-ocr page 1-
WF:-¥ïii\\ \\Z2jOQ. \'^pr-
SD
Vak 61
De Verloren parel,
dl*
-ocr page 2-
;
•
-ocr page 3-
DE VERLOREN PAREL.
------~e*@~-----
VRIJ NAAR HET DUITSCH
VAN
L. VON HAMMERSTEIN.
DOOR
R. BOUMAN.
Uitgever en Antiq. Boekhandel. — Hoogewoerd No. 89
i895.
1
-ocr page 4-
Stoomdruk Ed. IJdo. — Leiden.
-ocr page 5-
I.
Waar wordt het ftvondmaaï geldig gehouden?
Theobald Berg studeerde philologie te Bonn. Zyn vader
was dominee in Pommeren. En wijl de reis naar Pommeren
te ver scheen voor de Paaschvacantie, gaf hij gehoor aan de
uitnoodiging van zijn vriend Renward en ging met hem
mede naar Keulen.
De twee vrienden beleden een verschillend geloof; Ren-
ward toch was Katholiek. Nochtans kwamen zy goed met
elkander overeen, want Theobald, evenals zyn geheele
familie, volgde de geloovig-Luthersche richting.
Te Keulen nu gebeurde het, dat Theobald, die nog nooit
een Katholieke godsdienstoefening had bijgewoond, zijn vriend
naar de Hoogmis in den Dom vergezelde. Terugkeerende, wilde
Renward te weten komen, welken indruk de plechtigheid op
Theobald had gemaakt. Doch deze liet zich daarover
niet uit; hy antwoordde met eenige algemeene gezegden
en scheen met opzet een nadere verklaring te willen ontwijken.
Thuis gekomen, begaf hij zich naar zijn kamer en liep
er zwijgend op en neer, ging daarna zitten, greep naar de pen,
om zijn vader te schrijven, legde ze na eenige regels weer
ter zijde en liep opnieuw heen en weer.
Intusschen werd het middag en Renward kwam zijn vriend
roepen voor den maaltijd. Na tafel gingen ze samen op den
kuier. Renward echter bemerkte andermaal een zonderlinge
stilzwijgendheid.
-ocr page 6-
4
\'s Avonds eindelijk, toen Theobald zich weder op z\\jn
kamer bevond, zette hij zich neer en schreef:
Lieve Vader!
Ik ben gewoon u openhartig en zonder eenig voorbehoud te
verwittigen, als er iets bijzonders in mijn binnenste plaats
grypt. Datzelfde doe ik thans. Oordeel zelf over deze zaak
naar goedvinden.
Dezen morgen was ik met mijn vriend Renward in den
Dom en woonde er de Hoogmis by. \'t Was de eerste maal,
dat ik een heilige Mis zag. Gij weet immers zelf, hoe \\v\\j,
Protestanten, de Mis als verouderd bijgeloof plegen te be-
schouwen, dat ten tijde der middeleeuwen langzamerhand
ingang vond en bij het eenvoudige Katholieke volk tot op den
huidigen dag voortleeft. „Menschenvondst", „ydele plechtig-
heid" enz. — zóó, of zóó omtrent betitelen wij de Mis.
Lieve Vader, ik moet u ronduit bekennen, er zijn heden
eenige bedenkingen bij mij opgekomen met betrekking tot
deze onze opvatting. Ik spreek hier niet van de schitterende
uitwendige pracht, van de heerlijke architectuur van den
Keulschen Dom, die zich ten hemel verheft; noch van de ernstige,
aangrijpende kerkmuziek, van de indrukwekkende plechtig-
heden van den hoogdienst zelven, met zijn gouden misgewaden,
wierookgeur en talrijke kerkdienaren. Daarover spreek ik niet.
Dit alles kan men immers „ntaJce?i." Wij, Protestanten, kunnen
voor geld alles evenzoo inrichten. Maar de uitwerking zou
hoogstens een kunstgenot zijn, terwijl ik moet verklaren, dat
de plechtigheid in den Keulschen Dom bij mjj bepaald gods-
dienstige gevoelens heeft opgewekt \'). Nu verwondert het my
\') Eenigszins anders luidt de meening van Dr. J. H. Gunning JHz.
Onze Eeredienst. Opmerkingen over het liturgische element in den
Gereformeerden Cultus,
bl. 157, waar hij met Kliefoth zegt: »ééne
-ocr page 7-
5
volstrekt niet meer, hoe Frederik de Groote, bij gele-
genheid dat hij een hoogdienst bijwoonde, die door den kar-
dinaal Von Zinzendorf werd opgedragen, zeggen kon: „De
„Calvinisten en Gereformeerden behandelen God als hun dienst-
„knecht, de Lutheranen als een van huns gelijken: doch de
„Katholieken behandelen Hem als hunnen God." De zichtbare
godsvrucht der geloovigen getuigde op een stilzwijgende, doch
welsprekende wijze: hier heeft meer plaats dan een bloote,
ijdele ceremonie! Ook waren het niet alleen boereu of goede,
oude vrouwtjes, die dezen indruk teweegbrachten. Neen, dui-
delijk kon men zien, dat verscheidene der aanwezigen tot den
ontwikkelden en gegoeden stand behoorden: men zag er ge-
neesheeren, juristen , leeraars, kooplieden, enz. Doch ook zij
knielden ootmoedig bij de voornaamste deelen der Mis. Deze
voornaamste deelen werden door het teeken met een belletje
aangekondigd. Diepe stilte heerschte vooral bij de zoogenaamde
Consecratie in \'t midden der Mis. Het orgel zweeg, het gezang
hield op, elk geruisch werd zorgvuldig vermeden, men hield
den adem in; \'t was, of God nu uit den Hemel ging neder-
dalen, zooals Hij weleer te Bethlehem nederdaalde, om mensch
te worden en ons te verlossen.
Inderdaad! Iets dergelijks zien de Katholieken ook in de
Consecratie. Dat bewijst hunne godsvrucht. Zij gelooven, dat
op het woord des priesters brood en wijn veranderd worden
in het Lichaam en Bloed van Jezus Christus; zij gelooven,
dat Christus, zonder den hemel te verlaten, in hun midden
tegenwoordig komt, met ziel en lichaam, met Godheid en
mensehheid, en dat Hij er tegenwoordig blijft, zoolang de ge-
daanten van brood en wjjn blijven bestaan.
enkele prediking en één enkel kerklied vol echt-Protestantsche geloofs-
kracht (sic), is een veel duidelijker getuigenis van Christus dan zelfs
een Keulsche Dom."
-ocr page 8-
f.
Een wonderbaar geloof! Maar als het eens op waarheid
berustte? De onmogelijkheid zie ik niet in. Wij gelooven toch
ook, dat Christus in het Avondmaal tegenwoordig is en tevens
in den hemel blijft. Doch wij gelooven, dat dit eerst geschiedt,
wanneer een of andere geloovige de Hostie ontvangt, niet als
de priester zegt: „Dit is mijn Lichaam, dit is mijn Bloed."
Wat echter, indien de Katholieken eens gelijk haddenP Dan
zou ons, Protestanten, onnoemelijk veel ontbreken, namelijk
een levende godsdienst. Christus zou dan alleen nu en dan
onder ons verschijnen op het oogenblik, dat wij het Avond-
maal nuttigen, en hoe dikwijls gebeurt dat? En hoe weinig
hangen onze overige godsdienstoefeningen met deze handeling
samen\'? Een predikatie — dat is eigenlijk het voornaamste
van onzen Zondagschen kerkdienst; maar een preek verdient
evenmin dien naam als de catechisatie in de school. Gedurende
de week staan onze kerken leeg en verlaten. Christus in het
Sacrament woont er niet; daarom komt ook niemand de kerken
bezoeken.
De verklaring dezer tegenstelling tusschen ons en de Katho-
lieken ligt, dunkt mij, opgesloten in de vraag: of Christus
tegenwoordig is bij de woorden des geestelyken: „Dit is Mijn
Lichaam", of eerst bij het nuttigen der hostie. Omtrent deze
vraag moet ik mij licht verschaffen.
Voor heden eindig ik, en blijf als altijd
Uw liefhebbende zoon
Theobald.
Per omgaande ontving Theobald het volgende antwoord:
Lieve Theobald!
Uw brief heeft mij ontroerd en niet weinig bezorgd gemaakt.
Gij dweept met de Mis der Katholieken? Ziet gij dan niet,
aan welk gevaar gij u hierdoor blootstelt? Hoe menig jeugdig
-ocr page 9-
7
Protestant is reeds door die uitwendige vertooning der Roomsche
Kerk betooverd? Hoe heeft zich menigeen daardoor laten ver-
leiden , om de zuivere leer van het Evangelie tegen de pauselijke
verzinselen te verwisselen! Gij schijnt op weg te zijn, het-
zelfde te doen. Verlaat toch die Roomsche omgeving, waarin
gij u bevindt! Met angst heb ik \'t reeds aangezien, dat gij u
een Katholiek tot uw besten vriend hebt uitgekozen. Waarom
houdt gij u niet aan de Evangelisch-Lutherschen, die men te
Bonn genoeg vindt.
Gij weet, dat de Heidelbergsche Catechismus, dus een sym-
bolisch boek der Gereformeerden, de Katholieke Mis een „ver-
vloekte afgoderij" noemt. Hoe weinig ik ook het Calvinismus
aankleef, moet ik toch erkennen, dat deze uitdrukking \\vaar-
heid bevat. In werkelijkheid aanbidden immers de Katholieken
in de Mis een stuk brood, als ware het God. Nu! Ik wil de
arme Katholieken daarom niet van afgoderij beschuldigen; want
zij weten niet beter. Doch de zaak op zichzelve is zoo: zij
aanbidden een stuk brood en maken met hun ceremonies daarbij
zooveel beweging, alsof dit stuk brood Jezus Christus, de
levende God, was.
Ik geef u volkomen toe, mijn lieve Theobald, dat het
pleit tusschen ons Protestantsch Avondmaal en de Roomsche
Mis zich oplost in de vraag, of Christus reeds enkel op het
woord des priesters tegenwoordig wordt, zooals de Katholieken
gelooven, of eerst bij de nuttiging der geloovigen, gelijk wij,
Protestanten, leeren. Nu komt evenwel onze leer enkel en alleen
met de H. Schrift overeen, en wel voornamelijk hierom, wijl
volgens den Bijbel alle Christenen „een koninklijk priesterdom"
vormen en dus gezamenlijk en ieder op zichzelven priester
zijn, terwijl de Roomsche Kerk een bijzonder priesterschap heeft
ingesteld, zelfs zonder eenig bewijs uit de H. Schrift. De Mis
is en blijft derhalve een zuiver meuschelijke instelling, een
treurige afdwaling.
-ocr page 10-
8
Nogmaals, dierbare T h e o b a 1 d, laat u door die uitwendige
pracht van de godsdienstoefening toch niet verblinden. Den
waren godsdienst in geest en waarheid hebben wy Evangelisch-
Lutherschen, niet de Roomschen.
Ik wenschte, lieve T h e o b a 1 d, dat gij Keulen zoo gauw
mogelijk verliet en in Bonn, zooals gezegd is, wat meer met
Protestanten omgingt. Uw eerstvolgende brief zal mij, naar ik
hoop, tooneu, dat gij gehoorzaamt aan
Uwen u innig liefhebbenden Vader.
T h e o b a 1 d \' s antwoord.
Het spijt mij zeer, lieve Vader, dat myn laatste brief u
kommer heeft berokkend. Tot mijn vreugde kan ik u mede-
deelen, dat ik op \'t punt ben, naar Bonn terug te keeren,
want de vacantie loopt ten einde. Vergeef mij echter, dat ik
den omgang met Renward niet afbreek. Ik houd mjj aan
\'t woord der Heilige Schrift: „Onderzoekt alles en behoudt wat
goed is." Zoo wil ik ook het Katholicisme onderzoeken: en hoe
kan ik dat beter, dan door omgang met Katholieken, door het
zien van hunne godsdienstoefeningen, door het lezen van Ka-
tholieke geschriften ? Ik zie niet in, welk gevaar dat kan op-
leveren. Is het Katholicisme niets dan eene menschelijke uit-
vinding, dan zal mij de nadere kennismaking des te grondiger
daarvan overtuigen! Ik wil my te dien opzichte het recht van
het vrije onderzoek, waarop geheel ons Protestantisme gebouwd
is. niet laten ontnemen.
Gy waarschuwt mij vooral, my door de uitwendige pracht
niet te laten verblinden. Wees daarvoor niet bezorgd. Ik be-
loof u, by het beschouwen der religieuze plechtigheden mij niet
te zullen plaatsen op het standpunt eens kuiistrechters. Neen,
onbevooroordeeld en degelijk zal ik te werk gaan, enkel steu-
-ocr page 11-
\'.»
nend op de zuivere leer, waaraan de Bijbel ten grondslag ligt.
Ik doe derhalve juist hetgeen gij verlangt.
Vooreerst meent gij, dat een afzonderlijk priesterschap , zoo-
als de Katholieke kerk het bezit, niet overeenkomstig de H.
Schrift is. Ik ben echter van meening, dat de Katholieken
hier verscheidene schriftuurplaatsen tegen ons kunnen aanhalen;
zooals bv. \'2 Timoth. 1. 6, waar de H. Paulus aan zijn leerling
Timotheus schrijft: „Ik vermaan u, dat gij de genadegave
Gods weder opwekt, welke in u is door de oplegging mijner
handen".
(Vgl. 1 Timoth. IV, 14 en V, 22). \'t Is hier toch
vrij duidelijk, dat Timotheus, behalve het Doopsel en wellicht
ook het Avondmaal, nog een andere „genadegave" had ont-
vangen, die hem als bisschop van de gewone Christenen onder-
scheidde. Want er is sprake van een genadegave, die door de
oplegging der handen
was medegedeeld; doch de handoplegging
heeft noch met het Doopsel, noch met het Avondmaal iets te
maken \').
Maar dat nog daargelaten! Onderstellen wij eens, dat iedere
gewone Christen even geldig het Avondmaal kan houden en
uitdeelen, als volgens de opvatting der Katholieken alleen de
\') Men bedenke, dat de Protestanten het H. Vormsel met zijn handen-
oplegging niet erkennen, hetgeen trouwens in de aangehaalde teksten
bepaald wordt uitgesloten. Volgens de Gereformeerden, z. Dr. J. H.
Gunning JHz. t. a. p. bl. "127, »is~"clé oplegging der handen, bij de
bevestiging van een candidaat tot den heiligen Dienst, niets anders dan
een plechtige opneming in den kring der leeraren. Geen „symbool van
de mededeeling des Heiligen Geestes", maar een wijden (?) tot den dienst
des Woords". Toch schreef dezelfde Gunning bl. 123: »Wij (predi-
kanten) staan daar (bij het uitreiken der beide teekenen, brood en wijn)
niet als bedienaren des Woords (in engeren zin)".
De klacht van Dr. Gunning, op bl. 147 geuit, is inderdaad niet
ongegrond: »Maar wat baat zelfs de schoonste liturgie, en de volledigste
kennis van ieder liturgisch element, zoolang wijzelven geen liturgische
personen zijn?"
-ocr page 12-
10
priester het kau. Ook dit vooropzettende vrees ik, dat de Ka-
tholieken voor hun Avondmaal in de H. Schrift meer bewijzen
vinden dan wij.
Ik zeg (zooals ook gij, lieve Vader, deedt uitkomen), alles
komt hierop neer: hoe heeft Christus het Avondmaal ingesteld ?
Wij, Evangelisch-Lutherschen, zijn het immers met de Katholieken
hierin eens, dat Christus op een bijzondere wijze daarin tegen-
woordig is. De vraag is slechts: Wanneer begint Christus tegen-
woordig te zijn ? Geschiedt dit eerst onder het nuttigen van een
of anderen geloovige, dan verkeeren de Katholieken met geheel
hun Mis in dwaling, dan is by hen Christus niet voortdurend
tegenwoordig. Heeft Christus evenwel het Avondmaal zóó inge-
steld, dat Hij tegenwoordig komt bij de woorden des priesters:
„Dit is Mijn Lichaam," dan veroordeelen wij, Evangelisch-
Lutherschen, de Mis ten onrechte. Xog meer! Dan is ons gansene
Avondmaal van nul en geener waarde, zelfs afgezien daarvan,
dat wij geen priesters hebben in den zin der Katholieken.
Christus is dan bij ons in \'t geheel niet tegenwoordig, noch
bij het spreken dier woorden, noch bij het ontvangen der hostie.
Niet bij het uitspreken der woorden, omdat onze predikanten
volstrekt niet de meening hebben, door deze woorden Christus
tegenwoordig te doen zijn. Niet by het ontvangen der hostie,
omdat Christus het Avondmaal geenszins zóó heeft ingesteld,
dat het nuttigen alleen deze tegenwoordigheid zou bewerken.
Ik zeg dus nog eens, alles komt hierop neer: hoe heeft
Christus het Avondmaal ingesteld ? Wanneer begon Hij de eerste
maal, op den vooravond Zijns lijdens, onder de gedaante van
brood tegenwoordig te zijn, óf toen Hij zelf de woorden sprak:
„Dit is Mijn Lichaam", óf toen ieder der Apostelen het brood
nuttigde ?
Laten wij dus zonder eenig vooroordeel het verhaal der H.
Schrift nagaan\' Bij Matthaeus (XXVI, \'26) lezen wij: „Jezus
nam het brood, zegende en brak het, en gaf het aan zijne
-ocr page 13-
11
discipelen, en sprak: „Neemt en eet: dit is Mijn Lichaam."
Op dezelfde wijze deelen Marcus(XIV, 22) en Lucas (XXII, 19)
deze geschiedenis mede. Katholieken en Lutheranen zijn het
alzoo, in tegenstelling met Calvinisten en hedendaagsche onge-
loovigen, hierin eens, dat Christus bij het laatste Avondmaal
op een wonderdadige wijze tegenwoordig was. Deze waarheid
ligt zoo bepaald en onloochenbaar in de aangevoerde woorden
van Christus: „Dit is Mijn Lichaam", dat Luther zelfs er geen
anderen zin wist uit te wringen. „De tekst", zoo schrijft hij
aan de Straatsburgers, „is te sterk en door geene woorden uit
den zin te scheuren." Rest de vraag: was Hij tegenwoordig,
toen Hij sprak: „Dit is Mijn Lichaam", of eerst later, en wel
twaalf achtereenvolgende keeren, toen Hij aan elk der twaalf
Apostelen een stuk van het gezegende Brood overreikte?
Nu zie ik onmogelijk kans, den tekst in een andereu zin
te verstaan, dan dat Christus reeds tegenwoordig was bij het
uitspreken der woorden: „Dit is Mijn Lichaam." Anders toch
zouden ze onwaar zijn. Christus had dan moeten zeggen:
„Neemt en eet, dat zal Mijn Lichaam worden" nl. zoodra
gij het ontvangt. Thans herhaal ik, lieve vader: was Christus
toen tegenwoordig door en bij het uitspreken der woorden en
niet eerst toen de Apostelen ieder een gedeelte van het Brood
nuttigden, dan geldt hetzelfde van ons Avondmaal; d. i. die-
genen hebben gelijk, welke gelooven, dut de woorden de ge-
heimcolle verandering bewerken;
zij echter dwalen, die aan
het nuttigen zulk een wonderbare kracht toeschrijven. De
meening dezer laatsten stelt de geleerde Leibnitz (System
d. Theol.) heel aardig aan de kaak, door hun deze vraag ter
beantwoording voor te leggen, „of deze verandering op de
lippen, in den mond, in de keel of eerst in de maag ge-
schiedt, dan wel of zij misschien niet eens plaats heeft,
wanneer door eenig toeval de gedaanten niet verdwijnen."
Daaruit volgt verder — hoe hard het ook moge klinken —
-ocr page 14-
r_>
dat ons gansche Luthersche Avondmaal nietig en ongeldig is,
dat wij in werkelijkheid niet Christus, maar enkel en alleen
een gewoon stuk brood ontvangen. Want, zooals gezegd,
onze predikanten hebben niet de bedoeling, de meening.
Christus tegenwoordig te doen zijn brj het uitspreken der woorden;
door het nuttigen daarvan kunnen evenwel de geloovigen even-
min die tegenwoordigheid bewerken, omdat Christus het Sa-
crament zóó niet heeft ingesteld.
De bewering der Katholieken, dat alleen een gezalfde priester
door het uitspreken der woorden de sacramenteele verandering
kan voltrekken, laat ik hier geheel buiten rekening. Hebben
de Katholieken ook hierin gelijk, dan is ons Avondmaal zooveel
te meer ongeldig en louter een ijdele ceremonie. Doch al zouden
de Katholieken ook op dit punt dwalen , dan is ons Avondmaal
toch nog nietig om genoemde reden. Dan zou er namelijk geen
gewijde priester noodig zijn voor die heilige handeling, maar
zou ieder Christenmensen ze kunnen verrichten. Daar echter
de Katholieke priester toch ook een Christen is, is het zonne-
klaar, dat hij het brood geldig wijden kan.
Nogmaals, dierbare Vader, mij dunkt, de zoo duidelijke
woorden der H. Schrift pleiten voor de opvatting der Katho-
lieken; d. w. z. de woorden, en niet de nuttiging, bewerken
de tegenwoordigheid des Heeren. In ieder geval zult gy my
moeten toegeven, dat de H. Schrift niet zóó duidelijk ten gunste
der Luthersche leer spreekt, dat geen zweem van twijfel meer
overblijft. De Schriftuur zou dan min of meer duister en de
verklaring der plaats twijfelachtig zijn. Maar dan begrijp ik
waarlijk niet, hoe Luther het wagen dorst, op grond van een
hoogstens twijfelachtige Schriftuurplaats met de vroegere eeuwen
en al de Christenen van zijn tijd in zoo\'n gewichtig punt te
breken. Op persoonlijke onfeilbaarheid kon hij toch geen aan-
spraak maken! Ik begrijp evenmin, hoe God kon toelaten,
dat de gansche Christenheid eeuwen lang een stuk brood als
-ocr page 15-
13
God zou vereeren; dit is in strijd met de belofte, volgens
welke Christus en de H. Geest tot het einde der tijden met de
Kerk zullen blijven.
Zooveel voor heden. Mocht het u gelukken, lieve Vader,
mijne bezwaren en vooral de bedenking tegen de geldigheid van
ons Luthersch Avondmaal uit den weg te ruimen, dan zoudt
gy mij een steen van het hart nemen. In blijde afwachting
van uw antwoord, verblijf ik als altoos,
Uw liefhebbende zoon
Theobald.
-ocr page 16-
II.
2e Transsubstantiatie. (Verandering van Zelfstandigheid).
(Brief van Ds. Berg).
Myn Theobald , myn Theobald! Wat heeft uw laatste brief
mij wrevelig gestemd! Laat toch die spitsvondigheden varen!
Zij rieken naar Jezuïetische gewetensleer. Houd toch vast aan
de symbolische boeken onzer Evangelische kerk.
Volgens u zou dus de Roomsche kerk het ware Avondmaal
hebben en het onze zou ongeldig zijn? Schrikt ge dan niet
terug voor de Roomsche transsubstantiatie en voor de nuttiging
van vleesch, waarover de Joden te Kapharnaüm zich reeds
ergerden? Zie toch met uw eigen oogen toe, als de Katho-
lieken het Avondmaal ontvangen; zie toe, of gij dan ergens
vleesch of niet veeleer eenvoudigweg brood aanschouwt.
„In, met en onder" het brood is Christus tegenwoordig,
ziedaar wat wij, Evangelischen, gelooven \'). Maar die Roomsche
transsubstantiatie druischt tegen alle gezond verstand aan!
J) Van hetgeen onze Gereformeerden gelooven moge men zich een
denkbeeld vormen uit de volgende zinsneden van Dr. J. H. Gunning JHz.
t. a. p. bl. 122 en 123: «Ook wanneer men met echt-Gereformeerden
afkeer van alle Roomsche vormelijkheid en Luthersche geheimzinnigheid
bezield is, en in de heilige leekenen niets dan gewoon brood en gewonen
-ocr page 17-
15
Lieve Theobald! Schriftelijk laat zich onze zaak niet zoo
goed uiteenzetten als wel mondeling. Vandaar is de volgende
gedachte bij mij opgekomen: Professor X. te Bonn is de oude
vriend mijner universiteitsjaren. Er zijn wel vele jaren ver-
loopen, sedert wij elkaar voor \'t laatst hebben gesproken.
Nochtans hij zal zich mijner herinneren. Ga hem dus eens
opzoeken; breng hem mijne groeten en leg dan uwe bezwaren
tegen den godsdienst bloot. Ik hoop, dat hy uw Eoomsche
tendenties door degelijke tegenbewijzen zal vernietigen.
In de hoop, dat uw volgende brief mij betere tijdingen
brenge, blijf ik als altyd
Uw trouwe Vader.
wijn ziet (wij cursiveeren), kan men er niets tegen hebben eerbiedig te
verklaren, dat men deze zaken voor het heiligste en verhevenste doel
dat zich denken laat gaat gebruiken, en dat de Heer aan een geloovig
nuttigen een uitnemend rijken zegen verbonden heeft. Daarom spreken
wij steeds de volgende formule: «Gedachtig aan Jezus\' heilige ontvan-
genis, en aan zijn wo*dervolle geboorte, en aan zijn heilig leven, en aan
zijn sterven, en aan zijne begrafenis, en aan zijne opstanding, en aan
zijn hemelvaart, en aan zijn zitten ter rechterhand Gods" — hier brei-
den wij onze handen over de verbondsteekenen uit — (zou deze cere-
monie ook niet ten nauwste samenhangen rnet het zoo gevreesde begrip
des offers?) wijden wij dit brood en dezen wijn, waarmede wij oefenen
de gemeenschap aan zijn bitteren dood, Hem tot eere, onzen zielen tot
troost. Amen".
«Daarop reiken wij brood en wijn uit met de kerkelijk-vastgestelde
woorden 1 Cor. 10:16, of — wat ons beter voorkomt — met de inzet-
tingswoorden des Heilands : Matth. 26 : 26 verv. De Synode van Emden
1571 art. 21 vergunde dit laatste, als men maar toezag, »dat het uit-
spreken der woorden mettertijd niet tot een schijn of waan van con-
secratie getrokken worde." Het schijnt echter dat deze vrees gegrond
genoeg bleek, om allengs het uitsluitend gebruik van Paulus\' woorden
voor te schrijven. Bij Dersier spreekt de predikant de woorden 1 Cor.
10 :16 wanneer hij zelf de heilige teekenen tot zich neemt en voorts
bij het begin van elke nieuwe tafel, maar, bij het uitreiken aan elk
afzonderlijk een Bijbelwoord."
-ocr page 18-
16
Antwoord van Theobald.
Opnieuw betuig ik u, lieve Vader, mijn innige spijt, u
verdriet te hebben aangedaan. Doch de waarheid boven alles!
Ik wil mij licht verschaffen in deze vragen, \'t Zyn de gewich-
tigste levensvragen. Ik wil my vergewissen, aan welke zyde
het echte, ware Christendom is. En waar ik het ook vind,
daar zal ik \'t belijden. Geen offers zullen my daartoe te zwaar
vallen. Ik ben de woorden van Christus indachtig: „Die vader
of moeder liefheeft boven mij, is mij niet waardig"; en deze
andere: „Een ieder die mij verloochend zal hebben voor de
menschen, dien zal ook ik verloochenen voor mijnen Vader,
die in de hemelen is."
Gij schrijft, dat ik mij aan de symbolische boeken der Evan-
gelische Kerk moet houden. Doch sinds wanneer steunt het
Protestantisme enkel op autoriteit\'? Ik begrijp, dat een Katho-
liek een anderen Katholiek kan aanraden: Houd u aan de
uitspraak der Kerk, want zy is onfeilbaar. Maar sinds wan-
neer en op welken grond maken wij aanspraak op onfeilbaar"
heid voor onze symbolische boeken? Sinds wanneer zijn de
schrijvers daarvan onfeilbaar! Zijn ze echter niet onfeilbaar,
dan hebben ze voor my in geloofszaken geen beslissend gezag
en kan ik ze dus niet onvoorwaardelijk vertrouwen.
Uwe aanmerking, dat ik by het Avondmaal der Katholieken
moest toezien, of zij brood of wel vleesch ontvangen, is toch
zeker geen ernst, hoop ik. Gy weet immers genoegzaam,
lieve Vader, dat volgens de Katholieke leer alleen de zelf-
standigheid van het brood veranderd wordt in het lichaam van
Jezus Christus, terwijl de gedaanten van brood onveranderd
blijven. En onder de gedaante van brood verstaat men alles,
wat van brood onder de zinnen valt, als; kleur, smaak,
reuk, enz.
Die transsubstantiatie stuit u dus tegen de borst. Nu, dat
-ocr page 19-
17
woord klinkt eenigszins vreemd en barbaarsch. Laten wij dan
liever het zinverwante woord „verandering van zelfstandigheid"
of „wezensverandering" daarvoor gebruiken.
Wat de zaak zelve betreft, iedereen ziet in, dat deze ver-
andering van zelfstandigheid een groot wonder is. Maar ik be-
grijp niet, hoe een wonder den geloovigen Christen kan
stooten. Is de Menschwording van Gods Zoon ook niet een
wonder? Zijn de Verrijzenis en de Hemelvaart van Christus
geen ontzaglijke wonderen? En was \'t geen wonder, toen
de Heer op de bruiloft te Kana water in wijn veranderde? toen
Hij herhaaldelijk duizenden menschen spijzigde met een paar
brooden? toen Hij den dooden het leven teruggaf? enz.
Wij, Lutheranen, zijn eerst echt inconsequent, als wij ons
ergeren over de verandering van zelfstandigheid. Moet men
niet evengoed een wonder aannemen, wanneer men gelooft,
dat Christus bij de nuttiging van het Avondmaal „in, met en
onder" het brood tegenwoordig is, als de Katholiekeu, die
gelooven, dat Hy door zulke verandering van het brood, tegen-
woordig is bij de woorden des priesters? De Calvinisten
vinden misschien een uitvlucht met te beweren: ten tijde van
Christus waren die wonderen aannemelijk; maar dat bij
elk Avondmaal, hetwelk een Christen tegenwoordig nog ont-
vangt, opnieuw een wonder zou geschieden, dat is ongeloo-
felijk. Ons, Lutherschen, is ook deze uitweg afgesneden. Wij
moeten in zekeren zin nog meer wonderen aannemen, dan
de Katholieken. Want ingeval honderd menschen het H.
Avondmaal ontvangen, moet er honderdmaal een wonder ge-
beuren, opdat Christus „in, met en onder" de Hostie tegen-
woordig zij, die ieder afzonderlijk nuttigt. Brj de Katholieken
daarentegen is voor die honderd personen één enkel wonder
voldoende, dat plaats grijpt, wanneer de gewijde priester de
woorden der instelling uitspreekt.
Hoe deze leer over de verandering van zelfstandigheid tegen
2
-ocr page 20-
18
het gezond verstand aandruischt, lieve Vader, is voor mij
onbegrijpelijk. Een wonder zonder eenig doel is ongetwijfeld
tegen alle gezond verstand. Maar bij dit wonder ontbreekt
toch waarlijk niet een doel, Gode waardig. Immers voor alle
tijden wil Christus bij ons blijven, ook naar Zijn menschelijke
natuur: Hij wil in elke parochiekerk tegenwoordig zijn, opdat
de geloovigen Hem zouden komen aanbidden; Hij wil zich-
zelven steeds opnieuw aan den hemelschen Vader opofferen
in de H. Mis: Hij wil zich in het Avondmaal op \'t nauwst
met ieder van ons vereenigen en bij deze innige vereeniging
een stroom van geestelijke genadegaven uitstorten. Dat alles
is toch reden genoeg, om een wonder te veronderstellen en
aan te nemen! En mochten die doeleinden niet voldoende
zijn, dan missen vele wonderen , waaraan wij, Lutherschen,
toch gelooven, nog veel meer een *\' "lelijk doel. Want bijons
betreft het alleen het Avondmaal, bij de Katholieken nog
daarenboven de voortdurende tegenwoordigheid in het taber-
nakel, en het Misoffer.
En zou de Katholieke leer over de verandering van zelf-
standigheid niet overeenkomstig de H. Schrift kunnen zijn?
Hoe zijn de woorden van Jezus Christus? Terwijl hij een
stuk brood in de hand hield, sprak Hij : „Dit is mjjn Lichaam".
Hij zeide niet: „In, met en onder" dit brood is mijn Lichaam".
Wanneer nn niet te gelijk met het uitspreken der woorden
datgene, wat Christus aanwees door het voornaamwoord „dit",
nl. het brood, hetwelk Hij in de hand hield, werkelijk Zijn
lichaam geworden was, zou Hij onwaarheid gesproken hebben.
Het brood moest bijgevolg op hetzelfde oogenblik het Lichaam
van Christus worden. Doch wat is dit anders dan eene wezens-
verandering, eene transsubstantiatie van het brood in het
Lichaam des Heeren ?
Althans is het, ik herhaal \'t ook hier weder, zeer te be-
twijfelen, of Luthers nieuwe leer beter gegrond is op de H.
-ocr page 21-
1!)
Schrift, dan de aloude eu vóór Luther algemeen geloofde
Katholieke leer. Luther had dus verstandiger en beter gedaan
met bij de oude leer te bl\\jven; en ook wij bewandelen een
veiliger weg, als wij tot haar terugkeeren.
Om de oudheid der Katholieke leer te staven, zal ik, lieve
Vader, eenige getuigenissen aanvoeren; het zijn vruchten van
myn tegenwoordige lectuur.
De uit de heidensche wijsbegeerte tot het Christendom be-
keerde heilige Bloedgetuige, J u s t i n u s, spreekt in zijn ver-
dedigingsschrift, dat hij, zooals bekend is, aan keizer A n t o-
ninus Pius (138—161) richtte ten gunste der Christenen,
aldus over het Avondmaal: „Wij nuttigen dit (de H. Eucharistie)
niet als een gewoon brood en als een gewonen drank; maar
gelijk Jezus Christus, onze Zaligmaker, die door het woord
Gods is mensen geworden, om wille van onze zaligheid vleesch
en bloed heeft gehad; zoo hebben wij geleerd, dat ook deze
spijs, waarover de dankzegging met het van Hem zelven
afkomstig gebed is uitgesproken, het vleesch en bloed van
dien menschgeworden Jezus is. Want de Apostelen hebbeu in
hunne gedenkschriften, welke wij Evangeliën noemen, ons
overgeleverd, dat Jezus Christus hun bevolen heeft zoo te
doen, als Hij gedaan heeft, namelijk toen Hy brood nam,
dankte en zeide: „Doet dit te mijner gedachtenis, dit is mijn
Lichaam" enz. \')
Aldus spreekt een getuige, die wellicht nog ten tijde van
den Evangelist Joannes het levenslicht aanschouwde en die
zijn geloof met zijn bloed bezegeld heeft. Aldus .heeft hij
geleerd", zegt hij: — welke de ware Christelijke leer is, moest
hij toch minstens evengoed weten als Cal v ij n eu Luther,
die vyftien eeuwen na Christus leefden. Als de zuivere leer
houdt hij:
\') Justin. Apolog. 1. cap. 65, 66.
-ocr page 22-
20
ten eerste, dat in het Avondmaal het vleesch en het bloed
van Jezus Christus even zoo waarachtig tegenwoordig zijn, als
Christus bij Zijn mensehwording wezenlijk vleesch en bloed
heeft aangenomen. Dit is trouwens ook ten huidigeu dage nog
de leer niet alleen der Katholieken, maar ook der Russen,
Grieken, Lutheranen, in één woord de leer van negen tienden
der Christenheid. Afgezien van de moderne ongeloovigen is \'t
immers hoofdzakelijk slechts de handvol Calvinisten, die haar
tegenspreken en in het Avondmaal enkel een gedachtenismaaltijd,
maar niet het werkelijke Lichaam van Jezus Christus zien.
Ten tweede echter beschouwt J u s t i n u s als de zuivere
Christelijke leer, welke houdt, dat „de spijze, waarover de
dankzegging met het van Hem zelven (van Christus) afkomstig
gebed is uitgesproken" het vleesch van Jezus Christus is. Doch
deze spijze is reeds door het gebed gezegend, voordat zij ge-
nuttigd wordt, juist zooals de Katholieken nog heden ten dage
in de Mis ze reeds vóór de Communie als het Lichaam en
Bloed van Jezus Christus beschouwen. J as tin u a spreekt der-
halve niet alleen de Calvinisten tegen, maar ook ons Lutherschen,
die beweren, dat Christus eerst bij het nuttigen tegenwoordig
is, en niet reeds te voren bij het uitspreken van de woorden
der instelling.
Niet slechts met betrekking tot het tijdstip der geheimvolle
handeling schijnt Justinus voor de Katholieken te pleiten;
neen, lieve Vader, inzonderheid ook
ten derde betreffende hetgeen er bij die handeling plaats
grijpt. Hij zegt niet, dat naast de door het gebed gezegende
spijs of „in, met en onder" die spijze Christus\' Lichaam ver-
schijnt; hij zegt veeleer, dat die spijs zelve het Vleesch en
Bloed van Jezus Christus is. Het verdwijnen der brood- en
wijnsubstantie en het verschijnen van het Lichaam en Bloed
des Heeren beschouwt hij dus niet als twee afzonderlijke, met
elkaar in geene betrekking staande handelingen, maar ver-
-ocr page 23-
21
klaart duidelijk, dat zij door middel der Consecratiewoorden in
het nauwste verband staan en als de ééne gezamenlijke werking
daarvan zijn. Bijgevolg beschrijft Justinus blijkbaar de Ka-
tholieke leer der wezensverandering of transsubstantiatie.
Wanneer nu Justinus op deze wijze spreekt, kunnen wij
met volle recht aannemen, dat hetgeen hij geloofde, niet enkel
zijn persoonlijk geloof, maar het algemeene geloof der eerste
Christenen was. Hij wil immers den heidenschen keizer aan-
toonen, niet wat hij voor zichzelven dacht, maar wat algemeen
door de Christenen geloofd werd! Daarom zegt hij omtrent de
leer, welke hij verdedigt: „zoo hebben wij geleerd." Was deze
leer niet wezenlijk de algemeene leer der Christenen geweest,
dan had hij toch zeker vermeden, den keizer iets als Christelijke
leer voor te stellen, dat dezen geheel vreemd, ik zou bijna
zeggen: geheel dwaas moest toeschijnen, namelijk, dat brood
in het lichaam eens menschen werd veranderd, en de Christenen
hunne zielen voedden met het vleesch van een God-mensch.
In de eerste tijden van het Christendom werd immers, onder
vele andere lasterlijke aantijgingen, den Christenen ook ver-
weten, dat zij bij hunne godsdienstige bijeenkomsten kinderen
slachtten, om het vleesch te eten en het bloed te drinken.
Zou de nuttiging van het Lichaam des Heeren niet de aan-
leiding tot deze beschuldiging geweest zijn\'?
Justinus is overigens volstrekt niet de oudste getuige
voor de leer der Katholieken. Nog ouder is Ignatius, bisschop
van Antiochië, een leerling van den Evangelist Joannes, die
omstreeks het jaar 107 te Rome den marteldood stierf. Hij
moest van Joannes toch wel de ware leer ontvangen hebben,
en wat hij zegt, kunnen wij onmogelijk als „Roomsch bij-
geloof" verwerpen. Ignatius dan schrijft in zijn brief aan
de geloovigen van Smyrna over de dwaalleeraars (ketters):
„Zij onthouden zich van de Eucharistie, dewijl zij niet met
ons belijden, dat de Eucharistie het vleesch is van onzen
-ocr page 24-
•_>•_>
Heiland Jezus Christus, hetwelk voor onze zonden geleden,
hetwelk de Vader opgewekt heeft" 1).
Daar hij met deze woorden de ketters berispt, wijl zij niet
belijden, „dat de Eucharistie het Vleesch van onzen Verlosser
Jezus Christus is", geeft hij tevens te kennen: „de rechtge-
loovigen belijden, dat de Eucharistie het Vleesch van onzen
Verlosser is". Hij zegt niet gelijk de Calvinisten: de Eucharistie
„beteekent" alleen het Vleesch des Verlossers: evenmin zoools
wij Lutherschen: „;\'« met en onder" de Eucharistie is Zijn
Vleesch; neen, met de Katholieken zegt hij, dat de spijze zelf,
die genuttigd wordt, dus datgene wat tot dan toe nog brood
was, \'s Heeren lichaam is. Dit echter doet duidelijk onderstel-
len, dat hij aan eene wezensverandering, eene transsubstan-
tiatie geloofde, juist als de Katholieken van onzen tijd.
De leer der transsubstantiatie is bijgevolg geen uitvinding
der middeleeuwen, maar eene leer van het oorspronkelijke
Christendom, evengoed als de leer der H. Drievuldigheid
of die der Menschwording van Gods Zoon.
Even duidelijk als Ignatius spreekt omtrent het jaar 177
Irenaeus, bisschop van Lyon. Ook hij moest het oorspronk3lijke
Christendom goed kennen; want hij was onderwezen door
Polycarpus, een leerling van den Evangelist Joaunes.
Irenaeus, de dwaalleer willende weerleggen, volgens welke
ons lichaam geen deel kan hebben aan het eeuwige leven,
getuigt: „ons lichaam wordt gevoed met het Lichaam en het
Bloed van Christus, derhalve moet het wel vatbaar zijn voor
het eeuwige leven" 1).
Na deze getuigenissen uit het allereerste Christendom zal het
wel overbodig zijn, nog andere uit latere eeuwen aan te halen.
\'i Ignatius ad Smyrn. cap. 7.
\') Irenaeus adv. Haer. 1. V. c. 2. n. 3.
-ocr page 25-
23
De Kerkleeraar A u g u s t i n u s (f 430) zegt bv. in zijn verklaring
van Ps. 33: „Christus droeg zichzelven in Zijne handen, toen
Kij, Zijn Lichaam overreikende, sprak: „Dit is Mijn Lichaam",
en (over Ps. 98): „Christus heeft ons Zijn eigen Vleesch te
onzer zaligheid tot spijze gegeven. Niemand eet dat Vleesch,
zonder het eerst te hebben aangebeden, en men bezondigt zich
niet, als men het aanbidt, maar men zondigt, als men het
niet aanbidt." Al wie zonder vooroordeel de schriften der
Vaders leest, zal daarin ongetwijfeld de Katholieke leer over
de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus en der transsub-
stantiatie vinden. Zelfs heb ik opgemerkt, dat alle sekten van
het Oosten, die in de eerste eeuwen zyn afgevallen, het ge-
loof aan de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in de
Eucharistie bewaard hebben; bijgevolg bestond het in de Kerk,
toen zij zich van haar afscheidden.
Verder komt het mij helder als de dag voor, dat het geloof
aan zulk een geheim onmogelijk ingang zou gevonden hebben,
als het niet met het Christendom zelf gepredikt was. Had de
Roomsche kerk later dit leerstuk verkondigd, dan zou gewis
een groote verwarring in veler gemoederen ontstaan zijn. De
geschiedenis meldt echter alleen, dat Berengarius van Tours,
die het eerst, in de elfde eeuw, de wezenlijke tegenwoordigheid
loochende en bestreed, een algemeene verontwaardiging bij de
Christenen heeft verwekt en dat zijne leer alom en eenparig
veroordeeld werd.
Indien dus iemand van het oorspronkelijke, onvervalschte
Christendom, van de zuivere leer des Evangelies is afgeweken,
dan zijn het niet de Katholieken, maar veeleer wij Lutherschen,
Protestanten, of hoe wij ook mogen heeten. Niettegenstaande
al die getuigenissen, kan men in onze symbolische boeken
herhaaldelijk lezen dat de leer der Katholieken over de trans-
substantiatie een uitvinding is der middeleeuwen. Mij dunkt,
lieve Vader, door dergelijke onhistorische beweringen maken
-ocr page 26-
•24
wij ons belachelijk. Willen wij eerlijk zijn en blijven, dan
moeten wij erkennen, dat de Katholieke leer omtrent dit punt
de aloude leer is van het Christendom. Doch dan blijft ons
geen andere uitvlucht over dan te beweren, dat reeds van
de eerste tijden af het Christendom in eene allergewichtigste
hoofdzaak verbasterd is geweest, in de leer omtrent Jezus\'
tegenwoordigheid te midden van ons, in de aanbiddende ver-
eering van het Heilige Sacrament. Maar wie onder allen, die
de zorg des H. Geestes voor Zijne Kerk belijden, zou zoo-
danige verbastering durven staande houden ? Of zou van Christus\'
tijd af tot de zestiende eeuw de Geest Gods van Zijne Kerk
geweken, en eerst ten tijde der Hervorming het hoogere licht
in haar teruggekeerd zijn, om den nacht van het afgodendom
te verdrijven ? Zouden de uitstekende mannen als Justinus,
Ignatius, Irenaeus, Ambrosius, Chrysostomus, Augustinus enz,
den zin der Schrift niet begrepen hebben; en zou de Geest
des Heeren eerst aan de Hervormers de oogen ontsloten
hebben ? En ach, wie heeft dan den eigenlijken, den waren
zin van de woorden des Bijbels verstaan? De een toch ver-
klaart ze zus, de ander zoo! Wien te gelooven? Ik ben
veeleer geneigd, lieve Vader, te gelooven, dat onze groote
mannen tot ongerijmdheden zijn vervallen, dewijl ze zich niet
lieten leiden door Gods Geest. Dan toch moet men zijn toe-
vlucht nemen tot dwaasheden; getuige Prof. Harnack, die
stoutweg durft beweren, dat Christus bij het laatste Avond-
maal, geen wijn maar enkel water gebruikt heeft!
Tot zoover hierover! — Uw voorstel, lieve Vader, om een
bezoek te brengen aan Professor X, zal ik met genoegen
opvolgen, \'t Is mij immers om de waarheid te doen: alle
bewijsgronden, alle tegenwerpingen wil ik leeren kennen. Het
eenigste wat voor mij, behalve de waarheid, nog van belang
kan zijn, is, die waarheid te vinden in het Lutherdom en niet
in het Katholieismus. Want vind ik ze in het Lutheranisme,
-ocr page 27-
25
dan zyn in elk opzicht alle zwarigheden uit den weg ge-
ruimd, en blijf ik trouw aan mijn oude, my dierbaar geworden
betrekkingen; ik heb beter uitzicht voor mijn verdere toekomst
enz. Geheel anders daarentegen is \'t gesteld, wanneer ik de
waarheid in den Katholieken godsdienst vinden zou. Dan, ja
dan, zouden er groote en zware offers van mij gevorderd
worden.
Doch laten wy dit aan de toekomst en de raadsbesluiten
van God over! Ik blyf inmiddels, als altoos
Uw getrouwe zoon,
Theobald.
Denzelfden dag, waarop Theobald voorgaauden brief aan
zyn vader had verzonden, bezocht hij Professor X.
Deze ontving hem vriendelijk. Hij was reeds door Ds. Berg
over het doel van het bezoek ingelicht. Zijn eerste vragen
hadden natuurlijk betrekking op zijn ouden vriend in Pomme-
ren, op Theobald\'s vader. Daarna kwam het gesprek op
het onderwerp, dat tot dit bezoek had aanleiding gegeven.
Hoe kunt gij toch, zoo meende Professor X., de gedachte
bij u laten opkomen, dat het stuk brood, hetwelk de Katho-
lieken aanbidden, het lichaam van Jezus Christus zijn zou ?!
Theobald : Deze gedachte, Professor, is in elk geval niet
alleen de mijne. Verder zie ik niet in, waarom ik meer moet
terugschrikken voor het wonder, waaraan de Katholieken ge-
looven, dan voor het wonder, dat ook volgens de Luthersche
leer met het Avondmaal gepaard gaat.
Professor X.: Welk wonder bedoelt u?
T h.: Dat wy werkelijk het Lichaam en Bloed van Jezus
Christus ontvangen, hoewel wy oogenschijulijk slechts brood
en wyn nuttigen.
Professor X.: Wel? Wie dwingt u dan, aan zulk een
wonder te gelooven?
-ocr page 28-
26
T h.: Dwingen doet mij niemand. Maar ik heb het altijd
zoo van mijn vader geleerd, en \'t is ook de leer der Luther-
sehe Kerk.
Professor X.: Doch niet de leer der Evangelische kerk
van Pruisen. (Staatskerk). Want deze laat ieder vrij, ten op-
zichte van het Avondmaal de Calvinistische of de Luthersche
leer te volgen. Ik voor mij ben het eens met de opvatting der
Calvinisten of Gereformeerden, en volgens deze is het Avond-
maal niets anders dan een gedachtenismaaltijd.
T h.: Met uw verlof, Professor! Hoe verklaart U dan de
woorden der heilige Schrift? Daar staat toch duidelijk: „Dit
is mijn Lichaam, dit is mijn Bloed"?
Professor X.: Nu, deze woorden zijn even figuurlijk te
verstaan, als zoovele andere. Het gansche Avondmaal is enkel
een plechtige gedachtenis aan den Verlosser; meer niet. In dien
zin zegt Christus: „Dit is Mijn Lichaam".
Th.: Dat is toch minstens een zonderlinge uitdrukking.
Wanneer ik een vriend ten afscheid een gedachtenis wil geven,
schenk ik hem bijvoorbeeld mijn portret. Ik kan eraan toe-
voegen: „Dat ben ik", of: „Dat is mijn lichaam". Maar wie
ter wereld toont zijn vriend tot aandenken een stuk brood,
geeft het hem te eten zeggende: „Dat ben ik", of zelfs: „Dat
is mijn lichaam"?
Professor X.: Nu, ik geef toe: er is wel iets raadsel-
achtigs in deze zaak.
Th.: Is ze raadselachtig, dan moet men, dunkt nvy, ze
verklaren, zooals ze van het begin der Kerk af verstaan en
verklaard is. Altijd echter heeft men ze zóó begrepen, dat
Christus ons waarachtig en werkelijk Zijn Lichaam tot voedsel
geeft.
Professor X: Dan zoudt U immers een verandering van
brood in vleesch moeten aannemen\'?
Th.: En waarom niet! Als Christus te Kana water in wyn
-ocr page 29-
•27
veranderd heeft, opdat de goede lieden, welke bruiloft hielden
niet in verlegenheid zouden komen, waarom zou Hij dan niet
brood in Zijn Lichaam veranderen, om zich op de nauwste
wyze met ous te vereenigen en steeds onder ons tegenwoordig
te blijven?
Prof. X.: Dat zou immers een wonder zijn, of liever een
onnoemelijk aantal wonderen! En wonderen neemt de heden-
daagsche wetenschap niet meer aan.
Th.: Dan zou ook geheel het Christendom door de heden-
daagsche wetenschap te niet gedaan zijn. Want het is op won-
dereu gegrondvest van het begin tot het einde, van de Mensch-
wording van Gods Zoon af tot aan Zijne Opstanding en
Hemelvaart.
Prof. X.: Nu, die verhalen der heilige Schrift moeten even-
eens figuurlijk verstaan worden, zoodat ze niet in tegenspraak
komen met de moderne wetenschap.
ï h.: Op wat wyze zou er tegenspraak kunnen zijn ? Of U
gelooft aan een persoonlijken God, Professor, of U gelooft er
niet aan. In \'t eerste geval, moet U de mogelykheid van won-
deren toegeven. Want dezelfde Schepper, die de eerste mensehen
schiep, kan toch nu wel eenen doode het leven teruggeven!
En Hy, die den wynstok gemaakt heeft, kan toch ook nu wel
water in wijn veranderen! — Gelooft U evenwel niet aaneen
persoonlijken God, dan zult U met David Strausz moeten toe-
geven: Wij zijn geen Christenen meer!
Professor X.: Laten we dat buiten de quaestie, vriend-
lief! Ik zeg u: De plaatsen der heilige Schrift, die wonderen
schijnen te vermelden, moeten anders uitgelegd worden, nl. zóó
dat ze de moderne wetenschap niet tegenspreken.
T h.: Professor! Hoe zal U dan het zesde hoofdstuk van het
Evangelie van Joannes, waarin Christus belooft ons Zyn
Vleesch te eten en Zyn Bloed te drinken te geven, anders
verklaren, dan zooals de woorden letterlijk luiden en zooals
-ocr page 30-
\'28
die plaats van de eerste tijden des Christendoms verstaan is
en heden nog verstaan wordt door Katholieken en Lutheranen,
Russen en Grieken? U hebt hier zeker een Bijbel bij de hand:
veroorloof, dat ik u even de plaats daaruit voorlees! Jezus
spreekt dan:
„Ik ben het brood des levens. Uwe vaderen hebben in de
woestijn het manna gegeten, en zijn gestorven. Dit is het
brood, hetwelk uit den hemel nederdaalt, opdat zoo wie daar-
van eet, niet sterve. Ik ben het levende brood, die uit den
hemel ben nedergedaald. Zoo iemand van dit brood eet, die zal
leven in eeuwigheid; en het brood, dat Ik zal geven, is Mijn
vleesch voor het leven der wereld." (Joës. VI, 48—52).
Prof. X. Welnu, vriend, dat alles is beeldspraak en moet
figuurlijk verklaard worden.
Th. Maar wat zegt U dan van de volgende woorden, Pro-
fessor ? De heilige Schrift vervolgt:
„De Joden dan streden onder elkander en zeiden : Hoe kan
deze ons Zijn vleesch te eten geven? Jezus echter sprak tot
hen : Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vleesch
van den Zoon des Menschen eet en Zijn bloed drinkt, zult
gij het leven in u niet hebben. Die Mijn vleesch eet en
Mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven en Ik zal hem
ten jongsten dage opwekken. Want Mijn vleesch is waarlijk
spijs en Mijn bloed is waarlijk drank. Die Mijn vleesch eet
en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Gelijk de
levende Vader Mij gezonden heeft, en Ik door den Vader
leef, zoo zal ook hij, die Mij eet, door Mij leven. Dit is het
brood, hetwelk uit den hemel is neergedaald; niet gelijk uwe
vaderen manna gegeten hebben en gestorven zijn. Wie dit
brood eet, zal leven in eeuwigheid". (Joes. VI: 53 — 59.)
Hoe legt U deze woorden uit, Professor\'?
Prof. X. Ik leg ze eveneens figuurlijk uit, zooals ik u dat
reeds betreffende de voorafgaande woorden gezegd heb.
-ocr page 31-
•2!»
Th. : Als Christus Zijne woorden hier in een figuurlijken zin
wil opgenomen hebben, dan heeft Hij zicli vrij onhandig uit-
gedrukt. Want ik vraag u, Professor: had Hij zich wel krach-
tiger en duidelijker kunnen uitdrukken, indien Hij Zijne woorden
niet figuurlijk maar letterlijk wilde doen verstaan\'?
Overigens wordt Zijne bedoeling nog duidelijker, doordat
Christus wat verder het Avondmaal met Zijne Hemelvaart
vergelijkt. Zijne gedachte is ongeveer als volgt: Mijne Hemel-
vaart is iets ongehoords en nauwelijks te gelooven; nochtans
zal zij in werkelijkheid en niet alleen figuurlijk plaats hebben.
Eveneens is het eten van Mijn vleesch schijnbaar iets onge-
loofelijks; toch ook dit moet letterlijk verstaan worden *)•
Aldus is, ten minste volgens mijne meening, de zin van het
vervolg der geschiedenis, alwaar het luidt:
„Dit sprak Hij in de synagoge, toen Hij te Kapharnaüm
leerde. Velen dan van Zijne leerlingen, het hoorende, zeiden:
Deze rede is hard; en wie kan haar aanhooren ? Daar nu
Jezus bij zichzelven wist, dat Zijne leerlingen daarover morden,
zeide Hij tot hen: Ergert u dit ? Indien gij dan den Zoon
des menschen zult zien opvaren, waar Hij te voren was?"
(Joes VI, 60—63).
Uit deze woorden leid ik af, Professor, dat de nuttiging
van het Lichaam van Jezus Christus evengoed letterlijk moet
\') Zóó bij L. von Hammerstein. Natuurlijker schijnt de verklaring
van Corluy, volgens wien niet »het Avondmaal met de Hemelvaart"
vergeleken wordt, maar de moeilijkheid om te gelooven aan het nuttigen
van Christus\' lichaam zooals die nu is, met de moeilijkheid zooals die
zijn zal als Christus\' lichaam in den hemel is. De invulling luidt dan
ongeveer : (Maar wat) dan als gij den Zoon des menschen zult zien
opvaren . . . ? (Dan zult gij nog moeten gelooven, dat gij op aarde Zijn
lichaam nuttigt!) — Ook zóó blijkt intusschen, dat Christus van Zijne
bewering niets terugtrekt, ze niet verzacht, maar versterkt en beves-
tigt, ongeveer als Joes I, 50 en III, 42.
-ocr page 32-
30
verstaan worden, als de Hemelvaart, waarvan de leerlingen
ooggetuigen waren.
Prof. X. Mijnentwege moogt gij die gevolgtrekking maken,
beste vriend. Wat echter, als ik u zeg, dat ook de Hemel-
vaart figuurlijk (als beeldspraak) moet verklaard worden?
Th. Hoe is dat mogelijk, Professor ? Laat ons de woorden
uit de Handelingen der Apostelen eens nagaan, waar de
Hemelvaart verhaald wordt! Daar lees ik :
„En als Hij dit gesproken had, werd Hij, terwijl zij aan-
schouwden, opgenomen, en eene wolk onttrok Hem aan hunne
oogen"\'. (Hand. I, 9).
Prof. X. Zeker! Dat staat wel in de Handelingen der Apos-
telen; maar die Handelingen zijn eerst van lateren datum,
en derhalve niet te vertrouwen.
Th. Op welk argument steunt uw bewering, Professor?
Professor X. Omdat zij anders iets onmogelijks zouden be-
wijzen, dat namelijk een man zonder luchtballon of een ander
dergelijk middel zich vrij in de wolken heeft verheven.
Th. Nu ja! Wonderen houdt U eenmaal voor onmogelijk.
Keeren we intusschen tot het Evangelie van Joannes terug!
Nadat dan Jezus op genoemde wijze over het eten van Zijn
vleesch en het drinken van Zijn bloed gesproken heeft, luidt
het verder:
„Van toen af gingen velen Zijner leerlingen terug, en wan-
delden niet meer met Hem. Jezus sprak alzoo tot de twaalven:
Wilt ook gij weggaan ? En Simon Petrus antwoordde Hem :
Heere, tot wien zullen wij gaan ? Gij hebt de woorden des
eeuwigen levens, en wij hebben geloofd en erkend, dat gij
zijt de Christus, de Zoon Gods". (Joes VI, 07—70).
\'t Is hier toch evident, Professor, dat velen der aanwezigen
de woorden des Heilands niet in den figuurlijken, maar be-
paald in den letterlijken zin opnamen. Wilde Hij nu deze uit-
drukking in een geheel anderen zin verstaan hebben, dan
-ocr page 33-
31
waarin Zijne toehoorders die, volgens het gewone taalgebruik,
verstonden en zelfs verstaan moesten, dan was het volstrekt
noodig, en Christus was als Leermeester verplicht, dat Hij
zich daarover nader en duidelijker verklaarde, gelijk bij vele
andere gelegenheden: anders toch had Hij zelf tot een ver-
keerd begrip Zijner woorden en den daaruit volgenden afval
van Hem aanleiding gegeven. Dat deed Christus niet. Welk
duidelijker bewijs verlangt U nog voor den letterlijken zin
van Christus\' woorden?
Prof. X. Mijn beste studiosus! Deze plaats zou voorzeker
de Luthersche of, als u wilt, de Katholieke leer omtrent het
Avondmaal bevestigen, in geval ze echt was. Maar is ze
zulks wel?
Th. Wie twijfelt dan aan hare echtheid?
Prof. X. Ik voor mij twijfel er zeer aan.
Th. En waarom?
Prof. X. Wat nu eenmaal niet geschieden kan, is nooit
geschied en zal ook nimmer geschieden. Een plotselinge ver-
andering van brood in vleesch en van wijn iii bloed is che-
misch onmogelijk en kan derhalve niet gebeuren. Was nu
gezegde plaats bij Joannes echt, dan zou ik moeten aan-
nemeu, dat Jezus iets onmogelijks gezegd had. Doch dat strijdt
met het karakter des Verlossers. Bijgevolg zeg ik liever: De
plaats is onecht.
Th. Dus met andere woorden: Indien de plaats echt was,
zouden wij aan een wonder moeten gelooven. Wonderen zijn
echter volgens de bevindingen der moderne wetenschap on-
mogelijk: dus kan bedoelde plaats niet echt zijn.
Prof. X. Juist zoo, mijn vriend; goed begrepen!
Theobald had er genoeg van. Hij maakte van de eerste
gelegenheid de beste gebruik, om voorgoed de connexie af
te breken.
-ocr page 34-
III.
Het Offer van het Kieuwe Verbond.
Aldus was dan het onderhoud van Theo ba ld met Professor
X. uitgevallen. Theobald verzuimde niet, zijn vader daarover
bericht te zenden. Spoedig echter kreeg hij het volgende ant-
woord:
Lieve Theobald !
Het verdroot mij zeer, dat mijn oude vriend X., zooals ik
uit uwen brief gezien heb, zoo ten volle de richting van den
Evangelischen Bond, of liever, het moderne ongeloof is toe-
gedaan. Ik wist het niet. Anders had ik u nooit of nimmer
naar hem verwezen.
Doch helaas, heden ten dage denken maar al te veel pro-
fessoren der godgeleerdheid evenals hy; ik had dus beter
gedaan, met eerst te informeeren naar zijn tegenwoordige
richting. Deze heeren behouden van het Christendom enkel nog
den naam, meer niet. \'t Is gedeeltelijk de straf voor onze
Pruisische „Union" van 1817. Men wilde ons Lutheranen met
de Calvinisten tot één godsdienst samensmelten, om daardoor
meer eenheid te brengen in het Protestantisme; men heeft toen
evenwel een hoofdpunt van het Christendom, nl. de wezenlyke
tegenwoordigheid des Heeren in het Avondmaal, als een bijzaak
beschouwd. Want ons, Lutheranen, die aan deze tegenwoordig-
digheid gelooven, heeft men met de Calvinisten, die haar
loochenen, tot ééne Kerk vereenigd. Zoo moest het geloof aan
-ocr page 35-
33
dit leerstuk meer en meer verdwijnen en met dit geloof tevens
het vaste geloof aan de overige leerstukken des Christendoms.
Had men ons toeh bij ons oud Lutherdom gelaten!
Wat u nu betreft, lieve Theobald, zonder het te willen,
had ik u bijna in de Charybdis van het ongeloof gestort, om
u te bewaren voor de Scylla der Roomsche Kerk! Goddank,
gij zijt in deze bekoring niet bezweken. Doch wees nu ook op
uw hoede voor de Scylla van het Romanismus! Hoed u voor de
verleidende aantrekkelijkheid van den Katholieken eeredienst!
Gij meent, de Katholieke leer over de Mis als echt Christe-
lijk bewezen te hebben, doordien gij de transsubstantiatie met
getuigenissen uit de H. Schrift en de Kerkvaders hebt willen
staven. Maar hoever zijt gij daarvan nog verwijderd! Onder-
steld, dat de transsubstantiatie overeenkomstig den Bijbel is,
zou het daarom ook de Mis zijn ? In de verste verte niet!
Bedenk toch, dat volgens de Katholieke leer de Mis te gelijk
een offer moet zijn, en niet, gelijk bij ons, enkel een Avoud-
maalsviering! Als zou Christus een offer ingesteld hebben! Als
zou het Kruisoffer op Golgotha ontoereikend zijn en dagelijks
door die Misoffers aangevuld moeten worden, welke de Roomsche
priester aan het altaar opdraagt! Alsof de Apostel Paulus in
zijn brief aan de Hebreeuwen niet uitdrukkelijk verklaart, dat
er na het Kruisoffer geen offers meer plaats mogen hebben!
Ziehier zijne woorden:
„Niet in het met menschenhanden gewrocht heiligdom ....
is Jezus ingegaan, maar in den hemel zelven, om nu te
verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons: noch opdat
Hij menigmaal offere Zichzelren
, gelijk de hoogepriester jaar-
lijks ingaat in het heiligdom met vreemd bloed, (want dan
had Hij dikwijls moeten lijden van het begin der wereld af);
nu echter is Hij éénmaal verschenen, om door Zijn offer de
zonden weg te nemen. En zooals het voor den mensch bepaald
is, eenmaal te sterven, waarop het oordeel volgt; zoo werd
3
-ocr page 36-
34
ook Christus éénmaal geofferd, om de zonden van vele men-
schen weg te nemen" (Hebr. IX, 24—28).
„Wij zijn geheiligd door de offerande des Lichaams van
Jezus Christus eens voor altijd. En iegelijk priester staat wel
dagelijks dienst doende en offerende menigmaal dezelfde offe-
randen, welke nimmer zonden kunnen wegnemen. Deze echter
is, êëne offerande voor zonden geofferd hebbende, in altoos-
durendheid gezeten ter rechterhand Gods .... Want door ééne
offerande
heeft Hij in altoosdurendheid voleindigd degenen, die
geheiligd worden. .. . Waar echter vergeving is van deze (van
zonden en onwettigheden), is er geetie offerande meer roor
zonde\'.
(Hebr. X, 10—18).
Zoover de H. Paulus. Nu vraag ik u, lieve Theo ba ld:
Waar blijft na deze woorden der H. Schrift het Roomsche Mis-
offer ? Is het nog overeenkomstig den Bijbel? Is het niet veeleer
in tegenspraak met het woord Gods? De H. Schrift verzekert
allernadrukkelijkst, dat Christus zich na het Kruisoffer niet meer
opoffert, dat het Kruisoffer voldoende is tot delging der zonden
van alle tijden.
En nu komt de Roomsche priester en wil den Heiland alle
dagen door zijne (des Roomschen priesters) handen zich opnieuw
aan God laten opofferen?
Neen, neen, mijn dierbare The o b al d. Met bovenstaande
woorden valt het geheele broddelwerk der Roomsche Mis in
duigen. In het licht dier woorden beschouwd, schijnt het wat
het inderdaad is, al. een ijdele en snoode menschelijke instel-
ling. Nog meer! Diezelfde Kerk, welke met haar Misoffer zoo
ver is afgedwaald van het zuivere Evangelie, vermeet zich
aanspraak te maken op onfeilbaarheid. Daaruit blijkt, dat niet
alleen het Misoffer, maar het geheele Katholicismus een grove
leugen is.
Denk over dat alles na, lieve Theobald, en hoed u voor
deze Roomsche Scylla!
-ocr page 37-
35
In de hoop, dat deze mijne woorden u voorgoed van uwe
Roomsche tendenties hebben bevryd, blijf ik als altoos
Uw getrouwe, u innig liefhebbende Vader.
(Theobald\'s antwoord).
Lieve, dierbare Vader!
Gij betreurt het, mij aan den rand van de Charybdis des
ongeloofs gevoerd te hebben, dewijl gij zelf mij hebt aange-
spoord tot een onderhoud met Professor X. Vergeef mij echter
de volgende openhartige verklaring. In uw laatsten brief hebt gij
mij dichter bij dien rand gebracht, dan het gesprek met Pro-
fessor X. vermocht. En hoe dat? Ik zal het u verklaren.
Op het eerste gezicht schenen my uwe plaatsen uit den
brief aan de Hebreeuwen onweerlegbaar te bewijzen, dat de
Katholieke Kerk ver was afgedwaald van het ware Christen-
dom , dat zij verdiende, eerder de kerk van den antichrist,
dan de Kerk van Christus genoemd te worden. Daaruit volgde
deze overdenking: dan is ook de gansche Russische Kerk van
het ware Christendom afgevallen; want ook zij beschouwt de
Mis als een offer, waarin zich Christus door de handen van
den zichtbaren priester dagelijks opnieuw aan den hemelschen
Vader opdraagt. Eveneens de Orieksche Kerk van het Turk-
sche rijk, die van het koninkrijk Griekenland enz. Vóór
Luthers optreden zou derhalve de algeheele Christenheid afge-
dwaald zijn! Ja, ook Luther — dat staat bij mij meer en
meer vast, was bepaald afgeweken van het zuivere Christen-
dom , omdat hij, tegen de letter der Schrift in, Christus
tegenwoordig heet te zijn, niet bij de woorden des priesters,
maar eerst bij de nuttiging der geloovigen. Calvijn was nog
veel verder afgeweken, wijl hij zelfs Christus\' tegenwoordig-
heid geheel en al loochent.
Waar bleven dan, lieve Vader, de beloften des Heeren ,
-ocr page 38-
36
dat Hij Zyne Kerk door den H. Geest in alle waarheid leiden
zou? Zou het Christendom misschien geheel en al een ver-
zinsel zijn? Zou Professor X. met zijn ongeloof en zijn „ nieuwere
wetenschap" toch nog gelijk liehben? — Ziedaar de bekoring,
die mij bestormde, ziedaar de Charybdis des ongeloofs, waar-
naar Gy, lieve Vader (vergeef mij deze uitdrukking!) mij
voerdet.
Intusschen zei ik tot mij zelven: zoo gemakkelijk zullen wij
ons toch niet gevangen geven! Eerst zullen we onderzoeken,
wat van Katholieke zijde ten gunste van het Misoffer en tegen
de bewijzen, die Gij aan den brief aan de Hebreeuwen ont-
leent, wordt ingebracht.
Daar ontmoet ik vooreerst een plaats, die eveneens tot
den brief aan de Hebreeuwen behoort. Zij luidt: „Wij hebben
een altaar, waarvan zij niet eten mogen, die den tabernakel
dienen". (Hebr. XIII, 10.) Hier stelt dus Paulus de Christenen
(„wij") tegenover de Joden („die den tabernakel dienen") en
zegt, dat de Christenen reeds bij zyn leven, een altaar en
bijgevolg ook een offer hadden; want waar een altaar is moet
men ook in de eerste plaats aan een offer denken, dat op
het altaar wordt opgedragen. En het is een altaar, waarvan
gegeten wordt; dit nu onderstelt klaarblijkelijk een zichtbaar
offer en wel een spijsoffer, zooals de Katholieken er een zien
in hunne Mis. Vervolgens dat het spijsoffer der eerste Chris-
tenen wezenlijk het H. Misoffer was, leert Paulus in^ zijn
eersten brief aan de Corinthiërs: „Gij kunt niet uit den kelk
des Heeren drinken en tevens dien der duivelen (afgoden):
gij kunt geen deelgenoot wezen van de tafel des Heeren en
van de tafel der duivelen" (1 Cor. X, \'20 en 21). Deze woorden
beteekenen : het is u, Christenen, niet geoorloofd den kelk
te drinken, die op uwe altaren den Heer wordt opgedragen, en
tevens dien, welke op de altaren der heidenen aan de afgoden
of duivels ten offer wordt gebracht; evenmin is het u geoor-
-ocr page 39-
37
loofd te eten van de heilige spijzen, die den Heer geofferd
zijn, en tevens deel te nemen aan de spijzen, die den duivelen
worden gewijd. Maar wat is deze den Heer geofferde kelk
anders dan de Kelk van Christus\' bloed, en wat is die Gode
gewijde offerspijs anders dan het Lichaam des Heeren? De
Apostel toch had zelf even te voren gezegd: „De kelk der
zegening.... is hij niet de gemeenschap met Christus\' bloed ?
En het brood, dat wij breken, is het niet de gemeenschap
met het Lichaam des Heeren?" (1 Cor. X, 16).
Verder trof ik de plaats van den profeet Malachias aan:
„Ik heb geen behagen meer in u (de priesters van het Oude
Verbond) zegt de Heer der heirscharen, en Ik neem geene
offers meer van u aan. Want van de opkomst tot den onder-
gang der zon zal Myn naam verheerlijkt worden onder de
volkeren, en op alle plaatsen zal Mijnen naam geofferd en
een zuiver (spijs)-offer worden opgedragen". (Malach. 1: 10,
11). Dat alles zien de Katholieken verwezenlijkt in hun Mis-
offer. De Mis is een spijsoffer en wordt thans „op alle plaatsen"
opgedragen, in Europa, Azië, Afrika, Australië en Amerika.
Wat nu te zeggen, lieve Vader? Uwe plaats uit den brief
aan de Hebreeuwen schijnt te ontkennen, dat er na het Kruis-
offer nog een offer bestaan zal. De plaatsen daarentegen die
de Katholieken uit dienzelfden brief en uit Malachias aanhalen,
schijnen dat juist uitdrukkelijk te bevestigen. Spreekt de heilige
Schrift zich dan tegen ? Dan zou ik wederom voor de Cha-
rybdis des ongeloofs staan en moeten zeggen: Het zooge-
naamde „Woord Gods" bestaat niet; en bijgevolg bestaat
er evenmin een Christendom, dat op dit „Woord Gods", op
den Bijbel gebouwd is.
Zoo lichtzinnig wil ik mü echter ook ditmaal niet in de
Charybdis storten; ik wil beproeven, of de verschillende ,
schijnbaar tegenstrijdige, elkander tegensprekende plaatsen bij
nauwkeuriger onderzoek niet overeen te brengen zijn. Ziehier
-ocr page 40-
88
dan wat ik zooal gedacht heb. Over \'t algemeen is het Oude
Verbond een voorafbeelding van het Nieuwe, en zijn de afzon-
derlijke instellingen des Ouden Verbonds een voorbeeld, een
type voor daarmee overeenkomende instellingen van het Nieuwe.
Nu vind ik in het Oude Verbond (met andere) vooral twee
onderscheidene soorten van offers: brandoffers en spijsoffers.
Zou misschien in het Nieuwe Verbond het Offer van Golgotha
aan het brandoffer beantwoorden? en de Mis der Katholieken
aan het spijsoffer? Zou uwe plaats uit den brief aan de
Hebreeuwen niet kunnen beteekenen, dat er na het Offer des
Kruises geen dergelijke brandoffers meer zullen bestaan?
Zouden daarentegen mijne schriftuurteksten niet het spijsoffer
beduiden, dat bij het laatste Avondmaal werd ingesteld en
ook nog na het Kruisoffer moet voortduren?
En inderdaad, dit is de uitleg, dien ik bij de Katholieken
heb gevonden, o. a. in Deharbes Verklaring der Katholieke
Geloofs- en Zedenleer
\'). Dat boek van Deharbe bewijst mij
tegenwoordig uitstekenden dienst, en ik kan het u niet genoeg
aanbevelen, lieve Vader. Als gij het leest, zult gij zien, dat
de Katholieken in vele punten geheel iets anders leeren, dan
wy ons verbeelden.
Maar, om op ons onderwerp terug te komen, de Katholieken
leeren, dat het Misoffer een voortzetting, een vernieuwing en
een zinnebeeldige voortzetting van het Kruisoffer is. In beide
(het Kruis- en het Misoffer) is de Offerande volkomen dezelfde,
namelijk Jezus Christus. Ook de Offeraar, de offerende Priester,
is in beide offers Jezus Christus, de eeuwige Hoogepriester.
Want de mensch, dien men als priester aan \'t altaar ziet, is
enkel Christus\' plaatsbekleeder en werktuig. Slechts de ivijze
\') Van dit verdienstelijk werk is een Hollandsche bewerking ver-
Schenen door B. Dankelman. (Utrecht, Wed. J. R. Van Rossum). Vgl.
3e Uitgave, 1882, Dl. IV, blz. 260 vlgg.
-ocr page 41-
39
van offeren is verschillend; op het Kruis offerde zich Christus
eenmaal op een bloedige wijze, in de Mis offert Hij zich
steeds opnieuw op onbloedige wijze. Vooral echter het«oe/van
beide offers verschilt: door het bloedige Kruisoffer heeft
Christus eens en roor altijd overvloedig voldoening geschonken
voor alle zonden der (jeheele menschheid; door het Misoffer
past Hij voortdurend opnieuw de onuitsprekelijke schatten
van genade op ons toe,
welke Hij door het Kruisoffer ver-
diend
heeft.
Gij zult mij nu toegeven, lieve vader, dat deze opvatting
der Katholieken niets onredelijks bevat. Ons, Lutheranen,
klinkt ze, wel is waar, eenigszins vreemd, als iets, dat niet
tot het Christendom behoort. Doch vóór onze losscheuring van
de Roomsche Kerk was deze opvatting onzen voorvaderen even-
zoo aannemelijk en scheen hun evengoed een wezenlijk hoofd-
punt van het Christendom, als wij thans den heiligen doop
en het heilige Avondmaal als hoofdzaken beschouwen. Wat nu,
als deze opvatting eens de ware was, die de schijnbare tegen-
strijdigheden der H. Schrift in overeenstemming weet te brengen ?
Laten we de bijbelteksten wat van naderbij beschouwen!
Uwe plaatsen uit den brief aan de Hebreeuwen hebben slechts
één bepaalde soort van offer op \'toog, nl. de offers, waardoor
telkens opnieuw roor onze telkens herhaalde zonden voldoening
moet gegeven worden.
Juist dergelijke offers zijn, volgens de door
u aangehaalde plaatsen, na het Offer van Golgotha overbodig
geworden. Van andere offers, welke de toepassing der reeds
verkregen voldoening en bovendien nog geheel andere vruchten
ten doel hebben, is er in de verste verte geen sprake. Van
deze laatste wordt volstrekt niet beweerd, dat zij na het Offer
op Golgotha overbodig zijn en daarom niet meer zullen opge-
dragen worden. Verlangt gij bewijzen, dat uwe plaatsen enkel
en alleen van zoenoffers spreken ? Welaan! Hebr. IX, 26:
Christus is eenmaal verschenen ,om door Zijn offer de zonden
-ocr page 42-
40
weg te nemen"; dat Hij zich nog tot eeu ander doel dan de
uitdelging der zonden opoffert, wordt volstrekt niet ontkend.
Datzelfde geldt van Hebr. IX, 28: „Zoo werd Christus een-
maal geofferd, om de zonden van vele menschen weg te nemen";
eveneens Hebr. X, 12: „Deze echter, ééne offerande voor
zonden
geofferd hebbende" enz.: insgelijks Hebr. X, 18: „Waar
echter vergeving is van deze (van zonden), is er geene offe-
rande meer voor zonde."
Uice plaatsen, lieve Vader, zeggen, dat zoenoffers, beant-
woordende aan de slachtoffers van het Oude Verbond, niet
meer noodig zijn, nadat Christus éénmaal op bloedige wijze
zichzelven heeft geofferd. Dit uu is volkomen waar en wordt
ook door de Katholieken geloofd.
Mijne plaatsen daarentegen toonen aan, dat er een andere
soort van Offers ook in het Nieuwe Verbond en na het Offer
op Golgotha nog zullen gebracht worden; zelfs worden ze als
spijsoffers gekenschetst, dus in zooverre als v.erschillend van het
Kruisoffer! In den brief aan de Hebreeuwen (XIII, 10) lezen
wij: „Wij hebben een altaar, waarvan zij niet eten mogen,
die den tabernakel dienen." Een altaar echter, waarvan gegeten
wordt, geeft duidelijk te verstaan, dat er sprake is van een
spijsoffer. Eveneens gewaagt de profeet Malaehias (I, 10, 11)
van een zuiver offer, dat op „alle plaatsen" zal opgedragen
worden: het Hebreeuwsche woord nr?i? (mincha), dat hier voor
„offer" gebruikt is, duidt in \'t bijzonder een spijsoffer aan,
zooals dit beschreven wordt Lev. II, 1 —15.
Aldus wordt die schijnbare tegenspraak der H. Schrift opge-
lost. Ik kan nu voortaan den Bijbel als Gods onfeilbaar woord,
waarin geen leugen, geen tegenspraak is, vereeren; ik behoef
mij niet in de Charybdis des ongeloofs te storten. Die tegen-
strijdigheid kan opgelost worden; doch zeker alleen dan, als
men met de Katholieken in de Mis een offer aanneemt, een
spijs- en zoenoffer, waarin zich Christus voortdurend opnieuw
-ocr page 43-
41
op onbloedige wijze door de handen des priesters aan den
hemelschen Vader opdraagt, niet om nieuwe verzoening te
verdienen, maar om op ons de heilzame kracht van liet mt-
bloedig Kruisoffer toe te passen en ons tot boetvaardigheid te
stemmen; een offer, dat Hij bij het laatste Avondmaal voor
alle tijden heeft ingesteld, met de woorden: „Doet dit te mijner
gedachtenis"; een offer, waaraan ook de leeken deelhebben,
als zij er bij tegenwoordig zijn en nog inniger, als zij de heilige
Offerspijs, het Avondmaal ontvangen.
Als dat alles zoo is, dan volgt daaruit vanzelf, lieve Vader,
dat wij, Protestanten, niets hebben, dan een jammerlijk mis-
vormd Christendom, dat wij een parel hebben verloren, van
onschatbare waarde. Ten onrechte plaatsen wij nog altaren in
onze kerken. Waartoe toch altaren, als er niets te offeren is ?
Wij mogen ook niet meer spreken van een „strijd voor troon
en altaar": want een autaar, ten minste zulk een, dat zijn
naam met recht draagt, hebben we niet meer.
Gij weeklaagt, lieve Vader: „Had men ons toch bij ons oud
Lutherdom gelaten!" Ik voor mij graaf wat dieper en roep
met het oog op bovenstaande waarheden uit: „Had men ons
toch bij ons oud Katholiek geloof gelaten!" Want het geloof
aan de Mis, als het Spijsoffer des Nieuwen Verbonds, is inder-
daad zoo oud, als het Christelijk geloof zelf. Uit de boeken,
die ik bij de hand heb, zou ik U onloochenbare getuigenissen
der Kerkvaders kunnen aanhalen, om de oudheid van het Mis-
offer te bewijzen, zooals ik dat onlangs voor de leer der trans-
substautiatie gedaan heb. Ik beroep mij evenwel liever op de
merkwaardige bekentenis van een vurigen Protestant. Ik heb
die verklaring in het zooeven vermelde boek van D e h a r b e
(bl. 275) gevonden. Dr. Gkabe , een wakker voorvechter der
Anglikaausche kerk, heeft in het begin der vorige eeuw de
werken van lrenaeus uitgegeven. Hij had toen natuurlijk
gelegenheid, om het ware geloof der eerste Christenen grondig
BIBL. CONV.
O. F. M.
WIJCHENS
-ocr page 44-
42
te leeren kennen. Genoemde geleerde erkent uit volle over-
tuiging: „Het is boven allen twijfel verheven.dat Irenaeus
en alle Vaders, wier schriften wij nog bezitten, zoowel de tijd-
genooten der Apostelen als de onmiddellijke opvolgers der Apos-
telen, de H. Eucharistie (dus het Avondmaal, de Mis) hebben
gehouden voor het offer des Nieuwen Verbonds.... Eu inder-
daad, ten bewijze dat deze leer en dit gebruik niet slechts
enkele kerken of leeraren, maar de geheele Kerk, als van de
Apostelen en van Christus overgeleverd, eigen was, strekken
de duidelijke woordeii van Irenaeus, alsook van den heiligen
martelaar Justinus, die nog vóór hem leefde, van den H.
Ignatius, Tertulliaan, den H. Cyprianus en anderen."
Dat was derhalve het geloof der oorspronkelijke Kerk, lieve
Vader, niet, wat huther en Calvijn daarvoor in de plaats
stelden. De eerste ontveinsde zelfs niet, dat hij door de ver-
werping van het H. Misoffer met de eenstemmige leer der
Vaders en der geheele Kerk in openlijke tegenspraak verviel.
Met weemoed herhaal ik den wensch: „Had men ons toch bij
het oude Katholieke geloof gelaten!\'\'
Ten slotte nog een enkel woord. Gij vergelijkt het ongeloof
met de Charybdis en het Katholicismus met de Scylla en ver-
maant mij, tusschen beide door te zeilen, zonder in de eene
of de andere kolk te geraken. Dien gulden middelweg geven
volgens u de symbolische boeken van het Lutherdom aan. Sta
mij toe, een eenigszins andere vergelijking daartegenover te
stellen. Mij komt de Katholieke kerk meer en meer voor als de
onwrikbare rots, het ongeloof daarentegen als de afgrond, die
aan hare voeten gaapt. Het Protestantisme nu wil niet in den
afgrond storten, wil echter ook niet op de rots staan. Zal het
dat op deii duur kunnen volhouden ?
-ocr page 45-
IV.
ÜDe Communie onder ééne gedaante.
{Vit den brief van Ds. Ben/),
Mijn lieve beste Theobald!
Met droefheid zie ik wederom, hoe gy al meer en meer
tot de Roomschen begint over te hellen. Voor u is de Roomsche
Kerk reeds een „ onwrikbare rots" geworden.
Nu ja! Ik moet die Kerk, ondanks haar menigvuldige af-
wijkingen, in menig opzicht bewonderen.. Zij weet hare ge-
loovigen veel vaster aan zich te verbinden, weet veel groo-
teren invloed op hen te oefenen, dan onze Evangelische Kerk
mogelijk is. Maar „een onwrikbare rots"? „Een rots der
waarheid"? Dat nooit! Een treffend voorbeeld moge u toonen,
hoe deze Roomsche Kerk van de waarheid en van de ge-
trouwheid aan onzen Heer Jezus Christus is afgeweken. Christus
nam bij het laatste Avondmaal den kelk, zegende hem en
gaf dien aan Zijne leerlingen zeggende: „Drinkt allen daaruit"
(Matth. XXVI, 27); de Roomsche Kerk laat niet allen daaruit
drinken,
zij onthoudt den kelk aan de leeken. Christus sprak
verder: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het Vleesch
van den Zoon des menschen eet en Zijn bloed drinkt, zult
gij het leven in u niet hebben" (Joes VI, 54); de Boontsche
Kerk echter gedoogt niet, dat de leeken het bloed des Heeren
drinken;
zij sluit hen bygevolg uit van het eeuwige leven.
En die Kerk, welke aldus handelt, zou de onwrikbare rots
zijn, waarop wij moeten staan, om niet in den afgrond des
ongeloofs te vallen? Theobald, Theobald, waarheen voert u
uwe verblinding I
-ocr page 46-
44
(Theobald\'s antwoord).
Eén punt vooral uit uw laatsten brief, lieve Vader, heb ik
kalm en rustig overwogen, en getracht door studie mij daarin
licht te ve> schaffen. Het is de Communie onder ééne gedaante.
Gij beroept u op den tekst van Joannes VI, 54 : „Tenzij
gij . .. Zn\'n Bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben."
De Katholieke Kerk, zoo zegt gij, sluit alzoo de leeken van
het eeuwige leven uit, doordat zij hun den kelk weigert.
Was deze uwe uitlegging juist, dat men namelijk niet kan
zalig worden zonder de Communie onder beide gedaanten te
ontvangen, dan zouden, dunkt mij, de volgende onhoudbare
gevolgtrekkingen daaruit afgeleid moeten worden : Alle heidenen
en Joden gaan onfeilbaar verloren, want zij ontvangen de
Communie in \'t geheel niet. Alle kinderen, heidenen, Joden
of Christenen, zijn voor eeuwig verdoemd, als zij vóór de
Communie sterven. De 2\'20 inillioen Katholieken gaan voor
eeuwig naar de hel; alleen uitgezonderd de priesters, die in
de Mis beide gedaanten nuttigen, en de Oostersche Katholieken,
wien de Kerk beide gedaanten altoos heeft toegestaan. Alle
Gereformeerden zijn eeuwig verdoemd; want zij ontvangen
het Avondmaal als gewoon brood. De leden der Pruisische
Evangelische kerk, voor zoover zij de Gereformeerde belijdenis
volgen, zullen eveneens eeuwig verdoemd zijn. Wie bleef er
dan nog over voor den hemel? bijna niemand dan wij, een
paar inillioen Lutheranen. Maar neen! Ik heb u vroeger reeds
aangetoond, dat ons Avondmaal ongeldig is, dat wij derhalve
noch het Lichaam noch het Bloed des Heeren ontvangen.
Want wij hebben geen gewijde priesters, die door hun woord
de verandering in brood uitwerken; en al hadden onze predi-
kanteu ook de volmacht, zij hebben volstrekt niet de meening,
door hun woord zulke handeling te stellen. Onze leer zegt
immers, dat niet de woorden, maar eerst de nuttiging dat
-ocr page 47-
45
wonder werkt; met deze leer zweven wij echter geheel in
de lucht en vinden daarvoor niet den minsten steun in de
heilige Schrift.
Wilt gij dus niet nagenoeg het geheele mensehdom ver-
doemen, lieve Vader, dan moet gij aan de woorden des Hei-
lands wel een anderen uitleg geven. En dat des te eerder,
omdat Hij op een andere plaats ook hun het eeuwige leven
belooft, die Zijn Lichaam eten, zonder daarbij melding te
maken van het Bloed. Bij Joannes V, 52 luidt het namelijk:
„Wie van dit Brood eet, zal leven in eeuwigheid; het Brood
echter, dat Ik geven zal, is Mijn Vleesch voor het leven der
wereld."
Christus is immers ook in werkelijkheid onder elk der beide
gedaanten geheel tegenwoordig met Vleesch en Bloed, met
Ziel en Lichaam, met Godheid en Menschheid. Hij is geheel
onder de gedaante van brood en geheel onder de gedaante
van wijn. Wie Hem ontvangt onder de gedaante van brood,
ontvangt ook Zijn allerheiligst Bloed; en wie Hem ontvangt
onder de gedaante van wijn, ontvangt ook zijn heiligst Lichaam.
Daarom is \'t ook voor de werking der genade hetzelfde, of
iemand Christus onder beide dan wel onder ééne gedaante
ontvangt, dit is even onverschillig, alsof iemand een grooter
of kleiner stuk brood bij de Communie nuttigt. In het ééne
zoowel als in het andere is Christus geheel tegenwoordig,
onder de gedaante van het grootere stuk niet meer dan onder
de gedaante van het kleinere. De genadewerking wordt dus
door het communiceeren onder ééne gedaante op geenerlei
wjjze verzwakt of verhinderd.
Maar, lieve Vader, gij beriept u nog op een andere plaats
der Heilige Schrift, alwaar Christus zou geboden hebben, dat
alle geloovigen ook uit den kelk zouden drinken; gij beriept
u op den tekst: „Drinkt allen daaruit". (Matth. XXVI, 27).
Doch wie zijn die „allen"? Volgens den letterlijken zin zyn het
-ocr page 48-
46
enkel diegenen, welke Hij toespreekt, toe wie Hij het woord
„drinkt" richt, bijgevolg de aanwezige Apostelen. Ook voor
hen was \'t voorloopig een voorbijgaand bevel, een aansporing
namelijk, om allen (Judas niet uitgezonderd) uit den met wijn
gevulden kelk te drinken. Wat geeft ons recht, dit voorschrift
willekeurig tot andere gevallen uit te strekken? zelfs op per-
sonen toe te passen, die niet tot de Apostelen behoorden? of
zelfs op alle Christenen van alle tijden? Wel hebben wij het
recht, die woorden in een eenigszins ruimeren zin te verstaan,
daar Christus wil, dat de heilige geheimen, welke Hij bij het
laatste Avondmaal instelde, ook later nog zouden gevierd wor-
den. Maar welke zijn die heilige geheimen? Daartoe behoort
op de eerste plaats het Offer des Nieuwen Verbonds, de heilige
Mis. Voor de heilige Mis echter houdt de Katholieke Kerk er
streng aan, dat zij niet met brood alleen, maar met wijn èn
brood, dus onder beide gedaanten, worde opgedragen; want
zij moet juist zóó gedaan worden, als Christus ze het eerst
heeft gedaan. Omtrent de Communie der geloovigen bestaat
daarentegen geenerlei voorschrift des Heilands, dat zij onder
beide gedaanten zou moeten ontvangen worden. Zou men zulk
een gebod in de woorden „drinkt allen daaruit" willen zien,
dan zou daaruit volgen, dat alle aanwezige geloovigen bij elke
Mis moesten communiceeren ! Daaraan denkt evenwel geen enkel
verstandig mensen. Zelfs Luther getuigt: „Zij, die het Avond-
maal slechts onder ééne gedaante ontvangen, zondigen niet;
dewijl Christus niet heeft bevolen, ze beide te nuttigen" (Opp.
Tom. III Jen. lol. 215 a. 6). Reeds de Christenen der eerste
eeuwen ontvingen volstrekt niet altijd het Avondmaal onder
beide gedaanten. Wanneer zij onder de Mis, met den priester,
communiceerden, dan plachten ze wel is waar ook den kelk
te ontvangen. Namen zij echter de H. Eucharistie mede naar
huis (zooals dat tijdens de vervolging geschiedde), of ontvingen
zy het Avondmaal in de kerk, maar op een anderen tijd dan
-ocr page 49-
47
onder de Mis, dan stelden zy zich tevreden met de gedaante
van brood.
Als dat alles nu zóó is, lieve Vader; als van den eenen
kant geen enkel gebod van Christus de Communie onder beide
gedaanten voorschrijft; en van den anderen kant de Communie
onder ééne gedaante evengoed den geheelen Christus met Zijne
genadegaven in ons binnenste doet afdalen, als de Communie
onder twee gedaanten, kan er alleen maar quaestie zijn omtrent
de doelmatigheid. Nu zou misschien iemand het als zeer ondoel-
matig kunnen beschouwen , dat de Katholieke kerk voor den
Latijnschen ritus de Communie onder beide gedaanten verbiedt;
onbillijk echter zou het zijn, op dezen titel te beweren, dat de
Kerk van het ware Christendom afgeweken, en aan de haar
toevertrouwde bediening ontrouw is geworden.
Overigens zie ik, dat de Communie onder ééne gedaante
veel vóór heeft, zelfs uit het gezichtspunt der doelmatigheid
bescliouwd. De eerste aanleiding tot deze verordening bood de
dwaalleer, dat Christus niet geheel onder elke gedaante zou
tegenwoordig zijn, alsof wij onder de gedaante van brood alleen
Zijn Lichaam zonder het Bloed, en onder de gedaante van wijn
alleen Zijn Bloed zonder het Lichaam hadden. Was dat het
geval, dan zouden wij in het heilig Sacrament den doodeu,
niet den levenden Verlosser bezitten. Die dwaalleer nu wilde
de Kerk afweren; en hoe kon zij dit krachtdadiger doen dan
door bedoeld voorschrift ? Over de vele andere redenen, door
de Katholieken aangevoerd, behoef ik u niet te spreken.
Bij de Mis vordert evenwel de Kerk uitdrukkelijk, zooals ik
reeds zeide, dat beide gedaanten gebruikt worden. Want het
Misoffer is niet enkel een zinnebeeldige voorstelling van den
verlossingsdood van Jezus Christus , gelijk bijvoorbeeld de beelte-
uis van den Gekruiste; het is de geheimvolle, onbloedige ver-
wezenlijking of vernieuwing van het Offer op Golgotha. En
inderdaad, niets kon meer geschikt zijn, om den bloedigen
-ocr page 50-
48
Kruisdood in de herinnering der geloovigen te verlevendigen,
dien niet slechts voor hunnen geest, maar ook voor hunne
lichamelijke oogen als op te voeren, dan de geheimvolle op-
offering van het goddelijk Lam, welke in de Mis plaats heeft
door de tegenwoordigstelling van Christus\' Lichaam en Bloed
onder de van elkander gescheiden gedaanten van brood en wijn,
waardoor de gewelddadige dood des Heeren zinnebeeldig wordt
voorgesteld, en ofschoon Christus niet meer lijdt noch sterft,
evenwel in zekere mate hernieuwd wordt.
Het verwondert mij echter niet, dat de redenen der Katho-
lieke Kerk, om den leeken het nuttigen van den kelk te ont-
zeggen, aan ons, Protestanten, niet zoo duidelijk voorkomen
als aan de Katholieken. Mij dunkt, het komt er hier hoofd-
zakelijk op aan, welk begrip men zich vormt van de viering
des Avondmaals, dat Jezus met Zijne Apostelen gehouden en
voor alle tijden voorgeschreven heeft. Wat dit betreft, bestaat
er tusscheu de Katholieken en Protestanten een groot onder-
scheid. Voor de Katholieken is dat Avondmaal niet slechts een
maaltijd, maar ook en wel in de eerste plaats een offer. Vol-
gens de leer der Katholieken behooren de beide gedaanten
wezenlijk tot het offer, maar niet tot den maaltijd; dewijl deze
laatste bestaat in de nuttiging van het Vleesch en Bloed, onder
elke gedaante op gelijke wijze tegenwoordig. Doch geheel iets
anders is het, wanneer men, zooals wij, Protestanten, in de
viering van het Avondmaal niets anders ziet dan een maaltijd
bestaande uit brood en wijn, door Christus gehouden, om die
in het vervolg als een blijvende gedachtenis aan dit afscheids-
maal op dezelfde wijze te houden. In dat geval is de wijn een
volstrekt noodzakelijk bestanddeel. Daarom ergert ons altijd het
gebruik der Roomsche Kerk, die de Communie niet onder beide
gedaanten uitdeelt. Het gevaar, dat er soms een druppel uit
den kelk gestort wordt, schijnt ons een onbeduidende reden
tot weigering, want wij zien in den kelk niet, zooals de
-ocr page 51-
40
Katholieken het heilig Bloed van Jezus Christus, maar slechts
wijn, waarover de woorden des Heeren worden uitgesproken.
Wat de communiceerende daarbij denkt of gelooft, is ons geheel
onverschillig. Is \'t niet dikwijls gebeurd, dat Lutheranen on
Calvinisten uit denzelfden kelk des Avondmaals dronken ? Toch
meenden de eersten het Bloed van Christus, de anderen slechts
het zinnebeeld daarvan te nuttigen. — Ook kan voor ons,
Protestanten, de moeilijkheid, om in een of ander land zuiveren
wijn te bekomen van niet veel gewicht zijn, omdat wij in het
gevaar van oneehteu wijn te consacreeren ons niet, zooals de
Katholieken, aan een schrikkelijke heiligschennis blootstellen.
Vervolgens is er bij ons geen sprake van een menigvuldige of
dagelijksche Communie, waartoe alleen de rijken in staat zouden
zijn , indien de somtijds zeer dure zuivere wijn gevorderd werd.
De uitsluiting der minder gegoeden, der armen is toch zeer
zeker tegen den geest van het Evangelie!
Ook dit nog moet mij van het hart, lieve Vader; bij mijn
aanhoudende studie is mij duidelijk gebleken, dat het den ver-
kondigers van het Protestantisme niet zoozeer te doen was om
het gebruik van den kelk en het gebod van Christus, als wel
om een voorwendsel, dat bij het volk ingang zou vinden en
waardoor men de deels volbrachte, deels ondernomen scheiding
van de aloude Kerk zocht te rechtvaardigen en te verschoonen.
Na dat alles meen ik, dierbare Vader, dat wij niet telkens
opnieuw de Katholieke Kerk moeten gispen, omdat zij voor den
Latynschen ritus de Communie onder beide gedaanten verbiedt.
Daarom moeten wij haar niet beschuldigen van afval van de
zuivere leer des Evangelies. Wij moesten hare redenen zien te
begrijpen en weten te eerbiedigen. Wellicht hadden wij dan
alle reden, op onze eigene borst te kloppen en ernstig te onder-
zoeken, of wy niet enkel de nuttiging onder ééne gedaante,
maar den geheelen Verlosser in \'t Sacrament verloren hebben.
Immers volgens overoude, Christelijke leer kunnen alleen de
1
-ocr page 52-
50
priesters, die van een bisschop het Sacrament der Priesterwijding
hebben ontvangen, geldig het Avondmaal zegenen. Zulke pries-
ters zijn er evenwel bij ons, Protestanten, niet.
En nu voor heden vaarwel, lieve Vader, en gedenk in uwe
gebeden
Uwen U innig liefhebbenden
T h e o b a 1 d.
-ocr page 53-
V.
2e Zwaarte van het Verlies.
Theobald\'s laatste brief had deu vader diep geschokt, \'t
Werd hem steeds duidelijker, dat The o b al d eerlang tot de
Katholieke kerk zou overgaan. Daarbij zag hij geen kans, dat
te verhinderen. Het eenigste middel zouden theologische bewijs-
gronden geweest zijn, waardoor hij de afdwaling van het
Katholicismus en de waarheid van het Protestantisme had kun-
nen aantoonen. Wat hij echter op dit punt had aangevoerd,
was blijkbaar zonder uitwerking gebleven; en nauwelijks dorst
hij hopen, degelijker bewijzen te vinden. Ja, hrj moest het
zelf bekennen (al deed hij het niet met woorden), dat de be-
wijsgronden, waarmede hrj tot nog toe zijn verzet tegen Rome
had trachten te steunen, juist niet geheel afdoende en door-
slaande waren. In deze gemoedsstemming antwoordde hij zynen
zoon als volgt:
Lieve Theobald!
Ge begrijpt, hoe hard het mij valt, te bemerken dat gü
meer en meer overhelt tot de Roomsche Kerk. Gaarne geef ik
u toe, dat die Kerk vele zaken heeft, die de onze mist. Ik
geef u zelfs toe, dat wij in vele punten haar wellicht onrecht
hebben gedaan. Moesten wij, Lutheranen, nu eerst de scheiding
voltooien, het zou er waarschijnlijk niet van komen. Van den
kant der Roomsche Kerk zijn immers verscheidene misbruiken
afgeschaft, die in de XVIe eeuw onzen voorvaders aanleiding
-ocr page 54-
52
gaven tot afval. Van onzen kant zou men zich ook minder
hevig verzetten tegen vele zaken, bv. tegen de Communie
onder ééne gedaante, als destijds geschiedde. Zoo zou de een-
heid des geloofs bewaard kunnen blijven. Nu echter, nu die
scheiding eenmaal voltrokken is, moeten we trachten. ze met
wetenschappelijke gronden te staven.
Gij zijt jong. De wereld staat voor u open. Van den anderen
kant zijt gij oud genoeg, om die godsdienstquaesties te onder-
zoeken. Komt gij definitief tot de overtuiging, dat de Katho-
lieke Kerk de voorkeur verdient boven de Protestantsche, dan
zal ik uwe overtuiging eerbiedigen en u geen overlast aan-
doen, hoe zwaar het mij ook moge vallen. Doch overweeg
wel, wat ge doet! Denk aan den inwendigeu strijd, dien gü
later misschien te voeren hebt, als gij met een of ander
Roomsch leerstuk niet overweg kunt! Vergeet ook niet de
uitwendige moeilijkheden, welke deze stap voor een verdere
toekomst kan opleveren!
Mijne betrekking en mijn verleden laten mij niet toe der-
gelijke gedachten, als gij thans hebt, in mij te laten opkomen.
Op mijn leeftijd raakt men niet zoo gemakkelijk meer ver-
trouwd met een nieuwen kring van gedachten. Misschien heb
ik ook niet lang meer te leven.
Voor het overige wil ik niet, lieve Theobald, dat gy mijne
uitdrukkingen zóó opvat, alsof ik u gelijk gaf met te katho-
liseeren. Neen! Behalve hetgeen ik u tot dusverre gezegd
heb, zou ik u nog zeer vele zaken ouder \'t oog kunnen brengen
met betrekking tot de Katholieke leerstellingen, zooals de recht-
vaardigmaking door de werken, de aflaten, de vereering der
Heiligen J). Ik bewaar dat alles voor de herfstvacantie, wanneer
ik u bü imj hoop te hebben.
\') Zie over deze en andere punten het zoo gunstig onthaalde werkje:
Waar is de Kerk van Christus? door M. van der Hagen, s. J.
-ocr page 55-
53
Houd u intusschen ook verder, gelijk gij tot nog toe gedaan
hebt, trouw aan de grondwaarheden van het Christendom:
het geloof aan één God in drie Personen, aan Jezus Christus,
Zijn eeniggeboren Zoon, onzen Heer en Verlosser. Dat ge dit
doen moogt, daartoe bidt dagelijks
Uw dierbare, U innigliefhebbende Vader.
Niet zonder tranen kon Theobald de trouwhartige regelen
zijns vaders lezen. Van de eene zijde juichte hij, daar hy
van zijn vader geen verbitterde tegenkanting zou ondervinden,
als het tot een beslissenden stap kwam, dien hij meer en meer
als noodzakelijk begon in te zien. Van de andere zijde was
het voor hem een reden tot diepe droefheid te zien, hoe zijn
vader, ten einde niet in zyn aardsche betrekkingen en de
met hem opgegroeide zienswijze gestoord te worden, zich ver-
zette tegen een nauwkeuriger onderzoek der geloofsstukken.
Hij antwoordde hem met de volgende regelen:
Dank, duizendmaal dank, lieve Vader, voor uw laatsten
brief, welke mij toont, dat gij hoegenaamd geen dwang zult
uitoefenen op mijn onderzoek en overtuiging in geloofszaken,
waar mijne nasporingen dan ook op uitloopen. Nog dankbaarder
zou ik u zijn, indien gy in dit punt mijn voorbeeld volgdet.
Doch \'t zou onbescheiden wezen, als ik, de zoon, mijn vader
hieromtrent een raad wilde geven. Al het overige dus ter
zijde stellend, wil ik u heden enkel iets mededeelen over de
geestelijke rijkdommen, die ik in het allerheiligste Altaars-
sacrament der Katholieke Kerk vind, in tegenstelling met ons
Protestantsch Avondmaal.
Verplaats u in den geest in een heerlijke gothische kathe-
draal. De avond valt. Maar nog liggen er verscheidene vrome
zielen in gebed verzonken. Daar bidt een bejaarde moeder
voor haren zoon, die in den vreemde vertoeft; daar bidt een
jonge man, opdat God hem redde uit den nood. Tot wien
-ocr page 56-
54
smeeken zij? Tot Christus, onzen Heer, die met Ziel en
Lichaam, met Godheid en Menschheid in het tabernakel dezer
kerk woont, die ruimschoots Zijne belofte vervult: „Zie, Ik
ben met u, alle dagen tot aan het einde der tijden." (Matth.
XXVIII, 20).
Bij ons Protestanten verwijlt Hij niet meer.
Het wordt donker. Doch het eeuwige licht, voor het heilig-
dom ontstoken, verspreidt een zachten glans door de gewelven
van den dom. Het verkondigt Dengene, die sprak: „Ik ben
het Licht der wereld" (Joes VIII, 12).
Bij ons Protestanten brandt geen eeuwig licht. Wien zou
het ook aanduiden\'?
Schitterend is de ruimte van het huis Gods versierd. Beelden
van Heiligen uit verschillende eeuwen brengen ons de meer
dan duizendjarige geschiedenis der Kerk voor den geest. De
flauwe schemering der avondzon dringt voor \'t laatst door de
geschilderde glazen en werpt een bezielend licht op de rijke
muurschilderingen der domkerk. Men ziet het, geen kosten
zijn gespaard, om den tempel zoo rijk, zoo prachtig mogelijk
op te luisteren. Waarom? \'t Is het huis van God, de god-
delijke Zaligmaker woont er met ziel en lichaam; \'t is een
tabernaculum Dei cum hominibus, een „woontente Gods onder
de menschen", in een veel eigenlijker zin dan in \'t Oude
Verbond Salomons tempel te Jeruzalem.
Hoe nietig, hoe ledig, als van alle eerbiedwekkende heili-
ging ontbloot, zijn onze Protestantsche tempels! \') Zij zijn in
waarheid niets anders dan naakte gebouwen, waarin men
\') «Het is te betreuren, zegt Dr. J. H. Gunning JHz. t. a. p. bl.
116—117, dat de Avondmaalstafel niet, evenals een doopvont of doop-
bekken, steeds in onze Godshuizen aanwezig is. Maar dan ook aan den
voet des kansels, niet in een ongebruikt koor, bij brandspuiten ofpraal-
graven van doode helden, maar »in the place of publiek worship, and
-ocr page 57-
55
vergadert, om gezamenlijk te bidden, een stichtende voor-
dracht te hooren en van tijd tot tijd brood en wijn ter ge-
dachtenis aan den Verlosser te nuttigen, welk laatste evengoed
te huis zou kunnen geschieden.
In \'t midden der Katholieke domkerk .staat het altaar. De
rijkste sieraden van goud, edelgesteenten en kunstig beeldwerk
zijn er aangebracht. Van alle zijden kunnen de geloovigen het
aanschouwen. Waarom wordt dit autaar zoo hoog geëerd ? Om-
dat het Offer des Nieuwen Verbonds daar wordt opgedragen.
Het offer nu is het hoogste, het verhevenste in eiken gods-
dienst. Wat zou een godsdienst zijn zonder offer? In het Oude
Verbond genoot de tempel van Jeruzalem het voorrecht, dat
daarin alleen Gode offers mochten gebracht worden.
Het Protestantisme heeft geen offer meer.
Dag in dag uit staat de Katholieke tempel voor de geloovigen
in the face of the congregation, where the people may most conve-
niently see and hear; and not in the places where fonts, in the time
of Popery, were unfitly and supcrstitunusly placed" (citaat uit The
Directory tor the publiek Woiship of God; agreed upon by the assembly
of divines at Westminster, etc. opgenomen in : The Confession of faith,
the larger and shorter Catechisms etc.) ....
»Het spreekt echter voor den Gereformeerde vanzelf", laat Dr. Gun-
ning volgen, „dat elke bijgeloovige vereering van éénig kerkelijk meubel
of gereedschap, ten eenen male veroordeeld is. Wij moeten het daarom
ook in vele Duitsche en Oostenrijksche Gereformeerden afkeuren dat zij
gaarne van de nachtmaalstafel als van het «altaar" spreken, waarmede
de gedachte aan een offer onafscheidelijk verbonden is. Wij hebben geen
ander «altaar" dan het Kruis van Christus, waarop Hij zich als Zoen-
oll\'er heeft geofferd, om dan als Hoogepriester met zijn eigen bloed in
het binnenste heiligdom in te gaan. Hoever men, eenmaal op dit spoor
gekomen, afdwalen kan, toont de gerevideerde liturgie der Duitsche
Gereformeerde Kerk in Amerika" enz. Is \'t niet juister en billijker te
zeggen : hoever men, het spoor eenmaal bijster zijnde, afdwalen kan,
toont het gansche Protestantisme en met name onze Vaderlandsche
Volkskerk t
-ocr page 58-
5*5
open, opdat ze er in plechtige stilte zouden komen bidden,
zoo dikwijls hun hart er behoeften aan heeft. Doch op één
avond in de week ziet men er de geloovigen in grooter aantal,
\'t Is de Zaterdagavond. Dan zijn de biechtstoelen bezet; want
de geloovigen willen door een oprechte belijdenis zich zuiveren
van hunne zouden, om in de vroegte van den volgenden dag
den goddelijken Heiland te ontvangen.
Onze Protestantsche bedehuizen zijn gewoonlijk \'s Zaterdags
evon ledig, als op de andere dagen der week.
De Zondagmorgen breekt aan. De kerk is eivol. Ook heden
nog heeft de priester in den biechtstoel zijn verheven bediening
te vervullen. Juist begeeft hij zich naar de sacristie, om de
heilige gewaden aan te doen. \'t Zijn kostbaar gestikte feest-
gewaden, overeenkomende met die, welke reeds in \'t Oude
Verbond door God zelven waren voorgeschreven voor de dienst-
doende priesters. Misschien zijn ze nog kostbaarder; immers
in deze zinnebeeldige kleeding moet het Offer der Nieuwe Wet
worden opgedragen!
Voor den Protestantschen godsdienst, die werkelijk slechts
in een preek bestaat, zijn zulke kostbare gewaden onnoodig.
Nu begint de Hoogmis met haar zinrijke ceremoniën, haar
wierookgeur en haar gebeden, onder begeleiding van ernstige
en stichtende muziek, \'t Is dat Offer, waarvan reeds Malachias
voorspelde, dat het overal aan God zou opgedragen worden,
\'t is datzelfde Offer, hetwelk de Heiland bjj het laatste Avond-
maal heeft ingesteld. Sedert deze instelling is het altyd opge-
dragen. De overoude akten van den marteldood des Apostels
Andreas spreken reeds van het „dagelijksehe Offer van het
onbevlekte Lam." Irenaeus, bisschop van Lyon schreef om-
trent het jaar 177: „Christus erkende" (in \'t laatste Avond-
maal) „den kelk als Zijn Bloed en leerde het nieuwe Offer des
Nieuwen Verbonds, hetwelk de Kerk van de Apostelen ontvangen
heeft en over de gansche wereld aan God opdraagt" \').
\') Iren. adv. Haer. 1. 3. c. 17. n. 5.
-ocr page 59-
57
Zoo werd dan, waar het Christendom ook doordrong, door
alle eeuwen heen het Offer des Nieuwen Verbonds geofferd.
Bij ons, Protestanten, is sinds de XVIe eeuw dit Offer ver-
dwenen.
Ten einde dit Offer naar vermogen te verheffen, heeft de
Kerk alle kunsten in haren dienst genomen. Dat geldt niet alleen
van het huis Gods met zijn sieraden; het geldt inzonderheid
van de Liturgie, welke het Misoffer omkleedt. Daar is in die
Liturgie geen stipje of letter zonder geheimvolle beteekenis,
al springt deze niet altoos duidelijk in het oog.
Van haar getuigt een Engelsch geleerde dezer eeuw, Kardi-
naal Wiseman, aartsbisschop van Westminster. „Geen men-
schelijk vernuft mag hopen, ooit hare schoonheid, pracht en
verhevenheid te bereiken. Door deze twee eigenschappen onder-
scheidt zich de Mis van alle andere godsdienstoefeningen op
een verrassende wijze. Men bemerkt niet alleen in de afzonder-
lijke gebeden een hooge vlucht van welsprekendheid en poëzie;
neen, het geheel zweeft in een hoogere sfeer, waartoe haar
goddelijke bestemming haar verheven heeft. Wanneer wy elk
gebed een voor een nagaan, ... \'t is volmaakt: volmaakt in
bouw, volmaakt in gedachten, volmaakt in uitdrukking. Be-
schouwen we de vvyze, waarop ze onderling verbonden zijn,
dan staan we verbaasd over elks kortheid, over de plotselinge
overgangen en over den bijna stanza- of coupletachtigen vorm,
waarmede zij elkander opvolgen en aldus een lyrisch gedicht
van zeldzame waarde scheppen. Beschouwen wij de Mis in haar
geheel, dan is zy met de bewonderenswaardigste symmetrie
samengesteld, in haar ouderdeelen met de meeste scherpzinnig-
heid afgemeten en zoo voortreffelijk gerangschikt, dat zjj een
onafgebroken belangstelling voor de heilige handeling opwekt
en levendig houdt. Wil men de volle kracht en uitwerking van
dezen heiligen ritus ondervinden, dan moet men ongetwijfeld
het gansche ceremonieel nemen. De altaardienaren in hun prach-
-ocr page 60-
58
tig gewaad, de zang, de wierook, de verschillende ceremoniën,
welke bij een plechtige Mis voorkomen, alles heeft ten doel,
den eerbied en de bewondering te vermeerderen. Doch hetzij
die heilige ritus plaats heeft onder den gouden koepel der St.
Pi e ter met al den luister en de bijkomende plechtigheden,
als de Opperpriester zelf celebreert, hetzij in een armoedige
hut, in haast door eenige wilden voor hun missionaris opge-
trokken, — de wezenlijke, de innerlijke schoonheid blijft."
Een Duitsch geleerde, de gevoelens van den Engelschen
Kardinaal deelend, drukt zich in deze bewoordingen uit: „Wel
nergens is bij de zoo zichtbare leiding der Kerk door den Geest
Gods zelfs in bijzaken die hoogere invloed handtastelijker, dan
bij het ceremonieel der H. Mis, dat, hoewel van de oudste
tijden dagteekenend, in zijn tegenwoordige volmaaktheid een
zoo schoon volledig geheel, ja, een meesterstuk is, dat het
de bewondering van ieder verstandig mensch opwekt" \').
Bij ons, Protestanten, vinden de schoone kunsten niet meer
in den godsdienst het middelpunt, waarom zij zich kunnen
groepeeren. Hoe zou het Protestantisme de kunst kunnen hei-
ligen? Is het niet begonnen met een schoonheidvernielenden
beeldenstorm? Een liturgie zou bij ons geen zin hebben; zrj
zou datgene zijn, wat wy ten onrechte aan de Katholieken
verwyten: ijdel vertoon zonder beteekenis.
Doch laten we de Mis in bijzonderheden nagaan! Op de
„Kyrie"2) volgen de „Gloria", de Epistel, het Evangelie (met
\') Oswald, Die dogmatische Lehre van den heiligen Sacramenten
I. S. 592.
*) De woorden «Kyrie eleison" zijn Griekseh en beteekenen: «Heer,
ontferm U onzer". Deze Grieksche, zoowel als de overige aan het He-
breeuwseh ontleende woorden, zooals: «Amen", Alleluia", «Hosanna",
«Sabaoth" werden in de Latijnsche Liturgie waarschijnlijk behouden,
om aan te duiden, dat de ééne Roomsehe Kerk de volken van alle talen,
de bekeerde Joden zoowel als de Grieken of heidenen, om het ééne Offer
verzamelt.
-ocr page 61-
59
preek), het „Credo". Verder draagt de priester het brood en
den wijn den Allerhoogste op en bidt, dat God deze offergaven
moge aannemen, en zegent onder de smeekende aanroeping
des H. Geestes de opgedragen gaven, niet alleen om het offer
Gode nog welgevalliger te doen zijn, maar ook en vooral om
het vruchtbaar en tot een bron van heil en genaden te maken
voor de gansche Kerk. Een ademlooze stilte heerscht er ge-
durende de Consecratie, waarin Christus met Zijn heilige
menschheid van den hemel nederdaalt op het altaar.
Bij ons, Protestanten, daalt de Heer niet meer af.
De Liturgie gaat voort. Vóór de Communie naderen de ge-
loovigen troepsgewijs tot dicht bij het altaar, om den Heiland
te nuttigen. Dan zingt het koor den schoonen lofzang; Pang e
lingua
\').
Pange, lingua, gloriosi
Corporis mysterium,
Sanguinisque pretiosi,
Quem in mundi pretium
Fructus ventris generosi,
Rex effudit gentium.
In supremae nocte coenae,
Recumbens cum fratribus,
Observata lege plene
Cibis in legalibus,
Cibum turbae duodenae
Se dat suis manibus.
Nobis datus, nobis natas
Ex intacta Virgine,
Et in mundo conversatus,
Sparso verbi semine,
Sui moras incolatus
Miro clausit ordine.
\') Dit doelt op een gewoonte, in sommige bisdommen van Duitsch<
land gevolgd.
-ocr page 62-
00
Verbum caro panem verum
Verbo carnem effleit;
Fitque sanguis Christi merum;
Et si sensus deficit,
Ad firmandum cor sineerum
Sola fides suffieit.
Tantum ergo Sacramentum          Genitori Qenitoque
Veneremur cernui:                      Laus et jubilatio;
Et antiquum documentum            Salus, honor, virtus quoque
Novo cedat ritui;                         Sit et benedictio ;
Praestet fides supplementum       Procedenti ab utroque
Sensuum defectui.                        Compar sit laudatio. Amen.
Zing, mijn tong, \'t geheim des Heeren,
Maak liet godlijk Lichaam groot,
En het Bloed, niet te waardeeren,
Dat de Spruit van d\'eedlen schoot,
Hij, de Vorst der hemelsferen,
Voor het heil der aard vergoot.
Ons geboren , ons gegeven,
Zoon der reine Hemelbruid,
Strooit Hij , in Zijn sterflijk leven,
\'t Zaad van \'t godlijk leerwoord uit,
Tot in \'t end een hoog verheven
Werking Zijne omwandling sluit.
Aan den laatsten disch gezeten
Met den vollen broedrenkring,
Biedt Hij, na het Paaschlam-eten
Volgens wettige ordening,
Hun, die Zijne broedren heeten,
Zelf zich zelv\' ter nuttigiug.
-ocr page 63-
61
\'t Woord in \'t vleesch doet brood verkeeren
Door het woord in \'t Vleesch, en wijn
In \'t aanbid\'lijk Bloed des Heeren :
Fale ook \'t zintuig bij den schijn,
Voor het harte, dat wil leeren,
Zal \'t geloof voldoende zijn.
Knielt dan voor het glorierijke
Sacrament aanbiddend neer;
Voor deez\' Godsvereering wijke
De eeredienst der oude Leer;
En, waar \'t zintuig ook bezwijke,
Steuue \'t vast geloof ons weer.
Lof den Vader in den hoogen,
Lof Zijn ééngeboren Zoon ;
Hun zij eer en alvermogen,
Hun ons zeegnend lied geboön;
En den Geest, aan \'s hemels bogen
Eén met hen, alle eerbetoon.
Amen \').
Wy, Protestanten, lieve Vader, ontvangen niet meer het
Lichaam des Heeren. Wat wij nuttigen is niets dan brood en
wün. Want ons ontbreken de Godgewijde priesters, op wier
woord alleen de Zoon Gods opnieuw van den hemel nederdaalt.
Ja, dierbare Vader, het allerheiligte Sacrament des Altaars
is de parel, die wij, Protestanten, hebben weggeworpen, toen
wij — den verloren zoon gelijk — de oude, door Christus
gestichte Kerk verlieten. In onze kerken vind ik den Heiland
niet, om tot Hem te bidden; onze eeredienst kent het Offer
l) Vertaling van T. Stokvis, s. J. Lofzangen der Kerk.
-ocr page 64-
6-2
der Nieuwe Wet niet, ja, \'t is voor ons zelfs iets zonderlings
geworden; ons Avondmaal geeft ons niet het Lichaam en het
Bloed van den menschgeworden Zoon Gods; het schenkt alleen
brood en wijn. Eene kerk echter, die op zulk een wijze de
kostbaarste parel, het hart van het gansche Christendom, van
zich stiet, kan onmogelijk de ware Kerk van Jezus Christus
zyn. Daarom verlaat ik haar en keer terug naar het huis
mijns Vaders, tot de aloude door Christus zelven gestichte
Kerk. Want ik ben overtuigd, dat deze Kerk, welke die on-
schatbare parel zoo trouw bewaarde, ook trouw is geweest in
het bewaren vau den overigen schat van het aan haar toe-
vertrouwde geloof. Ik keer terug tot Petrus, de steenrots,
waarvan de Zaligmaker gezegd heeft: „Gij zijt Petrus en op
deze steenrots zal Ik Mijne Kerk bouwen en de poorten der
hel zullen haar niet overweldigen". (Matth. XVI, 18).
Katwijk a/R. , September 1895.
IMPRIMATUR.
Harlemi ,
die 17 Octobris
                                          B. Dankelman,
1895.                                                           Libr. Censor.
-ocr page 65-
i nxr :eï o xj t>.
i.
Bldz.
Waar wordt het Avondmaal geldig gehouden .... 3
II.
De Transsubstantiatie (verandering van zelfstandigheid) . 14
III.
Het Offer van het Nieuwe Verbond.......32
IV.
De Communie onder ééne gedaante.......43
V.
De zwaarte van het verlies..........51