-ocr page 1-
-ocr page 2-
i3\\d>6
tTwY^
-ocr page 3-
A
-ocr page 4-
-ocr page 5-
HANDBOEK VOOR BET lOIIIRSGO RECHT.
EERSTE DEEL.
-ocr page 6-
STIIOMDHIIKKKKU VAN J. H. WIM.TKHS.
-ocr page 7-
\'/a :
M\\ W. MODDERMAN,
HIK 1
M
nm
}
\\
i.. .
11JU111
TWEEDE, OMGEWERKTE DRUK,
IHIOK
M". II. I, DRUCKER^
Hcmii.i Ki:it\\AFt tk LEIDEN.
TE GRONINGEN HIJ ,). B. WOLTER8, I8S2.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
VOORBERICHT VAN DEN EERSTEN DRUK.
Het handboek, waarvan thans het eerste Deel verschijnt, is door mij
samengesteld uitsluitend met het oog o/> mijne voorlezingen over Instituten
en Historiu juris. Ik stel mij rooi\', door het gebruik van dit handboek
tijd te u innen roor de bespreking der belangrijkste kwestiën, die hier
enkel worden aangeroerd en roor de uitlegging en behandeling der bronnen.
Volgens sommigen heb ik zeker te weinig gegeten, volgens anderen wellicht
te reel. Wie gelijk heeft staat niet aan mij te beslissen. Ieder doet het
op zijn manier. De toekomst moet leereu of ik mijn doel bereikt heb
....
Gronikobk, Juni 1877.                                                                                      W. M.
VOORBERICHT VAN DEN TWEEDEN DRUK.
Hetzelfde doel, dat de Schrijver zich voorstelde, die met bovenstaande
woorden als inleiding zijn Handboek in het licht zond, stond ook mij
roor den geest, torn ik overging tot het bewerken eener herziene uitgaaf.
De bestemming van het boek is in de eerste plaats, leiddraad te zijn bij
mijne colleges, al hoop ik, dat het ook in zijn nieuwen vorm, evenals
tot dusver in den ouden, buiten den kring mijner toehoorders zal worden
geraadpleegd.
De aanleg van het oorspronkelijke werk is behouden; met name ook de
toevoeging van een aantal fragmenten uit de bronnen, die niet slechts
bewijsplaatsen zijn roor het in den tekst gezegde, maar borenal dienen
om den tekst aan te rullen. De ondervinding van een tiental jaren heeft
mij het groot e nut daarvan doen kennen. Op het college kunnen die citaten
worden gelezen, verklaard en besproken, veel gemakkelijker dan wanneer
-ocr page 10-
telkens het Corpus Juris moet worden opgeslagen. En bij eigen lectuur
wordt de lezer roort durend herinnerd aan de wen schel ijkheid
, de Romeinen
zelf te hooren spreken. Uittreksels uit de Instituten zijn zelden opgenomen
en dan nog alleen uit titels; welke niet opzettelijk gewijd zijn aan het
behandelde onderwerp. Bij den student, die zich met het Romeinsche recht
bezighoudt, mag zelfs de gedachte niet opkomen dat hij, wat de Instituten
betreft, met eene bloemlezing zou kunnen volstaan. Wie daarentegen de
Instituten grondig kent, in Gajus geen vreemdeling is, en door de hier
afgedrukte plaatsen vertrouwd is geworden met de orerige rechtsboeken,
heeft roor den eersten aanloop voldoende kennis der bronnen verworven.
Opgemerkt worde nog, dat voor de citaten uit de wetgeving van
Justini-
anus de uitgave van Mommsen — Kkiger, ten aanzien der vóór-Justini-
aansche bronnen de
Collectio librorum juris antejustiniani is gevolgd.
Ook de rangschikking der stof is behouden, al zoude ik op sommige
punten wellicht eene andere hebben verkozen. Doch het was van belang,
zoo min mogelijk storing te brengen in de verwijzingen, voorkomende in
het derde deel, dat vooreerst wel niet zal worden herdrukt. Om dezelfde
reden is, ondanks het wegvallen van
§ //, de nummering der orerige
paragrafen gehandhaafd. Alleen waar dit onvermijdelijk scheen, is de
volgorde ielwat veranderd.
Thans worde kortelijk rekenschap gegeven van de aangebrachte wijzigingen.
Vooreerst is op meer dan eene plaats gebruik gemaakt van de resultaten
der nieuwere wetenschap. I \'itkomsten, die nog niet geacht kunnen worden
vast te staan, zijn niet dadelijk opgenomen. Wel gaven zij soms aanleiding
,
als twijfelachtig aan te duiden, wit vroeger als zeker kon worden voorgesteld.
Geschrapt is hetgeen niet behoort tot het zuivere Romeinsche Recht; zoo
vervielen de opmerkingen over het
heutige Komische Hecht, welke de eerste
druk, op het voetspoor der Duitsche werken, hier en daar invlocht.
Weggelaten is verder, wal voor den eerstbeginnende niet onmisbaar is
of wal beter mondeling wordt behandeld. Voor bespreking moei iets over-
blijven. Doch in den regel zal <>f de tekst of het daarbij uit de bronnen
afgedrukte voldoende aan hel besprokene herinneren. Hel Handboek is
mij niel hel minst daarom lief, omdat het de „dictaten" tot een minimum
beperkt. Over hetgeen noodig is te achten, kan men verschillend denken.
In het algemeen meende ik een weinig Ie mogen bekorten. Daarbij is
echter, naar ik vertrouw, slechts enkele malen iets verloren gegaan, dal
-ocr page 11-
de meergerorderde, dit htt boek gebruikt, gaarne er in zoude vinden.
Geheel rereallen zijn de noten, die in een werk als dit minder thuis
behooren. De zakelijke inhoud is in den tekst overgegaan. Literatuur
aan te halen acht ik overbodig; ruimschoots roorzien daarin de werken,
in
§ 5 genoemd — wat het dogmatische gedeelte aangaat. boreaal de in
dit opzicht onorertru/fen
Windscheid. Sedert § .7 werd afgedrukt, ver-
scheen ran
Salkowski\'s Lehrbuch een zesde druk, tan Dbrnburo\'s l*an-
dekten eene derde uitgare. De welwillende lezer gelieve dit op blz. /.\'»\'
aan te teekenen.
Eindelijk heb ik mij er op toegelegd, Latijnsche of zoogenaamd Latijnsche
uitdrukkingen, zooreel mogelijk, te verdittschtn. Zullen wij ooit eene
werkelijk Nederlandsche rechtstaat verkrijgen, dan moeten de leerboeken
voorgaan, opdat de rechtsbeoefenaar zich, ran den aanvang af, er aan
gewenne, Nederlandsch te spreken.
Of de denkbeelden, waarvan ik ben uitgegaan, juist zijn, en of door
toepassing daar ran het Handboek in bruikbaarheid heeft gewonnen, mogen
anderen beoordeelen. Voor opmerkingen dienaangaande zal ik zeer dank-
haar zijn.
Mijn voornemen is, de herziene ui/gare ran het Tweede Deel {Familie-
recht en Zakenrecht) te laten rolgrn, zoodra ik orer den noodigen rrijen
tijd kan beschikken. Daarna hoop ik, door bewerking ran het Erfrecht,
het boek te roltooien.
Leiden, 1 Juli 18\'.»2.                                                                                    II. L. I).
-ocr page 12-
INHOUD.
INLEIDING.
Blz.
§ 1. Romeinsch recht. Bestanddeelen...........      1
§ 2. Redenen van beoefening van het Romeinsche recht ....      1
§ 3. Wijze van behandeling..............      3
§ 4. Bronnen, waaruit de kennis van het Romeinsche recht kan
geput worden.................      5
§ 5. Literatuur...................    12
§ 6. Orde van behandeling...............    13
BOEK I.
Algemeen gedeelte.
HOOFDSTUK I.
OVER HET RECHT IN HET ALGEMEEN.
§ 7. Recht in objectieven en recht in subjectieven zin.....    16
§ 8. Recht en moraal................    17
§ 9. Publiek en privaat recht..............    18
§ 10. Jus civile, jus gentium en jus naturale........    18
§ 11 van den eersten druk is vervallen.
§ 12. Aanvullend en dwingend recht...........    20
§ 13 (le druk: § 14). Sanctie der wetten..........    21
§ 14 (le druk: § 13). Algemeen en bijzonder recht, regelmatig en
abnormaal recht.................    22
§ 15. Ontstaan van het recht. Wet en gewoonterecht......    22
§ 1G. Volkswetten. Leges en plebiscita...........    23
§ 17. Senaatsbesluiten. Senatusconsulta...........    26
-ocr page 13-
INHOUD.
\\II
lMz.
§ 18. Keizerlijke verordeningen. Constitutiones principum ....    27
§ 19. De edicten der magistraten, vooral van den praetor ....    30
§ 20. De adviezen der rechtsgeleerden...........    32
§ 21. De voornaamste Romeinsche juristen.........    35
§ 22. Gewoonterecht.................    43
§ 23. Werking der wet ten aanzien van de plaats en de personen .    45
§ 24 (1° druk: § 26). Werking der wet met betrekking tot den tijd    45
§ 25 (le druk: § 24). Vervolg. Niet-terngwerkende kracht der wet.    46
§ 26 (l6 druk: § 25). Uitlegging der wet..........    47
§ 27. De wetgeving van Justinianus............    50
§ 28. Het Romeinsche recht in het Oosten, na den dood van Jus-
tinianus...................    57
§ 29. Het Romeinsche recht in het Westen tot aan de glossatoren-
school....................    58
§ 30. De glossatoren-school en de commentatoren.......    59
§ 31. De receptie van het Romeinsche recht.........    61
§ 32. Wetenschappelijke beoefening van het Romeinsche recht van
de 16e eeuw tot onzen tijd............    63
HOOFDSTUK 11.
OVEK I\'EKSONKN OF RECHTSSUUJKCTEN.
§ 33.    Hegrip en soorten van personen...........    67
§ 34.    Begin en einde der natuurlijke persoonlijkheid......    68
§ 35.    Rechtstoestand der natuurlijke personen. Capitis deminutio .    70
§ 36.    Vrijheid en slavernij...............    71
§ 37.    Begrip der slavernij...............    73
§ 38.    Ontstaan der slavernij..............    77
§ 39.    Eindigen der slavernij..............    79
§ 40.    De vereischten der vrijlating............    81
§ 41.    Vervolg. De bevoegdheid tot vrijlating.........    85
§ 42.    Het patronaatsrecht...............    90
§ 43.    Eenige aan slavernij verwante toestanden........    92
§ 44.    Burgers en vreemdelingen.............    95
-ocr page 14-
XIII
INHOUD.
lil/..
§ 45.    Zelfstandige en afhankelijke personen. De Roineinsche familie 90
§ 46. De middelen tot handhaving van den staat.......97
§ 47. Burgerlijke eer. Eerloosheid.............99
§ 48. Stand....................102
§ 49. Godsdienst...................102
§ 50. Geslacht...................102
§ 51. Leeftijd....................104
§ 52. Gezondheid..................10G
§ 53. Woonplaats..................107
§ 54.    Verwantschap tusschen verschillende personen. A. Wettige en
onwettige geboorte................109
§ 55 Vervolg. B. Adgnatio en cognatio..........110
§ 56. Vervolg. C. Zwagerschap.............113
§ 57. Rechtspersonen.................114
HOOFDSTUK III.
OVKK ZAKEN OF RECHT80BJECTEN.
§ 58.    Begrip van zaken. Lichamelijke en onlichamelijke zaken . .  121
§ 59.    Zaken in en buiten het vermogen. Zaken in en buiten het
handelsverkeer.................  122
§ 60. Res mancipii en res nee mancipii..........  125
§ 61. Roerende en onroerende zaken...........  125
§ 62. Vervangbare en niet-vervangbare zaken........  127
§ 63. Geld.....................  128
§ 64. Verbruikbare en nietverbruikbare zaken........  129
§ 65. Deelbare en ondeelbare zaken............  129
§ 66. Eenvoudige en samengestelde zaken. Rechtszaken.....  131
§ 67. Hoofdzaken en byzaken. Hulpzaken..........  133
§ 68. Vruchten. Renten................  136
8 69. Waarde der zaken................  140
-ocr page 15-
INHOUD.
XIV
HOOFDSTUK IV.
OVEE HET ONTSTAAN EN TE NIET GAAN VAN RECHTEN.
Bli.
§ 70. Ontstaan, verandering en te niet gaan van rechten in het
algemeen...................141
§ 71. Soorten van verkrijging..............143
§ 72. Begrip en soorten van rechtshandelingen........145
§ 73. Vereischten der rechtshandeling in het algemeen.....147
§ 74. Bevoegdheid der handelende personen.........147
§ 75. De werkelijke wil................149
§ 76. De verklaring van den wil.............153
§ 77. De inhoud der wilsverklaring............156
»-*§ 78.    Medewerking van anderen bg het aangaan van rechtshandelingen 157
§ 79. Dwaling...................161
§ 80. Bedrog....................165
§ 81. Dwang.........•..........167
§ 82. De voorwaarde. Begrip..............170
§ 83. Vervolg. Verschillende soorten voorwaarden.......173
§ 84.    Vervolg. De werking der hangende, vervulde of ontbrekende
voorwaarde..................177
§ 85. De tijdsbepaling.................182
§ 86. De last....................186
. § 87. Ongeldigheid der rechtshandelingen..........188
§ 88.    Bekrachtiging, goedkeuring van aangegane rechtshandelingen. 193
§ 89. Uitlegging der rechtshandelingen..........194
/r% 90. De schenking.................197
% 91. Ongeoorloofde handelingen ............202
§ 92. Verandering en te niet gaan van rechten.......208
§ 93. Vervreemding en afstand van rechten.........210
§ 94.    De tijd in betrekking tot het ontstaan en te niet gaan van
rechten...................212
-ocr page 16-
INIIOÜI).                                                                  XV
HOOFDSTUK V.
UITOEFENING, BESCHERMING EN HANDHAVING DER RECHTEN.
BU.
§ 95 (le druk: § 96). Uitoefening der rechten........21G
§ 96 (lc druk: § 97). Samenloop en botsing van rechten. . . . 218
§ 97 (le druk: § 95). Bescherming en handhaving van rechten in
het algemeen.................220
§ 98. Zelfverdediging. Eigenrichting...........221
§ 99. De rechtsprekende personen............223
^ § 100. De partyen en hunne vertegenwoordigers.......225
> § 101. De bevoegdheid des rechters............228
§ 102. De procedure per legis actiones...........229
§ 103. De procedure per formulas............231
§ 104. Eenige bijzonderheden aangaande de procedure voor den
magistraat en voor den rechter...........235
§ 105. De procedure van den lateren keizertijd........239
^ § 106. Acties. Begrip en grond.............240
§ 107. Verdeelingen der acties..............242
§ 108. Verloren gaan der acties in het algemeen, en inzonderheid
door den dood van een der partijen.........253
§ 109. Samenloop van acties..............254
§ 110. Verjaring der acties. Praescriptio..........255
J § 111. Middelen van verdediging. Excepties.........259
/ § 112. De litis contestatio en hare gevolgen.........264
§ 113. Bewijs. Bewijslast...............272
§ 114. Bewijsmiddelen................275
§ 115. Het vonnis en zijne werking............277
§ 116. Beslissing van den rechtsstryd buiten proces......283
§ 117. Tenuitvoerlegging van het vonnis..........286
§ 118. Rechtsmiddelen tegen het vonnis..........287
§ 119. Herstel in den vorigen toestand..........288
§ 120. Middelen tot bewaring van rechten buiten proces.....291
-ocr page 17-
\'.
\'
/u
^. ïldt>
A**~\'- &s-tU\'6\'e-£-h-*- a^ ^
Wkfl -- Ui UrU h*~ &*&/ %*4b/.
f . i r. \'
-
lii «./ r»\'-*:
/
tt>~ \' (,
^•«
r
\'
l
1
-
\' V
.
-ocr page 18-
\\;l
I
INLKIDlNd.
§ 1. ROMEINSCH RECHT. HESTANDDEELEN.
De voorlezingen over de Instituten dienen om een kort historisch-
dogniatisch overzicht te geven van het Romeinsche privaatrecht, als
grondslag voor de studie van het Romeinsche recht in het bijzonder en
van de wetenschappelijke rechtsbeoof\'ening in het algemeen.
Onder Romeinsch recht verstaan wij hier niet alle wetten en rechten,
welke sedert de stichting van Rome (753 v. C.) tot den ondergang van
het Byzantijnsche Keizerrijk (1453 n. C.) in den Romeinschen Staat heb-
ben gegolden, maar het Romeinsche recht, zooals het onder de regcering
van Keizer Justinianus (527—565) is herzien en gecodificeerd.
Dat Justiniaansche recht bestaat uit de volgende bestanddeelen:
I.   De Institutiones, in 4 boeken (totius legitimae scientiae prima
elementa), met verbindende kracht sedert 30 December 533, een wet-
boek, maar tevens een leerboek ter inleiding in de rechtswetenschap
(§ 2 I. de just. et jure, I, 1).
II.   De Pandectae of Digesta, in 50 boeken, met verbindende kracht
sedert denzelfden dag als de Instituten.
III.   Den Codex Cotistitutionum (Codex repetitae praelectionis, oeneher-
ziening van dien van het jaar 529), in 12 boeken, verbindend sedert
29 December 534.
IV.   De Nomllae (Nonellae Constituliones) van 535—565. Over do samen-
stelling, inrichting enz. der.Tustiniaansche wetgeving, zie beneden §§ 27 e.v.
§ 2. REDENEN VAN BEOEKENINIi VAN HET ROMEINSCHE HECHT.
Ofschoon het Romeinsche recht in Nederland geene kracht van wet
meer heeft \') en in zooverre zijn onmiddellijk practisch belang bijna
\') Bij art. 3 van het besluit van Koning Lodcwijk van 24 Februari 18011, is hel
Itoomsche recht afgeschaft met de invoering van het Wetboek Napoleon ingericht
voor het Koninkrijk Holland op 1 Mei 1809. Art, 1 van de wet van 1G Mei 1829,
Stbl. no. 33 omtrent de afschaffing der nog in werking zijnde wetboeken, op het
tijdstip der invoering van de nationale wetboeken, bepaalt: „Het wettelijk gezag van
het romeinsche legt is en blijft afgeschaft.\'"\'
Hom. recht. 1, 2e druk.                                                                                        1
-ocr page 19-
2
geheel heeft verloren, is het toch voortdurend ook hier te lande het uit-
gangspunt en de basis der wetenschappelijke rechtsbeoefening gebleven.
De reden hiervan ligt vooreerst in de voortreffelijkheid van zijn inhoud.
Hoewel vele zijner instellingen uit onze maatschappij zijn verdwenen en
tal van bijzonderheden niet meer passen voor onze toestanden, berusten
toch zijne hoofdbeginselen voor een belangrijk deel niet op eene bekrom-
pene, specifiek-Romeinsche opvatting der levensbetrekkingen, maarbeant-
woorden zij aan eene rationeele opvatting van algemeen menschelijke
toestanden en betrekkingen.
Afgescheiden van den inhoud — waarvan uit den aard der zaak bij
voortgaande ontwikkeling van het recht steeds meer vervalt of gewijzigd
wordt — ligt de onvergankelijke waarde van het Homeinsche recht in
de methode zijner groote meesters. Boven alle vroegere en latere juristen
munten zij uit door hun meesterschap over de taal, door hunne kem-
achtige en juiste uitdrukkingen, door hunne scherpe begrippen en de
consequente toepassing hunner beginselen. Aan eene onovertrolfen gave
van ontleding van rechtsregelen paren zij eene bewonderenswaardige kunst
van uitlegging, waar het geldt den wil van den wetgever te verklaren
of de bedoeling der partijen uit testament of overeenkomst af te leiden.
Maar vooral wekt het onze bewondering, wanneer wij zien, hoe zij met
gemak en zekerheid van het abstracte tot het concrete, van den rechts-
regel tot het bijzonder geval, en omgekeerd weten over te gaan. Bij
eiken rechtsregel letten zij op de toepassing, en zij verstaan bij uitne-
mendheid de kunst, om, zonder zich ooit in onvruchtbare abstracties te
verliezen, het hun voorgelegde geval onder den bestaanden rechtsregel te
brengen of er een nieuwen voor te vinden.
Maar al ware dit alles anders dan het is, dan nog zou er eene ge-
wichtige reden voor ons bestaan om het Romeinsche recht te beoefenen.
Die reden is gelegen in den invloed en het gezag, die het zoo hier als
elders eeuwen lang heeft geoefend. Sedert de herleving der rechtsstudie
aan de Boloneeache of Glossatoren-school (1100—1250) hebben de meeste
en beste juristen zich bijna uitsluitend met het Romeinsche recht bezig
gehouden. Zij legden het aan hunne adviezen en vonnissen ten grondslag
en ontwikkelden het in hunne wetenschappelijke werken, ten koste meer-
malen van hun nationaal recht. De geheele juridische literatuur is zoo-
danig van het Romeinsche recht doortrokken, dat zij zouder de kennis
van dat recht niet begrepen kan worden.
Door een en ander heeft het Romeinsche recht een overwegenden invloed
geoefend op de vorming en ontwikkeling der tegenwoordige rechtsweten-
schap, en is het onmisbaar geworden voor de verklaring van ons heden-
daagsch positief recht. Al heeft het dus niet meer de vis legis, uit een
technisch en historisch oogpunt heeft het en zal het nog lang behouden,
om met Leibnitz te spreken, de vis magni docloris.
Evenwel wachtc men zich voor overdrijving. De groote verdiensten
van het Romeinsche recht, wat vorm en inhoud betreft, hebben ook een
gevaarlijken, ja verderfelijken invloed gehad. Zij hebben geleid tot slaafsche
-ocr page 20-
3
bewondering en navolging, tot een „sermocinari tanquam o vinculis", tot
verwaarloozing van de studie van het Germaansehe recht. Wij moeten
niet alles uit het Romeinsche recht willen verklaren on niet schromen,
zijne uitspraken te verwerpen, wanneer zij niet meer in harmonie zijn
met de tegenwoordige reehtsovertuiging of met de eischen van het (egen-
woordige maatschappelijke verkeer. Menig leerstuk echter van het privaat
recht gaat nog gebukt onder de methode van het orthodoxe Roman isme.
Wij hebben te veel de Romeinsche juristen leeren napraten, te weinig
in hunnen geest het recht zelfstandig ontwikkeld. Vgl. over dit punt
verder hieronder, § 32.
§ 3. WI.IZE VAN I!EIIANDEMNf>.
Men kan een positief recht uit verschillende oogpunten beschouwen,
uit een historisch, dogmatisch of wijsgeerig oogpunt. De geschiedenis
geeft antwoord op do vraag, hoe iets recht is geworden. Zij leert ons de
bronnen kennen, waaruit het recht gesproten is, en schildert het ont-
staan, de ontwikkeling en den ondergang der rechtsinstellingen. De
dogmatiek houdt zich bezig met het onderzoek naar de instellingen en
bepalingen, waaruit liet positieve recht op een gegeven oogenblik bestaat.
De wijsbegeerte eindelijk onderzoekt niet wat recht is, noch hoe iets
recht is geworden, maar zij vraagt naar het waarom, naar de redelijkheid
der grondslagen, naar de doelmatigheid van het positieve recht.
Zonder eene eigenlijke geschiedenis van het Romeinsche recht te geven,
vereenigen wij, voor zoover noodig, met do dogmatische, de historische
behandeling. Is in het algemeen bij de beoefening van een positief recht
do bestudeering der wording daarvan een eerste vereischte, bij de ver-
klaring der Justiniaansche wetgeving, welke grootendeels eene compilatie
is van oudere rechtsbronnen, is het opklimmen tot vroegere toestanden
geheel onmisbaar. Justinianus zelf sloot ook de historie niet buiten;
quibus breviter expositum est, zegt hij in prooem. § 5 van de
Instituten, et quod antea optinebat, et quod postea desuetudine
inumbratum ab imperiali remedio illuminatum est. Verg. b. v.
§ 1 I. de test. ord. (II, 10); § 1 en §§ 4—7 I. de fideic. hered. (II, 23);
pr. I. de codicill. (II, 25); pr., §§ 1 en 2 I. de succ. libert. (III, 7).
Men pleegt de rechtsgeschiedenis te onderscheiden in uitwendige (c.r-
terna)
en inwendige (interna), naarmate het geldt de geschiedenis van
de rechtsbronnen en van de staatkundige gebeurtenissen, die op de ont-
wikkeling des rechts een bijzonderen invloed hebben geoefend, of wel de
ontwikkeling van het ontstaan, de veranderingen en den ondergang der
rechtsinstellingen zelve.
Bij de behandeling der rechtsgeschiedenis kan men eene synchronistische
(historische)
of eene chronologische (systematische) methode volgen. Volgens
de eerste verdeelt men de rechtsgeschiedenis in zekere tijdvakken en be-
handelt de rechtsontwikkeling van elke periode afzonderlijk. Volgens de
1*
-ocr page 21-
1
tweede wordt achtereenvolgens elke rechtsinstelling in haar oorsprong en
verdere ontwikkeling ontvouwd. Hier staat elke rechtsinstelling, ginds
elke periode op zich zelve. De chronologische methode geeft geen alge-
meen overzicht van de rechtsontwikkeling in haar geheel; zij geeft niet
ééne geschiedenis, maar zoovele geschiedenissen als er leerstukken zijn,
zonder aanwijzing van hun onderling verband en gelijktijdige ontwikke-
ling. De synchronistische geeft een beter begrip van het standpunt,
waarop het geheele recht telkens in ieder tijdvak staat, een helderder
inzicht in den gelijktijdigen voortgang en den samenhang zijner instel-
lingen. Daarom is do synchronistische methode, algemeen in gebruik bij
de uitwendige rechtsgeschiedenis, sedert het einde der vorige eeuw door
sommigen ook toegepast op de inwendige, eerst door Reitemeier,
Encyclopedie und Genchichte der Rechte in Deutschland, 1785, vervolgens
door IIugo in zijn beroemd Lehrbuch der Rechtsgeschichte (lldt ed., 1832)
en door onzen landgenoot H o 11 i u s, Historiac juris llomani lineamenla
(2de ed., 1840). Ook deze methode stuit echter op verschillende bezwaren.
Vooreerst leidt zij, bij de behandeling der inwendige rechtsgeschiedenis,
te veel tot herhalingen. Bovendien is zij moeilijk uitvoerbaar, omdat zich
niet in elke periode eene gelijkmatige ontwikkeling van alle rechts-
instellingen laat aanwijzen en bovenal, omdat de bronnen te onvolledig
zijn om met juistheid te kunnen bepalen, in welk tijdvak de oorsprong
of verandering eener rechtsinstelling te zoeken is.
De uitwendige rechtsgeschiedenis pleegt men te verdeelen in perioden,
meestal ten getale van vier. De grenzen dier perioden worden verschillend
gesteld. Gebruikelijk is b.v. de volgende verdeeling:
lst0 periode. Van de stichting der stad tot aan de wet der XII tafelen
(753—452 v. C); kindschheid van het recht; theocratisch karakter; fas
en jus, publiek en privaat recht nog niet gescheiden.
2do periode. Van de wet der XII tafelen tot de alleenheerschappij van
Augustus (452—29 v. C); jongelingsjaren van het recht; vrije repu-
bliek; strijd tusschen Patriciërs en Plebejers om politieke en rechts-
gelijkheid; toenemende invloed van het jus gentium op het streng natio-
nale jus civile.
3de periode. Van het einde der republiek tot Kon s tan tij n (29 v. C.—
324 n. C); mannelijke leeftijd van het recht; strijd tusschen republi-
keinsche en monarchale vormen; classieke juristen.
4de periode. Van Konstantijn tot den dood van Justinianus
(324—505 n. C); verval van het recht en van de Romeinsche nationali-
teit, ten gevolge van despotisme en vreemde indringers; het recht wordt
niet meer ontwikkeld, maar gecompileerd.
Wij behandelen de inwendige rechtsgeschiedenis bij de verschillende
leerstukken voor zoover dit vereischt wordt tot recht verstand van liet
.lustiniaansche recht. Wat de uitwendige rechtsgeschiedenis aangaat, zoo
geven wij in §§ 15 e. v. een beknopt overzicht van do rechtsbronnen,
naar aanleiding van §§ 4 e. v. I. de jure nat. (I, 2).
Over de volgorde van behandeling, zie hieronder § C.
-ocr page 22-
5
§ 4. BRONNEN, WAARUIT DE KENNIS VAN HET ROMEINSCHE RECHT
KAN OKPUT WORDEN.
De bronnen, waaruit onze kennis van het Komeinsehe recht wordt
verkregen, zijn:
I. Op- en inschriften op koper, marmer, steen, was enz., waardoor
documenten van rechtskundig belang in hun oorspronkelijken vorm tot
ons zijn gekomen. Eene verzameling van inschriften bevat het Oorpus
Inscriptionum Latinarum,
onder leiding van Th. Monimsen door de
Berlijnsche Academie uitgegeven (sedert 1863). Hiertoe hehooren:
A.   Oorkonden van rechtshandelingen van allerlei aard, bijv.formulieren
voor mancipatie, acten van schenking, contraeten van aanbesteding, schuld-
bekentenissen, quitantiën, testamenten, statuten van vereenigingen. Hun
belang ligt hierin, dat zij ons de toepassing van het recht op de hande-
lingen van het maatschappelijk verkeer voor oogen stellen, dat zij ons
een meer aanschouwelijk beeld geven van het rechtsleven, dan ons de
geschriften kunnen verschaffen. Naast deze oorkonden komen nog in aan-
merking stukken, die niet juist rechtshandelingen betreffen, maar toch,
zij het dan ook meer zijdelings, beteekenis hebben voor de kennis van
het recht, bijv. grafschriften, uitlovingen voor het terugbrengen van ver-
loren goederen, enz. De belangrijkste van deze oorkonden en stukken
zijn afgedrukt bij Bruns, Fontes Juris romani antiqui, Ed. 5a. cura
Th. Mommseni, 1887, bladz. 240—329.
B.   Overblijfselen van wetten, senaatsbesluiten, edicten, keizerlijke ver-
ordeningen. Eenigo der belangrijkste zijn:
\\
1°. Lex agraria (111 v. O.) over landbezit en weiderecht (Lex Tlioria ?).
2°. Lex Acilia (of Servilia\'f) repetundarum (omstreeks 122 v. C), op
dezelfde tafel als de vorige. Over naam en inhoud bestaat veel strijd.
/\' 3°. Tabula liantina, inhoudende aan de eene zijde een gedeelte van
het in de eerste helft der 7lle eeuw aan Bantia verleende stadrecht, in
de Oscische taal, aan do andere zijde een fragment eener wet in de
Latijnsche taal, eveneens op Bantia betrekking hebbende.
4°. Lex Antonia de Termessibus majorüms Pisidis, een plebisciet,
waardoor omstreeks het jaar 70 v. C. de inwoners van Termessus werden
verklaard: „liberi, socii et amici populi Romani."
Van meer belang voor het privaatrecht zijn:
/> 5°. Lex liubria de Gallia cisalpina, tusschen de jaren 4!) en 42 v. C,
inhoudende eene procesorde voor Gallia cisalpina. Overgebleven is de
vierde tafel, bevattende: cap. XIX gedeeltelijk, over de operis novi
nidiliatio,
cap. XX, XXI en XXII geheel, over damnum infectum en
executie wegens geleend geld, en cap. XXIII gedeeltelijk, over de vor-
dering tot boedelscheiding. Wellicht behoort ook tot deze wet een frag-
ment, in 1880 in de puinhoopen van Ateste gevonden.
y^ 6°. Lex Julia municipalis of zoogen. tabula Heraclccmis van het jaar
/ 45 v. C, een soort van gemeentewet van Caesar over verschillende
-ocr page 23-
<;
onderwerpen (verdeeling van koren, aanleg, verbetering, reiniging en
gebruik van openbare wegen, senatoren, magistraten, census, wijze van
herziening).
7°. Lex de impcrio Vespasiani, een wet of senaatsbesluit van het jaar
70 n. C., waarbij aan Vespasianus de souvereiniteitsrechten verleend
werden op dezelfde wijze als zijne voorgangers die gehad hadden.
8°. Lex Flavia de ScUpensanis et de Malacitanis, uit den tijd van
Domitianus (tusschen 82 en 84 n. C), inhoudende verschillende ver-
ordeningen voor de in de Spaanscho provincie Baetica gelegene gemeenten
Salpensa en Malaca. Het acs Salpcnsanum (waarvan cap. XXI—XXIX
over zijn) handelt o. a. over verschillende ambtenaren en hunne plichten,
over vrijlating van slaven en benoeming van voogden; het aes Malaciianum
(waarvan cap. LI—LXIX over zijn) bevat bepalingen o. a. over de comitia
en het stemmen daarin, over het coüpteeren van een patroon, het niet
afbreken van huizen, de lex praediatoria, de invordering van boeten, de
administratie van gemeente-eigendommen, enz. Het belangrijke dezer wetten
bestaat niet daarin, dat zij ons het recht van een paar afgelegene provincie-
steden leoren kennen, maar hierin, dat zij ons een denkbeeld geven van
het stadrecht, zooals dit met geringe plaatselijke variaties in het algemeen
in de Latijnsehe municipia gold.
9°. Lex Coloniae Geneiivae Juliae, van het jaar 44 v. C., zijnde het
stadrecht voor de gemeente Urso (Osuna) in Spanje. De vier tafels, in
iy70—1874 gevonden, hebben ongeveer een derde deel van den inhoud
der wet voor ons bewaard.
10°. Lex metalli Vipaseensis, van het einde der eerste eeuw n. C.,
inhoudende eene regeling van den rechtstoestand van een borgwerks-
distriet in Portugal. Slechts een gedeelte der wet is in 1876 opgedolven;
het bevat belangrijke bepalingen o. a. omtrent de verpachting van ver-
schillende bedrijven aan ondernemers, die daardoor het recht verkrijgen
anderen uit te sluiten van de uitoefening van hetzelfde bedrijf in het district.
Deze en vele andere wetten, besluiten en verordeningen — ook de
zoodanige, waarvan de tekst alleen door de overlevering bij de schrijvers
bekend is — zijn verzameld bij Bruns, t. a. p., bladz. 1—239.
II. De werken der schrijvers, zoowel rechtsgeleerde als niet-rechts-
geleerde.
A. De niet-rechtsgeleerde. Ofschoon zij voor ons van minder belang
zijn dan de rechtsgeleerde, vindt men toch ook bij velen hunner talrijke
bijzonderheden omtrent wetten en rechtswezen, daargelaten dat zij onmis-
baar zijn voor de kennis van het maatschappelijk leven. Vooral voor de
ouden; perioden, waarvoor de eigenlijke juridische bronnen schaars vloeien,
bewijzen zij groote diensten. Van de geschiedschrijvers noemen wij:
Livius, Tacitus, Suetonius, de Scriptores historiae Atigustae,
Polybius, Dionysius van Halicarnassus, Cassius Coccejanus
Dio. Voor de kennis van den tijd van Justinianus komt in aanmer-
king Procopius, dio in zijne \'AvéxiJcTa of historici arcana eene zeer
ongunstige schilderij ophangt van de regeering van dien Keizer, terwijl
-ocr page 24-
7
hij hem in een ander werk r.io\\ twv zov \'lovauviocvov xTiaparwv hemel-
hoog verheft.
Voor (ie kennis van de inrichting van het bestuur is van belang de
nolitia dignitatum et administrationum omnium tam civilium quani mili-
tarium in partibus orientis et occidentis,
„een soort van staatsalmanak"
omstreeks 410 n. C., waarin alle civiele, militaire en hofbeambten en
hunne funetiön worden opgenoemd.
Verder vermelden wij de dichters (o. a. Plautus); de schrijvers over
landhuishoudkunde en landmeetkunde, zooals M. Porcius Cato, M.
Terentius Varro — die formulieren mededeelen voor contracten, bij
den landbouw voorkomende — Frontinus, enz.; grammatici, waaronder
Varro, de lingua lalina; Sext. Pompejus Festus, de signijïcalione
verborum,
en zijn epitomator Paulus Diaconus; Isidorus van Se-
villa, Originum s. rtipnologiarum libri XX; kerkvaders, enz.
Onder de wijsgeeren en rodenaars komt eene eerste plaats toe aan
Marcus Tullius Cicero (10G—43 v. C.) met zijne commentatoren Q.
Asconius Pedianus, C. Marius Victorinus, C. Julius Victor en
Anicius Manlius Severinus Boëthius. Cicero toont, vooral in zijne
rhetorische geschriften, de Oratore, Brutns en Orator, eene groote be-
lezenheid in de oude rechtsliteratuur en deelt vele bijzonderheden uit zijne
praktijk mede. Bijzonder belangrijk zijn zijne pleitreden in civiele en
strafzaken, doch hier is hij niet altijd een veilige gids, daar 11 ij liet recht
wel eens verdraaide ten voordeelc zijner cliënten, terwijl de pleidooien
zijner tegenpartij niet bekend zijn, zoodat men het: „hoor en wederhoor"
niet kan toepassen. Hij zegt zelf b.v. (de Finibus, IV, c. 27), dat hij
het met zijne philippica tegen de juristen en de jurisprudentie (pro
Murena,
c. 11 vlg.) niet zoo kwaad meende: „non ego tecum jam ita
loquar, ut iisdem his de rebus, cum L. Murenam, te accusante, defen-
derem. Apud imperitos tuin illa dicta sunt. Aliquid etiam coronae datum."
En in zijne Orat. pro Clueiitio, c. 50: „Sed errat vehementer, si quis in
orationibus nostris, quas in judiciis habuimus, auctoritates nostras con-
signatas se habere arbitratur. Omnes enim illae orationes causarum et
temporum sunt, non hominum ipsorum et patronorum." De uit een juri-
disch oogpunt belangrijkste, pro P. ()uintio, pro Q. ïïoscio Comoedo en
pro A. Oaeeina, zijn geanalyseerd door Bethinann—Hollweg, achter
het 2de deel van zijn Civilprozess, Bonn 18G5. — Keiler (Semestria,
1 deel in i? stukken, 1842—l.S.r>0) heeft uit een juridisch oogpunt be-
handeld: pro Quinctio, pro Caecina en pro Tnllio.
Velerlei uit een rechtskundig oogpunt belangrijke bijzonderheden worden
verder nog aangetroffen bij Valerius Maximus, factortim dictorumque
memordbilium libri IX,
bij Aulns Gellius in zijne Noctes Atticae, bij
C. Plinius Sec. in zijne Historici Nalurcdia, en bij C. Plinius Caeci-
lius Sec. in zijne Epistolae.
Van eenige minder algemeen verspreide werken van niet-rechtsgeleerde
schrijvers zijn de voornaamste stukken opgenomen in hot aangehaalde
werk van Bruns, blz. 330—418.
-ocr page 25-
s
B. De rechtsgeleerde werken, die tot ons zijn gekomen, kan men nog
onderscheiden in 1°. geschriften van enkele schrijvers, en 2°. verzame-
lingen van rechtsbronnen en geschriften, hetzij door particulieren of op
openbaar gezag tot stand gebracht.
1°. Geschriften:
a.    Gaji institutionum commentarii IV, verreweg de belangrijkste bron
voor de kennis van het vóór-Justiniaansche recht. Vroeger bezat men van
dit werk slechts uittreksels, in de Justiniaansche verzameling opgenomen,
en eene sterk verkorte bewerking in de straks te noemen West-Gothische
Lex Romana. In 1810 ontdekte Niebuhr in de bibliotheek van het
Uomkapittel te Verona een palimpsest, waarin, onder de werken vanden
kerkvader Hieronymus, de echte Instituten van Gajus verscholen
waren; slechts eenige bladzijden ontbreken aan het handschrift. Aan de
lezing daarvan is sedert groote zorg gewijd; talrijke uitgaven zagen het
licht. Bijzondere vermelding verdient de editie van Studemund, 1874,
steunende op eene uiterst nauwkeurige vergelijking van het handschrift
door dezen uitstekenden philoloog. Een nader onderzoek van enkele
twijfelachtige plaatsen in 1878 en 1883 gaf nog nieuwe uitkomsten, die
in de laatste uitgaven zijn opgenomen.
Over menig deel der Romeinsehe rechtsgeschiedenis hebben de Insti-
tuten van Gajus een nieuw licht doen opgaan; vooral geldt dit van het
4° Hoek, waarin het formulierenproces wordt behandeld. Sedert Nic-
buhr\'s ontdekking namen de studiën op dit gobied eene nieuwe vlucht.
b.   Fragmmtum de jure fisci, twee bladen perkament te gelijk met
Gajus gevonden en laatstelijk uitgegeven door P. Krüger, Lips. 18(JK.
Titel cu schrijver van het werk, waarvan dit fragment deel uitmaakt,
zijn niet met zekerheid bekend.
e. Dom Uii Ulpiani fragmeuta of tituli (XXIX) ex corpore Ulpiani.
Onder dezen naam is in één handschrift bewaard gebleven een deel van
een Liber singularis Regularum van Ulpianus, eene ontwikkeling van
onbetwiste rechtsbeginselen, grootendeels naar de volgorde der Instituten
van (iajus samengesteld. Een stuk van het werk ontbreekt, terwijl ook
het overige slechts eene verkorte bewerking geeft van de Ilegulac, waar-
schijnlijk kort na 320 vervaardigd met het doel om het practisch bruik-
bare te behouden. Deze fragmenten, naast Gajus de voornaamste bron
van het vóór-Justiniaansche recht, zijn het eerst in 1549 door Jean Du-
til let en sedert verscheidene malen uitgegeven.
(/. Aan do Instituten van Ulpianus is bij Bocthius eene mededee-
ling over de vestiging dor manus ontleend. Bovendien vond Endlicher
in 1835 in de Weener Hof bibliotheek een klein, doch niet onbelangrijk
fragment op eenigo reepjes perkament, waarmede andere boeken ge-
bonden waren.
e. Pauli Sententiarum ad (Mum libri quingue, eene korte samen vatting
van de meest gewichtige rechtsregels voor practisch gebruik, „een juri-
disch vademecum". Dit werk was algemeen verspreid en genoot een
buitengewoon groot gezag, door Keizer Konstantijn en zijne opvolgers
-ocr page 26-
herhaaldelijk bevestigd. Hoofdzakelijk kennen wij de Sententiae uit de
West-üothisehe codificatie (zie hieronder, letter ü), waarin zij voor een
deel — vermoedelijk ongeveer x/4 of */6 — zijn opgenomen. Ter aanvul-
ling dienen de plaatsen, die in andere rechtsverzamelingen, o. a. in de
Digesten van Justinianus, zijn overgegaan.
f.   Fragmentum Dositheanum. In eene verzameling van stukken, als
oefeningen bij het vertalen van het Latijn in het Grieksch en omgekeerd
door zekeren leeraar Dositheus vervaardigd, komt eene juridische ver-
handeling voor over rechtsbronnen en vrijlatingen. Van welken reehts-
geleerde zij afkomstig is, staat niet vast. De overgeleverde tekst is zeer
bedorven, waarschijnlijk ten gevolge van het gebruik, waartoe de be-
doelde verzameling bestemd was.
g.   M. Valerius Probus, de notis, eene verklaring van talrijke in de
rechtsbronnen voorkomende verkortingen.
h. L. Yolusius Maecianus, assis dislributio, van belang bij het erf-
recht en de renteberekening.
i. Tractatus de gradibus, eene, wellicht van Ulpianus afkomstige,
bondige verhandeling over de graden van bloedverwantschap. Verder zijn
overgebleven eenige verwantschapstafels, die, op verschillende wijzen,
van deze graden eene aanschouwelijke voorstelling geven.
k. Van Papinianus was, behalve de uittreksels in de latere Ro-
meinsche codilicaties, tot kort geleden slechts één fragment bekend, dat
het slot vormt van de Lex llomana Visigolliorum. In den jongsten tijd
zijn in Egypte eenige bladen gevonden, waarvan een deel (handelende
over voogdij en bonorum possessio) naar Berlijn, een ander stuk (over
vrijlatingen) naar Parijs is overgebracht. Te gelijk werd een fragment
de judieüs ontdekt, waarvan de schrijver nog niet is vastgesteld.
/. Eenige kleine fragmenten, o. a. van Pomponius (over de ondeel-
baarheid der erfdienstbaarheden), Paulus, Ulpianus, Modestinus
(over het verschil tusschen relegatie en deportatie), enz.
De verschillende overblijfselen van geschriften, onder a—l vermeld,
vindt men verzameld bij
Huschke, jurisprudentiae antejustinianae quac super&unt, Ed. 5*.,
Lips. 1SHG, en in
Collectie/ librorum juris antejitstiniani in usutn scholarum ediderunt
Krüger, Mommsen, Studemund. Tomus I (Ed. 2»), 1884; Tom. 11,
1878; Tom. III, 1890. Voor nadere bijzonderheden zie de in § 5 aan te
halen werken van Krüger en Karlowa.
2°. Codificaties en Compilaties:
aa. Codex Gregorianux, eene onder de regeering van Dioclctianus
en Maximianus door den jurist Gregorianus of Gregorius vervaar-
digde verzameling van keizerlijke constituties, waarschijnlijk aanvangende
met verordeningen van Keizer Hadrianus. Hij de samenstelling van den
Justiniaanschen Codex moet deze verzameling gebruikt zijn; zij laat zich
echter daaruit niet reconstrueeren. Wat ons door de Lex Humatia Visigo-
thorum,
door de werken hieronder lr. ee, ff, gg genoemd, enz. bekend is,
-ocr page 27-
II»
vormt slechts een klein deel van den oorspronkelijken Codex. De oudste
bekende constitutie dagteekent van 19G n. C. (Septimius Severus), de
jongste van 205 n. C. (Diocletianus en Maximianus). De nieuwste
uitgave is die van Hiinel in Corpus Juris Ilomani Antejustinianiconsilio
professorum Bonnensium
, II, Bonnae 1837.
bh. Codex Hermojjenianus, eene dergelijke, eveneens private verzame-
ling, door den jurist Hermogenianus vervaardigd, volgons sommigen
omstreeks 3G5 n. C., volgens anderen tusschen 314 en 324 n. C. Ook
van dit werk is slechts een klein gedeelte bewaard gebleven, dat even-
eens is uitgegeven door Hanoi, t. a. p.
cc. Codex Theodosianus, do eerste offtciëcle verzameling van keizerlijke
constituties (van Konstantijn tot Tnoouosius), vervaardigd tusschen
435 en 437 door eene commissie van 1G ambtenaren, op last van Keizer
Theodosius II, die liet plan had het geheel e recht te codificeeren, doch
het niet verder bracht dan tot deze verzameling. De Codex werd op 15
Februari 438 te Konstantinopel door Theodosius, en vervolgens te Eome
door Valentinianus III gepubliceerd, om op 1 Januari 43ü in werking
te treden. Deze codex is verdeeld in 1G boeken, welke naar de onder-
werpen in titels zijn onderverdeeld; in de titels zijn de constituties in
chronologische orde gerangschikt. Voor het privaatrecht zijn vooral de
eerste vijf boeken van belang, de overige handelen grootendeels over
staats-, straf- en kerkrecht. De laatste elf boeken zijn ons bijna geheel,
de eerste vijf slechts voor een deel onmiddellijk uit handschriften bekend;
voor het ontbrekende dienen als bron de uittreksels, die in do Lex Tio-
mana Visigothorum
voorkomen. De nieuwste uitgaaf is die van Hiinel,
t. a. p., terwijl die van Jacobus Gothofredus (1GG5, Ed. Ritter 1736)
om den uitmuntenden commentaar belangrijk blijft.
dd. Novellae Constituliones: dit zijn de wetten, welke na den Codex
Theodosianus
werden uitgevaardigd, in het Oosten door Theodosius II
en zijne opvolgers, Marcianus en Leo I, en in hot Westen door
Valentinianus III, Maximus, Majorianus, Severus en Anthe-
mius, en die de regeeringen elkander over en weder toezonden (438—
473). Zij zijn voor een deel uit de Lex Romaua Visigothorum, voor een
deel uit verschillende handschriften bekend, en, met de zoogenaamde
18 Sirmondsche Constituties, door Hiinel uitgegeven achter den Codex
Theodosianus.
ee. Fragmenta Vaticana. Aldus wordt genoemd eene compilatie, in
1820 door Angelo Mai in een palimpsest der Bibliotheek van het Vati-
caan gevonden. Zij is, waarschijnlijk tusschen 372 en 438, door een
onbekende met een practisch doel samengesteld, en bestaat eensdeels uit
verschillende geschriften van Papinianus, Ulpianus en Pau lus,
anderdeels uit keizerlijke constituties, waarvan de jongste van het jaar
372 dagteekent. De stof is naar de onderwerpen gerangschikt en in titels
verdeeld. Hoewel de verzameling zonder talent is bewerkt, heeft zij
hooge waarde voor de rechtsgeschiedenis, omdat zij de uittreksels uit de
bronnen onvervalscht weergeeft.
-ocr page 28-
11
ff. Collatie» let/urn Mosaicarum et Ilomanarum, of Lex Dei, quam Deus
praecepit ad Moysen,
eene vergelijking\' van het Mozaïsche met het Ro-
meinsche recht, van een onbekenden auteur, tusschen 390 en 438. Het
Mozaïsche recht wordt vertegenwoordigd door eene Latijnsche vertaling
van den Pentateuch, het Romeinsche recht door uittreksels uit geschriften
van Gajus, Papinianus, Ulpianus, Paulus en Modestinus,
door constituties uit den Codex Grogorianus en Hermogenianus on enkele
latere, die echter nog niet aan den Codex Theodosianus zijn ontleend.
Wat des schrijvers oogmerk was, is niet voldoende opgehelderd. Ue meeste
van de 1G overgebleven titels handelen over onderwerpen van strafrecht.
gg. Consultatio veteris cujusdam jurisconsulti, bevattende de adviezen
van een jurist over vragen hem voorgelegd door een pleitbezorger, met
bewijsplaatsen uit de Sententiae van Paulus en uit de drie verzamo-
lingen van constituties (hierboven onder aa, bb, cc). Het werk is waar-
schijnlijk in Oallië in do vijfde of zesde eeuw vervaardigd.
Fragmenta Vaticana, Collatio en Consnltatio zijn opgenomen in de
Jurisprudentia Antejustiniana van Husohke en in de Collectio librorum
juris antejustiniani
(Tom. H).
hh. Het Sgrisch-Romeinsche rechtsboek, eene compilatie omstreeks 470 /lv;
vervaardigd. Het werk is oorspronkelijk in het Grieksch geschreven, doch
in de Syrische en andere Oostersche talen overgebracht; in het Oosten
heeft het eeuwen lang groot gezag genoten. Waarschijnlijk is het samen-
gesteld door een practicus of geestelijke om te strekken tot handboek ten
gebruike in de bisschoppelijke gerechten. Het behandelt vooral privaat-
recht. Met uitzondering van het wettelijk erfrecht, waarvoor oen afwij-
kend nationaal-Syrisch stelsel is aangenomen, bestaat het uit Romeinsch
Recht. De bronnen, waaruit de schrijver putte, zijn niet aangegeven; de
vorm is uiterst gebrekkig. Niettemin is het boek belangrijk voor de
rechtsgeschiedenis, omdat het ons een blik vergunt op de toepassing van
het recht in de f)e eeuw in eene Oostersche provincie. De uitgave van
Bruns en S ach au (Leipzig, 18S0) bevat, behalve den tekst, eene
Duitsche vertaling en een juridischen commentaar.
ii. Lex Romana Visigothorum of Breviarium Alarieianum, een in het
jaar 50G onder Alarik II, Koning der West-Gothen, vervaardigd wetboek,
ten dienste van de in zijn Rijk wonende Romeinen. Bij de samenstelling
zijn gebruikt de drie Codices en de latere constituties, de Instituten van
Gajus en de Sententiae, van Paulus; het slot vormt één fragment uit
de Responsa van Papinianus. De plaatsen uit deze bronnen zijn ver-
kort, maar overigens onveranderd opgenomen en van eene doorloopende
aanteekening (interpretatie)) voorzien. Ten aanzien der Instituten van
Gajus staan evenwel tekst en interpretatie) niet naast elkaar, maar is
alleen eene verkorte bewerking in twee boeken — die, naar het schijnt,
reeds vroeger bij het onderwijs in gebruik was — opgenomen. Deze lex
Romana,
het belangrijkste van de bij de Germanen tot stand gekomen
Wetboeken van Romeinsch Recht, werd , na den ondergang van het West-
Gothische Rijk, door de Franken behouden. Voor zoover in het Westen
-ocr page 29-
12
van Europa het Roraeinsche Recht werd gebruikt en toegepast, bleef
deze verzameling de voornaamste bron, totdat zij sedert de elfde of
twaalfde eeuw door de Justiniaansche rechtsboeken werd verdrongen.
De talrijke handschriften zijn verwerkt in de uitgave van Hanel,
Lips. 1849.
kk. Lr.r Romana Burgundionum, een Bourgondisch wetboek voor de
Romeinsche onderdanen van dat Rijk, in het begin der 6e eeuw samen-
gesteld. Het putte uit dezelfde bronnen als het West-Gothische Rechts-
boek, heeft echter veel minderen omvang. De oorspronkelijke woorden
der bronnen zijn in dit werk niet behouden; ook is het Romeinsche recht
met het inheemsche vermengd. De naam Papianus, die vroeger aan dit
Wetboek werd gegeven, is ontstaan, doordien het in sommige hand-
sehriften onmiddellijk volgt op de Lcx Romana Visigothorum en men
het opschrift van de laatste rubriek van dit Wetboek aanzag voor den
titel van liet volgende. Toen de Franken het Bourgondische Rijk ver-
overden, maakte deze Lex Romana plaats voor de West-Gothische.
//. Edictum Theodorici, door Theodorik, Koning der Oost-Gothen,
omstreeks liet jaar 500 uitgevaardigd, niet alleen voor zijne Romeinsche
onderdanen, maar ook voor de Oost-Gothen zelf bestemd. Het bestaat uit
155 onsamenhangende hoofdstukken, ontleend aan de drie Codices, de
latere constituties on de Sententiae van Paulus. Deze bronnen zijn
echter zoo misvormd, dat het werk van weinig belang is voor de kennis
van het Romeinsche Recht. Toen Justinianus Italië had veroverd,
werd het door diens wetboeken verdrongen.
mm. Over de Justiniaansche rechtsverzameling, voor ons de belang-
rijkste van alle, en over het Grieksch-Romeinsche recht, zie hieronder
§§ 27 en vlg.
§ 5. LITERATÜTJK.
Het mag onnoodig geacht worden, hier eene opsomming te geven van
de talrijke leer- en handboeken over Romeinsch recht en zijne geschie-
denis, van de menigvuldige monographieën en verhandelingen over bij-
zondere onderwerpen, tot die vakken behoorende, of van de tijdschriften,
die geheel of gedeeltelijk aan de studie van het Romeinsche Recht zijn
gewijd. Voldoende zij het, te verwijzen naar eenige nieuwere werken,
waarin de literatuur in ruime mate wordt aangegeven.
Voor de rechtsgeschiedenis komen in aanmerking:
Danz, Lehrbuch der Geschichtc des römischen Rechts, 2e druk, 2
deelen, 1871—1873.
Esmarch, Römische Rechtsgeschichte, He druk, 18SS.
Padelletti, Lelirbuch der Römischen Rechtsgeschichte, Duitsche uit—
gave, bewerkt door v. Holt zen dor f f, 187!).
Schulin, Lehrbuch der Geschichtc des Römischen Rcchles, 1889.
Karlowa, Römische Rechtsgeschichte, 1° deel, 1885.
-ocr page 30-
13
Eene eigenaardige plaats neemt in:
v. J nering, Geist des römischen Rechts au f den verschiedencn Stufen
seiner Enlwicklung
, tot dusver 3 deelen, 4e druk , 1878—1888.
Van de uitwendige rechtsgesehiedenis geeft een beknopt overzicht:
Bruns, Geschiclde und Quellen des Römischen Hechts, in Holtzen-
dorff\'s Ehtcyklopüdie der Rechts wisscuselia ft (5° druk, 1890). Zij is uit-
voerig behandeld door Kriiger, Geschiclde der Quellen und Litleratur
des Römischen Rechts,
1888, als onderdeel van Binding\'s Systema-
lisclies Handbuch der Deulschen Rechtsirissenschaft.
Onder de „Instituten"-werken, waarin eene korte uiteenzetting van het
Justiniaansche recht wordt verbonden met eene historische behandeling,
verdienen vooral te worden genoemd:
Puchta, Cursus der Instilutionen, 9e druk (door Kriiger), 1881.
Salkowski, Lehrbueh der Instilutionen und der Geschiclde des Rii-
mischen Priratrechls
, 5e druk, 1887.
Sohm, Institidionen des römischen Rechts, 4e druk, 1889.
Kuntze, Cursus des römischen Rechts. Lehrbueh der Instilutionen
sou-ie der ausseren und inneren Rechtsgeschichtc, 2°
druk, 1879; Excurse
über römisclies Recht,
2e druk, 1880.
Baron, Geschiclde des Römischen Rechts. I. Instilutionen und Civil-
proxess,
1884.
Op breeder schaal zijn aangelegd de volgende „Pandekten"-werken,
waarin dan ook eene meer volledige opgave der literatuur voorkomt:
v. Savigny, System des heutigru Römischen Rechts, 8 deelen, 1840—
1849; als vervolg: das Obligationenrecht, 2 doelen, 1851—1853 (onvoltooid).
Puchta, Pandekten, 12e druk (door Schirmer), 1877.
v. Keiler, Pandekten. Vorlesnngcn, aus dem Nachlasse des Verfassers,
2e druk (door Lewis), 18G0.
v. Vangerow, Lehrbueh der Pandekten, 7e druk, 3 deelen, 1803—1809.
Arndts, Lehrbueh der Pandekten, 13° druk (door Pfaff en Uof-
ma nn), 1880.
Windschcid, Lehrbueh des Pandektenrechts, 7e druk, 3 deelen, 1891.
Brinz, Lehrbueh der Pandekten, 2e druk, 3 deelen, 1873 — 1889.
Dernburg, Pandekten, 2° druk, 3 deelen, 1888—18S9.
Bek ker, System des heuligen Pandektenrechts, tot dusver 2 deelen,
1880—1889.
Goudsmit, Pandccten-Systeem, 2 deelen, 1800—1880 (onvoltooid).
S (i. ORDE VAN BEHANDELING.
Het stelsel van Gajus (Inst. I § 8), gevolgd in de Instituten van
Justinianus (§ 12 Inst. de jure nat. I, 2), bestaat uit drie hoofddoelen :
Omne jus, quo ntimur, vel ad porsonas pertinet vel ad
res vel ad actiones.
Het eerste gedeelte, hot personenrecht, beschouwt den mensch als subject
van recluen; het bepaalt zijne rechtsbevoegdheid en zijne bekwaamheid
-ocr page 31-
11
om te handelen. Verschillende onderscheidingen komen daarbij ter sprake:
lu. de menschen zijn vrij of\' slaaf (pr. Inst. de jure pers. I, 3); 2°. de
vrijen zijn óf zelfstandig of afhankelijk, aan eens anders gezag onder-
worpen (verg. pr. Inst. de his qui sui 1,8); .\'i°. de zelfstandige vrijen
zijn óf ten volle lievoegd om van hunne rechten gebruik te maken, of
zij sfcian onder voogdij of ciiratoelc (pr. Inst. de tut. I, 13). Dit gedeelte
vormt den inhoud van liet Eerste Hoek der Instituten.
liet tweede gedeelte handelt over zaken als rechtsohjecten, over de
rechten die de personen kunnen hebben op zaken, on over de wijzen,
waarop die rechten verkregen worden en verloren gaan. Het systeem
steunt hier op de onderscheiding tusscheu lichamelijke en onlichamelijke
zaken (pr. Inst. de reb. ineorp. II, 2; § 0 Inst. de usu et hal». Il, 5) en
op de verdeeling der wijzen van verkrijging in verkrijging onder bijzon-
deren en onder algemeenen titel (§ o\' Inst. per iiuas pers. nob. adq. II, 9;
pr. Inst. de leg. II, 20). Zoo worden achtereenvolgens besproken: de eigen-
dom, de rechten op eens anders zaak, het erfrecht met inbegrip van de
legaten, de verbintenissen (Hoek 2; Hoek 3; Hoek 1, \'fit. 1—"» der Instituten).
Het derde gedeelte handelt over do middelen, die de personen hebben
om hunne rechten te handhaven en te beschermen tegen stoornis (Hoek 4,
Titel 0\' en volg.).
Hoewel dit systeem zich door eenvoudigheid aanbeveelt en ook ten
deele op juiste grondslagen berust, voldoet het toch niet aan de eisenen
der wetenschap. Üe wijze, waarop het in de Instituten is uitgewerkt,
laat bovendien veel te wenschen over. Zoo wordt in den regel slechts
het ontstaan en te niet gaan der rechtsbetrekkingen, niet hun aard en
inhoud behandeld. Zoo worden verschillende gewichtige rechtsinstellingen
niet te behoorlijker plaatse of in hot geheel niet besproken. Vandaar,
dat men tegenwoordig vrij algemeen een ander systeem van het privaat-
recht volgt, dat in hoofdzaak op het volgende neerkomt.
Het pi ivaatrecht stelt zich ten doel, de betrekkingen te regelen tusschen
de menschen onderling en hunne verhouding tot de begrensde deelen der
onvrije natuur buiten den mensen. Naarmate van den verschillenden aard
dier betrekkingen onderscheidt men nu:
A. Familierecht, regeling van de betrekkingen, waarin de menschen
tot elkander staan ten gevolge van huwelijk en afstamming of hunne
kunstmatige nabootsing: familiebetrekkingen.
H. Vermogensrecht, regeling van de betrekkingen, waarin de ïnensch,
ter bevrediging zijner behoeften, staat
I.   tot de zaken, die hij, geheel of gedeeltelijk, rechtstreeks aan zijne
heerschappij heeft onderworpen (Zakenrecht), of
II.   tot andere menschen, die zicli jegens hem tot vermogensrechtelijke
praestatiën hebben verbonden (Verbintenissenrecht).
Eindelijk heeft het recht ook nog de vraag te beantwoorden, wat het
lot zal zijn van het vermogen, als het subject is gestorven. Het sainen-
stel van regels, daartoe betrekkelijk, vormt het Erfrecht.
Aan de behandeling van de vier genoemde onderdeden: Familierecht,
-ocr page 32-
15
Zakenrecht, Verbintenissenrecht en Erfrecht pleegt men intusschen een
Algemeen gedeelte, te laten voorafgaan. Daarin worden eensdeels onder-
seheidene begrippen en regels ontwikkeld, die in alle, of althans in de
meeste deolen van het privaatrecht eene rol spelen. Anderdeels komen
enkele onderwerpen van algemeenen aard ter sprake, die niet uitsluitend
tot het privaatrecht behooren, maar toch bij de behandeling daarvan
moeilijk kunnen worden gemist.
Naar aanleiding van het voorafgaande rangschikken wij onze stof in
deze volgorde:
BOEK 1. A1/1I\'.MREN GEDEELTE.
Iloofdst. 1. Over het recht in het algemeen (Inst. Hoek [, Tit. 1 en 2).
Hoofdst. 2. Over de personen of rechtssubjecten (Inst. Hoek I, Tit..\'{—8).
Hoofdst. 3. Over de zaken of rechtsobjecten (Inst. Hoek 11, Tit. 1 en 2).
Iloofdst. 1. Over het ontstaan en te niet gaan van rechten in het algemeen.
Iloofdst. 5. Over de bescherming en handhaving der rechten (Inst.
Boek IV, Tit. 6—16).
BOEK II. BIJZONDER GEDEELTE.
Uoofdst. 1.   Familierecht (Inst. Hoek I, Tit. 9—20).
Hoofdst. 2.   Zakenrecht (Inst. Boek II, Tit. 1—ft).
Hoofdst. 3.   Verbintenissenrecht (Inst. Boek III, Tit. 13—29; Boek IV,
Tit. 1—5).
Hoofdst. 4.   Erfrecht (Inst. Boek II, Tit. 10 -2ó; Boek III, Tit. 1 — 12).
-ocr page 33-
BOEK I.
ALGEMEEN GEDEELTE.
Hoofdstuk I.
OVER HET RECHT IN HET ALGEMEEN.
§ 7. RECHT IN OBJECTIEVEN EN RECHT IN 8UBJECTIEVEN ZIN.
^ Recht in objectieven zin (rechtsorde, rechtsnorm, rechtevoorschrift) is
/"de band, die ons allen bindt,")het geheel der regelen, waarnaar wij ver-
plicht zijn onze handelingen in te richten, en tot opvolging waarvan wij
door dwangmiddelen kunnen genoodzaakt worden.
^ Juri operam rlatumm prins nosse oportet, nnde nomen juris descendat. ICst autem
\' a jnstitia appellatnm: nam, ut eleganter Celsus dclinit, jus est ars boni et aequi.
Ulp. 1. 1 pr. 1). de jast. et jure (1, 1).
x Injuria ex eo dieta est, quod non jure Hat: omne enim, quod non jure lit, injuria
y\' fieri dicitur. Hoe generaliter. Specialiter autem injuria dicitur contiimelia. Interdiim
injuriac appellationc damnum eulpa datum significatur, ut in lege Aquilia dicere
solemus i interdiim iniquitatem injiiriam dieimus, nam ram quis inique vel injuste
senfentiam dixit, injiiriam ex eo die tam , quod jure et jnstitia caret, quasi non ju-
riam, contnmeliam autem a contcmnendo. Ulp. 1. I pr. 1). de injur. (XXXXVI1, 10).
Rechthi _subjectieven zin is de op het recht in objectieven zin steu-
nende en daardoor beschermde bevoegdheid.
Door het woord llecht, evenals door het Latijnsche jus, worden beide
begrippen aangeduid (bijv. jus nostrum non patitur eundem in
paganis et testato et intestato decessisse; jus mini est
utendi fruendi).
Tegenover elk recht in subjectieven zin, tegenover elke bevoegdheid,
staat eene verplicliting: de inhoud van mijn recht bepaalt den omvang
van uwe verplichting. Uie verplichting is öf eene algemeene, negatieve
van alle andere menschen om den rechthebbende in de uitoefening van
zijn recht niet te storen (absolute rechten), öf eene bijzondere, positieve
-ocr page 34-
17
van een bepaald persoon om iets te doen of te laten (relatieve rechten).
Verg. hieronder II, § 143.
-»Jus pluribus moriis dicitnr.....Praetor iiuo<|tic jus rcddcrc dicitur etiam ciim
inique decernit, relatione scilicet fucta non ad id quocl ita praetor fecit, Bed ad illud
quod practorcm faccre convenit. Alia signiiicntionc jus dicitur loens in quo jus red-
ditnr, appellatione collata ub eo cpiod lit in co «bi IïE TJiiem locum determitiarc hoc
modo possumus: ubicnmqae praetor salva majestate imperii sui salvoque more ma-
joram jus dicere coustituit, is loens rcete jus appellatnr. Paul. I. 11 I). de jast. et
jure (1, 1).
§ 8. RECHT EX MORAAL.
Het recht is niet de eenige ordening, waaraan het menschelijk doen
en laten is onderworpen. Andere ordenende machten zijn de gewoonte,
de godsdienst, de moraal. Nadere bespreking verdient de verhouding tus-
schen recht en moraal. Deze moeten van elkaar onderscheiden, maar niet
afgescheiden worden. Onderscheiden, want het recht omvat slechts de
betrekkingen tusschen de menschen onderling en alleen die plichten, tot
nakoming waarvan men door dwang kan genoodzaakt worden. Recht is
datgene, wat menschen van menschen kunnen vorderen. Het recht let
alleen op de menschelijke handelingen, de moraal vraagt ook naar de
beweegredenen om daarnaar de waarde der handelingen te beoordeelen.
Bij het recht staan de bevoegdheden op den voorgrond en zijn de plichten
slechts secundair, hij de voorschriften der moraal treedt omgekeerd de
plicht op den voorgrond. Eigenaardig is ook, dat voor de vaststelling en
handhaving van het recht een bepaald orgaan, het Staatsgezag, aan-
wezig is.
Het gebied van het recht is enger dan dat der zedelijkheid. Niet alle
plichten, die de moraal ons voorschrijft, zijn tevens rechtsplichten.
Quanto latius officiorum patet, quant juris regula, zegt
Seneca, de ira, II, 27. Ook is het niet altijd zedelijk, van zijn recht
gebruik te maken.
Niet afgescheiden, want er bestaat tusschen recht en zedelijkheid een
nauw verband. Het recht wraakt elke overeenkomst, die het verrichten
eener onzedelijke daad beoogt; het verbiedt elke voorwaarde met, eeno
onzedelijke strekking; het geeft rechtsmiddelen tegen geweld en bedrog;
het maakt onderscheid tusschen goede en kwade trouw; het verbindt
nadeelige rechtsgevolgen aan een onzedelijk gedrag.
Justitia est constans et perpetoa voluntas jus suum cuique tribuendi. — Juris prae-
cepta sunt hace: honeste viverc, alterum non laedere, suum cniqne tribuere. — Joris
pruili\'iitiit est divinaium at<(iie humanarum rerum notitia, justi atijue injusti srientia.
Tip. 1. 10 D. de just. et jure (I, 1).
Non omnc iiuod liect honestum est. Paul. 1. 144 pr. ]). de K. J. (L, 17).
Kst aliqnid, qnod non oporteat, etiamsi licet. Cic, Or. pro Balbo, c. 3.
......nam uuac t\'acta lacdunt pictatem existimationem verecundiam nostram et,
ut gcneraliter dixerim, contra bonos mores liunt, nee faccre nos posse credeudum
est. Papin. I. IS D. de cond. inst. (XXVIII, 7).
Rum recht. I, 2e druk.                                                                                       2
-ocr page 35-
Is
Ciijus merito quis nos sacerdotes appellet: justitiam namque colimus et boni et
aequi uotitiam prulitemur, aequum ah iniquo separantes, licitum ab illicito riisccr-
nentes, bonos non solum metu poenarnm, verum etiam praemiorum quoque cxhor-
tatione efficerc cupientes, vcram nisi fallor plülosophiam, non simulatam aHfectantcs.
I \'lp. I. 1 § I I). de just. et jure (I, 1).
§ 9. PUBLIEK EN PRIVAAT RECHT.
Het recht splitst zich in twee hoofddeelen: publiek en privaat recht.
Het publiek recht houdt zich bezig met de inrichting van den Staat en
met de betrekkingen tusschen den Staat en zijne burgers als zoodanig.
Het privaat recht regelt de rechtsbetrekkingen tusschen de burgers onder-
ling, alsmede die, waarin de Staat, ten opzichte van zijn vermogen, als
een privaat persoon optreedt.
Gelijk de Instituten bijna uitsluitend het privaatrecht behandelen, zoo
zullen ook wij ons verder alleen tot dat deel van het recht bepalen.
s IIujiis studii dnae simt positiones, piiblicum et privatum. Vublicum jus est quod
/ ad statum rei Komanac speetat, privatum quod ad singulorum utilitatcm: sunt enim
qoaedam publice utilia, qtiacdum privatim. 1\'ublieum jus in saeris, iu sacerdotibici,
in magistratibus consistit.....tTlp. 1. 1 § 2 I). de just. et jure (1, l).
§ 10. JUS C1VILE, JUS GENTIUM EN JUS NATUUA.LE.
Volgens de voorstelling der Instituten (§ 4 I. de just. et jure 1,1;
pr., § 1 en § 2 I. de jure nat. I, 2) bestaat het Romeinsche privaatrecht
uit drieërlei elementen. Sommige bestanddeelen zijn eigenaardig Romeinsch
(jus cicile), andere worden bij alle volkeren van eenige beschaving aan-
getroflen (jus gentium), nog andere eindelijk, die gegrond zijn op de dier-
lijke natuur des menschen, komen ook bij de beesten voor (jus naturale).
Deze drieledige onderscheiding heeft veel raadselachtigs. Met name is
de beteekenis van jus naturale, als recht dat aan menschen en dieren
gemeen zou zijn, vrij zonderling: dieren toch kunnen geen subject van
rechten zijn. De meeste Romeinsche juristen vermelden dan ook slechts
eene tweeledige onderscheiding: jus civilc eenerzijds, jus gentium = jus
naturale
anderzijds. Justinianus heeft op meer dan eene plaats, zelfs
in de Instituten, dit voorbeeld gevolgd.
•lus naturale est, quod natura omnia anitnalia ducuit: nam jus istud non hutnaui
generis proprium, sed omnium animaliuin, quae in terra, quae in mari nascuntur,
avium quoque commune est. liinc descendit marie atque t\'eminae eonjunctio, qaam
nos matrimoTiium appcllamus, liine liberotum proereatio, hinc edueatio: videmus
etenim cetera quoque animalia, feras etiam istius juris peritia eenseri. — .lus gentium
est, quo gentes humanac utuntur. Quod a. naturali recedere l\'acile intellegcrc Heet,
qtiia illud omnibus animalibus, hoc solis hominibus inter se commune sit. Ulp. 1. 1
§ 3, § 4 1). de just. et jure (I , I).
Omnes populi qui legibus et moribus reguntur, partim suo prujiriu, partim com-
mimi omnium liominum jure utuntur; nam quod quisque populus ipse sibi jus consti-
tuit, id ipsius pruprium est voeaturque jus eivile, quasi jus pruprium civitatis; quod
vero naturalis ratio inter omnes homines constituit, id apud omnes populos pcraeque
-ocr page 36-
1!)
custoditur vncaturquc jus gentium, quasi quo jure omnes gentes utuntur. Populus
itaque Romanos partim suo proprio, partim communi omnium hominiim jure utitur.
Quac singula qualia sint, suis locis proponemus. Gajus, Inst. 1 § 1.
Qnarundam rerum rlominium nanciscimnr jure gentium, quod ratione naturuli inter
omnes liomines peraeque servatur, qnarundam jure civili, id est jure proprio civitatis
nostrac. Et quia antiquius jus gentium cnm ipso genere liumano proditum est, upns
est, ut de hoc prins referendum sit. Gajus 1. 1 pr, D. de A. I!. D. (XXXXl, 1).
Singulorum autem hominum multis modis res liunt: quarundara enim rerum do-
minium nanciscimnr jure naturali, quod, sicut diximus, appellatur jus gentium,
quurundam jure civili. L\'ommodius est itaqne a vetustiore jure ineipere. Palam est
autem vetustitis esse naturalc jus, quod cum ipso genere humano rerum natura pro-
didit: civilia enim jura tune coeperunt, cum et civitates condi et magistratus creari
et leges scribi coeperunt. §111. de rer. div. (II, 1).
De tegenstelling tusschen jus gentium en jus civile speelt in de ge-
schiedenis van het Romeinsche Recht eene groote rol. Oorspronkelijk
waren de vreemdelingen te Rome rechteloos; het Romeinsche recht gold
uitsluitend voor de rechtsbetrekkingen tusschen Romeinsche burgers onder-
ling. Toen het verkeer met de niet-Romeinen toenam en er velen to Rome
kwamen wonen, begon men de rechtsbetrekkingen, met hen aangegaan,
te beoordeelen naar een stelsel van rechtsregels, vrijer en ruimer van
opvatting dan die van het toen geldende stadsrecht of jus civile. Dit
stelsel werd het jus gentium genoemd. Waarschijnlijk is het, dat het
recht, bij andere volken in gebruik, niet zonder invloed is geweest op
dit rechtssysteem.
Omstreeks het jaar 247 v. C. werd er, voor de berechting van geschillen
tusschen Romeinen en vreemdelingen, of tusschen vreemdelingen onder-
ling, een afzonderlijke praetor ingesteld.
Tost aliqnot deinde annos non sufficiënte co practore, quod multa turba etiam
peregrinorum in civitatem veniret, creatus est et alius praetor, qui pcregrinus appel-
latus est ab co, quod plerumque inter peregrinos jus diecbat. 1\'omp. I. 2 § \'-\'8 1). de
O. .1. (1, 2).
In den loop van den tijd kwam men er toe, dit minder enge en minder
formalistische rechtsstelsel ook toe te passen op betrekkingen tusschen
Romeinsche burgers onderling. Aanvankelijk stonden beide systemen naast
elkaar en heerschte er op menig gebied van het recht een eigenaardig
dualisme: naast eigendom volgens Romeinsch civielrecht had men eigen-
dom naar jus gentium, enz. Vooral door den invloed van het Edict des
Praetors en de werkzaamheid der rechtsgeleerden won de heerschappij
van het jus gentium, ook in het rechtsverkeer der Romeinen onderling,
meer en meer veld, en verdrong het jus cicile. Justinianus heeft dit
ontwikkelingsproces voltooid; jus gentium en jus civile werden bijna ge-
heel samengesmolten; aan de rechtshandelingen, waarbij de vereischten
van het jus gentium waren in acht genomen, werden dezelfde rechts-
gevolgen toegekend, alsof de in vroeger tijd verlangde civielrechtelijke
vereischten aanwezig waren. Zoo verhief zich het Romeinsche recht van
een bekrompen nationaal stadsrecht tot een recht van wereldhistorische
be teekenis.
2*
-ocr page 37-
20
Eene andere, meer wijsgerige dan practische, onderscheiding was die
tussclien het recht, dat geacht mag worden voort te vloeien uit de na-
tuurlijke orde van zaken en daarom overal wordt teruggevonden, en het
eigenaardige Romeinsche Recht, dat alleen te Rome wordt aangetroffen.
Deze onderscheiding is met de vorige verwant, doch niet geheel daarmede
gelijk te stellen. Het schynt, dat uit eene samenvoeging van beide de
drieledige verdeeling van Justinianus is ontstaan.
Scd naturalia quidem jnra, quae apud omncs gentes peracque scrvantur, divina
quadam providentie constituta semper lirraa atque immutabilia permanent: ca voro,
quae ipsa sibi quaeque civitas constituit, sacpe mutari solent vel tacito consensu
populi vel alia postea lege lata. §111. de jure nat. (I, 2).
Servitus autem est constitutiu juris gentium, qua quis dominio aliena contra na-
turam subicitur. § 2 I. de jure pers. (I, 3).
Quod attinet ad jus civile, servi pro nullis habentur: non tarnen et jure naturali,
quia, quod ad jus naturale attinet, omnes homines acquales simt. l\'lp. 1. 32 D. de
H. .1. (L, 17).
§ 12 *). AANVULLEND EN DWINGEND RFCIIT.
Een deel der voorschriften van het privaatrecht ontneemt aan de be-
langhebbenden de vrijheid niet, om zelf hunne rechtsbetrekkingen op
andere wijze, naar eigen goedvinden, te regelen. Eene afwijkende rege-
ling, door hen tot stand gebracht, wordt door de rechtsorde erkend en
gehandhaafd. Ueze treedt met haar voorschrift slechts aanvullend op,
voor het geval de partijen geene regeling hebben getroffen.
Kt in primis sciendum est in boe judicio id demum dcduci, ijuod pracstari con-
venit: rum cnim sit bonae fidei judicium, nihil magis bonae tidei congruit iinam id
pracstari, quod intcr contrahentcs actum est. Quod si nihil convenit, tune eapraesta-
buntur, ijnac naturaliter insunt linjus judicii potestatc. Vip. 1. 11 § 1 1). de act.
empt. vend. (XIX, 1).
Andere voorschriften zijn van dwingenden aard. De rechtsorde treedt
daar absoluut gebiedend of verbiedend op en sluit elke afwijkende rege-
ling door de partijen uit.
Jus publicum privatorum pactis mutari non potest. 1\'apin. 1. 38 D. de pact. (II, 14).
Kx pactis conventis, quae ante nuptias vel post nuptias interponi solent, alia ad
voluntatcm pertinent,......alia ad jus pertinent......Paul. 1. 12 § 1 I). de pact.
dot. (XXIII, 4).
......Scd hace ita, nisi si quid nominatim convenit (vel plus vul minus) in sin-
gulis contractibus: nam hoc servabitur, quod initio convenit (legem enim eontractus
dcdit), excepto eo, quod Celsus patat non valere, si conveiicrit, ne doltis praestctur:
hoc enim bonae tidci judicio contrarium est: et ita utimiir .... Flp. 1. 23 Ti. de
R. .1. (L, 17).
Julianus libro vicesimo primo digestorum hujusmodi speciem proponit: quidam
deccdens tiliis suis dedcrat tutores et adjeeerat: „eosque aneclogistos csse volo." Et
ait Julianus tutores, nisi bonam iidem in administratione praestiterint, damnari de-
*) § 11 van den eersten druk is vervallen.
-ocr page 38-
21
bere, c|tmmvis tcstameiito cum])rchc\'iisum sit, ut aneclogisti esscnt: nee co nominc
ex causa fidoicommissi quicqnam consequi dehcbunt, ut uit Julianus, et est ver» ista
sententia: nemo enim jus publieum remittere ]>otest hujusmudi cautionibua nee mu-
tare formant anti<]uitus constitutam. Damnum ven», quodnimqtic ex tutela <|tiis scn-
serit, et legari et per lideieommissum ei relinqui potest. T "lp. 1. 5 § 7 D. de adm.
tut. (XXVI, 7).
Libcru matrimonia osse untiqiiitus placuit. Idcoqiic pacta, ne liceret divertcre, non
valere et stipulationcs, quibus poenae inrogarentur ei qui divortium fecisset, ratas
non haberi constat. Alex. 1. 2 C. de inut. stip. (V11I, 38;.
§ 13 (le druk: § 14). sanctie deb wetten.
Voor zoover een voorschrift der rechtsorde niet slechts aanvullend,
maar dwingend recht bevat, rijst de vraag, welke zijne sanctie is, d. w. z.
welk gevolg intreedt, wanneer het voorschrift niet is nageleefd. Naarmate
de wet datgene wat in strijd met hare bepalingen geschiedt, of nietig
verklaart — al of niet met oplegging eener straf — öf met een ander
nadeelig gevolg bedreigt, of eindelijk geheel straffeloos laat, onderscheidt
men leges perfectae, minus quam perfeetae, hnperfectac. Met overtreding
van het rechtsvoorschrift wordt ontduiking gelijkgesteld.
Legis virtus haec est imperare vetarc pennittcre punire. Modest. 1. 7 1). de legi-
bus (1, 3).
.....legum eas partes, quibus poenas constituimus ad versus eos qui contra leges
fecerint, sanctioncs vocamus. § 10 I. de rer, div. (II, 1).
.....proliibet, exceptis quibusdam cognatis, et si plus donatum sit, non rescindit.—
Minus quam perfecta lex est quae vetat aliquid lieri, et si factum sit, non rescindit,
scd poenam injungit ei qui contra legem fecit: qualis est lex Furia testamentaria,
quae plus quam mille assium legatum mortisve causa prohibet capere, praeter exceptas
personas, et adversus eum qui plus eeperit qnsdrupli poenam constituit. lTlp. Fragm.,
Frooem. § 1, § 2.
Sed eum aliquis ex testilms testamenti quidem faciendi tempore libcrexistimabatur,
postea vero servus apparuit, tam divus Hadrianus Catonio Vero quam postea divi
Severus et Antoninus rescripserunt subvenire se ex siut liberalitate tcstameiito, ut
sie hubeatur, atque si ut ol>ortet factum esset, eum eo tempore, quo testainentum
signaretur, omnium eonsensu hic testis liberorum loco fuerit nee quisquam esset, qui
ei status c|iiaestioncm moveat. § 7 I. de test. ord. (II, 10).
Contra legem facit, qui id facit quod lex prohibet, in fraudem vero, qui salvis
verbis legis sententiam ejus circumvenit. Paul. 1. 29 D. de legibus (I, 8).
Frans enim legi tit, ubi quod lieri noluit, tieri autem non vetuit, id lit: et quod
distat fi»rdv xtto $ixvoix$, hoc distat fraus ab eo, quod contra legem lit. l\'lp. 1. 30
I). eod.
Ait praetor: „1\'aeta conventa, quae neque dolo malo, neque adversus leges plebis
seita senatus consultu decreta edicta principum, neque quo fraus cui eorum liat, facta
crunt, servabo." Ulp. 1. 7 § 7 D. de pact. (II, 14).
Eene verordening der Keizers Theodosius II en Valentinianus III
(1. 5 C. de legibus 1, 14) heeft dit onderscheid opgeheven, door alle ver-
boden handelingen nietig te verklaren.
-ocr page 39-
22
§ 14 (le ilrnk: § 13). algemeen en bijzoNdeu hecht, regelmatig
EN ABNORMAAL RECHT.
Algemeen recht is de rechtsregel, die moet worden toegepast in alle
gevallen, waarin de door den wetgever vooronderstelde omstandigheden
aanwezig zijn. bijzonder recht is de speciale bepaling voor een enkel
persoon, eene enkele zaak of een enkel geval.
Jura non in singulus personus, sed generaliter constituuntur. Ulp. 1. 8 1). do legi-
bus (1, 3).
Ex liis, quae fortc nno aliqnu casu accidere possiint, jura non constituuntur: Cels.
1. 4 I). cod.
nam ad ca potius debet aptari jus, quae et frequenter et facile, quant quae perraro
eveniimt. Cels. 1. ."> ]). cod.
..... riane ex liis (se. constitiitionibus) quacdam simt pcrsonales, quae nee ad
exemplum tnihuutur, <|iiuniam non hoc princeps vult: nam quod alicui ub mcrita
indulsit, vel si eui poenam irrogavit, vel si cui sine cxemplo Biibvenit, personam non
egreditur. Aliue autom, eiun generales simt, omnes proeul dubio tenent. § (> 1. de
jure nat. (1, 2).
Verder onderscheidt men nog het regelmatige, genieene recht (jus com-
tnune),
dat voortvloeit uit of in overeenstemming is met de algemeene
rechtsbeginselen, en het abnormale recht (jus singulare), dat om bijzon-
dere redenen van het genieene recht afwijkt. Deze onderscheiding mist
echter eeno scherpe beteekenis; haar nut is zeer twijfelachtig.
Jus singulare est, quod contra tenorem ralionis proptcr aliquam utilitatem auctori-
tatc constituentium introduetum est. 1\'aul. 1. IC I). <le N-gibus (I, 3).
> Quod vero contra rationcm juris receptum est, nou est producendum ad conse-
quentias. Paul. 1. 14 D. ood.
In bis, i|iiae contra rationcm juris constitutn simt, non possumus sci|iii rcgulam
juris. Julian. 1. 15 1). cod.
Privücgia qnacdam causae sunt, quacdam personae. Et ideo c|iuiedam ad lieredem
transinitunitur, quae causae sunt: quue personae sunt, ad lieredem non transeunt.
Modest. 1. 196 D. de R. J. (L, 17).
§ 15. ONTSTAAN VAN HET RECHT. WET EN GEWOONTERECHT.
Het ontwikkelde Romeinsche Hecht kent twee factoren, die het recht
vormen, twee wijzen waarop het recht zich openbaart, m. a. w. twee
rechtsbronnen: het wettelijk recht (jus scriptum) en het gewoonterecht
(jus non scriptum). Het gewoonterecht is het oudste. In de handelingen
der burgers en in de uitspraken der gerechten vertoont zich de regel,
die, omdat hij vaak is toegepast, ook voor liet vervolg op eerbiediging
aanspraak maakt. Allengs wijkt echter die onmiddellijke uiting van het
rechts bewustzijn des volks voor de bewuste rechtsvorming, de vaststelling
van rechtsregels door do daartoe bevoegde Overheid: er ontstaat wottelijk
recht. Terwijl nu het wettelijke recht steunt op den uitdruk kei ij kon wil
des wetgevers, begint men de kracht van het gewoonterecht te gronden
op des wetgevers stilzwijgende erkenning. De woorden jus scriptum en
-ocr page 40-
23
jus non seriplutn, in letterlijken zin genomen, geven de tegenstelling
niet juist weer: het wettelijke recht kan ongeschreven, het gewoonterecht
daarentegen kan op schrift gesteld zijn.
Hoc igitur jus nostrnm constat aut ex scripto nut sinc scripto, ut apud Graccos:
tüv vó/xuiv ói i*iv \'iyypa<poi, ai Si xypotfyoi. lip. 1. G § 1 D. de just. et jure (I, l).
Mores simt tacitus consensus populi longa consuetudine inveteratus. 1\'lp. Kragm.,
J\'rooem. § 4.
Ex non scripto jus vcnit, cjitoci usus cotn])robavit. Nam diuturni mores coiisensu
iitentium cumprubati legem imitantur. § !• I. de jure nat. (I, 2).
De qaibus causis scriptie legibus non utimur, id custodiri oportet, ipiod moribus
et consuetudine inductuin est: et si qna in re hoc deficeret, tune c)Uod proxiinuin et
consequens ei est: si nee id i|uidem appareat, tune jus, qno urbs l{oma utitur, scr-
vari oportet. —v Inveterata consuetudo pro loge non immcrito custoditur, et hoe est
jus quud dicitur moribus constitutum. Nam eum ipsae leges nulla alia ex causa nos
teneant, iiuam ijuod judicio populi receptae simt, merito et ca, quae sine ulloscripto
populus probavit, tencbunt omnes: nam j^uid interest snffragio j>opulus voluntatem
suam declaret an rebus ipsis et factis? Quare rectissime etiam illud receptum est,
ut leges non solum sutFragio legis latoris, sed etiam tacito eonsensu omnium per
desiietudinem abrogentur. Julian. 1. 32 D. de legibus (1, 3).
Volgens de opvatting der historische school (zie hieronder § 32) schept
de wetgever geen recht. Zij leert, dat de wet, evenals de gewoonte,
slechts uitdrukking en vorm geeft aan eene bestaande volksovertuiging.
Als reactie tegen de vroegere natuurrechtelijke beschouwing heeft deze
theorie veel nut gesticht; zij heeft bijgedragen tot vorming van een juister
inzicht in het ontstaan van het recht. Doch zij is in eenzijdigheid ver-
vallen; zij heeft de beteekenis van het gewoonterecht overschat en den
invloed der wetgeving te laag aangeslagen.
Rechtswetenschap en rechtspracttjk kunnen wel dienen om het positieve
recht te ontwikkelen, maar op zich zelf zijn zij geene organen, waardoor
het recht positief wordt („non exemplis, sed legibus judicandum
est" zegt Justinianus in 1. 13 C. de sent. VII, 45); wèl kunnen zij
aanleiding geven tot het ontstaan van een gewoonterecht.
Nam imperator nostcr Sevcrus rescripsit in ambiguitatibus quae ex legibus proticis-
cunttir consuetudinem aut rerum perpetuo similitcr judicatarum auetoritatem vim
lcgis optincre debcre. Callistr. 1. 38 I). de legibus (1, 3).
Wij bespreken nu eerst (§§ 16—21) de verschillende vormen, die het
wettelijk recht bij de Romeinen in den loop der tijden heeft aangenomen,
en daarna in § 22 het gewoonterecht.
.....Scriptum jus est lex, plebi scita, senattis consulta, principum placita, magi-
stratuum edicta, responsa prudentium. § 3 I. de jure nat. (I, 2).
§ 16. VOLKSWETTKN. LF.IiKS EN PLEB1SCITA.
Het is een beginsel van Romeinsch staatsrecht, dat de wetgeving be-
ritst in handen van het volk, dat evenwel slechts op voorstel van den
Koning of van den magistraat in zijne vergaderingen (comitia) besluiten
kan nemen. Lex in den ruimen zin is nu elk besluit van het volk; lex
-ocr page 41-
24
in engeren, materiëelen zin is elk besluit, dat een rechtsregel vaststelt
Ook later is de ter type gebleven van het geschreven recht; daarom heet
het van de andere vormen, als zij erkend worden: legis vicem of
legis vigorem optinent.
Het oudste en gewichtigste monument der Romeinsche volkswetgeving
is de wet der 12 Tafelen. Wat daaraan voorafgaat, mist historische
zekerheid. Wèl vernielden de latere schrijvers leges regiae, wetten die
afkomstig heeten te zijn uit den tijd der Koningen; eene verzameling
daarvan, onder den naam van jus Papirianum, wordt door hen aan-
gehaald — de overblijfsels zijn afgedrukt bij Bruns, Fontes Juris,
bl. 1—14. Doch de oorsprong van deze bepalingen, die vooral over het
sacrale recht handelen, ligt in het duister.
Fostca aucta ad ".liquem modum eivitate ipsum Kumulum traditnr ])0]iulum in tri-
ginta paitcs divisisse, quas partes cuiïas appcllavit proptcrea, quod tune rei publicae
curam per sententias partium earum expediebat. Kt ita leges quosdam et ipse euriatas
ad pupnlitm tulit: titleriint et sequentes reges. Quae umnes conscriptae exstant in
libro Sexti l\'upirii, qni fuit illis temporibus, quibus Superbus Demarati Corinthii
tilius, ex principalibus viris. Is liber, ut diximus, appellatnr jus civile Papirianum,
non quia 1\'upirius de suo quicquam ilii adjecit, sed quod leges sine ordine latas in
ft
unum composuit. 1\'omp. 1. 2 § 2 I). de O. J. (I, 2).
Op historischen bodem komen wij met de wet van de 12 Tafelen. Dit
is eene wetgeving, tusschen de jaren 452 en 450 v. C., op aandringen
Pi                             der plebejers, ter verkrijging van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid,
jj                             door eene daartoe gekozen commissie van tienmannen samengesteld. Vormt
><
zij al geene volledige codificatie, zij werd toch door de Romeinen be-
schouwd als de grondslag van het private en publieke recht; Livius,
III, 134, noemt ze: fons omnis publici privatique juris. Zij is
1
nooit afgeschaft; hare bepalingen, en vooral hare beginselen, bleven
eeuwen lang gelden, al bracht de latere rechtsontwikkeling menige ver-
A_                             andering te weeg.
Een der oudste Romeinsche commentatoren was Sextus Aelius
Paetus (zie hieronder § 21), die in zijne Tripertita zich met de 12
t                             Tafelen bezighield. Onder Augustus schreef Lab e o een commentaar;
later Gajus, uit wiens aanteekening plaatsen zijn opgenomen in de
Justiniaansche verzameling.
<
Een aantal fragmenten — omstreeks 100 — der wet zijn tot ons ge-
komen, deels door woordelijke aanhaling bij de schrijvers, deels door
bloote vermelding van den inhoud. In den nieuweren tijd hoeft men
deze fragmenten verzameld en in zekere, voor een groot deel wille-
keurige, volgorde gerangschikt; zie Bruns, t. a. p., bl. 14—30.
Fostca ue diutius hoc lierct, placuit publica auctoritatc decem constitui viros, per
ipius pcterentiif leges a (iraeeis civitatibus et civitas fundaretur legibus: quas in ta-
bulas eboreas perscriptas pro rost ris eomposuerunt, ut possint leges apertius percipi:
datumque est eis jus co anno in eivitate summum, uti leges et corrigerent, si opus
esset, et interpretarentur neque provocatio ab eis sieut a reliquis magistiatibus lieret.
Qui ipsi auimudverterunt aliquid decsse istis primis legibus ideoque seqiieuti anno alias
duas ad easdem tabulas adjecerunt: et ita ex aeeedenti appellatac simt leges duodecim
-ocr page 42-
25
tabularum. Quarum ferendarum iiuctorem fuisso dcccmviris Hermodorum qucndam
Ephcsium cxulantcm in Italia iiuidnm rcttulerunt. l\'om|). 1. 2 § 4 D. de O. J. (I, 2).
Percipietis etiam illam ex cognitione juris laetitiam et voluptatem, ijnotl, quantum
praestiterint nostri majores ])rudcntia ceteris gentibus, tum facillime intelligetis, si
cum illorum Lycurgo et Drarone et Solone nostras leges conferre volueritis: incredi-
bilc est eiiim, quam sit omne jus eivile, praeter hoc nostrum, inconditum ac paene
ridicnlom: de quo multa soleo in sennonibus qttotidiutiis dicere, iimim hominum
nostrorum prudentiam ceteris omnibus, et maxime Gruecis, antcponii. His ego de
causis dixeram, Scacvola, iis, iiui perfeeti oratores esse vellent, juris eivilis eogni-
tioncm esse necessariam. Cic, de orat., 1, 44 § 1!I7.
.....A parvis enim, Quinte, didicimus „si in jus vocat" atque ejnsmodi leges
alias nominare.....Cic, de leg., II, 4 § 9.
.lam cetera in XII minuendi siimpttis simt lamentationisc[UC fnnebris, translata de
Solonis fere legibus. Hoc plus, inc(iiit, ne facito: rogum ascea ne polito. Xostis quae
secuntur; diocbamus enim pueri XII, ut carmen necessarium, (pias jam nemo discit.
Extenuato igitnr sumptii tribus ricinus et tunicula purpiirae et decem tibicinibus
tollit etiam lamentatiooem: mulieres genas ne radunto neve lessum funcris ergo lia-
bento. Hoc veteres interpretes Sex. Aelius, L. Acilius non satis se intellegere dixc-
runt, sed suspieavi vestimenti aliquod genus fnnebris, L. Aelius lessum quasi lugubrem
ejulatiooem, ut vox ipsa signihent: quod co magis judieo vcrumesse, qnia lex Solonis
id ipsum vetat. Ilaec laudabilia et lociiplctibus t\'ere cum plebc communia; quod qui-
dem maxime e natura est, lolli fortnnac discrimen in morte. Cic, de leg., II, 2.1 § 5!».
Na de wet der 12 Tafelen bleef de wetgevende macht in handen van
het volk, populus. Doch daarnaast deed zich het plebs gelden. De ple-
biscita,
in de comitia Iributa tot stand gekomen, werden langzamerhand
met leges gelijkgesteld. Voor goed geschiedde dit door de Lex Hortensia
(omstreeks 280 v. C), welke bepaalde „ut eo jure quod plebs statuissel,
omnes Quirites tenerentur." Sedert dien tijd verschilden lex en plebiscitum
in wijze van totstandkoming, de rechtskracht van beide was gelijk.
Lex est quod populus jubel atque eonstitnit. Plebiscitum est quod plebs jubet
atque eonstitnit. 1\'lebs autem a populo eo distat, i|Uod populi appellatione universi
civcs significantur, eonnumeratis etiam patriciis; plebis autem appellatione sine patri-
ciis ceteri cives significantur; unde olim patricii diecbant plcbiscitis se non teneri,
qnia sine auctoritate eorum facta essent; sed postea lex Hortensia lata est, qua cau-
tum est ut plebiscita universum populmn tenerent; itaqne eo modo legibus exaequata
sunt. Gojus, lust. I § 3.
Lex est, quod populus Komanus senatorc magistratu interrogante, veluti consule,
constituebat. 1\'lcbi scitum est, quod plebs plebejo magistratu interrogante, veluti
tribuno, constituebat. 1\'lebs autem a populo eo differt, qiio species a genere: nam
appellatione populi universi civcs significantur eonnumeratis etiam patriciis et sena-
toribus: plebis autem appellatione sine patriciis et senatoribus ceteri cives signitican-
tur. Sed et plebi scita lege Hortensia lata non minus valere quam leges coeperunt.
§ 4 I. de jure nut. (1, 2).
Atejus Capito, publici privatique juris pcritissimus, qiiid „lex" esset, hisce verbis
detinivit: Lex, inqttit, est generale jitssum populi aut plebis, rogante magistratu.
Gellius, N. A. X, 20 § 2.
Ait praetor: „1\'acta conventa, quae neque dolo malo, neque ad versus leges plebis
scita senatus consulta decreta edicta priucipum, neque quo l\'raus cui eorum flat, facta
erunt, servalio." 1\'lp. 1. 7 § 7 1). de pact. (11, 14).
Quae lex Aquiliu plebiscitum est, cum eam Aqiiilius tribunus plebis a plebe ro-
gaverit. lip. 1. 1 § 1 D. ad leg. Aquil. (IX, 2).
-ocr page 43-
\'_•<;
Do behandeling eener wet was aan bepaalde vormen gebonden. Be-
ginnen wij niet hare voorbereiding (legem ferre). Het voorstel moest
openlijk worden bekend gemaakt (promulgatió). Tusschen deze bekend-
making en den dag, voor de stemming bepaald, moest eene tusschen-
rtiimte van minstens drie nundina worden gelaten. Inmiddels kon het
voorstel in voorloopige vergaderingen (conciones) worden besproken, en
zoowel door den voorsteller als door andere voorstanders tegen oppositie
worden verdedigd (suadere, dissuadere). Nu volgde de behandeling van
het voorstel in de wetgevende vergadering (legem rogarc). In de comitiën
werd oudtijds mondeling gestemd, later sedert de Lex Papiria (131 v. C.)
schriftelijk en geheim; de stemming geschiedde met Ja (uti rogas) of
Neen (antiquo legem) op de vraag van den magistraat: velitis jubeatis,
Quirites, rogo. Als waarborg tegen verrassing verbood de Lex Caccilia
Didia (98 v. C.) onderscheidene wetsvoorstellen te vereenigen „ne quid
per saturam ferretur." Had de meerderheid zich voor het voorstel
verklaard, dan werd deze uitslag verkondigd; dikwijls werd dan de wet
op houten, later op koperen tafels openlijk ten toon gesteld (legem figcrc).
In den inhoud der wetten kan men drie deelen onderscheiden: 1°. de
inleiding, prarscriptio, bijv. bij de Lex Quinctiadeaquaeductibus (Bruns,
t. a. p., bl. 112): ï. Quinctius Crispinus consul populum jure
rogavit populusque jure scivit in foro pro rostris aedis divi
Julii pridie K. Julias. Tribus Sergia principium fuit, pro tribu
Sex . . . . L. f. Virro primus scivit. Naar den voorstellenden magi-
straat wordt de wet gewoonlijk genoemd; 2°. de wet zelve, rogatio, zoo
noodig in hoofdstukken verdeeld; 3°. de bepalingen tot bescherming der
wet tegen overtreding, sanelio, zie hierboven § 13.
Hoewel er een groot aantal leges, en vooral plebiscüa bekend is (ze
dagteekenen zelfs nog uit den tijd van Claudius, Nero en Nerva),
zoo bewegen zich de meeste daarvan op ander dan privaatrechtelijk ge-
bied. De ontwikkeling van het Romeinsche privaatrecht is niet in de
eerste plaats aan deze rechtsbron te danken. Na de wet der 12 Tafelen
vindt men geene wet, die, wat omvang of invloed betreft, in de verte
met haar gelijkgesteld kan worden.
§ 17. SENAATSBESLUITEN. SENATUSCONSULTA.
Ofschoon Cicero (Topica, c. 5) de Senatusconsidta onmiddellijk na de
Leges noemt onder de bronnen van het jus cwile, was de Senaat toch
aanvankelijk geene wetgevende vergadering. Hij adviseerde den magistraat
bij de indiening van wetsvoorstellen. Zijne goedkeuring was een tijdlang
noodig voor de geldigheid der plebisciten. Verder kwamen hem nog ver-
schillende bevoegdheden toe ten aanzien van de wetten: hij kon eene tot
stand gekomen wet wegens daaraan klevende gebreken voor ongeldig
verklaren, hij kon do wetten uitleggen, hij kon van eene bestaande wet
dispensatie verleenen. Als eigenlijke wetgever heeft echter de Senaat, in
den tijd der Republiek, zich nauwelijks ooit gedragen. Eerst onder de
-ocr page 44-
27
Keizers treedt het Senaatsbesluit, met gelijke kracht, naast en weldra in
plaats van de volkswet.
De verklaring, die de Instituten (§ 5 I. de jure nat. I, 2) en Pom-
ponius van deze machtsuitbreiding geven, is even onjuist als het
verhaal van Theophilus (op do zooeven aangehaalde Institutenplaats).
Veeleer is de wetgevende macht van den Senaat te beschouwen als de
vrucht van den naijver tusschen de partij der aanzienlijken en de volks-
partij, als een uitvloeisel van de nieuwe orde van zaken, door Augus-
tus in het leven geroepen. Het streven van den Senaat werd gesteund
door de Keizers, die dit college een geschikt werktuig achtten om de
wetgevende macht tot zich te trekken.
Quattuor oinnino genera simt, judices, in ((tribus por Senatum, more majorum,
statuatnr aliquid do legibus. I\'num est ejusmodi, placerelcgcmabrogari.... Altcrum,
i|»ao lox liitii osso dicatur, o;i min vidori pupiiliun toneri... . Tertium est do legnm
abrogationibus. tic, Or. pro Cornelio (Fragmenten bij Asconius).
Deinde quia dil\'ticilo plobs convoniro ooopit, ))upulus oorto inultu dilhcilius in tanta
turba humiiium, neecssitas ipsa curam rei publicae ad senatum dednxit: ita coepit
senatus so intorponoro ot ipiidipiid oonstitnisset observabatur, idque jus appellabatur
senatus consultum. 1\'ump. 1. 2 § 9 D. do O. J. (1, 2).
Senattisoonsiiltum ost i|iiod senatus jubet atqiic constituit, id<|ue legis vieem up-
linot, imam vis fuerit quaesitum. Gijns, lust. I § 4.
Non ambigitur senatum jus faccro posso. lip. I. \'J I). do legibus (I, 3).
De wetgeving door den Senaat vormt den overgang van do wetgeving
door het volk tot de wetgevende macht van den Keizer. De Keizer had
de gewoonte of zelf, öf door een vertegenwoordiger, zijne wetsvoordrachten
in te leiden met eene Boodschap (Oratio). Toen nu de Senaat meer en
meer zijne zelfstandigheid verloor en zich zonder uitzondering bij die
voorstellen neerlegde, begon men, in stede van het Senaatsbesluit, de
Keizerlijke Boodschap als rechtsbron aan te halen. Eindelijk verdwijnt
zelfs de formeele medewerking van den Senaat: sedert de derde eeuw
komen er geene Senaatsbesluiten meer voor.
Ex bis (se. quacstoribiis), si<*ut dicimus, quidam simt <|iii candidati principis dicc-
bantiir quique opistnlas ojus in sonatii legunt. 1\'lp. 1. 1 § 4 1). de oir. quaest. (I, 13).
Imperotoris Severi orationc prohibiti simt tutores et enratores praedia rustiea vel
subiirbana distraboro. — Quao oratio in senatu recitata est Tortullo et Clemente
consiilibiis idibus .1 imiis ot simt verba ojus bujusmodi: .... 1\'lp. 1. 1 pr., § 1 I). de
reb. cor. (XXVII, 9).
Van de talrijke Senalusconsulta, ook over privaatrecht, tusschen Augus-
tus en Caracalla tot stand gekomen, zijn er enkele in den oorspronkelijken
tekst voor ons bewaard, hetzij door inscripties, of door aanhalingen bij
schrijvers; men vindt ze verzameld bij Bruns, t. a. p., bl. 151—187.
§ IS. KEIZERLIJKE VERORDENINGEN. CONSTITUT10Ni:S PRINUPUU.
Met betrekking tot den invloed des Keizers op het privaatrecht moet
men een vroeger en een later tijdvak onderscheiden: de grens ligt onge-
veer bij Diocletianus en Constantinus.
-ocr page 45-
28
Toen Augustus de alleenheerschappij had verkregen, liet hij in schijn
de oude vormen bestaan. Intusschen wist hij de meeste republikeinsche
waardigheden in zijn persoon te vercenigen. Door eene Ier regia de im-
perio
werden niet in eens alle souvoreiniteitsreehten door het volk aan
den Keizer gedelegeerd, zooals do Justiniaansche bronnen het voorstellen,
maar aan eiken Keizer werden verschillende bevoegdheden en waardig-
heden opgedragen, o. a. uti quaecunque ex usu rei publicae
majestateque divinarum humanarum publicarum privata-
rumque rerum esse censebit, ei agere facere jus potes-
tasque sit (zie de Le.r de imperia Vespasinni, bij Bruns, bl. 182).
Aanvankelijk bleef het volk in de Comitiën vergaderen en zijne wet-
gevende macht uitoefenen; onder Augustus kwamen op die wijze de
ingrijpende Loges Julia et Papia Poppaea tot stand. Meer en meer maakte
de Keizer zijne wetsvoorstellen aanhangig bij den Senaat (zie hierboven
§ 17). Doch, al trad hij nog niet als wetgever op, al spoedig werkte de
Keizer zelfstandig in op de rechtsontwikkeling.
Quod piincipi pluruit. leiris lcilx\'t vijjorem : utpote oiim lege regin, ijuni! de imperio
ejus lata est, popnlus ei et in enm omue sunm imperium et potestaten) conferat. —-
Quodciimquc igitur imperator per cpistulam et subseriptionem stutuit vel cognoscens
deercrit vel de plano intcrloctitus est vel cdicto praccepit, legera esse constat. Haec
simt i|ii;is vulgo eonstituikmes nppcllamtis. I\'lp. 1. 1 pi\'., § 1 D. de eonst. prine. (I, 4).
Zijne constitutiones worden verdeeld in vier soorten:
1°. Edicta, algemeene verordeningen, die de Keizer als magistraat,
krachtens zijn jus edicendi, uitvaardigt omtrent de wijze waarop nij net
recht zal handhaven. Hij kan daardoor nieuw recht in het leven roepen,
met verbindende kracht voor het geheele Kijk.
Kt primo i[uidem tempoiibits divi Augusti, mux deinde (\'laudii edietis eorum enit
interdictttm, nc feminae pro viris suis interoedeieiit. lip. 1. 2 i>r. I). ad SC. Vellej.
(XVI, 1\\
2°. Decreta, vonnissen door den Keizer als rechter, hetzij in eersten
aanleg, hetzij in hooger beroep, gewezen. Alleen voor zoover bij die
uitspraken twijfelachtige rechtsvragen werden beslist, of nieuwe rechts-
regels werden aangenomen, komen zij hier in aanmerking. Bekend is
o. a. het decretum diri Marci, zie hieronder § 9S.
H°. Rescripia, antwoorden gericht aan ambtenaren of particulieren, die
zich met vragen omtrent rechtspunten tot den Keizer hebben gewend.
Op de relationes of conmltcttiones van den ambtenaar antwoordt de Keizer
in den regel bij afzonderlijken brief (epistula); op de preces, libelli van
den particulier wordt het bescheid aan den voet van het stuk zelf gesteld
(subseriptio, adnotatió). Vooral sedert Hadrianus komt deze instelling
in zwang. Meestal strekken de rescripten slechts om den aanvrager in
te lichten over liet geldende recht. Doch het komt ook \'voor, dat de
Keizer op de aan hem voorgelegde feiten nieuw recht toepast.
lmpp. Scverus et Antonimis AA. Modcstino. — Ncque acquam acque usitatum rem
desideias, ut aes alieniim patlis tui non pro portionibiis liereditariis exsolvatis tu et
-ocr page 46-
29
frater cohcres tuus, sed pro aestimatione rcrum praelegntarum, cum sit explorati juris
hereditaria oncra ad sciiptos heredes pro portionibus hcreditariis, non pro modo
emolumenti pertinere. Cjuod nee ipsu ignorare vidoris, cum creditoribus secundnm
formant jnris pro purtiunc tita caveris. I). k. .lul. Cilone et Libonc (\'onss. 1. 1 (\'. si
eert. pet. (IV, 2).
Item inpuberem apud populum adoptari aliquando prohibitum est, aliqaando per-
missurn est; mme ex epistula optimi imperatona Antonini imam scripsit pontificibus,
si justii causa adoptionis csse videbitur, eum quibusdam condicionibus permissnm est.
Apud praetorem vero, et in provineiis apud proeonsulem legatumve, cujnscamque
aetatis personas adoptare possumus. Gajus, Inst. 1 § 102.
4°. Mandata, instructies door den Keizer gegeven aan zijne ambtenaren,
vooral aan de stadhouders in de provinciën. Ze ontbreken in de opsonv
ming bij Gajus, Inst. I § 5, en in de Instituten, wellicht omdat ze
doorgaans slechts administratieve voorschriften bevatten. Toch behelzen
ze soms ook verordeningen op het gebied van het privaatrecht.
.....Caput e.\\ mandatis: „Cum in notitiam mcam prolatum sit subinde testament.i
a commilitonibus rclicta proferri, qnae possint in controversiain deduci, si ad dili-
gentium legum revoeentur et observantiam: secutus animi mei intcgritudinem erga
optimos tidelUsimosqne eommilitones aimplicitati corum eonsulendum existimavi, ut
quoquomodo testati fuissent, rata esset eorum voluntas. Faciant igitur testamenta
quo modo volent, faciant quo modo poterint sufficiatque ad bonorum suoruin divisi-
onem faciendam nnda voluntas testatoris." 1\'lp. 1. 1 pr. 1). de test. mil. fXXIX, 1).
Vooral ten aanzien van de decreten en rescripten kan de vraag rijzen,
ot\' daaraan algemeene rechtskracht toekomt voor alle dergelijke gevallen,
dan wel of zij slechts gelden voor het bepaalde geval, waarvoor zij zijn
gegeven. De aard en bedoeling der beslissing moeten op deze vraag het
antwoord verstrekken. Men zie bijv. 1. 9 §§ 5 en ö D. de jur. et fact.
ign. (XXII, 0).
l\'lane ex bis qnacdam sunt personalcs nee ad exemplum trahuntar: nam quae prin-
ceps alicui ob merita indulsit vel si quam pocnam irrogavit vel si eui sine exemplo
subvenit, personam non egreditnr. lip. 1. 1 § 2 ]). de const. prine. (I, 4).
Aan de samenstelling der constituties werd door de Keizers groote zorg
besteed. Zij lieten zich bijstaan door een Raad {consilium), waarin de
aanzienlijkste juristen zitting hadden.
In de eerste periode. maakt de Keizer van zijne bevoegdheid tot edi-
ceeren slechts een matig gebruik; de eigenlijke wetgeving wordt aan
andere factoren overgelaten. Zeer talrijk worden langzamerhand de re-
scripten: in den Justiniaanschen Codex komen er alleen van Diocle-
tianus omstreeks 1200 voor.
Geheel anders wordt de toestand, nadat door Diocletianus en
Constantinus de macht des Keizers op volkomen monarchischen grond-
slag is gevestigd. Het edict des Keizers, de lexedictalis 3 wordt de ge-
wone, ja de eenige vorm van wetgeving. De rechtskracht" der rescripten
wordt door Justinianus voor goed geregeld. Ten aanzien van den
vorm der Constituties valt sterke achteruitgang te bespeuren. Terwijl
nog de verordeningen van Diocletianus uitmunten door bondigheid
en kernachtigheid, kenmerken zich de latere Edicten door een gezwollen
-ocr page 47-
30
stijl, een noodeloozen omhaal van woorden, eene overdreven verheer-
lijking van de wijsheid des Keizers.
Jntcr acquitatem jiinque interpositam interpretationem nobis solis et oportet et liect
/nispieere. Constant. 1. 1 C. de legibus (I, 14).
Leges sacratissimae, quae cunstringnnt omnium vitas, intellcgi ab omnibus debent,
ut universi praescripto earum manilestius cognito vel inhibitu declinent vel permissa
sectentur. Si quid vero in isdem legibus latum fortassis obscurius fuerit, oportet itl
imperatoria interpretutiune pateneri duritiami|iie legum nostrae humanitati incongruam
cmendari. Valent. et Marcian. 1. 9 U. cod.
Si imperialis majostas causam cognitionuliter examinaverit et partibus comintis
eonstitutis sententiam dixerit, omnes omnino judiees, cjui sub nostro imperio simt,
sciant hoc esse legem non solum illi causae, pro qua producta est, sed omnibus
similibus. — Quid enim majus, quid sanctius imperiali est majestate? Vel quis tau-
tae superbiae fastidio tumidus est, ut regalem sensnm eontemnat, cum et veteris
juris conditores constitutiones, quae ex imperiali deereto processerunt, legis vicem
obtinere aperte dilucideque dcliniunt? — Cum igitur et hoc in veteribus legibus
invenimus (lubitatum, si imperialis sensus legem interpietatiis est, an ojiorteat hiljus-
modi regiam interpretationem obtinere, eorum (piidem vanam scrupulositatem tam
risimus quara corrigendam esse censuimus. — Dehnimus autem omnem imperatoris
legem interpretationem sive in precibus sive in judiciis si\\e alio qiiueumquc modo
lactam ratam et indubitatam haberi. Si enim in praesenti leges condere soli impera-
tori concessum est, et leges interpretari solum dignum imperio esse oportet. .lustinian.
1. 12 pr. — § 3 C. eod.
Over de verzamelingen der constituties, zie hierboven § 4 II 15 aa,
bb, cc, dd,
en hieronder § 27.
«} 19. UE EDICTEN DEK MAGISTRATEN, VO0KAL VAN «EN PRAETOB.
Alle hoogere Romeinsche o verheidspersonen hadden de bevoegdheid,
binnen de grenzen van hun ambtskring, verordeningen, edicten, uit te
vaardigen. Voor ons komen hier alleen in aanmerking de edicten van
de magistraten, die met de burgerlijke rechtspraak belast waren: voor-
eerst de piaetoren — de praetor urbanus (sedert 307 v. C.) en de praelor
peregrinus
(sedert omstreeks 247 v. C.) — verder de curulische aedilen.
De edicten zijn öf repmthia, voor bijzondere voorbijgaande omstandig-
heden (prout res incidit) gegeven, öf perpdua. Bij de laatste maakt
de magistraat, zijn ambt aanvaardend, de regels bekend, die hij voor-
nemens is in zijn ressort en gedurende zijn ambtsjaar bij de rechtspraak
te volgen. Daar de praetor zich niet altijd hield aan zijn edictum pcr-
petuum
— Cicero beschuldigt Verres er van, dat hij aliter atque
ut edixerat decrevisset (in Verr., II, 1, 40) — werd hem door de
Lex Cornelia (07 v. C.) de verplichting daartoe opgelegd.
.lus autcm edicendi habent magistratus populi Itomani; sed amplissimum jus est
in edictis duorum praetorum, urbani et peregrini, quorum in provinciis jurisdictionem
praesides earnm habent; item in edictis aedilium curnlium, quorum jurisdictionem in
provinciis populi Itomani quaestores habent; nam in provincias Caesaris omnino
quaestores non mittuntur, et ob id hoe edictum in his provinciis nou proponitur.
Gajus, lust. I § 6.
-ocr page 48-
31
Eodem tempore et magistratus juni reddebunt et ut scirent cives, quod ju» de
quaque re <|iiist|iie dicturus esset, sei|iie praemunirent, edicta propouebaut. Qnac
edicta practornm jus honorarium constituerunt: honorarium dicitur, qnod ab honore
praetoru venerut. I\'omp. 1. 2 § 10 1). de O. .1. (I, 2).
Ali.iiii deinde legem Cornelius, etsi nemo repugnare austis est, multis tarnen invitis
tulit: ut praetores ex edietis suis perpetuis jus dicerent; i£iiue res cunctam gratiam
ambitiosis praetoribus, 41Ü varie jus dicere assueverant, sustulit. Asconius, in Cornel.
(Brons, Funles juris, bl. 394).
Het edictum perpetuum werd door den praetor met groote zorg, na
raadpleging met deskundigen, samengesteld; met zwarte letters en roode
titelopschriften (rubricae) werd liet op witte houten tafels (album) ge-
schreven en openlijk bekend gemaakt.
Ofschoon de nieuw optredende praetor rechtens niet gebonden was aan
het Edict van zijn ambtsvoorganger, zoo placht hij het tocli ten grond-
slag te leggen aan het zijne; daarom maakt Cicero (in Verr., II, 1,
40 vlg.) Verres een verwijt er van, dat hij „in re vetere edictum
novum" had uitgevaardigd. Bepalingen, die de proef der practijk hadden
doorstaan, werden regelmatig door den volgenden praetor overgenomen:
zij werden tralatieia. De nieuwe praetor beperkte zich in den regel tot
toevoegingen. Zoo kreeg het Edict allengs voor een groot deel een vasten
inhoud. Eeeds ten tijde der Republiek schreven Servius Sulpicius
en andere juristen commentaren op het Edict, en werd het bij het
onderwijs gebruikt. t .\'(«w1
Het Edict van den Komeinschen praetor behoort tot de merkwaardigste
verschijnselen in de rechtsgeschiedenis. Ofschoon het geen kracht van
wet heeft, oefent het op de ontwikkeling van het recht een machtigen
invloed uit: „non modicam juris optinet auctoritatem" heet
het in § 7 Inst. de jure nat. (I, 2). Onwrikbaar vast staat het beginsel,
dat de praetor niet bevoegd is, rechtsregels te scheppen of bestaande
rechtsregels te wijzigen. Maar door de manier, waarop hij rechtsmiddelen
toekent of weigert, acties geeft of ontzegt, excepties verleent of in het
algemeen liet proces leidt, brengt hij feitelijk ingrijpende veranderingen
in den rechtstoestand. Aan rechten, die op de wet steunen, onthoudt
hij zyne bescherming, indien hij oordeelt, dat de billijkheid dit verlangt,
betrekkingen, waaraan de wet geen rechtsgevolg verbindt, behandelt hij
feitelijk, alsof de wet ze erkende. Zijn invloed dagteekent vooral van de
invoering der procedure per formulan (zie hieronder § 103), die hem eene
uitgebreide macht over den loop van het proces, en daarmede middellijk
over het recht zelf, verzekerde. Aldus ontwikkelde zich het Edict „tot
eene blijvende, maar van jaar tot jaar voor herziening vatbare codificatie
van het privaatrecht." Op zeldzaam gelukkige wijze vereenigde het twee
voordeelen: het recht kon voortdurend gelijken tred houden met de ont-
wikkeling der maatschappij, en te gelijker tijd werd zekerheid, stabiliteit
van het recht verkregen.
.lus praetorium est, <[iiod praetores iiitroduxerunt adjuvandi vel supplendi vel eurri-
gendi juris civilis gratia propter utilitatem publieam. Quod et honorarium dicitur ad
bonorem praetorum sic nominatum. 1\'apin. 1. 7 § I I). de just. et jure (1, 1).
-ocr page 49-
32
N:im et ipsum jus honorarium viva vox ost juris civilis. Marcian. 1. 8 T). eod.
(.iuos autcm praetor solus vocnt ad hcreditatem, herodes ([iiidem ipso jure non
liunt (nam praetor heradem fucurc non potest: per lcgem enim tantum vel similem
iuris conatitutionem hercdes liunt, vcluti per senatus consultum et constitutiones
principales): sed eum eis praetor dat bonorum possessionem, loco hercdum constitu-
unttir et vocantur bonorum possessorcs. Adhuc autem et alios comfilures gradus
praetor t\'ecit in bonorum possossionibus dandis, dum id agebat, ne quis sine succcs-
sore moriatur: nam angustissimis finibus constitutum per legem duodecim tabularum
jus percipiendarum hereditatum praetor ex bono et aequo dilatavit. § 2 1. de bon.
poss. (111, 9).
Ait praetor: „1\'acta eonventa, quae neque dolo malo, neque advcrsus legos plebis
seita senatus consult:i decreta edieta priucipum, neque quo tïaus eui eorum fiat,
facta crunt, servabo." Ulp. 1. 7 § 7 I). de pact. (11, 14).
Verba autem edieti talia sunt: „Quae dolo malo facta cssc dicentur, si de his rebus
alia actio non erit et justa causa esse videbitur, judicium dabo." Ulp. 1. 1 § 1 1). de
dolo malo (IV, 3).
Praetor cdicit: „Quod cum miuore quam viginti quinque annis natu gestum esse
dicetur, uti quacquc res erit, animadvertam." Tip. 1. 1 § 1 1). de minor. (IV, 4).
Ait praetor: „Qui quacvc, postcaquam quid cum his actum contractumve sit, ca-
pitc (lemiuuti deminutac esse dicentur, in eos casve perinde, quasi id l\'actum non sit,
judicium dabo." Ulp. 1. 2 § 1 D. de cap. min. (IV, 5).
Waarborgen tegen misbruik van macht door den praetor lagen in de
bevoegdheid van zijn ambtgenoot tot intercessie, in den korten duur van
den ambtstijd, in zijne verantwoordelijkheid na afloop daarvan, in het
beginsel: quod quisque juris in alterum statuerit ut ipse eodein
jure utatur (D. Il, 2), doch vooral in de controle, door de openbare
raeening en door de rechtsgeleerden uitgeoefend.
Nadat in den Keizertijd de loop der gebeurtenissen de ontwikkeling
van het Praetorische recht had gestremd, onderging het in den vorm eene
groote verandering onder Hadrianus. Op last van dezen Keizer werd,
omstreeks 131 n. C, door den jurist Salvius Julianus het edict her-
zien, geordend en tot een geheel samengesteld. Na eene Oratie van
Hadrianus werd het, door een Senaatsbesluit, bevestigd. Wat later
nog door de praetoren aan het Edict mocht zijn toegevoegd, is in elk ge-
val van zeer geringe beteekenis (zie Gonst. Tanta § 18; Const. Dedit% 18).
Vele juristen, met name Pomponius, Gajus, Ulpianus en Paulus,
schreven commentaren op het edict van Hadrianus (Edictum perpe-
tuum).
Talrijke plaatsen uit die geschriften zijn in de Pandekten opge-
nomen. Het Edict zelf is niet meer over; doch in deze uittreksels uit
de commentaren der rechtsgeleerden bezitten wij belangrijke bouwstoffen
tot reconstructie van het Edict. Deze is meermalen beproefd, laatstelijk
op voortreffelijke wijze door Lenel, das Edictum perpetuum. Ein Ver-
sueh xu dessen Wiederherstellung
(Leipzig, 1883).
§ 20. DE ADVIEZEN DER RECHTSGELEERDEN.
In den oudsten tijd was de rechtskennis het uitsluitende eigendom
van de patriciërs, on wel meer in liet bijzonder van de priesters; zij
1
-ocr page 50-
33
alleen waren bekend met den kalender, de formaliteiten en de rechts-
middelen.
Deinde ex his legibus codem tempore fere actiones compositac sunt, quibus inter
se hummes disceptarent: quas actiones ne populus pront vcllet institueret, certas
sollemnesque esse voluerunt: et appellat ar haec pars juris legis actiones, id est legi-
timae actiones. Kt ita eodem paene tempore tria haec jnra nata sunt: lege duodecim
tabularum ex his flnere coepit jus civile, ex isdem legis actiones compositac sunt.
Omnium tarnen harum et interpretandi scientia et actiones apud collegium pontificum
erant, ex quibus constitucbatur, quis quoquo anno praeesset privatis. Et fere populus
annis prope centum hac consuetudine usus est. l\'omp. 1. 2 § 6 D. de O. .1. (1, 2).
De sluier der geheimzinnigheid werd het eerst opgeheven, toen (om-
streeks 304 v. C.) Gnaeus Flavius, klerk van Appius Claudius
Caecus, de door dezen samengestelde formulieren verzameling, benevens
den kalender, openbaar maakte: jus Flavianum. Ongeveer eeno eeuw
later voegde Sextus Aelius Paetus eene nieuwe verzameling daaraan
toe: jus Aelianum.
Langzalircrharrd wordt het recht een zelfstandige tak van werkzaam-
heid; de patriciërs stellen er eene eer in, zich daarop toe te leggen. Van
zuiver wetenschappelijke rechtsbeoefening is nog geen sprake. De eerste
juristen — door de lateren rcteres genoemd — werden geheel in en door
de praktijk gevormd. Eenigo van de voornaamsten hunner worden in
§ 21 vermeld. Hun arbeid brengen de Romeinen onder drie rubrieken:
ca ver e, het opstellen van acten voor rechtshandelingen; agere, het ver-
schaffen van leiding bij liet voeren van een proces; respondere, het geven
van adviezen omtrent rechtsvragen. In de wijze, waarop dit laatste ge-
schiedde, kwam verandering sedert Tjberius Coruncanius, do eerste
plebejische pontifex maximus (omstreeks 254 v. C), vaïT^wïen Pom-
po nius verhaalt (t. a. p., §§ 35 en 38): „primus publice profiteri coepit."
Zijn voorbeeld werd door de latere aanzienlijke juristen gevolgd. Deze
adviezen genoten groot gezag, maar vóór Augustus vormen zij nog
geene rechtsbron.
/• Sin autcm quaereretur, quisnam jurisconsultus vcre nominarctur, ciim dicerem,
qtii Icgum et consuetudinis cjus, qua privati in civitate uterentur, et ad responden-
dum, et ad agendum, et ad cavendum peritus esset. Cic, de Orat., 1, 48 § 212.
Ad quos olim et ita ambulantes et in solio sedentes domi sic adibatur, non sol urn
ut de jure civili ad eos, verum etiam de lilia collocanda, de l\'utido emendo, de agio
colendo, de omni denique nut orïïcio, aut negotio rcferretur. Cic., de Orat., lil ,
88 § 138.
Hst enim sine dubio domus jurisconsulti totius oraculum civitatis. \'l\'estis est bujusce
Q. Mucii janna et vcstibulum, quod in ejus intirmissima valetudine, affectaque jam
aetatc, maxima quotidic frequentia civium ac siiinmorum liomiuum spleiuiore cele-
bratur. Cic, de Orat., 1, 45 § 200.
Door Augustus wordt eene instelling gevestigd, die de beteekenis
der adviezen belangrijk verhoogt, ze tot rechtsbron verheft. Aan sommige
juristen zou van wege den Keizer het voorrecht worden toegekend, op
zijn gezag adviezen te geven, zoodanig dat deze den rechter zouden
binden (jus respondendi). De adviezen moesten verzegeld aan den rechter
liom. recht. I, 2e druk.                                                                                       3
-ocr page 51-
:\',l
worden overgegeven, maar behoefden geene gronden te bevatten. Deze
verbindende kracht, naar den aard der instelling alleen toekomende aan
het advies, voor een bepaald geval gegeven, werd allengs uitgestrekt tot
de verzamelde adviezen van den gediplomeerden jurist, in den lateren
Keizertijd zelfs tot alle zijne geschriften.
Et, ut obiter sciamus, ante tempora Augnsti publice respondendi jus non ;i prin-
cipibus dabatur, sed qui iiduciam stiidiurum suoium liabebant, consnlentibus respon*
debuut: neque responsa utique signata dabant, Bed plcrumque judicibus ipsi scribe-
bant, uut testubantur qui illos consulcbant. Primus divus Augustus, ut major juris
auctoritas haberetur, coiistituil, ui ex auctoritato ejus responderent: et ex il lo tempore
peti hoc pro benelicio coepit. Kt idco optimus princeps Hadrianus, cum ab co viri
praetorii petcrent, ut sibi lieerct responden;, rescripsit cis hoc non peti, sod praestari
solere et ideo, si quis Iiduciam sui haberct, delectari se populo ad rcspondendum se
praepararet. — Ergo Sabino couccssum «st a Tiberio (Juesare, ut populo res|>oii-
deret.....Pomp. 1. 2 § 49, § 50 1). de O. .1. (1, 2).
Kespousa prudentiuin sunt sententiae et opinioncs corum, ipiibus permissum est Jura
condere. Quorum omnium si in uu urn sententiae concurrunt, id quud ita sentiunt,
legis vieem optinet; si vero (lissentiunt, judici licet quam velit sententiam sequi;
idipje rescripto divi Hadriani signitieatur. Gajus, lust. I § 7.
licsponsa prudentium sunt sententiae et opinioncs eoruui, quibus permissum erat
jura condere. Nam autiquitus institutum erat, ut cssent qui jura publice intcrprcta-
rentur, quibus a Uaesare jus respondendi datum est, qui juris consulti appellabantur.
Quorum omnium sententiae et opinioncs eam auctoritatem teneiit, ut judici recederc
a responso «orum non liceat, ut est constitutum. § 8 I. de jure nat. (1, 2).
Het is niet zeker, tot welken tijd het jus respondendi is verleend.
Omstreeks 300 n. C. werd het nog gegeven aan een overigens onbekenden
Innocentius. De periode der classieke juristen ligt tusschen Q. Mu-
cius Scaevola en Modestinus (zie hieronder § ^1); men kan daarin
twee tijdperken onderscheiden: in het eerste is de werkzaamheid der
rechtsgeleerden meer scheppend, voortbrengend, in het tweede meer
ordenend, verwerkend. Na het midden der derde eeuw geraakt de rechts-
wetenschap in verval. Een tijd lang openbaart zij zich nog in de uit-
nemend bewerkte rescripten der Keizers (zie hierboven § 18). Daarna
vindt men geen blijken meer van zelfstandige rechtsstudie.
Naarmate de wetenschappelijke geest verdoofde, ging men meer en
meer steunen op het gezag der voorgangers. Doch de geschriften der
classieke juristen waren zoo uitgebreid van omvang, en zoo rijk van
inhoud, zij bevatten bovendien zoo vele controversen, dat men de stof
niet meer vermocht te beheerschen. Langzamerhand bepaalde men zich
tot de lezing van enkele weinige boeken. Zijnerzijds trachtte de Keizer,
door verschillende wettelijke maatregelen, der rechtspraktijk te hulp te
komen. De eerste, eene verordening van Konstan tij n (321 n. C),
strekte om aan de aanteekeningen van Paulus en Ulpianus op de
werken van Papinianus verbindende kracht te ontnemen. Justinianus
heeft die Notae weder in eere hersteld. Eene andere constitutie, tegen-
woordig als de Cïteerwet bekend, werd in 420 n. C. door Theodosius II
en Valentinianus III uitgevaardigd: verbindende kracht zou alleen toe-
komen aan de werken van vijf daarbij aangeduide juristen, en onder
-ocr page 52-
35
zekere voorwaarde — waarvan de beteekenis zoer betwist is — ook aan
de geschriften van de door dezen aangehaalde rechtsgeleerden.
/ Perpctuus prudcutium contentiones crnere cupicntes, Irlpiani ac Punli (ac Mar-
\' ciani, C. Deo auct. § C) in 1\'apinianum notas, qui, dum ingenii laudem soctantur,
non tam corrigere eum, quum depravare malucrunt, ubolcri praecipimns. 1. 1 C Theod.
de resp. piud. (1, 4).
Universa, quae scriptura 1\'atili continentur, recepta auctoritate tirmanda sunt et
omni reneratione celebrunda. ideoque sententiariim libros, plenissima lnee et pcr-
t\'ectissima elocutione et justissima juris ratione succinctos, in judiciis prolatos valere,
minime dnbitatur. 1. 2 C. Theod. eod.
/1\'apiniani, l\'auli, (iaji, l\'lpiani atque Modestini seripta univcrsa firmamus ita, ut
Gajum quae 1\'aiilnm, 1 lpiauum et cnnctos cumitetur auctoritas, lectionesque ex omni
lijus opere recitentur. Korum qiiuque seientiam, quorum tractatus atque sententias
praedicti omnes stii^ opcribus miscucrunt, ra tam esse ccnsemus, ut Scaevolae, Sabini,
.luliani atque Marcelli, omniumquc, quos illi celebrarunt, si tarnen eo.um libri, propter
autiquitatis incertum, codicum collatione firmentiir. l\'bi autem diversae sententiae
profernntur, potior numerus vineat aiictorum, vel, si numerus aequalis sit, ejuspartis
praeeedat auctoritas, in qua excellentis ingenii vir L\'apinianas emineat, qui, ut sin-
gulos rincit, ita eedit duobus. Notas etiam l\'auli, atqtie l\'lpiani in 1\'apiniaui corpus
l\'actas (sicut duduui statuttim est; pruecipimus inlirmari. !\'bi autem pales corum sen-
tentiac recitantur, quorum par eensetur auctoritas, quod sequi debeat, cligat mode-
ratio judicantis. l\'auli quoque sententias semper valere praecipimus. 1.3 C Theod. eod.
Zoo bleel\' de toestand, totdat Justinianus, in de Pandekten, eene
verzameling van do geschriften der juristen tot stand bracht; zio hierover
nader in § 27.
Jubemus igitur vobis antiquorum prudentium, quibus auctoritatem conscrib< ndamm
interpretandartimcpie lcgnm sacratissimi principes praebuerunt, libros ad jus Kumanum
]iertineiites et legere et elimare, ut ex his omnis materia colligatur, niilla (sec iindtim
qiiorl possibile est) neque similitudiiie neque diseordia derelicta, sed ex bis hoc eolligi
quud unum pro omnibus suthciat. Quiu autem et alii libros ad jus pertinentes scripse-
runt, quorum seripturae u nullis auetoribus reeeptae nee usitatae suiii, ueque nos
eorum volurhiua nostram inquietare dignamur sanctionem. § 4 C.\'onst. Deo iturtore
(1. 1 C de vet. jur. enuel. 1, 17).
__, § 21. DE VOORNAAMSTE ROMEINSCHE JURISTEN.
Van de juristen uit den tijd der Republiek — door Pomponius ver-
meld in 1. 2 §§ 35 vlg. D. de 0. J. (I, 2) — vinden de volgende hier
eene plaats.
Appius Claudius Caecus Centemmanus, achterneef van den Ap-
v^pius Claudius, die een voornaam aandeel had in het tot stand komen
der 12 Tafelen. Hij was de eigenlijke samensteller van het Jus Flavianum
(zie hierboven § 20).
P. Sempronius, bijgenaamd Sophus.
Tiberius Coruncanius, zie hierboven § 20.
Sextus Aeliu8 Paetus Catus, de auteur van het Jus Aelianum (zio
hierboven § 20) en (of?) de Tiïpertüa (zio hierboven § 10) „qui liber veluti
cunabula juris continet: tripertita autem dicitur, (luoniam lege duodecim
tabularuni praeposita jungitur interpretatio, deinde subtexitur legis actio."
3*
-ocr page 53-
36
M. Porcius Cato Censorius, f 149 v. C.
M. Porcius Cato Licinianus, zoon van den vorigen, bekend door
de Jlegula Catoniana (waarover in het Erfrecht).
P. Cornelius Scipio Nasica, „qui optimus a senatu appellatns est:
cui etiain publice domus in sacra via data est, quo facilius consuli posset."
M. .Manilius, bekend door zijne formulieren voor koopcontracten:
Manilii actione.s of Manilianac venalium vendendorum leges.
M. Junius Brutus.
P. Mucius Scaevola.
De drie laatstgenoemden „fundaverunt jus civile."
P. Rutilius Kufus, van wien waarschijnlijk de conslitutio Rutiliana
(Fragm. Vat. § 1), de actio Rutiliana (Gajus, Inst. IV § 35) en een edict
over de rechten van den patroon (zie hieronder § 42) afkomstig zijn.
. Q. Mucius Scaevola Publii filius, f 83 v. C, zoon van den
bovengenoemde, de beroemdste van de familie dor Mucii, volgens Ci-
cero (de orat., I, 39 § 180) „juris peritorum eloquentissimus, eloquen-
tium juris peritissimus." Hij gaf de eerste systematische behandeling van
het privaatrecht, in tegenstelling van de vroegere exegetische en casuïs-
tische werken: „jus civile primus constituit generatim in libros decem
et octo redigendo." Dit werk maakte grooten opgang en werd door latere
juristen met aanteekeningen voorzien, zelfs nog-door Gajus en Pom-
ponius, wiens 39 boeken ad Q. Hucium in de Paudekten geëxcerpeerd
zijn. Een ander werk, liber singularis ófMV, is het oudste, waaruit in
do Paudekten fragmenten zijn opgenomen. Q. Mucius wordt zeer dik-
wijl8 door anderen geciteerd. Ook zijn naar hem genoemd de praesumlio
Muciana
(zie hieronder § 125) en de cautio Muciana (zie hieronder § 83).
Vele jongere juristen werden onder zijne leiding gevormd, o. a. Sextus
Papirius, C. Juventius, L. Lucilius Balbus, C. Aquilius Gallus;
Cicero zegt (Brutus, c. 89 § 30ü): „quamquam nemini se ad docendum
dabat, tarnen, consulentibus respondendo, studiosos audiendi docebat."
C. Aquilius Gallus, vriend en ambtgenoot van Cicero. Van hem
zijn afkomstig de farmuia de dolo (zie hieronder § 201), de stipulatio^
Aquiliana
(zie hieronder § 212) en de instelling van sommige nageboren
kinderen tot erfgenamen (zie daarover in het Erfrecht).
Servius Sulpicius Rufus, eveneens tijdgenoot en vriend van Ci-
cero, leerling van Lucilius Balbus en Aquilius Gallus. Hij was
aanvankelijk redenaar, maar toen hij een rechtsgeleerd advies van Q.
Mucius niet begreep, ofschoon het hem tweemalen werd verklaard, en
deze hem do woorden toevoegde: „turpe esse patricio et nobili et causas
oranti jus, in quo versaretur, ignorare" — ging hij zich met ijver op
de rechtsstudie toeleggen. Cicero (Brutus, c. 41, 42 §§151 vlg.) noemt
hem „princeps in jure civili" en roemt hem vooral om. zijne methode en
veelzijdige kennis. Servius liet ongeveer 180 boeken na, die ten tijde
van Pomponius nog werden gebruikt. Door de lateren wordt hij veel-
vuldig geciteerd. Tot zijne leerlingen behooren Alfenus Varus, Au-
fidius Namusa, Aulus Ofilius, e. a.
-ocr page 54-
37
Aulus Ofilius, een zeer vruchtbaar schrijver, vriend van Caesar,
leverde het eerst eene bewerking van het Praetorische Edict: „de juris-
dictione edictum praetoris primus diligenter composuit, nam ante eum
Servius duos libros ad Brutum perquam brevissimos ad edictum sub-
scriptos reliquit."
Alfenus Varus, aan "wiens Digesta, in 40 boeken, een aantal plaatsen
in de Pandekten ontleend zijn.
C. Trebatius Testa, aan wien Cicero eenige brieven richtte en zijne
Topica opdroeg. „Complures libri exstant, sed minus frequentantur", zegt
Pomponius. Trebatius wordt vermeld in pr. I. de codicill. (II, 25).
Aulus Cascellius, meer bekend als redenaar, waarschijnlijk de auteur
van het judicium Cascellianxni (Gajus, Inst. IV § 166, § 169).
Q. Aelius Tubero „doctissimus quidem habitus est juris publici et
privati et complures utriusque operis libros reliquit: sermone etiam anti-
quo usu8 affectavit scribere et ideo parum libri ejus grati habentur."
C. Aelius Gallus schreef een werk de signifieatione verhorum qnae
ad jus civile pertinent
, waaruit één fragment in de Pandekten voorkomt.
/ In dezen tijd, omstreeks het einde der Republiek, begint de literatuur
een grooteren rijkdom van vormen te vertoonen. Vroeger bestond ze
hoofdzakelijk uit verzamelingen van formulieren voor het proces en voor
rechtshandelingen, uit verzamelingen van adviezen en uit interpretatie)
van de wetten, vooral van de wet der 12 Tafelen, onder welke echter
niet uitsluitend is te verstaan verklaring van den tekst, maar ook ont-
wikkeling daarvan, aanpassing aan nieuwe behoeften, „bemiddeling tusschen
de wet en het werkelijke leven." Thans kan men drieërlei soorten van
werken onderscheiden: exegetische, systematische en practische. Tot de
eerste categorie behooren de commentaren op de oudere en nieuwere
rechtsbronnen, volkswetten, senaatsbesluiten, keizerlijke verordeningen,
edicten, alsmede op de geschriften van vroegere uitstekende rechtsge-
leerden. Tot de tweede rekent men die werken, waarin het geheelerecht
of enkele onderwerpen stelselmatig worden ontwikkeld, soms als inleiding
tot de stildie der rechtsgeleerdheid: Digesta, Institutiones, Regulae, Defi,-
nitiones,
enz. De derde categorie omvat de talrijke casuïstische geschriften,
verzamelingen van rechtsgevallen met de beslissing daarvan: Responsa,
Casus
, Epistidae, enz.
De stijl der classieke Eomeinsche juristen is helder, kort en krachtig.
Bovenal munten zij uit als casuïsten, als uitleggers van wetten en rechts-
handelingen. Hun wetenschappelijke arbeid heeft altijd eene practische
strekking. Eeno scheiding tusschen theorie en practijk, met alle schade-
lijke gevolgen daarvan, is den Romeinen vreemd. Daarentegen zijn zij
minder gelukkig in het systematiseeren en definiëeren. „Ein Romer weiss
sehr gut aus dem Richtigen heraus etwas in alle Fiiden der Einzelheit
auszuspinnen, und es verlasst ihn sein trefflicher Tact dabei nicht, aber
wenn er dies instinctartig und sichor leitende Gefühl in den Centralpunkt
des Gedankens zusammen ziehen soll, so weicht die Kraft und falls er
definiren will, so sagt er qualis exempli gratia est" (Gans).
-ocr page 55-
38
Wat het onderwijs aangaat, zoo blijft dit ook nog in den eersten Keizer-
tijd grootendeels practisch: do jongeren vormen zich door de oudere
rechtsgeleerden hunne zaken te zien behandelen en adviezen te hooren
geven, waaraan dan vaak eene bespreking der rechtsvraag met de toe-
hoorders wordt vastgeknoopt. Intussehen laat men allengs eene meer
theoretische inleiding in de rechtswetenschap, met studie van leerboeken,
daaraan voorafgaan. Over de inrichting der stationes jus publice docerüium
aut respondentium,
waarvan Gellius spreekt, heersclit groot verschil
van meen ing.
.....Kervius.....plurimum cos, <le quibus locuti sumus, andiit, inslitutus a
Hulbu Lucilio, instriictiis autcm maxime a Gnllo Aijailio.....Pomp. 1. 2 § 43 1).
de O. .1. (L, 2).
(\'um c.\\ ungulis sccrctisquc librorum ae magistrornm in medium jam bominutn et
in liieetn fori prodissem, quoesitum esse memini in plcrisque liomae stationibus jus
publice docentium aut respundentinm, an quaestor |io|>uli Komani a praetore in jus
vocari nusset. Gellius, X. A. XIII, 13 § \'..
Een merkwaardig verschijnsel in de geschiedenis der rechtswetenschap
vertoont zich ten tijde vnn Augustus en duurt voort tot de Antonijnen.
Gedurende dat tijdvak vindt men namelijk twee tegenover elkaar staande
scholen van rechtsgeleerden, waarvan de oorsprong opklimt tot twee
beroemde juristen uit den tijd van Augustus: C. Atejus Capito en
M. Antistius Labeo.
Capito en Labeo vormden, wat karakter, politieke richting en ont-
wikkeling betreft, eene scherpe tegenstelling. De eerste behoorde tot eene
eerst onlangs opgekomen familie en hechtte zich slaafs aan de monarchie:
Capitonis obsequium dominantibus magis probabatur (Tacitus,
Ann., III, 75). Op wetenschappelijk gebied hield hij vast aan de traditie.
Door zijne tijdgenooten als rechtsgeleerde zeer geroemd, heeft hij op de
lateren weinig invloed geoefend; in de Pandekten komen geene uittreksels
uit zijne werken voor.
Labeo stamde uit een oud Plebejisch geslacht; zijn vader had zich na
den slag bij Philippi, uit verdriet over de nederlaag der republikeinen,
den dood gegeven. Hij zelf was volbloed republikein: incorrupta
libertate (Tacitus, t. a. p.) en verloochende zelfs onder Augustus
de tradities van zijn voorgeslacht niet. Wetenschappelijk was Labeo een
boven zijn tijd veelzijdig ontwikkeld man, uitmuntende door eene vrije
en zelfstandige opvatting. Hij beschouwde de zaken niet uitsluitend als
jurist, maar zijne algemeene kennis opende hem vele nieuwe gezichts-
punten. Labeo wordt ontzaglijk veel door anderen aangehaald. Een
bewijs van het groot gezag, dat hij genoot, vindt men in pr. I. de
codicill. (II, 25): „cum et Labeo codicillos fecisset, jam nemini dubium
erat, quin codicilli jure optimo admitterentur." In de Pandekten komen
63 plaatsen uit zijne werken voor.
1\'ost liuiie maximae aiictoritatig rucrunt Atejus Capito, qtli Ofilium seeutus est, et
Antistius Labeo, qui omnes bos andivit, institiitns est anten] a Trebatio. Ex bis
Atejus consul 1\'uit: l.abeo nolnit, cum ofienetur ei ab Augusto consulatus, quo suf-
-ocr page 56-
:;:>
fcctus ficret, honorem suscipcre, sed plnrimum stndiis operam dedit: et totum anniim
ita diviscrat, ut Komae scx mensibus cnm studiosus («set, scx mensibus seccderet et
conscribendis libris operam daret. Itac|iie relic|uit qiiadringcnta volumina, ex quibus
plurima inter manus versantur. Hi duu primum vcluti diversas sectas fecermit: nam
Atejus Capito in liis, ([uac ei tradita fuerant, perseversbat; Labco ingenii qualitate
et Hdticia doctrinae, qui et ceteris operis sapicntiae operam dederat, plurima innovare
instituit. 1\'omp. 1. 2 § 47 D. de O. .1. (I, 2).
In quadam epistula Atei Capitonis scriptum legimus, Labeonem Antistinm legum
atqne monim populi Romuni jnrisque civilis doctnm adprime fuisse. — Sed agitabat,
inquit, liuminem libertas quacdam nimia atqne vecors, tamquam eorum, divo Au-
gusto jam principe et rempubliciim obtinente, ratum tarnen pensumque nihil liaberet,
nisi qitod justum sanctumquc esse in Kumanis antiquitatibus legisset. Gellius, N. A.
xm, 12 § i, 5 2.
Labco Antistius ju ris qtiidem civilis disciplinam principali studio exercuit et con-
sulentibus de jure publice responsitavit, set ceterarum quoque bonarum artium non
expers fuït et in grammaticam sese atqne dialecticam litterasque antiquiorcs altioresqne
penetraverat Latinarumque voeum origines rationesque perealhierat, eaque praecipuc
seientia ad enodandos plerosque juris laqueos atebatnr. Gellius, X. A. XIII, 10 § 1.
Deze oorspronkelijk geheel individueele, op aanleg, karakter en maat-
schappelijke positie gegronde tegenstelling heeft geleid tot twee scholen
(scholae, sectae), de Sahinianen en de Proculianen. Of hierbij gedacht
moet worden aan twee richtingen op wetenschappelijk gebied, of aan
twee afgescheiden inrichtingen van onderwijs, waarin door de leeraren
de beschouwingen der scholen werden voortgeplant, is onzeker. In elk
geval is het onjuist, de persoonlijke eigenschappen van Capito en Labeo
over te brengen op hunne leerlingen en volgelingen, en dat wat van die
beide mannen gezegd wordt te stempelen tot het kenmerkende onderscheid
der beide scholen. Vooral bij Gajus (zie bijv. Inst. I § 19G; II §§ 15,
37, 79, 195, 200, 231, 244; III §§ 87, 98, 103, 141, 161, 167a, 168,
178; IV §§ 78, 79, 114), maar ook nog in de Justiniaansche rechtsbronnen
komen eene menigte controversen voor, waarover de scholen verschillend
oordeelden. Talrijke pogingen zijn aangewend om in die verschillende
beslissingen een principieel verschil te ontdekken. Doch geene daarvan
kan als geslaagd beschouwd worden.
Masculi autem cnm puberes esse eoeperint, tutela liberantur. Puberem uutem Sa-
binus quidem et Oassius ceterique nostri praeceptores eum esse putant, qtii liabitu
corporis pubertatem ostendit, id est eum qni generare potest; sed in his qui pubescere
non possunt, qaales simt spadones, eam aetatem esse spectandam, cujus aetatis pu-
beres riunt; sed diversae scholae auctores annis putant pubertatem aestimandam, id
est eum puberem esse existimant qui XIIII annos exple\\*it. Gajus, Inst. I § 196.
Item si quis sub ea condieione stipuletur quae existere non potest, veluti si digito
eaelum tetigerit, inutilis est stipulatio. Sed legatum sub inpossibili condieione relictum
nostri praeceptores proinde deberi putant, ac si sine condieione relictum csset; diver-
sae scholae auctores nihilo minus legatum inutile existimant quam stipulationem. Et
sane vix idonea diversitatis ratio reddi potest. Gajus, Inst. III 5 98.
Welke juristen tot de eene of tot de andere school behoorden, kan
alleen gedurende den eersten Keizertijd worden aangewezen. Op Capito
volgen in de rijen der Sabiniani of Cassiani: Massurius Sabinus,
C. Cassius Longinus, Caelius Sabinus, Priscus Javolenus,
-ocr page 57-
40
Abumius Valens, Ttiscianus, Salvius Julianus, Sextus Pom-
ponius, Gajus, wellicht ook nog enkele lateren. Als Proculianiworden
na Labeo vermeld: M. Coccejus Nerva, vader en zoon, Proculus,
Pegasus, Juventius Celsus, P. Juventius Celsus en Priseus
Neratius. Ten tijde der Antonijnen treedt de scholenstrijd op den
achtergrond.
Thans volge nog eene opsomming van de voornaamste juristen. Van
Augustus tot Trajanus leefden:
Massurius Sabinus, naar wien de Sabiniaansche school genoemd is.
Hij was een man zonder vermogen; eerst op gevorderden leeftijd werd hij in
den ridderstand opgenomen. Tiberius gaf hem het jus respondendi. Zijrt
beroemdste werk heet libri tres juris cicilis; liet strekt tot grondslag van
de commentaren van Pomponius, Ulpianus en Paulus ad Sabinum,
die in de Pandokten de kern uitmaken van de zoogenaamde Sabinusklasse.
M. Coccejus Nerva, grootvader van Keizer Nerva, hoofd der I\'ro-
culiaansche school. Pomponius zegt van hem en Sabinus: „qui adhuc
eas dissensiones auxerunt." Uit verdriet over de toenemende wreedheid
van Keizer Tiberius, zijn vriend, onderging hij vrijwillig den honger-
dood. Titels van zijne werken worden niet vermeld.
C. Cassius Longinus, achterneef van den beroemden Servius Sul-
picius, hoofd der Sabinianen, naar hem ook wel Cassianen genoemd.
Onder Nero werd hij verbannen, door Vespasianus teruggeroepen.
Hij stierf onder diens regeering.
Proculus, naar wien de school van Labeo haren naam draagt. Zijne
Epistulae zijn in de Pandekten geëxcerpeerd.
M. Coccejus Nerva, ter onderscheiding van zijn vader, Nerva filius
genoemd, stond onder Nero in hoog aanzien.
Caelius Sabinus, schrijver van een werk over liet edict der Aedilen.
Pegasus, bekend door het Senatusconmltum Pegasianum (waarover
in het Erfrecht).
Juventius Celsus, de vader, na Proculus hoofd der Proculianen.
Plautius, wiens geschriften door Neratius, Javolenus, Pompo-
nius en Paulus bewerkt zijn. Uit deze bewerkingen zijn plaatsen in
de Pandekten opgenomen.
Onder Trajanus, Hadrianus en Antoninus Pius (100—160 n. C.)
zijn vooral van belang de volgende juristen:
Priseus Javolenus, hoofd der Sabinianen. Volgens Plinius leed
hij aan verstrooidheid. Hij schreef vele boeken, die in de Pandekten
door 20b" fragmenten zijn vertegenwoordigd.
Publius Juventius Celsus, beroemder dan zijn vader. Tweemaal
was hij Consul, het laatst in 129 n. C. (over het Senatnsconsultum Ju-
ventianum
zie hieronder in het Erfrecht). Hij behoort tot de uitnemend-
sten onder de juristen. Naar aanleiding van zijne beantwoording der
quaestio Domiliana in 1. 27 D. qui test. (XXVIII, 1) heeft men hem
scherpte van uitdrukking toegeschreven. Uit zijne Digesta zijn 142 plaatsen
in de verzameling van Justinianus overgegaan.
-ocr page 58-
11
Priscus Neratius, de laatste Proculiaan. Keizer Trajanus had hem
tot zijn opvolger bestemd. De Pandekten bevatten 64 fragmenten uit
verschillende zijner werken.
Salvius Julianus, een man van het hoogste gezag bij tijdgenoot en
nazaat. Hadrianus droeg hem op, het Edict te herzien (zie hierboven
§ 19). Justinianus noemt hem summum auctorem juris scien-
tiae, sublimissimum testem, hominem summae auctoritatis.
Zijne geschriften — waarvan de Digestn in 90 boeken het voornaamste
is — worden door de lateren buitengewoon dikwijls geciteerd. Voor de
Pandekten leverden zij 457 plaatsen.
An npud se manumittere possit is <jni consilium praebeat, saepc quaesitum est.
Ego, i|iii meminissem .lavolenum praeceptorem meum et in Africa et in Syria servos
siios manumississe, eum consilium praeberct, excmpliim ejus secutus et in praetnra
et consulatti meo tpuusdam ex servis meis vindicta liberavi et quibusdam praetoribus
cuiisnlentibiis me idem snasi. .Iiilian. 1. 5 D. de maniim. vind. fXXXX, 2).
Sextus Pomponius, tijdgenoot van Julianus. Omtrent zijnelevens-
omstandigheden ontbreekt het aan gegevens. Hij is een der vruchtbaarste
schrijvers, bij Justinianus door 585 fragmenten vertegenwoordigd. De
verminkte bewerking van zijn liber singularis Enchiridii, in 1. 2 D. de
O. J. (1, 2) bewaard, is voor ons eene hoofdbron van de rechtsgeschil-
denis tot Hadrianus.
Gajus wordt gewoonlijk de laatste Sabiniaan genoemd. Zijne andere
/ namen en zijne maatschappelijke positie zijn onbekend. Volgens sommigen
was hij een Aziatisch provinciaal jurist, volgens anderen werkte hij als
leeraar te Kome. Jus respondendi schijnt hij niet te hebben gehad. Eerst
in de Citeerwet wordt hij door den Keizer als autoriteit erkend. Behalve
zijne Instituten (zie hierboven § 4 en § 0\') schreef hij Bes cottidianae
(Altrea)
in 7 boeken, Commentaren op de 12 Tafelenwet, op het Prae-
torisch Edict, op de leges Julia et Papia, en vele andere werken, waaruit
535 plaatsen in de Pandekten zijn opgenomen.
Als in meerdere of mindere mate aanhangers of leerlingen van J u 1 i-
anus worden nog genoemd:
Sextus Caecilius Africanus, uit wiens Quaestiones 131 fragmenten
in de Pandekten voorkomen, waaronder sommige wegens hunne moeilijk-
heid bekend zijn.
Terentius Clemens, met 35 plaatsen.
L. Volusius Maecianus, met 44 plaatsen.
Venulejus Saturninus, met ruim 70 plaatsen.
In tijdsorde volgen nu (omstreeks 1G0 tot 235 n. C):
Papirius Justus, van wien de eerste ons bekende verzameling van
keizerlijke verordeningen afkomstig is: 20 boeken de constitutionibtts, in
de Pandekten geëxcerpeerd.
Tarruntenus Paternus, met 2 fragmenten.
1>. Ulpius Marcellus, veldheer en lid van den Raad van Antoninus
Pius en Marcus Aurelius. Behalve de 159 excerpten uit zijne werken,
wordt hij in de Pandekten ook door andere juristen vaak geciteerd.
-ocr page 59-
42
O. Oervidius Scaevola behoort tot de „eoryphecön fier rechtsweten-
schap." Tot leerlingen had hij o. a. Papinianus en Paulus, en ook
don latcren Keizer Severus. Uit zijne werken, vooral uit de Digcsta,
zijn talrijke fragmenten (307) in de Pandekten opgenomen.
Aemilius Papinianus, door het nageslacht als de grootste der Ro-
meinsche juristen beschouwd („homo excelsi ingenii, acutissimi
ingenii et merito ante alios excellens", zegt Justinianus). Als
ambtenaar — hij was onder Marens Aurelius advocatus fisci, onder
Septimius Severus eerst magister libellorwn, later praefecius prae-
torio
—, als practisch jurist en als schrijver, verdiende hij volkomen de
onbegrensde vereering van tijdgenoot en nazaat, niet alleen om zijne
groote tnlenten en zijn kraohtigen geest, maar ook vooral om zijne on-
kreukbare eerlijkheid, om de integriteit van zijn karakter. Met den dood
heeft hij zijne woorden hezegeld (1. 15 D. de cond. inst., XXVIII, 7):
„quae facta laedunt pietatem existimationem verecundiam nostram et, ut
o:eneraliter dixerim. contra honos mores fiunt, nee facere nos posse cre-
dendiim est." Caracalla namelijk had zijn broeder Geta vermoord en
verlangde, dat Papinianus deze handeling voor Senaat en volk zou
verdedigen. Toen deze weigerde, zeggende: ,,non tam facile parricidium
excusari posse quant fieri". liet Caracalla hem (212 n.C.) op smadelijke
wijze ter dood brengen. Uit de geschriften van Papinianus, vooral
Quaestiones en Ttecpovxa, zijn 595 plaatsen in de Pandekten overgenomen;
zij munten uit door fijnheid van vorm en kernachtigen betoogtrant. Dat
hij, niettegenstaande het groot aanzien, waarin hij bij zijne tijdgenooten
stond, niet geloofde aan eigen, onfeilbaarheid, wordt bewezen door 1. G
S 1 D. de serv. exp. (XVIII, 7).
Claudius Tryphoninus, met 79 plaatsen.
Tertullianus, wellicht dezelfde persoon als de Kerkvader Q. Sep-
timius Florens Tertullianus; 5 plaatsen uit zijne werken staan in
de Pandekten.
Arrius Menander, met 0 plaatsen.
De productieve kracht der rechtswetenschap heeft met Papinianus
haar toppunt bereikt. Het streven is er nu vooral op gericht, de allengs
aangegroeide stof te verwerken en voor de praetijk bruikbaar te maken.
Daartoe hebben in de allereerste plaats bijgedragen Ulpianus en Paulus.
Domitius Ulpianus was afkomstig uit Tyrns in Phenicië. Hij be-
kleedde verschillende openbare betrekkingen, werd verbannen en terug-
geroepen, had als praefe.ctus praetorio groeten invloed, doch werd in 228
n. C. bij een opstand der protorianen vermoord. Uit zijne buitengewoon
talrijke en omvangrijke, meest compileerende werken — o. a. 81 boeken
ad Edicturn en 51 boeken ad Sabinum — zijn 2462 fragmenten, waar-
onder zeer lange, in de Pandekten opgenomen; te zamen vormen zij
meer dan een derde gedeelte van den inhoud van dat rechtsboek. Ulpi-
anus munt vooral uit door gemakkelijkheid en helderheid van voorstelling,
waaronder echter de beknoptheid wel eens lijdt. Zie over andere werken
van Ulpianus, die tot ons zijn gekomen, hierboven § 4.
-ocr page 60-
t::
Julius Paulus, tijdgenoot van Ulpianus, onder Septimius So-
verus lid van don Keizerlijken Raad, later viagister si-riiiii viemnriae,
eindelijk onder Alexander Severus praefectus praetorio. Zijne werken,
nog talrijker dan die van UI pi anus, zijn echter minder sterk in de
Pandekten geëxeerpeord: 2080 fragmenten, met die van UI pi anus onge-
veer de helft van het geheel uitmakende. De stijl run Paulus is ge-
drongen, minder eenvoudig en daardoor minder duidelijk dan die van
Ulpianus. Over zijne Senteutiac zie hierboven § 1 en § 20.
Ongeveer gelijktijdig leefden:
Callistratus, in de Pandekten door 00 plaatsen vertegenwoordigd.
Rutilius Maximus, met l plaats.
Aelius Marcianus, met 275 plaatsen. Zijne Instituten in Ui boeken
zijn ook gehruikt bij de samenstelling der Instituten van Justinianus.
Lieinius Rufinus, met 17 plaatsen.
Aemilius Macer, met G2 plaatsen.
Florentinus, met 42 plaatsen.
Julius Aquila, met 2 plaatsen.
Furius Anthianus, met 3 plaatsen.
De laatste juristen, die in de Pandekten voorkomen, zijn:
Herennius Modestinus. die omstreeks den tijd van Alexander
Severus leefde en werkte. Hij was een leerling van Ulpianus. De
Citeerwet bracht hem, naast Papinianus, Ulpianus, Paulus en
Ga jus, tot de gezaghebbende juristen. De Pandekten bevatten 345 frag-
menten uit zijne werken.
Hermogenianus, onder Konstanrijn, met 107 plaatsen.
Aurelius Aroadius Charisius, met 6 plaatsen.
Wat er van de juridische literatuur, behalve in de Pandekten. nog
voor ons is bewaard gebleven, is hierboven in § 4 opgeteekend. Eene
reconstructie van de geschriften der Romoinsehe juristen werd laatstelijk
ondernomen door Lenel, Palinfjenesia juris civilis, 2 deelen, Leipzig
18S0; daarbij zijn echter buiten aanmerking gelaten de geschriften hier-
boven in § 4 vermeld, onder II B 1°. u, 6, «, e en /!
§ 22. GEWOONTERECHT.
Over het gewoonterecht in het algemeen werd reeds hierboven in §15
gesproken. Zal men tot het bestaan van een gewoonterecht kunnen he-
sluiten, dan is noodig:
1°. dat kan worden aangewezen eene reeks van handelingen, gedurende
een langen tijd voortgezet (lonfja, inveterata, cttuturna, per annos plnri-
mox observata, antiquitus probata et tenaeitcr serrata ronmrtudo, usus
longaerus).
Hoeveel handelingen moeten verricht en hoeveel tijd moet
verloopen zijn, is aan het oordeel des rechters overgelaten;
2°. dat die handelingen met elkander in overeenstemming, niet door
tegenstrijdige onderbroken zijn;
-ocr page 61-
!l
S 3°. dat ze niet toevallig, noch gedwongen verricht, maar gegrond zijn
>^ in de „ovcrtuigiiig_ejeaer reclitsnoodzakelijkheid " Hier ligt het kenmerk,
/
          waardoor het gewoonterecM zich onderscheidt van eene bloot feitelijke
s                gewoonte;
4°. dat die overtuiging niet het uitvloeisel zij van eene dwaling.
/ Qiiorl non rationc int\'oduetiim, scd errore primum, deinde consuetudine optentum
/est, in aliis similibus non optinet, (\'els. 1. 39 I). de legibus (1, 3).
Bij de Komeinen heeft het gewoonterecht dezelfde kracht als de wet:
/„diuturni mores eonsensu utentium comprobati legem imitan-
tur" (§ 9 I. de jure nat., I, 2). Het kan het geldende recht aanvullen,
wijzigen of opbellen.
Niet slechts enkele rechtsregels, maar gebeele instellingen steunen op
het gewoonterecht. Van de vaderlijke macht (zie hieronder § 131) wordt
gezegd: „moribus reeeptum*"est" (1 8 D. de his qni sui, I, 6); het
huwelijksverbod wegens te nauwe bloedverwantschap .,moribus introdue-
tüm est" (1. s. 1. 39 § 1 D. de "R. NT, XXIII, 2; zie hieronder § 124);
het verbod van schenking tusschen echtgenooten (zie hieronder § 125)
„moribus apud nos receptiim est" (1. 1 I). de don. i. v. et u., XXIV, 1).
Verg. verder o. a. pr. I. de pup. subst. (TI, 1G); pr. I. de inoff. test. (II, 18).
Eene bestaande wet kan ook door gewoonterecht hare kracht verliezen,
in onbruik geraken. Voorbeelden daarvan vindt men in § 3 I. de libert.
(I, 5); § 12 I. de lege Aquil. (IV, 3); § 7 I. de injur. (IV, 4).
Invetcrata consnetudo pro lege non immerito custoditur, et hoc est jus quod dicitur
moribus ronstitutum. Kam ram ipsae leges nulla alia ex causa nos teneant, quam
quod judicio popnli receptac sant, merito et ea, i|uac sine nllo scripto ]>opulns pro-
buvit, tenebunt omnes: nam iiuid interest suffragio populus voluntatem snam declaret
au rebus ipsis et factis? Qnarc rectissime etiam illud receptiim est, nt leges non
solnm suffragio legis latoris, sed etiam tacito eonsensu omnium per desuetudinem
abrogentur. Julian. 1. 32 § 1 D. de legibus (I, 3).
Sed et ea, qnae longa consuetudine comprobata snnt ac per annos plnrimos obser-
vata, velut tacita civium conventio non minus quam ea qnae seripta snnt Jura ser-
vantnr. Hennogen. I. 35 1). eod.
S Consnetudinis ususque longaevi non vilis auctoritas est, vernm non usqne adeo
sui valituni mnmento, ut aut rationem vineat aut legem. Constant. 1. 2 C. quae sit
longa cons. (VIII, 52).
IIujus legis secnndum quidem capitulum in desuetudinem abiit. ülp. I. 27 § 4 D.
ad leg. Aquil. (IX, 2).
De rechter moet het gewoonterecht, evenals de wet, ambtshalve toe-
passen (curia novit jus), zie hieronder § 113. Het zal hem kunnen
blijken uit eigen waarneming, uit schriftelijke opteekeningen, uit verkla-
ringen van getuigen, soms ook uit algemeen gebruikelijke rechtsspreuken.
Superest, iit de officio judicis dispiciamus. Kt quidem in primis illud observare
debet judex, nc aliler jndicet, quam legibus ant eonstitutioiiiliiis aut moribus pro-
ditum est. pr. I. de off. jud. (IV, I").
l\'um <le consuetudine civitatis vel provinciae confiderc quis videtur, primiim quidem
illud explorandum arbitror, au etiam contradieto aliquando judicio consuetudo tirmata
Bil. ll]>. 1. 34 D. de legibus (I, 3).
-ocr page 62-
15
§ 23. WERKING DER WET TEN AANZIEN VAN DE PLAATS
EN DE PEBSONEN.
Ten aanzien van elke rechtsorde doet zich de vraag voor, hoever zich
hare verbindende kracht uitstrekt, en wel:
1°. met betrekking tot de plaats harer werking, tot de personen aan
haar gezag onderworpen;
2°. met betrekking tot den tijd, den duur harer werking.
Over het tweede punt wordt in de volgende §§ gehandeld. Wat het
eerste betreft, kan men twee hoofdstelsels onderscheiden,:
1°. het personaliteits- of nationaliteitsbeginsel: het recht is toepasselijk
op alle personen, die behooren tot het volk, burgers zijn van den Staat,
waar dat recht geldt, onverschillig waar zij zich bevinden. Beslissend is
dus de afstamming, het burgerschap;
2°. het territorialiteitsbeginsel: het recht is toepasselijk op allen, die
zich bevinden op het grondgebied van den Staat, van welks recht sprake
is, onverschillig tot welk volk zij behooren. llier komt het dus aan op
de woonplaats.
In de oudheid is het eerste stelsel heerschende. Doch de toenemende
omvang van het Ronieinsche Kijk, de ontwikkeling van het Romeinsche
jus gentium\', later de gelijkstelling van burgers en vreemdelingen (zie
hierboven § 1U en hieronder § 44) hebben in Rome het verschil der
nationale rechten op den achtergrond gedrongen. Het Romeinsche recht
levert geene bouwstoffen voor de oplossing der vele conflicten, waartoe
het gelijktijdig bestaan van verschillende wetgevingen in het internationaal
verkeer aanleiding geeft {internationaal privaatrecht).
Eene bijzondere vraag is het nog, of het hoofd van den Staat aan de
wetten onderworpen is. In den Romeinschen Keizertijd werd de regel:
„princeps legibus solutus est", door Ulpianus (1. 31 U. delegibus,
I, 3) alleen met het oog op de leges Julia et Papia Poppaea gesteld, in
steeds ruimeren omvang toegepast, ofschoon de Keizers meermalen het
denkbeeld eener vrijwillige onderwerping aan het privaatrecht uitspraken:
„licet enim, inquiunt, legibus soluti sumus, altamen legibus vivimus"
(§ 8 I. quib. mod. test. inf., II, 17).
iïx imperfecte testamento legata vel lidcicommissu imperatoren] vindicare invere-
cundum est: deeet enim tantac majestati eas seivarc leges, i{iiibus ipse suliitus esse
videtur. I\'aul. I. TA 1). (Ie legat. UI. (XXXll).
§ 24 (le druk: § 2ü). wekkïno dek wet met betrekking
TOT DEN TIJD.
Eene wet behoudt hare verbindende kracht, totdat eene gebeurtenis
plaats grijpt, waardoor zij deze verliest. Uit is het geval:
1°. wanneer de betrekkingen of toestanden, die de wet bestemd was
te regelen, hebben opgehouden te bestaan;
-ocr page 63-
III
2°. wanneer de tijd, waarvoor ze is ingevoerd, verloopen is;
3°. wanneer zich een gewoonterecht heeft gevormd in strijd met de
wet, de wet in onbruik is geraakt (zie hierboven § 22);
4°. wanneer zij door eene latere wet geheel of gedeeltelijk, uitdrukkelijk
of stilzwijgend, wordt afgeschaft of gewijzigd.
Constitutioneü tempore posterioies, potiores sunt his iiuae ipsas praeeesserunt. Mo-
<lest. 1. 4 D. de const. princ. (1, 4).
Lex aut rogutur, id est 1\'ertur, uut abrogatur, id est prior lex tollitur, aut dero-
gatur, id est pars primae legis tollitur, aut subrogatur, id est adicitur aliquidprimae
li\'gi, aut obrogatur, id est mutatur aliquid ex prima lege .... Hip. Fragm., 1\'rooem. § 3.
Wordt eene nieuwe algemeene wet ingevoerd, dan vervallen daardoor
nog niet van zelf de bijzondere bepalingen, die als uitzonderingen naast
de vroegere wet bestonden: lex pofterior generalis non derogat
legi priori speciali.
Dat de reden is verdwenen, die indertijd de wet deed vaststellen, heeft
geenszins ton gevolge, dat zij hare verbindende kracht verliest. Evenmin
mag men de toepassing der wet in een concreet geval weigeren, opgrond
dat in dat geval die reden zou ontbreken. De zoogenaamde rechtsregel:
eessante ratione legis, cessat lex ipsa is in beide beteekenissen
geheel valsch.
Nou omnium, ijuae a majoribus constituta sunt, ratio reddi potest, Jnlian. 1. 20
1). de legibus (1, «).
et ideo rationes eorum, quae constituuntur, inquiri non oportet: alioquin multa
ex his quae eerta sunt subvertuntur. Nerat. 1. 21 ]). eod.
§ 25 (le druk: § 24). vervolu. niet-ieeuqwekkende kkaciit
DEK WET.
Het feit, dat eene wet op zeker tijdstip geldt, bewijst nog niet, dat
zij op dat oogenhlik uitsluitend richtsnoer is ter beoordeeling, dat alleen
zij door den rechter wordt toegepast. Integendeel, bij verandering dei-
wet moet nog afzonderlijk de vraag worden beantwoord, welke rechts-
betrekknigen onder het bereik der oude, welke onder het bereik der
nieuwe wet vallen.
Als algemeen beginsel geldt, dat elke rechtsbetrekking wordt beoordeeld
naar de wetgeving van het tijdstip, waarop zij is tot stand gekomen.
Men drukt dit ook aldus uit, dat verkregen rechten worden geëerbiedigd,
dat de wet geene terugwerkende kracht heeft. Met verkregen rechten
mogen echter niet worden gelijkgesteld bloote verwachtingen, die onder
de vroegere wet zijn ontstaan, noch ook persoonlijke bevoegdheden, die
de oude wet verleende, en die met haar verdwijnen. De toepassing van
deze regels op de verschillende rechtshandelingen en rechtsinstellingen
geeft aanleiding tot talrijke en moeilijke vragen (Iransitoir^ recht)^ Veelal
worden de belangrijkste daarvan door bijzondere overgangsbepalingen
opgelost.
De wetgever kan, in afwijking van den regel, aan zijne wet terug-
-ocr page 64-
17
werkende kracht toekennen, waar hem dit wenschelijk voorkomt. Of
zoogenaamde inter]ijceiatiQve_ wetten, d. z. wetten die heetcn te verklaren
in welken zin eene vroegere wet moet worden opgevat, ook zonder uit-
drukkehjk voorschrift des wetgevers, terugwerkende kraclit hebben, is
eene betwiste vraag.
Legos et constitutiones futuris eertum est dan: lonnarn negotiis, non ad l\'aela
praeterita revocari, nisi noininatiin etiam de praetorito tempore adhuc poiidontibus
negotiis cautum sit. Theod. et Valent. 1. 7 (\'. de legibus (1, 14).
.....his gcilicet omnibus, quae in praesenti por hanc constiltissiinam legem sta-
tiiimns, :ul praeteritos nihilo minus contructus pro mgotiis et contra versus neednm
transactionibiis vol dclinitivis scutciuiis sou alio lcgitimo modo sopuis locum habi-
luris. Alias tas. 1. 21 (\'. ad SC. Velloj. (IV, 29).
De usuris, quarum modum jam statuimus, pravam quorundam interpretationcm
penitus removentes jabemus otiam oos, qui anto oandom sanctionem ampliores quam
statutae simt usuras stipulati sunt, ad modum oadom sanctionc taxutum ex tempore
lationis ojus suas moderari actiones, illius scilicot temporis, quud anto oandom Bnxit
legem, pro tonoro stipulationis usuras exactnros. Justiniaii. 1. 27 pr. <J. de usur. (IV, 32;.
Legos autom nostras .... optinoro sancimus .... in omnibus causis, sivo quae posteu
cmerserint, sivo quae in judiciis adhuc pendent nee eas judicialis vel araicalis Ibrmit
oomposouit. Quae onim jam vel judiciali sententia tinita sunt vol amicali pacto so-
pita, haoc resuscitari nullo volumus modo .... § 23 (Jonst. \'lattla (1. 2 L\'. do vet.
jur. cnucl., 1, 17).
^* § 2(i (1» diuk: § 2ï>). uiTLF.uuim; dkr wet.
_s^ Uitlegging heeft ten doel de vaststelling van den zin, den omvang,
de beteekenis van een wettelijk voorschrift. Zij wordt onderscheiden in
authentieke, die van den wetgever afkomstig en daarom verbindend is,
en wetenscliappclijkc, die op geen uitwendig gezag berust, maar alleen
steunt op de kracht harer gronden. Wij spieken nu over de laatste in
het algemeen, terwijl wij hieronder in § 27 eenige bijzondere regels van
uitlegging behandelen, die ten aanzien der Justiuiaansche reciiisbronnen
te pas komen.
Grondslag voor alle uitlegging is een uit te leggen tekst. Waar de
uitlegger, gelijk bij de Komeinsche rechtsbronnen, geen authentieken
tekst te zijner beschikking heeft, moet de uit te leggen tekst eerst door
critiek worden vastgesteld. Men onderscheidt deze wel in lagere {diplo-
matieke)
en hoogere (conjecturale); de eerste bestaat iu het vergelijken,
schiften en waardeeren van handschriften en uitgaven; de tweede in het
vaststellen van den waren tekst, ook op gronden ontleend aan innerlijke
noodzakelijkheid of waarschijnlijkheid.
Bij de critiek moet gelet worden op de verschillende eigenaardigheden
en fouten van den overgeleverden tekst. Daarbij komen o. a. de volgende
punten in aanmerking:
lu. De handschriften hebben geene of slechts zeer weinige leesteekens;
vaak kan dus verbetering worden aangebracht door verandering van de
soms willekeurig door de uitgevers geplaatste of verplaatste leesteekens.
-ocr page 65-
48
2\'. Meermalen zijn gelijkluidende lettergroepen weggelaten en kan de
fout door herhaling daarvan hersteld worden; zoo vindt men similis
videbitur
in plaats van similis is vidcbitur.
3°. Somtijds zijn enkele letters, lettergroepen of woorden verplaatst;
zoo veranderde het oorspronkelijke rliapsodiac in pars hodic.
4°. Niet zelden zijn plaatsen bedorven, doordien men ten onrechte
woorden vereenigd of gescheiden heeft; uit qiiae triennio ontstond het
foutieve quadriennio.
5°. Talrijke fouten zijn ontstaan, doordien de afschrijver de in het
handschrift voorkomende verkortingen over het hoofd zag of verkeerd
oploste; van /\'. R. Jus maakte men prius in plaats van populi romani
jus; li. V.
zag men aan voor revera, in plaats van rei uxoriae.
C°. Woorden of zinsneden, die door den afschrijver vergeten en door
een corrector aan den kant bijgevoegd waren, zijn soms later op eene
verkeerde plaats ingelascht, enz.
Is de tekst vastgesteld, dan begint de taak des uitleggers. Voorop
staat daarbij de gulden spreuk van Ulpianus: „ijuamvis sit manifes-
tissimum edictum praetoris, attamen non est neglegenda in-
terpretatio ejus" (1. 1 § 11 D. de insp. ventre, XXV, 4).
s Doel van alle wetsuitlegging is het opsporen en vaststellen van de
^^ beteekenig_ der w.et. Iu de wet drukt de wetgever zijn wil, zijne be-
doeling uit en bezigt daarvoor het geschreven woord. Het woord is de
uitdrukking der gedachte. Doch vaak is het slechts eene gebrekkige uit-
drukking. Zoo ontstaat de vraag, welk gewicht toekomt aan hot geschreven
woord, welk gewicht aan de van elders — uit den samenhang met andere
voorschriften, uit de wordingsgeschiedenis — blijkende bedoeling der wet.
Deze vraag wordt niet overal en altijd gelijk beantwoord. De oude Ko-
meinen klampen zich vast aan de woorden, de latere houden ook rekening
met, de bedoeling. Eenn verstandige wetsuitlegging mag de bedoeling der
wet niet uit het oog verliezen, maar zij mag nimmer leiden tot een resul-
taut, dat met de woorden onvereenigbaar is. Ook waclite men zich ervoor,
de bedoeling van enkelen, die aan den wetgevenden arbeid deelnamen,
voor de bedoeling tier wet aan te zien.
\' Scire legos non hoc est verba earum tenere, sed vim ae potestaten). Cels. 1. 17 I).
de legibus (1, ü).
.....Itcspondit non oportcrc jus civile culnmniari neijae verba captari, sed iiua
menie ijuid dicerctur, animadvertere eonvenire .... Paul. I. 19 1). ad exhib. (X, 4).
.....Etsi maxime verba legis liane signilicationom habent, timen scntcntia lcgis-
latoris alind Bagitat___Modest. 1. 13 § 2 D. de excus. (XXVil, 1).
.....Etsi prior atqoe potentior est quant vox mens dicuntis, tarnen nemo sine voce
dixisse cxistimatiir___(\'els. 1. 7 § •> 1). de snppell. leg. (XXX111, 10).
De uitlegger onderzoekt de beteekenis der woorden naar liet gewone,
technische of wettelijke spraakgebruik; hij beschouwt het wettelijk voor-
schrift in zijn verband en samenhang met andere wetsbepalingen; hy
vestigt zijne aandacht op de aanleiding en vooral op den grond, de strek-
king der wet; hij raadpleegt de geschiedenis van de rechtsinstelling en
-ocr page 66-
ü»
let speciaal op den rechtstoestand, die vóór de invoering der wet bestond.
Zoo kan men verschillende zijden der uitlegging onderscheiden, eene
grammaticale, logische, systematische, historische, enz. Onjuist ware de
voorstelling, als gold het hier verschillende, tegenover elkander staande
en elkander uitsluitende wijzen van uitlegging. Ook de plaats, waar eene
wetsbepaling voorkomt, kan licht verspreiden over haren zin (Rubrica
non est lex?). Worden al deze middelen van uitlegging aangewend, dan
blijkt vaak, dat de beteekenis der wet eene ruimere of engere is, dan
hare woorden op het eerste gezicht deden vermoeden (zoogenaamde_exten-
sieve of restrictieve interpretatie). Eene uitlegging, die met de woorden
niet is overeen te brengen, is echter in geen geval geoorloofd.
Incivile est nisi tota lege perspecta una aliqua particula ejus propositu judicarc vel
respondere. Cels. 1. 24 1). de legibus (1, 3).
Nun est novum, ut priores leges ad posteriores trahantur. Paul. 1. 2G I). eod.
Scd et posteriores leges ad priores pertinent, nisi contrariae sint, idque multis
argumentis probatur. Paul. 1. 28 D. eod.
In ambigua voce legis ea potius accipienda est signilicatio, quae vitio caret, prae-
sertim cum etiam voluntas legis ex hoc colligi possit. Cels. 1. 19 D. eod.
Quotiens idem sermo duas sententias exprimit, ca potissimum excipiatur, quae rei
gcrendae aptior est. Julian. I. 07 D. de li. .). (L, 17J.
Nulla juris ratio aut aequitatis benignitas patitur, ut quae Balubriter pro utilitair
hominum introducuntur, ea nos duriorc interpretatione contra ipsorum commoduin
producamus ad scveritatem. Modest. 1. 25 1). de legibus (I, 3).
liciiignius leges interpretandae sunt, quo voluntas earuin couservetur. Cels. 1. 18
D. eod.
Uiterst voorzichtig zij men bij de uitlegging met algemeene spreuken,
waarop veeltijds een beroep wordt gedaan. Zoo wordt o. a. vaak gebruik
of misbruik gemaakt van de regels: qui dicit de uno negat de altero,
exceptio firmat regulam in casibus non exceptis (zoogenaamd
argumenlum a conlrario). Is deze redeneering reeds in het algemeen hoogst
gevaarlijk, zij is het vooral ten aanzien van de casuïstische beslissingen,
waaruit de Romeinsche rechtsbronnen voor een groot deel bestaan.
Uegula est, quae rem quae est breviter cnarrat. Nou ex regula jus sumutur, sed
ex jure quod est regula fiat. Per regulam igitur brevis rerum narratio traditur, et,
ut ait Kubiniis, quasi causae conjectio est, quae siinul cum in aliquo vitiata est,
perdit oïiicium suum. 1\'aul. 1. 1 D. de lt. J. (L, 17).
Cum lex in praeteritum quid indulget, in futurum vetat. Ulp. 1. 22 I). de legibus
(1, 3).
. Ex eo, quod prohibet lex .Julia de adulteriis testimonium dicere condemnatam
mulierem, colligitur etiam mulieres testimonii in judicio dicendi jus haberc. 1\'aul.
1. 18 D. de test. (XXII, 5).
„Patroin" appellatione et patrona continetur. Ulp. 1. .02 D. de V. S. (L, 16).
Ten slotte een woord over de analogie. Geene wetgeving is zonder
leemten. Ook de beste wet kan niet alle gevallen voorzien; bovendien
doen er zich dagelijks in het verkeer nieuwe voor. Het is dan do taak
der rechtswetenschap, met behulp van de bestaande regels, den regel
voor het niet besliste geval te vinden. Zij doet dit door van de geldende
regels op te klimmen tot meer algemeene regels en beginselen, waarvan
liom. recht. I, 2e druk.                                                                                       4
-ocr page 67-
50
deze als de uiting kunnen worden beschouwd, en daarna uit die begin-
selen consequentiën af te leiden, die de wet zelve niet heeft getrokken.
Deze werkzaamheid noemt men analogische toepassing der wet; de Ro-
meinen spreken hier van interpretatio (zie bijv. hieronder § 107, no. 0
en § 199).
Non possant omnes articuli singillatim ant legibus nut senatus consultis compre-
hendi: sed cum in aliqoa causa scntentia eorum manifosta est, is qni jurisdirtioni
praeest ad similia procedure atque itajus dicere debet. .lulian. 1. 12 D. de legibus (l, 3).
Nam, ut ait 1\'cdius, quotiens lege aliquid uiium vel altenim introductum est, bona
oceasio est cetera, qiiae tendunt ad eandem utilitatem, vel interpretatione vel certe
jurisdictione suppleri. lip. 1. 13 D. eod.
Ex eadum lege duodceim tabularum libcrtarum et inpuberum libertorum tutela ad
patronos liberosriue eorum pertinet. Quae et ipsa tutela legitima voeatur, non qnia
nominatim ca lege de hac tutela cavetur, sed qaia proinde accepta est per inter.
pretationem, atque si verbis legis introducta csset. Eo enim ipso, quod hercditates
libertorum libertarumque, si intestati decessissent, jusserat lex ad patronos liberosve
eorum pertinere, credidcrunt veteres voluisse legem etiam tutelas ad eos pertinere,
qnia et agnatos <[iios ad hereditatem vocavit, eosdem et tutores esse jusserat. Oajus,
lust. 1 § lGr>.
§ 27. DK WETGEVING VA.X JUSTINIANUS.
Flavius Justinianus, in 482 n. C. te Tauresium in West-Illyrië
geboren, werd in 527 door zijn oom, Keizer Justinus, als medekeizer
aangenomen. Toen deze nog in hetzelfde jaar stierf, werd hij alleen-
heerscher en bleef dit tot zijn dood in 5G5. Gedurende zijne regeering
kwam, onder leiding van den verdienstelijken Tribonianus, de her-
ziening en codificatie van het recht in betrekkelijk korten tijd tot stand.
De Keizer werd tot het ondernemen van dezen arbeid genoopt door
het besef, dat de rechtstoepassing ontzaglijk veel te wenschen overliet.
Men onderscheidde de rechtsstof in twee groote deelen: jus en leges.
Onder Jus verstond men het oudere recht, gelijk het uit volkswetten,
senaatsbesluiten, enz. was opgebouwd en in de geschriften der juristen
was verwerkt. Leges waren de latere keizerlijke verordeningen. Wat deze
laatste betreft, zoo was de raadpleging vergemakkelijkt door de verzame-
ling in den Codex Theodosianus (zie hierboven § 4 II B cc); daarnaast
had men dan nog de constituties, na Theodosius uitgevaardigd. Ten
aanzien van het jus was de toestand veel ongunstiger. Door enkele wet-
gevende maatregelen hadden de Keizers getracht, raad te schallen (zie
hierboven § 20). Particulieren hadden verzamelingen van jus tot stand
gebracht (zie hierboven o. a. § 4 II B ec). Doch de verwarring bleef
groot. De kwijnende toestand der rechtswetenschap, het gebrek aan boe-
ken, de groote menigte twist vragen gaven Justinianus recht tot de
uitspraak: „repperimus autem omnem legum tramitem, uui ab urbe Roma
condita et Romuleis descendit temporibus, ita esse confusum, ut in in-
linitum extendatur et nullius humanae naturae capacitate concludatur"
(§ 1 Const. Deo auctore).
-ocr page 68-
f,1
Den oersten stap deed Justinianus door bij eene constitutie de novo
Codice componendo van 13 Febr. 528 — gewoonlijk Constitutie Haec
quac necessario
genoemd — de samenstelling van een nieuwen Codex op
te dragen aan eene commissie, bestaande uit tien personen, namelijk
zeven hooge staatsambtenaren, één hoogleeraar en twee advocaten; Tri-
bonianus komt reeds onder hen voor. De commissie kreeg in last, de
constituties der drie bestaande Codices en die, welke later verschenen
waren, onder titels in chronologische orde te vereenigen, met volledige
vrijheid om onnoodige inleidingen, herhalingen, gelijkluidende, verouderde
of tegenstrijdige bepalingen weg te laten. Bij eene constitutie de Justi-
niano Codice confirmando van 7 April 529 (Const. Summa reipu-
blicae)
werd de Codex afgekondigd en verkreeg kracht van wet, met
ingang van 16 April 529, in plaats van de vroegere verzamelingen.
Alsnu ging Justinianus over tot de hervorming van het jus. Ter
voorbereiding werden in 529 en volgende jaren een aantal constituties
uitgevaardigd, waarbij sommige instellingen als verouderd afgeschaft,
andere vereenvoudigd of met de toenmalige behoeften in overeenstemming
gebracht werden. Afzonderlijk vindt men vermeld eene verzameling van
vijftig constituties ter beslissing van twistvragen: „decisiones per quas
suggerente nobis Triboniano viro excelso quaestore antiqui juris alterca-
tiones placavimus" (§ 3 I. de libert, I, 5).
Bij eene constitutie de conceptione Digestorum van 15 Dec. 530
(Const. Deo auclore, als inleiding vóór de Digesten geplaatst en ook te
vinden als 1. 1 C. de vet. jur. enucl., I, 17) droeg de Keizer aan Tri-
bonianus op, met eene door hem te vormen commissie van rechtslee-
raars en advocaten, de samenstelling van de geschriften der juristen tot
stand te brengen. Hoewel voor de voltooiing van het reuzenwerk op 10
jaren was gerekend, kwam de commissie reeds in 3 jaren gereed. De
Digesten werden op 10 Dec. 533 afgekondigd, om op 30 Dec. daaraanvolgende
in werking te treden, bij de Constituties de confirmatione Digesto-
rum ad Senatum et omnes populos: de Constitutie Tanla (1. 2 C.
de vet. jur. enucl., I, 17) voor de Komeinen, de Constitutie Aèdw/.ev voor
de Grieken; beide zijn eveneens als Inleiding bij de Digestbn gevoegd.
De aangehaalde Constituties geven ons een inzicht in het plan en de
wijze van uitvoering. De commissie bestond uit 1G leden, tegenwoordig
naar den aard van hun arbeid vaak „de compilateurs" genoemd. Zij had
te verzamelen en te excerpeeren de geschriften van alle juristen, die het
jus rexpondertdi (zie hierboven § 20) hadden verkregen, de vroeger ver-
oordeelde aanteekeningen op Papinianus daaronder begrepen. Daaruit
zou één geheel worden gemaakt, onder den naam van I\'andeUae of
Digesta; herhalingen en tegenstrijdigheden moesten worden vermeden,
het verouderde moest worden weggelaten. Waar verschillende mceningen
werden aangetroffen, zou der commissie de vrije keuze toekomen. Zoo
noodig, mocht zij veranderingen aanbrengen in den tekst der geschriften.
Alle opgenomen fragmenten zouden, zonder onderscheid van den auteur,
als Keizerlijke wet gelden (lex). Intusschen zou de naam van den schrijver
4*
-ocr page 69-
52
er bij worden vermeld, eene vermelding die voor ons van groote betee-
kenis is gebleken.
In het geheel zijn 912,\'} fragmenten ontleend aan 2000 boeken van
39 juristen, van welke de oudste is (Juintus Mucius Seaevola (f 83
v. C), terwijl de jongsten zijn Hermogenianus en Arcadius Charisius
(onder Konstantijn). Het sterkst geëxcerpeerd zijn Ulpianus (24C2),
Paulus (2080), Papinianus (505), Pomponius (585), Gajus (535),
Julianus (457), Modestinus (345), Seaevola (307), Marcianus (275),
Javolenus (206), Marcellus (159), Celsus (142), Africanus (131),
Hermogenianus (107). Op last van Justinianus werd eene lijst ge-
maakt van alle geëxcerpeerde werken en hunne schrijvers, „ut manifes-
tissimum sit, ex quibus legislatoribus, quibusque libris eorum et quot
milibus hoc justitiae Romanae templum aedificatum est" (C. Tanta, § 20).
Die lijst, die echter niet geheel met den inhoud overeenkomt, is bewaard
gebleven in het Florentijnsche handschrift (Index Florentinus).
De stof werd in systematische orde gerangschikt in 50 boeken, welke —
met uitzondering van de boeken 30, 31 en 32, die te zamen slechts één
titel vormen — zijn verdeeld in titels, te zamen 432 in getal. De volg-
orde der titels is die van den Codex of het Edictum perpetuum. De
plaatsing der fragmenten in eiken titel wordt eenigermate verklaard door
de ontdekking van Bluhme (1818). Volgens dezen geleerde splitste de
commissie zich in drie afdeelingen, die ieder eene zekere categorie van
werken ter hand namen: de Sabinus-, Edicts- en Papinianusklasse (in
sommige uitgaven der Digesten wordt elk fragment, naar gelang van de
klasse waartoe het behoort, met S. E. of P. aangeduid). In den titel
staan meestal de fragmenten uit die klasse voorop, welke in den titel
het sterkst is vertegenwoordigd. De verdeeling der fragmenten in een
principium en paragraphen is van lateren tijd.
Eene andere indeeling der Digesten, die vooral in verband staat met
de inrichting van het onderwijs, is die in zeven groote deelen (parles),
waarover nader te vergelijken Const. Tanta, §§ 1—8.
De compilateurs hebben een ruim gebruik gemaakt van de machtiging,
hun verstrekt, om de fragmenten der oude juristen te veranderen, ten
einde ze in overeenstemming te brengen met den gewijzigden reohts-
toestand. Zoodanige veranderingen noemt men interpolaties of emblemata
Triboniani.
Sommige plaatsen hebben, hoewel ze ongewijzigd zijn opge-
nomen, toch eene veranderde beteekenis gekregen (zoogenaamde duplex
interpretatie)).
Wij citeeren plaatsen uit de Pandekten of Digesten aldus:
1. 1 § 11 D. de insp. ventre (XXV, 4). Wat in oen fragment vóór
§ 1 staat, heet principium; bijv. 1. 1 pr. D. de insp. ventre (XXV, 4).
Haalt men opnieuw eene plaats uit denzelfden titel aan, dan schrijft
men: 1. 2 D. eod. (= eodem titulo); is de titel reeds bij den aanvang
van het betoog genoemd, dan zegt men: 1. 2 D. h. t. {=. hoc titulo).
Andere wijzen van citeeren zijn de volgende:
fr. 1 § 11 do insp. ventre (XXV, 4);
-ocr page 70-
53
1. 1 § 11 D. de insp. ventre;
1. 1 § 11 D. 25, 4;
D. 25, 4, 1, 11 enz. De titelopschriften worden in den regel zeer
verkort, somtijds zelfs alleen door de eerste letters aangegeven \').
Van de Pandekten is één voortreffelijk handschrift, uit het einde der
zesde of het begin der zevende eeuw, tot ons gekomen: do Florentijnsche
Codex. Vroeger aan de Pisanen behoorende (vandaar de naam: litera
Pisana),
kwam het in 1406 te Florence, waar het in de Laurentiaansche
bibliotheek met bijzonderen eerbied bewaard wordt. De Florentina munt
uit door uitwendige volledigheid — er zijn slechts enkele leemten —
zoowel als door inwendige zuiverheid. De inscripties der fragmenten zijn
nauwkeurig opgenomen, de Grieksche woorden en plaatsen onvertaald
gelaten. Verder wordt er in aangetroffen eene overigens onbekende lijst
der geëxcerpeerde boeken.
Daarnaast kent men eenige honderden vulgaat-handschriften, sedert
het einde der elfde eeuw geschreven. Zij zijn verdeeld in drie deelen:
Digestum vetus (Bk. I tot XXIV, 2); Infortiatum (XXIV, 3 tot XXXVIII),
daaronder het stuk tres partes, dat midden in 1. 82 D. ad leg. Falc. XXX V,
2 begint en tot het einde van het 38e Boek loopt; Digestum novum
(XXXIX—L). De oude vraag naar de verhouding tusschen deze litera
Bononiensis
en de Florentina wordt door Mommsen thans in dien zin
beantwoord, dat de vulgaat-handschriften alle afstammen van één moeder-
handschrift uit de 10e of 11° eeuw, hetwelk op de Florentina steunt,
doch met behulp van een ander, van de Florentina onafhankelijk, hand-
schrift is verbeterd.
Voor de critiek van den tekst zijn verder van groot belang de Grieksch-
Romeinsche bronnen, met name de Basilika (zie hieronder § 28).
Tot de voornaamste uitgaven der Pandekten behooren die van Gre-
gorius Haloander, Neurenberg 1529 met vele conjecturen (lectio
Norica);
de prachtuitgaaf van LelioenFrancesco Torelli, Florence
1553, en de nieuwste editie van Th. Mommsen, Berlijn 1866, 1870.
Terwijl aan de Digesten gewerkt werd, droeg Justinianus aan Tri-
\') De gebruikelijkste afkortingen bij citaten uit de Fandekten zijn de volgende: de
A. E. V. ss actionibns empti venditi (XIX, I): de A. v. A. I\'. (of de A. I\'.) r= adquirenda
vel amittenda possossionc (XXXXI, 2); de A. v. O. H. =: adquirenda vel omittenda
hcreditate (XXIX, 2); de A. R. I). = adqnirendo i-enim dominio (XXXXI, I);
de 1$. 1\'. = bonurum poseessionibus (XXXVII, 1); de O. E. = contrahenda
emptione (XVIII, 1); de (,\'. et D. = condicionibus et demonstrutiouibus (XXXV,
I); de D. H. (of de K. ]).) = divisiune rcrum (1, 8): de II. 1\'. = heieditatis
petitione (V, 3); de J. 1). — jure dotinra (XXIII, 3); de J. et J. = justitiu et
jure (1, 1); de .1. F. s= jure lisei (XXXXIX, 14); de I. I. K. — in integrum rcstitu-
tionibus CIV, 1); de N. G. = negotiis geetis (III, 5); de O. .1. = origine juris (1,2);
de O. et A. =; ohligatiouibus et actionibns (XXXXIV, 7); de 11. C. s= rebus creditis
XII, 1); de R. J. = regulis juris (L, 17); de IJ. N. =^ ritu nuptiarum (XX111, 2);
de H. V. — rei vindicatione (VI, 1); de S. 1\'. K. =: servitutibusproediorum rusticorum
(Vlll, 3); de S. P. II. = servitutibus praediorum urbanorum (Vlll, 2); deV.O. =
verborum obligationibus (XXXXV, 1); de V. S. — verburum signifleatione (L, 1G).
-ocr page 71-
54
boni anus on de beide professoren Theophilus van Konstantinopel
en D o r o t li e u s van Beryte de taak op, een nieuw leerboek voor het
eerste rechtsgeleerde onderwijs te vervaardigen, in plaats van de tot
dusver gebruikte Instituten van Gajus, die door de nieuwe codificatie
verouderd waren. Dit leerboek zou tevens gelden als wet. Spoedig ge-
reed gekomen, werden de nieuwe Instituten bij de constitutie Impera-
toriam,
21 November 533, afgekondigd, om op 30 December, te gelijk
met de Pandekten, in werking te treden. De Instituten vormen een door-
loopenden tekst, verdeeld in vier boeken en 98 titels, die later weder
in principiiim en paragraphen zijn gesplitst. Zij bevatten „totius legi-
timae scientiae prima elementa." De inhoud is ontleend in de
eerste plaats aan de Instituten en Bes cottidianac van Gajus, verder
aan de Instituten van Ulpianus, Marcianus, Florentinus en andere
dergelijke geschriften, eindelijk aan de jongere keizerlijke constituties. Voor
de bijzonderheden wordt meermalen naar Pandekten en Codex verwezen.
Wij citeeren plaatsen uit de Instituten aldus:
§ 12 I. de lege Aquil. (IV, 3), of
pr. I. de lege Aquil. (IV, 3). Ook hier komen afwijkende manieren
van citeeren voor.
De Instituten-handschriften zijn zeer talrijk. Doch slechts een klein
fragment, te Verona aanwezig, is ouder dan de negende eeuw. Bij het
(onvolledige) handschrift te Turijn vindt men de Turijnsche Glosse (zie
hieronder § 29). Onder de vele, ongeveer 900, editiën verdienen bijzon-
dere vermelding die van II aioand er 1529; Cujacius 1585; Biener
1812; Schrader 1832 met vele aanteekeningen; Krüger 18G7. De
tekst der Instituten met de Latijnsche vertaling der paraphraso van
Theophilus (zie hieronder § 28) is in handigen vorm uitgegeven te
Amsterdam, 18G0.
In verband met zijne nieuwe wetgeving stelde Justinianus — bij
de Constitutie Omnem van 10 December 533 — eene veranderde regeling
van het onderwijs vast, zooals dit in een vijfjarigen cursus aan de rechts-
scholen te Rome, Beryte en Konstantinopel zou worden gegeven.
Thans bleef nog over, den Codex van 529 aan te vullen met de sedert
uitgevaardigde Constituties en in overeenstemming te brengen met de
Pandekten. Deze taak werd door Justinianus opgedragen aan Tri-
bonianus, Do rot heus en drie advocaten. Zij zouden deze gelegenheid
gebruiken om de fouten van den eersten Codex te herstellen, tegen-
strijdigheden op te heffen, onduidelijkheden weg te nemen, enz. Bij de
Constitutie de emendatione Codicis Justiniani et secunda ejus
editione (Constitutie Cordi) van 1G November 534 werd de aldus her-
ziene Codex , Codex repetitae praelectionis, afgekondigd om op 29 December
534 in werking te treden. Daarmede verviel de vroegere Codex, die ons
ook niet meer bekend is. De nieuwe Codex is verdeeld in 12 boeken en
7G5 titels, bevattende 4G52 constituties, waarvan de grootste helft tot
de rescripten behoort. Ze zijn in eiken titel in chronologische orde ge-
rangschikt en ieder van eene inscrijdio en subscriptio voorzien. De oudste
-ocr page 72-
55
constitutie is van Hadrianus, 1. 1 C. de testam. (VI, 23), de jongste
is van November 534, 1. uit. C. de episc. aud. (1, 4). Het grootste aantal
constituties is afkomstig van Dioc 1 etianus en Maximianus, namo-
lijk ruim 1200; van Justinianus behelst de Codex ongeveer 400 con-
stituties. Wij citeeren plaatsen uit den Codex aldus:
1. 1 (of 1. unica) § 4 C. de caduc. toll. (VI, 51). Andere manieren van
citeeren zijn de volgende:
c. 1 § 4 de caduc. toll. (VI, 51).
1. 1 § 4 C. de caduc. toll.
1. 1 § 4 C. 6, 51.
C. 6, 51, 1 § 4 enz.
Wat de handschriften betreft, zoo bestaan er te Verona fragmenten
van een manuscript uit de C° of 7° eeuw; verder drie onvolledige uit
de 10e en lle eeuw. De beste uitgaven zijn die van Haloander,
Neurenberg 1530; Herrmann 1843; Krüger 1877.
Nadat aldus de codificatie was voltooid, vaardigde Justinianus van
1 Januari 535 tot 5G5 nog eene menigte constituties uit, Novellen (novel-
lac cotistitutiones
, veacpeti dizzziiiz) genaamd; de meeste in het Grieksc-h,
sommige in het Latijn of in beide talen te gelijk. Eene officiëele ver-
zameling daarvan is niet bekend, wel verschillende particuliere. Zoo
bestaat er vooreerst eene nog onder Justinianus door Julianus,
professor te Konstantinopel, vervaardigde, voor Italië bestemde en alge-
meen verbreide Latijnsche verkorting van 124, oorspronkelijk meestal
ürieksche constituties (liber Xuvellarwti, Epitomc Juliani, laatstelijk uit-
gegeven door Ha nel, Loipzig 1873). — Eene andere verzameling van
134 in het Latijn vertaalde Novellen (Versio vulgata), werd, nadat
Irnerius zich van hare eerst betwijfelde echtheid had overtuigd, Au-
thenticum
of liber Authentieorum geheeten en gold bij de Glossatoren als
de ware tekst. Slechts 97 werden als nog bruikbaar aangemerkt (ordi-
nariae)
en in 9 collationex verdeeld; de overige (ciïraordinariae, extra-
vagantes, inutiles)
in 3 collationes. Het Authenticum is uitgegeven door
Heimbach, Leipzig 1846—1851. Uit het Authenticum zijn, hoofd-
zakelijk reeds door Irnerius, uittreksels gemaakt en in den Codex bij
de betrekkelijke constituties geplaatst.
Het meest volledig is eene derde verzameling, waarschijnlijk vervaar-
digd onder Tiberius II (578—5S2). Zij bestaat uit 168 Novellen; daar-
onder bevinden zich echter slechts 153 constituties van Justinianus;
de overige zijn afkomstig van zijne opvolgers, of het zijn verordeningen
van den Praefectus praetorio, terwijl eenige constituties tweemaal zijn
opgenomen. De nieuwste uitgaven zijn die van Osenbruggen 1840;
Zacharia. von Lingenthal 1881; Schöll, sedert 1880, tot dusver
4 afleveringen, loopende tot Novella 118. Men citeert bijv. Nov. 118 pr.
(praei\'atio) of c. (caput) 3 § 1.
De verschillende bestanddeelen der Justiniaansche wetgeving, welke
het eerst door Dionysius Gothofredus, 1583, werden uitgegeven
onder den gemeenschappelijken titel Corpus juris eivilis — een naam die
-ocr page 73-
56
intusschen reeds bij de Glossatoren voorkomt — zijn in de handschriften
en uitgaven tot in de 16e eeuw verdeeld in de vijf volgende volumina:
I. Digestum vetus; II. Infortiatum; III. Digestum novum; IV. Codex,
boek 1—9; V. Volumen parvum, bevattende de Instituten, Codex, boek
10—12, 9 collationes Authenticae, libri feudorum\') (decima collatio).
De uitgaven van het Corpus Juris zijn deels geglosseerd — met de
glosse van Accuraius voorzien (zie hieronder § 30) —, deels nieï*"gé-
glösseerd. De eerste bekende uitgaaf zonder glosse is van 1518; een
tijdlang vindt men uitgaven met en uitgaven zonder glosse; na 1627
verschijnen alleen niet-geglosseerde. Onder de oudere uitgaven verdienen
vooral vermelding die van Haloander (1529—1531, 1541, 1570);
Contius (15G5, 15G6, 1569, 1576) en bovenal de zeer talrijke en
meest verspreide van Dionysius en Jacobus Gothofredus, 16 en
17e eeuw, met en zonder glossen, eigene critische en exegetische aan-
tcekeningen en vermelding van overeenkomende plaatsen. Daartoe be-
hooren ook die van Simon van Leeuwen (Amsterdam, 1663) en van
Elzevir (Amsterdam, 1664): zoogenaamde pars secundus.
De nieuwste edities zijn: de Oöttinger van Gebauer en Spangen-
berg, 1776—1797; Beek, 1825—1836; gebroeders Kriegel, 1833—
1843 (de Instituten en Pandekten bewerkt door Kriegel, de Codex door
Horrmann, de Novellen door Osenbrüggen). Tegenwoordig is verreweg
de meest bruikbare de stereotyp-uitgave van Mo mms en, Krüger en
Schöll (sedert 1872; de Novellen nog onvoltooid).
Justinianus verbood op zijne wetten commentaren te schrijven „cum
per contrarias interpretantium sententias totum jus pene conturbatum
est." De overtreders van dit verbod zouden ter zake van valschheid ge-
straft, hunne werken vernietigd worden. Toegestaan werd alleen de
bewerking van letterlijke vertalingen (-/.ara -:^a), korte paraphrasen en
r.xoxTi-la, verwijzingen naar overeenkomstige plaatsen. De nieuwe rechts-
boeken met de vroegere bronnen te vergelijken, zou niet geoorloofd zijn.
Aanvulling en verklaring bleef uitsluitend voorbehouden aan den Keizer,
„cui soli concessum est leges et condere et interpretari." Aan de af-
schrijvers werd verboden, afkortingen (sigh) of cijfers te gebruiken; alles
zou, op straffe van valschheid, voluit in letters worden geschreven.
Ons rest nog de vraag, hoe de uitlegger moet handelen, indien er
strijd bestaat tusschen verschillende plaatsen in het Corpus Juris. De
Novellen, die bestemd waren om het recht te veranderen, gaan boven de
Instituten, Pandekten en Codex; om dezelfde reden gaat de latere No-
velle boven de vroegere.
Niet hetzelfde kan worden aangenomen bij antinomieën tusschen Insti-
tuten, Pandekten of Codex. Ofschoon deze rechtsboeken niet geheel ge-
lijktijdig zijn ingevoerd, wenscht Justinianus ze toch beschouwd te
zien als één samenhangend geheel. Tegenstrijdigheden \'tusschen plaatsen
\') Deze weiden, met nog andere bijvoegsels, door de Glossatoren in het Corpus
juris opgenomen en liomen ook nog in <le meeste nieuwere uitgaven voor.
-ocr page 74-
57
in verschillende dezer verzamelingen behooren dus evenzoo behandeld te
worden als tegenstrijdigheden tussehen verschillende plaatsen in dezelfde
verzameling.
Bij zoodanige antinomieën, die, niettegenstaande Justinianus\' ver-
zekering, veelvuldig voorkomen, behoort men nauwkeurig na te gaan of
wellicht de eene plaats de stof opzettelijk behandelt en eene bepaalde,
gemotiveerde beslissing geeft en de andere het tegendeel slechts in het
voorbijgaan uitspreekt; of de eene ook is een onnauwkeurig uittreksel
uit de andere; of de eene beslissing op verscheidene plaatsen voorkomt,
terwijl de andere misschien alleen staat; of de eene ook inhoudt een
regel en de andere eene uitzondering; of zij elkander wellicht weder-
keerig aanvullen of beperken; of eindelijk ook aan de tegenstrijdige uit-
spraken eene verschillende schakeering van feiten ten grondslag ligt
(systematische vereeniging): „contrarium autem aliquid in hoc codice po-
situm nullum sibi locum vindicabit nee invenitur, si quis suptili animo
diversitatis rationes excutiet" (Const. Tanta, § 15).
Indien langs dezen weg de strijd niet kan worden opgelost, moet men
onderzoeken, of niet de eene plaats den waren wil des wetgevers uitdrukt,
terwijl de andere slechts historische beteekenis heeft, opgenomen uit
vergissing of om het tegenwoordige door het verledene op te helderen
of om toegepast te worden op vroeger ontstane rechtsbetrekkingen (histo-
rische vereeniging).
Indien ook dit niet baat, blijft er niets anders over dan die beslissing
aan te nemen, welke, indien geene der tegenstrijdige bepalingen bestond,
consequent zou voortvloeien uit erkende rechtsbeginselen.
§ 28. HET ROMEINSCHE RECHT IN HET OOSTEN, NA DEN 1)001)
VAN JUSTINIANUS.
Met den dood van Justinianus eindigt de geschiedenis der ontwik-
keling van liet Romeinsche Recht. Toch zijn de overblijfsels van het
Grieksch-Romeinsche Recht van groot belang voor de kennis van het
Corpus Juris, meer in het bijzonder voor de tekstcritiek.
In het Byzantijnsche Rijk behielden de Justiniaansche rechtsboeken
kracht van wet; ook bleven ze in de rechtsscholen in gebruik. Eene
eerste noodzakelijkheid, zoowel voor de practijk als voor liet onderwijs,
was het bewerken van vertalingen in het Grieksch. Daaraan en aan het
vervaardigen van paraphrasen en uittreksels — het eenige wetenschap-
pelijke werk, dat volgens de verordening van Justinianus geoorloofd
was — wijdden de juristen der 6e eeuw hunne krachten. In haar geheel
bestaat nog eene Grieksche paraphrase van de Instituten, die aan Theo-
philus, een der samenstellers van de Instituten, wordt toegeschreven
(de meest bekende uitgave is die van Reitz, Hagae Comitum 1751 en
Amsterdam 18C0; de nieuwste is die van Ferrini, 1884 enz.). Van de
bewerkingen van Pandekten en Codex door Theophilus, üorothcus,
Stephanus, ïhalelaeus en anderen zijn ons fragmenten bewaard in
-ocr page 75-
5S
de straks te noemen Basilika en de daarbij behoorende Scholiën. Do
oorspronkelijke rechtshoeken werden door deze omwerkingen meer en
meer verdrongen.
In de 8e en 9e eeuw ontwikkelden de Byzantijnsche Keizers nieuwen
ijver op woterovond erebied. Leo de Isauriër publiceerde omstreeks 740
eene \'\\:./).cyfi zmv véptwv ï-j tuvtsum yevouévrt: een uittreksel uit het Justi-
niaansche recht met gewichtige veranderingen (uitgegeven door Zacha-
riae in zijne CoUeetio librorum juris Graeco-Romani ineditorum, 1852).
Basilius Macedo vaardiede omstreeks S78 nieuwe Instituten uit, onder
den naam van zotyewoc vbuo;, waarvan eenige jaren later nog eene her-
zioning verscheen, \'E-nxvaynyrt -.cv viusu, die echter niet tot wet is
verheven.
Van het meeste belang is een derde werk, door Basilius Macedo
begonnen, en door zijn zoon en opvolger Leo Philosophus (880—910)
voltooid. In 60 boeken werden Pandekten, Codex en Novellen tot één
geheel versmolten, met eenige wijzigingen volgens het nieuwere recht.
Dit wetboek is bekend onder den naam van Basilika (tz fiacjih/.z -Afj.iij.x).
Roods spoedig werden Scholiën er aan toegevoegd. De Basilika zijn
grootendeels, de Scholiën gedeeltelijk bewaard gebleven. De nieuwste
uitgave is die van Heimbach (6 declen, Leipzig 1833—1870) met een
supplement van Zachariae (Leipzig, 1S46).
Van denzelfden Keizer Leo zijn afkomstig 113 Novellen, die in de
meeste uitgaven van liet Corpus Juris als aanhangsel zijn opgenomen.
Na de Basilika kwamen nog verschillende uittreksels en handboeken
tot stand. Het laatste is het werk van Constantinus Har men o-
pulus, rechter te Tliessalonica, omstreeks 1345 vervaardigd, onder den
titel van zobysiocv vówwv :b liybaivov ri scajSt^/.c; (uitgegeven door Heim-
bach, Leipzig 1851).
§ 29. HET ROMEINSCHE RECHT IN HET WESTEN TOT AAN PE
OI.OSSATOREN-SCHOOL.
De rechtshoeken van Justinianus waren dadelijk na hunne publi-
catie ook in Italië afgekondigd. In 554, na de verdrijving der Oost-Gothen
uit Italië, bevestigde Justinianus hun wettelijk gezag.
Jura instipcr vel leges codicibus nostris insertas, <|iias jam sub edictalj program-
mate in Italiam ditdum misimus, obtinerc sancimus. Sed et cas, <[uns postca promul-
gavimus constitutiones, jubemus sub cdictali propositione vulgari, et ex eo tempore,
quo sub cdictali progratr.matc evulgatae fuerint, etiam per partcs Italiac ubtiuere, ut
una Deo volentc facta republica, lcgiim etiam nostrarum ubi(pic prolatctur auctoritas.
Sanctio Pragm. a. 554, e. 11.
Vóór het beroemde werk van Savigny, Geschichie des römischen
Rechts im Mittelalter
(2° druk, 7 doelen, 1834—1851), werd wel aan-
genomen, dat de Justiniaansche rechtshoeken in de (ie eeuw spoorloos
verdwenen, om zes eeuwen later, ton gevolge van toevallige omstandig-
heden en een bevel van Keizer Lotharius II, als een feniks uit de
-ocr page 76-
59
asch te verrijzen. Savigny heeft aangetoond, dat het EomeinscheRecht
voortdurend, onder den naam van Lex Romana, niet alleen in Italië,
maar ook in de Bourgondische, Oost- en West-Gothische, Frankische en
Longobardische Rijken, zelfs in Engeland, alsmede in de Kerk (ecclesia
vivit lege Romana) bekend bleef en toegepast werd. Er zijn uit dien
tijd vele geschriften, die getuigen van beoefening van het Romeinsche
Recht, ja tot op zekere hoogte van wetenschappelijke behandeling daar-
van. Tot die geschriften behooren o. a.
1°. de Turijnsche Institutenglosse, waarschijnlijk nog ten tijde van
Justinianus te Rome ontstaan, en in de tiende en volgende eeuwen
met nieuwe aanteekeningen vermeerderd;
2°. Brachi/logus juris civilis, een leerboek van het Romeinsche Recht,
omstreeks 1100, wellicht te Orleans vervaardigd;
3°. Petri erceptiones legum Romanorum, eveneens een leerboek, uit
de elfde eeuw.
Naast de rechtsschool te Rome, die door Justinianus was bevestigd,
verrees er eene te Ravenna, terwijl men in de tiende en elfde eeuw
eene derde aantreft te Pavia, waar Longobardisch, maar ook Romeinsch
Recht wordt geleerd.
Volgens de voorstelling van Savigny moet intusschen de beoefening
van het Romeinsche Recht in dit tijdvak zeer laag worden aangeslagen.
De nieuwere onderzoekingen van Merkel, Stintzing, Ficker, Fit-
ting en anderen hebben daarop een gunstiger licht doen vallen. Het
optreden der Glossatorenscliool is gebleken eene niet zoo plotselinge ver-
heffing der studie van het Romeinsche Recht te zijn, als men ook na
Savigny had gemeend. Doch met levendigheid wordt gestreden — o. a.
tusschen Co nrat en Fitting — over de vraag, hoe hoog de rechts-
kennis der vroegere middeleeuwen moet worden gesteld.
§ 30. DE GLOSSATOREN-SOIIOOL EN DE COMMENTATOREN.
Omstreeks het jaar 1100\' neemt de beoefening van het Romeinsche
Recht eene nieuwe vlucht. Te Bologna treedt eene school van rechts-
geleerden op, die weldra eene groote vermaardheid krijgt. Volgens de
overlevering werd de leeraar Trnerius tot de studie van het Romeinsche
Recht gebracht, doordien de Tustiniaansche reohtsboeken, aan Ravenna
ontleend, hem toevallig bekend werden. Zeker is het, dat deze Irnerius
in het begin der twaalfde eeuw te Bologna werkte, en dat van zijn
optreden de bloei der rechtsschool aldaar dagteekent. De roem, die van
Irnerius en zijne opvolgers uitging, breidde zich uit over geheel
Middel- en Zuid-Europa. Jongelieden van alle natiën togen naar Italië,
om de lessen aan de school van Bologna bij te wonen.
De Bologneesche school, naar hare methode glossatoren-school genoemd,
nam tot punt van uitgang hot zuivere Romeinsche Recht. Irnerius en
zijne opvolgers maakten op den tekst der rechtsboeken korte aanteeke-
ningen van grammaticalen of juridieken aard. De glossatoren waren
-ocr page 77-
nu
doorkneed in de kennis van het Corpus Juris. Voor de zuivering van
den tekst (lectio vulgata) hebben zij ontzaglijk veel gedaan; met grooten
ijver hebben zij de overeenkomstige en met elkander in verband staande
plaatsen in de rechtsboeken opgespoord en bijeengebracht. Maar zij had-
den geen zin voor historische studie en koesterdon een afgodischen eerbied
voor de uitspraken van het Oorpus Juris. „De inhoud van het Romeinsche
Recht was voor hen niet het resultaat eener eeuwenlange ontwikkeling,
maar eenvoudig de wetgeving van Justinianus." De Glossatoren-school
heeft het eerst de kennis van het Romeinsche Recht over Europa ver-
spreid. Haar invloed en gezag kunnen niet te hoog worden aangeslagen.
Tn de veertiende eeuw hadden op vele plaatsen de glossen kracht van
wet; in lateren tijd werden die deelen van het Justiniaansche recht, die
niet geglosseerd waren, niet gerecipieerd: plaatsen die niet van eene
glosse voorzien waren, hetzij omdat de Glossatoren ze niet kenden of
omdat zij ze niet voor toepassing vatbaar achtten — dat zijn enkele
fragmenten uit de Pandekten, een aantal constitutiën uit den Codex en
71 Novellen — werden ook in de gerechten niet als wet erkend. „Quid-
quid non agnoscit glossa, non agnoscit curia" — zoo werd
dit later uitgedrukt.
Op Irnerius volgden de zoogenaamde quatuor doctores, Bulgarus
(os aureum f 1160), Martinus Gosia (copia legum f na 1157),
Jacobus (f I17S), Eugo (f 1108). Op hen volgden o. a. Rogerius
(omstreeks 1162), Albericus de porta Ravennate (1105—1194),
Placentinus (f 1192), Johannes Bassianus tijdgenoot van den
vorigen, Pillius (1169—1207), Vacarius (1149 in Oxford), Azo (f
na 1220), Hugolinus (f na 1233) en Franciscus Accuraius (f
tusschen 1259 en 1263). Deze heeft uit de glossen van zijne voorgangers
eene compilatie gemaakt (glossa ordinaria), die de oorspronkelijke glossen
verdrong en gewoonlijk kortweg „de glosse" wordt genoemd.
Sedert de 13e eeuw werden op-SêFvoorbeeld van Bologna nog vele
andere rechtsscholen opgericht, o. a. in Italië te Padua, Pisa, Vicenza,
Vercelli, Arezzo, Ferrara, Rome, Napels, Perugia, Piacenza, Modena,
Turijn; in Zuid-Frankrijk (pays du droit écrit) te Montpellier, Orleans,
Toulouse, Vienne, Lyon, Avignon, Grenoble.
Op de glossatoren volgden de zoogen. commentatoren (post-glossatorcs,
scribentes), die niet de bronnen zelve tot het voorwerp hunner studio
maakten, maar zich uitsluitend bezig hielden met de glossen. Hunne
scholastieke, smakelooze methode miste alle oorspronkelijkheid en frisch-
heid. Bij de behandeling van allerlei onvruchtbare controversen, verloren
zij zich in eene eindelooze massa distinct.iones, limitationes, ampliati-
oncs, waarbij zij zich schuldig maakten aan een geestdoodend formalisme
on eene ondragelijke wijdloopigheid. Do voornaamste juristen uit deze
periode (1250 tot het einde der 15e eeuw) zijn: de drie zoons van
Accursius, Franciscus (f 1293), Corvottus (f 1287) en Wil-
helmus (f vóór 1314), Odofrodus (f 1205), Durantis (f 1296),
Cinus (f 1330), Jo. Andreae (f 1346), Albericus de Rosciate
-ocr page 78-
61
(f 1354), Bartohis de Saxoferrato (f 1357), Buldus de Ubal-
dis (f l4b0),7o. Bapt. Caccialupus (f na 1472), Jason (f 1519),
terwijl reeds van eene hetere methode getuigen: lllricus Zasius
(1461—1535), Guilielm. Budaous (14<>7—1540), Andreas Alci-
atus (1492—1550).
§ 31. DF. RECEPTTE VAN IIF.T KOMEIN8CHE RECHT.
[n den loop der 15» en 10e eeuw is het Romeinsche reelit, zooals liet
onder Justinianus was gecodificeerd, door de meeste Christen-volken
van Europa gerecipieerd, d. i. erkend öf als ratio scripla, öf als subsi-
diair reeht, of als algemeene wet. Bekendheid en gebruik in de practijk
dateeren van veel vroegeren tijd (12e en 13e eeuw). Over do oorzaken,
waaraan die receptie moet worden toegeschreven, bestaat onder de rechts-
historici groot verschil. De een beschouwt ze als eene spontane daad des
volks, een ander schrijft ze vooral toe aan eene pressie van hoogerhand;
velen hechten groot gewicht aan do innerlijke voortreffelijkheid van hot
Komein8che recht in verband met den slechten toestand van het in-
heemschc, terwijl anderen meer aan politieke berekening en aan het
drijven der geleerde juristen willen gedacht hebben, enz. De receptie
echter is een verschijnsel, dat niet uit ééne oorzaak, maar slechts uit
de samenwerking van verschillende gebeurtenissen, invloeden en donk-
boelden verklaard kan worden.
Onder de voornaamste omstandigheden, die hierbij in aanmerking komen,
valt vooreerst te wijzen op de in de latere Middeleeuwen algemeen
heerschende beschouwing van het Duitsche Rijk als eene voortzetting
van het Romeinsche, van den Duitschen Keizer als dominus mundi,
tengevolge waarvan men van een algemeen wereldrijk kwam tot een
algemeen wereldrecht. Voorts werden door de talrijke, in de 13" en
14° eeuw in Italië, Frankrijk en elders (sedert de 14° en 15e eeuw
ook in Duitschland) opgerichte universiteiten, die van hooger hand zeer
bevoorrecht werden, vele romaniseerende juristen gevormd, die aan hun
onderwijs, hunne wetenschappelijke werken en de door hen besliste
reehtsciuaestiën, in steeds toenemende mate het Romeinsche recht ten
grondslag legden.
Het Canonieke recht, welks voor de geheele Christenheid geldende
rechtskracht niet werd betwijfeld en in de geestelijke gerechten werd
gehandhaafd, sloot zich aan don eenen kant aan moderne Germaansche
toestanden aan, maar had tevens zooveel aan het Romeinsche recht ont-
leend, dat het zonder behulp van dat recht niet kon worden verstaan,
waardoor het du brug werd, waarover het Romeinsche recht Duitschland
gemakkelijk kon binnentreden.
Ten gevolge van het toenemende aanzien der universiteiten en het
steeds klimmende gezag van het Romeinsche recht, vormde zich lang-
zamerhand een stand van geleerde doctores juris, die aan de geestelijkheid
het uitsluitende bezit van kennis en wetenschap betwistten en, gesteund
-ocr page 79-
62
door de keizerlijke begunstiging, tot de aanzienlijkste betrekkingen ge-
roepen werden, waardoor zij een niet geringen invloed op regeering,
rechtspraak en wetgeving verkregen, dien zij bij elke gelegenheid ge-
bruikten tot verspreiding van het Romeinsche recht, dat zij eindelijk ook
dienstbaar maakten aan de verklaring van het inheeinsche recht.
Het streven der romaniseerende doctores juris werd krachtig gesteund
door de zoogenaamde lialfgeleerden, die de bij de doctores opgedane,
dikwijls maar half begrepene wijsheid op het werkelijke leven en in de
praktijk der lagere gerechten toepasten. Zij werden de kanalen, waardoor
de geleerdheid der wetenschappelijke juristen naar de lagere klassen der
maatschappij vloeide, waardoor aldaar eene ontwikkeling plaats vond,
die den van boven komenden invloed tegemoet kwam.
De gewichtigste stap echter tot de practische invoering van het Ro-
meinsche recht werd eerst in de 15e eeuw gedaan, toen de geleerde
juristen invloed kregen op de rechtspraak, en voltooid in de ltie, toen
zij de ongeleerde schepenen geheel uit de gerechten verdrongen. Eerst
toen werd den Romauisten de gelegenheid gegeven, tot de toepassing
van liet vreemde recht te dwingen.
Hij dit alles moet ook niet uit het oog worden verloren, dat tegen het
einde der Middeleeuwen verschillende belangrijke gebeurtenissen, uitvin-
dingen en ontdekkingen een nieuw leven schiepen, eene frissche ontwik-
keling wekten, nieuwe toestanden in het leven riepen, die wel in staat
waren eene aJgeheele revolutie op maatschappelijk gebied en dus ook in
liet rechtsverkeer te voorschijn te roepen.
Dezelfde geest, die in de periode der renaissance de humanisten be-
heerschte, wanneer zij meenden uit (irieksche en Romeinsche classieken
de absolute beschaving te moeten putten, dreef ook de juristen om liet
antieke recht als het recht jcar\'sj-o^ióv te beschouwen en zoo ook in dit
opzicht terug te keeren tot Ue viucniun der classieke beschaving.
Hierbij moet ook niet uit het oog verloren worden, dat men in de
Middeleeuwen niet onze beperkte opvatting van nationaliteit huldigde en
zich niet tegen eene instelling aankantte, omdat zij van vreemden oor-
sprong was, terwijl men bovendien het Romeinsche recht niet zoozeer als
het vreemde, maar veeleer als het algemeene, het hoogere, het weten-
schappelijke recht beschouwde.
Al het voorgaande zou evenwel niet voldoende geweest zijn om aan
het Romeinsche recht de zegepraal over het inhoemsche te verschaffen,
indien dit laatste werkelijk aan de behoeften van het maatschappelijk
leven had voldaan. Maar het nationaal recht bestond uit eene onafzien-
bare massa particuliere, onderling strijdende, onvolledige rechtsbronnen,
die slechts eene reeks concrete bepalingen, maar geene algemeene, leidende
beginselen inhielden. Het ontbrak aan eene centrale, wetgevende macht
en eene, de stof genoegzaam beheerschende, nationale rechtswetenschap,
om het vaderlandscha recht verder uit zich zelf te ontwikkelen en het
gebrek aan algemeene rechtsbronnen en rechtsbeginselen aan te vullen.
Daardoor kwam het, dat men in plaats van den langen en moeielijken
-ocr page 80-
63
weg der geleidelrjke ontwikkeling door middel der wetgeving in te slaan,
liever op oncritische wijze het vreemde, gereedliggende, allesomvattende
Romeinsclie recht overnam. Het zij evenwel herinnerd, dat het vaderland-
sche recht nooit geheel is onderdrukt en dat het Romeinsclie recht in
menig opzicht door de theorie werd aanbevolen, waar het nimmer in het
werkelijke leven doordrong. Ook heeft die receptie niet altijd zonder tegen-
kanting plaats gehad. Hier en daar verzette men zich tegen het opdringen
van het Romeinsche recht, maar die oppositie en klachten waren veelal
meer gericht tegen de doctores dan tegen het vreemde recht, meer ge-
motiveerd door hunne aanmatiging en hun onverstandig gedrag en de
schennis van nationale_privilegiën dan door een gekjankt nationaliteitsgevoel.
§ 32. WETENSCHAPPELIJKE BEOEFENING VA.N HET ROMEINSCHE HECHT
VAN DE 10® EEUW TOT ONZEN TIJD.
Met de 10e eeuw brak voor de rechtswetenschap een nieuwe dageraad
aan. De Fransche of humanisten-school onderscheidde zich door eene
meer elegante en frissehe methode, door eene historisch-critische bchan-
deling der bronnen zelve, waarvan vele nieuwe werden opgespoord en
tot toelichting der oude aangewend. De op nieuw ontwaakte kennis van
en liefde voor de oudheid werkte ten bate der rechtswetenschap. De
crjjjsp.he yeest der reformatie brak met de aut»r\'tp\'t \'lpr p;lnRBP f"\' vf>l°
traditioneele dogma\'s. Op eene zuiverder exegese werd eene zuiverder
dogmatiek gegrond. De voornaamsten uit deze school zijn: Jacobus
Cujacius (Cujas) 1522—1590, Hugo Donellus (Doneau) 1527—
1591, Franciscus Connanus 15U8—1551, Franciscus Hoto-
iii a ii n us 1525—1500, Franciscus Duarenus 1500—1550, Anton
Contius 1517—1577, Barnabas Brissonius 1531—1591, Diony-
sius Grothofredus (üodefroy) 1549—1022 en zijn zoon Jacobus
Gothol\'redus 1587—1652, de beroemde commentator van dun (Jodex
Theodosianus.
In Duitschland nam de rechtswetenschap in de 16e, 17° en 18e eeuw
eene hoofdzakelijk practische richting. Men legde zich vooral er op toe
om het Romeinsche recht bruikbaar te maken voor practische toepassing
(usus modernus pandectarum), maar voor een dieper inzicht in het wezen
en in de wording en ontwikkeling van het Romeinsche recht werd weinig
gedaan. Eenige der voornaamste Juristen uit dien tijd zijn: Carpzovius
f 1GGG, Brunnemann f 1072, Mevius f 1070, Lautorbacli f 107S,
ötruve f 1092, Schilter f 1705, Stryk f 1710, J. H. Böiuner
f 1740, Cocceji f 1755, üeineccius f 1741, Leyser f 1752,
ötrube f 1770, Pufendorf f 1785, O. L. Böhmer f 1797,
Helliold f 1782, Bach f 1758, Hr.pfner f 1707, Hofacker
f 1793, Weis f 1808 (de leermeester van Savigny), ülück f 1831.
De Hollandsche schooi sloot zich nauwer bij de Fransche aan, zij
deed meer dan de Duitschers voor de kennis der bronnen en der rechts-
geschiedenis, ofschoon zy bij hare rechtshistorische onderzoekingen dik-
-ocr page 81-
wijls meer als oudheidsvorscher dan als jurist te werk ging. De voor-
naamste representanten dezer school zijn: Viglius Zjuchem ah Ayta
f 1577, Hugo de (iroot 1583—1045, Arnold Vinnius 1588—
1057, Ulricus Hut.er 1636—1694, Johannes Voet 1C47—1714,
üerardus Noodt 1047—1725, Antonius SchullTng 1C59—1734,
Joh. Ortw. WVstenberg 1007—1737, Cornelius van Bijnkers-
hoek 1073—1743, Ever. Otto 1685—1750, Johannes van de
Water f 1759.
In het laatste gedeelte der vorige eeuw trachtte de zoogen. wijsgeerige
school zich boven de verwarring van het bestaande recht te verheffen en
zich los te maken van de knellende banden van het Komeinsche, door
uit de rede een geheel nieuw, voor alle tijden en volken geldend, onver-
anderlijk recht ai\' te leiden, waarbij alle vreemdeen historische elementen,
zooals het heette, over boord moesten worden geworpen.
Uit radicale streven was in het leven geroepen door de diep gevoelde
overtuiging, dat de verwarring en onzekerheid in het positief recht te
wijten waren aan het vasthouden aan vele vreemde en verouderde rechts-
begrippen en rechtsinstellingen. De periode van het natuurrecht heelt
niets gedaan voor de diepere kennis van liet Komeinsche recht, wel voor
de juistere waardeering van de plaats, die daaraan in den tegenwoordigen
tijd toekomt. Zij heeft opgewekt tot eene zelfstandige rechtsontwikkeling,
zij heelt het bewustzijn van nationale kracht verlevendigd en het rechts-
wezen van vele afgestorven dogmata gezuiverd, doch hare fout bestond
in de eenzijdige miskenning van de historische wording van het recht,
in haar geloof aan de mogelijkheid en noodzakelijkheid van een fonkel-
nieuw, met het verleden in geenerlei verband staand recht.
Reageerende tegen de onhistorische eenzijdigheid der wijsgeerige school,
heeft in het begin dezer eeuw de historische school de geschiedkundige
beoefening van het recht in hare eer hersteld, en daardoor eene gcheele
hervorming van de wetenschap van het Komeinsche recht en van de
rechtswetenschap in het algemeen in het leven geroepen. Zij ging, even
als de Fransche school in de 10e eeuw, uit van de kennis der bronnen,
maar zij werkte met gelukkiger gevolg, omdat zij juistere denkbeelden
had omtrent de wording van het recht in het algemeen, meer haar
aandacht vestigde op de scherpe formuleering van begrippen en den
systematischen samenhang tusschen de onderscheidene deelen van het
Komeinsche recht. Eene fout, die niet ten onrechte aan de historische
school, althans aan sommige harer volgelingen, verweten is, bestaat
hierin, dat zij de geschiedenis dikwijls te veel als doel, te weinig als
middel beschouwde, ten gevolge waarvan men zich verdiepte in micro-
scopische beschouwingen en antiquarische bijzonderheden, waardoor de
aandacht van het hoofddoel werd afgetrokken. Om het verleden vergat
men het heden en de toekomst, en in hare overdrijving was de histo-
rische school even ver verwijderd van de werkelijkheid als de wijsgeerige.
Doch die fout, een natuurlijk gevolg van de eenzijdige overdrijving der
wijsgeerige school, wordt ruimschoots opgewogen door hare ontzaglyke
-ocr page 82-
65
verdiensten in betrekking tot de nauwgezette beoefening van de geschie-
deni3 van het Romeinsclie recht, waardoor zij eene oordeelkundige splitsing
tusschen hetgeen al en niet specifiek Romeinsch is mogelijk heeft gemaakt.
Sedert de historische school is de geschiedkundige beoefening van
Romeinsch en Germaansch recht algemeen in hare eer hersteld en wordt
het door ieder deskundige erkend, dat men zoowel het Romeinsche als
eenig ander positief recht slechts door geschiedkundige beoefening kan
leeren kennen. Het verzet, dat de historische school van de zoogen. anti-
historische of philosophische ondervond, gold dan ook niet zoozeer de
vraag naar de methode van onderzoek van een gegeven positief recht,
als de vraag, hoo het positief recht moest worden ontwikkeld. Ten
gevolge toch van de afschudding van liet Fransche juk ontbrandde vooral
in Duitschland de vraag, of nu ook niet de tijd gekomen was om zich,
door de uitvaardiging van een algemeen nationaal wetboek, te ontdoen
van alle niet-nationale rechtsbronnen. Die vraag werd bevestigend beant-
woord door A. F. J. Thibaut (1772—1841) in zijn geschrift: „Ueber die
NothtrcryLiffkeit «mes -tdlgemcinen biirgerlichen Gesetxbiichcs fiir JJeutscli-
laiïdF,
1814. Krachtig werd deze meening bestreden door von" Savigny;
vom Bern f unsrcr Zeit fiir Gcseligcbung und Rechts wissenschaft, 1814,
die den tijd voor zoodanige wetgeving nog niet gekomen achtte, maar de
verbetering van de rechtswetenschap verwachtte. De grond der historische
school werd gelegd door Gustav Hugo (17C4—1844); haar hoofd en
leider was Friedrich Carl von Savigny (1770—1SG1), in alle opzich-
ten de uitstekendste jurist van den nieuwen tijd, in wien de methode
der Romeinsche juristen als het ware is herleefd *).
Behalve Savigny en zijn tegenstander Thibaut zijn de voornaamste
juristen van deze periode: J. F. L. Göschen (1778—1837), A. Hei se
(1778—1851), J. C. Hasse (1779—1830), E. Schrader (1779—18C0),
A. Schweppe (1783—1829), C. F. Mühlenbruch (1783-1843), F.
Mackeldey (1784—1834), E. von Löhr (1784—1851), D. Unter-
holzner (1787—1838), H. E. Dirksen (1789—18G8), F. A. Schilling
(1792—1865), C. A. Warnkoenig (1794—18GG), C. A. K. Klenze
(1795—1838), S. \\V. Zimmern (179G—1830), A. v. Bethmann—
Hollweg (179G—1877), F. Bluhme (1797—1877), K. G. v. Wachter
(1797—1880), G. F. Puchta (1798—184G), F. L. von Keiler (1799—
18G0), E. Boeking (1800—18G9), P. E. Huschke (1801—188G), A. A.
F. Rudorff (1803—1872), L. Arndts (1803—1878), K. A. von Van-
gerow (1808—1870), C. Ü. Bruns (181G—1880), A. von Brinz
(1820—1887), R. von Stintzing (1825-1883).^>^ v /^ji • l^/L^ch^
\') Zijne verken zijn: Dni Hecht des Besitzes 1803, 7de ed. 1865; rum Beruf unsrer
Zeit fiir Geset.zi)ebun<j und Rcchtsivissenschaft
1814, 3de ed. 1840, waarin liet pro-
gramma der historische school: „dis lïecht wird nicht gemarht, es ist und wird mit
dem Volke" is vervat; Geschichte des römischen Rechts im Mittelttller, 7 l)ln., 2de ed.
1831—51; System des heutiijen römischen Hechts, 8 Dln., 1840—49; Das Obligationen-
recht nis Theil des heutigen rum. Hechts,
2 Dln., 1852 en 53; Vermischte Schriften,
5 Dln., 1850.
Rom, recht. I, 2e druk.                                                                                       5
-ocr page 83-
66
In de plaats van do historische en anti-historische richting is in latere
jaren do tegenstelling van Romanisten on Germanisten meer op den voor-
grond getreden. Terwijl sommige Romanisten het Romeinsche recht als
liet recht beschouwen en het Germaansche met voorname onverschülig-
heid bejegenen, wordt door de Germanisten die uitsluitende heerschappij
van het Romeinsche recht bestreden, en voor het Germaansche eene
waardige plaats naast het Romeinsche gevindiceerd. Beide zijn uit een
historisch oogpunt onmisbaar voor de kennis van het hedendaagsche recht,
doch aan het Romeinsche komt om den rijkdom van zijn inhoud, maar
vooral om de juistheid van zijne methode, om de lijnheid van zijne
techniek en de voortreffelijkheid van zijne vormen de eerste plaats toe.
Het zou bekrompen eenzijdigheid zijn, daarom het recht van bestaan
van het Gerinaansche recht te willen bestrijden. Die strijd van Romanisten
en Germanisten is reeds veel verminderd, en men mag aannemen, dat
hij weldra geheel zal ophouden, daar allen zullen leeren inzien, dat de
beoefening van Romeinsch en Germaansch recht beide, onmisbaar is
voor de kennis van de historische wording van het hedendaagsche\'recht,
dat het onze taak is om alles wat werkelijk vreemd is aan onze tegen-
woordige toestanden ter zijde te stellen en om ons recht op den histo-
rischen bodem verder te ontwikkelen, zooals dat geëischt wordt door de
behoeften van het tegenwoordige maatschappelijke leven. De latere beoefe-
naren van het Romeinsche recht staan op een meer vrij en onafhankelijk
standpunt, maar, zooals Wind scheid zegt, vertoont zich bij hen: „ein
verschiedener Grad der Energie des Strebens."
Wat betreft de methode van behandeling, deze bleef tot in de 17eeeuw
hoofdzakelijk exegetisch. Later kwam het meer in gebruik, om de orde
van de titels der Pandekten te volgen, maar den inhoud van eiken titel
van een vrijer, dogmatisch standpunt te beschouwen. Het omvangrijkste
werk van dien aard is: Glück, ausführliche Erliiiderung der l\'andckten
(later voortgezet door Mühlenbruch, Fein, Arndts, Leist, Burck-
hard en anderen), waarmee de aan de historische school voorafgaande
periode wordt besloten. Sedert het begin dezer eeuw is de orde der
Pandekten verdrongen door eene meer systematische volgorde, waarvan
de grondslag is gelegd door Hu go en die nader is uitgewerkt door
Hei se (zie hierboven § G).
-ocr page 84-
Hoofdstuk II.
OVER PERSONEN OF RECHTSSUBJECTEN.
f\'um igitur huminum causa omne jus constitu-
tum sit, primo de personarum statu .... dicemus.
Hermogen. 1. 2 T). de statu liom. (1, 5).
§ 33. lïEGBIP EN SOOIJTEN VAN PERSONEN.
In technischen zin verstaat men onder persoon elk rechtsbevoegd wezen.
Rechtsbevoegdheid — wM te onderscheiden van handelingsbevoegdheid —
is de bevoegdheid om rechten te hebben en te verkrijgen. Persoon (sub-
ject van rechten) staat tegenover zaak (object van rechten). Eene zaak
kan alleen het voorwerp zijn van rechten, maar is niet vatbaar om rechten
te hebben (zie hieronder § ICO).
De begrippen mensch en persoon vallen naar Romeinsch Recht niet
geheel samen. In tweeërlei opzicht. Vooreerst zijn er menschen, die niet
als personen, maar als zaken worden beschouwd en behandeld: de slaven.
Van andere zaken onderscheiden zij zich door de vatbaarheid om per-
sonen te worden. "Wordt alzoo aan sommige menschen persoonlijkheid
ontzegd, omgekeerd wordt door het recht ook aan niet-menschen per-
soonlijkheid toegekend. Dergelijke personen noemt men rechtspersonen;
in tegenstelling daarvan heeten de menschen, voor zoover zij persoonlijk-
heid bezitten, natuurlijke personen.
Wij spreken in §§ 34—5G over de natuurlijke, in § 57 over de
rechtspersonen.
In personam servilem nulla cadit obligatie). ITlp. 1. 22 pr. T). de K. J. (L, 17).
Quod attinet ad jus civile, scivi pro ïmllis habentur: non tarnen et jure naturali,
quia, «niod ad jus natarule uttinet, omnes liomincs ae<|iiales sunt. Tip. 1. 32 IX cod.
Servituten! mortalitati fere comparamus. I\'lp. 1. 20\') 1). cod.
.....èvpÓTUTOf nzpz roïj vo/ioii c ScvXos. Theoph., ad § .\') I. quib. mod. obl. tuil.
, (111, 29).
.....hercditas personae vice fungitur, sicuti munirinium et decuria et societas.
Florentin. 1. 22 D. de fidej. (XXXXVI, 1).
5*
-ocr page 85-
68
§ 34. BEGIN EN EINDE DER NATUURLIJKE PERSOONLIJKHEID.
De persoonlijkheid van den vrije vangt aan met de geboorte, die van
den slaaf met het oogenblik, waarop hij van rechtswege of door vrijlating
vrij wordt.
Een kind wordt geacht geboren te zijn, wanneer er een zelfstandig,
levend, menschelijk wezen is ter wereld gekomen. Hierin ligt opgesloten:
1°. het kind moet, door natuurlijke of kunstmiddelen, van de moeder
zijn gescheiden.
Circa vcntrem ancillue nulla temporis admissa distinctie est ncc immerito, quia
partus nondum cditus homo non recte fuisse dicitur. Pa pin. I. !) § 1 D. ad leg.
Falc. (XXXV, 2).
.....partus enim antequam edatur, mulieris purtio est vel viscerum.....Ulp. 1. 1
§ 1 D. de insp. ventre (XXV, 4).
Quod dicitur lilium natum rumpere testamentum, natum aeeipe et si exsecto ventre
cditus sit: nam et hie rumpit testamentum, scilicct si nascatur in poteatate. Vip. I.
12 pr. D. de lib. et post. (XXVIII, 2).
Falsnm est eam peperisse, cui mortuac filius cxsectns est. Paul. 1. 132 § 1 1). de
V. S. (L, 1G).
2°. Het kind moet na de geboorte hebben geleefd, hoe kort dan ook;
onverschillig is het, hoe dat leven is gebleken. Betwist is de vraag, of
en in hoever levensvatbaarheid een vereischte is.
Qui mortui nascuntur, neque nati neque procreuti videntur, quia ïiumquam liberi
appellari potuerunt. Paul. I. 12\'.t ]). de V. S. (L, IC).
Quod certatum est apud veteres, nos decidimus. (\'urn igitur is qui in ventre porta-
batur praeteritus fuerat, qui, si ad hieem fuisset redactus, suus liercs patri existerct,
si non alius eum antecederet et nascendo ruptum testamentum faciebat, si postumus
in hunc quidem orbem derolutus est, voce autcm nou cmissa ab liac luce subtractus
est, dubitabatur, si is postumus ruptum t\'accre testamentum ]iotest. — Veteres animi
turbati sunt, quid de paterno elogio statuenduin sit. (\'umiiue Sabinianiexistimabant,
si vivus natus est, ctsi vocem non emisit, ruptum testamentum, apparet, quod, etsi
mutus fuerat, hoc ipsum faciebat, coruin etiam nos laudamus sententiam etsancimus,
si vivus perfecte natus est, licet ilico postquam in terram eeeiilit vel in maniluis
obstctricis decessit, nihilo minus testamentum currumpi, hoc tantummodo requirendo,
si vivus ad orbem totus proecssit ad nullum declinans monstrum vel prodigium.
Justinian. 1. 3 C. de post. her. (VI, 2!i).
Quid tarnen, si non intcgrum animal editum sit, rum spiritu tarnen, an adhuc
testamentum rumpat? Et tarnen rumpit. Vip. 1. 12 § 1 1). de lib. et post. (XX VIII, 2).
3°. Het moet een wezen van menschelijke gedaante, geene misge-
boorte zijn.
Non sunt liberi, qui contra formam hutnani geneiis converso more procreantur:
veluti si muiier monstrosiim aliquid uut prodigiosum cnixa sit. Partus autem, qui
membrorum humunorum officia ampliarit, uliquntcnus videtur effectus et idco inter
liberos connumerabitur. Paul. I. 14 I). de statu liom. (I, 5).
Quaeret aliquis, si portentosum vel monstrosiim vel debilem muiier ediderit vel
qualem visu vel vugitu novum, non humanae iigurae, scd alterius, mugis animalis
quam homiuis, partum, an, quia enixa est, prodessc ei debcat? Etmagisest, ut liaec
quoque parentibus prosint: nee enim est quod eis imputetur, quae qualitcrpotuerunt,
-ocr page 86-
69
statutis obtcmperavcrunt, neqne id quod fataliter ncccssit, matri damnum injungcrc
debet. tip. 1. 135 D. de V. S. (L, 16).
Vóór de geboorte bestaat er geen subject van rechten. Komt het kind
levend ter wereld, dan wordt er, waar het zijne rechten geldt, in meer
dan één opzicht gehandeld, als had het reeds bestaan op het oogenMik
der conceptie. Gedurende de zwangerschap der moeder worden, met het
oog op de toekomst, rechten voor het kind bewaard; door verschillende
maatregelen wordt voor zijne belangen gewaakt. De nieuweren drukken
dit, niet volkomen juist, aldus uit: nasciturus pro jam nato habetur,
quotiens de commodis ejus agitur.
Qui in utero est, perinde ac si in rebus hurr.anis esset custoditur, c|iiotiens de
commodis ipsius partus qnacritur: qunmqtinm nlii antcquam nascatnr nequaqnam
prosit. Paul. 1. 7 D. de statu liom. (I, 5).
Quod dicimus eum, qui nasci spcratur, pro superstite esse, tune verum est, ciim
de i]>sius jure quaeritur: aliis au tem non prodest nisi natas. 1\'aul. 1. 231 I). de
V. 8. (L, 16).
Qui in utero simt, in toto paene jure civili intelleguntur in rerum natura esse.
Xam et legitimae hereditates his restituuntur: et si praegnas muiier ab hostibus
eapta sit, id qnod natum erit postliminium liabet, item patris vel matris condicionem
sequitur: practerea si ancilla praegnas siibrcpta fuerit, (piamvis apud bonae fidei
emptorem pepererit, id quod natum erit tamimam furtivum usu non capitur: his
consequens est, ut libeitus quoque, quamdiu patroni lilius nasci possit, eo jure sit,
qno simt qui patronos habent. Julian. 1. 26 I). de statu hom. (1, 5).
Qui in utero est etsi in multis partibus juris eum jam nutis componitur, tarnen
ncijue in hae inquisitione neque in reliquis muncribus civilibus patri prodest, idque
dictum est in constitutione divi Sevcri. Modest. 1. 2 § 6 D. de excus. (XXYI1, 1).
Antiqui libero ventri ita prospexerunt, ut in tempus nascendi omnia ei juiaiiitegra
reservarent: sicut apparet in jure liereditatium, in quibus qui post eum gradum simt
adgnationis, quo est id quod in utero est, non udmittuntur, dum inceitum est, an
nasci possit. 1\'bi autem eodem gradu sunt ceteri quo et venter, tune quae portio in
suspenso esse debeat, quaesicrunt ideo, quia non poterant scire quot nasci possunt:
ideo nam multa de hujusmodi re tam varia et incredibilia creduntur, ut fabulis ad-
numerentiir. Nam traditum est et quattuor pariter puellas a matre familias natas
esse: alioquin tradidere non leves auctores quinquies quuternos enixam Peloponensi,
multas Aegypti uno utero septenos. Sed et tregeminos senatores cinctos vidimus
Iloratios. Sed et Laclitis seribit se vidisse in 1\'alatio mulierem liberam, quae ab
Alcxandria perducta est, ut Iladriano ostenderetur, eum qninque liberis, ex quibus
quattuor eodem tempore enixa, inqnit, dicebatur, quintum post diem quadragcnsi-
mum. Quid est ergo? Prudentissime juris auctores medietatcm quandam secutisunt,
ut quod fleri non rarum admodum potest, intuerentur, id est quia tieri poterat, ut
tregemini nasecrentur, quartam partem superstiti filio adsignaverint: to yïtf üirx* !} $/{,
ut uit Theophrastus, Trxpxfixtvovm ol vDpczérzt. Ideoquc et si unum paritura sit, non
ex partc dimidia, sed ex quarta interim hcres erit. Paul. 1. 3 1). si pars her. (V, 4).
/ Negat lex regia mulierem, <[iiae praegnas mortua sit, humari, antcquam partus ei
exeidatur: qui contra feecrit, spem animantis eum gravida peremisse videtur. Marcel).
1. 2 D. de mortuo int". (XI, 8).
Behoudens den overgang der vermogensrechten op de erfgenamen,
waarover nader in het Erfrecht, eindigt de persoonlijkheid door den
natuurlijken en den burgerlijken dood (over de capüis deminutio, zie
hieronder § 35).
-ocr page 87-
70
Wie op iemands dood aanspraken grondt, moet liet bewijs van den
dood leveren. Een aan zekere omstandigheden verbonden rechtsvermoeden
van overlijden kent liet Romeinsche recht niet. Over de fictie der Lex
Cornelia, zie hieronder § 38.
Ook het tijdstip van het overlijden moet bewezen worden door den-
gene, die rechten daarop wil steunen, dat de een vroeger dan de ander
is gestorven. Kan niet aangetoond worden, wie van verscheidene per-
sonen het eerst is overleden, dan wordt gehandeld, als waren zij gelijk-
tijdig gestorven; alle aanspraken, die van vooroverlijden afhankelijk zijn,
vervallen. Alleen wanneer ouders en kinderen bij hetzelfde ongeval zijn
om het leven gekomen, geldt, behoudens enkele uitzonderingen, als ver-
moeden, dat het onmondige kind vóór, het mondige na zijne ouders
is overleden.
Sed et in illo qiiaeritur, si punter pupillus et qui ei suhstitutus crat frater neces-
sarius deecsserit, an frater fratri exsistat heres an contra: vel si dnu invicem neces-
sarii subsütuti simt et una pericrint, an heredes exstitisse videantur: vel alter alteri
(hoc est si invicem) hereditatem rogati fuerint restituere. In quibus easibus si pariter
tleeesserint nee apparcat, quis ante spiritum emisit, non videtur alter alteri supcr-
vixisse. Marcian. 1. 18 pr. 1). de reb. dub. (XXXIV, 5).
Si ejtis, qui novissimus ex liliis mortuus est, partem hereditPtig propinqtio voluit
pater restitni et simul fratres diem siium obissent: propinquum, si non ustenderit
quis novissimus ubisset, ad partem bcreditatis non admitti, sed matiem ex Teitulli-
ano senatus consulto ad titriusque hereditatem admitti constat. Marcian. 1. 3") D. ad
SC. Treb. (XXXVI, I).
Si Lucius Titius eum filio pnbere, quem solum testamento scriptum heredem habe-
bat, perierit, intellegitur supervixissc lilins patri et ex testamento heres fuissc, et
tilii hereditas successoribiis cjus deferttir, nisi contrarium approbetur. Qnod si im-
pubcs eum patre lilins perierit, creditur pater supervixissc, nisi et hic contrarium
approbetur. Tryph. 1. 9 § 4 I). de reb. dub. (XXXIV, 5).
(Jum pubere filio mater naufragio periit: eum cxplorari non possit, titer prior
exstinctus sit, htimanius est credcre lilium diutius vixisse. .lavol. 1. 22 1). eod.
Si muiier eum lilio impubere naufragio periit, priorem lilium necatum csse intclle-
gitur. (iajus 1. 23 1). eod.
§ 35. RECHTSTOESTAND DEK NATUURLIJKE PERSONEN. CAPITIS DEMINUTIO.
(Inst. Lib. 1, Tit. 10: de capitis minutione).
Onder status verstaan de Romeinsche juristen het standpunt, dat, de
mensch, met betrekking tot zijne rechtsbevoegdheid, in de maatschappij
inneemt. Met het oog daarop onderscheidt men de menschonin: I. vrijen
en slaven; II. burgers en vreemdelingen; III. zelfstandige en afhanke-
lijke. Hiermede hangt samen de mogelijkheid van drieërlei verandering
van rechtstoestand (capitis deminutió). Maxima capitis deminutió onder-
gaat hij, die zijne vrijheid verliest on slaaf wordt; media capitis deminutio
treft dengene, die ophoudt Romeinsch burger te zijn; minima capitis de.-
minutio
komt voor bij hem, die losgemaakt wordt uit zijn familieverband,
die van afhankelijk zelfstandig wordt of omgekeerd, of van de eene
macht overgaat in de andere.
-ocr page 88-
71
Capitis minutio est status permutatio. Gajus 1. 1 I). de cap. min. (IV, 5).
Capitis deminutionis tria genera simt, maxima media minima: tria enim simt imac
habemus, libertatem civitatem t\'amiliam. Igitor eum umnia hacc amittimus, hoc est
libertatem et civitatem et t\'amiliam, maximum esse capitis demii.utiuncin : rum vero
amiltimus civitatem, libertatem rctinemtis, medium esse capitis deminutionem: cnm
et libertas et civitas retinetiir, tumilia tantum mutatur, minimam esse capitis demi-
nutionem constat. 1\'uul. 1. 11 D. cod.
EmancipatO lilio et eeteris personis capitis rr.inutio manifestu aeeidit, cum emunci-
pari nemo possit nisi in imaginariam servilem eausam dcductiis: aliter atque cum
servus manumittitar, quia servile caput nullum jus hubet ideocjuc nee minui potest:
Paul. 1. 3 § 1 1). eod.
hodie enim incipit statum habere. Modest. 1. 4 I). eod.
Het verschil tusschen burgers en vreemdelingen heeft in het latere
Komeinsche recht zijne practische beteekenis verloren (zie hieronder § 44).
De gewichtige gevolgen, die oudtijds aan de capitis deminutio minima ver-
bonden waren, zijn in het Justiniaansche recht bijna geheel weggevallen.
Capitis minutionc amittitur (se. ususfructus), si in insulam fructuarius deportctur,
vel si ex causa metalli servus pucuae elticiatur, et si statum ex adrogatione vel
adoptione mutaverit. 1\'aul., Sent. III, 6 § 29.
Sed nee per otnncm capitis deminutiunem hujusmodi detrimentum imminerc nostris
patimur subjectis. Quare enim, si filius familias l\'nerit is qui usum fructum habet,
fortc ex castrensi pcculio, ubi nee nsus fructus adi[uiritur ei, possessum, per emanei-
pationem cnm amittat? Sed secundum quod definitum est tune cum tantummodo
desinerc, cum usufructuarius vel res pereat, et tantummodo eum cum anima vel rei
substantie expirare, nisi pruedictoe exceptionis vigur reclamaverit. — Excepta vide-
licet tali capitis deminutiunc, quae vel libertatem vel civitatem Iiomanam possit
adimere: et tune enim usus fructus omnimodo ereptus ad suam rerertatur proprie-
tatem. .lustinian. 1. 1G § 2, § 3 C. de usu t\'r. (111, 33;.
1\'raeteiea aliquando lingimus adversarium nustrum capite deminutum non esse.
Nam si ex contractu nobis obligatus obligatavc sit et capite deminutus deminutave
fuerit, velut muiier per coemptionem, masculus per adrugationem, desinit jure civili
debere nobis, nee directo intendi potest sibi dare eum eamve oportere; sed ne in
potestate ejus .sit jus nostrum corrumpere, iutroducta est contra eum eamve aetio
utilis rescissa capitis deminutione, id est in qua fingitur capite deminutus deminutave
non esse. Gajus, Inst. 1\\\' § 38.
§ 30. VRIJHEID EN SLAVEKNIJ.
(Inst. Lib. 1, Tit. 3: de jure personarum; Tit. 4: de ingenuis).
De eerste verdeeling der menschen naar Romeinsch Recht is die in
vrijen en slaven. De vrije wordt in zijn doen en laten door de wetten
beperkt, maar de slaaf is geheel onderworpen aan de heerschappij van
een ander. Hij mist rechtsbevoegdheid, hij is „homo sine capite." In
zooverre staan alle slaven gelijk — in servorum condicione nulla
differentia est — al blijft hot verschil in hun feilelijken toestand ook
op hot rechtsgebied niet zonder invloed.
Summa itaque de jure personarum divisio hacc est, quod omnes liomines aut libcri
simt aut servi. Gujus 1. 3 1). de statu hom. (I, 5).
Libertas est naturalis facultas ejus quod cuique t\'accrc libel, nisi si quid vi aut
-ocr page 89-
Tl\'
jure proliibctnr. — Scrvitus est eonstitntio juris gcntium, qua quis dominio alicno
contrn natunim snbieitur. — Sorvi ex eo appellati simt, quod imperatoren captivos
vcndcrc ac per hoe servarc nee oecidcre solent: mancipia vero dicta, ipiod ab hosti-
bus manu capinntnr. Florcntin. 1. 4 ]). eod.
.Mancipionim qnoque tisus l\'ructus legato non debet abnti, sed secundtim condici-
onem cortim uti: nam si librarium rus mittat et ipialum et caleem portare cogat,
histrionem balniaturem faciat, vel de svmnhonia atriensem, vel de palaestra stereo»
rand is latrinis pracponat, abuti videbitur proprictate. — Sutficicnter au tem alerc et
vestire debet seeundum ordinem et dignitatcm mancipionim. Tip. 1. 13 § 1, § 2 I).
de usu fr. (VII, 1).
Itaquc proetor non ex omni causa injuriarum judieium servi nomine promittit:
nam si levitcr percussus sit vel m:\\ledietum ei leviter, non dabit actioncm: at si
infamatus sit vel facto aliipio vel carmine seripto. 1\'uto eausae cognitioncm practoria
porrigendam et ad servi ipialitatem: etenirn mtiltum interest, qualis servus sit, bonac
tïugi, ordinarius, dispensator, au vero vulgaris vel mcdiastinus an qualisqualis. Kt
ipiid si compeditus vel male notits vel notac extremae? Habcbit igitur praetor rati-
onem tam injuriac, quae admissa dicitur, quant personae servi, in quem admissa
dicitur, et sic aut permittet aut denegabit actioncm. Tip. 1. 15 § 44 I). de injur.
(XXXXYII, 10).
In den regel wordt den mensch zijn staat aangewezen door zijne ge-
boorte: bij wettige geboorte (zie hieronder § 54) volgt hij den staat van
zijn vader, bij onwettige geboorte dien van zijne moeder. In het eerste
geval beslist het tijdstip der conceptie, in het tweede dat der geboorte
of, volgens de latere vrijzinnige practijk, dat der conceptie of een tusschen-
liggend tijdstip, zoo het eene of andere voor het kind gunstiger is.
Cum legitimac nuptiae factuc sint, patrem liberi sequuntur: vulgo quaesitus matrem
sequitur. Cels. 1. lfl 1). de statu hom. (I, 5).
Lcx naturae liaee est, ut qui nascitnr sinc legitimo matrimonio matrem scqiiatur,
nisi lex speeialis aliud inducit. Tip. I. 24 1). cod.
Quod autcm placuit, si ancilla ex cive Romano conceperit, deinde manumissa
pepererit, qui nascitnr libcrutn nasei, naturali ratione tit; nam lii qui illegitime con-
cipiuutur, statum sumnnt ex eo tempore 4110 nascuntur; itaquc si ex libera nascun-
tur, liberi limit, nee interest ex quo mater cos conceperit, cum ancilla fuerit; at lii
i[iii legitime coneipiuntnr, ex conceptionis tempore statum sumunt. Gajus, lust. I §89.
Ingcnui sunt, qui ex matre libera nati sunt: sufficit enim liberam fuisse eo tempore
i|iio naseitur, lieet ancilla concepit. Kt e contrario si libera conceperit, deinde an-
cilla pariat, placuit cum qui naseitur libcrutn nasei. (Nee interest justis nuptiis con-
cepit au vulgo), quia nou debet calamitas matris noecre ei qui in ventre est. —
Ex boe quaesitum est, si ancilla praegnas manumissa sit, deinde ancilla postea facta
aut cxpulsa civitate pepercrit, libcrum an servum pariat. Kt tarnen rectius ])robatum
est liberum nasei et siifricere ei qui in ventre est liberam matrem vel medio tempore
habuisse. Marcian. 1. 3 § 2, § 3 D. de statu hom. (1, 5).
De vrijen worden onderscheiden in vrijgeborenen en vrijgelatenen. De
vrijgeborene behoudt dien staat, al is hij eenigon tijd feitelijk als slaaf
aangemerkt en daarna vrijgelaten.
Rursus liberorum hominum alii ingcnui sunt, alii libertini. — Ingcnui sunt qui
liberi nati sunt: libertini, qui ex justa serritute manumissi sunt. Gajus, lust. I
§ 10, § 11.
Ingenuam natam neque nutrimentorum sumptus ncque servitutis obseqiiium faciunt
ancillam neque manumissio libertinam. Gordiun. 1. 2 C. de ingen. man. (Vil, 14).
/
-ocr page 90-
73
Afgezien van het patronaatsreeht (zie hieronder § 42) staat de vrij-
gelatene privaatrechtelijk slechts in enkele opzichten achter bij den vrij-
geborene. Hij kan door den Keizer met een vrijgeborene worden gelijk-
gesteld, hetzij 1°. door toekenning van het jus aureorum anulorum,
waarbij evenwel het patronaatsreeht ongedeerd blijft, of 2°. door nataïmm
restitutio,
waardoor het patroiiaatsrecht vervalt. Justinianns bepaalde
in Nov. 78, dat deze beide rechten aan allo vrijgelatenen zouden toe-
komen , echter behoudens het recht van den patroon, zoo deze geen afstand
daarvan had gedaan.
Loge Julia prohibciitur nxorcs duccre senatores quidem libcriquc corum Iibertinas
et nuae ipsae ijuarnmvc pater materve artcm ltidicram fecerit, item corpore qnacstum
facientem. l\'lp. Fragm., XIII § I.
Libertinus si jus anulortira impetraverit, quamvis jura ingenuitatis salvo jure pa-
troni nactus sit, tarnen ingenuus intellegitur: et huc divns Iladrianus rescripsit.
1\'lp. 1. 6 D. de jure anr. anul. (XXXX, 10).
Intcrdutn et servi nati ex post facto juris interventu ingenui tiunt, ut eece si
libertinus a principe natalibus suis restitutus fuerit. IIIis enim utique natalibns rcsti-
tuitur, in quibus initiu omncs homincs fuerunt, non in quibus ipse nascitur, cum
servus natus csset. Hie enim, quantum ad tutum jus pertinet, perinde habetur,
atque si ingenuus natus esset, nee patronus ejus potest ad sucecssiunem venire. Ideo-
que imperatores non facile solent quemquam natalibus restituere nisi consentiente
patrono. Marcian. 1. 2 D. de nat. rest. (XXXX, 11).
Sed si jus anulorum acecpit, ]>uto eum reverentiam patrono exhibere debere, quam-
vis omnia ingenuitatis munia habet. Aliud si natalibus sit restitutus: nam priuceps
ingenuum facit. l\'lp. 1. 10 § 3 D. de in jus vue. (II, 4).
§ 37. BEGKIP DEB SLAVEHNIJ.
De slaaf geldt in rechte als eene zaak. Van andere zaken verschilt hij
in zoover, dat hij persoonlijkheid kan verkrijgen, dat hij rechtshande-
lingen voor zijn heer kan verrichten, dat hij verbintenissen kan aangaan,
die tot zekere hoogte worden erkend, enz.
Mancipii res sant .... servi et quadrupedes .... 1\'lp. Fragm., XIX § 1.
Servus qiioque merito ad sollemnia adhiberi non potest, cum juris civilis commu-
nionem non liabeat in totum, ne praetoris quidem cdicti. 1\'lp. 1. 20 § 7 I). qui test.
(XXVIII, 1).
>«" Cujus autem servus occisus est, ir. liberum arbitrium habet vel capitali crimine
rcum 1\'acere cum qni oeeiderit, vel hac lege (se. Aquilia) damnum persequi. Gajus,
Inst. III § 218.
.s Locum in quo servus sepultus est rcligiosmn essc Aristu ait. l\'lp. 1. 2 pr. 1). de
relig. (XI, 7).
De slaaf heeft rechtens geeno familie en kan geen huwelijk sluiten.
De geslachtsverbintenis tusschen slaven onderling of tusschen vrijen en
slaven (contubernium) is zonder rechtsgevolg, zie hieronder § 122. Na
de vrijlating echter vormt hunne bloedverwantschap, evenals bij vrijen,
een huwelijksbeletsel, zie hieronder § 124. Vg. ook § 10 I. de grad.
cogn. (III, 6).
-ocr page 91-
71
Non parcimti8 bis nominibus, id est cognatortim, ctiam i» servis: it:i(|iie parentes
et lilius fratresqne etiam servonim dicimus: sed ad leges serviles cognationcs non
pertinent. Paul. 1. 10 § 5 I). de grad. (XXXVIII, 10).
Serviles quoque cognationcs in hoe jinc observandae sunt. Igitur snam matrem
manutnissus non dn eet uxorem: tantundem juris est et in surore et sororis filia.
Idem e contrario dicendum est, ut pater tiliam non possit dncere, si ex servitutc
manntnissi sint, ctsi dubitetnr patrem eum esse. l"ndc nee vulgo cjnacsitam liliain
pater natnralis potest uxorem dncere, i|iioniam in contrahendis matrimoniis naturale
jus et pudor inspieiendus est: contra pudorem est autem filiam uxorem suam dncere.
Paul. 1. l-l § 2 D. de R. N. (XXIII, 2).
Parentes etiam eos accipi Labeo existimat, qni in servitutc suscepcrunt: neetamen,
ut Peverus diecbat, ad solos justos liberos: scd et si vulgo quaesitus sit filius, matrem
in jus non vocabit. 1\'lp. 1. 4 § ,1 D. de in jus voc. (11, 4).
Het recht van den meester over den persoon van den slaaf was oud-
tijds onbeperkt. Terwijl deze uitgebreide macht tijdens de Republiek
geene bezwaren opleverde, gaf zij in den Keizertijd aanleiding tot mis-
bruiken. "Wettelijke maatregelen tot bescherming der slaven tegen te
strenge straffen en te groote wreedheden van hunne meesters werden
het eerst genomen onder do regeering van Augustus, later vooral door
Hadrianus en Antoninus Pius.
In potcstate itaijue sunt servi dominurnm. Quae quidem potestas juris gentium est;
nam apud omncs peraeque gentes animadvertere possumus dotninis in servos vitae
necisque potestatcm esse; et quodcumque per servum adqniritnr, id domino adqui-
ritur. Ga jus, Inst. I § 52.
1\'ost legem Pctroniam et senatus consulta ad eam legem pertinentia dominis potestas
ablata est ad bestias depngnandas sno mbitrio servos tradere: oblato tarnen judici
servo, si justa sit domini qtterella, sic poenae tradetur. Modest. 1. 11 § 2 D. ad leg.
C\'oin. (XXXXVIII, 8).
Scd hoc tempore ncque civibus liomanis nee ui lis aliis hominibus ijni sub im]>crio
populi Komani sunt, licet supra modum et sine causa in servos suos saevire; nam
ex constitutione imperatoris Antonini qni sine causa servum suum oeciderit, non
minus teneri jubetur, 411:1111 qui alicnutn servum oeciderit. Sed et major quoque
asperitas dorninorum per ejusdem principis constitntioncm coereetur; nam consultus
a quibusdam praesidibus piovinciarum de bis servis qni ad t\'ana deorum vel ad
s\'tatuas principum confugiunt, praeecpit, ut si intolcrabilis videatur dorninorum sac-
vitia, cogantur servos suos vendere. Et utrumqiic recte fit; male enim nostro jure
nti non debemus; qua ratione et prodigis interdicitur bonorum suorum administratio.
Gnjus, Inst. 1 § 53.
Si clomiiius in servos saevierit vel ad impudicitiam turpemque violationem com-
pellat, quae sint partes pracsidis, ex rescripto divi Pii ad Aelium Marcianum pro»
consulcm Baeticae manifestabitnr. Cujiis rescripti verba haec sunt: „Dorninorum
quidem potestatcm in suos servos illibatam esse oportct nee cuiquam hominum jus
suum detrahi: scd dorninorum interest, ne auxilium contra sacvitiam vel tantum vel
intolerabilem injuriam denegetu.\' bis qui juste deprecantur. Idcoqite cognosce de
querellis eonim, qui ex familia Julü Sabini tid statnam confugcrunt, et si vel durius
habitos quam aequum est vel iul\'ami injuria affectos cognoveris, veniri jtibe ita, ut
in potestatc domini non revertantur. Qui si moiif constitntioni fraiidem fecerit, sciet
me admissum severius exsecuturum." Divus etiam Hadrianus ITmbriciam qnandain
matronam in quinquennium relegavit, quud ex levissimis causis aneillas atrocissiine
traetasset. 1\'Ip. 1. 2 I). de bis qui sui (l, (\'.).
l^uod autcm dicttim est, ut servos de dominis querentcs praefectus audiut, sic
/
-ocr page 92-
75
accipiemus non accusuntes dominos (hoc enim nequaquam scrvo pcrmittcndiim est
nisi ex causis rcccptis), sed si vcrccuudc cxpostulcnt, si saevitiam, si dnritiam, si
famcm, qua cos premant, si obscenitatem, in (jna cos compulerint vel compellant,
apud praefectum nrbi exponant. Hoc qiioqiic officium praefecto urbi a divo Severo
datum est, ut mancipia tueatur ne prostituantur. I"lp. I. 1 § 8 D. de offi pracf.
urb. (I, 12).
s De slaaf kan geen vermogen hebben. Al wat hij verkrijgt, verkrijgt hij
yS voor zijn meester, onverschillig of hij heeft gehandeld op zijn eigen naam,
op naam van zijn meester, op naam van een van diens andere slaven,
of zonder aanduiding van een persoon. Eene erfenis kan hij niet anders
aanvaarden, dan op last van zijn heer, die dan de erfenis verkrijgt. Zie
Inst. II, 9: per quns personas nobis adquiritur. — Inst. III, 17: de
stipulationc servorum.
— Inst. III, 28: per quas personas nobis óbligatio
adquiritur.
Igitur quod servi nostri ex traditionc nanciscuntur sivc quid stipulentur vel ex
qualibct alia causa adquirant, id nobis adquiritur: ipse enim, qni in potestate al-
terius est, nihil suum habcre potest. Ideoque si hcres institutus sit, nisi nostrojussu
hereditatem adire non potest, et si jubeutibus nobis adierit, bere.litas nobis adqui-
ritur, perinde atque si nos ipsi hcredes instituti essemus. Et bis convenienter scilicet
legatum nobis ])er eundem adquiritur. — Non solum autem proprietas per eos, (|iios
in potestate habemus, adquiritur nobis, sed etiam possessio: cujuscumqnc enim rei
possessionem adepti fuerint, id nos possiderc videmur. l\'nde etiam per eorum longam
possessionem dominium nobis adquiritur. Gajus 1. 10 § 1,§2 I). de A. H. D. (XXXXI, 1).
Etiam invitis nobis per servos adquiritur paene ex omnibus causis. Gajus 1. 32 D. eod.
Placet, quotiens adquiritur per aliquem hereditas vel quid aliud ei eujus quis in
potestate est, oonfestim adquiri ei eujus est in potestate, ncque momento aliquo
subsistere in persona ejus per quem adquiritur et sic adquiri ei eui adquiritur. 1\'lp.
1. 79 D. de A. v. O. H. (XXIX, 2).
Behoort de slaaf aan eenigen gemeenschappelijk, dan verkrijgt hij voor
iederen meester naar gelang van diens aandeel, tenzij hij bepaaldelijk
ten name van één hunner of wel op last van één hunner heeft gehandeld.
Communem servum pro dominica parte dominis adquircre certum est; exeepto co
quod uni nominatim stipuhuido aut mancipio accipiendo illi soli adquirit, velut eum
ita stipuletur Titio domino meo dari spon des? aut eum ita mancipio accipiat
liane rem ex jure Quiritium L. Titii domini mei essc ajo eaque ei
empta esto hoc acre ueneaque libra. —• Illud qnaeritur an quod domini
nomen adjectum effieit, idem faciat unius ex dominis jussurn intercedens. Nostri prae-
ceptores perinde ei qui jusserit soli adquiri existimant, atque si nominatim ei soli
stipulatus csset servus mancipiove accepisset. Diversae scholac auetores proindc utrisqiie
adquiri putant, ac si nullius jussurn intervcnisset. Gajus, Inst. III § 167, § \\i\\ln.
Servus communis sie omnium est non quasi singulorttm totus, sed pro partibus
utiqiie indivisis, ut intellcctu ma<;is partes habcant qunm corpore: et ideo si quid
stipulatur vel epiaqua alia ratione adquirit, omnibus adquirit pro parte, qua dominium
in co habent. Licet autem ei et nominatim alicui ex dominis stipulari vel traditam
rem accipere, ut ei soli adquirat. Sed si non nominatim domino stipuletur, sed
jussu unius dominorum, hoc jure utimnr, ut soli ei adquirat, eujus jussu stipulatus
est. l\'lp. 1. 5 D. de stip. serv. (XXXXV, 3).
Niet alleen de eigenaar verwerft door middel van zijne slaven, maar
ook de vruchtgebruiker door de slaven die hij in vruchtgebruik heeft,
-ocr page 93-
TG
namelijk voor zoover de verkrijging geschiedt met middelen door hem
verschaft of voortspruit uit den arbeid van den slaaf zelf. Hetzelfde geldt
van dengene, die te goeder trouw iemand als slaaf bezit.
Do liis nutem servis, in qnibus tantum usum fractum habemus, ita placuit, ut
qnidqitid ex re nostra vel ex opcris suis adquirant, i«"l nobis adquiratnr, si quidvero
extra cas cansas persecuti sint, id ad dominum proprietatis pertinet. Itaqne si is
servus heres institutns sit legatumvc ijnid ant ei duuatum fnerit, non mihi, sed
domino proprietatis adqniritnr. — Idem placet de eo, qui nobis bona fide possidetnr,
sivc libor sit sive alienus servus: quod enim placuit de iisufructuariu, idem probatur
ctiam de bonae fidei possessore. Itaqne qnod extra duas cansas adqniritnr, id vel
ad ipsum pertinet, si liber est, vel ad dominum ejus, si servus est. Gajns 1. 10 § 3,
§ 4 D. de A. U. 1). (XXXXI, 1).
Dikwijls staat de heer aan den slaaf een deel van zijn vermogen af
ter zelfstandige administratie (peculium); rechtens blijft dit eigendom
van den heer: hij kan het den slaaf elk oogenblik weder afnemen, hem
behoort wat deze ermede verdient. Wordt de slaaf door den meester bij
diens leven vrijgelaten, zonder dat het peculium hem wordt ontnomen,
dan behoudt hij dit als geschenk.
Pater familias liber „peculium\'" non potcst hnbere, quemudmodum ncc servus
„bona". l\'lp. 1. 182 I). de V. S. (L, 16).
Peculium dictiim est quasi pusilla pecunia sivc patrimonium pusillum. — Peculium
au tem T ubero quidem sic dcfinit, ut ( elsus libro sexto digestorum reren, qnod ser-
vus domini permissu separatum a rationibus dominicis habet, dcducto inde si quid
domino debetur. I\'lp. 1. 5 § 3, § 4 1). de pee. (XV, 1).
Peculium vindicta manumisso vel intcr amieos si non adimatur, donari videtur.
Quae ratio facit, ut ex justa causa possidens usneapere rem possit. Aliud in bis pla-
cuit, qui testamento libertatem accepernnt vel testamento parentis potcstate sotvuntur j
([«os amittere peculium, si non sit logatum, constitit, neqne cnim tacita libcralitas
dcfuncti pennittentis rctinere peculium potuit intcllegi. Fragm. Vat. § 261.
Door de contractuëele handelingen van den slaaf wordt in het algemeen
de heer niet verbonden. Slechts in eenige bepaalde gevallen verleent de
praetor, op grond van eene rechtshandeling van den slaaf, eene actie
tegen den meester, zoo bijv. wanneer de slaaf op diens last heeft gehan-
dcld; hoeft de slaaf een peculium, dan is de meester, met de praetorische
actio de peculio, aansprakelijk tot het bedrag van dat peculium. Zie over
deze zoogenaamde actiones adjectitiae qualitatis nader hieronder § 207.
Ten aanzien van den slaaf zelf gelden de door hem aangegane verplich-
tingen na de vrijlating als natuurlijke verbintenissen (zie hieronder § 179).
Mclior condicio nostra per servos fieri potcst, detcrior ficri non potcst. Gajus
1. 133 D. de R. .1. (L, 17).
in personam servilem nulla cadit obligatio. l\'lp. 1. 22 pr. D. ood.
(\'um servo nulla actio est. Gajus 1. 107 1). cod.
Si (|tiis servo peeuniam crediderit, deinde is liber factus eam expromiserit, nun
crit donntio, sed debiti solutio. Idem in pupillo, qni sine tutoris auctoritate debu-
orit, dicendum est, si postea tutore auctorc promittat. l\'lp. 1. 19 § 4 I). de donat.
(XXXIX, 5).
Si quod domintis servo debuit, manumisso solvit, qiinmvis existimans ei aliqua
teneri actione, tarnen repetere non poterit, quia naturale udgnovit debitum: ut cnim
-ocr page 94-
77
libcrtas nuturali jure cuntinctur et dominatio ex gentium jure introdneta est, ita
debiti vel non debiti ratio in condietione natnraliter intellegenda est. Tryph. 1. C4
D. de cond. ind. (XII, G).
Begaat de slaaf eene ongeoorloofde handeling, dan kan de heer worden
aangesproken tot schadevergoeding met eene aclio noxalis (zie hieronder
§ 205), welke gericht wordt tegen hem, die eigenaar is van den slaaf
op het oogenblik, dat zij wordt ingesteld. De aangesprokene kan zich
echter bevrijden door den slaaf aan den benadeelde over te geven. Na
de vrijlating kan men tegen den slaaf zelf eene vordering ter zake van
zijne delicten instellen.
Ex maleficiis tiliorum familias servorumque, velutt si furtum fecerint aut injuriam
commiscrint, noxales uctioncs proditae simt, titi licerct patri dominove aut litis
aestimationem Bufferre aut noxae dedere. Erat enim iniquum nequitiam corum ultra
ipsorum corpora parentibus dominisvc damnosam esse. — Omnes autem noxalcs
actioncs eaput secuntur. Xum si tilius tuus servusve noxam commiserit, quamdia in
tua potestate est, tecum est aetio; si in alterius potcstatem pervenerit, eum illo ih-
eipit aetio csse; si sui jtiris coepciit esse, direeta aetio eum ipso est, et noxae deditio
extinguitur. Ex diverso ([uoipic direeta aetio noxalis esse incipit. Nam si pater familias
noxam eummiserit, et is se in adrogationera tibi dederit aut servus tuus esse cuepc-
rit, ipiod quibusdam casibus accidere primo commentario tradidimus, incipit tecum
noxalis aetio esse quae ante direeta t\'uit. — Sed si lilius patri aut servus domino
noxam commiserit, nulla aetio nascitur; niilla enim omninu inter me et eum qui in
potestate mca est, obligatio nasci potest. Idcoqiic ctsi in alienain potcstatem per-
venerit aut sui juris csse coepciit, neque eum ipso ncque eum eo cujusnunc in potestate
est, agi potest. Unde quaeritur, si alienus servus filiusve noxam commiserit mihi,
et is postea in mea csse eoeperit potestate, utrum intercidat aetio an quiescat. Nostri
pracccptorcs interciderc putaut, quia in eum casum deducta sit, in (pio eonsisterc
non potuerit, ideoque, Heet exierit de mea potestate, agere me non posse; diversae
seholae auctores, quamdiu in mea potestate sit, quiescere actionem putaut, quia ipse
mceum agere non posstim, eum vcro exierit de mea potestate, tune eam resuscitari.
Gajus, Inst. IV § 7"), § 77, § 78 (vg. § G 1. de nox. act., IV, 8).
Scrvi ex delictis quidem obligantur et, si manumittantur, obligati rem ment: ex
contractibus autem eivilitcr quidem non obligantur, sed naturalitcr et obligantur et
obligaat. Denique si servo, qui mihi mutuam pecuniam dederat, manumisso solvam,
liberor. lip. 1. 14 D. de O. et A. (XXXXIV, 7).
§ 38. ONTSTAAN DER SLAVERNIJ.
De slavernij ontstaat of
I.   door geboorte uit eene slavin, waarbij echter in acht te nemen is
hetgeen, hierboven § 3G, gezegd werd omtrent het geval, dat domoeder
gedurende de zwangerschap vrij geweest is; of
II.   door eene latere gebeurtenis; hiertoe behoort het volgende:
a. wie in handen van den vijand valt, wordt, naar jus gentium, slaaf.
Sterft hij in do krijgsgevangenschap, dan sterft hij als slaaf. Hij wordt
echter gerekend gestorven te zijn op het oogenblik der gevangenneming.
Deze fictie, door eene Lex Cornelia ingevoerd ten einde de geldigheid
van een vóór de krijgsgevangenschap gemaakt testament te handhaven,
wordt later algemeen toegepast; zie hieronder § 134 Wie uit de gevan-
-ocr page 95-
7*
genschap terugkeert, herneemt al zijne vroegere rechten en bevoegdheden;
hij wordt geacht niet te zijn weg geweest (jus postliminii); verg. echter
over den invloed van de krijgsgevangenschap op het huwelijk, hier-
onder § 129.
Ejns, qni upud hostcs decessit, dici liereditas non potest, quia servus decessit.
ITlp. 1. 3 § 1 D. de V. S. (L, 1G).
Hostes simt, quibus helium publice populus Komanus decrevit vel ipsi populo
Komano: ceteri latrnnculi vel pracdones appelhintur. Et ideo <iui a latronibns captus
est, servus latronnm non est, nee postliminium illi nceessarium est: ab hostibus
autem captns, ut puta a Germanis et Partliis, et servus est liostium et postliminio
statum pristinum recuperat, 1\'lp. 1. 24 D. de eapt. (XXXXIX, 15).
In paee qnoque postlimininm datum est: nam si cum gente aliqua neqneamicitiam
neque hospitium neque foedus amicitiac causa factum habcmus, hi hostes qnidem
non simt, quod autem ex nostro ad eos pervenit, illorum lit, et liber homo noster
ab eis captus servus lit et corum: idemque est, si ab illis ad nos aliquid perveniat.
Hoe i|Uoiiue igitur casu postlimininm datum est. 1\'omp. 1. 5 § 2 I). eod.
Lege Cornelia testamentu eorum, qni in hostium potestate decesserint, perinde
confirmantur, ae si hi <iui ea feeissent in hostium potcstatem non pervenissent, et
liereditas ex his eodem modo ad unnmquemqne pertinet. Quare servus heres scriptus ab
eo, qui in hostium potestate decesserit, liber et heres erit seu velit seu nolit, Heet
minus propric necessarius heres dicatnr: nam et tilius ejns, qni in hostium potestate
decessit, invitus hereditati obligatur, quamvis suus heres dici non possit, qui in
potestate murientis non luit. Julian. 1. 12 I). qui test. (XXV11I, 1).
In omnibus partibus juris is, qui reversus non est ab hostibus, quasi tune deces-
sissc videtur, cum captus est. I\'lp. 1. 18 D. de eapt. (XXXXIX, 15).
Metro creditur in civitatc fuisse, qui ab hostibus advcnit. 1\'lp. 1. 1G I). eod.
Qui ab hostibus captus est, tcstamentum quasi servus faccre non potest. Sane valet
testamentum id quod ante captivitatem factum est, si revertatur, jure postliminii,
aut si ibidem decedat, bcneficio legis Corneliac, qua lege etiam legitimae tutelae
hereditatesque linnautur. Paul., Sent. III, 4a § 8.
1\'ostliminio redisse videtur, cum in unes nostros in traven t, sicuti amittitnr, tibi
fines nostros excessit. Sed et si in civitatcm sociam amicamve aut ad regent socium
vel amieum venerit, statim postliminio redisse videtur, quia ibi priinum nomine
publieo tutus csse incipiat. Paul. 1. 19 § 3 1). de eapt. (XXXXIX, 15).
.Nihil interest, qiiomodo captivus reversus est, utium dimissus an vi vel fallaeia
])otestatem hostium evaserit, ita tarnen, si ca meute venerit, ut non illo reverteretur:
nee enim satis est eorpore domum quem redisse, si meute alienus est. Sed et (pli
victis hostibus recupcrantur, postliminio redisse existimantur. Florentin. 1. 2G I). eod.
b. Een vrije, die, ouder zijnde dan twintig jaren en bekend met zijn
staat, zich als slaaf laat verkoopen aan iemand, die zijn staat niet kent,
ten einde zich later op zijne vrijheid te beroepen en den koopprijs met
zijn handlanger te deelen, wordt tot straf slaaf.
Conrentio privata neque servum quemquam neque libertum alicujus facerc potest.
Callistr. 1. 37 1). de lib. causa (XXXX, 12).
Majores viginti annis ita demum ad libertatcm proclamare non possunt, si pretium
ad ipsum qui veniit per venerit: ex ceteris autem causis, quamvis major viginti annis
se vcnum duri passus sit, ad libertatcm ei proclamare lieet. 1\'lp. 1. \'1 pr. I). ipiib.
ad lib. procl. (XXXX, 13).
In summa sciendnm est, quae de venditis servis, quibus denegatur ad libertatcm
proclamatio, dictu sunt, etiam ad donatos et in dotem datos referri possc, item ad
eos, qui pignori se dari possi sunt. Paul. 1. 23 § 1 I). de lib. causa (XXXX, 12).
y
-ocr page 96-
79
Homo libor, 4111 se vcndidit, manumissus non ad suum stutum revcrtitur, quo se
ahdicavit, sed efficitnr libertinac condicionis. Modest. 1. 21 D. de statu liom. (I, r>).
c. De vrijgelatene kan wegens ondankbaarheid jegens zijn patroon (zie
hieronder § 42) in slavernij teruggebracht worden, mits die ondankbaar-
heid behoorlijk voor den magistraat wordt geconstateerd.
Si manumissus ingrutus circa patronum suum extiterit et quadam jactantia vel
contumacia cervices adversus ciim erexerit aut levis offensae contraxerit culpam, a
pationis rursus sub imperia dicionemque mittatnr, si in judicio vel apud pedaneos
judiecs patroni querella exserta ingratum eum ostendat: liliis etiam <[ui postea nati
fuerint servituris, quoniam illis delicta parentium non nocent, quos tune ortos essc
constitcrit, dum libertate illi potirontur. Constant. 1. 2 pr. C. de libert. (VI, 7).
Behalve deze, ook in het Justiniaansche recht voorkomende, oorzaken,
kende het oudere recht nog verschillende andere gevallen, waarin men
de vrijheid verloor. Zoo werden o. a. slaaf degenen die veroordeeld
waren om in de mijnen te werken of aan de wilde dieren te worden
toegeworpen; in de Instituten (§ 3 I. quib. mod. jus pot, I, 12) wordt
deze bepaling nog vermeld, doch zij is later door Justinianus afge-
schaft in Nov. 22, cap. 8. Zoo werd, volgens het Sctum Claudianum
(fS2 n. C), de vrije vrouw, die, niettegenstaande het drie malen herhaalde
verbod van den heer, in gemeenschap had geleefd met een vreemden
slaaf, door rechterlijk vonnis tot slavin van dien heer verklaard. Justi-
nianus hief ook deze regeling op.
Maxima capitis demimitio est, per ijuam et ciritas et libertas amittitur: veluti ram
ineensus aliquis vcnierit, aut <juod muiier alieno servo se junxeiit denuntiante do-
mino et ancilla facta fucrit ex senatus consulto Claudiano. lip. Frugm., XI § 11.
Si muiier ingeniia civisque Romana vel Latina alieno se servo eonjunxerit, si
iiuidem invito et denuntiante domino in eodem contubernio perseveraverit, efficitur
ancilla. 1\'aul., Sent. II,\'21a § 1.
Krat et ex senatus consulto Clandiano miscrabilis per universitatem adquisitio,
eum libera muiier servili araure baccliata ipsam libertatcm per senatus consultuin
amittebat et eum libertate substantiam: quod indignum nostris temporibus esse existi-
mantcs et a nostra eivitate deleri et non inseri nostris digestis concessimus. §11.
de succ. subl. (III, 12).
Solam temporis longinquitatem, etiamsi sexaginta aniiorum curricula excesserunt,
libertatis jura minimc mutilare oportere congruit aeqnitati. Constant, et Licin. 1. 3
C. de long. temp. praescr. (Vil, 22).
1
§ 39. EINDIGEN DEK SLAVERNIJ.
De slavernij, die ontstaan is door krijgsgevangenschap, eindigt zoodra
de gevangene terugkeert (zie hierboven § 38). Verder kan elke slavernij
eindigen door vrijlating, mamtmissio (zie hieronder §§ 40 en 41).
Manumissiones quoqiic juris gentium sunt. Est autem majiumissio de manu missio,
id est datio libertatis: nam quamdiu quis in servitute est, manui et potestati sup-
positus est, manumissus liberatur poteutate. Quac res a jure gentium originem sumpsit,
utpote eum jure naturali omnes libcri naseerentur nee esset nota manumissio, eum
servitus esset incognita: sed postea<iuam jure gentium servitiis iuvasit, seeutum est
benclicium manumissionis. Et eum 11110 naturali nomine liomines appellaremur, jure
-ocr page 97-
80
gcntium tria genera esse coepenint: liberi et his contrarinm servi et tertium genus
liberti, id est hi qui desierant esse servi. Ulp. 1. 4 D. de just. et jure (I, 1).
In verscheidene door de wet aangewezen gevallen verkrijgt de slaaf
van rechtswege de vrijheid, hetzij om hem voor eene goede daad te be-
loonen, of om den heer te straffen. Hiertoe behooren o. a. de volgende:
1°. de slaaf, die den moordenaar van zijn heer aanwijst, wordt vol-
gens het Senatusconsultum Silanianum (11 n. C.) door den praetor vry
verklaard.
Ili quoque, qui non potiierunt alias ad libertatem pervenirc, ut puta si hac lege
distractus erat quis, ne manumitteretur, potcrunt propter hoc, quod in commune
utile est, ad libertatem pervenirc. Ulp. 1. 3 § Ij D. de SC. Silan. (XXIX, 5).
C^iii ob neeem deteetam domini praemium libertatis consequitur, fit orcinus libertus.
Marcian. 1. j 1). qui sinc manum. (XXXX, 8).
Si necem domini detcxerit servus, praetor statuere solet, ut liber sit: et constat
eum quasi ex senatus consulto libertatem eonseeutum nulliiis esse libertum. Paul.
1. 4 pr. D. de bon. lib. (XXXVIII, 2).
2°. De slaaf, die een valschen munter, een maagdenroover of een
deserteur aanbrengt, wordt met de vrijheid beloond.
Servi, qui monetarios adulterinam monetam clandestinis scelcribus exercentes
dctulcrint, civitatc llomana donantur, ut corum dumini pretium a fisco percipiant.
Constant. 1. 2 C. pro quib. caus. (VII, 13).
Si quis servus raptus virginis facinus dissimulationc praetcritum aut paetione traus-
missum detulerit in publicum, libertate donctur. Constant. 1. 3 C. cod.
Si desertorem servus prodiderit, libertate donetur. Valenün. et Theod. 1. 4 C. eod.
3°. De slaaf, die, ziek zijnde, door zijn meester wordt verstooten,
verkrijgt de vrijheid.
Servo, quem pro derelicto (lominus ob gravcm intirmitatem habuit, ex cdicto divi
Claudii eompetit libertas. Modest. 1. 2 I). qui sine manum. (XXXX, 8).
4°. De slavin, die verkocht is onder voorwaarde, dat zij niet zouwor-
den geprostitueerd, wordt vrij, zoo die voorwaarde wordt overtreden.
Si quis obligatum servum hac lege cmerit, ut manumittat, eompetit libertas ex
constitutione divi Marci, liect bona omnia quis obligaverit, quae habet habiturusve
csset. Tantundem dieeudum est et si hac lege cmerit, ne prostituatur, et prostitucrit.
Marcian. 1. fi D. cod.
Eam, quae ita venit, ne corpore quaestum fuceret, nee in caupona sub specie
ministrandi prostitui, ne fraus legi dictae fiat, oportet. Alcx. 1. 3 C. si manc. ita
ven. (IV, üG).
/Ook door verjaring kan de slaaf de vrijheid verwerven, wanneer hij
gedurende langen tijd te goeder trouw en op grond van een behoorlijken
titel ongestoord als een vrije heeft geleefd.
Praestat firmam dcfensionem libertatis ex justo initio longo tempore obtenta pos-
sessio. Favor enim libertatibus debitus et salubris jam pi idem ï\'atio suasit, ut his,
S qui bona lide in possessione libertatis per viginti annorum spatium sine interpellationc
morati essent, pracscriptio adversus inquietudinem status corum prodesse debcret,
ut et liberi et cives tiant lioinani. Diocl. et Maxim. 1. 2 C. de long. temp. praescr.
(VII, 22).
S
-ocr page 98-
Ml
§ 40. HE VKRKISCI1TEN DEK VRIJLATING.
(Inst. Lib. 1, Tit. 5: de libertinis).
Zul de vrijlating het meest volkomen gevolg te weeg brengen, zal zij
den slaaf de vrijheid en het burgerrecht verschallen, dan moet aan de
volgende vereischten voldaan zijn:
I.   de vrijlater moet het uitsluitend en onbeperkt civielrechtelijk eigen-
domsrecht op den slaat\' hebben (zie hieronder § 144). Voor het geval,
dat slechts één van verscheidene medeëigenaren den slaaf vrijlaat, geeft
Justinianus eene nieuwe regeling in 1. 1 C. de serv. comni. (VII, 7).
Sed et illud obaervandum, ut is <jui manum ittitur in bonis manumitteutis sit- et
idco si tHiitnm ex jure Quiritium sit manumitteutis, non erit Latinus: necesse est
ergo servum non tiinttim ex jure Quiritium, sed etium in bonis esse manumitteutis.
Fragm. Dosith. § 9.
Servus, in ciuo alterius est ususfructus, alterius proprietas, a proprietatis domino
manumissus liber non rit, sed servus sine domino est. I\'lp. Kragm., 1 § 19 Czie 1. 1
C. comm. de manum., VU, 15).
Servus pignori datus, etiamsi debitor locuples est, manumitti non potest. Paul.
1. 3 n. de rcanum. (XXXX, 1).
(\'ommunem servum unus ex dominis mannmittendo partem stiam :imittit, eaque
adcrescit socio, maxime si eo modo manumiserit, quo, si proprinm liaberet, civetn
Itomanum facturus esset. Nam si inter amicos eum manumiserit, plerisque placet
rara nihil egisse. lip. Fragm., 1 (5 18.
II.   De vrijlating moet in den behoorlijken vorm geschied zijn. Volgens
het oude recht zijn er drie wijzen van vrijlating. waaraan volledig rechts-
gevolg is verbonden: vindictn, cm*u, testament o.
Cives Komani simt liberti, ciui legitime mantimissi simt, id est vindieta aut eensii
aut testamento, uullo jure impediente. I\'lp. Fragm., 1 § 0.
a. De vrijlating voor den magistraat {vindieta) vond eertijds plaats
in den vorm van een proces over het eigendomsrecht op den slaaf (zie
hieronder § 46). Hij die als eischer optreedt, adsertor libertatin, gewoon-
lijk een der lictoren, die den praetor begeleiden, raakt den slaaf met
zijn staf (fextuca, vindieta) aan, onder het uitspreken van de woorden:
ajo hunc hominem liberum esse ex jure Quiritium; de meester
spreekt dien eisch niet tegen, geeft veeleer te kennen, dat hij den slaaf
wenscht vrij te laten, waarop dan de magistraat den man vrij verklaart.
In lateren tijd vielen de vormelijke woorden, de tnsschenkomst van den
bij zonderen eischer, kortom het geheele schijnproces weg, zoodat de
handeling eenvoudig bestond in eene verklaring, door den meester voor
den praetor afgelegd.
Vindieta maiiumittuntur apud magistratum populi Komani, velut consulent prae-
toremve vel proconsulem. UI)). Fragm., I § 7.
Ego cum in villa cum praetore luissem, passus sum apud eum manumitti, etsi
lietoris praesentia non esset. I f lp. 1. 8 I). de manum. vind. (XXXX, 2).
Manumissio per lictorea hodie domino tacente expediri solet, et verba sollemnia
licet non dicantur, ut dictn aeoipiuntur. Ilrrmogen. 1. "i.\'l 1). eod.
Hom. recht. I, 2e druk.                                                                                       G
-ocr page 99-
82
Non est omnino neeessc pro Iribunali manumittere: itaqtie plcrumque in transitu
servi mannmitti solent, cntn aut lavandi aut gestandi aut ludonim gratia prodierit
praetor aut proconsul lcgatusvu Caesaris. Gajus 1. 7 ]), eod.
An itjmd se manumittere possit is <ini consilium praebeat, sacpe quacsitum est.
Kgo, c[iii meminissem Javolenum pracceptorem mcum ot in At\'rica et in Syria servos
siios manumississe, cum consilium praeberet, cxcmpliim ejus secutus et in practnra
et consulatu meo quosdam ex servis meis vindictn libcravi et quibusdam praetoribus
i\'onsulentibus me idem suasi. .lulian. 1. .1 1). eod.
Omucs pi\'oconsules statim imam urbem egrcssi fuerint habent jurisdictionem, scd
non contentiosam, scd voluntariam: ut eccc mannmitti apud cos possunt tam liberi
i|iiam servi et adoptiones licri. Marcian. 1. 2 pr. I). de off. procons. (I, 16).
b. De vrijlating bij gelegenheid van den census bestaat hierin, dat de
heer den slaaf als Romeinseh burger laat opnemen in de lijsten van den
censor. Met liet verdwijnen van den census verviel deze wijze van vrij-
lating; in de Instituten komt zij niet meer voor.
.... Censu autcm proccdebat in hunc modura. Census erat tabula vel charta, in qua
Ilomani suas conscribcbant facultates, ut tempore belli pro modo proprii patrimonii
quisque conferret. In hoc igitur censu, si iiuando servns jussu domini sese libcrum
scripsisset, liberabatur a servitute .... Theoph., ad § 4 l. de libert. (I, 5).
Censu manumittebantur olim qui lustrali censu Komac jussu dominorum inter civcs
Uomanos censum profitebantur. Ulp. Fragm., I § 8.
Kt qui censu manumittitur, si trigintu annos habeat, civitatcm Homanam nancis-
citur. Census autem Romae agi solet et pcracto censu lustrum conditur: est autcm
lustrum quinquennale tempus, quo Koma lustratur. Sed debet hic servus ex jure
Quiritium manumissoris esse, ut civis Romanus iiat. Magna autem dissensio est inter
peritos, utrum co tempore vires accipiant omnia, quo in censu aguntur, an eo tem-
pore quo lustrum conditur. Sunt enim qui existimant non alias vires acciperc quae
in censu aguntur, nisi haec dies sequatur, qua lustrum conditur: existimant enim
censum descendere ad diem lustri, non lustrum recurrerc ad dicm census. Quod idco
quaesitum est, quoniam omnia quae in censu aguntur lustro confirmantur. Sed in
urbe Koma tantum censum agi notutn est: in provinciis autem magis professionibus
utuntur. Fragm. Dosith. § 17.
1: De vrijlating bij testament kan op tweeërlei wijze geschieden: of
de erflater laat onmiddellijk zijn slaaf vrij, of hij draagt, als fideicommis,
do vrijlating op aan zijn erfgenaam of legataris. Tijdens de Republiek
kon deze niet worden gedwongen, aan die opdracht van den erflater
gevolg te geven. Eerst sedert Augustus werd, door verschillende
Senaatsbesluiten, de uitvoering van het fideicommis verzekerd, en wel
.achtereenvolgens voor verschillende bijzondere gevallen. Eindelijk bepaalde
Justinianus algemeen, dat, bij iedere vertraging in de nakoming der
opdracht, de overheid aan den slaaf de vrijheid zou toekennen.
Ut testamento manumissi liberi sint, lex duodecim tabularum facit, quae conftr-
mat......Ulp. Fragm., I § 9.
Testamento manumissus ita demiim fit liber, si testamentum valeat et ex co adita
sit hereditas, vel si quis omissa causa testament! ab intcstato possidèat hercditatem.—
Testamento data libertas competit pure quidem data statim, quam adita fncrit lierc-
ditas vel ab 11110 ex hcredibus: si in diem autem libertas data est vel sub eondicione,
tune competit libertas, cum dies venerit vel condicio extiterit. Marcian. 1. 23 I). de
manum. test. (XXXX, -4).
-ocr page 100-
s:i
Libertes et directo potest dari hoc modo: Liber esto, libor sit, li herum
esse jubco, et per lidcicommissiim, ut pnta: rogo, t\'idci committo heredis
mei, ut Stichnm servum m......munt. — Is, (rui directo liber esse jussus est,
orcinus lit libertus: is autcm, cui per lideicommissum data est libertas, non tcsta-
toris, sed manumissoris lit libertus. — 1\'cr lideicommissum libertas dari potest tam
proprio servo testatoris quam heredis aut legatarii vel cujuslibet extranei servo. Ulp.
Fragm., II § 7, § 8, § 10.
Subventum libertatibus est senatus coiisnlto, quod t\'actum est temporibus divi
Trajani Kubrio Gallo et C\'aelio Hispone consulibus in haec verba: „si hi, a quibus
libertatem praestari oportet, evoeati u practore adesse nolnissent, si causa cognitn
practor pronuntiasset libertatem his deberi, eodem jure statum servari, ac si directo
manumissi essent." \'Tlp. 1. 20 § 7 D. de tideicomm. lib. (XXXX, 5).
Ancillam scu servum, cum tideicommissaria libertas eis rclicta sit, sancimus, si
mora a debitore libertatis facta fuerit, sententia praesidis eripi ad libertatem et nullo
facto aut volnntate ab herede expectanda, sed talem haberc cos libertatem, quasi ah
ipso tcstatore directis verbis fuerint libertatem consecuti, cum satis impiuin atque
absurdum est heredes testatoris differre voluntates, maxime cum ad libertatem rcspi-
eiant. Justinian. 1. 15 C. de tideicomm. lib. (VII, 4).
De testamentaire vrijlating kan met een termijn of onder eene voor-
waarde plaats hebben. De aldus vrijgelatene (atattdiber) blijft, tot dat
de termijn aangebroken of de voorwaarde vervuld is, slaaf, met alle ge-
volgen aan dien toestand verbonden. Bij het verschijnen van den termijn
of de vervulling der voorwaarde wordt hij onmiddellijk vrij.
Statuliber est, qui statutam et destinatam in tempus vel condicionem libertatem
habet. Paul. 1. 1 pr. D. de statulib. (XXXX, 7).
Statulibcri a ceteris servis nostris nihilo paene dillerunt. Et ideo c[Uod ad actiones
vel ex delicto venientes vel ex negotio gesto contractu pertinet, ejusdem condicionis
sunt statulibcri cujus eeteh. Et ideo in publicis quoque judiciis easdem poenas pati-
untur, quas cetcri servi. Pomp. 1. 2!) pr. I). eod.
Qui sub condicione testamento liber esse jussus est, statu liber appellatur. —
Statu liber, quamdiu pendet condicio, servus heiedis est. — Statu liber scu alienctui\'
ab hercde sive usucapiatur ab aliquo, libertatis condicionem secum trahit. — Sub
hac i\'i ii al ie ii mr liber esse jussus, si decem milia heredi dederit, etsi ab herede
alienatus sit, emptori dando pecuniam ad libertatem perveniet: idque lex duodecim
tabularum jubet. — Si per heredem factum sit, quo minus statu liber condicioui
parcat, proinde lit liber, atque si condicio expleta t\'uisset. I\'lp. Fragm., II §§ 1—5.
Statuliberum medio tempore servum hcredis esse nemo est qui ignorare debcat:
euproptcr noxae dedi poterit. Sed deditus spcrare adhuc libertatem poterit: nee cnim
deditio spem illi adimit libertatis. — Si statuliberum non eadem coiidicione heres
vendat, causa ejus immutabilis est et luere se ab co potest simili modo ut ab herede.
Si tarnen suppresscrit condicionem statuliberi? Et ex empto quidem tenetur: gravi-
ores autcm etiam stellionatus crimen inportant ei, qui sciens dissimulata condicione
statutae libertatis simpliciter eum vendidcrit. I"lp. 1. 9 pr., § I D. de statulib.
(XXXX, 7).
De beschikking, waarbij de meester den slaaf tot erfgenaam instelde
of tot voogd benoemde, zonder hem uitdrukkelijk vrij te laten, werd
door de juristen verschillend uitgelegd. Justinianus bepaalde, dat in
beide gevallen eene stilzwijgende, directe vrijlating zou worden aange-
nomen (zie hieronder § 138).
Sed noster servus simul et liber et heres esse juberi debet, id est hoc modo
-ocr page 101-
S4
Sticli iis scrviis mens I i l><> r Inresquc csto, vel horea I i b e r i| u e esto. —
Nuin si sine libertate heren institutus sit, etiamsi poste» mnnnmissus fuerit a domino,
heres esse non |iote.st, quia institutio in persona cjus non eonstitit, idcoqtic lieet
.ilieiiatus sit, non potest jiissti domini novi cerncre hercditatem. Gajus, lnst. II
§§ 186, 187.
C\'uin vos servi coustituti sub appcllatione libertorum heiedes scripti essetis, en
scriptiim benigna interpretationc perindc habenda est, ac si liberi et heredes instituti
fuissetis. Quod in legato locum non habet. Antonin. 1. 2 (\'. de nccess. et serv. lier.
(VI, 27).
Servus alienus ita dari tutor potest „si liber eiit, tutor esto". t^iiin immo et si
pure datus sit, videtur incsse haec condicio „cnm liber erit". 1\'otest autem quis et
extraneo servo defendere ex hac causa tideicommissariam libertatem: qtiid enim in-
terest, suum servum an alienum tutorem scripserit, etim pupilli favore et publicuc
utilitatis adsumpta libertas sit in persona ejus, qui tutor scriptus est? Potest igitur
et huic lideieummissaria libertas det\'endi, si voluntas apertissime non refragetur. ITlp.
I. 1(1 § 4 D. de test. tut. (XXVI, 2).
Etsi non adscripta libertate testatoi servum suum tutorem tiliis suis dederit, ie-
eeptnm est et libertatis et pupillorum favore, ut per lideicommissum manumisisse
eum videatur. — Kt si non suum proprium, sed alienum servum condicionem ejus
sciens tutorem adscripserit, aeqiic fideicommissariam libertatem datam, nisi aliud
evidenter defunctum sensisse appareat, piudentibus placuit. Valer, et Gallien. 1. in
(\'. de tideicomm. lib. (VII, 4).
1,\'um igitur invenimus a nostro jure hoe esse induetum . ut, si quis servum suum
tutorem liliis suis reliquerit sine libertate, ex ipsa tutelae datione praesumatur etiam
libertatem ei favore pupillorum imposuisse, quare non hoe et in hereditute et liu-
manius et favore libertatis indueimus, ut, si quis servum suum scripserit heredem
sine libertate, omnimodo eivis Romanus efficiatur? — Quo inducto neque adquisitio
neque tam effusus veterum atque inextricabilis tractatus locum liabeat. Neque enim
ferendum est supponcre quosdam ita esse supinos, ut eundem servum et heredem
instituant sine libertate et item alii per legatum eundem servum adsignent. Justinian.
1. 5 §§ 1/), lc C. de necess. et serv. her. (VI, 27).
Om te voorkomen dat de vrijheid, bij testament geschonken, zou wor-
den verijdeld, doordien de erfenis niet werd aanvaard, heeft Keizer
Marcus aan de belanghebbende vrijgelatenen voor dat geval het recht toe-
gekend, zich den boedel te doen toewijzen (addict \'m bonorum libertatum
conservandarum gratia).
Verba rescripti ita se habent: „Si Virginio Valenti, qui testamento suo libertatem
qitibusdam adscripsit, nemine successore ab intestato existente in ea causa bomt esse
coeperunt, ut veniri debeant: is cujus de ea re notio est aditus rationcm desiderii
tui habebit, ut libertatium tam earum, quae directo, quam earum, quae per speciem
lideieommissi relictae simt, tucndariim gratia addicantur tibi, si idonee creditoribus
caveris de: solido ipiod cuique debetur iolvendo. Et lu quidem, quibus directa libertas
data est, perinde liberi erunt, ac si hercditas udita esset: hi autem, quos heres
rogatus est manumittere, a te libertatem consequantur: ita ut si non alia condicionc
velis bona tibi addici, quam ut etiam qui directo libertatem acecperunt tui liberti
liant, nam huic etiam voluntati tuae, si ii de quorum statu agitur consentiant, aucto-
ritatem nostram accommodamus. Et nc hujus rescriptionis nostrae "emoliimentutr. alia
ratione irritum liat, si fiscus bona agnoscere volucrit: et hi qui rebus nostris alten-
dunt scient eommodo pecuniario praefcrendam libertatis causam et ita bona cogenda,
111 libertas bis salva sit, qui eam adipisci potuerunt, si bereditas ex testamento adita
esset." § 1 1. de eo eui lib. causa (111, 11).
-ocr page 102-
H5
d. Onder Konstantijn wenl nog ingevoerd de vrijlating in de kerk;
zij geschiedde ten «verstaan van den liisschop en de gemeente.
.hun (lnHurn placnit, ut in ecclesia catholica libertntem domini suis famulis praestare
posgint, si sub adapectu plebis adsistentibus (\'hiistianorum antistitibus id faciant, ut
prupter facti memoriam vii-i; acturum interponatur qualiscumquc scriptura, in qua
ipsi vice testiuin signent, (Inde a vobis quoque ipsis non immcrito dandae et relin-
quendac simt libertates, qtto ipiis vostrum puctu vuliicrit, dummodo vcstrao voluntutis
evidens appareat testimonium. Constant. 1. 1 (\'. do liis ipii in cccles. (I, 13).
Naast deze vormelijke wijzen van vrijlating, waardoor het volledige
rechtsgevolg werd bereikt, waren er ook niet-vormelijke in gebruik.
Thoophilus, ad § 4 I. de libert. (I, 5), vermeldt er eenige: do meester
beveelt den slaaf met hem aan te zitten, of hij schenkt den slaaf do
vrijheid in bijzijn van eenige vrienden. Rechtens werd de slaaf daardoor
niet vrij (zie nader hieronder § 41). Justinianus vermeerderde het
aantal manieren van vrijlating en verleende aan alle gelijke kracht, be-
paalde echter tevens, op welke wijze de wil tot vrijlating duidelijk zoude
moeten blijken.
Zie .lustiniun. I. un. (\'. do Lat. lib. tuil. (VII, 6).
111. Aan de vrijlating moet geen wettelijk Iteletsel in den weg staan.
Zie daarover nader in de volgende S-
Nam in ciijus personu triu haec concurrunt, ut major sit aunorum triginta, »:t
ex jure (|uiiitiuin domini, et justa ac lugitima maiiiimissione libcretur, id est vin-
dicta nut censu atit testamento, is civis liuinnnus lit; sin veto aliipiid forum deerit,
Latinus crit. üajus, lust. 1 § 17.
§ 41. VEKVOUJ. DE BEVOK(iDHKll) TOT VKULATUfO.
(Inst. Lib. 1, Tit. (J: qui ex quibus causis manumittere non possunt.
Tit. 7: de lege Fufla Caninia sublata).
Oudtijds was de bevoegdheid tot vrijlating onbeperkt. Toen daarvan
evenwel, ten gevolge van het toenemende zedenbederf en van andere
omstandigheden, misbruik werd gemaakt, en er te veel vrijgelatenen
kwamen, die het burgerrecht niet verdienden en voor den Staat een ge-
vaar opleverden, heeft men onder Augustus verschillende beperkingen
ingevoerd.
/Door eene lex Fufla Caninia (8 n. C.) werd het aantal slaven bepaald,
dat men bij testament zou mogen vrijlaten.
Lex Kulia Oaniniu jubel testamento ex tribus servis non plures quam duos manu-
mitti, et usque ad decent dimidiam partem manumittere concedit: u deeem usciue ad
triginta tertiam partem, ut tarnen adhue <ptiinpie manumittere lieeat itequu ut ex
priori numero: a triginta usque ad centum ipiartam partem, ueipie ut deeem ex
superior) numero liberari possint: a oentutn usque ad quingentos partem quintam,
similiter ut ex anteccdenti numero viginti quinque possint lieri liberi. Et denique
praecipit, uc plures omnino quam centum ex cujusquam testamento liberi Kant. —
Kade))) lex cavet, ut libertates servis testamento nomiuatim dentur. lip. r\'rajjjm.,
1 §§ 24, 25.
-ocr page 103-
86
Ac nu ad cos quidem umnino haeo lex pertinet, qui sine tcstamento mauumittuiit.
Ituquc licel iis (|iii vindicta uut censu uut inter amicos inunuinittiiiit, tutuin luiuiliam
liberare, scilioct si alia causa mui inpcdiat libcrtatem. — Nam et si tcstamcnto
scriptie in orbem scrvis libertas data sit, qui» ntdlus ordo mauumissiunis invciiitur,
111111 i liberi crnnt, quia lex Fufiu Caninia quae in fruudcm i-jus fiicta sint rescindit.
Simt etiam gpecialia senatusconsultu, quibus rescissa simt ca quae in fraudem ejus
li\'jjis cxcogitatu simt. Gajus, lust. I §§44, 46.
Van meer uitgebreide strekking is de lex Aelia Sentia (4 n. C). Zij
lievat o. a. de volgende voorschriften:
1°. De heer, die den leeftijd van twintig jaren nog niet heeft bereikt,
mag niet anders vrijlaten dan voor den magistraat. Vooraf moet voor
eene daartoe aangewezen commissie het bestaan eener voldoende reden
van vrijlating zijn gebleken.
2°. De vrijlating van een slaaf beneden dertig jaren is aan dezelfde
beperkende bepalingen onderworpen.
Quud autem de aetatc scrvi requiritur, lege Aelia Sentia introdiictum est. Nam
ca lex uiinorea triginta annorum servos non aliter voluit maiiumissos civcs Romanos
lieri, qiiam si vindicta, apud consilium justa causa manumissionis adprobata, libcrata
fuerint. — .Insta autem causa manumissionis est veluti si quis lilium liliamve aut
fratrem sororemvc naturalem, aut alumnum, aut pacdagogum, autservum prucuratoris
liubeiidi gratiu, aut uneillam matrimonii causa apud eousilium manumittat. - Con-
siliuin autem adhibetur in urbe Koma quidem quinque sciiaturum et quinquecquitum
üomanorum pubcrum; in provinciis autem viginti recupcratorum civium Itomaoorum,
idque tit ultimo die conventus; sed Komao certis diebus apud consilium manumittuntur.
Majores vero triginta annorum servi sempcr manumitti solent, udeo ut vel in truiis-
itu manumittantur, veluti cum praetor aut pro consnlc in balncum vel in theatrnm
«•at. Gajus, Inst. I § 18— § 20.
Item cadem lege minori viginti annorum domino non aliter munumittere permitti-
tur, «mam si vindicta apud consilium justa causa manumissionis adprobata fuerit. —
Justuc autem eausae manumissionis simt veluti si ipiis palrem aut matrem aut pae
dagogum aut conlactancum manumittat. Sed et illac eausae ipias supcritis in servo
minoic triginta annorum exposuimus, ad Inme quoque casum de quo loquimor, ad-
ferri possunt. Item ex diverso hae eausae quus in minorc viginti annorum domino
rettiilimus, porrigi possunt et ad servum minoren: triginta annorum. — Kt quamvis
Latinum facere velit minor viginti annorum dominus, tarnen nihilo minus debet apud
consilium causam probarc, et ita posten inter amicos manumittcre. (ïajus, lnst. I
§§ «8, 39, 41.
Seiendum est, qualiscumque causa probata sit et recepta, libcrtatem tribuere opor-
tere: nam divus 1\'ius rescripsit causas probatas rcrocari non oportcre, dum 11e alic-
num servum possit quis munumittere: nam eausae probationi contradicendum, non
etiam causa jam probata ictiactanda est. Marcian. I. 9 § 1 I). de manum. vind.
( X X X X , 2).
lllud in causis probandis meminisse judiecs oportet, ut non ex luxuria, sed ex
atfcctu dcsccndcntes causas probent: ncque enim deliciis, sed justis affectionibus
dedisse justam libcrtatem lcgcm Aeliam Sentiam credendum. I\'lp. 1. lü pr. 1). end.
3°. Zwaar bestrafte slaven kunnen door vrijlating geene burgers wor-
den, maar komen in gelijken toestand als do overwonnen volken, die
zich op genade of ongenade aan de Romeinen hebben overgegeven (pcre-
grini dedilicii).
-ocr page 104-
87
Lege itaque Aelia Scntia cavetur, ut <[iu servi a dominis poenao nomine vincti
«int, quibtisve stigmata inscripta sint, dcve ([uibns oh noxam quacstio tormentis
habita sit et in ea noxa fuisse convicti sint, qnive ut fcrro aut eum bcstiis depugna-
rent traditi sint, inve luduin custodiamvc conjecti fuerint, et postea vel ab cadem
domino vel ab alio manumissi, cjusdem condicionis liberi fiant, cujus condicionis
simt peregrini deditieii. — Vocantur autein percgrini deditieü lii qtii quondam ad-
versus pupuluin Komanum arm is susceptis pugnaverunt, deinde vieti sededidcrunt.—
Hujns ergo turpitudinis servos qiiocumqiie modo et ciijiiscumque actatis manumissos,
etsi plenu jure duminurum fuerint, numquam aut eivcs Romanos aut Latinos fieri
diccmiis, sed omni modo dediticiorum numero eonstitui intellegemus. (óijus, lust.
I § 11—§ 15.
Ih vcro qui dediticiorum numero simt, nullo modo ex testamento capere possunt,
non magis ipiain quilibet peregrinus, nee ipsi tcstamentum faecre possunt secundnm
id quod magis placuit. — 1\'essima itaque libertas corum est qui dediticiorum nu-
mero sunt; nee ulla lege aut scnutusconsiilto aut constitutione principali aditus illis
ad civitatcm Uomanam ilatui. — Quin etiam in urbe Koma vel intro centcsimum
urbis Komae miliarium murari prohibentur; et si qui contra ea fecerint, ipsi bmiaque
eoruin publiee venirc jubentur ea eondicione, ut ne in urbe Koma vel intra centesi-
miim urbis Komac miliarium serriaut nevc iimquam maimmittantur; et si manumissi
fuerint, servi populi Komani esse jubentur. Et haec ita lege Aelia Sentiaconprehensa
sunt. Gajus, lust. I § 2") -§ 27.
4°. De vrijlating is nietig, wanneer zij geschiedt ter bedriegelijko ver-
korting van de rechten der schuldeischcrs (verg. hieronder § 201, n°. 5),
tl. w. z. indien de vrijlater de bedoeling heeft zijne schuldeischcrs te be-
nadeelen, en deze zelfde schuldeischers inderdaad benadeeld zijn.
Non tarnen cuicumqite volenti manumitterc licet. — Nam is qui in fruudem crcdi-
torum vel in fraiidem patroni maniimittit, nihil agit, quia lex Aelia Sentia iupcdit
libertatem. Gajus, lust. I § 36, § 37.
In Iraudem creditorum mannmittere videtur, qui vel jam co tempore, quo manu-
mi ttit, solvendo non est vel datis libertatibus desiturus est solvendo esse. Saepe
enim de faeultatibus suis amplius, (piam in bis est, sperant homines. Quod frequenter
aeeidit bis, qui transmarinas negotiationes et aliis regionibus, quam in i|iiibus ipsi
morantur, per servos atque libertos exercent: quod saepe, adtritis istis negotiationibus
longo tempore, id ignorant et maiiumitteiido sine fraudis consilio indulgent servis
suis libertatem. Gajus 1. 10 I). <pii et a cptib. manum. (XXXX, 9).
Si quis, eum haberei Titium creditorem et seiret se solvendo non esse, libertates
dederit testamento, deinde dimisso Titio postea Sempronium creditorem habcre coe-
perit et eodem testamento manente decesserit: libertates datae ratae esse debent, etsi
hereditas solvendo non sit, quia, libertates ut rescindantur, utrnmquc in corumdem
persona exigimus et consilium et eventum et, si quidem ereditor, cujus fraudandi
consilium initum erat, non fraudatur, adversus eum qui fruudatur consilium initum
non est. Libertates itaque ratae sunt, .luliau. 1. 15 D. quae in fniud. cred.(XXXXlI, 8).
nisi priores pecunia posterioruin dimissi probentur. Paul. I. 10 1). eod.
Op alle deze beperkingen kent de lex Aelia Sentia ééne uitzondering,
namelijk voor het geval, dat een met schulden bezwaarde erflater zijn
slaaf tot erfgenaam instelt, opdat het goed niet op zijn naam zou bc-
hoeven verkocht te worden.
Necessuiïus beres est servus eum libertate heres institiitns, ideo sic appellatus,
quia sive velit sive nolit, omni modo post tnortem testatoris protinua liber et heres
est. — Unde qui facultates suas suspeetas liabet, solet servuin suiiin primo aut
0
-ocr page 105-
SS
sccuiido vel etiam ulteiiorc gradu liberum et heredem institiicrc, ut si creditoribus
satis iidii liat, potins liiijus heredis i|iiam ipsius testutuiis bona veneant, id est ut
iguuminia quac accidit ex veiiditione huiioruin, himc potius heredem i^uuin ipsutii
tcsUttorcm contingat; quamquam apnd Kutidium Sabino placcat eximuiidiim oiim esse
ignominia, c|uia mm suu vitio Bed necessitute juris bunorum venditiuncm patcretur;
sed aliu jure iitimur. — 1\'ru lioc tamen incommodu illud ei commodum praestatur,
ut ca quac iH>st mortcm patruui sibi adquisicrit, sive ante bonorum venditiuncm sive
postea, ipsi reserventur; et quamvis pro purtionc bona venierint, itcnim ex hcredi-
taria causa bona cjus non vcniunt, nisi si quid ei ex liercditaria causa fucrit adqui-
sitiim, velut si Lutinus adquisierit-, locupletior foetus sit: cnm ceteroriim horainum,
iliiurum buna venierint pro portione, si quid pustea adquirant, ctiain sacpius eoruni
bona venirc sulent. fiajus, Inst. II § 153—§ l">f>.
Ab co domino ipii solvcndo non est servus testamento liber csae jussus et heies
instituttis, et si minor sit triginta annis vel in ea causa sit, ut dediticius fieri debeat,
civis Komanus et lieres lil: si tarnen alius ex eo testamento ncmo heres sit. Quod si
duo pluresve liberi heredesque esse jussi sint, primo loco scriptns liber et lieres lit,
quod et ipsum lex Aclin Sentia facit. I\'lp. Kragm., 1 § 14.
Si is i|iii solvcndo nou est servum cum libertate hercdem instituerit et liberum
substitucrit, ante incipiendum crit a substitnto: lex cnim Aclia Sentia iia dcinum
ei, 11iii in fraudem creditorum heres institutus est conservat libertatcm, si nemu aüus
ex co testamento lieres esse potent. Paul. 1. ">8 1). de liered. inst. (XXVllI, 5).
Wanneer — hot zooeven onder 4°. genoemde geval daargelaten — iets
aan do vrijlating ontbrak, hetzij dat de heer niet civielrechtelijk eigenaar
was, of dat niet een der vormelijke wijzen van vrijlating was aangewend,
of dat de slaaf nog niet den vereischten leeftijd had bereikt, dan werd
de vrijgelatene geen Romeinsch burger. Rechtens bleef hij slaaf, maar
feitelijk werd hij, onder bescherming van den praetor, als vrij beschouwd.
De toestand dezer personen werd nader geregeld bij de lex JuniaNorbana
(door sommigen op 19 n. C., door andereu op omstreeks 25 v. 0. gesteld).
Volgens die wet zouden de onvolkomen vrijgelatenen gelijkstaan met do
Latini coloninrii, d. i. met de vrije burgers, die de Latijnsehe koloniën
van jongeren datum hadden gevestigd. Als Latini Juniani zouden zij in
een toestand verkeeren tusschen dien der burgers en der vreemdelingen.
Hunne rechtsbevoegdheid was beperkt; zij konden b. v. geen testament
maken en by hun dood verviel hun vermogen aan den patroon of diens
erfgenamen, even alsof zij slaven waren gebleven; „licet ut liberi
vitam suam peragebant, attamen ipso ultimo spiritu si mul
animam atque libertatem amittebant" (§ 4 I. de succ. libert., III, 7).
Den \'Latinus stonden verschillende wegen open om het Romoinsche
burgerrecht te verwerven.
Quac pars juris ut manifestior fiat, admonendi sumiis, id quod alio loco diximiis,
cos qui mine Latini Juniani diciintur, olim ex jure Quiiitium servos fuisse, sed
auxilio praetoris in libeitatis forma servari solitos; undc etiam res eorum pcculii jure
ad patronos pertinerc solita est; posten vero per legem Juuiam cos omnes quos
praetor in libertate tuebatur, libcros esse eoepisse el appcllatos cssc Lutiuos .lunianos:
Latinus ideo, quia lex cus libcros perindc esse vuluit at(|iie si essent cives Komani
ingenui qui ex urbe Itoma in Latin&s colonias deducti Latini coluniarii esse cocpe-
runtj .lunianos ideo, quia per legem .luniam liberti facti suut, ctiamsi non essent
-ocr page 106-
S\'l
civcs Komani. Legis itsqne Juniae lator cum intellegeret fiitiinim ut ea lictione res
Latinoram defunctorum ad patronos pcrtincrc dcsinercnt, quia sciliccl ncquc ut servi
decederciit, ut possent jure peculii res .....urn ad patronos pertincrc, neque libcrti
Latini hominis bona possent inanumissiimis jure ad patronos pertiucre, neecssariutn
existimuvit, ne l>enelicium istis datum in injiiriam patronoram con verteretur, eavere
voluit, ut bona eorutn proindc ad munnmissores pertincrent, ar si lex lata nonesset;
ït:i<|ii<\' jure i|tiodiiminodu peculii bona Latinorum ad manumissores <\'ii lege pertinent.
Gajus, lust. III § 56.
Antea enim una libertas erat et manumissio Kebat vindicta vel tcstamentn vel censu
et civitas Komana eum]>etebat manumissis: quae appcllatur justa tnanumissio. Ui
antcin, ipii (lomini voluntatc in libertatc erant, manebant servi: sorl si manumissores
ausi erant in servitutcm rlenuo cos per vim dncere, interveniebat praetor et non
patiebatur manumissum servirc. Omnia tarnen quasi servus :nli[uii<-b:it manumissori,
velut si quid stipulabutur vel maucipiu accipiebut vel ex quucumque causa alia ad-
quisierat, domini boe faeiebat, id est manumissi omnia bona ad patronnm pertine-
bant. — Sed nnnc liabent propriam lihertatcm qui intcr umicos manumitttintur, et
trant Latini Juniani, qnoniam lex Jnnia, quac libertatem \'is dcdit, exaequavit cos
Latinis colonariis, qui cum cssctit civcs Komani libcrti, nomen snum in coloniam
dedissent. Fragm. Dnsith. § S, § f>.
Latinus .lunianiis, item is qui dcditiciorum numero est tcstumentum faeerc non
potent: Latinus qnidem, quoniam numinntim lege .lunia proliibitus est, is autcm qui
dediticiorum numero est, quoniam nee i|uasi civis Komaim.s testari potcsi, cum sit
peregrinus, nee quasi |>cregrinus, quoniam nnllius eertae civitatis civis est, ut sccun-
diim leges civitatis suae testetur. lip. Fragm., XX 5 \' \'-
Latinus •hiniunus si quidem mortis tcstatoris tempore vel intra diem erctionis
civis Itomunus sit, heres essc potest: quod si Latinus manscrit, lege .lunia capere
hercditatem prohibetur. Idem juris est in persona caclibis propter legem Juliam.
1 Tip. Fragm., XXII § 3.
Latini jus Qiiiritium eonscquuntiir lus modis: bcneticio prineipali, liberis, itera-
tionc, militia, nave, acdilicio, pistrino: prautcreii ex senatus consulto vulgo quae sit
ter enixa. — Liberis jus Quiritium consequitttr Latinus, (|iii minor triginta annorutn
manumissionis tempore luit. Nam lege .lunia cautum est, ut si civcm Komanam vel
Latinam uxorem duxerit, testatione interposita, ijiuxl liberorum quaerendorum causa
uxorem duxerit. postea lïlio filiave natu natave et anniculo facto possit upud prae-
torem vel praesidem provinciae causam probare et tieri civis liomanus tam ipsc quam
lilius tiliave ejus et uxor, scilicet si et ipsa Latina sit: nam si uxor civis liomuna
sit, partns quoque civis liomanus est ex senatus consulto, qnod auctorc divo lladri-
ano factum est. Militia jus Quiritium aceipit Latinus, si intcr vigiles liomae sex
annia militaverit, ex lege Visellia. Practcrea ex senatus consulto coneessum est ei,
ut, si trienniu intcr vigiles militaverit, jus Quiritium consequatur. — Nave Latinus
civitatcm Kumaimm aceipit, si non minorem quam deeem milium modiorum navem
fabricaverit et Komam sex unnis tVumcntum portaverit, ex edicto ilivi Claudii. 1 * lp.
Fragm., III § 1 , § 3, § 5, § 6.
Justinianus heeft deze geheele regeling hervormd en belangrijk vor-
eenvoudigd. De lex Fufia Caninia werd opgeheven. Wijders werd bepaald,
dat de jeugdige leeftijd van den slaaf geen beletsel moer zou zijn voor
de verkrijging van hot burgerrecht; do heer zou slechts zeventien jaren —
volgens Nov. 119, cup. 2 slechts veertien jaren — oud behoeven te zijn
om geldig te kunnen vrijlaten. De tusschentoestanden der dedilicii en
Latini Juniani werden afgeschaft. Alle vrijgelatenen zouden het volle
burgerrecht verkrijgen (zie hierboven § 36, aan het slot).
-ocr page 107-
90
Zie 1. un. C. de lege Fuf. Canin. toll. (VII, 3).
1. mi. C. de dedit. lib. toll. (VII, 5).
I. uu. (\'. de Lat. lib. toll. (VII, 6).
Si quis servo suo libertatcm imponat sive in ccelesia sivc ad qualecumque tribunal
vel apud euro, qtii libertatcm imponere legibus habet licentiam, sive in tcstamento
vel alio ultimo elogio directam vel ndeicommissariam, imllo coartetur modo corum
< 1 ui ad libertatcm veniunt aetatem requirere. Neque enim cum tantuminoclo eivitatem
Komanam adipisci volumns, qui major triginta aiuiis extitit, scd <|iiemadmodum in
ccclcsianticis libertatibns non est liujusmodi aetatis dirfcrentia, ita in omnibus liber-
tatihus, (|iiae a domiuis imponiinttu\' sive in extremis dispositionibus sive per judices
vel alio lcgitimo modo, boe observaii saneimus, ut sint omnes eives Komani consti-
tuti: ampliandam enim magis eivitatem nostram quam minuendain esse censemns.
.lusliniaii. 1. 2 (\'. eomm. de nianum. (VII, 15).
§ 42. HET PATK0NAAT8BECHT.
Na de vrijlating blijft de vrijgelatene onder het patronaat van zijn
gewezen heer, aan wien hij zijne persoonlijkheid verschuldigd is. De
grondtoon van deze betrekking, die vergeleken wordt met die tussohen
vader en kind, is eerbied, dankbaarheid en piëteit van den kant van den
vrijgelatene, hulp en bescherming van den kant van den patroon.
Libcrto et filio semper bonesta et saneta persomi pallis ae patroni videri debiet.
Kip. 1. 9 1). de obseq. (XXXVII, 15).
De verplichtingen van den vrijgelatene en de rechten van den patroon
zijn hoofdzakelijk de volgende:
lu. de vrijgelatene mag zijn patroon niet in rechte dagvaarden zonder
verlof van den praotor. Onteerende acties (zie hieronder § 107, n°. 19) mag
hij slechts in buitengewoon ernstige gevallen tegen zijn patroon instellen;
Practor ait: „parentem, patroimm patronam, liberos parentcs patroni patronac in
jus sine permissu meo ne quis vocet." Ulp. 1. 4 § 1 D. de in jus voe. (II, 4).
Practor ait: „in jus nisi permissu meo ne quis vocet". Permissuius enim est, si
famosa aetio non sit vel pudoiem non suggilat, qua patronus convenitur vel parentes.
Kt tottim hoc causa eognita debet faccre: nam interdum etiam ex causa famosa, ut
Pediiis putat, perinitterc debet pationum in jus vocari a liberto: si cnm gravissinia
injuria adfecit, tlagellis t\'orte cecidit. Ulp. 1. 10 § 12 1). eod.
Sed nee famosae actiones adversus cos dantur, nee hae qiiidem, quac doli vel
fraudis liabent mentionem, Ulp. 1. 5 § 1 D. de obseq. (XXXVII, 15).
licet famosae non sint. — Nee exceptiones doli patiuntur vel vis metusve causa,
vel interdictum ttnde vi vel qttod vi patiuntur. Ulp. 1. 7 pr., 5 2 1). eod.
2°. de vrijgelatene mag zich niet onttrekken aan de waarneming der
voogdij over de kinderen van den patroon. Maakt hij zich bij die voogdij
aan ontrouw schuldig, dan wordt hij strenger behandeld dan een andere
voogd (zie hieronder § 140);
De libcrtis quoque, quamvis multa privilegia exeusatiomtm pruetendant, tarnen a
patroni sui libeiotum tutela non excusanttir. Fiagtn. Vat. § 152.
Ingratus libertus est, qui patrono obsequium non praestat vel res ejtis filiorumve
ttitclam administraie detractat. Paul. 1. l\'> 1). de jure patron. (XXXVII, 14).
Iiibeitus quoque si f\'raudiileiiter gessisse tutelam tiliorum patroni probetur, ad prac-
fectum urbis remittetur puniendus. Ulp. 1. 2 1). de susp. (XXVI, 10).
-ocr page 108-
91
/ 3°. de patroon geniet tegenover den vrijgelatene het voorrecht, dat hij
/ niet verder tot vervulling zijner verbintenis wordt veroordeeld dan, met
behoud van het voor hem zelf noodige, zijn vermogen reikt (zoog. bcnr-
/icium competmtiac,
zie hieronder § 210);
Smit <|ui in iel quod facere possant conveniiintiir, id est non deducto acre alicno.
Kt qiiidcm simt lii fere. Qui pro socio convcniuntiir (snciuni autcni omnium bonorutn
accipiendum est): item pareus: I\'lp. 1. 16 I). de re jud. (XXXXII, 1).
patroons patrona liberique eorum et parcutcs: item maritus de dote in id quod
facere potest convenitiir. Ulp. I. 17 F), end.
4°. als de patroon onvermogend wordt, heeft hij aanspraak op onder-
houd door zijn vrijgelatene;
Solent judices cognoscere et inter patronos et libertos, si alendis liis agatur: itaqnc
si negent se esse libertos, cognoscere eos oportebit: ipiod si libertos constiterit, tune
deraum deeernere, ut alant: nee tarnen alimentornm deeretum lullet liberto facnl-
tatem, quo minus pracjudicio eertare possit, si libertum se neget. Alimentu antcm
pro modo facullatium erunt praebenda, cgentiblis scilicct patrollis: eeteruui si sit
linde se exhibeant, cessabunt partes judieis. 1 * lp. 1. 5 5 18, 5 19 1). de agnosc. et
alend. lib. (XXV, 3).
i 5°. de patroon en zijne kinderen hebben een wettelijk erfrecht op den
y/ boedel van den vrijgelatene (zie daarover nader in het Erfrecht) en oefenen
over hem de wettelijke voogdij uit (zie hieronder § 137).
Inst. Lib. 3, \'l\'it. 7: de snee. libert.
Lib. I, \'l\'it. 17: de le^. patron. tut.
Komt de vrijgelatene zijne verplichtingen niet na, dan wordt hij door
den magistraat gestraft. Bij grove ondankbaarheid kan hij zelfs in de
slavernij worden teruggebracht (zie hierboven § 38).
Praeterea illo spectat diei eertum de injuria , i|iiam passus ijuis sit, ut ex qualitate
injuriac seiamus, an in patronum liberto reddendmn sit injuriarum judicium. Etenim
meminisse oportebit liberto adversus patronum non qiiidcm semper, verum interdum
injiiriarum dari judicium, si atrox sit injuria quam passus sit, puta, si servilis.
Ccterum levem eobercitionem utique patrono ad versus libertum dabimus nee patietnr
eum practor querentem, quasi injuriam passus sit, nisi atrocitas eura moverit: nee
cnim l\'crre practor debet heri servum, hodie liberum conquerentem, quod dominus
ei convicium dixerit vel quod leviter pulsaverit vel emenduverit. Sed si flagris, si
verberibus, si vulncravit non mediocriter, aequi.-simum erit praetorem ei siibvenire.
ülp. 1. 7 5 2 I). de injur. (XXXXVI1, lil).
Cum patron lis contemni se a liberto dixerit vel contumeliosum sibi libertum que-
ratur vel convicium se ab eo passum liberosque suos vel uxorem vel quid huic simile
obicit: praefeetus urbi adiri solet et pro modo querellac corrigere eum. Aut commi-
nuri aut fustibus castigare aut ulterius procedere in poena ejus solet: nam etpuuiendi
plerumque sunt liberti. Certe si se dclatum a liberto vel conspirusse eum contra se
eum inimicis doceat, etiam metalli poena in eum statui debet. 1\'lp. 1. I § 10 D.
de off. praef. urb. (1, 12).
Terwijl in het algemeen de vrijgelatene tot dienstbetoon verplicht is,
natura operas patrono libertus debet, kun de patroon nog bijzon-
dere, door eene actie te handhaven rechten verkrijgen, als de vrijgelatene
zich bij of na de vrijlating, door eene beëedigde belofte (zie hieronder
-ocr page 109-
92
§ 188) of bij stipulatie, tot zekere praestatiën, geschenken of diensten,
verbindt. Tegen daarbij voorkomende misbruiken waakt de praetor.
Hoc ctlictum :i practorc propositum est honoris, qncm liborti patronis hahere dcbent,
modcraudi gratia. Niurnjiii\' ut Servius scribit, antca soliti fucrunt :i libcrtis duiissimas
res exigere. scilicet ad rcinuniTundiim tam grande bcnclicium, quod in libcrtos con-
fertnr, ruin ex scrvitute ml eivitatem Itomuuam perducuntur. — Kt quidcin primus
praetor Uutilius edixit se amplius non daturum patrunu quam operarum et socictatis
artionctn, vidclicel si hoc pcpigissct, nt, nisi ei obscquium pracstaret libcrtus, in
soeictatom admitterctur putromiM.
           1\'osteriores practores ccrtae partis bonorum
piissessioiiem |H>IHcebitntur: videlieet enim imago socictatis induxit ejlisdem partis
praostationcm, ut, quod vivns solebat socictatis tiotnine pracstarc, id post mortem
praestaivt. l\'lp. I. I I). de hun. lih. XXXVIII, 2).
<^u:u\' otieriuidae lihcrtatis causa stipidatus sttm, a liberto cxigcre non possutn.
Oncrandac antem libertatis causa facta betlissitne itadefinitmtur, quae itaimpontmtiir,
ut, si patronum libcrtns otïenderit, petantur ah eo semperquc sit motu cxactionis ei
subji\'rtiis, propter quem mctum quodvis sustineat patrono praccipiente. I\'lp. 1. 1 § .">
1). iiuar. rcr. act. \'XXX XIV, 5).
..tjiii libertinus dnos plnresve a se genitos natasve in sua potestate liabebit practcr
ettm, qiii artetn ludicram feieiït qtiive opera» suas ut euin bcstiis pugnnrct loeaverit:
iic quis coriiin opcras doni mtinelis aliudve quieqtiani libertatis causa patrono patronac
liberisve eorum, de qtiibus juravcrit vel promiserit obligatusvc erit, dare faccrc pracs-
tarc debeto." 1\'aul. !. M pr. 1). de opcr. lib. (XXXVIII, 1).
Het patronaatsrecht gaat, bij den dood van den patroon, over op zijne
kinderen. Hij kan liet echter aan een of meer hunner toewijzen. Het
strekt zich niet uit over de kinderen van den vrijgelatene.
lust. Lib. S, \'I\'it. 8: de adsign. liliert.
Het patronaatsrecht gaat verloren, wanneer tle patroon het burgerrecht
verliest, wanneer hij de op hem rustende verplichtingen jegens den vrij-
gelatene schendt, of — vóór Justinianus — wanneer deze van don
Keizer de nalalium rcstiliilio verkrijgt (zie hierboven § 30, aan hot slot).
(Jiii eontrn lcgcm Aeliam Sentiam ad jurandum libertum adegit, nihil juris habet
% nee ipse nee lilieri ejtts. 1\'aul. I. 15 D. de jure patron. (XXXVII, 14).
Si quis libeitam sic jurejurando adegit „ne illicitc nubat", non debere incidcre in
lcgcm Aeliam Sentiatn. Sed si „intra certum tempus ne ducul" „neve aliam, quam de
qua patronus eonsenserit" vel „non nisi conlibcrtam" aut ..patroni cognatam", dieen-
duin est incidcre cnni in legen Aeliam Sentiam nee ad legitimam hereditatem
admitti. lip. 1. :) § 5 D. de suis (XXXVIII, \\(>).
IJui, euui major natu esset quam viginti qtiinque aiinis, libertum eapitis aecusaverit
aut in servitutem petierit, removetur a contra tabulas bonorum possessionc. I\'lp.1.14
pr. 1). de bon. lib. (XXXVIII, 2).
Impcrutoritj nostri reseripto cavctur, ut, si patronus libertum suiitn non alueiït,
jus patroni perdat. Marcian. 1. 5 § I D. de jure |iatron. (XXXVII, 14).
§ 43. EENIOE AAN SLAVERNIJ VERWANTE TOESTANDEN.
<0ver sommige toestanden, die bijzondere soorten van slavernij vormen
ol met de slavernij overeenkomst vertoonen, is reeds in de vorige §§
gesproken, zoo over de sfatidiberi, de dedilicii, de Latini Juniani. Hier
worden nog enkele andere vermeld.
-ocr page 110-
n:-,
1°. Nexwt is naar het oude recht de schuldenaar, dio zich in plech-
tigen vorm heeft verbonden en zijne schuld niet voldoet. In het algemeen
noemt men nexutn elke handeling, waarbij toeweging van kopergeld te
pas komt; in het bijzonder heet zoo de verbintenis uit geldleening, op
die wijze aangegaan. Bij deze rechtshandeling spreekt degene die het
geld ter leen geeft en uitbetaalt ongeveer aldus: „quod ego tibi mille
asses hoc aere aeneaque libra nexos dedi, eos tu mihi post
annum cum faenore unciario dare damnas esto" (zie hieronder
§ 183 en § 212). De alzoo gevestigde verbintenis is eene bijzonder krach-
tige. De debiteur geldt als veroordeeld; de schuldeischer behoeft niet
eerst een vonnis tegen hem te verkrijgen. De schuld wordt op den per-
soon des schuldenaars ten uitvoer gelegd {legis actio par murw* injre/i-
ottem,
zie hieronder § 102 en § 117). Betaalt hij niet, of springt niet
een derde voor hem in de bres, dan loopt de executie feitelijk op slavernij
voor hem uit.
Nexum est, ut ait Gallas Aelius, quodcunqtic por aes et libram geritur, id quod
necti dicitur; 4110 in genere simt haec: testament! factio , nexi datio, nexi libcratio.
Kestus, in ve. Nexnm.
Nexum aes apud antiqtios dicebatur pecunia, quae per nexnm obligatnr. Kestus,
in ve. Nexnm aes.
Nexum Mamilius seribit omne quod per Hbram et aes geritur, in quo sint man-
cipia; Mucius, quae per aes et libram liant, ut obligentur, practer quae mancipiu
dentur. Hoc rcriiis esse ipstim verbum osteudit, de quo quaerit, nam id est, quod
obligatnr per libram neque siinm lit, inde nexnm dictum. Liber, qui suas opcras in
servitutem pro pecunia <{uam debet dat, duin solveret, uexus vocatur, ut ab acre
obaeratus. Hoc C. Poetelio Libone Visolo dietatore sublatum 11e ficret; et omnes,
qui bonam copiam jurarunt, ne essent nexi, dissoluti. Varro, de L. L., Vil, 105
(Bruns, Fontei juris, bl. 386).
Confessi igitur aeris ac debiti judicatis triginta dies sunt dati conquirendae pecu-
niae causa, quam dissolvercnt, cosque dies docemviii „jttstos" appellaverunt, velut
quoddam justitium, id est juris inter eos quasi interstitionem quandam et cessationem,
quibus diebus nihil cum bis agi jure posset. — l\'ost deinde, nisi dissolverant, ad
practorem vocabantur et ab eo ipiibus erant jtidicati addiecbantur, nervo quoqite attt
compcdibus vinciebantur. — Sic enim sunt, opinor, verba legis: Aeris confessi
rebusque jure judicatis triginta dies justi stinto. l\'ost deinde mantis injectio esto, in
jus ducito. Ni judicatum facit attt quis endo eo in jure vindicit, secum ducito, vin-
cito aut nervo aut eompedibus. liuindecim pondo no minore aiit si volet majorc
vincito. Si volet suo vivito. Ni suo vivit, qui eum vinctum habebit, libras larris
endo dies dato. Si volet plus dato. — Erat au tem jus interen puciscendi ae, nisi
paeti torent, babebantur in vinculis dies sexaginta. — Inter eos dies trinis nttndinis
continttis ad practorem in eomitium producebantur, qiiantucquc pecuniae jndicati
essent, praedicabatur. Tertiis autem ntindinis capite poenas dabant aut trans Tiborim
peregre venum ibant. — Sctl eam capitis poenam saneiendae, sicuti dixi, lidci
gratia horriricam atroeitatis ostcutu novisque terroribus metuendam reddiderunt. Nam
si plures torent, quibus reus esset judicatus, secure, si vellent, atque partiri corpus
ttddicti sibi hominis permiserunt. — Et quidem verba ipsa legis dicnm, ne existimes
invidiam me istam tbrte lormidare: Tertiis, inquit, ntindinis partis secaiito. Si plus
minitsve sccueritnt, se fraude esto. Ocllius, N. A. XX, 1 §§ 42—49.
Per mantis injectionem atque de lus rebus agebatur de quibus ut ita ageretttr,
lege aliuna catitum est, veluti jtidicati legt^ XII tabularum. Quae tietio talis erat:
-ocr page 111-
94
<|iii agebat, sic dicebat: „quod tu mihi judicatus (sive damnatus) es sestertium X milia,
quandoc non solvisti, c»b cam rem ego tibi sestertium X milium judicati inaniim
inicio", et simul aliquam partem corporis ejus prehendebat. Nee licebat jndicato inaniim
sil>i depellcre et pro se lege agere; sed vindieem dabat ijui pro se causam agcre
solebat; qui vindieem non dabat, domiim duecbatur ab actore et vinciebatur. Gajus,
Lnst. IV § 21.
Sedert de vierde eeuw vóór Chr. is door eene reeks wetten de harde
toestand der schuldenaren verzacht. Met name heeft de Lex Poetelia
(omstreeks 313 v. C.) de strengheid der ten uitvoerlegging verminderd
en de executoriale kracht van het nexum opgeheven. Livius (VIII, 28)
noemt ze: aliud initium libertatis. Allengs verdween het nexum,
nu het zijne eigenaardige beteekenis had verloren; in het Justiniaansche
recht komt het in het geheel niet meer voor.
2°. Maneipium is eene eigenaardige betrekking van ondergeschiktheid
en dienstbaarheid, waarin oudtijds een Romeinsche burger in eene hem
vreemde familia kon verkeeren. Deze toestand houdt het midden tusschen
vrijheid en slavernij. Degene, die zich in mancipio bevindt, blijft vrij;
een geldig huwelijk kan hij aangaan; doch ten aanzien van het ver-
mogensrechtelijk verkeer staat hij gelijk met een slaaf en verkrijgt alles
voor den machthebber. Het maneipium ontstaat:
a.   doordien de vader het kind dat aan zijne potestas of de vrouw die
aan zijne manus is onderworpen aan een ander verkoopt (zie hier-
onder § 131);
b.   doordien hij zijn kind of vrouw, die aan een ander schade hebben
toegebracht, aan den benadeelde als vergoeding overgeeft (noxar datio,
zie hieronder § 131);
c.   bloot voor den vorm als doorgangsperiode bij de adoptie en eraan-
cipatie (zie hieronder § 133).
Uit het Justiniaansche recht zijn alle deze gevallen en daarmede de
geheele instelling verdwenen.
Omnes igitur liberorum personae, sive masculini sive feminini sexus, quac in
potestate parentis simt, mancipari ab hoc eodem modo possunt, quo etiam servi
mancipari possunt. — Idem juris est in earum personis quac in manu sant.....—
1\'lcrumquc vcro tum solum et a parentibus et a coemptionatoribus mancipantar, ctim
velint parentes coemptionatoresque ex suo jure eas personas dimittere, sieut inferius
evidentius apparebit. — Ii qui in causa mancipii sunt, quia servorum loco habentur,
vindieta, eensu, testamento manumissi sui juris tiunt. — Nee tarnen in hoc casu
lex Aelia Sentia locum habet. Itaqtie nihil ïequirimus, cujns aetatis sit is qui manu-
mittit et qui manumittitur; ac ne illud quidem, an patronum ereditoremve manumissor
habeat. Ac ne numerus quidem lege Fufia Caninia linitus in his personis locum
habet. — In summa admonendi sumus adversus eos (juos in mancipio habemus, nihil
nobis contumcliosc facere licere; alioquin injuriarum tenebimur. Ac ne diu quidem
in co jure dotinentur homincs, sed plerumque hoc lit dicis gratia uno momento,
nisi scilicet ex noxali causa mancipentur. Gajus, lnst. I § 117, § 118, § I18rt,
§ 1.18, § 13\'.», § 141.
Per hominem liberum noxae deditnm si tantum adquisitum sit, quantam damni
dedit, manumittere cogendns est a praetore qui noxac deditum acecpit: sed (iduciae
judicio non tenetur. Coll., II, 3.
-ocr page 112-
95
3°. In den Keizertijd ontstaan verschillende soorten lijfeigenschap ot\'
hoorigheid, die sedert Konstantijn worden geregeld. De hoorigen (co-
loni, mquilini, adwipticii
, glebae adscripti) zijn in hunne vrijheid be-
perkt, doordien zij aan een bepaald stuk grond verbonden zijn, daarmede
versterven en vervreemd worden, en verplicht zijn dat erf te bebouwen
en eene jaarlijksche, onveranderlijke pacht te betalen, in geld of meestal
in vruchten. Zij hebben een eigen vermogen, doch mogen daarover niet
beschikken zonder toestemming van den grondeigenaar.
§ 44. BURGERS EN VREEMDELINGEN.
Oudtijds bestaat er, ook in het privaatrecht, verschil tusschen burgers
en vreemdelingen. Alleen de eersten hebben de volle rechtsbevoegdheid;
zij alleen kunnen deelnemen aan de eigenaardig Eomcinsche rechtsbe-
trekkingen (jus civile, zie hierboven § 10). Daarentegen staat, ten aanzien
van de rechtshandelingen, die tot het jus gentium gerekend worden, de
vreemdeling met den burger gelijk.
Conubium est uxoris jure dueeudae facultas. — Conubiiim habent cives Uomani
eiim civibus Itomanis: cum Latinis au tem et peregrinis itn, si conecssum sit. —•
(,\'um servis nullum est conubium. lip. Fragm., V §§ 3—5.
Maneipatio locum habet inter cives Komanos et Latinos colonarios Latinosqnc
.lunianos eosque peregrinos, quibus commercium datum est. — Commcrcium est
emendi veudendique invicem jus. Ulp. Fragm., XIX §§ 4, 5.
Het burgerrecht wordt verkregen:
1°. door geboorte uit eene Romeinsche vrouw (zie hierboven § 30);
2*. door eene aan de gestelde vereischten voldoende vrijlating (zie hior-
boven § 40, § 41);
3*. door toekenning krachtens eene algemeene of bijzondere wet, of
door den Keizer;
4°. voor de Latini, op de wijzen hierboven § 41 bl. 89 aangestipt.
Conubiu interveniente libcri semper patrem sequuntur: non interveniente conubio
matris condicioni accedunt, excepto eo. qui ex peregrino et eive liomana peregrinus
nascitur, quoniam lex Minicia ex alterutro peregrino natum deterioris parentis con-
dicionem sequi jubet. Ulp. Fragm., V § 8.
Het burgerrecht gaat verloren (media capitis deminutio, zie hier-
boven § 35):
1°. door aanneming van het burgerschap in een anderen Staat;
2°. door verbanning (aquae H ignis interdictio, deportatio).
Nam, cum ex nostro jure duarum civitatum nemo esse possit, turn amittitur liaec
eivitas denique, cum is, qui profugit, receptus est in exilinm, boe est in aliam
eivitatem. Cic, Or. pro Caecina, e. 34 § 100.
Minor sive media est capitis deminutio, cum eivitas amittitur, libertas retinetur;
quod accidit ei cui aqua et igni interdictum fuerit. Gajus, Inst. 1 § 161.
Constat, postquam deportatio in locum aquae et ignis interdictionis sueeessit, non
prins amittere quem eivitatem, quam princeps deportatum in insulam statuerit:
]>raesidcm cnim deportare non possc nulla dubitatio est. Sed praefectns urbi jus
-ocr page 113-
9G
habct deportandi statimque post sentcntiam praet\'ecti amisisse civitatem ridctur. lTlp.
I. 2 § 1 D. de poen. (XXXXV1H, 19).
1\'iiblioiirum judiciorum qtiaedam capttalia sunt, c|iiaedam n<>n capitaliu. (\'apitalia
simt, ix i|iiil)us poena mors aut exilium est, hoc est nquae et iynis interdictio: per
lias i\'iiim poenas eximitnr caput de civitute. Nam cetera non exilia, sed relegationes
propric dicuiitur: tune enim eivitas rctinetur. Non eapitalia sunt. ex iiuibus pecuniaria
aut in corpus aliqua coercitio poena est. Paul. 1. 2 I). de publ. jud. (XXXXVI11, I).
Inter eum qui in insulam relegatur et eum qui deportatur magna est differcntia,
ut ait licrennius: primo quia relegatum buna sequuntnr, nisi fuerint sententia
adempta, deportatum non sequuntnr, nisi palam ei fuerint concessa: ita lit, ut rcle-
gatu meutionem bunorum in sententia nou haberi prosit, defortato noceat. Item
distant etiam in loei qualitate, qiiod eum relegatu quidem liumauius transigitur,
deportatis veto hae solent insulae adsignari, quae sunt asperrimae quaeque sunt
paulo minus summo supplicio comparandae. Fragm. Modestini.
In het latere Eomeinsche Recht is elk onderscheid tusschen burgers
en vreemdelingen weggevallen. Alleen de eigenaardige toestand der dedir
ticii
en Latini Juniani heeft tot Justinianus voortbestaan (zie hier-
boven § 41).
In orbe Komano qui sunt ex constitiitione imperatoria Antonini cives Romani
ett\'ecti sunt. 1\'lp. 1. 17 1). de statu hom. (1, 5).
§ 45. ZELKSTANDKJE EN AFHANKELIJKE PERSONEN. DE R0ME1NSCIIE FAMILIE.
Rij de Romeinen omvat familia alle personen — in ruimeren zin ook
alle zaken —, die aan de heerschappij van een zelfstandig burger zijn
onderworpen. Ieder Romein heeft zijne familie, öf als zelfstandig hoofd
(pater familias, sui juris persona), öf als ondergeschikt aan de heer-
schappij van het hoofd der familie (/Mus familias, uxor in manu, alicno
juri subjecta persona).
Op ouderdom of kunne komt het daarbij niet aan:
ook het volwassen en gehuwde kind, al heeft het zelf weder kinderen,
kan onder de vaderlijke macht staan, terwijl omgekeerd onmondige kin-
deren zelfstandig kunnen zijn, bijv. wanneer zij buiten huwelijk of na
den dood des vaders zijn geboren.
De plaats, welke iemand, hetzij als zelfstandig persoon, hetzij als
afhankelijk lid, in de familie inneemt, heet zijn status familiae. Die
plaats bepaalt zijne privaatrechtelijke bevoegdheid. Wie aan de macht
van een ander is onderworpen, kan niets voor zich zelf verkrijgen; hjj
kan geen huwelijk sluiten zonder toestemming van den machthebber;
zijne in wettig huwelijk geboren kinderen staan onder de macht van
hun grootvader, zoolang deze leeft. Aldus het beginsel, dat echter in
den lateren tijd niet onveranderd is gehandhaafd.
Niet de bloedverwantschap, maar de vaderlijke macht (palria poleslas)
is de band, die de leden der familie vereenigt (zie hieronder § 55).
Wie uit de familie treedt, verliest de familierechten, die hij tot dusver
had (capitis deminutio minima).
De familie kan, behalve op natuurlijke wijze, ook langs kunstmatigen,
juridiekon weg worden uitgebreid of verkleind. De familie wordt uitge-
-ocr page 114-
97
breid door de volgende rechtshandelingen, waardoor personen, die nietten
gevolge van huwelijk en afstamming tot de familie behooren, daarin worden
opgenomen: 1*. arrogatio, ten aanzien van zelfstandige personen, die zich met
hunne kinderen aan de vaderlijke macht van een Romeinsch burger onder-
werpen (zie hieronder § 133); 2°. adoptio, ten aanzien van afhankelijke
personen, die in eene andere vaderlijke macht worden overgebracht (zie
t. z. p.); 3°. in manum conven/io, ten aanzien van de vrouw, die in het
huwelijk treedt en in de macht overgaat van haren man (zie hieronder § 122);
4°. legitimatio, met betrekking tot onwettige kinderen (zie hieronder § 133).
Door emancipatio en in adoptionem datio wordt voor bepaalde personen
de vaderlijke macht en daarmede de familieband verbroken; zij treden
uit de familie, in het eerste geval om zelf eene familie te vestigen, in
het tweede om in eene andere familie over te gaan.
Een en ander wordt in het familierecht (Bijz. Ged., Hoofdst. I) nader
behandeld.
Sequitur de jure persomirum alia divisio. Xam quuedam personae sui juris sunt,
quuedam alieno juri subjectae sunt. — Uursus earum personarum quae alieno juri
Bubjectae sunt, aliac in potcstatc, aliac in manu, aliae in mancipio sunt. Gajus,
lust. I § 48, § 49.
Nam civium Komanorum quidam sunt patres familiarum, alii lilii familiarum,
quuedam matres familiarum, quaedum filiac familiarum. Patres familiarum sunt, qui
sunt suae potestatis sive puberes sive impuberes: simili modo matres familiarum:
tilii familiarum et tiliae, quae sunt in aliena potestate. Xam qui ex me et uxore
mea nascitur, in moa potestate est: item qui ex filio moo et uxore ejus nascitur, id
est nepos meus et ncptis, aeque in mea sunt potestate, et pronepos et proneptis et
deinceps eeteri. l\'lp. 1. 4 D. de his qui sui (I, 6).
„Familiae" appellatio qualiter accipiatur, videamus. Et quidcm varie accepta est:
nam et in res et in personas dedueitur. lu res, ut puta in lege duodeeim tabularuin
his verbis „adgnatus proximus familiam habeto". Ad personas autem refertur familiae
siguilicatio ita, cum de patrono et liberto loquitur lex: „ex ea familia", inqitit, „in
eam familiam": et Ine de singularibus personis legem loqui constat. — Familiae
appellatio refertur et ad corporis cujusdam signitieationem, quod uut jure proprio
ipsorum aut eommuui universae eognationis continetur. Jure proprio familiam dicimus
plures personas, qaae sunt sub unius potestate aut natura aut jure subjectae, ut puta
patrem familias, matrem familiae, liliuin familias, liliam familias ipiique deinceps
vicem eorum scquuntur, ut putu ncpotes et neptes et deinceps. 1\'atcr autem familias
appellatur, qui in domo dominium habet, recteque hoc nomine appellatur, quamvis
lilium non habeat: non enim solam personam ejus, sed et jus demonstramus: denique
et pupillum patrem familias appellamus. Kt cum pater familias moritur, quotquot
capita ei subjecta fucrint, siugulas familias incipiunt haberc: singuli enim patrum
familiarum nomen subeunt. Idemque eveniet et in co qui cmancipatus est: nam et
bic sui juris elfectus prupriam familiam habet. Communi jure familiam dicimus omnium
adguatorum: nam etsi patre familias mortuo singuli siugulas familias liabcnt, tarnen
omnes, qui sub unius potestate fuerunt, recte ejusdem familiae appellabuntur, qui
ex eadem domo et gente proditi sunt. l\'lp. 1. 195 § 1, § 2 1). de V. S. (L, IG;.
§ 40. DE MIDDELEN TOT ÏIANDHAVINU VAN DEN STAAT.
Een onderzoek omtrent den staat, die aan een persoon toekomt, kan
plaats hebben in het publiek belang, langs administratieven weg, wanneer
Hom. recht. 1, 2c druk.                                                                                        "
-ocr page 115-
D8
namelijk, met betrekking tot publiekrechtelijke bevoegdheden, aangaande
den staat twijfel rijst. Ook privaatrechtelijk kan de staat van den menscli
het onderwerp uitmaken van een rechtsstrijd. Vooreerst als incidenteele
vraag, wanneer bij eene ingestelde vordering de staat van den eisoher
of van den gedaagde van invloed blijkt te zijn op de beslissing. Maar
ook als hoofdvraag, waar eene procedure opzettelijk wordt aangevangen
met het doel om eene rechterlijke uitspraak omtrent den staat te ver-
krijgen. Alleen het laatste geval komt hier nader ter sprake.
De rechtsstrijd over vrijheid of slavernij (liberalis causa) werd oudtijds
gevoerd door middel van de ïegis actio sacramento (zie hieronder § 102).
Degene, die beweert dat de man zijn slaaf is, eischt hem als den zijnen
op (vindicatio in servitutem); als vertegenwoordiger van hem, wiens vrij-
heid bestreden wordt, treedt een adsertor libertalis op (zie hierboven §4(1,
II, a) en houdt diens vrijheid staande (contracindicalio in libertatem).
In het Justiniaansche recht is de noodzakelijkheid van dezen adsertar
weggevallen. Op wien in het proces de bewijslast rust, hangt daarvan
af, of degene wiens staat in geschil is, zich feitelijk in het bezit der
vrijheid of wel in den toestand van slavernij bevindt.
Si quis ex servitute in libertatem prachtmat, petituris partes sustinet: si vero ex
libertatc in servitutem petatur, is partes actoris sustinet qui servum suum dicit.
Igitttr cum de hoc incertum est, ut possit judicium ordincm acciperc, hoe ante apud
cum, qui de libertatc eogisitimis est, discoptatur, iitrum ex libertatc in servitutem
aut contra agatur. Kt si forte apparuerit cum, c|iii de libertate sua litigut, in libertatc
sine dolo malo fuisse, is qui se dominum dicit actoris partes sustinebit et necesse
habebit servum suum probare: ijnod si pronuntiatum fnerit eo tempore, quu lis prae-
parabatur, in libertatc cum nun fuisse aut dolo malo fuisse, ipse qui de sua libertatc
litigat debet se liberum probare. 1\'lp. 1. 7 § 5 I). de lib. causa (XXXX, 12).
Quod autcm diximus „in libertate fuisse" sic est accipiendum non ut se liberum
doceat is, qui liberale judicium patitur, scd in possessione libertutis sine dolo malo
fuisse.....Tip. 1. lü I). eod.
Ordinata liberali causa liberi loco habetur is, qui de statu suo litigat, ita ut
adversus cum qttoque, qui se dominum esse dicit, actioncs ei non denegentur,
c|iiascumque iiiteuderc vclit: quid enim si quae tales sint, ut tempore aut motte
intercant ? Quare non coneedatur ei litem contestando in tiitum cas redigere? Paul.
1. 24 pr. 1). eod.
Lite ordinata in possessione libertutis is, de cujus libertate quaeritur, constituititr
et interim pro libero habetur. Diocl. et Maxim. 1. 14 C. de lib. causa (VII, 1G).
Ook over de vraag, of iemand vrijgeboren of vrijgelaten is, kan een
proces gevoerd worden tusschen dengene, die op het patronaatsrecht
aanspraak maakt, en hem die beweert vrijgeborene te zijn. Omtrent de
verdeeling der partijrollen en de regeling van den bewijslast geldt dezelfde
onderscheiding, als zooeven werd aangewezen.
Quotiens de hoe contenditur, an quis libertus sit, sive operae petantur sivc obsc-
quium desideretur sive ctiam famosu actio intendatur sivc in jus voectur qui se
patronum dicit sivc nulla causa intervcniat, redditur praejudicium. Scd et quotiens
quis libertinum quidem se conlitctur, libertum autcm Gaji Scji se ncgut, idem prae-
judicium datur. Itedditur aulem alterutro desiderante: scd actoris partibus sempcr
qui se patronum dicit fungitiir probareque libertum suum necesse habet aut, si non
probet, vincitur. Hip. 1. C 1). si ingen. (XXXX, 14).
-ocr page 116-
99
Circa cum, ijiii se ex libertinitatc ingenimm dicat, referendum est, (juis actoris
partibus fungatiir. Kt, si qnidem in possessionem libertinitatis Tuit, sine dubio ipsum
uportebit ingenuitatis cansatn agere doocreque se ingeninim esse -. sin vcro in posses-
sione ingenuitatis sit et libcrtinus esse dicatur, scilieet eju.s ([ai ei controversiam
movet, hoe probare debet qui enm dicit libertum suum: quid enim interest, servum
siiuin ipüs an libertum contcndat? Si ciuïs autem tiducia ingenuitatis suae nltro iu
se suscipiat probationes ad hoe, ut sententiam ferat pro ingenuitate facientcm, hoc
est, ingenuum se esse ut pronuntietur, an obtemperare ei debcat, tractari potcst. Kt
non ab re esse opinor morem ei geri probandi se ingenuum et sententiam secundnm
se dandam, cum iiulla captio intercedat juris. l\'Ip. I. 14 I). de probat. (XXII, ."!).
Ne ([iioriindam dominorum erga servos nimia indnlgcntia inquinaret amplissimum
ordincm eo, qitod paterentur servos suos in ingenuitatem proclamare liberosque judi-
eari, senatus consultum factum est Domitiani temporibus, quo eau tuin est, ut, si
quis probasset per eollusionem quicquam factum, si iste homo servus sit, fierct cjus
servus qui detexisset eollusionem. Gajus 1. 1 I). de collus. (XXXX, 16).
Eveneens is een geding mogelijk over de vraag, of iemand is zelf-
standig of aan eens anders macht onderworpen (zie hieronder § 185),
of hij is wettig of wel onwettig geboren.
Si filius in potestate patris esse neget, praetor cognoseit, ut prior doceal lilius,
quia et pro pietate ipiam patri debet praestarc hoe statuendum est et quia se liberum
esse ciuodammodo contendit: ideo enim et qui ad libertatcm proclamat, prior docere
jubetiir. Paul. 1. 8 D. de probat. (XXII, 3).
y De rechtsvorderingen omtrent den staat der personen zijn praejudiciëel
/ en onpersoonlijk; praejudiciëel — dewijl zij niet strekken om eene ver-
oordeeling van den gedaagde, maar alleen om eene rechterlijke uitspraak
te verkrijgen, die een toestand vaststelt en die later kan worden inge-
roepen om daarop aanspraken te gronden (zie hieronder § 107, n°. 12
en § 103, onder n°. 3); onpersoonlijk — omdat men met deze acties zijn
staat kan verdedigen en handhaven tegen een iegelijk, die dezen betwist
of ontkent.
.....Oertc intentio aliquando sola invenitur, sicut in praejndieialibus formulis,
qualis est qua quaeritur, uliquis libertus sit, vel quanta dos sit, et aliac eon-
plures.....Gajus, lust. IV § 44.
1\'racjudicialcs actiones in rem esse videntur, qualcs sunt, per quas quaeritur, an
aliquis liber vel an libertus sit, vel de partu agnoscendo. K.\\ quibus fere una 11
legitimam causam habet, per quam quaeritur, an aliquis liber sit: ceterae ex ipsi\\is
praetoris jurisdietione substantiain capiunt. § 13 I. de act. (IV, C).
§ 47. BURGERLIJKE EER. EEBLOOSHEID.
De eer is de openbare achting en waardeering, die de mensch in de
maatschappij ondervindt. Voor zoover het genot der burgerlijke rechten
van haar afhankelijk is, noemt men ze, niet oneigenaardig: burgerlijke
eer. Zij gaat geheel verloren door het verlies van vrijheid en burgerrecht;
zij vermindert, wanneer sommige van iemands rechten worden beperkt
of ontnomen.
Existimatio est dignitatis inlaesae status, legibus ac moribns comprobatus, qui ex
delieto nostro auctoritate legum aut minuitur aut consumitur. — Minuitur existi-
7*
-ocr page 117-
100
matio, qtiotiens manen te libertate circa statnm dignitatis poena ptectimnr: sicuti eum
relegatur (inis vel eum online movetur vel cum prohibetur honoribua publicis fungi
vel eum plebejns fustibus cuedittir vel in opus piiblicum datur vel cum in cam causam
ipiis incidit, quae edicto perpetuo infamiae causa cnmneratur. — (\'onsumitur vero,
quotiens magna capitis minutiu intervenit, id est cum libertas odimitur: veluti cum
ai|iia et ijjni interdicitur, i|Uoe in persona deportatorum evcnit, vel eum plebejns in
opns metalli vel in mctallum datur: nihil enim reren, nee diversa poena est operis
et metalli, nisi quod refugac operis non morte, sed poena metalli subiciuntur. Callistr.
1. 5 § 1— § 3 I). de extr. cogn. (L, 13).
Reeds in de 12 Tafelen werd een begrip van eerloosheid opgesteld in
deze woorden (Gellius, N. A. XV, 13 § 11): „qui se sierit tostarier
libripensve fuerit, ni testimonium fatiatur, inprobus intesta-
bilisque esto." Wie daaronder viel, kon geen getuige zijn, geen testa-
raent maken noch iets uit een testament genieten. In meer of minder
ernstigen graad werd verder de eer aangetast door eene berisping van
den censor.
turn loge iniis intestabilis jubetur esse, co pertinet, ne ejus testimonium recipiatur
et eo amplius, ut quidam pntant, nevc ipsi dicatur testimonium. Oajns 1. 20 I). qui
test. (XXVIII, IJ.
Si quis »b carmen famosum damnctur, senatus consulto expressum est, ut intesta-
bilis sit: ergo nee testamentum facere poterit nee ad testamentum adhibcri. 1\'lp.
I. 18 § 1 D. eod.
Uitvoeriger regeling geeft de I\'raetor. In zijn Edict noemt hij eene
reeks van personen, aan wien hij de bevoegdheid ontzegt om voor anderen
in rechte op te treden (postulare pro aliis). Men kan daarbij twee groepen
onderscheiden, naarmate de bedoelde achteruitzetting wordt vastgeknoopt,
öf 1°. aan eene daad die de persoon heeft verricht of een toestand waarin
hij verkeert, bijv. zijn beroep of levenswijze (onmiddellijke eer loosheid),
óf 2°. aan een rechterlijk vonnis, waarbij hij is veroordeeld wegens een
misdrijf, of wegens schending van sommige overeenkomsten, waarbij ver-
trouwen op den voorgrond staat (middellijke, eerloosheid); zie ook hier-
onder § 107, nu. 19. Uit deze bepaling ontwikkelt zich het begrip der
eerloosheid (infamia). Daaraan worden verschillende gevolgen verbonden;
zoo in het publieke recht verlies van de bevoegdheid om eereambten te
bekleeden, in het privaatrecht beperking van de bekwaamheid om een
huwelijk aan te gaan (zie^ hieronder § 124, II). In het Justiniaansche
recht zijn deze gevolgen grootendeels verdwenen.
Praetoris verba diennt: „infamia notatur \') <|ui ab cxereitii iguominiae causa ab
imperatore eove, eui de ea re stutuondi potestus fuerit, dimissus erit: qui artis
ludicrae pronuntiandivc causa in scaenam prodierit: qui lenociuium fecerit: qui in
judicio publieo calumniae pracvaricationisve causa quid fecisse judieatus erit: qui
furti, vi bonorum raptorum, injuriarum, de dolo malo et fraude suo nomine damnatus
pactusve erit: qui pro soeio, tutelae, mandati, depositi suo nomine nou contra: io
judicio damnatus erit: <|ui eam, qnae in potestate ejus esset, gencro mortuo, cum
eum mortuum esse seiret, iutra id tempus, quo elugere virum moris est, antequam
) De woorden: infamia notatur zijn hoogst waarschijnlijk geïnterpoleerd.
-ocr page 118-
101
virum clugeict, in matrimoniiim collocavcrit: eamvc sciens quis nxorcm duxerit non
iussu i\'jns, in ctijus potestate est: et qui enm, <|iiem in potestate haberet, eam, de
qua siipra cornprehensiim est, nxorem duccrc passus fuerit: quive soo nominc non
inssu ejus in eiijus potestate csset, cjusve nomine ciiiem quamve in potestate haberet
bina sponsalia binasve nuptias in eodem tempore eonstitutas halmerit." .lulian. I. 1
D. de his qui not. (III, 2).
Eapropter tres feeit ordines: nam quosdam in tottim prohibuit pustulare, quibusdam
vel pro se permisit, quibusdam et pro certis dumtaxat peisonis et pro se permisit. —
Postulare autem est desiderium suum vel amici sui in jure apud cum, qui juris-
dietioni praeest, exponerc: vel alterius desidcrio conti adiccre. — Ait praetur: „CJui
lege, plebis seito, senatus eonsulto, edieto, decicto principiim nisi pro certis peisonis
postulare prohibentur: lii pro alio, qitum pro quo lieebit, in jure apud me nc pos-
tulent." Hoe edieto continentur ctiam alii omnes, qui edieto practoris ut infames
notantur, qui omnes nisi pro se et eertis peisonis nc postulent. l\'lp. 1. 1 § 1, § 2,
§ 8 I). de postul. (111, 1).
Quibusdam judiciis damnati ignominiosi fiunt, veluti furti, vi bonorum raptorum,
injuriarum; item pro socio, fiduciae, tutclac, mandati, depositi. Sed furti uut vi
bonorum raptorum aut injuriarum non solum damnati notantur ignominia, sed etiam
paeti, ut in edieto practoris seiiptnm est; et recte: plurimiim enim interest, utrum
ex delieto alii|iiis au ex contruetu debitor git. Nee tarnen ulla partc edieti id ipsum
nominatim cxpiimitur, ut uliqiiis ignominiosus sit: sed qui prohibctur et pro alio
postulare et cognitorem darc procuratoremve habcre , item procuratorio aut cognitorio
nomine judieio intervenire, ignominiosus esse dicitur. Gajus, lust. IV § 182.
Omnes infames, qui postulare prohibentur, cognitorcs lieri non posse etiam volen-
tibus adversariis. Paul., Sent. 1, 2 § 1.
Popularis aetio integrae personae permittitur, hoc est cui per edietum postulare
Heet. Paul. 1. 4 D. de pop. act. (XXXXVII, 23).
Ook buiten de gevallen van door het recht geregelde eerloosheid komt
het voor, dat iemand, die wegens zijn gedrag of levenswandel door de
openbare meening wordt veroordeeld, in rechte bij anderen wordt achter
gesteld. Zonder dat daaromtrent vaste regels bestaan, wordt bijv. zoodanig
persoon minder geschikt geacht om tot voogd te worden benoemd; als
getuige verdient hij minder geloof dan anderen (zie hieronder § 114); is
hij tot erfgenaam ingesteld, dan kunnen zelfs broeders en zusters, die
in het testament voorbijgegaan zijn, tegen dat testament opkomen.
Honori parentium ae patronorum tribuendum est, ut, quamvis per procuratoren]
judicium accipiant, nee aetio de dolo aut injuriarum in cos detur: Heet enim verbis
edieti non habeantur infames ita condeinnati, re tarnen ipsa et opinionc homiiium
non ettiigiunt infamiae notam. .lulian. 1. 2 pr. I). de obsetj. (XXXVII, 15).
Testium lides diligenter examinanda est. Ideoque in persona eoiiim exploranda
crunt in primis condicio ciijusquc, ntrum quis decurio an plebejus sit: et au liouestae
et iuculpatae vitae au vero notatus quis et reprehonsibilis • an locuples vel egens sit,
ut lueri causa quid facile admittat: vel an inimieus ei sit, adversus quem testimonium
fert, vel amicus ei sit, pro quo testimonium dat. Nam si enreat suspicione testimo-
nium vel propter personam a qua fertur (ipiod honesta sit) vel proptcr eausam (qimd
neque lueri neque gratiae neque inimieitiae causa lit) admittendus est. Callistr. 1. 3
pr. I). de test. (XXII, 5).
Fratres vel sorores uterini ab inotlieiosi aetione contra testamentiim fratris vel
sororis penitus arceantur: consanguinei autem durante vel non agnationc contra
testamentiim fratris sui vel sororis de iiiofhcioso quaestionem movere possunt, si
seripti hercdes infamiae vel turpitiidinis vel levis potae maciila adsparguntur vel
-ocr page 119-
102
liberti, ijiii pcrperum et non bene merentes maximisquc bencliciis suiim patronitm
adseeuti insiitiiii sunt, cxcepto servo neeessurio herede instituto. Constant. 1. 27 C.
de inull\'. test. (Lil, 28).
§ 48. STAND.
In hot algemeen zijn zoowel de stand, waartoe iemand behoort, als
het beroep, dat hij uitoefent (zie echter hierboven § 47), zonder invloed
op zijne rechtsbevoegdheid. Alleen voor geestelijken, soldaten, kooplieden,
min-ontwikkelden (rustici), aanzienlijken (personae Mustrrs) gelden enkele
bijzondere bepalingen (zie bijv. hieronder §§ 68, 79, 138).
§ 49. lionsniKNST.
Oudtijds was te Rome de rechtsbevoegdheid onafhankelijk van den
godsdienst; de vreemdeling werd niet om zijn godsdienst, maar om zijne
nationaliteit van de rechtsgemeenschap uitgesloten. Eerst sedert de in-
voering van het Christendom als staatsgodsdienst door Konstantijn
ontwikkelt zich het denkbeeld, dat verschil van godsdienstige gezindheid
verschil in rechtsbevoegdheid moet te weeg brengen. Om volledige rechts-
bevoegdheid te genieten moet men den Christelijken godsdienst belijden
volgens de leer van den Keizer en de vier conciliën. Tegen ketters
(hacretiri) en afvalligen (aposlati) worden harde bepalingen verordend.
Vooral wordt hun recht om te erven en om uiterste wilsbeschikkingen
te maken beperkt of opgeheven. De rechtsbevoegdheid der Joden blijft
in het algemeen onverlet; doch zij mogen geen Christen slaven hebben
en niet met Christenen huwen (zie hieronder § 121, IV).
Kis, qui Judaicam superstitionem sequuntur, divi Severus et Antoiiiniis hunores
adipisei permiserunt, scd et neeessitates eis imposuerunt, <[iii superstitionem eurum
non laederent. I"lp. 1. 3 § 3 I). de deenr. \'U, 2).
l\'unctos populos, ipios clementiac nostrae rejrit temperamentum, in tali volumus
rcligione versari, <[iiam divinum Pctrum apostolum tradidisse liomanis religio usejue
ad ntine ab ipso insinuata dcclarat quamque \'pontificem Damasum sequi claret et
I\'etrnm Alexandriae cpiseo]ium vintin apostolieae sauctitatis, hoe est ut secundum
apostolii ain disciplinam cvangclicamquc doetrinam patlis et lilii et spiritus saneti
imam deitatem sub pari majestate et sub pin trinitate eredamus. — liane legem
sequciites Christianorum catholicorum nomen jiibemus ampleeti, reliquos vero dementes
vesanosque judicantes haerctici dogmatij infamiam sustincre, divina primum vindicta,
post etiam motus nuslri, quem ex caelcsti arbitrio siimpserimus, iiltione pleelendos.
Gratian., Valentin. et Thcodos. t. I ( . de summ. triti. (1, 1).
Ne <[uis (\'liristianam mulierem in matrimoiiiiim Judaeus accipiat neijuc Judacac
Christiaiius conjugium sortiatur. Nam si apiis aliquid hujiumtodi ndmiserit, odulterii
vieem eommissi luijns crimen obtincbit, libertate in nceiisandnm publicis uaoque
voeibus relaxata. Valent., \'I\'lieod. et Arend. 1. G C. de Jildaeis (l, <)y.
Zie Cod. lab. 1, \'l\'it. 5: de huereticis et mnnichaeis et satnaritis.
§ 60. GESLACHT.
Het recht erkent slechts twee geslachten; de hermaphrodiet wordt,
naar zijne individueele gesteldheid, tot een van beide gerekend.
-ocr page 120-
103
Quacritnr: hormuphroditum rui comparumus? Et magis ]iutu ojus scxus acstiman-
(lum, i|iii in co praevalet. I\'lp. 1. 10 ]). de statu hom. (1, 5).
Ilermapliroditus au ad tostamentum adliibori possit, quulitus sexus incahscentis
ostendit. Paul. 1. 15 § 1 D. do test. (XXU, ">).
De privaatrechtelijke bevoegdheid van man en vrouw is in het Justi-
niaansehe recht over het algemeen gelijk, zoowel de bevoegdheid om
rechten te hebben (rechtsbevoegdheid), als de bekwaamheid om rechten
uit te oefenen, om met rechtsgevolg handelend op te treden (handelings-
bevoegdheid). Toch komen afwijkende bepalingen voor ten aanzien van
vrouwen. Waar het bevoegdheden of betrekkingen geldt, die nauw met
het publieke recht verwant zijn, is de vrouw daarvan uitgesloten; zoo
kan zij geen voogdes zijn — behalve in lateren tijd over hare kinderen
en kleinkinderen (zie hieronder § 137); zij kan niet het beroep van
kassier uitoefenen; zij mag niet voor anderen in rechte optreden; zij
mag geen getuige zijn bij een testament of eene andere handeling,
waarbij de vorm de medewerking van getuigen eischt.
Verbum hoc „si quis" tam masculos quam feminas compleetitur. I\'lp. 1. 1 1). de
V. S. (L, 16).
Pronuntiatio sermonis in sexu masenlino ad utrumque sexum plerumque purrigitur.
Hip. I. 19S pr. 1). end.
In multis juris nostri artieulis detorior est condieio feminurum quam masculorum.
Papil). 1. 0 D. de statu hom. (I, 5).
Feminac ab omnibus ofticiis eivilibus vel publicis remotae sunt et ideo nee judiccs
esse possunt nee magistratum gerere nee postulare nee pro alio intervenirc nee pro-
curatores existere. I\'lp. 1. 2 pr. D. de K. .1. (L, 17).
Tutela plerumque virile officium est. Gajus 1. IG pr. 1). de tut. (XXVI, 11.
Feminac remotae videntur ab officio argentarü, cum ea opera virilis sit. C\'allistr.
1. 12 D. de ed. (11, 13).
Seeundo loeo edietum proponitur in eos, qui pro aliis ne postulent: in quo edicto
exeepit praetor sexum et easum, item notavit personas in turpitudine notabiles.
Sexum: dum feminas prohibet pro aliis postulare. Kt ratio quidem prohibendi, ne
contra pudicitiam sexni congrucntem alieuis causis se immiseeant, ne virilibus orrieiis
fungantur mulieres: origo vero introducta est a Carfania improbissima t\'emina , quae
inverecundc postulans et magistratum inquietans eausam dedit edieto.....I\'lp. 1. 1
§ 5 D. de postul. (III, 1).
Mulicr testimonium dicerc in testamento ([uidem non poterit, alias anten) possc
tcstem esse mulicrem argumento est lex .Julia de adulteriis, quae adulterii damnatam
testcm produci vel dieerc testimonium vctat. I\'lp. 1. 20 § 6 I). qui test. (XXVI11, 1).
Oudtijds stond de vrouw, als zij niet was in de macht van haren
vader of echtgenoot, levenslang onder voogdij (zie hieronder § 136),
waardoor hare handelingsbevoegdheid zeer werd ingekort; deze instelling
verdween in den Keizertijd. Het testamentaire erfrecht der vrouw werd
beperkt door de Lex Voconia, doch, feitelijk althans, weder hersteld
door de invoering der tideicommissen en de bepalingen der Leges Julia
en Papia Poppaea. Ook haar wettelijk erfrecht werd besnoeid. Door
Justinianus worden echter beide geslachten in het erfrecht gelijkgesteld.
Item mulicr quae ab eo qui eentum milia aeris census est, per lcgem Voeoniam
heres institui non potest, tarnen tideicommisso rclictam sibi hcreditatcm capere potcst.
Gajus, Inst. 11 § 274.
-ocr page 121-
104
Feminae ad hereditates lc^itimas ultra consanguineas successioiies non admittiintur:
idquc jure civili Voconiana ratione videtnr effcctum. C\'etcrum lex dnodecim tubularmn
Dulla discrctionc soxtis cognatos admittit. Paul., Sent. IV, 8 § 20.
De vrouw heeft geene vaderlijke macht, en kan niet adopteeren; zie
evenwel hieronder § 133. Een Senaatsbesluit (Senatusconsultum Velle-
janum, zie hieronder § 206) verbiedt haar, zich te verbinden voor de
schuld van een ander. Om dezelfde reden, de zwakheid en onervarenheid
der vrouw, wordt haar toegestaan zich op dwaling in het recht te be-
roepen (zie hieronder § 79), terwijl haar verschillende waarborgen worden
gegeven tegenover den man ter zake van haren dos (zie hieronder § 12(5).
Vrouwen worden twee jaren eerder mondig dan mannen, en kunnen
dus twee jaren eerder huwen en een testament maken.
Vidcntur ergo molioris condicionis essc feminae <[iiam masculi; nam masculus minor
annornm XIV te.-tamcntum facerc non potcst, etiamsi tutoro auctorc testamentum
faccrc velit, fomina vero post XII aniinm tcstamenti l\'uciendi jus nanciscitnr. Gajus,
[nat. II § 113.
§ 51. LEEFTIJD.
De leeftijd heeft niet zoozeer invloed op de rechts-, als op de han-
delingsbevoegdheid (zie hieronder § 74).
De hoofdverdeeling is die in mondigen en onmondigen. Nadat omtrent
de aanwijzing der grens verschil had bestaan tusschen de Sabinianen en
de Proculianen, bepaalde .lust in ia nu s, dat jongens op 14 jarigen,
meisjes op 12 jarigen leeftijd mondig zouden worden. Voor zoover ze
niet aan de vaderlijke macht zijn onderworpen, staan de onmondigen
onder voogdij. Met de mondigheid houdt de voogdij op en wordt men
bevoegd te trouwen en een testament te maken.
l.iberantur tutcla masculi i|iiidcm pubertate. I\'ubcrcm antem Cassiani qoidem ram
esse dicnnt, qui habitu corporis pubcs apparet, id est qui generare possit: 1\'roculejani
autem .urn, qui qnattuordccim annos cxplevit: vertim Priscus cum puberem esse, in
cpicm uti-umcjiu\' concurrit et habitus corporis et numerus annornm. Feminae autem
tutcla liberantnr.....(\'lp. Fragm., XI § 28.
Lndccorara obserrationem in cxaminanda manim pubertate resecantes jubemus:
quemarimodum feminae post impletos dnodecim annos omuimodo pubescerejiidieaiitur,
ita et mares post execssmn cpiattuonlecim annorum pubcres existimentiir, indagatiuiiu
corporis inhoncsta cessante. .lustinian. 1. 3 V.. ipiando eur. (V, tilt).
Bij de onmondigen wordt nog onderscheiden, of zo beneden zeven
jaren zijn (infantes) of dien leeftijd hebben overschreden. Het kind be-
neden zeven jaren is geheel onbevoegd om te handelen; de voogd treedt
als vertegenwoordiger voor hem op. Het kind boven zeven jaren kan
zelf rechtshandelingen verrichten; doch het behoeft den bijstand van zijn
voogd, tenzij het eene handeling geldt, die hem slechts voordeel kan
aanbrengen (zie hieronder § 139). De grens tusschen infantiae proximi
en pubertali proximi is onbepaald; deze onderscheiding heeft alleen be-
trokking op de toerekeningsvatbaarheid bij ongeoorloofde handelingen.
-ocr page 122-
105
l\'upillus iitniic negotinm recto gerit, ut tarnen, sicubi tutoris auctoritas neccssaria
sit, adhibeatur tutor, veluti si ip.;e obligetar; nam alium sibi obligare etiam sinc
tiituris auctoritate potest. — Sed quod dixiinus de pupillo, utiquc de co vcnim est
qni jam aliqnem iiitcllcctum habet. Nam infaus et <i"i infanti proximus est, non
multiim :i furioso differt, qnia liiijus aetatis pupilli nullum intellectum habent; scd
in liis pupillis propter ntilitatem benigiiior juris interpretatio l\'acta est. Gsjus, Inst.
III § 107, § 109.
At ex contrario omncs res tam mancipii qnam nee mancipii mulieribus et pupillis
sinc tutoris auctoritate solvi jiossunt, <|iioniam mcliorcm condicionem snam facerc eis
ctiam sinc tutoris auctoritate concessum est. Gajns, Inst. II § 8,1.
Stitticit tutoribus ad plcnam defensioncm, sivc ipsi judicium suscipiant sive pupillus
ipsis auctoribus, nee cogendi sunt tutores cavere, ut defensures solcnt. Licentia
igitur erit, utrum malint ipsi suscipere judicium an ]iiipillum exhibcre, ut ipsis
auctoribus judicium suscipiatur: ita tarnen, ut pro hi.s, (rui 1\'ari non possunt vel
absint, ipsi tutores judicium suscipiant, pro bis autcm, qui supra soptimum annum
aetatis stuit et pracsto 1\'uei int, auctoritatem pruestent. Tip. I. 1 § 2 1). de adm. tut.
(XXVI, 7).
Contra juris civilis regulas pacta conventa rata non habentur: veluti si pupillus
sine tutoris auctoritate pactus sit ne a debitorc suo peterct, aut ne intra certntn
tem])iis veluti quinquennium peteret: nam nee solvi ei sine tutoris auctoritate potest.
Ex diverso autcm si pupillus paciscatur, ne <[iiod debeat a se i>eteretur, ratum ha-
betur pactum conventum: quia meliorem condicionem snam facerc ei ctiam sine
tutoris auctoritate concessum est. Oajus 1. 28 pr. 11. de pact. (II, 14).
1\'upilluin, qui proximus pubertati sit, capaeem essc et furandi et injuriae faciendae.
fiajus 1. 111 pr. 1). de li. .1. (I., 17).
Personen tusschen 14 resp. 12 en 25 jaren heeten minoren (eigenlijk:
minorrs XXV annis). Sedert Marcus Aurelius hebben zij in den
regel een curator. Over hunne handelingsbevoegdheid, zie hieronder §
74 en § 142. De bedoelde toestand eindigt door het bereiken van den
25 jarigen leeftijd (Irgitima actas genoemd, omdat de lex Plaetoria het
eerst dezen leeftijd in aanmerking nam) of reeds vroeger, wanneer de
minderjarige door den Keizer meerderjarig wordt verklaard, welk voor-
recht (venia aetatis) op 20 resp. IS jarigen leeftijd kan worden aan-
gevraagd.
Naast deze levenstijdperken, die van belang zijn met het oog op den
algemeenen rechtstoestand van den persoon, komen hier en daar nog
andere voor, waaraan enkele bijzondere rechtsgevolgen zijn verbonden.
Zoo kan men eerst op zijn zeventiende jaar voor anderen in rechte op-
treden, op zijn achttiende judex worden, op zijn twintigste jaar slaven
vrijlaten (zie nader hierboven § 41). Om te kunnen arrogeeren moet men
doorgaans zestig jaren oud zijn. De zeventigjarige leeftijd geeft de be-
voegdheid om zich van het waarnemen van ambten en bedieningen te
verontschuldigen (zie hieronder § 138).
Soms wordt van eene ]>lena pubertas gesproken, waaronder achttien
jaren wordt verstaan.
In adrogatiouibus cognitio vertitur, num forto minor sexaginta annis sit qni adro-
gat, quia magis liberorum croationi stilden: debeat: nisi l\'orte morlius aut valetudo
in causa sit aut alia justa causa adrogandi, veluti si conjunetam sibi personam vclit
adoptare. Vip. 1. 15 § 2 D. de adopt. (I, 7).
-ocr page 123-
1IH5
Non tantum cum quis ad optut, scd et cum adrogat, major esse debet co, qiiem
sibi per adrogationcm vel per adoptionom lilium facit, et utiquo plenae pubertatis:
id est deeem ot octo aiinis oum praeccdere debet. Modest. 1. 40 § 1 I). eod.
§ 52. GEZONDHEID.
De toestand van het lichaam heeft in het algemeen geen invloed op de
recht8- of handelingsbevoegdheid; wèl kan door ziekte tijdelijk het ver-
richten van rechtshandelingen worden verhinderd.
Lichamelijke gebreken hebben, uit den aard der zaak, onbekwaamheid
ten gevolge voor die rechtshandelingen, welke juist het gebruik van het
gebrekkig orgaan vereischen; blinden, dooven en stommen kunnen geene
rechtshandelingen verrichten, waarbij zien, hooren of spreken noodig is;
gecastreerden kunnen niet trouwen noch adopteeren. Zulke gebrekkige
personen krijgen naar omstandigheden een vertegenwoordiger of verzorger
(zie hieronder §§ 74 en 142).
„Murbns soutiens™ est, qui ctliquc rei noeet. Javol. I. 113 I). de V. S. (L, 16).
Qnaesitum est, cum alter ex litigatoribns febricitans disecssissot et judox absente
eo proniintiasset. ati jure videretnr pronuntiasse. liespondit: murbns soutiens etiam
inviiis litigatoribns ar jndiee diern differt. Soutiens autem existimandu.t est, qui
cujnsqnc rei ugcndac impedimento est. Litiganti porru <]11id magis impedimento est,
quam motus eorporis contra naturam, qncm febrem appellant? Igitur si rei judicandac
tempore alter ex litigatoribns febrem habuit, res non videtur jndicata. 1\'otest tarnen
dici esse uliquam et febrium differentiam: nam si ipiis sanus alias ae robustus tempore
judirandi levissima l\'ebre correptus fuerit, aut si quis tam vetcrem quartanam liabeat,
ut in ea omnibus negotiis supcresse soleat, poterit dici morbum sontieum non babere.
Julian. 1. 60 1). de re jud. (XXXX1I, 1).
Verum est „murbnm" esse temporalem eorporis inbeeillitatem, „vitium" vero porpe-
tuum eorporis impedimentum, veluti si talum excussit: nam et luscus utique vitiosus
est. Modest. 1. 101 5 2 D. de V. S. (1., 16).
Mutum ncqnc stiptilari neque promittcre posse palam est. Idem etiam in surdo
receptum est; qitiu ot is qui stipulatur, verba promittentis, et qui promittit, verba
stipulantis exandire debet. C.ujus, lust. 111 § 1(15.
I\'roinde si mntus surdusve quis sit, sine dubio a tutela exeusabitur. Hi vero quos
valetudo vel furor vel morbus perpetuus exeusat, etiam eas tutelas quas ante suscepe-
rant deponnnt. Alia causa aetatis est. Luminibus etiam cnpttim (babere exensationem)
l\'orcatio Kaustino rescripsit imperator noster cum patre. — Item Furio Epaphrac,
cum allegasset se iiniim oculum amisisse et in alio perielitari, rescripsit, an propter
adversam valetudinem oculorum excusari debcret, praetorem aestimaturum. Ui etiam
a susceptis exeusabunttir. Kragm. Vat. § 238, § 23\'J.
Hi» qui in ea eausa sunt, ut superessc rebus suis non possint, dare enratorem
proconsulem oportebit. lip. 1. 12 pr. 1). de tut. et eur. (XXVI, 5).
Van grooter beteekenis in rechte is de toestand van den geest. De
krankzinnige, d. w. z. degene wiens geestvermogens geheel of gedeeltelijk
gekrenkt zijn {furiosus, merite raptus, de-mens), mist de handelings-
bevoegdheid, behalve gedurende zijne heldere tusschenpoozen. Een curator
treedt als vertegenwoordiger voor hem op.
Qui furore coepit, et statnm et dignitatcm in qua luit et magistratum et potestatem
videttir rctinere, sicut rei suao dominium retinet. I\'lp. 1. 20 I). de statu hom. (I, 5).
-ocr page 124-
107
Adeo autem rctinet jus potestatis pater furiosus, ut et adquiratur illi commodum
cjus, qnod filius »dijiiisivit. 1 "lp. 1. 8 § 1 I). do liis qui sni (I, G).
Furiosus imllum negotium gerere potest, quia non intcllegit qnid agat. Gajus,
Inst. III § 106.
Fnriosnm, sive stipulatur sive promittat, nihil agere natura manifostum est. Gajus
1. 1 § 12 D. de O. et A. (XXXXIV, 7).
Emptionem et venditioncm consensum desiderare nee furiosi tillum esse consensum
manifcstum est. Intcrmissionis autem tempore furiosos majores viginti quinquc annis
venditiones et alios quoslibet contractus posse faccrc non ambigilur. Diocl. et Maxim.
1. 2 C. de contr. empt. (IV, 38).
Fnriosnm in suis indutiis ultimum condere clogium posse, Heet ab antiquis dubi-
tabatur, tarnen et retro principibns et nobis placuit: nunc autem hoc decidcndum
est, quod simili modo antiquos animos movit, si coepto testamento fnror eum invasit.
.lustiiiian. 1. 9 pr. I\'. qui fac. test. (VI, 22).
Verkwisting wordt als eene soort zielsziekte beschouwd. Den verkwister
kan door den praetor het beheer zijner goederen ontzegd worden. Zijn
rechtstoestand is dan gelijk aan dien van een onmondige hoven zevon
jaren (zie verder hieronder § 74 en § 142).
Lege dnodecim tabnlarum prodigo interdicitnr bonorum suorum administ ratio,
quod moribus epiidem ab initio introdnetiim est. Red solenl hodic practoros vel
pracsides, si talem hominem invenerint, qni neqne tempus neque linem ex]iensarum
liabet, scd bona sua dilacerando et dissipando profudit, enratorem ei dure exemplo
furiosi: et tamdiu erunt ambo in euratione, qtmmdiu vel furiosus saiiitatem vel illc
sanos mores reeeperit: quod si cvenerit, ipso J11 rt? desinunt esse in potcstatc eura-
torum. I\'lp. 1. 1 pr. 1). de eur. fur. (XX Vil, ld).
\' Moribus per praetorem bonis interdieitur hoc modo: Quando tibi bona pa-
terna avitaque ncqnitia tua disperdis libcrosquc tuos ad egestatem
perdueis, ob eam rem tibi ea re commerciuq uc interdico. Paul., Sent.
III, 4rt § 7.
Divus 1\'ins matris querellam de liliis prodigis admisit, ui enratorem accipiant, in
liaee verba: „Non est novum quosdam, etsi mentis suae vidcbuntiir ex sermonibus
eompotes esse, tarnen sic traetare bona ad se pertinentia, ut, nisi subveniatur is,
dedneantur in egestatem. Kligendus itaque erit, qui eos consilio regat: nam acquiim
est prospicerc iios etiam eis, qni quod ad bona ipsorum pettinet, fnriosnm laeiuut
exitum." IIlp. 1. 12 § 2 11. de tut. et eur. (X\\"V1, :,).
Is, eni bonis interdietum est, stipulando sibi adquirit, nadere vero non potest
vel promittendo obligari: et ideo nee fidejussor pro eo intervenire poterit, sieut nee
pro furioso. Tip. 1. f. D. de V. O. (XXXXV, 1).
Mutus siirdus furiosus itemque prodigus, cili lege\' bonis interdietum est, testamcn-
tum faeere non possunt: mutus, ipioniam verba nuncuputionis loqui non potest:
surdus, quoniam verba familiae emptoris cxaudire non potest: furiosus, quoniam
mentem non liabet, ut testari de sua re possit: prodigus, quoniam commercio illi
interdietum est et ob id familiam mancipare non potest. I\'lp. Fragra., XX § 13.
Furiosi vel ejus, eui bonis interdietum sit, nulla voluntas est. 1\'omp. 1. 40 I). de
B. .1. (L, 17).
§ 53. WOONPLAATS.
Het is in verschillende opzichten van belang te weten, waar iemand
rechtens geacht moet worden te zijn. In het publieke recht doet zich de
vraag naar het domicilie voor, o. a. ten aanzien van de waarneming van
-ocr page 125-
108
ambten en bedieningen; privaatrechtelijk is daarvan de aanwijzing van
den bevoegden rechter afhankelijk (zie hieronder § 101).
.huis ordincm convcrti postulas, ut non actor rei forum, sed reus actorig scqiiatur:
iiiirn nbi domicilium habet reus vel tempore contractus habuit, licet hoe postea trans-
tnlerit, ibi tantum cum convcniri oportet. Diocl. et Maxim. 1. 2 C. dejurisd. (III, 13).
Iemand wordt geacht zijn domicilie te hebben op de plaats, waar het
middelpunt is van zijne huiselijke werkzaamheden en burgerlijke levens-
betrekkingen, al houdt hij zich ook niet voortdurend daar op.
.....Sed de ca re constitutum essc eam domum unicuique nostium debere cxisti-
mari, ubi quisqiic sedcs et tabulas haberet suarumquc rerum constitutionem fecissct....
Alfen. I. 203 p. de V. S. (L, ir,).
Kt in eodem loco singulos habere domicilium non ambigitur, ubi quis larem
remmqiie ac fortiinuriim suarum summum constituit, undc rursus nun sit discessurus,
si nihil avocet, unde cum profectus est, peregrinari videtur, quo si rediit, peregri-
nari jam dcstitit. Diocl. et Maxim. 1. 7 § I (_\'. de incol. (X, 40).
. iji quis ncgotia sua non in colonia, scd in municipio sempor ugit, in illo vendit
iinit contrahit, in co foro balineo spcctaculis utitur, ibi festos dies celebrat, omnibus
denique municipii commodis, nullis coloniarnm fruitur, ibi magis habere domicilium,
quam ubi colcndi causa dcrersatur. Vip. 1. 27 § 1 1). ad man. (L, 1).
Sola domus possessio, quac in alicna civitatc comparatur, domicilium non facit.
" 1\'apin. 1. 17 § 13 D. eod.
De woonplaats berust of op vrije keuze öf op aanwijzing door de wet.
De vrijwillige woonplaats wordt bepaald door de daad der vestiging met
het voornemen om op die plaats te verblijven. De Romeinsche juristen
houden het, ofschoon zij aarzelen, voor mogelijk, dat iemand meer dan
écn of in het geheel geen domicilie heeft.
s Ncc ipsi, qui studiofilm causa aliquo loei morantur, domicilium ibi habere cre-
duntur, nisi deeem annis transactie eo loei Bedes sibi constitnernnt, secundum epistu-
lam divi Hadriani, ncc pater, qui proptcr lilium studontcm frequentins ad cum
commcat. - Sed si aliis nitionilnis domicilium in splendidissima civitatc Laodice-
nonim habere probatus fncris, mendacium, quo minus muneribus fungaris, non pro-
derit. Alex. I. 2 (\'. de incol. (X, 40).
Domicilium re et facto transfertur, non nuda contestatione: sicut in his exigitur,
qui negant se posse ad munera ut incolas vocari. Paul. 1. 2(1 D. ad mun. (L, 1).
s Labco indicat cum, qui pluribus locis ex aequo negotietur, nusquam domicilium
habere: quosdam autem diccre refert pluribus locis cum incolam esse aut domicilium
habere: quod verius est. 1\'aul. I. r> D. eod.
Viris prudentibus placuil duobus locis posse aliquem habere domicilium, si utru-
bique ita se instruxit, ut non ideo minus apud altcros se colloeasse vidcatur. Tip.
I. 6 § 2 D. eod.
Celsus libro primo digestorum traetat, si quis instrnctua sit duobus locis aequaliter
ncque liic quam illic minus frequenter commoretur: ubi domicilium habeat, ex desti-
natione animi esse accipiendum. Kgo dubito, si utnibique destinato sit animo, au
possit quis (luobus locis domicilium habere. Et verum est habere, licet difficile est:
qucmadmodiim difficile est sine domicilio esse quemquam. I\'uto autem et hoc proce*
dcre posse, si quis domicilio relicto naviget vel iter faeiat, quaerens qno se conferat
atque ubi constituat: nam liunc pnto sine domicilio esse. ITlp. 1. 27 § 2 D. eod.
Eene wettelijke woonplaats hebben getrouwde vrouwen, nam. bij haren
man (zie hieronder § 125); wettige kinderen bij den vader, onwettige
/
-ocr page 126-
10!)
hij de moeder, zoolang zij zelf geene andere hebben gekozen; ambtenaren
en soldaten daar waar zij dienst doen; vrijgelatenen bij hun vroegeren
meester.
Viilua muiier umissi mariti domicilinm retinet excmplo clarissimac personae per
ui:iri c 11 in factae: sed utrurmpie uliis intervenientibus nuptiis permutatiir. Paul. 1. 22
§ 1 I). eod.
Ka, (juac desponsa est, ante contractas nuptias siium non mutat domicilium.
Modest. 1. 32 D. eod.
Senatores in sacratissima urbe domicilium dignitutis haberc videntur. Vu lont.,
Theod. et Arcad. 1. 8 C. de incol. (X, 40).
Naast liet domicilium komt nog in aanmerking de orlgo, liet burger-
recht in eene bepaalde gemeente.
(\'ivcs ([iiidem origo mannmissio adlectio adoptio, incolns vero, sicut cl divus
Iludrianus cdicto suo manifestissime declaravit, domicilium facit. Diocl. et Maxim.
I. 7 pr. C. eod.
Municipem aut nativitas facit aut mannmissio aut adoptio. lip. 1. 1 pr. 1). ad
mun. (Li, 1).
Koina communis nostra patria est. Modest. 1. 33 I). eod.
y, Incola et lus magistratibus parere debet, apud ijuos incola est, et illis, apud ijnos
civis est: nee tantum municipali jurisdictioni in utroque municipio snbjectiis est,
verum etiain omnibus pnblicis muneribus fungi debet. Gajus 1. 2\'.l 1). eod.
§ 54. VERWANTSCHAP TUSSCUE2J VERSCHILLENDE l\'ERSONEN.
A.
WETTIGE EN ONWETTIGE GEKOOKTE.
Een kind is wettig, wanneer het is geboren uit een wettig huwelijk.
Het wordt gerekend uit een wettig huwelijk te zijn geboren, als liet ter
wereld is gekomen niet vroeger dan 182 dagen na de voltrekking van
het huwelijk en niet later dan 300 dagen na de ontbinding daarvan.
Voor allen, die binnen deze tijdgrenzen geboren zijn, geldt het vermoeden,
dat zij den man tot vader hebben; tegenbewijs wordt echter toegelaten.
Septimo mense uasci perfectum partuin jam receptum est proptcr auctoritatcm
doctissimi viri llippocratis: et ideo credendum est eum , <{iii ex justis nuptiis septimo
mensc natas est, justum lilium esse. l\'aul. 1. L2 1). de statu hom. (1, ">).
1\'ost decem menses mortis natus non admittetur ad legitimam hereditatem. — De
eo autem, qui eentensimo octogensimo secundo die natus est, Hippocrates scripsit
et divus Pias pontilieibtis rescripsit justo tempore videri nut urn . nee videri in servi-
tutein conceptum, cum mater ipsius ante centensimum octogensimum secundnm diem
esset manumissa. l\'lp. 1. 3 § 11, § 12 D. de suis (XXXVlil, 16).
Fiüum cum delinimus, (iui ex viro et uxore ejus nascitur. Sed si tingumus afuisse
maritum verbi gratia ])cr decennium, reversum uuiiicuhtm invenisse iu domo sua,
placet nobis Juliani sententia hinic non esse mariti lilium. Non tarnen ferendtim
.luliuniis ait eum, ijui eum uxore sua adsidue rnoratus nolit lilium adgnoscere quasi
non suum. Sed mihi videtur, quod et Seaevola probat, si constct maritum aliquumdiu
cum uxore non coneubuisse inlirmitatc intervenientc vel alia causa, vel si ea vale-
tudiue pater familias tuit ut generare non possit, hiinc, qui in domo natus est, liect
vieinis scientibus, lilium non esse. l\'lp. 1. 6 I). de bis qui sui (1, 6).
Defuncto marito adulterii rea mulicr postulatur, quae proptcr impuberem lilium
vult dilatiouem ab aecusatore impetrare: au debeat audiri? Kespondi: non videtur
-ocr page 127-
110
mihi confugere ea muiier ad justam defensionem, qaae aetatem lilii praetendit ad
eludcndam legitinmm accusationem: nam non utique crimcn adulterii, quod mnlieri
ubicitur, infanti praejudicat, ciim possit et illa adultera cssc et impubes defnnctnin
patrem habuissc. 1\'apin. I. 12 § 8, § 9 I). ud leg. .lul. de adult. (XXXXVI11. 5).
Allen, die niet uit een wettig huwelijk geboren zijn, zijn onwettig.
Zij hebben rechtens geen vader of vaderlijke verwanten; ten aanzien der
moeder on der moederlijke verwanten staan zij met wettige gelijk. Hij-
zondere regels gelden: 1°. voor de kinderen eener eoncubina(ziehieronder
§ 122); 2°. voor kinderen, in overspel of bloedschande verwekt. De
overigen neeten: spurii, volgo concepti, rolgo quaesüi.
Cum Icgitimae nuptioe lactae sint, patrem liberi secjuuiitur: vulgoquaesitus matrem
sequitur. Cels. I. 1!\' I). de statu bom. (1, 5).
1\'arentes etiam cos aecipi Labeo existimat, qui in servitutc susceperuiit: nee tarnen,
nt Scverus dicebat, ad solos justos liberos: sed et si vulgo quaesitus sit iilius, matrem
iu jus nou rocabit, lip. 1. 4 § 3 1). de in jus voc. (11, 4).
qitia semper certa est, etiam si vulgo eonceperit: pater vero is est, quem nuptiae
demonstrant. 1\'aul. 1. 5 1). eod.
(\'ui matte quidem certa, patre autem incerto nati sunt, spurii appellantur. lip.
Fragm., IV § 2.
Vulgo eoneepti dicuntur qui patrem demonstrare non possnnt, vel qui posslint
quidem, se<l eum liabent, quem habere non licet. Qui et spurii appellantur -rxp\'x rif*
mofxv.
Modest. 1. 2\'! 1). de statu hotn. (1, 5).
Ergo si (iuis nefarias atque ineestas nuptias eontraxerit, neque uxorem habere
videtur neque liberos; itaque hi qui ex eo coitu nascuntur, matrem quidem habere
videntur, patrem vero non utique; nee ob id in potestate ejus sunt, sed tales simt
qnales sunt hi quos matei- vulgo conecpit; nam et hi patrem habere non intelleguntur,
eum is etiam ineertus sit; undc solent spurii lilii appellari, vel a Oraeca voce quasi
mofib^ eoneepti, vel quasi sine patre lilii. Gajus, lust. 1 § (14.
Modestinus respondit non ideo minus ad aviac maternae bona ab intestato nepotes
admitti, quod vulgo quaesiti proponuntur. Modest. I. 8 I). unde cogn. (XXXV111, 8).
§ 55. VERVOLG. 15. AlHïNATH) EN COONATIO.
(lust. Lib. 1, Tit. 15: de legitima adgnatoruni tutela.
Lib. 3, Tit. 2: de legitima adgnatoruni suecessione.
Lib. .\'5, Tit. (i: de gradibus cognationis).
De verwantschap wordt bij de Komeinen onderscheiden in natuurlijke
(cognatio) on burgerlijke (adguatio).
Bloedverwantschap (cognatio) is de betrekking tussehen personen, die
èf van elkaar afstammen öf een gemeenschappelijken stamvader hebben.
Adyuatio is eon civielrechtelijk begrip. Zij berust op de vaderlijke of
echtelijke macht van den Homeinschen huisvader, den grondslag der
Jiomeinsche familie (zie hierboven § 45). Het is de betrekking tussehen
hen, die aan dezelfde vaderlijke of echtelijke macht zijn onderworpen, of
die dit zouden zijn, indien de gemeenschappelijke machthebber nog leefde.
(\'ognati autem appellati sunt quasi ex uno nati, aut, ut Labeo ait, quasi commune
nascendi initium babuerint. I lp. 1. I § I 1). unde eogn. (XXXV1U, 8).
/
-ocr page 128-
111
/Simt autem agnati per virilis sexus personas cognatione jnneti, quasi a patre
cognati, veluti frater eodem patre natus, fratris tilius neposvc ex eo, item patruua
et patrui lilius et nepos ex eo. At hi qui per feminini sexus personas cognatione
conjungiintur, uun simt agnati, sed alias iiaturali jure cognati. ltaque inter avun-
culum et Bororis liliiim non ngnntio est, sed cognatio. Item amitae, matcrterac lilius
nou est milli agnatus, sed cognatus, et invicem seilieet ego illi eodem jure con-
juiigor, quia qui naseuntur, patris, non marris l\'amiliam seciintur. Gujns, lust.
1 § 156.
Vocantur autem agnati qui legitima cognatione jiincti sant. Legitima autem cog-
natio est ea quae per virilis sexus personas eonjungitur. ltaque eodem patre nati
fratres agnati sibi sunt, qui etiam consanguinei vocantur, nee requiritur au etiam
matrern candcm lialuierint. Item patruus fratris lilio et invicem is illi agnatus est.
Kodem numero sunt fratres patrueles inter se, id est qui ex duobus fratribu.s pro-
geuerati sunt, qiios plcriquc etiam consobrinos voeant. Qua rationc seilieet etiam ad
plures gradus agnationis pervcnirc poterimus. Gajus, lust. III § UI.
Agnati sunt a patre cognati virilis sexus per virilcm sexum descendentes cjusdcm
familiae, veluti patrui, fratres, lilii fratris, patrueles. I\'lp. Kragm., XI § 4.
De adgnalio, als rechtsbegrip, kan ook kunstmatig in hot leven worden
geroepen, bijv. wanneer door adoptie de vaderlijke maeht wordt gevestigd,
of wanneer de vrouw zich begeeft in de echtelijke macht van den man;
zij kan evenzoo weder worden opgeheven, bijv. wanneer door emancipatie
de band der vaderlijke macht wordt verbroken.
Sed agnationis quidem jus capitis deminutione perimitur, eognaliouis vero jus co
modo non commutatur, quia civilis ratio civilia quidem jura corrumperc potest,
naturalia vero non potest. Gajus, lust. I § i.\'iS.
Agnatos autem capitc deminutos non secundo gradu post suos heredes vocat, id
est non eo gradu vocat cjuo per legem vocarentur, si capitc deminuti non essent,
sed tertio proximitatis nominc; lieet enim capitis deminutione jus legitimum pcrde
dcrint, certc eognationis jura retincnt. ltaque si i[iiis alius sit qui integrum jus
agnationis liabebit, is potior erit, etiamsi longiore gradu fuerit. Gajus, lust.
111 § 27.
Inter adgnatos igitur et eognatos hoc interest quod inter genus et speciem: nam
qui est adgnatus, et cognatus est, non utique autem qui cognatus est, et adgnatus
est: alterum enim civile, alterum naturale nomen est. I\'aul. 1. 10 § 4 1). de grad.
(XXXVIII, 10).
Cognutionis snbstantia bifariam apud Romanos intellegitur: nam quaedam cogna-
tiones jure civili, quacdam naturali conectuntur, uonnumquain utroquc jure concur-
rente et naturali et civili copulatur cognatio. Kt quidem naturalis cognatio per se
sine civili cognatione intellegitur quae per feminas descendit, quae volgo libcros
pepcrit. Civilis autem per se, quae etiam legitima dicitur, sine jure naturali cognatio
consistit per adoptionem. ITtroque jure consistit cognatio, cum justis nuptiis con-
tractis copulatur. Sed naturalis quidem cognatio hoc ipso nominc appellatur: civilis
autem cognatio lieet ipsa quoquc per se plenissime hoc nominc voeetur, proprietamen
adgnatio voeatur, videlicet quae per mares contingit. Modest. 1. 4 § 2 1). eod.
De verwantschap openbaart hare gevolgen vooral met betrekking tot
de voogdij (zie hieronder § 137) en het erfrecht; verder komt zij in aan-
merking als huwelijksbeletsel (zie hieronder § 124), in het procesrecht, enz.
Oudtijds worden de moeste dezer werkingen verbonden aan de adgnalio.
Later verkrijgt allengs ook de cognatio beteekenis, totdat Justinianus
-ocr page 129-
112
in Nov. 118 beide genoegzaam gelijkstelt, waarbij de natuurlijke ver-
wantsehap op den voorgrond treedt.
Similiter non admittuntur cognati qui per fcminini sexus |>crsonus nccessitu<linc
junguntur; adeo quidem, ut nee inter matrcm et tilium filiamvc nltro citioijnc here-
dilutis capiendae jus cunpctat, pntcterquam si per in mannin convcntionem consan-
guinitatis jura inter eos constitcrint. Gajus, lust. 111 § 24.
Lex Cornelhi de injuriis competit ei, qui injuriaram agere volet ob eam rem,
quud se pulsatum veiberatumve dumumve suam vi introitiim esse dicat. Qua lege
cavetur, ut non judicet, qui ei ipii agit geuer socer, vitricus privignus, sobrinusve
est prupiusve eorum quemqucm e:i coguatiunc adlinitutcvc attinget, qnive eoriim ejus
parentisve eujus eorum patrunus erit. Lex itaque Cornelia ex tribus causis dedit
actionem: cpiud ipiis pulsatus verher»tusve domusve ejus vi introita sit. Apparet
igitur omnem injuriam, qiiac manu tint, lege Cornclia contineri. I"lp. 1. 5 pr. 1). de
injur. (XXXXV1I, 10).
Personae igitur cognatorum cxeipiuntur liis verbis: „sivc qnis eognatus eognata
inter se, dum sobrinus sobrinuve prupiusve eu sit, sive cpiis in alterius potestatc
manu mancipiuve erit, qui eos hac eognatione attinget quorumve is in putestate
manu mancipiove erit, eis omnibus inter se donare capere liceto." Fragm.
Vat. § 298.
De verwantschap is dl\' verwantschap in de rechte lijn, de betrekking
tusschen personen die van elkaar afstammen (opgaande, nederdalendo
rechte lijn; adscendenten, descendenten); of verwantschap in de zijlijn,
de betrekking tusschen hen, die denzelfden stamvader hebben. De broe-
ders en zusters worden nog onderscheiden in volle en halve broeders en
zusters (consanguinei: die denzelfden vader hebben; uterini: die dezelfde
moeder hebben).
De verwantschap wordt gemeten naar graden. Om den afstand te leeren
kennen tusschen twee personen, telt men het aantal geboorten, zonder
den gemeenschappelijken stamvader mede te rekenen.
Juris consultus cognatorum gradus et adtinium nusse debet, quia legibus hereditates
et tuteiae ad proximum quemque adgnatum redire consucrunt: scd et cdieto praetor
proximo cuique cugnato dat bunorum possessionem: praeterea lege judieiorum publi-
corum contra adlines et cognatos testimonium inviti dicere non cogimur. 1\'aul. 1. in
pr. 1). de grad. (XXXVI11, 10).
Gradus eognationis alii superioris ordinis gunt, alii inl\'erioris, alii ex transverso
sive a latere. Kuperioris ordinis sunt parentes. lnferioris liberi. Ex transverso sive
a latere fratres et sorores libcrique eorum. Gajus 1. 1 pr. D. eod.
ÜTiii/j-XTx cognationum directo limite in duas lineas separantur, quarum altera
superior, altem iuferior: ex superiore autcm et secundo gradu transversae lineae
|M!iident, quas omnes latiore traetatu babito in librum singularein contexiinus. 1\'aid.
1. 9 1). eod.
s Nam quotiens quaeritur, quanto gradu quaeque persona sit, ab co incipiendum est
eujus de eognatione quaerimus: et si ex inferioribus aut superioribus gradibtis est,
recta linea susum versum vel deursum tendentium facile iuveuicmus gradus, si per
singulos gradus proximum quemque numeramus: nam qui ei, qui mihi proximo gradu
est, pioximtis est, secundo gradu est mihi: similiter enim aecedeiitibus singulis crescit
numerus. Idem faciendum in transversis gradibus: sic frater secundo gradu est, quo-
niam patris vel matiis persona, per quos conjungitur, prior uumeratur. — Gradus
autem dicti sunt a similitudine scalarum locorumve proclivium, quos ita iugrcdiinur,
\\
-ocr page 130-
113
ut a proximo in proximitm, id est in eum, qui quasi ex eo nascitnr, transeamns.
Paul. 1. 10 § 9, § 10 D. eod.
Appcllatione „paren tis" non tantum pater, sed ctiam avus et proavus et deinceps
omnes superiores continentur: sed et mater et avia et proavia. Gajus 1. 51 T). de
V. S. (L, 16).
„Iiiberorum" appcllatione ncpoti\'S et pronepotes ceterique qui ex bis desccndunl
continentur: hos cnim omncs suoium appcllatione le.\\ duodecim tabularum comprc-
liendit. Totiens cnim leges necessariam dncunt cognationem singnlorum iioininibus
uti (vcluti lilii, nepotis, pronepotis cctcrorumvc qui ex bis descendunt), quotiens
non omnibus, qui post cos sant, praestitum volucrint, sed solis his succurrent, ([Hos
nominatim cniimercnt. At ubi non personis certis, non quibtisdam gradibus pracsta-
tur, sed omnibus, qui ex eodem genere orti simt, libemrum appcllatione compre-
henduntur. Callistr. 1. 22o pr. I). eod.
Mogelijk is ook eene meervoudige verwantschap tusschen dezelfde
personen.
p/var->//s{w
v) M neP/u
rurpi\'/ros \\
prunepps fyfi
p£j (Y) [z|piwyfe
vroiirutis
§ 56. VEHVOI.O. C. ZWAGER8CHAP.
Zwagerschap (aanverwantschap, adfinitas) is de betrekking, die door
een huwelijk ontstaat tusschen den eenen echtgenoot en de bloedver-
wanten van den anderen. Verder strekt zij zich in rechte niet uit.
Graden bestaan er bij de zwagerschap eigenlijk niet, doch men neemt
aan, dat in denzelfden graad, waarin iemand bloedverwant is van den
eenen echtgenoot, hij aanverwant is van den anderen.
Hum reclil. 1, 2e druk.                                                                                      8
-ocr page 131-
111
A is gener van E en F; B is nurus van C en I); E is soeer van
(eVJfI ^\' ^ vau ®\' ^ \'s soenis van a,
D van B; I is glos van B; K
/
                  / levir van A; A is vitricus van
(JO fjjl __J7) H; 15 noverca van G; II is pri-
vigna van A, ö privignus van B;
ö en H zijn noch bloed- noch
aanverwanten.
Sed (|iiüniam ([uaedam jnra inter adfines quoqnc versantnr, non alienum est hoc
loco do adfinibu» quoquc breviter disscrere. Adfincs sant viri et uxoris cognati,
dicti ab eo, ijuud duac cognationes, quae diversao inter se sant, per nuptias copu-
lantnr et altera ad altcrius cognationis finem acccdit: namiiue conjungendac adtinitatis
causa lit ex nuptiis. — Nomina vero eornm haec sunt: socer socrus, gencr nurus,
noverca vitricus, privignus privigna. — Gradus autem adfinitati nulli sunt. — In
adoptioncm datus uut cmancipatus quascumque cognationes adfinitatesque habuit,
retinet, adgnationis jnra perdit. Sed in eam familiam, ad <piam per adoptioncm
venit, nemo est illi cognatus praeter patrem eosve, quibus adgnascitur; adünis autem
ei omnino in ca familia nemo est. Modest. 1. 4 § 3—§ 5, § 10 D. de grad.
(XXXVIII, 10).
Zwagerschap geeft geen erfrecht en verplicht niet tot voogdij; zij werkt
wel in het proces en inzonderheid als huwelijksbeletsel (zie hieronder
§ 124). Zij houdt op door de ontbinding van het huwelijk, waardoor zij
ontstaan is, behalve bij het huwelijksverbod, waar zij juist eerst na de
ontbinding te pas komt.
Lege Julia judioiorum publicorum cavetur, ne invito denuntictur, ut testimonium
litis dicat adversus socerum generum, vitricum pririgiium, sobrinum sobrinam, so-
brino sobrina natum , eosve qui priore gradu sint.....Paul. 1.4 D. de test. (XXII, 5).
Sed in hac adlines qni sunt tempore donationis excipiuntiir, idemque etiam divus
Pius rescripsit; leges enim, quae voluissent etiam cos excipei e qui t\'uissent, nomi-
natim id cavisse. Fragm. Vat. § .10.1.
Adlinitates non eas accipere debcmus, quae quondam fueniiit, sed pracsentes.
l\'lp. 1. .1 § 1 D. de postul. (111, 1).
Item (se. uxorem ducere non licet) cara quae mihi quondam socrus aut nurus aut
privigna aut noverca luit. Ideo autem diximus „quondam", quia si adhuc constant
eae nuptiae, per qnas talis adrinitas quaesita est, alia ratione mibi uupta esse non
potest, quia nequo eadem duobus nupta esse potest, neque idem duas tixores babere.
Oajus, lnst. 1 § «3.
Inter privignos contrahi nuptiae possunt, etsi fratrem communem ex novo parentium
matrimonio sueceptum babeant. 1\'apin. 1. 34 § 2 D. de H. N". (XXIII, 2).
§ 57. RECHTSPERSONEN.
Tegenover de natuurlijke staan de rechtspersonen (zie hierboven § 33).
Wanneer eenigo mensehen een geoorloofd doel willen bereiken, dat
echter hunne individueele krachten en levensduur te boven gaat, en dat
onafhankelijk moet blijven van hunne tijdelijke belangen en middelen,
van hun veranderlijken wii, inzonderheid wanneer zij eigen aansprake-
lijkheid willen afsnijden, kunnen zij te zamen eene vereenigingoprichten,
\\
-ocr page 132-
115
met dit gevolg, dat die vereeniging, niet hare leden afzonderlijk of ge-
zamenlijk, als subject van rechten en verplichtingen wordt aangemerkt.
Ook een enkel mensch kan zich een doel voorstellen, dat hij niet
bereiken kan dan door zijn vermogen geheel of gedeeltelijk te onttrekken
aan zijne erfgenamen en te verheffen tot een zelfstandig rechtssubject,
dat onafhankelijk blijft van de lotswisselingen, waaraan het vermogen
van bijzondere personen blootstaat (stichtingen, piae causae).
Ten einde de verwezenlijking mogelijk te maken van deze verschillende
doeleinden, die hetzij eene vereeniging van menschen, hetzij een enkel
mensch zich voorstelt, zijn de rechtspersonen ontstaan en erkend. Ook
hier dient het recht om de belangen van den mensch te bevredigen;
doch dit geschiedt hier op die wijze, dat rechtsbevoegdheid wordt ver-
bonden, persoonlijkheid wordt toegekend aan iets, dat niet is een levende
mensch. De onderlaag, waarop de persoonlijkheid wordt gebouwd — het
in werkelijkheid aanwezige iets, waaraan de rechtsorde de hoedanigheid
van rechtssubject toeschrijft, is tweeërlei: het is of eene vereeniging van
menschen (corporatie) öf een afgescheiden kapitaal of vermogen (stichting).
Eene fictie kan men de rechtspersoon alleen in zoover noemen, als
daarbij wordt aangenomen, dat een wezen denkt en wil, dat in werke-
lijkheid niet denken noch willen kan.
Van de corporaties, met rechtspersoonlijkheid toegerust, komen in het
Romeinsche recht vooral de volgende soorten voor:
1°. de Staat — als vermogenssubject gewoonlijk fiscus genoemd. Eerst
in den Keizertijd wordt deze, waar hij als drager van rechten en ver-
plichtingen met bijzondere personen in aanraking komt, aan de gewone
regels van het privaatrecht onderworpen geacht. Hij geniet daarbij ver-
schillende voorrechten (zie bijv. hieronder § 17U). De fiscus vormt overigens
slechts één rechtspersoon, al wordt somtijds uit een administratief oog-
punt, in het belang van een ordelijk beheer, tusschon de verschillende
afdeelingen eene scheiding gemaakt, welke op privaatrechtelijk gebied
invloed oefent.
Quudctim<iuu privilegii risco competit, hoc idem et Caesaris ratio et Augnstae
habcre sulet. lüp. I. 6 § 1 1). de J. F. (XXXX1X, 14).
Libcruri fidejussores, quotiens fiscus rum creditori <[iium debitori, licet diversis
Stationibus, saccedit, jus certum est. Qnud et in tiia persolm procuratorea mei custo-
dient. Alex. 1. 2 C. de solut. (VIII, 42).
Va senatus censuit et saepe rescriptutn est compensationi in causa fiscali itademum
locum esse, si eadem statio «juid debeat epiao petit. Hoc juris propter confusionem
diversorum ollieiorum tenaciter servaudum est. Si <juid autem tibi ex ea statione
cujus mentionem l\'eeisti deberi constiterit, üjnam piimiun recipies. Antonin. 1. 1 (\'.
de compens. (IV, 31).
2°. Stedelijke gemeenten (civitates, municipia. municipes, respublieae,
coloniae,
enz.).
3°. Godsdienstige vereenigingen van priesters en priesteressen (collegia
temploru m).
4°. Vereenigingen van beambten (ilceuriae scribarum, libruriurum,
fiscalium, censualiittn, ordo decurionutn).
8*
-ocr page 133-
116
f>°. Vereenigingen van handwerkslieden, gilden (rollrgia pistorum,
navieulariorum
, fahrorum).
0°. Vereenigingen tot gezellig verkeer en tot staatkundige doeleinden
(sodnlitin, sodaliiates, collegia sodalilia).
7". Vereenigingen tot wederkoerige ondersteuning (collegia tenuiorum),
bijv. begrafenisfondsen (collegia funeraticia).
Mandati.1 principalibus praecipitiir praosidibus provinciarum, nc patiaiitur esse
collegia sodalicia nevc milites collegia in castris Imbc.aiit. Sec! permittitnr tcnuioribus
stipcm menstruam conferre, ilum tarnen somcl in mense coeant, nc sub praetextn
hnjusmodi illicitum collegium coeat. Qnod non tantum in nrbe, scd et in Italia et
in provinciia locnm habere divns qnoque Severus rescripsit. Marcian. I. 1 pr. 1). do
colleg. (XXXXVU, 22).
8°. Vereenigingen tot winstbejag (sociciales vectigalium publicorum,
durifodinarum, argenlifodinarum
, saiinuruni). Deze laatste hebben vele
punten van aanraking met de maatschap.
Voorbeelden van statuten van verschillende dergelijke vereenigingen
vindt men bij Bruns, Fonlcs juris, Ed. V., bl. 315 vlg.
Eene vereeniging of corporatie ontstaat, wanneer zich eenige personen
met oen gemeenschappelijk en geoorloofd doel vereenigen tot het in het
leven roepen van een zelfstandig rechtssubject. Of eene vereeniging, om
als rechtspersoon te kunnen optreden, bijzondere erkenning van staats-
wege behoeft, of dat zij, mits niet behoorende tot de verboden vereeni-
gingen, krachtens algemeenen rechtsregel die hoedanigheid kan aannemen,
is naar Romeinsch recht betwist.
Neratins 1\'riscus tres facere existimat „collegium", et hoc magis sequendum est.
Marcell. 1. 85 I). de V. S. (L, 10).
Neque socictas neque collegium neque hnjusmodi corpus passim omnibus habere
conceditur: nam et legibus et senatus consultis et principalibus constitutionibns ea
res coercetur. 1\'aucis admodum in eausis concessa simt hnjusmodi corpora: ut eecc
vectigalium publicorum sociis pormissum est corpus habere vel aurilodinarum vel
argciitifotlinarnm et salinarum. Item collegia Komac certa suilt, quorum corpus senatus
consultis atque constitutionibns principalibus eonlirmatum est, vcluti pistorum et
iiuorundirm aliorum, et naviculariorum, qui et in provinciis sunt. Gajus 1. 1 pr. 1).
quod eujusc. univ. (III, 4).
Collegia si qua fucrint illicitu, mandatis et constitutionibns et senatus consultis
dissolvuntur: sed permittitnr cis, cum dissolvuntur, pecunias communes si iiuas habent
dividere pecuniamqiic inter se parliri. Marcian. I. 3 pr. 11. de colleg. (XXX XVII, 22).
])e rechtspersoon is, naar haren aard, niet vatbaar voor die rechts-
betrekkingon, die het feitelijk bestaan van een raensch tot voorwaarde
hebben: huwelijk, vaderlijke macht, bloedverwantschap. Haar gebied is
beperkt tot het vermogensrecht. Zij kan bezit, eigendom, erfdienstbaar-
heden en vruchtgebruik verwerven, dit laatste recht echter voor niet
langer dan honderd jaren. Zij kan zich aan derden en derden aan zich
verbinden, en in rechtsgedingen zoowel eischende als verwerende optreden.
Op wettelijk erfrecht, voor zoover hot op bloedverwantschap berust, kan
de rechtspersoon geen aanspraak maken. Erven krachtens testament kun-
nen de Staat en later ook de steden, verder echter alleen die corporaties,
/
-ocr page 134-
117
welke daartoe bijzondere vergunning hebben verkregen. Legaten kunnen
aan de rechtspersonen worden nagelaten.
Item municipes ad exliibendum convcniri possunt, quia facultas <:st reslitueiidi:
nam et possiderc et usucapore eos posse constat. Idem et in collegiis ceterisque cor-
poribus dicendum erit. ITlp. I. 7 § 3 D. ad exhib. (X, 4).
Quibiis uutem ])ennissnm est corpus haberc collegii societutis sive cujusque alterius
eorum numine, proprium est ad cxemplum rei publicac habere rcs communes, arcam
communem et actorem sive syndicum, per quem tamquam in re ptiblica, i|iiod eom-
muniter agi tierique oportcat, agatur fiat. Gajus 1. 1 § 1 I). quod cujusc. univ.
(UI, 4).
Non dubito, quin fiindo municipum per servum recto servitus adquiratur. Javol.
1. 12 I). de serv. (VIII, 1).
An usus fructus nomine actio municipibus dari debeat, quaesitum est: periculum
enim esse videbatur, ne perpetuus fieret, quia neque morte nee facile capitis dcmi-
nutionc periturus est, qua rationc proprietas inutilis esset futura semper abscedente
usu fmetu. Sed tarnen placuit dandam esse actionom. 1\'nde sequens dubitatio est,
quousque tuendi essent in eo usu fructu municipes: et placuit centum annos tuendos
esse municipes, quia is finis vitac longacvi hominis est. Gajus 1. 56 T). de usu Ir.
(VII, 1).
Sicut municipum nomine actionem praetor dedit, ita et adversns eos justissimc
edicendum putavit. Sed et legato, qui in negotium publicnm sum]itum fecit, puto
dandam actionem in municipes. 1\'lp. 1. 7 pr. 1). qiiod cujusc. univ. (III, 4).
Si tibi cnm municipibus hereditas communis erit, familiae erciscundae judicium
inter vos redditur. Idemque dicendum est et in liniiim regundorum et aquac pluviae
arcendae judicio. Tom]). 1. 9 1). eod.
Collegium, si nullo speciali privilegio subnixum sit, hcreditatem capere non posse
dubium non est. Diocl. et Maxim. 1. 8 (.\'. de hered. inst. (VI, 24).
Si quid relictum sit eivitatibus, omne valet, sive in distributionem relinquutur
sive in o])ns sive in alimenta vel in eruditionem pueroriim sive quid aliud. Marcian.
1. 117 1). de legat. I. (XXX).
Cum senatus temporibus divi Marci permiserit collegiis legare, nnlla dubitatio est,
quod, si corpori cui licet eoire legatum sit, debeatur: eui autem non licet si legetur,
non valebit, nisi singulis legetur: hi enim non quasi collegium, sed quasi cciti
homines admittentur ad legatum. Paul. 1. 20 V). de reb. dub. (XXXIV, 5).
Alle rechten, die de vereeniging verkrijgt, alle verplichtingen die door
haar worden aangegaan, vonnissen die te haren behoeve of tegen haar
worden uitgesproken, raken niet de individueele loden, maar alleen de
eenheid, de rechtspersoon. Zij wordt eigenaar, schuldeischer of schul-
denaar. Daar zij eene zelfstandige, van die harer leden afgescheidene
persoonlijkheid heeft, kunnen er tusschen haar en de leden overeenkomsten
gesloten en processen gevoerd worden; de leden kunnen zakelijke rechten
hebben op de goederen der vereeniging, en omgekeerd.
ITniversitatis sunt, non singulorum vcluti quac in eivitatibus sunt tbeatra et stadia
et similia et si qua alia sunt eommunia civitatium. Ideoque nee servus communis
civitatis singulorum pro parte intellcgitur, sed universitatis et ideo tam contra civem
quam pro eo posse servum civitatis torqueri divi t\'ratres rescripserunt. Ideo et libertus
civitatis non habet neeessc veniam edieti petere, si voect in jus aliquem ex civibus.
Marcian. I. 6 § 1 1). do div. rer. (I, 8).
Si quid uiiiversitati debctur, singulis non debetur: nee quod debet universitas
singuli debent. I\'lp. I. 7 § 1 1). quod cujusc. univ. (111, 4).
-ocr page 135-
ns
Qni maiiumittitur n corpore aliqno vel collegio vel civitnte, singulos in jus vucabit:
nam non est illorutn lihcrtiis. Sed rei publicac honorem huberc debet et si adversus
rem publicam vel univcrsitatem velit experiri, vciiiain cdicti petere debet, quamvis
actorem eonim constitutum in jus sit voeatitrns. lip. I. 10 § •) I). de in jus voc. (II, 4).
Servum municipum pi>sse in caput eivium torqueri saepissime rcscriptnin est, quia
ïKin sit illorutn servus, *v.t\\ rei publicae idemque in cetcris servis corporum dicendum
est: nee enim plurium servus videtur, sed rorporis. I\'lp. I. 1 § 7 1). de quaest.
(XXXXV1I1, 18).
Si antem collegium vel corpus sit, ouod rogatum est restitucre decreto eonim cui,
ipii sant in collegio vel corpore, in singulis inspeeta eorum persona restitntionem
valere: nee enim ipse sibi videtur i|iiis liorimi restitucre. I\'lp. 1. I § 15 I). ad SC.
Treb. (XXXVI, 1).
In liet voorafgaande ligt reeds opgesloten het groote onderscheid tus-
schen de corporatie als rechtspersoon en do maatschap (zie hieronder
§ 192) — eveneens eene vereeniging van menschen tot bereiking van
een geoorloofd doel —, die rechtspersoonlijkheid mist. Ziehier eenige
punten van verschil:
1". de maatschap is nooit blijvend; haar bestaan reikt in den regel
niet verder dan het leven van de vennooten;
\'2°. de maatschap duldt geene verandering in de leden; bij de ver-
eeniging\'is deze onverscEniïg;
Adeo mortc socii solvitur soeietas, ut nee ab initio paeisei possimus, ut lieres
etiam succedat societati. Haec ita in privatis socictatibus ait: in soeictatc vcvtigalititn
nihilo minus manct soeietas et post mortem ulicujus, sed ita demitm, si pars dcfnncti
ad personam hcredis ejus adscripta sit, ut hcredi qiioqnc conferri oportcat: qiiod
ipsiur. ex causa acstimundum est. Quid enim, si is morliius sit, propter cujusoperam
maxime soeietas eoila sit aut sine quo soeietas administrari non possit? 1\'omp. I. 511
pr. 1). pro soeio (XVII, 2).
In decurionibus vel aliis universitatibiis nihil lelert , utrtim oinnes idem maneant
an pars maneat vel omnes immutati sint .... I\'lp. 1. 7 § 2 I). ipiod etijuse. univ.
(UI, 4).
3°. bij de maatschap hebben de vennooten een evenredig aandeel in
de eigendommen der maatschap, waarop /.ij lüj de ontbinding daarvan
aanspraak kunnen maken; de voordeden die de maatschap oplevert komen
den vennooten toe; \\ij worden schuldeischers en schuldenaren door de
rechtshandelingen, die namens de maatschap worden verricht. Bij de
vereeniging moge het al voorkomen, dat de leden, volgens de statuten
of naar den aard der inrichting, aanspraken hebben op het vermogen,
een wezenlijk gemeenschappelijk eigendom bestaat hier niet;
4°. bij de maatschap staat op den voorgrond het individu met zijn
belang, zijn vermogen en zijn wil; bij de vereeniging komt het aan op
het doel, het vermogen en den wil der eenheid.
Een eigen wil heeft de rechtspersoon natuurlijk niet; zij kan zelve
niet handelen; daarom heeft zij behoefte aan een vertegenwoordiger,
wiens handelingen, in deze hoedanigheid verricht, gelden als handelingen
van de vereeniging.
Munieipes per se nihil possidcre pussunt, quia universi consentirc non possunt.
Forum uutcm et basilicum hisque similia non pussident, sed promiscue bis utiiiitiir.
/
-ocr page 136-
11!»
Sed Norva lilius uit, |icr serviim quae peculiariter adquisicrint et possidcre et U8U-
eapcre posse: sed quidam contra piitunt, qttoniam ipsos servos non possideant. Paal.
1. I § 22 I). de A. v. A. 1\'. (XXXXI, 2).
Sed liuc jure atimur, ut et possidere et usucapcre municipes |>ossint idque eis et
per servum et per libenim personam adquiratur. lip. 1. 2 I). eod.
Municipibus plenum jus in bonis libertorum liberturutn defertur, hoe est id jus
quod etiam patrono. — Sed an omnino petere bonorum possessioncm possint, dubi-
tatur: muvet enim, quod consentire nou possunt, sed per alium possunt petitabonorum
possessione ipsi adquirere. Sed qua rationc senatus censuit, ut restitui eis ex Tre-
belliano licreditas possit: qua rationc alio senatus eonsulto heredibus eis institutis a
liberto adquirere hercditatem permissum est: ita buiiortim quoque ]>ossessionem petere
dicendum est. TTlp. 1. l pr., § 1 1). de libert. univ. (XXXVIII, 3).
Item tutori ptipilli eonstitni potcst et actori municipum et ciiratori furiosi: sed et
ipsi constitnentes tenebuntur. — Si actori mtinieiptim vel tutori ptipilli vel curatori
furiosi vel adnleseentis ita constituatnr municipibus solvi vel pupillo vel furioso vel
aduleseenti, utilitatis gratia puto dandam municipibus vel pupillo vel furioso vel
adulcscenti utilem actionem. 1\'lp. 1. ;\') § 7—§ 9 T). de pee. eonst. (XIII, 5).
Si municipes vel aliqua universitas ad agendum det actorem, non crit dicendum
(piasi a pluribus datum sie liaberi: hie cnim pro re publica vel universitate intervenit,
non pro singulis. I\'lp. 1. 2 I). quod cujuse. univ. (III, 4).
Municipibus, si jiirassent, legntum est. Ilaec condicio non est impossibilis. l\'auliis:
quemadmodum ergo pareri potest per eos? Itaiiue jurabnnt, per quos municipii res
geruntur. l\'anl. 1. \'.17 ï). de eond. et dem. \'XXXV, 1).
Municipes intellcguntur seirc, (jnod seiant hi, iinibus summa rei publicae commissa
est. Papin. I. 14 I). ad mun. (I,, 1).
Sed an in municipes de dolo d«-ttir aetio, dubitatur. Et puto ex suo i[uidem dolo
non posse dari: quid <\'iiim municipes dolo facerc possunt? Sed si quid ad eos per-
venit ex dolo eorum, qui res eorum administrant, puto dandam. De dolo autem
deeurioniim in ipsos decuriones dabitur de dolo aetio. 1\'lp. 1. 15 § 1 D. de dolo
malo (IV, .•)).
Si vi me dejecerit quis nomine munieipum, in municipes milii interdictum redden-
dum Pomponius scribit, si qnid ad eos pervenit. lTlp. 1. l 1). de vi (XXXXIII, 16).
De rechten en verplichtingen van de bestuurders en de leden, en in
het algemeen de inrichting en samenstelling der vereeniging, hangen hij
de publiekrechtelijke corporaties af van de openbare wetten en verorde-
ningen, bij de private vereenigingen van hare eigen statuten.
Sodales sant, qui ejusdem collegii sant: <iuam Graeei iritiffiaa vocant. His autem
potestatem facit lex pactionem qiium velint sibi ferre, dum ne quid ex publiea le(;i!
coirumpaiit___Gajus 1. 4 T). de colleg. (XXXXVII, 22).
Xulli permittitur nomine civitatis vel curiae experiri nisi ei, cui lex permittit,
aut lege cessante ordo dedit, cum duae partes adessent aut amplius quam duae. I\'lp.
1. 3 D. quod cujuse. univ. (UI, 4).
De vereeniging gaat, afgezien van bijzondere statutaire regelingen, te
niet: 1°. wanneer de rechtspersoonlijkheid van staatswege wordt ont-
nomen of wanneer de tijd, waarvoor zij verleend werd, is verstreken;
2°. wanneer alle leden zijn gestorven of de vereeniging hebben verlaten;
3°. wanneer de leden tot opheffing besluiten.
In decurionibus vel aliis universitatibus nihil refert, iitrum omnes idem maneant
an pars maneat vel omnes immutati sint. Sed si universitas ad uniim redit, magis
-ocr page 137-
120
admittitur possc crnn convenire et conveniri, onm jus omnium in uniim receiderit et
stet numen univeisitutis. IMp. 1. 7 § 2 D. c|iiixl cujusc. univ. (III, 4).
Eene stichting bestaat, waar iemand, hetzij bij testament of onder de
levenden, zijn geheele vermogen of een gedeelte daarvan bestemt voor
een weldadig of vroom doel (renodochia, ptoehotrophia, brephotrophia,
orphanotrophia, nosocomia, gerontocomvt)
, zoodat tegelijk een zelfstandig
subject als rechtspersoon geschapen wordt. Eerst in den lateren Keizertijd
wordt de stichting als afzonderlijk subject van rechten beschouwd. Bij-
zondere erkenning door het Staatsgezag schijnt het Romeinsche Recht
niet te verlangen.
Wat zooeven van de vereenigingen werd gezegd, geldt ook van de
stichtingen, voor zoover niet de omstandigheid dat hier geene leden zijn,
tot eene afwijkende beslissing aanleiding geeft. Voor de stichting wordt
gehandeld door vertegenwoordigers of bestuurders, volgens de bepalingen
door den stichter daaromtrent vastgesteld.
/
-ocr page 138-
Hoofdstuk III.
OVER ZAKEN OF RECHTSOBJ
§ 58. BEGRIP VAN ZAKEN. LICHAMELIJKE EN ONLICHAMELIJKE ZAKEN.
(Inst. Lib. 2, Tit. 2: de rebus incorporalibus).
In de ruimste rechtskundige betcekenis is zaak (ren) alles, dat bestand-
deel van ons vermogen zijn kan. Buiten dit begrip vallen: 1°. personen;
2\'. die voorwerpen, welke nooit tot iemands vermogen kunnen behooren
(zon, maan, sterren).
„Kei" appellationc et eau site et juni continentur. l\'lp. 1. 2.1 D. de V. S. (L, 16).
De zaken worden onderscheiden in lichamelijke en onlichamelijke, naar-
mate zij al of niet voor waarneming door de zintuigen vatbaar zijn. De
lichamelijke zaken worden veelal kortweg als \'.akm aangeduid en de
onlichamelijke als rechten daar tegenover gesteld. Wanneer men van
lichamelijke zaken als deelen van het vermogen spreekt, bedoelt men,
strikt genomen, het eigendomsrecht op die zaken; doch het spraakgebruik
brengt mede, dat het eigendomsrecht met zijn object wordt vereenzelvigd.
Esse ea dico, quae cerni tangive posslint, ut rundiim :tedes parietcm stillicidium
mancipium pecudem supellectilem penus, cetera: — non esse rttrsus ea dico, quac
tangi demonstrarive non possont, cerni tarnen animo ntque intelligi possunt — quarum
rcritm niilliim stibest quasi corpus, (\'ie., Topica, c. ."> § 27.
Quiicdum praeterea res corporales stuit, qnaedam incorporales. Corporales haesunt,
qnae tangi possunt, velttti fandas homo vcstis aurtim argentum et deniqae aliae res
innumerabiles: incorporales sunt, qnae tangi non possunt, qnalia sant ea, quae in
jure consistttnt, sicut hercditas, usus fructus, obligationcs qttoquu modo contractac.
Nee ad rem pertinct, qnod in hcreditate res corporales continentur: nam et fructus,
qui ex fundo percipiuntur, corporales sunt, et id qtiod ex aliqua obligatione nobis
debetur plerumqtte corporale est, veluti fundus homo pecunia: nam ipstim jus sticces-
sionis et ipsum jus utendi frticndi et ipsum jus ubligationis ineor])orale est. Kodem
numero sunt et jura praediorum urbanorum et rusticorum, qnae etiam servitutes vo-
cantnr. Gajus 1. 1 § 1 T). de div. rer. (I, 8).
Nttnc videamus, i|iittc veniant in hcreditatis petitione. Kt placuit universas res
hcreditarias in hoc judicium vonire, sivo jura sive corpora sint. l\'lp. 1. 18 § 2 1).
de H. P. (V, 3).
-ocr page 139-
122
„Pecuniac" nominc non solnm numeratn pecunia, scd omnes res tam soli <pi;im
mobiles et tam corpora cjuam jura continentur. Hermogen. I. 222 II. de V. S. (L, 1G).
„Boiiorum" appcllatio, sicut hercditatis, univeraitutem cjuandam ac jus successionis
et non siugnliis ros demonstiat. African. 1. 208 I). eod.
„ISona" intellcguntur cujusque, mme dedacto aere alieno supersunt. I\'uttl. 1. 3Ï>
§ 1 11. eod.
De onderscheiding tusschen lichamelijke en onlichamelijke zaken is van
belang bij de leer van het bezit (zie hieronder § 156), van de levering
(§ 148), van de verjaring (§ 149).
Possidcri au tem possunt, tjuae sunt corporalia. 1\'anl. 1. 3 pr. 1). de A. v. A. I\'.
(XXXXI, 2).
Incorpomles ros truditioncm et usucapionen) non recipere mnnifestnm est. Oajns
I. 43 § 1 I). de A. K. D. (XXXXI, I).
§ 59. ZAKEN IN EN BUITEN MET VEKMOliEN. ZAKEN IN EN BUITEN
IIET HANDELS VERKEEK.
Hetgeen in het algemeen bestanddeel van een vermogen kan zijn,
behoeft daarom nog niet altijd in werkelijkheid tot het een of ander
vermogen te belmoren. Wilde dieren, weggeworpen zaken, enz. maken
op het oogenblik s;oon deel uit van eenig vermogen. Vandaar deze ver-
deeling: res in patrimonio, res ex/ra patrimonium.
„Uonoriim" uppellatio aut imtiirnlis aut eivilis est. Naturalitcr bona ex eo diruntiir,
i|iiod beant, hoe est heatos fiiciiint: bearc est prodessc. In bonis :iutem nostris com-
pntari sciendnm est non solnm, qnac dominii nostri sunt, sed et si bona lide a
nobis possideantur vel superlieiaria sint. Accpie bonis ndniimerabitiir etiam , si qnid
est in HctionibnK petitionibus persecutionibus: nam hacc omtiia in bonis essc videntur.
I\'lp. 1. I!> I). de V. S. (L, 16).
Kern in bonis nostris babere intellcgimur, qnotiens possidentes exceptionem nut
amittentes ad reciperandam eain aetionem liabemus. Modest. I. .52 P. de A. R. D.
(XXXXI, 1).
,,Uei" appcllatio latior est «[nam „peeuniue", quia etiam ea, i|iiae extra computa-
tionein patrimonii nostri simt, rontinet, cnm pecuniae signilicatio ad ca referatnr,
ipiac in patrimonio sant. Paul. 1. r> pr. D. de V. S. (L, lfi).
Superiorc commentario de jure personarum exposuimus; modo videamus de rebus;
cpiae vel in nostro patrimonio sunt vel extra nostnim patrimonium habentur. Gajus,
Inst. II § 1.
Sommige zaken zijn, of om hun natuurlijken aard, of om andere door
de wet gestelde redenen, aan het handelsverkeer onttrokken.
Omnium rernm, ipias ipiis babere vel possiderc vel persequi potest, venditio recte
/ lit: (pias vero natura vel gentium jus vel mores eivitatis commereio exiieriint, cartim
nulla venditio est. Paul. 1. 34 § 1 D. de eontr. empt. (XVIII, 1).
I. Met het oog op haren natuurlijken aard zijn buiten hot handels-
verkeer die zaken, welke in haren ganschen omvang niet vatbaar zijn
voor mensehelijke beheersching en daarom geacht worden aan allen ge-
meen te zijn: de dampkringslucht, de zee en hare stranden, het
vloeiende water.
/
-ocr page 140-
12.1
Et qnidem natnrali jure omniiim coromunin sunt illa: aer, aquaprofluens, et mare,
et per hoc litora ïn.iris. Marcian. I. \'2 § 1 I). de div. rer. (I, 8).
Nemu igitur ail litiis maiis accedere prohibctur piscandi causa, dum tarnen villis
et aedificiis et monumcntis abstineatur, i[iii:i mui sunt juris gentium sicut et mare:
idque et divus 1\'itis piscatoribus Furinianis et Capcuatis rescripsit. Marcian. 1. 4 pr.
D. eod.
, Litus est, quousque maximus tliictus a mari pcrvenit: idque Marcum Tulliiim
,/ajunt, cum arbiter csset, primum constitiiissc. Cels. I. !l(i pr. 1). de V. S. (L, 16).
lu mare piscantibus libenim est casam in litorc punere, in qua se recipiant, Gujtts
I. 5 § 1 !). de div. rer. (I, 8).
in tantum, ut et soli domini cunstittiantur quj ibi aedificant, sed quamdin aediti-
eium mimet: alioquin acdilicio dilapsu quasi jure postliminii revertitur loens in pris-
tinam catisam, et si alius in codem loco aedifieaverit, ejus liet. Marcian. 1. 6 pr. P. eod.
Quamvis quod in litorc publioo vel in mari exstruxerimus, nostrnm lint, tarnen
deerctum praotoris adliibendtim est, ut id facere liceat: immo etiam manu prohiben-
dus est, si eum ineommodo ceterorum id faeiut: nam eivilem eutn actionem de
l\'aciendo nullam habcre non dubito. Homp. I. 50 I). de A. 1{. T). (XXXXI, 1).
Litora, in quac populus Komanus imperium habct, poptili Itomnni esse arbitror:
Maris commttnem nsitm omnibus hominibus, et aeris, jactasque iu id pilas ejus esse
qui jecerit: sed id concedendum nou esse, si deterior litoris marisvc nsiis eo modo
futurns sit. Cels. I. ;) P. ne qnid in loco publ. (XXXXIII, 8).
Ifespondit in litorc jure gentium acdificare lieere, nisi usus publicns impedirctur.
Scaev. I. 4 I). eod.
U. Buiten den handel zijn vorder verschillende zaken, die aan den
godsdienst gewijd zijn of, wegens de bijzondere religieuse bescherming
die zij genieten, daarmede zijn gelijkgesteld.
Summa itaque rcrum divisio in ditos articttlos diducitur: nam aliae sunt divini
/ juris, aliae humani. — Pivini juris sunt veluti res saerae et rcligiosae. -- Saerae
sunt quac diis superis eonseeratae sunt: rcligiosae quac diis Manibus rclietae sunt.
Sed sacrttm quidem hoe soluin existimatur quod ex auetoritatc populi llomani conse-
cratum est, veluti lege de ea ie lata ant senatusconstilto l\'aeto. - Keligiosum veto
nostra voluntate facimus mortuum inferentes in loeum nostrnm, si modo ejus mortui
funits ad nos pertincat. — Sanctae quoque res, velut muri et portac, quodammodo
divini juris sunt. — Quod autem divini juris est, id nullius in bouis est; id vero
quod humani juris est, plerumque alicujus in bonis est; potest autem et nullius in
bonis esse; nam res hereditariae, anteqnam aliquis heres existat, nullius in bouis
sunt. Oajus, lust. 11 §§ 2—6, 8, (I.
Saerae res et religiosae et sanctae in nullius bonis sunt. — Saerae autem res sunt
hae, quac pttblice eonseeratae sunt, non private: si i]ttis ergo privatim sibi sacrttm
constituent, sacrttm non est, sed prol\'anum. Semel autem aede saera facta etiam
dirttto aedificio loens saeer manet. — Keligiosum autem loeum unusqnisque sua vo-
lttntate facit, dum mortuum infert in loeum suum. In commune autem sepulchrum
etiam invitis eeteris licet inferre. Sed et in alicnum loeum concedente domino Heet
inl\'erre: et lieet posten ratum habuerit imam illatus est mortuus, religiosus loctts fit.
Marcian. I. I> §5 2 4 1). de div. rer. (1, 8).
Sanctum est, quod ab injuria hominiim defetisum atquu mtiiiituin est. Marcian.
1. 8 pr. P. eod.
(\'um in diversis loeis sepultum est, uterque <iuidem locus religiosus non fit, quia
una sepultura plttra sepulelira cfficere non potest: mihi autem videtur illum religiosum
csso, ubi quod est principale conditum est, id est caput, ctijiis imago lit, inde cog-
noscimur. Cum autem impetratur, ut reliquiae tiansferantur, desinit loens religiosus
esse. Paul. 1. 44 P. de relig. (XI, 7).
-ocr page 141-
121
Locnm in quo scrvus sepiiltus est roligiosum essc Aristo ait. I\'lp. 1. 2 pr. D. eod.
Si adhnc monumentum piirum est, potcrit <|iiis hoc et vendere et cloimro. Si
cenotaphium fit, posse hoc venire dicendnm est: ncc cnim essc hoc religiosum divi
fratres rescripsernnt. I\'lp. 1. 6 § 1 D. eod.
Munumcnta quidem leguri nou posse manifestum est, jus autem mortnum inferendi
legare ncmu prohibetur. Diocl. et Maxim. I. 14 C. de legut. (VI, 37).
III. Wegens hare bestemming zijn buiten den handel do zaken, die
tot algemeen nut strekken of voor den openbaren dienst zijn ingericht,
bijv. havens, wegen, straten, pleinen. De eigendom dezer zaken kan bij
den Staat of bij de gemeente, maar ook bij bijzondere personen zijn.
Zorgvuldig moeten hiervan worden onderscheiden die staats- of gemeente-
bezittingen, welke niet voor den publieken dienst bestemd zijn, maar
eenvoudig in eigendom toebehooren aan Staat of gemeente, die de op-
brengsten ervan, evenals een particulier eigenaar, geniet.
Scd flumina paene omnin et portns public» simt. Marcian. 1. 4 § 1 D. de div. ver. (I, 8).
Flumen a rivo magnitudinc discernendum est aut existimatione circumcolentium. -
Item (liiminiim qnacdam sunt perennia, qnacdam torrentia. Perennc est, qiiod semper
flnnt, xhzes, torrens c %£iij.zffcvi;: si tarnen aliqna aestate exanierit, (|iiod alioqnin
perenne flaebat, non ideo minus pcreniie est. — Fluminum qnacdam publiea sunt,
quacdum non, Publicum flumen esse t\'assius delinit, (piod perennesit: hacc sententia
C\'assii, quam et (\'elsus probat, videtnr essc probabilis. I\'lp. 1. 1 §§ 1—3 D. de Hum.
fXXXXIII, 12).
Sed (\'elsus filins ait liominem Iibcrnm scientem te emcre non posse ncccttjnscnmquc
rei si seias alicnationcm essc: ut saera et rcligiosa loca aut quorum commercium non
sit, ut publiea, quae non in pecunia populi, sed in publico usu habcantur, ut est
campus Martius. 1\'omp. 1. f> pr. T>. de eontr. empt. ("XVIII, 1).
1\'apiniamis: Lege venditionis illa factn ..si quid sacri aut rcligiosi aut publici est,
i\'jus uil)i 1 vcnit", si res non in usu publico, scd in pntrimonio lisci erit, venditio ejus
valebit, ncc venditori proderit exceptio, quae non habuitlocum. I\'apin. 1. 72 § 1 D. eod.
Intcr „publiea" habemns non saera nee religiosa nee quae publicis tigibns destinata
sunt: sed si (jua sunt civitatium velut bona. Scd peeulia servornm civitatium proeul
dubio publiea Iiabcntur. 1\'lp. 1. 17 pr. D. de V. S. (L, 16).
Over eene zaak, die buiten het handelsverkeer is, kan geene geldige
rechtshandeling worden aangegaan (zie hieronder § 77). Zij kan niet door
verjaring verkregen worden; zij is niet vatbaar voor pand-of servituutrecht.
1\'ossessionem amittimus multis modis, veluti si mortuum in eum luctim intiilimus,
quem possidebamus: namqiie loeum religiosum aut sacrum non possumus possidere,
etsi contemnamus religionem et pro privato eum teneamus, sieut hominem liherum.
Paul. 1. 30 § i D. de A. v. A. P. (XXXXI, 2).
I\'sueapionem reeipiunt maxime res corporales, exceptisrebussacris, sanctis, publicis
populi Homani et civitatium, item libcris hominibus. Gajus 1. !) I). de usurp. et usue.
(XXXXI, 3).
C\'um «inis sub hac eondieione stipulatus sit, si rem saeram aut religiosam Tititis
vendiderit vel lorum aut basilicum et hujusmodi res, quae publicis usibus in perpe-
tuum relictae sint: iibi omnino condicio jure impleri non potest vel itl facere ei non
liccat, nullius momenti forc stipulationem, proinde ae si ea condicio, ([uae natura
impossibilis est, inserta esset. Nee ad rem pertinct, quod jus mutari potest et id,
i|iiod nunc impossibile est, postea possibile fieri: non cnim secundum futuri temporis
jus, scd secundum pracsentis acstimari debet stipulatio. Vcnulejus 1. 137 § 6 D. de
V. O. (XXXXV, 1).
/
-ocr page 142-
12.\')
§ CO. RES MANCIPII KN BES NKU MANCIPII.
Het oudere Romeinsche recht verdeelt de zaken in res mancipii (voor
mancipatie vatbare zaken) en res nee mancipii. Deze voor hot rechts-
verkeer zeer belangrijke onderscheiding komt reeds voor in de wet der
12 Tafelen. Hare practisohe beteekenis bestaat hierin, dat by res mancipii
het volledige Romeinsche eigendomsrecht alleen kan worden overgedragen
op civielrechtelijk erkende wijze, met name door twee vormelijke rechts-
handelingen: mancipatio, in jure cesaio (zie hieronder § 14(5). Levering,
die bij res nee mancipii voldoende is om eigendom te doen overgaan,
mist dat gevolg ten aanzien van res mancipii.
Omncs res uut mancipii simt nut nee mancipii. Mancipii res simt pracdia in Italico
solo, tam rugtica, qualis ost ftindus, quitm nrbana, qualis domus: item jina praedi-
ornm rusticorum, velut via iter actus aquaeductus: item servi et quadrupedes, quac
dorso collove domantnr, velut boves muli ccpti asini. Ceterac res nee mancipii sunt.
Elefanti et eameli, quamvis collo dorsove domentur, nee mancipii sunt, qnoniam
bestiarum numero sunt. 1\'lp. Fragm., XIX § I.
Msignu autem ditïerentia est inter mancipii res et nee mancipii. — Nam res nee
mancipii ipsa traditione pleno jure alterius limit, si modo corporales sunt et ob id
recipiunt traditioncm. — Mancipii vcro res sunt quae per mancipationem ad alinm
transferuntur; linde etiam mancipii res sunt dictae. Quod autem valet mancipatio,
idem valet et in jure cessio. — Nam si tibi rem mancipii neque mancipavero neqne
in jure ecssero, sed tantum tradidero, in bonis quidem tuis ea res efficitur, ex jure
Quiritium vero mea permanebit, donec tu cara possidendo usucapias; semel enim
impleta nsucapione proinde pleno jure ineipit, id est et in bonis et, ex jure Quiritium
tua res esse, ac si ca inancipata vel in jure cessu esset. Gajus, Inst. 11 5 18, § 19,
§ 22, § 41.
Mancipatio propria species alienationis est rerum mancipii, eaque lit certis verbis
libripende et quinque testibus praesentibus. — Mancipatio locum habet inter cives
Romanos et Latinos colonarios Latinosqne Junianos eosque peregrinos, quibus com-
mercium datum est —• Commercium est emendi vendendique invicem jus. Ulp.
Fragm., XIX §§ 3—5.
Welke zaken tot de res mancipii worden gerekend, staat vast. Over
den grond der onderscheiding wordt echter verschillend gedacht. Waar-
schijnlijk is het, dat als res mancipii die zaken werden beschouwd,
welke de gewichtigste zijn uit het oogpunt van een landbouwend volk,
de zaken die het hoofdbestanddeel uitmaken van het vermogen van den
Romeinschen burger.
Allengs verloor de onderscheiding haar belang (zie hieronder § 144).
Justinianus heeft ze nog ten overvloede uitdrukkelijk opgeheven.
(urn etiam res dividi mancipi et nee mancipi sane antiqunm est et merito antiquari
oportet, git et rebus et locis omnibus similis ordo, inutilibus ambiguitatibus et diffe-
reniiis sublatis. Justinian. 1. nn. § 5 (,\'. de usue. tiansform. (VII, 31).
§ 61. HOEKENDE EN ONROERENDE ZAKEN.
Zaken zijn roerend of onroerend, naarmate zij al of niet vatbaar zijn
voor verplaatsing met behoud van haar wezen.
-ocr page 143-
120
Onroerend (ren soli, ros immobilis) is de grond, en al hetgeen hetzij
organisch (boomen, planten, vruchten, veldgewassen, delfstoffen) hetzij
mechanisch (gebouwen, getimmerten) met den grond verbonden is, zoo-
lang die verbinding duurt. Als onroerend worden ook aangemerkt die
zaken, welke tot blijvend gebruik met eene onroerende zaak vereenigd
zijn en daarvan een bestanddeel uitmaken (deuren, vensters, goten).
Al wat niet onroerend is, is roerend (res mobilis).
\' „Fundi" appellatione omne aodificium et omnis ager continetur. Sed in usu nrbana
aediiicia „aedcs", rnstica „villae" dicuntur. Loens vero sine acdincio in urbe „area",
rure autem „Mger" appellatur. Idemque ager cum aedificio „fandus" dicitur. Florentin.
I. 211 I). do V. S. (L, 16).
Fructus pendentes pars fundi videntur. Gajus 1. 44 I). de li. V\'. (VI, 1).
Qui domum alienam invito domino dcmolit et eo loco balncas exstruxit, praeter
naturale jus, quod superlicies ad duminum soli pertinet, etiam damni dati nomine
actioni subicitur. I\'lp. 1. 50 I). ad leg. Aquil. (IX, 2).
- Granaria, quac ex tabulis tieri sulent, ita acdium sunt, si stipitcs eornm in terra
defossi sant: quod si supra torrara sant, rutis et cacsis eedunt. Javol. 1. 18 pr. 1).
de act. empt. vend. \'XIX, 1;.
Titius horreum frumentarium novum ex tabulis ligneis factum mobile in Seji prac-
dio posuit: quacritur, uter horrei dominus sit. Kespondit secundum qnae propone-
rentur non esse lactum Seji. Scaev. 1. CO I). de A. II. 1). (XXXX1, 1).
„Moventiam", item „mobilium" appellatione idem signiticamus: si tarnen apparet
defunctum animaliu dumtaxut, quia se ipsa moverent, moventia rocasse. t^uod verum
est. Cels. 1. 93 I). de V. S. (L, 16).
Quod in navc lit vel in alia qualibet re vel amplissima , mobili tarnen, non conti-
netur hoc interdicto. Paul. 1. 20 § 4 1). quod vi aut clam (XXXXIU, 24).
De gronderven werden oudtijds onderscheiden in Italiaansche en pro-
vinciale (zie hieronder § 144). .lustinianus schafte dit verschil af in
1. un. C. de usuc. transform. (VII, 31).
Sed in provineiali solo placet plerisque solum religiosum non lieri, quia in eo solo
dominiam populi Komani est vel Caesaris, nos autem possessionem tantum vel usum-
1\'iiictum baberc videmur; utiquc tarnen etiamsi non sit religiosum, pro religioso
habetur. — Item quod in provinciis non ex auctoritate populi Komani conseeratum est,
propric sacrum non est, tarnen pro sacro habetur. — In eadem causa sunt provin-
eialia praedia, quorum alia stipendiaria alia tributaria vocamus. Stipendiaria sunt ea
qnae ia bis provinciis sunt, qnae propriae populi Komani esse intellcguntur; tribu-
taria sant ea qnae in his provinciis sunt, quae propriae Caesaris esse creduntur.
Gajus, lust. 11 § 7, § Ta, § 21.
Naar hunne economische bestemming worden zij verdeeld in vrucht-
dragende erven (praedia rustica) en gebouwen (praedia urbatm), zie hier-
onder § 161.
„l\'ibana praedia" omnia aediiicia aecipimus, non solum ea qnae sunt in oppidis,
sed et si fortc stabula sunt vel alia meritoria in villis et in vicis, vel si praetoria
voluptat) tantum deservientia: quia urbanum pracdium non locus facit, sed malei ia.
1\'ruiiidc bortos quoque, si qui sunt in aediticiis constituti, diccndum est urbanoium
appellatione contineri. 1\'lane si plurimum horti in rcditn sunt, vinearii fortc vel
etiam holitorii, magis baee non sunt urbana. I\'lp. 1. 198 I). de V. S. (L, 16).
Aediiicia urbana quidem praedia appellamus: ceterum etsi in villa aediiicia sint, aequc
Rorvitut.es iirbanorum pruecliorum constitui possunt. 1\'Ip. 1. 1 pr. I). < omm. praed. (VIII, I).
/
-ocr page 144-
127
Het verschil in aard, dat tusschen onroerende en roerende zaken be-
staat, geeft aanleiding tot verschil in rechtsgevolg. Zoo is de bevoegdheid
tot vervreemding vaak meer beperkt ten aanzien van onroerend dan bij
roerend goed (zie hieronder § 12G en § 139); zoo zijn de termijnen van
verjaring langer bij onroerend, dan bij roerend goed (zie hieronder § 149);
voor diefstal zijn alleen roerende zaken vatbaar (zie hieronder § 197), enz.
/ Usucapio autem mobilium quidcm rerum anno conpletur, fundi vcro et acdium
biennio; et ita lege XII tabularum cautum est. Gajus, lnst. II § 42.
Op onlichamelijke zaken is de besproken onderscheiding naar haren
aard niet toepasselijk; daarom stellen de Romeinsche juristen de rechten
en schuldvorderingen naast de roerende en onroerende zaken.
In peculio autem res cssc possant omnes et mobiles et soli: vicarios quoqtic in
pcculium potest liabere et vicariorum peculium: huc amplius et nomina debitorum.
Ulp. 1. 7 § 4 D. de pee. (XV, 1).
In venditione itaque pignorum eaptorum facienda primo quidcm res mobiles et
animales pignori capi jubent, mox distrahi: quarum pretium si suffeccrit, bene est.
Si non suffecerit, etiam soli pignora capi jubent et distrahi. Quod si nulla moventia
sint, a pignoribus soli initium faciunt: sie denique intcrloqui solent, si moventia non
sint, ut soli quoque capiantur: nam a pignoribus soli initium faciendum non est.
Quod si nee quae soli sunt surnciant vel nulla sint *oli pignora, tune pervenietur
etiam ad jura. Exsequuntur itaque rem judicatam praesides isto modo. Ulp. 1. 15
§ 2 D. de re jud. (XXXX11, 1).
Exactio autem dotis eelebretur non anima bima trima die, sed omnimodo in tra
annum in rebus mobilibus vel se moventibus vel incorporalibus: eeteris videlieet rebus
quae solo eontinentur ilieo restituendis, quod commune utriusque t\'uerat actionis.
.Iiistiuian. 1. un. § 7a C. de rei uxor. act. (V, 13).
§ 62. VEKVANtiliARE EN N1ET-VERVANGBARE ZAKEN.
Nu eens worden de zaken, die het voorwerp zijn van eene rechtshan-
deling, beschouwd als individueel bepaald, dan weder wordt enkelhunne
soort in aanmerking genomen, zoodat de eene zaak geacht wordt door
eene andere van dezelfde soort te kunnen worden vervang\'ii. Waar het
laatste het geval is, waar alleen wordt gelet op hoedanigheid en hoe-
veelheid der zaken, daar zegt men, dat deze voor vervangbaar worden
gehouden (res quae pondere, numero, mensura constant, zoogenaamde res
fungibilcs).
In het eerste geval daarentegen gelden ze als niet-vervangbaar.
Of eene zaak vervangbaar is of niet, hangt dus niet af van hare na-
tuurlijke eigenschappen, maar veeleer van de bedoeling, waarmede de
partijen daarover eene rechtshandeling aangaan. Wil is het waar, dat
sommige zaken (bijv. geld) doorgaans als vervangbaar, andere daarentegen
(bijv. huizen) in den regel als niet-vervangbaar worden behandeld.
Deze onderscheiding komt te pas, o. a. waar eene zaak ter leen wordt
gegeven (zie hieronder §§ 184, 185); verg. ook § 126.
Mutui datio consistit in his rebus, iiuac pondere numero mensura eonsistunt,
quouiam eoium datione possumus in creditum ire, quia in genere suo l\'uuetiouem
recipiunt per solutionem quam specie: nam in eeteris rebus ideo in ereditum ire non
-ocr page 145-
128
possumus, quia aliud pro alio invito creditori solvi non potest. Panl. 1. 2 § 1 P. de
reb. crcd. (XII, 1).
Sed si non corpus git legatnm, scd quantitas eadem in eodem tcstamcnto saejiius,
divus 1\'ius rescripsit tune saepius prncstandum summum, si evidentissimis probationi-
bus ostendatur testatorem multiplicnssc legutum voluisse: idemque et in tideicommisso
constituit. Ejusque rei ratio evidens est, quod cadem res saepius prucstari non
potest, eadem summa volente testatore multiplicari potest. — Sed hoe ita erit acei-
piendum, si non certum corpus uummontm saepius sit relictum, ut puta centum,
quae in arca habet, saepius legavit: tune enim fuiido legato esse comparandum credo.
Vip. 1. 34 § 3, § 4 I). de legat. I. (XXX).
Sed si certos nummos (veluti quos in arca Inbet) aut certam Inneem legavit, non
numcrata pecunia, sed ipsa corpora niimmonim vel rei legatae eontinentiir neque
permutationcm recipiunt et exemplo eujuslibet corporis aestiraanda simt. 1\'apin. I. r>l
1). eod.
Si certos nummos, puta qtii in arca sint, stipulatus sim et hi sine culpa promissoris
perierint, nihil nobis debetur. Paul. 1. 37 D. de V. O. (XXXXV, 1).
Dos si pondere numero menstira contincatur, annna bima trima die redditur, nisi
si ut pracsens reddatur convenerit. Keliquae dotes statim redduntur. lip. Fragm.,
VI § 8.
Talis scriptura: nquas peeunias leguvi, quibus dies adpositus non est, oas lieres
mens anntia bima trimn die dato", ad corpora legatu non pertinet, sed ad ea quae
(Kindere numero mensure eontinentiir. — Item si lcgctur pecunia quae in arca est
vel vinum quod in apothecis est, dicendum est cessare clausulam, quoniam quotiens
species legetur cessare diximus. I\'lp. I. 3(1 pr., § C 1). de legat. I. (XXX).
§ 03. GELD.
Onder do zaken, die gewoonlijk als vervangbaar worden beschouwd,
is vooral van belang het geld, dat als waardemeter, als ruilmiddel en
als betaalmiddel in het verkeer eene groote rol speelt (zie hieronder
§ 175, V).
Oudtijds gebruikten de Komeinen vee, runderen en schapen, als ruil-
middel; later kwamen daarvoor in de plaats baren koper. Omstreeks den
tijd der 12 Tafelen kregen zij gemunt geld (pecunia signata forma
publica pojiuli Rouiani): eerst koperen, daarna zilveren en eindelijk
gouden munten.
Ovibus duabus multabantur apud antiquos in minoribus delictis, ut in majoribus
XXX bobus, nee hune ultra numerum excedebat multatio; sed posteaquam aere
signato uti civitas coepit pecoraque multaticia incuria corrumpebantur, unde etiam
peculatus crimen usurpari coeptum est, facta aestimatio pecoralis multuc, et boves
centenis assibus, oves deuis acstimatae. Inde suprema multa, id est maxima, appel*
latur tria mili;i aeris; item vicessis minoribus delictis. Festus, in vo. Ovibus.
Ideo autem aes et libra adhibetur, quia olim aereis tantum nummis utebuntur, et
erant asses, dupuudii, setnisses, quudrantcs, nee ulliis aureus vel argenteus nummus
in usu erat, sicut ex lege XII tabularum intellegerc possumus; eorumque nummorum
vis et potestas non in numero erat sed in pondere — asses librales erant, et du-
pundii —; unde etiam dupundius dictus est quasi duo pondo, quod nomen adhuc
in usu retinetur. Setnisses quoque et quadrantes pro rata scilicet portionc ad pondus
examinati erant. — ijui dabat ulirn pecuniam, non numerabat eam, sed appendebat;
unde servi quibus permittitur administratio pecuniae, dispensatores appellati sunt
et ... . Gajus, lust. I § 122.
/
-ocr page 146-
129
Origo emendi vendendiqiie a permutationibus coepit. Olim onim non iia crat
niimmus neque aliud merx, aliud ]>rctium voc:ib:itur, sed iinusqiiUqne Kcandam
necessiuitem tcmporum ac rerum ntilibns inutilia permutabat, quando plt\'tumquc
evenit, ni (|uod altcri superest alteri dcsit. Scd quia non semper nee fneile concurre-
bat, ut, ciim tu baberes <piod ego desideraiem, invieem haberem qiiod tu accipere
velles, clecta materia est, cujus publicu ac perpetuu aestimatio ditticultatiblis pcrmu-
tationnm acquatitatc ipiantitatis subvenirct. Kaquc materia forma publica percussa
ïi-iiiii dominiumque non tam ex substantia praebet qiiam ex quantitate, nee ultra
merx iitrumipii!, scd al te rum pretium vooatur. I\'anl. 1. 1 pr. I). do contr. empt.
(XVIII, l).
Ten aanzien van het geld onderscheidt men: 1°. de nominale waarde,
welke door den Staat aan de munt wordt gegeven; 2°. de metaal waarde,
d. i. de waarde van het metaal, waaruit het muntstuk bestaat; 3°. de
koerswaarde, d. i. de waarde, die in het verkeer aan de munt wordt
toegekend. Wanneer deze verschillende waarden uiteenloopen — en dit
geschiedt vooral in tijden van storing van het muntwezen — dan rijst
de vraag, wat bij geldschulden eigenlijk het voorwerp is van de ver-
bintenis : de nominale, de metaal-, of de koerswaarde der in de verbin-
tenis uitgedrukte geldsom.
§ 64. VERBRUIKBARE EN NIET- VERBIUJIKBAKE ZAKEN.
Verbruikbare zaken zijn de zoodanige, die, zoodra zij volgens hare
gewone bestemming gebruikt worden, door dat gebruik te niet gaan of
aanmerkelijk in waarde verminderen (eetwaren, wijn, zeep). De overige
zaken noemt men niet-verbruikbaar, al gaan ook deze door een herhaald
en voortdurend gebruik te niet. Geld wordt als eene verbruikbare zaak
beschouwd, omdat de bezitter het niet volgens zijne bestemming kan
gebruiken, zonder dat het voor hem verloren is.
Deze onderscheiding heeft practische beteekenis vooral in de leer van
het vruchtgebruik (zie hieronder § 162). Met die in vervangbare en niet-
vervangbare zaken (zie hierboven § 02) is zij verwant, maar niet identiek.
Constituitur autem usus fructus non tantum in t\'undo et aedibus, verum ctiam in
servis et jumentis ceterisque rebus exceptis bis tpuie ipso usu consumuntur: nam eae
Deque naturali ratione neiiue civili recipiunt usum fructum. <4"o numero simt vinum
oleum frumentum vestimentu. Quibus proxima est pecunia numerata: namiiuc in
ipso usu adsidua permutatione ipiodammodo eztinguitur .... § 2 1. de usu t\'r. (Il, 4).
Scnatus consulto cautum est, ut, ctiamsi earuin reiuni, ijuae in abusu continentur,
ut puta vini olei tritici, usustructus legatus sit, legatario res tradantur, cautionibus
interpositis de restituendis eis, cum usustructus ad legatarium pertinerc desierit. Ulp.
Fragm., XXIV § 27.
Nomismatum aurcorum vel argenteorum veterum, quibus pro gemmis uti solent,
usus fructus legari potest. 1\'omp. 1. 28 D. de usu fr. (VII, 1).
§ 65. DEELBARE EN ONDEELBARE ZAKEN.
In natuurlijken zin zijn alle lichamelijke zaken vatbaar voor verdeeling.
In rechte gelden echter alleen die zaken als deelbaar, welke gesplitst
Bom. recht. 1, 2e druk.                                                                                        \'.*
-ocr page 147-
130
kunnen worden in deelen, die, in omvang kleiner dan het geheel, in
aard daaraan gelijk zijn: „^nae sine damno dividi possunt." Eene
zaak is rechtens ondeelbaar, wanneer door de verdeeling haar wezen zou
worden aangerand, hare waarde aanmerkelijk zou verminderen, „si vel
naturaliter indivisae sint vel sine damno divisio earum
fieri non potest." Deelbaar is een stuk land, een klomp ruw metaal,
eene som gelds. Ondeelbaar is een slaaf, een paard, een klok, een
diamant.
Illud certum est eum, qui rundum stipnlatus usiim l\'riictum vel viam accepto facit,
in en esse causa, ut arccptilatio non valeat: qni enim accepto facit, vol totum vel
parten) ejus, qnod stipnlatus est, debet accepto faeerc, hac au tem partes non sant,
non magis quatn si quis domuui stipnlatus accepto ferat cementa vel fenestras vel
parietem vel diaetam. Hip. 1. 13 § 2 I). de accept. (XXXXV1, 4).
„Loens" est non fundus, sed portio aliqua fundi: „fundus" autem integrum aliquid
est. lit plcrtimquc sine villa „lociitn" accipimus: cetenim adeo opinio nostra et con-
stitutio locum a t\'undo separat, ut et modieus loens possit fundus diei, si fundi animo
eum habuimus. Non etiam mugnitudo locum a futido separat, sed nostra aSectio: et
quaelibet portio fundi poterit fundus diei, si jam hoe coiistituerimus. Mee non et
fundus loens coustitui potest: nam si eum alii adjiuixerimus fundo, loens fundi efti-
"cietur. 1\'lp. 1. CM pr. I). de V. S. (L, 16).
De deelbare zaak is vatbaar voor verdeeling. Heeft deze werkelijk plaats
gehad, dan kan men eigenlijk niet meer van deelen spreken: ieder deel
is eene zaak op zich zelve geworden. De communio pro diviso kan alleen
in oneigenlijken zin eene gemeenschap heeten; inderdaad bestaat er
slechts nabuurschap.
Si quis partem aedium tradet vel partem fundi, non potest servitutem imponere,
quia per partes servitus imponi nou potest, sed nee adquiri. Planc si divisit funduin
regionibus et sic partem tradidit pro diviso, potest alterutri servitutem imponere,
quia non est pars fundi, sed fundus. Quod et in aedibus potest diei, si dominus
pariete medio aedilicato imam domutn in duas diviserit, ut plerique faciunt: nam et
hic pro duabus domibus accipi debet. 1\'lp. 1. 6 § 1 I). coinm. praed. (VIII, 4).
Quintus iMucius ait partis appellatione rem pro indiviso significari: nam quod pro
diviso iiostrum sit, id non partem, sed totum esse. Servius non inelegantor partis
appellatione utrumque significari. Paul. 1. 25 § 1 I). de V. S. (L, 16).
lnter eos, qui secundum unam ripam praedia hahent, insula in llumine nata non
pro indiviso communis lit, sed regionibus quoijne divisis: quantum enim antecujusque
eorum ripam est, tantum, veluti linea in directum per insulam transducta, quisque
eorum in ca babebit certis regionibus. Paul. 1. 29 1). de A. U. I). (XXXXI, 1).
Nog in een anderen zin wordt van verdeeling en van deelen gesproken.
Bij alle zaken, ook bij de ondeelbare, is namelijk intellectueele verdeeling
mogelijk (parten pro indiviso, communio pro indiviso). Niet de zaak zelve
is dan lichamelijk verdeeld, maar veeleer is verdeeld het recht op de
zaak, het recht op hare opbrengsten. Ieder deelgenoot mag over zijn
onverdeeld aandeel vrij beschikken, maar bij alle handelingen, die het
gemeenschappelijke voorwerp betreffen, wordt hij door den wil van zijne
deelgenooten beperkt (zie hieronder § 145).
Servus communis sic omnium est non quasi singulorum totns, sed pro purtibus
utique indivisis, ut intellectu magis partes habcant quam corporc: et ideo si quid
/
-ocr page 148-
131
stipnlatur vel qnaqna alia ratione stdqnirit, omnibus adquirit pro parte, qna domininm
in cd habent.....l\'lp. 1. 5 D. de stip. serv. (XXXXV, 3).
Sed si pan fundi simplieiter, mui quae Marva fuit, legelur, sulutio prior non
peremit alierum uetionera, atque etiam liane eandem partem aliquo modo suam factam
potent alter heres solvere: neque plures in mio fundo ilominiiim juris intellectu, non
divisione corporis optiuent. 1\'apin. 1. GO 5 2 I). de legat. II. (XXXIj.
Pomponius libro trigensimo sexto probat, si ex aequia partibus fiindum mihitecom
eommuiicm tn et Lucius Titius possideatis, non ab utrisque qundruntes petere me
debere, sed a Titio, qui non sit dominus, totum semissem. Aliter atque si certis
regionibns possideatis eum t\'uiidiim: nam tune sine dubio et a te et a Titio partes
fundi petere me debere: quotiens enim eerta loea possidebiintur, necessario in his
aliqiiam partem meam esse: et ideo te qiioquc a Titio quadrantetn petere debere.
Quae distinrtio neque in re mohili neque in bereditatis petitione loeum liabet: nun-
quam enim pro diviso possideri potest. 1\'aul. 1. 8 I). de H. \\\'. (VI, 1).
Portioncm propriam rebus necdum divisis nCmo prohibetur titulo donationis in
alium transferre. Diocl. et Maxim. 1. 12 (\'. de donat. (VT1I, 53).
Sabinus ait in re commnni neminein dominoriim jure facere quicquam invito altero
posse. l\'nde manifestiim est prohibendi jus esse: in re enim pari potiorem eaugam
esse prohibentis constat.....1\'apin. 1. 28 D. comm. div. (X, 3,.
Ook de rechten worden onderscheiden in deelbare en ondeelbare. Deel-
baar is bijv. het vruchtgebruik (zie hieronder § 102), ondeelbaar zijn de
erfdienstbaarheden (zie § 1G1). Over de deelbaarheid der verbintenissen,
zie § 175, III.
De gevolgen der deelbaarheid en ondeelbaarheid worden in de verschil-
lende zooeven aangehaalde §§ besproken; verg. ook hieronder § 150.
Viac itineris aetus uquue duetiis pars in obligationem deduci non potest, quiiv
usiis eorum indivisus est: et ideo si stipnlatur deeesserit pluribus heredibus relict is,
singuli solidam viam petunt: et si promissor deeesserit pluribus heredibus relictis, a
singiilis heredibus solida petitio est. l\'omp. 1. 17 1). de serv. (VIII, 1).
(iuaedam legata divisionem non reeipiunt, ut eeee legatnm viac itineris actusve:
ad niillum enim eu res pro parte potest pertinere. Sed et si opus municipibiis heres
facere jussus est, individuum videtur legatum: neque enim ullum balineum aut ullum
thcutriim aut stadium fecisse intellcgitur, qui ei propriam formant, quae ex consum-
matione contingit, non dcderit: iiuorum omnium legatorum nominc, ctsi plures
heredes sint, singuli in solidum tenentur. Haee itiuiue legata, quae dividuitatem non
reeipiunt, tota ad legatarium pertinent. Sed potest lieredi hoe remedio succurri, ut
aestimationc faeta leguti denuntiet legatario, ut partem aestimationis inferat, si non
inferat, utatur adversus eum exeeptione doli mali. Oajus 1. 80 § 1 Y). ad leg. Kale.
(XXXV, 2).
§ GC. EENVOUDIGE EN SAMENGESTELDE ZAKEN. RECHTSZAKEN.
De lichamelijke zaken zijn of
1°. eenvoudige, d. w. z. zaken, door de natuur geschapen of door de
menschelijke nijverheid voortgebracht, die uit één stuk bestaan, één
organisclt geheel uitmaken (bijv. een slaaf, een balk, een standbeeld); öf
2°. samengestelde, d. w. z. zaken, die uit verschillende, door menschen-
handen mechanisch vereenigde deelen bestaan (bijv. een huis, een schip,
een wagen).
o*
-ocr page 149-
132
Daarnaast wordt nog gesproken van rechtszaken, welke bestaan uit
eene vereeniging van zelfstandige, meestal gelijksoortige voorwerpen, die
noch organisch noch mechanisch met elkaar verbonden zijn, maar, om
hare gemeenschappelijke bestemming, als eene eenheid gedacht en met
één naam genoemd worden (bijv. eene kudde, eene bibliotheek, een ka-
binet van schilderijen).
Rerum mixtlira fiicta :in iisucapioucm ciijiisqiic praccedentem intcrrumpit, quaeritiir.
Tria autem genera simt curporum, iimim, qiiod continetur «no spiritu et Graece
Sivuiiévov vocatnr, ut homo tignum lapis et similia: altertim, quod ex contingentibus,
lux\' est pluribus intcr se culiaercntibus constat, quod evmififiévov vocatnr, ut ucdiliciiim
navis armarium: tertium, quod ex distantibus constat, ut corpora plu™ non soluta ,
seil il 11 i nomini subjeeta, velnti popiilus legio grex. 1\'riinuin genus iisucapione qnaesti-
onem non liabet, socuudum et tertium liabet. Pomp. I. 30 pr. I). de usnrp. et usuc.
(XXXX1, 3).
Bij de eenvoudige zaken kunnen geene deelen als zelfstandige zaken
worden onderscheiden; alle deelen zijn altijd aan dezelfde reehtsbetrek-
kingen onderworpen. Worden er werkelijk doelen afgescheiden, dan
blijven die onderworpen aan dezelfde rechtsbetrekkingen, waaraan vroeger
het geheel onderworpen was.
Bij de samengestelde zaken daarentegen kan het voorkomen, dat de
verschillende deelen vóór de vereeniging aan verschillende rechtsbetrek-
kingen onderworpen waren. Over den invloed, dien de samenvoeging tot
ééne zaak oefent op den rechtstoestand der deelen, zie hieronder § 151.
Bij de rechtszaak behoudt ieder voorwerp zijn eigen rechtstoestand.
Doch waar over zoodanige rechtszaak eene rechtshandeling wordt aan-
gegaan, brengt de bedoeling der partijen in den regel mede, dat zij als
eenheid gedacht en, onafhankelijk van de verwisseling of den ondergang
der afzonderlijke voorwerpen, voortdurend als dezelfde zaak beschouwd
worde. Zoo bij het legaat van eene kudde of bibliotheek; zoo ook bij het
vruchtgebruik, bij het pandrecht (zie hieronder § 169); vorg. over het
beroemde vraagstuk van de vindicatie eener kudde: § 155.
Item quaecumque aliis juncta sive adjecta acecssionis loco cedunt, ea iiuamdiu
cobacrent dominus vindicare non potest, sed ad exbibendum agere potest, ut sepa-
rentur et tune vindicentur.....At in bis corporibus, quae ex distantibus corporibus
essent, constat singulas partes retinere suam propriam speciën), ut singuli bomines,
gingulac oves: ideoque posse me gregem vindicare, quamvis aries tuus sit immixtua,
sed et te arietem vindicare posse. (Juod non idem in cohaerentibus corporibus cve-
niret: nam si statuae meae bracehium alienae statuae addideris, non jHisse diei
bracchinm tuum esse, quia tota statua uno sjiiiitu continetur. Paul. 1. 23 § 5 D. de
R. V. (VI, 1).
De tertio genere corporum videndum est. Non autem grex universiis sic capitnr
usu quomodo singulae res, nee sic ipiomodo eobaerentes. Quid ergo est? Etsi ea
natura ejus est, ut adjectionibus corporum maneat, non item tarnen universi gregis
ulla est usucapio, sed singuloruin animaliiim sicuti possessio, ita et usueapio. Nee si
quid emptum immixtum fuerit gregi augendi ejus gratia, idcirco possessionis causa
matabitur, ut, si reliquua grex dominii mei sit, haec quoijuc ovis, sed singulae
suam eausam habebunt, ita ut, si qoae furtivae erunt, sint quidem ex grege, non
tarnen usucapiantur. Pomp. 1. 30 § 2 D. de usurp. et usuc. (XXXXI, 3).
/
-ocr page 150-
133
Gregc legato et quae postea acecdunt ad legatarium pertinent. lTlp. 1. 2\'. D. de
legat. 1. (XXX).
Si gregc legato aliqua pecora vivo testatorc moitiia essent in eorumque Ioeum
aliqua essent substituta, eundem gregem videri: et si demiiiiitiim ex eo grege peens
esset et vel uniis bos superesset, eum vindicari posse, quamvis grex desisset esse:
quemadmodum insula legata, sieombnsta esset, uren possit vindicari. Pump. 1. 22 D. eod.
Si grex legatus fuerit posteaque ad imam ovem pervenerit, quod Buperfueric vindi-
cari potest. Gregc autem legato etiam eas oves, quae post testamentum factiim gregi
ndiciuntur, legato cedere Julianus nit: esse cnim gregis unum corpus ex distuutibus
cnpitibus, sicuti aedium unum corpus est ex cohaerentibiis lapidibus. § 18 I. de
legat. (II, 20).
Sed si gregis iisum fructum ijnis habeat, in locum dcmortiiorum capitum ex feta
fructuarius summittere debet, ut et Juliano visum est, et in vinearum demortuarum
vel arborum locum alias debet substituere. Recte enim colere debet et quasi bonus
pater fumilias uti debet. § 38 I. de rer. div. (Il, 1).
Sed quod dicitur debere eum summittere, totiens verum est, quotiens gregis vel
armenti vel eqoitii, id est universitatis usus fructus legatus est: ceternm si singulorum
capitum, nihil supplebit. Vip. 1. 7(1 § 3 D. de usu fr. Til. 1).
Gregc pignori obligato qnae postea nascunttir tencntiir: sed et si priori bus capiti-
bus decedentibus totus grex fuerit renovatus, pignori tencbitur. Marcian. 1. 13 pr.
I). do pign. (XX, 1).
§ 67. HOOFDZAKEN EN BIJZAKEN. HtTLPZAKEN.
Tusschen verschillende zaken kan eene zoodanige verhouding bestaan,
dat de eene als hoofdzaak, de andere als bijzaak wordt aangemerkt (res
principalis, accessió).
De eigenschap van hoofdzaak is niet onveranderlijk,
maar slechts relatief; zij is afhankelijk van de betrekking, waarin de
mensch bij zijne rechtshandelingen de zaken tot elkander brengt of be-
schouwt. De boom bijv. is bijzaak ten aanzien van den bodem, hoofdzaak
ten aanzien van de vruchten.
De bijzaken zijn van tweeërlei aard:
I. Eigenlijk gezegde bijzaken. Deze verliezen haar zelfstandig bestaan
om zich geheel met de hoofdzaak te vereenigen, zich daarin optelossen;
zij worden bestanddeelen van de hoofdzaak en volgen daarom in alles
haar lot (accessió cedit principali). Bijzaak van den grond is alles
wat organisch daarmede samenhangt (hoornen, vruchten) of wat zoodanig
met den bodem is verbonden, dat het daarmede slechts één geheel uit-
maakt (superficies; quod solo inaedificatur, solo cedit).
Qitintus Miieius scribit: dominus fundi de pracdio arbores stantes vendidcrat et
pro bis rebus pecuniam accepit et tradere nolebat: emptor qnaerebat, quid se facerc
oportcret, et verebatur, ne hae arbores ejus non viderentur factac. PomponittS:
arborum, quae in fiindo continentur, non est separatum corpus a ftindo et ideo ut
dominus suas specialiter arbores vindicarc emptor non poterit: sed ex empto liabet
actionem. 1\'omp. 1. 40 D. de act. empt. vend. (XIX, 1).
.....Sic et in tradendo si quis dixerit se solum sine superlicie tradere, niliil
prolicit, quo minus et supciiicies transeat, quae natura solo coliacret. Paul. 1. 44 § 1
D. de O. et A. (XXXX1V, 7).
Numquam superficies sine solo cajii longo tempore potest. I\'lp. 1. 26 I). de usurp.
et usuc. (XXXXI, 3).
-ocr page 151-
134
Si fuiidiis hvpotheeae datus sit, deinde alluvione major faetns est, totiis obligu-
bimr. Marcian. I. 16 pr. I). de pign. \'XX, 1).
Domus pignori data exusta est camque aream etnit Lucius Titius et exstruxit:
quaesitum est de jure pignoris. Paulus respondit pignoris perserutionem persevcrare
et ideo jus soli siipertieiem secutam videri, id est cum jure pignoris: sed bona lide
possessures non aliter cogendos creditoribus aediliciiim restitnere, quam sumjitus in
exstructione crogatos, qiintenus pretiosior res facta est, rceiperent. 1\'aul. 1. 2!l § 2
1). eod.
II. Hulpzaken. Deze hebben en behouden haar zelfstandig bestaan; zij
lossen zich niet op in de hoofdzaak. Wegens hunne voortdurende be-
stemming ten nutte en ten dienste van de hoofdzaak worden zij echter,
naar de opvatting van het verkeer, gerekend tot deze te behooren. Wordt
over de hoofdzaak een e rechtshandeling aangegaan (verkoop, verpanding,
legaat), dan wordt, zonder nadere bepaling, de hulpzaak daaronder be-
grepon geacht. Intusschen kan, door de afspraak of volgens de bedoeling
der partijen bij het aangaan der rechtshandeling, daarin wijziging ge-
bracht worden.
Als hulpzaken worden bijv. beschouwd: een stuk land dat is aangekocht
ter wille van de hoofdplaats van bebouwing; de sleutel met betrekking
tot het huis; evenzoo de sleutel ten aanzien van de klok of kist; de lijst
bij de schilderij; de etui bij den kijker, enz. Verbinding met de hoofd-
zaak is noch vereischte noch kenmerk. Ook de grootte of kostbaarheid
is niet beslissend.
Si fundum Cornclianum pro emptore longa possessione capiam et partem ex vicini
l\'ando ei adiciam, utrum eam quoque partem reliquo tempore pro emptore capiam au
integro statuto tem])orc? Kcspondi: partes, quac emptioni fundi adiciuntur, propriam
ac sepuratam eondieionem habent, et ideo possessionem quoque earum separatim
nancisci oportere et longam possessionem earum integro statuto tempore impleri.
Julian. I. 7 § 1 T). pro empt. (XXXXI, 4).
l\'tra autem utriiis materiae sit accessio, visu atque usu rei, consuetudinis patris
familitu aestimandum est. Florentin. 1. 2!» § 1 D. de anro (XXXIV, 2;.
Ante domum mari junetam molibus jactis ripam eonstituit el titi ab eo possessa
domus luit, Gajo Sejo vendidit: quaero, au ripa, qnae ab auctore domui conjnncta
erat, ad emptorem quoque jure emi)tionis pertineat. Kespondit codem jure fore vendi-
tam domum, quo fuisset priusquam veniret. Seaev. 1. 52 § 3 D. de aet. empt. vend.
(XIX, 1).
Qui domum possidebat, hortum vieinuni acdibus eomparavit ac postca domum
Icgavit. Si hortum domus causa eomparavit, ut amoeniorem domum ae salubriorem
possideret, adilumque in eam per domum liabuit et aedium hortus additameutum
fuit, domus legato eontinebitur. Papin. 1. 91 § 5 I). de legat. III. (XXXII).
Si qttis post testamentum factum fundo Titiano legato partem aliquam adjecerit,
i|Uam fundi Titiani destinaret, id quud adjectum est exigi a legatario potest (et
siinilis est causa alluvionis) et maxime si ex alio agio, qui fuit ejus enm testamentum
faeeret, eam partem adjeeit. Pomp. 1. 24 § 2 1). de legat. 1. (XXX).
Aedibus distraetis vel Iegatis ea esse aedium solemus dieere, quae quasi pars
aedium vel propter aedes habentur, ut puta putealia. Ulp. 1. 13 § 31 D. de aet.
einpt. vend. (XIX, 1).
Fundi nihil est, nisi qtiod terra se tenet: aedium autem multa esse, quae aedibus
adiixa non sunt, ignorari non oportet, ut puta seras claves claustra: multa etiam
defossa esse neque tarnen fundi aut villae haberi, ut puta vusa vinaria torcularia,
/
-ocr page 152-
135
qiioniam hacc instrumcnti magis simt, etiamsi acdilicio cohuercnt. ITIp. 1. 17 pr.
D. eod.
Simt tarnen quaedam, quae omnimodo legatum sequuntur: ut lectnm legatum con-
tineüt et fuletra et armariis et loculis claustra et claves cedunt. I \'lp. I. 52 § *J I). de
lcgat. III. (XXXII).
Mulum navis esse partcm, artcmoncm autem non esse Labeo ait, quia i)lcrae<|UC
navcs sine malo inutilcs essent, ideoque pars navis habctur: artemu autem mugis
adjectaniento imam pars navis est. Javol. 1. 242 pr. D. de V. S. (L, 16).
Nam quod liquidae materiae sit quia per se esse nuii potest, rapit serum in acces*
siunis lucum id sine quu esse nun potest: vasa autem aceessio legatac penus, non
legata simt: denique penu consumpta vasa non debentur. Sed et si penum cum vasis
specialiter sit legatum, vasa non debebuntur vel consumpta penu vel adempta. Paul.
1. 4 pr. D. de penu leg. (XXXIII, 9).
Ter nadere bepaling van het begrip hulpzaak worde nog het volgende
opgemerkt:
1°. de hulpzaak moet bestemd zijn om de hoofdzaak te dienen. Wat
alleen dienstbaar is aan het nut of het genoegen van den tijdelijken
eigenaar der hoofdzaak of wat met zijn beroep in verband staat, is geen
hulpzaak. Zoo zijn bijv. het vee en de bouwgereedschappen {instrumentum
fundi)
geene hulpzaken; evenmin het huisraad;
Fuiido legato instrumentum ejus non aliter legato cedit, nisi specialiter id expres-
lam sit: nam et domo legata neqne instrumentum ejus neque supellex aliter legato
cedit, qwim si id ipsum nominatim expressum a testatore fuerit. C\'allistr. 1. 14 D.
de suppell. leg. (XXXIII, 10).
Fistnlae autem et canales et cratcres et si qua sunt alia ad aquas salicntes neccs-
saria, item serae et claves magis domus portio qmtm domus instrumentum sunt. l\'lp.
1. 12 § 24 D. de instructo (XXXIII, 7).
.....Fistnlae qtioqiic, quae salientibus jungimtur, quamvis longe exenrrant extra
aediticium, aedium sunt: item canales: pisces autem qui sunt in piscina non sunt
acdium nee fundi, l\'lp. 1. 15 D. de act. empt. vend. (XIX, 1).
non magis quam pnlli aut cetera animalia, quae in fundo sunt. Pomp. 1. 16 1). cod.
Kundo vendito vel legato Stcrculinum et stramenta emptoris et lcgatarii sunt, ligna
autem venditoris vel heredis, quia non sunt fundi, tametsi ad eam rem comparata
sunt. In stcrculino autem distinctio Trebatii probanda est, ut, si quidem stercorandi
agri causa comparatum sit, emptorem sequatur, si vendendi, venditorem, nisi si
aliud actum est: nee interest, in stabtdo jaeeat an acervus sit. l\'lp. 1. 17 § 2 D. eod.
2°. die bestemming moet eene blijvende zijn;
Labeo gcncraliter scribit ca, quae perpettii usus causa in aediticiis sunt, aediticii
esse, quae vero ad pracsens, non esse aediticii: ut puta fistnlae temporis qiiidcm
causa positae non sunt aedium, vcnim tarnen si perpetuo t\'uerint positae, aedium
sunt. Vip. 1. 17 § 7 I). eod.
Dolia tictilia, item pluinbca, iiuibus terra adgesta est, et in bis viridiaria posita
aedium esse Labeo Trebatius putant. Ita id verum puto, si ita illigata sint acdib\'is,
ut ibi perpetuo posita sint. Javol. 1. 26 pr. I). de instructo (XXXIII, 7).
Straturam loei alicujus ex tabulis factis, quae aestate tollerentur et hicme pone-
rentur, aedium esse ait Labeo, quoniam perpettii usus paratae essent: neque ad rem
pertinere , qnod interim tollerentur. .lavol. 1. 242 § 4 D. de V. S. (L, 16).
3°. die bestemming moet verwezenlijkt zijn; wat nog niet is in dienst
gesteld, geldt niet als hulpzaak.
-ocr page 153-
130
Eu, i|uac ex aedilicio detmeta sunt ut reponantur, aediticii simt: at qnae parata
simt ui imponantur, nou sunt aediticii. — Pali, qui vineae causa parati sunt, ante*
quant colloceiitiir, fundi nou simt, scd qui exempti simt hac meute ut collocentur,
fundi sunt. I\'lp. 1. 17 § 10, § II I). de act. empt. vcnd. (XIX, 1).
Tegnlae, <iuac nondum aediticiis impositne sunt, quant vis tegendi grutiii allatae
sunt, in rutis et cacsis habciitiir: aliud juris est in his, qnae detraotac sunt ut
reponerentur: aedibus enim accedimt. .lavul. 1. 18 § 1 I). cod.
Hetgeen noch bij-, noch hulpzaak is, noemen de Romeinen: ruta cacsa.
Quiiitiitj Mucius scribit, qui ticripsit „ruta caesa quaeque aedium fnndirc non sunt",
bis idem scriptum: nam ruta caesa ea sunt qnae DCque aedium nequc fundi sunt.
1\'omp. I. 66 § 2 D. de contr. cmpt. (XV111, 1).
§ 68. VRUCHTEN. RENTEM.
Tot de bijzaken hehooren de vruchten. Het begrip daarvan eisoht af-
zonderlijke bespreking, omdat liet bij verschillende rechtsbetrekkingen
toepassing vindt (zie hieronder § 112, n°. 5, § 126, § 162).
Onder vruchten verstaat men, in rechtskundigen zin, de natuurlijke
voortbrengselen van eene zaak, welke deze, volgens hare bestemming in
het verkeer, op gezette tijden afwerpt, zonder dat zij zelve daardoor
wordt vernietigd.
Fructus rei est vel pignori dare lieerc. Javol. 1. 49 1). de iisur. (XXII, 1;.
Si liindiim viro iixor in dotcm dederit isque inde arbores decidcrit, si hac fructus
intellcgiintur, pro portionc anni debcnt restitui (puto autcm, si arbores cacduae
fiicnmt vel gremialcs, dici oportet in fructn ccdere), si minus, quasi deteriorcm
fiindum feccrit, maritus tenebitur. Sed et si vi tcmpcstatis ccciderunt, dici oportet
pretium carum restituendum mulicri nee in frttctum ccdere, non magis, quant si
thcnsaurus fucrit inventus: in l\'ructlim enim non coinputabitur, scd pars cjus dimidia
restituetur quasi in alieno invcnti. I\'lp. 1. 7 § 12 D. sol. mntr. (XXIV, .1).
Vctus fuit qiiaestio, an partus ad fructnarium pcrtineret: sed Bruti seritcntia opti-
nuit fructnarinm in co locum non habere: nequc enim in fructn liominis homo esse
potcst. Hac ratione nee iisum fiuctum in co fiuctuarius hubcbit. Quid turnen si fucrit
etiam partus usus fructus relictus, an habeat in eo usum fructum? Et cmn |>ossit
partus legari, poterit et usus fructus cjus. — Fctus tarnen pecorum Subiniis et t\'assius
opinati sunt ad fructnarium pertinere. t\'lp. 1. C8 pr., § 1 P. de usu fr. (Vil, 1).
In pccndtim fructu etiam fetus est sicut lac et pillis et lana: itaque agni et hacdi
et vituli statim plcno jure sunt bonac lidei poasessoris et fructiiarii. — l\'artus vero
ancillac in fructn non est itaque ad dominum proprictatis pertinet: absurdum enim
videbatur hominem in fructu esse, cum omncs fructus reriim natura hominum gratia
comparaverit. Oajus 1. 28 D. de usur. (XXII, 1).
Ancillarum etiam partus et partuum partus (|iiamqiiam fructus esse non cxistiman-
tur, quia non temere ancillac cjus rei causa compaiuntur ut pariant, augent tarnen
hcreditatem: quippe cum ea omnia Munt hereditaria, dubiiim non est, quin ea pos-
sessor, si aut possideat uut post Jiotitam hcreditatem dolo mulo fecit qoo minus
possideret, debcat restituere. I\'lp. 1. 27 pr. D. de II. 1\'. (V, :i).
In sommige opzichten ondergaat dit begrip eenige uitbreiding. Zoo
worden, ofschoon zij de eigenschap missen om periodiek terug te koeren,
delfstoffen als vruchten beschouwd, voor zoover zij regelmatige opbrengst
der zaak mogen heeten. Zoo wordt ook de jacht tot de vruchten ge-
/
-ocr page 154-
137
rekend, waar zij als geregelde bron van inkomsten van den bodem is
aan te merken.
„Frugem" pro rcditu appellari, non solnm frumentis nut lcguminibus, verum et
ex vino, silvis cacduis, cretifodinis, lupidicinis capitur, Julianus scribit.....Paul.
1. 77 D. de V. S. (L, 16).
Si vir in fundo mnlieris dotuli lapidicina.; marmorcas inrenerit et fundum fruetuo-
siorcm feccrit, marmor, quod cncsum neqne exportatum i\'st, muriti et impcnsa non
est ei praestundu, quiu nee in fructii est marmor: nisi tale sit, ut lapis ihi rcnuscatur,
qualcs simt in Gallia, simt et iu Asia. — Sed si crctifodinae, argcnti fodinae vel
auri vel eujus alteriuj muteriae sint vel hareuue, utiqiic in fructu liabebuntiir. 1 lp.
1. 7 § IS, § 14 1). sol. matr. (XXIV, 3).
Sed si lapidicinas liabeat et lapidem caedere vclit, vel eretifodinas habeat ve!
harenas, omnibus lus usurum Sabinus ait • juasi boniim patrem familias: quam scn-
tentiam puto veram. T\'lp. 1. !l § 2 I). de usu IV. (VII, 1).
Venationem fruetus fundi negavit esse, nisi fruetus fundi ex vcnatione eonstet.
Jnlian. 1. 20 D. de usur. (XXII, 1).
Zoolang de vruchten nog met de moederzaak zijn verbonden (fruetus
pendentes),
volgen zij, als deelen daarvan, noodzakelijk den rechtstoestand
der hoofdzaak (zie hierboven § C7, I). Eerst na de afscheiding kunnen
zij het voorwerp worden van zelfstandige rechtsbetrekkingen. In sommige
gevallen wordt reeds door elke afscheiding een recht op de vruchten ver-
worven (zoo bij den erfpachter), in andere gevallen eerst door inbezitneming
(gelijk bij den vruchtgebruiker); zie nader hieronder § 153.
Met het oog op de verplichtingen van den bezitter, tegen wien eene
actie tot opvordering van eigendom is ingesteld, wordt verder onder-
scheiden, of de door hem genoten vruchten nog voorhanden of reeds
verteerd zijn, terwijl soms ook rekening wordt gehouden met vruchten
die niet getrokken zijn, maar getrokken hadden kunnen worden (ver-
zuimde vruchten), zie hieronder § 112.
Fruetus pendentes pars fundi videntur. Gajus 1. 44 D. de R. V. (VI, 1).
Si quis a non domino, ipiem dominum esse crederet, bona Hde fluïdum emerit vel
ex donatione aliave qua justa causa aeque bona lido acceperit: naturali rationc placuit
fruetus quos percepit ejus esse pro cultura et cara.\' Et ideo si posten dominoa super*
vcnerit et fundum vindicet, de fructibus ab eo eonsumptis agere non potest. Ei veru,
qui seiens alienum fundum posscderit, non idem coiicessum est. Itaque cum fundo
etiam fruetus, Heet consumpti sint, cogitur restituere. — Is, ad quem usus fruetus
fundi pertinet, non uliter fructuum dominus eflicitur, qunm si cos ipse pereeperit.
Et ideo licet maturis fructibus, nondum tarnen perceptis decesserit, ad heredem ejus
non pertinent, sed domino proprictatis adquiruntur. Eadem fere et decolonodieuiitiir.
§ 35, § 36 I. de rer. div. (II, 1).
Fruetus intelleguntiir deduetis impensis, quae quacrendorum eogendorum conser-
vandurumqne eorum gratia fiunt. Quod non solurn in bonae lidci possessoribus natu-
ralis ratio cxpustulat, verum etiam in pracdonibus, sicut Sabino quoque placuit.
Paul. 1. 36 § 5 D. de H. P. (V, 3).
Tot de vruchten brengt men ook die opbrengsten, welke niet uit de
zaak zelve voortkomen, maar tengevolge van daarover aangegane rechts-
handelingen op gezette tijden worden verkregen: huren, pachten, renten,
enz. (non natura pervenit, sed jure percipitur, zegt Papinianus
-ocr page 155-
138
in 1. 02 pr. D. de R. V., VI, 1). In tegenstelling van de natuurlijke
vruchten noemt men ze burgerlijke vruchten.
I\'sura pecuniac, <|iium pcrcipimus, in fniclu non est, «juin non ex ipso corpore,
sed ex ;ili:i causa est, id est nova obligatione. Pomp. 1. 121 D. de V. S. (L, 16).
I\'gurae vieem fructunm optinent et merito non debent n fnietibus separari: et ita
in legatis «\'t tidcicommissis et in tutelac actione et in ectcris jiidieiis bonae tidei
servatur. Hoe idem igitur in eetelis obventionibus dieemns. I\'lp. 1. 34 I). de nsur.
(XXII, I).
1\'niediorum uibanorntn pensiones pro fruetibus accipinntnr. I\'lp. 1. 3(! 1). eod.
Mercedes planc a colonis aeeeptae loeo simt fructnntn. Operue qiioqtic servorum in
eadem erunt eausa, qua simt pensiones: item vecturae navium et jnmentorum. Vip.
1. 29 D. de H. P. (V, 3).
Rente (foenus, usurae) is de vergoeding, welke eenerzijds genoten
wordt voor het gemis en anderzijds gegeven wordt voor het gebruik van
eene som gelds of eene hoeveelheid andere vervangbare zaken. Zij bestaat
uit zaken van dezelfde soort als de hoofdsom (sors) en wordt gewoonlijk
in percenten daarvan uitgedrukt.
De verplichting om rente te betalen is eene accessoire, afhankelijk
van het verschuldigd zijn van eene hoofdsom. Deze verplichting moet
steeds eene bijzondere oorzaak hebben; zij kan steunen op eene rechts-
handeling — eene overeenkomst (hetzij in den vorm eener stipulatie, of
als bijgevoegd beding bij eene bonae-fidei-overeenkomst, zie hieronder
§§ 183 en 184) of een testament — of onmiddellijk op een wettelijk
voorschrift (zie bijv. hieronder § 139, § 177, § 190).
Kos, i|ui principali actione per exceptionem triginta vel qiiadraginta annortim, sive
personali sive hypothecaria, eeciderunt, non possc super usuris vel fruetibus praeter-
iti temporis aliquam movere quaestioncm dicendo ex his temporibus eas veile sibi
persolvi, ijiiae non ad triginta vel qiiadrugintu praeteritos annos referuntur, et adse-
rendo singulis annis eanim aetiones nasci: prineipali enitn actione non subsistente
satis supervacuum est super usuris vel fruetibus ad luie jndicem eognoseere. .lustinian.
1. 2fi pr. f. de nsur. (IV, 32).
Si pactum nudum de pracstandis usuris interpositum sit, nullius est momenti: ex
nndo enim paeto inter civcs Komanos aetio non nascitur. Paul., Sent. II, 14 § 1.
Pecuniac, <|iium in usus suos converterunt tutores, legitimas usuras praestant, sed
hoe ita demum, si evidenter doceantur pecuniam in usus suos convertisse: ceterum
non utique qui non faeneravit vel non deposuit, in suos usus vertit, et ita divus
Severns deerevit. Doeeri igitur deb.\'t in usus suos pecuniam vertissc. I\'lp. 1. 7 § 4
I). de adm. tut. (XXVI, 7).
In bonae tidei contractibus ex mora usurae debentur. Marcian. 1. 32 § 2 D. de
ugur. (XXII, 1).
Veniunt autem in hoc judicium infra scripta. In prirois pretium, quanti res vcnit.
Item usurae pretii post diem traditionU: nam eum re emptor fruatur, acquissimum
est eum usuras pretii pendere. I\'lp. 1. 13 § 20 I). de act. em]it. vend. (XIX, 1).
Pretii, soite liect post moram solnta, usurae peti non possunt, eum hae non sint
in obligationc, sed orticio judicis praostentur. Ilermogen. 1. 49 § 1 1). eod.
Si deposita pecunia is qui eam suseepit usas est, non duhiutn est etiam usuras
debcre praestarc. Sed si, eum depositi actione expertus es, tantummodo sortis facta
condemnatio est, ultra non potes propter usuras experiri: non enim duae simt aetio-
nes alia sortis alia usurariim, sed una, ex qua condemnatione facta iterata aetio
rei judicatae exeeptione ïepellitur. (iordian. 1. 4 C. depos. (IV, 34).
/
-ocr page 156-
130
Het Romein8che Recht heeft liet bedingen van rente aan verschillende
beperkingen onderworpen. Vooreerst, wat het bedrag der geoorloofde
rente betreft. Volgens de wet der 12 Tafelen was het maximum 8\'/, °/0
voor het oude jaar van tien maanden (foenun unciarium). Gedurende de
Republiek gaven tal van woekerwetten (leges fenebrcx) eene nadere regeling.
Bij sommige daarvan werd zelfs de rente geheel verboden — zie o. a.
Oajus, Inst. IV § 23. In de laatste tijden der Republiek en in den
Keizertijd was het maximum 12 "„ (usurae centesimue l). Justinianus
bepaalde de geoorloofde rente als regel op (i "/„; aanzienlijke personen
zouden echter slechts 4 0/0, kooplieden daarentegen tot 8 "/„ mogen vor-
deren. Over het foenus nauticum, zie hieronder § 184.
Super nsiininim vero quantitatc etiam gcneralem sanctionem faccre neccssariuin
esse diiximus, veterem durum et gravissimam carum molem ad mediocritatem dedu-
centes. — Ideoquc jubcmus illnstlibns quidcm personis siveeas praecedentiliusminiinc
liccru ultra tertiam partcm centesimae usurarum in quocumquc cuntractu vili vel
maximu stipulari: illos vero, qui ergustcriis pracsnnt vel aliquam licitam negotia-
tionem gerunt, usquo ad bessem centesimae suam stipolatiunem moderari: in trajecticiis
autem eontractibus vel speeicrum feiiori datiunibns usqiic ad centcsimam tantummodo
licere stipulari nee cam excedere, licet veteribus legibus boe erat eoncessum: cctcrus
autem omnes homincs dimidiam tantummodo centesimae usurarum possc stipulari et cam
quantitatcm usurarum etiam in aliis umnibus casibus nullo mud» ampliari, in qnibus
citra Btipulationcm usurae exigi soleut. Justinian. 1. 2(i § l, § 2 t\'. de ustir. (1V,82).
Andere beperkingen zijn de volgende: 1°. men mag geene rente van
rente nemen (analocismus); 2°. de rente houdt op te loopen, zoodra de
vervallen en onbetaalde renten (volgens de Novellen ook: de geregeld be-
taalde renten) tot een bedrag zijn geklommen, met het kapitaal gelijkstaande.
Placoit, sivc supra statutum modiim i|iiis umi ras stipulatna l\'uerit sive usurarum
usuras, i[tiod illieite adjectum est pro iiun adjecto haberi et Hei tas peti possc. Marcian.
1. 29 D. de usur. (XXII, 1).
Ut nullo modo usurae usurarum a debitoribus exigantor, et veteribus i[iiidem legi-
bus constitutum t\'uerat, sed non perfectissime cautum. Si enim usuras in sortem
rcdigerc fuerat coneessum et totius summae usuras stipulari, qnae ditferentia erat
debitoribus, (ïui re vera usurarum usuras exigebantnr? Hoe eerte erat non rebus sed
verbis tantummodo leges ponere. — Quapropter line apertissima lege detinimus nullo
modo licere euidam usuras praeteriti vel futuri temporis in sortem rcdigerc et carum
iterum usuras stipulari, sed, si\'hoc fucrit subsecutum, usuras quidem semper usuras
manere et nullum aliarum usurarum incrementum sentirc, sorti autem antiqnae tan-
tummodo incrementum usurarum acredcre. Justinian. I. 28 C. de usur. (IV, 32).
Supra duplum autem usurae et usurarum usurae nee in stipulatum deduci nee exigi
possunt et solutae repetuntur, (iiiemadmodum futurarum usurarum usurae. Tip. 1. 26
§ I D. de cond. ind. (XII, 6).
Cursum insuper usurarum ultra duplum minime proeederc eoneedimiis, nee si
pignora iiuacdam pro debito creditori data sint, quorum oceasione qiiacdam veterea
\') Pc liomeinen rekenen de rente bij de maand: usurne leulesimne lietcckent een
honderdste deel van het kapitaal, 1 0/0) in de maand. Om lagere percenten aan te
duiden neemt men de usurne centesimae als eenheid (as) en noemt de lagere renten
niuir de deelcn van den as: uncia lllit êtxtans */.•, yuadrmis 3/u, trietts \'/(j, quin-
cuiix
5/,j, seinis */n, teptunx 7/ij. \'"* Vii> dodrant 9l, dexlam l0/|,, deut\'X "/,j.
Usurne (rienles is dus 4 °/„ rente per jaar.
-ocr page 157-
140
leges et ultra duplum usuras cxigi pormittebaiit. — Qnod et in bonae fidei judiriis
ceterisque omnibus in quibus usurae exignntar servari censemus. .lustinian. I. 27
§ I , § •> (\'. <le nsur. (IV, 32).
Si usuras exaetus tutor vel curator usibus suis rctinucrint, curtim usurus ugnoscere
cos oportct: snne enim parvi refert, ui rum sortem pupillarem an usuras in ustis suos
converterint. I\'lp. 1. 7 § 12 D. de adm. tut. (XXVI, 7).
Do rente vooruit te ontvangen, is niet verboilen.
(Jui in futurum usuras a debitorc acecperat, taeitc pactus videtur, nc intra id
tempus sortem petat. Florentin. 1. 57 pr. 1). de pact. (II, 14).
Non male dictum est, si creditor usuras in futurum accepcrit, deinde pecuniam niliilo
minus petat, antcquam id tompus practereat, cujus tem|>oris usurus accepit, an doli
exceptiunc repcllatnr. Kt potest dici dolo eum facerc: accipiendo enim usuras distulisse
videtur petitioncm in id tempus, ijuod est post diem usurarum prncstitarum, et taeitc
eonvenisse interim se non petituriun. 1\'lp. 1. 2 § 6 D. de doli exc. (XXXX1V, 4).
§ 69. WAARDE DEK ZAKEN.
Met het oog op hare bruikbaarheid hebben de zaken eene waarde. Deze
is niet standvastig, maar afhankelijk van tijd en plaats. Waar in rechte
de waarde eener zaak bepaald moet worden, let men dus op de waarde
van een bepaalde tijd en plaats. Met individueele neigingen (zoogenaamd
pretium affectionis) wordt geen rekening gehouden (zie hieronder § 170).
1\'retia rcrum non ex affectu nee utilitatc singulorum, sed communitcr fungantnr.
Nee enim <pii lilinm naturulcm possidet tanto locupletior est, quod eum, si alias
possideret, plurimo rcdemptarus fuisset. Sed nee ille, qui lilium alienum possidet,
tantum habet, ijitanti enm patri vondere ]>otcst, nee exspectandum est, dum vendat,
sed in praesentia, non qua lilius iilicujus, sed qua homo aostimatur.....1\'atil. 1. 63
pr. D. ad leg. Kale. (XXXV, 2).
Waar door den rechter de waarde eener zaak moet worden geschat, zal hij
in den regel deskundigen raadplegen. In sommige gevallen heeft de eischer
het recht, door zijn eed, de waarde der zaak aan te geven (jnsjurandum
in litrm);
zoo bij bonae-fidei-acties, waar de gedaagde, tot teruggave eener
zaak verplicht, weigerachtig blijft aan die verplichting te voldoen, of daartoe
door opzet of grove schuld niet in staat is (zie bijv. hieronder § 155); zoo
ook, waar de waarde der zaak op geene andere wijze is vast te stellen.
De rechter kan echter een maximum bepalen, waarboven de eischer niet
zal mogen gaan; hij kan ook eene overdreven waardeering inkorten.
Sivo nostrum <piid potumus sive ad exhibendum agatur, interdum cjuod intersit
agentia solum aostimatur, veluti eum culpa non restituentis vel non exbibentis puuitur:
oum vero dolus aut eontumaoia non restituentis vel non exbibentis, qnanti in litem
juraverit aotor. Paul. 1. 2 D. de in lit. jur. (XII, 3).
Plane interdum et in aetione stricti judicii in litem jurandum est, veluti si pro-
inissor Stiohi moram fecerit et Stiehus decesserit, quia judex aestimare sine relatione
jurisjurandi non potest rem quac non extat. Mareian. I. 5 § 4 D. eod.
In actionibus in rem et in ad exliibcndum et in bonae fidei judiciis in litem
juratiir. — Sed judex potest practinire eertain summam, tisque ad quum jiiretur:
lieuit enim ei a primo nee delerre. — Item et si juratum ftierit, lieet judioi vel
absolvere vel minoris condemnare. Mareian. 1. 5 pr., § 1, § 2 I). eod.
/
-ocr page 158-
Hoofdstuk 1Y.
OVER HET ONTSTAAN EN TE NIET GAAN VAN RECHTEN.
Totum uiitc\'m jus conaistit aut in adquirendo
aut in conservando aut in minnendo: aut onim
hor agitur nui\'tnudmodum
quid riijusi|iit> liat, aut
qnemadmodum
qnis rem vel jus suum conservet,
aut i|inimodo alienet uut amittat. IMp. I. 41 I). do
legibus (1, 3).
§ 70. ONTSTAAN, VERANDERING EN TE NIET QAAN VAN RECHTEN
IN HET ALGEMEEN.
Men zegt, dat een recht (in subjectieven zin) wordt verkregen, wanneer
de voorwaarden zijn verwezenlijkt, waaronder de rechtsorde eene zekere
bevoegdheid of een zeker samenstel van bevoegdheden aan een bepaalden
persoon toekent. Het recht verandert of gaat te niet, wanneer de voor-
waarden aanwezig zijn, waaraan de rechtsorde verandering of opheffing
dier bevoegdheden verbindt (zie nader hieronder § § 92 en 93).
De verkrijging van een recht door een bepaalden persoon gaat niet
noodwendig samen met het ontstaan van dat recht: het kan immers reeds
aan een ander hebben toebehoord; eveneens sluit verlies van het recht
door den rechthebbende geen absoluten ondergang van dat recht in zich.
De voorwaarden voor het verkrijgen van een recht zijn de volgende:
1°. dat het subject bevoegd is tot die verkrijging;
2U. dat het voorwerp van het recht daartoe geschikt is;
3°. dat er iets heeft plaats gehad, waaraan de rechtsorde de vestiging
van het recht des verkrijgers vastknoopt;
4°. dat deze een redelijk, zij het ook niet juist een geldelijk belang
heeft bij dat recht.
Nadere toelichting is noodig met betrekking tot het derde punt.
Het geheel der feiten, waaraan het objectieve recht zeker gevolg ver-
bindt, noemen de Duitschers den Thatbestand. Deze bestaat uit één of
meer feiten, rechts feilen (juristische, rechtsbegründende, rechtser teugende
\'I hatsachen)
geheeten.
-ocr page 159-
142
Deze rechtsfeiten zijn van verschillenden aard; men onderscheidt:
1°. handelingen, wilsuitingen van privaatpersonen, en wel:
a.   geoorloofde, in overeenstemming met de rechtsorde verrichte: rechts-
handelingen;
b.   ongeoorloofde, in strijd met de rechtsorde verrichte;
2°. toevallige gebeurtenissen, zooals bijv. geboorte, dood, tijdsverloop,
ontstaan van een eiland, aanspoeling (zie hieronder § 151).
Waar voor de verkrijging van een recht geene vrijwillige handeling
van den verkrijger vereischt wordt, daar zegt men, hoewel mindernauw-
keurig, dat het recht op grond der wet (ipso jure, lege, tacite) wordt
verkregen.
Wij bespreken nu in § § 72—90 de rechtshandelingen, in § 91 de
ongeoorloofde handelingen. Wat de toevallige gebeurtenissen aangaat,
zoo behandelen wij in § 94 alleen den invloed van den tijd. Het is on-
doenlijk, alle rechtsfeiten op te sommen; voor een deel komen zij in
verschillende hoofdstukken ter sprake.
Vooraf gaan nog eenige algemeene opmerkingen.
Voor het intreden van een rechtsgevolg is nu eens een enkel rechtsfeit
voldoende, dan weder moeten twee of meer rechtsfeiten samengaan, hetzij
gelijktijdig of achtereenvolgens; voor de verkrijging eener erfenis bijv. is
noodig het bestaan van een testament, de dood van den erflater, de aan-
vaarding door den erfgenaam ; zoo eischt de verjaring (zie hieronder § 149)
de aanwezigheid van verschillende rechtsfeiten.
Niet altijd brengen rechtsfeiten onmiddellijk een stellig rechtsgevolg
te weeg. Vaak blijft het van latere gebeurtenissen afhankelijk, of en
welk rechtsgevolg zal te voorschijn treden. In den tusschentijd bestaat
er dan een onzekere, zwevende toestand.
Si ub hostibus captus fuerit pareus, ipiainvis servus hostium lint, tarnen pendet jus
libcrorum propter jus postliminii: quia hi, c[tii ah hostibus cupti sunt, si reversi
fueritit, omnia pristina juni recipiunt. Idcirco reversus et überos hubebit in potestate,
quia postlimiuium tiugit rum qui captus est semper in civitate fuisse: si veto ibi
decesscrit, ex inde, ex ijuo captus est pater, lilius sui juris fuisse videtur. Ipsc
(juoque tilius oeposve si ab hostibus captus fuerit, similiter dicimus propter jus
postliminii jus iiuoque potestatis parentis in suspenso csse .... § 5 I. cinib. mod. jus
pot. (I, 12).
(Jum servus lcgatur, et ipsius servi status et omnium, quae personam ejus attin-
gunt, in suspenso est. Nam si lcgaturius reppulerit a se legatum, niiuii|ii:iiii ejus
fuisse videbitur: si non reppulerit, ex die aditae hereditatis ejus intellegctur. Sc-
cuiidtim liane regulam et de jure eorum, (jnae per traditionem servus acecperit aut
stipulatus fuerit, duipie bis, ipiae legata ei vel donata fuerunt, statuctur, ut vel
heredis vel legatarii servus singula gessissc existimetur. .lulian. 1. 86 § 2 1). de legat.
1. (XXX).
In den regel werken rechtsfeiten alleen voor de toekomst, doch som-
tyds wordt aangenomen, dat zij vroeger hebben plaats gehad, dan in
werkelijkheid het geval is; men spreekt dan van terugwerkende kracht.
Heres quandoiiuc adeundo liereditatem jam tune a morte sucecssisse defuncto
intellegitur. J\'lorentin. 1. 54 D. de A. v. O. H. (XXIX, 2).
/
-ocr page 160-
143
Het Romeinsehe Recht maakt dikwijls gebruik van fictiën, ten deele
een gevolg van de eigenaardige plaats, die de Praetor inneemt (zie hior-
boven § 19). De rechtsorde verbindt dan aan een zeker feit een rechts-
gevolg, door het zoo voor te stellen, alsof niet dat feit, maar een ander
heeft plaats gevonden, of ook wel door te fingeeren, dat, naast het
werkelijk bestaande, nog andere feiten aanwezig zijn; zie Gajus, Inst.
IV §§ 34—38, en hierboven § 38 over de fictie der Lex Cornelia.
§ 71. SOORTEN VAN VKRKRMG1NU.
Een recht wordt verkregen öf op oorspronkelijke (originaire) wijze,
wanneer de verkrijger zijn recht niet ontleent aan een ander (zoo bij
toeëigening, verjaring), öf op afgeleide (derivatieve) wijze, wanneer de
verkrijger zijn recht wM afleidt van een ander (bijv. bij levering ten
gevolge van verkoop, bij erfopvolging). In het eerste geval is het recht
van den verkrijger geheel zelfstandig; in het tweede is zijn recht afhan-
kelijk van dat van den vroegeren gerechtigde: hetzelfde recht, dat vroeger
aan dezen toekwam, gaat nu over op den verkrijger. Men spreekt dan
van eene opvolging (successio), van een opvolger (auecessor) en een voor-
ganger of auteur (auctor).
Opvolging is niet bij alle rechten mogelijk. Zij is uitgesloten bij familie-
rechten, bij de rechten van vruchtgebruik en gebruik, enz.
De oorspronkelijke verkrijging gaat niet altijd gepaard met ontstaan
van het recht; als men bijv. door verjaring een recht verwerft, kan het
zijn, dat dit recht vroeger reeds bestaan heeft; toch is er eene oorspron-
kelijke wijze van verkrijging, omdat er geen band bestaat tusschen het
vroegere recht en het latere; er heeft wel plaats eene op elkaar volging,
maar geene opvolging.
Omgekeerd kan de verkrijging eene afgeleide zijn, al heeft het nu ver-
worven recht vroeger nooit als zelfstandig recht bestaan; bijv. indien de
eigenaar een servituut of pandrecht vestigt op zijn eigendom: zoogenaamde
constitutieve verkrijging (in tegenstelling van de translatieve).
. Quod nostrum non est, transferemus :ul alios: vetuti is ijui fundum babet, qnam-
niunn umi m i\'i in! ii in mimi Imbcat, tamen iisnm lïuriiim cedere potest. Paal. I. 63 I).
de usu fr. (VII, 1).
Overal waar sprake is van eene afgeleide wijze van verkrijging, treedt
de opvolger in de rechten van den voorganger. Hij heeft in den regel —
bestaan er uitzonderingen (zie § 14 I. de usuc. II, G) ? — geen beter,
geen meer omvattend recht dan zijn auteur; het recht blijft bij hem
onderworpen aan alle lasten en beperkingen, waaraan het bij den auteur
onderworpen was. Anders is het met die beperkingen, welke alleen den
persoon van den voorganger betroffen. Bij eigendomsoverdracht bijv. wordt
de verkrijger niet verbonden door de persoonlijke verplichtingen, die de
vorige eigenaar ten aanzien van de overgedragene zaak had op zich ge-
nomen: deze verbinden alleen den persoon, die de verbintenis aanging,
maar beperken niet het eigendomsrecht zelf.
-ocr page 161-
144
*- Ncmo plus juris ad ulium transferrc potcst, qnam ipse haberct. TTlp. 1. 54 D. de
R. .1. (L, 17).
Non debeo melioris condicionis csse, i|Uutn auctor mens, a qno jus in me transit.
Paul. 1. 175 § 1 I). ood.
Traditio nihil amplius traiisl\'erre debet vel potest ad eum <|iti accipit, quam est
apud eum qui tradit. Si igitur quis dominiiim in l\'undo habuit, id tradendo trans-
fcrt, si non habuit, ud eum i|iii accipit nihil transfcrt. — Quotiens autcm dominium
transfertur, ad eum qui accipit talc transfertur, qimlc luit apud eum qui tradit: si
servus luit fundiis, eum servitutibus transit, si liber, uti fait: et si forte servitutes
debebantur l\'undo qni traditus est, eum jure servitutium dchitarum transfertur. Si
quis igitur fnndum dixerit libenim, eum traderet, eum qui servus sit, nihil jari
servitutis fundi detrahit, verumtamun obligat se debebit([iie praestare quod dixit.
1\'lp. 1. 20 pr., § 1 D. de A. H. T>. (XXXXI, 1).
Qui ftindum fruendum vel habitationem alicui locavit, si aliqua ex causa fnndum
vel aedes vendat, curare debet, ut apud emptorem i^uoquc eadem pactionc et colono
frni et inquilino habitare liceat: alioquin prohibitus is aget eum eo ex conducto.
Gajus 1. 25 § 1 D. loc. (XIX, 2).
Lucius Titius promisit de fundo suo centum milia modiorum frumenti annua praes-
tare praediis Gaji Scji: postca Lucius Titius vendidit fundum additis verbis his:
..\'(Uu jure quaque condicionc ea praedia Lucii Titii hodie sunt. ita vencunt itaque
habebuntur": quaero, an emptor Gajo Sejo ad pracstationem frumenti sit obnoxius.
Hespondit emptorem Gajo Sejo secundum ca quac proponerentur obligatum non essc.
Scacv. 1. 81 § 1 I). de contr. empt. (XVIII, 1).
Qui tibi hereditatem vendidit, antcquam res hereditarias traderet, domiims carum
persevcravit et ideo vendendo eas aliis dominium translerre potuit. Sed quuniam
contractus lidem fregit, ex empto actione conventus quod tua interest praestare cogitur.
Alcx. 1. 6 C. de her. vel act. vend. (IV, 39).
De opvolging wordt onderscheiden in:
1°. bijzondere, opvolging onder bijzonderen titel, successio in rem, in
singularum rerum dominium,
en
2°. algemeene, opvolging onder algemeenen titel, successio per unirer-
sitatem, successio in universum jus.
Bij de eerste volgt de verkrijger op in een of meer bepaalde rechten.
Bij de laatste volgt hij op in het geheel (of een evenredig gedeelte) van
eens anders rechten en verplichtingen: in het geheel der rechten, en
daardoor middellyk in de bijzondere rechten, waaruit die eenheid bestaat,
daaronder somtijds zelfs in rechten, die op zich zelve niet vatbaar zijn
voor overdracht of waarvan de overdracht een anderen, strengeren vorm
zou eischen; in het geheel der verplichtingen, ook in die, welke niet
met bepaalde voorwerpen zijn verbonden.
.....In locum suceessisse accipimus, sive per universitatem sive in rem sit suc-
ecssum. Hip. I. 1 § 13 I). .piod legat. (XXXXI1I, 3).
Ilcres in omne jus mortui, non tantum singularum rerum dominium succedit, eum
et ca, quae in nominibus sint, ad heredem transeant. Pomp. 1. 37 D. de A. v. O. II.
(XXIX, 2).
Quaedam, quae non possunt sola alienari, per universitatem transeunt, ut fundtis
dotalis, ad heredem, et res, cujus aliquis commercium non habet: nam etsi legari
ei non possit, tamen heres institutus domiuus ejus etlicitur. Paul. 1. 62 I). dcA.lt. D.
(XXXXI, 1).
/
-ocr page 162-
145
Eene opvolging onder algemeenen titel kan niet willekeurig door de
partijen worden in het leven geroepen; zij is alleen mogelijk in de
gevallen, bij de wet aangeduid. Slechts dan komt zij te pas, als het
subject van een vermogen, door natuurlijken of burgerlijken dood, is
verdwenen. Het oude Romeinsche Recht kende dergelijke opvolging in
een aantal gevallen, waarvan er ten tijde van Justinianus slechts
enkele zijn overgebleven; zoo o. a. bij de adrogatio, in het latere Ro-
meinsche recht zeer beperkt (zie hieronder §^ 133); bij de in manum
conventig,
in het Justiniaansche recht vervallen (zie hieronder § 125);
bij de bonorum emptio, een ouden, later verdwenen vorm van executie
(zie hieronder § 117); bij de verkrijging volgens het Senatusconsultum
Claudianum,
door Justinianus afgeschaft (zie hierboven § 38). Zoo
bleven bij Justinianus alleen nog over de verschillende wijzen van
erfopvolging, waarover zie Bijzonder Gedeelte, Hoofdst. IV; verg. ook over
de addictio bonorum libertatum conservandarum gratia, hierboven § 40.
Sunt uutcm etiuin alterius generis siiceessiones quae neque lege Xll tabularum
neque praetoris edieto, sed eo jure <[uod consensu receptum est, introductae sunt.—
Etenim eum pater familias se in adoptionem dedit, mulierve in manum convenit,
umiics ejus res incorporales et corporales quaeque ei debitae sunt, patri adoptivo
coemptionatorive adquiruntur, exceptis his quae per capitis demiuutionem peieunt,
quales sunt ususfructug, operarum obligatio libertinorum quae per jusjurandum con-
traeta est, et lites eontestatae legitimo judicio. Gnjus, lust. III § 82, § 83.
Muiier bona sua umnia in dotcm dedit: quaero, an maritus quasi heres uneiibus
respondere cogatur. 1\'aulus respondit eum quidem, qui tutu ex reprornissione dotis
bona mulieris retiuuit, a creditoribus conveniri ejus non posse, sed non plus esse in
promissione bonorum i[iiam quod superest deducto aere alieno. 1\'aul. 1. 72 pr. D. de
.1. D. (XXIII, 3).
Eene andere onderscheiding is, dat de verkrijging van rechten geschiedt
of om niet (ex causa lucrativa) öf onder bez warenden titel. Het laatste ; A ,
heeft plaats, waar de verkrijger voor hetgeen hij verwerft een equivalent
geeft (bijv. bij koop of huur); het eerste, waar hij verwerft zondereenige
daar tegenover staande opoffering (zoo bij erfenis, legaat of schenking).
§ 72. BEGRIP EN SOORTEN VAN RECHTSHANDELINGEN.
Onder handeling verstaat men elke wilsuiting, die zich naar buiten
openbaart. Handelingen zijn positief of negatief, naarmate zij bestaan in
doen of niet-doen; zij zijn verder geoorloofd of ongeoorloofd.
Onder de geoorloofde handelingen zijn voor ons vooral van belang de
rechtshandelingen. In het begrip rechtshandeling vatten wij samen alle
wilsverklaringen van een privaat persoon, welke ten doel hebben, eco-
nomische gevolgen te weeg te brengen, die door de rechtsorde in het
algemeen gebillijkt en- tot rechtsgevolgen verheven worden (huwelijk,
testament, koop). Dat de handelende persoon die rechtsgevolgen, geheel
of gedeeltelijk, heeft voorzien of gekend, is niet noodig.
Delicten (zie hieronder § 91) zijn ook wilsverklaringen, maar geene
rechtshandelingen. Wel is ook hier het doel van den handelende om
lioia recht. 1, 2e «link.
UI
-ocr page 163-
146
economische gevolgen te weeg te brengen; doch dit doel en deze ge-
volgen worden juist door de rechtsorde bestreden. De rechtsgevolgen,
die hier ontstaan, zijn geheel onafhankelijk van des daders wil.
De rechtshandelingen worden op de volgende wijzen onderscheiden:
I.   Eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen. De eerste komen tot
stand door de wilsverklaring van één persoon; hiertoe behooren toe-
eigening, eenzijdige belofte, uiterste wilsbeschikking, aanvaarding eener
erfenis, enz. De tweede vereischen de overeenstemmende wilsverklaringen
van twee of meer personen, al behoeft de wil van beide partijen niet
juist gelijktijdig verklaard te zijn. Overal waar dergelijke overeenstemmende
wilsverklaringen een rechtsgevolg te weeg brengen, kan men in ruimen
zin van eene overeenkomst spreken; daaronder valt dan bijv. het huwelijk
(zie hieronder § 122), daaronder vallen ook verschillende verschijnselen
op het gebied van het staats-, straf- en volkenrecht. In een meer be-
perkten zin komt het begrip overeenkomst voor in het verbintenissenrecht,
zie hieronder § 181. Over de wijze, waarop overeenkomsten, die altijd
meerzijdige rechtshandelingen zijn, op hunne beurt weder worden ver-
deeld in een- en meerzijdige, zie hieronder § 182.
Pactum autem a pactione dicitur (inde etiam pacis nomen appellatom est) et est
pactio diioriim pluriumve in idem placitum et consensus. — Conventiunis verbum
generale est ad omniu pertinens, de quibus negotii contrahendi transigendique causa
cunsentiunt ijni in ter se agunt: nam sicuti convenire dicuntur ([iii ex diversis locis
in unum Iocum colliguntur et veniunt, ita et ijui ex diversis animi motibus in unum
consentiunt, id est in unam sententiam decurrunt. Adeo autem eonventionis nomen
generale est, ut eleganter dieat 1\'cdius nullum esse contractum, nullam obligationcm,
iiuae non habeat in se conventionem, sive re sive verbis fiat: nam et stipidatio quae
verbis tit, nisi habeat consensum, niilla est. lTlp. 1. 1 §§ 1—3 D. de pact. (II, 14).
I\'uctum est duorum consensus atque conventio, pollicitatio vero offerentis solius
promissum.....1\'lp. 1. 3 pr. D. de poll. (L, 12).
1\'ndc dicitur uno casu hoc verbo peregrinum quoque obligui posse, veluti si
imperator nostcr principem alieujus peregiini populi de pace ita interroget paccm
futuram spon des? Vel ipse eodem modo interrogetur. Quod nimium subtiliter
dictum est, quia si ijuid ad versus pactionem fiat, non ex stipulatu agitur, sed jure
belli res vindieatur. Gajus, Inst. III § !I4.
II.   Handelingen onder de levenden, die bestemd zijn om nog bij het
leven der partijen hunne betrekkingen te veranderen, en handelingen
ter zake des doods, die eerst met het overlijden van een der partijen in
werking treden, en dus door den dood bekrachtigd moeten worden.
Si non mortis causa fuerit donatuin, sed inter vivos, hac tarnen contcmplatioue,
ut in quiiitam habeaiur: potest diei inoffleiosi querellum cessare, si quurtam in dona-
tione hubet aut, si minus habeat, quod deest viri boni arbitratu repleatur: aut certe
conferri oportere id quod donatum est. I \'lp. 1. 25 pr. D. de inoll". test. (V, 2).
III.   Handelingen om niet en handelingen onder bezwarenden titel.
Si quis autem ex causa legati vindieet aut is, cui ex causa donationis res pracstita
est, vindieet, an de dolo exceptioncm patiatur ex causa ejus, in cujus locum suc-
cesserit? Kt magis putat Pomponius summovendum: et ego puto exceptione eos esse
repellendos, cum luerativam causam sint nancti: aliud est cnim emere, aliud ex his
causis siiccedere. Vip. 1. 4 § 29 1). de doli cxc. (XXXX1V, 4).
/
-ocr page 164-
147
IV.   Handelingen, bij de beoordeeling waarvan de rechter streng ge-
bonden is aan de door partijen gebezigde woorden (negotia slricli jttris\\,
en handelingen, waarbij de rechter vrijheid heeft, naar de omstandigheden,
volgens billijkheid en goede trouw, te beslissen (negotia bonae fidei).
V.   Rechtshandelingen, waarvoor een bepaalde vorm is voorgeschreven,
en handelingen, die geen bepaalden vorm vereischen (zie hieronder § 70).
VI.   Rechtshandelingen, die steunen op het jus civile, en zoodanige
die steunen op het jus gentium. Deze onderscheiding, in het oudere recht
van veel gewicht, heeft ten tijde van Justinianus hare practische
beteekenis verloren.
VII.   Zelfstandige en bijkomende (accessoire) rechtshandelingen. De
laatste zijn in hun bestaan afhankelijk van eene andere rechtshandeling;
daartoe behooren bijv. de pandovereenkomst, de borgtocht, enz.
§ 73. VEREISCHTEN DEK RECHTSHANDELING IN HET ALGEMEEN.
Zal eene rechtshandeling de regelmatige gevolgen te weeg brengen,
dan moet zij aan zekere vereischten voldoen. Ontbreekt iets van hetgeen
noodig is, dan is de rechtshandeling ongeldig (zie hieronder § 87), en
wel zoo, dat zij geheel nietig is, dus in het geheel geene werkingen
heeft, of wel zoo, dat zij aanvankelijk de gewone gevolgen heeft, maar
vernietigd kan worden.
Een eerste vereischte voor de geldigheid der rechtshandeling is de be-
voegdheid der handelende personen: niet van alle menschen wordt de
wilsverklaring in rechte erkend (zie hieronder § 74). Verder moet er
inderdaad een wil verklaard zijn (zie § 75); welke de invloed is van
verschillende motieven, die het regelmatig ontstaan van den wil kunnen
storen, wordt in §§ 79, 80 en 81 onderzocht. Die bestaande wil moet
voorts op behoorlijke wijze zijn verklaard (zie § 76). Eindelijk moet de
inhoud der wilsverklaring rechtens geoorloofd zijn (zie § 77). Zoo hebben
wij achtereenvolgens vier vereischten te bespreken:
1°. bevoegdheid der handelende personen;
2°. werkelijke wil;
3°. voldoende wilsverklaring;
4°. geoorloofde inhoud.
In § 78 komt dan nog de vraag ter sprake, in hoever bij het tot stand
komen van rechtshandelingen de medewerking van derden mogelijk is.
§ 74. BEVOEGDHEID DEK HANDELENDE l\'ERSONEN.
De bevoegdheid om rechtshandelingen te verrichten — niet te ver-
warren met de rechtsbevoegdheid (zie hierboven § 33) — wordt ontzegd
aan de volgende personen:
1°. krankzinnigen (zie hierboven § 52), tenzij gedurende heldere tns-
schenpoozen. Een curator handelt voor hen;
lo*
-ocr page 165-
148
In negotiis contraliendis aliu causa habita est furiosoriim, alia coruiri qui f:iri
posgunt, eiuamvis octant rei non intellegerent: nam furiosus niillum negotinm contra-
here potest, pupillus omnia future auctore agere potest. 1\'anl. I. "> D. de H. >).(L, I7\\
Furiosi vel ejus, cui bonis interdictum sit, nnlla voluntas est. Pomp. I. 40 I). eod.
Furiosus, et pupillus sine tutoris auctoritate, non potest incipere possidere, quia
aifectionem tcnendi non habent, licet maxime corpore suo rem contingunt, sieuti si
i|iiis dormienti aliquid in manu ponat. Sed pupillus tutore auctore incipiet possi-
dere___Paul. I. 1 § 3 1). de A. v. A. 1\'. (XXXXI, 2).
Praeterea testamentum fucere non ]>ossunt impuberes, quia nulliim eorum animi
judieium est: item furiosi, quia mente earent. Nee ad rem pertinet, si impubes
postea pubes Cactus uut furiosus postea compos mentis factus l\'uerit et decesserit.
Furiosi uutem si per id tempus fecerint testamentum, quo furor eorum intermissus
est, jure testati essc videntur, corte eo qiiod ante 1\'iirorem fecerint testamento valente:
nam neque testamenta reete Caeta neque aliud ullum negotinm reetc gestunt postea
furor interveniens peremit. § 1 I. quib. non est pernt. (LI, 12).
2°. kinderen beneden zeven jaren (infantes), die door hun voogd
worden vertegenwoordigd («ie hierboven § 51).
Degenen die tijdelijk, door welke oorzaken ook, hun wilsvenuogen
missen, zijn onbevoegd tot handelen, zoolang die toestand duurt.
In ad versa corporis valetudine mente eaptus eo tempore testamentum facere non
potest. Paul. 1. 17 I). qui test. (XXVIII, 1;.
Divortium non est nisi verum, qiiud animo ))erpetuam eonstituendi dissensionem
lit. Itaque quidquid in calore iracundiae vel lit vel dicitur, non prius ratum est,
quant si perseverautia apparuit judicium animi fuisse: ideoque per calorem misso
repudio si brevi re versa uxor est, nee divortisse videtur. Paul. 1. 3 D. de divort.
(XXIV, 2).
(.Quidquid in calore iracundine vel lit vel dicitur, non prius ratum est, quam si
perseverautia apparuit judicium animi fuisse. Ideoque brevi reversa uxor nee divor-
tisse videtur. Paul. 1. 48 1). de li. .1. (L, 17).
Rechtspersonen handelen door middel van hunne vertegenwoordigers
(zie hierboven § 57).
Gedeeltelijke onbevoegdheid komt voor in de volgende gevallen:
1". personen van zeven tot veertien of twaalf\' jaren behoeven den
bijstand van hun voogd voor alle handelingen, waardoor zij hun toestand
niet enkel verbeteren. Zij mogen geen testament maken (zie hierboven § 51);
Obligari ex omni contractu pupillus sine tutoris auctoritate non potest: adquirerc
uutem sibi stipulando et per traditionem accipiendo etiam sine tutoris auctoritate
potest: sed credendo obligare sibi non potest, quia sine tutoris auctoritate nihil alie-
nare potest. Gajus 1. 9 pr. D. de auct. (XXVI, 8).
Pupillus quantum ad adquirendum non indiget tutoris auctoritate: alienare vero
nullam rem potest nisi praesente tutore auctore, et ne qiiidcm possessionem, quaeegt
naturalis, ut Sabinianis visum est: quae sententia vera est. Marcian. 1. 11 D. de
A. H. I). (XXXXI, 1;.
2°. verkwisters, aan wie het beheer hunner goederen is ontzegd, ver-
keeren in denzelfden toestand als de zooeven genoemde onmondigen (zie
hierboven § 52);
Julianus scribit cos, quibus per praetorem bonis interdictum est, nihil triinsfeire
]K)sse ad aliquem, quia in bonis non habeant, cum eis deminutio sit interdicta. Ulp.
1. 10 pr. D. de cur. fur. (XXVU, 10).
/
-ocr page 166-
140
Is cui lege boiiis interdictutn est tcstamentiim fscere non potestet, si feoerit, ipso
jure nou valet: ipiod tarnen interdictione vetnstius habuerit testumcntiiin, hoc valebit
Merito ergo nee testis ad testamentum adbibcri poterit, cum necjuc testament] facti-
onem habeat. I\'lp. I. 18 pr. I). • 11 • ï test. (XXVIII, 1).
3°. mondigen, die den leeftijd van vijf en twintig jaren nog niet heb-
ben bereikt {minoren), zijn bevoegd tot handelen, indien zij geen curator
hebben (zie hierboven § 51 en hieronder § 142). Deze kan hun slechts
in enkele gevallen worden opgedrongen. Overigens kunnen zij zelf de
benoeming van een curator uitlokken. Is deze opgetreden, dan heeft do
minderjarige zijne toestemming noodig voor het vervreemden van goederen
(ook voor het aangaan van verbintenissen?);
Item inviti adiilescentcs euratores non accipiunt praeterquam in litcm: curator enim
et ad certatn cansam dari potest. § 2 I. de curat. (I, 23).
Si curatoren) habens minor quinque et viginti annis post pupillarem uetatem res
venum dedisti, hunc contraetum servari non oportet, cum non absimilis ei habeatnr
minor curatoren! habens, cui a praetore curatore dato bon is interdictutn est. Si vcro
sinc curatore constitntus contraetum fecisti, imj>!orare in integrum restitutionem, si
needum tempora praefinita excesserint, causa cognita non prohiberis. Diocl. et Maxim.
1. 3 C. de in int. rest. min. (II, 21).
1\'iiberes sine curatoribus suis possunt ex Btipulatu obligari. Modest. 1. 101 D. de
V. O. (XXXXV, 1).
4°. vrouwen missen in het Justiniaansche recht slechts in enkele op-
zichten de bevoegdheid tot handelen; bepaaldelijk mogen zij zich niet
verbinden voor de schuld van een ander (zie hierboven § 50);
Vcllejano senatus consulto plenissime comprehensum est, ne pro uil» feminac inter-
cederent. — Nam sicut moribiis civilia officin adempta sunt t\'eminis et pleraque ipso
jure non valent, ita multo magis adimendum eis Tuit id officium, in quo non sola
opera nudumque ininisteriiim carum versaretur, sed etiam pcriculum rei familiaris.
Paul. I. 1 pr., § 1 I). ad St\'. Vellej. (XVI, 1).
5°. zij, die van het gebruik van een zintuig verstoken zijn of die
niet kunnen schrijven, zijn onbevoegd tot het verrichten van die rechts-
handelingen, waarvoor juist het gebruik van dat zintuig of kennis der
schrijfkunst noodig is (zie hierboven § 52).
§ 75. DE WERKELIJKE Wil,.
De wilsverklaring, als vereischte voor de rechtshandeling, omvat
tweeërlei: de wil en de verklaring. Het is niet genoeg, dat de wil
bestaat; hij moet ook zijn geuit, kenbaar geworden. Zoolang de wil
opgesloten blijft in het binnenste van partijen, heeft hij geen rechts-
gevolg: „etsi prior atque potentior est quam vox mens dicentis,
tarnen nemo sine voce dixisse existimatur", zegt Celsus in 1. 7
§ 2 D. de suppell. leg. (XXXIII, 10). Over de wijze, waarop de wil
kan worden kenbaar gemaakt, zie hieronder § 76.
In den regel drukt de verklaring een wil uit, die bestaat; doorgaans
stemmen wil en verklaring met elkander overeen. Doch hoe, indien ze
van elkander afwijken? Moet, naast de verklaring van den wil, nog als
-ocr page 167-
150
vereisehte worden gesteld, dat degene die de verklaring afgaf werkelijk
wilde, wat hij verklaarde te willen? Mag deze bewijzen, dat inderdaad
de wil niet bij hein bestond, ook wanneer dit bewijs alleen geleverd kan
worden door een beroep op omstandigheden, die niet naar buiten waar-
neembaar waren op het oogenblik der verklaring? Over de beantwoording
dier vragen naar het Romeinsche Recht heerscht in onzen tijd veel ver-
schil van meening. Een bevestigend antwoord schijnt in het algemeen
meer in overeenstemming met de uitspraken der Romeinsche rechtsbronnen
(zie ook hieronder § 181). Waar slechts een schijnwil aanwezig is, komt
geene rechtshandeling tot stand; de verklaarde wil is niet de werkelijke,
en de werkelijke wil is niet verklaard.
Quotiens volens alium licrcdero scribcre alium scripserit in curpore hominis crrans,
voluti „frater men*" „putrunns mens", placet neqtie ciim heredem eiisc qui sciïptus
ent, i|iiuniam voliintutc defieitnr, ne<|iic eum qiicm voluit, ipioniam scriptns non esl.
lip. I. !> pr. I). de licrcd. inst. (XXVIII, 5).
In ambiguo sermone non utrumque diciinus, sed id dumtaxat ipiod volumus:
itaque i|ui aliud dicii quant vult, neque id di.it quod vo.\\ significat, quia non vult,
neque id qiiud vuil, (juin id non loquititr. Paul. 1. .\'t 1). de reb. dub. (XXXIV, 5).
Dat de werkelijke wil afwijkt van de verklaring, is op tweeërlei wijze
mogelijk: of de handelende persoon is zich er van bewust, dat hij iets
anders verklaart dan hij werkelijk wil, óf hij is zich daarvan niet bewust.
I. Het eerste heelt o. a. plaats, wanneer de verklaring bij wijze van
scherts, als voorbeeld bij het onderwijs, of op het tooneel wordt uit-
gesproken.
Vei\'boruin qnoqiic oliligutio constat, si inter contrahentes id agatur: nee enim si
per jocum puin vel itcmonstrnudi iiiicllccius causa cj^o tibi dixcro„spondes**? et tu res-
punderis „sponden", naseetiir obligntin. I\'aul. 1. ;t § -J 1). de O. et A. (XXXX1V, 7).
.......(\'eteruin si, ui pleriimi|iie serinonihiis lieri solcl, dixil nlicui: „ego te heredem
l\'ncio", aut „tibi buna mca relinquo"*, non oporlet hoe pro tcstanicnto oliservari. Nee
ullorum magis interest, i|iium ipsotum, i|iiibus id privilegium dalum est, ejusmodi
cxemplum iKin admitti: alioqilin non difficultcr posl murtem alicujus militis testes
existerent, qui adfirmarent se audissc dicentem ulic|iicm rclinqucrc se bona cui visum
sit, et per hoc jndieia vcin subvcrtuiitur." I\'loivnlin. 1. 24 D. de test. mil. (XXIX, 1).
Een ander, practisch belangrijker geval, waarin niet bewustheid de
werkelijke wil afwijkt van de verklaring, is dat der simulatie. Daar
wordt door partijen iets anders verklaard dan door hen gewild is, om
naar buiten den schijn te geven, alsof het verklaarde werkelijk was be-
doeld. De simulatie geschiedt met verschillende doeleinden:
óf 1D. om het te doen voorkomen, alsof men eenc rechtshandeling wilde,
terwijl men inderdaad niets bedoelt (bijv. een gesimuleerde verkoop om
schuldeischers te benadeelen); rechtens komt hier niets tot stand;
Contiactus imnginarii ctiam in emptionibus juris vinciiltim non opüncnt, eum lides
facti simulatnr non intereedenle veritate. Modest. 1. 54 D. de O. et A. (XXXXIV, 7).
\\uda ei imaginaria venditio pro non fucta est et idco nee alienatio ejus rei inielle-
gitur. I\'aul. 1. 55 D. de contr. empt. (XV11I, 1).
Simulatac nuptiae iiullius momenti simt. Gujus 1. 30 1). de It. N. (XXIII, 2).
Imaginarios enim nuntius (id est repudia) nullius esse momenti, sive niiptiis tingant
/
-ocr page 168-
151
se rennntiasso sivc sponsalibus, ctinm vctcribiis juris auctoribus placuit. Dioel. et
Maxim. 1. 3 § 3 C. de repud. (V, 17).
öf 2°. om andore dan do bij de rechtshandeling genoemde personen te
/bevoordeelen;
öf 3°. om onder de in schijn aangegane rechtshandeling eene andere te
verbergen.
In de beide laatste gevallen geldt niet de geveinsde, maar de bedoelde,
door partijen verborgen rechtshandeling (plus valet quod agitur,
ij na ra quod simulate concipitur), mits deze geoorloofd is en de
vereischten er voor aanwezig zijn. Is de werkelijk gewilde handeling ver-
boden, dan komt er niets tot stand: het verklaarde geldt niet, omdat het
niet gewild is, het gewilde geldt niet, omdat het niet geoorloofd is.
(\'üm in venditione quis pretium rei ponit donationis causa non exacturus, non
videtnr vondere. Ulp. 1. 36 I). de contr. empt. (XVIII, 1).
Si ijtlis donationis causa minuris vendat, venditio valet: totiens enim dicimus in
totum venditionem non valere, quotiens uuiversa venditio donationis causa f.ieta est:
quotiens vero viliorc pretio ros donationis causa distrahitnr, dubinm non est vendi
tionem valere. Hoe inter cetcros: inter virnm vero et uxorem donationis causa ven-
diiio facta pretio viliore nullius momenti est. (\'lp. 1. 38 I). eod.
Si ipiis conduxerit nnmino uno, eonduetio nnlla est, quia et hoe donationis instar
indneit. Ulp. 1. 4G D. loc. I.XIX, 2).
Circa venditionem i|iioi|iie Julianus quidem minoris factam venditionem nnlliusesse
momenti ait: N\'eratins antem \'eiijns opioioncm 1\'omponius non improbat) venditionem
donationis causa inter virum et uxorem factam nullius esse momenti, si modo, cum
animtim maritus vendendi nonhaberet, idcheo venditionem commentus sit, ntdonaret:
enimvcro si, cum animtim vendendi haberet, ex pretio ei remisit, venditionem quidem
valere, remissionem autem hactcnus non valere, qnatcnus t\'aeta est locupletior: itaque
si res quindceim vcnit quinque, nunc autem sit deeem, qttinque tantum praestanda
simt, quia in hoe locupletior videtnr facta. Ulp. 1. 5 § 5 D. de don. i. V. et u. (XXIV, 1).
In cuntrartihus rei veritas potius quam scriptura prospici debet. Valer, et Gallien.
1. 1 C. plus valere quod agitur (IV, 22).
Emtione pignoris causa facta non quod «criptum, sed ([ttod gestum est inspicitur,
Dioel. et Maxim. 1. 3 C. eod.
Si quis gestum a se fecerit alium egisse seribi, plus actum quam seriptum valet.
lid. 1. 4 C. eod.
Met deze gesimuleerde handelingen mogen niet worden verward de
schijnhandelingen, die in het oudere Romeinsche Recht veelvuldig voor-
komen. Ook deze zijn in werkelijkheid niet, wat ze uiterlijk schijnen.
Doch ze worden verricht, niet met de bedoeling om iemand te misleiden
omtrent den waren aard der rechtshandeling, maar alleen om een alge-
meen bekend technisch doel te bereiken, om voor zekere rechtshandelingen
den vorm aan te wenden, die door de voorschriften van het objectieve
recht wordt vereischt; zoo bij de eoemptio (iduciae causa (zie hieronder
§ 122), bij de eigendomsoverdracht door in jure eessio (zie hieronder
§ 146), enz.
Sed illa quidem duo genera testnmentorum in desiietudiiiem abicrunt; hoe vero
solum quod per aes et libram lit, in usu retentum est. Sane nunc alitcr ordinatur
quatn olim solebat. Numqiie olim familiae emptor, id est qui a tcstatore familiam
accipiebat mancipio, heredis locum optincbat, et ob id ei mandabat testator, quid
-ocr page 169-
152
Claque post mortcm siiam diiri vellct; umie voro alias hercs tcstamonto institnitur,
a quo etiam legata rclinquuntur, alius dicis gratia proptor veteris juris imitatumctn
famtliac emptur ndhibetur. (iajus, lust. 11 § 103.
Per sponsionem vcro hoc modo agimus: provocamus advcrsarium tali sponsiono: „si
liomo quo de agitnr ex jure Qniritittm mens est, sestertios XXV numtnos dare
spondes?"; deinde formulam edimus qua intenriimus sponsiimis snmmam nobis dari
oportcre; qua formula ita demurn vincimus, si prohavcritnns rem nostram esse. —
Non tarnen haee summa sponsionis exigitnr. Non enim poenalis ent, sed pincjudi-
cialis, et propter hoc soliitn lit ut per eam de ro judieetur. Inde etiam is cnm <pio
agitnr, nou rcstipnlatur. Ideo au tem appellata est „pro piaedc lilis vindiciarunT\' stipu-
latio, ipiia in loeum praedium sueeessit, qui olim, eum lege Hgebatur, pro litc et
vindiciis, id est pro re et fructibus, a possessore petitori dabantnr. (ïajus, lust. IV
§ 93, § 94.
Waar de handelende persoon tegenover een ander eene van zijn wer-
kelijken wil afwijkende verklaring uitspreekt om dezen te misleiden
(zoogenaamde rrservatio mentalis), daar wordt hij aan zijne verklaring
gebonden geacht: in zoodanig geval een beroep op den afwijkenden wil
toe te staan, ware in strijd met de goede zeden.
IL In de tweede plaats is het mogelijk, dat de handelende persoon
onbekend er mede is, dat zijne verklaring niet met zijn werkeltjken wil
overeenstemt (bijv. hij verspreekt zich, teekent eene akte zonder ze te
lezen). Evenzoo kan het bij eene tweezijdige rechtshandeling voorkomen,
dat de partijen het schijnbaar eens zijn, dat hunne verklaringen overeen-
steminen, doch de overeenstemming van den werkeltjken wil der beide
partijen ontbreekt {misverstand). In die gevallen komt er niets tot stand,
indien althans do niet-overeenstemming van wil en verklaring of do niet-
overcenstemming van den wil der beide partijen een essentieel bestand-
deel der rechtshandeling betreft. Men spreekt hier wel eens van dwaling,
of — op het voetspoor van Savigny — van onechte dwaling. Ten
onrechte. Immers dat de handeling geen rechtsgevolg heeft, is niet toe
te schrijven aan de dwaling, maar aan de omstandigheid, dat de wil,
of de overeenstemming van wil, ontbreekt.
Si lulsum instrumentum emptionis eonscriptum tibi, velut locationis qiium iieri
mandavcras, subseiibeic, te non releeto, sed (idem habente, suasit, neutrum con-
tractum in utroque alterutrius consensti deficiënte eonstitisse proeul dubio est. Dioel.
et Maxim. 1. "> C. plus valere quud agitnr (IV, 22).
Nee ignorans nee invitus quisqne donat. lTnde si de hoc fundo non cugitnsti,
cujus velut donationi eonsensisse eontinetur instromento, majores vcritate rei i|iiani
seriptura vires obtinente intellegis, de quo non cogitasti nee specialiter subseripsisti,
nihil te perdidisse. Dioel. et Maxim. I. 10 t\'. de donat. (VIII, 53).
Quotiens volens aliuin heredem scriberc alium scripserit in eorporc hominis errans,
veluti „frater mens" „patronus mens\'", placet ncque eum heredem esse qui seriptus
est, quoniam voluntatc deficitur, ncque eum quem voluit, qiioniam sci\'iptus non est. -
V.\\ si in re quis erravcrit, ut puta durn vult laneem relinqucrc, vestem leget, neutrum
debcbit hoe, sive ipse scripsit sivc scribendum dietaverit. I\'lp. 1. 9 pr., § 1 1). de
hered. inst. (XXVIII, 5).
Si ego pecttniam tibi quasi dunaturus dcclero, tu quasi mutiiam ueeipias, Julianus
scribit dunationem non esse: sed an mutua sit, videndum. Et puto nee mutiiam esse
magisque nummos accipientis non licri, eum aiia opinione acceperit. Quarc si cos
/
-ocr page 170-
153
consumpserit licct eondictione tencatnr, tarnen dnli exeeptionc uti potent, ipiiasecun-
dum volnntetem dantis nnmmi simt consiimpti. — Si ego quasi dcponena tibi dedcro,
tu quasi miituam accipiiis, nee dcpositiim nee miitmim est: idem est et si tu quasi
mutiuim pcciiniam doderis, cj;o quasi commiidatam ostendendi grut in uccepi: sed in
utroqlte casii eonsumptis niimmis condictioni sine doli exceptionc loens erit. l\'lp.
1. 18 pr., § 1 1). de reb. ered. (XII, 1).
Si de alia re stipulator senserit, de alia protnissor, pcrinde nulla contrahitnr ohli-
gatio, :te si ad inlerrogatum responsum non esset, velnti si hominem Stielnim :i te
stipulutus qiiis fin-rit, tn de l\'ampliilo senseris, i|ticm Sliclnim vocari credideris.
§ \'i.-! I. de innl. stip. (III, 19).
In venditioiiibiis et emptionibus conscnsiiin debere intcicederc palam est: eeteinin
sive in ipsa einptione dissentient sive in pretio sive in quo alio, emptio imperfecta
est. Si igitur ego me fnndiim emere pntiiiem (\'oinclianum , tu milii te vendere Senv
proniunuin pntasti, i|iüa in corporc dissensimiis, emptio nulla est. lilem est, si ego
me Stichum, lu Pamphiliim absentem vendere pntasti: nam einn in corporc disscu-
tiatur, apparet iiullam i\'sse emptionem. l\'lp. 1. fl pr. 1). de conti\', empt. (XVIII, 1).
Waar de wil wtM bestaat, maar in het leven is geroepen dnordwaling,
bedrog of dwang, valt te onderzoeken, welken invloed de aanwezigheid
van die motieven oefent op de werking der aldus tot stand gekomen
rechtshandeling, zie hieronder §§ 79—81.
!j 7G. DE VERKLARING VAN DEN Wil..
De vorm, waarin partijen hun wil kenbaar maken, is nu eens aan
hun eigen goedvinden overgelaten, dan weder wordt door het recht een
bepaalde vorm voorgeschreven, waarin de wilsverklaring moet plaats
hebben, bijv. het uitspreken van zekere woorden, het opmaken eenor
schriftelijke akte, de medewerking der Overheid, tegenwoordigheid van
getuigen (zie ook hieronder § 181). Het dool, dat de wetgever met deze
vormen beoogt, kan wezen of verrassing te voorkomen en bedaard overleg
bij de partijen te bevorderen; öf het tot stand komen der rechtshandeling,
in tegenstelling van vooraf gevoerde onderhandelingen, duidelijk te eon-
stateeren; of voor de toekomst een bewijsmiddel te verzekeren; öf do
openbaarheid der handeling te waarborgen, enz. Tegenover deze voor-
deelen, aan het gebruik der vormen verbonden, staan ook bezwaren:
het verplicht stellen van den vorm brengt altijd eene belemmering van
het verkeer, eene beperking der vrijheid mede; de inachtneming van den
vorm kan tijdroovend en kostbaar zijn; bovendien sleept verzuim der
voorgeschreven vormen meestal nietigheid na zich. Het oudere Romeinsche
Recht eischte voor een aantal rechtshandelingen een bepaalden vorm, zoo
o. a. voor de adoptie, de emancipatie, de vrijlating van slaven, de eigen-
domsoverdracht, do erfstelling, de onterving, zoo ook voor de proces-
voering. In het latere Romeinsche Recht zijn vele van die vormen vervallen.
Waar door de wet geen bepaalde vorm wordt verlangd, is het onver-
schillig, op welke wijze partijen hun wil verklaren. Alle middelen, die
in het verkeer beschouwd worden als voldoende kenteeken vonr het be-
staan van den wil, kunnen in aanmerking komen.
-ocr page 171-
ir.i
Gewoonlijk onderscheidt men uitdrukkelijke en stilzwijgende wilsver-
klaring. De eerste heeft plaats, waar de wil kenbaar gemaakt wordt door
middelen, die voor het verklaren van zoodanigen wil bestemd zijn.
Non Ngura litterarum , sed orationc, ipiam cxprimunt litterae, obligainur, quateniul
placiiit non minus valere, i|iiod scriptura, ipiam ipiod vocibus lingua fignratia signi-
licnrctur. l\'anl. 1. SS 1). de (». el A. (XXXXIV, 7j.
Si pater natnralis lotiui (iiiidem non possit, alio tamen modo ijiiam sermoiie mani-
fcstiim faccre possit veile se liliiim simm in ndoptiunem darc: perindc eunflrmatur
a«lo|itiu, ac si jure lacia esset. C\'allistr. I. \'J\'.i l>. de adupt. (1, \').
Sed el uutu solo plera<|iie consistiiiit. Modest. I. 52 § 10 I). de O. et A. (XXXXIV, 7).
Xcmo dubitnt rectc itti heredem nuncupari posse „liir mihi lieren csto", cum sit
curam, ijui ostenditur. l\'anl. 1. :>!» pr. I). de hered. inst. (XXVIII, 5).
Delegure scriptura vel nutn, ubi l\'aii min putest, debiturem suuin «iiiis putest. I\'lp.
I. 17 I>. de novul. \'XXXXVI, 2).
Van stilzwijgende wilsverklaring spreekt men daar, waar uit eene
handeling, met een ander doel verricht, het bestaan van den wil kan
en mag worden afgeleid. Zoo wordt hij die, tot eene erfenis geroepen,
zich als erfgenaam gedraagt, geacht die erfenis te aanvaarden. De schuld-
eischer, die zijn schullenaar het bewijs der schuld teruggeeft, wordt
gerekend die schuld kwijt te schelden. Wie zich een jaar rente laat
vooruit betalen, verklaart stilzwijgend, dat hij gedurende dien tijd het
kapitaal niet zal opvorderen. Zie nog hieronder § 104. IV en § 173, A, 3°.
I\'ro heiede gercre videtur is, i|iii aliijiiid facit i|uasi heres. Kt generaliter Julianus
srribil euin demum pni liereile gercre, ipii uliipiid iiuasi lieres gerit: ]iru heiede
antem gercre non esse t\'acti i|iunn aniini: nam lioe animo esse debet, ut velit esse
heres, C\'etcrum si iiuid pietatis causa fecit, si ijuid eustodiac causa fecit, si ijuid
i|iiasi non lieres egit, sed quasi alio jure dominus, apparct non videri pro lierede
gessisso. I\'lp. I. 2n pr. 1>. de A. v. O. II. \'XXIX, 2).
Labeo ait convenire posse vel re: vel per epistuhim vel per iiunliiim inler absentes
i|iioi|iie posse. Sed etiam tacite eonsensu convenire intellcgitur: et ideo si debilori
meo reddideritn eautionem, videtur inter nos eonvenissc ne peterem, profuturiim(|iie
ei eonveniioiiis exceptionem placuil. l\'anl. 1. 2 1). de pact. (Il, 14).
Qui in futurum usuras a debitore acceperat, tacite p.vctus videtur, ne intra id
tempus sortem petat. Florentin. I. 57 pr. T). eod.
licspondit non tantum verbis ra turn liaberi posse, sed etiam actll: dcnii|iic si cam
litem, ipiam procurator inchoasset, dominus comprobans perseqncrctur, non osse
commissam stipnlationera. Scaev. 1. S V. ratam rem (XXXXVI, 8).
Tegen zoodanige gevolgtrekking of tegen eene gevreesde verkeerde uit-
legging zijner handeling kan de handelende persoon zich vrijwaren door
eene uitdrukkelijke verklaring in tegenovergestelden zin (profest), mits
zijne handeling ook die uitlegging gedoogt. Dergelijk protest wordt meer
in het bijzonder voorbehoud genoemd, wanneer het strekt om te voor-
komen, dat uit de handeling een afstand van recht zou worden afgeleid.
Et ideo solent tcstari liberi, <iui necessarii existunt, non animo heredis se gercre
iiuae gerant, sed aut pietatis aut eustodiac causa nut pro suo. l\'t puta patiem scpe-
livit vel justa ei fecit: si animo heredis, pro herede gessit: enimvero .si pietatis
causa hoc t\'ecit, non videtur pro herede gessissc. Servos hercditarios pavit jiimcnta
aut pavit aut distraxit: si hoc ut lieres, gessit pro herede: aut si non ut heres, sed
/
-ocr page 172-
155
ut custodint, ant putavit sua, aut dum dclihorut <{uid loeit, consulcns ut galvae sint
rcs hereditiiriao, si forte ei non placnerit pro herede gerere, apparet non videri pro
hcrede gessisse. ltoindo et si l\'undos ant aodes loeavit vel fulsit vel si quid alind
feeit non hoe animo, quasi pro herede gereret, sed duin ei, qui siibsiitiitus est vel
ab intestato heres exstatnrus, prospicit, ant res tempore perituras distraxit: in ca
causa est, ut pro herede non gewent, quia non hoe animo fuerit. I\'lp. 1. 20 § I D»
de A. v. O. II. (XXIX, 2).
Sed interdum is, qui sumptnm in funus feeit, sumptiim non rccipit, si pietatis
gratia feeit, non hoc animo quasi recepturits sumptnm qucm feeit? et ita imperator
nostcr rescripsit. Igitur aestimandum erit arbitro et pcrpcndcndtim, qtiu animo sump
tus Cactus sit, iitrum negotium quis vel defuncti vel hcrcdis gerit vel ipsius liutnnni
tatis, an vero miserirordiae vel pietati tribuens vel affectioni. 1\'otest tarnen distingui
et misoricordiae modus, ut in hoc fuerit misericors vel pias qui fnneravit, ut cum
sepelirct, ne insepultus jaceret, non etiam ut suo sumptn feeerit: quod si judici
liqueat, nou debet eum ipti coiiveuitur absolverc: quis enim sine pietatis intentione
alienum cadaver l\'unerat? Oportebit igitur tostari, quem qiio animo l\'nncrat, ne postea
patiatur quaestionom.
          I\'leri<pic lilii enm parentes suos t\'unerant, vel ulii qui
heredes lieri possunt, lieet ex hoc ipso neque pro herede gestio neque aditio pruesu-
mitur, tarnen ne vel inisenisse se neci\'ssarii vel ceteri pro herede gessisse videantur,
solent testari pietatis gratia facere se sepulturam. Quod si supervacuo fuerit factum,
ad illud se munirc videutur, ne miscuisse se credantur, ad illud non, ut suinpttnn
consequantur: quippe protestantur pietatis gratia id se l\'acere. Pleniiis igitur cos
testari oportet, ut et sumptnm possint servaie. I\'lp. I. 14 § 7, § 8 I). de rclig. (XI, 7).
Qucmadmodum per contrarium si maritns uxorc dcntintiautc custodes miserit, nul-
lum praejudicium sibi facit. Liecbit igitur ei partnm editum ex se negare nee ei
nocebit, quod ventrem custodierit: et ita Marcellns libio septimo digestornm seripsit:
ait enim, sive quis neget uxorem sivc ex se praegnatem, sine praejudiciorectemittet
custodes, maxime si missurus id ipsiim protestetur. I\'lp. 1. I § 11 I). de agnosc. et
alend. lib. (XXV, 3).
Si in vonditione pignoi\'is consenserit ercditor vel ut dehitor liane rem permiitct vel
donet vel in dotem det, dieendum erit pignus liberari, nisi salva causa pignoris sui
eonsensit vel venditioni vel ceteri»: nam solent multi salva causa pignoris sui con.seii-
tire.....I\'lp. I. 4 § 1 I). quib. mod. pign. (XX, 6).
De qiio palam proscriptum fuerit, ne eum eo contrahatur, is pracpositi loco non
habetur: non enim permittendum erit eum institore contrahere, sed si quis nolitcon-
iralii. prohibeat: cetcrum i[tii praeposuit tenebitur ipsa praepositione. ITIp. I. 11 § 2
I). de inst. aet. (XIV, 3).
Stilzwijgen kan alleen dan als toestemming gelden, wanneer de wot
dit bepaalt of de omstandigheden van dien aard zijn, dat door de goede
trouw in het verkeer spreken zou worden gevorderd, indien men niet
wilde toestemmen; zie over stilzwijgende vernieuwing der huurovereen-
komst, hieronder § 191.
Qui taeet, non lltique fatctur: sed tarnen verum est enm non negare. Paul. 1. 142
D. de K. .1. (L, 17).
Si lilius l\'amilias absente patte, quasi ex mandato ejus pecuniam acceperit, cavisset
et ad patrem litteras emisit, ut eam pecuniam in provincia solveret, debet pater,
si aetum lilii sui improbat, continuo testationcm interpunere eontrariae volunlatis.
1\'aul. I. 10 I). de SC. Mae. (XIV, 6).
Item qui precario ad tempus rogavit, linito tempore, etiamsi ad hoc temporis non
rogavit, tarnen precario possiderc videtur: intellegitur enim dominus, eum patitur
eum qui precario rogaverit possiderc, rursus precario concedere. I\'lp. I. 4 § 4 1). de
pree. (XXXXIII, 26).
-ocr page 173-
ir.(»
Si, ut proponi», pater quondain maiiti mi. in rtijnn luit potentatc, cognitix nnptiis
vrstris non conti adixit, vercri non debes, nepotcm siiuin nc uun agnowat. Alcx. I. 5
I\'. di\' Il lipt. (V, 4).
Sponsalia sii\'iit nuptiac conscnsii contrsilicntiiim limit: et ideo sicnt nnptiis, ita
sponsalibiis liliam l\'ainilias consentirc oportet: Juliao. 1. II I). de spons. (XXIII, I).
scd quac patris voluntiiti mm repngnat, consentirc intellcgitur. l\'lp. 1. 12 pr. D. cod.
ij 77. UK INHOUD HEK WII.SVKIJKI.AUINC.
Do inhoud eonor rechtshandeling is in het algemeen overgelaten aan
de willekeur der partijen. Hij kan betrekking hebben op het familie-,
zaken-, verbintenissen", of erfreclit. Toch zijn er somtijds zekere grenzen
aangewezen, die de partijen niet mogen overschrijden (verg. hierboven
/ % 12, over de tegenstelling van aanvullend en dwingend recht). Welke
die grenzen zijn, komt bij de bijzondere onderwerpen ter sprake, zie bijv.
hierboven § UN. over de beperkingen bij het bedingen van interessen. In
het algemeen kan men zeggen, dat do inhoud niet mag bestaan in iets,
dat natuurlijk of juridiek onmogelijk is, noch in iets dat strijdt met de
wetten of goede zeden (zie hieronder § 181).
/ Ait practur: „Pacta cunrenta, epiae neque dolo mal», neque advorsus leges plebis
si*ita senatus coiisultu decreta cdicta principiim, neque quo l\'raus pui corum liat, l\'acta
eriint, servabo". l\'lp. I. 7 § 1 II. de part. (11, 14).
/lnpnssibiliiim nulla obligutio est. (\'els. 1. 185 D. de 1{. ,1. (L, 17).
Si ntipulor, ut id liat, qnod natura fieri non concedit, non magis ubligatiu consis-
tit, ipiam cum stiptilur ut dcttir qnod dari non potest: nisi per qnem stetit, quominus
fueerc id pocsit. Panl. I. .V> pr. T). de V. O. (XXX\'X\'V, 1).
l. y Si ita siipulatus fnero: „te sisti? nisi stctcris, hippoccntauriim dari?" proindeerit,
atipie „te sisti" solummodo stipulatus cssom. Cols. 1. \'.17 pr. I). cod.
, (Sencralitcr novimus tuipes stipulationi\'S nullius csso momenti: l\'lp. I. 2(1 D. cod.
vcluti si iptis Iiomicidium vel sacrilegium se facturum piomittat. Si\'d «\'t ofticio
qiioquc praotoiis continetur ex liujusmodi obligiitionibus actionem denegari. Pomp.
I. 27 pr. D. cod.
Si (jiiis scripserit testamento fieri, quod contra jus est vel bonos mores, non valet,
vclttti si ipiis scripserit confu legem aliquid vol contra edictum praetoris vel etiam
turpc aliquid. Marrian. I. 112 § ."! D. de Icgat. I. (XXX).
In den regel maakt het onbestaanbare van eene enkele bepaling de
handeling voor het overige niet krachteloos, ten ware het overige zoo
zeer met het onbestaanbare samenhangt of daarvan afhankelijk is, dat
het op zich zelf niet kan blijven bestaan.
Niettegenstaande de groote verscheidenheid in den mogelijken inhoud
der rechtshandelingen, onderscheidt men de volgende bestanddeelen:
1°. noodzakelijke (zoogenaamde essentiaiia nrgolii), welke onmisbaar
zijn, zal do rechtshandeling haar eigenaardig karakter behouden; zoo bijv.
bij de koopovereenkomst de bepaling van den koopprijs: emptionis
substantia constitit ex pretio; zoo bij het testament de instelling
van een erfgenaam: testamenta vim ex institutione heredis
accipiunt, et ob id velut captit et fundamentum intelle-
gitur totius testamenti heredis institutio (Gajus, Inst. II § 229);
/
-ocr page 174-
ir, 7
/\' 2°. regelmatige (zoogenaamde tmturalia w/otii), die op groad van do
voorschriften der wet geacht worden in do handeling begrepen te zijn,
wanneer ze niet opzettelijk door partijen zijn uitgesloten; bijv. de ver-
pliohting van den verkooper tot vrijwaring (zie hieronder § 10U), de aan-
sprakelijkheid van den schuldenaar voor nalatigheid (zie hieronder § 91);
X Kt in primis sciendum est in hoc judicio id demum deduci, i|iiod procstari eon-
venit: cum enim sit bonnc lidei judicium, jiihil magis bunuc lidoi cunuruit iiiiam id
praesluri, c|iiod in ter contrahentes actum est. Quod si nihil conrenit, tune en praestu-
buntur, quae naturaliter insunt hujus judinii potestate. Ulp. I. 11 § 1 I). do act.
empt. vond. (XIX, 1).
3°. toevallige (zoogenaamde aecidentalia negotiï), welke alleen dan
voorkomen, wanneer zij door de partijen opzettelijk in de wilsverklaring
zijn opgenomen. Hiertoe behooren alle regelingen, die strekken tot af-
wijking van de onder 2°. bedoelde rechtsvoorschriften; hiertoe behooren
vooral ook de voorwaarde, de termijn en de last, waarover straks in
§§ 82—SC zal worden gehandeld. Verg. ook hieronder § 100 over ver-
schillende bijzondere bedingen, die veelal bij den koop worden aangetroffen.
, § 78. MEDEWERKING VAN ANDEREN BIJ HET AANGAAN VAN
/
                                               RECHTSHANDELINGEN.
Bij het aangaan van rechtshandelingen kan op verschillende wijzen de
medewerking van derden, die overigens geen partij zijn, te pas komen.
I.   Men kan zich van de hulp van een derde bedienen, alleen om de
wilsverklaring over te brengen. Die derde is dan slechts het werktuig,
waardoor men zijn wil verklaart; wij kunnen hem helper of bode noemen;
de Romeinen spreken van nuntius. Of deze bevoegd is rechtshandelingen
aan te gaan of niet, is geheel onverschillig; evenmin ishetnoodig, dat hij
de handeling, waartoe hij medewerkt, begrijpt. De rechtshandeling wordt
niet door den bode gesloten, maar door den persoon zelf, dien het aangaat.
Constituere autem et praesentes et absentes possumus, sicut pacisci, et per nuntiuin
et per nosmet ipsos, et i(iiibiiscnni<{iie verbis, lip. 1. 14 §3 D. de pee. const. (XIII, 5).
Et licet libera persona sit, per <in:im tibi constitui, non ent impcdimentum, ciuod
per liberara personam adquirimus, ciuia rninistcrium tuntummodo hoc casu praestare
videtur. Paul. 1. 15 D. eod.
Obligatio mandati consensu contrahentium consistit. — Ideo per nuntium qooque
vel per epistulam mandatum suscipi potest. Paul. 1. 1 pr., § 1 I). mand. (XVII, 1).
II.   De werkzaamheid van een derde kan verder hierin bestaan, dat
hij handelend optreedt nevens de hoofdpersonen. De rechtshandeling zelve
blijft hem vreemd; maar zijne medewerking — die eene juridische en
niet, zooals in het vorige geval, eene bloot werktuigelijke is — vormt
eene noodzakelijke aanvulling van eens anders rechtshandeling. Zoo wordt
soms voor den vorm (zie hierboven § 76) de tusschenkomst der Overheid
of de medewerking van vormgetuigen geëischt. Zoo moet de voogd of
de curator bijstand of toestemming verleenen, zal de handeling van den
onmondige of minderjarige geldig zijn. Zoo kan de vaststelling van een of
-ocr page 175-
168
ander bestanddeel der rechtshandeling, bijv. de bepaling van den koopprijs
(zie hieronder § 190), aan het oordeel van een derde worden overgelaten.
Gcneraliter probandmn <>st, ubicumque in bonae fidei jndiciis confertnr in urbitrium
dumini vel procnratoris ejus condicio, pro boni viri arbitrio hoc habendum csse. Ulp.
1. 22 § 1 D. de K. .1. (L, 17).
lila institutio „quos Titius voluei it" ideo vitiosa est, ipiod alieno arbitrio pcrmissa est:
nam satis constanter veteres decreverunt testamentonim jura ipsa per se firma esscopor-
tere, non ex alieno arbitrio penderc. Oajus 1. 32 pr. 1). de hercd. inst. (XXVIII, 5).
III. De werkzaamheid van een derde kan eindelijk hierin gelegen zijn,
dat hij de rechtshandeling voor en in naam van een ander \') verricht,
zoodanig dat ze, ten aanzien van hare gevolgen, geacht wordt verricht
te zijn door dengene, te wiens behoeve gehandeld is. Dit is de eigen-
lijke, onmiddellijke vertegenwoordiging, liet karakteristieke daarvan is,
dat de vertegenwoordiger zelfstandig, naar eigen inzicht, handelt —
daarin verschilt hij van den bode, die als instrument den wil van zijn
zender verklaart — terwijl alle uit zijne handeling voortvloeiende rechten
en verplichtingen onmiddellijk^ werken ten behoeve of ten laste van den
vertegenwoordigde, in diens persoon gevestigd worden. Het effect der
handeling is dus hetzelfde, alsof de vertegenwoordigde zelf had gehandeld.
Vandaar ook dat de bevoegdheid om de bedoelde rechten te verkrijgen en
de vorm, waarin de rechtshandeling moet worden verricht, naar hem en
niet naar den vertegenwoordiger moeten worden beoordeeld.
De vertegenwoordiging is of eene noodzakelijke öf eene vrijwillige.
De noodzakelijke vertegenwoordiging voorziet in de behoeften van hen,
die onbevoegd zijn zelf rechtshandelingen te verrichten. Zoo handelt de
voogd voor zijn pupil, die den leeftijd van zeven jaren nog niet heeft
bereikt, de curator voor den krankzinnige. Zoo wordt ook de rechts-
persoon vertegenwoordigd door hare bestuurders. De vrijwillige vertegen-
woordiging komt te pas bij hen, die wel rechtens bevoegd zijn zelf te
handelen, maar daarin feitelijk verhinderd zijn, of om de eene of andere
reden de voorkeur eraan geven, dat een ander namens hen handelt. De
noodzakelijke vertegenwoordiging steunt op het voorschrift der wet, de
vrijwillige berust op den vrijen wil der belanghebbenden. Bij de eerste
ontleent de vertegenwoordiger zijne macht aan den aard zijner betrekking,
bij de laatste berust zijne bevoegdheid op de hem verstrekte volmacht, welke
tevens de grenzen dier bevoegdheid bepaalt. Over de gelijkstelling vaneene
latere goedkeuring met eene voorafgaande volmacht, zie hieronder § 88.
De noodzakelijke vertegenwoordiging werd reeds vroeg in het Romeinsche
Recht toegelaten. De vrijwillige onmiddellijke vertegenwoordiging daaren-
tegen wordt in beginsel niet erkend — over de vertegenwoordiging in
het proces, zie hieronder § 100. Als regel geldt nog in het latere Ro-
meinsche recht, dat niemand door zijne handeling onmiddellijk voor een
ander rechten kan verkrijgen. De geheele handeling wordt als krachteloos
\') Reeds hierdoor onderscheidt de vertegenwoordiger zich van hem, die een be-
diug ten behoeve van een derde sluit (zie hieronder § 181).
/
-ocr page 176-
159
beschouwd: empti actionem nee illi nee tibi adquisisti, dum
tibi non vis nee illi potes, zegt 1. C C. si quis alteri (IV, 50).
Si actori municipum vol tutori pupilli vel curatori fiiriosi vel adulescentis itii
constituatur municipibus solvj vol pupillo vel furioso vel adulescenti, utilitatis gratia
]>uto dandam municipibus vel pupillo vel furioso vel adulescenti utilem actionem.
lllp. 1. 5 § 9 1). de pee. const. (XIII, 5).
- Usus antcm procuratoris perquam necessarius est, ut ijiii rebus suis ipsi superesso
vel nolunt vel non possant, per alios possint vel ngerc vel conveniri. I\'lp. I. 1 § 2
D. de procur. (III, 3).
Nee paciscendo nee legem dieendo nee stipulando quisquam alteri cavere potest.
Seaev. 1. 73 § 4 D. de K. J. (L, 1T).
QuaecunKiue gerimus, cum ex ïiustro contractu origincm trahunt, nisi ex nostra
persona obligationis initium surr.ant, inanem actum nostrum efliciunt. et ideo neque
stipulari neque emere vendere contrahere, ut alter suo nomine recto agat, possumus.
Paul. 1. 11 D. de O. et A. (XXXXIV, 7J.
Exccpta possessionis causa per liberam persunam , quae alterius juri non est subdita,
nihil adquiri possc indubii juris est. Si igitur procurator non sibi, sod ei, cujus
negotia administrabat, redintegrutae rei vindicationem puctus est idque pactum etiam
stipulatio insecuta est, uulla domino obligatio adquisita est. Servis autem res traditae
dominis adquiruntur. Dioel. et Maxim. 1. 1 C. per quas pers. (IV, 27).
Kx his apparet per liberos homines quos neque juri nostro subjectos habemus neque
bona fide possidemus, item per alienos servos in quibus nc<iuc usumt\'ructum habemus
neque justam possessionem, nulla ex causa nobis adquiri posse. Et hoc est quod
vulgo dicitur per extraneam personam nobis adquiri non possc. Tantum de possessioue
quaeritur, an per liberam personam nobis adquiratur. Gajus, lust. Il § 95.
Dat de Romeinen de onmiddellijke vertegenwoordiging hebben kunnen
ontberen, moet vooral daaraan worden toegeschreven, • dat zij in hunne
kinderen en slaven geschikte werktuigen bezaten voor verwerving. Al
wat de slaaf, of de zoon die in de vaderlijke macht is, verkrijgt, ver-
krijgt hij voor den meester of voor den vader (zie hierboven § 37, en
hieronder §§ 131, 132, alwaar tevens de wijzigingen zijn vermeld, door
het latere recht ten aanzien der kinderen aangebracht), niet als veitegen-
woordiger, maar krachtens den regel des rechts. Op den wil van den
slaaf of van het kind komt het in het geheel niet aan. In hot algemeen
worden hier alleen rechten, geene verplichtingen voor den vader of
meester gevestigd; maar ook voor zoover bij uitzondering het laatste het
geval is (zie hieronder § 207), is er geene vertegenwoordiging: de han-
delende zelf is in de eerste plaats verbonden, de vader of meester slechts
secundair.
Adquiritur autem nobis etiam per eas personas, quas in potcstatc manu manci-
piove habemus. Itaque si quid mancipio puta aecepennt aut traditum eis sit vel
stipulati fuerint, ad nos pertinet. — Item si heredes instituti sint lcgatumve eis sit,
et hercditatem jussu nostro adountes nobis adquirunt et legatum ad nos pertinet.
lllp. Fragm., XIX § 18, § 19.
Overigens kan men het doel, dat met de vertegenwoordiging beoogd
wordt, ook nog langs een omweg bereiken. De derde, wiens medewerking
men bij de handeling wil gebruiken, handelt dan op eigen naam, hij
wordt subject der rechtshandeling, alleen voor hem heeft zij gevolgen;
-ocr page 177-
100
doch hij draagt later door eene nieuwe rechtshandeling alle gevolgen en
werkingen op den eigenlijken belanghebbende over. In strengen zin is
hier geene vertegenwoordiging, wanneer men namelijk voor het begrip
van vertegenwoordiging verlangt, dat de werking der handeling vreemd
blijft aan dengene die handelt. Toch spreekt men hier wel van middel-
lij ke, on volkomene vertegenwoordiging, en noemt dengene die aldus
handelt een stillen vertegenwoordiger.
Ook waar de onmiddellijke vertegenwoordiging toegelaten is, kunnen
er bijzondere redenen bestaan om niettemin den meer omslachtigen vorm
der middellijke vertegenwoordiging te kiezen. Zij bewijst groote diensten
waar, zooals bij de Romeinen, de onmiddellijke vertegenwoordiging in
het algemeen is uitgesloten. Hare werkingen naderen in vele opzichten
die van de onmiddellijke vertegenwoordiging, doordien de tusschenpersoon
genoodzaakt kan worden, de door hem verkregen rechten op den lastgever
over te dragen, terwijl deze kan worden gedwongen om de in zijn belang
aangegane verbintenissen over te nemen. Soms wordt zelfs die overdracht
en overgang aangenomen, zonder dat eene opzettelijke daartoe strekkende
handeling heeft plaats gehad. Bij enkele rechtshandelingen ia ook de
middellijke vertegenwoordiging niet mogelijk, zoo bij het maken van
een testament.
Ofschoon uitgaande van eene principiëele uitsluiting der onmiddellijke
vertegenwoordiging, heeft het Komeinsche Hecht toch, gedrongen door
een steeds toenemend verkeer, dat beginsel niet in alle strengheid ge-
handhaafd. Het is ervan afgeweken:
XI". bij de verkrijging van bezit (zie hieronder § 157);
1\'er liberam personae! ignoranti quoque adquiri possessioncm et, postc[Uiiui scientia
intervenerit, u.-ucapionis condicionem inchoari posse tam ratione utilitatis qiium juris
pridem receptum est. Sevcr. et Am.min. 1. I (\'. de adq. et iet. poss. (Vil, 32).
Per liberas personas, quae in potestate nostra nou simt, adquiri nubis nihil potest.
Sed per procuratoren! adquiri nobis possessioncm posse utilitatis causa receptum est.
Absente autem domino comparata non aliter ei, quam si rata sit, quaeritur. Faal.,
Sent. V, 2 § 2.
Ka quae civiliter adquiruntur per cos, qui in potestate nostra simt, adquirimus,
veluti stipulationem : quod nutiiraliter adquiritur, sicuti est possessio, per i[uemlibct
volentibus nobis possidere adquirimus. Modest. 1. 53 1). de A. K. D. (XXXXI, 1).
X2U. bij eigendomsverkrijging, waar deze op bezitsverkrijging steunt:
bij toeëigening, levering, verjaring;
Si ego et Titius rem emcrimus eaque Titio et quasi meo pioruiutori trudita sit, puto
mihi quoque quaesitum dominium, quia placet per liberam personam omnium rerum
possessioncm quaeri posse et per liane dominium. I\'lp. 1. 20 § 2 1). de A. K. 1).
(XXXXI, 1).
Nihil autem interest, utrum ipse dominus per se tradat alicui rem an voluntate
ejus aliquis. Qua ratione, si cui libcra negotiorum administratio ab eo qui peregre
prolii-iseitur permissa l\'uerit et is ex negotiis rem vendiderit et tradiderit, facit eam
accipientis. Gajus 1. \'J § 4 D. eod.
3°. bij het pandrecht;
/ L\'um per liberam personam, si pecunia alteritu nomine l\'uerit numerata, adquiritur
/
-ocr page 178-
161
ei cujus nomine pecunia credita est per hujiismodi numerationem condictio, non
autem hypotheca vel pignus, qnae procuratori data vel snpposita sunt, dominis con-
tractus adijuiritnr, talcm differentiam expellentes sancimus et condictioncm et
hypothecariam actionem vel pignus ipso jure et sine aliqua cessione ad dominum
contractus pervenirc. — Si cnim procuratori necessitas lcgibus imposita est domino
contractus cedere actionem, quare non ab initio quemadmotlum in personali actionc
cessio supervacua videbatur, non etiam iti hypothecis et pignoribus simili modo
dominus contractus liabeat hypothecariam actionem seu pignoiis vinculum vel reten-
tionem sibi adi[iiisitam? Justinian. 1. 3 C\'. per (paas pers. (1\\\', 27).
Si inter colonum et procuratorem meum convencrit de pignoie vel ratam habente
me conventioncm vel mandantc, quasi inter me et colonum meum convenisse videatur.
ITlp. 1. 21 pr. D. de pign. (XX, 1).
\' 4°. bij de bonorum possessio;
Adquircrc quis bonorum pos.icssionem potest vel per semetipsum vel per alium.
Quod si me non mandante bonorum possessio mihi petita sit, tune competet, ciim
ratum habuero id quod actum est. Dcnique si ante decessero qiiam ratum habcam,
nulla dubitntio est (juin non competet mihi bonorum possessio, quia neque ego ratum
habui nccpie heres meus ratum liabcre potest, cum ad eum non transeat jus bonorum
possessionis. lTlp. 1. 3 § 7 D. de bon. poss. (XXXVII, 1).
5°. bij verbintenissen, in zoover dat hij, in wiens naam iets ter leen
gegeven is, eene actie tot terugvordering verkrijgt tegen den ontvanger
(zie hieronder § 184).
In mutui datione oportet dominum esse dantem, nee obest, quod iilius familias et
servus dantes peculiares nummos obligant: id cnim tule est, quale si volicntate mca
tu des pecuniam: nam mihi actio adquiritur, licet mei nummi non fuerint. Paul.
1. 2 § 4 D. de reb. cred. (XII, 1).
Behoudens deze uitzonderingen, geldt nog bij Justinianus, als het
ware spreekwoordelijk, de regel: per liberam personam nihil
adquiri potest.
Kx his itaque apparet per libcros homincs, qnos neque juri vestro subjectos habetis
neque bona fide possidetis, item per alienos servos, in quibus neque usiirn fructum
habetis neque justam possessionem, nulla ex causa vobis adquiri posse. Kt hoc est,
quod dicitur per extraneam personam nihil adquiri posse: excepto eo, quod per
liberam personam veluti per procuratorem placet non solum scientibus, sed etiam
ignorantibus vobis adquiri possessionem secundiim divi Severi constitutionem et per
hanc possessionem etiam dominium, si dominus fuit qtti tradidit, vel usucapionem
aut longi temporis pracscriptionem, si dominus non sit. § ."> 1. per quas pers. nob.
adq. (II, 0).
§ 79. DWALING.
Waar de werkelijke wil bestaat of, bij meerzijdige rechtshandelingen,
de wil der handelende personen met elkander overeenstemt, daar komt,
gelijk wij hierboven in § 75 zagen, eene rechtshandeling tot stand. Die
wil kan echter, hetzij bij een der partijen of bij beide, ontstaan zyn
onder den invloed van onjuiste voorstellingen, \'hetzij de persoon zich van
de omstandigheden, waarop het aankomt, eene verkeerde of in het ge-
heel geene voorstelling heeft gevormd. Men spreekt dan van dwaling.
Hom. recht. 1, 2c druk.                                                                                      11
-ocr page 179-
162
De vraag rijst, welke invloed aan dergelijke dwaling toekomt met be-
trekking tot het effect der wilsverklaring.
Bij uiterste wilsbeschikkingen heeft dwaling in de motieven ongeldig-
heid ten gevolge, indien vaststaat, dat de erflater niet zou hebben ge-
wild, indien hij den waren stand van zaken had gekend.
Falsam eausam legato non obesse verius est, c(iiia ratio legandi legato non cohaeret:
scd plerumque doli exccptio locum habebit, si probctur alias legaturus non fuissc.
Popin. 1. 72 § 0 D. de eond. et dem. (XXXV, 1).
, Si pater tiuts eum quasi lilinm lieredem instituit, <[iicm talsa opinione duetus siiinn
esse credebat, non instituturus, si alienum nosset, isque postea subditiciua esse
ostcnsus est, aufercndum ei successionem divi Sevcri et Antonini placitis continctur.
Gordian. 1. 4 (\'. de hcrcd. inst. (VI, 24).
Bij handelingen onder de levenden daarentegen is dwaling in de mo-
tieven der handeling slechts in bepaalde gevallen van invloed. Vooreerst,
waar de onjuiste voorstelling is opgewekt door arglistige handelingen,
door kunstgrepen van een ander, speciaal van de wederpartij (bedrog,
zie hieronder § 80). Verder kan.de juistheid der motieven, uitdrukkelijk
of stilzwijgend, als voorwaarde van de handeling zijn gesteld.
Demonstratio talsa est, velmi si ita scriptum sit: „servnm Stichum, i[iiem de Titio
cmi" „fundum Tusculanum, <£11i mihi a Sejo donatus est". Nam si eonstat, de iiuu
homine, de quo fundo scnseiit testator, ad rem non pertinet, si is, quem emisse
signilieavit, donatus esset, aut (piern donatiim sibi esse signilieuverat, cmerit. —
lgitur et xi ita servus lcgatus sit: „Stielium cocum", „Stichum sutoretn Titio lego",
liect nequu cocus neque sutor sit, ad legataiium pertinebit, si de co sensissc testa-
torem conveniat: nam et si in persona legataiii designanda aliquid erratum fuerit,
eonstat autem, eni legare voluerit, pcrinde valet legatiim ae si ntdliis error intcr-
vcnirct. — Quod autem juris est in talsa dcmonstiationc, hoc vel magis est in falsa
causa, velnti ita „Titio fundum do, quia negotia mea euravit", item „fundum Titius
lilius meus praecipito, quia frater ejus ipse ex arca tot aureos sumpsit*\': licet cnim
frater liujus pecttniam ex area non smnpsit, ulile Icgatum est. — Atsi condicionaliter
eoncepta sit causa, velnti hoc modo: „Titio, si negotia mea euravit, fundum do":
„Titius lilius meus, si frater ejus eeutiiin ex arca sumpsit, fundum praecipito\'", ita
utile erit legatum, si et illn negotia euravit et lui jus frater eentum ex arca sumpsit.
Gajus 1. 17 pr., §§ 1—3 1). de eond. et dem. (XXXV, 1).
/Humus aut ob eausam aut ob rem: ob causam practcritam, veluti cum ideo do,
quod aliquid u te consecutus sum vel (iuia aliiiuid a te factum est, ut, ctiamsi falsa
causa sit, repetitio ejus peeuniae non sit: ob rem vcro datui, ut aliipiid sciiuatur,
ijiio non sequente repetitio competit. l\'omp. 1. ">2 1). de eond. ind. (XII, C).
/ld quoque, quod ob eausam datur, puta quod negotia mea adjuta ab co putavi,
liect non sit factum, qnia donari volui, quamvis falso mihi persuaserim, repeti non
possc. Paul. 1. 05 § 2 I). cod.
Somtijds brengt echter dwaling in het motief te weeg, dat de rechts-
handeling ongeldig is, ook zonder dat de juistheid der voorstelling uit-
drukkelijk of stilzwijgend tot voorwaarde is gemaakt. Dit geschiedt,
waar de dwaling zeer gewichtige bestanddeelen der wilsverklaring betreft,
waar zij bijv. loopt over de identiteit van den persoon, met of voor wien
de rechtshandeling wordt aangegaan — indien het namelijk juist op dien
bepaalden persoon aankomt — of over belangrijke eigenschappen van de
/
-ocr page 180-
163
zaak, die het voorwerp der rechtshandeling is. De Romeinsche juristen
houden deze gevallen en die van misverstand (zie hierboven § 75) niet
altijd scherp uiteen.
Quoticns volens iilium hercdetn scribere iilium scripserit in corpore hominis errans,
veluti „frater mens" „patronas mens", placet neque enm heredem cssc qui scriptus
est, quoniam voluntate dcficitnr, neque cum quem voluit, quoniatn scriptus non est.
Ulp. 1. 9 pr. D. de liered. inst. (XXV1U, 5).
Si et me et Titium mutuam pecuniam rogaveris et ego meum debitorem tibi pro-
mittere jusserim, tn stipulatus sis, cum pntares ciim Titii debitorem esse, an milii
obligaris? Subsisto, si ([uidem nulliun ncgotiiim mecum contraxisti: sed propius est
ut ubligari te existimem, non quia pecuniam tibi credidi (hoc enim nisi inter con-
sentientes tieri nun potcst): sed quia pecunia mea ad te pervenit, eam mihi u te
reddi bonum et aequum est. Cels. 1. 32 I). de reb. cred. (XII, 1).
- Inde quacritur, si in ipso corpore non erratur, sed in substantia error sit, ut puta
si acetum pro vino vcneat, acs pro auro vel plumbum pro argento vel quid aliud
argento simile, an emptio et venditio sit. Marcellus scripsit libro sexto digestorum
emptioiicm esse et venditionem, qiiia in corpus consensum est, etsi in matcria sit
erratum. Ego in vino quidem consentio, quia eadem prope ouvix est, si modo vinum
acuit: cetcrum si vinum non acuit, sed ab initio acetum fuit, ut embamma, aliud
pro alio venisse videtur. In ceteris iuitem niillam esse venditionem puto, quotiens in
materia erratur. T\'lp. I. 9 § 2 D. de conti\', empt. (XV11I, 1).
Mcnsam argento cuopertam mihi ignoranti ]>ro solida vendidisti imprudens: nulla
est emptio pecuniaque co nomine data condicetur. Julian. 1. 41 § 1 D. eod.
Betreft de dwaling andere minder gewichtige punten, bijv. eigen-
schappen der zaak, die van ondergeschikt belang zijn, of den naam der
zaak, dan heeft zij geen invloed op de geldigheid der handeling.
Falsa demonstratio ncque legatario ncque fidetcommissario nocet neque heredi
instittito, veluti si fratrem dixerit vel sororem vel nepotem vel quodlibet aliud: et
hoc ita juris civilis ratione et constitutionibus divorum Severi et Antonini cautum
est. Marcian. 1. 33 pr. D. de cond. et dem. (XXXV, 1).
1\'Ianc si in nomine dissenttamus, vernm de corpore constet, nulla dubitatio est,
quin valeat emptio et venditio: nihil enim facit error nominis, cum de corpore con-
stat. Ulp. 1. 9 § 1 1). de contr. empt. (XVIII, 1).
Aliter atque si aurum (piidem fucrit, detcrius autem quant emptor existimaret:
tune enim emptio valet. Paul. 1. 10 D. eod.
Quod si ego me virginem emere putarem, cum esset jam muiier, emptio valebit: in
sexu enim non est erratum. Ceterum si ego mulicrem venderem, tu puerum emere
existimasti, quia in sexu error est, nulla emptio, nulla venditio est. Ulp. 1.11 § 1 D. eod.
Niet altijd dus levert dwaling grond op tot bestrijding van rechts-
handelingen, die onder haren invloed zijn aangegaan. Veel te algemeen
zijn de spreuken: „non videntur qui errant consentire" (1. 110 § 2
D. de R. J., L, 17) of „errantis voluntas nulla est" (1. 8 C. de jur.
et fact. ign. I, 18). Toch heeft de dwaling in vele opzichten een belang-
rijken invloed op de rechtsbetrekkingen. Door dwaling worden de na-
deelige gevolgen uitgesloten, die aan arglist en kwade trouw verbonden
zijn: „non puto hunc esse praedonem qui dolo caret, quamvis
in jure erret", zegt Ulpianus in 1. 25 § G D. de H. P. (V, 3). Zij
belet soms de toepassing van een voor den dwalende nadeelig rechts-
middel: exceptio Senatuscomulli Macedoniani (zie hieronder § 184),
n*
-ocr page 181-
164
exceptio Senatusconsulti Vellejani (zie hieronder § 206). Dwaling is eene
noodzakelijke voorwaarde om te kunnen gebruik maken van de voor-
deelen van het bezit te goeder trouw: vruchttrekking, verjaring, actio
Publiciana.
Zij kan een onmisbaar element vormen voor eene actie, met
name bij de actie tot terugvordering van hetgeen onverschuldigd werd
betaald (zie hieronder § 203). Eene dergelijke rol speelt zij bij de actie
van den kooper wegens verborgen gebreken der verkochte zaak (zie hier-
onder § 190).
Item si quis aliqna existimatione deceptns crediderit :id se bereditatcm pertinere,
mme ud cum non pertincat, et rem hereditariam alienaverit, ant si is, ad qncm
iisiis fructlis ancillae pertinet, partnm ejus existimuns sunm esse, quia et fetus pccu-
dum :id fructuarium pertinet, alienaverit, Gajus 1. 30 § 1 ]). de usurp. et nsiic.
(XXXXI, 3).
I\'urtum non eommittit: furtum enim sine affectn furandi non coramittitur. Oajiia
1. 37 pr. 1). eod.
Si is, ad quem Icgitima hercditas pertinet, putavcrit defunctum servnm sutim esse
et quasi peculium ejns naetus sit, place;t non obligari enm liereditati. Idem ergo
dicemus, ut ait I\'omponius, si quasi libertini sui, enm ingenuus esset, bona ejns
occupavit. Xam ut quis pro herede gerendo obstringat se liereditati, seire debet,
qua ex causa hercditas ad enm pertincat: veluti adgnatns proximns justo testamentn
scriptus beres, antcquam labulae proferantur, enm existimaret intestatu patrem fami-
lias inortuum, quamvis omnia pro domino feccrit, beres tamen non erit. Kt idem
juris crit, si non justo testamento scriptus lieres prolatis tabulis, enm putaret justum
esse, quamvis omnia pro domino administraverit, liereditatem tarnen non adqniret.
1\'aul. 1. 22 I). de A. v. O. II. (XXIX, 2).
Si quis patrem tamilius esse credidit non vana simplicitatc deceptus nee juris
ignorantia, scd quia publicc pater t\'amilias plerisquc videbatur, sic agebat, sic con-
trahebat, sic muneribus fungebatur, cessabit seiiatus consultum. lip. 1. 3 pr. D. de
SC. Mac. (Xl\\r, C).
Si tnulier tamquam in usus suos pecuniam acecperit alii creditura, non est loens
senatus consulto: alioqtiin nemo cum feminis contrabct, quia ignorari potest, ipiid
acturae sint. 1\'aul. 1. 11 I). ad SC. Vcllej. (XVI, 1).
lmmo tune loens est senatus consulto, cum scit creditor eam intcrcedcrc. 1\'aul.
1. 12 I). eod.
Conscnsisse autcm videntur, qui Bciant se non esse subjectos jurisdietioni ejns et
in eum conscutiant. Ceterum si putent ejus jurisdictionem esse, nou erit ejus juris-
dietio: error enim litigatorum, ut Julianus quoque libro primo digestorum scrihit,
non habet consensum .... l\'lp. 1. 2 pr. I). du jud. (V, Ij.
Waar iemand in de gelegenheid is zich op zijne dwaling te beroepen,
hetzij om een voordeel te verkrijgen hetzij om een nadeel af te wenden,
kan hij zich meestal niet op elke dwaling beroepen, maar alleen op eene
verschoonbare. Als verschoonbaar wordt gewoonlijk beschouwd eene dwa-
ling in de feiten; als toerekenbaar daarentegen eene dwaling in het recht;
„regula est juris quidam ignorantiam cuique nocere, facti
vero ignorantiam non nocere", zegt Paulus in 1. 9 pr. D. de
jur. et fact. ign. (XXII, 6). Deze regel gaat echter niet altijd door. Zoo
wordt eene dwaling in de feiten niet verschoonbaar geacht, als zij de
kenmerken draagt van grove nalatigheid: „nee stultis solet succurri,
Bed errantibus." Zoo kan anderzijds onder bijzondere omstandigheden
/
-ocr page 182-
1G5
ook dwaling in het recht verschoonbaar zijn. Bij jeugdige personen,
vrouwen, soldaten en niet-ontwikkelden (rustici) wordt zij in meerdere
of mindere mate verontschuldigd.
Ignorantia vel facti vel juris est. — Nam si <[iiis ncseiat decessisse eitm, enjiis
bononim possessio defertur, non ccdit ei tempus: sed si sciat quidem defnnctum esse
cognatum, neseiat antem proximitntis nominc bononim possessionem sibi deferri, uut
se sciat scriptum heredem, neseiat autem quod scriptis lieredibus bononim posses-
sionem praetor promittit, cedit ei tempus, quia in jure errat. Idem est, si frater
consanguineus defuncti credat matrem potiorem esse. — Si qnis neseiat se cognatum
csse, interdnm in jure, inteulum in t\'aeto errat. Nam si et liborum se esse et ex
qliibus natus sit seiat, jnra autem cognationis habcre se neseiat, in jure errat: ut si
qnis (forte expositns) quorum parentium esset ignorcl, fortassc et serviut alieui pntans
se servum esse, in faeto ma;is qnam in jure errat. Paul. 1. 1 pr., § 1, § 2 1). de
jur. et fact. ign. (XXII, 6).
In omni partc error in jure non eodem loeo <|iio facti ignorantia habcri debcbit,
enm jus tinitum et possit esse et debcat, facti interpretatio plerumque etium pruden*
tissimos l\'allat. Nerat. 1. 2 D. eod.
Seientium eam observandam I\'omponius ait, non quac cadit in juris prudentes, scd
qtiam quis aut per se aut per ulios adseqni potuit, scilicet consulendo prudentiores,
ut diligcntiorcm putrem familias eonsulere dignum sit. lip. 1. 2 § 5 1). qnis ordo
(XXXV1U, 15).
(\'urn qnis jus ignorans indebitam pecuniam persolverit, ecssat repetitio. I\'er igno-
runtiam cnim I\'aeti tantum repetitionem indebiti soluti eompetero tibi notum est.
Diocl. et Maxim. 1. 10 C. de jur. et fact. ign. (1, 18).
Nee supina ignorantia ferenda est fuetum ignorant is, ut nee scrupulosa inquisitio
exigenda: seientia enim hoc modo acstimanda est, ut neque neglegentia crassa nut
nimia sceuritas satis ex))edita sit neque dclutoriu curiositas exigatur. 1\'lp. 1. 6 D. de
jur. et fact. ign. (XXII, G).
Sed facti ignorantia ila demum cuique non noect, si non ei summa neglegentia
obieiatnr: qnid enim si omnes in civitatc sciant, qnod ille soltis ignorat? Kt recte
Labeo delinit seientiam neque curiosissimi neque neglegentissimi hominis accipiendam,
vcrum ejus, qui cum eam rem ut (curet), diligenter inquüendo notam habcrepossit.—
Sed juris ignorantiam non prodesse Labeo ita aceipiendum existimat, si juris con-
sulti copiam baberet vel sua prudenlia instruetiis sit, ut, cui faeile sit seire , ei dc-
trimento sit juris ignorantia: quod raio aceipiendum est. Paul. 1. 9 § 2, § 3 1). eod.
§ 80. ÜEDH0G.
Bedrog heeft plaats, wanneer iemand een ander tot het aangaan eener
rechtshandeling beweegt, door hem opzettelijk in dwaling te brengen, of
door .arglistig van eene bestaande dwaling gebruik te maken, zij het ook
door te zwijgen.
Dolum imtlum Servius quidem ita deflniit maeliinationem quandam alterius deci-
piendi causa, cum aliud simulator et ulind agitnr. Labeo autem posse et sine simu-
latione id agi, ut quis circumveniatur: posse et sine dolo malo aliud agi, aliud simu-
liiri, sieuli faciunt, qui per ejusmodi dissimulationem deserviant et tuentur vel sua
vel aliena: itaque ipse sic deliniit dolum tnalum esse omnctn calliditatcm fallaeiam
maeliinationem ad circumveniendum fallendum decipiendum alterum adbibitam. La-
beonis delinitio vera est. 1\'lp. 1. 1 8 2 I). de dolo malo (IV, 3).
*"" Si quis in vendendo pracdip conflpem eclaverit, ciucm emptor si audisset, emptimis
non esset, tcneri venditorem. Gajus 1. 35 § 8 1). de contr. empt. (XV11I, 1).
JU.
-ocr page 183-
1GC
Doltim malnm u se abesse praestare venditor debet, qiii non tantum in co ost, 4111
fullendi causa obscure loquitnr, sed eti:im qui insidiosc obscure dissimulat. Florentin.
1. 43 § -J. D. cod.
( onsilii non l\'iaiidnlc\'iiti ntilla obligutio est: rctcriim si doltis et cttlliditas inter-
ceesit, de dolo actio competit. 1\'lp. 1. 47 pr. I). de R. J. (L, 17).
Bedrog is niet donkliaar zonder dwaling; dat de bedrogene doorrechts-
middelen wordt geholpen, geschiedt intusschen niet omdat hij dwaalde,
maar omdat hij bedrogen werd. Al is dus ook do dwaling, die door
bedriegelijke middelen is in het leven geroepen, eeno zoodanige, die op
zich zelve geen invloed zou oefenen op de aangegane rechtshandeling
(zie hierboven § 79), zoo worden niettemin in geval van bedrog den be-
drogene rechtsmiddelen gegeven, om de voor hem nadeelige gevolgen
der handeling af te wenden. Ofschoon bij den bedrogene de wil om de
handeling aan te gaan bestaat, kan toch het recht niet gedoogen, dat het
in het verkeer noodzakelijke vertrouwen geschonden en de bedrieger ten
koste van den bedrogene verrijkt wordt.
Si dolo adversarii deeeptum venditionem praedii te feeisse praeses provinciae aditus
animadvertcrit, sciens cuntiiirium osse dolum honau lidei, tpinc in htijttsmodi maxime
contractibus exigitur, rescindi venditionem jtibebit. Diocl. et Maxim. 1. 5 pr. V. de
resc. vend. (IV, 44).
v Si ijnis, i\'iim alitcr eum convenisset obligari, alitcr per machinationcm obligatns
est, crit quidem suptilitate jurii obstrictiis, sed doli exceptione uti po test: tpiia enim
per dolum obligatns est, competit ei exceptio .... Ulp. 1. 3G D. de V. O. (XXXXV, 1).
Wat betreft de rechtsmiddelen, die het Eomeinsche Recht ter zake van
bedrog toekent, zoo moet onderscheiden worden tusschen negolia bonae,
fulei
en negolia stricti juris (zie hierboven § 72, IV).
Bij de eerste is geen, afzonderlijk rechtsmiddel noodig. Do bedrogene
kan, wanneer hij uit hoofde der rechtshandeling wordt aangesproken,
zich op het bedrog beroepen door de exceptio doli tegen te werpen (zie
hieronder § 107, 0°); dit kan zelfs nog tijdens de behandeling der zaak
bij den judex geschieden: exceptio doli judiciis bonae fidei
inest. Heeft hij uitvoering gegeven aan de overeenkomst, waartoe hij
door bedriegelijke middelen is gebracht, dan komt de gewone contracts-
actie hem te hulp. Hij kan vernietiging der geheele rechtshandeling
vorderen, indien deze zonder het gepleegde bedrog niet zoude zijn aan-
gegaan, of schadevergoeding, indien het bedrog alleen invloed heeft gehad
op de voorwaarden, waaronder de handeling is tot stand gekomen.
Si ipiis virginem se emerc ptttasset, cnm muiier venisset, et sciens errare eum
venditor passus sit, rcdhibitiooem qnidem ex luie causa non esse, vcrum tarnen ex
empto eompetcre actionem ad resolvendum imptioiiem, et pietio restituto mulier rcd-
datur. 1\'lp. 1. 11 § 5 I). de act. empt. vend. (XIX, 1).
                     ,<._£^
Si venditor dolo fecerit, ut rem plttiis venderet, ptila de urtiticio/mciititiis est uut
de peculio, empti eum judieio teneri, ut pracstaret emptori, quanto pluris scrvtini
emisset, si ito peeuliatns esset vel co nrtificio instrttctus - Ver contrarium quoqne
idem .lulianiis seribit, eum Terentitis Vietor deeessisset relieto lierede IVatre suo et
res uuusdam ex hereditate et instrumentu et mancipia Uellietts quidam subtraxisset,
qtiibus subtractia laeile, ipiasi minimo valeret hereditas, et sibi ea veuderetiir per-
I 1                                                                                                                                                                                                                                                         I
/
-ocr page 184-
1G7
suasit: on venditi judicio tcncri possit? Et uit Julianus competere actioncm ex ven-
dito in tantum, quanto plu ris liercditas valeret, si hae res subtractae non fuissent.
I\'lp. I. 13 § 4, § 5 I). cod.
Bij do negolia slrkti juris kon men zicli oudtijds op bedrog alleen dan
/beroepen, wanneer de afwezigheid van bedrog opzettelijk was bedongen
(clausuln doli, zie hieronder § 18S). Nog ten tijde der Republiek werden
de eccrptio doli en de actio doli ingevoerd (zie hieronder § 201, n°. 2).
Daarnevens ontwikkelt zich de in integrum restittitio wegens bedrog (zie
hieronder § 110), waaraan zooveel mogelijk de voorkeur wordt gegeven
boven de actio doli, omdat deze onteert.
/Verba autem cd iet i talia simt: „Qtiac dolo malo facta csse dicentur, si de his
rebus alia actio non crit et justa causa essc videbitur, judicium dabo". I\'lp. !. 1 § 1
T). du dolo malo (IV, 3).
.Is, qni deecpit aliquem, ut hercditatcm non idoneam adirct, de dolo tcnebitnr,
nisi fortasse ipse creditor crat et Bolus crat: tune cnim sufficit contra eum doli mali
exceptie Fur. Anthian. 1. 40 D. cod.
Ncc intra lias solum species eonsistct linjiis gencria anxilium: etenim deceptis sine
culpa sua, maxime si frans ab adversario intervenerit, succurri oportebit, cum etiam
de dolo malo actio compctcrc solcat, et boni praetoris est potius restituere litcm, ut
et ratio et aequitos postulabit, quam actioncm fumosutn constituerc, ad qiium tune
demum descendendum est, cum remcdio locus esse non potest. Marcell. 1. 7 § 1 D.
de I. I. R. (IV, 1).
§ 81. nwANfi.
Van dwang spreekt men in tweeërlei zin. Vooreerst, waar iemand met
lichamelijk geweld een ander als werktuig gebruikt om den schijn te weeg
te brengen, alsof deze eene rechtshandeling wilde aangaan, bijv. iemand
stuurt eens anders hand en laat hem aldus eene schuldbekentenis onder-
teekenen. Hier komt inderdaad geene rechtshandeling tot stand; degene,
die schijnbaar handelt, wil in werkelijkheid niet, hij is slechts instrument.
Tutor si invitus retentus sit per vim, non vulet qued agitur: neque cnim praesen-
tin corporis sufficit ad auctoritatcm , ut si sotnno aut moibo comitiali ocenpatus ta-
cuisset. I\'lp. 1. 1 § 1 D. de auct. (XXVI, 8).
In de tweede plaats spreekt men van dwang (zoogenaamde compul-
sieve dwang), waar iemand werkt op eens anders wilsvrijheid, door hem
wederrechtelijk met eenig kwaad te bedreigen, indien hij de verlangde
handeling niet verricht. Naar de opvatting van het Romeinsche Recht
bestaai hier de wil: de door dwang opgewekte vrees heft den wil niet
op, maar noopt tot willen. Er komt eene rechtshandeling tot stand.
Maar dit neemt niet weg, dat op den wil een ongeoorloofde invloed is
geoefend, en dat het in strijd zou zijn met het doel van het recht, de
handhaving der persoonlijke vrijheid onveiligheid, indien den gedwongene
geene middelen werden gegeven om togen de handeling op te komen.
Daarvoor nu zorgt de Praetor. De gedwongen handeling is dus in het
algemeen vernietigbaar; in enkele gevallen slechts neemt het Romeinsche
Recht absolute nietigheid aan.
-ocr page 185-
1G8
Si motu coactus adii hcrcditatcm, ]mto me hcredcm cffici, quia quamris si Iibcrum
cssct noluissem, tarnen coactus volui: sed per practorctn ïvstitueiidus sum, ut absti-
ncndi mihi potestas tribuatur. 1\'aul. 1. 21 § 5 I). <|iiod met. c. (IV, 2).
Si patre cogente dueit uxorem, quam non duccret, si sui arbitrii cssct, contruxit
tarnen matrimonium, quod intcr invitos non contrahitur: mnluisse boe vidctnr. Ccls.
1. 22 I). de R. N. (XXIII, 2).
Nihil consensui tam contrarium est, qui ac bonae Gdei judicia sustinet, (|iiam vis
atijue motus: quem compiobare contra bonos mores est. ITlp, 1. 11G pr. I). de 1!. J.
(L, 17).
Si tnetus causa sdcat aliquis hcrcditatcm, liet ut, quia invitus heres existat, detur
abstinendi facaltas. 1\'apin. 1. 85 I). de A. v. O. II. (XXIX, 2).
Verbi gratia si metu coactus aut dolo induetus ant errore lapsus stipulanti Titio
promi-isti, quod non debueras promittcre, palam est jure civili te obligatum esse et
aetio, ([uu intenditur dare te oportcre, efficax est: sed iniquum est te condemnari
ideoi|iie datur tibi exceptio metus causa aut doli mali aut in factum composita ad
inipiignundam aetiunem. § 1 J. de exeept. (IV, 13).
Ille servus libev non crit, qui vi coegerit, ut eum dominus manumittat, et ille
perterritus soripsit liberam eum esse. Marcian. 1. 9 pr. D. qui et a quib. manum.
fXXXX, 9).
Evenals bij bedrog wordt, naar gelang der omstandigheden, de han-
deling geheel ongedaan gemaakt of haar gevolg geheel of gedeeltelijk
opgeheven. Bij negotia bonne fidei is ook hier geen bijzonder rechts-
middel noodig. Ten aanzien van negotia slricti juris verschafte de Praetor
Octavius hulp door de invoering der aclio en exceptio quod metus causa
(zie hieronder § 201, n°. 1). Daarnaast bestaat nog eene in integrum
restitutio
wegens dwang (zie hieronder § 119).
De actio quod metus causa sleept veroordeeling tot het viervoudige
bedrag na zich, wanneer de gedaagde geen gevolg geeft aan \'s rechters
voorloopige uitspraak (aetio arbilraria, zie hieronder § 107, n°. 10).
Ait praetor: „Quod metus causa gestum erit, ra turn non liabebo." Olim ita cdicc-
batur „quod vi metusve causa": vis enim tiebat mentio prupter ncccssitatcm imposi-
tam eontrnriam voluntati: metus instantis vel futnri pcriculi causa mentis trepidatio.
Sed postea detracta est vis mentio ideo, quia quudeumque vi atroei lit, id metu
qnoque licri videtur. I\'lp. 1. 1 I>. quod met. e. (IV, 2).
Ex boe edicto restitutio talis farienda est, id est in integrum, offieio judicis, ut,
si per vim res tradita est, retradatur et de dolo sicut dictum est repromittatur, ne
fortc deterior res sit facta. Et si acceptilationc libcratio intervcnit, restituenda erit
in pristinum statum obligatie, nstiiic adeo, ut Julianus scribat libro quarto digosio-
rum, si pecunia debita fuit, quae accepta per vim facta est, nisi vel sol vat ur vel
restitutu obligatione judicium accipiatur, quadruplo eum eondemnandum. Sed et si
per vim stipulanti promisero, stipulatie aeeepta facienda crit. Sed et si usus fructus
vel servitutes amissae suilt, restituendac ernnt. l\'lp. 1. 9 § 7 1). eod.
Si (piis non restituat, in quadruplum in eum judicium pollicetur: quadruplabitur
autein omne quodcumque restitui opoituit. Satis elementer eum reo praetor cgit, ut
daret ei restituendi facultatem, si vult poenam evitare. 1\'ost annum vero in simplum
actioaem pollicetur, sed non semper, sed causa cognita. — Hacc autem aetio eum
arbitraria sit, liabet reus lieentiam usque ad sententiam ub aibitro datain restitu-
tioucin, seeundum ipiod supra diximus, rei facere: quod si non 1\'eeeiit, jure meri-
toijne quadrupli coiidemiiationom patietur. l\'lp. 1. 14 § I , § 4 I). eod.
De rechtsmiddelen tor zake van dwang hebben eene ruimere strekking
/
-ocr page 186-
169
dan die ter zake van bedrog: zij zijn onpersoonlijk ingericht (zie hier-
onder § 107, n°. 1), d. w. z. zij kunnen niet alleen, gelijk in geval van
bedrog, gebezigd worden tegen hem die het onrecht heeft gepleegd, maar
ook tegen iederen derde, die door bezit, genoten voordeel of door welke
omstandigheid ook, in staat is de geleden schade te vergoeden.
In hae actione non quacritur, utrum is qui convenitur an alius metnm loeit: suffi-
cit cnim hoc docere metnm sibi illatum vol vim, ot ox hac re cnm qui convenitur,
otsi crimine caret, luentm tamen sensissc. Nam onm motns habcat in se ignorantiam,
morito quis non adstringitur ut designet, quis ei m^tum vel vim adhibuit: ot idco
ad lioo tantum actor adstringitur, ut doceat metnm in causa l\'uisse, ut alicui accep-
tam pecuniam faceret vel rem traderet vel quid aliud facerct. Nee cuiquam iniquum
videtur ex alieno facto nlium in quadruplum condomnari, quia non statim quadrupli
est actio, scd si res non restituatur. Vip. 1. 14 § 3 D. quod met. e. (IV, 2).
Illud vcrum est, si ex facto debitoris mctuir. adhibentis fidojussores acceptilatione
liberati sunt, ctiam advorsus fidojussores «gi posse, ut se reponant in obligutionem.
(iajus 1. 10 pr. D. cod.
Metus causa exceptionem Cassius non proposucrat contentus doli exceptione, quao
est generalis: sed utilius visum est ctiam de motu opponere exceptionem. Ktonim
distat aliquid doli exceptione, quod exceptio doli personam complectitur ejus, <|iii
dolo loeit: enimvero metus causa exceptio in rem scripta est „si in ca re nihil metus
causa factum est", ut non inspiciamns, an is qui «git metus causa feeit aliquid, sed
an omnino metus causa factum est in hae re a quocumque, non tantum ab oo qui
«git. Kt quamvis do dolo auctoris exceptio non obiciatur, vcrumtamen hoe jure uti-
mur, ut de motu non tantum ab auctore, verum a quocumque adhibito exceptio
obici possit. Tip. 1. 4 § 33 D. de doli exc. (XXXXIV, 4).
Intusschen geeft niet elke vreesaanjaging aanleiding tot toepassing der
genoemde rechtsmiddelen, maar alleen die, welke aan de volgende ver-
eischten voldoet:
1°. de vrees moet zijn opgewekt door eene bedreiging met eenig be-
langrijk kwaad, tyjv. eene bedreiging tegen leven, lijf of vrijheid, hetzij
van den bedreigde zelf of van zijne naaste betrekkingen;
Mettim accipiendum Lubco dicit non quemlibet timorom, sed majoris malitatis.
Ulp. 1. 5 D. quod met. c. (IV, 2).
Kgo pnto etiam servitutis timorem similiumque admittendum. Paul. 1. 4 D. eod.
Metus autcm causa abesse videtur, qui justo timoro mortis vol cruciatiis corporis
conterritus abest: et hoc ex alfeotu ejus intcllegitur. Sed non sufficit qtiolibet terrorc
abduetum timuisse, sed hujus rei disquisitio judicis est. Ulp. 1. 3 I). ex quib. caus.
maj. (IV, fi).
Nee timorem infatniae hoc cdicto contineri 1\'edius dicit libro soptimo, neiiue ali-
eujus vexationis timorem per hoc edictum restitui. Proinde si quis metieulosus rem
nullam frustra timuerit, per hoc edictum non restituitur, quoniam neque vi neque
metus causa factum est. I \'lp. 1. 7 pr. 1). quod met. e. (IV, 2).
Accusationis institutae vol futurae metu alienationem sou promissioncm factum
rescindi postuluntis improbum desidcrium est. Diocl. et Maxim. 1. 10 (\'. de his quae
vi (II, 19).
Hacc, quae diximus ad edictum pertinere, nihil interest in se quis veritus sit an
in libcris suis, cum pro affectu parentes magis in liberis terreantnr. Paul. 1. 8 § 3
D. quod met. o. (IV, 2).
2°. het kwaad, waarmede gedreigd wordt, moot een dadelijk aanwezig,
niet slechts een mogelijk of toekomstig z\\jn;
-ocr page 187-
170
Metum autem pracscntem accipcrc dcbcmus, non snspicionem infcrcndi rjus: et ita
Pomponius libro vicensimo octavo scribit. Ait enim metum illatum accipiendum, id
est si illatus est timor ab aliqno.....\'lp. 1. 9 pr. D. quod met. e. (IV, 2).
3°. de vrees moet, met het oog op den toestand van den bedreigde,
gegrond zijn geweest;
Metum autem non vani hominis, sed qni mcrito et in homilie constantissimo oadat,
ad hoe cdietnm pertincre dicemus. Gnjcis 1. C I). quod met. e. (IV, 2).
                       .
Vani timoris jnsta excusatio n"n est. Cels. 1. 184 I). de K. J. (Ii, 17).
4°. de bedreiging — niet juist liet kwaad, waarmeJe bedreigd wordt —
moet onrechtmatig zijn; de vrees, die men zich zei ven te wijten heeft,
komt niet in aanmerking;
Sed vim accipimus atrocem et cam, qnnc ad versus bonos mores fiat, non cam
quam magistratus recto intulit, scilicct jure lieito et jure honoris quem sustinet.
Cetcnim si per injuriam quid l\'eeit populi Komuni magistratus vel proviuciae praescg,
Pomponius seribit hoe edictum locum haberc: si fortc, inqitit, mortis aut verberum
terrorc pecuniam alieui extorserit. l\'lp. 1. 3 § I 1). quod met. e. (IV, 2).
Si muiier contra patronnm suum ingrata t\'aeta sciens se ingratam, cum de suo
statu perielitabatur, aliijuid patrono dederit vel promiscrit, ne in servitutem redi-
gatur: eessat edictum, ijuia liunc sibi metum ipsa infeit. Paul. 1. 21 pr. D. eod.
5°. de vrees moet zijn opgewekt juist om de aangegane nadeelige
rechtshandeling in het leven te roepen.
Animndvertendum autem, quod pnictor hoc edicto gencraliter et in rem loquitur
nee adicit a quo gestum: et ideo sive singularis sit persona, quae metum intulit, vel
populus vel curia vel collegium vel corpus, huic edicto loens crit. Sed licet vim
faetam a quocumque praetor conplectatur, eleganter tarnen 1\'omponius ait, si quo
magis te de vi hostium vel latronum vel populi tuercr vel liberarem, ali<piid a te
accepero vel te obligavcro, non debere me hoc edicto tcneri, nisi ipse liane tibi vim
gummisi: ceterum si alienus sum a vi, tcneri me tion debere, ego enim operacpotius
mcac mercedem acccpissc videor. l\'lp. 1. H § 1 1). quod met. e. (IV, 2).
Julianus ait enm , qui vim adhibuit debitori suo ut ei solvcrct, hoe edicto non
tcneri propter nattiram metus causa actionis quae damnum exigit: quamvis ncgari non
possit in Juliam cam de vi incidisse et jus crediti amisisse. l\'lp. 1. 12 § 2 1). eod.
Waar deze vereischten niet aanwezig zijn, kunnen toch andere, ge-
woonlijk minder ver reikende, rechtsmiddelen van toepassing zijn.
§ 82. DE VOORWAARDE. BEGRIP.
Voorwaarde {mndició) in de technische beteekenis — in ruimeren zin
noemt men voorwaarde elk bij eene rechtshandeling voorkomend beding —
is dat bestanddeel eener wilsverklaring, waardoor de werking van dea.wjj.^
afhankelijk wordt gemaakt van eene toekomstige, onzekere gebeurtenis.
De voorwaarde is een integreerend bestanddeel der wilsverklaring,
niet, zooals wel beweerd wordt, eene bijbepaling of toevoeging, welke
zou kunnen worden afgescheiden van eene daartegenover en op zich zelf
staande hoofdbepaling. Als ik aan iemand een huis verkoop onder eene
voorwaarde, dan is er niet een verkoop als hoofdbepaling en eene voor-
waarde als bij bepaling; neen, de voorwaardelijke verkoop vormt één
/
-ocr page 188-
171
onscheidbaar geheel. Practisch belang heeft deze opvatting ten aanzien
van het bewijs in het proces (zie hieronder § 113). Wanneer de eischer
eeno onvoorwaardelijke verbintenis stelt en de gedaagde het bestaan eener
voorwaardelijke erkent, dan zal op den eischer het bewijs rusten. Het
gaat niet aan te zeggen, dat partijen het eens zijn over de hoofdbepaling
en alleen verschil hebben over de bijbepaling, welke door den gedaagde
•wordt ingeroepen en dus door hem zoude moeten worden bewezen. Neen,
partijen zijn het hier in het geheel niet eens; de eischer stelteeneandere
wilsverklaring dan de gedaagde; die, welke hij stelt, de onvoorwaarde-
lijke namelijk, is niet door den gedaagde erkend en moet dus door den
eischer worden bewezen.
Fraeterca inutilis est stipnlatio, si ([ïiis ad ca quae interrogatus erit non respon-
derit, veluti si decem aurcos a te dan stipulctur, tn quinque promittas, vel contra:
aut si ille pure stipuletur, tu :mb condicionc promittas, vel contra, si modo scilicct
id expriraas, id est si eui sub condicionc vel in dien) stipulanti tu respondeas: „prac-
senti die spondeo." Nam si hoc soliun respondeas „promitto", breviter vidcris in can-
dem dietn aut condicioncm spopondisse: nee enitn neecsse est in respondendo cadetn
omnia repeti, quae stipulator expresserit. § 5 I. de inut. stip. (III, 19).
De voorwaarde maakt de werking van den wil en de wilsverklaring
onzeker, niet hun beslaan. Als een erflater schrijft: Titius heres esto,
si navis ex Asia venerit, dan is zijn wil geen oogenblik onzeker of
zwevende. Hij weet zeer bepaald, wat hij wil: als de voorwaarde ver-
vuld wordt, zal Titius erfgenaam zijn; als zij niet vervuld wordt, zal
Titius het niet zijn. Onzeker is alleen, welke werking do wilsverklaring
zal hebben.
De voorwaarde is eene eigenaardige bepaling, door partijen omtrent
de werking hunner wilsverklaring gemaakt. Waar het effect eener wils-
verklaring reeds krachtens rechtsvoorschrift afhankelijk is van eene on-
zekere gebeurtenis, daar wordt deze niet voorwaardelijk genoemd, al is
door partijen die afhankelijkheid nog ten overvloede uitgesproken. Bijv.
ik stel Titius in tot erfgenaam „indien hij mij overleeft"; de onzeker-
heid, die hier bestaat, zou er even goed zijn, op grond der bepalingen
van het recht, al ware die zoogenaamde voorwaarde niet in de verklaring
opgenomen (condiciones lacitae, condiciones jiiris).
Condiciones extrinsecus, non ex testamento venientes, id est quae tacite inesse
videantur, non fueiunt legata condicionalia. 1\'upin. 1. 9!) D. de cond. et dem.
(XXXV, 1).
„Cornelins et Mae ving, titer eorum volet, heres esto": nterque vult: Trebatius ncti-
trum ibrc heredem, Cartilius utrumque: tu cui adsentiaris? 1\'roculus: Cartilio adson-
tio et illam adji\'ctionem „uter eorum volet" supervacuam puto: id onim etium canon
adjecta futurum fuit, ut, titer vellet, heres esset, uter nollet, heres non esset. Quod
si hi ex numero neecssariorum heredum cssent, turn id non tïustra adjeetum esse et
non solum tiguram, sed vim quuque condicionis continerc: dicerem tarnen, si utcrqnc
heres cssc vellet, utrumque heredem esse. I\'iocul. 1. 71) 1). de hered. inst. (XXVIII, 5).
Inest antem condicio legati, veluti cum ita legamus: „quod ex Arcscusa natum
fucrit, heres dato" aut „fructus, qui ex co l\'iindo percepti l\'ucrint, heres dato" uut
„servum, quem alii non legavero, Sejo dato". 1\'omp. 1. 1 § 3 D. de cond. et dem.
(XXXV, 1).
-ocr page 189-
172
/Quacdam autcm condiciones etium siipervacuac simt, veluti si it» scribat: „Titins
heres esto. Si Titiiis hereditatem mcum adieiit, Macvio decem dato": niim pro non
script» ca condicio crit, ut umnimudu ad hcrcdcm Maerii tegatum transeat, ctiamsi
Mnevius ante aditam hereditatem dcccsserit. Kt idem, si itafuerit scriptum: „si Titiiis
hcrcditatem meam adierit, iiitia dies ccntum Macvio decem dato": nam hoc legatum
in diem crit, non sub condicione, quia definitio Labconis ]>robanda est dicentis id
du-mam legatum ad hcrcdem legatarii transire, qiiod ccrtum sit dubitnm iri, si adea-
tur hcreditas. Pump. 1. 22 § 1 1). quaudo dies leg. (XXXVI, 2).
Dotis prornissio non idco minus valebit, quod ignorante initio patre nnptiae nou
fuerint, si postea eonsenscrit, cum omnis dotis prornissio futuri matrimonii tacitam
condicione in aceipiat.....Papin. 1. €S 1). de 3. 1). (XXI11, 3).
Eene ware voorwaarde is er alleen dan, wanneer de gebeurtenis, waar-
van de werking van den wil afhankelijk is gesteld, toekomstig en onzeker
is. Ontbreekt een dezer vereischten, dan is er slechts in schijn eene
voorwaarde; de eigenaardige gevolgen eener voorwaarde komen dan niet
voor. Zoo, wanneer de bedoelde gebeurtenis niet toekomstig is, maar
reeds heeft plaats gehad of op hetzelfde oogenblik plaats grijpt, al is
ook de uitslag aan partijen nog onbekend. Evenzoo, wanneer de gebeur-
tenis niet onzeker is, wanneer namelijk de werking van den wil afhan-
kelijk is gesteld van het plaats hebben van een feit, dat noodwendig
geschieden moet („indien X sterft"), of van het achterwege blijven van
een feit, dat onmogelijk geschieden kan („indien gij met den vinger den
hemel niet aanraakt").
Condiciones, tjmic ad praeteritum vul ad pracsens tempus referuntnr, aut statim
inlirmant obligationem nut omnino non diffcrunt: veluti „si Titiiis consul fait" vel
„si Macvius vivit, darc spondes?" Nam si ca ita non sunt, nihil valet stipulatio:
sin au tem ita se habent, statim valet. Quae cnim per rcrum naturam certa sunt,
non morantur obligi tionem, licet apud nos incerta sint. § G 1. de V. O. (111, 15).
(\'urn ad praesens tempus condicio confertur, stipulatio non Buspcnditur et, si con-
dicio vera sit, stipulatio tenet, qiiamvis tencre contrahentcs condicioncm ignurent,
veluti „si rex Parthorum vivit, ccntum mihi dari spondes?" Kadem gunt et cum in
praeteritum condicio confertur. Papin. 1. 37 1). de rcb. cred. (Xll, 1).
IJcspiciendum cnim esse, an, ipiantum in natura hominum sit, possit scire cam
debitu iri. Scacv. 1. 38 I). eod.
Itaquc tune potestatem condicionis optinet, cum in futurum confertur. Papin.
1. 39 I). eod.
Si ipiem ita institutum ponamus: „ille, si eum codicillis heredem scripsi, heres
csto", valet institutio etiam in tilio qui in potestate est, cum nulla sit condicio,
epiae in praeteritum confertur vel quae in praesens, veluti „si rex Parthorum vivit",
„si navis in portu stat". lip. 1. 10 § 1 D. de cond. inst. (XXVIII, 7).
tiui sub condicione stipulatur, quae omnimudo cxstatura est, purevideturStipulari.
ITlp. 1 il § 1 1). de novat. (XXXXVI, 2).
Quod si ea condicione debetur, qnac omnimodo cxstatura est, solatiim repeti non
po test, licet sub alia condicione, quae an impleatur incertum est, si ante Bol vator,
repeti possit. 1\'lp. 1. |H D. de cond. ind. (Xll, 6).
„Heres mens, cum moricliir Titius, ccntum ei dato." Piirum legatum est, quia non
condicione, sed inora siispcnditur: nun potest cnim condicio non existcre. Papin.
1. 7» pr. 1). de cond. et dein. (XXXV, 1).
Si in non faciendo impossibilis condicio institutione heredis sit expressa, secundum
omnium sententiam heres erit, perinde ac si pure institutiis c«set. 1\'lp. 1. 51 § 1 D.
de hercd. inst. (XXV11I, 5).
/
-ocr page 190-
173
Impossibilis conHii\'io cum in fucicndum concipitnr, stipiilationibus ubstat: olitcr
ut(|iic si talis Cündicio inscratur stipulationi „«i in caelum non ascenderit": nam milis
et pracscns est et pecuniam creditam continet. I\'lp. 1. 7 D. de V. O. (XXXXV, 1).
Terwijl de voorwaarde in het algemeen zoowel bij rechtshandelingen
ter zake des doods als bij die onder de levenden toegelaten is, zijn er
sommige handelingen, die geene voorwaarde, zelfs geene oneigenlijke,
dulden, zoodat ze door bijvoeging eener voorwaarde nietig worden, zoo
bijv. de bijstand van den voogd (zie hieronder § 130), de mancipatio
(zie hieronder § 14G), de acccptilatio (zie hieronder § 212). Bij andere
rechtshandelingen zijn slechts enkele bepaalde voorwaarden uitgesloten;
zoo kan de erfstelling niet plaats hebben onder eene ontbindende voor-
waarde; zoo verdraagt de instelling van den suus heres geene niet-
potestatieve voorwaarde (zie daarover nader in het Erfrecht).
Sed et si quis ita dixerit: „si solvendo hercditas est, adeo hereditatem", nulla
aditio est. Africah. 1. 51 §2 D. de A. v. O. II. XXIX, 2).
Aetus legitimi, qui non recipiunt diem vel condicionem, veluti craancipatio, accep-
tüatio, hereditatis aditio, servi optio, datio tutoris, in totuin vitiantur per temporis
vel condicionis adjectioncm. Xoiiniimi]ii:itn tarnen actns supra scripti tacite recipiunt,
qnac aperte comprehensa vititim adlerunt. Nam si aeeeptum feratar ei, qiii sub con-
dicione promisit, ita demum cgisse aliquid acccptilatio intellcgitur, si obligationis
condicio exstitcrit: qnac si verbis noininatim aceeptilationis comprehendatur, tiiilliua
momenti faeiet aetum. 1\'apin. 1. 77 I). de I!. .1. (L, 17).
Sub condicionc cognitor non recte datur, non mngis quan: tnancipaturaut acceptum
vel expensum fertur; nee ad rem pertinct, an eacondicio sit inserta, qtiuc non expressa
tacite inesse vidcatur. Frogm. Vat. § 329.
Filius, <ini fuit in potestate, sub condicionc scriptus heres, quam senatus aut
princeps improbant, testamentum infirmet patris, ac si condicio non esset in ejus
])otestate: nam quae t\'acta lacdunt pictatcm e.xistimationem verecundiam nostram et,
ut geneialiter dixcrim, contra bonos mures liunt, nee facere nos posse credendum
est. Papin. 1. 15 1). de cond. inst. (XXVIII, 7).
§ 83. VEKVOLO. VERSCHILLENDE SOOKTEJT VOORWAARDEN.
De voorwaarden worden onderscheiden in
I. stellige en ontkennende, naarmate de werking der wilsverklaring
afhankelijk is gesteld van het al of niet plaats hebben eener gebeurtenis.
In het eerste geval wordt de voorwaarde vervuld, zoodra de gebeurtenis
plaats heeft; in het tweede geval is zij niet vervuld, voordat het zeker
is, dat de gebeurtenis niet meer kan plaats grijpen. Daar die zekerheid
dikwijls zeer lang kan uitblijven, of misschien zelfs nimmer bij het leven
van den voorwaardelijk gerechtigde zal verkregen worden, heeft het
Romeinsche Recht eene bijzondere bepaling gemaakt voor uiterste wils-
beschikkingen, waarbij een niot-doen van den bevoordeelde als voorwaarde
is gesteld: deze kan dadelijk in het genot treden van hetgeen hem is
toegezegd, mits zekerheid stellende, dat hij hot ontvangene zal teruggeven,
indien hij later toch de bedoelde handeling verricht (caittio Muciana);
Sub condieione stipidatio tit, cum in aliquem casum differtnr obligatio, ut, si
aliquid fuctum 1\'uerit aut non t\'uerit, stipulatio committatur, veluti „si Tiliua consul
-ocr page 191-
174
foetus fuerit, <[iiïii<|ii(> aurcos dare spondes?" Si quis it;i stipuletur „si in Capitolium
non ascendero, dare spondes?" perinde erit, ac si stipnlatus esset cum morictur dari
sibi.....§ 4 I. de V. O. (III, 15).
Sed et si ita stipnlatus fucro: „si in Capitolium non ascenderis" vel „Alexandriam
non ieris, eentitm dari spondes?" nou statim committctur stipulatio, quamvis Capito-
lium ascenderc vel Alexandriam pervenire potueris, sed cum eertum esse coepcrit
te Capitolium ascenderc vel Alexandriam ire non posse. 1\'apin. 1. 115 § 1 I). de
V. O. (XXXXV, 1).
Mucianae cautionis utilitas consistit in condicionibus, quae in non faciendo sn<it
conccptnc, ut puta „si in Capitolium non ascenderit", „si Stichum non manumiscrit"
et iu similibus: et ita Aristoni et Neratio et Juliano visum est: quae sententia et
constitutioiie divi 1\'ii comprobata est. Nee solum in legatis placuit, verum in heredi-
tatibus quoque idem remedium admissum est. 1\'Ip. 1. 7 pr. I). de cond. et detn.
(XXXV, 1).
Is, cui sub condicione non faciendi aliquid rclictum est, ei seilicct cavere debet
Muciana cautionc, ad qurm jure civili, delicicntc condicione, boe lcgatum eave
hereditas pertinere potest. Oajus 1. 18 1). eod.
Cum sub hac condicione fitndus alicui legatus esset ,,si servum non mamimiserit"
et, si manumiscrit, lcgatum fundi ad Maevium translatum esset, legatarius de non
libcrando satisdedit et lcgatum accepit et posten liberavit: quacro, au aliquid Macvio
detur. Kespondit, si cui ita lcgatum erit „si servum non mannmiserit", satisdatione
interposita accipcrc ab herede lcgatum potcrit et, si postea servum manumiscrit,
coinmissa stijiulatione lieredi vel fundum vel quanti ca res est restituet coque casu
hcres ei, cui ex sequenti condicione lcgatum debuerit, restituet. .lavol. 1. 67 D. eod.
II. icillekcurige, toevallige en gemengde voorwaarden (nondieiones potes-
tativac, casualcs, mixtae),
naarmate, van het standpunt van den voor-
waardelijk gerechtigde, de vervulling afhangt van zijn wil, van uiterlijke
omstandigheden — waartoe ook behoort de wil van een derde — of van
beide te gelijk.
De schuldenaar kan verbonden zijn onder eene voorwaarde, waarvan
hij zelf de uitvoering in de hand heeft, bijv. het verrichten of niet-
verrichten eener daad, die in zijne macht staat. Maar de verbintenis
onder de voorwaarde: „indien ik wil", is ongeldig, omdat deze hoege-
naamd geene gebondenheid medebrengt. Over den koop op de proef, zie
hieronder § lüO;
Sub hac condicione „si volam" nulla lit obligatio: pro non dicto enim est, quod
darc nisi velis cogi non possis: nam nee beres promissoris ejus, qui numqiiam dare
voluerit, tonctur, quia haec condicio in ipsum promissorein nuinquam exstitit. 1\'otnp.
1. 8 I). de O. et A. (XXXXLV, 7).
Si ita legetur: „beres dare damnas esto, si in Capitolium non ascenderit", utile
lcgatum est, quamvis in potestatc cjus sit ascenderc vel non asceudere. Paul. 1. 3 D.
de lcgat. II. (XXXI).
Si stipnlatus hoe modo fucro: „si intra biennium Capitolium non ascenderis, dari?",
non nisi pructcrito biennio reete ]ietam. I\'otnp. 1. 27 § 1 I). de V. O. (XXXXV, 1).
Si sic lcgatum vel fidei cotnmissum sit rclictum „si aestimaverit heres" „si com-
probaverit" „si justum putaverit", et lcgatum et fideicommissura deböbitur, quoniam
quasi viro potius bono ei commissum est, non in meram volnntatcm herediscollatum.
Ulp. 1. ::> pr. I). de legat. I. (XXX).
Haec venditio servi „si rationes domini computasset urbitrio" condicionalis est:
condiiionales autein venditioncs tune perlieiuntur, cum impleta fuerit condicio. Sed
/
-ocr page 192-
175
utrum haoc est venditionis condicio, si ipso dominus putasset sim urbitrio, :in vero
si nrbitrio viri boni? Nam si arbitriam domini accipiamus, venditio nulla est,
qitemndmudum si quis ita vendiderit, si vulnerit, vel stipulanti sic spondeat „si
volucro, deeem dubo": neque cnim debet in arbitrium rei conferri, an sit obstrictas.
Placuit itaque veteribus magis in viri boni arbitrium id cullatnm videri quam in
domini. Si igitur rationes i)otuit accipcre nee acecpit, vel acecpit, tingit autem se
non accepisse, impleta condicio emptionis est et ex einpto venditor couveniri potest.
l\'lp. 1. 7 pr. D. de contr. empt. (XV\'III, 1).
III.   opschortende en ontbindende voorwaarden. Bij de eerste wordt het
aanvangen van de beoogde werking der wilsverklaring afhankelijk gesteld
van eene toekomstige onzekere gebeurtenis. Bij de laatstgenoemde heeft
de rechtshandeling dadelijk hare gewone gevolgen, maar is de opheffing
daarvan afhankelijk van de bedoelde gebeurtenis: de handeling bestaat,
maar het is onzeker, of zij zal blijven bestaan. In het eerste geval zeggen
de Romeinen: sub condieione contrahitur, negotium condicione
suspenditur; in het tweede geval heet het: pura emptio est, quae
sub condicione resolvitur. De toevoeging eener ontbindende voor-
waarde kan men ook beschouwen als eene bijkomende handeling, waar-
door, onder zekere opschortende voorwaarde, de werking der handeling
zelve wordt opgeheven.
Si lundus commissoria lege venicrit, magis est, ut sub condicione rcsolvi emptio
quam sub condicione contrahi vidcatur. l\'lp. 1. 1 1). de leg. cotr.m. (XV\'III, 3).
Si res ita distracta sit, ut si displicuissct inempta esset, eonstat non essc sub con-
dicione distructam, scd resulvi emptionem sub condicione. l\'lp. 1. 3 I). de contr.
empt. (XV11I, 1).
Quotiens fundus in diem addicitur, utrum pnra emptio est, sed sub condicione
resolvitur, an vero condicionalis sit magis emptio, quaestionis est. Kt mibi videtur
veritis interesse, quid iictum sit: nam si quidem hoc nctum est, ut melioic allata
condicione discedatur, erit pura cm]>tio, quae sub condicione resolvitur: sin autem
hoc actum est, ut perriciatur emptio, nisi melior condicio offeratur, erit emptio con-
dicionnlis. l\'lp. 1. 2 pr. I). du in diem add. (XVIll, 2).
Sabinus, si sic empta sit, ut, nisi pecunia intra diem certum soluta csset, inempta
res fieret, non usucapturum nisi pcrsoluta pecunia. Sed vidcamus, utrum condicio
sit hoc an conventio: si conveiitio est, magis resolvetur quam implebitur. — Si in
diem addictio tVcta sit, id est nisi si quis mcliorem condicionem attulerit, perfectam
csse emptionem et fructus emptoris effici et usiicapioncm procederc Julianus putabat:
alii et hanc sub condicione esse contractant, ille non contrahi, scd rcsolvi diecbat,
quae sententia vera est. Paul. 1. 2 § 3, § 4 1). pro empt. (XXXX1, 4).
Eigenaardige soorten voorwaarden zijn nog:
IV.   de onmogelijke. Eene voorwaarde is onmogelijk, wanneer het ten
tijde dat zij gesteld wordt zeker is, dat zij nooit kan vervuld worden,
hetzij ten gevolge van natuurwetten of van voorschriften der rechtsorde,
hetzij op grond van algemeeno regels of wegens de bijzondere omstandig-
heden van het geval.
Condicionum duo simt genera: aut enim possibilis est, aut impossibilis: possibilis,
quae per rerum naturam admitti potest, impossibilis, quae non potest: quarum ex
eventu altera expectatur, altera (impossibilis) submovctur. Paul., Sent. III, 4h § 1.
Cum quis sub hac condicione stipulutus sit, si rem sacram aut religiosam Titius
vendiderit vel forum aut basilicam et hujusmodi res, quae publicis usibus in perpe-
-ocr page 193-
17G
tuum rolictac sint: ubi omnino condicio jure implcri non potest vel id f.iccrc ei non
liceat, ntillius momenti forc stiptilationem, ]iroindc ac si ea condicio, quae natura
impossibilis est, inserta esset. Ncc ad rem pertinet, quod jus mutari potest et id,
(juod mine impossibile est, postea possibile fieri: non enim seciindum futuri temporis
jus, sed secundum praesentis aestimari debet stipulatio. Venulejus 1. 137 § C D. de
V. O. (XXXXV, 1).
Falsam condicionem Cassius et (\'aelitts Sabinus impossibilem esse dixerunt, veluti:
„1\'amphilus, si quod Titio debco solveiit, liber csto", si modo nihil Titio fuit de-
bitum: (piod si post testamentum faetum testator pecuniam exsohit, dcfecisse qondi-
eionem intellegi. 1\'apin. 1. 72 § 7 D. de cond. et dom. (XXXV, 1).
Si ancillae alienae, ouin ca nubsisset, legatum sit, Proculus ait utile legatum esse,
quia possit manumissa nubere. 1\'otnp. 1. 58 D. eod.
Si quis ita institutus sit, si monumentum post mortem testatoris in triduo proximo
mortis cjus fecisset: cum monumentum in triduo perfici non ]>ossit, dicendum erit
condicionem evanescere quasi impossibilem. I\'lp. 1. 6 D. de cond. inst. (XXVIII, 7).
De onmogelijke voorwaarde brengt bij rechtshandelingen onder de
levenden nietigheid der handeling te weeg. Bij uiterste wilsbeschikkingen
echter heeft het Romeinsche Recht het gevoelen der Sabinianen aange-
nomen, volgens hetwelk de voorwaarde voor niet geschreven wordt
gehouden en de beschikking overigens van kracht blijft;
Non solum stipulntioncs impossibili condicioni adplicatae ntillius momenti simt,
sed ctiam ceteri quoqnc contractus, veluti emptiones locationes, impossibili condicione
interposita acque nullius momenti simt, quia in ei re, quae ex duorum pluriumve
consensu agitur, omnium voluntas spectetur, quorum prucul dubio in liujusmodi actu
talis cogitatio est, ut nihil agi existiment adposita ea condicione, quam seiant esse
impossibilem. Maecian. 1. 31 D. de O. et A. (XXXX1V, 7).
Item si quis sub ea condicione stipulctur quae existere non potest, veluti si digito
caclum tetigcrit, inutilis est stipulatio. Sed legatum sub in|)ossibili condicione rclic-
tum nostri praeceptores proinde deberi putant, ac si sine condicione relictum esset;
diversae scholae auctores nihilo minus legatum inutile existimant quam stipulationem.
Et sane vix idonea diversitatis ratio reddi potest. Gajus, Inst. III § 98.
Impossibilis condicio in institutionibus et legatis nee non in fideicommissis et
libertatibus pro non scripto habetur. § 10 1. de hercd. inst. (II, 14).
V. de onzedelijke. Of eene voorwaarde onzedelijk is of niet, hangt af
van hare strekking. Niet elke voorwaarde, die voor hare vervulling het
bedrijven eener onzedelijke daad vooronderstelt, is onzedelijk. Wanneer
bijv. iemand zijn erfgenaam bezwaart met de uitkeering van een legaat,
indien hij overspel pleegt, d:in is die voorwaarde niet onzedelijk. Wan-
neer daarentegen iemand zijn erfgenaam belast met een legaat, indien
hij geen overspel pleegt, dan is die voorwaarde wèl onzedelijk. Wat als
ongeoorloofd of onzedelijk is te beschouwen, hangt geheel af van de
opvattingen en begrippen, die op een bepaalden tijd bij een zeker volk
heerschen.
Ten opzichte van hare werking worden de onzedelijke voorwaarden
evenzoo behandeld als de onmogelijke;
Si ob maleliciuin ne flat promissum sit, nulla est obligatio ex hac conventione.
Ulp. 1. 7 § 3 I). de pact. (II, 14).
Stipulationis utiliter interponendae gratia mulier ab eo, in cujus matrimonium con-
vcniebat, stipulata 1\'ucrat ducuuta, si concubinac tempore matrimonü consuetudinem
/
-ocr page 194-
177
rcpctissct. Nihil causae esse rcspondi, cur ex stipulatit, quae ex bonis moribus con-
cepta fiierat, muiier impleta condicione pceuninm adsequi non possit. Papin. 1. 121
§ 1 n. <ic v. o. (xxxxv, 1).
Stipiilatio hoc modo concept»: „si heredem me non feceris, tantum dare spondcs ?"
imitilis est, quia contra bonos mores est haec stipiilatio. .Iiilian. 1. 61 I). eod.
Condiciones contra edicta imperatorum aut contra leges aut quae legis vieem opti-
nent scriptae vel quae contra bonos mores vel derisoriae simt aut hujusmodi nuag
praetores improbaverunt pro non scriptis habentur et perinde, ac si condicio heredi-
tati sive legato adjeeta non esset, capitur hereditas legatnmve. Marcian. 1. 14 I). de
cond. inst. (XXVIII, 7).
Quidam in suo testamento hcrcdcm scripsit sub tali condicione „si reliqnias ejus
in mare abiciat": quaercbatur, cum lieres institutus condicioni non paruisset, au
cxpellendus est ab hereditate. Modestinus respondit: laudandus est magis quam
aceusandus hercs, qui reliqnias testatoris non in mare sccundum ipsius voluntatem
ubjecit, sed mcmoria humanae condicionis scpulturae tradidit. Sed hoc prins inspi-
eicndum est, 11e homo, qui talem condicionem posuit, neque compos meutis csset.
Igitur si perspicuis rationibus haec suspicio amoveri potcst, nullo modo legitimus
hcres de hereditate controversiam facit BCripto lieredi. Modest. 1. 27 pr. D. eod.
VI. de onverstaanbare, dat zijn die, waarvan de bedoeling niet kan
worden opgespoord. Zij maken de van haar afhankelijke rechtshaiide-
ling nietig.
„Si Titius hcres crit, Sejus hercs esto: si Scjus hcres erit, Titius hcres esto." Ju-
lianns inutilem esse institutioncm scribit, cum condicio cxistere non possit. Marcian.
1. 1G D. de cond. inst. (XXVIII, 7).
Qui quadringcnta habebat, trecenta lcgavit: deinde fundum tibi dignum centiim
aureis sub hae condicione lcgavit, si lcgi Falcidiuc in testamento suo loens non esset:
quaeritur, quid jtiris est. Dixi rüv iirifuv hanc quaestionem esse, qui traetatus apud
dialecticos tov tyevSoi-iévov dicitur. Etcnim qiiidi|iüd constituerimus vernmesse, falsum
repperietur. N\'amque si legatum tibi datum valere dicamus, legi Fuleidiae loens crit
ideoque deficiënte condicione non debebitnr. Rtirsus si, qtiia condicio deliciat,
legatum valiturum non sit, legi Falcidiae loens non erit: porro si legi loens non sit,
exsistentc condicione legatum tibi debebitnr. Cum autem voluntatem testatoris cam
fuissc appai\'cat, ut propter tuum legatum ceterorum legata min ui nollet, magis est,
ut statucre debcamus tui lcgati condicionem defecisse. African. 1. 88 pr. I). ad leg.
Falc. (XXXV, 2).
§ 84. VERVOLG. DE WEKKING DER HANGENDE, VERVULDE OF
ONTBREKENDE VOORWAARDE.
Elke rechtshandeling onder eene voorwaarde, hetzij opschortende of
ontbindende, kan in tweeërlei toestand gedacht worden. Eerst bestaat
er een toestand van onzekerheid, zoolang namelijk de voorwaarde nog
niet vervuld is, maar wel vervuld kan worden (pendente condicione).
Die onzekerheid kan op tweeërlei wijze in zekerheid veranderen, of door
het ontbreken der voorwaarde (condicio deficit, exstincta est), öf
door de vervulling der voorwaarde (condicio exsistit, impleta est).
In condicionibus primum locum voluntas defuncti optinet eaque regit condiciones.
Dcniqiic et in ca condicione „si lilia mea cum Titio nupta erit" plucuit non semper
mortis tempus observari, sed voluntatc patrocinautc tardius prodnei. l\'lp. 1. 19 pr.
D. de cond. et dem. (XXXV, 1).
Hom. recht. I, 2c druk.                                                                                     12
-ocr page 195-
178
Si quis ita stipulatus fuerit: „derem aurcos das, si navis venit et Titius consul
factus est?\'\' non alias dabitur, i|iiam si atrumque factum sit. Idem in contrnrinm:
„dare spondes, si nee navis venit nee Titius consul factus sit?" exigendum erit, ut
neutrum factum sit. Huic similis scriptura est: „si neque navis venit neque Titius
conr.ul factus est?" At si sic: „dabis, si navis venit aut Titius consul factus sit?"
sufficit uniitn factum. Et contra: „dabis, si navis non venit aut Titius consul factus
non est?" sufficit nnum non factum. Scacv. 1. 129 1). de V. O. (XXXXV, 1).
Hierbij worde opgemerkt, dat soms de voorwaarde voor verguld wordt
gehouden, schoon zij in werkelijkheid niet vervuld is, m. a. w. dat soms
van hare vervulling wordt afgezien. Dit geschiedt:
1°. wanneer degene, die bij de niet-vervulling der voorwaarde belang
heeft, de vervulling opzettelijk verhindert;
In jure civili receptum est, quotiens per cum, enjus interest condicionem non
implcri, fiat quo minus impleatur, pcrindc haberi, ac si impleta condicio fuisset.
Quod ad libertatem et legata et ad lieiedum institutiones perducitur. Quibus exem])lis
stipulationcs qnoque committnntur, cum per promissorem factum csset, quo minus
stipulator condicioni pareret. lTlp. 1. 1G1 I). de H. J. (L, 17).
Jure civili receptum est, quotiens per cum, cujus interest condicionem impleri,
fit, quo minus impleatur. ut perinde habeatur, ac si impleta condicio fuisset: (piod
pleriijue et ad legata et ad beredum institutiones perduxerunt. Quibus exemplis sti-
pulatioues qiioquc commitii quidam recte putavcrunt, cum per promissorem factum
csset, quo minus stipulator condicioni pareret. Julian. 1. 24 D. de cond. et dcm.
(XXXV, 1).
Quicnmque sub condicionc obligatus curaverit, ne condicio exsisteret, nihilo minus
obligatur. Paul. 1. 85 § 7 D. de V. O. (XXXXV, 1).
2°. bij uiterste wilsbeschikkingen, wanneer voor de vervulling de mede-
werking van een derde noodig is, maar deze zijne medewerking weigert.
Si ita heres institutus sim, si dccem dedcro, et accipere nolit cui dare jussus sum,
pro impleta condicionc liabctur. Paul. 1. 3 1). de cond. inst. (XXVIII, 7).
Si quis testamento hoc modo scripserit: „filius meus si Titium adoptaverit, heres
esto: si non adoptaverit, exheres esto" et tilio parato adoptare Titius nolit se adro-
gandum dare, erit lilius heres quasi expleta condicionc. Julian. 1. 11 D. eod.
„Titius si statuas in municipio posucrit, heres esto." Si paradis est poriere, sed
locus a municiiiibiis ei non datur, Sabinus Proculus heredem cum fore et in legato
idem juris esse dicunt. Pomp. 1. 14 D. de cond. et dcm. (XXXV, 1).
Yestigen wij thans vooreerst de aandacht op de ontbindende voorwaarde.
Zoolang deze hangende is, bestaat er alleen onzekerheid, of datgene wat
tot stand gekomen is, zal stand houden; maar de mogelijkheid, dat dit
misschien niet het geval zal zijn, oefent vooralsnog geen invloed. Zoolang
de onzekerheid duurt, heeft de rechtshandeling hare volledige werking.
Ontbreekt de ontbindende voorwaarde, dan blijkt, dat alles, wat tot
stand gekomen is, in stand zal blijven. De eenigc verandering, die plaats
heeft, is deze, dat datgene wat tot nu toe aan eene mogelijke ontbinding
onderworpen was, dit voor het vervolg niet meer is. •
Wordt de ontbindende voorwaarde vervuld, dan vervalt de werking der
rechtshandeling; elke uitvoering, die daaraan gegeven was, wordt opge-
heven; wat ontvangen is, moet worden gerestitueerd; wat verricht is,
wordt zooveel mogelijk ongedaan gemaakt.
/
-ocr page 196-
179
/ Ubi ij^ïttir sccundiim <[tiod distinximus puru venditio est (scilicet: quao sub condi-
/ cionc resolvilur), .Julianus scribit hunc, cui res in diem uddicta est, et usucapere
poose et fruotus et accessiones lucrari et periculum ad eum pertinere, si res interierit.
Ulp. 1. 2 § 1 D. de in diem add. (XVIII, 2).
Sed et Marcellus libro quinto digestorum scribit pure vendito et in diem addicto
fiindo si melior condicio allata sit, rem pignori csse desinere, si emptor eumfundum
pignori dedisset: ex quo colligitur, quod emptor medio tempore dominus est: alioquin
nee pignus tencret. Ulp. 1. 4 § 3 I). eod.
Si mortis causa res donata est et convaluit qui donavit, ridendum, an babeat in
rem actioncm. Kt si quidem quis sic donavit, ut, si mors contigisset, tune haberct
cui donatum est, sine dubio donator poterit rem vindicare: mortuo eo tune is cui
donatum est. Si veru sic, ut jam mine baberct, reddcret, si convaluisset vel de proe-
lio vel peregre redisset, potest defendi in rem competerc donatori, si quid liorum
contigisset, interim autem ei cui donatum est. Sed et si morte praeventus sit is cui
donatum est, adhur qnis dabit in rem donatori. lTlp. 1. 2!» D. de mort. c. donat.
(XXXIX, C).
Si res ilistracta fuerit sic, nisi intra eertiim diem meliorem condicionem invenisset,
fucritqiie tradita et tor te emptor, antequam melior condicio offerretur, liane rem
pignori dedisset, .Marcellus libro quinto digestorum uit liniri pignus, si melior con-
dicio fuerit allata, quamquam, ubi sic res distraeta est, nisi emptori displicuisset,
pignus liniri non putet. Ulp. 1. 3 D. (pub. mod. pign. (XX, C).
Si hominem emisti, ut, si aliqua condicio extitisset, inemptus licret, et is tibi tra-
ditus est et postea condicio emptioncm resul vit: tempus, quo apud emptorem tuit,
acecdere venditori debcre existimo, quoniam eo genere retro acta venditio esset red-
hibitioni similis, in qua non dubitu tempus ejus qui redhibucrit venditori acce>su-
rum, quoniam ea venditio proprie dici non potest. Ja vol. 1. 19 D. de uaurp. et usuc.
(XXXXI, 3).
Imperator Sevcrus rescripsit: „Sicut l\'ructus in diem addictac domus, cum melior
condicio fuerit allata, venditori restitui nccesse est, ita nu sus quae prior emptor medio
tempore necessario probavcrit crogata, de reditu retineri vel, si non sufticiat, sulvi
ncipium est." Kt credo sensisse principcm de empti venditi actione. Ulp. 1. 16 D. de
in diem add. (XVIII, 2).
Bij de opschortende voorwaarde kan de voorwaardelijk gerechtigde, ter-
wijl de voorwaarde hangende is, zijn recht nog niet doen gelden, omdat
het onzeker is, of er wel ooit iets verschuldigd zal worden: dies neque
cedit neque venit (1. 213 pr. D. de V. S., L, 1G); wat de schuldenaar
gedurende dien tijd bij vergissing betaalt, kan hij als onverschuldigd
terugvorderen (zie hieronder § 203, n°. 1). Is krachtens eene rechts-
handeling onder eene opschortende voorwaarde eene zaak overgegeven,
dan is do ontvanger nog geen eigenaar. In het algemeen heeft de onzeker-
heid omtrent de uitkomst ten gevolge, dat de aangegane rechtshandeling
vooralsnog de beoogde werkingen niet uitoefent.
Si sub condicionc debiti nomine obligata sit hvpotheca, dicendum est ante condi-
eionem non recte agi, cum nihil interim debcatur: sed si sub condicione debiti con-
dicio vencrit, rursus agere poterit.....Marcian. 1. 13 § 5 D. de pign. (XX, 1).
Sub condicionc debitum per errorem solutum pendente quidem condicione repeti*
tur, condicione autem exsistente repeti non potest. 1\'omp. 1. 10 pr. D. de cond. ind.
(XII, fi).
Si quis possessionem fundi ita tradiderit, ut ita demum cedcre ea dicat, si ipsius
fundus esset, non videtur possessio tradita, si fundus ulienus sit. Hoc ampliits existi-
mandum est possessioncs sub condicione tradi posse, sicut res sub condicione trudun-
12*
-ocr page 197-
180
tur neqnc aliter aecipiontis liunt, quam condicio exstitciit. Julian. I. 38 § 1 D. do
A. v. A. P. (XXXXI, 2).
Si sub condicione emptio facta sit, pendentc condicionc emptor usii non capit....
Paul. 1. 2 § 2 1). pro ompt. (XXXXI, 4).
Ontbreekt de opschortende voorwaarde, dan wordt daardoor beslist,
dat de beoogde rechtsgevolgen nimmer zullen ontstaan.
Wordt zij vervuld, dan oefent de rechtshandeling hare volledige wer-
king uit. Maar van welk tijdstip? Sedert liet oogenblik van de vervulling
der voorwaarde, of van het oogenblik van het aangaan der rechtshande-
ling? Velen kennen aan de vervulling der voorwaarde terugwerkende
kracht toe, en stellen het voor, alsof bij de vervulling alles zoo moet
worden beschouwd, als ware de handeling van den aanvang af zuiver
aangegaan. Deze opvatting is echter niet in overeenstemming met ver-
schillende concrete rechtsregels. Zoo moeten de objectieve vereischten der
rechtshandeling ten tijde van de vervulling der voorwaarde aanwezig zijn.
Zoo behoeven do vruchten, door den voorwaardelijken schuldenaar han-
gende de voorwaarde genoten, door hem niet te worden uitgekeerd aan
dengene, die bij de vervulling der voorwaarde definitief recht krijgt op
de zaak. Zoo begint de verjaring der uit eene voorwaardelijke verbintenis
voortspruitende vordering eerst te loopen na de vervulling (zie hieronder
§ 110). Dit alles zoude anders moeten zijn, indien de fictie gold, dat de
rechtshandeling van den aanvang af zuiver is geweest.
Aan den anderen kant zijn er echter belangrijke werkingen, die niet
eerst beginnen met de vervulling der voorwaarde, maar dagteekenen van
het tijdstip, waarop de rechtshandeling is aangegaan. Van dat oogenblik
af bijv. moet de voorwaardelijke schuldenaar instaan voor opzet en schuld;
de eigendom wordt bij voorwaardelijke levering geacht verkregen te zijn
op het tijdstip der overgave; alle beschikkingen, door den schuldenaar
hangende de voorwaarde gedaan, vervallen, ofschoon zij werden gedaan
door iemand, die daartoe destijds bevoegd was.
Si sur vu m sub condicione legatum heres alienaverit, deinde condicio exstitciit, potest
niliilo minus a legatario vindicari nee extinguitur legatum. Gajus 1. 69 § 1 D. de
legat. I. (XXX).
Heres, cum legatus esset fundus sub condicione, imposuit ei servitutes: extingticntur,
si legati condicio existat. Videamus, an adquisitae soquantur legatarium: et magis
dicendum est, ut sequantur. Marcell. 1. 11 § 1 D. quemadm. serv. amitt. (VIII, G).
Si t\'undum a testatorc sub condicione legatum heres alii pendentc condicionc
legavit, post existentcm condicionem, quac priori testamento praeposita 1\'ucrat, ncqne
proprietas a priorc legatario reccdit nee locum rcligiosum in co fundo heres facerc
nee servitutem imponerc poterit: sed et imposita servitus finietur exsistente condi-
eione. 1\'omp. 1. lllf) 1). de cond. et dein. (XXXV, 1).
Serv urn, i[iii sub condicione legatus est, interim lieres munumittendo liberum non
facit. Paul. 1. 11 1). de manum. (XXXX, 1).
Ja zelfs, afgezien van de mogelijke vervulling der voorwaarde, hetft
de voorwaardelijke rechtshandeling gewichtige gevolgen.
Cum in secundo testamento heredum cum qui vivit instituimus sive pure sive sub
condicionc (si tarnen condicio existcre potuit, licet non exstitcrit), superius testa-
/
-ocr page 198-
181
mcntum crit niptuin. Multiim autcm interest, qttalis condicio jmsitn fuerit: nam ant
in prncteritnm concepta ponitur ant in praesens ant in fntnrum. In praeteritum con-
cepta ponitur vcluti „si Titius consul luit": quae condicio si vera est, id est si Titius
cunsnl fiiit, ita est institiitus heres, nt snperius testamentnm rnmpatur: tnm cnim ex
lioe heres esset. Si vcro Titins consul non fuit, snperius testamentnm non est ruptuin.
Qnod si ad praesens tempus condicio adscripta est herede instituto, vc?luti „si Titins
consul est", eiindem exitntn habet, nt, si sit, possit heres essc et snperins testamcn-
tnm rnmpatur, si non sit, nee possit heres csse nee snperins testamentnm rnmpatur.
In futurum autcm collatac condiciones si possibiles simt existere potuerunt, Heet non
cxstitcrint, efneiunt, ut supcrius testamentnm rnmpatur, etiamsi non exstiterint: si
vcro impossibiles sunt, vcluti „Titins si digito caelum tetigerit, heres esto", placet
pcrinde csse, ([uasi condicio adscripta non sit, qnac est impossibilis. 1\'omp. 1. IC D.
de injusto (XXVIII, 3).
Si quis sub condicionc vel ex die tutu-rem dederit, medio tempore alius tutor dan-
dus est, quamvis legitimum tutorem pupillus habeat: sciendum est cnim, qnamdia
testamentnria tutcla spcratur, legitimam cessare. Vip. 1. 11 pr. I). de test. tut.
(XXVI, 2).
Uit het gezegde volgt, dat niet alle werkingen der voorwaardelijke
rechtshandeling eerst na de vervulling der voorwaarde beginnen, maar
dat zij evenmin alle een aanvang nemen bij het aangaan der rechts-
handeling. Men moet zich de zaak aldus voorstellen. Door de voorwaar-
delijke handeling is reeds dadelijk een kiem van recht geboren. Deze
mag door den schuldenaar niet worden verstikt; al is hij nog niet ver-
bonden,
hij is toch wel gebonden. Zoolang de voorwaarde hangende is,
bestaat er nog geen stellig, verkregen recht, maar er is toch eene ver-
wachting, die wordt gehandhaafd en beschermd. Het voorwaardelijke recht
kan als grondslag strekken voor pand (zie hieronder § IG9), voor borg-
tocht (zie hieronder § 20G) en voor schuldvernieuwing (zie hieronder
§ 211); het gaat, behalve bij verkrijging ter oorzaak des doods, over op
de erfgenamen van den voorwaardelijk gerechtigde.
„Condicionales creditores" dienntnr et hi, quibus nondum competit actio, est autcm
competitura, vel qui spem habent, ut competat. Vip. 1. 54 1). de V. S. (L, IC).
Is, cui sub condicionc legatum est, pendente condicionc non cstcreditor, sedtunc,
cum exstitcrit condicio, quamvis cum, qui stipulatus est sub condicionc, placet etiam
pendente condicionc eiedilorem csse. Vip. 1. 42 pr. D. de O. et A. (XXXXIV, 7).
Crcditoribus, qui ex die vel sub condicionc debentur et propter hoc nondum
peenniam petere possunt, aeque separatio dabitur, quoninm et ipsis cautione communi
consiilctur. 1\'apin. 1. 4 pr. 1). de sepurat. (XXXX1I, 6).
In lege Aquilia, si deletnm cliirographum milii csse dicam, in quo sub condicionc
milii pecunia debita fuerit, et interim testiblts qtloque id prubarc possim, qui testes
possunt non csse eo tempore, quo condicio extitit, et si snmmatim re exposita ad
suspicionem judieem addiicam, debeam vincere: sed tune condemnationis cxactio
competit, cum debiti condicio extiterit: qnod si defeccrit, condemnatio nullus vires
habebit. Paul. 1. 4ü D. ad leg. Aquil. (IX, 2).
.....Kx condicionali stipulatione tantum spes est debitiim iri, eamque i]>sam spem
transmittimus, si, priusquam condicio existat, mors nobis contigerit. § 4 1. de V.
O. (III, 15).
Si quis „si Titins consul fuctus crit, decem dari" spopondeiit, quamvis pendente
condicione promissor moriatur, rclinquct hcicdem obligutum. Julian. 1. 57 1). de V.
O. (XXXXV, 1).
-ocr page 199-
182
Legato sub condicionc rclieto si hercs, a <pio sub condicionc lcgatnm est, pendcntc
condicione moriatur, beredem suum obligatum relinquit. Panl. 1. f>5 D. de cond. et
dem. (XXXV, 1).
Si post dicm legati ccdcntcm legatarius decesserit, ad beredem suum transfert
lcgatum. — Sed si sub condicionc sit Icgatnm rclictum, non prins dies legati cedit
quam condicio fucrit implcta, nu qnidem si ca sit condicio, <|iiac in potestate sit
legatarii. V\\\\>. 1. 5 pr., § 2 I). quando dies leg. (XXXVI, 2).
Nccessario Bcicndum est, quando perfecta sit emptio: tune onim sciemus, cujus
periculntn sit: nam perfecta emptione pcriculum ad empturenf respicict. Et si id
quod vcnierit apparcat quid quale quantum sit, sit et pretitim, et purevenit, perfecta
est emptio: quod si sub condicionc res vcnierit, si qnidem dcfecerit condicio, ïiulla
est emptio, sicuti nee stipulatio: quod si cxstitcrit, Proculus et Octavcnus emptoris
cssc periculiun ajunt: idem Pomponius libro nono probat. Quod si penden te condi-
cionc emptor vel venditor dccesseiït, constat, si cxstitcrit condicio, hercdes qnoque
obligntos csEe quasi jam contracta emptione in practcritnm. Quod si pendcntc condi-
cione res tradita sit, emptor non potent cam nsuenpcre pro emptore. Et quod pretii
solutitm est repetctur et fructns medii temporis venditoris simt (sicuti stipnlationcs
et legata condicionalia perctnuntur), si pendcntc condicionc res cxstincta lucrit: sunc
si exstet res, licet detcrior effecta, potest dici cssc damnnm emptoris. Paul. 1. 8 pr.
1). tic porie, et coinm. (XVIII, (i).
Op deze wijze worden de verschillende werkingen der voorwaardelijke
rechtshandeling verklaard, ook zonder dat men zijne toevlucht neemt tot
de fictie der terugwerkende kracht. Door de vervulling wordt niet het
tusschentijdvak uitgewischt en alles zoo beschouwd, alsof de rechts-
handeling nooit voorwaardelijk geweest ware, maar de vervulling neemt
alleen de bestaande onzekerheid weg. De onzekere werkingen, die er
reeds waren, worden nu zeker. Slechts in zoover kan men spreken van
terugwerk ing, als de beoogde rechtsgevolgen, die door de nu vervulde
voorwaarde zeker worden, niet door die vervulling worden te weeg ge-
bracht, maar uit do toen verrichte rechtshandeling voortvloeien. Het
heeft daardoor den schijn, als had de voorwaardelijke handeling volkomen
haar beslag gekregen op het oogenblik, waarop zij werd aangegaan.
Videamus, nn idem dicendum sit, si sub condicionc stipulationc facta hypothees
data sit, qua pendcntc tilius ercdidit pure et accepit tandem bvpothceam, tune deinde
prioris stipulationis exsistat condicio, ut potior sit qui postca credidisset. Sedvcreor,
num bic aliud sit dicendum: eum enim scmel condicio cxstitit, pcrinde babctur, ae
si illo tempore, quo stipulatio interposita est, sine condicionc facta esset. Quod et
mclins est. Gajus l. 11 § 1 I). qui pot. in pign. (XX, 4).
Si tilius familias sub condicionc stipiilatus cmancipatus fuerit, deinde cxstitcrit
condicio, patri actio competit, quia in Btipnlationibus id tempus spectatur quo cou-
trahimus. 1\'anl. 1. 78 pr. 1). de V. O. (XXXXV, 1).
Omiic aes alienum, quod manen te sucictatc contractum est, decommuni solvenditm
est, licet posteaquum soeictas distiacta est solutum sit. Igitur et si sub condicionc
promiserut et distiacta socictatc condicio cxstitit, ex communi solvcndum est: ideoqnc
si interim soeictas dirimatur, cautioncs interponendac sunt. l\'aul. 1. 27 D. pro socio
(XVII, 2).
§ 85. I)K TIJDSBEPALING.
Tijdsbepaling (dies) is dat bestanddeel der wilsverklaring, waardoor
eene tijdelijke grens wordt gesteld aan hare werking. Zij strekt of om
/
-ocr page 200-
183
het oogenblik te bepalen, waarop die werking zal beginnen {aanvangs-
termijn,
zoogen. dies a quó) of om het tijdstip aan te wijzen, waarop
zij zal eindigen (eindtcrmijn, zoogen. dies ad quem). De tijdsbepaling
brengt, anders dan de voorwaarde, geene onzekerheid in de werking der
rechtshandeling te weeg.
Circa diem duplex inspectio est: nam vol ex die incipit obligatio ant confertur in
diem. Ex die veluti „kalendis Martiis dure spondes?" eujus natura haec est, ut
ante diem nun exigatur. Ad diem autetll „usque ad kalendas dare spondes ?".... •
Paul. 1. 44 § 1 I). de O. et A. (XXXX1V, 7).
Het effect van den aanvangstermijn bestaat hierin, dat het recht niet
kan worden uitgeoefend vóór den vastgestelden dag. Eerst wanneer de
termijn is verschenen, kan de schuldeischer betaling verlangen (zie hier-
onder § 210); de verjaring der vordering begint eerst op dat oogenblik
te loopen (zie hieronder § 110); eerst dan is de schuld vatbaar voor
compensatie (zie hieronder § 213). Daar er evenwel geene onzekerheid
bestaat, is er niet slechts eene verwachting, maar kan men reeds dadelijk
van een recht spreken (dies cedit, sed nondum venit), dat op de
erfgenamen overgaat, ook bij verkrijging ter oorzaak des doods. Betaalt
de schuldenaar bij vergissing vóór den termijn, dan kan hij niet als
onverschuldigd betaald terugvorderen (zie hieronder § 203, n°. 1). Over
de vraag, of men zich moet voorstellen dat de tijdsbepaling het recht
zelf, of wel dat zij alleen de uitoefening daarvan opschort, bestond reeds
onder de Romeinsche juristen verschil van opvatting. Heet het eenerzijds:
,.dies adjectus efficit, ne praesenti die pecunia debeatur",
of „ex die incipit obligatio" — anderzijds leest men: „praesens
obligatio est", of „statim quidem debetur, sed peti prius
quam dies veniat non potest" (§ 2 I. de V. O., III, 15).
„Ccderc diem" signifieat incipere debcri peenniam: „renire diem" significat eum
diem vcnisse, tjuo pecunia peti possit. l\'bi pure (pus stipulatua fuerit, et eessit et
venit dies: ubi in diem, eessit dies, sed nondum venit: ubi sub eondieione, neque
eessit neque venit dies pi-ndente adhlic eondieione. I\'lp. 1. SIS pr. D.deV. S.(I>, 16).
Si dies adposita legato non est, praesen:: debetur aut eonfeslim ad eum pertineteui
datum est: adjeeta qoamvis longa sit, si certa est, veluti kalendis Januariis centesimis,
dies quidem legati statim eedit, sed ante diem peti non potest.... Paul. 1. 21 pr. D.
quandu dies leg. (XXXVI, 2).
Si post diem legati eedentem legatarius decesserit, ad heredem suum transfert
legatum. 1 \'lp. 1. 5 pr. I). eod.
In diem debitor adeo debitor est, ut ante diem solutum repotere non possit. Paal.
1. 10 I). de cond. ind. fXII, G).
Si primus, qui sine bvpotheea credidit, post secundum, qui Utrumque fecit, ipse
bypothecutn aeeepit, sine dubio posterior in hypotlieca est: unde si in diem de
hypotheca cunvenit, diibitim non est, qtiin potior sit, Heet ante diem eum alio ere»
ditore pure de eadem re eonver.it. Marcian. 1. 12 § 2 D. qui pot. in pign. (XX, 4).
Quacsitum est, si nondum dies pensionis venit, au et medio tempore persequi
pignora permittendum sit. Kt puto dandam pignoris porsecutionem, quia interest
mea: et ita Celsus seribit. 1\'lp. 1. 14 pr. I). de pign. fXX, 1).
I\'lane si ex die proprietas alicui legata sit, usus fructus pure, dieendum esse l\'om-
ponius ait remittendain esse liane eautionem fruetuario, quia certum sit ad eum
-ocr page 201-
184
proprietatem vel ad hevcdem ejus pcrventuratn. l\'lp. ). 9 § 2 D. usufr. qucmadm. (VII, 9).
„Ccntensimis kalendis dan" utiliter stipulamur, qnia pracsens obligatio est, in diem
autem dilata solutio. Paul. 1. 4G pr. D. de V. O. (XXXXV, 1).
Quotiens autem in obligationibus dies non ponitur, pracsenti die pecunia debetur,
nisi si loens adjectus spatium temporis inducat, quo illo possit pervcniri. Vernm
dies adjectus cffieit, ne pracsenti die pecunia debeatur: ex qno apparet diei adjec-
tionem pro rco esse, non pro stipulatore. l\'lp. 1. 41 § 1 I). eod.
De strekking van den eindtermijn is om de werking der rechtshandeling
te doen ophouden, wanneer de bepaalde dag is aangebroken. Bij erfdienst-
baarheden en stipulaties heeft evenwel het Romeinsche Recht aan den
eindtermijn die kracht niet toegekend: naar civielrecht duurt do rechts-
betrekking voort, doch de Praetor geeft eene exceptie, indien de recht-
hebbende nog na den termijn het recht wil doen gelden.
l\'sus fructus et ex certo tempore et usque ad certum tempus et alternis annis
adjudicari potest. l\'lp. 1. 1G § 2 I). lam. ere. (X, 2).
// Servitutes ipso quidem jure neque ex tempore neque ad tempus neque sub condi-
cione nc(iue ad certum condicionem (verbi gratia „quamdin volam") constitui possunt:
sed tarnen si haec adieiantur, pacti vel per doli exceptionem occurrctur contra placita
servitutem vindicanti: idque et Sabinum respondisse Cassius rettulit et sibi placere.
Papin. 1. 4 pr. I). de serv. (VIII, 1).
.....Placet nutem ad tempus obligationem constitui non ])ossc non magis quam
legatum: nam quod alicui deberi coepit, eertis modis desinit deberi. 1\'lane post
tempus Btipulator vel pacti conventi vel doli mali exeeptione summoveri poterit....
Paul. 1. 44 § 1 1). de O. et A. (XXXXIV, 7).
Qui ita stipulatur: „dcecin, quoad vivam, dari spondes?", conl\'estim decem recto
dari petit: sed heres cjus exeeptione pacti conventi summovendus est: nam 8tipula-
torem id egisse, ne heres ejus peteret, palam est, quemadmodum is, qui usque in
kalendas dari stipulatur, potest quidem ctiam post kalendas petere, sed exeeptione
pacti summovetur. Nam et heres ejus, eui servitus pracdii ita coneessa est, ut, quoad
vivcret, jus eundi habcret, pacti conventi exeeptione submovebitur. Julian. 1. 5G § 4
1). de V. 0. (XXXXV, I).
Si praediorum proprietatem dono dedisti ita, ut post mortem ejus qui acecpit ad
te rediret, donatio valet, cum etiam ad tempus certum vel ineertum ea lieii potest,
lege scilicet quae ei imposita est conservanda. Dioel. et Maxim. I. 2 C. de donat.
qiiac sub modo (VIII, f>4;; vgl. Fragm. Vat. § 283.
Naast den volkomen bepaalden termijn, onderscheidt men de termijnen
die zijn aangewezen
a. door eene gebeurtenis, waarvan het wèl zeker is dat, maar niet
iranncer zij zal plaats hebben. Deze tijdsbepaling werkt als een termijn,
behalve bij uiterste wilsbeschikkingen, omdat het daar onzeker is, of de
bevoordeelde die gebeurtenis zal beleven;
Nam si cum moriar dare promisero et antea solvam, repetere me non posse Celsus
ait: quae sententia vera est. l\'lp. 1. 17 1). de cond. ind. (XII, fi).
„Heres meus, cum morictiir Titins, centum ei dato." Purum legatum est, quia
non condicione, sed mora suspenditur: non potest enim eondicio non existere. —
„Heres meus, cum ipse morietur, centum Titio dato."1 Legatum sub condicione
relictum est: quamvis enim lieredein tnoritiirum certum sit, tarnen ineertum est, art
legatario vivo. Dies legati non cedit et non est certum ad eum legatum perventurum.
Papin. 1. 71» pr., § 1 D. de cond. et dem. (XXXV, 1).
Dies incertus condicionem in testamento facit. Papin. 1. 75 D. eod.
/
-ocr page 202-
185
b.   door eene gebeurtenis, waarvan het onzeker is öf, maar zeker op
welk oogenblik
zij eventueel zal voorvallen. Deze tijdsbepaling is in den
regel als voorwaarde bedoeld en werkt dan als zoodanig. Uitlegging der
wilsverklaring kan echter ook leiden tot dit resultaat, dat enkel eene
opschorting is beoogd;
Si Titio, „cum is annorum qnattuordecim esset Cactus", legatum fucrit et is ante
quartum dccimum aniium dccesserit, verum est nd heredem ejns legatum non trans-
ire, quonium non solum diem, sed et condicionem hoc legatum in se continet „si
effectus csset annurum quattuordceim", qui antem in rernm natnra non esset, annorum
qnattnordecim esse non intcllegcrctur. Xec interest, utrum scribatur „si annorum
qnattuordecim factus erit" an ita, cum ]>ri<no scriptura per condicionem tempus
demonstratnr, sequenti per tempus condicio, utrubique tarnen cadem condicio est.
Pomp. 1. 22 pr. D. quaiido dies leg. (XXXVI, 2).
Sejus Satnrninus archigubernus ex classe Britnnnica testnmento fiduciarium reliquit
heredem Valcrinm Maximum trierarchum, a quo petit, ut fdio siio Sejo Oceano,
cum ad annos sedecim pervcnisset, hereditatcm restitueret. Sejus Occanus antequam
implerct annos, defunctus est: umie Mallius Seneca, (jui se avunculum Scji Oceani
dicit, proximitatis nomine haec bona petit, Maximus autem trierarchus sibi ea vin-
dieat ideo, qnin defunctus est is cui restituere jussus erat. Quaero ergo, utrum liacc
bona ad Valerium Maximum trierarchum heredem fiduciarium pertineant an ad
Mallium Scnccam, qui se pucri dcfuncti avunculum esse dicit. Rcspondi: si Sejus
Oceanus, cui fideicommissa hereditas ex tcstamento Seji Saturnini, cum annos sedecim
haberet, a Valerio Maximo fiduciario herede restitui debeat, priusquam praclinitum
t<• 1111>us aetatis imjileret, decessit, liduciaria hereditas ad cum pertinet, ad quem
cetera bona Oceani pertinucrint, quoniam dies fideieommissi vivo Oceano ecssit,
scilicet si prorogando tempus solutionis tutelam magis heredi fiduciario permisisse,
quam incertum diem fideieommissi constituisse videatur. Javol. 1. 48 D. ad SC\'. Treb.
(XXXVI, 1).
Zie 1. 12 t\'. de usu fr. (III, 33).
c.   door eene gebeurtenis, waarvan het onzeker is df, en ook onzeker
wanneer zij eventueel zal plaats hebben. Hoewel gekleed in den vorm
van een termijn, werkt deze beschikking als eene voorwaarde.
.....At si incerta, quasi „cum pubcs erit", „cum in familiam nupsent\'\', „cum
magistratum inierit" cum aliquid demum, quod scribent] comprebendcre sit commo-
dum, feeerit: nisi tempus condiciovc optigit, ncqnc res pertincre neqnc dies legati
ccdere potest. Paul. 1. 21 pr. T). quando dies leg. (XXXVI, 2).
Cum testator libertatem tempore nuptiarum lilii sni vel tiliae servo darijussit, non
tempus praestandae libertati praestituit, sed potius condicioni locum fecit, ut non
insecutis nuptiis libertas jure ]>osei non possit, Philipp. 1. 8 C. do test. mamim. (VII, 2).
Ten slotte zij opgemerkt, dat dezelfde rechtshandelingen, die geene
voorwaarde dulden, ook geene tijdsbepaling toelaten. Bij de adoptie en
de erfstelling echter maakt de tijdsbepaling de handeling niet nietig,
maar wordt zij voor niet geschreven gehouden.
Quaesitiim est, si tibi filius in adoptioncm l-.ac lege sit datns, ut post triennium
puta etindem mihi in adoptioncm des, an actio ulla sit. Kt. I.abeo putat imllam esse
actionem: nee enim moribus nostris convenit iilium tcmporalcm haberc. Paul. 1. 34
1). de adopt. (I, 7).
Hereditas ex die vel ad diem non recte datur, sed vitio temporis sublato manet
institutio. Papin. 1. 34 D. de hered. inst. (XXVIII, 5).
-ocr page 203-
186
§ 8G. DE LAST.
De last (modus) is eene bepaling, die alleen voorkomt bij erfstellingen,
legaten en schenkingen en dus van beperkter toepassing is dan de voor-
waarde en de tijdsbepaling. De last bestaat hierin, dat den ontvanger de
verplichting wordt opgelegd om hetgeen hij aldus om niet verkrijgt ge-
heel of gedeeltelijk te besteden voor een aangewezen doel (bijv. tot het
bouwen van een weeshuis) of om eene bepaalde handeling te verrichten
(bijv. een slaaf vrij te laten).
Quod si cui in hoe lcgatum sit, ut ex eo aliquid fuecret, veluti monitmcntum tcs-
tatori vel opus aut epulum munieipibus faceret, vel ex co ut partcm alii rcstitueret:
sub modo legatum vidctur. Gnjus 1. 17 § 4 D. de cond. et dem. (XXXV, 1).
De werking van den last verschilt van die der voorwaarde. Do last
schort niet op, zoodat er altijd overgang plaats heeft op de erfgenamen
van den bevoordeelde. Anderzijds neemt degene die het hem toegedachte
aanvaardt de verplichting op zich, om den last uit te voeren. „Die Be-
dingung suspendirt, zwingt aber nicht; der Modus zwingt,
suspendirt aber nicht" (Savigny). De voorwaarde eischt, dat er
iets gebeurt om te kunnen verkrijgen; de last brengt mede, dat men iets
doet met hetgeen men verkregen heeft. Bij de beschikking onder een
last kan de bevoordeelde volstaan met zekerheid te stellen; de buiten
zijne schuld veroorzaakte onmogelijkheid der vervulling is, anders dan
bij de voorwaarde, voor hem onschadelijk. Een en ander heeft ten ge-
vol go, dat de last in sommige gevallen voor den gever een geschikter
middel is dan de voorwaarde om het doel te bereiken, zoo bijv. waar
de last bestaat in eene voortdurende verplichting of waar groote onkosten
noodzakelijk zijn: de bevoordeelde kan dan dadelijk in het bezit treden
van hetgeen hem is toegedacht, en daaruit de kosten bestrijden.
Hac seriptura tcstamcnti „Famphilus liber esto, ita ut filiis meis rationcm rcddat"
au sub condicione libertas data videretiir, qiiacsitum est. Respondi pure quidem datara
libertatem et illam udjectioncm „ita ut rationes nddat" condicionem libcrtati non
injiecrc: tarnen quia manifesta voluntas testantis exprimeretur, cogendum eum ad
rationes reddendas. Julian. 1. 17 § 1 I). de manum. test. (XXXX, 4).
Maevia decedens servis suis nomine Saeco et Eutvchiae et Irenae sub condicione
libertatem rcliquit his verbis: „Saeeus servus meus et Eutychia et Irene aneillae
mcac omnes sub hac condicione libcri sunto, ut monumento meo alternis mensibus
lucernam accendant et sollcmnia mortis peraganT": quaero, eum adsiduo monumento
Maeviac Saccus et Eutychia et Irene non adsint, au libcri essc possunt. Modestinus
respondit ncque eontextum verborum totius scripturac ncque mentem testatricis cam
esse, ut libertas sub condicione suspensa sit, eum libcros cos monumento adesse
voluit: officio tarnen judicis cos cssc compellendos testatricis jussioni parcre. Modest.
1. 44 ]). eod.
Mortuo autem vel manumisso Stiebo vivo testatore qui ita hercs institutus est, si
jurasset se Stichum manumissurum, non videbitur defectus condicione hercs, quamvis
verum sit compellendum eum manumittere, si vivcret. Idem est et si ita bcres insti-
tutus esset quis: „Titius hercs csto ita, ut Stichum manumittat" aut „Titio centum
ita lego, ut Stichum manumittat". Nam mortuo Sticho nemo dieet summoveiidum
/
-ocr page 204-
187
eum: non videttir cnim dcfcctus condicionc, si parcre condicioni non possit: implcnda
est cnim voluntas, si potcst. ITlp. 1. 8 § 7 D. de cond. inst. (XXVIII, 7).
In legatis quidcm et fideicommissis etiam modus adscriptus pro eondicione obser-
vatur. Scd si per te non stat, quominus voluntati testatoris pareus, sed per eum, cui
nubcre jussa es, quominus id qtiod til>i rclictum est rctineas, non oberit. Antonin.
1. 1 C. de his qiiac sub modo (VI, 45).
Indien de erflater of schenker geacht moet worden geen enkel geldelijk
of zedelijk belang te hebben gehad bij de vervulling van de opdracht,
zoo geldt deze meer als een wensch of raad, dan als een last.
Titio centum ita, ui ftindum cmat, legata simt: non esse cogenditm Titium cavere
Sextus Cnecilius cxistimat, quoniam ad ipstim dumtaxat emolnmentnm legati rediret.
Sed si filio fiatri alumno minus industiio prospectum esse voluit, interesse heredis
eredendum est ut<[iie ideo cautionem interponendam, ut et fundus comparctur ac
postea non alienarctur. 1\'apin. I. 71 pr. 1). de cond. et dem. (XXXV, 1).
Door verschillende dwangmiddelen wordt gezorgd, dat de bevoordeelde
inderdaad den last volbrengt, voor zoover deze althans niet strijdt met
de wet of de goede zeden. Vooreerst wordt van hem zekerheidstelling
geëischt, alvorens hij de making of schenking verkrijgt. Verder kan de
schenker, of de erfgenaam van den overledene, of de derde die uit den
last voordeel zou trekken, of onder omstandigheden de Overheid tot
nakoming van den last ageeren. Eindelijk kan somtijds het geschonkene
worden teruggevorderd.
Si qnis eum, qiiem ipsc manumiüere non poterat, legaverit ita, ut eum legatarius
manumittcret, etsi a legato non repellatur, non est compcllcndns, ut maunmittat,
quoniam totiens secundum roluntatcm testatoris faeere compcllitur, quotiens contra
legem niliil sit futurum. Idquc Ncratius scripsit, et tarnen a legato non esse eum
repellendum, quoniam magis legatarium aliquid eommodum testator in hoc servo
quam heredem hubere voluisset. l\'aul. 1. 37 1). de eond. et dem. \'XXXV, 1).
Legatum eivitati rclictum est, ut ex reditibus quotannis in ca civitate memoriac
conservandae defuncti gratia spectaculum celebrctur, quod illic eclebrari non licet:
quacro, ([uid de legato existimes. Rcspondit, eum testator spectaculum edi voluerit
in civitate, sed tale, qtiod ibi eclebrari non liect, iniquum esse liane quantitutem,
quam in Bpcctaculum dcfiinctus destinaverit, lucro licrcdum cedere: igitur adhibitis
heredibus et primoribus ciwtatis dispieiendum est, in quam rem conrerti debcat fidei-
commissum, ut mernoria testatoris alio et licito genere celebrctur. Modest. 1. IC 1).
de usu et ustt 1\'r. (XXXIII, 2).
Thermus minor quorum arbitratu monumentum sibi ficri relict testamento scribse-
rat, deinde ita lcgavcrat: „Lueiis I\'ubliia Corncliis ad monumentum meum acdilican-
dum mille heres mcus dato." Trebntius respondit pro eo habendum ai\' si ita legatum
esset, si satisdedissent se ita id monumentum ex ca pecunia l\'acturos. Labco Trcbatii
sententiam probat, quia haee mens testantis fuisset, ut ea pecunia in monumentum
consumcretur: idem et ego et Proculus probamus. Javol. 1. 40 § 5 1). de eond. et
dem. (XXXV, 1).
Cum in testamento scriptum est: „Stichum Titio lego" vel „lieres mens dato ita,
ut cum Titius roanumittat", dixi petenti legatario Stichum cxeeplionem doli mali
obstaturam, nisi caverit se libertatem secundum voluntatem defuncti praestaturum.
Julian. 1. 48 1). de lideicomm. lil). (XXXX, 5).
Legem, quam rebus tuis donando dixisti, sive stipulatione tibi prospexisti, ex stipulattt,
sive non, incerto judieio (id est praeicriptia verbis) apud praesidem provinciae debca
ageie, ut liane impleri providcat. Diocl. et Maxim. 1. \'J t\'. de douat. (Vlll, 53).
-ocr page 205-
188
Dictam lcgem donationi, si non impossibilom continent cansnm, ab eo (|iii hanc
suscepit non implctam condictioni facere locum juvis dictat disciplina. Quaproptér si
titulo liberalitatis ros tuas in sponsam confercndo certam dixisti legem, nechuicilla,
cum possct, paruit, successores ipsius do repetendis quac dcdcras, si hoc tibi placu-
erit, convcnirc non prohibcris. Diocl. et Maxim. 1. 8 C. de cond. ob caus. dat. (IV, 6).
Idom qnaerit, si ijnis testamento cavcrit, ut servus exportandus veneat, officio
familiae erciscunduc judicis contineri, nt vohintas defuncti non intercidat. Sed et
cum monnmentum jnssit testator fieri, familiaal evciscundae agent, ut fiat. Idem
tarnen temptat, quia heredum interest, quos jus monumenti sequitur, praescriptis
verbis posse cos experiri, ut monnmentum fiat. Ulp. 1. 18 § 2 I). fam. ere. (X, 2).
Si defuncto monnmentum condie:onis implendae gratia bonae fidei possessor fecerit,
potest clici, quia voluntas defuncti vel in hoe servanda est, utique si probubilem
modum faciendi monumenti sumptus, vel quantum testator jusscrit, non excedat,
cum, cui aufertur hereditus, impensas ratione doli exce|)tione aut reten turum aut
aetione ncgotionim gestorum re]ietiturum, veluti hereditario ncgotio gesto: quamvis
enim stricto jure nulla teneantur actione heiedes ad monnmentum fnciendum, tarnen
principali vel pontificali auctoritate com]>elluntur ud obscciuium supremae voluntatis.
Papin. 1. 50 § 1 D. de II. 1\'. (V, 3).
Zie verder 1. 7 D. de ann. leg. (XXXIII, 1).
§ 87. ONGELDIGHEID DER BF.CHTSIIANDELINGEN.
Het begrip ongeldigheid omvat alle gevallen, waarin eene rechtshande-
ling de beoogde rechtsgevolgen mist, omdat in eenig opzicht gehandeld
is in strijd met de eischen van het recht, of omdat er later iets gebeurd
is, waardoor het geldig bestaande krachteloos wordt gemaakt. De ongel-
dige handeling bevat dus altijd iets gebrekkigs: zij mag niet werken, in
tegenstelling van die handeling, waarbij volstrekt niets is verricht in
strijd met het recht, maar die ten gevolge van toevallige omstandigheden
niet kan werken, bijv. eene overeenkomst onder eene voorwaarde, die
niet wordt vervuld.
De oorzaken der ongeldigheid zijn velerlei. Zij staan in verband met
de vereischten van de rechtshandeling in het algemeen en van elke rechts-
handeling in het bijzonder. Zoo kan eene rechtshandeling ongeldig zijn,
omdat de handelende persoon onbevoegd is (zie hierboven § 74), omdat
de vereischte wil of wilsovereenstemming niet bestaat (zie hierboven § 75),
omdat den wil een gebrek aankleeft (bijv. bij dwang of bedrog, zie
hierboven §§ 79—81), omdat de voorgeschreven vorm niet is in acht
genomen (zie hierboven § 7G), omdat een der noodzakelijke bestanddeelen
ontbreekt, omdat de handeling strijdt met de goede zeden of met een
wettelijk verbod (zie hierboven § 77).
Wanneer eene rechtshandeling ongeldig is, vloeit dit altijd hieruit voort,
dat zij in een of ander opzicht strijdt met het recht; het omgekeerde:
alles wat strijdt met het recht, is ongeldig — gaat niet algemeen door
(zie hierboven § 13).
De ongeldigheid wordt onderscheiden in
I. Nietigheid en vernietigbaarheid. Eene nietige rechtshandeling (nego-
tium nullum) bestaat slechts in schijn, maar rechtens niet; zij brengt
/
-ocr page 206-
189
geenerlei rechtsgevolg te weeg. Eenig rechtsmiddel tot hare vernietiging
is niet noodig: wat nietig is, behoeft niet meer vernietigd te worden.
Hoogstens kan eene rechterlijke uitspraak noodig zijn, om de nietigheid
te constateeren.
De vernietigbare rechtshandeling (negotium quod rescindi potest)
daarentegen bestaat, en oefent hare gewone rechtsgevolgen uit, totdat zij
op vordering van eene der partijen door middel van eene actie of exceptie
wordt vernietigd (bijv. in geval van bedrog of dwang, zie hierboven
§§ 80, 81). Maakt de partij van deze bevoegdheid geen gebruik, dan
blijft de handeling bestaan.
Dit onderscheid tusschen nietigheid en vernietigbaarheid der rechts-
handelingen openbaart zich in verschillende opzichten. De vernietigbare
verbintenis kan door pand of borgtocht verzekerd worden, de nietige niet.
De vernietigbare handeling kan alleen worden aangevallen door hem, in
wiens belang de vernietigingsgrond door het recht is aangenomen; de
nietige is ten aanzien van alle belanghebbenden krachteloos. De ver-
nietigbaarheid kan worden opgeheven, doordien afstand wordt gedaan
van het middel waardoor men de handeling zou kunnen aantasten; de
nietigheid werkt van rechtswege en kan niet worden opgeheven. De ver-
nietiging werkt eerst in de toekomst; de partijen worden echter zooveel
mogelijk in haren vroegeren toestand hersteld, behoudens de inmiddels
door derden wettig verkregen rechten. De nietige handeling heeft in liet
geheel geene gevolgen; herstel komt dus ook niet te pas.
Si a furioso stipulatus fueris, non posse te lidejussorem accipcrc ccrtum est, quia
non solutn ipsa stipulatio nulla intercessissct, sed nu negotium quidetn ullum gestum
intcllcgitur. Quod si pro furioso jure obligato fidejussorem acccpcro, tenetur fidc-
jussor. Gajua 1. 70 § 4 I). de fidej. (XXXXVI, 1).
Si per vim vel metum mortis aut crueiatus corporis venditio vobis extorta est et
non postea cam coiiscnsu roborastis, juxta perpetui lormam edicti intraannnm qaideon
agentes, quo experiundi potestas est, si res non restituatur, quadrupli rcferetis con-
dcranationem, seilicet reddito a vobis pretio: post annnm vero causa cognita cadem
actio in simplum permittitur: quae causae cognitio eo pertinct, ut ita demum decer-
imtur, si alia actio non sit. Gordian. 1. 4 C. de his quae vi (II, 19).
Facta redbibitione omnia in integrum rcstituuiitur, "perinde ac si neque emptio
neque venditio intercessit. 1\'aul. 1. GU D. de aed. ed. (XXI, 1).
II. De ongeldigheid is geheel of gedeeltelijk. Soms strekt zij zich uit
over de geheele rechtshandeling, bijv. wanneer deze verboden is, of er
een gebrek schuilt in don vorm, of wanneer het ongeldige gedeelte een
noodzakelijk bestanddeel uitmaakt, of wanneer het geldige zoo nauw met
het ongeldige in verband staat, dat het daarvan niet kan worden afge-
scheiden. Is daarentegen de inhoud vatbaar voor splitsing, of betreft de
ongeldigheid alleen ondergeschikte punten, dan kan de rechtshandeling
gedeeltelijk gelden. De ongeldigheid kan ook in dien zin eene gedeelte-
lijke zijn, dat zij alleen bestaat ten opzichte van een der partijen (zoo-
genaamde hinkende contracten, zie bijv. hieronder § 139).
Cum principalis causa non consistit, nc ca quidem quae sequiintnr locum babent.
Taul. 1. 129 § 1 D. de lt. J. (L, 17).
-ocr page 207-
190
Flacuit, sive supra statiitum modum (|uis usuras stipulatus fuerit sive tisurarum
usurus, i[iiod illicite adjeotum est pro non udjecto haberi et lieitas peti posse. Mareian.
1. 29 ]). de usiir. (XXII, 1).
Sed si milü 1\'umpliiliim stipulanti tu I\'utnphiliim et Stichum spoponderis, Sticlii
adjectionem pro supervacuo liabendam puto: nam si tot simt stipulationes, «piot cor-
pora, duae simt quodammodu stipulationes, una ntilis, alia inutilis, neqtte vitiatur
utilia per liane iiiutilem. Vip. I. 1 § 5 D. de V. O. (XXXXV, 1).
Si vir uxori vel contra quid vendiderit vero pretio et donationis causa paciscantur,
ne quid venditor ob eam rem praestct, ridendum est, quid de ca venditionc ogatur,
utruin res venierit et totum liegotium valcat, an vero ut ca sola paetio irrita sit,
qucmadmodum irrita essct, si post contraetam emptionem novo consilio inito id paeti
fnisset actum. Kt verius est pactum dumtaxat irritum esse. 1\'omp. 1. 31 § 4 I). de
don. i. v. et u. (XXIV, 1).
Si quis a pupillo sine tutoris auctoritate cmerit, ex uno latere constat contractns:
nam qni emit, obligatus est pupillo, pupilliim sibi non obligat. lTlp. 1. 13 § 29 I).
de act. empt. vend. (XIX, 1).
III. De ongeldigheid is oorspronkelijk of later ontstaan. Zij is oor-
spronkelijk, wanneer zij der rechtshandeling van den aanvang af aankleeft;
later ontstaan, wanneer zij het gevolg is van omstandigheden, die zijn
voorgevallen, nadat de rechtshandeling is tot stand gekomen. In het
laatste geval wordt de oorspronkelijk geldige rechtshandeling zoodanig
van hare kracht beroofd, dat het is alsof zij nooit een wettig bestaan
had gehad (rumpitur, irritum fit).
Welke omstandigheden oefenen zulk eenen vernietigenden invloed op
geldig tot stand gekomen rechtshandelingen\'? Wordt de handeling ongel-
dig, telkens wanneer er eene omstandigheid plaats heeft, die, indien ze
tijdens het tot stand komen der handeling had bestaan, haar van den
aanvang af ongeldig zou hebben gemaakt? De Romeinen laten zich bij de
beantwoording dier vragen in elk bijzonder geval leiden door practische
overwegingen.
Aan den eenen kant blijven bijv. huwelijk en testament gelden, al
wordt de echtgenoot of erflater daarna krankzinnig; eene overeenkomst
houdt stand, al verliezen de partijen na hare afsluiting de handelings-
bekwaamheid.
Non est novum, ut quae semel utiliter constituta sunt, durvnt, lieet ille casus exsti-
terit, a quo initium capere non potiierunt. Paul. 1. 85 § 1 V). de It. J. (L, 17).
ICx contrario si dcbitor creditori suo quod debet legaverit, inutilc est Icgatum, si
nihil plus est in legato quant in debito, quia nihil amplius habet per Icgatum. Quodsi
in diem vel sub condieionc debitum ei pure legaverit, utile est Icgatum propter
repraesuututioncm. Quodsi vivo testatore dies venerit aut condicio extiterit, Papini-
anus scripsit utile esse nihilo minus Icgatum, quia seniel constitit. Quod et vcrum est:
non cnim placuit sententia existimantiurn extincttim esse Icgatum, quia in eum cau-
sam pervcnit, a ipia incipere non potest. § 14 I. de legnt. (II, 20).
Si quis antem testamentum t\'eeerit, deinde amiserit testament! I\'.ietionem vel furore
vel quod ei bonis interdictum est, potest ejus peti bonurum possessio, quia jure
testamentum ejus valet: et hoc generaliter ile omnibus hujusmodi dicitur, <iui amit-
tant mortis tempore testamenti factioncm, sed ante factum eorum testamentum valet.
l\'lp. I. 1 § 9 I). de bon. poss. sec. tab. (XXXVII, 11).
Ktsi placeut extingui obligatiouem, si in eum easum ineiderit, u ipio incipere non
/
-ocr page 208-
191
potcst, non tamcn hoc in omnibus vcrnm est. Kcce stipulari viam itcr actnm ad
fluïdum oommiuicm socius non potcst, et tamcn si is, c(iii stipulatus fucrat, duos
heredes reliquerit, non extinguitiir stipulatie). Et per partcm duminortim Bcrvitus
adquiri non potcst, adquisita tamcn conservator et per partcm domini: hoc evenit,
si pars pracdii servientis vel cui servitur alterius dumini essc cocperit. Paul. 1. 140
§ 2 D. de V. O. (XXXXV, !).
Aan den anderen kant verliezen huwelijk en testament hunne kracht,
wanneer de echtgenoot of erilater het burgerrecht verliest; het testament
wordt ongeldig, wanneer de erflater een zoon adopteert of hem een zoon
geboren wordt. Zoo vervalt ook de verbintenis, wanneer de bepaalde zaak ,
die daarvan het voorwerp is, te niet gaat (zie hieronder § 214, II).
Alio quoque modo testamenta jure facta inlirmantur, vclnti cum is qui feccrit
testamentum, capite deminutus sit; quod quibus modis accidat, primo commentario
relatum est. Gajns, lust. 11 § 145.
Irritiim tit testamentum, quotiens ipsi testatori aliquid contigit, puta si civitatem
amittat per subitam servitutcra, ab hostibus verbi gratis captus, vel si major aniiis
viginti vcniim se dari passus sit ad actum gerendum pretiumvc participandum. 1\'lp.
1. 6 § 5 D. de injusto (XXVIII, 3).
Si quis post faetum testamentum adoptavcrit sibi lilium aut per populum eum qui
sui juris est, aut per praetorem cum qui in potestate parentis fuciit, omni modo
testamentum ejus rumpittir quasi agnatione sui heredis. Gajus, lust. II § 138.
Existimo possu id quod mcum est sub coiidicione stipulari, item viam stipulari ad
finidnm pusse, quumqttam interim fuudiis non sit meus: aut, si hoc verum non est
et alienum fundiim sub eondicione stipulatus fuero isque ex lucrativa causa meun
esse coeperit, confestim percmcrctiir stipulatio, et si fundi domimts sub eondicione
viam stipulatus fuerit, statim fiindo alienato evanescit stipulatio, et maxime seeun-
dum illornm opinioiiem, qui etiam ea, quae rectc constiterunt, resolvi putant, eum
in eum casum recciderunt, a quo non potuissent consistere. Marccll. 1. \'J8 i>r. 1). de
V. O. (XXXXV, 1).
Item si servo alicno quid legatum fuerit et postea a testatore rcdemptus sit, legatum
cxstingnitiir: nam quae in cam causam pervenerunt, a qua incipere non poteriint,
pro non scriptis habentur. Marcian. 1. 3 § 2 D. de bis quae pro non scr. (XXXIV, 8).
IV. De ongeldigheid is tijdelijk of blijvend, naarmate de ongeldige
rechtshandeling van het haar aanklevend gebrek al of niet kan worden
gezuiverd. In het algemeen blijft de rechtshandeling ongeldig, ook al is
later de grond der ongeldigheid weggevallen.
Quod initio vitiosum est, non potcst tractu temporis convalesccre. Paul. 1. 20 D.
de R. J. (L, 17).
Omnia, quae ex tcstamento prolicisciintur, ita statum eventus capiunt, si initiutn
quoque sine vitio ceperint. Javol. 1. 2U1 D. eod.
Quae ab initio inutilis fuit institutio, ex postfacto convalesccre non potcst. Licinii.
Ruf. 1. 210 D. eod.
Indien degene, die zich op de ongeldigheid kon beroepen, de rechts-
handcling uitdrukkelijk of stilzwijgend erkent of bekrachtigt (zie hieronder
§ 88), nadat de reden der ongeldigheid heeft opgehouden te bestaan, of
indien hij door afstand van zijne middelen tot bestrijding of door ver-
jaring daarvan de bevoegdheid verliest om nietigverklaring te vorderen,
dan wordt de rechtshandeling te zijnen aanzien onaantastbaar. Maar men
-ocr page 209-
192
kan dan eigenlijk niet spreken van een geldig worden; immers, de
rechtshandeling werkte reeds als eene geldige, zij blijft nu als zoodanig
werken, omdat do mogelijkheid om haar te bestrijden wegvalt.
Ten slotte nog de vraag, of eene rechtshandeling die, om de eene of
andore reden ongeldig, niet de door partijen bedoelde rechtsgevolgen
heeft, maar wel alle vereischten voor eene andere in zich vereenigt, nu
als die andere werkt, m. a. w. of de oorspronkelijk bedoelde maar on-
geldige rechtshandeling nu wordt omgezet in eene geldige maar niet
bedoelde (zoog. conversio actus juridici). In het algemeen heeft deze
omzetting niet plaats, omdat de secundair mogelijke handeling door par-
tijen niet is bedoeld. Zoo geldt bijv. eene nietige stipulatie niet als
constitutum, het huwelijk van een 7 tot 14 jarige niet als verloving, het
voorgenomen maar ongeldige testament niet als codicil.
Het tegendeel wordt aangenomen, wanneer de partijen opzettelijk heb-
ben verklaard, dat, indien de handeling niet kan hebben de oorspronkelijk
bedoelde werking, zij althans de secundair mogelijke zal te weeg brengen
(zie over de zoogenaamde clausula codicillaris hieronder in het Erfrecht);
evenzoo, wanneer de beide rechtshandelingen, al is het in verschillenden
vorm, toch in hoofdzaak dezelfde werkingen hebben.
Euin, qui inutiliter stipulatus est, cum stipulari rolnerit, non constitni sibi, diccn-
dum est de constituta experiri non possc, quoniam non animo constitncntis, sed
promittentis t\'uctum sit. l\'lp. 1. 1 § 4 D. de pee. const. (XIII, 5).
Quaesitum est apud .Tnlianum, an sponsalia sint, ante duodecimum annum si
l\'ucrint nnptiac collatae. Kt sempcr Labeonis sententiam probavi existimantis, si
quidem praecesserint sponsalia, dur.ire ca, quamvis in domo loco niiptac csse
coepcrit: si vero non praecesserint, hoc ipso quod in domtim dcducta est non vidcri
sponsalia t\'acta. Quam sententiam 1\'apiniatius quoqnc probat. I\'lp. 1. 9 1). de spons.
(XXIII, I).
Saepissimc rescriptum et constitutum est cum, qui testamentum facerc opinatns est
nee voluit quasi codicillos id valere, vidcri nee codicillos fecisse: ideoque quod in
illo testamento scriptum est, licet quasi in codicillis poterit valere, tarnen non debetur.
l\'lp. 1. 1 I). de jure cod. (XXIX, 7).
Si miles, qui destinavcrat communi jure testari, ante defeccrit quam testaietur?
Pomponius dubitat. Sed cur non in milite diversum probet? Neque enim qui voluit
jure communi testari, statim bcnclicio miliiari renuntiavit, nee credendus est quis-
qiiam genus testandi eligce ad impugnanda sua judicia, sed magis utroque genere
voluisse proptcr fort ui tos casus: <niemadmodum plerique pagoni solent, cum tcstamenti
faciunt perscripturam, adicere veile hoi etiam vice codieillorum valere. Quicqiiam
dixerit, si imperfectum sit testamentum, codicillos non csse, nam secundum nostram
sententiam etiam dirus Marcus rescripsit. l\'lp. 1. 3 ï). de test. mil. (XXIX, 1).
An iuutilis acceptilatio utile habcat pactum, quacritur: et nisi in boe qiioque contra
sensum est, liabet pactum. Dieet aliquis: potest ergo non csse consensus? cur non
possit? Fingamus cum, qui accepto ferebat, scientem prudentemque nullius esse
motnenti uceeplilationcm sic accepto tulisse: quis dubitat non csse pactum, cum con-
sciisum paciscendi non habuerit? l\'lp. 1. 8 pr. I). de accept. (XXXXVI, 4).
Cum emptor venditori vel emptori venditor acceptum l\'aciat, voluntas utriusqiie
ostenditur id agentis, ut a negotio disecdatur et perinde babeatur, ac si convenisset
inter cos, ut neuter ab altero quicquam peteret, sed ut evidentius appareat, accepti*
latio in hac causa non sua natura, sed potcstate conventionis valet. Julian. 1. f> pr.
D. de resc. vend. (XVIII, 5).
-ocr page 210-
103
§ 88. BEKBACHTIGUTO , <i(>EDKEÜKlN<i VAN AANGEUANE BECHT8-
1IANDEI.1NOEN.
In verschillenden zin kan er sprake zijn van uitdrukkelijke of stil-
zwijgende erkenning, bevestiging of bekrachtiging eener door ons zelf of
door een ander verrichte, maar ongeldige of nog niet voltooide rechts-
handeling (ratiliabüio).
Men onderscheidt de volgende gevallen:
I.   Eene nietige rechtshandeling kan niet bevestigd worden, al is ook
de reden der nietigheid weggevallen: wat niet bestaat, kan niet bekrach-
tigd worden. Het eenige wat partijen kunnen doen is dat zij de handeling
opnieuw verrichten, waarbij alle vereischten aanwezig moeten zijn en
alle vormen in acht genomen moeten worden: dan wordt niet eene be-
staande handeling bekrachtigd, maar eene nieuwe aangegaan. Men zie
echter hierbij de verordening van Justinianus in 1. 25 C. de don. i.
v. et u., V, 16.
Hcspoudit inïli k placere, etsi contra mandata contractum sit matrimonitim in pro-
vincia, tarnen post dcpositum orliciutn, si in eadem volunuite pcrseveral, jiistus
uuptias etiici: et ideo postea libero» natos ex justo matrimoniu legitimos esse. Paul.
1. 6". § 1 1). de H. N. (XXlil, 2;.
Geldt het de nietige handeling van een derde (bijv. een testament), dan
kan er van opnieuw verrichten geen quaestie zijn. Mogelijk is echter
dat degene, die schijnbaar de nietige handeling erkent, door die daad
zelfstandig wordt verbonden; zoo wanneer de erfgenaam aan den lega-
taris belooft om hem uit te keeren, wat bij een nietig testament aan hem
is vermaakt.
lllud adjicicndum est, nt, iiui ex testamento vel ab intestatu heres cxtitcrit, etsi
voluntas defuncti eirea legata seu lideieommissa seu libertates legibus non sii sttbnixu,
tarnen, si sua sponte agnoverit, implendi eam neccssitutein liabeat. Grat., Valent. et
Theod. 1. 16 § 1 C. de testam. (VI, 23).
Si veritas vel sulemnitas ju ris dcest nee amplexus parentis troluntatem relieta
dedisti vel transactionis causa stipuluntibus promisisti negotiumipje niti\'gnim est,
ad suliiiiunem urgiieri non potes. Uiocl. et Maxim. 1. 23 t\'. de lideieomm. (VI, 42).
II.   Is de rechtshandeling vernietigbaar, en wordt zij door hem, die
haar kon doen vernietigen, op geldige wijze erkend en goedgekeurd, dan
valt voor hem de mogelijkheid harer vernietiging weg; de rechtshandeling
•wordt te zynen aanzien beschouwd, alsof zij van den aanvang af onver-
nietigbaar ware geweest. Üe erkenning is hier de vorm, waarin men
afstand doet van zijn recht om nietigverklaring te vorderen.
Si pater iamilias factus solverit partcm debiti, cessabit senatus consultum nee
solutum repetere putest. l\'lp. 1. 7 $ 16 D. de SC. Mac. (XIV, C).
Qui post vieesimum iiuintum annuin aetatis ea iiuac in minure aetate gesta simI
rata hubuerunt, trustra reseissionein eorum postulant. Diocl. et Maxim. 1. 2 (J. si
major tact. rat. hab. (11, 45).
III.    Wanneer aan eene rechtshandeling niets anders ontbreekt dan de
toestemming van een derde, en deze wordt later verkregen, dan geldt
Jiom. recht. I, 2c druk.                                                                                      13
-ocr page 211-
194
de rechtshandeling, alsof zij van den aanvang af met toestemming van
dien derde ware verricht.
Si tilius familias citra patris jussionem vel mandatum vel vuliintatem peeunias cre-
ditas aeccperit, pusten autcm pater ratum habuerit eontracttira, veterum ambiguitatcm
deeidentes suncimus, ipiemadmoduin, si ab initiu vuluntate patris vel mandatu filius
familias pecuniam creditam acccpisset, obnoxius lirmiter cunstitiicbatiir, ita et si pustea
ratum pater habuerit contractant, validum essc hujusmodi euntractum, cum testimo-
nium pateriium respuere satis iniiiuum est. Necessc est enim patris ratihabitiuncm
principali patris mandatu vel conscnsni non esse absimilem, rum nostra novclla lege
et gencralitcr omnis ratihabitiu prunus trahitur el cunflrmat ea ab initiu (piae sub-
sccuta simt.....lustinian. I. 7 pr. (\'. ad SC. Mac. (IV, 28).
Si neseiente dumino res ejua hvpothecae data sit, deinde pu.stea duminus ratum
habuerit, dic.endum est huc ipsum, ipiud ratum liabet, vuluisse eum retro recurrere
ratihabitiunem ad illud tempus, ((uu oonvenit. Vuluntas autem tere eorum demiim
servabitur, ijui et pignuri dare pussunt. Marcian. 1. 16 § 1 1). de pign. (XX, 1).
Idem juris erit, si ex tribus fratribus unus uxorem haberet el rem communem
uxuri donasset: nam ex tertia parte mulieris res faeta non est, ex diiabus autem
partibus relii^uis, si id scissent fralres aut pusteaquam dunata esset ratum habuissent ,
nun debere mulierem reddere. Alten. I. .18 § I I). de don. i. v. et u. (XXIVr, 1).
IV. Wanneer iemand in onzen naam, doch zonder onze volmacht, eene
rechtshandeling heeft aangegaan {negotiorum gestió), zoo krijgt deze door
onze latere goedkeuring dezelfde werkingen, alsof ze dadelijk krachtens
onze opdracht ware verricht (zie hierboven § 78, en hieronder § 202).
Hem haberi ratam hoc est eumprobare adgnuscereiiue ipiod actum est a t\'alsu proeu-
rature. Ulp. 1. 12 § 1 D. ratam rem (XXXXVI, 8).
Sed et si nun veru prucuratori solvam, ratum autem habeat domiiius quod soluttim
est, liberatio contingit: rati cnim habitio mandatu compuratur. Tip. 1. 12 § 4 D. de
sulut. (XXXXVI, 3).
Licet verum prucuraturcm in judicio rem deduceie vcrissimiim est, tarnen et si
ipiis, cum procurator non esset, litem sit contestatus, deinde ratum duminus habuerit,
videtur retru res in judicium recte deducta. Vip. 1. 56 1). de jud. (V, 1).
Item si ignorans creditor prucuratori suo solutum servo debitoris tiliuvc :icceptum
leeerit, postea autem rescicrit et ratum habuerit, cuntirmatur sulutiu et i)Uo>l acceptum
latum sit, niilliiis momcuti est: et contra, si ratum non habuerit, ipiod acceptum
recent, confinnatnr. Cels. 1. 71 § 2 D. de solut. (XXXXVI, 3).
§ 89. UITLEGGING DER RECHTSHANDELINGEN.
Gelijk de uitlegging van wetten strekt om den zin der wet te leeren
kennen (zie hierboven § 26), zoo is hier het doel, de beteekenis eener
rechtshandeling vast te stellen. Geldt het daar, den uitgedrukten wil des
wetgevers te vinden, hier is het er om te doen, den uitgedrukten wil
der partijen op te sporen. Veel van hetgeen over de uitlegging der
wetten is gezegd, kan hier worden toegepast.
Allereerst komen ook hier in aanmerking de door partyen gebezigde
woorden. Daarbij moet worden rekening gehouden met hunne beteekenis
volgens het spraakgebruik van de plaats waar, en de personen door wie
de wil verklaard is.
-ocr page 212-
ion
.....non enim ex opinionibus singulorum, sed ex commnni usn nomina cxaudiri
debere-----Cels. 1. 7 § 2 D. de suppell. leg. (XXXIII, 10).
Ovibus legatis signi non eontincntur: quamdiu autem agnorutn loco sunt, ex usu
CDJDSqoe loei snmetidum est: nam in quibusdum loeis ovinm numero esse videntur,
rum ad tonsuram venerint. Marcian. 1. 65 § 7 I). de legat. III. (XXXII).
Si numerus nummonun legatus sit neqne apparet tiuales sunt lcgati, ante omnia
ipsius patris familias consuetiido, deinde regionis, in qmi versatus est, exqiiirenda
est: sed et mens patris familiae et legatarii dignitas vel caritas et nccessitudo, item
earum quae praecedunt vel quae 8ei[uuntur summarum seripta sunt spectanda. Ulp.
1. 50 § 3 D. de legat. I. (XXX).
j<- .....Optimum ergo esse l\'edius ait non propriam verborum signifii ationem scru-
? tari, sed in primis quid tcstator demonstmre voluerit, deinde in qua praesumptione
sunt qui in quaque regione commoraiitur. Paul. 1. 18 §3 1). de instructo (XXXUI, 7).
Daarnaast kunnen andere gegevens dienen om de beteekenis derrechts-
handeling vast te stellen. Zij kunnen leiden tot eene uitlegging die men,
lettende op de woorden alleen, niet in de eerste plaats zoude kiezen.
Het is evenwel niet geoorloofd, eene beteekenis aan te nemen, die men
in het geheel niet in de gebruikte woorden kan uitgedrukt achten. Als
algemeene regel kan nog worden gesteld, dat des uitleggers vrijheid om,
wegens eene van elders blijkende bedoeling, van de woorden af te wijken,
ruimer is bij eenzijdige rechtshandelingen (bijv. bij uiterste wilsbeschik-
kingen), minder ruim bij overeenkomsten: bij deze toch komt het er op
aan te bepalen, waarover partijen het eens zijn geworden. Bij eenzijdige
wilsverklaringen kan degene, die zijn wil verklaarde, later zelf zijne
bedoeling verduidelijken.
Cum in verbis nulla ambiguitas est, non debet minimi voluntatis quaestio. Paal.
1. 25 § 1 D. de legat. III. (XXXII).
Non aliter a signiiicatione verborum recedi oportet, quam rum mnnifestum est
aliud sensisse testatorem. — Titius codicillis suis ita cavit: „l\'ublio Maevio omnes
juvenes, quos in ministerio habeo, dari volo": quueru, a qua actate juvenes et in
quam intellegi debeant. Marcellus respondit, quos verbis quae proponerentur demon-
strare voluerit tcstator, ad notionem cjus, qui de ea re cogniturus esset, pertinere:
non enim in causa testamentorum ad detinitionem utique deseendundiim est, cum
plerumque abusivc loquantur nee propriis nominibus ac vocabidis semper utantur.
(Jeterum existimari posset juvenis is, qui adulescentis excessit aetatem, quoad ineipiat
intcr seniores numerari. Marcell. 1. 69 I). eod.
Si quis tilium proprium ita exheredaverit: „ille lilius meus alienus meae substantiae
fiat", talis tilius ab hujusmodi verborum conceptione non praeteritus, sed exlieredatus
intellegatur. Cum enim manil\'estissimus est sensus testatoris, verborum interpretatio nus-
quam tantum valeat, ut melior sensu existat. Justinian. 1. 3 C. de lib. praet. (VI, 28).
in conventionibus eontrahentium voluntatem potius quam verba spectari plucuit.
Cum igitur ea lege l\'undum vectigalcm municipes loeaverint, ut ad heredem ejus
qui suscepit pertineret, jus hercdum ad legatarinm quoque transferri potuit. Fapin.
1. 219 D. de V. S. (L, 16).
Si quid post tactum testameutnm mutari placuit, omnia ex integro facienda sunt.
CJuod vero quis obscurius iu testamento vel nuneupat vel scribit, an post sollemnia
explanare possit, qtiaeritur: ut puta Stichum legaverat, cum plures haberct, nee
deelaravit de quo sentiret: Titio legavit, cum multos Titios amicos haberct: erraverat
in noiiiiiic vel praenominc vel cognomine, cum in corpore non errasset: poteritne
posten dcclarare, de quo senserit? £t puto posse: nihil enim mme dat, sed datum
13*
-ocr page 213-
Iflö
significat. Sed et si notiim )>ostea adjcoerit legato vel sua voce vel littcris vel summam
vel nomen legatarii quod non scripscrat vel numtnorum qualitatem , an recte fecerit?
Kt puto etiam c|iialitatcm iniininoriim posse postca addi: nam etsi adjecta non fuisset
utique placeret conjeetionem fieri cjtis quod reliquit vel ex vioinis scripturis vel ex
eonsiietudine patlis familias vel regionis. 1 \'lp. 1. 21 § 1 D. qni test. (XXVIII, I).
Non est ferendns qtii generaliter in bis, quae testamento ei relicta siint, transegc-
rit, si postca cansetur de co solo «e eogitasse, quod prima parte testamenti ae non
etiam epiod posteriore legatum sit. Si tarnen postca codieilli profcruntur, non improbe
mihi dictiirus videtnr de eo dnmtaxat se eogitasse, cpiod illarum tabularum, quas
tune noverat, scriptura contineretnr. (\'els. I. 12 I). de transaet. (II, 15).
Bij twijfel verdient die uitlegging de voorkeur, welke het meest over-
eenstemt met den aard der rechtshandeling, en volgens welke zij in
stand gehouden wordt.
(juotiens idem sermo daas senleiuias exprimit, ea potissimnro excipiatur, quae rei
gerendae aptior est. Julian. I. 07 I). de R. .1. (L, 17).
Quotiens in stipulationibus ambigua oratio est, eommodissimtim est id aeeipi, quo
res, <pia de agitnr, in tutu sit. 1\'lp. I. 80 I). de V. O. (XXXXV, 1).
Quotiens in actionibus ant in exceptionibus ambigua oratio est, commodissimnm
est id accipi, ipio res de qua agitnr inagis valeat quam pereat. Julian. 1. 12 D. de
reu. dub. (XXXIV, 5).
In lege locationis script um erat: „redemptor silvam ne caedito neve cingito neve
deurito neve qnem eingere caedere uren\' sinito." Quaercbatur, ntrum redemptor, si
(jnem ipiid earum reriitn facere vidisset , prohibere deberet an etiam ita silvam eusto-
dire, ne quis id facere possit. Respondi verbum sinere utramque habeiv significa*
tionem , scd locatorem potius id videri voluisse, ut redemptor non solum, si quein
casu vidisset silvam caedere, prohiberet, sed nti curaret et daret operam, ne quis
caederet. Alten. 1. 2\'.l 1). loc. (XIX, 2).
Het Romeinsche Recht geeft nog eenige hulpmiddelen aan de hand om,
waar de gewone regels van uitlegging tot geen resultaat leiden, tot eene
beslissing te komen. Waar onzekerheid bestaat over den omvang der ver-
plichting, waartoe een der partijen zich verbond, daar wordt het minimum
van verplichtingen aangenomen. Verder wordt uitspraak gedaan ten nadeele
van dengene, van wien het stellen der voorwaarden is uitgegaan.
Arrianua ait multum interesse, quaeras, ntrum aliquis obligetur :m aliquis libere-
tur: ubi de obligando quaeritur, propensiores esse debere nus, si habeamus oecasionem ,
ad negandum: ubi de liberando, ex diverso, ut i\'acilior sis ad libcrationem. Paul.
1. 47 D. de O. et A. (XXXX1V, 7).
Ncmpcr in obscuris quod minimum est sequimur. 1\'lp. 1. 9 D. de R. .1. (L, 17).
Semper in stipulationibus et in eeteris contractibtis id sequimur, (juod actum est:
aut, si non paraat quid actum est, erit consequent, ut id sequamur, quod in regione
in qua actum est l\'reqiientatur. Quid ergo, si ncque regionis mos appareat, quia
varius fuit ? Ad id, quod minimum est, ledigenda summa est. 1\'lp. 1. 34 D. eod.
Quidquid adstringendae obligationis est, id nisi palam verbis exprimitur, omissum
intellegendum est: ac tere secundum promissorem interpretamur, quia stipulatori libe-
rum t\'uit verba late coneipcre. Nee rursum proraissor ferendns est t si ejus intercrit de
certis potius vasis forte aut homiuibus actum. Cels. 1. 99 pr. Ti. de V. O. (XXXXV, 1).
In stipulationibus cum quaeritur, quid uctum sit, verba contra stipulatorcm intcr-
pretanda sunt. 1\'lp. 1. 38 § 18 I). eod.
Vetcribus placet pactiouem obseuram vel ambiguam venditori et qui locavit nocere,
in (itiorum fuit potestate legem apertius conscribere. Papin. 1. 39 D. de pact. (II, 14).
-ocr page 214-
197
< \'nin in lege venditionis ita sit scriptiim: „flumina stillicidiu uti mine sunt, ut ita
sinf", nee additur, qnac flnmina vel stillicidia, primum spectari oportet, quid aeti
sit: si non id apparcat, tune id aceipitur quod venditori nocet: ambigua enim oratio
est. Pomp. 1. 33 D. de contr. empt. (XVIII, 1).
Eindelijk zijn er enkele rechtsbetrekkingen waarbij, ingeval van twijfel,
steeds in een bepaalden zin wordt beslist: bij vragen omtrent de dos,
steeds ten voordeele der vrouw (zie hieronder § 12G); bij vragen over de
vrijheid, altijd ten gunste daarvan; bij vragen omtrent testamenten, in
den zin van eene ruime uitlegging der beschikking (zie bijv. hieronder
§ 162, B).
In umbignis pro dotibus respondere mclius est. Paul. 1. 85 pr. D. de R. J.(L, 17).
Kei publicae interest mulieres dotcs salvas hubere, propter ([lias nubcre possunt.
Paul. 1. 2 D. de .1. I). (XXIII, 3).
In obscura voluntate manumittentis favendum est libertati. Paul. 1. 179 D. de H.
J. (L, 17).
In testamentis plenius voluntates tcstantium interpretamur. Paul. 1. 12 D. cod.
Is de beteekenis der rechtshandeling in het geheel niet te vinden, dan
is ze nietig.
Quae in tcstamento soripta essent neque intellegerentur quid significarent, ea
perinde sunt ac si scripta non essent: reliqua autcm per se ipsa valent. Alfen. 1. 2
D. de bis qiiae pro non ser. (XXXIV, 8).
Quotiens non apparet, quis heres institutus sit, institutio non valet (quippe evenire
potcst, si testator eomplures amicos eodem nomine habeat et ad designationem singu-
lari nomine utatur): nisi ex aliis npertissimis probationibus fuerit revelatum, pro qua
persona testator senscrit. Modest. 1. 03 § 1 I). de hered. inst. (XXVIII, 5).
§ 90. de schenkinu. (Inst. Lib. 2, Tit. 7: de donationibus).
De schenking wordt door ons in het Algemeen Gedeelte behandeld,
omdat zij niet is eene eigenaardige rechtshandeling, maar veeleer een
vorm, waarin de meest verschillende rechtshandelingen, ten gevolge van
het daarmede beoogde economische doel, zich kunnen voordoen.
In ruimen zin verstaat men onder schenking elke vrijgevigheid, elke
handeling, waardoor iemand aan een ander vrijwillig en om niet eene in
geld waardeerbare gunst bewijst; daaronder valt bijv. het toestaan om
kosteloos een huis te bewonen, het verleenen van uitstel van betaling,
het verlagen of kwijtschelden van in te vorderen renten.
Donari videtur, quod nullo jure eogente conccditur. Papin. 1. 29 pr. I). de donat.
(XXXIX, 5).
In aedibus alienis habitare gratis donatio videtur: id enim ipsum capcre videtur
qui babitat, quod mercedem pro habitatione non solvit. I\'otest enim et citra corporis
donationem valere donatio, veluti si donationis causa eum debitore mco paciscar, ne
ante certum tempus ab eo petam. Pomp. 1. 9 pr. D. eod.
Modestinus respondit creditorem futuri temporis usuras et remitterc et minuere
pacto possc nee in ea donatione ex summa quantitatis aliquid vitii incurrere. Modest.
1. 23 pr. D. cod.
Voor de toepassing der bijzondere rechtsregels omtrent de schenking —
het verbod van schenking tusschen echtgenooten (zie hieronder § 125),
-ocr page 215-
198
de noodzakelijkheid der inachtneming van vormen, de herroepelijkheid —
wordt echter het begrip scherper begrensd.
Si vir nxoris ant uxor viri servis aut vcstimentis usus vol us» tuerit vel in aedibus
ejus gratis habitaverit, valet donatio. Pomp. 1. 18 D. de don. i. v. et u. (XXIV, 1).
In engeren zin is schenking eene rechtshandeling, waarbij iemand
(schenker, donator) uit vrijgevigheid, om niet, een ander (den begiftigde)
rijker en zich zelf armer maakt, door iets van zijn reeds verworven ver-
mogen op te offeren, dat door den begiftigde wordt aangenomen.
In deze omschrijving liggen de volgende vereischten opgesloten:
/1°. er moet geene wettelijke verplichting, zelfs geene natuurlijke ver-
bintenis (zie hieronder § 179) bestaan. Dat de gever zich door liefde of
medelijden gedrongen gevoelt, sluit het begrip eener schenking niet uit;
Si quis servo peenniam erediderit, deinde is libcr factns eam expromiscrit, non
erit donatio, sed debiti solutio. Idem in pupillo, qui sine tutoris auctoritate de-
buerit, dieendum est, si postea tutore auctore promittat. 1\'lp. 1. 19 § 4 T). de rionat.
(XXXIX, 5).
/\' 2°. de gever moet den wil hebben om te schenken (aniimts donandi);,
wie uit geldgebrek een voorwerp beneden de waarde verkoopt, wie wegens
dringende behoefte eene zaak boven de waarde koopt, wie zich eene op-
offering getroost om aan de moeilijkheden van een proces te ontsnappen,
wordt niet geacht te schenken;
3°. tegenover de opoffering moet geen werkelijk of beoogd voordeel
staan; de handeling moet geschieden „propter nullam aliam causam,
quam ut liberalitatem et munificentiam exerceat";
Si tilius aut servus pactus sit, ne ipse peterct, inutile est parfum. Si vero in rem
pacti simt, id est ne ea pecunia peteretnr, ita pactio eorum rata habenda erit ad-
versus patrem dominumve, si liberam peeulii administrationem habeant et ea res,
de qua pacti sint, peculiaris sit. Quod et ipsum non est expeditnm: nam cum verum
est, quod Juliano placet, etiamsi maxime quis administratiuncm peeulii habeat con-
cessam , donandi jus cum non habere: sequitur ut, si donandi causa de non petenda
pecunia paclus sit, non debeat ratum liaberi pactum conventum. Quod si pro eo ut
ita pacisceretnr aliquid, in ipio non minus vel etiam amplitts esset, consecutus fiterit,
rata habenda est pactio. Oajus 1. 28 § 2 D. de pact. (II, 14).
Sed et liac stipulationes, quae ob causam limit, non habent donationem. — Denique
1\'egasus putabat, si tibi centtim spopondero liac condicione, si jurasses te nomen
mcum latnrum, non essc donationem, quia ob rem facta est, res secuta est. Ulp.
1. 19 § 5, § f, B. de donat. (XXXIX, 5).
4°. „jus constitutum ad eas donationes pertinet, ex quibus
et locupletior muiier et pauperior maritus in suis rebus fit";
geene schenking is gelegen in het ten gunste van een ander nalaten om
te verkrijgen of in het belangeloos verrichten van diensten ten bate van
een ander, zooals bijv. bij bewaargeving, bruikleen, lastgeving;
(\'onci\'ssa donatio est sepulturac causa: nam sepiilturac causa locum marito ab uxore
vel contra posse donari constat et si qtiidcm intulerit, faciet locum rcligiosum. Hoc
autcm ex eo venit, quod deliniri solct eam demum donationem impediri solcre, quae
et donantcm pauperiorem et accipientem faciet loctipletiorcm: porro hic non videtur
tieri locupletior in ea re quam rcligioni dicnvit. Nee movit quemquam, quod emerct,
-ocr page 216-
199
nisi a tnarito accepisset: nam etsi pauperiur ca Herct, nisi maritus dedisset, nun tarnen
idcirco fit locuplctior, quod non cxpendit. — Si maritus heres institutus repudict
hcrcditatcm donatiunis causa, Julianus scripsit libro septimo decimo digcstorum
donationem valere: ncijue enim pauperior fit, qui non adquirat, scd <|tii <le patri-
monio suo deposuit. Kcpudiatio autem mariti mulicri prodest, si vel substituta sit
muiier vel ctiam ab intestato heres ftitura. — Simili modo et si lcgatum repudiet,
placet nobis valere donationem, si muiier substituta sit in legato vel etiam si pro-
ponas eam hcredem institutam. — (\'um igitnr nihil de bonis erogatur, recte dicitur
valere donationem. Pbicumqiie igitnr non deminuit de facultatibus suis qui donavit,
valet, vel, etinmsi deminuat, locuplctior tarnen non fit qui accepit, donatio valet.
Tip. 1. 5 § 8, § 13, § 14, § 16 D. de don. i. v. et n. (XXIV, 1).
Quod vir uxori in diem debet, sine metu donationis praesens solvere ]>otcst,
quamvis commodum temporis retenta pecunia sentire potuerit. — Quod legaturus
mihi aut hereditatis nomine relictuius es, potes rogatus a me uxori meac relinquere
et non videtur ea esse donatio, qnia nihil ex bonis meis deminuitur: in quomaxime
majores donanti succurrisse Prociilus ait, nc amore altcrius alter dcspoliaretur, non
quasi malivolos, nc alter locupletior ficret. Pomp. 1. 31 § 6, § 7 D. cod.
y 5U. de schenking moet door den begiftigde, uitdrukkelijk of stilzwijgend,
/ zijn aangenomen.
y                Non potcst liberalitas nolenti «dquiri. Tip. 1. 19 § 2 D. de donat. (XXXIX, 5).
Invito beneficium non datur. 1\'aul. 1. 69 D. de H. .1. (L, 17).
Si ego pecuniam tibi quasi donaturus dcdero, tu quasi mutuam accipias, Julianus
scribit donationem non esse.... Vip. 1. 18 pr. D. de reb. cred. (XII, 1).
De schenking wordt onderscheiden in schenking onder de levenden en
schenking ter zake des doods. De eerste is in het algemeen onvoorwaar-
delijk en onherroepelijk, al is ze ook gedaan ter gelegenheid van het
overlijden. De laatste is afhankelijk van het overlijden van den gever,
doordien ze of wordt opgeschort tot zijn dood (ut, si mors conti-
gisset, tune haberet cui donatum est) of vervalt, indien hij
den begiftigde overleeft (ut jam nunc haberet, redderet, si con-
valuisset vel de proelio vel peregre redisset). De schenking
ter zake des doods behandelen wij in het Erfrecht.
Est etiam alind genus udquisitionis donatio. Donationum autem duo genera sunt:
mortis causa et non mortis causa. — Mortis causa donatio est, quae proptcr mortis
fit suspicioncm, cum quis ita donat, ut, si quid humanitus ei contigisset, haberet is
qui accepit: sin uutem supervixisset qui donavit, recipcret, vel si cum donationis
poenituisset aut prior decesserit is cui donatum sit. Hac mortis causa donationes ad
exemplum legatornm redactae sunt per omnia. Nam cum prudentibus umbigimm
fncrat, utrum donationis an lcgati inslar eam optincre oportcret, et utriusque causac
quaedam habebut insignia et alii ad uliud genus eam retrahebant: a nobis constitu-
tum est, ut per omnia fcre lcgatis connumerctur et sic procedat, quemadmodum
eam nostra formavit constitutio. Kt in summa mortis causa donatio est, cum ma-
gis se quis vclit habere, quam cum cui donatur, magisque eum cui donat, quam
hcredem suum. Sic et apud Homerum Telemachus donat Piraco. pr., § 1 I. de
donat. (II, 7).
Non videtur perfectu donatio mortis causa facta, antequam mors insequatur. Pip.
1. 32 I). de mort. c. donat. (XXXIX, 6).
Sed mortis causa donatio longe differt ab illu vera et absoluta donatione, quae ita
proficiscitur, ut nullo casu revocetur. Et ibi qui donat illu in potius quum se habere
ma vult: at is, qui mortis causa donat, se cogitat atque amore vitae reecpisse potius
-ocr page 217-
200
rpium dedisse miirnlt: et hor est, quarc vulgo dieatur: „se potius habcre vult, quam
cum cui donat, illum deinde potius quam heredem suiim." Paul. 1. 35 § 2 D. eod.
Voor de geldigheid eener schenking onder de levenden is noodig:
1°. dat de schenker de bevoegdheid heeft om over zijn goed om niet
te beschikken, welke bevoegdheid niet begrepen is in het recht van be-
heer, noch in het recht van vervreemding;
Filius familias donare non potest, neqne si liberam pecnlii administrationem ha-
beat: non enim ad hoe ei eoneeditiir libera peeulii administratie), ut peidat. 1\'lp.
1. 7 pr. D. de donat. fXXXIX, 5).
Tutor ad utilitatem pnpilli et novare et rem in judicium deducere potest: donationes
autem ab eo faetae pupillo non nocent. Paul. 1. 22 D. de adm. tut. (XXVI, 7).
2°. dat (ie begiftigde bevoegd is om het peschonkene te verkrijgen;
Donari non potest, nisi quod ejus fit, cui donatur. Pomp. 1. 9 § 3 T). de donat.
(XXXIX, 5).
3°. dat de voorgeschreven vorm is in acht genomen. Volgens het
Justiniaansehe recht is geen bijzondere vorm noodig, indien de schenking
500 solidi niet te boven gaat (zie hieronder § 195, III, hl. 118). Bedraagt
zij meer, dan moet zij, behoudens enkele uitzonderingen, in openbare
registers worden ingeschreven (insinuafió). Is die vorm verzuimd, dan is
de schenking geldig tot een bedrag van 500 solidi, voor het overige nietig.
Oudtijds had de Le.r Cincia de donis el muneribus (omstreeks 204 v. C.)
een bedrag bepaald, waarboven geene schenking mocht gedaan worden.
Bovendien schreef deze wet formaliteiten voor, waarvan het verzuim even-
wel geen nietigheid der schenking ten gevolge had (le.r imperfecta, zie
hierboven § 13), maar alleen aanleiding gaf tot eene exceptie, zoolang
de schenker de heerschappij over het geschonkene niet rechtens en feite-
lijk had verloren. Eerst door des schenkers dood werd de schenking
voor goed bekrachtigd. Van deze beperkende bepalingen waren sommige
schenkingen uitgezonderd, o. a. die ten behoeve van de naaste bloedver-
wanten. In het latere Romeinsche recht zijn de voorschriften der Lex
Cincia in onbruik geraakt.
De schenking kan plaats hebben op verschillende wijzen en met ver-
schillend rechtsgevolg; zoo o. a. doordat de gever eigendom of een ander
zakelijk recht overdraagt of vestigt, of een hem toekomend vorderings-
recht cedeert, of doordat hij afstand doet van een zakelijk recht of eene
schuldvordering kwijtscheldt, of doordat hij ten behoeve van den begiftigde
eene vordering tegen zich zelf in het leven roept.
Omvat de schenking een geheel vermogen of een evenredig deel daar-
van, zoo heeft daardoor toch geene opvolging onder algemeenen titel
plaats (zie hierboven § 71); alle in de gift begrepen goederen en rechten
moeten afzonderlijk worden overgedragen en de schenker blijft aanspra-
kelijk voor de schulden.
llereditatem pater sibi relictam filiae sui juris effeetac donavit: creditoribus here-
ditariis filia satisfaeere debet, vel, si hoc minimi\' faciat et ereditores contra patrem
veniant, rogriidam eam per aetionem piaescriptis verbis patrem adversus cos defen-
dere. Papin. 1. 28 V). de donat. (XXXIX, 5).
-ocr page 218-
201
Ten aanzien der schenking gelden nog de volgende bijzondere voor-
schriften :
lü. van den schenker kunnen geeno interessen wegens verzuim gevor-
derd worden (zie hieronder § 177), en de vruchten eerst sedert den dag
der Mti.1 contesfatio ;
2°. de schenker is niet gehouden tot vrijwaring wegens uitwinning en
behoeft niet in te staan voor verborgen pebreken der zaak;
3°. hij geniet het voorrecht, dat hij niet verder wordt veroordeeld dan
zijn vermogen reikt (zoogenaamd beneficium compctenliae, zie hieronder
§ 210, III, bl. 178); zelfs mag hij zijne andere schulden eerst aftrekken;
Kiim. qni donationis causa peenmam vel quid aliud promisit, de mor» solutionis
peenniae Danras non deberc, sirainnic acquitatia est, maxime rum in bonae fidci
contractibiis donationis species non depntctnr. Modest. 1. 22 D. de donat. (XXXIX, 5).
Labeo ait, si i|iiis mihi rem alienam donnvcrit inqne eam snmptus majrnos fcccro
et sic mihi evincatur, nnllam mihi aetionem contra donatorem eompetere: planc de
dolo posse me adversns enm habere aetionem, si dolo teelt. I\'lp. 1. 18 § 3 T). eod.
Qni ex donatione se ohligavit, ex reseripto divi T\'ii in i|iiantnm faeere potost eon-
venitur. Sed enim id, quod ereditoribns debetnr, crit detrahcndnm: haec vero, de
quibus ex eadem causa qnia obatrictna est, non debebit dctrahere. I\'lp. I. 12 D. cod.
4°. de schenking, ofschoon in het algemeen onherroepelijk, kan her-
roepen worden:
a.   door den schenker wegens ondankbaarheid van den begiftigde (zie
hieronder § 107, n°. 15);
Geneniliter sancimns omnes donationes lejje eonfectas lirmas illibatasquc manere,
si non donationis acceptor ÏDgratus circa donatorem inveniatnr, itii nt injurias atro-
ccs in enm effnndat vel manna impias inferat vel jactnrae molem ex insidiis snis
inperat, qnae non levem sensnm snbstantiae donatoris imponit vel vitae pericnlnm
nliqnid ei intnlerit vel qnasdam eonventiones sive in seriptis donationi impositas
sive sinc seriptis habitas, qiias donationis acceptor spopondit, minime im]>lcrc voluerit.
Jnstinian. 1. 10 pr. O. de revoc. donat. (VIII, r>.ri).
b.   door den patroon, die eene schenking deed aan zijn vrijgelatene,
wanneer hem later kinderen geboren worden;
Si nmqnam libertis patroons filios non habens bona omnia vel partem aliquam fa-
enltatnm fuerit donatione largitns et postea anaceperit libero», totnm qnidqtiid largi-
tus fncrit revertatnr in ejusdom donatoris arbitriu ac dicione mansnnim. (\'onstantins
et Constans 1. 8 C. de revoc. donat. (VIII, 55).
c.   door de erfgenamen, wier wettelijk erfdeel door de schenking is
aangetast, met de qnerella ino/ficiosae donationis.
Si totas facnltates tnus per donationes vaencfecisti, qnas in cmancipatos lilios
conttilisti, id, quod ad submovendas inofficiosi testamenti querellas non ingratia
libcris relinqni nccesse est, ex factis donationibns detractnm, nt tilii vel nepotes, qni
postea ex quoeumqne lcgitimo matrimonio nati snnt, debitum bonornm snbsidinm
consequantur, ad patrimonium tuum revertctur. Dioel. et Maxim. 1. 5 C. de inoff.
donat. (III, 29).
d.   Over de vernietiging eener schenking, waardoor de rechten der
schuldeischers zijn verkort, zie hieronder § 201, n°. 5.
-ocr page 219-
202
liiicius Titius cum hnberet crcditorcs, libcrtis suis isdcmquc liliis nntiinilibiis uni-
versas rcs smis trudidit. Kespuudit: quamvis non pro|)unutiir consilium fraudandi
habnisse, tarnen qui creditores huberc se scit et nniversa bona sua alienavit, intellc-
gendas est frandandoriim crcditonim consilium habuissc: ideoque et si lilii ejus igno-
ravcrunt liane mentem patris sui fuisse, har actione tenentur. Juliun. 1. 17 § 1 D.
quiie in tïaud. crcd. (XXXXII, 8).
Bijzondere soorten schenkingen zijn:
1°. de remuneratoire schenking, welke geschiedt uit erkentelijkheid
voor genoten weldaden of bewezen diensten, tot belooning waarvan men
rechtens niet verbonden is. Zij blijft bestaan, al blijkt de beweegreden
ongegrond te zijn geweest, en wordt overigens als eene gewone schen-
king behandeld, tenzij de omstandigheden aanwijzen, dat geene schenking,
maar betaling is bedoeld ;
ld <|Uoi|iie, quod ui) causam dutur, puta quod negotia meu adjutn ab co putuvi,
lieet non sit faotum, quia donari volui, quamvis falso mihi persnaserim, repeti non
posse. Paul. 1. fi.r> 5 2 T). de cond. ind. (XII, 6).
Ai|iülius Rcgulns juvenis ad Nicostratum rhetorem ita scripsit: ,,{|iioniam et cum
patre meo semper fnisti et me eloqnentia et diligentia tua meliorem reddidisti, dono
et permit\'o tibi liabitnre in illo cenaculo coque uti." Defuncto Regulo eontroversiara
habitationis patiebatur Nicostratus et cum de ea re mecum contulisset, dixi posse
defendi non meriim donationem esse, venim officium magistri quadum mercede remu-
neratum liegnlitm idcoqne non videri donationem sequentis temporis irritam esse.
Qnod si cxpulsus Nicostratus vcniat ad judieem, ad exemplum interdicti, quod
fnictuario proponitur, defendendns erit cptusi loco possessoris eonstitutus, qui tisum
ccnaculi accepit. Papin. 1. 27 D. d<^ donnt. (XXXIX, 5).
2°. de schenking met een last, zie hierboven § 86 en hieronder
§ 203, n«. 2;
3°. de gemengde schenking, die verbonden is met eene rechtshandeling
onder bezwarenden titel, bijv. wanneer iemand, om een ander te bevoor-
deelen, eene zaak boven de waarde van hem koopt of beneden de waarde
aan hem verkoopt. De handeling wordt dan, voor zoover althans splitsing
mogelijk is, gedeeltelijk als schenking beschouwd.
Aristo ait, cum mixttim sit negotium cum donatione, obligationem non contrahi eo
casu, quo donatio est, et ita et Pomponius cum existimarc rei\'ert. ITlp. 1. 18 pr. D.
de donat. fXXXIX, 5).
Generaliter tcncndum est, quod inter ipsos aut qni ad eos pertinent aut per intcr-
positas personas donationis causa agatnr, non valere: quod si aliarum extrinsecus
reriim persunarnmve causa commixta sit, si separari non potest, nee donationem
impediri, si separari jiossit, cetera valere, id quod donatum sit non valere. Pip. 1. 5
§ 2 D. de don. i. v. et u. (XXIV, 1).
Pip. 1. 5 § 5 I). cod., zie hierboven bl. 151.
§ 91. ONGEOORLOOFDE HANPELINOEN.
Op het gebied van het privaatrecht komt de ongeoorloofde handeling
alleen ter sprake als bron eener verplichting tot schadevergoeding (zie
hieronder § 176). Of zij tevens een strafbaar feit oplevert, is voor ons
begrip onverschillig. Een misdryf is altyd eene ongeoorloofde handeling
-ocr page 220-
203
en verplicht den bedrijver tot schadevergoeding, indien er schade is
geleden, maar eene ongeoorloofde handeling is volstrekt niet altijd een
misdrijf.
Privaatrechtelijk verstaat men onder ongeoorloofde handeling elke daad
of verzuim, waardoor op onrechtmatige en toerekenbare wijze inbreuk
gemaakt wordt op de rechten van een ander. Deze omschrijving omvat
de volgende vereischten:
I.   Er moet zijn eene werkelijke rechtskrenking ten gevolge van een
daad of verzuim, causaal verband dus tusschen de gepleegde daad en de
geleden schade.
II.   De daad of het verzuim moet objectief onrechtmatig zijn; de dader
moet buiten zijn rechtskring zijn getreden; hij moet de grenzen zijner
bevoegdheid hebben overschreden, toen hij het recht van een ander aan-
tastte. Is dit niet het geval, dan heeft hij geene ongeoorloofde handeling
verricht, al heeft hij aan een ander schade berokkend. Wat in het alge-
meen onrechtmatig is, kan onder bijzondere omstandigheden (bijv. in
geval van noodweer, zie hieronder § 98) het karakter van onrechtmatig-
heid verliezen.
Injuria ex co dicta est, quod non jure fint: omnc enim, quod non jure fit, injnrin
fieri dicitnr. Hoc generaliter. Specialiter autcm injuria dicitnr contomelia. Interdum
injuriae appellntionc damnnm eulpu diitum signiticatur, ut in lege A<|iiilia dieerc
solemns. Interdum iniqnitatem injuriam dicimus, nam cnm <|ttis inique vel injuste
sententiam dixit, injuriam ex eo dietam, <|iiod jure et jnstitia caret, quasi non ju-
riam, contiimeliam antem a contemnendo. 1\'lp. 1. 1 pr. V). de injur. fXXXXVII, 10).
Injuriam antem hic acciperc noa oportet non (|iiemadmodum circa injuriarum acti-
onem eontumeliam qnandam, sed epiod non jure factnm est, hoc est contra jus, id
est si culpa cpiis oceiderit: et ideo interdum utraque aetio conenrrit et legis Aquiliae
et injuriarnm, sed duae ernnt aestimationes, nlia damni, alia contumeliae. Igitur
injuriam hic damnnm accipiemns culpa datum otiam ah eo, qtii noccre noltiit. TTlp.
1. 5 § 1 T). ad leg. Aquil. fIX, 2).
Nullus videtnr dolo facere, qui suo jure ntitur. Gajus 1. 55 T). de R. .1. (L, 17).
Nemo damnnm facit, nisi qui id fecit, quod facere jus non habet. Paul. 1. 151 I). eod.
Qni, cum aliter tueri se non possent, damni culpam dederint, innoxii sunt: vim
enim vi defendere omnes leges omniui|iie Jura permittunt. Sed si defendendi mei
causa lapidem in adversarinm misero, sed non rum, sed practcreiintem percusscro,
tenebor lege Aquilia : illum enim solum i|iii vim infert ferirc conceditur, et hoc, si
tuendi dumtaxat, non etiam ulciseendi causa fnctum sit. Paul. 1. 45 § 4 T). ad leg.
Aquil. (IX, 2).
Is, qui jure publieo ntitur, non videtnr injuriae faciendae causa hoc facere: juris
enim executio non habet injuriam. 1\'lp. 1. 18 § I D. de injur. (XXXXVII, 10).
De objectief onrechtmatige handelingen kan men onderscheiden in twee
categorieën. Zij zijn namelijk öf op zich ^/"onrechtmatig, d. i. onaf han-
kelijk van eenige rechtsbetrekking tusschen den dader en den benadeelde,
öf betrekkelijk onrechtmatig, omdat zij in strijd zijn met een bijzonderen,
reeds vrtór het plegen van de daad of het verzuim bestaanden rechtsband.
Tot de eerste categorie behooren de ongeoorloofde handelingen, waarover
in de Lex Aquilia (zie hieronder § 199) wordt gesproken.
III.   De daad of het verzuim moet subjectief onrechtmatig zijn, den
-ocr page 221-
204
dader kunnen worden verweten, toegerekend; er moet zijn: schuld, dit
woord in de ruimste beteekenis genomen. Waar de dader de bekwaamheid
om te willen mist, of waar de schade het gevolg is van overmacht of
toeval, daar ontbreekt de subjectieve onrechtmatigheid.
Et ideo qnaerimus, si furiosus damnum dederit, an logis Ai|iiiliue actio sit? Et
Pogasns negavit: quae cnim in co cnlpa sit, cnm suac mcntis non sit? et hoc est
vcrissimtim. Ccssabit ifjitur Aijnilisio actio, quemadmodum, si quadrupes damnum
dederit, Aqnilia ccssat, aut si tegula cociderit. Scd et si infans damnum dcderit,
idem erit diccndum. Qnodsi inpubcs id fecerit, Labeo uit, quia furti tcnctur, teneri
et Aqnilia eiim: <\'t hoc pnto verum, si sit jam injnriae capux. 1\'lp. 1. 5 § 2 D. ad
leg. Aquil. (IX, 2).
Si pntator ex arbore rumnm cnm deiceret vel machinarins hominem praetereuntem
occidit, ita tcnetnr, si is in publiciim decidat nee ille proclamavit, ut casus ejus
evitari possit. Scd Muciiis etiam dixit, si in privato idem accidisset, pos«c de culpa
ngi: culpam autem esse, quod eum a diligente provideri potent, non csset provisum
aut turn dcntintiatnm esset, cum pcriculnm evitari non posgit. Secundum quant ratio-
nem non inultnni refert, per publiciim an per privatum iter fteret, cum plerumque
per privata loca vulgo iter fiat. Quod si nullum iter erit, doltim dumtaxat praestarc
debet, ne immittut in eum, ipiem viderit transeuntem: nnm culpa ab eo exigenda
non est, cum divinare non potucrit, an per eum locum aliqnis transiturus sit. Paul.
I. 31 D. eod.
Injiiria autem occidere intellegitur, cujus dolo aut culpa id accident; nee ulla alia
lege damnum quod sine injuria duttir, reprehenditur; itaque inpunitus est qui sine
culpa et do!o malo casu ipiodam damnum committit. Gajus, lust. III § 211.
Itaque si quis, dum jaculis ludit vel exercitatur, transeuntem servum tuunt tra-
jecerit, distinguitur. Nam si id a militc ([Uidem in campo eoqtic, ubi solitum est
exercitari, admissum est, nulla culpa ejus intellegitur: si alius tale qtiid admisit,
cnlpae reus est. Idem juris est de militc, si is in alio loco, quant qui exercitandis
militibus destinatus est, id admisit. § 4 I. de lege Aquil. (IV, 3).
De schuld in dezen ruimen zin wordt onderscheiden in:
a. opzet (dolus), en
6. schuld (culpa) in engeren zin, verzuim, nalatigheid.
De laatste is
x. grove schuld (culpa laia), of
(3. lichte schuld (culpa leiis).
Opzet bestaat daar, waar de dader zich bewust is van het onrecht dat
hij pleegt, en niettemin, willens en wetens, de handeling verricht. Wan-
neer intusschen aan de opzettelijk gepleegde onrechtmatige daad een goed
motief ten grondslag ligt, dan spreken de Romeinen niet van dolus,
maar van culpa.
Idem Labeo quuerit, si compcditum servum meum ut fugeret sol veris, an de dolo
actio dandu sit? Et ait Quintus apud cum notans: si non miscricordia ductus fecisti,
furti teneris: si miscricordia, in fuctum actionem dari deberc. IMp. 1. 7 § 7 D. de
dolo malo (IV, 3).
Si hominem apud se depositum, ut quaestio de eo huberetur, ac proptcreu vinctum
vel ad malam mansionem extensum sequester solvcrit misericordia ductus, dolo proxi-
mum esse quod fuctum est arbitror, <iuia cum sciret, cui rei pararetur, intempestive
misericordinm exercuit, cum posset non suscipete tulem causum quam decipere. Ulp.
1. 7 pr. D. depos. (XVI, 3).
-ocr page 222-
205
Schuld in engeren zin bestaat daar, waar iemand in gebreke is geble-
ven die voorzorgen te nemen, waardoor het nadeelige gevolg had kunnen
worden vermeden.
Van grove schuld wordt gesproken, waar iemand niet heeft aangewend
die zorg, heeft verzuimd die maatregelen van voorzichtigheid, welke
ieder mensch in dergelijke omstandigheden zou hebbeu in acht genomen.
Hier is het onrechtmatige niet opzettelijk gewild, maar ook niet ernstig
niet gewild.
„Latu eulpa" est nimi\'i neglegentiu, id est non intellegere quod omues intellegunt.
•Ulp. 1. 213 § 2 D. do V. S. (L, I6>
Latue culpae Kuis est non intellegere id quod omncs intellegunt. l\'aul. I. 22.1 pr. 1). eod.
Si fortuito incendium fuctum sit, vcnia indiget, nisi turn lata eulpa luit, ut luxuriii
aut dolo sit proxima. Mareian. 1. 11 D. de ineond. (XXXXVU, 9).
Lichte schuld is aanwezig, waar iemand niet die zorgvuldigheid heeft
ten toon gespreid, welke een „goed huisvader" (Paulus spreekt in 1. 25
pr. D. de probat, XXII, 3 van een homo diligens et studiosus pater
familias, cujus personam incredibile est in aliquo facile er-
rasse) bij de behartiging zijner zaken pleegt aan te wenden.
In rebus commodatis tulis diligentia praestanda est, ipialem quisquediligentissimns
pater familias suis rebus adhibet, ita ut tantum eos casus non praestet, quibu.; resisti
non possit, vcluti mortes servorum quae sine dolo et eulpa ejus accidunt, latronutn
hostiumve ineursus, piratarum insidias, naiil\'ragium, incendium, l\'ugas servorum qui
eustodiri non solent. Quod autem de lutionibus et piratis et naufragiu diximus, ita
seilicet accipiemus, si in hoe commodata sit alieui res, ut c:im rem peregre seeuin
ferat: alioquin si cui ideo urgciitum eommodaverim, quod is amicoa ad eenam invi-
taturum se diceret, et id peregre seenm portaverit, sine ulla dtibitationc etiam pira-
taruin et latronum et naiifragii easum praestare debet... .(iajus 1. 18 pr. 1). cointnod.
(XIII, 6).
Qui columnam transportandam conduxit, si ea, dum tollitnr aut portatur aut repu*
nitur, l\'racta sit, ita id pcrieulum praestat, si qua ipsitis eorumque, quorum opera
uterctitr, eulpa accident: eulpa autem abest, si omnia factasunt, quae diligentissimus
quisque observaturtis fuisset. Idem scilicet intellegemus et si dolia vel tiguum trans-
portaudum aliquis conduxcrit: idemque etiam ad ceteras res transferri |M)test. (ïajus
1. 25 § 7 L>. loc. (XIX, 2).
Ka igitur, quae diligens pater familias in suis rebus praestare solet, a creditore
exiguntur. Paul. 1. 14 D. de pign. act. (XIII, 7).
Si vendita insula eombusta esset, cnm ineendium sine eulpa tieri non possit, quid
juris sit? Iiespondit, quia sine patris familias eulpa tieri potcst ncque, si servorum
neglcgentiu factum esset, continuo dominus in eulpa erit, iiuum ub rem si venditor
eam diligentiam adhibuisset in insula custodienda, quum debent homines frugi et
diligentes praestare, si quid accidisset, nihil ad etim pertinebit. Allen. 1. 12 1). de
pcric. et comm. (XVIII, 6).
De grenzen tusschen opzet en grove schuld, tusschen grove en lichte
schuld, tusschen lichte schuld en toeval kunnen niet door een algemeenen
regel worden aangewezen, maar moeten in elk bijzonder geval naar om-
standigheden door den rechter worden beoordeeld.
Cum ita stipulatus sum „Ephesi dan?" inest tempus: quod autem aecipi debcat,
quaeritur. Et mugis est, ut totam eam rem ad judicem, id est ad virum bonum
-ocr page 223-
200
rcmittamus, qui acstimct, quanto tempore diligens pater tamilias conliecrc possit,
quod facturuni se pramiserit, ut qui Epliesi daturum se gpoponderit, neque duplomatc
diebus ac noetibus et omni tempestate contempta iter eontintiare cogatur neque tam
delicate progredi debeat, ut reprehensione dignus appueat, sed habita ratione tera-
poris aetatis sexus valetudinis, cum id agat, ut mature perveniat, id est eodem tem-
pore, quo plerique ejusdem condicionis liomiues sulent pervenire .... — Item qui
iusulain tien spopondit, mui Utique CUDquisitis undique l\'abris et plurimis operis
adhibitia festinarc debet nee riirsus Dtroqne aut alteio conteiitus esse, sed modus
adtiibendus est secuiidum rationem diligentis aedilicatoris et temporum locorumque.
Item si nun iiiehuetur opus, id tantum aestimetur, i|iiud in illu intervallo cttici
putuit. Transaetoque tempore, ipio insulam eotisummare oportuerit, si postea aedili-
cetur, liberetur reus, sicut liberatur, qui se daturum spopondit, si quandoque tradit.
Venulejus 1. 137 § 2, § .1 I). de V. O. (XXXXV, 1).
Hoever strekt zich nu de verantwoordelijkheid voor opzet en schuld uit?
Voor opzet wordt altijd ingestaan; ja zelfs is het niet geoorloofd, van
dezen regel bij uitdrukkelijk beding af te wijken (zie hierboven § 12).
Grove schuld wordt, wat de aansprakelijkheid betreft, met opzet gelijk-
gesteld; waar de Romeinen alleen dolus noemen, begrijpen zij daaronder
ook culpa lata {culpa dolo proxima); waar van dolus et culpa wordt ge-
sproken, wordt onder culpa de lichte schuld verstaan.
Illinl non probabis, dolum nou esse praestaiidum si convenerit: nam baec con-
ventio contra bonam lidcm contraque bouos mores est et idco nee sequenda est. lip.
1. 1 § 7 1). depos. (XVI, 3).
Magua ncglegentia culpa est: magna culpa dolus est. Paul. 1.226 D.de V.S.(L, 10).
.... lata culpa plane dolo comparabitur.....I lp. 1. 1 § 1 D. si mens. (XI, C).
.... dissoluta neglegentia prope dolum est.....I\'lp. 1. 2!) pr. I). mand. (X Vil, 1).
In lege Cornelia dolus pro facto accipitur. Neque in hac lege culpa lata pro dolo
accipitur. C^uare si qiiis alto se praecipitarerit et super alium venerit eumque occi-
derit, aut putator, ex arbore cum ramum deiceret, non praeelamaverit et praeter-
euntern occiderit, ad hujus legis coercitionem non perlinet. 1\'aul. 1. 7 1). ad leg.
Corn. (XXXXVlll, 8).
/ Waar de handeling op zich zelf onrechtmatig is, onafhankelijk van
eenige bijzondere rechtsbetrekking, gelijk bij de Lex Aquilia (ziehieronder
§ 199), daar maakt elke schuld, al is zij gering, den dader aansprakelijk.
• In lege Aqtlilia et levissima culpa venit. 1\'lp. 1. 44 pr. 1). ad leg. Aquil. (IX, 2).
Waar de daad betrekkelijk onrechtmatig is, omdat zij strijdt met eene
bijzondere reeds te voren bestaande rechtsbetrekking, daar wordt soms
wèl, soms niet ingestaan voor lichte schuld. Als regel kan men stellen,
dat hij in wiens belang de rechtshandeling is aangegaan, waaruit de
rechtsband tusschen partijen ontstond, voor elke schuld, ook voor lichte,
aansprakelyk is, dat daarentegen hij die geen voordeel geniet slechts be-
hoeft in te staan voor opzet en grove schuld. Deze regel gaat echter nTëF-
overal door. Zoo staat de lasthebber, hoewel hij geen belang heeft b\\j
de overeenkomst van lastgeving, toch in ook voor lichte schuld (zie
hieronder § 193, III, bl. 106): het vertrouwen, dat in hem gesteld is,
mag hij niet beschamen. Daarentegen wordt bij het precarium door den
belanghebbende alleen voor opzet en grove schuld ingestaan (zie hieronder
§ 194, III, bl. 114); over den landmeter vgl. § 204, n°. 1. Overigens
-ocr page 224-
207
kunnen deze regels door partijen bij onderlinge afspraak worden gewijzigd;
zoo kan ook worden bedongen, dat iemand zal instaan voor toeval.
Contractus quidam dolum malum dumtaxat recipiant, quidam et dulum et culpam.
Dolum tantum: depositiiiïi et precarium. Dolum et culpam mandatum, commodiitum,
venditum, pignori aceeptum, locatum, item dotis datiu, tntelae, negotia gesta: in
his qnidem et diligentiam. Sucietus et rerum cummuniu et dolum et culpam recipit.
Scd haec ita, nisi si quid numinatim convenit (vel plus vel minus) in singulis con-
tractibus: nam hoc servabitur, quod initio convenit (legem enim contractus dedit),
excepto eo, quod (\'elsus putat non valere, si convenerit, ue dolus praestetur: hoc
enim bonae tidei judicio coutrarium est: et ita utimiir. Aiiimalium vero casus mor-
tesque, quae sine culpa accidunt, fugae servurum qui custodiri non solent, rapinae,
tumultus. incendia, aquarum magnitudincs, itnpetus praedontim a nullo praestaiitur.
Ulp. I. 23 D. de K. .1. (L, 17).
Nunc videndtim est, quid veniat in commodati actione, ntrum dolus an et culpa
an vero et omne periculum. Kt quidem in contractibus interdum dolum solum, inter-
dum et culpam praestamus: dolum in deposito: nam quia nulla utilitas ejtis versatur
apud ipuem deponitur, merito dolus praestatur solus: nisi forte et merecs uceessit
(tune enim, ut est et eonstitutum, ctiam culpa exhibetur) aut si hoc ab initio con-
venit, ut et culpam et periculum praestet is penes quem deponitur. Sed ubi utriusque
utilitas vertitur, ut in empto, ut in locato, ut in dote, ut iu pignore, ut in soeic-
tate, et dolus et culpa praestatur. — Commodatum aiitcin plerumque solum ntilitatein
continet ejus cui commodatur, et ideo verior est Qtiinti Mucii sententia cxistitnaiitis
et culpam praestandam et diligentiam et, si forte res aestimuta data sit, omnc peri-
culum praestandum ab eo, qui aestimationem se praestaturum recepit. lip. I. "> § \'-\',
§ 8 D. commod. (XIII, B).
<Jum quid tibi legatum fideive tuae commissum sit, ut mihi restituas, si qnidem
nihil praeterca ex testamento capias, dolum malum dumtaxat in exigendo eo legato,
alioquin etium culpam te mihi pracstare debcre existiraavit: sicut in contractibus lidei
bonae servatur, ut, si quidem utriusque contrahentis eommodum versetur, etiam
culpa, sin unius solius, dolus malus tantummodo praestetur. African. 1. 108 § 12 I).
de lcgat. I. (XXX).
•lulianus libro quinto decimo digestorum dicit, si quis fundum locaverit, ut etiam
si quid vi majori accidisset, hoc ei praestaretur, pacto stand um esse. lip. 1. 9 § 2
D. loc. (XIX, 2).
Wanneer iemand, jegens een ander verbonden zijnde, aan diens aan-
gelegenheden minder zorg heeft besteed dan aan zyne eigene zaken, dan
wordt deze handelwijze, al ware zij op zich zelve niet als eene grove
nalatigheid te beschouwen, toch met grove schuld gelijkgesteld (zooge-
naamde culpa lata in concreto).
Quod Nerva diccret latiorem culpam dolum esse, Proculo displicebat, mihi verissi-
iiiuiu videtur. Nam et si quis nou ad eum moduul quem hominutn natura desiderat
diligens est, nisi tarnen ad suum modum euram in deposito praestat, fraude non
caret: nee enim salva tidc minorem is iiuam suis rebus diligentiam praestabit. Cels.
1. 32 D. depos. (XVI, 3).
Terwijl in den regel het abstracte begrip van den zorgvuldigen huis-
vader als maatstaf dient bij de beoordeeling der vraag, of iemand vol-
doende zorg heeft aangewend, kan bij sommige rechtsbetrekkingen de
verbonden persoon volstaan met die zorg te wijden aan eens anders
aangelegenheden, die hij pleegt te besteden aan zyne eigene zaken, al
blijft hij daarbij beneden de eischen van een goed huisvader (zoogenaamde
-ocr page 225-
208
culpa levis in concreto). Dit is het geval, waar iemand genoodzaakt is
zich met eens anders zaken in te laten, zooals bij de voogdij, of waar
de tegenpartij geacht mag worden nauwkeurig bekend te zijn geweest
met de hoedanigheden van den persoon, met wien zij eene betrekking
aanknoopte, zooals bij het beheer van den man over het goed der vrouw
(zie hieronder § 125, § 12b) en bij de vennootschap (zie § 192, 111,
bl. 100); vgl. ook § 202, IV.
In umiiibus qaae feeit tutur, cum facere mm deberet, item in liis quae nun t\'ccit
rationcm reddet hoc judicio, pracstando dolum, culpum et quuutam in suis rebus
ddigentiam. Ulp. 1. l pr. I). de tutelac (XXVll, 3).
Si muritus sacvus in servos dotales luit, videndum, uu de ln«- possit couveniri.
l-.i si iiuidem tantum in servus uxoris ssievus luit, constat eum teneri hoc nutnine:
si vero et in suos est natura talis, adliue dieendum est iminodcratam ejus saevitiam
Iiim\' judicio coercendam: quamvis cnim diligentium uxur eam deinum ab eo exigat,
liiiam rebus suis exiget, nee plus possit, uttamen saevitia, iiuac in propriis culpanda
est, in alienis coercenda est, hoc est in dotalibus. lip. I. 24 § 5 ]). sol. matr.
(XXIV, 3>
liet bestaan van opzet, schuld of toeval moet worden bewezen door
hem, die daarop de aansprakelijkheid van een ander of zijne eigen be-
vrijding grondt.
Si ereditor sine vitio suo urgentum pignori datum perdidit restituere id non co-
gitur: sed si culpae reus deprehenditur vel non probat mauil\'estis rutionibus se per-
didissc, quanti debitoris interest cuudemnuri debet. Alex. 1.0 C de act. pign. (IV, 24,).
De Komeinsche juristen spreken vaak van „custodiam praestare".
Daardoor wordt echter niet een bijzondere graad van verantwoordelijkheid
aangeduid, maar alleen eene bijzondere richting der zorg. Wie custodia
moet praesteeren, is verplicht de zaak te beveiligen tegen diefstal, brand
en andere dergelijke van buiten komende onheilen, maar of hij daarin is
te kort geschoten of niet, wordt naar de gewone regels over opzet en
schuld beoordeeld.
Venit aiilem in hac actione et dolus et culpa, ut in commodato: venit el custodia:
vis major non venit. lip. 1. 13 § 1 ]). de pign. act. (XI11, ").
In judicio tuin locati iiuam conducli dohun et custodiam, non etiatn casum, cui
resisti non potest, vcnire constat. Diocl. et Maxim. 1. 28 C. de loc. et cond. (IV, G5).
In den regel rust de verplichting tot schadevergoeding alleen op den-
gene, die de onrechtmatige handeling verrichtte, maar het kan zijn, dat
ook een ander, hetzij alleen of met hem, aansprakelijk is. Zie eenige
dergelijke gevallen hieronder § 204, n08. 2 en 4, en § 205, n°. 1.
§ 92. VEKANDEKING EN TE NIET GAAN VAN HECHTEN.
Een recht kan, zonder te niet te gaan, gedurende zijn bestaan ver-
schillende veranderingen ondervinden, zoowel wat betreft zyn inhoud —
door vermeerdering of vermindering van zijn omvang of door wijziging
ten gevolge van krenking — als wat aangaat zyn subject (zie hieronder
§ 208). Het wezen van het recht blijft dan hetzelfde: voor zoover de
-ocr page 226-
200
verandering niet reikt, blijft alles bij het oude, in tegenstelling van die
gevallen, waar een nieuw recht in de plaats gesteld wordt van een oud.
Een recht kan ook tijdelijk rusten of slapen, bijv. het eigendomsrecht
van eene zaak, die door verbinding bestanddeel is geworden van eene
andere, zie hierboven § GG en hieronder § 145, II; het is zoolang werke-
loos, evenals een recht, dat te niet gegaan is, maar het erlangt weder
volle kracht, zonder dat het opnieuw gevestigd behoelt te worden, zoodra
de omstandigheid vervalt, waardoor zijne werking werd verlamd.
(\'um in suo loco aliquis aliena materia aeditïcaverit, ipso dominus intcllegitur
Mi\'ilii\'n-ii. i|iii» omne i|iiod inaedificatur solo cedit. Nee tarnen ideo is c[iii materiae
dominus fiiit de:iiit ejus dominus csse: sed tantisper neque vindicarc eam potest
neque ad oxliibendum de ea agere propter legem duodecim tabularum, <|iia cavetur,
ne quis tignum alienum aedibus suis junctum eximere eogiitur, Bed diiplum pro eo
praestet. Appellatione iiutem tigni omnes materiae Bignificantur, ex iiuibus uedilicin
liiiui. Ergo si aliqua ex causa dirutuin git aediticinm, poterit materiae dominus nunc
eam vindicare et ad exliibendum agere. Gajus 1. 7 § 10 I). de A. I{. 1). (XXXXI, 1).
Ondergang van het recht heeft plaats, wanneer de voorwaarden (rechtsfeiten)
aanwezig zijn, waaraan de rechtsorde het eindigen van een recht verbindt.
Gelijk verkrijging niet noodwendig samengaat met het ontstaan van een
recht, zoo moet men verlies van een recht wM onderscheiden van den
ondergang daarvan (zie hierboven §§70, 71). Wanneer een recht over-
gaat van A op B, dan gaat het voor A verloren, maar het gaat niet te
niet; het gaat niet onder, maar over, gelijk het door U verkregen wordt,
zonder dat het nu eerst ontstaat.
De bijzondere oorzaken, waardoor rechten te niet gaan, worden bij de
afzonderlijke rechten in het Bijzonder Gedeelte besproken (zie byv. hier-
onder §§ 154, 158, 164, 173, 209 vlg.).
In het algemeen zij het volgende opgemerkt:
/1°. Rechten, welke men ontleent aan iemand, die slechts een tijdelijk
of ontbindbaar recht heeft, vervallen, wanneer het recht van dien auteur..;__
ophoudt te bestaan: resoluto jure dantis, resolvitur jus acci-
pientis (zie hieronder § 143).
2°. Rechten, waaraan eene ontbindende voorwaarde of een eindternüjn
is verbonden, gaan te niet, als de voorwaarde wordt vervuld of de ter-
mijn aanbreekt. •
3°. Rechten, die op een bepaald voorwerp gevestigd zijn, eindigen,
als dat voorwerp physiek of juridiek te niet gaat.
y 4\'. Rechten op eens anders zaak houden op te bestaan, wanneer zij
/ met het eigendomsrecht in ééne hand samenkomen; verbintenissen gaan
te niet, wanneer de hoedanigheden van schuldeischer en schuldenaar zich
in één persoon vereenigen (vermenging).
5°. De Romein8che regel: „nihil tam naturale est quam eo ge-
nere quidque dissolvere quo colligatum est" is niet algemeen
juist; rechten gaan te niet op vele wyzen die niet bestaan in het tegen-
deel van de wyze, waarop ze zijn gevestigd, en zij gaan evenmin altijd
te niet door eene tegen de vestiging overstaande handeling.
Rom. recht. I, 2e druk.                                                                                      14
-ocr page 227-
211
De vervreemding is of eene vrijwillige of eene rechtens noodzakelijke.
Ten aanzien der laatste gelden in den regel de beperkingen der bevoegd-
heid om te vervreemden niet.
Interduin lex Julia de fundo dutali ccssat: si ob id, quod maritus diimni infccti
non cavcbat, missus sit vicinus in possessionem dotalis pracdii, deinde jussus sit
possidcre: hic enim dominus vicinus fit, quia haec alicnatiu non est voluntaria. Paul.
1. 1 pr. I). de fundo dot. (XXIII, 5).
Venditio quidem praedii, quod jure pignoris vol in rausa judicati captain et dis-
iractum est, ad senutus consultum, quod de alicnandis pracdiis pii]>illorum vel ado-
lcsceutium auetore praetore vel praesidc provinciae factum est, non pertinet. Antonin.
1. 1 pr. C. de praed. vel al. reb. (V, 71).
Inter omnes minures nee commune praedinm sine decreto praesidis sententia sena-
tus consulti distrahi patitur. Nam ad divisionis causam provocante tantum majore
soeio ejus alienationem et sine decreto fieri jam pridem oblinuit. Diocl. et Maxim.
I. 17 C. eocl.
Niet alle rechten zijn vervreemdbaar. In de onvervreemdbaarheid van
het recht ligt echter niet opgesloten, dat ook de uitoefening van hot recht
niet kan worden overgedragen.
Afstand is de handeling, waardoor men een verkregen recht prijs geeft
zonder overdracht op een ander. Men kan niet van alle rechten afstand
doen, bijv. niet van die, welke tot den staat van den persoon behooren.
Ook kan men zich door afstand niet willekeurig ontslaan van de aan het
recht verbonden verplichtingen.
.lus adgnationis non posse pacto repudiari, non magis ipiam ut quis dicat nolle
suurn esse, Juliani sententia est. Modest. I. 34 I). de pact. (11, 14).
Op welke wyze de afstand moet geschieden, hangt af van den aard
van het recht, dat wordt prijs gegeven. Betwist is de vraag, of voor
een verbindenden afstand vereischt wordt de medewerking van drngene,
die door dien afstand wordt gebaat. Hier valt te onderscheiden. Eigen-
domsrecht bijv. gaat verloren, wanneer de eigenaar de zaak verlaat; deze
kan echter op den afstand terugkomen door de zaak weder in bezit te
nemen, zoolang een ander ze zich nog niet heeft toegeëigend. Verbinte-
nissen daarentegen kunnen slechts worden vernietigd door wilsovereen-
stemming van de daarbij betrokken partijen.
C\'um fructuarius paratna est usum rructum derelinquere, non est oogendus domum
rcliccrc, in quibus casibus et usul\'ructuario hoe otius incumbit. Sed et post acceptum
contra eum judicium parato fructuario derelinquere usum lïiictum diceiidum est al>-
solvi eum (lebere a judice. I"lp. 1. 04 1). de usu IV. (Vil, 1).
Sed cuin fructuarius debeat quod suo suorumque facto deterius factum sit relieeie,
non est absolvendus, licet usum fructum derelinquere paratus sit: debet eniin omne,
quod diligens pater familias in 8Ua domo facit, et ipse facere. Pump. 1. Ca pr. 1). eod.
Si debitur tuus non vult a te libcrari et praesens est, nun potest invitiis a te
sulvi.....Labeo 1. 91 1). de solut. (XXXXVI, 3).
Si probaveris te fundum mercatum possessionemque ejus tibi traditam sciente et
eoiisenücntc ea, quae sibi eum a venditore obligatum dicit, eam exeeptionc remo-
vcbis. Nam ubligatiu pignuris cunsensu et contrahitur et dissulvitur. Antonin. 1. 2 (,\'.
de rem. pign. (Vlll, 2.r)).
14*
-ocr page 228-
212
Van de rechtsmiddelen, die iemand ten dienste staan, kan hij afstand
doen, hetzij uitdrukkelijk (zie bijv. hierboven § 88, II), of stilzwijgend
door ze niet binnen den voorgeschreven termijn te gebruiken.
Si jiulex circnmvento in veuditione adulescenti jussit l\'undum restitui eiimqiie
prctiiim emptori reddere, et hic nolit uti hac in integrum restitutione paenitentin
\'acta, exceptionem utilcm ad versus petentem pretium quasi ex causa judicati adu-
leseens habere poterit, quia unicuique licet contemnere haec, quae pro se intruductu
sunt. Nee queri poterit venditor, si restituttis fuerit in eam eausam, in qua se ipse
constituit et quam mutarc non potuisset, si minor auxiiinm practoris non implorasset.
.lulian. I. 41 1). de minor. (IV, 4).
Doet iemand afstand van een nog niet verworven recht, bijv. van eene
nog niet aanvaarde erfenis, dan wordt dit onmiddellijk verkregen door
dengene, die door hem werd uitgesloten.
Qui semcl noluit bonorum possessionem petere, perdidit jus ejus, etsi tempora lar-
giantur: ubi cnim noluit, jam coepit ad alios pertinere bonorum possessio aut liscum
invitare. l\'ip. 1. 1 § 6 1). de suec. ed. (XXXVIII, 9).
Si coheredi tuo substitutus fuisses et bonorum possessionem acceperis, qnandoqtie
eoheres tuus constituent nolle petere bonorum possessionem, tibi data tota intelle-
gitur, eoheres tuus amplius petendae bonorum ))ossessionis 1\'acultatem non liabebit.
.lulian. 1. 4 pr. D. quis ordo (XXXVIII, 15).
§ 94. DE TI.J1) IN BETREKKING TOT HET ONTSTAAN EN TE NIET GAAN
VAN RECHTEN.
De tijd is een rechtsfeit, waardoor öf krachtens wettelijk voorschrift
öf ingevolge rechterlijk bevel öf door overeenkomst van partijen invloed
wordt geoefend op het ontstaan, de verandering of het te niet gaan van
rechten en rechtsbetrekkingen. Deze invloed openbaart zich op verschil-
lende wijzen. Zoo zijn vele rechten, wat hun bestaan betreft, gebonden
aan een termijn. Zoo kan dikwijls een recht slechts worden uitgeoefend
of kunnen handelingen slechts worden verricht binnen of na afloop van
een bepaalden termijn. Zoo kunnen, doordien een toestand gedurende
zekeren tijd heeft voortgeduurd, rechten worden verkregen of verloren
gaan. Met het oog op dezen invloed is er behoefte aan regels omtrent
de verdeeling van den tijd en de berekening van termijnen.
De deelen, waarin de tijd voor de berekening van termijnen gesplitst
wordt, zijn dagen, maanden en jaren. Deze verschillende tijdsafdeelingen
vormen, in eene vaste orde, met een vast begin en einde, den kalender.
De kalenderdag, ook den nacht omvattende, begint en eindigt met
middernacht; alles wat binnen die tijdsruimte is geschied, is op één dag
voorgevallen. De kalendermaand begint met den eersten dag der maand
en eindigt met den laatsten. Het kalenderjaar begon vroeger met 1 Maart;
later vangt hot aan met 1 Januari, en eindigt met 31 December.
More Homano dies a media noete incipit et sequentis noctis media partc nnitur.
Itaquc quidquid in bis viginti quattuor horig, id est duabus dimidiatis noctilms et
luce media, actum est, perinde est, quasi qua vis hora lueis aetum esset. 1\'uul. 1. 8
D. de feriis (11, 12).
-ocr page 229-
OIO
_ I •\'
In het rechtsverkeer hebben de termijnen echter meestal een ander punt
van aanvang, dan waarop, volgens den kalender, dag, maand of jaar
begint. Daarom behoort het vast te staan, welke tijdsruimte de bewege-
lijke dagen, maanden en jaren omvatten. De bewegelijke dag bestaat uit
eene tijdsruimte van 24 uren, de bewegelijke maand uit 30 dagen, het
bewegelijke jaar uit 365 dagen.
„Stichus si hercdi meo anno servierit, libcr esto": quacrendum est, annus quomudo
accipi debeat, an qui ex continuis dicbus treccntis sexaginta ([tiim^tio constet an
quibus libct. Sed superius magis intellcgendiim I\'om|>oiiius scribit. Sed et si quibus*
dam diebns aut valctudu ant alia justa causa impedimento fuerit, i{iiu minus serviat,
et hi anno imputandi sant: servire cnim nobis intcllcguntur etiam lii, quos curamus
ucgros, ([iii cupientes servire pruptcr advcrs-im valetudincm impcdiuntur. Paul. 1. 4
§ 5 D. de statulib. (XXXX, 7).
Bij de berekening van termijnen wordt gewoonlijk niet bij uren, minuten
en seconden [natuurlijke berekening), maar bij dagen gerekend (juridische
berekening).
Als eerste dag van den termijn geldt die, waarop de gebeur-
tenis plaats had, die tot het loopen van den termijn aanleiding geeft. De
laatste dag van den termijn wordt gevonden door telling. Geldt het ver-
krijging van een recht of van eene bevoegdheid, dan is het voldoende,
dat de laatste dag is aangebroken — men drukt dit tegenwoordig aldus
uit: dies ultimus coeptus pro completo habetur; geldt het
daarentegen verlies van een recht of van eene bevoegdheid, dan moet
de laatste dag zijn afgeloopen.
Minorem atltem viginti cjuinque annis natu videndum, an etiam die natulis sui
adline dirimus ante horam qua natus est, ut si eaptus sit restituatur? Kt eum non-
dum eomplevcrit, ita crit dicendum, ut a momento in momentum tempus gpectctur.
l\'roindc et si bissexto natus est, sive priore sive posteriore die Celsus seripsii nihil
referrc: nam id biduum pro uno die habetur et postcrior dies kalendarum inlcrcula-
tur. 1\'lp. 1. 3 § 3 D. de minor. (IV, 4).
..Anniculus" non stutim ut natus est, sed treeentesimo sexugensimo quinto die
dieitur, ineipiente pliinc, non exaeto die, qnia annum civiliter non ad inomenta
temporum, sed ad dies numeramus. Paul. 1. 134 I). de V. S. (L, 16).
A qua aetate testamentnm vel masculi vel feminae l\'acerc possunt, videamus. Verius
est in maseulis quidem quartiim decimum annum spectanduin , in feminis veroduodc-
cimum completnm. I\'trum autem exeessisse debeat ipiis quartum decimum annum, ut
testamentnm facere possit, an suttieit romplesse? Proponc aliquem kalendis Januariis
natum testamentnm ipso natnli suo fecisse quarto decimoanno: an valeat testamentnm?
Pico valere. Plus arbitror, etiamsi pridie kalendarum l\'ecerit post sextam horam noctis,
valere testamentnm: jam enim eomplcsse videtur annum quartum decimum, ut Mar-
eiano videtur. 1\'lp. 1. S I). qui test. (XXV11I, I).
In usiicapionibus non a momento ad momentum, sed totum |>ostreinum (Hem com-
putamus. Ulp. 1. ti I). de usurp. et usuc. (XXXX1, 3j.
Ideoque qui hora sexta diei kalendarum Januariarum possidere coepit, hora sexta
noctis pridie kalendus Junuarias implet iisucapioiiem. Ulp. 1. 7 I). eod.
In usucapionc ita servatur, ut, etiamsi minitno momento novissimi diei possessu
sit res, uihilo minus repleatur uancapio, nee totus dies exigitur ad explendum con-
stiititum tempus. Venulejqs 1. 15 pr. D. de div. temp. praescr. (XXXXIV, 3 .
In omnibus temporalibus actionibus nisi novissimus totus dies complcatur, non fluit
obligationcm. l\'aul. 1. 6 D. de O. et A. (XXXX1V, 7).
-ocr page 230-
214
Quod dicimus „intra dies centiim bonorum possossioncm pcti possc", ita intellegen-
diim est, ut et ipso die centcnsimo bonorum possessio pcti possit, quemadmodum
intra kalondas ctiam ipsac kalendue sunt. Idem est et si „in diebus centum" dicatur.
Ulp. 1. 1 § ü T). de bucc. cd. (XXXVIII, 9).
In den regel worden bij de berekening van een termijn alle dagen
medegeteld (tempus continuüm). In sommige gevallen echter, waar door
niet-handelen verlies van een recht zou plaats hebben, worden bij ter-
mijnen van een jaar of van korteren duur alleen de bruikbare dagen in
aanmerking genomen (tempus utile, annus utilis), en blijven dus buiten
berekening die dagen, waarop bijv. wegens ziekte, gevangenschap, af-
wezigheid, ontoegankelijkheid van den magistraat, niet kon worden ge-
handeld of het bedoelde recht niet kon worden uitgeoefend.
In nsucapionibus mobilium continuüm tempus nnmeratur. Paul. 1. 31 § 1 D. de
usurp. et usuc. (XXXXI, 3).
Quia tractatus de utilibus diebus I\'requens est, videamus, quid rit experiundi potes-
tatetn haberc. Et quidem in primis exigendum est, ut sit faeultas agendi. Nequc
snfficit rco experiundi serum faccre potestaten!, vel haberc ciim qui se idonee delen-
dat, nisi aetor quoqnc nulla idonea causa impediatur experiri. Proinde sive apud hostes
sit sive rei publicae causa absit sive in vinculis sit nut si tempestate in loco aliquo
vel in regione detincatur, ut neque experiri nequc mandare possit, experiundi potes-
tatem non habet. 1\'lane is, qui raletudine impeditur, ut mandare possit, in ea causa
est, ut experiundi habeat potestatem. lllud utique neminem fugit experiundi potes-
tatem non haberc enm, qui practoris copiam non hubuit: proinde hi dies eedunt,
quibus jus praetor reddit. Vip. 1. 1 D. de div. temp. pracscr. (XXXXIV, 3).
Ook zijn er gevallen, waarin een termijn niet aanvangt, voordat de
belanghebbende kennis heeft gekregen van de omstandigheden, die hem
tot handelen binnen een bepaalden termijn dwingen, maar waarin die
termijn, eens aangevangen, onafgebroken doorloopt, zoo o. a. de termijn
binnen welken iemand zich kan verschoonen van eene hem opgedragen
voogdij, zie hieronder § 138.
Eene zeer belangrijke werking van den tijd is de verjaring: rechten
worden verkregen of verloren, doordien zij een geruimen tijd feitelijk
zijn uitgeoefend of niet zijn uitgeoefend. De Romeinen kennen vooreerst
de usucapio, eene instelling van het oude civiele recht, waardoor som-
mige rechten — in het bijzonder eigendom en servituten (zie hieronder
§ 149 en § 103, II) — worden verkregen ten gevolge van eene, gedu-
rende een bepaalden tijd voortgezette, uitoefening dier rechten te goeder
trouw. In de tweede plaats de praescriptio temporis, eene instelling van
het latere praetorischo recht, verder ontwikkeld door Theodosius II
(zie hieronder § 110), waardoor vorderingsrechten te niet gaan, wanneer
de tot ageeren bevoegde persoon een bepaalden tijd heeft stil gezeten
(verg. ook hieronder § 104, VII). Vroeger heeft men getracht, deze twee
in oorsprong en strekking verschillende rechtsinstellingen onder één ge-
zichtspunt samen te vatten. Althans voor het Romeinsche Recht is dit
niet juist.
In enkele toepassingen wordt verder deze regel gehuldigd: wanneer
een toestand zoolang heeft bestaan, dat zijn oorsprong buiten het bereik
-ocr page 231-
215
ligt van \'s menschen herinnering, dan wordt behoudens tegenbewys aan-
genotnen, dat die toestand op wettige wijze is ontstaan (vetuslas, zooge-
naamde pracscriptio immemorialis).
Scaevola rcspondit solerc eos, <|iii juii dicundo pracsunt, tueri ductusacjuae, tiuibus
auetoritatem vctustas daret, tamctsi jus non probarctur. Scacv. 1. 26 D. de aqna et
aquae (XXXIX, 3).
Viac vicinales, tiuac ex agris privatorum collatis t\'aetae suilt, quarum memoria
non cxstat, publicarum viarum numero sunt. l\'lp. 1. 3 pr. D. de loc. et itin. ptibl.
(XXXX1U, 7).
Ductns aquac, cujus origo memoriam excessit, jure constituti loco habetur. Pomp.
1. 3 § 4 D. de aiiua cott. (XXXXUI, 20).
-ocr page 232-
Hoofdstuk Y.
UITOEFENING, BESCHERMING EN HANDHAVING DER HECHTEN.
§ Of» (le druk: § 90). uitoefening der rechten.
Uitoefening van een recht is de feitelijke en bewuste verwezenlijking
van de in een recht opgesloten bevoegdheden. Uie uitoefening is iets
feitelijks: zij kan ook geschieden door een niet-rechthebbende. Waar
echter bij den handelenden persoon de bewustheid, dat hij een recht
uitoefent, ontbreekt, daar kan van uitoefening geen sprake zijn.
Si per fuiidum tinim nee vi nee olam ncc precario cummeavit ali<|tiis, nou tarnen
tnm<|uam id suo jure facerct, sed, si prohiberetur, non fncturus, inutile est ei inter-
dictum de itincre actuque: nam nt hoc interdictum competat, jus fundi |>osscdissc
oportct. Cols. 1. 7 I). do itin. act. priv. (XXXXI1I, 19).
Sorviliitc tisus non videtur nisi is, ijui suo jure uti ;>o ercdidit: idco<|UC si quis
pro via publica vol pro alterius sorvituto nsus sit, ncc interdictum ncc actio utilitcr
competit. Paul. 1. 25 ]). qnemadm. serv. amitt. (VIII, 0).
Sommige rechten (met name absolute rechten) laten eene voortdurende
uitoefening toe, zonder dat daardoor hun inhoud wordt uitgeput (zie
hieronder § 143); andere (met name vorderingsrechten) worden door elke
uitoefening geheel of gedeeltelijk vernietigd.
Het staat den gerechtigde vrij, zijn recht geheel of gedeeltelijk of ook
in het geheel niet uit te oefenen. Een indirecte dwang is alleen hierin
gelegen, dat in vele gevallen het recht ten gevolge van langdurige niet-
uitoefening verloren gaat (zie hieronder § 110, § 164 VII).
Si judex circumvento in venditione adulescenti jussit fnndum restitui eumipic
prctiuin emptori reddcre, ot hic nolit uti hac in intcgrnm restitutione puvnitcntiu
acta, exceptionem ntilom adversus petentem pretium quasi ex causa judicati adu-
lescens haberc poteiit, c|iiia unicuique lioot oontemnere haoc, quae pro M introducta
snnt. Nee queri potent vonditor, si restitutns fuerit in eam causam, in qua se ipse
constituit ot (juam mntare non potuisset, si minor auxilium practoris nou implorusset.
Julian. 1. 41 I). de minor. (IV, 4).
Invitus agere vol accusare nvmo oogitur. Diocl. ot Maxim. 1. uu. C. ut nomo inv.
(Hl. 7).
-ocr page 233-
217
De gerechtigde is bevoegd, zijn recht naar welgevallen uit te oefenen,
voor zoover die uitoefening niet door de rechtsorde in het algemeen
belang is geregeld of beperkt: male nostro jure uti non debemus,
zegt Gajus, Inst. I § 53 (zie bijv. hieronder § 145). Hij mag de grenzen
van zijn recht niet overschrijden, want daardoor zou hij onrecht plegen
(zie hierboven § 91). Staat het echter vast, dat hij zich binnen deze
grenzen beweegt, dan is hij bevoegd ook tot die handelingen, welke
voor een ander nadeelig of lastig zijn (qui suo jure utitur, nemini
facit injuriam — zoo drukt men dit tegenwoordig uit).
Nullus videtur flolo facerc, qui suu jure utitur. Gajus 1. 55 D. de 11. J. (L, 17).
Nemo damnum facit, uisi qui id fecit, quod faccrejus non habet. Paul. 1. 151 D. eod.
Non videtur vim facerc, <[ui jure suo utitur et ordinaria actione experitur. Paul.
1. 155 § 1 D. eod.
Cum eo, qui tollendo obscurat vicini acdes, quibus non serviat, nulla competit
actio. Pip. 1. 0 T). de S. P. IT. (VIU, 2).
I\'roculus uit, cum quis jure quid in suo faceret, quamvia promississet dumni infecti
vicino, non tarnen cum teneri ea stipulatione: veluti si juxta mea aedificia habeas
acdilicia eaque jure tuo altius tollas, aut si in vieino tuo agru cunioulo vel fossa
aquam mcam avoces: ([iiamvis cnim et hic aqiiam milii abducafl et illic luminibus
ofricias, tarnen ex ea stipulatione actionem milii non competcre, scilicct quia non
debcat videri is dnmniim facerc, qui eo veluti luero, quoadhnc utebatnr, prohibctnr,
multunKjuc interesse, utriim damnum quis faciut, an luero, quod adhuc fuciebat, uti
prohibeatur. Milii videtur vera csse Proculi sententia. [Tip. 1. 20 D. de damn. inf.
(XX XIX, 2).
Si in meo uqua erumpat, quac ex tuo fuudu vcnas habeat, si cas vcnus ineideris
et ob id desierit ad me aqua pervenirc, tu non videris vi fecissc, si nulla servitus
milii eo nomine debita fuerit, ncc interdicto quod vi aut elam teneris. 1\'omp. 1. 21
1). de aqua et aquae (XXXIX, 3).
Op de beweegredenen van dengene, die zijn recht uitoefent, wordt in
het algemeen niet gelet. Doch de chicaneuze uitoefening, die alleen
geschiedt om een ander te plagen, wordt in het Romeinscho recht niet
geduld: malitiis non est indulgendum, zegt Celsus in 1. 38 D. de
R. V. (VI, 1).
Deniquc Marcellus scribit cum eo, qui in suo fodiens vicini fontein avertit, nihil
possc agi, nee de dolo actionem: et sanc non debet babcre, si non animo vicino
nocendi, scd suiim agrum meliorem faciendi id fecit. ITlp. 1. 1 § 12 1). de aqua et
aquae (XXXIX, 8;.
Idem Labeo ait, si vicinus fltimen torrentem averterit, nc aqua ad cum pervcniat,
et hoc modo rit ctfecttim, ut vicino noccatur, agi cum co aquae pluviac arcendac
non posse: aquam enim arcere hoc csse curare, nc influat. Quac sententia vcrior
est, si modo non hoc animo fecit, ut tibi noceat, sed nc sibi noccat. Paul. 1. 2
§ 9 D. eod.
Wie een recht heeft, is bevoegd gebruik te maken van alle hulp-
middelen, zonder welke hij hot niet zou kunnen uitoefenen.
Si iter lcgulum sit, quu nisi operc facto iri non possit, liccre fodiendo substruend
itcr faccre Proculus ait. Ccls. 1. 10 I). de serv. (VIII, 1).
Si domo mea altior area ttiu esset tuque mihi per arcam tuam in diunum mcam
ire agere cessisti nee ex plano aditus ad domum mcam per arcam tuam esset, vel
-ocr page 234-
218
giudns vel clivos propius jauiiam hu-mui jure facere possum, diim ne <|iiid ultra c|iium
i|iiocl oecesse esset itincris causa demoliar. Fanl. 1. 20 § 1 I). de S. P. I\'. (VIII, 2).
In den regel is uitoefening door een vertegenwoordiger mogelijk; maar
er zijn rechten (bijv. het recht van gebruik, zie hieronder § 162), die
zoozeer aan den persoon verbonden zijn, dat zelfs de uitoefening niet
aan een ander kan worden overgedragen, terwijl in andere gevallen
(bijv. bij het vruchtgebruik, zie § 162) niet het recht, maar wèl de uit-
oefening vatbaar is voor overdracht.
§ 96 (le druk: § 97). samenloop en botsing van rechten.
Indien verschillende rechten, hetzij dadelijk bij hun ontstaan, hetzij
later, bij één persoon samentreffen, zoo heeft deze samenloop geen bij-
zonderen invloed op die rechten: elk recht behoudt zijn eigen karakter
en natuur, en kan in vollen omvang worden uitgeoefend.
.... Si reus promittendi rco promittendi heres extiterit, dnas obligationcs sustinot:
item si reus stipulandi exstiterit heres rei stipidnndi, dttus species obligationis sns-
tinebit.... Tip. 1. 5 D. de fidej. fXXXXVl, 1).
Si duo rei sint stipulandi et alter altemm heredem scripsit, videndum, an eonfun-
datur obligatie. Placet non confundi. Quo bonum est hoe dicerc? Quod, si intendat
d:iri sibi oportere, vel ideo dari oportet ipsi, iniod heres cxstitit, vel ideo, <[tiod
proprio nomine ei deberetur. Atquin magna est hujus rei differentia: nam si alter
ex reis paeti eonventi temporali exceptione snmmoveri poterit, intererit, is qui heres
exstitit utrumnc suo nomine an hereditario experiatur, ut ita possis animadvertere,
exceptioni loens sit nee ne. Srnev. 1. 93 pr. D. de solut. (XXXXVI, 3).
Wanneer echter in één subject rechten samentreffen, die voor hun
gelijktijdig bestaan meer subjecten vereischen, dan heeft dat samentreffen
ondergang van een dier rechten ten gevolge. Zoo gaat het servituut" of
pandrecht te niet, wanneer het samentreft met het eigendomsrecht, dat
door het eerstgenoemde recht werd beperkt. Wanneer het hoofdrecht
samenkomt met het accessoire recht, dat dient om het hoofdrecht te
verzekeren, dan gaat dat accessoire recht te niet: bijv. de schuldenaar
wordt erfgenaam van den borg (zie nog hieronder § 214, I).
Treffen de rechten van verschillende personen samen tegen denzelfden
persoon of op dezelfde zaak, dan ondergaan die concurreerende rechten
evenmin eenige verandering, voor zoover ze namelijk alle nevens elkander
volledig kunnen worden uitgeoefend: bijv. twee personen hebben een
servituut of pandrecht op dezelfde zaak, of eene vordering tegen den-
zelfden persoon. Vaak zullen echter niet alle die rechten volkomen be-
vrediging kunnen vinden, bijv. als het pand niet voor allen voldoende is
of de schuldenaar niet alle zijne schuld ei schers kan betalen; dan ontstaat
er tus8chen de verschillende concurreerende rechten eene botsing.
Aan zoodanige botsing wordt een einde gemaakt
öf doordien de eene rechthebbende den anderen voorkomt in de uit-
oefening van zijn recht (occupantis melior est condicio; in pari
causa melior est causa possidentis);
-ocr page 235-
219
Si debitor res smis duobus simul pignori obligavcrit ita, ut atriqne in sulidum
uhligutac csscnt, singuli in sulidum adversus extrancos Scrviana Dtentur: inter ipsos
uutom si quaestio moveatur, possidcntis meliurem esse condicionem: dahitur enim
|H>ssidcnti haeo exceptio: „si non eonvenit, ut eadcm rcs milii qtioque pignori
essct"___Ulp. 1. 10 D. de pign. (XX, 1).
Si duobus quis separatim vcndiderit bona fide emcntibus, vidcamus, ([uis magis
Publicianu uti possit, utrum is cui priori rcs trudita est an is qui tantum emit. Et
Julianus libro septimo digestorum scripsit, ut, si quidem ab eodem non domino
vmerint, potior sit cui priori rcs tradita est, quod si a diversis non dominis, melior
causa sit possidcntis quam petentis. Qunc sententia vcra est. Ulp. 1. 9 § 4 I). de
Publ. act. (VI, 2).
Si quis a multis conveniatur ex noxa cjusdem servi, vel si ab uno, ex pluribus
tarnen delictis, non neecsse habct, quia omnibus dcdere non potest, litis acstima-
tioncm offerre his, quibus dedere non potest. Quid ergo est, si a pluribus conve-
niatur? Si <|uidem unus occupavit, an melior sit condicio, ut ipsi soli dedaturï
An vcro vel omnibus dedi debeat vel cavere debcat defensu iri adversus ceteros?
Et verius est occupantis meliorem esse condicionem. Ei itaqoe dedetur non >iui prior
cgit, sed qui prior ad sententiam pervenit: et ideo ei, qui postea vicerit, actionem
denegari judicati. I\'lp. 1. 14 pr. P. de nox. act. (IX, 4).
Si vcro adhuc in suspensu est prins judicium do peculio et ex postcriore judieio
res judicaretur, nullo modo debet priori» judicii ratio haberi in postcriore condem-
nationc, quia in actione de peculio occupantis melior est condicio, ocenpare autcm
videtur non qui prior litem contestatus est, scd qui prior ad sententiam judicis per-
venit. Gajus 1. 10 D. de pee. (XV, 1).
öf doordien de uitoefening gemeenschappelijk wordt, en allen in de
uitoefening van hun recht beperkt worden door dat van de overigen;
Sciendum .lulianum scribere coque jure nos uti, ut, qui debitam pecuniam recepit
ante, quam bona debitoris possideantur, quamvis sciens prudensque solvendo non
esse recipiat, non timere hoe cdictum : sibi enim vigilavit. Qui vcro post bona pos-
sessa debitum suum recepit, hunc in portionem vocandum exacqiiaiidumque cetcris
creditoribus: neque enim debuit pracripere cetcris post bona possessa, cum jam par
condicio omnium creditorum facta esset. l\'lp. 1. 6 § 7 IX quae in fraud. cred.
(XXXX1I, 8).
Privilcgia non ex tempore acstimantur, sed ex causa, et si cjusdem tituli fuerunt,
concurrunt, licet diversitates temporis in his merint. Paul. 1. 32 I). de rcb. auct.
jud. (XXXXII, 5).
öf doordien het lot beslist.
In tribus istis judiciis familiae erciscundae, communi dividundo et tinium regun-
dorum quaeritur quis actor intellegatur, quia par causa omnium videtur. Scd magis
placuit cum videri actorem • | ui ad judicium provocasset. Gajus 1. 13 T). de jud. (V, 1).
Scd cum ambo ad judicium provocant, sorte rcs discerni solet. Ulp. 1. 14 I). eod.
Si quae sunt eautiones hereditariae, eas judex curare debet ut apud oum mancant,
qui majore ex parte heres sit, ceteri descriptum et recognitum l\'uciant, cautione
interposita, ut, cum rcs exegerit, ipsac exhibeantur. Si omnes isdem ex ]>artibus
heredes sint nee inter cos conveniat, apud quem potius esse debeant, sortiri eos
oportet: aut ex consensu vel surïïugio eligendus est amicus, apud quem deponantur:
vel in aede sacra deponi debent. Gajus 1. 5 D. tam. ere. (X, 2).
Quid ergo, si plu res servos rogatus sit manumittere et ad quorundam pretium
sufficiat id quod relictum est, ad omnium non sufliciat, an cogendus sit quosdam
manumittere? Et putcm debcre cum cogi vel cos, quorum pretiuin patitur, m:mii-
mitterc. Quis ergo statuet, qui potius manumittitur? lrtrumne ipsc legatarius cligat,
-ocr page 236-
\'220
quoa manumittat, an heres a quo legattim est? Et fortassis ijuis rcctc dixcrit ordinem
scripturae scqiicndum: qnod si ordo non parcat, aut sortiri cos oportebit, nc aliquam
umbitionis vel \'gratiac suspicionem practoi" subcat, uut meritis cujusquc ullegatis
arbitrari cos oportet. I \'lp. 1. 24 § 1* T). de lideicomm. lib. (XXXX, 5).
Van dergelijke botsing is geen sprake, wanneer beide rechten niet
gelijk staan in kracht; immers dan wijkt het zwakkere voor het sterkere;
evenmin, wanneer twee personen aanspraak maken op hetzelfde recht,
dat slechts aan óén hunner kan toekomen: die strijd moet in rechte
worden beslist.
§ 97 (le druk: § 95). hescheumino en handhaving1 van rechten
IN HET ALGEMEEN.
Elk recht staat bloot aan schennis. Iemand kan het recht ontkennen,
betwisten, aanranden, den rechthebbende in de uitoefening van zijn recht
belemmeren. Tegen dergelijke inbreuken van derden moet het recht
worden beschermd on gehandhaafd. Geschiedde dit niet, de rechthebbende
ware ten speelbal aan de willekeur van derden; hij zou slechts recht
hebben, zoolang derden het goed vonden. De rechthebbende moet kunnen
optreden tegen ieder, die zijn recht in den weg treedt; hij moet opheffing
van het onrecht, herstel van het geschonden recht kunnen eischen.
In de geordende maatschappij wordt bescherming en handhaving door
eigen vuist en eigen gezag slechts in zeer beperkte mate toegelaten. Zal
niet het geweld zegepralen over het recht, en het recht ontaarden in de
macht van den sterkste, dan moet er een onpartydig, onafhankelijk en
sterk gezag zijn, dat de gerezen geschillen onderzoekt en beslist, een
gezag, verheven boven de bijzondere veeten der twistende partijen, en
krachtig genoeg om, desnoods met den sterken arm, zijne beslissingen
ten uitvoer te doen leggen. Dergelijk gezag is de Staat. De regelmatige
weg om het betwiste of geschonden recht te doen erkennen en herstellen
is de inroeping van de tusschenkomst van den Staat, van de rechterlijke
macht, de rechtsweg (zie hieronder § 98). Die tusschenkomst moet
worden ingeroepen: ambtshalve laat de Staat zich mot onze privaat-
rechtelijke geschillen niet in.
Sed si inter duos fructuarios sit controversia, Julianus libiu trigensimo octavo
digestorum seiibit aequissimum essc quasi cominuni dividundo judicium dan vel
stipulutionc inter se cos cavere, qualiter fruantur: cur enitn, inquit Julianus, ad
arma et lixum procedcre patiatur practor, quos potcst jurisdictionc suu componcre?
Qtium sententium Cclsus quoque libro vicensimo digestorum probat, et ego puto
veraoi. Mp. 1. 13 § :i I). de usu fr. (Vil, 1).
Die inroeping geschiedt door het instellen eener vordering of actie
(zie hieronder § § 10G vlg.). Wanneer de gedaagde den eisch tegenspreekt,
zich dus in den rechtsstrijd inlaat {judicium acceptum, luis conleslalio,
zie § 112), wordt hij in zijne verdediging gehoord, en kan tegenover
de vordering des eischers zijne middelen van ver wering doen gelden
(zie § 111). Immers, men kan zijn recht handhaven en beschermen, zoo-
-ocr page 237-
221
wel door eene vordering in te stellen, als door zich tegen een onrecht-
matigen aanval te verzetten. De rechter hoort beide partijen en onderzoekt
hunne beweringen; daartoe moeten dikwijls door een hunner of door
beiden bewijzen worden bijgebracht (zie §§ 113, 114). Na het onderzoek
door den rechter volgt het vonnis (zie § 115), dat des vereischt tegen
den weerspannigen gedaagde met geweld wordt ten uitvoer gelegd (zie
§ 117). De voorschriften, die betrekking hebben op den aard der middelen
van aanval, verdediging en bewijs, op den omvang en de werkingen
van het rechterlijk vonnis, op de voorwaarden waaraan in het algemeen
de uitoefening van het vorderingsrecht is onderworpen, en op den in-
vloed, dien het proces op de materiöele rechten der gedingvoerende
partijen oefent, vormen te zamen het aetiënreeht of de leer van het theo-
retische proces.
Daarnaast staat de leer van de vormen, waarin het proces zich be-
weegt: formeel procesrecht, de leer der burgerlijke rechtspleging. Daarvan
geven wij slechts eene zeer beknopte schets, nam. voor zoover tot recht
verstand van het materiëele recht noodig is. Zoo behandelen wij kortelijk:
de rechtsprekende personen (§ 99), de gedingvoerende partijen en hunne
vertegenwoordigers (§ 100) en den gang der procedure in hare verschiL
lende stadiën met de daarbij in acht te nemen formaliteiten (§§ 101—105).
Een overzicht van het procesrecht vindt men in verschillende der
hierboven in § 5 genoemde leerboeken over Instituten en rechtsgeschie-
denis. Onder de werken, die meer bijzonder het procesrecht behandelen,
behooren hier nog te worden vermeld:
v. Keiler, der römische Civilprocess und die Actionen in summa-
risclier Darstellung
, Ge druk (door Wach), 1N83.
v. Bethmann—Hollweg, der riimviche Civilproiess, 3 deelen,
1804—18ÜG.
§ 98. ZELFVERDEDIGING). EIGENRICHTING.
Tegen een onrechtmatigen aanval mag men zijn persoon of vermogen,
desnoods met geweld, verdedigen (noodweer), indien namelijk het gevaar
op geene andere wijze kan worden afgewend. Men treedt hier, door den
nood gedrongen, defensief op, ten einde zich in een bestaanden toestand
te handhaven. Daarbij mag men echter de grenzen eener geoorloofde
verdediging niet overschrijden (zie hierboven § 91, en hieronder § 199).
Itaquc si servum mum latrunem insidiantem mihi oucidero, scrums oio: nam
adversus periculum natiiralis ratio permittit se defendere. fiajus 1. 4 |>r. ]). ad leg.
Aquil. (IX, 2).
Sed et si qaemcamqne alium ferro se petentem qnis occiderit, non videbitur iujiiriii
oceidissc: et si mctii qnis mortis fnrem occiderit, non dabitabitnr, quin lege Aqnilia
non teneatur. Sin autem mm posset adprehenderc, mnliiit occidere, magis est ut
injiiria l\'ecisse vidcutur: ergo et Cornelia tencbitur. l\'lp. 1. 5 pr. 1). eod.
Vim vi repellere licera Cassius scribit idquejua natura comparatar: apparet autem,
inquit, ex eo urma armis repellere liccre. ITip. I. 1 § 27 1). de vi (XXXX1II, 16).
tëum igitur, qui cum armis venit, possumus armis repellere, sed boe coul\'estim,
-ocr page 238-
222
non ex intervallo, dummodo sciamus non solum resistcre permissum, ne deicistnr,
sed ut si dejectus cjuis fuerit, eundem deicere non ex intcrvallo, sed ex continent!,
lip. 1. 3 § 9 1). eod.
liecte possidimti ad defendendam possessiouem, quam sine vitiu tcnebat, inculpatac
tutelae moderatione illatam vim propulsare licet. Diocl. et Maxim. 1. 1 C. unde vi
fVIII, 4).
Quod ait praetor de damno dato, ita demum locum habct, si dolo damnnm datum
sit: uam si dolus malus absit, cessat edictum. (.|uemadmodum ergo procedit, qnod
Labco seribit, si defendeudi mei causa viciui aedilicium orto incendio dissipaverim,
et meo nomine et familiae judicium in me dandum? Cum enim defeudendarum
meanim aediuin causa fecerim, utique dolo eareo. 1\'uto igitur non esse veium, qnod
Labeo seiibit. An tarnen lege Aquilia agi cum boe possit? Et non puto agendnm:
nee enim injuria boe t\'ecit, qui se tueri voluit, cum alias non posset. Kt ita (Iclsus
seiibit. Ulp. 1. 3 § 7 1). de incend. (XXXXV11, 9).
Onder eigenrichting wordt verstaan de eigenmachtige handhaving van
werkelijke of vermeende rechten. Hier handelt men offensief en tracht
zich zonder rechterlijke tusschenkomst recht te verschaffen, door een
aanval op eens anders persoon of vermogen.
Si protectum meum, qnod snpra domum tuam nullo jure babebam, reccidisses,
posse me teeum damni injuria agere i\'roculus seiibit: debuisti enim meeum jus milii
non esse protectum habere agere: nee esse aequum damnum me pati reecisis a te
meis tignis. Aliud est dicendum ex rescripto imperatoris Severi, qui ei, per cujus
domuin trajeetus erat aquoe duetus eitra servitittem, reseripsit jure suo posse eum
intercidere, et merito: interest enim, quod bic in suo protexit, ille in alieno fecit
Ulp. 1. 29 § 1 D. ad leg. Aquil. (IX, 2).
Zoolang het Staatsgezag zwak is en de organen, die dienen tot be-
scherming en handhaving van het recht, niet in voldoende mate ontwik-
keld zyn, speelt de eigenrichting eene groote rol. In het latere Romeinsche
Recht wordt zy voor verschillende bepaald aangewezen gevallen verboden.
Aigezien van de strafwet (lex Julia de vi privata, 46 v. C.) komen vooral
twee voorschriften in aanmerking. Het eerste is vervat in een decreet
van Keizer Marcus: de schuldeischer die, om bevrediging voor zijne
s^EïïlclvördëfThg"te verkrijgen, zaken van zyn schuldenaar tegen diens
wil wegneemt of hem tot overgave dwingt, verliest zijn vorderingsrecht.
Een tweede geval is voorzien tyj eene constitutie van Valentinianus,
Theodosius en Arcadius (389 n. C); zy betreft dengene, die met
geweld eene zaak wegneemt, welke door een ander wordt bezeten. Is
hij eigenaar van die zaak, dan verliest hij zijn eigendomsrecht aan den
bezitter; is bij geen eigenaar, dan moet hij de zaak zelve teruggeven,
en hare waarde betalen bij wijze van straf.
Non est singulis eonccdendum, quod per magistratum publice possit fleri, ne occasio
sit majoris tumultus faciendi. i\'aul. 1. 176 pr. 1). de li. •). (L, 17).
Creditores si adversus debitores suos agant, per judicem id, quod deberi »itu
putant, reposcere debent: alioquin si in rem debitoris sui intraverint id nullo con-
eedente, divus Mareus deerevit jus erediti eos non babere. Verba deereti baee simt.
„Optimum est, ut, si quas putas te babere petitiones, aetionibus experiaris: interim
ille in possessioue debet murari, tu petitor es." Et eum Mareianus diceret: „vim
uullam feci": Caesar dixit: „tu vim putas esse solum, si homincs vulnerentur? Vis
-ocr page 239-
223
est et tune, quotiens quis id, quod deberi sibi putat, non per judieem reposcit. Non
puto autem nee verecundiae nee dignitati nee pictati tuae convenire quiequam non
jure facere. Quisqtiis igitur probatus mihi fuerit rem ui lam debitoris non ab ipso
sibi t militant sine ullo judice temere possidere, eumque sibi jus in eain rem dixisse,
ius crediti non habebit." Callistr. 1. 7 D. ad leg. .lul. de vi priv. (XXXXVU1, 7).
Si quis in tantam furoris pervenit audueium, ut possessionem return apud liseum
vel apud ltomines quoslibet eonstitutarum ante eventum judicialis arbitrii violenter
invaserit, dominus epiidem constitutiis possessionem qua in abstulit restituat possessori
et dominium ejusdein rei amittat: sin vcro alicnarum rerum possessionem invasit,
non solum eam possidentibus reddat, verum etiam oestimationem earundem rerum
restituere eompellatur. Valent., Tlteod. et Arcud. I. 7 (\'. linde vi (V\'lll, 4).
Overigens zyn er nog verschillende rechtsmiddelen, waarmede de door
eigenrichting ontstane toestand weder kan worden opgeheven: interdictum
unde vi
, interdictum uti possidetis, interdictum quod vi aul dam, actio
quod metns causa.
§ 99. DE RECHTSPREKENDE PERSONEN.
In de oudste tijden spraken de koningen zelf recht, later de consuls.
Maar aangezien deze, ten gevolge van de vele oorlogen, dikwijls afwezig
moesten zijn, werd in 367 v. C. voor de rechtspleging in de stad een
praetor benoemd, die omstreeks 247 v. C. een ambtgenoot naast zich
kreeg voor de berechting der geschillen met en tusschen vreemdelingen.
Ctimqiic consules avocarentur bellis ftnitimis neque csset qui in eivitate jus reddere
posset, t\'actum est, ut praetor quoque erearetur, qui urbanus appellatus est, quod in
tube jus redderet. — 1\'ost aliquot deinde annos non sufficiënte eo praetore, quod
multa turba etiam peregrinorum in civitutem vcniret, creatus est et alius praetor,
qui peregrinus appellatus est ab eo, quud plertimqtte inter peregriuos jus dieebal.
l\'omp. 1. 2 § 27, § 28 D. de O. J. (I, 2).
De curulische aedilen hadden eene lagere rechtsmacht, voornamelijk
voor zaken, met de markt- en straatpolitie in verband staande (zie hier-
onder § 190, III, bl. 85). In de provinciën berustte de rechtspraak bij
de praesides provinciae of proconsules en by de quaestores ; in Italië
sedert Hadrianus by de consulares, sedert Marcus Aurelius bij
de juridici. Het aantal praetoren met bijzondere opdrachten werd lang-
zamerhand aanmerkelyk vermeerderd (praetor fideicommissarius, tutelaris,
liberalium causarum).
Eindelijk werden, sedert Augustus, de proefectus urbi — deze oor-
spronkelijk vooral voor de strafrechtspleging — en de praefectus praelorio
met de rechtspraak belast. Dat de Keizer voor het geheele Rijk als
rechter fungeert, zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep, en dat
hij zich daarbij laat bijstaan door een Raad, werd reeds hierboven in
§ 18 opgemerkt.
De Romeinsche magistraten behandelen, althans tot Diocletianus,
de zaken slechts by uitzondering tot aan het eindvonnis (er.tr aor dinar ia
cognitio).
Gewoonlyk wordt door hen het proces alleen ingeleid (behan-
deling in jure) en tot verder onderzoek en beslissing verwezen, hetzy
-ocr page 240-
224
naar een vast college of naar private rechters, die voor ieder bijzonder
geval worden benoemd (behandeling in judicio).
De vaste colleges zijn: de tienmannen (dccemviri stlitibus judicandis)
en de honderdmannen (centumviri).
De tienmannen zijn volgens sommigen reeds door Servius Tullius
ingesteld als rechters in privaatrechtelijke geschillen. Cicero (Or. pro
Caecina, c. 33; Or. pro domo, c. 29 i. f.) noemt ze als rechters in ge-
dingen over vrijheid en burgerrecht. Augustus maakte ze tot voor-
zitters van het gerecht der honderdmannen, waarmede zij wellicht reeds
vroeger verbonden waren.
Het judicium centumvirale {judicium hastae, centumviralis hasta), welks
tijd van ontstaan hoogst onzeker is (Servius Tullius, of na 240 v. C),
sprak recht in quaesties over eigendoms- en erfrecht. Dit college telde
1U5, later 180 leden, in 4 Kamers verdeeld. Het genoot van oudsher
en vooral sedert Augustus een groot aanzien, maar werd langzamer-
hand door de judices verdrongen; het langst, tot in de derde eeuw,
handhaafde het zich in zaken van erfrecht, bepaaldelijk voor de berech-
ting der querella inofjlciosi testamenti.
Nam volitare in I\'oro, hscrerc in jure ac praeturum trümnalibus, judicia privuta
mugiiarum rerum ubire, in quibus saepe non de facto, sed de aeqoitate ac jure
certetur, jactare se in causis centumviralibus, in quibus usucapionum, tutelaruin,
gentilitatum, agnationum, alluvionum, circumluviunum, nexurum, mancipiorum,
parietum, luminum, stillicidiorum, testamentorum (ruptorum aut raturumj, cetera*
rumqne rcrtiin inuumerabilium Jura vereentur, quum umninu, quid suum, quid
alieiium, qua re denique civis an peregrinus, servus an liher quispiam sit, ignoret,
insignis est impudentiac. Cic., de Orat., I, 38 § 173.
Cum hcreditntis petitioni locus fuerat, exceptio adsumebatur, quac tucbatur here-
ditatis petitionem, ne lieret ei praejudicium. Magnitudu ctenim et auctoritas centum-
viralis judicii non puticbatur per alion tramites viam hcreditatis petitiunis inlVingi.
Justinian. 1. 12 pr. C. de pet. her. (111, 31).
De private rechters zijn: judices, arbitri of recuperatores.
De judices en arbitri waren personen, die voor elk bijzonder geval
door den praetor werden aangewezen, oudtijds uit de senatoren, sedert
Augustus uit het album judieum seleclorum, dat jaarlijks uit ver-
schillende standen werd opgemaakt. De partijen konden zich vooraf over
den te benoemen persoon verstaan (neminem voluerunt majores
nostri.....esso judicem, nisi qui inter adversarios conve-
nisset, zegt Cicero, Or. pro Cluentio, c. 43); maar de benoeming ging
altijd uit van den magistraat.
Oudtijds onderscheidde men tusschen judices en arbitri. De judices
deden uitspraak naar den scherpen regel des rechts, terwyl de arbitri
meer als goede en vroede mannen, volgens billijkheid en goede trouw,
hadden te oordeelen. De laatsten worden inzonderheid vermeld by quaesties
over grensscheiding, verdeeling van gemeenschap en afloop van regenwater.
Pecunia tibi debebattir certa, qnae none petitur per judicem, in qua legitimae
pailis sponsio facta aut. Ilic tu .si amplius IIS uummu petisti, qiiam tibi debitum
est, causam perdidisti, prupterea <|iiud aliud est judicium, aliud est arbitrium.
-ocr page 241-
225
Judicium est pectiniac certae, arbitrium pecuniac incertae; ad judicium hoc modo
vcnimus, ut totam litcm aut obtineamus aut amittamus; ad arbitrium huc animo
adimus, ut nciiuc niliil neqne tantum, quantum postulavimus consequamur. — Ei rei
ipsa verba formulac testimonio sunt. Quid est in jndicio? Directum aspernm simplex:
Si j/aret I/S 1333 dari. — Hic nisi planum facit, IIS [.").") ) ad libellam sibideberi,
causam perdit. Quid est in arbitrio? Mite, modcratum: ijitautum aei/uius el melius
sit dari.
Cic., Or. pro Rosé. Com., c. 4 §§ 10, 11.
Iiecuperatores waren oorspronkelijk internationale rechters, krachtens
tractaat geroepen om te beslissen over processen tusschen vreemdelingen
of tusschen burgers en vreemdelingen, in het bijzonder wegens teruggave
van of vergoeding voor weggenomen zaken. Later komen recuperatores
voor, als een rechtscollege uit 3 of 5 personen bestaande, voor de be-
rechting van geschillen ook tusschen burgers onderling, en wel voor de
behandeling van spoedeischende zaken (bijv. interdicten); zij werden niet
genomen uit het album judicum. Ook in de provinciën vindt men recu-
peratoren, o. a. als een vast college voor enkele gevallen van vrijwillige
rechtspraak (zie Gajus, Inst. I § 20)
Heciperatio est, ut ait Gallus Aelius, cum inter popultim et reges nationesque et
civitates pcregrinas lex convenit, quomudo per reciperatores reddantur res reciperen-
tarqne, resqne privatas inter se peiscqtiantur. Festus, in v. Kecipcratio.
In den Keizertijd won de e.rtraordinaria cognitio meer en meer veld,
totdat Uiocletianus en Maximianus haar tot regel maakten (294 n. C).
De private rechters werden afgeschaft; slechts bij wijze van uitzondering
werd de benoeming veroorloofd van judices pedanei, rechters die niet te
gelijk magistraten zijn. Weldra verdween ook voor dat geval de bijzon-
dere instructie (formula).
Placet nobis praesides de his causis, in qiiibus, quod ipsi non possent cognosccrc,
antehac pedaneos judiecs dabant, notionis suae examen adhibcre, ita tarnen ut, si
vel per occupationes imblicas vel propter causarum multitudinem omnia liiijusinodi
negotia non poluerint cognosecre, judices dandi habeant potestatcm. Diocl. et Maxim.
1. 2 pr. V. de ped. jud. (III, 3).
§ 100. OF. PARTIJEN EX HUNNE VERTEGENWOORDIOEKS.
Bij de eigenlijke rechtspraak zijn er altijd twee partijen (adrersarü,
litigatores, rei),
namelijk een eischer (aclor, petitor) en een gedaagde
(reus, possessor).
Sommige personen missen geheel of gedeeltelijk de bevoegdheid om
als partij in rechte op te treden (legüima persona stand* in judicio). Zoo
zijn slaven geheel onbevoegd. Vreemdelingen waren uitgesloten ten aan-
zien van de judicia legitima. üuiskinderen kunnen wel als gedaagden,
maar in den regel niet als eischers optreden. Onmondigen worden door
den voogd vertegenwoordigd of behoeven diens bijstand; minores be-
hoeven de toestemming van hun curator; over de vrouwenvoogdy, zie
hieronder § 136.
Vertegenwoordiging der partijen was tijdens de procedure per legis
lumi. recht. I, 2e druk.                                                                                     15
-ocr page 242-
226
actiones slechts in enkele gevallen toegelaten. Onder het formnlierenproces
werd zij echter steeds algemeener erkend. Over do inrichting der formula,
in geval een vertegenwoordiger optreedt, zie hieronder § 103.
Nemo alieno nominc lege agere potcst. lrlp. 1. 123 pr, T). de II. J. (L, 17).
Nunc admonendi sumus agere nus aut nostro nominc aut alieno, veluti cognitorio,
procuratorio, tutorio, curatorio, cum olim, quo tempore legis actiones in usu fuissent,
alieno nominc agere non liccret, praeterquam ex certis causis. Gajns, Inst. IV § 82.
Nunc admonendi sumus agere possc i|uemlibct aut suo nomine aut alieno. Alieno
veluti procuratorio tutorio curatorio, cum olim in usu i\'uisset altcrius nomine agere
non possc nisi pro populo, pro libertate, pro tutela. Praeterea letrc Hostilia pcrmis-
sum est furti agere corum nominc, qui apud hostcs cssent put rei publicae causa
abcsnent quive in corum cujus tutela cssent. Kt quia hoc non minimam incommodi-
tatcm habebat, quod alieno nominc ncque agere neque excipcre actionem licebat,
cocpenint homines per proenratores litigarc: nam et morbus et aetas et necessaria
peregrinatio itemque aliae multae causae saepe impcdimento sunt, quo minus rem
suam ipsi exsequi possint. pr. I. de bis per quos agere (IV, 10).
Si procurator, qui judicio interfuit, victus sit, an ipse quoqtie per procuratorem
appellate possit, videamus, quia constat procuratorem alium procuratorem facere non
possc. Sed meminisse oportet, quod procurator lite contestata dominus litis cfficitur:
et idco et per procuratorem appellate potest. Macer 1. 4 § 5 D. de appell. (XXXXIX, 1).
De ^vertegenwoordigers worden oudtijds onderscheiden in cognitores en
procuralorc\'s. De cognitor wordt met bepaalde woorden, voor dezen bijzon-
deren rechtsstrijd, in bijzijn der wederpartij aangesteld; s\'at hij doet
geldt van rechtswege, als had de principaal zelf het verricht; cautie
wordt van hem niet verlangd. De procurator daarentegen wordt niet met
bepaalde woorden, maar bij eenvoudige lastgeving, ook buiten weten zelfs
van de tegenpartij benoemd; hij moet zekerheid stellen, dat de lastgever
zijne handelingen zal gestand doen.
Cognitor antem certis verbis in litcm coram adversario substituitur. Nam actor ita
cognitorem dat quod ego a te verbi gratia J\'umlum jieto, in eam rem [Atrium Titium tibi
cognitorem do;
adversarius ita i/uin tu a me Jundum petis, in eam rem tibi /\'. Maerium
cognitorem do.
Potest ut actor ita dicat quod ego tecum agere volo, in eam rem cogni-
torem do,
adversarius ita quia tu mecum ageie vis, in eam rem cognitorem do. Nee
interest, pracsens an absens cognitor detur; sed si absens datus l\'uerit, cognitor ita
crit, si cognoverit et susceperit officium cognitoris. — Procurator vcro nullis certis
verbis in litem substituitur, sed ex solo mundato et absente et ignorante adversario
constituitnr. Quin etiam sunt qui putant cum quoque procuratorem vidcri cui non
sit mandatum , si modo bona fide accedat ad negotium et cavcat ratam rem dominum
habitnrum; quamquam et illc cui mandatum est plerumquc satisdare debet, quia
saepe mandatum initio litis in obscuro est et postea apud judicem ostenditur. —
Ipse autem qui in rem agit, si suo nomine agat, satis non dat. — Ac nee si per
cognitorem quidem agatur, ulla satisdatio vel ab ipso vel a domino desideratur.
Cum enim certis et quasi sollcmuibus verbis in locum domini substituattir cognitor,
merito domini loco hubctur. — Procurator vcro si agat, satisdare jubetur ratam rem
dominum liabituruin; periciilum enim est, ue iterum dominus de cadem re experi-
atur. Quod pcriculum non intervenit, si per cognitorem actum l\'uerit, quia de qua
re qiiisque per cognitorem egerit, de ca non magis amplius actionem habet quam si
ipse egerit. Gnjus, Inst. IV §§ 83, 84, «6 -!I8.
.....Cognitore enim intervenientc judicati actio domino vel in dominum datur;
non alias enim cognitor experictur vel ei actioni subicictur, quam si in rem suam
-ocr page 243-
227
cognitor Cactus sit. Intcrvcnicntc vero procurators judicati actio ex edicto perpetuo
ipsi et in ipsiim, non domino vel in domintira competit. Fragm. Vut. § 317.
Later let men minder op den vorm, waarin de vertegenwoordiger is
aangewezen, dan op het bestaan en de zekerheid der volmacht. Den jrro-
curator,
die door de partij persoonlijk aan den rechter is opgegeven,
stelt men, wat de gevolgen betreft, gelijk met den cognitor; wanneer
door middel van een procurator geprocedeerd is, neemt men aan, dat
het vonnis onmiddellijk voor of tegen den vertegenwoordigde zal werken.
Hetzelfde wordt toegepast, als een voogd, curator of bestuurder eener
vereeniging als zoodanig is opgetreden. Dientengevolge houdt het gebruik
der cognitores in lateien tijd op: do vrije vormen van de procuralores
vereenigt men met de onmiddellijke werking voor den lastgever, bij de
cognitores voorkomende.
Quoniam pracsentis procuratoren] pro cognitorc placuit haberi, domino causa cog-
nita dabitur et in cum judicati actio. Fragm. Vat. § 331.
Hoc jure utimur, ut ex parte nctoris in exceptione rei judicatac Iiae personae
continerentur, quae rem in judicium deducant: intcr hos erunt procurator, ctii man-
datum est, tutor, curator furiosi vel pupilli, actor munieipum: ex persona autem rei
ctiam defensor numerabitur, quia ad versus defensorem qui agit, litem in judicium
dcducit. lip. 1. 11 § 7 D. de exc. rei jud. (XXXX1V, 2).
Si procuratoren! absentem dominus satisdatione relevare vclit, litteras stias ad
adversarium dcrigere debebit, quibna significet, quem adversus cum procuratoren!
et in qua causa fecerit, ratumque se liabiturum quod cum co actnm sit: hoc cnim
casu litteris ejus adprobatis velut pracsentis procuratoren! intervenire intellegeiidum
est Itaque etsi postea mutata volnntatc procuratorem esse noluerit, tarnen judicium,
quo quasi procurator expertus est, ratuin esse debet. Modest. 1. 65 I). de procur.
(UI, 3).
Non est juris incerti cum, qni apnd acta factus est agentia procurator, non com-
pelli ratam rem dominum liabiturum satisdare: hoc enim casu veluti pracsentis
procuratorem intervenire intellegendum est. Diocl. et Maxim. 1. 1 pr. C. de satisd.
(II, 56).
Cantio ratihabitionis tune exigitur a procuratore, quotiens incertum est, an ei
ncgotiuui mandatum est. Pius 1. I C. de procur. (II, 12).
Defensor heet de vertegenwoordiger van den gedaagde, ook als hij
zonder machtiging optreedt: „publico utile est absentes a quibus-
cumque defendi", zegt Ulpianus in 1. 33 § 2 D. de procur. (III, 3).
Hij moet zekerheid stellen: jttdicatum solvi.
Ab ejus vcro parte cum quo agitur, siquidem alieno nominc aliqnia interveniat,
omni modo satisdari debet, quia nemo alienae rei sine satisdatione defensor idoneus
intellegitur. Scd siquidem cum cognitorc agatur, dominus satisdare jubetur; si vero
cum procuratore, ipse procurator. Idem et de tutote et de curatore juris est. Gajns,
Inst. IV § 101.
In bis autem personis, in quibus mandatum non exigimus, dicendum est, si fortc
cvidens sit contra voluntatem cos experiri eorum pro ([iiibus interveniunt, debere
cos repclli. F.rgo non exigimus ut habeant voluntatem vel mandatum, sed nc con-
traria voluntus probetur: quamvis de rato offerant cautioncm. I\'lp. 1. 40 § 4 D. de
procur. (III, 3;.
Tapinianus respondit, si procurator absentis aliquam actiouem absentis nomine
inferrc velit, cogendum cum adversus omncs absentem defendcre. Fragm. Vat. § 330.
IS*
-ocr page 244-
228
Iets anders dan de vertegenwoordiger is degene, die de partij bijstaat.
Ten tijde van Cicero onderscheidt men als zoodanig den advocalus en
den patronus of orator. De eerste is een jurist, die zijn vriend rechts-
geleerden raad verschaft of hem voor het gerecht begeleidt om hem door
zijne tegenwoordigheid zedelijken steun te geven. De patronus verdedigt
de belangen van zijn cliënt, vooral bij den judex. In den Keizertijd
vloeien beide functiën ineen. De advocaten (causidici, togali), die bij een
rechtscollege zijn ingeschreven (slatuti), vormen min of meer gesloten
corporatiën.
§ 101. DE HEVOEGDHEII) DES RECHTERS.
De beantwoording der vraag, aan het rechtsgebied van welken rechter
de recht zoekenden onderworpen zijn (judc.r competens) hing vroeger af
van het burgerschap. De Romeinsche burger vond zijn bevoegden rechter
te Rome, de burger eener gemeente in de gemeente of kolonie, waartoe
htj behoorde. Toen aan de gemeenten allengs het Romeinsche burger-
recht werd verleend, werd dit zoogenaamde forum originis een tweeledig:
èn in de gemeente waartoe men als burger behoorde, èn te Rome als
communis nostra patria (zie hierboven § 53 a. h. e. en de daar aange-
haalde plaatsen).
Daarnaast vestigt zich later, voor de eigenlijke rechtspraak, debevoegd*
heid van den rechter der woonplaats (zoogenaamd forum domicilii).
Bij beide geldt als regel, dat de eischer zich moet richten naar den
gedaagde: hij moet den gedaagde dagvaarden voor diens rechter (actor
sequitur forum rei).
Juris ordinem converti postulas, ut non actor rei forum, scd reus actoris sequatur:
nam ïibi dumieilium habet reus vel tempore contractus habuit, licet hoc posten trans-
tnlerit, ibi tantum eum conveniri oportet. Dioel. et Maxim. 1. 2 C dejurisd.\'lil, 13).
Naast deze algemeene aanwijzing van den bevoegden rechter kent men
nog bijzondere regelingen van competentie. Zoo is bevoegd do rechter
van de plaats, waar de verbintenis behoort vervuld te worden of waar
de rechtsbetrekking is ontstaan (zoogenaamd forum solulionis, forum
contractus, forum delicti commissi, forum gestae administrationis).
Eene
verordening van 385 n. C. wijst voor onpersoonlijke acties den rechter
aan van de plaats, waar het goed is gelegen (zoogenaamd forum rei
sitaé).
Justinianus verklaart voor alle tegen vorderingen, die de ge-
daagde tegen den eischer in hetzelfde proces instelt, den rechter bevoegd,
bij wien de eisch is aangebracht (zoogenaamd forum reconventionis).
11111cl sciendum est eum, <jui ita l\'uit obligatus ut in ltalia solveret, si in provincia
habuit domicilium, utrubique posse conveniri et hic et ibi: et ita et Juliano et multis
aliis videtnr. Tip. 1. 19 § 4 I). de jud. (V, 1).
C\'ontraxisse unusquisque in eo loco intellegitur, in iiuo ut solveret se ubligavit. Julian.
1. 21 1). de O. et A. (XXXX1V, 7).
Si quis tutclam vel curam vel negotia vel argentariam vel qtiid aliud , mide obligatio
oritur, certo loei udministravit: etsi ibi domicilium non habuit, ibi se debebit defcn-
-ocr page 245-
229
derc et, si non dcfendat neqnc ibi domicilium habeat, bona possideri patietur. ITlp.
1. 19 § l D. de jud. (V, 1).
Actor rei forum, sive in rem sive in personam sit actio, sequitur. Sed et in locis,
in quibus res propter quas contenditur constitutae sunt, jubemus in rem actionem
adversus possidentem moren. Gratian. Valent. et Thcod. 1. 3 C. ubi in rem (III, 19).
Cum 1\'apinianus suinmi ingenii vir in quaestionibus suis rite disposuit non solum
judieem de absolutione rei judicare, sed ipsum actorem, si e eontrario obnoxius
fuerit inventus, condemnurc, hujusmodi sententiam non solum roborandam, sed etiam
augendam esse sancimus, ut lieeat judici vel contra actorem ferre sent en tiara et aliquid
eum dattirum vel facturum prununtinre, nulla ei opponenda exceptione, quod non
competens jtidex ugentis esse cognoscitur. Cujus enim in agendo observavit arbitrium,
eum liabere et contra se judieem in eodein negotio non dcdignetur. Jnstinian. 1. 14
C. de sent. (VII, 45).
Afgezien van de wettelijke aanwijzing van den bevoegden rechter
kunnen partijen opzettelijk overeenkomen omtrent den rechter, aan wien
zij hunne zaak willen onderwerpen, mits die zaak in het algemeen tot
zijne bevoegdheid behoort. Onderwerpen zij zich wetens aan een betrek-
keiijk onbevoegden rechter, dan wordt deze door die stilzwijgende over-
eenkomst bevoegd (zoogenaamd forum prorogatum).
Si se subiciunt aliqui jurisdictioni et consentiant, inter cunsentientes cujus vis
judicis, qui tribunali praecst vel aliam jurisdictioncm liabet, est jurisdictio. 1\'lp. 1. I
I). de jud. (V, 1;.
Con:;ensisse autem videntur, qui sciant se non esse subjectos jurisdictioni ejus et
in eum consentiant. Ceterum si putent ejus jurisdictionem esse, non crit ejus juris-
dictio: error enim litigatorum, i>t Julianus qnoque libro primo digestorum scribit,
non habet consensum .... Tip. 1. 2 pr. I). eod.
Privatorum consensus judieem non facit eum, qui nulli praecst judicio, nee <iuod
is statuit rei judicatae continet auctoritatem. Diocl. et Maxim. 1. 3 C. de jurisd.
(III, i3).
Inter convenientes et de re majori apud magistratus municipalcs agetur. l\'anl.1.28
]). ad mini. (I,, 1).
§ 102. DE PROCEDURE I\'EIt LEGIS ACT10NES.
Men kan in het Romeinsche procesrecht drie perioden onderscheiden:
de procedure per legis actiones, de procedure per formulan en de extra-
ordinaria cognitio.
Gedurende de eerste twee perioden splitste elk rechts-
geding zich in tweeën: 1°. het proces in jure voor den magistraat,
hetwelk dient tot inleiding van de zaak en eindigt met de vaststelling
van het geschilpunt [luis conteslalió), en 2°. het proces in judicio voor
een college of een enkelen gezworene, hetwelk strekt tot onderzoek en
beslissing der zaak en eindigt met het vonnis. Op de scheiding dezer
twee deelen rustte de zoogenaamde ordo judiciorum privatorum, de ge-
wone manier van procedeeren in burgerlijke zaken. In den loop der
tijden kwamen hierop uitzonderingen voor, gevallen namelijk, waarin
do magistraat zelf het proces van het begin tot het einde behandelde en
het ITinJvonnis uitsprak (cjtraordinaria cognitio, procedure extra ordinem).
Onder de Keizers namen die gevallen steeds in aantal toe, totdat door
-ocr page 246-
230
CU. Diocletianus de scheiding van jus en judicium werd opgeheven en de
gewone manier van procedeeren in hoofdzaak gelijk werd gemaakt aan
de vroegere extraordinaria cognitio (zie ook hierboven § 99).
Het verschil tusschen de procedure per legis actiones en die per for-
mulas
ligt in de wijze van behandeling in jure; die in judieio is liij
heide gelijk. Bij de procedure per legis actiones geven partijen, in tegen-
woordigheid van den magistraat, hunne recht sbe weringen te kennen door
het uitspreken van zekere solemneele woorden en formulieren en door
het verrichten van zekere zinnebeeldige handelingen. Een en ander is
door de priesters vastgesteld. De woorden, waarin partijen hunne be-
weringen uitdrukken, sluiten zich ten nauwste aan bij de voorschriften
der wet, waarop zij gegrond zijn; op straffe van verlies van het proces
moeten ze letterlijk worden in acht genomen.
Actiones, quas in usu veteres habuernnt, legis actiones appcllabantur vol ideo,
quod legibus proditae crant (quippe tune cdictn pruotoris, qnibtis conplnre» actiones
introductae sunt, nondum in usu habebuntur), vel ideo, qnia ipsarnm Icgum verbis
aceommodatac erant et ideo inmutubilcs pruinde atqiio legos observubantnr. Inde
cum, qui de vitibus succisis ita egisset, ut in actionc vites nominaret, responsum
est rem perdidi.se, cum debuisset arbores nominale eo, quod lex XII tubularum,
ex qua do vitibus succisis actio conpeterct, gcneraliter de arboribus succisis toque*
retnr. Gujus, Inst. IV § 11.
Het lege agere geschiedde op vijf verschillende manieren:
1°. de legis actio sacraniento (Oajus, Inst. IV §§ 13—17) was de
algemeene vorm, voor persoonlijke zoowel als voor onpersoonlijke rechts-
vorderingen (over hare toepassing bij de eigendomsactie, zie hieronder
§ 155). De gang van zaken is daarbij de volgende. Voor den praetor
spreken beide partijen hunne rechtsbeweringen uit, bijv. ajo te mihi
decem milia dare oportere. Vervolgens dagen zij elkaar uit tot eene
weddenschap over de juistheid daarvan, d. w. z. als onderpand voor de
waarheid zijner bewering stort ieder hunner eene som gelds (sacramentum),
500 of 50 asses, op eene geheiligde plaats — later wordt eenvoudig voor
het bedrag borg gesteld —; wie het onderspit delft, verliest die wedsom
aan den Staat. De strijd loopt verder formeel over de vraag: utrius
sacramentum justum, utrius injustum sit. Maar natuurlijk ligt in
de beslissing dier vraag opgesloten eene uitspraak over het recht, waar-
over partijen als het ware hebben gewed. Het eigenaardige dezer proce-
dure bestaat hierin, dat zij geen middel weg toelaat; de weddenschap
wordt gewonnen of verloren; van meer of minder is geen sprake. Ont-
broekt er slechts iets aan den ei^ch, dan blijkt des eischers bewering
onjuist te zijn en verliest hij zijn proces.
2°. Omtrent de legis actio j>cr judicis seu arbilri 2>oshtlafionem is zeer
weinig met zekerheid bekend, daar de bladzijde van Gajus, die er over
handelt, is verloren gegaan; bij Valerius Probus vindt men de for-
mule: te praetor judicem arbitrumve postulo uti des. Waar-
schijnlijk gebruikte men dezen procesvorm bij die zaken, waarbij de
strengheid van een rechter, die moest veroordeelen of vrijspreken, onge-
-ocr page 247-
231
wenscht scheen, maar veeleer voor hem eene vrijheid van beweging
noodig was, die het mogelijk maakte acht te slaan op alle omstandig-
heden en de eischen der billijkheid te bevredigen.
3°. De legis actio per condictionem (Gajus, Inst. IV §§ 18—20) werd
ingevoerd door de lex Silia tot opeisching van eene bepaalde geldsom,
door de lex Calpurnia tot opeisching van bepaalde zaken. Ofschoon ook
hier veel duister is, schijnt men te mogen aannemen, dat dit eene ver-
eenvoudigde procedure was in vergelijking met de legis actio sacramenlo.
De eischer roept zijne tegenpartij op — twijfelachtig is het, of dit bij
den praetor of buitengerechtelijk geschiedt — om na dertig dagen voor
den magistraat te verschijnen ten einde een rechter te hooren benoemen;
door die oproeping (condictio, dcnuntiatió) komt de zaak dadelijk zoover,
als anders eerst door de weddenschap enz.
4°. De legis actio per manus injectionem (Gajus, Inst. IV §§ 21—25)
diende niet om eene rechterlijke beslissing te verkrijgen over eene twij fel-
achtige aanspraak, maar was een middel van executie op den persoon
des schuldenaars ter zake van eene door vonnis of door bekentenis voor
den magistraat vastgestelde aanspraak. Door verschillende wetten werd
deze procedure op enkele andere vorderingen toegepast. Men onderscheidt:
1°. een strengeren vorm (manus injectio pro judicato), waarbij de schul-
denaar zich zelf niet mag verdedigen, maar den schuldeischer moet volgen
(zie hierboven § 43, 1°. en de daar aangehaalde plaatsen), tenzij hij een
vindex stelt, en 2°. een minder strengen vorm (manus injectio pura),
waarbij de \'noodzakelijkheid van den vindex wegvalt en de schuldenaar
zelf zijne verdediging kan voeren.
5°. De legis actio per pignoris capionem (Gajus, Inst. IV §§ 2G—29)
was een buitengerechtelijk middel van executie, niet op den persoon,
maar op het goed van den schuldenaar ter zake van bepaalde, met het
publieke en sacrale recht in verband staande vorderingen.
§ 103. DE PROCEDURE PEB FORMUEAS.
De legis actiones geraakten langzamerhand in onbruik, volgens Gajus
vooral door hare grootc strengheid, maar zeker niet minder door hare
ongeschiktheid om gelijken tred te houden met de ontwikkeling der
rechtsbehoeften. Behalve in enkele gevallen — bij het gerecht der honderd-
mannen, bij de procedure wegens damnum infectum (zie hieronder § 145)
en bij de vrijwillige rechtspraak — kwam het formulierenproces er voor
in de plaats. Hoe die verandering geschiedde, is niet met volkomen
zekerheid te bepalen; vast staat, dat eene lex Aebutia(omstreeks 150 v.C.)
en twee leges Juliae (waarschijnlijk van Augustus, omstreeks 20 v. C.)
daartoe krachtig hebben medegewerkt. •
Sed istiie omnos legis actiones psmlutim in odium venciunt. Namqae ex nimia sub-
tilitate veteriim qui tune juni condiderunt co les perducta est, ut vel qui minimum
errasset, litem peideiet. Ituqtic per legein Aebutiam et duus Julial sublatae suntistac
legis actiones ctfcrtumque est, ut per concepta verba, id est perIbrmulaslitigemus.—
-ocr page 248-
232
Tantum ex duabus causis permissum est lege agere: dumtii infecti et si centumvirale
judicium futurum est.....C.ajus, lust. IV § 30, § 31.
Sed ruim cum „proletariï" et „adsidui" et „sanates" et „vades* et „subvades"
et „viginti qtiinqiic asses" et „talioncs" fuitorumque quacstio „cum lancc et lieio"
cvanui\'i\'int omnisque ill i duodeeiin tabularum antiquitas, nisi in legis actiunibus
ccntumviralium causarum, loge Aebutia lata, consopita sit studium scientiamque ego
praestare debeo juris et legum vocumque earum, quibus utimur. Gcllius, N. A. XVI,
10 § 8.
Onder dezen procesvorm strekt de behandeling in jure om van den
praetor te verkrijgen eene bepaalde, nauwkeurig omschrevene, schriftelijke
vaststelling van het geschilpunt. Deze formula dient ter instructie van
den judex (resp. den arbiter of de recuperalores), die daaruit verneemt,
wat hij heeft te onderzoeken en te beslissen. Het schema der formula
luidt: si paret.....(indien des eischers bewering juist blijkt) condem-
na, si non paret absolve; öf het blijkt of niet, zal de judex hebben
nit te maken; doch voor beide gevallen schrijft de praetor hem, hypo-
thetisch, zijne gedragslijn voor.
Bij den praetor brengen partijen hunne beweringen in het midden,
zonder aan bepaalde woorden of vormen gebonden te zijn. De praetor
gaat na, of er inderdaad een geschil aanwezig is, vatbaar om tusschen
deze partijen in een burgerlijk geding te worden behandeld; hij vraagt
zich verder af, of hij te dezer zake eene formula zal geven. Zoo ja,
dan stelt hij deze vast en benoemt een judex.
Bij de procedure per legis aetiones handelden en spraken de partijen
zelf, op eigen gevaar, genoegzaam zonder leiding of invloed van den
praetor: diens rol was meer lijdelijk. De judex moest zijn vonnis gronden
op hetgeen partijen voor den praetor hadden verricht, zonder dat hij van
dezen eene nadere reededeelir.g hieromtrent ontving. In liet formulieren-
proces is dit anders geworden. liet zwaartepunt ligt thans in de formula
en hare redactie. De rol van den praetor is nu actief; immers, de for-
muleering van het geschilpunt is van de partijen op hem overgebracht.
Door de formula oefent de praetor dien machtigen invloed op de ont-
wikkeling van het privaatrecht, waarover hierboven in § 19 is gesproken.
De bestanddeelen der formula worden onderscheiden in gewone en
buitengewone.
De gewone zijn, volgens Gajus (Inst. IV § 39), vier in getal: dcmon-
siratiOy intenlio, condemnatio, adjudü:alio.
Daarbij is nog te vermelden
de aanwijzing van den rechter, terwijl daarentegen de adjudicalio niet
dan bij de drie deelingsprocessen voorkomt. Essentiëele bestanddeelen
kan men alleen noemen: intenlio en condemnatio; in een enkel geval
ontbreekt ook de laatste.
1°. De dcmonslraiio behelst de vermelding van den feitelijken grond-
slag van des eischers recht. Zoo mogelijk stelt zij met één woord den
judex op de hoogte van hetgeen er is gebeurd (quod As. As. deposuit,
emit, vendidit, locavit, conduxit). Is de handeling echter van dien
aard, dat ze,, bij gemis aan eene technische benaming, niet met één
woord kan worden aangeduid, dan is eene broedere omschrijving noodig.
-ocr page 249-
233
Niet elke formula bevat dit bestanddeel; immers, bij de acliones in
factum conceptae
, alsmede bij de acliones certac in jus conceptae, valt
de demonstratio samen met de intentio (zie hieronder § 107, r.1*. 7,
8 en 16).
Demonstratio est ea pars furmulac quae.......... ut demonstretur res de qua
agitur: velut hiiec para formulae (tuud Au lux Ai/eriux Xumerio Negidio hominem ren-
didil;
item liaec Quud Aulus Ai/erius njiud Xumerium Negidium hominem ile/iosuit.
Gajus, Inst. IV § 40.
2°. De intentio behelst den juridieken grondslag van den ingestelden
eisch, de door den judex te onderzoeken rechtsbewering, op grond
waarvan veroordeeling wordt verlangd. Zij wordt in geeno enkele for-
mule gemist.
Intentio est ea pais furmulac, qua actur desidcrium suutn conclndit: veluthaecpars
furmulac Si jinrel Xumerium Negidium Aulo Agerio sesterlium X milin dure o/iorlere;
item haec (iuitlquid jinrel Xumerium Negidium Auto Atjerio dtve facere oporlere; item
haec Si jmrel hominem ex jure Quirilium Auli Ai/crii eae. Gajus, Inst. IV § 41.
3°. De condemnatio is dat deel van de formule, waarbij den judex
wordt opgedragen te veroordeelen of vrij te spreken. Zij komt niet voor
bij de praejudiciëele vorderingen, waar de formule enkel uit eene intentio
bestaat (zie hieronder § 107, nr. 12). Bij de actiones arbitrariae (zie
§ 107, n\'. 10) wordt de veroordeeling afhankelijk gesteld van de al of
niet voldoening aan \'s rechters voorloopige uitspraak.
De veroordeeling strekt altijd tot betaling eener geldsom, wat ook het
onderwerp van den eisch mocht wezen.
Condemnatio est ea pars formulae, qua judici condemnandi absolvendire potostas
permittitur: velut haec pars furmulac Judex Xumerium Negidium Aulo Ai/crio scster-
tium X milin condemna. Si non jinrel, absolre;
item haec Judex \\unieriuin Negidium Aulo
Aijerio dumlnxnl X milin condemna. Si ion jinrel. absoloito;
item haec Judex Xumerium
Negidium Aulo Agerio condemnnlo
et reliqua, ut non adiciatur dumtnxat X milin. —
Omnium autem formularum, qnae condcmnaiioncm liabent, ad pecuniariam aesti-
mationem condemnatio concepta est. Itaque et si corpus aliquod petamus, velnti fun-
dum hominem vestem atirum argentum, judex non ipsam rem rondemnat eum cum
qtio actum est, sieut olim fieri solebat, sed aestimata re pecuniam eum oondemnat.—
Condemnatio autem vel eertae peenniae in formula proponitnr vel incertae. — l\'ertac
peenniae velut in ea formula, qua certam pecuniam petimus; nam illie ima parte
formulae ita est Judex X. Negidium A. Agerio scxlcrlium X milin eondemnn. Si non
jinrel, absolre.
— Incertae vero condemnatio peenniae duplicem significationem habet.
Kst enim una cum nliqmi praefiuitionc, qnae vulgo dicitur eum taxatione, velut si
incertnm aliquid petamus; nam illie ima parte formulae ita est Judex X. Negidium
A. Agerio dumtaxnl sesterlium X milin condemna. Si non jinrel, nbsolre.
Vel incerta
est et itilinita, velut si rem aliquam a possidente nostram essc petamus, id est si in
rem agamns vel ad exhibendum; nam illie ita est Qunnti en res eril, tantampecuniam,
judex, X. Negidium A. Agerio condemna. Si non parel, nbsoleilo.
Quid ergo est? Judex
si condemnet, eertam pecuniam condemnare debet, ctsi certa pecunia in condcmna-
tionc posita non sit. Gajus, Inst. IV § 43, §§ 48—51.
Van eene formule met de tot dusver genoemde bestanddeelen geeft
Gajus (Inst. IV § 47) het volgende voorbeeld:___judex esto. Quod
Aulus Agerius apud Numerium Negidium — dit zijn de typische
-ocr page 250-
234
namen, die de Romeinen in hunne formulieren voor den eischer en den
gedaagde stellen — mensam argenteam deposuit, qua de re agi-
tur (demonstratio), quidquid ob eam rem Nm. Nin. A". A°. dare
facere oportet ex fide bona (intentio), ejus judex N\'". Nm. A". A°.
condemnato, nisi restituat. Si non paret, absolvito (condemnatió).
Wordt namens een ander geprocedeerd (zie hierboven § 100), dan
wordt de intentio gesteld op naam van den vertegenwoordigde, de con-
demnalio
op naam van den vertegenwoordiger.
Qui iiiitcm alieno nomino agit, intentioncm quidcm ex persona dotnini snmit, con-
demnationcm autcm in suum personam convertit. Nam si verbi gratis Lucius Titins
pro 1\'ubliu Mcvio agat, ita furmulii concipitur Si jiaret Xumerium Xci/idium f\'utilio
Meriu sextertium X milia dare o/iortcrc
, judex Numerium Nerjidium Lucio Tïlio sestertium
X milia eondemna. Si non jiaret, absob-e;
in rem <[iioi[ue si agat, intendit PubliiMevii
rem esse ex jure Qniritium
, et condemnationem in suam personam convertit. — Ab
adversarii quoque parte si interveniat aliqiiis rum quo actio constituitur, intenditur
domiitiim dare ojiortcre, eondemnatio autcm in i\'jns personam convertitur qlii jndi-
cium aceipit; sed ciim in rem agitur, uiliil in intentione facit ejns persona cnm
quo agitur, sive sno nomine sive alieno aliquis judicio interveniat; tantum enim
intenditur rem acturis esse. Gajus, lnst. IV §§ 80, 87.
4°. De adjudicatio is eene, alleen bij de deelingsproeessen voorkomende,
uitbreiding van de eondemnatio, welke hierin bestaat, dat de rechter
bevoegd wordt verklaard, ten einde tot opheffing der gemeenschap te
komen, aan iedere partij een uitsluitend aandeel in de te verdeelen zaken
toe te wijzen; hij kan daarbij zelfs in de rechten der partijen verandering
brengen of nieuwe rechten vestigen (zie hieronder § 150).
Adjudicatio est ca pars tbrmulae, qua permittitur judici rem alicui ex litigatoribus
adjudicare: velut si inter coheredes familiae ereiscundae agatur, aut inter socios com-
muni dividundo, aut inter vieinos tinium regundorum. Nam illic ita est Quantum
adjudirari ojiorlet, judex Titio adjudicato.
Gajus, Inst. IV § 42.
Buitengewone bestanddeelen der formula zijn o. a.
1°. de fictio (zie ook hierboven § 70 a. h. e.): in de formule wordt
den rechter opgedragen te handelen, alsof zeker niet bestaand feit wol
bestond of zeker wèl aanwezig feit niet aanwezig was. De praetor be-
dient zich soms van dit middel om eene civielrechtelijke actie toe te
passen in gevallen, die buiten hare grenzen liggen, doch waarin hij het
wenschelijk acht, eene actie te geven;
Habemus adhuc altcrius gencris üctiones in quibnsdam formulis, veluti cum is,
qui e.x edicto bonorum possessionem petiit, ficto se hei ede agit. Cum enim praetorio
jure, non lcgitimo suceedat in locum defuncti, non habet directas actioncs, et neque
id (piod defuncti fait potest intendcre mum esse, neciue id quod ei debebatur j)otest
intenderc dart sibi o/mrtere; itaque ficto se herede intendit velut hoc modo Judex
esto. Si A. Afierius
(id est si ipse actor) L. Titio heres esset, turn si eum Jmulum de
i/uo ai/itur ex jure Quiritium rjus esse opvrteret;.....praeposita sitnili fictionc hercdis
ita subicitur tuin si jiareret .V. Negidium A. Aaerio sestertium X milia dare ojjortere.—
Item usucapio lingitur in ea actione qtiac 1\'ublieiana vocatur. 1 huur autcm bacc actio
ei qui ex justa causa traditam sibi rem nondum usuecpit eam(|iie amissa possessione
petit. Nam quia non potest eam ex jure Quiritium suam esse intendcre, lingitur rem
-ocr page 251-
235
usucepisse et ita qnui ox jure Qiiiritium dominus factns esset intendit, veluti hoc
modo .Tude.r esto. Si (/item hominem A. Aqerius cmit et is ei traditus est, anno posse-
disset, tuin si eum hominem de t/uo agitur ei jure Quiritium ejus esse o/ivrteret
et reliqua.
Gajus, Inst. IV § 34, § 36.
2°. de praesiriplio, eene bijvoeging in het begin der formule, welke
van tweeërlei aard kan zijn: öf pracscriptio pro reo, waarin zekere ver-
dedigingsmiddelen van den gedaagde worden opgenomen (zie hieronder
§ 111), of praescriptio pro actore, welke strekt om, o. a. in verband
met de regels omtrent de opheffende werking der litis contestatio (zie
hieronder § 112), den eisch tot zijn juisten omvang te beperken;
Saepe enim ex una cadcmqnc obligationc aliqtiid jam pracstari oportct, aliquid in
futuia praestatione est: veluti eum in singulos annos vel menses certam peeuniam
Btipulati fucrimus; nam finitis quibusdam annis aut mensibus hujua quidem temporis
peeuniam praestaii oportct, futurorum autem annornin sane quidem oblijjatio eon-
tracta in tellegi tur, pracstatio vero adline nulla est. Si ergo velimus id quidem ([iiod
praestari oportet petere et in judicium deduccre, futuram vero ohligationis praesta-
tionom in integro relinquerc, necessc est ut eum hac praescriptionc agamtis en res
anatur cujus rei dies /uit;
alioquin si sine hac praescriptionc e^\'erimus, ea scilicct
fonnula qua iiicertum petimus, cujus intentio his verbis eoneepta est (luiduitid /mret
AT. Negidium A. Ar/erio dart J\'acere oportcre, totam obligationem, id est etiam t\'uturam
in hoe judicium deducimus, et quac ante tempus obligatio. ... Gajus, lust. IV §131.
3°. de clausule ex f\'ule bona, waarover zie hieronder § 107, nr. 9;
4°. de iaxatio: door inlassching van het woord dumtaxat in de con-
detnnatio
wordt den rechter een maximum gesteld, dat hij bij de ver-
oordeeling niet mag overschrijden (zoo bijv. bij de actio injuriarum, zie
hieronder § 200; bij de actio de peculio en de actio de in rem verso,
zie § 207; zoo bij het zoogenaamde beneficium eonipetentiae, zie hier-
onder § 210).
§ 104. EENIGE BIJZONDERHEDEN AANGAANDE DE PROCEDURE VOOR
DEN MAGISTRAAT EN VOOR DEN RECHTER.
De eerste handeling van het proces is de dagvaarding (in jtts vocatio).
In het oude recht is zij eene daad van den eischer, zonder medewerking
van den magistraat. De wet der 12 Tafelen geeft daaromtrent de vol-
gende voorschriften: „Si in jus vocat, ito. Ni it, antestamino:
igitur cm capito. Si calvitur pedemve struit, manum endo
jacito. Si morbus aevitasve vitium escit, jumentum dato. Si
nolet, arceram ne sternito. Assiduo vindex assiduus esto;
proletario jam civi quis volet vindex esto" (bij BrunB, Tab. I,
n™. 1—4). De eischer kan den gedaagde, waar hij dezen ook vindt,
aanzeggen hem onmiddellijk naar den praetor te vergezellen. De ge-
daagde moet volgen of een vindex stellen; bij gebreke hiervan, roept de
eischer getuigen op en gaat over tot manus injeclio.
Plerique putaverunt ntillum de domo soa in jus voeari licere, qttia domus tutissi-
miim cuique refugium atqne receptacnlum sit, eumque qui inde in jus voearet, vim
inferre videri. Gajus 1. 18 D. de in jus voc. (II, 4).
-ocr page 252-
236
In lateren tijd wordt den gedaagde, die niet voldoet aan de in jus
vocatio,
eene geldboete opgelegd. In plaats van den vroegeren vindex
kan hij thans zekerheid stellen, dat hij in rechte zal verschijnen: cautio
judicio sisli.
Komen de partijen voor den magistraat, dan kan de zaak in den regel
niet op dien eersten dag ten einde gebracht worden. Zij bepalen daarom
een naderen dag en verbinden zich, dan weder tegenwoordig te zijn.
Die overeenkomst heet vadimonium.
Verschijnt de eischer op den vastgestelden dag niet, dan verliest hij
zijn proces.
Verschijnt de gedaagde niet op de dagvaarding (secum agendi potes-
talon non facere),
onttrekt hij zich heimelijk daaraan (fraudaiionis causa
latitare)
of voldoet hij niet aan het vadimonium, dan volgt er naar het
civiele recht geene veroordeeling. Maar naar omstandigheden verleent de
praetor verschillende dwangmiddelen (missio in hona absciilis, venditio
bonorum latilantis,
etc). In den Keizertijd ontwikkelt zich de procedure
tegen den wederspannigen gedaagde (contumax). Den aanwezigen eischer
wordt dan gelegenheid gegeven, zijne vordering door bewijzen te staven.
Wordt de gedaagde bij vonnis veroordeeld, zoo kan dit op do gewone
wijze worden ten uitvoer gelegd en is niet onderhevig aan de rechts-
mi Idolen van appel en in duplum revocatio (zie hieronder § 118).
Cnm autcm in jus vocatus fuerit adversarius neque co die finiri potuerit ncgotium,
vadimuiiiiim ei faciendtim est, id est ut prumittat se certo die sisli. — Fiunt autcm
vadimonia quibusdam ex eau sis pnra, id est sinc satisdatione, quibusdam eum satis-
datione, quibusdam jurejurando, quibnsdam reenperatoribus suppositis, id est ut qui
non steterit, is pi\'otinus n recupcratoribus in summum vadimonii condemnetur; eaque
singula diligenter praetoris edieto significantur. -- Et siquidem judicati depensive
agetur, (anti fit vadimonium, quanti ca res erit; si vero ex eetcris causis, quanti
actor juravcrit non calumniae causa postulare sibi vadimonium promitti. Xee tarnen
pluris quam partia dimidiae, nee pluribus quain sestertium CM fit vadimonium. Ituquc
si centum milium res erit, nee judicati depensive agetur, non plus quam sestertium
quinquaginta milium lit vadimonium. Gajus, Inst. IV §§ 184 —18G.
Ab ea sententia, quac ad versus contumaecs lata est, ncque appcllari neque in
duplum revocari potest. Paul., Sent. V, 5a § Co.
Contumax est, qui tribus edietis propositis vel uno pro tribus, quod vulgo percmp-
torium appcllatur, litteris evocatus praesentiam sni facere contcmnet. — 1\'oenam
contutnaeis non patitur, quem adversa valetudo vel majoris causac occupatio dcfen-
dit. — Contumaecs non videntur, nisi qui, eum oboedire deberent, non obsequuntur,
id est qui ad jurisdictionem ejus, cui ncgant obsequi, pertinent, llcrmogcn. 1. 53
§§ 1 — 3 I). de rcjud. (XXXXII, 1).
Kt post edietum peremptorium impetratum, eum dies ejus supcrvenciit, ttincabscns
citari debet: et sive respondcrit sive non respondent, agetur eausa et pronuntiabitur,
non utique secundum pracsentem, scd interdum vel absens, si bonam causumhubuit,
vineet. — Quod si is qui edietum perein]itorium itnpetravit absit die coguitionis, is
vero ad versus quem impetratum est adsit, tuin circumdueendum erit edietum pcr-
emptorium neque causa eogiioseetur nee secundum pracsentem pronuntiabitur. —
Circumducto edieto videamus an amplius reus conveniri possit, an vero salva quidem
lis est, verum instantia tantum edieti periit: et magis est utinstuntiutantum pcricrit,
c.\\ intcgro autein litigari possit 1\'lp. 1. "3 pr., § 1 , § \'2 IX de jud. (V, 1).
-ocr page 253-
237
Bij den magistraat bestaat de eerste handeling hierin, dat de eischer
aan zijne tegenpartij mededeelt, welke vordering hij tegen haar wil
instellen (editio actionis).
Qua quisque actione agcre volct, ciim edere debet: nam ncquissimum videtnr cum
qui acturus est edere actionem, ut proinde seiat reus, titrum cederc an contenderc
ultra debeat, et, si contendeudiim patat, veniat instructus ad agendum cognita
actione qua conveniatur. — Edere est ctiam copiam describendi l\'acerc: vel in libello
complecti et dare: vel dictare. Eum quoque edere Labco ait, qui producat advcr-
sarium suum ad album et demonstret quud dietaturus est vel id dicendo, qno uti
velit. l\'lp. 1. 1 pr., § 1 D. de ed. (II, 13).
Reeds ten tijde van Cicero volgt men in de practijk een kortcren
weg: liet vadimonium en de editio actionis worden buiten rechte ver-
richt, zoodat men de eerste verschijning voor den praetor bespaart.
In lateren tijd wordt hot proces ingeleid door de litis denuntialio,
eene buitengerechtelijke, schriftelijke of mondelinge, in tegenwoordigheid
van getuigen verrichte aankondiging van den strijd met mededeeling van
het onderwerp van den eisch; daaruit vloeit voor den gedaagde de ver-
plichting voort om op een bepaald aangewezen dag voor den magistraat
te verschijnen.
In jure dragen partijen hunne wederzijdsche beweringen voor. Voor
al hetgeen zij in den loop der instructie verlangen, nemen zij zelf het
initiatief en doen aan den magistraat de noodige voorstellen (postulare).
De praetor kan reeds dadelijk, om verschillende redenen, den eisch
als ongegrond afwijzen (actionem denegare). Anderzijds is het mogelijk,
dat de vordering onmiddellijk wordt toegewezen, nam. indien de ge-
daagde de beweringen des eischers erkent (confessus pro judicato
est, zie hieronder § 113). Over de opdracht van den beslissenden eed,
zie hieronder § 114, n1\'. 3.
De eischer kan den gedaagde ondervragen (inlerrogalio in jure) over
zekere punten, die dezen persoonlijk betreffen en behooren tot de zoo-
genaamde passieve legitimatie, bijv. of gedaagde erfgenaam is en voor
welk aandeel; bij de adio noxalis (zie hieronder § 205), of hij den slaaf
in zijne macht heeft; bij de adio de pauperie (zie hieronder § 205), of
hij eigenaar is van het dier, enz. Weigert de gedaagde te antwoorden,
of spreekt hij klaarblijkelijk onwaarheid, dan wordt die toestand aan-
wezig geacht, die voor hem het nadeeligste zou zijn. Neemt de eischer
het antwoord van den gedaagde aan, dan wordt dit, op zijn verzoek,
als vaststaande in de formule opgenomen. In lateren tijd behoeft op
zulke vragen eerst bij den judex te worden geantwoord.
Totiens heres in jure interrogandus est, qua ex parte heres sit, quotiens ad versus
eum actio instituitur et dubitat aetor, qua ex parte is, cum qno agerc velit, heres
sit. Est autem interrogatio tune necessaria, cum in personam sit actio et ita, si
certum petctur, nc, dum ignoret aetor, qua ex parte adversarius defuncto heres
exstiterit, interdum plus petendo aliquid damui sentiat. — Interrogatoriis autem
actionibus hodic non utimur, quia nemo eogitur ante judicium de stio jure aliquid
respondere, ideoque minus tïequentantur et in desuetudinem abicrunt .... Callistr,
1. 1 D. de iuterrog. (XI, 1).
-ocr page 254-
23S
Behalve de inrichting der formule kunnen bij den magistraat nog
allerlei bijvragen aanleiding geven tot debat, bijv. vragen betreffende de
bevoegdheid van den magistraat, het bedrag van het vadimonium, de
toelating van vertegenwoordigers der partijen, den samenhang der zaak
met andere, het stellen van zekerheid, enz.
Worden de partijen het niet eens, dan verzoeken zij den magistraat,
een rechter te benoemen; de procedure in jure wordt besloten door de
luis contestalio (zie hieronder § 112).
In judicio vangt de behandeling oudtijds aan met een kort overzicht
(causae conjcctio), later met eene uitvoerige uiteenzetting van de be-
weringen der partijen door hen zelf of hunne vertegenwoordigers (pero-
ratio, continuo, oratio),
zoowel wat betreft de feiten als het rechtspunt.
Daarop volgt de bewijsvoering (probatio) en ten slotte de altercatio, een
resumi\'\' met korte vragen en antwoorden over de hoofdpunten. Het von-
nis (zie hieronder § 115) wordt dadelijk uitgesproken of de behandeling
tot later verdaagd (ampliatio).
Den gedaagde, die zouder grond den eisch bestrijdt, treffen verschil-
lende nadeelen (Inst. Lib. 4, Tit. 1G: de poena temere litigantium). In
sommige gevallen, bijv. bij de actio kgis Aquiliae (zie hieronder § 19\'J),
bij de actio judicati (zie § 115), wordt hij tot het dubbele veroordeeld:
lis infitiando crescit in duplum. In andere gevallen, bijv. bij
de interdicten, kan de eischer vorderen, dat de gedaagde eene straf
belooft, voor het geval dat hij op de hoofdzaak wordt veroordeeld
(sponsio poenalis). Sommige veroordeelingen slepen eerloosheid na zich
(zie hieronder § 107, nr. 19). Waar noch het een noch het ander
geschiedt, kan de eischer van den gedaagde den eed vragen, dat
hij niet, van zijn onrecht bewust, den eisch bestrijdt (jusjurandum
calumniae).
                                                                                ~-----------
Omgekeerd kan de gedaagde van den eischer, waar deze eene sponsio
poenalis
mag verlangen, eene restipulalio vorderen, waaruit hij kan
ageeren, indien hij wordt vrijgesproken. In andere gevallen kan de ge-
daagde van den eischer het jusjurandum calumniae vragen.
.....ad versus inlitiantcs ex quibusdam causis dupli actio constituitur, veluti si
judicati aut depensi ant damni injuriac aut legatorum per damnationem relictorum
nomine agitnr; ex quibusdam causis sponsionem t\'accre permittitur, veluti de pecunia
certa credita et pecunia coustituta; sed ceitae (iiiidem creditae pecuniae tertiae par-
tis, constitutae vero pecuniae partis dimidiac. - - Quodsi neque sponsionis Deque
dupli actionis periculum ei cum quo agitnr injungatur, ac ne statim iiuidcm ab initio
pluris (juam simpli sit actio, pevmittit practor jusjurandum exigere non calumniae
irausa hi/itias ire....
— Actoris quoque calumnia cocreetur modo calumniae judicio,
modo contrario, modo jurcjurtmdo, modo restipulatione. — Et qtiidem calumniae
judicium ad versus omnes actiones locum habet, et est deeimac partis, praeterquam
quod adversus adsertorem tertiae partis est. — Liberum est aiitetn ei cum quo agitnr,
aut calumniae judicium opponere ant jusjurandum exigere, nou calumniae causa
agcre. Oajus, Inst. IV §§ 171, 172, 174—176.
Qni fatniliac erciscundae et communi dividundo et linium regundorum agunt, et
actores sunt et rei et idco jurare debent non calumniae causa lilem intendcre et non
calumniae causa ad inlitias ire. l\'aul. I. 44 § 4 I). tam. ere. (X, 2).
-ocr page 255-
230
Vordert de eischer te veel — plus autem quattuor modis peti-
tur: re, tempore, loco, causa — dan verliest hij oudtijds zijn proces
(causa cadit), terwijl de herhaling van dezelfde vordering kan worden
belet door de exceptio rei in judicium deductac (zie hieronder § 112).
Door Keizer Zen o worden aan de pluris pctitio minder strenge gevolgen
verbonden, zie § 33 I. de act. (IV, C).
§ 105. DE r-ROCEDUllE VAN DEN LATEKEN KEIZERTIJD.
Gelijk
reeds (hierboven § 00 a. h. e. en § 102) is opgemerkt, verviel
ten tijde van Diocletianus de scheiding der procedure in tweeën (jus
en judicium), ook voor die gevallen, waarin bij wijze van uitzondering
de behandeling der zaak aan een jnder. pcdancus werd overgedragen.
Placet nobis praesides de his causis, in <[uibns, (ïuod ipsi non possent cognoscere,
antchsic pedancos judices dabant, notionis suac examen adhibere, ita tamen ut, si
vel per occupationes publicas vel proptcr causarum multitudinem omnia hnjusmodi
ncgotiu non potuerint cognoscerc, judices dandi habeant potcstatem. — Quod non
ita accipi convenit, ut etii\'m in his cuusis, in <|itibus solcbunt ex officio suo cogno-
sccre, dandi judices licentia pcrmissa credatur. (Juod usquc adeo in praesidum
cognitione rctinendum est, ut eorum judicia non deminuta videantur, dum tamen
de ingenuitate, super qua puterant et ante cognoscerc, et de libertinitate praesides
ipsi dijudiccnt. Diocl. et Maxim. 1. 2 (\'. de pcd. jud. (111, 3).
Juris fovmtilac aucupationc syllabarum insidiantcs cunctortim actibus rudicitus umpu-
tentur. Constant, et Constans 1. 1 C. de t\'orm. (II, j").
Nulli proisus non impetratae actionis in majore vel minore judicio agenti opponatur
exceptio, si aptam rei et propositu negotio competentetn eam esse constitcrit. Thcod.
et Valent. 1. 2 C. eod.
In het Justiniaansche recht wordt het proces ingeleid door indiening
bij den rechter van een door den eischer onderteekend geschrift (libellus
conventionis)
, inhoudende eene korte aanwijzing van de gronden en de
strekking der actie. Wanneer de rechter de actie toelaat, beveelt hij bij
interlocutio de beteekening aan en oproeping van den gedaagde (commo-
nitio, citatio)
door een deurwaarder (viator, executor lilis). De gedaagde
heeft tusschen de oproeping en de eerste verschijning twintig dagen tijd,
maar moet zekerheid stellen, dat hij alsdan in rechte zal opkomen. De
regels, die vroeger golden ten aanzien van de in jus vocatio en de
editio actionis, worden nu overgebracht op het libellus conventionis en
de citatio.
Bij de eerste verschijning (cognitio) moet de eischer zijn eisch volledig
voordragen (narratio) en de gedaagde zich daarover uitlaten (responsio,
contradictio).
Dit wordt nu beschouwd als de Ut is contestatio (zie hier-
onder § 112). Daarna wordt de zaak van weerskanten besproken en
verder behandeld, zonder bepaalden vorm of volgorde, alles naar gelang
van omstandigheden en onder leiding van den rechter.
Het bewijs wordt in de door den aard der zaak aangewezen orde ge-
voerd. Vóór alles komen de processuëele excepties, bijv. die van onbe-
voegdheid des rechters, ter sprake. De peremptoire en de dilatoire, die
-ocr page 256-
240
met des eischers recht in verband staan (bijv. de exceptio ne intra cerlum
tempus petatur),
worden eerst dan behandeld, als de eischer zijne vor-
dering heeft bewezen, maar zij worden in iederen stand van het geding
tot aan het eindvonnis toegelaten, terwijl de rechter de partijen telkens
moet aanmanen om alles wat ter zake dienende is bij te brengen, waar-
voor zij het noodige uitstel kunnen krijgen (delalio instrmnentorum causa).
De veroordeeling behoeft niet meer altijd in geld te worden uitgesproken,
maar moet zooveel mogelijk betrekking hebben tot eene bepaalde som
of zaak.
Exceptioncm dilatoriam opponi i|uidem initio, probari vero, postquum actor mon-
straverit i[iiod adseverat, oportet. DiocL et Maxim. 1. 19 C. de probat. (IV, 19).
Cum nondum linitam sententia causam, scd dilatum adlegetis, non est dubium
omncs intcgras defensioncs vobis csse. Alcx. 1. 4 (\'. de exeept. (VIII, 35).
Peremptorias exceptioncs omissas initio, antequam sententia fcratur, opponi possc
perpetuum edictum manifeste declarat. Diocl. et Maxim. 1.2 pr. (\'. sent. resc. (VII, 50).
.lutliees oportet impiimis rei qiialitutem plcna inquisitione discutere et tune utramque
partem saepius interrogure, ne <|iiid novi addere desiderent, eum hoc ipsnm ad alteru-
tram partem proficiat, sive delinieuda causa per judieem sivc ad majorem potestatem
referenda sit. Constant. I. 9 C\'. de jud. (III, 1).
Curare autcm debet judex, ut omnimodu, quantnm possibile ei sit, certae peeuniae
vel rei sententium ferat, ctiam si de incerta qaantitate aptid eum nctum est. § 32 I.
de act. (IV, 6).
§ IOC. ACTIES. BEdRIP EX GROND.
Het woord actie komt in tweeërlei hoofdbeteekenis voor: eene formeele
en eene materiëele.
In formeelen zin wordt het meer of minder ruim opgevat. Bij voor-
keur heet actie het rechtsmiddel, waardoor men tegen een bepaald persoon
de rechterlijke tussclienkomst inroept, ter handhaving van zijn gekrenkte
recht en opheffing van het gepleegde onrecht: rechtsvordering.
Agere ctiam is videtur, qui exeeptione utitur: nam reus in exeeptionc actor est.
Ulp. 1. 1 D. de except. (XXXX1V, 1).
„Aetionis" rerbo non continetur exceptio. Paul. 1. 8 § 1 I). de V. R. (L, IC).
Actionis verbo continetur in rem, in personam : directa, utilis: praejudicium, sicut
ait 1\'otnponias: gtipulationes etiam, quae praetoriae simt, qtiia actionum instar obti-
nent, ut damni infecti, legatorum et si quae similes sunt. lnterdicta quoqne aetionis
verbo continentur. l\'lp. 1. 37 pr. D. de O. et A. (XXXXIV, 7).
Aetio in personam infertur: petitio in rem: perseeutio in rem vel in personam rei
persequendae grutia. Papin. I. 28 I). cod.
„Aetionis\'" verbum et speciale est et generale. Nam omnis aetio dicitur, sive in
personam sive in rem sit petitio: sed pleiumquc „actiones" personales solemus diccre.
„1\'etitionis" autem verbo in rem actiones significari videntur. „Persecutionis" verbo
extraordinarias persecutioncs puto contineri, ut }>utii lideicommissorum et si quae
aliae sunt, quae non habent juris ordinarii exsecutionem. (\'lp. 1. 178 § 2 D. de
V. S. (L, 1G).
In materiëelen zin verstaat men onder actie het recht van vorderen,
vorderingsrecht, de bevoegdheid om een ander door eene rechterlyke uit-
spraak tot feitelijke erkenning van het recht te dwingen.
-ocr page 257-
241
Nihil uliiid est actio t[usim jus (jiiod sibi debeatur, judioio persecjuendi. Cels. 1. 51
D. de O. et A. (XXXXIV, 7).
Superest, ut de aetiouibus locjiiamur. Actio uutein nihil aliud est, <[iiam jus per-
sciiucndi judicio (piod sibi debetur. pr. I. de act. (IV, 6).
De vervolgbaarheid is eene natuurlijke, regelmatige eigenschap van
elk recht; het is niet een afzonderlijk, op zich zelf staand recht, ook
geen aanhangsel, maar veeleer een bestanddeel van het aangevallen recht,
„het recht op voet van oorlog." Waar het recht de eigenschap der ver-
volgbaarheid mist, zooals bij de natuurlijke verbintenis (zie hieronder
§ 179) het geval is, daar is het grootendeels weerloos en verlamd.
Het recht, waarop de actie steunt, waarvan zij een bestanddeel is, tot
welks handhaving zij dient, noemt men den grond der actie. Zoo is het
eigendomsrecht de grond der rei vindicatio en der actio itcgatoria; het
recht van servituut is de grond der actio confessoria; het pandrecht is
do grond der actio hypotfiecaria; het recht van erfgenaamschap is de
grond der hereditalis petitio; de verbintenis uit de koopovereenkomst is
de grond der actiones empti et venditi, enz.
Zoodra het recht bestaat, is ook de actie, de bevoegdheid om de rechts-
vordering in te stellen, potentieel aanwezig; maar daaruit volgt nog niet,
dat het recht reeds rijp is voor eene gerechtelijke vervolging, dat eene
concrete actie kan worden ingesteld. In vele gevallen is te gelijk met
het ontstaan van het in het algemeen vervolgbare recht ook de concrete
actie geboren (actio nata est, actio conipclil); in andere gevallen moeten
er nog omstandigheden bijkomen, vóórdat het abstracte eventueele vorde-
ringsrecht overgaat in eene werkelijk bestaande concrete rechtsvordering.
De persoonlijke actie, gegrond op eene verbintenis om te geven of te
doen, is geboren, zoodra de verbintenis als werkelijk bestaande kan
worden aangemerkt, zonder dat eene aanmaning door den schuldeischer,
eene weigering van den schuldenaar, verzuim of eenige andere rechts-
krenking vereischt wordt. Wel zal in den regel de rechtskrenking de
aanleiding zijn om de actie in te stellen, doch zij is niet de onmisbare
voorwaarde voor het ontstaan daarvan. Zoolang de verbintenis, ten ge-
volge van een nog niet verschenen termijn, eeno nog niet vervulde
opschortende voorwaarde of wegens andere omstandigheden, niet vol-
komen bestaat, is de actie nog niet geboren. Zoo is bij verbintenissen
uit overeenkomst in den regel de actie geboren, zoodra de overeenkomst
is gesloten; bij verbintenissen uit ongeoorloofde handeling, zoodra die
handeling is gepleegd; de actie ter zake van voogdij, als de voogdij
is geëindigd; de actie tot terugvordering van het pand, als de schuld
is voldaan.
Omnis pecunia exsoluta csse debet nut co nomine satisfactum esse, ut nascatur
pigneraticia actio.... Vip. 1. 9 § 3 D. de pign. act. (XIII, 7).
Is de verbintenis op een niet-doen gericht, dan is de actie geboren,
zoodra de verbodene handeling is gepleegd.
Do onpersoonlijke actie wordt niet geboren te gelijk met het ont-
liom recht. I, 2e druk.                                                                                      16
-ocr page 258-
242
staan van het recht, waarvan zij een bestanddeel is, maar eerst op het
oogenblik waarop, door de krenking van het absolute recht, eene ten
aanzien van een bepaald persoon vervolgbare aanspraak is ontstaan. Zoo
is de revindicatie eerst voor mij geboren, wanneer iemand de mij toe-
behoorende zaak bezit; de aclio confessoria eerst, wanneer iemand mij
in do uitoefening van mijn servituut belemmert; de hereditalis petitio
eerst, wanneer iemand goederen der nalatenschap als erfgenaam of zonder
titel bezit.
Niemand wordt tot het instellen eener actie gedwongen. Men kan ze
instellen, zoodra ze geboren is; men behoudt die bevoegdheid, zoolang
zij niet door verjaring of om eene andere reden verloren gaat (zie hier-
onder §§ 1U8-110).
§ 107. VERDEELINGEN DER ACTIES.
(Inst. Lib. 4, Tit. C: de actionibus).
1°. Met het oog op haren grond worden de acties onderscheiden in
onpersoonlijke en persoonlijke.
Onpersoonlijke rechtsvorderingen (actiones in rem, pclUiones, rindica-
tiones)
zijn die, welke voortspruiten uit en strekken tot handhaving van
een absoluut recht, d. i. van een recht, dat een zelfstandig bestaan heeft,
zonder betrekking tot een bepaald persoon (zie hierboven § 7).
Persoonlijke rechtsvorderingen [actiones in personam, actiones, condic-
tiones)
spruiten voort uit relatieve rechten; tegenover het recht staat
daar de positieve verplichting van dengene, die aan den rechthebbende
verbonden is.
Bij de persoonlijke rechtsvordering is de persoon, tegen wien zij zal
kunnen worden ingesteld, bepaald aangewezen, zoodra het recht is ont-
staan; bij de onpersoonlijke rechtsvordering wordt de tegenpartij eerst
aangewezen met en door de schennis van het recht: iedereen kan in do
termen vallen om te worden aangesproken. De uitdrukking actio in rem
beteekent geenszins, dat door de onpersoonlijke actie steeds eene zaak
zou worden opgeëischt; dit is niet het geval; die woorden duiden alleen
de algemeene, onpersoonlijke strekking aan.
Het onderscheid tusschen persoonlijke en onpersoonlijke rechtsvorde-
ringen openbaart zich duidelijk in de Roineinsche formule.
Omnium actionum, quibus inter aliquos apud jadices arbitro\'vc de quaque re quae-
ritur, summa divisio in duo genera deducitnr: aut enim in rem simt aut in personam.
Namque agit unusquis(|uc aut cum eo, qni ei obliguttts est vel ex contractu vel ex
maleflcio, quo casu proditae actiones in personam simt, per quasintenditadversarium
ei dare aut dare focerc oportcre et iiliis quibusdam modis: aut eum eo "git, qtii
nullo jure ei obligatns est, movct tarnen alicui de aliqun re controversiam. Quo casu
proditae actiones in rem simt. Veluti si rem corporalem possideat quis, (|iiam Titius
suam esse attirmet, et possessor domimtm se esse dicat: nam si Titius guam esse
intendut, in rem actio est. - Appellamus autcm in rem quidem actiones vindiea-
tiones: in personam vero actiones, quibns dare faccre oportcre intenditur, condic-
tiones. Condiccrc enim est denuntiare prisca lingua: nunc vero abasive dieimus
-ocr page 259-
243
ondictionem nctionem in personam csso, qua lictor intcndit dari sibi «portere: nulln
enim hoc tempore co nomine denuntiatio fit. § 1, § IS I. de act. \'IV, 6).
In personam actio est, qua agimns enm aliqno qui nobis vel ex contractii vel ex
dclicto obligatus est, id est enm intendimns riare Jaccre jirneslare o/iorlere. — In rem
actio est, cum ant corporalem rem intendimns nostrazn esse, ant jus aliquod nobis
conpetere, veluti utendi ant utendi tïucndi, C\'.indi agendi aiiunmvc dncendi vel
altins tollend! prospiciendivc; ant cum actio ex diverso udversario est negativa. —
Appcllantur antcm in rem quidem actiones vindicationes, in personam vcro actioncs,
quibns dnri jierive oj/ortere intendimns, condictiones. Gajug, Inst. IV § 2, § 3, § 5.
Actionnm genera simt duo, in rem, quae dicitur vindicatio, et in personam, quae
condictio appellatur. In rem actio est, per quam rem nostram, ([iiae ab alio possi-
detur, petimus: et semper ad versus eum est qui rem possidet, In personam actio est,
qua cum eo agimus, qui obligatus est nobis ad faciendum aliquid vel dandum: et
semper ad versus eundem locum habet. Ulp. 1. 25 pr. D. de O. et A. (XXXXIV, 7).
Ab adversarii quoque paitc si intervcniat aliquis cum qno actio constitnitur, inten-
ditur dominum dnre ojjorlere, condcmna\'iu autem in cjns personam eonvcrtitnr qui
judicium accipit; sed cum in rem agitur, nihil in intentione facit ejus persona eum
quo agitur, sive sno nomine sive alieno aliquis judicio intervcniat; tantum enim
intenditur rem actoris esse. Gajns, Inst. IV § 87.
Onpersoonlijke acties zijn: rei vindicatio, actio ncgatoria, actio Publi-
ciana, actio confessoria, actio hypothecaria, hereditatis petitio, vindicatio
fdii,
de vorderingen tot handhaving van den staat der personen (zie ook
hieronder, nr. 12). Het aantal persoonlijke rechtsvorderingen is onbe-
paald; daar zijn er evenveel, als er verbintenissen zijn.
Het onderscheid tusschen onpersoonlijke en persoonlijke acties komt
verder uit o. a. in de volgende punten:
a.   de persoonlijke rechtsvordering is geboren, zoodra het relatieve
recht volkomen is gevestigd; de onpersoonlijke rechtsvordering is eerst
geboren, wanneer iemand het absolute recht schendt (zie hierboven § 106).
b.   De onpersoonlijke rechtsvordering wordt — tenzij de eischer ge-
ageerd heeft met bijzondere aanduiding van den grondslag van zijn
recht — bij afwijzing voor altijd afgesneden met de exceptie van ge-
wijsde zaak, al wil de eischer later ook zijn recht steunen op een
anderen grond van ontstaan; de persoonlijke actie daarentegen kan niet
worden losgemaakt van haren grondslag, zoodat men eene nieuwe vor-
dering kan instellen, als men zich maar op een ander verbindend feit
beroept. De absolute rechten toch zijn onafhankelijk van de wijze, waarop
ze zijn ontstaan, zoodat een verschil daarin het recht en de actie niet
van natuur doet veranderen, terwijl de relatieve rechten hunne indivi-
dualiteit ontleenen aan de wijze van hun ontstaan.
Actiones in personam ab actionibus in rem hoc ditterunt, quod, cum endem res
ab eodem mihi debeatur, singulas obligationes singulac causae sequuntur nee ulla
ciiriim alterius petitione vitiatur: :it eum in rem ago non expressa causa, ex qua tem
mcam esse dico, omnes causae una petitione adprehenduntur. Neque enim nmpliiis
quam semcl res mea esse potest, sacpius autem debcri potest. Paul. 1. 14 § 2 I). de
exc. rei jud. (XXXXIV, 2).
Dcnique et Cclsus scribit, si hominem petiero, quem ob cam rem meum esse
existimavi, quod mihi traditus ab alio est, cum is ex hereditaiia causa mens esset,
rursns pitctlti mihi obstaturam exceptiouem. — Si quis autem petat 1\'unduin suum
16*
-ocr page 260-
244
csse eo, quod Titius enm sibi tradiderit, si postca alia ex causa petat causa adjccta,
non debet summovcri exceptionc. — Itaque adquisitum <iiüdem postca dominium
aliam causam facit. Mutata uutem opinio pctitoris non facit. I\'t puta opinabatur ex
causa hereditaria se dominium haberc: mutavit opinioncm et coepit putare ex causa
donationis: haec res non parit petitionem novum: nam qualccnmque et undccum<iue
dominium adquisitum liabuit. vindicatione prima in judicium deduxit. UIp. 1. 11
§ 1, § 2, § 5 I). cod.
c. Volgens sommigen bestaat er dit verschil, dat als de persoonlijke
rechtsvordering bij rechterlijk vonnis is afgewezen of als ze is verjaard,
het recht geheel zou zijn verloren, zoodanig dat er geene natuurlijke
verbintenis zou overblijven; de afwijzing of verjaring der onpersoonlijke
vordering daarentegen heeft enkel het verlies der actie ten gevolge,
terwijl overigens het recht blijft bestaan (zie hieronder § 110 en § 115).
Er zijn persoonlijke rechtsvorderingen, die met de onpersoonlijke ééne
eigenschap gemeen hebben, namelijk dat zij niet worden ingesteld tegen
een van den aanvang af aangewezen persoon, maar tegen dengene die
in bepaalde omstandigheden verkeert, die, hetzij door het bezit van eene
zaak of door genoten voordeel, in staat en verplicht is des eischers
aanspraak te bevredigen. Tot deze zoogenaamde actiqnes in rem scriptae
behooren bijv. de actio quod inetus causa (zie hierboven §81), deacliones
noxales
(zie hieronder § 205, nr. 1). Op een relatief recht steunende,
moeten zij niettemin als persoonlijke vorderingen beschouwd worden.
Cum autcm haec actio in rem sit scripts nee personam vim facientis coerecat, sed
adversus omncs restitui vclit quod metus causa factum est: non inmerito .luliunus a
Marcello notuttis est scribens, si fidejussor vim intulit, ut ucccpto libcretur, in rcum
non essc restituendam actionem, sed lidejussorem, nisi adversus reum quoque actionem
restituat, debere in quudruplum condemnari. Sed est verius, quod Marcellus notat:
ctiam adversus reum competcre liane actionem, cum in rem sit seripta. Ulp. 1. 9
§ 8 I). quod met. c. (IV, 2).
In de Instituten worden eenige acties als gemengde aangeduid —
„quaedam actiones mixtam causam optinere videntur.tam in
rem quam in personam" (§ 20 I. de act., IV, G) — namelijk: actio
communi diridundo
, actio famüiae erciscundae, actio fènium regundorutn.
En de liereditatis petitio wordt in 1. 7 C. de pet. her. (III, 31) eene
mixla personalis actio genoemd. Intu3schen is het niet mogelijk, dat
een recht te gelijk absoluut en relatief, derhalve evenmin dat eene actie
te gelijk persoonlijk en onpersoonlijk zou zijn. Het „gemengde" kan dus
nooit slaan op den grond der actie; het kan alleen betrekking hebben
op een enkel rechtsgevolg.
De drie deelingsacties zijn, wat hun grondslag aangaat, persoonlijk
(zie hieronder § 202 en de daar aangehaalde plaatsen); zij steunen op
eene door gemeenschap of nalmursehap ontstane verhouding tusschen
bepaalde personen (deelgenooten of buren). Wij kunnen ze alleen richten
tegen hen, die door overeenkomst of op andere wijze in dergelijke
gemeenschap met ons zijn gekomen. Doch ze hebben in zooverre iets
eigenaardigs, dat de rechter hier niet alleen veroordeelt tot persoonlijke
-ocr page 261-
245
praestaties, ter zake van gemaakte kosten, toegebracht nadeel, genoten
voordeel, overbedeeling, enz., maar dat hij tevens door de toewijzing
(adjudicalio, zie hieronder § 150) absolute rechten kan toekennen.
Fininm rcgundorum actio in pcrsonam est, licet pro vindicatione rei est. Faal.
1. 1 D. fin. regund. (X, 1).
De hereditatis petitio daarentegen is eene onpersoonlijke rechtsvorde-
ring; zij steunt op het absolute recht van erfgenaamschap; de tegen-
stander is hier niet van den aanvang af aangewezen, maar is ieder die,
als erfgenaam of zonder titel, eenig voorwerp van de nalatenschap bezit.
Wellicht wordt zij daarom „gemengd" genoemd, omdat zij ook kan
worden ingesteld tegen den schuldenaar van den boedel, die zich als
erfgenaam voordoet (juris possessor), om van hem de voldoening eener
persoonlijke verbintenis te verkrijgen.
1\'etitio hereditatis, etsi in rem actio fit, haljet tarnen proestationcs quasdam per-
somiles, nt puta eonim quae a debitoribns simt exaeta, item pretiorum. Ulp. 1. 25
§ 18 I). de II. 1\'. (\\r, 3).
Item a debitore hereditario quasi a juris possessorc: nam et a juris possessoribus
possc liercditatem peti constat. Vip. 1. 13 § 15 D. eod.
Si debitor hereditarius non ideo nolit solvere, quud se dient heredem, sed idco
quod neget aut dnbitet, an hereditas pertincat ad eum qui pciit hcreditatem, non
tenetur hereditatis petitione. Tip. 1. 42 D. eod.
2°. Met het oog op haar voorwerp worden de rechtsvorderingen onder-
scheiden in actiones rei persequendae ijratia comparatae, poenac perse-
quendae yralia comparatae
en mixtae. De eerste, zoogenaamde actiones
rei perseculoriae.,
dienen om het vermogen van den eischer te brengen
in den toestand, waarin het zonder de gepleegde rechtsschennis zou
geweest zijn. Van dien aard zijn alle onpersoonlijke vorderingen en
bijna alle persoonlijke, die uit overeenkomst of daarop gelijkende bronnen
voortspruiten. De strafvorderingen hebben ten doel om den gedaagde te
doen veroordeelen tot eene straf, waardoor hij armer en de eischer in
dezelfde mate rijker wordt. De gemengde acties strekken te gelijker tijd
ter opheffing van een geleden nadeel en ter veroordeeling tot eene straf
(bijv. actio vi bonorum raptorum, zie hieronder § 198, en actio leyis
Aquiliae,
zie § 199). Verg. nog hieronder § 190. Wanneer de actie den
gedaagde armer maakt, zonder den eischer te verrijken, dan noemt men
ze wel eenzijdige strafactie: zoo bijv. de actio dolt, zie hieronder § 201,
n1\'. 2. Hare strekking is, den eischer schadeloos te stellen; van het
standpunt van den gedaagde, die wellicht niet is verrijkt, kan men ze
als eene strafactie beschouwen: „pertinet quidem ad rei perse-
cutionem, videtur autem ex delicto dari" (1. 7 D. de al. jud.
mut c, IV, 7).
De hier besprokene onderscheiding komt vooral te pas bij de vraag
van den overgang der acties tegen de erfgenamen (zie hieronder § 108).
Agimus autem interdum, ut rem tantum consequamur, interdum ut poenam tan-
tum, alias ut rem et poenam. — Uem tantum pcrseiitiimur velut actionibus, quibns
ex eontraetu agimus. — Poenam tantum pvrscquimur velut actionc furti etinjuriarum
-ocr page 262-
1\'l\'i
et sccundum quorundam opinionem uctiono vi bonorum raptorntn; nam ipsius rei et
vindicatio et coodictio nobis conpetit. — Kom vero et poenam persequimur velut ex
his causis, ex quibus ad versus infitiantem in dnplnm agimus; qiiud iiccidit per
actioncm judicati, depensi, diimni injuriae lcgis Aquiliac, aut legatornm nomine
quae per damnationem certa rclicta simt. Gajus, lust. IV §§ G—9.
Do acties tot schadeloosstelling loopen alle over het enkele bedrag der
schade (actio in simplum concepta); de straf- en de gemengde vorderingen
kunnen oen meervoudig bedrag (bijv. het viervoud van het toegebrachte
nadeel) tot voorwerp hebben. Dat grootere bedrag is of van den aanvang
af verschuldigd, zooals bij de acties wegens diefstal of roof, èf het
wordt eerst verschuldigd ten gevolge van latere omstandigheden, bijv.
doordat de gedaagde het tot eene veroordeeling laat komen (zoo bij de
actio quod metus causa, zie hierboven § 81), of doordat hij in het proces
ontkent (zoo bij de actie volgens de Lex Aquilia, zie hieronder § 199).
3°. Actiones civiles zijn do zoodanige, die steunen op het civiele recht;
honorariae die, welke door den praetor, acdilitiac die, welke door de
aedilen (zie hieronder § 190, III, bl. 8G) zijn ingevoerd. Vroeger was
deze onderscheiding van belang voor den duur der actie, zie hier-
onder n1\'. 17.
Omnes autem actiones aut civiles dicuntur aut honorariae. tip. 1. 25 § 2 D. de
O. et A. (XXXXIV, 7).
Hoc verbum „debuit" omnem omnino actiouem comprehendere intellegitur, sive
civilig sive honoraria sive fldcicommis&i fait persecutio. lip. 1. 178 § 3 ]). de V. S.
(L, IC).
4U. Actio directa, in tegenstelling van actio nojralis, is de actie, die
onmiddellijk gericht is tegen den schuldenaar zelf, terwijl de actio
noxalis
steunt op de secundaire aansprakelijkheid van den vader of den
meester voor de schade, door zoon of slaaf toegebracht (zie hieronder
§ 205, n\'-. 1).
5°. Actio directa, in tegenstelling van actio conlraria, is de hoofd-
vordering, welke voortspruit uit eene tusschen partijen bestaande rechts-
betrekking, overeenkomst of daaraan verwant rechtsfeit; zij strekt tot
nakoming van eene naar den aard dier verhouding aanwezige verplich-
ting. De actio conlraria is de zoodanige, die niet noodzakelijk uit de
bestaande rechtsbetrekking voortvloeit, maar haar ontstaan te danken
heeft aan eene latere toevallige, met haar in verband staande gebeurtenis.
Zij heeft altijd ten doel, iemand schadeloos to houden; zij komt voor
bij bruikleen, bewaargeving, pandovereenkomst, lastgeving, waarneming
van zaken, voogdij beheer. Verg. ook hieronder § 182, III, bl. 40.
Contraria commoduti actio etiam sine principali moveri potest, sieut et ceterae
quac dicuntur contrariae. 1\'aul. 1. 17 § 1 1). oommod. (Xlll, (j).
Quod autem contrario judicio consequi quisque potest, id otiam recto judieio, quo
cum eo agitur, potest salvum habere jure pensatiunis. Scd tieri potest, ut ampliusesset,
quod invicem aliquein consequi oportcat, aut judex pensationis rationem non habeat,
aat ideo de restituenda re cum eo non agatur, quiu ca res easu intercidit aut sine judicc
restiluta est: dicemtis necessariam esse coutrariam actiuncm. Gajus 1. 18 § 4 IJ. eod.
-ocr page 263-
247
Contrario judicio damnatus non crit infamis: ncc immcrito. Nam in contrarüs
non de perfldia agitur, sed de calculo, i(ui fere judicio solet dirimi. V\\\\>. 1. G § 7
1). de his qai not. (III, 2).
6°. Adio directa, in tegenstelling van aclio utilis, is de actie, gelijk
zij oorspronkelijk door het civiele recht of door den praetor is toegekend.
Aclio utilis is de actie, die, bij analogie, naar het voorbeeld der moeder-
actie, is ingevoerd om eene leemte in het recht aan te vullen (zie hier-
boven § 2G a. h. e., en als voorbeelden hieronder § 190, III, bl. 132,
en § 207, III, bl. 1GG). Dikwijls, niet altijd, geschiedt die uitbreiding
door middel eener fictie (zie hierboven § 103): alle actiones ftclitiae zijn
utiles, maar niet omgekeerd.
Quotiens deficit actio vel exceptio, utilis actio vel exceptio est. ITlp. 1. 21 D. de
praescr. verb. (XIX, 5).
Nee rcfert directa <|uis an utili actione agat vel conveniatur, i|uia in cxtraordintt-
riis judiciis, ubi conceptio formularum non observatnr, haec supiilitassupervacuacst,
maxime cum ntraque actio cjusdem potcstatis est cundumirue li bet etreetum. 1\'aul.
1. 4C § 1 D. de negot. gest. (III, 5).
7°. Adio vulgaris, in tegenstelling van actio in faclum, is de actie,
die onder een algemeen bekenden naam eens voor al door het civiele
recht of door den praetor wordt gegeven; actio in factum is de zoodanige
actie, welke in ieder bijzonder geval, naar gelang dei\' omstandigheden,
door den magistraat wordt verleend. De actio in fat turn is of civilis,
wanneer zij is gegrond op het civiele recht, öf honon/ria, wanneer zij
steunt op do rechtsmacht des praetors. Het eerste komt voor, waar het
geldt eene betrekking, die in het civiele recht nog niet van een tech-
nischen naam is voor/Jon; de praetor kan dan niet ia de dcmonslratio
het gebeurde door één woord öT naam aanduiden, maar moet het voor-
gevallene telkens in het breede omschrijven, zie hieronder § 194, III,
bl. 111 en de daar aangehaalde plaatsen. Do meeste actiones in factum
zijn honorariae.
Nonnum<iu»m evenit, ut cessantibus judiciis pioditis et vulgaiibus actionibus, cum
propiium nomen invenire non possumus, facile descendemus ad cas, quac in factum
appellantur. Sed ne res exemplis cgeat, paucis agam. 1\'apin. 1. 1 pr. D. de praescr.
verb. (XIX, 5).
Quia acüoimm non plenus numerus esset, ideo plerumque actiones in factum
desiderantur. Sed et cas actiones, quae legibus pioditac simt, si lex justa ac neccs-
saria sit, supplet praetor in eo (piod legi deest: <|iiod facit in lege Aquilia reddendo
actiones in factum accommodatas legi A([uiliae, idipie utilitas ejus lcgis exigit.
Pomp. 1. II n. eod.
8°. Do onderscheiding tusschen actiones in jus conceptae en actiones
in factum conceptae
hangt samen met het formulierenproces (zie hierboven
§ 103). De actio is in jus concepta, wanneer des eischers aanspraak
(intentió) wordt gegrond op het civiele recht; zij is in factum concepta,
wanneer de veroordeeling wordt vastgeknoopt niet aan een door de civiele
wet erkend recht, maar aan bepaald aangegeven feiten, waaraan do prae-
tor, op zijne verantwoordelijkheid, dat gevolg verbindt. Als voorbeeld
-ocr page 264-
\'24S
der actio in factuni concepta diene de actio Serviana (zie hieronder § 171).
Bij de rechtsvorderingen, die op het civiele recht steunen, is altijd eene
formula in jus concepta mogelijk; evenwel komt soms daarnevens eene
formula in factum concepta voor. De praetorische actie is — voor zoo-
ver niet de praetor, met behulp eener fictie, de civiele rechtsvordering
met hare formula in jus concepta voor zijne doeleinden benuttigt — in
factum concepta:
immers de praetor geeft eene actie, juist omdat in zulk
een geval het civiele recht in den steek laat.
Deze onderscheiding is verwant aan, doch niet identiek met die onder
nr. 7. Zoo is de actio praescriptis verbis (zie hieronder § 194) eene actio
in factum
in den zin van nr. 7: de rechtsbetrekking, waarop zij steunt,
mist een technischen naam. Doch zij is te gelijker tijd gegrond in het
civiele recht.
Sed eus quidem formulas, in quibus de jure quaeritnr, in jus conceptus vucamus,
quales sunt, quibus intendimus nostrum esse atii/uid ex jure Quiritium uut «oW.i dar»
oporlere uut pro Jure damnum decidi oportcre; in quibus juris civilis iutentio est. —
Cetcrus vero in factum conceptus rocamus, id est in «jtiibus nullu talis iutentio con-
cepta est, sed initio formulae numinatu co quod fuctum est adiciuntur en verba, per
quae judici damnandi ubsolvendive potestas datnr: qualis est formula, qua utitur
patrunus contra libcrtum qui eum contra edictum praetoris in jus vucavit; nam in
ea itu est /teruj-cralores sunto. Si paret Mum palrvnum ah Mo liberto contra edictum
illius praetoris in jus vocatum esse, recuperatores Mum libertum Mi patrono sestertium
-Y
milia condtmnate. Si non jiaret, absolrite. C\'eterac quoque formulae, quae sub til ulo
de in jus vocando propositae sunt, in factum conceptae simt, velut adversus cum,
qui in jus vocatus neque venerit neque vindicem dederit; item contra eum, qui vi
exemerit cum qui in jus vocatur; et dcni([ue innumerabiles ejus modi aliae formulae
in albo proponuntur. — Sed ex qnibusdam causis praetor et in jus et in fuctum
coiiccplus formulas proponit, veluti depositi et commodati. lila cnim formula, quae
ita concepta est Judex csto. Quod A. Agerius apud X. Negidium mensam argenteam
deposuit, qua de re aijitur, t/uirfi/uid ob eam rem N. Negidium A. Aijerio dare Jacere
ojiorlet ex Jide bona, ejus judex N. Negidium A. Agerio condemnato, nisi restituat. Si
non paret, abtolvito,
in jus concepta est. At illa formula, quae itu concepta est
Judex csto. Si paret A. Aqerium apud N. Negidium mensam argenteam dejiosuisse eanu/uc
dolo malo N. Segidii A. Agerio redditam non esse, quanti ea res erit, tantam pecuniam
judex N. Negidium A. Agerio condemnato. Si non paret, absolvito,
in factum concepta
est. Similes etiam commodati formulae sunt. Gajus, Inst. IV §§ 45—47.
9°. Naar aanleiding van de grootere of kleinere vrijheid van beoor-
deeling, die den rechter wordt overgelaten, onderscheidt men de acties
in actiones stricli juris en actiones bonae fidei, eene onderscheiding,
welke samenhangt met de oude indeeling in jadicia en arbitria (zie
hierboven § 99).
Nam quanti verba illa: „uti nc propter te lidemve tunm captus fraudatusvc siem!"
Quam illa aurca: „ut inter bonos bene agier oportct et sine fraudatione!" Sed, qui
sint boni et quid sit bene agi, magna quaestio est. Q. quidem Scaevola, Pontifex
Maximus, summum vim diecbat esse in omnibus iis aibitriis, in quibus adderettir
„ex fide bona": ndcique bonuc nomen, existimabat, manare latissime, idqtie versari
in tutclis, societatibtis, nduciis, mandatis, rebus emptis venditis, conductis loentis,
quibus vitac socictus contincretur: in bis mugni esse judicis, statucre (pracsertim,
-ocr page 265-
249
cum in plerisque esscnt jndicia contraria), qnid qucmqnc cuique pracstare oportcrct.
Cic, de off., III, 17 § 70.
Sunt autem bonae fidei jndicia haec: ex empto vendito, locato conducto, ncgo-
tiorum gestorum, mandati, depositi, fiduciae, pro socio, tutelac, rei uxoriae, com-
modati, pigneraticium, familiac erciscundac, communi dividundo. Gajus, lust. IV §62.
Bij de actiones stricti juris (condictiones) is de rechter gebonden aan
de grenzen, die de magistraat hem in de woorden der formule stelt.
Hij heeft geene speelruimte, maar moet eenvoudig een ja of neen uit-
spreken over de hem voorgelegde vraag. Bij de actiones bonae fidei
daarentegen heeft de rechter, krachtens de in de formule voorkomende
woorden „ex fide bona", acht te geven op alle omstandigheden, al zijn
deze niet speciaal in de formule opgenomen. Bij moet rekening houden
met al hetgeen kan strekken om de wederkeerige rechtsbetrekkingen der
partijen in haren geheelen omvang naar billijkheid en goede trouw te
beoordeelen (zie bijv. hierboven § 80 en § 81 en hieronder § 183, III,
bl. 45).
Deze onderscheiding, welke zich in de fnrmula openbaart, maar ge-
grond is in den aard der rechtsbetrekking, slaat alleen op de acties,
naar het civiele recht uit overeenkomst of daarmede verwante feiten ont-
staande. Zij is niet van toepassing op de onpersoonlijke acties, noch-op
de praetorische, en evenmin op de rechtsvorderingen uit onrechtmatige
daad; intusschen worden de beide eerste op de wijze der actiones bonae
fidei,
de laatstgenoerhde als actiones stricti juris behandeld.
Quia tantundem in bonae fidei judiciis officium judicis valet, quantum in stipulati-
one nominatim ejus rei facta interrogatio. Paul. 1. 6 D. de negot. gest. (III, 5).
Quia adsidua est duplae stipulatio, idcirco plaeuit etiam ex empto agi posse, si
duplam venditor mancipii non cavcat: ea enim, qnae sunt moris et consuctiidinis, in
bonae fidei judiciis debent vcnire. 1\'lp. 1. 31 § 20 T). de aed. cd. (XXI, 1).
Qui servum testamento sibi legatum, ignorans eum sibi legatum, ab hercde emit,
si eognito legato ex testamento egerit et servum accepcrit, actionc ex venditoabsolvi
debet, quia hoe judicium fidei bonae est et continet in se doli mali exeeptionem.....
Julian. 1. 8 § 5 I). de lcgat. I. (XXX).
Emptio et venditio sicut consensu contiahitur, ita contrario consensu rcsolvitur,
antcquam fnerit res secuta: ideoqae qoaesitnm est, si emptor fidejussorem accepcrit
vel venditor stipulatns fnerit, an nuda voluntate rcsolvatur obligatio. Julianus scripsit
ex empto qnidem agi non posse, quia bonae tidei judicio exceptioncs pacti insunt:
un autem fidejussori utilis sit exceptio, videndum: et pnto liberato reo et lidejus-
sorem liberari. Item venditorem ex stipulatu agentera exceptione summoveri oportet,
idemque juris esse, si emptor qiioquc rem in stipulationem dcdaxerit. Paul. 1. 3 D.
de resc. vend. (XVIII, 5).
10°. Actiones arbitrariae. In het formulierenproces wordt elke veroor-
deeling in geld uitgesproken (zie hierboven § 103), ook al betreft de
eisch de levering, uitkeering of vertooning van eene bepaalde zaak. Ten
einde nu langs een omweg het eigenlijke oogmerk der vordering to
verwezenlijken, geeft de rechter bij alle onpersoonlijke en bij sommige
persoonlijke acties, in geval hij des eischers aanspraak gegrond acht,
alvorens een definitief vonnis te vellen, eene voorloopige uitspraak (pro-
nuntiatio),
een raad aan den gedaagde om hot verlangen des eischers
-ocr page 266-
250
te bevredigen door de zaak zelve te restitueeren, te vertoonen, enz.
Deze bevoegdheid des rechters wordt in de formule uitgedrukt door de
woorden: condemna, nisi ea res arbitratu tuo restituetur, of
dergelijke; de acties, waarbij zij voorkomt, heeten actiones arbitrariae
(zie bijv. hierboven § 81 en hieronder § 155).
Wordt aan de voorloopige uitspraak voldaan, dan komt er geene eind-
veroordeeling te pas: er moet integendeel vrijspraak plaatshebben; wordt
daaraan door den gedaagde niet voldaan, dan volgt de veroordeeling,
maar dan ook tot ecne hoogere som, naar \'s rechters oordeel te bepalen
(zie hierboven § G9).
Haec autem actio cum arbitraria sit, hahet reus licentiam usqne ad scnteutiam ab
arbitro datam rcstitutioncm, sccundum quod supra diximus, rei facere: quod si non
fccerit, jure meritoque quadrupli rundcmiiHtiunem patietur. 1 \'lp. 1. 14 § 4 D, quod
met. e. (IV, 2).
11°. De actiones zijn ordinariac of extraordinariae, met het oog op het
verschil in de wijze van rechtspleging (zie hierboven § 102 a. h. begin).
Tot de extraordinariae behoorden de interdicten (Inst. Lib. 4, Tit. 15:
de interdictis). Oudtijds waren dit bevelen, welke de praetor op verzoek
van een der partijen uitvaardigde. Daarbij gebood of verbood hij iets,
en wel voorwaardelijk, namelijk voor het geval dat des eischersbewering
juist was. Zulk een bevel was nog geene actie, maar diende tot inlei-
ding en grondslag van een later te voeren proces. Men ging eerst over
tot een geding, wanneer aan des praetors bevel niet werd voldaan. Den
weerspannige, die weigerde aan dit bevel te gehoorzamen en het op een
rechtsstrijd liet aankomen, dreigden processuëele nadeelen voor het geval
hij het geding verloor. Daarom lag in de interdicten een prikkel om het
gepleegde onrecht liever dadelijk te herstellen, en waren zij bij uitstek
geschikt in die gevallen, waarin een recht feitelijk werd geschonden,
zonder dat de aanrander juist overtuigd was van zijn beter recht, met
name bij stoornis in het bezit (zie hieronder § 159).
In het Justiniaansche recht zijn de interdicten gewone acties geworden,
waaraan geen magistraatsverbod voorafgaat en waarop geene straf volgt.
Snperest ut de interdictis dispiciamus. — Ccrtis igitur ex causis praetor aut pro-
consul principaliter anctoritatem suam liniendis controversiis interponit. Quod turn
maxime facit, cum de possessiune aut quasi possessione inter aliquos contenditur.
Kt in summa aut jubet aliquid fieri aut fieri prohibct. Formulae autem et verborum
conccptioncs quibus in ca re utitur, interdicta.....decretaque. — Vocantur autem
decreta, cum fieri aliquid jubet, veluti cnin praecipit, ut aliquid exhibeatur aut
restituatiir; interdicta vero, cum prohibct fieri, veluti cum praecipit, nc sine vitio
possidenti vis fiat, ncve in loco sacro aliquid fiat. l\'nde omnia interdicta aut resti-
tutoria aut exhibitoriu aut prullibitoria vocantur. — Nee turnen cum quid jusscrit
fieri aut fieri prohibuerit, statim peractnin est negotium, sed ad judicein recnpera-
toresve itur et ibi cditis t\'ormulis quaoritur, an aliquid ad versus praetoris edietum
factum sit, vel an factum non sit, quod is fieri jusseiit. Kt modo cum poena agitur,
modo sine poena: cum poena, veluti cum per sponsionem agitur, sine poena, veluti
cum arbiter petitur. Kt quidem ex probibitoriis interdictis sempcr per sponsionem
agi solet; ex restitutoriis vero vel exhibitoriis modo per sponsionem, modo per
-ocr page 267-
251
formulum igitnr quac arbitraria vocatur. — Principalis igitiir divisie in eo est, quod
uut prohibitoria sunt interdicta aut rcstitnturiu uut exhibitoria. Gujus, lust. IV
§ 138—§ 142.
De ordine et vetcri exitu interdictorum supervacuum est liodie dicere: nam quo-
tiens extra ordincm jus dicitnr, qaalia sunt liodie umnia judicia, non est necessc
reddi interdietum, sed perinde jodicatur sine interdictis, ntque si utilis actio ex
causa interdict! reddita fuisset. § 8 1. de interd. (IV, 15).
12°. Actiones praejudiciales zijn rechtsvorderingen die, in afwijking
van den gewonen regel, niet leiden tot eene veroordeeling van den ge-
daagde om iets te doen of niet te doen, maar enkel tot eene niet voor
executie vatbare uitspraak, waarbij wordt beslist over het al of niet be-
staan van een feit of van een recht, over het al of niet rechtmatige van
een toestand of van eene betrekking. Zij strekken meestal om later, op
grond van zoodanig voor-oordeel (praejudicium), aanspraken te kunnen
doen gelden (zie bijv. hierboven § 46).
13°. Actiones privalae en populares. De eerste dienen tot handhaving
van bijzondere belangen; de laatstgenoemde kunnen door iederen burger,
als vertegenwoordiger van het algemeen, worden ingesteld: zij strekken
tot verzekering van voorschriften, ten openbaren nutte gegeven (zie bijv.
hieronder § 201, n\'. 4; § 204, n™. 2 en 3).
Si quis id, quod jurisdictie-nis perpetuae causa, nun quod pront res incidit, in
albo vel in charta vel in alia materia propositum crit, dulo mulo corrupcrit: datur
in eum quingentorum aureorum judicium, quod populare est. Vip. 1. 7 pr. D. de
jurisd. (II, 1).
14°. Actiones simpliccs en duplices. In den regel vervult in een ge-
ding een der partijen van den aanvang af de rol van eischer, de andere
die van gedaagde (judicium simplex). De eischer vraagt veroordeeling
van den gedaagde; hij zelf kan niet tot eenige praestatie worden ver-
oordeeld; hem kan alleen treffen afwijzing zijner vordering met veroor-
deeling in de proceskosten. In enkele gevallen echter — bij het oude
eigendomsproces (zie hieronder § 155), bij do deelingsactiën (§ 202, IV)
en bij sommige bezitsinterdicten (§ 159) — vervullen beide partijen de
rol van eischer en verweerder (judicium duplex): de aanspraken en ver-
plichtingen zijn van weerskanten van gelijken inhoud. Formeel geldt
diegene als eischer, die het eerst \'s rechters tusschenkomst inroept (zie
hierboven § 96).
Judicium communi dividundo, familinc creiscundue, finium regundorum tule est,
ut in eo singulue personae duplex jus liabeant agentis et cjus quocnm ugitur. .lulian.
1. 10 D. fin. rognnd. (X, I).
In familiac creiscundue jndicio unusquisque hercdum et rei et actoris partes sustinct.
lïlp. 1. 2 § 3 D. fum. ere. (X, 2).
In tribus duplicibus judieiis familiac creiscundae, cominuni dividundo, finium
regundorum quaeritur, quis actor intellegatur, qnia pur causa omnium videtur: sed
magis plucuit eum videri actorem, qui ad judicium provocasset. Gajus 1. 2 § 1 D.
comm. div. (X, 3).
Mixtae sunt actiones, in quibus uterque uctor est, ut pnta finium regundorum,
familiac creiscundue, communi dividundo, interdietum uti possidetis, ittiubi. 1\'lp.
I. 37 § 1 I). de O. et A. (XXXXIV, 7).
-ocr page 268-
252
Tcrtia divisio interdictorum in hoc est, quod aut simplieia sunt nut duplicia. —
Simplieia sunt vcluti in quibus alter actor, alter rens est, qualia sunt omnia resti-
tutoria aut cxhibitoria; namquc actor est, i[iii desiderat aut exhibcri aut restitui,
reus is est, a quo desideratur, ut exhibeat aut restituat. — 1\'rohibitoiïorum autem
interdictorum alia duplicia, alia simplieia sunt. — Simplieia sunt vcluti quibus pro-
hibct praetor in loco sacro aut in flumine publico ripave ejus aliquid facerc reum;
nam actor est qui desiderat ne quid fiat, reus is qni aliquid faccre conatur. —
Duplicia sunt vcluti uti jiossidetis interdictum et ulrubi. Ideo autem duplicia vocan-
tur, quod par utriusqne litigatoris in liis condieio est, nee quisquam praecipuc reus
vel actor intellcgitur, sed unusquisque tam rei quam actoris partes sustinet; quippe
praetor pari sermone eum utroque loqiiitur. Nam summa eonceptio eorum interdic-
torum haec est uti nuncjiossidetis, (juominus ita //ossideatis, rim jieri veto; item altcrius
ulrutii hic humo de </uo aijitur a/md </uem majore \\mrte hujus anni f uit, quominus is eum
duvat, vim Jieri veto.
Gajus, lust. IV § 156—§ 160.
15°. Actiones quae rindictam spirant noemt men tegenwoordig eenige
acties, die niet in de eerste plaats beoogen bevrediging van een geldelijk
belang, maar veeleer persoonlijke genoegdoening wegens krenking van
het gevoel (magis ad ultionem pertinent). Zij kunnen alleen worden
ingesteld door den beleedigde zelf, niet door zijne erfgenamen. Van dien
aard zijn o. a. de querella inofftciosi testamenti (waarover nader in het
Erfrecht), de rechtsvordering tot herroeping eener schenking wegens
ondankbaarheid (zie hierboven § 90), de actio injuriarum (zie hieronder
§ 200), de actio sepulchri violati (zie hieronder § 201, nr. 4).
Kmaneipatus filius si injuriarum habet aetioncm, nihil confene debet: magis enim
vindietac quam pecuniae habet persecutionem: sed si furti habeat aetioncm, conferre
debebit. Paul. 1. 2 § 4 D. de coll. bon. (XXXVII, f,).
lo°. Actiones zijn certae of incertae, naarmate het voorwerp der vor-
dering in alle opzichten bepaald is, of nog door schatting moet worden
vastgesteld (zie hieronder § 175, III, bl. 7). De actiones bonae fidci zijn
alle onbepaald, de actiones slricti jitris kunnen bepaald of onbepaald
zijn (zie hieronder § 188, III, bl. GG). Alleen bij de bepaalde acties
dreigt den eischer het gevaar der pluspetitio (zie hierboven §104 a. h. e.);
verg. ook § 102, 3°.
17°. Actiones zijn temporales of perprtuae, naarmate zij al of niet door
tijdsverloop vervallen. Sedert Theodosius II heeten perpetuae de acties
die in 130 jaren, temporales die welke in korteren tijd verjaren; zie nader
hieronder § 110.
18°. Actiones adjectüiae qualitatis noemt men tegenwoordig de acties,
die, onder zekere omstandigheden, tegen den vader, meester of lastgever
kunnen worden ingesteld ter zake van rechtshandelingen, door den zoon,
slaaf of lasthebber aangegaan (zie nader hieronder § 207).
19°. Actiones famosae zijn acties, waarbij de veroordeeling eerloosheid
ten gevolge heeft (zie hierboven § 47). Voorbeelden: actio pro socio (zie
hieronder § 192), actio furti (§ 197), actio vi bonorum rapiorum (§ 198),
actio injuriarum (§ 200), actio doli (§ 201, nr. 2).
20°. Actiones subsidiariae heeten die acties, welke alleen dan kunnen
worden aangewend, wanneer den eischer geen ander rechtsmiddel, welk
•
-ocr page 269-
253
ook, ten dienste staat. Hiertoe behooren o. a. de actio doli (zie hier-
onder § 201, nr. 2), de querella inofl\'wiosi testamenti.
Sciendum uutcm est non solum tutores vel euratores pujiillis et adultis ceteriscjue
personis ex administratione tenen, sed etiam in cos <iui satisdationes accipinnt sub-
sidiariam actionem csse, qnae ultimum cis praesidium possit afferre. Subsidiaria
autem actiu datur in cos, qui vel omnino a tutoribus vel curatoribus satisdari non
curaverint aut non idonee passi essent cavcri. Quae quidem tam ex prudentiiim
responsis quatn ex constitutionibus imperialibus et in heredes corum extenditur.
§ 2 I. de satisd. tut. (I, 24).
21°. De Instituten spreken nog van actiones, quibus non soli-
dum quod debetur nobis persequimur. Het kan namelijk gebeuren,
dat de eischer niet ten volle krijgt wat hem toekomt (zie bijv. hieronder
§ 207, nr. 4, en § 210, 3°.). Dit is dan echter niet eene eigenaardigheid
van deze of gene actie, maar het gevolg van bijzondere, buiten de actie
liggende omstandigheden, meestal van eene beperkte aansprakelijkheid
des schuldenaars.
§ 108. VERLOREN GAAN DER ACTIKS IN HET ALGEMEEN, EN IN7.0N-
DEUHEID DOOR DEN DOOD VAN EEN DER PARTIJEN.
Acties gaan verloren:
1°. door het te niet gaan van het recht, tot handhaving waarvan zij
dienen: de actie is geen op zich zelf staand recht, maar het uitvloeisel
van een recht, waarvan zij het bestaan onderstelt. Omgekeerd is het
wèl mogelijk, dat do actie te niet gaat, terwijl toch het recht voort-
bestaat (zoo bij de natuurlijke verbintenis, zie hieronder § 179);
2°. door een rechterlijk vonnis. Als eene ingestelde actie bij rechterlijk
gewijsde terecht is ontzegd, dan blijkt dat de eischer geen vorderings-
recht had en is er dus geen sprake van vernietiging door vonnis. Maar
ook wanneer de ingestelde vordering ten onrechte werd afgewezen, kan
daarop niet meer worden teruggekomen, zelfs al werd later des rechters
ongelijk bewezen (zie hieronder § 115);
3°. door samenloop, onder de voorwaarden in § 109 vermeld;
4°. door verjaring, zie hieronder § 110.
5°. Terwijl als regel acties niet door den dood te niet gaan, maar
veeleer overgaan op en togen de erfgenamen van hen, door en tegen wie
ze konden worden ingesteld, komen er op dien regel uitzonderingen
voor (over de eigenaardigheid, die zich bij maatschap en lastgeving voor-
doet, zie hieronder § 192 en § 193).
De actiones populares (zie hierboven § 107, nr. 13) en die, welke
vooral strekken om voldoening te verkrijgen voor geleden krenking van
eer (zie § 107, nr. 15), gaan niet over op de erfgenamen van hen die
ze hadden kunnen instellen. De strafvorderingen (zie hierboven § 107,
nr. 2) gaan niet passief over, d. w. z. zy kunnen niet worden gericht
tegen de erfgenamen van den dader: in poenam heres non succedit;
de gemengde gaan niet over, voor zoover z\\j een straf-bestanddeel bevatten.
-ocr page 270-
254
Dg eenzijdige strafacties worden tegen de erfgenamen alleen toegekend
voor zoover deze verrijkt zijn.
De onpersoonlijke vorderingen kunnen tegen de erfgenamen slechts
clan worden ingesteld, wanneer in hun persoon de voorwaarden aanwezig
zijn, vereischt om te kunnen worden aangesproken: bezit der zaak of
andere stoornis van het absolute recht.
Alle deze uitzonderingen vallen weg, wanneer een der partijen na
de litis contestatio sterft; van dat tijdstip af gaan alle rechtsvorderingen
van weerskanten op de erfgenamen over (zie hieronder § 112, II nr. 2).
N\'uii ipinnes aetiones, quae in aliquem aut ipso jure conpetunt aut a praetore dan-
tur, etiam in heredem aeque conpetunt aut duri solent. Kst cnim certissima juris
rcgiila, ex maleficiis poenales aetiones in heredem nee conpetere nee dari solere,
veluti forti, vi bonurum raptornm, injuriarum, damni injuriae. Sed heredibus hujus
modi aetiones conpetunt nee dencgantur, excepta injuriarum actione et si i|iia alia
similis inveniatur actio. Gajus, Inst. IV § 112.
In eontracübus successores ex dolo eortim, quibus succcsscrunt, non tantum in id
quod pervcnit, vcrum etiam in solidum tenentur, hoe est unnsquisqoe pro ea parte
qua heres est. I\'lp. I. 157 § 2 I). de I!. J. (L, 17).
Datur nctio depositi in heredem ex dolo det\'uncti in solidum: qimmqnam cnim
alias ex dolo defuncti non solemus teneri nisi pro ea parte quac ad nos perrenit,
tarnen hie dolus ex contractu reique perseeutione descendit ideoque in solidum unus
heres tenetur, plures vero pro ea parte qua quisque heics est. I\'lp. 1. 7 § 1 D.
depos. \'\'XVI, 3).
Orancs ])oenales aetiones post litem inehoatam et ad hcredes transeunt. I\'lp. 1. 26
D. de O. et A. (XXXX1V, 7).
Injuriarum aetio in bonis nostris non coinputatur, antcquam litem contcstemur.
I\'lp. 1. 28 D. de injur. (XXXXV1I, 10).
§ 109. SAMENLOOP VAN ACT1KS.
Er bestaat samenloop, wanneer denzelfden persoon gelijktijdig twee of
meer acties ten dienste staan, welke alle strekken om hetzelfde resultaat
te bereiken, om dezelfde aanspraak te bevredigen, bijv. wanneer al die
acties ten doel hebben teruggave van dezelfde zaak (rei vindicatio en
actio depositi)., of vergoeding van dezelfde schade (actio pigneraticia en
actio Irgis Aquiliae), of betaling van dezelfde straf (actio fnrti en actio
vi bonorum raptorum).
Beslissend is de identiteit der aanspraak; gelijk-
heid van feitelijken oorsprong, gelijksoortigheid of gelijknamigheid, een-
zelvigheid van de personen of van het recht dat gehandhaafd wordt,
vormen in technischen zin nog geen samenloop. Daarentegen is het voor
het begrip van samenloop onverschillig, of de acties tegen denzelfden
persoon gericht zijn — wat meestal het geval zal wezen — of wel
tegen verschillende personen, bijv. hoofdelijke schuldenaren, hoofdschuU
denaar en borg.
Het aldus samentreffen van acties, welke dienen ter bevrediging van
dezelfde aanspraak, heeft op zich zelf nog geen gevolg. Maar wanneer
de gerechtigde door ééne actie, met of zonder vonnis, zijn doel bereikt
heeft, z\\jn daardoor de andore acties vervallen: de aanspraak, die zij
-ocr page 271-
255
moesten doen gelden, bestaat niet meer, zoodra langs éénen weg be-
vrediging is verkregen. De vraag welken invloed, afgescheiden van
bevrediging, het instellen der vordering en liet daarover gewezen vonnis
op eene concurreerende vordering oefent, behoort niet hier tehuis, maar
in de leer van de zoogenaamde consumtio aetionis (zie hieronder § 112, I)
resp. in de leer van het rechterlijk gewijsde (zie § 115). Ilier komt het
alleen aan op de werkelijke bevrediging der aanspraak met of zonder
proces (magis perceptio, quam intentio liberat).
"Wanneer met eene der concurreerende acties een minder omvattend
gevolg wordt bereikt dan met de andere, dan kan men, als men met de
minder omvattende is begonnen, met de andere liet ontbrekende vorderen.
Bona fides non patitur, ut bis idem exigatur. Gajns 1. 57 T). de R. J. (L, 17).
Quotiens eoneurnint plurcs actiones ejusdem rei nominc, una quis experiri debet.
ITlp. 1. 43 § 1 D. eod.
Sed et si is qui pignovi servnm accepit occidit eum vel vulneravit, lege Aquilia et
pigneraticia conveniri potest, sed altcrutra contentus cssc debebit actor. Paul. 1. 18
D. ad leg. Aquil. (IX, 2).
Qui servum alienum injuriose verberat, ex uno facto incidit et in Aquiliam et in
actionem injuriarum: injuria cnim ex affectu lit, dammim ex cnlpa et ideo possunt
utraeque oompetere. Sed quidam altera elocta alteram consumi. Alii per legis Aqniliae
actionem injuriarum consumi, quoniam desiit bomim et aequum csse condemnari eum ,
qui acstimationcm praestitit: sed si ante injuriarum actum esset, tcneri eum ex lege
Aquilia. Sed et haec sententia per praetorem inhibenda est, nisi in id, ipiod amplius
ex lege Aquilia competit, agatur. Rationabilius itaque est eam admitti sententiam ,
ut liceat ei quam voluerit actionem prins exercere, qnod autem amplius in altera est,
etiam hoc exsequi. Paul. 1. 34 pr. D. de O. et A. (XXXX1V, 7).
Si ex codem facto duae competant actiones, postea jndicis potius partcs essc, ut
quo plus sit in reliqua actione, id actor ferat, si tantundem aut minus, id conscqna-
tur. Paul. 1. 41 § 1 D. eod.
De toepassing dezer beginselen bij samenloop van strafvorderingen
geeft, ten gevolge van schijnbaar tegenstrijdige uitspraken der Romeinsche
rechtsgeleerden, aanleiding tot moeilijkheden.
Plura delicta in una re plurcs admittunt actiones, sed non posse omnibus nti pro-
batum est: nam si ex una obligatione plurcs actiones nascantur, una tantummodo, non
omnibus utendum est.....Modest. 1. 53 D. de O. et A. (XXXX1V, 7).
Cum ex uno delicto plurcs nascuntur actiones, sicut cvenit, eum arbores furtim
caesae dicuntur, omnibus experiri permitti post magnas varietatcs optinuit. Hermogen.
1. 32 D. eod.
Sed et si servum quis alienum spoliaverit isque frigore mortuus sit, de vcstimentis
quidem furti agi potent, de servo vcro in factum ngendum criminali pocna adversus
eum servata. Ulp. 1. 14 § 1 1). de pracscr. verb. (XIX, 5).
§ 110. VEKJAKINn DER ACTIES. PRAE8CRIPTI0.
In het oude Romeinsche recht was de verjaring der rechtsvorderingen
niet bekend, alle actiones waren prrpeliiae (zie hierboven § 107, nr. 17).
De eerste oorsprong der instelling ligt in de regeling van den praetor,
die de meeste der door hem ingevoerde acties, vooral de strafacties, tot
-ocr page 272-
256
een annus ulilis of een nog korteren tijd beperkte. Nadat ook sommige
civielrechtelijke vorderingen aan verjaring waren onderworpen (verg. hier-
onder § 149), bepaalde TheodosiusII in 424 n. C, dat, behoudens
enkele uitzonderingen, alle acties, die niet reeds vroeger tot een korteren
tijd beperkt waren, door verloop van dertig jaren zouden verjaren.
Sicut in rem spccialcs, ita de universitate ac personalcs actiones ultra triginta
annoriim sputium minimc protondantur. Sed si qua res vel jus aliquod postulctur
vel persona quulicumque actione vel persecutione pulsetur, nihilu minus erit agenti
triginta annorum praescriptio metuenda: codem etiam in ejus valente persona, qui
pignns vel hypothecam non a suo debitore, sed ab alio per longum tempus possidentc
nititur vindieare. — Hae atitcm actiones annis triginta continuis extinguantur, quae
perpetuac videbantur, non illae, quae antiquitus temporibus limitantur. — Post hanc
vero temporis dolinitionem ntilli movendi ultcrius facultatem patere censcmiis, ctiamsi
se legis ignorantia excusarc temptaverit. Honor. et \'J\'heod. 1. 3 pr., § 2, § 3 C. de
praescr. triginta (VII, 39).
Verjaring is de opheffing van een vorderingsrecht ten gevolge van het
langdurige stilzitten (diuturnum silentium, jugc silentium) van dengene,
die het kon doen gelden. De verjaring dient om aan onzekere toestanden
een einde te maken en moeilijke gedingen over lang vervlogen gebeur-
tenissen te voorkomen. Zij is een onmisbaar middel voor hen, die aan-
gesproken worden, om zich te beveiligen tegen verouderde en wellicht
niet meer bestaande aanspraken. Keizer Valentinianus spreekt van de
„lex Theodosii, quae humano generi profunda quiete prospe-
xit, constituens, post XXX annos nulla penitus jurgia, quae
medio tempore mota non fucrant, excitari." Anderzijds vindt de
verjaring hare rechtvaardiging in het gedrag van den rechthebbende zelf,
die zoo lang verzuimde zijn recht te doen gelden: „sit aliqua inter
desides et vigilantes differentia", zegt Justinianus, in 1. 2 C.
de ann. exc. (VII, 40).
Van de verjaring moeten wel onderscheiden worden die gevallen,
waarin eene bevoegdheid van den aanvang af slechts voor een bepaalden
tijd gegeven is en na afloop van dien tijd vervalt; van dien aard zijn
bijv. de termijnen, vermeld in § 16 I. de excus. (I, 25) en in 1. 22 § 2
C. de jure delib. (VI, 30).
Met de verjaring moet eveneens niet verward worden de in het klas-
sieke recht voorkomende bepaling, dat eenmaal aangevangen processen
binnen zekeren tijd ten einde moeten gebracht zijn. Met hetzelfde doel,
om namelijk den langen duur der rechtsgedingen te verhinderen, werd
later door Justinianus voorgeschreven, dat een proces niet langer dan
drie jaren zou mogen loopen.
Omnia autem judicia aut legitimo jure consistunt uut impcrio continentur. —
Lcgitima sunt judicia, quae in urbe l!oma vel intro primum urbis Homae miliarium
inter omnes civcs Homanos sub uno judice accipinntnr; caque e lege Julia judiciaria,
nisi in anno et sex mensibus judicata fueiint, expirant. Et hoc est quod vulgo
dicitur e lege Julia litcm anno et sex mensibus mori. — Impcrio vero continentur
recupcratoria et quae sub uno judice accipiuntur intervcniente peregrini persona
jndieis aut litigatoris. In cadem causa sunt, quaccumque extra primuni urbis lïomae
-ocr page 273-
257
iniliaritim tam inter civcs Komanos .piam intcr peregrinos accipiuntur. Ideo autcm
impcrio contineri judicia dicuntur, iiuia tamdiu valent, (|uamdiu is .pi! ca praecepit
imperium habebit. Gajus, Inst. IV §§ 103—105.
De vereischten voor de verjaring zijn de volgende:
I.   de actie moet geboren zijn (zie hierboven § 10G); de verjarings-
termijn begint eerst te loopen, als de gerechtigde de vordering met vrucht
kan instellen, ex quo actiones corupetere jure ooeperunt, ex quo
ab initio competit et semel nata est (actio). Men drukt dit wel
aldus uit: actioni nondum natae non praescribitur.
Illnil autcm plus <|tiam manifestum est, .piml in omnibus contractibns, in iinibus
sub aliqua condicione vel sub die certa vel incerta stipulationes et prornissiones vel
pactu puiiuiitur, pust cuudicionis exitum vel post institutae diei certac vel incertae
lapsum pracscriptioncs triginta aut quadraginta annorum, quac peraonalibua vel hvpo-
thecariis actioiiibus oppunuutur, initium accipiunt. .lustinus l. 7 § 4 C\'. de praescr.
triginta (VII, 39).
II.   De gerechtigde moet gedurende zekeren tijd — door Theodosius
als regel op dertig jaren gesteld — van zijn vorderingsrecht geen gebruik
hebben gemaakt. Die termijn (tempus continuüm) begint, zoodra de actie
geboren is, en eindigt, als de laatste dag is verstreken, zie hierboven
§ 94. Het is geen vereischte, dat de termijn atloopt tusschen dezelfde
personen, ten behoeve van of tegen wie hij is aangevangen: de opvolgers
van den verbonden persoon kunnen zich er op beroepen tegen de op-
volgers van den gerechtigde (aeeessio temporis). Evenmin wordt aan de
zijde van hem, die zich op de verjaring beroept, goede trouw vereischt,
d. i. de overtuiging dat het vorderingsrecht werkelijk niet bestaat. De
lijdelijkheid van den gerechtigde is, in verband met het tijdsverloop, de
eenige grond der verjaring.
III.   De loop der verjaring moet niet gestuit of geschorst zijn.
Door stuiting (interruptio, interruptio temporis) wordt de loop der ver-
jaring afgebroken; deze kan, nadat de stuiting heeft opgehouden, opnieuw
beginnen te loopen, doch het vroegere telt dan niet mede. De verjaring
wordt van den kant des gerechtigden gestuit door elke daad van iechts-
vervolging voor den bevoegden rechter, bepaaldelijk door het instellen
der actie. Eene eenvoudige aanmaning is niet voldoende. Leidt de inge-
stelde vordering tot een vonnis, dan zal dit over de rechtsverhouding
der partijen beslissen. Wordt daarentegen het aangevangen geding niet
voortgezet, dan begint met de laatste proceshandeling eene nieuwe ver-
jaring van veertig jaren (zoogenaamde verjaring der litispendentie). Van
den kant des schuldenaars of bezitters wordt de verjaring gestuit door
eene uitdrukkelijke of stilzwijgende erkenning van het recht der weder-
partij. De stuiting werkt alleen ton aanzien van hen, van wie de rechts-
vervolging of erkenning is uitgegaan, alsmede ten aanzien van hunne
opvolgers.
I\'t perfectius omnibus consiilamus et ncmini absentia vel potent ia vel infant ia pe-
nitus adversarii sui noeeat, scd sit ali.pia inter desides et vigilantes ditl\'erentia, sau-
cimus: si quando nfiicrit is, <[ui res uliemis vel creditori obnoxias detinct, et desiderat
Hom. recht. I, 2e druk.                                                                                      17
-ocr page 274-
258
dominus rei vel creditor saam intcntionem proponere et nun ei licciitia ah, absente
suo adversario tjtii rem detinet, vel infantia vel furore laborante et neminem tutorem
vel curatoren! habente, vel in magna potestate constituto, licentia ei detur udire
praesidem vel libcllum ei porrigere et boe in querimoniam dedneere intra eonstituta
tempora et interruptionem temporis facere: et gufficere hoe ad plenissimam interrup*
tionem. .lustinian. 1. 2 pr. (\'. de ann. exe. (VII, 40).
Saepe quidam buos obnoxios in judicium vocantes et judieiariis certaminibui venti-
latis non ad certum linem lites produeebant, sed taciturnitute in medio tempore
adhibita, propter potentiaal forte fugicntitim vel suam imbecillitatem vel alios quoa-
cumque casus (cum sortis liumanae multa simt, qnae nee dici nee enumcrari possint),
deinde jure suo lapsi esse videbantur eo, quod post cognitiuncm novissimam triginta
annorum spatium efflnxerit, et bujiismodi exceptione opposita siias fortunas ad alios
translatas videntes merito (piidem, sine remedio au tem lugebant. — Quod nos corri-
gentes eandem exceptionem, qnae ex triginta annis oritiir, in liujusmodi easu opponi
minimi\' patimur, sed lieet personalia actio ab iuitio fuerit instituta, tarnen eam in
quadragesimum annum extendimus, cum non sit similis, qui penitus ab initio tacuit,
ei, qui et postulationem deposuit et in judicium venu et subiit certamina, litcm
autem implere per quosdam casus praepeditua est. — Quod tempus, id est qnadra*
ginta annorum spatium, ex eo numerari decernimus, ex quo novissima proce.ssit
cognitio, post quant utraque pars cessavit. .lustinian. 1. 9 pr., § 1 , § .\'t (!. de praescr.
triginta (VII, 39).
Van schorsing der verjaring spreekt men, wanneer eene aangevangene
verjaring gedurende eene zekere tijdsruimte niet doorloopt, doch na het
ophouden der reden van schorsing weder wordt voortgezet. De verjaring
rust dan een poos lang, maar de tijd na de schorsing sluit zich aan by
den tijd, vóór de schorsing verloopen. Schorsing heeft o. a. plaats, zoo-
lang hij die het vorderingsrecht zou moeten uitoefenen onmondig is, al
heeft hij ook een voogd; eveneens in sommige gevallen waar hij rechtens,
niet bloot feitelijk, verhinderd wordt eene vordering in te stellen (contra
agere non valentem non currit praescriptio, zegt men tegen-
woordig); zoo bijv. de schuldeischer in het geval van 1. 22 § 11 C. de
jure delib. (VI, 30); zie ook § 2» I. de rer. div. (II, 1). Onbekendheid
met het recht dat men heeft, is geene reden van schorsing.
Wordt eene vordering ingesteld, die verjaard is, dan kan de aange-
sprokene de verjaring tegenwerpen (exceptio temporis, praescriptio tem-
poris);
ambtshalve past de rechter ze niet toe. Van oudsher is betwist,
welke werking de verjaring der vordering heeft. Volgens sommigen treft
zij alleen de actie („zwakkere werking\'), volgens anderen vernietigt zij
ook het recht, waarop de vordering steunt („sterkere werking"). De
vraag heeft alleen betrekking op de persoonlijke rechtsvorderingen, aan-
gezien het onbetwist is, dat het zakelijk recht niet met de verjaring der
onpersoonlijke rechtsvordering ophoudt te bestaan. Zij lost zich daarom
op in deze andere vraag, of er na de verjaring der persoonlijke
rechtsvordering nog eene natuurlijke verbintenis overblijft (zie hieronder
§ 179). De Romeinsche rechtsbronnen geven in dezen geene afdoende
beslissing.
-ocr page 275-
259
§ 111. MIDDELEN VAN VERDEDIGING). EXCEPTIES.
(Inst. Lib. 4, Tit. 13: de exceptionibus.
Tit. 14: de replieationibus).
Gelijk de acties zijn middelen van aanval, den eischer toekomende,
zoo zijn de excepties middelen van verdediging, die den gedaagde ten
dienste staan. Alle excepties zijn middelen van verdediging, maar niet
ieder middel van verdediging is eene exceptie.
Sequitur ut de exceptionibus dispiciamus. — (\'onparatae simt aiitcm exceptiones
defendendorom eorum grutia cum quibus agitur. Saepe cnim accidit, ut quis jure
civili teneatur, sed iniquom sit. eum judicio condemnari. Gajus, lust. IV § 11">,§ 116.
Buiten bespreking laten wij hier de verweringsmiddelen, ontleend aan
het niet-opvolgen, door den eischer, van de voorschriften der proces-
orde, byv. de exceptie van onbevoegdheid des rechters, van aanhangig
geding, van nietigheid der dagvaarding, enz.
Waar des gedaagden verdediging gegrond is in het materiëele recht,
kan zij van drieërlei aard zijn :
1°. Volstrekte ontkenning. De gedaagde betwist de feiten, waarop de
eischer zijne vordering steunt, of spreekt de rechtsgevolgen tegen, welke
deze uit die feiten afleidt. De eischer zal nu de waarheid der gestelde
feiten moeten bewijzen; de rechter zal beslissen, of uit de vaststaande
feiten de beweerde rechtsgevolgen voortvloeien (zie hieronder § 113).
2°. Betrekkelijke ontkenning. De gedaagde geeft toe, dat de door den
eischer aangevoerde feiten juist zijn, maar hij voert te gelijk andere aan,
waaruit blijkt, dat het door den eischer ingeroepen recht niet is ontstaan
(bijv. de gesloten overeenkomst is nietig wegens krankzinnigheid van
eene der partijen), of sedert is te niet gegaan (de verbintenis bijv. door
betaling), zoodat het althans op dit oogenblik niet meer bestaat. Het
gevolg van deze verdediging is, dat de gedaagde nu moet bewijzen de
waarheid der feiten, waarop hij zich beroept.
Quiiigcnta testamento tibi legata simt: idem scriptum est in eodicillis postea
scriptis: refert, duplicaie legatum voluerlt an repeterc et oblitiis se in testament»
legasse id fecerit: ab utro ergo probatio ejus rei exigenda est? Prima fronte aequius
videtur, ut putitor probet quod intendit: sed nimirum probationes qnuedum a ren
exiguntur: nam si ercdituin petam, ille respondent sulutam esse pecuniam, ipse boe
probare eogendiis est. Et bic igitur eum petitor duas seiiptuias ostendit, lieres
posteriorem inanem esse, ipse heres id vdprobare judiei debet. Cels. 1. 12 D. de
probat. (XXII, 3).
Bij deze beide wijzen van verdediging is opneming eener brjzondere
bijvoeging in de formule onnoodig. Het „si non paret, absolve"
geeft den rechter gelegenheid, daarop te letten.
3°. EMeptieve verdediging. De gedaagde beweert, dat des eischers
aanspraak, hoezeer op zich zelve gegrond, in hare werking wordt ver-
latnd, doordat hem gedaagde een zelfstandig recht toekomt (bijv. een
vruchtgebruik tegenover de ingestelde eigendoms-actie) of doordien andere
17*
-ocr page 276-
2G0
omstandigheden aanwezig zijn, die te weeg brengen — vaak geldt het
daarbij de werking der billijkheid in tegenstelling van den strengen
rechtsregel — dat eene vrijspraak moet volgen, waar op grond der door
eischer aangevoerde feiten alleen eene veroordeeling zou moeten worden
uitgesproken. De feiten, waarop hij zijne exceptie doet rusten, moet de
gedaagde bewyzen (zie hieronder § 113).
Veluti si stipulatus sim a te pecuniam tamquam credcndi causa numeraturus, ncc
numeraverim; nam eam pecuniam a te peti posse certum est, darc cnim te oportet,
eum ex stipulatu teneris; sed qoia iniqnum est te eu nomine condemnari, placet
per exceptionem doli mali te dclendi debcre. — Item si paetus fuero tecum, nc id
quod mihi debeas a te petam, nihilo minus id ipsum a te petere possum dari mihi
uportcre, qoia obligatio pacto runvento non tollitnr; sed placet debcre me petentem
per exceptionem pacti conventi repelli. — In his quoque actionibus quae non in
personam sunt exceptiones locum habent. Veluti si metu me cuegcris aut dolo
induxeris, ut tibi rem aliquam mancipio darem; nam si eam rem a me petas, datur
mihi exceptiu, per quam, si metus causa te fecisse vel dolo mulo arguero, repelleris.
Gajus, lust. IV § 116a, § 1166, § 117.
Exceptio dicta est quasi quacdum cxclusio, quae opponi actioni cujusqiic rei solet
ad cxeludendum id, quod in intentionem condemnationemve deducttim est. Ulp.
1. 2 pr. 1). de except. (XXXXIV, 1).
Agere etiam is videtur, qui exceptione utitur: nam reus in exceptione actor est.
1\'lp. 1. 1 I). eod.
Qui aequitate defensionis infringere actionem potest, doli exceptione tutus est.
I\'apiri. 1. 12 1). de doli exr. (XX\'XXIV, 4).
In de Romeinsche formule wordt de exceptie meestal opgenomen als
eene uitzondering of beperking van de veroordeeling — oudtijds komt
ze ook wel voor als praescriptio in het begin der formule.
Omnes autem exceptiones in contrarium cuncipiuntur, quam adlirmat is rum qno
agitur. Nam si verbi gratia reus dolo malo uliquid uctorem i\'ueere dicat, qui Ibrte
pecuniam pelit quam non numeravit, sic exceptio concipitur si in ea re nihil dolo
malo A. A<jerii Jnctum git nequejiat;
item si dicat contra pactionem pecuniam peti,
ita concipitur exceptio si inttr A. Agerium et y. .Xfiitliiuu non conwnit, ne en pecunia
peteretur
, et denique in ceteris causis similiter CODcipi solet; idco scilicct qoia omnis
exceptio obicitur (juidem a rco, seil ita formulae inseritur, ut condicionalcm 1\'aciat
condemnationem, id est ne aliter judex eum rum quo agitur condemnct, quain si
nihil in ca re qua de agitur dolo actoris lactum sit; item ne aliter judex eum
condemnct, <[iiam si nullum pactum conventum de non petenda pecunia lactum
fu<;rit. Gajus, lust. IV § 119.
Exceptio est condicio, quae modo eximit reum damnatione, modo minuit dainua-
tionem. Paul. 1. 22 pr. 1). de except. (XXXXIV, 1).
Sed his quidem temporibus, sicut supra quoque notarimus, omnes praescriptiones
ab actore proliciscuntur. Olim autem quaedam et pro rco opponebantur, ipialis il la
erat praeseriptio ea res at/nlar, si in ea re /iraejudiiium herediluli non dal, quae nunc
in speciem except ion is deducta est et locum habet, eum petitor hereditatis alio genere
judicii praejudicium hereditati 1\'aciat, veluti eum singulas res petat; est cnim iniquum
per unius rei.....Gajus, lust. IV § 13\'!.
Tussehen de beide eerste wijzen van verdediging bestaat in zooverre
overeenstemming, dat zij beide in onmiddellijk verband staan met den
grondslag der rechtsvordering, en dat in beide gevallen des eischere
-ocr page 277-
201
recht wordt aangetast, of door de bewering dat het nooit bestaan heeft,
öf door de bewering dat het nu niet meer bestaat. Verschil openbaart
zich o. a. in den bewijslast.
De tweede en derde wijze van verdediging komen hierin overeen, dat
de door den eischer aangevoerde feiten niet worden ontkend, terwijl
door den gedaagde nieuwe feiten worden aangevoerd, die op gelyke
wijze in het geding gebracht en door hem bewezen moeten worden. Ook
de betrekkelijke ontkenning wordt wel eens als exceptie aangeduid; zoo
spreekt men van exceptie van krankzinnigheid, van betaling, enz. Doch
men gebruikt het woord dan in een oneigenlijken, niet-Romeinschen zin.
Het verschil ligt hierin, dat bij de betrekkelijke ontkenning wordt ge-
steld, dat des eischers recht zelf dood, van rechtswege nietig is, terwijl
bij de exceptieve verwering alleen eene, dikwijls slechts tijdelijke, ver-
lamming wordt beweerd (zie hierboven § 92, nr. 6).
Of in zeker geval moet worden aangenomen, dat het recht zelf is te
niet gegaan, of dat het alleen krachteloos wordt gemaakt door eene
exceptie, hangt af van de bepalingen, die het stellige recht daaromtrent
bevat (zie bijv. hierboven § 81, bl. 167, en hieronder § 212, III, bl. 188).
Bij de Romeinen is in dezen van grooten invloed geweest de eigenaardige
verhouding tusschen het civiele en het praetorische recht. Doch men gaat
te ver door te beweren, dat het begrip der exceptie uitsluitend daaraan
zijn bestaan heeft te danken.
Nemo ox hU, 4111 negant se debcre, |>rohibctur etium alia del\'ensione uti, nisi lex
impedit. 1\'lp. 1. 43 pr. 1). de R. J. (L, 17).
Non ntiquc cxistimatur confiteii de intentione adversarii is <[tiocum agitur, ipiia
exeeptionc ntitur. Marcell. I. 9 D. de cxcept. (XXXXIV, 1).
Nemo prohibetur pluribus cxceptionilnis uti, ([iiumvis diversae simt. Paul. 1. 8 D. eod.
De excepties worden onderscheiden:
1°. op soortgelijke wijze als do acties (zie hierboven § 107, nls. 3,0,
7 en 8) in cmfes (bijv. exceplio legis Oinciae, senatus consult i Macedoniani,
Scti Vellejani) en praetoriae (bijv. exceplio doli, metus, pacti), in directae
en utiles, in vulgares en in factum, in exceptiones in factum coneeptae
en in jus coneeptae;
Exceptiones autem alias in edieto pruetor habet propositas, alias causa coguita
iiucommüdat. Qnae omncs vel ex legibus vel ex liis (juae legis vieem optinent, sub-
stantiam capiunt, vel ex jnrisdictiuue piaetoiis proditae .sunt. Gajus, lust. IV § 118.
Qiiotiens deficit actie vel exceptio, utilis actio vel exceptio est. 1\'lp. 1. 21 D. de
praescr. verb. (XIX, 5).
2°. met het oog op hare werking, in vernietigende of voortdurende
(pcremploriae, perpetuac) en opschortende of tijdelijke (dilatoriae, tempo-
rales),
naarmate zij aan het vorderingsrecht des eischers voor altijd in
den weg staan of daartegen slechts tijdelijk of in dezen vorm een beletsel
zijn. Is, ondanks het bestaan eener dilatoire exceptie, de vordering in-
gesteld, dan heeft in het klassieke recht deze exceptie dezelfde werking
als de peremptoire. Keizer Zen o heeft evenwel daaromtrent zachtere
bepalingen gegeven;
-ocr page 278-
202
Dicantur aatem exeeptiones aut pereraptoriae aut dilatoriae. — Pcremptoriae simt
quae perpetno valcnt ncc evitari possunt, veluti quod metus causa aut dolo malo,
uut quod contra legem senutnsve consultum faetum est, uut quod res judicata est
vel in judicium deducta est, item pacti conventi quod faetum est, ne omiiino pecunia
peteretnr. — Dilatoriae sunt exeeptiones qaae ad tempus valent, veluti illius pacti
conventi quod faetum est verhi gratia, ne intra qninquennium peteretnr; tinito enim
eo tempore non habet locum exceptio.....— Obscrvandum est autem ei eui dila-
toria obicitur exceptio, ut ditferat actionem; alioqtiin si ohjecta exceptione egcrit,
rem perdit; non enim post illud tempus, quo integra re eum evitare poterat, adliuc
ei potestas ugendi supciest re in judicium deducta et per cxeeptionem puremptu.
Gajus, lust. IV § 120, § 121, § 122, § 123.
3°. in exeeptiones personae rohaerentes en rei cokaerentes, naarmate
zij slechts toekomen aan een bepaald persoon (bijv. bij het zoogenaamde
beneficium competentiae, hieronder § 210, nr. 3, en bij het pactum de
non prlendo in personam,
§ 212 a. h. e.), of wel aan allen, tegen wie
de vordering kan worden ingesteld, aan den oorspronkelijken schuldenaar
zoowel als aan zijne opvolgers en borgen (bijv. do exceptie van gewijsde
zaak, van bedrog, enz.). Het laatste is regel, omdat de meeste excepties
niet steunen op een persoonlijk voorrecht, maar in nauw verband staan
met het vorderingsrecht zelf;
Exeeptiones, quae personae cujusiiue cohaerent, non transeunt ad alios, veluti ea
quant Bociufl habet exceptioncm „quod lacere possit", vel parens patronusve, non com-
petit fidejussori: sic mariti tidcjtissor post sol mum matrimoniiim datus in solidum
dotis numine condemnatur. Hei autem cohaerentcs exeeptiones etiam tidejussoribus
eompetunt, ut rei judicatae , doli mali, jurisjiirandi, quod metus causa faetum est.
Igitur et si reus paetus sit in rem, omnimodo competit exceptio lidejussori. Interces-
sionis ijuoque exceptio, item quod libertatis onerandae causa petitur, etiam lidejus-
sori competit. Idem dicitur et si pro lilio familias contra senatus consultum quis lidc-
jusserit, aut pro minorc viginti qninque annis circumscripto: quod si deeeptus sit in re ,
tune nee ipso ante habet auxilium, quam restitutus l\'ucrit, nee lidejussori dunda est
exceptio. Paul. 1. 7 D. de except. (XXXXIV, 1).
Omncs exeeptiones, quae reo eompetunt, lidejussori quoque etiam invito reo com-
petunt. Marcian. 1. 19 D. eod.
1\'laiie ex pcrsotia ejus, qui cxeeptionem obicit, in rem opponitnr exceptio: neiiue
enim quaeritur, adversus quem commissus sit dolus, sed an in ea re dolo mulo
faetum sit a purte actoris. Vip. 1. 2 § 2 I). de doli exc. (XXXXIV, 4).
4°. in exeeptiones in rem en exeeptiones in personam, naarmate zij
kunnen worden tegengeworpen aan ieder, die het recht, waaraan de
exceptie in den weg staat, wil doen gelden (bijv. de exceptie wegens
dwang), of wel alleen aan een bepaald persoon (bijv. do exceptie wegens
bedrog).
Si ex altera parte in rem, ex altera in personam pactum conceptum fuerit, veluti
ne ego petam vel ne u te petatur: heren mens ab omnibus vobis petiüonetr. habebit
et ab berede tuo omncs petere poterimus. Florentin. I. 57 § 1 1). de pact. (11, 14).
Metus causa exceptionem (\'assins non proposucrat contetitus doli exceptione, quue
est generalis: sed utiliiis visum est etiam de metu opponerc cxeeptionem. Ktenim
distat aliqnid doli exceptione, quod exceptio doli personam complectitiir eju», qui
dolo fecit: cnimvero metus causa exceptio in rem scripta est „si in ea re nihil metus
causa faetum est", ut non inspieiamus, un is (jui agit metus cuusa fecit aliquid, sed
I
-ocr page 279-
203
nn omninu metus causa factum est in hac re a quorumque, non tantum ab eo qui
agit. Et quamvis de dolo auctoris exceptio non obiciatur, verumtamen lioc jure
utimiir, Ut de metu non tantum ab auctore, vcrum a quocumque adhibito exceptio
obici possit. Ulp. 1. 4 § 33 D. de doli exc. (XXXXIV, 4).
De belangrijkste van alle Romeinsche excepties is de exceptio doli:
„si in ea re nihil dolo raalo A>. A\'. factum sit neque fiat." Gelijk
reeds uit de redactie blijkt, is hare strekking tweeledig. Vooreerst komt
zij den gedaagde te pas, wanneer hij beweert, dat de eischer zich, ten
aanzien van het recht dat hij doet gelden, reeds vóór het instellen der
vordering, heeft schuldig gemaakt aan bedrog (zie hierboven § 80):
„condemna nisi in ea re dolo malo factum sit." Aldus opgevat,
noemt men de exceptie tegenwoordig: exceptio doli specialis of praeterüi.
In de tweede plaats kan de exceptio doli door den gedaagde worden
ingeroepen overal en altijd, waar hij beweert, dat de eischer iets vordert,
dat hem naar den regel des rechts misschien wèl, doch naar redelijkheid
en goede trouw — op welken grond ook — niet toekomt. Van gepleegd
bedrog behoeft hier geen sprake te zyn. Het onredelijke in des eischers
handelwijze („condemna nisi in ea re dolo malo fiat") ligt hierin,
dat hij iets verlangt, waarop hij onder de bestaande omstandigheden naar
billijkheid geen aanspraak heeft. De exceptio doli in de laatstgenoemde
beteekenis — tegenwoordig als exceptio doli generalis of yraesenlis aan-
geduid — is hierom van een zooveel omvattend practisch belang, omdat
zij het kleed is, waarin een aantal excepties (bijv. exceptio pacti conventi,
exceptio rei venditac et traditae
, exceptio legis Falcidiae, enz.) zicli kunnen
hullen. Is de exceptio doli door den gedaagde opgeworpen en vervolgens
in de formule opgenomen — hetgeen bij de bonae fidei judicia onnoodig
is: judiciis_ bonae fidei exceptio doli mali inest — dan mag de
judex op alle verdedigingsmiddelen acht slaan, al staan ze niet met
zoovele woorden afzonderlijk in de formule vermeld.
Sequitur, ut videamus, in quibus eausis lorum habeat exceptio et quibus personis
obiciatur. Kt quidem illud adnotandum est, quod specialitcr exprimendum est, de
ciijus dolo ijuis queratur, non in rem ,.si in ea re nihil dolo malo factum est\'", sed
sic „si in ea re nihil dolo malo actoris factum est." Docere igitur debet is, qui obicit
exceptionem, dolo malo actoris factum, nee sufticiet ei ostendere in re esse dolum :
aut si ulterius dient dolo factum, eorum personas specialitcr debebit enumerare, dum-
modo hae sint, quarum dolus noccat. — Circa pi imam speciem, quibus ex eausis
exceptio haec loeiim liabeat, hucc sunt, quac tractari possunt. Si quis sine causa
ab aliquo fucrit stipulatus, deinde ex ea stipulatione experiatur, exceptio Dtiquc doli
mali ei nocebit: licet enim eo tempore, qiio Btipulabatur, nihil dolo malo admiseiit,
tarnen dicendum est eum, cutn litem contcstatur, dolo face-ru, qui perseveret ex ca
s\'ipiilutioiic petere.....— Kt generaliter sciendum est ex omnibus in factum exccp-
tionibus doli oriri exceptionem, <|uiu dolo facit, qiiicumquc id, quod quaqua excep-
tione elidi potcst, petit; nam et si inter initia nihil dolo malo facit, attamen niinc
petendo facit dolose, nisi si talis sit ignorantia in co, ut dolo careat. I\'lp. 1. 2 § 1,
§ 3, § ft J). de doli exc. (XXXXIV, 4).
De exceptie kan op hare beurt op dezelfde wijze worden bestreden
als de actie: door volstrekte ontkenning, door betrekkelijke ontkenning,
-ocr page 280-
2G4
of door exceptieve verwering, die hier replicatio heet. Deze kan weder
worden gevolgd door eene duplicatio (van den gedaagde), enz.
Replicatiuncs nihil aliud simt quam exceptioncs, et a partc actoris vcniiint: quae
qiiidem ideo necessariae sunt, ut exceptioncs exeludant: sempcr enim replicatio idcirco
obicitur, ut exccptionem oppugnct. — Illud tenendum est omncm exceptionem vel
replicationem exclusoriam essc: exeeptio actorcm excludit, replicatio reum. I\'lp. 1. 2
§§ l, 2 D. de except. (XXXXIV, 1).
Kepticntio est contraria exce])tio, quasi exceptionis exeeptio. Paul. 1. 22 § 1 D. eod.
Interdnm evenit, ut exeeptio, quae prima facie justa videatur, inique noceat aetori.
Quod cum accidat, alia udjeetione opus est adjuvandi actoris gratia; qaae adjectio
replicatio vocatur, qnia per eam replicatur atque rcsolvitur vis exceptionis. Nam si
verbi gratia pactus sum tecum, ne pecuniam quant mihi debes a te petorem , deinde
postea in contrariiim pacti snirnis, id est ut petere mihi liccat, et, si agam tecum,
excipias tu, ut ita demum mihi condemneris, si\' non conrenerit, ne eam pecuniam
jielerem,
nocet mihi exeeptio pacti conventi; namque nihilo minus hoc verum manet,
etiamsi postea in contrariiim pacti sumus; sed quia iniqunm est me excludi cxcep-
tione, replicatio mihi datur ex poateriore paeto hoe modo si ho»i jiostea comttiit, ut
mihi eam peenniam petere lireret.
— Item si argentarius pretium rei qaae in aactionem
vencrit perseqnatur, obicitur ei exeeptio, ut ita demum emptor damnetur, si ei res
uuam emerit, Irailita ent
• et est justa exeeptio; sed si in anctione praedietum est
ne ante em/>tori res traderetur i/uam si pretium solrerit, replicatione tali argentarius
adjuvatur «ut si praedietum est, ne alitcr emptori res traderetur, i/uam si pretium emptor
solrerit.
— Interdnm au tem evenit, ut rursiis replicatio, quae prima facie justa sit,
inique reo noceat. Quod cum accidat, udjeetione opus est adjuvandi rei gratia, qaae
duplicatio vocatur. — Kt si rursiis ea prima facie justa videatur, sed propter aliqnam
causam inique aetori noceat, rursiis adjectione opus est qua actor adjuvetur, qaae
dicitur triplicatio. - Qnarum omnium adjectionum usum interdnm etiam alteriua
quam diximus varietas negotiorum introduxit. Gajus, lust. IV § 126, § 12fl(r, § 127,
§ 128, § 129.
Curator dementi datua decreto interposito, uti satisdarct, non cavit et tarnen quas-
dam res de bonis ejus lcgitimo modo alicnavit. Si heredes dementia easdem res
vindicent, qua» curator alienavit, «\'t exeeptio uppunetnr „si non curator vendiderit",
replicatio dari delict ,,ant si satisdatione interposita secundum decretum vendiderit".
Quod si pretio accepto curator ereditores l\'uriosi dimisit, triplicatio doli tutos posses-
sores praestabit. Jolian. 1. 7 § 1 I). de cur. fur. (XXVII, 10).
§ 112. DE LITIS (\'ONTKSTATIO EH BARE GEVOUiKN.
Door litis conle.statio verstaat inon in het algemeen die handeling der
gedingvoerendo partijen, waardoor het boven allen twijfel wordt ver-
heven, dat zij een geschil hebhen, hetwelk door den rechter moet worden
beslist, en waarover dat geschil loopt. De litis conlestalio vormt het be-
gin van den rechtsstrijd (lis inchoata, judicium accepttim, lis in judicium
deducta).
Wèl is de dagvaarding de eerste handeling van het proces,
maar zij is eene eenzijdige daad van den eischer en bewijst dus nog
niet, dat er werkelijk een door den rechter te beslissen geschil is,
veelmin waarover het geschil loopt; dit een en ander kan eerst blijken
uit hot antwoord van den gedaagde.
Ten tijilc van de procedure per Icgis nctiones (zie hierboven § 102)
bestaat de litis conleslatio in eene solemneele verklaring van partijen,
-ocr page 281-
266
in bijzijn van getuigen: het laatste bedrijf der handeling in jure. De
getuigen strekken om bij den judex verklaring te kunnen afleggen omtrent
hetgeen bij den praetor is voorgevallen.
Contestari litem dicuntnr duo uut plures udversarii, quod ordirinto jndicio ntraqne
pars dicerc solet: „Testes estotc." Festus, in ve. Contestari.
In het formulierenproces (zie hierboven § 103) heeft de litis contestatio
plaats op het oogenblik, waarop de gedaagde de door den praetor naar
aanleiding der gevoerde debatten opgestelde en door den eischer aange-
boden formula aanvaardt. Daar de judex door de formula op de hoogte
wordt gesteld van hetgeen bij den praetor is geschied, verliest de op-
roeping der getuigen hare beteekenis en valt allengs weg. De vorm is
eenigszins veranderd, maar het wezen der zaak is hetzelfde gebleven.
In het Justiniaansche proces komt geene handeling voor, waaraan men
den naam litis contestatio kan geven. Toch is de uitdrukking behouden;
de litis contestatio wordt geacht voltrokken te zijn, wanneer beide par-
tijen zich voor den rechter over het bestaan en den inhoud van hun
rechtsstrijd hebben verklaard, „post narrationem propositam et con-
tradictionem objectam."
Hes in judicium deducta non videtnr, si tantum postulatio simplex celebrata sit
vel aetionis species ante judicium reo cognita. Inter litem enim contestatam et editam
aetiouem pcrmultum interest. Lis enim tune videtur contestata, cutn judex per nana-
tioncm ncgotii causam audire coeperit. Sever. et Antoniii. 1.un.C. de lit. cont. (III, 9).
De litis contestatio, het begin en de grondslag van den rechtsstrijd,
oefent een belangrijken invloed op de rechtsbetrekking der partijen. Men
onderscheidt eene negatieve en eene positieve werking.
I. Negatieve of opheffende werking (zoogenaamde litis consumtio). Ten
einde den gedaagde te beveiligen tegen eene herhaling der tegen hem
ingestelde vordering (bis de eadem re ne sit actio) nemen de Romeinen
aan, dat de actie, die eenmaal gebruikt en in geding gebracht is, daar-
door voor goed is verbruikt, versleten: actio eonsumitur. Naar om-
standigheden wordt zij geacht van rechtswege te niet te gaan, of zij
kan, zoo ze later wordt herhaald, worden bestreden met de exceptio rei
in judicium dcductae.
De Romeinsche rechtsgeleerden vergelijken deze opheffende werking
der litis contestatio, voor zoover ze althans van rechtswege plaats heeft,
met de vrijwillige schuldvernieuwing, zonder dat zij echter uit die ver-
gelijking verkeerde gevolgtrekkingen afleiden (zie hieronder § 211 a. h. e.).
Et siquidem imperio continenti jndicio aetum fuerit, sive in rem sive in personam,
sive ca formula <|uae in fuctutn concepta est, sive ea qnae in jus habet intentionem,
IHJStea nihilo minus ipso jure de eadem re agi potest; et ideo necessaria est exceptio
rei judicatae vel in judicium deductae. — Si vero legitimo jndicio in personam
aetum sit ea formula quae jnris civilis habet intentionem, postea ipso jure de eadem
re agi non potest, et ob id exceptio supervacua est; si vero vel in rem vel in factum
aetum fuerit, ipso jure nihilo minus postea agi potest, et ob id exceptio necessaria
est rei judicatae vel in judicium dcductae. — Alia causa fuit olim legis actionum:
nam qua de re aetum semcl erat, de ea postea ipso jure agi non poterat; nee
-ocr page 282-
266
omnino ita, ut umie, usus ernt illis tcmporibus cxceptioimm. Gajus, Inst. IV
§§ IOC—108.
Tollitur adhuc obligatio litis contestatione, si modo logitimo judiuio fnerit actum.
Nam tune obligatio ipiidcm principalis dissolvitnr, incipit autem tcneri reus litis con-
teatatione; sed si condcmnatus sit, sublatu litis contestatione incipit ex causa jndicati
tcneri. Kt hoc est, quod itpud vetcres seriptum est mite litem eontestatam dare dcbi-
torem oportere, post litem eontestatam condemnari oportere, post condemnatioiiem
judicattim facere oportere. — ITnde (it, ut si legitimo judieio debitum petiero, postea
de co ipso jure ngere non possim, quia inutiliter intendo dari mihi o/ioriere, qnia
litis contestatione dari oportere desiit. Aliter atque si imperio continent! judieio
egerim; tune enim r.ihilo minus obligatio durat, et ideo ipso jure postea agerc )>os-
siim, sed debeo per exceptioneel rei judicatac vel in judicium dednetao summoveri.
Quac atttcm lcgitima judicia et iiuae imperio coiitinentiu sint, seqaenti eommentario
referemus. (iajus, Inst. 111 §§ 18(1, 181.
Non solet deterior condicio lieri eorum, qni litem eontcstati simt, quant si non
essent, sed pleruimpic melior: l\'aul. 1. 8fi D. de 1!. .1. (L, 17).
nemo enim in persequendo deteriorem causam, sed meliorem facit. Denique post
litem eontestatam lieredi qnoqae prospiceretur et heies tenetur ex omnibus eausis.
l\'aul. 1. 87 1). eod.
De negatieve of opheffende werking der litis coniestatio, en daarmede
de exceptio rei in judicium deductae, zijn uit het Justiniaansche recht
verdwenen, schoon nog sporen in de compilatie zijn overgebleven. Het
te niet gaan der actie tegen hoofdelijke rnedescli uidenaren en borgen werd
door Justinianus opgeheven.
.lustinian. 1. 28 (\'. de fidej. (VIII, 40), zie hieronder, III, bl. 19.
Kan men dan na de afschaffing der zoogenaamde consumtio meer dan
eenmaal dezelfde vordering instellen? Indien op de eerste actie geen
vonnis is gevolgd, wèl; indien daarop een vonnis is gevallen, kan de
tweede actie worden afgeweerd door de exceptio rei judicatcw, waarover
nader te vergelijken hieronder § 115.
II. Positieve uerking. Het ideaal der rechtspleging zoude zijn, dat
des rechters uitspraak onmiddellijk volgde op de litis contestatio, dat de
eisehcr niet behoefde te wachten op de erkenning en verwezenlijking
van zijn recht. Dit ideaal is echter onbereikbaar. Waar de gedaagde
den oisch bestrijdt, hebben partijen lijd noodig om hunne beweringen
voor den rechter te ontwikkelen en te bewijzen; de rechter heeft tijd
noodig om ze te onderzoeken. Zoo ligt er steeds eene grootere of kleinere
tijdsruimte tusschen het begin en het einde van het rechtsgeding. Ge-
durende dat tijdsverloop kunnen or belangrijke veranderingen plaats heb-
ben in de onderlinge verhouding van partijen, zoowel ten aanzien van
hunne personen (bijv. door overlijden), als ten aanzien van het voorwerp
van het geschil (bijv. door ondergang, vermindering, vermeerdering,
waardeverandering der zaak). Wordt de vordering afgewezen, dan geeft
dit geen bezwaar; de gedaagde ondervindt geen nadeel van den duur
van het proces, daar hij hangende den strijd in zijne positie gehandhaafd
blijft. Wint echter de eischer zijn proces, dan zou de duur daarvan hem
groote schade berokkenen, indien geen acht geslagen werd op wijzigingen,
-ocr page 283-
267
die in den loop van een geding kunnen voorvallen; de gedaagde zou er
belang bij hebben, het proces zoo lang mogelijk te rekken. Om dit te
voorkomen, wordt als beginsel gesteld, dat de eischer, wiens vordering
wordt toegewezen, zooveel mogelijk moet gebracht worden in den toe-
stand waarin hij zou geweest zijn, indien zijne aanspraak onmiddellijk
bij den aanvang van het geding ware bevredigd. Dit beginsel wordt
echter dikwijls eenigerraate getemperd met het oog op den gedaagde, die
te goeder trouw meende zich tegen een gerechtelijken aanval te moeten
verdedigen.
Praeterea restituere debet possessor et qnae post acceptnm judicium per enm non
ex re sim adquisivit: in quo hereditates quoqiic legataque, qnae per enm servnm
obvenernnt, eontinentur. Nee enim snfficit corpus ipsum restitui, scd opus est, ut et
causa rei restitnatur, id est ut omne habeat petitor, quod hobitnms foret, si co tem-
pore, quo judieium accipiebatur, restitutus illi lioino fuisset. Itaque partnj ancillac
restitui debet, (|uamvis postca editus sit, quant matrem ejus, post acceptant seilicet
judicium, possessor usiiceperit: quo casu ctiam de partu, sieut de matre, et traditio
et cautio de dolo neeessaria est. Gajus 1. 20 I). de R. V. (VI, 1).
(\'urn fundus vel homo per eondictionem petitus esset, puto boe nos jure uti, ut
post judicium accepttim causa omnis restituenda sit, id est omne, quod habiturus
esset actor, si litis contestandac tempore solutus fuisset. Paul. 1. .11 pr. O. de rel),
cred. (XII, 1).
Vulgo receptum est, ut, quamvis in personam aetum sit, post litem tarnen con-
testatam causa praestetur: enjus opinionis ratio redditur, quoniam quale est, enm
petitur, tale dari debet ac propterea postea captos fructus partumque editum restitui
oportet. Papin. 1. 2 D. de usur. (XXII, 1).
C\'um liomo ex testament o petitus est, causa ejus temporis, quo lis contcstabatur,
repraesentari debet aetori et, sieut partus ancillarum, sieut fructus fundorum interim
percepti in hoc judicium deditcuntur, ita quod servo legatorum vel hcreditatis nomine
interim obvenerit praestandum est petitori. Julian. 1 91 § 7 I). de legat. I. (XXX).
Het genoemde beginsel openbaart zich in de volgende regels, die öf
strekken om de veroordeeling te verzekeren (nrs. 1—4), öf om den om-
vang der veroordeeling vast te stellen (nrs. 5—8).
1°. De gegrondheid van des eischers vordering wordt beoordeeld naar
het tijdstip der litis conieslalio. De rechter neemt bij zijn vonnis dat
tijdstip tot grondslag voor de bcoordeeling der onderlinge verhouding van
partijen. Heeft de eischer het recht, waarop zijne vordering steunt, eerst
na de litis contedatio verkregen, zoo baat hem dat niet in dit geding,
en zal hij een nieuw proces moeten aanvangen. Anders is het met die
vereischten, welke geen betrekking hebben op des eischers recht, niet
in de intenlio der formule voorkomen, maar welke bovendien gevorJerd
worden om eene veroordeeling van den gedaagde mogelijk te maken
(bijv. bezit der zaak bij de revindicatie enz.); daarbij komt het aan op
het tijdstip van het vonnis.
Non |>otest videri in judicium venissc id quod post judieium acceptnm aeeidisset:
ideoque alia interpcllationc opus est. Paul. 1. 2.3 I). de jud. (V, 1).
Non qnetnadmodum tidejussoris obligatio in pendenti potest esse et vel in futurum
eoneipi, ita judieium in pendenti potest esse vel de bis rebus qnae postea in oblig»-
tionem udventurae sunt. Nam iicmincm puto dubitatnrum, quin tklejussor ante obli-
-ocr page 284-
268
gationcm rei accipi possit: judicium vero, antequam aliquid debeatnr, non possc.
Ja vol. 1. 35 I). eod.
Quacsitiim est, an tencat actio de peculio, etiamsi nihil sit in pceulio cum age-
rctnr, si mudo sit rei judicatae tempore. Froculas et Pcgasus nihilo minus teneri
ajunt: intenditur cnim rectc, etiamsi nihil sit in peculio. Idem et circa ad exhi-
bendum et in rem actioncm placuit, quae sententia et a nobis probanda est. lTlp.
1. 30 pr. D. de pee. (XV, 1).
Verliest de eischer, in den loop van het geding, het recht, dat hij bij
den aanvang had, dan zon volgens het zooeven gezegde dit verlies hem
niet schaden. Streng toegepast zou deze regel daartoe leiden, dat de
gedaagde zelfs dan werd veroordeeld, als hij gedurende het proces aan
des eischers vordering voldeed. In overeenstemming met de leer der
Sabinianen: omnia judicia esse absolutoria, heeft men evenwel aan-
genomen, dat de gedaagde wordt vrijgesproken, wanneer de aanspraak
dee eischers geheel is bevredigd en de gedaagde aan alle zijne sedert do
litis conteMatio ontstane verplichtingen jegens den eischer heeft voldaan.
Superest ut dispiciamus, si ante rem judicatam is cum ipio agitnr, post acceptum
\'udicium satisfaciat actori, i|uicl officio judicis conveniat, utrum absolverc, an ideo
potius damnarc, qnia judicii accipiendi tempore in ca causa fnerit, ut damnari debeat.
Nostri pracceptores absolvere cum debcre existimant, nee interesse cujus generis sit
judicium; et hoc est iiuod vulgo dicitur Suhino et Cassio placere omnia judicia
absolutoria essc.....De bonac tidei judiciis autem idem sentiunt, quia in ejusmodi
judiciis libcriim est olliciuin judicis. Tantumdcm et de in rem uctionibus putant, qnia
l\'ormulue verbis id ipsum expiimattir.....(iajus, lust. IV § 114.
Superest ut admoneamus, ([tiod si ante rem judicatam is cum qtto actum est sutis-
t\'aciat actori, otticio judicis coiivenit cum absolvere, licet judicii accipiendi tempore
in ca causa fnisset, ut damnari debeat: et hoc est, quod ante vulgo dicebatur omnia
judicia absolutoria esse. § 2 1. de perp. et temp. act. (IV, 12).
2". De ingestelde vordering, die overigens niet erfelijk is (zie hier-
boven § 108, nr. 5), kan gedurende het proces niet meer door overlijden
van een der partijen te niet gaan. Evenmin gaat de actie hangende het
geding te niet door verjaring (zie hierboven § 110). In het Justiniaansche
recht wordt de verjaring reeds door de dagvaarding gestuit.
De litis contestatio heeft geen invloed op den loop der usucapio. Doch
dit belet niet de veroordeeling van den gedaagde, die de zaak moet uit-
keeren, evenals of de verjaring niet te zijnen behoeve voltooid ware:
UBueapio frustra complebitur anticipata lite (Fragm. Vat. § 12).
Het door verjaring verkregen eigendomsrecht wordt tot de omnia causa
gerekend, zie nader hieronder § 149.
Sciendum est ex omnibus causis lites contestatas en in heredem similesque personas
transire. (\'allistr. 1. 5\'> 1). de O. et A. (XXXXIV, 7).
Omncs actiones, quac mortc uut tempore pereunt, seniel indusac judicio salvae
permanent. Gajus 1. 13!» pr. D. de 1». .1. (L, 17).
Si rem alienam etnero et, cum usucaperein, eandem rem dominus a me pelierit,
non interpellari usucapionem meum litis eontestatione..... Paul. 1. 2 § 21 I). pro
empt. (XXXXI, 4).
„Restituere" autem is intellegitnr, qni simnl et cnusam actori reddit, qnam is habi-
tin us esset, si statim judicii accept] tempore res ei reddita fnisset, id est et nsuca-
pionis causam et frtictuum. Paul. 1. 35 D. de V. S. (L, 16).
-ocr page 285-
2G9
Si post acceptum judicium possessor usu hominem cepit, debet eum tniderc eoque
nomine de dolo cavcre: periculum est enim ne eum vel pigneraverit vel manumiscrit.
Gajus 1. 18 D. de R. V. (VI, 1).
3°. De niet-bezitter die zich, tegen beter weten, inlaat op een tegen
/ hem als bezitter aangevangen geding (qui dolo liti se offert), wordt
als bezitter behandeld en eventueel tot betaling van de waarde der zaak
veroordeeld. Hetzelfde geldt van dengene, die ten tijde der litis con-
testatio
wel bezit, maar zich later te kwader trouw van het bezit ontdoet
(qui dolo desiit possidere); zie ook hieronder § 155.
Non solum autem ab co peti hereditas potcst, qui corpus hereditarium possidet,
scd et si nihil. Et videndum, si non possiden.? optulvrit tarnen se petitioni, an
tencatur. Et Celsus libro quarto digestorum scribit ex dolo eum tenen: dolo enim
faccre eum qui se offert petitioni. Quam sententiam gcneruliter Marcellus apud Juli-
anum probat: omnem, qui se offert petitioni, quasi possidentem teneri. l\'lp. 1. 18
§ IS D. de H. 1\'. (V, 3).
Is qui se optulit rei defensioni sine causa, eum non possideret nee dolo fecisset,
quo minus possideret: si actor ignorct, non est absolvendus, ut Marcellus ait: quac
sententia vera est. Sed hoc post litem eontestatam: ceterum ante judicium acceptum
non decipit actoren» qui se ncgat possidere, eum verc non possideret: nee videtul\'
se liti optulissc qui discessit. Ulp. 1. 25 D. de K. V. (VI, 1).
. 4°. De zaak, waarover geprocedeerd wordt, alsmede de aanhangige
/actie, kunnen, behoudens enkele uitzonderingen, na de litis contestatio
niet meer geldig worden vervreemd of overgedragen.
Lite pendente actiones, quae in judicium deductae sunt, vel res, pro quibus actor
a rco detentis intendit, in conjunctam personam vel extraneum donationibus vel emp-
tionibus vel quibuslibet aliis contractibus minimc transferri ab eodem actore liceat,
tamquam si nihil factum sit, lite nihilo minus peragenda. Constant. 1. 2 C. de litig.
(VIII, 36).
Ccnsemus, ut, si quis lite pendente vel actiones vel res quas possidet ad alium
queudam transtiilerit sive scientem sive ignoiantem, vitio litigiosi contr.ictiis sub-
jaccre......lustinian. 1. S pr. C. eod.
5°. De bezitter eener zaak, die als zoodanig wordt aangesproken en
/veroordeeld, moet niet alleen de opgevorderde zaak zelve afgeven, maar
ook alles wat sedert de litis contestatio daaruit is voortgekomen of daar-
aan is toegevoegd, met name alle natuurlijke en burgerlijke vruchten en
accessies (zie hierboven § 67 en § 08), die den eischer, ware de zaak
hem dadelijk gerestitueerd, zouden ten deel gevallen zijn: omnis causa.
De bezitter te kwader trouw wordt hierbij strenger behandeld dan die
te goeder trouw. De eerstgenoemde moet, met de nog aanwezige vruch-
ten, ook de verteerde verantwoorden — de bezitter te goeder trouw
behoeft dit alleen te doen, wanneer ze niet meer voorhanden zijn door
zijn opzet of schuld; verder de verzuimde vruchten, indien de eischer
die had kunnen trekken — de bezitter te goeder trouw is daartoe alleen
gehouden, voor zoover hij zelf ze had kunnen genieten.
De schuldenaar eener geldsom moet van den dag der litis contestatio
af interessen betalen, indien hij niet reeds vroeger in verzuim was.
-ocr page 286-
270
„Restituere" is videtur, <|tti id restituit, quod hubiturus esset actor, si contro-
versia ei facta non essct. l\'aul. I. 7;> I). de V. S. (L, 10).
Idem Julianus eodem libro scribit, si murum fecerit in nomina reddendo possessor
et homo moitmis sit, et fructttum rationem usque ad rei judicatae tempus spectan-
dam esse. I<Iem Julianus ait non solum fructus, sed etiam omnem eausam praestan-
dam: et ideo et partum venire iu restitutioncm et partunm fructus. 1\'sque adeo
uiitcm et causae veniunt, ut Julianus libro septimo scribit, si per eiim servum pos-
sessor adquisierit actionem legis Aquiliae, restituere cogendum. Quod si dolo malo
ipse possessor desierit possidere et aliquis hominem injuria occiderit, uut pretium
hominis aut aetioues suas praestare cogetur, nittiin eorum voluerit actor. Sed et
fructus, quos ab alio possessore percepit, restituere eum oportet: lucrum enim ex eo
homine, qui in lite esse cueperit, facere non debet. Sed fructus ejus temporis, quo
tempore possessns est ab eo qui cvicerit, restituere non debet: sed quod ilieit de
actione legis Aquiliae, proecdit, si post litem eontestatam u.sucepit possessor, quia
plenum jus ineipit habeie. lip. 1. 17 § 1 1). de K. V. (VI, I).
Generaliter atitem eum de fructibus aestimandis quaeritur, constat animadverti
debere, non an malae tidci pusscsvoi\' tVuitus sit, sed an petitor (\'rui potueiit, si ei
possidere licuisset. Quam sententiam Julianus quoque probat. Papin. 1. (>2 § I D.eod.
Fructus atitem In deducuntur iu petitionem, nou quos heres percepit, sed quos
lcguturius percipeic potuit: et id In operis servorum vel vecturis jumentorum vel
naulis navium dieendum. Quod iu fructibus dicitur, hoe et in pensionibus urbanorum
aedifieiorum inlellegcndum erit. In ustirarum autetn quantitate mos regionis erit
sequendus: jtidex igitur usiirarum modum aestimabit et statuet. lpsius quoque rei
interilum post moram debet, sicut in stipulatione, si post moram res interierit,
aestimatio ejus pracstatur. Item partus aneillarum et, si servus fuerit legatus, et
hereditas vel legatum vel qttid per eum adquisitum sit heres praestare debet. IIlp.
I. 39 § 1 1). de legat. I. (XXX).
Sed et partus aneillarum et l\'etits peeorum et fructus restitui et omnem eausam
oportet: nee solum eos qui percepti sunt, veritin si plint ego pereipere pottti et per
metiim impcditus sum, hoe quoque praestabit. ITIp. 1. 12 pr. I). quud met. e. (IV, 2_).
<i°. Bij vorderingen tegen den bezitter als zoodanig, inzonderheid bij
onpersoonlijke vorderingen, is de bezitter te kwader trouw aansprakelijk
zelfs voor toevallig verlies of vermindering der zaak, tenzij hij bewijst,
dat den eiserier, in geval van tijdige afgifte der zaak, hetzelfde toeval
zonde hebben getroffen.
De bezitter te goeder trouw wordt door de tegen hem gerichte vor-
dering niet aanstonds gelijk aan een bezitter te kwader trouw, en kan
daarom niet als deze voor elk toeval aansprakelijk worden gesteld. Maar
hij moet toch van hot oogenblik dat zijn recht wordt betwist bedenken,
dat hij het proces kan verliezen, dat de zaak wellicht de zijne niet is.
Daarom is hij voor elke beschikking over of verwaarloozing van de
misschien aan een ander toebehoorende zaak verantwoordelijk. Dat is de
werkelijke beteekenis van den vaak misbruikten regel: post litem con-
testatam omnis possessor praedo est.
Si post judicium acceptum homo mortuus sit, quam vis sine dolo malo et culpa
possessoris, tarnen interdum tanti damnandus est, qnanti actoris interfuerit per eum
non etfecttim, quo minus tune eum judicium acciperetur homo exhiberettir: tanto
magis si apparebit eo easu mortuum esse, qui non iueidisset, si turn exhibitus fuisset.
l\'aul. I. 12 § 4 I). ad exhib. (X, 4).
Sive autetn eum ipso apud iiuem deposita est aettim fuerit sive eum herede ejus et
-ocr page 287-
271
sim natura rea ante rem judio.atam interoiderit, veluti si homo mortuus fucrit, Sabinus
et (\':issins absolvi deberc eum cum qno actum est dixcrunt, qoia uoi|iiiim esset natu-
ralem interittim ad actorem pertinere, utique rum interitura esset ea rea et ai restitnta
esset actori. Gajna 1. 14 § 1 I). depos. (XVI, 3).
„Si ante litem conti\'staturn", inquit, „toornt": hoc idi\'o adjeetum, i|iiuniam post
litem eontcstatatn omnes incipiunt malae fidei poaaeaaorea e88C, quin immo poat con-
troversinm motam. Quamqunm enim litis eontestatae mentio tiat in senutus consnlto,
turnen et post motam eontroversiam omnes poaaeaaorea pares limit et quasi prucdones
tcnciitur. Kt hoc jure hndie utimur: coepit enim scire rem ad se non pertinentetn
possidere se is qui interpellatur. Qui vero praedo est, et ante litom cuntestatam doli
nomine tenebitur: bic est enim dolui praeteritua. I\'lp. I. 25 § 7 I). de II. I\'. (V, 3).
Illini qnoque quod in oratione divi Hadriani est, ut pust acceptum judicium id
actori praestetnr, quod habiturus esset, si co tempore quo petit restitnta esset liercdi-
tas, interdum durtim est. Qnid enim, si post litem cuntestatam mancipia aiitjumenta
aut pecora depericrint? Damnari debehit seetmdum verba orationis, qnia potuit petitur
restitnta hercditate distraxisse ca. Kt hoc justum esse in spceialibus petitionibua
1\'roculo placet: (\'assius contra sensit. In praedonis persona 1\'roculus recte existimat,
in bonac lidei possessoribus Cassius. Nee enim debet possessor aut mortalitatem prae-
starc, aut propter metum hujiis pericoli temere indelensum jua siium relinqnere. Paal.
1. 40 pr. I). eod.
Qui in rem convenitur, etiam culpac nomine condemnatur. Culpac autem reus
est possessor, qui per insidiosa loca servum misit, si is periit, et qui servuni a se
petitum in harena esse concessit, et is mortuus sit: sed et qui fugitivum a se petitum
non eustodit, si is fugit, et qui navein a se petitain ad verso tempore navigatum
misit, si ea nuufrugio perempta est. Oajus 1. 3(> § 1 1). de 1{. V. (VI, 1).
7°. Bij persoonlijke vorderingen heeft de litis contestatio ten gevolge,
dat de schuldenaar voor elke schuld aansprakelijk wordt. Maar die ver-
zwaarde verantwoordelijkheid gaat niet zoover, dat hij in alle opzichten
wordt gelijkgesteld met den schuldenaar, die in verzuim is, weshalve
hij niet aansprakelijk is voor toeval, tenzij hij lichtzinnig, in het be-
wustzijn van zijn onrecht, heeft geprocedeerd.
Vulgo receptum est, ut, quamvis iu personam actum sit, post litem tarnen contes-
tatam causa praestetnr: cujus opinionis ratio redditur, qiioniam qnale est, cum petitur,
tale dun debet ac piopterea postea captos fructus pnrtuinquc editum reatitui oportet.
Papin. I. 2 I). de naar. (XXII, 1).
Si uctioiiem habeam ad id conscqiiendum quod meuin non tuit, veluti ex stipnlatu ,
fructus non conseqiiar, etiamsi moru facta sit: quod si acceptum est judicium, tune
Sabinus et Cassius ex aequitate fructus qnoque post acceptum judicium praeatandoa
putant, ut causa restituatiir, quod puto recte dici. Paul. I. 38 § 7 1). eod.
Qui sine dolo malo ad judicium provocat, non videtur muram facere. .lulian. I. 03
D. de U. .1. (L, 17).
Si quis solutioni quidem moram fecit, judicium autem accipere paralus fuif, nou
videtur fecisse moram: utique si juste ad judicium provocavit. Paul. I. 24 pr. I). de
usur. (XXII, 1).
Si post moram promissoiis homo decesserit, tenetur uihilo minus, proinde ac si
homo vivcret. — Kt bic moram videtur fecisse, qui litigare inaluit quatn restituere.
UIp. 1. 82 § 1, § 2 I). de V. O. (XXXXV, 1).
8°. Eindelijk komt het tijdstip der litis contestatio nog te pas by
sommige berekeningen en schattingen, bqv. bij de vraag hoeveel de
gedaagde verrijkt is; bij alternatieve verbintenissen ter keuze van den
-ocr page 288-
272
schuldeischer verliest deze, met de litis conlestatio, de bevoegdheid op
de gedane keuze terug te komen; bij hoofdelijke verbintenissen kan de
schuldenaar, na litis conlestatio met een der hoofdelijke schuldeischers,
alleen aan dezen geldig betalen.
Quod untem spectetnr tempus, an locuplctiores sint t\'acti, utrum tempus litis con-
testatae an rei judicatae? Kt verum est litis contestatac tempus spectari oportere idque
imperator noster cum patre rescripsit. ITip. 1. 7 pr. D. de don. i. v. et u. (XXIV, 1).
Si merx aliqua, quac certo die dari debebat, petita sit, veluti vinum oleum fïu-
mentum, tanti litem aestimandam Cassius ait, quanti l\'uisset eu die, quo tlari debuit:
si de die nihil convenit, quanti tune, cum judicium accipcretur. Idemquc juris in
loco essc, ut | u-i in hui acstimatio sumatur ejus loei, quo dari debuit, si de loco nihil
convenit, is loens spectetur, quo peteretur. Quod et de ceteris rebus juris est. Gajus
1. 4 1). de cond. trit. (XIII, 3).
Si quis stipulatus sit Stichum aut 1\'amphilum, utrum ipsc vellet: quem elegerit,
petct et is erit solus in obligationc. An autcm mutare voluntatcm possit et ad alterius
petitionem transirc, quacrentibus respiciendus erit sermo stipulationis, utriimnc talis
sit, „quem voluero" an „quem volam": nam si talis 1\'uerit „quem volnero**, cum scmel
elegerit, mutare voluntatcm non potent: si vcro tractom habeat sermo illius et sit
talis „quem volam", donec judicium dictet, mutandi potestatem habcbit. 1\'omp. 1.112
pr. I). de V. O. (XXXXV, 1).
Ex duobus reis stipulandi si seinel unus egerit, alteri promissor ollerendo pecuniam
nihil agit. Gajus 1. 16 D. de duob. reis (XXXXV, 2).
§ 113. BEWIJS. BEWIJSLAST.
Bewijzen noemt men in rechte de handeling der gedingvoerende par-
tijen, waardoor zij den rechter, volgens de wettelijke regels, de waarheid
hunner beweringen doen blijken. Wij bepalen ons hier tot het materieel-
rechtelijke deel der bewijsleer.
Het bewijs loopt uitsluitend over feiten; het bestaan van een betwist
recht (in subjoctieven zin) kan slechts worden bewezen door het bewijs
van de leiten, waaruit dat recht wordt afgeleid. De toepassing van het
recht (in objectieven zin) op de feiten behoort tot de taak des rechters;
partijen behoeven het bestaan van den rechtsregel niet te bewijzen (zie
hierboven § 22 a. h. e.).
De feiten, die het voorwerp uitmaken van bewijs, moeten zijn:
1°. betwistbaar: algemeen bekende en vaststaande feiten, die redelijker
wijze niet kunnen worden ontkend, behoeven niet te worden bewezen
(notorium nou eget probatione);
2*. betwist: wat door de partijen erkend wordt, vereischt geen nader
bewijs; het wordt door den rechter aan het vonnis ten grondslag gelegd,
ook al is hij niet overtuigd van de waarheid van het erkende. Tijdens
het formulierenproces geldt de bekentenis, bij den praetor afgelegd, als
een vonnis; loopt zij over eene bepaalde geldsom, dan kan executie
onmiddellijk er op volgen; in het tegenovergestelde geval is nog eene
schatting door den rechter noodig. In de Justiniaansche procedure treedt
de bekentenis niet meer in de plaats van het vonnis, maar de rechter is
by zijne beslissing aan den inhoud der bekentenis gebonden;
-ocr page 289-
27:$
Confessus pro judicato est, <|iii qtiodammodo sua sententia dmmnstar. Paul. 1. 1
I). de coiif. (XXXXIl, 2).
I\'ost rem jndicatam vel jurejurando decisam vel confessione.ii in jure factam nihil
quaeritor post uratiuuem divi Marci, qnia in jure eunfessi pro judicatis habentiir.
Ulp. 1. 5C D. de re jud. (XXXXIL, 1).
l\'ertum confessus pro judicato erit, incertiim non erit. — Si quis incertum eonfi-
teatur vel corpus sit confessus Stiehum vel t\'iindum dare se oportere, nrgneri debet,
ut eertum contiteatur: item cum, qui rem confessus est, ut certam quantitatcm fatcatur.
ITlp. 1. C pr., § 1 D. de conf. (XXXXIl, 2).
Notandum, quod in hac actione, quae adversus confitentetii datur, judex non rei
judieandac, sed aestimandae datur: nam nullae partes suilt judieandi in conlitcntes.
Ulp. 1. 25 § 2 I). ad leg. Aquil. (IX, 2,.
3°. van dien aard, dat de beslissing van het geschil afhankelijk is
van de waarheid of onwaarheid er van: frustra probantur, quae
probata non relevant.
Neque natalcs tui, licet ingenuum te probare possis, neque honores, qnibus te
fiinctum csse commemonis, idoncam probutionom pro liliae tuae ingenuitate continent,
eum nihil prohibeat et te ingenuum et eam ancillam esse. Dioel. et Maxim. 1. 10
V. de probat. (IV, 19).
Ad piobationcm servitiitis Glyconis matrem ejus ae fratrem servilia fecisse ministeria
non sufticit, eum neque ingenuortim coniventiu conjunctis neecssitudine praijudicet
neque de servis ex eadem matre natis unus libertatem adipisci prohibeatur. Dioel.
et Maxim. 1. 22 C. eod.
Zeer belangrijk is de vraag: wie moet bewijzen, op wien drukt de
bewijslast? Van hare beantwoording hangt menigmaal de uitslag van
hot geding af; dikwijls is het: non jus deficit sed probatio (1. 30
D. de test. tut, XXVI, 2) de reden, waarom men in het ongelijk
wordt gesteld.
De bewijslast rust niet uitsluitend op een der gedingvoerenden; elk
hunner moet de feiten bewijzen, die hij als grondslag van zijn aanval
of van zijne verdediging aanvoert, of liever verplicht is aan te voeren,
om zijn beweren te rechtvaardigen. De eischer moet beginnen met de
feiten, waarop zijn aanval steunt, te bewijzen, indien zo namelijk door
den gedaagde worden betwist (volstrekte ontkenning, zie hierboven § 111,
nr. 1); de gedaagde kan des eischers bewijsvoering afwachten en is dus
in zoover in eene gunstiger positie (commodum possessoris, in tegen-
stelling van onus petUoris). Indien de gedaagde de gestelde feiten niet
ontkent, maar van zijn kant nieuwe feiten in het proces brengt (betrek-
kelijke ontkenning, exceptieve verdediging, zie hierboven § 111, nrs. 2
en 3), moet hij het bewijs daarvan leveren: reus excipiendo fit actor.
Het is hierbij onverschillig, of de aangevoerde feiten positief of nega-
tief zijn; de partij, die op een negatief feit aanval of verdediging grondt,
moet wel degelijk dit negatieve feit bewijzen (zie bijv. hieronder § 203,
III, bl. 150).
Verius osse existimo ipsum ipii agit, id est legatarium, probare oportere xcisse
alienam rem vel obligatam legare defunctum, non bereden) probare oportere ignorafwe
alienam vel obligatam, qnia semper neeessitas probandi incumbit illi qui agit. Marcian.
I. 21 1). de probat. (XXU, 3).
liom. rei lil. I, 2e druk.                                                                                       18
-ocr page 290-
274
Ei incnmbit probatio qoi dicit, non ([iii negat. Paal. 1. 2 D. eod.
Actor c(iiud adseverat probare se non posse profltendo reiun necessitate monstrandi
coutrariiiDi non ndstringit, enm por rornm naturam t\'actnm negantis probatio nulla sit.
Diocl. et Maxim. 1. 23 (.\'. de probat. (IV, lil).
Si quidem intentionem acturia probationc deficere contidis, nnlla tibi defensio
necessaria est. Si vero de hac confitendo exceptione te munitnm adsevcres, de liae
tantum agi convenit. Nam si etiam de intentione dubitas, habita de exceptione
contesutionc tune demnm, enm intentionem seoundum adseverationem snam petitor
probuverit, huic esse locum monstrari convenit. Diocl. et Maxim. 1. 9 C. de except.
(VIII, 85).
Qni accusare vollint, probationc* liabere debent, enm necjue jnris neque accinitatis
ratio permittat, ut alienoriun iustriimentorum inspicicndoriim potestas ficri debeat.
Actore enim non probante qui convenitur, ctsi nihil ipse praestarit, obtineat. Antonin.
1. 4 (\'. de cd. (II, 1).
Agcre ctiam is videtnr, qui exceptione utitur: nam reus in exceptione actor est.
Tip. 1. I D. de except. (XXXXIV, 1).
In exceptionibus dicendum est renm partibns actoris l\'ungi oportere ipsumqne
exceptiuncm velut intentionem implere: nt pnta si pacti conventi exceptione utatnr,
docerc debet pactum conventum t\'actnm esse. I\'lp. I. 19 pr. D. de probat. (XXII, 8).
Ten einde den bewijslast billijk te verdeelen, neemt men aan, dat wie
zich bij zijn eisch of bij zijne verdediging op een recht beroept, kan vol-
staan niet te bewijzen dat dat recht wettig is ontstaan, maar dat hij niet
tevens het voortbestaan behoeft aan te toonen door het bewijs van het
niet aanwezig zijn van vernietigende feiten. De eigenaar bijv. bewijst,
dat hij het eigendomsrecht wettig heeft verkregen, niet, dat het sedert
niet is verloren gegaan; de schuldeischer bewijst, dat de verbintenis
wettig is ontstaan, niet, dat zij sedert niet op eenigerlei wijze is opge-
heven. Dat verlies of die opheffing moet eventueel door de tegenpartij
worden bewezen.
Zelfs wordt niet verlangd, dat men, om het wettig ontstaan van zijn
recht aan te toonen, bewijst het aanwezig zijn van de eischen, die in
het algemeen voor de geldigheid eener rechtshandeling zijn gesteld (bijv.
de bevoegdheid der partijen) of het niet aanwezig zijn van bijzondere
omstandigheden, die bij uitzondering de regelmatige werking der recht-
scheppende feiten zouden verhinderen en alzoo het ontstaan van een
recht zouden kunnen beletten. Het ontbreken van zoodanig algemeen
vereischte of het aanwezig zijn van dergelijke uitzondering te bewijzen,
wordt veeleer geacht te liggen op den weg der tegenpartij.
Ut creditor, qui pecuniam petit, numcratam implere cogitur, ita rursum debitor,
qui solutam adfirmat, ejus rei probationcm pracsture debet. Sever. et Antonin. 1. 1
C. de probat. (IV, 19).
Ab ca parte, quae dicit adversaritim suum ab aüquo jure prohibittim esse specialiter
lege vel constitutione, id probari oportere. Paul. 1. 5 pr. I). de probat. (XXII, 3).
Nee codicillos quidem l\'urentem posse facere certissimi jnris est. Si igitnr scriptura
velut codicil lor om patrie tui fait prolata, ut aliquid ex hnc peti possit, ndseverationi
tuae mentis eum coinpotcm fuisse negantis lidem adessc probari convenit. Diocl. et
Maxim. 1. S C. de codicill. (VI, 86).
De eischer moet eindelijk ook die feiten aanvoeren en bewyzen, waar-
uit blijkt dat zijn recht rijp is voor vervolging (acfio nata, zie hierboven
-ocr page 291-
275
§ IOC), hetgeen inzonderheid te pas komt, als het afhankelijk is van
de vervulling eener voorwaarde of het verschijnen eener tijdsbepaling.
Hetzelfde geldt van de feiten, waaruit moet blijken, dat de in het proces
gebrachte aanspraak juist dezen eischer tegen dexen gedaagde toekomt.
Gewoonlijk zal dit reeds duidelijk worden uit de feiten, die zijn aange-
voerd om het ontstaan van het recht aan te toonen, maar in sommige
gevallen (bijv. bij overdracht van schuldvordering, bij overgang op erf-
genamen, enz.) zullen voor de zoogenaamde subjectieve legitimatio ad
causam
afzonderlijke feiten moeten worden aangevoerd en bewezen.
§ 114. BEWIJSMIDDELEN.
De voornaamste bewijsmiddelen zijn:
1°. Getuigen, personen die verklaren wat zij met hunne zintuigen
omtrent zekere feiten hebben waargenomen. Aan \'s rechters oordeel is
overgelaten, hoeveel getuigen voor een voldoend bewijs noodig zijn en
in hoeverre de gehoorde getuigen geloof verdienen. Eene wettelijke (posi-
tieve of negatieve) bewijstheorie kent het Romeinsche recht niet, zie
Gellius, N. A., XIV, 2.
Ideoquc divus Hadrianus Vibiu Varo legato provinciae Ciliciae rescripsil < urn qui
judicat mugis posse scire, quanta fides habcnda sit testibus. Verba epistulac baec
siint: „Tu\'magis seirc potes, quanta lides habcnda sit testibus, qui et ciijus digni-
tatis et cSjns cxistimationis sint, et qui simpliciter visi sint diccre, utrum imam
ctiiiddmquc meditatum scrmoncm attulerint an ad ea quac intcrrogaveras ex tempore
verisimilia responderint.\'\' — Ejusdem quoque principis exstat rescriptum nd Valerium
VertinT de excutienda lide testium in haeo verba: „Quae argumenta ad qiiem modiurt
probandue cnique rei sufficiant, nullo certo modo satis deriniri potest. Sictit non
scmper, ita saepe sine publicis monumentis cujusqne rei vcritas deprehenditur. Alias
ntimerus testium, alias dignitas et auctoritas, alias veluti consentiens fama cunfirmat
rei de qua quaeritur tidem. Hoc ergo solum tibi reseribere posstim suinmatim non
utiqiic ad unam probationis speciem cognitionem statim alligari debere, oed ex scn-
tentia animi tui te acstimare oportere, quid aat credas aut param probatiim tibi
opinaris." Callistr. 1. 3 § 1 , § 2 I). de test. (XXII, 5).
Jurisjurandi religione testes, priusquam perhibeant testimonium, jam dudum artari
praeecpimus et ut honestioribus potius tides testibus habciitur, siinili more sanximns,
et ut unius testimonium nemo judicum in qnacnmque causa facile patiatur admitti.
Et nunc manifeste sancimus, ut unius omnino testis responsio non audiatur, etiamsi
praeclarae cnriae honore praefulgeat. Constant. 1. 9 C. de test. (IV, 20).
2°. Schriftelijke oorkonden, hetzij openbare (instrumenta publice con-
fectd)
of onderhandsche. De openbare hebben grootere bewijskracht, ter-
wijl de onderhandsche nooit bewijzen ten voordeele van dengene die ze
heeft opgemaakt. De schriftelijke bescheiden, waarvan men zich in rechte
wil bedienen, moeten bij de cdilio actionis worden medegedeeld.
Excmplo perniciosum est, ut ei seripturac credatur, qua nnusquisquesibi adnotatione
piopria debitorcin coustituit. I\'nde neque fiscum neque alium quemlibet ex suissubno-
tationibus debiti probationem praebere posse o|>ortet. Gallien. 1. 7 C. de probat. (IV, 19).
Edendu simt omnia, quac qnia upud judicem editurus est: non tarnen ut et instru-
meuta, qtiibus quis usuriis non est, compcltatiir edere. lip. 1. 1 § 3 D. deed.(II, 13).
IS*
-ocr page 292-
276
3°. De eel, d. i. eene plechtige verklaring, vaak onder aanroeping der
godheid — jusjurandum est affirmatio religiosa, zegt Cicero,
de off., III, 29 — door eene der partijen afgelegd, tot staving van haar
beweren omtrent feiten of rechtsbetrekkingen. De eed wordt onderscheiden
(verg. ook nog hieronder § HG, nr. 4) als:
a.   beslissende eed; deze wordt door eene der partijen, voor den magi-
straat of voor den rechter, aan hare tegenpartij opgedragen, met dit
gevolg, dat, als hij is afgelegd, het gezworene voor recht (formeele
waarheid) wordt gehouden. Degene, aan wien de beslissende eed is
opgedragen, moet, als hij niet wil zweren, dezen terugwijzen; doet hij
noch het een noch het ander, dan wordt hij in het ongelijk gesteld;
Maximum remedium expediendarum iitium in usum venit jurisjurandi religio, qna
vel ex piictione ipsorum litigatorum vel ex auctoritate judieis deeidunttir contro-
versiae. Gajus l. 1 D. de jurej. (XII, 2).
Quod si defcrente me juraveria et absolutus sis, postea perjnrium fuerit adproba*
turn, Labeo ait de dolo actiunem in eum dandain: 1\'ompunius uutcm per jusjurandum
transnetum videri, (inain sententiam et Marcellus libro octavo digestorum probat: stari
cnim religioni debet. 1\'lp. 1. 21 I). de dolo malo (IV, 3).
Nam sufficit perjurii poen». Paul. 1. 22 ]). eod.
Dato jurejurando non aliud quaeritur, quam an juratum sit, remissa quaestione an
debeatur, quasi Batig probatum sit jurejurando. 1\'lp. 1. 5 § 2 1). de jurej. (XII, 2).
Jusjurandum vieem rei judieatae optinet non immerito, cum ipse ijuis jndicem ad-
versarium suum de causa sua fecerit deferendo ei jusjurandum. 1\'lp. I. 1 pr. I). quar.
rer. act (XXXXIV, 5).
Ait praetor: „cum, a quu jusjurandum petetur, solvere aut jurare eogum": altenim
itaque eligat reus, aut sol vat aut juret: si non jurat, solvere cogcndiis erit a praetore.
ITlp. I. .14 § 0 I). de jurej. (XII, 2).
Manifestae turpitudiiiis et confessionis est nolle nee jurare nee jusjurandum referre.
Paul. 1. 38 I). eod.
b.   aanvullende eed; deze kan door den rechter aan eene der partijen
worden opgelegd, wanneer het punt in geschil niet voldoende is bewezen.
Terugwijzing kan hier niet plaats hebben;
In bonae lidei contractibus nee non etiam in aliis causis iuopia probationum per
judieem jurejurando causa cognita ros decidi potent. Diocl. et Maxim. 1. 3 l\'. de
rob. cred. (IV, 1).
Admonendi sumus iuterdum etiam post jusjurandum exactum permitti constitutionibus
principum ex integro eausam agere, si qois nova instrumentase invenisse dicat, qoibus
mine solis usurus sit. Sed hae eonstitutiones tune videntnr loeum habere, eum ajudiee
aliquis absolutus fuerit (solent enim saepe judiees in dubiis causis exacto jurejurando
secunduin eum judicare qui juraverit): quod si alias inter ipsos jurejurando transactum
sit negotium, non coiieeditur eandem eausam retraetare. Gajus 1.31 D. de jurej. (XII, 2).
c.   de eed die strekt om een door den rechter toe te wijzen bedrag te
bepalen, jusjurandum in lilem, zie hierboven § 09.
In den regel moet de partij, die den rechter overtuigen wil van de
waarheid harer beweringen, die feiten bewijzen, welke zij als grondslag
daarvan aanvoert. Somtijds evenwel loopt het bewijs over andere feiten,
waaruit dan wordt geconcludeerd tot de waarheid van hetgeen eigenlyk
bewezen moest worden. Dit heeft plaats, wanneer een rechtsvermoeden
-ocr page 293-
277
der partij te hulp komt. Zoodanige rechtsvermoedens zijn of onwederleg-
bare (zoogenaamde praesumptiones juris et de jure), waarbij verder bewijs
overbodig en tegenbewijs niet toegelaten is, öf wederlegbare (zoogen.
praesumptiones juris tantum), waarbij de tegenpartij mag bewijzen niet
alleen, dat de praemissen onwaar zijn, maar ook dat in het concrete
geval de gevolgtrekking van het bewezene tot het te bewijzen feit niet
gewettigd is.
Het eigenaardige van zoodanig rechtsvermoeden ligt niet hierin, dat
het dengene, voor wien het pleit, van den bewijslast ontslaat, maar
veeleer hierin, dat het voorwerp van het bewijs een ander wordt. Wie
bijv. de wettigheid zijner geboorte moet bewijzen, kan dat doen (zie
hierboven § 54) door te bewijzen, dat hij geboren is in de zevende maand
van het huwelijk zijner moeder.
Quicnmquc de provincialibus et collntoribus decurso postbac quantolibet iimiuriim
numero, enm prubutio aliqua ab co tributariae solutionis exposcitur, tiium cohac-
rentium sibi annorum apoebas sccnritatesqiie protulerit, supcriurnm temporum apochas
non eogatur ostendere, neqiic de praeterito ad illationem functionis tributariae coar-
tctnr, nisi forte aut curialis aut quicumqne apparitor vel optio vel actnarins rel
quilibei puhlici debiti cxactor sive rompitlsor possessornm vel collatornm habuerit
cautioncm, aut id qiioil deposcit debcri sibi manit\'esta gestorum adsertione patefecerit.
Marcian. I. 3 C. de apuch. publ. (X, 22).
Vermoedens, welke niet op de wet steunen (zoogenaamdepraesumptiones
hominis
, facti), geven slechts eene grootere of kleinere mate van waar-
schijn 1 ij kheid en sluiten het tegenbewijs nooit uit.
§ 115. IIKT VONNIS KN ZIJNE WKKKINli.
Evenals het begin van het proces (litis contestatio, zie hierboven § 112)
invloed oefent op de rechtsverhouding der procedeerende partijen, zoo is
het ook met het einde, de rechterlijke beslissing.
In het algemeen bestaat des rechters taak niet in het scheppen of
vernietigen, in het geven of ontnemen, maar in het erkennen van be-
staaude of het ontkennen van niet-bestaande rechten. Slechts bij uit-
zondering grijpt de rechter in bestaande toestanden in en verandert of
vernietigt hij, wat tot nu toe bestond, bijv. waar het geldt de vernieti-
ging van een testament of eene onder curateele stelling; zie ook hier-
onder § 150.
Kt si qitidem is optinuerit, qui servitntem sibi defendit, non debet ei servitus
eedi, sive recte pruiiiintiutiim est, quia habet, sive perpeinm. quia per sententiam
non debet servitus oonstitiii, sed quae est devlarari.....lip. 1 8 § 4 I). si serv.
vind. (VIII, 5).
Bij het rechterlijk vonnis worden dus of bestaande maar betwiste en
onzekere rechten voor de toekomst vastgesteld, öf wel niet-bestaande
voor altijd ontzegd. In elk geval vormt het vonnis — namelijk indien
het voldoet aan de eischon die het procesrecht stelt en niet meer door
de gewone rechtsmiddelen (zie hieronder § 118) kan worden bestreden:
-ocr page 294-
278
sententia indubitata, quao nullo remedio adtcmptari potest,
zegt Ulpianus in 1. 23 § 1 D. de cond. ind. (XII, G) — eenebeslissing,
die in het vervolg noch rechtstreeks noch zijdelings mag worden aan-
getast, zelfs al ware het vonnis materieel onjuist gewezen. Deze kracht
van het rechterlijk gewijsde (rcrum judicatarum aucloritas), waarvan de
exceplio rei judicatac het orgaan is, kan somtijds in de toepassing tot
onbillijkheden leiden, maar is desniettemin in het belang der rechts-
zekerheid onontbeerlijk, zal niet telkens een proces over een proces
gevoerd kunnen worden en derhalve nooit een einde komen aan de
onzekerheid.
Intusschen werkt het vonnis, met eenige weinige uitzonderingen, alleen
tu8schen de partijen en hunne rechtverkrijgenden.
Res judicata pro veritatc accipitnr. l\'lp. 1. 207 P. do K. J. (L, 17).
Post rem judicatam vol jurejurandu decisam vel confessionem in jure l\'aotam nihil
qiiaciitur post urationcm «livi Marci, qnia in jure confessi pro judicatis habentur.
l\'lp. 1. 56 D. de re jud. (XXXXI1, 1).
lngenuum occipere debcmus cti:im eum, de quo sententia lata est, quamvis fueril
libertiniis: cpiia res judicata pro veritatc accipitnr. l\'lp. 1. 25 D. de statn liom.(I, 5).
Si dofcrentc creditore juntvit debitor se darc non oportere, pignus liberatnr, cjuia
perinde habetur, atque si judicio absolutus esset: nam et si a judice quamvis per
injuriam absolutus sit debitor, tarnen pignus liberatur. Tryph. 1. 13 I). qitib. mod.
pign. (XX, 6).
Pari modo si judicatum t\'ueiit non csse eum in potestate, ctsiper injuriam jndicatum
sit, agent i hoe interdieto obicienda erit exceptio rei judicatac, ne de hoc quaeratur, an
sit in potestate, .sed an sit judicatum. l\'lp. 1. 1 § 4 I). de lil), exhib. (XXXX11I, .10).
Singulis controversiis singulas actioncs uniimqiie judieati linem surliccre probabili
rationc placttit, ne aliter modus litium multiplicatus summum atque inexplicabilcm
t\'aciat difficultatem, maxime si divorsu pronuntiarentur. 1\'urere ergo exceptionem rei
judicatac frequens est. Paul. 1. fi I). de exe. rei jud. (XXXX1V, 2).
Hes inter alios judicatac ncque cmolumentum adferre bis, qui Jndicio non inter-
fuerunt, neque pracjndicium solent inrogare. Ideoqiic nepti tnae pracjudicare non
potest, quod adverstis eoheredem ejus judicatum est, si nihil adversus ipsam statutum
est. Gordian. 1. 2 (\'. ^nib. res jud. (VII, 56).
Het vonnis kan eene veroordeeling of eene vrijspraak inhouden. In
het hntste geval wordt des eischers vordering afgewezen en de gedaagde
vrijgesproken; alles blijft in den toestand, waarin het vóór het proces
was; de eischer kan niet tot iets worden veroordeeld (zie echter hier-
boven § 107, n1. 14). Betwist is de vraag, of er ten laste van den
vrijgesproken schuldenaar eene natuurlijke verbintenis blijft bestaan (zie
hieronder § 17!)). In het eerste geval wordt des eischers aanspraak toe-
gewezen en de gedaagde veroordeeld om iets te doen of te laten. Ten
einde voldoening aan den inhoud van het vonnis te erlangen heeft de
zegevierende eischer een nieuw rechtsmiddel (actio judieati), dat niet
leidt tot een nieuw geding, maar tot executie van het vonnis (zie hier-
onder £ 117). Hij behoeft zich niet meer te beroepen op zijn oorspron-
kclijk recht, maar hij heeft in het vonnis een nieuwen en krachtigen
titel, waaraan de veroordeelde gehoorzamen moet (judieati obligalio,
ubligalio quac ex causa judieati descendit).
Zijn oorspronkelijk recht wordt
-ocr page 295-
27!)
evenwel door het vonnis niet, als door schuldvernieuwing, vernietigd,
maar het wordt er door bevestigd en versterkt. De actio judicnti gaut in
elk geval over op en tegen de erfgenamen; tegen dengene die ontkent
js zij gericht op het dubbele bedrag. Borgtocht, pand en hypotheek,
aan de oorspronkelijke verbintenis verknocht, blijven bestaan.
I!es judicata dicitur, quac linem controvcrsiarum pronuntiationc judicis accipit:
<|iiod vel condemnatione vel absolutione eontingit. Modest. 1. 1 I). de re jud.
fXXXXII, 1).
Jodicati actio perpetua est et rei persecutionem continet: item heredi et in heredem
competit. l\'lp. 1. fi § 3 I). eod.
Niet alleen moet door den veroordeelde aan het vonnis worden ge-
hoorzaamd, maar het gezag der rechterlijke uitspraak wordt ook, gelijk
zooeven reeds is gezegd, in het vervolg gehandhaafd tegen eiken recht-
streekschen of zijdelingschen aanval, gewaarborgd tegen elke bestrijding,
in welken vorm ook. De rechtskracht van het vonnis gedoogt niet, dat
later op eenige wijze door dezelfde partijen, tusschen welke het vonnis
gewezen is, wordt teruggekomen op hetgeen eenmaal is beslist en als
recht is vastgesteld.
Indien derhalve na het vonnis, hetzij door den vroegeren eischer,
hetzij door den vroegeren gedaagde, met hetzelfde of met een ander
rechtsmiddel iets wordt gevorderd in strijd met de vroegere beslissing,
dan kan die vordering worden afgeweerd met de exceptio (of replicatió) rei
judicalae.
Hij die in het vorige geding eischer was heelt deze exceptie,
indien de destijds veroordeelde gedaagde later opkomt tegen hetgeen toen
is uitgemaakt, terwijl de vrijgesproken gedaagde met dezelfde exceptie
den vroegeren eischer kan afweren, wanneer deze terugkomt op de
vroeger afgewezen aanspraak.
Om de exceptie van gewijsde zaak in een later geding te kunnen
tegenwerpen, moeten twee vereischten samenkomen: 1°. bij de nieuwe
vordering moet het dezelfde rechtsvraag gelden, die bij het vroegere
vonnis is beslist (eadem quaesiio, objectieve identiteit); 2°. het nieuwe
proces moet tusschen dezelfde personen gevoerd worden als het eerste
(subjectieve identiteit).
Kt generaliter, ui Julianus definit, exceptio rei judicalae obstat, quotiens inter
easdem personas eadem quaestio revocatur vel alio genere judicii. Kt idcu si here-
ditate petita singulas res petat vel singulis rebus petitis hereditatem petat, exceptione
siimmovebitur. l\'lp. 1. 7 § 4 1). de exc. rei jud. (XXXXIV, 2).
De eadem re agerc videtnr et qui non eadem actione agat, qua ab initio agebat,
sed etiam si alia experiatur, de eadem tarnen re.....l\'lp. 1. 5 D. eod.
(\'urn de boe, an eadem res est, quaeritur, baec gpectanda stint: personae, id
ipsum de quo agitur, causa proxima aetionis. Nee jam interest, qua ratione quis
eam eimsam aetionis competcie sibi existimasset, perinde ac si quis, postcaquum
contra cum judicatum esset, nova instrumenta cansae suae repperissot. Ncrat. 1. 27
I). eod.
Si quis rem a non domino emerit, mox ]>etcnte domino absolutus sit, deinde
po88cssionem amiserit et a domino petierit, adversus exceptionem „si non ejus sit
res" rcplicatione bae adjuvabitiir „at si res judicata non sit". Julian. 1. 24 D. eod.
-ocr page 296-
2R0
Wat het eerste vereischte aangaat zij opgemerkt, dat het alleen aan-
komt op identiteit van rechtsvraag, niet op identiteit van actie of identi-
teit van stoffelijk voorwerp, alhoewel waar de rechtsvraag dezelfde is,
veelal ook het stoffelijk voorwerp hetzelfde zal zijn. Indien bijv. eerst
de aclio furti (zie hieronder § 197) is afgewezen, op grond dat er geen
diefstal is gepleegd, kan dezelfde eischer niet ter zelfder zake later de
condiclio furtiva instellen. Hij, wien de aclio redhibiturin (zie hieronder
§ 100 a. h. e.) is ontzegd, mag niet later ter zelfder zake met de aclio
quanti minoris
optreden. Vg. ook hiorboven § 107, nr. 16.
Si ancillam pracgnatem petiero et post litem contcstatam concepcrit et pepcrerit,
mox pui mm ejus pettim: utnim itlem petere videor an alind, magnac ipiaestionis est.
Kt quidem itn definiri potest totiens eundem rein agi, qnotiens aptid jndieem postcri-
urem id quaeritnr, quod apiid priorem quaesitum est. Ulp. 1. 7 § I I). de exc. rei
jurl. (XXXXIV, 2).
Si cpiis iter petierit, deinde nctum petat, puto fortius defeiidendum alind videri tune
petitnm, alind niinc, ntque ideo exeeptiunem rei judicatac ecssarc. Ulp. 1. i 1 § •\'. 1). eod.
Si ipiis interdicto egcrit de possessionc, postca in rem agens non repellitnr per
excuptionem, quonjam in interdicto possessio, in aetione proprietas vertitnr. Paul.
I. 14 § .•!.!). eod.
1\'anlns respondit ei, iiui in rem egisset nee tenuisset, postca condicenti non obstarc
exeeptiunem rei judicatae. I\'aul. I. 31 D. eod.
Si ipiis ad exhibendum egcrit, deinde absoluuts fuerit adrersarius, <)ui» non possi-
debat, et dominus itcrum agal nancto eo possessionem: rei jndieatac exeeptio loenm
non habcbit, <|iiia alia les est. 1 \'lp. 1. 18 I). eod.
Eandcm causam facit etiam origo petitionis. Ceterum si forte petiero fnndnm vel
hominem, mox alia causa nova post petitionem milii accesserit, quae mihi dominium
tribuut, non me rcpellet ista exeeptio, nisi forte intermissurn dominium in medio
tempore rediit ipiodum postliminio. Quid enim, si homo, <piem peticram, ab hostibns
fuerit eaptus, mox postliminio receptus? Ilie exceptionc summovcbor, quia eadem res
essc intellegitur. At si ex alia causa dominium fuerim nactus, non nocebit exeeptio: et
ideo si forte sub eondicionc res legata mihi fnerit, deinde medio tempore adquisito domi-
nio pet:im, mox existente condicione legati rursus petam, pntem exceptionem non ob-
st\'irc: alia enim causa fuit priorisdominii, haecnova nuncaocessit. I\'lp. 1. 11 §4 1). eod.
Er .is identiteit van rechtsvraag, en de exceptie van gewijsde zaak is
gegrond, wanneer in het nieuwe geding eene zaak gevraagd wordt als
deel van een geheel, dat vroeger is ontzegd. Hetzelfde is het geval,
wanneer bij een vroeger vonnis eene aanspraak is afgewezen (bijv. op
een kapitaal), welke de noodzakelijke voorwaarde is van hetgeen nu
wordt gevorderd (bijv. de rente). Aan den anderen kant vindt de ex-
ceptie eveneens toepassing wanneer de vraag, die nu gedaan wordt, in
strijd is met hetgeen in een vroeger geding incidenteel is beslist (ten
onrechte aldus genoemde rechtskracht der beslissingsgronden). Zoo zal
bijv. de eisch tot betaling ecner hoofdsom worden ontzegd, indien vroe-
ger een eisch tot betaling van rente is afgewezen op grond dat het
kapitaal niet verschuldigd was.
Si quis, cnm totnm petisset, partcm petat, exeeptio rei judicatae nocet, nam pars
in toto est: eadem enim res accipitur et si pars petatur ejus, quod totnm petitnm
est. Nee interest, utrum in corpore boe quaeratur au in ipiantitate vel in jure.
-ocr page 297-
2S1
Proinde si ipiis fiindum petierit, deinde partom petat vol pro divisu vel pro indiviso,
dicendum erit exoeptionem obstare. 1\'roinde et si proponas mihi certan loonm me
petere ex eo fnndo, ipiem |>eti, obstabit exoeptio. Iilem eril pnib:mdum et si duo
corpora fiierint petitu, mox alterntriim eorpus petatur: nam nocebit exoeptio. Item
si «juis fluïdum petiorit, mox arbores oxcisas ox eo fuudo petat, aiil iusulam petierit,
deinde arcam petat, vel tigna vel hipides petat: item si navctn potiero, postea sin-
gulas tabulus vindicem. Hip. 1. 7 pr. I). ile exc. rei jud. (XXXXIV, 2).
Si petiero gregom et vel aueto vel miunto numero gregis iterum cundem gregom
petam, obstabit mibi exeeptio. Sed et si speciale corpus ox grogo potam, si ad f uit
in eo grege, puto obstaturam exoeptionem. I\'omp. 1. 21 § 1 T). eod.
Item si fundo petito postea insula, ipiae e regione ojus in flnmine nata erit,
petatur, exoeptio obstatiua est. African. 1. 26 § 1 I). ood.
Idem seribit, cnm ego et tn herodes Titio extitissemns, si tu pat torn fnndi, i|ticm
totum hereditarium dieebas, n Sempronio petieris et vietus fucris, mox oandom pattom
a Sempronio cmero et traditns milii l\'uorit, agente te l\'amiliae ercisciindao jndieio non
vcniet non solum boe <ptod pro herede possidotnr, sod nee id tuiod pro emptorc: cutn
onim per jndieem priorem apparitit totam non osse hereditatis, (|tiemadmodnm in
l\'amiliae oreiscundno judicium veniat? 1\'atil. 1. 25 § 8 I). fam. ere. (X, 2).
Si rationem oompotisationis jndox non habiierit, salva manct petitio: nee onim tri
jndioatao exoeptio obici potost. Alind dioam, si reprobavit pensationcm ipiasi non
exislente debito: tune onim rei jttdicatae mihi nocebit exoeptio. I\'lp. I. 7 § 1 I). <\\r
oomp. (XVI, 2).
Indien in deze gevallen het beweren des eischers in het tweede geding
overeenstemt met de beslissing van den vroegeren rechter (bijv. dat de
diefstal wèl gepleegd is, dat het kapitaal wèl verschuldigd is, enz.),
dan zal de rechtskracht dier beslissing zich natuurlijk niet aldus open-
baren, dat de gedaagde de exceptie van gewijsde zaak kan tegenwerpen ,
maar hierin, dat de eischer ontheven is van het bewijs van hetgeen bij
het vroegere vonnis is erkend en aangenomen.
Betreft het vroegere vonnis een recht, dat slechts aan een van beide
partijen kan toekomen, dan is dit, door de toewijzing aan den eischer,
te gelijker tijd ontzegd aan den gedaagde en kan deze dus later geen
aanspraak er op maken — tenzij hij zijn recht steunt op eene verkrijging
volgende op het eerste vonnis. Is het recht aan den eischer ontzegd,
dan is het daarmede nog geenszins aan den gedaagde toegewezen. In-
tusschen zal middellijk ook over het recht des gedaagden beslist zijn,
wanneer den eischer zijne vordering is ontzegd juist op grond van een
den gedaagde toekomend recht; ofschoon dit recht eigenlijk niet in ge-
ding was gebracht, zal de gedaagde het in het vervolg niet meer behoeven
te bewijzen en de eischer het moeten erkennen.
Si in ter me et te eontroversia do bereditate sit et tuiasdam ros ex eadom tti pos-
sidos, ipiasdam ego: nihil vetat et me a te et invicem te a me liorcditatcm petere.
(Jtiod si post rem jndieatam a me petore coeporis, interest, utriim mcam osse herc-
ditatem pronnntiutiiin sit au contra: si meam osse, noecbit tibi rei jndioatao exoeptio,
iptia eo ipso, cpiod mcam osse pronuntiattim est, ex diverso proiiuutiatiim videtnr
tuam non osse: si voro meam non osse, nihil de tno jure jndieatam intcllegitur, ipiia
|K)test nee mea hereditas esse nee ttia. Gajus I. 15 D. de exe. rei jud. (XXXXIV, 2).
Hot andere vereischte, de subjectieve identiteit, is aanwezig, wanneer
het tweede proces wordt gevoerd tusschen dezelfde personen, die in het
-ocr page 298-
2S2
eerste geding, hetzij in persoon, hetzij op wettige wijze vertegenwoordigd,
tegenover elkander stonden of tussehen hunne algemeeno of bijzondere
rechtverkrijgenden, mits de opvolging in het recht hebbe plaats gehad,
nadat het vonnis is gewezen.
Si cum iino herede depositi nctnm sit, tarnen et rum ceteris heredibna recteagetnr
ncc exceptio rei judicatac eis proderit: nam etsi eadem ({uacstio in omnibus judiciis
rertitnr, tamen personamm mntatio, rum ipiibns singnlis suo nominc agitur, aliam
iiiipii! aliam rem facit. Kt si actutn sit cum herede de dolo defuncti, deinde de dolo
hercdis agerctur, exceptio rei judicatac nou nocebit, i|iiia de alia re agitur. Paul.
I. 22 I). de exc. rei jud. (XXXXIV, 2).
Si egeru <\'iim vicino aqnae pluviae arcendae, deinde altera ter nostrnm praedinm
vendiderit et emptor agat vel cum co agatur, haec exceptio noect. scd de eo opere,
i()ioJ jam crat factum , cum judicium accipcrclur. 1\'lp. 1. 11 § 9 f), cod.
Kxceptio rei judicatac nocebit ei, <|ui in dominium snecessit (jus .pii judieio cx-
pciius est. I\'apin. 1. 28 I). eod.
De beschrevene werking .vim-het rechterlijk vonnis en van de exceptie
van gewijsde zaak heeft zich in het Romeinsche recht eerst langzamer-
hand ontwikkeld. Vroeger had die exceptie — volgens de uitdrukking
van Keiler, ïtber Litis Conteslalion und I,\'rtlir.il (1827) — alleen eene
negatieve, geene positieve kracht. Er werd niet gelet op den inhoud van
het vonnis, maar enkel gevraagd, of over de nu ingestelde actie vroeger,
hoe dan ook, was beslist. De e.rceptio rei judicatae was in wezen gelijk
aan de. op de litis contestatio gegronde, exceptio rei in judicium deductae,
al steunde de eerste formeel op het vonnis. Immers men beriep zich
niet op de rechtskracht der beslissing, maar op het uit het bestaan van
het vonnis blijkende te niet gaan der actie door de luis contestatio (zie
hierboven § 112).
De exceptio rei judicatae, steunende op de rechtskracht van het vonnis
(bis de eadem re ne sit quaestio), beantwoordt beter aan het doel:
bescherming tegen herhaling van dezelfde aanspraak, dan de vroegere
exceptio rei in judicium dcductae, het orgaan van de vernietigende wer-
king der litis contestatio (bis de eadem re ne sit actio). Deze laatste
exceptie toch, waarbij het enkel aankwam op identiteit der actie, ging
somtijds niet ver genoeg, somtijds te ver.
Niet ver genoeg. Immers in alle gevallen, waarin de eischer belang
er bij heeft, het eerste vonnis te handhaven tegen een aanval van den
vroegeren gedaagde — stel bijv. A heeft eene zaak van B gevindiccerd
en dit proces gewonnen, nu vindiceert B dezelfde zaak van A —, kon
de e.rceptio rei in judicium deductae niet baten, al gold het ook dezelfde
rechtsvraag, omdat de vroegere gedaagde geene actie in geding had ge-
bracht en hem dus de consumtie niet kon worden tegengeworpen.
Te ver. Immers herhaling der actie was verboden, ook wanneer bijv.
de eerste eisch was afgewezen op grond van eene dilatoire exceptie (zie
hierboven § 111) of van eene pluris petitio (zie § 104 a. h. e.). Evenzoo,
wanneer dezelfde actie kon worden ingesteld tegen verschillende per-
sonen, bijv. hoofdelijke schuldenaren, hoofdschuldenaar en borg; had de
-ocr page 299-
2S3
schuldeischer zijne actie tegen een hunner, al was het zonder gevolg,
gebruikt en dus verbruikt, dan was hij tegenover de anderen machteloos.
In deze en andere soortgelijke gevallen kon de e.iceptio rei in judicium
deductac
worden tegengeworpen, orudat enkel werd gelet op de identiteit
der actie, niet op den inhoud van het vonnis. De e.rceplio rei judicatae
daarentegen vindt hier geene toepassing.
§ HG. BE8LISSING VAN DEN RECHTS8TRUD BUITEN PROCES.
Ook zonder een proces te voeren kunnen partijen een einde maken
aan een tusschen hen bestaand geschil, en wel op verschillende wijzen:
1*. Zij kunnen overeenkomen het geschil te laten beslissen door een
of meer privaatpersonen als scheidsrechters (arbitri). Over den vorm en
do werking dezer overeenkomst (compromissum), zie hieronder § 195,
III, bl. 117. Onder de daar nader aangeduide voorwaarden zijn partijen
verplicht, tot de behandeling bij den scheidsrechter mede te werken en
zich aan zijne uitspraak te onderwerpen. Degene, te wiens aanzien de
overeenkomst niet wordt nageleefd of de uitspraak niet wordt opgevolgd,
heeft naar omstandigheden eene actie of eene exceptie.
Voor de geldigheid van het compromis is het noodig, dat de aange-
wezen scheidsman bevoegd is — onbevoegd zijn vrouwen, onmondigon,
krankzinnigen, dooven, stommen. De gekozen scheidsman is niet ver-
plicht, de opdracht aan te nemen. Heeft hij ze echter aanvaard, dan
moet hij ze behoorlijk volvoeren door de zaak te onderzoeken en alle aan
zijn oordeel onderworpene punten te beslissen; door den praetor kan hij
daartoe worden gedwongen, indien hij geene wettige verontschuldiging
heeft. Zijne uitspraak is onveranderlijk.
IV oflirio arbitri tractantibua sciendum est onincm tractatnm ex ipsu compromisso
sumendum: nee enim aliud illi licebit, quain quod ibi ut cfficere pogsit cautura est: non
ergo quod libet statucre arbiter poterit nee in qua re libet nisi de qua re compiomissum
est et quatenus compromissum egt. Paul. 1. 32 § 15 D. de recept. (IV, 8).
Diccre autem sententiam existimumua eum, ipii ea mentc <|iiid pronuntiat, ut
gecundum id disecdere cos a tota controversia vclit. Sed si de pluribus rebus sii
arbiterium receptum, nisi omiirs controversias tinicrit, non videtur dicta sententia,
sed adhuc erit a praetore cogendus. Paul. 1. 19 § 1 1). eod.
Licet autem praetor destricte edicat sententiam se arbitrnm diccre coacturura, attamen
intcrdiim rationem ejus habere debet et excusationcm recipere causa cognita: iitputnsi
fuerit infamatus a litigatoribus, aut si inimicitiac capitalea inter eum et litigatores aitt
altertim ex litigatoribus intercesserint, aut si aetas aut valetudo qnac postea contigit
id ei munus remittat, aut occopatio negotiorum propriorum vel profectio iirgiicns aut
muniis uliquod reipublicae: et ita Labco: lip. I. 15 D. eod.
et si qua alia ineommoditas ei post arbiterium siisccptum ineedat. Sed in cauxu
valetudinis similibtisvc causa eognita ditl\'ene cogitur. Paul. 1. 16 pr. I). eod.
I\'nde videndum erit, an mutare sententiam possit. Et alias quidem est agitatum,
si arbiter jussit dari, mox vetuit, iitrum eo quod jussit an eoquod vetuit stari debeat.
Kt Sabiuus quidem jtuttivit posse. (\'assius sententiam magistri sui bene excusat et ait
Sabinum non de ea sensisse sententia, quae albitrium liniat, sed de praeparatione
causae: ut puta si jussit litigatores Calendis adesse, mox ldibus jubeat: nam mutare
-ocr page 300-
?S4
rum diem posse. Ceternn) si rondetnnavit vel ubsolvit, dum arbiter esse desicrit,
mutare sententium non posse, Paul. 1. 19 § 2 D. cod.
quia arbiter, etsi erraverit in sententia dicenda, corrigere eam non potest. Oajns
1. 20 1). eod.
Stari autcm debet sententiae arbitri, epiam de ea re dixerit, sivc aeqita sivc iniqua
sit: et sibi impntet ipii eompromisit. Nam et divi 1\'ii reseripto adieitur: „vel minus
piobabilem sententiam acquo animo ferre debet." Hip. 1. 27 § 2 T). cod.
2°. Partijen kunnen ook haren rechtsstrijd beslechten door het aangaan
van eene dading (transactio), d. i. eene overeenkomst, waarbij zij, door
eene wederkeerige opoffering, een einde maken aan een onzekeren of
betwisten rechtstoestand. Het eigenaardige der dading, in tegenstelling
van andere verwante rechtshandelingen (afstand, erkenning, enz.), ligt
in de vercischten der onzekerheid en der wederzijdsche opoffering van
werkelijke of vermeende rechten.
Eene dading is niet bestaanbaar zonder onzekerheid aangaande den
rechtstoestand van beide partijen of van één hunner, welke onzekerheid
hot gevolg kan zijn öf van eene werkelijke of gevreesde betwisting, of
hiervan dat eene aanspraak, wat haar bestaan of haren omvang betreft,
van onzekere omstandigheden afhankelijk is. Daarom is eene dading
nietig, wanneer zij is aangegaan over een bij rechterlijk vonnis beslisten
rechtsstrijd.
De opoffering, die partijen brengen, kan zeer verschillend zijn, en
daarnaar neemt de dading zelve een verschillend karakter aan. Partijen
kunnen bijv. van weerszijden een onzeker zakelijk recht, erfrecht of
familierecht of wel eene verbintenis, geheel of gedeeltelijk, erkennen of
prijsgeven; tegenover de erkenning of den afstand aan de eene zijde kan
aan de andere zijde iets gegeven of beloofd, een zakelijk recht of eene
verbintenis gevestigd worden. Door deze overeenkomst kunnen dus, even-
als door de schenking (zie hierboven § 90), allerlei vermogensverande-
ringen worden tot stand gebracht, zoodat zij niet uitsluitend thuis behoort
in het Verbintenissenrecht, maar veeleer op hare plaats is in het Alge-
incen Gedeelte en wol, om hare strekking, naast het vonnis.
Voor zoover de dading verbintenissen doet ontstaan of althans erkent,
geeft zij eene actie tot nakoming; voor zoover afstand wordt gedaan van
werkelijke of vermeende rechten, is die afstand onherroepelijk: de schul-
denaar wordt evenzoo bevrijd, alsof hij door den rechter ware vrijge-
sproken (txceptio transactionis).
Qni Iransigit, quasi de re dnbia et lite incerta neque tinitu trunsigit. (Jui vero
paeiseitur, donationis causa rem ceitam et indiibitatam liberalitate remittit. 1 \'lp. 1. I
1). de transaet. (11, 15).
t\'um te proponas eum sorore tna de bereditatc transegisse et idpropter CCrtam
pecuniam te ei debere cavisse, etsi niilla fuisset quaestio bercditatis, tarnen propter
timorem litis transaetione interposita pecunia reete cauta intellegitur. Kx qua eansa
si tiseo solvisses, repeteie non posses: si non solvisses, jure convenireris. Atitonin.
1. 2 (\'. de transaet. (Il, 4).
Si post rem judicatam uuis transegerit et solverit, repeteie ]>oterit idcirco, quia
placuil transaetiunem nullius esse momenti: boe cnim imperator Antoninus eum divo
-ocr page 301-
2«ri
patrc suo rescripsit. Ketincri turnen atque eompensari in causaal jadicati, i[iio(l oh
t il.tii transactioiicm solutum est, potest. Quid ergo si appellatum sit vel hoe ipsum
incertiiiD sit, an judicatmn sit vel an sententia valeat? Magis est, ut transactio
vires babeat: tune enim rescriptis locnm esse credumliim est, cura de sententia indu-
bitata, quae nullo remedio adtemptari potest, trunsigitur. lip. 1. 23 § 1 I). de rond.
ind. (XII, C).
Et post rem judientam transactio valet, si vel appellatio intercesserit vel appellarc
potueris. Dip. 1. 7 pr. I). de transact. (II, 16).
Si causa cognita prolata sententia, sicut jure traditum est, appellationis vel in
integrum restitutionis sollcmnitute siispensa non est, super judieato tVustni transigi
non est opinionis incertac. 1\'minde si non Aquiliana stipulationc et acceptilatione
subseeula competeiitem tibi actionem peretnisti, praeses provinciae usitato more leguin
rebus pridem judicatis effeetum adhibcre eurabit. Diocl. et Maxim. i. .12 (\'. de
transact. (II, 4).
Transactio nullo dato vel retento seu promisso minime procedit. Diocl. et Maxim.
1. 38 C. cod.
Qui fidem licitae transactionis rupit, non exceptione tantum summovebitiir, sed et
poenam, quam, si contra placitum fecerit rato manentc pacto, stipiihinti recte pro-
miserat, praestare cogetur. Hermogen. 1. 16 I). de transact. (II, 15).
Cansaa vel lites transactionibns legitimis linitas imperiali rescripto resiiscitari non
oportct. Diocl. et Maxim. 1. 16 C. de transact. (II, 4).
Non minorem auctoritatcm transactionum quam reruDI judicatariiin esse rectaratiune
placuit, si quidem nihil ita lidei congruit humanae, <|iiam ea quae placuerant custo-
diri. Nee enim ad rescindcndiim pactum sutficit, quod hoc secunda hora noctis
intercessissc proponas, cum nullum tempus sanae mentis majoies quinque et viginti
annis eonsensum repudict. Dioel. et Maxim. I. 20 C\'. cod.
C\'um mota inofficiosi qnerella matrein vestram cum diversa parte transegissc ita,
ut partem bonoriiin susciperet et a lite iliseederet, proponatis, instaiirari quidem
seinel otnissam qucrcllam per vos, qui matri hercdes extitistis, juris ratio non sinit.
Verum si lides placitis pracstita non est, in id quod interest diversam partem recte
convenietis: aut enim, si stipulatio conventioni subdita est, ex stipulatu actio com-
petit, aut, si omissa verborum obligatio est, utilis actio, quae praescriptis verbis rem
gestam demonstrat, danda est. Alex. I. C C. eod.
De dading kan worden bestreden wegens bedrog en dwang (zie hier-
boven §§ 80 en 81), niet daarentegen wegens benadeeling, noch wegens
later gevonden bescheiden, tenzij mocht blijken, dat de dading was aan-
gegaan op grond van valsche stukken.
lntcrpositas metus causa transaetioncs ratas non haberi edicto perpetuo contineliir.
Nee tarnen qailitat metus ad reseindenda ea, quae consensu terminata simt, aufficit,
sed talem metum probari oportet, qui salutis peiieiilum vel corporis cruciatiiin con-
tineat. Diocl. et Maxim. I. 13 pr. C. de transact. (II, 4).
Kt quidem quod transactionis nomine datur, liect res nulla media t\'iierit, non
repetitnr: nam si lis fuit, hoe ipsum, quod a lite disceditur, causa videtur esse. Sin
autcm evidens calumnia detegitnr et transactio imperfecta est, repetitio dabitur. I\'aul.
1. 6f> § 1 D. de cond. ind. (XII, C).
Sub praetextu instrumenti post reptuti trausactioiicm bona lide linitam rescindi jura
non patiiintur. Sane si eam per se vel per aliuin subtractis, quibtis veritas argui
potuit, decisionem litis extorsissc probetur, si quidem actio superest, replieationis
auxilio doli mali pacti exceptio removctur, si vero jam perempta est, inl\'ra eon-
stitutum tempus tantum actionem de dolo potcs exercerc. Diocl. et Maxim. 1. l\'.l (\'.
de transact. (11, 4).
Si ex falsis instiumeutis transactiones vel pactiones initae fueiiut, quamvis jus-
-ocr page 302-
L>s«J
iurandum bis intorpositum sit, ctiam civiliter falso revelato eas retractaripraecipimus:
ita demum at, si de pliuimis causis vel capitulis eaedem pactionea initac fuerint,
illa tantiiinmixlu causa vel pais retractetur, quae ex falso instrumento composita con-
victa fuerit, aliis ca
63
pitulis lirmis manentibui; nisi t\'orte ctiam de co, qaod falsum
dicitur, controversia orta decisa sopiatur. Leo et Anthcm. 1. 42 C. cod.
3°. Indien partijen geene dading sluiten, kan aan een geschil of aan
eene onzekerheid een einde gemaakt worden doordien hij, die een recht
of eene aanspraak beweert te hebben, daarvan afstand doet (zie hierboven
§ 93), of degene, tegen wien dat recht of die aanspraak worden inge-
roepen, ze erkent.
4°. Als eene soort dading kan ook beschouwd worden de overeen-
komst, krachtens welke een rechtsstrijd zal beslist worden door den eed
van eene der partijen, zie hieronder § 195, III, bl. 116.
•Insjurandum speciën] transactionis continet majoremque habet auctoritatcm quant
res judicata. Paul. 1. 2 I). de jurej. (XII, 2).
Jurejurando dato vel remisso reus (iiiidem adquirit exceptionem sibi aliisque, actor
veto actionem adquirit, in qua hoc solum quaeiitur, an juravcrit dari sibi oportere
vel, c.iun jurare paiatus esset, jusjuiimdum ei remissum sit. 1 \'lp. 1. 9 § 1 D. eod.
§ 117. TENUITVOERLEGGING VAN HET VONNIS.
Wanneer een veroordeelend vonnis den overwonnen gedaagde eenige
praestatio oplegt, is deze verplicht aan die veroordeeling te voldoen. De
vraag is, welke middelen den eischer ten dienste staan om zijne tegen-
partij daartoe te noodzaken. Dezelfde vraag doet zich voor ten aanzien
van hen, die, ten gevolge van bekentenis of eed, voor veroordeeld wor-
den gehouden.
Oudtijds werd, volgens de wet der 12 Tafelen, de executie gericht
tegen den persoon van den veroordeelde (manus injectio, zie hierboven
§ 102, nr. 4). Door de Lex Poetelia (omstreeks 313 v. C.) en het prae-
torisclie edict werd zij belangrijk verzacht. Tevens werd, naast deze
persoonlijke executie, door den praetor Rutilius ingevoerd en later
allengs verbeterd en uitgebreid eene algemeene vertnogensexecutie (missio
in possessionem
en bonorum venditio). Daarbij wordt het vermogen van
den schuldenaar in massa verkocht en aan den meestbiedende toegewezen,
die als opvolger on3er algemeeneu titel (bonorum emptor, zie hierboven
§71) verplicht is de schulden, ten beloope der door hem geboden per-
centen, te betalen, waardoor de schuldenaar in zoover wordt bevrijd.
In den Keizertijd wordt bij de vorderingen tot teruggave of vertooning
eener bepaalde zaak onmiddellijke dwang tot afgifte (manu militari) toe-
gelaten, zie bijv. hieronder § 155. In alle andere gevallen, waarin ver-
oordeeling tot eene geldsom wordt uitgesproken, heeft inbeslagneming
van bijzondere goederen plaats (pignus in causa judicati caphim, zie
hieronder §§ 170 en 171). Algemeene executie komt in het Justiniaansche
recht alleen nog voor, wanneer verschillende schuldeischers van een
insolventen schuldenaar deze verlangen, liet goed wordt dan echter niet
-ocr page 303-
287
meer bij massa aan den meestbiedende verkocht, maar door een te be--
noemen curator stuksgewijze te gelde gemaakt (distractio bonorum).
Volgens de Lex Julia de cessione bonorum kan de insolvente schulde-
naar, door ten behoeve van zijne crediteuren afstand te doen van zijnen
boedel, zich bevrijden van de eerloosheid en den lijfsdwang, waardoor
hij anders zou worden getroffen (zie hieronder § 210, III, bl. 178).
§ 118. RECHTSMIDDELEN TEGEN HET VONNIS.
Het oude recht kent geene gewone rechtsmiddelen, waarmede de in
het ongelijk gestelde partij een gewezen vonnis kan bestrijden, ten einde
eene betere beslissing te erlangen. De eenige wijzen, waarop de werking
van een vonnis kan worden opgeheven, zijn de volgende:
a.   de intercessio tegen beschikkingen van den magistraat door een
magistraat van gelijken of van hoogeren rang of door een volkstribuun.
Door dit middel kan echter alleen de uitvoering der verkeerde uitspraak
worden tegengehouden; ze kan niet worden verbeterd;
b.   in integrum restitutio, zie hieronder § 119;
c.   verzet tegen do actio judicali of rcvocatio in duplum, wanneer de
veroordeelde beweert, dat het vonnis feitelijk of rechtens niet bestaat,
omdat de procesvormen zijn geschonden, omdat een onbevoegde magi-
straat of rechter heeft geoordeeld, omdat een verkeerde persoon veroor-
deeld is, of omdat het vonnis strijdt met de geldende rechtsregels of
iets onmogelijks inhoudt. Beide middelen leiden tot eene nieuwe uit-
spraak over de vraag, of er rechtens een vonnis bestaat; de veroor-
deelde, die in het ongelijk wordt gesteld, moet, bij wijze van straf, het
dubbel betalen.
Mud memincrimus: si quaciitur, judicatum sit nee ne, et hujus quaestionis judex
non esse judicatum pronuntiaverit: lieet t\'uerit judicatum, rescinditur, si piovocatum
non fuerit. Macer 1. I pr. D. quae sent. sine appell. (XXXX1X, 8).
Eerst onder de Keizers wordt ingevoerd en langzamerhand uitgebreid
het hooger beroep (appdlatio) op eene hoogere instantie, den praefedus
urbi,
den consularis. De Keizer is de hoogste instantie voor het geheele
Rijk. Het hooger beroep, waardoor vonnissen niet alleen vernietigd,
maar ook verbeterd kunnen worden, is een gewoon rechtsmiddel, dat in
alle zaken kan worden aangewend — echter niet bij bekentenis of eed,
noch in geval van veroordeeling bij niet-verschijning des gedaagden (zie
hierboven § 104) — wanneer de partij zich door de uitspraak van den
eersten rechter verongelijkt acht. Beroep op den Keizer is alleen geoor-
loofd, wanneer het geding over een bepaald bedrag loopt. Ondersteld
wordt, dat de aangevallen uitspraak werkelijk een geldig vonnis is; van
een nietig vonnis is appel onnoodig. Het hooger beroep moet binnen
een korten termijn mondeling of schriftelijk (lihelli appellatorii) worden
ingediend en heeft schorsing der executie ten gevolge. In appel mag
men zich beroepen ook op nieuwe feiten en bewijsmiddelen (zoogenaamd
-ocr page 304-
288
beiie/wium novorum). Wordt het hooger beroep gegrond geoordeeld, dan
vervalt het vroegere vonnis; blijkt het ten onrechte te zijn ingesteld,
dan wordt de eerste uitspraak bevestigd, zonder dat deze bevestiging
terugwerkt, en de appellant door eene straf getroffen.
Appellundi usiis quam sit lïeqiicns i[iiiimi|uc necessarius, ncmo est qui oesciat,
quippc ciim iniquitatem judicantium vel impcritiam rccorrigat: lieet nonuumquam
bene latas scntcnlias in pejns reformet, ïieque enim ntique melius prununtiat qoi
novissimus sententiam laturus est. T\'lp. 1. 1 pr. 1). de appell. (XXXX1X, 1).
Appellatione interposita, sive ea rccepta sit sive non, medio tempore nihil novari
oportet: si quidem fucrit recepta appellatio, quia rceepta est: si vero non est rccepta,
ne praejiidiciiim Hat, quuud deliberetur, ntrnm rccipienda sit appellatio an non sit.—
Itecepta antem appellatione tamdiu nihil erit innovaiidnm, quamdiu de appellatione
fucrit pronuiitiatum. lip. 1. I pr., § 1 I). nihil innovuri (XXXX1X, 7).
lum ex causa jndicati soluta esset pecunia ex neeessitate judieis ab co, qui appel-
latione intcrposita mcrucrit mclioiem sententiam, recipcre eum peeuniam quam solvit
oportet. 1\'lp. 1. 11 1). de appell. (XXXX1X, 1).
Sed si furti vel aliis famosis aetionibus quis rondemnatus provocavit, pendente
judicio iiondnm inter t\'amosos habetur: si antem omnia tempora provocationis lapsa
simt, retro infamia est: quamvis si iujustu appellatio ejii.s visa sit, hodic notari pulo,
non retro notatiir. l\'lp. I. C § I I). de his qui not. (111, 2).
Si quid uutem in ugendo licgotio minus se adlegassc litigator ercdiderit, quod in
judicio aeto fuerit omissnm, apud eum qui de appellatione cogiioscit persequatur,
cum votum gerentibus uobis aliud nihil in judiciis quant justitiam locum habere
debcre necessaria res t\'orte transmissa non cxeludenda vidcatur, Diocl. et Maxim.
I. 6 § 1 C de appell. (Vil, (12;.
Door de invoering van het appel is het begrip der rechtskracht (zie
hierboven § 115) eenigermate gewijzigd en te onderscheiden van de
geldigheid van het vonnis. Terwijl toch vroeger elk geldig vonnis rechts-
kracht had, is het nu mogelijk, dat een vonnis geldig is en toch niet
heeft de werkingen der gewijsde zaak, omdat het nog vatbaar is voor
hooger beroep.
§ 119. HERSTEL IN DEN V0KIOEN TOESTAND.
Herstel in den vorigen toestand (in integrum restitutio) is een buiten-
gewoon, diep ingrijpend rechtsmiddel (ejtraordinarium au.rilium), waar-
mede de praetor dengene, die met toepassing van den rechtsregel
aanmerkelijk is benadeeld, te hulp komt, wanneer er, blijkens een
bijzonder daaromtrent ingesteld onderzoek, uit een oogpunt van billijk-
heid, gegronde reden bestaat om die bonadeeling op te heffen. In
tegenstelling van andere rechtsmiddelen, waardoor eveneens bestaande
rechtsbetrekkingen worden opgeheven en vroegere hersteld (bijv. actio
dolt, actio me/us, actio redhibiluria)
, kenmerkt zich de in integrum
restitutio
hierdoor, dat bij haar alles afhangt van het oordeel der Over-
heid, die beslist, of, alle omstandigheden in aanmerking genomen, her-
stel in dit concrete geval billijk en doelmatig is te achten.
In de eerste plaats wordt vereischt, dat er zij schade, die niet eene
geldelijke behoeft te zijn, hetzij ten gevolge van eene handeling of van
-ocr page 305-
289
een verzuim, hetzij bestaande in een werkelijk verlies of in eeno winst-
derving. Voorts moet er eene bijzondere roden aanwezig zijn, die de
Overheid noopt, aldus in te grijpen in bestaande toestanden.
Volgens het edict van den praetor kan in inlegrum restitutio verleend
worden wegens minderjarigheid — het meest voorkomende en daardoor
meest ontwikkelde geval — en verder wegens dwang, bedrog, dwaling,
verzuimen vooral ten gevolge van afwezigheid, capitis dcminutio minima
van den schuldenaar.
Non umnia, quae minorcs tuinis viginti quinque gcruiit, irrita simt, sed ea tantum,
<iuae causa cognita ejusmodi deprehensa sunt, vel ab aliis eircumvonti vel sua faeili-
tate dccepti uut quod hubitcriuit amiserunt, aut quod adqnirere emolumentum po-
tuerunt omiserint, aut se oneri quod non suscipere licuit obligaverunt. Ulp. 1. 44
D. de minor. (IV, 4).
Et sive qnid umiseiit vel lucratus non sit, restitutio facienda est, ctiamsi non ex
bonis quid amissum sit. Paul. 1. 27 D. ex quib. caus. maj. (IV, G).
l\'tilitas li«jus tituli non eget commendatione, ipse enim se ostendit. Nam sub hoe
titulo plurifariam praetor liominibus vel lapsis vel circumgeriptis subvenit, sive tnetu
sivc cnlliditatc sive aetate sive absentia inciderunt in captionem, Ulp. 1. 1 I). de
I. 1. R. (IV, 1).
sivc per status mutationem aut justum errorem. Paul. 1. 2 D. eod.
Omncs in integrum restitutiones causa cognita a praetore promittuntur, scilicet ut
justitiam earum causariim examinet, an verue sint, quarum nomine singulis subvenit.
Modest. 1. 3 D. eod.
Al zijn echter deze vereischten aanwezig, zoo wordt toch geen herstel
verleend, wanneer het gemeene recht een middel aan de hand geeft om
de schade af te weren; of wanneer de geleden schade naar verhouding
geringer is dan die, welke door de restitutie aan derden zou worden
berokkend; of wanneer de schade een gevolg is van eigen schuld of van
een toeval, dat ieder ander eveneens had kunnen treffen en dus niet
van den bijzonderen toestand, waarin de benadeelde verkeerde; of wan-
neer liet herstel het crediet van den daarbij betrokken persoon zou be-
nadeelen en hem dus eene schade toebrengen, grooter dan die waartegen
herstel wordt gezocht; of wanneer het betreft de gevolgen van een begaan
misdrijf of een gepleegd bedrog.
In cnusac cognitione etiam hoc versabitur, num forte alia actio possit compctcrc
citra iu integrum restitutioncm. Nam si eommiini uuxilio et mero jure munitus sit,
non debet ei tribui oxtraordin.irium auxilium: ut puta eum pupillo contractum est
sine tutoris auctoritatc nee locupletior Cactus est. Ulp. 1. lfi pr. D. de minor. (IV, 4).
Scio illud a quibusdam observatum, ne pro]>tcr satis minimam rem vel summum,
si mnjori rei vel summae praejudicetur, audiatur is qui in integrum restitui postulat.
Callistr. 1. 4 I). de I. I. I!. (IV, 1).
Non enim ncglegentibus snbvenitnr, sed neeessitate rerum impcditis. Totumqiie
istud arbitrio practoris tomperubitur, id est ut ita demum restituat, si non negle-
gentia, sed temporis angustia non potnerunt litem eontestari. 1\'aul. 1. 16 D. ex quib.
caus. maj. (IV, (i).
Is, qui rei publicae causa abest, in aliqua re laesus non restituitur, in qua, etiamsi
rui publicae causa non afuisset, damnum erat passurus. Paul. 1. 44 D. eod.
Item non restituetur, qui sobrie rem suam administrans occaaione damni non incoii-
sulte accidentis, sed fato velit restituii nee enim cventus damni restitutionem indulget,
Ham. recht. I, 2e druk.                                                                                     19
-ocr page 306-
2Ü0
sed inconsulta t\'ucilitas. Kt ita et 1\'omponiiis libro vicensimo uctavo scripsit. Undc
Marccllus apud .lulianum notat, si minor sibi servum necessarium comparaverit, mox
decesserit, non debere eum restitui: neque enim captns est emendo sibi rem pcr-
necessariam, licet mortalem. I\'lp. 1. 11 § 4 ]). de minor. (IV, 4).
Xon semper autem ca, quae eum minoribus geruntnr, rescindenda simt, sed ad
bonum et aeijunm redigenda sunt, ne mogno incommodo linjus aetati* hoinincs
adfleiantur nemine cnm his contrahente et quodammodo eommercio eis interdicetur.
Itaquc nisi aut manil\'csta ciicumscriptio sit aut tam ncglegcnter in ea eausa versati
sunt, praetor interponcre se non debet. Paul. 1. 24 § I I). cod.
Nunc videndum minoribus utrum in conti actibus captis dumtaxat subveniutur, an
etiam dulinqucntibus: ut puta dolo aliquid minor fecit in re deposita vel cuminodata
vel alias in contracta, an ei subvoniatur, si nihil ad eum pervenit? Et placet in
dclictis minoribus non snbveniri. Nee hic itaque subvenietur. Nam et si furtum fecit
vel damnum injoria dedit, non ei subvenietur. Sed si, cnm ex damno dato confitcri
possit ne dupli teneatur, maluit negare: in hoc solnm restituendus sit, ut pro con-
fesso habeatur. Krgo et si potuit pro fure damnum dceidere magis quam actionem
dupli vel quadrupli pati, ei subvenietur. Tip. 1. 9 § 2 D. eod.
Wijders is de in integrum restilutio uitgesloten in enkele bijzondere
gevallen. Zoo wordt bijv. geen herstel verleend tegen eene dertig- of
veertigjarige verjaring, tegen verkoop door den fiscus van het goed zijner
schuldenaren of tegen eene verleende vrijheid.
In het algemeen wordt zeer veel overgelaten aan de discretionnaire
macht van den praetor.
Praetor edicit: „Quod eum minorc quam viginti quinque annis natu gestttm esse
diectur, uti quaeqtic res crit, animadvertum." l\'lp. 1. 1 § 1 D. de minor. (IV, 4).
Het herstel moet, door den benadeelde of door zijne opvolgers, worden
gevraagd bij den praetor resp. den praeses prorhiciae of proconsul, en
wel binnen een bepaalden termijn, oudtijds een annus utilis, volgens
Justinianus een quadrienniutn continuüm, te rekenen van het oogen-
blik, waarop de bijzondere toestand, die aanleiding geeft om herstel te
vragen, heeft opgehouden te bestaan.
De restitutio werkt onpersoonlijk of persoonlijk, naarmate het recht,
waarvan herstel wordt gevraagd, een absoluut of een relatief karakter
heeft. Bij verbintenissen uit. overeenkomst kan echter de benadeelde,
wanneer hij geen verhaal heeft op de wederpartij of haren opvolger, ook
derden aanspreken, die in het bezit zijn van hetgeen hij heeft verloren.
De restitutie wegens dwang werkt altijd onpersoonlijk.
Intcrdum autem restitutio et in rem datur minori, id est ad versus rei ejus nosscs-
sorem, licet eum eo non sit contractum. Ut puta rem a minore emisti et alii vendi-
disti: potest desiderare interduin adversns possessorem restitui, ne rem suam perdat
vel re sua careat, et hoc vel cognitionc practoria vel rescissa alienatione dato in rein
judieio. I\'omponius quoque libro vicensimo octavo scribit Labeoncm existimasse, si
minor viginti quinque annis fundiim vendidit et tradidit, si emptor riirsus eum alie-
navit, si qtiidem emptor sequens scit rem ita gestam, restitutionein adversus eum
faciendam: si ignoravit et prior emptor solvendo esset, non esse faciendam: sin vcro
non esset solvendo, acquius esse minori succurri etiam adversus ignorantem, quamvis
bona tide emptor est. l\'lp. 1. 13 § 1 I). de minor. (IV, 4).
Het gevolg eener verleende in integrum restitutio is, dat partijen zoo-
veel mogelijk worden teruggebracht in den toestand, waarin zij waren,
-ocr page 307-
201
vóórdat het feit plaats greep, waardoor de benadeeling is veroorzaakt.
Terwijl dus de benadeelde van aangegane verbintenissen wordt bevrijd
en vervreemde zaken met hun toebehooren alsmede verloren rechten en
bevoegdheden terugkrijgt, moet hij van zijn kant ook aan de tegenpartij
alles teruggeven wat hij heeft verkregen, voor zoover hij dat nog in
zijne macht heeft.
1\'upillis, quos placuit uncribus hcreditariis esse libcrundos, confusas actioncs restitui
oportet. Papin. 1. 87 § 1 I). de A. v. O. H. (XXIX, 2).
Si minor unnis viginti ((iiiTKiue sine causa debitori acceptum tulerit, non solum in
ipsum, scd et in (idejussorcs et in pignorn actio restitui debet. Et si ex duobus reis
alteri acceptum tulerit, in utrumque restituenda est actio. — Ex hoc intellegimus,
si dumnosam sibi novationem fecerit, forte si ab idoneo debitore ad inopem novandi
causa transtulerit obligationem, oportere eum in priorem debitorem restitui. Gajus
1. 27 § 2, § 3 I). de minor. (IV, 4).
Item ei, qui per eaptivitatcm fundi possessionem vel ususfructnsquasipossessionem
amisit, succurrendum esse 1\'apinianus ait, et frnctus quoque medio tempore ab alio
ex nsu fnietu perceptos debere captivo restitui aeipmm putat. Ulp. 1. 23 § 2 D. ex
quib. caus. maj. (IV, 6).
Restitutio autein ita facienda est, ut unuJquisquc integrum jus suum recipiat. Itaquc
si in vendendo fuiido circumscriptus restituetur, jubeat praetor emptorem fiindum eum
fructibus reddere et pretium recipere, nisi si tune dcderit, eum eum perditurum non
ignoraret: sicuti facit in ea pecunia, quue ei consumpturo creditur, scd parcius in
venditione, quia acs alienum ei solvitur, quod facere neecsse est, credere autem non
est necesse. Nam et si origo eontraetus ita constitit, ut inlirmanda sit, si tarnen
nccesse fuit pretium solvi, non omnimodo emptor damno adticiendus est. 1\'aul. 1. 24
§ 4 I). de minor. (IV, 4).
.....I\'lane qui post aditam hereditatem restituitur, debet praestare, si quid ex
hercditate in rem ejus pervenit nee periit per aetatis inbecillitatem. l\'lp. 1. 7 § 5 D. cod.
De in integrum restilutio is een middel, dat krachtiger werkt en verder
reikt dan de gewone rechtsmiddelen. Juist daarom geeft men het niet
wegens elke benadeeling en zorgt, dat de belangen van derden niet te
veel worden getroffen, opdat de schade die men door de in integrum
restitutio
wil opheffen, niet worde opgewogen door de schade, die er
door zou worden veroorzaakt.
Scaevola noster ajebat: si quis juvenili levitate duetus omiserit vel repudiaverit
hereditatem vel bonorum possessionem, si quidem omnia in iutegro sint, omnimodo
audiendus est: si vero jam distracta hercditate et ncgotiis linitis ad paratam peennium
laboribus substituli veniat, repellendus est: multoquc parcius ex hac causa heredem
minoris restitiiendum esse. 1\'aul. 1. 24 § 2 D. de minor. (IV, 4).
Si minor unnis, posteaquam ex parte hcres exstitit, in integrum rcstittitus est,
divus Seveius eonstituit, ut ejus partis oims eoheres suscipcre non cogatur, sed
bonorum possessio ereditoribus detur. Macer 1. <!l I). de A. v. O. II. (XXIX, 2).
§ 120. MIDDELEN TOT BEWARING VAN RECHTEN BUITEN TROCES.
Het Romeinsche recht kent vele middelen om ook buiten proces rechten
te verzekeren en te beveiligen. Met het oog op de vele vormen en het
strenge actiën-stelsel zijn ze juist daar bijzonder noodig.
-ocr page 308-
292
De bedoelde middelen strekken of
1°. om eene mogelijke betwisting te verijdelen door het bewijs te
waarborgen, of het bestaan en den omvang eener zwakke of twijfelachtige
verplichting boven allen twijfel te verheffen; daartoe dienen vooral sti-
pulaties (verg. ook hieronder § 188 a. h. e.); of
2°. om eene bestaande verplichting krachtiger te maken door den wil
van den verbonden persoon sterker te binden: eed, straf beding; of
3°. om den rechthebbende te beveiligen tegen feitelijke belemmeringen,
waarop de uitoefening van zijn recht zou kunnen afstuiten, met name
tegen onvermogen van den schuldenaar door borgstelling of pand, of
tegen verduistering van goed door sequestratie (zie hieronder § 18G) of
missio in possessionem.
Practoriarum stipnlationnm tres videntur esse species, judiciales oautionales com-
munes. — Jndiciales eas dicimus, <[iiae proptcr judicium interponuntur ut ratum fiat,
ut judicatum solvi et ex opcris novi nuntiationc. — Cautionales sunt autem, (juac
instar actionis hubent ot, ut sit nova actio, intcrecdunt, ut de legatis stipulationes
ut de tutela et ratam rem habcri et damni infecti. — Communes stuit stipulationes,
ijuac fiunt judicio sistendi causa. — Kt sciendum est omnes stipulationes natura sui
cautionales esse: hoc enim ngitur in stipulationibus, ut ([uis cautior sit et securior
interposita stipulatione. — Stipnlationnm istarum practoriarum iiuaedam simt, tjuuc
satisdationem exigunt, iiuaedum nudam reproinissionem: sed perpaucac sunt, (juae
undam promissionem habent, ciuibus ennmeratis apparebit eeteras non esse repro-
missiones, sed satisdationes. I\'lp. 1. 1 pr. — § 5 J). de stip. praet. (XXXXVI, 5).
„Cautum" intellegitur, sive personis sive rebus cautum sit. Paul. 1. 188 § 1 D. de
V. S. (L, 1G).
Plus cautionis in re est qitam in persona. Pomp. 1. 25 I). de It. J. <L, 17).
Tres fere cansae simt, ex cpiibus in possessionem mitti solet: rei servandae causa,
item lcgatorum servandorum gratia et ventris nomine. Damni enim infecti nomine si
non eaveatur, nou in universorum nomine fit missio, sed rei tantum, dciiua damnum
timetur. I\'lp. 1. I I). quib. ex eaus. in poss. (XXXXII, 4).
Cum lcgatorum vel tideicommissi servandi causa, vel cjuia damni infecti nobis non
eaveatur, bona possidere practor permittit, vel ventris nomine in possessionem nos
mittit, non possidemus, sed magis custodiam rerum et observationem nobis eoncedit.
Pomp. 1. 12 D. cod.
Tot beteren waarborg voor de nakoming eener verplichting is aan
sommige personen de bevoegdheid toegekend, eene zaak van hun schul-
denaar, die zij onder zich hebben, zoolang te houden, totdat eene hun
toekomende aanspraak is bevredigd (recht van terughouding of retentie,
zie hieronder § 213 a. h. e.).
Eindelijk is, in vele gevallen, ter voorkoming van toekomstige be-
twisting, aan bepaalde personen de verplichting opgelegd, om een
inventaris op te maken van de goederen die zij onder zich hebben en
verplicht zijn later terug te geven of te verantwoorden.