerheiligste Drie-
vuldigheid uit iedere H. Mis toevloeien, en
hoe rijkelijk moet daardoor aan de Goddelijke
Majesteit dien lof vergoed worden, welken wij
zoo menigmaal verzuimen ? Ja, alle versma-
dingen en lasteringen, welke men dagelijks
-ocr page 214-
190                  TWAALFDE HOOFDSTUK.
tegen God hoort uitbraken, worden door de
H. Mis weder hersteld. Ware zulks niet het
geval, dan zou het onmogelijk wezen, dat de
wereld nog bestond, waar de almachtige God
dagelijks zoo schandelijk duizenden malen wordt
gelasterd. Hoe zeer Hem die lasteringen mis-
vallen, betuigt Hij bij den profeet Isaïas 52,
5, waar Hij zegt: „Wat zal ik wel hier doen ....
daar den geheelen dag mijn Naam immer ge-
lasterd wordt". Alsof Hij zeggen wilde : Wat
zou ik langer in de wereld blij ven, waar ik
onophoudelijk versmaad, gelasterd en vervloekt
word Ik zal mij van haar terugtrekken en ze
aan het geweld van satan overlaten. Ja, ik
wil ze vernietigen en de godslasteraars in de
diepte der hel doen nederzinken. Gewis had
God beweegreden genoeg om zulks te doen,
daar e\'ene doodzonde voldoende was om de
wereld te verdelgen. Waarom doet de recht-
vaardige God dan zulks niet ? Wat houdt TTem
hiervan af? Ik geloof\', dat het hoogwaardigste
Misoffer vóór alle dingen het meest deze straf\'
verhindert. Want, ofschoon de Goddelijke Ma-
jesteit gedurig gelasterd wordt, wordt toch ook
dezelfde Majesteit door de priesters onophou-
delijk door zoo vele duizenden Missen dage-
lijks geprezen, en van Christus zelven naar
waarde verheerlijkt. Deze lof van Christus en
der priesters overtreft verre alle lasteringen
der boozen, en verzoent God tegenover al die
versmadingen, die Hem door de goddeloozen
worden aangedaan. Hebben wij dan niet rede-
-ocr page 215-
HET HOOGSTE I.OFOEFER.                 191
ïien genoeg, Christus uit ganscher harte te
danken, dat Hij voor ons liet H. Misoffer heeft
ingesteld, waardoor de goddelooze wereld be-
houden, de godslasteraars van den afgrond
der hel nog bewaard, en de oneindige God
op het waardigste geloofd, geëerd en geprezen
wordt ?
-ocr page 216-
DERTIENDE HOOFDSTUK.
De II. Mis is het beste dankoffer.
1. De weldaden, welke wij dagelijks van
de Goddelijke goedheid ontvangen, zijn zoo
groot, zoo menigvuldig, dat wij ze niet op-
tellen , veel minder ooit vergoeden kunnen.
Voor al deze weldaden, zoo wel naar ziel als
naar lichaam, hebben wij Haar te danken. God
heeft onze ziel geschapen, naar zijn beeld en
gelijkenis; de H. Geest heeft ze in het doopsel
gereinigd, met vele deugden versierd en tot
zijne bruid uitgekozen. God heeft ons eenen
Engelbewaarder tot onzen dienst gezonden. Hij
"voedt ons als zijne kinderen, vergeeft ons onze
zonden en spijst ons met zijn dierbaar lichaaam
en bloed. Hij verdraagt geduldig den smaad,
welke wij Hem aandoen , wacht den tijd van
onze bekeering af, schenkt ons godvruchtige
inspraken en voorkomt ons met zijne genaden.
Hij onderwijst ons door zijne H. leering, ver-
hoort ons armzalig gebed en bewaart ons van
vele bekoringen. Hij troost ons in ons lijden,
versterkt ons in onze aanvechtingen en tegen-
spoeden, neemt onze goede werken in genade
op, en bewijst ons ontelbare weldaden. Hij
heeft ons tot zijne kinderen aangenomen, ge-
lijk Joannes zegt: ,,Ziet, welke liefde ons de
-ocr page 217-
HET BESTE DAXKOFFER.                  103
Vader bewezen heeft, dat wij kinderen Gods
genoemd worden en zijn". En de H. Paulus
voegt er bij: „Indien wij kinderen (Gods) zijn,
dan zijn wij ook erfgenamen, en wel erfgena-
men van God, en mede-erfgenamen van Chris-
tus". En wat zal ik dan zeggen van de wei-
daad der menschwording, van die overgroote
weldaad, waarvan Christus zelf zegt: „Zóo
lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen
eenigueboren Zoon gegeven heeft". En van
zijn bitteren dood zegt toch de H. Paulus:
„God verheft zijne liefde jegens ons daardoor,
dat Christus, toen wij nog zondaars waren, te
zijner tijd voor ons gestorven is".
2. Had de almachtige God ons geene an-
•dere weldaad bewezen, dan dat Hij ons slechts
eenmaal met eenen vriendelijken blik aan-
schouwd had, zoo konden wij Hem daarom
alleen niet waardig genoeg danken, dewijl Hij
een Heer is van oneindige majesteit, en wij
slechts ellendige aardwormen zijn; hoe zullen
wij Hem dan ooit zijne liefde tot den mensch
kunnen vergelden, daar Hij voor hem zulk een
smartvol leven heeft geleid en zulk eenen
bitteren dood gestorven is.
De geleerde Osorius zegt: „Als gij van
iemand veel goeds ontvangen hebt, zijt gij
verplicht, hem dit alles rijkelijk te vergelden,
om niet ondankbaar te schijnen". Daar nu God
u ontelbare weldaden geschonken heeft, zijt
gij verplicht te zorgen, en er op te denken,
hoe gij Hem dit het beste kunt vergelden.
Veikl. d. H. Mis.                                                     {4
-ocr page 218-
194                 DERTIENDE HOOFDSTTK.
Daarom spreekt dikwijls met David tot God:
„Wat zal ik den Heer vergelden voor alles,
wat Hij mij gegeven heeft". En met den pro-
feet Micheas: „Wat zal ik den Heere opoffe-
ren dat Zijner waardig isV" ot\' met Tobias:
„Welk loon zullen wij hem geven, of waar-
mede kunnen zijne weldaden naar verdiensten
vergolden worden?" Gij zijt dan verplicht,
gelijk deze H. mannen, uwen God gedurig te
bedanken, wilt gij u niet aan de schrome-
lijkste ondankbaarheid schuldig maken en daar-
door tegen uwen God zondigen.
3. 0, ellendige mensch, wat zult gij dan
aanvangen V Hoe u van dezen grooten plicht
kwijtenV Niet beter, dan met vlijtig de H.
Mis te hooren en ze aan uwen God tot ver-
gelding zijner weldaden op te dragen. Want
aldus spreekt de H. Ireneüs: „Dit goddelijk
offer is ingesteld, opdat wij niet ondankbaar
zouden zijn". Hierdoor wilde hij zeggen: In-
dien wij dit offer niet bezaten, zoo hadden
wij op de wereld niets om God naar behoo-
ren te kunnen bedanken. Dat nu de II. Mis
een waar dankoffer is, dit kunnen wij reeds
afleiden uit de woorden der H. Mis zelve.
Zoo zegt immers de priester in het Gloria in
excelsis: „Wij loven U, wij prijzen ü, wij
aanbidden U, wij verheerlijken Ü. Wij dan-
ken U wegens uwe groote heerlijkheid". Ook
iu de Prefatie vermiiant de priester het volk
tot dankzegging: „Laat ons den Heer onzen
God dank zeggen". En dan laat hij er dra
-ocr page 219-
HET BESTE UANKOIKEK.                  105
op volgen: „Het is waarlijk waardig. recht-
vaardig, billijk en heilzaam , dat wij U altijd
en overal dank zeggen, lieilige lieer, almach-
tige Vader, eeuwigen God, door Christus ou-
zen Heer". Hij de Consecratie zegt hij in den
naam van Christus: ,,Uij nam het brood in
zijne heilige en eerwaardige handen, hield zijne
oogen ten hemel geheven, tot U, God zijnen
almachtigen Vader, U dank zeggende-\'. O,
welk eene liefelijke verheffing der oogen van
mijnen Jezus! O, welk eene krachtige dank-
zegging, die alle dankzeggingen der Engelen
overtreft en die van alle menschen vergoedt.
Want, daar wij onzen God niet genoeg kun-
nen danken , daarom is Christus ons voorge-
komen, en wat Hij in het laatste Avondmaal
gedaan heeft, dat doet Hij nog dagelijks op
onze altaren, alwaar hij zijne milde oogen tot
zijnen Hemelschen Vader opslaande, Hem voor
al de ons bewezen weldaden bedankt. Dewijl
nu deze dankzegging door eenen goddelijken
persoon geschiedt, daarom kan zij niet anders
dan oneindig wezen, en dewijl deze oneindig
is, zoo kan God ook geene grootere verlangen.
Als gij dus de Mis bijwoont, vereenigt uw
hart en uwen wil met het hart en den wil
van Christus, en dankt uwen God uit al uwe
krachten. Maar opdat uwe dankzegging des
te krachtiger moge wezen, draag aan den
Hemelschen Vader diezelfde dankzegging op,
welke Hem zijn Zoon onder de gedaante van
brood en wijn aanbiedt, en waardoor Hij in
-ocr page 220-
10l)                 DERTIENDE HOOFDSTUK.
uwe plaats eenen overvloedigen dank voor de
bewezen weldaden betoont.
4. Hieruit volgt; indien gij sedert de ont-
waking van uw verstand tot op den liuidigen
dag op de knieën liggende, uwen God voor
de ontvangene genaden gedankt hadt, zoudt
gij met aï deze hartelijke dankbetuigingen
niet zoo veel hebben uitgericht, als met eene
enkele heilige Mis aandachtig te hooren, waar-
door gij uwen God de diepste dankbaarheid
betoont. Indien gij tot vermeerdering uwer
dankbaarheid alle aandachtige personen ver-
zocht had, tegelijk met u den goeden God te
danken , en indien deze insgelijks met u ge-
durende geheel hun leven Hem allen moge-
lijken dank hadden betoond, zoo zouden zij
toch niet zoo vele dankzeggingen kunnen uit-
storten. als God uit eene enkele Mis ont-
vangt. Ik zeg meer, haddet gij ook geheel
het hemelseh hof uitgenoodigd, om hunne
dankzeggingen met de uwe te vereenigen, zoo
zoude dit alles de dankbaarheid niet evenaren,
welke God van zijnen eenigen Zoon in de H.
Mis ontvangt. En waarom dit? Omdat de
dankzeggingen van alle hemelsche en aardsche
schepselen eindigt, en dus van eindige kracht
en waarde zijn; terwijl daarentegen de dank-
zeggingen van den Zoon Gods van eene on-
eindige kracht en waarde, en daarom ook aan
God den Vader oneindig aangenamer zijn.
Deze oneindige dankbaarheid betoont Christus
op het altaar aan zijnen Heuaelschen Vader
-ocr page 221-
HET BESTE DAXKOEFEK.                 197
geheel bijzonder voor u, als gij de H. Mis
aandachtig bijwoont, en schenkt ze u, nis u
toebehoorende, zoodat gij ze aan de Godheid
als uwe eigene dankbaarheid kunt opofferen.
Doet gij dit, dan bewijst gij God geen ein-
dige of menschelijke, maar eene oneindige of
goddelijke dankzegging.
5. 0, mijn God! konden wij toch eens recht
begrijpen, welk een groote schat voor ons in
de H. Mis verborgen ligt; o, hoe gelukkig
zouden wij wezen, en hoe ijverig om dezen
schat wel te gebruiken. Ik moet hier met den
H. Paulus alle menschen toeroepen, 1 Cor 1,
4: „Ik dank mijnen God altijd voor u, voor
de genade Gods, die u gegeven is in Chris-
tus Jezus, dat gij in alles rijk geworden zijt
in Hem,..... zoodat u niets ontbreekt in
eenige genade". Voorwaar, door de H. Mis
zijn wij rijk geworden in Christus, zoodat wij
alle genaden in overvloed mogen putten uit
de H. Mis, waarin grootere schatten van he-
melsche rijkdommen verborgen liggen, dan de
gansche wereld bevatten kan. Want de H.
Mis is niet óf een verzoen-, öf een verzoek-,
of een brandoffer; het is alles in éen, zij is
— het offer \'twelk alles omvat. De H. Mis
is ook het grootste voordeel der geloovigen,
de hartelijkste blijdschap der godvreezenden,
de heilzaamste voldoening der zondaren, de
krachtigste troost der stervenden, de heer-
lijkste hulpe der afgestorvenen. Dit alles en
nog veel meer hebben wij in de H. Mis, en
-ocr page 222-
198                  UKRTIENUK HOOFDSTUK.
met al deze intentiën kunnen wij iedere H.
Mis opofferen en ons al deze vruchten toe-
passen. Zoo kan uien dus met waarheid zeg-
gen. dat wij door de H. Mis in alles rijk ge-
worden zijn in Jezus Christus, zoodat ons
niets ontbreekt in eenige genade.
fi. Ten slotte moet ik er nog bijvoegen,
wat P. Segneri zegt: „Bedenkt dus, o aan-
dachtige zielen, hoeveel wij onzen Heiland
voor de instelling der H. Mis verschuldigd
zijn. Zonder de H. Mis zouden wij onzen God
voor de bewezen weldaden geen behoorlijken
dank kunnen bewijzen. Dit echter was een
blijk van buitengewone liefde tot ons, dat Hij
ons niet alleen ontelbare weldaden bewezen
heeft, maar ons tegelijkertijd het beste mid-
del aan de hand «jejfeven heeft, om zulke
groote weldaden naar behooren te kunnen
vergelden. O, mochten wij dit ons geluk toch
hoog genoeg schatten en het ons ten nutte
maken. Als wij dus de H. Mis bijwonen , is
Christus, die voor ons geslachtofferd en aan
God den Vader opgedragen wordt, onseigen;
is Hij dit, dan behooren zijne oneindige ver-
diensten ook ons toe. Wij kunnen dus haar
dikwijls aan God den Vader opofferen en den
zwaren last, die ons zoo hard drukt, verlichten".
Verlangt gij derhalve Gode behoorlijk dank
te zeggen voor al de bewezen weldaden, zoo
hoort dagelijks de H Mis met deze meening;
offert haar aan den Hemelschen Vader zijnen
eeniggeboren Zoon op, met al die dankbaar-
-ocr page 223-
HET BESTE DANKOFFER.                  199
lieid, welke Hij Hem op aarde heeft bewezen
en Hem nog dagelijks in deze goddelijke offe-
rande bewijst, en zegt dikwijls het volgende
gebed: Hoe groot, hoe talrijk, o mijn God ,
zijn de weldaden, welke gij mij, onwaardig
schepsel, dagelijks verleent! Wat zal ik u
hiervoor wedergeven, dat uwer oneindige Ma-
jesteit waardig is! Ik loof, verheerlijk en prijs
U uit geheel mijn hart, en bedank U op-
rechtelijk uit al mijne krachten, voor alle li-
chatnelijke en geestelijke weldaden. Ik noodig
hiertoe alle schepselen uit, dat zij U in ver-
eeniging met mij den diepsten dank betoonen :
alle hemelbewoners, inzonderheid U, o aller-
zaligste Moeder Gods Maria, dat Gij met mij
de allerheiligste Drievuldigheid prijzen en dan-
ken moget. Daar echter al deze dankzeg<rin-
o                                                                                      of)
gen op verre na niet waardig genoeg zijn
voor uwe oneindige Majesteit neergelegd te
worden, zoo neem ik mijnen toevlucht tot
den onuitputtelijken schat uwer verdiensten ,
o mijn Jezus! en bied door U, der H. Drie-
vuldigheid tot waardige wedervergelding aller
weldaden, alle dankzeggingen aan, welke gij
Haar hier op aarde hebt toegekend en nog dage-
lijks in alle H. Missen uit uw goddelijk hart
Haar opdraagt. Gevvaardig U, o allerheiligste
Drievuldigheid, al deze dankzeggingen, welke
ik U in vereeniging met mijnen Jezus aanbied
-en onophoudelijk wensch aan te bieden, met
welgevallen aan te nemen tot eene waardige
wedervergelding van al Uwe weldaden. A-üien.
-ocr page 224-
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De H. Mis is het krachtigste bidoffor.
1. In de wet van Mozes had God den Joden
niet alleen brandoffers tot teeken van onder-
werping aan de goddelijke almacht bevolen,
maar ook vrede- of bidoffers , tot bekoming,
van tijdelijke goederen, en tot afwering van
schadelijke plagen. Deze waren bij hen van
groot gewicht, want wij lezen in de H. Schrift:
Wanneer de I\'hilistijnen de kinderen van Israël
wilden overvallen , deze zich tot den profeet
Samuel begaven, om hem te verzoeken toch
voor hen te bidden. Deze offerde dan Gode
een zuigend lam voor het volk, en riep den
Almachtige om hulp aan. De Philistijnen wer-
den van schrik bevangen, en door de Israëliten
op de vlucht gedreven. Zoo lezen wij ook,.
dat David door dergelijke offers de pest van
het volk iieeft afgewend.
Had God nu eertijds den Joden zulk een
krachtig bidoffer verleend , hoeveel te eerder
zal Hij den Christenen dergelijk offer bezorgd
hebben , waardoor zij alle lichamelijke en
geestelijke goederen van God verzoeken , en
alle plagen van zich kunnen afkeeren. Als een
eenvoudig lam , God ter eere geslachtofferd,.
-ocr page 225-
HET KRACHTIGSTE BIDOFFEB.             201\'
zoo vele genaden van God kon verwerven,
welk eene oneindig grootere kracht moet dan
niet het onschuldige Lam Gods hebben, als.
het voor ons op het altaar wordt geslacht,
en door ons met den geheelen schat zijner
verdiensten aan God wordt opgeofferd.
2. Veel gelukkiger dan de Synagoog der
Joden, is dan onze Kerk, want de eerste konde
een slachtoffer niet tot verschillende einden,
maar slechts tot een enkel doel opofferen.
Hunne brandoffers dienden slechts tot teeken.
van onderwerping aan Gods hooge heerschappij,,
hunne zoenoffers waren alleen tot vergeving
der zonden, en hunne bidoffers ter bekoming
van de eene of de andere weldaad ingesteld.
Dewijl ook ieder offer op bijzondere wijze en
met eigen ceremoniën opgedragen werd, kon
dit niet op tweeërlei wijze noch tot verschil-
lende doeleinden. Maar de H. Kerk, alhoewel
zij slechts eene enkele Offerande bezit, kan
deze toch tot verschillende intentiënaanGod op-
dragen, en door dit enkel offer meer bewer-
ken dan de Joden met alle hunne brand-r
zoen- en bidoffers te zaaien. Dit leert ons de
Kerk in het concilie van Trente met de vol-
gende woorden: „Indien iemand zegt, dat het
H. Misoffer slechts een lof- of dankoffer is ,
of eene bloote herinnering aan het op \'t kruis
volbrachte offer, maar niet een zoenoffer; of
dat het alleen nuttig is voor hem die het
gebruikt, en dat het niet voor levenden en
dooden , voor zonden , straffen , voldoeningen
-ocr page 226-
202              vbertikSde hoofdstuk.
en andere behoeften mag opgedragen worden,
die zij in den ban". Deze woorden bevatten
eene leer des geloofs, welke niemand mag tegen-
spreken. Zij bewijzen ons, dat eene enkele Mis
tot verschillende doeleinden mag gelezen worden,
en men door haar vele zaken van God kan ver-
werven. Zoo kan ik b.v. eene Mis lezen of
hooren , of doen lezen tot meerdere eer van
God , tot grootere blijdschap zijner Moeder,
ier eere van de Engelen en Heiligen , tot
mijn eigen heil en welvaart, tot bekoming
en bewaring mijner gezondheid, tot bevrijding
van ongelukken, tot vergeving mijner zonden,
tot verbetering mijns levens en tot bekoming
van eenen zaligen dood, enz. Dit alles kan
ik voor mijne vrienden en alle geloovigen ver-
zoeken , en ik kan ook dezelfde Mis tot ver-
lossing der arme zielen in het vagevuur hoo-
ren of doen lezen.
3. Hoe krachtig nu de H. Mis is als bid-
offer, leert ons de geleerde Marchantius met
de volgende woorden: „Dit Sacrificie heeft
eene oneindige kracht om iets te verwerven,
wegens de oneindige waarde van het Otter
en de oneindige waardigheid van den eigen-
lijken Opperpriester, zoodat er geene weldaad
is , al ware ze ook nog zoo groot, die niet
door het opdragen van dit Offer kan verkre-
gen worden. En ware het getal dergenen,
die bidden, nog zoo groot, allen zullen door
dit Sacrificie alles erlangen, wanneer zij het
voor zich opofferen of laten opdragen. De
-ocr page 227-
HET KRACHTIGSTE BIDOFEER.             203
oorzaak hiervan is deze: wijl Christus, de
eigenlijke Opperpriester in de H. Mis , God
den Vader oneindig aangenaam is , wijl ook
zijne verdiensten , die den Vader worden op-
gedragen, oneindig zijn , en wijl zijn lijden,
zijn bloed en zijne wonden eene oneindige
waarde bezitten". Met deze woorden stemt
ook de H. Laurentius Justianus overeen, zeg-
gende: „Geen offer is grooter, geen is nutti-
ger en in de oogen der goddelijke Majesteit
aangenamer , dan het H. Sacrificie der Mis.
Hierin worden de wonden welke onze Midde-
laar heeft ontvangen, de smaad dien Hij ver-
dragen, de geeselslagen die Hij geleden heeft,
herdacht en den Vader opgeofferd, alsmede
zijne aangenomen mensehheid, opdat Hij den-
genen erkenne, dien hij in de wereld gezon-
den heeft, opdat door zijne voorspraak den
zondaren vergeving, den gevallenen hulp en
bijstand en den rechtvaardigen het leven ge-
geven worde".
4. Door het H. Misoffer geven wij dus in-
derdaad meer aan God, dan wij door ons ge-
bed kunnen begeeren; er bestaat derhalve
geen beweeggrond, dat God onze bede zou
afslaan ; want alles wat wij verzoeken , zijn
slechts aardsche of\' geschapen dingen , maar
wat wij offeren zijn louter goddelijke en on-
schatbare zaken. Zou dan de zoo milde God,
die zelfs éen dronk waters rijkelijk vergeldt,
ons onbeloond laten, wanneer we hem eenen
kelk, vol van \'t bloed zijns goddelijken Zoons,
-ocr page 228-
204                 VEERTIENDE HOOFDSTUK.
dat onder de H. Mis opnieuw vergoten wordt,
aandachtig opofferen. Voorzeker, als God
hoorde naar de stem van Abel, zoo veel te
eerder zal hij ons verhooren , wanneer dit
goddelijk bloed om genade roept en zijne
barmhartigheid voor ons afsmeekt. Christus
heeft immers bij zijn laatste Avondmaal ge-
zegd: „Voorwaar, voorwaar, zeg ik u, indien
gij den Vader om iets in mijnen naam zult
bidden, hij zal het u geven". Wanneer kun-
nen wij echter den Vader beter bidden dan
in de H. Mis, waarin wij Hem zijnen gelief\'-
den Zoon in eigen persoon voor oogen stellen,
en Hem benevens alle gebeden, welke hij op
aarde heeft uitgesproken, opdragen. De H.
Bonaventura maakt hieromtrent de volgende
vergelijkenis: „Als een veldheer wordt ge-
vangen genomen, laat men hem niet los, voor
aleer bij door eene groote som gelds is vrij-
gekocht. Zoo moeten ook wij Christus, dien
wij als het ware in de H. Mis gevangen hou-
den. niet eerder loslaten, alvorens Hij ons de
vergiffenis onzer zonden geschonken en den
toegang tot het hemelrijk beloofd heeft. Daarom
heft de priester onder de Elevatie het lichaam
des Heeren omhoog en roept als \'t ware alle
aanwezenden toe: Ziet, Hij dien de geheele
wereld niet kan bevatten , is als een gevan-
gene in onze handen. Daarom willen wij Hem
niet eerder loslaten, tot dat wij bekomen heb-
ben, wat wij begeeren".
5. Hier zoudt gij misschien kunnen vragen:
-ocr page 229-
HET KRACHTIGSTE BIDOFl\'EK.             205
Daar de H. Mis zulk eene verhevene en kost-
bare offerande is, hoe komt het dan, dat God
degenen, die ze opdragen of doen lezen, niet
altijd verhoort? Hierop antwoordt de kardinaal
Bona: „Dat komt uit de natuur van het ge-
bed , \'t welk in den gever de vrijheid veron-
derstelt, volgens zijn welgevallen de bede af
te slaan of te verhooren. In ons gebed geven
wij wel is waar de oorzaak aan , waardoor
wij meenen , God tot vervulling onzer wen-
schen te kunnen bewegen, maar daardoor wordt
Hij niet gedwongen ons te verhooren. Wij
zullen veeleer de vervulling onzer wenschen
niet erlangen, wanneer onze wil in betrekking
tot de verzochte zaak niet met den wil Gods
gelijkvormig is, hetgeen wij nooit kunnen
weten. En niettemin is het zeker , dat de H.
Mis van hare uitwerking niet beroofd wordt,
ook zelfs, als God ons gebed niet verhoort. Want,
indien dit geschiedt, zoo zal Hij ons voor-
zeker iets anders geven, dat voor ons nuttiger
en heilzamer is. En bekomen wij dit ook niet
terstond, zoo zullen wij het toch op den door
God bestemden tijd verwerven. Eenige gena-
den zijn ook zoo groot, dat wij ze niet on-
niiddellijk kunnen bekomen , maar dat meer
en vuriger gebeden daartoe gevorderd wor-
den". De H. Gertrudis vroeg eens aan Chris-
tus : „Wat baat het mijnen vrienden, dat ik
zoo dikwijls voor hen bid, daar ik toch geen
beterschap bij hen bespeur?"\' En de Heer ant-
woordde haar: „Verwonder u hierover niet,
-ocr page 230-
206                 VEERTIENDE HOOFDSTUK.
dat gij met uwe lichamelijke oogen de vrucht
van uw ffebed niet bemerkt, welke ik volgens
mijne eeuwige wijsheid tot weliger wasdom
uitdeel. Ik zeg U, hoe meer voor iemand ge-
beden wordt, hoe zaliger hij wordt (zoo hij
er echter geen beletsel aan stelt). Want geen
enkel oprecht gebed zal zonder vrucht blijven,
ofschoon de manier hoe die vrucht zich toont,
aan den mensch verborgen blijft". Met zulk
een antwoord, waarin ons verzekerd wordt,
dat een aandachtig gebed niet zonder vrucht
of\' belooning blijven zal, kan zich een ieder
troosten. Is dit zoo , hoe veel te minder zal
dan eene H. Mis zonder vrucht blijven , daar
zij het beste gebed der wereld is. Bemerkt
echter wel, dat er gezegd wordt: dat geen
oprecht gebed zonder vrucht blijven zal; want
hij, die zonder vertrouwen en zonder aandacht
bidt, zal weinig of niets bekomen , gelijk wij
zullen zien in het volgende
VOORBEELD.
In het leven van den vromen abt Severinus
lezen wij het volgende: Eens viel er in de
nabijheid van het slot Corullis eene ontzet-
tende menigte sprinkhanen neder , welke alle
boomen en vruchten verteerden. Dadelijk nam
het volk zijne toevlucht tot gemelden Heilige,
en smeekte hem, door zijne voorbede bij God,
deze ramp van hen af te wenden. Vol mede-
lijden riep de abt het volk naar de kerk en
-ocr page 231-
IILT KRACHTIGSTE BIDOKPER.             207\'
vermaande hot tot gebed en boetvaardigheid.
Ten slotte sprak hij: „Dewijl ik geen krach-
tiger gebed ken dun de II. Mis , zoo zul ik
ze dadelijk lezen, en vermaan u, dat gij ze
tevens met mij aan God den Heer in deze
meening opdraagt, en een vast vertrouwen in
haar stelt". Geheel het volk gehoorzaamde
aan deze vermaning met allen ijver, slechts
een hunner sprak al morrende: IJdel en te
vergeefs is uwe hoop; als gij ook alle Missen
hoort, en den gansenen dag in uw gebed vol-
hardt, zult gij toch geen enkelen sprinkhaan
verdrijven. Na deze woorden ging hij naar
huis aan den arbeid. De overigen bleven in
de kerk , hoorden met alle aandacht de H.
Mis en riepen God ijverig aan, opdat Hij hen
van deze plaag zoude bevrijden. Na de Mis
gingen zij naar hunnen akker, om te zien,
wat zij door hun gebed verkregen hadden.
En ziet, daar verhief zich eensklaps tot hunne-
grootste verwondering , de gansche zwerm
sprinkhanen in de lucht en vloog weg. Har-
telijke dankzeggingen stegen tot God. Ook de
ongeloovme was er tegenwoordig en was ge-
tuige van dit wonder, maar ook zijn wan-
trouwen moest gestraft worden. Want ziet,
eensklaps keert zich de geheele zwerm , die
reeds ver wus weggevlogen, stortte op zijnen
akker neder en verteerde binnen kort allesr
wat er zich op bevond.
-ocr page 232-
208                 VEERTIENDE HOOFDSTUK.
ANDER VOORBEELD.
In de jaarboeken der Capucijnen staat te
lezen, dat er in het jaar 1582 in de stad
Hpello zich eene vrome vrouw bevond , die
eenen zeer boozen man had. Deze mishandelde
haar dagelijks, niet alleen met allerhande
schimp • ot smaad woorden , maar zelfs met
slagen. Zoo leefde zij menig jaar en verviel
eindelijk bijna in wanhoop. Toen kwamen eens
in vermeld jaar twee capucijnen bij haar in
huis, broeder Lactantius en Frans van Nursia,
om aalmoezen voor het klooster in te zamelen.
Dezen gaf de vrouw haren grooten nood te
kennen. Beide broeders raadden haar aan da-
gelijks de H. Mis te hooren, en dan aan God
hare groote ellende te kennen te geven, met
de verzekering, dat haar man zich zou bete-
ren. De vrouw beloofde hunnen raad vlijtig
na te komen , maar de man wilde haar niet
toestaan , op de werkdagen Mis te hooren.
Doch kort daarna moest deze eene lange reis
ondernemen , waardoor de vrouw in de gele-
genheid gesteld werd dagelijks de H. Mis te
hooren. Zij deed dit met bijzondere aandacht
en riep God aan uit geheel haar hart, tot
bekeering van haren man. Maar deze kwam
spoediger van de reis terug dan zij vermeende,
en van de meid vernemende, dat zijne vrouw
in de kerk was, en in zijne afwezendheid
dagelijks Mis gehoord had, werd hij woedend
van toorn , verwenschte haar in de hel en
-ocr page 233-
HET KRACHTIGSTE BIDOFFKR.             209
dreigde haar om het leven te brengen. Zoo-
dra de arme vrouw te huis kwam, greep hij
haar naar den hals en wilde ze verworgen.
In dezen schrikkelijken angst bad zij God om
bijstand door de kracht der H. Mis , en zie !
oogenblikkelijk was de hulp daar. De handen
van den woedenden man verstijfden dusdanig,
dat hij haar noch wurgen, noch zijne handen
terugtrekken konde. Hierdoor werd hij nog
meer verbitterd , hield zijne vrouw voor eene
toovenaarster en spande alle krachten in om
ze te dooden , maar zijne handen verstijfden
meer en meer, zij werden koud als steen en
roerloos. Toen eerst erkende hij de straffende
hand Gods , hij betreurde zijne zonden, en
beloofde zijne vrouw ernstig zich te beteren,
indien zij door haar gebed deze straf kon
afkeeren. Maar de vrouw sloeg geen geloof
aan zijne belofte en dacht bij zich zelve,
liever eeuen lammen man, dan eenen lastigen
kwelgeest te hebben. Eindelijk beloofde hij
haar in allen ernst, zijn goddeloos leven te
beteren en haar in het vervolg liefderijk te
behandelen. Alsdan riepen beiden de goddelijke
barmhartigheid aan, deden vele beloften, tot-
dat hun smeeken eindelijk verhoord werd.
Vran dit oogenblik af veranderde hij geheel
van leven , dankte God en beiden hoorden in
het vervolg dagelijks vlijtig en aandachtig de
H. Mis.
Uit dit voorbeeld ziet ge dus, wat de H.
Mis vermag. Want altijd blijft het waar, wai
Verkl. d. H. Mis.                                                15
-ocr page 234-
210 VKERTIEXDK HOOFDSTUK.
de geleerde Molina zegt: „Hoor de zoo aan-
gename als rijke offerande der H. Mis, kan
ieder mensch alles , wat hij tot zijn heil be-
geert, van God, van de Moeder (iods of van
de Heiligen bekomen". Want bij de H. Mis
bidt niet alleen de mensch, maar de priester,
de Engelen en Christus zelf bidden met hem
en voor hem. Wanneer nu bij zulk eene uit-
muntende gelegenheid zijn gebed niet verhoord
wordt, wanneer en waar zou het dan verhoord
worden V Daarom blijft het waar, dat de mensch
door niets anders zal kunnen bekomen , wat
hem na de opoffering der H. Mis is geweigerd
geworden.
m
-ocr page 235-
Xb m. 1H ft jtj Pt r^t Sto i*i ft stl M.m Ift.Jtt. f*» uf
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
De H. Mis is het machtigste zoenoffer.
1. Dat onze bedorven menscheljjke natuur,
welke zoo dikwerf in zonden valt, een zoen-
oft\'er noodig heeft, zegt ons de eenvoudige rede;
en de Patriarchen hebben dit reeds erkend
vóór de wet van Mozes. Want wij lezen van
den vromen Job, die nog onder de wet der
natuur heeft geleefd, dat hij alle acht dagen
zijne tien kinderen tot zich riep, ze heiligde
en een brandoffer voor hen opdroeg, want
zeide hij: ,.Misschien konden mijne zonen ge-
zondigden God in hun hart gelasterd hebben".
In de wet van Mozes heeft God zelf een zoen-
offer ingesteld, zeggende: „Als eene ziel ge-
zondigd heeft, zoo zal zij een lam of geit offeren,
en de priester zal voor haar en hare zonden
bidden. Indien zij echter niet in staat is klein
vee te offeren, zal zij twee tortelduiven of
twee jonge duiven den Heere opdragen, eene
voor de zonde en de andere tot een brand-
offer, en de priester zal voor den offeraar en
zijne zonde bidden, en hij zal vergiftenis er-
langen".
-ocr page 236-
212                 VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
2. Wanneer dan de oude wet, tot grooten
troost van het joodsche volk, reeds een zoen-
offer had, zoo betaamt het veel meer, dat ook
de Christenen een zoenoffer hebben en wel
zooveel voortreffelijker, als het Christendom
boven het Jodendom verheven is. Het bloedige
kruisoffer is het eigenlijke zoenoffer voor de
zonden der gansche wereld; opdat echter deze
verzoening, welke Christus aan den galgen-
boom des kruises heeft bewerkt, ons ter ver-
giffenis van de zonden, die wij dagelijks be-
drijven, tot op het einde der tijden worde
toegepast, daarom heeft Hij in het laatste
Avondmaal het H. Misoffer ingesteld, gelijk
Hij zelf zegt, tot vergeving der zonden. Deze
heilige Offerande is geene nieuwe of bijzondere
offerande, maar de onbloedige hernieuwing en
daarstelliug van het bloedige zoenoffer aan het
kruis, zijnde deze wezenlijk een en hetzelfde
otter. Daarom noemt de H. Kerk met recht
de H. Mis een zoenoffer en verklaart ons ook
uitdrukkelijk, waarom Christus ze in het laatste
Avondmaal heeft ingesteld: „Opdat Hij name-
lijk aan zijne geliefde bruid, de Kerk, een
zichtbaar offer zoude achterlaten, waardoor zijn
bloedig offer aan het kruis vertegenwoordigd
en deszelfs heilzame kracht tot vergeving dier
zonden, waaraan wij ons dagelijks piichtig
maken, ons zouden toegeëigend worden". Trid.
sess. 2, c. 3. Deze woorden tooneii ons klaar,
dat de H. Mis een zoenoffer is, dewijl zij van
Christus tot dit einde is ingesteld, opdat Zijne
-ocr page 237-
HET MACHTIGSTK ZOENOFFER.            218
Kerk een Sacrificie bezitte tot vergeving der
zonden. Duizendmaal gelukkig dus onze katho-
lieke Kerk, die een zoo krachtig zoenoffer bezit!
3.   Dat de H. Mis een waarachtig zoenoffer
is, en tot vergeving van de zonden des volks
gelezen en opgedragen wordt, toont ons de
priester reeds aan in het begin van elke Mis.
Diep ter aarde gebogen bidt hij het Confiteor,
slaat driemaal op zijne borst en zegt vervol-
gens: „De almachtige God ontferme zich over
Ti, en na de vergeving uwer zonden, geleide
Hij n tot het eeuwige leven. Amen". Kort
hierop roept hij wederom in het Kyrie her-
haaldelijk Gods barmhartigheid aan over het
volk, zeggende: „Heer ontferm u onzer". Een
ootmoedig en vurig roepen voorwaar, dat tot
de hemelen doordringt en ons van God genade
en barmhartigheid afsmeekt. Ook in de meeste
gebeden bidt de priester God dikwijls onder
de H. Mis om vergeving der zonden. Eindelijk
bij het Agnus Dei zegt hij driemaal met luider
stemme: „O Lam Gods, dut wegneemt de zonden
der wereld, ontferm u onzer". Dit alles is een
klaar bewijs, dat de H. Mis een zoenoffer is, en
tot verzoening onzer zonden wordt opgedragen.
4. Over deze stof\'schrijft Marchantius: „Gelijk
de lijdende Christus de zonden der gansene
wereld op zich genomen heeft, om ze door
zijn bloed uit te wisschen, evenzoo leggen wij
op Hem, als op een slachtoffer, dat op het
altaar moet geslacht worden, onze zonden,
opdat Hij ze aldaar moge afboeten. Daarom
-ocr page 238-
214                 VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
buigt zich de priester zeer diep in het begin
der Mis, en stelt zich in den geest van oot-
moedigheid , als ware hij niet de zonden van
liet gebeele volk heiaden, aan den Hemelschen
Vader voor, 0111 Gods barmhartigheid te roeren.
Op deze wijze verbeeldt hij Christus aan den
Olijfberg, die wegens den zwaren last dm-zonden
van geheel het nieiischdoin. welke op zjjne
schouders was neergelegd, op zijn aangezicht
lag, water en bloed zweette en tot zijnen
Vader om ontferming en vergiffenis riep. Zoo
bidt ook de priester, in stede van Christus,
zoowel voor zijne eigene , als voor de zonden
aller omstanders, ja, voor de zonden der gansche
wereld, waarvoor de koopprijs, welke eenmaal
voor onze verlossing betaald werd, wederom
hernieuwd wordt, om andermaal tot uitwis-
sching onzer zonden te dienen".
5. In de liturgie van den H. Apostel Ja-
cobus, den eersten bisschop van Jerusalem,
leest men het volgende: ..Wij otteren U, o
God, dit onbloedig Sacrificie tot verzoening
der zonden, welke wij en het volk uit onwe-
tendheid begingen". Hieruit ziet gij, dat wij,
arme schepselen, vele zonden begaan, die wij
niet kennen, noch biechten, en waarover wij
toch rekenschap zullen moeten geven. Dat
trouwens de misdrijven, uit schuldige onwe-
tendheid begaan . ook zonden zijn, leeren wij
van David, die oin vergeving derzelve aldus
bad: „Wees de zonden mijner jeugd en mijner
onachtzaamheid niet indachtig", en verder:
-ocr page 239-
HET MACHTIGSTE ZOENOEFEK.            215
.,,Reinig mij van mijne verborgene zonden".
Opdat wij dus van onze verborgene en onbe-
Jiende zonden gezuiverd, voor Gods rechter-
stoel verschijnen, is het zeer goed, dat wij
met vlijt de H. Mis hooren, waarvan de H.
Jacobus betuigt, dat zij als zoenoffer voor de
zonden der onwetendheid des volks opgeofferd
wordt. De H. Mis vergeeft ons, wel is waar,
de zonden niet rechtstreeks, maar verwerft
ons berouw vooreerst over de bekende en
daarna in het algemeen over de onbekende en
vergetene zonden. Hiervan spreekt ook de H.
Gregorius: „De rechtvaardigen vreezen niet
wegens hunne bekende zonden, dewijl zij ze
gebiecht en geboet hebben ; maar zij vreezen
wel wegens hunne onbekende zonden, waarvan
-de H. Paulus zegt: „Ik ben mij zelven wel niets
bewust, daardoor echter ben ik niet gerecht-
•vaardigd; maar die mij oordeelt, is de Heer,
die scherper oogen heeft dan de mensch". De-
wijl wij, armzalige schepselen, voor het oor-
deel (iods, wegens onze onwetende zonden,
dus groot gevaar en angst zullen moeten uit-
staan, daarom is het zeer voordeelig, dat wij
alle H. Missen tot uitwissching dezer zonden
aan God opofferen. Want daar ons vele zonden
onbekend zijn , zoo kunnen wij ze ook niet
biechten, maar alleen God bidden, dat Hij ze
ons, ter wille van dit zoenoffer, moge vergeven.
I). Laten wij nu , om tot het vorige terug-
te keeren, hooren wat de H. paus en marte-
Jaar Alexander I. zegt: ,,Door de opoffering
-ocr page 240-
216                 VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
van dit Sacrificie wordt de Heer verzoend en
vergeeft Hij ons het groot getal onzer zonden".
De H. Cyrillus zegt zijnerzijds; ,,Wij offeren
Christus als het geslachte Lam Gods voor
onze zonden op, opdat Hij God voor ons en
voor allen tot vergeving stemme". De H. Am-
brosius voegt er bij: „Christus offert zich zelven
als priester, opdat God ons onze zonden ver-
geve". En de Kerkvergadering van Trente
leert ons in naam der katholieke Kerk : „dat
dit Offer werkelijk een zoenoffer is , en dat
daardoor bewerkt wordt dat wij, indien we
met een oprecht hart en waar geloot\'. niet
vrees en eerbied, rouwmoedig en boetvaardig
tot God naderen, wij barmhartigheid verwer-
ven en genade vinden, in den tijd, waar wij
hulp noodig hebben". 0, hoe treffend zijn
deze woorden; hoeveel heil en genaden ont-
springen uit deze zoo edele offerande ! Welken
lof\' en dank zijn wij dan Christus niet schuldig,
dat Hij ons zulk een krachtdadig Offer heeft
achtergelaten om den toorn Gods te verzoenen!
7. Hier zoudt gij misschien willen vragen:
Waartoe hebben wij dan dit zoenoffer noodig,
dewijl wij toch zonder hetzelve, door een
waarachtig berouw, Gods toorn kunnen ver-
zoenen? Ik antwoord: Het is zeker, dat wij
door een waar leedwezen den toorn Gods ver-
zoenen kunnen, maar ik zoude wel gaarne
Avillen weten, van waar een rouwmoedige zon-
daar zulk een berouw verkrijgt ? Dat hij dit
door zich zelven bekome, is even zoo min
-ocr page 241-
HKT MACHTIGSTE ZOENOFFER.             217
mogelijk, als dat een doode zich zelven kan
opwekken ten leven. Door het aanhooren eener
hartroerende predikatie, of door bet lezen van
godvruchtige boeken, kan het wel geschieden,
dat iemand zich tot een waar berouw voelt
opgewekt, maar dit gebeurt toch nooit zonder
medewerking van Gods genade.
Tot bet geven dezer genade is de vertoornde
God niet verplicht en Hij zal ze in den regel
ook niet geven, dan wanneer Hij hierom bij-
zonder gebeden wordt Niets is er echter in
den hemel en op de aarde meer in staat om
Hem daartoe te bewegen, dan het offer der
H. Mis, «gelijk een godvruchtige schrijver be-
merkt: „De H. Mis is een zoenoffer, op die
wijze namelijk, dat God den aanwezenden de
genade verleent, datgene te verrichten, wat
hun noodig is om vergeving der zonden te
erlangen. (Jod geeft hun namelijk door de H.
Mis de genade hunne zonden te kennen, te
berouwen en oprecht te biechten".
8. Christus openbaarde aan de H. Gertrudisr
dat Hij nog altijd vurig verlangt, zich voor
iederen zondaar aan God met dezelfde liefde
op te offeren, met welke Hij zich voor hen
allen aan het kruis heeft opgeofferd. Daarom
mag ook iedereen, hoe zwaar hij ook met zonden
moge beladen zijn, op vergiffenis hopen, „als
hij aan mijnen goddelijken Vader mijn lijden
en sterven opoffert, mits hij overtuigd zij, dat
de herinnering aan mijn lijden, in verbinding
met een levend geloof en ware boetvaardig"
-ocr page 242-
1218                 VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
heid, het allerkrachtigste middel tegen de
zonde is". O zondaar, wie gij ook zijt, vervul
•dan deze begeerte van uwen Verlosser en otter
dagelijks aan God den Vader het onschuldige
lijden en den bitteren dood van zijnen lieven
Zoon, en vertrouw op de belofte van Christus,
dat Gij de heilzame vrucht der vergeving uwer
zonden bekomen zult. Deze opoffering kan
niet alleen in, maar ook buiten de Mis, niet
alleen met den mond, maar ook met het hart
geschieden.
Ook zeide Christus tot de H. Mechtildis:
,,Ik kom met zulk eene zachtmoedigheid tot
de H. Mis, dat geen zoo groote zondaar daarbij
tegenwoordig is, dien ik niet geduldig ver-
draag en wiens zonden ik niet blijmoedig ver-
geef, indien hij het slechts begeert". Deze
troostvolle woorden toonen ons, welk een
machtig zoenoffer de H. Mis is, daar zij ook
Christus zelven zoo zeer verzoent, dat, indien
zelfs zijn grootste vijand aldaar verschijnt, Hij
hem niet alleen niet verstoot of onvriendelijk
aanziet, maar hem met open armen te gemoet
komt, altijd bereid om hem als zijn goeden
vriend op te nemen, en indien Hij slechts een
enkelen zucht over diens zonden hoort slaken,
hem met vreugde vergiffenis te schenken.
VOORBEELD.
Over deze stof lezen wij een schoon voor-
beeld in het leven der Oudvaders (Kosweid,
-ocr page 243-
HET MACHTIGSTE ZOENOFFER.             219
Vita patrum, lib. 5 in fine). Daar staat te lezen
van den H. Paulus, den kluizenaar, dat liij van
God de genade verworven had, het innerlijke
der harten te doorgronden. Als nu de kluize-
naars zich des Zondags naar de kerk begaven,
stelde hij zich voor de kerkdeur, en indien
hij iemand met zonden beladen aantrof, zoo
openbaarde hij ze hem in het geheim en ver-
maande hem zich te beteren. Toen hij wederom
eens voor de kerkdeur stond, zag hij eenen
man met een zwart aangezicht en een donker
lichaam tot zich komen, aan wiens beide zijden
duivelen gingen , welke hem als met ketens
gebonden luidden. Zijn Engelbewaarder kwam
van verre na en ging zeer treurig voort. De
vrome Paulus begon bitter te weenen en sloeg
op zijne borst, om den ellendigen toestand des
zondaars te beklagen. De kluizenaars verzochten
hem de kerk binnen te treden, om de H. Mis
te hooren , maar hij bleef bij de deur zitten
en deed niets dan weenen en klagen. Xa de
Mis, toen het volk uit de kerk ging, gaf hij
weer acht op dezen zondaar, en zag nu, dat
hij met een helder aangezicht aankwam, en
zijn Engel met groote blijdschap naast hem
ging, maar de duivelen in de verte nakwamen.
Toen sprong de heilige Paulus van vreugde
op en riep uit: 0, onuitsprekelijke goddelijke
goedheid! o, ondoorgrondelijke goddelijke barm-
hartigheid! Alsdan klom hij op eene hoogte
en sprak: Komt, mijne broeders, en ziet de
wonderen van God, komt en verneemt allen,
-ocr page 244-
220                 VIJVTIKNUK HOOFDSTUK.
wat hier gebeurd is. Dezen man heb ik gansch
zwart en van vele duivelen omringd, in de
kerk zien gaan, maar toen hij er uit kwam ,
was hij heel schoon en zijn Engel ging naast
hem. Toen sprak hij tot dien man: Geef aan
God de eer, die hem toekomt en verhaal ons
uwen toestand. Deze sprak met luider stemme:
Ik ben een groot zonder, en heb lang in on-
zuiverheid geleefd; toen ik echter in den Epistel
der Mis de woorden van den profeet Isaïas
hoorde lezen, namelijk: „Wascht u, wordt rein
en neemt de booze gedachten voor mijne oogen
weg: indien uwe zonden zwart zijn gelijk kolen,
zoo zullen zij wit worden als sneeuw", toen
zuchtte ik bitterlijk en sprak tot God: o God,
die in de wereld gekomen zijt , om de zon-
daars zalig te maken, vervul deze belofte aan
mij, armen zondaar! In dergelijke gedachten
hoorde ik de geheele H. Mis, zeggende: O
Heer, ik beloof U zulk een kwaad nooit meer
te bedrijven, o Heer, neem mij armen zondaar
op in dit uur, en met deze belofte heb ik de
kerk verlaten. Alsdan riepen alle omstanders:
O, hoe machtig zijn uwe werken, o Heer, daar
gij de grootste zondaars door de kracht der
H. Mis tot U bekeert en in genade opneemt.
Zullen wij dan ook niet uitroepen: O hoog-
waardige Offerande, hoe groot is uwe kracht
en hoe machtig is uwe werking in de bekee-
ring des zondaars! Hoe vele verstokte zondaars
zijn door u bekeerd en van den eeuwigen dood
der hel bevrijd geworden! Zijn wij daarom
-ocr page 245-
HET MA.CHTICJSTE ZOENOFFER.              221
onzen zoeten Heiland niet grootelijks verplicht,
dewijl Hij ons zulk een heilzaam en kostbaar
zoenoffer heeft nagelaten, waardoor wij den
vertoornden God gemakkelijk verzoenen , en
onze zware schulden zonder moeite en kosten
betalen kunnen! Bedenk dan, arme zondaar,
hoe kwalijk gij handelt, met zoo menige Mis
te verzuimen, of wel nalatig of onoplettend
bij te wonen, en dusdoende de boetvaardig-
heid voor uwe zonden tot in het andere leven
verschuift. Beter u dan van uwe nalatigheid
en lichtzinnigheid, door dagelijks met nieuwen
ijver de H. Mis bij te wonen, en offer uwen
God dikwijls een zoenoffer op, terwijl gij met
een rouwmoedig hart de H. Mis bijwoont.
J5 1. Op welke wijze de II. Mis vergeving der
zonden bewerkt en de verstokte zondaars bekeert.
1. Dat de H. Mis de kracht heeft den rouw-
moedigen zondaar met God te verzoenen, lijdt
geen twijfel. Maar hier is nu de vraag, of zij
ook de onboetvaardige zondaars met God ver-
zoent; met andere woorden, of iemand, die in
staat van doodzonde de Mis hoort, of voor
zich doet lezen, ook tot den staat van genade
terugkeert en met God verzoend wordt. En op
deze vraag moet ik neen antwoorden; want
geen zondaar kan van de ongenade tot de
genade Gods komen dan door een oprecht
berouw. Hoort een zondaar dus zonder leed-
wezen de H. Mis of doet hij ze lezen , zoo
-ocr page 246-
222                  VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
verzoent zij hem niet met God, maar laat hem
in staat van doodzonde.
Maar wat voordeel kan hij dan trekken uit
zulk eene Mis V Zeer veel, zoowel aan tijdelijke
als geestelijke zaken. Voor het tijdelijke is zij
van groot nut, dewijl God hem voor het een
of ander ongeluk kan bewaren, of hem het
een of* ander geluk doen toekomen; en de
reden hiervan is, dat wij mogen vertrouwen ,
dat God, wegens zijne oneindige goedheid, niet
het geringste goed onbeloond zal laten , hier
of hiernamaals. Hoeveel meer zal Hij dan
eene H. Mis rijkelijk beloonen, daar iedere
H. Mis Hem bovenmate welbevallig is. En
daar zulk een zondaar zoo lang hij in dien.
staat vertoeft, geene eeuwige verdiensten ver-
werven kan, zoo mogen we hopen, dat de ge-
hoorde of voor hem gelezen Mis uit louter
goedheid op eene tijdelijke wijze beloond wordt,
namelijk door bekoming van een of ander
geluk en door bevrijding van een of ander
ongeluk. Op zulk eene wijze strekt hem iedere
H. Mis tot groot voordeel voor het tijdelijke.
2. Maar wat het geestelijke aangaat, kan
zij hem tot veel grooter nut wezen. Want
volgens de leer der godgeleerden bewerkt de
H. Mis onmiddellijk de voorkomende god-
delijke genade, door wier kracht de zondaar
tot erkentenis van zijnen ellendigen toestand
en tot verfoeiing zijner begane doodzonden
komt. Ook verschaft zij hem verder de hulp
en den bijstand van God, opdat hij tot een
-ocr page 247-
HET MACHTIGSTE ZOENOFFER.              223
<joed berouw moge komen en zoo door liet
ontvangen van het II. Sacrament der biecht
de vergiffenis zijner zonden moge erlangen.
Deze hulp werkt op ongelijke wijze; immers,
wanneer de zondaar niet al te verstokt is,.
maar slechts een weinig tot berouw overhelt,
zoo zal de goddelijke genade, welke hij door
de kracht der H. Mis ontvangt, hem eerder
tot erkentenis zijner zonden en tot een oprecht
berouw geleiden. Is echter de zondaar voor-
nemens in de zonde te volharden en als ver-
stokt daarin, zoo biedt hem God wegens de
gehoorde Mis toch nog altijd zijne hulp aan
(welke Hij hem zonder de Mis in dezelfde
mate niet hadde aangeboden); de zondaar echter
kan wegens zijne kwade gesteltenis deze hulp
niet aannemen, maar ze verwerpen. Hieruit
volgt echter niet, dat de H. Mis geen zoen-
offer is. Zij is trouwens en blijft eenmaal een
zoenoffer, en moet door allen als dusdanig ge-
houden worden, gelijk het Concilie van Trente
zegt: „Indien iemand ze#t, dat het Misoffer
geen zoenoffer is, die zij gedoemd". Want,,
daarom wordt zij aldus genoemd , dewijl zij
door de verdiensten van Christus den zondaar
helpt zijne zonden erkennen en berouwen. Want,,
indien dit niet zoo ware, dan had de H. Mis
geene grootere kracht , om ons de verlossing
van Jezus Christus toe te eigenen, dan eenig
ander goed werk, door eenen vromen mensen
voor eenen zondaar verricht. In de H. Mis
legt Christus, om mij van eene gelijkenis te
-ocr page 248-
224                   VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
bedienen, aan den verstokten zondaar eene
geestelijke trekpleister op zijn versteend hart,
opdat het doodelijk gezwel geopend en de gif-
tige etter er uit gehaald worde. Deze pleister
heeft Hij, indien ik zoo mag spreken, aan het
kruis toebereid, toen Hij zijne wonden, zijne
tranen en zweetdruppels met al zijn vergoten
bloed, tot eenen krachtigen balsem samen-
mengde, tot heilmiddel voor alle doodzonden.
3. Het gebeurt ook niet altijd, dat de wer-
king der H. Mis dadelijk aan \'t licht treedt,
of dat de zondaar zich denzelfden day; be-
keert, neen, God zal daartoe wel den gepasteu
tijd kiezen. Wij weten immers, dat, ofschoon
Christus aan het kruis met bloedige tranen
gebeden en zijn bitter lijden en dood voor de
zondaars heeft opgeofferd , nochtans van de
vele toeschouwers slechts weinige zich bekeerd
hebben, op hunne borst slaande en uitroepende:
„Waarlijk, deze was Gods Zoon". Üe andere
zijn verstokt gebleven en hebben de hun aan-
geboden hulp afgeslagen. Slechts later, op
Pinksterdag, toen vele stalen harten door de
predikatiê\'n van den H. Petrus getroffen wer-
den, zag men eerst duidelijk de vruchten der
kruisofferande in de bekeering van drie dui-
zend menschen. Evenzoo bekeert het H. Mis-
offer de zondaren niet altijd oogenblikkelijk,
maar langzamerhand op gelegene tijden, als
namelijk het hart van den verstokten zondaar
vatbaar is geworden, om de genade Gods aan
4e nemen. Draagt nu een tot berouw genegen
-ocr page 249-
HET MACHTIGSTE ZOH.VOFFER.             225
zondaar, de eeiie of andere ff. Mis aan God
•op, om verzoening en barmhartigheid bij God
te eidangen, zoo zal Hij hem voorzeker de
genade van eene oprechte boetvaardigheid
schenken. Dit betuigt ook de katholieke Kerk,
ons leerende in het Concilie van Trente, dat,
indien wij met een rouwmoedig hart tot God
naderen, zoo zal de Heer, door dit offer ver-
zoend, ons de genade en de gaaf van boet-
vaardigheid mededeelen, en ons onze fouten
en zonden vergeven, al waren ze ook nog zoo
groot. Immers met den zoeten Jezus zelven ,
den vriend der zondaren , in de H. Mis aan
God op te offeren , zullen wij zonder twijfel
Gods rechtvaardigen toorn tegen den zondaar
stillen.
4. Dit doet de priester, gelijk de ff. Bona-
ventura zegt, als hij de ff. Hostie na de C011-
secratie aan het volk toont, en in diens naam
als \'t ware spreekt: o, Hemelsche Vader, wij
hebben gezondigd, wij hebben U grootelijks
vergramd. Nu echter , aanschouw het aange-
zieht van uwen Gezalfde, welken wij U aan-
dachtig opdragen, om U tot barmhartigheid
te bewegen. Zoo keer dan uw aangezicht niet
af van uwen Zoon, van wien Gij zelf gezegd
hebt: „Dit is mijn welbeminde Zoon, in wien
Ik mijn welbehagen gesteld heb". Om zijnent-
wille bekeer ons tot U en wend uwen toorn
van ons af. Door dit gebed en door deze op-
offering hebben reeds vele zondaars de genade
der bekeering verworven, welke zij anders
Veikl. d. H. Mi».                                                            16
-ocr page 250-
22(3                 VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
niet zouden bekomen hebben. Daarom moet
ieder zondaar, al ware hij ook nog zoo diep
in den modderpoel dtr zonde begraven , dat
hij meent zich onmogelijk Ie kunnen be-
keeren , dikwerf de H. Mis hooren en met
een vol vertrouwen bidden: Ik bid U, o mij ir
God, laat U bedaren door deze mijne offerande,
en wend ook mijnen onbuigzamen wil gena-
diglijk tot U. Dan zal hem voorzeker door
de kracht dezer H. Offerande, die ook de ver-
stoktste harten kan vermurwen , de genade
eener oprechte bekeering ten deel vallen.
5. Maar veronderstel eens, dat de vertoornde
God het gebed eens verstokten zondaars we-
gens diens slechte gesteltenis niet kon ver-
hooren, zoo is het toch zeker, dat Hij de H.
Mis, welke deze Hem opdraagt, niet verwer-
pen , maar niet het grootste welgevallen zal
aannemen. Ik zeg niet, dat het gebed , liet-
welk die zondaar onder de Mis spreekt, aan
God welgevallig is, maar ik zeg, dat de Mis
zelve hem uiterst beliagelijk wezen moet.
Zoudt gij bijvoorbeeld geen duizend gulden
aannemen van uwen vijand, welke deze u door
zijnen knecht zou schenken ? Ik geloof ja, en
gij zoudt bij u zelven zeggen : Ofschoon die
persoon mijn vijand is, zoo zijn toch zulke
geschenken mij dierbaar. Zou dan de recht-
vaardige God van eenen verstokten zondaar
het allerkostbaarste geschenk van het lichaam
en bloed van zijnen Zoon niet goedwillig aan-
nemen ? Wel zeker , want kan God ook niet
-ocr page 251-
UKr MACHTIGSTE ZOENOKl\'KIi.             227
zeggen: Ofschoon deze mensch een gruwel is
in mijne oogen, zoo is mij toch het geschenk,
dat hij mij uit een goed hart opdraagt, zeer
lief en aangenaam. En dewijl hij mij hierdoor
eene bijzondere eer bewijst wil Ik hem met
het oog op deze gave. mijne genade wederom
aanbieden, en indien hij ze aanneemt, zal Ik
alles vergeten en hem opnieuw in mijne vriend-
schap opnemen.
Dit kan ook geschieden, als een godvree-
zende persoon voor eenen zondaar de H. Mis
hoort en ze voor zijne bekeering aandachtig
opdraagt, gelijk God zulks aan de H. Ger-
trudis te kennen gaf, zeggende: „Verdient
dan de waardigheid der tegenwoordigheid van
mijn onbevlekt lichaam en kostbaar bloed niet.
dat ook zij, die zich op den weg der verdoe-
nienis bevinden, weder tot een beter leven
gebracht worden?" Schep dan moed, zondaar,
hoor dikwijls de H. Mis en offer ze op, zoo
wel voor uwe eigene bekeering als voor die
van anderen.
§ 2. Hoe de H. Mis de dayelijksche zonden
uiticischt.
1. De H. Mis is ook een zoenoffer voor
onze dagelijksche zonden , welke den goeden
God meer beleedigen , clan wij wel nieenen ,
en Hem zoo veel verdriet aandoen , dat Hij
billijke redenen heeft om op ons vertoornd te
wezen. Als wij nu dit zoenoffer niet hadden,
-ocr page 252-
228                  VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
0111 dezen toorn te bedaren , hoe hoog zoude
allengs onze schuld aanwassen \'i Ofschoon deze
zonden den doodsteek niet kunnen geven aan
onze ziel, zijn zij toch zeer hatelijk in de
oogen van God, en daarom hebben wij dit
zoenoffer grootelijks noodig, opdat de toorn
van God niet de overhand nsme, en Hij ons
als onnutte knechten uit zijne woning ver-
banne. Immers het Concilie van Trente leert,
dat Christus bij het laatste Avondmaal de
H. Mis ingesteld heeft, opdat daardoor de
heilzame kracht van het kruisoffer ons worde
toegeëigend tot vergeving dier zonden, welke
door ons dagelijks bedreven worden. De ge-
leerde Paschasius zegt hierover: „Deze offerande
wordt dagelijks herhaald, omdat wij dagelijks
zondigen, en wel zulke zonden bedrijven, zon-
der welke wij, wegens onze menschelijke zwak-
heid, niet kunnen leven. Wijl nu de Christen
dagelijks valt, zoo wordt Christus ook dage-
lijks geestelijkerwijze geslachtofferd. Christus
heeft ons, wel is waar, nog vele andere mid-
delen verleend tot uitwissching dier zonden,
namelijk de werken van versterving, van gods-
vrucht en naastenliefde, als: vasten, aalmoezen
geven, indien wij ze in eenen geest van boet-
vaardigheid voor onze zonden verrichten; maar
geen enkel van al deze middelen is zoo krachtig
als de H. Mis.
2. P. Gobat zegt: „De H. Mis is een zoen-
ofler voor de aanwezigen , dat hun de kwijt-
schelding van al hunne dagelijksche zonden
-ocr page 253-
HET MACHTIGST*: ZOKXOIFKR.            229
verwerft, waarover zij nog geen levendig l>r-
rouw gevoelen. En dit geschiedt onmiddellijk,
bijaldien zij slechts , om de vergeving dier
zonden te bekomen , de H. Mis hooren". En
de geleerde Osorius voegt er bij: „Door het
H. Misoffer worden de straffen, voor de zon-
den verschuldigd, weggenomen, en de dage-
lijksche zonden worden benevens de schuld
uitgewischt. De vrucht der H. Mis is verba-
zend groot, dewijl zij ons de ondoorgrondelijke
rijkdommen der verdiensten en voldoeningen
van Christus toeeigent. De dagelijksehe zon-
den smelten weg in de H. Mis, als het was
voor het vuur, en vele verschuldigde straffen
der vergeven zonden worden door de kracht
der H. Mis afgeteld". Zoo worden dan de
dagelijksehe zonden , door het vuur der god-
delijke liefde , welke in de H. Mis op het
altaar brandt, verteerd. Spreekt derhalve in
het begin der Mis liet volgende gebed: O
rechtvaardige God, alle zonden van mijn leven
le<r ik niet een rouwmoedig hart en een vast
vertrouwen op dit heilig altaar, opdat zij door
het vuur uwer goddelijke liefde gansch ver-
teerd , door het kostbaar bloed van mijnen
Jezus gansch uitgewischt, en door Zijne on-
eindige verdiensten volledig betaald mogen
worden. Hierbij voeg ik nog de volgende nit-
spraak van Marchantius : »Het is duidelijk,
dat het H. Misoffer krachtens zijne instelling
tot uitwissching onzer dagelijksehe zonden
dient. Want, daar Christus zeer goed weet,
-ocr page 254-
2o0                  VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
dat onze natuur zeer zwak en wegens de erf-
zonde tot het kwaad geneigd is, daarom heeft
hij haar een bekwaam middel verschaft, en
voor de dagelijksche zonden ook een dage-
lijksch Sacrificie gevorderd". Voor deze wei-
daad kunnen wij onzen goddel ij ken Heiland
nooit genoeg dankbaar wezen. Immers, indien
wij deze goddelijke offerande niet hadden , of
daarvan tot af\'boeting onzer dagelijksche zon-
den geen gebruik maakten, welk een grooten
zondenlast zouden wij dan niet meebrengen
voor Gods aanschijn V Welke lange en zware
pijnen zouden wij hiervoor in het andere
leven niet moeten lijden ? Want het is bijzon-
der van deze dagelijksche zonden dat Da-vid
zegt: ,,Zij zijn talrijker dan de haren mijns
hoofds". Maar die zonden, wie kent ze allen ?
Ook wij, wij erkennen en merken ze niet ge-
noeg op, vele daarvan biechten wij niet, en
van vele beteren wij ons niet. Wij kunnen ze
nochtans uitwisschen, door dit krachtig zoen-
offer , dat onze groote Weldoener ons zoo
milddadig geschonken heeft.
•\'!. Zeg dan dikwijls en bijzonder onder de
elevatie het volgende gebed : 0, Hemelsche
Vader, ik draag U door de handen des pries-
ters deze hoogwaardigste Offerande op van het
lichaam en bloed uws Zoons, tot uwe volko-
mene verzoening en mijne geheele reiniging
van alle dood- en dagelijksche zonden. 0 ,
barmhartige Vader! daar dit allerheiligste
Slachtoffer het werkzaamste en krachtigste
-ocr page 255-
HET MACHTIGSTE ZOENOFFER.            231
middel is, om de geheele menschelijke schuld
uit te wisschen , zoo gewaardig U daardoor
te laten verzoenen, mij mijne talrijke zonden
te vergeven en de verschuldigde straffen kwijt
te schelden. Amen.
Hoe dikwijler en vlijtiger gij in deze mee-
ning de H. Mis opoffert, hoe grooter getal
•dagelijksche zonden gij kunt uitwisschen. Ja,
ik geloof, dat gij door eene aandachtige Mis
meer dagelijksche zonden kunt uitwisschen,
dan gij er den gansenen dag bedreven hebt.
Wanneer gij dus de bovennatuurlijke kracht
van het H. Misoffer wel overweegt, zoo zult
gij duidelijk erkennen, dat het krachtig ge-
noeg is, om al uwe zonden uit te wisschen.
4. Overigens moet gij ook weten . dat gij
door de H. Mis niet alleen de dagelijksche
zonden kunt af boeten, maar ook nog uwe
ziel van alle vlekken hoegenaamd reinigen ,
gelijk de H. Joannes Dauiascenus zegt. Deze
reiniging geschiedt door het heilige water,
dat uit de geopende zijde van Christus is ge-
vloeid. Dit is niet toevallig, maar door een
bijzonder toedoen van God gebeurd. De goede
Jezus wilde deze wonde in zijne zijde ont-
vangen, en na zijnen dood open houden , op-
dat ze ons, gelijk de H. Joannes zegt, cap.
1—14: „eene bron van water worde, dat
springt tot in het eeuwige leven". Uit deze
heilzame bron stroomt onophoudelijk het kost-
bare sap van water en bloed, en verschaft ons
allen vrijen toegang om onzen dorst te les-
-ocr page 256-
232                 VIJFTIENDK HOOFDSTUK.
Bchen en onze vlekken af te wasschen. Zij
vloeit echter slechts over hen , die tot haar
naderen ; zij vloeit in alle H. Missen over alle
omstanders, dewijl de zij wonde van Christus
alsdan opnieuw wordt geopend O, hoe geluk-
kig zijn wij dan , dat deze goddelijke bron
altijd te onzer reiniging vloeit! O , hoe ge-
lukkig zijn we , daar deze bron altijd open
staat, en aan iedereen, die tot haar nadert,.
een even heilzaam als overvloedig water mede-
deelt ! O , hoe vele onreine zondaars hebben
met innige vreugde uit dit welriekend en
kostbaar water geput! Begrijp toch , lieve
lezer, hoe de H. Kerk u zoo vurig tot deze
kostbare bron uitnoodigt, welke in de H. Mis
stroomt, tot deze bron des heils, zeg ik, waar-
door onze ziel gereinigd en geheiligd wordt.
Het is immers voor ons, dat zij gelezen wordt,
daar borrelt die bron van heil en genade ,
waaruit wij zonder de geringste kosten het
water des levens kunnen putten, \'t welk on-
eindig meer waard is dan alle aardsche ge-
neugten! Welke ondankbaarheid zou het van
onzen kant niet wezen , als wij die bron te
vergeefs lieten vloeien voor onze zaligheid ,
en als wij uit onverschilligheid of luiheid zou-
den verzuimen , door eene rouwmoedige en
• •       •
aandachtige bijwoning der H. Mis, onze zielen
van hare zonden en vlekken te reinigen.
-ocr page 257-
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
De H. Mis is het waardigste voldoenings-
offer.
1. Ofschoon men onder den naam van ver-
zoeningsoffer, ook het voldoeningsoffer pleegt
te verstaan, zoo is er toch tusschen deze beide
offeranden een niet gering onderscheid , wat
reeds door de verschillende benamingen wordt
aangeduid. Door het verzoeningsoffer namelijk
wordt God voor den boet vaardigen zondaar
genadig gestemd, maar door het voldoenings-
ofler wordt de voor de vergeven doodzonden
nog verschuldigde straf kwijt gescholden. Voor-
eerst moet gij weten, dat men in iedere zonde
de straf van de schuld wel dient te onder-
scheiden. De schuld of\'de ongenade Gods wordt
door de biecht en het berouw vergeven ; de
straf\' wordt ook wel door het berouw, de
biecht of\' de boetvaardigheid kwijtgescholden;
zelden echter geheel en al , maar gewoonlijk
slechts gedeeltelijk. Naar mate nu het berouw
inniger, de biecht oprechter en de boetvaar-
digheid strenger is, wordt ook een grooter of
geringer gedeelte der straffen kwijt gescholden.
Dewijl echter gewoonlijk ons berouw zeer
-ocr page 258-
234                  ZESTIENDE HOOFDSTUK.
zwak, onze biechten dikwijls onvolmaakt en
onze werken van boetvaardigheid zeer gering
zijn, zoo wordt ons ook van de straf weinig
vergeven. Wat ons nu van deze straf\' over-
blijft, moeten wij door vurige gebeden, vasten,
aalmoezen, bedevaarten, door te communiceeren
en vele aflaten te verdienen, betalen, of in
het vagevuur afboeten. Al deze boetplegingen
strijden tegen onze zinnelijkheid en worden
door vele menschen niet beoefend. Maar blijft
ons dan geen ander middel over, om voor de
straffen onzer zonden boete te doen , en de
pijnen des vagevuurs te ontgaan, of althans
te verkorten ?
2. Zeer zeker. Laat ons maar het voorbeeld
volgen van den knecht in \'t evangelie , van
wien Christus zegt: „Het rijk der hemelen is
gelijk aan een koning , die rekenschap wilde
houden met zijne dienaren. En toen hij be-
gonnen had rekening te houden, werd er een
voor hem gebracht, die hem tienduizend ta-
lenten schuldig was. En daar hij niet had,
om te betalen, gebood zijn heer, dat hij ver-
kocht zou worden, hij en zijne vrouw en
kinderen, en al wat hij had, en dat er be-
taald zou worden. De dienaar nu viel neder
en bad hem, zeggende: Heb geduld niet mij,
en ik zal u alles betalen!" Wie verwondert
zich niet over de handelwijze van dezen knecht,
die zijnen koning niet smeekt om kwijtschel-
ding of vermindering zijner schuld , maar al-
leen om uitstel, om een weinig geduld, alsof
-ocr page 259-
HET WAARDIGSTE VOLDOENINGSOFFER. 235
hij ooit in staat ware geweest deze verba-
zende som te betalen V Dit is echter geene
ware geschiedenis , maar enkel eene parabel
of gelijkenis, waardoor God ons wil te kennen
geven, dat deze knecht eenen grooten zondaar
beteekent, met vele zware schulden beladen.
Gij nu, zondaar, wie gij ook zijt, gij zijt de-
gene van wien Christus spreekt, Apoc. 3,17:
„Gij weet niet, dat gij ellendig en erbarmelijk
zijt, arm, blind en naakt". Ja, gij weet en
gelooft niet genoeg, in welke zware schulden
gij zijt gewikkeld. Hoe zult gij dan met al
uwe goede werken tienduizend talenten be-
talen, daar gij in geheel uw leven geen enkel
talent verdienen kunt V Immers eene enkele
doodzonde vereischt zulk eene groote straf,
dat, als gij deze uit eigen krachten moest
voldoen , eene gansclie eeuwigheid niet toe-
reikend zoude wezen. Er is echter een middel,
waardoor gij u gemakkelijk uit die vei\'bazende
schuld kunt trekken en met den knecht van
het evangelie uwen Heer en God om genade
en uitstel kunt smeeken, en dit is de H. Mis,
als offer ter voldoening uwer zondenschuld.
Hebt gij de middelen ook niet om Missen te
laten lezen, zoo hoort ze slechts dagelijks en
offert ze aan den Hemelschen Vader tot kwijt-
schelding uwer schuld op. Immers de priester,
bij het orate fraters, zegt tot het volk : „Bidt
broeders, opdat mijne en uwe offerande wel-
gevallig moge wezen bij God den almachtigen
Vader". Die offerande is dus ook uwe offerande,
-ocr page 260-
236                   ZESTIENDE HOOFDSTUK.
uw eigendom. Als gij dit dan wel overwogen,
hebt, zegt tot uwen God: Hoeveel ben ik u
schuldig? Misschien honderd, duizend, ja, wei-
licht tienduizend talenten. Heer ik erken mijne
groote schuld , uit mij zelven kan ik ze op
verre na niet voldoen, maar wel uit de rijke
verdiensten van uwen Zoon, die op dit altaar
tegenwoordig is en mij tot mijn eigendom is
geschonken. Deze schat der oneindige ver-
diensten van Christus is zoo groot, dat, als
de Heer dien onder alle verledene, tegenwoor-
dige en toekomende zondaars zou uitdeelen ,
en aan een ieder zoo veel geven wilde als
tot volkomene betaling zijner straffen en schul-
den noodig ware , Hij dan ieder niet slechts
overvloedig zoude betalen, maar nog oneindig
voor ontelbare werelden zou overhouden. Meer-
malen heeft ons Christus reeds van dezen schat
zijner verdiensten medegedeeld , namelijk bij
ons Doopsel, bij de H. Sacramenten der Biecht
en Communie, en zoo dikwerf wij goede wer-
ken hebben verricht; maar nergens deelt Hij
zijn schatten zoo rijkelijk uit als onder de
H. Mis, gelijk de H. Kerk ons leert: „De
vruchten van het bloedige kruisoffer worden
door bet onbloedige Misoffer op het rijkelijkst
uitgedeeld en ontvangen". En de oorzaak
hiervan is, dat de H. Mis, wegens haren op-
perpriester en hare offergaven, onder alle
eerediensten de voornaamste, Gode de behage-
lijkste en voor de menschen de heilzaamste is.
3. Deze verdeeling dier oneindige schatten
-ocr page 261-
HET WAARDIGSTE VOLDOENINGSOFFER. 237
der verdiensten van Christus kunt gij u zoo
voor oogen stellen, alsof Hij wezenlijk van
"het altaar nederdaalde, van den eenen tot den
anderen ging, en aan ieder een gedeelte van
dat hemelsch goud in zijne handen overgaf
tot voldoening zijner schulden. Van dit ge-
schetik is niemand uitgesloten dan hij, die in
staat van doodzonde de H. Mis hoort, en ze
oneerbiedig bijwoont. Alle anderen erlangen
iets van dezen hemelschen schat, maar niet
in dezelfde mate , de eene meer , de andere
minder, ieder volgens zijne gesteltenis. Uit
hemelsch goud, uit den schat der verdiensten
van Christus genomen, kan en moet een ieder
•wel benuttigen, het aan God den Vader op-
dragen , zijne straffen daarmede afboeten , de
heiligmakende genade vermeerderen en zijne
toekomende glorie vergrooten. Mochten toch
alle arme zondaars dit wel overwegen, en als
zij in zonden gevallen zijn, zich dadelijk ter
kerke begeven en met alle aandacht de H. Mis
hooren; doen zij dit, dan hebben zij voor-
zeker het beste en krachtigste middel aange-
wend, om vergiffenis hunner zonden te be-
komen, voor de verschuldigde straffen te boe-
ten en zich voor het hervallen te vrijwaren.
§ 1. Hoe vele straffen men door eene II. Mis
kan afboeten.
1. Grondig bewijst ons degeleerde P. Lan-
cicius, dat de waarde der H. Mis , wel is
-ocr page 262-
238                  ZESTIENDE HOOFDSTUK.
waar, in zich oneindig is, dewijl alle werken,
van Christus van onschatbare waarde zijn ,
wegens de oneindige waardigheid van zijnen
Goddel ijken persoon ; nochtans wordt die on-
eindige waarde aan niemand op oneindige
wijze toegevoegd. Dan immers zoude men met
eene enkele heilige Mis al zijne schulden, hoe
groot <»ok, kunnen voldoen, en zoude men
geene boetpleging meer noodig hebben. Zeker
is het evenwel dat, aangezien de waarde der
11. Mis oneindig is, men daardoor zeer vele
straften kan af boeten. Dit getuigt ons de H.
Laurentius Justinianus met de volgende woor-
den: ,.Leg op eene schaal alle goede werken,
namelijk: gebeden, vasten, waken, aalmoezen,
kastijdingen , verstervingen en andere derge-
lijke , en op de andere eene enkele II. Mis.
Indien ge nu de weegschaal opheft , zult gij
weldra ontwaren, dat zij naar den kant, waar
het H. Misoffer gelegd is , zal overhellen.
Verwonder u hierover niet, want in de II. Mis
wordt immers Degene opgeofferd, in wien de
gansche volheid der Godheid lichamelijk woont,
die in zich eeuen onvergelijkelijken schat van
verdiensten besluit en wiens voorspraak al-
machtig is. Indien gij nu alle opgenoemde
boetwerken zoudt verrichten, en aan uwen
God niet de grootste liefde opdragen , dan
zoudt "\'ij Hem yewis een aangenaam «reschenk
opofferen; maar zoo nu een ander mensen
slechts eene enkele H. Mis aandachtig hoorde
en ze van ganscher harte aan God opofferde,
-ocr page 263-
HET WAARDIGSTE VOI.DOEXIXOSOlTKll. 239
dan zoude hij Hem met eene veel kostelijker
gave vereeren, en Hem grootere vreugde ver-
schaffen clan gij met al uwe andere boetwerken.
Want gij hebt slechts louter menschelijke
werken opgedragen , de andere integendeel
goddelijke gaven, te weten, de verdiensten van
Christus, zijne wonden, zijn lichaam en bloed,
al zijn lijden, vereenigd met al zijne deugden,
ja den eeniggeboren Zoon van God zelf. Deze
immers is het, die daar aan zijnen Hemelschen
Vader zich opoffert, wel is waar niet in die
majesteit waarmede Hij inden hemel is, maar
in dien nederigen staat, waarin Hij op het
altaar berust, als het onschuldige lam , dat
wederom zal geslacht worden, om door dezen
zijnen onbloedigen dood aan zijnen Vader eenen
oneindigen eeredienst te bewijzen. Besluit dan
hieruit, hoc vele zondenstraffen men door eene
enkele H. Mis kan af boeten, dewijl zij in de
schaal der goddelijke rechtvaardigheid meer
weegt, dan alle menschelijke boetwerken te
zamen genomen. Want zijn deze boetwerken,
in de genade Gods verricht, in staat de tijde-
lijke straften van eene doodzonde uit te wis-
schen , zou dan eene H. Mis, met alle aan-
dacht gehoord, niet vermogen de straffen van
meerdere zonden uit te wisschenV
2. Veel heb ik bereids gezegd, maar ik moet
nog meer zeggen. Pater Lodewijk van Ar-
gentan, eertijds provinciaal in Normandië, een
man van uitstekende geleerdheid en gods-
vrucht, schrijft aldus (Exercit. Ch.cap. 11, §3.):
-ocr page 264-
"240                   ZESTIENDE HOOFDSTIK.
„Tk schat voorzeker zeer hoog alle boetwer-
ken, welke wij voor de vergeving onzer zon-
den verrichten; en zeker is het, dat, indien
iemand zijn geheel leven op water en brood
zoude vasten, alle schatten der wereld aan de
armen als aalmoezen uitdeelen, en tot het
einde der wereld in het gebed zoude volhar-
den, al deze heilige werken gewis zeer groot
en verdienstelijk in Gods oogen zouden wezen,
en ook van de menschen zeer hoog te achten.
Maar toch, indien ze op de weegschaal der
goddelijke gerechtigheid werden nedergelegd ,
zouden ze niet zoo zwaar wegen als een
enkel H. Misoffer, waarin het kostbaar bloed
van Christus geofferd wordt. Want dit bloed
is van oneindige waarde, en geen menschelijk
werk is daarmede te vergelijken. Niettemin
zijn de boetwerken daarom niet overbodig,
maar zeer noodzakelijk tot verbetering des
levens en uitroeiing der booze gewoonten".
\'Zoo leert ook het Concilie van Trente , sess.
14, c. 8.: „Deze gunoegdoende straffen roepen
ons zonder twijfel van de zonde af , houden
ons als het ware in toom, en maken de boet-
vaardigen voor de toekomst voorzichtiger en
waakzamer; zij wisschen ook de overblijfsels
der zonden uit, en nemen door de akten der
tegenovergestelde deugden, de door kwaden
levenswandel geboren zondige gewoonten weg".
3. Vraagt nu iemand, hoe vele pijnen des
vagevuurs door eene Heilige Mis kunnen af-
betaald en uitgewischt worden, zoo moet ik
-ocr page 265-
iïkt Waardigste Völdoenïngsöffbe. 241
antwoorden, dat God dit aan zijne Kerk niet
uitdrukkelijk heeft geopenbaard, noch hoe
vele en hoe zware tijdelijke straften hij voor
eene dood* of dagelijksche zonde den zielen
oplegt. Zoo wij echter bedenken , dat niets
besmet in den hemel kan binnentreden , en
dat het vagevuur die ellendige kerker is,
waarin men tot den laatsten penning zal
moeten voldoen; zoo wij verder overwegen,
•welke groote en langdurige straffen eertijds
door de Kerk voor zware zonden werden op-
gelegd , dan mag men hieruit besluiten, dat
de goddelijke rechtvaardigheid de arme zielen,
naar gelang van hare zonden en straften, soms
langen tijd in het vagevuur zal doen branden.
Juist omdat wij den duur dier pijnen niet
kennen , viert de Kerk voor de afgestorvenen
nog altijd jaargedachtenissen, ook zelfs wan-
neer zij vóór honderden jaren uit deze wereld
gescheiden zijn. Maar zeker weten wij uit de
leer der Kerk, dat wij de arme zielen kunnen
te hulp komen door onze gebeden en goede
werken , maar voornamelijk door het heilig
sacrificie der Mis. Want hierdoor worden of
geheel of gedeeltelijk de nog verschuldigde
straffen weggenomen, gelijk ons de H. Vaders
eenparig getuigen.
4. Ook wordt doorgaans door de godge-
leerden aangenomen, dat de zielen in het
vagevuur aan de vruchten van het H. Mis-
offer, dat voor haar wordt opgedragen, zoo
veel te meer deelachtig worden, hoe meer zij
Verkl. d. H. Mis.                                                      17
-ocr page 266-
242                  ZESTIENDE HOOFDSTUK.
gedurende het leven zich eener zoodanige
luilpe hebben waardig gemaakt, of daarnaar
verlangd hebben. Wilt gij dan eenmaal de
straffen des vagevuurs ontgaan, of\' ze merke-
lijk verkorten, zoo beijvert u nu dagelijks
aandachtig de H. Mis te hooren. Hoe kunt
gij tocli zoo onverstandig zijn , zoo menige
Mis uit onachtzaamheid of luiheid te verzui-
men. daar gij toch weet, hoe verschrikkelijk
de pijnen des vagevuurs zijn, en gij door eene
enkele Mis zoo vele tijdelijke straffen kunt
af boeten, en zoodoende die pijnen merkelijk
verminderen.
5. Nog een wenk wil ik u geven. Als gij
eene H. Mis laat lezen ter eere van dezen of
genen Heilige, of om eene gunst te bekomen,
of om zekere kwalen af\' te weren, zoo zijt er
altijd op bedacht, u uitdrukkelijk al de u toe-
komende vruchten dier H. Mis voor te be-
houden of toe te eigenen. Want clan vereert
ge op de eerste plaats dien Heilige, tot wiens
eer gij de H. Mis laat lezen en betaalt ook
te gelijker tijd veel van de straffen. welke
gij wegens uwe zonden schuldig zijt te lijden.
Laat gij eene Mis lezen om van God iets te
bekomen, zoo zult gij dit eerst dan verkrijgen,
als het u zalig is, en gij betaalt ook tevens
een groot gedeelte uwer schulden.
VOORBEELD.
Simon van Montfort, de beroemde overwin»
-ocr page 267-
HET WAARDIGSTE VOT.OOKXI.VGSOH\'Kli. 243
naar der Albigenzen , placht dagelijks niet
groote aandacht de H. Mis te hooren. Dit
wisten zijne vijanden zeer goed en maakten
eens op zekeren dag van liet uur gebruik,
dat hij de H. Mis bijwoonde, om het katholiek
leger aan te vallen. Zijne officieren begaven
zich in aller ijl tot hem , zeggende , dat de
vijand zich reeds in het leger bevond, en zijn
krijgsvolk in <n-oot cn-vaar verkeerde van ver-
pletterd te worden, indien hij niet oogenblik-
kelijk te hulp snelde. Maar de veldheer sprak:
Laat mij de goddelijke zaken vóór de mensche-
lijke stellen , en aan mijnen Heiland in het
Misoffer eerst den verschuldigden eerediensfc
bewijzen. Daarop gaf hij hun de noodige be-
velen en vervolgde met innige godsvrucht de
H. Mis. Weldra kwam men hem verwittigen,
welke groote schade de vijand reeds veroor-
zaakt had. Maar Siimon sprak: „Ik zal van
hier niet wegga.in, eer ik mijnen Heiland aan-
schouwd en aangebeden heb". Met groote vu-
rigbeid beval hij Christus het gevaar zijner
makkers aan, en bad Hem door de verdiensten
van het H. Misoffer, om den noodigen bijstand.
Als hij nu Jezus onder de Elevatie had aan-
gebeden en Hem den Hemelschen Vader had
opgeofferd, stond hij op en sprak met luider
stemme: „Nu laat, Heere ! uwen dienstknecht
heengaan in vrede; want mijne oogen hebben
uw heil gezien". En zich tot zijne officieren
wendende, zeide hij: „Welaan, nu willen wij
heengaan, en, is het Gods wil, voor dengenen
-ocr page 268-
\'244                  ZESTIENDE HOOFDSTUK.
sterven, die zich gewaardigd heeft voor ons
aan liet kruis te sterven". Toen trok hij zijne
wapenrusting aan, wierp zich op zijn strijdros,
verdeelde zijne 800 ruiters en zijn weinig
voetvolk in drie slagorden , en trok met hel-
deninoed op het talrijke vijandige leger los. In
naam der allerheiligste Drievuldigheid stortten
zijne soldaten op de vijandelijke scharen neder
en [behaalden eene glansrijke zegepraal. T\\vin-
tig duizend zijner vijanden bleven op het
slagveld, de anderen met hunne aanvoerders,
Rayniond, graaf van Toulouse, en Petrus,
koning van Aragonië, namen de vlucht. Deze
heerlijke zegepraal, welke Simon van Mont-
fort in het jaar 1211 behaalde, wordt door
alle geschiedschrijvers aan zijne uitmuntende
dapperheid toegeschreven. De vrome held
echter verklaarde luide , dat hij niet door de
kracht zijns legers, dat nauwelijks uit drie
duizend man bestond, maar door de kracht
der H. Mis, waarin hij ootmoedig om Gods
bijstand gesmeekt had, deze glorierijke over-
winning behaald had.
Ik hoop dat velen , door dit schoon voor-
beeld gesticht, met een dergelijk vertrouwen
in de kracht en uitwerking der H. Mis mogen
vervuld worden , en daarom zich al meer en
meer beijveren , om in de toekomst ze vlij-
tiger en aandachtiger bij te wonen. {Bijzonder
echter dienen de groote zondaars zulks te
doen, die tot hieraan nog zeer geringe boet-
vaardigheid gepleegd hebben. Mogen zij toch
-ocr page 269-
HET WAARDIGSTE VOI.DOEXIXGSOFFBK. 245
wel overwegen, dat de strenge goddelijke recht-
vaardigheid geene zonde ongestraft laat, en
daarom het spreekwoord niet vergeten : ,,öl\'
boeten , of branden". Voorzeker is het toch
voor n, o zondaar, veel beter, op deze wereld,
zelf voor uwe zonden te boeten, dan ze in
het ander leven aan de goddelijke rechtvaar-
dijïheid ter bestraffing over te laten. Ge hebt
toch zulk een gemakkelijk middel in de II. Mis,
u door de goddelijke barmhartigheid ge-
schonken.
-ocr page 270-
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
De H. Mis is het voortreffelijkst3 werk van
den H. Geest.
1. Zeer veel is er in dit boek van de be-
trekking van het H. Misoffer tot God den
Vader en zijnen eeniggeboren Zoon gehandeld
geworden ; nu willen wij ook liet een en an-
der aanstippen betrekkelijk den H. Geest; en,
opdat wij zijne werking in de H. Mis wel
mogen begrijpen, wil ik hierover een bijzon-
der hoofdstuk schrijven, dat gij vooral in de
Pinksterdagen zult lezen.
Hoe veel goeds de H. (ieest der Christen-
heid bewijst, kan niet genoeg erkend , veel
minder uitgesproken worden. Hij is immers
de goddelijke liefde en barmhartigheid, en be-
ijvert zich voortdurend om de goddelijke ge-
rechtigheid te verzoenen en de arme zondaars
van de verdoemenis te bewaren. Hij is degene,
die zoo veel tot het werk onzer verlossing
heeft bijgedragen en het gelukkig begonnen
en voltrokken heeft. Hij heeft het begonnen
in den maagdelijken schoot van Maria, toen
door zijne medewerking het Woord is
Vleesch geworden, de allerheiligste ziel
-ocr page 271-
HET VOORTREFFELIJKSTE WERK.          247
van Christus is geschapen , en de Godheid
met de menschheid op eene onbegrijpelijke
wijze in een persoon is vereenigd geworden.
Het werk der verlossing heeft hij op Pinkster-
dag voltooid, toen Hij zich zelven in de ge-
daante van vurige tongen heeft medegedeeld,
de geloovigen met het vuur Zijner goddelijke
liefde heeft ontstoken en vele verstokte zon-
daren, die door de beschouwing van het lijden
en den dood van Christus nog niet getrofien
waren , door Zijne genade bekeerd heeft. Hij
woont nog altijd voortdurend bij de ware ge-
loovigen, en ofschoon Hij van vele onteerd
wordt, zoo verlaat H ij hen toch niet, maar
klopt dikwijls aan hun hart en verlangt
wederom er zijne intrede te doen.
2. Al deze dingen zijn zeer groote, ja goddelijke
werken. Niettemin heb ik in het begin van
dit hoofdstuk geschreven, dat de H. Mis het
voortreffelijkste werk is van den H. Geest.
Alle godgeleerden zeggen immers, dat het ge-
heim der menschwording het allergrootste
wonderwerk Gods is, dewijl namelijk daarin
de oneindige groote Godheid de nederige
menschheid van Christus met zich in éenen
persoon vereenigd heeft. Dat groot wonder
heeft de H. Geest gewrocht, gelijk wij het
dagelijks bidden in de geloofsbelijdenis: Die
ontvangen is van den H. Geest. Alhoewel nu
het wonder der menschwording oneindig groot
is, schijnt toch het wonder, dat in de H. Mis
wordt uitgewerkt, nog grooter te wezen; want
-ocr page 272-
248                ZEVENTIENl)K HOOFDSTUK.
bier wordt èn de Godheid èn de menschheid
van Christus zoodanig vernederd, dat zij ook
in het kleinste gedeelte der H. hostie tegen-
woordig zijn. Dat dit nu door den H. Geest
geschiedt, blijkt uit de liturgie van den H.
Jacobus , en vooral uit die van den H. Jo-
annes Chrvsostomus, in welke laatste te lezen
staat: „Zegen, o Heer, het heilige brood. Ver-
ander dan dit brood in het kostbaar lichaam
van uwen Christus. Zegen, o Heer, den heili-
gen kelk! Doe echter, wat zich in dezen kelk
bevindt, overgaan in het kostbaar bloed van
uwen Christus , het van zelfstandigheid ver-
anderende door uwen Heiligen Geest". Want
gelijk de H. Geest bij de menschwording van
den Zoon Gods is werkzaam geweest, volgens
de getuigenis van den engel Gabriël aan
Maria: ,,De H. Geest zal over u komen en
de kracht des Allerhoogsten zal u overscha-
duwen", zoo wordt ook de H. Geest tot deze
hernieuwde menschwording van Jezus Chris-
tus in de H. Mis aangeroepen. Dit wil ook
de priester aanduiden, wanneer hij alvorens
het eerste kruisteeken te maken over de hostie
en den kelk , zijne oogen ten hemel slaat,
beide handen en armen uitstrekt, ze wederom
samenvoegt en met hartelijke aandacht uit-
roept, zeggende: „Kom, Heiligmaker, almach-
tige eeuwige God, zegen deze Offerande, welke
uwen heiligen Naam bereid is". De priester
bidt dus deze woorden uitsprekende, dat de
H. Geest van den hemel nederdalen , en het
-ocr page 273-
HET VOORTREFFELIJKSTE WERK.          2491
hoogwaardig Offer zegenen moge. Op dezelfde
wijze luidt ook het gebed van den H. Am-
brosius vóór het begin der H. Mis: „Laat
toch, o Heer, de onzichtbare majesteit des H.
Geestes nederdalen, gelijk Hij eertijds over de
offeranden der Vaders is nedergedaald".
3. Gelijk het natuurlijk vuur het hout
doordringt en het in gloeiende kolen veran-
dert, zoo doordringt, bij de woorden der con-
secratie, op wonderbare wijze het vuur van
den H. Geest het brood en den wijn en ver-
andert ze in het lichaam en bloed des Heeren.
Een hemelsch vuur stort alsdan onder de
consecratie op eene onzichtbare wijze op onze
altaren neder, om deze verandering te be\\ver-
ken. Wij lezen immers in liet oude Verbond,
dat bij de inwijding van den tempel van-
Salomo, als deze koning zijn gebed geëindigd
had, het vuur van den hemel neder viel en-
alle brandoffers verteerde, en de heerlijkheid
Gods den tempel vervulde. Al het volk viel
op dit gezicht plat ter aarde neder, en bad
en prees den Heer, dewijl Zijne barmhartig-
heid zonder einde is. Dit was een klaar af-
beeldsel van hetgeen in onze H. Mis geschiedt,
waarin altijd het vuur van den H. Geest uit
den hemel valt, het brood en den wijn ver-
teert en in het lichaam en bloed van Cliris-
tus verandert. Ofschoon wij, arme zondarenr
de genade niet hebben, dit geheimvol vuur te
aanschouwen, nochtans is het meermalen ge-
zien geworden. Zoo schrijft de vermaarde
-ocr page 274-
250 ZEVENTIEND*) HOOFDSTUK.
Baronius van den H. Ignatius, patriarch van
Konstantinopel, dat hij meermalen, als hij de
H. Mis met groote liefde en aandacht las, het
H. brood van gedaante zag veranderen, en
hem verscheen als een gloeiende kool met
hemelschen glans omgeven. Wijl de H. Geest
de liefde is des Vaders en des Zoons, daarom
verschijnt hij ook gaarne onder het zinne-
beeld der liefde aan de menschen, dat is on-
der de gedaante van een brandend vuur.
Hetzelfde schier lezen wij in het leven van
den H. Jozef\' a Cupertino. Als deze heilige
priester de woorden der consecratie wilde uit-
spreken , gevoelde hij altijd eene zoo groote
vrees en benauwdheid , dat hij ze nauwelijks
kon uitbrengen. Was echter deze angst voorbij,
dan sprak hij ze zeer snel uit. Hierover door
zijnen overste ondervraagd , antwoordde hij:
Deze heilige woorden zijn als brandende kolen
in mijnen mond, en het komt mij voor als
iemand , die iets heets in den mond heeft en
het weldra uitstort, dewijl hij de hitte ervan
niet verdragen kan.
4. De heilige woorden der consecratie zijn
dan gelijk vurige woorden, welke door haren
bovennatuurlijken gloed het gezegend brood
en den wijn in het lichaam en bloed van
Christus veranderen. O, met welke aandacht
en eerbied moeten daarom alle priesters deze
hoogwaardige woorden uitspreken, welke uit
den goddelijken mond van Christus zelven zijn
gevloeid, en door wier wonderbare kracht
-ocr page 275-
HET VOORTREFFELIJKSTE WERK.          251
hun eigen Schepper van den hemel in hunne
priesterlijke handen nederdaalt! Opdat wij ech-
ter eene nog treffender getuigenis van de te-
genwoordigheid des H. Geestes in de II. Mis
verkrijgen mogen, wil ik nog eene merkwaar-
dige gebeurtenis aanhalen, door Baronius ge-
hoekt in zijne annalen van \'t jaar öijti.
VOORBEELD.
De bisschop van Formello, eene toenmaals
aanzienlijke stad in de nabijheid van Rome ,
placht de H. Mis altijd niet de grootste aan-
dacht te lezen. Niettegenstaande zijnen vromen
en deugdzamen levenswandel, werd hij nochtans
bij den paus Agapitus aangeklaagd, als hadde hij
uit een gewijd vat gegeten, en daar door aan het
volk tot grootu ergernis verstrekt. Hierop werd
hij naar Rome gebracht en in de gevangenis
gezet. Drie dagen daarna verscheen in een
droom een Engel aan den Paus, die hem tot
driemaal toe gebood op den naasten Zondag
den gevangen bisschop de H. Mis te laten
lezen. De Paus liet hem uit de gevangenis halen
en beval hem de H. Mis in zijne tegenwoor-
digheid en in die van alle kardinalen te le-
zen. Als nu de bisschop na de offerande de
volgende woorden uitsprak: „Kom Heiligma-
ker, almachtige, eeuwige God en zegen deze
Offerande, voor uwen heiligen Naam bereid",
herhaalde hij al bevende tot driemaal toe
deze woorden en wilde met de H. Mis niet
-ocr page 276-
252                 ZEVENTIEXDK HOOFDSTUK.
voortvaren. Toen nu eindelijk de Paus, ver-
drietig over dit lang toeven, hem vragen liet:
Waarom draalt gij zoo lang en herhaalt gij
zoo dikwijls dit gebed , antwoordde de bis-
schop: Vergeet\' mij, heilige Vader, ik heb dit
gebed zoo dikwijls herhaald, dewijl ik den
H. Geest nog niet over deze Offerande heb
zien nederdalen. Dat de diaken, die aan mijne
zijde staat, zich slechts verwijdere! Dit ge-
benrd zijnde, zagen de Paus en de bisschop
eensklaps hoe de II. Geest nederdaalde en hen
met den diaken, als in eene wolk langen tijd
omhulde. Nu erkende de Paus de onschuld en
de heiligheid van dezen bisschop en bedroefde
zich zeer, dat hij hem had doen gevangen
nemen.
5. Wat nu de Paus en de bisschop met
eigen oogen aanschouwd hebben, dat geschiedt
in elke H. Mis bij genoemd gebed, namelijk,
dat de H. Geest in goddelijke kracht neder-
daalt, om de offergaven te zegenen en te hei-
ligen. Hierover schrijft de beroemde Mansi :
„Het onbloedige Offer der Mis is daarom zoo
wonderbaar en verheven , wijl de H. Geest
zelf nederdaalt om het te heiligen, en de En-
gelenscharen, er rondom staande, het met ver-
bazing bewonderen en het met diepen wellust
betrachten". O, hoe heilig moet daarom het
H. Misoffer wezen, daar het van den oorsprong
aller heiligheid , van den goddelijken persoon
des H. Geestes zelf gezegend en met alle
heiligheid vervuld wordt! O , hoe krachtig ,
-ocr page 277-
HET VOORTREFFELIJKSTE WERK.          253
liefelijk en zoet moet dat henielsch brood
niet wezen , dat door den H. Geest zelven is
toebereid! Edoch het vuur van den H. Geest
bereidt de H. Hostie niet alleen tot onze spijs,
maar voornamelijk tot ons Sacrificie , opdat
wij het Gode tot waardige vereering en tot
ons heil mogen opofferen. Welk eene dierbare
en tevens kostbare offerande is dan de H.
Mis niet ! Hoe groot is toch in dit geheim
de werking van den H. Geest, om het tot
eene bron van tijdelijken en eeuwigen zegen
te maken? De apostel Paulus schrijft immers
van den H. Geest, Rom. 8 , 26 : „De Geest
komt onze zwakheid te hulp ; want wat wij
naar behooren moeten bidden, weten wij niet;
maar de geest zelf bidt voor ons door onuit-
sprekelijke verzuchtingen; en Hij, die de har-
ten doorgrondt, weet wat de Geest begeert ,
dat hij naar God voor de Heiligen bidt". Maar
nu is de vraag, wanneer bidt dan de H. Geest
bijzonder voor ons V Ik antwoord : Ofschoon
Hij altijd voor ons bidt, is het nochtans ze-
ker, dat Hij dit op eene bijzondere wijze doet
in de H. Mis.
6. Hieruit mag men afleiden , dat ook de
Engelen op eene bijzondere wijze bij het H.
Misoffer voor ons bidden. Zoo zegt de H.
Chrysostomus: „Alsdan roepen niet alleen de
menschen, maar ook de Engelen buigen hunne
knieën en de Aartsengelen bidden voor ons".
Gelijk nu de Engelen juist den tijd der H.
Mis uitkiezen, om voor ons te bidden, omdat
-ocr page 278-
254                 ZEVENTIENDE JIOOJ\'DSTTK.
zij de tijd der barmhartigheid is, en de ver-
toornde God door dit zoo vermogend Otter
verzoend wordt, zoo kan men ook aannemen,
dat de goddelijke goedheid, de II. Geest, op
dienzelfden tijd , waarop de menschheid van
Christus God den Vader bidt, en de wonden
en het bloed van Christus om barmhartigheid
roepen, tegelijkertijd met hen in onuitspreke-
lijke verzuchtingen voor ons bidt, en Gods
strenge rechtvaardigheid zoekt te stillen. lm-
mers de H. Geest bidt niets anders af\' dan
wat van God komt, en wat strekken kan tot
eer van God en tot heil der menschen.
Hieruit kunt gij de oneindige goedheid van
den H. Geest erkennen , hoe Hij zich zoo ijve-
rig ons heil aantrekt, en niet alleen voor ons
bidt, maar met onuitsprekelijke verzuchtingen
voor ons om barmhartigheid smeekt. Wie zal
dan niet met vreugde gelooven , dat de H.
(ieest onze getrouwste en beste vriend is?
Zoo stelt dan in Hem een vast vertrouwen en
draagt Hem eene bijzondere liefde toe; en
daar hij bijzonder in de H. Mis voor u bidt,
zoo hoort van tijd tot tijd te zijner eere eene
H. Mis, zeggende: Ik bid U, o H. Geest, dat
Gij alle priesters, welke deze hoogwaardige
Offerande opdragen, moogt bijstaan, hen met
uwen geest vervullen en hunne harten door
het vuur uwer goddelijke liefde moogt ont-
steken , opdat zij dit eerbiedwaardig geheim
tot grootere eer der allerheiligste Drievuldig-
heid, tot vermeerdering der vreugde van alle
-ocr page 279-
HET VOORTREFFELIJKSTE WERK.          255
hemelsche geesten, en tot heil van alle geloo-
vigen. tot bekeering aller ongeloovigen en tot
verkwikking aller lijdende zielen in het vage-
vuur mogen opdragen. Geef ook aan allen,
die bij liet heilig Misoffer tegenwoordig zijn,
de genade het steeds met een levend geloof\'
en hartelijke aandacht bij te wonen en alzoo
aan diens vruchten deelachtig te worden. Amen.
#f#
-ocr page 280-
TyTTyF TyrTYrTyrTYrTYrTYf;"TyrYr^?ïr"Tff\'^\'ï;"TyF^t\'FT\'tr
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
De H. Mis is de zoetste vreugde der Moeder
Gods en der Heiligen.
1. De koningin Esther heeft in geheel haar
leven geene grootere vreugde gesmaakt, dan
op den dag, toen koning Assuerus haar onder
alle jongedochters van zijn koninkrijk uitge-
kozen, met eigen handen gekroond en tot ko-
ningin van zijn aanzienlijk rijk heeft uitge-
roepen. Even zoo durf ik beweren, dat Maria,
de Moeder Gods, nooit grooter blijdschap ont-
waard heeft, dan op den dag , toen zij door
haren Zoon in de hemelsche vreugde is bin-
nengevoerd, en tot Koningin van hemel en
aarde is gekroond geworden. Deze vreugde
was zeker zoo groot, dat geene daarmee kan
vergeleken worden Niettemin heb ik in het
opschrift van dit hoofdstuk gezegd, dat de H.
Mis de grootste vreugde van Maria uitmaakt.
•Om dit goed te verstaan, moet gij weten, dat
de Moeder Gods alsmede de andere Heiligen
•eene tweevoudige blijdschap genieten, namelijk
eene wezenlijke en eene bijkomende.
De wezenlijke blijdschap bestaat in de aan-
.schouwing en het genot van God , alsook in
•dien graad van heerlijkheid, waarop de Hei- i
-ocr page 281-
DE ZOETSTE VREUGDE.                   257
lige bij de intrede van den hemel is geplaatst
geworden. Op deze hoogte der glorie blijft de Hei-
Rge eeuwig staan, endeze zijne wezenlijke vreugde
kan noch verhoogd, noch verminderd worden.
De bijkomende blijdschap bestaat hierin,
dat soms aan eenen Heilige eene bijzondere
eer en vreugde ten deel valt. wanneer hem
van <!od of van andere Heiligen of van de
menschen een welgevalligen dienst bewezen,
eene bijzondere eer betoond of iets aange-
naams woi-dt opgedragen; zoo kan men wel
aannemen, dat, als men den feestdag eens
Heiligen op aarde viert, hem dan ook in den
hemel eene bijzondere eer te beurt valt. Dat
zoodanige bijkomende blijdschap bestaan kan,
is af te leiden uit de woorden van Christus :
,,Ik zeg u, evenzoo zal er in den hemel meer
blijdschap zijn over éenen zondaar , die zich
bekeert, dan over negen en negentig recht-
vaardigen, die geene bekeering noodig hebben".
Deze vreugde der Engelen en Heiligen kan
niet eene wezenlijke , maar slechts eene bij-
komende vreugde zijn, welke zicli zoo dikwerf
hernieuwt als een zondaar zich bekeert.
2. Uit deze verklaring zult gij nu gemak-
kei ijk begrijpen, hoe de aangehaalde woorden
moeten verstaan worden. Is namelijk de H.
Mis de grootste vreugde der Moeder Gods,
dan betrekt zich dit op hare bijkomende, niet
op hare wezenlijke vreugde. Want , ofschoon
men haar op verschillende wijzen kan veree-
ren , zoo overtreft toch de vreugde, welke
Verkl. d. H. Mis.                                                     48
-ocr page 282-
258                 ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
men haar door de H. Mis verschaft, alle andere-
Veelmeer dan met vele gebeden, rozenkransen
enz. te bidden , zal hij Maria eeren , die te
harer eere eene H. Mis hoort; want de her-
nieuwde tegenwoordigheid van haren Zoon
verschaft haar duizendmaal grootere vreugde
dan alle andere gebeden , psalmen , getijden r
of rozenkransen. AVat kan trouwens de Moe-
der (Jods aangenamer wedervaren dan dat gij
met alle mogelijke aandacht de H. Mis bij-
woont, waarin gij haren geliefden Zoon met
een waarachtig geloof aanbidt, u voor Hem met
een rouwmoedig hart vernedert, Hem ernstig
om vergiffenis smeekt, zijn bitter lijden aan
God den Vader voor oogen stelt en Hem zijn
kostbaar bloed tot uwe reiniging opoffert? Is
dit zoo, dan kunt gij licht beseffen, hoe gaarne
zij dezulken verhoort, die tot hare eer de H.
Mis bijwonen , of ze tot hare verheerlijking:
laten lezen. Ten bewijze wil ik u eene ge-
schiedenis verhalen , welke de beroemde ge-
schiedschrijver Baronius heeft opgeteekend:
In het jaar 998 belegerde Robert, koning van
Frankrijk, met een groot leger het slot St.
Germain. De belegerden weerden zich dapper
en voegden den koning geene geringe schade
toe. Daarover vertoornde zich de Koning zoo-
danig, dat hij den zesden dag der belegering
besloot het kasteel stormenderhand in te ne-
men. In hunne benauwdheid zochten de be-
legerden troost en hulp bij den priester Gislebert.
Deze vermaande hen al hun vertrouwen op
-ocr page 283-
DE ZOETST?; VBKUGDE.                   259
Maria te stellen en te harer eer eene H. Mis
te hooren. Hij las ze aan haar altaar, en
allen woonden de H. Mis niet groote gods-
vrucht bij. En ziet, eensklaps onder de H.
Mis, verbreidde zich een dikke nevel over de
geheele vesting, zoodat de vijand ze niet meer
zien, noch aanranden kon. Maar de belegerden
zagen alles duidelijk , en veroorzaakten den
vijand groote schade. Toen nu de koning zag
dat zijn leger zeer verzwakt en in gevaar was
van geheel vernietigd te worden , hief hij in
aller ijl de belegering op en verwijderde zich.
.\'). Leert hieruit de kracht beseffen eener
enkele Mis , ter eere van Maria gelezen. ()t-
schoon dergelijke wonderen niet altijd geschie-
(len, is toch hare aanroeping nimmer te ver-
geefs , maar wordt altijd op eene of andere
wijze rijkelijk vergolden. Volgens den graad
van heiligheid, waarin Maria boven alle Hei-
ligen geplaatst is , is ook hare voorbede veel
machtiger. Immers, een godvruchtig dienaar
van Maria zegt: Wat Maria van God begeert,
dat verkrijgt zij zekerlijk. God heeft besloten
aan al diegenen bai mhartisjheid te betoonen voor
welke Maria bidt. De voorbede van Maria
heeft eenen machtigen invloed op de lotge-
vallen der menschen. Maria bemint de zon-
daars meer dan de eene mensch den anderen
kan beminnen. Zij bemint het heil der zonda-
ren zoodanig , dat zij bereid zou zijn , indien
God het toeliet, alle pijnen der gansche we-
reld voor de voldoening van iedereu zondaar
-ocr page 284-
260                ACHTTIENDE KOOKDSTUK.
te lijden. Een enkel ..Wees gegroet" met
aandacht gebeden, is voor haar eene der kos-
telijkste gaven onder den hemel.
Zooveel de «jeheele sterrenhemel yrooter is
dan éene ster. zooveel grooter is de barnihar-
tigheid van Maria dan die van eiken anderen
Heilige. Gelijk de zon aan de wereld een
krachtiger licht verschaft dan al de sterren
te zamen, zooveel meer helpt Maria hare die-
naren , dan het al de Heiligen doen kunnen.
Üe dienst, die aan Maria bewezen wordt, ver-
schaft groote blijdschap aan alle Heiligen.
4. Deze voorrechten zijn als eene sterren-
kroon, die op het hoofd der II. Maagd schit-
tert. Wie ze nu aandachtig overweegt , moet
immers krachtijj tot den dienst en de veree-
ring van Maria getrokken worden. Want wie
zoude niet gaarne een „Wees gegroet" bid-
den , als hij gelooft , dat deze kostelijker is
dan alle natuurlijke gaven van lichaam en
ziel ? Wie zoude haar niet graag dienen , als
hij gelooft , dat den geringsten dienst haar
bewezen, alle andere diensten den Heiligen be-
wezen, verre te boven gaat V Zoo dient haar
dan met allen ijver, bijzonder met de H. Mis
aandachtig haar ter eere te hooren. Want
zoo dikwijls eene Mis gelezen wordt, zoo
menigmaal wordt Christus geestelijkerwijze
opnieuw geboren, en zoo dikwijls straalt hare
moederlijke waardigheid uit met nieuwen glans.
5. Zeer aangenaam en troostrijk zal het
ook voor ons wezen, te weten, hoezeer en op
-ocr page 285-
DE ZOETSTE VREUGDE.                   261
welke wijze de H. Mis aan de Heiligen in
het algemeen aangenaam is , en hoe men ze
op hunne feestdagen tot vermeerdering hunner
eer en glorie zal hooren en opofferen. Op
welke wijze die bijkomende eer der Heiligen
kan vermeerderd worden, heb ik reeds boven
aangestipt. Hij hetgeen hierover gezegd is,
voeg ik nog , dat de Heiligen waardig zijn
door ons geëerd te worden. God heeft ze
immers als zijne trouwe dienaars geëerd , en
eert ze nog voortdurend; ook verdienen zij
zulks wegens hunne deugden , gelijk er ge-
schreven staat. Apoc. 3,4: „Zij zullen met
Mij wandelen in witte kleederen, want zij zijn
het waardig". En op eene andere plaats, lieg.
2, 30: „Die u eert, dien zal Ik eeren". Hier
voeg ik nog bij, dat de Heiligen. zoolang zij
op aarde leefden, de eer gevlucht, en zich in
hunne ootmöedigheid voor verachtelijk hebben
gehouden , ja soms van goddelooze en boos-
aardige menschen in hunne onschuld bespot,
veracht en dikwerf vervolgd zijn geworden.
Daarom wil God, dat hunne onschuld en hunne
deugden nu aan den dag komen en zij door
de Christenheid geëerd worden.
0. Indien de heidensche koning Assuerus,
wegens een trouwen dienst, aan Mardocheüs
de koninklijke eer heeft doen betoonen, gelijk
wij lezen in de H. Schrift, welk eene veel
grootere eer zal dan niet de vrijgevige God
en geheel het hemelsch hof aan zijne getrouwe
dienaren wegens zoo vele bewezen diensten
-ocr page 286-
262                 ACH [TIENDE HOOFDSTUK.
betoonen? Dit zal Hij op eene bijzondere ma-
nier op die dagen doen , waar zij glorierijk
den hemel zijn binnengetreden , en hunne
feestdagen door de geheele katholieke wereld
gevierd worden. Door zijnen Heiligen Geest
heeft Hij zijne Kerk ingegeven , dat deze op
dergelijke dagen, zijne trouwe dienaren en uit-
verkoren Heiligen , door gebeden , lofzangen ,
sermoenen , processiën of bedevaarten , maar
bijzonder door het H. Sacrificie der Mis zoude
verheerlijken ; want aldus zullen geëerd wor-
dea zij, die de hemelsche koning geëerd hebben
wil.
7. De voornaamste eer wordt hun dus be-
toond door de H. Mis, als men deze tot hunne
grootere eer leest of hoort, en aan den al-
machtigen God tot vermeerdering hunner
verheerlijking opoffert. Immers de Heiligen
scheppen in de H. Mis eene bijzondere
vreugde ; want, ofschoon daarin het leven en
lijden van Christus wordt voorgesteld en al-
leen aan God wordt opgeofferd, geschiedt deze
heilige voorstelling toch te hunner eer , den
gansehen hemel tot vreugd. Wordt echter hun
naam in de H. Mis genoemd , zoo is hunne
eer en blijdschap veel grooter en de H. Mis
des te aangenamer, gelijk de H. Chrvsostomus
zegt : „Als den koningen een triomftocht
wordt voorbereid , worden ook zij genoemd,
die in den slag aan zijne zijde hebben ge-
streden. Zoo is het ook voor de Heiligen eene
groote eer, als zij iu de H. Mis, in de tegen-
-ocr page 287-
DE ZOETSTE VREUGDB.                   233
voordigheid van hunnen Koning, wiens lijden
en dood daarin, als in triomf\', gevierd en voor-
gesteld wordt, genoemd, en hunne heerlijke
daden, welke zij in den krijg tegen de helsehe
machten hebben uitgevoerd, geprezen worden".
Alsdan wordt ook de almachtige God bedankt
voor de sterkte, die Hij hun in den strijd
verleend, en voor de genade, met welke Hij
hun de zegepraal heeft geschonken. Hierover
zegt de geleerde Molina het volgende : ,,Men
kan den Heiligen <jeen aangenaineren dienst
bewijzen , dan met in hunnen naam aan den
almachtigen God de H. Mis op te dragen,
Hem te danken voor de weldaden zijnen Hei-
ligen bewezen , zich hunne verdiensten her-
innerende en ze in vereeniging met de H.
Mis aan de H. Drievuldigheid op te dragen".
8. Hierbij dient wel bemerkt te worden,
wat in het begin van dit boek gezegd is, dat
het H. Misoffer nooit aan eenig schepsel, noch
aan de Moeder Gods, noch aan Engelen of
Heiligen, maar alleen aan den hoogsten God,
den Schepper aller wezens, kan opgedragen
worden, dewijl het Sacrificie de voornaamste
manier van aanbidding is en alleen aan God
toekomt. Na dan dit hoofdstuk wel doorlezen
te hebben, zult gij nergens vinden, dat de H.
Mis aan de Moeder Gods, aan de Engelen of
Heiligen wordt opgeofferd, maar dat ze tot
hunne meerdere eer aan de H. Drievuldigheid
wordt opgedragen. Bij deze Offerande wordt
wel melding gemaakt van de Heiligen, maar
-ocr page 288-
204                 ACHTTIEND*! HOOFDSTUK.
niet in dien zin, alsof\' hun de Offerande werd
opgedragen; want, zegt de H. Augustinus:.
,,Geenen martelaar, maar enkel tot gedachte-
nis der martelaren, richten wij altaren op.
Welke priester heeft ooit, in de nabijheid der
heilige lichamen aan het altaar staande,,
gezegd: Wij offeren n, Petrus, Paulus of\' Cy-
prianusV" Dus aan God alleen, die de Heili-
gen gekroond heeft, wordt de Offerande op-
gedragen, en terwijl de priester God bedankt
voor hun zegepraal, smeekt hij hunnen bij-
stand af, opdat zij wier gedachtenis wij op
aarde vieren, in den hemel voor ons mogen
bidden.
9. Erkent hieruit welk eene blijdschap gij
aan de Heiligen door het liooren lezen, of
doen lezen van eene H. Mis kunt bewijzen.
Indien gij ook te hunner eere alle psalmen
van David zoudt lezen, zult gij hun op verre
na niet zoo veel eer bewijzen, als door eene
enkele H. Mis. Doet dit dan zoo dikwijls mo-
gelijk, en offert, bij de elevatie, aan God zij-
nen lieven Zoon tot grootere eer en blijd-
schap van uwen heiligen patroon of\' een an-
deren Heilige, wiens feestdag de Kerk op dien
dag eert, en op uw doodsbed zult gij onder-
vinden , hoe voordeelig u deze oefening var*
godsvrucht jegens de Heiligen geweest is..
-ocr page 289-
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
De H. Mis is het grootste voordeel voor de
geloovigen.
1. In dit hoofdstuk komen zoo vele en
zulke merkwaardige zaken voor, dat ik we-
zenlijk niet weet waarmede te beginnen. ,,Ge-
wis kan niemand met eene menschelijke tong
uitspreken", zegt de H. Laurentius Justinia-
nus, ,,welke rijke vruchten uit de otfering
der H. Mis ontstaan, en welke groote gaven
en genaden hieruit voortvloeien. Immers, door
de H. Mis wordt de zondaar met God ver-
zoend, en de rechtvaardige wordt nog reclit-
vaardiger. De misdaden worden vergeven, de
verdiensten vergroot, de deugden vermeerderd,
het kwaad verminderd en de listen des dui-
vels overwonnen". Hoe meer wij deze \\voor-
den overwegen, des te merkwaardiger en be-
teekenisvoller zullen zij ons voorkomen. En
de geleerde Molina voegt er bij: „Niets is
den mensch zoo voordeelig, niets den armen
zielen in het vagevuur zoo krachtig, en niets
zoo dienstig om de schatten der hemelsche
genaden te verwerven, clan het heilig Misof-
fer. En het is zelfs zoo voortreffelijk, dat al
die goede werken, welke wij dag en nacht in
-ocr page 290-
266               NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
vereeniging met voortreffelijke deugden ver-
richten , bij het Misoffer vergeleken, om zoo
te spreken, als niets te achten zijn".
De geleerde Fornerus, bisschop van Hebron,
zegt over hetzelfde onderwerp: „Wie zonder
doodzonde de H. Mis met aandacht bijwoont,
verwerft meer verdiensten, dan met ter liefde
Gods het moeielijkste werk te verrichten , of
eene lange bedevaart te doen. Want de goede
werken ontleenen hunne waarde aan de grootte
en voortreffelijkheid van het voorwerp, waarom
zij verricht worden. Wat kan er nu edeler,
kostbaarder en goddelijker wezen, dan het H.
Misoffer?" Hoe troostrijk zijn niet deze woor-
den! Hier moesten zij, die geestelijke winsten
zoeken en verlangen hunnen goeden God dien-
sten te bewijzen, hunne ooren en harten ope-
nen. Mijns bedunkens handelt daarom degene
niet verstandig, die soms eene lange bedevaart
onderneemt en onder den weg menige H. Mis
verzuimt; want door zijne moeielijke reis kan
hij de schade nooit herstellen, welke hij door
het verzuim eener enkele Mis lijdt. En de ge-
leerde Marchantius zegt: ,,De katholieke Kerk
kan niets heiligers, Gode niets waardigers,
Jezus en Maria niets aangenamers, den En-
gelen en Heiligen niets zoeters, den recht-
vaardigen en zondaars niets krachtigers ver-
richten, dan de H. Mis voor hen op te offe-
ren. Daarom zult gij dan ook het Mishooren
stellen boven al uwe goede werken.
2. Laat ons dan ten volle overtuigd wezen,
-ocr page 291-
HET GROOTSTE VOORDEEL.                267
dat door de opoffering van eene enkele H.
Mis, den almachtigen God een veel aangena-
meren dienst bewezen wordt, dan indien iemand
alle deugden uitoefenen en alle bedenkelijke
smarten ter eere Gods lijden zoude. En dit
komt bier vandaan, dat Christus in de H.
Mis al zijne smarten, welke Hij oji aarde
leed, aan zijnen Remelschen Vader opoffert.
Al de oefeningen van lof\', van liefde, van
verheerlijking, van aanbidding en van dank-
zegging, welke Christus in iedere H. Mis aan
de H. Drievuldigheid bewijst, overtreffen op
eene oneindige wijze allen lof der Engelen en
allen dienst der Heiligen. Wanneer iemand
dus alle boetwerken, gebeden en deugden,
welke de apostelen, martelaren, belijders, maag-
den en alle Heiligen hebben uitgeoefend, aan
de allerheiligste Drievuldigheid wilde opoffe-
ren, zoo zouden al deze deugden en goede
werken God niet zoo welgevallig zijn als eene
enkele H. Mis, welke Hem door eenen armen
priester wordt opgedragen. Want aldus spreekt
de Kerk, ïrid. sess. 22: „Wij bekennen, dat
geen ander zoo heilig en goddelijk werk door
de o;el(>ovi£cen kan verricht worden, dan dit
ontzaglijk geheim, in hetwelk dit leven-be-
werkend Offer, waardoor wij met God den
Vader wederom verzoend zijn , dagelijks door
den priester op het altaar wordt opgedragen".
Hadden wij geen andere getuigenis dan deze,
zij zou meer dan voldoende wezen, om alle
vrome zielen te bewegen dagelijks met aan-
-ocr page 292-
208 NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
dacht Mis te hoor en. Gelooft niet, dat de
Kerk in deze woorden alleen tot den priester
spreekt; neen, zij zegt uitdrukkelijk, dat de
geloovigen niets beters kunnen doen. Yoor-
zeker de priesters kunnen niets heiligers, niets
goddelijkers verrichten, dan de H. Mis te le-
zen; maar de leeken kunnen ook niets heili-
gers, niets goddelijkers doen, dan Mis te hoo-
ren, de Mis te dienen, de Mis op te offeren,
Missen te laten lezen en voor zooveel het hun
geoorloofd is, zelven op geestelijkerwijze Mis
te lezen; trouwens is dit alles het heiligste
en het goddelijkste, dan is het ook het nut-
tigste en het verdienstelijkste!
3. O, godininnende zielen! opent dan ein-
delijk uwe oogen, en ziet; opent uwe ooien ,
en hoort; opent uw hart, en ondervindt wat
uwe lieve moeder de H. Kerk tot uwen troost
ze<jt en tot uw eeuwig heil leert. Vele voor-
treffelijke werken kunt gij verrichten , maar
geen dat zoo groot, zoo heilig, zoo godde-
lijk is, als de H. Mis. (Jij kunt vele edel-
nioediye deugden tot uwe zaligheid uitoefe-
nen, maar geene, welke u zoo heilzaam, zoo
nuttig, zoo verdienstelijk is, als de H. Mis;
want deze gaat, volgens de uitspraak der Kerk,
al uwe goede werken te boven. Gelijk de zon
alle planeten in glans en kracht overtreft,
evenzoo overtreft het aandachtig Mis-hooren
alle goede werken van den geheelen dag. Hoe
kunt gij het dan nog van u zelven verkrij-
gen, zoo menige H. Mis zoo nalatig te hoo-
-ocr page 293-
HET GROOTSTE VOORDEEL.               2(39
ren, zoo onbedacht te verzuimen, of voor een
ellendig gewin te verwaarloozen?
4. De H. Franciscus van Sales schat liet
Mishooren zoo hoog, dat hij hieraan boven
de overweging of\' de meditatie de voorkeur
geeft, ofschoon deze de voornaamste manier
van bidden is, voornamelijk als iemand daarin
niet !>-enoe«ï bedreven is. Want toen eens eene
kloosternon zijner orde hem vroeg, ergens
een nieuw klooster te stichten, schreef hij
daarop het volgende: .Mijn lieve dochter, ik
bid u vooral eene kapel in te richten, opdat
gij dagelijks de H. Mis moogt hooren. Kunt
gij dat echter in uw klooster niet doen, zoo
gaat dagelijks met groote zedigheid naar de
dichtstbij zijnde kerk om Mis te hooren, want
voor den ganschen dag wordt de ziel buiten-
matig gesterkt van dengenen, die \'s morgens
zoo nabij zijnen Heiland, in het goddelijk
Ort\'er tegenwoordig gestaan heeft". Hierop
schreef\' deze kloosterzuster aan haren geeste-
lijken vaderen vroeg: Zal ik dan de betrach-
ting onderbreken of\' geheel achterlaten om
de H. Mis te hooren, of op de werkdagen de
H. Mis achterlaten om de meditatie te kun-
nen verrichten ? Hierop antwoordde de Heilige
het volgende: Het is u veel voordeeliger da-
gelijks Mis te hooren, dan onder voorwend-
sel van de betrachting in huis te verrichten,
de H. Mis te verzuimen. Want de wezenlijke
tegenwoordigheid van Jezus, welke wij in de
11. Mis genieten, kan door de geestelijke te-
-ocr page 294-
270               NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
genwoordigheid van Christus in het hart niet
vergoed worden. Dit getuigt ons ook de meer-
gemelde Fornerus in de volgende woorden:
„Het gebed van hem, die de H. Mis aan-
dachtig hoort en voor zich aan God opdraagt,
overtreft verre alle andere gebeden en he-
melsche beschouwingen. Dit geschiedt door
de kracht der verdiensten van het lijden van
Christus, hetwelk in de H. Mis door eene
wonderbare menigte van genaden en door
eenen overvloed van hemelsche goederen zijne
werking machtig uitoefent".
Als gij nu gaarne het heilige leven of lij—
den van Christus zoudt willen overwegen,
kunt gij dit toch nergens beter doen dan in
de H. Mis, waar gij alle geheimen van Chris-
tus\' leven en lijden, welke daar waarachtig
hernieuwd worden, voor oogen hebt. Wilt gij
n Christus voorstellen of\' met Hem spreken,
zoo hebt gij Hem immers persoonlijk, naar
zijne Godheid en menschheid, tegenwoordig.
Geloof\' dus niet, dat gij door den priester in
uwe betrachting zult gestoord worden, want
dit is immers volstrekt geene verstrooiing,
maar eene volkomene opmerkzaamheid, als gij
de handelingen des priesters aan het altaar
gadeslaat, en de beduiding der ceremoniën,
overweegt.
-ocr page 295-
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De H. Mis verschaft ons de vermeerdering
der genade en der hemelsche glorie.
1. Oe genade is eene inwendige, bovenna-
tuurlijke hulp of gaaf, welke ons God, on»
de verdiensten van Christus wille, tot heil
onzer ziel verleent. Men onderscheidt ze in
twee soorten : de h e i 1 i g ui a k e n d e en de w e r-
kelijke genade. De eerste is die onverdiende
en bovennatuurlijke gaaf welke de H. Geest
onze ziel mededeelt, waardoor wij van zon-
daars rechtvaardigen, kinderen Gods en erf-
genamen des hemels worden. Het wezen de-
zer heiligmakende genade bestaat daarin, dat
zij eene bovennatuurlijke, in onze ziel gestorte
hoedanigheid is, waardoor wij boven onze
natuur verheven en aan de goddelijke natuur
deelachtig of haar gelijkvormig worden. Zij
is, volgens den Koineinschen Catechismus,
niet slechts vergeving der zonden, niet slechts
eene uitwendige gunst Gods jegens ons, maar
eene goddelijke, aan de ziel hechtende eigen-
schap , en als een glans of licht, dat alle
vlekken onzer ziel uitwischt en deze zelfs
schoon er en glansrijker maakt. Deze genade
blijft eeuwig in de ziel, zoo lang zij niet door
-ocr page 296-
272                 TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
de doodzonde daaruit verdreven wordt. De
werkelijke genade is die inwendige, boven-
natuurlijke hulp of\' gaaf, waardoor God ons
verstand verlicht en onzen wil beweegt om
het kwaad te mijden en het goede te willen
en te volbrengen. De werkelijke genade dient
om de heiligmakende in onze ziel binnen te
leiden, of\' ze door uitoefening van goede wer-
ken in ons te vermeerderen en te bewaren.
Hare goddelijke kracht en hooge beteekenis
wordt te beter beseft, naarmate wij de hei-
ligmakende genade in hare gansche grootheid
en heerlijkheid erkennen.
2. Hoe kostelijk de genade is, leert ons de
H. Thomas: „De waarde der gansche wereld,
met alles wat er in is, is voor God geringer
dan de genade van eenen enkelen mensch".
Ja, zelfs de gansche hemel met alle Engelen
kunnen niet met haar vergeleken worden, en
daarom moest een mensch God meer dank-
baar zijn voor het kleinste aandeel der ge-
nade, dan indien hij de volkomenheid der
hoogste geesten verwierf, en met volle macht
en heerlijkheid als koning van hemel en aarde
werd bekleed. Dit is nauwelijks te gelooven,
veel minder te begrijpen, en toch is het de
gegronde waarheid. Want, als een mensch de
genade Gods bezit, is hij een vriend van God;
en sterft hij in deze genade, dan verschaft
God hem de rijkdommen des hemels; ja, Hij
geeft hem zich zelven tot overgroot loon. De-
wijl nu alle schatten van hemel en aarde in
-ocr page 297-
DE VERMEERDERING DER GENADE. 273
\'God besloten zijn, wijl God oneindig meer
waard is dan alles, wat in den hemel en op
de aarde is, zoo volgt hieruit, dat als de
mensch voor het getrouwe gebruik der genade
God zelf tot loon ontvangt, hij duizendmaal
meer verdiend heeft, dan wanneer hij de gansche
wereld met al hare schatten verdiend luidde.
Hieruit kunt gij afmeten, hoe dwaas de men-
schen handelen, die, lichtzinniger dan Ezau ,
eene erfenis, die grooter is dan de geheel*
wereld, voor een ellendig oogenblikkelijk en
zondig genot laten varen. Hemelen, weest
verbaasd, en gij, poorten des hemels, betreurt
het diep, zoo roept de profeet Jeremias uit
over zulk eene dwaasheid. Wie immers zoude
zoo onzinnig kunnen zijn, dat, als bij wist,
dat door een kort zondig genot, de zon uit
de wereld zoude verdwijnen, de sterren uit
den hemel vallen en alle elementen ontroerd
zouden worden, hij desniettemin de geheele
wereld aan zijne begeerlijkheid zoude willen
opofferen ? Maar wat is dan de ondergang der
wereld, vergeleken met het verlies der genade V
3. Overweegt verder, dat de rechtvaardige
door ieder goed werk de heiligmakende ge-
nade Gods in zich vermeerdert en hoe langer
hoe meer werkelijke genaden ontvangt, en
niet alleen door groote goede werken, maar
ook door ieder klein goed werk, zooals door
goede gedachten, door iedere opwekking van
den wil tot het goede, door iedere vernedering
voor God, zelfs door hartelijke verzuchtingen,
Vorkl. tl. H. Mis.                                                      li)
-ocr page 298-
274                TWIXTIGSTE HOOl\'DSTCK.
Alle dergelijke gedachten, woorden en wer-
ken vermeerderen de genade Gods in den
mensch en verdienen een groot loon in den
hemel; want volgens de getuigenis van Chris-
tus, zal hij, die enkel een beker kond water
om zijnen naam zal te drinken gegeven heb-
ben, zijn loon niet verliezen. Hij verwerft na-
melijk grooter eer en vreugde in den hemel,
God deelt zich aan hem rijkelijker mede. Hij
doet zich beter aan hem kennen , hartelijker
door hem beminnen en volkomener bezitten.
Indien nu de vermeerdering der goddelijke
genade zoo gemakkelijk te verdienen is, en
van de getrouwe medewerking met de wer-
kelijke genade zulk een groot loon afhangt,
wie zou dan niet gaarne veel goed doen en
God niet dienen uit ganscher harte V
4. Hoort verder, welke wonderbare zaken
de genade in de ziel voortbrengt. Vooreerst
maakt zij de ziel onuitsprekelijk schoon en
zoo liefelijk, dat de schoonheid der zon, der
sterren en van al het geschapene met haar
niet te vergelijken is, en alle natuurlijke
schoonheden voor haar moeten wijken. Dat
de hemelsche glans der genade voor onze li-
chamelijke en ook geestelijke oogen onzicht-
baar is, vermindert haren luister niet, en is
veeleer een teeken harer verhevenheid, daar
immers alles, wat onze sterfelijke oogen kun-
nen zien, slechts een zeer bekrompen en aard*
sche schoonheid kan hebben. „Dit is echter
zeker" , zegt de godzalige Blasius, „dat, als
-ocr page 299-
D:-: VERMEERrBRING DER OFNADE. 275
de schoonheid eener ziel, in fle genade Gods
levend, konde gezien worden, zij hare aan-
schouwers vol verwondering buiten zich zei ven
zoude brengen". Toen (iod deze schoonheid
eens aan de H. Catharina van Sienna ver-
openbaarde, kuste zij de voetstappen derge-
nen, die zich bezig hielden de zondaren tot
Gods vriendschap terug te brengen, en geheel
buiten zich zelven, sprak zij tot haren biecht-
vader: „O, hadt gij, mijn vader, de schoon-
heid eener met de heiligmakende genade ver-
sierde ziel gezien, gewis zoudt gij voor éene
enkele duizendmaal den dood willen lijden".
5. Verder schenkt de genade Gods vriend-
schap aan de ziel, en maakt dat God en de
ziel twee vertrouwde vrienden worden. Hier-
van zegt Christus: „Ik zal u niet meer diens t-
knechten noemen .... maar ik heb u viïeu-
den genoemd". ,.Wat is er grooter", bemerkt
hierbij de II. (\'yrillus, „wat is er heerlijker
dan een vriend van Christus te zijn en ge-
noemd te worden V Ueze waardigheid over-
treft de grenzen der menschelijke natuur.
Want alle dingen dienen den Schepper, en
niets is aan \'t juk zijner heerschappij ont-
trokken. Daar zulks waar is, verheft de Heer
zijne dienaren, die zijne geboden onderhouden,
tot eene bovennatuurlijke heerlijkheid, door-
dien Hij ze niet meer dienaars, maar vrien-
den noemt en als vrienden behandelt." In
deze vriendschap Gods maakt ons de genade
aan de goddelijke natuur deelachtig, drukt in
-ocr page 300-
27(3                 TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
ons het beeld van zijn goddelijk wezen, en
maakt ons zijner innigste gemeenzaamheid
waardig. Ja, wat meer is, zij verheerlijkt onze
natuur dermate en verbindt ze zoo innig met
God, dat God voortaan zich zei ven als \'t ware
in ons wedervindt. Zoo wordt de in ellende
en in onreinheid geboren mensen door dege-
nade als boven de hemelen verheven, en door
God als zijnen waren vriend omarmd. En
zelfs, wanneer de mensen door de zonde on-
trouw wordt en dezen vriendschappelijken
band verscheurt, wil God toch nog niet van
hem wijken, maar blijft voor de ziel staan
en altijd aankloppen en smeeken om wederom
binnen gelaten te worden, gelijk er geschre-
ven staat in het Boek der openbaring ;J, 20:
„Zie, ik sta voor de deur en klop aan. In-
dien iemand mijne stem hoort en mij de deur
openmaakt, zal ik tot hem ingaan en met
hem het avondmaal houden, en hij met mij".
G. Ook wordt de ziel door de genade Gods
zoo zeer veredeld , dat zij niet alleen vriend ,
maar ook kind Gods wordt. Indien een mach-
tige keizer eenen armen bedelaar voor zijn
kind aannam , welk eene eer zou zulks voor
dit arme kind niet wezen? Een duizendmaal
grootere eer valt die ziel te beurt, welke van
deu glorierijken God voor zijn kind wordt
aangenomen. Hierover verwonderde zich de
H. Joannes, zeggende: „Ziet, welke liefde ons
de Vader bewezen heeft, dat wij kinderen
Gods genoemd worden en zijn". En Paulus
-ocr page 301-
DE VKKMEERDERING DER GENADE. 277
voegt er bij: „En, indien wij kinderen zijn,
dan zijn wij ook erfgenamen, en wel erfge-
namen van God en mede-erfgenamen van Chris-
tus". 0, welk eene rijke erfenis! Gelijk het
onmogelijk is te begrijpen, welk een rijk en
groot Heer de oneindige God is, even zoo
onmogelijk is het te begrijpen, welk eene
groote eer en genade het is, kind en erfge-
naam van God te wezen. Niets toont dus zoo
zeer de heerlijkheid der goddelijke genade aan,
dan dat zij ons tot kinderen Gods maakt;
gelijk ook van den anderen kant, niets ons
meer de liefde Gods doet bewonderen, dan
dat Hij ons voor zijne kinderen aangenomen
heeft.
Uit dit kindschap volgt natuurlijk, dat God
zich jegens zulk eene ziel ook milddadig be-
toont en haar rijkelijk zijne goederen rnede-
deelt. Hij verschafc hare deugden, troost, goede
begeerten, inwendige vreugde. Hij bewaarten
versterkt haar. Hij regeert en leidt ze naar
zijn goeddunken; ja, Hij schenkt haar zich
zelven en vereeni<jt zich geheel en al niet
haar. Indien wij ons dan in deze wereld zoo
zeer beijveren, om de gunst en de genade
van aanzienlijke persouen te winnen, waarom
beijveren wij ons dan niet veel meer om de
genade Gods te erlangen, welke toch van veel
grootere waarde is?
-ocr page 302-
278                 TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
j5 1. Door de II. Min wordt de genade
bij zonder ver mee rde rd.
1. Uit deze korte verklaring kunt gij eeni-
gerinute de voortreffelijkheid der goddelijke
genade beseffen. Voor de eerste maal heeft
(ïod ze u geschonken in het H. Doopsel, en
toen gij ze door de doodzonde verloren luidt,
gaf Hij ze u weder in eene rouwmoedige
Biecht. Hare vermeerdering verwerft gij door
elk goed werk. Hoe voortreffelijker nu dat
werk is, en hoe beter hetzelve verricht wordt,
des te groot er en rijker is het aandeel in de
genade, welke gij ontvangt. Oordeelt nu, hoe
vele genaden gij door het aandachtig hooren
der K. Mis verdienen kunt, dewijl deze toch
het allerbeste goed werk is, dat gij kunt ver-
richten. Dat nu door de H. Mis waarlijk ver-
meerdering der goddelijke genade en der he-
melsche glorie plaats vindt, getuigen de god-
geleerden op verscheidene plaatsen.
2. „Niet alleen de priesters", zegt de ge-
leerde P. Gervasius, no. 45, „maar ook zij,
die de Mis doen lezen of ze bijwonen, kun-
nen volgens hunne waardigheden deze ver-
meerdering verdienen, en deze verdienste val-
len hunne medewerking ten deel". Hoeveel
zij echter kunnen verdienen , kan men reeds
daaruit afleiden, dat ieder priester in de H.
Mis meer dan vijfhonderd ceremoniën ver-
richten moet, welke allen door de rubrieken
zijn voorgeschreven. Daar hij zulks uit ge-
-ocr page 303-
DE VERMEERDERING DER GENADE. 279
hoorzaamheid doet, heeft hij reeds daarom
alleen groote verdiensten. Als hij nu bij deze
ceremoniën alle woorden duidelijk uitspreekt
en de H. Mis opmerkzaam en aandachtig leest,
groeien zijne verdiensten reeds aan. Maar slaat
hij niet genoeg acht op al die ceremoniën,
en haast hij zich te zeer, zoo verliest hij
niet alleen zijne verdiensten, maar begaat ook
nog zoo vele fouten, als hij rubrieken, uit
eene strafbare onwetendheid of nalatigheid,
niet op behoorlijke wijze verricht.
Verder verdienen ook zij deze vermeerde-
ring van genade en glorie, die eene H. Mis
laten lezen, zoo wel voor zich als voor ande-
ren. Want, daar zij de oorzaak zijn, dat die
H. Mis gelezen wordt, zoo worden zij ook
aan hare vruchten deelachtig; en zijn zij in
staat van genade, dan ontvangen zij ook ver-
meerdering dezer genade. Ook van hen, die
de H. Mis aandachtig bijwonen, kan hetzelfde
gezegd worden, niet alleen wegens hunne
aandacht, maar wegens de verscheidene deug-
den, welke zij daarbij beoefenen. Want voor-
eerst verwekken zij zoo dikwijls een berouw,
als zij ootmoedig op hunne borst kloppen.
Verder verrichten zij eene voortreffelijke oefe-
ning des geloofs, door voor waar te houden ,
dat Christus waarachtig in de H. Hostie te-
genwoordig is, en zich op het altaar aan Zij-
nen Vader voor de zonden der menschen op-
draaft. Het geloof is de grondslag van ons
heil en dewijl in het geloof ons verstand zich
-ocr page 304-
280                TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
ootmoedig onder het woord Gods buigt, is
deze oefening des geloof\'s tevens een der meest
verdienstvolle goede werken. Zoo dikwerf gij
nu de H. Hostie aanschouwt, en uwen Jezus
op liet altaar aanbidt, zoo menigmaal oefent
gij eene groote deugd, en verdient gij bijge-
volg vermeerdering uwer eeuwige glorie.
3. Behalve de deugd van geloof beoefent
gij ook de deugd van aanbidding, en wel niet
eenmaal, maar zoo menigmaal als gij u neder-
buigt en uwen God innerlijk en uiterlijk uwen
eerbied betoont. Als gij na de consecratie, bij.
de opheffing , de H. Hostie en den kelk oot-
moedig aanschouwt, oetent gij de deugd eener
bijzondere aandacht; en wanneer gij beide,
namelijk het lichaam en bloed van Christus,.
Gode opdraagt, zoo bewijst gij Hem de grootste
eer en den grootsten dienst. Ja, zoo menig-
maal gij onder de H. Mis uitroept: „Mijn
God, ik draag U uwen lieven Zoon op , ik
offer U zijn bitter lijden, ik offer U zijn smart-
vollen dood" , oefent gij de deugd van mild-
dadigheid, en verdient gij door elke opoffering
eene hoogere genade en een nieuw loon. Als
gij zegt: „Mijn God, ik draag U deze H. Mis
op voor alle levenden en afgestorvenen", oefent
gij de deugd der naastenliefde en verwerft
eene rijke vergelding. Als gij geestelijkerwijze
communiceert, of met den priester verlangt
het lichaam en bloed van Christus te ontvan-
gen, verdient gij telkens eene bijzondere gunst
en gij wordt op eene geestelijke wijze gespijsd.
-ocr page 305-
DE VERMEERDERING DER GENADE. 281
Maar betracht vooral, dat het aandachtig
hooren der H. Mis een der voortreffelijkste
en verdienstelijkste werken , ja een goddelijk
werk is , gelijk ons de Kerk zelve getuigt;
daarom is het, dat gij in de Mis eene wezen-
lij ke vermeerdering van genade en glorie ont-
vangt. En juist omdat de H. Mis van de ket-
ters veracht, bespot en voor eene afgoderij
wordt uitgekreten , zoo is het Gode des te
aangenamer, dat wij ze vlijtig met al onze
aandacht vereeren , en dezen smaad door de
aandachtige bijwoningderzelve vergoeden. Want
dit beloont God met bijzondere genaden , ge-
lijk de H. Vaders uitdrukkelijk getuigen.
4. De H. Ciryllus zegt: „De geestelijke
gaven worden allen , die de H. Mis waardig
bijwonen, rijkelijk uitgedeeld". De paus Inno-
centius III. leert ons: ,,dat door de kracht
van het H. Misoffer alle deugden in ons ver-
meerderd en de vruchten aller genaden rijke-
lijk uitgedeeld worden". Daarom vermaant de
H. martelaar Maximus de Christenen vurig-
lijk: „dat zij toch nooit de H. Mis verzuimen
zonden wegens de genade des H. Geestes,
welke aan alle aanwezigen op \'t rijkelijkst
wordt meegedeeld". Bij deze getuigenissen zal
ik nog voegen, hetgeen Osorius zegt: „Als
een vader aan zijnen zoon tienduizend ponden
gouds schonk, om daarmee handel te drijven,
zoude deze niet, zelfs met weinig moeite veel
kunnen verdienen en rijk worden ? . .. Beseft
nu, welke groote rijkdommen de Hemelsche
-ocr page 306-
282                 TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Vader u in de H. Mis verleent, opdat gij ge-
lijk wordet aan eenen koopman, die kostbare
paarlen zoekt en er velen verwerft. God de
Vader geeft u in de H. Mis zijnen eenigge-
boren Zoon , in welken , zegt Paulus , al de
schatten der wijsheid en der wetenschap ver-
borgen zijn. Indien Hij nu zijnen Zoon voor
ons allen heeft ten beste gegeven , heeft Hij
ons dan ook niet alles met hem geschonken?
Zoo geeft u God de Vader in de H. Mis zij-
nen Zoon, en tegelijk met Hem al zijne ver-
diensten en voldoeningen. Hij geeft u zijn
vleesch en bloed , zijn lichaam en zijne ziel,
en daarbij al zijne verworvene schatten en
rijkdommen. Ziet, hoeveel en welke groote
gaven gij dus dagelijks in de Mis ontvangt,
en hoe licht gij met geringe vlijt rijk kunt
worden , als gij namelijk (iode zijnen Zoon
met al zijne verdiensten opoffert. Maar welke
winst hebt gij tot dusverre uit de H. Mis
getrokken? En zoo gij niet zeer rijk aan schat-
ten zijt van genaden , moet gij dit niet aan
uwe eigene nalatigheid wijten?
§ 2. Door de 11. Mis wordt op bijzondere
wijze de hemelsche glorie vermeerderd.
1. O welk een kostbaar en onbegrijpelijk
geschenk is de hemelsche glorie, tot welker
genieting wij geroepen zijn, waarnaar wij ge-
dung moeten zuchten en verlangen! AVat zal
-ocr page 307-
DE VERMEERDERING DER GENADE. 283
ik echter van die vermeerdering zeggen, daar
haar kleinste gedeelte reeds zoo groot en zoo
zoet is, dat de apostel Paulus zelf getuigt:
„Geen oog heeft gezien en geen oor heeft
gehoord, en in geen nienschenhart is opgeko-
nren, wat (iod bereid heeft voor die hem lief-
hebben". De katholieke Kerk leert wel , dat
de goede werken des rechtvaardigen vertneer-
dering der genade en der glorie verdienen; zij
leert echter niet en kan het ook niet bepalen,
hoeveel genade en glorie zij ons kunnen ver-
werven. Christus zeide aan de H. Gertrudis :
,,Ieder mensch vermeerdert zijne verdiensten
ten eeuwigen leven, zoo dikwijls hij met aan-
dacht de H. Mis bijwoont". Heeft God zulk
groot loon aan onze goede werken belooft,
hoe groot moet dan ons loon in den hemel
niet wezen voor het uitmuntendste aller goede
werken , voor de aandachtige opoffering der
H. Mis?
2. Dit staat eenmaal vast, dat ieder mensch
door elke Mis, welke hij aandachtig hoort,
steeds eenen nieuwen graad van hemelsche
glorie verdient. Gelijk iemand, die een ladder
opklimt, met iedere sport al hooger stijgt,
zoo stijgt hij, die de II. Mis hoort, door elke
Mis een trap hooger in den hemel. Hoe hoo-
ger nu zich iemand verheft, des te nader komt
hij tot God, des te beter zal hij God kennen, des
te hartelijker hem beminnen en genieten. Hij zal
ook, bij eiken trap, sehooner, glansrijker, glo-
rierijker en tevens van alle Heiligen meer
-ocr page 308-
284                 TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
aangezien worden. Zoo dikwijls gij Mis hoort,
zoo dikwijls wordt dit in den hemel aangeteekend
en voor n een hoogere graad van glorie weg-
gelegd. Deze glorie verliest gij nimmer, tenzij
gij eene doodzonde doet; wordt gij echter
door eene oprechte biecht wederom met God
verzoend, zoo bekomt gij die verloren glorie
ook weder terug. Wanneer gij uw leven lang
dikwijls de H. Mis met aandacht hoort, hoe
veel trappen van glorie zullen u daarvoor in
den hemel bereid worden! Welk een groot
vorst of vorstin zult gij dan in den hemel
niet wezen en hoevele rijkdommen en vreugde
zult gij niet bezitten V
Als de U. Paulus ons zegt: „dat onze te-
genwoordijre kortstondige en lichte verdruk»
king in ons een bovenmate uitmuntend eeuwig
gewicht van heerlijkheid werkt", zoo durf ik
dit met grond op de H. Mis toepassen. Want
dit is eene kleine en gemakkelijke versterving.
Als gij dus ver van de kerk verwijderd zijt,
als het slecht weder of de weg morsig is, als
gij in den winter ook al wat koude of\' on-
gemak lijdt, als gij een weinig vroeger moet
opstaan om Mis te hooren, als u de Mis wat
lang valt en gij uwen arbeid daarom bespoe-
digen moet, als gij somtijds in de Mis geene
oprechte aandacht kunt hebben; deze of\' der-
gelijke bezwaren of moeilijkheden zijn immers
kleine verstervingen, kleine ongemakken, welke
gij niet wegens eene tijdelijke zaak, maar
wegens het verrichten van het uitmuntendste
-ocr page 309-
DU VERMEERDERING DEH GEXADE. 285
aller goede werken, wegens de H. Mis gaarne
moet lijden, om zulk een groot loon te ont-
vaugen , eene schitterende kroon van glorie ,
waarvan elk geleden ongemak den glans nog
kan verhoogen.
VOORBEELD.
Oui u een klein begrip van deze groote
glorie te geven, wil ik u eene schoone legende
mededeelen. Een landman droeg zulk eene
liefde tot de H. Mis, dat , wanneer hij zich
op zijnen akker bevond en de H. Mis hoorde
luiden , hij zijnen ploeg en zijne ossen liet
sta in om zich dadelijk naar de kerk te be-
geven. Dit vroom gebruik had hij altijd van
zijne jeugd at\' onderhouden. Toen hij eens-
daags wederom van zijnen akker naar de
kerk ging en het slechte weder hem zeer
lastig viel, sprak hij bij zich zelven: Ik ben
nu al een oud man , en kan zoo goed niet
meer gaan als in mijne jonge jaren. Ik denk
niet, dat het God zal mishagen, als ik in het
vervolg niet zoo dikwijls meer naar de kerk
ga. [Jen ik te huis , dan wil ik dit gaarne
doen. maar ben ik op mijnen akker, dan wil
ik maar in Gods naam mijnen arbeid voort-
zetten. Toen hij dat bij zich zelven besloten
had, hoorde hij iemand achter zich gaan , en
zicli omkeerende, zag hij eenen Engel met
eenen schoot vol bloeiende rozen. Deze Engel
was zoo heerlijk, dat hij onzen lieven Heer
-ocr page 310-
286 TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
zelven meende te zien. Daarom viel hij op
zijne knieën en sprak: O, mijn God, hoe heb
ik de genade kunnen verdienen U tot mij te
zien naderen? Maar de Engel zeide: ik ben
niet uw God, maar uw Engelbewaarder. De
landman hernam: 0, mijn lieve Engel, wat
beteekent het dan, dat ik waardig ben U te
aanschouwen? De Engel antwoordde: God
heeft mij gezonden om u altijd te volgen als
gij van het veld naar de H. Mis gaat en
dat heb ik altijd gedaan. En waarom , vroeg
de landman ? Zoo vele schreden , hernam de
Engel, als gij naar de kerk gedaan hebt, zoo
vele rozen zijn onder uwe voetstappen ont-
loken. Die heb ik telkens vergaderd en naar
den hemel gedragen. Toen opende hij zijnen
schoot , toonde hem de rozen en sprak : Zie,
dit zijn de rozen, welke ik heden onder uwe
voeten heb opgeraapt; daarom raad ik u aan,
datgene niet te doen, wat gij u zoo even hebt
voorgenomen, maar altijd vlijtig voort te gaan
met Mis te hooren, gelijk gij van uwe jengd
af gedaan hebt. Wanneer gij met dit zoo
loffelijk werk tot aan uwen dood zult volhar-
den , wil ik bij uwen dood uw hoofd met
rozen kronen en uwen hemelschen troon met
rozen bekransen tot uwe eeuwige eer en
glorie. Toen verdween de Engel. De landman
kuste zjjne voetstappen met weenende oogen
en dankte God voor deze verschijning. Deze
kon hij evenwel niet uit zijne zinnen meer
verdrijven, hij was door de schoonheid des
-ocr page 311-
DE VERMEERDERING DER GENADE. 287
Engels zoodanig ontsteld en zoo opgetogen
over de hemelsche zaken, dat al het aardsche
hem tegen walgde. Hij leefde nog maar korten
tijd na deze verschijning en stierf meer van
hegeerte naar de hemelsche geneugten , dan
wel door de smarten der ziekte.
§ 3. Van de geestelijke communie.
De heiligmakende genade en hemelsche
glorie worden zeer vermeerderd en verhoogd
door de geestelijke communie, als zij aandach-
tig verricht wordt. Deze is inderdaad niets
anders dan eene ijverige begeerte om Christus
te ontvangen en zich met Hem te vereenigen.
Zoo kan men zicli ook met Christus vereeni-
gen buiten het H. Sacrament of\' zonder de
lichameljjke nuttiging; en dit geestelijk com-
municeeren is den menschen zeer voordeelig.
Als Christus nog op aarde wandelde, heeft
Hij vele zieken door het opleggen der handen
gezond gemaakt , maar hij heeft ook vele
afwezenden genezen. Insgelijks deelt Hij aan
hen, die Hem. in het H. Sacrament waardij;
ontvangen , vele genaden mede; niet gering
is eveneens het aandeel der gunsten , welke
Hij dengenen bewijst, die een groot verlangen
hebben Hem te ontvangen. Van deze geeste-
lnke communie kan verstaan worden, wat de
Heer bij Johannes zegt: ,,Ik ben het brood
des levens: die tot mij komt, zal niet hon-
geren en die in mij gelooft, zal nimmer dorsten".
-ocr page 312-
288                 TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Wat anders is het tot Christus gaan, dan in
Hem gelooven, op Hem hopen, Hem beminnen?
Hij dus, die dit verlangt, communiceert
geestelijkerwijze. Christus heeft zijne genade
niet dusdanig aan de Sacramenten verbonden,
alsof Hij ook buiten deze zijne gratie niet
nitdeelen konde; zelfs geeft Hij den eenen
meer genade in de geestelijke, dan den ande-
ren in de sacramenteele communie, ingeval
namelijk de een meer en grooter verlangen
naar Hem heeft dan de andere. Want, hoe
inniger dit verlangen is, des te overvloediger
is ook de genade, welke men door de geeste-
lijke communie ontvangt.
Hoe zal men dan het best geestelijkerwijze
communiceeren? De geleerde Fornerus ant-
woordt: ,,Allen , die de H. Mis bijwonen en
zich waardig voorbereiden , worden met het
lichaam van Christus door den mond des
priesters geestelijkerwijze gespijsd. Want de
kracht der H. Mis is zoo groot, dat allen, die
hunne meening met die des priesters vereeni-
gen en verlangen aan het heilig Misoffer deel-
achtig te worden , tegelijk met den priester
van deze Offerande eten, en de vrucht dezer
goddelijke spijs ontvangen". Deze leering is
zeer troostend, bijzonder voor hen, die gaarne
geestelijkerwijze zouden willen communiceeren,
maar niet goed weten, hoe zulks het beste te
doen. Gelijk de ledematen des lichaams zoo-
wel gespijsd worden als de mond, ofschoon de
mond alleen kan eten, evenzoo worden de
-ocr page 313-
DE VERMEERDERING DER GENADE. 280
menschen bij de heilige Mis, alhoewel zij
niet wezenlijk communiceeren, door den mond
des priesters geestelijkerwijze gespijsd. Want
het is billijk , dat hij, die aan de tafel des
Heeren met den priester in den geest dient,
ook in den geest met hem gespijsd worde.
Gelijk het onbetamelijk zoude wezen, dat hij,
die aan eene koninklijke tafel gediend heeft,
hongerig zoude weggaan, zoo is het niet te
denken, dat hij zonder geestelijk voedsel zoude
gelaten worden, die met aandacht de H. Mis
bijwoont. En de geleerde bisschop vervolgt:
„Gelijk bij eenen prachtigen maaltijd voor-
zeker niemand der huisgenooten honger lijdt,
zoo geschiedt het ook in de H. Mis , waarin
het groote avondmaal gevierd wordt, dat geen
enkel der tegenwoordigen henengaat, zonder
iets ontvangen te hebben, tenzij hij den mond
zijns harten voor de hand van Christus , die
hem deze geestelijke spijze aanbiedt, moed-
willig sluite".
Heilig en heilzaam is dus de geestelijke
communie, waardoor de mensch vele genaden
ontvangen kan. Want onze katholieke Kerk
leert ons: „dat zij , die door verlangen dit
(hun op \'t altaar) voorgestelde hemelsche brood
eten, door het levend geloof, dat door de liefde
werkzaam is, deszelfs vruchten en voordeel
ontwaren". Ziet, hoe troostend is zulk eene
ieering. Kunt gij dan niet dagelijks wezenlijk
communiceeren, zoo hindert u toch niets da-
gelijks onder de H. Mis een vurig verlangen
Verkl. d. H. Mis.                                                            20
-ocr page 314-
290                 TWINTIGSTK HOOFDSTUK.
te verwekken, Christus geestelijkerwijze te
ontvangen, en daardoor aan vele rijke genaden
deelachtig te worden.
-ocr page 315-
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De H. Mis is een zeker anker der hoop voor
de stervenden.
1.   Hoe bitter de dood is, kan eigenlijk nie-
mand weten dan hij , die het ondervonden
heeft; zien wij niet aan den stervenden niensch,
met welke bange blikken hij dit vervaarlijk
oogenblik te gemoet ziet ? Wij kunnen wel
zeggen met den wijzen Aristoteles : „dat on-
der alle schrikkelijke dingen niets schrikke-
lijker is dan de dood". En dat is hij niet
alleen , wegens de scheiding van ziel en
lichaam; maar veel meer, omdat hij ons de deur
opent van de schrikkelijke eeuwigheid en het
allerstrengste oordeel. De levendige voorstel-
ling dezer twee zaken boezemt den stervende
zulk eenen vreeselij ken angst in, dat hem het
koude doodzweet langs zijn sidderend voor-
hoofd biggelt.
2.   Welken raad dan te zoeken in dezen
uitersten nood? Waarmee zal de stervende
mensch zich troosten ; waaraan zal hij zich
vastklampen, opdat hij niet in wanhoop ge-
rake ! Voorzeker de beste raad is, dat hij zich
-ocr page 316-
292         KKN BN TWIXTIGSTK HOOFDSTUK.
met een vast vertrouwen aan Gods oneindige
barmhartigheid o vergeve. De H. Gregorius
zegt ons immers: „Wie in zijn leven gedaan
heeft, wat in hem is, mag vast op de barm-
hartigheid Gods betrouwen, want zij zal hem
niet verlaten; maar wie niet gedaan heeft,
wat in hem is, dat deze zich er niet op ver-
late, want hij bedriegt zich". Waar is echter
de menscb, die doet wat hij kanV Voorwaar,
nauwelijks een op de honderd. Want als wij
slechts willen , kunnen wij allen veel meer
goed doen, dan wij te doen plegen.
3. Vraagt mij nu iemand, waar een stervende
mensen zich het veiligst op kan verlaten, zoo
antwoord ik hem: dat hij nergens beter op
kan vertrouwen dan op de H. Mis , wanneer
hij deze in zijn leven hartelijk bemind, aan-
dachtig gehoord , vurig opgeofferd en zelden
verzuimd heeft. Dit bewijs ik uit de woorden
van den psalmist, Ps. 4.: ,,Offert het offer
der gerechtigheid en hoopt op den Heere". —-
Dit offer der gerechtigheid is geen ander dan
de H. Mis, \'twelk de straffen der zonden vol-
gens gerechtigheid betaalt en den smaad, Gode
toegevoegd, naar gerechtigheid uitwischt. Dit
konden de Sacriticiën der Oude Wet niet uit-
werken, dewijl zij in geenen deele offers der
gerechtigheid konden genoemd worden. Spreekt
echter David van een offer der gerechtigheid,
dan richt hij in den geest deze woorden tot
ons Christenen, en vermaant ons, inzonderheid
de priesters, de H. Mis vlijtig op te dragen
-ocr page 317-
HET ANKER DER HOOI\'.                  293
en alsdan zeker op den Heere te hopen; de-
wijl zij door het Misoffer zijnen toorn ver-
zoend, en de straffen der zonde naar gerech-
tigheid afgeboet hebben. Dit blijkt ook uit
het volgende vers: „Door de vrucht van hun
graan, wijn en olie, zijn zij rijk geworden".
Immers de priesters worden in de H. wijding
met de H. olie gezalfd, en offeren in het H.
Misoffer de vracht van de tarwe en den wijn,
welke zij door de woorden der consecratie den
almachtigen God als eene alleraangenaamste
Offerande opoffei\'en, en zoodoende groeien zij
in verdiensten en deugden. En David vervolgt:
„Tn vrede wil ik slapen en rusten , want
Gij, o Heer, hebt mij op zonderlinge\'^wijze in
de hoop bevestigd".
4. Deze woorden nu spreekt David in naam
van ieder stervenden Christen, en toont hem
aan , waarop hij zich in dit bange uur het
meest moet verlaten. Dit bevestigt het gebruik
der H. Kerk, welke deze woorden aan David
ontleent en op de afgestorvenen toepast: Zij
rusten in vrede. Zoo dan kan ieder stervende,
die in zijn leven dikwijls of dagelijks het
Sacrificie van gerechtigheid met den priester
Gods heeft opgeofferd, vast op de barmhartig-
heid Gods hopen , en met David uitroepen:
„In vrede en vertrouwen op datzelfde Misof-
fer , wil ik inslapen , den slaap der dooden
beginnen en in mijn graf rusten tot op den
jongsten dag. Neen, geen vrees meer voor den
eeuwigen dood , want op U , o Heer, heb ik
-ocr page 318-
294         EEN EN\' TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
mijne hoop gevestigd , en in eeuwigheid zal
ik niet beschaamd worden. Neen, ik kan niet
zeer vreezen eeuwig verloren te gaan , dewijl
i-c IJ, mijn God, zoo menig werf\' het Sacrificie
der gerechtigheid als het aangenaamste offer
hel) opgedragen, U daardoor zulk eene onein-
dige eer heb bewezen, en de vlekken mijner
zonden volgens gerechtigheid hel) uitgewischt.
Daarom hebt gij mij op zonderlinge wijze in
de hoop des eeuwigen levens bevestigd. Met
deze hoop gewapend, wil ik in den Heer ont-
slapen , wil ik in vrede rusten en voor uw
streng oordeel verschijnen".
"). Volgens de leeringen des geloofs mag
men nergens op hopen en vertrouwen, dan op
de verdiensten van het bitter lijden en den
dood van Jezus Christus. Deze verdiensten nu
zijn in de II. Mis waarachtig tegenwoordig en
worden van alle omstanders , die de H. Mis
aandachtig bijwonen, ingeroepen en opgeof-
ferd. Ja, wat meer is , deze verdiensten wor-
den allen , die niet in staat van doodzonde
verkeeren, werkelijk en waarachtig toegeëigend,
en hun overvloedig medegedeeld Wie aldus
op de H. Mis vertrouwt, vertrouwt op de ver-
diensten van het lijden en sterven van Chris-
tns. Gij zult misschien zeggen : Ook in de
Biecht en de Communie worden deze ver-
diensten uitgedeeld en toegeëigend aan hem,
die ze waardig ontvangt; dus kan men even
zoowel op de Sacramenten als op het Sacri-
Hcie vertrouwen. Ik antwoord echter, dat er
-ocr page 319-
HET ANKER DER HOOP.                 295
een groot onderscheid bestaat tusschen hem,
die de Sacramenten ontvangt, en dengenen ,
die de H. Mis opoffert. Want ieder dezer Sa-
cramenten moet waardig ontvangen worden, de
Biecht met waarachtig leedwezen en de Com-
munie met een van doodzonde zuiver geweten
en groote aandacht. Wie zulks niet doet, ver-
krijgt niet alleen geen aandeel in de ver-
diensten van Christus, maar begaat nog eene
nieuwe zonde. En dewijl niemand zonder eene
Goddelijke openbaring weten kan , of hij in
staat van genade is, daarom kan ook niemand
volkomen hierop vertrouwen, maar moet nog
altijd eenigszins vreezen of hij ze misschien
onwaardig ontvangen heeft. Wat nu het Mis-
hooren aangaat, hiertoe wordt die staat van
genade niet gevorderd. Want indien iemand ze
in staat van doodzonde hoort, zoo begaat hij
niet alleen geene nieuwe doodzonde, maar
verkrijgt de genade der bekeering, voor zoo-
Ter hij ze wil aannemen. Ja, hij durft hopen
en zelfs vastelijk vertrouwen, dat hij krachtens
•de opoffering van deze zoo kostbare gave bij
God , uit louter genade , barmhartigheid zal
verwerven. Maar die zonder doodzonde de
H. Mis bijwoont, alhoewel hij ook weinig
aandacht heeft, begaat niet alleen geene nieuwe
doodzonde , maar kan integendeel zeker ver-
trouwen, dat hij, door de opoffering van het
lichaam en bloed van Jezus Christus , ver-
meerdering der heiligmakende genade en kwijt-
schelding van vele straffen verkrijgt.
-ocr page 320-
296         EEX EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
6.   Zoo kan clan een ieder, die in zijn leven
gaarne de H. Mis heeft bijgewoond, zich op
zijn sterfbed troosten en zeggen: Zon het dan
mogelijk zijn , dat God zich tegen mij zoude
vertoornen, daar ik Hem toch, door de opof-
fering van zoovele H. Missen, zoo vele groote
eerediensten bewezen heb, en Hem vele koste-
lijke geschenken heb opgeofferd, welke Hem
aangenamer geweest zijn , dan alle schatten
des hemels en der aarde? Zou het dan moge-
lijk zijn, dat Hij mijne zonden nog gedachtig
konde wezen en mij zijne straffen nog voor-
behouden , terwijl ik Hem dagelijks zoo oot-
moedig om vergiffenis gebeden, en tot kwijt-
schelding dezer mijne schulden de rijke
verdiensten van zijnen Zoon , Jezus Christus ,
heb opgeofferd V Zoude God mijn gebed niet
verhoord hebben, terwijl toch zijn geliefde
Zoon in alle H. Missen met mij en voor mij
heeft gebeden, en zijne wonden en zijn dier-
baar bloed voor mij heeft opgeofferd V
7.  Die op zulke wijze hoopt, vertrouwt niet
op zich zelven, noch op zijne verdiensten,
maar op Christus zelven, op Christus\' gebed
en verdiensten , welke hein door de H. Mis
geschonken en toegeëigend zijn geworden.
Wie aldus vertrouwt, die vertrouwt op het
bloed van Christus , dat in de H. Mis wordt
opgeofferd en geestelijkerwijze over hem wordt
uitgestort; hij vertrouwt op de verdiensten
van Christus, welke hem in de H. Mis zijn
toegevoegd; hij vertrouwt op het allerkost-
-ocr page 321-
HET ANKER DER HOOP.                  297
baarste geschenk, hetwelk in de H. Mis door
de handen des priesters is opgedragen en door
de Goddelijke goedheid met dank is aangeno-
men ; hij vertrouwt op het gebed , dat door
Christus en den priester voor hem is uitge-
sproken , en aan God den Vader voor zijne
zaligheid is opgedragen. Op deze krachtige
titels zullen wij hopen, op deze kunnen
wij hopen , op deze willen wij hopen. Dit
hebben de H. Vaders wel erkend , die zich
door het aandachtig Mis-lezen het meest op
den aanstaanden dood voorbereidden.
VOORBEELD.
De geleerde geschiedschrijver Baronius ver-
haalt ons van den H. Theodorius Studita, dat
deze vóór zijn laatste einde in eene zoo zware
ziekte was gevallen, dat hij meer eenen doode,
dan eenen levende geleek. Toen hij reeds lag
te zieltogen, bad hij God om eene enkele ge-
nade, t. w. die van zijn leven zoo lang te
verlengen, om nog eene H. Mis te kunnen lezen,
en zich daardoor tot den harden doodstrijd des
te beter te kunnen voorbereiden. Na deze bede
liet de ziekte een weinig na en de krachten
namen weer toe. Daarom stond hij tot ver-
wondering van al zijne aanschouwers weder
op, ging zonder begeleiding te voet naar de
kerk, en las met zulke aandacht de H. Mis,
dat alle aanwezenden met hem moesten wee-
nen. Dat was zijne laatste, maar ook beste
-ocr page 322-
298         EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
voorbereiding tot den dood; want, zich na de
H. Mis wederom te bed begevende, stierf hij
weldra zacht en zalig in den Heer.
8. Dit voorbeeld volgen ook nog tot op den
.huidigen dag vele godvreezende priesters na,
die geene betere voorbereiding tot den dood
kennen, dan het dagelijks godvruchtig Mis-
Jezen. Dit zullen ook de geloovigen doen, met
^zich zoo veel mogelijk, op hun ziekbed met
den priester te vereenigen, vele Missen voor
zich te doen lezen, en deze den goeden God
voor eenen zaligen dood te doen opofferen.
Duizendmaal gelukkig diegenen, welke tot
aan hunne laatste ademhaling in den ijver je-
gens de H. Mis volharden, want zij zullen
door hare bovennatuurlijke kracht tegen de
aanvechtingen des boozen vijands krachtig ge-
sterkt en van het eeuwig verderf bewaard
worden. Dezen troost geeft hun de paus Gre-
gorius, zeggende: ,,De Offerande der H. Mis
bewaart de ziel van den eeuwigen ondergang".
Immers, indien de aartsengel Raphaël heeft
durven zeggen, bij Tobias, cap. 12, dat de
aalmoes van den dood verlost, van de zonden
reinigt en ons barmhartigheid en het eeuwige
o                                                     ö                                               o
leven doet vinden, hoeveel te meer kan men
dit alles zeggen van het allerkrachtigste Mis-
offer! Ja, dit onuitsprekelijk geluk zullen wij
allen zonder twijfel, gij en ik, eens ondervin-
den. Uwe bedreven zonden kunnen u, wel is
waar, een weinig schrik aanjagen, maar al
-ocr page 323-
HET ANKER DER HOOP.                 299
uwe goede werken zullen u integendeel in dit
oogenblik troosten en opbeuren. Als gij vele
Missen aandachtig gehoord hebt, zullen deze
u, als het ware, als zoo vele hemelsche geesten
te gernoet komen, u allen schrik ontnemen,
gelijk Christus zelf beloofd heeft aan de H.
Mechtildis: „Ik zeg u, dat ik hem, die vlijtig
en met aandacht de Mis zal hooren, op zijn
sterfbed tot troost en bescherming, als ook
ter begeleiding zijner ziel, zoo vele van mijne
Heiligen zal zenden , als hij op aarde Missen
niet aandacht gehoord heeft". 0! welke zoete
woorden! Wie zoude zich niet beijveren, aan
zulk een geluk deel te nemen?
0 Jezus! als Gij deze belofte aan mij zult
vervullen, wil ik stervende met den profeet
David uitroepen: „De Heer is mijn licht en
mijn heil, wien zal ik vreezen? De Heer is de
beschermer mijns levens, voor wien zal ik
beven?" Want indien Gij bij mijn vertrek uit
deze wereld, volgens uwe belofte, mij zoo vele
Heiligen tot mijnen troost en ter bescherming
tegen de boosaardige en listige duivelen zult
zenden , als ik Missen met aandacht gehoord
heb, dan zal ik voor een geheel leger van
booze geesten niet vervaard wezen. Een enkele
uwer Beiligen is immers machtig genoeg om
alle helsche geesten op de vlucht te jagen.
Vervul derhalve, goede Jezus, deze belofte, en
laat mijne hoop niet te schande worden. Opdat
ik evenwel deze gunst moge waardig worden,
neem ik mij voor dagelijks met alle aandacht
-ocr page 324-
300         EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
de H. Mis te hooren en ze door de hand des
priesters tot uwe meerdere eer en glorie op
te offeren.
-ocr page 325-
TWEE EX TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De H. Mis is de zekerste verlossing der
geloovige zielen.
1. Wat voor gruwelijke kwellingen de arme
zielen in het vagevuur moeten lijden, kunnen
Avij hier op aarde niet recht begrijpen, maar
wij zullen het eens, helaas! maar al te zeer
ondervinden.
De H. Cyprianus zegt hiervan: „Het is veel
beter zijne zonden, zelfs door den marteldood,
te boeten, dan uit te stellen dit in het ander
leven te doen, in die akelige gevangenis, waarin
men aan God zelfs de minste fout betaalt".
De H. Cesarius van Arles spreekt in dezer
voege: „Dat niemand mij zegge, wat is er
aan gelegen, hoe langen tijd ik in het vage-
vuur zal moeten verblijven, als ik maar ia
den hemel kom. Want het vuur des vagevuurs,
zegt hij, zal onverdragelijker zijn, dan al de
pijnen welke men in dit leven onderstaan of
zich verbeelden kan".
Ik ondervraag den H. Augustinus, dat groot
licht der Kerk, en hij verzekert mij, dat de
pijnen des vagevuurs zoo wreed als ongehoord
zjjn; hij zegt mij, dat de folteringen der mar-
-ocr page 326-
302       TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
telaren, de gloeiende roosters, de vurige pijlen,
de afgrijselijke pijnbanken en duizenden an-
dere kwellingen door de hel uitgevonden, niet
te vergelijken zijn met die van het vagevuur.
De H. Thomas, de godgeleerde bij uitmuntend-
heid, de godspraak zijner eeuw en van alle
eeuwen, vreest niet te zeggen, dat de pijnen
des vagevuurs voor vele zondaars dezelfde
zullen wezen als die van de hel, en slechts
door de duurzaamheid van deze laatste ver-
schillen. Dit is zeker, hoe minder boetvaar-
digheid men hier in dit leven gepleegd heeft
voor zijne zonden, hoe strenger de straffen
hiernamaals in den afgrijselijken kerker zullen
wezen, waarvan Christus zegt, dat men ze tot
den laatsten penning zal moeten voldoen. Ach!
hoe zeer zal dan die ziel het betreuren, ge-
louterd wordende door dat verschrikkelijk vuur,
zich niet hier op aarde door eene algemeene
versterving des lichaauis de smarten gespaard
te hebben! Hoezeer zal hij zich alsdan verwij-
ten aan hare zinnen alles te hebben toege-
staan, hetgeen ze konde voldoen, en er zich
niet van bediend te hebben, oui werken van
boetvaardigheid te plegen, waardoor het haar
zoo gemakkelijk geweest was zich te zuiveren!
Ach! hoe zeer zal zij dan betreuren, hare
menigvuldige verzuimenissen, zoo vele nala-
tigheden in den dienst van God, zoo veel
traagheid meegebracht in het bijwonen der
H. Mis en het ontvangen der H. Sacramenten,
zoo vele onverschilligheid in het verdienen
-ocr page 327-
DE ZEKERSTE VERLOSSING.               303
der aflaten, in hare gewone gebeden, of andere
godsdienstoefeningen op de Zondagen! Hoe
zal zij dan maar al te zeer beklagen hare
groote verkleefdheid aan deze wereld en ijdel-
heden, hare onmatigheden in eten en drinken,
het te weinig versterven der zinnen, het ver-
zuim van zoo vele goede wei-ken; maar dan
zal het te laat zijn, en Gods rechtvaardigheid
moet op het strengste voldaan worden, daar
er niets, wat besmet is, het hemelrijk kan
binnen treden.
2.  Er zijn vele middelen, om de zielen des
vageviuirs te troosten en te verlossen: bidden,
vasten, het verdienen van aflaten, dikwijls de
H. Communie opofferen. Er is echter geen
zekerder en krachtiger middel dan de H. Mis.
Het Concilie van Trente leert ons, dat de
zielen in het vagevuur, door de voorbede der
geloovigen, maar voornamelijk door de heil-
zamen offerande der H. Mis geholpen worden.
Hieruit blijkt allerduidelijkst, dat men de arme
zielen door het H. Misoffer, dat zoowel door
de priesters, als door de geloovigen wordt op-
geofferd , het best kan te hulp komen. Dit-
zelfde leerde reeds eenitre eeuwen vroeger de
H. Thomas, zeggende: „Dat er geen ander
offer bestaat, waardoor de zielen spoediger
uit het vagevuur verlost worden, dan door het
H. Misoffer".
3.  De oorzaak hiervan is, dat bij de H. Mis
met alleen de priesters en de geloovigen den
almachtigen God ijverig bidden voor de ver-
-ocr page 328-
301        TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
lossing der zielen, maar hem ook eene geldige
betaling voor hare nog overblijvende schulden
verstrekken, en zoodoende tegelijkertijd den
toorn van God verzoenen. Immers is het be-
kend, dat, als iemand eenen rechter, die eenen
armen man wegens gemaakte schulden in de
gevangenis heeft doen werpen, slechts smeekt
en bidt voor zijne bevrijding, hij deze van zulk
«enen strengen rechter moeielijk zal bekomen;
maar voegt hij daarbij zooveel geld, als de
gevangene schuldig is, dan zal de gevangene
spoedig bevrijd worden. Nu dan, de zielen in
het vagevuur zijn geen vijanden maar vrienden
van God; zij liggen gevangen in eenen af gr ij-
selijken kerker wegens gemaakte schulden bij
God, aangezien zij in de wereld voor hare
zonden niet genoejj voldaan hebben. Indien
gij dus slechts voor haar ijverig bidt, zoo be-
taalt gij wel is waar iets van hare zware
schulden, met haar de verdiensten des gebeds
te schenken, maar gij zult ze zeer moeielijk
hierdoor ten eenenraale uit den droevigen kerker
verlossen. Immers de Rechter heeft het oor-
deel geveld: „Voorwaar zeg Ik u, gij zult
daar niet uitkomen, tot dat gij den laatsten
penning betaalt". Hoort gij integendeel eene
H. Mis, of laat gij ze lezen voor de afgestor-
venen, zoo zijt gij verzekerd, altijd een groot
gedeelte hunner schulden te hebben voldaan.
4. Hoe vele schulden er echter door eene
H. Mis worden kwijtgescholden, kan niet worden
•bepaald; dit is nochtans zeker, volgens den
-ocr page 329-
DK ZEKKRSTK VERLOSSING.               305
H. Anselmus, dat eene enkele fL Mis in ons
leven gehoord, veel meer waard is, dan vele
Missen, die na onzen dood zullen gelezon
worden. Want 1. hij, die in staat van gratie
zijnde, in zijn leven eene H. Mis voor zich
doet lezen, of slechts eene H. Mis hoort, ver-
krijgt hierdoor vermeerdering der heuielsche
glorie, hetgeen niet geschiedt, wanneer er ook
honderd na zijnen dood voor hem gelezen
worden; vermits hij alsdan niet meer in staat
is te verdienen. "2. Doet iemand dit in staat
van doodzonde, dan mag men hopen, dat God
uit loutere barmhartigheid hem tot erkentenis
zijner zonden, tot oprecht berouw, en diens-
volgens tot den staat van gratie zal terug-
brengen 3. Die Missen, welke gij in dit leven
hoort of doet lezen, zullen u vergezellen in
het oordeel Gods; zij zullen voor u om genade
roepen, en u of wel bevrijden van het vage-
vuur. of uwe smarten merkelijk verzachten.
Laat gij ze echter doen na uwen dood, zoo
moet gij daarop te midden der bitterste pijnen
wachten. 4. Wanneer gij in uw leven eene
kleinigheid voor eeue H. Mis afzondert, be-
rooft gij n hiervan, om het vrijwillig aan den
goeden God te schenken. Na uwen dood echter
berooft gij er u niet meer van, want het hoort
uwe erfgenamen toe. Daarom zorgt zelf, ter-
wijl ge nog leeft, voor het heil uwer ziel en
laat die zorg niet aan erfgenamen over, die
u wellicht maar al te spoedig zullen vergeten.
5. Men kan voor zeker aannemen, dat door
Verkl. d. H. Mis.                                                21
-ocr page 330-
306        TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
eene enkele H. Mis, tijdens uw leven opge-
dragen, meer straffen zullen kwijtgescholden
worden, dan door vele opgedragen na den dood;
want daar dit leven de tijd der genade is, en
in het andere de tijd der vergelding, zoo kunt
gij thans veel gemakkelijker, dan hiernamaals,
den strengen Hechter verzoenen. Zoo bemerkt
ook de H. Bonaventura: „God schat eene ge-
ringe vrijwillige boete in dit leven hooger,.
dan eene veel zwaardere, maar niet vrijwillig
ondergane in het andere, even gelijk een klein
stuk goud meer waard is, dan een groot stuk
lood".
Om nu op het vorenstaande terug te komen :
kunnen wij ook al niet weten, hoeveel straffen?
door eene H. Mis worden kwijtgescholden ,
zeker weten we, dat de arme zielen ten zeerste-
daardoor gebaat worden. Laten we dan vlijtig,
bijzonder voor onze afgestorven bloed verwan-
ten , de H. Mis opdragen, en verbeelden we
ons niet al te licht, dat zij bereids in den
hemel zijn. Ontbreken u de middelen om Missen
te doen lezen, hoort dan vele Missen voor
hen, en wakkert ook uwe vrienden en kennissen
aan, van tijd tot tijd de H. Mis tot die in-
tentie te hooren, dewijl dit hun lijden merke-
lijk zal verzachten. Dezen raad gaf de ge-
leerde Tamberinus aan eene arme weduwe,
die hein klaagde, dat zij geene Missen voor
haren man kon doen lezen, haar zeggende:
,,Hoor dan vele H. Missen en offer ze aan
God op voor de arme ziel van uwen man r
-ocr page 331-
DE ZEKERSTE VERLOSSING.               307
want liet kan geschieden, Jat zij op die wijze
eerder verlost wordt, dan wanneer slechts de
eene of andere Mis voor haar gelezen wordt".
Dit raad ik eveneens ten sterkste aan, voor-
namelijk aan arme lieden . want ofschoon het
beter is eene II. Mis te doen lezen, dan ze
te hooren, strekt het toch die zielen tot bij-
zonderen troost, indien de H. Mis voor haar
opgedragen, en het bloed van Jezus Christus
over haar wordt uitgestoit. Want, indien in
de Oude Wet liet bloed der dieren den joden
diende tot wettelijke reiniging, hoe oneindig
meer zal dan niet het bloed van Jezus Christus,
op het altaar opgeofferd en vergoten, in staat
zijn zoowel onze zielen van hare smetten te
zuiveren, als die van het vagevuur te louteren,
te verkwikken en ze van hare kwalen te ver-
lossen V Leert dus hieruit altijd het kostbaar
bloed van Jezus Christus na de consecratie
voor de arme zielen op te offeren; daardoor
zult gij ze altijd merkelijk verkwikken.
-ocr page 332-
DRIE ENT TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
In de H. Mis bidden priesters en Engalen
voor ons.
1. Vele lieden, vooral oude menschen, klagen,
en niet zonder reden, dat zij niet aandachtig
kunnen bidden, en altijd met vele verstrooid-
heden geplaagd worden. Ik weet dezen geen
beteren raad te geven , dan dat zij vlijtig de
H. Mis bijwonen, en hunne zwakke gebeden
ui et het gebed van Christus en den priester
vereenigen, daardoor wordt hun gebed meer
veredeld. Want, zegt een geleerde schrijver:
„Het gebed, dat met het Misoffer vereenigd
wordt door degenen, die de H. Mis aandachtig
bijwonen, gaat alle andere, ja, zelfs langdu-
rige en zeer ijverige gebeden verre te boven".
Trouwens, de priester moet ook voor alle om-
standers bidden , en de H. Mis tot hun heil
en zaligheid aan God opofferen; zoo als het
in het misboek stiiat voorgeschreven. Zoo
worden alle gebeden, die den naam van col-
lecten, secreten, post-comnmnie dragen
en over het algemeen alle gebeden, in het
meervoud , dat is , in den naam van velen,
door d?n priester ook uitdrukkelijk voor
-ocr page 333-
PRIESTERS EN ENGELEN BIDDEN VOOR ONS. 309
de aanwezenden uitgesproken, üe voornaamste
dezer wil ik hier opsommen.
2. Eerst spreekt de priester bij het Con-
fit eor of de algemeene belijdenis over alle
tegenwoordigen de volgende woorden : »De
almachtige God ontferme zich over u, vergeve
u uwe zonden en geleide u tot het eeuwige
leven". Verder het altaar beklimmende, zegt
hij: „Neem van ons weg, bidden wij U, o
Heer, al onze misdaden, opdat wij met een
rein gemoed tot het heilig der Heiligen mogen
binnentreden , door Christus, onzen Heer.
Amen".
Eveneens zegt de priester het Kyrie, het
G 1 oria en de daaropvolgende gebeden zoo-
wel voor zich zelven, als voor de omstanders,
in wier naam hij bidt. Dikwijls groet hij deze
ook, met den heiligen groet, zeggende: »I)o-
minus vobiscum", de Heer zij met u; eene
groetenis, welke wij in de H. Schrift aau-
treffen. Met deze groetenis wenscht de priester
het volk tot achtmaal toe alle heil en wei-
vaart. Want, indien God bij ons is, dan zijn
ook zijne genade, zijn zegen, zijne hulp en
barmhartigheid bij ons. In het Credo doet
hij in aller naam openbare belijdenis van ons
geloof, waarin wij begeeren te leven en te
sterven. Bij de Offerande van het brood en
den wijn, bidt hij voor alle omstanders , als-
ook voor alle geloovigen, levenden en dooden,
opdat ze tot hun heil en eeuwige zaligheid
moge strekken. Hetzelfde doet hij bij het
-ocr page 334-
310        DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
handenwasschen en de secreten af stille ge-
beden. In de Prefatie looft de priester in
zijnen nnam , zoowel als in den naam des
volks, den hoogsten God met luider stem.
Daarna volgt de C a n o n of stille Mis ,
welke gebeden altijd dezelfde zijn. Na in het
Memento of de herinnering der levenden,
voornamelijk voor diegenen, voor wie hij de
Mis leest, gebeden te hebben , vervolgt hij
met deze woorden : „Gedenk ook alle omstan-
ders, wier geloof\' en godsvrucht U bekend
zijn, voor welke wij U offeren , of die U of-
feren , dit otter des lofs, voor zich, en al de
hunnen , voor de verlossing hunner zielen ,
voor de hope huns beils en hunner behou-
denis.. ." Leert hieruit u niet te bekommeren,
als gij uit armoede geene Missen kunt laten
lezen, noch voor u, noch voor de levenden of
dooden; want de priester ottert de H. Mis ook
op volgens uwe intentie of meening, en bidt
God, dat Hij zich gewaardige, voor u en uwe
familie, volgens uwe aandacht en begeerte de
verdiensten van deze Ott\'erande te willen toe-
passen.
De handen over den kelk strekkende, bidt
de priester verder: „Wij bidden U, o Heer,
dit otter onzer dienstbaarheid , alsook uwer
geheele familie, geuadiglijk op te nemen ;
regel onze dagen in uwen vrede , en verleen,
dat wij aan de eeuwige verdoemenis ontrukt
en onderde schare uwer uitverkorenen mogen ge-
steld worden. Door Christus onzen Heer. Amen".
-ocr page 335-
1\'HIKSTERS EN ENGELEN BIDDEN\' VOOR ONS. 311
Na de Elevatie bidt de priester: „Wij
bidden U ootmoedig, almachtige God, laat
deze gaven door de handen uws heiligen En-
gels op uw verheven altaar, voor \'t aange-
zicht uwer Goddelijke Majesteit brengen; op-
dat wij allen , die aan dit altaar , het hoog-
heilig lichaam en bloed uws Zoons genieten,
met allen hemelschen zegen en genade mogen
vervuld woeden. Door denzelfden Christus
onzen Heer. Amen".
En na de afgestorvenen in \'t bijzonder her-
dacht te hebben, gaat de priester voort: „Ge-
waardig U ook ons zondaars , uwe dienaren,
die op de menigvuldigheid uwer ontfermingen
hopen, eenig aandeel en gemeenschap te verlee-
•nen met uwe heilige apostelen en martelaren..."
Heeft de priester vervolgens met luider
.stemme het Pater noster gebeden, dan
voegt hij er in stilte bij : „Verlos ons , wij
bidden U, o Heer, van alle kwaden, verledene,
tegenwoordige en toekomende, en door de
voorbede der zalige en glorierijke, altijd maag-
delijke Moeder Gods Maria, alsmede der hei-
lige apostelen Petrus en Paulus , Andreas en
aller Heiligen , verleen genadiglijk den vrede
in onze dagen, opdat wij door uwe barmhar-
tigheid geholpen, altijd vrij van zonde, en van
alle stoornis mogen beveiligd wezen".
Nu herhaalt hij driemaal: „Lam Gods, dat
wegneemt de zonden der wereld , ontferm U
onzer". Doch voor den derden keer zegt hij:
„geef ons den vrede".
-ocr page 336-
312        DRIE EN TflTNTrGSTE HOOFDSTUK.
Eindelijk, alvorens den zegen te geven, bidt
de priester nog het volgende gebed voor allen :
.,Moge U, Heilige Drieëenheid, de dienst van
mijn knechtschap behagen, en verleen, dat het
Sacrificie, dat ik onwaardige, voor de oogen
Uwer Majesteit heb opgedragen, U aange-
naam zij , en het mij , en allen , voor welke-
ik het heb opgedragen, door Uwe barnihar-
tigheid, ter verzoening mogen strekken. Door
Christus onzen Heer. Amen".
3.  Ziedaar de voornaamste gebeden , welke
in de meeste kerkboeken te vinden zijn, en
welke de priester over u uitspreekt, als gij
Mis hoort, en die voorzeker van groote kracht
zijn, dewijl zij onder ingeving van den H. Geest,
gedeeltelijk door de apostelen en de eerste
heilige pausen zijn samengesteld. De priester
zegt ze ook niet in zijnen naam , maar in
naam en in deii persoon van Christus , en
van de geheele Christenheid, wiens afgezant
hij is; want de geheele katholieke Kerk zendt
den priester als haren uitgekozen afgezant
naar het altaar, en alle geloovigen geven hem
hunne beden en smeekschriften over, opdat
hij ze onder het goddelijk Misoffer aan God
moge voorstellen, en Hem hunne hoogste, zoo-
tijdelijke als eeuwige belangen , en het heil
der geheele Christenheid, als ook der geloo-
vige zielen aanbevelen.
4.   Wanneer dan de priester voor het altaar
verschijnt, ziet de Hemelsche Vader hem niet
aan als een armen zondaar, maar als den
-ocr page 337-
PRIESTKRS KN ENGELEN BIDDEN VOOR ONS. 313
gevolmachtigden gezant Zijner Kerk, en ver-
leent gaarne een genadig oor aan de smee-
king zijns harten. Ja, God eerbiedigt hem
nog als een gezant van zijnen eenigen Zoon,
wiens persoon de priester aan het altaar voor-
stelt, wiens kleederen hij draagt, en in wiens
naam hij de woorden der Consecratie uit-
spreekt. Daarom juist vermag zijn gebed zoo
veel bij God, wijl Christus zelf het aan zijnen:
H. Vader aanbiedt. Als gij dus uwe flauwe,
verstrooide gebeden met de gebeden des
priesters vereenigt, worden deze veel verbe-
terd, veredeld en tegelijk met die des pries-
ters Gode opgedragen. Op zulke wijze helpt
de priester u bidden, en wat gij door uwe
onoplettendheid of verstrooidheden niet ver-
moogt, dat wordt door des priesters krachtig
gebed vergoed.
1. Hoe de Engelen in de II. Mis tegenwoordig
zijn en voor ons bidden.
1. Dat de Engelen in de H. Mis tegen-
woordig zijn , kan niet geloochend worden.
Zoo lezen we bij den psalmist: „Zijne En-
gelen heeft God uwentbalve bevolen , u te
bewaren op al uwe wegen". Hieruit volgt,,
dat zij ons overal vergezellen, en als dienst-
bare geesten, gelijk den H. Paulus zegt, ons
altijd bewaren. O, hoe gaarne vergezellen ze
ons naar de H. Mis! Welke vreugde baren
wij hun als wij deze aandachtig hooren! Met
-ocr page 338-
314        DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
welken ijver verbannen zij de booze geesten,
opdat deze ons in liet gebed niet zouden
storen! Er zijn dan voor het minst zoo vele
Engelen in de H. Mis tegenwoordig , als er
zicli menschen bevinden, dewijl ieder mensch
zijnen Engelbewaarder heeft, die hem helpt
bidden, en Christus op het altaar aanbidt.
Spreek hem dus aan , dat hij met u en voor
u de H. Mis wil hooren, en in uwe plaats
Christus moge aanbidden, opofferen en aan-
roepen, opdat hij vergoede, wat aan uwe aan-
dacht ontbreekt, en het hoogwaardig Misoffer
zooveel te aangenamer aan God moge wezen.
2.   Naast uwen Engelbewaarder is nog eene
ontelbare menigte van koren der Engelen bij
de H. Mis tegenwoordig , welke dit hoog-
waardig geheim met aandacht bijwonen en
hunnen Heer en God eerbiedig dienen. lm-
mers, als de Koning der Engelen persoonlijk
tegenwoordig is, en het verhevenste werk
zijner almacht op het altaar verricht, betaamt
het ook, dat zijne koninklijke hovelingen te-
genwoordig zijn en aan hunnen Heer en Ko-
ning de verdiende hulde bewijzen.
3.    Als gij dus de H. Mis bijwoont. kunt
gij in waarheid niet David zeggen: „In het
aangezicht der Engelen wil ik U psalmen
•zingen, ik zal U in uwen H. Tempel aanbid-
den, uwen naam prijzen om uwer barmhar-
tigheid en waarheid wille". Want gij knielt
neder onder de Engelen en gij zijt van vele
duizenden omgeven, welke tegelijkertijd met
-ocr page 339-
PRIESTERS EN\' ENGELEN BIDDEN VOOR ONS. 315
u de H. Mis hooren. Herinnert u derhalve de
vermaning van den H. Chrysostomus, zeg-
gende: „Gedenk, o mensch! bij wien gij in
dit ontzaglijk Sacrificie staat. Gij staat onder
de Cherubijnen, Serafijnen en andere he-
melsche machten". Gedraagt u dus in dier
voege, dat gij deze hemelsche geesten door
uwe oneerbiedigheden niet bedroeft. Op
eene andere plaats zegt dezelfde kerkvader:
„Te dezer stonde roepen niet slechts de men-
schen tot den Heer, maar ook de Engelen
buigen hunne knieën voor (iod, en de Aarts-
engelen bidden voor ons. Dat is een gunstige
tijd voor de menschen, dan hebben zij de H.
Offerande tot hunnen dienst; dan smeeken de
Engelen zeggende, als \'t ware: O Heer, wij
bidden U voor ben , dien uw Zoon zoo zeer
bemind, dat Hij voor hen den dood onder-
gaan heeft.... Wij smeeken U om genade
voor hen, wie uw Zoon zijn gebenedijd lichaam
aan liet kruis heeft opgeofferd".
4. Bemerkt dus, hoe ijverig die lieve En-
gelen voor alle tegenwoorc\'igen bidden, en ter
verkrijging der goddelijke barmhartigheid ge-
durig in hun gebed volharden. Dit gebed is
veel krachtiger dan dat van ons, arme men-
schen; want zij zijn vol liefde tot God , zien
Hem van aanschijn tot aanschijn, en bidden
Hem dus uit geheel hun hart. Daarom be-
komen zij veel spoediger iets bij God dan wij,
arme zondaars, met ons koud, verstrooid en
nalatig gebed. Wanneer gij dus in de H. Mis
-ocr page 340-
316         DRIE EN TWi.NTIGSTE HOOFDSTUK.
uw gebed met dat dezer Heilige Engelen:
vereenigt, dringt het met hun gebed door de
wolken, en wordt zooveel te eerder verhoord.
5. De Engelen zijn niet alleen bij de H. Mis
tegenwoordig, maar offeren ze ook tegelijk met
ons gebed aan den almachtigen God op. Dit
is af te leiden uit eene plaats in het Boek
der openbaringen van den H. Joannes, cap. 8.,
luidende aldus: „En er kwam een andere
Engel en trad voor het reukaltaar; hij droeg
een gouden reukvat, en er werd hem veel
reukwerk gegeven, opdat hij van de gebeden
aller Heiligen leggen zoude op het gouden
altaar, \'twelk voor Gods troon staat. En de
geur des reukwerks van de gebeden der Hei-
ligen steeg op voor God uit de hand de.s En-
gels". Deze woorden nu toonen ons duidelijk
aan, hoe de lieve Engelen in de kerk het
gebed der vrome zielen tot in den hemel
dragen, en als een kostbaar reukwerk op het
gouden altaar voor den troon Gods opofferen.
En daar dit gebed vereenigd is met het ge-
bed Zijns welbeminden Zoons, in de H. Mis
voor ons geslachtofferd, is het Gode bijzonder
welgevallig, dat de Engelen zich spoeden dit
kostbaar reukwerk als lieflijken balsemgeur
uit te storten voor het aanschijn Zijner Ma-
jesteit.
<>. Hieruit volgt dan alweer, dat het gebed
onder de H. Mis gesproken, veel krachtiger
is dan dat, hetwelk met dezelfde aandacht
buiten de H. Mis geschiedt. Daarom zult gij
-ocr page 341-
PRIESTERS EN ENGELEN BIDDKN VOOR ONS. 317
alle vlijt aanwenden om dagelijks de H. Mis
bij te wonen, en alzoo uw gebed in het mid-
den van duizenden Engelen te verrichten, en
door hunne heilige handen hemelwaarts te
zeilden; hen smeekende, dat zij het aan den
almachtigen God mogen aanbevelen, en door
hunnen liefdevollen ijver aanvullen, wat aan
•uwe aandacht ontbreekt.
-ocr page 342-
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Het Mis-hooren bevordert den arbeid.
1. Onder de dingen, welke gewoonlijk de
geloovigen het meest van de H. Mis terng-
houden , behoort de arbeid, waaraan zij zoo-
danig gehecht zijn, dat zij zich voor een klein
gewin dag en nacht aftobben, en alle uren,
welke zij niet hieraan besteden, voor verloren
houden. Maar zij achten bijzonder voor ver-
loren en vruchteloos dien korten tijd, dat half
uurtje, \'t welk zij in de H. Mis doorbrengen.
Hoe zeer zulke personen dwalen en hoe sclian-
delijk zij van den listigen satan bedrogen
worden, moet ik in het begin van dit hoofd-
stuk verklaren. ]k zal beginnen niet eenige
zeer gemeenzame gelijkenissen uit het dage-
lijksch leven. Wanneer zich bij voorbeeld
iemand naar zijn werk of zijnen akker be-
geeft, en hij intussclien eenen zijner makkers
of bloedverwanten ontmoet, die hem veel goed
nieuws weet te vertellen, zal hij graag een
half uur naar hem luisteren , en zich niet
beklagen over den tijd, welken hij daardoor
verloren heeft. Zou hij echter gedurende dat
half uurtje Mis gehoord hebben, dan hadde
-ocr page 343-
HET MIS-HOOREN HKVORDERT DEN ARBEID. 319\'
voorzeker de gedachte hem wel tienmaal ge-
plaagd om heen te gaan en zich aan het
werk te begeven. Als een ander onder zijnen
arbeid door een vriend verzocht wordt eene
herberg binnen te treden, zal hij gaarne een
half uur niet hem drinken en praten en dien
tijd niet verloren achten. En hoe vele derge-
lijke voorbeelden zou ik u niet uit het dage-
lijksch leven kunnen aanhalen, van zoo vele
personen, die zoo menig uur op den dag met
praten, visites, opschik, enz. doorbrengen; die
al het nieuws van de plaats weten, zich overal
mee ophouden om alles rond te bazuinen, in
één woord, die voor alles tijd weten te vinden,
behalve voor God !
2. Ziet nu, hoe schandelijk de booze satan
de nienschen weet te bedriegen! Ik zeg dan,
dat het Mis-hooren, verre van den arbeid te
hinderen, integendeel groot voordeel aanbrengt.
„Zoekt eerst het rijk Gods en zijne gerech-
tigheid, en dit alles zal u toegegeven worden".
Dat is alsof Christus uitdrukkelijk zeide: Zijt
niet al te bezorgd voor het lichamelijk voedsel,
maar hoort eerst, vóór uwen arbeid aandachtig
de H. Mis; bewijst gij uwen God dien dienst,
zoo zal Hij u ter belooning het lichamelijk
voedsel schenken. Jmmers, als iemand aan
eenen voornamen heer in deze wereld een
grooten dienst bewijst, meent gij dat deze
zulken dienst onbeloond zal laten V Voorzeker
niet, maar hij zal dien rijkelijk vergelden. Bij-
aldien gij dan tnët aandacht de H. Mis lioortr
-ocr page 344-
320         VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
vóór uwen arbeid, zoo bewijst gij gewis aan
God eene oneindige eer, een bijzonder wei-
gevallen en biedt gij Hem zulk een kostbaar
geschenk aan , dat het de waarde van alle
schatten des hemels verre overtreft. En meent
gij dan, dat de Heer aller heeren, de Koning
aller koningen, u deze vereering niet zal ver-
gelden ? Dat hij zal toelaten , dat u hierdoor
de minste tijdelijke schade zoude overkomen?
Neen, dit zal ik mij nooit kunnen verbeelden,
veel minder gelooven. Want, daar God de
opperste Vergelder is van alles, wat voor
zijne eer en zijnen dienst gebeurt, zoo kan
hij immers zulk een groot goed, als Mis-
hooren is, niet onbeloond laten. En dat de
H. Mis een kostbare, voortreffelijke schat is,
ja, eene goudmijn waar men aardsch en he-
melsch goud kan graven, zullen wij later in
het 27. hoofdstuk bewijzen. Want, wie in
staat van genade de H. Mis bijwoont, wordt
deelachtig aan de verdiensten van Christus ,
en gaat altijd rijker uit de kerk dan hij er
binnen gekomen is. Ook ontvangt hij den
zegen van zijnen Hemelschen Vader, en wel
eenen veel voortreffelijker zegen dan eertijds
Isaiic aan Jacob gaf, zeggende; „God geve u
van den dauw des hemels en van het vetste
der aarde, overvloed van koren en wijn".
Deze zegen echter was geheel aardsch en slechts
tijdelijk ; maar den zegen, welken gij in de
Mis ontvangt, is ook hemelsch, want de
priester bidt God na de elevatie, dat alle om-
-ocr page 345-
HET MIS-HOORKX BEVOKDKRT DEN ARBEID. 321
standers met hemelsche zegeningen en genaden
mogen vervuld worden. Door de kracht van
dit aandachtig gebed wordt gij van God aan
lichaam en ziel in uwen handel en wandel,
in tijdelijke en geestelijke zaken gezegend,
gelijk geschreven staat, Deut. xxvm; „Geze-
gend zult gij zijn in uw huis en op uwen
akker, bezettend in uwe schuur en uwen voor-
raad, gezegend in al de werken uwer handen".
3. Het is een alledaagscb, maar waar spreek-
woord : „Aan Gods zegen is alles gelegen".
De waarheid hiervan ondervinden alle werk-
en ambachtslieden; want al wenden zij ook
alle moeite en vlijt aan om hunnen arbeid te
doen gelukken, dit alles zal niet helpen, als
God er zijnen zegen niet aan geeft. Nu is er
op aarde nauwelijks een zekerder middel om
dien goddelijken zegen te bekomen dan de
H. Mis : want daar geeft de priester niet al-
leen zijnen priesterlijken zegen, maar God
schenkt u daarenboven zijnen goddelijken
zegen en bijstand , opdat uw arbeid des te
beter mojre gelukken. Immers het aandachtig
Mis-hooren komt niet enkel de ziel maar het
lichaam te stade; bevordert niet alleen de
geestelijke , maar ook de tijdelijke goederen ;
hij die Mis hoort, zal meer tevredenheid heb-
ben in zijnen arbeid, in zijnen handel, in zijn
handwerk ; God de Heer zal hem versterken
naar ziel en lichaam, de Engelbewaarders zul-
len liever bij hem zijn, hem overal met blijd-
schap bewaken en vergezellen. En komt gij
Verkl. d. H. Mis.                                                            22
-ocr page 346-
322        VIER KN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
onverwachts op dien dag te sterven, dan zal
Christus op dit vervaarlijk oogenblik bij u
wezen , zooals gij onder de H. Mis ook bij
Hem geweest zijt. Neen, gelooft mij vrij, de
tijd , dien wij aan den arbeid onttrokken en
tot meerdere eer en glorie van God besteed
hebben, is voorwaar geen verloren tijd, maar
zal ons van God zoo wel tijdelijk als eeuwig
vergolden worden.
VOORBEELD.
De II. Joannes, de aalmoezenier, verhaalt
ons, dat er te Alexandrië twee schoenmakers
waren ; de een had vrouw en kinderen, moest
zwaar werken, maar daar hij dagelijks de H.
Mis bijwoonde, werd hij grootelijks van God
gezegend, en leefde altijd even opgeruimd en
tevreden. De andere had geen kinderen, maar
daar hij nooit in de week de H. Mis bijwoonde,
kon hij zich geen geluk en genoegen ver-
schaffen, ofschoon hij soms halve nachten ar-
beidde. Deze begaf zich eensdaags tot zijnen
medegezel en zeide hem: Ik weet niet hoe
het komt, dat gij, die vrouw en vele kinderen
hebt en niet zoo sterk werkt als ik, nochtans
dagelijks rijker en gelukkiger wordt , ik
echter , die dag en nacht zwoeg, ik word
dagelijks armer. De vrome schoenmaker ant-
woordde: Ik heb eenen grooten schat gevon-
den, en ga mij dagelijks hiervan iets halen;
kom maar mee, morgen vroeg zal ik u den-
-ocr page 347-
HET MIS-H00REX BEVORDERT DEX ARBEID. 323
verborgen schat toonen. Den volgenden mor-
gen was de ontevreden schoenmaker reeds
zeer vroeg bij de hand. maar de eerste zeide,
wij willen eerst naar de kerk gaan 0111 Mis
te hooien. Xa de Mis liet liij hem naar huis
gaan, met verzoek \'s anderen da;igs terug te
komen. Ofschoon zeer ontevreden , kwam hij
toch den volgenden dag weder terug, en werd
wederom op dezelfde wijze naar huis gezonden.
Toen sprak hij op eenen barschen toon, zeg-
gende, dat hij den weg naar de kerk reeds
sedert lang kende, en liet niet noodis was
hem op dusdanige wijze te bespotten. Maar
de vrome schoenmaker antwoordde : Neen, mijn
vriend, het is volstrekt mijne meening niet u
te bespotten, maar ik heb u den schat van
het waarachtig geluk gewezen. De plaats,
waar de schat begraven ligt, is de kerk, en
de schat zelf is de H. Mis ; deze verschaft
mij zoo veel geluk, dat ik nooit in mijn huis
het minste gebrek lijd. Doe ook zoo, en ga
dagelijks naar de H. Mis, zoek vooraf, zoo
als Christus zegt, liet rijk Gods en ook het
tijdelijke zal u toegeworpen worden. Dit heb
ik alle dagen sedert mijn huwelijk gedaan ,
en de ondervinding heeft mij geleerd, dat ik
altijd den goddelijken zegen in mijnen arbeid
ondervonden heb. Deze woorden maakten eenen
heilzamen indruk op zijnen vriend, die nu ook
van dit oogenblik af, dagelijks de H. Misging
hooren en ook weldra van God gezegend werd.
-ocr page 348-
324        VIER ES TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
ANDER VOORBEELD.
\\rau den H. Isidorus, een godvruchtig akker-
man in Spanje, lezen wij in de „Levens der
Heiligen", dat hij aangenomen had voor een
zeker jaarljjksch loon den akker van eenen
rijken jonkheer uit Madrid te bebouwen. Dit
deed hij niet de grootste vlijt, zonder noch-
tans zijne gewone godsvrucht achter te laten;
want hij begon \'s morgens nooit zijn werk,
alvorens eerst naar de kerk geweest te zijn
om de H. Mis te hooren. Dit beviel den goe-
den God zoo zeer, dat hij hem soms zijne
Engelen te hulp zond, opdat zijn akker niet
verwaarloosd wierd. Want als zijne godvree-
zonde vrouw hem op het veld te eten bracht,
zag zij dikwijls, hoe twee Engelen met witte
ossen en twee ploegen haren man hielpen
arbeiden. Dit zag de H. Isidorus zelf niet, en
zijne vrouw wilde hem ook hiervan niets
zeggen , opdat hij niet ijdel wierd. Maar
eenige boeren, nijdig over het geluk van den
Heilige, klaagden hem bij hunnen Heer aan,
zeggende: dat hij nauwelijks de helft van
zijnen arbeid verrichtte, en dagelijks te Madrid
gansche uren in de kerk doorbracht. Deze
liet hem bij zich roepen en berispte hem hard
over zijn gedrag en zijne luiheid; maar de
heilige man antwoordde, dat, ofschoon hij zijn
leenman was, hij ook verplicht was den Ko-
ning der koningen te dienen. En, voegde hij
er bij, indien gij hierdoor schade mocht lijden,
-ocr page 349-
HET MIS-HOOREX BEVORDERT DEN\' ARBEID. 325
zal ik deze met mijn eigen oogst herstellen.
Hiermede scheen de jonkheer te vreden, maar
wilde zich toch zelt overtuigen, hoe laat de
Heilige aan zijn werk ging. Derhalve ging
hij op zekeren morgen geheel vroeg naar liet
veld, verborg zich achter eenen heuvel en zag
wezenlijk hoeveel later de dienaar Gods zijn
werk begon. Hij werd hierdoor zoo hevig ver-
toornd , dat hij zich dadelijk tot hem begaf,
maar al meer en meer naderende, zag hij tot
zijne grootste verwondering en zeer duidelijk,
hoe naast den ploeg , nog twee anderen met
witte ossen bespannen op den akker arbeid-
den, en dat de Heilige in hun midden stond.
Hij nadert nog een weinig om zich meer en
meer van deze vreemde zaak te overtuigen ,
maar zie , op een oogenblik was alles ver-
dwenen. Hij sprak Isidorus vriendelijk aan en
zeide : Ik bid u in Gods naam , en zeg mij
toch, wat waren dat voor menschen, die u
hielpen ploegen. De Heilige lachte hierover
eri wist niet wat te antwoorden. Toen sprak
de jonkheer: Ik verzeker u, dat ik nog twee
anderen gezien heb, welke naast u met ploegen
bezig waren. De Heilige zeide: Voor het aan-
schijn van mijnen God, beken ik, dat ik op
dezen akker geeneu helper gezien, nog min-
der iemand hiertoe verzocht hel) , dan God
alleen, wiens hulp ik dagelijks afsmeekt. Nu
erkende de jonkheer , dat die twee akker-
lieden Engelen geweest waren , en achtte
zich hoogst gelukkig , zulk eenen braven
-ocr page 350-
32*3        VIEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
leenman te bezitten. (In Actis Sanctorum,
11 Mei.)
ANDER VOORBEELD.
De H. Ferdinand van Talavera, eerste aarts-
bisschop van Granada , leefde in zijne jeugd
langen tijd aan het koninklijk liof van Spanje,
en was met het beheer der gewichtigste za-
ken belast. Daar hij meestal met zeer drukke
bezigheden overladen was , zoo maakte men
hem de bemerking, dat men aan een konink-
lijk hof niet in een klooster was, en men dan
ook in de week de Mis niet behoefde bij te
wonen. Maar Ferdinand antwoordde kalm en
glimlachende: „Juist omdat ik door eenen
aardschen Koning met zoo vele moeie-
lijke zaken belast ben , neem ik tot den He-
melschen Koning mijn toevlucht, opdat ik in
het H. Misoffer de noodige kracht en sterkte
moge putten, om onder mijnen zvvaren arbeid
niet te bezwijken, en ik op de aarde niet den
hemel en te midden der wereldsehe zaken
mijne zaligheid niet vergete". Hoe zeer moet
dit voorbeeld diegenen beschamen, die zich
wegens de onbeduidendste zaken, door hunne
lui- of traagheid , laten verleiden, om de H.
Mis in de week nooit bij te wonen, of reeds
voor het einde derzelve de kerk verlaten. Maar
let er ook op, waar vindt gij meer christe-
lijke zedigheid en tijdelijke welvaart? Of wel
in die gemeenten waar men op de werkdagen
-ocr page 351-
HET MIS-HOOREN BEVORDERT DEN ARBEID. 327
schier niemand in de kerk ziet, of wel in die
andere, waar nog het schoone gebruik heerscht,
dat bijna allen de H. Mis bijwonen? Ziet ook,
waar de grootste orde in de huishouding, de
beste tucht onder de dienstboden, do zorg-
vuldigste en christelijkste opvoeding der kin-
deren , en de grootste liefde der kinderen
jegens hunne ouders te vinden is, of wel in
die fatuiliën, welke in de week nooit de kerk
bezoeken, of in die andere, waar het de ge-
woonte is, dat ten minste altijd iemand uit
de huishouding de Mis bijwoont? O, gij arme
ellendige stervelingen, die u zoo door den
duivel laat verblinden, dat gij den kostbaren
schat niet beter weet te gebruiken , welke u
dagelijks in de H. Mis wordt aangeboden !
Hoe gemakkelijk kondet gij het aan u zelven
ondervinden , hoe rijkelijk God, zoowel naar
ziel als naar lichaam, den dienst beloont, dien
gij Hem door het bijwonen der H. Mis be-
wezen hebt. Hij heeft het ons immers zelf
gezegd: Zoekt eerst het rijk Gods en zijne
gerechtigheid, en al het overige zal u rijke-
lijk toegeworpen worden. Als wilde Hij zeggen:
Hoort eerst \'s morgens de H. Mis, zoo zult gij
ook in uwe tijdelijke zaken rijkelijk gezegend
worden.
-ocr page 352-
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Over de manier om het best de H. Mis
te hooren.
1. Aandachtige lezer, wil toch dit hoofd-
stuk diep in uw geheugen prenten, en wees
wel overtuigd van de waarheid, dat de H. Mis
het ware, eenige en hoogste otter is der (\'hris-
tenheid, en dat daarom zij, die ze behoorlijk
en godvruchtig willen bijwonen, ze ook aan
den hoogsten God moeten opofferen. P.
Gobat zegt hieromtrent: „Het Mis-hooren is
niet eigenlijk een gebed, maar eene aanbidding
en offerande. Want allen , die daarbij tegen-
woordig zijn, otteren inet den priester, of dra-
gen met hem een goddelijk otter op De voor-
naamste priester en offeraar is op de eerste
plaats Christus, die alle Missen aan zijnen
hemelschen Vader opoffert. Daarna volgt de
priester, die het goddelijk Offer opdraagt, daar
hij het menschelijk werktuig is van Jezus
Christus, Hem hand en tong leenend. Op den
derden trap van dit priesterdom des Nieuwen
Testament» staan allen , die hij de II. Mis
tegenwoordig zijn. Ook zij hebben de macht
het heilig Offer, in zekeren zin op te dragen".
-ocr page 353-
MANIER OM HET BKST MIS TE HOOREX. 320\'
Verder volgen zij , die de H. Mis besteld
hebben; die door hunne geschenken van kel-
ken , misgewaden , enz. op eene bijzondere
wijza hebben bijgedragen tot het Sacrificie;
eindelijk allen, die, rechtmatig verhinderd zijnde,
op eene geestelijke wijze in hunne huizen de
H. Mis bijwonen; deze allen worden door de
kracht der H. Mis min of meer aan hare
vruchten deelachtig.
2. Hieruit volgt reeds dat zij, die de H.
Mis bijwonen , maar noch met woorden r
nocli met gedachten de Mis opofferen , en
slechts andere gebeden verrichten , op verre
na niet zulk groot voordeel genieten, als zij,
die ze tegelijkertijd met den priester opofferen.
Indien bij voorbeeld iemand aan God vele ge-
beden opoffert, is dit zonder twijfel een aan-
genaam offer; maar een ander, die slechts
eene enkele H. Mis hoort en ze aan den al-
machtigen God door vuiige gebeden opoffert,
deze heeft zeker veel meer verdiensten, omdat
zijn offer veel edeler is, want hij offert louter
bovennatuurlijke, ja, de allervolkomenste, de
alleredelste en goddelijkste gaven, te weten :
het vleesch en bloed van Jezus Christus, zijne
tranen, zijne wonden , zijnen dood, zijne ver-
diensten. Immers door het onbloedig offer
eigenen wij ons alles toe wat Christus ons
door zijn lijden en dood verdiend heeft, want
de vruchten van het bloedige kruisoffer wor-
den ons door het onbloedige Misoffer op het
overvloedigste toegepast.
-ocr page 354-
330        VIJF EX TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
3.  Overweegt clan wel, welke groote genade
Christus u bewijst, daar Hij u in de H. Mis
als tot eenen geestelijken priester maakt, en
u de macht geeft, om dat allerheiligste Mis-
offer aan God niet alleen voor u , maar ook
voor anderen op te offeren. Zoo verzoekt ook
de priester bij het „Orate fratres" alle om-
standers hem te helpen de H. Mis opdragen,
zeggende: „Bidt broeders, opdat mijne en uwe
offerande aan God , den almachtigen Vader,
aangenaam worde". Het is als wilde hij hier-
door zeggen: Ik onderneem zulk een hoog ge-
wichtig werk , dat ik alleen niet bij machte
ben het te verrichten; daarom bid ik u , dat
gij mij helpt bidden en offeren, want het gaat
u aan zoowel als mij; het is even zoo goed
uw offer als het mijne. Dus moeten alle ge-
loovigen er wel op letten, van welke genade
zij zich en anderen berooven door, of\' wel zoo
zelden Mis te hooren , of ze hoorende , geen
acht te geven ze voor zich zelven , of hunne
huisgenooten op te dragen; want hoe dikwijler
en vuriger iemand de H. Mis opoffert, zooveel
te meer verheugt hij God, zooveel te meer
wischt hij zijne schulden uit, zooveel te groo-
ter is zijn loon in den hemel, zooveel te kor-
ter zijn de pijnen des vagevuurs.
4.   Overweegt wel welk een kostbaar offer
het is, dat de priester en ieder omstander
aan de Goddelijke Majesteit opdraagt, en
welke blijdschap dit veroorzaakt aan den
almachtigen God en geheel het hemelsch hof.
-ocr page 355-
MANIER OM HET BEST MIS TE HOÖREN. 331
Dat reine, heilige, onbevlekte slachtoffer is
immers niets anders , dan het allemiiverste
lichaam, de ziel en het onbevlekte bloed van
Jezus , dat op eene geestelijke wijze, op het
altaar voor ons wordt geslacht. De mensch-
heid van Christus is dus het ware slachtoffer,
hetwelk door den goddelijken persoon van
Christus, alsook door de priesters en alle om-
standers wordt opgeofferd; eene gaat\', oneindig
kostbaarder dan alle schatten der wereld, meer
dan alle schatten des hemels; ja, eene gaat
zoo voortreffelijk, dat zij zooveel waard is,
als de almachtige oneindige God zelf\' in zijne
oneindige Majesteit en eigenschappen waardig
is. Welk een kostbaar juweel is dan de H. Mis!
5. Verbeelden wij ons, dat alle geloovigen
der wereld eenen prachtigen gouden kelk, met
de kostbaarste edelgesteenten ingezet, aan den
Paus schonken tot teeken van hunne getrouw-
heid en liefde; hoe aangenaam zou hem zulk
een geschenk wezen, en hoe dankbaar zou hij
zich hiervoor toonen. Maar, als in dezen kelk zich
een zoo kostbaar diamant bevond , van meer
waarde dan een geheel koninkrijk, ja dan de
gansche wereld , welk eene rijke vergelding
zouden wij hiervoor niet te wachten hebben.
Passen wij die gelijkenis op de H. Mis toe.
In de H. Mis offeren wij eigenlijk aan (tod de
menschheid van Jezus, die zoo uitmuntend en
edel is, dat Gods alvermogende hand niets heer-
lijkers gemaakt heeft, noch maken kon. Deze
allerheiligste menschheid nu van Christus ver-
-ocr page 356-
332         VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
gelijken we met dien kostbaren kelk. Deze
allerkostbaarste kelk biedt ieder mensch Gode
aan, als hij na de Elevatie aldus bidt: Mijn
God, ik offer U uwen lieven Zoon, welke op
dit altaar tegenwoordig is. Hoeveel eer en
dank mag zoo iemand van God hopen , die
Hem zulk eenen kostbaren kelk ten geschenke
biedt, oneindig waardiger dan alle schatten
der aarde ? Hierbij bepalen wij ons niet, maar
wij leggen nog in dezen kelk een zoo kost-
baar juweel, dat even zoo veel waard is als
God zelf, dat wil zeggen: de Godheid van
Christus. Want deze is immers persoonlijk met
de menschheid verbonden, en dewijl deze
menschheid met de Godheid zoo innig is ver-
eenigd, dat zij van baar niet kan gescheiden
worden , offeren wij ook in de Mis de God-
beid tegelijk met de menschheid van Christus
aan den Hemelschen Vader op. O , met hoe-
veel welgevallen ziet de H. Vader op dit
kostbaar kleinood neder ! Welke rijke vergel-
ding zult gij voor deze vereering , voor dit
kostbaar geschenk bekomen, en hoevele schul-
den zult gij hiermede niet kunnen voldoen.
6. Ook moet gij acht geven, altijd de H.
Mis door de handen des priesters op te offeren,
biddende aldus: Heer, ik offer U uwen lieven
Zoon door de handen des priesters; alsof gij
zeggen wiklet: Heer! ik ben onwaardig voor
dit altaar te verschijnen, en uwen Zoon in
mijne ongewijde handen te nemen , daarom
treed ik in den geest voor uw altaar, en help
-ocr page 357-
HAKIKB OM HET BEST MIS TE HOOEEN. 333
als het ware den priester door mijne handen
de H. Hostie aan U opdragen.
Benevens de H. Hostie, moet gij ook den
kelk, of het hoogwaardig bloed van Jezus
Christus aan God opofferen, als even krachtig
om den wegens de zonden der wereld ver-
toornden God te verzoenen. God beklaagde
zich aan de H. Magdaleua van Pazzis, dat er
zoo weinig lieden in de wereld waren, welke
zich bevlijtigden zijnen toorn te stillen. Daarom
offerde deze Heilige zelve dagelijks, gemeenlijk
vijftigmaal, met groote vurigheid liet H. bloed
van Jezus Christus aan God op, voor de le-
venden en afgestorvenen. En Christus toonde
haar dikwijls die zielen , welke zij hierdoor
bekeerd of uit het vagevuur gered had. Daarom
pleegde zij dikwerf te zeggen : Het is zeer te
vreezen, dat de onboetvaardigheid der zon-
daren aan onze traagheid moet toegeschreven
worden. Want, als wij in een vurig gebed het
bloed van Christus voor hen aan God hadden
opgeofferd, zoude Hij zich zonder twijfel door
ons gebed hebben laten verzoenen. Laat ons
dus het bloed en lijden van Christus onop-
houdelijk voor de arme zondaars opofferen.
Deze opoffering van het H bloed kan overal
geschieden, maar zij is veel krachtiger onder
de H. Mis, dewijl dan deze opoffering niet
enkel met woorden, maar ook inderdaad of
werkelijk geschiedt, omdat de priester in den
kelk het waarachtig bloed van Christus bezit,
het op eene lichamelijke wijze, niet alleen in
-ocr page 358-
334         VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
zijnen naam, maar in naam fier geheele Kerk
en bijzonder van de omstanders opoffert.
7. Welk eene waarde zulk eene opoffering
heeft, is te lezen in het leven van bovenge-
noemde Heilige: „Als een inensch, zegt hij,
het heilig bloed van Christus aan God den
Vader opoffert, ottert hij Hem zulk een ge-
schenk, dat God de Vader, als het ware, geen
schatten genoeg bezit om daaraan te beant-
woorden", ü welke diepzinnige en wonderbare
woorden ! Zou het dan mogelijk wezen . dat
de opoffering van dit H. bloed van Christus
zulk eene groote gaaf is, welke God naar
waarde niet zoude kunnen vergelden, maar te
dien opzichte als \'s menschen schaldenaar
moet blijven ! En nochtans is het zoo , want
wat is er buiten God in den hemel en op de
aarde wat het kostbare bloed van Christus
kan evenarenV Immers, een enkel druppel is
meer waard, dan eene gansche zee schuimend
van het bloed der martelaren ; ja, volgens den
H. Thomas zelf, machtig genoeg om de ge-
heele wereld van alle zonden te reinigen. In-
dien God u dus wegens de opoffering van dit
H. bloed uwe zonden vergeeft, is dit eigenlijk
geene streng geëvenredigde vergelding, terwijl
een enkel druppel de zonden aller zondaren
kan uitwisschen. Schenkt Hij u daarvoor den
hemel, zoo heeft Hij u hiervoor, als \'t ware,
niet waardig genoeg betaald , dewijl dit H.
bloed alle heerlijkheid des hemels verre over-
treft.
-ocr page 359-
MANIER, OM HET BEST MIS TA HOOIJEN\'. 335-
8. Waart gij tegenwoordig geweest op den
Calvarieberg, haclt gij zulk een geloof en
liefde tot Christus gehad, dat ge het vloeiende
bloed met beide handen uit zijne gezegende
wonden hadt opgevangen , en het met een
rouwmoedig hart aan God den Vader opge-
otï\'erd; zoudt gij alsdan niet een vast ver-
trouwen gehad hebben, volkomen vergiffenis
van al uwe schulden en kwijtschelding van
al uwe straffen te bekomen ? Aanschouwt dan
het altaar en ziet: Uw Zaligmaker is daar
persoonlijk tegenwoordig, evenals op het kruis-
hout van Calvarie, en zijn H. bloed vloeit uit
zijne wonden in den kelk. Wanneer gij dus
datzelfde bloed geestelijkerwijze in uwe han-
den neemt en met zulke aandacht aan God
opdraagt, als gij zulks op den Calvarieberg
zoudt gedaan hebben, zult gij gewis hiervan
geene mindere vrucht genieten. Want welke
zonden zijn zoo gruwelijk , die niet door
Christus bloed kunnen uitgewischt worden ?
Welke schulden zoo "root. die niet door dat
o
kostbaar bloed kunnen betaald worden. Want
dit goddelijk bloed kan meer reinigen, ver-
geven en betalen, dan de gansche wereld on-
rein maken of bevlekken kan.
Zoo neemt dan een vast vertrouwen in dit
H. Bloed , en offert het vurig onder de H.
Mis op. Bidt ook uwe Engelen, dat zij dit H.
bloed voor den troon van God voor u opoffe-
ren en gij hierdoor de vergeving uwer zonden
verkrijgen moget.
                                  ,
-ocr page 360-
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Nuttige leering om eenige Missen tegelijk
te hooren.
1.   Vele lieden zijn van meening, dat, in-
dien men twee of drie Missen te gelijk hoort,
men niet meer verdient, dan met slechts eene
enkele te hooren. Hoezeer deze dwalen, zal
ik in dit hoofdstuk in \'t kort verklaren. Ik
wil nochtans hiermede niet zeggen , dat men
twee of meer Missen, welke men verplicht is
te hooren , hetzij uit belofte of penitentie,
te gelijk kan hooren; maar ik bedoel enkel,
dat iemand onderscheidene H. Missen met
groot nut te gelijk hooren, en bijna even zoo-
veel onder ieder derzelve verdienen kan , als
wanneer hij de eene na de andere hoorde.
2.   Herinner u hier, wat wij reeds vroeger
hebban aangetoond, namelijk, hoe alle priesters
in alle Missen, zoowel als in elke Mis in het
bijzonder, veel voor alle omstanders bidden,
al hunne Missen voor hen opofferen of lezen
moeten. Staat er slechts een enkel priester
aan het altaar, zoo bidt en offert alleen hij
voor u, zijn er integendeel twee of drie, zoo
-ocr page 361-
OM MEER MISSEN\' TE GELIJK TE HOOKEX. 337
lezen zij ieder de H. Mis voor u, en op zulke
wijze wordt veel meer voor u gebeden en op-
geofferd, dan wanneer gij slechts eene enkele
Mis hoort.
3.  Ook is u getoond, dat Christus, als de
voornaamste priester, in elke H. Mis voor
zijne geheele Kerk , maar voornamelijk voor
de omstanders bidt, en zich zelven voor een
ieder afzonderlijk uit alle krachten opoffert.
Ik zeg, dat Christus voor een ieder afzonder-
lijk bidt, diens nood aan zijnen Hemelschen
Vader te kennen geeft , en zijn lichaam en
bloed voor een ieder afzonderlijk opoffert. Want
gelijk Christus voor alle menschen te zamen
geleden heeft, zoo heeft Hij toch ook voor
ieder in het bijzonder geleden , zooals de H.
Paulns zegt, Gal. 2, 20: „Christus heeft mij
lief gehad en zich zelven geleverd voor mij\'\'.
Immers, deze woorden luiden , alsof Christus
den H. Paulus alleen bemind en voor hem
alleen geleden had. Ditzelfde nu kan ieder
mensen van zich zelven met waarheid zeggen.
Want de Zaligmaker heeft evenzoowel voor
een ieder onzer in \'t bijzonder, als voor allen
te zamen geleden. Evenzoo doet Hij op het
altaar, waarop Hij zoowel voor allen te zamen,
als voor ieder in het bijzonder bidt en zich
aan zijnen Hemelschen Vader opoffert.
4.  Wordt nu eene enkele Mis in uwe tegen-
woordigheid gelezen, zoo bidt Christus slechts
op dit altaar voor u. Worden er twee of
meer gelezen, zoo bidt Christus op ieder altaar
Vcikl. d. H. Mis.                                                      23
-ocr page 362-
338         ZKS EX TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
voor u. Ja, Hij bidt niet alleen voor u, maar
Hij verleent u ook van ieder altaar een deel
zijner verdiensten; Hij spijst u op eene gees-
telijke wijze niet zijn H. lichaam en bloed.
Hij zal u tot een hoogeren graad van glorie
verheffen, en deelt u, tot onderpand diarvan,
nu reeds Zijnen vaderlijken zegen mede.
Al deze en nog veel meer geestelijke gun-
sten worden u in de H. Mis geschonken, wan-
neer gij in staat van genade zijt. Hoe meer
H. Missen gij hoort, hoe meer die gaven in
u vermeerderd worden; waaruit dus volgt,
dat het u veel nuttiger is, vele H. Missen te
gelijk te hooren, dan slechts eene alleen.
5. Maar, zult ge mij vragen, hoe heb ik mij
dan te gedragen, om aan vele Missen te gelijker
tijd deelachtig te worden V Ik antwoord, dat het
niet genoeg is, u in alle H. Missen Gode aan
te bevelen, maar dat het ook noodig is, dat
gij tot iedere Mis een weinig medewerkt, na-
melijk dat gij Christus op ieder altaar aan-
bidt, aan God opdraagt en uit ganscher harte
verlangt alle H. Missen waarlijk en werkdadig
bij te wonen. Als gij eenen priester naar het
altaar ziet gaan, zoo vorm deze korte intentie r
Deze H. Mis wil ik ook hooren, en ze aan
God opofferen. Deze meening kunt gij zoo
dikwijls herhalen, als gij eenen priester naar
het altaar ziet gaan, of reeds bezig ziet met
Mis-lezen.
(3. In het begin der H. Missen kunt gij
bidden naar uw believen tot aan de Elevatie;
-ocr page 363-
OM MEER MISSEN TE GELIJK TK HOOltEN. 039
staak dan uwe gewone gebeden, verwek een
levendig geloot\' nopens de wezenlijke tegen-
woordigheid van Jezus Christus, bidt Hem
met den knielenden priester ootmoedig aan,
en terwijl de priester den kelk consacreert,
offert gij \'s Heeren lichaam aandachtig aan
(iod den Vader op. Doe ook desgelijks bij de
opheffing van den kelk en zet dit gebed zoo
lang voort tot wederom een ander priester
aan de Elevatie is gekomen , en spreek dan
dezelfde gebeden als te voren. Herhaal deze
oefening telkens bij ieder Elevatie, want uw
plicht vordert, dat gij uwen God aanbidt, die
daar wezenlijk tegenwoordig is, en het zal u
tot groot nut strekken , vermits gij hierdoor
telkens God den Vader met de allerkostbaarste
gaaf\' vereert en hiervoor eene rijke vergelding
te wachten hebt. Wees verzekerd, dat gij uit
die meermalen herhaalde opofferingen , veel
meer voor uwe ziel zult winnen , dan uit al
uwe bijzondere gebeden, welke gij altijd kunt
bidden en met veel geringer schade kunt ach-
terlaten , dan de opoffering eener enkele H.
Mis.
7. Aanschouw dan de altaren, als gij in de
kerk komt, en ziet ge, dat de priester reeds
aan het Pater noster, Agnus Dei of de Com-
munie gekomen is, spreek dan eerst de ge-
beden der Elevatie , en vervolg deze tot dat
de priester het H. bloed genoten heeft. Zijn
twee priesters te gelijk aan de Elevatie, spreek
dan deze gebeden slechts eenmaal, maar met
-ocr page 364-
o40           ZES EX TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
de meening Jezus Christus op beide altaren
te aanbidden en op te offeren. Zelfs als gij
den priester niet ziet, kunt gij toeli zijne Mis
hooren, als gij slechts de schel hoort en, den
priester in den geest volgende, Jezus Christus
aanbidt; ja zelfs als gij de schel niet hoort,
kunt gij nog aan de H. Mis deelachtig wor-
den, bijaldien gij slechts van te voren de mee-
ning gemaakt hebt, ook deze H. Mis met de
andere te willen hooren.
Bemerkt gij bij het uitgaan der kerk , dat
een priester dicht bij de Elevatie is gekomen,
wacht dan tot na dezelve , bid eerst Jezus
Christus met den priester aan , en offer zijn
dierbaar bloed aan God op.
VOORBEELD.
8. Aangaande deze stof wil ik n een tref-
feud voorbeeld verhalen, \'twelk in de legenden
van de H. Elisabeth, koningin van Portugal,
te vinden is. Toen een hot bediende des ko-
nings eens op zijn sterfbed lag, sprak hij tot
zijnen zoon: Mijn kind, ik moet uit deze we-
reM scheiden, en laat u alleen al mijne goe-
deren na. Maar vooral laat ik u deze verma-
ning na, dat gij alle dagen uws levens de H.
Mis zult hooren, en den koning, wanneer gij
in mijne plaats zult treden, getrouw zult die-
nen. Na den dood des Vaders werd de zoon
werkelijk aan het hof in den dienst der H.
Elisabeth aangesteld. Wegens de vroomheid
-ocr page 365-
OM MEER MISSEN TE GELIJK TE HOOKE.V. 341
van dezen jongeling, droeg de Heilige hem
eene bijzondere achting toe, gaf hem menige
heilzame onderrichting, en liet hem in het
geheim bij de huisarmen der stad Lissabon
menigvuldige aalmoezen brengen. De koningin
echter had nog eenen anderen edelknaap, dien
zij wegens zijne slechte zeden niet goed kon
lijden. Deze was jaloerscli over zijnen medege-
zel, en om liem bij het hot\' te verwijderen ,
klaagde hij hem bij den koning aan, in eenen
al te gemeenzamen omgang met de koningin
te leven. De koning kon zulks onmogelijk ge-
looven , wel wetende , dat zijne echtgenoote
zeer kuisch van leven was ; de booze knaap
echter zeide, dat hij hem op eene plaats zou
geleiden, waar hij zich zelven van de waar-
heid kon overtuigen.
Als de koning nu op zekeren dag den be-
diende uit de kamer der koningin zag treden,
geloofde de koning deze valsche aanklacht en
werd zoo verbitterd op de koningin en haren
gezel, dat hij er op bedacht was , dezen van
kant te maken. Eens reed hij, op wraak pein-
zende, in de omgeving der stad en kwam aan
eenen kalkoven. Hij riep den meester kalk-
brander en zeide hem heimelijk: Als ik u
morgen vroeg iemand zal zenden, die u zal
vragen , of gij \'s konings bevel voltrokken
hebt, zoo werp dien dadelijk in den branden-
den oven. Doet gij zulks niet, zoo zult gij
zelf in zijne plaats in den oven geworpen
worden. De kalkbrander beloofde dit bevel uit
-ocr page 366-
342         ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
te voeren. Den volgenden morgen reeds zeer
vroeg, liet de koning den vromen edelknaap
bij zicb ontbieden, zeggende: Ga dadelijk door
die poort uit naar den kalkoven en vraag den
meester of hij mijn bevel voltrokken heeft.
De knaap ijlde dadelijk naar de poort der
stad, was echter zeer bedroefd, dat hij vol-
gens gewoonte nog geene Mis gehoord had,
en was bevreesd er ook geene te kunnen hoo-
ren. Intussehen ging hij eene kerk voorbij ,
waar juist de klok het teeken der Elevatie
gaf. Snel ijlt hij naar binnen, bad Christus
aan, en offerde Hem aan zijnen H. Vader op
tot zijn tijdelijk en eeuwig heil. Daarna ging
hij verder, vol vreugde toch een gedeelte der
Mis te hebben gehoord. Een weinig later leidde
zijn weg langs eene andere kerk. waarin liet-
zelfde klokje luidde; hij trad er binnen, ver-
richtte zijne gewone aandacht, en moest , uit
haast, vóór het eind der Mis de kerk weder
verlaten. Hij was echter bijzonder gelukkig,
wijl hij voor de derde maal in eene andere
kerk de Elevatie-klok hoorde luiden, waarop
hij zich wederom ter kerke begaf, om de ge-
legenheid te hebben in korten tijd het voor-
naamste gedeelte der H. Mis te kunnen bij-
wonen , en dezen keer bleef hij er tot aan
het einde.
Intussehen was de koning zeer nieuwsgierig
te vernemen , of de vrome edelknaap bereids
verbrand was; daarom zond hij den anderen,
zijnen medegezel en aanklager, om te vragen
-ocr page 367-
OM MEEK. MISSEN\' TE GELIJK TE HOOBEN. 343
of de kalkbrander zijn bevel voltrokken had.
Deze, wel merkende, wat zulks beduidde, liep
vol vreugde en in grooten haast , en kwam
dus nog eerder dan zijn metgezel op de plaats
aan. Maar als hij nu den kalkbrander vroeg,
of het bevel des konings voltrokken was, werd
hij meedoogenloos aangegrepen, en ondanks
zijn hevigen tegenstand en ernstig beweren,
dat hij de bedoelde persoon niet was, levend
in den vurigen kalkoven geworpen. Nauwelijks
«ras hij verbrand, of de vrome knaap kwam
aangeloopen, vragende of men \'s konings be-
vel had ten uitvoer gebracht. Het antwoord
luidde: Alles is yescliied naar \'s konings be-
vel. Toen nu de argelooze bode met dit ant-
woord bij den koning kwam, konde deze zijne
verwondering niet bedwingen, en erkende hui-
verend van ontsteltenis , hoe de Goddelijke
Voorzienigheid de onschuld bewaard , maar
den lasteraar te schande had gemaakt. De
vrome edelknaap verhaalde alsdan hoe zijn
stervende vader hem uitdrukkelijk had aan-
bevolen, dagelijks Mis te hooren , en Zijne
Majesteit getrouw te dienen. Verder vertelde
hij hem het voorgevallene. De koning erkende
de onschuld van den knaap, bracht hem bij
de koningin , en vernam toen van haar , hoe
zij hem veroorloofd had , bij haar te komen
om aalmoezen aan de armen uit te deelen.
Volg dan dezen vromen jongeling na, en wees
ook gij gaarne bij de Consecratie tegen-
woordig.
-ocr page 368-
344         ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
9.  Nu zal ik a nog toonen, hoe gij u niet
slechts eenige, maar alle H. Missen , die in
het uur uws gebeds over de geheele wereld
gelezen worden, ten nutte kunt maken.
Het is aan te nemen dat, indien iemand de
H. Mis hoorende, tevens eene hartelijke be-
geerte vormt, al de H. Missen te hooren,
welke in dienzelfden stond gelezen worden, en
hij zich alsdan in al die Missen Gode aanbe-
veelt, Christus op het altaar aanbidt, en aan
God den Vader opoffert, deze mede aan vele
vruchten van al die H. Missen deelachtig
wordt. Want hij werkt tot alle Missen mede,
zooveel hij kan; hij helpt ze op eene geeste-
lijke wijze lezen, bij offert ze allen werkelijk
op , en konde hij meer medewerken , hij zou
het van ganscher harte doen. Wie zal hieraan
twijfelen, daar het zeker is, dat God den goe-
den wil voor het werk aanneemt, in geval
iemand iets gaarne zou willen doen , wat hij
evenwel niet kan volbrengen ? O, welk een
groot geluk, welk een grooten schat kan men
niet verwerven door op deze wijze Mis te
hooren!
10.   Dit immers moet een groote troost zijn
voor allen , die slechts dagelijks eene enkele
H. Mis kunnen hooren, aangezien zij zoodoende
aan vele andere duizenden Missen kunnen deel-
achtig worden. En wat nog meer is, als gij
in de onmogelijkheid zijt Mis te hooren , en
de Mis-gebeden aan uw huis of elders ver-
richt, in de meening van alle Missen te hoo-
-ocr page 369-
OM MEER MISSEN\' TE GELIJK TE HOOREN. 345
ren, die op hetzelfde uur gelezen worden, en
Christus op alle altaren te aanbidden en op
te offeren , durf ik verzekeren , dat een rijke
stroom van genaden uit al deze H. Misoffers
over u zal nedervloeien. Want gij zijt in den
geest bij al deze H. Missen tegenwoordig, gij
offert ze te gelijk met alle priesters, en alle
priesters , die op denzelfden tijd Mis lezen ,
offeren hunne Missen ook voor u op. Dit zal
tevens een groote troost zijn voor alle zieken,
reizenden, gevangenen, of die wettig belet zijn
de H. Mis bij te wonen.
Maak dus in het begin der H. Mis de mee-
ning, en verwek de vurige begeerte, ook met
deze, alle andere H. Missen te hooren, welke
terzelfder stonde aan God worden opgedragen;.
stel u in den geest voor alle priesters alsdan
aan het altaar staande, bid, opdat zij allen de H.
Mis aandachtig mogen lezen, aanbid Christus op
al die altaren, en offer Hem zijnen H. Vader
op; bid Hem, dat Hij zich gewaardige zich
op alle altaren voor u op te offeren, en zon-
der twijfel zult gij ook aan al deze H. Missen
eenigerniate deelachtig worden.
11. Verheug u ook, wanneer u een pries-
ter belooft, u in zijne dagelijksche Missen in-
dachtig te wezen; ja, gij zult deze gunst
zooveel mogelijk begeeren ; want op deze wijze
hebt gij er velen, die de H. Mis voor u op-
offeren en u de schatkamer der verdienste»
van Jezus Christus openen. Wanneer gij dan
gaarne de H. Mis zoudt hooren en er geene
-ocr page 370-
346         ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
kunt hooren, wees dan indachtig dat God
uwen goeden wil voor het werk zal aanne-
men; immers het kan gebeuren, dat gij uit
zulk eene H. Mis meer voordeel trekt dan uit
eene andere, waarbij gij wel wezenlijk, maar
gedwongen tegenwoordig zijt en zonder goede
gesteltenis.
"W
-ocr page 371-
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Opwekking om dagelijks Mis te hooran.
1. Geen uur in den dag is kostbaarder dan
dat, waarop gij de H. Mis hoort en der H.
Drievuldigheid opoffert. Dit is waarachtig een
gulden uur, in \'twelk gij geheel uw dagwerk
door de goede meerling eu den zegen in de
H. Mis ontvangen, en als in louter goud kunt
veranderen ; waar tegenover al de arbeid , in
den loop van den dag verricht, maar zonder
\'s hemelsch zegen, als gemeen meïaal te be-
trachten is. Velen zullen hierop zeggen: De
arbeid is noodzakelijker dan het Mis-hooren,
omdat ik anders mijnen kost niet kan verdie-
nen. Maar ik zeg u, dat het Mis-hooren nood-
zakelijker is dan de arbeid. Ik zeg u niet,
dat gij niet moet arbeiden , maar de meesten
gemakkelijk op hunnen arbeid een klein half
uurtje kunnen uitwinnen , om dit aan den
goeden God te schenken : zoo zal uw werk
beter van kant gaan , en van God zooveel te
meer gezegend worden. Wanneer gij wegens
een tijdelijk gewin, ot uit nalatigheid de H.
Mis verzuimt, worden die kostbare gouden
uren in metalen veranderd, dat is, gij veroor-
-ocr page 372-
348 ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
zaakt u eene groote schade, welke met geen
tijdelijke vergeleken kan worden. Ja, met eene
H. Mis te verzuimen, welke gij had kunnen
bijwonen , onttrekt ge u een honderdvoud
grooter voordeel, dan gij met den arbeid van
eenen geheelen dag zoudt hebben kunnen win-
nen. Dit blijkt genoeg uit de woorden van
Christus zelven: „Wat toch baat het den
mensch, zoo hij de geheele wereld wint, maar
zijn leven (\'t levin der ziel) verliest V"
2. O, dat menige huisvader of huismoeder,
dat menige ambachtsman of dienstbode , die
uit onachtzaamheid, luiheid, of voor eene
kleine, ellendige winst de H. Mis in de week
zoo gemakkelijk verzuimt, wel van deze groote
waarheid doordrongen ware, en zich al meer
en meer beijverde de H. Mis, ook zelfs in de
week, bij te wonen, zoo dikwijls dit eenigs-
zins mogelijk is! Verre van hierdoor schade
te lijden, zal God zijnen overigen arbeid met
des te overvloediger zegen bekronen! Eu om
u hiervan door eene gemeenzame gelijkenis
beter te overtuigen , vraag ik u: Indien het
uit de wolken goud regende , zoudt gij niet
dadelijk uw werk staken en naar de straat
loopen om er zooveel mogelijk te vergaderen?
Nu is het toch zeker, dat onder elke II. Mis, niet
uit de wolken , maar van den hemel, geen
aardsch of vergankelijk goud , maar een he-
melsch goud in groote menigte regent , en
iedereen het in volle vrijheid kan verzamelen.
Inderdaad , onder de H. Mis regent het ver-
-ocr page 373-
OPWEKKING OM DAGELIJKS MIS TE 1100REK. 340
meerdering der goddelijke genade, vermeerde-
ring van deugden, verdiensten en van hemel-
sche glorie, liet regent hemelschen troost en
aandacht, goddelijken zegen over de tijdelijke
goederen; het regent vergeving der zonden,
kwijtschelding van vele schulden en stiaffen;
het regent deelneming aan de verdiensten van
Christus, ja, het regent louter heil en geluk,
genade en barmhartigheid. Is dit alles niet
oneindig beter dan goud ! En welk eene dwaas-
heid is het dan zich deze oneindige schatten
niet ten nutte te maken?
3. Inderdaad, gelijk de zon alle andere pla-
neten overtreft, zoo gaat ook het aandachtig
Mis-hooren alle andere goede werken te bo-
ven. Immers het licht der zon schijnt helder-
der, hare hitte is weldadiger, hare kracht is
veel heilzamer voor de wereld, dan de ver-
zamelde uitwerksels van alle planeten te za-
men genomen; zoo ook is het aandachtig
Mis-hooren, Gode en Zijnen Engelen oneindig
aangenamer, den mensch oneindig nuttiger,
der wereld heilzamer en der zielen in het
vagevuur veel troostrijker, dan uwe dagelijk-
sche goede werken en uwe gebeden van den
gansenen dag, omdat gij door Mis te hooren,
uit den oneindigen schat der verdiensten van
Christus kunt scheppen, welke in alle Missen
wordt uitgedeeld.
Daarom noemt een groot schrijver de H.
Mis ,,eene rijke goudmijn" en gelijk zij, die
hierin arbeiden, veel meer kunnen verdienen
-ocr page 374-
3")0 ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
dan niet in eenc steengroeve te werken, zoo
ook worden zij, die aandachtig de H. Mis hoo-
ren, veel rijker, dan zij, die ieder ander boet-
vaardig werk verrichten. En dat de H. Mis
het allerheiligste werk is van onzen gods-
dienst, getuigt ons immers de Kerkvergade-
ring van Trente. sess. 22, luidende aldus:
„Wij moeten noodzakelijk bekennen, dat geen
ander zoo heilig en goddelijk werk, door de
geloovigen kan beoefend worden , dan juist
dit ontzaglijk geheim des H. Misoffers".
Dewijl dan de H. Mis het heiligste en god-
delijkste werk is, daarom moet zij ook het
geschiktste middel wezen om de hemelsche
rijkdommen te verwerven. Of zoude iemand
uwer de H. Mis willen verzuimen, indien hij
door iedere H. Mis honderd gouden kronen
konde verdienen? En wat is zulk eene som
in vergelijking met die onmeetbare geestelijke
schatten, welke uit het aandachtig Mis-hoo-
ren voortvloeien?
4. Wij raden dus alle geloovigen ten sterkste
aan, toch zooveel eenigszins mogelijk is, da-
gelijks met aandacht de H. Mis bij te wonen.
Gedenk, dat gij van God geschapen zijfc om
Hem vlijtig te dienen, en Hem dagelijks den
verschuldigden eerbied te bewijzen. Dit ech-
ter kunt gij niet beter doen, dan door dage-
lijks de H. Mis bij te wonen, dewijl dit offer
de verhevenste eeredienst is, die men den A1-
lerhoogste kan bewijzen. Gedenk, dat gij ver-
plicht zijt, God voor zoovele lichamelijke en.
-ocr page 375-
OPWEKKING OM DAGELIJKS MIS TE HOOREN. 351
geestelijke weldaden een en oprechten dank te
betuigen. Dit echter kunt gij door niets beter
verrichten, dan door het dagelijks Mis-hooren,
dewijl de H. Mis het allerhoogste dankoffer
is. Gedenk, dat gij op deze wereld geplaatst
zijt, om de Goddelijke Majesteit naar waarde
te loven en te verheerlijken; dit echter kunt
gij niet beter doen, dan door de H. Mis, die
het heerlijkste lofoffer is. Gedenk, dat Christus
zegt: „Ieder boom, die geene goede vruchten
voortbrengt, zal afgehouwen en in het vuur
geworpen worden". Welnu, gij kunt voorze-
ker geene betere vruchten voortbrengen, dan
met in staat van genade Mis te hooren, de-
wijl dit het beste goede werk is. Gedenk, dat
gij uwen God zeer veel schuldig zijt; deze
schuld kunt gij niet beter betalen, dan door
het ijverig Mis-hooren, dewijl gij door de H.
Mis het meest kunt voldoen, (iedenk, dat gij
dagelijks in groot gevaar verkeert in zonden
te vallen; dit gevaar kunt gij niet beter van
11 af\'keeren , dan door de H. Mis, welke het
krachtigste bidoffer is. Gedenk, dat. de dood
en de helsche geesten u gedurig achtervolgen,
om u het leven der ziel te benemen, en voor
eeuwig in den afgrond der hel te storten;
deze echter kunt gij met geen beter wapen
bestrijden, dan met de H. Mis, die het beste
behoedmiddel is voor alle kwaad. Gedenk ein-
delijk, dat gij in uw sterfuur den bijstand
der Heiligen niet kunt ontberen; dezen kunt
gij niet beter verwerven, dan door het aan-
-ocr page 376-
Ü52 ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
dachtig Mis-hooren, dewijl Christus aan de
heilige Mechtilda verzekerd heeft, dat hij een
ieder in zijn sterf\'uur zoo vele Heiligen tot
troost en hulp zenden wil, als hij Missen in
zijn leven heeft bijgewoond. Prent dan deze
mijne oprechte vermaning diep in uw hart,
en neem u van heden af ernstig voor, dage-
lijks de H. Mis bij te wonen.
5. Zijt gij echter in de onmogelijkheid da-
gelijks Mis te hooren, zoo laat van tijd tot
tijd de H. Mis tot uwe meening lezen, om
daardoor te herstellen, wat gij in den dienst
van God verzuimd hebt, om de zware straffen
te betalen, welke gij dagelijks door uwe zon-
den opeenstapelt. Ontbreken u hiertoe de mid-
delen, zoo kunt gij dit ook door anderen la-
ten doen; want als een ander de H. Mis voor
u hoort, schenkt hij u een gedeelte der ver-
diensten van Christus ter voldoening voor
uwe schulden, \'twelk hij door het Mis-hooren
verdiend heeft, en verwerft u ook de eene of
andere bijzondere genade van God, door welke
gij van tijdelijk en geestelijk onheil bevrijd
blijft. Immers, het is eigen aan de H. Mis,
dat men ze niet alleen voor zich zelven, maar
ook voor anderen lezen en hooren kan, want
aldus spreekt ja de priester onder dezelve:
„Gedenk, Heer, uwe dienaren en dienaressen,
en alle omstanders..... voor welke wij U of-
feren, of die U deze offerande des lofs op-
dragen, voor zich en al de hunnen".
-ocr page 377-
OPWEKKING OM DAGELIJKS .MIS TE HOOREX. 353
VOORBEELD.
0. Van den H. Lodewijk, koning van Frank-
rijk, schrijft Reynaldus, anno 1270, dat hij
dagelijks twee, drie, ja zelfs vier H. Missen
te hooren placht. Vernomen hebbende, dat
zijne hofdienaars zich hierover ophielden , en
het hem euvel namen, dat hij zoo vele H.
Missen hoorde en zoodoende een kostbaren
tijd aan het bestier der regeeringszaken ont-
trok. sprak hij: „Hoe zijn toch die heeren
zoo bezorgd! voorzeker, als ik eens zooveel
tijd aan het spel of het jachtvermaak ver-
kwistte, zoude geen hunner ook maar een en-
kel gispend woordje in te brengen hebben".
Voortreffelijk antwoord, voorwaar, zulk eenen
H. Koning waardig, en wij, helaas, wij mee-
nen op ingeving van den boozen geest, dat
wij veel tijd en een groote winst verliezen,
wanneer wij op de werkdagen éene, soms
twee Missen zouden hooren. Besteden wij
echter een of twee uren aan drinken of spe-
len, zoo hebben wij hierover geen achterden-
ken, en meenen, dat deze verloren uren zeer
wel besteed zijn. Welk eene verblindheid!
7. De bekende generaal Tilly, zoo verhaalt
ons pater Gobat, was zoo gewoon dagelijks
Mis te hooren, dat hij het nooit achterliet,
zelfs niet in het grootste gevaar. Hoe aange-
naam zulks den goeden (rod was, heeft Hij
door een merkwaardig wonder willen beves-
tigen. Toen deze veldheer in het jaar 1(523
Verkl. cl. H. Mis.                                                    2i
-ocr page 378-
354 ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
tegen de ketters bij Brunswijk te velde lrokT
en eens \'s morgens in eene schuur de H. Mis
van zijnen biechtvader, pater .Joannes, hoorde,
kwam de baron Van Linddoo vol ijver tot
hem, zeggende: de Hertog van Brunswijk is
reeds op weg, om het keizerlijk leger te over-
vallen. De veldheer Tilly antwoordde: Mijn
beste Lindeloo, gij ziet, welk eene gewicbtige
zaak mij thans bezig houdt, ijl daarom in
allen haast naar het leger, stel het krijgsvolk
in orde, en dan wil ik na de H. Mis dade-
lijk volgen. De baron reed spoedig naar het
leger, maar daar gekomen, zag hij reeds den
generaal Tilly te paard door liet leger rijden
aan allen den besten moed inboezemen en de
ketters moedig aanvallen. In korten tijd was
de vijandelijke ruiterij op de vlucht gedreven ;
de infanterie, 30,000 man sterk, werd groo-
tendeels verslagen, en de overigen gevangen
«jjenonien. Na de H. Mis stee<f nu ook de i>-e-
neraal te paard, om naar het legerkamp te
rijden, en zag met groote verwondering, dat
het vijandig leger schier geheel en al versla-
gen was. Hij vroeg den baron, wat de oor-
zaak was van die heerlijke overwinning en
deze antwoordde: Zoodra ik in het leger ver-
scheen , heb ik Uwe excellentie te paard zit-
tende en tegen den vijand vechtende aange-
trotien. Tilly beschouwde dit al een mirakel,
en om alle ijdele eer te ontvluchten, sprak
hij nergens van. Doch pater Pierson heeft
betuigd, dat Tilly zijne H. Mis geheel ge-
-ocr page 379-
OPWEKKING OM DAGELIJKS MIS TE HOORKX. 355
hoord, en daarna nog een glas wijn met brood
genoten heeft, zoodat het geen twijfel meer
leed, dat de Engelbewaarder des generaals in
zijne plaats gestreden bad.
8. Na zulke treffende voorbeelden van ko-
ningen en veldheeren, welke met zoovele be-
zigheden overladen waren, en toch dagelijks
de H. Mis bijwoonden, hoe zullen wij het bij
God kunnen verantwoorden, dat wij om de
nietigste reden, voor de geringste bezigheid ,
uit onverschilligheid en traagheid, zoo menige
H. Mis in de week verzuimen? En moeten
wij niet vreezen, het schrikkelijk vonnis te
ondergaan van dien onnutten knecht, die zijn
talent in de aarde verborgen had, en van
welken de Zaligmaker zegt: „En werpt dien
onnutten dienstknecht in de duisternis daar
buiten! Daar zal geween zijn en geknars der
tanden". En waarom dit vreeselijk vonnis ?
Omdat hij lui geweest was in zijnen dienst,
omdat hij geen goed gebruik had gemaakt
van de genade, aan zijne zorg toevertrouwd.
!>. Het verzuimen der H. Mis strekt niet al-
leen tot onze schade, maar ook tot oneer van
God, van zijne Heiligen en van zijne Kerk.
Luister wat de eerwaarde Beda hiervan zegt:
,,Als een priester..... niet uit eerbied voor het
allerheiligste Offer, maar veeleer uit nalatig-
heid de H. Mis achterlaat, dan onttrekt hij,
voor zooveel het in zijne macht staat, der II.
Drievuldigheid de haar verschuldigde eer. den
Engelen de vreugde, den zondaars vergiffenis
-ocr page 380-
356 ZKVKX EN TW1ST1USTK HOOFDSTUK.
en genade, der zielen in \'t vagevuur verkwik-
king, der kerke eene weldaad en zich zelven
een geneesmiddel..... Maar niet veel gerin-
ger schade veroorzaakt hij, die wel de H. Mis
kan bijwonen , en dit toch verwaarloost te
doen".
10. Alle huisvaders en huismoeders moeten
er dan voor zorgen, dat niet slechts hunne
kinderen . maar ook hunne dienstboden, zoo-
veel doenlijk, dagelijks de H. Mis hooren, en
er op bedacht zijn, dat de woorden des apcs-
tels op hen niet kunnen toegepast worden:
„Als iemand voor de zijnen, en voornamelijk
de huisgenooten, geene zorg draagt, die heeft
het geloof verloochend, en is erger clan een
ongeloovige". Schrikkelijke woorden, welke
de H. Chrysostomus uitlegt, zeggende: On-
der den naam van zorg, wil Paulus niet al-
leen de zorg des lichaams, maar ook die der
ziel verstaan".
Dat dan alle huisvaders hunne kinderen en
onderhoorigen, dagelijks zooveel mogelijk de
H. Mis laten bijwonen, want de schade, welke
door dit verzuim ontstaat, is met geene tij-
delijke te vergelijken. Schijnen zij, die zonder
de minste reden hunne huisgenooten van de
H. Mis terughouden, niet te zeggen: gij zult
niet God, maar mij dienen; gij zult de ge-
heele week voor mij alleen arbeiden, want
ik, en niet God, moet u kost en loon ver-
schaffen. Dit zeggen zij niet met woorden,
maar toonen het door hunne werken, en ver-
-ocr page 381-
OPWEKKING OM DAGELIJKS MIS TE HOOKEN". 357
gunnen nauwelijks aan hun gezin des Zon-
dags een half uurtje voor den dienst van God.
Zouden derhalve zulke oversten, gelijk Paulus
zegt, niet erger zijn dan ongeloovigen? Die
dit thans niet behartigt, hij zal het eens in
zijn sterf\'uur beseften, hoe droevig hij zich te-
gen zijnen God bezondigd heeft.
^vfjf^
-ocr page 382-
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Aansporing tot het aandachtig Mis-hooren.
1. Het is voorzeker niet bloedige tranen te
beweenen, dat de meeste menschen in het al-
ïïemeen zoo weinig aandacht bezitten in de
H. Mis, en ze daardoor zoo traag en zoo
slecht hooren. De meeste gapen overal rond,
letten zorgvuldig, wie in of uit de kerk gaat,
bidden meestal, zoo zij al bidden , mot den
mond, zonder eenige deelneming des harten ,
zitten op hun gemak uit louter luiheid, zoo-
wel voor, als na de Elevatie, en gedragen
zich soms alsof zij geen geloof hadden. Ja,
het is soms hartverscheurend te zien, hoe
weinig eerbied zij den allerhoogsten God be-
wijzen, die toch op het altaar wezenlijk te-
genwoordig is en aldaar een zoo gewichtig
werk ven-icht.
2. Met welken eerbied wij de H. Mis moe-
ten hooren, zegt ons de H. Kerk in de kerk-
vergadering van Trente in dezer voege: „In-
dien wij noodzakelijk bekennen moeten, dat
de Christen geloovigen zich met geen ander
zoo heilig en goddelijk werk kunnen bezig-
houden dan met dit ontzaglijk geheim . ..,
-ocr page 383-
HET AANDACHTIG HIS-HOORE.V.           35{)
7.00 blijkt het tevens genoegzaam, dat men
daartoe alle moeite en vlijt moet aanwenden,
•dat dit zooveel mogelijk met de grootste in-
nerlijke zuiverheid en reinheid des harten en
uiterlijke betooning van aandacht en vroom-
heid verricht worde".
Het is nochtans niet noodig, dat gij altijd
eene gevoelige aandacht hebt, maar het is
genoeg, dat gij den ijverigen wil hebt, om
deze hoogwaardige Offerande met ware aan-
dacht en eerbied bij te wonen. Let dus wel
op, dat de ware aandacht niet bestaat in een
zoet gevoel, maar in den ijver des harten en
het verlangen zijnen God ijverig te dienen,
en Hem in dezen dienst getrouw te blijven.
Zoo dikwijls gij dan onder de H. Mis gaarne
aandachtig zoudt wezen, en nochtans de noo-
dige opmerkzaamheid mist, moet gij u hier-
over niet bedroeven, maar bedenk, dat gij
geene meerdere aandacht waardig zijt, en vol-
hard in \'t gebed met gerust gemoed. Wan-
neer gij echter geene aandacht hebt, en er
geene verlangt, of de noodige vlijt niet aan-
wendt om ze te bekomen, berooft gij u van
veel troost en groote verdiensten.
3. Zijt gij dan op \'t punt de H. Mis te
gaan hooren, bedenk wel, waarheen gij gaat,
«n wat gij er wilt verrichten. Immers, gij
gaat niet met den publikaan naar den tempel
om daar slechts te bidden, maar gij gaat met
den H. profeet David om te offeren, en Gode
den allerhoogsten eeredienst te bewijzen. Gij
-ocr page 384-
360        ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
gaat Hem zulk een edel offer brengen, dat
Hem zoo lief is als zijn eigen zelve; want
zegt de geleerde P. Gobat; „Het Mis-hooren
is niet eigenlijk een gebed, maar eene aan-
bidding en offeiïng, of eene verrichting van
het goddelijk offer. Want allen, die de H.
Mis aandachtig bijwonen, moeten ook met den
priester offeren". Dit werk is van alle zede-
lijke deugden de voortreffelijkste handeling.
Want, als wij de Offerande opdragen, dan
betuigen wij hierdoor, dat God de allergrootste
Heer en Meester is, aan wien eene oneindige
eer en glorie toekomt, en dat wij zijne on-
derdanen zijn, over welke Hij naar zijn wei-
gevallen kan beschikken. Daarom is de Offe-
rande, onder alle deugdewerken, Gode het
aangenaamste, en is tevens voor ons uiterst
nuttig.
4. Hoe zal men nu het best Mis-hooren V —
Vóór het gebed, bereid uwe ziel, zegt de H.
Geest. Vorm de intentie deze H. Mis met alle
aandacht en tot heil uwer ziel bij te wonen.
Volg den priester in de gebeden en ceremo-
niè\'n; want het is beter de gebeden eigen aan
de H. Mis dan andere te lezen. Deze kan
men altijd tusschen beide verrichten of ook
gedurende den dag. Gelijk dus het H. Sacri-
ficie der Mis alle andere geestelijke oefeningen
verre overtreft, zoo ook overtreffen zulke Mis-
gebeden, welke op de krachtigste wijze de H.
Offerande voorstellen, alle andere gebeden.
5. Hoezeer het groot geheim, dat in iedere
-ocr page 385-
HET AANDACHTIG MIS-HOOREN.           361
H. Mis voltrokken wordt, al onze aandacht
en voorbereiding verdient, blijkt uit de vol-
gende wooi-den, te lezen in de liturgie van
den H. Jacobus: „Teder niensch moet hier
zwijgen en sidderen van vrees, en aan niets
aardseh meer denken, dewijl de Koning der
koningen en de Heer aller heeren in aantocht
is, om geslachtofferd en den geloovigen tot
spijs gegeven te worden. ATóor hem trekken
het n du koren der Engelen met alle macht
en kracht, hunne aangezichten bedekkende en
niet grooten jubel lofzangen zingende".
6.   Wie verwondert zich niet over zulk eene
groote voorbereiding, waaraan het hemelsch
hof deelneemt, opdat het allergrootste mira-
kel, dat wonderbaar geheim, de verschijning
van Christus, God en niensch, onder de ge-
daante van brood en wijn, naar alle waardig-
heid volbracht worde. En wij, arme sterve-
lingen, wij wonen, helaas! deze goddelijke ge-
heinien zoo dikwijls zonder den minsten eer-
bied bij, zonder te letten op het ontzettend
wonder, dat op \'t altaar gewrocht wordt. O,
hadden wij hetzelfde licht als Gods lieve
Heiligen, wij zouden beter begrijpen hoe men
zicli moet voorbereiden tot de nederdaling van
Christus uit den hemel op onze altaren; wij
zouden sidderen en beven en niets aardseh
meer gedenken.
7.  Thans openen zich de poorten des hemels
op de stem des priesters, en de Zoon Gods
daalt in eigen persoon, met vollen luister en
-ocr page 386-
362 ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
majesteit uit den hemel neder, 0111 zich op
eene onbloedige wijze voor ons op te offeren.
Bemerk, met welke liefde Hij in de handen
des priesters nederdaalt en hoezeer Hij ver-
langt in de diepste nederigheid te verschijnen,
om ons allen met zijne genade te verrijken,
•zoowel den rechtvaardige als den zondaar.
Hier vervult Hij, wat Hij van zich zelven
zegt, bij Lucas 19: ,,De Zoon des menschen
is gekomen om te zoeken en zalig te maken,
hetgeen verloren was". En bij Joannes 3:
„God heeft Zijnen Zoon niet in de wereld
gezonden, opdat Hij de wereld zonde oordee-
len, maar opdat de wereld door Hem zou be-
houden worden". Hij vertoont zich niet in
de H. Mis, om de zondaars te straffen en te
verdoemen, maar om ze in genade op te ne-
men en hun barmhartigheid te betoonen.
Daarom moet geen zondaar schuwen de H.
Mis bij te wonen, want hier gaat hij niet
tot zijnen rechter, maar tot zijnen middelaar,
€ii maakt zich hierdoor bekwaam, om de
goddelijke barmhartigheid tot zich te trekken
en tot den staat van genade te geraken.
De H. Brigitta zag Jezus Christus eens in
de H. Mis verschijnen onder de gedaante van
een lam, met het aangezicht van eenen mensen.
met vonkelende oogen, met brandende vlam-
men omgeven; al de daarbij tegenwoordige
Engelen aanbaden het lam en dienden het.
Zij waren in zoo groot getal als stofjes in de
lucht, en vergezeld van zoo\'n groote schare
-ocr page 387-
HET AANDACHTIG MIS-HOORKN.           363
zielen, dat hare oogen ze onmogelijk konden
overzien. Welk een prachtig tooneel! Hoor
de H. Francisca uitroepen: „De geheele we-
reld moet sidderen, en de hemelsche machten
zich ontroeren, als de Zoon van den levenden
God in de handen des priesters verschijnt. O
wonderbare ootmoedigheid, waarmede de eenig-
geboren Zoon Gods, de Heer aller wezens,
zich zoodanig vernedert, dat Hij zich voor de
zaligheid der menschen , onder de kleine ge-
daante des broods verbergt!".
Maar helaas! dewijl wij dit alles niet met
onze oogen zien, achten wij het niet, terwijl
de Engelen en hemelsche machten van schrik
en eerbied wegzinken en de duivelen de vlucht
nemen.
8. Uit dit alles volgt dat, gelijk de Engelen
en hemelsche geesten zich beijveren, om God
in het H. Misoffer te aanbidden en te dienen,
zoo ook moeten wij ons uiterste best doen en
alle krachten van lichaam en ziel inspannen,
opdat deze goddelijke Offerande, volgens hare
groote waardigheid, de rijkste vruchten voort-
brenge. Wij zullen dan van onze gewone ge-
beden afwijken, onze oogen op het altaar ves-
tigen, met een levendig geloof het Goddelijk
Lam aanbidden, het aan Zijnen Heinelschen
Vader opofferen, en zóo ijverig voortgaan,
zoolang Christus wezenlijk op het altaar te-
srenwoordijj is.
Maar helaas! hoe weinig menschen doen
zulks. — De meeste vervolgen hunne gebe-
-ocr page 388-
364 ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
den, of kloppen enkel uit gewoonte op hunne
borst, zonder zich de wezenlijke tegenwoor-
digheid van Jezus Christus te herinneren, en
gaan weer dadelijk zitten , zonder Hem uit
den grond des harten te aanbidden en te eeren.
Doe dus gelijk de priester, kniel in diepe oot-
nioedigheid neder en bid Hem niet liefdevol-
len eerbied aan. Stel u de H. Driekoningen
voor oogen, bij de kribbe nedergeknield, en
aanbid Hem als uwen God en Zaligmaker.
v/-"i
-ocr page 389-
NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Bijzondere aandacht onder de Elevatie.
1.  De opheffing of Elevatie is de voornaam-
ste ceremonie der H. Mis; ik zeg ceremonie,
want de daaraan onmiddellijk voorafgaande
consecratie is er het wezenlijkste bestanddeel
van Zij is onder bijzondere ingeving van den
H. Geest, door de H. Kerk voorgeschreven,
en «trekt tot Kroot nut en aandacht der <>-e-
loovigen. 0, welk eene hoogst gewichtige,
welk eene voortreffelijke ceremonie, wanneer
de H. hostie en de geconsacreerde kelk door
de handen des priesters worden opgeheven!
O, welk een jubel ontstaat alsdan in den he-
mel! 0, welk eene bron van heil ontspringt
dan op aarde! Welk eene verkwikking ont-
staat er in het vagevuur! Met welk eenen
schrik worden alsdan de helsche machten be-
vangen! 0, welk eene edele gaaf, welk een
voortreffelijk geschenk biedt de priester alsdan
de H Drievuldigheid aan, als hij het Godde-
lijk Offer in de hoogte heft, en door de han-
den der Engelen naar den hemel zendt. 0,
welk eene vreugde voor het hart Gods, als
Hij onder de sacramenteele gedaante Zijn Zoon
aanschouwt:
2.   Maar wat schuilt dan onder de gedaante,
-ocr page 390-
366 NEGEN\' EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
welke de priester Gode voor oogen stelt? Het
is niets minder dan de met de Godheid veree-
nigde allerheiligste menschheid van des Va-
ders eeniggeboren Zoon, het allerkostbaarste....
het voortreffelijkste kleinood derhalve, zoodat
geen kostbaarder in hemel of op aarde te
vinden is. Deze allerheiligste menschheid toont
de priester aan den Hemelschen Vader onder
de menigvuldigste vormen. Hij toont ze, alsof
zij opnieuw weer geboren was; hij toont ze,
alsof zij opnieuw den lijdensweg aanvaardde,
dus alsot zij opnieuw water en bloed zweette,
alsof zij opnieuw gegeeseld, gekroond, gekruist
en gedood wierd. Hij toont ze als zoenoffer,
voor de zonden van het menschelijk geslacht,
als op het kruis hangend, de goddelijke barm-
hartigheid voor de zondaars smeekende. Hij
toont ook aan God den Vader de hoogste on-
schuld, de diepste nederigheid, het onoverwin-
nelijkste geduld, de volmaaktste liefde en ge-
hoorzaamheid en al die deugden, welke zijn
aanbiddelijke Zoon op aarde heeft beoefend.
O, welk eene zoete vreugde mag toch wel
God de Vader bij deze heilige opheffing snia-
ken !
3. De II. Bonaventura zegt, dat de priester,
zoowel als het volk, alsdan tot God magspre-
ken: „Zie, eeuwige Vader! den eeniggeboren
Zoon, welken de geheele wereld niet omvatten
kan, is thans onze gevangene. Dezen geven
wij u niet eerder terug, tenzij wij door Hem
bekomen, wat wij zoo vurig van U begeeren.
-ocr page 391-
BIJZONDERE AANDACHT ONDER DE ELEVATIE. 3G7
Wij bidden U derhalve door dezen Uwen Zoon
om vergeving onzer zonden, om voldoening,
onzer schulden, om vermeerdering der genade,
om overvloed van deugden en om de vreugde
des eeuwigen levens". Dan kan de priester
terecht tot het volk zeggen: Ziethier, lieve
Christenen! hier is uw Heiland, Verlosser en
Zaligmaker. Aanschouwt hem niet de oogen
des geloofs en stort in innig gebed uwe harten
voor Hem uit. Zalig zijn de oogen, die zien,
wat gij ziet! Gelukkig zij, wier oogen deze
hoogwaardige hostie aandachtig aanschouwen
en vastelijk gelooven, dat onder deze gedaanten
van brood en wijn, die lieve Jezus waarlijk
en wezenlijk tegenwoordig is.
4. Onder de Elevatie moest het gansche
geloovige volk zijne oogen op het altaar ves-
tigen, en het hoogwaardig Sacrament aandach-
tig aanschouwen. Hoe grootelijks dit God bevalt
en hoe nuttig dit voor ons allen is, heeft
Christus zich gewaardigd aan de H. Gertrudis
te openbaren, zeggende: „Zoo dikwijls iemand
de fl. hostie aanschouwt, of gaarne zoude
aanschouwen, ingeval hem dit onmogelijk is,
zoo dikwijls vermeerdert hij zijne verdiensten
voor den hemel, en des te grooter geneugten
zal hij in de toekomende gelukzalige aanschou-
wing (iods smaken". Verwek onder deze aan-
schonwing een vurig geloof in de wezenlijke
tegenwoordigheid van Jezus Christus , zich
offerende aan Zijnen Hemelschen Vader voor
ons, arme zondaars. Gedenk wat er geschreven
-ocr page 392-
3G8 NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
staat: Zalig zijn zij, die niet gezien en noch-
tans geloofd hebben.
VOORBEELD.
\'V
5.  Wij lezen in het leven van den veruir r
den Flugo van St. Victor, dat deze vr r\'
priester lang en dikwijls verlangd had, Jt
Christus onder de gedaante van de H. ho-\'u
met zijne sterfelijke oogen te aanschouwt,
en dat hij dikwijls om deze gunst gebed
had. Zijn gebed werd eindelijk verhoord. Wan;
als hij eens aandachtig de H. Mis las, ge-
beurde het, dat hij het Goddelijk kind Jezu>
voor zich op den corporaal zag liggen. Hol
groot zijne vreugde was, kan men gemakkelijk,
beseffen. Eindelijk sprak het Lieve Kind to*
hem: Dewijl gij, o Hugo, mij met lichamelijk
oogen hebt willen aanschouwen, hebt gij de
groote verdienste van uw geloof verloren
Daarna verdween liet en liet den priester niet
minder treurig dan verheugd daar staan. Do •
dit voorbeeld kunnen we leeren, hoe verdieii
stelijk het geloovig aanschouwen en aanbidden
der H. hostie is.
6.   Hoezeer dit geloovig aanschouwen de
Heere aangenaam is, leert ons ook eene w
derbare gebeurtenis, voorgevallen met den
Paschalis Baylon, van de orde van den
Franciscus. Deze Heilige muntte door c
zonderlinge liefde en godsvrucht jegens u«.
Allerheiligste Sacrament zoo zeer uit, dat
-ocr page 393-
BIJZONDERE AANDACHT ONDER DE ELEVATIE. 360
_<deze overgroote devotie, zelfs na zijnen dood,
scheen behouden te hebben. Want, zoo lezen
ve in het officie, door de Kerk voor dezen
Jeilige opgesteld: Toen hij bereids in dedood-
j st lag, gebeurde het, dat hij onder de Ele-
a >,cie bij de H. Mis tot tweemaal toe zijne
n, ;^en opende en sloot, tot groote verwonde-
Z&\'èS van a^en> die de gelukkige getuigen van
j, jfc wonder waren.
7. Na de opheffing der H. hostie volgt de
pheffing van den H. kelk, \'twelk de tweede
^voornaamste ceremonie der H. Mis is, en even-
eens eene bijzondere beteekenis heeft. Want,
in dit oogenblik wordt het kostbaar bloed
, van Jezus, op eene geestelijke wijze, wederom
.vergaten, en alle omstanders daarmede be-
sprenkeld, gelijk blijkt uit de woorden der
.Consecratie: „Want deze is de kelk mijns
, oloeds, des nieuwen en eeuwigen Testaments,
geheimnis des geloofs, die voor u en voor
Welen zal vergoten worden tot vergeving der
gonden". Als gij dus de H. Mis behoorlijk bij-
,/oont, valt u dezelfde genade ten deel, als
, of gij wezenlijk op den Calvarieberg, met een
\'louw.noedig hart onder het kruis gestaan
;.adt en aldaar met het bloed van Jezus be-
>roeid waart geworden.
j | Want, indien het bloed van het Paaschhim
i\'idr Israëlieten, waarmede zij op bevel van
"v>d de stijlen hunner deuren bestreken , de
•acht had hen van den wraaknemenden Engel
A" bevrijden, hoeveel te meer zal dan het
Verkl. d. H. Mis.                                                       25
-ocr page 394-
Ï170 NKGKN BN TWIXTIGST1S HOOFDSTUK.
kostbaar bloed van het Onschuldig lum, datr
voor ons eenmaal aan het kruis vergoten, da-
gelijks in de H. Mis geestelijkeiwijze over ons
heenvloeit, ons bewaren tegen de booze listen
van satan, die als een brieschende leeuw rond-
loopt om ons te verslinden.
8.   Maar wat zullen zij dan doen, die zich
buiten de kerk bevinden, en belet zijn, het
H. Sacrificie der Mis bij te wonen V Voor dezen
bestaat er op veel plaatsen een zeer loffelijk
gebruik. Bij de opheffing der H. hostie namelijk
geeft men een teeken met de klok, opdat alle
afwezenden op dit gelui, van dit plechtig
oogenblik verwittigd, zoowel in huis, als op
het veld zouden nederknielen, hunne oogen
naar de kerk richten en zich met den priester
vereenigen, om hunnen God en Heer met alle
kracht te aanbidden. Het ware te wenschen,
dat zulk een heilig gebruik overal bestond ,
dewijl het tot niets anders kan strekken, dan
tot meerdere eer en glorie van God en tot
ons eigen welzijn.
9.  Een beroemd schrijver verhaalt ons hier-
omtrent een schrikkelijk voorbeeld, in zijnen
tijd gebeurd. Eene arme vrouw had het on-
geluk eenen man te hebben, die alles moed-
willig verkwistte, haar dagelijks met de grofste
verwenschingen bejegende, en zelfs dikwijls
onbarmhartig sloeg. Dit had zij reeds langen
tijd met geduld verdragen, hopende, dat haar
man toch eens van gedrag zou veranderen.
Maar dewijl dit dagelijks erger werd, besloot
-ocr page 395-
1JIJZ0NDERE AANDACHT ONDES DE ELEVATIE. 371
zij zich op te hangen. Zij neemt een en strik,
vestigt dezen aan den balk van haar slaap-
kanier, klimt op eenen stoel , en legt reeds
den strik vol wanhoop om den hals. Op liet
oogenblik, dat zij den stoel wil wegstooten,
om zich het leven te benemen, hoort zij de
klok in eene naburige kerk luiden, tot teeken
der Elevatie. Deze rampzalige vrouw had de
loffelijke gewoonte alsdan altijd neder te knielen,
om haren God te aanbidden. Dit wilde zij ook
nu niet achterlaten, zij nam den strik van
haren hals, knielde neder en bad aldus: Heer
Jezus, ik heb U dagelijks onder de Elevatie
aangebeden en uwe barmhartigheid ingeroepen.
Nu aanbid ik TJ voor het laatst en ofler IJ
op aan uwen Hemelschen Vader. Daar gij
mij echter niet hebt willen verhooren, heb ik
besloten mij op te hangen , om aan mijne
onverdragelijke ellende een einde te maken.
Nauwelijks had zij deze woorden uitgesproken,
of de baik, waaraan de strik gebonden was,
brak met groot geraas in stukken, en de strik
viel haar op de hand. Op hetzelfde oogenblik
hoorde zij eene afgrijselijke stem tot haar
roepen: Hadt gij God op het altaar niet aan-
gebeden, dan had ik u oogenblikkelijk ter
helle gevoerd. Het was de stem des duivels,
die haar van schrik deed beven. Nu erkende
zij de groote boosheid, welke zij in hare wan-
hoop wilde bedrijven en het uiterste gevaar
vfln bare eeuwige verdoemenis. Daarom be-
treurde zij hare misdaad met bloedige tranen,
-ocr page 396-
372 NISGEN EN\' TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
en ijlde naar haren man, wien zij alles ver-
haalde, wat haar overkomen was. Deze, vol
schrik, erkent ook zijne misdaad, bad God en
zijne vrouw om vergeving, beterde zijn leven,
en beide stichtten voortaan de geloovigen door
hun goed voorbeeld en bijzondere aandacht,
door Jezus Christus ook buiten de Mis altijd
te aanbidden.
10. Volhard derhalve in het aanbidden van
uwen Zaligmaker, ook buiten de kerk, als het
teeken der Elevatie gegeven wordt. Geef geen
acht op de spotternij van anderen, maar ge-
denk wat Christus zegt: „Wie zich over mij
en mijne woorden zal geschaamd hebbeu, over
dien zal de Zoon dss menschen zich schamen,
wanneer Hij komen zal in zijne heerlijkheid".
Nochtans verzuimen vele menschen deze hei-
lige oefening, geven God de behoorlijke eer
niet en berooven zich hierdoor van vele ver-
diensten. Want hij, die Christus onder de
Elevatie aanbidt en opoffert, oefent de deugd
des geloofs, der ootmoedigheid en aandacht,
en wordt voorzeker voor een groot gedeelte
aan de vruchten der H. Mis deelachtig.
•sflfc
-ocr page 397-
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Over den eerbied in de H. Mis.
1.   V:in de joodsche offerande schrijft de
geleerde Flavius Josephus, dat er dagelijks in
den tempel van Jerusalem 700 priesters en
levieten dienden, die offerdieren slachtten, rei-
nigden en op het altaar verbrandden. Dit ge-
beurde met zooveel stilte en eerbied, alsof
zich slechts een enkel priester in den tempel
bevond. Indien dan de Joden hunne oft\'eran-
den van dieren, welke slechts eene flauwe
schaduw waren van ons H. Misoffer, zulken
eerbied betoonden, hoeveel te meer zullen dan
wij, Clnistenen, aan dit H. Offer, in hetwelk
het heiligste Lam Gods waarachtig voor onze
o                                  ..            ..
zaligheid op eene geestelijke wijze geslacht
wordt, den hoogst mogelijken eerbied betoo-
nen en het met de grootste oplettendheid en
heilige stilte bijwonen.
2.  Aldus handelden ook de eerste Christe-
nen, van wien de H. Ohrysostomus het vol-
gende mededeelt: „Als zij de kerk binnentraden,
kusten zij ootmoediglijk den drempel en be-
waarden vervolgens zulk eene stilte alsof nie-
-ocr page 398-
374                  UEKTIUSTE HOOFDSTUK.
mand in de kerk ware". Dit schrijft ook de
H. apostel Jacobus in zijne liturgie voor,
zeggende: „Alle menschen moeten zwijgen, zij
zullen met vrees en schrik bevangen blijven,
en niets aardsch meer gedenken, wijl de Ko-
ning der koningen, onze Heer Jezus Christus,
komen zal, opdat Hij geslachtofferd en den
geloovigen tot spijs gegeven worde". Ook
lezen wij in het leven van den H. Martinus ,
dat deze groote bisschop nooit in de kerk
placht te zitten, maar altijd in eene knielende
of staande houding volhardde, met bleek aan-
ge/.icht, vol eerbied en schrik biddende. Zoude
ik niet sidderen en beven, sprak hij, daar ik
in de tegenwoordigheid van mijnen God sta?
3. Hier kan ik bijzonderlijk toepassen de
woorden, welke God eertijds uit het brandende
braambosch tot Mozes sprak: „Doe de schoenen
van uwe voeten , want de plaats, waarop gij
staat, is heilige grond". Veel heiliger nochtans
is iedere kerk, welke door den bisschop met
vele ceremoniën, zalvingen en gebeden is ge-
wijd, en dagelijks door zoo vele H. Offeranden
der Mis al meer en meer geheiligd wordt.
En indien de proleet David, die lieveling
Gods, niet zonder vrees en schrik de heilige
tent, waar toch slechts de ark des verbonds
berustte, binnentrad, met welken eerbied zullen
wij dan, arme zondaars, onze geheiligde kerken
binnentreden, waarin het Allerhoogwaardigst
Sacrament berust en het goddelijk Misoffer
wordt opgedragen.
-ocr page 399-
OVER DEN EERBIED IN DE H. MIS. 375
4.  Uit dit alles blijkt dan duidelijk, hoe
verkeerd zij handelen, die de kerken niet
evenmin aandacht en eerbied als hunne huizen
binnentreden, en niet eens gedenken, dat de
kerken de waarachtige woningen zijn van onzen
God. Hoe kwalijk doen zij, die onder dit ont-
zaglijk Misoffer, waarin duizenden Engelen
vol schrik en eerbied tegenwoordig zijn, overal
rondgapen om alle in- en uitgaanden aan te
zien, zich met huiselijke of andere wereldsche
zaken vrijwillig bezig houden, en over de
minste zaak klappen of lachen. Indien de Za-
ligmaker eertijds de Joden uit den tempel
verdreef, wegens hunne oneerbiedigheid, o!
hoe zullen dan eens de Christenen behandeld
worden, die zonder ingetogenheid in onze ge-
wijde tempels zich staan te vervelen, te klappen
en te lachen, ja zelfs oneerbare blikken op
personen van het ander geslacht durven ves-
tigen.
5.   In de Levens der Heiligen; door de Bol-
landisten, lezen wij op den 13. Januari aan-
gaande deze slof eene treffende geschiedenis
van de zalige Veronica van Binasco. „Als ik
eens onder de H. Mis, zoo verhaalt zij, eene
voor het altaar knielende zuster nieuwsgierig
aanschouwde, berispte mij mijn Engelbewaar-
der met zulk eene strengheid, dat ik van schrik
bijkans in flauwte viel. O, hoe verschrikkelijk
zag hij mij aan ! O, wat harde woorden sprak
hij mij toe: Waarom hebt gij aan de begeerten
uws harten den vrijen toom gegeven V Gij hebt
-ocr page 400-
376                  DERTIGSTE HOOFDSTUK.
voorwaar voor God niet weinig gezondigd.
Zoo sprak mij de Engel toe en legde mij
eene zware boete op, welke mij drie dagen
onophoudelijk deed weenen".
6. Uit deze waarachtige geschiedenis moe-
ten wij begrijpen hoe zeer het God misvalt,
wanneer wij onder de H. Mis onze oogen niet
bedwingen, ze nieuwsgierig rond laten dwalen
om acht te geven op andere personen. hoe
zij gekleed gaan, hoe zij zich gedragen en in
het algemeen op alles, wat er in de kerk
omgaat. Wij allen, wij hebben genoeg te doen
met onze gedachten in toom te houden, ten
einde met aandacht te bidden. Wie echter ge-
durig omziet en allen nakijkt, deze veroor-
zaakt zich zelven allerlei verstrooiingen, en
kan van eene moedwillige zonde niet vrijge-
sproken worden. Bijaldien dan het nieu\\vsgie-
rig omzien reeds eene zonde is, hoe grooter
zonde bedrijven dan zij, die zonder de minste
schaamte gedurende een merkelijk deel der H.
Mis praten of\' lachen? Zij geven hierdoor aan
anderen ergernis en storen hen vrijwillig in
hunne gebeden? Maar gij zult misschien zeg-
gen: moet ik dan geen antwoord geven als
men mij iets vraagt? Antwoord geven op iets,
dat redelijk of noodig is, is niet verboden;
maar zich eenen geruimen tijd op zon- en
geboden feestdagen ouder de H. Mis vrijwil-
lig met wereldsche zaken bezig houden, zal
allicht een beletsel worden tot het hooren der
H. Mis, zooals de Kerk het voorschrijft. Dit
-ocr page 401-
OVER DEN EEKBIKU IN DE H. MIS. 377
misbruik bestaat helaas! maar al te veel, zelfs
onder voorname personen, en het is te vreezen,
dat zij soms geene goede Mis hooren.
7. Men zal de H. Mis zooveel mogelijk ge-
knield bijwonen. „Moet reeds voor den naam
van Jezus, zoo als de H. Paulus schrijft, elke
knie zich buigen, van die in den hemel, die
op de aarde en die onder de aarde zijn", hoe-
veel te meer, waar Hij persoonlijk tegenwoor-
dig is Velen hebbeu het slecht gebruik altijd
te staan, en knielen slechts, en dikwijls maar
ten halve, onder de Elevatie, staan weer da-
delijk op, alsof Christus niet meer wezenlijk
tegenwoordig was. Die niet gedm-ig op de
knieën kan blijven zitten, dat hij dan blijve
staan van het begin der H. Mis tot aan de
Consecratie, maar dat hij toch ten minste den
overigen tijd, van de Consecratie tot na de
Communie des priesters, altijd in de nederig-
ste houding geknield blijve. Of vindt gij het
passend in tegenwoordigheid van eenen mensch
uit eerbied te staan en in tegenwoordigheid
van uwen God vadzig te blijven zitten?
Deze eerbied moet ook bijzonder uitsteken
in eene zedige kleeding, bijzonder bij de vrou-
wen en jongedochters, opdat niemand harer
hierdoor oorzaak tot ergernis moge wezen.
Dezulken begaan dus allicht voor God eene
zware zonde, die zich zoo ijdel en oneerbaar
kleeden, alsof zij den dans of het tooneel gin-
gen bijwonen, als wilden zij de oogen van
anderen tot zich trekken en eene onzuivere
-ocr page 402-
378                  DERTIGSTE HOOFDSTUK.
liefde in menig hart ontsteken. Tot zulk een
persoon sprak eertijds de H. Chrysostomus:
„Gaat gij wellicht als een hruid ter bruiloft?
Of\' gaat gij deswegen ter kerk, opdat de lie-
den uwe schoonheid en ijdele pracht zouden
bewonderen? Indien gij u echter naar de kerk
begeeft, om God ootmoedig om vergeving te
bidden, waarom schikt gij u dan zoo op? Dat
is immers geene kleeding voor eene rouw-
moedige zondares! Verre van vergeving te
bekomen, vermeerdert gij daardoor uwe zon-
den en trekt de wraak Gods over u".
8.  Immers, zulke personen doen gemeenlijk
veel meer kwaad dan goed in de kerk, dewijl
zij oorzaak zijn, dat vele manspersonen veel
meer op haar dan wel op het altaar letten,
zich aldus in hare schoonheid verlustigen,
vrijwillig in het gebed verstrooid zijn en wei-
dra tot onkuisclie begeerten geraken. „Dus-
danige vrouwen, zegt de H. Hieronj\'mus, bie-
den den manspersoon gift aan, al ware er
slechts een enkele, die het drinken wilde".
En daarom zijn zulke weelderig opgetooide
vrouwspersonen bezwaarlijk van doodzonde te
verontschuldigen. Een gift! ja voorwaar, en
dat in de kerk! en dat onder het H. Misof-
fer! „Ja, hoe meer zij van de menschen ge-
prezen worden, zegt de H. Ambrosius, hoe
meer zij van God worden veracht en gebaat".
Ja, God heeft eenen afschuw van haar en
stopt zijne ooren voor hare gebeden.
9.  Thomas van Cantimpre, wijbisschop van
-ocr page 403-
OVER DEN EERBIED IN DE H. MIS. .\'379
Kamerijk, verhaalt ons, dat in de Nederlan-
den een knaap van ruim zeven jaren zich met
•zijne prachtig gekleede moeder ter kerke be-
gaf; aldaar vielen zijne oogen op een kruis-
beeld, hetwelk hij aan zijne moeder met den
vinger toonde, zeggende: Zie, lieve moeder,
hoe Christus geheel naakt, aan het kruis hangt
en geheel besproeid is met zijn H. bloed. Gij
echter, gij schaamt u niet Hem ten spot met
•zulke prachtige kleederen de H. Mis te ko-
men hooren. Zie toe, dat gij met uwe weel-
derige kleederen niet voor eeuwig in de hel
gestort wordt. Deze woorden kwamen de moe-
der niet anders voor, dan alsof God zelf\' ze
door den mond van \'t kind tot haar gespro-
ken had, daarom ijlde zij naar huis, ontdeed
zich van al haren tooi, kleedde zich voortaan
•zedig, en na den dood van haren man trad
zij in de orde van den H. Bernardus. De
woorden van dien knaap moesten alle we-
reMsche vrouwen zeer ter harte nemen en zij
dienden er wel voor bezorgd te zijn, opdat
zij om al hare nieuwe, vaak ergerlijke modes
niet voor eeuwig verloren gaan.
10 Deze bedreiging kan aan u, o ijdele,
wereldsche vrouwen, zeer gemakkelijk vervuld
worden, en is reeds waarschijnlijk bij velen
van uws gelijken bewaarheid geworden. Want
de weelderige kleederpracht is een grootere
zonde, dan gij wel meent. Ja, zij is eene
zonde, welke zelden vergeven wordt, dewijl
zij schier door niemand oprecht wordt be-
-ocr page 404-
380                 DERTIGSTK HOOFDSTUK.
treurd, gebiecht en er weinigen zicli van be-
teren. Wanneer gij u ook in de biecht be-
schuldigt u al te ijdel gekleed en daarin een
bijzonder welgevallen gehad te hebben, is deze
zonde u nochtans zelden leed en gij denkt er
ook niet aan die ijdele pracht vaarwel te zeg-
gen of u te beteren, en daarom wordt deze
zonde zoo moeielijk vergeven. Om deze zonde
dan beter te kunnen betreuren, betracht voor-
eerst hoeveel tijd gij aan uw ijdele versier-
selen besteedt, welk een behagen gij in uw
optooisel schept, welke vreugde gij smaakt als
anderen uwen opschik prijzen, hoeveel per-
sonen gij daardoor ergert en bekoort om u
na te volgen, hoevelen van uws gelijken er
zijn, die wegens geldgebrek u niet navolgen
kunnen, en die gij hierdoor tot afgunst, nijd
en wellicht tot onrechtvaardigheid aanzet;
eindelijk, hoevele manspersonen gij hiertoe tot
eene onzuivere liefde, ja zelfs tot ontucht
brengt. Geene van al die zonden wordt door
u geacht, geene genoegzaam betreurd of ge-
biecht. Zoo leeft en sterft gij dan in al die
zonden; verschijnt gij voor den Goddelijken
Rechter en wie zal het groot gevaar ontken-
nen, waarin gij u bevindt, van eeuwig ver-
loren te gaan?
-ocr page 405-
I. AANHANGSEL.
Over den eerbied der Kerke verschuldigd.
Dewijl deze stof\' van zoo groot nut is, zal
liet niet onpassend zijn, hierop nog eens even
terug te komen.
1. Ofschoon God overal onze gebeden en
smeekingen aanhoort, hetzij wij Hem onzen
nood klagen in onze huizen, hetzij wij te
midden van onzen arbeid het hart tot Hem
verheffen, is het nochtans voornamelijk in de
kerken en bijzonder gedurende het H. Sacri-
ficie der Mis, dat Hij er behagen in neemt,
rijkelijk zijne genaden uit te deelen. Daarom
worden onze kerken huizen des gebeds ge-
noemd, omdat zij bijzonder aan het gebed zijn
toegewijd, en wij aldaar aan de bron van alle
genade naar welgevallen kunnen putten. Daar-
enboven zijn onze kerken heilige plaatsen, de-
wijl zij, gelijk wij reeds vroeger aanstipten,
door verschillende gebeden , ceremoniën en
zalvingen door den bisschop aan den Aller-
hoogste zijn toegewijd, als een huis des ge-
beils, als de plaats van \'t Sacrificie, van
lofzang en van godsdienstigheid, als eene
schatkamer van menigvuldige geestelijke en
-ocr page 406-
382
I. AAXHAXGSKL.
tijdelijke weldaden; weshalve zij dan ook eenen
bijzonderen eerbied van ons vorderen. De Kerk
viert jaarlijks de gedachtenis dezer heiliging
op het leest der kerkwijding, naar het voor-
beeld van hetgeen oudtijds gebeurde niet den
prachtigen tempel te Jeruzalem, op bevel van
koning Salomo. Het zal diensvolgens niet on-
passend zijn hiervan met een enkel woord te
gewagen , ten einde ons zooveel te meer van
den heiligen eerbied voor onze Christelijke
kerken te doordringen.
Deze tempel was een meesterstuk van bouw-
kunst, die alle gebouwen der gansche wereld
in pracht en heerlijkheid overtrof, en de
eerste tempel, die aan den waarachtigen God
werd toegewijd. Dit was de heiligste plaats
der wereld en de eenigste , waar het den
Joden geoorloofd was, offeranden aan God op
te dragen. Ook is het onmogelijk zich een
denkbeeld te vormen van de plechtigheid dei-
inwijding van dezen prachtrollen tempel. De
duizende slachtoffers, welke er werden opge-
dragen, en door het vuur, dat plotselijk van
den hemel daalde, verslonden werden; de ma-
jesteit Gods , welke zich op eene zichtbare
wijze in eene wolk vertoonde, dit alles was
een teeken, dat God zich deze plaats had uit-
gekozen. om er Zijnen naam geëerd en ge-
heiligd te zien.
2. In den omgang van dit prachtig ge-
bouw , dat Salomo aan de majesteit van den
God zijner voorouders toewijdde, verkoos zich
-ocr page 407-
EEBBIEI) DEK KKliKK VERSCHULDIGD. 385
God de afgelegenste plaats, liet heilig der
heiligen genaamd. De eigenlijke tempel was
trouwens verdeeld in twee deelen: Het heilig
en het heilig der heiligen. Daarenboven waren
er drie voorhoven. In het eerste mochten de
vreemdelingen en heidenen binnentreden , die
zich in de wet van het joodsche volk wilden
laten onderwijzen. Het groote voorhof\' was
voor de Israëliten bestemd, en alvorens zij.
deze plaats, schoon nog ver van het heilig-
dom verwijderd, durfden naderen, moesten zij
zich toch eerst zuiveren, door allerhande ge-
beden , vasten en boetplegingen bij de wet
voorgeschreven. Verder was er nog het voor-
hof der priesters, waar het brandoffer-altaar
zich bevond. In het heilig, het kortste bij het
eigenlijk gezegde heiligdom , mochten enkel
de joodsche priesters binnentreden , om er
hunne offeranden op te dragen ; ieder Israëliet,
die het zoude genaderd hebben , moest ae-
steenigd worden als een heiligschender; en de
vermetele Ozias, meenende in zijne hoedanig-
heid van koning van Israël, in deze plaats
wierook op te offeren , werd op het oogen-
blik met melaatschheid overdekt, van zijn
koningschap afgezet en zijn geheel leven lang
van het gezelschap der menschen gescheiden.
Eindelijk , na de opgenoemde afdtelingen
verscheen het heilig der heiligen. Deze zoo
vervaarlijke en heilige plaats was door een
ondoordringbaar voorhangsel van het overige
des tempels gescheiden; de ingang er van
-ocr page 408-
Ü84
I. AANHANGSEL.
was aan ieder sterveling verboden , zelfs aan
ieder priester des Heeren, uitgenomen aan den
Hoogen Opperpriester, die slechts eenmaal in
het jaar, na veelvuldige godsdienstige zuive-
ringen en plechtigheden, deze zoo schrikkelijke
plaats durfde binnentreden , om er op het
altaar der verzoening het offerbloed te plengen.
En nochtans, wat maakte deze joodsche
tempel, of eerder het heilig der heiligen, zoo
ontzaglijk eerbiedwaardig ? Ach, het was slechts
de ark des verbonds, met het fijnste goud
overtogen, eene kist, waarin opgesloten waren
de tafelen der tien geboden, welke Mozes van
God op den berg Sinaï ontvangen had. Dit
was voorzeker een zeer eerbiedwaardig voor-
werp; maar Christenen, wie gij zijt, laat toe,
dat ik u vraag: Wat bezitten wij katholieken
dan in onze kerken? Ondervragen wij ons
geloof? Wie berust in dat heiligdom? Wat
behelzen onze tabernakelen? Wie wordt daar
dagelijks op duizenden plaatsen der wereld op-
geofferd ? Immers, gij weet het zeer goed.
Het is Jezus Christus met zijne Godheid en
menschheid, de levende ark van het Nieuwe
Verbond, waarvan de oude slechts een flauw
afbeeldsel was. Jezus Christus, de stichter der
wet zelf, dezelfde, die aan de rechterhand
Gods gezeten, eens de levenden en dooden zal
komen oordeelen, Jezus Christus zelf rust op
onze altaren, en draagt er zich dagelijks door
de handen der priesters voor de zonden der
wereld aan zijnen Hemelschen Vader op. De-
-ocr page 409-
•EERBIED DER KERKE VERSCHULDIGD. 385
zelfde liefde, welke hem noopte voor ons in
•eene kribbe geboren te worden, en welke hem
den schandelijken dood des kruises deed ster-
ven , dringt Hem in het H. Sacrament des
altaars onder ons te verblijven, zoodat wij met
veel meer reden dan het joodsche volk kunnen
uitroepen, dat er geen natie is , welke haren
God zoo dicht bij zich heeft als de Christenen.
Daar verbergt hij zijne Godheid , zijne al-
niacht, zijnen luister en glorie onder de een-
voudige gedaante van brood , daar blijft Hij
dag en nacht opgesloten, gehoorzaamt aan de
stem des priesters en laat zich brengen, waar
deze wil; daar verwacht Hij onze gebeden en
verlangt zoo vuriglijk zich aan de menschen
te geven tot spijs hunner zielen.
Toen God aan Mozes verscheen in het
brandend braambosch , beval Hij hem zijne
schoenen uit te doen, want, zeide de Heer, de
plaats, waarop gij staat, is heilig. Indien God
aldus sprak tot het hoofd van het joodsche
volk, zoude Hij dan wel niet met meer reden
tot ons kunnen zeggen: Christenmensch, wie
gij zijn moogt! koning, vorst of bedelaar, ver-
neder u, de plaats, waar gij staat, is heilig:
heilig, door de wezenlijke tegenwoordigheid
van God zelven, die in onze kerken dagelijks
wordt geslachtofferd; heilig, door zoovele dui-
zenden Engelen , die zijnen troon omringen ;
heilig, door de sacramenten, welke gij er
•ontvangt; heilig, in alles wat uwe oogen om-
ringt.
Veikl. d. H. Mis.                                                    gg
-ocr page 410-
38(5
I. AANHANGSEL.
Met welke gevoelens van eerbied , gods-
vrucht en dankbaarheid moeten wij dan niet
doordrongen zijn , wanneer wij in onze ker-
ken het allerheiligste Sacrificie der Mis bij-
wonen ! Hoe zuiver moeten onze harten niet
zijn, om in de tegenwoordigheid te verschij-
nen van den driemaal heiligen God, voor wien.
de Engelen sidderen en beven !
Het is dus niet te verwonderen, dat de H.
Kerk, in de eerste eeuwen van het Christen-
dom, doordrongen van eerbied voor Gods on-
eindige en ontzaglijke majesteit, die in onze
kerken woont, zooveel voorzorg gebruikte, om
de harten der geloovigen te zuiveren van alle
vlekken der zonde, voor dat zij deze heilige
plaatsen durfden naderen, en het vreeselijk
geheim des Misoffers bijwonen. Daar vertoon-
den zich onder andere zondaars, die vermaarde
boetelingen, welke, bezwijkende onder de he-
vigheid der kwellingen, een oogenblik van
hunnen godsdienst waren afgevallen , maar
weldra met een diep leedwezen tot hunnen
God waren wedergekeerd. Allen droegen nog
de merkteekens van den strijd: dezen was
een oog uitgerukt; anderen een arm of hand
afgekapt; een derde, die jaren lang in eenen
afgrijselijken kerker had opgesloten gelegen r
met een lichaam vol wonden; zij waren veel-
eer medelijden dan straf waardig, zegt de H.
Cyprianus, want het bloed vloeide nog uit
hunne wonden, die zij wegens hunne stand-
vastigheid in het geloof\' ontvangen hadden.
-ocr page 411-
EERBIED DER KERKE VERSCHULDIGD. 387
Hun hoofd met asch bestrooid, en met haren
zakken omgord, lagen zij daar nedergeknield
aan den ingang der kerk, de geloovigen, die
in- en uitgingen, om vergiffenis smeekende
wegens de ergernis die zij gegeven hadden,
en om wederom deelachtig te kunnen worden
aan de H. mysteriën. Gelukkig nog indien zij,
na lange jaren aldus gezucht en geweend te
hebben, wederom met hunne broeders en
zusters in Christus konden deelnemen aan de
vergaderingen der geloovigen, en zij niet meer
die verschrikkelijke vervloekingen over hen
hoorden nederkomen: „Verre van deze gehei-
ligde muren de afgodendienaars, de onzuiveren,
de godslasteraars, de heiligschenders en al
wat niet heilig is. Sancta sanctis, heilige
zaken zijn alleen voor heilige menschen !"
Al deze zondaars moesten soms vijf tot tien
jaren en dikwijls nog langer openbare boete
doen, alvorens zij het H. Sacrificie der Mis
mochten bijwonen en aan de vergaderingen
der geloovigen deelnemen.
Indien de kerk hare tucht heeft verzacht,
indien zij thans aan ieder zondaar het recht
geeft Gods huis binnen te treden, en het H.
Hacriticie der Mis bij te wonen, is dit niet,
omdat zij deze plaats minder eerbiedwaardig
acht dan in vroegere tijden , maar enkel om
de zondaars , op het voorbeeld van die ver-
maarde boetelingen, tot boetvaardigheid over
hunne zonden op te wekken . ten einde de
noodiye genade en sterkte te bekomen om
-ocr page 412-
3SS
1 AANHANGSEL.
hunne bedorven driften te beteugelen en aan
de menigvuldige bekoringen te wederstaan.
Indien de oversten der Kerk dus niet meer
de zondaars wegens hunne zonden en boos-
lieden den ingang tot de kerk verbieden, vor-
deren zij nochtans, dat zij met behoorlijken
eerbied, met een rouwmoedig hart tot de H.
mysteriën naderen, welke er dagelijks gevierd
worden. Moet \'t oneerbiedigheid heeten en dus
strafwaardig zijn, als men met eene ziel, door
de doodzonde bezoedeld, in de tegenwoordig-
heid van de Heiligheid zelve verschijnt, zon-
der het minste berouw of voornemen zich te
beteren; wat bereidt gij dan niet in uwen
toorn, o groote God! voor diegenen, die, ter-
wijl de priester bezig is het Lam Gods als
slachtoffer voor de zonden der wereld aan den
Hemelschen Vader op te dragen, deze heilige
plaatsen en het uur zelf dier aanbiddelijke
geheimen uitkiezen, om aldaar te praten, te
lachen , hunne oogen overal te laten rond-
z\\verven,ja, aldaar zelfs duiwen te verschijnen,
om hunne schandelijke driften te voldoen,
hunne oogen te laten zwieren op gevaarlijke
voorwerpen, aldaar hunnen geest met de schan-
digste gedachten en ontuchtige begeerten te
komen verzadigen ; die er gelegenheden komen
zoeken, welke de wellevendheid of het waak-
zaam oog hunner ouders of oversten hun
elders zouden verbieden, ten einde er misschien
die personen terug te vinden, die in hunne
harten reeds eene onzuivere liefde hebben ont-
-ocr page 413-
EERBIED DER KERKE VERSCHULDIGD. 389
stoken! Wat zal het zijn, o groote God! uwe
tegenwoordigheid zelve uit te kiezen, om zoo-
veel te gemakkelijker te zondigen , en uwe
tempels zelven te doen dienen tot eene ver-
gaderplaats van allerhande euveldaden ! Welke
boosheid, o Jezus! U opnieuw te komen krui-
sigen door dergelijke oneerbiedigheden op de-
zelfde plaats, waar Gij U dagelijks voor ons
aan Uwen Hemelsclien Vader opoffert, en van
Uwe tegenwoordigheid zelve eene aanleidende
oorzaak tot hunne verdoemenis te maken!
Schenden deze niet veel meer de heiligheid,
den eerbied aan het H. Misoffer verschuldigd,
dan eertijds de Joden in den tempel van Je-
rusalem ; en verdienen zij niet veeleer uit de
kerk verbannen te worden, en van den Zalig-
maker dezelfde harde berispingen te hooren ,
welke Hij die heiligschenders toestierde, zeg-
gende: ,,Er is geschreven: Mijn huis is een
huis des gebeds, doch gij hebt er een roovers-
hol van gemaakt!"
Wat zal ik hier nog bijvoegen? Jongelieden!
die dit leest, die de gewoonte hebt u bijna
altijd onstichtig in het huis van God te ge-
dragen, wat zal ik u nog zeggen? Ach! zegt
bij u zelven, op uwe borst kloppende, en met
bloedige tranen den goeden God, die u nog
zoolang gespaard heeft, om vergiffenis smee-
kende: Mijn God woont in deze heilige plaats,
en ik, ik ben zoo dikwijls voor zijne oogen
komen ten toonstellen de uitzinnige pracht
van mijnen hoogmoed en ijdelheden om de
-ocr page 414-
:*90
I. AANHANGSEL.
oogen van anderen op mij te trekken, als op
eenen opgesinukten afgod! Mijn God rust in
deze H. Tabernakelen , en ik , ik heb Hem
zoo menigmaal durven versmaden door mijne
oneerbiedigheden, mijne onbetamelijke houding
en door mijn trotsch gelaat, alsof het voor
mij te veel was nauwelijks een knie voor die
ontzaglijke Majesteit te buigen ! Mijn God
wordt dagelijks op eene onbloedige wijze al-
hier geslachtofferd , en ik ellendige , ik heb
mij verstout in zijne tegenwoordigheid te
praten, te lachen, allerhande onbetamelijkhe-
den te bedrijven; ik heb, helaas! zijne heilige
geheimen bijgewoond met een hart vol ver-
strooidheden, vol wereldsche bekommernissen
en ijdelheden! Ach, mijn God, wat heb ik ge-
daan V Indien de fakkel des geloofs niet ten
eenenmale in ons hart is uitgedoofd, met
welke gevoelens van leedwezen moet ik dan
niet doordrongen zijn, zoo dikwijls ik in uwe
tegenwoordigheid verschijn om aan uwe H.
mysteriën deel te nemen?
Het bovenstaande is reeds meer dan ge-
noeg om u van den noodzakeljjken eerbied
onder de H. Mis en de kerkelijke diensten te
overtuigen ; niettemin , omdat dit wezenlijk
eene hoofdkwaal is van onzen tijd , en men
schier overal, zoowel in dorpen als in steden,
vele lichtzinnigen aantreft, die in de kerk, of
zelfs in de Mis verschijnen , alsof zij bij een
schouwspel tegenwoordig waren . wil ik deze
stof nog een weinig ontwikkelen en op de
-ocr page 415-
EERBIED OER KERKK VERSCHULDIGD. 391
meest tastbare wijze, aan iedereen verstaan-
baar maken.
Het is immers eene groote oneer en belee-
diging , <als men een aanzienlijk persoon met
de grootste stoutmoedigheid op weg of op
straat oneerbiedig bejegent, versmaadt of be-
spot; maar datzelfde te doen in zijn eigen
huis, is onvergelijkelijk erger. Indien die per-
soon nu een koning of vorst ware, is de ver-
smading zooveel te grooter , en zoude men
zich plichtig maken aan gekwetste majesteit;
want de mate der beleediging wordt altijd
berekend naar de waardigheid van den per-
soon, die beleedigd wordt. Zoo is het insge-
lijks groot kwaad, op straat of in de herber-
gen God te vergrammen , hetzij door inwen-
dige of uitwendige zonden; maar zonden te
bedrijven in zijn eigen huis, in zijnen tempel,
in zijne tegenwoordigheid , is onvergelijkelijk
veel erger, en waarom? Om de heiligheid dei-
plaats zelve, die duizendmaal eerbiedwaardiger
is, dan al de paleizen der koningen en vorsten
dezer aarde; omdat onze kerken de woon-
plaats zijn van eenen God, de troon van zijne
Opperste Majesteit, alwaar Hij van duizenden
Engelen omringd is.
Hoe is het dan mogelijk zoovele Christenen
aan te treifen , die met zoo weinig eerbied
verschijnen in zulk eene heilige plaats! AVelk
schandaal geven deze Christenen niet, en hoe
menig, vooralsnog braaf godvreezend jongeling,
wordt door zulke menigvuldige slechte voor-
-ocr page 416-
392                         ï. AANHANGSEL.
beelden medegesleept, dat hij uit een ellendig;
menschelijk opzicht, nauwelijks de knieën,
meer durft buigen, wanneer de H. hostie wordt
opgeheven. Indien de Turken, die dikwijls in
hunne moskeeën plat op de aarde liggen uit-
gestrekt, uit eerbied voor het Opperwezen, in
onze kerken tegenwoordig waren, welken eer-
bied zouden zij kunnen opvatten voor onze
verheven mysteriën, cils zij de onverschillig-
heid zagen, waarmede zich vele Christenen in
onze kerken gedragen ? Maar wat moet men
ook over dusdanige Christenen oordeelen ? Is
men niet gerechtigd te besluiten, dat zij geen
geloof hebben en veel beter deden uit de kerk
te blijven dan anderen door hun slecht gedrag
nog ten ergste te komen ontstichten; dat hun
geloof lager gedaald is dan dat der helsche
geesten , waarvan de apostel Jacobus zegt r
De duivelen gelooven, maar sidderen. Maar
ook , wat hebben dusdanige Christenen niet
te verwachten van de wrekende hand Gods,
en met welke gestrengheid zal Hij niet alle
ouders en oversten behandelen , die met de
grootste onverschilligheid zulk een gedrag
van hunne onderhoorigen aanzien V
Als Ozee, in het Oude Verbond, met eenige
vermetelheid zijne hand had uitgestoken, om
de ark des verbonds het vallen te beletten, is
hij sianstonds met den dood gestraft gewor-
den; zoo werden ook meer dan 50.000 Beth-
samieters niet eenen haastigen dood gestraft,,
alleen omdat zij ze met al te groote nieuws-
-ocr page 417-
EERBIED DER KERKE VERSCHULDIGD. 39$
gierigheid hadden aanschouwd. En nochtans,,
wat was die geheimzinnige ark? Slechts een
zwak beeld van ons heilig der heiligen, van
den God van alle majesteit, die in onze ker-
ken met zijne Godheid en menschheid wezen-
lijk tegenwoordig is.
Meent gij misschien, dat God zich die on-
eer niet meer aantrekt, of dat Hij die oneer,
die beleediging, zijn eigen lichaam en bloed
aangedaan, hedendaags minder zal wreken dan
die, welke eertijds de ark des verbonds werd
aangedaan ? Schijnt het, dat Jezus nu al die
oneerbiedigheden niet ziet, zich deze niet aan-
trekt, dat Hij alles met de grootste lankmoe-
digheid verdraagt: „Silui patiens fui, Ik
heb gezwegen, zegt Hij door den mond van
den profeet Isaïas, Ik heb alles geduldig ver-
dragen ; maar de tijd zal komen dat Ik mijn
wraak zal uitoefenen; dis si pabo e tabs o r-
b eb o si mul, Ik zal ze verstrooien en ze te
zamen verzwelgen".
Inderdaad, de oneerbiedigheden in het huis
Gods bedreven, hebben den H. Chrysostomus
zoo schromelijk geschenen , dat hij zich niet
genoeg konde verwonderen, hoe die schenders
van Gods huis, niet door den bliksem ver-
pletterd werden. Streelt u dus niet, wie gij
zijt , die u op eene oneerbare wijze in het
huis van God gedraagt, omdat gij geene straf-
fen ondervindt, omdat gij wel vaart naar het
tijdelijke; vreest veel meer, dat gij niet ver-
dient in dit leven gestraft te worden, dat
-ocr page 418-
394
1. AANHANGSEL.
uwe zonden de gramschap Gods al te zeer
hebben getergd, en dat Hij zijne straffen uit-
stelt tot den dag der wraak, om u in alle
eeuwigheid de uitwerksels van zijne rechtvaar-
dige verbolgenheid te doen ondervinden.
De H. Augustinus bemerkt, dat de oneer-
biedigheden in het huis van God de eenige
zonden zijn, welke God zelf wil straffen. Als
Adam gezondigd had in het paradijs, zond Hij
eenen Engel om hem daaruit te verdrijven;
als de inwoners van Sodoma en Goinorrha
zich besmeurd hadden met de afgrijselijkste
monden van onzuiverheid, zond God eenen
Engel, om over die goddelooze steden eenen
regen van solfer en vuur te doen nederstor-
ten ; als üavid gezondigd had , zond Hij den
profeet Nathan om hem te berispen, en eenen
Engel om 70,000 menschen met de pest te
straffen.
Maar als er sprake is van oneerbiedigheden
te straffen in zijn eigen huis, dan straft Hij
deze als een smaad, onmiddellijk zijne Godde-
lijke Majesteit aangedaan. Immers, toen de
koning Balthazar eertijds de heilige vaten uit
den tempel van Jeruzalem onteerde, verscheen
er eensklaps eene verschi\'ikkelijke hand op
den muur van de zaal, alwaar hij toen een
groot gastmaal gaf\', het vonnis van dezen god-
deloozen koning neerschrijvende met deze drie
woorden: Mane, geteld heeft God uw rijk
en een einde daaraan gemaakt; The cel, ge-
wogen zijt ge op de waag , en te licht be-
-ocr page 419-
EERBIED DER KERKE VERSCHULDIGD. 395
vonden; P har es, verdeeld is uw koninkrijk
en den Mediërs en Perzen gegeven. Wiens
hand was dat ? Het was de hand van niemand
anders dan van God zelven, die zelf wraak
nam op dezen goddeloozen vorst; en nog den-
zelfden nacht werd zijn paleis door de vijan-
den overrompeld en Balthazar vermoord. O !
hoe schromelijk is het te vallen in de handen
van den levenden God! Hoe vele onvoorziene
sterfgevallen, die maar al te dikwijls gebeu-
ren ; wie weet, groote God! of gij ze soms
niet overzendt tot straf van die goddelooshe-
den , van al die oneerbiedigheden en heilig-
schennissen, in uwen tempel bedreven !
En hebben wij hiervan niet een treffend
voorbeeld in het Evangelie, hoe de Zaligma-
ker door eenen heiligen ijver ontstoken , om
de eer van het huis zijns Hemelschen Vaders
te wreken , zelf den tempel van Jeruzalem
binnentrad, en al de onteerders met zweepen
•er uitdreef. Hij schijnt alle andere zonden
over het hoofd te zien; Hij vergramt zich
slechts , en straft die alleen , welke zich on-
eerbiedig gedroegen in Gods tempel. Wat was
intusschen deze tempel, vergeleken met onze
kerken ; wat waren de offeranden der Joden ,
vergeleken met de hoogwaardige offerande der
Nieuwe Wet? Niettemin, indien Jezus, die de
zoetaardigheid zelve is, en de grootste zonda-
ren altijd vol goedheid en liefde ontvangt,
zoo streng hier heeft gehandeld, welke wraak
zal Hij dan eens nemen over zoo vele godde-
-ocr page 420-
396
I. AANHANGSEL.
loosheden en oneerbiedigheden, welke, helaas!
maar al te dikwijls in onze kerken geschieden,
om aldaar andermaal Zijn dierbaar bloed met
voeten te treden, en Hem wederom opnieuw
in het hart te komen kruisigen V
Oordeel nu zelf, of het niet ten uiterste
pijnlijk moet zijn voor Jezus, zoo kwalijk in
zijn goddelijk paleis onthaald te worden, niet
door heidenen of\' ketters , niet door ongeloo-
vigen, maar door zijne huisgenooten, door zijne
kinderen zelven. Het is dan niet zonder reden,
dat de Heer zich hierover zoo bitter beklaagt
door den mond van den profeet Jeremias:
immers, dat heidenen zijn huis onteeren , dat
is eenigszins dragelijk; maar dat Christenen,
dat de geloovigen aldus handelen, dit is hard,
dit is pijnlijk, dit is ondragelijk!
De H. Lnurentius Justinianus zegt: Als
Christus op het altaar geslachtofferd wordt,
roept Hij tot zijnen Hemelschen Vader, Hem
de wonden toonende, die Hij voor de zondaars
ontvangen heeft; maar als de mensch aldaar
zijnen God durft tergen, op die plaats zelve,
zoo geschikt om hem te verzoenen , wat is
dat anders , dan zich den weg der barmhar-
tigheid sluiten, dan zich de wraak Gods over
het hoofd trekken?
Als de Joden eertijds den tempel van Je-
rnsaleni hadden onteerd, zeide God tot den
profeet Jeremias: Wil niet bidden voor het
volk, want ik zal u niet verhooren. Maar
waarom dan, o Heer! Is het misschien om
-ocr page 421-
EERBIED DER KERKE VERSCHULDIGD. 397
hunne onrechtvaardigheden, dronkenschappen
of onkuischheden? Neen , zegt God, zij heb-
ben ergernis gegeven in het huis, waar mijn
naam aangeroepen wordt, en dat zal Ik nooit
vergeven. Non pa reet oculus meus, nee
miserebor, ik zal ze straffen in mijne ver-
bolgenheid, zij zullen geene barmhartigheid
verwerven , maar schrikkelijke straften zullen
over het geheele land nederdalen. Wordt een
rijk soms gestraft met oorlog, pest, ziekten,
hongersnood: Ultio Domini est, het is
de wraak Gods, zegt de profeet; ultio,
templi sui, het is de wraak van zijnen
tempel om de oneerbiedigheden te straffen,
welke in zijn heilig huis bedreven worden.
Wat is de oorzaak, dat zoo vele zondaars ver-
steend en ongevoelig blijven in hunne boos-
heid, de godsdienst versmaden , de priesters
verachten, het woord Gods bespotten? Is het
niet de rechtvaardige hand Gods, die ze
straft? Komen zij Zondags naar de kerk, het
is uit gewoonte; zij verschijnen er in staat
van doodzonde en zoeken zelfs gelegenheid er
weer nieuwe te bedrijven. Geen wonder, dat
zij niet van God verhoord worden , dat zij
schuldiger naar huis wederkeeren, en dat, ge-
lijk David zegt, hun gebed zelf hun tot zonde
zal toegerekend worden.
Vergiffenis dan , o groote God! vergiffenis
voor ons allen, die misschien door zoovele on-
eerbiedigheden den geloovigen tot ergernis
verstrekt hebben. Wij hebben gezondigd, o
-ocr page 422-
398                         I. AANHANGSEL.
Heer, wij hebben de nrk van uw testament
ontheiligd, de oneerbiedigheden van uw volk
hebben uwen naam doen lasteren onder de
volkeren , die U niet kennen. Maar Gij hebt
ook gezworen, o groote God, uwe gramschap
te laten stillen door onze tranen en zuchten.
Spaar dan , o Heer , spaar uw volk, dat gij
door uw dierbaar bloed hebt vrijgekocht ,
vergeet al zijne oneerbiedigheden; het zal ze
altijd indachtig wezen , om ze meer en meer
te beweenen en naar krachten te herstellen.
Ja, wij zullen ze herstellen door ons innig
leedwezen en droefheid , door de diepste in-
getogenheid en godsvrucht onder dit aanbid-
delijk Sacrificie aan den dag te leggen , ja,
wij zullen dikwijls met den profeet David
uitroepen: Hoe zoet, o Heer, zijn uwe taber-
nakelen; een enkele dag daar doorgebracht
is meer waard dan duizend in de paleizen
der koningen ! Dat ook mijne rechterhand ver-
droge, mijne tong aan mijn gehemelte kleve,
eer ik vergeten zal naar Ü te zuchten, en U
alhier dagelijks onder die verborgen gedaan-
ten te aanbidden, ten einde eens waardig be-
vonden te worden U van aanschijn tot aan-
schijn in den hemel te mogen bezitten!
-ocr page 423-
[gVfi ui u u u U )>i Ü i-J W WWTD u\'ug
II. AANHANGSEL.
Over den plicht op Zon- en Feestdagen de
H. Mis bij te wonen.
Dat is eene zware verplichting , welke op
ieder Christen rust, en ons uitdrukkelijk be-
volen wordt in het tweede gebod der H. Kerk:
,.En dan ook Mis-hooren met goede manieren".
Zonder gegronde redenen of\' noodzakelijkheid
hieraan te ontbreken, is dus zonder twijfel
zicli plichtig maken aan doodzonde. Immers,
dit is het bijzonderste werk van godsvrucht,
dat de Christenen kunnen verrichten, gelijk wij
in dit boek genoegzaam hebben uitgelegd,
en daarom schrijft de H. Kerk voor , de H.
Mis op de Zon- en Feestdagen bij te wonen;
zij gebiedt aan al hare kinderen , die tot de
jaren van verstand gekomen zijn, en ter kerke
kunnen komen , dat zij tegenwoordig moeten
zijn in de H. Mis en zij verlangt tevens dat
zij zullen tegenwoordig zijn in de parochie-
mis , ieder in zijne kerk, als dit gevoege-
lijk kan geschieden. Edoch, daar het niet
genoeg is, slechts met het lichaam in de
H. Mis tegenwoordig te zijn, gebiedt zij,
dat men ze zal hooren met goede manieren,
-ocr page 424-
400
II. AANHANGSEL.
dat is met aandacht, eerbied en godvruchtig-
heid. De H. Kerk verbiedt ons dus in haar
tweede gebod: 1. het verzuimen der H. Mis,
2.   het achterlaten van een merkelijk deel,
3.  de oneerbiedigheid en vrijwillige verstrooid-
heid.
1. Van de tijden der apostelen af heeft de
Kerk altijd verlangd, dat de priesters ten
minste alle Zon- en Feestdagen de H. Mis
•zouden lezen , en dat de geloovigen daarbij
zouden tegenwoordig zijn. Zoo zien wij reeds
in de „Handelingen der apostelen" , dat de
•Chinstenen des Zondags vergaderden om de
gedachtenis te vieren van Jezus\' lijden en
dood, in het opdragen van het onbloedig offer
des Nieuwen Verbonds: „Op den eersten dag
der week nu (dat is op den Zondag) als wij
bijeengekomen waren om brood te breken".
Act. ap. xx. 7; door welk brood-breken de
geloovigen in dien tijd het H. Sacrament des
Altaai*s verstonden, dat onder het H. Sacrificie
der Mis werd uitgedeeld. De H. Kerk heeft
dit gebod dikwijls hernieuwd , als zijnde het
Mis-hooren het voortreffelijkste werk van
godsdienstigheid. Zij heeft het haren kinderen
opgelegd, wegens de menigvuldige voordeden
en overvloedige genaden, welke zij in de H.
Mis kunnen verwerven en de oneindige glorie,
welke God hierdoor ontvangt.
De H. Kerk heeft zich niet tevreden ge-
houden met hare kinderen te verplichten op
gemelde dagen Mis te hooren, zij heeft nog
-ocr page 425-
MIS-HOOltEN OP ZON- KN FKKSTDAGEX. 401
begeerd, dat zij, zooveel doenlijk, de parochie-
mis zouden bijwonen, omdat deze door hunnen
eigen herder voor de parochianen moet wor-
den opgedragen; en ook, opdat de schapen
\'zich niet hunnen herder in dit treffelijk werk
üouden vereenigen en des te beter naar zijne
stem zouden luisteren. Daarom zegt de kerk-
•vergadering van Trente, dat de bisschoppen
het volk moeten vermanen dikwijls naar hunne
parochie-kerk te gaan, bijzonder op de Zon-
dagen en voorname Feestdagen, en dat ieder-
een gehouden is, in zijne parochie het woord
Gods te hooren, als dit gevoeglijk kan ge-
schieden. Dit moeten zij bijzonder behartigen,
die gaan zoeken naar eene korte Mis zonder
onderwijzing, om alzoo in hunne zondige on-
wetendheid te blijven en in deze ongelukkige
gewoonte jaren en jaren lang te vertoeven ,
zonder ooit iets van het woord Gods te hooren,
gelijk het op sommige plaatsen het geval is;
zoo als zij, die uit wrevel of afgekeerdheid
jegens hunnen herder of andere zielzorgers,
hunne moederkerk zoeken te schuwen.
2. Men moet de geheele Mis hooren, dat
wil zeggen van het begin tot het einde. Hij,
die een klein deel verzuimt uit onachtzaam-
lieid, doet wel geene groote zonde, maar die
een voornaam en merkelijk deel achterlaat,
doet zeker doodzonde. Hij volbrengt het ge-
bod der H. Kerk niet, tenzij hij van zin is
«en tweede Mis te hooren en die ook werke-
lijk hoort. De drie voorname deelen der H.
Verkl. d. H. Mis.                                                      27
-ocr page 426-
402
II. AANHANGSEL.
Mis zijn: de offerande, de consecratie en de-
communie.
3.    Het gebod van de H. Kerk vereischt
verder, dat men Mis hoore met goede ma-
nieren, dat is met eerbied en aandacht. De
eerbied moet inwendig en uitwendig zijn. Den
inwendigen eerbied bezit bij, die in zijn hart
de gedachte gaande houdt, dat hij zich in het
huis (jods bevindt, dat hij voor den troon des
Allerhoogsten staat, om met den priester het
Lam zonder vlek, Jezus, te slachtofferen. De
uitwendige eerbied zal van zelf volgen uit den
inwendigen ; want, als men dit alles overdenkt,
is het niet mogelijk, of men zal ook uiterlijk
eene stichtende houding aannemen en met
den grootsten eerbied voor Gods troon neder-
knielen. De aandacht bestaat hierin, dat men
tijdens de H. Mis zich bezig houde met bid-
den, of niet andere godvruchtige overwegingen;
het beste is zich met den priester te veree-
nigen , om de H. Offerande op te dragen en
de verschillende deelen der H. Mis oplettend
te volgen. Hiertoe bieden de gebedenboeken
een geschikt middel, inzonderheid voor minder
geestelijke personen; nochtans kan men ook
andere gebeden lezen of het rozenhoedje bid-
den, gelijk reeds gezegd is.
4.   Gelijk de H. Kerk gebiedt, dat iedereen,
die tot de jaren van verstand gekomen is, op
doodzonde de H. Mis moet hooren op Zon-
en geboden Feestdagen, zoo verbiedt zij op
dezeltde straf, dit werk op gemelde dagen te
-ocr page 427-
MIS-HOOREN OP ZON- EN i\'EESTDAOEN\'. 403
verzuimen, of zonder wettige redenen achter
te laten. Zoo zijn de ouders dan verplicht
hunne kinderen Mis te doen hooren , zoo
haast zij tot de jaren van verstand gekomen
zijn. De wettige redenen, welke van het bij-
wonen der H. Mis kunnen verontschuldigen
zijn vooral de volgende :
a.   De eene of andere ziekte of merkelijke
ongesteldheid, zoodat men niet zonder groot
ongemak of gevaar de H. Mis kan bijwonen.
In twijfelachtige gevallen kan men den raad
van eenen braven en godvreezenden genees-
heer, alsmede van zijne geestelijke oversten of
andere voorzichtige personen inroepen.
b.   Die de zieken moeten oppassen of dienen,
en deze niet kunnen verlaten of zich niet door
anderen kunnen doen vervangen ; deze zullen
alsdan door andere gebeden of goede werken
dit verzuim trachten te vergoeden.
c.    De oude of gebrekkige lieden, die op
verren afstand van de kerk wonen, bijzonder
bij slecht weder; ook deze zullen trachten
door gebeden en andere godsdienstige oefe-
ningen de Zon- en Feestdagen te vieren
(/. Ieder andere gewichtige reden, welke
verbonden is met groot ongemak of merkelijke
schade, zoowel volgens de ziel als naar het
lichaam.
Dit zijn de voornaamste redenen, welke van
het niet Mis-hooren kunnen verschoonen.
Hoe vele flauwe Christenen vindt men noch-
tans, die om de geringste, vaak nietigste oor-
-ocr page 428-
404
II. AANHANGSEL.
zaak deze verheven offerande verzuimen! Het
geringste voorwendsel schijnt hun hiertoe vol-
doende. Moeten zij eene reis ondernemen, zelfs
niet eens uit noodzakelijkheid , of het een of
ander min gewichtig werk verrichten , dan
meenen zij genoeg redenen te hebben, om de
H. Mis te verzuimen en zich van dit groot
gebo;l, zonder de minste knaging van geweten,
te kunnen ontslaan.
Hoevele andere onverschillige Christenen
vindt men eveneens, die wel is waar nog de
Mis bijwonen, maar ze beschouwen als een
onverdragelijken last, die altijd zoeken naar
den priester die het spoedigst de H. Mis
leest, of bij voorkeur zulke Mis hooren, onder
welke geene preek of onderrichting gehouden
wordt; die achteraan, onder den toren of op
het kerkhof blijven staan, zich niet gewaar-
digen eene knie op den grond te zetten, die
niets doen dan rond kijken , gapen, omzien;
ja, die zelfs onder de voornaamste deelen zich
niet schamen te praten, te lachen ; die door
hun opschik in kleederen, door hun groeten
en oogwenken anderen nog ontstichten en
aanhoudend verstrooien! Ach, wij moeten be-
kennen, dat wij met al te gegronde redenen
Gods toorn en gramschap te duchten hebben ;
want zien wij van zijnen kant een teerhar-
tigen Vader, die ons de allerkrachtigste en
gemakkelijkste middelen aan de hand geeft,
om onze zaligheid te bewerken, van den kant
van een groot gedeelte zijner kinderen zien
-ocr page 429-
MIS-H00REN OP ZON- EN FEESTDAGEN. 405
wij niets dan verachting, versmading of on-
verschilligheid nopens dit uitdrukkelijk gebod.
Men hoort slechts morren en klagen tegen
de gezalfden des Heeren, tegen de herders
en zielzorgers, als de goddelijke diensten wat
lang duren , of de onderwijzing hun lastig
valt; zij denken niet eens na, dat dit meestal
voorkomt uit gebrek aan ijver en godsvrucht.
Ja, mijne Geliefden, het is omdat gij geenen
ijver gevoelt voor de glorie van God, omdat
gij de gewichtige zaak uwer zaligheid niet
beter behartigt, dat gij zoo onverschillig de
H. Mis bijwoont, en zelfs vrijwillig onder de
predikatiën de kerk verlaat, om soms dezen
tijd — o schande over u ! — in de herbergen
door te brengen, in plaats van uwe zielen met
Gods woord te voeden. Gij zijt onwetend tot
zelfs in de eerste noodzakelijke kennis van
onzen godsdienst, en ligt diensvolgens zonder
achterdenken als begraven in den afgrond van
zonden! Gij vreest, dat de onderwijzingen en
vermaningen van uwe zielzorgers uw gewe-
ten mochten wakker schudden en de gewe-
tensknagingen uwe gevaarlijke rust mochten
storen ! Gij zijt genegen tot alle soort van
beuzelingen en ijdel tijdverdrijf, en daarom
schijnt het u lastig een uurtje in de H. Mis
tegenwoordig te zijn. O, gierige mensch, ten
opzichte van uwen milddadigen God ! Hij is
dag en nacht bezig met uw leven en ge-
zondheid te bewaren , met de geheele wereld
voor u te bestieren, met uwe granen en
-ocr page 430-
400
II. AANHANGSEL.
vruchten te doen groeien op uwe velden , en
gjj zult het voor al te lastig aanzien , dien
grooten (iod nauwelijks een uurtje te schen-
ken . om aan zijne ontzaglijke Majesteit het
allerhoogwaardigste Sacrificie op te offeren ;
eene offerande die Hem zoo aangenaam is, en
het zekerste middel om zijne weldaden waardig
te vergelden, uwe zondige ziel met Hem te ver-
zoenen, en van Hem alles af te smeeken, wat
gij volgens ziel en lichaam noodig hebt.
De H. Antonius verhaalt ons van tweejon-
gelingen, die op eenen Heiligdag gingen jagen,
van welke een Mis gehoord had, dat er plot-
selijk een geweldig onweder opgekomen zijnde,
de een door den bliksem verpletterd werd, en
de andere gespaard bleeft, en dat er eene stem
gehoord werd , te kennen gevende, dat deze
gespaard was gebleven , omdat hij tot het
laatste toe in de Mis was tegenwoordig geweest.
Verzuim dan toch nimmer dit H. Sacrificie
ten minste op Zon- en Heiligdugen bij te
•wonen , wees er altijd in tegenwoordig van
het begin tot het einde, zonder ooit een mer-
kelijk deel achter te laten, en steeds met zulk
een eerbied en aandacht, als de heiligheid van
de plaats en van het Sacrificie vereischt; volg
aandachtig den priester in zijne gebeden, draag
met hem het dierbaar lichaam en bloed van
Jezus aan zijnen Hemelschen Vader op, en gij
zult deelachtig worden aan al die vruchten en
verdiensten, zoo dikwijls in dit boek vermeld.
< i ij werkt trouwens zes dagen , meestal voor
-ocr page 431-
MIS-HOOltEN OP ZON- EN FEESTDAGEN. 407
anderen, voor uw huisgezin; werk ten minste
des Zondags voor uwe onsterfelijke ziel. Gij
houdt u gedurende zes dagen bezig met uwen
handel en rekent af met uwe schuldeischers;
maak des Zondags uwe rekening met God. Gij
bouwt het land en bereidt de aarde; o bereid
dan des Zondags ten minste met vlijt den akker
van uwe ziel, maak dat geestelijk veld vrucht-
baar voor het zaad van Gods woord, opdat het
u vruchten oplevere voor de eeuwigheid. Jonge-
lieden, is het u ernst de zonden te vlieden en uwe
onschuld te bewaren, heiligt den dag des Heeren!
Zoolang gij met innig genoegen het klokken-
gelui hoort, zoolang gij in den tempel met uwe
broeders en zusters in vreugde nederknielt, zoo-
lang zullen de duivel, de wereld en het vleesch
niets op u vermogen ; moet gij integendeel hier-
toe gedwongen worden, dan, helaas ! is het te
vreezen, dat die dag, u gegeven voor uwe zalig-
heid, u een dag des verderts, der eeuwige ver-
doemenis worde.
-ocr page 432-
-Mr -w~ -M- ~M- \'Mr r-H^^M-I
III. AANHANGSEL en SLOT.
Eenige misbruiken betreffende het vieren
van den Zondag.
Daar liet H. Sacrificie der Mis de voor-
naauiste godsdienstige handeling is, welke wij
ter eere van den Allerhoogste kannen ver-
richten, en het bijwonen dezer heilige Offerande
eene der voornaamste Zondagsplichten uitmaakt
van den Christen, gelijk wij alles breedvoerig
in dit boek hebben bewezen, zoo volgt ook
van zelf\', dat ieder Christen, die wezenlijk over-
tuigd is van de verhevenheid van dit goddelijk
werk, en die des Zondags morgens deze H. Of-
ferande met aandacht en eerbied heeft bijge-
woond , zonder twijfel ook het overige van
den dag nuttig en heilig zal doorbrengen.
Immers de Christen, die zijne zaligheid boven
alles betracht, zal zich dan ook beijveren be-
halve de H. Mis ook met vlijt het woord
Gods aan te hooren: hij zal ook na den mid-
dag, zooveel doenlijk , eenen korten tijd be-
steden om de vesper of het lof\' bij te wTonenr
ten einde Jezus Christus in het H. Sacrament
te gaan aanbidden. Hij zal verder het overige
-ocr page 433-
MISBRUIKEN BIJ \'t VIEREN VAN DEN ZONDAG. 409
van den dag in gepaste ontspanning doorbren-
gen , hetzij in zijnen familiekring, hetzij bij
godvreezende vrienden ; bij goed weder zal hij
eene wandeling doen, en de schoonheden welke
de natuur zoo rijkelijk ten toon spreidt, zullen
hem met zijne gedachte hemelwaarts verheffen,
tot zijnen Schepper , die dit alles voor hem
gemaakt heeft. Bij slecht weder, en vooral
bij de lange winteravonden, zal hij zich bezig
houden met eene nuttige of heilzame lezing,
welke door het een of ander spel of eerbaar
vermaak ook kan onderbroken worden, om zich
een weinig van de kommervolle bezigheden
der week uit te rusten.
Maar vieren de meeste Christenen zóo den
ZondagV Helaas, wanneer wij de menigvul-
dige ongebondenheden en buitensporigheden
betrachten, welke, zoowel in de steden als
ten platten lande, gewoonlijk maar al te dik-
wijls op de Zondagen , \'s namiddags of soms
laat in den avond plaats hebben ; wanneer
wij in het bijzonder overwegen de oneer en
de beleedigingen, welke God hierdoor worden
aangedaan op die dagen, welke Hij zich uit-
drukkelijk tot zijnen dienst heeft voorbehou-
den en bestemd, dan hebben wij voorzeker
groote redenen om met onzen goddelijken
Zaligmaker te weenen over de ongevoeligheid
en de verblindheid van zoovele zondaren, die
niettegenstaande de uitmuntende genaden »
welke zij des morgens in de H. Mis nog ont-
vangen hebben, niettegenstaande de aanhou-
-ocr page 434-
410               III. AANHANGSEL E.V SLOT.
dende vermaningen van hunne herders en
biechtvaders, altijd voortgaan in hunne onge-
regeldheden, hunnen God zoo jammerlijk be-
droeven en zoo menigmaal door de doodzonde
opnieuw in hun hart kruisigen. Ja, beminde
Christenen! ieder herder, ieder zielzorger Lje-
voelt de innigste droefheid en smart, wanneer
hij overdenkt, hoe die dagen , ingesteld om
God te dienen , en zich op eene eerbare en
loffelijke wijze met zijne bloedverwanten, vrien-
den of kennissen , eenigen tijd van de kom-
mervolle bezigheden en den zwaren arbeid
der week uit te rusten, hoe die dagen, zeg
ik. doorgaans veranderd worden in dagen van
allerhande ongeregeldheden, dagen van onbe-
tamelijke verkeeringen. dagen van dronken-
schap en ontucht, van krakeel en vechtpar-
tijen ; in een woord, in dagen, waarop juist
de meeste zonden en boosheden gepleegd
worden. Ja, het hart van ieder zielzorger
wordt van droefheid overstelpt, wanneer hij
voorziet, dat zoo menig brave jongeling of
jongedochter dat kostbaar pand, het schoonste
.sieraad der ziel, te weten: de schoone deugd
van zuiverheid, doorgaans gedurende deze
dagen verliest, met zich vrijwillig in die
ziel bedervende vergaderingen of bijeenkomsten
van ongelijke personen te begeven, welke voor
een groot getal naaste gelegenheden van dood-
y.onde zijn, en als dusdanig door de wet van
God verboden worden.
Gave God, dat ieder jongeling of jonge-
-ocr page 435-
MISBRUIKEN BIJ\'t VIEREN VAN DEN ZONDAG. 411
dochter niet reeds uit eigen ondervinding hier-
van overtuigd ware! Want hoe menigeen heeft
in deze gevaarlijke bijeenkomsten zijne deugd,
zijne onschuld, zijn geloof, zijnen godsdienst
verloren , en van godvruchtig als hij eertijds
was, is hij thans een gruwel in de oogen van
God, en zijnen rechtvaardigen toorn geheel
waardig.
Ik spreek hier in het algemeen van alle
gevaarlijke bijeenkomsten van losbandige jon-
gelieden of andere gezelschappen, voornaine-
lijk die van verschillend geslacht, hetzij ze
plaats hebben in of buiten de herbergen , in
of buiten hunne huizen, met de kermis, op
vastenavond of op andere Zondagen in het
jaar, en wat veel erger is , op de Zondagen
van den Advent en de Vasten. Ja , als afge-
zanten van God, als bedienaars van zijn god-
delijk woord, zijn wij soms verplicht onze
stem te verheffen tegen de menigvuldige mis-
bruiken, welke, helaas! maar al te dikwijls
juist op de dagen, den Heere gewijd, plaats
hebben; wij zeggen het u in allen ernst, en
wenschen onze woorden diep in uw hart te
drukken: ja, wanneer gij godsdienst en eer-
baarheid bezit, dan zult gij zorgvuldig ver-
mijden u op alle die plaatsen te begeven ,
waar de onschuld met doodelijke wapenen
wordt aangerand. Dat men er zuiver heenga,
zegt de H. Cyprianus, men zal er besmet van
terugkomen. Al deze soorten van vergade-
ringen, overblijfsels van het heidendom, tegen-
-ocr page 436-
412              III. AANHANGSEL EN SLOT.
strijdig met de heiligheid van den godsdienst
en de grondregels van Jezus Christus, zijn
eene openbare schending van de beloften des
doopsels, waardoor gij gezworen hebt aan den
duivel, de wereld en hare ijdelheden te ver-
zaken. De H. Vaders noemen dan ook deze
bijeenkomsten het bederf der zeden, eene be-
spotting van het Evangelie , eene openbare
belijdenis van ongebondenheid en goddeloos-
heid, in een woord, het bederf der jonkheid.
Vooreerst een woordje over de herbergen.
Ik bedoel hiermede volstrekt niet die plaat-
sen, waar fatsoenlijke en godvreezende per-
sonen zich soms vereenigen, ten einde zich
gezamenlijk op eene aangename en loffelijke
wijze te onderhouden, of over hunne beroeps-
plichten te spreken, en waar nooit een dub-
belzinnig ot ontuchtig woord, nooit overdaad
in drank plaats vinden. Maar ik spreek vooral
van die gezelschappen, vergaderingen of bij-
eenkomsten , waar de ongodsdienstigheid en
losbandigheid, als het ware, haren zetel heb-
ben gevestigd, waar ontuchtige woorden, on-
zuivere liederen en afschuwelijke godslasterin-
gen de overhand hebben, waar men den spot
drijft met den godsdienst, hare bedienaren, en
waar men alles wat heilig is aanrandt; van
die vergaderingen, welke het ongeluk zijn van
-ocr page 437-
MISBRUIKEN BIJ \'t VIEREN VAN DEN ZONDAO. 413
zoo menig braaf jongeling, en oorzaak zijn
van zoo menigvuldige schendingen der liefde,
als listertaal, kwaadspreken, twist en twee-
dracht, vechtpartijen, enz.; van die plaatsen,
waar men uren lang met het spel doorbrengt,
en meestal voor grof geld, aldus op éenen
enkelen avond de verdiensten van eene gan-
sche week verkwistende; in een woord, van
die bijeenkomsten , waar de duivel der dron-
kenschap heerscht als ten zijnent.
0, beminde Christenen! en gij vooral brave
jongelingen, koude ik u eenen diepen afschrik
voor deze plaatsen inboezemen ! Mocht ik u
wel doen begrijpen, hoezeer de dronkenschap
den mensch verlaagt, hoezeer zij schadelijk is
voor de gezondheid , maar vooral , hoe ver-
foeilijk deze ondeugd is in de oogen van God.
Door de overdaad , zegt ons de H. Geest,
zijn er vele gestorven, terwijl hij, die er zich
van onthoudt, zijn leven verlengt. De wijze
Salomo zegt: De drank, die den smaak streelt,
schijnt eerst niets aan te bieden dan vermaak,
maar onmatig genomen , is hij een vergift,
zooveel te gevaarlijker als men daar meer
genot in vindt; hij gaat zoet binnen, zegt hij,
maar op het einde zal hij bijten als eene
slang, en zijn venijn van alle kanten uit-
spuvven. En op eene andere plaats zegt hij,
dat zij, die hunnen tijd verkwisten met drin-
ken, zullen te niet gaan.
De profeet David zegt zijnerzijds: De mensch
in eere en verheven boven alle schepselen der
-ocr page 438-
414               III. AANHANGSEL EN SLOT.
aarde, heeft geen begrip gehad van zijne waar-
digheid; hij heeft de onredelijke dieren nage-
volgd, en is aan deze gelijk »eworden.
Wee n , die krachtig zijt om te drinken ,
zegt de H. Geest! een verschrikkelijke onder-
gang zal u van het land der levenden af-
snijden.
Wee u , ongelukkige huisvaders of jonge-
lingen , roept de profeet Isaïas uit, die des
morgens opstaat om den geheelen dag in
drinken of slemperijen door te brengen , op
éenen dag den bitteren en zuren arbeid van
vele dagen verdrinkende. Ach, hoezeer be-
klaag ik de ongelukkige vrouw en kinderen
oor?
van zulk eenen ontaarden vader! Wee u, die
drank bezorgt aan hen, die hem tot overdaad
misbruiken . of reeds dronken zijn ; gij zijt
medeplichtig aan hunne zonde, en de vloek
des Heeren zal vroeg of laat op uwe huizen
nederkomen.
De apostel Paulus zegt, dat de dronkaards
en zij, die van hunnen buik eenen afgod ma-
ken , nooit het hemelrijk zullen bezitten.
De H. Basilins noemt de dronkenschap eenen
vrijwilligen duivel , de moeder der boosheid r
de vijandin van alle deugd.
Immers, de dronkaard zondigt tegen God,
door de verzuimenis zijner Christelijke plieh-
ten en door het misbruiken van die edele
gaven van zijn verstand en zijne rede; slaaf
zijnde van zijnen buik, kan hij onmogelijk de
zaken begrijpen, welke God aangenaam zijn,
-ocr page 439-
MISBRUIKEN BIJ \'T VIEREN VAN DEN ZONDAG. 415\'
en hij dooft allengskens in zijn hart alle ge-
voel van godsdienst uit. Hij zondigt tegen
zijn evenmensen , door twist en tweedracht r
verwenschingen en godslasteringen, welke hij
in zijne woede uitbraakt. O ongelukkige, die
zoo menigmaal door uwe dronkenschap de aan
God gewijde dagen ontheiligt, en in uwe woede
soms uwen God durft lasteren en vervloeken ;
overweeg wel de grootheid uwer zonden en
de menigvuldige ergernissen , welke gij door
uwe godslasteringen aldus veroorzaakt. O t
helsche tong, roept de H. Bernardus uit, wat
spoort u toch aan uwen God te lasteren !
Moet dan diezelfde tong, welke in het H.
Doopsel door het zout gereinigd is, om den
lof des Heeren te verkondigen, veranderen in
een bloedend zwaard , dat het hart van God
doorboort! Wie zal de schandalen optellen ,
welke gij hierdoor aan anderen geeft V De
H. Lodewijk, koning van Frankrijk, liet alle
godslasteraars de tong doorboren , of drukte
hem een gloeiend ijzer als brandmerk op het
voorhoofd. En gij zoudt durven beweren, hier-
door geene zonde te doen, omdat gij slechts
vloekt , als gij dronken zijt? Maar weet gij
niet van te voren, dat gij door uwe dronken-
schap u vrijwillig in gevaar stelt te vloeken,
en dat gij dus in geweten schuldig zijt ook
aan al die godslasteringen in uwe dronken-
schap uitgebraakt V O God! welk een gruw-
zasm monster is soms een dronken mensch t
en tot hoevele zonden is hij niet in staat,
-ocr page 440-
416              UI. AANHANGSEL EN SLOT.
wat vloeken, razen en tieren! O , hij komt
soms te huis als een brieschende leeuw, als
een woedend ondier, terwijl vrouw en kin-
deren voor een razernij de vlucht moeten
nemen. Tevergeefs voedt eene moeder zich
met hare tranen, niet bij machte hare kin-
deren behoorlijk te spijzen; tevergeefs bidden
en smeeken de kinderen met tranen en gehuil
zulk eenen ontaarden vader zich toch te be-
daren; maar helaas, de ongelukkige drift die
hem verslindt, is ongevoelig voor alles en
moet altijd nieuw voedsel hebben. Soms maakt
de dronkaard zich ook plichtig aan menig-
vuldige onrechtvaardigheden, de zoon besteelt
zijne ouders, de knecht zijnen meester, de man
verkwist de goederen van vrouw en kinderen,
alleen om zijnen hartstocht te kunnen vol-
doen.
Maar de dronkaard zondigt bijzonder tegen
zich zelven. Zijn verstand bedwelmd zijnde,
is hij tot alles in staat. Immers, de dronken-
schap is de moeder der ontucht, der oukuisch-
heid. Er is geene oneerbaarheid, waartoe hij
zich niet laat vervoeren; zijn hart is er vol
van. en zijn mond, als een stinkend graf,
ademt niets anders uit dan kwade dampen
van ontuchtige woorden en onzuivere liederen;
hij bezwalkt zijn lichaam door allerhande on-
zuiverheden. O dronkaards! die misschien deze
regelen leest luistert wel naar hetgeen de H.
Bernardus zegt: De mensch , zegt hij, die
zondigt uit hoovaardy, zondigt als engel; zon-
-ocr page 441-
MISBRUIKEN BIJ\'t VIEREN VAN DEN ZONDAG. 417
•digt hij uit gierigheid, is hij al (e verslaafd
aan het tijdelijk goed, hij zondigt als ruensch;
maar geeft hij zijn lichaam over aan dron-
kenschap, en aan de vuile wellusten des vlee-
sches, hij zondigt niet meer als mensch, maar
als een redeloos dier; dus wanneer hij zon-
digt als een dier, dan heeft hij ook niet meer
die geestvermogens, welke hem van het dier
onderscheiden, en hij is zoodanig vervuld van
het voorwerp zijner drift, dat deze als eene
tweede natuur voor hem geworden is.
Ja, beminde Christenen, eene droevige on-
dervinding leert ons maar al te zeer, dat de
dronkenschap gewoonlijk tot onkuischheid
leidt. Wanneer eens het hoofd door den drank
is bedwelmd, schijnt alle schaamte en eerbaar-
heid verdwenen te zijn; losse, ontuchtige woor-
den of gesprekken, onzuivere liederen zijn er
gewoonlijk het gevolg van.
Inderdaad, de onzuivere liederen zijn een
van de gevaarlijkste strikken des duivels, om
het hart der jongelieden te bederven ; zij doen
zooveel te meer indruk op hunnen geest en
verbeelding, omdat men er de woorden zoo-
veel te gemakkelijker van onthoudt, en dat
y.ij ons als door eene heimelijke betoovering
van zelf in de gedachte komen. Zij zijn zoo-
veel te gevaarlijker, omdat zij in korten tijd
overal worden verspreid, en van iedereen ge-
zongen. En toch worden zij helaas! in deze
bedorven wereld maar al te zeer verspreid,
bijzonder ten platten lande, op feest- oi\' ker-
Veikl. d. II. Mis.                                                           2S
-ocr page 442-
418              III. AANHANGSEL EN SLOT.
misdagen, bij middel van draaiorgels of andere
instrumenten, welke op zulke dagen door vele
heethoofden zoo loszinnig worden toegejuicht.
De kinderen zijn gretig zulke woorden op te
vangen , ofschoon zij ze in hunne onschuld
meestal niet verstaan; weldra worden ze ge-
zongen door iedereen, door jong en oud, en
(iod weet hoevele onschuldige harten hierdoor
den doodsteek ontvangen.
Ontuchtige liederen zijn dezulke, welke van
onzuivere zaken of genegenheden, of van eene
dolle en dwaze liefde handelen, de zangers of
aanhoorders daaraan doen denken, of in hun
hart eene onzuivere liefde trachten te ontste-
ken. Daar deze meestal, althans gedeeltelijk,
uit onzuivere woorden bestaan, zijn zij evenals
de ontuchtige taal, het bederf der goede zeden,
zooals de apostel Paulus zegt. En verbiedt
dezelfde apostel elders de slechte of ontuch-
tige woorden en gesprekken, zoo veroordeelt
hij daarmede evenzeer de onzuivere liederen.
„Eenigerlei onkuischheid of hebzucht worde
onder u zelfs niet genoemd, gelijk het heiligen
(Christenen) betaamt".
Dus een Christen moet de heiligheid too-
nen, in zijne woorden en werken. Niets toont
klaarder de bedorvenheid van \'s menschen hart,
dan dat hij van slechte zaken begint te spre-
ken; want , waar het hart van vol is , daar
loopt de mond van over, zegt de H. Schrift.
De H. Joannes Chrysostomus maakt deze
schoone bemerking: „Zoolang de graven ge-
-ocr page 443-
MISBRUIKEN BIJ \'tvIKREWAN DEX ZONDAG. 419
sloten zijn, zoolang laten de vuile dampen,
welke zij bevatten, zich niet ontwaren; maar
nauwelijks worden ze geopend, ui\'er verspreidt
zich rondom een ondragelijke stank. Zoo ook,
wanneer er in liet hart van den mensch kwade
genegenheden schuilen, blijven zij door het
stilzwijgen daarin opgesloten; maar als de
mond open gaat om ontuchtige taal te voe-
ren, dan komt er het bederf des harten uit,
en wel in die mate, dat de walgelijke stank,
die er uit opstijgt, veel onverdragelijker is
voor de goede Christenen, dan de benauwde
geur van doode lichamen den levenden is.
lieter ware het, vervolgt die groote Heilige,
dat men den vuilsten etter uit uwen mond
zag komen, dan een enkel onzuiver woord.
Immers, het is met onze tong, dat wij God
loven en verheerlijken; het is op onze tong
zelve, dat wij zoo menigmaal het lichaam van
Jezus Christus ontvangen , waardoor wij we-
zenljjk in Jezus leven en Jezus in ons. Zou-
den wij dan zoo vermetel kunnen zijn, die-
zelfde tong te doen dienen tot onzuiverheid V
En wat de aanhoorders betreft, hoe dikwijls
zijn de onzuivere genegenheden of begeerten
niet door het aanhooren van dergelijke los-
zinnige gezangen in hunne harten ontstoken
geworden? En dan, als de wulpschheid, de
ontucht eens wortel heeft geschoten , worden
dan de krachten van dat hart niet verslapt?
En <>\'aiit de moed niet weg, dien men noodiff
heeft om aan het kwaad te wederstaal! ? En
-ocr page 444-
420              III. AANHANGSEL EN SLOT.
is dit niet menigmaal de oorzaak der schan-
delijkste wanorde V
Tot de ontuchtige liederen moeten ook de
zoogenaamde minneliederen gerekend worden.
Ik bedoel die liederen, die over niets handelen
dan over vrijages; waarin op alle tonen ge-
zongen wordt, dat men een schepsel noodza-
kelijk moet beminnen, dat men al zijne eer
moet zoeken door het zijn hart te schenken
en te behagen; dat het onmogelijk is, geluk-
kig te zijn of te leven zonder dit schepsel;
dat men van den hemel een hart ontvangen
heeft om te beminnen, niet onzen God, maar
het schepsel, en dat men alles aan deze liefde,
als aan de opperste Godheid, moet opofferen.
Al deze soorten van liederen zijn verderfelijk
voor de goede zeden ; zij zijn goddeloos, omdat
zij God uit het hart verbannen; uitzinnig,
omdat zij tot niets goeds kunnen dienen, en
zij daarenboven dikwijls een gruwel zijn in
de oogen van God.
Dus zondigen niet alleen zij, die ze zingen,
maar ook de aanhoorders, die er met nieuws-
gierigheid naar luisteren, er mede lachen of
ze toejuichen. Gelijk men geen vermaak mag
nemen b. v. in het vloeken of andere zon-
den . zoo ook is het hiermede gelegen. Ons
hart is van zich zelf zwak en bedorven ge-
noeg, wat zal het dan wezen, als deze be-
dorvene genegenheid eens overprikkeld zal
wezen door overdaad in drank, en door het
zingen van ontuchtige liederen; hoe zal het
-ocr page 445-
MISBRliKEN BIJ \'t VIEREN VAN DEN ZONDAG. 421
dan mogelijk zijn, te midden dier aangewak-
kerde vlammen der ontucht, zich niet te bran-
den ? En welke rekening zullen de ouders en
oversten, die dit alles blindelings en zonder
de minste knajnng van geweten toelaten, aan
den vertoornden God te geven hebben.
O, gij dan allen, godvreezende huisvaders
of oversten! gij vooral, Christelijke jongeliu-
gen, die eens het sieraad en de toekomst van
ons katholiek Limburg moet uitmaken, ge-
doogt, dat ik heden een beroep doe op uw
geloof en uwen godsdienstijver. Immers, gij
zijt allen door het H. Sacrament des vormsels
soldaten geworden van Jezus Christus, belast
om zijne belangen overal en te allen tijde
voor te staan en te verdedigen. Welaan dan,
nog eens, brave en godvreezende inwoners van
Limburg, en vooral gij, brave jongelingen,
wij vragen op dit oogenblik een klein offer
van uwen kant; geen geld of bloed, gelijk
het van zoovelen uwer medemakkers gevraagd
wordt, die hun leven veil hebben, om in deze
rampzalige tijden den opperpriester te Rome,
den grooten Pius IX. , tegen de ge\\veldena-
rijen zijner vervolgers te verdedigen; neen,
wat wij van u vezoeken, is, dat geen men-
sehelijk opzicht, geene belachelijke vrees u
ooit in uwe plichten doe te kort schieten,
bijzonder op die plaatsen , in die herbergen
of andere vergaderingen, waarin God zoo dik-
werf wordt vergramd, hetzij door godslaste-
ringen, vuile taal of dronkenschap. Welaan
-ocr page 446-
422              III. AANHANGSEL EN SLOT.
dan, toont u kloekmoedig, en berispt terstond
dengenen, die zoo als David zegt, door zijne
godlasterende tong den hemel durtt bestormen,
en den almachtigen God durft aanranden op
zijnen goddelijken troon; duldt in uwen vrien-
denki ing geene onzuivere gesprekken, geene
oneerbare liederen, welke als een ongelukkig
vergift voor zoo menig jeugdig hart zijn; ver-
wijdert uit uw gezelschap allen, die de ge-
woonte hebben zich te buiten te gaan in
drank, en daardoor weldra in eenen opge-
wonden staat gerakende, niets anders zoeken
dan twist of krakeel, vechten of slaan; keert
altijd op uwen tijd naar huis, en zorgt, dat
uwe medeniakkers hetzelfde doen ; speelt nooit
voor groote sommen gelds, \'twelk niets anders
dan verdriet, wraakzucht en wanhoop na zich
sleept: dan, maar ook dan alleen zult gij die
ware uitspanning genieten, die u op de Zon-
en Feestdagen volgaai\'ne is toegestaan; dan
zult gij u de zoete getuigenis kunnen geven,
eenen grooten en Chtistelijken plicht te heb-
ben vervuld; dan zult gij de zoete vreugde
smaken, een groot liefdewerk te hebben ver-
richt, door uwen broeder \'t leven der ziel
gered, en de eer van God, zelfs tot in uwe
uitspanningen, te hebben voorgestaan en verde-
digd, hetgeen voorzeker niet weinig zal bij-
dragen tot uw eeuwig geluk in den hemel.
-ocr page 447-
MISBRUIKEN BIJ \'t VIEKEN VAN DEN ZONDAG. 423
Een ander woord: Over de verkeeringen.
Stippen wij nog een ander misbruik aan,
waardoor al eveneens de Zon- en Heiliydagen
veelszins ontheiligd worden, zoowel in de ste-
den als in de dorpen; ik meen de verkeerin-
gen. Verre van mij, die verkeeringen te wil-
len verbieden, welke tusschen brave en deugd-
zame jongelingen en jongedochters, eenige
maanden voor het huwelijk, plaats hebben,
die met geen ander doel worden aangeknoopt,
dan om elkander des te beter te kennen, en
zich voor dien gewichtigen stand zooveel te
beter voor te bereiden; verkeeringen, die on-
der \'t toezicht ot het waakzaam oog der ouders
of oversten plaats hebben. Neen, ik bedoel
hier alleen die geheime, meestal zondige en
losbandige verkeeringen, welke enkel uit kwade
begeerlijkheid, uit dartelheid, uit vuile drift,
zonder vooruitzicht van huwelijk, jaren lang
blijven voortduren; die meestal op Zon- en
Feestdagen na den middag, tot dikwerf laat
in den avond plaats hebben, zonder het minste
toezicht; verkeeringen, die zonder twijfel eene
naaste gelegenheid van doodzonde zijn. Ach,
moeten wij het niet met bloedige tranen be-
weenen, dat juist op die dagen, welke de Heer
zich voor zijnen dienst heeft voorbehouden,
niettemin de meeste buitensporigheden in dit
punt plaats hebben, en de meeste zonden en
boosheden geschieden! En hoe zoude God
zijnen zegen over een huwelijk kunnen uit-
-ocr page 448-
424              III. AANHANGSEL EN SLOT.
storten, dat aldus, na soms langen tijd ver-
keerd te hebben, en bijgevolg na eene aan-
eenschakeling van zonden, gesloten wordt!
Ach, hoe menig huwelijk wordt thans in en
door onzuiverheid voorbereid! Hoe dikwijls is
men niet gedwongen het jawoord te geven,
dewijl men zijne eer reeds lang verloren heeft!
Is men reeds verloofd, zoo verbeeldt men zich
en men toont het ook door zijn gedrag, dat
alles is toegelaten. De Christelijke zedigheid r
het schoonste sieraad der jonkheid is ver-
dwenen, men gekscheert met elkander en ver-
oorlooft zich allerhande onbetamelijkheden en
buitensporige vrijheden, alsof er in dit alles
niet het minste kwaad gelegen ware. Ik mag
de zaak niet verder nadenken, maar de schrik-
kelijke dag des oordeels zal al die zonden
openbaren, welke nu, zonder de minste vrees
of achterdocht, hetzij door woorden, werken
of gedachten bedreven worden. Ook den ouders
en oversten zal eene schrikkelijke rekenschap
te wachten staan, vooral degenen, die hunne
kinderen, welke zoeken kennis te maken , of
reeds besproken zijn, alles naar believen ver-
oorloven ; degenen, die deze geheime samen-
komsten in hunne afwezendheid, zonder de
minste knaging des gewetens , toelaten, en
aldus oorzaak zijn, dat hunne kinderen in
hunne eigen huizen in de naaste gelegenheid
van doodzonde verkeeren. En dit is een mis-
bruik, hetwelk ongelukkig maar al te veel
plaats vindt. De ouders inesnen tegen de wel-
-ocr page 449-
MISBRUIKEN BIJ *T VIEREN VAN DEN ZONDAG. 42»
levendheid te handelen, wanneer zij bij dus-
danige bijeenkomsten zouden tegenwoordig;
blijven of een waakzaam oog daarover hou-
den; zij laten dikwijls op Zon- en Feestdagen
hunne zonen of dochters, hunne knechten of
meiden alleen in hunne kamer of keuken; en
wat veel erger is, alleen naar de herbergen
of andere plaatsen gaan , onder voorwendsel r
dat zij toch geen kwaad bedrijven en dat alles
op eene eerbare wijze toegaat. Maar, helaas L
hoezeer bedriegen zij zich! Ik neem u zelven
tot getuigen, gij jongelingen en jongedoch-
ters, die misschien reeds gedurende lange ja-
ren , zonder het minste vooruitzicht van hu-
welijk, deze zondige verkeeringen onderhoudt;
legt de hand op uw geweten, en zegt mij of
uwe liefde altijd zuiver, of uw handel en
wandel altijd eerbaar geweest is, wanneer gij
lange uren in de eenzaamheid met elkander
gekscheerdet, wanneer gij niets anders trachtet
dan liefdebljjken te geven of te ontvangen T
en ze soms door oneerbare vrijheden meendet
te vermeerderen. Zegt mij eens te goeder
trouw, waren alsdan uwe gedachten zuiver,
uwe woorden eerbaar? Wanneer de welle-
vendheid, de betamelijkheid u al weerhielden,
rechtstreeks tot oneerbaarheden over te gaan,
was het vuur der onzuivere wellust, der wulpsch-
heid niet reeds in uw hart ontstoken? Geen
wonder, dat gij schaamrood zoudt worden,
wanneer men u aldus betrapt; geen wonder,
dat gij de eenzaamheid zocht, om aldus ge-
-ocr page 450-
426              III. AANHANGSEL EN SLOT.
makkelijker den toom te geven aan uwe kwade
driften. Maar wee den ouders, die dusdanige
verkeeringen wetens en willens toelaten ! Wee
den ouders, die aan hunne kinderen zelven
de gelegenheid, hetzij in of buiten hunne
huizen, tot dergelijke bijeenkomsten verschaf-
fen ! Niet de wellevendheid, maar de godsdienst
vordert het, dat de ouders altijd bij dusdanige
samenkomsten tegenwoordig zijn, of ten minste
•een waakzaam oog daarover houden; en dit
is het gevoelen van alle godgeleerden, zoo-
danig, dat bijvoorbeeld de H. Ligorio, de
ouders zelf op straf van doodzonde verplicht,
zulke geheime samenkomsten te verbieden, of
daarbij altijd tegenwoordig te zijn, wanneer
ze althans met de oprechte meening van een
aanstaand huwelijk plaats hebben.
Nog een laatste woordje: Over de openbare
ver mal e lijkheden.
Wat zal ik u nu nog zeggen van zoovele
andere gevaren of gelegenheden van zonde,
waaraan de jongelieden van beider geslacht
het meest blootgesteld zijn, bijzonder in den
tijd der verkeeri ngen, hetzij bij gelegenheid
van ballen , comediën , danspartijen, muziek-
feesten, optochten of andere dergelijke ver-
makel ijkheden, welke gewoonlijk op Zon- en
Feestdagen, zoowel in de steden als in de
dorpen, plaats hebben? Maar wat wilt gij
toch, hoor ik u reeds zeggen, wilt gij ons
-ocr page 451-
ÏI1SBRVIKEN BIJ \'t VIEHEX VAN DEN ZONDAG. 427
dan alles verbieden? Mogen wij ons dan niet
meer vermaken ? Ik heb nooit in dusdanige
verkeeringen kwaad gedaan, en het ware te
wenschen, dat het overal zoo eerbaar toeging.
Zoo veel te beter, mijn vriend, zou ik moeten
antwoorden: neen, verre van te verbieden u
des Zondags namiddags na afloop der kerke-
lijke diensten , behoorlijk te vermaken, raden
wij u zulks ten sterkste aan; wel wetende,
dat gij na de geheele week gearbeid te heb-
ben, eenig verzet noodig hebt, en ook gerust
eene eerlijke uitspanning in uwen familie* of
vriendenkring of elders kunt genieten. Maar
ik vraag het u in ernst, moet dit vermaak ,
bij voorbeeld voor jongedochters, altijd in der-
gelijke vergaderingen gevonden worden? Be-
staat er dan geene andere manier om zich te
vermaken, dan telkens zijne zedigheid en eer-
baarheid in gevaar te stellen? En gij, die zoo
gretig zijt om aan deze vermaken deel te ne-
men, zoudt gij rondborstig met de hand op
uw geweten durven \\erklaren, dat gij nooit
in dusdanige bijeenkomsten gezondigd hebt?
Indien dit het geval ware, weest verzekerd,
dat wij ze u nooit zouden verbieden; maar
omdat ons eene droevige ondervinding het
tegendeel leert, zoo is het voor ons een zwa-
ren plicht ze in het algemeen allen ten sterkste
af te raden, en aan velen in \'t bijzonder te
verbieden, als zijnde voor hen eene naaste
gelegenheid van doodzonde.
Ik zeg vooreerst is \'t ons eenen plicht om
-ocr page 452-
428              III. AANHANGSEL EN SLOT.
ze in het algemeen af te raden, omdat gij
reeds gehoord hebt, wat de godgeleerden hier-
over zeggen, namelijk dat zij maar al te dik-
wijls de ondergang der zeden, eene school
van losbandigheid en het verderf der jonkheid
zijn; omdat het daarenboven in die teedere
en gevaarvolle jaren zoo moeilijk is zijne on-
schuld en zuiverheid te bewaren en de duivel
mede, bijzonder in soortgelijke gelegenheden,
vrij spel heeft. Immers, welken noodlottigen
indruk maken niet op eene argelooze ziel,
op een nog onschuldig hart, zoovele dubbel-
zinnige vrijheden, zoovele onbetamelijke dar-
telheden, welke meestal bij dusdanige gele-
genheden en zooveel te meer, door de duis-
ternis begunstigd, geschieden? En bijaldien
ons de H. Geest zelf\' zegt, dat hij, die het ge-
vaar bemint er in zal vergaan, moeten wij
dan niet bekennen, ongehoorzame kinderen
te zijn van onze moeder de H. Kerk, welke
zoo menigmaal hare stem tegen dusdanige
misbruiken verheft! En is het niet den gods-
dienst honen, datgene te durven doen , wat
ons zoo menigmaal door onze geestelijke over-
sten verboden wordt! Ongelukkige vergade-
ringen! Men begeeft er zicli dikwijls heen uit
nieuwsgierigheid, uit praalzucht, uit lichtzin-
nigheid, en men verwijdert zich er van, het
hart vol van onzuivere, maar geenszins ver-
zadigde wellusten, met den geest vol van on-
kuische gedachten en begeerten.
Ten tweede is het onzen plicht ze in het
-ocr page 453-
MISBRUIKEN BIJ\'T VI EREN VAN DEK ZONDAG. 429
bijzonder te verbieden, voor allen, die reeds
door eene droevige ondervinding weten, hoe
dikwijls zij in dusdanige bijeenkomsten doo-
delijk hebben gezondigd, en dus de overtui-
ging hebben of\' hebben moeten, dat dergelijke
bijeenkomsten voor hen zijn, naaste gelegen-
heden van doodzonde. In twijfel handelen zij
het voorzichtigst, wanneer zij in soortgelijke
gevallen hunnen biechtvader raadplegen.
Ook voor diegenen zelfs, die in soortgelijke
gezelschappen nooit doodelijk gezondigd heb-
ben . meenen wij nochtans wel te doen, ze
altijd af te raden, bijzonder voor brave, ze-
dige, godvreezende personen, omdat er altijd
min of meer gevaar onder schuilt, en zij door
hunne tegenwoordigheid, dergelijke altijd ge-
vaarlijke vermakelijkheden wettigen? Immers,
niets is er onder alle vermakelijkheden, dat
onze ijdelheid z0° streelt, ons hart zoo be-
derft, onzen geest zoo verstrooit, ons met
zoovele onnuttige zaken bezig houdt, onze
driften zoo opwekt en het vuur der kwade
begeerlijkheid in onze harten zoo ontsteekt.
Daarom zal een oprecht brave en zedige jon-
gedochter, die zich zelve eerbiedigt, nooit op
dergelijke plaatsen verschijnen, tenware zij
daar in zekere bijzondere gevallen zou moe-
ten komen, bij voorbeeld uit gehoorzaamheid
aan hare ouders en van hen vergezeld, en
met de zekerheid er een passend gezelschap
aan te treffen. Zonder deze voorzorgen is het
schier onmogelijk in zulke gelegenheden geen
-ocr page 454-
430              III. AANHANDSEL EN SLOT.
kwaad te doen; neen, zelden of nimmer valt
het voor, dat personen van verschillend ge-
slacht op die plaatsen verkeeren , zonder dat
de Christelijke zedigheid er schipbreuk lijdt.
Immers de jeugd, die deze bijeenkomsten be-
mint, wil behagelijk zijn; zij houdt zich met
duizende zaken bezig, waar zij vroeger nooit
aan gedacht had, zij luistert naar vele vleie-
rijen, die haar hart bederven, en naar oneer-
bare of dubbelzinnige gesprekken, waarvan
zij te voren eenen afkeer had. Te vergeefs
zoude zij die genegenheid, waar haar hart
van vol is, willen verbergen; in hare oogsla-
gen, glimlachen, in éen woord op haar gan-
sche gelaat staat genoeg te lezen, waarom
zij die bijeenkomsten gezocht heeft. Zij zoekt
dus niets anders dan te behagen, zich ten
toon te stellen , zij is er trotsch op, zich in
zulke gezelschappen te bevinden, en zoekt
dus vrijwillig het gevaar. En te midden van
dit alles, te midden van al die voorwerpen,
waarvan uw hart vol is , te midden van die
drinkgelagen, van dat muziek- en dansgewoel,
zult aa u daar van de voorzichtigheid in uw
spreken , van de eerbaarheid van die u om-
ringen, kunnen verzekeren? En wat moet men
oordeelen van eene jongedochter, die bij voor-
beeld ten platten lande, na verscheidene uren
gedanst en gesprongen te hebben, en daar
alle regels van Christelijke zedigheid te heb-
ben overtreden, zich \'s avonds laat in het
donker naar huis begeeft, alleen begeleid door
-ocr page 455-
MISBRUIKEN BIJ \'t VIEREN VAN DEN ZONDAG. 431
eenen jongeling, die door den drank bedwelmd
is, en misschien reeds lang kwade genegen-
heden in zijn hart heeft gevoed ! En in dit
alles zoude geen kwaad gelegen zijn? En gij,
ouders, die dit veel beter weet, gij zoudt dit
alles maar toestaan!
Slot.
Gedoogt , dat ik ten slotte uwe aandacht
vestig op die schoone woorden, welke Z. D. H.
de Bisschop van Roermond onlangs u allen
heeft toegesproken, en welke bijzonder op
deze stof toepasselijk zijn: „Vandaag, zegt
onze doorluchtige Kerkvoogd, wil ik u slechts
onderhouden over een ander middel , door de
dienaren dezer wereld aangewend, om de echt
katholieke gevoelens te ondermijnen , en de
onverschilligheid in den godsdienst veld te
doen winnen. Een middel, hetwelk ook in ons
anderszins zoo katholiek Limburg , bijzonder
in de steden nogal veel aanhangers telt, en
zooveel te gevaarlijker is, omdat men het
kwaad daarvan niet inziet. En dat middel be-
staat in het opvoeren van pleizieren , in het
inrichten en doorzetten van ballen, danspar-
tijen , comediën , optochten of andere onge-
bondenheden.
Ach, B. B , de vijanden uwer ziel en za-
ligheid weten maar al te wel, dat er niets
meer geschikt is, om de gevoelens van gods-
vrucht, den geest van nederigheid, van gebed
-ocr page 456-
432              III. AANHANGSEL EX SLOT.
en versterving, de liefde voor Jezus en zijne
leer, met een woord de liefde voor God en
godsdienst te doen verflauwen en langzamer-
hand uit te dooven, dan wel die aanhoudende
hier bedoelde vermakelijkheden. Zij weten en
begrijpen zeer goed, dat men God en de we-
reld niet te gelijk kan dienen, en dat bijge-
volg al wie aan de wereld en hare verstrooi-
ingen verslaafd is, geen oprecht dienaar van
God kan wezen.
Dit verzekert de godspraak zelve, en dat
bewijst ons ook de dagelijksche ondervinding.
Inderdaad B. B., geeft zelven maar eens acht
op de levenswijze van die minnaars der we-
reld, van die mannen waarvan hier sprake is.
Wanneer ziet gij hen met eerbied en gods-
vruclit nedergeknield voor het altaar des Hee-
ren? Wanneer ziet gij hen met Christelijke
aandacht en ingetogenheid, gelijk het betaamt,
de kerkelijke diensten bijwonen! Wanneer ont-
waart gij hen in den biechtstoel of aan de
communiebank? Wanneer ziet gij hen den
kruisweg bewandelen? Oordeelt maar zelven.
En hoe handelen zij aangaande het gebod van
vasten en onthouding? Doen zij niet juist,
alsof die wet of dat gebod voor hen niet ge-
geven was? En alsof de goede Jezus slechts
40 dagen en 40 nachten in vasten en onthou-
ding had doorgebracht, om hen daarvan te
ontslaan, en den vollen toom aan de begeer-
lijkheid van hunne bedorven natuur te geven?
Inderdaad, zij storen zich noch aan de voor-
-ocr page 457-
MISBRUIKEN BIJ *T VIEREN VAN DEN ZONDAG. 433
beelden, noch aan de leer van Jezus en leven
naar hun gemak. Eu welk is de taal, die zij
doorgaans voeren V Is het niet de taal der zin-
nelijkheid, de taal der valsche verlichting, der
valsche vrijheid en onafhankelijkheid, met een
woord de taal der bedorven wereld? Ja, B. B.,
dat leurt de ondervinding en daaruit kunt gij
afleiden, waartoe die verslaafdheid aan de ver-
maken der wereld, zoowel als het onverschil-
lig onderwijs den mensch kan voeren. Geen
wonder dan ook, dat de godsdienstvijanden T
dat de vrijgeesterij, bedoelde en dergelijke los-
bandigheden aanprijzen en doorzetten, niet al-
leen hij zekere gelegenheden van het jaar (dat
zou niet voldoende wezen om hun doel te be-
reiken), maar zelfs tot op de Zondagen, tot
in den H. tijd van den advent en vasten, tot
y.elfs in het H. jubilé. Ja, B. B.! de drijvers
dier zinnelijke vermaken weten wel, dat de
Zondagen geheel aan den dienst van God zijn
toegewijd, dewijl de Heer zelf beveelt: Weest
indachtig, dat gij den rustdag of Zondag hei-
liget. Als zij katholiek zijn, weten zij ook,
dat een Christen zich gedurende den tijd van
den advent, door versterving en goede werken,
tot het heilzaam vieren van het hooge feest
der geboorte van Jezus, dien grondslag onzer
verlossing, behoort voor te bereiden; dat de
H. vastentijd geheel toegewijd is aan de boet-
vaardigheid en aan het dankbaar overwegen
van Jezus\' lijden en kruisdood; zij weten, dat
een jubilé een tijd van genade en van ver-
Verkl. d. H. Mis.                                                            29
-ocr page 458-
434              III. AANHANGSEL EN" SLOT.
zoening niet God is, enz.; alsook, dat die da-
gen en tijden, waarop de leer van Jezus meer
dan op andere wordt verkondigd, allerbest ge-
schikt zijn, om de godsdienstige gevoelens,
Otn het geloof in de harten te doen herleven,
te vestigen en te vermeerderen. Ja, dat we-
ten zij, die godsdienstvijanden; maar juist
daarom moeten er kapelletjes voor den satan,
naast de Kerk van Jezus opgericht worden,
ten einde die goede, die godsdienstige gevoe-
lens te verijdelen, te smoren en, in zoover
doenlijk, te vernietigen. Daar, broeders! hebt
gij de strekking der bedoelde vermakelijkhe-
den en het doel, dat de godsdienstvijanden
daarbij beoogen. Maar, helaas! hoe klaar deze
waarheid ook moge wezen , hoe sprekend zij
ook door de ondervinding gestaafd wordt, vindt
men toch altijd nog een aantal Christenen die
ze maar niet willen begrijpen, en die of uit
eigen tijdelijk belang, of uit menschelijk op-
zicht, of misschien uit eigene wijsheid, zich
laten meesleepen, en die alzoo voor eene niets-
waardige reden, hunne roeping als Christenen
over het. hoofd zien, en het heil hunner eigene
ziel met dat van anderen in gevaar brengen
en staan te verliezen.
Maar B. B., zal men zich tegen deze \\vaar-
heid niet wederom in het harnas zetten, juist
gelijk tegen ons rondschrijven betrekkelijk het
onverschillig onderwijs\':1 Voorzeker ja. Wij
kennen de wereld maar al te goed om een
oogenblik daaraan te twijfelen. De een zal u
-ocr page 459-
MISBRUIKEN BIJ \'t VIEHKN VAN DEN ZONDAG. 435
misschien wijs maken, dat wij retrograden
(achteruitgangen) zijn; de anderen, dat wij
van den tijdgeest niets kennen; een derde zal
zich misschien beroepen op het gebruik , dat
hier of daar bestaat, of op het voorbeeld van
anderen , enz. Edoch, dit alles doet niets ter
zake. Immers, het is bij de wereld gebruike-
lijk, bij al hare misbruiken uitvluchten te zoe-
ken, om de onbedachten te misleiden.
En dan, wat beteekenen toch de aange-
liaalde en dergelijke opwei-pingen in de on-
derhavige zaak? Niet het minste. Immers, het
komt er ja niet op aan, van welke scheld-
nainen men zich bedient, wanneer wij U slechts
de waarheid zeggen, en daaraan zult gij toch
wel niet twijfelen. Wij nemen zelfs de ge-
zegde opwerpingen volgaarne aan; o ja , wij
zijn dompers! maar B. B., dompers, wier eenig
doel is, het dwaallicht, dat is de valsche ver-
lichting dezer eeuw uit te dooven, en het licht
der eeuwige waarheden te doen schijnen voor
de oogen van allen, die nog urnar eenig gods-
dienst-gevoel bezitten, en voor de belangen
hunner onsterfelijke ziel nog niet stekeblind
zijn. Wij zijn ook retrograden (achteruitgan-
gers), te weten in dien zin, dat wij de
nieuwerwetsche verlichting , ten opzichte van
godsdienst en zedelijkheid, houden voor vol-
slagen blindheid en voor wezenlijken terug-
keer tot het Heidendom, waarvan wij slechts
door Jezus\' leer zijn bevrijd geworden; zoodat
wij met die gewaande verlichting niets willen
-ocr page 460-
436              III. AANHANGSEL EN SLOT.
te maken hebben, en onder bovengemeld op-
zicht niets anders, volstrekt niets anders aan-
nemen dan datgene, wat door Jezus zelven T
na Hem door zijne apostelen en de H. Kerk
reeds meer dan achttien eeuwen is geleerd
geworden, nog geleerd wordt, en niettegen-
staande de pogingen der hel geleerd zal wor-
den tot aan het einde der wereld. Dat wij
echter den tijdgeest niet zouden kennen, dit
neineu wij niet aan. Neen, B. B., wij kennen
dien tijdgeest maar al te goed; doch slechts
als een geest van hoogmoed, van losbandig-
heid, van onafhankelijkheid, van ongeloof enz.,
geheel in strijd met den geest van Jezus; zoo-
dat een katholiek, geen Christen, die dezen
naam waardig draagt, dien ge waanden tijd-
geest mag volgen, wil hij als een waarach-
tig en oprecht lid van Jezus\' Kerk leven.
Van de gebruiken of het voorbeeld van an-
deren, behoef ik wel niet te spreken, want er
zal toch geen katholiek zijn, die zich geroe-
pen waant, naar het een of ander gebruik of
voorbeeld te leven, dewijl hij toch wel over-
tuigd moet zijn, dat hij eenmaal geoordeeld
zal worden, niet naar de gebruiken of voor-
beelden van anderen, niet naar de leer der
wereld, maar wel degelijk naar de leer van
Jezus en zijne Kerk; en dat hem al het ove-
rige niet het minst zal baten bij zijnen dood,
en volstrekt niets bij machte is, om hem aan
de almachtige hand van den rechtvaardigen
God te onttrekken. Ach, B. B.! mocht gij dit
-ocr page 461-
MISBRUIKEN BIJ \'t VIEREN VAN DKN ZONDAG. 437
toch eens begrijpen! Mocht gij toch eens goed
beseffen, dat gij van al die godsdienstvijanden
niet het minste heil te wachten hebt, noch
in den tijd, noch in de eeuwigheid; mocht gij
toch eens inzien, dat al dat gewoel der we-
reld, al die valsche vermaken, waarmede men
u zoo streelt en in de netten van satan tracht
te vangen, als rook verdwijnen, en eindelijk
niets achterlaten dan hartzeer, knaging van
geweten en ongerustheid, misschien wanhoop
in den dood en ongeluk in de eeuwigheid; in
een woord, mocht gij eens wel begrijpen, dat
alles wat de wereld en hare dienaren u aan-
bieden, volstrekt niets is dan ijdelheid der
ijdelheden; en dat u niets tot uwe eeuwige
bestemming, tot uw eeuwig geluk in den he-
mel kan brengen, dan God te beminnen en
Hem alleen te dienen. Wanneer gij dit eens
wel begreept en in uw hart druktet, o hoe
gerust zoudt gij leven, hoe zalig zoudt gij
sterven, en hoe gelukkig zoudt gij eenmaal
zijn in de eeuwigheid! En dat geruste leven,
dien zaligen dood en die gelukkige eeuwig-
heid wenschen wij u van harte, in den naam
van God, den Vader, die u geschapen heeft,
in den naam van den Zoon, die u verlost
heeft, en in den naam van den H. Geest, die
u geheiligd heeft. Amen.
-ocr page 462-
Gebeden onder de heilige Mis,
Kom, Heilige (ieest, vervul de harten uwer
geloovigen en ontsteekt in hen liet vuur uwer
liefde: Gij, die door de verscheidenheid aller
talen de volken in de eenheid des geloofs
verzameld hebt.
Zend uwen Geest uit, en zij zullen her-
schapen worden.
En gij zult het aanschijn der aarde ver-
nieuwen.
Gebed.
God, die de harten uwer geloovigen door
de verlichting des Heiligen Geestes hebt on-
derwezen, schenk ons in dienzeltden Geest het
rechte te verstaan, en ons steeds in zijnen
troost te mogen verblijden. Door Christus,
onzen Heer. Amen.
Goed voornemen.
Heer, mijn God, naar wiens evenbeeld ik
geschapen ben, schenk mij uwe genade, op-
-ocr page 463-
439
DE Ii. MIS.
«lat ik bij de heilige Offerande met gepasten
eerbied en godsvrucht tegenwoordig zij, en ze
met den priester aan uwe Goddelijke Majesteit
opdrage:
1.  Tot eer en verheerlijking van uwen H.
Naam, aan wien alleen dit heilig Ofler toe-
komt.
2.  Tot gedachtenis van uw lijden en uwen
dood, tot welk einde Gij dit heilig Offer hebt
ingesteld.
3.  Tot dankzegging voor alle mij bewezen
weldaden.
4.  Tot voldoening voor al mijne zonden en
misdaden, welke ik onder dit heilig Offer in
uw allerheiligste bloed afwasch.
5.  Tot verwerving van uwe genade en uwen
bijstand in al mijnen nood.
G. Voor mijne dierbare ouders, bloedverwan-
ten, vrienden en weldoeners, bijzonder voor...
7. Voor de zielen der overledenen, bijzon-
der voor...
Moge dit mijn voornemen U welgevallig zijn
en gij mijne bede verhooren. Dit smeek ik
door Christus, onzen Heer. Amen.
Introïtus. (De ingang.)
Gezegend zij de Heilige Drievuldigheid en
onverdeelde eenheid; wij zullen haar loven,
omdat zij ons hare barmhartigheid heeft be-
wezen.
Eere zij den Vader, die ons geschapen heeft.
Eere zij den Zoon, die ons verlost heeft.
-ocr page 464-
440
BIJVOEGSEL.
Eere zij den Heiligen Geest, die ons heilig
gemaakt heeft.
Eere zij der allerhoogste en onverdeelde
Drieëenheid, onzen God, in de eeuwen der
eeuwen. Amen.
Heer, ontferm U onzer. (Driemaal.)
Christus, ontferm U onzer. (Driemaal.\')
Heer, ontferm U onzer. (Driemaal.)
Gloria. (U<\' hifzany der Engelen.)
Eere zij God in de hoogste hemelen, en
vrede op de aarde den menschen van goeden
wille. Wij loven U, wij zegenen U, wij aan-
bidden U, wij verheerlijken ü, wij danken UT
om uwe groote heerlijkheid. Heer God, Ko-
ning des hemels, God, almachtige Vader, Fleer,
Jezus Christus, eeniggeboren Zoon, Heer God,
Lam Gods, Zoon des Vaders, die wegneemt
de zonden der wereld, ontferm U onzer; die
wegneemt de zonden der wereld, neem ons
gebed aan; die zit aan de rechterhand des-
Vaders, wees ons genadig. Want Gij alleen
zijt de Heilige, Gij alleen de Heer, Gij alleen
de Allerhoogste, Jezus Christus, met den Hei-
ligen Geest in de heerlijkheid van God den
Vader. Amen.
Hij de Collecten, den Epistel en het Graduale.
Verhoor, o God, de gebeden van uwe hei-
lige Kerk, die U in den naam van uwen wei-
beminden Zoon, onzen Heer, Jezus Christus,
ootmoedig smeekt, dat Gij ons uwe hulp en
-ocr page 465-
441
DE H. MIS.
bijstand verleent, opdat wij daardoor van alle
rampen bevrijd, in uwe genade versterkt mo-
gen worden. Amen.
Oefening van Geloof.
Mijn Heer en mijn God, ik geloof al wat
(lij door uwen eeniggeboren Zoon, onzen Heer,
Jezus Christus, door de H. profeten en apos-
telen geopenbaard hebt, en mij door de H.
Kerk, welke de zuil en grondslag der waar-
heid is, te gelooven voorhoudt, omdat gij de
onfeilbare waarheid zijt. In dit katholiek ge-
loof wil ik, door uwe genade, leven en sterven.
Oefening van Hoop.
Op U, allerliefderijkste Vader, Vader der
barmhartigheid en God van alle vertroosting,
vestig ik geheel mijn hoop en vertrouwen.
Groot en menigvuldig zijn wel mijne zonden,
maar oneindig veel grooter is toch uwe goed-
heid. die den dood des zondaars niet wil, maar
dat hij zich bekeere en leve. Op deze uwe
grenzenlooze goedheid vertrouwende, hoop ik
vastelijk de vergeving van al mijne zonden
en het eeuwig leven te zullen verwerven.
Oefening van Liefde.
Wie zal U niet beminnen, liefderijkste God!
U, die, om U eigen zelven, aller liefde waar-
dig zijt, en die ons met eene eeuwige liefde
bemind hebt, en uwen eeniggeboren Zoon voor
ons ten beste gaaft? Niets wensch ik in den
-ocr page 466-
442
BIJVOEGSEL.
hemel, niets zoek ik op aarde, buiten U,
mijn Heer en mijn God! In U verlang ik te
leven en te sterven. Wanneer zal ik komen
en staan voor uw aangezicht, om U in eeu-
wigheid te bezitten?
Jiij liet Evangelie.
Heer Jezus, die volgens den wil van uwen
Hemelschen Vader, aan de wereld de blijde
boodschap van bet evangelie hebt aangekon-
digd, schenk mij de genade om er de waar-
heid van te vatten, mijnen wil er naar te re-
gelen , het in mijn geheugen te bewaren en
er de voorschriften van te vervullen, opdat ik
met de schaar uwer uitverkoren schapen, die
hier naar uwe stem geluisterd hebben, in dit
leven zóo vereenigd worde, dat ik eenmaal op
den jongsten dag, met hen aan uwe rechter-
hand moge staan, en de troostvolle woorden
hooren: Komt, gezegenden mijns Vaders, be-
zit het rijk, dat voor u van de grondvesting
der wereld bereid is. Amen.
De GeloofsboljjJenis. (Credo.)
Ik geloof in éenen God, almachtigen Vader,
Schepper van hemel en van aarde, van alle
zichtbare en onzichtbare dingen.
En in éenen Heer, Jezus Christus, Gods
eeniffgeboren Zoon. En uit den Vader vóór
alle eeuwen geboren. God van God, licht van
licht, waarachtig God van den waarachtigen
God. Geteeld en niet gemaakt, medezelfstan-
-ocr page 467-
443
DE H. MIS.
dig met den Vader, door wien alles gemaakt
is. Die om ons menschen en oin onzer zalig-
heid wille is nedergedaald uit den hemel. En
die het vleesch heeft aangenomen door den
Heiligen Geest uit de Maagd Maria. En is
mensch geworden. Hij is ook voor ons ge-
kruist; onder Pontius Pilatus heeft Hij gele-
den en is Hij begraven. En Hij is ten derden
dage verrezen volgens de Schriften. En Hij
is opgeklommen ten hemel; zit aan de rech-
terhand des Vaders. En Hij zal wederkomen
met heerlijkheid om te oordeelen de leven-
den en de dooden, wiens rijk geen einde zal
hebben.
En in den Heiligen Geest, den Heer en
Levendinaker, die uit den Vader en den Zoon
voortkomt. Die met den Vader en den Zoon
te zamen aangebeden en verheerlijkt wordt;
die door de profeten gesproken heeft.
En éene, heilige, katholieke en apostolische
Kerk. Ik belijd een doopsel ter vergeving
der zonden. En ik verwacht de opstanding
der dooden. En het leven der toekomende
eeuwen. Amen.
Bij de Offerande. (Offertor\'mm.)
O, eeuwige Vader, die deze allerheiligste
Offerande der Nieuwe Wet, waardoor uw
eeniggeboren Zoon aan U wordt opgedragen,
hebt ingesteld, ik draag, in vereeniging met
dit Offer, mij zelven aan uwe Goddelijke Ma-
jesteit op, met alles, wat ik van uwe goed-
-ocr page 468-
444
BIJ VOEGSEI,.
heid ontvangen heb. Zie genadig op mij neder
en ontferm U mijner. Amen.
Hij het Orate Fm tres.
Priester. Bidt Broeders, opdat mijn en uw
offer aangenaam zij bij God, den almachtigen
Vader.
Dienaar. De Heer neme het offer nit uwe
handen aan, tot lof en verheerlijking van zijnen
naam, ook tot heil van ons en van zijne ge-
heele heilige Kerk.
Bij de Prefatie.
Tot U, o God, verheffen wij onze harten,
en zeggen uwe Goddelijke Majesteit dank.
Want het is, in waarheid, waardig en recht-
vaardig, billijk en heilzaam, dat wij U, heilige
Heer, almachtige Vader, eeuwige Uod, altijd
en overal dank zeggen, door Christus onzen
Heer; door wien de Engelen uwe Majesteit
loven, de Heerschappijen U aanbidden, de
Machten voor U sidderen. De Hemelen en de
Krachten der hemelen, met de gelukzalige
Serafijnen vereeren U met eenparige blijd-
schap. Vergun, bidden wij U, dat wij ook onze
lofzangen bij de hunne voegen en met hen in
ootmoed uitroepen: heilig, heilig, heilig is de
Heer, de God der Heerscharen Hemel en aarde
zijn vervuld van uwe heerlijkheid. Hosanna
in het allerhoogste! Gezegend Hij, die komt
in den naam des Heeren: Hosanna in het al-
lerhoogste!
-ocr page 469-
445
DE H. MIS.
BJJ de Gedachtenis der levenden. (Memento.)
Wij smeeken U, Heer, door het lijden en
den dood van uwen allerliefsten Zoon, onzen
Heer, Jezus Christus, dat Gij bijzonder uwe
heilige Kerk gedachtig zijt, en haar, als de
bruid van uwen Zoon beschermt, heiligt eu
verheft, te gelijk met uwen dienaar, onzen
Paus. de bisschoppen en alle herders en ziel-
zorgers; vervul hen met uwen Heiligen Geest,
opdat zij allen door hunne leeringen en voor-
beelden den luister van uwen naam verkon-
<iigen, eu de zielen, hun toevertrouwd , ter
zaligheid geleiden.
Wees ook gedachtig, o Heer, mijne ouders,
bloedverwanten, vrienden en weldoeners, bij—
•zonder___en allen, voor wie ik verplicht
ben te bidden, en waarvoor Gij wilt, dat ik
mijne gebeden storten zal. Stort uwe genade
overvloedig over hen allen uit in dit leven,
en schenk hun na dit leven de eeuwige heer-
lijkheid.
Bij de Opheffing van de II. Hostie.
Wees gegroet, Jezus Christus, mijn Ver-
losser en Zaligmaker, mijne hoop en toevlucht.
O Jezus, eeuwig Woord des Vaders, ware Zoon
van Maria, mijn God en mijn al. die aan het
kruishout U zelven aan uwen Hemelschen
Vader hebt opgedragen, maak mij deelachtig
aan de verdiensten van uw heilig lijden, en
aan uw waarachtig lichaam en bloed hier op
-ocr page 470-
446
BIJVOKOSEL.
het altaar tegenwoordig, nu en in liet uur van
ulijnen dood. Amen.
Itij de Opheffing van den Kelk.
Wees gegroet, waarachtig en levend Bloed,
dat uit de heilige wonden mijns Heeren, Jezus
Christus, gevloeid en met zijn heilig lichaam
in dit heilig Sacrament vereenigd is. O dier-
bare schat, o edel bad vau het kostbaarste
en zuiverste bloed, wasch en reinig mij van
al mijne zonden, versterk mijne ziel ten eeu-
wigen leven. Amen.
Na de Opheffing.
Heer Jezus Christus, die hier waarachtig
onder de gedaante van brood en wijn tegen-
woordig zijt, ik aanbid U , met een levendig
geloof. Laat niet toe, smeek ik U, dat dit
uw kostbaar bloed te vergeefs voor mij op het
altaar des kruises gevloeid heeft, maar geef,
door uw lijden en uwen dood, dat ik onder
het getal uwer uitverkorenen worde opgeno-
inen, en U in eeuwigheid in uwen onbevlekten
luister aanschouwen en bezitten moge. Amen.
J)e Gedachtenis der Overledenen.
Wees ook, o Heer, uwe dienaren en diena-
ressen gedachtig, die ons met het teeken des
geloofs voorgegaan zijn, en in den slaap des
vredes rusten.
Neem hen, bidden wij U, Heer, en allen,
die in Christus rusten, in de plaats van ver-
-ocr page 471-
447
DK II. MIS.
kwikking, van licht en vrede op. Door den-
zelfden Christus, onzen Heer. Amen.
Doe ook ons, zondaars, uwe dienaren, die
op de menigvuldigheid uwer ontfermingen ver-
trouwen , eenig deel en gemeenschap hebben
met uwe Heiligen...., in wier gemeenscha])
wij U bidden, niet om onze verdiensten, maar
na ons vergeving geschonken te hebben. ons
Oor»
op te nemen. Door Christus, onzen Heer. Amen.
Onze Vader, die in de Hemelen zijt, uw
Naam worde geheiligd; ons toekome uw rijk;
uw wil geschiede op de aarde, als in den he-
mel; geef ons heden ons dagelijksch brood;
en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij
vergeven onzen schuldenaren ; en leid ons niet
in bekoring, maar verlos ons van den kwade.
Amen.
Verlos ons, bidden wij U, Heer, van alle
verleden, tegenwoordig en toekomend kwaad,
en verleen ons, door de voorbede der zalige
en roemrijke altijd Maagd en Moeder Gods.
Maria, van de heilige apostelen Petrus en Pau-
lus, en Andreas, en van alle Heiligen, gena-
dig vrede in onze dagen, opdat wij, door den
bijstand uwer barmhartigheid geholpen, altoos
bevrijd mogen blijven van zonden, en van
alle verontrusting beveiligd zijn. Door den-
zelfden Heer Jezus Christus, uwen Zoon, die
met IJ, in de eenheid des Heiligen Geestes
leeft en heerscht door alle eeuwen der eeu-
wen. Amen.
De vrede des Heeren zij altijd met ons.
-ocr page 472-
448
BIJVOEGSEL.
Lam Gods, dat de zonden der wereld weg-
neemt , ontferm U onzer.
Lam Gods, enz.. .. ontferm U onzer.
Lam Gods, enz.. .. geef ons den vrede.
Voorbereiding tot de Geestelijke Communie.
Heer, Jezus Christus, zoon van den leven-
den God, die naar den wil uws Vaders, en
door de medewerking des H. Geestes, de we-
reld door uwen dood hebt levend gemaakt,
verlos mij, door dit uw allerheiligste lichaam
en bloed, van al mijne ongerechtigheden en
van alle kwaad; doe mij altoos uwe geboden
opvolgen en laat niet toe, dat ik ooit van
U gescheiden worde. Gij, die leeft en heerscht
met denzelfden God, den Vader, en den Hei-
ligen Geest, God in eeuwigheid der eeuwig-
heden. Amen.
Laat, Heer, Jezus Christus, uw lichaam, het-
welk ik, onwaardige op eene geestelijke
wijze wensch te ontvangen, niet strekken tot
mijn oordeel en mijne verdoemenis; maar dat
het, door uwe goedertierenheid, mij een be-
hoed- en geneesmiddel voor ziel- en lichaam
zij. Die leeft en heerscht met God, den Va-
der, in de eenheid des Heiligen Geestes, God
door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Zeg driemaal:
Heer, ik ben niet waardig dat Gij onder
mijn dak komt, maar spreek slechts een woord,
en mijne ziel zal gezond worden.
i
-ocr page 473-
DE H. MIS.                             449
Onder de Nuttiging.
Het lichaam van onzen Heer, Jezus Chris-
tus, beware mijne ziel ten eeuwigen leven.
Amen.
Ik heb Hem gevonden, wien mijne ziel be-
niint, ik zal Hem bij mij houden en niet laten
gaan.
O heilige maaltijd, waarin Christus ontvan-
gen, de gedachtenis van zijn lijden gevierd,
de ziel met genaden vervuld en ons het on-
derpand der toekomstige heerlijkheid gegeven
wordt.
Ziel van Christus, heilig mij.
Lichaam van Christus, maak mij zalig.
Bloed van Christus, drenk mij.
Water uit de zijde van Christus, wasch mij.
Lijden van Christus, versterk mij.
O liefderijke Jezus, verhoor mij.
In uwe heilige wonden, verberg mij.
Gedoog niet, dat ik van U gescheiden worde.
Tegen den boozen vijand bescherm mij.
In mijn sterfuur, roep mij.
En gebied mij te komen tot U,
Opdat ik U met uwe Heiligen love in alle
eeuwigheid. Amen.
Bij de laatste Collecten.
Ik bedank U, Heer Jezus, dat Gij mij deel-
achtig hebt gemaakt aan dit uw allerheiligste
Offer, waarbij ik de gedachtenis van uw bit-
Verkl. d. H. Mis.                                                      30
-ocr page 474-
450
BIJVOEGSEL.
ter lijden en sterven vernieuwd heb. Maak,
bid ik U, dat ik door de kracht en werking
van dit allerheiligste geheim in het geloof,
de hoop en liefde volharden, en het eeuwig
leven verwerven moge Amen.
Laat , bid ik U , Heilige Drieëenheid , de
hulde mijner onderwerping U aangenaam zijn
en geef, dat dit Offer, \'twelk ik, onwaardige,
(met den priester) voor de oogen uwer Ma-
jesteit opgedragen heb , U behagelijk zij en
mij en allen, voor wie ik het heb opgedragen,
door uwe genade tot verzoening strekke. Door
Christus, onzen Heer. Amen.
Bij den Zegen.
Ons zegene de almachtige God, de Vader,
de Zoon, en de Heilige Geest. Amen.
Begin van het heilig Evangelie volgens Joannes.
In den beginne was het Woord, en het
Woord was bij God, en het Woord was God.
Dit was in den beginne bij God. Alles is
door hetzelve geworden, en zonder hetzelve
is niets geworden , dat geworden is; in het-
zelve was leven , en het leven was het licht
der menschen. En het licht schijnt in de
duisternis, en de duisternis nam het niet op.
Er was een mensch, van God gezonden , die
tot naam had Joannes. Deze kwam tot ge-
tuigenis, om van het licht getuigenis te geven,
-ocr page 475-
451
DE H. MIS.
opdat allen door hem gelooven zouden. Hij
was het licht niet, maar (hij kwam) om van
het licht getuigenis te geven. Het ware licht
was dat, hetwelk iederen mensch verlicht, die
in deze wereld komt. Hij was in de wereld,
en de wereld is door hem geworden, en de
wereld heeft hem niet gekend. Hij kwam in
zijn eigendom, en de zijnen namen hem niet
aan. Doch zoo velen hem aannamen, aan die
gaf hij macht om kinderen Gods te worden,
hun , die in zijnen naam gelooven; die niet
uit bloed , noch uit den wil des vleesches,
noch uit den wil eens mans , maar uit God
geboren ziju. En het woord is vleesch
geworden, en heeft onder ons gewoond;
en wij hebben zijne heerlijkheid gezien, eene
heerlijkheid, als des eeniggeborenen van den
Vader, vol genade en waarheid.
Gode zij dank.
Dankzegging na de II. Mis.
Psalm 110.
Looft den Heer alle natiën; looft Hem alle
volkeren.
Want zijne barmhartigheid is over ons be-
vestigd , en de waarheid des Heeren blijft in
eeuwigheid.
Eere zij den Vader, en den Zoon , en den
Heiligen Geest.
Gelijk het was in den beginne, en nu, en
altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
-ocr page 476-
452
BIJVOEGSEL.
Dat de almogende Heer onze dagen en han-
delingen in zijnen vrede schikke. Amen.
Gebeden onder het Lof.
Voorbereiding.
Herinner u levendig, dat Jezus waarlijk en
wezenlijk in het H. Sacrament des Altaars
tegenwoordig is.. . . Verbeeld u, dat Jezus in
het tabernakel, evenals in den hemel, op eenen
verheven troon gezeten en van de JÉngelen
omgeven is , die zich uit eerbied voor Hem
neerwerpen en Hem aanbidden.. .. Verneder
u voor God, u zelven onwaardig kennende
voor Hem te verschijnen.
Wanneer de eerste Benedictie gegeven wordt.
Geloofd en gedankt zij te allen tijde het
allerheiligste en goddelijke Sacrament. Zegen
mij, o Heer Jezus! met den Vader en den H.
Geest; versterk mij door uwe genade, om zoo
te leven volgens uwen H. wil, dat geheel mijn
leven tot uwe meerdere eer en glorie strekke.
Geef aan de rechtvaardigen volharding, aan
de zondaren vergiffenis, en aan de geloovige
zielen de eeuwige rust, help ons nu en in het
uur van onzen dood.
-ocr page 477-
453
HET LOF.
In den naam des Vaders, des Zoons en des
H. Geestes. Amen.
Geloof en Aanbidding.
0 liefderijke Jezus! Gij zijt hier Wciarlijk
tegenwoordig onder de gedaante des broods,
met lichaam en ziel, met vleesch en bloed ,
met Godheid en menschheid. Ik geloof dit
vastelijk, omdat Gij het zelf gezegd hebt.
Wel is waar, mijne lichamelijke oogen zien
IJ niet en mijn verstand kan deze waarheid
niet begrijpen, maar uw onfeilbaar woord laat
mij niet twijfelen. Daarom val ik met de
diepste ootmoedigheid voor U ter aarde neder,
en aanbid U met allen mogelijken eerbied.
Gij zijt mijn Heer en mijn God, Gij zijt die,
welken de herders eertijds in de krib aange-
beden hebben en ontelbare Engelen aanbidden
in den hemel; gene hebben U aangebeden
onder de gedaante van een kind, deze aanbid-
den U, zittende op den troon der heerlijkheid
aan de rechterhand van uwen Hemelschen
Vader; met hen beiden aanbid ik U hier, als
den waren, onder de gedaante des broods ver-
borgen God. O, dat alle tnenschen U met mij
erkenden! o, dat zij allen U, met een leven-
dig geloof en heilige vrees, in dit allevhei-
ligste Sacrament aanbaden! Ik, o Jezus! ver-
lang dit nu en altijd te doen. Ik verlang
nu en altijd eene bijzondere godvruchtigheid
tot dit allerheiligste geheim te hebben. Nooit
wil ik voor hetzelve dan met alle mogelijke
-ocr page 478-
454
BIJVOEGSEL.
ingetogenheid verschijnen: nooit wil ik het-
zelve anders dan met de noodige voorbereiding
ontvangen. Geef mij hiertoe, o Jezus! uwe
genade.
Liefde en Dankzegging.
Hoe onbegrijpelijk is uwe liefde , o Jezus !
voor ons , ellendige menschen! Gij hebt niet
alleen drie en dertig jaren bij ons op aarde
willen blijven, en voor ons lijden en sterven,
maar (iij hebt nog den avond vóór uw bitter
lijden, dit allerheiligste Sacrament ingesteld,
opdat wij u altijd bij ons zouden hebben, tot
onzen troost en toeverlaat, tot onze geestelijke
spijs en voedsel. Gij hebt vooruit geweten al
de oneer en den smaad, welke niet alleen de
ketters, joden en heidenen, maar ook uwe ge-
loovigen U in dit allerheiligste Sacrament
zouden aandoen; nochtans is uwe lietde hier-
door niet afgeschrikt geworden. *!ij zult in
hetzelve met ons tot het einde der wereld
blijven. G wonderbare beminnaar onzer zielen!
welken dank, welke liefde ben ik U schuldig!
Ik dank U , o Jezus! en wensch U zoo zeer
te kunnen danken, als de weldaad, welke Gij
ons bewijst, verdient. Ik bemin U , o Jezus !
en wensch U zoo vurig te kunnen beminnen,
gelijk Gij om deze overmaat uwer liefde tot
ons, verdient bemind te worden. Om de lauw-
heid mijner liefde en dankzegging eenigszins
te vergoeden, offer ik U op al de eer en
-ocr page 479-
455
HET LOF.
liefde, welke uwe getrouwe dienaren U in uw
allerheiligste Sacrament ooit bewezen hebben
of zullen bewijzen. 0 , mocht ik dit duizend
en duizendmaal vermeerderen !
Lof en Zegening.
Geloofd en gezegend zij het allerheiligste
Sacrament des Altaars , geloofd en gezegend
\'zij het allerheiligste lichaam en de allerheiligste
:ziel, de Godheid en menschheid van Jezus
Christus, onzen Verlosser en Zaligmaker, die in
•het allerheiligste Sacrament waarlijk en wezen-
lijk tegenwoordig zijn. Zooveel Engelen en Heili-
gen in den hemel, zooveel menschen op de
aarde , zooveel grasjes op het veld , zooveel
stofjes in de lucht, zooveel druppels in de
zee , zooveel duizend en duizendmaal zij ge-
loofd en gezegend het allerheiligste Sacrament.
Dit ia mijn vurige en hartelijke wensch; dit
verlang ik zoo dikwijls te vernieuwen, als ik
adem schep. Neem dit aan , o , in dit aller-
heiligste Sacrament waarlijk tegenwoordige
Jezus! en laat dit allerheiligste Sacrament in
mijn leven zijn mijn troost, mijne sterkte,
mijn toeverlaat, mijne teerspijs en een zeker
onderpand der zaligheid, opdat ik U eeuwig
moge loven en danken in den hemel. Amen.
Laat ons bidden.
O God! die onzichtbare goederen bereid
-ocr page 480-
456
BIJVOEGSEL.
hebt voor hen, die U beminnen, stort de uit-
werksels uwer liefde in onze harten, opdat
wij U in alles beminnende, de vervulling
uwer beloften, die alle verlangens te boven
gaan , bekomen , door Jezus Christus , onzen
Heer. Amen.
Sluitgebed.
Hartelijken dank, lieve Jezus! dat Gij mij
zoolang in uwe tegenwoordigheid toegelaten
hebt. Vergeef\' mij mijne oneerbiedigheid, lauw-
heid en onachtzaamheid, waarmede ik in uwe
tegenwoordigheid verschenen ben. O minnelijke
Jezus! ik wijd mij geheel aan U toe; verberg
mij in uw honingvloeiend hart, en laat niet
toe, dat ik ooit van U gescheiden worde. O
Jezus! geef mij uwen heiligen zegen. Blijf bij
mij, en vereenig U geheel met mij, opdat ik
met uwen apostel moge zeggen: ik leef niet,
maar Jezus leeft in mij. Amen.
O Maria, toon, dat gij mijne Moeder zijt,.
en draag altijd zorg voor mij; ik stel mij ge-
heel in uwe moederlijke bescherming. Amen.
-ocr page 481-
<XwnwAwni^inwX^^>OTNnwn>OTwX^>^Mnw^^wnHXOTw^nH^nwnMA»^^wwn»
GKBED
met vollen aflaat.
Zie, o goede en allerzoetste Jezus, ik werp
mij voor uw aangezicht op mijne knieën
neder en bid en smeek u met al den gloed
mijner ziel, dat Gij levende gevoelens van
geloof, hoop en liefde, een waar berouw over
mijne zonden en een vasten wil om ze te
verbeteren in mijn hart wilt uitstorten ; ter-
wijl ik met groote aandoening en smart uwe
vijf wonden bij mij zelven overdenk en in den
geest beschouw , voor oogen hebbende wat
reeds de Profeet David van u, o goede Jezus,
voorzeide: „Zij hebben mijne handen en voeten
-ocr page 482-
458 GEBED MET VOLLEN AFLAAT.
„doorboord, zij hebben al mijne beenderen ge-
„teld." (Ps. 21—27. 28.)
5 Onze Vaders, 5 AVees gegroeten, 5 Glorie zij den
Vader, tot intentie van \'/.. H. den Paus.
Alwic na gebiecht en gecommuniceerd te hebben ,
bovenstaand gebed voor eenig beeld van den Gekruiste
verricht en bidt tot intentie van Z. II. den Paus, ver-
dient een vollen aflaat, ook toepasselijk op de zielen in
het vagevuur. (Bekrachtigd door Pius IX,
31 Juli 1858./
-ocr page 483-
/-
^p^^^gMii^^^Mé
\\,
INHOUD.
ui/..
Opdracht......v
Voorwoord ...... xi
1. Hoofdstuk. Het wezen der IJ. Mis . 1
II. Hoofdstuk. De voortreffelijkheid der H.
Mis......13
§ 1. Over het wijden der kerken en al-
taien.....14
8
De priesterwijding . . . \'26
3.
De waardigheid van het priester-
schap .....29
§ 4. De ceremoniën der II. Mis . . 37
$ 5. De gebeden en ceremoniën bij de
H. Mis.....41
§ (i. Over het gebruik der latijnsche taal 57
S 7. Van den voornaamsten priester der
H. Mis.....(i\'2
§8-
Welk eene kostbare gaat\' in de H.
Mis wordt opgeofferd         . . 71
III.  Hoofdstuk. Van de geheimen, die in
de II. Mis begrepen zijn . . 77
$ 1. Genaden en weldaden, welke uit
bet aandachtig Mis-hooren voort-
spruiten ..... H!)
IV.  Hoofdstuk. In de II. Mis hernieuwt
Christus zijne menschwording . 9<>
-ocr page 484-
460
INHOUD.
V. Hoofdstuk. In de H. Mis hernieuwt
Christus zijne geboorte . .105
VI. Hoofdstuk. In de H. Mis hernieuwt
Christus zijn leven . . . 116
VII. Hoofdstuk. In de H. Mis hernieuwt
Christus zijn gebed . . .125
VIII. Hoofdstuk. In de H. Mis wordt het
lijden van Christus hernieuwd . 135
IX. Hoofdstuk. In de H. Mis wordt de
dood van Christus hernieuwd . 14\'2
X.  Hoofdstuk. In de II. Mis wordt het
bloedvergieten van Christus her-
nieuwd ..... 15t
§ 1. Hoe het bloed van Christus voor
ons ten hemel roept . . 160
XI.  Hoofdstuk. De II. Mis is het voor-
naamste brandoffer . . .170
XII. Hoofdstuk. De H. Mis is het hoogste
lofoffer.....180
XIII.  Hoofdstuk. De H. Mis is het beste
dankoffer.....192
XIV.  Hoofdstuk. De II. Mis is het krach-
tigste bidoffer .... 200
XV. Hoofdstuk. De H. Mis is het mach-
tigste zoenoffer .... 211
§ 1. Op welke wijze de H. Mis verge-
ving der zonden bewerkt en de
verstokte zondaars bekeert . 221
§ 2. Hoe de H. Mis de dagelijksche
zonden uitwischt . . . 227
XVI. Hoofdstuk. De H. Mis is het waar-
digste voldoeningsoffer . . 233
(5 1. Hoe vele straffen men dooreene
H. Mis kan afboeten . . 237
XVII. Hoofdstuk. De H. Mis is het voor-
treffelijkste werk van den H. Geest 246
-ocr page 485-
INHOUD.
XVIII. Hoofdstuk. De H. Mis is de zoetste
vreugde der Moeder Gods en dei-
Heiligen .....\'256
XIX. Hoofdstuk. De II. Mis is het grootste
voordeel voor de geloovigen . 205
XX. Hoofdstuk. De H. Mis verschaft ons
de vermeerdering dttv genade en
der liemelsche glorie
         . . 271
§ 1. Door de H. Mis wordt de genade
bijzonder vermeerderd . . 278
§ 2. Door de H. Mis wordt op bijzon-
dere wijze de liemelsche glorie
vermeerderd ....
282
§
3. Van de geestelijke communie .
287
XXI.
Hoofdstuk. De H. Mis is een zeker
anker der hoop voor de stervenden
291
XXII.
Hoofdstuk. De II. Mis is de zekerste
verlossing der geloovige zielen
301
XXIII.
Hoofdstuk. In de H. Mis bidden
priesters en Engelen voor ons .
308
§
1. Hoe de Engelen in de H. Mis
tegenwoordig zijn en voor ons bidden
313
XXIV.
Hoofdstuk. Het Mis-hooren bevor-
dert den arbeid
318
XXV.
Hoofdstuk. Over de manier om het
best de H. Mis te hooien
328
XXVI.
Hoofdstuk. Nuttige leering omeenige
Missen tegelijk te hooren
33(5
XXVII.
Hoofdstuk. Opwekking om dage-
Hjks Mis te hooren .
347
XXVIII.
Hoofdstuk. Aansporing tot het aan-
dachtig Mis-horren .
358
XXIX.
Hoofdstuk. Bijzondere aandacht on-
der de Elevatie
305
XXX.
Hoofdstuk. Over den eerbied in de
H. Mis.....
373
-ocr page 486-
462
INHOUD.
I. Aanhangsel. Over don eerbied der Kerke
verschuldigd . . . . .
II. Aanhangsel. Over den plicht op Zon-
en Feestdagen de II. Mis bij te
wonen .
III. Aanhangsel en Slot. Eenige misbrui-
ken betreffende bet vieren van
den Zondag
Over de herbergen
Over de verkeeringen .
Over de openbare vermakelijkheden
Slot......
—o—
:581
3!»!»
408
412
423
42(>
431
BIJVOEGSEL.
Gebeden onder de H. Mis
Gebeden onder bet Lof\' .
Gebed niet vollen aflaat .
438
452
457