-ocr page 1-
Vak 61 W \' ^
tvnACHTDADIC
BEKEEF »c
en overbrenging uit he*              Cp
VA                       ^
ELIZABE" fi
medegedeeld ir ~W             O , door
*>±*
UIT £* d? ^ ERTAALD
•
I
& &
<fy & JC N WOERDEN
4? *& ~
KDAM. — GEBR. HUGE.
49^
, \'t •
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Vak 61
KRACHTDADIGE
BEKEERING
en overbrenging uit het Roomsche geloof
VAN
f
ELIZABETH MORTON,
medegedeeld in een briefwisseling door
WILLIAM HUNTINGTON.
UIT HET ENGELSCH VERTAALD
DOOR
BERNHARD VAN WOERDEN
BI RL. CO NV.
------S^rfr^rr.------
w u c i ::; n g
ROTTERDAM. — GEBR. HUGE.
W. FytfU
Gssthuislöan 229
3g> 3EE li a^ÊD»
-ocr page 4-
-ocr page 5-
BRIEF
aan den Heer HUNTINGTON.
Mijnheer!
Ik denk, dat u het als eene zeer buitengewone O
zaak zult beschouwen, dat jeji streng Katholiek de ,
pen opneemt om u over het~stuk van den godsdienst
te schrijven. Van mijn jeugd af tot nu toe zijn Gods
leidingen zeer wonderlijk met mij geweest. Op dit
oogenblik ben ik onder groote zielsangsten door
middel van uwe uiterst krachtige en treöende wy\'ze
van prediken. Daar ik eerst door nieuwsgierigheid
gedreven om u te hooren de regels der Katholieke
kerk overtreden heb, zoo vind ik het noodzakelijk
u mijne voornaamste bevinding en mijne tegen-
woordige denkwijze over de leerstellingen van den
godsdienst mede te deelen. Ik verzoek u den inhoud
hiervan niet publiek te maken, ofschoon ik God
gebeden heb, dat Hij myne pen op dit oogenblik
wil besturen, opdat ik niets moge schrijven, dan
Ov
hetgeen ik krachtdadig ondervonden heb, dat Hij u
moge onderrichten in een antwoord op dezen en
het geheel met Zijnen zegen moge bekroonen.
Ten Eerste: Myne bevinding op veertienjarigen
leeftijd werd ik van de kostschool genomen, waar
ik gedurende zeven jaar op geweest was. Daar myn
vader een vroom man was, en wy\' vele jaren achter•
1
een den Heer R ... ne gehoord hadden, zoo gingen
wy, gehoorzaam aan Zyn bevel, bestendig onderzijn
gehoor op. In deze dagen mocht ik gaarne van plaats
•
-ocr page 6-
4
tot plaats rondzwerven, ofschoon ik dikwils sterke
overtuigingen van zonde had, zooals ik dacht met-
veel godsvrucht vermengd, als om dagelijks, wan-
neer ik alleen was te gaan bidden, zoo vele ka-
pittels in den Bijbel te lezen, enz. hetwelk naar ik
dacht Gode aangenaam zou zijn. De verkiezing was
mrj echter een struikelblok, en in het bijzonder her-
inner ik mij éénen tijd, hoezeer deze leerstelling op
mijn gemoed gedrukt werd, zoodat ik dacht, dat
het met Gods barmhertigheid niet bestaanbaar was.
Ik werd zeer beperkt in mijn vrijheid gehouden,
totdat ik de beste der ouders verloor, waardoor ik
in eenen afhankelijke staat kwam. Gedurende dezen
tijd echter kreeg ik meer licht in de leerstellingen
van hetgeen men Methodisme noemt, en had bij
tijden een sterk verlangen naar den hemel en de
heerlijkheid. Ik schepte er vermaak in onder het
Woord te zitten en dikwijls scheen het mijne ziel
ten zegen.
De eerste maal, dat ik de wereld inging was als
onderwijzeres aan eene kostschool in Noord "Wales.
Mijne gewoonte was om voor God te treuren over
de drooge zedelijke gesprekken, die ik dikwijls ver-
plicht was bij te wonen.
Dit duurde byna twee jaar; ik ondervond toen
zulk eene koudheid en doodigheid omtrent God en
tot mijne groote schaamte en schande onderzocht
ik ook zelden de Schriften. Ik kwam te Londeu en
nam daar spoedig deel aan elke uitspanning, die
de wereld onschuldig noemt. Gedurende dit tijdperk
kwatu ik byna iederen Sabbath onder de bediening
van mijnen broeder. Ik had aanhoudende conscientie
wroegingen, dat Gods Zegen mijne werkzaamheden
niet kon bekroohen. Ik was zeker dat zijn vloek
mij moest treffen, hetwelk mrj bij overdenking zeer
smarte. Somtijds werd ik echter bekwaamd mijn
-ocr page 7-
5
hart voor God in het gebed uit te storten, en Hem
te smeeken mij mijne zonden van mijn afgelegd,
leven te vergeven, door de verdiensten van Christus
mijnen Zaligmaker. Ach, mijnheer, wat zijn wij, als
wij één oogenblik aan ons zelven overgelaten worden,
en hoe zijn wij van nature geneigd totJhetkwade!
Genade zij de eer voor eenen gekruisten Verlosser.
Daar ik nu in waarheid denk, dat elke goede be
geerte van God komt, daar Hij de werkmeester van
het goede en niet van het kwade is, zoo geloof ik,
dat God gedurende dit gedeelte mijns levens een
werk der genade aan mijn hart begon, want ik had
vele tranen gestort van wege de zonde en had dik-
wijls overdenkingen over de uiterste ijdelheid der
tijdelijke en zinnelijke vermaken. Als ik mij in
mijne kamer terugtrok, nadat ik naar een bal of
concert geweest was; dan was mijne gedachte: Ach 1
dit is tijd vermoorden, het genot dezer vermakin-
gen strekt slechts tot verderf mijner ziele ! welke
ware voldoening kan er in dit alles zijn ! het is een
zoeken naar geluk, waar het onmogeiijk gevonden
kan worden.
Ik had vele betrekkingen in uitzicht, maar de groote
zwarigheid was, dat ik de Fransche taal niet kende
Dit bracht mij er toe voor korten tijd naar Frank-
rijk over te steken, om dezelve zoodoende machtig
te worden. Door de overreding van eenige vrienden
bracht ik dezen tocht ook ten uitvoer, terwijl zij mü
vele waarschuwingen mede gaven om hlêt Roomsen
Katholiek te worden. Ik was werkelijk geraakt als
eenig persoon zulk soort van gedachte opperde.
Ik ging naar een klooster, waar ik gedurende acht
maanden hunne aanmerkingen en vormelijke gods-
dienst met verachting beschouwde, (want toen dacht
ik er zoo over). Ik dacht dat ik door Gods genade
mijn geloof, waarin ik opgebracht was, en waaruit
-ocr page 8-
6
ik ook veel vertroosting geput had nooit zou ver-
loochenen. Vele malen zeiden ze tot mij: „Gij wilt
ons zekerlijk allen tot Methodisten maken. Eenige
gingen zoo ver, om te beweren, dat ik de gave der
openbaring had, omdat ik bij alle gelegenheden
schriftuur plaatsen aanhaalde, en mijnen Bijbel meer
gebruikte, dan eenig ander boek. Ik was in zekere
mate bevooroordeeld tegen hen, en bad God dikwijls
dat Hij hunne duistere harten mocht verlichten,
Zich aan hen in Zijnen Zoon openbaren, opdat Chris-
tus, en Hij alleen in hunne harten verheven mocht
worden. Ik bad, dat zij de Schriften onderzoeken
mochten, en spoedig uit deze Egyptische duisternis
verlost worden, opdat zij even als Jacob van ouds
met God zouden worstelen, tot zij de zegen verkre*
gen, en Hem de eere geven Zijnen naam ver-
schuldigd.
Gedurende dezen tijd, mijnheer! was ik bij God
aanhoudend klagende over de vele denkwijzen,\'die
op aarde waren, en toch, zeide ik, is er maar één
levende en waarachtige weg ter Zaligheid, namelijk
Christus Jezus, onzen Heere. Ik dacht dat er vele
vroome lieden, van verschillende denkwijzen kon-
den zijn, die niet verdoemd konden worden, omdat
God gezegd had, dat van allen een overblijfsel zou
behouden worden, en dat niemand, die in den Name
Jezu tot Hem kwam, buitengeworpen zou worden.
Ik wist, dat ik dit gedaan had, en veronderstelde
daarom, dat mijn staat goed was. Als vroeger, oor-
deelde ik nu niet meer, dat iemand verloren was,
als hy met mij in de saken des geloofs verschilde.
Mijn gemoed kreeg vele verontrustende in druk-
ken, want ik begon er aan te twijfelen, of ik wel
in het pad was, dat naar de eeuwige gelukzalig-
heic leidt, en als ik de zaak nauwkeurig begon te
onderzoeken, dan hield ik er van mijnen godsdienst
-ocr page 9-
>
7
na te gaan van af den tijd, dat Onze Zaligmaker
op aarde geweest was. Mijne gedachte was altijd:
„Veronderstel eens, dat ik toch nog in eene dwa-
ling verkeer, en dat het God behaagd heeft mij hier
ten goede mijner ziel heen te zenden; opdat het
zien van zulk eene aanhoudende beoefening der
strikste vroomheid nog een middel zijn mocht om
mij aan de iiefde van deze wereld te spenen, die
liefde van deze verdwijnende vermaken, waarvan
ik de ongepastheid wel zag, maar toen geen kracht
had ze weerstand te bieden, ofschoon God dikwijls
gezegd had: „Gaat uit het midden van haar en scheidt
u af."
Ik begon toen duidelijk te zien, dat alles op
aarde maar eene schaduw was, en alles zonder we-
zenlykheid, en daar ik van nature eene ernstige ge-
aardheid had, zoo dacht ik ten laatsten, dat hetle-
ven het bezit niet waard was, tenzij men het geheel
overgaf aan den dienst van Hem, wiens dienst vol-
maakte vrijheid is. Ik bad vuriger dan ooit om de
leiding en bescherming der Voorzienigheid. Ik ver-
langde geen leven dan om ter Zijner eer te leven.
Ik werd zeer vertroost door de krachtige toepassing
van vele schriftuurplaatsen, zulke als. „Ik heb u
liefgehad met eene eeuwige liefde," daarom heb ik u
getrokken met goedertierenheid." Ik zal u niet begeven,
noch ik zal u nitt verlaten,"
en velen hieraan gelijk,
ook deze: „Gij kunt geen twee heeren dienen." Die
niet alles verlaat en mij navolgt kan mijn discipel
niet zijn." „Zoo wie dan een vriend der wereld wil
zijn wordt een vijand Gods gesteld,
enz. Inderdaad
zal ik deze tijden nimmer vegeten, wantikbemin-
de God met geheel mijn hart, en werd zeer gedood
aan alles, dat zijnen goddelijken, wil tegenstond,
alle wereldsche gesprekken werden mij werkelijk
en in waarheid tot een last, want ik wist, dat
God in alles wat ik zeide of deed bij mij tegen-
-ocr page 10-
pro?
8
woordig was; en dat Hó\' de binnenste schuilhoeken
mijns harten doorzocht, temeer daar Paulus gezegd
heeft: „ Wat gij doet, doet het al ter eere Gods."Alleenlijk
wandelt waardiglijk den Evangelium Ghristi"O,hoe
smartte het mijn harte en hoe verlangde iktewe-
ten of ik tot mijne eeuwige gelukzaligheid Roomsch
moest worden! God heeft beloofd; „alles wat gij
zult begeeren in den geloove, geloovenden, zult gij ont-
vangen."
Ik begeerde licht van boven, en dacht, dat
ik het ten dien tijde ook ontving, want ik begon
duidelrjk te zien, dat alles op aarde slechts ijdelheid
en kwellinge des geestes was. Die vermaken, waar
ik eertijds mrjn lust in had waren mij nu tot wal-
ging. Ik wenschte te zoeken naar een koninkrijk
niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen."
Maar boven alles wenschte ik dat Christus de hope
der heerlijkheid door het geloof in mijn hart mocht
wassen, en dat elke afgod daar om zijnent wille
uitgeroeid mocht worden. Om kort te zijn, mijn-
heer, wat ik toen gevoelde is niet uit te druk-
ken, en ook zijn deze indrukken mij immer brjge-
bleven; zij zijn nu nog zoo sterk als ooit.
Eindelijk stemde ik er in toe om goed onderwe-
zen te worden in de leerstellingen van het Katho-
lieke geloof, en het volgende werd mij gedurig
voorgehouden namelijk: „Dat er slechts ééne heilige
Katholieke kerk was, waar buiten niemand zalig
kon worden. „Wacht u! zeiden zij," voor het ver-
zuimen der middelen, die God ingesteld heeft, want
zoo gij zijne genade tegenstaat, zal h6t spoedig voor
u te laat zijn, en als gy in ketterij blijft volharden
zult gij voor eeuwig verdoemd worden. Hoe kan
dat zijn, zeide ik, als Christus gestorven is vooral
degenen, die in waarheid zich bekeeren. Niemand
kan een ander fondament leggen dan Hem, op wien
ik rust voor zaligheid door Zijnen dood en zrjn lijden.
:-*
• -
-
-ocr page 11-
9
Ik bouw mijne hoop op den pilaar der waarheid,
want Hy heeft gezegd : Want voorwaar mijne woorden
zullen geen valschheid zijn."
Daar Hy\' God is kan Hy\'
niet liegen, eu daarom zoolang ik in eene nederige
en bestendige afhankelijkheid van Hem leef; zoolang
ik door dit leven een oog op Zy\'ne heerlijkheid ge-
slagen houdt; geheel op Hem ter zaligheid vertrouw
en op niemand anders; waarin zou ik dan kunnen
dwalen ?
Deze Mijnheer, en vele andere gesprekken van de
zelfde soort, voerden wij. Toen werd de priester by\'
mij aangediend. Wij hielden lange redeneeringen,
maar zij leidden tot niets. Op zekeren dag de kortheid
des ty\'ds, de onmetelijkheid der eeuwigheid, en het
gewicht der ziel overpeinsende begon ik duidelyk het
gevaar van my\'nen natuurstaattezien,terwylmy\'ne
zonden my\' zoo zwart als de Satan voor kwamen.
Ik dacht werkelyk, dat indien de rechtvaardige nau-
welijks zalig wordt, waar zal zulk een heiwaardig
ellendeling als ik verschynen! dat indien wij reken-
schap moeten geven van elk ydel woordt, wat zal
ik dien dag van mij worden ! Ik dacht, dat God
my\'ne ziel deze nacht kon opeischen, en hoe was
ik bereid! wy waren vermaand ons heden te bekee-
ren, terwy\'1 het heden genaamd werd, opdat des
Heeren toorn niet tegen ons zou ontsteken, en Hij ons
voor eeuwig van Zijne tegenwoordigheid verbannen.
In deze staat was ik zeer ellendig en ondervond
dat myne zonden een last voor mij waren by\'na te
zwaar om te dragen. Alles wat ik verlangde was
om alles te verlaten, myn kruis op te nemen en
Christus te volgen, hetwelk de eenige weg naarde
eeuwige gelukzaligheid was, en zocht ik het in Gods
weg, dan zou ik het tot troost myner ziel ook vin-
den. Hunne bewysredenen waren krachtig. Ik was
verzekerd, dat Luther en Calvyn. twee groote be-
-ocr page 12-
driegers, de autheurs mü\'ner belüdenis waren. Vele
>< *•»• van de verschrikkelijkste vervloekingen werden door
deze lieden tegen al degenen uitgesproken, die het
Roomsen Katholieke geloof niet erkenden als de
ware en eenige godsdienst door onzen Zaligmaker
ingesteld. Al die overtuigingen en aantijgingen had-
den ten dien tijde niet de minste uitwerking op mij,
want ik hield Gods Woord vast, hetwelk mij als
eene muur van vuur scheen te omringen, om mij
voor zulke beginselen te behoeden. Ter dier tijd ge-
voelde ik dat de Heilige Schrift als het Zwaard des
Geestes was en als een krachtig wapen in mijne
hand.
Maar om kort te gaan. Na dit alles, door eene
grondige kennis van hunne leerstellingen, en eene
aanhoudende conscientie beschuldiging, dat ik in
eene hervormde dwalende godsdienst opgevoed was,
en dat God slechts de Stichter van deze gevestigde
; Kerk zijn kon, en ook omdat ik nooit eerder ergens
zulk eene schijnbare godsvrucht gezien had,zoobe-
sloot ik bet Roomsen Katholieke Geloof te omhel-
zen, op deze twee voorwaarden: Ten Eerste: dat ik
den Bijbel niet behoefde over te geven, namelijk in
de handen der priesters, en alzoo van het gebruik
van Gods "Woord beroofd worden. Ten tweede: dat
ik niet tot de Maagd Maria behoefde te bidden ; aan
alle andere zaken kon ik mij onderwerpen, daar zij
uit de Schrift bewezen waren, maar dit laatste kon
ik niet. De priester deelde mij mede, dat het aan-
bidden der heiligen, enz, geen vast artikel van hun
geloof was; in Gods Woord werd het slechts aan-
bevolen, waarvan ik u mijnheer, dadelijk een bewijs
zal geven. Wat den Bijbel betreft, dit heeft mij zeer
veel leed gedaan, want zou u het willen gelooven
• en tot mijnen spijt moet ik het zeggen ,dat hij de-
zelve van mij wenschte af te nemen en ook elk
-ocr page 13-
•(ti l etc » •/& -"         „vi.,
. _______ .
middel tot dit doel in het werk stelde. Ik zeide echter
kortaf tot hem, dat er vele groote en dierbare be-
loften in dat Boek gevonden werden, die niet in
andere boeken te vinden waren; dat ik in den inhoud
daarvan meer troost gevonden had, dan in de door-
luchtigste schrijvers. Buitendien was het Gods Woord
ons tot een getuigenis gegeven, en wij waren uit-
drukkelijk bevolen de Schriften te onderzoeken, en
ook gebood God door Mozes aan allen om de Heilige />
Schrift te lezen en te verstaan. In \'t kort. ik wilde
dezelve volstrekt niet overgeven, maar wilde in
plaats er van ieder ander boek afstaan, want, zeide
ik, waaruit kunt u bewijzen, dat God van ons ver-
langt Zijn Woord overtegeven ? Neen, mijnheer, zeide
ik; liever zou ik mijn leven overgeven; spreek daarom >>j
over dat onderwerp niet meer, want ik zal met het
lezen er van voortgaan, waarheen ik ook ga. Veel
ging er in mij om en deed mij ontstellen, als ik
bedacht, dat hunne godsdienst ons in duisternis
wenschte te houden. Dit voorrecht werd mij toege-
staan (want er was niets aan te doen) en door geheel
het klooster werd hierover als eene mirakuleuse
gebeurtenis gesproken. Heerlijkheid zij die genade,
die in mrj deze gedachten werkte, want sedert dien
tijd heb ik er de troost van ondervonden. Nochtans
vind ik dat alle Roomsche priesters niet even streng
in dit opzicht zijn. Nu zal ik u eene omstandigheid
meedeelen, die u van het tegendeel zal overtuigen,
maar ten dien tijde deed ik mijn uiterste best dit
kostelijke Woord in mijn bezit te houden, en loofde
God naderhand dat ik de overwinning behaald had.
Ik was zoo ingenomen met de Zendbrieven van
Paulus. dat ik door het geheele klooster bij den naam \'
van dien Gods Man volkomen bekend was, en dik-
wijls dreigde ik op eene schertsende wijze, mijnen
naam in den zijnen te veranderen, wanneer ik even-
. •—"
-ocr page 14-
12
als een hunner non werd. Want als deze nonnen
den sluier aannemen veranderen zij hunnen naam
in dien van den een of anderen heilige. Nochtans
is het waar, dat mijne verlangens naar het klooster- »
leven zoo toenamen, dat ik niet langer mij zelven
zou zijn, maar ik wenschfe mij met ziel en lichaam
als eene offerhande aan God op te dragen. Dikwijls
zeide ik met Job: „Ik verlang naar den dood,maar
zij is er niet, en graaf daarna meer dan naar de ver-
borgene schatten.
Ik werd moede van alle aardsche
zaken, want ik verlangde met Christus tezijn,het-
welk mij verreweg het beste dacht. Deze verlangens
werdun hoe langer hoe sterKer. Ik dacht, dat de
veiligste weg om mij onbesmet van de wereld te
houden was, door Gods genade geheellijk van de-
zelve uit te gaan en mijn aangezicht naar «ion te
richten, want mijn oprecht oogmerk en doel, mijn-
heer, was eenvoudig, om mij met hart, mond en
leven geheel aan God over te geven en Hem in alles
en door alles als het hoogste goed te beminnen.
Toen dacht ik, hoe kan dat in de wereld gedaan
worden? Trouw ik, dan zal God niet dat volkomen
bezit van mijn hart hebben, dat ik wensch, en ook
kan ik mij dan niet zoo onherroepelijk aan Zijnen
dienst overgeven.
De beslommeringen, zorgen en beproevingen die
in de wereld niet te vermijden zijn, zullen zeker
die volkomene gemeenschap met God, waar ik zoo
vurig naar haak, beletten. Maar dacht ik toen, God
heeft gezegd: Laat uw licht alzoo schijnen voor
de menschen opdat gij uwen Vader, die in de hemelen
is moogt verheerlijken."
Toen wenschte ik te leven
als of God en itc alleen op de aarde waren ; om mijne
oogen te sluiten en mijne ooren toe te stoppen voor
alles, dat niet van Hem was; om zijn huis aan-
houdend te bezoeken en bestendig tot het sacrament
-ocr page 15-
\\
1
18                                        , .v
te naderen. Hoe kon dit in de wereld geschieden
en meer bijzonder in eenen afhankelü\'ken staat?
Ik bad God dat hij mrj bekwamen wilde om tot
Zijne eer en het goede mijner ziel te besluiten,
Gedurende dezen t.yd, mijnheer, bezat ik geene
middelen om mij in dezen stand van leven te ves-
tigen, maar ik was goed overtuigd, dat indien mijne
wenschen goed gegrond waren, en God mü deze
<
roeping gegeven had, het Hem ook niet aan macht
ontbrak om mij hetgeen ik wenschte toe te staan.
Maar let op. Gedurende dit tijdperk zwoer ik de
ketterij, waarin ik opgebracht was publiek in de
kerk af. Ik vervloekte alle leerstellingen strijdig
met de Roomsen Katholieke; met de hand op den
Bijbel, zwoer ik in den naam des Vaders, des Zoons
en des Heiligen Geestes, dat ik deze leerstellingen
tot het laatste oogenblik mijns levens zou houden.
Hierna werd mijne afzwering in een groot boek
fc
opgeteekend, naar ik denk door vier getuigen. Ik~ • ;
ging toen naar Boulogne, waar ik de bevestiging
van den Bisschop ontving. De overste of het hoofd
van het klooster, waarin ik was, woonde bij den
bisschop, en ten dien tijde legde ik hem mijn ge-,
moed bloot wat betreft mijne verlangens naar eenj ( -"
kloosterleven. Maar, zeide ik, mijnheer, de som, die\'
betaald moet worden heb ik niet. Hü was zoo in-.
genomen met mijne gevoelens, dat hij aanbood de
som te geven, of dat ik op zijne rekening zou toe-l .<.: .
gelaten worden. Dit was voor mij eene groote be- I
moediging en ik had toen jaarlijks slechts eenef
kleinigheid noodig om mijne wenschen te volmakend
Kort hierop verliet ik Frankrijk, met een vol voor-
nemen en belofte terug te keeren, als het God zou
behagen mij de middelen te geven. In Engeland
teruggekeerd, was ik in verlegenheid welke betrek-
king te aanvaarden, daar ik toen een streng Katho-
-ocr page 16-
14
liek was. Ik smeekte God, dat Hij voor mij wilde
zorgen en dit deed Hy dientengevolge ook, want
binnen een paar weken werd ik bij eenen priester
van de Grieksche Kerk geroepen (waarmede ik op
eene verrassende wijze in kennis kwam om de plaats
van gouvernante bij eene jonge dame in eene adelij-
ke familie in Rusland op mij te nemen. Mijn salaris
zou voldoende zijn om mij in drie jaren naar mijne
gewenschte plaats te doen terugkeeren.
Ik ging naar Rusland. Hier waren wellusten van
allerlei aard; vrooujkheid en vermaken van elke
soort. Ik zou de vermaken dezer wereld in hunne
ware volmaaktheid genoten kunnen hebben, maar
ik vond, dat mijn hart aan alle dood was. Dikwijls
bepeinsde ik, dat deze vroiljjke lieden eerlang alles
zouden moeten verlaten en voor God rekenschap
geven van den tijd aldus besteed. Geene overreding
kon mij overhalen aan één spel of eenig soort van
ontspanning deel te nemen, want ik wist dat Gods
zegen onder hen niet kon wonen.
Ten dien tyde genoot ik elke overvloed, die het
menschelijk hart verlangen kon. Ik was echter bijna
twee jaar een martelaar. Ik bad God om onderwer-
ping en geduld, want ik dacht werkelijk, dat de
tijd nimmer zou aanbreken, dat ik deze gruwelen
geheel zou kunnen verlaten. Ik had medelijden met
mijne medestervelingen, die zich aldus in de zonden
baadden, en verheerlijkte God slechts, dat ik hen
allen om Zijnent wille verachtte, en dat ik ver-
trouwde, dat mijn hart in waarheid met Hem ver-
«enigd was.
Ik nam deze wereldsche betrekking zoo zeer ter \'
harte, dat de vrede mijns gemoeds wegging. Ik was
in waarheid zoo ellendig, mijnheer, dat ik mijne
gezondheid langzamerhand geheel verloor. Twee dok-
toren gaven mij raad, die mij verzekerden, dat er
-ocr page 17-
V
15
eene verandering van lucht en klimaat moest plaats
hebben, of anders zou ik nimmer herstellen. Dit
noodzaakte mij mijne betrekking te verlaten en naar
Engeland terug te keeren, waar ik omstreeks het
einde van Juni by mynen broeder aankwam, en ben
daar sedert gebleven.
Daar hij een evangelie bedienaar was, zoo ont-
moette ik veel tegenstand betreffende den godsdienst.
Wij behandelden dit onderwerp aanhoudend ; maar
het leidde tot niets. Ik weigerde het familie gebed
bij te wonen en ook wilde ik de kapel, die aan zijn
huis grenst, niet binnentreden. Maar let er op : dat
ik vast besloten was om zoo spoedig als mijne ge-
zondheid hersteld was door God3 hulpe naar Frank-
ry\'k weder te keeren, om eene non te worden.
Gedurende dezen tijd kwamen er op zekeren
avond een paar kennissen om mijnen broe-
der te hooren prediken. Uit beleefdheid was ik ver-
plicht hem te vergezellen, maar zeer tegen mijnen
wil. Ik kon niet naar de preek luisteren, noch kon
ik naderhand een dozijn van de woorden, die ik
gehoord had,, herhalen, want den geheelen tydwas
ik verschrikkelijk bewogen, vreezende dat mij een
zwaar oordeel zou treffen, omdat ik het gebod onzer
kerk overtreden en my met ketterij ingelaten had.
Ik was God nog steeds biddende den tijd van
myne terugkeer naar Frankrijk te verhaasten; ook
kreeg ik vandaar aanhoudende verzoeken om te
komen. Eindelijk kwam myne schoonzuster in de
stad, want zy was twee maanden naar buiten ge
weest, die |door eenen vromen yver en werkelyke
belangstelling gedreven, alle pogingen in het werk
stelde om my van de dwalingen dezer beginselen,
die ik zoo sterk ingezogen had, te overtuigen, maar
alles te vergeefs. Haar groote oogmerk voor dit doel
was om my onder het Woord te trekken.
-ocr page 18-
16
Na veel overreding ging ik drie of vier maal;
maar
na iedere keer was mijn vast besluit niet meer
te gaan, want ik had dit alles reeds te voren gehoord
en vond er geen voordeel in, maar bad er trouwens
ook niet om. Om deze reden was mijn gemoed zeer
ter neder gedrukt en ik smeekte God mij meer en
meer te versterken, en mij te bekwamen alle voor-
slagen en elke ketterij te wederstaan. Ik vloog naar
den Bijbel en zeide : „Zekerlijk God is mijeene toe-
vlucht en Christus is mijn Zaligmaker; ik zal niet
nedergeworpen worden, noch zal ik vreezen voor
hetgeen de menschen tot mij zeggen of mij doen
kunnen, want ik vertrouw ootmoedig, dat Hij Zijne
wet in myn hart geschreven heeft, en Hij kan en
zal mrj van elk onrein beest verlossen. Ik heb de
leerstellingen omhelsd, die Hrj zelf op aarde geleerd
heeft. Ook smeekte ik God mijn geloof te willen
versterken.
Gedurende al dezen tijd had ik diepe indrukken
van den dood op mrjn gemoed en leefde in de
verschrikkelijkste twijfelingen en vreezen omtrent
mijnen zielestaat. De last der zonde maakte mij el-
lendig en hoe weinig leefde ik tot eere van dien
God, die mij uit de duisternis geroepen had tot Zyn
wonderbaar licht. Nacht en dag waren de verschrik-
kingen van dood en zonde, en de ijdelheid van alles
aan deze zijde des grafs aanhoudend voor mij, en
deze laatste gedachte zal mij Daar ik geloof nooit
verlaten, Om nu tot de zaak te komen, Mijne schoon-
zuster smeekte mij zeer om een zekere Mr. Hun-
tington te gaan hooren, dien God zooals zij zeide
op de verbazendste wijze tot kennis der waarheid
gebracht had. Ik wilde hier niet in toestemmen, en
verweet haar liever dat zi.i van den een naar den
ander liep. Ik zeide, deze man is zekerlijk een van
die heden daagse he groote lichten, dat gij zoo met
-ocr page 19-
17
hem ngenomen zijt. Mijn broeder antwoordde op
eene schertsende wijze: „Ik verzeker u, dat zij eene
echte Huntingtoniaan is, maar, zeide hij: „ik geloof
dat hij een uitverkoren vat is en dat zünebedie-
ning voor velen tot nut gemaakt wordt. Ik zal
echter .zijne Geloofsbank" uit mijn studeervertrek
halen, hetwelk u in elk geval moet uitnoodigen hem
eens te hooren prediken. Dit gedaan zijnde werd er
uit gelezen. Ik werd in de hoogste mate geboeid en
was zeer verbaasd over de zonderlinge voorzienig-
heden, die hy ondervonden had. Ik verblijdde mijne
zuster door te zeggen, dat ik haar den volgenden
Dinsdag naar Monkwell-street zou vergezellen. Ik
zeide er echter uitdrukkelijk bij, dat de beweegreden
slechts nieuwsgierigheid was, hetwelk inderdaad
zoo was. Wij gingen en ik merkte twee zaken in
zn\'n prediken op, hetwelk mij terstond ten gunste
van Mr. Huntington in nam.
Ten tEerste: hoe hij Christus verhief als onze eenige
gelukzaligheid, en in Wien wij alleen ruste zouden
kunnen vinden voor onze zielen. Ik dacht, deze man
heeft juist dezelfde denkwijze als ik, en toch moet
hij een vijand van mijn geloof zijn.
Ten tweede . hoe hij Gods Woord verhief. Helaas,
dacht ik, indien deze man Roomsen was, zou hij een
middel kunnen zijn, dat er veel goeds teweegge-
bracht werd. Hij zou de onwetenden in deze heilige
waarheden onderwijzen ; en zou Gods Woord onder
het volk verspreiden.
Nu, mijnheer, ik zal u niet alles vertellen, wat
ik onder die preek gevoelde, want wij denken som-
tijds, dat Gods Geest een werk aan onze harten
begonnen heeft, wanneer ons leven en onzen om-
gang een bewijs geven, dat het slechts de kracht
der verbeelding is, waarvan ik weet, dat zij gedu-
rende mijn leven groot geweest is. Ik noem u niet
Bekeering.
2
-ocr page 20-
k
18
*• vader en ook kan ik nog niet zeggen, dat ik geheel
onder uwe bediening geroepen ben, want ik ben
£ nog steeds een streng Katholiek in vele punten des
geloofs, waarvooi ik u myne redenen zal zeggen.
Het is echter zeker, dat u een middel geweest is
om vele vooroordeelen van mrj weg te nemen, want
door uwe groote kennis van de schriften en de
overtuigende wy\'ze, waarop u hen uitlegt, uwe
ondervinding, en Gods wonderen aan u bewezen,
^C. zoo zyn de volgende woorden betreffende u immer
^ op myn gemoed gedrukt namelyk : Zekerlyk deze is
inderdaad en in waarheid een man door God ge-
zondeo.
„Maar" zal u zeggen, „hierin maakt gy uwe eigene
„kerk tot eene leugenaarster, want die verklaard,
„dat allen, die hun geloof niet belyden, verloren zyn.
„Hoe kan ik dan in uwe overtuigingen een man Gods
„zyn ? Ik deel u mynen toestand mede, mynheer,
zoo die in waarheid is, en nu zyn deze gedachten
zoo diep in myn gemoed ingedrukt, dat indien ik
myn gevoelen aan een Roomsen priester moest mede
deelen, ik dezelfde woorden zou herhalen. Ik houdt
immer in mijne gedachten, dat God de doorzoeker
des harten is, en hoe zou ik daarom mijne conscientie
" kunnen beliegen. Hiervoor behoede ray God!
Toen ik eenmaal geweest was; en deze indrukken
mij aanhoudend bleven vervolgen, zoo was ik ver-
plicht u weder en weder te hooren. Sedert heb ik
Monkwel Street verscheidene malen verlaten met
sterke overtuigingen van zonde; en een haat, dat
van smarte overvloeide. Ik hoor u nu, mynheer,
><> uit conscientie en niet uit nieuwsgierigheid.
v__ Deze schriftuurplaats gevoel ik krachtig, namelyk
dat ieder mensch vast in het ware geloof behoort
. te staan en niet omgevoerd worde met alle wind der
lesre. Hieruit kreeg ik een sterk verlangen, mynheer
-ocr page 21-
19
om met u over de leerstellige punten der godsdienst
te spreken, en ook had ik geen rust, eer ik dit voor-
stel gedaan had. Maar hoorende, dat u zoo streng
tegen de Arminianen optreedt, zoo dacht ik, dat u er
misschien niet in zou toestemmen de zaak op eene
zedelijke wijze te behandelen, maar op dezelfde wijze
zoudt beginnen als in den predikstoel, hetwelk ik
niet kon goedkeuren. Vele zaken kunnen in eene
publieke zamenkomst goed gesproken worden, welke
in een gewoon gesprek niets bewijzen. Verschoon
mij, dat ik zoo stoutmoedig ben, want uit den over-
vloed des harten spreekt mijn mond.
Mij werd medegedeeld, dat u met my spreken
wilde zooals het een dienaar van Christus betaamt.
Ik hoorde u Zondagavond; en zekerlijk was ik nooit
zoo erg aangedaan, bijzonder bij dat gedeelte, waar
u over de hoer van Babyion handelde. Ik bad God,
dat Hij mij tot een van zijne geliefde kinderen
mocht maken en door zijne genade zou ik dan blijde
zh\'n alles op aarde vaarwel te zeggen.
Ik was verheugd, toen de Heer King mij berichtte
dat u wenschte, dat ik mijne gevoelens zou schrij-
ven, daar een nauwkeurig verhaal van mijne onder-
vinding u eenig denkbeeld van mijn persoon zou
geven. Ik had nog vele andere kleine omstandig"
heden kunnen bijbrengen, maar ik vrees, dat u nau-
welijks geduld zult hebben dezen langen brief te
lezen. Nu, mijnheer, als gij het middel in Gods hand
zijt om mijn veroordeel weg te nemen, of mijn
hart der mate te veranderen, dat ik de Roomsche
godsdienst geheel toewierp, dan zij niet u maaral-
leen Gode al de heerlijkheid. Ik zal dan besluiten,
dat ik voor goed onder uwe bediening geroepen ben
of dat u het middel voor dit groote werk geweest
zijt. Want ik verzeker u, mijnheer, dat vele groote
pogingen gedaan zijn zonder iets uit te werken.
-ocr page 22-
20
My\'n broeder is een aannemelijk predikant en heeft
krachtige bewijsredenen gebruikt; ook heeft hy er
aanhoudend om gebeden: maar Paulus moge planten
en Apollos nat maken, maar het is God die den was-
dom geeft."
Mijn tegenwoordige staat is deze. Ik arbeid onder
veel droefheid des geestes, ben vol vreezen en twij-
felingen en heb een vreeselrjk gezicht van dood en
oordeel, welke mij aanhoudend voor oogen zijn.
In het kort, ik verlang slechts naar eene zaak na-
melyk om een aandeel in Christus te hebben, en
in Hem gevonden te worden op dien dag, wanneer
de verborgenheden aller harten geopenbaard zul-
len worden. Ik ben echter zoo vermetel, dat ik eenig
teken begeer, dat ik een kind Gods ben, want ik
beschouw my zelven in zulk een zwart licht, dat
ik waarlijk vrees, dat mijne zonden mij op den
laatsten dag in het aangezicht zullen staren. O, dat
ik geloof had op Christus te bouwen, de eenige hoop
mijner zaligheid! Daar ik u zeer oprecht een terug-
blik op mijn leven gegeven heb, zoo hoop ik mijn-
heer, dat dit bij u zal blyven, en gy het niet aan
een ander zult openbaren.
Ik kom nu tot de leerstellige punten, waarvoor
ik uw geduld verzoek.
Wat het leerstuk der verkiezing betreft, dit kan
ik niet geloven, ofschoon uw „Koninkrijk der He-
melen ingenomen door gebed," een aantal schriftuur-
plaatsen ten gunste er van aantoont. Het is zeker,
dat Christus voor allen stierf en niet voor een ze-
ker aantal.
„Want gelijk ze allen in Adam sterven, alzoo zul-
len ze ook in Christus allen levendig gemaakt wor-
den."
Was hij niet een rantsoen voor alle? Is niet
de weg, die onze Zaligmaker zelf in Zyn Woord
nedergelegd heeft vry voor alle ? Hij heeft gezegd
-ocr page 23-
21
£
dat niemand uitgeworpen zal worden. Geloofde ik
in de verkiezing, dan zou ik immer twijfelen,
of Christus zyn bloed voor my gestort had of ,>,
niet.
Nu het volkomen afvallen van de genade. God
heeft den mensch zoowel het goede als het kwade
voorgesteld, om te kiezen of te verwerpen. Hy\'heeft
dus den mensch eenen vrijen wil en kracht gege-
ven ; verwerpt gy ze, uw verderf is uit u, o Israël!
Paulus zegt: „ Werk uw zelfs zaligheid met vreezen ^
en beven" en niet met vermetelheid. En ook, terwy\'1 hy
anderen predikte, zoo vreesde hy zelven nog een \'S^
verworpeling te zyn.
Met betreking tot de algemeene kerk van Chris-
tus. Eer Hü deze aarde verliet zeide Hy tot Zyne
discipelen: En ziet ik ben met u lieden alle de dagen tot
de voleinding der wereld.
Indien dit zoo is, hoe was
het dan mogelijk, dat er dwalingen in de kerk kon-
den insluipen, en Hy ze gedurende zoo vele eeuwen
in duisternis en dwalingen kon laten? Naar allen
schy\'n is hetgeen u het licht des Evangeliums noemt
niet voor de Reformatie gekend en beleden. Hoe -<
kan nu bewezen worden, dat dat de ware kerk is ?
Is dit het geval dan moet Christus, in stry\'d met
Zyne belofte, Zyne Kerk verlaten hebben.
Wat de beelden betreft. De Roomschen aanbidden
die niet, noch vereeren Zy zelfs de afbeelding van
Christus en Zijne heiligen, maar zy doen dit slechts
om de ware personen beter op hun gemoed te druk- 2 <
ken. Het is geene verplichting, want ik heb er nooit jv
een in myn bezit gehad, daar ik weet, dat God niet
op de uitwendige vormen ziet, maar ik geloof, dat £
een verbroken hart aangenamer in Zyne oogen is.
•v
Wat het aanbidden der heiligen betreft: dit is niet
een beslist gebod. Wat my betreft, ik richt myne
gebeden gewoonlyk tot Christus als Middelaar.
•v
-ocr page 24-
22
Wat betreft de biecht: Het is duidelijk datChris-
tus op aarde eene macht aan Zijne dienaars nage-
laten heeft om de zonden van den boetvaardige
te vergeven. Zoo gij iemands zonden vergeeft zegt,
hij, dien worden se vergeven: zoo gij iemands zonden
houdt, die zijn ze gehouden.
Hoe konden zijn dezelve
nu vergeven of doen houden, tenzij door de kennis
er van ? en Hoe konden zy tot de kennis er van
komen, dan door de biecht ? Want wie kan het
harte eens zondaars doorgronden ?
Wat het sacrament van des Heeren Avondmaal
betreft. Wy gelooven de wezenlijkheid er van, om
dat Christus gezegd heeft:. Dit is mijn lichaam en
bloed"
want toen de ongeloovige Joden murmureer-
den, zeggende: Hoe kan ons deze zijn vleesch te eten
geven?"
antwoordde Hij niet, dat Hij dit figuurlijk
bedoelde; maar digene die het niet deed geen deel
aan hem had.
Daar alle dingen, dengenen die gelooven
mogelijk zijn, zoo bouwen wij ons geloof op het-
geen God zelf verklaard heeft. Met betrekking tot
de overleveringen. Deze noemen wij het onbeschre-
ven woord en evals onze Zaligmaker slechts door
het Woord zijnes monds leerde, zoo deden ook de
Apostelen in het begin. Zyn onderwezen dicipelen,
opdat die in staat zouden zijn ook anderen te leeren,
zooals u dat in 2 Timotheus 2: 2 zien kunt. Het
geloof verplicht ons de overlevering te gelooven,
omdat ze uit dezelfde bron voortk wam als het Woord
Gods, namelijk door de ingeving des Heiligen Gees-
tes: Zoo dan broeders staat vast en houdt de inzet-
tingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord,
hetzij door onzen zendbrief."
Nu over Gods Woord. Myn priester te London
heeft misschien getracht het my te ontnemen, en
had hy\' het gedaan, dan zou hy het nooit toegelaten
hebben, want Gods Woord is voor mij een schild
-ocr page 25-
1 \\
23
en beukelaar, en zonder dat zou ik aan vele en
groote gevaren blootstaan. De redenen, die zy my\'
gaven, waren, dat men het volk slechts deze ver-
talingen des Bijbels afnam, die men dacht, dat van
de oorspronkelijke verschilden, daar in den tijd der
Reformatie verschillende vertalingen uitgegeven
waren.
Nog eene zaak. Ofschoon Mr. Huntington in zy\'ne
preek opmerkte, dat hy liever op Maria Magdalena
dan op Petrus bouwen wilde, zoo is onze Zaligma-
ker toch zekerlijk zeer klaai in de woorden, die Hij
sprak in Matth. 16: 18. Ook zie ik er eenige gepast ..r
heid in, want merk op, dat Petrus geene rots zijn
kon, tenzü hy op Christus gebouwd was. Zoo be-
schouw ik het.
/ Ook geloof ik in de offerande der mis, maar twyfel
\\aan de absolutie en het vagevuur, meer bijzonder,
\'nadat ik u heb hooren prediken.
                          -^
Ik laat de zaak aan God over en zal door Zy\'ne
genade uit overtuiging handelen. Ik verzoek u be-
leefd om antwoord, mynheer, wanneer het u past,
waarop ik nauwlettend zal achtgeven. Smeek God
terzelfder tyd, dat. indien ik mij van achter Hem ,
afgekeerd heb, Hy my tot Zy\'ne kudde weder wil
brengen, om nimmer meer van Hem af te dwalea.
Ik zou blijde Zyn, indien u het antwoord aan het
adres van den Heer King wilde toevertrouwen, die
het my zal overhandigen. Bovenal smeek ik om een
aandeel in uwe gebeden en verblyf
Uwe onderdanigste dienares,
ELIZABETH MORTON.
HOLYWELL MOUNT.
J9 Oct. 1786.
-ocr page 26-
Aan Mejuffrouw ELIZABETH MOR-
TON. ten huize van den Weieer-
waarden Heer MORTON,
HOLYWEL MOUNT.
Nov. 6, 1786.
Mejuffrouw!
Uwen langen brief goed verzegeld ontvangen.
Ik Jegde hem voor God neder, en bad er over, Hem
ernstig smeekende mij van een antwoord aan u te
voorzien, en mü een zoodanig te geven, hetwelk in
den oordeelsdag tegen het nauwkeurig onderzoek
van Gods vierschaar bestand zal zijn. Ik zal ugeene
vleiende titels geven, noch zal ik ook ééne eenvoudige
waarheid om uwe redeneeringen laten vallen, daar-
ik niet wensch zee en land te omreizen om een Jodege-
noot te maken
van eenige sekte, party of niet o vereen-
komende denkwijze met mij.
Ik vertrouw, dat ik kan zeggen, dat ik niets dan
dezelfde waarheden preek, die God zelf aan my ge-
openbaard heeft; deze waarheden, die God aan de
zielen van honderden geëerd, toegepast en gezegend
heeft. Dit heb ik immer gezien sedert ik mynen
mond in Zynen naam begon te openen, en ik ver-
trouw, dat het deze waarheden zyn, die my\' voor
eeuwig zalig zullen maken. Ik weet dat het de leer-
stellingen zyn, die opgesloten waren in de eerste
belofte, die God aan Adam en Eva openbaarde, en
door het geloof waarvan Abel getuigenis verwierf,
-ocr page 27-
25
?>$
dat hij\' rechtvaardig was, de eerste martelaar bleek,
de eerste heilige en de eerste vrucht van souvereine
genade was, die ooit het Heilige der Heiligen binnen-
kwam.
--.
Er is in geen andere naam zaligheid, dan in Chris-
tus Jezus; en Zijne zaligheid kan nimmer aan eenige
ziel door eenig ander persoon dan door den Heili-
gen Geest zelven toegepast worden. John. 16: 14.
De werkingen des Heiligen Geesteszyn krachtig, en
moeten dit ook zijn om zulke halsstarige en oproe-
rige willen als de uwe te onderwerpen. Psalm 110:
3. En waar deze zonde onderwerpende en hartont-
sluitende kracht gevoeld wordt, daar wordt de hals
gebogen om Christus juk op te nemen, Matth. 11:
29 en het hart wordt verwijt om den Zaligmaker
te ontvangen, als de eenige hulp, vriend en lief-
hebber van arme, ellendige en geruineerde zon-
daren.
Het verontrust gemoed wordt dan rein en geeste-
lijk gemaakt, niet dwaalziek, en gaat liefelijk ge-
paard met datgene, wat gij mist, ik bedoel leven en
vrede,
Rom. 8:6. De conscientie wordt gereinigd
van doode werken en van schuld, Hebr. 9: 14. De
verlangens der ziel naar God zrjn vurig. Jes. 26: 9
en de genegenheden onder goddelyken in vloed, krach-
tig uitgehaald en met warmte aan God verbonden,
Rom. 5: 5. Paulus noemt dit eeneniewe schepping
in Christus en zulk eenen is een nieuw schepsel.
Want in Christus Jezus heeft nog besnijdenis eenige
kracht nog voorhuid, maar een nieuw schepsel. En
het geloof door de liefde werkende,
Gal. 6: 15. Het
is niet de verborgenheid van de hoere Babylons in
een heet hoofd, die uwe ziel zal redden, maar de
verborgenheid des geloofs in een reine consientie.
1
Thira. 3: 9. Maar hier zyt g\\j geheel een vreemde-
ling.aan en ook heeft uwe tegenwoordige godsdienst
•^
-ocr page 28-
\'-:^^rxv>/^A
tycvvfo -
7 9
26
dit niet voortgebracht. In dit opzicht is uwe geheele
oelrjdenis ijdel geweest, en ook uw Paapsch geloof
is te vergeefs, omdat gij nog in uwe zonden zijt, 1
Cor. 15: 17.
Na uwen brief gelezen te hebben sloeg ik toe-
vallig het Zeventiende kapittel van de Openbaringen
op. De lezing er van trof mij zeer sterk, daar het
naar mrjne meening eene volle beschrijving van de
Roomsche kerk inhoudt, en tevens het verschrikke-
lijk oordeel, waarmede zij bedreigd is.
Uw brief is niet zonder partijdigheid, noch zonder
huichelarij. Ik ken de Paperrj beter dan gij ; ik heb
hunne godsdienstige plichten gezien en ben in het
bezit van verscheidene deelen hunner geschriften.
Het is echter niet het overgaan tot deze of die gods-
dienst, dat eene ziel zal zaligmaken. Gij kunt de
Roomsche godsdienst verlaten en mij volgen; ver-
volgens nirj verlaten en een Quaker worden ; dan
een Baptist; vervolgens een Presbyteriaan,maar gvj
zult u niet tot God keeren eer Godt uw harte be-
keert; Bekeer mij, zoo zal ik bekeerd zijn, zegt Ephraim
want gij zijt de Heere mijn God. Zekerlijk nadat ik
bekeerd ben heb ik berouw gehad,"
Jer. 31: 18, 19.
•v \'S.
r fj.
•
•,N-.-
•
^ r-^3 i
i
.
•
r
Als grj de propheet Hosea leest, zult gij zien hoe
menigmaal Ephraim zich omgekeerd heeft. Eerst
door zich onder het volk te vermengen, evenals gij
gedaan hebt door Roomsch te worden : hij toog tot
Assur Hosea 5 : 13 ; hrj werd een geldgierige Hosea
18:9. en hrj werd een afgodendienaar Hosea 4: 17.
Maar God zeide: „hij is een koek die niet is omge-
keerd"
Hosea 7: 8, want ofschoon hrj zich met vele
volken verward had, heidenen en afgodendienaars
niet buitengesloten, zoo had hij echter Gods Woord
nimmer met het geloove vermengd.
Hebr. 4: 2 en ook
had de Heiliga Geest zijne conscientie nooit mede
getuigenis gegeven. Rom. 9: 1. Daarom lieten al
-ocr page 29-
V
V
zijne veranderingen hem onbekeerd voor God; ver-
stoken van vrede en zonder hoop in de wereld;
zooals dit met u heden nog zoo is, want anders
zoudt gij u nimmer aangesloten hebben bij eene
gemeenschap, die omringd is door de roepende schuld
van zooveel onschuldig bloed; welke gij, als vrije
genade het niet verhoedt, door eeden, beloften en
belijdenis op uw ellendig hoofd gebracht hebt; even-
als de Joden door hunne gebeden het bloed van
den Heere Jezus op zich en hunne kinderen laad
den.
Mejuffrouw, eerlang zullen gij en ik beide voor
Gods vierschaar verschijnen, en daar ik genade ver-
kregen heb om getrouw bevonden te worden, zoo
ben ik besloten niet met Gods waarheid of uwe
ziel te spelen, wetende, dat God dengene, die zijn werk
bedriegelijk doet,
\\ervloekt heeft. Jer. 48 :10,Verwacht
daarom, dat ik zoo stout met Gods Woord zal zyn
als gij met de leugenen des duivels zijt. In Gods naam
zeg ik u, dat uwe conscientie tot in alle eeuwigheid
nooit van deze mijne getrouwe getuigenis ontslagen
zal worden voor God, hetzü gy behouden wordt of
verloren gaat. Voor God zal ik een getuige zijn.
hetzij voor of tegen u; God geve dat \'t eerste zij,
maar indien niet, zoo vertrouw ik, dat ik zal zijn
eenen goeden reuk Christus in degenen die zalig tvor-
den, en in degene die verloren gaan
Hosea 2 15.
Maar Israël zal zich niet verzamelen laten," zegt de
Propheet, nochtans zal ik verheerlijkt worden in de
oogen des Heeren, en mijn God zal mijne sterkte zijn.
Om het licht en de kracht der waarheid u nu
zoo duidelijk mogelijk aan uw oordeel en conscientie
te brengen, zoo zal ik u geven:
I.  Eene schriftuurlijke beschrijving van het Paus-
dom.
II.  U uit Gods Woord aantoonen, wat gij gedaao
-ocr page 30-
Q/f-d>cnf C*»nfi&>»          . j.4
t
hebt door van uwe vroegere belijdenis af te dwalen
en u bij die gemeenschap aan te sluiten.
III.  Wat gij over u gebracht hebt door uwe ver-
«eniging met haar.
                                                  /Prv
IV.  Ik zal uwe huichelarij aan het licht brengen
door uw verdraaien en misbruiken van Gods Woord/^.1^
en
                                                                       J \' _,
V.  Ik zal u eene schriftuurlijke beschrijving geven ;
van de bedwelming, die gij gevoeldet toen gü Roomsch S
werd en bij voortgang zal ik mü op God en onder
Zijne oogen op uwe couscientie beroepen.
Eerst zal ik u mededeelen, hoe de Heilige Geest
den Paus en het Pausdom beschrijft. Hjj voorzegt
eenen vreeselyken afval van de waarheid voor de
tweede komst van onzen Heere en Zaligmaker, en
verklaart, dat de oordeelsdag niet komt, tenzij dat §<:
eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij S-t
de mensch der zonde, de zoon des verderfs. 2
Thess./
2:3.
                                                                    •*
Om nu de zekerheid van des Heeren komst en O
van de vervulling dezer voorspelling aan te toonen,
zoo ziet men, dat er dagelijks duizenden van eene
uitwendige belijdenis afvallen, en ook gü\' zijt een
leveDde getuige dezer waarheid, en het is zeker dat
God er u de bittere vruchten van zal doen gevoe-
len, h6tzij in eene waarachtige bekeering of in de hel
omdat gij die mist.
In het vierde vers van dat kapittel is ztjn karak-
ter beschreven, gelijk gij zijnen naam in heiderde
vers vindt. Zijn karakter is: die hem tegenstéïï~en
verheft boven al dat God genaamd of als God geëerd
wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een God
zal zitten, hem zelven vertoonende, dat hij God is."
Deze beschavingen kunnen op geen ander monster
dan op dat politieke en kerkelijke hoofd toegepast
worden. Hij stelt zich tegen God, door het dooden
-ocr page 31-
Ajl^Kd ï 4U— fc J* •: I <>~ CUv Ï>«j4«f
<i
29
van Zijne heiligen en het vernielen, verbranden en
verdraaien van Zijn Woord. Was hij een vriend
- J Gods, da» zou hij Zijne wetten aandringen en de
. openbaringen van Zijnen Geest en wil niet verbran-
den. Hij verheft zich boven al dat God genaamd of •
als God geëerd wordt,
in het verkoopen van züne
^ verschillende bullen en aflaten aan allen die erom
verzoeken, hetwelk God nimmer deed. Ook door zijn
beweren, dat hij de zielen uit het vagevuur kan
2 verlossen, hetgeeh God nimmer zal doen, want de
klove
van Gods besluit is gevestigd, zoodat men uit
de hel niet in Abrahams schoot kan overgaan."
Hij
verheft zich boven al dat God genaamd wordt door
het heilig verklaren van dwaze onwetende, zondaars
*
<^.
voor geld, hetwelk God nimmer deed noch veroor-
loofde. Hij weigerde eenen zekeren Engelschen prins
heilig te verklaren, omdat zijn broeder er geen drie
honderd duizend gulden voor betalen wilde. Hij
verheft zich boven God
door het tegenspreken van
Zijne wetten, ten behoeve van zijne overleveringen
en door het buitensluiten van arme onnoozele _^
vrouwen, nonnen genaamd, zoowel van het licht
der Goddelijke openbaring als van eene openbare *(
belijdenis der waarheid, welke Christus uit druk- \'
keiijk geboden heeft:
„Onderzoekt de Schriften." Hetgeen ik u zeg in de
duisternis, predikt dat op de daken." Laat uw licht "
alzoo schijnen voor de menschen dat zij uwe goede
werken mogen zien,"
het welk in een nonnen kloos- £_ \\
ter niet gedaan kan worden. God steekt geene kaars
aan om ze onder een bed van stroo in een kloos-
ter te plaatsen of onder eene korenmaat, maar
op eenen kandelaar, opdat allen het licht kunnen
zien.
                                                                            -«J?5
Ware godsdienst moet niet in eenen hoek vei- —~-
borgen worden. De kerk van Christus is eene
-ocr page 32-
30
stad boven op eenen berg, die niet verborgen zijn
kan."
Als men arme zondaars van Gods Woord buiten-
sluit is dit de weg om ben blindelings naar de
hel te leiden. God zegt: Mijn volk is uitgeroeid
om dat het zonder kennis is.
Hos. 4: : 6.
Degene, die de kennis verwerpt en de wet ver-
geet, kan het Priesterambt Gods niet bedienen.
Hosea 4: 6. En ik zal ulieden herders geven na
mijn harte; die zullen u weiden met wetenschap en
verstand.
Jer. 8: 15.
Deze lieden, die de Schriften onderzoeken wor-
den geprezen. En deze waren edeler, dan die te Thes-
salonica waren, als die het Woord ontvingen met alle
toegenegenheid
; onderzoekende dagelijks de Schriften,
of deze dingen alzoo waren.
Hand. 17 : 11. Tot de
wet en tot het getuigenisse; zoo zij niet spreken na
deze woorden het zal zijn, dat ze geenen dageraad en
zullen hebbe7i.
Jes. 8: 20. Hij zit in den tempel Gods,
dat is, htj matigde zich eene oppermacht over de
kerk van Christus aan, toen zy nog zuiver was, en
"in vervolg van tyd veranderde hfc" ze in eene hoer., q
\'De eerste Paus werd in zn\'ne oppermacht bevestigd\'
door heerschzuchtige lieden, verwarde synodes, hel-
sche list en de kracht des zwaards. Sommigen be-
droog hrj door zyne wonderen der leugen, anderen
door de bedwelming met dwalingen, en anderen door
het oorlogszwaard, zoodat de geheele aarde haar ach-
ter het Beest verwonderde",
en goddeloos vroeg: „ Wie
kan krijgen voeren tegen hetzelve?"
Hij vertoont hemzelven, dat hij God is, doordien hü
den zondaars de zonden vergeeft en vryspreekt ;i.
door het vervloeken van alle, die hem inzü\'neaan-
genomene oppermacht tegenstaan, en doordien hij
alle zijne volgelingen volgens zn\'n zeggen, met zijne
sleutels in den hemel laat. Ook doordien hij alle
-ocr page 33-
I
.
31                 .« » u.^°
anderen als ketters vervloekt en verbrandt. Dit voor-
recht komt alleen aan God toe. ""*•--------\'
Hijt vertoont hemzelven dat hij God is, door zijne
titels : Gods Plaatsvervanger, Christus Plaatsvervan-
ger, Opvolger van Petrus, qnzejleere God de Paus,
Zijne Heiligheid, Heilige Vader; enz. En gij zült\'nïe-
mand uwen vader noemen op der aarde, want een is
^
uw Vader, namelijk die in de hemelen is. Noch gij en £ v>
zult niet meesters genaamd worden, want een is uw
Meester, namelijk Christus."
Matth. 23: 9, 10.
Hij verheft zich boven al dat God genaamd wordt,
door alle zijne volgelingen te doen zweeren. God
deed noch gebood dit nimmer. Het gebod van Chris-
tus aan ons is: Zweert ganschehjk niet, noch bij den
hemel, noch bij de aarde, noch bij uw hoofd
in het
stuk der godsdienst, ofschoon het in burgelljke za- ^
ken gewettigd is, om een einde te maken aan alle
\'tegenspreking.
Hebr. 6 : 15. Had God den Paus in
Zyne stoel geplaatst, dan behoefde hij niet bang te N
zijn onttroond te zullen worden. Gods kracht zou
dan even goed voldoende zrjn hem er in te hand-
haven, als in hem te verheffen. ... .-</< •
                   ; •""% >v"
De Paus wordt een profeet genaamd, omdat hrj
beweert, dat hrj de eenige onfeilbare uitlegger der/ v.n
Schrift is. Hij wordt een valsche Profeet genaamd
in Openb. 16: 13. omdat hij het Woord des Heeren
verwerpt en er zyne eigene overleveringen voor inj .\'
de plaats stelt. Hrj wordt een Lam genaamd Openb.
13 : 11, omdat hrj als Antichrist Christus nabootst,
dooi zyne voorgewende nederigheid in het wasschen
van de voeten der Kardinalen. Hy wordt een lam t**^
met twee hoornen
genaamd, om de tweevoudige macht, ^ tjifa
die hrj zich aangematigd heeft, namelijk die van bur-
gerlljke regeering en kerkelijk gezag.
Ik zal nu overgaan, om zijne leerstellingen aan
te toonen, welke gij kunt vinden in Thim. 4:1—5.-----
-ocr page 34-
Doch de Geest zegt duidelijk dat in de laatste tijden
sommigen zullen afvallen van het geloof, haar bege-
vende tot verleidende geesten en leeringen der duivelen.
Door geveinsdheid der leugenprekers, hebbende hare
, eigene conscientie als met een brandijzer toegeschroeid.
Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te
onthouden, die God geschapen heeft tot nutting met
dankzegging voor de geloovigen en die de waarheid
hebben bekend. Want alle schepsel Gods is goed en
daar is niets verwerpelijk met dankzegging genomen
zijnde. Want het wordt geheiligd door het Woord Gods
en door het gebed."
De Heilige Geest zegt, dat indien
een leeraar het volk deze dingen voorstelt, hij een
goed dienaar van Jezus Christus zal zijn opgevoed
in de woorden des geloofs en der goede leer e.
1 Thim. 4 :
6. In deze laatste aanhaling ziet gij den naam en
eene beschrij ving van de leerstellingen van den mensen
der zonde. God zegt er van dat het leeringen des
duivels zijn, en de wederspreking van God zelven is
er aan toegevoegd.
Nu vraag ik u in tegenwoordigheid Gods, of
het verbieden van te huwelijken en het gebieden
van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft
^ tot nutting, geene leerstellingen van den Paus zijn ?
Zegt gij neen, dan zult gij uwe eigene conscientie
J
          voorliegen en uwen eigenen brief, die hier voor mü
ligt, tegenspreken en ook kan ik u uit een honderd
Roomsche schrijvers weerleggen. Het verbieden te
:
huwelijken is in strijd met het geheele Woord Gods.
Zijt vruchtbaar en vermenigvuldig is Gods gebod. Het
huwelijk is eerlijk onder allen en het bed onbevlekt,
maar hoereerders en overspelers zal God oordeelen.
Des buiks vrucht is een belooning en met dezulke
zal Hij de hemel planten Jes. 51: 16.
God zelf is in het huwelijk betrokben en ver-
eert het door zich zelven den naam van eenen Man
-ocr page 35-
33
toe te eigenen : Uw Maker is uw Man; Heere der Heir-
scharen is Zijn naam.
Jes. 5i: 5. Christus is er in
betrokken en neemt den naam van eenen Bruide-
dom aan Matth. 25: 5. Van de kerk wordt gezegd
dat ze ondertrouwd is : Want ik heb ulieden toebereid
om u als eene reine maagd eenen Man voor te stellen
namelijk Christus.
2 Cor. II: 2. Ik wil dan zegt God,
dat de jonge weduwen hmvelijken, kinderen teelen, het
huis regeeren, geene oorzaak van lastering aan de we-
derpartij geven. Want eenige hebben haar alreeds
afgewend achter den Satan
1 Thim. &: 14, 15. Gods
kerk draagt den naam van maagden, ondertrouwde
maagden,
Christus Bruid, het wijf des Lams, en de
hemel wordt door den Heere zelf eenen bruiloftszaal
genaamd en de vreugde van Christus wordt de brui-
lof t des Lams
genoemd. Openb. 19: 7.
Ondanks dit alles hebt gij u toch aan dat hoofd
verbonden, dat deze leeringen des duivels voorstaat,
n. 1. het verbieden van Ie huwelijken, ofschoon het
verbond dar genade een huwelijksverbond is. Hosea
2: 19. Te recht wordt gij eene dochter van de hoer e
Babylons
genoemd ; deze naam geeft Godt uwe moe-
der, die een drievoudig overspel bedrijft. Eerst: door
het verbieden om te huwelijken.
Ten tweede door het
veroorloven van bordelen en ten derde door het
verlaten van een verbond der genade, waarin zielen
door het geloof aan Christus worden ondertrouwd.
Dit is de hoer, die den leidsman hares jonkheid ver-
laat en het verbond hares Gods vergeet.
Spr. 2: 17.
Door uwen brief hebt gij dit Faapsche beginsel
omhelsd en gij waart van plan in een klooster te
gaan, opdat gij den hemel verdienen zouat door
ongehoorzaamheid aan Gods gebod: Ik wil dan dat
de jonge weduwen huwelijken
zegt God en zich niet
afwenden achter den Satan.
Gy wenscht ziel en lichaam
geheel zuiver aan Christus te wijden. Hoe durft gij
Bekeering                                                                     3
-ocr page 36-
34
eene vlek op den eerlijken staat des huwelijks te
werpen, dien God zelf ingesteld en grooteltjks ver-
eerd heeft? Goó\\ wordt een Man genaamd, zijne
kerk een wijf, en zijne besluiten eene baarmoeder.
Zeph. 2: 2. Jes. 66: 9. Zijn Woord een onverganke-
lijk zaad.
Petr. 1: 23. Zijne krachtige werkingen een
baren des Zondaars. Jac.1:18. hunne moeiten wordt
eene arbeid genaamd, hunne vereeniging een onder-
trouwen,
hunne genietingen eene bruiloft en hunne
verlossing van de wet en zonde een voortbrengen.
God zelve sloot het huwelijk tusschen Christus en
Zijne kerk, en zal voor eeuwig een Vader voor zijne
verkorene dochter blijken te zijn, terwijl zij zal ver-
schijnen als het vrije wijf van Zijnen Zoon, des Ko-
nings dochter, de koningin in heerlijke majesteit
en de bewondering van engelen tot in alleeeuwig-
heid.
Deze waarheden hebt gij reeds verlaten en wee
uwe ziele als God u laat sterven, zonder dat gij er
part of deel aan hebt: dwaze maagden zonder olie
zijn voor eeuwig buitengesloten.
Wat uw gaan in een klooster betreft om uit de
wereld te zijn en om zoowel ziel en lichaam zuiver
voor Christus te houden, zooals gij dat in uwen
brief schrijft, is maar zotteklap. Op die manier moet
Gij met eenen Roomschen priester spreken, die het
licht duisternis noemt en \\de duisternis licht,
maar niet
tot iemand, die den plaag van zijn eigen hart kent
en den Bijbel leest. Ik zal met u handelen gelijk Salo-
mo met de koningin van Scheba deed, door u iets
mede te deelen van hetgeen er in uw hart is.
Indien gij in een nonnenklooster gaat, dan zullen
eene schuldige conscientie vleeschelijke begeerten,
wellustige hartstochten en aanmatigende hoogmoed
dat gij Paulus dochter genaamd wordt, terwijl gij
een vijand van God en zijne leer zijt,u volgen. Niets
-ocr page 37-
35
zal u reinigen of zuiver houden dan het bad der we- * >-**f»
dergeboorte, en vernieuwing des Heiligen Geestes.Tit.
3: 5. Hetgene uit het vleesch geboren is, dat is vleesch
en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is Geest.
Ik
doel hierop, om u te laten weten, dat de geestelijke
mensch wel alle dingen [onderscheidt, maar hij zelf %
wordt van niemand onderscheiden.
1 Cor. 2: 15.
De paapsche verachting van het huwelijk is eene
belëediging van eene der zoetste verborgenheden in
•  den Bijbel; ik bedoel der heiligen vereeniging en één s.
> zyn met Christus. Ware het Gods voornemen geweest,
• dat zulke eene leer verkondigd zou worden, dan zou
Hy nimmer tot Joseph gezegd hebben om Maria
. zijne vrouw tot zich te nemen, opdat hy de ver-
; meende vader zou zijn van hetgeen zy door den
Heiligen Geest ontving. Dit zijn leeringen der duivelen
en dit is geveinsdheid der leugensprekers. 1 Thim. 4; 12.
Want het andere reeds tevoren aangehaalde Room-
sche leerstelsel betreft, ik bedoel het gebieden om zich
van spijzen te onthouden,
dit is zoo tastbaar, datiederen
vi\'schhandelaar of verkooper van bokkings in En-
geland het getuigen zal. Wilt gij dat een vasten voor
den Heere noemen ? Is dit een ophouden van de
zonde. der begeerlijkheid ? Is dit meedeelen van uwen
/overvloed om de naakten te kleeden? Is het onthou»
den van het vleesch der beesten, terwijl men zijnen
buik met >visch vult een vasten? Is het eene niet
evengoed vleesch als het andere ? Is er niet een
c vleesch der beesten en een ander der visschen en een
ander der vogelen?
1 Cor. 15: 39. Zou het zulk een
vasten zijn, dat ik verkiezen zoude, dat de mensch zijnes
ziele eenen dag kwelle? dat hij zijn hoofd kromme
§ gelijk een bies en een zak-enassche onderzichspreidde?
•Zoudl gij dat een vasten heeten en eenen dag den
Heere aangenaam? Is niet dit het vasten dat ikver-
• kieze ? Dat gij losmaakt de knoopen der goddeloosheid,
y
^4
-ocr page 38-
f\'
w
36
da< «72; ontdoet de banden des juks, en dat gij vrij
loslaat de verpletterde en alle juk verscheurt. Is het
niet, dat yij den hongerigen uw brood mededeelt en de
arme verdrevene in huis brengt
? Als gij eenen naakten
ziet, dat gij hem dekt en dat gij u voor uw vleesch
niet verbergt. Dan zal uw licht voortbreken als de
r           dageraad en uwe genezing zal snellijk uitspruiten
Jes. 68: 5-8.
2
            De volgende afbeelding van de leer des Antich-
rists is, dat hij de leeringe Balaams houdt, die Ba-
lak leerde den kinderen Israëls eenen aanstoot voor-
werpen, opdat ze zouden afgodenoffer eeten en hoe-
reeren.
Openb. 8: 14. En wat zyn het voor leerstel-
/lingen? dan die welke uwen brief in het bijzonder
\\ bevat en die u geleerd zijn, namelijk om Godshei-
v ligen als ketters te vervloeken en hunneleerstellingen
i als ketterijen. Als dezulken hebt gij ze verband en
• *s l wat was het werk Balaams ? dan om Israël te ver-
vloeken en de goddeloozen voor geld te zegenen^
en het volk Israëls vervolgens tot afgodendienst te
verzoeken, opdat God hen verderven zou en welke
goddelooze list ook gelukte. N\'im. 15: 1, 2,8. Dit is
de aanstoot die hij den kinderen Israëls voorwierp en
dit is de aanstoot die de mnstieke Balaam in uwen
weg geworpen heeft, waaruit niemand dan God u
ooit zal kunnen verlossen.
Eene andere afbeelding van zijne leer is, dat de
mrjstieke hoer Jezabel, die haar zelven zegt eene
profetesse te zrjn, toegestaan wordt Gods dienst-
knechten te leeren en te verleiden om te hoereeren.
Openb. 2: 20.
En waarom wordt de kerk van Rome brj Jezabel
vergeleken?
                          —_,—__^-^
Ten eerste omdat ze eene heiden was, dat Rome
ook eens was. Ten tweede omdat ze al Gods pro-
feeten behalve Elia doodde, hetwelk Rome ook ge-
-ocr page 39-
9
37
tracht heeft te doen en zy hield vier honderd vyf-
tig valsche profeeten op hare eigen kosten, evenals
Rome nu, welke leer gij reeds aangenomen hebt.
Zy wordt gezegd Gods dienstknechten te verleiden
en gü zyt er eene, die verleid zijt, maar God zal
die bekeerlingen, die in haren schoot sterven, doo-
den. Ziet ik werp haar te bedde en die met haar over•
spel bedrijven in groote verdrukking, zoo zij haar
niet bekeeren van hare werken. Openb. 2 : 22. En hare
kinderen zal ik door den dood ombrengen
vers 23 a.
Gü gevoeld reeds iets van deze verdrukkingen in
uwe eigene conscientie, hetwelk slechts een begin
der smarten is.
Ten laatste, van den Paus en zrjne kerk wordt
gezegd, dat ze over de koningen der aarde regeeren.
De hoornen van de hoer zijn tien koningen. Openb.
17: 12. hetwelk op geen ander hoofd of lichaam in
de wereld dan op den paus, alsmede op de kerk^
van Rome toegepast kan worden: ook is het der ]
wereld wel bekend, welke deze tien koningen ge-
weest zyn. Eenigen zrjn afgevallen en eenige niet
en deze zullen haar haten en zullen ze met vuur ver-
branden.
Openb. 17: 16.
Deze goddelooze dwalingen zullen door het licht
van Christus evangelie openbaar gemaakt worden
en verteerd worden door den Geest Zijnes monds
of door de kracht des Heiligen Geestes en te niet
gemaakt worden door de verschijning zijner toekomst
2 Thess. 2: 8.
Ik ga nu over om u aan te toonen wat gü ge-
daan hebt door u met eedzwering aan die kerk te
verbinden.
Eene eed is een plechtig beroep op God ter beves-
tiging; het is God tot de eenige getuige nemen in
de gezworene zaak en datgene waartoe een mensch
zich met eede verbindt is voor eeuwig vast met züne
-ocr page 40-
38
eigene toestemming en in den naam entegenwoor-
digheid van God zei ven. Dit kan men zien in die
onheilige goddelooze Ezau, die voor eenen schotel
linzenmoes zijn eerstgeboorterecht aan zijnen broeder
Jacob verkocht en
bij den verkoop er van in Gods
naam zwoer en naderhand de zegeningen willende
beërven werd hij verworpen. Want hij vond, geen plaats
des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.
Hebr. 12: 17.
Een eed is een verpanden van alle aanspraak op
God en een verbeuren van alle recht op eene evan-
gelie belofte of eenige beloofde zegening (ingeval
het niet waar is). Dit is het gevolg van het zweerep
bij Gods naam en is ook de reden, waarom de Bij-
bel bij eenen eed gebruikt wordt om ons aan te
toonen, dat wij al de zegeningen van Gods Woord
verbeuren als wy valschelijk zweeren. Dit wordt
gedaan door de hand er op te leggen of denzelve
te kussen. God zegt: gij zult den Heere uwe eeden
houden."
Houdt gij de uwe, dan moet gij in denzelf-
den weg voortgaan, dat is, gij moet de leerstellin-
gen, welke gij als ketterijen verworpen hebt verlaten,
de oppermacht van Christus als het eenige Hoofd
der kerk verwerpen en de oppermacht van den anti-
christ als het algemeene hoofd van die kerk, waar
gij by gezworen hebt, aankleven. Indien gij uwen
eed houdt en het koninkrijk Gods op die wijze
verkrijgt, dan zijn al de heiligen in den Bijbel mis-
leid en gij zijt in den rechten weg, ofschoon gij be-
lijdt, dat gij nog zijt in uwe zonden, in de vreeze
des doods en angsten der hel en ook dat gij eene
benauwdheid des harten hebt, waarvan God zegt:
Uwen vloek zij over haar. Het is daarom niet waar-
schijnlijk, dat gij het onfeilbare pad gevonden zoudt
hebben, aan wie zooveel is gedaan door menschen
maar die nochtans zonder God handelt en zonder
-ocr page 41-
39
hoop in de wereld zyt. Ik zeg u, dat gü dooi deze
uwe leerstellingen de helsche verdoemenis nimmer
ontvlieden zult.
Voor deze bewering heb ik meer dan honderd
Roomsche schrijvers aan mijne zijde, die bekennen,
dat hunne beste volgelingen naar het vagevuur
gaan, en in Gods naam zeg ik u, dat indien dat
zoo is, zy\' er in alle eeuwigheid niet uit zullen
komen.
Gy\' beweert, dat zy de engelen niet aanbidden,
maar God zegt het tegendeel. Hij, die in zijn gebed <:
eenen engel aanspreekt, die aanbidt eenen engel,
en die zich voor een beeld nederbuigt, aanbidt dat
beeld. Knielt gy niet neder voor hetgeen van eenen
boom gekomen is? Jes. 44: 19, 20. Degene, die in
zyn gebed den bijstand van eenen heilige aanroept
aanbidt dien heilige; degene, die een beeld heeft
om daardoor het voorwerp van aanbidding in zyne
gedachte te hebben, richt iets op dat God een gru-
wel is, en God heeft beloofd, dien man na zichzelven
te antwoorden.
Ezech. 14: 1—4. Kan een afgod u tot
God opleiden? Bij wien dan zidt gij God vergelijken?
of wat gelijkenis zult gij hem toepassen
? De werk-
meester giet een beeld en de goudsmid overtrekt het
met goud, en giet er zilvere ketenen toe. Die verarmt
is, dat hij niet te offeren en heeft, die kiest een hout
uit, dat niet verrot; hij zoekt zich eenen wijzen werk-
meester om een beeld te bereiden, dat niet wankelt.
Jes. 40: 89, 19, 20. Welke lage bevattingen moet
gij hebben van de eeuwige kracht en Godheid, mee-
nende dat Hij goud of zilver of steen gelijk zij, welke
door menschen kunst en bedenkingen gesneden zijn. God
dan de tijden der onwetendheid
(onder de heidenen)
overgezien hebbende, verkondigt nu alle menschen
alom dat zij zich bekeeren.
Hand. 17; 29,30. Ik ver-
onderstel echter, dat gy uw antwoord gereed hebt,
-ocr page 42-
40
* /dat ofschoon er van de Godheid geene gelijkenis
". [ genomen kan worden, de afbeelding van een mensen
ons nochtans aan des Zaligmakers menschelvjke na-
tuur doet denken. Zoo dan wij kennen van nu aan
niemand na den vleesche, en indien wij ook Christus
na den vleesche gekend hebben, nochtans en kennen wij
* ~-\\hem nu niet meer na den vleesche. 2 Cor. 5: 16.
\\2j Grj zijt evenmin te verschoonen als gij Hem met
. het beeld van een zondig mensch vergelrjkt, als de
Israëliten, die Hem bij het beeld van een kalf ver-
geleken, want Christus wordt zoowel het gemeste
kalf
als een Man van smarten genaamd Israël ver-
anderde hare eere in de gedaante van eenen os, die
gras eet
(wanneer zij zich voor het gegoten beeld
bogen). Zij vergaten God haren Heiland, die groote
dingen gedaan had in Egypten. Wonderdoden in het
land Cham.
Ps. 106: 19-22. En gij doet niet beter
wanneer gij u verderft en maakt u iets gesnedens, de
gelijkenis van eenig beeld, de gedaante van man o f vrouw.
Deutr. 4 : 16. Het maakt geen verschil of gü eenen
^-~, zilveren Jezus of de kalveren van Bethel kust.
- Hosea 13: 2; beide is het helsche afgoderij. Noemt
"i^-^fcij dit een merkteeken van de ware kerk,hetwelk
\'t. God als het kenmerk van zoovele duizenden ver-
o^^worpelingen voorgesteld heeft? Ook hebbe ik in Israël
^doen overblijven zeven duizend, alle knieën die haar
niet gebogen hebben voor Baal, en alle mond die hem
niet gekust heeft
1 KoniDgen 19: 18.
Dat u dan niemand oordeele in spijs of in drank
(zyn dit geene paapsche leerstellingen ?) of in het
stuk der Nieuwe Maan of der sabbathen.
Ziet men niet honderden van deze dagen op iedere
muur van uwe kapellen aangeteekend ? Ik weet
dat dit zoo is. God zegt: De Sabbathdag is eene scha-
duw van de toekomende dingen,
dat wil zeggen, zij
is een teeken van eeuwige rust, opdat de heiligen
-ocr page 43-
I
van hunne werken mogen rusten, gelijk God van de
zijne.
Hebr. 4: 10. Maar het lichaam is van Christus,
niet van den Paus en bestaat slechts uit geloovigen,
in geestelijke vereeniging met Christus door den
band der liefde, en niet in het toestemmen van de
leugenen eener hoer.
                              . .        • . . »k va.
Dat dan niemand u overheersche zegt God, na
zijnen wille in nederigheid
zooals gü van plan waart
vrijwillig te doen, door voor uw leven in een kloos-
ter te gaan, om eene valsche gerechtigheid op te
richten en eene geveinsde nederigheid en dienst der
engelen, intredende in hetgeen
[de mensch der zonde]
niet gezien heeft; tevergeefs opgeblazen zijnde door het
vtrstand zijnes
vleesches. Coll. 2: 17 — 23.
In het 19de vers wordt gü beschuldigd, dat gjj
het hoofd niet behoudt, hetwelk Christus alleen ia.
Dit Hoofd hebt gij door uwen eed overgegeven,
toen gü den Paus erkendet en bij hem zwoer, die
de Antichrist is. Christus laat niet toe, dat een
zyner dienstknechten heerschappij over zijn erfdeel
voert
1 Petr. 5: 8 maar om aller dienstknecht te zijn.
Maar gü zijt van Christus, het eenige invloederijke
Hoofd, vervallen, uit hetwelk het geheele lichaam
door tesamenvoegselen en tesamenbindingen voorzien
en te zamen gevoegd zijnde, op wast met goddelijken
wasdom.
De Heilige Geest gaat voort met de beschrijving
van het Pausdom en waarschuwt er de heiligen
tegen. Indien gij dan met Christus de eerste begin-
selen der wereld zijt afgestorven,
hetwelk gü be-
weest te zijn, door uw verlangen naar een kloos-
terleven; waarom geeft gy het eene kwaad op en hangt
een ander aan ? Wat wordt gij, gelijk of gij in de
wereld leefdet, met inzettingen belast?
Een kiooster-
leven is eene menscheljjke instelling, het vasten
in de Vasten en op Vrijdag is dit insgelijks, en het
-ocr page 44-
9*3
geven Tan eene ouwel, in plaats van brood en wijn
is dit ook. Daarom zegt God: Raakt niet, noch smaakt
niet, noch roert niet aan. Welke dingen allen verder-
ven door het gebruik, ingevoerd na de geboden en lee-
ringen der menschen. Dewelke wel hebben eene schijn-
reden van wijsheid in eigenwilligen godsdienst en ne-
derigheid en in het lichaam niet te sparen,
of de kerk
van Christus, doch zijn niet in eenige waarde maar
tot verzadiging des vleesches.
Eene geveinsde nede-
righeid en eene eigenwillige godsdienst in alles waar
gy in dezen uwen brief voor strydt.
Door het afleggen van den eed hebt gij ontvangen
het geen God het merkteeken van het beest noemt Openb.
13: 16, gelyk geschreven is : En het maakt dat het
aan alle kleine en groote en rijke en arme en vrije
en dienstknechten, een merkteeken geve aan hare rech-
terhand of aan hare voorhoofden
Door het voorhoofd
wordt eene openbare belijdenis van het Pausdom
bedoeld en een stalen voorhoofd ter zijner verdedi-
ging, overeenkomstig met hetgeen God van de open-
bare prophetie van zijnen oprechten en getrouwen
propheet Ezechiel zegt: Ziet ik héb uw aangezicht
stijf gemaakt tegen hare aangezichten en uw voorhoofd
stijf tegen haar voorhoofd, tiw voorhoofd héb ik ge-
maakt als een diamant, harder dan eene rots en vreest
hen niet.
Ezech. 3: 8, 9.
Ik kan de uitwerkingen van het merkteeken des
beests op uw voorhoofd door dezen brief gewaar •
worden, want dezelve is reeds aangedaan met eene
verharde stoutmoedigheid in de verdediging van leu-
genen. Elke schriftuurplaats, die gij aangehaald hebt,
hebt gü verdraaid, hetwelk een bewy\'s is.dat gij hetgeen
God een geestelijk hoerenvoor hoofd noemt, gekregen
hebt. Jer. 3: 3. Waarlijk gelijk eene vrouw trouwe-
looslijk scheidt van haren vriend, alzoo hebt gijlieden
trouwelooslijk tegen mij gehandeld,
en zijt van de
-ocr page 45-
43
belijdenis, die gij van het verbond der genade maakte,
afgeweken. Een waar Christen heeft Gods naam aan
zijn voorhoofd. God is de menigvuldige verlossing zijns
aangezichts
en hij is onverschrokken ter wille der
waarheid Openb. 9 : 4. Openb. 14 : 1, terwijl eene
ziel, die in de paapsche beginselen verhart is, het
merk des beests draagt en God eu het woord zijner
genade tegenstaat.
In weerwil van uwe verdediging van den vrijen
wil, kan ik toch zien, dat gij Gods wil vervuld hebt,
zelfs in dezen uwen afval, want God zegt. „En alle,
die op de aarde vronen, zullen hetzelve aanbidden, wel-
ker namen niet zijn geschreven in het boek des levens:
des Lams, dat geslacht is van de grondlegging der
wereld.
Openb. 13 : 8. Ook verwonder ik mij niet
over de tegenwoordige benauwdheid uws gemoeds,
want het is slechts hetgeen God verklaard heeft.
Hij bedreigt al zulke afvalligen met ondergang en
verderf, tenzij zij zich bekeeren: En zij hebben geene
rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn
beelden zoo iemand het merkteeken zijnes naams ont-
vangt.
Openb. 14: 11. Gij eigent u zijn merkteeken en
het merkteeken zijnes naams toe, door uzelven „een
streng Katholiek" te noemen. Want van deze zijn het
die in de huizen insluipen en nemen de vrouwkens
gevangen, die met zonden geladen zijn en door meni-
gerlei begeerlijkheden gedreven worden. Vrouwkens die
leeren en nimmermeer tot kennis der waarheid kun-
nen komen?
2 Thim. 3 : 6, 7. Door hunne middelen
worden de arme misleide zielen tot geestelijke los-
bandigheid vervoerd en stooten zich aan Christus,
terwijl zij hunne arme zielen onteeren door de zaak
van den antichrist aan te hangen, hebbende haar
oordeel, omdat zij haar eerste geloof hebben te niet ge-
daan.
1 Thim. 5 : 11.
Ik ga nu over om u aan te toonen wat het merk-
-ocr page 46-
44
teeken des beests aan de hand is. Het merkteeken aan
het voorhoofd is eene met eede bevestigde stoutheid
voor zijne zaak en eene openlijke belijdenis van zyne
godsdienst maar zijn merkteeken aan de hand is eene
bezworene kracht, aangewend tot de verdediging des
Pausdoms, zoowel door het zwaard des oorlogs als
door sluwe argumenten. Door de hand wordt hier
kracht te kennen gegeven. Wanneer gezegd wordt
dat God zijn volk door Mozes rechterhand verlost,
beteekent dit, dat Mozes de rechterhand van Gods
kracht uitstrekte, hetwelk in zijne wonderen gezien
werd. Jes. 63 : 12. Toen God Farao omkeerde en
Israël verloste werd dit aan zijne rechterhand toe-
geschreven. Exodus 15: 6. Om kort te zijn het
merkteeken des beest aan het voorhoofd is een zwe-
ren om eene opentlijke belijdenis van deRoomsche
godsdienst te doen en alle andere opentlijk te ver-
werpen. Het ontvangen van het merkteeken aan
zijne rechterhand wil zeggen, dat men den eed af-
legt, waarbij men den Paus als oppermachtig erkent
en belooft alle zijne kracht aan te wenden ter
verdediging van den antichrist, om hem op zijnen
stoel te beschermen. Ik geloof dat dit de ware be-
doeling Gods in Zijn Woord is en uwe conscientie
zal nimmer zoolang gij in het Pausdom leeft van
de kracht dezer uitlegging verlost worden. Vraagt
gij wat God zegt van degenen, die het merkteeken
des beests ontvangen, dan verwijs ik u naar zijn
eigen Woord; lees Openb. 13: 16, 17 - 15: 9, 11.
15 : 2. - 16. 2 - 19: 20 - 20: 4.
Nu zal ik u twee deuren der hoop in de Schrift
wijzen, maar de hope is eene gave Gods en ontvangt
gij hetgeen Paulus eene goede hope door genade noemt
dan kunnen u deze deuren nog tot nut zijn. De
eerste is: Indien gij eene uitverkorene zielzijt,dan
is God uw Verbonds vader en Christus uw Man
-ocr page 47-
45
door des Vaders verkiezing en gifte en dan kan uw
Vader of uw Man uwe beloften en eeden nog te niet
doen, maar buiten Hem ook niemand. Indien geen.
van Beide tot uwe conscientie sprak, (hetwelk ik
geloof, dat het geval was) ik zeg, als geen van
beide tot uwe conscientie sprak, toen gy uwe beloften
deed en uwe ziel er door bondt, dan heeft hunne stil-
zwijgendheid uwe beloften bevestigd en God zegt:
alle hare geloften zullen bestaan, en alle verbintenis,
waarmede zij hare ziel verbonden heeft zal bestaan.\'r
Het zwijgen van dezen Vader of van dezen Man,
zullen hen voor immer bevestigen; slechts hunne
afkeuring en hunne kracht kunnen hen nietig ma-
ken. Lees het 30ste kapittel van Numeri.
De andere deur der hoop is Gods roeping van
zijne uitverkorenen, die in dat goddelooze lichaam,,
hetwelk God de moeder der hoererijen noemt, inge-
lrjfd zijn. In Gods roeping van hen geeft Hrj hen
te kennen, dat voor diegenen, die in haren schoot
sterven, geene zalighoid is. En ik hoorde een andere-
stem uit den hemel zeggnde: Gaat uit van haar mijn
volk, opdat gij aan hare zonden geen gemeenschap hebt
en omdat gij van hare plagen niet ontvangt.
Openb. 18:
4. Hetwelk klaar bewijst dat al degenen, die in hare
zonden sterven, ook hare plagen zullen ontvangen.
Aldus heb ik u door Gods Woord aangetoond,,
wat gij gedaan hebt, welke uitleggingen ik geloof,,
dat de waarheid zijn en naar ik vrees, zult gij dat
aan het einde alzoo bevinden, indien gij in uwen
tegenwoordigen staat leeft en sterft. Noch zullen
de monnikachtige eischen eener non, noch de abso-
lutie eens priesters, noch al de bullen van eenen
tjaus, u ooit kunnen verlossen. Onder den hemel
is geene andere zaligheid gegeven dan den naam
van Jezus Christus, en als Hij u ooit van de hel
zal verlossen, dan zal Hij u ook van de misleidingen
-ocr page 48-
:
&
^ ;:
46
van het Pausdom redden, alsmede van de valstrik-
ten des priesters.
Ik zal nu overgaan u uit Gods Woord aan te
toonen, wat gij over uwe ziel gehaald hebt door
eene proseliet dier ware kerk te worden. Ten eerste :
Juda was in de dagen van Christus eene provincie
van hot Romeinsche rijk. hetwelk de Joden erken-
den, toen zij zeiden; Wij hebben geenen koning dan
den keizer.
Jozeph en Maria gingen dezen keizer schat-
ting brengen toen Christus geboren werd ; door eenen
Eomeinschen stadhouder werd de Zaligmaker ver-
oordeeld en onder Keizer Tiberius werd Hij gekruist.
De Joden behoorden tot het Romeinsche keizerrijk,
toen Christus tot hen zeide, dat op hen zou komen
al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op der
aarden van het bloed des rechtvaardigen Abels af tot
op het bloed Zacharias
Matth. 23: \'óó. Dat bloed is
nu op den antichrist en de hoere Babrjlons overge-
gaan, en al het onschuldige bloed, dat ooit op der
aarde vergoten wordt zal ten laatste in dezelve
gevonden worden. En in dezelve is gevonden het bloed
der profeten en der heiligen en aller dergene, die ge-
dood zijn op de aarde.
Openb. 18 : 24.
De Paus opende zijnen mond tot lastering tegen
God om zijnen naam te lasteren en zijnen taberna-
kei en die in den hemel wonen. Openb. 13: 6.
en [dit
doet hij als hy de maagd Maria de moeder Gods
noemt. Moeder Gods gebiedt uwen Zoon : Hy\' las-
tert \'fijnen tabernakel door de heiligen als ketters te
vloeken en de Schriftuur te vernietigen. Jezus zegt:
Wie is nmijne moeder en wie zijne ffyijne broeders?
zij die het Woord Gods houden en dal ~ doen (niet die
het verbranden dezelve is mijn broeder en zuster en
moeder.
„Er is maar eene heilige Katholieke kerk," zegt
gij. De gemeente des levenden Gods is een pilaar en
;
o.
*
.
..•
..
-
> .
^
^Xi
!
fcN
^
^
•>
\' *
2 t
^v
l
8
>
l
-ocr page 49-
47
vastigheid der waarheid 1 Thim. 3: 15. in wier har-
ten Gods waarheid ingeschreven is, en door wier
leven en openbaar getuigenis ze in de wereld be-
waard wordt tegen de leeringen van duivels.
Wat de „heilige Katholieke kerk betreft, van zulk
eene kerk lees ik niets in den Bijbel, en ook gy
niet. Het is een naam waarmede de discipelen van
Christus niets te maken hebben. De genade desge-
loofs, het woord des geloofs en Christus, het
voorwerp des geloofs moeten allen in eens menschen
hart zyn, zal hü immer zalig worden. Het woord
Katholiek is in het algemeen gebeden boek gezet,
maar wat hebben Gods heiligen hier mede te
doen?
God zegt nooit tot my, Hem met de eene of andere
geloofsbelijdenis noch met eenig formulier door men-
schen op gesteld te naderen, maar een ieder mensch
moet zijne eigene plagen en \'zijne eigene smarte
erkennen. 2 Cron. 6: 29 en door den Geest bidden,
zal hy by God vermogen. De heilige Katholieke kerk,
daar gjj voor strijdt, is nationaal, hetwelk Gods
kerk niet is noch ooit was, want ofschoon geheel
Israël Gods volk genaamd werd, zoo werden de
beloftenissen nochtans alleen aan het overblijfsel
van zijne erfenis toegepast. De geheele wereld kan
zoo zij wil tot uwe kerk behooren. Christus konink-
ryk is niet van deze wereld; Hy neemt hen er uit
evenals de uitverkorene joden: één uit eene stad en
twee uit een geslacht.
Van de geheele wereld wordt gezegd, dat ze zich
achter het beest verwonderde, maar niet Gods uit-
verkorenen, want zy zyn Jniet van dezelve, maar
zijn uit haar uitverkoren, gelyk geschreven is:
Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Ik bid niet
voor de wereld maar voor degenen, die gij mij gege-
ven hebt.
Uwe Katholieke kerk bestaat echter uit
-ocr page 50-
ei.
&i%^U(t\'i fa *>** \'• fadü
geheele volken; dieven, roovers, moordenaars, ver-
volgers, haters van God, hoereerders, Sodomiten,
bespotters van God, verbranders van den Bijbel en
makers van afgoden: deze allen zijn leden van de
Katholieke kerk. Eilieve, wat werd van Gods kerk
van voor vier duizend jaar geleden eer de draak den
Paus zijne kracht en zijnen troon en groote macht
f
gaf? Openb. 13: 2.
Is het beschuldigen van Gods Woord van dwalin-
gen een teeken van eene heilige kerk? terwyl Chris-
tus zegt dat Zijn woord recht is voor degene die
verstandig is
en dat het nooit zal te niet gedaan wor-
den noch voorbijgaan.
Is het uitlaten van het tweede gebod envelean-
-
V-
dere gedeelten der Schrift, terwijl men er zijne eigene
fabelen voor in de plaats stelt, eeu teeken van de
ware kerk ? terwijl God een ieder die dit doet met
al de plagen, die in dit boek geschreven zijn, bedreigt
en die er van af doet zal God zijn deel afdoen uit
. het boek des levens. Openb. 22: 18, 19. Deut. 4:2.
. en 12 : 32. Indien diegene, die er één woord bij doet
of er één woord afdoet door God bedreigd wordt,
7
elke verdoemenis zal hun waardig gerekend wor-
ien, die het geheel verbranden ? Werd niet de ko-
ning van Juda, zijne dienstknechten en geheel Israël
in gevangenschap gevoerd, omdat zij Jeremiah\'s rol
verbrand hadden ?
Zijn deze niet de lieden die den sleutel der kennis
wegnemen? die zelve niet ingaan en die anderen ver-
hinderen
? Is dit niet het eeuwige leven om God te
kennen en Jezus Christus dien Hij gezonden heeften
kunnen wij Hem buiten den Bijbel kennen? Komt
het geloof niet door het gehoor en het gehoor door
het Woord Gods?
Is het verbranden der heiligen,
het ophangen van hen, hen met paarden van een
te scheuren, hen door wilde beesten te laten ver-
-ocr page 51-
J* ,J
r-
«rf
^ V^i
slinden, hen dooi buskruit in de lucht te doen vlie- r.
gen en hen in den ban te doen eenig waarmerk
van de kerk van Christus? Is eene bloedige inqui-
sitie, een radbraken op het wiel, een vervolgen te
vuur en te zwaard, een afpersen van bekentenissen,
die geen verstand bevatten kan en die zrj zelven
nimmer verklaren kunnen, ik zeg, zyn dit de wape-
nen, waarvan Christus zijne discipelen voorzag
om zielen tot het geloof des Evangeliums te be-
keeren.
Indien het gansche Woord Gods verklaart, dat er
maar één Middelaar, één Voorspraak, één Voorbid-
der is, en God Koran. Dathan en Abiram levend
ter helle zond met hun geheele gezelschap, omdat
zrj middelaars wenschten te vermenigvuldigen en
indien God Aiiron bestrafte en Mirjam met melaatsch-
heid sloeg, omdat zrj zich tegen den eenigen Midde-
laar verzetten, wat zullen wij dan van deze zeggen,
die heiligen van Gods maaksel en heiligen van hunne
eigene heiligverklaring, engelen, mannen en vrou-
wen tot voorbidders, middelaars en voorspraken
gemaakt hebben. God heeft Zijnen Zoon Jezus Chris-
tus gezalfd over Sion, den berg zijner heiligheid,
maar wie heeft alle deze gezalfd ?
Als Christus in Johannes 6: 53 zegt: tenzij dat
gij fut vleesch des Zoons des Menschen eet en Zijn
bloed drinkt zoo hebt gij geen leven in u zelven,
be-
teekent dit dan dat de Zone Gods in eenen ouwel
veranderd moet worden? En wanneer Christus in \\ *<
Johannes 6: 63 zegt: „de Geest is het die levendig
maakt, het vleesch is niet nut; de woorden die ik tot
£
u spreek zijn geest en leven," bedoelt de Zaligmaker
dan, dat het prevelen van een paar woorden door
eenen blinden priester, de ouwel zal veranderen in
hetgeen Christus Geest en leven noemt? De Geest
is het die levendig maakt; de woorden, die ik tot u
Bekeering                                                                     4
-ocr page 52-
s
!
spreek zyn Geest en zyn leven. Zal een priester
., eenen ouwel in onsterfelijkheid en eeuwig leven om-
goochelen ? Indien de uitdrukkingen van Christus van
y
Zijn vleesch te eten en Zijn bloed te drinken geest en
leven zyn," bedoelt Hy dan dat zulk eene gemeene
zelfstandigheid in de Godheid veranderd zou worden?
; Indien het vleesch en bloed des Zaligmakers diende
om het lichaam te onderhouden in plaats van de
geest en conscientie, dan zou een lichaam aldus ge-
^^, voed nimmer sterven. Dit is het brood dat uit den
hemel nederdaalt, opdat de mensch daarvan ete en niet
Bterve.
Joh. 6 : 50. Maar door het eten van Zijn
vleesch en het drinken van Zijn bloed
worden verge-
ving, vrede en het eeuwige leven beteekend ; welke
11 door Zijnen dood verworven en door Zynen Geest
aan de zielen toegepast worden. Dit is de spijze, die
gij nu noodig hebt en de ziel die aldus gezegend en
gevoed is zal nimmer den tweeden dood sterven en
ook zal tusschen God en zulk een gelukkige ziel
nooit eene volkomene scheiding plaats hebben.
Zyn zulke reliquien als de staart eens ezels, de
splinters van een kruis, de melk eener vrouw, een
stuk van een stok op het hart gedragen, de been-
^_.        deren van doode heiligen en de streken vanleven-
X^ de; ik zeg zyn dit de versierselen van Christus kerk?
Gebiedt God ons niet om de levenden niet onder de
dooden te zoeken ? Wierp Christus het legioen duivels
l&A\'l\'. met m* den krankzinnigen Gadarener, opdat hij niet
meer tusschen de graven zou dwalen ? en deed hy
het ooit eer de duivel in hem was? Bestraften de .
engelen de godvruchtige vrouwen niet toen zij in
des Zaligmakers graf keken ? hun meededeelende, dat
Hij opgestaan was, opdat zy mochten worden we-
dergeboren tot eene levende hope door de opstan-
ding Jesu Ghristi uit den dooden
en hunne hoop niet
in een graf stellen.
-ocr page 53-
51
Kan de uitvinding vaneen vagevunr of eene denk*
beeldige hel, als eene bedreiging gebruikt om zielen
van de waarheid af te drijven en als een middel
om de beursen van de overlevenden te berooven,
opdat men de verdoemden uit de gevangenis zou
kunnen bevrijden, eenig gedeelte van Christus evan-
gelie zijn? Is het verkoopen van vier of vijf soorten
van bullen, het vergeven van zonden voor zulke
vergankelijke zaken als zilver en goud, het vertellen
aan zondaars, dat zij in hun leven meer werken
doen dan hun plicht eischt, en hen dan nog naar
de hel te zenden en hen er daarna voor een weinig
contante munt weder uit te halen, is dit eenig ge-
deelte van het geloof den heiligen overgeleverd ?
De Zaligmaker weigerde in zi;n leven de geheele
wereld met hare heerlijkheid, toen de Satan ze Hem
aanbood, maar wij hooren van den Paus hier niets
van, want hij verkoopt den hemel, de aarde en
hel voor geld. Hij heeft duizenden verdiend, door
heiligverklaringen en door gelijk hij voorgeeft de
zielen in den hemel te brengen. Duizenden heeft hij
gewonnen door het toelaten van bordeelen en het
verkoopen van aflaten op aarde en millioenen door
de zielen uit de hel te halen. Is dit het gebruiken
van een evangelietalent? Zijn dit de vruchten daar
de Heere naar zoeken zal als Hij komt om met Zijne
dienstknechten af te rekenen, om te weten wat elk
met handelen gewonnen heeft?
Indien hij de opvolger van Petrus is, waarom zegt
hij dan niet tot iederen verkooper van bullen, even
als zijn voorganger tot Simon den Toovenaar zeide,
toen hij den Heiligen Geest voor geld wilde koopen:
„ Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend
hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt
?" ïn-
dien hij eene gansch bittere gal en te zamenknooping
der ongerechtigheid was door zijne aanbieding om
-ocr page 54-
52
te koopen, zoo kan hij, die aanbiedt om te verkoopen
niet beter zijn.
Tndien er zulke orden van menschen als Pausen,
Christus stedehouder, Petrus opvolger, zijne Heilig-
beid, onze Heere God de Paus, Kardinaals, Rectors,
Vicarissen, Priesters, Jezuiten, monniken, biechtva-
ders en broeders zijn, dan zou ik gaarne vernemen,
waar deze plaatsbekleeders in de Schrift vermeld
zijn, alsmede de beschrijving van hun ambt en ge-
zag. Indien dit niet gevonden kan worden, dan vraag
ik: wie gaf hun deze waardigheid?
Indien er in Gods Woord eenig gebod voor hoofd-
kerken, nonnenkloosters, abdeijen en monniken-
kloosters is, waar staat dan het gebod ? En indien
er eenig gebod is voor zooveel legioenen van non-
nen van verschillende orden en kloosters, waar is
dat te vinden ? God zond zijne dienaars om een
openbaar getuigenis af te leggen: Hij zond Henoch
om tot de wereld te propheteeren en Noach even-
eens; Abraham om de zeven volkeren vanCanaan
te doorreizen; Jacob naar Mesopotanie; Josef in
Egypte, Lot in Sodom, Jonah in Nineveh, Davidin
Gath en de apostelen in de geheele wereld. Hij
noemt hen eene stad op eenen berg; een kaars op
eene kandelaar gezet en zij schijnt allen die in het huis
zijn
; om hun licht voor de menschen te laten schijnen,
opdat zij hunne goede werken mochten zien;
en eene
vrouwe die den Heere vreest, die zal geprezen worden
en zü zal van de vrucht harer handen ontvangen:
maar het zijn hare eigene werken, die haar in de
poorten
moeten prijzen, niet in de cellen van een
klooster Spr. 31: 31.
Men zou zoo meenen, dat het lijden van dien
huichelaar Franciscus Spira, na zijne herroeping,
voldoende geweest zou zyn om de geheele wereld
van de zonde van het Pausdom te overtuigen, be-
-ocr page 55-
53
halve het onfeilbare beeld dat God er in Zyn Woord
van geeft. Maar helaas! de God dezer wereld heeft
hunne oogen verblind; daarom heeft God hun eene
kracht der dwaling gezonden, dat zij de leugen zouden
gelooven."
Ik zal nu overgaan om de teksten, die gy aange-
haald hebt, te beschouwen. Mijn oogmerk is echter
niet om u tot myne leerstellingen over te halen,
want al hadt gy\' ze allen in uw hoofd en vóór in
uwen mond, dan zou het toch slechts een ten onder-
houden der waarheid in ongerechtigheid zyn, tenzy
God u in het hof van uwe eigene conscientie recht-
vaardigt. Dit kan slechts geschieden door de toe-
rekening van de gerechtigheid des Middelaars, ec
deed Hij dat, dan zoudt gij inderdaad een gezond
geloovige, zün want hij die gelooft heeft hetgetuige-
nis in zichzelven. Indien wij het getuigenis der men-.
schen aannemen, het getuigenis Gods is meerder.
Gy zegt, dat gy in de offerhande der mis gelooft.
Dan zeg ik dat God u overgegeven heeft om de leugen
te gelooven
2 Thess. 2: 11 Wie een lam offert breekt
eenen hond den hals
Jez. 66: 8, en degene, die eene
ouwel offert is niets beter. Uw geloof is in wijsheid
der memchen, maar niet in de kracht Gods.
1 Corth.
2: 5. Ook staat in het gansene Woord Gods geene
enkele tekst, waar gy zulk eene ongerijmdheid op
zoudt kunnen bouwen.
Als Hy zoet: „Dit is mijn lichaam," dan bedoelt
Hy dit niet figuurlijk zegt gy. Maar ik zeg, dat Hy
het in eene figuurlijke en geestelijke zin bedoelt;
want eene zaak sprak Hij en eene andere bedoelde
Hy. De uitgesproken zaken waren vleesch en bloed;
de bedoelde zaken waren geest en leven; zoo ook als
Hy zegt „Ik kom als een dief," wil dit dan zeggen,
dat Hij een inbreker is? Als Hy zegt: „Ik ben een
Leeuw,"
wil dit dan zeggen, dat Hy een beest is?
-ocr page 56-
54
Ala Hij een Lam genaamd wordt ia Hij dan in scha»
penvleesch veranderd? Als Hij zegt: Ikbendemor-
genster,"
sluit dit dan in, dat Hij een planeet is?
Ook als Hij zegt: Ik ben het brood des levens," be-
teekent dit dan, dat Hij in een brood of in een ouwel
veranderd is? Gij neemt zijne woorden in eenelage
vleeschelrjke zin, daarom oogst gij er geen geeste-
lijk leven of vertroosting van, hetwelk de somma
en inhoud des bijbels is. Onderzoek de Schriften, want
gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben en
die zijn het die van mij getuigen.
Hij zelf zegt tot u:
Het vleesch is niet nut. Be woorden, die ik tot u spreek
zijn geest en zijn leven."
Wanneer Hij een Lam genaamd wordt worden
daardoor zijne onschuld, zachtmoedigheid en gedul-
dig lijden aangeduid. Noemt Hij zichzelven een
Leeuw, dan stelt dit Zijne kracht en vreeselijke ma-
jesteit voor. Als Hij zich eene Ster noemt worden
zijne heerlijke stralen beteekend. En als Hij zich-
zelven het brood Gods noemt worden geestelijk en
eeuwig leven bedoeld.
Is het volgens uwe verklaring de waarheid dan
had Judas Christus in zich, zelfs toen de Satan in hem
voer. Niettegenstaande de bete ging hij echter naar
de hel, zooals anderen, niettegenstaande de ouwel,
naar het vagevuur gegaan zijn.
Als Christus zegt: Ik zal mijn vleesch geven voor
het leven der wereld."
bedoelt Hij, dat Hij zichzel-
ven tot eene offerande zal geven, om de beleedigde
gerechtigheid te stillen en als eene schede voor zijn
vlammend zwaard, opdat den zondaars vrede ver-
kondigd en hun het leven door den Heiligen Geest
medegedeeld moge worden. De Geest is het die
levend maakt."
De belofte Gods is het eeuwige leven. Dit leven
is in den Zoon."
Hij die den zoon in zijn hart heeft
-ocr page 57-
(niet in zijne ingewanden) heeft het leven; maar
die den Zone ongehoorzaam is, die zal het leven niet
zien, maar de toorn Gods blijft op hem. Die gelooft
komt niet in de verdoemenis maar is uit den dood over-
gegaan in het leven.
Nu, juffrouw, indien de offerhande der mis wer-
kehj\'k hetgeen is, dat de Zaligmaker bedoeld, en in-
dien uw geloof er in, het geloof van Gods uitver-
korenen is, welk leven en welke vrede nebt gü dan
ontvangen ? Gü bekent, dat gü naar de mis geweest
zü\'t; hoe komt het dan, dat gij nog een twijfelend
leven leidt ? Schuld drukt u terneder en gij zrjt ge-
ketend onder de vreeze des doods en den toorn
Gods; eene vreemdeling van de vrede en vervreemd
van goddelijk leven. Daadzaken, mejuffrouw zijn niee-
doogenloos. Het is klaar, dat het geloof, hetwelk,
gy ontvangen hebt, en de mis in welke gij gelooft
niet met Gods goedkeuring of getuigenis vergezeld
geweest, zrjn. Nadat gij geloofd hebt zegt Paulus tot
zijne discipelen, zijt gij verzegeld geworden met den
Heiligen Geest der belofte.
Maar dit is met u het ge-
val niet I God heeft op uw geloof geen zegel gezet,
want gij hebt Christus beeld niet ontvangen, dat in
gerechtigheid en ware heiligheid bestaat. Integendeel
wordt gij terneder gedrukt door de verschrikkingen
van een misdadige, de prikkel der schuld en de
vreezen des doods; welke God een verachtelijk beeld
noemt.
Ps. 73: 20.
De leer van Gods verkiezing is eene waarheid,
door eiken schryver in de Heilige Schrift bevestigd.
Al de engelen in den hemel waren uitverkoren;
Christus is eene uitverkorene en dierbare steen ; al de
zielen die in den hemel zyn, zn\'n geroepen, uitverkoren
en geloovig.
Openb. 17:14. Zijne engelen zullen zijne uit-
verkorenen bijeen vergaderen uit de vier winden"
Matth.
34: 31. En zoo iemand niet gevonden werd geschreven
-ocr page 58-
56
in het boek des levens, die werd geworpen in den poel
des vuurs.
Openb. 20: 15. Dit zijn de besluiten van
de souvereine Majesteit des hemels en zoolang gy
hier tegen strydt zy t gij een opstandeling. Uwe on-
derdanigheid moet hierin bestaan, dat gij u aan den
souvereinen wil van uwen Schepper onderwerpt, en
ook zult gy nimmer met Hem verzoend of bevre-
digd worden, noch rust voor uwe ziel vinden, tenzij
uw wil aan den Zynen onderworpen wordt. In
zyne grootste zieleangsten onderwierp de Zaligma-
ker Zich aan Zyns Vaders wil en in Zy\'n kort gebed
leert Hij u hetzelve te doen.
Indien hij evenals Paulus uwe roeping en verkie-
zing vastgemaakt hadt, dan zoudt gij met Hem
ondervonden hebben, dat deze leer een vast fonda-
ment in tyden van benauwtheid is. Evenwel het
vaste fondament Gods staat hebbende dezen zegel: De
Heere kent degene, die zijne zijn. Indien dit fondament
weggenomen kon worden, wat zou de rechtvaardige
doen
? Deze leer is een groote troost voor den op-
rechten onderdaan : Verheug u dat uwe namen ge-
schreven zijn in de hemelen.
Maar voor den opstan-
deling is het een struikelblok: Het zal geschieden,
zegt God. dat het gerucht te verstaan enkel beroering
wezen zal.
„Het goede en het kwade worden voor ons ge-
„steld, zegt gy, en wij hebben zekerlijk eenen wil
„en macht om te kiezen of te verwerpen. Indien gij
„het verwerpt, dan is uw verderf uit u, o Israël!"
In waarheid, maar indien gij het goede kiest, dan
is uwe zaligheid geheellijk uit God, o vrouw! want
gij hebt Hem niet uitverkoren, maat Hij heeft u uit-
verkoren.
Joh 15: 16. Het is klaar, dat gij tot hier-
toe uwen vryen wil gevolgd hebt en even klaar ia
het, dat gy dat goede deel niet verkoren hebt, dat
nimmer van u genomen zal worden.
-ocr page 59-
57
De zaligheid moet of uit den souvereinen wil Gods
of uit den vrijen wil des menschen voortvloeien.
God zegt, dat zij door Zijnen souvereinen wil is:
JA; zal mij ontfermen, diens ik mij ontferme, en
zal barmhartig zijn, dien ik barmhartig ben.Paulus
zegt
; Zoo is het dan niet diegenen die wil noch des
genen die loopt, maar des ontfermenden Gods.
Salo-
mo zegt: De loop is niet der snellen, noch de strijd
der helden, noch ook de spijze der wijzen, noch ook
de rijkdom der verstandigen, noch ook de gunst der
welwillenden.
Johannis zegt: Daet onze nieuwe geboorte
niet uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans,
noch uit den bloede, maar uit God is.
En Christus
zegt: Vele eersten zullen de laatsten zijn en velen
laatsten de eersten; want velen zijn geroepen maar
weinigen uitverkoren.
God werkt alle dingen naar den raad Zijns
willem. God heeft zijnen heiligen de verborgenheid zijns
willens bekend gemaakt. Na Zijnen wille heefl Hij
ons gebaard door het woord der waarheid. En dit is
de wil desgenen, die mij gezonden heeft, dat een iege-
lijk, die den Zone aanschouwt en in Hem gelooft, het
eeuwige leven hebbe. En dit is de wille mijns hemel-
schen Vaders, dat al wat Hij mij gegeven heeft ik
daaruit niets verlieze, maar hetzelve opwekken ten
uitersten dage. Alzoo is de wille niet moes Vader die
in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren
ga.
Hier zie ik geene plaats voor dien vrijen wil
en kracht, waarvoor gij strijdt, en welke gü meent
te bezitten. Het is rarj zeer duidelijk, dat gij eene
ongelukkige keuze gedaan hebt, en gij gevoelt er de
vreeselrjke gevolgen van en niettegenstaande al uwe
kracht zijt grj nog steeds onder de heerschappij der
zonde en des Satans en zonder de geringste hoop
in deze wereld. Het past een schuldig bij zichzelven
veroordeeld misdadiger, die onder het vonnis des
.
-ocr page 60-
58
doods ligt, niet om te streden voor eigen souve-
reiniteit.
„Werk uw zelfs zaligheid uit met vreezen en
beven," zegt gij. Waarom liet gij er het verband uit ?
Waarom wilt grj de souvereiniteit en kracht Gods
in Zyne werken verduisteren en waarom hebt gü
een oogmerk uzelven te vergoden ? Niemand is goed
dan één, namelijk God. Nooit werd er eenig goed
werk op de aarde verricht, dan door God : Hij schept
de vrucht der lippen
; bereidt het hart; en werkt in
ons beide het willen en werken na Zijn welbehagen.
Waarom werd dit weggelaten ? Ananias waarom
heeft de Satan uw hart vervuld, om te onttrekken van
den prijs
en wel dat gedeelte, dat God het meeste
verheerlijkt? Het is God die in u werkt beiden het
willen en werken. Heere gij zult ons vrede bestellen,
want gij hebt ons ook al onze zaken uitgericht,
i) Jes.
26: 12. Maar gij broedt baziliskus eieren uit, en weeft
spinnewebben
maar God zegt dat uwe webben niet
deugen tot kleederen en gij uzelven niet zult kunnen
dekken met uwe werken.
„Zekerlijk, Christus stierf voor ons allen," zegt gü
„en niet voor een zeker getal: was Hrj niet een
„rantsoen voor allen ?" Het geheele menscheln\'ke
geslacht wordt niet bedoeld; eenigen zijn reeds in
de hel en in den grooten dag zullen er meer bokken
dan schapen zijn. De poorten des verderfs ontvan-
gen meer dan de poorten des levens. En (Eng.) is de
weg, die ten leven leidt en weinigen zijn er die denzelve
vinden.
Door het woord allen worden slechts de leden be-
doeld, niet alle menschen der wereld. Gij dwaalt,
niet toetende de Schriften, noch de kracht Gods.

moogt het voor het menschdom opnemen zoolang
1) (Eng.) „Maar gij hebt al onze werken in ons gewrocht."
-ocr page 61-
59
als gy wilt. doch dit zeg ik, dat vleesch en bloed hei
Koninkrijk Gods niet beërven kunnen noch de verder-
felijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.
„Stierf hU niet als een rantsoen voor allen,"zegt
gij ? Uitverkoren leden worden door het woord allen
bedoeld. Er is een geslacht dat rein in zijne oogen is
en ik las nooit, dat Hy voor dezen stierf. Er is een
geslacht van adders; voor hen stierf Hij niet. Duizen-
den zyn er rechtvaardig in hunne eigene oogen;
Hij kwam niet om te roepen rechtvaardigen. Er is
eene wereld van bokken: ook voor deze stierf Hij
niet. Hij stelde zijn leven voor zijne schapen maar tot
de slangen zegt Hij, gij zijt niet van mijne schapen.
Zijne eigene uitverkorenen noemt Hy schapen eer
zy\' door genade geroepen zyn. „Ik heb nog andere
schapen die van dezen stal niet zijn; deze moet ik ook
toebrengen: en zij zullen mijne stemme hooren en het
zal worden eene kudde en eenen herder. Ik bid niet
voor de wereld, maar voor degenen die gij mij gege-
ven hebt. Gij zult mij zoeken en gij zult mij niet
vinden.
Indien gy\' voor het woord allen de geheele wereld
neemt, dan maakt gy\', dat de eene helft des Bijbels
de andere helft weerspreekt. En eilieve, wat zal er
van de ketters worden, die vervloekt en verbrand
zijn, indien Christus zich tot een rantsoen voor
allen gaf? De vloek der verbanning is dan niet van
kracht, want indien algemeene verlossing eene waar-
heid des by\'bels is, dan zullen de arme ketters in
den hemel zijn, in spijt van al de vervloekingen
en verbanningen tegen hen gebruikt. En ofschoon
uwe kerk een rantsoen voor alle menschen stelt;
zoo zendt gy toch de besten van hen naar het va-
gevuur; maar dezen, daar Christus zich tot een
rantsoen voor gaf zullen daar nimmer komen, want
God zegt; Verlost hem, dat Hij in het verderf niet
-ocr page 62-
60
nederdale; Ik heb verzoening gevonden. Job 83: 24.
Arme ziel! gü zü\'t inderdaad vreeselyk verstrikt.
Dit is ontegenzeggelijk het tasten in de duisternis;
dit is inderdaad stooten aan de schemerende bergen;
Jer. 13: 16. Daar is geen recht in uwe gangen zooals
Jesajah spreekt: hare paden maken zij verkeerd voor
haar zelven; al wie daarop gaat, die kent den vrede
niet.
Maar gy gaat verder en ik achter u.
„Wat de biecht betreft, zegt gij: „Het is duidelijk
„dat Christus op aarde eene macht aan zynedisci-
„pelen nagelaten heeft om de zonden van den boet-
„vaardige te vergeven: „Zoo gij iemands zonden
„vergeeft,
zegt hij dien worden zij vergeven; zoo gij
„iemands zonden houdt die worden ze gehouden.
Hoe
„konden zy ze nu vergeven of doen houden, dan
„door de kennis er van ? en hoe konden zij tot de
„kennis er van komen, dan door de biecht? want
„wie kan het hart eens zondaars doorgronden ?"
„ Inderdaad gezonde logikamer Zult gij niet ophouden
te verkeeren de rechte wegen des Heeren
? De geheele
strekking van uwen brief is om God van Zyne
macht en heerlijkheid te berooven en aan het werk-
tuig toe te schrijven, wat God nimmer aan een
ander zal geven. Heb acht op uzelven, hoe gy deze
zaak behandelt, want God zegt: Die mij eeren, zal
ik eeren, maar die mij versmaden zullen licht geacht
worden.
Toen Christus zyne dienstknechten uitzond gaf
Hy" hun de sleutelen van het Koninkrijk der Hemelen.
Deze sleutelen waren Zyn Geest en Zyn Woord, den
sleutel der kennis
genaamd. Van deze sleutel van het
huis Davids
wordt gezegd, dat ze op Christus
gelegd zal worden. Jes. 22: 22. vergeleken met
Opeob. 3: 7. hetwelk Jesaia noemt een leggen van
4e woorden Gods in den mond des Zaligmaker en
-ocr page 63-
61
het geven van Zijnen Geest in Hem, welk Woord
en Geest, sleutels genaamd, niet van Christus, noch
van zijn zaad zou wijken tot in eeuwigheid. Hrj
zelf verklaart deze sleutels aldus: Want de woorden
die gij mij gegeven hebt heb ik hun gegeven.
En wederom
Ziet Ik zende de belofte mijns Vaders, namelijk den
Heiligen Geest, om u in al de waarheid te leidenen
van mij te getuigen.
Aldus gaf Christus hun zijn
Woord en vervulde hen met zijnen Geest en belooft
om tot het einde der wereld altijd t>ü hen te zijn
en met al degenen die Zijn Woord en Geest hebben
zal Hij ook tot aan het einde der wereld zijn.
Merk nu op, dat het door het Woord, den Geest
en de tegenwoordigheid van Chiistus was, dat zij
de zonden moesten vergeven of houden. Ontvang
de waarheid en de waarheid zal u vrij maken, dit
wil zeggen, zij zal u van uwe schuld en dienstbaar-
heid door vergeving, bevrijden.
Ten tweede: Waar de Geest des Heeren is, daar
is vrijheid,
dat is vrijheid van den schuld der zonde
en de dienstbaarheid der wet. Indien dan de Zone
u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn.
De wegneming der zonde ligt dus middelijkerwijze
in het Woord, hetwelk haar belooft, en daadwer-
kelyk in den Geest, welke ze toepast en beiden
komen van den Zaligmaker, die het Woord tot eens
zondaars hart zendt met kracht door den Heiligen
Geest en met verzekerdheid.
Aldus hadden zy dezen
schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der
kracht
(in het vergeven der zonden en het bekeeren
van zondaars) zij Godes en niet in ons.
Indien deze kracht in eenen Roomschen priester
huisvest dan zijn uwe zonden zonder twijfel weg-
genomen, want gij zijt dikwijls genoeg ter biecht
geweest, maar volgens uwen brief hebben God en
uwe conscientie uwe zonden nog gehouden. Ik twrj-
-ocr page 64-
62
fel of gü te zuinig met het wijwater geweest zijt,
of anders hebt gü in de biecht eenig geheim ver-
zwegen, want Paulus zegt: dat degenen die den dienst
pleegden, geen conscientie meer zouden hébben der zonde
eenmaal gereinigd geweest zijnde,
Hebr. 10: 2.
Onder de oude wet geschiedt elk jaar weder ge-
dachtenis der zonden en ik denk tweemaal per dag
in het klooster, en toch zijt gij na dit alles nog in
<le ketenen der schuld gebonden, hetwelk duidelijk
bewijst dat deze kracht niet in hen is, ook omdat
al uwen arbeid tot hiertoe als het stooten van den
dwaas in een mortier
geweest is. Spr. 27: 22. of
als het wasschen van den Moorman Jer. 13 : 23. Indien
de Zaligmaker hen aangesteld had en zij dat ge-
loof bezaten dat des Heeren hand uitgestrekt tot ge-
nezing,
dan zouden zonder twijfel teekenen en won-
deren
aan uwe ziel geschieden door den naam van
het heilige Kind Jezus.
Niets hiervan is echter ge-
beurd en gebeurt het dan is het nog tijd genoeg
om er voor te strijden. Tegen God en tegen Hem
alleen hebben wij gezondigd, en daarom komt God
zoowel de wrake als genade en vergeving toe, en aan
Hem moeten wij belijdenis doe\'n. Ps. 32 : 5. Rom. 14 :
11. Rom. 15: 9. Dan. 9: 20. Ezra 10: 11.Dan. 9:4.
Maar heb ik mijnen naaste verongelijkt of belee-
digd, dan moet ik hem mijn schuld belijden; heb
ik eene openbare schande op de kerk van Christus
daar ik toe behoor, gebracht, dan moet ik, nadat
ik opentlijk bestraft ben en God mij vernieuwende
genade geeft, voor hen mijne beleediging in het
openbaar belijden, opdat de leden voldaan mogen
zijn wat mijne oprecht berouw betreft en mij weer van
harte in gunst aannemen. Toon ik geen berouw, dan
moet ik als een zondaar buiten gesloten worden.
De woorden van Jacobus staan er niet zoo als
gij ze aangehaald hebt, Zijne bedoeling is deze:
-ocr page 65-
/
63
Hebt gü een goed man beleedigd, beiydt hem dan
uwen misslag en verlies uw aandeel in ztfne gebe-
den niet, of als gü zwak in den geloove züt, ofals
gÜ in het verborgen onder eenige verzoeking of on
der de schuld van eenige zware zonde zucht en om
die reden verontrust zijt, zinspeel er dan voor zoo-
ver de zedigheid het zal toelaten tegen den een of
anderen heilige, die bekwaam is de zwakken te ver-
sterken, op; verlicht uw gemoed bij hem, laat u
door hem onderrichten en smeek om zrjne gebeden
ten uwen gunste. Maar hoofdzakelijk is zyne be-
doeling als gij eenen broeder beleedigd hebt, belüdt
hem dan uwen misslag. Neem er zijne eigene woor-
den voor. Is iemand onder u in lijden ? dat hij bidde.
Is iemand goedsmoeds ? dat hij psalm zinge. Is iemand
krank onder u
? dat hij tot hem roepe de ouderlingen
der gemeente (welk woord leeraars of diaken beteekent)
en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in
den naam des Heeren.
Het woord olie beteekent hier
niet de olie van olyven, of de olie van walvisschen
maar het beteekent toegediende geestelijke vertroos-
tingen, door vermaning, onderrichting en geestelijk
gebed voor hem. Wij hebben de zalving ontvangen
zegt Johannis. Maar die ons gezalfd heeft is God"
zegt Paulus en in het volgende vers verklaart Ja-
cobus de olie, welke een troostelrjke verhooring des
gebeds is: En het gebed des geloofs zal den zieke be-
houden en de Heere zal hem oprechten, en zoo hij
zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven wor-
den. Belijdt malkanderen de misdaden en bidt voor
malkanderen, opdat gij gezond wordet. Een krachtig
gebed des rechtvaardigen vermag veel.
Op aarde zijn
er geen rechtvaardige menschen, dan die welke begre-
pen zrjn in Christus toegerekende gerechtigheit. wel-
ke de Papisten ontkennen. Hunne gebeden vermogen
-ocr page 66-
64
daarom slechts weinig en gü zijt een levendige ge-
tuigen dezer waarheid.
Het boren aangestipte is de biecht welke God
bedoelt. Maar om de zielen te bezweeren, dat zij al
de geheimen hunnes harten, al de geheimen hun-
n6r families en iedere verkeerde gedachte zullen
ontboezemen, is een weg, die God nooit bedoelde,
noch ook in Zijn Woord beval. Ik heb nooit ver-
langd de geheimen van menschen, van hunne vrou-
wen of gezinnen te kennen; dit is zich bemoeien met
een anders doen
en voldoende om iemand van den
godsdienst afkeerig te maken en tot jaloersheid en
verontwaardiging te brengen. Ook kan die priester,
die het geheele hart van personen en gezinnen zou
wenschen te kennen, nooit rein in zijn eigen ge-
moed zijn. Zulke lieden, die u laten zweeren, dat
gij alles zult biechten, maken u tot een meineedige,
want ik zeg u, dat de zedigheid u nooit zou ver-
oorloven alles te belijden, tenzij gij een hoeren voor•
hoofd
had. Jer. 3: 3. En biecht gij niet alles, dan
zijt gij eene meineedige door datgene achter te hou-
den wat gij met eede beloofd hebt te zullen belijden.
Zoo drijft men zielen in de zonde, zaait men twee-
dracht in gezinnen, en krijgen zij de zielen onder
hunne macht om ze aan te klagen. Dit is het eenige
middel, om de overtuigingen tegen te gaan, die in
de conscientie van eenen Papist mochten verrijzen,
omtrent de waarheid van die godsdienst; dat elke
knop intijds ingedrukt mag worden, iedere tong door
den biechtvader gebonden worde en zoowel uecon-
scientie als het eigendom ter beschikking van den
priester zijn.
„Hoe," zegt gij, „kan de priester de zonden ver-
„geven zonder dat hij ze weet" ? en hoe kan hij ze
„weten, dan door de biecht? Kan hij het hart door-
agronden ?" O vervloekte onwetendheid ! Het lijkt
-ocr page 67-
65
wel, dat gij den Bijbel nimmer gelezen hebt. Een
dienaar van Christus is eene kaars op eene kande-
laar geplaatst, opdat allen, die in het huis komen
het licht mogen zien. Want al dat openbaar maakt
is licht
zegt Paulus en daar is niets dat in het ver-
borgene gedaan is, dat van het licht bestraft zu\'nde,
niet openbaar wordt. Hij zegt u hoe dit geschiedt.
Maar indien zij alle profeteerden, en een ongeloovige
of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd
en hij wordt van allen geoordeeld. En alzoo worden
de verborgene dingen zijns harten openbaar, en alzoo
vallende op zijn aangezicht zal hij God aanbidden en
verkondigen, dat God waarlijk onder u is.
1 Cor.
14: 24, 25. Dit geeft getuigenis van de kracht Gods
in Zn\'ne dienaars en de kracht hunner boodschap
toont wie hen zond. Maar die van deze kracht ver-
vreemd zy\'n hebben geene geloofsbrieven van God,
en ook vergezelt Zyn zegel hunne pogingen niet,
noch zullen ze ook iets op de conscientieeenszon-
daars vermogen, omdat zrj door het breede zegel
des hemels niet bekrachtigd worden. Gij bevindt, dat
God zooveel van uw hart onder mij ontdekt heeft,
en meer dan gij ooit aan eenen priester biechten
kondet. En mocht God aan u onder mü\'ne bediening
of van een ander vergevingen vrede toepassen, dan
zult gh\' evenals Paulus zeggen, dat zulk een leeraar
tM uwe conscientie openbaar geworden is. Het is
\'t ondervinden van eene hartsverandering, en die
alleen, welke het onderscheid tusschen eenen waren
leeraar en eenen valschen kan doen kennen. De
dienaars van Christus laten de uitwerking aan Hem
over en stellen de waarheid in hare ongekunstelde
eenvoud voor, terwrjl ze zelve getuigenis moet geven:
ook laten zy het aan de hoorders over om te oor-
deelen wie hen zond door de kracht, die de woorden
vergezeld. Christus onderwierp Zichzelven en Züne
Bekeering
5
/
-ocr page 68-
66
bediening hieraan. De wijsheid zegt Hij, is gerecht\'
vaardigd geworden van hare kinderen. Indien \\ik niet
doe de werken mijns Vaders, zoo gelooft mij niet.
En
weder En zoo gij Mij niet gelooft, gelooft de werken.
Maar welke bewijzen kunt grj toonen ? welke wer-
ken zijn aan u verricht ? welk getuigenis hebt gij
om u te verstouten om het Pausdom te rechtvaar-
digen ? Niets dan eene geopenbaarde vijandschap
tegen de waarheid; valschelijk zweeren, en het be-
zitten van eene verschrikkelijke getuigenis van eene
schuldige conscientie en den toorn Gods. Eene
schuldige conscientie is eene voorsmaak van de hel
en de worm die nimmer sterft.
Gij zegt, dat onze godsdienst niet voor den trjd
der Reformatie beleden werd. De leerstellingen, be-
vinding en iedere vorm van godsdienst, die ik houd
werd door den Geest Gods op de uitverkorenen
voortgeplant en door hen beoefend sedert Abel God
offerde en Henoch begon te profeteeren, dit slechts
uitgezonderd, dat de wettische offerhanden ofge-
houden zijn, omdat Christus de ware offerande op-
geofferd is. Ik daag u uit mü te weerleggen door
het Woord van Cristus in eenige leerstelling of
vorm \\an godsdienst, die ik houd. En verder wil
ik het op mij nemen u te bewijzen, dat er geene
enkel gedeelte van de Paapschen godsdienst schrif-
tuurlrjk is, noch ook dat eene leerstelling, welke zij
preeken of schrijven, met den Bijbel in overeen*
stemming is. Wilt gij het voor eenige leerstelling
of vorm van vereering, zoo zy die gebruiken, opne-
men dan neem ik op mü u met Gods Woord te
antwoorden.
Christus zegt, dat zijn volk vervolgd, gesteenigd,
gekruisigd, ter dood gebracht en van alle menschen
gehaat zal worden om Zijns naams Jwille. Toon mü
éenen man, die ooit het Pausdom mèt zrjn bloed
-ocr page 69-
67
Yerzegelde. Ik daag u uit. Het waren geestelijke
aanbidders, die immer geleden hebben, en zulke
vleeschelyke ijveraars als gij zijn er immer de ver-
raders en moordenaars van geweest.
„Christus heeft beloofd met Zijne kerk te zijn tot
het einde der wereld" vertelt gy mij. God zij geloofd;
dit weet ik bij ondervinding, en als het niet zoo was
dan zoudt gij de kracht mijner bediening niet onder-
vonden hebben als nu het geval is, en indien Hij met
u was, dan zoudt gij de kracht van uwen tegen-
woordigen schuld niet gevoelen, noch ooit rusten
eer gü vergiffenis gekregen hadt voor dien verschrik-
kelijken stap, die gij gedaan hebt en voor de schand*
vlek, die gij op Zijne rechtvaardige zaak gebracht
hebt door het verbranden van het getuigenis Zijner
knechten en Het ontvangen van den schoot der on-
bekende.
Hoe klaar zie ik de meening van God in Zijn
Woord betreffende u, namelijk dat de hoere Babylons
alle volkeren dronken gemaakt heeft met de wijn
harer hoererij.
Geen persoon kon in dronkenschap
in een gewoon gesprek grooter onzin uitspreken, dan
gij over den godsdienst doet. Zoo waarachtig zyn
de woorden van Paulus, dat indien iemands ooren
van de waarheid afgewend zijn, hij zich dan tot
fabelen begeeft.
Van harte zou ik verheugd zy\'n als ik een middel
mocht zijn om uwe arme misleide ziel tot Christus
te brengen, maar ik vrees, dat gü er reeds te ver
voor gegaan\' zyt. God alleen weet of gij eenige Schrif-
tuurlijke grond ter bekeenng kunt vinden of niet.
Schriftuurlijke grond zeg ik, want indien niet daar
dan zal dezelve ook nergens gevonden worden.
Nog veel meer heb ik te zeggen, maar daar ik
plotseling geroepen wordt London voor eene maand
te verlaten, zoo moet ik nu afbreken, maar indien
gü verkiest met my te correspondeeren, en God
-ocr page 70-
68
zou u biertoe neigen, zoo kunt gij mij schrijven in
het |Tabernacle House, Bristol; en indien God wil,
zal ik u beantwoorden.
Ik zal mijnen brief met mijne gebeden volgen,
en hoop dat God beide met Zijnen zegen zal verge-
zellen. Hier kunt gij staat op maken, dat indien er
in God waarheid is, of in zijn Woord, gij nooit in
den staat waarin gij nu zijt gezaligd kunt worden,
noch in de leerstellingen die gij belijdt. Vaarwel!
Overweeg de zaken goed. Onderzoek zoowel den
Bijbel als uwe conscientie, en smeek om de onder-
richting des Heiligen Geestes. Geloof mij, dat ik
zoowel het goede voor uwe ziel wensch, als dat ik
uwe rechtvaardige bestraffer ben en uwe dienstwil-
lige dienaar in het evangeli Christi.
WILLIAM HUNTINGTON.
-ocr page 71-
Aan den Weleerwaarden Heer HUN-
TINGTON.
Tabernacle House.
BRISTOL
Mijnheer.
Met veel aandacht heb ik uwen grooten brief ge-
lezen, en daar ik hem tot een onderwerp van over-
peinzing en gebed gemaakt heb, zoo vind ik my-
zelven door de inspraak mijner consciensiegedwon-
gen dezelve te beantwoorden. Voor Kerstmis zal dit
echter ondoenlijk zijn, daar mijne tegenwoordige
betrekking (op een kostschool) te bindend is om
dit nu te doen. Ik zond u echter een paar lettertjes
om u te overtuigen, dat ik door niets in denzelve
beleedigd ben, want ik veronderstel, dat u schreef
zooals de Heere u onderrichtte; slechts beklaag ik
dat u mij in eenige gedeelten niet verstond en zal
ik in mijn volgende brief duidelijker zijn.
Ik berisp u niet, dat gij den wortel tracht te ra-
ken; slechts Godt kent mijn tegenwoordig lijden. Ik
ben grootelijks verontrust, in den grond ellendig,
en in waarheid vol droefheid over het kwaad, dat ik
gedaan heb. Mijn staat is nu wanhopiger dan ze
ooit was. Gij geeft mij twee deuren der hope, maar
ik zie geene, want het gedrag van mijn afgelegd
leven is mij een bewijs, dat ik nooit uit God gebo-
ren werd. En in het doen van die beloften, in plaats
dat ik het verwijt mijner conscientie gevoelde, dat
-ocr page 72-
70
nu het geval is, zoo herinner ik mü zeer wel, dat
ik mü in de overwinning beroemde. Ach wat heb
ik toch gedaan ! en hoe heb ik tegen den God mijns
levens gerebelleerd I Helaas! in welke moeilrjkheden
heb ik mijzelven gestort, waaruit ik geenen weg
van ontkoming zie, maar besluit, dat ik er in om
zal moeten komen! Ik vind veele dierbare beloften
in Gods Woord, maar kan ze niet als myn eigen-
dom aangrypen. Heere, help mij, of ik verga1"
Myn plicht roept; daarom kan ik niet verder uit-
weiden. Inderdaad, indien ik op het oogenblik
veel trjd, tot nagedachte had, dan zou ik tenzü de
onmiddehjke hulp van een barmhartig God het ver-
hoedde, onvermijdelijk onder den last verzinken.
God zy mij genadig in en door de verdiensten van des
verlossers bloed. Ik smeek u, mijnheer, in den naam
des Heeren, mij in uwe gebeden te gedenken, en
moge eenen zegen geschonken worden, doorChris-
tus onzen Zaligmaker.
De uwe
Nov. 24. 1786.
                       Elizabeth Morton.
P.S. Ik hoop dat niets mij zal verhinderen uwen
brief op Kerstmis te beantwoorden overeenkomstig
my\'n tegenwoordig voornemen.
-ocr page 73-
I
I
I
I
Aan Mejuffrouw ELIZAHBETH MOR-
TON, ten huize van den Weieer-
waarden Heer MORTON.
Holywell Mount. London.
Mejuffrouw!
Den uwen ontvangen. Ik ben gevoelig aangedaan
met medelijden voor u in uwen gevaarlijken ge-
moedstoestand, daar ik door lange ondervinding de
verschrikkingen des Heeren ken. Eet zij verre van
mij, dat ik tegen den Heere zou zondigen, dat ik zou
aflaten voor u te bidden.
1 Sam. 12 : 28. Ik hoop, dat
Hij my tot eenen getrouwen bestrafter voor u zal
maken, als ook tot eenen overwinnaar in het gebed
ten uwen gunste. Zijnen naam zij gezegend, dat ik
tot hiertoe met eene goede mate van vrijheid aan
den troon der genade ben begunstigd geworden.
Dit zal echter voor zichzelven spreken, als God u
een antwoord des vredes zal geven. Hij geeft mij
echter eenigen grond van hoop, dat de Heere my in
uwe ellende zal verhooren.
Ik ben niet onbekend, mejuffrouw, met uwe tegen-
woordige gevoelens, want God heeft mijne ziele in
vele benauwdheden gekend
en overeenkomstig zijne
belofte heeft Hij mij door het vuur en het water
gebracht, waarvoor ik Hem voor eeuwig hoop te
prijzen.
Indien God zijn werk in uw hart mocht doen
voortgaan, dan zal Hij mij bekwamen ook een ge-
deel te van uwe moeite te dragen.
-ocr page 74-
72
Er is zoo iets als het dragen van malkanders las,
ten en het alzoo vervullen van de wet Christi
Gal. 6 : 2.
O dat ik mogen arbeiden te baren, totdat Christus een
gestalte in u krijge.
Gal. 4: 19. Zekerlijk zou ik my
in uwe zaligheid verheugen en u beschouwen als
een wonder van den Heere der Heirscharen, die op
den berg Zions woont.
Jez. 8: 18.
De Heere heeft beloofd, dat alle zijne kinderen
van Hem geleerd zouden worden; smeek dan om
zyn goddelijk onderwy\'s, leg uwe conscientie bloot
voor het licht en de kracht van Ziin Woord, zon-
der er tegen te redeneeren. De schrift zal zich niet
aan eens menschen nukken onderwerpen; zy eischt
onderwerping. Roep des Heeren naam aan; belijdt
uwe misslagen; pleit op de verdiensten van den
Zaligmaker, de belofte van Zijne genade, uwe eigene
goddeloosheid en ware behoefte aan barmhartig-
beid; maar bovenal smeek God u de kennis der
zaligheid te geven door eene gevoelige wegneming
uwer zonden, hetwelk niets meer is dan Hy beloofd
heeft en door het gemis waarvan menig ui1verko-
ren vat kreupel gegaan is, zonder eenige troostelyke
verzekering van hun leven.
Indien de Almachtige u uit mocht voeren, dan zal
ik denken, dat gy\' inderdaad Paulus dochter zijten
dan zal ik ééne beteekenis uwe geboorte een ware
afbeelding van zyne zyn, namelijk ten opzichte van
het vervolgen der kerk en het tegenstaan van den
Zaligmaker, waarom hy zich een ontijdig geborene
noemt. 1 Corr. 15: 8.
Sedert ik hier aangekomen ben, werd ik uitge-
noodigd oenen zieken man te bezoeken. De vrouw
des huizes deelde my toen mede, dat zy vroeger onder
zulke benauwdheid des harten verkeerd had, dat
haar verstand er door verzwakte. In de mee3te der
hier gevestigde kerken zocht zy verlichting, maar
-ocr page 75-
73
te vergeefs, tot er eindelijk een papist bij haar kwam,
die beloofde haar btj eenen man te brengen, die
haar verlichting zou schenken. En daar eene ver-
slagene geest alles aan zal grijpen, zoo stemde zij
er in toe er den volgenden avond heen te gaan,
hetwelk zy deed. Toen zij er kwam, beval de pries-
ter haar neder te knielen; zy\' begon te beven en
knielde neder; hrj plaatste eenen Bijbel by\'haar en
zeide tot haar dat zy\' hare hand er op zou leggen,
hetwelk zy deed. Hy sprak eenige woorden in eene
onbekende taal en gebood haar het Boek te kussen,
waarop zy, nadat zy het gedaan had, oprees, ter-
wrjl zy uitriep: „Heere, wat heb ik gedaan ?Eilieve,
mrjnheer, wat heb ik gedaan ? Die godsdienst, welke
met eenen eed begint, kan zekerly\'k geen deel van
het geloof van Hem zy\'n, die zegt: En zweert gan-
schelijk niet."
De arme vrouw ging naar huis een
weinig bedwelmd door des priesters gesprek, die
tot haar zeide, dat zij niet vreezen moest; daar zij
spoedig van haren last verlost zou worden en dan
zou alles wel zijn. Maar eenige weinige dagen
later bezocht haar een Katholiek, die in den loop
des gespreks aanmerkte, dat er buiten de Roomsche
kerk geene zaligheid was. De arme vrouw vroeg
den papist toen, wat er al van degenen zou worden,
die buiten hunnen kring stierven, en medegedeeld
zijnde, dat allen als ketters verdoemd zouden wor-
den, zoo ging zy naar den priester om te weten
of deze bewering waarheid was.
De priester was niet ingenomen metdeonbezon-
nene gevolgtrekking van haren onderrichter, maar
kon niet toestaan, dat er eenige zaligheid was voor
degenen, die zy ketters noemen. Dit zond de vrouw
naar huis met een groote walging van het pausdom
«n in korten ty\'d bracht het al haar wettisch werk
weder op haar, hetwelk haar in den loop des tijds
-ocr page 76-
74
aandreef het evangelie in den Tabernakel te gaan
hooren. Hier vond zy door Gods rijke barmhartigheid
Jezus Christus den Apostel en Hoogepriester onzer
belijdenis
en ontving oenen zegen zonder te zweeren
dat zij verrichten zou wat zy\' nooit verstond.Hebr. 3:1.
Dit voorval gaf my eenige bemoediging, mejuf-
frouw, om voor u te hopen en te bidden, en inder-
daad dacht ik dat de Heere het voor dit doel ter
mijner kennis bracht.
O, Heere! hoe vele wegen zyn er die naar de
wijde poort leiden en hoevelen liggen op de loer om
de eenvoudige zielen te bedriegen! Maar hoe wei-
nigen zijn er, vergelijkender wyze gesproken, die de
gebrokenen van harten op den grooten Medicijnmeester
wijzen en de schuldige conscientie op zyn verzoe-
nend bloed
en eeuwige gerechtigheid! De Heere vermin-
dere het aantal van de eerste en vermeerdere dat
der laatste.
Ik zie geene reden, dat gy zulk een langen brief
zoudt schrijven, als gy van doel zyt. Met Kerstmis
zal ik in de stad zijn, indien God wil, waar ik meer
tijd over zal hebben en de brieven hunne bestem-
ming eerder bereiken.
Ik zal slechts stryden voor hetgeen ik geloof, dat
de waarheid is, en indien er eenige tekst in den
Bybel is ten gunste van het Pausdom, dan zal zy
u zeer wel te pas komen, maar ik geloof niet dat
dezelve te vinden is. Want indien het fondament
verkeerd is, zoo kan het gebouw niet volmaakt zyn.
In uwen eersten brief geeft gy\' my te verstaan, dat
Petrus het fondament van de Roomsche kerk is
hetwelk ik niet van plan ben te ontkennen, maar
ik weet dat hy\' niet het fondament van Gods kerk
is. En het is my klaar, dat hy nog zoo ongestadig
is als ooit, want hy heeft u niet getrouw behandeld,
die zooveel vertrouwen in hem gesteld hebt, omdat
-ocr page 77-
/
75
grj nu in de diepe wateren der wanhoop verzinkt,
waar men niet kan staan, "Ware hy", zooals gy\' ge-
looft, de rots van Israël geweest, dan zouden eenige
schriftuurteksten uit den mond van eenen kolen-
drager uwen grond niet weggenomen hebben. Maar
helaas ! helaas ! gy moet dieper graven en eene betere
rots dan Petrus vinden, want indien eene dienstmaagd
zyn geloof deed wankelen, zoo kan hij nooit de
sterkte van een ander zijn. Ook is het niet waar-
schijnlijk dat een man, die in weerwil van al zijne
besluiten, geloften en beloften zijne eigene ziel niet
uit de zeef des Satans kon houden, de kerke Gods
ooit tegen de poorten der hel zou bewaren. Indien
Petrus het eenige fondament is, eilieve wat werd
dan van Gods kerk voor den zondvloed en in de
tijden der patriarchen en profeeten ? Indien Petrus
het fondament is, dan hadden de oude heiligen er
in het geheel geen, want Petrus was toen nog niet
in wezen.
Ik moest bekennen, dat ik verbaasd sta, over zulk
eene ongerijmdheid om Petrus het fondament van
de kerk te maken, daar wy allen weten, dat hy\'
zoo vele misslagen deed in het leggen van het fon-
dament, dat hy zelfs weerstaan werd en beschuldigd
van veinzen en het te niet doen van de genade
Gods door eenen die zich de allerminste van alle de
heiligen
noemt.
Gij dwaalt daarom zeer, de schrift niet wetende
noch de kracht Gods. Het was de Rots, die Petrus
beleed, niet Petrus de belrjder zou het fondament -
van Zion zyn. „Wie zeggen de menschen, dat ik de *-\'y
Zone des Menschen ben. En zij zeiden: sommige Jo-\'.\\
hannes de Dooper en anderen Elias en ander en Jer e-
mia of een van de profeten. En hij zeide tot haar:
Maar gij, wie zegt gij dat ik ben? En Simon Petrus
antwoordende zeide; Gij zijt
de Christus, de Zone des
-ocr page 78-
76
levendigen Gods. En Jezus antwoordende zeide tot
hem: Zalig zijt gij Simon Bar Jonah, want vleesch
en bloed heeft u dat niet geopenbaard
(namelük deze
verborgenheid) maar mijnen Vader, die in de hemelen
is
(heeft het u geopenbaard). En ik zeg u ook dat
g\\j zyt Petrus, en op deze Petra (niet op u Petrus
maar op dezen Christus, die gij beleden hebt, ja op
dezen Zoon des levendigen Gods, die mijnen Vader
aan u geopenbaard heeft) zal ik mijne kerk bouwen
en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.
Matth. 16 : 13, 18. Er is slechts een fondament voor
Gods kerk en ook las ik nooit van een ander. Want
niemand kan sen ander fondament leggen dan hetgeene
gelegd is, hetwelk is Christus Jezus.
1 Cor. 8:11. Wel
is waar begon Paulus een weinig op Mozes te bou-
wen, toen hij het evangelie der besnijdenisse Gal. 2:
7 predikte, maar Paulus werd gezonden om hem
in het aangezicht te wederstaan in het midden van
de geheele gemeente Gal. 2 : 11 —14 en wij hebben
reden om te gelooven, dat Petrus zich daarna nauw
aan het eenige fondament hield, hetwelk God zelf
gelegd had, zelfs voor den armen gevallen Adam
Tot welken komende als tot eene levende steen van
de menschen wel verworpen maar bij God uitverkoren
en dierbaar. Daarom is ook vervat in de schrift: Ziet
ik legge in Zion
eenen uitersten Hoeksteen,
die uitverkoren en dierbaar is. 1 Petrus 2: 4, 6. Pe-
trus vermeldt dezen steen in het enkelvoudig getal
en draagt goede zorg om zichzelven als een fonda-
ment er buiten te houden, en hij zal nooit Petrus
opvolger
zijn, die zooveel moeite doet er hem in te
brengen. Echter daar Petrus u heeft laten vallen,
zoo hoop ik, dat gü acht zult geven hoe gij u weder
op hem verlaat en mijn gebed zal zijn, dat
de Heere u moge leiden op eenen rotsteen, die u te
Jioog zoude zijn.
Dan kunt gü met den Psalmist zeg-
-ocr page 79-
77
gen: „Mijn hart is vast, betrouwende op den Heere, welk
gezegend voorwerp van vertrouwen u nimmer zal be-
handelen als de arme, wankelende schouder van
Petrus gedaan heeft. Waarde mejuffrouw vaarwel *
terwijl ik verbluf in de oprechtigheid en eenvoudig-
heid des evangeliums
Uwe dienstwillige
WILLIAM HUNTINGTON.
Tabernacle House Bristol.
Nov. 28. 1776,
-ocr page 80-
Aan den Heer HUNTINGTON.
Mijnheer!
Ongesteldheid des lichaams en gebrek aan tijd
zün de oorzaken geweest, dat ik uwen laatsten brief
niet overeenkomstig uw verzoek heb beantwoord.
Daar ik nu te huis terug gekomen ben, zoo grijp ik
het eerste vry\'e oogenblik aan.
Vele dankzeggingen voor uwe belangstelling en
zorg ten mijnen behoeve. Moge uwe gebeden op
klimmen voor den Allerhoogsten God als een wei-
riekende reuk en eenen zegen op mijne ziele doen
nederdalen 1
Gij deelt mij mede, dat ik mij zelven niet behoef
te vermoeien u zulk een langen brief te schrijven,
als ik van plan was. De moeite, mijnheer, beteekent
voor my niets, mits God de nu aangewende mid-
delen zegene, om mij van de dwaling mü\'ns wegs
te overtuigen en mij tot eene volle en zaligmaken-
de kennis van de waarheid te brengen. Ik beken
dat om het geheel te beantwoorden op het oogen-
blik eene te omslachtige taak voor mrj zou zijn;
ook kan het niet noodzakelijk zijn, zooals de zaken
nu staan, want uit Gods allerheiligst Woord en mijne
eigene conscientie word ik meer en meer overtuigd,
dat ik door het omhelzen van de Roomschegodsdienst
in groote dwalingen geleid werd. Het is daarom
m\\jne oprechte wensch, dat ik na dien weg, welke
zij secte
1) noemen den God der vaderen alzoo diene,
1) Eng. ketterij.
-ocr page 81-
79
geloovende alles dat in de wet en in de Profeten ge]
schreven is."
Gode zij dank, dat ik ook ten volle
overtuigd ben, dat er geenen anderen naam onder den
hemel gegeven is, waardoor wij kunnen zalig worden
dan den naam Jezus,
en dat ik van mij zelven geen
goed doen kan. Genade zij de eere, dat daar ik eens
blind was, ik nu zie,
dat het dierbare bloed van
Christus voldoende is om de zonden van zijn volk
te verzoenen ; dat het geene werken van boetedoe-
ning zrjn, die de zonden kunnen wegnemen, noch
werken van gerechtigheid, die eene ziele voor God
kunnen rechtvaardigen. Zoo waarachtig als God leeft,
geloof ik vast, dat Christus het werk volkoment-
lijk volbracht heeft, en dat degenen, die uit God
geboren zijn reeds gerechtvaardigd zijn door zijn bloed
en de eeuwige verlossing verkregen hebben.
Aan het slot van dezen brief zal ik meer in het
bijzonder over de oorzaak van de tegenwoordige droef-
heid mijns gemoeds handelen maar wensch nu slechts
een paar punten te beantwoorden, waarin ik denk,
dat u mrjne bedoeling misvatte, alsmede eenigebij-
zonderheden, waarvan ik beken, dat ik ze onmo-
gelvjk kan begrijpen.
Uwen brief" zegt gij is niet zonder partijdigheid
noch „zonder huichelarij." Wat deze beschuldigin-
gen betreft, dan kan ik niet zeggen, dat mijne cons-
cientie hierin tegen mij getuigt, want in waarheid
kan ik zeggen, dat ik slechts schreef, het geene
mijn hart mij ingaf, uitgenomen het laatste gedeelte,
waar ik van de leerstellingen handelde. Ten dien
tijde was mijn oordeel eenigermate weifelend; ik
bezat geen ijver om het onderwerp te behandelen,
zoodat het meer datgene was, dat ik zoo streng be-
leden had, dan hetgeen ik vast geloofde.
Het volgende punt, dat ik wensch aan te halen,
is hetgeen u uit mijnen brief over een klooster
-ocr page 82-
80
schryft. Ik merkte op, dat myne bedoeling met daar
heen te gaan was, om zoowel ziel als lichaam rein
voor Christus te houden. Uit deze uitdrukking oor-
deelt gü dat ik er op zinspeelde : dat het huwelijk
onrein is."
Ik moet echter zeggen, dat dit in het
geheel mijne bedoeling niet was, maar mijne bedoe-
ling is, dat van de twee staten de ongehuwde de
reinste is ; Alzoo dan, die haar ten huwelijk uitgeeft,
doen wel, en die ze ten huwelijk niet uitgeeft, die doet
beter,
1 Cor. 7 : 38 en wederom vers 40. Maar zij
is gelukkiger indien zij alzoo blijft naar mijn gevoe-
len,"
en hij voegt er bij: En ik meen ook den Geest
Qods te hebben."
Waarom, mijnheer, gaf de Apostel
Paulus de voorkeur aan den ongehuwden staat ? Mjj\'n
gevoelen is, opdat hij zoo veel mogelyk bevrijdt
mocht zijn van al de zorgvuldige beslommeringen
en vermoeiende zorgvuldigheden dezertegenwoordige
wereld; opdat hjj zich met minder verhindering en
aftrekking aan God mocht weiden. Zie vers 35.
Desniettemin is mijne gedachte, dat het beter ia
om \\e trouwen, dan zich of een ander aan verzoe-
king bloot te stellen, vers 9. Ook denk ik, dat ieder
persoon moet handelen naar de gaven en gesteld-
heid, waarvan God hem voorzien heeft.
Indien er aardsche genietingen zijn, dan zou ik
oprecht wenschen er geheel los van te zijn omdat
er geene voldoening in is en er slechtszoovei rekening
mee te houden als zij gaven Gods zijn en ter zijner
eer gebruikt worden. In één woord, dit is het beste
voor ons hetwelk voor onze zielen het beste is en
daarom getrouwd of ongetrouwd behoorde ons hoofd-
doel te zijn den Heere te behagen en beide in geest
en lichaam heilig te ztfn. Zie vers 34. Doch gelijk
de Heere een iegelijk geroepen heeft dat hij alzoo wan-
dele
17, 18.
Wat de biecht betreft moet ik toestaan dat ze vol-
-ocr page 83-
/
81
maakte dienstbaarheid was en de uitwerking die
ze vooral in het begin op mij had is niet uit te
drukken. Ik hield niets terug van datgene hetwelk
ik dacht dat God van mrj eischte om te verklaren.
De oorzaak was niet, dat ik een hoerenvoorhoofd
had of dat mijne conscientie met een brandijzer was
toegeschroeid, maar eerder het tegendeel. Het was
teederheid van conscientie ofschoon in blindheid
welke mij dwong zoo te handelen. Maar wat zeg
ik? Zekerlijk houd ik mijnheerHuntington nietten
onrechte voor mijnen biechtvader. Om ernstig in deze
zaken te zijn: dat God nog eens gave, dat hij mid-
delijker wijze van meer wezentlijk nut voor mü
zijn mocht dan al die blinde leidslieden, waar ik eens
in vertrouwde.
Er is nog eene zaak, die ik niet kan nalaten, om
er acht op te slaan, door de zeer diepe indruk welke
zy op mrjn gemoed gemaakt heeft. „Van harte zou
„ik verheugd zyn" zegt gij, als ik een middel mocht
„ztfn om uwe arme misleide ziel tot Christus te
„brengen, niet als een proseliet van eigen maaksel
„maar van Gods maaksel, maar ik vrees dat gij er
„reeds te ver voor gegaan zijt." Veronderstelt gij
dan door deze bewering, dat ik mij buiten het bereik
der genade gezondigd heb ? Nochtans kan ik hier
niets tegen zeggen, daar ze zoo geheel overeenkomt
met het gezicht dat ik van mrjnen tegenwoordigen
staat heb. Dit is mijne benauwdheid des harten. Bij
herinnering van hetgeen ik gedaan heb ben ik als
het ware met schuld en verbijstering overdekt; met
myne hand op Gods allerheiligst Woord gezworen te
hebben in de tegenwoordigheid van vele toeschouwers
dat ik m\\jn leven lang geen ander geloof, dan dat
van de Roomsche kerk zou belijden ; hierop mijnen
naam geteekend te hebben in de tegenwoordigheid
van vier getuigen en anderen. Ik ben waarlijk ter-
Bekeering.                                                        6
-ocr page 84-
82
neergeslagen als ik bedenk, dat mijne eigenehand-
teekening, als eene snelle getuige in dien grooten
dag tegen mü zal opstaan, wanneer de verborgenhe-
den van elks hart geopenbaard zullen worden. Ik
zou wenschen, dat het ten dezen ure uit het boek
uitgewischt werd; maar wat zou dat baten, als het
niet voor eeuwig uitgedaan werd door het bloed des
eeuwigen verbonds, hetwelk haar alleen te niet kan
doen?
O! mynheer, ik sta verbaasd, dat ik myneoogen
nog niet opsla in de pijniging, waar allen ellendi-
gen zonder hoop zijn. Welk een barmhartigheid, dat
God niet tot mij zeide, evenals tot Ephraim: Zij is
vergezeld van de goden laat haar varen"
O had ik
die onberouwelyke bekeering, want ik ben nu god-
deloozer in myn eigen oogen dan ooit. God verlosse
mü van het lichaam dezes doods en neme dezen
last der zonde weg, welke mü nu zoo zwaar drukt.
Ik moet u verklaren, dat ik niet weet of ik een
kind Gods dan wel een kind des duivels ben, want
daar een boom aan zijne vrucht gekend wordt, zoo heb
ik reden om geschokt te worden bij de gedachte aan
mijnen toekomenden staat; want het was in dit kloos-
ter dat ik voor het eerst zeer diepe indrukken had.
Hier werd my in zekere mate te zien gegeven de
uitermate zondigheid der zonde; ik gevoelde krachtig
hetwelk nimmer eerder het geval was, dat de wereld
met al hare rjdele vermaken vijanden Gods waren;
dat ik in het aankleven van de eene, hetwelk ik
vroeger gedaan had, ik natuurlijk de andere verlaten
moest. Ik bad God vurig, dat Hij mü meer en meer
mocht dooden aan alles wat in strijd was met zijnen
Goddelijken wil en mü in dat pad wildegeleiden.dat
meest tot Zü\'ne eere was. Vele uren bracht ik alleen
door, en zooals ik te dien tijde dacht, in zoete ge-
meenschap met God.
-ocr page 85-
83
Nu schynt het mij zeer vreemd, dat het omhelzen
van zulk een dwaalleer zulk eene groote verande-
ring in mijne ziel kon uitwerken. God werkt in
eenen verborgenen weg en ik moet bekennen, dat ik
te midden van al mijn ellende, eenige troost in
deze woorden vond: „En ik zal de blinde leiden door
den weg, dien zij niet geweten hebben; Ik zal ze doen
treden door de paden, die ze niet geweten hebben. Ik
zal de duisternis voor haar aangezicht en licht maken
en het kromme tot recht: deze dingen zal ik haav doen
en ik zal ze niet verlaten.
Op het oogenblik heb ik er niets meer bij te voe-
gen; maar uit eene diep gevoelde bevinding kan ik
in waarheid beweren, dat ik meer en meer verlang
om alleen Jezus Christus en de kracht Zijner op-
standing te kennen.
Wat uwe bediening aangaat; gij behoeft niet de
geringste vrees te hebben, dat ik u verder volg, dan
gij dit Christus doet; noch zal ik ook één leerstel-
sel, waar ik nu aan vasthoud, loslaten, tenzij het
mij door het licht en de kracht der waarheid ont-
nomen wordt.
Ik ben, mijnheer
Uwe onderdanigste dienares.
ELIZABETH MORTON.
f-
-ocr page 86-
Aan Mejuffrouw ELIZABETH MOR-
TON, ten huize van den Weieer-
waarden Heer MORTON,
Holywel Mount.
Geachte Mejuffrouw!
Gij behoeft geene verontschuldigingen in te bren-
gen ; dankbaarheid wordt niet geëischt; wat ik uit
genade ontvangen heb, schenk ik u met mrjn ge-
heele hart. Tot hiertoe hebt gü uw deel in mijne
getrouwe bediening en vurige gebeden gehad; en ik
vertrouw te kunnen zeggen, dat mijn zielsverlan-
gen is, dat ik uw hart nog eens onbewegelijk moge
vastgesteld zien op de rotse Israëls. Dan zult gij
God loven, dat Hrj het middel zond, en uwe gebeden
gaarne vereenigen met de inrjne in mijne weder-
waardigheden.
Of ik uwe bedoeling volgens uw oordeel goed of
verkeerd uitlegde, weet ik niet, maar duidelijk is
het mij, dat God er zijn zegel aanhechtten en het
zegende, door de overtuigende kzacht, die er mede
gepaard ging.
Uw eerste brief was niet zonder partijdigheid of
huichelarij, want ten gunste van wettische werken
zegt gij: „Werkt uws zelfs zaligheid met vreezen
en beven, terwijl gij de kracht Gods welke aan
deze volzin verbonden is uitsluit, en welke aldus
uitgedrukt wordt: Want het is God die in u werkt bei-
den het willen en het werken na zijn welbehagen."
-ocr page 87-
85
Om eene goddelijke volzin van een daarop be-
trekking hebbend werkwoord af te scheiden en er
God, de groote Werkmeester, uit te laten is eene
listige, en huichelachtige vervalsching van Gods
Woord. Elke schriftuurplaats dient om den ont-
waakten zondaar tot God te leiden; de gansche
Schrift kwam van God en moet in Hem opgelost
worden. Om er Hem daarom uit te laten waarHrj
hoofdzakelijk bedoeld wordt is een vergoden van
zichzelven en een onteeren van God.
Gij zijt in dezen brief weer op de oude wyze aan
het werk geweest; ik kan u wat ik ook doe met de
Schrift niet eerlyk doen handelen ; gij wilt uwe han-
den niet thuis houden van rooven en stelen: gij
draait en kronkelt u als de slang en maakt alles
vergiftig. Nochtans ben ik besloten u te volgen en
als ik u door Gods genade in de kloove der steen-
rots
Hoogl. 2: 14 kan jagen, dan zal ik u niet langer
vermoeien.
Uw gaan in een klooster „om zoowel, ziel als
lichaam rein voor Christus te bewaren" begreep ik
zeer wel en ook misvatte ik uwe bedoeling niet.
Gij noemt uzelf „een streng katholiek" en gy\' weet(
dat het verbieden van te huwelijken eene Roomsche\'
leerstelling is. Indien gij nu niet een klooster leven
wildet leiden met het doel het huwelijk te ontgaan
en met het leerstelsel van den ongehuwden staat
in uw oordeel als een wezentlyk geloofsartikel, zoo
kunt gii in geen geval een wezentlyk of streng
Katholiek
zijn; en indien de ongehuwde staat het
lichaam zuiver houdt, zooals gy beweert, dan is het
natuurlijk gevolg, dat het huwelyk onzuiver is. Deze
gevolgtrekking dunkt my, dat goed uit uwen brief
opgemaakt kan worden, want gy zegt dat van de
twee staten de ongehuwde de zuiverste is.
Wat my betreft, ik denk dat zedelooze hartstochten
-ocr page 88-
86
wulpsche gedachten en eene natuurlijke neiging, waar-
mede zich iemands gemoed bezig houdt, tienmaal
erger zijn dan een wettig huwelyk: in het bijzonder
daar waar de vreeze Gods, wederzydsche genegent-
heden, een onbevlekt bed en huis Godsdienst onder-
houden worden.
Het is niet zeer waarschijnlijk, dat een gezelschap
van lichtzinnige, ijdele en vleeschelü\'ke meisjes, ver-
vreemd van de genade Gods, opgeblazen door hoog-
moed en • ijdele verbeelding, bevestigd in de leerstel-
lingen des duivels, zonder werk en zich beroemende
op verdienste, die denken dat ze den hemel zullen
verdienen, door een weinig doode vleeschelü\'ke wer-
ken na de overlevering der menschen, na de eerste
beginselen der wereld en niet na Christus.
Col. 2:8.
ik zeg, dat het niet zeer waarschijnlijk is, dat er
eenige reinheid in hen zou zyn Paulus zegt: Den
bevlekten en ongeloovigen is geen ding rein, maar beide
haar verstand en conssientie zijn bevlekt.
Tit. 1; 25.
Als de Apostel zegt; Indien wij met hem eene plante
geworden zijn in de gelijkmaking zijns doods zoo zul-
len wij het ook zijn in de gelijkmaking zijner opstan-
ding.
Rom. 6: 5 sluit dit dan in dat jonge vrouwen
met hunne lichamen en handen op eenen steenen vloer
uitgestrekt
moeten liggen, en met een fluweelen doods-
kleed
bedekt worden; dat zy hunne hoofden moeten
laten scheren eenen sluier moeten aannemen; dat zy
eenen eed moeten afleggen voor hun leven in een
klooster te gaan, gehoorzaam moeten zyn aan eene
oude vrouw of abdis, dat zy\' onder eede moeten be-
loven van harte bekeerd te zyn als mede arm en
ongehuwd te bly\'ven; wilt gy\' zulk een monniksbe-
grafenis eene kruisiging aan de wereld noemen. Gal.
6: 14. Is dit het kruisigen van den ouden mensch ?
Rom. 6: 6. Is het binden van uwe ziel door vyf van
deze goddelooze beloften eenig deel van het evangelie
-ocr page 89-
87
der Genade Gods ? Of beveelt Jezus Christus iets dat
hierop gelijkt ? Als de Apostel ons zegt: Jndien gij
door den Geest de werkingen des lichaams doodt zoo
zult gij leven"
bedoelt hü dan, dat wij ons allen in
eene gevangenis moeten laten opsluiten ? Gebiedt
God arme geloovige vrouwen in eene donkere cel op
eenen aarden vloer te gaan wonen en op strooien
bedden
met flanellen lakens te slapen ? Waar vindt
gy een zeker gebod voor dat alles ? Indien Christus
kwam om den gébondenen uit te voeren uit de gevang-
nis en uit het gevangenhuis die in duisternis zitten
Jes. 43: 7. dan kan dit geen deel van zijne godsdienst
zijn. Hij die verklaart dat zijn juk zacht is en zijn
last licht
Matth. 11: 30. gebood nimmer aan arme
onnoozele vrouwen hunne naakte lendenen te kwel-
len \'met eenen gordel van paardenhaar en een fla-
nellen hemd
of hun vleesch met eenen geesel te kastijden.
Dat is Christus inderdaad tot een hardemeester maken
Want niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat,
maar hij voedt het en onderhoudt het; gelijker wijs ook
de Heers de gemeente.
Eph. 5: 29.
Mejuffrouw, gy weet dat de bovenstaande beschry-
ving van het pausdom geheel waar is en ik daag
u uit het te ontkennen. Zijn dit de vruchten des Gees-
tes
? Zyn dit de werken des geloofs of arbeid der liefde ?
Helaas mejuffrouw, dit is het wasschen van den
moorman.
Jer. 12: 23. alles te vergeefsche arbeid. Gij
moogt honderd geeselslagen verdragen en uwen borst
slaan tot ze bont en blauw is, het geheele jaar boete
doen en nog juist zooveel goddeloosheid achter u
houden als Salomons dwaas nadat hij in een mor-
tier gestooten
was. Spr. 27; 22. Deze bewering kunt
gij niet ontkennen, daar gy verplicht zijt gedurig
naar uwen biechtvader te gaan met een: „Zegen my\'
raün vader, want ik heb gezondigd." Ik belijd aan
God en aan de maagd Maria, aan Johannis den doo-
-ocr page 90-
88
per, aan den heiligen Petrus en den heiligen Paulus
en aan al de heiligen en aan u rnrjn Vader, dat ik
in gedachten, woorden en werken gezondigd heb.
Voor al deze zonden en die welke ik mij niet her-
inner, vraag ik God vergiffenis en van u mrjn vader
vergeving en kwijtschelding. Maar helaas! wy kun-
nen hier van zeggen gelrjk Paulus van eene cere-
monieele reiniging zegt:
Die .degenen die de dienst pleegden niet konden
heiligen naar de conscientie, Bestaande alleen inspij-
zen en dranken en verscheidene wasschingen enrecht-
vaardigmakingen des vleesches
Hebr. 9: 9, 10.
Mejuffrouw, de sterk gewapende zal zijn hofbewa-
ren.
Luk. 11: 21, in spijt van eenen geesel. De geest
welke nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid
Eph. 2: 2 zal zijne sterkte nooit verlaten voor eene
slag op de borst
noch ook zyne woonplaats verlaten
uit vreeze van een weinig wijwater. Hiertoe is de
Zone Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des dui-
vels verbreken zou,
1 Joh. 3: 8. Hü alleen kan den
sterk gewapende uitwerpen Luk. 11; 22 en de cons-
cientie van doode werken reinigen om den levenden
God te dienen.
Hebr. 9: 14.
Slechts in deze zielen, welke onder den gezegen-
den invloed des Heiligen Geestes zijn wordt reinheid
en heiligheid gevonden. Christus heeft ons zalig ge-
maakt
zegt Paulus door het bad der wedergeboorten
en vernieuwing des Heiligen Geestes.
Tit. 3: 5.
Ofschoon grj niet gaarne eene afgodendienares
genaamd wilt worden, zoo zijt gij nochtans iederen
Goeden Vrijdag verplicht u voor een zilver kruis te
buigen
en het zelve te vereeren, ja hetzelve te kussen
en te aanbidden, want als gij uwe knieën buigt be-
gint uw gebed aldus: Wij aanbidden u o kruis! onze
eenige hoop. enz." Was niet de koperen slang inde
woestijn
eene afbeelding van den zaligmaker ? maar
-ocr page 91-
89
werd den Israëliten geboden voor hetzelve te buigen
of het te aanbidden? Werd hen niet alleen bevolen
er op te zien en te leven ? En toen Israël verviel
om het zelve te rooken, werd het vernield, als ge-
schreven is: Hizaki deed dat recht was in de oogen des
Heeren. Hij nam de hoogten weg en brak de opge-
richte beelden en roeide de bosschen uit en verbrijzel\'
de de koperen slang, omdat de kinderen Israël tot die
dagen toe haar gerookt hadden en hij noemde zeN&
hustan,"
in verachting 2 koningen 19: 4. Indien dit
afgodendienaars waren, wat moet gij dan wel zyn,
die God uwen rug toekeert, van zijn evangelie af-
vallig wordt en het afbeeldsel van een vervloekt
hout aanbidt: Wij aanbidden u o kruis I onze eenige
hoop?" Indien dit gebed en deze belijdenis waar
zijn, dan zijt gy zonder God en zonder Christus in
de wereld
want de Heere is de hoope zijns volks en
de sterkte der kinderen Israëls
Joel 3: 16. Maar gij
hoopt op een zilver kruis. Alzoo zijn de paden aller
die God vergeten en de verwachting der huichelaars
zal vergaan. Van den welken zijne hope walgen zal
en zijn vertrouwen zal zijn een huis der spinnekoppen
Job 1: 13, 14.
Van het pausdom kunnen wij zeggen als Petrus
van het wettisch verbond zegt. het is een juk het
welk noch onze vaders noch wij hebben kunnen dra-
gen."
En ik ben er zeker van dat het geen gedeelte
van de bediening des Geestes is, omdat het volgens
de leeringen en geboden van menschen is en niet na
Christus.
"Vergeving en vrede door den Heiligen Geest aan
het harte toegepast, zal de conscientie leinigen, de
zonde ten onder brengen, het harte zuiveren en het
gemoed geestelijk en hemelsch maken; dan zullen
voor God de knieën zich buigen, de handen werken,
de voeten zich bewegen, de oogen zien, de ooren
-ocr page 92-
90
hooren en de mond spreken. Alle reinheid, waarin
dit gemist wordt is slechts de naam, niet de zaak
Wat het huwelijk en den ongehuwden staat betreft,
mejuffrouw, dit zijn zaken, welke ik in myne be-
diening zelden of nooit aanraak. De een heeft de gave
van onthouding, terwijl een ander die niet heeft.
Jacob kan een honderd vier en veertig duizend
van zijne nakomelingen met hem in den hemel
zien, terwijl God van een ander zegt; Schrijft dezen
man zelf kinderloos.
Jer. 22: 30. Indien de onge-
huwde staat in uwe oogen de reinste is, volhardt daar
dan in; maar zie toe dat gij in het verborgen niets doet,
waarover gij u zult moeten schamen als het op de daken
der huizen verkond zal worden. De groote dag zal alle
verborgenen dingen aan het licht brengen. Want daar
is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden noch
daar is niets geschied om verborgen te zijn maar
opdat het in het openbaar zoude komen.
Dan zal het
onderscheid bekend worden tusschen wat uwe rein-
heid in waarheid is, en wat het slechts schijnt.
Ik zou het huwelijk nimmer aangehaald hebben,
als gij het den ongehuwden staat niet gedaan had,
en daar gij het voor die Paapsche stelling opneemt
zoo bewees ik uit Gods woord, dat het een van de
leeringen des duivels is. 1 Tim. 4: 1, 2. 3,
Nu zal ik u iets van uwe partijdigheid en huiche-
larü in dezen brief onder het oog brengen : alzoo dan
die haar ten huwelijk uitgeeft, die doet wel; zegtgij,
en die ze ten huwelijk niet uitgeeft, doet beter."
1 Corr.
7 : 38, en weder vers 40. Maarzij is gelukkiger indien
zij alzoo blijft, na mijn gevoelen en
hü voegt erbij:
„En ik meen ook den geest Gods te hebben. Door deze
w\\jze van redeneeren uit de Schrift kondt gij zeg-
gen, dat Adam Gods Zoon was Luk. 3: 38 en Eva
Gods dochter Hand. 17: 29 en dat God goeddeedt
toen Hij ze tot Adam bracht; maar had Hij haar
-ocr page 93-
91
hem onthouden, dan zou Hü beter gedaan hebben.
Ook toen Hü tot Jozef zeide Maria zijne vrouw tot
zich te nemen, deed Hü goed, maar had Hü haar
hem onthouden hü zou beter gedaan hebben. Even
eens als God zielen trekt om met den gezegenden
Bruidegom der kerk vereenigd te worden, doet Hü
goed; maar het zou beter zün indien Hü het niet
deed. Mejuffrouw, het huwelyk sluit al deze zaken
in, en zü zijn alle van God verordineerd. Door eene
smet of eenige gedachte van onreinheid er op te
werpen, veracht men den raad der Allerhoogsten ;
want de Heere God hadde gesproken: Het is niet goed
dat de mensch alleen zij ; ik zal hem eene hulpe maken.
Gen. 2 : 11. En van de vrouwen zegt God: Ik wil
dan dat de jonge vrouwen huwelijken, kinderen teelen,
het huis regeeren, geen oorzaak van lastering aan de
wederpartij geven. Want eenige hebben haar alreeds
afgewend achter den Satan.
1 Tim. 5 :14,15. Gü zult
toes aan, dat het goed is dit te doen, maar dat het
beter ts dat de jonge vrouwen ongehuwd blijven, de
vruchtbaarheid verachten, de regeering van het huis
versmaden, de wederpartü oorzaak geven de gods-
dienst te lasteren, zich achter den Satan af te wen-
den en de leeringen van duivels aan te kleven,
welke zün verbiedende te huwelijken, gebiedende van
spijzen te onthouden, die God geschapen heeft tot nut-
ting met dankzegging voor de geloovigen en die de
waarheid hebben bekend."
Door zulke redeneeringen zoudt gü den Apostel
de Goddelüke instelling en het stellige gebod Gods
doen tegenspreken en hem tot den autheur van den
ongehuwden staat maken, welken hü zelven ver-
klaart eene leering des duivels te zijn. Gij dwaalt
grootelijk, niet wetende de Schriften, noch de kracht
Gods.
Men merke op, dat de Apostel verklaart dat zijne
-ocr page 94-
92
leer geene der ordinantiön, geboden of voorafgegane
beloften Gods weersprak, gelijk geschreven is:Dow
hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen
dag, betuigende beiden klein en groot, niets zeggende
buiten hetgeen Mozes en de profeten gesproken hebben
dat geschieden zouden.
Hand. 26: 22. Gy ziet dat de
bediening van Paulus hierin bestond om geene an-
dere dingen te zeggen, dan hetgeen voor zijnen tyd
bevolen en voorzegd was. Daarom kon hü niet, zoo-
als gij veronderstelt, een voorstander of handhaver
van des duivels leering, de ongehuwde staat zyn.
De Korinthiers hadden tot Paulus geschreven om-
trent het ongehuwd houden van hunne maagden,
waar de Bijbel het stilzwijgen over bewaarde. Daar-
om schrijft Paulus: Aangaande nu de maagden heb
ik geen bevel des Heeren, maar ik zeg mijn gevoelen
als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb
•getrouw te zijn
1 Corr. 7 : 25. De kerke Gods was
te dien tijde in eenen lijdenden staat; velen leden
of stierven dagelijks voor de zaak Gods en der
waarheid, in welke tijden zy gely\'k waren aan Jeru-
zalem in hare ellende die gewoon waren te zeggen:
Zalig zijn de onvruchtbaren en de buiken die niet ge-
baard hebben en de borsten die niet gezoogd hebben."
Luk. 23: 29.
In zulke lijdenstijden is eene vrouw en gezin een
zware last. Hierom vestigt de Apostel zyne veron-
derstelling op dien benauwden ty\'d. Ik houde dan dit
{onderricht) goed te zijn om de aanstaanden nood,
dat het [zegge ik] goed is den mensch alzoo te zijn.
1
•Corr. 7: 26. Hierdoor weerspreekt de Apostel niet
wat hy van den ongehuwden staat beweert; als hy\'
het eene leer der duivels noemt en eene valstrik,
maar hy\' gaf zynen raad ten hunnen beste, en niet
met eenige bedoeling om Gods instelling van het
fauwelyk tegen te staan: En dit zegge ik tot uw eigen
-ocr page 95-
93
voordeel, niet opdat ik tenen strik over u zou werpen
maar om u te leiden tot hetgeen wel voegt en bekwaam
is om den Heer e wel aan te hangen.
1 Corr. 7 : 35.
Ik ben besloten om u uit iedere schuilplaats der
leugenen, waarin gij u zoudt willen verschuilen, uit
te jagen, ofschoon ik in mijne vervolging en een
der ergste stormen
te doorworstelen heb, want eene
gedurige druiping ten dage des slagregens en eene
kijfachtige vrouw zijn even gelijk. Elk een die ze ver-
bergt zoude den wind verbergen,
want in dwalingen
is zij even onvast. Degene die haar niet getrouw
behandelt, bedroeft den Heiligen Geest en de olie
zijner rechterhand die roept
door een zichtbaar ver-
val van de kracht zijner bediening Spr. 27; 15,16.
Al mijne pogingen zullen te vergeefs zijn, tenzij
God mrjne brieven met zijne eigene kracht en zegen
vergezelt, want ofschoon gij eene van het zwak-
kere geslacht zijl, of gelijk Petrus zegt het zwakste
vat,
nochtans kan dit slechts op lichamelijke en ver-
standelijke zwakheid toegepast worden, want in het
hoofd zijt gij even sterk, indien niet sterker, dan
het mannelijk geslacht, gelijk een van de best door-
geleidde rechters goed opgemerkt heeft: Het is beter
te wonen in een woest land dan bij eene zeer kijfach-
tige en toernige huisvrouw.
Spr. 21: 19 Ja hij voegt
er bij: Het is beter te wonen op eenen hoek des daks
dan met eene kijfachtige huisvrouw en dat in een huis
van gezelschap.
Spr. 21 : 9. Echter ben ik besloten
er alles aan te wagen, zelfs al zou ik onder den
geesel der tong vallen, want de verlossing eener ziel
is kostelijk
en ik zou gaarne eene der hevigste stor-
men doormaken, indien ik u maar tot Hem kon voe-
ren, die eene verberging tegen den wind is liever dan
u op te geven, ofschoon ik mij blootstel aan de kij-
vagiën eener vrouw
(welk zijn) als een gestadig drui-
pen
Sp. 19: 13.
-ocr page 96-
94
Ik kon er meer bijvoegen, maar in werkelijkheid
heb ik medelijden met u en wil ik u sparen. God
de Almachtige vergeve en zegene u; belrjdt al uwe
misdaden aan Hem tegen wien gij alleen gezondigd
hebt en ik hoop, dat Hrj u beide zal hooren en ge-
nezen. Hrj heeft zichzelven geopenbaard als rrjkzrjnde
in barmhartigheid en overvloedig in goedheid en in
waarheid. Houdt daarom aan in ootmoedige belrjde-
nis en in den gebede en verwacht meer dan over-
vloedige genade van Hem. Intusschen waarde juf-
frouw, verbluf ik uw getrouwe dienaar, liefhebbende
vriend en zou ook gaarne wezen uw teedere ver-
zorger.
Laat mrj weten hoe het verder met u gaat en
verwacht een deel in de arme gebeden van hem die
in de banden des Evangeliums de eere van Christus
zoekt alsmede het goede uwer ziel,
WILLIAM HUNTINGTON.
-ocr page 97-
Aan den WelEerwaarden Heer
HUNTINGTON.
Mijnheer !
Uw laatste brief kwam in mijn bezit, en het spijt
mij dat ik zeggen moet, dat het in geenen deele voor
mijne ziel een woord ter rechter tijd was. Door het
lezen er van werd ik ten zeerste ontroerd. Echter
eer ik mijne pen op het papier zette om dezelve
te beantwoorden ging mijn hart uit in den gebede
tot God om zijne leiding.
Ik ben van meening, dat deze brief te veel in uw
eigen geest geschreven is. Op het oogenblik is mijn
gemoed zeer ongeschikt voor tegenspraak. Maar
zegt gij, gij hebt het zelf gezocht. Nu dan, indien
u het punt niet wilt los laten dan zal ik het doen
en laten wij het onderwerp des huwelijks dan laten
vallen, want ik zie er niet veel voordeel in over dat
onderwerp te disputeeren. Wat het klooster betreft,
ik zal nog een ding zeggen, welke is: Mijne gedach-
ten over dat punt zijn dermate gewijzigd, dat was
ik onder mijne tegenwoordige gevoelens eene non,
ik in der waarheid ellendig zou zijn. Het heeft God
op eene wonderlijke wijze behaagd mij van die
dienstbaarheid te verlossen. Hij die de binnenste
schuilhoeken des harten goed kent is mijn getuige
dat ik in waarheid begeer, in welke betrekking ik
mij ook bevind, aan Zijnen wil onderworpen te
zijn.
In het bijzonder ben ik geslagen met uwe gedu-
rige beschuldigingen, dat ik het Woord Gods ver-
-ocr page 98-
96
draai. Bidt dan voor mij (zooals God weet, dat ik
voor mijzelven doe), dat de sluier van onwetend-
heid van mijn verdorven gemoed weggenomen
moge worden, dat de oogen mijns verstands ten
volle verlicht mogen worden om het Woord te be-
grijpen; om de kracht der waarheid zooals ze in
Christus zijn niet alleen te kennen maar ook te ge-
voelen.
Gü zyt welkom, mynheer, om mijnen brief zoo-
veel te ontleden als u behaagt, mits het tot welzijn
myner ziele en niet tot eindelooze twistredenen
strekt. Ik beschouw u als iemand, die van God ge-
leerd zijt, waarom ik besloten ben, om door de hulp
van Zijne genade mij niet beleedigd te gevoelen
door eenige zaak, welke grj moogt beweren, ofschoon
ik, geloof mij, niet geheel ontbloot ben van de ge-
voelens der menschely\'ke natuur. Inderdaad heb ik
ondervonden, dat ik wonderlijk ondersteund werd
onder de gestrengheid van uwe eerste en laatste
brieven. Ik denk dat gy\' mij in het geheel niet
spaart, ofschoon gij het tegendeel beweert. Wel l
omdat ik opmerkte, dat de geloovigen reeds gerecht-
vaardigd waren door Zijn bloed, sloot dit dan in,
dat ik de dadelijke gehoorzaamheid van Christus
wenschte buiten te sluiten ? Dat verhoede God! Het
was Rom. 5: 9, dat mij voorkwam, toen ik bezig
was, dat te schryven, want ik herinner my\', dat
het op mijne denkwijzen toepasselijk was; was ik
nauwkeurig tot het onderwerp doorgedrongen, dan
zou ik het niet onvolledig gelaten hebben. Hier
handelde ik verkeerd in, hoewel ik moet bekennen,
dat ik zeer verbaasd was, dat u het in zulk een
licht beschouwde. Ik belijd dat er immer een onder-
scheid behoort gemaakt te worden tusschen de
dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid van Christus.
Ik ben in waarheid overtuigd, dat de eerste voor
-ocr page 99-
97
de zonde verzoening doet en de laatste een recht
op den hemel geeft. Echter indien ik dwaal, zoo
wensch ik onderricht te worden wat recht is, maar
zou gaarne willen, dat u voor dat doel de terecht-
wyzing van mijnen vader Paulus in 2 Thim. 2:24,
en 26 wildet aannemen.
Gü verlangt te weten hoe het met my\' gaat. Nog
steeds bedroefd en zeer ternedergeslagen, ofschoon
ik eene zwakke hoop in mij ontwaar, dat God voor-
nemens is mij barmhartig te zijn uit zyne zonder-
linge en wonderlijke handelingen met mij. Wist ik
maar dat Christus na mijnen verschrikkelijken af-
val mij inderdaad wilde ontvangen, en deze belof-
ten, welke my tot eene aanhoudende kwelling zyn,
te niet maken, dan zou het eenige verlichting aan
mijne ontroerde conscientie geven. „O Heere. ik wordt
onderdrukt, weest gij mijn borg."
O, mijnheer, gij kunt u geen oordeel vormen over
myne tegenwoordige ingewikkelde beproevingen,
niet alleen met betrekking tot hetgeen ik zooeven
verhaald heb, maar ook wat betreft eene netelige om-
standigheid welke zich onlangs opgedaan heeft aan-
gaande mijne toekomstige staat in dit leven. On-
langs ontving ik eene uitnoodiging om naar Rusland
weder te keeren, met een van de eerste schepen in
de lente, om my in een milder klimaat, dan waar
ik voorheen in was, te vestigen en heb elke reden
te gelooven, dat ik daar eeDe goede gezondheid zou
genieten. Groote tydelyke voordeelen zyn my aan-
geboden, maar ik kan in waarheid zeggen, dat my\'n
hart ze niet verder begeert, dan als een middel (in-
dien God wil) om my in korten tyd in staat te stel-
len my onafhankelijk van de wereld terug te kun-
nen trekken en myzelven aan den dienst Gods over
te kunnen geven; want welke hoop heb ik, indien
ik in London woonde om de middelen der genade
Bekeering.                                                        7
-ocr page 100-
98
beter waar te nemen dan in een vreemd land. Ook
heb ik veel minder tijd, ik weet het door ondervin-
ding, om müne eigene eenzamen meditatiën te ge-
nieten. Smeek om des Heeren leiding ten mijnen
behoeve.
Hierbij heb ik eenen brief ingesloten, die ik onlangs
ontving van eene jonge dame, welke mijne zuster
in het Roomsche geloof was. Ik had haar uwen
eersten brief gezonden ter lezing; hieruit zult gij zien
welke hare denkwijze er over is. Ik kan niet nala-
ten Gods goedheid te bewonderen, dat ik niet over-
gegeven werd om er dezelfde opmerkingen over te
maken. Zij heeft inderdaad eene opmerkelijke levens-
loop gehad, die in sommige opzichten met de mijne
overeenkomt.
Welgelukzalig is die mensen, die bekwaam wordt
gemaakt zijnen weg op de onmiddelijke zorg Gods
te wentelen. Ps. 37: 5. Dit moet zekerlijk het beste
redmiddel zijn in alle verbijsterde smarten Ps.
16: 4. En ofschoon ik overtuigd ben, dat het Woord
Gods het groote middel van vertroosting ten dage
der beproeving is Ps. 119 : 92. Rom. 15 : 4. zoo kan
ik u nochtans verzekeren, dat mijn gemoed nu zeer
tenedergeslagen is, vreezende of ik de Schrift ook
mocht verdraaien of verkeerd uitleggen. Desniette-
genstaande moet ik dit verklaren, dat ik vurig
verlang dat Christus voor mijne ziel alles in allen
moge zijn, en ik aan alles waarin Hij gemist wordt
gedood moge worden.
Sta mij toe dat ik nog over ééne bijzonderheid
in uwen brief eene opmerking maak. Gij zegt: In
de taal der schrift zijt gij eene hoer. Pas op, mijn-
heer, ik daag u niet voor de rechtbank om schade-
vergoeding. Nochtans door mij, aldus te beschuldigen,
loopt gij later zelf in den val door uzelven, mijn tee-
dere verzorger te noemen. Volgens de regels der
-ocr page 101-
I
99
rede zjjt gU nu beslist de teedere verzorger eener
hoer. Van gansoher harte wensch ik u een beter
ambt. Verontschuldig deze scherts. Geloof my dat ik
steeds verblijf
Uwe verplichte vriendin en getrouwe
Holywel Mount.         ELIZABETH MORTON.
29 Dec. 1787.
-ocr page 102-
Aan Mejuffrouw ELIZABETH MORTON.
Mejuffrouw.
De uwe kwam zooeven in mijn bezit, en zyn ge-
wichtige inhoud heb ik overwogen. Wat het vleesche-
lyk huwelijk betreft, ik zou er nietovergesprokenheb-
ben, daar het niet tot de bediening behoort, indien gij
het in uwen brief niet zoo sterk voor den ongehuwden
staat opgenomen had. Daar dat leerstelsel in uw
oordeel gevestigd scheen, zoo deelde iK u uit Gods
Woord mede, dat het een gevoelen des antichrists
en eene leer des duivels was. Of gy in den ongehuw-
den staat blijft of huwt, dat is my\' hetzelfde, maar
zijt gij eenmaal aan Christus ondertrouwd, dan zult
g\\j deze leugenen en leeringen der duivelen, die gij
ingezogen hebt, op moeten geven, en zult gij niet
veroordeelen hetgeen God verordineerd heeft, noch
die staat welke Hy eerlijk verklaart te zijn, als on-
rein beschouwen.
„Daag mij voor de rechtbank" en welkom indien
het voor de rechtbank Gods is, waar ik zeker ben
eenen bekwamen voorspraak te vinden, en waar
ik niets zal hebben te betalen om het pleidooi te
winnen. Gy\' hebt my niet in den val gekregen. Elk
afgodendienaar is een overspelig zaad en die hoererij
bedrijft.
Jes. 57 : 3, en degenen die van hunne be-
lydenis van Christus afvallen, zy\'ne bruid en zyn
Woord verlaten, zich by eene dwalende gemeente
aansluiten en dwalingen omhelzen, worden gezegd
den Heer e te verlaten; kittig te zijn in de eikenbosschen;
een ander leger lief te hebben in elke plaats die zij
-ocr page 103-
/
101
zien; en zich aan een ander te ontdekken, Jes. 57:5,9.
Een afkeerig hart draagt den naam, dien ik u gegeven
heb. Omdat ik verbroken ben door haar hoerachtig
hart dat van mij afgeweken is en door hare oogen, die
hare drekgoden nahoereeren en zij zullen een walging
aan zichzelven hebben over de boosheden, die zij in alle
hare gruwelen gedaan hebben.
Ezechiel 6 : 9. Daarom
is mijne beschuldiging tegen u recht, en daar gij
mrj naar Paulus teedere zorg ter navolging verwijst ?
2 Thim. 2: 24, 25 en 26, zoo houd ik het voor toe-
gestaan, dat gij verlangt, dat ik vriendelijk zij voor
u, gelijk als eene voedster hare kinderen koestert 1
Thess. 2: Indien dit zoo is dan is uwe strik ge-
broken en ben ik ontkomen,
Ps. 124: 7.
Of ik u in een slechten of goeden geest geschre*
ven heb, het is mrj duidelijk, dat God het zoowel
toegepast als bekrachtigd heeft, door de kracht die
het vergezelde. Ik weet, dat een dienstknecht des
Heeren niet moet twisten, maar vriendelijk zijn tegen
alle.
2 Thim. 2: 24. inzonderheid tegen eene gewon-
de geest, maar tegen dwalingen en ter verdediging
van Gods waarheid moet hij een ijzeren pilaar en
koperen muur
zijn. Jes. 1: 18. Gemeenlijk roepen
zulken als gij uit: Spreekt tot ons zachte ding en; schouwt
ons bedriegerijen.
Jes. 13: 10. En mijn volk zegt God
heeft het gaarne alzoo, maar wat zult gij ten einde van
dien maken?
Jer. 5: 81. De een bouwt eenen leemen
wand, en ziet de andere pleistert denzelve met looze
kalk.
Ezech. 13: 83. een ander naait kussens voor
alle okselen der armen om den verschrikten huiche-
laar te stutten Ezech. 13: 18, uit vreeze dat hij naar
zrjn God zou zoeken; weer anderen bijten met hare
tanden en roepen vrede uit
Micha 3: 5 maar de god-
loozen hebben geen vrede zegt de heere
Jes. 48: 22.
De uitnemendheid en de kracht der godsdienst is
van God, want Hij doet smarte aan en Hij verbindt Job
-ocr page 104-
102
5: 18 en daar Hy my gebruikt heeft om u te ver-
wonden, zoo zal Hu my\' ook naar alle waarschyn-
lykheid gebruiken om u te helen. Wanneer dit ge-
daan is en gij tot het licht gebracht zult zyn, zult grj
beter in staat zyn te beoordeelen of het door myn
dan wel door des Heeren Geest gewerkt werd,
Dat gij naar Rusland wilt gaan haat mijne ziel,
maar daar de duivel bang is u te zullen verliezen,
zoo vindt hjj, dat het de beste politiek is u het land
uit te dryven, indien het hem wordt toegelaten, op-
dat hy\' zijne hof moge bewaren en al wat hy\' heeft
in vrede houden, dewelke tegenwoordig zeer ge-
schudt wordt, en naar hy denkt ook in groot ge-
vaar is.
Uw beoogen van eene onafhankelijkheid is niets
dan de ellendige uitwerkselen van wantrouwen en
ongeloof en is een goddeloos verwyt geworpen op
de teedere zorg, vriendelijke voorzienigheid en be-
loofde ondersteuning van den Almachtige.
In uwe reis naar Rusland zult gy geen beter
succes hebben om eene onafhankelijkheid te ver-
werven dan Naomi had toen zij naar Moab ging
om wat zij had te bewaren. Wee den kinderen die
afvallen spreekt de Heere, om eenen raadslag te ma-
ken, maar niet uit mij en om haar met eene bedek-
king te bedekken, maar niet uit mijnen Geest om zonde
tot zonde te doen. Die gaan om dftetrekken in Egyp-
ten; daarom heb ik hier overgeroepen stil zitten zal
hare sterkte zijn.
Jes. 30: 1 — 7. Blijft in dit land.
Voor eenigen ty\'d waart gy verplicht hier voor uwe
gezondheid heen te vluchten, en neem uzelven in
acht omtrent eene tweede vlucht, opdat de Heere
niet tot u zegge, evenals tot de goddelooze Israêliten
van ouds, toen zy\' zoowel van hunnen God als hun
land verjaagd waren: En weent niet over den doo-
den m beklaagt hem niet: Weent vrij over dien die
-ocr page 105-
/
103
weggegaan is, want hij zal nimmermeer wederkomen
dat hij het land zijner geboorte zie
Jer. 22: 10.
Indien een onafhankelijke staat de beste voor u
gewetst ware dan zou God ze u gegeven hebben;
want de Heere maakt arm en maakt rijk: Hij ver-
nederd ook verhoogt Hij
1 Sam. 2:6.\'
Onafhankelijkheid was eene der drie zaken waar
ik door gebed ernstig om smeekte; ik heb echter
nimmer vermoogd deze te verkrijgen. De andere zaak
was een afgescheiden leven van de wereld. Ik dacht
dat onafhankelijk te zijn mij in staat zou stellen God
alle mijne dagen te loven en dat een eenzaam leven
in een bosch mij uit den weg vaD alle verzoekin-
gen tot zonde zou brengen, maar ik sprak als een
kind, was gezind als een kind en overlegde als een
kind
1 Cor. 14: 11. want beide waren de gevolgen
van onwetendheid, kinderlijkheid en ongeloof. Het
was niets minder dan een wantrouwen aan de wel-
dadigheden van Gods voorzienigheid en de toege-
zegde bescherming Zijner hand, die verklaard heeft
dat Hij het goede niet onthouden zal dengenen die in
oprechtheid wandelen.
Ps. 84: 11. Hij noemt zichzel-
ven een beproefde steen en gij moogt hem wettig
beproeven. Als een vader heeft hij ons deze nood-
sakelijke dingen beloofd, en u geboden hem te be-
proeven
door een verlaten op zrjn woord. Mal. 3:
10. De raad des Heer en bestaat in eeuwigheid; de ge-
dachten zijns harten van geslachte tot geslachte
Ps.
33; 11 daarom is Hij waardig vertrouwd te worden
Hrj gebiedt u Hem aan te roepen in den dag der be-
nauwdheid
en zegt: ik zal er u uit helpen. Ps. 50:
15. Gelooft zijn woord en gij zult niet beschaamd
worden
1 Petr. 2 :6. Vertrouwt op den Heere en gij zult
zijn als den berg Zions die niet wankelt
Ps. 125: 1.
Eene vlucht naar Rusland is door den duivel ver-
zonnen. Waar zou ik henengaan voor uwen geesten
-ocr page 106-
104
waar zou ik henen vlieden voor uw aangezicht ? Name
ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste
der zee,
dan zou die sterke hand Gods waar gü nu
onder zü\'t u toch vinden, ofschoon hij van zijne hand
snellijk zou vlieden.
Job. 27: 22.
Deze schuwe vrouwen worden in hunne belijdenis
terecht vergeleken bh\' eenen woudezel, gewend aan de
woestijn
; na den lust harer ziel schept zij den wind;
wie zoude hare ontmoeting afkeeren ?
Jer. 2: 24. De
Heere bekrachtige en zegene mijne openhartige han-
delingen met u en geve u genade tot gehoorzaamheid
des geloofs
Rom. 1: 5.
Vanwege uw tegenwoordige droefheid des ge-
moeds, de last eener schuldige conscientie, een ver-
ward verstand en een gebroken oordeel, hebben een
gezelschap van omdwalende, verstrooide gedachten,
en een aantal verdorde vermogens, u zoo ongeschikt
gemaakt om de zorg ovei kinderen op u te nemen
als een krankzinnige voor het ambt van gezant on-
geschikt is. Wacht op God, totdat Hh\' uwen ver-
broken geest verbindt
en dan zal Hü u geveD den
geest der kracht en der liefde en van een gezond ver-
stand
;welke u voor dit werk beter bekwamen zal, dan
gü nog ooit geweest zyt. Gehoorzaam mn\'ne stem;
en indien gü hierin verkeerd handelt, dan zü dat
ongelijk op mn\'. hertrouw op den Heere en doet het
goede
; bewoon de aarde en voedt u met gelrouwig-
heid. En verlust u in den Heere, zoo zal Hij u geven
de begeerten uwes harten. Wentelt uwen weg op den
Heere en vertrouw op Hem, Hij zal het maken.
Ps.
37 : 3, 4, 5. Door de kracht, die gij nu gevoelt, moet
het u openbaar worden, dat gü in Gods hand züt
en Hy beveelt u uittegaan op de voetstapjwn der
schapen en uwe geiten te weiden bij de woningen der
herderen
Hoogl. 1: 8 hetwelk gü iii Rusland niet
kunt doen. Daarom raad ik u te blrjven waar gh\'
-ocr page 107-
/
105
zyt en te zien wat dit toch worden zal Hand. 5:24.
Gü kunt gemakkelijk buiten het bereik van mijne
tonge en pen komen, maar van God, van de con-
scientie, van het wuord Zijner genade, van mijne
getrouwe getuigenis tegen het pausdom of van my-
nen raad kunt gü nimmer vlieden.
Gij zy\'t vry met de briefwisseling op te houden
als het u lust. Ik heb besloten dat mijn evangelie
niet als een bedelaar tot u zal komen. Er zijn ge-
noeg gehoorzame kinderen mijns meesters, die blyde
zouden zyn al de olie welke in mijn kruik opwelt,
te ontvangen zoodat ik dezelve niet zal zenden waar
ze verworpen wordt. Gy zult niet meer van my
krygen, dan hetgeen gij er door brieven uithaalt.
Mij is geboden niet over te gaan van het eene
huis in het andere huis. En indien aldaar een zoon
des vredes is, zoo zal ik in dat zelve huis blijven.
Luk.
10: 5, 6, 7.
De brief van de dame las ik met medelijden en
verontwaardiging; met medelyden als ik bedenk in
welk een gevaarlijke staat zulk eene ziel zich moet
bevinden, die naar het graf reist met niets dan
eene leugen in hare rechterhand Jes. 44: 20, met ver-
ontwaardiging, als ik bedenk hoe goddelooze lieden
voor geld, een lui leven of toejuiching van menschen
zoo vele zielen blindelings in de gracht leiden Matth.
15 : 14. Het is nogal waarschynlyk dat goddelijke
wonderen verricht zouden worden aan een relequiën
kastje en Gods goedkeuring zou verschijnen in eenen
weg, dien Hy zelven vervloekt heeft: Vervloekt zij
de man, die een gesneden of gegoten beeld, eenen gru-
wel des Heeren, een werk van des werkmeesters han-
den zal maken en zetten in het verborgen, en al het
volk zal antwoorden en zeggen: Amen.
Deutr. 17 :15.
Maar gü kunt geen tak van het pausdom voortbren-
gen, die ik niet in de oude profetie kan vinden.
-ocr page 108-
106
Deze mirakelen zijn duidelijk voorspeld ; en de be-
schrrjving der personen, die er in verstrikt zullen
worden, ja zoowel de verleider als de verleide: Hem
zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans
in alle kracht en teekenen en wonderen der leugen.
En in alle verleiding der onrechtvaardigheid, indege-
nen die verloren gaan, daarvoor dat zij de liefde der
waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden.
En daarom zal haar God zenden eene kracht der
dwaling, dat zij de leugen zouden gelooven. Opdat zij
allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd
hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de on-
gerechtigheid.
Tess. 2: 9—12.
In de hier boven aangehaalde profetie wordt de
eerste verschijning van den paus in de kerk verge-
leken bij des duivels eerste verschijning in Eden ;
zij wordt genaamd een toekomst naar de werking des
Satans.
Zijne wonderen der leugen worden verge-
leken bij leugenen des Satans, en de wonderen die
zij in Eva zouden werken, als zij er geloof aangaf.
Gij zult niet sterven, maar gij zult als God zijn kennende
het goed en het kwaad. Gelijk de slang Eva door hare
arglistigheid bedrogen heeft
3 Corr. II: 3. zoo bedroog
de paus eerst de keik. Dat de duivel Gods Woord,
in zijnen mond nam. (Is het ook, dat God gezegd
heeft gij zult niet eten van allen boom dezes hofs
Gen.
3: 1) waa eene afschaduwing van de beweerde on-
feilbaarheid des pausen in de Schrift en des duivels
tegenspreking van Gods Woord en het inbrengen
zijner eigene leugenen was eene afbeelding van des
Pausen tegenspreken van den Bijbel en hetinbren-
gen van eigene overleveringen, waarvoor gij in uwen
vorigen brief opkwaamt.
Om kort te zijn: de komst des duivels in Eden
was om de vrouw te verleiden en Adam in hare
schande en oneer mede te sleepen, en hij wiens toe-
-ocr page 109-
/
107
komst is naar de werking des Satans beoogt de ver-
woesting van de kerke Gods. Door zijne beweringen
dat hij Christus plaatsbekleeder en het hoofd der
kerk is, onteert hij Christus, kruisigt Hem wederom
en maakt Hem openlijk te schande
Hebr. 6: 6. Daar des
pausen toekomst naar de werking des Satans was, zoo
hebben wtf grond om te gelooven, dat z\\jn uitgang
op dezelfde wijze zijn zal. Al wat de duivel voor
zijne leugenen kreeg, was dat hij vervloekt werd boven
al het vee
Gen. 3 :14. En hij die de schrift verbrandt,
verdraait, er afdoet of er bijvoegt zal boven alle zon-
daars vervloekt worden: want hjj is erfgenaam van
al de plagen die in dit boek geschreven zijn.
Openb 22:
18, 19. En daar zij gelijk begonnen, zoo zullen zü
ook gelijk eindigen: „En de duivel die haar verleidde
wordt geworpen in den poel des vuurs en sul f er s alwaar
het Beest en de valsche profeet is en zij zullen gepijnigd,
worden dag en nacht in alle eeuwigheid.
Openb. 20 :10.
De verborgenheid der transubstantiatie is een van
deze wonderen der leugen te voren genoemd en slechts
zulk eene ziel welke door God overgegeven wordt tot
eene kracht der dwaling zal ooit zulk een leugen
gelooven, om te meenen dat een zondaar door het
mompelen van eenige woorden eenen ouwel in de
Godheid verandeien kan. Ik wenschte, dat gn\' mij
eenen geheiligden ouwel wildet brengen, nadat ha
in het lichaam van Christus verandert is, en dan zou
ik eens trachten of ik ei ook eenen brief mede ver-
zegelen kon. En indien hjj door een vel papier vast
gehouden worden kan dan kan hij geen Zaligmaker
zijn en bijgevolg geen voorwerp van aanbidding, want
ofschoon hij hostie genaamd wordt zoo weten wij
toch dat het de Heere der Heirscharen 1) niet isr
1) In bet Eng. host is gelijk heierschaar.
-ocr page 110-
108
want wij moeten niet meenen, dat de Godheid goud o f
zilver of steen gelijk zij.
Hand. 17: 29. Daarom heb-
ben wij geen reden om te denken, dat hij aan zulke
onbeduidende zaken als deeg of bijenwas gelijk zou
zijn.
Ik maakte deze weinige opmerkingen om u te
doen weten, dat ik u wat verder kon doorkijken,
dan gij uzelven door woorden bloot gaaft. Ik doorzie
u even goed als of gij van glas waart, want de gees-
telijke mensch onderscheidt wel alle dingen, maar hij
zelve wordt van niemand onderscheiden
1 Cor. 2:15.
Uwe beweringen omtrent een klooster, om licha-
melljk, zuiverheid te bewaren zijn niets beter dan
van de Joodsche fariseën: Reinigende het buitenste
des drinkbekers en des schotels maar van binnen zijn
ze vol van roof en onmatigheid."
Geen lui leven in
eene cel zal de geest reinigen of ze rein houden;
het hart moet door het geloof gereinigd worden en
de geest door de liefde Gods rein gehouden worden.
Indien er ooit eenige reinheid in u gevonden zal wor-
den, dan moet ze uit dezen bron voortvloeien.
Gij hebt eenen broeder in de bediening en gij kunt
hem müne brieven gerust voorleggen. Ik heb geen
oorzaak om bevreesd of beschaamd te zyn over iets
dat ik aan ü geschreven heb.
Wat uw tegenwoordige beproevingen betreft, zij
zijn niet meer dan hetgeen gij verwachten moet:
En zij hébben geene rust dag en nacht die het beest aan-
bidden en zijn beeld en zoo iemand het merkteeken zijnes
naams ontvangt
Openb. 14:11. Indien God u zaligt, zal
Hij uwe overtredingen met de roede bezoeken en uwe on-
gerechtigheid met plagen;
daarom verwerpt de tucht des
Heeren niet en weest niet verdrietig over zijne kastijding.
Wat klaagt dan een levendig mensch
? Een ieder klage
van wege zijne zonden. Draag des Heeren gramschap
want gij hebt tegen Hem gezondigd, Wie weet of hij
-ocr page 111-
/
109
u niet zal uitbrengen aan het licht; en u uwe lust doen
zien aan zijne gerechtigheid.
Nooit zag ik de schriftuurlijke meening van de
drinkenschap der hoere Babijlons of de uitwerkse-
len van den wijn harer hoererij openb. 17: 2 in mijn
geheele leven zoo duidelijk als ik ze in deze uwe
brieven gezien heb, want zü zijn zoo vol van onbestaan-
baarheid, en verwarring als de taal van een dron-
ken man. In uwen voiigen brief deelt gij mrj mede,
dat gij in de offerhande der mis gelooft, maar aan
de absolutie en het vagevuur twijfelt, hetwelk by
mü onbestaanbaar is, want gelooft gy aan de offer-
hande des mis, dan hebt gij geene reden om aan
uw deel in het vagevuur te twijfelen. Sterft gü in
het geloof van eene leugen, dan is uwe verdoeme-
nis zoo zeker als of gij er al in waart. Want in-
dien degenen die leugen spreken het hemelsch Jeruza-
lem nimmer binnen zullen komen Openb. 21: 27
zooals de Schrift getuigt, dan behoeven wij niet te
vreezen, dat de leugenaars buiten de hel zullen blij-
ven geluk geschreven is: Maar denvreesachtigenen
ongeloovigen en gruwelijken en doodslagers en hoereer•
ders en toovenaars en afgodendienaars en
alle den Ieu-
genaars
is haar deel in den poel, die daar brandt
van vuur en sulfer, hetioelk is de tweede dood
Openb.
21: 8. Daar dit het geval is mejuffrouw en uw ge-
loof in de offerhande der mis vaststaat, zoo hebt
gij geene reden aan het vagevuur te twijfelen, want
dezelfde rechtvaardige God, die een cproerling over-
geeft eene leugen te gelooven heeft de verschrikke-
lijke verdoemenis van den leugenaar even vast ge-
steld.
Ik neem aan dat deze brief naar gewoonte te
veel in mijn eigen geest geschreven is, maar gij moet
mynen geest buiten dispuut laten en zien of hetgeen
ik schreef Gods waarheid al of niet is. Het is vol-
-ocr page 112-
110
gens de woorden, welke God gesproken heeft, dat
wü in dien grooten dag geoordeeld zullen worden,
en niet volgens mijnen geest.
Wat mü betreft, dan geloof ik niet, dat er in den
Bübel eene tekst is, indien ze in hare geestelijke
beteekenis nauwkeurig bezien wordt, die ééne tak
van het Pausdom begunstigt. Want ofschoon in
hunne geloofsbelijdenis eenige gezonde uitdrukkin-
gen zyn, zoo maken hunne dwalingen en gedrag
nochtans al deze zaken tot leugenen. In het kort,
ofschoon zy belijden dat ze God kennen, noch-
tans verloochenen zij Hem met de werken, alzoo zij
gruwelijk zijn en ongehoorzaam en tot alle goed werk
ondeugende.
Tit. 1: 16.
Inderdaad, mejuffrouw, ik heb u even openhartig
behandeld als God mü deed, maar ik weet dat nie-
mand dan God aan het woord zijner genade getui-
genis kan geven
Hand. 14: 3, het woord zijnes knechts
kan bevestigen en den raad zijner boden volbrengen
Jes. 44: 26.
Ik verzoek geene gunst, dan dat gij uwe cons-
cientie aan het licht en de kracht der waarheid
wilt blootstellen. Handel overeenkomstig uwe belofte
uit overtuiging en dan zal ik op Gods hand letten
en zyne hulp afsmeeken. Zoolang God u besloten
houdt of gij op twee gedachten hinkt, zeg ik u vaar-
wel. Keert de waarheid u echter om, dan ben ik
uw bereidwillige dienaar in het evangelie Christi
•en om zijnent wille.
WILLIAM HUNTINGTON.
-ocr page 113-
/
Aan den Heer HUNTINGTON.
Mijnheer!
Het waren kostelijke oogenblikken, die ik dezen
avond met u in de consistorie kamer doorbracht,
ofschoon ik u terzelfder tijd in waarheid verzeke-
ren kan, dat zoo waarachtig als er een God in den
hemel is ik zoo zeker eene hel in mijn hart heb.
Ach! dat ik mijne conscientie kon ontvlieden! Ach
dat ik mij zelven kon ontloopen! want het is zeker,
dat ik nimmer de oordeelen van een vertoornd God
kan ontgaan. Hoe kan ik veronderstellen, dat de
Heere ooit zijne liefde op mij vestigde, die de god-
delooste der goddeloozen ben ! Ik weet niet wat ik
doen moet; nacht noch dag houd ik op met bid-
den, en nochtans neemt mijne zielsbenauwdheid
zoo snel toe, dat ik in waarheid denk spoedig op het
ziekbed te zullen liggen. Denkt gij waarlijk dat Chris-
tus ook voor mij stierf?
Hier heb ik geene verzekering van. O ellendige
staati mijne zonden zijn een zware last, bijna te
zwaar voor mij om te dragen.
Verbazende omkeer! Nooit voorheen had ik ge-
voeld hetgeen God behaagd heeft onlangs op mij te
leggen. Ik denk elk oogenb\'ik te sterven. Ik gevoel
dat de plaag van mijn goddeloos hart zoodanig is dat
dezelve bijnaonverdragehjkisvoordit mijn zwakgestel
Het leven is mij geen genot noch vind ik vermaak
in iets hier op aarde. In het kort, in dezen toestand
kan ik niet lang meer leven. Wat mijn laatste oor-
deel zijn zal, dat weet God alleen. Mijn aanhoudend
-ocr page 114-
112
gebed is, dat het den Heere bebage mij voor dood
en oordeel voor te bereiden. In Gods heilige naam
smeek ik u voor mü te willen biddeD.
O dat ik zeggen kon, dat God in waarheid mijn
hemelsche Vader, Christus mijn Verlosser en de
Heilige Geest mijn Inwoonder is! dan, ja dan!zou
.k al de schatten, rijkdommen, vermaken en genoe-
gens dezer tegenwoordige booze wereld als schade
en drek achten. Inderdaad ik acht ze zoo, want meer
en meer zie ik eene verbazende ijdelheid in alles
aan deze zijde des grafs.
Dikwijls gevoel ik krachtdadig hetgeen u den
vorigen Sabbath opmerkte, te weten „dat het gezel-
schap van den geliefdsten vriend een last is wan-
neer men verlangende is zijne smarten aan den troon
der genade uit te storten." Dikwijls wensch ik alleen
te zijn, wanneer ik dit niet kan, want ofschoon ik
(tot mijne groote smart) weinig vertroosting in of
neiging tot het lezen van Gods Woord vind; zoo
ben ik nochtans in de diepste beproeving nimmer
zonder een hart gelaten, dat tot God in het gebed
uitging.
Ik smeek u, waarde heer, het mij niet kwalijk te
nemen, dat ik u aanhoudend met mijne vreemde
bevinding kwel. God beware mij om vleesch tot my\'-
nen arm te stellen of in het minste van het schep-
sel een afgod te maken, maar dit weet ik goed, dat
de Heere u als een werktuig aangewezen heeft om
mij nuttig te zijn; daarom zy Hem alleen de lof.
O, deze verschrikkingen der conscientie! O die
goddeloosheid van mijn verdorven hart! zondenen
droefheid maken een scheiding tusschen mij en
mijnen Zaligmaker, terwy\'1 ik dagelijks diegenen be-
nyd, die nauw met hunnen God wandelen en zulke
groote vorderingen op hunnen weg Zionwaarts ma-
ken. In het kort, ik ben als iemand zonder hoop, en
-ocr page 115-
I
113
ook vind ik geen greintje hoop behalve in twee
zaken : Ten eerste wanneer ik bekwaamd word God
mijne behoeften voor te dragen en eenige zwakke
hoop heb, dat Christus nog eenmaal alles in allen
voor mijne ziel zal worden ;en ten tweede ; wanneer
gij, als een man door God gezonden, met mij in
mijne ellenden overeenstemt, want geen sterveling
kon ooit met mogelijkheid zoo zeer in den geest
mijner gevoelens indringen, tenzij God met hem zij,
als grj gedaan hebt. God is een wonderwerkend God
en heeft vele zonderlinge middelen verordineerd
om mij van de dwalingen eener valsche godsdienst
te overtuigen. Geloofd zij Zijnen naam voor zulke
onderscheidene genade! Als ik dit alles overdenk
begint mijne dankbaarheid te vloeien.
Ach ! zegt gij wat een vreemde gestalten en gevoe-
lens! Ik verwacht dat uwe slagen hierom weder
op mü neder zullen komen. Maar wat kan ik doen ?
Wel! zegt gij, maak dit alles aan God bekend.
Wel. dit doe ik aanhoudend, en nog veel meer
heb ik Hem te klagen. Maar ik wordt in staat gesteld
aan Zijnen dienstknecht te schrijven en ben goed
overtuigd hier geen kwaad in te doen en dat gij mij
zult antwoorden gelijk Zijn Geest u zal geven uit
te spreken.
Nu moet ik alleen nog opmerken, dat wanneer
de vertroostingen ophouden, ik dit vertrouwen heb,
namelijk: Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde
en in der eeuwigheid:
bij Hem isgeene verandering
noch de minste schaduw van omkeering. Maar
denkt gij vast, dat ik op Hem als mijnen Zaligma-
ker en mijnen God aanspraak kan maken. Mij dunkt,
indien dit het geval ware, dan moest al mijne ellende
verdwenen.
Meer kan ik er u niet bijvoegen, want het is nu
een uur in den morgen, maar mijn hart gevoelt te
Bekeeking.
8
-ocr page 116-
114
veel om myne oogen te kunnen sluiten. Ook heb
ik eene verschrikkelijke hoofdpijn. Geloof mij te zijn
altrjd de uwe enz. in Christus.
ELIZABETH MORTON.
P. S. Eilieve gij moet mij maar niet schrijven
voor gij tijd hebt, want ik kan gemakkelijk begrijpen
hoe uwe uren bezet zijn.
-ocr page 117-
\\
Aan Mejuffrouw ELIZABETH MORTON.
Waarde Juffrouw!
Genade, barmhartigheid en vrede zy met u door
Jezus Christus onzen Heere. De Vader aller barm-
hartigheden en de God aller vertroosting zal u niet
meer opleggen dan Hy u in staat zal stellen te kun-
nen dragen. Uwen zandgrond heeft hij hevig ge-
schudt en wanneer uwe valsche hoop den geest
gegeven zal hebben, dan zal Hy met Zyne sterke
hand u uit den ruischenden kuil en het modderig
slyk ophalen, en voor gij er om denkt, zult gy be-
vinden dat de sterkten der steenrotsen uw hoog vertrek
sullen zijn. Uwe oog en zullen den koning zien in zyne
schoonheid. Zij zullen een ver gelegen land zien.Jes.
33: 16, 17.
Het grootste gedeelte van de nacht is voorby\';
de dag is naby\', de groote Heelmeester staat achter
den muur
en zal binnenkort door de traliën blinken
Hoogl. 2: 9. Het duistere voorhangsel zal spoedig
gescheurd worden, de Zonne der gerechtigheid zal
binnenkort opgaan, uwe tegenwoordigebezwaardheid
zal u met uwe tegenwoordige nacht verlaten en dan
zal eene wonderlyke vreugde het aanbreken van den
eeuwigen dag aankondigen. Dan zult gy met beving
terug denken aan de schaduwen des doods en met
onuitsprekelijke vreugde het pad des levens beschou-
wen. Ps. 16:11. Hy zal u van al uwe Paapsche bedek-
selen ontdoen en maken u geheel verheerlijkt inwen-
dig
Ps. 45: 13 en heerlyk uitwendig. Dan zal uw
licht voortbreken als de dageraad en uwe genezing zal
-ocr page 118-
116
8nellijk uitspruiten. Jea. 68: 8. Laat ondertusschen
de leidzaamheid haar volmaakt werk hebben ; leg
lijdelijk onder Gods hand en onderwerp u om er onder
vernederd te worden en dan zal Hü u ook zekerlijk
verhoogen ter zyner tjjd. Hij zal u niet verderven noch
verlaten. Als hü u tot onderworpenheid en onder-
werping gebracht zal hebben, zal de storm ophou-
den, eene gezegende kalmte zal er opvolgen en dan
zult gij zoo hoog in geestelijken voorspoed rijzen,
als gij nu in tegenspoed verzinkt.
De weegschalen des Heiligdoms zullen in uw voor-
deel veranderen en uitnemende genade zal u toege-
voegd worden. Uwe toekomstige vreugde zal uwe te-
genwoordige moeite meer dan goedmaken en dan zult
gij God voor eeuwig loven, dat Hij u tot zichzelven
gebracht heeft op een verschenen levenden weg, welke
Hij ons ingewijd heeft.
Een streng Katholiek heeft eene strenge behande-
ling noodig. Iemand die meer werk kan doen dan
van hem geëischt wordt kan niet gemakkelijk zoo
ver gebracht worden, dat hij zicft aan de zelfver-
nederende voorwaarde van eenen Borg onderwerpt.
Gü moet een schuldenares van vrije genade worden
en leeren om de bewaring uwer ziel aan Christus,
als een getrouw Schepper op te dragen en wanneer
dit gedaan is, dan zal Hij in u werken beide het
willen en werken naar zijn welbehagen.
Uwe tegenwoordige beproevingen zullen uw ge-
moed beter reinigen dan al de geheiligde asch die
op eenen Aschdag gebruikt wordt. Al de geheiligde
kaarsen
van Maria Lichtmis zullen niet kunnen
halen bij de stralen van uw geloof en uwe overwin-
ning over de wereld zal al de kinderachtige over-
winningen van eenen Palm Zondag te bovengaan.
Een dagelijksch kruis zal u gezonden worden om
uw gemoed te tuchtigen, in plaats van een Christus
-ocr page 119-
\\
117
beeld op uwen boezem of eenen geesel. Christus, de
hoop der heerlijkheid eene gestalte in u gekregen
hebbende zal beter zijn dan tien duizend zilveren
Zaligmakers in een kast. Uwe eigene behoeften
zullen u beter leeren dan eenig priester hoe en wan-
neer te bidden. Gij zult meer op uwe eigene gedach-
ten letten dan op eene streng kralen en uwe moeiten
aanzien
in plaats van kraaltjes te tellen. Uw groot-
ste dooding en zwaarste penititie zal het verlies van
des Heeren tegenwoordigheid zijn: Wanneer de
Bruidegom {gevoelig) van haar zal weggenomen zijn
zullen zij vasten.
Zoo voorspel ik en zoo moet gij
het verwachten en zalig is zij die geloofd heeft.
Want de dingen die haar van den heere gezegd zijn
zullen volbracht worden.
Uwe bereidwillige dienaar
in het evangelie Christi
WILLIAM HUNTINGTON.
-ocr page 120-
Aan den Heer HUNTINGTON.
Waarde Heer.
Ik heb reden om God te loven, dat Hij my\' voor
eenen korten trjd naar deze afgelegene plaats
gezonden heeft, welke myn tegenwoordige ge-
moedstoestand zoo wel schijnt te passen. Ik be-
vind dat mijnheer en mejuffrouw C godvruchtige,
huiselijke en eerlijke lieden zyn, en zy behandelen
mij in waarheid ook met de grootste vriendelijkheid
en oplettendheid, welke denkbaar is: de Heere
beloone hen er voor. Maar de droefheid mijns gemoed
is sedert dat ik hier ben buitengewoon groot ge-
weest en ook ben ik niet in staat geweest het te
verbergen. Mijnheer C. is waarlijk een Israëliet :zijn
gesprekken met mij zijn my\' nuttig geweest en hij
schijnt het gevaarlijke pad, dat ik nu betreed zeer
goed te kennen.
Sedert ik u voor het laatst zag ben ik buitenge-
woon ongesteld geweest. In deze weinige dagen werd
ik door zulk een hevige pijn in myn hoofd gekweld,
dat ik genoodzaakt was een dokter te laten komen.
Deze deelde mij mede, dat indien ik iets op myn
gemoed had, hij my niet helpen kon. Nochtans in
het vermoeden, dat ik verliefd ben, heeft hij mij eene
drank gezonden, welke naar zijne gedachte deze
pijn in myn hoofd zal wegnemen. Maar helaas I de
ergste pijn zit in myn hart voor welker genezing
hij voor mij een geneesmeester van geene waarde
is. Dat God mij helpe om zijnen ty\'d geduldig afte
wachten!
-ocr page 121-
119
Zeg mü, ik smeek het u, waarde heer, denkt gy\'
in waarheid dat ik eenig deel of lot in de zaak heb?
Indien dit het geval ware, waarom zou ik dan al-
dus den geheelen dag loopen te treuren en waarom
is mijne ziel dan zoo verontrust binnen in mü?
Duidelijk is het dat de Heere groote dingen aan
mü gedaan heeft: behoor ik mij dan niet te ver-
heugen ? Echter vind ik in geene zaak in deze we-
reld eenige genieting, noch alleen noch in gezelschap
van eenig persoon, noch zelf in Gods Woord, eenige
weinige kostelijke beloften uitgenomen, welke ik
gevoel, dat somtijds krachtig aan mij toegepast
worden, wanneer ik buitengewoon in de diepte zit.
Nu wat dunkt u van dit alles?
Mijne laatste brieven brengen u smartelijke tü-
dingen, maar gy weet. dat ik geene vah myne tegen-
woordige bovinding voor u verborgen houd. God alleen
weet hoe lang dit alles nog zal voortduren. Mijne
zonden zijn steeds voor mü en müne aanhoudende
moedeloosheid is zeer groot; nochtans ben ik niet
zonder hoop.
Myne tijdelüke genietingen zy\'n geheel voldoende
ja veel meer dan ik verdien, maar wat kan erger
zy\'n dan de inwendige gevoelens van een verbrüzeld
wordende conscientie ? Zekerlyk is het niets minder
dan eene voorsmaak van de hel zelve. O, myn vader
in Christus! houdt niet op om onzen God voormy
te bidden, want mijne ziel is geheel bedroefd tot der
dood toe,
terwijl müne lichamelijke ongesteldheid
zeer groot is. Deze bezoekingen zyn mij echter da-
gelüks tot bewü\'s, dat het hier geene plaats der
ruste voor mü is. O, dat myne vrede met God ge-
maakt was! Hoe zou ik dan verlangen heen te gaan
en met Christus te zyn!
De heer C. is zeer vriendelijk. Ziende dat ik eenige
uren geleden zeer teneder gedrukt was, wees hy
-ocr page 122-
120
my uit Gods Woord eenige teksten aan, die zeer
gepast voor mijnen tegenwoordigen toestand waren.
Die vreeselyke zonde van ongeloof bevind ik ech-
ter zoo overheerschend in mij, dat ik zelfs geen ge-
loof heb om hetgeen God verklaard heeft, aan te
nemen. Helaas! ik weet niet hoe dit zal eindigen,
want ik schyn in deze weinige maanden op een pad
gekomen te zijn, hetwelk ik nimmer voorheen be-
trad. En indien ik maar denkan ken, dat er nu een
wezenlijk werk der genade aan mijne ziel begonnen
was, dan denkt mij, dat ik my zelfs in de verdruk-
king zoo verheugen zou, dat ik mijne tegenwoor-
digen toestand met dien van den grootsten monarch
in de wereld niet zou willen verruilen.
Dezen morgen, terwijl ik in den tuin wandelde,
overdacht ik Gods nederbuigende liefde tot arme
zondaars en die gezegende vereeniging tusschen God
en Zijn volk, want van hen wordt gezegd, dat zy
den tempel, des levendigen Gods zijn en dat Hy in
haar zal ivonen
en onder haar zal wandelen. O zalig
genot! Zal ik dit ooit leeren kennen ? Zekerlijk,
indien ik bestemd ben om den goeden stryd te stry-
den en ten laatste als overwinnaar uit het strijdperk
te treden door Hem, welke ons liefgehad heeft, dan
zal ik, wanneer ik in den hemel kom meer reden
hebben om God te loven dan eenige daar aanwezige
ziel.
Eene zaak moet ik u mededeelen, welke my veel
ongemak berokkend heeft. Omtrent drie weken ge-
leden deelde ons iemand mede, dat uwe eerste lange
brief aan my\' volgens de verwachting van verschei-
dene personen binnenkort uitgegeven zou worden
en men er ook zeer naar verlangde. Indien gy\' dit
doet, mynheer, dan zal ik dit voor wreed onvrien-
delyk houden. Indien dit waar is (hoewel ik hoop,
dat het niet zoo is), dan zou ik wel wenschen, indien
-ocr page 123-
\\
121
er zich eene gelegenheid aanbood eerst een weinig
met u over dit onderwerp te spreken. Voor eene
groote schare kan ik mrjn gemoed niet ontlasten,
ofschoon ik er voor uwe vrouw in het geheel niet
om gaf. Daar ik omtrent Marie Boodschap onver-
mydelyk voor eenige dagen in de stad zijn moet;
hoop ik daarom zoo mogelyk gedurende een kwar-
tier of half uur by u te komen om u te spreken.
Ik ontving een zeer hartelijke brief van eene eer-
waardige dame, die veel met mij op heeft; en nu
aanhoudende pogingen in het werk stelt om eene
betrekking voor my te krijgen. Binnenkort verwacht
ik haar in de stad en zal haar daarom in den loop
van drie weken verwachten.
Laatsleden Sabbath predikte de Heer B .... hier
drie maal. Des morgens had hy\' tot tekst Nem. 9: 20.
De goede oude man scheen zoozeer aangedaan, dat
hy\' veel weende; en in één gedeelte zyner preek
kon hy slechts met moeite doorgaan. Wat anderen,
die hem hoorden er onder gevoeld mogen hebben,
hy zelve scheen de werking, van Gods goede Geest
krachtdadig te gevoelen. Des namiddags handelde
hy uit Spr. 10: 2. Hieruit toonde hy de ijdelheid en
nutteloosheid van den ry\'kdom aan; hoe dezelve
het hart eener verloren ziel verhardde, en hem
slechts voor de hel ry\'p maakte. Veel sprak hy
van de gerechtigheid van Christus, welke van deu
eeuwigen dood bevry\'dt. Hij merkte op, dat alles
waarin eene bevindelijke kennis van den Zaligmaker
gemist wordt, ydel en van geene waarde is. Des
avonds had hy tot tekst Eph. 1: 2. Hier toonde hy
de voortreffelijkheid van Gods besluiten aan en drong
zeer aan op de leerstellingen van de verkiezing en
voorverordineering. Hy merkte aan dat al de leer-
stellingen des evangeliums overeenkomstig Gods
voornemen, raad en verbond zy\'n en sprak veel tot
-ocr page 124-
122
bemoediging van Gods volk onder hunne beproevin-
gen en druk.
Ik hoop, dat wij u binnenkort zullen zien. Ik ge-
voel mij iets beter, dan toen ik dezen brief begon.
Ik dank u voor uw laatste brief. Veel er van is
zeer zoet, maar naar gewoonte was dezelve weer
niet zonder slagen.
Wees zoo goed mij aan den troon der genade te
gedenken. Altijd de uwe in Christus Jezus.
Maart 7, 1787.
ELIZABETH MORTON.
-ocr page 125-
\\
AAN
Mej. ELIZABETH MORTON.
Geachte Juffrouw.
Volgens den inhoud van uwen laatsten brief zyt
gy nog met grafdoeken gebonden en is uw aangezicht
nog met eenen zweetdoek
omwonden, maar eerlang
zal Jezus van u zeggen evenals van Lazarus: „Ont-
bindt haar en laat haar henen gaan.
Daar uwe over-
tuigingen nog steeds levendig zyn en met gebed tot
God gepaard gaan, zoo is het duidelijk, dat beide
door den Geest des Heeren gewerkt worden, want
zal de huichelaar God aanroepen te aller tijd
? Job.
27: 8, 9 en 10. Zij roepen niet als Hij hen gebonden
heeft.
Job. 36: 13.
Ik ben overtuigd, dat uwe tegenwoordige droef-
heid eene droefheid tot bekeering, eene goddelijke droef-
heid
is, welke naar ik vertrouw zal eindigen in eene
onberouwelijke bekeering tot zaligheid
2 Corr. 7: 10.
Indien ik niets van dit alles in u bespeurde, dan
kon ik voor u geen grond van hoop hebben, want
als God degenen die Hij liefheeft bestraft en kastijdt
en een iegelijken Zoon die Hij aanneemt geeselt, welke
grond van hoop kon ik dan voor u, die eene afval-
lige zyt, hebben, indien gy zonder kastydingbleeft?
Volgens de Schrift zou ik moeten besluiten datgy
een bastaard en geen zoon zijt. Want wat zoon is er
dien de vader niet kastijdt
? Hebr. 12: 7; 8.
Uwe tegenwoordige droefheid is de grond van
myne vreugde voor u, want ofschoon ik gevoelig
-ocr page 126-
124
aangedaan ben over uwe tegenwoordige ellende, zoo
verheug ik my nochtans in het vooruitzicht van
eene toekomstige verlossing. Zoude ik de baarmoeder
opbreken en niet genereeren
Jes. 66: 9. Daar dit de
getrouwe belofte is zeg ik met Paulus: Want indien
ik ulieden bedroeve, wie is het doch die mij zal vrolijk
maken, dan degene die van mij bedroefd is geworden
?
1. Cor. 2:2. Ik ben ten volle overtuigd, dat God u
door een uitgestrekte arm verlossen zal; maar alles
heeft eenen bestemden tijd en alle voornemen onder den
hemel heeft zijnen tijd.
Het is ons genoeg, dat Hrj
beloofd heeft, dat zij niet beschaamd zullen worden
die hem verwachten"
Jes. 49 : 23. God doet u met naar
uwe zonden en vergeldt u niet naar uwe ongerechtighe-
den.
Ps. 103 :10. Wat klaagt dan een levendig mensch ?
een ieder klage van wege zijne zonden. Klaagl. 3:39.
Ik werd met eene walging bevangen, toen ik dat
muziekinstrument in uwe kamer zag, en daar het
open was, oordeelde ik dat gy\' er op gespeeld had.
Het is een van des duivels ratelaars, bestemd om
eene schreiende conscientie stil te houden. Hij die
eerst deze muzikale strikken uitvond was van het ver-
vloekte geslacht Kaïns
en het zaad van veelwy\' verij. Ju-
bal ivas de vader van allen die harpen en orgelen han-
delen.
Gen. 4: 21. En Job zegt dat het kinderen der
goddeloozen zy\'n die opheffen met den trommelende
harp en zich verblijden op het geluid des orgels.
Job
21: 12. Ik weet dat gy uw antwoord gereed hebt
uit de Psalmen : Looft hem met geklank der bazuin;
looft hem met de luit en met de harp. Looft Hem met de
trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel.
Ps.
140: 3, 4. Zie eerst Davids geloof en Davids God te
krijgen en spreek dan met Davids vreugde en mu-
ziek.
Ik geloof, dat de muziek van koning David eene
afschaduwing is van de melodie der evangeliety-
-ocr page 127-
\\
125
den onder de regeering van Zions eeuwige Koning.
Wanneer vreugde en blijdschap in de kerk zal gevonden
worden, dankzegging en een stemme des gezangs.
Jes.
51 : 3.
God gebood het gebruik van bazuinen, ramshorens
en gouden bdlen. De eerste moest het volk in tijden
van gevaar oproepen, de militaire macht tot den
oorlog bijeen vergaderen, het jubeljaar voor de slaven
uitroepen, en de stammen tot hunne feesten roepen.
De gouden schellen afgezet met granaatappelen moes-
ten aan den zoom van Aarons mantel gehangen worden.
Ex. 28: 34 De granaatappel schaduwde de zoetheid
der goddelijke liefde af Hoogl. 3 : 2 en de gouden
schellen
waren een zinnebeeld van de gezangen der
verrukte zielen als hunne harten door den Heiligen
Geest bewerkt en verwijd werden. Vergelijk Zach.
14 : 20 met Hoogl. 1: 9.
De Joden waren meer ingenomen met muziek dan
met hunnen God ; waarom Hij er hun in de vlakte
van Dura hunne bekomst van gaf door een konink-
lijke bende, toen zij bij eene vreemde inwijding uit-
genoodigd werden en geboden ten tijde als gij hooren
zult het geluid des hoorn, der pijpen, der cyther; enz.
zoo zult gijlieden nedervallen en aanbidden het gouden
beeld hetwelk de koning Nebucadnezar heeft opgericht.
Dan. 3 : 5. WeedengeruslenteZion.Gij diedenboozen
dag verre stelt: Die op het geklank der luit kwinke-
heren en bedenken haarzelven instrumenten der muziek
gelijk David, maar bekommeren haar niet over de ver-
breking Josefs.
Amos 6: 1—6.
Gij gevoelt mejuffrouw, dat onze geestelijke Josef
in zijne zaak en leden door uwen afval gesmaad en
bedroefd is. Zijn gebod tot u is: Doet het getier uwer
liederen van mij weg; ook mag ik uwluitenspel niet
hooren.
Amos 5 : 23. God heeft u geroepen om uw
dwaasheid te beweenen. Gehoorzaam zijne stem.
-ocr page 128-
126
opdat uwe harp niet tot eene rouwklage worde en uw
orgel tot eene stem der weenenden
Job 30: 31.
Ik ben verplicht met de roede tot u te komen 1 Cor.
4 : 29 of ik er zin in heb of niet, daar gij zoo on-
vast zyt Gen. 49: 4. Ik heb scherpelyk geschreven
opdat ik mocht weten of gij in alles gehoorzaam zijt
2 Cor. 2 : 9.
Vreest niet; de Heere zal u binnenkort met zijne
groote zaligheid bezoeken. Dan zult gy" een betere
klank vinden dan die van orgelsnaren en ook zul-
len de teedere zorg en vriendelijke voorzienigheid
Gods in duizend gedaanten en vormen verschijnen.
De Heere zegene u en behoede u; De Heere doe zijn
aangezicht over u lichten en zij u genadig; de Heere
verheffe zijn aangezichte over u en geve u vrede.
Num.
6: 24, 25 en 26. Mijne gebeden en myn hartelijk
Amen zal ik er slechts bijvoegen, en verwy\'su naar
eene verukkende tekst, welke bestemd is in de toe-
komst gezongen te worden: zoo zal ik nochtans in
den Heere van vreugde opspringen; ik zal mij ver-
heugen in den God mijns heils. De Heere Heere is
mijne sterkte en Hij zal mijne voeten maken als der
hinde en Hij zal mij doen treden op mijne hoogten.
Voor den opperzangmeester op myn Neginoth. Eng.
op mijn snareninstrumenten. Hab. 3: 18, 19, en
teeken myzelven uw onderdanige dienstwillige die-
naar in alle godzaligheid.
WILLIAM HUNÏINGTON.
P.S. Vertrouw er op; dat zonder uwe toestem-
ming nooit één brief uitgegeven zal worden, ja zelfs
niet zonder uw ernstig verlangen.
-ocr page 129-
\\
AAN
den WelEerw. Heer HüNTINGTON.
Waarde Heerl
Onder het lezen van uwen laatsten brief, werd
ik zeer getroffen door de gepastheid van zijnen in-
houd. Ik ben blijde, dat God u eene neiging geeft
om in mn\' te berispen hetgeen niet met Zijnen wil
bestaan kan. Gvj zult er niet meer over verwon-
deren, dat gij het instrument in mijn vertrek zaagt,
als ik u verzeker, dat de muziek altijd eene over-
heerschende bekoorlijkheid voor mij bezeten heeft.
Er is een trjd geweest (tot mrjne schaamte moet
ik het schrijven) dat ik vier uren per dag voor het
klavier gezeten heb, en ook was geen levend per-
soon brj machte mrj er van daan te krijgen. Nu,
mrjnheer^kan ik echter uit mijne eigene consciëntie
zeggen, dat sedert het Gode behaagde mrj zijnen
toornJ te doen gevoelen, alsmede de goddeloosheid
van mijn verdorven hart in nu volkomen van deze,
als ook van vele andere ijdelheden gespeend ben.
Mijn hart is inderdaad en in waarheid door en door
ziek van alle deze rjdele betooveringen. God is ge-
tuige dat ik verlang om meer en meer naar het
wit tot den prijs van onze hooge roeping te jagen ;
dat ik ernstig verlang al deze dingen te verlaten,
mijn kruis op te nemen en Christus te volgen.
Indien gvj mijnen tegen woordigen toestand slechts
kendet; en de ware droefheid mijns gemoeds, waar
-ocr page 130-
128
ik nu onder zwoeg, slechts gevoeldet, alsmede de
verschrikkingen eener verbitterde conscientie, welke
ik brjna immer gevoel en te krachtig is om uit te druk-
ken, dan zou u niet veronderstellen, dat ik het
minste genoegen er in schepte om my\' met eenen
ratelaar des duivels te vermaken. De tyd is voor
mij te kostbaar om ze zoo onnut te gebruiken. Ik
gevoel, dat myn hart en conscientie te diep met
zaken van grooter gewicht vervuld zyn, dan dat ik
vermaak in eenig muziekinstrument zou kunnen
scheppen.
Ik bemerk, dat gy\' nog steeds aan myne oprech-
heid twijfelt; maar God weet het en weet ook de
waarheid van hetgeen ik u nu schrijf. Inderdaad,
als ik hetzelfde gezien had, dan zou ik zeer wel
in staat geweest zijn om over deze zaak evenals u
te oordeelen. Maar geloof my\', dat dit instrument
niet op myn bevel in dit huis gebracht was. Ik
vond het hier en op verzoek van eene vriendin
speelde ik er op. God weet, dat mijn hart er in het
minst geene neiging toe had ; want ik ben overtuigd,
dat dit geen verheerlijken van God is, maar geheel
het tegendeel en alleen tot dat einde verlang ik te
leven. Ik zal u echter mededeeien, welke uitwer-
king uwen brief over dit onderwerp gehad heeft.
God kroont iedere raad, die gy my\' geeft met eene
goddelyke kracht. Daniel III en Amos VI heb ik
met aandacht gelezen en bevindt, dat uw boek der
conscientie (in dit opzicht) zoo juist met het myne
overeenstemt, dat ik morgen tot de onmiddely\'ke
verwijdering van den ratelaar des duivels," last zal
geven. Gij zult my wel vergeven, dat ik om deze
uitdrukking glimlach.
Mijne vrienden zeggen, dat ik door en dooreene
Huntingtoniaansche ben en zyn zeer verblyd, dat
uwe raad zooveel gewicht by\' my heeft. Ik zeg u
-ocr page 131-
\\
129
manheer, dat ik u als niets meer dan een bloot
instrument beschouw (ofschoon God hier voor ge-
loofd zü); en zooals ik te voren aanmerkte ik ge-
voel dat hetgeen God u ingeeft aan mij te schry
ven, Hij dat met eene goddelijke kracht aan mijne
ziel brengt. Komt gij dus ooit weder bij mij aan
huis, dan zult u dat instrument of een ander daar
nimmer meer zien.
Ik hoop het voorrecht te hebben aanstaande Zondag
in de Providence Chapel te zrjn, en als ik mij niet
vergis komt u des avonds in de Jewin Street, waar ik
ook hoop te komen. Gaarne ontvang ik uw antwoord
hierop als het u past en aldus sluit in nederige
erkentenis van uwe rechtvaardige berispingen, ge-
trouwe behandeling en teedere zorg uwe gehoorzame
onderdanige en toegenegene dochter
ELIZABETH MORTON.
9
Bekeerikc.
-ocr page 132-
AAN
Mej. ELIZABETH MORTON.
Waarde Juffrouw.
Indien mijne brieven of bediening u van eenig
nut zyn, zoo is dit mü tot blijdschap. Indien er eenige
kracht mede gepaard gaat dan is die alleen van God.
Indien er eenige vrede of vertroosting door wordt
medegedeeld, dan hebt gij er al het voordeel van
en zjjt g\\j Gode voor dit alles schuldenaar, ja ook
voor het middel, voor de kracht en voor de ver-
troosting.
"Wat ik zie dat verkeerd in u is, zal ik berispen
en wat ik geloof dat goed in u i3 zal ik trachten ta
versterken. Ik zal er mrj niet warm over maken
of gij er u aan ergert, maar indien grj er door
uit uwe dienstbaarheid verlost wordt, zal mrjne ziel
zich verheugen of geluk Paulus zegt: Want nu leven
wij, indien gij vaststaat in den Heere.
1 Thess. 3:8.
Op het oogenblik ben ik krank, maar niet tot den
dood,
Joh. 11: 3, 4. en zeer zwak, maar God zegt:
de zwakke zegge, ik ben een held Joel 3: 10. Mijn
lichaam is verzwakt en uitermate zeer verbrijzeld
maar
Christus is mijne gerechtigheid en sterkte Jes. 45: 24.
Hoewel mijne uitwendige mensch verdorven wordt, zoo
wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot
dag. 2.
Cor. 4: 16. Mrjn tabernakel bezwykt maar
God feilt niet. Het vleesch verzwakt, maar de hoop
houdt vast. Om kort te zijn: bezwijkt mijn vleesch en
mijn hart zoo is God de rotsteen mijns harten en mijn deel
-ocr page 133-
131
in eeuwigheid Ps. 73 : 26. Ik heb eene koude koorts
gekregen maar mijne liefde is niet geheel verkoud.
Ik heb eene hevige koorts ofschoon ik zooveel koud
water op mijne vermoeide ziel
gekregen heb. Spr. 25 : 25
Ik heb eene hevige pijn in myn hoofd, maar myn
Verbondshoofd is alty\'d dezelfde Ook verwacht ik
niet ooit te zullen leven eer men een zeker bericht
heeft dat ik dood ben.
Gedurende drie en twintig jaar ben ik by tijden
met deze ongesteldheid bezocht geworden; zoodat
ik er al op reken; dezelve is eenigermate geluk
aan den ouden mensch der zonde die zoo lang zal
leven als ik.
Maar het is alles bepaald. Ik heb myn deel van
verschrikkingen gehad, maar die zy\'nnu voorby.Nu
ben ik onder de andere bepaling, namelyk onder
die van de verteerende koorts Lev. 26: 16
Gy\' weet dat ik u langen tyd leidzaamheid en
onderwerping aanbevolen heb, maar ik wordt nu
geroepen alle leidzaamheid die ik heb ja meer dan
die te beoefenen, zoodat er op het oogenblik niets
overschiet. Ik loof God, dat uw mond in dezen brief
niet om slagen roept. Spr. 18: 6. waar ik verheugd
om ben, daar ik niet in eene gepaste gemoedsge-
steldheid ben u te tuchtigen, terwyl de Heere mij
tuchtigt. Maar kom ik het weder te boven, dan zal
ik het weder doen ingeval het noodig is.
In deze tyden, welke ik vele doorgemaakt heb,
gevoel ik de gezegende vruchten van een toeeigenend
geloof. My\'ne vertroosting ligt in het voorwerp van
myn vertrouwen. Want ik weet wien ik geloofd heb
en ik ben verzekerd dat hij machtig is mijn pand bij
Hem weggelegd te bewaren tot dien dag.
2 Thim. 1 :
12. De bevinding werkt hoop Kom. 5: 4, en het is
eene goede hope door genade: welke de ziel vertroost
en in de ure der beproeving opbeurt. Ik loof God,
-ocr page 134-
132
dat Hy\' my\' in zekere mate getrouw heeft doen bly-
ven in dat evangelie, hetwelk ik van Hem ontving,
maar myn vertrouwen rust niet in myn getrouw-
heid aan Hem, maar in zijne getrouwigheid aan mij.
Ik heb eene aangename verwachting van
uwe toekomstige verlossing en kon dezelve by\'na
met even sterk geloof voorspellen als Josef deed,
toen hy meldde van den uitgang der kinderen Israëls
en bevel gaf van zijne gebeenten,"
Hebr. 11:22. God
geve dat ik in myne verwachting niet teleurgesteld
moge worden.
Op het oogenblik zal ik slechts weinig meer zeg-
gen, daar de bron mijns harten sneller is dan de
beweging mijner handen. Misschien legt de Heere
zijn heelende hand op my; doet Hy het dan zal
ik herstellen
en gy\' kunt verwachten zoo spoedig als
de koorts mij verlaten heeft. John. 4: 52 van my te
zullen hooren. Maar op het oogenblik heb ik meer
behoefte aan een verzorger dan aan een correspon-
dent.
De Heere vergelde u uwe daad en uw loon zij vol-
komen van den Heere den God Israëls onder wiens
vleugelen gij gekomen zijt toevlucht te uemen.
Ruth.
2 : 12. Ja zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van
hunne arbeid en hunne werken volgen hen na.
Openb.
14 : 13. Dit is mijne hoop en dat het ook de* uwe
zijn moge is de oprechte» wensch en bede geachte
juffrouw van
Uw toegenene
WILLIAM HTJNTINGTON.
-ocr page 135-
Aan den Weleerwaarden Heer
HUNTINGTON.
Waarde Heer!
Ik loof God, die het u in het harte gegeven heeft
met mij in mijne langdurige bezoekingen te deelen,
waardoor ik ook een aandeel in uwe gebeden aan
den troon der genade heb. Ook hoop ik datu mn\'ne
onvolmaakte smeekingen ten uwen behoeve niet
zult verachten, daar uw welzijn, zoo dikwijls ik
mijne ziel voor God uitstort, op het harte gebon-
den is.
Ik moet bekennen, dat Gods genade mrj genoeg
geweest is, ofschoon ik het niet verwachten kon. Ge-
loof zy zijnen naam, dat zijne beloften in zü\'n Woord
van hulp en vertroosting voor verslagen zielen in
de ure der beproeving, vaststaat. Door gezegende
ondervinding heb ik gevoeld, dat Gods almachtige
arm mrj ondersteunde, wanneer zoowel mijne gezond-
heid als mijne kracht mij begaven, tengevolge van
mijne ongelukkige gemoedsgesteldheid, wanneer ik
twijfelend, vreezend, verslagen, ja by\'na wanhopende
was. Met kracht werd op mijn gemoed gedrukt,
dat de Heere nimmer zou toelaten, dat zijne ge-
trouwigheid faalde en dat Hij gewilliger is om te
-ocr page 136-
134
hooren dan wy zyn om te bidden, want zegt Chris-
tus: En al wat gij zult begeeren in \'t gebed geloo-
vende, zult gij ontvangen.
O dat ik geloof had, myne hoop meer en meer
op het getrouwe woord zijner belofte te bouwen,
dat vaster staat dan de pilaren der aarde.
Denk ik eens na over de verschillende voorvallen
van mijn afgelegd leven, dan loof ik God vangan-
scher harte, dat ik ooit bedroefd ben geworden. Ik
bid dat ik nimmer moge murmureeren, maar liever
onsen hemelschen Vader, voor iedere bedoeling Zy-
ner voorzienigheid jegens my\' moge zegenen, Vindt
gij ook niet dat geheiligde beproevingen vermomde
zegeningen zijn en dat God dikwyls een goedgunstig
aangezicht onder donkere en sombere voorzienig-
heden verbergt ? Hierdoor ben ik dikwijls getrof-
fen.
Nu wat myn tegenwoordige toestand betreft: Wat
heb ik te zeggen ? Eerst: ik gevoel my zelf in op-
rechtheid de godlooste der zondaren; ik ben smar-
lyk aangedaan over de groote verdorvenheid van
myne verdorven natuur ; dat ik my\' zoo gemakkelijk
liet verleiden, deze leeringen des duivels, waarover
God eenen eeuwigdurenden vloek uitgesproken heeft
te gelooven. Deze zonde is immer voor my, terwyl
my\'n hart terzelfder ty\'d van liefde en dankbaarheid
jegens God gloeit, dat Hy aan my zulk eene groote
en wonderbare verlossing bewezen heeft, dat Hy\'
mij bewaard heeft, terwyl dagelyks honderden in
hunne zonden en dwalingen afgesneden worden.
Het is zeker dat Hy verbondsliefde aan my geopen-
baard heeft, want in waarheid kan ik zeggen, dat
myne ziel naar gerechtigheid dorst en dat my\'n hart
slechts genoegen smaakt in een verzoend God in
Christus. Door diep gevoelde ervaring bevind ik dat
ik dagelijks aan den drek dezer tegenwoordige booze
-ocr page 137-
135
wereld sterf. Looft de Heere mijne ziel en al vjat
binnen in mij is zijn heiligen naam.
Ik stel zeer veel belang in de ongesteldheid uws
lichaams, maar uwe sterkte zal gelijk uwe dagen zijn.
Hy\' die ternederwerpt richt ook weder op. Vele en
groot zijn mijne licnaamsbezoekingen geweest, zoo-
dat ik in uwen tegenwoordigen toestand in waarheid
met u kan medegevoelen. Het is nu drie maanden
geleden, dat ik eene hevige koorts had en had toen
eenige hoop, dat de Heere mij weder zou oprichten
en ik zag tot Hem op om genezing; want
daar had ik meer geloof voor dan voor eenig uit-
wendig geneesmiddel; ofschoon ik niet stel,dat die
middelen veracht moeten worden. Ik spreek echter
door ervaring; want het is goed des Heerenttjdte
verbeiden; Hij weet wat voor ons het beste is. Het
is eene gezegende zaak om hetgeen Hem belieft ons
op te leggen met leidzaamheid en onderwerping
te dragen en te zeggen: l/w wil, o Heere geschiede!
In deze zelfde bezoeking, ja in alle mijne geestelijke
wederwaardigheden en lichamelijke onvolmaakthe-
den heb ik bevonden, dat zy mij immer tot het ge-
bed uitdreven. Ik verklaar u, dat ten tijde toen er
aan myn leven gewanhoopt werd, ik meer ware
verlichting gevonden heb in het uitstorten van myne
ziel voor God, dan in al de geneesmiddelen, die ik
immer gebruikte. Nochtans had ik myzelven gedu-
rende deze koorts de beste kinabast voorgeschreven
en met Gods zegen geloof ik, dat dit my naar
het lichaam goed gedaan heeft, want ik werd door
hevige rillingen bevangen en door het driemaal
daags te nemen verlieten ze mij. Ook kon niemand
mij overreden eenig ander geneesmiddel te gebruiken.
Houdt my ten goede dat ik u aldus schrijf. Ik
weet, dat de Heere al uwe treden zal richten, maar
uit de overvloed mijns harten spreekt mijn mond.
-ocr page 138-
136
Inderdaad smart het mjj bijna dat ik op ditoogen-
blik op uwen tijd moet inbreken, daar u veel te dra-
gen en veel te doen heeft, maar in waarheid kan ik
evengoed beproeven om den stroom der Theems te
keeren dan mijne pen in het schrijven tot u tegen
te houden. De Heere richtte u op en herstelde u
weder, is de bede van uwe liefhebbende dochter
ELIZA.BETH MORTON.
-ocr page 139-
I
Aan Mej. ELIZABETH MORTOD.
Mejuffrouw!
Uwe brieven zyn evenals de snelle boden, waarvan
de profeet spreekt; zy volgen elkander snel op, maar
zijn welkom, want met vergenoeging aanschouw ik
de goedheid Gods jegens u. Bedrieg ik mij niet al
te zeer, dan geloof ik, dat ik in u eene uitbottende
hoop zie ontspringen. Indien dit zoo is, zult gy wei-
dra eene deur van toegang tot den dierbarens. Ver-
losser vinden; dan zult gij ingaan en uitgaan en
weide vinden.
Overmoogt gy\' bij den Heere in het
verborgene, dan zal Hy het u zekerlykin.hetopen-
baar vergelden. Sta naar gemeenschap met Chris-
tus, want dit zal uwe ziel gezond maken en uwe
gedaante liefelijk. De Heere geve dat gij een goeden
wortel verkrygen moogt, dan kunnen wij goede
vruchten verwachten, want tenzij de boom goed
gemaakt zij zal de vrucht niet goed zijn. Wij moe-
ten de wereld laten oordeelen over het licht dat in
ons is uit het schynsel, dat het naar buiten geeft. In-
dien uw geloof echt is zal uw toekomstig gedrag voor-
beeldig zyn en zult gy u niet meer afwenden naar
zulke zwakke en armelijke beginselen. Uw pas door-
gestaan lijden zal eene afschrik achter u zyn, ter-
wijl eene hoop van de heerlijkheid Gods eene krach-
tige aantrekkingskracht vóór u zal wezen. Ik loof
de Heere voor zyne goedheid in zyne voorzienig-
heid jegens u en vertrouw, dat gij er iederen dag
meer van zien zult. En houdt Hij u in genade stand-
vastig en oprecht dan zal ik u aanschouwen als
-ocr page 140-
138
mijne blijdschap en kroon des roems, daar ik met
betrekking tot u zal denken, dat ik niet te vergeefs
gearbeid en mijn kracht niet onnut en rjdel toege-
bracht heb.
Ik ben nu eenigszins bet6r, de Heere zij geloofd.
Maar ik ben haastig. Ik zal u in mijne gebeden niet
vergeten en verzoek ook om een aandeel in de uwe
en verbluf uwen bereidwilligen dienaar in de banden
des Evangeliums
WILLIAM HUNTINGTON.
-ocr page 141-
i
Aan den Weleerwaarden Heer
HUNTINGTON.
Mijn geliefde Vader in Jezus Christus.
Zekerlyk mag ik u aldus noemen, uit hetgeen
God door middel van u aan my\' gedaan heeft; maar
Hem zü alleen de lof.
Wel moogt gy met genoegen Gods goedheid jegens
de goddelooste der zondaren, zoowel in den weg
der voorzienigheid als der genade aanschouwen.
Maar wat moet ik doen, die van dit alles eendiep
gevoel begin te kry\'gen?
Ik vertrouw, dat ik eene goede hoop door genade,
heb, dat het werk in waarheid aan myne ziel begon-
nen is. Indien dit het geval is, zal het in spy t van iede-
ren vy\'and zekerlijk voortgaan en daar de Bijbel
zekerlijk waar is, zal God ook zeer zeker het goede
werk voleinden. Ook geloof ik niet, dat de Satan
met al zyn geschut my uit het tegenwoordige getui-
genis van mijne conscientie kan uitdrijven. Dezer
dage heb ik de werkelijkheid ondervonden vanhet-
geen gy in uwen vriendelyken briet betuigt; name-
lyk „eene deur van toegang tot den dierbaren Ver-
losser" In den laatsten tya gevoel ik eene aange-
name nabijheid en toenadering in het eenzame gebed
tot God en ook een flikkerende hoop, dat Christus
Zyn dierbaar bloed voor mij gestort en den hemel
voor mij verworven heeft.
Helaas, gedurende vele maanden is de zonde in
waarheid myn grootste last geweest, Onzen Hemel*
-ocr page 142-
140
schen Vader heeft het behaagd my in een doornig
pad te leiden, zoodat deze aardsche tabernakel bijna
versleten is door zielsdroefheid, maar in Jezus Chris-
tus is alleen mün hulp en vertrouwen. Ik gevoel
myne behoefte aan Hem, en heb geloof (God ver-
meerdere het,) om te gelooven, dat de Heere dezen
Zaligmaker van zondaars op eene zaligmakende wijze
aan müne ziel zal openbaren, en mij een bewust»
zyn van vergiffenis, vrede en vreugde in den Hei-
ligen Geest schenken, door de toepassing van Zyne
verzoening aan müne conscientie.
Tegenwoordig gevoelt mün verontruste geest iets
als eene eersteling er van; de Heere heeft mü een
vurig hart gegeven om er om te bidden. Door Zyne
genade hoop ik zoolang hard te worstelen tot ik
het verkrüg. Echter niet zonder Zün eigen "Woord
met mü te nemen, want het pleiten op Zyne eigene
beloften en op de verdiensten van Zünen geliefden
Zoon zün de beste pleitredenen.
O, mynheer. hoe onuitsprekelyk zoet is het om
in tyden van benauwdheid eenen toegang tot den
troon der genade te vinden; om iedere klacht voor
God uit te storten en Hem onze verzoeken te ken-
nen te geven. Nooit eerder heb ik hier zooveel van
ondervonden en zelfs nu gevoel ik mijne buitenge»
wone onwetendheid in goddelijke zaken. My\'n ge-
moed is nog zeer donker; maar dit gebed kan ik
opzenden: Leert mü Heere I wat ik niet weet.
Nog veel moet er ten onder gebracht worden;
een oproerig hart, eene weerspannige wil, een trot-
sche geest en booze hartstochten, enz. Dat de Heere
alles wat Hem niet behaagt maar uitroeie en my
van al het eigen geheel ontdoe, opdat ik een gehee-
len Zaligmaker aan moge nemen. In een woord, ik
zal nimmer gelukkig zün, tenzy Christus alles in
allen voor myne ziel wordt. Ik ben overtuigd dat
-ocr page 143-
/
141
ik hem voor mijzelven zal kennen en niet voor een ander-
en
dit alles is, zooals ik ootmoedig hoop, in ant-
woord op de gebeden, die ten mynen behoeve zijn,
opgezonden, mijne eigene zwakke smeekingen er
onder begrepen.
Ik ben goed overtuigd, dat het niet in de macht
des Satans is, om die vurigheid, welke gy in het
gebed tot God voor my" vindt weg te nemen. Dit is
het ademen van Zyn eigen Geest op uw hart, ter-
wyl ik het antwoord tot een bewys daarvan in de
vreugde myns gemoeds gevoel.
Ik moet u mededeelen dat die vreeselyke ver-
schrikking en schuld, welke niets minder dan eene
hel binnen in mij was, grootelyks van mij wegge-
nomen is. En zie ik terug op die zwarte ly\'st, welke
my zoo vele maanden in het aangezicht gestaard
heeft, dan schynen zy" in eene kleine mate uitge-
wischt te zyn, want ik lees dat het bloed van Jesus
Christus reinigt ons van alle zonden.
En ofschoon ik
eene zondares van de ergste stempel ben, zoo kan Hij
my nochtans witter dan sneeuw wasschen en wat
dit alles kroont is, dat Hij aan zulke oproerlingen,
als ik er myzelven eene gevoel, just de grootste
aanmoediging gegeven heeft om tot de fontein te
komen geopend tegen de zonde en tegen de onreinig-
heid.
Zach. 13 : 1 om gewasschen en rein te worden.
Wat is dit eene gezegende zaak! Ik zal Hem op
zyn woord vatten, daar ik weet dat dit niet kan feilen
en aanhoudend op Hem zien, totdat de geheele last
van mynen rug valt. Ik zal vertrouwend en niet
bevreesd zyn, want Hy\' is beter voor my geweest
dan alle myne vreezen. Ik heb Hem gezocht en
Hy heeft my verhoord en zyne oogen zyn geopend
geweest voor mijn geroep: Wat buigt gij u neder
o, mijne ziel en zijt onrustig in mij
? En vreest niet
-ocr page 144-
142
want de Heet e is met u en zijt niet verbaasd, want
de Heer e is uw God.
Inderdaad vreemde taal, zult gij zeggen, voor
iemand die zoo volslagen blind is als eene mol. Dit
is ook waarlyk zoo, maar nu en dan gevoel ik iets
als een zwak licht, dat door eene donkere wolk
breekt. Ook kan ik mij op God en mijne conscien*
tie beroepen, dat alles wat ik hier nedergeschreven
heb door mijn hart gepasseerd is.
Ik dacht niet u met zulk eenen langen brief te
zullen vermoeien, maar daar ik eene aangroeiende
bedeesdheid in het spreken over goddelijke za-
ken ondervind, zoo bevind ik eveneens, dat wan-
neer ik mijne gedachten aan iemand kan ontlasten,
met wien ik in den geest vereenigd ben, ik met
stoutmoedigheid kan schrijven, hetgeen ik by\' be-
vinding weet.
In Gods naam smeek ik u, mrj nimmer in uwe
gebeden te vergeten. O bezat ik eene zaligmakende
kennis van Hem, wien te kennen het eeuwige le-
ven is! O had ik een levend geloof en een klaar
bewy\'s; een hartgrondige vereeniging en gemeen-
schap met Jezus Christus en de eeuwige liefde Gods
in myn hart uitgestort door den Heiligen Geest!
Naar deze dingen verlangt myne ziel en ik ver-
wacht dezelve, en wil u voor my\' bidden, dat deze
dingen aan my geschonken mogen worden ?
Myn papier is vol. Moge God u overvloedig ze-
genen, zoowel in het geestelijke als in het tijdelijke ;
dit is de hartelijke bede van uwe gehoorzame
•dochter
ELIZABETH MORTON.
-ocr page 145-
/
Aan Mej. ELIZABETH MORTON,
ten huize van den Heer TER-
RIJ, graveerder, Paternoster Prov.
Cheapside N° 54.
Met groote blijdschap, zie ik, dat gij uit de donker •
heid en uit de duisternis
begint te zien de gevan-
genis deuren beginnen zich te ontsluiten en bin-
nenkort zult gij beginnen u zelve te vertoonen. Dan
zullen de vele verborgen gebeden en worstelingen,
welke in het verborgene gedaan zijn u in hetopen-
baar vergolden worden. De winter is bijna voorbij,
de zon begint te schijnen, de piasregen is bijna
over, hij is bijna overgegaan en de stemme der tor-
telduif zal gehoord worden in ons land.
Hoogl. 2 :11,
12. Gij piept en mompelt niet binnenmonds. Zooals
vroeger, Jes. 8 : 19. Ook komt uwe sprake niet zoo
zachtkens uit het stof voort
als voorheen Jes. 29: 4.
Ik vertrouw dat God spoedig tot u eene reine sprake
zal wenden, opdat zij alle den naam des Keer en aan-
roepen, omdat zij hem dienen met eene eenparige schow
der.
Zeph. 8 : 9. Daar de last van schuld weggaat
zullen vrede en liefde volgen, want wie veel ver-
geven is die heeft veel lief.
Er vertoont zich eenige bestendigheid in uw laatste
brief. Hij is niet zoo vol verwarring als eenige uwer
eerste brieven, hetwelk mij grond geeft om te hopen
dat gij op de grenzen van het beloofde land zijt.
Indien dit zoo is, dan zal de tale Babijlons spoedig
vergeten zijn.
-ocr page 146-
144
Nu kom ik om u tot de biecht te roepen, want
indien het oude spreekwoord; dat onder ons in zwang
is, namelijk dat de eene dienst de andere waard is,
waarheid is, dan moet gy ook toestaan, dat ik recht
heb, u de volgende vragen te stellen. Ik heb zeer
veel moeite gedaan om u met de verborgenheid der
godzaligheid
1 Thim. 3 : 16. bekend te maken en
verwacht, dat gij mij zult mededeelen hoe gy nu
denkt over de verborgenheid der ongerechtigheid? 2
Thess. 2: 7, welke uit Papery en Arminianisme be-
staat.
Wat denkt gij nu van „den vrijen wil en de men-
„schehjke kracht om het leven te kiezen of te ver-
werpen," volgens uwe oude leerstellingen ? Is de
zaligheid desgenen die wil of desgenen die loopt o f is
ze des ontfermenden Gods?
Rom. 9 : 16.
Is de leer van Gods souvereiniteit, de uitverkie-
zing van zijn volk, zijn voorverordineeren van hen
tot aanneming lot kinderen door Jezus Christus in Hem-
zelven na het welbehagen zijns willens, tot prijs der
heerlijkheid zijner genade.
Eph. 1: 5, 6, ik zeg zyn
dit struikelbrokken in uwen weg ? Zijn zy rotsen der
ergernis
? Struikelt gij over deze zaken ? Of zyn zy
artikelen van uw tegenwoordig geloof ? Brengen zij
schrik of vrede aan uw gemoed ? Zijn ze vijanden
of komen ze u vriendschappelijk voor? Ik vertrouw
dat gij ze nu al onderzocht hebt, en indien zij met
kracht in uw hart gekomen zyn, zoo zijn uwe ban-
den gebroken, want de zaligmaker zegt: Indien wij
de waarheid ontvangen, zal de waarheid ons vrij-
maken.
Wat denkt gy nu van menschelijke boete, wijwater,
het slaan op de borst, eene gordel van paardenhaar
en eene geesel. Behooren deze tot de wapenrusting
Gods, waarmede wij de werkingen des lichaams moe-
ten dooden, den duivel wederstaan, den goeden stryd
-ocr page 147-
145
des geloofs strn\'den, en de wereld overwinnen. Rom.
8; 13. Jac. 4: 7. 1 Joh. 5: 4.
Wat denkt gy nu van een kloosterleven ? Kunnen
lieden, die in eene kloostercel opgesloten zijn ver-
geleken worden bij eene stad op eenen berg, die niet
verborgen zijn kan
? of kan gedurige gevangenisschap
met eenigen schijn van recht een opnemen van zijn
kruis, een laten schijnen van zijn licht voor de men-
schen en een volgen van den Heere door goed gerucht
en kwaad gerucht
genaamd worden ?
Hoe denkt gij over de eerwaardige verschijning
en grillige bevelen van eene moeder abdis ? Denkt
gÜ dat het buigen uwer knieën voor haar en
het belijden uwer schulden aan haar iets beter is dan
het offeren van drankofferen aan den koningin des he-
mels?
Of is het gehoorzamen harer bevelen iets
•beter dan het raadpleger» van de toovenares van En-
dor
of het roepen van: Groot is de Diana der Ephe-
siers.
Behooren de biecht, de absolutie, de aflaten, de
bullen, de dispensatie, de kleederen van den hei-
ligen Dominikanus, de geheiligde kaars en de palm-
tak tot die gaven, welke Christus genomen heeft voor
de wederhoorigen om bij u te wonen, o Heere God
?
Heeft God aan vrouwen welke Hem vreezen, ge-
boden zijne wijsheid te verachten door het afsche-
ren van hun haar, dat hun tot een versiering en een
deksel is gegeven?
1 Cor. 11: 15. Is niet een kaal
hoofd op de schouders eener vrouw eerder een schrif-
tuurlijk kenmerk van haar overspel dan van hare
kuischheid, ziende dat God gezegd heeft, dat er zal
zijn kaalheid in plaats van haarvlechten en omgording
eens zaks in plaats van eenen wijden rok en verbran-
ding in plaats van schoonheid.
Jes. 3: 24, aangezien
zielen welke met God in het verbond tredeD verge-
leken worden bij vrouwen, wier borsten zijn vast
Bekeering                                                                    10
-ocr page 148-
146
geworden en wier haar is gewassen. Ezech. 16:7,8.
Zyn een bloot hoofd, een witte bandeau over het
voorhoofd, een linnen doek onder de kin
en een zwarte
sluier
over het hoofd eenig gedeelte van Zions luis-
ter, die gezegd wordt geheel verheerlijkt inwendig te
zyn Ps. 45: 13. Of kunnen zij het versiersel eens
zachtmoedig en en stillen geestes, die kostelijk is voor
God,
genaamd worden ? 1 Petr. 3 : 4.
En of gij denkt dat nonnenkappen, hoeden en ge-
waden, verschrikkelijke eeden, roekelooze geloften,
streng vasten, wreede boete, een uitgemergeld lichaam
en voortdurende dienstbaarheid 6enig deel uitma-
ken van het geloof, dat eenmaal den heiligen overge-
leverd
is. Judas 3 of van die dingen welke met de
zaligheid gevoegd
zyn ? Hebr. 6 : 9. Wat my betreft,
hiervan vind ik niets in mijnen Bijbel en houd het
voor toegestaan, dat er ook niets van in den uwe
staat. Was dit wel het geval, dan hadden zij er u
niet van willen berooven, maar door hunne pogin-
gen om dezelve te verbranden, is het duidelijk, dat
hh\' hunne zaak tentoonstelt en tegenstaat.
Indien God aan zielen, die langs uwen weg geleid
zijn, zoowel de angsten der hel Ps. 116: 3 als de
krachten der toekomende eeuw
Hebr. 6 : 5 laat gevoe-
len, dan vraag ik of er ook de een o f andere middel-
staat
of zulk eene plaats als het vagevuur ooit in
uwe gedachten kwam, of als eene waarheid Gods
op uw gemoed gedrukt werd ? Door ondervinding
weet ik, dat zielen, welke even als gij geoefend zyn
zoowel een voorsmaak hebben van de verschrikkin-
gen der verdoemden als van de vreugde des hemels.
En ik weet dat de Geest ons in alle waarheid leidt
maar Hij gaf my nimmer een gevoel van, eene
vreeze voor of eene gedachte over het vagevuur,
buiten de eeuwige woonstede der duivelen.
Of vondt gy ooit in geheel Gods boek een voor-
-ocr page 149-
\\
147
schrift of voorbeeld om voor de dooden te bidden ?
In de plaats daar de boom valt. daar zal Hij wezen,"
zegt de wijsheid Pred. 11:3. Indien dit zoo is, dan
zal het lezen van eene mis voor eenig geld er niets
aan veranderen. Als de mensch den geest geeft keert
het stof wederom tot aarde, als het geweest is en de
Geest wederom tot God, die hem gegeven heeft.
Pred.
12: 7. Is het eene geheiligde ziel, dan gaat ze naar
Abrahams schoot Luk. 16: 23 maar eene goddelooze
ziel gaat levendig ter helle Pr. 55 : 17. De moorde-
naar aan het kruis ging denzelfden dag naar het
Paradijs
Luc. 23: 43. Stephanus riep : „Heere Jezus
ontvang mijnen geest"
Hand- 7: 59 en de hemelen
werden geopend om denzelve binnen te laten. De
aartsvaderen gaven den geest, zoodat die niet in het
vagevuur zonk.
Christus beval Zijne ziel aan Zijnen Vader en zegt
dat wij hem zullen volgen; en indien zij aan God
opgeofferd werd dan ging ze nimmer naar het va-
gevuur en zullen der geloovigen zielen er dan ook
nimmer in komen. Wij lezen van den mond der hel
en van den schoot van Abraham; echter niet van
een middelstaat, maar van eene groote klove, welke
God gevestigd heeft; om engelen en heiligen van
de duivelen en zondaars afgescheiden te houden,
opdat zij elkander niet meer lastig mogen vallen.
Verkrijgende het einde onzes geloofs, namelijk de za-
ligheid der zielen
1 Petr. 1: 9 maar niet eene ver-
doemenis in het vagevuur. David zou niet vreezen
al ging hij ook in een dal der schaduwen des doods,
want hij wist dat God hem zou leiden door Zijnen
raad en hem in heerlijkheid opnemen.
Ps. 73: 24.
Deze woorden van Petrus: In denwelken hij ook
henen gegaan zijnde, den geesten die in de gvvangenis
zijn gepredikt heeft.
Petr. 3: 19. worden door de
papisten op eene godlasterijke wijze verdraait. Hij
-ocr page 150-
148
bedoelt, dat de Geest van Jezus Christus in al Gods
profeeten was en dat het zoo ook den Geest
van Christus in Noach was die tot de menschen voor
den zondvloed predikte, wanneer de lankmoedigheid
Gods eenmaal verwachtte in de dagen van Noach,
wier zielen nu in de gevangenis der hel zyn voor
hunnen opstand in het wederstaan van den Heiligen
Geest, van wien God gezegd heeft: Mijn Geest zal
niet in eeuwigheid twisten met den mensch."
Vergelijk
Gen. 6: 3. met 1 Petr. 3: 18, 19, 10.
Het woord Gods door Paulus 1 Corr. 3: 13, 14,
15 is eveneens door de roomschen verdraait. De
apostel schrijft aan leeraars, dat indien iemand op
het fondament, dat hij gelegd had, valsche leerstel-
lingen of valsche belijders opbouwde, het gebouw
en de bouwstof beide door vurige beproevingen be-
proefd zouden worden. Indien een van beide niet
kon bestaan, dan zou de prediker of de bouwer
verlies lijden in het werk zyner bediening, evenals
de roomsche priester, die u bekeerde en de bisschop
welke u bevestigde. Al hun looze kalk, al hun hout
hooi en stoppelen
is verbrand in de vurige beproevin-
gen welke gy doorgegaan zyt. Nu zult g\\j zien of
het werk dat God in u gewerkt heeft en de waar-
heden, welke gij aangenomen hebt, ook ieder toe-
komstig vuur der beproeving zullen wederstaan. Als
de Apostel zegt: „Maar zelven zal hij behouden wor-
den) doch alzoo als door vuur
1 Corr. 3: 15 is zrjne
bedoeling, wanneer het een leeraar Gods is zal God
hem in den smeltkroes der ellende beproeven, waar
hrj van al zyne dwalingenen wettischheid gereinigd
zal worden door den Geest des oordeels en door den
Geest der uitbranding.
Jes. 4: 4. en hij zal behouden
worden doch alzoo als door vuur,
hetwelk God noemt
in het vuur brengen Zach. 13: 9. Deze woorden in
Psalm 16: 10 en in Hand. 2: 27, dat de ziel van
-ocr page 151-
I
149
Christus in de hel verlaten is. zijn op eene goddelooze
wijze verdraait. Hiermede wordt eene hel van lijden,
niet de verblijfplaats der verdoemden bedoelt; het
waren onze zonden op Hem; de vloek die Hij te
dragen had ; de toorn, die Hij gevoelde; de machten
der duisternis, welke Hem beschimpten en des Va-
ders onttrekking van Hem, die waren de hel waarin
Hij niet verlaten was, Hij moest zijne ziel als eene
offerande voor de zonde
stellen en in Gods handen
beval hij zijnen Geest.
Tot den moordenaar zeide hij,
dat hy\' heden met Hem in het paradijs en niet in
de hel zijn zou. Toen Hy den Geest gaf zeide Hy\':
„Het is volbracht," terwy\'1, ware Hij naar de hel
gegaan, het ergste nog had moeten komen.
Zijn een kruis op de borst, een beeld in een doos,
de relequien der dooden en een vertrouwen in
menschelijke absolutie, artikelen die wezenlyk be-
hooren tot dat geloof, waarvan gezegd wordt dat\'t
het hart reinigt, door de liefde werkt; dat het een
mensch by God in het gebed doet overwinnen en
dat \'t het koninkrijk der hemelen door geweld doet
nemen ?
Zeg mij ook, wat uwe tegenwoordige gedachten
zyn over de reinheid der kloosterlingenen of gij niet
denkt, dat de kastijdende hand Gods, welke op u ge-
weest is en nu van verootmoedigende genade ver-
gezeld is, krachtdadiger is om de werkingen des
lichaams te dooden en geestelijke reinheid voort te
brengen, dan het strooien bed, de flanellen hemden,
flanellen lakens, buitengewone zalving, wywater,
de geheiligde ouwel en vervloekte asch ?
En of gebeds verhooringen en de werkingen van
Gods Geest uwe ziel niet met wezentlyker heiligheid
vervullen en elke wellustige hartstocht betar ten
onder houden, dan wanneer gy een vleeschelijken
priester iedere verliefde gedachte en verliefde blik,
-ocr page 152-
150
elk vleeschelijk verlangen en elke wulpsche beweging
die in het lichaam opkomt of in het gemoed schuilt
mededeelt: en of die zondige modderpoel niet in
grooter beweging scheen, nadat zij door de biecht
in beweging gebracht was dan eer de priester zulke
vuile vragen deed ?
Deel mij eveneens mede, of gij gelooft, dat God
ooit aan jonge vrouwen, die zijnen naam wensch-
ten te vreezen en den hemel te verwerven, gebood
zich van de menschelrjke zamenleving af te schei-
den en hun geheele leven geen dierlijk voedsel te
gebruiken? En of het vullen van den buik met
visch, eieren of wortelen in Gods oogen met meer-
der recht een vasten genaamd kan worden, dan in
wanneer men zpne natuur voldoet met hetgeen God
zijne wet tdestaat, namelijk een os. klein vee der scha-
pen en klein vee der geiten, een hert, een ree en een
buffel."
Deutr. 14; 4, 5 en of gij uw tegenwoordig
geloof, bevinding, vrede, vertroosting, leer en ver-
eering niet in de patriachen en profeeten kunt vin-
den, die door het geloof getuigenis bekomen hebben
en er naderhand ook in stierven, zelfs eer Petrus,
uw vroeger fondament, nog geboren was of eraan
gedacht werd ? En of ge denkt dat Luther en Cal-
vijn de autheurs waren van die godsdienst, welke
uw gemoed met zulke verschrikkingen vervulde,
uw hart veranderde en geëindigd is in zulk eene
vrede, liefde en goddelijke vertroosting als gij nu
geniet ? En of arme zondaars, aldus door verschrik-
kingen verbroken, door berouw vernederd, door
geloof gelouterd, en door den Heiligen Geest ver-
nieuwd, in werkelijkheid volgens der Roomschen
bewering het volk zijn dat Paulus in Tit. 3: Heen
ketterschen mensch
noemt, onder welken naam zij
veroordeeld en gedood worden ? En of deze heer-
lÜ\'ke waarheden des Bijbels, die nu het voedsel uwer
-ocr page 153-
I
151
ziel en de vreugde uwes harten ztfn in de schrift-
uurlijke zin des Woords volgens der roomschen be-
wering ketterijen zyn 1 Corr. 11 : 19. en eveneens
of een arm zondaar, welke een zoodanige zielsar-
beid doorworsteld heeft als gij, teneinde zijne roeping
en verkiezing vast te maken,
het voorwerp is om
hetwelk in den ban te doen Christus macht gegeven
heeft, aan een plaatsbekleeder en Petrus aan een
opvolger ? En of een goddelijk vonnis uitgesproken
en zielen naar de eindelooze duisternis gezonden
moeten worden met muziek en kunstmatig licht of
in den naam van zulke vergankelijke dingen als
klokken en kaarsen ? En of gij nu denkt, dat de
verdoemenis zulk eene lichte zaak is, dat ze maar
met kunstmatige verlichting en muziek uitgevoerd
kan worden?
Zeg mij eveneens of uwe wettische arbeid en
evangelische verlossing niet juist met de tegen-
woordige vertaling van onzen Bijbel overeenstem-
men ? En of gü denkt dat de roomsche onbeschre-
vene overlevingen uit dezelfde bron voortkwamen
als de Bijbel, zooals gij vroeger beweerde ? En of
gij niet denkt, dat uwe tegenwoordige verlossing
van schuld en bekeering tot God, welke aileen door
Jezus Christus verricht is, die de eenige Middelaar,
Voorspraak en Voorbidder is, niet wel zoo kracht-
dadig, zaligmakend, bevestigend en kostelijk in Gods
oogen is, dan wanneer de maagd Maria, de heilige
Petrus en Paulus, alle engelen in den hemel of
Thomas & Beckat, Sint Benoit, Larbe, Josef, Sint
Bernard, Sint Francois the Sales en al de inwoners
van het vagevuur ter hulp geroepen waren ? Want
daar des Zaligmakers eigen arm hem heil beschikt
heeft, zoo brengt zijn eigen arm ook heil aan zon-
der de kracht in te roepen van heiligen of zondaars,
-ocr page 154-
152
dat ze Hem bij zouden staan of in zijne roem zou-
den deelen.
Deel mij ook mede wat gij van de kloosterlisten
denkt welke gebruikt worden om vrouwen over te
halen om non te worden ? Of de sluwste onder hen
niet als lokeenden gebruikt worden ; of zrj met hunne
geveinsde heiligheid geen blijken geven dat ze mees-
teressen in de kunst zrjn om anderen te verstrik-
ken, door te trachten hen tot jaloersheid te verwek-
ken en te maken, dat zü hunne geveinsde heiligheid
en vertoon van geluk benijden? en of zij niet satans
volleerd zijn in vleijerij om iemand bij volmacht
aan den duivel te verbinden ? En of gij de tweeer-
lei,werking van hetgeen de Schrift noemtdronken-
schap
en hoererij niet krachtig gevoeldet zelfs op
zulk eene wijze, dat gij om der wille van sommige
nonnen van het mannelijk geslacht zoudt wenschen
te zijn ? Ik bedoel om weggevoerd te worden door
een onnatuurlijke en onbehoorlijke liefde, die aan
uwe sekse niet gemeen is; niet gelijk eene geeste-
ljjke vereeniging maar een vleeschelvjke en dierlijke
liefde; dit is hetgeen de Schrift een der diepten des
Satans
noemt in Openb. 2 : 24. Eene valsche kerk
is eene mystieke meesteres van toovery en de kop-
pelaarster des duivels, daar zrj met hem in den
geest vereenigd is. Kleeft men haar aan, omhelst
men hare valsche leerstellingen en vereenigt men
zich in den geest met hsar, dan wordt men eene
geestelijke hoer. Omhelst men leugenen in plaats
van de waarheid dan wordt in de Heilige Schrift
eene misleiding des duivels genaamd : Ananias wat is
het, dat gij deze daad in uw harte hebt voorgenomen
Hand. 5 : 4. Van dezulken wordt gezegd dat zü ver-
vuld
zijn van den Satan: „Waarom heeft de Satan
uw hart vervuld
? Hand. 5 : 3. Wanneer zielen dwa-
lingen omhelzen en zich met dwalende lieden ver-
-ocr page 155-
1
153
eenigen worden hunne gemoederen verbijsterd en
verward, en de duivel houdt op te verzoeken, totdat
zij denken, dat de ware godzaligheid in hunne har-
ten opspringt. Hierom wordt het in de heilige Schrift
vergeleken by dronken worden en daar dronkenschap
dikwijls tot hoererij leidt, zoo wordt het in de Schrift
de wijn der hoererij genaamd, omdat het eene ver-
vreemding van de belijdenis van God en zijne waar-
heid werkt, waarom het een hoereeren genaamd
wordt in Openb. 17 : 2. In Openb. 13 : 2 wordt de
duivel de draak genaamd, welke den antichrist zij-
nen troon
gaf. En de antichristelijke belichaming
wordt de groote hoer genaamd in Openb. 17: 1.
Jonge bekeerlingen, zooals gij er eene waart wor-
den de kinderen van Jezabel genaamd en het einde
van die moeder en haar gezin wordt in devolgen-
de tekst aangewezen: Ziet ik werp haar te bed en
die met haar overspel bedrijven in groote verdrukking
zoo zij haar niet bekeer en van hunne werken.En hare kin-
deren of bekeerlingen zal ik door den dood ombrengen."
Openb. 2: 23. Door de ondergang van zielen wordenzy
rijk zooals men dat in het Woord Gods kan zien, waar
hare rijkdom en opschik in het bijzonder zijnaangetee-
kend, terwijl eindelijk aangehaald wordt, dat dezielen
der menschen de geheele rekening betalen moeten,
gelijk geschreven is: Waren van goud en van zilver en
van kostelijkgesteente en vanpaarlen en van fijn lijnwaad
en van purperen van zijde en van scharlaken en van al-
lerlei ivorenvaten en allerlei vatenvan het kostelijkstehout
en van koper en van ijzer en van marmersteen. En kaneel
en reuk werken, welriekende zalf en wierook en wijn en
olie en meelbloem en tarwe en lastbeesten en schapen
en van paarden en van koetswagenen en van lichamen
en
de zielen der menschen. Openb. 18 : 12, 13.
Het was uit de stad Rome, dat Johannes naar
het eiland Patmos verbannen werd en hier zag hy
-ocr page 156-
154
de eeuwige verbanning dier stad. Het Romeinsche
keizerrijk begon met Nimrod, die geweldige jager
voor het aangezicht des Heeren
en het beginsel zijns
rrjks was Babel Gen. 10 : 10. Van eene kleine staat
onder Nimrod werd het al spoedig een machtig
monster van ongerechtigheid, een beeld met een
gouden hoofd;
het gouden hooid was de koning.
Dan. 2 : 28. Daarop wordt het keizerrijk vergeleken
eene ram met twee hoornen. Dan. 8 : 3, welk beest
verscheen, toen God het Babylonische rijk verdeel-
de en het den Meden en Perzen gaf. Dan. 5: 28.
Hierop werd het rijk vernietigd door een geitenbok
Dan. 8 : 5, hetwelk het Grieksche rijk was, Alexander
was de groote hoorn: De harige bok nuis de koning
van Griekenland en de groote hoorn is de eerste ko-
ning.
Dan. 8 : 21. Bh\' den dood van Alexander werd
zijn rijk onder zijne vier dienaren verdeeld. De harige
bok zijnen voornaamsten hoorn of Alexander ver-
loren hebbende verscheen nu met vier hoornen,
welke vier koningen zijn. Dan. 8 : 22. Hierna bleef het
rijk onder vele schuldigen voortbestaan tot het
Romeinsch werd, waaronder Christus gekruist en
velen van zijne dienaars gedood werden. En het
stond op tegen den Vorst der Vorsten en verdier f het
heilige volk.
Dan. 8 : 24, 45. Dit rijk nu is het vierde
beest, schrikkelijk en gruwelijk en zeer sterk en het
was verscheiden van alle de dieren die voor hetzelfde
geweest waren en het had tien hoornen.
Dan. 7 : 7.
Belangende nu de tien hoornen; uit dat koninkrijk
zullen tien koningen opstaan.
Dan. 7 : 24. Deze tien
hoornen zijn de tien teenen behoorende tot devoe-
ten van het beeld van Daniel, waar Christus, de
Steen Israels. dat beeld zal slaan. Dan. 2: 34, 41.
Johannes zegt, dat dit gebeuren zal doordien de
harten van deze tien koningen veranderd zullen
worden om de hoer te haten en zullen haar met
-ocr page 157-
I
155
vuur verbranden. Daniel vergely\'kt die tien koningen
met de tien teenen des beelds, om aan te toonen
dat het zyn ondergang naby is wanneer het door
tien koningen staande gehouden zal worden. En
hetgeen Daniël het slaan aan zyne voeten noemt,
noemt Johannes het afwenden van de harten der
tien koningen om de hoer te haten : En als dan
zal de oagerechtige geopenbaard worden, denwelken
de Heere verdoen zal door den Geest zijns nionds en
te niet maken door de verschijning zijner toekomst.
2 Thess. 2: 8.
Aldus zal dat machtige ryk, hetwelk onder Ninv
rod begon, met den antichrist eindigen. De eerste
was een geweldig jager voor het aangezicht des Hee-
ren
en de laatste is een vreeseljjk jager achter hem
geweest. Ik bedoel, dat Nimrod zielen onder zijne
heerschappij begon te jagen, eer de Heere zyn ko-
ninkryk vaststelde, terwijl de andere bezig geweest
is des Heeren onderdanen te jagen sedert zyn ko-
ninkrijk opgericht is. Geloofd zij God voor eeuwig
voor die genade, welke u uit hunne macht en van
hun voornemen verloste. Gij zult zeggen, dat is
een vreemde biechtvader om zooveel omhaal te ge-
bruiken : laat ons daarom nu weer verder gaan.
Hoeveel betalen de nonnen by hunne intrede in
het kloosterleven ? Hoeveel zakgeld krijgen zy ?
Welke intrest wordt er van het geld betaald in de
Parysche fondsen? Wat is der nonnen hoofdvoed-
sel en waarom bestaat hunne voornaamste boete-
doening niet in vasten?
Hoe denkt gy\' over de voorname Engelsche stand
sinds gü deze vele maanden van zielsbenauwdheid
hebt doorgemaakt? Ik bedoel deze onder hen, welke
hunne kinderen voor hunne opvoeding naar een
klooster zenden, evenals gy gingt en hen aldus aan
die strikken des duivels blootstellen, die er zoovelen
-ocr page 158-
156
onder hen verstrikt hebben tot hun volkomen ver-
derf en ondergang. Welke figuur denkt gij dat zulke
ouders voor Gods rechterstoel zullen maken; wan-
neer zy gedagvaard zullen worden rekenschap van
hunne handelingen te geven, zoowel met betrekking
tot zichzelven als wat hun kroost betreft; welke reken-
schap slechts weinig beter zy\'n kan dan van degenen
die hare zonen en dochteren den Molech door het vuur
lieten gaan"
Jer. 32: 35. En of gy denkt, dat eenige
tak van het Pausdom eenig houwvast of grondslag
in Gods Woord gekregen heeft of dat er ééne tekst
in den Bnbel is, die het begunstigt of er voorspreekt.
Ik weet dat eene overtuigde ziel zijn verschrikking
bedenkt en indien dit zoo is hebt gij alle deze zaken,
waarvan ik u nu belydenis afvraag, in uw gemoed
overwogen.
En eveneens of gij nu die Engelsche getuigenis^
sen voor God niet op prijs stelt, welke gij by uwe
afzwering verbrandde ? Ook of dat de ware strydende
kerk kan zijn, welke de gedenkschriften dertrium-
feerende kerk verbrandde en of eene kerk, welke
een pilaar en vastigheid der waarheid is 1 Thim. 3:15
ooit de waarheid harer eigen pilaren kan vernieti-
gen ? En ten laatste; of eene den beschuldigingen,
welke ik tegen u als eene roomsche of tegen de
Roomsche godsdienst ingebracht heb, valsch zy,
overeenkomstig uwe tegenwoordige ondervinding en
schriftuurlijk oordeel ?
Ik vraag verschooning, dat ik u zoolang te biecht
gehouden heb, maar ik heb een recht om zoowel
te ontvangen als te geven en wees verzekerd, dat
uwe gereede vervulling van deze myne verzoeken
eene blyvende verplichting zal geven aan eenen. die
zichzelven wenscht te onderschrijven waarde dochter!
Uw eerwaarde, achtbare en liefhebbende biecht-
vader
                          WILLIAM HUNTINGTON.
-ocr page 159-
AAN
den Heer HUNTINGTON.
Weleerwaarde en Geliefde vader in Christus Jezus !
Uw laatste brief kwam veilig in mijn bezit. Ik
heb hem met veel aandacht gelezen en bemerk,
dat hij een omstandig antwoord vereischt; maar
vergun mij dat ik eerst de tegenwoordige gevoelens
mijns harten lucht geef.
Een terugblik op mijne vroegere ondervinding
slaande en op de wonderlijke wijze, waarin het Gode
behaagd heeft mijne ziel in vrijheid te stellen onder
dezelfde krachtige bediening, waardoor God eerst
diepe pijlen van overtuiging in mijn binnenste deed
dalen zoo ondervind ik, dat mijne ziel ook meer en
meer bevestigd wordt in de waarheid, zooals zij in
Christus Jezus is, want ik geloof, dat God alle mij-
ne zonden volkomen in de diepte der zee geworpen
heeft; en ik weet dat Hij ze in eeuwigheid niet
meer gedenken zal. Ik vertrouw dat de Heilige Geest
mij verzegeld heeft tot den dag der verlossing; ver-
oorloof mij daarom u dit gezegende nieuws mede
te deelen, namelijk dat ik op het oogenblik niet het
geringste twijfel aan mijne eeuwige zaligheid in
Christus Jezus. O welk eene verandering! En welk
een schuldenares ben ik aan Gods vrije souvereine
genade!
In waarheid heeft Hij mij vreugde olie voor treurig-
heid en het gewaad des lofs voor een benauwden geest
gegeven. Nu ondervind ik de waarheid van die schrif-
-ocr page 160-
158
tuurplaatsen welke zeggen: De tong der stommen
zal juichen." En de oog en der blinden zijnde uit de
donkerheid en uit de duisternis zullen zien." Dan zal
de kreupele springen als een hert.
Kan een zondaar
aan de zaligheid zijner ziel twijfelen onder een hart-
grondig gevoel van Gods onveranderlijke liefde en
een klaar gezicht van de vastheid van zijn eeuwig
verbond ? Dat is onmogelijk.
Gij hebt recht opgemerkt, en zoo bevind ik het
ook, dat wanneer de duisternis verdwijnt, het ware
licht begint te schenen en als de winter weggaat,
de stemme der tortelduif in ons land gehoord wordt."
In waarheid heb ik een geruimen tijd rond geblikt
zonder iets te zien; veel geklaagd zonder veel van
beteekenis te zeggen, hetwelk u uit mijn eerste brief
duidelijk zien kunt. Nu kan mijne spraak niet zoo
laag uit het stof komen, want God zij geloofd, ik
kan zeggen: „Mijne wandel is in de hemelen,"waar
myn hart en myn schat is.
Gij verlangt de zuiverheid mijner spraak te ken-
nen en zal ik dan spreken van de Machtige God,
Wonderlijk Raad, Vader der eeuwigheid
en de Vre-
devorst.
In al deze karakters is Hij mij na en ge-
liefd, want in waarheid wien veel vergeven is. dezelve
heeft veel lief."
Dat ik hem maar meer kon lief-
hebben en dichter aankleven, dit is mijne wensen
en mijn vurigst verlangen.
Daar u mij tot de biecht geroepen hebt, zoo ben
ik bereid aan elk verzoek van u te voldoen en zal
aan u mü\'n vader alles zonder terughouding biechten,
alles wat ik van de vorborgenheid der ongerechtig-
heid weet. Ook loof ik God eene gelegendheid te
hebben hunne verfoeisolen aan het licht te brengen.
Wat de vrije wil en kracht betreft, zoo gevoelde
ik mij onder de macht van Zijnen toorn, en ofschoon
ik gewillig was om gezaligd te worden, ondervond
-ocr page 161-
\\
159
ik, dat ik geene kracht had om de schuld van mijne
conscientie weg te nemen, totdat God ze wegnam
door eene toepassing van het bloed der verzoening
Ik was besloten, doch kon niet uitkomen, aleer de
gevangenisdeuren geopend werden. Geloofd zij God,
dat ik onder het getal dergenen was die besloten zijn
geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zoude wor-
den.
De Zaligmaker was het en niet ik die de kopere
deuren verbrak en de ijzeren grendelen in stukken
sloeg en tot de gebondene die daar hoopt zeide:
Komt uit." Niet door kracht of door gewelk, maar
door mijn Geest zal het geschieden, zegt de Heere der
Heirscharen.
De uitverkiezing vind ik nu geen strui-
kelblok, maar een gezegend fondamet om zich er
in te verheugen, want indien zijne verkiezende lief-
de en onderscheidende genade mijne band9n niet
had losgemaakt en mijne ziel niet in vrijheid gesteld
had, dan zou ik in deze wereld en in de toekomen-
de tot in alle eeuwigheid ellendig gebleven zijn.
Toen ik geene kracht had, deed Hij datgene voor
mg wat ik noch eenig schepsel doen kon, hetwelk
een klaar bewijs is, dat niets dan de onderscheiden-
de genade, de eeuwige liefde en almachtige kracht
Gods mij van de poorten der hel weggerukt kon heb-
ben. Laat met de uitverkiezing spotten wie wil; die
ze betwijfelen hebben haar nimmer ondervonden.
Toen ik geen grond van hoop in mij zelf had, wer-
den de rijkdommen Zijner genade geopenbaard. Toen
ik geene kracht bezat kwam zijne macht te voor-
schijn. Toen ik geene kennis had werd Zijne wijsheid
geopenbaard; zoodat ik in waarheid zeggen kan, hij
werd in het eerst gevonden van degenen die naar Hem
niet zochten
en naderhand gehoord van degenen die
Hem aanriepen en tot hen die niet van Hem gehoord,
hadden zeide Hij: Ziet hier ben ik! Ziet hier ben ik!
Ik zag en werd verlicht. Aldus waa den machtigen de
-ocr page 162-
160
vang ontnomen en de gevangene eens rechtvaardigen
ontkomen.
Menscheljjke boete bracht geen heil aan terwyl
de Satan toegang tot myn hart vond, want terwijl
de sterk gewapende ziju hof bewaart houdt zulk eene
wapenrusting hem in grooter gerustheid. Eerst moet
hy zijne prooi loslaten, hetwelk alleen geschieden
kan door eene macht, welke machtiger is dan hy.
Tevergeefs is het eene stad te versterken terwyl er
een verrader in is of het lichaam met wijwater te
besprenkelen, terwyl het hart onrein is en de cons-
cientie door schuld besmet is. Het slaan op de borst
zal des Satans rust nimmer verstoren noch een stee-
nen hart
verbreken. Eene gordel van paardenhaar
zal hem nimmer kwetsen noch een geesel hem doen
terugdeinzen, want hij belacht de drilling der lans;
Hij acht het ijzer voor stroo en het staal verrot hout
Job 41: 18, 20. Wel verre van te denken dat hy
voor deze zaken bevreesd is, zoo geloof ik vast, dat
het slechts zyne eigene raadslagen zün, uitgevonden
om de gemoederen der menschen te bedwelmen, om
over hunne dwaasheid te lachen en hen blindelings
naar het verderf te voeren. Het kan de wapenrusting
Gods
niet zijn, omdat de Apostel Paulus zegt: Want
de wapenen onzes krijgs zijn niet vleeschelijk, maar
krachtig door God tot nederwerping der sterkten.
Deze
zyn niet geestelyk maar vleeschelyk van mensche-
lijke uitvinding en staan in menschelyke wysheid
en de Schrift verklaart: Deze is de wijsheid niet die
van boven afkomt, maar is aardsch,natuurlijkduivelsch
De
overwinning, die de wereld overwint is ongeloof.
Er kan geene overwinning zyn waar geene stryd
is en er kan geen stryd met de wereld zyn, wan-
neer men er van uitgesloten is en opgesloten binnen
de muren van een klooster of de wanden eener cel.
Ik loof God voor eeuwig, dat Hy mij van die helsche
-ocr page 163-
\\
161
verdwaasheid, welke zich zoo vast in mijn dwaas
hart gezeteld had, verlost heeft. Zij weten er niets
van wat het is om den Zaligmaker te volgen door
goed gerucht en kwaad gerucht. Zij arbeiden hard
om zichzelven te verheffen en hunnen goeden naam
op te houden. Ik was hier zelf eene slavin van, tot
dat ik bevond: Wee u wanneer al de menschen wel
van u spreken
Luk. 6: 26.
Wat de moeder abdis betreft, dit hoofd of deze
overste matigt zich een gezag aan als stond ze in
plaats van Christus over de kudde. Het is waar, dat
zij eens in de week haar hunne misslagen onder
vier oogen biechten, terwijl de jonge nonnen haar
altijd op ééne knie liggende aanspreken. Verfoeie-
lrjke praktijk! Helsche afgoderij) Zij doen hetgeen
de engelen Johannes verboden, toen hij het beproef-
de, volgens Openb. 22: 8, 9 en hetgeen Petrus een
Apostel aan Cornelius verbood. Hand. 10: 25, 26.
Opdat in den name Jezus alle knie zich zoude buigen,
niet voor eene moeder abdis of een gesneden beeld,
noch minder voor de beenderen van een doode of
een waardelooze ouwel.
Mijne ziel heeft eene walg, wanneer ze terugdenkt
aan de biecht. Ik ben een levende getuige van
dezen gruwel. David deed belijdenis van zijne overtre-
dingen voor den Heere en Hij vergaf de ongerechtig-
heid zijner zonde.
Toen ik nog eene Roomsche was
gevoelde ik in werkelijkheid nimmer eenige voldoe-
ning door mijne zonden aan den priester te belijden,
wel echter als ik mijne verbrokene smeekingen voor
God in het verborgene uitstortte. Dit is zekerlijk
een allergoddelooste en zondige praktijk.
Ik zal de geheele verborgenheid zonder terughou-
ding voor u openleggen, daar u mij zoo nauw over
dit onderwerp ondervraagd hebt. Vergeldet haar zegt
God, gelijk als zij ulieden vergolden heeft en verdub-
Bekeering                                                                    11
-ocr page 164-
162
bel haar dubbel na hare werken Openb. 18: 6.
Het is schande voor eene vrouw om deze biecht-
stoelen te naderen; indien zrj voorheen niet wijs
waren in de werken der ongerechtigheid dan zal de
priester hen er zeker in onderrichten, door het doen
van zulke vuile en ouwelvoegelyke vragen, waar-
over eene zedige vrouw reeds bij de gedachte zou
blozen. Ik verklaar u, dat ik tengevolge mijner eerste
biecht drie dagen op bed gelegen heb, en dacht toen,
dat ik nimmer voor de tweede maal ter biecht ge-
gaan zou zyn, zoo beschaamd en ontroerd was ik
door de gruwelen, welke hrj mü in mrjne gedachte
gebracht had.
In waarheid werd ik opgeschrikt brj ééne zondige
gedachte, meer uit overweging om het den priester
mede te moeten deelen, dan uit vreeze er God door
te beleedigen. Welk een penitentie was dit!
Zoodra ik gebiecht had werd mrjne vervloekte hoog-
moed gevoed en werd ik gelukgewenscht als of ik
eene engel was, zonder eenige zonde op mrjne cons-
cientie.
Helaas, mijnheer, dit is inderdaad het dronken wor-
den van den wijn harer hoererij.
Zrj kunnen zich niet
beroemen op de kennis der zaligheid in de vergeving
harer zonden
Luk. 1: 77. Hier zijn zrj vreemdelin-
gen van, want God heeft hen gezonden eene kracht
der dwaling, dat zij de leugen zouden gelooven.
Wee
degenen, die in den schoot van dat monster sterven.
God loof ik tot in eeuwigheid, dat Hrj het deksel
der onwetendheid van mrj heeft weggenomen en mrj
bekwaam gemaakt heeft de verschrikkelrjke en god-
delooze dwalingen van die helsche synagoge des
satans, de Roomsen Katholieken, geheellijk te her-
roepen.
Dit is de godsdienst van Jezus niet; aan God alleen
moesten wij onze zonden belijden, die getrouw en
-ocr page 165-
\\
163
rechtvaardig is, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons
reinige van alle ongerechtigheid.
Door eigen ervaring
weet ik, dat het niet eenige woorden zijn, door een
Roomsen priester in het Latijn gemompeld, dieeene
ziel van hare schuld voor God kunnen vrijspreken.
Al de absoluties, welke ik immer verkreeg, hebben
myne conscientie nimmer gereinigd noch de kracht
der zonde in mg ten ondergebracht.
Een geschoren hoofd, een wit linnen bandeau,
een witte doek onder de kin, een zwarte sluier en
uitgemergeld lichaam, van dit alles vind ik niets
in Gods geheele Woord: Maar zoo eene vrouw lang
haar draagt, dat het haar eene eere is.
1 Corr. 11:15.
Een bandeau om het hoofd, zal nimmer een zwak
oordeel versterken, een onvast gemoed bevestigen
of een in de war geloopen brein weder in orde bren-
gen, evenmin als dat hat scheren van een heet
hoofd het af zal koelen. Het hoofd te beschutten
met eenen sluier mag eene vrouw er uit doen zien
als eene zich bewegende geost, maar ze kan iemand
nimmer met den dood gemeenzaam maken of dien
overwinnenden koning dei verschrikkingen bevre-
digen. Ik geloof dat hü eene non even onvriende-
hj"k behandelen zal als eene Egyptische mummie.
Dood en hel zijn aan niemand dan aan den Zaligmaker
onderworpen ; slechts door het geloof in Hem kun-
nen wy beide overwinnen en niet door het geloof
in zulke kinderachtige bedriegerij als dit is. Het
lichaam laten uithongeren mag de ingewanden aan-
grljpen, maar voor eene gewonde conscientie is het
een zeer bedenkelijk geneesmiddel.
Nu het Gode behaagd heeft my een weinig tot
mijne zinnen te brengen, zou ik evengoed een ketel
kokend water aanraden om de roos te genezen of
een nat bed in een Ijskelder om een koorts weg te
nemen als dat ik eene arme bezwijkende zonde-
-ocr page 166-
164
zieke ziel zulke vervloekte middelen als deze zou
aanbevelen. Het is zeker, Mijnheer, dat het natuur-
Ujk verstand wel geheel moet uitgeput zijn in zijne
onderzoekingen, dat de kracht van buitengewone
dwaasheid allen moet overheerschen, geholpendoo
duivelsche kunst en boosaardigheid, om menschen
van zulke listen, welke zoo geheel in strijd zijn met
de Schrift, de natuur en de rede, te voorzien.
De middelstaat waar u van spreekt, namelijk het
vagevuur, kwam mij dikwijls voor den geest, toen
ik nog eene belijder dier kerk was. Dikwijls zat ik
er mede in de war, daar ik nimmer van een drie-
voudige staat in Gods Woord gelezen had. Beschouw-
de ik de zaak, dan bracht het immer schrik op mijn
gemoed, en ook kon ik niet het minste denk-
beeld van eenige tegenover elkander staande staat
dan van den hemel en de hel, vormen. Is er een
middelstaat, dan moet deze het natuurlijk leven zijn,
want de ellendes der hel zijn er niet volkomen en
de vreugde des hemels is er niet ten volle bekend.
De moordenaar aan het kruis is een genoegzaam
bewijs, dat er na den dood geen tusschen liggende
staat van het vagevuur is, want indien eenig ster-
veling na den dood loutering noodig had dan was
mj het, wiens goddeloos leven zoolang en wiens be-
rouw zoo kort was, en tot hem zegt de Zaligma-
ker: Heden zult gij met mij in het Paradijs zijn, en het
was op het einde van den dag.
Wat de kloosterzuiverheid betreft; ik vraag u of
u de reinheid huns gemoeds of van hun persoon
bedoelt? Ik laat het aan u over de reinheid van
hun persoon te beoordeelen, daar zij hun geheele leven
onder hetzelfde dak doorbrengen, eene cel bewonen
van nog geen vier vierkante meters grondvlak, met
een klein op hengsels draaiend venster en een strooi*
en bed; slapende in wollen kleederen, welke in geen
-ocr page 167-
\\
165
jaren gereinigd zijn, met flanellen lakens en hem
den die eens per maand verwisseld worden. Voeg
bij dit alles een gekastijd lichaam, gemis van frissche
lucht en dat in heet zomerweder en dan zult u wel
in staat zijn een gepaste gevolgtrekking te maken,
wat dit deel hunner reinheid betreft. Dit lijkt even-
min op zindelijkheid, dan hunne inkerkering op de
vrijheid van het evangelie. Maar bedoelt u geestelijke
zuiverheid oordeel zelf hoe zulke gemoederen gesteld
zijn, die in strijd met al Gods wetten van zedig-
heid en welvoegelijkheid, aanhoudend blootgesteld
zijn aan de vuile en ongepaste vragen van zulke
vleeschelijke priesters. Ofschoon God op ieder vrou-
welyk gemoed een sluitboom van zedigheid gelegd
heeft zoo wordt deze voortdurend verbroken, door
hun vragen over zulke onderwerpen te doen, als
waarvan de Schrift verklaart dat die ook onder de
heidenen niet genaamd worden.
1 Cor. 5:1.
Verder, mijnheer, de ongewone en onnatuurlijke
toegenegenheid welke in deze kloosters tusschen
vrouwen onderling heerscht, waarvan ik zelf een
ooggetuige ben, is eerder een bewijs van onnatuur-
lrjke onkuischheid dan van geestelijke zuiverheid.
Ik heb eenige van de kostgangers, welke daar uit
Engeland voor hunne opvoeding heengezonden wa
ren, gekend, die niettegenstaande alle hunne vroe-
gere besluiten,\'door de vleierijen dezer nonnen, in
den loop van een paar weken, in zulk eene onna-
tuurlijke verdwaasdheid uitgebroken zijn, dat zij zich-
zelven en hunne vrienden beroofden van alles wat
zij konden om het hun te geven. Onder andere voor-
beelden neb ik eene dame gekend welke een man
en drie lieve kinderen had, die nadat zij eenigen
tijd in het klooster geweest was, zoo zeer aan een
dezer nonnen gehecht werd, dat zij bereid was
haar man en kinderen te verlaten, ia bijna haar ver-
-ocr page 168-
166
stand verloor, door de overheersching van die hevige
hartstocht, welke, ofschoon ze nu onverklaarbaar
moge schij nen, eenmaal ten volle verklaard zal worden
wanneer de verborgenheid der ongerechtigheid geopen-
baard zal worden
en Hij wiens oogen gelijk een vlamme
vuurs
zijn een snel getuige zal zijn tegen de toovenaars en
tegen de overspelers.
Wel mag de kerk van Rome
eene overspeelster genaamd worden en haar wijn de
wijn der hoererij,
want alleen de machten derduis»
ternis konden immer in staat zijn de menschelijke
gemoederen in zulk eenen waanzin te brengen. Tot
bevestiging van dit alles, verwijs ik u naar eene dame
die met de gebruiken des kloosters ten nauwste be-
kend is.
O Gods goedheid! om zulke blinde oogen als de
mijne te willen openen! om die helsche strik des vo-
gelvangers te verbreken en den armen dwazen vogel te
doen ontkomen.
Had ik op Hem geleund, die oneindig in kracht
en wijsheid is, in plaats van op mijn eigen verstand
en had ik op Hem gebouwd, die de Rots der eeuwen
is, in plaats van op mijne eigene kracht gelijk Petrus
dan zou mijn huis zoo vast gestaan hebben als ik ver-
trouw, dat het nu staat.
Ik kan niet nalaten om over eenige gedeelten
van uwen brief te glimlachen. Door uw nauw on-
derzoek zou men in de verbeelding komen, dat
gij gewoon zijt in eenen biechtstoel te zitten, had
uwe leer en leven mij niet van het tegendeel over-
tuigd. Maar daar u het verlangt, zal ik trachten
zoo duidelijk in mijne antwoorden te zijn, als gij
het byzonder in uwe vragen zijt.
Ten eerste: Uit mijnen Bijbel en voorgaande be-
vinding weet ik nu, dat het er zoo ver van af is,
dat de Satan bevreesd zou zijn voor een weinig
wijwater, daar hij gezegd wordt een bewoner der zee
-ocr page 169-
167
te zijn, waarom eene oceaan er van hem niet zal
kunnen verdrinken. Hij wordt genaamd de Leviat-
han, de langwemelende slang, die in de zee is.
Niets
dan het groote en sterke zwaard des Heeren zal hem
ooit kunnen wonden. Men gebruikt het wijwater
om er den duivel door te verjagen en het gemoed
te reinigen. Ik kan niet zeggen, dat het deze, uit-
werking immer op my had; niets minder dan het
bad der wedergeboorte
kan dit uitwerken. Het zui-
vere water des levens
of de werking van Gods Geest
aan het hart reinigt ons van alle besmetting des
vleesches en des geestes,
hetwelk geen uitwendig water
of wassching ooit kan doen.
„Geheiligde asch." Het is zeker dat slechts zrj
die overgegeven zijn aan eene kracht der dwaling
ooit schuldig konden zyn aan zulk een tegenspraak
als die om het dagelijks brood des duivels te
willen heiligen, want in de Schrift staat geschreven :
Hij voedt zich met asch en stof zal de spijze der
slangen zijn,
en wat mij betreft, ik heb my hier
zoolang mede gevoed, dat ik nimmer meer zal
verlangen een deelgenoot zyner lekkernyen te zyn.
Hoe zy er aan kunnen denken om asch te heiligen,
welke God verwerpt, den duivel tot voedsel dient
en waarover de dood triumfeert, dat weet ik niet.
Met meer gepastheid kon men het voorschrijven
om roestige vuurwapenen of keukengereedschap te
reinigen, dan om teedere concienties te maken of
verontruste gemoederen voor den hemel geschikt
te maken, de apostel Paulus zegt, dat de asch van
eene jonge koe
onder de oude bedeeling de concien-
tie niet kon reinigen
; hoe veel minder de asch van
eene verbrande takkebosch of van een stuk hout
toegediend door den hand van eenen leugenprofeet
of Roomsch priester.
Streng vasten, wreede penitentie en menschely\'ke
-ocr page 170-
168
absolutie zijn naar ik vast geloof niets dan vleesche-
lijke overleveringen van menschen en niet de ge-
boden Gods noch iets dat er op gelijkt. Ik vaste
tot ik mij op den rand des grafs gebracht had,
maar ofschoon ik mij door eene strenge onthouding
zoo nabij deze kameren der duisternis gebracht had,
zoo bracht het toch geen leven ot licht in mijne
misleide ziel. Nu zie ik dat het alleen Gods recht
is om te slaan en weder te heelen, om te dooden
en weder levendig te maken, om in het graf te
doen dalen en daaruit uit te rukken. Het komt ons
niet toe de scepter uit Zijne hand te rukken door
onze lichamen te verwoesten meer dan onze zielen
en de moedwillige verwoesting onzes lichaams, zoo-
wel door onthouding, vasten, kastijding of misbruik
is even goed zelfmoord in de oogen Gods dan wan-
neer men de hand aan zijn leven slaat. Ofschoon
Hrj het lichaam met pijn en ziekte bezoekt, dan
doet Hij dit naar recht, want de rechter der gansche
aarde doet geen onrech.t
De wreedste penitentie, welke ik mijzelven ooit
oplegde was om in eenen bepaalden tijd een zeker
aantal gebeden op te zeggen. Hier blijkt het, dat
het gebed op deze manier eene taak wordt, terwyl
God het gegeven heeft als een voorrecht van zijn volk,
waardoor zij met God gemeenschap oefenen en
onderhandelen Daar het echter als eene strenge
taak gebruikt en de herhaling er van als zoo vele
zelfkastijdingen beschouwd werd, zoo bevond ik,
dat die ordinantie, welke God ingesteld had om
vrede, vreugde en gelukzaligheid aan het gemoed
te brengen en nu als eene penitentie gebruikt, eene
ondragelijke last en een onverdragelyk gewicht
werd. Ook verwekte het gemelijkheid, murmureering
opstand en smart en in plaats van nedrigheid
werkte het trots en zelfsvergoding, want ik was
-ocr page 171-
169
niet tevreden met de gedachte, dat ik zalig zou wor-
den, tenzrj ik eene verhevene plaats in den hemel
kreeg, waar ik dacht recht op te hebben, omdat
ik die kastijdingen onderging, zoodat datgene het-
welk door God ten leven verordineerd was, namenlijk
het gebed, mij ten dood bevonden werd.
„Menschelrjke absolutie", liet op mijn gemoed
nimmer de minste overtuiging van de wegneming
der zonden achter; ook geloof ik niet, dat God ooit
zulke eene macht aan menschen gaf, veel minder
aan menschen als deze, welke van voorgewende
godzaligheid een gewin maken, want deze lieden
verkoopen absoluties en aflaten van zonden, welke
opzettelijk bedreven zullen worden. Had de Zalig-
maker zulk eene macht gegeven, dan zou hij een
dienaar der zonde
en niet der gerechtigheid geweest
moeten zijn, hetwelk verre van Hem zij. Ik weet
niet hoe ik me ooit aan dit bedrog heb kunnen on-
derwerpen, sinds de Joden, in hunnen duisteren
staat en boosaardigen tegenstand van een Zalig-
maker, zeggen konden: Wie is deze die ook de zon-
den vergeeft? Wie kan de zonden vergeven dan God
alleen
? Hij deed een mirakel om hen van zijne eigene
Godheid te overtuigen.
Daar gij van my verlangd eerlijk mede te deelen
of uwe beschuldiging tegen mij als eene Roomsche
en tegen het pausdom waar of valsch is, zoo zal
ik het niet alleen eerlijk maar ook oordeelkundig
mededeelen, indien ik dat kan. Gij moet mij dan
echter beloven, dat u my die eerlrjkheid en die kri-
tiek welke ik van u geleerd heb, niet kwalijk zult
nemen.
Ik heb reden om God voor eeuwig te loven voor
ztjne genade, die Hij door middel van u aan mij
geschonken heeft. Uwe beschuldiging tegen mij als
eene Roomsche is nu valsch, want hoewel ik er mij
-ocr page 172-
170
eens in beroemde, hetwelk mijne schande was, zoo
haat ik er nu den naam van; waarom ik uwe beschul-
diging ontken.
Wat het pausdom betreft, en dat ik eene room-
sche geweest ben, zoo kan ik de waarheid van alle
uwe beweringen door treurige ondervinding hartelijk
toestemmen.
Maar nogmaals als een beoordeelaar, zoo geloof ik
dat het pausdom een bestaan in Gods Woord maar
niet in Gods koninkrijk heeft. Het heeft een bestaan
in de voorspellingen, bedreigingen en de aankon-
diging van Gods toorn en in de vervulling Zijner
besluiten, want de Schrift kan niet vervuld zijn,
totdat geopenbaard zij de mensch der zonde, de Zoon
des verder fs in de verborgenheid der ongerechtigheid.
Het heeft echter geen bestaan in Gods beloften,
Zijne geboden, Zijne zegeningen, Zijne heerlijkheid
noch ook in Christus Koninkrijk, want de Heere zal
hem verdoen door den Geest zijns monds en te niet
maken door de verschijning zijner toekomst.
Wat verder hare regeering, titels, gebruiken, plech-
tigheden, leerstellingen, overleveringen, en de rest
harer bedriegerij betreft, als kralen, beenderen, schel-
len, boeken en geheiligde kaarsen, dit alles heeft
geen grond in Gods Woord, maar zijn allen van
hun eigen maaksel en behooren tot die koopman-
schap, welke zoo duidelijk beschreven zijn in de
boeken van Jesajah, Ezechiel, Daniël en de Open-
baringerj.
Wat de godsdienst en ondervinding van mijn
eigen hart betreft, zoo vind ik tot mijne vertroos-
ting, dat de aartsvaders en profeeten dezelfde on-
reine gevallen en verdorven natuur als ik hadden,
en ook door dezelfde krachtdadige genade en almach-
tige kracht als ik hersteld werden. God in Christus
aan hunne zielen geopenbaard was de grond van
-ocr page 173-
171
al hunne hoop, de giondslag van al hunne geluk-
zaligheid en de pleitrede van hunne aanneming zoo-
wel als van de mijne.
Ik vind dat Noach, Abraham, Mozes, Daniël, David
en al de andere profeten, die geheele wolk van getui-
gen, getuigenis afleggen van dien weg der zaligheid;
welke door de Apostelen voorgehouden werd en
welke nu op eene vreugdevolle wijze ondervonden
wordt door uwe onwaardige dochter, uzelven en
honderden in deze dagen en hetwelk ook tot het
einde der wereld zoo z^jn zal, want wanneer de
Zoon des Menschen komt zal Hij geloof op der
aarde vinden,
daar dezelfde Geest, welke door de
profeeten sprak in deze laatste dagen Christus aan
ons geopenbaard heeft.
Wat Luther en Calvyn betreft, ik weet slechts
weinig van hen, niet meer dan het lezen hunner
geschiedenissen. Nimmer bestudeerde ik hunne
strijdschriften, of leerde ik eenige hunner beginse-
len door het lezen hunner werken. De verschrik-
king welke ik gevoelde, was een gevoelig besef van
mijn verloren staat als een goddeloos zondaar on-
der den toorn en vloek Gods, welke Luther ofCal-
vrjn cf eenig ander schepsel mij nimmer medege-
deeld kon hebben. Het sproot voort uit eene klare
en gevoelige overtuiging, dat ik Gods wet verbro-
ken had: zonder eenige mogelijkheid mij weder in
Gods gunst te herstellen of de breuk tusschen Hem
en mij te heelen. Die last. van schuld werd niet
weggenomen noch de rust mijner ziel hersteld door
Luther of Calvijn, noch door het kussen van een
zilver kruis of het inslikken van eene ouwel, maar
door de krachtige invloed van Gods Geest, die het
geloof in mijn hart werkte, in antwoord op het ge-
gebed aan den troon der genade. Dit gaf den dood-
steek aan de zonde en de liefde tot haar, alsmede
-ocr page 174-
172
aan de schuld en verschrikking die er mede gepaard
ging en werkte in mijne ziel de vreedzame vruch-
ten der gerechtigheid, welke evenals het goede deel
van Maria, naar ik vertrouw nimmer van mjj weg-
genomen zullen worden. Nimmer vervloekte de Apos-
tel iemand of noemde diegene een ketter, welke
onzen Heere Jezus Christus lieftiad in geest en waar-
heid
; want hij was een liefhebber van alle deze.
Deze voorgewende plaatsvervangers van Christus en
Petrus matigen zich zulk een gezag aan als Petrus
nimmer had en de Zaligmaker ook nimmer één
zijner Apostelen gaf. Al degenen die buiten hunne
kerk zijn vervloeken zü, onverschillig of zij den Zalig
maker al of niet liefhebben, terwijl zij alle degenen
welke binnen de grenzen hunner kerk zijn zegenen,
of zij God haten of lieihebben, hoewel Pauluszegt:
Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft
die zij eene vervloeking,"
en zegent slechts diegenen,
welke hem en zijne toekomst liefhebben, onver-
schillig van welke sekte zó zijn mogen.
Waarheid was het mijnheer, dat de zielsbenauwd-
heid welke ik gedurende verscheidene maanden aan
een ondervond zonder eenig hoop van verlichting
in de wettische arbeid, waarvan gij melding
maakte en welke ik door maakte, juist zoo in Gods
Woord beschreven en bedreigd zijn tegen zondaars
•die in eenen staat van ongeloofs zijn. Eveneens vond
ik de evangelische verlossing, waarvan gij spreekt.
en welke ik totmünegroote vreugdeen vertroosting
ondervindt in datzelfde gezegende Boek Gods, den
Bijbel beschreven en beloofd en overeenkomstig de
tegenwoordige vertaling bevind ik het, geloof ik het
«n verheug mij er in. Over hune overleveringen,
of de bron waaruit zü voorkomen, behoef ik slechts
weinig te zeggen, wetende dat zij mij en nu nog
duizenden met mij hebben doen handelen en denken
-ocr page 175-
173
in dadelijke tegenspraak met Gods Woord, het welk
zij door hunne overleveringen, evenals de Pharisreeën
van ouds, krachteloos gemaakt hebben.
Wat de maagd Maria, Petrus, Paulus, de bewoners
der bovenwereld, Sint Thomas a Beckett, St. Benoit,
Larbe, Josef, St. Fransiscus of St. Bernard en de
bewoners van het vagevuur betreft, voor hetgetui-
genis van hen allen zou ik geen enkel strooitje wil-
len geven, sedert ik vertrouw, dat ik het getuigenis
eener goede conscientie in mij omdraag. Ook ge-
tuigt het getuigenis van Gods Geest met mijnen geest
dat ik de zijne ben en dit alles stemt overeen met
het getuigenis van het profetische Woord dat zeer
vast is,
ja het woord Gods, dat leeft en blijft in der
eeuwigheid.
Inderdaad hebt gij mij tot een zeer volledige be-
lijdenis gebracht, en daar ik tot hiertoe niets voor
mijnen biechtvader achter heb gehouden, zoo zult
u mij zekerlijk der waarheid trouw bevinden. Het
is met diep gevoelde smart, als ik bedenk, dat ik
zoo goed als anderen de verdwaasheid tot een dezer
nonnen gevoeld heb, en waarlijk heeft het mrj
dikwijls gespeten, dat ik eene van hetzelfde * * * •*
was. Slechts in haar gezelschap was ik gelukkig en
mijn eenig verlangen was, dat wij de zelfde plaats
in den hemel mochten hebben. Maar God zij geloofd,
dat hij mij sedert lang van zulk eene liefde gespeend
en mrj volkomen van d6ze diepten des Satans ver-
lost heeft; door de openbaring van zijn licht, welke
die duisternis, waar ik ingewikkeld was. aan het
licht brengt, ofschoon ik er ongevoelig van was. In
waarheid gevoel ik ter dezer ure dat Jezus Christus
zonder mededinger in mijn hart regeert en heerscht.
Helaas, mijnheer, als ik de duisternis van het men-
schelijk gemoed, de sluwheid des satans en degod-
delooze vleierijen van zulke vrouwen overweeg, dac
-ocr page 176-
174
beef ik bij de gedachte, dat Engelsche dames er voor
de kennis der taal heen zouden gaan en ook over
die ouders die er hunne kinderen ter opvoeding heen
zouden zenden. Wat zullen sommigen in dien groo-
ten dag moeten antwoorden, als zy\' bevinden, dat
hunne dochters verstrikt geworden zyn om non te
worden of den sluier aan te nemen en hun zielen
door eeden voor eeuwig gebonden hebben, die hen
tot in alle eeuwigheid moeten verdoemen. In het
klooster waar ik in was waren er levende getuigen
van.
Het geld, dat de nonnen bij hunne intrede in het
klooster moeten betalen hangt van hun vermogen
en omstandigheden af. Een nutig en waardig geacht
onderwerp (zooals zy het noemen) kan in sommige
kloosters gratis toegelaten worden; ik bedoel de zul-
ken welke geen fortuin bezitten. Zy\' daarentegen, wel-
ke vele duizenden bezitten worden gewoonlijk be-
praat hun geheele vermogen te geven. De som echter
welke noodzakelijk betaald moet worden is in som-
mige kloosters zesduizend in andere zesendertighon-
derd, weer in andere vierentwintighonderd gulden, en
geloof dat er zyn welke nog minder nemen.
Het geld hetwelk in de fondsen te Pary\'s komt
geeft naar ik vry\' zeker weet tien percent.
Voor het zakgeld der nonnen is geene bijzondere
regel. In sommige kloosters kry\'gen zy\' zesendertig,
vierentwintig of twaalf gulden per jaar, al naarmate
hunne vrienden hun kunnen geven. In andere is
eene algemeene beurs, waar ieder het geld, dat men
ontvangt, in doet; echter ontvangen zy\' niets van het
klooster en allen kry\'gen evenveel van de zaken die
voor dat geld gekocht worden, zooals thee, suiker,
wy\'n, enz.
Het hoofdvoedsel der nonnen is visch, eieren en
groenten, maar nadat zy\' den sluier aangenomen
-ocr page 177-
175
hebben krijgen zij geen vleesch. Bg wijze van onthaal
wordt hen nu en dan toegestaan verschillende soor-
ten van vruchten na het jaargetijde te gebruiken.
Maar eilieve, mijnheer, wat hebt gij er toch met
voor dat gij zoo nieuwsgierig zijt in uw vra-
gen?
Hunne „voornaamste penitenties" zyn vasten, gee-
selen en het houden van uren van stilzwijgen, wel-
ke zeer veelvuldig zijn. In de gansche Schrift kan
ik geen gebod of bevel voor dat alles vinden, noch
zag ik ooit eene non welke de plaag van haar eigen
hart kende of welke ooit de veischrikkingen eener
schuldige conscientie gevoelde. Ook zijn zij volslagen
vreemdelingen van een gebroken en verslagen geest,
maar hoe kan het ook anders met diegenen, welke
geheel opgaan in eigen gerechtigheid en overgege-
ven zijn aan een kracht der dwaling.
Al hetgeen waarvoor gij mij „ter biecht" geroepen
hebt goed overwogen hebbende, zoo verzeker ik u op-
rechtelijk, dat ik volkomen overtuigd ben, dat het ge-
heele Pausdom den ganschen Bijbel door veroor-
deeld wordt. Waren zij hier niet bewust van, dan
zouden zij het ook niet als een verzegeld boek dur-
ven houden en de lezing er van beletten. Onder-
zoekt de Schriften
zegt Christus tot zijne ergste vljan-
den de Phariseën, want gij meent in dezelve het eeuwige
leven te hébben en die zijn het welke van mij getui-
gen."
Geene Schrift is van eigener uitlegging. Uit
de Openbaringen, dat gezegende boek, hetwelk zij
boven al de anderen verwerpen, en geen wonder,
daar zij zien dat het hen zoo duidelijk buitensluit,
hebben zij niet een gedeelte maar het geheel weg-
genomen, ofschoon de Geest zegt: deze woorden zijn
getrouw en waarachtig. Zalig is hij die de woorden
der profetie dezes boeks bewaart. Én indien iemand
-ocr page 178-
176
afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God
zal zijn deel afdoen uit het boek des levens."
Met schaamte beken ik mrjne zwakheid en dwaas-
heid in het overgeven van die „Engelsche getuige-
nissen" der goddelijke waarheden in de handen hun-
ner vijanden, in het bijzonder daar ik onlangs be-
vonden heb, dat die boeken mrj veel vertroosting
schenken.
O ellendige die voorgeven de opvolgers van Petrus
te zrjn, maar de leer van Petrus haten. Ongelukkige
stedehouders van Christus op aarde, die de waarhe-
den, welke Hrj zoowel op der aarde als in den he-
mel verkondigd heeft, verbranden. Ellendig fondament
der waarheid, die de waarheid zelf verbranden, en
de aankleve er van, het fondament van den geloo-
vigen hoop, van der engelen blijdschap en van Gods
troon. Hier mocht ik met een gezegend heilige mijn
klaagstem opheffen en zeggen: Indien dit fondament
wordt omgestooten, wat zal dan de rechtvaardige
doen"?
U behoeft geene verontschuldigingen in te bren-
gen, dat grj my zoolang ter biecht gehouden hebt,
sinds ik evenveel genoegen gevonden heb in het
betuigen van de goede belijdenis,
als u met mogelyk-
heid hebben kunt er een getuige van te zrjn. Mijne
gevoelens zijn bij deze gelegenheid zoo hemelsch
breed onderscheiden van hetgeen ik wel onder het
verhoor van een roomsen priester ondervonden heb,
dat ik wel kon wenschen om verwijding myns har-
ten en vrijmoedigheid van spreken om zelfs op de
daken der huizen uit Ie, roepen,
wat God in de binnen*
kamer voor mijne ziel gedaan heeft. Als u of een
ander van zijn geliefd volk, het gepast zou oordee-
len, dat ik op eenigen tijd rekenschap zou geven
van de hoop die in mij is, dan zal ik dit gaarne doen.
-ocr page 179-
177
Voor het tegenwoordige moet ik echter besluiten,
een aandeel in uwe gebeden verzoekende. In onge-
veinsde liefde onderschrijf ik mijzelven, weleerwaar-
de, hoogachte en geliefde vader in Christus, als
mede mijn in waarheid welkomene biechtvader,
Uwe zeer onderdanige en liefhebbende dochter in
het geloof des Evangeliums.
ELIZABETH MORTON.
P. S. Geloofd zy God na al de verscheidene
wendingen en wisselvalligheden der Voorzienigheid,
dat ik nu in plaats van kaalheid mijn haar als een
versiersel zal dragen, een keurslijf in plaats van
eenen gordel van grof linnen, en eene hoop op god-
delrjke schoonheid in plaats van in het vagevuur te
branden.
Lof zij dien God, wiens stemme ik gehoord en ge-
hoorzaamd heb, zeggende: Gaat uit van Babel, vliedt
van de Chaldëen, verkondigt met de stimme des gejuichs,
doet zulks hooren, brengt het uit tot aan het einde
der aarde, zegt: de Heere heeft zijnen knecht Jacob
verlost.
Jes. 48 : 20.
Als een barbier hebt gij mij zoo glad geschoren,
dat ik u eenige bandeaus, welke ik voor mü\'n9
kloosterdracht gemaakt had, gezonden heb, en ver-
zoek u ze als scheerdoeken te gebruiken. Ik vraag
eveneens uw gevoelen over de geschenken, welke ik
u onlangs zond, over het wijwater, de geheiligde
hostie, welke u kunt gebruiken om eenige brieven
te verzegelen, over het reukwerk, over de reliquie,
Bekeering
12
-ocr page 180-
178
welke met St. Pie* in aanraking geweest is en over
de non, welke gü in uw bezit hebt. Vaarwel! waar-
de vader, voor altijd de uwe.
* St. Pie is een heilige, die onlangs gestorven is en vol
lnizen zat. Van hem wordt bericht, dat hij gevast had totdat
zyn hart in eenen steen veranderd was. Onlangs is hij heilig
verklaard; heeft nu eenen grooten naam, terwijl door zijn ge-
raamte wonderlijke mirakelen verricht zyn.
-ocr page 181-
AAN
Mej. ELIZABETH MORTON.
Mijn geliefde Dochter !
Uwe lange belijdenis, alsmede de rariteiten, be-
staande uit eene pop in nonnenkleed, eene hostie
van drie ouwels, een zakje reukwerk, een fleschje
wijwater en het geheiligde stukje lint, hetwelk naar
uw zeggen de beenderen van St. Pie aangeraakt heeft
zijn hier goed aangekomen.
De pop met haar sluier en flanellen ondergoed
maakt zulk eene ongelukkige figuur dat mijne kin-
deren er niets mee te doen wilden hebben, of het
moet zijn om ze te berooven van het kruis, de kra-
len en andere versierselen, welke aan haar lijf ge-
haakt waren.
Van de wierook verbrandden wrj een weinig, maar
volgens onze meening was het eerder een stank
dan eene wehiekende geur. Zekerlijk is dit niet
zulke wierook als die welke onder de wet geofferd
werd, want dat was reukwerk der zuiverste welrie-
kende specerijen.
Exod. 37: 29 en men moest het
den gouden altaar ten reukwerk zetten. Exod. 40: 5.
Dit was een type van de welriekende reuk van des
Verlossers offerhande, toen Htj zichzelven door den
eeuwigen Geest Gode opofferde, en eveneens was
het eene afschaduwing van zijne immer van kracht
zijnde tussehentreding ten onze behoeve. Maar onder
de evangeliebedeeling is den menschen geen gebod
-ocr page 182-
180
gegeven zulke wierook als deze te offeren. Iedere
dienaar of engel des evangeliums is gesteld om
geestelijke offerhanden op te offeren, die Gode aange-
naam zijn door Jezus Christus
1 Petr. 2: 5. De reuk
der kennis van Christus, door zijne dienaars open-
baar gemaakt 2 Corr. 2 : 14 en de geest der genade
en der gebeden
onder wiens invloed smeekingen voor
alle de heiligen
gedaan worden Eph. 6 : IS zyn in eene
beteekenis der woorden hetgeen bedoelt wordt door
veel reukwerk, hetwelk den engel gegeven werd,
opdat hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen
op den gouden altaar.
Openb. 8 : 3. Nederige belij-
denissen, smeekingen, voorbiddingen, dankzeggingen
en levendige lofzangen, opofferd in der geest en
waarheid door het vuur van goddelijke liefde in
het hart en vergezeld van vurige uitgangen en ver-
langens naar God, worden met reukwerk vergele-
ken : Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw
aangezicht; de opheffing mijner handen als het avond-
offer.
Ps. 141 : 2.
Maar om zulke waardelooze stof als deze te offeren
onder het evangelie, hetwelk de bediening des Goes-
tes is. waaronder de offerhanden van een gebroken
bart en een verslagen geest en de aanbidding in
geest en waarheid geboden zijn, dit is eeneverach-
ting van de offerhande van Christus en van het bid-
den van den Geest Gods in ons, zoowel als opstand
tegen de geboden Gods, die het ten strengste ver-
bieden. En brengt niet meer vergeefschen offer; het
reukwerk is mij eenen gruwel.
Jer. 1 : 13. Maar op
dezen zal ik zien; op den armen en verslagenen van
geest en die voor mijn Woord beeft. Wie eenen os slacht
slaat eenen man
; wie een lam offert breekt eenen hond
den hals, wie spijsoffev offert is als die zwijnenbloed
offert, wie
wierook brandt ten gedenkoffer is als die
eenen afgod zegent.
Jes. 66: 2, 8.
-ocr page 183-
181
De godsdienst van Jezus Christus bestaat in het
deelachtig zün van dat geloof, hetwelk is door de
werking van Gods Geest, van eene evangelische
droefheid naar God en van eene geboorte uit God.
Dit maakt ons tot nieuwe schepselen in Christus.
Want in Christus Jezus heeft noch besnijdeniseenige
kracht noch voorhuid maar een nieuw schepsel. Én
het geloof door liefde werkende.
Gal. 6: 15 en 6.
Deze godsdienst is van Christus en Christus ia
het wezen van deze godsdienst. Zrj kwam van Christus
en zal tot Christus leiden en in Hem eindigen. Hij
zal dezelve erkennen en eeren wanneer elke andere
zich zal vertoonen als een kleed, dat de mot opeet.
Een godsdienst van menschelyke vinding is geheel
uitwendig. Dezelve bestaat in lichamelijke oefening,
die tot weinig nut is." 1 Thim. 4: 8 in eigenwillige
godsdienst
Coll. 2 : 23 in nederigheid na zijnen wil
Coll. 2: 13 in verscheidene wasschingen Hebr. 9: 10
in het onthouden van spijzen IThim. 4: 3in gemaakt
vasten
Jes. 57 : 5 in het toonen van een schoon ge-
laat na den vleesche.
Gal. 6: 12 in het buigen voor
afgoden, ouwels en relequien; in het aanbidden van
engelen,
Coll. 2: 18 heiligen en zondaren. Hun ver-
trouwen is in wonderen der leugen 2 Tess. 2:9 in het
doen van teekenen der duivelen
Openb. 16:14 in doods-
beenderen.
Matth. 23:27 in oudwijfsche fabelen 1 Thim.
4: 7 in het onderhouden van dagen Gal. 4 :10. in be-
driegerijen der menschen
Eph. 4: 14 en vleeschelijke
wijsheid
2 Cor. 1: 12 En dit alles doorphilosophie en
ijdele verleiding naar deoverlevering der menschen,naar
de eerste beginselen der wereld en niet naar Christus
Col. 2 : 3.
Zulke dweepers verrichten hunne godsdienst als
straf voor hunne zonden, welke dezelve tot oogen-
dienst maakt, verricht in de boeien van een slaaf, in
slaaf sche vrees, naar de leeringen en geboden van men-
-ocr page 184-
182
acben. Zulk een godsdienst is volmaakte dienstbaar-
heid, en er kan geen ware vreugde noch zaligheid
zy"n, tot ze voorbij is en de voeten van den armen
slaaf losgemaakt worden uit den stok.
Het rondtasten in de graven, het buigen voor ge-
raamtens en het vereeren van beenderen maakt dat
de belijders meer gelijken op mollen en vledermui-
zen dan op de vleugelen eener duif, overdekt metzil-
ver en welker vederen zijn met uitgegravenen geluwen
goud
Ps. 68 : 14.
Uwe belijdenis is zeer oprecht, eenvoudig en ge-
trouw en zeer betamende aan een gedenkteeken
van barmhartigheid, welke de eere Gods op het oog
heeft en begeert dat de genade zich in haren eigenen
luister moge vertoonen. Die in het vleesch zyn zul-
len immer zorg dragen, dat de gevallen natuur ver-
heven wordt, maar zy die gesmaakt hebben ; dat de
Heere genadig is, zullen immer erkennen, dat zy\'de
voornaamste der zondaren zijn en dat zy\' door Gods
genade zyn die zy\' zyn.
Ik loof God betreffende u, dat myne arbeid aan u
niet ydel geweest is. God heeft u in de smeltkroes
gebracht, opdat Hij u krachtdadig van alles ontdoen
en reinigen mocht. Hoe meer het fijn goud gereinigd
wordt Jes. 13 : 12, hoe helderder het blinkt; hoe
beter het vat van zy\'nen droesem ontdaan is Zeph,
1 : 12 hoe meer goddely\'ke waarde het zal hebben
en God heeft beloofd dat degenen die hongeren en
dorsten verzadigd zullen worden.
Gy zult nu ongewone goedgunstigheid en onuit-
Bprekelyke vreugde ondervinden en als dit het geval
is, smeek dan den Heere, dat hy\' u in toekomstige
beproevingen wil bewaren. Doe evenals de Psalmist;
leg eenige smeekingen in den hemel op tegen een
regenachtige dag; Daarom ook terwijl de ouderdom en
grijzigheid daar is en verlaat mij niet o God.
Ps. 41:18.
-ocr page 185-
183
Btj gebrek aan een weinig van deze wijsheid in ty-
den van heilige gemeenschap met God hebben velen
wederom verlangd eene der dagen van den Zone des
menschen te zien
en hebben Z9 niet gezien. Luk. 17:
22. Zrj hebben gewenscht dat zrj beter gelet had-
den op het werk Gods aan hun ; dat zrj de belof-
ten welke zij toen ontvingen opgeschreven hadden
en hunnen mond een weinig wyder open gedaan
hadden toen God zoo goedgunstig was dezelve te
vervullen. Ps. 81: 10. Dit is een wijze stap in jonge
Christenen, maar helaas! hierin zijn wij evenals
onze vader Abraham in zrjne voorbidding voor So-
dom : Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen," zegt hij
en zoo bracht hrj zes achtereenvolgende pleitredenen
voort, welke alle met goedkeuring aangehoord en
bevestigend beantwoord werden, maar Abraham
verslapte in het verzoeken, eer God dit in het toe-
staan deed, want toen hrj tot tien gekomen was
Gen. 18 : 32 hield hrj op, ofschoon de Heere nog
stond te hooren of hrj nog iets meer had in tebren-
gen. Abraham hield echter op met pleiten en de
Heere hield op met schenken en daar hrj niets
meei te vragen had ging de Heere weg, want Abraham
had opgehouden te spreken en de Heere eindigde
tot Abraham te spreken. Gen. 18: 33.
Komt stoutmoedig tot den troon der genade. Een
geloovijje met een verbroken hart, met Christus in
de armen zrjns geloof en de beloften Gods in zijnen
mond is even geducht wanneer hrj den hemel be-
stormt als een leger met banieren, want hetleven-
de geloof zal het beleg nimmer opbreken, tenzrj de
banier der liefde nedergehaald wordt. Alle dingen
zrjn mogelyk dengene die gelooft.
Sta naar eene hartelijke gevoelige vereeniging
onder den invloed van den geest der liefde. Die hier
een vreemdeling aan is, zal zekerlrjk ophouden vruch-
-ocr page 186-
184
ten te dragen, of ze afwerpen eer ze rijp zijn. Wij
kunnen geen leven ontvangen, tenzij wij met den
wijnstok een zijn. Wij kunnen geen kracht uit Hem
ontvangeD, tenzij wij door het geloof Zijne kleederen
aanraken en wanneer niet de wortel Davids ons het
leven geeft, van waar zal het blad en de vrucht der
godsdienst voortkomen. De rank kan geen vrucht
dragen van zichzelven,
maar de Heere heeft uwe ban-
den losgemaakt,
uw steenen hart weggenomen en u
het dal Achor tot eene deur der hoop gegeven. Hosea
2 : 14. Gij kunt ingaan en uitgaan en weide vinden
Joh. 10: 9 hetwelk de grootste zegen is welke ooit
in deze wereld genoten werd en de eenige gelukzalig\'
heid, welke er ooit in gevonden zal worden.
Het spijt mij zeer te vernemen, dat uwe arme
tabernakel in zulk een slechten toestand is, maar
dezelve is niet erger dan de mijne geweest is. Grj
zijt niet de eenige wier schoonheid vergaan is als
van het kleed, dat de mot doorknaagt: anderen
hebben gevoeld, dat hunne knieën struikelden van
vasten
en over hunne oogleden was de doodschaduw even
goed als bij u. Indien God u onbekwaam gemaakt
heeft uw brood te winnen, dan zal God een ander
bekwamen om dat te doen; in zulke gevallen is
het vermogen des zondaars voor den rechtvaardigen
weggelegd.
Spr. 13: 22. Grj kent den inhoud der be-
loftes en grj weet eveneens waar dezelve te halen
zijn. In den hemel is zoo goed eene bank als in Lon-
den en het papier is daar even goed gangbaar als
hier, tenzij het door de kunst van den werkman
niet vervalscht of nagemaakt is. God kent zijne
eigene beloftes, en zal Zijne eigene handelingen en
daden nimmer verloochenen, noch weigeren zijne
eigene banknoten te erkennen. Hetgeen ons aan
deze bank in de war brengt, zijn de huichelarij van ons
eigen hart en ons ongeloof. Ons is geboden met een
-ocr page 187-
185
waarachtig hart en in volle verzekerdheid des geloof8
toe te gaan en in geloove te handelen en gebrek
aan deze zaken is de oorzaak, dat wij zoo weinig
door onzen handel verkrijgen.
Voor het tegenwoordige moet ik afscheid van u
nemen. Ik heb veel om handen, maar weinig in
mijn hoofd en nog minder in m\\jn hart. Dat uwe
omgang en gedrag zü zooals dat het evangelie van
Christus betaamt en dan zult gij mü\'ne vreugdeen
kroon zoowel in dit leven als in het toekomende
zijn.
Genade, barmhartigheid en vrede zy met u, ter-
wyl ik verblijf een medehelper uwer vreugde zoo-
wel als uw biechtvader.
WILLIAM HUNTINGTOK
-ocr page 188-
Aan den WelEerwaarden Heer
HUNTINGTON.
Geliefde Vader.
Nu zal ik u een voorstel doen en wel betreffende
den eersten langen brief, welke u mrj zond. Ik heb
de zaak goed overwogen en haar tot een onderwerp
des gebeds gemaakt, dat God hem evenals aan mrj
ook aan anderen tot een zegen wilde doen verstrek-
ken. Daar ik nu meer en meer dorst naar de eere
Gods en het goede van zielen zoo geef ik van gan-
scher harte mrjne toestemming, dat dezelve,indien
u het verkiest, in uw volgende brief des geloofs
openbaar gemaakt wordt. Met de pen heb ik die
zaken doorgehaald, welke ik wensch dat u verande-
ren of wel geheel zult weglaten. Indien gij tegen
dezen voorslag niets hebt in te brengen (want het
hangt geheel van u af) zoo zal ik u dezelve per eerst-
komende gelegenheid ter correctie overzenden. Om
eerlijk te zijn, waarde heer, zou het mrj sprjten
en leed doen, indien dezelve niet openbaar gemaakt
werd, want veronderstel eens, dat het nog een
middel zyn mocht om eenige arme misleide Katho-
lieken tot eene zaligmakende kennis der waarheid
te brengen; en hield ik dezelve nu achter slot, dan
zou ik mrjzelven (als ik dit wist) moeten verwijten
dat ik er de oorzaak van was. Ik wensch er ook
eenige copies van over te zenden naar eenige En-
gelsche dames in Frankrijk en mrjne eigene zuster
deelt mrj mede, dat zij in gezelschap van eenen
Roornsch priester geweest was, die van mrj gehoord
-ocr page 189-
187
bad en er zeer naar verlangt denzelve in te zien
Ik heb een voorgevoel dat dezelve tot nut zalztfn,
en u moogt er de beginletters van rayneD naam ge-
rast onderzetten, anders kon het zijn dat degenen, aan
wie ik dezelve in Frankryk zal zenden, niet geloo-
ven, dat hij aan mij gericht is. Maar deze zaken laat
ik geheel aan u over. Nu kent u mjjne gevoelens;
handel er mede zooals het u goeddunkt.
ELIZABETH MORTON.
ï
-ocr page 190-
Aan Mejuffrouw ELIZABETH MORTON.
Geliefde Juffrouw!
Uw voorstel omtrent mijn eerste langen brief
ontvangen, hetwelk gij in uw gemoed overwogen
hebt en dat gij uwe toestemming en goedkeuring ge-
geven hebt om ze in mijn eerstvolgende Brief des
•Geloofs openbaar te maken; alsmede dat ik er de
beginletters van uwen naam onder mag plaat-
sen, enz.
Wat mij betreft dan verlang ik er niet naar de-
zelve openbaar te maken, ofschoon het door velen
verlangd wordt, daar ik volgens mijne gedachte vele
brieven onder mij heb die kostbaarder zijn. Evenwel
daar gij uw voorstel gezonden hebt, zoo zend ik u
nu mrjne voorwaarden.
Op de volgende voorwaarden zal ik aan uw ver-
zoek voldoen, namelijk dat ik of gij, zooals u dit
verkiest, elke familiezaak, die niets met het dispuut
te maken heeft, zullen weglaten en ik zal datgene
verbeteren, uitbreiden, weglaten of veranderen, wat
ik denk noodig te zijn, daar dezelve in overijling
geschreven werden: Ik zal echter zorg-dragen het
wezen derzelve te bewaren en dan zoowel uwe als
mijne brieven publiek maken. In plaats van debe-
ginktters van uwen naam er onder te plaatsen zal
ik zoowel uwen als mijnen naam voluit schrijven,
opdat de menschen mogen weten, wie wij zijn en
waar wij wonen. Op deze voorwaarden en op geene
andere zal ik den eersten brief publiek maken. Gij
kunt niet tegenspreken dat uwen naam voluit in
-ocr page 191-
189
het geslachtsregister van het verborgen Babyion staats
Indien dit zoo is, dan kan het u tot geene oneer
verstrekken om vermeld te worden, onder de vaderen
van den berg Zion;
te meer daar wjj reden hebben
te gelooven, dat uwen naam geschreven is in het
boek des levens des lams
of onder degenen die ge-
schreven zijn ten leven te Jeruzalem.
Wij hebban geene redenen beschaamd te zyn;
dat onze naam voor de zaak der waarheid en het
werk Gods geplaatst wordt, als wij overwegen, dat
onze gezegende Zaligmaker de Zoon des Menschen
werd en zonde voor ons gemaakt is toen Hrj onze
zaak op zich nam ofschoon Hij zelve zonder zonden
was. De psalmist, een gekroond hoofd schaamde zich
niet te zeggen : Komt, hoort toe, o alle gij die God
vreest,
ja zelfs om het der wereld bekend te maken
wat God aan zijne ziel gedaan heeft en onze plicht
is het dit ook te doen. Alle uwe werken Heere zul-
len u loven en uwe gunstgenooten zullen u zegenen. Zij
zullen de heerlijkheid uws koninkrijk vermelden en
uwe mogendheid zullen zij uitspreken. Om der menschen
kinderen bekend te maken zijne mogendheden en de
eere der heerlijkheid zijns koninkrijks
Ps. 145; 10,
11, 12. Hier zytgy geene vreemdeling aan, de kracht
van des Heeren hand en het gerommel zijns inge-
wands
heeft zich niet tegen u ingehouden.
Hrj heeft die zaligheid aan u geopenbaard, die
niet in eenen hoek geschiedt, waarom gij ook
geene reden hebt om u over hare bekendmaking te
schamen, te meer daar Hrj ons bevolen heeft het-
geen in de binnenkamers gesproken is op de daken
te prediken.
Nu kent grj mijne gevoelens; handel in
deze zaak zooals het u goeddunkt.
In waarheid kan ik zeggen, dat mijne ziel zich
in uwe zaligheid verheugt. Ik schrijf nu met veel
genoegen aan u. Gij komt nu in denzelfden weg,.
-ocr page 192-
190
waarin al mijne lust is. Gij legt aan dezelfde mede-
lijdende boezem, stelt uw vertrouwen in hetzelfde
voorwerp, roept denzelfden naam aan, gaat toe in
dezelfden verschen en levendigen weg en ziet uit
naar dezelfde mildadige hand.
Ik weet nu waar ik u moet vinden en hoop u
dagelijks aan dien troon te ontmoeten, waar alle
voorkomende smeekingen worden heengezonden,
waar goddelijk gehoor gegeven wordt, waar elke
zielsdroefheid aanschouwd wordt, waar alle smarten
verlicht worden, waar de zaak van den rechtvaar-
dige zekerlijk verhoord wordt: en vanwaar elk za-
ligmakend onderwijs, bestuur, elke terechtwijzing
en vertroosting komt. Christus is het eenige voor-
werp in wien goedertierenheid en waarheid elkan-
der ontmoeten en in wien een verzoend God en
wij elkander ontmoeten. De Heere zende u immer
uwe hulp uit het Heiligdom en ondersteune u uit Zion.
Hij gedenke alle uwe spijsoffer, Hij geve u na uw
harte en vervulle al uwen raad.
Laat Gods eer en zijne zaak u na aan het hart
liggen en een deel hebben in al uwe smeekingen;
stel een teedere conscientie op hoogen prijs; sta
verre van alle zonde: verbreek de banden der kin-
derlijke vreeze niet; laat Gods geheele Woord de
regel van uw geloof en praktijk zijn en toets uwe
ondervinding, uwe doeleindes, ja ieder gevoel, iedere
neiging, iedere beproeving, iedere verandering, ieder
kruis en ieder geestelijk gevoelen hier aan. Houdt
zoo uw pad zuiver door het te houden naar Gods woord.
Staat dan in de vrijheid en wordt niet wederom met het
iok der dienstbaarheid bevangen. Vertrouwt den Heere
met uw gansche hart en steunt op uw verstand niet."
Daar ik een gedeelte uwer smarten gedragen heb,
zoo heb ik nu ook deel in uwe vreugde. Van harte
dank ik God voor Zijne meer dan overvloedige ge-
-ocr page 193-
191
nade u bewezen en hoop, dat Hij u standvastig in
het geloof zal houden, opdat gij niet langer een
kind moogt zijn dat omgevoerd wordt met alle wind
der leere, door de bedriegerij der, menschen, door arg-
listigheid om listiglyk tot dwaling te brengen.
En
daar gij nu vrijmoedigheid en toegang tot God met
heilige gemeenschap gekregen hebt, ijvert dan na de
beste gaven;
geeft acht op uwegebeds verhooringen,
verkrijg beloftes en schrijf dezelve op, en dan zul-
len dezelve u in tijden van benauwdheid tot onder-
steuning verstrekken, wanneer gij evenals de Psal-
mist op hen zult pleiten: Gedenkt des woordts tot
uwen knecht gesproken op het welk gij mij hebt doen
hopen.
Sta boven alles naar eene hartelijke en ge-
voelige vereeniging met den Heere, leer om voor
uzelven te handelen en niet geheel op het vuur van
een ander ite leven. De eeuwige band der vereeni-
ging is de liefde, dewelke de band der volmaaktheid
genaamd wordt en waar deze vereeniging nauw is,
daar zal de gemeenschap zoet zijn. Onder de genie-
ting hiervan zult gij in staat zijn uwe klachten aan
uwen medegevoelende Heere te ontboezemen, en door
uwe ziel voor Hem uit te gieten, evenals uwe zus-
ter Hanna, zult gü meteen verheugd aangezicht van
uwe knieën opstaan. "Werp alle uwe zorgen en be-
kommernissen daar neder, zooals u bevolen is, en
Hij zal u onderhouden, zooals Hij beloofd heeft. Maak
hem gedurig uwe nooden bekend en dan zal Hij zün
gemoed en wil aan u openbaren. Overpeinszijn Woord
en zijne werken en dan zal Hij u de gedachten zijns
harten
bekendmaken, welke van geslachte tot geslachte
bestaan.
God heeft beloofd in Zijne liefde te zwijgen.
Zeph. 3: 17 en jik hoop, dat hij u bekwaam
zal maken in de uwe te rusten. Indien twee tezamen
leggen zoo hebben zij warmte
Pred. 4:11. Wij hebben
1) Eng. te rusten.
-ocr page 194-
192
de belofte van gemeenschap met den Vader en met zij-
nen Zoon Jezus Christus
; tracht dezelve te behouden;
wees als Enoch ; wandel met den Zaligmaker en dan
zult gij veilig wandelen, want indien zij vallen, de een
richt zijnen metgezel op, maar wee dengenen, die ge-
vallen is, want daar is geen tweede om hem op te hei-
pen. En indien iemand den eenen mocht overweldigen,
zoo zullen de twee tegen hem bestaan en een drievoudig
snoer wordt niet gebroken.
Pred. 4: 10, 12.
Driemaal gezegend zij uwe ziel, indien zjj aldus
in vereeniging en gemeenschap met den Vader en
Zijnen Zoon Jezus Christus opgenomen is, want gij
zult de dauw des hemels in uw hart en het licht
Gods op uw hoofd gevoelen. Dan zal uw gemoed
rein, geestelijk en hemelsch zijn: uwe genegendhe-
den zullen onder den invloed komen van de iiefde
Gods, de hemel zal in het gezicht zijn en dagelijks
zullen er vele voorsmaken van genoten worden. Gij
zult bij uw geloof deugd voegen en een e ziel bezit-
ten, die met Goddelijke keuschheid gezegend is en
welke rein gehouden wordt van den droesem van
geestelijke boosheid, en van al de drogredenen, too-
venary, dronkenschap, hoererij en al de geheime
helsche onkeuschheid van iedere mijstieke koppe-
laarster, Wie zal eene deugdehjke huisvrouw vinden?
want hare waardij is verre boven de robijnen. Sterkte
en heerlijkheid zijn hare kleeding en zij lacht over den
naderenden dag. Vele dochteren hebben deugdelijk gehan
deld, maar zij gaat die allen te boven. De bevallig-
heid is bedrog en de schoonheid ijdelheid, maar eene
vrouw, die den Heere vreest, die zal geprezen worden.
Geeft haar van de vrucht harer handen en laat hare
werken haar prijzen in de poorten
Spr. 31. Amen, ja
amen zegt uw liefhebbende vriend en vader in de
banden des evangeliums.
WILLIAM HUNTINGTON.
-ocr page 195-
Aan den Heer HUNTINGTON.
Mijn geliefde vader in Christus !
Sedert het Gode behaagd heeft mü van het gru-
welyk kwaad der zonde, de verschrikkingen Zijner
wet en de schrik eener schuldige conscientie te over-
tuigen, waar ik maanden lang onder gezwoegd heb
zoo maak ik u de wezentlijke en vreugdevolle ver-
andering, welke ik nog ondervind en aan mijne ziel
geniet, met geen kleine vertroosting bekend, waar-
van ik u de eerstvolgende gelegenheid eene nauw-
keuriger beschrijving zal geven.
Uit een diep gevoel van mijn verloren toestand
als een verloren zondares ben ik aan de voet van
het kruis des Zaligmakers gebracht, om door de ver-
diensten van Zijn verzoenend bloed zoowel vergif-
fenis als vrede te ontvangen en heb bevonden, dat
Hij een God is, die de gebeden hoort en beantwoordt.
Welke lieffelijke uitnoodigingen lees ik in Zijn Woord
voor de goddelooste der zondaren om tot Hem te na-
deren.
En daar ik mrjzelven als eene zoodanige heb lee-
ren kennen en aan den anderen kant mvjne behoefte
aan eenen Zaligmaker gevoeld heb is tot mij het
woord dezer zaligheid gezonden;
Hrj heeft mrj ver-
gevende en levendmakende genade geschonken,
waarom ik aanhoudend wil pleiten op Zrjne belof-
tes, vurig bidden om vermeerdering des geloofs,
Hem smeeken jom het ongeloof weg te nemen en
iedere vreeze en twijfeling te verdrijven, hetwelk
ik geloof dat Hij ter zijner eigenen tijd door zijner
Bekeering
13
-ocr page 196-
194
geliefden Zoon Christus Jezus zal doen. Ofschoon
ik om dit alles dikwijls gezucht heb zonder woor-
den te gebruiken, zoo kende Hij nochtans mijnen
toestand, waar ik in verkeerde, zeer wel, had ont-
ferming met mij en deelde in mijne benauwdheid;
dit alles, mijnheer en nog veel meer, dat ik niet in
woorden kan brengen, gevoel ik nu:
Die schrik, moedeloosheid en schuld welke ik ge-
voelde, is nu weg genomen, in de plaats waarvan
vreugde en vrede in mijn hart opspringen. Ik gevoel
dat mijne zonden vergeven en uitgewist zijn door
de toepassing van Zijn verzoenend bloed. Ik weet
dat Hij verhoogd is om juist zulk eene zondares
als ik ben te bekeeren, en daar ik eene diepgevoelde
droefheid over de zonde en de dwaze beloftes, die
ik gedaan heb. ondervonden heb, zoo is mijn nede-
rig vertrouwen, dat mij nu een goddelijke droef-
heid, welke eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid
werkt,
geschonken is.
Geloofd zü God, dat ik weet, dat barmhartigheid
zijne lievelingseigenschap is om dezelve aan diege-
nen te bewijzen, welke hunne behoefte aan barm-
hartigheid gevoelen, Heb ik dan geen recht hem als
mijn Zaligmaker toe te eigenen? Zekerlijk heb ik
dit, want dezelve Geest getuigt met mijnen geest dat
ik zijn kind ben.
Ik ondervind dat ik tot den troon
der genade kan toegaan met nederige stoutmoedig"
heid: een sterk vertrouwen en eene volle overtui-
ging dat God mijn Verbondsvader is. Mij dunkt dat
ik eenen zoeten toegang tot Hem heb, want onlangs
heb ik klaarblijkelijke gebedsverhooringen gehad en
ondervond eene vurigheid in het verzoeken van die
zaken, welke Hij mij sindts geschonken heeft. Hoe
aangenaam is het gebed der ziele als God den Geest
der genade en der gebede geeft! Alle smarten wor-
den hier verlicht, zooals u opmerkte. Wanneer het
-ocr page 197-
195
hart overstelpt wordt door benauwdheid en droefe-
nis, dan is hier de boezem van een genadig Zalig-
maker om dezelve in uit te storten, dewelke, daar
Hij een man van smarten was en verzocht in krank\'
heid,
daar Hij evenals wij beproefd en verzocht ge-
weest is, onze zwakheden kent en weet wat maak-
sel wü zijn en, met ons medelijden kan hebben,
wanneer het vertrouwen in het schepsel ijdel zal
blijken.
Als wij in tijden van benauwdheid bekwaam ge-
maakt worden onze klachten voor Hem uittestor-
ten, hoe verlicht dit het verontruste gemoed! En
hiertoe worden wy aangemoedigd, want Hu\' heeft
gezegd, dat Hij hierom verzocht zal worden. Hij be-
veelt ons door vurige gebeden aanhoudend met Hem
te worstelen, en schept er behagen in het gebed te
verhooren, want tot den huize Israëls heeft hij niet
gezegd: Zoek mij te vergeefs"
Dewijl wij dan weten,
dat Hü getrouw is aan Zijne beloften, mocht God
onze harten dan neigen Zijn aangezicht dagelijks
te zoeken en telkens om eene versche toediening
Zijner genade te smeeken. Dat wij meer en meer
de ware geestelijke armoede mochten gevoelen,
want Hü heeft verklaard, dat Hij de rijke ledig zal
wegzenden.
Hij wordt gezegd te wonen bij dien, die eenes ver-
brijzelden en nederigen geestes is,
om die levendig te
maken
en niet om die te dooden. Dit is eene zoete
vertroosting voor eenen zondaar met een verbroken
hart en is dikwijls met groote kracht en vertroos-
ting tot mij gekomen. O gelukzalige staat! een ken-
nis te hebben van onze zaligheid door de vergeving
onzer zonden;
om eene vaste overtuiging te bezitten
van ons aandeel in het bloed en de gerechtigheid
van Jezus Christus; om eene goede hope door ge-
nade te hebben en te weten, dat ik vrij ben van
-ocr page 198-
196
de dienstbaarheid en het vonnis der wet door Zijne
volmaakte gehoorzaamheid aan dezelve; ook kan
zy degenen, die Christus Jezus zyn in geen enkel
punt meer veroordeelen. Gezegend is die ziel, welke
God gewillig gemaakt heeft in den dag zynerheir-
kracht om alleen door vrije genade gezaligd te
worden.
Wat mij betreft zoo vind ik tegenwoordig in de
leer der verkiezing eene onuitsprekelijke vertroos-
ting. Als eene ziel wedergeboren is door den Geest
uit de hoogte, naar den inwendigen mensch dage-
lijks vernieuwd wordt, als Gods eeuwigdurende
•liefde door den Heiligen Geest in zijn hart uitgestort
wordt, en Christus, de hope der heerlijkheid e6ne
gestalte in dezelve krjgt, als men door het getui-
genis eener gereinigde conscientie zeggen kan: De
Heere heeft mij uitverkoren, en terzelfder tijd deze
dierbare woorden ondervindt: Zoon, hebt goeden
moed, uwe zonden zijn u vergeven"
en ook hetgeen
staat in Rom. 8; 1. Zoo is er dan geene verdoemenis
voor degenen die in Christus Jezus zijn,
dan is dit
geheele kapittel alsmede Johannes 17, in het kort,
de geheele Bybel vol vertroosting voor degenen, die
hunne roeping en verkiezing vast kunnen maken.
Ik zeg als dit het geval is dan zijn verkiezende
liefde en eene toegerekende gerechtigheid inderdaad
pilaren voor de ziel, want dezulken zijn hemelsch
gezind en hunne harten zijn vast betrouwend op den
Heere.
Dikwijls heb ik gedacht, dat de verlossing van
Noachs gezin eene onderscheidende tentoonspreiding
van Gods souvereine en onderscheidene genade
was, Wat moeten zij niet gevoeld hebben toen zy\'
eene veilige sch\'iilplaats in de ark vonden terwijl
de overigen door Gods oordeelen weggevaagd wer-
den 1 O hoog begunstigde en Gelukkige Noach! gy
-ocr page 199-
197
vondt genade in de oogen des Heeren uwgeheele
huis werd veilig bewaard, terwijl al de anderen aan
eenen dubbelen vloed blootgesteld werden! En zoo
is het nu ook met eene ziel die uit God geboren
is: zij gevoelt zichzelven volmaakt veilig in de
klove der steenrots voor den geheelen storm van
Gods toorn. Het gezin van Noach was niet bevreesd
in den vloed te zullen omkomen, want God was
getrouw aan zijne belofte; Hij sloot hen binnen en
hield hen binnen en zoo is het nu ook. Ik zal nim-
mer gelooven, dat eene ziel, welke Christus door
Zn\'n bloed gekocht en door Zijne genade vernieuwd
heeft, volkomen kan afvallen. Het is onmogelijk, daar
Gods Woord uitdrukkelijk het tegendeel verklaart,
want Hij heeft lief tot den einde. God heeft ons uit-
verkoren in Christus voor de grondlegging der wereld
opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Eem
in de liefde,
en dezulken zal Hij in het einde ver-
heerlijken, want al degenen, die met Hem zijn, zijn
geroepen, uitverkoren en geloovig.
Zij welke deze zaken tegenstaan, als ik eens deed,
kenden nimmer de vertroosting van deze leer; was
dit het geval, dan zouden zy er nimmer tegen op-
komen. Ik loof God voor eeuwig, dat Hij mij van
dat werk verlost heeft en zoaals ik nederig betrouw
mrj nu in de waarheid, zooals die in Jezus is, be-
vestigd heeft.
De Schrift verklaart, dat het geloof eene gave
Gods is en dat het zonder datzelve onmogelijk is
Gode te behagen, want al wat uit den geloove niet
is, dat is zonde.
Indien dit zoo is, dan zijn goede
werken vruchten des geloofs, en hoeveel aangena-
mer is het uit de beginselen van geloof en liefde
dan door slaafsche vreeze te werken I Ons vermaak
is in het doen van den wille Gods, opdat wij de
leere Gods onzes zaligmakers in alles mogen versieren.
-ocr page 200-
198
De verlangen onzes harten gaan naar Hem uit, als
het hoogste voorwerp onzer genegenheden: de ziel
sterft aan al het zin en zienlijke; alle geschapen
goed verwelkt, al het groene gras en onze eenige
smart spruit voort uit eene vreeze van Hem te zullen
beleedigen.
Als de geliefde Verlosser aldus alles in allen is, wat
is er dan eene hartelijke gevoelige vereeniging tus-
schen Christus en de ziel en welk eene zoete ge-
meenschap met Hem aan den troon der genade.
Onlangs heb ik ondervonden, dat Hü de liefelijkste
Metgezel is, waar ik ooit in mijn leven mede om-
ging, zoodat ik dagelijks van elk ander voorwerp
gespeend wordt. In waarheid is die ziel gelukkig,
welke zijne hand op zijne conscientie kan leggen
en zeggen : Jezus is mij dierbaar! Ik weet dat Hy
als God-Mensch algenoegzaam is, om mij zalig te
maken en Hij heeft beloofd, dat Hij niemand, die
tot Hem komt zal uitwerpen en gelooft zij Zijnen
naam, dat Hij mü gewillig gemaakt heeft in den
dag Zijner heirkracht om Hem te omhelzen. Dat ik
Hem maar meer kon liefhebben ! Dat ik Hem maar
nauwer aan kon kleven, afhankelijker van Hem leven
en Hem meer in mrjn leven en omgang verheerlïj-
ken.
Ik beken, mijnheer, dat ik door mijn Roomsch
worden verschrikkelijk gevallen ben, tot groote on-
eer van het evangelie, maar ofschoon ik voordien
tijd het evangelie gehoord had, zoo had ik het ech-
ter nimmer klaar verstaan en ook had ik er nim-
mer de kracht van gevoeld, totdat God mij onder
uwe bediening raakte en my op de meest zonder-
linge wrjze in mü\'n dwaze loopbaan om naar Frank»
rijk terug te keeren, hetwelk binnenkort plaats
gehad zou hebben, staande hield.
Ik denk ook te mogen vaststellen, dat de meeste
-ocr page 201-
199
uwer brieven voor mij van een goddelijke kracht
vergezeld geweest zijn, waarom u de volste vrijheid
hebt dezelve publiek te maken. Ook de mijne moogt
gij uitgeven, indien gü denkt dat het in de oogen
des Heeren recht is. De Heere geve, dat zij den een
of anderen zondaar tot nut mogen verstrekken.
Ernstig bid ik dat de een of andere misleide Room-
sche die het gebruik des Bijbels mist, er onder ter
nedergeveld moge worden, als met mij het geval
geweest is.
Inderdaad heeft de Heere mü langs een met door-
nen omtuimd pad geleid, maar op eenen rechten weg
heeft Hü mrj gevoerd en verzekerd ben ik dat ik
binnenkort tot eene stad ter wooning zal gaan. Dat
de Heere mij het geloof vermeerdere.
Helaas! in welk een akelig licht zie ik nu den
staat der Roomsche kerk! Hoe velen loopen daar
in onwetendheid en Egyptische" duisternis blinde-
lings ter helle! geheel beroofd van Gods Woord,
terwy\'1 Hü ons ten strengste geboden heeft de Schrif-
ten te onderzoeken
en ons gezegd heeft, dat geene
Schrift van eigener uitlegging is.
Eenige priesters ont-
kennen, dat zü het volk den Bijbel onthouden; ik
ben echter eene levende getuige dezer waarheid,
daar ik mrjn uiterste best gedaan heb de mijne te
behouden. Zeker ben ik er van dat dit boek in den
dag, wanneer de verborgenheden aller harten aan
het licht gebracht zullen worden, als een snel ge-
tuige tegen hen zijn zal. Maar hoe kan hetookan-
ders als God hunne harten verhard heeft, evenals
Hij dit Pharao\'s harte deed ? want zij weigeren door
Zijn Woord onderricht te worden en zyn vervreemd
van de kracht des Geestes. Inderdaad een vreeselyke
toestand I
Als ik dit alles overweeg, alsmede datgene wat
God voor mij gedaan heeft; mag ik dan niet met
-ocr page 202-
200
David zeggen; Wie ben ik Heer e, Heere, dat gij mij
tot hiertoe gebracht hebt?"
terwijl duizendenoverge-
geven worden om onder den vloek, welke tegen
deze moeder der hoererijen uitgesproken is, om te
komen. Beschouw ik honderden, die ik ken, welke
nuttige leden der maatschappij zijn zouden, en nu
binnen de muren van een klooster levend begraven
zijn, terwijl zij dronken zijn door de wijn harer hoe-
rerij,
en overweeg ik dan aan den anderen kant
hoe wonderlijk God mij uit dien put des verderfs
verlost heeft, dan smelt onder dit schrijven zelfs
mijne ziel binnen in mij, onder een diep gevoel
van mijn eigen onwaardigheid en de onderschei-
dende barmhartigheid Gods aan zulk een goddeloos
zondaar als ik.
Helaas, mijnheer, ééne stap verder zou mij dieper
dan het graf hebben doen verzinken! Hoe kan ik
dit bewijs van verlossende liefde voldoende op prijs
stellen! want Hij heeft mijne ziel zelfs uit de kaken
der hel verlost en dezelve voor den hemel en de
heerlijkheid vrijgekocht. Looft den Heere mijne ziele
en al wat binnen in mij is Zijnen heiligen naam
1 en
moge ik nimmer dien God \'vergeten, welke zulke
wonderen voor mij gedaan heeft.
Uwe arbeid is op de meest klaarblijkelijke wijze
aan mij en als ik geloof aan honderden nevens mij
gezegend geworden. God heeft zijne goedkeuring aan
uwe bediening gehecht en gaat nog voort dezelve
te erkennen in spijt van eiken tegenstand. Zoover
ik zien kan wordt gij hoe meer gij tegengestaan
wordt, des te meer gezegend. Ook geloef ik, dat zijn
oor open is voor de gebeden van honderden, die
Hem aanbidden, dat Hij zulk een getrouwen:arbei-
der in Zijnen wijngaart uitgezonden heeft. Altijd
hebt gij een aandeel in mijne zwakke smeekingen,
en hoop dat God nimmer zal toelaten, dat gij mij
-ocr page 203-
201
vergeet. Ik dacht niet u zulk een langen briefte zullen
zenden, maar daar ik tegenwoordig in eene zoete
gemoedsgesteldheid en van harte gelukkig ben, zoo
laat ik zooals gy ziet mijne pen maar voortglijden.
Ik zal nu besluiten, terwijl ik biddende blijf om een
wasschen in de genade, kennis en verstand en om
eene grootere liefde tot Jezus Christus, terwijl ik
ik de liefde des evangeliums verblijf
Uw liefhebbende
ELIZABETH MORTON.
-ocr page 204-
AAN
Mej. ELIZABETH MORTON.
Mijne zeer geliefde dochter!
Zoo juist ben ik te WinchesterRow aangekomen
en was verheugd er een brief van u te vinden. Uit
den inhoud er van zie ik, dat gij nog steeds op
den berg zyt, en uwe tegenwoordige vooruitzichten
schijnen klaar en verlevendigend; moge God u daar
houden. Op den berg des Heeren zal \'t voorzien wor-
den.
Gen. 22 : 14.
Uw vurig verlangen om uwe gemeenschap met
den Heere te bewaren en uwe belijdenis eere aan te
doen, doet my veel genoegen; indien het eerste be-
oefend wordt, dan behoeft men voor het laatste geene
vrees te koesteren.
Mejuffrouw Buil, die het kleine vlugschrift getiteld
„Zions versieringen en offerhandes" schreef, is niet
meer. Van alles dat onder de zon is heeft zij een
hartelijk en volkomen afscheid genomen. Weinig
en kwaad zijn de dagen der jaren haars levens ge-
weest.
Ik zal u een weinig van hare geschiedenis
mededeelen, zooals ik dezelve uit haren eigenen
mond vernomen heb.
Ongeveer tien jaar geleden werd zij tot jaloersheid
verwekt door de onwelvoegelijke gemeenzaamheid
van haren echtgenoot met een jonge vrouw, die
des avonds bij haar kwam eten. Hij ging met haar
van huis en bleef den geheelen nacht uit, hetwelk
-ocr page 205-
208
zij eene voldoende bevestiging van haar jaloersche
verdenking oordeelde.
Terwijl zü onder het woeden van dat wreede
vuur verkeerde, ging zü naar Hijde Park, met een
voornemen zichzelven in de Serpentine rivier te
verdrinken; op datzelfde oogenblik echter werd zü
opgekeerd, staande gehouden en teruggezonden door
de toepassing van dien tekst: Doet uzelven geen
kwaad
Hand. 16: 28. Zy ging naar huis en bleef
eenigen tyd droefgeestig en zwaarmoedig. Toen dit
opgemerkt werd, werd zh" door eenen heer en zijne
vrouw uitgenoodigd om voor verandering van lucht
te Hammersmith te komen.
Terwyl zy\' daar was kreeg ik eenig last met de
oproermakers te Tbames Ditton en was genood-
zaakt naar Londen te gaan. Ik kreeg echter eene
uitnoodiging onderweg te Hammersmith te predi-
ken, waar de heer, ten wiens huize mejuffrouw
Buil was, my\' verzocht des avonds te komen eeten
en ten zünen huize te logeeren. De avond werd
doorgebracht in het vertellen aandien heer en zy\'ne
vrouw wat God aan my gedaan had, onder welk
gesprek mejuffrouw Buil getroffen en krachtdadig
overtuigd werd, dat alles onder de zon slechts üdel-
heid was. Door de gelukzaligheid die zy in my zag
werd zy overtuigd, dat er een God was die gekend
en genoten kon worden. Dit werkte krachtig op
haren geest; tot zü naar bed ging; zij won den raad
des geneesheers in, die erkende, dat hare benauwd-
heid in haar gemoed zat.
In den loop des tyds verminderden hare angsten
en herstelde zy ; zij hoorde mij toen van dezen tekst
prediken : De Heere is mijn Herder; mij zal niets ont-
breken,
onder welke predikatie zü door God tot het
licht gebracht werd. Op haren terugweg naar huis,
toen zü op den drempel van hare huisdeur stond,
-ocr page 206-
204
bracht Hrj deze tekst met kracht op haar gemoed:
Opdat uw vertrouwen op den Heere zij, maak ik u
die heden bekend, gij ook maakt ze bekend.
Spr. 22:19.
Hier vond zij eenen beteren man, die hare genegen-
heden nimmer versmaadde noch er behagen in
schepte haar tot ialoerschheid te verwekken. Haar
echtgenoot en zü\'ne ouders waren allen behjders
geweest en hadden haar onder de middelen der ge-
nade gebracht, maar toen God haar genade gaf,
veranderden de zaken; hare beproevingen werden
groot en daar zü eene wees was was er niemand
die het voor haar opnam.
Daar zü erfgenaam was kreeg haar echtgenoot
brj den dood haars vaders alles. Het centante geld
maakte hrj spoedig op en na hare bekeering tot God
verkocht hrj zich in des lands dienst, terwrjl hrj
al zrjn huisraad aan eenen uitdrager verkocht. Deze
kwam in de woning; hrj nam alles, tot haar bed toe
en liet haar alleen hare kleederen houden; zrj werd
op straat gezet, totdat een buurman haar in huis
nam.
De echtgenoot handelde als de goede man in de
Spreuken; nam den buidel gelds in zijne hand en
kwam ten bestemden dage naar zijn huis,
dat was
toen de laatste penning verteerd was. Spr. 7: 20.
Toen drong hij er op aan, dat zrj ook voor den
dienst zou teekenen, ofschoon zij een kind in leven
hadden, waartoe hrj haar door zrjne onvermoeide
pogingen overhaalde. Hrj beval haar twaalfhonderd
gulden in mrjne handen te storten, hetwelk ik aan
mrjnen zaakwaarnemer gaf, terwrjl hrj het weder zou
kunnen opvragen als hrj het noodighad.Indentrjd
van ongeveer acht of negen maanden vroeg hü het
op en verbraste het geheel. Aldus ging eene onbe-
zwaarde bezitting, welke voldoende geweest zou zijn
hen netjes te onderhouden, voor een appel en een
-ocr page 207-
205
ei weg. Daarna vloekte haar echtgenoot God in zy d-
aangezicht, verbrandde twee der Bijbels, welke aan
zijne vrouw toebehoorden, kwam in schulden en
verpandde hare kleederen. Hy liet haar zwanger
zitten en ging naar het huis van zijnen vader en
moeder, die te Eisson Green van hunne middelen
leefden. Een geneesheer, welke een bloedverwant,
van haar was, nam haar in huis en gaf haar kost
en inwoning. Hij deelde haar echter mede, dat zy
daar niet kon blijven, waarom zij eene plaats kreeg
ten huize van mejuffrouw Howe, in Charles Street,
Middleser Hospital, waar zy bevallen moest.
Eenige dagen voor zy stierf, kwam haar echtge-
noot dronken tot het huis waar hij de vrouw uit-
schold, dat zij zijne vrouw herbergde en anderen,
dat zij haar ondersteund hadden. Den volgenden
dag bracht de arme vrouw mejuffrouw Buil in eene
koets naar hare schoonvader en schoonmoeder,
opdat zij de zorg over hunne dochter op zich zou-
den nemen. Zy wenden voor dat zij te arm waren
en zeiden, dat zij daar niet kon noch zou blyvenr
waarom zij verplicht was naar mejuffrouw Howe
terug te keeren.
Hierna zond de Heer B___mij door zijnen zoon
twee brieven, welke ik hierby\' insluit, opdat gij
de helsche dieptes van huichelarij, waartoe een
afvallige onder den invloed des duivels toe in staat
is, moogt zien.
Maandagavond, den zeventiende dezer, was zy
in Providence Chapel; zij kwam in de studeerka~
mer en vroeg mij hoe het mij ging. Zy scheen bij-
zonder opgewekt, waar ik mij over verbaasde, daar
zij zoo verbazend zwaar was, dat zij zichzelven tot
eenen last geweest moet zijn.
Op den achttienden dezes, om negen uur in den.
-ocr page 208-
206
morgen, kwam zij in arbeid en kreeg des namiddags
^ene dochter en zeide: „Indien dit arbeid is, dan
is het niets bii hetgeen ik leed toen ik mijn eerste kind
voortbracht." Omtrent vier en een half uur later was
zij opnieuw in barensnood en bracht eenen zoon
ter wereld. Daar mejuffrouw Ho we bemerkte, dat zrj
ging sterven, zeide zij dit, waarop zij antwoordde:
„Ik ga sterven." Zij verlangde te spreken, maar de
dokter, die elke poging in het werk stelde zijne bloed-
verwante te redden, trachtte haar dit te beletten.
Tot den dokter zeide zij: „dat de beste der zegeningen
„uw deel zij voor uwe goedheid jegens mij." „God
„zy met u allen 1" Eerlang zal ik in bet Paradijs
„zijn. Breng mijne liefdegroete aan den Heer Hun-
„tington over en zeg hem, dat ik naar het Paradijs
„gegaan ben, waar hij niet langen tijd na mij ook
heen zal gaan." Toen draaide zij zich om en zeide:
„Mijn God! Mijn God! Mijn God!" waarop zü met
eenen glimlach den geest gaf. Let op den vromen
en ziet na den oprechten, want het einde van dien
man zal vrede zijn.
Haar echtgenoot bezocht het lijk, terwijl hij dron-
ken was; den eersten dag eischte hij hare kleede-
ren; hij beval echter nimmer hare begrafenis en
ook zorgde hij niet voor de kinderen. De vrouw,
ter wier huize ze stierf, liet haar begraven en bracht
de kleinen naar het werkhuis Mary-le-Bone voor
welke gastvrije daad zij sinds met eene vervolging
bedreigd is. Zoo werd de Schrift in waarheid beves-
tigd: door vele verdrukkingen ging zij in het konink-
rijk Gods in.
Maar de hand des Éeeren werd bekend
gemaakt aan zijnen knecht
en zoo zal Hij zijne vij-
anden gram worden.
Het is zekerlijk eene onuitspre-
kelijke zegen om bekwaamd te worden in de kaken
des doods te zegevieren. God geve dat uw einde
-ocr page 209-
207
het hare evengelijk zijn moge; dat wanneer uw
vleesch en uw hart bezwijken, God de rotssteen uws
harten en uw deel in eeuwigheid
moge zyn.
Geliefde dochter, dit is zekerlijk de wenach van
Uwen liefhebbenden vader in Christus Jezus.
WILLIAM HÜNTINGTON.
-ocr page 210-
Afschrift van de twee brieven, waarop in
den voorgaanden brief gezinspeeld werd.
Aan den Heer HUNTINGTON.
Waarde Heer!
Verschoon mij dat ik u aldus lastig val, maar
ik kan het niet nalaten, daar het gewicht der smart
mij terneder drukt en ik hetzelve moet lucht ge-
ven. O, mijnheer Huntington, de gemoedstoestand
waar ik deze weinige verloopen dagen in verkeerd
heb kan naar ik geloof slechts door de verdoemden
gekend worden en had de weerhoudende hand van
een barmhartig God mij niet bewaard, dan was ik
op dit oogenblik in de hel geweest, eene plaats, die
ik ten volle verdiend heb door mijne zonden. Zon-
der verschrikking kan ik niet op mijn afgelegd le-
ven terug zien. Ik ben te goddeloos geweest om
ooit barmhartigheid te verwachten van een belee-
digde en gehoonde Zaligmaker. Mijne gebeden om
genade schenken mij geene vertroosting. Mijne slech-
tigheden vlieden mij in het aangezicht en zeggen mij,
dat ik te slecht ben om gunst van dien God, welke
ik mijn geheele leven door veracht heb, te verwach-
ten. Zijt mij genadig, o God en werp mij niet ge-
heel weg.
Indien u de herhaalde beleedingen, welke ik u
aangedaan heb, vergeven kunt, duldt mij dan voor
een paar minuten om op u te wachten en u ver-
giffenis te vragen. Het zal eenige verlichting voor
-ocr page 211-
209
mij zijn uwe vergiffenis te hebben. ODgelukkige,
die ik ben, hoe kan ik dezelve verwachten! Terwijl
gij bezig geweest zijt mij met gunsten te overladen
heb ik dit slechts door smaadheid, valsche beschul-
digingen en allerlei soort van groffe ondankbaar-
heid, die .helsche boosheid uit kon vinden, vergol-
den. God zal het mij nimmer vergeven.
Indien u zulk eene goddelooze ellendeling ni6t bij
u wilt dulden, dan verzoek, dan smeek ik u mij
hedenavond (in de kapel in uwe gebeden te willen
gedenken. Doe het toch! ik smeek er om! ik heb
het zoo noodig I vergeef mij toch!
CHARLES BULL.
Aan den Heer HUNTINGTON.
Waarde Vriend!
Zoo moet ik u noemen, want dit zijt gij voor mij
geweest; de herinnering aan uwe vele vriendelijk-
heden met mijne lage ondankbare vergeldingen,
smart mij. Ik smeek u mü het te willen vergeven.
Myn kind zond ik eenige dagen geleden met eenen
brief naar uw huis, waarop ik in spanning een ant-
woord gewacht heb. Somtijds denk ik, dat u van
huis waart en dezelve niet ontvangen hebt, of ook
dat u geenen tijd gehad hebt. Ik vrees echter meest
dat gij denkt, dat ik zulk een hopeloos en goddeloos
zondaar ben, dat het dwaasheid zou zn\'n en tijd
verspelen om notitie van mij te nemen. Ik ben,
waarde Heer (ik voel zelf dat ik het ben) zulk een
hopeloos, goddeloos en verhard zondaar als de Satan
immer in zijne strikken gehad heeft. Als ik op mrjn
afgelegd leven terug zie, dan is mijn schuld van
zulk eenen snooden aard, dat het onmogelijk is dat
Bekeering.                                                                  14
-ocr page 212-
210
een barmhartig God, welke ik mijn geheele leven
zoo hoogly\'k vertoornd heb, my ooit genade zalbe-
wyzen of my\'ne vergiftenis verzegelen. Ik heb Hem
beschimpt, veronachtzaamd noch ooit een sprankje
hartelyke liefde jegens Hem gevoeld. In plaats dat
ik zulk een barmhartig, zulk een genadig en zu\'k
een goed Zaligmaker liefhad heb ik zyn dierbaar
Woord niet slechts veracht, maar, het is te stuitend
om het te vertellen! ben ik die goddelooze, schul-
dige, verfoeielijke ellendeling geweest om hetzelve
in stukken te scheuren en te verbranden. O, mp-
heer, het is onmogeiyk, dat zulk een rechtvaardig
vertoornd Zaligmaker ooit om genade zou pleiten
voor een misdaad van zulk een zwarten stempel.
Alle de barmhartigheden, genadige beloftes en ver-
troostingen in dat gezegende boek opgesloten heb
ik zondige en gruweiyke goddelooslyk aan de vlam-
men overgegeven. O hoe wonderlyk lankmoedig en
vol van barmhartigheid moet de Almachtige zyn ! of
anders had ik nu al lang vlammen gevoeld van een
tienduizend maal heetere natuur. Hoe, hoe kan ik
de toorn en verontwaardiging van een barhartig God,
die ik zoo vreesely\'k beleedigd heb, stillen ?Myn ge-
heele leven is een onafgebroken tooneel van hals-
starrigheid en dwaasheid geweest.
Mijn gedrag jegens eene van de beste der vrou-
wen, en beste der echtgenooten, is zoodanig geweest,
dat ik er zonder de sterkste wroeging niet aan kan
denken. Voor my is zy een der beste vrouwen ge-
weest, terwy\'1 ik. met schaamte en zelfverwijt be-
ken ik het, een der onvriendeiykste echtgenooten
voor haar geweest ben. Blinde en zondige dwaas,
dat ik hare waarde niet eerder gekend heb, dan
toen het te laat was; toen door my\'ne dwaasheid
en onvriendelykheid (zooals ik ten zeerste vrees)
haar hart geheel van my vervreemd geworden was.
-ocr page 213-
211
Had ik aan haren raad gehoor gegeven, dan zou
ik misschien nu gelukkig geweest zijn, en dat niet
slechts hier, maar ook hier namaals. De vertroosting,
welke ik verzuimd heb uit haren omgang te trek-
ken, ontbreekt mij nu naar verdienste en er is nu
geen oor, dat naar mijne klachten hoort of instaat
is balsem in eene wonde, door de zonde gemaakt,
te gieten.
Oh! mijnheer, indien uw hart door mijne zonde
en ellende geraakt is, zend mij dan een regeltje ter op-
beuring (indien net niet te laat is); indien mogelijk
wijs mrj dan eenen weg waarin ik vrede kan maken
met eenen gesmaden Zaligmaker. Tranen, gebeden,
en alles wat ik kan doen, baten niet; nog steeds
ben ik ellendig. Al zijne barmhartigheden heb ik
verzuimd en veronachtzaamd, waarom Hy my\' nu
geheel verlaten heeft. O! mijnheer, indien er een
weg is om Zijnen toorn en gramschap te stillen,
wijs my dezelve aan. Voor zulk eene wanhopige
kwaal zal ik tot elk middel de toevluchr willen ne-
men. Nu gevoel ik, dat er geene vertroosting, vrede
of geluk kan zyn als wij niet met de liefde Gods ge-
zegend zijn. O! Dat Hy mrj bekwamen mocht Zijnen
wil te doen; my waarly\'k boetvaardig mocht maken
voor mijne gedane misdaden. O! dat ik door Hem
te behagen vergeving mocht vinden, dit is het eenige
geluk, waar ik nu naar haak. O God! bekeer mrj
en schenk my vergiffenis! Verschoon my,mijnheer,
dat ik u aldus lastig val, want er is hier niemand
anders aan wien ik mijne gedachten kan mededee-
len. Nog eens, waarde heer, roep ik uwe vergiffenis
in en wilde dat ik zeggen kon, dat ik ben
Uwe gelukkige zondelooze dienaar,
CHARLES BULL.
-ocr page 214-
AAN
den Heer HUNTINGTON.
Weleerwaarde en Geliefste Vriend!
Uw vriendelijken brief ontvangen. Ik zou beter
voldaan geweest zijn als dezelve op het lange in
plaats van op het korte papier geschreven was, maar
klein als hij is, zoo is dezelve mij toch zeer dier-
baar.
Op dit oogenblik ben ik wel wat ongeschikt om
te schrijven, daar ik mij juist bezig gehouden heb
met hen, die aan mijne zorg zijn toevertrouwd. Veel
heb ik mrj met die gesprekken in te laten welke
niet met genade besprengd zrjn, daar ik verpiicht
ben mijn werk in elk gezelschap te doen. God
weet, dat dit mrj niet een weinig wondt: maar zulke
gedenksteenen van barmhartigheid als ik past het
in mijn lot te vreden te zijn, daar mijne plicht mij
noodzaakt mij te onderwerpen.
Ik hoop, dat de Heere mij ter zijner tijd dichter
bij zijn bedehuis wil vestigen, opdat ik het gezel-
schap van Zijn volk genieten moge. Hier verlang
ik naar, ofschoon mij elke mogelijke beleefdheid be-
wezen wordt; oordeel echter zelf over mün leven
in zulk eene omgeving. Echter word ik in dit alles
wonderlijk ondersteund; mijn hart is zeer veel in
den hemel; en mijn Zaligmaker is mij zoo dierbaar
dat alles naar wensch gaat. Gemor vind ik niet, God
zij geloofd ; maar mijn wil is aan den zijnen onder-
-ocr page 215-
21S
worpen, die, waarvan ik goed overtuigd ben, my
in eiken stap onderricht.
De Heere, die overvloedig in goedheid en waai-
heid is, geeft my\' nog gedurig nieuwe toedieningen
van het hemelsche manna en ik ondervind, dat de
inwendige mensch verkwikt, verlevendigd, onder-
houden en van dag tot dag vernieuwd wordt, want
nog steeds geniet ik een zoet geval van mynegroote
en gelukkige verlossing. O, mijnheer! hetgeen God
met goddelijke kracht op het gemoed drukt, wordt
niet licht uitgewischt. De verlossing zinkt diep; zij is
niet gelijk aan eenige drooge denkbeelden in het
hoofd, maar de ziel smelt er onder; zonde noch
Satan kan voor dezelve bestaan of ze te niet maken.
Hetgeen God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn;
daar is niet toe te doen noch daar is niet af te doen
en Hij doet dat, opdat men vreeze voor zijn aange-
zicht.
Ik zie, dat God weer een zijner kinderen te huis
gehaald heeft. Haar pad was meer met doornen
omtuimd, dan het mijne, maar geloofd zij God, dat
Hij er haar uit gehaald heeft, daar niemand er op
let, dat de regtvaardige weg geraapt wordt voor het
kwaad.
Ons einde zal vrede zijn, even goed als het
hare; de belofte is zeker voor al het zaad. In deze
wereld moeten wij verdrukking hebben, opdat wy
mogen leeren onze vrede in Christus Jezus op prijs
te stellen.
Tegenwoordig ben ik zeer gemoedigd; ik moetu
alle myne zoete gestalten bekendmaken, en mocht
ik weder in moeilijkheden geraken dan zal ik geen
voet verzetten zonder u te raadplegen. Ook hoop
ik iramer uwen raad op te volgen, daar ik tot hier-
toe ondervonden heb, dat het tot Gods eere en
ten beste my\'ner ziel verstrekt.
Lang genoeg heb ik u met mijne ellendes en
-ocr page 216-
214
paapsche onzin gekweld; waarover ik nu verbaasd
sta en kan niet nalaten mij over mijne onwetend*
heid te verwonderen en om mijne eerste brieven te
lachen.
Hoe vreemd schijnen dezelve mü nu toe;inmjj-
nen eersten en tweeden brief zeide ik u, dat ik
over leerstellingen zou handelen; echter kan ik er
geene leerstelling in vinden.
Het spijt mü, dat ik den tekst vergeten ben,
waaruit u predikte, toen God mijne ziel verloste.
Ik zou wenschen, dat ik mij de kleinste orastandig-
heid nog herinnerde. O gezegende verandering! Ik
ondervond eene overzetting uit de duisternis in het
licht, uit droefheid in vreugde, uit gemoedsangst in
gerustheid en vrede der conscientie, uit eenen staat
van vijandschap in eenen staat van verzoening
met God en dat door het lijden van Christus Jezus
mijnen Heere. Ik wilde wel, dat u zich de tekst nog
herinnerde en mij dezelve zondt. Op zekeren avond
predikte u dezelve in Providence Chapel. Ik ver-
keerde toen in groote gemoedsangst. Ik herinner
mij nog, dat gü hoofdzakelijk over het gebed han-
deldet en dat gij opmerkte, dat er zes zaken nood-
zakelijk waren om toegang tot den troon der ge-
nade te vinden: 1ste dat wij op de beloften moes-
ten pleiten, 2de dat het gebed opgezonden moest
worden onder een gevoelig besef van ons gemis.
3de dat het gebed in het geloof gedaan moest wor-
den, 4de Dat wij in den naam van Jezus moeten
bidden, want niemand kan tot den Vader komen dan
door Hem.
5de dat wij God aan geenen tijd mochten
binden, en ten 6de dat wij om leidzaamheid moes-
ten bidden, met onderwerping aan Gods wilbeslui-
ten en dan op Zijne hand te letten en op antwoord
te wachten. Dit waren de voornaamste hoofden
van uwe leerrede, zooals ik mij goed herinner, want
-ocr page 217-
215
de Heer T. bracht mij datgene weder te binnen,
wat mijnen geest ontgaan was.
De tekst van deze predikatie herinner ik my\' niet
meer, maar toen geloofde ik en geloof dit nog,
dat de geheele preek eene boodschap was door God
aan mijne ziel gezonden. Het geheel werd zoo krach-
tig op mijn gemoed gedrukt en is ook diep in mijn
hart geworteld. Ik herinner mü, dat gy uwe hoofd-
punten duidelijk uiteenzette, hetwelk my zeer te
hulp kwam, want ik verliet de kapel in eene zeer
ooitmoedige en verbroken gemoedsgestalte, terwy\'1
de preek zoowel als mijne gestalte mü den geheelen
weg naar huis bijbleven. Ook kon ik niet rusten,
aleer ik sterk met God in het gebed geworsteld had,
dat Hy den geheelen last van schuld van mijne cons-
cientie mocht wegnemen en mij een gevoelig besef
van de kwy\'tschelding en vergiffenis myner zonden,
door de toepassing van Jezus bloed, mocht schen-
ken. Alles wat ik gevoelde vertelde ik God en vond
groote vrijheid in het uitstorten van myne klachten
voor Hem en in het pleiten op dierbare beloftes,
welke ten dien tijde krachtig in myn gemoed vloei-
den ; ook mocht ik sinds dien rijd op de zelfde wyze
voortgaan. Ik zal u eenige der beloftes, waar ik toen
op pleitte, overzenden, voor zoover ik my dezelve
nog herinner, want ik denk ze nimmer te zullen ver-
geten. Mijn geheugen is niet zeer best; daar het
door ray\'ne moeite zeer verzwakt is: nu wordt het
echter beter. Gy weet dat Christus zegt: Maar wan-
neer de Trooster zal gekomen zijn, die zal u indachtig
maken alles wat ik u gezegd heb;
het is zeker dat
ik de plaats noch den tijd immer zal vergeten.
Ik heb geen tijd de teksten voluit te schrijven, maar
gij kunt dezelve op uw gemak na lezen. Matth. 21:
22. Matth. 11 :28. Matth. 5 : 5. Luk. 11: 9. Jes. 45 :18.
1 John. 13 : 8. Zach. 13 : 1. Van al deze teksten en
-ocr page 218-
216
van nog vele anderen heb ik de kracht ondervon-
den en de gezegend uitwerking was, dat mijn on-
geloof ten dien ttjde verdween en het geloof in myn
hart ontsprong. Ik was zoo zeker, dat God mijne
gebeden hoorde en dezelve zou beantwoorden, als
ik van my\'n persoonlijk bestaan zeker was, want
Hij had my den Geest der genade en der gebeden
geschonken en mijne banden reeds losgemaakt.
Onder deze teksten smolt mijne ziele weg: Zoon,
zijt wel gemoed, uwe zonden zijn u vergeven.
Matth.
9 : 2, en ook, Gij zult alle hare zonden in de diepten
der zee werpen.
Micha 6 : 19. O, mijnheer, dit is de
godsdienst van Jezus: dit is inderdaad de hemel.
Ten dien tyde had ik een toeeigenend geloof. De be-
loftes kon ik aangrijpen en ze tot de myne maken.
Ik kon zeggen: ik ben mijnes Liefsten en zijne gene-
genheid is tot mij.
Dit nam mijne twijfelingen en
vreezen weg. Van zijne algenoegzaamheid en gewil-
ligheid om te zaligen was ik overtuigd ; ik wist van te
voren dat Hy het doen kon, maar eer ik geloofde,
dat Hij er gewillig toe was, kon ik er geene ver-
troosting uit kry\'gen. Maar o! toen ik zyne liefde
aan mijne ziel gevoelde werden myne duisternis en
blindheid in eene zekere mate weggevaagd, door
dien het heerlijke licht van de Zonne der Gerechtig-
heid
in myne ziel opging ierwy\'1 er genezing ivas
onder zijne vleugelen.
Dit deed verschrikkingen mis-
moedigheid onmerkbaar verdwijnen, terwy\'1 er vreug-
de en vrede, zielerust en inwendige vertroostingen,
zoodanige als door geene woorden uitgedrukt kunnen
worden, zoetoly\'k op volgden. Het Woord Gods wordt
dan der ziele dierbaar. Met David zeide ik : Hoe zoet
zijn uwe redenen mijn gehemelte geweest
! en zoeter dan
honing en honingzeem
; het is het voedsel myner
ziel, een lamp voor mynen voet en een licht op
mijn pad.
-ocr page 219-
217
In deze aangename gestalte heb ik bijna immer
sinds dien tyd verkeerd; want ik gevoel de eeuwige
liefde Gods in myn hart uitgestort. Waarlijk zoo
verre het Oosten is van het Westen, zoo verre heeft
hij mijne overtredingen van mij gedaan.
Ik hoop, dat ik Hem maar immer dicht aan moge
kleven : myne gebeden beantwoordt Hy op eene zeer
klaarblijkelijke wyze. Ik loof Hem, dat Hy\' myn hart
in den hemel houdt, waar mijne schat is; op aardsche
dingen is het niet gevestigd. Hij heeft mij uit tenen
ruischenden kuil, uit modderig slijk opgehaald
en ik
vertrouw, dat Hy myne voeten op den rotssteen zal
stellen en mijne gangen vastmaken. Ik zal den Heere
zingen in mijn leven. Ik zal mijnen God psalmzing en,
terwijl ik nog ben.
Houdt my ten goede, dat ik zulk eenen langen
brief schreef, want het is de hartelyke gevoelige
ondervinding van uwe liefhebbende en gehoorzame
dochter
ELIZABETH MORTON.
-ocr page 220-
AAN
Mej. ELIZABETH MORTON.
Geachte dochter.
Den uwen in orde ontvangen. Hoe meer gij schrijft
of spreekt, hoe zuiverder de stroom begint te loopen.
Degenen die uit den fontein des heus drinken, zooals
de ,Schrift zegt, stroomen des levenden waters sullen
uit zijnen buik vloeien.
Uwe spraak wordt nu zuiver
en verkwikkend; de dikke modder van Arminiaan-
sche en paapsche droesem is in uwe laatste ver-
drukking goed in beroering gebracht en nu de sprink-
ader des levens
begint op te rijzen zal het vuil uit-
geworpen worden, en dezelve zal ons helderder en
helderder worden. De geest der liefde heeft de vuile
droesem en spinnewebben opgebrand en des Konings
dochter is geheel verheerlijkt inwendig,
hare gevange-
nis kleederen z\\jn afgelegd en hare versierselen haar
aangedaan. Gij ligt nu niet meer tusschen twee rijgen
van steenen
(Eng. liggende onder de potten) en zijt
met de vleugelen eener duif gezegend geworden, en
uwe vederen zijn van geluwen goud. De oude mensch
is dood en begraven, uit het gezicht en uit de ge-
dachte en gij verwacht noch wenscht voortaan
nimmer m6er eenige tegenstand van dien kant te
ondervinden of te gevoelen. Neen zegt gij, geloofd zij
God, hrj is in de vergetelheid verzonken en bij zijne
begrafenis heb ik vergenoegd gezongen. Tot zoover
gaat het goed.
-ocr page 221-
219
De duivel is bestraft en met pak en zak weggezort
den. De engel heeft hem meteenen keten gebonden,,
hem in den afgrond geworpen, den mond deszelven
gesloten en denzelve verzegeld, opdat hij de volke
ren niet meer zoude verleiden, zoodat gü geenen
grond ziet waarom gij eenen nieuwen aanval uit dat
hol zoudt vreezen. Het ongeloof ismet beschaamdheid
gevlucht, zoodat gij verwacht, dat het zich nooit
weder zal vertoonen. En wat de wederstrevigheid
van uwen wil en de vijandschap en huichelarij van
uw hart betreft, zoo neemt gij aan, dat gij er nim-
mer meer van hcoren of er iets van gevoelen zult.-
Alle deze koningen en helsche krijgslieden zijn even-
als die van de legers van Sodom gevloden en in
de lijmputten gestort, terwijl de liefde de banier is
over het hoofd mijner dochter. Tegen dit kind Jacobs
zal geene tooverij meer zijn noch waarzeggerijen
tegen deze dochter Israëls. In den middag zal zij bij
de kudde des Heeren legeren; in grazige weiden zal
zij nederliggen en zachtkens aan zeer stille wateren
gevoerd worden,
terwijl duivel en ongeloof inzak en
assche moeten zitten en hare vrede nimmer meer
mogen verhinderen of haar geluk verstoren. Dit zijn
gelukkige dagen Betje, dit zijn dagen van den Zoon
des menschen;
gezegend is de ziel, welke in zulk
eenen toestand verkeert, ja gezegend is die ziel wei-
her God de Heere is.
Eerst scheen de Zaligmaker vergramd en als zich
van verre houdende, maar gij hebt Hem ijverig ge-
vrijd. Nu bemint Hij u en gü looft Hem, Hij vertoont
zich als gepast en beminnelijk en gij bewondert
Hem. Gij denkt echter niet, dat Hij u ooit majes-
tueus of schrikkelijk zal voorkomen om u op eenen
afstand te houden of eene vreze met de minste zweem
van slavernij in u te verwekken. Al de vroegere
fronsels, berispingen, kastijdingen en verscbrikkin-
-ocr page 222-
220
/gen, waar Hij u onder bracht, zy*n nu vergeten : éene
glimlach heeft de gansche breuk geheeld en al uw
vroeger lijden en zwoegen ruimschoots vergoed. Hn\'
is nu de schoonste onder tienduizend en al wat aan Hem
is is gansch begeerlijk."
Dit zijn kostelijke tyden,
mijne dochter; dit is de ruste, daar ik ernstig voor
u naar gezocht heb, opdat het u wel mocht gaan.
En daar gij genade gevonden hebt in de oogen van
den Heere des oogstes en vrijheid verkregen hebt
om zelfs onder de schoven te rapen, zoo hoop ik
dat gy\' u dicht bij zijne maagden zult houden, want
dat is goed, en laten zy u niet in een ander veld
vinden. Blijf standvastig tot zijne oogst met u ge-
eindigd is, en dan zal Hij de arenlezer dadelijk huwen
en haar in de eetzaal brengen, waar Hy\' die zaaide,
zij die oogsten en zij die raapte zich te zamen zul-
len verheugen. Wrj nebben zoowel als de wereldling
een oogsthuis in de belofte, waar de vreugde des oog-
stes nimmer zal ophouden en waar wy ons meteene
betere vreugde zullen verheugen dan diegenen, wier
vreugde zoo groot was als hun koren en most ver-
menigvuldigde.
Gy zegt niets nieuws meer van uwe oude eerwaar-
dige moeder, ik bedoel de koningin van Babyion
Zy schy\'nt niet meer in tel te zijn. Hoe is het goede
goud zoo veranderd? Hoe is de getrouwe stad
(in
uwe oogen) tot eene hoere geworden. Jes. 2 :21 Ach!
zegt gy\' al dat openbaar maakt is licht; in het licht des
Heeren zien wij het licht,
alles verzinkt in het niet
voor de liefderijke verzoende blik van den eeuwigen
gezegenden Zaligmaker. Als Hy glimlacht is de ver-
lossing nabij. Verheft gij over ons het licht uwes aan-
schijns, o Heerel
en wy zullen verlost worden. Houdt
deze dingen, myne dochter. Er is een leven in zijne
goedgunstigheid; lieflijkheden zijn in uwe rechterhand
eeuwiglijk.
Volg het aangename licht, dat eerst over
-ocr page 223-
221
u opging, en dat zal u tot Hem leiden. Indien wij
in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is,
dan
zullen wij niet bedrogen uit komen, maar in de
volheid zyner tegenwoordigheid eindigen. Uit Zion,
de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blin-
kende
en wü zijn gekomen tot den berg Zion, tot het
hemelsche Jeruzalem, tot de vele duizenden der engelen
en tot de geesten der volmaakt rechtvaardigen
; tot God
den Rechter over allen en tot den Middelaar des Nieu-
wen Testaments Jezus en tot het bloed der besprenging
dat betere dingen spreekt dan Abel.
Er is slechts één geest, die het goddelijk gezin,
zoowel in den hemel als op aarde vervuld; met dit
verschil echter, dat. zü verzadigd zijn, terwyl wij
naar hunne volheid hongeren en dorsten. Zij zyn bü
den oorsprong der fontein, maar wü moeten die rivier
aankleven, welker beekskens de stad Gods verblijden.
Zü zyn in den eeuwigen dag, maar wü zyn op het
pad der rechtvaardigen, voortgaande en lichtende tot
den vollen dag toe.
Zij hebben den prüs bekomen,,
maar wij loopen nog in den loopbaan. Zü hebben
den hemel door geweld genomen, wü worste-
len er nog om. Om kort te zy\'n, Mozes, Aaron
en Hur zün op den berg, maar wy stryden met
Amelek; dit heeft echter niets te beduiden, daar
Josua met ons in de vallei is. Zü zyninde eeuwig-
heid, maar wü zün onder de levendigmakende in-
vloeden van het eeuwige leven, ofschoon wy nog
in den tijd zün. De heerhjke Zonne der Gerechtig"
heid, die over ons is opgegaan, is onder eene voort-
durende eklips ter oorzake van het voorhangsel der
sterfelükheid. De zwakheden van dit aardsche
lichaam verduisteren zy\'ne stralen nog, zoodat de we-
reld maar weinig ziet van ons licht; en ten opzichte van
anderen hebben wy\' eene totale eklips door te gaan, zü
moet zoowel ons als ons licht uit het oog verlie-
-ocr page 224-
222
•zen. Er is maar ééne stap tusschen geloof en gezicht.
Houdt mij ten goede, het licht des geloofs is ge-
zicht. Er is maar ééne stap tusschen het gezicht en
de volle genieting.
Er was een straat tusschen de Stad Zion en Je-
ruzalem; tusschen de muur van Millo en die van
Jeruzalem was insgelijks eene straat, waarover eene
brug was, welke naar het geschied verhaal zegt de brug
Zions
genaamd werd ; aan de zijde van de brug waar
Zion was stond het huis der helden Nem. 8:16 maar
aan de zyde van Jeruzalem was Salomos elpen
beenen troon des gerichts met zijne zes trappen en twaalf
leeuwen
1 Kon. 10: 18, 19, 20. Gij weet hoe gij dit
moet toepassen ; wy zijn op den berg Zions en hopen
spoedig in Jeruzalem, dat boven is, aan te komen,
welke is onzer aller moeder. Eerst moeten wy\' echter
de vallei der schaduw des doods doorgaan, maar
Christus is de weg tot den Vader, waar men zich
veiliger op wagen kan dan op de brug Zions, ter-
wy\'1 ééne stap ons van het huis der helden tot den
"troon der heerlijkheid brengt. Ons geloof, onze hoop,
onze harten, onze verlangens en onze wandel is
daar reeds, en wy zullen langzamerhand volgen.
Terwijl gy nog aan deze zyde der brug zyt, tracht
eene navolger te zijn dergenen, die door geloof en lankmoe-
digheid de beloftenis beërven
; treedt in de voetstappen
huns geloofs, houdt omgang met hen in hunne dagboe-
ken, maak u bekend met hunne pelgrimsreis, dring
door in hunne gedachten, gevoelens en beschou-
wingen, aanschouw de beloftenissen, welke zij ver-
kregen, alsmede hun vertrouwen en gedrag; let op
hunne tegenspoeden en moeites; hunne uitreddin-
gen en goddelijke gunsten; leg hunne leer op als
een schat en drink hunnen geest in; begeef u in
het midden van die gansche wolk van getuigen, ga
met hen om in de Schrift, volgt haar geloof na,
-ocr page 225-
223
aanschouwende de uitkomste hunner wandeling. Hebr.
18: 7. Dit ia inderdaad een evangelisch gezelschap,
en wel het beste waar ik ooit mede omging of mij
aan verbond. Deze wandelden met God in zijne
beloftes, brachten verafgelegene dingen nabij door
hun geloof en omhelsden dezelve in hunne genegen-
heden; al hunne geestelijke ondersteuning en voed-
sel haalden zij uit de toekomst; zij verdroegen
hunne beproevingen als ziende den onzienlijke (hunnen
Beschermer) en verkeerden met de gedachten huns
harten in eene andere wereld; zij hadden hiergeene
blijvende stad
en hadden nochtans immer eene in
het gezicht; zij beleden dat zij gasten en vreemdelingen
op der aarde
waren; en verwachten nimmer dit land
of tehuis eerder te zullen vinden dan bij hunnen
dood.
In onze dagen zijn er vele belijders, welke meer
op ongedierte dan op kooplieden gelijken; zij leven
geheel op de vertroosting van anderen, inplaats dat
zij zelven handel drijven op den hemel. Handel
daarom niet gelijk deze; zoek de weg naar God
voor uzelven en doet er winst mede; God is niet
verre van een iegelijk onzer, of wij Hem immer
tasten en vinden mochten; tast daarom naar Hem
en dan zult gij eene blijdschap hebben in u zelven
en vertrouw niet te veel op het licht van een ander.
Paulus zegt: Ik weet wien ik geloofd heb," en Job
zegt: denwelken mijne oogen zien zullen en niet eene
vreemde.
Indien gij tot de voorrechten van Gods kin-
deren zoudt willen geraken, verkeer dan zoo veel
mogelijk in het verborgene; houdt u bezig met lezen,
mediteeren, bidden, belijden, loven en overpeinzen,
welke middelen zijn om het gemoed dagelijks voor-
smaken te geven van de ware vreugde des hemels.
Hierdoor wordt die klomp van aardsche en vleesche-
lijke begeerten, waarmede de duivel den lauwen
-ocr page 226-
224
belijder en den ingekerkerden wereldling gekluis-
terd houdt, uit het gemoed weggenomen en uitge-
wischt. Zulken zijn met al hunne rijkdom de ergste
slaven, want zij zijn beide dienaar en onderdanen van
datgene, hetwelk God gegeven heeft hen en anderen
te dienen. Sta nimmer naar onafhankelijkheid of
naar eenig voorraad in handen om uwe oogen van
de verborgen hand der Voorzienigheid af te wenden.
Er kan geen sterveling zijn, die in ziel enomstan-
digheden scherper beproefd is als ik, en nochtans
is er geen mensch in de wereld wien ik zyne voor-
spoed benijd of met wien ik van staat zou willen
verwisselen. Wü zyn verplicht Gods getrouwigheid
eiken dag te beproeven, want Hrj schept er beha-
gen in zijne getrouwigheid en waarheid ten toon
te spreiden en om zich sterk te bewijzen aan degenen,
die op Hem vertrouwen.
Dikwijls ben ik in gezel-
schap geweest van belijders, welke mü\'ne ooren
bezighielden met hunne voorspoed in de wereld
en den overvloed van hunne rijkdom; duidelijk zag
ik echter wat ztf niet zagen, namelijk de verdoe-
melrjke zonde der gierigheid en den vloek Gods
er over, welke hunne zielen zooverre buiten het
bereik mijner vreugde stelde als mijn gebrek ver-
wyderd bleef van hunnen overvloed. Gemeenhjk
benijdt de arme geloovige den vrede der goddeloozen
Ps. 73: § terwijl de verzochte en geslagen heilige
den hoogmoedige gelukzalig acht Mal. 2:15. God ver-
vloekt echter den eerste Mal. 2: 2 en wederstaat
den laatste Jac. 4 : 6.
Overeenkomstig uw verlangen heb ik u eenen
langen brief geschreven, welke gij in het vervolg
niet meer moet verwachten God heeft mtfne ge-
trouwe handelingen gebruikt om u te doen ontwa-
ken en heeft mij waardig geacht u in de
banden des evangeliums te teelen. Ook heeft Hij mij
-ocr page 227-
225
tot uwe vroedvrouw gemaakt; door mijne bediening
heeft Hij den geest der liefde aan u medegedeeld;
welke de nieuwe geboorte is. Een iegelijk die lief-
heeft is uit God geboren en kent God.
Ik heb getracht
u te voeden 1 Tess. 2: 7 u ie zoogen Jes. C6: 11 u
op de handen te dragen Klaag]. 2: 22 en acht op u
te geven
Pred. 8: 2. Gij zijt nu uit de hand des vogel-
vangers en uit de hand des jagers geredt.
Spr. 6: 5.
Mijne slip moet gij nu loslaten, daar ik zie, dat grj
de slip van eenen Joodschen man gegrepen hebt.
Er zijn nog zeer velen, welke ik verzorgen moet,
waarom grj van onder mijne vederen vandaan moet
en in God verberging zoeken, aan wien ik u op-
draag en aan het Woord Zijner genade, hetwelk
machtig is u op te bouwen.
Grj\' zijt nu in de klove
der steenrots en die in de schuilplaats des Allerhoog-
sten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des
Almachtigen.
Grj zijt nu in den tn\'d der minne; de
Heere heeft Zijnen vleugel over u uitgebreid en is
met u in een verbond gekomen. Blijf op de dorsch-
vloer, totdat Hij het graan verzamelt en het kaf
met vuur verbrandt. Pleit op uwe aanverwantschap
en verwacht dat Hrj u zal lossen en vertrouw er
op, dat Hrj kloekelijk zal doen in Ephratah en
zijnen naam vermaard maken in Bethlehem. Geliefde
dochter, vaarwel I Ik blijf uw toegenegen vriend en
vader in Christus Jezus.
WILLIAM HÜNTINGTON.
Bekeering.                                                                  15