-ocr page 1-
-ocr page 2-
m*vï \\3£vcP
/
-ocr page 3-
%fj
-ocr page 4-
rr\\m \\2>£ur
-ocr page 5-
c
/
-ocr page 6-
1
i
i
!
i
i5 bF\' ^^^u^^t/ iSY
Bl:illiliii!iii!l;»!!ii:;ii;s^^lliHË^^^-..............—--.--\'J
&
Ik maak met U
%
voor eeuwig een verbond. _J>
1
-ocr page 7-
VhAfa
^ 3
HANDBOEK
DER
door den Schrijver der Goudkorrels,
&iv&ond&z qe-scnifat tot <%<i&5te,t\\i$i&
en voozvezeidina dez veznieuwina
van de K2t. §e(often.
VRIJ VERTAALD.
DERDE DRUK.
BREDA,
EDUARD VAN WEES,
Suelpers Boek- en Muziekilrukkerij.
1891.
-ocr page 8-
T2VI.FJEITTÜLA.TTJJR-
Datum Breda, 3 Martii 1884.
F*. J, Gabriel)
Can. Libr. Censor.
-ocr page 9-
Het is altijd met ecu gevoel van diepeu eerbied
dat de priester zich, hetzij mondeling, hetzij schrif-
telijk tot de religieuzen richt. Door het goddelijk
licht bestraald, weet hij wat eene religieuze is.
Eene religieuze is eene uitverkorene onder de
lievelingen van dien Jezus, aan wien zij zich zoo
edelmoedig, zoo geheel heeft opgedragen.
Eene religieuze is eene ziel, wie de fi. Maagd eene
meer bijzondere liefde toedraagt, omdat zij meer aan
haar gelijkvormig is; eene ziel, die zij gaarne bij
zich ziet als eene geliefde gezellin, tot wie zij, ware
zij daar, op dien liefdevollen toon, waarmede zij
steeds haren goddelijkeu Zoon aansprak, zou zeggen:
» Mijne dochter, bemin uw Jezus, verblijf gaarne bij
»Hem; dien Hem gelijk ik Hem gediend heb!"
Een religieuze is eene ziel, aan wie Jezus die
inwendige schoonheid geeft, die, onzichtbaar voor
de wereld, de engelen verrukt, ze met eerbied ver-
vult, ja, die zij zouden benijden, indien zij geene
engelen waren.
Eene religieuze is eene ziel, die Jezus dicht bij zich
plaatst, opdat zij, door hare liefde en innige veree-
niging
met Hem, zijn goddelijk Hart zou troosten
over al de ondankbaarheid, de heiligschennis, de
vergetelheid, de onverschilligheid der wereldlingen, —
opdat zij door hare volkomen onderwerping aan zijn
goddelijkeu Wil,
als een gewillig werktuig in zijne
hand, onder leiding harer oversten, zou medewerken
aan het heil der zielen, — opdat zij eindelijk, als
Jezus in zijn H. Sacrament, door hare edelmoedigheid
en volkomen onthechting een voortdurend slachtoffer
-ocr page 10-
4
zou zijn, door vreugdevol te lijden smarten naar
het lichaam, smarten naar den geest en diepe ver-
nedering, gelijk eene religieuze die lijden kan.
Eene ziel eindelijk, voor wie de wereld met al haar
rijkdom, haar praal en pracht niet groot genoeg is;
die God alleen voldoen kan, die onder een kalm,
zacht en vreedzaam voorkomen eene liefde verbergt,
die geene menschelijke taal kan uitdrukken.
Ziedaar wat het geloof den priester toont, wanneer
hij zich met de religieuzen bezig houdt. Ja, dan
voelt hij zich gelukkig door God gekozen te zijn om
haar te vormen, te louteren, te bemoedigen. — O,
hoe vurig bidt hij dan God hem te verlichten in
hetgeen hij gaat zeggen. Hoe vurig vraagt hij, als
het oogenblik daar is, woorden van licht, woorden
van kracht, woorden van vrede, woorden van troost,
woorden soms van welmeenende vermaning en vader-
lijke berisping. O Jezus, al die woorden vinden wij
in uw H. Evangelie! Leen ze mij bij het schrijven
van dit werkje!
Moge het geen enkel woord bevatten dat kan wonden,
geen woord dat den vrede verstoort, geen woord dat
de ziel ontmoedigt\' Ik wil, mijn Jezus, mijn hart
daarin doen spreken. Laat mij het in het uwe
sluiten, opdat het daarin licht, ijver, voorzichtigheid
en liefde moge putten.
-ocr page 11-
HANDBOEK
DER
geprofeste Religieuzen.
Volgens den zin, door de H. Katholieke Kerk
daaraan gehecht, beteekent geprofest zijn: door de
wettige overheid in den religieuzen staat zijn toege-
laten, te weten lid geworden zijn van eeue goed-
gekeurde vergadering, waarin men de geloften aflegt
van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede, en
waarin men zich verbindt om alles te doen wat in
die vergadering is voorgeschreven om het doel, dat
zij zich voorstelt, te bereiken.
Door den religieuzen staat verstaat men dus: eene
levenswijze, door de H. Kerk goedgekeurd, waarin
de geloovigen in vergadering samenleven, zich voor
altijd aan God toewijden en naar de volmaaktheid
streven, door het naleven der drie geloften van
gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid volgens den
haar opgelegden regel. Ziedaar den staat, dien gij
omhelsd hebt. Gij hebt religieuze willen zijn. Ziedaar
dus waartoe gij u verplicht hebt.
Welnu, om u dezen staat te doen kennen, waar-
deeren, hoogschatten en beminnen, om u te helpen
al de plichten, die hij u oplegt, nauwkeurig na te
komen, bieden wij u dit boekje aan.
Het bevat drie deelen:
1°. Handelende over de natuur van den religieu-
zen staat.
2°. Over de plichten van den religieuzen staat.
3°. Over de middelen om die plichten te vervullen.
-ocr page 12-
EERSTE DEEL.
Natuur van den Religieuzen Staat.
Wij geven hier geen volledige verhandeling over
den religieuzen staat. Wij willen slechts, op praktische
en tevens eenvoudige wijze, de groote schoonheid en
verhevenheid van dien staat voorstellen, — hem doen
beminnen door degenen, die hem omhelsd hebben en
de begeerte in haar opwekken met ijver deszelfs
verplichtingen na te komen.
Wij verdeden dit eerste deel in zeven Hoofdstukken.
1°. Het doel van den religieuzen staat.
2°. Het. bestuur.
3°. De personen, welke dien staat omhelsd hebben.
4°. Wat eigenlijk den religieuzen staat uitmaakt.
5°. De voorrechten van den religieuzen staat.
G°. De moeielijkheden, welke in den religieuzen
staat kunnen voorkomen.
7°. De fouten, welke den religieuzen geest zouden
vernietigen.
lst0 HOOFDSTUK.
Het voorname doel van den religieuzen staat is
aan God door de gehoorzaamheid aan zijne bevelen,
en het naleven der Evangelische raden
, de grootste
eer te geven
, waartoe een schepsel in staat is.
-ocr page 13-
7
Welnu, God eer bewijzen is zich vrijwillig en Wij-
moedig aan God onderwerpen, zoodanig dat, onze
wil volmaaktelijk met den zijne vereenigd zijnde
door de opoffering, niet van alle genegenheid roor-,
maar van alle gehechtheid aan de schepselen, — God
met ons kan doen wat Hij wil en door wien Hij
het wil, zonder den minsten tegenstand onzerzijds.
De religieuze ziel kan die afhankelijkheid van God
in twee woorden samenvatten. Onthecht en toegewijd.
Onthecht wil zeggen: los van alles, afgescheiden
van alles, door niets teruggehouden zijn, en bijgevolg
zonder weerstand verplaatst kunnen worden.
Wij zeggen: een voorwerp staat los, wanneer het
eenvoudig daarneder wordt gezet, zonder door den
geringsten band teruggehouden te zijn, en het zeer ge-
makkelijk verplaatst kan worden. Ziedaar den toestand
eener waarlijk onthechte ziel! Zij heeft de banden
losgemaakt, die haar hart boeiden; zij heeft de stof-
felijke zaken verwijderd, welke om zoo te zeggen, hare
ledematen bezwaarden, zij heeft haren wil gebroken.
God kan haar opnemen zonder den minsten weer-
stand te ontmoeten, haar nederzetten waar Hij wil,
haar gebruiken tot al wat Hij wil.
Die del zal onthecht zijn van de zonden, welke
zoo grootelijks strijden tegen Gods heiligen wil, —
daarvan onthecht, ten minste, door den vasten wil
om geene enkele fout geheel vrijwillig te bedrijven,
-ocr page 14-
8
door nooit tegen haar geweten te handelen; door nooit
te zeggen: »/« het anders niets? die kleine fout zal
God mij wel vergeren!"
Nochtans zal zij met dezen
vasten wil nog fouten en, helaas! nog zware fouten
kunuen bedrijven; maar zij zal onmiddellijk daarover
groot berouw gevoelen, — zij zal zich diep verne-
deren, — zij zal spoedig opstaan, — hare fouten
zullen zeldzamer worden en zij zal voorzichtiger,
getrouwer aan hare plichten en meer welwillend jegens
anderen zijn.
Onthecht van de gelegenheid tot zondigen. De
religieuze, door God geroepen, heeft nochtans al de
zwakheden der natuur, — al de genegenheden van
haar hart, — al de gewoonten van haar vorig leven
behouden; zij gevoelt levendiger dan ooit hoe licht
zij zou vallen, indien zij niet voorzichtig ware,
daarom waakt zij met eene uiterste oplettendheid over
hare zinnen en haar hart. Zij sluit zich in haren
regel, als in een huis, waarin zij hoort noch ziet; zij
omkleedt zich met haren regel als met een Meed,
dat haar behoedt tegen den invloed van kwade voor-
beelden , en het krachtig woord, dat haar terughoudt,
als zij zich zwak gevoelt tegenover het gevaar, is:
God wil het niet! het strijdt tegen den regel.
Onthecht van de wereld, —• dat wil zeggen, onthecht
van rijkdom, van eer, van genot, van al wat haar
God zou doen vergeten. Voor haar is elke eerepost
een lastpost, dien zij zeker met onderwerping aan-
vaardt, doch slechts beschouwt als een nieuw middel
om hare liefde aan God te toonen.
Onthecht van tijdelijke zaken, — die haar van den
omgang met God zouden aftrekken. Door tijdelijke
zaken verstaat zij ieder werk, dat, door de gehoor-
zaamheid niet opgelegd, slechts zou strekken om
-ocr page 15-
9
haar of hare familie eene welvaart te bezorgen, waaraan
zij, krachtens hare belofte van armoede, verzaakt
heeft. Zij verstaat daardoor alle overdreven zorg,
die de onverstorveuheid, de zinnelijkheid, de gemak-
zucht inboezemen. Zij geeft haar lichaam slechts het
noodzakelijke en laat gaarne aan anderen de zorg
van haar voedsel, haren slaap, hare rust te regelen.
Onthecht van de dierbaarste familiebanden, die haar
zouden beletten geheel aan God te behooren; Neen,
zij heeft de liefde in haar hart niet versmoord: Zij
bemint nog, zij zal altijd beminnen, — zij zal wellicht
meer dan ooit beminnen , — maar die liefde verontrust
haar niet, trekt haar van God niet af.
Zij heeft alles verlaten voor den Bruidegom, door
wien zij weet dat zij bemind wordt; aan Hem ver-
trouwt zij nu de zorg, voor hare familie te doen
wat zij zelve zou gedaan hebben, en zij leeft tevreden
en gerust, overtuigd dat God hare zorg in alles
overneemt.
Onthecht eindelijk van ziihzelve, — om slechts te
willen, — te zijn,—te doen wat God wil, en zich
daarmede volkomen tevreden te stellen.
Toegewijd beteekent uitsluitend bestemd voor eene
zaak of een persoon, die volstrekte macht heeft op
de toegewijde zaak.
Voor de religieuze ziel beteekent dit eenigermate
gelijk worden aan de gouden en zilveren vaten, die
bij het H. Misoffer gebruikt worden, en die, eenmaal
gewijd, zonder heiligschennis, tot geen onheilig
-ocr page 16-
10
gebruik mogen dienen. Volgens deze overtuiging mag
zij dus in haren geest geene gedachte vrijwillig toelaten,
die niet rechtstreeks of zijdelings tot God gericht zij,
in haar hart geene enkele begeerte, die de eer van God
niet ten doel hebbe, geene enkele genegenheid, die niet
volgens God zij!
Daarom moet zij haar lichaam rein en onbevlekt
bewaren, het beschouwende als de tempel van den
H. Geest,
waarin Jezus Christus als in zijn eigen
huis woont.
Toegewijd zegt nog veel meer! Het is als een
slachtoffer worden van God, om voortdurend te
aanbidden, te danken, te smeeken en te boeten:
even als de Hostie van het H. Misoffer, die voor de
Consecratie slechts een weinig brood was, en die na
de sacramenteele woorden des Priesters, onder den
schijn van brood, wezenlijk het lichaam van Jezus
Christus is, in het tabernakel tegenwoordig.
Ziedaar het verheven denkbeeld, dat de Heiligen
zich van den religieuzen staat gevormd hebben. De
religieuze behoudt, na hare toewijding aan God,
hetzelfde gelaat, dezelfde stem, dezelfde ledematen,
denzelfden wil; doch dit alles is, om zoo te zeggen,
slechts de schijn, het uiterlijk. Zij bezit dat alles
slechts uitwendig, zij is, als de heilige Hostie, het
slachtoffer van God.
Voor God als een offer zijn, zegt Bourdaloue, en
dit zijn krachtens zijn staat, — »is niet meer aan zich
zelven toebehooren, — niet meer over zich zelven
beschikken, — op zich zelven geen het. minste recht
meer hebben, noch willen hebben. — Het is zich
geheel stellen in de macht van God, — niet meer
handelen dan volgens zijn heiligen wil, zonder te
vragen door wien, of op welke wijze ons die wordt
-ocr page 17-
11
kenbaar gemaakt. Het is als dood zijn, zich als een
doode laten geleiden, bestieren, plaatsen volgens
den wil dergenen aan wie God ons beeft onderworpen ,
zoodanig dat wij met den Apostel zeggen kunnen:
(Rom. VIII, 3G.) Heer, om U zijn wij den ganschen
dag aan den dood overgeleverd; men bcschomot ons,
en wij beschouwen ons zelven , uit liefde tot U als
slachtsehapen ,
die men gaat opdragen."
En, voegt dezelfde schrijver hierbij, hoe krachtig
werkt deze gedachte op de religieuze ziel. »Ik ben
»voor God als een slachtoffer!" Hoe ondersteunt
ze haar in het vervullen harer plichten, hoe moeielijk
die ook mogen zijn, welke krachtsinspanning ze ook
mogen vragen. Waartoe is zij, door deze gedachte
bezield, niet bereid ? Moet zij bidden , waken , arbeiden,
zich vernederen, zich versterven ,
ten koste van hare
rnst, hare gezondheid, hare neigingen, hare innigste
verlangens, niets verwondert haar, niets doet haar
terugdeinzen, want zij denkt steeds, dat zij voor God
een slachtoffer geworden is. En hoe dierbaar is haar
die gedachte, wanneer zij zoovele ongelukkige
zondaars zich ziet verlagen tot slachtoffers hunner
eerzucht, hunner vermaken, tot slachtoffers eener
wereld, die hun hare dwingelandij doet. gevoelen en
hen ten verderve richt
, terwijl zij, als slachtoffer
van God en zijner heilige liefde, een offer is voor haren
plicht, een offer voor hare volmaaktheid, een offer
voor hare zaligheid, een offer voor het eeuwig geluk,
waartoe zij is voorbestemd en dat zij tracht te ver-
dienen.
Toegewijd, is een werktuig worden in de hand
van God, dat Hij naar goedvinden plaatst en gebruikt
volgens het doel, dat Hij zich voorstelt, een werktuig,
dat Hij voor zijn werk bezigt.
-ocr page 18-
12
Welnu het werk van God is de bevordering van
zijne eer, de heiligmaking der zielen.
De zielen worden geheiligd door de hennis en de
beoefening van Gods wet.
God mag u dus gebruiken
om zijne wetten te bestudeeren of zijne leer te ver-
kondigen , hetzij aan de kinderen, hetzij aan de
geloovigen door uwe woorden of uwe geschriften.
De zielen worden geheiligd door het aanhoudend
gebed,
dat de goddelijke genade over haar aftrekt.
God mag u dus gebruiken tot het contemplatieve
leven, tot de gedurige aanbidding van Jezus in zijn
heilig Sacrament, tot het verborgen leven van Jezus.
De zielen worden geheiligd door het lijden, dat
met liefde door haar aanvaard en geleden wordt.
God mag u dus gebruiken om voor Hem te lijden,
Hij mag u smarten overzenden, die u aan het ziekbed
kluisteren; Hij mag van u een onbekend, ongeacht,
verborgen leven vragen als tegenwicht voor de eer-
zucht en de godslasteringen der goddeloozen.
De zielen worden geheiligd door goede voorbeelden,
vooral door het zien van zelfverloochening en zelf-
opoffering. God mag u dus, geheel uw leven, aan
het bed van arme zieken plaatsen, u de afzicktelijk-
ste wonden doen verbinden, arme weezen tot moeder
doen verstrekken, de dienstmaagd zijn der armen,
der verlatenen, der ongelukkigen van alle slag en
soort.
II.
Het tweede doel van den religieuzen staat is aan
eenige tiitverkoren zielen het middel aanbieden om
dien graad van volmaaktheid of heiligheid te bereiken,
dien God van haar vraagt en dien zij, in de wereld
blijvende, niet zouden kunnen bereiken.
-ocr page 19-
16
God bemint alle zielen; zij allen zijn zijne schep-
selen, Hij heeft ze uit liefde geschapen en bestemt
ze voor de eeuwige zaligheid; maar eenigeu bemint
Hij met eene bijzondere liefde, bestemt haar tot eene
grootere glorie in zijn paradijs, en verwacht van
haar bijgevolg eene meer volmaakte liefde.
Elke ziel heeft, gelijk elke bloem. hare schoonheid;
maar er zijn er die schooner zijn dan andere, waarop
het goddelijk oog met meer welbehagen rust, en die
God voor zich zelven behoudt.
Elke ziel heeft haar bijzonder nut voor Gods eer;
maar er zijn zielen aan wie God meer heeft gegeven,
opdat zij Hem meer zouden eeren en loven. En die
uitverkoren zielen wenscht Hij innig en geheel aan
zijn Hart gehecht te zien. Hij wil dat zij zich vrij-
willig ter zijner beschikking stellen om in zijne hand
te zijn, wat een uitgelezen en buigzaam werktuig is
in de hand van den kunstenaar! Hij zegt het haar,
Hij doet het haar zeggen, Hij roept, Hij toont haar
dat het slechts bij Hem is, in de eenzaamheid, in
dien goddelijken luchtkring, die zijn Hart omgeeft
dat zij volmaakt kunnen worden; doch altijd, altijd
laat Hij ze vrij.
En indien die zielen niet tot Hem
komen, verkwijnen zij; zij leven daarheen zonder kracht,
zonder vreugde, zonder vrede, zonder die bijzondere
genaden . welke zij, zwak als zij zijn, noodig hebben;
en wat zal er van haar worden ? Wat zullen zij tot
God zeggen, als zij voor Hem verschijnen?.....
Voor de zielen, die naar zijne stem luisteren , heeft
Uod den religieuzen staat ingesteld. Het is daarin dat
ile uitverkoren zielen hare volle kracht verkrijgen,
waarlijk nuttig zullen werken voor de eer van God
sn trapsgewijze die heiligheid zullen bereiken, die
God van haar vraagt.
-ocr page 20-
14
Dit woord trapsgewijze drukt juist uit wat de
religieuze staat van de ziel eischt. Zij moet lang-
zamerhand
en als trap voor trap tot dien staat van
volmaaktheid en heiligheid opklimmen, waarin zij in
staat zal zijn aan God al de eer te geven, waartoe
zij bekwaam is ; maar zij moet altijd hooger klimmen ;
als zij vrijwillig blijft staan, als zij niet deugdzamer
teil
worden, als zij daartoe niet alle middelen wil
gebruiken, die de regel haar aanbiedt, schiet zij tekort
aan het doel van haren roep, beantwoordt niet aan
de inzichten van barmhartigheid, die God met haar
heeft, en schendt het verbond, op den dag harer
heilige professie met God aangegaan.
Naar de volmaaktheid streven is voor de religieuze
geen enkele raad, maar strenge plicht.
III.
Tot welke ernstige gevolgtrekkingen geven deze
eerste bladzijden reeds aanleiding!
S)e axel \\w facfocfafaincfr tot êo3.
Daar gij aan God zijt toegewijd en uit deze toewij-
ding voor u de verplichting voortspruit naar heiligheid
en volmaaktheid te streven, zoo dwaalt gij indien gij
denkt dat, zoo gij het ongeluk hadt eene doodzonde
te bedrijven, die zonde voor u niet zwaarder zou
zijn dan voor anderen, daargelaten de heiligschennis,
die elke zware zonde tegen de Gelofte in zich
sluit. Elke doodzonde, door u bedreven, draagt een
-ocr page 21-
15
kenmerk van kwaadwilligheid, omdat gij beter weet
wat gij doet, — een kenmerk van ondankbaarheid,
omdat gij, door God zoo teeder bemind, zijn Hart
wreeder wouden toebrengt,—een kenmerk van meineed,
omdat gij het verbond schendt met God aangegaan
bij het uitspreken uwer HH. Geloften.
2.     Gij dwaalt, indien gij meent dat het genoeg
is in uwe communauteit te doen wat anderen doen,
uit vrees van zonderling te schijnen, wanneer uw
geweten u luide toeroept dat, wat anderen doen, niet
goed is. Niet de voorbeelden van anderen, maar het
heilig Evangelie en de lessen onzer Oversten moeten
ons tot richtsnoer dienen.
De eerbiedwaardige Pastoor van Ars zegde op zijne
eenigszins vreemde, doch krachtvolle wijze: »0m
heilig te worden
, moet men dwaas en uitzinnig zijn."
Zeker behoeven wij niet zonderling te zijn, doch
doen wij wat wij verplicht zijn, en niet wat anderen
doen.
3.     Gij dwaalt, indien gij meent dat het voor u
genoeg is zware zonden te vermijden en dat gij r
zonder uwe zaligheid in gevaar te stellen, vrijwillige
dagelijksche zonden moogt bedrijven, en genegenheid
tot eenige bijzondere dagelijksche zonde moogt blijven
koesteren.
Niet alleen verzwakt die zonde de ziel, en
maakt ze gereed tot zwaarderen val, maar zij is
werkelijk een hinderpaal voor de volmaaktheid,
waarnaar gij moet streven. Daarom vreest zeker
godgeleerde niet te zeggen: »Een religieuze zondigt
>\'Zioaar, wanneer zij zich niet de minste moeite geeft
»de vrijwillige dagelijksche zonden te vermijden."
4.     Gij dwaalt indien gij gelooft op den weg der
volmaaktheid stil te kunnen staan of u eene grenslijn
te kunnen trekken
, want gij weet door ondervinding
-ocr page 22-
16
dat stilstaan, achteruitgaan en vallen is; en dat gij
moet trachten steeds beter te worden. Een zijner
missionarissen vraagde den Pastoor van Ars: »Hoe
moet men tot God gaan ?" » Mijn vriend", antwoordde
•deze, »in volle vaart gelijk de kogel uit een kanon."
Dit krachtig woord toont u uw plicht.
5.     Gij dwaalt, indien gij meent dat gij u zelve
.zonder genoegzame reden, uit gewoonte of zorgeloosheid
moogt ontslaan van de oefeningen van godsvrucht door
den Regel voorgeschreven
en die ten doel hebben u
tot de volmaaktheid te brengen, zooals de meditatie,
het onderzoek van geweten, de geestelijke lezing, de
oefeningen van gehoorzaamheid, of dat gij u moogt
tevreden stellen om ze voor het oog van anderen
te doen, oppervlakkig, zonder vlijt, en bijgevolg
zonder eenig nut.
6.     Gij dwaalt, indien gij vermeent op den weg
der zaligheid te zijn, wanneer gij u tevreden stelt
de zware verplichtingen van uwen staat na te leven,
en geen werk maakt van kleine overtredingen.
Het H. Concilie van Trente zegt uitdrukkelijk:
»Dat alle kloosterlingen, hetzij mannen of vrouwen,
hun leven schikken volgeus den regel, dien zij omhelsd
hebben; dat zij getrouw alles nakomen wat hen tot
de volmaaktheid van hunnen staat kan brengen, zooals
de gehoorzaamheid, de armoede en de zuiverheid,
de bijzondere beloften van hunne orde, en al wat
kan strekken om de regelen ongeschonden te bewaren,
zooals het gemeenschappelijk leven, de matigheid,
de eenvoudigheid der kleederen, enz."
Tess. XXV. Cap. I de regul. et monial.
Dit is eene ernstige vermaning, waarmede men
geene rekening schijnt te houden, wanneer men slechts
die punten van den Regel wil onderhouden, die onder
-ocr page 23-
17
zware zonde verplichten. Straalt in die voorbedachte,
vrijwillige overtreding geen schijn van misachting
der HH. Regelen door?
êod in \'Getae&\'fcina tot de, &\\&t.
Gij hebt u vrijwillig aan God toegewijd. Gij tracht
in ailes uwen wil met den zijne te vereenigen, om
Hem meer te behagen; welnu, die God, die zich
uooit in edelmoedigheid laat overtreffen, zal u alles
vergoeden wat gij voor Hem doet. Gij geeft u aan
Hem, Hij zal zich aan u geven. Gij stelt in zijne
handen uwe ziel, uw hart, uw lichaam, uw geheel
bestaan; Hij zal zich, om zoo te zeggen, geheel
ter uwer beschikking stellen. Gij zult het voorwerp
zijn van zijne bijzondere genaden.
1.     Genade van bescherming. God zal over uwe
ziel waken, haar beschermen met de zorg van den
liefderijksten vader; hij zal de gevoeligste bekoringen
van n verwijderen of verminderen, of wel Hij zal
uwe krachten zoodanig vermeerderen, dat gij zege-
vierend uit den strijd komt. — God zal zorg voor
u dragen, gelijk de priester voor de gouden en
zilveren altaarvaten, die hij voor elke onheilige aan-
raking behoedt, —• Hij zal met wijze vaderzorg de
beproeving afmeten, die noodig is om u te louteren
en te heiligen.
2.     Genade van bemoediging. God zal tot uwe
ziel woorden spreken van liefde, van kracht, van
vrede, slechts aan het innig verkeer met Hem voor-
behouden. Hij zal oplettend naar uwe gebeden luis-
teren; — u zijne tegenwoordigheid doen gevoelen, —
2
-ocr page 24-
18
Hij zal voor u de liefderijkste vader, — de teederste
moeder, — de getrouwste vriend zijn , — u troostende
als gij bedroefd zijt, u opbeurende als gij valt, —
met eigen hand uwe wonden verbindende en rondom
u harten plaatsende, aan wie Hij zijne liefde en
genegenheid voor u mededeelt.
3. Genade van leiding. God zal u in het gebed
onderwijzen en u het geluk leeren begrijpen van de
gehoorzaamheid, de vreugde der armoede, de ver-
rukkelijke schoonheid der zuiverheid. Hij zal u
langzamerhand onthechten van alle aardsche zaken,
door u dagelijks meer te doen trachten naar eene
innige vereeniging met zijnen goddelijken wil, zoodat,
indien gij u laat geleiden en u steeds meer aan Gods
vaderhand vastklemt, uw leven op aarde een hemelsch
leven zal worden en gij in waarheid met den II. Apostel
Paulus zult kunnen zeggen: »Ik leef niet meer, maar
»Jezus-Christus leeft in mij."
             Gal. II, 20.
Sde HOOFDSTUK.
Ovov hot I5cs< iim-.
Elke religieuze gemeente wordt, onder toezicht
van den Bisschop, bestuurd door eene Overste, die
gewoonlijk gekozen wordt door de leden van dezelfde
gemeente onder al de waarborgen, die de menscht"
lijke voorzichtigheid kan aanbieden.
-ocr page 25-
19
I.
Gewaarborgd door de stemgerechtigde leden. Zij
moeten eenige jaren, na hare professie, in de ge-
meente doorgebracht hebben, —zich stipt onderwerpen
aan hetgeen de Regel omtrent de keuze voorschrijft
en zich door geene menschelijke beweegredenen laten
geleiden.
II.
Gewaarborgd door de wijze, waarop de verkiezing
geschiedt.
Gewoonlijk wordt de keuze voorafgegaan
door eenige dagen van retraite, in gebed en ver-
sterving doorgebracht. — Zij geschiedt onder toezicht
van den Bisschop of der hooge geestelijkheid, die de
keuze moet goedkeuren en bekrachtigen.
III.
Gewaarborgd door de verkozene zelve. In elke
gemeente is de waardigheid van Overste minder
cene eer, dan een last. Men verbergt der Overste
dit woord der H. Schrift niet: i>Er zal eene zeer
»strenge rekenschap gevraagd toorden van degenen,
»die anderen bestuurd hebben.
Sap. VI, 6. Daarom
beijvert zij zich, gedurende de korte jaren van haar
bestuur, hare plichten nauwkeurig te vervullen en den
naam van Moeder te verdienen, dien hare zusters
haar geven en dien zij voor Gods rechterstoel zal
dragen.
De Overste wordt gewoonlijk slechts benoemd voor
zekeren tijd, door de Constitutiën bepaald; zij moet
jaarlijks aan de geestelijke Overheid rekenschap geven
omtrent haar beheer der tijdelijke goederen van het
huis en omtrent hare zorg voor het tijdelijke en
-ocr page 26-
20
geestelijk welzijn der zusters. Al deze redenen zullen
haar aanzetten in haar bestuur zorgvuldig en moe-
derlijk te werk te gaan.
IV.
Gewaarborgd door de regelen , die de Overste moet
doen naleven.
Zij raag geene willekeurige bevelen
geven. Zij staat slechts aan het hoofd om de regelen
te doen valeven
, die gewoonlijk door Heiligen zijn
opgesteld, — lang beoefend door personen , die zij in
heiligheid en deugd hebben doen toenemen, — lang
bestudeerd en overwogen tot in de kleinste onder-
deelen, — goedgekeurd eindelijk door het hoogste
gezag op aarde, den Stedehouder van Jezus-Christus
of althans zeker door den Bisschop.
De Regel is der Religieuzen niet opgedrongen.
Alvorens haar tot deszelfs naleving te verplichten
heeft men haar dien in de kleinste bijzonderheden,
in heel deszelfs omvang en al deszelfs verplichtingen
uitgelejïd.
Gedurende haar postulaat en novicaat heeft men
haar vrijgelaten. Zij beoefende elk der regelen en
kon zich overtuigen of zij, al dan niet, binnen het
bereik harer krachten lagen, — zoodat, wanneer de
religieuze hare Geloften uitspreekt, zij gerust kan
zeggen; »Ik weet wat ik doe; ik verbind mij niet
lichtvaardig
/"
Gij ziet dus dat, uit tijdelijk oogpunt beschouwd,
het bestuur van den religieuzen staat gewaarborgd
is door wetenschap, wijsheid en deugd.
Uit goddelijk oogpunt beschouwd , deelt dit bestuur
eenigszins in dat der Kerk, die het heeft goedge-
keurd en bevestigd en zich de noodige wijzingen
heeft voorbehouden.
-ocr page 27-
21
V.
Is het niet waar dat dit bestuur, die Overste, die
Kegelen, zelfs alleen uit menschelijk oogpunt be-
schouwd, iets groots, iets verhevens hebben? Alle
gezag komt van God. De H. Paulus zegt: *Gij
»dienaars, gehoorzaamt uwen meesters... in de eenvoud
»des harten, gelijk aan Christus... Met welwillend^
»heid dienende, als den IJ eer e, en niet de. menachen."
Eph. VI, 5, 7, In een huis nu, door Gods ingeving
fresticht, in een huis, waarin de leden slechts door
Gods hoogere roeping zijn getreden om zich geheel
aan God toe te wijden; in een huis waar alleen voor
God gewerkt wordt, — waarin Hij alleen meester
is, — daar heeft liet gezag, volgens voormelde voor-
waarden gevestigd, iets goddelijks. Kan God daar
niet zeggen gelijk Hij het van de H. Kerk zegt,
y>die u hoort, hoort mij, en die u versmaadt, ver-
»smaadt mij?" Luc. X, 16. Ook heeft de religieuze,
niet aan de Overste, maar aan God gelofte van ge-
hoorzaamheid
gedaan, want de Overste is slechts
de plaatsbekleedster van God.
Wij zullen later de verhevenheid en de voordeelen
iler gehoorzaamheid, alsook die der HH. Regelen
aantoonen, alsmede hoe men die moet naleven. Ziehier
wat de Heiligen en godgeleerden zeggen, omtrent
den eerbied en de onderwerping aan de Oversten
en den Regel verschuldigd.
-ocr page 28-
22
De H. Bernardus onderscheidt vier trappen in de
zonde van ongehoorzaamheid, door de Religieuzen
bedreven.
1.     De eerste is: datgene wat bevolen wordt en
roet den Regel niet in strijd is, niet te doen, hetgeen
in zware gevallen, doodzonde is, wanneer de Overste
het inzicht heeft doen kennen onder zware zonde
te verplichten; dagelijksche zonde, indien de zaak.
die bevolen wordt, klein is in zich zelve en hare
omstandigheden, of ook wanneer de zaak zwaar is,
doch de Overste het inzicht niet heeft onder zware
zonde te gebieden.
2.     De tweede is: openlijk den Overste te weer-
staan, wanneer hij iets beveelt, hetgeen eene zwaar-
dere overtreding is dan enkele ongehoorzaamheid;
want deze weerstand in kleine zaken kan zware
zonde worden, indien men merkelijk ontbreekt aan
den eerbied, dien men den persoon van den Overste
of zijner waardigheid verschuldigd is, vooral wanneer
dit openlijke ergernis geeft.
3.     De derde is: bij dien weerstand openlijke en
werkelijke verachting voegen, hetgeen altijd eene
verzwarende omstandigheid is.
4.     De vierde eindelijk is: openlijk en in ernstige
zaken tegenspreken, samenspannen, opstaan tegen
het gezag van den Overste; eene overtreding zoo
zwaar, dat het niet mogelijk is die van doodzonde
vrij te spreken , behalve wanneer het zich zou bepalen
tot morren in kleine zaken, uitspatting van het humeur
enz., fouten, die somtijds ontsnappen en geene ernstige
gevolgen na zich slepen.
-ocr page 29-
23
§en cp&icfote* dei cRegcffrucfot.
Om met juistheid te kunnen weten in hoeverre de
Kegelen verplichten, moet men twee soorten van
Regelen onderscheiden.
1.     Die, welke als gebod of verbod gegeven worden
en bijv. deze woorden bevatten: » Wij gebieden, of
wij verbieden ten stre?igste." Die, welke de statuten
of coiistitutiën van eene orde uitmaken als, bijv.
de ziekenverpleging, — de opvoeding der kinderen —
en die, welke betrekking hebben op het onderhouden
der Geloften. Dit zijn als zoovele door de H. Kerk
goedgekeurde wetten, die de Stichtvader der Orde
bijgevolg verplichtend heeft gemaakt. Deze regelen
verplichten onder doodzonde, even als de geboden
der H. Kerk. Nochtans kan de overtreding slechts
eene dagelijksche zonde worden, door kleinheid van
stof of bij gebrek aan vrijen wil.
2.     De regelen, die niet als gebod, maar als raad
gegeven worden en slechts op de religieuze tucht
betrekking hebben, bijv. van op het eerste teeken der
/dok te gehoorzamen
, verplichten niet onder zonde;
doch de H. Thomas zegt, dat een religieus, die
vrijwillig de regelen overtreedt, bijna altijd zondigt
door lauwheid, nalatigheid of nieuwsgierigheid en
vooral door het slechte voorbeeld, dat hij geeft.
Indien God rekenschap zal vragen van elk ijdel woord,
hoe zal Hij dan eene overtreding over het hoofd zien
van een punt van den regel, waardoor men eene
wettig gegeven verordening schendt?
2. Wanneer een regel iets bevat, dat betrekking
heeft op de Geloften of dat door Gods gebod verboden
of geboden wordt, onafhankelijk van den regel, is
men onder straffe van zonde verplicht dien Regel na
-ocr page 30-
24
te komen, niet krachtens den Regel, maar krachtens
de gelofte of het gebod van God; de zonde zal meer
of minder zwaar zijn, naar gelang de overtreding der
geloften of van het gebod meer of minder zwaar is.
4.     De overtreding van den Regel, al verplicht deze
niet op zonde, zou eene doodzonde kunnen worden,
als die overtreding voortkomt uit opzettelijke ver-
aehting
van den Regel; en die opzettelijke verachting
bestaat, volgens den EL Alphonsus, als die overtreding
plaats heeft, omdat men zich niet wil onderwerpen
aan den Regel of aan het gezag, of omdat men het
als kleingeestigheid beschouwt, al die kleine punten
na te komen. Geheel anders zou het zijn, als men,
in geval de Regel niet op groote zonde verplicht,
slechts uit lichtzinnigheid oi drift kleine punten van
den Regel overti-eedt, of omdat men de naleving
daarvan niet als noodzakelijk ter zaligheid of volstrekt
verplichtend beschouwt. De gewoonte zelfs, in kleine
zaken den Regel te overtreden uit zorgeloosheid of
lichtzinnigheid, overschrijdt de grenzen der dagelijk-
sche zonden niet.
5.     Het kicade voorbeeld kan, zoowel als de op-
zettelijke verachting,
de overtreding van een punt
van den Regel, die uit zich zelve klein is, tot
zware zonde maken; en dat kwade vooibeeld is
vooral te vreezen, als die overtreding in gewoonte
ontaardt. De kloosterling is, zooals de H. Alphonsus
opmerkt, op zware zonde verplicht, zijne communauteit
geen aanmerkelijk nadeel te berokkenen, door anderen
door zijn voorbeeld tot verslapping aan te zetten:
hetgeen hij zou doen, indien hij telkens het stil-
zwijgen verbreekt
, het gebed, verzuimt, minder de
zedigheid betracht
, de cellen van anderen betreedt
enz., of door andere dergelijke overtredingen.
-ocr page 31-
Sde HOOFDSTUK.
Over «Ie personen, <lie «Ion Iielijjïoiizon
!"•< ;i:i I oinliolöKl Ik-1 >1m-ii.
De personen, die den Religieuzen Staat omhelsd
hebben, levende in eene door de H. Kerk goedge-
keurde vergadering, met elkander vereenigd door
de drie Geloften, aan denzelfden Kegel onderworpen,
bieden, zoowel onder het oogpunt van de deugd als
van de samenleving, alle waarborgen, die men van
\'.<od en de H. Kerk kan begeeren.
I.
3<zn "fia-nt van §od.
De religieuzen worden door God op eene bijzondere
wijze uitverkoren; en die keuze is, — als ik zoo
spreken mag — eene voorzichtige, verstandige, door-
dachte keuze. God, die vrij is om te kiezen, zal
zich bij voorkeur tot die zielen wenden in wie Hij
een vasten en tevens buigzamen wil ziet, gepaard
;ian eene vurige begeerte om zich op te offeren, een
gedurig streven naar al wat goed en schoon is.
Mag men twijfelen of God met minder zorg zijne
üruiden kiest, dan de wereldling, die in zijne keuze
met overleg en voorzichtigheid te werk gaat?
2. Deze zielen worden door God geroepen, met
Pene kieschheid, die overdreven schijnt in Hem, die
Meester van alles is. »De eer der maagdelijke rein-
"heid wordt slechts aan een zeer klein getal uitver-
•koornen geschonken. Met welke voorzorg deelt
-ocr page 32-
26
>God Laar zijne plannen mede, en met welke zorg
» waakt Hij over hare getrouwheid, Jezus zegt slechts
»eenige woordeu in het voorbijgaan, verborgene,
«geheimzinnige mededeeling die Hij met een nog
»geheimzinniger woord besluit: » Wie het vatten kan,
» vatte het."
Mattii. XIX, 12.
»Geen enkel voorschrift, geen schaduw van ver-
»plichting! Die God, die beveelt voor het geloof te
»sterven, zich de hand, den voet af te kappen, zich
»bet oog uit te rukken, geeft ten opzichte der maag-
»delijke reinheid slechts een bescheiden raad: »t>Het
»»is slechts een raad, dien ik
u geef; ik heb van God
»»geen bevel ontvangen.""
I Coii. VII, 25. (L\'abbé
Doublet). Jezus-Christus wil dat men, door liefde
gedrongen , tot Hem kome. » Deze zielen beminnen
mij, zij zelve zijn tot mij gekomen."
Deze gedachte aan eene goddelijke en geheel bij-
zondere roeping,
en eene liefdevolle beantwoording
•aan de roeping
omgeeft elk der leden eener religieuze
vergadering met een straalkrans, die eerbied en ontzag
inboezemt.
3. Daar God die zielen roept, Hij, die steeds de
middelen aan het doel evenaart, zal Hij haar ook
bijzondere genaden geven, die, — zoo zij getrouw
daaraan beantwoorden, — baar zullen verheffen tot
even zoo vele slachtoffers voor Gods eer, — zoo vele
apostelen tot heil der zielen — zoo vele heiligen in
één woord, die zich trapsgewijze tot die volmaaktheid
zullen verheffen, welke God van haar vraagt. Zoo
geeft God aan de zielen, die Hij in het klooster
roept en bestemt tot de gedurige aanbidding van het
H. (Sacrament, ten eiude zij aldus op aarde de plaats der
engelen zouden bekleeden, een levendig geloof, een bij-
zonderen smaak tot liet gebed, een onweerstaanbaren
-ocr page 33-
27
trek voor dat zoet verkeer met God, dat, zonder
begin noch einde, nooit verveelt en nooit vermoeit.
Aan die zielen, welke God heeft geroepen om aan
zijne rechtvaardigheid te voldoen en, door vrijwillige
boetpleging, voor de misdaden der zondaars te boeten,
geeft God een onpeilbaren schat van edelmoedigheid,
een dorst naar lijden, eene brandende liefde tot den
gekruisten Jezus en het heil der zielen, door zijn
Bloed vrijgekocht.
Aan de zielen door God geroepen om zijne wet
aan de kinderen of aan de volkeren te verkondigen,
zal God geduld, liefde, moed en behendigheid geven
en den noodigen ijver om desnoods duizendmaal
op nieuw te beginnen.
Aan de zielen, die geroepen zijn om bij arme
weezen de plaats te vervullen der diepbetreurde
moeder, — bij de zieken en stervenden de plaatste
bekleeden der zuster, die zij te vergeefs tot zich
roepen, geeft God een hart vol liefde, vol teederheid,
vol wonderdadige kracht.
4. Daar de religieuze staat het meeste zelfopoffering
vraagt, wijl men wat men op aarde dierbaarst
heeft, moet verlaten, zijne bloedverwanten, — verzaken
aan hetgeen men persoonlijk bezit, zijn eigenwil, —
en zich geheel aan zijn God en zijn evennaasten
moet toewijden; daar de religieuze staat het meeste
(/odsvnieht
vraagt, wijl men steeds moet trachten zich
inniger met God te vereenigen, ten einde in zijne
hand te zijn als een werktuig, of beter als een slacht-
offer: daar de religieuze staat het meeste kracht vraagt,
omdat men zijn hart, zijn wil, zijne neigingen, zijne
zintuigen moet ten onder brengen, om ze aan Gods
wil te onderwerpen; — en God aan de zielen, die
Hij roept, die drie krachtige deugden, zelfopoffering,
-ocr page 34-
2S
godsvrucht en kracht geeft: moet men dan daaruit
niet besluiten dat die zielen, zoo zij aan hare roeping
getrouw blijven, de schoonste, de liefderijkste, de
edelste zielen zijn, en dat het aangenaam is met
haar te leven ?
Lees deze bladzijde, waarin de Heer de Montalam-
bert ons op zielroerende wijze zegt, wat de religieuze
is, wat zij wordt in Gods hand.
»Het is de hand Gods die weder onze haardsteden,
onze bedroefde harten treft, door ons onze dochters,
onze zusters te ontnemen.
» Dagelijks verlaten duizend geliefde wezens kasteeleu
zoowel als hutten, paleizen zoowel als werkplaatsen,
om aan God haar hart, hare ziel, hare onschuld,
haar leven te gaan opofferen. Dagelijks, zoo bij ons
als overal elders, — dragen dochters van hooge
geboorte en nog hoogere deugd, en andere meteen
hart veel grooter dan hare fortuin, zich, reeds in
hare schoonste levensjaren, aan een onsterfelijken
Bruidegom op!
»Het is de bloem van het menschdom, eene bloem
nog beladen met haar eersten dauwdrop, waarin
zich slechts de zonnestraal gespiegeld heelt, en die
het aardsche stof nog niet heeft bezoedeld.
Heerlijke, uitgelezen bloem, die reeds van verre,
zelfs de laagst gezonken wezens, een oogenblik althans,
door haren geur bekoort. Het is de bloem, maar
ook de vrucht; het is het zuiverste sap, het rijkste
bloed van Adams stam. Want dagelijks behalen
deze heldinnen, door de moedige pogingen, die haar
boven aardsche genegenheden verheffen, de schitte-
rendste zegepraal.
»Waar kunnen wij een schouwspel vinden, dat
duidelijker de goddelijke natuur der Kerk openbaart?
-ocr page 35-
20
»In deze eeuw van verwijfdheid, vau algemeene,
moreele ontzenuwing hebben dia heldinnen het licht
en de kracht gevonden, — en, zwakke vrouwen als
zij zijn, toouen zij die mannelijke en volhardende
creestkracht, die ons ontbreekt, als wij niet stalen
voorhoofd het eigenbelang, de lafhartigheid, de zin-
nelijkheid onzer tijden en aller tijden zouden moeten
bestrijden.
»En met de kracht en het licht hebbeu zij de
voorzichtigheid, het ware doorzicht. Zij hebben het
leven begrepen alvorens het te hebben gesmaakt.
Wie heeft haar deszelfs treurige geheimen geopen-
baard? aan haar zoo rein! aan haar, in een leeftijd,
waarin het hart begint dien onleschbnren dorst naar
liefde en toegenegenheid te gevoelen? Wie heeft
haar geleerd dat die dorst nooit op deze wereld kau
gelescht worden? Wie heeft haar de schandelijke
broosheid der aardsche banden doen kennen, van de
edelste, de zoetste, de teederste, de hechtste banden
die men onsterfelijk waande, die de grootste plaats
in het hart besloegen, in diezelfde harten waarin zij
weldra verkwijnden en ten gronde gingen?
» Het kan slechts eene goddelijke inspraak ziju, die
haar vrijmaakte, terwijl zij ons ontrukt werden.
Ja, zij ziju gevrijwaard voor dat droevig ontwaken
der ziel, die teleurstelling, verraad, verachting vindt
op den weg der liefde, en wellicht, na zooveel streven
en zooveel liefde, de stilte des grafs in de volheid
van het leven. Zij hebben den vijand bespeurd, zij
hebben hem iifgekeerd, overwonnen! Zij zijn hem
^oor immer ontsnapt!
»Zij brengen aan God in deszelfs volle frischheid
geheel haar hart, al de schatten der innigste liefde
f-\'i van dat volle vertrouwen, dat zij den sterveling
-ocr page 36-
30
weigeren. Zij gaan alles verbergen , alles slachtofferen
onder het kleed der zelfverloochening, in de schaduw
van het heiligdom!"
»En wanneer zij alles volbracht hebben, wanneer
zij zich-zelve ten offer gebracht hebben, verzekeren
zij ons dat zij vrede èn vreugde èn de volheid der
liefde gevonden hebben! Zij hebben haar hart trouw
bewaard voor Hem, die nooit verandert, nooit bedriegt!
»En in zijnen dienst maken zij een troost, ten
volle den prijs waardig, dien zij er voor betaald heb-
ben , vreugden — somtijds beneveld, om niet zonder
verdiensten te zijn, maar welker geur en zoetheid
blijft voortduren tot aan gene zijde van het graf!
»Is dit een droom? Een verdichtsel? Is het
geschiedenis? de geschiedenis van een onherroepbaar
verleden ? Neen, duizendmaal neen, het is datgene
wat dagelijks onder onze oogen geschiedt.
» Maar wie is dan die onzichtbare Bruidegom, achttien
eeuwen geleden op een schandhout gestorven, die
aldus jeugd en schoonheid en liefde tot zich trekt,
die aan deze zielen verschijnt met een glans en eene
bekoorlijkheid, waaraan zij niet kunnen wederstaan,
die zich plotseling op haar werpt, haar tot zijne
prooi maakt? Wie neemt aldus het vleesch van ons
vleesch, wie lescht zijn dorst aan ons zuiverst harte-
bloed? Is het een mensch? Neen, het is een God!
Ziedaar het groot geheim, de oplossing van dit groot
en treffend vraagstuk. Slechts een God kan zulk eeno
zegepraal behalen en zulk een offer waardig zijn!
-ocr page 37-
31
II.
^Van den •\'kant 3ez. K. die-zfo.
De H. Kerk omringt de religieuze met de teederste
en opletteudste zorg, ten einde haar wel te kennen,
te vormen en te beschermen.
Vooit de H. Professie.
De H. Kerk eiacht 1°. voor de persoon, die in
eene gemeente wil ontvangen worden. een korterea
ot\'langereu tijd van postulaat, gedurende welken tijd
men zich kan bekend maken met hare gezondheid,
haar natuurlijken aanleg, haar humeuren karakter,
de beweegreden harer begeerte, de moeielijkhedeu
van den kant harer familie, enz.
2. Den leeftijd van minstens 1G jaren, met wis-
kunstige nauwgezetheid berekend.
(Nota.) De post van meesteres eter noricen is zeer gewichtig eu zeer
nioeielijk te vervullen Men kan zeggen dat de toekomst der Congre-
g&tie bijna geheel van haar afhangt Het is hier de plaats niet al
ile deugden op te sommen, die zij moet bezitten, noch de gedragslijn
welke zij omtrent hare novicen te volgen heeft. Wij willen hier slechts,
om de zorg, die aan de vorming der religieuze gewijd wordt, aan te
toonen, de punten aanstippen, waarop zij in hare dagelijksche onder-
richting letten moet.
De ziel en het karakter moeten zoowel als de geest gevormd
worden, door nauwkeurige, geduldig uitgelegde, dikwijls herhaalde
onderrichtingen en door dagelijksche oefeningen, die daarmede in
vu-band staar.
-ocr page 38-
32
3.     Ten minste één vol jaar novicaat (verscheidene
•conununauteiten eischen twee jaren). Gedurende dezen
tijd draagt de aspirante het religieuze kleed en leeft,
van de geprofeste zusters zelfs afgezonderd, onder
toezicht der novicemeesteres, die haar nooit uit het
oog verliest en wier plicht het is, haar met meer
nauwkeurigheid dan gedurende haar postulaat gade
te slaan, — haar karakter en hare deugd te beproe-
ven, — haar te oefenen in de gehoorzaamheid, — de
armoede, — de zelfverloochening, — den iuwendigen
geest, — haar karakter en wil te leiden, gelijk een
bekwaam meester een beminden leerling voor zijn
werk vormt.
4.     De H. Kerk eischt de toestemming der ge-
meentü, waarin de novice haar novicaat volbracht
en die haar handel en wandel gezien heeft.
1.     De novicemeesteres moet hare novice de veeze Gods inboezemen,
waardoor deze haar plicht zal betrachten , ook wanneer zij alleen is,
en die haar met zorg de gelegenheid tot zonden doet vermijden.
De nederigheid, die haar de gehoorzaamheid doet betrachten en haar
leert zich te laten verbeteren en besturen; haar elke tegenspraak en
eiken iuwendigen opstand doet versmoren en haar vooral buigzaam
maakt in de hand Gods, die haar, hetzij rechtstreeks, hetzij door
de Oversten, beproeft.
De liefde Gods, die haar aanzet tot het gebed, tot den eerbied
in de Kerk, tot liefde voor Jezus in zijn 11. Sacrament, tot zorg
om zich waardig tot de II. Commutiic te bereiden.
De liefde tot den evennaasten, die haar zachtmoedig, voorkomend,
lelfopofTcrend , verdraagzaam zal maken. Deze deugden vormen den
Christen en men moet Christen zijn alvorens Religieuze te kunnen
worden. Ilet inwendig levon kan slechts gevestigd worden op den
grondslag van het christelijk leven en de godvruchtige eu geestelijke
lezingen zullen slechts in zooverre de ziel nut aanbrengen als deze
daartoe voorbereid is door eene wel begrepen en wel doorgronde
studie van den Catechismus.
2.     De novicemeesteres moet vooral drukken op de kenteekeuen
eener goddelijke roeping, door te leeren dat meu slechts in het klooster
inoet treden om God en God alleen te loekeu, — zich slechts ééne
:zaak voorstellende, te weten: zich aan God te geven om Hem te dienen
-ocr page 39-
33
5.     Een onderzoek, waardoor de Bisschop of Kerk-
overste zich overtuigt omtrent de gesteltenis der novice,
omtrent de beweegredenen, die haar aangezet hebben
in het klooster te treden, en zich vooral vergewist,
dat zij hare Professie met volle vrijheid doet.
6.     Een uitwendig teeken, te weten de formule
der HH. Geloften, in tegenwoordigheid van den
Bisschop of zijn plaatsvervanger uitgesproken, in het
midden der geheele communauteit, welke aldaar
vergaderd is om getuige te zijn van hare toewijding.
Wat zou men nu nog meer kunnen eischen om zich
omtrent de gesteltenis eener aspirante te overtuigen ?
Eu mag men niet vertrouwen, dat iemand, die aldus
beproefd en aldus onderzocht is, alle deugden zal bezit-
ten, die in een gezin vrede en vreugde doen heerschen ?
op de wijze, waarop Hij gediend wil worden; — om zijne zonden te
boeten, — om zijne ziel te behoeden voor de gevaren, waaraan zij
in de wereld blootgesteld was, — en zoo den Hemel te winnen. Zij
moet dikwijls herhalen, dat elk bij-oogmerk of menschelijke beweeg-
reJen de novice levenslang ongelukkig zou kunnen maken, en dat
\'oor haar, die geen oprechten wil zou hebben om geheel voor God
te leven en geene nederigheid genoeg om zich te laten besturen, het
verkieselijk is in de wereld terug te keeren.
Zij moet zeker gaarne de voordeelen vun het religieuze leven voor-
nouden, doch zij mag ook de moeie/ijkheden niet verzwijgen. Zij moet
niet verbergen, dat hevige bekoringen de religieuze zullen bestormen,
dat walging en verveling haar hart zullen bezwaren , maar zij zal tevens
\'oonen waar kracht en troost te putten is: bij Jezus Christus, voor
wien zij alleen in het klooster getreden is, en zij zal als onfeilbaar
middel voor alle bekoringen en alle vermoeienis aanwijzen: Hel
Siied aan den voel van hut tabernakel, en eene kinderlijke uitstor-
\'!«y des Aarlen in het hart harer Oversten.
Gedurende het proefjaar moet de novicemeesteres dikwijls de Overste
mededeelen, wat zij in de novice opgemerkt heeft. De novice , van
"aren kant, bestudeert den regel, neemt er om zoo te zeggen de proef
\'an, onderzoekt of de gemeente voor haar geschikt is, en of de bezigheden
n\'ct boven hare krachten zijn.
3
-ocr page 40-
3i
Na de H. Professie.
Wanneer de novice geprofest is, blijft de H. Kerk
over haar waken, met nog meer zorgvuldigheid dan
te voren, omdat zij Haar meer bijzonder toebehoort,
en door Haar beschouwd wordt voor hetgeen zij
waarlijk is, de Bruid van Jezus-Chrittm, voor wieu
de H. Kerk haar rein en onbevlekt moet bewaren.
1.     De H. Kerk wil, dat in de Communauteit het
H. Sacrament ruste, zoodat de religieuze in alle
waarheid zeggen kan, dat zij het huis van haren
Bruidegom bewoont, dat zij onder zijne oogen leeft
en werkt, en dat elk harer daden door Hem gezien
en geschat wordt. De dagorde brengt haar dikwijls
aan den voet van het tabernakel; doch meermalen
door den dag zet haar hart haar aan, in het voor-
bijgaan , tot haren Jezus woorden van eerbied en liefde
te richten. O wie kan de schatten van vrede, van
liefde, van kracht en vreugde tellen, die deze bijna
voortdurende nabijheid van Jezus geeft!
2.     De H. Kerk kiest haar, onder de bekwaamste
priesters, een biechtvader, die, voor hare leiding
bijzondere macht bezit en bijzondere studiën moet
maken, — en, tot meerdere vrijheid, wordt haar een
buitengewoon biechtvader toegevoegd, bij wien zij
zich drie of vier maal \'sjaars moet aanbieden. In
bijzondere gevallen staat de H. Kerk haar nog andere
biechtvaders toe.
3.     Zij wil dat de religieuze verscheidene malen in de
week communiceere, en begeert dat, zoo zij bijzonder
werk maakt om in deugd toe te nemen, de biechtvader
haar langzamerhand de dagelijksche Communie toesta.
4.     Zij wil dat de Bisschop of zijn plaatsvervan-
ger geregeld elke gemeente bezoeke, elke religieuze
-ocr page 41-
35
afzonderlijk spreke, en haar ondervrage omtrent alles
wat haar bijzonder betreft; omtrent hare gezondheid ,
den toestand harer ziel, den post, dien zij bekleedt, —
wat zij leest, — hoe zij met God omgaat, — aldus
wakende over haar welzijn, naar ziel en lichaam.
5.     De H. Kerk wil, dat jaarlijks, of minstens
om de twee jaren, eene retraite van eeuige dagen in
elke gemeente gegeven worde, ten einde die religi-
euzen, die van haren plicht mochten afgeweken zijn,
terug te brengen, en degenen, die daaraan getrouw
gebleven zijn, in het goede te versterken.
6.     En zoowel als de H. Kerk zorg draagt voor
de ziel der religieuze, zorgt zij ook voor baar
verstand. Z\\] weet, dat, hoe hooger de geest stijgt,
hoe meer de ziel bekwaam wordt om God te kennen
en te beminnen; daarom wordt de Overste verplicht
te zorgen voor veelvuldige onderrichtingen en wei-
gekozen lezingen. Zij wil, dat elk huis, volgens
deszelfs bijzondere bestemming, eene bibliotheek
bezitte, wel voorzien van goede, leerrijke boeken,
die den geest verlichten en verheffen. Zij wil, dat
zoowel als er uren aan het gebed gewijd worden,
ook menig uur voor de studie bestemd zij, vooral
in die huizen, die zich het onderwijs der jeugd
ten doel stellen. In de wereld maakt men zich geen
denkbeeld tot welk een hoogen graad van kennis,
van talent, van poëzie zelfs, zich vaak die god-
vruchtige zielen verheffen, die onder het oog van
God met een geest, vrij van de aardsche beslom-
weringen, dagelijks slechts één uur aan ernstige
studie wijden. De kloosterlijke stilte bevordert het
werken der gedachten krachtig en de dubbele inge-
keerdheid van het hart in God en den geest in de
studie
geeft het verstand eene wonderbare kracht.
-ocr page 42-
36
7. De H. Kerk zorgt voor het hart der religieuze.
Zij wenscht dat elke gemeente slechts één gezin
vorrne, en dat goedheid, toegevendheid, zachtmoedig-
heid en verdraagzaamheid de heerschende geest in
de kloosters zij: zij wil dat degene, die aan het
hoofd staat en buiten bekend is onder den naam
ven Overste, binnen slechts Moeder genoemd worde,
en dat zij allen, die aan hare zorg toevertrouwd zijn,
hare kinderen, hare dochters noeme, dat de reli-
gieuzen elkander zuster noemen; dat, om den geest
van eigenbelang en eigendom geheel te vernietigen,
al de voorwerpen van het huis aan allen en aan
niemand in het bijzonder toebehooren, door het
woord mijn te doen vervangen door dat zoo chris-
telijk woord, dat Jezus koos voor het eerste woord
van het gebed, dat Hij ons gaf: Onze.
Mogen wij nu niet zonder overdrijving zeggen,
dat de zielen, die tot den religieuzen staat geroepen
zijn en getrouw blijven aan hare roeping, zielen op
deze wijze gevormd en beschermd door de liefderijkste
zorgen , de schoonste en heiligste zielen zijn, en dus het
beste deel op aarde is, in haar midden te mogen leven ?
Zeker zijn alle religieuzen niet zonder gebreken,
zeker zijn allen niet volmaakt, maar allen — zoo zij
niet aan hare roeping tekort willen blijven — moeten
trachten hare fouten te verminderen en volmaakt te
worden. De pogingen zelfs, die zij aanwenden onder
Gods oog en Gods hulp, geven aan haar karakter
over het algemeen en bijgevolg aan de geheele
gemeente iets liefelijk», iets aanlokkends, dat men
in de wereld slechts hier en daar verspreid aantreft.
-ocr page 43-
37
III.
Ziehier het kort begrip der eigenschappen eener
goede religieuze. Het is het ideaal, dat zij steeds
voor oogen moet hebben. Zoo zij zich dagelijks
doordringt van de gedachte, dat God dit van haar
vraagt, zal ontwijfelbaar haar karakter langzamerhand
buigzamer, haar wil krachtiger en haar gedrag meer
gelijkvormig aan haar toonbeeld worden.
êene aozde, §leiiaie,uz>c is
Bezig met het gebed, het werk, de vereeniging
met God.
Afkeerig van verstrooiende gedachten, kwellende
begeerten, eerambten, die het geweten bezwaren.
Verstorven in hare zinnen, hare neigingen , haar
humeur en karakter.
. Oplettend om niemand te krenken, te beleedigen,
van niemand kwaad te denken, noch te zeggen.
Zedig in hare kleeding, in hare houding, in hare
woorden, in haren gang, zonder stijfheid, gemaakt-
neid, zonderlingheid.
Geduldig in ziekten, kwellingen, tegenheden,
dagelijksche kruisjes.
Medelijdend in de behoeften harer zusters, in
derzelver ziekten, vermoeienissen, gebreken, afwij-
kingen zelfs.
Belangeloos, niets zoekende dan de eer van God,
het welzijn harer gemeente, de zaligheid der zielen,
liet geluk harer zusters, zelfs ten koste van het hare.
-ocr page 44-
33
Bereid alles te lijden, alles te doen, alles te
vergeven, alles te vergeten.
Toegenegen aan hare Oversten, in wie zij God
erkent, aan wie zij in alles gehoorzaamt; die zij
immer eerbiedigt; — die zij tegen alles verdedigt; —
aan hare medezusters, voor wie zij zich gedraagt
als ware zij hare dienstmaagd; — aan hare bediening,
die zij immer blijmoedig, nauwkeurig vervult zelfc
dan als deze haar tegenstaat; — aan God vooral tot
wien zij eenvoudig gaat in de Biecht en H. Communie,
slechts ééne begeerte voedende: zich te zuiveren om
meer met God vereenigd te zijn.
Onthecht van hare familie, die zij altijd bemint,
die zij teeder lief heeft, doch waarmede zij zich niet
bekommert, wel wetende, dat God hare plaats vervult:
onthecht vooral van zich-zelve, van haar gemak,
hare luimen , hare grillen.
IJverig om het kwaad te beletten, te herstellen,
te doen vergeten, — om het goede te doen bij
allen, door haar voorbeeld, haar woord, haar gebed,
hare minzaamheid, allen tot zich trachtende te trekken,
om allen tot Jezus te voeren.
Verborgen — het stil, verborgen, nederig werk
zoekende, zich gelukkig gevoelende in hare cel, aan den
voet van het tabernakel en het altaar der H. Maagd,
hare teedere en geliefde Moeder.
Nederig zonder gemaaktheid , meer in gevoelens dan
in woorden, — zich dankbaar gevoelende in de ge-
meente ontvangen te zijn , — zich erkentelijk toouendc
voor den kleinsten liefdedienst en nimmer morrende
over een schijnbaar verzuim of onverschilligheid.
Vreedzaam en opgeruimd eindelijk. Steeds tevreden
te doen wat God wil, te zijn waar God wil, niets
verlangende, dan wat God wil; niet meer gezondheid,
-ocr page 45-
39
niet meer vurigheid, niet meer talent, geen andere
Oversten, geen anderen biechtvader, geen andere
zusters, geen ander huis, geene andere bediening.
Zij neemt alles uit Gods hand aan; zij is overtuigd
dat God haar nooit zal verlaten, en terwijl zij zich
geheel aan God geeft, verwacht zij ook vertrouwvol,
dat God zich in alle eeuwigheid geheel aan haar
zal geven.
4l,c HOOFDSTUK.
Wat <lon Relïjjïenseeii Staat uitmaakt,
Wij hebbeu reeds gezegd dat de Religieuze Staat
is: eene levenswijze door de IJ. Kerk goedgekeurd,
waarin de geloovigen
, in vergadering levende, zich aan
God toewijden en naar de volmaaktheid streven door
liet naleven der drie geloften van gehoorzaamheid
,
zuiverheid en armoede, volgens den opgelegden regel.
Hieruit volgt, dat het afleggen der drie geloften van
gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede in eene com-
niunauteit eigenlijk den Religieuzen Staat daarstelt.
Zij , die afzonderlijk deze drie geloften zou afleggen,
zou geen religieuze zijn.
Zij, die in eene gemeente zou leven zonder deze
geloften af te leggen, zou het evenmin zijn.
-ocr page 46-
40
I.
&\\>cv 3e êe-Co|ten in heX afycmc&n.
Wat is eene gelofte? Eene belofte, vrijwillig aan
God gedaan
, om eene betere daad te volbrengen met
het inzicht zich op zonde te verbinden.
Deze belofte is eene werkelijke verbintenis, een
wezenlijk contract tusscben God en de ziel gesloten.
Vrijtoillig; dat is, met volle kennis, volkomen
toestemming en volledige vrijheid.
Aan God gedaan; zij wordt daardoor eene oefening
van godsdienst, de uitmuntendste der zedelijke deugdeu;
aan God gedaan, dus onherroepelijk. De Paus alleen
kan ontslaan van de groote kloostergeloften. Elke
Bisschop kan in zijn bisdom ontslaan van de enkele
geloften , behalve van de gelofte van zuiverheid,
welke steeds aan den Stedehouder van Christus blijft
voorbehouden.
Zij wordt gedaan om iets beters te volbrengen. Dit
beteekent, dat de gelofte bij eene daad, die goed is
in zich zelve, iets beters voegt.
Zij wordt gedaan met het inzicht zich op zonde
te verbmden
, en hierin bestaat het onderscheid tus-
schen de gelofte en het eenvoudig besluit, in den
vorm van belofte uitgedrukt, om des te getrouwer
aan God te zijn.
Wordt eene goede daad uit kracht der gelofte
beter, dan wordt ook elke overtreding zwaarder,
doch kan, door kleinheid van stof en gebrek aan
genoegzame kennis en vrijen wil, slechts eene dage-
lijksche zonde of zelfs geene zonde zijn.
-ocr page 47-
41
II.
Men noemt kloostergeloften die, welke de verbin-
tenis in zich sluiten van de Evangelische Raden te
betrachten door het naleven der geloften van gehoor-
zaaniheid, zuiverheid en armoede.
Ziehier in welke woorden Jezus-Christus, de raden
welke de kloosterlijke geloften uitmaken, heeft uit-
gedrukt.
»Indien gij volmaakt wilt zijn, zoo ga, verkoop
»al wat gij hebt, en geef het den armen, en gij
»zult een schat in den hemel hebben.
(Matth. XIX, 21. Marci. X, 21. Lucre XVII, 22.)
»Hij die niet verzaakt aan alles wat hij bezit, kan
»mijn leerling niet wezen. (Lucse XIX, 33.)
»Indien iemand na mij wil komen, dat hij zich
>zelven verzake, en zijn kruis opneme, en mij volge.
(Matth. XVI, 24. Marci VIII, 24. Lues IX, 23.)
*Ik ben een zwaard op de wereld komen brengen,
»ik ben den zoon van den vader, de dochter van
»de moeder, komen scheiden. (Matth. X, 34, 35,
Lucse XII, 51, 53.)
»Hij, die zijn vader of zijne moeder niet haat, kan
»mijn leerling niet zijn." (Lucae XIX, 25.J
»Hij, die zijn vader of zijne moeder meer bemint
»dan mij, is mijner niet waardig. (Matth. X, 37.)
»A1 wie voor mij zijn huis of zijne broeders of
»zijn vader of zijne moeder of zijne kinderen of zijne
»goederen zal verlaten hebben, zal het hondervoud
»erlangen en het eeuwige leven bezitten.
(Matth. XIX, 29.)
-ocr page 48-
42
Er zijn eenigen, die gedwongen maagd blijven,
doch er zijn ook andereu, die vrijwillig dezen staat
kiezen om gemakkelijker in liet rijk der hemelen te
komen. En Jezus-Christus, die te voren gezegd had:
•»Niet allen vatten dit, maar alleen zij aan wie het
gegeven is":
voegt er bij: t>Die het vatten kan,
vatte het.
(Matth. XIX, 11, 12.)
I. De geloften zijn voor de religieuze een krachtig
middel om het doel harer roeping te bereiken.
Het doel van den religieuzen staat is God te
verheerlijken, en naar de volmaaktheid te trachten.
Niets is beter geschikt om dit einde te bereiken, dan
het afleggen der drie geloften, want:
1.     De geloften verwijderen de drie groote hin-
derpalen, die het rijk der liefde en der deugd
in de harten belemmeren; de gelofte van armoede
verwijdert de begeerte naar rijkdom , •— de gelofte
Tan zuiverheid de liefde der zinnelijke genoegens,—
de gelofte van gehoorzaamheid de ongeregelde liefde
voor eigenicil en eigenzin.
2.     De geloften ontnemen aan de religieuze ziel
drie groote bekommeringen, die, terwijl zij den
geest vervullen, dien bijna altijd van de gedachte
aan God af trekken: bekvmmerihg om aardsche goe-
deren te verkrijgen of te behouden ,
— bekommering
voor huisgezin en bloedverwanten,
— bekommering
eindelijk veroorzaakt door de afwijking van den eigen
wil, die wil of niet wil en niit weet of wat hij wil
volgens God is.
3.     Deze geloften zijn door zichzelven eene akte
en
vervolgens eene oefening van volmaakte liefde,
zoodat de religieuze ziel zich met recht mag beschouwen
als een voortdurend slachtoffer tot Gods eer. ^!J
geeft Hem inderdaad alles wat zij beeft of hebben
-ocr page 49-
43
kan; de stoffelijke goederen der fortuin door de ge-
lofte van armoede,
— het persoonlijk bezit van haar
lichaam door de zuiverheid,
— de innigste goederen der
;iel door de gehoorzaamheid.
— En daar hare geloften
eeuwigdurend zijn, verbindt zij zich tot de voort-
durende gilt van al wat zij heeft.
Het is dus de volkonienste offerande, die eene ziel
doen kan. Het is de verhevenste akte van liefde,
die zij uitspreken kan Het is de schoonste hulde,
die zij aan Gods opperheerschappij brengen kan. —
Het is alles wat een schepsel doen kan om God te
verheerlijken, daar God zich gewaardigt zijne glorie
te vinden in de vrijwillige opdracht, die de schepselen
van zichzelven doen.
4. De geloften stellen de ziel in een staat van
volkomene afhankelijkheid van God.
Zij wordt een
zelfde geest niet God. Gelijk Jezus is zij niet meer
in de wereld om haren wil, maar om den wil te
doen van Hem, aan wien zij zich heeft opgedragen.
Dit is haar voedsel van elk oogenblik.
God kan van baar maken wat Hij wil. Zij is
eene getrouwe vriendin aan wie God alles vragen mag,
eene ijverige medehelpster, die Hij kan gebruiken om
al de plannen zijner Voorzienigheid uit te werken, hoe
en wanneer Hij wil, — die Hij in afzondering kan
plaatsen en tot het gebed gebruiken — die Hij naar
de zieken kan zenden om ze te verzorgen, — naar
de kinderen om ze te onderwijzen , — naar de zondaars
om ze terug te brengen, — en naar de uiteinden der
wereld om liet geloof voort te planten.
II. De geloften stellen de ziel werkelijk in een
staat van slachtoffer; de religieuze ziel
is door hare
Professie een slachtoffer van God geworden. Zij is
dus in Gods hand als eeu doode.
-ocr page 50-
44
Dood aan de wereld, of door de afzondering,
waarin haar leven verborgen is, of door de klooster-
muren, die haar verbergen aan de oogen en het
gewoel der wereld, — of wel door de gewoonlijk
grove rouwkleederen, die aan aller oog luide ver-
kondigen, dat er eene scheiding bestaat tusschen de
persoon die ze draagt, en de vreugde, het verkeer
en de genegenheden der wereld.
Dood aan de wereld door het leven in de gemeente,
die haar tot eene nieuwe familie wordt, waarvoor
zij zich opoffert gelijk zij het eertijds voor baar eigen
gezin deed, — waarin zij gelijk eertijds kan zeggen:
mijne moeder, mijne zusters; — vvaarin zij alles vindt
wat haar noodig is voor hart en ziel en lichaam.
Zij kan dus in waarheid zeggen: de wereld is mij
niets meer, — mijne wereld is dit huis van God,
waarin ik mij heb opgesloten.
Dood aan de goederen der wereld, door de gelofte
van armoede:
wijl zij niets meer in eigendom kau
bezitten en dat hare Overste haar desverkiezende alles
mag ontnemen, wat zij in gebruik heeft, — hare
kleederen tegen slechtere mag ruilen, — uit hare cel
alle meubelen mag verwijderen, die zij er in gevonden
heeft, — haar van cel doen veranderen zonder dat
zij recht hebbe zich te beklagen, — haar mag ver-
bieden iets te geven of te ontvangen, enz.
Dood aan haar eigen wil door de gelofte van ge-
hoor\'iaamheid,
die haar geheel afhankelijk maakt van
den regel, die zij omhelsd heeft, van de Overste,
die haar gebiedt al wat zij tot het nakomen van
den regel noodzakelijk acht, — eene gehoorzaamheid,
waartegen zij niet mag morren, — eene gehoorzaam-
heid, waardoor zij, volgens den H. Franciscus van
Sales, niet de hoedanigheden van de Overste betracht,
-ocr page 51-
45
niet vraagt waai\'oru deze of gene zaak bevolen wordt,
noch zicli bekommert door welk middel zij zal kunnen
doen wat geboden wordt, doch zich overtuigd houdt,
dat God haar ter hulp zal komen, indien zij slechts
eenvoudig gehoorzaamt.
Dood aan het zingenot door de gelofte van zuiver-
heid.
Zij leeft in een gedurigen staat van versterving,
alle overdrijving schuwende en zich zonder verlof
aan geene bijzonderheden overgevende, doch haren
/.innen slechts toestaande wat zij meent noodzakelijk
te zijn, en dit zelfs nog zonder te groote bekom-
mering; immer indachtig zijnde dat haar lichaam
aan God toebehoort, — dat het slechte, lage, bedorven
lusten heeft, — dat het overal misbruik van wil
maken, — en dat zij met de zorg belast is het in
groote zuiverheid en versterving te bewaren.
III. De Geloften zijn voor de ziel eene bron van
kostbare en overvloedige genaden.
1. Het afleggen der kloostergeloften is voor de
ziel een tweede doopsel. Dit is de leer van den
H. Bernardus en den H. Thomas; en de rede, die zij
opgeven, is. dat daardoor de zonden vergeven worden
gelijk in het H. Doopsel. Men mag met recht denken,
zegt de H. Thomas, dat men door de religieuze
Professie vergiffenis krijgt van al zijne zonden , zoodat
eene religieuze, die onmiddelijk na hare professie zou
sterven, recht naar den Hemel zou gaan, zonder in
het vagevuur te moeten lijden.
Deze vergiffenis der zonden is niet on verdiend gelijk
in het Doopsel; zij is de vrucht der liefde, waardoor
tle ziel edelmoedig al wat zij bezit, aan God geeft. (*)
(\') Mij dunkt, voegt P. Cotel hierbij, dat eenc vurige vernieuwing der
ploften eenigszins aan de verdiensten der Professie deel geeft en dat
loder, volgens de gesteltenissen, waarmede hij zyne geloften hernieuwt,
Mag hopen meer of minder hieraan deel te hebben.
-ocr page 52-
46
Even als door het H. Doopsel, wordt de ziel ver-
nieuwd door het afleggen der BH. Geloften. Immers
de ziel sterft aan de wereld en al wat der wereld zij.
Zij ontvangt een nieuw leven, het leveu der enge-
len, het leven van Jezus-Christus, nieuwe gedachten,
nieuwe werken, nieuwe meeuingen; en men mag in
waarheid van haar zeggen, wat het H. Concilie van
Trente zegt van de nieuwgedoopte;
»Zij wandelt niet meer volgens het vleesch, maar
»van den ouden mensch ontdaan, is zij thans on-
»schuldig, onbesmet, zuiver, zonder vlek en door
»God bemind."
2. Het afleggen der HH. Geloften herstelt, even als
het wartelaar schap, de ziel in den staat van onschuld.
Is de marteldood het grootste bewijs van liefde, dat
de mensch God geven kan, en mag men zeggen dat
het religieuze leven aan eene langdurige marteling
kan vergeleken worden, — door het groote offer,
dat de religieuze brengt bij het verlaten harer familie,
hare volkomen onthechting aan aardsche goedereu,
haar voortdurend verzaken aan eigenwil en ziugenot,
— zoo mag men ook met reden zeggen, dat, zoo
zij haar bloed al niet voor Jezus stort, hare ontel-
bare akten van liefde door het getal aanvullen wat
de marteldood verheveners heeft.
De marteldood duurt slechts kort; een oogenblik
van edelmoedig [besluit is genoeg om de kroon te
winnen: het martelaarschap der religieuze professie
duurt levenslang; want gedurende het geheele leven
doet de zinnelijkheid hare rechten gelden, dwingt de
wil om onafhankelijkheid, haakt de begeerlijkheid
naar bezit, en, levenslang en op alle uren van den
dag, moet men die zinnen , dien wil, die begeerlijkheid
breidelen. Het religieuze leven vult dus, door den
-ocr page 53-
47
langen duur, datgene aan, wat de marteldoodw reeders
en hevigers heeft.
Daar dit alles slechts waarschijnlijk is, voegen wij
hier met den II. Thomas bij, zoo moeten wij om
volkomen zekerheid te erlangen slechts letten op den
vollen aflaat aan de religieuze verleend, bij hare
Kleeding en H. Professie. Daarenboven oefent de
religieuze, door de H. Absolutie gezuiverd en zich
met de grootste edelmoedigheid aan God opdragende,
zulk eene groote akte van liefde, dat zij in volle
waarheid mag zeggen:
»Jk weet, mijn God, dat Gij mij mijne zonden
overgeven hebt!"
IV. De Geloften zijn een krachtig middel voor de
religieuze ziel om in hare heilige roeping te volharden
en aldus hare zaligheid te verzekeren.
De wijze, waarop de HH. Geloften afgelegd wor-
Jen, toont dat de gelofte een vrijwillig contract is,
gesloten tusschen God van de eene en de ziel van de
andere zijde; een contract, dat wederzijdsche ver-
plichtingen en wederzijdsche voordeden in zich sluit;
oen contract, dat niet wettig verbroken kan worden
dan bij wederzijdsche toestemming; wie het schendt,
maakt zich aan eene misdaad schuldig.
Zoo nu God, die u tot het religieuze leven heeft
geroepen, God aan wien gij u geheel geschonken
hebt, en die uw offer heeft aangenomen, eischt dat
dit contract tusschen u en Hem door het zegel der
11II. Geloften
bekrachtigd worde, zoo is dit, omdat
Bij, de menschelijke onstandvastigheid kennende, u
heeft willen terughouden door de grootheid der
misdaad, die gij zoudt bedrijven door het schenden
uwer Geloften: eene heiligschennis.
Wanneer er nu van die uren komen, waarop het
-ocr page 54-
48
juk des Heeren, hoewel altijd zoet en licht, u zwaar
mocht vallen door uwe natuurlijke onstandvastigheid
of vernauwing, zoo kniel voor uw kruisbeeld, hernieuw
uwe Geloften en zeg tot u-zelven:
»Ik moet mijne Geloften bewaren en naleven, omdat
het aan God is, dat ik trouw gezworen heb.
»Aan God, niet aan een sterveling. — Eerste
gevolgtrekking: mijne gelofte mag dus niet afhangen
van liet gedrag der menschen jegens mij. Het ver-
meende onrecht mijner Overste of medezusters ten
mijnen opzichte, ontslaat mij niet van hetgeen ik aan
God beloofd heb; het vermindert de kracht van
mijn eed niet.
»Aan God, niet aan een sterveling. — Tweede
gevolgtrekking: indien ik mijn woord terugwil nemen,
moet God het zijne terugnemen, zoo niet, dan
schend ik eene plechtige belofte, ik wordt meineedig,
Avant nooit zal God het zijne terugroepen.
> Aan God, niet aan een sterveling. — Derde gevolg-
trekkiug: vrij moge ik zeer sterke, zeer overtuigende
beweegredenen aanvoeren om mijne geloften te breken,
Zij staan in onuitwischbare letteren in Gods gedach-
tenis geschreven. Na mijn dood zal ik ze daar in
duidelijke en juiste woorden geschreven zien! Wat
zal ik aan God, aan mijn geweten antwoorden?
»Ik moet mijne Geloften bewaren en naleven, omdat
ik, in tegenwoordigheid mijner medezusters en met
voorkennis der geheele gemeente, die geloften heb
afgelegd.
»0 ja, nooit zal ik dien gedenkwaardigen dag
vergeten waarop ik, voor het altaar geknield, in
tegenwoordigheid mijner medezusters, mijner Overste,
den Bisschop, met luide en verstaanbare stem mijne
Geloften heb uitgesproken! Welk eene ergernis voor
-ocr page 55-
49
allen, indien ik ongelukkig genoeg ware mijne Ge-
loften te schenden, hoe zou dit het hart mijner
Oversten verscheuren! — welk onberekenbaar nadeel
zou ik berokkenen aan die jonge zusters, aan die
novicen, die mijn voorbeeld zou doen wankelen, zou
ontmoedigen, wellicht zou medesiepen! — welke
helsche vreugde voor de goddeloozen en wereldlingen!
Deze overwegingen zullen gewis de bekoring die
u kwelt, doen verdwijnen, en die hernieuwing uwer
Geloften, die gij wellicht eerst onverschillig uit-
spraakt, zult ge nu herzeggen met zulk een gevoel
van liefde, dat God uwe lauwhartigheid van daar
straks zal vergeten!
5de HOOFDSTUK.
Voordeelen van den Religieuzen &t ;ia<.
Al wie voor mij zijn huis, of zijne broeders, of zijne
zusters, of zijn vader
, of zijne moeder, of zijn erfdeel
zal verlaten hebben, zal het honderdvoud erlangen en
l>et eeuwig leven bezitten.
(Matth. XIX, 29.)
Dat zijn de eigen woorden van Jezus-Christus.
Zij zijn dus volkomen waar, waar in derzelver volle
beteekenis. Deze woorden zijn door God bevestigd,
en God, de opperste waarheid, heeft ons niet willen
bedriegen. Het H. Concilie van Trente zegt uit-
\'h-ukkelijk:
4
-ocr page 56-
50
Indien iemand durft ontkennen dat de maagdelijke
staat beter en gelukkiger is, dat hij vervloekt zij!
De wereld, wij weten het, verbeeldt zich dat het
religieuze leven een zwaar offer is, en beschouwt de
religieuze professie als een dood.
Er zijn zelfs ouders, die gezegd hebben, dat zij
hunne kinderen even lief, ja liever ten grave zouden
zien dragen, dan in een klooster treden; en men moet
bekennen , dat er eene treffende overeenkomst bestaat
tusschen de bruiloft van het Lam en eene begrafenis
plechtigheid.
Bij het zien van het lijkkleed waarmede men, in
sommige kloosters, de jonge dochter bedekt, die
zich aan God gaat opdragen, schreien hare ouders
en vrienden als bij een graf; en de Kerk zelve schijnt
een oogenblik te treuren, wanneer zij over deze
maagd, voorbeschikt om de Bruid van Jezus te zijn,
de treurzangen des doods: De Profundis clamavi
ad te, Dne,
aanheft. Maar zij stort tranen vau
hoop, van geluk, van zaligheid; want zij weet,
dat deze dood de verlossing, het ware leven is. Zij
herhaalt onophoudelijk op dezen dag der verloving:
Kostbaar is de dood der heiligen, in de oogen van
God.
— (Ps CXV, 15.) Gelukkig de dooden, die in
den Heer sterven!
Apoc. XIV, 13.) Gij zijt dood,
en uw leven is verborgen in God met Christus.
(Coloss. III, 3.)
Ja, zij sterven, die Bruiden van Jezus, zij sterven
met Jezus op het kruis en worden met Hem begraven;
dit is de geest der geloften, die haar met Jezus aan
het geheimzinnig schandhout hechten! De armoede
ontbloot haar van alles en laat haar slechts dien
zwarten sluier als doodskleed. De zuiverheid slaat
het hart en verplicht het zich voor alle gedachten
-ocr page 57-
51
van aardsche genegenheid te sluiten; voortaan zal
dat hart slechts voor God kloppen, voor God ademen.
Het zwaard der gehoorzaamheid treft de ziel nog
dieper en doodt haar zoo geheel, dat zij voortaan
slechts door den wil van anderen zal leven.
Zij is dood, de religieuze, zoo dood dat zij voor
het menschelijk oog is als een lijk, dat met plaatst
waar men wil, zonder dat het zich tracht te verzetten.
Maar dat alles vernietigt geenszins het woord van
Jezus-Christus. Wij zullen trachten het te bewijzen.
Geluk van «Ion Religieuzen Staat, uit
geheel mensclieiyis oo^imntbcschouwdi
Wat ons aan de wereld hecht, is voor de eenen
Eerbetoon en Waardigheid, voor anderen Rijkdom,
voor sommigen weder Genoegen. De religieuze Staat
biedt dat alles aan, doch op eene vreedzamer, over-
vloediger, vreugdevoller en veiliger wijze.
êe^etoon en waazdiyneid.
Eene eervolle verbintenis, een eervollen. stand, een
vervollen naam,
dit alles geeft het religieuze leven.
Religieuze zijn, is God verkiezen boven een sterveling.
Liever een sluier dan een diadeem. Stel u een
aarsch echtgenoot voor, bekleed met de schoonste
-ocr page 58-
52
hoedanigheden naar ziel en lichaam, naar hart en
geest; omring hem met al den glans, dien de aarde
geven kan. Hij zij groot door zijne waardigheid,
koning, zoo gij wilt, — groot door zijne geboorte, —
geef hem den schoonsten naam, het schoonste ge-
slachtswapen, den oudsten adel, — groot door zijn
verstand, hij zij bekend, beroemd, — groot door zijn
karakter, verheven boven al wat naar laagheid of
oueerlijkheid zweemt, — groot door zijne persoonlijke
hoedanigheden
, hij zij de goedheid en minzaamheid
in persoon, —• groot door zijne uiterlijke vormen...;
laat eenige jaren voorbijgaan... door hare verbintenis
zal de jeugdige echtgenoot bewonderd, gevleid worden,
zij zal de zinsbedwelming der grootheid gevoeld
hebben; maar het is een feit door de onderneming
gestaafd, dat door de gewoonte, die zinsbedwelming
ophoudt, de vleitaal eentonig wordt; eerst vermoeit
en dan ver-veelt.
En wij beschouwen hier alles van de gunstigste
zijde en veronderstellen het behoud van dien rang,
waardoor men schittert, van de gezondheid, waardoor
men geniet, van de fortuin, die de waardigheid
ondersteunt, van de achting, die zoo licht in jaloersch-
heid ontaardt, van de standvastigheid in het karak-
ter en de liefde der echtgenooten, de vrijwaring
van den dood eindelijk, die alles komt verbreken
en vernietigen...
Welk eene reeks van beproeving, van smart,
van vreeselijkc teleurstelliug, van hartverscheurende
droefheid ligt er tusschen de kerk, waar het echtpaar,
het Christelijk echtpaar zelfs, langs een met bloemen
bestrooiden weg, aan den voet des altaars elkander
eeuwige trouw zwoer, en dezelfde kerk wellicht,
waaruit zij ten grave gevoerd worden.
-ocr page 59-
r>3
En nu vraag ik u, Religieuzen, gij die twintig,
dertig, vijftig jaren geleden uw verbond met Jezus-
Oliristus sloot, zijt gij Jezus moedeV
Waren zijne beloften niet oprecht?
Gevoelt gij een walg van uwen staat?
Hebt gij onvolmaaktheden bespeurd in den uit-
verkoorne uwer ziel?
Hebben de gebeurtenissen van daarbuiten de ge-
trouwheid van uw Bruidegom doen wankelen of Zijne
waardigheid gekrenkt?
Heeft de dood zich tassenen u en Hem geworpen
om uw hart te verscheuren en te breken?
Wordt gij niet veel meer geëerbiedigd dan de
jehtgeuoote van den hoogstgeplaatsten magistraat?
Geëerbiedigd door diegenen, die geloof bezitten en in
u meer zien dan eene vorstin, de Bruid van Jezus-
Christus;
— geëerbiedigd door degenen, die den
moed niet hebben u na te volgen
en die tot u, eertijds
hare gezellin en haars gelijke, thans komen als tot
iemand die haar raad kan geven; — geëerbiedigd zelfs
door de goddeloozen, die, al spreken zij kwaad van
u, in uwe tegenwoordigheid slechts gevoelens vinden,
waarover zij-zelven verbaasd staan. Behalve eenige
heethoofden, heeft niemand ooit de handen aan de
religieuzen geslagen, en men heeft dan vaak de
«oldaten, die plichtshalve moesten gehoorzamen, het
hoofd zien buigen en tranen storten. Ja, bespeurt
gij in u zelve geen gevoel van grootheid, die u
adelt en verheft?
W aarlijk, het is eervoller religieuze dan koningin
te zijn!
-ocr page 60-
54
§oe.dcze>n en Slijkdommen.
De rijkdom, dat wil zeggen, het bezit, het genot
van een overvloed van goederen is zeker boven
armoede, dat is boven het gebrek aan het noodza-
kelijke te verkiezen.
De armoede doet lijden, de rijkdom belet veel
lijden; maar tnsschen gebrek en overvloed ligt een
midden, dat bestaat in het noodzakelijke te hebben, het
aangename
van tijd tot tijd, opdat het aangenaam
blijve en niet noodzakelijk worde, en tevens verzekerd
te mogen zijn dat dit noodzakelijke en aangename
nooit zullen ontbreken. Deze staat is duizendmaal te
verkiezen boven overvloed en grooten rijkdom.
Als men rijk is, wordt men den overvloed moede;
men vindt het genieten eentonig, men gevoelt altijd
nieuwe behoeften, die ten laatste niet meer voldaan
kunnen worden; men vreest altijd dien rijkdom , thans
onmisbaar geworden, te verliezen, en men moet
voortdurend op zijne hoede zijn, opdat er niets van
verloren ga!
Welnu, de staat waarin men altijd het noodzahe-
lijke
en somtijds het aangename vindt, waar men
geene vrees behoeft te koesteren ooit gebrek te lijden,
is de Religieuze Staat!
Men heeft slechts eene cel, maar zij is licht groot
genoeg; men leeft daarin tevreden; zij wordt ons
dierbaar; zij is eenvoudig versierd en beantwoordt
aan den smaak dergene, die ze bewoont.
Men heeft niet veel kleederen, doch als die versleten
zijn, wordt er in voorzien; en die eenvoudige, zin-
delijke kleederen behoeft men noch te veranderen,
noch op te smukken, noch behoeft men bij de ver-
gelijking met anderen te treuren!
-ocr page 61-
55
Men bezit geene landgoederen, en dit spaart ons
de moeite ze te bebouwen en te doen gedijen, —
doch men beeft een wel onderhouden tuin met
bloemen, die men gaarne ziet, met geliefkoosde
zitplaatsen, enz.
Men blijft zeker niet gespaard voor ziekten en
gebreken, maar men wordt even goed verzorgd als
of men schatrijk ware; dezelfde dokter, dezelfde
geneesmiddelen, en veel hartelijker, nauwkeuriger,
ja, moederlijke zorg!
Men heeft slechts een zeer eenvoudig leger, doch
het is goed en men slaapt daarop zoo kalm en vreed-
zaam, dat de rijkste dame ons zou benijden.
Men heeft geene uitgezochte spijzen, doch waartoe
zouden zij dienen, daar men met die, welke opge-
discht worden, tevreden is! zij worden ons in ruime
mate voorgezet en bevredigen een eetlust, die door
geene specerijen behoeft opgewekt te worden.
êenot en §cnoe-ycn.
Ziehier het groot bezwaar: Men lijdt veel in
de kloosters, vooral in gesloten kloosters, door het
[lebrek aan vrijheid en het soms zware werk.
— Zij
die zoo spreken, hebben nimmer in een klooster
geleefd.
Wilt ge daarmede zeggen, dat men niet mag
uitgaan als men wil?
doch wil men uitgaan? Neen,
-ocr page 62-
56
omdat men zich uit vrijen wil heeft ingesloten; en
hoe vele vrouwen zijn niet evenzeer opgesloten als
de Religieuzen, en gaan even weinig uit, hetzij uit
eigene verkiezing of uit noodzakelijkheid: misschien
willen zij, doch kunnen niet!
1.     In de kloosters is de gehoorzaamheid, die de
vrijheid aan banden legt, het gevolg van den regel,
die volgens omstandigheden gewijzigd kan worden,
die lang beoefend werd alvorens geschreven te worden,
en derhalve de menschelijke kracht niet overtreft.
De gehoorzaamheid gaat uit van eene Overste, die
door strenge wetten en vooral door haar geweten
verplicht is nimmer uit luim te bevelen, het gebod
wel te wikken en te wegen, en altijd en alleen
het xoelzijn harer onderhooiigen in het oog te
houden.
Gehooi-zaamt, in de wereld, de vrouw niet aan
haar man, aan de mode, aan den dwang der samen-
leving, aan lastige bezoeken, aan hare naaisters,
aan hare dienstboden en helaas! aan hartstochten,
die wellicht hare sterkste dwingelanden zijn!
Welk een onderscheid!
2.     In het klooster veranderen de bevelen weinig;
wat men gisteren gedaan heeft, moet men morgen
doen. Men weet bijna tevoren wat men te doen zal
hebben, en door de gewoonte wordt datgene wat de
gehoorzaamheid pijnlijks heeft, zoet of ten minste
dragelijk.
3.     In de kloosters wordt de gehoorzaamheid lichter
door de gedachte, dat men aan God gehoorzaamt en
dat zelfs onze kleinste daad, met dit inzicht gedaan,
niet onbeloond zal blijven.
Er i3 in het klooster eene deugd, die de macht
heeft alle zaken van natuur te doen veranderen, alles
-ocr page 63-
57
te veredelen, alles om zoo te zeggen te vergodde-
lijken; het is de geest des Geloofs, in de wereld
zoo weing gekend! De ziel, die het geluk heeft
die deugd te bezitten (welke God gaarne geeft aan
wie ze Hem vraagt), ziet in haar werk, in hare
moeielijkheden, in hare vreugde, in die duizend
kleine dagelijksche voorvallen slechts een middel om
God te behagen en rijk voor den Hemel te worden.
Wat maakt het haar of zij zich bezig moet houden
met lezen, schrijven, onderricht geven, aan een
ziekbed te waken, zich te vermaken zelfs als men
het haar beveelt, aan den voet des altaars te knielen
of ziek te bed te liggen! Zij weet dat elke minuut,
aldus door de gehoorzaamheid geheiligd, haar een
schat in den hemel bereidt!
Dringen wij nog dieper in dit onderwerp.
Wat noemt men genoegen f Al datgeen toat eene
aangename gewaarwording doet ontstaan; doch
voegen
wij hierbij: en wat niet door vermoeienis of wroeging
ijevolgd wordt.
Deze genoegens kan men vinden:
1. In het verstand; deze vindt men meer in de
kloosters dan elders daarbuiten.
Het verstand vindt genoegen in de studie, in het
lezen; welnu, in het klooster heeft men vastgestelde
uren voor de studie. Men vindt er verstandige en
liefderijke onderwijzers, altijd gereed datgene wat zij
weten mede te deelen, ervaren en veilige beoordee-
laars,
wie men zijn werk kan toonen zonder eene
scherpe en bitse critiek te moeten vreezen, welwil-
lende vrienden, die ons helpen. Het klooster bezit
uitmuntende boeken in erooter getal en van grooter
waarde dan men ooit voor zich-zelve zou bezitten,
ware men alleen.
-ocr page 64-
53
Het verstand vindt genoegen in een gezellig onder-
houd.
In het klooster zijn de gesprekken zeker
even geestig als iu de wereld; de geest is daar niet
boosaardig, maar even boeiend, even levendig en
gewoonlijk meer verheven en kiesch.
De gesprekken worden er steeds opgevroolijkt door
eene openhartige, edelmoedige liefde, die niet licht
hoos wordt, die zoekt te behagen, niet voor zich
zelve, maar slechts om anderen genoegen te doen
en ze tot God te leiden. Die gesprekken vermoeien
niet, want de tijd is beperkt; zij mishagen niet, omdat
de welvoegelijkheid ze bestuurt. Men redetwist, doch
twist niet; men kan levendig, opgewekt zijn, doch
zonder driftig of toornig te worden.
2. In het hart. Het hart heeft levendiger ge-
noegens, omdat het reiner en godvruchtiger is.
De armoede maakt het kiesch.
De godsvrucht maakt het gevoelig.
De vreugde des harten in de wereld bestaat in
vertrouwelijkeu omgang met zijne ouders en de zoete
banden der vriendschap. In het klooster vindt men iets
dat men elders te vergeefs zoekt. De moeder en het kind
op eiken leeftijd en gedurende het geheele leven.
Tusschen de Overste en de religieuze bestaat niet
alleen één hart, maar ée\'ne ziel. De ééne blijft steeds
het eenvoudige, goede, vertrouwelijke kind, de andere
de moeder, die haar kind lief heeft, verbetert en
ten hemel leidt.
En het genoegen der vriendschap\' O hoe zalig\'
is die in het klooster; de toegenegenheid is daar
oprechter, inniger en vooral meer bovennatuurlijk.
Men heeft daar vele vriendinnen en het laat zich
begrijpen. Men is zich vrijwillig in hetzelfde klooster
onder denzelfden tegel komen plaatsen; dit is een
-ocr page 65-
59
bewijs dat men dezelfde neigingen, dezelfde gevoelens,
denzelfden godsdienstzin koestert, en dit geeft reeds
toenadering. In het noviciaat wordt men, om zoo
to zeggen in denzelfden vorm gegoten; men leert
elkander beminnen , en men begrijpt vooral, dat men,
door elkander lief te hebben, aan God behaagt.
En de vreugde der ziel voor het H. Tabernakel,
waar Jezus dag en nacht voor ons verblijft: Jezus,
voor wien men gekomen is, Jezus, dien men met
vurige liefde bemint, Jezus, voor wiens liefde men
eiken anderen liefdeband verzaakt beeft!
O, wie kan het geluk, den vrede, de verrukking
der ziel bevatten; eene inwendige vreugde, wel is
waar, doch die zich soms zelfs aan het lichaam
mededeelt, als Jezus tot haar nadert,
En de vreugde, die op de religieuze nederstraalt
van het liefelijk beeld der H. Maagd, hare Moeder,
waar zij dagelijks haar hart komt uitstorten!
In het lichaam. Wie zou durven beweren, dat
de genoegens van het lichaam bestaan in het zondig
en zinnelijk genot, dat walging wekt en wroeging
na zich sleept. Neen, voor het lichaam bestaat
liooger genot, besloten in dit enkele woord Welzijn;
eu dit welzijn, het gevolg van gezondheid, vrede,
rust
en inwendig genoegen vindt men meer in de
kloosters dan elders.
De geest, vrij van kommer, is steeds gelijk van
humeur. Het zalig kruidje van berusting in Gods
Voorzienigheid teelt hier weliger en prent een voort-
durenden glimlach op het gelaat.
Wel geregelde ontspanningsuren doen dagelijks
de volle beteekenis van hun naam gevoelen, — zij
ontspannen in den volsten zin des woords, — zij
doen herleven en verjeugdigen het gemoed. Eene
-ocr page 66-
60
beuzeling vermaakt, een enkel woord wekt de vroolijk-
heid op! Hier wordt het woord van den H. Paulus
waarheid, wanneer hij zegt: »Dat al wat waar is,
»wat eerbaar, wat rechtvaardig, wat heilig, wat
»beminnenswaardig, wat stichtend, wat deugdzaam,
»wat loffelijk is, het onderhoud uwer gedachten zij."
(Philip. IV", 8).
Gelnk van liet Relljjlenaio leven uit liet
ü< \'< -f»l < -li.j W <><>^\'| tuil I )l< -r—< -l ion \\\\ « I.
Heerlijke bladzijden zouden wij hier kunnen schrij-
ven door gevoelens weder te geven, die eenige
religieuzen uit haar hart hebben laten ontsnappen,
wanneer zij het geluk schetsten, dat zij gevoelden
zich Bruiden van Jezus te mogen noemen. Maar alle
religieuzen gevoelen dit niet op dezelfde wijze; en het
lezen van gevoelens, die zij nooit gesmaakt hebben,
zou sommigen wellicht ontmoedigen. Wij zullen dan
slechts de reden aautoonen, die voor elke religieuze
kunnen bewijzen, dat zij, met Jezus tot haar Brui-
degom te verkiezen, den veiligsten en besten weg
ter zaligheid gekozen heeft.
» De roep tot het Religieuze leven," zegt de H. Lau-
rentius Justinianus, »is, na het doopsel, de grootste
»genade, die God eene ziel geven kan; het is een
»teeken van voorbeschikking."
»De religieuze staat," zegt de H. Magdaleua van
Pazzi, »is een aardsch paradijs, waarin de ziel,
»nauwer aan God verbonden zijnde, meer overvloedig
»deel heeft aan de schatten der H. Kerk, — een voort-
»durenden vrede smaakt, — God zooveeleer bewijst als
-ocr page 67-
61
:/het een menschelijk wezen doen kan! De religieuze
staat is de kortste, de gemakkelijkste, de veiligste
>weg ten hemel."
1. Hoor wat Massillon zegt in de kloosters gezien
te hebben.
»De onschuld en den vrede des harten, die de
wereld niet kent: de vreugde van een goed geweten,
de eenige bron van waar genoegen. Plichten waar-
voor men contant betaald wordt, door den troost
die derzelver vervulling gemakkelijk maakt.
Eene heilige vergadering, waarvan de liefde den
band, den vrede, den troost uitmaakt; waar men niets
benijdt, omdat alles ons, zoowel als onze medezusters
toebehoort: waar men niets vreest, omdat men de-
zelfde goedereu te hopen, — dezelfde rampen te
duchten heeft, — waar het verschil van belangen de
harten niet verdeelt, omdat hetzelfde belang ze
samensnoert; — waar al het verdriet, dat het men-
schelijk leven vergalt, onbekend is, omdat de karts-
tochten, die het veroorzaken, verbannen worden;
waar wij hulpbronnen vinden in al onze moeielijk-
lieden, — voorzorgen tegen onze zwakheden, —
ondersteuning in onze moedeloosheid,— aanmoediging
tot het vervullen onzer plichten.
Een kalm, onschuldig leven, vervuld met goede
werken, waarin de onverschilligste zaken deugden
worden en ons verdiensten voor den Hemel doen
vergaderen.
Een troostvollen dood eindelijk; zonder kommer over
hetgeen men in de wereld achterlaat, wijl men niets
bezit; — zonder gewetensangst omtrent de zaken waar-
mede men zich bemoeid heeft, want onze zaligheid
was onze eenige zaak; — zonder wroeging omtrent
oneerlijk verkregen goed, wijl men zelfs opgeofferd
-ocr page 68-
62
heeft wat men wettig bezitten kon; — zonder ge\\ve-
tensangst omtrent de bedieningen, die wij bekleedden,
daar wij sterven waar de gehoorzaamheid ons geplaatst
had; in één woord, een zuchten, vreedzamen dood,
een troostend voorteeken der eeuwigheid; want daar de
wereld ons vaderland niet is, moeten wij volgens de
beloften van Jezus-Christus, het in den hemel vinden."
2. Ziehier wat de H. Bernardus de vruchten van
het religieuze leven noemt.
In den religieuzen staat leeft de ziel zuiverder.
» »
            »            » valt zij zeldzamer.
» »            »            » staat zij sneller op.
» •»            »            » wandelt zij voorzichtiger.
» »            »            » wordt zij met meer gena-
den begunstigd.
» »
            »            » geniet zij meer vrede.
» »             »            » sterft zij met meer ver-
trouwen.
» »
            »            » heeft zij korter vagevuur.
» »            »            » wint zij schooner kroon.
Laat ons één voor één deze schoone woorden
overwegen, om de rijke schatten te ontdekken, die
daarin besloten zijn.
2)^ efte-Cia-ieiKje iccit m&K mccz &w\\v&i&e>\\d
en
met -mee-r- verdiensten.
Alles wat zij doet, geschiedt bij God, met God,
voor God.
Als dienstmaagd des Heeren is het aan Hem, dat zij
gehoorzaamt. Aan God verbonden door de Geloften
-ocr page 69-
63
van gehoorzaamheid, armoede, zuiverheid, — werkt,
bidt, rust zij zonder zich van God te scheiden. In
haar leven is er gedurende geen enkel oogenblik
oen werk, dat God niet voorschrijft en dat zij niet
aan Hem moet opdragen! Dit weet zij, en deze
gedachte, haar in haar werk en hare moeielijkheden
ondersteunende, verplicht haar tevens met eene zui-
verheid van inzicht en eene zuiverheid van liefde
te werken, die aan al hare daden onberekenbare
waarde geven! Voeg hierbij de verdiensten, die zij
door hare Geloften verkrijgt; en zie welken rijkdom
zij vergadert en hoeveel eer zij God geeft! »O hoe
groot, hoe verdienstelijk zijn zelfs de kleinste werken
eener religieuze," roept een godvruchtig schrijver uit:
de diadeem eener vorstin heeft minder waarde dan
de eenvoudige bezem, door regel of gehoorzaamheid
der religieuze in de hand gegeven.
5)& 8le>ti<fyie>uz>e- vcUt z>vtdz>a\\ne,ï,.
Door de muren, die haar van de wereld scheiden, —
den regel, die al hare oogenblikken van dag en nacht
inneemt, — de blikken harer Oversten, die haar steeds
met liefde volgen, — de gedachte aan Gods tegen-
woordigheid, die haar zelden verlaat, — de bijna
voortdurende bezigheden , die al hare uren innemen, —
dit alles verwijdert de gelegenheden tot zondigen.
Wat is men gelukkig, als men verplicht is, zedig
en geregeld te leven! Wat zijn wij gelukkig, wanneer
onze ledematen steeds werkzaam, onze geest steeds
-ocr page 70-
64
bezig, onze wil steeds geneigd is om zich tot God
te richten!
»0 muren, o teederbeminde muren," riep de
H. Magdalena van Pazzi uit, »voor hoeveel gevaar
behoedt gij mij!"
5)e Slcti<^icue>c- staat $\\\\e,ile,z op.
Omdat zij door liefderijke zorg en krachtige hulp
omgeven is.
Het gebed, de biecht, de raadgevingen, de gees-
telijke lezingen, de goede voorbeelden, de heilige
inspraken, de kuaging van het geweten, dit alles
komt haar elk oogenblik opwekken, vermanen, helpen,
troosten, versterken en tot het goede terugvoeren.
Eene religieuze, die een enkelen dag van God ver-
wijderd kan blijven, moet wel zeer boosaardig zijn!
Ten allen stonde kan zij immers opstaan door het
gebed en eene oefening van liefde of gehoorzaamheid,
die haar tot eene goede biecht bereiden.
Ten allen tijde, alle dagen althans kan zij tot
hare Overste gaan om bij haar een goeden raad of
eene bemoediging te zoeken!
En wordt zij niet dagelijks versterkt door de ge-
naden , welke de goede religieuzen, die de gemeente
vormen, over haar afsmeeken!
Als eene religieuze valt, zegt een Kerkvader, snelt
God toe en strekt de hand uit om haar op te richten.
-ocr page 71-
65
Omdat zij beter hare plichten begrijpt, — hare
zwakheid gevoelt, — hare onschuld waardeert, — het
gewicht harer Geloften kent, en vooral beter de
smart gevoelt, die men Jezus door eene vrijwillige
fout aandoet. Daarom waakt zij met zorg, doch
zonder angst, zonder dwang over hare oogen, hare
verbeelding, hare woorden; daarom beveelt zij zich
meermalen aan haren H. Engelbewaarder, over wiens
tegenwoordigheid zij zich verheugt. Daarom maakt
zij \'s morgens bij hare meditatie een overzicht van
den dag, ten einde met zorg de gelegenheid tot
zonde te vermijden.
3)e $le\'ti<fyic\'USïe> &i&t ontvangt
mee-t acnadcn.
Omdat zij noodzakelijk meer met God veréénigd
leeft. God is de vuurgloed, waaruit onophoudelijk
ontelbare genaden ontsnappen. Alle schepselen hebben
deel aan die genaden; maar zij, die zich het dichtst
bij het vuur bevinden, ontvangen natuurlijk het
overvloedigste deel.
De religieuze woont in het huis van God, — met
Jezus onder hetzelfde dak; — zij nadert bijna dagelijks
tot de H. Tafel, zij knielt zoo dikwijls neer aan den
voet des Tabernakels, om daar Jezus te loven, te
aanbidden , te bedanken , te smeeken; haar werk zelfs
verwijdert haar niet van God, omdat zij voor God,
onder Gods oogen werkt. Hoe zou zij niet door Gods
genade overladen worden?
5
-ocr page 72-
G6
S)e fllctiyicn&e, z>ict yeni&t meet vzcde.
Wat kan eene religieuze ontstellen? Leeft zij niet
met God en behoort zij niet aan God? Ziekten
kunnen haar de gezondheid ontnemen, — laster kan
haren goeden naam aanranden,—gebreken kunnen
haar overvallen, — de duivel kan haar geest met
de afschuwelijkste voorstellingen, met vrees en angst
vervullen, door eene toelating van God kan zij
haren Oversten en Zusters tot last worden; maar indien
zij volgens hare zwakke krachten getrouw is aau
hare plichten, indien hare ziel en haar wil aan God
verknocht blijven, dan zelfs als het haar voorkomt
dat alles verloren is, kan zij altijd zeggen: Ik be-
lioor aan God
, en Hij, neen Hij zal mij nooit verlaten!
Heeft men, bij deze gedachten, niet altijd vrede
in de ziel?
©e cR-e^i^-tew^e stczfi met mczt vcztzouwcn.
Heilig sterven blijft de grootste zaak. Op de
deur van elk religieus gesticht zou men deze woorden
kunnen
schrijven, geplaatst aan den ingang van het
klooster der Trappisten: Valt het leven hier hard,
het sterven valt hier zacht!
Ja, het is zoet in bet
klooster te sterven, omdat men er heiliger geleefd
heeft dan in de wereld; — men heeft zich meer
verloochend, — men heeft geduldiger geleden, — men
heeft vuriger bemind, — men heeft vlijtiger gearbeid,
— men heeft godvruchtiger de HH. Sacramenten
ontvangen.
-ocr page 73-
67
»Waarom zou ik niet tevreden sterven?" vraagde
eeue religieuze, met den glimlach op de stervende
lippen ; »de Heer heeft den hemel beloofd aau degenen,
die alles voor Hem verlaten; welnu, ik heb ter
zijner liefde aan alles vaarwel gezegd, en God zal
getrouw zijn aan zijne belofte.
»Ik wist niet dat het zoo zoet was te sterven f"
Deze woorden van een kloosterling zal elke reli-
gieuze, indien zij getrouw aau haar plicht geweest
is, op haar sterfbed kuuuen zeggen!
Omdat volgens de Godgeleerden de religieuze bij
hare professie vergiffenis krijgt der tijdelijke straffen
van al de zonden, die zij in de wereld bedreven
heeft, zoodat zij op dien dag, indien zij goed gestemd
is (en welke religieuze is het niet op dien dag?) —
eene genade van vergeving harer zonden verkrijgt,
welke haar den hemel zou openen, indien zij dan
kwame te sterven.
Wat nu de dagelijksche zonden, na de Professie
bedreven, betreft, zoo worden die gemakkelijk uit-
gewischt door de gebeden, de verstervingen, de
HH. Communiën, de goede werken van eiken dag
ea de talrijke aflaten toegevoegd aan bijna al de
oefeningen der gemeente. Ook worden, na den dood
van elke zuster, talrijke gebeden verricht voor de
rust harer ziel, door al hare medezusters, en ook
ftorden tot dit einde vele HH. Missen gedaan.
-ocr page 74-
08
Omdat de schoonheid der hemelsche kroon geëven-
redigd is aan de liefde der ziel tot God, en de offers,
welke zij Hem gebracht heeft. En wie heeft God
meer bemind dan de religieuze? Zij heeft ter zijner
liefde alles verlaten, wat zij lief had. Vader, moeder,
zusters en broeders! — alles wat zij op aarde ver-
wachten of hopen kon van aardsche vreugde, stoffelijke
goederen, eer en aanzien. — Zij heeft Hem haar
lichaam en haar hart gegeven door de gelofte van
zuiverheid; hare goederen, haar tijd, haar werk
door de gelofte vau armoede, haar geheel bestaan
door de gelofte van gehoorzaamheid.
III.
Wij hebben thans op eenvoudige wijze de voor-
deelen van den religieuzen staat aangetoond, en
vragen nu aan ieder, die oprecht zijn wil, of men
meer kan wenschen en of men niet bekennen moet
dat die voordeelen werkelijk bestaan?
Wij weten wel dat er enkele religieuzen zijn, die
deze voorrechten ontkennen: doch, zegt de H. Liguori,
dit zijn geen goede religieuzen, want eene goede
religieuze
is eene gelukkige religieuze! Het geluk en
de volmaaktheid eener religieuze bestaan in eene
nauwe vereenigiug van haren wil met den wil van
God; en zoodra zij zich van God afscheidt, is zij niet
meer op hare plaats: zij lijdt.....
Eene religieuze heeft reeds hier op aarde haren
Hemel, of hare Hel!
-ocr page 75-
6\'.)
Wat is de Hemel! — Het is eeue verwijdering
van alle aardsche rampen en kwalen; — het is met
de heiligen leven en omgaan, — en hunne zoete
toegenegenheid genieten; het is eindelijk met God
vereeuigd zijn, geen andereu wil hebben dan den
zijue, en in deze vereeniging een onverstoorbaren
vrede genieten. Is dit niet het leven der getrouwe
religieuze ?
Wat is de Hel? Eene verzameling van alle on-
gelukken en rampen, waarvan die der aarde slechts
eene zwakke afbeelding zijn; —het is wonen te midden
van slechte, afschuwelijke, hatelijke wezens; — het
is nooit zijn wil kunnen doen , — opgesloten zijn iu
een huis, waaruit men nooit kan ontsnappen; — het
is van God verwijderd leven en van Hem verstooten
worden. Is dit niet het leven der ontrouwe religieuze?...
Het is voor haar even onmogelijk, gelukkig te leven
met eene ziel overdekt met fouten, als gezond te zijn
met een lichaam door wonden bedekt.
De brave religieuzen hebben zeker ook hare be-
proevingen, maar een gerust geweten is een balsem,
die derzelver bitterheid verzacht.
De overtuiging, dat de tegeuhedeu en moeielijkheden
ons tot eene overgroote zaligheid zullen doen geraken,
is zeker voldoende om elke klacht, elk gemor op
onze lippen te smoren. En God beloont de brave
zielen van tijd tot tijd door inweudigen troost; haar,
die onderworpen en gelaten, met geduld en liefde lijden!
Hieruit volgt dat religieuzen, die menschelijken
troost zoeken, altijd ontevreden zijn, terwijl andere,
die vreedzaam aannemen wat God haar overzendt,
steeds overvloeien van vreugde.
Wilt gij het geluk religieuze te zijn begrijpen en
gevoelen? Wees dan wel overtuigd, dat God alleen
-ocr page 76-
70
iiw geluk uit kan maken, en Jat de ziel, <fie God
heeft gevonden in Hem alles gevonden heeft.
Indien men in de wereld de vreugde, den vrede,
de voldoening, de tevredenheid kende, die het deel
der religieuzen is, zou het heelal een uitgestrekt
klooster worden; en , zegt de H. Magdalena de Pazzi,
men zou onze muren met ladders beklimmen. De
H. Laurentius Just. meent, dat God wet voordacht
aan de wereld het geluk van den religieuzen staat
verbergt, omdat, kon men er zich een denkbeeld van
maken
, alle menschen kloosterlingen zouden willen
worden.
De H. Aloysius van Gonzaga verwonderde zicli
ook, dat alle menschen niet naar het klooster gingen;
zooveel geluk had hij in de Sociëteit van Jezus ge-
vonden. —
O vreugde des kloosters, heilige zielevreugde,
alleen gesmaakt door degenen, die Jezus bezitten en
beminnen! Vreugde van boetvaardigheid, vreugde
van zelfverloochening, vreugde duizendmaal zoeter
dan al de vreugden, al de genoegens der aarde! Wat
zijn zij ongelukkig, die U miskennen en U verzaken,
omdat zij U niet begrijpen!
Dit leven der ziel is voor de meeste menschen
eene onbekende wereld. De wereldling beklaagt de
religieuze, die eene schitterende toekomst, eene vrijheid,
die haar zooveel aangenaams aanbood, eene zoo
zoete genegenheid opoffert om den hals te krommen
onder een juk, dat zwaar valt, om zich binnen vier
muren op te sluiten en aan alle familiebanden te
verzaken.
Wanneer een doove het heerlijkst concert bijwoont,
zal hij ongevoelig blijven, en de schouders ophalen,
als hij u van aandoening ziet weenen. Hij ziet slechts
-ocr page 77-
71
den wijd geopenden mond des zangers, en armen,
die op vreemdsoortige instrumenten slaan. Spreek
een blinde over de heerlijkheid van den sterrenhemel,
over de pracht der zon, wanneer zij achter de bergen
verdwijnt, over de heerlijke inéénsmelting der kleuren
eener schilderij, en over de gewaarwordingen, die
deze op uwen geest teweegbrengt, hij zal u bedaard
aauhooren, doch inwendig zeggen: die man is dwaas,
hij spreekt, van zaken die onmogelijk bestaan kunnen;
en ... . hij zal u beklagen!
Wie is de dwaas?..... wie is te beklagen?.....
e** HOOFDSTUK.
Over <lo moeiel\\jl£hc<1en, <lïe men in den
Beligieuzen Staat kan aantreffen.
Alvorens de religieuze dit hoofdstuk begint te lezen,
verzoeken wij haar aandachtig het opschrift te lezen:
moeielijkheden, die in den religieuzen staat kunnen
voorkomen.
Die moeielijkheden kunnen er, wel is waar, in
voorkomen, doch vloeien er niet uit voort, gelijk de
voordeelen , waarvan wij gesproken hebben. Men ont-
nioet ze er somtijds, doch zij worden meer of minder
gevoeld, volgens de gesteltenis der ziel.
Het is vooral de toestand der religieuze, die haar
deze moeielijkheden doet zien en gevoelen; en wellicht
-ocr page 78-
72
zullen verscheidene religieuzen dit hoofdstuk overdreven
vinden; zij zullen noch in — noch rondom zich iets
dergelijks gehoord of gezien hebben.
De ruenschelijke natuur, door de erfzonde bedorven,
tracht naar onafhankelijkheid, laat zich moeielijk
onder het juk brengen, hecht zich aan alles wat de
zinnen streelt, haat allen dwang en vindt overal te
klagen, te morren, zich te verzetten. De niensche-
lijke natuur vergezelt ons overal, zij dringt ook door
in de kloosters; maar door den invloed der goede
voorbeelden, door de kracht van onzen goeden wil
en vooral door het dikwijls en godvruchtig ontvangen
der HH. Sacramenten, verandert zij langzamerhand;
zij verkrijgt kracht en buigzaamheid en, hoewel zij
gevoelt, dat Gods geboden en de Evangelische raden
een juk zijn, kan zij in \'waarheid zeggen: Uw juk,
o Heer! is zoet en uw last is licht...
(Matth. XI, 30).
Wij ontleenen het overzicht der moeielijkheden,
welke de religieuze staat kan opleveren, aan de
Brieven van 1\'Abbé Bautain (De Christin onzer dagen).
Deze brief is gericht aan eene jonge dame, vóór
het intreden in het klooster, en kan nuttig zijn
aan degenen, die reeds eenige jaren daarin hebben
doorgebracht, door haar te toonen wat zij te lijden
kunnen hebben, als zij zich niet met God vereenigd
houden.
»Daar de religieuze staat zich ten doel stelt, God
en den evennaasten te dienen, zoo is de zelfver-
loochening een eerste vereischte. Dat hij, die mij
volgen wil, zijn kruis opneme,
het dagelijks drage
en na mij kome," zegt Jezus. (Matth. XVI, 24,
Marci VIII, 34, Lvcje IX, 23.)
»Om die zelfverloochening, de moeielijkste, zaak die
men der menschelijke natuur vergen kan, in oefening
-ocr page 79-
73
te brengen, stelt de H. Kerk diegenen, die een
volmaakter leven zoeken , de evangelische raden voor,
eu laat hen na behoorlijken proeftijd toe, tot het
afleggen der HH. Geloften, waardoor zij zich voor
zekeren tijd of voor altijd verbinden , hunnen Oversten
te gehoorzamen, in onthouding te leven, en zich
met het noodzakelijke tevreden te stellen. Dit zijn
de drie Geloften van gehoorzaamheid, zuiverheid en
armoede."
I.
De eerste is zeker de moeielijkste; want meer
kost het den mensch te verzaken aan zijne zooge-
naamde onafhankelijkheid van verstand en wil, dan
aan de genoegens der zinnen of het genot van te
bezitten. Niets ligt ons nader aan het hart dan
onze eigenwil. Ik is en blijft de eerste persoon — eu
de gehoorzaamheid moet hem onder eens anders wil
doen buigen, hetgeen onzen hoogmoed aan eene
zware proef onderwerpt. — En weet wel, mijn dier-
baar kind, dat men in het klooster in geweten en
in alles moet gehoorzamen. Men opent voor U een
regel, die alle bewegingen bepaalt; en daarenboven
hoort men het bevel der Overste, die den regel
moet toepassen en wijzigen.
Het gaat er niet zoo als in het huis uwer Ouders,
waar gij meestal of ten halve of in het geheel niet
gehoorzaamt, alle listen uitdenkende om te vermijden
wat u onaangenaam is, en waarvan ge u gewoonlijk
weet te doen ontslaan; waar ge datgene wat u wordt
voorgeschreven, door redeneering, door uitvluchten,
desnoods door liefkozingen eu tranen weet te ont-
duiken of te doeu uitstellen, zoodat ge gewoonlijk niet
-ocr page 80-
74
alleen doet wat gij gaarne doet, maar daarenboven
uw wil nog weet te doen volbrengen door al degenen,
die u omgeven.
In het klooster, mijn kind, valt er niet meer te
redeneeren, te redetwisten, te ontduiken; en wanneer
gij zelfs uitwendig zoudt doen wat u wordt voorge-
schreven, zoudt gij u nog eenigszins schuldig maken,
wanneer gij slechts volgens de letter gehoorzaamt,
zonder uw geheelen wil er mede te vereenigen.
Gij zoudt althans niet vorderen op den weg der
religieuze volmaaktheid, die bijzonder bestaat in het
verzaken aan eigen zienswijze en eigenwil.
Dan zult gij in het klooster nog Oversten vinden,
tusschen God en u, tusschen den Regel en u. Hoe
wijs zij ook mogen zijn, of gij het nioogt worden,
blijft gij mensch van weerszijde — bijgevolg zal er
toegenegenheid of afgekeerdheid bestaan. Zoo er
afgekeerdheid bestaat, zult gij zeer veel moeite hebben,
u te onderwerpen, en het offer zal wellicht uwe
krachten te boven gaan. Duizend redenen zult gij
vinden om te weerstaan of te ontduiken; en zoo u
dit onmogelijk wordt, zoo oordeel zelve, wat men
moet lijden onder een juk, dat men verfoeit. Het is
de hel in het huis des Heeren. Bestaat er toegene-
genheid, dan zult gij gevaar loopen. uit natuurlijke
beweegredenen te gehoorzamen voor uw eigen ge-
noegen, en behalve dat gij de verdiensten verliest,
brengt gij in de gemeente eene oorzaak van twee-
dracht; want de natuurlijke genegenheid veroorzaakt
bijzondere vriendschapsbetrekkingen , geheime vriend-
schapsbetuigingen , die schadelijk zijn voor de zuster-
lijke liefde, omdat men daarin zich-zelve en niet
het welzijn der gemeente zoekt. Het is uit deze
vertrouwelykheden (geesel der religieuze huizen, die
-ocr page 81-
75
men tot eiken prijs daaruit moet weren, wil men ze
in den geest hunner instelling zuiver bewaren), dat
te groote gemeenzaamheid, afgunst, verdeeldheid en
ten laatste tweedracht ontspruiten...
Vlei n dus niet met de begoocheling, dat het
gemakkelijk valt te gehoorzamen. Vele personen,
die in het klooster wenschten te treden, hebben mij
geraadpleegd; en ik heb altijd opgemerkt, dat zij
wie de gehoorzaamheid zoo gemakkelijk toescheen
alvorens zij die beoefend hadden, ze hard en on-
verdragelijk gevonden hebben; terwijl andere die,
alvorens in het klooster te treden , de gehoorzaamheid
als de groote struikelblok beschouwden, zich moedig
aan den strijd tegen haren natuurlijken weerzin
gewaagd en het juk zoet en licht bevonden hebben,
nadat zij het gedragen hadden. Ja, mijn dierbaar
kind, niets is moeielijker, niets is zeldzamer zelfs,
dan te kunnen gehoorzamen in geest en in waarheid,
vooral wanneer men moet gehoorzamen zonder op-
houden, zonder belooning, zonder loftuiting, zonder
zegepalmen, zonder roem, doch alleen uit plicht en
geweten.
De oude schrijvers zeggen, dat de schoonste zege-
praal die is, welke men op zich-/elven behaalt: en
om te gehoorzamen, gelijk men doen moet door de
gelofte van gehoorzaamheid, moet men zich onop-
houdelijk overwinnen. Dit eerste punt zij u ter
overweging aangeboden.
II.
Het tweede zal o wellicht minder moeielijk schijnen;
want uw onschuldig hart heeft de aanlokselen der
aardsche liefde nog niet gevoeld. Dit is nochtans
-ocr page 82-
7G
meer de onschuld der onwetendheid dan die der deugd.
Door uw jeugdigen leeftijd zijt gij nog niet ernstig
aangevallen, te meer daar gij weinig in de wereld
geleefd hebt. Het weinige, dat gij er van gezien hebt,
heeft de begeerte niet in o opgewekt om er meer
van te ondervinden; want gij vondt er geen genoegen
in en vreesdet het gevaar. Uw hart is nog niet
beproefd geworden: doch wellicht bemint het zich
zelven en anderen om zich-zelven. Dit is geen bewijs
dat de liefde tot God alleen in uwe ziel heerscht.
Denk dat in het klooster alle bijzondere vriendschap
verboden is, en dat de religieuzen elkander met de
zuiverste zusterlijke liefde moeten beminnen. In het
klooster heeft men geene vriendinnen, men heeft
slechts zusters; en gelijk in eene aardsche echtver-
eeniging het hart eeuer echtgenoote geheel aan den-
gene behoort, wien zij trouw gezworen heeft, zoo
behoort het hart der religieuze geheel aan haren
goddelijken Bruidegom, en het is eene ongetrouwheid
zich aan wie ook te hechten. Zelfs moogt gij uwe
Ouders niet meerb emiunen, gelijk gij het tot dusverre
gedaan hebt.
Gij zult hen wellicht niet zoo dikwijls zien, als
gij zoudt verlangen; en indien hun bezoek uwe ziel
kon storen, zoudt ge er geheel aan moeten verzaken ;
want Jezus-Christus heeft gezegd: »Hij, die znn
vader of moeder meer bemint dan mij, is mijner
niet waardig." (Mattji. X, 37.)
III.
Nu blijft ons nog over van de belofte van armoede
te spreken, welke bestaat, niet juist in niets te
bezitten, want dit is onmogelijk, maar in niets te
-ocr page 83-
77
hebben, noch te gebruiken zonder verlof der Overste;
op de eenvoudigst mogelijke wijze te leven en met
liet volstrekt noodzakelijke tevreden te zijn; en dit
heeft men in de strenge orden zelfs niet.
Gij zult met grove stof gekleed worden — armoedige,
soms versleten kleederen moeten dragen. Men kan
u laten vasten en u verstervingen van allen aard
voorschrijven. Gij zult eene kleine, donkere cel
bewonen, op stroo, misschien op de planken slapen.
Gij zult koude en hitte zonder morren moeten ver-
dragen ; en geen enkel voorwerp zult gij het uwe
ïtfogen noemen, noch uitsluitend tot uw gebruik
mogen houden. Indien gij u ergens aan hecht, zal
men het u ontnemen, ware het slechts om u in
zelfverloochening te oefenen; en uw wil, die nu zoo
gaarne zijn schepter zwaait over personen en zaken,
zal voortdurend ondei\'drukt worden.
Dit alles schijnt u gemakkelijk, omdat gij, naar
gij zegt, beproefd hebt. Die beproeving was vrij-
willig en het stond in uwe macht die te doen op-
houden. Wanneer gij eenmaal verbonden zijt, zullen
die ontberingen u moeielijker, die opofferingen u
zwaarder vallen, en dan is het voor immer....
IV.
Wanneer gij eindelijk uw novicaat volbracht en
uwe Geloften uitgesproken hebt, zal men u bedie-
ningen geven, die u tegenstaan.
Gij wilt gaarne zieken oppassen, en men plaatst
u in de scholen. Gij hebt smaak en talent voor het
onderwijs, en men zendt u naar een gasthuis of eene
gevangenis. Gij gevoelt neiging voor het beschou-
vvende leven, men overlaadt u met werkzaamheden, —
-ocr page 84-
78
en zoo gij hieraan de voorkeur geeft, zal men u
aan het tegenovergestelde binden. In één woord,
men zal beschikken over uw persoon, uwe vermogens,
uwen tijd, uw werk, uwe krachten, niet op eene
onredelijke wijze, maar voor het welzijn der gemeente,
dat wil zeggen voor de eer van God, voor het
welzijn van den evennaaste, hetgeen het doel harer
instelling uitmaakt. Alles zal gedaan worden, zonder
O te raadplegen, zonder dat men zich om uw gaarne
of liecer bekommert, al ware het slechts om uwe
gehoorzaamheid, uwe zelfopoffering op de proef te
stellen. Gij zijt als de soldaat onder de wapenen; *-
men beveelt hem te gaan en te komen, en hij gaat
en komt; op de stem van zijn Overste moet hij
voortgaan of wijkeu, zelfs al gaat hij den dood te
ge moet.
«Ziedaar, mijn kind, wat gij vrijwillig moet aan-
nemen."
7«je HOOFDSTUK.
Over «Ie gebrekoiii «lio «Ion Religieuzen
Geest kunnen vernietigen.
Na al hetgeen wij reeds gezegd hebben, komen
we gemakkelijk tot het besluit, dat de levensgeest
van den religieuzen staat een geest van opoffering
en een geest van vrede is.
-ocr page 85-
79
Opoffering en vrede! Ziedaar het kenmerk der
zielen, die God heeft geroepen en Jie zich vreugdevol
aan Hem gehecht hebben door de Geloften van ge-
hoorzaamheid, zuiverheid en armoede.
Opoffering die alles geeft, die zich geheel geeft,
altijd gereed te werken, te lijden, te sterven, voor
Hem, die de ziel haar Meester en haar Vader noemt!
Niets behoort u meer toe, o Religieuzen, alles is
in de handen van uw Opperheer overgegaan, alles is
verkocht en geleverd! Gij zijt in het bezit van God
overgegaan; gelijk Jezus, leeft gij voor God en voor
Hem alleen, om Hem te loven, te aanbidden, te ver-
eeren, Hem al den lof te geven, die zijne aaubiddelijke
volmaaktheden vereischen.... Gij leeft om Hem te
bedanken, te troosten, te beminnen, — te dienen
door te werken, — te dienen door te lijden, — te
dienen door u op te offeren.
Gij leeft vooral om Hem toe te behooren. En dit
enkel woord besluit eene wereld van leven, van
heiligheid, van glorie en zaligheid.
Vrede, waardoor zich de religieuze over niets
oekommert, noch over den dag van morgen, noch
over het volgend uur; om zoo te zeggen, van minuut
tot minuut levende onder de vaderlijke bescherming
van Hein, wien zij zoo gaarne den zoeten naam van
Vader geeft, — slechts vraagt wat zij noodig heeft
en met liefde verwacht wat zij vraagt, vertrouwende
dat alles op zijn tijd zal komen.
Vrede, die steeds den glimlach op de lippen doet
zweven, zelfs dan als ziels- of lichaamsleed tranen doet
vloeien, overtuigd als zij is, dat dit lijden noodzakelijk
is, ter harer zaligheid en ter verheerlijking van God.
Vrede eindelijk, die haar zelfs de begeerte ontneemt
tot leven of tot sterven, doch alleen die zoo zoete
-ocr page 86-
80
en troostende begeerte in het hart laat, in alles den
wil des Vaders te volbrengen.
O hoe schoon, hoe goed is die geest, welke in alle
religieuze huizen heerscht, zich dringt in de zielen
van al degenen, die daarin wonen, ze bezielt en
verlevendigt!
II.
Deze goede geest kan door zekere fouten vernietigd
worden, welke, even als verpestende dampen, dien in
de zielen komen bederven.
Dit zijn niet zoo zeer de zivare misslagen, die,
enkele malen bedreven, de ziel diep vernederen, doch
welke, dank aan een oprecht berouw en het H. Sa-
crament der biecht, geene sporen in de ziel achtersten.
Het zijn ook niet die vrijwillige dagelijkse/ie zonden
uit gewoonte bedreven, welke de ziel in een staat
van lauwheid brengen, langzamerhand den geest
van geloof uitdoven, haar ongevoelig laten voor de
inspraken der genade, de vermaningen harer Oversten,
en God verplichten haar deze woorden toe te voegen:
»Omdat gij lauw zijt,..... zal ik u uit mijn mond
* uitspuwen." (Apoc. III, 10). Deze lauwheid zal die
arme ziel langzamerhand ten verderve voeren; maar
de lauwheid van eeue enkele religieuze, hoe schadelijk
ook voor de gemeente, kan haar den algemeenen
goeden geest niet ontnemen. Dit geschiedt door
kleine , persoonlijke overtredingen , eerst onbemerkbaar,
doch die langzamerhand algemeen worden, en in eeue
gemeente doen, wat eene spleet doet in een schip;
het water komt er met druppels door, en doet ten
laatste het schip zinken.
Die onbeduidende zinnelijkheid, die veelvuldige
kleine zaken, die men zich ongevraagd toestaat,
brengen
-ocr page 87-
SI
in de religieuze gemeenten dien toestand, welke het
woord verslapping zoo wel uitdrukt.
Verslappen is bijna onmerkbaar overgaan van het
aoede tot liet minder volmaakte. — Het is van een
klein verzuim tot een grooter, van eeue onvolmaakt-
heid tot een gebrek, van eene fout tot eeue kwade
gewoonte vervallen. Dan schijnt ons die eertijds zoo
zachte en aangename regel zwaar en ondragelijk.
Dan kan men niet de minste opoffering, versterving
noch vermaning verdragen en meent die niet te ver-
dienen, — en niet noodig te hebbeu. Dan ontslaat
men zich eenvoudig van alles wat hindert, kwelt
of verveelt.
Ziet gij niet hoe eene gemeente, waarin derge*
lijke verslapping zou dringen, langzamerhaud uit
elkander
moet vallen, en alle zelfopoffering en vrede
moet verliezen.
Ziehier eene eenvoudige opsomming der fouten , die
verslapping in de zielen en in de religieuze gemeeuten
veroorzaken.
^Catat\'ic^ncid in de §odvzncnti<^c
Een religieuze, die het gebed veronachtzaamt, is
in groot gevaar. Eene gemeente, waarin de gods-
dienstige oefeningen niet geregeld en godvruchtig
geschieden, gaat ten gronde.
Zeker ontbreekt het nooit aan uitvluchten, om
het gebed achter te laten, — te laat in de getijden
6
-ocr page 88-
82
te komen, — den rozenkrans niet te bidden enz.;
eeue slapeloosheid van cenige uren, — de benauwdheid
der kapel, waarin men geen adem kan halen,
— eene
tochtende deur of venster,
— een werk, dat spoed
vereischt en dat men gaarne doet,
— eene les, die
voorbereiding vraagt
enz.....
En gij verwijdert u van God, arme zuster, en
gij gaat geene kracht putten voor uwe ziel; liet gebed
dat gij lieden achterlaat, zal u morgen zwaarder
vallen, en dat gebed is eene schuld, die gij aan God
betalen moet. Wanneer zult gij dat doeu?
Laat ons zouder overdrijving spreken: als men
werkelijk niet kan bidden
, moet men zijne ziel aan
God openleggen en Hem zeggen als tot onzen goeden
Vader: zie, zij die gij lief hebt, is ziek. (Joan. XI: 3);
en de ziel blijft gerust, en ons geweten zegt ons
spoedig, of wij gerust mogen zijn.
Later zullen wij zeggen, hoe men moet bidden.
Thans herhalen wij: Bid, bid, laat uit onachtzaam*
heid of traagheid geen enkel gebed achter. Laat n
slechts bij uiterste noodzakelijkheid ontslaan van de
gebeden der gemeente, en zijt gij er van ontslagen,
en moet gij eenzaam in uwe cel, op uwe legerstede
blijven, vereenig u dan nog in den geest met uwe
biddende zusters.
§&&i,ch aan ^Zauwhemiancid.
Nauwkeurigheid is de getrouwheid om zich op tijd
tot de oefeningen te begeven, — getrouwheid om
te zwijgeD, zoodra het teeken gegeven wordt, dat de
recreatie geëindigd is, — om de kapel te verlaten
-ocr page 89-
83
als deze of gene oefening volbracht is, — op tijJ op
te staan en zich ter ruste te begeven.
Niets onderhoudt beter de orde in een huis, dan
die getrouwe nauwkeurigheid. Niets bewijst beter
aan God, dat men Hem bemint en Hem genoegen
wil doen. Is de klok het teeken niet, dat God ons
doet geven? God roept! Hier ben ik! Ziedaar de
beminnende ziel!
liet gebrek aan nauwkeurigheid vertraagt en stoort
de oefeningen, veroorzaakt tijdverlies, maakt onre-
gelmatigheid
tot regel, en veroorzaakt weldra eene
algemeene wanorde. Een punt is werkelijk slechts
een punt, doch het eene ondersteunt het andere; en
vervalt het eene, zoo sleept het een tweede mede en
veroorzaakt een geheele instorting. Veronachtzaam
geeue minuten; zij zijn noodig om de deugd te
ondersteunen.
§e-foe& acm voot&owiend-facid en
Dit schijnt van weinig belang, maar de gewoonte
van weinig voorkomend en onbeleefd te zijn, verkoelt
langzamerhand de liefde en dooft ze ten laatste uit.
Eerst sluit zij het hart, maakt het dan koel, pruilziek ,
stroef, afkeerig; zij verscheurt menig hart, dat zich
zoo gaarne zou uitstorten en nu lijdt en zwijgt!
Het is een stroef antwoord,—een stuursch gelaat,
— eene bepaalde weigering om een liefdedienst te
bewijzen, omdat men geen tijd heeft, — het is eene
spotternij zonder einde, waarvan men den droevigen
hidruk bespeurt.
-ocr page 90-
84
Later zullen wij over de zusterlijke liefde spreken,
en zeggen nu slechts, dat niets zoo teeder is dan deze
deugd.
In eene gemeente, waar men gelukkig leven
wil, is het niet genoeg elkander te beminnen; meu
moet nog eene teedere toegenegenheid voor allen
hebben; men moet voorkomend, hartelijk, liefdevol
zijn.
Men moet medelijden met elkander hebben; in één
woord, men moet elkander als loare zusters beminnen.
Zijt gij door de zorgen van Jezus niet bijeen ver-
gaderd , opdat gij één hart en één wil zoudt vormen?
Het is droevig te moeten zeggen, dat er gemeenten
zijn, waarin vele harten onuitsprekelijk geleden hebben:
men beminde elkander niet!
êe^ie-6. aan stil&wijq&ndneid en
i-M a c-kcezdnc i d.
Eene gemeente, waar het stilzwijgen goed wordt
onderhouden, is gewoonlijk eene vurige gemeente.
Wanneer men zich bij het doorloopen der klooster-
gangeu als doordrongen gevoelt door eene gewaar-
wording van vrede en rust, wanneer men de reli-
gieuzen stil en zedig naar haar werk ziet gaan, mag
men vrij besluiten, dat in deze gemeente de gehoor-
zaamheid gemakkelijk valt, dat de zusterlijke liefde
er heerscht, en dat Jezus daar waarlijk troont als
Heer en Meester.
Eene uitgestorte gemeente is geen huis van God.
Wij noemen uitgestort die gemeente, waar iedereen
-ocr page 91-
85
zich haast en spoedt, waar niets geschiedt niet kalmte,
waar men altijd gedruisch hoort in de gangen, omdat
men zich niet toelegt om bedaard en stil te gaan,
waar men nooit eene vraag of antwoord op zachten
toon geeft.
In die huizen wordt de geest des gebeds eene
onmogelijkheid, — de zoetheid der liefde Gods is er
onhekend, — de omgang der zusters onder elkander
mist vriendelijkheid en minzaamheid, — de gehoor-
zaamheid vooral valt er zwaar, — oppervlakkig
gesproken kan men zeggen: er heerscht geene orde.
Het is niet in de recreatie, maar aan de deuren
der cellen of in de cellen zelfs, dat men elkander
opruit, dat men samenspant, en dit bederft zoo
spoedig den goeden geest een er gemeente. Mochten
wij der Oversten eenen goeden raad geven ; wij zouden
haar zeggen: Zorgt voor het stilzwijgen, voor de
ingetogenheid in woorden en handelingen. Geeft
het voorbeeld van een grooten eerbied voor het stil-
zwijgen
, dat men in u nimmer haast noch drukte
hen peur e; spreekt liever te zacht dan te luid!
—
Öv&zdzcv&n z>oza vooz de aezondhei d.
Sommige religieuzen zijn zoo bang voor hare ge-
zondheid, dat alles haar verontrust. Vandaag hebben
z|j slecht geslapen, morgen hebben zij hoofdpijn, zij
kunnen onmogelijk de getijden zingen of lezen, zij
bunnen het in de kapel niet uithouden. Hare cel
%t in het Noorden of het Zuiden, het is er te
«oud of te warm. Die ingebeelde ziekten houden
-ocr page 92-
8G
baar terug; zij zullen nimmer de volmaaktheid van
haren staat bereiken. Zij zijn ongelukkig voor zich-
zelven en voor hare omgeving. Zij doen niets, wat
den Meester waardig is, wien zij toebehooren. De
lauwheid, waaraan zij zich overgeven, belet haar
het goede te doen, dat God voor haar beschikt had,
en langzamerhand worden die ingebeelde kwalen,
werkelijke kwalen.
Overdrijven wij niet. De Overste moet eeue tee-
dere moeder zijn voor de zieken, de gebrekkigeu,
de zwakken. Haar plicht is niets te ontzien om
hare lijdende kinderen te genezen, te ondersteunen,
te verzorgen; zij moet zelfs de goedheid zoover
drijven, dat zij werkelijk medelijden hebbe met de
ingebeelde kwalen, en trachten ze te genezen door
een e dubbele goedheid (hetgeen vaak het eenigste
geneesmiddel is). Doch, dat de religieuzen van haren
kant wel weten, dat zij die kleine ongesteldhedeu
moedig moeten verdragen, die gewoonlijk des te eer
genezen zijn, naarmate men er minder werk van maakt.
Dat zij zich vooral niet bekommeren over ziekten, die
tij kunnen krijgen;
dat zij eenige slapelooze uren
niet beschouwen, als een voorteeken van ziekte; dat
zij met eenvoudigheid, als kinderen aan hare moeder,
de Overste bekend maken met hare vermoeienis, hare
kleine ongesteldhedeu ; dat zij die middelen aannemen,
welke men haar tot genezing aanbiedt; — en heeft
men voor haar niet dat liefdevol medelijden, dat zij
mocht verwachten , welnu , dat zij het aan God zeggen,
doch aan God alleen, die als\' Vader voor haar zal
zorgen.
-ocr page 93-
87
Qve/id%e>wn of asondez-tinye, §od$vzuc{it.
Dit is eene ware bron van wanorde en verdeeldheid
in eene gemeente. Wanneer zal men de religieuzen
kunnen doen begrijpen, dat alle heiligheid, hare
persoonlijke heiligheid, besloten ligt in het naleven
van haren regel ? Alles, maar niet-rminder, niets meer.
Deze devotie wordt dan vooral het schadelijkst,
wanneer zij eene partij vormt, die zich beter waant
dan de overige leden der gemeente. Men vermeent
door God tot iets grooters geroepen te zijn, — men
vermenigvuldigt de oefeningen van godsvrucht buiten
den regel, — men blijft langer dan de anderen in
kerk, kapel of bidplaats, — men vindt, dat er veel
verslapping in de gemeente geslopen is, men neemt
een stijt, gemaakt, ootmoedig, stroef uiterlijk aan, —
men werpt eenige woorden van afkeuring in het
midden, ten opzichte der Overste die eene buiten-
gewone Communie weigert, — men vraagt met aan-
drang nieuwe oefeningen van godsvrucht, — men mort
tegen den biechtvader, die ons in de nederigheid houdt.
Hoor wat de H. Franciscus van Sales zegt: »Mij
dunkt dat, ware ik religieuze, ik aldus zou handelen:
ik zou niet vragen om meer dan de gemeente te
communiceeren; ik zou niet vragen om haren klee-
deren noch ijzeren gordels te dragen, bijzondere
vastendagen te houden, noch iets van dat alles; ik
zou mij tevreden stellen in alles en altijd de gemeente
te volgen. Ware ik sterk, dan zou ik geen viermaal
daags eten; doch beval men mij dit te doen, zoo
zou ik het doen, zonder iets te zeggen. Ware ik
zwak en gaf men mij maar eenmaal daags te eten,
zou ik slechts eenmaal eten, zonder te vragen, of
Jk zwak ware al dan niet. Ik wil zeer weinig, en
-ocr page 94-
SS
wat ik wil, wil ik nog weinig. Ik heb zeer weinig
begeerten, en kon ik opnieuw geboren worden, zou
ik er in het geheel geen hebben. Als God tot mij
kwam , zou ik tot Hem gaan, en indien God tot mij
niet wilde komen, zou ik blijven waar ik was, zonder
tot Hem te gaan. Ik zeg dan: Vraag niets, en
weiger niets; maar houd u tusschen de armen der
goddelijke Voorzienigheid, zonder u met eene enkele
begeerte bezig te houden, dan alleen met die van
te doen wat God wil."
Dit zij ook uw gedragsregel, en bedenk, dat de
gewone weg de veiligste is.
Zij schaden de ziel, omdat zij langzamerhand tot de
zinnelijkheid voeren; zij schaden de gemeelde, omdat
zij beleedigend zijn voor de andere zusters, die men
schijnt te misachten, daar men ze ter zijde laat;
zij vernietigen de zusterlijke liefde, wekken afgunst
op, en zijn voor de zusters, welke aldus vereenigd
zijn, eene bron van vele fouten. Men ontbreekt aan
de stilzwijgendheid
— hoe kan men anders doen
dan elkander spreken en in het geheim spreken?
«i«i ontbreekt aan de gehoorzaamheid — het is haar
verboden elkander te zoeken, en zij reikhalzen naar
gelegenheid om zich af te zonderen; men ontbreekt
aan de armoede
— hoe kunnen zij anders doen dan
elkander kleine geschenken geven en in \'t geheim voor
elkander werken ? men ontbreekt aan den eerbied der
O eerste
— zij immers moeten elkander mededeelen,
wat haar verboden wordt, wat zij onrechtvaardig
en onbillijk vinden, wat hare medezusters volgens
-ocr page 95-
89
haar oordeel hebben overgebracht; men ontbreekt
aan den inwendigen geest
— want God verblijft niet
in de harten, die datgene wat slechts hartstocht isT
als zusterlijke liefde beschouwen.
ömcjancj met 3e iveietd en fcecjeezte
ucictZ" nieuwstijdingen.
Wanneer de wereldling eene religieuze prijzen wil,
zegt hij: men ziet haar zelden in de spreekkamer;
wil men de weinige achting toonen, welke men voor
een klooster heeft, zegt men: De spreekkamers zijn
er altijd vol.
Welke religieuze heeft, na een uur in de spreek-
kamer doorgebracht, met de hand op het hart kunnen
/.eggen: ik ben er heiliger geworden ?
De spreekkamer doet tijd verliezen, — verstrooit
den geest, — voert den geest der wereld in het
klooster en verzwakt den religieuzen roep.... De
spreekkamer is eene bron van bekoringen.....
De begeerte om nieuwstijdingen Ie hooren veroorzaakt
ook een groot nadeel aan den geest eeuer gemeente.
Lees geene couranten, maandschriften noch licht-
zinnige boeken. Lees niets zonder verlof en vraag
dit slechts zelden.
0 indien gij liefde tot uwe bediening hadt, wat
zouden al uwe gedachten, al uwe lezingen strekken
om u in staat te stellen, die beter te vervullen!
III.
Weet gij wat de fouten, die wij hebben opgesomd ,
ten laatste in eene gemeente teweeg brengen?
-ocr page 96-
90
De duivel brengt eene reeks kwade geesten, die de
plaats innemen van dien goeden geest van opoffering
en vrede. Dat de opsomming u tot spiegel diene
om de minste vlek te betreuren, welke zich in uwe ziel
zou vertoonen, die met Gods hulp door het gebed te
doen verdwijnen, en u des te meer aan de vervulling
uwer plichten te hechten.
fyVct&c yccst •kan x>icn in de aemeente
^^incJ en ?
Een geest van eerzucht, die een hoogere bediening
zoekt te bekleeden, en daarom de Overste vleit,
hare medezusters behendig zoekt ter zijde te schuiven,
alle mogelijke middelen aanwendt om hare talenten
te toonen.
Een geest van praatzucld, die overal en van alles
spreekt, die alles weet, zich met alles bemoeit en
gewoonlijk het huis door het geluid harer nimmer
gematigde stem doet weergalmen.
Een geest van lichtgeraaktheid, die bij de minste
aanmerking een of twee dagen loopt zonder te spreken,
ieder een stroef en afgetrokken gelaat vertoont en
soms zoover gaat van te weigeren voedsel te nemen.
Een geest van bedilzucht, die alles bespreekt en
meent verstand en doorzicht te toonen met alles af
te keuren. Hare Oversten zelfs worden door hare
kwaadsprekende tong niet gespaard, — hare mede-
zusters vreezen en vluchten baar. Zij is ontevreden
met alles, —dan eens is het voedsel, dan het huis
.afschuwelijk, — dan zijn hare medezusters ruw en
-ocr page 97-
01
lomp, — dan weder is hare bediening te zwaar, —
dan moet de geheele gemeente hervormd worden, enz.
Een geest van grilligheid, die nooit twee dagen
iu denzelfden toestand kan blijven, die met eene
verwonderlijke snelheid overslaat van liefde tot on-
verschilligheid, van onverschilligheid tot haat, die met
aandrang eene bediening vraagt en ééne maand later
het niet meer uit kan houden en weigert ze te blijven
vervullen
Een geest van nieuwsgierigheid en onbescheidenheid,
die alles wil weten, en om tot haar doel te komen
eene menige oukieschheden begaat, bespiedt, be-
luistert, ondervraagt, zelfs een aan haar niet gerichten
brief leest, en vervolgens alles op hare wijze uitlegt
en overbrengt.
Een geest van nitgestortheid, die met alles en altijd
lacht, die zich overal zoekt te vermaken, tot zelfs
iu de kapel, die spot met de ernstigste zaken, altijd
verstrooid is en alle gebeden steeds te lang vindt.
Een geest van ovei\'drijving, die dweept met alles
wat zich met eeuigen glans vertoont. Het nieuwe,
liet buitengewone bekoort haar onmiddellijk — eene
nieuwe devotie is voor haar eene geliefkoosde devotie,
waarvoor zij gaarne de oefeningen der gemeente zou
opofferen. Zij wordt vooral getrokken door het boven-
natuurlijke, als openbaringen, wonderdadige zaken.
Zij neemt alles zonder nadenken aan. De dagelijksche
lezingen, de gewone onderrichtingen laten haar koel
en koud. Zij moet iets nieuws hebben!
Een geest van onstandvastigheid, wien alles weldra
verveelt, die nooit leeft in het tegenwoordig oogenblik,
maar altijd in de toekomst. De eentonigheid van
den regel maakt haar ziek, en mocht zij niet denken
dat weldra alles anders zal worden, zou zij het niet
-ocr page 98-
92
kunnen uithouden. Zij droomt voortdurend van een
ander huis, eene andere Overste, eene andere bediening.
Een geest van onafhankelijkheid, voortvloeiend uit
eeu grooten hoogmoed, altijd geneigd tot morren,
die zich, wel is waar, uitwendig onderwerpt, doch
inwendig de personen misacht, die haar gebieden of
met haar werken ; zij kan zich nauwelijks aan haren
biechtvader onderwerpen!
Een geest van lauwheid en traagheid, die niets
zoozeer zoekt dan gemak. Voor haar de kleine op-
merkzaamheden, kleine voorkomendheden, de meer
dan moederlijke zorg.. .. en zoodra men haar iets
dergelijks onthoudt of niet dadelijk bewijst, slaakt
zij luide kreten. Hare leus is, hoe minder hoe liever;
en elke eenigszius lastige bezigheid doet haar ouop-
houdelijk klagen en stenen.
Een geest van onoprechtheid en dubbelhartigheid,
die nimmer recht door zee gaat in haar vragen noch
antwoorden. Zij is altijd bang, dat men hare ziel
te zeer doorvorscht. Zou zij iets te verbergen hebben ?
Zij kan nooit eenvoudig ja of neen zeggen, en denkt
altijd dat men niet oprecht met haar omgaat.
Eeu geest van zinnelijkheid en oncerstorvenheid, die
haren smaak, hare zinnen, hare neigingen, hare
nieuwsgierigheid zoekt te bevredigen, den minsten
dwang verafschuwt, — die bang is voor eene toch-
tende deur of venster, — altijd iets op het voedsel
weet aan te merken, — geen gedruisch kan verdragen,
overal de beste plaatsen, de beste kleederen, de
vriendelijkste woorden moet hebben.
Een geest van zin- en weerzin —altijd overdreven
in zijne toegenegenheid en afkeer, die, zonder rede
en alleen door het gevoel gedreven, bemint of veraf-
schuwt: hieruit volgen natuurlijke vriendschap, dwaze
-ocr page 99-
03
voorkomendheid, terugstooting, bitse woorden. Daaruit
volgen nog plotselinge veranderingen: men bemint,
men bemint nog, men bemint niet meer, men ver-
foeit wat men bemind heeft. Welk eene voortdurende
wanorde in de ziel!
Een geest van wereldgezindheid, die zoekt te
behagen door de kleeding, de spraak, den gang; de
behaagzucht kruipt nog onder de religieuze kleederen
uit; zij is gemaakt beleefd in het spreken, zij wil
weten wat er buiten omgaat; zij spreekt gaarne van
rijke en vermogende personen, die haar met hunne
vriendschap willen vereeren.
Een geest van angstvalligheid, eindelijk de gewone
straf harer traagheid, harer lauwheid, harer weinige
toegevendheid voor anderen. Altijd ongerust, wil zij
elke gedachte, elke beweging, elke neiging tellen,
meten, wegen. Er bestaat slechts een middel om
dit knellend juk af te werpen, de gehoorzaamheid;
maar zij kan niet gehoorzamen, zegt zij, en zij leeft
in kwelling en dwang, verzuimt hare communiën en
leeft zich-zelve, anderen, ja allen tot last. Arme
religieuze ziel, die zich vrijwillig van God verwijderd
heeft, van wie God zich op zijne beurt verwijderd
houdt en aan zich-zelve overlaat. God zal terugkeeren!
doch eerst dan, als zij zich diep vernederd zal hebben,
en zij wel overtuigd zal zijn dat zij niets weet, voor
niets deugt, niets kan, dat zij aller gebeden, aller
raad, aller liefdvol geduld
noodig heeft.
Daartoe moet gij allen komen, religieuze zielen,
als gij wilt werken tot Gods eer, als gij de volmaakt-
heid wilt bereiken, waartoe God u roept, en aldus
zult gij uwe eeuwige zaligheid bewerken.
-ocr page 100-
TWEEDE DEEL.
Verplichtingen van den Religieuzen Staat.
Het doel, dat wij ons in dit tweede deel voor-
stellen , is bijzonder:
1.     Den ivil op te wekken tot liefde voor plichts-
vervulling.
2.     Het karakter te buigen om het de leiding der
Oversten te doen volgen.
3.     De ziel te versterken tegen de bekoringen,
het hart en den geest tegen zinsbegoocheling.
I.
Een enkel woord bevat al de verplichtingen, welke
de Religieuzen Staat oplegt; die staat zoo verheven,
dat allen, die daartoe geroepen zijn, om zoo te
zeggen, het eigendom van God zijn geworden, en door
de H. Kerk worden aangeduid met hetzelfde woord
als de gouden altaarvaten — aan God toegewijd.
Dit woord is: Beminnen.
Ja, God beminnen, en om God, voor God, met
God, door God, zoodanig en zooveel God wil, zijn
evennaasten beminnen
bevat al de verplichtingen van
den Religieuzen Staat
, omdat het slechts is door God
te beminnen uit geheel haar hart, uit geheel hare
ziel, uit al hare krachten, dat de religieuze in waar-
heid mag zeggen, dat zij God toebehoort, Hem
toegewijd is.
-ocr page 101-
05
Het is de liefde tot God, die de ziel heeft aan-
oespoord, het religieuze leven te omhelzen; en wel
moest die liefde sterk zijn, o ra haar in den bloei
karer jeugd aan te zetten der wereld vaarwel te zeggen,
aan hare vrijheid te verzaken, en vooral hare ouders
te verlaten.
Het is de liefde tot God, die haar die Geloften
heeft doen uitspreken, zoo vreeselijk voor de natuur,
maar zoo zoet voor het minnend hart, en die ze haar
jaarlijks met vuur doet vernieuwen. Het is de liefde
tot God, die haar ondersteunt, bezielt, aanspoort om
zich immer op te offeren. Neem de liefde weg en het
religieuze leven verliest alle bekoorlijkheid, alle vreugde,
en wordt weldra ondragelijk. Behoud ze in volle
kracht, dan wordt alles rust, geluk en zoetheid.
De religieuze ziel, die God bemint, is met God
vereenigd en God met haar, haar wil is niet van
Gods wil gescheiden. Wat Hij bemint, bemint zij;
wat Hij beveelt, volbrengt zij; wat Hij verbiedt,
verstoot zij; wat Hij toelaat, omhelst zij met vreugde.
De religieuzen, aldus met God vereenigd, beminnen
elkander, omdat zij in elkander kinderen van God
zien; en die gedachte verwekt bij allen een gevoel
van eerbied, van liefde, van medelijden, van toege-
uegenheid.
Dit is het rijk Gods op aarde, dit is Gods wil
op aarde volbracht, gelijk in den Hemel.
Beminnen is dus de eerste verplichting der reli-
gieuze, en de kloosterlijke Geloften strekken alleen
om de ziel als te dwingen, God en haar evennaasten
te beminnen.
De kern der christelijke volmaaktheid, zegt de
H. Thomas, bestaat in de liefde tot God en vervolgens-
in de liefde tot den evennaasten.
-ocr page 102-
96
Het doel van den Religieuzen Staat, voegt dezelfde
schrijver hierbij, is de volmaaktheid der liefde.
Ik hoor slechts spreken van volmaaktheid, zegt
de H. Franciscus van Sales, en ik zie zoo weinig
personen, die haar in oefening brengen. De eene
zoekt ze in de gestrengheid der kleederen, in de
gestrengheid in het vasten; anderen in het ontvangen
der HH. Sacramenten, in een soort van beschouwend
leven en bovennatuurlijke genaden; en zij allen be-
driegeu zich, want zij nemen de uitwerkselen of de
middelen voor de oorzaak. Ik voor mij, ken geene
andere volmaaktheid dan God te beminnen uit geheel
zijn hart en zijn evennaasten pelijk zich-zelcen;
elke
andere is eene valsche volmaaktheid!.....
Geheel het geheim om tot die liefde te komen, is
te beminnen; want even als men leert studeeren
door de studie, leert spreken door te spreken, leert
loopeu door te loopen, zoo leert men God en zijne
evennaasten beminnen door hen te beminnen;
en al
wie een anderen weg bewandelt, bedriegt zich!
Wij wenschen en vragen het ootmoedig aan onzen
Heer Jezus-Christus, bron van alle licht en alle liefde,
aan onzen Heer Jezus-Christus, den goddelijken
Bruidegom der Hem toegewijde zielen, dat elk dezer
bladzijden aan ieder, die ze lezen zal, een weinig licht,
kracht
en sterkte moge mededeelen.
-ocr page 103-
07
Eorsto "vorpliclitiog «Ier Religieuzen:
De eerste verplichting der aan God toegewijde
ziel, die, waaruit al de andere voortvloeien, —die,
ware zij wel begrepen en in oefening gebracht, —
voldoende zou zijn elke religieuze gemeente in een
Hemel te herscheppen, — die elke religieuze krachtig
in zich gevoelt en waartoe zij zich door hare Geloften
verbonden heeft, is — de verplichting van God te
beminnen.
God beminnen is zich geheel aan God alleen
geven, en vervolgens door Gods bevel, op die wijze
en in die mate als God wil, zich aan den evennaaste
toewijden.
God beminnen is afstand doen van zijn wil om te
doen wat God wil;—van zijne vrijheid om zich door
God te laten leiden; —van zijne kracht, om die geheel
tot Gods beschikking te stellen.
Deze verplichting om God, te beminnen, die de
Geloften beter hebben doen verstaan, doch niet
hebben daargesteld, wordt duidelijk uitgedrukt door
de woorden van Jezus-Christus: Gij zult den Heer
uwen God beminnen uit geheel uw hart, uit geheel
uwe ziel, uit geheel uw verstand. Dit is het grootste
en eerste gebod. En het tweede is hieraan gelijk:
Gij zult uwen evennaasten beminnen gelijk u-zelven.
(Matth. XXII, 37, 38, 39. Marci XII, 30, 31.)
Ten eerste God beminnen om Hem-zelven, om zijne
schoonheid, goedheid en oneindige volmaaktheid.
God, van wien wij alles ontvangen hebben, en aan
^ien wij alles zonder voorbehoud moeten teruggeven.
Vervolgens onzen evennaaste, omdat God dit beveelt;
°radat hij het beeld van God, het kind van God is;
7
-ocr page 104-
98
omdat wij God genoegen doen met Hem te beminnen,
maar bemind om God, voor God, in God; zoodat,
indien die liefde tot onzen naasten ons een oogenblik
God uit het oog zou doen verliezen en vrijwillig een
gebod van God zou doen overtreden, zij eene schul-
dige
, ongeoorloofde liefde sou worden.
Dit gebod is gegeven aan alle christenen, aan
iedereen zonder uitzondering. Ten allen tijde moet de
leerling van Jezus-Cliristus kunnen zeggen: Mijn God,
ik bemin U uit geheel mijn hart, uit geheel mijne
ziel, uit al mijne krachten, en boven alle dingen.
Maar hoe vele moeielijkhedeu vinden zij, die in
de wereld leven, in het vervullen van dien plicht
van God bovenal te beminnen, zelfs in datgene wat
strenge verplichting is!
Het is omdat gij beter de moeielijkhedeu begrepen
hebt, die voortkomen uit de aanlokking der wereld
en uit uwe eigene zwakheid, dat gij, edelmoediger,
doch ook meer door God beminde zielen, de wereld hebt
verlaten en u in de eenzaamheid hebt gesloten, en
dat gij om het u onmogelijk te maken ooit een schepsel
meer dan God te beminnen
, u door de sterkste banden,
door de HU. Geloften aan Hem verbonden hebt.
Om u in al deszelfs verhevenheid, grootheid en
schoonheid dezen plicht van God boven alles te be-
minnen,
voor te stellen, gaan wij, ootmoedig voor
een beeld van Jezus uit liefde voor ons aan het kruis
gehecht, voor u deze regelen schrijven, welke wij
aldus verdeelen:
1.     Beweegreden der liefde tot God en den evennaaste.
2.     Kenmerken » » » » » »           »
3.     Oefening         » » » » » »           »
4.     Belooningen » » » » » »           »
-ocr page 105-
1ste KCOOI^IDSTXTIS:.
De Religieuze moet God beminnen.
Artikel 1.
Beweegredon «Ier liofïlo tot Gort.
De Religieuze moet God beminnen:
1°. Omdat God het door zich-zelven verdient.
2". Omdat God goed voor haar geweest is.
3". Omdat zij religieuze is.
T.
§od ve-zdi&nt dat aij 1t&\\w ^e-mi-nt.
God verdient dat gij Hem bemint, omdat Hij het
opperste goed is.
Het opperste goed, dat wil zeggen, dat Hij alle
volmaaktheden in den hoogsten graad bezit, dat Hij
die bezit van en door zich-zelven en dat deze vol-
maaktheden oneindig zijn in getal, 07ibegrensd in
uitgestrektheid, onuitputbaar in derzelver toepassing
Opperste goed! een oneindig, onmeetbaar, eeuwig
wezen; oneindig verheven boven alle volmaaktheid,
-ocr page 106-
100
alle grootheid, alle uitmuntendheid, die een geschapen
geest zich denken kan, — verheven boven alle macht,
alle wijsheid, alle licht, alle schoonheid, alle heilig-
heid, alle rechtvaardigheid, alle goedheid, alle geluk-
zaligheid, alle glorie, in dier voege dat God, om
zoo te zeggen, niets van dat alles is, maar oneindig
veel grooter, veel verhevener, veel schooner, veel uit-
muntender dan dit alles.
Het opperste goed—alles bezittende door zich-zelven,
zoodat er noch in den hemel, noch op aarde, noch
in eenigen engel, noch in eenig mensch, noch in
eenig schepsel, hoe verheven het ook zij, ja zelfs in
de H. Maagd, eenig goed bestaat, dat niet van God
kome; — wat ik dus goed noem in de schepselen, is
slechts eene genade van God; wat ik goedheid noem,
is slechts een straal uit Gods hart; wat ik schoonheid
noem, is slechts een weerschijn van Gods glorie; wat
ik heiligheid noem, is slechts een flauw afbeeldsel van
Gods heiligheid.
Het opperste goed; dit is een onuitputtelijke en
oneindige schat van alle goed, die zich voortdurend
verspreidt, zonder ooit te verminderen; die behoefte
heeft om zich mede te deelen, alom het leven, de
kracht, de schoonheid, de barmhartigheid, het licht
verspreidende, even als eene bron, die alom hare
heldere wateren werpt, zonder ooit uit te drogen;
dit alles verspreidende op zijne eigene schepselen
volgens hunne behoeften, doch somtijds met zulk een
overvloed over die zielen, die zich met een zuiver
hart door het gebed dicht bij Jezus stellen, dat zij
schijnen slechts één met Hem te zijn.
Geef de vrije lucht aan uw verstand, uwe ver-
beelding, uw hart. Al wat gij schoons en groots
zult uitgedacht hebben, al wat gij edels en zuivers
-ocr page 107-
101
zult liefhebben, al wat gij goeds, medelijdends,
toegenegens, barmhartige zult begeeren, —onthecht
dat alles van alle onvolmaaktheid, verhef het ver,
ver boven de aarde tot aan het oneindige, en gij
zult beginnen te begrijpen, wat God is.
O konden wij hier die schoonebladzijden afschrijven,
welke de heiligen overliet bestaan van God, zijne groot-
heid, zijne heiligheid, zijne goddelijke barmhartigheid
hebben geschreven, konden zij u doen gevoelen wat
zij gevoeld hebben, u doen zien wat zij gezien hebben!
Neen, wij zeggen eenvoudig tot u , religieuzen, die,
omdat gij religieuzen zijt, door Gods liefde zijt
getrokken en bijzonder licht hebt ontvangen om te
begrijpen wat God is: Gaat nederknielen voor het
II. Sacrament en herhaalt daar geknield deze schoone
woorden van het Gloria in excelsis: Tu solus Deus!
Tu solus Dominus
, tu solus altissirnus! Laudamus
te! Benedicimus te! Adoramus te! Glorificamus te!
Gralias agimus tibi propter maijnam gloriam tuam!
En wat gij dan gevoelt, zal u beter dan mensche-
lijke woorden zeggen, wat God in zich-zelven is.
Het is onmogelijk van dien zoo grooten, zoo
verheven, zoo goeden God te spreken, zonder zich
getrokken te gevoelen Hem te beminnen. Worden
geest en hart niet met geweld getrokken tot al wat
schoon en goed is?
Om God te beminnen is het genoeg aan Hem te
denken en een enkel straaltje zijner grootheid te
aanschouwen.
-ocr page 108-
102
II.
©e aocdncid van §od eiscnt dat <jij
3(em vcmint.
God verdient dat gij Hem bemint, omdat Hij goed,
oneindig goed voor u geweest is.
Wij wijzen hier alleen op de bewijzen zijner
goedheid in uwen roep tot het religieuze leven, en
zeggen: God moet het voorwerp uwer liejde zijn,
omdat Hij u tot liet religieuze leven geroepen heeft,
en hiervoor iconderen van oneindige goedheid heeft
moeten doen.
Goedheid om u te kiezen onder zoovele personen
uwer kennis, wellicht deugdzamer dan gij. Waarom
gij meer dan eene andere? Wat schoons, wat groots
hadt gij verricht? Waartoe kunt gij meer dan andereu
God nuttig zijn?
Goedheid om u te roepen. Gij verstondt de stem
des Heeren niet, gij weigerdet wellicht daarnaar te
luisteren en vondt het eene lastige stem; wellicht
heeft de strijd tusschen Gods liefde en uwen weer-
stand jaren geduurd; om te overwinnen moest God
wonderen doen. Denk eens na of, in uw jeugdig
leven, er geene bijzondere gebeurtenissen zijn voor-
gevallen , die alleen n konden doen besluiten uwe
ouders en bloedverwanten te verlalen!....
Goedheid om u toe te vertrouwen aan een ijverig,
godvruchtig priester, dien God wellicht alleen om
uwentwil gezonden heeft; dien pij wellicht zoo vaak
door nwen wederstand ontmoedigd hebt, maar dien
God door bijzondere genade ondersteunde.
-ocr page 109-
103
Goedheid om u te wachten. God werd niet moede,
en, als wilde Hij uwe vrijheid niet belemmeren, heeft
Jlij gewacht, totdat gij ten laatste, door de genade
overwonnen, uitriept: Ik geef mij aan u over; hier
ben ik, Heer!
Goedheid om u te vergeven. Wellicht hebt gij
meer zonden bedreven dan de meesten uwer gezel-
liunen, die God niet geroepen heeft. — Wie weet of
j4j in uw weerstand aan de genadestem, die u riep,
u niet juist daarom aan het gevaar blootsteldet, om
de stem in uw hart te versmoren. Dat alles heeft
God u vergeven!
Goedheid om uwe onschuld te bewaren, te midden
van al de gevaren, die u konden verderven.
Herinnert gij u thans nog die gevaren, die u toen
zoo weinig vrees aanjoegen? — Gevaren in die
vriendschap, die u had kunnen boeien, in de gesprekken,
die u konden bederven , — gevaren in de gelegenheden,
die u zouden hebben doen wankelen , in de voorbeelden,
die u zouden hebben medegesleept, gevaren in de
pracht, die u zou hebben ontzenuwd, in de schouw-
spelen
, die u konden bekoren, in de vermaken, die
u konden bezoedelen.
O, is het niet waar dat God zeer goed voor u
geweest is, vóór uw intreden in het klooster, en dat
gij meer dan anderen verplicht zijtHemte beminnen?
En werp dan een vluchtigen blik over de genaden,
Waarmede God u zoo overvloedig bedeeld heelt sedert
gij in zijn huis getreden zijt.
Genade van licht, die u de verhevenheid en de
zoetheid van uwe plichten doet zien, — de belooning
die God u voorbehoudt voor de offers ter zijner liefde
gebracht, — de vaderlijke goedheid, die God u elk
"ogenblik bewijst.
-ocr page 110-
104
Genade van raad — die God bijzonder voor u op
de lippen uwer Overste plaatst, wanneer gij u tot
haar begeeft, — op de lippen uwer medezusters, dan
zelfs, wanneer zij slechts een onverschillig woord
zeggen, zonder u in het minste een verwijt te willen
doen, — op de lippen vooral van uwen zielbestierder,
aan wien God zelf de zorg voor uwe ziel heeft toe-
vertrouwd en wien Hij des te meer licht verleent
naarmate gij met een meer levendig geloof tot Hem
nadert. O hoe kostbaar is die genade; wist gij haar
wel te begrijpen, dan zoudt gij, wanneer gij u tot
uwe Overste of uwen biechtvader begeeft, steeds zeggen:
God gaat tot mij spreken 1.....
Genade van ingekeerdheid, die u verdedigt tegen
de verstrooiing der wereld en u het geluk doet be-
grijpen van het gebed,— de meditatie,— de H.Commu-
nie, — de gedachte aan de tegenwoordigheid van God.
Genade van waakzaamheid, die u elk uur van den
dag waarschuwt, dat God bij u tegenwoordig is, dat
de klok het teeken is, dat Hij u geeft, dat het bevel
uwer Overste zijn bevel is, — dat een dergelijk woord
u tot verstrooiing zou strekken, — dat eene dergelijke
toegenegenheid uwe ziel zou bezoedelen.
Genade van goede voorbeelden , die u ondersteunen,
u bemoedigen, u medesiepen, u vooral terughouden.
Wanneer gij uwe oude, zwakke medezusters zoo vurig
ziet in het gebed, zoo nauwkeurig op het eerste teeken
der klok, hoe durft gij traag zijn? Als gij zusters,
veel zwakker van gezondheid dan gij, nooit over het
voedsel of de armoede harer cel hoort klagen, hoe
durft gij u het minste ontevreden woord laten ontsnap-
pen? Wanneer gij eindelijk oude Oversten ootmoedig
verlof hoort vragen voor de kleinste zaken, hoe durft
gij u dan aan de gehoorzaamheid onttrekken ?
-ocr page 111-
105
Genade van gewetenswroeging eindelijk, de nuttigste
aller genaden, die u nooit straffeloos een oogenblik
van God verwijderd laat, die u vervolgt zoodra gij
u van den weg afkeert, en u, — tenzij gij door
langdurige ongetrouwheid uw geweten tot zwijgen
hebt gebracht, — ten laatste berouwvol aan de voeten
uwer Oversten doet knielen en zeggen: ik teil roederom
trachten heilig te worden.
Is het niet waar dat God goed, zeer goed voor
u is, en dat gij Hem moet beminnen uit geheel uwe
ziel, uit geheel uw hart, uit al uwe krachten?
Want wat ons moet verwonderen, zegt P. Faber,
is niet, dat God zijne liefde voor ons zoover gedreven
heeft, doch dat God ons bemind heeft.
Indien wij beschouwen wat Hij is, en wat wij zijn,
zullen we ons geen recht op zijne liefde aanmatigen.
Wat is minder beminnelijk, minder edelmoedig,
ondankbarer dan wij, en nochtans bemint God ons,
en bemint ons bovenmate. Hij stapelt de weldaden op
onze hoofden, zoodat wij er als gebukt onder gaan.
Eiken morgen toont Hij ous nieuwe teederheid,
nieuwe barmhartigheid en na deze aardsche weldaden
bereidt Hij ons in den hemel eene belooning, zoo
groot als het oog nooit gezien, het oor nooit ge-
hoord, het hart nooit gesmaakt heeft. O mijn God,
hoe ondankbaar, hoe slecht, hoe ontaard zouden wij
zijn, zoo wij u niet beminnen!
-ocr page 112-
106
III.
Qtw K\\\\zi van xe(iaiew&& vezy>licdt u
§od Ke, v&tninncn.
God verdient dat gij Hem bemint, omdat gij reli-
gieuzen zijt.
Religieuze zjjn, beteekent aan God door een nieuwen
band verbonden.
Wat uu twee redelijke wezens aan elkander ver-
bindt, is het woord, dat zij elkander geven.
Dit woord vormt een contract, eene verbintenis,
een band, die hen samensnoert.
De eerste band tusscben God en de ziel werd
gevormd in het Doopsel, door die heilige woorden
in onzen naam uitgesproken, die wij later met zooveel
liefde herhaalden: Ik verzaak aan den duivel en geef
mij aan God voor altijd.
Daar deze band eene zekere vrijheid liet, waarvan
het gemakkelijk zou zijn misbruik te maken, hebben
eenige uitverkoren zielen gemeend, zich naar den
raad van Jezus-Christus opnieuw aan Hem te moeten
verbinden, en zij hebben met God een nieuw verbond
gesloten, dat nog iets bij het eerste voegt en haar
dwingt geheel aan God toe te belmoren; die woorden,
—  gedicteerd door de H. Kerk, die den wil van
Jezus-Christus vertolkt en zijne beloften waarborgt,
—  zijn de drie Geloften.
Niets is duidelijker, uiets is juister dan de woorden
van dit contract — zij drukken letterlijk uit wat de
ziel wenscht: aan God behooren, God dienen, God
loven,
en dat voor altijd. Er is niets dubbelzinnigs
in deze eenvoudige formule: Ik beloof gehoorzaamheid,
armoede, zuiverheid.
-ocr page 113-
107
Niets is vrijwilliger dan dit contract. Men gaat het
aan op een leeftijd, waarop het verstand genoegzaam
ontwikkeld is om er al het gewicht van te begrijpen,
— het geschiedt na rijp beraad, — nadat men wel
overwogen heeft hoezeer, hoever, hoela?/ff de verplichting
strekt, — na een proeftijd van minstens een jaar,
gedurende welken tijd men die verplichting heeft
nageleefd, — te midden van personen, die onder de
zelfde verplichting stonden, — en die belast waren,
niet alleen ons in derzelver nakoming te geleiden,
maar ook ze ons niet te doen aangaan, indien zij
in ons overdrijving van verbeelding, lafheid van
wil of menschclijke beweegreden in onze begeerten
mochten opmerken.
Niets vollediger dan de overgave van ons-zelven
door dit contract: — door de zuiverheid worden
hart en zinnen onthecht van al hetgeen derzelver
reinheid in het minst kan bezoedelen en ze minder
aangenaam aan God maken; — door de gehoorzaamheid
wordt de wil onthecht van dien eigenzin, waardoor
liij de noodige buigzaamheid zou missen, zich te
onderwerpen aan de Oversten in alles wat zij dienstig
oordeelen voor de eer van God; — door de armoede
wordt de geest onthecht van alle aardsche zorgen,
ten einde zich vrijer aan de zaken van God te
kunnen toewijden.
En kan men zich nu op dergelijke wijze aan
iemand verbinden, zonder Hem te beminnen? en is
\'ulk een verbond niet eene onherroepelijke verbin-
tenis om dengene te beminnen, met wien men dit
gesloten heelt?
Eu mocht het gevoel, dat ons aanzette, ons geheel
Ban God te geven, langzamerhand in onze ziel ver-
\'wakken, is het dan niet genoeg, ons het verbond,
-ocr page 114-
108
dat wij onmogelijk verbreken kunnen, te herinneren
om tot ons-zelve te zeggen: Maar ik moet God
beminnen, of wel ik word eene meineedige!
Van zijnen kant heeft God zich verbonden, niet
slechts evenals voor eiken getrouwen christen, na
het Doopsel, niet toe te laten dat wij boven onze
krachten beproefd worden, — ons ter hulp te snellen
als wij tot Hem roepen, — ons te vergeven, zoo
dikwijls wij Hem oprecht vergiffenis vragen, —
ons het dagelijksck brood te geven .... God heeft
verplichtingen jegens ons aangegaan overeenkomstig
ons verbond.
Wij hebben niets teruggehouden, God houdt niets
terug; wij hebben ons geheel aan Hem gegeven, Hij
geeft zich geheel aan ons.
Zie, in deze wereld is dit het honderdvoud van
wat wij verlaten hebben. Wij hebben de vreugde
des harten opgeofferd: God laat ze ons terugvinden
in eene tweede familie, waar wij nogmaals kunnen
zeggen, mijne moeder, mijne zusters; — God laat
ze ons terugvinden aan den voet van het tabernakel,
waar Jezus voor ons meer teederheid, meer liefde,
meer toegankelijkheid heeft, — God laat ze ons zelfs
vinden in het lijden, waarvan Hij ons de waarde
doet begrijpen, dat wij met liefde omhelzen, omdat
het ons aan onzen meester gelijk maakt, — dat wij
soms zoover gaan te begeeren.
Wij hebben tijdelijke goederen verlaten en zonder
onrust, zonder kommer laat God ons rijkelijk het
nooddruft vinden, dat meer welzijn verschaft dan
de overvloed, die zoo spoedig tot last wordt. En
dan daarboven! in den Hemel! O indien er eene
belooning is, die het hart van den getrouwen chris-
ten met hoop vervult, hoe moet dan het hart der
-ocr page 115-
109
religieuze kloppen, als zij denkt aan den Hemel!
Ja, de Hemel behoort haar, haar die vader, moeder,
zusters en broeders en erfdeel verlaten heeft om Jezus
ie volgen
, haar aan wie het eeuwige leven plechtig
beloofd is.
Nog eene bemerking.
Dit verbond met God gesloten is geheel in het
voordeel der religieuze,
want God heeft geeu zijner
schepselen noodig. Vraagt nu die vaderlijke goedheid
van God, die u riep om Hem te dienen en u tot
de HH. Geloften toeliet, niet uwe volle dankbaarheid
en liefde? En gevoelt gij niet dat, zoo gij God niet
bemint, op u deze krachtige vervloeking van den
H. Paulus zou vallen om u gedurende de geheele
eeuwigheid te verpletteren, zoo iemand onzen Heer
Jezus-Christus niet bemint, hij zij vervloekt!
I Coit. XVI, 22.
Artikel 2.
Kenmerken «Ier lieftle G<m1s(
Een enkel woord kan het ware kenmerk uitdrukken
der liefde, welke de religieuze aan God verschuldigd
is: buigzaamheid; — een woord, dat krachtiger en
doelmatiger het denkbeeld van het woord toewijding
teruggeeft.
De religieuze heeft zich geheel aan God gegeven;
dus God is eigenaar van geheel haar bestaan.
-ocr page 116-
110
Indien God eigenaar is, kan Hij haar gebruiken en
doen dienen tot zijne eer, volgens zijn goddelijk
goedvinden.
Zal God zich van de ziel, die zich aan Hem ge-
geven heeft, bedienen, dan moet die ziel een werktuig
zijn, dat zich gemakkelijk laat gebruiken, dat zich
verleent tot wat de meester wil, dat zich vouwt,
zich buigt, beweegt, rustig blijft liggen, zich laat
verplaatsen, zouder den minsten weerstand te bieden.
Zie nu welk een uitgestrekt veld zich hier voor
u opent, voor u God toegewijde zielen!
God is meester en mag u alles vragen, wat Hij
nuttig acht voor zijne glorie.
Gij, de dienstmaagden, zijt verplicht Hem altijd
te gehoorzamen, de bediening te aanvaarden, die
Hij u beschikt, die te verlaten, die te hernemen
volgens zijn wil, zelfs te sterven als zij uwe kracht
te boven gaat!
God is de kunstenaar, die het recht heeft door u,
en met u te doen wat hij wil.
Gij zijt het werktuig en gij zijt verplicht nooit
weerstand te bieden, noch voor den tijd wanneer,
noch voor het werk zelve, noch voor de wijze waarop,
noch voor de plaats waar; gij moet u laten gebruiken
tot de laatste minuut van uw leven.
God is eigenaar en heeft recht op geheel uw bestaan.
Gij aan Hem overgeleverd zijt vei\'plicht u te laten
behandelen, gelijk Hij nuttig oordeelt voor zijne
plannen. God kan bijvoorbeeld willen, dat eenige
zielen boeten voor andere. Hij kan van u dus een
slaehtoffer maken door uw hart te verscheuren en
gij, die Hem toebehoort, gij moet dit lijden in stilte
aannemen en met vreugde dragen. Zeker zou het
eene verschrikkelijke dienstbaarheid zijn, indien zij
-ocr page 117-
111
ons niet onderwierp aan een wijzen en goeden God;
maar in de handen van den God, dien gij bemint
en door wien gij bemind wordt, wat hebt gij te
vreezen ?
Eerst zullen wij zeggen, wat die goede Meester
gewoonlijk eischt, en dan, hoe Hij dit gemakkelijk maakt.
r.
1.     God wil dat wij o?is niet zoo zeer aan de uit~
loendige zaken overgeven
, dat wij uit het oog verliezen
dat Hij meester is van de gebeurtenissen en van ons
hart iu het bijzonder. Stellen wij ons verstand, onze
werkzaamheid, ons talent op alle zaken, die de regel
der gemeente en de ons toevertrouwde bediening van
ons vorderen; vervullen wij die getrouw, nauwkeurig,
zoo goed als wij maar immer kunnen; openen wij
daarbij ons hart voor gevoelens van liefde, dauk-
baarheid, medelijden, — maar nooit moeten wij dien
liefdevollen blik, dien God voortdurend op ons ves-
tigt, uit het oog verliezen. Aldus onder Gods oog
wandelen, valt niet moeielijk als men God bemint.
De morgen meditatie, getrouw en vurig verricht,
geleidt ons zoetjes tot die ingekeerdheid.
2.     God wil dat wij nooit aan de genade iveerstaan,
wanneer deze ons aanzet tot het oefenen van een
liefdedienst of een werk van gehoorzaamheid, tot het
ootmoedig aannemen van een hard woord of eene
moeielijke zaak, tot het vermijden van eene zonde
of eene gelegenheid tot zondigen.
3.     God wil dat wij, onze ziel in vrede bezittende,
den toestand aannemen, waarin Hij ons plaatst, in
een staat van ziekte, in een staat van vernedering,
in een staat van tegenspoed of een staat van vergetelheid*
-ocr page 118-
112
Hij wil, dat wij uitwendig doen wat redelijk is, om
ons te verlichten of te rechtvaardigen; doch hij wil,
dat wij Hem loven, zelfs dan als onze pogingen
•vruchteloos zijn. Hij wil dat wij Hem altijd beminnen.
4.     God wil dat wij getrouio zijn in Hem te dienen
volgens onze krachten, eenvoudig onze plichten ver-
vullende van uur tot uur, zonder kommer voor het
uur, dat moet volgen, zonder onrust, omtrent het
verloopen uur. Hij wil vooral, dat wij op zijne on-
eindige barmhartigheid rekenen om ons te vergeven,
ons te helpen, en dat wij nooit in onrust leven.
5.     God wil dat wij geene grenzen stellen aan onze
zelfverloochening.
Zeggen wij dus nooit inwendig:
Nooit zon ik zulk een offer kunnen brengen! — nooit
zou ik die bediening kunnen aanvaarden\'
— nooit zou
ik mijzelve zoo kunnen opofferen !
Het is slechts eene
ziel zouder moed en zonder liefde, die zoo spreekt!
6.     God wil dat wij, alvorens onzen zin, onzen
smaak, onze bijzondere devotie te raadplegen, het bevel
onzer Overste volbrengen.
Aldus moeten wij een
begonnen gebed staken, de kapel verlaten voor een
werk, dat men ons oplegt, al zou het ons tegenstaan;
het uur onzer meditatie verzetten of verkorten, den
dag onzer Communie veranderen, ja, de H. Communie
yelfs achterlaten, wanneer onze Overste meent dit te
moeten vorderen. En, zoo een ontevreden woord of
eene klacht onze lippen ontsnapt, mogen wij zeggen
dat wij nog niet buigzaam zijn.
7.     God wil dat wij in zijne goddelijke handen,
of liever in de handen onzer Oversten, aan wie Hij
zijn gezag heeft toevertrouwd, volgens de woorden
der Heiligen zijn gelijk lammeren, die blindelings den
herder volgen, — zich laten geleiden zonder zich te
bekommeren waarheen, — die voortgaan of stilstaan
-ocr page 119-
113
zonder te vragen waarom. Gelijk een levenloos lichaam,
dat niets meer begeert, dat zich niet meer beklaagt,
dat in vrede blijft liggen, waar men het brengt.
Gelijk een stok, die zich laat dragen waar men
wil, zich laat gebruiken tot wat men wil. Met dit
onderscheid dat, zoo het lam, het lijk, de stok rede-
looze schepselen zijn, gij, die begrijpt, die denkt,
die ziet, die gevoelt, uw oordeel en uwe zienswijze
geheel moet onderwerpen aan degenen, die over u
gesteld zijn.
Lees de volgende bladzijden, geschreven door eene
ziel, gelijk gij aan God toegewijd. Op het eerste
gezicht zullen zij u toeschijnen als slechts geschreven
voor die uren van vurigheid, waarin het liefdevol
hart niets onmogelijk toeschijnt, maar langzaam over-
wogeu gedurende de meditatie, zullen zij u toeschijnen
als de plicht eener door de liefde aan God gewijde
ziel, die zich-zelve niet meer toebehoort en zich
buigt onder de vaderlijke hand van haren meester.
Zij zijn ook slechts de uitbreiding van het woord
van Jezus-Christus tot zijn Vader: Zie ik kom om
uwen wil, o God, te volbrengen.
(Hebr. X, 7, 9.)
Het is eene samenspraak tusschen Jezus en de ziel:
» Geeft gij mij, zonder voorbehoud eu voor altijd,
uw hart, uwe ziel, uwen geest, uwen wil, uw lichaam,
geheel uw bestaan en al uwe vermogens om er als
Opperheer over te beschikken, zonder dat gij eenig
recht behoudt op u-zelven?"
»Ja, Heer, door uwe genade, wil ik dit."
»Wilt gij u zoodanig aan mijn wil onderwerpen
dat niets op aarde in staat zij u terug te houden
dien te vervullen, van de kleinste zaken af tot de
moeielijkste toe, altijd verondersteld dat uwe Oversten
hiermede instemmen?
8
-ocr page 120-
114
»Ja, Heer, ik stem hierin toe, uit geheel mijn
hart; maar geef mij de genade van getrouw te zijn
aan uwen wil.
»Wilt gij alle smarten lijden, die ik wil dat gij,
hetzij in uw hart, uwen geest of uw lichaam lijden
zult?"
»Ja, Heer, ik stem hierin toe, doch ik wacht
van uwe barmhartigheid de kracht, die ik daartoe
noodig heb."
»Wilt gij alle inwendige smarten voor mij lijden:
bekoringen van allerlei aard, droefheid, walging,
verveling, troosteloosheid des harten, bedroefdheid
des geestes, vrees, angst, onrust, verlatenheid, dor-
heid, duisternis, opstand der natuur, zaken die u
zoo zeer verschrikken en die gij zoo moeielijk kunt
verdragen? Zeg mij, mijne dochter, wilt gij dat
alles voor mij lijden ?"
»Ja Heer, niettegenstaande den angst, dien mijn
hart gevoelt, wanneer ik er slechts aan denk; ja
Heer, ik stem er in toe en stel in u al mijne hoop."
»Wilt gij voor mij veracht, verstooten , beschimpt,
versmaad, geschandvlekt en als het uitvaagsel van
het menschdom beschouwd worden ?"
»Ja Heer, van ganscher hart wil ik dit."
» Wilt gij voor mij oneer, beleediging, beschimping,
mishandeling ondergaan door uwe beste vrienden, en
voor wie gij het meeste doet en het meeste lijdt?"
».Ta Heer, van ganscher hart."
»Wilt gij uwe heiligste ondernemingen en loffelijk-
sle begeerten als dwaasheid en uitzinnigheid hooren
bespotten?"
»Ja Heer, ik wil het, doch moge de misachting
alleen op mij en niet op U nedervallen.
»Wilt gij uw uitwendig en inwendig gedrag, hoewel
-ocr page 121-
115
door mij geregeld en bestuurd, zien veroordeelen,
afkeuren, belasteren, en door afgunst en kwaadwil-
ligheid met een waas Tan hatelijkheid overdekt zien ?"
»Ja Heer, mits ik onderworpen blijve aan mijne
Oversten; meer vraag ik niet."
» Wilt gij toestemmen u verlaten te zien door uwe
beste vrienden en door diegenen op wier steun en
trouw gij meendet zoo vast te kunnen rekenen?"
»Gij, die de geheimste vouwen mijns harten kent,
Gij, mijn goede Meester, ziet wat het op dit oogen-
blik lijdt; — nochtans, zoo dit uw wil is, zoo Gij
verlangt, dat ik dit uit liefde tot U lijde, o, dan
stem ik toe uit ganscher hart. Al wat ik U durf
vragen, o Heer, is mij altijd een geest van eerbied
te doen behouden voor mijne Oversten, een geest van
liefde
voor degenen, die mij niet liefhebben, en een
geënt van ootmoed om mijn eigen denkbeelden te
wantrouwen."
» Wilt gij die ondernemingen, die geheel tegenstrijdig
/.ijn aan de uwe, met een schitterend gevolg bekroond
zien, terwijl de uwe worden afgekeurd en veracht,
hoewel zij door mij zijn ingegeven?"
»Ja Heer, ook daarin stem ik toe, indien dit uw
aanbiddelijke wil is."
»Wilt gij voortdin-end, hetzij lichaams, — hetzij
zielsmart, hetzij droefheid des geestes, of wellicht
<üt alles samen verdragen?"
»Ja Heer, ik stem hierin toe."
»Wilt gij te midden van al die smarten, die ik u
heb opgenoemd, nog overladen worden met arbeiden
vermoeienis, van rust en voedsel, van troost en
gevoelige ondersteuning beroofd? Inéén woord, wilt
gij alle genoegen, alle vermaak, allen uitwendigen
en gevoeligen troost ten offer brengen?"
-ocr page 122-
116
»0 als ik U bezit, mijn Jezus, als ik in mij gevoel
en uitwendig toon; dat ik volkomen onderworpen ben
aan de leering der H. Kerk en het woord mijner
Oversten, wat behoef ik dan nog meer? Ja, ik wil
gaarne al het overige verliezen. »Zijt Gij daarenboven
niet imjfti Meester, en behoeft Gij mijne toestemming
te vragen. En indien ik zoo gulhartig toestem in
alles wat Gij vraagt, is dit niet, omdat ik weet dat
Gij mijn Vader zijt, en dat een Vader, zelfs dan als
Hij kastijdt, steeds goed is!"
Ziedaar de gesteltenis eeuer ziel, die God bemint
en buigzaam is in zijne hand, van eene ziel, die
zonder geestvervoering in de eenvoud van haar hart
ra                                          ra
zeggen kan met den H. Paulus: > Wie zal ons scheiden
van de liefde van Christus\'? verdrukking? of angst?
of honger? oj ontbering? of gevaren? of vervolging?
of kwaad.... Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch
leven , noch engelen , noch heerschappijen
, noch mach-
ten
, noch tegenicoordige, noch toekomende zaken, noch
sterkte, noch al wat hoogst of diepst is, noch eenig
ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde
Gods, welke is in ,Tezvs-Christus, onzen Heer!"
<Rom. VIII, 35, 38, 39.)
II.
Indien God uw meester is en u voor zijne dienst-
maagden
heeft uitgekozen, wil Hij zich van u bedienen.
Indien God zich van u wil bedienen, is Hij ver-
plicht ,
u alles te bezorgen wat noodig is tot het
werk, waartoe Hij u bestemt, en voor zoolang Hij
dit van u verlangt: verstand om het te begrijpen, —
sterkte om de vermoeienis, de verveling, den tegenzin
te kunnen weerstaan, — geestkracht om tot het einde
-ocr page 123-
117
te volharden, — geduld om den goeden uitslag eener
zaak te kunnen afwachten, en o niet te bedroeven
als deze slecht uitvalt, — geest van geloof, die alles
tot God terugvoert, enz.
Indien God zich van u bedienen wil, is Hij ver-
plicht
te zorgen voor uwe gezondheid en voor uwe
ziel, beiden in dien staat te stellen, die het nuttigst
is voor zijne glorie, en u zijne hulp nooit te weigeren.
Deze eenvoudige gedachte , godvruchtig overwogen
voor het H. Sacrament, vervult de ziel met vrede en
gerustheid en boezemt haar een groot vertrouwen in.
Meent gij dan dat, zoo God zag dat gij een dergelijk
werk niet kunt doen, Hij toe zou laten dat het u
werd opgelegd?
Meent gij dat zoo God zag dat dergelijke bediening
schadelijk ware voor uwe zaligheid, Hij toe zou laten
dat men u daarmede bekleedde?
0 zoo gij wist hoezeer God uwen Oversten gebiedt
u te beminnen, u te beschermen, u niet te overla-
den, te waken dat u niets ontbreekt naar lichaam
noch ziel! en hoe Hij zelf door bijzondere genaden
datgene aanvult wat uwe Oversten verzuimen voor
u te doen!
Wees wel overtuigd dat de wil Gods alles mogelijk
maakt wat Hij verlangt, omdat Hij, bij het bevel,
steeds de middelen voegt om het te volbrengen.
God zou onrechtvaardig zijn, indien Hij iets zou
uischen, waarbij Hij de middelen niet zou voegen,
om het te volbrengen.
Verontrust u derhalve niet, wanneer gij eenige
heldhaftige daden der heiligen leest, en zeg niet
lafhartig: »lk zou dit niet kunnen!" Zoo God ze u
vraagde, zou Hij u dezelfde kracht geven als eertijds
aan die heiligen.
i
-ocr page 124-
118
Meent gij dat zij van eene andere natuur waren
dan gij ? Zij waren inniger met God vereenigd en
gaven zich mei meer vertrouwen aan Hem over.
—
Ziedaar alles. —
Verontrust u niet, wanneer gij door eene zware
ziekte bedreigd wordt, of eeue zware vernedering of
eene andere smart voorziet. Indien God die ziekte,
die vernedering, die ramp toelaat, zal Hij u de
kracht geven om ze te verdragen, en, wat nog beter
is, de genade om u daardoor te heiligen. Indien
God, in zijne oneindige wijsheid, niet hadde voorzien
dat die beproeving u noodzakelijk ware, meent gij
dat Hij ze u zou hebben overgezonden? Blijft dan
in vrede onder zijne vaderhand, en laat God in u,
rond u, voor u werken gelijk het Hem behaagt.
Akïikkl 3.
Oofoniiijy <loi- liefïlo Gods.
De oefening der liefde, die wij God verschuldigd
zijn, is niets anders dan het naleven der woorden
van Jezus-Christus (Matth. XXII, 37. Mauci XII 30):
God beminnen uit geheel zijne ziel, uit geheel zijn
hart, uit al zijne krachten,
en boven alle dingen.
Deze woorden hebben eene zeer uitgestrekte be-
teekenis. Zij verplichten ons om God te erkennen
als Opperlteer van ons geheel bestaan, van al de
vermogens onzer ziel, van al wat deze vermogens
in en buiten ons kunnen voortbrengen, Hem altijd
de eerste plaats te geven boven al de genegenheden
waartoe ons hart bekwaam is. Wij zullen trachten
aan te tooneu, wat wij voor dien God, aan wieu
wij alles verschuldigd zijn, moeten doen.
-ocr page 125-
119
I.
êo3 fominncn io aan §od danken.
Aan God denken is de gedachte aan God immer
voor den geest of, beter, in ons hart hebben, niet
in zooverre dat er geene andere gedachten in onzen
geest zijn, maar dat de gedachte aan God steeds
èle andere gedachten beheersche, gelijk in het hart
der moeder de gedachte aan haar kind.
Op welk uur gij ook aan eene moeder zoudt vra-
gen: aan wie denkt gij? zou zij u onmiddellijk en
als instinktmatig antwoorden: aan mijn kind.
O de heiligen hadden slechts ééue gedachte: God,
God, en altijd God! — Hoelang blijft gij zonder aan
God te denken ?
vraagde de H. Chautal eens in kin-
derlijkeu eenvoud aan den H. Franciscus van Sales.
Bijna een kwartier, antwoordde de Heilige met nog
grooteren eenvoud.
1. Deze gedachte aan God bezielt ons, wekt ons
op, bemoedigt ons, verheft ons boven het stof!
God ziet mij, fluistert het hart; — en het werk gaat
beter van de hand, en het lijden wordt dragelijker.
God ziet mij: — en de gehoorzaamheid valt minder
zwaar, de armoede is minder pijnlijk, de bekoring
wordt moediger bestreden.
God ziet mij: — en de zelfopoffering, die begon
te verflauwen, herneemt haar vuur, en de lichaams-
kracht zelfs schijnt nieuwe sterkte te verkrijgen.
Ouder het oog van dien teederbeminden Vader,
wien men genoegen wil doen, van den Vader zoo
medelijdend met onze zwakheden en onze misslagen,
van den zoo toegenegen Vader, die zoo edelmoedig
-ocr page 126-
120
het minste vergeldt wat wij voor Hem doen, zoo
wel als het kleinste lijden, dat wij als uit zijne hand
aannemen; — hoe zou men zich door deze gedachte
niet bemoedigd en opgewekt gevoelen?
Op die wijze wordt onze meening zuiverder, en
nemen onze verdiensten aanmerkelijk toe.
Is datgene wat waarde geeft aan onze handelingen,
niet die voortdurende meening om aan God te ge-
hoorzamen , Hem te behagen , Hem te verhecrlijden ?
en wil de ziel, die aan God denkt, dit alles niet?
Hoe meer de gedachte aan Gods tegenwoordigheid
levendig is op aarde, zegt de H. Bonaventura, hoe
grooter onze vreugde in den hemel zal zijn.
En kan men aan God denken zonder dikwijls
akten van liefde te verwekken?
En is elke akte van liefde geene vermeerdering-
van Gods glorie, — een gevoel van geluk, dat den
hemel doorstroomt, — eene vermeerdering van genade
in ons en rondom ons, — eene vermindering der
smarten van de zielen in het vagevuur, — een terug-
houden van den arm Gods, gereed om de zondaars
te straffen?
2. Deze gedachte aan God geeft rust en vrede
aan onze ziel. Zij toont ons God altoos als Vader,
altoos goed, altoos medelijdend, altoos barmhartig,
altoos toegenegen. Zij toont ons God in onze be-
proeving,
die Hij afmeet naar onze kracht, —in de
droefheid, om onzen moed op te beuren, — in de
beslommering der aardsche zaken, om onzen drift te
matigen en ons zijne hulp zelfs voor tijdelijke zaken
te verleenen, ons troostende, als onze pogingen mi\'s-
Uk, — ons de hand toereikende, als wij vallen.
O zoete, o krachtige, o beminnelijke gedachte
aan God!
-ocr page 127-
121
En om er zich nog meer van te doordringen r
vermenigvuldigt de religieuze rondom zich den naam
van God
en het beeld van den gekruisten Jezus t
opdat deze naam en dit beeld hare blikken dikwijls
mogen trekken en haar aan God mogen doen denken.
Zij sluit een verbond met haren Engel-Bewaarder,
opdat hij haar, zoo vaak de klok slaat, kome zeggen:
Bemin uw God, die it zoo zeer bemint\'
3.     Die gedachte aart God door de gewoonte, en
beter nog door de genade in de ziel geprent, zet
haar aan, in alle gevaren tot Hem te vluchten.
Het is niet die natuurlijke kreet, mijn God! die
eene ziel ontsnapt bij verrassing of angst, maar de
overtuiging, dat zij werkelijk door God verdedigd en
beschermd wordt.
De religieuze spreekt met God over^lles wat haar
overkomt: zij is en blijft als het kind in het huis
baars vaders. Zij deelt Hem het verdriet mede, dat
men haar heeft aangedaan
, — de vergetelheid, waarin
men haar laat,
— de plannen, die haren geest door-
kruisen.
— » Wacht een oogenblik," zegde een Heilige,
wanneer men hem een raad vraagde, »ik zal gaan
raadplegen;" en hij knielde voor het H. Sacrament
neder, alvorens antwoord te geven.
Tusschen Jezus en de religieuze ziel moet eene
zoete en eerbiedige vertrouwelijkheid heersenen. Zij
is immers een lid van Gods huisgezin.
4.     Die gedachte aan God zou de religieuze altijd
voor oogeu willen hebben, gelijk de engelen en de
Heiligen in den Hemel; maar zij weet, dat dit zonder
eene gansch bijzondere genade onmogelijk is; en daarom
beeft zij met God eene overeenkomst gesloten, welke
zij wekelijks, wellicht dagelijks, vernieuwt door de
volgende woorden.
-ocr page 128-
122
»Mij 11 God, ik maak de nieening, om, zoo dikwijls
als ik deze week of dezen dag zal ademen, zooveel
akten van liefde te verwekken als de engelen en
Heiligen samen, en vooral als de H. Maagd Maria,
verwekt hebben."
»Ik maak de meening, om, zoo dikwijls als ik
de kapel zal binnentreden of mijne oogen een beeld
van den gekruisigden Jezus zullen ontmoeten, zooveel
akten van aaubidding en liefde te verwekken als de
engelen, die rond het Ii. Tabernakel zweven, over
geheel de uitgestrektheid der aarde, samen verwekken."
ȕk maak de meeniug, om, zoo dikwijls ik eenige
oefening van gehoorzaamheid zal doen, mij te ver-
eenigen met de akten van onderwerping, welke Jezus
gedurende zijn sterfelijk leven gedaan heeft en nog
doet in het H. Sacrament."
»Ik maak de meeniug, om, zoo dikwijls mij eenig
verdriet of tegenspoed overkomt, mij te vereenigen
met de smarten door Jezus en zijne EL Moeder
geleden ; en mocht een ontevreden woord of eene klacht
mijnen lippen ontsnappen of zich slechts in mijn hart
verheffen, zoo vei\'zaak ik daaraan reeds volkomen."
»Ik maak de meening, alles wat mij zal overkomen,
aan te nemen als komende van uwe hand, en neem
als recht vaardig, heilig en goed al de kruisjes aan,
die het U zal behagen mij over te zenden."
»Ik maak eindelijk de meeniug, o mijn God, om
van elk oogenblik van mijn leven eene akte te maken
van eerboete, van dankbetuiging en van eene zoo
volmaakte liefde als mij slechts mogelijk is."
-ocr page 129-
123
IL
§od beminnen i$ di&wiitï tot §od opte-fren.
Men moet tot God spreken door het mondgebed,
tot Hem spreken en naar Hem luisteren door het
inwendig gebed of de meditatie.
De liefde is niet tevreden met de tegenwoordigheid
van dengene, dien men liefheeft, maar wil er zich
ook mede onderhouden.
1. Verwek dau dikwijls verzuchtingen van eerbied,
van vertrouwen, van liefde en van vreugde!....
Doe de gebeden, welke de regel u voorschrijft, met
ernst en eerbied, doordrongen als gij zijt door de
tegenwoordigheid van God. Zeg ze langzaam, om
derzelver zoetheid te kunnen smaken. 0 hoe veel
troost, hoe vele vreugde, hoe vele kracht brengen
een langzaam gebeden Onze Vader, Akte van Hoop,
Akte van Liefde,
in de ziel!
Maak het teekeu van het heilig kruis, met de
gedachte, dat gij een slagboom opwerpt tegen de
bekoringen des duivels.
Begin zelfs het kleinste gebed niet, alvorens een
paar seconden in u-zelven te keeren, en u te zeggen:
Ik ga tot God spreken.
Deze uitwendige middelen oefenen grooteu invloed
fp de ziel uit. Zij behouden hare levenswarmte, en
vormen rond haar als een weefsel, dat de gods-
vrucht en den vrede der heilige gemeenschap in haar
houdt opgesloten.
De Heiligen namen gedurende het gebed steeds
o                            o                                  o
eene stichtende en ernstige houding aan.
De H. Theresia zegde tot den H. Johannes van
het Kruis, dat zij de gave van den eerbied voor God
-ocr page 130-
124
en voor de zaken van God ontvangen had, en dat zij
geen altaar of geen kruis kon zien, zonder in zich
een onbeschrijfelijk gevoel van vrede en inwendige
kalmte te ontwaren, die geheel hare ziel vervulden.
O, zegde de Heilige haar, bedank er God voor; het
is eene der grootste genaden, die Hij u doen kon.
2.     Doordring u wel van de gedachte dat, zoo vaak
gij dit woord »mijn God" uitspreekt, — dat als een
noodkreet is der ziel, —God u antwoordt: Hier ben
ik, mijn kind!
en indien gij stil ingetogen zijt, zult
gij op eenige wijze die goddelijke tegenwoordigheid
gewaar worden.
Verhef, op gezette oogenblikken gedurende het
koorgebed, uw hart tot God, u herinnerende, dat
gij voor Hem staat, tot Hem spreekt; doe dit bijv.
zoo dikwijls gij het Deus in adjutorium metim intende
— Gloria Patri — Per Dominum nostrum Jesum
Christum
— zegt; zoo dikwijls gij het woord » Deus"
ontmoet, enz.
3.     Heb vooral liefde voor het inwendig gebed. Dit
is eene der voornaamste bronnen van heiligheid voor
eene religieuze.
Al degenen, die harer roeping ontrouw zijn ge-
worden, hebben begonnen met het inwendig gebed
te verwaarloozen. Alle lauwe zielen maken geen het
minste werk om hare meditatie wel te doen. Ziel-
bestierders van ondervinding zesgen met volle over-
tuigiug eenparig, dat zij iedereen uitdagen, eene goede
religieuze aan te icijzen
, die geen meditatie doet, of
iemand, die werk maakt van de meditatie, en geen
goede religieuze is.
Ik heb er de treurige ervaring van opgedaan, zegt
de H. Theresia. Nadat ik het inwendig gebed eenigen
tijd verwaarloosd had, verviel ik in eene menigte
-ocr page 131-
125
misslagen en zonden, waarvan ik mij niet kon ont-
maken!... Het waren, wel is waar, geene zware
zonden; maar ik werd dagelijks minder godvruchtig,
en zou zeker verloren gegaan zijn, indien ik het
inwendig gebed niet hervat hadde.
Eene heilige Overste had de gewoonte, wanneer
zij eenige verslapping in eene zuster bemerkte, baar
te vragen: Hoe doet gij uwe meditatie1? en zij had
bemerkt, dat verslapping in het inwendig gebed steeds
verslapping in het gedrag ten gevolge had.
Het inwendig gebed, — ik zeg niet goed gedaan,
maar getrouw en vlijtig gedaan, — met eenige po-
gingen om het van dag tot dag beter te doen, hoewel
niet vrij van traagheid, zal wel niet alle zware fouten
doen vermijden, maar zal ten minste beletten, dat
men in staat van doodzonde verblijve.
» De overweging en de zonde kunnen niet tegelijk
»in eene ziel huisvesten," zegt de H. Philippus Nerius.
Een wel verricht inwendig gebed, voorbereid door
een dag, doorgebracht in Gods tegenwoordigheid,
een dag, waarop men zijn hart bewaard heeft voor
elke zinnelijke gehechtheid, zijn geest voor elk
lichtvaardig oordeel, zijne zinnen voor elk verboden
genot, zijne tong voor elk woord van spotternij, van
bedilling, van ontevredenheid; een inwendig gebed
voorbereid door nauwkeurigheid in het opstaan en
een vurig morgengebed: een inwendig gebed, waarin
men zich voorstelt —• heilig te worden en alle middelen
daartoe te zoeken
, — niets aan God te weigeren, —
zijn wil steeds inniger met Gods wil vereenigd te
houden;
zulk een gebed heiligt de ziel, geeft glorie
aan God, en toont duidelijk aan, dat de religieuze,
welke op die wijze haar gebed verricht, veel liefde
heeft voor God. Van zulk een gebed sprekende, zegde
-ocr page 132-
126
de H. Theresia: Eene ziel, die dagelijks een kwartier
meditatie doet, kan niet verloren gaan.
Van zulk een gebed sprak de II. Ignatius, toen
hij, ondervraagd zijnde omtrent hetgeen hij zou doen,
indien zijne Sociëteit ontbonden werd, antwoordde:
Ik zou een kwartier tiurs gaan bidden en er niet
meer aan denken.
Indien men de levens der Heiligen van allen staat
en stand nagaat, zal men verscheidenheid daarin
vinden in vele punten; in één punt komen zij allen
overeen: — de liefde tot het gebed.
III.
êo3 beminnen is van \'K&nx $r>iefoen.
Indien ons hart vol ware van God, gelijk het zijn
moet, geheel vervuld met het herdenken zijner wei-
daden en zijner liefde tot ons, wat zouden wij gaarne
vau God spreken!
1. Men moet van God spreken tot het kind, opdat
het God leere kennen en beminnen.
Hoeveel eer kan men God niet doen bewijzen door
Hem door die kleinen te doen prijzen en loven!
Zoo menig boosaardige legt er zich op toe om die
arme kleine wezens godslasteringen en slechte taal
te leeren, ten einde eerst hunne lipjes te bezoedelen
en later hun hart te bederven. AVij, die leden zijn
van de familie van God, wij moeten trachten, door
hetzelfde middel de beleediging te herstellen onzen
-ocr page 133-
127
"•oddelijken Vader aangedaan, door aan kleine kin-
tieren , al zouden zij het nog niet begrijpen, dikwijls
te doen stamelen: Mijn God, ik bemin U, omdat
Gij zoo goed zijt.
2.     Men moet van God spreken tot de armen,
opdat zij niet morren; en mogen we eeus eene
aalmoes uitreiken, zoo geschiede dit nooit zonder
dengene, die ze ontvangt, aan te bevelen God te
bedanken. De armen en ongelukkigen komen in
menigte naar de religieuze gestichten; hoewel ons
soms niet toegenegen, weten zij zeer wel, dat zij
nergens meer hulp vinden dan bij de religieuzen.
Trekken wij er voordeel uit, wanneer zij tot ons
komen, om God door hen te doen kennen en beminnen.
3.     Men moet van God spreken tot den zieke, ten
einde hem de hand Gods te toonen, die zijne ziel
geneest, door zijn lichaam te doen lijden. Veelal kost.
dit groote moeite, want er bestaat zooveel onkunde,
zooveel vooroordeel en vooral zooveel afschrik voor-
lijden en zooveel zinnelijkheid; maar de religieuze,
wier hart waarlijk vol van God is, zal zoetjes hier
en daar een woordje plaatsen, dat de verbittering
der ziel bedaart, en ten minste voor een oocrenblik
het oog ten Hemel doet keeren.
O gij, religieuzen, die geroepen zijt of om kinderen
op te voeden, of zieken ter dood te bereiden, door
ze in hunne ziekten op te passen, — bemint toch uwe
bediening; laat u niet ontmoedigen door de moeielijk-
lieden, de eentonigheid, de langdurigheid van het
werk; denkt dat gij God doet beminnen en dat gij
Hem bemint.
Laat u niet afschrikken, noch door de koelheid,
noch de onverschilligheid van degenen, voor wie gij
u opoffert, noch door hunne ondankbaarheid, noch
-ocr page 134-
128
door de weinige ondersteuning of bemoediging, die
ge in uwe omgeving vindt, noch door de vergetelheid
waarin gij leeft; denkt dat gij God doet beminnen
en dat gij Hem bemint.
4. Gij moet onder elkander van God spreken.
Eene zaak, welke dikwijls het hart der Heiligen
treft, is dat men zelfs in de religieuze gemeenten
zoo (veiuig van God en de goddelijke zaken spreekt,
gedurende de uren der recreatie en in den gemeen-
schappelijken omgang. Zeker behoeft de gedachte
aan Gods tegenwoordigheid ons niet koud en stroef
voor onze omgeving te maken. God, die den vogel
zijn welluidend gezang, der bloem hare schoonheid,
der vrucht het heerlijkst sap en den glimlach aan
\'s menschen lippen heeft gegeven, God verbiedt noch
een vroolijk gesprek, nocb een aangenaam verhaal,
noch een vriendelijk woord; maar Hij wil niet buiten
dit alles gesloten, noch als een onaangenaam indringer
in een hoek verstooten worden. God wil steeds deel
hebben aan het gesprek, zich daarin vertoonen en
zich er in mengen, door op zijne beurt te spreken.
In sommige gemeenten is eene der leden belast,
gedurende de recreatie, door een enkel woord, aan
Gods tegenwoordigheid te herinneren. Zij gaatzacht-
jes rond en laat alleen dit woord hooren: Sursum
corda! Het hart omhoog!
Wanneer men God oprecht bemint, gevoelt men
zich gelukkig altijd bij Hem te zijn, tot Hem te
spreken, dikwijls van Hem te spreken en nooit wordt
God ons tot last!
-ocr page 135-
129
IV.
§od t>cminne>n io all&s vzzmijdzn wat
Mem
&cm mishagen.
Welke religieuze wil koelbloedig iets doen, dat zij
weet aan God te mishagen?
Een vriend waakt op zijne woorden, op zijne
handelingen, op zijn gelaat zelfs, ten einde alles te
vermijden wat zijn vriend niet alleen kan beleedigen,
maar zelfs krenken. Ik wil dus, o mijn God, waken
over mjjn hart, mijnen wil, mijne neigingen, en vraag
u slechts dat Gij mij loaarschuwet.
Waarschuw mij, als ik op het punt sta dit licht-
zinnig boek in handen te nemen, waardoor ik mijn
tijd verlies, — of dat dagblad, waardoor ik aan mijne
plichten zou ontbreken.
Waarschuw mij, wanneer ik mij geneigd gevoel
eene medezuster te zoeken, met wie ik gesprekken
voer, strijdig tegen de zusterlijke liefde, — wie ik
mijne klachten en ontevredenheid mededeel.
Waarschuw mij, als ik op het punt sta aan de
stilzwijgendheid, de ingekeerdheid, de zedigheid te
ontbreken.
Waarschuw mij, als ik, om mij aan de verveling
te onttrekken, het gezelschap van wereldsche personen
wil opzoeken, — met opoffering mijner gebeden, langer
dan noodig is, in de spreekkamer wil verblijven, of
mijn geest bezig houd met ijdele hersenschimmen.
Het is in het vluchten dezer zaken, dikwijls
onschuldig in zich-zelven, doch die het Hart van
Jezus kwetsen, dat zich de liefde toont; — en de
religieuze, die getrouw wil blijven aan de beloften,
9
-ocr page 136-
130
die zij aan God gedaan heeft, neemt tot levensregel
deze woorden:
Nooit zal ik met vrijen wil de minste dagelijksche
zonde bedrijven.
Nooit zal ik ophouden te strijden tegen de driften
der natuur, wanneer deze mij aanzetten iets te doen,
dat strijdt tegen Gods wil.
Dit vluchten van al wat God kan mishagen, heet
werkdadige liefde en heeft drie trappen of graden.
De eerste, die noodig is ter zaligheid, bestaat in
liever alles te willen lijden dan God doodelijk te
vergrammen. De tweede, welker beoefening nood-
zakelijk is voor degenen, die, gelijk de religieuzen,
krachtens haren staat, verplicht zijn naar de volmaakt-
heid te streven, bestaat in elke voldoening op te offeren
die eene dagelijksche zonde ten gevolge kan hebben.
De derde graad, welken die religieuzen trachten te
bereiken, die de liefde begrijpen, die God haar heeft
bewezen door haar uit de wereld te roepen, bestaat
in zelfs de onverschilligste zaken uit zuivere liefde
tot God te verrichten, of wel datgene te doen wat
haar tegenstaat, om daardoor aan God een bewijs
van liefde te geven.
Zoo handelen oprecht brave religieuzen alle uren
van den dag, als zij, hoewel wetende, dat haar
regel niet op zonde verplicht, het minste punt niet
vrijwillig optreden.
Om u tot dezen derden graad te doen stijgen bieden
wij u eenige bemerkingen aan:
1.     Omtrent de gevolgen der dagelijksche zonde.
2.     Omtrent die fouten, waarin de religieuzen
lichtelijk vervallen.
-ocr page 137-
131
I.
Gevolgen der dagelijksche zonden.
Gij, zielen zoo dierbaar aan Jezus-Christus, die
wellicht de dagelijksche zonden zoo weinig vreest,
doordringt u wel van de volgende waarheden.
1.     Gedurende uw leven berooft eene dagelijksche
zonde u niet van de goddelijke liefde, — dit kan
alleen de doodzonde, — maar zij berooft uwe ziel:
Van eene genade, die God haar bereidde en haar
heeft moeten onttrekken; van eene genade, die
wellicht de eerste schakel was van eene aanéénscha-
keling van gunsten, die God uwer edelmoedigheid
had voorbestemd.
Van een graad glorie te meer voor de eeuwigheid,
thans voor altijd verloren.
Van een graad liefde te meer, waarmede het Hart
van Jezus haar wilde begunstigen en heeft moeten
terughouden.
Van eene kracht, die zij zou verkregen hebben
om eene nieuwe bekoring te wederstaan, — en die
zij nu zal missen, wanneer die nieuwe en sterkere
bekoring haar aan zal vallen.
Verschrikt u dit alles niet?.... Wanneer gij nu
verschillende malen per dag dagelijksche zouden
bedrijft, wanneer gij verscheidene malen per dag
van al die genaden beroofd wordt, o mijne ziel, hoe
zwak zult gij dan zijn als het avond wordt, hoe
arm en ellendig staat gij dan voor Gods oog?....
2.     Na uw leven zal elke dagelijksche zonde, die
gjj niet uitgewischt hebt door uw berouw, die gy
niet hersteld hebt door oprechte boetvaardigheid,
wellicht voor langen tijd het geluk, dat gij in Gods
-ocr page 138-
132
tegenwoordigheid zoudt genieten, vertragen. Zij zal
u in het Vagevuur eene smart doen lijden, die
geene nienschelijke taal kan uitdrukken, de smart
der liefde, die hare vlucht tot God neemt, en door
Hem wordt teruggestooten.
0 indien in de hel, daar waar God gehaat wordt,
de berooviug van God de ondragelijkste der smarten
is, wat moet dan in het vagevuur de ziel lijdeu, die
God bemint, naar God verlangt en smacht! Haar
lijden is niet de kwelling der wanhoop, maar wij
gelooven dat hare smart gevoeliger zal zijn.
3. En gedurende de eeuwigheid?... neen, die dage-
lijksche zonde, in het vagevuur geboet en voor altijd
vergeven, bestaat niet meer, maar hare gevolgen
zullen zich eeuwig doen gevoelen.
Zie, die minuut, waarin gij gedurende uw leven
eene dagelijksche zonde bedreeft, hadt gij kunnen
heiligen door eene akte van liefde, de genade zette
u aan om weerstand aan de bekoring te bieden; en
die weerstand uit liefde, o hoe aangenaam ware die
geweest aan Gods Hart!
Die akte van liefde zou u gedurende de geheele
eeuwigheid
eene vreugde verschaft hebben, die ge
nooit, nooit zult gevoelen; die akte van liefde zou
u voor alle eeuwigheid eene uitstorting van Gods
teederheid verkregen hebben; en dat bewijs van
teederheid, waarvan de minste uitstraling de engelen
verrukt, nooit, nooit zult ge dit gevoelen. Is het
niet waar, dat deze eenvoudige bemerkingen omtrent
de gevolgen der dagelijksche zonde een diepen indruk
maken ? Wij noemen die zonde licht in vergelijking
met de doodzonde; doch zij strijdt zoodanig tegen
Gods heiligheid, dat de godgeleerden niet aarzelen
te zeggen, dat, wanneer wij voor immer de hel
-ocr page 139-
133
zouden kunnen sluiten, — al de zieltjes uit het
vagevuur zouden kunnen verlossen, — al de menschen,
die op aarde leven, zoo heilig konden maken als de
HH. Apostelen Petrus en Paulus — door den minsten
leugen — wij dit niet zouden mogen doen, want de
glorie van God zou meer lijden door dezen leugen,
dan zij zou winnen door al het goede, dat wij zouden
kunnen doen.
Moge dit ons aanzetten om niet alleen de dage-
lijksche zonden te vermijden, en die, welke wij bedreven
hebben, te boeten, maar ook om die treurige oogen-
blikken, waarin wij ze bedreven hebben, te herwinnen
door eene vermeerdering van liefde tot God en toe-
wijding tot onzen evennaasten, waardoor wij in den
hemel al het geluk en de liefde zullen mogen weder-
vinden, door God voor ons weggelegd.
»Neen," zegt de H. Theresia, »ik zou door geene
enkele vrijwillige fout den minsten graad van Gods
bezit gedurende de eeuwigheid, willen verliezen."
2.
Voornaamste fouten, waaraan de Religieuzen
zich gemakkelijk overgeven.
1. De traagheid in de godsdienstoefeningen.
Deze traagheid is oorzaak dat wij onze godsdienst-
plichten nalaten, verkorten , met slordigheid, met
verveling, met verstrooidheid, zonder vurigheid, in
eene achtelooze, soms onpassende houding verrichten.
-ocr page 140-
134
Deze fout is ernstiger dan men denkt, niet omdat
deze traagheid in zich-zelve eene doodzonde is, — maar
omdat zij ons berooft van eene werkelijke genade,
zonder welke wij krachteloos zijn, wanneer het er
op aankomt den duivel weerstand te bieden en onze
plichten te vervullen. Wee der religieuze, die hare
traagheid niet weet te overwinnen, wanneer het teeken
voor de geestelijke oefeningen wordt gegeven!
2.     De zinnelijke genegenheid.
Deze fout is zeer algemeen en wordt nauwelijks
als eene fout beschouwd. Eene religieuze moet gereed
zijn om, op het eerste bevel en zonder inwendigen
strijd, personen, die zij bemint, te verlaten, en zich
van deze te verwijderen, zonder de ontroering, die
zij gevoelt, te laten zien. Indien zij niet in deze
gesteltenis is, zijn hare genegenheden nog niet zuiver
en hebben zelfs iets ongeregelds. O, welk een nadeel
berokkent aan eene religieuze de minste zinnelijke
genegenheid! De H. Theresia zag eens de plaats
die zij in de hel gekregen zou hebben, hadde zij
niet volkomen gebroken met eene ongeregelde vriend-
schap voor personen in de wereld.
3.     De drift en het ongeduld.
Vrijwillig lang ontevreden blijven, —lang nadenken
over eene beleediging, die men ontvangen heeft,
daarbij gevoelens van verontwaardiging en toorn
koesteren, de ontroering der ziel toonen door een
verstoord gelaat, door bittere en scherpe woorden,
— door een vrijwillig gekoesterd gevoel van afge-
keerdheid, — het ontmoeten van deze of gene zuster
vermijden, — driftig eene medezuster terugzenden, die
tot ons komt, omdat zij ons niet bevalt, — niet
-ocr page 141-
135
kunnen dulden dat eene zuster langzaam is in hare
handelingen, — dat eene andere niet dadelijk doet
wat wij zeggen: ziedaar zaken, die God mishagen,
omdat wij tegen Jezus-Christus zelven doen, wat wij
tegen onzen naasten misdoen.
4. Gemakzucht en zinnelijkheid.
Er zijn religieuzen die overal, en in alles haar
gemak zoeken en zich in niets willen versterven.
Cel, kleederen, voedsel, alles moet zijn gelijk zij het
wenscheu
, en zij wenschen dit in alles gelijkvormig
aan hare eigenliefde en zinnelijkheid. Geeft men
haren grillen, die zij als wezenlijke behoeften voor-
stellen, niet toe, dan morren en klagen zij of blijven
stilzwijgend, treurig en ontevreden zitten. Dergelijke
zusters zijn een kruis voor de gemeente en de kwei-
geesten harer Overste. Neen, zoolang zij zich niet
leeren opofferen, zullen zij nooit God beminnen gelijk
het behoort.
5. De spotternij en kleine kwaadsprekendheden.
De eigenliefde maakt ons spotziek, — doet ons
de fouten, de gebreken, de belachelijkheden, het
moeielijk karakter, de ruwe manieren van anderen
bespreken, — lokt bittere aanmerkingen uit, — haalt
een woord op, dat anderen ontsnapt, — en spaart
zelfs de bedoelingen niet. De religieuze, die aldus
handelt, mag gerust aan den vrede des harten en
de ingekeerdheid verzaken.
6. De praatzucht.
Er zijn weinig religieuzen, welke deze fout niet
meer of minder te betreuren hebben. Zij die in
groote mate daaraan onderhevig zijn, zijn des te
-ocr page 142-
136
meer te beklagen, omdat zij zich daaraan niet schuldig
wanen. De religieuze, die hare tong niet weet te
breidelen , mag vrij verzaken aan den geest des gebeds
en de liefde Gods.
Zij verzamelt al wat zij hoort zeggen, — al wat
zij ziet, al wat zij hoort. Zij vertelt aan deze, wat
gene van baar gezegd heeft. Zij heeft wellicht geene
kwade bedoeling en wil slechts de behoefte tot praten
voldoen, — maar hoeveel kwaad doet zij zonder er
slechts aan te denken! Zij verwekt argwaan, —
verbittert de harten, — doet afgekeerdheid ontstaan,
— vernietigt langzamerhand den geest van eendracht
en liefde, — maakt zich gewoon alles verkeerd uit
te leggen, — spaart zelfs hare Oversten niet, —
bereidt zich zware straffen voor de eeuwigheid.
7. De ijdelheid en hoogmoed.
Deze zonde wordt op ontelbare wijze bedreven.
Dan is het ijdel zelfbehagen, waardoor wij ons gaarne
met ous-zelven bezig houden en uren verliezen met
in onzen geest datgene wat wij onze verdiensten
gelieven te noemen, te overdenken. Dan is het de
overtuiging van eigenwaarde, die ons minachting
inboezemt voor anderen, en ons doet meenen dat,
hadden wij hare bediening, wij oneindig beter zouden
doen. Diezelfde overtuiging doet ons eene aanmer-
king van onze Overste of onzen biechtvader kwalijk
nemen, in de valsche veronderstelling, dat zij ons
niet begrijpen. Dan weder is het een verlangen om
geacht en gewaardeerd te toorden
, dat ons den lof
der mensenen doet zoeken, ons gelukkig maakt als
wij gevleid, — treurig als wij vermeenen vergeten
te worden, — en zelfs zoo ver gaat van goedkeuring
-ocr page 143-
137
te bedelen. Deze zonde is genoeg om de vrije uit-
storting van Gods genade terug te houden, — en
God te verplichten zich terug te trekken: want »Hij
geeft zijne genade aan de ootmoedigen, en iceerstaat
den hoovaardigen."
(I Petri V, 4.)
V.
§od fominnew ii> a-ftij-3 doen •wat
Item
•C\'e^aacit.
Ik zal trachten God niet te mishagen: ziedaar het
besluit eener ziel, die meer vrees dan liefde heeft.
Ik zal trachten God in alles te behagen: ziedaar het
besluit eener codminnende ziel.
God behagen is, met al de volmaaktheid, waartoe
men in staat is, datgene doen wat God gebiedt, wat
God aanraadt, wat God gaarne heeft.
Het is den geheelen dag goede werken verrichten, dat
wil zeggen, werken verrichten op voorgeschreven tijd,
volgens voorgeschrevene wijze, met het inzicht om God
te verheerlijken.
Dit zijn of onze dagelijksche, gewone
werken, die iedereen verricht, zooals de maaltijden,
de uitspanningsuren, de slaap, de arbeid enz.,—of
wel de werken door de dagorde, den regel, een
bijzonder bevel van onze Overste of door de liefde
voorgeschreven, — of nog die, welke wij volbrengen
in de eenzaamheid onzer cel met God alleen tot
getuige, — of die, welke de orde en de zindelijkheid
in huis vorderen, waarvan ieder voordeel trekt, doch
waarvoor niemand ons ooit dank zal wijten.
-ocr page 144-
138
God behagen is nooit aarzelen wanneer zich de
gelegenheid aanbiedt God te verheerlijken of onzen
evennaasten te helpen. Laten wij God beminnen,
zegt de H. Vincentius van Paulo, maar ten koste
van onzen arbeid, in het zweet des aanschijns.
Sommigen vergenoegen zich met gevoelens van
liefde in zich op te wekken; doch als er sprake is
voor God te werken, te lijden, zich te versterven,
de armen te onderwijzen, het verloren schaap te
gaan opsporen, de armoede te beoefenen, ziekte of
vernedering met liefde te aanvaarden..... dan is er
niemand meer!....
Aan God behagen is, al zijne werken eenvoudig,
blijmoedig, zonder kwelling des geestes, en zonder
die gedurige vrees verrichten: ik doe niet wat ik zou
kunnen doen,
— wat ik doe valt nooit goed uit, —
ik kan nooit iemand tevreden stellen.....
Een ziel, die aan God zoekt te behagen, is altijd
tevreden, niet uit eigenliefde, maar door de liefde
tot God, die in haar hart woont. Zij weet dat God
al hare inzichten, hare pogingen, hare zwakheden,
haren strijd, hare geringe bekwaamheid, hare zorg
om zich nuttiger te maken, ziet..... en zij zet haar
werk stil en bedaard voort, dan zelfs als zij er niet
de minste voldoening van heeft.
God behagen is God niets weigeren, — dit bestaat
niet in het opvolgen der ingevingen, die wij zoo schit-
terend en dringend in ons meeneu te ontwaren en
die veelal slechts zinsbegoochelingen zijn, — maar in
te doen al wat ons gevraagd wordt door onzen Kegel,
onze Overste, onze bediening, de liefde of de ge-
dieustigheid; alles wat ons meer buigzaam maakt
in de handen onzer Oversten, lieftalliger jegens onze
medezusters, nuttiger tot het doel onzer instelling.
-ocr page 145-
139
De religieze, die aldus aan God zoekt te behagen,
zal nochtans menige moeielijkheid ondervinden, —
vermoeienis der ledematen, verzwakking in hare
geestvermogens, — onmacht om langer te arbeiden,
de vernedering niet meer nuttig te kunnen zijn; —
maar wijl zij nooit heeft overdreven, noch in haar
gedrag, noch in haar werk, wijl zij gedaan heeft wat
men haar bevolen heeft, verontrust zij zich niet. Zij
weet dat alles door God beloond zal worden; en al
zou haar eenig onbillijk verwijt toegevoegd worden,
toch houdt zij hare ziel in vrede, zonder te morren,
noch te klagen.
VI.
êo3 Geminnen ii> -6ti and&zcw ve-znietiae-n
•wat m&n weet aan §od te misnaa&n.
Het is vooral de zonde, die aan God mishaagt,
en de godminnende ziel verlangt vurig, dat er nooit
eene enkele zonde bedreven worde. »A1 degenen, die
God oprecht beminnen, zegt de H. Alphonsus, bidden
en werken onophoudelijk voor de arme zondaars;
want, hoe is het mogelijk God te beminnen en de
liefde te zien, die Hij der zielen toedraagt, — te
overwegen wat Christus voor haar geleden heeft en
de begeerte, die Hij heeft om haar zalig te maken, —
en onverschillig te blijven bij het zien van zooveel
ongelukkigen, die verloren gaan?"
»Ik gevoel, zegt de H. Theresia, dat ik gereed zou
zijn duizendmaal het offer van mijn leven te brengen
-ocr page 146-
140
om eeue enkele ziel te verlossen van de zonde of
van de eeuwige verdoemenis, waarin de zonde haar
gestort heeft."
»Indien de Heer mij, zooals aan den H. Thomas
van Aquina?, vraagde, welke belooning ik van zijne
goedheid vraag, schreef de H. Magdalena van Pazzi,
zou ik antwoorden: Heer, dat men U niet meer
beleedige.
1.     Hieruit ontstaat de ijver voor de zaligheid der
zielen.
Dit is om zoo te zeggen de gronddag der
religieuze deugd. »God heeft mij dien dorst naar de
zaligheid der zielen gegeven, zegt de H. Theresia,
en wanneer ik de levens der heiligen lees en de
verhalen van den apostolischen arbeid van diegenen,
welke aan God nieuwe aanbidders verkregen en den
hemel met uitverkoornen verrijkt hebben, gevoel ik
meer aandoening en meer naijver, dan wanneer ik
al de pijningen lees der martelaren."
Volgens mijn inzien hecht onze Heer meer waarde
aan eene ziel, die wij voor Hem gewonnen hebben,
door onze gebeden en onze pogingen, vereenigd met
zijne barmhartigheid, — dan aan alle diensten, die
wij Hem zouden kunnen bewijzen.
2.     Een ijver, die bidt om genade van bekeering
voor de arme zondaars, om volharding voor de brave
zielen. Denkt er wel aan, vrome en heilige reli-
gieuzen; terwijl gij bidt, terwijl gij onbewegelijk in
uwe overweging zit, wederhoudt gij den straffenden
arm van Gods rechtvaardigheid, — trekt gij uit Gods
Hart genaden van barmhartigheid, — verkrijgt gij dat
iemand, op het punt eeue doodzonde te bedrijven,
tot inkeer komt, — verkrijgt gij voor een stervende
de genade van berouw en hoop. Indien wij, zegt
de Éerw. P. Faber, eiken avond alvorens ons ter
-ocr page 147-
141
ruste te begeven, de H. Maagd bidden, het dierbaar
Bloed van haren goddelijken Zoon aan God op te
offeren, ten einde daardoor eene doodzonde gedurende
dien nacbt te beletten, — indien wij ditzelfde gebed
\'s morgens herhaalden voor alle uren van den dag,
zou zulk eene offerande, door zulke handen gedaan,
zeker God behagen, en de verlangde genade verwer-
ven; — en hoeveel doodzonden zouden wij op die
wijze, gedurende een jaar niet beletten!....
Veronderstellen wij eens, dat duizend religieuzen
deze offerande vernieuwen en daarin twintig jaar
volharden, welk een onnoemelijk getal doodzonden
zonden zij belet hebben, welke vreugde zouden zij
het Hart van Jezus bereid hebben, zonder nog te
spreken van hare eigene verdiensten!
3. Een ijver, welke de brave zielen behoedt —vooral
de zielen der kinderen — tegen de verleiding der ijdel-
heid, der pracht, der lichtzinnigheid — der ongods-
dienstigheid, der slechte boeken, der zinnelijke liefde.
Ziehier een gebed van een kloosterling, belast met
het onderwijs der jeugd Moge dit ook het gebed
van elke religieuze zijn.
»Ik dorst, o mijn God, ik dorst naar zielen ter
uwer liefde Ik ben gereed alles te geven, alles op
te offeren, alles te lijden, om zielen voor U te winnen.
»0 gij teederbeminde zielen, door het bloed van
mijn Zaligmaker vrijgekocht, kom en geeft u aan
mijn brandend verlangen over. Komt dien gekrui-
sigden God omarmen, dien ik «aanbid en bemin ! Komt
en schaart u allen onder de banier van zijn heilig kruis!
»Om dit geluk voor u te verkrijgen, heb ik mijn
vaderland, mijne bloedverwanten, alles wat mij op
aarde dierbaarst was, vaarwel gezegd; doch als ik
uwe zielen kan winnen en die met mij ten hemel
-ocr page 148-
142
mag voeren, dan heb ik niets geleden, niets gegeven,
dan tel ik al mijn lijden niet, en al mijne opofferingen,
worden mij tot eene bron van vreugde en geluk!
»Dan is het heelal mijn vaderland, omdat het
heelal het rijk der liefde is.
»Als ik slechts zielen voor Jezus kan winnen, dan
ken ik geen ballingschap meer!
»Heer, ontneem mij alles, doch geef mij zielen!"
4.     Een ijver, die rust, tijd, kracht, alles opoffert
om eene arme ziel ter hulp te komen, die zich van
God verwijdert. De H. Iguatius, eens met Pr. Lainez
sprekende, vraagde hem : Wat zoudt gij doen als men
u op dit oogenblik kwam zeggen: »Indien gij nu wilt
sterven, schenk ik u den Hemel; maar wilt gij blijven
leven om nog langer voor mij te werken, verzeker
ik u uwe zaligheid niet,
doch zal u dan oordeelen
volgens den staat, waarin gij u bevindt. »Wat zoudt
ge kiezen?" »Miju Vader, antwoordde Lainez, ik beken
dat ik den zekersten weg zou kiezen en ik zou vragen
om te sterven." — »Dat zou ik niet doen," hernam
de H. Iguatius; »zoo ik meende de glorie van God
in iets te kunnen bevorderen, zou ik vragen om nog
langer te leven; want hoe zou ik kunnen vreezen
verworpen te worden, omdat ik de belangen van God
meer dan de mijne bevorderd heb? Laat anderen
denken wat zij willen, nooit zal ik iets dergelijks
gelooven van een zoo goeden, zoo getrouwen, zoo
edelmoedigen Meester."
5.     Een ijver, die zich als slachtoffer aanbiedt voor
de zaligheid van anderen. » Lijden, werken, bekeeren,
ziedaar al wat ik begeer," schreef een heilig missio-
naris. Dit is ook de begeerte van elke religieuze
ziel. Er is geene gedachte zoo troostend en opwek-
kend als deze: »Hoe ellendig, hoe gering ik ook
-ocr page 149-
143
ben, kan ik, dank aan mijne H. Professie die mif
meer met Jezus-Christus vereenigt, en mij deelachtig
maakt aan de verdiensten van zijn H. Lijden, door
mijne gebeden, mijne gehoorzaamheid, het geduldig
verdragen van de moeielijkhedeu des levens, eene
doodzonde beletten! Door deze gedachte bezield,
gehoorzaamt, lijdt, werkt, bidt, offert en zwijgt de
godminnende ziel; zij begrijpt dat zij, aldus hare
levensdagen verterende, in het midden eener bedorven
wereld staat, gelijk eene vaas, waaruit onophoudelijk
de geurigste wierook opstijgt, die de verpeste lucht
zuivert.
VII.
§od beminnen i$ niets witten dan
wat êo3 wit, en tevzeden &>iin
met attes wat §od toetaat.
Wanneer men iemand teederlijk bemint, twijfelt
men nooit aan zjjn woord. Al wat hij zegt, wordt
zonder achterdocht aangenomen ; al wat hij doet, wordt
zonder voorbehoud goedgekeurd.
Ziedaar den staat, waarin de religieuze leeft, die
God bemint. Zij weet met volkomen zekerheid dat
haar vertrouwen in de wijsheid, de macht, de goed-
heid van dien God, aan wien zij zich gegeven heeft,
niet beschaamd kan worden; en daarom zegt zij met
de geestdrift der Heiligen: Al zou God mij dooden,.
nog zou ik Hem beminnen.
Al zou ik niets begrijpen
-ocr page 150-
144
van Gods handelingen, al zou mijn kortzichtig verstand
mij eene onbillijkheid doen zien in wat God toelaat,
altijd zal ik zeggen: wat God doet, is goed, rechtvaardig,
volmaakt, en altijd voor mij-zelve het nuttigst.
O welk eene bron van vrede en vreugde is die
volkomen overgeving in den heiligeu wil van God!
1.      Willen iaat God wil is niet alleen zich zonder
tegenzin, maar zelfs met liefde, blijmoedig aan al
de gebeurtenissen des levens onderwerpen, aan voor-
of tegenspoed, aan gezondheid of ziekte, aan eer of
verachting, aan overvloed of armoede, aan de liefde
der schepselen of de verachting onzer vrienden, aan
een smartvol, vergeten, onbekend leven of den dood!
al deze dingen heeft God aldus voorbereid en beschikt,
hetzij om in ons een gebrek uit te roeien of eene
deugd aan te kweeken, in één woord om ons te heiligen.
Dit wil niet zeggen dat wij in onze daden de werk-
zaamheid en voorzichtigheid uit het oog moeten ver- J
liezen, maar wij moeten ze nooit afscheiden van den \\
wil van God
en Hem den uitslag toevertrouwen.
2.     Willen iaat God teil is ons gelukkig gevoelen
bij die personen, waarbij de Voorzienigheid ons geplaatst
heeft. Haar karakter, hare opvoeding, hare hoedanig-
heden, hare gebreken, hare denkwijze, hare wijze
van handelen, van zich te gedragen, van te spreken,
van te doen, dit alles moge ons tegenstaan, wij moeten
toch immer denken dat God dit alles wist, toen Hij
ons daar geplaatst heeft, en dat Hij dit gedaan heeft
om ons het geduld, de nederigheid, de liefde te doen
beoefenen. Het zij ons genoeg te lijden, te zwijgen,
ten minste met den xoil degenen lief te hebben, die
ons beproeven, haar niet te toonen hoeveel zij ons
doen lijden, en God te loven: hierdoor zullen wij
groote schatten voor de eeuwigheid vergaderen.
-ocr page 151-
145
:3. Willen wat God teil, is stil werkzaam blijven
in de bediening, die ons is toevertrouwd, en in het
huis, waarin de Voorzienigheid ons geplaatst heeft.
God weet wel waar wij zijn; en wijl Hij ons daar
geplaatst heeft, zal Hij ons geven wat noodig is, om
ons-zelven of anderen te heiligen ; als wij onze zending
volbracht hebben, zal Hij ons van onze bediening ont-
slaan en ons elders zenden. Blijven wij dus op onzen
post, de eenige plaats op dit oogenblik waar wij den
Hemel kunnen verdienen; blijven wij daar in vrede
en met vertrouwen, dan zelfs als het ons toeschijnt
dat ons werk volkomen nutteloos is.
Zetten wij dit werk voort, ons door de gehoor-
zaamheid opgelegd, hoe zwaar, hoe tegenstrijdig ook
aan onze natuur. De engelen des Hemels, die bij
God zulk een groot geluk genieten, zouden gaarne
dit werk, dat ons zoo lekenstaat, komen verrichten,
indien zij wisten, dat dit de wil van God is; zij
zouden met liefde komen, en zoolang blijven als God
het zou wenschen. Doen dit ook onze Engelbewaarders
niet? Blijven zij niet jaren en jaren bij onwetende,
ruwe, slechte menschen? Blijven zij niet bij god-
lasteraars? O! indien zij slechts naar hun verlangen
luisterden, met welken snellen wiekenslag zouden zij
tot U wederkeeren, o mijn God! maar Gij wilt dat
zij daar blijven, en zij zullen daar blijven zoolang
Gij het zult willen.
4. Willen wat God teil, is zich aan geen enkele
ongerustheid overgeven, noch omtrent het verleden,
noch omtrent de toekomst. — Het verleden is thans
in Gods hand; het is er, helaas! wellicht met al
deszelfs fouten, verzuimenissen en traagheid; maar
wij kunnen dagelijks aan God onze moeielijkheden
en beproevingen, onze onderwerping, en vooral onze
10
-ocr page 152-
146
liefde opdragen, opd.it het zijne oneindige barmhar-
tigheid behage, daarmede goed te maken wat het
verleden gebrekkigs heeft Eenmaal zullen wij dan
dat treurig verleden gezuiverd en schitterend terug-
vinden , dank aan de verdiensten van Jezus-Christus,
die God aan onze boetvaardigheid heeft toegevoegd.
De toekomst... wellicht zal er voor ons geene toekomst
meer zijn, waarom ons er over bekommeren? Laat
God die voor ons bereiden; toeext niet bekommerd
voorden dag van morgen.
(Matth. VI, 34.) Genieten
we in vrede het tegenwoordig uur, dat God ons
geeft; gebruiken wij het zoo goed mogelijk in rust,
in vrede, in liefde.
Willen xcat God wil, is in onze godvruchtige oefe-
ningeu noch de zoetighedeu, noch de vertroostingen,
noch de voldoening des harten zoeken, doch rustig
ons gebed, onze meditatie, onze Communiën verrichten
in dien staat, waarin het God behaagt ons te laten.
Waarom iets anders willen, dan het vervullen van
onzen plicht? Waarom ons verontrusten en ous ver-
bitteren, als deze plicht ons moeielijk valt? Wordt
hij juist dan niet met meer liefde vervuld en zal
hij dan later niet rijker beloond worden?
Willen wat God ivil, is altijd, in alles, voor alles
dit zoo eenvoudig woord herhalen : » God zij geloofd."
Zeggen wij dit uit den grond des harten, somtijds
ook met den mond. De H. Franciscus van Sales heeft
dit woord gekozen tot leus der religieuzen der Visi-
tatie. Men vindt het aan het hoofd van eiken brief,
dien zij schrijven, op eiken muur van haar klooster.
Men hoort het in de spreekkamer, zoodra eeue
religieuze het gesprek begint, en haar welkomstgroet
is dit zoete woord » God zij geloofd!"
Moge het ook het lievelingswoord zijn van elke
-ocr page 153-
147
religieuze! het is eene kreet der dankbare ziel, die
God voor alle genaden, doch vooral voor die harer
heilige roeping, dankt; — het is een goedkeuren van
al wat God toelaat, van alles wat God overzendt; —
het is een aannemen van den toestand, waarin God
haar laat, van de vreugde, die Hij overzendt, van
het verdriet dat Hij toelaat;—het is het stamelen
van hetzelfde woord, dat zij in alle eeuwigheid zal
uitgalmen: »God zij geloofd!"
VIII.
So3 beminnen, \\i> in ai(& z><xk.e,n op
3Cem v&zfaouwcn.
Wanneer men bemint en bemind wordt, leeft men
in vrede onder de bescherming van degenen, die
men bemint.
En gij, religieuze ziel, gevoelt gij u niet bemind,
bemind door dien God, wiens almacht, goedheid en
wijsheid u bekend zijn?
Wie werd meer dan gij door God bemind? Herlees
nog eens wat wij gezegd hebben van zijne goedheid
om u te roepen, n af te wachten, u te zoeken, u te
vergeven,
u in zijne armen te ontvangen, — eene
goedheid, waarvan gij dagelijks de bewijzen ontvangt,
daar Hij u bij zich behoudt, u met zorgvuldigheid
hewaakt,
u met licht en genade omringt, zich aan
u geeft in de H. Communie en u zijne goddelijke
tegenwoordigheid doet gevoelen!
Waarom zoudt gij niet altijd juichen, beschermd
•" gy zijt door het beminnend Hart eens Vaders?
-ocr page 154-
148
Zeker hebt gij Hem niet altijd gehoorzaamd, zeker
hebt gij Hem beleedigd; doch gij weet wel, dat Hij
u vergeven heeft!
» Wanneer de duivel, om mij vrees aan te jagen
en mij te ontmoedigen, mij het ontelbaar getal mijner
misslagen voor oogen komt stellen," schreef eene
religieuze, »dan zeg ik: Het is waar, ik ben zeer
schuldig geweest; maar God is nog veel barmhartiger
geweest, en Hij heeft mij alles vergeven, omdat Hij
het oprechte berouw gezien heeft, dat ik over mijne
zonden had, toen ik ze aan den priester beleden heb."
»Wanneer de duivel mij komt kwellen met de
vrees, dat ik slecht gebiecht heb, zeg ik: Neen, dat
zou God niet toegelaten hebben, ik meende het te
oprecht."
«Wanneer de duivel mij vrees aan komt jagen, door
de gedachte, dat ik verloren zal gaan , zeg ik: Neen,
dat is niet mogelijk; dan zou ik God moeten haten,
en ik gevoel dat ik Hem bemin en Hem altijd zal
beminnen."
Ja, God toegewijde ziel, gij zult altijd uw God
beminnen! Wees gerust op uwe zaligheid.
Hij is niet ontrouw aan zijn woord, Hij die u het
honderdvoud hier beneden , en hiernamaals het eeuwig
leven beloofd hebt.
Hij is niet ondankbaar, Hij aan wien gij u geheel
gegeven hebt.
Hij is niet onuecoelig, Hij voor wien gij vader
en moeder verlaten hebt, die u zoo teeder liefhadden.
Hij is geen dwingeland, Hij voor wien gij van
den morgen tot den avond werkt, met opoffering uwer
vrijheid om zijnen wil te volbrengen, met opoffering
uwer krachten om Hem te doen kennen en beminnen.
Vertrouw dan op Hem, wanneer gij ziek zijt.
-ocr page 155-
149
Hij zal kracht naar kruis geren, en uwe ziel
zuiveren door de smarten van uw lichaam
Vertrouw op Hem, wanneer gij u gedrukt, bedroefd,
verlaten, wanneer gij u eenzaam zult gevoelen als
in eene woestijn! Hij zal bij u zijn, om u door
zijne genade te ondersteunen, in uwe worsteling tegen
bekoring en moedeloosheid; Hij zal uwe kracht ver-
dubbelen en uwe kroon bereiden.
Vertrouw op Hem in alles en altijd. Eene moeder
kan haar kind vergeten, maar ik, uw Heer en God,
ik zweer, dat ik nooit eene getrouwe ziel verlaten zal.
Wanneer de ziel zich wel doordrongen heeft van
het denkbeeld, dat God haar Vader is, zegt P. Faber,
dan neemt het leven een geheel ander uitzicht aan.
Als wij werken, is het onder het oog van onzen
vader, — als wij ons vermaken bemoedigt ons zijn
glimlach, — dan gaat er geen dag voorbij, waarop
wij geen trek zijner vaderlijke goedheid ontwaren,
die ons tot dusverre ontsnapte. Onze gebeden worden
vuriger, de BH. Sacramenten brengen vruchten van
zaligheid voort, onze plichten worden voorrechten,
onze boetplegingen schijnen ons genoegens, de beproe-
vingen verteederen het hart, en de smarten schijnen
ons bijna even zoovele liefdegiften des Hemels. O
hoe zoet wordt ons de gedachte, dat wij door God
bemind en beschermd worden! Het minste voorwerp
dat onze blikken, — het minste geluid dat onze ooren
treft, doet ons van vreugde trillen, alsof God ons zijne
stem gaat doen hooreu of zich aan ons vertoonen.
Gelukkig de zielen, die God zoo gaarne Vader
noemen en Hem een oprecht kinderlijk hart kunnen
aanbieden!
-ocr page 156-
150
IX.
So3 fazininnen is ve-fCanqcn om wet
3fcw vczecniqd te 5>iin-.
Verlangen om met God vereenigd te zijn, is ver-
langen om met den H. Paulus te kunnen zeggen:
Jk leef niet meer, maar Jezus-Christus leeft in mij\'.
(Gal. II, 20.)
Dit is de vervulling verhaasten van de belofte van
Christus in deze woorden uitgedrukt: »Indien iemand
mij bemint, zal mijn Vader hem beminnen; wij zullen
tot Hem komen en in Hem onze woning vestigen."
(Joa. XIV, 23.) O wie kan uitdrukken hoe iunig God
zich vereeuigt met de ziel, die Hem bemint, hoe Hij
die vergroot, om er zich vrij in te bewegen en van
daar al hare krachten, al hare werkingen te bezielen!
Blijft in mij (Joa. XV, 4), zegde Jezus-Christus tot
degenen, die Hij beminde en wier liefde Hij verlangde,
blijft in mij en ik blijf in u.
Eerst zullen wij aantoonen, waarin die vereeniging
met Jezus-Christus bestaat,
die zeker door alle God
toegewijde personen niet op volkomene wijze bereikt
wordt, doch waarnaar echter allen moeten trachten;
en daarna zullen wij de fouten aantoonen, die een
beletsel zijn voor die vereeniging met God.
1.
Verlangen om met God verééuigd te zijn, is zoodanig
verzaken aan zijne denkbeelden en begeerten, dat
men slechts de denkbeelden, de gedachten, de begeerten
van God raadpleegt; — dit, is trouwens eigen aan de
liefde;
— en was het dit niet, wat gij u voorsteldet
-ocr page 157-
151
bij het uitspreken uwer HH. Geloften? Hebben
deze u niet onherroepelijk aan Jezus, en bijgevolg
aan zijn wil gekluisterd? Hebt gij niet, op de
meest volstrekte wijze, uwe vrijheid in zijne handen
gesteld? Wie beter dan gij kan zeggen, dat zij
één is met Jezus-Christus? De H. Kerk begrijpt dit
zoo wel, dat zij u dien naam geeft, welke het best
de vereeniging van twee wezens uitdrukt: Bruid
van Jezus-Christus.
Daarom kent de ware religieuze slechts ééne vrees,
die van aan het liefdevol Hart van haren Bruidegom
te mishagen; — hieruit volgen — mistrouwen van zich-
zelve, voortdurende waakzaamheid, kalme bedaard-
heid in hare handelingen, groote voorzichtigheid,
vrij van onrust en verwarring in haren omgang met
de meuschen, een voortdurend gebed en groote zorg
om al wat haar zondig toeschijnt te vermijden.
Zij heeft slechts éène gedachte; de gedachte aan
haren gekruisigden Bruidegom, wiens beeld zij immer
voor oogerï heeft; - daaruit volgt eene gewoonte van
ingekeerdheid en de geest des gebeds, zuiverheid van
meening; herhaalde verzuchtingen van onderwerping,
van aanbidding, van liefde, groote opmerkzaamheid
voor de stem der genade, die haar meer kalmte,
meer ootmoed, meer zelfverloochening vraagt.
Zij bezit slechts ééne wetenschap, de wetenschap
van Jezus-Christus. Hare school is het Tabernakel,
waar zij zoo dikwijls mogelijk gaat nederknielen en
zooveel bidt als zij kan; haar boek is het kruisbeeld,
dat zij dikwijls onder het gebed in handen neemt
wanneer zij alleen is; — hieruit vloeit voort: eene
volkomen onthechting van hare wijze van te zien,
te oordeelen, te denken, om slechts te zien, te
denken, te oordeelen gelijk Jezus-Christus, — hieruit
-ocr page 158-
152
vloeit voort; eeue volkomen onverschilligheid voor
de bedieningen en bezigheden, die zij eenvoudig
aanneemt, daar God verplicht is haar te helpen. Zij
heeft slechts ééne begeerte, die van aan Jezus, haar
Bruidegom, te gelijken; — daarom vraagt zij zich
dikwijls: Zou Jezus-Christus aldus gehandeld hebben?
Zou IJ ij zoo gedacht hebben ? Wat zou Jezus, in
deze omstandigheid, in mijne plaats, gedaan hebben?
Hieruit vloeit voort: eene voortdurende neiging om
arm en vernederd te leven, om zachtmoedig en
liefderijk in hare woorden, toegevend in hare gedach-
ten, voorkomend en toegenegen in hare handelingen,
medelijdend in haar oordeel te zijn: Jezus-Chiïstus
zou aldus gehandeld hebben.
Zij heeft slechts ééne bezigheid, te weten aan
Jezus-Christus te behagen; — daaruit vloeit voort:
eene groote zorg om haar hart rein en vrij van
zonde te bewaren en het dikwijls door het H. Sa-
crament der biecht te zuiveren, onthechting van al
wat haar hart kan belemmeren om geheel aan God
te belmoren, en vooral eene voortdureude begeerte
zich inniger met Hem te veréénigen door eene groote
gelijkvormigheid met zijnen II. Wil, dien zij gaarne
erkent als altijd heilig, altijd rechtvaardig, altijd
beminnelijk; hieruit vloeit voort: een aanhoudend
streven om geen anderen geest te hebben dan den
geest van Jezus-Christus, — van de wereld te deuken
wat Hij er van dacht, — de vernedering, het ver-
borgen leven te beminnen.
Zij heeft slechts één doel: zich op te offeren met
haren Bruidegom. Zij weet, dat de Bruid niet beter
is dan de Bruidegom, dat waarheen Hij gaat, zij
Hem moet volgen, dat in hetgeen Hij doet, zij moet
helpen; daarom wil zij zich, even als Jezus-Christus,
-ocr page 159-
153
slachtofferen voor de zaligheid der wereld; als Hij T
wil zij gehoorzaam zijn, en gehoorzaam tot den dood,—
arm om niets in eigendom te bezitten, — zuiver tot
zich elke voldoening der zinnen te weigeren en haar
lichaam tot onderwerping te brengen, — ootmoedig
tot de verachting te beminnen, en zich gelukkig te
achten miskend en misacht te worden, — liefderijk
en toegenegen tot zelfs hare rust, hare gezondheid,
haar leven op te offeren , gelijk Jezus-Christus , zoodra
zij den evennaasten naar ziel of lichaam behulpzaam
kan zijn.
Eene met God vereéuigde ziel is dus eene ziel,
die aan God eene zoo volledige macht op haar
eigenwil heeft gegeven en in eene zoo volstrekte
afhankelijkheid van den wil van God leeft, dut God
in haar leeft, als de ziel van al hare daden en
verlangens.
Het is eene ziel, waarin God beveelt als Meester,
in het volle bewustzijn, dat Hij in alles zal gehoorzaamd
worden; eene ziel, die met zooveel getrouwheid ge-
hoorzaamt, dat God niet alleen nooit den minsten
weerstand ontmoet, maar in haar een vasten wil vindt
om nimmer te handelen, dan volgens zijne inspraken.
Eene ziel. waarvan God zoodanig bezit heeft genomen,
dat zij slechts handelt door zijnen geest, en die, even
eenvoudig als de H. Paulus, mag zeggen : »Ik leef niet
meer, maar Jezus-Christus leeft in mij.
(Gal. II, 20.)
Is deze vereeuiging niet het doel uwer wenschen ?
U bidt, bidt, religieuzen, den God van alle barm-
hartigheid, die u zoo zeer bemint, u langzamerhand
door de onderwerping, de onthechting en de zelfver-
loochening
te brengen tot die verééniging, die — gij
begrijpt dit nu, — het doel is, waarom Hij u tot
het religieuze leven heeft geroepen.
-ocr page 160-
154
2.
Ziehier uu , welke fouten meestal een beletsel stellen
Toor onze vereeniging met God. Wij spreken hier niet
van fouten, maar van onze gebreken, van die gelief-
koosde
gebreken, die somtijds, helaas, de oorzaak
worden van vele fouten.
A. Het koesteren van eenige bijzondere gehechtheid.
Er is hier geen sprake van die lage gehechtheid
aan de goederen der wereld, aan de ijdelheid en het
zingeuot, waaraan gij door uwe HH. Geloften verzaakt
hebt, en die u door Gods genade veeleer afschuw in-
boezemen , maar wij wijzen hier op die meer innige ge-
hechtheid aan personen of zaken, die volgens uweeigene,
oprechte meeniivg u veiliger tot God zouden geleiden.
Het is de gehechtheid aan een godvruchtig en toe-
genegen biechtvader,
die zoo goed is voor uwe ziel!
Het is de gehechtheid aan zekere gebeden, verster-
vingen en zelfs aan de Heilige Communie.
Ja, deze
gehechtheid kan goed zijn in zich-zelve; maar, omdat
gij te veel deukt aan het voorwerp dezer gehechtheid,
omdat gij u te zeer verheugt in het bezit, u te veel
kwelt om weder in deszelfs bezit te komen, omdat
gij er bijna altijd over spreekt, belet deze genegenheid
u geheel aan God te behooren, verstrooit u in het
gebed, beneemt u de rust des harten, maakt u
minder vaardig in het gehoorzamen.
a. Hij brengt u tot God, die godvruchtige en toe-
genegen zielbestierder;
— ga dan rechtstreeks tot God
en laat u door hem niet terughouden. Eerbiedig hem,
waardeer hem, bedank hem, doch bedank vooral God,
die u hem gegeven heeft; maar indien God, die u
hem gaf, hem u ontneemt,
blijf dan bedaard; mor
-ocr page 161-
155
niet, al zijt ge bedroefd, bid veel voor bem, en ga
eenvoudig tot dengene, dien Godin zijne plaats zendt.
0 kleine van geloof, wie moet u ten bemel voeren,
God of uw biechtvader? Wie beeft licht en goedheid
gegeven aan hem, dien gij beweent? Is het God niet?
Wie neemt hem weg? Is dit ook God niet? En durft
gij dan denken, dat God aan een ander niet alles zal
geven wat noodig is, om u ten hemel te geleiden?
b. De gedachten en verlangens om dikwijls te
commuviceeren en u te versterven
zijn uitmuntend,
maar bedenk, dat het moe gedachten, uwe meeningen
zijn, wellicht zijn het niet die van God. Hij doet
zijn toil kennen door uwe Oversten; en zoodra deze
gesproken hebben, moet gij u onderwerpen en alles
verlaten wat het uwe is, u niet versterven op die
manier, die gij verkiest, niet gaan bidden op den tijd
die u gelegen komt, niet de H. Communie ontvangen
als gij het goed vindt. Misschien hebben andere
Oversten het u op andere tijden toegestaan; waarom,
vraagt gij, is datgene wat gisteren goed was, het heden
niet meer?
Zwijg toch, goede ziel, wat gisteren goed
voor u was, is nog goed in zich-zelve, doch is bet
niet trieer voor u. Gij ziet het niet, maar God ziet
het en handelt naar zijn goedvinden.
Ware het alleen de meerdere eer van God, die gij
zoekt, dan zoudt gij u blindelings onderwerpen; docb
het is de teleurstelling, die gij ondervindt, die n doet
morren, en daarin is meer eigenliefde dan spijt.
B. Men schuwt de vrijwillige overtredingen
niet genoeg.
Om veréénigd te blijven moet men op elkander
gelijken.
God, de reinheid bij uitnemendheid, kan
slechts in een zuiver hart woneu. — Gij bemint de
-ocr page 162-
150
zonde, zelfs de kleinste zonde niet; en zoo, alvorens
aan de stilzwijgendheid te ontbreken , — alvorens te
morren, — alvorens u aan die oueerbiedigheid en
verstrooidheid in het gebed over te geven, yij tot u
zelve zegdet, ik ga iets doen, dat God mishaagt! o
neen, gewis, gij zoudt het niet doen.
Maar al die overtredingen, door lichtzinnigheid,
onbedachtheid of gewoonte begaan, betreurt ge te
weinig, en ge neemt te weinig voorzorg om ze te
vermijden. Bedenk wel — voorzorg is beter dan een
goed voornemen. Ziedaar wat uwe vereenigivg met God
in den weg staat Indien gij God oprecht bemindet,
zoudt gij zeker die kleine fouten nog bedrijven, doch
hoe zoudt gij u er over vernederen, hoe zoudt ge
ze betreuren en vooral hoe zoudt ge ze door meerdere
getrouwheid trachten te herstellen ! O blijf toch nooit
van God verwijderd! Verwek spoedig een akte van
berouw, eene akte van liefde, met een kalm, doch
oprecht gemoed. De zonde, hoe klein ook, verduistert
het licht der genade en belet altijd min of meer het
gevoel van Gods tegenwoordigheid.
C. Men verontrust, zich te zeer over zijne fouten
en ongetrouioheden.
God is de vrede; om met God vereenigd te blijven
moet men den vrede bezitten, den vrede beminnen,
den vrede zoeken; en zij heeft dien vrede niet, die
ziel, die zich verontrust over hare ongetrouwheden
en fouten, — die zich ontmoedigt bij de kleinste over-
treding, die verwonderd is dat zij zoo zwak is, —
die zich ontevreden maakt en God niet meer durft
naderen, — die uren lang nadenkt over de oorzaak
harer vergetelheid en juist daardoor intusschen haar
plicht verzuimt of niet zeer veel nalatigheid vervult.
-ocr page 163-
157
Zoo handelden de Heiligen niet. »Wanneer gij in
eene fout gevalleu zijt," zegt de H. Franciscus van
Sales, »verneder u voor God en bewaar den vi\'ede."
Men moet leeren, niet alleen de gebreken van
anderen , maar ook zijne eigene te verdragen. Als
een reiziger op zijn weg valt, wat zou het hem baten,
te treuren en te roepen: wat ben ik ongelukkig! wat
moet ik beginnen! waartoe
zouden hem deze klachten
dienen? Moet hij niet spoedig opstaan en zijne reis
voortzetten, gewapend met meer voorzichtigheid en
ondervinding, maar ook met meer moed? ȕk heb
eene fout bedreven," zegt de met God veréénigde ziel
eeuvoudig, en slaat een blik op het kruisbeeld: » welnu,
ik ga die herstellen door datgene wat ik nu doen moet,
godvruchtig en zoo volmaakt mogelijk te verrichten."
D. Men heeft geene orde in hetgeen men doet.
God is de orde bij uitnemendheid; Hij werkt
zachtjes en onafgebroken voort naar die richting, die
Hij zich voorstelt. Wilt gij met Hem vereenigd worden?
Zoo bemin de orde, bemin den regel. Geen uur komt
er voor, waarin gij kunt zeggen: Ik weet niet wat
ik doen moet.
Doe datgene wat u aangewezen wordt,
doe het zachtjes, doch ga op het doel af.
Haast u niet, wil niet alles te gelijk doen, uit
vreeze van niet goed genoeg te doen wat gij doet.
Handel niet gelijk die goede Martha, tot wie Jezus-
Christus zegde: Martha, Martha, gij zijt bezorgd
en bekommerd over vele zaken; ééne alleen is nood-
zakelijk.
(Luc^E X, 41).
Begin uw werk, zet het voort, onderbreek het
wanneer een ander werk u wordt opgelegd, doch
zonder ontsteltenis, dan zal God met u werken.
-ocr page 164-
158
Ditzelfde geldt voor uwe godvruchtige oefeningen;
blijf niet langer in de kapel, dan uw regel toelaat,
laat uw gebed daar, wanneer uwe Overste u roept.
Leef in alles dag aan dag, beter nog uur voor uur,
O, mocht gij door Gods genade toch eens wel het
geluk begrijpen, dat gij hebt in het klooster te leven,
van waar uwe ziel zoetjes, zonder hevige schokken
te ondervinden, naar de eeuwigheid kan wandelen,
terwijl zij voortdurend aan weerszijden van haren weg
bloemen plukt om hare kroon te vormen!
E. Men moet zich niet met de zaken van
anderen bemoeien.
Dit is een algemeen gebrek, dat des te meer te
vreezen is, omdat het geen gebrek schijnt te zijn.
Men mag zich zeker met anderen bemoeien, om haar
nuttig te zijn, haar vermoeienis te sparen, maar niet
om zich het hoofd te vervullen met wat zij zeggen
en denken.
Zet u geheel tot uw werk. Zet er u met God, en
uw geest zal zich niet met anderen bezig houden.
Een groot geheim om tot de verééniging met God
te geraken en er zich in te vestigen, — is zich niet
verder met de zaken van anderen in te laten dan
noodzakelijkheid of liefde van ons vergen. Wat kan
het u schelen, wat uwe Overste of zusters doen?
Waarom bekommert gij u over die kleine gebeurtenis,
die morgen vergeten zal zijn? Blijf, o blijf veel liever
bij God, met God.
-ocr page 165-
150
X.
§od é&minncYi is 9cz>\\i$ in ne-t
&a&cznaftel -Gemi-ni^eH.
Het H. Sacrament des Altaars is Jezus-Christus,
is God zelf; God, die door eene onbegrijpelijke goed-
heid, die zijne liefde tot ons alleen kan verklaren,
een lichaam en eene ziel gelijk aan de onze heeft
aangenomen. Om onder ons te kunnen wonen heeft
Hij zich, door een nog grooter mirakel van liefde
dan dat der Menschwording, tot o?is voedsel gemaakt
ouder den schijn van brood, ten einde altijd met
ons te kunnen verblijven.
Het H. Sacrament des Altaars is, vooral voor de
religieuze, het middel of beter de gelukkige nood-
zakelijkheid om God op eenigszins stoffelijke wijze
hare liefde en dankbaarheid te kunnen bewijzen.
Zij kan aan God die zorgen bewijzen, die zij haren
ouders bewijzen zou, indien zij die bij zich hadde.
Zij kan zorg dragen voor het heiligdom, waarin Jezus
verblijft, gelijk zij zorg zou dragen voor de ouderlijke
woning; — zij kan het altaar, waarop Hij rust,
versieren, — de bloemen aankweeken , die haren geur
aldaar verspreiden, — eene schitterende witheid geven
aan het lijnwaad, waarop Jezus komt rusten. Zij
weet, dat zij Jezus op eene bepaalde plaats vinden
kan; — zij ziet Hem, om zoo te zeggen, van aangezicht
tot aangezicht onder den schijn van brood.
Zij leeft met Jezus onder één dak; — zij zorgt
voor het Godslampje, dat voor het Tabernabel brandt,
en dat aan den Heer Olier deze woorden ontlokte:
»O lampen van het heiligdom, hoe gelukkig zijt gij,
-ocr page 166-
160
* voor Gods meerdere eer te mogen branden! O mocht
»ik deel hebben aan de hoedanigheden van dien olie,
»om mij ook geheel voor Jezus te kunnen verteren!"
Het H. Sacrament des Altaars is voor elke ziel,
doch vooral voor de religieuze ziel, liet middenpunt,
het leven, het einde van alle zaligheid.
Het is Jezus, die ons toebehoort, zich ter onzer
beschikking stelt, Jezus, die zich-zelven en zijne
verdiensten aan ons mededeelt.
De verdiensten van Jezus mogen de onze genoemd
worden, zoowel als de zijne.
Zijne voldoeningen zijn minder zijne schatten dan
de onze. Hij helpt ons in onze boetvaardigheid,
vertroost ons in onze moeielijkheden, ondersteunt ons
in onze beproevingen. Al wat goed, wat heilig,
wat schoon, wat aangenaam is, vinden zijne dienaars
in Hem.
Waarom zou men arm blijven, daar men Jezus
kan bezitten, zoo men maar wil?
Waarom zou men zich aan droefheid overgeven,
daar Jezus de vreugde des Hemels is, en zoo gaarne
zijn intrek neemt in bedroefde harten?
Vele zaken kan men overdrijven , doch nooit zullen
wij de verplichting overdrijven, die wij hebben om
Jezus te beminnen en zijne liefde en barmhartigheid
te loven.
Bemin dan Jezus in het Tabernakel; want Hij is
het, die u geroepen heeft tot het heilig leven, dat
gij leidt. Het was aan den voet des Altaars, dat
gij het eerst de stem hoordet, die u zegde: » Ver-
laat het huis moer ouders en komt tot mij."
Het was het veelvuldig ontvangen der H. Commu-
nie, waardoor gij de kracht hadt om u aan alles te
ontrukken wat u dierbaar was.
-ocr page 167-
161
Bemin dan Jezus in zijn H. Sacrament.
Heb voor Jezus, die alles voor u is, die de plaats
bekleedt van vader, moeder, van al wat u dierbaar
was, eene vurige liefde; bemin Hem met al de tee-
derheid, waarmede men op aarde elkander beminnen
kan, doch bemin om bovennatuurlijke beweegredenen.
Zeg mij, is er iemand op aarde, die gij zeer bemint ?
Bemint gij uwe ouders, uwe zusters niet innig?
Welnu, breng die liefde over op uwen hemelscheu
Bruidegom , die liefde, die u van vreugde doet trillen,
als ge ze na eene lange afwezigheid wederziet, die
u met aandoening vervult, wanneer gij hun naam
slechts hoort noemen.
Vraag aan Jezus de genade, Hem aldus, altijd
meer te beminnen en Hij zal u die geven.
Die liefde tot Jezus moet geen voorbijgaand gevoel
zijn, dat het hart een oogenblik doordringt en ver-
warmt; die liefde moet even eeuwigdurend zijn als
de liefde van Jezus in het H. Sacrament tot ons;
en daarom moeten wij die liefde door uitwendige
oefeningen onderhouden, gelijk men de vlam der
godslamp slechts onderhoudt door den olie, dien men
er voortdurend bijgiet.
Die liefde moet eeuwigdurend zijn, gelijk Jezus liefde
voor ons blijft voortduren in het H. Sacrament.
Zij moet werkdadig zijn gelijk de liefde van Jezus in
het H. Sacrament, en zich doen kennen door oefeningen
van eerbied en toewijding jegens onzen Verlosser. Zij
moet trachten Jezus te behagen en Hem na te volgen
in hetgeen Hij zou doen, ware Hij in onze plaats.
Ziehier eenige uitwendige oefeningen, die de in-
wendige liefde in ons moeten onderhouden.
1. Verzuim nooit de kniebuiging, wanneer gij de
Kapel binnentreedt of het H. Tabernakel voorbij gaat.
11
-ocr page 168-
162
Doe ze niet uit gewoonte, maar langzaam en eer-
biedig, in verééniging met uwe ziel, die zich voor
haren God vernedert en Hem aanbidt.
Men moet de knie buigen zoo dikwijls men zich voor
Jezus in het tabernakel vertoont, of dit voorbij gaat.
Deze regel duldt geene uitzondering, noch voor
de priesters, noch voor de leekeu, noch voor de
kinderen, noch voor de volwassenen. Niets is klein
ten opzichte van het H. Sacrament. Daarom ziet
men in de Levens der Heiligen, met welke groote
nauwkeurigheid zij alle voorschriften nakwamen, die
den eerbied voor het Allerheiligste betroffen.
De H. Carolus Borr., de H. Ignatius, de H. Fran-
ciscus van Sales , de H. Vincentius van Paulo duldden
niet de minste overtreding dezer kerkelijke vooi*-
schriften.
Het is vooral wanneer het H. Sacrament ter aan-
bidding is uitgesteld, dat gij meer dan ooit getrouw
moet zijn in het vervullen dezer voorschriften. Dan
moet gij u niet met eene enkele kniebuiging tevreden
stellen, maar op twee kniën nederknielen en diep
het hoofd buigen. Dit voorschrift is geene godsdienstige
raadgeving, zooals sommigen wellicht zouden meenen;
het is eene kerkelijke wet, waaraan men zich moet
onderwerpen en die trouwens even schoon als passend
is. Al deze uitwendige oefeningen hebben grooten
invloed op den geest des geloofs en de ware gods-
vrucht jegens het H. Sacrament des Altaars. Het
is het hulsel, dat de vrucht omgeeft en haar behoedt
voor het bederf. Hier past het woord des Evangelies:
* Hij die in het kleinste getrouw is, zal ook in het
grootere getrouw zijn."
(LucyE XVI, 10).
2. Daar Jezus wel met u onder één dak wil
wonen, en zich aan uwe zorgen wil toevertrouwen,
-ocr page 169-
163
moet gij in den volsten zin des woords de dienstmaagd
van Jezus~ Christus wezen.
Het Tabernakel, het Altaar, de Kapel moeten
blinken Tan zindelijkheid,
De geheele Kapel moet stilte en ingetogenheid
inboezemen, door de orde en den goeden smaak, die
er heersenen. Geene kamer in het huis mag beter
versierd worden dan de Kapel. Zij immers is de
woonplaats van den dierbaren Vader, van den goeden
Meester, wien gij u hebt toegewijd, vanden Bruidegom,
met wien gij beloofd hebt tot uw laatsten snik te
zullen leven. En welk kind, welke liefdevolle dienares,
welke bruid zal niet met het schoonste wat zij heeft,
de kamer versieren van haar vader, haar meester,
haar Bruidegom.
3. Hoe gelukkig zijn de religieuzen, die God,
door eene liefde, waarvan zij nooit de uitgestrektheid
zullen begrijpen, heeft uitgekozen om Zusters van het
IJ. Sacrament, van de gedurige Aanbidding, van de
Eerewacht van zijn heilig Lichaam te zijn,
die, dag
en nacht voor het Tabernakel doen, wat de engelen
onzichtbaar doen en zullen doen tot het einde der
eeuwen!
Alle engelen hebben niet dezelfde zending, en alle
religieuzen hebben niet dezelfde roeping; doch allen
moeten trachten, Jezus gedurig te aanbidden door hare
gedachten dikwijls te vestigen op dien goeden Meester,
die bij haar woont. Ziehier eenige oefeningen, welke
een godvruchtig schrijver aan wereldsche personen
aanraadde.
»Gij hebt dezen morgen gecommuniceerd en uw
Jezus met u genomen. O prijs Hem, loof Hem door
den lofzang uwer liefde; en moge uwe ingetogenheid,
uwe godsvrucht Hem nooit uit het oog verliezen!"
-ocr page 170-
164
»Gij zit naast iemand die ditzelfde geluk genoten
heeft, wellicht juist de Communiebank heeft verlaten ;
aanbid Jezus in die ziel, haar eerbiedig groetende,
en gij zult haar veel meer liefhebben, wanneer gij
in haar een levend tabernakel van God ziet, dat de
engelen omringen om hunnen God een hofstoet te
vormen. 0 wat zou de liefde aangroeien door deze
eenvoudige oefening van Jezus te aanbidden, in het
hart van onzen evennaasten!"
»Gij gaat de kerk of kapel voorbij, waar het
Allerheiligste rust; ge mist den tijd er u op te houden.
Welnu, dat uw hart de muren doordringe door eene
oefening van geloof, een woord van liefde; en God,
die daar gevangen en opgesloten is in het Tabernakel,
zal u in uw eigen hart een woord van erkentenis
en zegening doen hooren."
»Gij hoort de klok slaau; herinner u dan dat, op
dit oogenblik, op verren afstand wellicht, eene H. Mis
wordt opgedragen. Voor u bestaat die afstand niet,
wijl gij iu den geest kunt gaan nederknielen voor het
Altaar, waar gij weet dat het goddelijk Lam wordt
geslachtofferd, als een zoenoffer van vrede en liefde
voor alle arme zondaars."
süw blik valt op een kruisbeeld. Geef de vrije
vlucht aan uw geloof eu ga u in den geest nederwerpen
op den berg van Kalvarië, voor dat eerste Altaar
waarop het goddelijk Bloed den losprijs betaald heeft
voor alle zielen en voor de uwe in het bijzonder."
»Wanneer gij een Priester ontmoet, zoo zie in hem
niet den mensch, maar den offeraar; denk aan al
de HH. Missen, die door zijne hand opgedragen zijn
en nog opgedragen zullen worden, en vereenig a
daarmede tot grooter voordeel uwer ziel."
-ocr page 171-
1G5
XI.
§od beminnen x& STLct^ia ^erninnen.
Men kan God niet beminnen zonder Jezus-Christus
te beminnen; men kan Jezus-Christus niet beminnen
zonder Maria, zijne heilige Moeder, lief te hebben.
Maria is zoo innig verbonden met Jezus dat, indien
wij voor Haar geen bijzonderen eerbied en liefde
zouden koesteren, wij Jezus zouden mishagen en Hera,
om zoo te zeggen, zouden beleedigen.
Tusschen den zoon en de moeder bestaat zulk een
innige liefdeband dat, wanneer men ze scheidt in de
hulde van eerbied en achting, die men een hunner,
met uitsluiting van den andere zou brengen, men
beiden zou beleedigen. Zeker bestaat hierin een
onderscheid, want de waardigheid van Moeder van
God is Maria door God zelven gegeven, en God beeft
Do
ook gewild dat dit voorrecht door hemel en aarde,
door engelen en menschen gekend zou zijn, en dat
alle schepselen zich voor hare uitstekende grootheid
zouden nederbuigen en vernederen, gelijk onderdanen
voor hunne koningin, gelijk dienaars voor hunne
meesteres.
Maria dienen, eeren en beminnen is den goddelijken
wil vervullen.
Gij weet dit wel, religieuze zielen, en gij begrijpt
ook dat, na het hart des priesters, het hart der religieuze
voor de moeder van Jezus de teederste. de innigste,
de kinderlijkste liefde moet koesteren.
I.
Toen de religieuze zich aan God heeft toegewijd,
toen zij de Bruid van Christus is geworden, is zij
-ocr page 172-
166
in de familie van Jezus-Christus getreden, en Jezus
Moeder is dubbel de hare geworden.
In de wereld noemt de vrouw •» Moeder" degene
die haren echtgenoot het leven geschonken heeft. Noem
dan Maria uwe Moeder, want zij is dit nog meer
voor u dan voor andere Christenen, en zij zal zich
nog meer voor u dan voor anderen eene moeder toonen.
Ziehier welke rechten uw titel van religieuze u op
hare liefde geeft.
1.     Gij bemint haren Zoon meer dan anderen, daar
gij uit liefde tot Hem verzaakt hebt aan alles wat u op
aarde toelachte, aan alles w(at uwe zinnen kon streelen.
Hoe zou Maria u dan niet beminnen, hoe zou Zij
geene bijzondere genaden over u afsmeeken, om uwe
ziel te versieren, ten einde gij uwen Bruidegom,
haren Zoon, meer tot eer zoudt verstrekken, Zij, de
Schatbewaarster zijner genaden? Is het ook geene
eer voor Maria, wanneer Jezus Bruid heiliger, god-
vruchtiger, geduldiger is dan alle andere schepselen?
2.     Gij leeft in het huis van haren Zoon, — in
het gezelschap van haren Zoon, — gij bewijst haren
Zoon al de stoffelijke diensten, die gij Hem in zijn
heilig Tabernakel bewijzen kunt. Hoe zou Maria u
niet dankbaar zijn, hoe zou Zij niet gereed zijn, u
alles te verwerven wat gij vraagt, aan u die niets
aan haren Zoon weigert. En zijt gij, uit menschelijke
zwakheid verslapt, leeft gij in lauwheid, moet Zij
dan niet, uit eerbied voor haren Zoon, alles doen
wat haar mogelijk is om u uit dien staat te trekken ?
En gevoelt gij niet dat, als gij slechts uwen goeden
wil toont, het u gemakkelijk zal zijn, op het goede
pad terug te keeren en vorderingen te maken in de
deugd, door de hulp van haar, die de H. Kerk de
smeekend e Almacht noemt!
-ocr page 173-
167
3. Gij werkt rechtstreeks voor haren Zoon Jezus.
Werkt gij aan de opvoeding van kinderen, zoo is
dit om hun Jezus-Christus te doen kennen; — zorgt
gij voor weezen, dan is het om hen Jezus-Christus
te doen beminnen; — past gij zieken op, het is
om hen te bereiden tot Jezus-Christus te gaan; —
indien uw leven geheel aan het gebed is gewijd, zoo
is dit om Jezus-Christus te aanbidden: — zoo gij
boete pleegt, is het om de beleedigingeu Jezus aange-
daan te boeten:—hoe zou dan Maria niet geneigd
zijn, u in alles te helpen, u te verrijken, te bescher-
men, te bemoedigen, voor u de minzaamste, de
teederste, de meest toegeuegene moeder te zijn.
Verzamel al de bladzijden, waarop de Heiligen de
barmhartigheid van Maria voor de zondaars, haar
medelijden met de ongelukkigen, hare goedheid voor
de rechtvaardigen, hare liefde voor alle menschen
hebben beschreven en geprezen; en wanneer gij geene
woorden meer kunt vinden om alles uit te drukken
wat uw geest in het hart dier goede Moeder kan
uitdenken, zeg dan: Maria is voor mij barmhartiger,
meer liefdevol, meer toegenegen dan alles wat men
uitdenken kan !
I.
Gij zult haar dus liefhebben, de Moeder van Jezus
en uwe Moeder, met al de teederheid, waartoe uw
hart in staat is.
Gij zult haar nog meer beminnen, omdat zij be-
halve den schoonen titel van haar kind, dien gij
met alle christenen gemeen hebt, u nog een anderen
naam toevoegt: dien van hare vriendin.
Jezus zegde tot zijne Apostelen: Ik zal u niet
meer mijne dienaars, maar mijne vrienden noemen^
-ocr page 174-
168
(Joa. XV, 15); en de medelijdende Moeder des Ver-
lossers gewaardigt zich ook ons hare vriendinnen te
noemen, — ons, die in eene heilige gemeenzaamheid
met Jezus mogen leven, en dit leven aan zijnen
dienst hebben toegewijd; — zij gedraagt zich jegens
ons als de oprechtste, de liefderijkste, de getrouwste
aller vriendinnen. Bijstand, troost, hulp, kiesche
opmerkzaamheid, minzame voorkomendheid, voort-
durende toegevendheid, zelfs na onze gedurige ondank-
baarheid, dit alles heeft Zij voor ons. O Maria, wie
zal ooit de onbegrijpelijde goedheid van uw Hart kennen
voor de zielen, die uwen goddelijken Zoon zijn toe-
gewijd! Gij zijt hare trouwe gezellin al de dagen
van haar leven. Gij ondersteunt haar, wanneer zij
vermoeid zijn; gij brengt haar op den goeden weg
terug, wanneer zij verdwaald zijn; gij troost haar
in hare droefheid, gij versterkt haar in hare moede-
loosheid, gij verdedigt haar als men haar beschuldigt.
De heiligste vriendschap der menschen kan nimmer
de vriendschap onzer heilige Moeder evenaren.
Dat uwe leus dan zij: Alles voor Maria om Jezus,
alles voor Jezus om Maria!
Dat uw doel zij: alles
met Maria
, in Maria, door Maria, voor Maria te
doen, ten einde alles volmaakt te doen met Jezus, in
Jezus
, door Jezus, voor Jezus, ons laatste einde.
Dat uw geliefkoosd gebed deze verzuchting zij,
welke de H. Kerk met aflaten heeft verrijkt.
Wees gegroet, enz. O mijne Vorstin! o mijne
Moeder! ik offer mij geheel aan u, en om U mijne
verkleej\'dheid te bewijzen , toijd ik U heden mijne oogen
toe, mijne ooren, mijnen mond, mijn hart, oprecht
geheel mij-zelve: daar ik dus de uwe ben, o mijne
goede Moeder, zoo bewaar mij, verdedig mij als uw
eigendom en bezitting. O mijne Vorstin! o mijne
-ocr page 175-
169
Moeder! gedenk dat ik de uwe ben; bewaar mij,,
verdedig mij als uw eigendom en bezitting.
Gelukkig de religieuzen, die om tot Jezus te gaan
en toe te nemen in de liefde tot Maria, alles doen
onder de oogen van Maria, alles aan God opofferen
door de handen van Maria; want zij zullen veilig en
snel den trap van volmaaktheid hereiken, dien God
van haar vraagt.
Aktikkl 4.
Belooiiinjy clei* liefïl© tot Gort.
God is niet ondankbaar; en zooals wij bereids
gezegd hebben, beloont Hij, zelfs op aarde honderd-
voudig wat men voor Hem doet.
De religieuze, die getracht heeft God hare liefde
te bewijzen door de verschillende oefeningen, die wij
hebben aangetoond, kan, helaas! zeker nog fouten
bedrijven. Haar goede wil vrijwaart haar niet tegen
de menschelijke zwakheid, maar die goede wil, die
zich toelegt aan God te denken, van God te spreken,
lot God te spreken, te toillen wat God icil, Jezus en
Maria
te beminnen, treft natuurlijk het Hart van God,
eu dat Hart begunstigt haar met bijzondere genaden,
als belooning voor de liefde aan Jezus betoond.
Onder deze belooningen kiezen wij er slechts heer,
die God gewoonlijk geeft: den vrede en de zacht-
inoedigheid van karakter.
Wij zeggen gewoonlijk;
want God heeft in zijne schatten nog veel inniger-
belooningen, waarvan wij hier niet spreken.
-ocr page 176-
170
I.
<5)e> vzedz.
In vrede leven is zicli beveiligd gevoelen tegen
elk gevaar.
Het is leven zonder zorg voor den dag van morgen,
daar wij overtuigd zijn, dat de dag van morgen,
zoowel als de dag van gisteren, ons alles zal geven
wat ons noodig is. Het is zich vertrouwelijk verlaten
op eene veilige bescherming, op eeue standvastige
genegenheid, op eene altijd gereedstaande hulp. Het
is, in één woord, leven gelijk een kind, dat door
zijne moeder bewaakt, verzorgd, bemind wordt, zonder
andere bekommering dan zijne moeder te gehoorzamen.
Ziedaar den toestand der religieuze, die God bemint
en door Hem bemind wordt.
Jezus slapende in het scheepje, dobberend op eene
onstuimige zee en door een hevigen storm geslingerd,
ziedaar het beeld dat de religieuze zich voor oogen
stelt, wanneer eenig gevaar haar dreigt of eenige
vrees haar beklemt. Jezus is met mij, zegt zij, eii
zij stelt zich gerust.
Hoe vaak heeft zij reeds die zoete woorden gehoord
van den Meester, dien zij bemint: Vrees met, ik
ben het!
(Matth. XIV, 27; MakciVI, 50; Joa. VI, 20).
Heeft zij reeds niet verscheidene malen, wanneer
zij vreesde door de bruischende baren verzwolgen te
worden, de kalmte rondom zich zien terugkeeren ?
Daarom blijft hare ziel in vrede, wanneer zij van
buiten geslingerd wordt. Zij bidt, zet zoo goed
mogelijk de haar opgelegde taak voort, en verwacht
de hulp van God, op Wien zij in alles vertrouwt.
Hare eeaige zorg is, Jezus meer en meer te beminnen
en hare liefde door groote getrouwheid te betoonen.
-ocr page 177-
171
En in die ziel, die Hem bemint en waarin Hij
woont, — is God de Vader, die in alles voorziet en
zjjnen schepselen beveelt haar het noodige te ver-
schaffen, — een Vader, wien zij alles mag vragen,
bij wien zij zich mag gaan beklagen, — een Vader,
dien zij altijd goed, altijd medelijdend, altijd edel-
moedig zal vinden.
God is een Vriend, die altijd van haar datgene
zoekt te verwijderen wat haar onnoodig zou verout-
rusten, bedroeven, hare onschuld zou bezoedelen, —
een toegenegen Vriend, — die haar zeker somtijds ge-
drukt laat onder het gewicht eener beproeving om haar
te versterken, doch die van tijd tot tijd deze schijnbare
verlatenheid door den zoetsten troost doet opvolgen.
God is een Meester, die haar met wijsheid en
zachtmoedigheid bestiert, — een machtige Meester,
zonder wiens toelaten niets haar kan deeren, die de
kwaadwilligheid der schepselen kan beletten, en haar
slechts die mate van beproeving, van angst, van
kommer, van ziekte toedient, die Hij weet haar
noodzakelijk te zijn.
God is een Geneesheer, die met eeue liefdevolle
zorgvuldigheid de ziel, die zich aan Hem heeft toege-
wijd, verzorgt; die arme ziel heeft door haar omgang
met de wereld ziekten en gebreken overgeërfd, die
eene smartvolle behandeling en pijnlijke ontberingen
noodzakelijk maken, — maar dit geschiedt met zooveel
kieschheid, zulk eène wijze voorzorg, dat de ziel te
midden van haar smartvol lijden haren goddelijkeu
Geneesheer glimlachend aanziet, Hem bedankt en
nog meer bemint.
Hoe zou eene religieuze, met deze gedachten, die
haar door eene bijzondere genade tot eene gewoonte
worden, niet in vrede leven, lijden en sterven?
-ocr page 178-
172
God is haar Alles. — De schepselen zijn ten haren
opzichte slechts werktuigen in \'s Heeren hand en
zij draagt in zich de overtuiging, dat God steeds
alles ten beste schikt voor zijne vrienden, tot zelfs
het lijden, dat kwaadwillige schepselen haar berok-
kenen.
Wat kan het haar dus in den loop des levens maken,
dat men haar achte of misachte, — dat men haar
prijze of lake, — dat men haar verhefïe of vernedere, —
dat men haar verongelijke of recht doe wedervaren?
Zij ziet daarin slecht* \'s werelds loop. Het ware,
het eenige voor haar, is God en zijn heilige wil.
Niets zijn, groot zijn, weinig zijn; bevelen, ge-
hoorzanieu, gehoorzamen aan dezen of genen; vernederd
worden, vergeten worden, gebrek lijden of overvloed
hebben, zich vervelen in werkeloosheid of met werk
overladen worden; alleen zijn of met andereu leven,
leven met wie ook, zijn levensweg duidelijk ge-
bakend zien of dien slechts zoover zien als noodig
is, om den eenen voet voor den anderen te kunnen
zetten, vertroosting genieten of dorheid en bekoring
ondervinden; gezond zijn, ziek zijn, of jaren lang
moeten kwijnen; krachteloos en een last voor de
gemeente worden, die men tot steun zou moeten
zijn; lang leven, spoedig sterven, dadelijk sterven: —
alles is haar gord, omdat zij weet, dat alles gezonden,
toegelaten, aldus beschikt wordt door haar hemelschen
Vader, door den God, dien zij bemint, op wien zij
een onwankelbaar vertrouwen gevestigd heeft.
Zeker is zij niet ongevoelig voor de smarten, die
zij lijdt in lichaam of ziel, doch daar hare liefde
tot God alles overtreft en hare zelfverloochening de
vrucht is dezer liefde, keert zij zich vertrouwelijk
tot God, wanneer zij iels te lijden heeft, onderzoekt
-ocr page 179-
173
of zij zich door hare ongetrouwheid niet van Hem
verwijderd heeft, keert tot Hem door eene oefening
van liefde terug en zegt Hem, zelfs met een bloedend
hart: * Uw wil, o lieer, en niet de mijne!" Eu dan
beneemt God haar de slaafsche vrees, verwijdt haar
het hart, geeft haar een grooter vertrouwen en eene
altijd grootere liefde.
Hierdoor leeft zij zoodanig in vrede dat, indien
God haar de keuze liet, gelijk aan sommige Heiligen,
tusschen ziekte of gezondheid, tusschen grootheid of
vernedering, zij eenvoudig tot God zou zeggen: Vraag
mij niet, wat ik wil; zorg Gij voor mij, mijn God,
dit zal voor mij veel beter zijn.
II.
5)<j aacfotmocdicfcfi&id van invozst.
De tweede belooning der liefde tot God is zacht-
moedigheid in woorden, in daden, in karakter.
Wij nemen onwillekeurig iets aan van het karakter
der personen, die wij liefhebben en met wie wij
gemeenzaam omgaan; en hoe inniger onze betrekkin-
gen zijn, hoe meer wij elkander onze gedachten,
onze meeningen, onze manieren mededeelen.
Om deze rede neemt de ziel, die met Jezus ver-
miigd leeft, door hare liefde, het gebed, de meditatie,
de volkomen onderwerping aan den wil Gods, lang-
zamerhand iets over van de zachtmoedigheid en de
nederigheid van Jezus.
-ocr page 180-
174
Dit is vooral opmerkelijk iu de zielen, die leven
in vereeniging met Maria, al hare daden verrichten
met en door Maria.
Een religieuze, die zich aldus met al de kracht
van haren wil met de II. Maagd vereenigt om Jezus
meer te beminnen, te dienen en te behagen, al ware
haar inborst eenigszins ruw en driftig, — wordt
langzamerhand geduldig, zachtmoedig, welwillend en
goedaardig; en deze goedheid en welwillendheid zal
toenemen, naarmate zij zich inniger veréénigt met
Jezus en Maria.
Het gaat met haar gelijk met wrange, zure vruchten,
die zoet worden, naarmate zij rijper worden; of gelijk
met de vruchten, die men in suiker legt, en die zich
zoodanig daarmede doordringen, dat zij ten laatste
geheel tot suiker overgaan.
Zij voelt zich niet beleedigd noch vertoornd door
de kleine tegenhedeu, die haar vroeger het leven
zoo onaangenaam maakten; hare omgeving verwon-
dert zich, haar zoo kalm en opgeruimd te zien, haar
minzamer te hooren spreken, haar eenvoudiger te
zien handelen.
Zij is vol medelijden en welwillendheid voor de
zwakheid van anderen; en moet zij, uit plicht, gestreng
zijn, dan mengt zij hare berisping met zooveel voor-
zichtigheid en zachtmoedigheid, dat men gevoelt dat
God waarlijk in haar woont, door haar spreekt, door
haar handelt.
Dit staat zoo vast dat, wanneer gij godvruchtige
personen ziet, wier humeur onaangenaam is en die
zich vertoornen bij de kleinste beleediging of bij de
minste fout, die zij in anderen bespeuren, gij niet
moet denken, dat zij niet op den weg der volmaakt-
heid zijn, maar dat zij nog niet genoeg met God
-ocr page 181-
175
vereenigd zijn en dat zij de H. Maagd nog niet
genoeg beminnen.
De ziel, die iunig met God vereenigd is, kan
zwaar beproefd en wreedelijk gepijnigd worden; doch
wat haar ook moge kwellen, en wie haar dit lijden
ook moge aandoen, nooit verliest zij den iuwendigen
vrede, noch zelfs de uitwendige kalmte en opge-
ruimdheid van gelaat.
»0 hoe goed is het God te beminnen," roept de
H. Franciscus van Sales uit, »slechts in God te leven,
in God te werken, zich in God te verheugen, niets
te doen dan voor Gods meerdere eer en glorie!"
Daaruit spruiten in het hart het vergeten van alle
schepselen en van zich-zelve, het verbannen van
elke zonde, de begeerte naar de volmaaktheid. Daaruit
spruiten zedigheid in houding, zachtaardigheid in
het spreken, minzaamheid in den omgang, helder-
heid van gelaat.
Daaruit spruiten eenvoudigheid des harten, geduld
in beleedigingen, nederigheid bij loftuiting, gelaten-
heid in tegenspoed, geduld bij het werk, tevredenheid
in ziekte, vurigheid in het gebed, blijdschap in het
lijden, vrede in alle zaken.
O hoe waar is dit woord der Heiligen: wie God:
beiiiint, bezit God, wie God bezit, bezit alles.
-ocr page 182-
Sdc HOOFDSTUK.
De Religieuze moet haar evennaasten
beminnen.
Artikel 1.
Beweogrertcu «lor uaastenliefïle.
De religieuze moet haar evennaasten liefhebben
•omdat:
1°. God het gebiedt.
2°. De evennaaste het verdient.
3°. De titel van religieuze het vordert.
4°. De straffen voor hen, die dit gebod overtreden,
vreeselijk zullen zijn.
I.
<èod wil daï wij* den evennaaste
ve\\n\'\\nnen.
Het gebod, ons door Jezus goddelijken mond ge-
geven, zegt uitdrukkelijk: Gij zult uwen evennaaste
a/s u-zelven beminnen.
-ocr page 183-
177
God wil het! moet dit woord alleen niet voldoende
zijn? Als wij God beminnen, moeten wij dan niet
willen wat Hij wil? Moeten wij niet alles doen wat
Hij verlangt?
Het gebod is duidelijk, in juiste woorden vervat,
voor geene dubbelzinnigheid vatbaar. Men moet het
woordelijk nemen; het willen uitleggen zou het ver-
zwakken!
Het gebod is eenvoudig; het beantwoordt zoo
volkomen aan die behoefte om te beminnen door
God in ons hart gelegd; maar door de erfzonde,
viudt dit gebod, in de uitoefening in ons hart
dikwijls hinderpalen, die men meuschelijker wijze
onoverkomelijk mag noemen; daarom doet Jezus-
Christus voor dit gebod wat Hij voor geen ander
doet. Hij herhaalt het met nadruk; — Hij wil dat
zijne Apostelen er op aandringen, de natuur en
kenmerken dezer liefde zeer omstandiglijk doen ken-
nen;— Hij haalt menigvuldige redenen aan om ons
aan te zetten ouzen naasten te beminnen; — Hij
belooft de zoetste belooningen aan ben, die zich aan
die liefdewet willen onderwerpen.
Wij laten hier eenige texten der H. Schrift volgen
over de naastenliefde; niets is beter bekwaam om
indruk te maken op onzen geest en ons aan te zetten
onzen naasten te beminnen, zooals Jezus-Christus het
vraagt door den mond van den H. Johannes, niet
(\'Heen in woorden, maar in werken en in waarheid.
(I Joa. III, 18.)
Jezus-Christus geeft ten eerste het gebod der naas-
t\'mhefde als zijn gebod. Dit is mijn <jebod, zegt Hij,
(Joa. XV", 12.) het mijne, — dat is het gebod, dat
n|ij het meeste aan het hart ligt, aan welks naleving
ut het meeste hecht, het gebod, dat ik bijzonder op
12
-ocr page 184-
178
aarde beu komen brengen, en dat ik op zulke wijze
beoefend beb, dut ik zeggen kan: »Bemint elkander
gelijk ik u bemind heb"
(Joa. XIII, 31. XV, 12.)
Jezus maakt daarvan de voltrekking van liet groote
gebod van God te beminnen en maakt het daarvan
onafscheidbaar: » Het is daaraan gelijk, zegt Hij."
(Matth. XXII, 39. Mvuci XII, 81.)
Jezus maakt daarvan het erkenuingsteeken zijner
leerlingen. Allen zullen hieraan kennen dut gij mijne
leerlingen zijl, als gij elkander bemint.
(Joa. XIII, 35.)
Zijn Apostel noemt het de gewichtigste aller plich-
ten: Voor alle dingen hebt liefde voor elkander
(Coi.oss. III, 14), en Jezus zelf zegt, dat de liefde,
die ons goed eu barmhartig maakt, grooter is dan
alle brand- of zoenoffers.
(Marci XII, 33.)
Hij verklaart dat, op den dag des oordeels, het
vooral onze naastenliefde zal zijn, die Hem over ons
eeu vonnis van zaligheid of van verdoemenis zal
doen uitspreken. — Wilt gij dan niet geoordeeld of
veroordeeld worden, zoo oordeel of veroordeel niet.
O gij, die zoovele zonden hebt bedreven, uwe vrij-
spraak is in uwe eigene handen; wat gij doen zult
ten opzichte dier zuster, wier gedrag, wier woorden,
wier handelwijze u mishaagd hebben, zal God ten
uwen opzichte doen.
Indien gij vergeet zal God vergeten; indien gij
vergeeft zal God vergeven; indien gij haar de plaats,
die zij in uw hart moet bekleeden , terug geeft, zal God
u de plaats geven, die Hij u in zijn Hart beloofd heeft.
Jezus zal u niet zeggen: Kom, gezegende mijn"
Vaders,
omdat gij lange gebeden gesproken hebt,
omdat gij streng gevast hebt, omdat gij schitterende
mirakelen gedaan hebt; maar Hij zal zegden: Kom,
gezegende mijns Vaders, gij die uit liefde tot mij uwen
-ocr page 185-
179
evennaasten hebt bemind, met geduld hebt verdragen,
met goedheid, hebt geholpen.
Jezus belooft zijne genaden in evenredigheid der
liefde, die wij voor onzen naasten zullen betoonen.
» Met de maat, waarmede gij meet, zult qij uitgemeten
worden."
(Mattii. VII, 2 ; Mauci IV, 24; Lwx. VI, 38.)
Die goede, barmhartige Meester gaat nog verder.
Hij stelt zich in de plaats van onzen evennaasten. Voor
zoo ceel gij den minste der mijnen zult gedaan hebben,
zegt Hij , hebt gij het mij gedaan. (Matth. XXV, 40.)
God verzekert ons, dat icij zijn oogappel loonden,
wanneer wij de liefde schenden.
(Zach. II, 8.)
Kan men dringender, krachtiger beweegreden
vinden om den naasten te beminnen.
Luister nog verder. De naastenliefde is de bijzondere
genade, die Jezus vóór zijnen dood aan zijn goddelij-
keu Vader voor de zijnen vraagt. Mogen zij allen
\'lelijk wij slechts één zijn,
zegt Hij in het ziel roerend
gebed bij het laatste avondmaal. (Joa. XVII, 22.)
Het is een kort begrip der christelijke wet, zoodat,
zegt de II. Paulus in naam van Jezus-Christus, hij
die de liefde bewaart, de geheele wet bewaart; en,
voegt de H. Johannes er bij: Indien iemand zegt, ik
bemin God, en zijn broeder haat, hij is een leugenaar.
(I Joa. IV, 20.)
Het is eindelijk het zegel en het kenmerk der
kinderen Gods, want haat en tweedracht zijn het
kenmerk der kinderen des duivels; hij, die zijn broeder
kaat, is niet van God.
Voor alles hebt wederzijds, zegt de H. Petrus,.
bestendige liefde jegens elkander. (I PüTKI IV, 8.) Wij
zoeken zoo angstig zielbestierders, om ons in het
geestelijk leven te geleiden; wij zijn altijd begeerig
naar godvruchtige oefeningen, wij leggen ons dan
-ocr page 186-
180
op deze, dan op gene deugd toe! Och! zoeken wij
zooveel niet, vragen wij zooveel niet, maar laat
ons beminnen. Want, zegt de H. Petrus, de liefde
bedekt eene menigte zonden
(I Petri IV, 8): dat wil
zeggen, verbergt ze in de oogen van God, zoodat
op den dag des oordeels, als wij onzen naasten om
God en voor God bemind hebben , onze zonden noch
nageteld noch gestraft zullen worden, zij zullen niet
meer bestaan; de liefde zal over ons zulke groote
genaden hebben getrokken, dat onze wil onze zonden
zal verfoeid en God die volkomen vergeven zal hebben.
Hoe troostend is deze leer. O gij, die uw leven
doorbrengt in angstige vrees voor uwe zaligheid,
overdenk deze zoete woorden: Om talig te worden
is het genoeg de geboden Gods te vervullen
; welnu
al die geboden bestaan in God en zijn evennaasten
te beminnen;
geen duidelijker teeken is er dat men
God bemint, dan wanneer men zijne naasten bemint
uit liefde tot God.
Meer is niet noodig ter zaligheid. Wat kan ge-
makkelijker zijn? Ja, zou men niet moeten zeggen,
o mijn God, dat gij den weg ter zaligheid te gemak-
kelijk hebt gemaakt?
Beminnen wij dan, beminnen wij vooral; want,
zegt de H. Paulus, »al deelde ik al ivat ik bezit,
tot spijs voor de armen uit, al leverde ik mijn lichaam
om het te doen verbranden, als ik de liefde niet heb,
dient het mij tot niets
(I Coit. XIII, 3); al sprak ik
de taal der mensrhen en der engelen, wanneer ik de
liefde niet heb, ben ik als een klinkend met aal."
(Ib. I.)
Ziet men niet dagelijks religieuzen, die zich voor
haren regel opofferen en niet de minste liefde toonen
voor degenen, die het ongeluk hebben in hare onge-
nade te vallen ? O zeggen wij dan tot ons zelveu:
-ocr page 187-
181
Al zou ik mij-zelve ten slachtoffer aanbieden, al zou
ik alle mogelijke gestreugheden oefenen, al zou ik
geheel mijn leven in het gebed doorbrengen, zonder
de liefde,
zullen al mijne godvruchtige oefeningen,
al mijne goede werken, al mijne gebeden, mij niet
baten ter zaligheid.
II.
5)& evennaaste vevd\\ent dat men
new\\ veminne.
1.     Onze evennaaste verdient dit wegens zijn oor-
sprong.
Hij is een kind van God; en wanneer men
hem bemint, veroorzaakt men aan God dezelfde
vreugde, die een vader op aarde gevoelt, wanneer
hij ziet, dat men zijn kind liefkoost, prijst, beschermt,
helpt of bemint.
Als kind van God, is hij ook het beeld van God;
en zij die rein van harte zijn en God beminnen, zien
door het karakter, de gebreken , de fouten zelfs heen,
zij ontdekken het beeld, dat haar dien God herinnert;
en zij voelen zich geneigd, den evennaaste te eerbie-
iligen en te zoeken hem nuttig te zijn. »Wanneer ik
treurig ben," zegde de H. Theresia, » word ik getroost,
als ik iemand ontmoet, daar die persoon, als even-
beeld van God, mij aan Hem doet denken." Indien
wij dezelfde gevoelens niet ontwaren, bijzonder als
wij onze medezusters zien, zou dit niet komen, omdat
wij, helaas! den goeden God niet genoeg beminnen ?
2.     Wij moeten onzen evennaaste beminnen wegens
-ocr page 188-
182
zijne natuur. Hij is onze broeder. Hij noemt God
zijn rader,
gelijk wij. Hij is herboren in de wateren
des Doopsels, gelijk wij; verlost door het dierbaar
bloed van Jezus-Christus, gelijk wij; met genaden
overladen, gelijk wij; misschien meer door God bemind
dan wij, omdat hij heiliger is; dikwijls zit hij, even
als wij, aan Jezus liefdedisch, en brengt wellicht
een ootmoediger en liefdevoller hart mede dan wij.
En is die evennaaste eene onzer zusters, dan wordt
die zuster geheel bijzonder door God bemind; want
gelijk wij, is zij tot bruid van Jezus verkozen!
Hoe groot maakt haar die titel in de oogen der
Engelen, hoe dierbaar vooral maakt hij haar aan
Jezus-Christus! Wanneer men denkt aan het geheim
van liefde, dat omgegaan is tusschen de ziel en Jezus
op den dag harer II. Professie, aan de waardigheid,
waartoe Hij een arm, nietig schepsel verheven heeft.
dan verwondert men zich, zegt zeker schrijver, dat
de religieuzen in den geest niet diep voor elkander
buigen in een gevoel van diepen eerbied en dat zij
zich niet aan elkanders voeten werpen.
3. De evennaaste verdient onze liafde wegens
zijne bestemming. Op aarde moet hij God eeren.
en hierom heeft God hem bijzondere genaden ge-
schonken , die hem aangenaam maken in zijne oogen,
en hem de middelen geven om voor zijne eer te
werken. Elk christen is bestemd om voor God ie
werken,
en als zoodanig heeft hij recht op den eer-
bied der menschen. Elke religieuze draagt uitwendig
het teeken harer vereeniging met Jezus; baarkleed
zells vordert eerbied. Ik heb u in mijne handen
fieschrereii,
(Isai^k XLIX. 10) zegt God van alle
geloovigen sprekende, doch de religieuze zielen zijn
in het II. Hart van Jezus gegrift.
-ocr page 189-
183
»Wanneer dan," roept de H. Franciscus van Sales
uit, » zullen wij de zielen onzer zusters beschouwen
als geschreven in het goddelijk Hart!"
Hiernamaals is onze evennaaste bestemd om een
heilige in den Hemel te zijn ! Wellicht zal hij naast
ons aan de voeten van God geplaatst worden! welke
schande, zoo wij hem op aarde niet bemind hebben!
III.
®tlw titci van zeliqieu&e veir>ticnt u
iiwen evennaaste ve\\ninnen.
Onder den naam van evennaaste verstaat men alle
schepselen, die bestemd zijn om God op aarde te
kennen, te dienen en te eeren. Allen hebben recht
op onze liefdadigheid, maar sommigen bestaan ons
nader volgens hart en ziel, en dezen moeten voor
ons het voorwerp eener bijzondere liefde en toege-
negenheid zijn. Dit zijn, voor ieder onzer, onze ouders,
onze vrienden, onze weldoeners; voor u religieuzen,
zijn dit daarenboven de leden der familie, die gij
u gekozen hebt, die u heeft aangenomen, in wier
midden gij u te huis gevoelt, even zoo goed als gij
n vroeger te huis gevoeldet, bij die zoo teederbeminde
bloedverwanten, die gij vader, moeder, broeders en
zusters noemdet.
Deze familie der ziel, die thans ook de familie
van uw hart is, moet gij even teeder beminnen,
omdat, volgens den H. Franciscus van Sales, zij
-ocr page 190-
184
uw te huis, uw vaderland is, het scheepje waarin
God u teii hemel wil zien varen.
Uw titel van religieuze voegt bij den naam van
cbristen eene krachtige beweegreden om u op te offeren
voor de ondersteuning, de verlichting, de zaligheid
uws naasten; doch door dezen titel wordt gij meer
bijzonder verplicht u op te offeren voor het welzijn
uwer medezusters.
Het is van deze liefde voor de uwen, — zoo te
recht zusterlijke liefde genoemd, — dat wij bijzonder
spreken.
1.     Elke religieuze communauteit is een gezin; zij
stelt die groote familie der eerste christenen ten tijde
der Apostelen voor. Zij gaven elkander den naam
van broeders en zusters; — ziedaar hoe gij elkander
noemt; —zij leefden in gemeenschap van goederen:
ziedaar wat gij doet; — zij hadden slechts één hart
en ééne ziel: ziedaar wat gij moet hebben; — men
zegde van hen: zie hoe zij elkander beminnen: zie-
daar wat de engelen moeten zeggen, wat de vreem-
delingen, die in uwe huizen binnentreden, moeten
deuken, ziedaar ook wat gij zelve moet zeggen: O
hoe beminnen wij elkander!
Indien dit alles bij u zoo niet is, zult gij eene
verééniging vormen, doch geen gezin van religieuze
zielen,
die God tot vader hebben; want Hij heeft
gezegd, dut Hij diegenen voor de zijnen zou erkennen
die elkander liefhebben.
(Joa. XIII, 35.)
2.     Elke religieuze communauteit is een gezin
dat onder het oog van God eene bijzondere zending
te vervullen beeft; eene zending, die eenzelfde
streven naar hetzelfde doel in alle leden van het
gezin vraagt; dit kan niet plaats hebben, zoolang de
leden, niet tevreden met die algeweene liefde, waardoor
-ocr page 191-
185
men eenvoudig vermijdt elkander te hinderen, —
elkander niet met eene bijzondere liefde beminnen,
waardoor zij trachten elkander op alle mogelijke
wijze te voorkomen, — niet alleen die liefde, waar-
door men elkander verdraagt, — maar dit\', waardoor
men elkander versterkt, ondersteunt, de verkregen
talenten mededeelt, waardoor men zich-zelven vergeet
voor het algemeen welzijn, die liefde in één woord
die noch eigen voordeel, noch persoonlijke voldoening
zoekt, maar alleen het belang en de eer der com-
munaufeit.
3.     Elke religieuze gemeente is een gezin , waarvan
de leden, noch door de banden des bloeds, noch
door die van eigenbelang vereenigd zijn, maar door
de onderlinge liefde; — neem die liefde weg en elk
der leden, veelal van verschillende landen en met
verschillende karakters, zal zijne denkbeelden voor-
staan , zijn smaak zoeken te voldoen , zijn eigenbelang
bevorderen; en de gemeente zal gelijk zijn aan een
waggelend gebouw: de tweedracht zal er binnen-
sluipen. de krachten zullen elkander weerstand bieden ;
onmacht, lijden , wanorde zullen slechts de voorboden
zijn van volkomen ondergang, volgens deze woorden
van Jezus-Christus. Elk hui», dat verdeeld is tegen
zich-zelren, zal ten onderqaan.
(Matth. XII, 25;
Mauci III, 25.)
4.     Elke religieuze gemeente is een gezin, waarin
de beloften van Jezus-Christus moeten verwezenlijkt
worden voor hen, die ter zijner liefde vader, moeder,
en erfgoed verlaten hebben, Behalve het honderdvoud
op aarde en het eeuwige leven, zijn dit — het gevoelen
van het zoete en zachte van het juk des fleer en
(Matth. XI, 30), — en de openbaring zijner tegenwoor-
digheid in het midden dergenen, die in zijnen naam
-ocr page 192-
186
vereenigd bidden. (Matth. XVIII, 20.) Elke gemeente
moet, daargelaten de moeielijkheden, die onafscheid-
baar zijn aan de menschelijke natuur, een weerschijn
van lust Paradijs schijnen
en zijn.
Wat de vreugde des hemels uitmaakt, is de liefde,
en de liefde alleen kan het geluk eene gemeente
uitmaken. Zonder haar lijdt men en lijdt men veel,
men lijdt onophoudelijk, men lijdt zonder troost en
zonder verdiensten :
— en, tot overmaat van smart,
geeft dit gebrek aan liefde, dat weldra buiten het
klooster bekend wordt, een schandelijk crediet aan
de boosaardige gezegden der vijanden van het reli-
gieuze leven, gezegden, die wij met het schaamrood
op het gelaat nederschrijven, doch die het u nuttig
is te kennen: In de religieuze huizen vereenigt men
zich zonder elkander te beminnen,
— sterft men zonder
elkander te betreuren!
.....
Het is de liefde vooral in de kloosters, die tot
aanbeveling strekt aan de wereldlingen. Heerscht
er lief il el
Ziedaar de eerste vraag: en datgene wat
de postulanten in een klooster trekt, is zeker op de
eerste plaats om bare zaligheid te bevorderen, doch
het is ook de overtuiging, dat men in het klooster
elkander bemint, voorkomt, ondersteunt, verschoont,
•dat men wezenlijk als tcare zusters leeft.
Gevoelt gij de kracht van al deze beweegredenen ?
en begrijpt gij nu hoezeer uw titel van religieuze u
verplicht uw evennaaste lief te hebben?
-ocr page 193-
187
IV.
©e vz&esciij&c sïzajten, waatmcda z>ii
4c^^eic|3 wozdcn, die fiet qc-tod
^e^ licjde, ov&zfoedcn.
Wij ontleenen aan Bourdaloue de ontwikkeling
dezer gedachte: »Indien ik mijn broeder niet zoo
volmaakt bemin als Jezns-Christus mij dit beveelt:"
1.     Dan leert mij het geloof, dat ik het leven
der genade niet heb: Hij, die niet bemint, blijft in
een staat van dood.
(I Joa. III, 14).
2.     Dan leert mij het geloof, dat ik in de grootste
verblindheid leef; Hij die zijn broeder haat, wandelt
in de duisternis.
(I Joa. II, 11).
3.     Dan leert mij het geloof, dat ik mij eenigszins
aan een moord schuldig maak; Al wie zijn broeder
haat, is een doodslager.
(I Joa. III, 15).
Ziehier de uitlegging dezer woorden:
I. Indien ik mijn broeder niet bemin, ben ik in
een staat van dood,
dat wil zeggen vau doodzonde,
want zij alleen kan de ziel dooden. Welnu, die
doodzonde, welke het gemakkelijkst door religieuzen
en godvruchtige personen bedreven kan worden, is
de zonde tegen de liefde, omdat een geheim gevoel
van haat of wraak , vrijwillig opgevat en onderhouden,
reede eene zware zoude is. Het is eene zonde, die
zich zoo spoedig meester maakt van ons hart, dat,
indien wij geene groote voorzorg gebruiken, het zeer
moeielijk wordt, het kwaad te stuiten. — Eene zonde
die zeer licht tot gewoonte wordt en waarin men
soms geheele uren doorbrengt. Er zijn omstandig"
-ocr page 194-
188
lieden, die ons tegen andere zonden, zooals eerzucht,
gierigheid , onzuiverheid , vrijwaren ; maar er bestaat
geen levensstaat, waarin men tegen deze zonde be-
veiligd is. Dikwijls heerscht in den heiligsten staat
deze zonde vrij en ongestraft.
II.     Indien ik mijn broeder niet bemin, vandel ik
in duisternis.
Waarom benevelt deze zonde merr het
verstand dan andere? Omdat men in deze zonde het
grootste gevaar loopt, zich eene valsche, eene weinig
nauwkeurige conscientie te vormen, eene conscier.tie
volgens onze inzichten , onze plannen, onzen zin en
weerzin; en niets is meer onderhevig aan begoocheling
dan onze eigene meening, onze afgekeerdheid, onze
bedorven neigingen. Op bet gebied der liefde vleit
men zich-zelve het meest, vindt men vergezochte
verontschuldigingen , om zich, hoe schuldig men ook
zij , vrij te spreken. Dagelijks verheft men tot deugd
de daden, de gevoelens, de woorden, die tastbaar de
Hefde kwetsen. Men noemt den schandelijksten, den
vuigsten laster ijver voor de eer van God, ijver voor
de zaligheid der zielen, ijver voorde waarheid, ijver
voor den godsdienst; — en in plaats van ze met
bloedige tranen te beschreien, maakt men zich daarvan
eene verdiensten voor God en de menschen!
III.     Indien ik mijn broeder niet bemin, ben ik een
doodslager.
Van wie? van mij-zelve, van de liefde
en van den evennaaste. Van mij-zelve, omdat ik
mijne ziel dood door eene der bloedigste wonden,
die ik haar kan toebrengen. Van de liefde, omdat
ik, zooveel mij doenbaar is, de vonk uitdoof der
menschelijke, der christelijke, der religieuze samen-
leving. Van den evennaaste, omdat ik hem, om zoo
te zeggen, dood in mijn eigen hart, waarin hij moest
leven, waarin ik hem moest dragen.
-ocr page 195-
189
Al wie deze waarheden ernstig doorgrondt, zal
zich schuldig erkennen voor het aanschijn van God,
oorsprong van alle liefde, wier rechten Hij moet
oordeelen en wier belangen Hij zal wreken.
Artikel 2.
Kciiiiii-i\'l.i\'ii (lor 11;i;i —.< <-n 1 i.•(< 1<-.
De kenmerken der liejde tot God kan men uit-
drukken door het enkele woord buigzaamheid; de
kenmerken der naastenliefde kan men ook in één
woord samenvatten, te weten inliet woord: toewijding.
I.
\'êfiaïxiux, 9e* toe-wijding.
De toewijding is het offer van zich-zelven voor
het welzijn en het nut van anderen.
Dit gevoel ontlokte aan den H. Paulus deze woorden:
Zeer gaarne zal ik alles wat ik heb en al iaat ik
ben, voor uwe zielen opofferen.
(II Cou. XII, 15).
Wie is er zwak zonder dat ik het ben. (II Cou. XI, 29).
Ik heb mij dienstbaar voor allen gemaakt, om meerderen
te winnen.
(I Gou. IX, 19).
-ocr page 196-
190
De toewijding brengt ieder oogenblik dit woord
Tan Jezus in oefening; De Zoon des menschen is
niet gekomen om gediend te worden, maar om te
dienen.
(Mattii. XX, 28. Marci X, 45).
Het is, gelijk Jezus in het Tabernakel, zich elk
uur van dag en nacht ter beschikking stellen van
iedereen.
Het is, als Hij, verlangen naar het oogenblik, waarop
Hij zijn leven voor anderen zal mogen opofferen; en
in afwachting van dat uur, dat zoo zeldzaam voor
ons aanbreekt, is het, binnen de grenzen van den
ons opgelegden plicht, ons verstand, onzen tijd,
onzen invloed, onze talenten, onze gezondheid, ons
geheel bestaan ten offer breugen.
De toewijding, zegt P. Lacordaire, is het offer van
zich-zelven brengen; en wie zoover niet gaat, bemint niet.
Het gevolg der liefde is de zelfopoffering.
Ziedaar het denkbeeld, dat ieder christen, iedere
religieuze zich van de liefde maakt; maar om zich
zoodanig, niet voor dezen of genen, niet in deze of
gene omstandigheid, maar voor allen in alles,
en altijd
ten offer te brengen, gevoelt men dat men eene
bijzondere genade
noodig heeft.
Deze genade heeft God in alle zielen gestort; want
aan allen geeft Hij het gebod: Gij zult meen even-
naasten beminnen;
en God beveelt niets, of Hij geeft
de noodige middelen om te volbrengen wat Hij ge-
biedt; — maar men mag zeggen, dat diegenen, die
zich door de Uil. Geloften aan God hebben aangeboden
om, in zijne hand, de werktuigen te zijn van zijne
onuitputbare goedheid voor de menschen, in ruimer
mate de genade der naastenliefde hebben ontvangen,
zij, die Hij bestemd heeft om Hem te helpen en zijne
plaats te vervangen!
-ocr page 197-
191
Daarom is de liefde als de dampkring, die de reli-
gieoze huizen omgeeft; daar treedt men in door het
verlangen, zich geheel aan God en den evennaaste
toe te wijden: daar geschiedt alles in dien geest van
liefde, daar wordt alle lijden door de liefde dragelijk.
Zij ondersteunt het lijden der ziel, zij verlicht de
lichamelijke smarten, zij geeft geduld in alle lijden.
Eene religieuze gemeente, waarin men God en
den evennaasten niet bemint, waarin de zusterlijke
liefde vooral niet op bijzondere wijze heerscht, is
niet denkbaar in de oogen des geloofs.
II.
^oct^cwcc^zcdcn^naat dcz naa>tcnt ie|3e»
1. Het voorwerp onzer liefde is elk schepsel, dat
iu sfaat is God te kennen, te dienen, te eeren en
eenwig te verheerlijken in den Hemel; de liefde zoekt
vooral de ziel. De zorgen, die men wijdt aan de
ontwikkeling van geest en hart, strekken slechts tot
dit eenig doel, om langs dezen weg tot de ziel te
geraken. » Zoodra wij beminnen ," zegt P. Lacordaire,
»trachten wij de ziel te redden van dengeue, dien
wij liefhebbeu en hem zelfs ten koste vau ons leven
te verschaffen: »De ivaarhnd in liet geloof, de deugd
in de genade, den crede in de verlossing; in één woord:
God gekend, God bemind, God gediend."
Dit is het algemeene doel der liefde; maar de
toegenegenheid der religieuze heeft een bijzonder doel t
hare gemeente, hare medezusters.
-ocr page 198-
192
O, voor hare gemeente brengt de religieuze hare
werkkracht, haar verstand, hare talenten, hare ge-
zondheid, alles ten offer.
O! om hare medezusters te ondersteunen, om haar
te heiligen brengt zij al de schatten ten offer, die
God in haar hart heeft nedergelegd.
2. Het doel en het einde dezer liefde is God,
altijd God. »Zeker," zegt de H. Franciscus van Sales,
»mogen wij iemand beminnen, omdat hij goed voor
ons is of omdat wij edele hoedanigheden in hem
ontdekken; doch hoe minder wij hem om zich-zelven
en hoe meer wij hem om God beminnen, hoe reiner,
hoe heiliger onze liefde zal zijn."
De maat der liefde wordt door Jezus-Christus aan-
ge wezen: Gij zult uwen evennaaste beminnen gelijk
u-zelven.
(Matth. XXII, 39. Maiici XII, 31.)
Welnu, wij willen dat men medelijden gevoele
met ons lijden, — dat men onze fouten verdrage, —
dat men ons helpe, als wij vermoeid zijn, — dat men
ons minzaam ontvange, — dat men ons vriendelijk
toespreke..,..
VVij hebben gaarne dat men ons achte en beminne,—
dat men aan ons denke, — dat men zich met ons
bezig houde, — dat men dankbaar en liefderijk voor
ons zij, —• dat men onze gebreken bedekke en ver-
ontschuldige, — dat men voor onze ziel bidde.....
Ziedaar de maat onzer liefde voor den evennaasten!
Wij zouden veel meer leed gevoelen, zoo men ons
vervolgde, beleedigde, verachtte, — zoo men kwaad van
ons sprak, — zoo men onze handelingen ten slechtste
uitlegde, —zoo men ons in de achting van anderen
benadeelde, — zoo men ons vergat en ons miskende.
Ziedaar wat wij ons dus nooit jegens anderen mogen
veroorlooveu.
-ocr page 199-
193
Maar ons gedrag jegens anderen moet nog, om
verdienstelijk te zijn, ingeboezemd worden door de
liefde, die vrij God toedragen, God, wien wij gekoor-
z;imen door aldus te beminnen, God, wien wij aldus
oaze liefde bet best kunnen tooneu.
Jezus-Christus geeft ons eene andere maat voor
onze naastenliefde: »Bemint elkander, zegt Hij, <;elijk
ik u bemind heb"
(Joa. XIII, 34; XV, 12)." Indien
deze woorden gericht worden tot alle geloovigen,
moeten zij dan niet bijzonder ter barte genomen
worden door de religieuzen, die uitgekozen zijn om
de leden uit te maken van de larailie van Jezus-
Christus, die geroepen zijn, om Hera te doen kennen
en eenigszins zijne plaats te vervangen?
Beschouwen wij eerst de eigenschappen der liefde
vim Jezus tot ons; daarna zullen wij zeggen, hoe
wij moeten beminnen om te beminnen gelijk Hij.
De liefde vau Jezus was vooral edelmoedig, Hij heelt
alles gegeven tot den laatsten druppel van zijn bloed.
Zij was algemeen, zich uitstrekkende over de ge-
liuele wereld, over al zijne schepselen, en scheen
zij soms bijzonder uit, dan was bet bij de armsten,
de ongelukkigsten, de schuldigsten.
Zij was geduldig, Hij leed zonder de minste klacht
de onbeschaafdheid zijner Apostelen, het verraad van
Judas, de verloochening van Petrus, de vervolging
\'Ier Phariseën.
Zij was zaehtaardig en welwillend, iedereen met
goedheid ontvangende, zelfs den naam van vriend
gevende aan den Verrader, die Hem aan zijne beulen
overleverde.
Beschouw den glimlach van Jezus, de zoetaardigc
uitdrukking van zijn gelaat..... Luister naar zijne
woorden en het geluid zijner stem ;.... besebouw zijne
13 *
-ocr page 200-
194
houding, geheel zijn persoon:.... kan men zich iets
liefelijkers, iets aangenamers, iets zachtzinnigers
voorstellen V
Diezelfde liefde bezit nog Jezus in het Tabernakel;
bestudeeren wij daii Jezus Hart om te bemiuneu
gelijk Hij.
III.
2tocdani<fy$i&d&n dcx, tietdc.
Het doel der toewijding is: de ziel van onzen
evennaaste wel te doen;
dit woord is onbepaald; het
zegt veel en het zegt niets, liet heeft naderen uitleg
en toepassing noodig; daarom heeft God door zijn
Apostel, den H. Paulus, ons op eene bewonderens-
waardige wijze de eigenschappen der liefde voorge-
houden. Ziehier de woorden des Apostels.
De liefde is geduldig, — zij is goedertieren , — zij
is niet afgunstig,
— zij handelt niet lichtvaardig, —
zij is niet opgeblazen, — zij is niet eerzuchtig, — zij
zoekt haar eigen belang niet,
— zij vertoornt zich
niet,
— zij denkt geen kwaad, — zij verheugt zich
niet over de ongerechtigheid,
— zij verheugt zich met
de waarheid,
— zij duldt alles, — zij gelooft alles, —•
zij hoopt alles, — zij verduurt alles. (I Coit. XIII, 4, 7.)
De heilige Joanna Francisca van Chantal had
deze woorden op de muren van haar klooster doen
schrijven; en als eene harer zusters in hare tegen-
woordigheid aan de liefde ontbrak, zond zij haar weg
-ocr page 201-
195
om deze woorden te gaan lezen, die zij den spiegel
des kloosters
noemde.
Wel is het een spiegel, die ons allen en in elke
omstandigheid leert, hoe wij ons jegens onzen even-
naaste moeten gedragen.
Door onze zwakke gezondheid , door de afzondering,
waarin wij leven, door het verval onzer krachten, door
het inwendig lijden van ons hart zijn wij wellicht
onbekwaam om onzen evennaaste te dienen, hem
aalmoezen te geven enz.; doch wie en wat belet ons,
hem met zachtmoedigheid toe te spreken , — geduldig
te
verdragen, — zijne gebreken en zijne ruwheid te
lijden
, — zich te verheugen over zijn geluk, — onze
gebeden, ons lijden voor hem op te dragen, — ons
te veréénigen met het goede, dat hij verricht.
O hoe goed is God, van binnen ons bereik de
middelen te plaatsen, waardoor wij op alle uren van
den dag het gebod van liefde kunnen vervullen!
Artikki. 3.
Beoefening? der naastenliefde.
I.
®en evennaaste venxxnnen \'\\i> aeen 3aa
voozvij iate-n a aan &ondez ne\\\\\\
eenxaen dienst te vcwij&en.
Indien wij de waarde keuden, die de kleinste
liefdewerken in de oogeu van God hebben , hoe zouden
-ocr page 202-
196
wij de gelegenheid opzoeken om ze te beoefenen!
Wij zouden die niet alleen vreugdevol aannemen,
wij zouden ze zoeken en uitlokken op elk uur van
den dag en den nacht.
Even als een koopman, die met groote zorg de
klanten opspoort, zouden wij, zoo dikwijls wij eene
zuster tot ons zien komen, tot ons-zelven zeggen:
Ziedaar eene gelegenheid om iets voor den hemel te
verdienen ;
en wij zouden trachten haar eenigen dienst
te bewijzen- Ts die dienst slechts klein, de koopman
veracht het kleinste gewin niet. Hij weet dat men
door centen tot muloenen komt,
O! indien een glas water, in den naam van God
aan den arme gegeven, ons eene belooning in den
hemel doet hopen, vergeten wij dan niet, dat God
van alles rekening houdt, zelfs van nog mindere
waarde: een goeden raad, — een voorwerp, dat wij
elkander leenen, — een gebed voor dezen of genen
gesproken, — eene kleine onaangenaamheid geduldig
verdragen , — eene fout of verzuim van een ander, dat
men buiten zijn weten herstelt, — God vergeet niets.
En in zijne goedheid en zijne begeerte om ons
eenmaal schitterend te kunnen beloonen, vermenig-
vuldigt God rondom ons de gelegenheden, om ons
7~i                                       DO1
nuttig te kunnen maken.
Verzuimen wij die gelegenheden niet. Dat er geen
enkele dag voorbijga, waarop wij niet eenig goed
bewijzen aan ie zusters, met wie wij leven, — aan
de kinderen of de armen , die ons zijn toevertrouwd , —
aan de personen, die in do spreekkamer ons eenige
minuten tijd komen rooven.
, 1. Weiger nooit een dienst te bewijzen, wanneer
dit niet strijdt tegen de inzichten der Overste noch
tegen een bepaald gebod; bijvoorbeeld: een oogenblik
-ocr page 203-
197
eene zuster vervangen in de bediening of bezigheid
haar opgelegd, — haar de middelen mededeelen,
die de ondervinding ons geleerd heeft en die haar
kunnen helpen om beter of gemakkelijker te slagen,
— zich gaarne leenen tot het vervullen van datgene
wat anderen lastig zou vallen , — dadelijk een boek
of een ander voorwerp leenen, — zelfs niet wachten
tot dat ons een dienst gevraagd wordt, doch immer
gereed zijn, zoodra men denkt dat dit nuttig of
aangenaam is voor eene medezuster.
2.     Stellen wij ons geheel ten dienste der gemeente,
nemen wij zonder ijdel vertoon alle lastposten, waar-
voor de Overste dikwijls niemand weet te vinden, op
ons, en trachten wij alle kleine misslagen van anderen,
die wij bemerken, te verbeteren. De religieuze, die
aldus de liefdewerken weet te vermenigvuldigen, mag
gerust zeggen dat zij eene goudmijn gevonden heeft,
waaruit zij de grootste schatten kan putten.
3.     Beschouwen wij ons-zelve als de dienstmaagd
onze medezusters; en als wij driemaal daags het
Angelus bidden, bedenken wij dan, dat wij ons vrij-
willig tot dienstmaagd des Heereu gemaakt hebben
door deze woorden der H. Maagd: Zie de dienstmaagd
des Heeren
(LucjE 1, 38). Vrees die schijnbare
onderwerping niet. Het woord dienstmaagd klinkt
niet vervaarlijk, wanneer het de liefde is, die het
ingeeft. Is het geen kind van God, dat gij dient?
Is het niet aan eene Bruid van Jezus, dat gij moeite
spaart of eenige verlichting aanbiedt? Hoe rijk zal
*-\'0d in den Hemel eiken dienst vergelden! Zie dan
God in uwe zuster, en beschouw de belooning, die
o in den Hemel wacht!
-ocr page 204-
198
II.
©en evennaaste veminnen \\s vooi de
z-alianeid &\\\\nei &iel en net wel&ixn
van zijn ixenaam alles ovoitezen
wat n\\en neelt,
Eene religieuze bezit zeer weinig, en dit weinige
mag zij noch weggeven, noch afstaan, omdat zij
door hare gelofte van armoede slechts het gebruik
heeft der zaken, die hare Overste haar in handen
geeft; doch zoo men weinig stoffelijke, zaken kan
geven of leeuen, zoo heeft men andere schatten, die
God in zijne goedheid ons ter beschikking stelt, altijd
binnen de grenslijn door zijne hand getrokken.
1.
Tot deze schatten behoort ons hart, ons hart, dat
altijd moet beminnen, ons hart, dat de godsdienst
niet moet inkrimpen, maar dat zij steeds gevoeliger,
steeds liefderijker, doch tevens sterker maakt en
veredelt, — en het is dit hart, dat wij veil moeten
hebben voor onze gemeente en voor elk derzelvev
leden
.
1. Onze gemeente moet voor ons de dierbaarste
aller gemeenten zijn; wij mogen haar met andere
vergelijken, wij mogen ze alle prijzen, maar wij
moeten altijd en in alles de voorkeur geven aan die
gemeente. waarin God ons geroepen heeft. — Het is
onze familie, de wieg van ons religieuze leven, daar
-ocr page 205-
199
zijn wij opgegroeid, omringd door tijdelijke en gees-
telijke zorgen; het is daar, dat wij moeten sterven. —
Zij moet in ons hart deelen in de liefde, die wij
toedragen aan onze eigene familie, die wij voor haar
ten offer brachten; zij moet meer bemind, hooger
geschat worden. En wanneer wij lezen of spreken
van de deugd en de vreugde, die in andere commu-
nauteiten heerschen en ons hart zegt: hoe aoed moet
het daar zijn;
zoo moet het aanstonds er bijvoegen,
»doch hier is het beter!"
2.     Onze zusters moeten het voorwerp zijn der
toegenegenheid van ons hart. Niet dat wij bij hare
ontmoeting eene bijzondere aandoening ontwaren;
maar wij moeten haar voorspoed toewenschen in
al wat zij voor Gods glorie ondernemen, — dage-
lijks voor haar aan God de noodige deugd vragen
om veel en verdienstelijk voor den Hemel te mogen
werken, — en gevoelens van godsvrucht, die haar het
leven aangenaam maken en haar in hare moeielijk-
heden ondersteunen.
Het zou zeer ongelukkig zijn, indien gij voor
vreemde personen meer liefde gevoeldet, dan voor uwe
zusters, die thans uwe familie uitmaken. Voor genen
moet gij blijven binnen de grenzen uwer zending,
doch voor dezen moet gij geheel de uitgestrektheid
uwer liefde ten beste geven.
3.     Maar, daar ontsnapt de kreet des harten. Hoe
mijn vader en mijne moeder! moet ik hen dan niet
beminnen ?
Bemin niet minder, maar bemin beter al degenen,
die gij bemint. Bemin ze met dezelfde teederheid,
doch dat uwe liefde bovennatuurlijk zij.
Heb medelijden met hun lijden, maar dat dit
medelijden uwen moed niet verzwakke.
-ocr page 206-
200
Ween met hen, doch keer uwe betraande oogeu
steeds ten hemel.
Troost hen liefderijker dan ooit te voren, doch dat
deze liefde en deze troost niet laf noch aardsch zijn.
Denk aan hen, doch dat deze gedachte u nimmer
belette aan God te denken.
» Als gij de wereld verlaat om in het religieuze leven
te treden," zegt een godvruchtig schrijver, «vernietig
dan uwe wettige toegenegenheid niet, waar heilig
die." Gij bemindet uwe ouders, zooals men op aarde
bemint, bemin ze voortaan gelijk men in den hemel
bemint. God heeft tot u gelijk tot Abraham gezegd:
Verloa/ i/io land, en moe bloedverwanten, en uw
vadem /mis.
(Gen. XTI, 1). Hij heeft tot u gezegd
gelijk tot de H. Maagd: Hoor, o dochter, en zie,
en neig uw oor: vergeet uw volk en het huis mos
vaders.
(Psalm XLIV, 11). Hij heeft u nog gezegd:
Kom, gij zult gekroond toorden. (Ganï. IV, 8). Zoo
riep Hij u tot het Paradijs zijner genade, en met
deze zelfde woorden had Hij u tot het Paradijs
zijner glorie
kunnen roepen. Welnu, zoo gij nu in
den hemel waart, zou er tusschen uwe ouders en u
eene afscheiding bestaan, die gij niet zoudt kunnen
overschrijden; elk zichtbaar, gevoelig verkeer zou
ophouden; uwe hand zou de hunne niet meer kun-
nen drukken, uw oog zou hun dierbaren blik niet
meer ontmoeten, geene uitstorting des harten, geene
vertrouwelijke mededeelingen, geene gesprekken,
geene brieven meer! De scheiding zou regel zijn,
dat stilzwijgen zou regel en vaste regel zijn, zelfs
dan als het treurende hart dien regel niet vrijwillig
zou omhelzen!.....
Maar zoudt gij die dierbare ouders minder be-
minnen, omdat gij ze niet meer zoudt zien ?
-ocr page 207-
201
O hoezeer zoudt gij nog belang stellen in alles wat
ben betrof, zelfs aan gene zijde des grafs! hoe zou
uwe ziel, innig vereenigd met God, zich bezighouden
met de zaligheid hunner ziel! hoe zoudt gij God bidden,
hen te heiligen en ze bij u in den Hemel te voeren!
En zoo God u toestond somtijds uwe menschelijke
gedaante weder aan te nemen, hoe zouden dan uwe
woorden vol minzaamheid, vol teederheid en liefde,
hen tot God geleiden! Hoe zoudt gij hun de ijdelheid
der aardsche zaken doen zien ! Hoe zoudt ge hen
troosten in hunne kwellingen! Hoe zoudt gij voor
hen, in alles, een Engelbewaarder zijn!
Ziedaar wat gij, als religieuze, voor uwe ouders
moet zijn! Zoo dikwijls\' men u in de spreekkamer
roept of dat gij hun schrijft, moet gij u beschouwen
als of gij door God rechtstreeks uit den Hemel tot
hen gezonden werdt.
4. Onder de zusters uwer omgeving, die thans
uwe familie vormen, is er eene, wie gij eene bijzondere
toegenegenheid moet toedragen, die gij meer dan de
anderen moet beminnen, te weten, haar die God
een deel van zijn gezag over u heeft gegeven, om
u ten Hemel te leiden, en wie gij den zoeten naam
van Moeder geeft.
Later spreken wij over de gehoorzaamheid en den
eerbied, die gij haar verschuldigd zijt; nu zeggen
wij slechts: vraag dagelijks aan God u de gevoelens
te geven van een kind voor hare moeder; hoe meer
gij haar bemint, hoe vrijer gij tot haar zult gaan,
hoe nuttiger zij voor uwe zaligheid kan werken.
Eene kinderlijke liefde voor de. Overste is eene kost-
bare genade,
eene zeldzame genade, omdat men ze
bijna nooit aan God vraagt of slechts terloops vraagt,
en omdat men niet nederig en onderdanig genoeg is.
-ocr page 208-
\\.
202
2.
Een andere schat, waarover wij kunnen beschikken,
is ons verstand, dat wij vooral moeten gebruiken, om
werkelijk al onze zusters hoog te schatten.
Wel is het niet moeielijk om eene ziel te achten
die werkelijk deugd bezit en door God geacht wordt.
Indien wij vrijwillig eene gedachte van misachting
tegen eene onzer zusters ingang in ons hart verleenen,
zouden wij ons behooren te schamen en ons voor
God te vernederen; en alvorens die gevoelens in ons
hart te doen wortel schieten, moeten wij voor God
den naam der zuster gaan uitspreken
, en al de reeds
aangegeven beweegredenen herlezen, die ons aan-
DO                                       O
toonen, waarom ome evennaasten verdienen bemind
te worden.
8.
Een derde schat, waarover wij kunnen beschikken,
is onze woorden, ons gelaat, onze manieren.
Indien ons uiterlijk welwillend, vriendelijk, min-
zaam is, zoo trekt het de vreesachtige, bedroefde
zielen tot ons; zij zullen ons hare kwellingen en
smarten mededeelen en ons daardoor gelegenheid
geven, haar te verlichten en te versterken in navol-
ging van Jezus. Hoe zoet is het voor het hart te
kunnen zeggen, ik heb iemand wel gedaan , en tot
God te kunnen zeggen, ik heb heden gedaan, wat
Gij altijd doet, o mijn God\'
Hoeveel goed kan in eene gemeente, vooral eene
eenigszins bejaarde zuster
doen, indien zij in haar
uiterlijk, in hare manieren, in heel haar wezen iets
hemels, iets aanlokkends heeft, dat uit de goedheid
des harten voortvloeit en aan ieder schijnt te zeggen,
-ocr page 209-
203
Kom tot mij! Ja, zij zou tot haar komen, die vrees-
achtige zuster, die nauwelijks in de recreatie durft
te spreken, die bang is zelfs voor hare medezusters
en wier roeping daardoor zou wankelen; zij zou haar
langzamerhand gewoon maken, zij zou haar in hare
i^oede voornemens versterken.
Zij zou tot haar komen, die angstige ziel, die altijd
vreest God te vergrammen, en niet gerust tot hare
Overste, haren biechtvader durft gaan. Zij zou haar
geruststellen , haar vormen , haar zoetjes tot de Overste
voeren, en haar leeren bidden.
O welk eene groote genade doet God aan eene
religieuze, door de gave van vertrouwen te kunnen
inboezemen !
Onze woorden, zoo zij zoetaardig en minzaam zijn ,
zullen steeds de kracht hebben om, ten minste voor
het oogenblik, de wonden der ziel en des harten te
helen. O begrijpen wij eens wel de waarde van een
woord vol goedheid en vriendelijkheid!
»Het bezit," zegt P. Faber, »eene bovennatuurlijke
kracht. Het is als de stem eens engels, die op aarde
verdwaald is, wiens hemelsche stem de harten treft
en daarin iets engelachtigs achterlaat. Het is alsof
dit woord datgene vermag, wat God alleen kan doen,
te weten de harten verteederen en bedaren. Hoe
vele nedergedrukte zielen worden door één woord
van goedheid opgericht! Hoevele ontmoedigde zielen
hebben de haar ontbrekende kracht wedergevonden,
om veel goeds uit te werken, door een enkel goed
woord, dat haar verhief in haar eigen oog! Hoe
menige wankelende roeping is versterkt geworden
door de welwillende en hartelijke woorden eener
eenvoudige medezuster!"
-ocr page 210-
204
III.
©en naasten veminnen \\i> ttaenten uien
de zooaeuxamde Wiexne denaden e\'iqen
Kt, mo^M, oin nenv net teven
aangenaam te marien.
Uit de verééniging van een liefdecol hart, een
weiwillenden geest en minzaamheid in woorden ont-
staat die heerlijke verzameling van kleine deugden , die
de vreugde en het geluk eener gemeente uitmaken,
er de welvaart en deu vrede onderhouden, de wouden
genezen, die de gedurige wrijving van verschillende
karakters noodzakelijk teweeg brengt, en waarlijk in
de gemeente waar zij heerschen, een weerschijn van
het Paradijs
doen stralen.
Wie weet, helaas! niet, dat één lastig karakter
genoeg is om een geheel huis te doen lijden?
Wie weet niet, dat eene gemeente godvruchtig,
braaf, deugdzaam kan zijn, en nochtans zuchten
kan onder een algemeenen druk, die de harten met
onbepaalde onrust vervult en ze bijna ongelukkig
maakt? Men bemint God, men bemint elkander,
maar eene nietigheid is genoeg om ontevredenheid te
veroorzaken. Welnu, in die communauteit worden
de kleine deugden niet aenoe<j beoefend.
Deze kleine deugden, die wij hier aangeven,
zouden bijzonder kunnen dienen tot stof van bijzon-
der onderzoek;
en het zou tot een wezenlijk voordeel
der gemeente strekken, zoo iedere zuster dagelijks
trachtte eene dezer deugden in oefening te brengen.
-ocr page 211-
205
1. De toegevendheid.
Dit is de deugd eener waarlijk groote ziel, die
hooger en beter ziet dan anderen; zij ontveinst de
fouten niet; maar zij ontdekt dadelijk wat ze kan
verminderen, of ze ten goede kan doen uitleggen. —
Toegevend zijn, ziedaar de eigenschap van een ver-
standig mensch, die zich-zelve en de menschelijke
zwakheid kent. Daarom onttrekt zij hare achting
aan de schuldige niet, en ontvangt haar met goed-
heid, zoodra zij berouw toont. In eene gemeente
is het de toegevendheid, die de banden der liefde
vaster samensnoert. Zij verdedigt de schuldige,
beschermt haar, biedt haar een toevlucht, toont
langzamerhand den weg om de misslagen te her-
stellen , en hoe men , om zoo te zeggen , grooter kan
zijn na eene fout. O hoe menigmaal zou een weinig
toegevendheid een zwaarder hervallen in eene eerste
fout belet hebben!
»Nooit heb ik," zegt een godvruchtig schrijver,
;>een weldenkend en bescheiden persoon de handelingen
van anderen zien beknibbelen, daarover nadenken,
er naar vragen, of trachten die te doorgronden. Nooit
lieb ik iemand ontmoet die, in ingekeerdheid en
verééniging met God levende, in afkeuren en ver-
"ordeelen behagen schiep. Die zoo handelen, hebben
of geen verstand of geene deugd, of wel zij missen
beide, het hoofd heeft geen hart, of het hart heeft
geene liefde. »Indien eene zaak," zegt de H. Franciscus
van Sales, »op honderd wijzen kan uitgelegd worden,
inoet men altijd de beste wijze kiezen." Indien de
zaak zoo zwaar is, dat zij voor geene verschooning
vatbaar is, zoo verschoon de meening; en als de
nieening zelfs niet -vrij te spreken is, wijs dan op
-ocr page 212-
20G
de hevigheid der bekoring, de onwetendheid, de
onbedachtkeid, de menschelijke zwakheid."
2. Het liefderijk ontveinzen der fouten van anderen.
Door deze deugd schijnt men de fouten, de belee-
digingeu, het ongelijk niet op te merken, vooral
indien het ons eigen persoon betreft. Men stapt over
een onaangenaam woord, eene stuursche handeling
heen, en men blijft vriendelijk jegens dengeue, die
ons in het openbaar beleedigt, als verstond men
dit niet. Zoo volgt men letterlijk deze woorden
van den H. Paulus: Verdraagt en vergeeft elkander,
als de een tegen den ander eene Machte heeft.
(Coloss.
III, 13.) Waarom zegt de Apostel niet vermaant,
berispt, bestraft
, maar verdraagt ? Het is omdat
wij, eenvoudige religieuzen, hiertoe de opdracht niet
hebben. Het is de plicht der Oversten, — onze
plicht is te verdragen; te verdragen wat ons recht-
streeks betreft, niet te vragen naar hetgeen ons niet
betreft.
Hoevele religieuzen, met een lichtzinnig karakter,
doch met een goed hart, worden diep vernederd en
dikwijls ontmoedigd bij de gedachte dat de minste
fouten,
die haar ontsnappen, gekend, geteld, geoordeeld
worden! Zou de liefde, die slechts rekening zou
houden met de pogingen, die deze zuster tot hare
verbetering aanwendt, baar niet veel nuttiger zijn
voor haren geestelijken vooruitgang?
3. De opgeruimdheid.
Deze deugd trekt de harten; de glimlach, die bijna
voortdurend op het gelaat zetelt, maakt iedereen den
-ocr page 213-
207
toegang gemakkelijk. De waarlijk liefderijke ziel weet,
Jat men door vriendelijkheid tot God moet geleiden;
daarom doet zij, zelfs dan als zij-zelve treurig is,
haar verdriet niet op anderen drukken. Van haar
gaat men getroost en opgebeurd keen, en vraagt altijd
nog, teanneer mag ik terug komen? Zij heeft voor
leus dit woord van den H. Paulus: Weest vroolijk
in den Heer.
(Philipp. IV, 4.)
Gelukkig de zusters, wier vroolijk en opgeruimd
karakter steeds zoekt hare medezusters in de uren
van uitspanning te vermaken, en daardoor hare
goede stemming aan anderen mede te deeleu. Veel
o                   ....
zullen zij daardoor bij God verdienen; velen stichten
zij in hare gemeente, want een huis waarin eene
zoete vi\'eugde heerscht, is een huis waar God wel
gediend wordt.
4. De buigzaamheid van geest.
Zij, die deze deugd bezit, dringt nooit zonder
groote noodzakelijkheid aan anderen hare meeningen
op, maar zij neemt zonder weerzin al het goede en
billijke der denkbeelden van anderen aan, en offert
gaarne hare zienswijze op voor den vrede, zonder
ongeduld of iastigheid te toonen. Zij prijst oprecht
het goede door hare medezusters gezegd. Zij gehoor-
zaamt aan de woorden van den H. Geest. Twist niet.
(II Tim. II, 14.) Maar, zal iemand mij zeggen, ik
heb gelijk, ik kan de dwaasheden en domheden mijner
zusters niet verdragen; wat zij zeggen, strijdt tegen
het gezond verstand.
Herinner u dit woord der
Heiligen: Een 07is liefde is beter dan honderd pond
gelijk.
Zeg uw gevoelen om het gesprek gaande te
houden, maar strijd dan niet hardnekkig om het
-ocr page 214-
208
te verdedigen. Is het niet beter zachtjes de vlag te
strijken, dan zich driftig en toornig te maken en
anderen te vernederen?
5. De minzaamheid.
Dit is de deugd, die bijzonder door den H. Fran-
ciscus van Sales en den II. Vincentius beoefend werd;
het is de deugd, die ons het meeste aan Onzen Heer
Jezus-Christus gelijkvormig maakt.
Ziehier het portret, dat de H. Joanna Francisca
van Cliantal ons van den H. Franciscus van Sales
schetst. »Hij ontving zonder onderscheid iedereen
met een minzaam gelaat, hoorde iedereen, zoolang
men wilde, aandachtig aan. Men zou gezegd hebbeu,
dat bij niets anders te doen had en ieder ging zoo
voldaan en tevreden van hem weg, dat men blij
was, eenige zaken met hem te bespreken te hebben,
om de zoetheid te ondervinden, die hij in het hart
van degenen, die tot hem kwamen, wist over te
storten. Hierdoor wist hij allen tot een volkomen
vertrouwen aan te zetten, vooral wanneer de mede-
deelingcn de ziel betroffen: want zijn groot genoegen
was over de godsvrucht te spreken, en ieder, volgens
staat en roeping, aan te zetten tot derzelver be-
oefeniug.
Zijne manier van spreken was zeer deftig en ernstig,
maar tevens de zoetste, de nederigste, de eenvoudigste
die men ooit kon ontmoeten; want hij was onge-
kunsteld, ongeveinsd en ongedwongen. Nooit hoorde
men hem iets zeggen, dat ongepast, was of naar
lichtzinnigheid zweemde. Hij sprak zacht, ernstig,
bedaard en verstandig, zonder gemaaktheid of uit-
gezochte woorden; ik heb dikwijls bemerkt, dat hij
-ocr page 215-
209
noch te veel noch te weinig zegde, maar juist wat
noodig was. Somtijds verhaalde hij kleine aardighe-
den, doch hij sprak altijd met zooveel bescheidenheid,
dat zijne aanhoorders steeds gesticht en opgebeurd
werden."
Vindt gij deze beschrijving niet verrukkelijk schoon
in hare eenvoudigheid? Och, tracht dan een weinig
den H. Franciscus van Sales na te volgen.
Ziehier nog eenige trekken uit het leven van den
11. Vincentius, want de voorbeelden van minzaamheid
kan men nooit te veel ter navolging voorstellen.
»Men heeft hem een ernstig gesprek met aanzien-
lijke personen zien afbreken, om vijfmaal dezelfde
ziiak te herhalen aan iemand, die hem niet begreep,
en de laatste maal even bedaard als de eerste.
»Men heeft hem zonder eene schaduw van ongeduld
zien luisteren naar arme menschen, die lange en
vervelende gesprekken voerden.
»Men heeft hem, terwijl hij met zaken van aan-
belaug overladen was, dertigmaal daags zien lastig-
vullen door vreesachtige zielen, die hem dezelfde
z;iak op verschillende wijze kwamen voorstellen, ze
tot het laatste toe met een bewonderenswaardig
geduld zien aanhooren, zelfs voor hen opschrijven
wat hij hun gezegd had, en het hun zoolang uit-
luggen tot zij het goed begrepen."
6. De inschikkelijkheid.
Ziehier hoe de beminnelijke Franciscus van Sales
\'Itze deugd uitlegt. »Inschikkelijkheid is zich voegen
\'war iedereen, voor zooverre Gods gebod en het
gezond verstand zulks toelaten, — het is even als
een wassen bal zich voegen naar alle vormen, mits
14
-ocr page 216-
210
zij goed zijn, — niet zijn belang, maar liet. belang
van den evennaasten en de eer van God zoeken. —
De inschikkelijkheid is de dochter der liefde, en
men mag ze niet verwarren met eeue zekere zwakheid
van karakter, die ons belet de fouten van onzen
evenmensen te berispen, als men daartoe verplicht
is; dit zou niet alleen geene deugd zijn, doch meu
zou daardoor deelen in de zonden van anderen.
Inschikkelijkheid is, om zoo te zeggen, zijn wil
schikken naast dien van anderen; zijne eigene ziens-
wijze, denkwijze, handelwijze opofferen om te zien,
te denken, te handelen volgens degenen, die met
ons leven.
Inschikkelijk zijn is een lastig mensch geduldig
aanhooren, — beleefd antwoorden op eene nietswaar-
dige zaak, — een dienst bewijzen, die iemand meent
noodig te hebben, hoewel wij weten dat er geen nut
in bestaat; eene oude zuster in de meeuing laten
dat haar werk zeer nuttig is.....
O hoe veletwistredenen, die soms om eene beuzeling
eene gemeente ontstellen, zou deze deugd beletten!
Hoezeer zou zij den vrede der ziel en de wederzijdsche
tevredenheid bevorderen!
7. De beleefdheid.
De beleefdheid, die wij bij de kleine deugden
rangschikken , omdat wij veronderstellen , dat de reli-
gieuzeu haar heiligen door een bovennatuurlijk inzicht,
in eene louter menschelijke deugd, maar eeue deugd
die noodzakelijk is voor de samenleving. Het is
wellicht, omdat de religieuzen haar te zeer als eene
menschelijke deugd beschouwen, dat zij die onder
elkander vaak vergeten. De beleefdheid is echter
-ocr page 217-
211
uergens misplaatst, en men kan baar het kleed der
liefde
noemen.
De beleefdheid is eene begeerte om te behagen
aan de personen niet wie wij leven, en zoodauig te
handelen, dat ieder tevreden over ons zij: — onze
Oversten
over onzen eerbied, — onze gelijken over
onze achting, — onze ondergeschikten over onze goed-
lieid. Zij bestaat in tot ieder te zeggen wat passend
is, en te doen wat hem genoegen kan doen.
Voorkom\' elkander door bewijzen van eer en van
achting,
zegt de H. Paulus. (Rom. XII, 10). Dit
bewijzen van eer en achting, ziedaar wat wij be-
luefdheid noemen.
Daarom worden in de communauteiten, waar de
christelijke, bovennatuurlijke beleefdheid beerscht, in
de gesprekken
geene onbeschaafde woorden gehoord;
daar worden de onwelvoegelijke toespelingen verbau-
nen, daar valt men elkander niet in de rede, daar
hoort men geen luide kreten, geen schaterlachen;
in de kleeding worden onzindelijkheid en slordigheid
vermeden, — in het gaan en komen, een driftige
gang, een haastige tred, het stooten en hindereu
van elkander.
Nog eene opmerking tot slot dezer opsomming
der kleine deugden.
Elk liefdewerk, dat niet op eenê aangename loijze
gedaan wordt, is zoo goed als verloren. Een dienst,
dien men iemand bewijst met een norsch gelaat,
terwijl men toont, dat men zich slechts ongaarne
daartoe verleent, mist deszelfs uitwerksel, zoo niet
geheel, dan toch ten halve, zoo bij God als bij de
menschen. Het gaat daarin met ons even als met
Ood, die in de H. Schriftuur bevestigt, dat Hij den
vroolijken gever bemint.
(II Cou, IX, 7.) Maar om onze
-ocr page 218-
212
daden te doordringen door den geest van minzaani-
heid, van inschikkelijkheid, van welwillende toege-
veudheid, moet men zich eene groote macht over zich-
zelven eigen gemaakt hebben. Aarzelen wij niet,
waken wij over ons-zelven, bestrijden wij moedig onze
neiging tot baatzucht, tot zinnelijkheid, tot hoog-
moed. Het geldt hier de liefde. Het geldt dus God.
Geene deugd brengt beter reeds hier beneden hare
belooning mede; en de H. Geest wil, dat wij er aan
denken, hij die, wanneer hij de nienschen der oude
wet prijst, van hen zegt, dat zij bij God en de menseken
behagelijk waren.
(Tob. XIV, 17. Eccli. XLV, 1.)
IV.
$)en evennaasten ve\\n\\nnen \\$ yedutdiq
&iine qevze&en vezdzaaen.
Wij hebben reeds over de verdraagzaamheid ge-
sproken ; wij willen deze deugd nog eenigszins breed-
voeriger behandelen, en vooral de reden aangeven,
waarom wij die deugd behooren te beoefenen.
Het verdragen van anderen, ziedaar het groote
kruis der gemeenten; en God zal dat kruis daar
altijd in laten, om aan elke religieuze de gelegenheid
te verschaffen van goedaardig, geduldig, medelijdend
te zijn, de gelegenheid, in één woord, om heilig te
worden, en te kunnen zien, dat zij voortgang maakt
op den weg der heiligheid.
Het leven in eenecommunauteit heeft door zieh-zelren
zoo veel voorrechten, het ontneemt aan den geest
-ocr page 219-
213
zooveel kommer, het geeft zelfs zooveel lichamelijk
welzijn, dat, als God er de noodzakelijkheid van elkander
te verdragen niet geplaatst had, men zeer moeielijk
de christelijke versterving zou kunnen oefenen , zonder
welke nochtans wij den hemel niet bekomen kunnen.
Elke vereeniging van menschen, zelfs van hetzelfde
^ezin, vormt een soort van hospitaal, waarin ieder
zijne ziekte medebrengt. Daar vindt men personen
met een somber en droevig karakter; dezen zijn
onachtzaam, vervelend, tertigstootend, zij morren
n\'.tijd en beklagen zich over alles; genen zijn onbe-
stendig, zij zijn nergens tevreden en vinden heden
slecht wat hen gisteren in verrukking bracht; anderen
zijn ruw in hare manieren en woorden, anderen zijn
driftig, toornig, hoovaardig, anderen zijn nieuwsgierig,
vleiend, eerzuchtig, veeleischend, en anderen weder
zijn achterdochtig, lichtgeraakt en verdienen ten volle
den naam van: Kruidje roer me niet!
Lang zou zij wezen, de lijst der ziekten van de ziel!
De godsvrucht verzacht ze, maar geneest ze niet
geheel; zij springen minder in het oog, doch worden
niet uitgeroeid, de godsvrucht bedekt ze door de
liefde, doch zij kan niet beletten, dat ze soms gevoeld
worden.... Ja, zoodra wij in eene gemeente treden , zij
het de heiligste, de regelmatigste gemeente, moeten
wij een grooten voorraad van geduld, kracht, vrede,
goedheid en medelijden medebrengen. Doordringen
wij ons vooral van de twee volgende gedachten, die
wij dikwijls voor het H. Sacrament moeten overwegen.
1. Ik heb mijne gebreken; gebreken die ik niet
zie of als lichte gebreken beschouw, en die op
mijne medezusters denzelfden indruk maken als hare
gebreken op mij. Ben ik zeker, dat ik die zuster
°p mijne beurt niet hinder, die mij krenkt door hare
-ocr page 220-
214
manieren of hare houding? Ik heb zeker mijne
eigenaardigheden, gelijk zij de hare, en het komt
omdat die zuster sterker en deugdzamer is dan ik,
dat zij mij niet doet gevoelen wat zij van mij te
lijden heeft. Waarom zou ik dan over haar klagen?
Waarom moet ik minder geduld toonen dan zij V
Waarom moet ik mij-zelve volmaakt gelooven en in
haar zooveel onvolmaaktheid opsporen?
2.     Ik kwel en beklaag mij, omdat deze of gene
medezuster met wie ik moet leven, mij verveelt en
mij lastig maakt. Js mijne ontevredenheid, zijn mijne
klachten gegrond? Wat zij doet, doet zij het uit
boosaardigheid?
— Weet zij dat het mij hindert? —
Kan zij anders handelen? — Heb ik haar verzoekt
anders te doen?
— Fin is hetgeen zij doet, wel erg? —
Als eene andere zuster, die ik meer bemin, hetzelfde
deed, zou het mij dan evenzeer hinderen?
— Ben ik
niet kleingeestig teergevoelig, zeer weinig in de
deugd gevorderd, om mij over zulke kleinigheden te
kwellen ? Zou ik niet veel beter doen het vaste
besluit te maken, mij naar die zuster te voegen? Ik
zou den vrede bewaren, en God zou verheei\'lijkt
worden." Deze overweging zou voldoende zijn om
onze kwellingen te verdrijven , vooral als wij daarbij
een nederig gebed voegden , alsook eene oefening van
goedheid , van voorkomendheid jegens die zuster. Hoe
spoedig zouden wij dan het kleingeestige onzer ein-
delooze klachten begrijpen!
3.     Indien wij onze zusters moeten verdragen,
moeien wij haar vooral dan ook niet vergeven?
Later zullen wij spreken over de afgekeerdheid, die
men vrijwillig voedt. Hier vragen wij slechts aan
de religieuze, hoe zij zich des avonds ter ruste durft
begeven met gevoelens van afkeer jegeus eene harer
-ocr page 221-
215
zusters, na het woord van den Apostel, waardoor
Hij ons het bevel geeft: »Dat. de zon vief. op uwe
<ira?nschap onderga"
(Eph. IV, 26); hoe zij vooral
tot de H. Tafel durft naderen na dit uitdrukkelijk
L^ebod: Wanneer gij, op het punt staande uw offer op
te dragen, bedenkt, dat uw broeder iets tegen u heeft,
laat uw offer daar; ga u eerst met, uwen broeder verzoe-
nen en kom dan rno offer opdragen ?
(Matïii. V, 23, 24.)
V.
Hier is niets uitwendigs. Alles blijft in het heiligdom
der ziel. Het is een schat, dien men in stilte, onder
Gods oog vergadert, een schat, die hoog gewaardeerd
zal worden in den hemel en de bron zal zijn van
al de uitwendige liefdewerken, die het leven der
\' religieuze met zoetheid zullen vervullen. Deze oefening
bestaat in zich oprecht, in het diepste der ziel, te
verheugen over al de natuurlijke en bovennatuurlijke
gaven, die God aan al de leden der gemeente geeft;
gaven, waardoor onze zusters nuttiger dan wij, meer
geacht dan wij, meer gewaardeerd dan wij, heiliger
dan wij zullen zijn. De natuurlijke gaven zijn: de
gezondheid des liehaams,
— de minzaamheid der
manieren
, — een helder oordeel, — een schitterend
rerstand,
— een groote schat van wetenschappen, —
een algemeene aanleg om in alle zaken wel te slagen.
-ocr page 222-
216
De bovennatuurlijke gaven zijn: eene zachte en
beminnelijke godsvrucht,
— een brandende ijver voor
het heil der zielen,
— de vrede des harten, die op het
gelaat staat te lezen,
— de gave van overreding, om
de zielen tot God terug te voeren.
Verheug u over elk dezer gaven aan uwe zusters
verleend, alsof gij die zelve hadt ontvangen; bedank
God, ze haar gegeven te hebben; bid Hem, dat Hij
haar die gaven moge laten behouden en die in haar
vermeerdere zelfs in grooter mate dan in u, indien zij
er een beter gebruik van zouden maken. Indien gij
in uw hart eeniggevoel van nijd of afgunst ontwaart,
werp u dan voor uw kruisbeeld neder, of neem het
slechts in de hand, kus het en zeg: Geef, geef, o
Heer, liever aan mijne medezusters dan aan mij; zij
zijn het meer ivaardig!
Door dit gevoelen gedreven, dat langzamerhand
door Gods genade diepen wortel in uw hart zal
schieten, moet gij, zoo gij het ongemerkt doen kunt,
steeds het beste voor anderen laten. Bid God, dat
Hij u wel doe begrijpen, dat gij dan de liefde in
hare volle zuiverheid en kracht beoefent, wanneer
ge met een vreedzaam en tevreden hart anderen
geëerd, geacht, bemind, — en u-zelve veracht en
miskend ziet, wanneer gij ziet dat men den raad
van anderen volgt en den uwe verwerpt, —• dat men
anderen geeft wat zij verlangen en het u weigert, •—
dat men anderen het beste voedsel, de beste kleederen,
de beste cel geeft en dat het geringste steeds voor
u goed genoeg is, — dat men de hoogste bedieningen
aan anderen geeft en u steeds in de nederigste plaatst,
omdat men meent, dat gij onbekwaam voor andere
zijt, — dat men veel beter voor anderen zorgt als zij
ziek zijn, — dat men anderen zoekt en u vermijdt!....
-ocr page 223-
217
Ja, verheug u over al het goede, dat aan uwe mede-
zusters ten deel valt; en indien uwe teergevoeligheid
en eigenliefde zich gekrenkt gevoelen, lees dan deze
bladzijde en maak er u een gebed van, om op die
wijze uwen wil te dwingen, zich volkomen te onder-
werpen aan alles wat God toelaat!
VI.
$)en evennaaste ^winiiên is
medetijden met de tijdenden aevoeten.
Wat is medelijden? Lijden met een ander; zijn
hart plaatsen bij het hart dat lijdt, een deel van
dat lijden in zijn hart opnemen en het daarin behou-
den om het lijden van zijn naasten te verlichten.
In alle communauteiten is eeue zuster belast met de
verpleging der lichamelijke ziekten; waarom zouden
wij ons niet gaarne belasten met de verpleging der
deleten van het hart en den geest.
De Overste kan,
wel is waar, eene dergelijke bediening niet geven;
maar geeft God ze niet? zegt de H. Paulus in naam
van Jezus-Christus niet tot alle geloovigen: Weent
met de weenenden ?
»De rechtvaardigen zijn medelijdend en erbarmen
zich,"
zegt de H. Schrift, (Prov. XIII, 13); zij kunnen
met (Job XXXI, 18) zeggen; »Het medelijden is met
mij opgegroeid."
Ik heb altijd mijn geluk gevonden in de smarten te
verzachten van degenen, die bedroefd en ziek waren,—
de droevigen te troosten, — de harten op te beuren,
die moedeloos waren.
-ocr page 224-
218
Ziedaar wat elke religieuze aan God moet kunnen
zeggen, wanneer Hij haar rekenschap zal vragen van
hare betrekkingen niet hare medezusters. Immers
hartverscheurende droefheid, in- en uitwendige smai-t
en moedeloosheid vinden haren weg, zoowel in de
kloosters als in de wereld, en worden er wellicht
scherper gevoeld, omdat de harten daar gevoeliger
zijn en minder afleiding vinden.
Laat dan geeue uwer zusters in droefheid zonder
haar een woord van deelneming toe te voegen, een
paar woorden uit het hart, die tot het hart spreken
en er altijd eenige opbeuring instorten. Gevoelt gij
niet, dat gij dit altijd doen kunt?
Wij spreken hier niet van de zieken, van de ge-
brekkelijken, die zeker stoffelijke, doch nog meer
geestelijke hulp en minzame woorden noodig hebben.
Denk van uwe zieke zusters, wat de H. Franciscus
van Sales aan eene zieke schreef; Zoolang ik weet
dat gij aan het ziekbed gekluisterd zijt, gevoel ik
mij verplicht u een bijzonderen eerbied te bewijzen,
als aan een schepsel dat God beproeft en met zijne
eigene liverei bekleedt, en zal ik u, als aan zijne
Bruid, de grootste achting bewijzen."
®«ti zvcnnaastc vem\'xnnen ii>
net wetaijn
2>iJ4tet &\\ei vevozdezen.
Dit is, gelijk wij reeds zegden, het doel der liefde;
en daarom moeten wij ten opzichte onzer zusters:
1. Dikwijls in het gebed aan hare ziel denken, —
dagelijks voor haar den geest van godsvrucht, den
-ocr page 225-
219
geest van zelfopoffering vragen. Eene religieuze, die
dagelijks geen deel harer gebeden voor hare gemeente
opoffert, ontbreekt aan de liefde , en zij zal ook slechts
een klein deel ontvangen van de genaden, die God
over de gemeente uitstort.
2. Elke zuster moet zich verplicht beschouwen,
de onderlinge liefde, de onderwerping aan de Overste
en de getrouwheid aan de regeltueld te bevorderen.
1. Het goede voorbeeld.
Het. goede voorbeeld is een plicht voor alle geloovigen.
Tot allen heeft Jezus-Christus gezegd: Dat uw licht,
uwe deugd, voor de mensehen schiftere, opdat zij uwe.
goede iverken zien, en uwen Vader, die in den Hemel
is, verheerlijken.
(Matth. V, 16.) Betracht het goede,
zegt de H. Paulus, niet alleen voor God, maar ook
voor alle menschen.
(Rom. XII, 17.)
Het goede voorbeeld is voor de religieuze een nog
strengere plicht, dan voor andere christenen. Zij moet
overal den goeden geur van Christus verspreiden.
Overal herinnert haar kleed aan haar-zelve en aan
anderen, die haar zien, dat zij aan God toegewijd
is en het werk van God moet verrichten. Zou uwe
roeping u geheel van de wereld scheiden, dan leeft
gij toch met uwe zusters, die dagelijks getuige zijn
van al uwe daden, — van uwe godsvrucht in het
gebed, — van uwe zedigheid in handel en wandel, —
van uwe zoetaardighekl en minzaamheid in het spre-
ken, — van uwe naarstigheid in uwe bediening; —
gevoelt gij niet, dat de H. Paulus tot u zegt gelijk
tot Timotheus, ivees den geloovigen ten voorbeeld f
(I Tim. IV, 12.)
Wees een voorbeeld, omdat het goede voorbeeld
eene gedurige predikatie is; nooit zullen uwe ver-
-ocr page 226-
220
maningen zooveel goed doen als uw voorbeeld. Wees
een voorbeeld, omdat bet voor u cent\', bron van ver-
diensten
is. Eene religieuze, vooral eene eenigszins
O               \'                                               ra
bejaarde zuster, kan door een sticbtenden levenswandel
zeer veel goed doen; en zoo door baar voorbeeld
een gebed beter verricht, de regel beter onderhouden,
de liefde beter betracht wordt, o hoe gelukkig voor
haar! De Apostel Jacobua zegt: Hij die een zondaar
van zijnen dwaalweg bekeert, zal deszelfs zid van den
dood redden , en eene menigte van zonden bedekken."
(Jac. V, 20.)
»Betoon u-zelven in alles een voorbeeld van goede
werken, in deleer, in oprechtheid, in waardigheid."
(Trr. TI, 7.) Wees een voorbeeld altijd eu overal.
Overal en altijd zijt gij onder bet oog van God en
dat uwer medezusters.
Wees een voorbeeld, zegt elders de H. Paulus
(I Tim. TV, 12), door moe gesprekken, de spotternij,
de ijdelheid, de kwaadsprekendheid vermijdende; —
door uwen omgang met den evennaasten , zorg dragende
in alles den afschuw voor het kwade, de achting der
deugd, de liefde voor God en godsdienst in te boeze-
men; — door moe liefde, u steeds gereed toouende
dienst te bewijzen , in het belang uwer medezusters
te spreken en te handelen, deel te nemen in alles
wat haar betreft; — door uw geloof, immer bereid
de leer van Jezus-Christus, de leerstellingen der
H. Kerk, het woord van den Opjierherher en Stede-
houder van J.-C, de bevelen der Oversten, voor te
staan; — door moe zedigheid, immer wakende over
uwe zintuigen en getrouw alle regelen nakomende,
die u gegeven zijn, omtrent de manier van te gaan,
u te kleedeu, u te gedragen. De H. Paulus zegde;
Zoolang ik Apostel der heidenen ben , zal ik mijne
-ocr page 227-
221
bediening doen vereeren. (Rom. XI, 13): dat ieder
uwer luide zegge: Zoolang ik religieuze zal zijn,
zal ik mijne roeping door een voorbeeldig leven doen
eer en.
2. De zusterlijke berisping.
Er is hier geen sprake van eetie openbare berisping,
doch slechts van eene geheime, liefderijke vermaning
aan eene medezuster, die haar plicht verzuimt of
vergeet. Wij kennen geen grooter blijk van toege-
negenheid, noch een verdienstelijker liefdewerk, noch
buiten de HH. Sacramenten, een krachtiger middel
om heilig te worden.
Wanneer twee zusters, die elkander eene oprechte
belangstelling toedragen, elke week met eikander
afspreken, hoe zij beter den Regel zullen onderhou-
den, hoe zij godvruchtiger zullen leven, wanneer
zij elkander waarschuwen, als zij fouten bedrijven,
en voor elkander bidden, zoo zullen zij ongetwijfeld
weldra stichtende religieuzen worden.
1.     Deze waarschuwing moet gegeven worden met
een geest van geloof en eene bovennatuurlijke toege-
negenheid;
zij moet door de gehoovzaa\\nheid worden
goedgekeurd, wil zij niet gevaarlijk worden. Zij
moet met roorziehtigheid geschieden; men moet
rekening houden met het karakter der personen, die
men waarschuwt of berispt. Zij moet vooral met
goedheid
gedaan worden. Men moet haar, die men
berispt, innig liefhebben, veel belang stellen in hare
ziel, en nooit tot haar gaan, alvorens haar aan God
te hebben aanbevolen.
2.     De waarschuwing of berisping moet nederig,
eerbiedig
en dankbaar worden aangenomen.
Veel zouden wij kunnen zeggen, doch als men zich
-ocr page 228-
222
niet edelmoedig wil beteren, zijn alle woorden over-
bodig. Zij moet nog zonder morren, zonder tegen-
spreken, zonder pruilen
worden aangenomen.
Hij, die de berispingen haat, is een dieaas, zegt
Salomo (Piiov. X1T, 1). Gij zijt dus dwaas, mijne
zuster, wanneer gij, u zoo gevoelig toont bij de
minste opmerking; gij , die de reden wilt weten
waarom men u die maakt, die driftig wordt, het
feit loochent..... O vraag aan God eene zuster, die
u genoeg bemint om u te willen waarschuwen, en
u voor haar zooveel genegenheid te geven, dat gij
haar nooit van u verstoot, of haar met koelheid
bejegent.
2.
Oorzaak der fouten tegen de zusterlijke liefde.
De liefde is zoo bekoorlijk in zich-zelve, — zij is
zoo zoet voor het hart, — zoo verdienstelijk voor de
ziel, — zoo noodzakelijk om in den hemel te komen, •—•
zoo gemakkelijk voor iedereen en op alle tijden, —
zij maakt het leven in eene gemeente zoo aangenaam,
dat men zich verwondert, dat men die niet met
geestdrift zoekt en met al de kracht der ziel tracht
in oefening te brengen.
En nochtans kan men alle klachten, der kloosters
samenvatten in deze één e klacht: icij beminnen elkander
niet genoeg!
Dit komt, omdat de oefening der liefde zelfver-
loochening, opoffering, toegenegenheid vraagt.
Zij vraagt een hevigen, pijnlijken, onophoudelijken
strijd tegen de kwade neigingen onzer natuur, die
door de zoude bedorven is. Uit deze neigingen ont-
spruiten:
-ocr page 229-
223
De onverschilligheid, die ons onze medezusters doet
veronachtzamen of verachten.
De baatzucht, die ons aanzet, slechts voor ons-
zelven te zorgen, — ons afgunstig, kwaadsprekend
maakt, en ons verlaagt tot overbrengsters.
De aeest van eigendom, die ons hart inkrimpt, d3
grootmoedigheid, die Jezus van ons vraagt, uitdroogt.
De zinnelijkheid, die ons aan eeue of andere mede-
zuster hecht met eene gausch natuurlijke liefde,
waardoor wij al onze genegenheid op haar stellen
en voor de anderen slechts koel en onverschillig zijn.
Dit zijn even zoovele oorzaken, die is ons de
zusterlijke liefde verflauwen en vernietigen.
I.
De onverschilligheid ontstaat, in eene religieuze
door de verslapping van den geest van godsvrucht.
Zij verzuimt hare gebeden, zij doet hare meditatie
slecht; zij leeft niet meer in verééniging met God.
Langzamerhand beschouwt zij hare zusters niet meer
in het Hart van God, hare gemeente is hare familie
niet meer, hare medezusters zijn hare ware zusters
niet meer en langzamerhand deukt zij: AVat maakt
mij die zuster? Tusschen haar en mij bestaat geen band
noch van bloedverwantschap, noch van vriendschap.
Ik hoop zeker dat het haar goed mag gaan, ik wenscli
haars zelfs allen voorspoed, maar daarmede is het.
-ocr page 230-
224
wel. Wat maakt het mij, of zij blij of treurig is?
Is zij tevreden, des te beter. Is zij het niet, ik kan
het niet helpen. Zij heeft haar werk en ik heb het
mijne. Zij heeft hare moeielijkheden, en ik heb de
mijne....
Wij overdrijven niet, en menige religieuze wier
godsvrucht verflauwd is, zal hierin de gedachten terug
vinden, die menigmaal haar hart ontsteld hebben.
Nu gij hier voor God diezelfde gedachten leest,
vindt gij die nu der Bruid van Jezus waardig?
Onverschillig! Hoe, die gezellin, wie gij den zoetsten
naam geeft, die op aarde na den naam van moeder
bestaat, den naam van zuster, met wie gij dagelijks
bidt, naast wie gij in de H. Communie denzelfden
God ontvangt, die u beiden zijne kinderen noemt!
Zij is u ovevschillig, die oudere zuster, die u in
de gemeente heeft ontvangen, — die u heeft ingelijfd
in het religieuze leven, die zooveel belang getoond
heeft in uw welzijn!
Zij is u onverschillig, die zuster waarmede gij uw
novicaat gedaan hebt, die u oprecht bemind heeft
en nog bemint, die u zoo dikwijls ondersteund heeft
in uwe tegenheden, en die gij nu door uw stuursch
gelaat en uw stroef stilzwijgen bedroeft!
Zij zijn u onverschillig, die medezusters voor wie
God zoovele wonderen van goedheid gedaan heeft,
die Hij zoozeer bemint, door wie Hij zoo bemind
wordt; die zusters zoo heilig en goed, niettegenstaande
alles wat uwe inbeelding zeggen moge, — die zusters
wier gebeden wellicht Gods straffeuden arm van u
afwenden, — die zusters, aan wie God alvorens u den
hemel te openen zal vragen : Heeft zij u allen bemind?
Ziet gij niet dat die onverschilligheid thans reeds
schuldig is in zich-zelve, omdat zij u ondankbaar en
-ocr page 231-
225
onbillijk maakt, u langzamerhand tot afkeer en haat
kan voeren en uwe ziel in een voortdurenden staat
van zonde kan stellen? Lees met aandacht de twee
volgende bemerkingen:
1.     De H. Professie, die in u de beloften van het
II. Doopsel heeft vernieuwd, versterkt en voltrokken,
heeft u leden van een nieuw gezin gemaakt, waardoor
gij leden van hetzelfde lichaam geworden zijt; en
wilt gij niet aan eene strenge verplichting ontbreken,
zoo zijt gij genoodzaakt elkander te ondersteunen, te
beschermen en te dienen; want, zegt de H. Paulus:
Het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb uwe
liulp niet noodig; of wederom het hoofd tot de voeten:
Gij zijt mij niet noodzakelijk.
(I Cor. XII, 21.)
2.     De H. Professie heeft u allen tot zielen gemaakt
die God bijzonder bemint, zielen aan wie God zich
bijzonder mededeelt, en die allen een kenmerk of
stempel zichtbaar aan de oogen des geloofs in zich
dragen, daarin gedrukt door God, wien zij toebe-
liooren en in wiens naam zij handelen.
Vraag eens aan dien koopman, waarom hij aan
een onbekende zijne schatten opent, waarom hij hem,
zonder aarzelen eene aanzienlijke somme gelds ter
band stelt. Het is noch zijn bloedverwant, noch
zijn vriend, noch zijn weldoener, hij verwacht van
hem noch belooning, noch zelfs dankbetuiging.
Waarom zulk een bewijs van vertrouwen aan een
vreemdeling, aan iemand, dien hij wellicht nooit
vveder zal zien? Die vreemdeling bracht hem of een
wissel,
dien hij geaccepteerd heeft, ofwel een sehiddbrief,
behoorlijk door een vriend onderteekend. Ziedaar hoe
bet tusschen ons moet gaan. Is elke zuster niet gelast
ons een wissel te vertoonen, dien Jezus-Christus op
ons trekt?
15
-ocr page 232-
226
Die wissel lnidt aldus: » Voor zooveel gij den minste
der mijnen gedaan hebt
, hebt gij het aan mij gedaan"
(Maïth. XXV, 40). Eu die wissel is onderteekend
en gestempeld met het dierbaar bloed van Jezus-
Christus. Schijnt elke zuster dien niet op haar voor-
hoofd gedrukt te dragen? Hebt gij dien wissel niet
geaccepteerd, toen gij Christen werdt? en hebt gij
die verplichting niet hernieuwd en bevestigd bij uwe
heilige Professie?
Onder uwe medezusters zijn er die meer bijzonder
dien goddelijken stempel dragen. Het zijn de zieken,
de zwakken, de oude zusters, waarvan wij reeds
gesproken hebben.
Dezen hebbeu alle recht op uwen eerbied en hoog-
achting, op de nauwkeurigste en oplettendste voor-
komendheid.
De oude zusters, ja, eerbiedig ze, die oude dienst-
maagden des Heeren, in zijnen dienst vergrijsd,
aan wie gij grootendeels de welvaart, die gij geniet,
verschuldigd zijt. Ga veertig, vijftig jaar terug, en
vraag haar eens, welke moeielijkheden zij doorleefd
hebben, hoe zij hebben moeten werken en zwoegen
om het huis te doen bloeien, en gij zult verwonderd
zijn over hetgeen zij tot stand gebracht hebben.
Thans kunnen zij niet meer werken, doch zij zijn
nog de steunpilaren van het huis; hare enkele tegen-
woordigheid sticht, waarschuwt, beveelt, belet vele
fouten en vele verslapping.
Zij zijn de bewaarsters van den regel, de gedurige
raadgeefsters der jongere zusters, die eene groote
leemte rondom zich zullen gevoelen, als zij allen zullen
heengaan, die stichtende ouderlingen!
En die zieken, waarop de hand des Heeren verzwaard
schijnt, o door hare gelatenheid, haar geduld, hare
-ocr page 233-
227
nederigheid, — want geloof, dat er veel ootmoed
noodig is, om, vooral als men nog jong is en werken
wil, de gemeente tot last te zijn, —boeten zij voor
uwe zonden, —sparen u de welverdiende straffen, —
verwijderen van u bekoringen, waaronder gij zoudt
bezwijken.
Wees vooral voor die oude en zieke zusters niet
onverschillig; bewijs haar alle mogelijke zorg; zij
zijn zoo gevoelig en dankbaar voor de kleinste op-
lettendheid. Luister aandachtig en toon u niet moede,
wanneer zij u dikwijls hetzelfde verhalen; — houd
haar dikwijls gezelschap, en wacht u wel haar te doen
hooren, dat zij moeite veroorzaken en onnuttig zijn
in de gemeente!
Wees ook niet onverschillig voor elkander. Bid
dagelijks voor uwe medezusters, opdat zij heilig
mogen worden, en de onderlinge liefde steeds ouder
u vermeerdere. — Neem eenvoudig en ter goeder-
trouw een dienst aan, en stel u ter dienstbetoouiiift.
— Leen de hulp uwer ondervinding en behendigheid
aan anderen, zonder uwe eigene bediening te ver-
onachtzamen. Heb steeds voor uwe medezusters die
kleine voorkomendheden, die het leven zoo aangenaam
maken. Bewijs elkander die duizend kleine diensten
die nooit degene die ze bewijst, verarmen, doch haar
zeer verrijken voor den hemel; en mocht het u al
eens iets kosten, zoo denk: Een weinig opoffering is
niets, in vergelijking van den grooten troost, dien men
anderen verschaft.
-ocr page 234-
228
II.
De baatzucht, die overdreven liefde tot zich-zelven,
is de verklaarde vijandin der naastenliefde. Zich-zelve
makende tot middenpunt van alles, tot doel en einde
van alles, tot regel en maat van alles, vervult de
baatzucht zoodanig het hart, dat er geen stroobreed
plaats blijft voor den evennaaste. De baatzuchtige
blijft vreemd aan alle genegenheid, waarvan zij het
voorwerp niet is, en wordt ten laatste tot last aan
zich-zelve en bijgevolg diep ongelukkig. Men schaamt
zich te bekennen, dat men aan dit gebrek lijdt:
doch wanneer men met een weinig zorg de fouten
opspoort tegen den naasten, zal men zien, dat zij
bijna alle uit deze ongelukkige bron voortkomen.
1. Is bijvoorbeeld de afgunst, dat droevig gevoel,
dat als een worm het hart doorknaagt, geene vrucht
der baatzucht?
Een voorkeur aan anderen gegeven schijnt ons eene
onbillijkheid, en neemt ons in tegen haar, die eenigen
voorkeur toont en tegen haar die er het voorwerp
van is: baatzucht, afgunst.
Een voordeel dat eene onze medezusters ten deel
valt, den voorrang, dien zij boven ons behaalt,
maakt ons ontevreden jegens haar, doet ons wellicht
kwaad spreken: baatzucht, afgunst.
Eene oplettendheid, die onze Oversten aan eenige
zuster bewijzen, eene bediening, die men haar geeft
en die wij gaarne hadden, doet ons gelooven, dat-
men haar meer bemint, meer acht, dan ons, en
vervult ons hart met een onaangenaam gevoel, dat
-ocr page 235-
229
zich bij de eerste gelegenheid lucht zal geven door
morren, pruilen en klagen: baatzucht, afgunst.
Eene goedkeuring iu ons bijzijn aan onze mede-
zusters gegeven krenkt en verbittert ons, het is als
eene onrechtvaardigheid jegens ons: baatzucht, afgunst.
Den raad , dien men ons geeft, eene opmerking, die
men ons maakt, is in onzen geest slechts eene voor-
ingenomenheid, die men tegen ons heeft, en een
gebrek aan liefde voor ons: baatzucht, afgunst.
De liefde kan niet wonen in een hart, dat zoo
verwoest wordt door de afgunst. O gij, arme ziel,
die al die gevoelens in u gewaar wordt, u er zoo
over schaamt en zoo innig begeert, er van verlost te
worden, ga, kniel neder voor het H. Sacrament en
bid met vuur: Jezus, zachtmoedig en ootmoedig van
harte, maak mijn hart gelijkvormig aan het uwe;
—
Jezus, veracht en vergeten , leer mij mij-zelve verachten
en vergeten ;
— Jezus, gij, die u tot dienaar van allen
gemaakt hebt, maak dat ik de dienstmaagd van allen moge
worden;
— Jezus, bron van goedheid, bron van liefde,
geef dat ik goed en liefderijk voor allen zij, gelijk gij.
2. Nog komt uit de baatzucht die zonde voort
welke, helaas, zoo licht bedreven wordt in alle klassen
der maatschappij, en — schaamrood voegen wij er
bij, — die zelfs door godvruchtige personen bedreven
wordt: het kwaadspreken.
De H. Schrift noemt de kwaadsprekendheid een
afschuwelijk kwaad. (Roji. 1, 30.) Haar gewoon
gevolg is, de liefde geheel uit te dooven; want:
De liefde vereenigt hart en ziel, — de kivaad-
sprehendheid
scheidt ze.
De liefde verdraagt en verbergt de zwakheden en
routen, — de kioaadsprekendheid plaatst al het kwade,
oat zij ziet, in het volle daglicht.
-ocr page 236-
230
De liefde geneest de wonden van hart en ziel, —
de kwaad.iprekend.heid scheurt ze open.
De liefde ademt slechts vrede, — de hwaadspre-
hendheid
zwaait alom den fakkel der tweedracht.
De liefde bevordert de onderwerping en den eerbied
voor het gezag, de kwaadsprekendheid rukt langzamer-
hand den straalkrans af, die het hoofd der Oversten
omgeeft.
En dat alles is het gevolg van één baatzuchtig
hart! Waarom toch zoekt die zuster alle mogelijke
gelegenheden op, om hare medezusters zwart te maken
en al wat zij doen, in het somberste daglicht te stellen?
Waarom bespiedt zij alles? waarom brengt zij alles
over? — Omdat zij niet lijden kan, dat iemand in huis
deugdzamer, godvruchtiger, meer geacht, meer bemind
wordt dan zij, omdat zij meent zich meer te verheffen,
naarmate zij anderen verkleint en vernedert, omdat zij
meent dat men haar ontneemt, wat men anderen geeft.
De kwaadsprekendheid wordt rechtstreeks bedreven,
wanneer men den evennaasten eene misdaad toeschrijft,
waaraan hij niet schuldig is; — (dan is het laster,
eene zonde, die God zij dank, zeer zelden in de
kloosters bedreven wordt), — wanneer men eene fout
vergroot, — zonder noodzakelijkheid eene fout die
niet bekend is, ontdekt; — Wanneer men eene zaak
ten kwade uitlegt, als iedereen, die voor eene goede
zaak beschouwt of zij werkelijk goed is.
De kwaadsprekendheid wordt, alhoewel niet recht-
streeks,
bedreven, wanneer men het goed, door anderen
gedaan, loochent, — verkleint, — een beleedigend
zwijgen bewaart, wanneer men moest prijzen of de
goedkeuring bevestigen, — wanneer men het goede
van den evennaasten zoo koel prijst, dat men daardoor
de achting, die hij verdient, vermindert.
-ocr page 237-
231
Noghatelijker wordtde kwaadsprekendheid, wanneer
men ze bedekt met den mantel der schijnheiligheid
Somtijds neemt zij nederige vormen, — een zedig
voorkomen, eene stem vol medelijden en teederheidaan,
en zegt: »Het spijt mij zeer, dat mijne arme zuster
:>zich zoo vergeet, zoo ver afdwaalt; het spijt mij, dat
»ik moet zeggen, hoe zij doet, maar iedereen weet
»het. Zij is toch zoo goed, en zie eens, hoe diep zij
»gevallen is" enz.
Nog een woord over het vermetel, liefdeloos oordeel,
hetgeen een in het hart voorbereid kwaadspreken is.
Gij weet dat God het verbiedt. Gewoonlijk is het
onrechtvaardig, omdat het op enkelen schijn berust,
liet is de vrucht van nijd, afgunst, van liefdeloosheid
en baatzucht, het stelt u bloot door God onbarm-
liartig geoordeeld te worden. Volg dau den wijzen
regel van den H. Franciseus vau Sales, wanneer hij
zegt: Als eene zaak honderd zijden had, zou ik ze
altijd langs de gunstige zijde beschouwen.
Denk dat
die zuster, die gij nu zoo onbarmhartig oordeelt,
aan God veel aangenamer is dan gij. Er zijn vele
zaken, zegt de H. Bonaventura, die men als slecht
beschouwt, omdat men ze niet begrijpt, of ze eenzij-
dig beschouwt; doch wanneer men ze eens begrepen
heeft, komen zij ons billijk en redelijk voor en doen
ons blozen over onze lichtzinnigheid.
3. Zie ten slotte eens, of het de baatzucht niet
is, die zoovele onvoorzichtige oorblazerij veroorzaakt,
waardoor men in eene gemeente, even als op een veld
met kwistige hand het onkruid zaait. Weet ge wat
het voort zal brengen?
Eerst koelheid, dan achterdocht, dan tweedracht,
•?n ten laatste vijandschap..... men kan elkander niet
meer dulden. Somtijd.? is het uit lichtzinnigheid,
-ocr page 238-
232
dat eene zuster iets overbrengt, doch vaak uit boos-
aardigheid, uit afgunst vooral, en altijd met deze
gedachte: Ik zou zoo niet doen, ik zou zoo niet
spreken, ik zou zoo niet handelen
, ik weet alles ivat
er omgaat: baatzucht
, afgunst, hoovaardigheid.
O hoe verfoeielijk is, vooral in kloosters, waar
men elkander niet vermijden kan, deze ondeugd, zoo
te recht de bijzondere ondeugd des duivels genoemd!
Het kwaad, dat zij daar aanricht, is onberekenbaar,
en eenige maanden zijn voldoende om eene gemeente
waarin de duivel ééne kwaadsprekende toug, ééne
enkele overdraagster heeft weten te dringen, het
onderst boven te keeren.
Zes dingen, zegt de H. Geest, zijn er, welke de
Heer haat, en het zevende, verafschuwt Hij:.....hem, die
tweedracht tusschen broeders zaait. (Puov. VI, 16, 19).
» Zij die zonder eenige noodzakelijkheid overbrengen,"
zegt de H. Thomas, »zijn veel schuldiger dan de
kwaadsprekers. Eene zonde," zegt hij, »is des te
zwaarder, naarmate zij meer schade en nadeel aan
den evennaasten berokkent." Dit nadeel wordt grooter
naarmate dat, hetgeen men den naasten ontneemt
kostbaarder is; de kwaadspreker ontneemt den even-
naasten zijn goeden naam, zijne eer; doch de onvoor-
zichtige oorblazer ontneemt hem den vriend, die
hem beminde; hij verbreekt wellicht voor immer
de banden van vriendschap, die hem het leven zoo
zoet en aangenaam maakten; immers God zelf heeft
gezegd: Niets is te vergelijken bij een getrouwen vriend.
(Eccli VI, 15.)
Denk dus, arme zuster, die u gedreven gevoelt
om alles wat gij ziet en al wat gij hoort, over te
brengen, denk aan dit ernstig woord: de duivelb edient
zich van u,
als van een vergiftigd speeltuig, dat hij
-ocr page 239-
233
uu hier, dan daar werpt. Hij komt op uwe tong
nederzitten, door u verspreidt hij alom de tweedracht,
en wanneer des avonds twee of meer harten gekrenkt,
bedroefd, verdeeld zijn, komt de duivel u bedanken
en zegt u: gij hebt u bij mij zeer verdienstelijk gemaakt!
4. Intusschen zijn er gevallen, waarin eene reli-
gieuze zou zondigen, indien zij de fouten harer
medezusters kennende, die niet zou bekend maken.
Zij zou Mertoe verplicht zijn :
a. Wanneer zij genoegzaam verzekerd is, dat daardoor
het geestelijk of tijdelijk welzijn harer medezusters
wordt bevorderd, dat de schuldige zal verbeterd of
weerhouden worden.
b. Wanneer zij genoegzaam verzekerd is, dat hierdoor
het tijdelijk of eeuwig welzijn der personen bevorderd
wordt, aan wie zij deze fout doet kennen, ten einde
zij maatregelen kunnen nemen, om het leed, dat hen
bedreigt, te ontgaan.
c.  Wanneer de wettige overheid haar gebiedt deze
zaak te openbaren.
d.  Wanneer zij door deze mededeeling eene publieke
wanorde of ergernis kan beletten.
De voorzorgen, die men hierbij te nemen heeft zijn deze:
Wanneer de bedreven fout ons onder het zegel
der geheimhouding bekend is, moet men eerst de
schuldige in het geheim daarover spreken, opdat zij
hare fout erkenne, zich verbetere en haar misslag
herstelle: het is slechts dan wanneer zij onze ver-
maning kwalijk opneemt en zich niet wil verbeteren,
dat men er de Oversten over spreken moet.
Nooit mag men uit liefdelooze oogmerken eene fout
openbaren, — het kwaad overdrijven, — datgene wat
voor verschooning vatbaar is, ten kwade uitleggen, —
noch datgene wat twijfelachtig is, voor zekerheid
-ocr page 240-
234
aannemen. Eene religieuze, die twijfelt of zij eenige
fout harer medezusters al of niet moet openbaren,
zal best doen daaromtrent raad aan haren biechtvader
te vragen; in alle geval moet zij eerst God bidden
om wijsheid en voorzichtigheid.
III.
S)e accst van eiacnSotn.
De geest van eigendom is ook eene der grootste
oorzaken van de verslapping der naastenliefde, eene
oorzaak, die des te gevaarlijker is, omdat men dien
geest als zeer rechtmatig beschouwt.
In eene gemeente is eigenlijk niets ons eigendom,
maar ons is de zorg opgedragen voor de voorwerpen
die behooren tot de ons toevertrouwde bediening.
Het is de linnenkast, — de sacristie, — eene school,
de bibliotheek,
— de ziekekamer, enz.
Deze zorg wordt soms overdreven en verwekt ten
laatste eene gehechtheid èn aan de bediening èn aan
al derzelver toebehooren, en door deze gelegenheid
ontstaat een gebrek, dat men niet bij zijn waren
naam durft noemen, maar dat..... gierigheid heet,
en de gierigheid doodt de liefde.
Indien eene zuster God alleen zoekt in hare zorg
om de haar toevertrouwde zaken te doen blinken
van zindelijkheid en keurige ordelijkheid, indien haar
eenig doel is God te toonen, welk eene groote eer
zij er aan hecht door Hem met die bediening belast
te zijn, indien het geluk aan God te behooren elk
-ocr page 241-
235
andere persoonlijk gevoel bebeerscht, zal de liefde
in baar hart blijven wonen, en als eene zuster haar
iets komt vragen, dat zij in gebruik beeft, zal zij
bet gaarne leenen. Doch is deze zuster aan bare
bediening slechts gehecht uit eigenliefde, en omdat
deze naar baren smaak is, spreekt zij van mijne school,
mijne sacristie, mijne bibliotheek, mijne kast, mijne
leerlingen
enz., helaas! dan is bet de liefde niet meer
die spreekt, maar de geest van eigendom, van gierigheid.
Pas op, dat ge nergens aanraakt, waarover zij baar
schepter zwaait, maak haar geene opmerking, zelfs
de kleinste niet, en vraag baar toch nooit het minste
voorwerp ten gebruike.... Gij zoudt slecht ont-
vaugen, teruggezonden worden, zij zou u bescbul-
digen altijd alles in wanorde te brengen, nooit iets
terug te geven, van niets verstand te hebben....
En nochtans helpt de liefde zoo gaarne iedereen,
en stelt zoo gaarne alles ter beschikking van haren
evennaasten!
VI.
Ö)e tbinnetijkfitid ol $>iizondezc
viiendschav.
Door zinnelijkheid verstaan wij bier dat gevoel dat
ons aanzet, ons op geheel natuurlijke wijze te hechten
aan eene gezellin, die ons behaagt. In het eerst
veronderstellen wij hierin niet het minste kwaad; het
is eenvoudige neiging des harten, — eeue overeen»
-ocr page 242-
236
komst van denkbeelden , die onze harten veréénigt, —
eene vriendschap of plotseling öf wel langzamerhand
gevormd, die God niet uitsloot, doch Hem op de
tweede plaats stelde, en geen ander doel had dan
de behoefte des harten te voldoen.
Ziedaar wat men bijzondere vriendschap noemt,
waarvan het gewoon uitwerksel is: de onderlinge liefde,
die al de zusters aan elkander hecht, te vernietigen, —
de orde in de gemeente te storen , — de anderen te
ontstichten
, — aan de gehoorzaamheid te ontbreken, —
in het geheim te handelen , — de ziel te beletten, de
volmaaktheid van haren staat te bereiken — het hart uit
te drogen voor de zaken, die God en zijne heilige liefde
betreffen, — aan eene menigte hevige bekoringen bloot
te stellen,
— somtijds en maar al te dikivijls tot zivaren
en vernederenden val te brengen.
»Ik kan wel zeggen,"
schrijft een prelaat, »hoe deze soort van vriendschap
beghd; ik kan, ik mag niet zeggen, hoe zij dikwijls
geëindigd is." Maar als eene religieuze begint aldus
te beminnen of zich te laten beminnen, dat zij wel
wete, dat zij reeds begint te sterven aan de ware
liefje. Zij verlaat den zuiveren en vreedzamen hemel
der liefde, om in eeneluchtstroek van storm en onweder
af te dalen. Zij vergiftigt zich-zelve, en of zij het
wille of niet, zij vergiftigt anderen. Satan mag gerust
eene gemeente verlaten ivaar dergelijke vriendschapbestaat
en geduld wordt, ook zonder hem zal zijn werk gedijen.
Wij zullen hier nog eenige bladzijden aanhalen van
een oud schrijver, die zeer geschikt zijn om de ziel
omtrent dit belangrijk punt te verlichten.
1. Al de genegenheid, die men te veel heeft
voor ééne zuster, ontneemt men natuurlijk aan de
auderen. Het hart dat vervuld, verzadigd is door
deze liefde, vraagt niets meer. Het gevoelt geene
-ocr page 243-
237
behoefte, om de overige zusters te beminnen en door
haar bemind te worden. Hoe meer deze genegenheid
zich in één punt samentrekt, hoe sterker zij is; hoe
meer voldoening zij aan de ziel schenkt, hoe meer
deze zich bijgevolg vastkleeft; zij leeft geheel in één
voorwerp, en ziedaar wat men hartstocht noemt.
Alles behaagt wat tot dit ééne voorwerp terug voert;
alles wat er van verwijdert, wordt tot last.
Wanneer de twee vriendinnen bij elkander zijn,
laat het zich gemakkelijk begrijpen, hoe welkom degene
zal zijn, die haar komt storen. Weldra worden de
gedachten, de neigingen, de afkeer, de grieven,
de klachten, de gebreken der ééne die der andere.
VVij moeten in allen ootmoed erkennen, dat, wanneer
wij ons te zeer met anderen vereenzelvigen, vooral
als dit strijdt tegen Gods bevel, wij veel gemakkelijker
hunne gebreken dan hunne deugden aannemen. Men
maakt blindelings de belangen dergenen, met wie men
zich aldus verbindt, tot de zijne. Nooit hebben zij
ongelijk, — nooit kunnen hunne tegenstanders gelijk
hebben. Helaas! nu reeds hebben wij zooveel moeite
onzen evennaasten het ongelijk, jegens ons bedreven,
te vergeven. Wat zal het zijn als wij nog gemeene
zaak met eene vriendin maken? Wat men haar mis-
doet, beschouwen wij als tegen ons misdaan en aldus
zullen wij onze bekoringen tegen de liefde zien verdub-
beien , en of wij zullen dubbele kracht tot weerstand
moeten bieden, öf onze fouten tegen deze groote deugd
zullen ook verdubbelen. En zonder dat deze neiging
nog eene bepaald gevestigde, bijzondere vriendschap is,
zal dit nochtans het gevolg zijn van elke te natuurlijke
neiging, die wij voor iemand zullen gevoelen.
2. Is het niet in die vertrouwelijke gesprekken,
welke deze twee vriendinnen dagelijks weten te voeren,
-ocr page 244-
238
dat men in alle vrijheid over den evennaasten spreekt?
dat men gaarne zegt, wat men weet of denkt? dat
men de maat van achting of misachting bepaalt, die
men hem toekent? dat men niet alleen zijn uitwendig
gedrag, maar tot zijne geheimste meeniugen oordeelt?
Is het daar niet, dat men met lichtzinnigheid, om
het zachtste woord te gebruiken, het gedrag dei-
Overste en biechtvader hekelt? dat men hunne ver-
mauingen en handelingen ten kwaadste uitlegt? dat
men ongunstige vergelijkingen maakt, waaruit de
geest van opstand, van aanmatiging, van partijzucht
met deszell\'s treurige gevolgen ontstaan?
Men spaart daar ook den regel niet, waarvan men
sommige punten kleingeestig, lastig vindt; hieruit
volgen verachting der regelen, verslapping en dikwijls
ongetrouwheid aan onze heilige roeping. Ook de
wereld vindt vaak haar deel in deze vertrouwelijke
gesprekken. Men vertelt zoo gaarne, wat men in de
wereld ondervonden heeft, welke kennissen, welke
vrienden men er had, welk een gemakkelijk, aangenaam
leven men daar kon leiden, de aangename bezigheden,
de schoone vooruitzichten, die ons eeue schitterende
toekomst voorspelden. Behalve dat deze gesprekken
onze eigene, dierbare persoonlijkheid vleien, en de
eigenliefde, die wij toch zoo moeielijk kunnen onder-
drukken, meer opwekken, zullen zij ons ongevoeliglijk
de wereld doen beminnen, betrenren, opzoeken en
ons daardoor walging voor den religieuzen staat
inboezemen.
3. Er is nog meer. Voor zijne vriendin verbergt
men niets, men wil zelfs zijne conscientie voor
haar bloot leggen. Het vertrouwen is zoo zoet!
Daarom vertrouwt men haar zoo gaarne den afkeer,
de moeielijkheden, de neigingen, ja zelfs de bekoringen
-ocr page 245-
239
en de diepste geheimen van het geweten; en daar
de vriendschap van beide kanten dezelfde moet zijn,
worden weldra de denk-, de ziens-, de handelwijze
der ééne ook die der andere, en worden de inwen-
dige gevoelens, de fouten en gebreken gemeenschap-
gelijk kwaad. Indien men daarbij, zooals het gewoon-
lijk gaat, elkander de vermaningen zijner Oversten
mededeelt, maakt men die geheel nutteloos voor
zich-zelve. O welk een verlies, welk een misbruik
der genade! Het goede zaad, dat God in onze harten
strooit, moet, om vruchten te kunnen dragen, door
de aarde bedekt worden. Indien wij, door onze on-
bescheiden mededeeling dat zaad bloot langs den weg
leggen , kan het geen wortel schieten, geene vruchten
voortbrengen. Door onze ongelukkige vertrouwelijkheid
zullen wij er niet meer door getroffen worden, wij
zullen er ons niet meer om bekommeren, en zij, aan
wie wij dit alles hebben medegedeeld, zal het zich
tot plicht rekenen, haar gevoelen er over te zeggen,
het te bespreken, te wijzigen. Zoo houdt men in
de bron zelve reeds de genaden terug, die God
bestemd had, om ons te geleiden tot de volmaaktheid,
die steeds het doel van ons streven moet zijn.
4. Er is nog een valstrik, waarvoor de zusters
die zoo geneigd zijn haar hart weg te scheuken, op
hare hoede moeten zijn.
Het is mogelijk, dat er gevaar voor haar bestaat
zelfs in de betrekkingen, die zij met hare Oversten
hebben, en dat zij, in plaats van uit haren omgang
met hen, vruchten van zaligheid te trekken, in plaats
van aangemoedigd te worden tot voortgang in de
deugd, zich laten medesiepen door hare neiging tot
zinnelijke vriendschap, in de geestelijke leiding slechts
het zoete genot van het vertrouwen, de teederheid
-ocr page 246-
240
der vriendschap, het vermaak van belangstelling
te toonen en in te boezemen zoeken, en op die wijze
de bron vergiftigen van die hulp, die God haar
had beschikt. Dat een weinig ernst en gestrengheid
in degenen, die u bestieren, u dus niet afschrikke;
hierin ligt uwe veiligheid!
Helaas! onze zwakheid is zoo groot, dat wij zoowel
schipbreuk kunnen lijden op de klippen van het
vertrouwen als op die der vooringenomenheid!
Zij derhalve, die de volmaaktheid van haren staat
behartigen, moeten met de grootste zorg haar hart
bewaren voor alle menschelijke gehechtheid en alle
bijzondere vriendschap, die de liefde, welke Jezus
ons gebiedt, volkomen vernietigen. Nimmer mogen
zij vergeten, dat de meesters van het geestelijk leven
deze aangekleefdheden steeds met den naam van de
pest der Communauteiten
bestempeld hebben...
V.
£aafc>t<j zaadje-vinden.
De deugd wordt nooit beter geleerd, zeggen de
Heiligen, dan in de beoefening, doch men verkrijgt
de deugd slechts naarmate de begeerte om ze te
verkrijgen groot is in ons hart.
Deze begeerte naar de deugd bestaat dan slechts
als wij haar beminnen, en men bemint de deugd
slechts naarmate men haar acht.
-ocr page 247-
241
"Wat wij tot dusverre gezegd hebben, is ons eracbtens,
wel in staat, ons de naastenliefde te doen achten en
beoefenen; doch ziehier nog eenige gedachten, die
de goede voornemens zullen bevestigen, u zeker door
God ingeboezemd.
1. Onthoud wel, dat het zonder liefde onmogelijk
is God te behagen.
Het gebod van liefde is het
gebod van Jezus-Christus zei ven.
Er bestaan graden in de deugd der naastenliefde:
eenige zijn slechts aangeraden, zooals: onzen naasten
de voorkeur boven ons-zelventegeven; nooit te weigeren,
iets voor den evennaasten te doen of te lijden;
—zijn
leven desnoods veil te hebben voor het leven van zijn
evennaasten.
Een graad van liefde is volstrekt noodzakelijk;
deze graad is zijn evennaasten als zich-zelren beminnen.
Bemint gij uw evennaasten gelijk u-zelven, dan
voldoet gij aan uw plicht; indien gij aldus niet be-
mint, ontbreekt gij aan de wet der liefde.
2. Elke, hetzij goddelijke of zedelijke deugd dient
om ons de liefde te doen verkrijgen, en bet is in
de liefde, zegt de H. Thomas, dat de volmaaktheid
van het christelijk leven
gelegen is. Pas dus wel op,
gij die u een gewetensbezwaar maakt, soms in nauw-
gezetheid te ontbreken, — zelfs voor een liefdewerk
een deel uwer gebeden achter te laten, — die zoo
ijverig zijt uwe zusters voor eene kleine overtreding
te berispen, — die zoo hardnekkig eene u noodige
dispensatie weigert, — die zoo vasthoudt aan klei-
nigheden, — maar die wetens en willens streng zijt
}ii uw oordeel, — halsstarrig in uwe verbolgenheid
legens eene zuster, die u eenigszins gekrenkt heeft, —
he stuursch uwe waardigheid verdedigt, — gebiedend
nve rechten doet gelden, — die met minachting
16
-ocr page 248-
242
nederziet op degenen, die minder talent dan gij heb-
beu, en afgunstig zijt jegens degenen wier pogingen
beter slagen, — die gaarne de fouten en gebreken
van anderen doet uitkomen; — pas op en zie wel
toe, of gij datgene wat slechts raad is, niet stelt
boven datgene, wat een streng gebod is.
3. Het gebod der liefde moet geschreven staan
in ons hart; en, evenals men nooit kan zeggen, dat
men God te veel bemint, wat men ook moge doen,
zoo kan men evenmin ooit zeggen, dat men zijn
evennaasten te veel bemint, want de liefde heeft
geene grenzen. Wel kan men te ver gaan in uiterlijke
liefdebetooning, doch nooit zal men te ver gaan in
de liefde zelve, die innig verknocht is aan de wel-
willendheid des harten. Beminnen wij dus onzen even-
naasten, zooveel het ons slechts mogelijk is; nooit
zullen wij de grenzen van het gebod overschrijden;
doch wij zullen altijd moeten zegen: Wij hebben slecht*
gedaan wat wij verschuldigd, waren. (Lvvje
XVII, 10.)
Wij herhalen nog wat wij gezegd hebben omtrent
de noodzakelijkheid van onze liefde tot eene boven-
natuurlijke liefde te verheffen, hetgeen vooral van
belang is voor die zielen, die een gevoelig en toe-
genegen hart hebben, zich zeer gemakkelijk hechten,
en voor wie zich opofferen, minzaam zijn en gene-
genheid, betuigen
eene tweede natuur geworden is.
Het is niet juist de liefde van loutere toegenegenheid
des harten, die de wet des Evangelies ons gebiedt,
maar de echte naastenliefde, die God tot doel heeft,
die den evennaaste slechts door en in God bemint,
omdat men door zijn naasten te beminnen aan God
gehoorzaamt. Men moge de menschen op natuurlijk0
wijze beminnen, zooveel men wil; zonder God, dient
deze liefde niet ter zaligheid.
-ocr page 249-
243
De liefde, die ten Hemel voert, is eene werking
van den H. Geest, waardoor onze wil zich uit liefde
tot God aan den dienst van den evennaasten wijdt.
Deze liefde is eene gave Gods, en, zegt de H. Augus-
tinus, men moet die met aandrang aan den Heer
vragen. Indien wij onzen naasten niet beminnen
gelijk het behoort, zoo komt dit, omdat wij bijna
nooit aan God de genade vragen van te mogen be-
minnen, gelijk Hij ivil dat ivij beminnen.
Artikel 4.
EJelooiiin«j <!. -i- IinasteillieiVIe.
Mijn God, zegde een Heilige, waarom beminnen
wij elkander niet gelijk Gij het ons gebiedt ? ach
, voegde
hij er na een oogeublik nadenkens bij, het zou al
te schoon zijn; wij zouden den hemel niets meer te
benijden hebben.
Elkander beminnen, zooals Jezus-Christus wil, is
voor elkander zijn wat eene moeder is voor haar kind,
vol oplettendheid voor alles wat het nuttig of aan-
genaam kan zijn, levende door zijn leven, lijdende
door zijne smarten, genietende door zijne vreugde!
Elkander beminnen, zooals Jezus-Christus wil, is
voor elkander die teedere zorg hebben, die eene brave
en liefdevolle dochter voor hare zieke of lijdende
moeder heeft, des nachts bij haar wakende, op den
dag haar niet verlatende, door een blik of een wenk
hare behoeften radende; en al zou zij zelfs er bij
nedervallen, nooit zal zij zeggen, ik ben moede.
-ocr page 250-
244
Elkander beminnen, zooals Jezus-Christus wil, is
elkander de genegenheid toedragen die twee mater»
voor elkander hebben, die met vreugde alle lief en
leed en al wat zij bezitten, met elkander deelen. \'
Elkander beminnen, gelijk Jezus-Christus wil, is
voor de ziel van anderen zijn wat de missionaris is
voor de ziel van een vreemdeling; hij verlaat alles
om die ziel te onderwijzen, te zuiveren, te heiligen;
wat de H. Vincentius van Paulo was voor de weezen.
de zondaars, de verlatenen ; wat de liefdezuster is voor
al degenen tot wie de gehoorzaamheid haar zendt; —
wat Jezus-Christus geweest is, die zijn leven en zijn
bloed voor ons heeft gegeven, wat die goddelijke
Zaligmaker nog voor ons is, die, terwijl wij Hem
vergeten en ons van zijne weldaden bedienen om
Hem te vergrammen, ons altijd blijft beminnen,
verdragen, voorkomen, met weldaden overladen en
bij het eerste teeken van berouw ons zijne vriendschap
en zijne dierbaarste gunsten terugschenkt. O ja, het
zou te schoon zijn!
En zou dit nochtans niet zijn wat God van ons
vraagt? Zou elk jeugdig meisje, dat verlangt in het
klooster te treden , dit alles niet zoo verwachten in
die gemeente, waarvan zij lid wil worden? Is het
niet aldus dat zij zich voorstelt te wezen voor de
medezusters, die God haar geven zal? Aan den voet
des tabernakels heeft zij het religieuze leven bestu-
deerd, zij heeft de leer van Jezus-Christus en der
heiligen overwogen en zij is zoo overtuigd dat de
geest van liefde eii opoffei\'ing de kern van het reli-
gieuze leven is, dat zij er aan zou verzaken als zij
zou veronderstellen, dat men elkander daar niet be-
mint, zooals Jezus-Christus voorschrijft.
Het zou zeker ons van tijd tot tijd vermoeienis
-ocr page 251-
245
veroorzaken, ons altijd voor andereu op te offeren;
het zou arbeid kosten, altijd zijne eigenliefde te onder-
drukken , zich als de dienstmaagd van anderen te
beschouwen en als zoodanig te handelen; doch hoe
rijk is de belooning voor die vermoeienis, voor dien
arbeid weggelegd!
Weet gij wat God bereidt voor de zielen, die zich
geheel voor de naastenliefde opofferen ?
Zij worden goede, gelukkige, innig met elkauder
veréénigde zielen.
Jfet "Geoefcnen 3e^ naai>tcn£ie$de-
maakte ohj aocdaaidiy.
De religieuze, welke zich op de naastenliefde toelegt,
wordt oprecht goedaardig, dat wil zeggen, dat zij
behoefte gevoelt om goed te doen , dan zelfs als zij
niet de minste belooniug daarvoor te wachten heeft, —
otn zich op te offeren, — de fouten harer medezusters
te verontschuldigen, — datgene wat haar grieft, op
de minst ongunstige wijze uit te leggen, — gaarne
Ite vergeven, — slechts met weerzin te bestraffen, —
in een woord alle deugden te bezitten, die haar op
aarde meest aan God gelijk kunnen maken.
Immers God wordt slechts de goedheid zelve ge-
noemd, omdat Hij de liefde bij uitnemendheid is.
Evenzoo is het met Jezus-Christu\'s, met de H. Maagd
-ocr page 252-
24G
Maria, met de Engelen en Heiligen des hemels. Hot
is de liefde en de liefde alleen, die al de uren van
hun leven zoo verdienstelijk heeft gemaakt.
Toen God het hart van den mensen vormde, zegt
Bossuet, plaatste Hij daarin eerst een grond van
goedheid als het eerste kenmerk der goddelijke natuur.
Deze grond van goedheid, — die onuitputbare mijn
wordt door de naastenliefde bewerkt, en het is daaruit
dat zij elk uur van den dag eene nieuwe oefening
van liefde trekt.
Indien wij gedurende eenigen tijd geen enkel liefde-
werk weigerden, dat wij kunnen verrichten, zouden
wij ondervinden, dat de goedheid als eene tweede
natuur voor ons zou worden; en wij zouden dit woord
eens wijsgeers begrijpen: Om altijd goed genoeg te
zijn, moet men somwijlen te goed zijn.
II.
3fet üeocje-ncn dez naast&niiztdc
maci/fifc ons cp£u&fiL<j.
De religieuze, die de naastenliefde beoefent, wordt
gelukkig.
1. Omdat zij, volgens liet onfeilbaar woord van
Jezus-Christus, verzekerd is, dat God met haar zol
doen, gelijk zij met anderen gedaan heeft,
dat God
haar zelfs al datgene «even zal, wat zij oprecht aan
hare zusters gewenscht heelt. Zoo zal eene religieuze,
die zich toelegt overal rondom zich wel te doeu, te
stichten, dienst te bewijzen, beloond worden voor al
-ocr page 253-
247
wat zij gedaan heeft, al zouden ook al hare daden en
werken mislukken. Hoe zou zij Jan niet in een
voortdurenden vrede, in eeue bestendige vreugde leven ?
Zou zij niet hopen, dat hare zonden vergeven zullen
worden, zij, die zoo gaarne vergeeft? Zou zij niet
vertrouwen al de genaden te verkrijgen, die zij hoopt,
zij, die nooit iets weigert? Zou zij vooral niet gerust
sterven bij de gedachte, dat zij zal geoordeeld worden
door Hem, die beloofd heeft voor haar te zijn wat
zij voor anderen geweest is ?
Zij is vooral gelukkig, omdat, indien de overige
zusters door haar voorbeeld aangemoedigd, de naasten-
liefde beoefenen, de gemeente een waar paradijs toordt.
2. De religieuze, die de naastenliefde beoefent, is
gelukkig, al zou zij slechts die deugd alleen be-
trachten; want deze bevat in zich eene zoetheid, die
men in geene andere deugdoefening vindt. Het hart
is geschapen om te beminnen; en wanneer het bemint
eu zich voor anderen opoffert, is het voldaan.
Als men bemint, zegt de H. Augustinus, lijdt men
niet, of als men lijdt
, dan bemint men zijn lijden.
Ziedaar, waarom Jezus-Christus zegt: Mijn juk is
zoet en mijn last is licht.
(Matïh. XI, 30). De wet
des Heeren is eene wet van liefde, en wat men uit
liefde doet, doet men gaarne,
En dit geluk staat op het gelaat, te lezen, — men
leest het in het oog, — men hoort het door de min-
zaamheid der woorden, — men bemerkt het in die
innige vreugde des harten, dat, volgens de schoone
uitdrukking der H. Schrift, leeft als in een voort-
durend feest.
(Ps. LXVIII, 3).
En dat geluk verdrijft de verveling, die het deel
is van harten, die altijd aan zich-zelven en nooit
aan anderen denken.
-ocr page 254-
248
Het verdrijft de zioaarmoedigheid, dien treurigen
toestaud der ziel, die, door zwarte wolken omgeven,
door geen zonnestraal verwarmd kan worden, en den
duivel toestaat, in de duisternis zijne zinnelijke ge-
dacliten tot het hart te doen doordringen.
Gelukkig zijn is de gewone toestand der ziel, die
zich weet op te offeren, en een gelukkig hart maakt
zijne omgeving gelukkig.
III.
%qX "6eo<z-|eHen 3«* iie-ide, vexe&niat
De liefde doet in eene gemeente dien geest van
eensgezindheid heerschen, die voor degenen, die samen
moeten leven, is wat de lucht is voor onze longen , —
wat de warmte is voor onze ledematen, — de ééns-
gezindheid, die iederéén het leven aangenaam maakt,
waardoor men vrij een dienst vraagt en aanneemt,
een goeden raad durft geven, en zonder bitsheid
eene aanmerking ontvangt.
Die geest leeft door de goede trouio, waarmede men
geeft, ontvangt en vraagt.
Door het vertrouwen, daar men nooit de goede
gezindheid van haar, die men moeder of zuster noemt,
in twijfel trekt, en zich verzekerd houdt dat, evenmin
als men anderen leed wil doen, anderen ons iets
willen doen lijden.
-ocr page 255-
249
Die geest leeft vooral door de dankbaarheid. Niets
is zoo aangenaam iu eene gemeente, dan te denken,
dat zij, die met ons leven, ons vele weldaden hebben
bewezen en bereid zijn ons nog meer goed te doen;
niets is zoeter dan te denkeu aan al de liefde, de
goedheid, die onze Oversten en zusters ons steeds
bewezen hebben. Ja, het is goed en aangenaam te
leven in een luchtkiing van welwillendheid , te midden
van personen, die ons dierbaar zijn, die God heeft
uitverkoren, waarop men in alle omstandigheden
rekenen kan, en die, om zoo te zeggen, door God
gelast zijn. ons in alles te helpen en ons getrouw
te zijn in leven en d<>od.
Welnu, religieuzen, het is iu dieu luchtkring dat
gij leeft!
Leeft dan gelukkig, God en elkander liefhebbende
met al de krachten uwer ziel.
Gebed om goedheid en zelfopoffering
t£ verkrijgen.
O Jezus, gij die in ons midden wilt verblijven, in
het H. Sacrament uwer liefde verborgen, Jezus, die
daar wezenlijk en waarachtig tegenwoordig zijt, doch
die door uwe woorden en handelingen de menschen
niet meer zooals gedurende uw leven uwe goedheid
ont doen gevoelen, — ik kom mij aanbieden, opdat
Gij, door uwe goedheid, mij zoodanig zoudt door-
dringen van uwe liefde voor de stervelingen, dat al
de ledematen mijns lichaams en al de vermogens
-ocr page 256-
250
mijner ziel in uwe hand werktuigen mogen worden
om al het goede op aarde te verspreiden, dat Gij
den menschen zoo gaarne deedt, gedurende den tijd
dat Gij op aarde hebt rondgewandeld.
*                 *
*
O Jezus, die van allen verlaten in den hof van
Olijven, door een engel moest versterkt en bemoedigd
worden, Jezus, die weet dat er thans zijn, die, even
als Gij, op aarde noch steun, noch troost, noch
bemoediging vinden, zend een engel om hun een
•weinig troost en vreugde mede te deelen. O ware het
mij gegeven, die engel te zijn !
Mijn Jezus, wat zou ik daarvoor moeten lijden?
O, indien ik door het lijden van eenige inwendige
of uitwendige smart het voorrecht mocht verkrijgen,
al ware bet slechts voor korten tijd, die vertroostende
engel te zijn, zoo bid ik U, mij dit lijden over te
zenden, o Jezus, hoe bitter het ook moge zijn!
*                 *
*
O Jezus, Gij die harten zoekt om aan de zielen
de liefde mede te deelen, die gij haar toedraagt, —
harten om aan degenen die verlaten en verstooten
worden, te zeggen, dat Gij ze niet verlaat, — aan de
zondaars, dat Gij ze niet veracht, — aan de vrees-
achtigen, dat Gij ze beschermt, — o Jezus, neem
mijn hart en geef mij woorden van kracht, van liefde,
van welwillendheid, van vergeving. Geef dat ik eiken
dag als verloren beschouwe, dien ik voorbij zou laten
gaan zonder van uwe goedheid te spreken, — zouder
de eene of andere ziel vertroost of bemoedigd te heb-
ben , — zonder althans uw heiligen Naam door een
kind te hebben doen zegenen en liefdevol uitspreken.
-ocr page 257-
251
O Jezus, zoo geduldig voor degenen, die U door
hunne lastigheid en onwetendheid vermoeiden, —
Jezus, zoo minzaam en welwillend dezelfde lessen
herhalende, het uur der genade afwachtende, — o
Jezus, maak mij geduldig om te luisteren, geduldig
om te onderwijzen, geduldig om steeds te herhalen,
opnieuw te beginnen, zij het drie, zij het twintig,
zij het honderdmaal.
Geef mij de kracht om steeds minzaam te zijn
wanneer men mij lastig valt; en mocht de natuur
zich een oogenhlik vergeten, geef mij dan ootmoed
genoeg om mijne fout door e.eu vriendelijk woord
te herstellen.
*                  *
*
O Jezus, die aan den weg nedergezeten, met god-
delijke goedheid de gelegenheid bespieddet om wel te
doen, — die eenvoudig een dienst vraagdet om de
ziel der arme Samaritaansche vrouw tot U te trekken,
geef mij de genade om het lijden te raden dat de
vrees soms verbergt; geef mij eene eenvoudige, heilige,
moedige behendigheid om zielen voor U te winnen,
en olie en wijn te gieten op de wonde, die Gij mij
hebt doen ontdekken.
*
O Jezus, die een getrouwen rentmeester zoekt om
uwe schatten uit te deelen, — geef, geef mij veel,
opdat ik veel moge geven, — neem mijne handen
om uwe aalmoezen uit te reiken, neem ze opdat zij,
gelijk de uwe, toen gij de voeten uwer Apostelen
wiescht, ter beschikking van allen, — werkende voor
allen, — allen tot hulp mogen zijn, Geef dat ik
-ocr page 258-
252
nooit vergete, dat ik, gelijk Gij, op aarde ben,
niet om gediend te worden , maar om om te dienen. —
Geef dat ik worde gelijk de fontein aan den weg
geplaatst, waar ieder zich kan komen verfrisscken ,
als de boom langs den weg, die niemand toehoort
en die den voorbijganger zijne rijk beladen takken
aanbiedt, die ter aarde buigen ouder het gewicht
hunner vruchten.
*
O Jezus, die de zielen zoo vurig bemint, en zonder
aanzien van uiterlijke vormen van schoonheid of
karakter in haar slechts de teederbeminde kinderen
van God ziet, — o geef mij, dat ik in al degenen
met wie ik omga, steeds hare ziel moge zien, hare
ziel morre beminnen, slechts wel moge doen met het
oog op die ziel, o mijn Jezus, voor welke Gij uw
leven hebt opgeofferd, die U, even als ik, haar
Vader noemt, en met wie ik hoop in alle eeuwigheid
in uw heilig en goddelijk Hart vereenigcl te leven.
Amen.
-*"""ï—-l 83 rw P—1""-——
-ocr page 259-
TWEEDE DEEL.
Verplichtingen van den Religieuzen Staat.
TWEEDE GEDEELTE.
, - LIJDES, - - GEHOORZAME!, - BIDDEN.
25
TweedeverplichtingvandeReliglouzen
Sttii3en.
Beminnen, zegden wij, is de verplichting bij uit-
nemendheid der Religieuzen. Het doeleinde van den
Religieuzen Staat,
zegt de H. Thomas, is de vol~
maaktheid der liefde.
Beminnen, zegden wij nog, is zich geheel aan God,
aan God alleen geven; vervolgens, door Gods bevel
op die wijze en naar die mate, die God teil, zich aan
den evennaaste toewijden.
Beminnen is een voortdurend streven om zijn wil
met den wil van God te veréénigen, ten einde hier
op aarde zijne getrouwe en toegenegen dienstmaagd
te zijn, zoodat men, zonder de minste aarzeling, wille
-ocr page 260-
254
al wat God wil, — in vreJe en met vreugde aauneme
al wat Hij toelaat,—• gaarne doe wat Hij ous door
zich-zelven of door degeuen, die Hij over ons stelt,
gebiedt, met het doel om zijne almacht, zijne wijs-
heid, zijne goedheid te erkennen en Hein de grootste
glorie te verschaffen, waartoe een geschapen wezen
hier op aarde bekwaam is.
Die liefde, welke ons met vrijen wil en volle ge-
negenheid onder de afhankelijkheid van God plaatst,
is zeer gemakkelijk voor de Engelen des hemels, voor
de Heiligen, die Gods glorie genieten; zij was ge-
makkelijk voor de allerheiligste Maagd Maria, toen
zij nog op deze wereld leefde; maar voor ons, o,
wat is zij moeielijk!
»Die liefde," zegt Mgr. Gay, »heeft talrijke,
» machtige, onderling verbonden, onverbiddelijke vijan-
»den: De duivel, de wereld, het vleesch, de sonde
»
onder alle namen, onder duizend vormen, met
»verbazende strijdkrachten! Dit alles, ouder welk
» kleed het zich ook moge verbergen, is eene werkelijke
»tegenspraak der liefde en is in den grond: de haat.
»De liefde ontmoet dien minder of meer hier beneden,
»doch zij moet dien overal uitdrijven."
De haat, dat wil zeggen, de duivel, want de duivel
is degene, die niet bemint, tracht voortdurend ons
streven naar God te weerhouden, te verlammen, af
te wenden; dat streven ons ingestort bij hetH. Doopsel,
aan ons vooral, die ous zoo dikwijls mogen voeden
met het vleesch van Jezus-Christus en zoo vurig
verlangen met Hem in den Piemel vereenigd te
worden. — De duivel vermenigvuldigt rond ons hin-
dei-lagen van allerlei aard:
Hinderlagen voortkomende uit onze door de erfzonde
bedorven natuur, die ons vooral baatzuchtig maakt,
-ocr page 261-
255
hinderlagen voortkomende uit alle, zelfs uit de heiligste
schepselen, waarvoor de duivel in ons genegenheden
opwekt, dat ons hart kunnen bezoedelen; of afkeer,
waardoor wij ons van onzen evennaasten en bijgevolg
van God verwijderen
Om te beminnen, dat wil zeggen, om zich aan
God en aan zijn evennaasten om God, en volgens God
toe te wijden, moet men dus strijden en onophoude-
lijk strijden.
Het doel des levens is de liefde tot God; welnu,
daar het leven een onophoudelijk streven naar het
doeleinde is, en de weg, die tot dat doeleinde leidt,
door hinderpalen belemmerd wordt, zoo moeten wij
al onze pogingen aanwenden om die door een ernstigen
strijd te overwinnen; — waaruit men mag besluiten,
dat om heilig te worden men vooral kracht en moed
hebben moet.
Strijden is dus de tweede verplichting der religieuze.
Ons beperkende tot datgene wat deze bijzonder
betreft, gaan wij aantoonen:
1°. De noodzakelijkheid van dezen strijd.
2°. De wijze, waarop men moet strijden.
3°. De vijanden, die men moet bestrijden.
l»te HOOFDSTUK.
De ii<>(>< ly;iK<-l ijl^lnï» l van «le^en xt i-i j<i.
Strijden is noodzakelijk voor alle menschen; het
leven des menschen op aarde is een voortdurende strijd.
(Job VII, 1). Hij, die niet strijdt, verdient den
onteereuden naam van lafaard én wordt lan<rzamer-
-ocr page 262-
256
hand de slaaf der zonden, der afschuwelijkste en
wreedste hartstochten.
Wij zeggen dus:
1°. Het is voor alle mentchen noodzakelijk te strijden.
2°. Het is vooral voor elke religieuze noodzakelijk
te strijden.
1.
De strijd is noodzakelijk voor alle menschen.
Deze noodzakelijkheid is gegrond:
1°. Op den toestand, waarin de zonde onze natuur
gebracht heeft.
God had den niensch geschapen in volmaakten
toestand: zijn verstand, door geene enkele dwaling
verduisterd, kende al wat hij noodig had te kennen; —
zijn wil, door geen enkele kwade hegeerte bedorven,
beminde wat hij moest beminnen, en volgde zonder
moeite en zonder weerzin het licht der waarheid; —
zijne zintuigen stonden volkomen onder het bedwang
van zijnen wil, kenden geen weerstand en werden
door geen enkelen hartstocht geslingerd. In dien
toestand zou de mensch natuurlijk God, en voor en
door God zijn evennaasten bemind hebben, hij kon,
gelijk Eva en Adam, tot het kwaad worden verlokt,
doch eene enkele poging van den wil ware voldoende
geweest, om de bekoring te overwinnen.
De zonde is die staat van zaken komen omver
werpen; en sedert dien tijd moet \'s menschen verstand,
verduisterd, en van zijne schoonste lichtstralen beroofd,
strijden om de waarheid te kennen; — zijn teil, ge-
wikkeld in de ongeregelde liefde der schepselen, en
slaafs onderworpen aan de begeerlijkheid, die hem
bijna ondanks zich-zelven tot het kwaad aanspoort,
-ocr page 263-
257
moet strijden om onderworpen te blijven aan Gods
o-eboden; — zijne zintuigen, door de verbeelding
en door de driften, die tegen de rede waren op-
gestaan , opgewekt, moeten strijden, om zich rein en
waardig te bewaren.
Het H. Doopsel heeft zeker den vloek, dien de zonde
op ons getrokken had, doen verdwijnen; doch hetzij
om onzen hoogmoed neder te drukken, om onze
deugd te beproeven, of ons in eene voortdurende
afhankelijkheid zijner genade te bewaren, heeft God
in ons een wortel van bederf, eene neiging tot het
kwade laten bestaan, als een wreed en verschrik-
kelijk vijand, waartegen wij een voortdurenden strijd
moeten voeren, hetgeen den H. Paulus met een
gevoel van diepe nederigheid deed zeggen: Ach!
wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods?
(Rom. VII, 24.) Wie zal mij ontdoen van die
schandelijke slavernij en mij de vrijheid schenken,
waarnaar ik verlang ? Ik doe het goede niet, dat
ik doen wil, en ik doe het kwade, dat ik niet wil!
(Rom. VII, 19.)
Wij allen ondervinden meer of minder, wat de
H. Paulus ondervond. Wij allen hebben, even als
hij, te worstelen tegen dien zoo vernederenden in-
wendigen strijd. Zij, die gedoopt zijn, leert ons het
Concilie van Trente, behouden nog in zich den brand
der begeerlijkheid, waartegen zij voortdurend moeten
strijden, en die voor hen eene bron van verdiensten,
wordt, als zij door de genade van Jezus-Christus
moedig loeerstaan; want men wordt slechts gekroond
na edelmoedig gestreden te hebben.
(Sess. V. Can. V.)
Deze noodzakelijkheid van te strijden is gegrond:
2°. Op de menigte vijanden, die ons aanvallen, en
slechts één doel hebben, te weten ons te verdelgen,
17
-ocr page 264-
258
naar het lichaam; — ons van ons laatste doeleinde,
de vereeniging met God, af te trekken
naar de ziel.
Van buiten zijn wij door vijanden omringd.
Van binnen zijn wij met vijanden vervuld.
I.     Onze lichamelijke vijanden zijn:
Van buiten de koude, de warmte, de verpestende
uitwasemingen, de vergiftige dampen der lucht.
Van binnen de honger, de dorst, al de ziekten,
die uit het bloed voortkomen . ..
Tndien wij geene voorzorgen nemen, indien wij
niet eiken dag, ja elk oogenblik strijden, indien wij
niet telkens de schade herstellen ons door deze vijanden
toegebracht, gevoelen wij langzamerhand eene alge-
ïneene verzwakking, vervolgens eene ware ongestelcU
heid, een lijdenden toestand, de gevoelloosheid en
eindelijk den dood.
II.     Onze geestelijke vijanden zijn:
Van buiten. De H. Paulus leert ons, ons te wape-
nen tegen de belagingen en aanvallen des duivels.
Want wij hebben den strijd, zegt hij, tegen de Over-
heden en Machten
, tegen dé toereldbeheerschers dezer
duisternis, tegen de booze geesten in het bovenaardsche.
(Era. VI, 12.)
Elk schepsel is tengevolge der erfzonde, die op
ieder hunner gelijk op ons drukt, of de verklaarde
vijand,
onzer ziel of ten minste een gevaar, en kan
door de begeerlijkheid, die in ons verblijft, ons tot
val brengen; zoo kan de schoonheid, die bekoort, dt
warmte, die onhoikkelt,
— de vrucht, die voedt, het
kleed, dat ons dekt,
voor onze ziel eene oorzaak tot
val worden.
Van binnen. Daar vindt men die drievoudige kiem,
door den H. Johannes aangeduid, onder den naam
van begeerlijkheid, waarvan wij reeds gesproken
-ocr page 265-
259
hebben: de begeerlijkheid der oogen, de gierigheid;
de begeerlijkheid des vleesches, de zinnelijkheid; de
begeerlijkheid des geestes, den hoogmoed, — een voort-
ilurende vijand des te vreeselijker, omdat hij zich
onder een zachten. bekoorlijken vorm voordoet en
zich als onmisbaar doet beschouwen.
Indien wij geene voorzorgen nemen, indien wjj
niet eiken dag, ja elk uur strijden, indien wij niet
telkens de schade herstellen ons door die vijanden
toegebracht, gevoelen wij langzamerhand de kracht
onzer ziel verminderen, hare onschuld verdwijnen,
de zonde haar overmeesteren, haar doordringen, haar
den dood toebrengen.
Hebt gij ooit een lijk beschouwd, dat men aan de
vernieling heeft overgelaten?
Van buiten wordt het afoeknaagd door eene menigte
#                                                                                O                   Cl                                                      O
insecten, die het langzaam verslinden.
Van binnen voltooien andere insecten langzaam
hun werk van vernieling.
Ziedaar het beeld eener ziel, die niet zou strijden.
De verslindende insecten, die het lijk af knagen, zijn
de hartstochten; wij geven die ook een anderen naam,
die wel is waar zachter klinkt, doch even krachtig
is: neigingen.
Eene neiging is eene kracht, die ons trekt naar het
geen ons behaagt en vleit, en ons dit doet voor-
komen als noodzakelijk tot ons welzijn, ja, tot be-
houd van ons leven.
Die neigingen bestaan in ons en zonder ons. Zij
groeien aan, naarmate wij haar laten heersenen, en
langzamerhand overmeesteren zij ons zoodanig dat
zij ons aan de dieren gelijk maken.
De dieren handelen slechts volgens hunne neigingen.
De mensch is met rede begaafd, oin ze te weer-
-ocr page 266-
260
houden, te onderdrukken; maar sedert den zondeval
van onze eerste ouders is onze rede zeer zwak; als
zij niet door de goddelijke hulp versterkt wordt, zal
zij weldra onmachtig worden om den mensch te weer-
houden, die zich door zijne zinnen laat medeslepen.
II.
Deze strijd is vooral noodzakelijk voor de religieuze.
Deze noodzakelijkheid is zeker dezelfde voor de
religieuze als voor ieder christen: om dezelfde reden
moet zij strijden tegen hare eigene zinnelijkheid en tegen
de aanlokseleii der schepselen, die zoeken haar vau
God te verwijderen; — maar hare hoedanigheid vau
religieuze verplicht haar meer bijzonder tot dezen strijd.
omdat haar toep haar verplicht tot eene grootere liefde
tot God, die eene grootere onthechting van zich-zelve
vraagt
, en omdat de duivel, die haar bijzonder haat,
zijne pogingen, zijne bekoringen en inblazingen ver-
dubbelt, om haar te doen vallen.
De duivel haat God, en die haat toont zich bijzonder
in al hetgeen God meer bijzonder toebehoort.
I. De zonde door eene religieuze begaan, kan,
indien deze hare HH. Geloften niet aanrandt, in
zich-zelve niet zwaarder zijn dan de zoude door anderen
begaan; maar zij is meer beleedigend voor God, en
kan in de christelijke maatschappij een onherstel-
baren indruk maken.
Is die zonde doodelijk, zoo wordt zij voorafgegaan
door eene grootere kennis, waardoor zij een geheel
bijzonder kenmerk van weerstand aanneemt;
— zij gaat
vergezeld van eene grootere ondankbaarheid, waardoor
zij een kenmerk van grootere kwaadwilligheid aan-
neenit; — zij wordt gevolgd door eene rechtvaardige
-ocr page 267-
261
\\erbittering van den kant van Jezus, die recht had,
meer eerbied en gehoorzaamheid te verwachten; —
zij kan de oorzaak worden van eene groote ergernis,
het geloof doen wankelen, de boosaardigen doen
zegevieren en verdert rond zich zaaien.
Daarom woedt de duivel tegen de zielen, die God
toegewijd zijn, en bekoort haar meer, en op eene
\' meer kiesche en aanhoudende wijze dan anderen.
Hij zegepraalt, zoo vaak hij eene religieuze doodelijk
doet zondigen; hij daagt, om zoo te zeggen, God
uit, tot wien hij dan kan zeggen: Zie, na alles wat
Gij voor die ziel gedaan hebt, bemi7it zij mij meer
dan Ut
II. Hoewel het, Gode zij dank, slechts zeer zelden
gebeurt, dat de duivel eene religieuze in eene dood-
zonde
doet vallen, bekoort hij haar niettemin hevig,
en heeft hierin ten doel:
1°. Haar de deugd moeiehjk, het juk des Heeren
zwaar, drukkend, ondragelijk te maken,
haar het
kalme, aangename leven, dat zij bij hare familie leidde,
te doen betreuren, en haar ten minste den tijd te
doen verliezen : » Als de duivel bemerkt, dat eene ziel
hem gaat ontsnappen," zegt de H. Franciscus van
Sales,»zoekt hij ten minste, haar te vermoeien , door
bekoringen te kwellen en den tijd te doen verliezen."
2°. Haar van het gebed af te trekken en haar
hare oefeningen van godsvrucht te doen verzuimen.
Gm te kunnen bidden heeft men kalmte en vrede
noodig. Als men door bekoringen gekweld wordt,
als men twijfelt of men God beleedigd heeft, dan
wordt het gebed moeielijk, men durft niet tot God
gaan, men lijdt veel gedurende de godvruchtige
oefeningen, men laat ze achter, en door dit verzuim
doet men de bron der genaden uitdrogen.
-ocr page 268-
262
3°. Haar van de H. Communie te verwijderen.
De religieuze, onder den invloed der bekoring,
uiet wetende in hoever zij al dan niet heeft toege-
stemd, ontstelt, verontrust, ontmoedigt zich, durft
niet meer tot Jezus naderen en verwijdert zich van
de H Tafel. De duivel zegeviert, want gij kent de
groote genade, waarvan die arme ziel zich berooft. —
Vooral voor de religieuze geldt het woord; Men kan
de gevolgen niet berekenen
, die ééne H. Communie
minder, in eene ziel teweeg brengt.
4°. Haar karakter te bederven. Eene bijna voort-
durende bekoring ontstelt, verveelt, verbittert, bedroeft
en verontrust. — Men werkt met moeite, vertoornt
zich om het minste woord, men kwetst telkens de
liefde, men vernietigt den religieuzen geest in zich
en rondom zich
5°. Haar geweten te vervalschen en te bederven,
haar in twijfel en gewetensangst te icerpen.
Deze toestand is vreeselijk; hij verblindt het oordeel,
verwijdert van de HH. Sacramenten, verdooft de
vreugde, verwoest den vrede , verwart het verstand , en
geleidt eindelijk tot krankzinnigheid of losbandigheid.
Het doel, dat de duivel zich voorstelt, is zwakke
zielen daarheen te voeren; hij toont haar overal de
zonde, en doet haar gewetensangst als eene deugd,
die hij kieschheid van geweten noemt, beschouwen,
hij doet haar hart uitdrogen , verwijdert haar van de
biecht en H. Communie, onder voorwendsel dat zij
die slecht doet, en maakt zich aldus meester van haar
geheel bestaan.
Hare krachten te ondermijnen, haar de ge-
zondheid te doen verliezen
, haar onnuttig te maken
voor hare Communauteit.
Dit is een langzaam, doch
onfeilbaar uitwerksel van die gedurige spanning
-ocr page 269-
263
van den geest, van den gewetensangst, van de o ver-
dreven vrees God te mishagen. Men verliest eetlust,
slaap en vroolijkheid, en leeft zich-zelve en anderen
tot last.
III. Begrijpt gij nu, waarom de geestelijke strijd
ons zoo dringend wordt aanbevolen?
1.     Door Jezus-Christus, die, wetende hoe nood-
zakelijk deze strijd voor ons is, ons daartoe aanzet,
ons verzekerende, dat de hemel slechts voor hem is
die gestreden zal hebben. — Hij zegt ons, dat wij
moeten waken en bidden om niet te vallen. — Hij
vraagt dengenen, die Hem willen volgen, zich-zelveu
te verzaken. — Hij doet ons door zijne Apostelen
zeggen, den duivel krachtig te weerstaan, hem geen
ingang te geven in onze ziel, — niet te leven volgens
het vleesch, uit vreeze den dood te vinden, — ons
te omgorden met al de wapenen van God, om ons
tegen de hinderlagen des duivels te verdedigen.
2.     Door al de Heiligen, die door eigen onder-
vinding geleerd hebben, hoe noodzakelijk het is, altijd
op zijne hoede te zijn om niet verrast, overmeesterd,
vernederd, overwonnen te worden. De ziel moet
het lichaam beheerschen, zegt de H. Alphousus,
of wel het lichaam zal de ziel onder de voeten ver-
trappen. Wij moeten ons lichaam behandelen gelijk
een ruiter een driftig paard behandelt, dat hij met
krachtige hand breidelt, uit vrees van ontzadeld
en op den grond geworpen te worden. — Strijd,
want, zegt de H. Franciscus van Sales, »waartoe
dienen halfdoode harten?
Begrijpt gij nu, waarom de H. Kerk vooor u, God
toegewijde zielen, van wie zij zich bijzonder wi
bedienen om God te doen kennen, beminnen en
dienen, begrijpt gjj, waarom de H. Kerk binnen uwe
-ocr page 270-
2G4
gewijde muren de voorzorgen om n aan den invloed
des duivels te onttrekken als vermenigvuldigt, ver-
wijdering van de wereld, van hare gezelschappen,
hare vermaken, hare nieuwstijdingen,
— de regel, die
geen enkel oogenblik van den dag vrijlaat voor ledig-
heid, noch willekeur,
— middelen in overvloed om
ont tot God te geleiden, ons tot God terug te voeren,
ons dicht hij God te plaatsen, gebeden
, HH. Sacra-
menten, godvruchtige lezingen, vermaningen, goeden
raad, moederlijke leiding, algemeene en bijzondere
retraites
, — eene diepere kennis uwer verplichtingen,
die
m des te dierbaarder worden, naarmate gij der-
zelver wijsheid beter inziet?
Lees dan met opgewekten geest en grooten moed
deze bladzijden; zij zullen u helpen, de listen des
duivels te kennen, de noodige voorzorg daartegen
te nemen en ze krachtig te weerstaan.
j3de HOOFDSTUK.
Hoe moet men strijden?
Verschrik toch niet bij het hooren van het woord
strijden. De strijd ligt voor u niet in beweging,
gcdiuisch, noch aanhoudende vrees.
Wij zullen u be-
wijzen, dat hij bestaat in een bedaarden, vertrouiv
vollen, aanhoudenden wederstand.
Daarenboven zult
gij, o zielen, die aan God zijt toegewijd en aan God
toebehoort, op eene gansch bijzondere wijze, niet
-ocr page 271-
265
alleen strijden; Jezus, uw Meester, uw Vader, uw
Bruidegom, Jezus zal met en voor u strijden, als
gij Hem slechts getrouw dient, en Jezus-Cbristus is
almachtig en overwint altijd.
Men kan strijden op eene indirecte wijze door voor-
zorgen te nemen,
en op directe wijze door te worstelen.
EERSTE AFDEELING.
Voorzorgen namen.
Voorzorg nemen is maatregelen nemen om den
vijand alle middelen te ontnemen, die hij zou kunnen
gebruiken, betzij om tot ons te naderen, hetzij om
ons te bevechten.
Voorzorg nemen is zich voorzien van wapenen om
den vijand te bestrijden; en die wapenen, waarmede
wij verzekerd mogen zijn, dat wij altijd zullen over-
winnen, worden ons door Jezus-Christus zelven aan-
gewezen: de icaakzaamheid en het gebed.
Welnu, in ons bevinden zich 1°. onze zintuigen,
die, ons in aanraking brengende met uitwendige zaken,
den duivel de middelen aan de hand geven om in
onze ziel de verzoeking tot ongehoorzaamheid aan
God, tot weerstand tegen God, ingang te doen vinden.
De duivel begint met onze zinnen op zulk eene
wijze te treffen, dat hij daarin eene aangename ge-
waarwording doet ontstaan; — de zinnen deelen die
gewaarwording mede aan de ziel, die den indruk
daarvan ontvangt. — Die indruk doet nadenken,
Dit nadenken veroorzaakt het aannemen of verwerpen
van het genot, en zoo dit genot zondig is, wordt
-ocr page 272-
266
de zonde daardoor begaan meer of minder zwaar,
naar gelang zij meer of minder strijdt tegen de wet
van God.
Hieruit ontstaat de verplichting, onze zinnen te
bewaken
en te versterven, volgens de zoo kracjitige
christelijke uitdrukking. Versterven zegt zooveel als
ze door de gewoonte als ongevoelig, als dood maken
voor de uitwendige bekoorlijkheid.
2°. Er zijn in ons, binnen ons die neigingen,
waarvan wij gesproken hebben, en die uit hare natuur
door de de erfzonde mede streven om ons af te trekken
van Gods wet, die haar in den weg staat.
Eenige dezer neigingen of hartstochten zetten ons
uit zich-zelven aan, om God ongehoorzaam te zijn,
zooals de haat, de hoogmoed, de zinnelijkheid, de nijd,
die de duivel tracht in ons te verwekken; — de
anderen zetten ons uit zich-zelven niet aan om God
ongehoorzaam te zijn en kunnen ons zelfs tot Hem
brengen, zooals de begeerte, de vreugde, de droefheid,
de iverkzaamheid;
deze tracht de duivel te doen ont-
aarden, te vervalschen, tot zijn doel te gebruiken.
Men neemt gewoonlijk voorzorgen voor de hartstochten
die op directe wijze tot het kwaad voeren; men denkt
er niet genoeg aan, voorzorg te nemen tegen de
andere en ze te versterven.
Wij zullen aantoonen, hoe de duivel zich van deze
laatste bedient om ons tot het kwaad te doen over-
hellen, benevens de voorzorgen, waarmede men zich
moet omringen.
3°. Er zijn in ons vermogens, die ons rechtstreeks
in betrekking stellen met God, waardoor wij Hem
kennen, beminnen en dienen, — doch ons ook in
aanraking stellen met de schepselen en ons daardoor
van ons einde kunnen afkeeren.
-ocr page 273-
267
Tegen deze geestvermogens, het geheugen, de ver-
beelding, het oordeel, den wil,
moet men ook voor-
zorg gebruiken.
Ziehier eenige raadgevingen, die wij nuttig achten,
omtrent de wijze van voorzorg te nemen, te weten
door het versterven der zintuigen, der hartstochten,
der geestvermogens.
1.
VEltSTEllVING DER ZINTUIGEN.
In de oogen.
Het is vooral door de oogen dat de duivel en de
dood in de ziel dringen. De uitwendige zaken, door
het gezicht medegedeeld, veroorzaken haar eene zekere
ontroering, verstrooien haar, trekken haar uit hare
ingekeerdheid, en als zij die ontroering behoudt,
wordt zij langzamerhand verleid en overmeesterd.
Een enkele blik op een persoon, op eene plaat, kan
eene bron der hevigste aandoeningen, een begin van
onrust worden voor uw geheele leven Wat men niet
ziet, begeert men niet,
zegt de H. Franciscus van Sales.
Wees dan zeer, zeer zedig, opdat uw Engelbe-
waarder in u eene zijner zusters der narde erkenne. —
Zedig in de kapel, — zedig in het gebed, — zedig in
de gangen, — zedig in de spreekkamer, — zedig in uwe
cel, — zedig overal; want overal ziet God u.
Hoe meer gij de oogen zult sluiten voor de aardsche
zaken, hoe nauwer gij met God veréénigd zult leven,
hoe meer zijne blikken zich op u zullen vestigen; en
hoe zoet en weldadig zullen die oogslagen zijn!
Oogslagen van icelbehagen, waarmede Hij de zuivere
-ocr page 274-
268
zielen vereert, die trachten steeds aan Hein te
denken en Hem te behagen.
Oogslagen van barmhartigheid, waarmede Hij zijne
Bruiden begunstigt, om die meer aan zich te hechten
en haar te bewaren, zelfs voor de geringste smet.
Oogslagen van teederheid, die de kleine offers, die
zij uit liefde voor de zedigheid brengen, duizendvoud
vergoeden.
Oogslagen van heiliging eindelijk, die in hare ziel
overvloedige genaden storten, welke den duivel op
afstand houden.
Gevoelt gij niet .eene gewaarwordiug van vrede,
wanneer gij een jong meisje, zedig met neergeslagen
oog daarheen ziet gaan, en voegt zich daarbij geen
gevoel van liefde? Ziedaar wat God voor u gevoelt,
als Hij uwe zedigheid ziet.
In tooorden.
Wij moeten allen bekennen: Wij spreken te veel;
en die overvloed van woorden, behalve dat hij
een krachtig middel voor den duivel is, om ons te
doen zondigen tegen de liefde, het geduld, de onder-
werping en de ingekeerdheid, belet ons het woord
Gods te hooren in het gebed, de meditatie, de geestelijke
lezing, belet ons vooral hel woord Gods te verstaan
en te begrijpen. — Niets droogt zoodanig het hart
en de kracht der ziel uit, dan de gewoonte van zonder
wederhouding te spreken.
Praat dan niet voort, gelijk gij het bijna overal
doet, zonder zelfs te denken dat gij in het geheel
niet moest spreken.
De stilzwijgendheid is als het heiligdom der recht-
vaardige ziel, waarin God komt wonen, gelijk binnen
-ocr page 275-
269
de muren eener kerk. — Zij bewaart de ziel voor
onrust en ontsteltenis; zij geeft vrede; zij doet twist,
tweedracht, tegenspraak, vijandschap vermijden ; zij
is de steunpilaar, de kolom, de kroon der religieuze
huizen; waar zij heerscht, vindt men vreugde, vurig-
heid, liefde.
Wee der gemeente waar het stilzwijgen niet wordt
geëerbiedigd! God woont daar niet.
Wee der religieuze, die gemakkelijk dit punt van
haren regel overtreedt! Hare zaligheid is in gevaar.
Wee der Overste, die niet de grootste zorg aan-
wendt om het stilzwijgen te doen nakomen! God zal
haar eene strenge rekenschap vragen, van de fouten
door die overtredingen berokkend.
De praatzucht, het verbreken der stilzwijgenheid
toont in eene religieuze de wanorde en de armoede
der ziel. Als God een hart bezit, vervult Hij dit
hart; God alleen is dit hart genoeg, en kalm en
tevreden, behoeft het elders geen vreemden troost
te gaan bedelen.
Het verbreken van het stilzwijgen is voor eene
gemeente
de bron der grootste wanorde, en is alleen
genoeg om haar ten verderve te voeren.
Het veroorzaakt tijdverlies, vertrouwelijkheden,
ontevredenheid, morren, opstand.
Het kwetst de voorzichtigheid door het onbeschei-
den overdragen, — de zedigheid door de verstrooiing
en lichtzinnigheid, — de gehoorzaamheid door het
overtreden en somtijds door het minachten van den
Regel, — de nederigheid door de klachten der eigen-
liefde , — de liefde door de spotternij, de onaangename
of bitse woorden, — de vurigheid door de uitgestorN
heid, waardoor men geene enkele goede gedachte kan
vormen in de meditatie, — de orde en regeltucht door
-ocr page 276-
270
de losheid, waarin men leeft, en het kwade voerbeeld,
dat anderen niedesleept.
Spreek dan weinig, en uw hart zal zuiverder, uw
geweten rustiger, uwe liefde grooter en weldadiger
zijn, uw werk beter verricht worden.
Spreek weinig, en uw gewetensonderzoek zal minder
moeielijk, uwe biecht korter, uwe gebeden kalmer,
uwe meditatiën zoeter, uwe Cominuniën godvruchtiger,
uw geluk in het klooster volkomener zijn.
Van den smaak.
Geene overdrijving ten dezen opzichte. Neem een-
voudig en zonder nadenken, wat u wordt ópgedischt; —
stel u tevreden met datgene, wat ieder uwer voorgediend
wordt; — zeg eenvoudig, wat u tegenstaat of slecht
bekomt; — neem zonder overhaasting en met dank-
baarheid, wat u boven het gewone voedsel wordt
gegeven; — spreek nooit over hetgeen u ópgedischt
is; — matig uwe haastigheid in het voldoen van uw
eetlust; — neem niets tusschen de maaltijden zonder
nood of zonder verlof. — Bij, die tot de volmaaktheid
wil opstijgen,
zegt een heilig schrijver, moet beginnen
met het versterven van den smaak. Als de gulzigheid
overwonnen is,
zegt de H. Thomas, komen de andere
zintuigen spoedig onder bedwang.
Zijn de spijzen volgens uwen smaak, zoo bedank
God; zijn zij het niet, zoo neem dit in stilte aau;
en de duivel zal weinig macht hebben op uwen smaak,
dien gij aldus aan den regel onderwerpt.
Van den reuk.
De duivel schijnt langs dezen weg wel het minste
te bekoren, wijl in de kloosters daartoe minder ge-
legenheid bestaat; geef den reuk nochtans niet toe
-ocr page 277-
271
uit enkele zinnelijkheid. Ue religieuze, die den geur
der bloemen zou zoeken of gelijk eene wereldscke
vrouw reukwerken tot haar gebruik zou houden, zou
weinig religieuzen geest toouen. Zware fouten, zegt
Bossuet, zijn ontstaan door het zinnelijk genot eener
bloera. Geene overdrijving voorzeker, doch ook geene
zinnelijkheid!
Van het gehoor.
Het gehoor heeft ook zijne gevaren. Dit weet de
duivel; en daar hij binnen de gewijde kloostermuren
geene zinnelijke woorden en gesprekken kan dringen,
brengt hij daar, onder verschillende voorwendselen,
melodie», die ontzenuwen, gezangen, die doen mijmeren,
welluidende poeziën, die onttrekken aan het eentonig
en werkzaam kloosterleven, om ons in het midden
der wereld terug te voeren.
Wees zeer getrouw aan datgene wat uwe consti-
tutiën voorschrijven, zoo omtrent de gezangen als
de wijze van te zingen, en voer onder voorwendsel
van lessen, die men geven of nemen moet, datgene
niet in, wat te zeer naar de mode is. De mode moet
nooit den drempel des kloosters overschrijden.
In liet gevoel.
Wij zullen nog later hierover spreken bij het aan-
toonen der zinsbegoochelingen ten opzichte der zuiver-
heid;
en geven nu slechts dezen regel: De zorg voor
het lichaam moet altijd redelijk, nooit zinnelijk zijn.
De religieuze moet hare ziel, dat evenbeeld Gods,
over haar lichaam doen heerscheti. Dat zij zich wet
wachte,
zegt de H. Bernardus, de Meesteres te dooden
om de dienstmaagd te sparen.
-ocr page 278-
272
Gedurende de recreatie.
Daar heerscht meer vrijheid, waarvan de duivel
gebruik iuaakt om meer fouten te doen begaan; —
daar bestaat meer uitstorting van gemoed, waarvan
de duivel gebruik maakt om meer uitgestortheid te
doen beerscben; — daar gaat men vrijer met elkander
om,
en de duivel maakt er gebruik van, om meer
de liefde te kwetsen.
Dat in uwe recreatie geeue kinderachtige vroolijkheid
heersche, geene onbetamelijke, lichtzinnige, dubbel-
zinnige woorden, — geene aardigheden, die in plat-
heden ontaarden. Weerhoud in de recreatie een woord
dat kan kwetsen, of een driftig antwoord, dat eene
uwer medezusters zou vernederen; — weerhoud eene
geestigheid, waardoor gij lof bejaagt, — zwijg liever
dan bits, lastig, spotachtig, boosaardig te zijn; —
maar zwijg nooit, omdat gij pruilziek, grillig, stuursch ,
hoovaardig of stroef zijt.
In de houding.
De houding eener religieuze moet deftig zijn, en
zij kan dit slechts door eene groote waakzaamheid
en versterving; want de duivel weet maar al te wel,
hoeveel voordeel hij uit eene trage, vadsige, zinnelijke
houding kan trekken.
Hetzij gij zit, staat, knielt of ligt, denk altijd dat
Gods oog op u rust. O, als gij uw engelbewaarder
altijd aan uwe zijde kondet zien, wiens blik u
zelfs in de diepste duisternis volgt, hoe zedig zoudt
gij steeds zijn; nooit zoudt gij behoeven te blozen!
Als men u zocht te verrassen, als gij alleen zijt,
gelijk de vriend van den H. Franciscus van Sales
-ocr page 279-
273
dit deed, zoo meii u even als hem, steeds ernstig,
opgeruimd en uiterst zedig moeten vinden.
II.
VERSTERVING DER NEIGINGEN.
De begeerte.
De begeerte ondersteunt de ziel in hare moeielijk-
lieden, — bezielt haar werk, — heft haar op als zij
bezwijkt; de begeerte is de prikkel van den wil; de
H. Geest prijst den man aan begeerten en niemand
heeft ooit de volmaaktheid eener wetenschap of eener
kunst bereikt zonder eene vurige begeerte.
Begeer veel, begeer vurig; uwe leus zij dit woord
der heiligen, die zich steeds aangenamer zochten te
maken in Gods oog: Nog meer, Heer, nog meer!
maar pas wel op, dat uwe begeerten geene begeerten
blijven, waardoor gij niets uitwerkt en u slechts
voedt met hersenschimmen. Het is dan, dat gelijk
de H. Geest zegt, de begeerten dooden, zij dooden
omdat zij al onze vermogens verlammen, en slechts
onze verbeelding voeden. Zij wekken eene religieuze,
die ze niet weet te beheerschen op, om iets anders
te hebben dan zij heeft, — in een ander klooster te
leven,
— met eene andere bediening, dan die, loelke de
gehoorzaamheid haar oplegt, bekleed te worden,
—
inet eene andere zuster, dan die, welke men haar
aanwijst, te mogen werken.
Deze begeerten vormen het speelgoed, waarvan
de duivel zich bedient om ons van onzen plicht af
te trekken. Pas dan wel op en houd uwe begeerten
in toom. Heeft de begeerte, die in uwen geest opwelt,
eene kwade zaak tot voorwerp, zoo verstik ze onmid-
18
-ocr page 280-
274
delijk; — is het eene onverschillige zaak, dan zie
eerst, of zij u niet van uw plicht verwijdert en heilig
haar door eene goede meening. De begeerte zelfs
eener zaak, die goed in zich-zelve is, doch te vurig
begeerd wordt, moet gij matigen en slechts in zooverre
onderhouden als zij u meer godsvrucht, meer liefde,
meer zelfopoffering inboezemt.
0 hoeveel wijsheid ligt besloten in dit woord van
den H. Franciscus van Sales: Ik begeer zeer toeinig,
en wat ik begeer, begeer ik zeer weinig, en kon ik
opnieuw geboren loorden, zou ik nog minder begeeren.
Hij begeerde nochtans vurig God te beminnen, maar
zijne begeerte, door zijnen wil teruggehouden, ging
nooit verder dan zoo ver als God loilde.
De vreugde.
De vreugde, de heilige vreugde, is de gewone deugd
eener goede religieuze; het is de natuurlijke damp-
kring der godvruchtige genieenten; daar waar zij niet
heerscht, moet men vreezen dat de godsvrucht, de
gehoorzaamheid, de liefde ook niet heersenen. God
bemint den blijden gever; God tuil dat de vreugde steeds
onder ons heersche.
De vreugde is de vrucht van een goed geweten,
van den vrede, van de verzekering der zaligheid; —
de vreugde sticht den evennaaste, vermeerdert de
verdiensten der werken door de vurigheid, waarmede
men ze verricht, te vermeerderen; geeft moed aan den
wankelenden wil; — de vreugde vermindert de be-
koringen en jaagt den duivel op de vlucht.
Maar als men haar niet weet te versterven, kan
de vreugde weldra ontaarden in gemeenzaamheid, —
in uitgelatenheid, — in uitgestortheid, — in onmatig
-ocr page 281-
275
lachen, — in spotternij. Men moet haar dus weten
te matigen, als zij te luidruchtig wordt. De dwaze,
zegt de H. Geest, lacht luidkeels; de wijze zal slechts
glimlachen.
Men moet dus elke scherts, waardoor men
eene medezuster kan beleedigen, achterlaten . alsook
elke daad uit kortswijl gedaan, welke eene zuster zou
kunnen vernederen of ten haren koste zou doen lachen.
Uit de overmatige vreugde trekt de duivel de
uitgestortheid, welke de stilzwijgendheid, den geest
des gebeds benadeelt, alsook de kleine ontevredenheden,
die langzamerhand de liefde ondermijnen.
De treurigheid.
De treurigheid is .altijd verkeerd; zij deugt tot
niets, zij brengt allerlei kwalen voort.
Zij geeft walging voor het gebed en het werk, —
zij levert de ziel over aan de bekoringen des duivels,
en maakt haar bijna onfeilbaar tot den val gereed; —
zij bezwaart den omgang der zusters onder elkander; —
zij verwart en verontrust den geest, — boezemt eene
dwaze vrees voor God in; somtijds zelfs brengt zy
de ziel tot wanhoop.
Men moet haar edelmoedig bestrijden door een
aanhoudend en volhardend gebed, — door het vluchten
der zonden , waardoor wij vertrouwen krijgen in Gods
barmhartigheid, — door zeer getrouw de oefeningen
der gemeente te volgen
en de eenzaamheid en afzondering
te vluchten, — door een werk, dat onzen geest ijverig
bezig houdt,—door het vlijtig lezen der werken, die over
Gods goedheid handelen, — door de H. Communie en
de liefde tot de H. Maagd.
De treurige en bedroefde ziel gelijkt een stuursch
en norsch kind, dat de hand, die men hettoestrekt,
-ocr page 282-
276
verstoot, valt en zich bezeert. De vroolijke ziel
daarentegen is een vriendelijk en aanvallig kind, dat
al lachende voorwandelt aan de hand zijner moeder.
De werkzaamheid.
De werkzaamheid is eene kostbare hoedanigheid,
en de religieuze, die ze bezit, kan in hare gemeente
een onberekenbaar nut stichten. Zij schrikt voor geen
arbeid terug, zet de anderen door haar voorbeeld
aan, zij is altijd het eerste aan het werk; — maar
als die werkzaamheid niet door eene nauwkeurige
gehoorzaamheid aan de gegeven bevelen, omtrent
arbeid en rust gewijzigd wordt, — als zij niet zoo-
danig onder bedwang staat, dat men zonder tegenzin
een begonnen werk op het eerste teeken der klok
staakt, — als men hare vurigheid niet intoomt, die
gedurende het gebed de ziel in het midden harer
bezigheden zou voeren, — als zij niet zoozeer ge-
matigd wordt dat zij het werk eenige oogenblikken
kan onderbreken om het hart tot God te verheffen , —
dan wordt die werkzaamheid koortsachtig, ontaardt
weldra in beslommering, in overhaasting, die twee
geesels van het inwendig leven.
Het is die beslommering die Jezus-Christus in
Martha veroordeelde, toen Hij haar zegde: Martha,
Af art ha, ffij zijt bezorgd en bekommerd over vele zaken;
ééne alleen is noodzakelijk!
(Lues X, 41, 42.
Het is tegen die drukte, die overhaasting, dat Jezus
ons, meer dan andere Christenen, wilde waarschuwen,
toen Hij, hoewel tot alle menschen sprekende, zegde:
Weest dan niet bezorgd, zeggende: Wat sullen wij
eten
, of wat zullen toij drinken , of waarmede zullen wij
ons Meeden ? Want uw Vader weet dat gij dit alles
noodig hebt. Zoekt dus eerst het rijk van God en
-ocr page 283-
277
zijne gerechtigheid, en dat alles cal u toegeworpen
worden.
(Matth. VT, 31, 32, 33.)
De drukte en de overhaasting ondermijnen den
geest van gebed, den vrede der ziel, de stilzwijgend-
heid, de nederigheid; zij verminderen of vernietigen
de verdiensten onzer werken. Wellicht brengen zij
veel voordeel aan, maar vóór God is dit voordeel
zelden in het belang der persoon, die gewerkt heeft.
De behaagzucht.
Gezien, geacht, gewaardeerd, geprezen, voor an-
deren gesteld te worden, ziedaar de hartstocht, die
het diepst in ouze ziel is geworteld, die zich overal
inmengt, overal wordt terug gevonden, altijd leeft
als de andere vernietigd schijnen.
Die neiging doet zich gevoelen in de kapel, in het
gebed, ja zelfs bij de H. Communie; — zij is bij ons,
als wij, hetzij alleen, hetzij met onze medezusters
werken, — als wij gaan, als wij spreken, als wij ons
kleeden; zij is zelfs daar als xoij biechten en wij ons
zoo diep vernederd zouden moeten gevoelen. » Nooit
heb ik iemand ontmoet, zegt de H. Franciscus van
Sales, die van zijn eigen oordeel geen werk maakte,
behalve twee, die mij bekenden dat zij geen oordeel
hadden."
O welke waakzaamheid is er noodig, om die ge-
dachten van eigenliefde te verwijderen, die ons altijd
omgeven, alsook die neiging tot spreken en handelen
om gezien te worden, en ten minste tot zich-zelve
te kunnen zeggen : Hoe goed heb ik dit gedaan ! Hoe
vurig moet men God bidden om dit woord van den
H. Joanues den Dooper wel te verstaan: Het is
noodzakelijk
dat rondom mij mijne medezusters aan-
-ocr page 284-
278
groeien in wijsheid en goeden naam, en dat ik vermin-
dere,
alsook deze woorden der navolging van Christus:
Leer dan veracht en voor niets geteld te worden.
Hoeveel vrede moet onze ziel bezitten, om zich niet
te ontstellen over een misslag, die ons voor dom,
onbekwaam, onbevattelijk doet doorgaan, om eeue
openbare vernedering te kunnen verdragen, zich niet
over eene begane fout te ontmoedigen!
De lichtgeraaktheid.
De lichtgeraaktheid is eene dochter van den hoog-
rnoed; de duivel geeft haar den naam van teergc-
voeligheid
of kieschheid.
De lichtgeraaktheid maakt, dat wij ons bijna altijd
gekrenkt gevoelen, en brengt slechts humeur, pruilerij,
afgekeerdheid, en zelfs toorn voort.
De lichtgeraaktheid maakt de religieuze, die haar
niet weet te overwinnen, zeer ongelukkig; en het.
is slechts door edelmoedige en aanhoudende pogingen ,
dat men over haar zegevieren kan.
Als gij o geraakt gevoelt, als uwe voorstellingen
en gevoelens slecht gewaardeerd en tegengesproken
worden, dan laat niet vrijwillig blijken, wat gij
gevoelt, en tracht te glimlachen, dit zal u eerst slecht
van de hand gaan, doch met Gods bulp zult gij
langzamerhand u-zelve overwinnen.
Neem gaarne het gevoe\'en aan van een ander. —
Onderwerp u, als men iets van u vergt, dat u tegen-
staat. — Vergeef eeu woord of eene handeling, die
u krenkt. Bewijs een dienst of, beter nog, vraag een
dienst
aan de medezuster, die u tegenstaat.— Blijf
vrijwillig bij die, wier denk- of spreekwijze u hindert.
Als gij ééue maand op die wijze werkt, zult gij eene
merkbare verbetering in uw karakter bespeuren.
-ocr page 285-
279
Onze geestvermogens.
Onze geestvermogens kunnen ons aanleiding geven
tot een harduekkigen strijd, wegens de ongeregeld—
heid of overdrevenheid, door de zonde daarin gebracht.
De religieuze heeft, alvorens het klooster in te
treden, in de wereld geleefd.
Misschien is zij, door eene bijzondere genade van
God, opgegroeid binnen de gewijde muren van een
pensionaat of in het heiligdom eener oprecht chris-
telijke familie, alwaar haar geheugen, hare verbeelding,
haar hart,
voor den indruk der kwade voorbeelden,
slechten raad en slechte lezingen bewaard, onschuldig
gebleven zijn. Hoe gelukkig is die bevoorrechte ziel!
Zij zal zeker te strijden hebben; de duivel zal in haar
onheilige begeerten, lichtzinnige, zelfs zinnelijke beelden
verwekken;
maar de begeerten en voorstellingen, die
hare onervarenheid zullen verschrikken, zullen voor
haar hetzelfde gevaar niet hebben als voor anderen,
die minder bevoorrecht zijn.
Wellicht heeft de religieuze, alvorens in het klooster
te treden, te midden der wereld een wereldsch leven
geleid, heeft zij haren invloed ondergaan, is zij, ondanks
zich-zelve, door haren geest doordrongen___en al
heeft zij die wereld niet bemind, zoo heeft zij toch
bij het vluchten der gevaren, die haar vrees aanjoegen,
herinneringen medegebracht, die haar aanleiding zullen
geven tot grooten strijd.
1 • Haar geheugen zal haar duizenden beuzelarijen,
duizenden nietigheden herinneren: de zucht om te
behagen, te schitteren, gevleid te icorden
, hebben
misschien hare gedachten bezig gehouden, haren geest
bezoedeld, al ware het slechts een oogenblik! Zij
heeft daaraan verzaakt, doch zij leven nog in haren
-ocr page 286-
280
geest. Zij herinnert zich de personen, die zij gekend
heeft, de onschuldige, doch zoo bekoorlijke genoegens
van haar jeugdig leven, de gezelschappen, waarin
zij gevierd en gevleid werd. — Zij is verplicht de
beelden dier stoffelijke zaken en die ijdele en nutte-
looze herinneringen te verwijderen.... Helaas, het is
niet gemakkelijk!
2.     Hare verbeelding, gezellin en medeplichtige
van haar geheugen, versiert alles wat deze haar
voorstelt, en geeft aan die herinneringen eene be-
koorlijkheid, die de werkelijkheid niet bezat. — En
de geest, die zich zoo gemakkelijk laat medesiepen
tot alles wat hem behaagt, zal de zoetheid van
het huiselijk leven vergelijken met de dagelijksche
opofferingen van haar tegenwoordig leven, — de
vermaken der wereld, met de opofferingen van het
religieuze leven, — de vrijheid, die zij genoot, met
den dwang van den regel, — den overvloed, die haar
omgaf, met het volstrekt noodzakelijke der armoede.
De religieuze moet dus krachtig die beelden verdrijven,
die door zich-zelven reeds zulk een indruk maken,
en zal dit slechts kunnen door een vurig gebed en
door eene aanhoudende nauwgezetheid in het nakomen
harer plichten, zelfs de kleinste.
3.   Haar oordeel, door hare verbeelding medegesleept
en geboeid, zal haar de zaken slechts dosn zien onder
het valsche daglicht, waaronder ze worden voorge-
steld: het verleden aangenaam en bekoorlijk; — het
tegenwoordige eentonig, streng, onuitstaanbaar.
Haar oordeel, door de eigenliefde verblind, zal haar
aanzetten, zich boven anderen te verheffen, in zich-
zelve behagen te vinden, veel te willen weten onder
voorwendsel zich nuttiger te kunnen maken. — De
religieuze is dus verplicht, dikwijls aan den voet van
-ocr page 287-
281
het kruis de groote goedheid te overdenken, die God
voor haar gehad heeft, den afgrond, waaruit Hij haar
wellicht getrokken heeft, de barmhartigheid, waarmede
Hij haar voor grooter kwaad behoed heeft, en de
vernederende zonden, waartoe zij vervallen kan, als
God haar niet weerhoudt.
4. Haar wil zal gemakkelijk medegesleept worden,
door de zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid, —
door de liefde tot de schepselen en de aardsche
zaken, — door de begeerte naar den lof, de achting,
de liefde der menschen. — De religieuze is dus ver-
plicht te waken over haar hart! Maar ach! dat arme
hart! Als zij het niet omringt met voorzorgen van
voorzichtigheid, van zedigheid, als zij niet waakt om
die gevoelens van liefde, die er somtijds uit over-
stroomen, te onderdrukken, en daarin geen enkele
gevoelige genegenheid te laten doordringen, — o
hoeveel lijden zal het haar veroorzaken, hoeveel
onrust, hoeveel strijd, hoeveel wroeging, hoeveel
vernederende nederlagen zal dat hart alleen haar
wellicht bereiden!
TWEEDE AFDEELING.
Worstelen.
Worstelen is, lijf om lijf, met den vijand kampen, —
het is aan zijne listen, zijne aanvallen, zijne woede
weerstaan, het is hem zoo mogelijk ter aarde werpen,
hem overwinnen, hem overheerschen.
Worstelen is handelen gelijk Pater de Kavignan,
die aan een zijner Oversten rekenschap gevende,
van een zijner retraites, hem schreef: Wij icaren
-ocr page 288-
282
met tweeën; ik heb den andere het raam uitgeworpen,
en ben baas gebleven." Zoo handelen mannen van
moed en geloof; zoo moet elke God toegewijde ziel
handelen. De maatregel is sterk zonder twijfel, en
vraagt iets anders dan een willetje van begeerte en
inbeelding,
dat schijnt te willen, doch niet wil, — iets
anders dan een voorbijgaanden loil, die heden wil en
morgen weigert, —iets anders dan een zwakken wil,
die door den minsten tegenstand wordt afgeschrikt
en teruggeslagen. Een dergelijke wil is niet van
het allooi, waarvan God zich gaarne bedient. Eene
ware religieuze moet een edelmoedigen, kraehtigen,
vastbesloten wil
hebben, die zegeviert over alle hin-
derpalen, — een wil ten minste, die voor den hemel
doet, wat de wereldlingen doen voor de zaken dezer
aarde. Denk eens na: deze of gene persoon, dien gij
als arm gekend hebt, is thans rijk. Waarom? Hij
wilde dit.
— Een andere van geringen stand is thans
tot de grootste eerambten gestegen. Waarom? Hij
wilde dit. Zie
in den hemel dien Heilige, zoo hoog
verheven in glorie. Hij was zwak gelijk wij. Waarom
zetelt hij thans zoo dicht bij God? Hij wilde het.
De wil maakt de helden, — de wil maakt de
geleerden,
— de wil maakt de Heiligen.
Wilt gij dan geene Heilige icorden?
Elke worstelstrijd laat zich uitdrukken door deze
krachtige woorden, toepasselijk op alle omstandig-
heden des levens, en die de leus van elke religieuze
moeten vormen: er tegen in gaan; en tegen ingaan
is vooruitgaan, ondanks alle hindernissen.
Tegen de gezondheid ingaan, — wanneer zij ons
te veel bekommert. Tegen de begeerte van te weten
ingaan, wanneer zij ons van het gebed aftrekt.
-ocr page 289-
283
Tegen de achting der mensclien, vooral der icereld
ingaan
, wanneer zij ons de ootnioedigheid beneemt.
Tegen de neigingen van ons hart ingaan, als zij
ons verzwakken.
Tegen de begeerte tot\'nieuiostljdingen ingaan, wanneer
zij ons verontrusten.
Doch als wij ons met voorzorgen omringen, —
als wij onze zintuigen zoodanig bedwongen hebben
door de versterving, dat de duivel geen vat op ons
heeft, —als onze hartstochten, zelfs die, welke kalm,
nuttig, noodzakelijk schijnen, binnen de grenzen vau
onze geestvermogens door de voorzichtigheid gere-
geld, door de wijsheid van een zielbestierder, aan
wien wij ons edelmoedig onderwerpen, bestuurd
worden, — als wij eindelijk door de vrees Gods
weerhouden worden, zal de strijd licht en de ocer-
winning verzekerd zijn!
Die overwinning durven wij u , getrouwe religieuze,
beloven in den naam van Jezus-Christus, die met
u zal strijden. Doch:
Strijd kalm. De duivel, zeggen de heiligen, maakt
meer gedruisch dan hij kwaad doet. Hij is bang
voor eene moedige ziel, zegt de H. Theresia, en hij
laat spoedig los, als hij met hardnekkigheid wordt
bestreden. Een der beste middelen om de bekoring
te overwinnen, is haar te verachten.
Eene afleiding of eene gewone bezigheid, die den
geest bezig houdt, en vau het beeld, dat de duivel
ons voorspiegelt, aftrekt, is dikwijls genoeg, om de
bekoring te doen verdwijnen. Hoe vele bekoringen
tegen de heilige deugd zijn verdreven alleen door
niet eenige zorg de cel te reinigen, met bijzondere
oplettendheid de kapel of een gang te vegen, door
de eenvoudige plaatsveranderiug vau een trap op of
-ocr page 290-
284
af te gaan, door eenige minuten in Jen tuin te werken,
of zoo mogelijk door een bezoek aan het H. Sacrament,
of wel door aan de Overste eenig verlof te gaan
vragen. — Als grondregel is de afleiding in dit geval
beter dan de openlijke strijd.
Strijd vertrouwelijk. God is bij u als getuige van
dien strijd, door u gevoerd om Hem trouw te blijven;
God is met n, bemoedigt u door zijne tegenwoordigheid,
versterkt u met zijne genade, en meet naar uwe
kracht, de hevigheid der bekoring. God is in n om
uwe wonden te genezen en u bij uw eersten noodkreet
ter hulp te snellen; maar herinner u wel, dat de
overtuiging uwer zwakheid de grondslag van uw ver-
trouwen
moet wezen; want, zonder God kunt gij
volstrekt niets.
Strijd aanhoudend. Verontrust u niet over de
langdurigheid der bekoring, want, zegt de H. Fran-
ciscus van Sales, de bekoring, hoe langdurig, hoe hevig
zij ook zijn moge, zal u niet aan God doen mishagen,
zoolang de bekoring u niet zal behagen en gij er
niet in zult toestemmen. — Zoolang zij u mishaagt,
hebt gij niets te vreezen; want zij mishaagt u, omdat
gij ze niet wilt. Verontrust u vooral niet over uwe
zwakheden en fouten; gij zijt gevallen, omdat gij te
weinig mistrouwen van u-zelve hadt, omdat gij te
weinig gebeden, te weinig op God vertrouwd hebt.
Sta spoedig op. Verneder u diep en stel u dichter
bij God door het gebed en het nakomen uwer plichten.
O godgewijde ziel, o ziel aan God zoo dierbaar, die
door God beproefd wordt, opdat gij Hem beter uwe
liefde zoudt bewijzen, blijf toch nederig, klein, gering
in eigen oog, ivautroitiv u-zelve, vertrouw op God...
en gij zult zegevieren!
-ocr page 291-
285
5,ie HOOFDSTUK.
Do "vijaiicloii «He men moet l>csi i>ïj<1eii<
Deze vijanden hebben wij aangetoond:
1°. De duivel; de duivel die als een brieschende
leeuw rondloopt, zoekende ons te verslinden
, ons met
de grootste zorg bespiedende, ons bekorende door al
de middelen, die zijn haat hem ingeeft, zicli be-
dienende van al wat er in ons slecht en bedorven is.
2°. Onze kwade neigingen, die gelijk wij zegden,
eene kracht vormen, die ons trekt naar datgene wat
ons behaagt of vleit.
Die neigingen zijn onze grootste vijanden. Eene
belegerde stad,
zegt de H. Alphonsus, heeft geene
gevaarlijker vijanden dan die, ivelke zich binnen hare
poorten bevinden.
Zonder de medewerking onzer
zinnelijke en bedorven lusten, zou de duivel ons te
vergeefs aanvallen. Hij zoekt zich van die driften
meester te maken, vleit ze, liefkoost ze en wekt ze
op, door middel onzer zintuigen en geestvermogens.
Het zijn dus onze neigingen, die wij met de hulp
der genade moeten trachten te verzwakken, te onder-
drukken, te dooden; dit zijn de vijanden tegen welke
wij met kracht en volharding moeten strijden, want,
zegt de H. Bernardus, het zijn vergiftigde planten
die, hoewel men ze afmaait, toch voortdurend weder
opgroeien;
— het zijn ivilde dieren, zegt de H. Gre-
gorius, men meent ze gedood te hebben, en zij blijven
voortleven.
Wij ontmoeten ze in onzen geest, ons aan-
zettende tot onafhankelijkheid; aldus onzen eerbied
-ocr page 292-
286
verminderende voor liet gezag, doen zij ons onze plichten
verzuimen en ze zonder gewetensangst overtreden.
In ons hart, ons verleidende tot al te natunrlijke
vriendschap, te groote gehechtheid aan ouders en
bloedverwanten; aldus is ons de liefde voor het gebed
en de zelfopoffering verzwakkende, geleiden zij ons
tot een vernedereuden val.
In onze tinnen, ons trekkende tot een traag en
zinnelijk leven, tot het schuwen van allen dwang,
ons aldus het religieuze leven zwaar en moeielijk
makende, ons verleidend tot morren en zelfs tot
opstand.
Deze verschillende neigingen hebben ééne zaak
met elkander gemeen; zij vertoonen zich aan de
religieuze, niet onder haar wezenlijk oogpunt; zij zouden
de teederheid van haar geweten angst aanjagen; waar
toch is de religieuze, die vrijwillig ongehoorzaam,
zinnelijk, loeerspannig
zou willen zijn ? Zij vertoonen
zich aan haar als door een bedriegelijk glas, dat
het zwarte, het afschuioelijke der zonde verbergt
en verzivakt, de uitwerkselen onzer driften doet voor-
komen als zaken van tveinig gewicht, die of slechts
lichtelijk of in het geheel niet aan de religieuze vol-
maaklheid kunnen schaden.
Ziedaar wat men zinsbedrog noemt.
De onervaren ziel laat zich bedriegen door dien
schijn, die haar de zaken geheel anders voorstelt
dan zij werkelijk zijn;
zij laat zich door hare nei-
gingen medeslepeii, en zoo valt zij langzamerhand
iu verslapping, traagheid, ontevredenheid en einde-
lijk in ongeregeldheid.
Wij gaan deze zinsbegoochelingen onderzoeken en
weerleggen, en zullen spreken van:
-ocr page 293-
287
Het zinsbedrog omtrent den religieuzen geest.
»
>
»
de gehoorzaamheid.
->
»
»
de armoede.
»
»
>
de zuiverheid.
;>
»
»
de gevaren van het
leven.
religieuze
»
»
»
de eigenwaarde.
»
»
»
de volmaaktheid.
EERSTE ARTIKEL.
Zinsbedrog omtrent den religieuzen geest.
Wij zullen behandelen:
1°. De natuur van den religieuzen geest.
2°. De beoefening van den religieuzen geest.
3°. Hoe het zinsbedrog ons den religieuzen geest
voorstelt.
4". Hoe het zinsbedrog den religieuzen geest verwoest.
T.
De NATUUlt VAN DEN RELIGIEUZEN GEEST.
De religieuze geest is de christelijke geest in alles
wat er verhevens en heiligs bestaat.
De religieuze geest is de geest van Jezus-Christus.
Men is geen christen, als men niet denkt en handelt
aoo als Jezus-Christus. Door het doopsel wordt men
christen in dien zin, dat men Jezus-Christus toe-
behoort en door Hem als lid zijner familie wordt
aangenomen; doch men is slechts werkelijk christen
in zooverre men denkt en handelt, zooals Jezus-Christus
zou gedacht en gehandeld hebben.
-ocr page 294-
288
Welnu, ziehier het geheele leven van Jezus-Christus,
in deze woorden van den H. Paulus: In deze wereld
komende, zegt Bij: Slachtoffer en offerande hebt gij
niet gewild, doch gij hebt mij een lichaam toebereid;
brandoffers voor de zonde zijn u niet aangenaam
geweest. Toen heb i/c gezegd: zie ik kom om moen
wil, o God, te volbrengen.
(Hebr. X, 5, G, 7.)
De geest van Jezus is dus een geest van toewijding, van
afhankelijkheid, van zelfverloochening. Jezus-Christus
erkent op de plechtigste wijze, dat Hij zich-zelven
niet toebehoort, — niet voor zich-zelven leeft, — dat
Hij slechts een lichaam heeft ontvangen, om het voor
de glorie zijns Vaders en tot zaligheid der menschen
op te offeren; en Hij voltrekt deze offerande reeds
te voren door een vaardigen, edelmoedigen, vrijen,
onderworpen wil. Hebt gij , religieuze zielen, diezelfde
woorden van Jezus-Christus niet uitgesproken op den
dag uwer professie? En zoo het al niet dezelfde woor-
den zijn,
bevatten zij dan niet dezelfde gedachte? Hebt
gij u toen niet aan Hem toeqewijd, gelijk Hij zich
aan zijnen Vader toewijdde? Is het offer van u-zelve
niet, even als dat van Jezus, vaardig, edelmoedig,
vrijwillig en onderworpen geweest? Hebt gij u niet,
even als Jezus , geheel onder de afhankelijkheid gesteld
van Jezus en van degenen, die Hij u tot Oversten geeft?
Bedenk wel, dat uwe HH. Geloften niet eene loutere
belofte zijn van gehoorzaam, arm en kuisch te leven.
Volgens het algemeen gevoelen der schrijvers bevatten
de HH. Geloften eene werkelijke opdracht van zich-zelven
aan God,
met de verplichting de drie Evangelische
raden na te leven. Door hare geloften offert de
religieuze aan God, niet de vruchten, maar den grond
die de vruchten voortbrengt. De religieus, zegt de
H. Gregorius, houdt niets terug. Hij offert aan God
-ocr page 295-
289
zijn leven en geheel zijn bestaan. — Als men zijne
Professie gedaan heeft,
zegt de H. Basilius, moet men
zich voor God bewaren als eene zaak, die Hem toe-
behoort , zoodat hij, die iets neemt van hetgeen aldus
aan God toegewijd is, zich schuldig maakt aan eene
heiligschennis.
Ziedaar hoe de religieuze Geloften, in hare eenvou-
digheid, al de aanbidding, de gehoorzaamheid, de
liefde, de nederigheid bevatten,
die een schepsel aan
zijn Schepper hrengen kan, door zich zoo nauw
mogelijk met de gevoelens van Jezus-Christus te
vereenigen.
In deze Geloften zijn, even als in de akte van
toeioijding,
waardoor Jezus zich aan zijnen Vader
opofiert: 1°. Eene akte van de diepste aanbidding,
eene hulde van den grootsten eerbied,
aan Gods Opper-
majesteit gebracht. — Toen Jezus-Christus, God en
mensch te zamen, zich onder de volstrekte heer-
schappij zijns Vaders plaatste, wien Hij als God gelijk
was, erkende Hij Hem toen niet voor het grootste,
het machtigste, het heiligste Wezen, voor den eenigen
Opperheer aller schepselen?
2°. FJene akte der edelmoedigste gehoorzaamheid aan
den wil zijns Vaders, ondanks alles wat die wil
moeielijks en gestrengs kan hebben.
3°. Eene akte der volmaaktste liefde. Jezus-Christus
wijdt zijn leven aan Hem , van wien Hij het heeft ont-
vangen. Hij geeft zich over aan zijnen wil, laat Hem
vrij alles met Hem te doen wat Hij wil. Hoe vurig
moet men iemand beminnen om zich aldus, alleen uit
liefde, geheel onder zijne afhankelijkheid te plaatsen!
4°. Eene akte der diepste nederigheid. Jezus-Christus
stelt zich in den staat van een slachtoffer, dat bestemd
is, om geheel verteerd en door het vuur verslonden,
19
-ocr page 296-
290
te worden, zich aldus vrijwillig vernietigende om
zijnen Vader de glorie, die men Hem ontnomen had,
terug te geven, door zich aan zijne rechtvaardigheid
op te offeren, als ware Hij een zondaar, dat wil
zeggen, als ware Hij het ellendigste wezen.
5°. Eene akte der grootste naastenliefde. Het is voor
schuldige menschen, dat Jezus-Christus zich opoffert.
Hij stelt zich in hunne plaats. Hij wil lijden wat zij
zouden moeten lijden, om hen uit de hel te verlossen,
om hen in hunne rechten op het hemelsch erfdeel te
herstellen. Ziedaar den religieuzen geest, den geest
die u moet bezielen, sedert gij uwe Geloften hebt
uitgesproken, en zonder welken gij slechts religieuze
zijt in naam.
Die geest laat zich samenvatten in deze drie woorden:
Toewijding, afhankelijkheid, verloochening.
De religieuze door dien geest doordrongen is boven
het aardsche verheven, — is altijd gereed goederen,
vrienden, bloedverwanten, vaderland, goeden naam,
het leven zelfs op te offeren, zoodra de eer van God
dit eischt; — zij volgt, wat het ook zij, de be-
dorven natuur niet in, doch geeft zich geheel over
aan den druk der genade; zij laat zich door den
goddelijken geest besturen, en gedraagt zich in alles
volgens bovennatuurlijke grondregelen; zij laat aan
God met volle vertrouwen de zorg over van haren
levensloop, de handelingen van elk uur van den dag,
haren dood, den tijd en de wijze van haren dood te
regelen; zij neemt reeds vooruit de vernederingen,
de teleurstellingen, de beproevingen, de ziekten aan
die God zal gelieven haar over te zenden, — kust
reeds de hand, waarmede God haar zal slaan, —
verleent zich tot alles en aan allen, om het werk te
verrichten, dat de Overste haar zal opleggen, zonder
-ocr page 297-
291
de moeielijkheden te wikken en te wegen; — zij is
gereed te helpen wie hare hulp behoeft, de lasten
van anderen te dragen ten koste van eigen rust om
aan allen een straaltje vreugde en vrede te bezorgen ,
— om in één woord, elk oogenblik van haar bestaan
tot God en tot degenen, die door God over haar
gesteld zijn, door hare daden te zeggen: Zie, hier
ben ik om uwen wil te volbrengen.
Zoo leeft, zoo denkt, zoo handelt de religieuze
die doordrongen is door den geest harer roeping, de
religieuze, die de woorden harer professie begrepen
heeft. De geest van Jezus-Christus leeft in haar,
doorgrondt, bezielt, geleidt haar, en zij werkt in
vrede, in geluk, somtijds zelfs met zielsverrukking!
Doch alvorens zoover te komen, moet zij den goeden
strijd
gestreden hebben, moet zij gezegevierd hebben
over de listige redeneeringen des duivels, die zoo
gemakkelijk den geest verwarren en den moed neder-
drukken.
II.
Beoefening van den keligieuzen geest.
Daar de religieuze geest niets anders is dan de
geest van Jezus-Christus,
zoo is het in de gedachten,
de woorden, de werken van Jezus-Christus, dat wij
dien in geheel deszelfs volmaaktheid moeten zoeken.
Jezus-Christus is voor allen de weg, die ten hemel
leidt, de waarheid, die den weg des hemels toont,
het leven, dat ons voort doet gaan op den weg des
hemels, —het voorbeeld, dat wij volgen moeten om
in den Hemel te komen.
Eu is Jezus-Christus dit alles voor alle christe-
nen
, zoo is Hij dit op meer bijzondere wijze voor u,
-ocr page 298-
292
religieuzen, die alles verlaten hebt om Hem te volgen
en u aan Hem gehecht hebt, om zijne dienstmaagden
te zijn.
Daar Jezus-Christus God is, heeft Hij al zijne daden
verricht met eene volmaaktheid, die wij zeker nooit
zullen bereiken, maar die wij van verre kunnen en
moeten volgen, immer trachtende die nader bij te
komen. De H. Paulus wil, dat wij hem zouden na-
volgen, gelijk hij zelf Jezus-Christus heeft nagevolgd.
(I (Jou. XI. 1.) Bij xvil vooral, dat wij in dezelfde
gesteltenissen zijn als Jezus-Christus. (Puil. II, 5.)
Welnu, de gevoelens en gesteltenissen van Jezus-
Christus, die ons tot richtsnoer moeten dienen in
het religieuze leven, zijn deze:
Jezus-Christus heeft nooit zich-zelven gezocht; nooit
beoogde Hij zijne persoonlijke belangen, hetzij tijde-
lijke, hetzij geestelijke; — Hij beeft niets gedaan om
slechts den menschen te behagen ; Hij heeft nooit eenig
goed werk achtergelaten, uit vreeze hun te mishagen; —
God alleen, zijne glorie en zijn teil waren het eenig
doel van zijne gedachten en gevoelens, zijn eenige
gedragsregel. Hij heeft alles zonder voorbehoud aan
de belangen zijns Vaders opgeofferd.
Jezus-Christus deed de godsvrucht bestaan in de
inwendige gesteltenissen;
niet in ijdele en bedriegelijke
indrukken, maar in oprechte, krachtdadige, vruchtbare
gevoelens ; in de gesteltenis eener volkomen toewijding
aan God, eener voortdurende vernedering van zich-
zelven, eener grenzelooze liefde tot de menschen.
Al de oogenblikkeu zijns levens waren aan God en
de voltrekking dezer drie gesteltenissen toegewijd.
Il ij heeft geene enkele letter der wet verwaarloosd,
doch verklaarde ter zelfder tijd door zijne woorden
en voorbeeld, dat die getrouwheid moest voortkomen
-ocr page 299-
293
uit een inwendig beginsel van liefde en dat het
nakomen der letter slechts slaven, doch geene kinderen
Gods kon vormen.
Jezus-Christus heeft het leven slechts beschouwd als
een overtocht, eene reis, etn lijd van beproeving,
alleen bestemd, om God zijne liefde te betuigen..
Het eeuwige alleen hield Hem bezig. Hij gaf der
natuur het noodzakelijke, doch niets meer. Hoewel
Hij niets bezat en voor alle lichaamsbehoeften slechts
van de Voorzienigheid afhing, heeft Hij zich nooit
bekommerd over deu dag van morgen, en meer
dan eens de gevolgen der armoede ondervonden.
o           ra
Jezus-Christus heeft datgene voor zijn doel gekozen
icat den menêchen het moeielijkst valt,
dat waaraan
zij zich slechts noode onderwerpen, als gevolg van
hunnen staat of stand. Hij heeit de rijkdommen niet
volstrekt veroordeeld; doch Hij gaf deu voorkeur aan
de armoede. Hij heeft de waardigheden, eerambten
en verheven stand, door God onder de menschen
gevestigd, niet veroordeeld; doch Hij heeft geleerd,
dat een nederig, verborgen leven, van alle eerbewij-
zing ontbloot, aangenamer is aan God en gemakke-
lijker ter zaligheid; Hij heeft geleerd, dat het eene
dwaling, eene bron van vele fouten is zich boven
anderen verheven te gelooven, omdat men in groot-
heid, in adel, in macht geboren is. — Behalve eenig
natuurlijk vermaak door den Schepper aan som-
mige handelingen verbonden, waarvan het genot
nog door de strengste regelen moet gewijzigd worden,
heeft Hij alle vermaken, die men zoo vurig najaagt,
veracht, en zich zelfs de onschuldigste ontzegd.
He arbeid, de apostolische tochten, het gebed,
de onderrichting van zijne leerlingen en het volk
hebben al de oogenblikken zijns levens ingenomen.
-ocr page 300-
294
Jezns-Christns is goed voor allen geweest; goed voor
de kleinen, goed voor zijne leerlingen, die Hem meer
dan anderen beminden, goed vooral en vervuld met
een teeder medelijden voor lijdenden en ongelukkigen,
al waren zij dit door eigen schuld; — voor Magdalena,
voor de zondige vrouw, voor de Samaritaansche vrouw
heeft Hij eene bewonderenswaardige goedheid getoond,
Hij is de Vader van den verloren Zoon; Hij is de
goede herder, die het verloren schaap opzoekt; Hij
is de barmhartige Samaritaan, die onze wonden
balsemt.
Jezus-Christus heeft, met eene onverstoorbare zacht-
moedigheid
, de fouten en gebreken zijner Apostelen
verdragen.
Als wij de zaken volgens onze denkwijze
beschouwen, hoeveel moet Hij dan niet geleden hebben
in den omgang met zulke onvolmaakte en onwetende
menschen ? De samenleving is wellicht eene der moeie-
lijkste zaken, die den Heiligen zelfs het meeste kosten.
Hoe meer zij in God verheven zijn, hoe meer nede-
righeid zij moeten hebben om zich te buigen, te
schikken , om in de anderen duizend onvolmaaktheden
te ontveinzen, te verschoonen, die zij veel beter dan
iemand bemerken. Dit komt dagelijks voor, en het
gedrag in deze omstandigheid geleid, maakt de deugd
of beminnelijk of afkeerig.
Jezus-Christus is door zijne vijanden op alle wijzen
vervolgd geworden en heeft dit in vrede geleden.
Toen het uur gekomen was, waarop Hij hun in
handen moest vallen, heeft Hij hunne driften, die
Hij als de werktuigen van de goddelijke rechtvaardigheid
beschouwde, laten werken. Hij zweeg, toen Hij zag
dat zij hardnekkig waren in hunne boosheid; Hij
zocht zich niet te rechtvaardigen, hoewel dit voor
Hem zoo gemakkelijk geweest ware; Hij heeft zich
-ocr page 301-
293
laten veroordeelen, Hij heeft, ze hunne zoogenaamde
zegepraal laten genieten, Hij heeft vergeven, gebeden en
zijn bloed voor hen gestort tot den Iaatsten druppel!
Zie iu deze weinige woorden de oefening van den
religieuzen geest;
zij is niet wat het zinsbedrog ons
als ondoenbaar, ondragelijk, knellend voorstelt, zij
is eenvoudig, bevattelijk, licht uitvoerbaar. Zij bestaat
geheel hierin: Zie en volg dit voorbeeld,
Niets daarin overtreft de menschelijke kracht, door
de goddelijke genade geholpen; en heeft Jezus-Chris-
tus ongehoorde smarten uitgestaan, Hij heeft die niet
(jezocht
, Hij heeft ze aangenomen, en God heeft die
naar zijne goddelijke kracht gemeten. Godz.al eveneens
voor u handelen, zoo vaak Hij u eene beproeving
zal overzenden. Ja, zij bezitten dien religieuzen geest,
die groote zielen, die zich zoo gelukkig gevoelen in
haar klooster, ver van alle aardsche vermaken, bij
hare zieken, hare armen, hare kinderen, ver van
alle aardsche vreugde en eerbetoon. Luister hoe een
geleerd en godvruchtig bisschop haar beschrijft. Moge
ieder uwer zich in deze bladzijden terugvinden.
»Eene religieuze is eene edele, groote, heldhaftige
ziel, vervuld van liefde en dankbaarheid van door God
gekozen, door haren hemelschen Bruidegom geroepen
te zijn, — die evenals de eerste Apostelen, voor Hem
hare visschersschuiten en netten, hare aardsche be-
langen, haar vaderland, hare familie, hare zoetste
gewoonten vei\'lateride, in het diepste baars harten
niets meer hoort dan de stem, die haar bekoord heeft.
»Het is eene ziel, die met de eenvoudigheid der
eerste Christenen aan de voeten van haren goddelijken
Meester niet slechts de broze, vergankelijke goederen
nederlegt, maar het offer brengt van hare dierbaarste
genegenheden , van haar hart, haren geest, haren wil,
-ocr page 302-
29G
hare gebeele vrijheid, — die zich gelukkig gevoelt, in
hare ontblooting en die meer zou willen bezitten,
opdat haar offer schooner zou zijn.
»Het is eene ziel, die, na moedig haar besluit ge-
nomen te hebben, niet meer achterwaarts ziet, zoodra
zij de hand aan den ploeg heeft geslagen ; die, eenmaal
buiten het slijk der wereld getreden, er haren voet
niet meer mede wil bezoedelen. — Zij weet, wat het
zeggen wil, een gekruisten Bruidegom te volgen;
maar zij heeft het kruis gewogen, de kroon gepast,
den kelk geproefd, zijne kolom, zijne boeien, de
beleedigingen Hem aangedaan gezien; doch van Cal varië
heeft zij de handen tot den Hemel opgeheven; zij
heeft den troon van het Lam gezien; zij heeft het
gezang der engelen gehoord; de gouden harpen hebben
de tonen van het eeuwig Hosanna tot hare ooren
doen weergalmen; zij heeft de maagden gezien met
hare witte kleederen, de martelaren wier bloed de
aarde gedrenkt heeft, de scharen der gelukzaligen van
eiken leeftijd, eiken stand, die, op denzelfden grond,
door dezelfde gevaren omringd, over de wereld en
over zich-zelveu hebben gezegevierd; en bij dit ge-
zicht heeft haar hart zich bemoedigd, hare ziel heeft
nieuwe hoop en kracht verkregen, en zij roept uit:
»Ja, mijn God, ik behoor u toe, ik ben de uwe,
ik wil u altijd, overal volgen tot aan mijn laatsten
snik; ik zal voortgaan, ik zal tot u vlieden als uwe
goedheid mij slechts ondersteune, mij wapene, mij
drage; ja, ik wil, ik zal volmaakt worden; want
Gij, o mijn Zaligmaker, hebt beloofd, alles te zullen
geven aan die u alles zouden vragen, en ik stel geene
grenzen noch aan mijne begeerten, noch aan mijn
smeeken!" (Mgr. Augebault).
-ocr page 303-
297
Luister niet naar den duivel, wiens bedriegelijke
woorden wij u gaan ontmaskeren. Luister naar Jezus,
volg Jezus; Hij is de iceg, de ivaar/ieid, het leven.
III.
Hoedanig hot zinsbedkog ons den keligieuzen
geest voorstelt.
1. Het zinsbedrog stelt ons den religieuzen geest
met desselfs opoffering
, afhankelijkheid, volkomen
zelfverloochening voor, als onmogelijk voor de mensche-
hjke natuur, daar hij in alles met haar in strijd is.
»Zich verloochenen, zegt het zinsbedrog, is niet
meer aan zich-zelven toebehooren ; is zich afhankelijk
•stellen, niet ran God uit wiens hand men zonder
morren de ziekte, het ongeluk zou aannemen; maar
van een schepsel, dat, wel is waar, Gods plaats
bekleedt, doch dikwijls even zwak en ellendig is als
wij, van een schepssl, dat ten ouzen opzichte soms
met vooroordeel of uit afkeer kan handelen.
»Zich aldus verloochenen is leven in een gedurigen
dwang: — het verstand mag zich niet meer bezig
houden naar welgevallen: — het hart mag zich aan
geen enkel voorwerp hechten; — de zinnen moeten
voortdurend onder bedwang gehouden worden; —
1                                                                                                     ..."
het is de volkomen vernietiging van ons bestaan.
Bedrog!... Neen, de zelfverloochening door den
religieuzen geest
gevorderd, is noch een dwang, noch
eene gedurige kwelling. Neen. die geest vernietigt noch
liet verstand, noch het hart; hij verwoest, hij dwingt
slechts datgene wat de gaven, ons door God gegeven t
kan bederven.
-ocr page 304-
298
De religieuze geest laat liet verstand in vollen glans
Schitteren ; — hij laat het hart al de kracht van deszelfs
genegenheid behouden; hij laat de zintuigen zich
ontwikkelen binnen de grenzen door Gods wet ae-
trokken; doch hij geleidt, hij bestuurt, hij zuivert ze.
De zelfverloochening, door den religieuzen geest
gevorderd, is de dienst ran God in geheel deszelfs
omvang: en God dienen is heerschen; — het is de
onderwerping van den leerling aan den meester, dien
hij vereert, van den dienaar aan den vorst, dien hij
hoogacht, van het kind aan den vader, dien het
lief heeft, van den vriend aan den vriend zijns harten!
Maar wil men dit wel begrijpen, dan moet men
zich geheel overgeven, zich zonder voorbehoud
geslachtofferd hebben, zooals Jezus zich heeft opge-
offerd, zooals Maria zich heeft toegewijd, zooals
al de Heiligen, die door den mond een hunner tot
God zegden: Gij hebt mij bedrogen, Heer; gij spraakt
ran het juk van uwen dienst
, en ik vond slechts
vrijheid; gij spraakt mij van lijden
, en ik vond
slechts geluk!
Daarenboven, daar Jezus aan allen , die Hem willen
volgen, die toewijding, die onderwerping, die zelf-
verloochenig voorschrijft, moeten zij wel uitvoerbaar
wezen: Zoo iemand na mij wil komen, zoo verloochene
hij zich-zelren, neme zijn kruis en volge mij
(Matth.
XVI, 24). God kan geene onmogelijke zaken vor-
deren — Arme religieuze, die het juk, dat uw
Meester licht en zoet noemt (Matth. XI, 30), zoo
zioaar vindt, zoudt gij het wellicht slechts uit dwang
of schijnheiligheid dragen? O ja, dan begrijp ik het
treurig woord, dat aan uwe lippen ontsnapt.
Die toewijding, die onderwerping, die zelfverloo-
chening moeten wel uitvoerbaar zijn, daar zij den
-ocr page 305-
299
grondslag Tormen van de volmaaktheid, naar welke
gij, krachtens uwen staat, streven moet, — den grond-
slag van die liefde tot God boven alles, die gij,
religieuzen, gelijk wij dit reeds zegden, meer dan
andere Christenen in oefening moet brengen; —
en ook hierin is datgene, wat God beveelt, altijd
mogelijk.
Die toewijding, die onderwerping, die zelfver-
loochening moeten wel uitvoerbaar zijn, daar alle
heiligen, dat wil zeggen, alle volmaakte christenen
en getrouwe religieuzen die beoefend hebben, en aldus
tot de heiligheid gekomen zijn! Lees hun leven,
en gij zult zien, dat het eerste wat zij deden, toen
zij door Gods genade geraakt werden, geweest is
zich aan God toe te wijden, en dat dien ten gevolge
God bezit van hen heeft genomen en volgens zijn
welbehagen over hen, voor zijne glorie, beschikt
heeft. — De eenen heeft Hij gebruikt tot een aan-
houdend gebed, en ze voor zich behouden, door hen
geheel van de schepselen te verwijderen; de anderen
heeft Hij bestemd om zijnen naam over de geheele
aarde te dragen en Hem te doen kennen en beminnen ;
aan anderen vertrouwde Hij de zieken, de kleinen,
de stervenden; anderen liet Hij arm , onbekend, ver-
acht; weder anderen waren gedrukt onder het gewicht
der grootste ellende, eener langdurige ziekte! Maar
allen, allen hebben, om tot de hemelsche glorie te
geraken, vreugdevol in alle omstandigheden des levens
dit woord van Jezus-Christus herhaald: Uier ben
iï, o Heer, om uwen wil te volbrengen!
II. liet zinsbedrog stelt ons den religieuzen geest
niet deszelfs toewijding, onderwerping en zelfverlooehe-
ning voor, als onuitvoerbaar u-egens dengedurigen dicang,
dien hij oplegt.
-ocr page 306-
300
1°. Maar die dwang was bekend, alvorens men
^ich dien oplegde; — men heeft dien vrijwillig, edel-
moedig aangenomen; — men heeft dien lang met
vreugde ondergaan; —• hij beantwoord zelfs aan de
behoefte van het hart, dat zich heeft toegewijd.Waartoch
is een waarlijk beminnend hart, dat geene behoefte ge-
voelt, zijne liefde te bewijzen door die toewijding en
onderwerping, door den religieuzen geest gevorderd?
En zoolang dat hart waarlijk bemint, zal het zich
nooit, nooit beklagen over den dwang, door de liefde
opgelegd!
O, religieuze, die in dit oogeublik luistert naar
de stem des duivels, hebt gij dien religieuzen geest
met zijne onderwerping en volkomen zelfverloochening
ondragelijk gevonden, inde eerste jaren van uw reli-
gieuze leven? Toen moest men de vlucht van uw
hart wederhouden, dat slechts vraagde te lijden, veel
te lijden, altijd te lijden; toen moest men u het lezen
verbieden van die boeken, waarin de Heiligen hunne
gloeiende liefdebetuigingen en de heldhaftige daden,
die gij wildet navolgen, hebben nedergeschreven; —
neen, toen rondt gij het juk van Jezus-Christus niet
ondragelijk. Heden is het nog hetzelfde; maar wat
niet dezelfde is, dat is uwe godsvrucht, dat zijt gij
zelve, arme gevallen ziel!
Sla de oojren rondom u. en vraag het aan uwe
zusters, die getrouw zijn gebleven aan hare plichten,
en wier deugd gij acht, hoewel gij u de kracht niet
gevoelt ze na te volgen; vraag haar, of haar leven,
zoo volkomen naar Gods wil ingericht, drukkend en
zwaar is, of zij hare toewijding aan God willen her-
roepen. Vraag haar, of dat leven wat u ondragelijk
schijnt, voor haar geene bron van troost is; of een
enkel bezoek des Heeren haar niet schadeloos stelt
-ocr page 307-
301
voor al haar lijden, of zij dien vrede niet genieten,
die volgens den H. Paulus alle ander gevoel overtreft
(Philtpp. IV. 7) en een voorspraak is der eeuwige
genoegens. — Geen enkele religieus heeft van God
niet even groote troost ontvangen als zijne edelmoe-
digheid groot geweest is, — geen enkel heeft de dag
zijner H. Professie niet beschouwd als een geluk, waar-
voor hij God nooit genoeg kan danken, geen enkel
die, met den H. Augustinus. niet betreurd beeft, te
laat te hebben begonnen, God te beminnen en te
dienen.
2". De religieuze geest met deszelfs toewijding,
onderwerping en zelfverloochening wordt langzamer-
hand werkelijk ondragelijk voor de ziel, die gedurig
iets aan God weigert.
Zij is niet zoo vast besloten getrouw te zijn tot
in de kleinste zaken; zij gaat niet oprecht met God
om: zij geeft Hem eenige zaken en weigert Hem
andere; zij stelt grenzen aan hare toewijding, en
vindt, datgene wat zij doet, voldoende; zij houdt
terug, zij zoekt, tot zekeren graad, hare voldoening
te doen stroken met datgene wat de genade haar
vraagt; hoe kan zij het juk, dat zij draagt, anders
dan zwaar vinden, want zij draagt het alleen. Zij
verwijdert zich van God; maar het juk van God,
dat zij op hare schouderen nam bij het uitspreken
harer Geloften, neemt zij mede, en het wordt swaar,
omdat Jezus niet meer daar is, om het met haar te
dragen. Zij heeft Jezus van zich verwijderd.
Nader dan uwen Jezus weder en plaats u naast
Hem. Houd niets voor Hem terug, en Hij zal voor
u niets terughouden. Toon Hem geene koelheid, en
Hij zal niet koel jegens u zijn. Bemin, o bemin Hem ,
en Hij zal u liefhebben. En wordt alle arbeid niet
-ocr page 308-
302
zoet, als men werkt voor iemand, dien men liefheeft
en door wien men zich bemind gevoelt?
III. Het zinshedrog stelt ons den religieuzen geest
met deszelfs toewijding, onderwerping en zelfverlooche-
ning voor als eene slavernij, die geheel het leren zal duren
en met het klimmen der jaren des te meer zal drukken.
O hoe weinig kent gij Gods goedheid! vreest gij
dan. dat Hij misbruik zal maken van het offer dat
gij Hem van u-zelve gebracht hebt, en dat Hij u
als een hardvochtig en onverbiddelijk Meester zal
behandelen? Nog eens, hoe weinig kent gij Gods
goedheid en hoe beleedigend is zulk eene gedachte
voor zijne liefde!
Is God dan een dwingeland? Vindt God dan be-
hagen in het pijnigen van een schepsel, dat zich met
de grootste edelmoedigheid aan Hem heeft opgeofferd?
Is al wat Hij van ons vraagt, niet voor ons eigen
welzijn ? Wat heeft God aan ons en wat nut trekt
Hij van onze toewijding?
Ach! verlaat u veeleer op zijne wijsheid, zijne
macht, zijne goedheid; Hij zal van ons niet meer
vragen dan wij door zijne genade in staat zijn Hem
te geven.
Wat Hij van ons wil, zal Hij met onzen wil doen
stroken; en is er sprake van eene bijzondere beproe-
ving, dan zal Hij ons langzamerhand zoover brengen
dat wij die gaarne aannemen en vreugdevol verdragen.
God gebruikt geen dwang met de zielen, die Hij lief
heeft, en onderwerpt ze slechts door de zoetheid en
de kracht der liefde.
En vindt Hij er zijne glorie niet in aldus gediend
te worden? God wil geene gedwongen gehoorzaam-
beid, en juist omdat zij vrij zou zijn, eischt God
voor alles de toewijding van onzen wil.
-ocr page 309-
303
Vreest gij dan soms, dat God, om die algeheele
toewijding,
u kruisen zal overzenden, die Hij u anders
gespaard zou hebben?
Maar de kruisen, die God u zal overzenden, zijn
door Hem, niet door u gekozen. Hij heeft ze u
bereid en zal ze u overzenden, volgens de inzichten
van heiligmaking, die Hij omtrent uwe ziel heeft
<revormd. Noch uwe vrees, noch uw voorbehoud
zal ze terug houden, en de religieuze geest vraagt
u eenvoudig het kruis aan te nemen, dat God u
overzendt, het te zegenen, het om zich-zelveu te
beminnen en aldus dien graad van heiligheid te
bereiken, waartoe gij geroepen zijt.
Gij weet niet, welk kruis God u zal overzenden;
gij weet slechts dat, omdat God het u overzendt,
het u noodzakelijk is. Zoo gij het niet draagt, loopt
gij gevaar uwe zaligheid te verliezen, of ten minste
den graad van volmaaktheid niet te bereiken, dien
God van u verwacht; en wordt gij zalig zouder dat
kruis, zoo kan dit slechts zijn door het berouw, dat
gij zult gevoelen van het niet gedragen te hebben.
Door dit kruis te omhelzen, alvorens gij het kent,
maakt gij u geschikt, om het met voordeel voor uwe
ziel te dragen en het drukkende minder te gevoelen,
als het u op de schouders zal gelegd worden.
IV.
HOE HOT ZINSBEÜltOG DEN RELIGIEUZEN GEEST VE11W0EST..
Indien het zinsbedrog, dat ons den religieuzen
geest als onuitvoerbaar, ondragelijk en knellend voor-
stelt, niet door het gebed en door het overwegen
van bovenstaande waarheden bestreden wordt, zal
-ocr page 310-
304
•de plaats van den religieuzen geest weldra worden
ingenomen door den geest der wereld, waaraan God
ons heeft willen onttrekken door ons tot zicli te
roepen door de HH. Geloften van gehoorzaamheid,
armoede en zuiverheid.
Ziehier eenige keuteekenen waaraan men zien kan,
dat die geest der wereld in de ziel eener religieuze
is doordrongen
1.     Zij houdt zich met de wereld bezig. — Zij denkt
aan de wereld, niet ondanks zich-zelve en onvrij-
willig. wat zelfs aan de godvruchtigsten gebeurt, maar
vrijwillig en voorbedacht;—zij wil alles weten wat
in de familiën en gezelschappen omgaat; — zij zoekt
uit de eerste en beste bron onderricht te worden,
en werpt zich op elk dagblad, dat haar op de hoogte
kan brengen. De geestelijke lezing verveelt haar,
de levens der Heiligen vallen niet in haren smaak;
zeker wil zij niets lezen wat slecht is, doch vraagt
naar hetgeen haar kan verstrooien..... en dan klaagt
de arme religieuze, dat zij niet kan mediteeren!
2.     Zij spreekt van de wereld. — Dit is een der
teekenen door den H. Joannes gegeven, om de geesten,
die uit God niet zijn, te erkennen. Zij zijn van de
wereld,
zegt hij, en zij spreken van de ivereld.
(I Joa. IV, G). Valt gedurende de recreatie het gesprek
op geestelijke zaken, dan zwijgt zij stil, zij weet
niets te zeggen, haar geheugen, haar hart zijn ledig;
maar spreekt men van de zaken der wereld, dan
ontwaakt haar geest, hij wordt levendig, flonkert,
schittert; men gevoelt, dat zij uit de volheid des
harten spreekt. Misschien vermaakt men zich bij haar,
en hoort men haar gaarne spreken ; doch als de recreatie
geëindigd is, zijn de zusters, die haar aangehoord
en wellicht bewonderd hebben, niet op haar gemak;
-ocr page 311-
305
haar gesprek heeft haar niets medegedeeld, misschien
heeft het haar iets ontnomen....
Zeker behoeft de religieuze, die door den geest
van Jezus bezield wordt, niet altijd van God te spreken;
maar hare vroolijkste woorden , hare gesprekken, die
eene zoete opgeruimdheid verraden, benemen noch
de ingetogenheid, noch den vrede, noch de liefde.
Even als de zachte koelte, die, over de bloemperken
heenstrijkende, ons iets van derzelver geur medebrengt,
zoo brengen hare woorden, over eene ziel heenstrijkende,
waarin Jezus-Christus woont, ons iets hemels mede.
3.     Zij denkt en oordeelt gelijk de wereld.. — Voor
haar vormen fortuin, schoonheid, talent, hooge ge-
boorte en waardigheden, even als voor den wereldling,
de grondslagen van het geluk. — Schoone manieren,
talent, betrekkingen met hooggeplaatste personen
staan op den voorrang. — Volgens haar gaat alles
wel in eene Communauteit, als men er personen van
aanzien en van rijke familiën ontvangt, die door haar
verstand schitteren; daarentegen is diezelfde Commu-
uauteit zeer te beklagen, als zich slechts personen van
minderen stand aanbieden, die niets bezitten dan hare
godsvrucht. De godsvrucht is zeker goed, maar zij
moet den geest niet geheel innemen......
Arme Religieuze, wat zou zij zich ongelukkig gevoeld
hebben in het gezelschap van Jezus, met die arme
ruwe visschers, welke de Zaligmaker zich had uitgekozen.
4.     Zij bemint en verfoeit al wat de wereld bemint
en verfoeit.
— Alles wat naar vergetelheid en verne-
dering zweemt, vertoornt haar. — Zij kan niet dulden,
dat men haar de laagste plaats aanwijst, of een kleed
geeft, dat meer afgedragen is dan dat van anderen,
dat men haar iets weigert, dat men haar oordeel
Biet waardeert, dat men eene jongere zuster voor-
20
-ocr page 312-
306
trekt en boven haar plaatst. — Het zou haar groot
verdriet doen als men haar niet geestig vond, of
eenvoudig als cene godvruchtige, brave religieuze
achtte. — Als zij naar de spreekkamer gaat. zorgt
zij hare kleederen te schikken om, helaas, aan de
menschen der wereld te behagen en van zich te doen
zeggen, dat zij er wel uitziet. — Neen, zij begrijpt
het woord der Navolging van Christus niet: Wee*
gaarne onbekend en voor niets geacht.
O indien gij, religieuzen, wie God dit boek in
handen zendt, in deze regelen eenige trekken terugvindt
van hetgeen in u omgaat, knielt spoedig voor uw
kruisbeeld neder, en zegt tot Jezus-Christus met het
zelfde gevoel als de H. Petrus, toen hij zich in de
golven voelde zinken: Heer. red mij!
Als het kort begrip dezer bladzijden over den reli-
gieuzen geest, geven wij hier een portret geschetst
door een missionaris bij retraites aan religieuzen
gegeven.
-ocr page 313-
307
Portret der religieuze, geleid door den geest
van god, en der religieuze geleid door
den geest der wereld.
©e ï&tiaieuzz in -fvaa* inwendig. (&vcn.
1°. Geest
De wereldsche religieuze
denkt en oordeelt niet de
wereld, dat het ware geluk
bestaat in rijkdom, ver-
maak, eer, gezondheid,
enz., en het ware ongeluk
in armoede , verdriet, ver-
nedering, lijden, ziekte
enz.
De wereldsche religieuze
houdt zich aan haar eigen
gevoelen en oordeel; zij
veracht den raad van
anderen, en blijft aan
hare denkbeelden vastge-
kleefd.
De ivereldsche religieuze
onderzoekt, verdenkt en
oordeelt lichtvaardig het
gedrag en de meeniug
harer medezusters; zij ziet
in alles slechts kwaad,
zelfs onder den schijn van
het goede.
Z)e godvruchtige reli-
gieuze
denkt en oordeelt
niet Jezus-Christus, dat
liet ware geluk bestaat in
de armoede, het verdriet,
de vernedering, het lijden
enz., en het ware ongeluk
in de rijkdommen, de ver-
maken , de eer, de groot-
heid, de gezondheid enz.
De godvruchtige reli-
gienze
wantrouwt steeds
haar eigen verstand en
oordeel; zij voegt zich
naar het gevoel van an-
deren en volgt gaarne
hunnen raad.
De godvruchtige reli-
gieuze
oordeelt en beoor-
deelt hare medezusters
noch in haar gedrag, noch
in hare meening; zij ziet
in alles slechts het goede,
zelfs onder den schijn van
het kwaad.
-ocr page 314-
308
2°. Hart.
De wereldsche religieuze
is vol van de wereld en
van zich-zelve: zij is ledig
van God.
De wereldsche religieuze
is vol ongeregelde driften
en genegenheden; zij heeft
altijd nieuwe verlangens
nieuwe begeerten, en heeft
nooit genoeg.
De wereldsche religieuze
is vaak vol wrok, onte-
vredenheid, bitterheid, af-
keer, haat, en koestert
wraakzuchtige plannen en
gedachten.
De wereldsche religieuze
heeft groote achting voor
haar eigen persoon, vormt
gedachten van ijdelheid
en eigenliefde, vertrouwt
en steunt op zich-zelve.
De wereldsche religieuze
is alkeerig van eenige harer
medezusters en vormt bij-
zondere vriendschap met
andere.
De godvruchtige reli-
gieuze
is ledig van de
wereld en van zich-zelve;
zij is vol van God.
De godvruchtige reli-
gieuze
is vrij van alle
ongeregelde aangekleefd"
heid en genegenheid; zij
is gematigd in hare be-
geerten, zij heeft altijd
genoeg, dikwijls zelfs te
veel.
De godvruchtige reli-
gieuze
kent gal noch bit—
terheid; zij vergeet, zij
vergeeft alles, en bemint
zelfs hare vijanden.
De godvruchtige reli-
gieuze
veracht zich-zelve,
onderhoudt nederige ge-
voelens omtrent hare eigen
waarde, wantrouwt zich-
zelve en vertrouwt op
Jezus.
De godvruchtige reli-
gieuze
bemint al hare
zusters gelijkelijk in Jezus-
Christus; zij koestert noch
voorliefde noch afkeer.
-ocr page 315-
309
3°. Ziel.
De icereldsche religieuze
is altijd gejaagd, verward,
ongerust, verstrooid, vrees-
achtig, lichtzinnig en
onbestendig.
De icereldsche religieuze
is öf treurig, somber,
mijmerend en weerhou-
dend, öf zij is uitgelaten
vroolijk, uitgestort, opge-
wonden, en valt, zoo in
droefheid als blijdschap,
van het eene uiterste in
het andere.
De wereldsche religieuze
is verslaafd aan eene me-
nigte driften, die haar
beheerschen en inwendig
verscheuren.
De godvruchtige reli-
giettzê
is altijd dezelfde,
altijd kalm, vrij en tot
alles bereid, altijd in vrede,
altijd vol moed en besten-
digheid.
De godvruchtige reli-
yieuze
is altijd of stil
vroolijk eu opgeruimd, of
kalm bedroefd voor God;
zij blijft zich-zelve gelijk,
en matigt hare droefheid
en vreugde.
De godvruchtige reli-
gieuze
is vrij van harts-
tocht of bedwingt dien naar
haar best vermogen; alles
is vrij en kalm in het
heiligdom harer ziel.
De godvruchtige reli-
gieuze
is onverschillig voor
de zaken dezer aarde en
denkt slechts aan de
eeuwigheid; al hare vreug-
de, al haar lijden heeft
slechts betrekking op haar
eeuwig lot.
De wereldsche religieuze
is slechts gevoelig voor
de zaken dezer aarde; zij
verheugt of bedroeft zich
daarover, naarmate zij
al of niet hare verlangens
verwezenlijken.
-ocr page 316-
310
4°. G
De godvruchtige reli-
gieuze
vergeet al wat het
leven eervols voor haar
had; zij denkt er niet
meer aan. Zij herinnert
zich daarentegen alles wat
bekwaam is om haar voor
God en de menscheu te ver-
nederen; zij houdt zich
daarmede inwendig bezig
om aan zich-zelve te
sterven , en lijdt geduldig,
dat men haar dit alles
verwijte.
De godvruchtige reli-
gieuze
herinnert zich altijd
de genaden, die God haar
bewezen heelt, de goede
diensten, haar door hare
zusters bewezen, en hare
eigene plichten jegens God
en de meuschen.
De wereldsche religieuze
herdenkt steeds met welbe-
hagen al het eervolle haars
levens, en voedt haren
; geest daarmede. Zij ver-
! werpt de gedachte aan al
wat haar kan vernederen
in de oogen der wereld
en in hare eigen oogen:
i en zij kan volstrekt niet
lijden dat men haar hier-
aan herinnere.
De wereldsche religieuze
vergeet dikwijls en geniak-
kelijk de weldaden, waar-
mede God haar heeft over-
laden, de diensten die men
1 haar heeft bewezen, en
. de plichten, die zij ten
opzichte van God en hare
evennaasten te vervullen
heeft.
5°. Veii
De godvruchtige reli-
gieuze
is klein in hare
eigen oogen, gelooft zich
tot niets groots in staat
UKELÜING.
De wereldsche religieuze
vormt in haren geest voort-
durend duizend hersen-
schimmige plannen van
-ocr page 317-
311
en houdt zich inwendig in
de nederigheid; zij trekt
zich terug, verbergt zich
en houdt zich voor God
steeds bezig niet hare
ellende en onvolmaakt-
heden. Hare verbeelding
vormt slechts plannen van
vernedering
De godvruchtige reli-
(jieu;e
volbrengt deze drie
grondregels van het gees-
telijk leven: Roep u voor
uwe eigene rechtbank; oor-
deel en veroordeel u-zelve;
ga dikwijls in den geest
de plaats beschouwen die
gij vreest in de hel, — die
gij hoopt in den hemel te
verkrijgen.
De godvruchtige reli-
gieuze
bezit zich-zelve in
vrede; zij overweegt kalm
al hare plannen en doet
alles met eene heilige
vrijheid van geest; zij
onderbreekt hare meest
verstrooiende bezigheden
door het gebed; in één
woord, zij heerscht over al
hare geestvermogens, over
naren wil, haren geest,haar
hart, hare ziel, haar ge-
heugeu, hare verbeelding,
grootbeid, eer, verheffing;
zij wil zich toonen en ge-
zien worden ; zij prijst zich-
zelve inwendig, en be-
wierookt zich zonder op-
houden.
De loereldsche religieuze
laat zich door hare wilde
vaart medesiepen en ver-
persooulijkt deze drie
spreekwoorden: Het hoog-
ste woord voeren; haar
haan koninglaten kraaien;
kasteelen in de lucht
bouwen.
De toereldsche religieuze
is nooit zich-zelve meester;
zij wordt geheel mede-
gesleept door elk plan
dat zij vormt, of door de
bezigheden, die haar be-
hagen en haar van het
gebed altrekken; in één
woord, geest, hart, ziel,
verbeelding, geheugen,
alles is ingenomen, alles is
in wanorde, alles weerstaat
haar, of beter voert haar
mede.
-ocr page 318-
312
II.
S)e •tctiyi&w&c in naat* uitwendig iz,vzn.
1°. Woorden.
De wereldsehe religieuze
spreekt veel meer dan zij
luistert; zij kent geen stil-
zwijgen , zij is die » praat-
zieke vrouw," waarvan
de H. Geest spreekt, die
zelfs een geesel is in de
wereld.
De wereldsehe religieuze
spreekt altijd van zich-
zelve, van wat zij doet
of niet doet, van hare
plannen, hare familie; en
zij hoort daar zeer gaarne
anderen van spreken.
De wereldsehe religieuze
zoekt den lof, vindt er
groot behagen in . en gaat
dien, om zoo te zeggen,
opzoeken en bedelen.
De wereldsehe religieuze
kan niet lijden dat men
anderen in hare tegen-
woordigheid prijst; zij
spreekt nooit van de goede
hoedanigheden van ande-
De godvruchtige reli-
gieuze
luistert meer dan
zij spreekt; zij eerbiedigt
het stilzwijgen; zij is die
vrouw » matig en bescheiden
in woorden,"
waarvan de
H. Geest spreekt; zij weet
van pas te spreken en te
zwijgen.
De godvruchtige reli-
gieuze
spreekt nooit van
zich-zelve, noch van wat
zij doet, van hare plannen,
hare familie; en zij ge-
voelt zich vernederd, als
men haar daarover spreekt.
De godvruchtige reli-
gieuze
is beschaamd, als
men haar prijst; zij vlucht
allen lof, en vermijdt dien,
zooveel zij kan.
De godvruchtige reli-
gieuze
verheugt zich als
men anderen in hare te-
genwoordigheid prijst; zij
vereenigt zich daarmede,
spreekt gaarne van de
-ocr page 319-
313
ren, en als zij dit doetT
is het om ze te verkleinen..
De wereldsche religieuze
spreekt dikwijls en gaarne
over de gebreken harer
zusters; hare gesprekken
zijn dikwijls even zoovele
lasteringen.
De, wereldsche religieuze
spreekt met gezag, ge-
woonlijk met klem en zeer
luid; zij beveelt gaarne
en beveelt met overmoed.
goede hoedanighedeu van
anderen en tracht ze te
doen uitkomen.
De godvruchtige reli-
gieuze
spreekt nooit over
de gebreken harer zusters,
en wil er niet van hooren
spreken ; in hare gesprek-
ken bespeurt men nooit
laster noch kwaadspre-
kendheid.
De godvruchtige reli-
gieuze
spreekt met eerbied,
zachtzinnigheid en oot-
moed, met zachte stem ;
zij gehoorzaamt gaarne,
beveelt slechts met weer-
zin , doch met goedheid.
De godvruchtige reli-
gieuze
verdraagt gaarne
de tegenspraak: zij is
toegevend en onderwerpt
zich gaarne aan hare me-
dezusters.
De godvruchtige reli-
gieuze
verbergt voor hare
Communauteit het goede
dat zij doet, waarvan zij
geen ander getuige wil
dan God, haar hemelsche
Vader.
De godvruchtige reli-
gieuze
wordt niet boos;
zij hoort en lijdt alles
De wereldsche religieuze
duldt geene tegenspraak
en geelt niemand toe.
De icereldsche religieuze
zoekt het goede dat zij
doet, uit te bazuinen , om
de achting harer Cotn-
munauteit te verwerven.
De wereldsche religieuze
vergramt zich bij het
minste woord; zij toont
-ocr page 320-
314
zonder zich te ontstellen;
zij denkt nooit, dat men
zich met haar bezig houdt,
of dat men haar zoekt te
beleedigen.
De godvruchtige reli-
gieuze
zoekt God alleen
tot getuige van haar lijden,
haar verdriet en moeielijk-
heden, en spreekt daar-
vau aan niemand.
De godvruchtige reli-
gieuze
versterft zich in
hare begeerte om alles te
weten; zij vraagt naar
niets; zij spreekt met hare
zusters niet over datgene
wat in de wereld omgaat,
indien zij dit bij toeval
verneemt.
zich om het kleinste ge-
stoord, denkt altijd, dat
alles wat gezegd en gedaan
wordt, op haar gemunt is.
De wereldsche religieuze
klaagt voortdurend over
haar lijden, hare smarten,
hare moeielijkheden en
ongelukken.
De wereldsche religieuze
zoekt alles te weten wat
er omgaat; zij vraagt naar
alles, en verspreidt al
wat zij hoort, in de ge-
meente.
2°.
De godvruchtige reli-
gieuze
vlucht al hetgeen
haar eer en aanzien kan
verschaffen, en zoekt ne-
dcrigu, verborgen wcrk-
zaamhedeu.
De godvruchtige reli-
gieuze
volbrengt met de
zelfde zorg en nauwge-
De ivereldsche religieuze
zoekt alles wat haar kan
doen schitteren, en heeft
een afschuw van de nede-
rige en kleine bezigheden.
De wereldsche religieuze
is vurig en onvermoeid
in de bezigheden harer
-ocr page 321-
315
zetheid het werk, dat haar
mishaagt, als dat hetgeen
volgens haren smaak is,
daar zij in alles slechts
den wil van God zoekt.
De godvruchtige reli-
gieuze
doet nooit aan an-
deren, wat zij niet wenscht
dat haar gedaan worde;
en doet anderen al het
goede, dat zij zich-zelve
wenscht.
De godvruchtige reli-
gieuze
volgt in alles den
gewonen weg, en vliedt
al wat zonderlint; is.
De godvruchtige reli-
gieuze
handelt in alles
voor God en om God.
Haar leven is slechts eene
voortdurende akte van
liefde tot God.
De godvruchtige reli-
gieuze
werkt veel meer
voor God, voor hare ziel,
voor den Hemel en de
eeuwigheid, dan voor de
aarde, voor haar lichaam ,
voor de wereld, voor het
tijdelijke.
keuze, doch traag en lauw
in die, welke haar mis-
hagen, omdat zij in alles
slechts zich-zelve zoekt.
De wereldsche religieuze
behandelt anderen niet
gelijk zij-zelve behandeld
wil worden, en bewijst
hun niet het goede dat
zij zich-zelve wenscht.
De wereldsche religieuze
zoekt in alles het zonder-
linge, en kan den ge-
wonen weg niet volgen.
De wereldsche religieuze
handelt in alles voor zich-
zelve. Haar leven is slechts
eene voortdurende oefe-
ning van eigenbelang.
De wereldsche religieuze
werkt veel meer voor de
wereld, voor haar lichaam,
voor de aarde en het
tijdelijke, dan voor God,
hare ziel, den Hemel en
de eeuwigheid.
-ocr page 322-
316
3°. Verz
De godvruchtige reli-
gieuze
is uit nederigheid
en uit liefde tot Jezus-
Christus zeer getrouw in
alle kleine oefeningen van
gehoorzaamheid, armoede
en nederigheid, die in de
gemeente gebruikelijk zijn;
zij is zeer nauwkeurig in
alles.
De godvruchtige reli-
gieuze
is even getrouw
onder Gods oog alleen
als in het openbaar; de
gedachte » God ziet mij" is
voor haar genoeg, hetzij
hare medezusters al of
niet tegenwoordig zijn.
De godvruchtige reli-
gieuze
is verheven boven
het menschelijk opzicht;
de begeerte van aan hare
medezusters te behagen
heeft geen invloed op hare
getrouwheid in het nako-
men harer plichten.
De godvruchtige reli-
gieuze
verzaakt niet aan
de goede werken, omdat
deze haar moeielijk vallen;
IIMENISSEN.
De werehhche religieuze
I verzuimt uit hoogmoed,
menschelijk opzicht en
gebrek aan versterving,
die kleine oefeningen van
gehoorzaamheid, armoede
en nederigheid, die in de
gemeente in gebruik zijn.
Zij kent geene nauwkeu-
righeid in het nakomen
harer plichten.
De wereldsche religieuze
verzuimt hare plichten
zeer gemakkelijk, als zij
God alleen tot getuige
heeft en niet door de blik-
ken harer zusters wordt
aangemoedigd.
De wereldsche religieuze
wordt door het mensche-
lijk opzicht beheerscht;
zij durft datgene wat God
of godsdienst van haar
vragen, niet doen, uit
vrees voor de verachting
of bespotting harer zusters.
De wereldsche religieuze
verlaat hare goede werken,
zoodra zij eenigen hiuder-
paal ontmoet, en verlaat
-ocr page 323-
317
zij verlaat nooit hare oefe-
ningen van godsvrucht,
noch van deugd, dan zelfs
als zij er niet den minsten
troost in vindt.
hare oefeningen van gods-
vrucht en deugd, zoodra
zij er geen troost in vindt.
III.
S)e te-fig icnse in qe-neat naaz <jcdxaq.
De godvruchtige reli-
gieuze
is in alles zeer
toegevend voor anderen,
zeer gestreng voor zich-
zelve.
De godvruchtige reli-
gieuze
sluit altijd de oogeii
voor de gebreken harer
medezusters en houdt ze
open voor hare eigen ge-
breken. Zij sluit de oogen
voor hare eigen deugden
en houdt ze open voor
die harer medezusters.
De godvruchtige reli-
gieuze
zoekt in alles den
wil en het welbehagen
van God.
De godvruchtige reli-
gieuze
verblijft gaarne in
hare cel, in de eenzaam-
heid en afzondering; zij
De wereldsche religieuze
is in alles zeer toegevend
voor zich-zelve, zeer ge-
streng voor anderen.
De wereldsche religieuze
sluit de oogen voor eigen
gebreken en opent ze voor
die harer zusters. Zij opent
de oogen voor eigen deugd
en sluit ze voor de deugden
en goede hoedanigheden
van hare medezusters.
De wereldsche religieuze
zoekt in alles de voldoe-
ning van haren wil en
haar vermaak.
De wereldsche religieuze
verveelt zich in hare cel,
in de eenzaamheid en de
afzondering; zij ontvangt
-ocr page 324-
318
I gaarnne bezoek, verblijft
gaarne in de spreekkamer,
ontvangt en schrijft vele
brieven.
ontvangt ongaarnebezoek,
gaat weinig naar de spreek-
kamer, verlaat die zoo
spoedig mogelijk, ont-
vangt weinig brieven en
schrijft er nog minder.
De godvruchtige reli-
gieuze
oordeelt of veroor-
deelt niets in hare ge-
111 een te; zij vervult hare
eigene bediening met zorg,
en laat ieder harer zusters
de hare volbrengen.
De godvruchtige reli-
gieuze
tracht aller harten
tot Jezus-Christus te trek-
ken, en offert zich gaarne
voor anderen op.
De godvruchtige reli-
gieuze
zoekt voor zich-
zelve steeds het eenvou-
digste en geringste in
voedsel, cehkleederen enz.
De godvruchtige reli-
gieuze
wandelt steeds in
Gods tegenwoordigheid,
volgt getrouw de inspra-
ken van den H Geest, en
verzuimt zelfs de kleinste
deugdoefening niet.
De godvruchtige reli-
gieuze
verdraagt alles van
andereu en geeft anderen
niets te verdragen.
De toereldsche religieuze
bevit en bespreekt alles
in hare gemeente; zij be-
moeit zich met de bedie-
ning van elke zuster en
veronachtzaamt de hare.
De toereldsche religieuze
tracht aller harten voor
zich-zelve en voor haar
eigen voordeel te winnen.
De toereldsche religieuze
zoekt voor zich-zelve in
alles het beste, in klee-
deren, huisvesting, voedsel,
boeken enz.
De wereldsche religieuze
leeft in voortdurende uit-
gestorlheid, weerstaat aan
de inspraken der genade,
en verzuimt vele kleine
oefeningen van deugd.
De wereldsche religieuze
strekt anderen tot lijden
en last en wil niets van
hare zusters verdragen.
-ocr page 325-
319
De godvruchtige reli-
gieuze
stelt zich in alles
achter anderen en bekom-
mert zich niet, om de ach-
ting en liefde der sterve-
lingen.
De godvruchtige reli-
gieuze
is geduldig, zacht-
zinnig, medelijdend, voor-
komend, minzaam, en
leeft steeds in vrede met
iedereen.
De godvruchtige reli-
gienze
verheugt zich over
ile gevolgen der armoede.
Zij versterft hare zintuigen
en looft God in hare ont-
beringen.
De godvruchtige reli-
gieuze
hecht zich aan God
alleen; zoekt in Hem
alleen haren troost; zij
vlucht de schepselen, zoekt
de eenzaamheid; is ont-
hecht zelfs van het leven,
en verlangt te sterven om
met God vereenigd te
worden.
De wereldse/te religieuze
plaatst zich steeds op den
voorgrond, en zoektslechts
diegenen, die haar achten
en beminnen.
De wereldsche religieuze
is ongeduldig, hardvoch-
tig, onverbiddelijk, en
leeft in voortdurenden
strijd met hare omgeving.
De tvereldschc religieuze
beklaagt zich en mort over
de gevolgen der armoede
ia voedsel, woning enz.
De wereldsche religieuze
hecht zich aan de schep-
selen en zoekt bij hen
haren troost. Zij jaagt
de ijdelheid in alles na;
zij hecht zich aan het
aardsclie en aan het leven,
en vreest te sterven; zij
heeft geen verlangen om.
tot God te gaan.
-ocr page 326-
320
TWEEDE ARTIKEL.
Zinsbedrog omtrent de gehoorzaamheid.
Daar wij in het vijfde hoofdstuk moeten spreken
over de natuur der gehoorzaamheid als deugd en
gelofte en over de genade, die zij aan de ziel mededeelt,
zullen wij hier slechts spreken over:
1°. De hoedanigheden der gehoorzaamheid.
2°. De bron van het zinsbedrog omtrent de ge-
hoorzaamheid.
3°. De verschillende wijzen, waarop dit zinsbedrog
zich voordoet.
4°. De treurige gevolgen der ongehoorzaamheid.
I.
2Coe.dani<fyf\\e,id de-z <^2$\\oo/is>aa,\\n$\\e,\\d.
De religieuze gehoorzaamheid is de vereeniging van
•den wil eener religieuze met den wil harer Overste,
die voor haar de plaats van Jezus-Christus bekleedt.
De gehoorzaamheid is dus het gevolg der toewij-
ding, der onderwerping, der zelfopoffering, welke den
religieuzen geest vormen, waarvan wij gesproken
hebben; en de hoedanigheden, die zij moet hebben,
en die wij gaan aantoonen, zijn slechts de uitoefening
van diezelfde toewijding, onderwerping en zelfver-
loochening.
-ocr page 327-
321
Er bestaat zeker eene volstrekte gehoorzaamheid,
die genoegzaam zou zijn voor de religieuze, die zich
binnen de palen harer Geloften zou willen besluiten;
maar, zegt de H. Bernardus, dit is slechts eene
onvolmaakte gehoorzaamheid. De volmaakte gehoor-
zaamheid kent geene wet, voegt de H. Kerkleeraar
hierbij, en laat hare grenzen niet bepalen; gekneld
tusschen de kluisters harer Geloften, zet zij zich door
een beteren wil uit, en werpt zich in de zee der liefde.
De regel van den H. Benedictus zegt: Dat de
religieus zich aan zijne Overste onderioerpe in alle
gehoorzaamheid;
wil dit woord in alle gehoorzaamheid
niet zeggen, dat wij ons niet binnen onze Gelofte
moeten besluiten, — dat wij niet tevreden moeten
zijn onze schuld te betalen, — dat wij op onze ver-
bintenis niets moeten afdingen, maar dat wij moedig
onze Geloften moeten overschrijden
en in alles moeten
gehoorzamen ?
De religieuze, die den geest van haren staat, den
waren religieuzen staat bezit,
zal in deze opsomming
der hoedanigheden, die de gehoorzaamheid moet
hebben, niets anders vinden, dan de opsomming van
wat zij doet en wat haar geweten haar voorschrijft
te doen. Zij, die zou meenen, hierin overdrijving of
kleingeestigheid te bespeuren, zou doen veronder-
stellen, dat Jezus-Christus niet in haar hart heerscht.
De overweging der hoedanigheden zal u tevens het
~insbedrog omtrent de gehoorzaamheid doen kennen.
21
-ocr page 328-
322
De religieuze gehoorzaamheid moet zijn:
1. Vaardig en zonder uitstel.
Zoodra een bevel gegeven wordt, vervult de ge-
hoorzame religieuze dit zonder uitstel: het teeken dei-
klok , één woord, één wenk, ééne begeerte, die zij
raadt, is voor haar een bevel. — Zij laat dadelijk
haar werk daar, zoo zelfs dat zij eene begonnen
letter onvoltooid laat. — Tusschen het gegeven bevel
en de vervulling laat zij geene tusschenruimte; zij
volgt eenvoudig de handelwijze van het kind, dat
zijne moeder bemint, van de dienstmaagd, die haren
meester zoekt te voldoen; het was de handelwijze
van het Kind Jezus; wie onzer kan het zich anders
dan aldus handelende voorstellen ?
2. Zuiver en gegrond op bovennatuurlijke
beweegredenen.
De gehoorzame religieuze ziet in hare Overste niet
eene harer medezusters, maar God; al wat hare
Overste haar gebiedt, verbiedt, verlangt en zegt,
gebiedt, verbiedt, verlangt en zegt God.
Hare Overste is God, die zich onder deze gedaante
aan haar openbaart; God, die haar al wat zij voor
Hem doet, ten goede zal rekenen en die haar ver-
zekert dat in den Hemel haar alles rijkelijk betaald
zal worden. — Voor haar is het dezelfde zaak, of
God haar door eigen mond, of door dien harer
Oversten beveelt;
en mocht er een verschil zijn, zoo
is dit alleen, dat het verdienstelijker is, aan Gods
plaatsbekleeder dan aan God-zelven te gehoorzamen.
3. Eenvoudig en blind.
Dit is een gevolg der zuivere gehoorzaamheid; de
religieuze, die overtuigd is dat hare Overste de weg
-ocr page 329-
323
is langs weikeu Hij haar zijne bevelen mededeelt,
zul zich zouder verder onderzoek onderwerpen aan
iilles wat haar gezegd zal Worden. Zij zal haar oor-
deel onderwerpen;
waut hoe zou zij durveu vragen,
waarom God het aldus wil? God heeft gesproken,
dit is genoeg! in dit oogeublik kau zij niets beters,
niets voluiaakters doen dan wat haar werd voorge-
^chreven. — Zij zal haren wil onderwerpen met
heilige onvoorzichtigheid,
omdat de voorzichtigheid de
deugd is van degenen die bevelen, en niet van die
welke gehoorzamen. — Zij moetgeeue tegenwerpingen
maken, zelfs als dit geoorloofd schijnt; hare gehoor-
zaamkeid is gelijk de gehoorzaamheid van het kind,
van de Heiligen, de gehoorzaamheid, die wonderen
uitwerkt.
4. Volledig.
De religieuze moet zich onderwerpen ten alleu
tijde, ten allen plaatse, op eiken leeftijd. — Zij
gehoorzaamt met de hand, door alles zoo goed
mogelijk te volbrengen, met het oordeel, door de
blinde onderwerping van den geest, — met den wil
door eene volkomen toestemming des harten in alle
zaken, hetzij die gemakkelijk of moeielijk, groot of
klein, mogelijk of zelfs onmogelijk zijn; de gekoor-
zaamheid bestaat hier niet in te doen, maar in te
willen doen, in te trachten het te doen.
Zij ziet niet
naar de wijze, waarop het bevel gegeven wordt,
roet zachtzinnigheid of stuurscliheid, of het redelijk
of hoogst onredelijk is. — Zij vraagt zelfs niet, of
het de Overste zelve is, die haar dit gebod geeft,
of dat het haar door een ander iu naren naam
gegeven wordt.
-ocr page 330-
324
5. Edelmoedig.
De religieuze, die den wil Gods ziet in het bevel
dat haar gegeven wordt, volbrengt dit zonder uitstel,
omdat uitstellen zooveel is als eerst zijn eigen wil
en dan dien van God doen; — zonder traagheid,
omdat zij verheugd is, God te k.unüen dienen en Hem
te gehoorzamen; — zonder morren, omdat elk gemor
haar de vruchten der gehoorzaamheid doet verliezen;—
zonder tegenspraak vooral, omdat zij wel weet, dat
zij het recht niet heeft, een bevel te weerstreven
dat haar van Gods wege, op welke wijze dan ook,
gegeven wordt. De volmaaktheid der gehoorzaani-
heid, zegt de H. Franciscus van Sales, bestaat niet
in den wil van een zachten en minzamen Overste
te volgen, maar in den hals te krommen onder het
juk van een Overste die gebiedend, gestreng, slecht
gehumeurd
is en zich nooit tevreden toont.
6. Minzaam en blijmoedig.
De religieuze, die aan God gehoorzaamt, doet dit
blijmoedig, omdat zij God bemint en dat zij weet,
dat God diegenen lief heeft, die aldus zijnen wil
volbrengen. — Zij stelt zich zoo gaarne en zoo
vroolijk ten dienste van ieder, dat men overtuigd is,
dat men haar dienst bewijst met haar de gelegenheid
te bezorgen van eene oefening van gehoorzaamheid
te kunnen verrichten.
De H. Ignatius omvat in drie woorden de hoeda-
nighcden der gehoorzaamheid. Zij moet, zegt hij,
zich vertoon en in drie zaken: In de uitvoering door
vaardig, blijmoedig en nauwkeurig alles wat ons
bevolen wordt, te volbrengen, — in den wil door
slechts datgene te willen, wat voorgeschreven is,—in het
oordeel
door goed te keuren wat ons bevolen wordt.
-ocr page 331-
325
ir.
cBton dcz sjLmfogoocficflwge-H omtrent
de qc(\\oozZ\'Cia\\nficid.
De bron van het zinsbedrog, dat de gehoorzaam-
beid onder een geheel valsch oogpunt voorstelt, is de
hoogmoed; — de hoogmoed, die verwaandheid, aan-
matiging, opstand
voortbrengt.
1°. De hoogmoed brengt de verwaandheid voort, die
ons zulk eene gunstige gedachte van ons-zelven
inboezemt, dat zij ons aanzet, ons oordeel te plaatsen
boven dat van anderen, zelfs boven dat onzer Oversten,
door ons te verzekeren dat zij ver beneden ons
staan in talent, in wijsheid en ondervinding. Hoe zou
men, met zulk eene gedachte bezield, de gehoor-
zaamheid kunnen zoeken en beoefenen ? De ver-
waande religieuze verbeeldt zich, dat zij veel meer
weet dan hare Oversten, en beknibbelt de bevelen
die haar gegeven worden; zij bevit het verbod dat
baar gedaan wordt, en durft zelfs tegenover hare
medezusters het gedrag der Overste afkeuren, zeggende
dat zoo men haren raad gevraagd hadde, zij veel
wijzere maatregelen, met betrekking op de tijden,
plaatsen en omstandigheden, zou aangeraden hebben.
Als men zoo spreekt, is men niet ver van de
ongehoorzaamheid verwijderd. Hoe kan men vaardig,
bundeling en blijmoedig gehoorzamen aan een bevel
dat men onredelijk en onverstandig durft noemen en
waarvan men één voor één al de onaangenaamheden
opsomt V
-ocr page 332-
326
2°. De hoogmoed brengt de aanmatiging voort.
dat gevoel door de verwaandheid verwekt, dat zich
openbaart door beleedigende woorden en minachtende
manieren. — De minachting vertoont zich eerst en
zoekt zich te toonen; dan volgen de woorden, eerst
slechts tot enkelen gezegd. Men maakt het zich
tot eene verdienste te durven wederstaan. — Als de
Overste, hiervan verwittigd, het kwaad wil weer-
houden, durft de ongelukkige antwoorden; zij heeft
een vloed bijtende woorden tot haren dienst en gaat
zegevierend heen, zich beroemende op de gegeven
les!
— O welk een onberekenbaar kwaad in die arme
verblinde ziel!
3°. De hoogmoed brengt den opstand voort. Dit
is een zeldzaam geval in de religieuze gemeenten; doch
het kan gebeuren, en allertreurigst zijn de gevolgen.
Weerstaat eene zuster aan een bevel en blijft dit
tusschen de Overste en de weerspannige zuster, dan
zijn de gevolgen minder noodlottig; misschien heeft
zij zich slechts een oogenblik vergeten, misschien is
het slechts een aanval van hoogmoed; doch als het
in het openbaar plaats heeft gehad, al de Overste
heeft moeten straffen, kan die weerstand het begin
worden van een onvermijdelijken ondergang. Dan
vormen zich bijna altijd twee partijen;
de grootste,
de meerderheid steunt het gezag, de andere verdedigt
de schuldige; en men hoort gemor, men hoort
klachten van onrechtvaardigheid, van te groote ge-
strengheid.... gelukkig zoo die weerstand spoedig\'
bedaart!.... De religieuze geest kan er geheel door
verdwijnen, en lange jaren uit de gemeente verwijderd
blijven.
Eene andere bron van zinsbegoocheling omtrent
de gehoorzaamheid is ons weinig nadenken over de
-ocr page 333-
327
verplichting, die de Gelofte van gehoorzaamheid ons
oplegt, en den troost, de vreugde, den vrede, ons
door het nakomen dezer gelofte verschaft. Wij
zullen dit in het vijfde hoofdstuk aantoonen.
III.
©tatimi. dei nin^e^oocficiin^e-n
omtrent d& qc{\\cozz>aam$ieid.
Het vooriccrp der gehoorzaamheid is onbepaald!
Het voorwerp der gehoorzaamheid is in het algemeen
alles wat ons door onze Overste geboden wordt, hetzij
mondeling, hetzij schriftelijk, door eene vaste en
bepaalde wet; doch om dit wel te verstaan, moet
men met de Godgeleerden onderscheid maken tusschen
de verschillende bevelen.
Er kunnen voorkomen:
Geboden tegen den regel.
Geboden boven den regel.
Geboden volgens den regel.
Geboden beneden den regel.
I. Een gebod tegen den regel, waardoor ons dingen
zouden bevolen worden, die uitdrukkelijk tegen den
regel strijden, zou misdadig en ongeldig zijn; als bijv.
een Overste een Kartkuyser monnik zou bevelen,
vleesch te eten. — De macht wordt den overste
gegeven tot stichting, niet tot vernietiging; en daar
-ocr page 334-
328
hij in dit geval klaarblijkelijk misbruik van zijne
macbt zon maken, moeten de onderdanen, wel verre
van hem te gehoorzamen, hem wederstaan. Maar
dergelijke \'gevallen zijn uiterst zeldzaam, en bijna
als hersenschimmen te beschouwen.
II.     Een bevel boven den regel, dat bijv. ge-
strengheden zon voorschrijven die de regel niet beveelt,
als \'s nachts op te staan, wijn en vleesch te derven,
en andere dergelijke, zijn onrechtvaardig, onredelijk
en verplichten niet in geweten, — ten ware het
eene religieuze als straf voor eenige fout werd
opgelegd. »Oat het bevel of het verbod," zegt de
H. Bernardus, »nooit de grenzen der Professie over-
schrijde, en dat de Overste zich tevreden stelle tot
het volmaakte aan te moedigen, doch hiertoe niet,
dwinge."
III.     Een bevel volgens den regel verplicht in
geweten. Heeft een Overste recht zich te doen ge-
hoorzamen, zoo is dit zeker dan, als zijn bevel
rechtvaardig en billijk is; en wat is redelijker dan
dat wat volgens regel en Constitutie is voorge-
schreven,—wat daarin, hetzij letterlijk, hetzij stil-
zwijgend, wordt geboden, — wat noodig of raadzaam
is voor de goede orde van het huis, en om daarin
de regeltucht en den geest der instelling te bewaren.
Dit alles, zeggen de Kerkleeraars, is in den regel
begrepen
, — is volgens den regel, — behoort tot den
regel.
Zoo heeft een Overste het recht de schuldigen
te straffen, — een verstrooiend spel te verbieden, —
gebeden te bevelen voordringende aangelegenheden,—
zijne onderdanen, zelfs op levensgevaar, te verplichten,
de zieken van het klooster te dienen, die door de
pest aangevaden zouden worden. — Zoo heeft men de
religieuzen verplicht het slot te bewaren, hoewel zij
-ocr page 335-
329
hiervan geene gelofte gedaan hadden, omdat men
noodig oordeelde, dat zij aldus vau de wereld moeten
afgescheiden zijn, om reiner te kunnen leven.
IV. Een bevel beneden den regel, dat iets be-
spottelijks,
volkomen onnuttig*, of zelfs onder alle
opzichten onverschillig.? oplegt, zou uit zich-zelven
niet in geweten verplichten. — Maar de onderdanen
moeten niet gemakkelijk besluiten, dat hetgeen men
hun gebiedt, onverschillig of onnuttig is; ware het
dit ook uit zich-zelven, zoo verheft de Overste, die
zich ten doel stelt, de gehoorzaamheid zijner onderdanen
te beproeven , deze behandeling tot een waardig doel.
Maar wanneer verplicht de gehoorzaamheid onder
doodzonde en in welke gevallen zondigen de onderdanen
doodelijk tegen hunne Gelofte?
1.     Wanneer de zaak zwaar is in zich-zelve of in
hare omstaudigheden, en dat de Overste den wil te
kennen geeft de onderdanen zoo zeer te verplichten
als hij kan, en zijn gezag ten volle te doen gelden.
2.     Wanneer in kleine zaken, er van de zijde der
onderdanen bepaalde minachting van het gezag en
wederspaunigheid bestaat; bijv. de woorden ik wil
niet gehoorzamen
, bevatten eene zware minachting
van het wettig gezag en slaan terug op Gocl-zelven,
die het gezag heeft gevestigd. »De hoogmoed van
een religieus,
zegt de H. Beruardus, die hoeioel slechts
kleine bevelen veracht, is eene zware fout, en ver-
andert in eene werkelijke zonde van ongehoorzaamheid,
eene overtreding die, uit hare natuur, slechts eene
kleine onvolmaaktheid zou wezen.
3.     Wanneer men vrijwillig en voortdurend al de
bevelen van een Overste overtreedt, dan zelfs als
geen dezer bevelen ouder doodzonde zou verplichten.
Inderdaad, de gesteltenis eener ziel, die vrijwillig
-ocr page 336-
330
en bij elke gelegenheid de gehoorzaamheid overtreedt,
is zeer slecht; zij veronderstelt eene voorbedachte
minachting van het gezag, en strijdt niet alleen tegen
de volmaaktheid, maar zelfs tegen de begeerte der
volmaaktheid en den geest van het religieuze leven.
»Het is zeer onwaarschijnlijk," zegt Suarez, »dat er
geene voorbedachte minachting bestaat hij dengene
die besloten heeft, nooit den regel na te leven."
TWEEDE ZINSBEGOOCHELING.
©e zeact vczvdcnt niet op zonde.
Het is zeer gemakkelijk, zich omtrent deze woorden,
die waar zijn in zich-zelven, te bedriegen. Wij zullen
dit nauwkeurig aantoonen.
De regel, in zich-zelven, is geen raad, doch voorschrift,
en het nakomen van den regel is geene oververplichting,
maar verplichting; het is een voorschrift, uitgegaan
van het wettig gezag en is altijd beschouwd geworden,
als het voorwerp der religieuze gehoorzaamheid.
Het Concilie van Trente zegt dat alle religieuzen,
zoo mannen als wouwen
, hun leven moeten richten
nuar het voorschrift van den regel, dien zij bij hunne
Professie omhelsd hebben.
(Skss. XXV, 1).
De H.Theresia, hare dochters vermanende, steeds
getrouw hare regelen en Constitutiën na te komen,
zegt: Ik leg n niets nieuws op, mijne dochters, ik
-ocr page 337-
331
vraag u slechts die zalen na te hamen, loaartoe uw
roep en mee Professie
« verplichten. (Weg der
Volmaaktheid Ch. IV.)
De regel verplicht; maar waarin bestaat de verplicht-
ting? Is elke overtreding eene zonde en welke zonde?
Wij hebben deze vragen reeds in het eerste deel
behandeld. Wij herhalen hier in het kort.
1.     De regel in zijn geheel verplicht niet op zonde,
en eene novice, die bij hare Professie zich zou ver-
binden den regel in zijn geheel op sonde te onder-
houden, zou de grenslijn overschrjjden, door de
H. Kerk aan de gehoorzaamheid gesteld, en men
zou hare vermetelheid moeten afkeuren.
2.     De regel verbindt op zonde in alle zaken die
streng geboden worden, bijv. de geloften en het slot, —
in die zaken, die de Statuten, dat is de grondslagen
van de orde, haar doel, hare inrichting
daarstellen.
De overtreding van den regel in deze punten is
zwaar of licht, naarmate de stof zwaar of licht is,
naar de meening, die men had bij de overtreding, en
de meer of minder zware gevolgen, door deze over-
treding veroorzaakt.
3.     De regel verplicht niet op zonden in die punten
waarin hij, die de wet geeft, de meening niet gehad
heeft, aldus te verplichten , noch in die punten, welke
hij niet streng geboden heeft, tenzij de persoon die
den regel overtreedt, daarin eene meer of minder
kwade meening had. — Aldus verplichten de regels
omtrent de tucht, de orde en het dagelijksch teven der
gemeente uit zich-zelven niet op zonde; maar de
verplichting bestaat van de straf te volbrengen, door
den Overste voor eenige overtreding opgelegd. —
Niet wegens hare Gelofte van gehoorzaamheid is de
religieuze verplicht, den regel na te leven; want ge-
-ocr page 338-
332
woonlijk beloven de religieuzen niet aan den regel,
maar volgens den regel te gehoorzamen. Zij zijn
derhalve hiertoe niet verplicht op zonde, dan in zoover
de Oversten de meeniug gehad hebben, haar aldus te
verplichten. — Als de regel de natuur der verplich-
ting, die uit de overtreding van een of auder punt
voortvloeit, niet uitdrukt, wordt gewoonlijk aange-
nomen, dat deze verplichting behoort tot de deugd
van gehoorzaamheid,
maar niet tot de Gelofte.
4. Hoewel elke regel uit zich-zelveu niet op zonde
verplicht, overtreedt meu dien zelden vrijwillig zonder
te zondigen.
De verachting van een punt van den regel is eene
zonde en kan eene zware zonde worden; — eene zin-
nelijkheid,
eene nieuwsgierigheid, eene eigenzinnigheid,
die ons zonder andere reden een punt van den regel
doet overtreden, is eene zonde; — eene nalatigheid,
die ons eene zaak, die ons bevolen is, doet achter-
laten voor eene andere die noch goed uit zich-zelve,
noch uit haar doel, noch uit hare omstandigheden
is, is eene zonde. Zou men durven beweren, dat
eene religieuze, die zonder reden het stilzwijgen ver-
breekt , — die zonder reden in hare cel blijft, als de
regel haar verplicht naar de bidplaats te gaan, — die
de spreekkamer niet verlaat, als de klok haar naar
eene oefening der gemeente roept, zou men durven
zeggen, dat die religieuze eene daad volbrengt, die
goed is in zich-zelve, goed in haar doel, goed in hare
omstandigheden, en die God tot einde kan hebben ?
Wederstaat eene religieuze niet aan de goddelijke
inspraak die, wanneer de regel haar een bepaald toerk
voorschrijft, dit verzuimt zouder eenige wettige reden?
De zoude is in zich-zelve niet groot; maar moet eene
religieuze dan alleen zware zonden vluchten?
-ocr page 339-
333
De ergernis, die eene zuster geeft, die ten aanzien
harer medezusters een punt van den regel over-
treedt, waartoe men weet, dat zij geen reden heeft,
is eene zonde; en zoo deze ergernis zich dikwijls
herhaalt, kan zij eene groote verslapping in de tucht
en goede orde te weeg brengen. De religieuze, zegt
Sanchez, is op zware zonde verplicht, zijne gemeente
geen merkelijk nadeel te berokkenen door anderen
door zijn kwaad voorbeeld mede te slepen, hetgeen
hij zou doen indien hij telkens het stilzwijgen verbreekt,
het gebed verzuimt, de zedigheid minder betracht, de
cellen van anderen betreedt,
of door andere dergelijke
overtreding.
5.     Indien de religieuze ook niet zou zondigen en
auderen geen kwaad voorbeeld zou geven door het
overtreden harer regelen, zou zij zich nochtans van
vele genaden berooven.
Wij zullen later, van de ge-
hoorzaamheid
sprekende, aantoonen, dat er groote
genadeu verbonden zijn aan de getrouwe naleving
van den regel; deze waarheid wordt ons door de
Kerkvaders geleerd, die ons verzekeren dat, — even
als de kracht van Samson in zijn haar lag besloten,
in het haar, dat zoo weinig is in zich-zelven, —
zoodat hij onoverwinnelijk was, zoolang hij dit bezat,
en tot speelbal zijner vijanden werd, toen hij het ver-
loor, — zal ook eene religieuze, vurig, sterk, inwendig,
standvastig in het goede wezen, zoolang zij haren
regel bewaart, lauw, traag, uitgestort en den duivel
tot speelbal worden, zoodra zij haren regel verlaat.
6.     Is de overtreding van den regel eene zonde,
roaardoor toij onze ziel verliezen?
Neen, als het
niet is door eene zware overtreding van de Geloften
of van een gebod van God of de H. Kerk, of door
eene gewoonte, die ons vrijwillig van de volmaaktheid
-ocr page 340-
334
verwijdert; maar de overtreding maakt ons de genaden
onwaardig, die verbonden zijn aan de trouwe naleving
van den regel;
en daar die genaden ontbreken , omdat
men ze niet heeft willen ontvangen, en men zich
vrijwillig daarvan berooft, valt men in verslapping,
in lauwheid, in uitgestortheid, in traagheid, en —
gaat men nog eene schrede verder... in een algemeen
verzuim zijner plichten.
DERDE ZINSBEGOOCHELING.
f3)e qenooi&aamncid \\> inii met mijne
övczsïc owuoaeli^ftl
Ziehier eene der ongelukkigste bekoringen, die wij
met groote zorg gaan bestudeeren.
1. Zij doet ons het gedrag, de handelwijze, het
uitwendige
, de woorden, het karakter onzer Overste-
onderzoeken.
Wij zouden hier in het algemeen kunnen zeggen
dat, zoo het Evangelie ons verbiedt te oordeelen,
opdat wij-zelcen niet sfrengelijk geoordeeld zouden
worden
, — zoo de H. Paulus niet wil dat men den
dienaar van anderen beoordeelt•,
— zoo men inbreuk
maakt op het goddelijk gezag als men anderen oordeelt
zonder van God hiertoe de macht ontvangen te
hebben, —• zoo de liefde wil dat wij geen kwaad van
anderen denken ,
— wij ons voor Gods rechterstoel een
streng vonnis bereiden, als wij op vermetele, onver-
bkldelijke
en dikwijls valsche wijze iemand oordeelen
-ocr page 341-
335
die door God gesteld is om ons te oordeelen en van
wien Hij gezegd heeft: Hij, die hem aanraakt, raakt
mij in den appel van het oog.
Maar antwoord zelve op deze vragen van het een-
voudig gezond verstand. Is uwe Overste aan uwe
zorg toevertrouwd ? Zijt gij met hare leiding belast ? —
Is u eenig gezag over haar opgedragen? Moet gij
in den jongsten dag, ziel voor ziel, van haar reken-
schap geven, gelijk zij het van u moet doen? —
Wat maakt het u dan , of zij meer of minder aan-
genaam is? Als een bode u de bevelen uws vaders
overbrengt, onderzoekt gij dan, uit spotlust, of die
bode groot of klein, welbespraakt, talentvol is? —
En is uwe Overste niet de afgezant van God, die
u zijn wil komt mededeelen?.....
2. Het zinsbedrog doet ons de onvolmaaktheden
en de fouten, die de Overste kan begaan, overdrijven
door voor onze reeds vooringenomen blikken hare
lichamelijke of geestelijke gebreken te vergrooten.
Als uwe Overste gebreken heeft, als zij zich schuldig
maakt aan fouten van ongeduld, van drift, moet gij
haar dan niet meer dan een ander verontschuldigen ?
Zij wordt overladen met zooveel werk, blootgesteld
aan zoovele gelegenheden, verstrooid door zoovele
zaken, ten allen tijde gekweld door zoovele personen;—
zij staat bloot aan zooveel tegenspraak, aan zoovele
moeielijkheden, dat het bijna onmogelijk is, ware
zij ook eene heilige, dat zij op hare beurt geene fouten
bedrijft. — Het is dus onbillijk van u, hiermede geene
rekening te houden; gij zijt onrechtvaardig en boos-
aardig haar onmeedoogend te oordeelen; want stondt
gij in hare plaats, hoeveel zwaardere fouten zoudt
gij niet begaan? — Herinnert gij u dit woord van
den Komeinschen keizer Constantius, die u zeker
-ocr page 342-
336
overtrof in verstand en oordeel: Als ik een priester
eene fout zag bedrijven, zou ik hem met mijn ko-
ninklijken mantel bedekken, om die aan aller oog té
verbergen.
Moet gij aldus niet met uwe Overste handelen?
Daarenboven nemen de fouten der Oversten, hoezeer
die ook in het oog mogen springen, niet weg, dat
zij voor ons de plaats van God bekleeden. Toen God
ons aan de menschen onderwierp, wist Hij wel, dat
zij gebreken hadden. Heeft Hij ons de macht ge-
geven, om ten koste der gehoorzaamheid den persoon
en de hoedanigheden
af te scheiden van de plaats en
de 10aardigheid?
Heeft Hij, van de schriftgeleerden
sprekende, niet gezegd, doet naar hunne woorden,
doch niet naar hunne werken ?
Eu beveelt de H. Petrus
niet aan de meesters te gehoorzamen, niet slechts
aan hen, die minzaam en toegevend, maar ook aan
degenen, die lastig zijn?
En ziehier nog eene belangrijke overweging: De
fouten der Oversten liggen in de plannen van God:
hierdoor wil Hij ons geloof en ons geduld verdienstelijk
maken. Welke verdiensten zou onze gehoorzaamheid
hebben, als zij die ons bevelen geven, altijd goed,
beminnelijk
, heilig waren ? Men zou tot een soort
van afgoderij vervallen, zegt de H. Augustinus, men
zou ze te zeer beminnen, en om onze gehoorzaamheid
bovennatuurlijk en verdienstelijk te maken , zouden
wij pogingen moeten aanwenden, die dikwijls onze
krachten zouden overtreffen. — Het gedrag van God
ten opzichte der gehoorzaamheid is hetzelfde als voor
de andere deugden; het is onder den eenvoudigen
sluier des broods, dat Hij in het H. Sacrament
tegenwoordig wil zijn; het is ouder de lompen van
den arme, dat Hij gediend wil worden; het is in den
-ocr page 343-
337
persoon van een vijand, dat Hg bemind wil worden,
en het is ook in den persoon van eene Overste, die
mij geene genegenheid noch vertrouwen inboezemt, dat
God gehoorzaamd wil worden-
3.     Het zinsbedrog zet ons aan, de deugden onzer
Overste te miskennen , en maakt ons die verdacht
door eene menigte redenen, ons door hoogmoed, nijd
en afgunst ingegeven.
Gij verdenkt hare deugden: gij leent haar verkeerde
bedoelingen in deze verandering, in dit bevel; gij
keurt hare handelwijze ten opzichte van deze of gene
zuster af; maar kent gij hare bedoelingen? Is zij
verplicht u rekening te geven, waarom zij aldus
handelt? Zou zij, zonder aan de voorzichtigheid en
bescheidenheid te ontbreken, u kunnen zeggen, waarom
zij deze bediening aan die zuster ontneemt? Zou zij
zonder u te doen blozen, u in het openbaar kunnen
zeggen waarom zij u die vernederende bezigheid
oplegt? Wees toch nederiger en godsdienstiger.
4.     Het zinsbedrog zegt ons dat kuiperij, partij-
zucht of andere menschelijke oogmerken onze Overste
hebben doen verkiezen.
Misschien zou het u moeielijk vallen die beschul-
diging te bewijzen en u-zelve van allen partijgeest
vrij te spreken; maar aangenomen dat het waarheid
is wat gij zegt: Wat doet het aan uwe zaligheid?
het is de zaak uwer Overste, niet de uwe; zorg dat
gij eene goede, nauwgezette, gehoorzame, liefdevolle
religieuze zijt; beschouw uwe Overste als de weg
langs welken God u zijne bevelen mededeelt, en houd
u niet bezig noch met hare hoedanigheden, noch
met de wijze, waarop zij gekozen is; het zij u genoeg,
dat het geestelijk gezag hare verkiezing heeft goed-
gekeurd. Wanneer gij eens voor God zult moeten
22
-ocr page 344-
338
verschijnen, zal God u geene rekenschap vragen omtrent
datgene wat uwe zusters bij de verkiezingen gedaan
hebben, maar van hetgeen gij-zelf gedaan hebt, en
van de deugden, die gij beoefend zult hebben, onder
die Overste, die gij niet gekozen hebt.
Ziehier eenige nuttige wenken om u de oefening
der gehoorzaamheid, die altijd min of meer moeielijk
valt, te vergemakkelijken.
1.     Vermijd alle gemeenzame en vertrouwelijke
gesprekken met die uwer medezusters, welke onte-
vreden zijn; wellicht zijn het zwaarmoedige karakters,
die zich gaarne beklagen, scherpe bedilgeesten, die
alles afkeuren wat van het gezag uitgaat, of behendige
geesten, die zich gemakkelijk in den geest van anderen
weten te dringen, om dien in korten tijd aan den
hunnen gelijk te maken.
2.     Verbeeld u somtijds, dat gij zelve Overste
zijt, doch scheid dan de tegenspraak en de moeie-
lijkheden niet af van datgene wat uwe verbeelding
u als eervol en aangenaam voorstelt. Men zegt dat,
om wel te kunnen bevelen, men lang moet hebben
kunnen gehoorzamen; met meer waarheid nog zou
men mogen zeggen, dat om wel te kunnen gehoor-
zamen hel, althans voor verstandige mensehen
, nuttig
zou zijn
, eenigen tijd Overste te zijn geweest.
3.     Maak u gewoon, in den dagelijkschen omgang,
aan al uwe zusters te gehoorzamen, en dat zonder
praalvertoon en slechts in den geest van ootmoed.
Daar het gewoonlijk slechts uit hoogmoed en luim
is, dat wij weerspannig zijn, zal de gewoonte der
zelfbeheersching u de gehoorzaamheid gemakkelijker
maken. Volg liever den wil van anderen dan uw
eigen wil,
zegt de Navolging van Christus; gehoorzaam
liever dan te bevelen; dit is het middel om met iedereen
-ocr page 345-
339
in vrede te leven. Wees altijd voorkomend, toegevend
en dienst vaardig, behalve in datgene, waarmede gij
God zondt beleedigen.
Besluiten wij deze bladzijden over de gehoorzaaru-
heid door deze opmerkingen, ontleend aan het Hand-
boek der Novicen.
Aangenomen dat de Oversten de plaats van God
bekleeden, zoo volgt hieruit dat, als de onderdanen
aan den hun verschuldigden eerbied en gehoorzaamheid
te kort blijven , God deze overtreding beschouwt als
eene beleediging aan zijn persoon.
Daarom zegt Jezus
van de Apostelen en Oversten sprekende: »Die u
hoort, hoort Mij;"
en voegt als onniiddelijke gevolg-
trekking er bij: Die u versmaadt, versmaadt Mij"
(Lvc.m
X, 16.) En de H. Paulus zegt, nadat hij ons
heeft herinnerd, dat wij onzen Oversten onderdanig
moeten zijn, omdat alle macht van hen komt... » Hij
die aan de Overheid weerstaat, weerstaat aan Gods
verordening.
(Rom. XIII, 2.)
De straffen waarmede God zoo dikwijls degenen
getroffen heeft, die tegen hunne Oversten zondigden,
toonen duidelijk, dat Hij die overtreding als zich-
zelven aangedaan beschouwt.
Maria, de zuster van Mozes, werd met melaatschheid
besmet en moest zeven dagen buiten het kamp van de
kindereu Gods blijven, omdat zij tegen Mozes ge-
mord had. — Toen het volk van Israël insgelijks tegen
Mozes gemord had, bij de terugkomst dergenen, die
naar het beloofde land op verkenning waren uitge-
zonden, werden de opstandelingen op Gods bevel
ter dood gebracht, en het overige volk werd ver-
oordeeld 40 jaren in de woestijn te verblijven. —
Coré, Datkan en Abiron, die zich over Mozes en
Aüron beklaagd hadden, als matigden zij zich te
-ocr page 346-
840
veel gezag aan in het bestuur, zagen de aarde onder
hunne voeten openen en werden met hunne tenten
en rijkdommen levend verzwolgen. — Toen de kin-
deren Israëls andermaal tegen Mozes morden wegens
hun lijden in de woestijn, zond God slangen, wier
doodelijke beet velen hunner deed sterven.
Wat Mozes tot zijn volk kon zeggen, zeggen wij
tot u, o Religieuzen, die u zoo gemakkelijk laat
verleiden tot het afkeuren en bevitten uwer Oversten:
Uw morren is niet tegen ons, maar tegen den Heer
(Exooi XVI, 8.)
Ziehier een uittreksel uit het leven der zalige Maria
Margaretha, dat ongetwijfeld indruk op u zal maken:
»Ik zag iii eenen droom eeue onzer zusters, sedert
eenigen tijd overleden. Zij zegde mij, dat zij veel
leed iii het vagevuur, maar dat God haar eene smart
had doen gevoelen, die al hare andere pijnen over-
trof, door haar een harer naaste bloedverwanten
te doen zien, door hare zonden in de hel geworpen.
Ik ontwaakte bij deze woorden, en gevoelde mijn
lichaam zoodanig gefolterd, dat ik mij slechts met
moeite kon bewegen. Daar men aan geene droomen
geloof moet slaan, sloeg ik ook op dezen weinig
acht; doch die religieuze verplichtte er mij ondanks
mij-zelve toe, daar zij mij van dat oogenblik af
geene rust liet en mij steeds zegde: »Bid God voor
mij; bied Hem uw lijden met de verdiensten van
Jezus-Christus vereenigd aan, om mijn lijden te
verzachten, en geef mij al wat gij zult doen tot
den eersten Vrijdag in Mei, waarop gij voor mij zult
communiceeren." Ik deed dit met goedvinden mijner
Overste. Intusschen vermeerderden de pijnen, welke
die lijdende ziel mij mededeelde, zoodanig, dat ik er
onder gedrukt ging, zonder verlichting noch rust
-ocr page 347-
341
te kunnen vinden. Uit gehoorzaamheid trachtte ik die
op mijne legerstede te vinden; doch nauwelijks lag
ik daarop uitgestrekt, of ik zag haar bij mij, terwijl
zij mij zegde: »Daar ligt gij op uw gemak te bed:
zie het bed, waarop ik rust en de vreeselijkste pijnen
lijd." Ik zag dit bed, en sidder nog telkens als ik
er aan denk. Het onder- en het bovendeel bestonden
uit scherpe gloeiende punten, die in het vleesch
drongen. Zij zegde mij, dat dit de straf was harer
traagheid en onachtzaamheid in het nakomen der
regelen. »Men verscheurt mij het hart en dat pijnigt
mij het meeste,
voegde zij er bij, om de gedachten
van afkeuring en weerspannigheid, die ik tegen mijne
Oversten gevoed heb; mijne tong wordt door ongedierte
verteerd; zij wordt mij voortdurend uit den mond
gerukt, om mijne liefdelooze woorden en mijne over-
tredingen van het kloosterlijk stilzwijgen te boeten.
Ach, konden toch alle godgewijde zielen mij in
deze vreeselijke ioltering aanschouwen! Konde ik
haar toch laten zien, wat bereid is voor haar, die
met nalatigheid haren roep volgen. Zij zouden met
vurigheid hare plichten naleven, en zich wel wachten
voor die fouten, welke mij zooveel doen lijden. »Ik
smolt in tranen bij dit schouwspel."
Tntusschen ging de lijdende ziel voort: »Helaas!
één dag van nauwkeurig stilzwijgen der geheele
Oommunauteit zou mijnen mond genezen; één andere
dag, waarop de liefde nauwkeurig betracht werd, zou
mijne tong genezen: een derde waarop geen ontevreden
noch afkeurend woord tegen de Overste zou gesproken
toorden, zou mijn verscheurd hart genezen,
maar niemand
denkt er aan mij te helpen." Nadat ik de heilige
Communie volgens haai verzoek voor haar had op-
geofferd , zegde zij mij, dat haar lijden veel verminderd
-ocr page 348-
342
was, maar dat zij nog lang in het vagevuur die pijnen
moest lijden, die het deel zijn dergenen, die traag
zijn in den dienst van God.
Gehoorzaam dan aan uwe Overste; en om gelukkig
te leven, moet gij God bidden, dat gij haar moogt
beminnen.
Er zijn twee personen van wie bet geluk der reli-
gieuzeu afhangt: om gelukkig te kunnen zijn in uwe
roeping, moet gij met die twee personen op goeden
voet
leven. Het zijn: God en uwe Overste. Om met
God op goeden voet te leven zijn twee zaken nood-
zakelijk: de zonde vreezen en die met zory vluchten , —
getrouw zijn aan utoe oefeningen van godsvrucht en
die met zorg volbrengen.
Om met de Overste op
goeden voet te leven zijn ook twee zaken noodza-
kelijk: volkomen openhartigheid en gewilligheid.
Toon mij eene religieuze, die op goeden voet leeft
met God en hare Overste en niet gelukkig is in
haren staat en hare bediening; ik geloof niet dat
er ééne bestaat. — Toon mij eene religieuze, die
weinig omgang met hare Overste zoekt, haar hart
voor haar sluit, hare gebreken, hare zwakheden voor
haar verbergt, eenigeu afkeer jegens baar voedt,—
die zich door haar miskend gelooft, en die gelukkig.,
tevreden en oprecht deugdzaam is;
doorzoek de ge-
heele wereld, gij zult er geen enkele vinden.
Voor eene religieuze zijn gehoorzaamheid, geluk en
oprechte deugd, woorden van dezelfde beteekenis; wie
de eerste niet bezit, zal de andere nooit verkrijgen.
-ocr page 349-
343
VIERDE ZINSBEGOOCHELING.
©e qcdoot&aamtieid moet zedetijk z>ï\\n.
Ja zeker, en het is voorwaar zeer redelijk, te
gehoorzamen aan het wettig gezag, aan eene Overste,
die voor ons de plaats van God bekleedt, en ons
niets beveelt, dat strijdt tegen de geboden van God
noch tegen den regel.
Het is zeer redelijk, door eene eenvoudige, vaardige,
geheele onderwerping de goede orde en den vrede
in eene communauteit te onderhouden. Zou er geen
verwarring en wanorde in den staat heersenen, als
het ieder onderdaan vrij stond, over de verordeningen
van den vorst te redetwisten en zijne bevelen te
bedillen?
De gehoorzaamheid moet redelijk zijn..... Maar
welken zin hecht gij aan die woorden? Is dit niet
de bevelen, die men u geeft, voor de rechtbank
van uwe rede roepen? — oordeelen, of zij stroken
met uwe denkwijze, — ze dan alleen goedkeuren als
zij zijn zooals (jij-zelve ze zondt geven t Maar is het
dan de wil uwer Overste of den uwe, dien gij doet?
En moest gij, om aldus te handelen, eene gelofte
uitspreken?.....
In plaats eener redelijke gehoorzaamheid wilt gij
eene beredeneerde, neen, eene redeneerende gehoor-
zaamheid.
De gehoorzaamheid moet redelijk zijn. Zult ge
wellicht zeggen, dat men soms dingen beveelt, die
tegen het gezond verstand aandruischen, of zult ge
wellicht het bevel aanhalen van dagelijks op hetzelfde
uur een drogen stok te begieten?
-ocr page 350-
344
Dit bevel strijdt niet meer tegen het gezond ver-
stand, dan dat van den krijgsoverste, die zijne soldaten
verplicht, dagelijks op eene wijze, die bespottelijk
in zich-zelve mag heeten, hunne armen en beenen
te bewegen en dat gedurende verscheidene maanden.
Deze oefening, die den oningewijde doet glimlachen,
heeft ten doel de ledematen buigzaam te maken. De
oefening, door een Overste bevolen, heeft ten doel
den wil buigzaam te maken; en de novice, die der-
gelijke oefening, gedurende zekeren tijd getrouw en
godvruchtig zal volbracht hebben, zal eene nederige,
edelmoedige religieuze worden, aan wie de Overste
de heldhaftigste offers zal kunnen vragen, welke
offers zij met vreugde zal omhelzen!
VIJFDE ZINSBEGOOCHELING.
Is uw geweten gerust, omdat men u niets opgelegd
beeft? Ga de beweegreden eens na van dit zwijgen
uwer Overste.
Is het niet, omdat uwe Overste ondervindt, dat gij
zoo trotsch zijt, — dat gij steeds zooveel hebt in te
brengen, — dat gij zoo weinig goeden wil toont, dat
zij u niets meer op durft te leggen? Gij hebt zoo
dikwijls haar gebod overtreden, — de gemeente zoo
dikwijls ontsticht, — dat zij zich liever tot anderen
wendt. Zult ge eens voor God durven getuigen, dat
gij gehoorzaamd hebt, als gij uwe Overste dwingt,
zich aan uwe luimen te onderwerpen?
-ocr page 351-
345
2.     Hebt gij, voorziende dat uwe Overste u iets
zou gebieden of verbieden , haar niet voorkomen door
al de kleine listen, die gij kondt bedenken, en het bevel
op een ander doen vallen? Gij hebt u verborgen,
toen zij iemand zocht, uit vreeze, dat zij aan u zou
denken; gij hebt met eene gemaakte onverschilligheid
eene vermoeienis of ongesteldheid voorgewend; gij
hebt de talenten of geschiktheid eener zuster verheven,
omdat zij gebruikt zou worden. — Kunt gij voor God
getuigen, dat gij gehoorzaam zijt, als gij uwe Overste
dwingt, zich aan uwe traagheid te onderwerpen?
3.     Hebt gij geen verlof afgeperst door het opgeven
van redenen, die hoewel niet geheel valech, slechts
half waar zijn? een verlof verder uitgestrekt in den
tijd of de zaak dan waarvoor het gegeven was, —
door dit verlof volgens uw goedvinden toe te passen
en uit te leggen, — door uwe Overste in de onmo-
gelijkheid te stellen u te weigeren , daar gij bet reeds
ten halve gedaan hebt en personen gebruikt aan wie
zij niets kan weigeren? En kunt gij dan voor God
zeggen, dat gij gehoorzaamt, als gij uwe Overste
dwingt, zich aan uwe dubbelhartigheid te onderwerpen?
ZESDE ZINSBEGOOCHELING.
®e aefxooz-zaamfxeid vatt tvtij te zwaai*.
De gehoorzaamheid valt werkelijk zicaar aan den
hoogmoed, de zinnelijkheid, de onafhankelijkheid;
want zijn wil en zijn oordeel opofferen, niet alleen in
handelwijze, maar in denkwijze en oordeel, en dat
-ocr page 352-
346
niet in onverschillige en kleine zaken, maar in die
welke onze zaligheid en heiligheid ten doel hebben, —
zijn verstand opofferen en zich gedragen naar het goed-
dunken van anderen , zich-zelven niets toestaan zonder
het verlof van anderen, blindelings doen wat een ander
raadt of beveelt, zonder den minsten, zelfs inwendigen
weerstand, is voor den mensch veel moeielijker dan
ontbering, vasten en gestrenge boetpleging.
Maar wordt dit offer voor God en aan God gebracht,
dan verliest het grootendeels het, moeielijke en wordt
zelfs glorierijk. Hoogmoed, zinnelijkheid en traagheid
vinden slechts voorwendsels tot morren.
1. Is er sprake van bedieningen:
Uitvlucht van zioakte. Deze bediening is te moeielijk;
zij zal zeker mijne gezondheid schaden en ik zal er
onder bezioijken.
Maar is uwe gezondheid u dierbaarder
dan de wil Gods, of zijt gij voor uwe gezondheid naar
het klooster gekomen? Bedenk dat uwe gezondheid
...                                                                      .               .                                     T-
niet noodzakelijk is, maar uwe zaligheid wel. Lwe
Overste moet rekenschap aan God geven van uwe
gezondheid, en gij van uwe gehoorzaamheid. Neen,
zeker willen zij niet. dat gij zult lijden, maar dat
gij uwe ziel zalig maakt; en zoo God wil, dat men
u vergete, dat men u zelfs overlade, dat men, nadat
gij uwe zwakte, uwe vermoeienis, uw lijden te kennen
hebt gegeven, niet naar u luistere, u niet geloove,
dan ga den marteldood te geinoet, schreiende, zoo
gij wilt, doch niet morrende.
En gij, die vergrijsd zijt onder den last van den
arbeid, sleep a nog voort om den regel te vervullen,
zoolang gij kunt. Laat noch uwe jaren, noch uwen
arbeid, noch de bedieningen, die gij bekleed hebt,
gelden, om u zonder verlof van het gewone leven te
ontslaan. O welk een onberekenbaar nut zult gij
-ocr page 353-
347
stichten als men u, onder den last der jaren en zieke-
lijkheid gebukt, den regel zal zien liefhebben en
naleven, zonder eene enkele oefening te verzuimen!
Uitvlucht van afkeer. — Ik zal moeten werken met
eene zuster, die mij tegenstaat; hare tegenzooordigheid
zal voor mij eene bron van fouten en onvolmaaktheden
zijn; zij zal mijn werk belemmeren en mijne zaligheid
in gevaar stellen.
— Al te schoone woorden, waarvan
gij-zelve de overdrijving en zelfs het onware gevoelt.
Wie weet, of juist in de plannen der Voorzienigheid
de toenadering tot die zuster voor u geene gelegen-
heid zal zijn om uwe verdiensten te vermeerderen
en de liefde op te wekken ? Wie weet of God aan
dit offer geene bijzondere genade, misschien die uwer
zaligheid, gehecht heeft?
Uitvlucht van onbekwaamheid. — Ik mis de noodige
bekwaamheid; ik zal niet slagen, en de schande zal
op de Communauteit terug vallen.
— Is dit alles wel
waar? Vreest gij de schande, de vernedering voor
uw huis of voor u-zelve? En veronderstellende dat
gij de waarheid spreekt, zal God dan uwe onder-
werping niet beloonen door u juist de genade te
geven van wel te slagen, als gij, na uwe bezwaren
gezegd te hebben, het werk met zelfopoffering en
edelmoedigheid omhelst?
2. ƒ*• er sprake van de oefeningen der gemeente en de
nauwkeurigheid, in het bijwonen derzelve ?
Al wederom
uitvluchten. Men kan niet meer; men is uitgeput van
vermoeidheid; het koorgebed prikkelt de zenuwen;
de meditatie verwekt den slaap; de recreatie geeft
hoofdpijn. Vandaag," zegt de H. Theresia, »doen
zoij ons gebed niet, omdat wij hoofdpijn hebben ; morgen,
omdat wij gisteren hoofdpijn hadden ; overmorgen
, uit
vreeze hoofdpijn te zullen krijgen.
-ocr page 354-
348
Arme zuster, waarom luistert gij naar den duivel,
in plaats van bij het teeken der klok tot u-zelve
te zeggen »de Meester roept mij"? waarom aarzelt,
waarom talmt gij lafhartig?
Gij laat dat eerste kostbaar oogenblik ontsnappen,
dat eerste oogenblik, dat tot God zegt »hier ben
ik",
en het Hart van God verheugt; en intusscben
berooft gij u van de genade, die God aan de nauw-
keurigheid en vurigheid verleent
De gehoorzaamheid valt ook moeielijk aan die
religieuzen, die eigenzinnig zijn in hare godsvrucht,
overdreven in hare geestelijke oefeningen, en die hare
halsstarrigheid als nauwgezetheid beschouwen
— Zij
plagen zich-zelve en hare Overste nog meer — Wil
men haar ontslaan van eenig punt van den regel,
dat men oordeelt, dat zij niet kunnen volbrengen,
dan roepen zij uit; dat zij die verlichting, die men
haar geven wil, niet noodig hebben,
— zoo ziek niet
zijn, als men wel meent;
—ja, doodzonde er mede
bedrijven zouden, zoo zij haar gebed achterlieten, zoo zij
niet vastten , zoo zij Zondags de Mis verzuimden
, enz.
»Sedert eenigen tijd, schreef de II Franciscus van
Sales, heb ik een weinig koorts Onze geneesheer
wil mij geen ander geneesmiddel geven dan rust,
en ik heb hem gehoorzaamd. Gij weet, dat de
bedaardheid het geneesmiddel is, dat ik ook altijd
voorschrijf, en dat ik altijd de uverhaasting verbied.
Laat ons de meditatie eenigen tijd uitstellen, als wij
hoofdpijn hebben. Wij kunnen God slechts op de
ééue of de andere wijze dienen." Ziedaar een schoon
voorbeeld ter navolging.
Ziehier nog eenige regelen, die voor deze bekrom-
pen zielen nuttig zullen kunnen zijn, zoodra zij wat
nederiger geworden zijn.
-ocr page 355-
349
1.     Er zijn zaken, die eene Overste niet bevelen
mag en waarin de onderdanen niet behoeven te ge-
hoorzamen; te weten, die welke strijden tegen de
geboden Gods en tegen den regel.
2.     Er zijn zaken die, hoewel verboden in het
algemeen, in bijzondere omstandigheden uitzondering
dulden, bijv. het vasten, enz Wanneer er twijfel
bestaat, beslist het gezag der Overste In de geboden
der H. Kerk kan de Overste niet dispenseeren, maar
zij kan oordeelen over den toestand der haar toever-
trouwde religieuze en deze moet zich aan haar oordeel
onderwerpen. Maar vraagt gij, kan de O eerste zich
niet bedriegen ?
— Ja zeker, maar de onderdaan
bedriegt zich niet met haar te gehoorzamen.
Wanneer de religieuze openhartig hare bezwaren
heeft medegedeeld, moet zij haar geweten schikken
naar het geweten harer Overste en al hare twijfelingen
en ongerustheden verachten.
Maar mag ik de Oeerste geene opmerkingen maken ?
Ja gewis, want het religieuze leven is geene slavernij:
maar men moet hierbij de volgende regelen nakomen:
1. Voor God onderzoeken, of het onze eigen-
liefde, ons eigenbelang, onze traagheid of onze hoovaar-
digheid niet is, die ons opwerpingen doet maken.
2      Men moet zijne redenen voordragen met dezelfde
openhartigheid, waarmede men dit aan Jezus-Christus
zou doen, wiens plaats de Overste bekleedt, — zich
wel wachtende zich door hartstocht te laten mede-
slepen , die nooit de aanleiding mag zijn der handeling
eener religieuze, — zich houden binnen de grenzen
der welvoegelijkheid, der zachtzinnigheid, der christe-
lijke minzaamheid
3      Men moet zich houden in eene groote onver-
schilligheid omtrent het besluit der Overste, hetzij
-ocr page 356-
350
deze onze redenen aanneemt of verwerpt, eu in haar
besluit den wil Gods aanbidden.
4. Door een langzaam en innig gebed den on-
aangenauieu indruk trachten te verzachten, welke
eene weigering in onze ziel heeft gemaakt, en zoo
mogelijk er niemand van spreken.
IV.
S\'zcmi^c cfrevotcfce-n dcz onae-$\\,oot-
De gevolgen der ongehoorzaamheid zijn zeer be-
droevend! want!
1. De aanhoudende ongehoorzaamheid maakt het
naleven der Geloften bijna onmogelijk.
»Volgens den H. Thomas," zegt P. Meijnard, »zijn
de Constitutiën voor de Geloften, wat de Geloften
zijn voor de liefde; — de Geloften vormen als een
verdedigiugsmuur tegen de drie begeerlijkheden en
bebouden in ons de liefde, welke alleen ons den hemel
kan verdienen, terwijl de Constitutiën de bekoringen
verwijderen en het naleven der Geloften mogelijk
maken "
De H Augustinus noemt de gehoorzaamheid de
moeder, de oorsprong, de bewaarster aller deugden.
De Gelofte van gehoorzaamheid is de eerste, de grootste
der Geloften , welke, om zoo te zeggen, den geheelen
religieuzen staat daarstelt. — Al leefde men in vrij-
willige armoede en zuiverheid, al zou men gelofte
-ocr page 357-
351
Jaarvan doen, zou men geene religieuze zijn zonder
de Gelofte van gehoorzaamheid. — Als men dikwijls
de gehoorzaamheid overtreedt, laat men, om zoo te
zeggen, de andere Geloften, waarvan zij de steun
is, inéénzinken. Daarom zegt de H. Bernardus,
dat het voor dengene, die de kleiue regelen overtreedt,
allengs onmogelijk wordt de zwaardere regelen na te
komen, waaraan het naleven der Geloften verbondenis.
1. De aanhoudende ongehoorzaamheid strijdt tegen
God teil, en belet ons bijgevolg, naar de volmaaktheid
te streven.
De volmaaktheid bestaat in te willen wat God wil;
en leeft de gehoorzame religieuze niet in strijd met
Gods wil? Bij elke daad, die zij buiten den regel
doet, kan zij zeggeu: Ik doe wat God niet wil, dat
ik doe.
Als zij hieraan toch altijd dacht!!!
Zij zegge niet: Ik overtreed slechts in kleine zaken?
Hoe klein uwe ongehoorzaamheid ook zij, mishaagt
zij aan God, — beneemt zij aan die daad elke verdienste
voor den hemel, — belet al het goed dat deze daad
in de gemeente had kunnen doen, — houdt eene
genade terug, die God u, met het oog op deze daad,
bereidde.
En als gij dagelijks aldus de gehoorzaamheid over-
treedt, als dit u tot gewoonte is gewordeu, o welk
eene leemte in de dagen eener religieuze!
De gehoorzaamheid is voor de ziel, wat liet sap is
voor den boom; het sap geeft aan de bloemen haren
glans, aan de vruchten haren smaak; — neem de
gehoorzaamheid weg, en al wat eene ziel doet, is
zonder waarde voor den hemel.
De regel, zegt Flugo de S. Vittore, is de spiegel
der religieuzen;
hij toont ons, hoe wij zijn, schoon
of afzichtelijk, rechtvaardig of zondig, aangenaam
-ocr page 358-
352
aan God of afschuwelijk in zijn oog, al nadat ons
leven gelijkvormig is of niet aan al de punten van
den regel, die ons opgelegd zijn. In de kloosters
zegt Troncon, ziet men onveranderlijk twee zaken:
de eerste, dat niemand ooit heilig geworden is zonder
het nakomen der regelen; de tweede, dat niemand
getrouw den regel naleeft, zonder groote vorderingen
in de volmaaktheid te maken.
3. De aanhoudende ongehoor saamheid schaadt de
gemeente grootelijks
door de stoffelijke en zedelijke
wanorde, icelke zij invoert.
1. Eene welgeregelde gemeente vormt één lichaam,
waarin aan elk lid deszelfs bepaalde plaats en bediening
is aangewezen; een lid kan onmogelijk van plaats
veranderen of zijne bediening achterlaten
zonder eene
groote wanorde in het geheel te veroorzaken. — Wordt
een der ledematen door ziekte gedwongen rust te
nemen, dan moet God, de Opperste Meester, God
die de ziekte overzendt, voor het onderhouden der
algemeene orde zorgen, en Hij doet dit steeds op de
eene of andere wijze De arbeid en de vermoeienis
der overige ledematen zullen er wellicht door ver-
meerderen, maar de vrede wordt niet gestoord.
Eene gemeente is een levend lichaam, zeggen de
Heiligen, de regelen zijn zenuwen die het leven
onderhouden; —zij is een huis, waarvan de regelen
de grondslagen en kolommen zijn, die het dak schragen;
zij is eene stad, waarvan de regelen de wallen en
muren zijn, die haar tegen eiken inval beveiligen.
Den regel voortdurend overtreden is de zenuwen af-
suijden en het lichaam krachteloos en levenloos laten
liggen; — het is de grondslagen ondermijnen; de
kolommen, die het gebouw schragen, verbrijzelen en
het tot een puinhoop maken; — het is de muren der
-ocr page 359-
353
der stad onderwerpen en den vijand vrijen ingang
geven.
2. Bij deze stoffelijke wanorde in de gemeente
komt eene zedelijke wanorde, welke zoo mogelijk
nog veel droeviger is; de wanorde door de ergernis
voortgebracht.
Helaas! de ergernis, die vreeselijke misdaad in de
wereld, wordt nog veel misdadiger in eene gemeente;
zij treft de zielen, door Jezus het meeste bemind,
voor wie Jezus tallooze genaden ten beste heeft ge-
geven, die Hij tot zijne Bruiden heeft uitgekozen,
die Hij met de grootste zorg bewaart Ach, als Jezus
uit zijn goddelijk vaderhart die vreeselijke vervloeking
laat ontsnappen tegen hen, die de kleinen verergeren :
Wee, wee aan u! Beter ware het voor u, met een
molensteen aan den hals in zee geworpen te worden:
—
welke verpletterende woorden zal Hij niet spreken tot
degenen, die eene zijner Bruiden van de getrouwheid,
Hem verschuldigd, aftrekken?
4 De aanhoudende ongehoorzaamheid geleidt ge-
makkelijk tot openlijke verachting der regelen en bij
gevolg tot de doodzonde.
De gewoonte van de Constitutiën te overtreden
overschrijdt, wel is waar, de grenzen der dagelijksche
zonde niet; doch, volgens den H Thomas, kan zij
tot de minachting geleiden. — Wat wij later omtrent
de gevolgen der lauwheid zullen zeggen, vindt hier
zijne plaats, en zeker is die voortdurende overtreding
een duidelijk bewijs van lauwheid. Dit aanhoudend
overtreden geeft ten laatste een walg vau den regel;
hij drukt, hij vermoeit, wanneer men hem hervat;
?an den afkeer komt men tot onverschilligheid, en
fan de onverschilligheid komt men weldra tot de
Minachting. Ziehier hoe men, volgens den H. Fran-
23
-ocr page 360-
354
ciscus van Sales, kan erkennen of de ongehoorzaam»
lieid uit minachting voortspruit:
1.     Als eene religieuze, na eene berisping ont-
vangen te hebben, daarmede den spot drijft en geen
berouw toont over hare fout.
2.     Als zij voortgaat in hare ongehoorzaamheid
zonder zich te willen beteren.
3.     Als zij den regel of het gebod rechtstreeks
aantast, dit oordeelende of veroordeelende.
4.     Als zij tracht anderen in dezelfde fouten mede
te slepen door de bewering, dat zij niets-beduidend zijn.
5.     De aanhoudende ongehoorzaamheid stelt de
religieuze bloot aan het verliezen harer roeping.
De roeping verliezen is het grootste ongeluk, dat
eener religieuze kan overkomen. De roeping verliezen
is gelijk Judas, vrij willig het gezin van Jezus-Christus
verlaten, het gezin waarin Hij zelf ons uit liefde had
binnengeleid, waarin Hij ons de teederste zorgen be-
wijst. — Gelukkig de religieuze, die, na Judas gevolgd te
hebben in zijnen val, hem niet navolgtin zijnen dood.
De roeping verliezen, de gemeente verlaten, of zich
doen wegzenden is een meineed, eene heiligschennis; —
het is eene ontheiliging van die vermogens, welke
den Heer zyn toegewijd; — het is de diefstal in het
brandoffer; — het is den evennaasten op de gruwe-
lijkste wijze ergeren, — het hart der Kerk ver-
scheuren, — verwarring, schrik en droefheid werpen
in de harten dergenen, die wij gisteren nog onze
zusters noemden; het is het huis, waarin men ons
slechts op ons dringend smeeken tot de H. Professie
heeft toegelaten, op zijne grondvesten doen\'daveren
en ten verderve voeren.
De roepir.g verliezen is een onverschoonbare mis-
daad, eene afschuwelijke misdaad, gebrandmerkt door
-ocr page 361-
355
al degenen, die nog eenig gevoel van eer behouden; —
liet is die zusters in wier midden en voor wie wij
gezworen hadden te zullen sterven , lafhartig verlaten.
Wee den bedriegelijken mensch, die niet volbrengt wat
hij beloofd heeft!
(Mal. I, 14.)
En het verliezen der roeping begint altijd met de
vi-ijwillige overtreding der regelen, gaat met onze
getrouwheid op en neder en wordt voltrokken, wanneer
de ongehoorzaamheid, tot gewoonte geworden, ons
medesleept tot minachting, aanmatiging en weer-
spannigheid.
» Hij, die onachtzaam is in het naleven der regelen,
zoo leest men in het Regelboek der Trappisten, zal
ook weldra een afkeer opvatten voor de wet, die ze
voorschrijft, en als een knellend juk dien onver-
breekbaren band beschouwen, die hem onherroepelijk
verbindt aan verplichtingen, die hem tot last zijn
geworden.\'"
Te midden van die onvermijdelijke ver-
veling, waaraan de rampzalige door eigen schuld ter
prooi is, hoort men somtijds deze en dergelijke
woorden: -»Als ik nu geprofest moest worden, zou ik
hiertoe niet overgaan;
— had ik kunnen denken, dat
er in onzen staat zooveel te dragen en te verdragen
viel, nooit zou ik mij verbonden hebben!...."
Men
heeft dit te voren geweten, doch men was toen vurig,
men beminde zijnen staat, en de liefde maakte het
offer aangenaam; het zijn nu offers zonder liefde, die
ons allen moed benemen. Een gebouw, dat niet
onderhouden wordt, valt in elkander; de ongetrouw-
heid brengt de onbestendigheid voort!
Bid dan, zeggen wij u met den H. Alphonsus,
bid als gij in het binnenste uws harten voelt, dat
de weerspannigheid u overmeestert; de duivel alleen
kan u de gedachten ingeven, die u thans bezig houden,
-ocr page 362-
356
Den gelukkigen staat, waartoe de goddelijke barmhar-
tigheid u geroepen heeft
, willen verlaten is... verzaken
aan moe zaligheid.
Bid, en hervat de gehoorzaamheid met al de kracht
uwer ziel; de gehoorzaamheid is de eenige vesting,
waarin de duivel niet kan doordringen.
DERDE ARTIKEL.
Zinsbedrog omtrent de armoede.
De Gelofte van armoede is die Gelofte, waarom-
trent men zich het gemakkelijkst kan bedriegen en
zich eene valsche conscientie vormen. De armoede,
zegt een oud schrijver, is het teederepunt der kloosters,
de hoeksteen, waartegen zich gewoonlijk de goede
begeerten der religieuze verbrijzelen, alsook de ijver
dergenen, die aan hare zaligheid werken. Gedurende
eene retraite zullen zij zeer gaarne den man Gods
aanhooren, die haar hare plichten voorhoudt; maar
treedt hij in hare verplichting omtrent de Gelofte
van armoede, dan beknibbelen zij hem, dan is hij
veel te gestreng en zij luisteren niet meer naar hem.
Daarom zullen wij u met zorg voorhouden:
1.     De natuur der Gelofte van armoede.
2.     De natuur der deugd van armoede.
3.     Den omvang der Gelofte en der deugd van armoede.
4.     Hoe men tegen de Gelofte van armoede zondigt,
h.
    Hoe men tegen de deugd van armoede zondigt.
6.     De bron van zinsbegoochelingen omtrent de armoede.
7.     De verschillende zinsbegoochelingen omtrent de
armoede.
-ocr page 363-
357
I.
OLatwiiz dcz êe-fo|te van cu-tnoccV.
Men verplicht zich door de Gelofte van armoede,
in het algemeen, slechts in zekere mate van de
goederen dezer wereld gebruik te maken.
De Gelofte van armoede kan eene plechtige of eene
enkele Gelofte zijn; en daar het verschil tusschen
deze zeer groot is; en de plichten, die er uit voort-
vloeien, in verscheidene punten, zeer van elkander
verschillen, is het noodzakelijk beider natuur wel
te leeren kennen.
I.   De enkele Gelofte van armoede is eene handeling,
waardoor de religieuze zich het beheer harer goederen
en de macht om andere te verkrijgen voorbehoudt,
zich nochtans verbindende nooit zonder verlof harer
Oversten van haar recht gebruik te maken; — de
handelingen door haar, zonder dit verlof gedaan, zouden
geldig, doch ongeoorloofd en begevolg zondig zijn.
Als dus eene zuster voor haar intreden in het
klooster niet beschikt had over haar ouderlijk erfdeel
of indien eenige erfenis haar ten deel viel, zou zij
verlof moeten vragen om die goederen te vervreemden,
hetzy onderhands, hetzij per testament; dit verlof
wordt bijna altijd toegestaan, als het gebruik dat
men van zijne goederen wil maken , goed en nuttig is.
II.     De plechtige Gelofte van armoede is eene
handeling, waardoor de religieuze zich berooft van
de macht om eenig tijdelijk goed te verkrijgen, of
te bezitten; en alle beschikkingen, welke eene
religieuze, na deze Gelofte, maakt, zijn ongeldig en
~ondig.
-ocr page 364-
358
De religieuze, die de plechtige Gelofte van armoede
overtreedt, begaat eene dubbele fout: de eene tegeu
de deugd van godsdienst, daar zij eene Gelofte over-
treedt, die haar evenzeer bindt als de Geloften van
gehoorzaamheid en zuiverheid; de andere fout zou
strijden tegen de rechtvaardigheid, daar zij, zich van
alles ontdaan hebbende. over niets kan beschikken,
zonder zich aan diefstal plichtig te maken.
De religieuze, die de enkele Gelofte van armoede
overtreedt, zondigt niet tegen de rechtvaardigheid
door over de goederen , die haar toebehooren, te
beschikken; doch zij zondigt tegen de deugd van
godsdienst
door de Gelofte te schenden, die zij gedaan
heeft, over iets zonder verlof te beschikken.
II.
QfCatwuz van 2e denad dez azmoedc.
De deugd van armoede bestaat in de inwendige
onthechting van elke genegenheid voor de tijdelijke
goederen. De Gelofte van armoede heeft de uitwen-
dige
berooving, de werkelijke armoede ten doel. De
deugd van armoede heeft de inwendige berooving, de
armoede van den geest, de onthechting des harten
ten doel.
De Gelo/te van armoede heeft hare juiste grenzen;
de deugd heeft er om zoo te zeggen geene in haar
verlangen om van alles beroofd te leven. Zij zegt met
den H. Cyprianus: Als men God bezit, heeft men
niets anders noodig; want wie God heeft, heeft alles.
-ocr page 365-
359
In de ziel, die de deugd van armoede bezit, neemt
God de plaats in vau alles, wat zij ter zijner liefde
heeft opgeofferd.
Niet elke overtreding der deugd van armoede is
overtreding der Gelofte; maar elke overtreding der
Gelofte is tevens eene overtreding der deugd.
Eene religieuze bezit de deugd van armoede, als
zij, hetzij door hare Overste, of door eenig toeval,
beroofd wordende van datgene wat zij in gebruik
had, die berooving verdraagt zonder zich te beklagen ,
zonder te morren of den vrede te verliezen, dan
zelfs als deze berooving haar zeer hard valt.
Eene religieuze bezit de deugd van armoede niet,
als zij aan eenige zaak gehecht is, — er gaarne
aan denkt, — die met te groot verlangen zoekt, —
vreest ze te verliezen, — mort en zich ontstelt,
wanneer zij die verliest.
Het is vooral door aangekleefdheid aan kleine
zaken, aan beuzelarijen, zooals een kleedingstuk, een
meubel
, een godsdienstig voorwerp, een boek, een
prentje,
dat men doet zien, hoe weinig men in de
deugd van armoede gevestigd is.
De deugd van armoede is de voltrekking der Gelofte
van armoede, waaraan zij hare waarde geeft. »De
armoede op zich-zelve, zegt de H. Bernardus, is
geene deugd; maar de liefde tot de armoede is meer
dan eene deugd; het is eene zaligheid en de eerste
zaligheid zelfs. Groote beloften zijn aan de andere
zaligheden gehecht; deze wordt in het bezit van den
hemel gezet. Immers de hemel wordt haar niet
slechts beloofd, maar reeds in deze wereld wordt
hij haar gegeven."
-ocr page 366-
360
III.
Omvana dei <êe,io^Ke en dez deuad
van azmoede.
De deugd van armoede strekt zich overal en over
alles
uit, en de religieuze die getrouw wil zijn aan
hare roeping, moet geene grenzen stellen aan hare
onthechting aan al de genegenheden en begeerten
van haar hart. Deze gesteldheid zal haar getrouw
en tot groot voordeel harer ziel hare Gelofte tot in
de kleinste punten doen naleven.
De Gelofte van armoede gaat niet verder, dan zij
door de Constitutiën aangewezen en door de gebruiken
der gemeente bepaald is.
De religieuze moet dus met
zorg zich bierin doen onderwijzen, en nauwkeurig
de levenswijze van het huis, waar zij zich bevindt,
nagaan. Het Concilie van Trente beveelt vooral
het gemeen leven aan, en door zich daaraan te ont-
trekken zou men somtijds, ja dikwijls eene zware
zonde kunnen bedrijven, wijl men daardoor anderen
ergernis geelt en de gevolgen der ergernis hoogst
noodlottig zijn.
Wees dus arm in uwe cel, en behoud daar slechts
de tafel, de bidbank, het getal stoelen, de voorwer-
pen van godsvrucht, door den regel en het gebruik
bepaald. — Behoud daar slechts de boeken, die u zijn
aangewezen, en breng de overige in de bibliotheek,
zoodra gij ze gebruikt hebt. — Geen voorraad van
papier, van pennen, van enveloppen; zoo men u
toestaat eenige postzegels te bewaren, zij dit slechts
in klein getal. — Geen ander linnengoed dan datgene
-ocr page 367-
361
wat elke zuster hebben mag. — Vooral geen gesloten
lessenaar of kastje. — De Overste moet altijd in de
cellen alles kunnen nazien.
Wees arm in al wat u ten gebruike xoordt gegeven. —
Geen gouden horloge, als het gebruik van het huis
u toelaat een horloge te gebruiken, zelfs geen horloge
als de zusters er geen hebben en uwe Overste dit
niet noodzakelijk oordeelt voor het wel vervullen uwer
bediening — Geeue vergulde lijsten in uwe cel, geen
zilveren ketting aan uwe medailles, welke ook slechts
dan van zilver mogen zijn, als dit uitdrukkelijk toe-
gestaan is en zij geene bijzondere waarde hebben; —
geene oorringen, zonder bevel van den geneesheer; —
geen zilveren lepel en vork, als het niet voorgeschreven
of althans algemeen toegestaan is; — geene boeken
verguld op snede.
— »Mijne dochter," schreef de
H. Joanna Francisca van Chantal aan eene harer
religieuzen, »onthoud dit uw geheele leven; waar
zilver voldoende is, daar neem geen goud; waar blik
voldoet, neem geen zilver; waar lood voldoet, neem
geen blik, want de ware dochter der Visitatie moet
de rijke, schoone, nette voorwerpen niet zoeken,
maar slechts de eenvoudige, de grove, de hechtste,
in één woord, het volstrekt noodzakelijke!"
Wees arm in uwe kleederen. — Dat alles éénvormig
zij in stof, in snede, in kleur. — Dat zij eenvoudig
zijn in vorm, zonder nieuwigheden, zonder gemaakt-
heid en ijdelheid. Het gebruik der spiegels is veelal
in de kloosters verboden; leer uwe kleederen zoo-
danig schikken, dat gij ze niet noodig hebt, en
vooral ga niet uit kleingeestige behaagzucht u in
glasruiten of schilderijen spiegelen. — Dat zij zin-
delijk
zijn, want, zegt de H. Bernardus, zoowel als
de ijdelheid de vrucht van den hoogmoed is, is de
-ocr page 368-
362
onzindelijkheid de vrucht der luiheid. Armoede en
zindelijkheid gaan in eene welgeregelde gemeente
hand aan hand. De armoede houdt op, waar slor-
digheid en onzindelijkheid beginnen.
Wees arm in uw voedsel. — Stel u tevreden met
datgene wat iedereen wordt voorgediend, en vraag
nooit iets bijzonders dan door bijzondere noodzake-
lijkheid gedwongen; uwe Oversten zijn verplicht, ruim
in uwe behoeften te voorzien; wees gij dus voorzichtig
in hetgeen gij vraagt. — Vraag niets op aanmati-
genden toon, vraag gelijk eene arme vraagt; ga vooral
niet langs omwegen, laat niets voor u vragen door
uwe bloedverwanten of uwen geneesheer. — Zoodra
het u, na eene ongesteldheid, mogelijk is het ge-
woon leven te volgen, moet gij het hervatten. —
Houd niets op uwe kamer verborgen, de ziekekamer
is de plaats waar, men bijzondere spijzen of andere
ververschingen nemen moet. — Men kan in de Com-
munauteiteu nooit te goed, noch te zorgvuldig voor
de zieken zijn, maar de zieken op hare beurt moeten
ook zeer heilig en deugdzaam zijn.
IV.
3foe zondigt m&n tea&vi de êe-folte
van azmoedz?
Op tweeërlei wijze. 1°. Door toeëigening. 2°. Door
beschikking zonder verlof der Overste.
Zich toetigenen is zich stellen in het bezit van
datgene wat tot de Gelofte behoort. Bijgevolg:
-ocr page 369-
303
1.    Door iets te nemen dat aan anderen of aan de
gemeente toebehoort, om daarvan zijn persoonlijk
eigendom te maken of tot volstrekt eigen gebruik te
besteden, al waren het zelfs noodwendige zaken; de
nood geeft ons recht tot vragen , maar niet tot nemen,
tenzij in uitersten nood. — Zoo er diefstal heeft
plaats gehad, moet er restitutie van persoonlijke
goederen
gedaan worden, zoo men die heeft, of door
schadeloosstelling, bijv. door vermindering van voedsel,
buitengewonen arbeid..... of wat veel eenvoudiger
is en slechts eene vernedering kost, door het be-
kennen van den diefstal en de teruggave door de
Overste gedaan.
2.     Door te ontvangen, wat dan ook, van wie
ook, op welken titel, voor welk doel het ook zij.
Eene religieuze mag niets in bewaring ontvangen,
noch geschenken voor haar eigen persoon aannemen,
zij mag die wel aannemen voor de gemeente, altijd
het verlof der Overste veronderstellende, aan wie zij
alles dadelijk en getrouw ter hand moet stellen. (*)
3.     Door te koopen, te ruilen, te leeneu voor
persoonlijk gebruik of voor de gemeente, — zich
door bloedverwanten buiten weten der Overste iets te
doen koopen of leenen. De religieuzen, die verre
van hare gemeente de zieken oppassen, hebben eene
stilzwijgende toestemming voor al wat zij noodig
(*) Volgens een bijna algemeen verlof mogen in de meeste ge-
meenten de religieuzen elkander prentjes, medailles, voorwerpen van
geringe waarde
geven. Maar ook dit kan misbruiken veroorzaken,
welke des te meer te vreezen zouden zijn, indien men zonder een
bijna telkens vernieuwd verlof der Overste, aan wereldsche personen
die kleine geschenken gaf of dergelijke van hen ontving ouder titel
van gedachtenissen.
-ocr page 370-
364
mochten hebben, op voorwaarde, dat zij bij hare
terugkomst van alles rekenschap geven.
4. Door zich datgene toe te eigenen wat men
bespaart of verdient. Al wat men haar voor bewezen
diensten geeft, — al wat haar als vrije gift wordt
ter hand gesteld, — al het overbodige, dat zij bezit,
moet aau de Overste ter hand worden gesteld.
Beschikken.
Beschikken over de goederen, die men nog bezit,
is handelen als ware men geheel vrij, terwijl wij
niet mogen vergeten, dat de gelofte van armoede
het gebruik van dit eigendom beperkt heeft. Bijgevolg
zondkjt men tegen de Gelofte van armoede:
1.     Door zonder verlof, wat dan ook en aan wie
dan ook, te geven, bijv. door op eigen naam, van
eigen goed aalmoezen te doen, giften, jaarlijksche
toelagen, vrijlating van rechten
te verleeuen, — door
te beschikken over spaarpenningen door eigen werk
verdiend, op persoonlijk gebruik of gegeven reisgeld
bespaard, — naar een ander huis mede te nemen
wat men tot zijn gebruik had in het huis dat men
verlaat. De fout zou zwaarder zijn, zoo men aan
vreemden gaf, dan wel aan de personen van het huis.
2.    Zonder verlof leenen aan eeue medezuster zelfs,
is eene handeling van eigendom, die eene religieuze
met zorg moet vermijden , tenzij het voorwerp slechts
geringe waarde of eene zuster daaraan dringende
behoefte hebbe; elkander ter loopx een blad papier,
eene pen, een draad garen enz. leenen, behoort tot
de gewone handelingen des levens, en is eene oefening
van voorkomendheid, waarvan men echter geen mis-
bruik moet maken. — Aan vreemdelingen voorwerpen
-ocr page 371-
365
van grootere waarde, hoeken bijv. leeuen, is eene
fout, omdat men hierdoor het belang der gemeente
benadeelt.
Reliquiën vormen persoonlijk eigendom der reli-
gieuze, die ze bezit, en zij mag die geven, ruilen,
leenen, zoo er geene bezwarende omstandigheden
tegen bestaan. Eene religieuze mag ook de boeken
of geschriften, door haar geschreven in eigendom
bezitten, doch mag ze zonder verlof harer Oversten
niet doen drukken, noch uitgeven.
3.     Zonder verlof, zelfs kosteloos, voor vreemden
werken, — het geld, dat men verdient, als aalmoes
geven, de vrucht van eigen arbeid verkoopeu, zelfs
al behoorde deze tot de vrije kunsten, als muziek of
schilderkunst.
4.     Door hare schuld datgene wat haar tot ge-
bruik of beheer is aangewezen, laten bederven of
verloren gaan.
De Gelofte van armoede verplicht eene religieuze,
zorgvuldiger te zijn in hare gemeente dan in hare
familie. — Daar had zij het recht, te gebruiken en
eenigermate zelfs te misbruiken zouder iemand te
benadeelen; in het klooster mag zij slechts gebruiken;
want zij zou het huis beuadeeleu, als zij onachtzaam
ware. — Wees niet minder zorgvuldig in den stof-
felijken dienst van uwen Meester Jezus-Christus, uit
eerbied en liefde, als gij het geweest zoudt zijn bjj
een aardschen meester, uit huishoudelijkheid, uit
eigenliefde, uit eigenbelang.
Wij hebben hiermede de voornaamste punten aan-
getoond, die wij tot het oneindige zouden kunnen
uitbreiden. — Dat elke religieuze zich zorgvuldig
toone, al die kleine zaken gade te slaan, die zich
dagelijks voordoen, hetzij met hare medezusters,
-ocr page 372-
366
voor wie zij eeae goede, voorkomende zuster wil zijn, —
hetzij met have bloedverwanten, die altijd de gelegen-
heid zoeken haar genoegen te doen, — hetzij met vrien-
dinnen,
die vol eerbied, dankbaarheid en welwil-
lendheid steeds gedachtenissen aanbieden eu vragen, —
het zij met de armen, wier lijden haar treft en voor
wie zij zich zelfs gaarne van het noodzakelijke zou
berooven.
Er zijn gevallen, waarin haar christelijk gezond
verstand
haar zal zeggen, dat zij mag handelen,
omdat hare Overste, ware zij daar, haar zeer zeker
zou toestaan te geven of aan te nemen; doch dat
zij dan, zoodra mogelijk, van alles rekenschap geve,
dat zij niets verberge, niets ontveinze; anders zou
zij zich spoedig een valsch geweten vormen.
V.
2to& zondiat men ïe,ae>n de, d&nad
van azwio&dc?
Op drie wijzen:
1.     Door vrijwillige gedachten of begeerten tegen
deze deugd.
2.     Door eene ongeregelde gehechtheid aan on-
noodige zaken. Zoo deze begeerten of gehechtheid
aan aardsche goederen zoover gaan, dat wij daardoor
eene merkelijke onrechvaardigheid of zware overtre-
ding zouden begaan, zou dit zeker doodzonde kunnen
-ocr page 373-
367
worden; doch buiten deze gevallen zijn de fouten
tegen de deugd der armoede dagelijksclie zonden.
3. Door het gebruik van voorwerpen van pracht
of weelde, hetgeen zeker strijdt tegen den waren
religieuzen geest en eene ernstige fout kan worden;
het is zoo gemakkelijk zich aan overbodige zaken te
hechten met een schuldig gevoel van gierigheid,
zinnelijkheid of ijdelheid! Als men de zaken echter
bezit met verlof der Overste, zou men daarin al zeer
ver moeten gaan, alvorens eene doodzonde te bedrijven;
doch er zou altijd eene dagelijksche zonde in gelegen
zijn, daar men nooit tegen den wil der H. Kerk in
dit punt kan ingaan zonder eene ongeregelde gene-
genheid aan den dag te leggen.
VI.
Deze ligt:
I. In ons weinig nadenken omtrent de verplichtingen
ons door de Gelofte van armoede opgelegd.
Deze verplichtingen zijn dezelfde als voor de Geloften
van zuiverheid en gehoorzaamheid. De drie Geloften
bevatten volstrekte verbintenissen, die men niet zonder
zonde overtreedt; men weet dit, doch ten opzichte
der armoede handelt men met eene onbegrijpelijke
lichtzinnigheid. Ten opzichte der Gelofte van zuiverheid
-ocr page 374-
368
"bestaat eene kieschheid, die niet alleen de zonde, maar
zelfs de schaduw der zonde doet vlieden. Zeker is
dit prijzenswaardig en doet der religieuze ziel eer
aan, maar wat wij hier afkeuren, is de weinige
eerbied, die men heeft voor de armoede, zoo als
Gelofte of als deugd beschouwd.
Men maakt zich allengs gewoon, het gemeen
leven als een soort van levenswijze te beschouwen
van weinig belang; men beschuldigt zich van de meer
of minder zware zonden en geeft eenige reden aan
om de fout te verschoonen, waarover men zeer weinig
berouw heeft; maar men spreekt nauwelijks van de
fout: van in zijne cel zaken te bewaren, die men volstrekt
niet noodig heeft
, — eene ongeregelde gehechtheid te
koesteren voor een voorwerp, dat men als eigendom
beschouwt
, dat men ongaarne zou leenen, dat men de
Overste slechts met weerzin en na veel tegenspreken
zou geven
, — een vooricerp te laten bederven, omdat
toij niet rechtstreeks daarmede belast zijn
, — menig
kwartiertje in tijdverkwisting of met beuzelarijen door
te brengen
___
Deze fouten kunnen zeer klein zijn. Zij kwetsen
niet altijd de Gelofte van armoede; maar doen zij
den religieuzen geest geen oneer? Zijn zij de oorzaak
niet van dat ongeregeld leven, dat men u verwijt?
En weet gij niet, dat hij wie de kleine fouten veracht,
allengs in grootere zal vallen ? Zijt gij krachtens
uwen staat niet verplicht, naar de volmaaktheid te
streven, en ligt de volmaaktheid niet in het vluchten
der kleinste zonden zelfs? Gevoelt gij niet, dat de
geest van eigendom langzamerhand in uwe ziel
dringt? dat gij u ontstelt en bedroeft, als men u
dat voorwerp ontneemt, waaraan gij meendet niet
gehecht te zijn?
-ocr page 375-
369
II. In ons weinig nadenken omtrent de natuur
en de uitwerkselen der armoede.
Gelofte vau armoede afleggeu is zich verbinden,
aan de armen gelijk te worden.
Welnu 1°. de uitwerkselen der armoede zijn:
Het gebrek aan het noodzakelijke.
De verstooting en verachting der wereldsche men-
schen.
Het toerk om zich het noodzakelijke te verschaffen.
De dankbaarheid jegens degenen, die ons dit nood-
zakelijke verschaffen
Het geduldig en tevreden lijden , wanneer het nood-
zakelijke ons werkelijk ontbreekt.
Het gebed om dit noodzakelijke te verkrijgen.
2°. Het gedrag van een braven arme, van een
arme, die naar den hemel wil gaan, moet het uwe
zijn. — Het eenig onderscheid, dat tusschen den arme
en u bestaat, is dat de arme gedwongen en gij, reli-
gieuze, vrijivillig
dien staat beleeft, door den geest
van versterving, en dus met meer gelijkvormigheid
aan Jezus-Christus.
De arme outvaugt zonder morren en zonder klacht
het voedsel, dat men hem geeft.
De arme zoekt in zijne kleederen slechts het een-
voudigste, en draagt blijde wat hij krijgt.
De arme dient zich-zelven en eisclit geene hulp
vau anderen: hij heeft geene dienstboden.
De arme verdraagt, zonder veel te klagen, koude
en warmte; hij benijdt het welzijn van anderen niet.
De arme werkt zooveel hij kan, wel overtuigd dat
hjj er toe verplicht is. Als de arme iets vraagt, doet
hij dit met bescheidenheid en ootmoed; hij gevoelt,
dat men niet verplicht is het hem te geven; hij
24
-ocr page 376-
370
mort niet, als hij met ledige handen wordt wegge-
zonden, en als men hem iets geeft, zegt hij uit den
grond zijns harten een dankbaar: God loone u. Als
de arme ziek is, is hij tevreden met de zorg en de
hulp, die men hem bewijst, als hem niet verschuldigd;
hij beklaagt zich niet, als hij moet wachten ; hij schikt
zich naar den toon en de manieren dergeuen, die
hem verzorgen.
De arme is altijd minzaam en dankbaar voor alle
personen, die de goedheid hebben zich met en voor
hem bezig te houden.
O mijne zuster, zoolang gij zoover niet zijt ge-
vorderd, zult ge uwe Gelofte van armoede niet vol-
maakt naleven.
III. In ons weinig nadenken omtrent de icaarde
der armoede.
1°. Aan de armoede is de belofte der heerlijkste
belooningen gehecht. Omdat de Apostelen arm ge-
worden zijn ter liefde van Jezus, belooft Hij hun liet
honderdvoud der genaden en hemelsche vertroostingen
op deze aarde, het recht om bij het einde der eeuwen
de wereld te oordeelcn, en eene verheven plaats in het
eeuwig Koninkrijk.
Maar om deel te hebben aan deze belooningen,
om in den hemel onder het getal dergenen geplaatst
te worden, aan wie God eene ruime schadeloosstelling
geeft voor hetgeen zij hier op aarde voor Hem hebben
opgeofferd, moet er in werkelijkheid eene oprechte
ontblooting in u bestaan en moet gij de ontberingen
en het lijden aan die ontblooting gehecht, gevoeld
hebben; want hoe zult gij anders uw titel van arme
doeu gelden ? en wat moet God u eigenlijk teruggeven?
2°. De armoede heeft voor zich het voorbeeld van
Jezus-Christus, dat haar verheft, veredelt, verheer-
-ocr page 377-
371 .
lijkt; het voorbeeld van Jezus, die, meester zijnde
van hemel en aarde, alle rijkdommen bezittende, arm
heeft willen worden, opdat wij door zijne armoede
rijk zouden icorden.
(fl Cor. VIII, 9.)
Jezus-Christus, wien rijkdom en eer ter beschikking
stonden, wilde in armoede en verachting geboren
worden.
Jezus-Christus, die in rust en overvloed had kunnen
leven, verkoos de ontblooting en den arbeid.
Jezus-Christus, die tot medegezellen van zijnen
arbeid mannen had kunnen kiezen, die groot waren
door hunne geboorte en hunne talenten, koos zijne
medearbeiders, zijne leerlingen, zijne opvolgers ouder
de armen, de kleinen, de onwetenden.
Jezus-Christus, die eindelijk had kunnen sterven
omringd door glans en weelde, is arm en van alles
ontbloot gestorven, te midden der beleedigingen en
verlatenheid, waaraan de armen ten prooi zijn.
Wie zal na dit voorbeeld van Jezus-Christus zich
nog durven beklagen?
Wie zal zich niet gelukkig gevoelen, iets uit liefde
tot Jezus te derven, vooral wanneer zij tot zich-zelve
mag zeggen, dat deze ontbering van een oogenblik
haar in den hemel een overvloed zal bezorgen, die
al hare begeerten zal overtreffen?
De armoede maakt haar, die ze edelmoedig
omhelst, het kind der Voorzienigheid in den volsteu
zin des woords; — zij verplicht God in hare behoeften
te voorzien, gelijk eene moeder verplicht is voor haar
kind te zorgen, zoolang het zelf niet in zijne behoeften
kan voorzien. En heeft men in de wereld den braven
arme
nooit het noodzakelijke zien ontbreken , hoe zou
dan de vrijwillige arme, de arme van God, die god-
vruchtig en onderworpen is, het uoodige niet hebben ?—
-ocr page 378-
372
Zijt gij het niet die, naar Jezus-Christus luisterende,
als Hij u verbiedt, u omtrent uw voedsel en kleeding
te verontrusten, het voorschrift in oefening brengt,
zoekt eerst het Rijk der Hemelen, en dus niet alle
recht moogt verwachten, dat het overige u zal toege-
worpen worden?
VII.
omtzcnt de azmocde.
1.
Wat de gemeente toebehoort, behoort mij toe.
Neen, wat de gemeente toebehoort, behoort u niet
toe; gij hebt het gebruik van datgene wat de Overste
ter uwer beschikking stelt; maar gij hebt geen recht
tot gebruik van wat ook; gij moogt uit eigen macht
niets nemen dan bij dringende noodzakelijkheid, —
gij moogt niets gebruiken danmetverlof uwerOverste,—
gij moogt niets aan andereu leen en, — gij hebt
slechts liet recht der armen: gij moogt vragen; —
gij moet datgene wat u ten gebruike wordt gegeven,
zoolang mogelijk doen dienen, en bovendien gereed
zijn om datgene, wat u aldus slechts geleend wordt,
weder te geven, zoodra men het u zal vragen.
-ocr page 379-
373
2.
Wat ik geef, ontvang of gebruik zonder verlof,
is zeer weinig en heeft bijna geene waarde.
Eene slechte verontschuldiging! Moet het clan voor
eene religieuze niet genoeg zijn te weten, dat alle
eigendom haar verboden is, om zich niet het minste
tegen dit verbod toe te staan? De religieuze, die
hierin, zoowel als in andere zaken, onderzoekt, hoe
ver zij gaan mag, alvorens eene zware zonde te
bedrijven, bewijst dat zij nog weinig den geest harer
roeping bezit. En is het niet te vreezen, dat de
begeerlijkheid haar weldra zal medeslepen en haar
zonden, die doodzonden kunnen zijn, als dagelijksche
zonden zal doen beschouwen ?
De Gelofte van armoede, al is het slechts enkele.
Gelofte, verbindt uit hare natuur onder doodzonde.
De overtreding kan echter door de omstandigheden
slechts eene kleine fout zijn. Doch over welke
hoeveelheid der goederen van de gemeente kan eene
religieuze beschikken, alvorens het eene doodzonde zij?
De godgeleerden zijn algemeen van gevoelen, dat
dezelfde hoeveelheid, die eene doodzonde is bij diefstal,
ook doodzonde is met betrekking tot de Gelofte.
Eenigeu meenen, en hun gevoelen is zeer waarschijn-
lijk juist, dat men den diefstal eener religieuze, ten
nadeele harer gemeente gepleegd, moet beoordeelen
als een diefstal door kinderen aan hunne ouders gedaan,
en dat, alvorens dit doodzonde is, men de dubbele
hoeveelheid moet rekenen van een diefstal ten nadeele
van vreemdelingen gepleegd.
Men kan hierin echter geen juiste grenslijn trekken,
daar veel afhangt van de omstandigheden. Het stelen
-ocr page 380-
374
van geld is ook grootere zonde, dan het stelen van
voedsel of andere zaken. Doch wanneer, bij het weg-
nemen van kleine zaken, zich het kwade voorbeeld
voegt, dat andere religieuzen aanzet, op hare beurt
iets weg te nemen, kan de fout merkelijk worden.
Wee de religieuze, zegt de H. Liguori, die ver-
slapping invoert in de armoede!
Noem niets klein in de beoefening der armoede
en tracht den geest van uwen staat te bewaren. Als
men spreekt en handelt zooals gij, zou de Gelofte
van armoede niets kosten; en als eene Gelofte geene
dagelijksckeoffers vraagt, waar is dan onze verdienste?
3.
Ik neem niets, ik ontvang niets, ik laat niets verloren
gaan , maar ik werk niet zooveel als ik kan. —
Moet ik leven als een huurling\'?
Dat woord huurling schijnt u te vernederen; be-
antwoordt het niet aan den geest uwer roeping? Heeft
Jezus-Christus niet dertig jaren lang geleefd als een
eenvoudig handwerksman? Legt de H. Paulus, die
kon leven op kosten dergenen, aan wie hij het Evan-
gelie verkondigde, deze glorievolle getuigenis niet
af, dat hij niemand tot last heeft verstrekt en dat
zijne handen voorzien hebben in zijn onderhoud en in
dat dergenen, die hem vergezelden f
De reli<rieuze staat, die ons dubbel tot boetvaar-
digheid en armoede verbindt, spreekt ons niet vrrj
van het vonnis van het brood in het zweet des aanschijns
-ocr page 381-
375
te moeten verdienen. Eenige geleerde schrijvers hebben
zelfs beweerd, dat de handarbeid tot den geest van
liet kloosterlijk leven behoort; en het is zeker, dat
het ten allen tijde de religieuzen zeer dringend is
aanbevolen. Daar zij niet den geheelen dag kunnen
bidden en niet, gelijk de paters of monniken, tot
de studie verplicht zijn, moeten zij, om de ledigheid
en hare treurige gevolgen te vlieden, haren vrijen
tijd tot den handarbeid gebruiken.
De H. ïheresia, met het bestuur van eene geheele
orde en met de leiding van twee-en-dertig door haar
gestichte kloosters belast, hield zich in de enkele
vrije oogenblikken tusschen ziekte, bidden en bezig-
heden met een handwerk onledig, en zij beveelt den
handarbeid op verschillende plaatsen harer geschriften.
Dit werk is noodzakelijk om de bekoringen te
vermijden en zich in de deugd te vestigen ; de ledigheid
is immers de moeder aller ondeugden. — Het is
noodzakelijk om in onze roeping te volharden.
»Ik ben overtuigd," zegde een ervaren Overste,
»dat bijna al de jonge kloosterlingen, die naar de
wereld teruggekeerd zijn, hun roep slechts verlaten
hebben, omdat zij zich aan luiheid hebben overgegeven;
niet als rechtstreeksche oorzaak, maar door hen tot
zware zonden te brengen, welke, na hun de liefde tot
hunnen staat te hebbeu doen verliezen, hen aangezet
hebben dien te verlaten.... Daarom kan een Overste
een jongen kloosterling geen grooteren dienst bewijzen
dan hem zoodanig met werkzaamheden te overladen
dat hem geen vrij oogenblik overblijve."
Dit werk is noodzakelijk om de goede orde en de
regeltucht in de gemeente te onderhouden.
— De goede
orde, de regeltucht, en bijgevolg de vrede en de liefde
kunnen in eene gemeente niet heersenen dan als ieder
-ocr page 382-
376
zich in geweten kwijt van de haar opgelegde be-
diening De bedieningen in een klooster zijn als
zoovele schakels van een keten; als er een breekt,
wordt de werking van het geheel verstoord.
Dit werk is somtijds noodig om in de behoeften
der gemeente te voorzien;
en in dit geval is zij, die
niet doet wat zij kan, oorzaak dat hare zusters moeten
lijden; en komt zij-zelve niets te kort, zoo is dit
slechts ten koste harer zusters. — Zoo de gemeente
welgesteld is, is het werk der zusters nuttig voor
aalmoezen, arme kerken, goede werken enz.
Wij spreken hier niet van de studie voor die zusters,
welke verplicht zijn onderwijs te geven; dit is zoo
noodzakelijk, dat men die niet vrijwillig zal verzuimen.
Wij zouden hier zeker meer te waarschuwen hebben
voor den te grooten ijver voor de studie, indien zij
aanzet om datgene te bestudeeren, wat voor de ons
toevertrouwde school onnuttig is.
4.
Heb ik al wat meer dan anderen, of vraag ik iets
meer dan anderen, zoo komt dit, omdat
ik er behoefte aan heb.
Dit is eene zeer onbepaalde reden en kan zich in
het oneindige uitstrekken. Ja, gewis moet gij uwe
behoefte bloot leggen
, maar vraag niet met te sterken
aandrang.
Zijt gij ziek, dan laat de geneesheer
voorschrijven wat hij dienstig oordeelt, en laat aan
de Overste en de ziekenverpleegster de zorg over van
de geneesmiddelen te laten komen en te bereiden.
-ocr page 383-
377
Neem ze met dankbaarheid aan, doch nior niet, als
men ze u niet geeft. Eisch geene verzachtingen, die
gij wellicht in uwe eigene familie niet zoudt kunnen
hebben en die vooral een arme zich niet zou kunnen
verschaffen
»Er zijn religieuzen, zoo lezen wij in eene oude
verhandeling, die in hare ziekte alle mogelijke middelen,
hoe kostbaar ook, willen beproeven; zij zouden alle
geneesheeren van den omtrek willen raadplegen; zij
zouden het slot willen breken om eene reis te maken
en de baden te gaan gebruiken; de zorgen, die zij
eischen, zijn ontelbaar; zij weten niet wat uitdenken
voor haar voedsel en haar gemak; zij vermoeien de
ziekenverpleegster, brengen wanorde in de gemeente,
en sterven eindelijk gelijk zij geleefd hebben, als
oprechte wereldlingen!"
En in de cellen ? hoevele zaken, die men zou kunnen
en moeten missen! Zeker moeten zij zindelijk zijn,
doch tevens armoedig, gelijk de kamers der armen;
en dat Gods oog er nimmer iets vinde, dan wat de
regel er doet plaatsen. Ziehier nog eene bladzijde
uit de werken der H. Theresia. »Mijne zusters en
ik brachten eenigen tijd door zonder eenig ander
meubelstuk dan onzen stroozak en onze deken, en
op zekeren dag hadden wij niet zooveel hout als
noodig was om het kleinste vischje te braden. Daar
het zeer koud was, leden wij \'s nachts zeer veel,
en trachtten ons zoo goed mogelijk voor de koude
te beschutten met die deken en onze dikke laken
mantels. Die armoede vervulde ons met zooveel
troost en vreugde, dat ik er niet aan kan denken
zonder de schatten te bewonderen, die God in de
deugd houdt opgesloten."
-ocr page 384-
378
5.
Ik gebruik slechts het mij toegestane spaargeld.
Het spaargeld geeft aanleiding tot eene menigte
misbruiken. Ziehier, hoe dit vraagstuk door een
geestelijk schrijver wordt behandeld.
Het spaargeld is niets anders dan eene som geld
door eene religieuze in bewaring gehouden voor tijd
van nood. Gewoonlijk bestaat zij uit familieinkomsten,
door giften van bloedverwanten vermeerderd. \'
Volgens gevestigde regelen mag eene religieuze, die
O           o               O              Ö                    O                        O
slechts door enkele beloften verbonden is, dit spaargeld
bezitten, omdat zij geen afstand heeft gedaan van
het recht van bezit, een recht dat zij behoudt, doch
dat zij slechts met verlof harer Overste mag gebruiken.
Dit spaargeld heeft, in zich-zelve beschouwd, niets
tegenstrijdigs met de Gelofte van armoede, mits de
religieuze zich getrouw schikke naar de volgende regelen.
1.     Zij mag dit geld niet bewaren, doch moet het
stellen in handen der Overste, welke met die zorg
belast is.
2.     Dit geld slechts met verlof harer Overste ge-
bruiken.
3.     Zich nauwkeurig voegen naar dit verlof en
het niet te boven , noch te buiten gaan.
4.     Zich van dit geld niet bedienen voor zaken
die strijden tegen de armoede.
De bezwaren, ten opzichte van dit spaargeld, zijn
menigvuldig. Het geld, dat voor iedereen gevaarlijk
is, is dit des te meer voor degenen, die gelofte van
armoede gedaan hebben. Men hecht zich daaraan
met eene ongeloof el ijke gemakkelijkheid, en slechts
met groote moeite geeft eene zuster, welke aan dit
-ocr page 385-
379
spaargeld gewoon is, dit aan hare Overste, als deze
het haar vraagt.
De voorwendselen om dit spaargeld te rechtvaardigen
zijn even talrijk en hebben slechts een schijn van
waarheid.
1.     Ik bewaar dit geld om eene menigte kleine
onvoorziene noodzakelijke uitgaven te bestrijden.
Die noodzakelijkheid is gewoonlijk eene denkbeeldige
noodzakelijkheid.
Geeft de gemeente u niet alles wat werkelijk nood-
zakelijk is? Hoe zoudt gij doen, als gij werkelijk
arm waart?
2.     Ik bewaar dit geld om mijne dankbaarheid door
kleine giften te betuigen.
— En aldus hecht gij uw hart.
De religieuze toont hare dankbaarheid door het gebed.
Men weet buiten uw klooster, dat gij niets hebt,
en dat uwe gemeente moet bedanken, als er te be-
danken valt.
3.     Ik beioaar dit geld om Missen te laten doen. —
Dit is de eeiiige goede reden, en nog zou het uwe Over-
ste moeten zijn, die deze Missen betaalde en gij niet.
4.     Ik bewaar dit geld, omdat al de anderen
dit doen.
— Dit is eene slechte reden; het geld maakt
haar niet beter, niet godvruchtiger, niet nederiger,
niet meer onthecht. Volg hare deugden na en laat
u door den geest van uwen regel geleiden.
Zie omtrent dit punt nog eenige opmerkingen ge-
trokken uit de Onderrichting der novicen ten gebruike
der Predikheeren:
» Hoewel het gebruik van jaargelden
en spaargelden uit zich-zelven niet verboden, noch aan
den regel tegenstrijdig is, daar het klooster daarover
het beheer heeft en de Overste het gebruik regelt,
wordt het toch voor vele kloosterlingen eene gele-
heid om, door de overtreding der armoede hunne
-ocr page 386-
S80
ziel iu het verderf te storten. Maar al te licht
beschouwen zij, die dit jaargeld genieten, zich .als
meesters daarvan, meenen ten minste daarop meer
recht te hebben dan anderen, vertoornen zich als
het gebruikt wordt voor anderen en niet voor hen
alleen, en klagen bitter in zulk geval, daardoor maar
al te zeer toonende, hoezeer zij aan het geld en aan
de voordeelen, welke zij zich daardoor kunnen ver-
schaften, gehecht zijn. Daarenboven is het te vreezen,
dat zij die sommen voor ijdele en overtollige zaken
zullen bezigen, ten einde aldus hunne zinnelijkheid
en ijdelheid te voldoen.
In alle geval veroorzaakt dit geld hun veel be-
kommering en verstrooiing; zij denken veel meer aan
hetgeen zij kunnen koopen, om in hunne vaak in-
gebeelde behoeften te voorzien, dan aan de plichten
van hunnen slaat en aan de wijze, waarop zij best God
kunnen dienen en hunne zaligheid bewerken
, hetgeen
nochtans de eenige zaak is, waarom God hen op
deze wereld geplaatst en tot het religieuze leven
geroepen heeft
Het gebruik der jaar- en spaargelden is gevaarlijk,
niet alleen voor elke religieuze in het bijzonder, maar
ook voor eene gemeente. Dikwijls wordt daardoor
de regeltucht verbannen en eigen belang, verslapping
en wanorde
ingevoerd. Dit is een punt van groote
waakzaamheid voor de Overste en Visitators."
-ocr page 387-
381
6.
Ik heb verlof
Zeker kan dit woord alle onrust der gewetens doen
ophouden, doch dit verlof moet in ernst gegeven en
verkregen worden.
1.     Eene Overste kan geen ander verlof geven dan
voor datgene wat strekt tot Let algemeen belang der
gemeente en tot bijzonder belang der religieuze. Zij
kan bijv. geen verlof geven tot het bezitten en ge-
bruiken van overbodige zaken: Dat het verlof, dat de
Overste <jeeft voor het gebruik der religieuzen , zoodanig
zij dat de zaken, die hun worden toegestaan, overeenkomen
met hun staat van armoede, en dat er niets overtolligs
zij
(Kerkverg. van Trente Sess. XXV, C, 2.) Zij kan
ook geen onbepaald verlof geven, door bijv. aan eene
religieuze toe te staan, alles te nemen of te geven wat
zij wil, of naar welgevallen over haar jaai\'geld te
beschikken.
2.     Het stilzwijgen eener Overste, die ziet, doch
niets zegt, moet niet altijd als eene toestemming
beschouwd worden, omdat de vrees voor grootere
afwijking haar verplicht, datgene te ontveinzen wat
zij niet zou kunnen verbeteren, zonder te doen morren
en haar gezag te wagen. Wij hebben er in het
Hooidstuk der gehoorzaamheid reeds op gewezen.
3.     Er is een uitdrukkelijk verlof noodig in eene
zaak van eenig gewicht, als er geene ernstige reden
bestaat, die ons belet ons tot de Overste te wenden.
4.     Eenige godgeleerden veroordeeleu rechtstreeks
elk verondersteld verlof, om de misbruiken, die zouden
kunnen voortspruiten uit eene te gunstige uitlegging
-ocr page 388-
382
der meening van Je Overste. Eene veronderstelde
toestemming mag echter aangenomen worden, voor
zaken van weinig gewicht, als de Overste niet te
spreken is, doch slechts op voorwaarde, dat men haar
daarna alles zegge wat men gedaan heeft, en dat
men kunne denken , dat zij hare toestemming niet
zou geweigerd hebben.
5.     Het verlof der Overste moet met vrijen wil
gegeven, en niet door misleiding, door lastig aau-
houden, door bittere klachten of tranen afgeperst
worden; want in dit geval is het eene toegevendheid
en geen verlof; — indien men verlof verkrijgt door
het voorgeven eener rede, die niet bestaat, of eene
andere rede, die het zou doen weigeren, verzwijgt,
maakt dit het verlof oni/elrfitj.
6.     Eenige religieuzen misleiden zich in de meening,
dat zij geen uitdrukkelijk verlof noodig hebben , onder
deze voorwendsels: 1°. omdat het een gebruik is in
andere huizen , — 2°. omdat verscheidene verstandige
en godvruchtige zusters het ook doen, — \'ó°. omdat
de Overste toegevend en goedaardig zijnde, gaarne
alles toestaat wat men haar vraagt, — 4°. omdat men
verplicht is, de veidiensten en bewezen diensten te
erkennen van haar, die het verlof neemt, — eindelijk
5°. omdat hetgeen men wil doen, ten voordeele van
het huis strekt.
Men bedriegt zich lichtelijk met aldus te redeneeren,
want alle verordeningen kunnen veranderen volgens
plaatsen, tijden en personen. Wat in het eene klooster
toegelaten is, is het niet altijd in een ander, waarin
de regel der armoede strenger verplicht. — De handel-
wijze van eene brave religieuze, kan ook niet altijd
tot richtsnoer dienen voor eene andere. Zij kan
bijzondere reden hebben om te leven gelijk zij doet.
-ocr page 389-
383
Heeft zij er geeue, dan handelt zij verkeerd; en hoe
braaf zij tot dusverre ook geleefd hebbe, is zij in dit
punt noch deugdzaam, noch voorbeeldig — Als eene
Overste toegevend en goedaardig is en de diensten
wil erkennen, die gij aan de gemeente bewijst, mag
zij toch niet toestaan wat zij wil; en gij hebt geen
recht om te veronderstellen, dat zij dit nu zou
doen. — Eindelijk al zoekt de Overste het belang
der gemeente, mag zij toch niemand, welke ook
hare verdienstelijke hoedanigheden zijn, naar wille-
keur ontslaan van haren plicht om verlof te vragen,
gelijk dit in den regel is voorgeschreven.
VIERDE ARTIKEL.
Zinsbedrog omtrent de zuiverheid.
Wij zullen in dit zoo gewichtig en teeder punt
spreken over:
1.     De natuur en den omvang der deugd en der
Gelofte van zuiverheid.
2.     De schoonheid en de toordeelcn der zuiverheid.
3.     De voorzorgen om, de zuiverheid te beivaren.
4.     De verschillende zinsbcgoochelingen omtrent de-
zuiverheid.
-ocr page 390-
384
I.
Natuur en omvang der deugd en der
gelofte van zuiverheid.
1. De zuiverheid in het algemeen is eene deugd
waardoor men zich onthoudt van alles wat strijdt
tegen het zesde en negende gebod.
De religieuze zuiverheid is eene deugd waardoor men
xaivrijen wil en door Gelofte verzaakt aan alle vleeschelijk
genoegen in een minder volmaakten staat toegestaan —
Door deze Gelofte blijft men maagd, en de religieuze
scheukt haar hart aan Jezus-Christus, gelijk eene jonge
dochter zich aan een wereldsch echtgenoot geeft.
Daarom noemt de H. Kerk de religieuzen de Bruiden
van Jezus-Christus.
Eene religieuze kan niet zondigen tegen de deugd
van zuiverheid zonder terzelfder tijd te zondigen tegen
de Gelofte van zuiverheid, omdat het doel der deugd
en der Gelofte hetzelfde is, en omdat de Gelofte nog
eene nieuwe en nauwere verplichting bij de algemeene
wet voegt; — waaruit volgt dat eene religieuze, die
de deugd van zuiverheid overtreedt, terzelfder tijd
hare Gelofte schendt en twee zonden bedrijft.
De zonden tegen de zuiverheid, welke rechtstreeks
deze deugd kwetsen, bedreven door gedachte, be-
geerte of daad met volkomen kennis en vrijen wil,
zijn volgens het algemeen gevoelen, doodzonden; er
beslaat geene kleinheid van stof, gelijk in andere
zonden. — De zonden, welke niet rechtstreeks de
zuiverheid kwetsen, als te vrije oogslagen, gevaarlijke
lezingen
, bijzondere vriendschappen, te groote gemeen\'
zaamheden,
zijn grootere of kleinere zonden, naar-
-ocr page 391-
385
mate zij meer of minder blootstellen aan het gevaar
vau in zinnelijke genoegens toe te stemmen.
2. Door de Gelofte van zuiverheid verbindt zich
de religieuze:
1.     Geen huwelijk aan te gaan.
2.     Elke uitioendige en inwendige daad, reeds door
het zesde en negende gebod verboden, te vermijden.
Bij plechtige Gelofte van zuiverheid is de geprofeste
zuster niet in staat een huwelijk aan te gaan; het
zou in dit geval geheel ongeldig zijn.
Bij enkele Gelofte zou het aangegaan huwelijk geldig,
doch ongeoorloofd zijn, dat wil zeggen, zondig, èn
door de H. Kerk èn door de heilige regelen der gemeente,
waarin men professie gedaan heeft, verboden. — In
beide gevallen bevat deze zonde eene heiligschennis
en strekt daarbij tot groote ergernis voor de maat-
schappij. Het is het grootste ongeluk, dat eene reli-
gieuze overkomen kan.
»Het is waar", voegt een reeds aangehaald werk
hierbij, »dat de rampzalige, die hare plichten zoover
vergeet, dispensatie vraagt om hare ontrouw te kleuren
en hare wroeging te smoren; doch hoe moeielijk kan
zij genoegzame reden vinden om hare dispensatie te
rechtvaardigen! Deze dispensatie, slechts verleend
om grootere ontstichting te vermijden, zal haar ge-
weten altijd blijven bezwaren; de ongelukkige weet
dit maar al te wel, en de wereld zelfs bedriegt zich
daarin niet. De H. Kerk verleent die steeds met
den grootsten weerzin."
De Gelofte van eeuwige zuiverheid door wereldsche
personen aangegaan, zonder eenige betrekking op het
religieuze leven, is in de oogen der H Kerk reeds een
zoo eerbiedwaardige en heilige staat, dat de Opperpries-
ters zich liet geven dezer dispensatie altijd hebben voorbe-
25
-ocr page 392-
38G
honden en haar nooit zonder gewichtige reden geven ;
hoeveel te meer wanneer bij de heiligheid der Gelofte
zich die der plechtige toewijding der professie voegt,
en aldus de ongetrouwheid aan God vergezeld gaat
van eene openbare en schandelijke ongehoorzaamheid
aan de H. Kerk.
Het kan gebeuren dat, door omstandigheden on-
afhankelijk van haren wil, de religieuzen haar klooster
moeten verlaten en van hare Geloften van armoede
en gehoorzaamheid ontslagen worden om de volstrekte
onmogelijkheid, waarin zij zich zouden bevinden, ze
te kunnen naleven; maar zij blijven altijd verplicht
tot liet nakomen harer Gelofte van eeuwige zuiverheid,
daar deze niet binnen het bereik ligt der gewone
dispensatiën der Geloften, en er is eene bijzondere
dispensatie noodig om een huwelijk aan te gaan; —
zoo groot is de eerbied, dien de H. Kerk voor
deze verbintenis heeft; — zoo naijverig toont de
H. Kerk zich, om voor haren Goddelijken Bruidegom
die harten te bewaren, welke zich vrijwillig aan Hem
geschonken hebben.
3. De zuiverheid, zegt Mgr. Gay op eene zijner
schoone bladzijden, is eene gestrenge, sterke, naijve-
rige, kiesche
, moeielijke, doch tevens allerzoetste deugd.
Zij is gestreng, omdat wij, om rust en kalmte
te behouden in een lichaam, dat de zonde zoo woelig
en onstuimig maakt, het bepaald moeten overheerschen;
men komt daartoe slechts door het hard te behandelen,
beter gezegd het te mishandelen. Het is eene sterke,
deugd; zij moet het zijn om gestreng te kunnen zijn
en haren zwaren plicht te vervullen. Zij moet dit
te meer zijn om te weerstaan aan de verleiding,
waardoor zij omringd is, want zij heeft dit eigen,
dat men haar slechts door vleierij aantast, en dat
-ocr page 393-
387
het vreeselijkste wapen, dat haar vijand gewoonlijk
tegen haar gebruikt, bestaat in teederheid en lief-
kozingen. En daardoor wordt zij eene mannelijke
deugd. Wat de H. Schrift zoo dikwijls aanbeveelt,
van als mannen te handelen, vindt hier rechtstreeks
toepassing Het is nog eene naijverige deugd, naijverig
om God, wiens belangen zij verdedigt, wiens werk
zij doet, wiens gebied zij onderhoudt Haar oog is
als eene vlam, hare hand als een brandende fakkel,
zij is gelijk aan den Cherubijn, die het aardsch paradijs
verdedigde. Terzelfder tijd is zij van eene uiterste
kieschheid. Zij staat gewapend en strijdvaardig; doch
tevens is zij gelijk eene duif, gereed, bij het geritsel
van een voetstap op het dorre blad, de vlucht te
nemen; gelijk eene bloem, die het minste windje
ontroert, die een te sterke zonnestraal het hoofd
doet buigen, en sterft bij de eerste aanraking van
den winter.
Zij is vreesachtig en bloost lichtelijk; zij zoekt de
schaduw en trekt zich terug; zij leeft in bescheidenheid,
in voorzorg, in matigheid. Daarom zijn hare zuster-
deugden de nederigheid, de versterving, de voor-
zichtigheid. Dit bewijst dat zij eene zeer moeielijke
deugd is. Want vooreerst is zij eeue samengestelde
deugd, die vele andere deugden veronderstelt, wier
hulp zij niet missen, buiten wier kring zij niet leven
kan. Daarenboven verplicht zij den mensch tot een
voortdurenden strijd. Het is eene deugd, die nooit
mag rusten, noch sluimeren. De H. Joannes Glim.
noemt haar de schoonste verloochening der natuur, of
liever de. zegepraal op de natuur behaald
, — eene edele
uitdaging door een sterfelijk lichaam toegeworpen aan
de hemelschegeesten, die niet vallen, noch sterven kunnen.
Dit alles toont, dat zij niet gemakkelijk is in hare
-ocr page 394-
388
beoefening. Doch niettegenstaande dien arbeid, waarbij
men licht begrijpt, dat het lijden zich dikwijls komt
voegen, is deze deugd nochtans vol zoetheid; want
juist, omdat zij de weelde en het genot van hier
beneden doet verstooten en verachten, doet zij ons
die van hierboven verdienen en bereidt zij de ziel om
ze te kunnen smaken.
II.
Schoonheid en voohdeelen der zuiverheid.
1. In de oogen zelfs van die wereld, welke de
zuiverheid zoo weinig beoefent, omringt deze deugd
degene, die haar met zorg bewaart, met een straal-
krans, die eerbied inboezemt.
Het heidensch Rome vereerde de maagden, die daar
eene afzonderlijke klasse vormden, en in wie men iets
goddelijks zag; zij werden belast met het onderhouden
van het heilig vuur; en wanneer de grootste der
Romeinen, ware hij keizer of veroveraar, eene harer
op straat ontmoette, steeg hij als teeken van eerbied
uit zijn wagen. Als een ter dood veroordeelde mis-
dadiger het geluk had op zijn weg naar de strafplaats
eene der gewijde maagden te ontmoeten, behoefde
deze hem slechts aan te raken om hem zijne genade
te verkrijgen. — Deze eerbied, zegt een schrijver
der oudheid, ontsproot uit de gedachte der Romeinen,
dat de godheid in de maagden woonde
2. En hoe groot is dan wel in het oog van het
Katholiek geloof, hoe schitterend van schoonheid en
-ocr page 395-
389
heiligheid die zuiverheid, die al haren glans en reinheid
put in den schoot der H. Kerk. — O, roept Salomon
uit, hoe schoon is een rein geslacht! Want deszelfs
nagedachtenis zal eeuwig Ie een, omdat het en bij God
!n bij de mensehen in aanzien is.
(Wusii. IV, 1).
De christelijke maagd alleen biedt aan de majesteit
van den driewerf heiligen God het volledig offer van
geheel zich-zelve, van hare ziel, haar lichaam, haar
hart, een offer dat zij dagelijks hernieuwt, — een
offer, dat zij soms te midden van de vreeselijkste
aanvechtingen voortzet tot haren jongsten snik.
De christelijke maagd is de Bruid ean Jezus-Christus,
en geeft Hem uit vrijen wil al wat zij aan een schepsel
had mogen geven: hare gedachten, hare liefde, haar
leven; en om Hem getrouw te blijven trekt zij tusschen
haar-zelve en de schepselen een scheidingsmuur op,
die geene menschelijke macht ooit zal omverwerpen. —
En om zich in de gelukkige noodzakelijkheid te stellen,
slechts aan Hem te denken, slechts met Hem bezig
te zijn, verlaat zij alles wat haar zelfs voor een
oogenblik van zijne liefde kan aftrekkeu.....
De christelijke maagd is de zuster der engelen des.
hemels,
door haren teil om rein te zijn gelijk zij, —
door haar streven om haar lichaam te onderdrukken, —
door de bedieningen, die zij bekleedt, zijne bevelen
uitvoerende; — en, voegt de H. Bernardus hierbij,
is de zuiverheid der engelen gelukkiger, die der
maagden
is verdienstelijker.
De christelijke maagd is zeker het aangenaamste
aller schepselen op aarde in Gods oog,
omdat zij het
meeste streeft Hem gelijk te worden; — zij is de
priesteres van God, die Hem een voortdurend offer
plengt; — zij is de tempel Gods, door niets onreins
bezoedeld; — zij is het altaar des Heeren, waarop zij
-ocr page 396-
390
zich-zelve slachtoffert; — God op zijne beurt toonde
haar zijne liefde door zijnen Zoon eene maagd tot
moeder
te geven, als het schoonste, het heiligste,
dat Hij in zijne liefde voor Hem vinden kon.
De christelijke maagd is de medehelpster der
H. Maagd;
zij is haar teedergeliefd kind, haar be-
schermeling, waarop zij met voorkeur hare gunsten
uitstort, omdat zij haar gelijkt in datgene wat, buiten
de goddelijke moederschap, haar schoonste sieraad
uitmaakt. — Maria is de eerste die Gelofte heeft
gedaan van volkomen eeuwigdurende zuiverheid;
maagd en moeder, en moeder van den Bruidegom
der maagden, had zij een maagdelijkeu man tot
echtgenoot, een maagdelijkeu leerling tot steun in
haar weduwschap en tot aangenomen zoon. De
zuiverheid schijnt bij uitnemendheid het rijk te zijn,
waarin Maria heeischt.
III.
VOORZORGEN OM DE ZUIVERHEID TE BEWAREN.
De zuiverheid is eene teedere deugd; — het is een
broos vat
, dat wij in onze hand dragen te midden
eener woelige menigte, die ons van alle zijden dringt
en het door alle middelen aan onze hand tracht te
doen ontsnappen, om het te breken of althans te
bezoedelen. Wij moeten ons dus met voorzorgen
omringen. —Wij zullen later zien, dat die voorzorg
vooral bestaat in de getrouwe naleving onzer plichten,
-ocr page 397-
391
hetgeen eene onmogelijkheid is, zonder eene nauw-
keurige ie aak z aamheid.
Waakzaamheid in onze gewone gebeden, en bij
het ontvangen der HH. Sacramenten. De zuiverheid
is eene gave des Hemels. »lk heb begrepen," zegt
Salomon, »dat de onthouding niet in de macht der
menschen ligt, en ik beu die bij den gever aller gaven
wezen vragen." Het H. Sacrament des Altaars is het
Brood der engelen eu de Y\\ ijn, die maagden kweekt. —
De godsvrucht tot Maria is die sterke wal, waartegen
de pijlen des vjjauds niets vermogen. Het vluchten
der gevaren is noodzakelijk om de zonden tegen de
zuiverheid te vermijden, maar het is niet genoeg; —
de boetvaardigheid is noodzakelijk, maar zij is niet
genoeg; — de genade Gods alleen, zegt de Apostel,
kan ons ontheffen aan de wetten van het vleesch;
en om deze genade te verwerven, moet men ze door
Maria vragen.
Waakzaamheid om ons niet door den duivel der
h.oovaardigheid te laten overheerschen, die ons den
mond wil sluiten, opdat wij onzen biechtvader onze
bekoringen zouden verzwijgen, onder voorwendsel
dat wij niet schuldig zijn; zeker behoeft men in de
biecht slechts de zonden te belijden, doch hoe kan
de biechtvader ons helpen, versterken, waarschuwen,
als hij onze neigingen niet kent en wij hem alleen
datgene willen mededeelen, waarover wij de absolutie
vragen ? Zij zijn zelden deugdzaam noch sterk degenen,
die zich aldus in zich-zelven besluiten, hetzij uit
eigenliefde, hetzij uit gebrek aan vertrouwen, gelijk
zfl zeggen. — Eene der grootste genaden, die eene
religieuze, welke door bekoringen aangevallen wordt,
aan God zou moeten vragen, zou zijn, openhartig
met haren biechtvader te kunnen omgaan. — Dit is
-ocr page 398-
392
eene genade, die God gaarne geeft, wanneer men
Hem die vraagt met den oprechten wil van deugd-
zaam en gehoorzaam te zijn.
Waakzaamheid over onze gedachten, om aan geene
enkele gedachte ingang te verleenen, die onze onschuld
kan bezoedelen, zelfs geene geheel ijdele gedachte,
geene onbepaalde, losse gedachten, die ons doelloos
medesiepen en ons doen mijmeren.
Waakzaamheid over onze begeerten, om niets te
willen wat den H. Geest, die in ons woont, kan
beleedigen. Wat blijft ons te begeeren, terwijl wij
een Vader hebben, die in alles voorziet?
Waakzaamheid over onze genegenheden, om niets
onreins noch zelfs\' iets vreemds te dulden in een
hart, dat slechts aan Jezus, onzen Bruidegom, mag
toebehooren. — Elke genegenheid , ware het ook eene
heilige genegenheid, die ons te zeer bezig houdt,
kan gevaarlijk worden.
Waakzaamheid over onze blikken , om den idruk
der uitwendige zaken en het gevaar der verleiding
te voorkomen. — De zuiverheid woont in onze ziel
als in haar heiligdom; ons lichaam vormt deszelfs
omheining; onze oogen zijn de deuren dezer om-
heining; passen wij wel op, want de vijand staat
er voor.....
Waakzaamheid omtrent het slot, dat, zoo wij het
slecht bewaren, voor ons eene bron van bekoring
wordt. — Het wordt slecht bewaard bij open vensters,
die uitzicht op de straat geven, bij muren zoo laag
dat de vreemdelingen naar binnen kunnen zien. enz.:
Waakzaamheid in de spreekkamers, zelfs met onze
bloedverwanten, uit vreeze dat de nieuwstijdingen, die
men ons mededeelt, de vragen, die men ons doet,
de vertrouwelijkheid, die zoo natuurlijk is aan de
-ocr page 399-
393
genegenheid, die wij voor hen koesteren, voor ons
eene oorzaak worden van moeielijke en langdurige
bekoringen. Hoeveel gewetensangst is vaak veroor-
zaakt geworden door te lange, te vertrouwelijke,
te ijdele gesprekken!
Waakzaamheid in het lezen Lezen wij niets zonder
verlof, zonder werkelijk nut, buiten den gestelden
tijd. — Geene dagbladen , geene samengeraapte stuk-
ken , die wij hier en daar vinden.
Waakzaamheid in de bekoringen, om den drift
tot genoegen door een kalnien, vaardigen, sterkeu,
edelmoedigen strijd te overwinnen.
Waakzaamheid in de gesprekken , om ons elk woord
dat strijdt tegen de welvoegelijkheid, te ontzeggen , —
elke nieuwsgierige vraag omtrent zaken, die wij niet
moeten weten, — elke scherts, die den stempel draagt
van wereldgezindheid, behaagzucht, dubbelzinnigheid,
wereldschen geest.
Waakzaamheid op de gevoelens van zelfbehagen
omtrent ons gelaat, onze talenten, onze behendigheid ,
onze familie, onze godsvrucht zelfs..... »De maag-
delijke zuiverheid der ziel is eene groote gave," zegt
de H. Augustinns; »doch hoe kostbaarder zij is, hoe
meer ik voor haar de klip van het ijdel zelfbehagen
vrees." — Het wantrouwen van zich-zelven voorkomt
den vernederenden val, waarvan de eenzaamheid
zulke treurige voorbeelden heeft gegeven.
Waakzaamheid in het werk. De ledigheid is de
moeder aller ondeugden, vooral der onzuiverheid.
De arbeid bewaart ons voor het mijmeren, onderdrukt
het lichaam door de onafscheidbare vermoeienis,
verwijdert de bekoringen, of verspreidt die lichtelijk
door het bezighouden van den geest.
-ocr page 400-
394
Waakzaamheid in onze houding, waakzaamheid in
alles, overal, met allen: waakzaamheid met onze Overste,
met onzen biechtvader, onze bloedverwanten; waak-
zaanilieid vooral met de personen die wij, krachtens
onzen staat, moeten verzorgen of opvoeden, hetzij
met zieken, kinderen of armen! Het zijn voor ons
brontieu van zaligheid, doch ook bronnen van bekoring.
Naderen wij hen steeds met den eerbied, verschuldigd
aan hunne bewaarengeleu, die hen beschutten en
ons beschouwen.
IV.
ovntz&nt de zuiverheid.
I.
Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten,
omdat men geene neiging voor het huwelijk gevoelt.
De natuurlijke weerzin tegen het huwelijk is geene
genoegzame beweegreden om eene religieuze omtrent
hare deugd gerust te stellen. — Zonder een dier
wereldsche gedachten, kan zij den eerbied voor zick-
zelve vergeten, indien zij deze woorden van den
H. Paulus vergeet: Doe dun de ledematen sterven
van den aardtchen mensch
(Col. III, 5); en zoekt uwe
zinnelijkheid niet te voldoen door uwe begeerten te
-ocr page 401-
395
vervullen (Rosr. XIII, 14). Wij zijn aan het vleeseh
niet verschuldigd, volgens het vleeseh te leven; want
indien gij leeft volgens het vleeseh
, zult gij sterven;
maar indien gij de werken van het vleeseh doodt door
Jen geest, zult gij leven
(Bok. VIII, 12, 13.) Weet
gij niet, dat gij de tempel Gods zijt, en dat de
Geest Gods in n woont? als iemand de tempel Gods
ontheiligt, zul God hem verderven
(I Cor. III, 16, 17).
Welke lichtstralen, welke onderrichtingen in deze
laatste woorden!
Onze lichamen zijn de tempels van God; dus, zegt
Tertulianus, moet de zedigheid de bewaarster zijn en
den ingang steeds bewaken, opdat nimmer eenige
gedachte daarin dringe, welke de majesteit beleedige
van God, die daarin woont, en Hem zou verplichten
ze te verlaten.
Hoor nog eenmaal denzelfden Apostel: niet alleen
zijn onze lichamen de tempel der godheid door de
schepping; door de verlossing zijn zij de ledematen
van Jezus-Cltristus
geworden (I Cok. VI, 15);. en door
deze goddelijke vereenigiug van het Woord met de
menschelijke natuur, hebben zij eene nieuwe waar-
digheid verkregen; zij hebben zich volgens de natuur
en de genade vereenigd met het lichaam van Jezus-
Christus, en gelijk het zijne vergoddelijkt is, zijn
de onze ook vergoddelijkt. Wie zal dan, zoo vraagt
de Apostel, zijn lichaam durven ontheiligen? Het is
aan Jezus-Christus zijne eigene ledematen ontnemen
en ze van zuiver en rein, als zij waren, onzuiver
en onrein maken, gelijk die eeuer vrouw, welke
hare plichten geschonden heeft.
Deze leer is voor alle christenen gelijk, doch heeft
voor u, religieuze, eene bijzondere kracht, omdat
uw lichaam heiliger is, dan dat van de gewone
-ocr page 402-
39G
geloovigen; want de Gelofte van zuiverheid heeft het
nog op eene bijzondere wijze voor den dienst van God
bestemd, en het heeft daardoor eene nieuwe toewij-
ding ontvangen.
Zie dus, welken eerbied gij moet hebben voor uw
eigen lichaam, met welken eerbied en hoogachting
gij het moet behandelen, vooral, omdat gij meermalen
moogt aanzitten aau de tafel des Heeren en aldus
eenigermate de levende ciborie van Jezus-Christus
wordt.
De zaligheid moet uwe eerste en geliefkoosde deugd
zijn. Hetzij met uwe medezusters, hetzij alleen iu
uwe cel, onder het oog der menschen of onder het
oog van God, dat u altijd volgt, zoo in licht als
duisternis, in ziekte als in gezondheid, veroorloof
u nooit het minste, dat strijdt tegen deze deugd. Laat
u in de wijze van u te Meeden, u-zelve of anderen
te verzorgen
steeds geleiden door de grootste voor-
zichtigheid, door de grootste welvoegelijkheid; zij
die deze deugden veronachtzaamt, stelt zich bloot
aan het gevaar van de zuiverheid te verliezen. Zoek
in dit punt niet voor ruim van geweten door te
gaan: wees eenvoudig, doch voorzichtig, en eerbiedig
uwen engelbewaarder, ten minste zooveel als gij eene
medezuster zoudt eerbiedigen. Een weinig overdreven
zorg in dit punt is niet af te keuren.
Aldus zult gij, volgeus de schoone uitdrukking
van den H. Paulus, God verheerlijken, Hem in uw
lichaam dragende.
(I Coit. VI, 20.)
-ocr page 403-
397
II.
Men gelooft de deugd van zuiverheid
te bezitten, omdat men getne bekoringen tegen
die deugd gevoelt.
Vertrouw die kalmte niet, welke meer oppervlakkig
dan werkelijk is. Er ligt daarin van den kant van
den duivel eene list, waardoor hij reeds menig droevig
slachtoffer gemaakt heeft.
De duivel laat u misschien zes maanden, misschien
een jaar met rust, opdat gij in uwe waakzaamheid
moogt verslappen, opdat gij u een bezoek, eene
lezing, eene lichtzinnigheid zoudt toelaten, die gij
eertijds zoudt vermeden hebben, opdat gij, tevreden
over u-zelve, u aan eene gedachte van hoogmoed
zoudt overgeven en door God verlaten zoudt worden.
Pas op, want de duivel is een listig aanvaller;
dan eens verbergt hij zich of vertoont zich ten halve;
dan komt hij als een dief met afgemeten tred, be-
schut door den slaap, waarin hij u heeft gedompeld;
dan houdt hij zich dood, herrijst, verschijnt plotseling,
en werpt u omver.
De ziel, zoowel als het lichaam kan overvallen
worden door eene zedelijke beroerte en een plotse-
lingen dood. Wat kan die veroorzaken? Eene onvoor-
ziehtigheid, een woord, eene lezing, een bezoek —
Wij hebben hetzelfde wellicht tien malen gedaan,
gehoord, gezien, zonder dat het ons schaadde-----
de duivel wacht. Lang te voren bereidt hij den val
eener ziel, vooral eener religieuze... Zoo noodig.
werkt hij twee, drie, tien jaren daaraan. Hij voorziet
de gebeurtenissen, bespiedt de omstandigheden, ver-
-ocr page 404-
398
wekt betrekkingen en doet sluimerende genegenbeden
ontwaken!....
0, vertrouw nocb op uwe vroegere deugd, noch
op uwe tegenwoordige kracht; waak en bid, opdat
gij, door de toestemming van uwen wil, niet in be-
koriug valt.
III.
Men gelooft de Jeugd van zuiverheid te bezitten,
terwijl men eene te teedere genegenheid voedt
voor eene medezuster.
Reeds hebben wij, van de liefde sprekende, het
gevaar aangetoond dezer vriendschappen, eenvoudig
bijzondere vriendschappen genoemd, doch die men
veelal zinnelijke vriendsrfiap moet noemen.
In het begin is deze vriendschap voor eene mede-
zuster slechts genegenheid; doch daar zij rust op de
jeugd, schoonheid, lieftalligheid, schitterende talenten,
daar zij zich openbaart door teedere woorden, daar
zij de gedachten bezig houdt gedurende het gebed,
daar zij zich vertoont door veelvuldige oogslagen en
vrijheden, die men zich in tegenwoordigheid van anderen
niet zou durven toestaan, hoewel zij de palen der
welvoegelijkheid niet te buiten gaan, is deze vriend-
schap een hartstocht geworden; het is niet meer de
zuivere christelijke liefde, het is het begin der onheilige,
zinnelijke liefde. Eene eerbiedwaardige Overste der
XVII eeuw zegde, door ervaring geleerd, deze wel
eenigszins ruwe woorden: In het klooster moet men
-ocr page 405-
399
elkander beminnen als engelen en vluchten als duivelen.
Deze gehechtheden des harten duren, als men niet
zorgt ze in het begin met tak en wortel uit te
roeien, soms jaren lang, en zijn voor de zuiverheid
veel gevaarlijker, dan men wel meent.
Men ontveinst ze eerst, men wil er niet voor uit-
komen; men doet zijn geweten zwijgen, men verstoot
alle raadgevingen, waarschuwingen, berispingen,
zelfs het verbod eener Overste; en daar men zich
niet ziek gevoelt neemt men noch voorzorgen, noch
geneesmiddelen.
Men vergeeft zich die gemakkelijk, omdat men meent
het recht te hebben zich die te vergeven, de voor-
wendsels ontbreken nooit: het is eene wettige vriend-
schap,
— zij heeft niets zinnelijks, — zij geleidt mij
tot het goede,
— ik bid beter met en bij die zuster of
wanneer ik aan haar denk,
— ik kan die vriendschap
niet. missen....
Men knoopt ze dagelijks vaster aan. — Die banden
des harten zijn eerst zijden draden, zeer fijn in het
oog,
doch zeer moeielijk te breken; langzamerhand
worden zij zoo sterk als draden tot een koord samen-
gesnoerd;
en allengs vormen zij die ijzeren ketenen,
waarvan de H. Augustinus spreekt, en die hij slechts
met zooveel moeite kon veioreken.
O mijne zuster, kendet gij toch eens voor goed
het geluk, den vrede, de rust der ziel, die al hare
banden verbroken heeft en alleen met God leeft!
Licht, vrijheid, kalmte, tevredenheid, dat alles woont
in haar! God doet zich gevoelen, Hij vertoont zich,
Hij bemint; en het is dan, maar slechts dan alleen ,
dat het religieuze leven de weerschijn wordt van den
hemel, en het klooster, hoedanig het zij, het voor-
portaal van het paradijs!
-ocr page 406-
400
Hoor, wat de H. Franciscus vau Sales te dien op-
zichte leert; liet is wel bijzonder over de vriendschap
met ivereldsche personen dat hij spreekt, maar hetzelfde
laat zich van de vriendschap onder religieuzen zeggen:
» Dikwijls bedriegt Satan personen, die elkander lief-
hebben. Men begint met eene deugdzame liefde;
maar als men niet oppast, wordt het weldra eene
ijdele, vervolgens de zinnelijke en dan de vleesche-
lijke
liefde! Ja zelfs in de geestelijke liefde is dit-
zelfde gevaar te vreezen, als men zich niet met
wantrouwen en waakzaamheid wapent. Als de duivel
de geestelijke, liefde wil bederven, tracht hij in het
hart eenige gesteltenissen te dringen, die voor de
zuiverheid niet gunstig zijn. Ik roep luide voor al
wie hooren wil: snoei, snijd en kerf; vermaak u
niet in het tornen en losmaken dezer banden, doch
breng er spoedig het vuur en het staal aan; want
men moet de liefde niet sparen, die strijdt tegen de
liefde van God."
IV.
Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten, terwijl
men zich wereldsche gemeenzaumheden veroorlooft.
Wij geven hier het woord aan den H. Vincentius
a Taulo, die tot zijne geliefde liefdezusters zegt:
»De minzaamheid is gebrekkig, wanneer men zich
stroef, stuursch, onaangenaam, met een treurig gelaat
vertoont, zoodat men het hart verstijft van al degenen
die men nadert. De minzaamheid is ook gebrekkig,
-ocr page 407-
401
wanneer men ze overdrijft, bijv. als men iemand aan
eene medezuster hoort zeggen, hoezeer zij haar bemint,
als zij haar met de hand vat, met den arm om het
midden neemt, haar omhelst enz. Dat alles is ver-
keerd tusschen de zusters, doch veel erger nog met
wereldsche personen. Gedenkt, mijne dochters, dat
de overdreven liefde, die men iemand betoont, wel
minzaamheid, maar eene verkeerde, misdadige min-
zaamheid is. In eene andere Conferentie zegt hij:
»Het is goed zich te vermaken, doch men moet
het luidkeels lachen en de onwelvoegelijke manieren
vermijden. De H. Paulus leert hetzelfde: Verheugt
u
, doch zoo dat moe zedigheid uitschiftte, u wachtende
elkander aan te raken. O mijne dochters, past hier
wel op, want de duivel verbergt daaronder een val-
strik, dien gij niet ziet....."
V.
Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten,
terwijl men zich alle vrijheid in het lezen veroorlooft.
Er ligt voor eene religieuze een groot gevaar in
het lezen, zoo zij dit doet zonder oordeel, zonder
voorzichtigheid, zonder verlof en als in het geheim.
Wij weten wel, dat er in de kloosters geene slechte
boeken zijn, en die, welke eenig gevaar zouden
aanbieden, als uitsluitend voor de Overste, voor de
ziekenverpleegster enz. bestemd, voorzichtig wegge-
sloten worden; maar langs rechte of sliuksche wegen
komen dagbladen in huis, en zel£s in de katholieke
bladen komen vaak bladzijden voor, die de reinheid
26
-ocr page 408-
402
Tan een aan God toegewijd hart kunnen besmetten.
Gewetensangsten en bekoringen hebben vaak hun
ontstaan gevonden in de kolommen van een feuilleton
uit eene courant, als pakpapier in het klooster ge-
slopen , en door een nieuwsgierig oog verslonden.
Wees dus voorzichtig en laat u niet door de
nieuwsgierigheid medesiepen. Zeg niet: Dit alleen
maar!
als de zinnen opgewekt zijn, staat men niet
licht stil, en men is zoo slim om zich het vervolg
van een verhaal, dat boeit, te verschaffen.
Uwe schoolboeken, de Geschiedenis en letterkunde
vooral, bieden in die huizen waar onderwijs gegeven
wordt, ook werkelijke gevaren aan, zoo niet voor
het hart, dan voor den geest; vraag dus raad aan
de priesters, die u besturen, alvorens voor uwe leer~
lingen of voor u nieuwe boeken in te voeren. Het
Geloof
is even teeder als de zuiverheid; een enkele
zin, strijdig met de leer der H. Kerk, kan oorzaak
worden van bekoringen tegen het geloof, die zeer
moeielijk te overwinnen zijn.
Vertrouw ook omtrent de boeken, die gij als prijzen
geeft, niet geheel op uwe katholieke uitgevers, die,
zeker zonder eenig kwaad inzicht, dikwijls boeken
uitgeven, die wij, noch aan u noch aan uwe kinderen,
zouden laten lezen. Wees voorzichtig in het onderzoek
dezer boeken; lees een verhaal, dat u hartstochtelijk
voorkomt, niet ten einde. Er is weinig aan gelegen,
dat gij het ter zijde legt; doch er kan oneindig veel
aan gelegen zijn, dat gij het leest en doet lezen.
-ocr page 409-
403
VI.
Men gelooft de deugd van zuiverheid te bezitten,
zonder dat men de versterving beoefent.
De versterving is het zout, dat het bederveu van
het vleesch voorkomt. Zij is het juk, dat den opstand
belet, daarom zegt de H. Paulus: Ik kastijd mijn
lichaam en houd het in bedwang
(I Cor. IX, 27); als
hij Tiraotheus den raad voorschrijft, dien hij aan de
geloovigen geven moet, beveelt hij hem, aan de
weduwen en bijgevolg aan de maagden de versterving
te prediken; want, zegt hij, zij die leeft in genot,
is levend dood
(I Tim. V, 5), dood voor God, al
moge zij levend schijnen. Als het lichaam niet in
bedwang wordt gehouden, onderwerpt het zich moeie-
lijk aan de goddelijke wet; langzamerhand overmeestert
het de ziel en sleept haar mede.
Zuiver leven zonder zijn lichaam te kastijden, —
zijne neigingen willen bedwingen, zonder zich out-
beringen op te leggen, is niet mogelijk. De deugd
van zuiverheid is niet gewoon te leven in een lichaam
dat men vleit.
Zeker doet men in het klooster geene Gelofte van
versterving,
doch men doet Gelofte van zuiverheid;
het een is in het ander opgesloten; de zuiverheid is
het doel, de versterving is het middel. De religieuze
die zou beweren , de zuiverheid te bezitten, doch zich
niet zou versterven, zou eene leugenaai-ster zijn.
Daar het door middel onzer zintuigen is, dat de
duivel ons bekoort, ons zijne indrukken inprent,
ons lokt en onzen wil zoekt mede te slepen, zijn
het onze zintuigen, die het voorwerp moeten zijn van
-ocr page 410-
404
eenen bijna aauhoudenden strijd. Wij hebben reeds
gezegd, hoe wij ze moeten bestrijden.
Herlees die bladzijden nog eens, en gij zult zien
dat die strijd niets verschrikkelijks heeft, zoo wij
dien ouder Gods oog en met zijne hulp volvoeren.
Wij behoeven onze zintuigen niet te vernietigen,
o neen, wij behoeven ze slechts op hunne plaats te
zetten.
Wij vragen orde, geen opstand God is de
meester der ziel, de ziel is meesteres der zintuigen,
de zintuigen zijn dienaars van God en van de ziel;
zij moeten gehoorzamen.
In elke Commuuauteit legt de regel eenige licha-
melijke verstervingen op, als: onthouding buiten die
dagen, waarop ze door de H Kerk worden voorge-
schreveu, — vasten, — lijfskastijding, — kruisgebeden
enz. Onderwerp u grootmoedig aan deze voorschriften,
doch vermeerder ze niet uit eigen beweging, zonder
uitdrukkelijk verlof; gij zoudt uwe gezondheid kunnen
schaden, en de duivel zou van dien ijver partij trekken,
om u gevoelens van hoogmoed in te boezemen.
Ziehier eenige verstervingen, die noch uw lichaam ,
noch uwe nederigheid kunnen schaden — Versterf
u in het slapen, door bij het eerste teeken op te
staan, schud krachtdadig die dikwijls slechts ingebeelde
vermoeienis ai, die uwe leden bezwaart; het vraagt
dikwijls meer kracht het bed te verlaten, dan zich
ten bloede te geeselen.
Men kan zich versterven in het werken, door geene
enkele minuut te verliezen, niettegenstaande de ver-
veling , den weerzin, de weinige kans tot slagen; —
door zich oplettend en als geboeid te houden voor
een werk, dat ons niet bevcilt, en misschien zwaar
en moeielijk is. Het dagelijksch werk, het werk van
den vroegen morgen tot den laten avond, het zware
-ocr page 411-
405
werk, dat de krachten des lichaams uitput, het werk
strekkende tot de groote boetvaardigheid, de verster-
ving der zinnen , des harten en des lichaams, ziedaar
wat de heilige zuiverheid bewaart, ziedaar wat de
lelie der onschuld in vollen bloei behoudt.
Men kan zich versterven in de zucht tot spreken,
die dikwijls zoo groot is, dat deze versterving kan
opwegen tegen het dragen van een haren kleed. Het
is dikwijls zeer moeielijk, doch ook zeer verdienstelijk ,
een aardig woord, eene nieuwsgierige vraag, een
geestig antwoord te wederhouden, eene beleediging,
eene spotternij onbeantwoord te laten, of voor ouge-
voelig door te gaan.
Men kan zich versterven in het voedsel, door niet
te kiezen, dankbaar aan te nemen wat ons gegeven
wordt, den eetlust te bedwingen, zich te onthouden
van verschillende kleine zaken, die niemand bemerkt,
doch die onze zinnelijkheid streelen.
Men kan zich versterven in de houding en de zucht
naar gemak,
door nooit de zedigheid en welvoege-
lijkheid uit het oog te verliezen, hetgeen veel moeie-
lijker is dan men wel denkt. — Door niet toe te
geven aan die voortdurende zucht naar beweging, en
door het matigen van den gang. — Door zich niet
te beklagen over een kleed, dat slecht past, over een
schoen, die knelt, over een hard bed, over een slecht
gesloten venster of deur. — O hoe kan men, zonder
iets zonderlings te doen, zijne zinnen bedwingen!
-ocr page 412-
40G
VII.
Men vreest de zuiverheid verloren te hebben,
als mén hevig bekoord wordt.
Gij wordt bekoord, hevig, onophoudelijk bekoord,
des te beter, zegde een heilige; dit bewijst dat gij
den duivel niet toebehoort! Zij die hem toebehooren,
gaan alleen naar de hel, de duivel behoeft ze er niet
heen te trekken. »Men belegert geene vesting, die
men reeds in zijne macht heeft, zegt de H. Frauciscus
van Sales; zoo lang de strijd duurt, kan men zeker
zijn, dat men niet heeft toegestemd." Er zijn menschen,
voegt deze Heilige er bij, die zich verbeelden dat
alles verloren is, als zij door gedachten van god-
lastering en goddeloosheid worden aangevallen; en
zij verbeelden zich, dat zij geen geloof hebben. Doch
zoolang deze gedachten mishagen, kunnen zij niet
schaden, en die onstuimige wind dient om hare deugd
des te dieper in het Geloof te doen wortelen! Het-
zeLfde kan men zeggen van de bekoringen tegen de
zuiverheid.
Het is vernederend, zeer vernederend, zijne verbeel-
dingvervuld te zien met de onbetamelijkste dingen,
zijn hart getroffen te gevoelen door zaken die men
verfoeit, in zijn lichaam een weerstand te ontmoeten,
waarover men bloost; — maar die vernederende toe-
stand moet ons niet ontstellen. — De ontsteltenis is
een kwaad, en het eene kwaad geneest het andere
niet; de ontsteltenis is eene zwakheid en het uit-
werksel der lafheid, doch niet van de nederigheid; —
het uitwerksel der eigenliefde, doch niet van de liefde
tot God en bet vertrouwen in God. Waarom zich ont-
stellen in de bekoringen tegen de zuiverheid ?
De grootste
-ocr page 413-
407
Heiligen hebben die ondervonden. De H. Paulus was
tot den derden hemel opgenomen, en voelde nochtans
den prikkel van het vleesch; de geest van Satan deed
hem veel lijden, hij gevoelde de wet zijner ledematen,
die aan de wet van den geest weerstond en hem onder
het juk der zonde wilde geboeid houden. De H. Hyero-
nimus had in de woestijn zijn lichaam door het vasten
en waken uitgeput, doch ondervond de meest verne-
derende bekoringen; en te midden der scorpioenen
en wilde diereu, die zijn eenig gezelschap uitmaakten,
verbeeldde hij zich te Rome te zijn, te midden der
verleidelijkste vermaken. Was de H. Benedictus, die
groote patriarch van het Westen, niet genoodzaakt
zich in de doornen te wentelen, om het gevoel der
wulpschheid door het gevoel der smart uit te dooven ?
Waarom zich ontstellen in de bekoringen tegen de
zuiverheid?
Slechte gedachten zijn geene zonden, eene
bezoedelde verbeelding is geene zonde, eene neiging
tot onzedigheid is geene zonde, de indrukken en de
onvrijwillige gevolgen der bekoring zijn geene zonde;
slechts dan is er zonde als de wil toestemt, en de
geheele hel vermag niets tegen den wil, die door de
genade ondersteund wordt en vast besloten is zijne
toestemming tot elk zinnelijk genot te weigeren.
Waarom zich ontstellen in de behoringen tegen de
zuiverheid?
God laat die toe, en wij moeten zijne
inzichten aanbidden; Hij laat ze toe om ons onze
zwakheid te doen kennen en ons aan te zetten onzen
toevlucht tot Hem te nemen; — Hij laat ze toe om
in ons de tegenovergestelde deugd te bevestigen en
te vermeerderen; Hij laat ze toe om ons de zonden
onzer jeugd te doen boeten, opdat, zegt de H. Augus-
tinus, de ziel hare straf vinde, daar, waar zij haar
genoegen gezocht heeft, en dat zij boetvaardig"
-ocr page 414-
408
heid doe door dezelfde zaken, die hare vorige zonden
veroorzaakt hebben; Hij laat ze toe, doch hoe hevig
ze ook mogen worden, mogen wij toch vast vertrouwen,
dat Hij de macht van den vijand zal beperken en
dat Hij, die getrouw is in zijne beloften , zooals de
H. Paulus zegt, niet toe zal laten, dat wij boven onze
krachten bekoord worden.
Waarom zich ontstellen in de behoringen tegen de
zuiverheid?
De ontsteltenis is de oorzaak der gewe-
tensangsten, die later ontstaan. Angstvallige zielen
vreezen in de bekoring te hebbeu toegestemd, juist
omdat zij zich ontsteld hebben, en bijgevolg niet
weten wat er in haar hart is omgegaan, op het oogenblik
dat zij den vrede verloren; daarenboven verzwakt die
ontsteltenis de krachten der ziel, vermindert de vrijheid
van geest, vermeerdert zelfs de bekoring, even als
een stok, in troebel water bewogen, dit hoe langer
hoe vuiler maakt.
Men moet dus in de meest vernederende bekoringen
altijd de bedaardheid, de vrijheid van geest, den vrede
des harten, het vertrouwen op God
behouden. Als
men van zijnen kant gedaan heeft, wat men redelijker-
wijze doen kon om niet in de bekoring te vallen,
moet men zich met moed wapenen en den vijand
verachten. De groote H. Autonius verweet den duivel
zijne onmacht, en om zijne broeders tot den strijd
te bemoedigen, zegde hij hun: Gelooft mij, mijne
broeders, de duivel is zwakker dan gij denkt; hij is
batig voor het waken der godvruchtige zielen, voor
hare gebeden, haar vasten, hare vrijwillige armoede,
hare barmhartigheid, hare ootmoedigheid, en vooral
hare vurige en teeder e liefde voor Jezus-Christus. Het
teeken van het H. Kruis alleen, kan al zijne pogingen
verijdelen en hem op de vlucht jagen.
-ocr page 415-
409
Ontstel u ook niet in de biecht. — Wees kort en
duidelijk. Na het soort van bekoring genoemd te
hebben, hebt gij slechts een dezer drie dingen te
zeggen: Ik heb zoo dikwijls toegestemd, — of ik heb
niet toegestemd,
ofwel ik weet niet of ik toegestemd
heb, en beschuldig mij voor zoover God mij schuldig kent.
Een lang onderzoek voor de biecht om te zien,
in hoever men heeft toegestemd, is zeer gevaarlijk.
Het wekt de verbeelding op, roept de bekoring terug,
en onderhoudt de begeerlijkheid.
— Het vermindert
zelfs allengs den afschuw der doodzonde en doet die
heilige schaamte der ziel verliezen. Indien men de
onzuiverheid zelfs niet mag noemen, hoeveel minder
mag men er aan denken.
VIII.
Men gelooft verplicht te zijn, de bekoringen tegen
de zuiverheid rechtstreeks te bestrijden.
•Vele angstvallige zielen vreezen in de bekoring te
hebben toegestemd, als zij die niet rechtstreeks be-
streden
hebben. — Zinsbedrog.... Men stemt in eene
bekoring toe door een vrijwillig behagen; men is
nooit schuldig, als men haar veiacht. Dit is zelfs
de verstandigste raad. Eenige Vaders der Woestijn
vraagden elkander, hoe zij de vreeselijke bekoringen
die hen teisterden, bestreden. — Ik, zegde de eene,
overweeg de afschuwelijkheid der zonde. — Ik, zegde
een andere, roep de bescherming der H. Maagd
Maria in. — fk, zegde een derde, veracht den duivel
-ocr page 416-
410
en zet mijn werk in de tegenwoordigheid Gods vlijtig
voort. — Dit, zegde de oudste, is de beste oefening;
zij behoudt u in eene volkomene vrijheid van geest,
vermoeit geen uwer zielsvermogens en staat altijd in
uwe macht."
Hoewel al de meesters van het geestelijk leven,
en de schrijvers van den Geestelijken strijd in het
bijzonder, ons leeren dat men de bekoringen van
hoogmoed of ivraakzucht rechtstreeks moet aantasten,
verbieden allen uitdrukkelijk de bekoringen tegen de
zuiverheid te onderzoeken, en bevelen ons onzen geest
daarvan af te trekken en ons op eenige wijze te ver-
strooien , zelfs als de bekoring te hevig wordt
, het werk
waarmede wij ons onledig houden, zoo mogelijk te ver-
icisselen tegen een ander, dat onzen geest meer bezig houdt.
Het is door de vlucht en niet door den strijd, dat
men deze bekoringen het beste overwint. Hoe meer
men met deze gedachten worstelt, hoe meer men er
zich mede bezig houdt, boe meer zij zich in onzen
geest vestigen. Verstrooi u dus, wandel, zing, ga
eeuig verlof vragen;..... maar, ik bid u, raak het
slijk niet aan, al is het slechts om het af te borstelen ;
het zou u altijd bezoedelen! Zoek ook niet angstig
na, wat de bekoring heeft veroorzaakt, in hoeverre
gij hebt toegestemd; doch als de vrede teruggekeerd
is, dan stel u in Gods tegenwoordigheid, en vraag
Hem eenvoudiglijk: Mijn God, heb ik gezondigd\'!
God, die uw goeden wil gezien heeft, wiens oog u
in den strijd gevolgd heeft, die uw streven heeft
gade geslagen, zal u ook doen kennen, of gij werkelijk
doodzonde bedreven hebt. — Wanneer er twijfel is
in uwen geest,— daar gij toch niet vrijwillig aan
Jezus wilt mishagen en u met Hem door het gebed
Teréénigd houdt, — wanneer gij u herinnert, dat het
-ocr page 417-
411
u leed deed van zoo bekoord te worden, — dat gij
gedurende de bekoring Jezus, Maria, uwen Engel-
bewaarder hebt aangeroepen, dan moet gij den vrede
bewaren en gerust tot de H. Communie blijven gaan.
De heilige Kerklceraars komen allen overeen, dat
eene angstvallige ziel, als zij zich herinnert gedurende
de bekoring Maiïa te hebben aangeroepen, gerust
moet zijn; want Maria heeft haar voor doodzonde
bewaard. — Vraag dit nog aan uw biechtvader: hij
zal dit besluit goedkeuren.
IX.
Men gelooft de bekoringen tegen de zuicerheid door
bijzondere boetplegingen en vasten te moeten bestrijden.
In den grond bestaat deze verplichting niet; en
zoo eenige Heiligen groote oefeningen van boetvaar-
digheid gedaan hebben , moet hun voorbeeld ons meer
tot stichting, dan tot onbescheiden navolging opwekken.
Men moet zich versterven, gelijk wij reeds zegden;
maar men moet hierin, gelijk in alle andere zaken
met voorzichtigheid en beleid te werk gaan. Het is
juist niet in de lichamelijke verstervingen, als boet-
kleeden, vasten enz., dat men een middel moet zoeken
tegen die bekoringen; deze verstervingen zouden,
zoodra zij eenigszius overdreven werden, uwe ge-
zondheid benadeelen en uwe kracht vermindereu, en
beide behooren niet aan u, maar aan God en aan
uwe gemeente, die het recht heeft zich daarvan te
bedienen. Daarenboven kunnen deze verstervingen
-ocr page 418-
412
uw gestel benadeelen eu juist een tegenovergesteld
uitwerksel ten gevolge hebben, als wat gij er vau
verwacht.
Wat veel gemakkelijker en zonder het minste
gevaar, voor uwe eigenliefde vooral, den opstand moer
driften
zal onderdrukken, wat uwe verhitte verbeelding
zal bedaren
, is de gewoonte van een welgeregeld leven ,
en de verplichting die gij u-zelve zult opleggen
, van
zeer getrouw te zijn aan de kleinste punten zelfs van
uwen regel,
— het nauwkeurig nakomen van het
gewone leven, dat volgens de Heiligen de zwaarste
versterving is, — het stilzwijgend verdragen der fouten,
verkeerdheden, grillen en luimen uwer medezusters, —
het stilzwijgen over die duizeuden kleinigheden, die
als zooveel speldenprikken u den geheelen dag iets
te lijden geven, — de getrouwheid om u-zelve altijd
in eeue onverstoorbare gelijkheid van humeur te houden.
Niets is beter in staat om de natuur te onderdrukken,
te buigen, te vormen, dan de eentonigheid vau een
altijd gelijkvormige levenswijze, waarin men, altijd
naar een-zelfde doel strevende, altijd ernstig bezig
is. Het is den dood verklaren aan de gemakzucht,
den dood aan den hoogmoed, den dood aan de over-
haasting, den dood aan de eigenliefde, en te midden
van zulk een algemeen graf staan de zinnen niet
lichtelijk op.
Wat nog op afdoende wijze den opstand der driften
zal bedaren, is de dagelijks hernieuwde toeioijding
aan de u toevertrouiode bediening, en het kalm en
edelmoedig omhelzen van alle moeielijkheden aan die
bediening verbonden.
— Hoeveel walging moet men
overwinnen, hoeveel tegenzin bestrijden, hoeveel ver-
sterving moet men plegen om tien en meer jaren door
te brengen met kinderen, niet armen, met zieken!
-ocr page 419-
413
Met Je kinderen door hun weinigen aanleg, hunne
luiheid, verstrooidheid, onleerzaamheid, onbeschaafd-
heid, somtijds door hunne onzindelijkheid, hun kwaden
wil en ongodsdienstigheid;
— niet de armen en zieken
door kunne ruwheid, ondankbaarheid, ongevoeligheid,
ongeduld, ontevredenheid, onwetendheid, hunne walge-
lijke wonden, hunne ziekte van allerlei aard, hun dood
voorafgegaan dikwijls door een vreeselijken doodstrijd.
—
Ziet gij niet, hoeveel moed, standvastigheid, geloof,
deugd in één woord, er noodig is om al de ver-
moeienis, het lijden, de verveling te verdragen van
uwen roep en dit alles te verdragen met een kalm
en tevreden gelaat? O nog eens zeg ik u, leg u toe
op uwe plichten;
als de duivel der zinnelijkheid u
aantast, dan leg u nog meer op moe plichten toe;
deze strijd tegen de kieschheid en teergevoeligheid
der natuur overtreft verre, geloof mij vrij, het vasten,
de boetpleging, door uwen regel niet gevraagd.
Voeg bij dit stoffelijk werk, als ik het zoo noemen
mag, nog die verschillende oefeningen van waak-
zaamheid,
waarvan wij gesproken hebben, het gebed,
de H. Communie, de godsvrucht tot de H. Maagd,
de openhartigheid jegens den biechtvader, de nederig-
heid....
en vertrouw op den God, dien gij wilt dienen.
Iu het uur van uwen dood zult gij met den profeet
kunnen zingen: Gezegend zij de Heer, mijn God,
die mijne handen tot den strijd gewapend en mijn
arm tot den krijg geoefend heeft.
(Psalm. CXLIII).
-ocr page 420-
4H
X.
Men gelooft zich geene enkele genegenheid te mogen
veroorloven, en zich zelfs niet aan zijne
Communauteit te mogen hechten.
Deze begoocheling is de vrucht van een zwakken .
benarden, onverstandigeu geest. Gelukkig komt zij
zelden voor, doch men vindt licht in eene gemeente
twee of drie zusters onder dien verderfelijken invloed
kwijnende. Zij maakt haar ongelukkig, want ze plaatst
haar in een toestand van gedwongenheid en vult
haren geest met onbillijke gedachten en lichtvaardige
oordeelvellingen; zij is schadelijk voor de gemeente,
omdat zij de onderlinge genegenheid der zusters terug
houdt, en ouder voorwendsel eener denkbeeldige vol-
maaktheid
haar het hart sluit, haar aanzet zich van
hare medezusters en Overste af te zonderen, en zich
bijna als vreemdeling in de gemeente te beschouwen.
Die nauwhartigheid, zoo tegenstrijdig aan den
religieuzen geest, kan zeker uit andere oorzaken
voortspruiten, bijv. uit gekrenkte ijdelheid, uit over-
dreven hoogschattiug van eigen talent en verbittering,
omdat men niet gebruikt wordt, zooals men zou
willen; maar de groote oorzaak, die haar vaak on-
geneesbaar maakt, is de overdrijving. In een klein-
geestig gemoed is niets zoo vasthoudend als de valsche
denkbeelden van godsvrucht.
De Stichter der Petits Freres de Marie, zijne
broeders willende bewaren voor die vervreemding
der belangen der Communauteit, en die nauwhartig-
heid die zoo baatzuchtig maakt, gaf hun de volgende
vermaningen.
-ocr page 421-
415
»0m in eene gemeente gelukkig te leven, moet
men er in treden en er in blijven als kind va?i den
huize.
De H. Schrift leert ons. dat de man vader
en moeder moet verlaten om zich aan zijne vrouw
te hechten. Welnu zoo moet ook de religieus, als
hij in zijn heiligen staat tevreden wil zijn, als hij
al den troost van den godsdienst wil smaken, zijn
vader, zijne moeder, zijne broeders, zijne zusters,
al wat hij in de wereld heeft, verlaten om zich aan
zijne Oversten, aan zijne broeders, aan zijne gemeente,
die nu zijn gezin wordt, te hechten. Hij, die zich
niet geheel voor zijne gemeente ten beste geeft, die
niet werkt om in zich de gevoelens van een recht-
geaard kind op te wekken, is geen religieus, hij is
slechts een dienstbode."
Wilt gij nu weten welk onderscheid en bestaat
tusschen den religieus als dienstbode of als het kind
des huizes?.....
1. De religieus als dienstbode beschouwt den
Overste als een meester, als een gendarm, die hem
bespiedt, wien hij vreest en schroomt, wiens tegen-
woordigheid hij vliedt, wien hij zooveel mogelijk
zijn gedrag en nog meer zijne fouten verbergt, waaruit
volgt dat hij zijn Overste wantrouwt, zich lichtelijk
door hem miskend en mishandeld gelooft, en zouder
reden berispt meent te worden.
De religieus als dienstbode beschouwt zijne mede-
broeders als vreemdelingen; ook heeft hij voor hen
noch liefde, noch voorkomendheid, noch oplettendheid,
noch beleefdheid. Altijd bezig met zijn eigen persoon,
zijn eigenbelang, neemt hij voor zich-zelven steeds
het beste, het minst bezwarende, en bekommert er
zich niet over, of zijne broeders lijden, met werk
overladen zijn of aan iets gebrek hebben.
-ocr page 422-
416
De religieus als dienstbode is onverschillig voor de
belangen der gemeente; hij bekommert er zich weinig
om, of zij voor- of achteruit gaat; daardoor volbrengt
hij zijne bediening slechts welstaanshalve, zouder ijver,
zonder opoffering voor het algemeen welzijn; hij is
verkwistend, hij laat vele zaken bederven zonder er
zich over te bekommeren, hij laat de meubelen en
andere hem toevertrouwde voorwerpen vervallen,
liever dan zich de moeite te geven er zorg voor te
dragen.
2. De religieus, die zich beschouwt als kind des
huizes,
handelt geheel anders.
Hij beschouwt en bemint zijn Overste als zijnen
vader; hij stelt volkomen vertrouwen in zijne woorden
en laat zich geheel door hem geleiden. — Overtuigd
zijnde, dat de Overste slechts zijn welzijn zoekt,
ontvangt hij zijne waarschuwingen en berispingen
als bewijzen der teederste liefde. Wel verre van
zijne gebreken en fouten te willen verbergen of ont-
veinzen, is hij de eerste om ze te doen kennen, en
hij is niet tevreden, alvorens de Overste zijn gedrag
en al de plooien zijner ziel kent.
De religieus als kind des huizes beschouwt al de
leden der gemeente als zijne broeders; men ziet hem
dus altijd bezig om hen te helpen, te ondersteunen,
hun dienst te betoonen; overal beschermt, ondersteunt,
verdedigt hij hen en verontschuldigt en verbergt
hunne gebreken.
De religieus als kind des huizes bemint na God
niets zoozeer als zijne gemeente; niets ligt hem nader
aan het hart dan haar te zien bloeien, haar te zien
ontwikkelen, haar den geest harer instelling te zien
bereiken en aldus de glorie van God en de zaligheid
der zielen te zien bevorderen; zich terecht verplicht
-ocr page 423-
417
beschouwende, oui ook zijn deel tot het welzijn der
gemeente bij te dragen, tracht hij overal het voorbeeld
te geven van trouwe plichtsvervulling, van godsvrucht,
van onderwerping, van religieuzen geest, van zelf-
opoffering, noch moeite noch arbeid ontziende om
de scholen te doen bloeien, de tijdelijke goederen
der huizen wel te bestieren, voor geen ofïer terug-
deinzende . als dit gevraagd wordt in het belang van
het algemeen welzijn, de onderlinge stichting, het
algemeen nut der gemeente.
\'6. De religieus alleen, die zich als kind des huizes
beschouwt, vindt in het religieuze leven het honderd-
voud door Jezus-Christus beloofd Daar hij slechts
leeft voor zijne gemeente, zich in alles voor zijne
broeders opoffert en geene enkele gelegenheid onbenut
laat voorbijgaan, wanneer hij hun genoegen kan doen,
handelt men ook zoo ten zijnen opzichte; men geeft
hem het honderdvoud terug, men bemint hem, men
offert zich voor hem op, aller harten zijn hem genegen,
en hij heeft even zoovele dienaars, of liever even
zoovele broeders en vrienden als er leden in de ge-
meente zijn. Doch de religieus, die als dienstbode
daarheen leeft, heeft geen honderdvoud, zelfs niet de
minste voldoening noch tevredenheid te wachten.
Daar hij geen enkelen broeder oprecht bemint en
zich in zijne baatzucht van allen afzondert, wordt
bij ook niet bemind; men verdraagt hem, men zorgt
liem niet te beleedigen, omdat de liefde dit vraagt;
maar men kan voor hem die voorkomendheid niet
hebben, die hij nimmer voor anderen heeft, noch
hem die vriendschap betoonen, waarvoor zijn hart
niet gemaakt schijnt. Ik durf dan ook vrij zeggen,
dat er geen ongelukkiger wezen bestaat dan een
religieus, die zich in de gemeente niet te huis gevoelt,
27
-ocr page 424-
418
dat wil zeggen, die zijne gemeente niet liefheeft,
die zijne genegenheid stelt op degenen, die hij verlaten
heeft, en in zijne communauteit leeft als een vreem-
deling wiens hart en schat elders zijn.
VIJFDE ARTIKEL.
Zinsbedrog omtrent de gevaren van het religieuze leven.
De jonge dochter die, nog in de wereld levende,
zich voorstelt den religieuzen staat te omhelzen, kan
zich onmogelijk voorstellen, dat er eenige gevaren
bestaan in die huizen, die zij zoo terecht Huizen Gods
noemt.
Voor hare onervaren ziel is elk religieus huis eene
haven, waarin geen storm zich kan doen gevoelen.
Het is eene vesting, waarin noch duivel noch wei\'eld
meer doordringen.
Het is een paradijs, waarin men met God, bij God
leeft, waar men Hem dient en zich gelukkig gevoelt.
Het is een vaartuig, dat in liefde, in vrede, in geluk
ons regelrecht ten hemel voert!
Ja, zij zijn waar die beelden, welke de getrouwe en
onschuldige zielen naar het religieuze leven lokken,
want zij zullen daar veilig zijn; en de zielen, welke
de wereld reeds met haren adem bezoedeld heeft,
geruststellen, want zij zullen daar gemakkelijker tot
God terugkeeren en Hem getrouw blijven.
Maar al is het religieuze leven werkelijk eene haven,
eene vesting, een paradijs, zoo brengt toch de ziel
die er intreedt, hare kivade driften mede, welke
-ocr page 425-
419
haar in de wereld vaak zoo diep vernederden en haar
hare zwakheid deden gevoelen; — de duivel dringt er
binnen met al zijnen haat, zijne woede, zijne sluwheid,
zoodat, al mogen de gevaren minder talrijk, minder
aanlokkelijk, beter zichtbaar en gemakkelijker te ver-
mijden
zijn in bet klooster dan in de wereld, zij
nochtans bestaan en de grootste voorzorg vereischen.
Helaas, helaas! men kan uit het klooster, als uit
de wereld, in de hel vallen, en de val is des te
verschrikkelijker, omdat men hooger gestegen was.
Ja, men kan uit dit paradijs in de hel nedervallen,
en er des te dieper invallen, omdat men door het
misbruiken van meerdere genaden ook des te schul-
diger is geworden.
Niet de plaats, zegt de H. Bernardus, zal de personen
heilig maken; maar de personen moeten de plaats
heilig maken. Niet de heiligheid van den staat, maar
de staat van heiligheid kan ons zalig maken; in den
heiligsten en verhevensten staat kan men verloren gaan.
7Ae
den engel in den hemel, Adam in het aardsch
Paradijs, Judas in het gezelschap van Jezus!
En hoe grooter de liefde van God in deze wereld
geweest is, hoe grooter de straf en de verlatenheid
zullen zijn, die God haar zal opleggen; — hoe grooter
de edelmoedigheid van God geweest is, hoe grooter
zyne verachting zal zijn voor de ondankbare ziel, die
Hem verlaten heeft.
Deze gevaren zijn des te meer te vreezen, omdat
de duivel ze met meer zorg verbergt.
1. Hij stelt ons gerust door de verzekering, dat
er bij ons een vasten wil bestaat, geene doodzonde te
bedrijven. — Neen, gij wilt dit zeker nooit rechtstreeks;
maar indien gij voortdurend in uitspatting, in licht-
zinnigheid leeft, niet informeel verklaarde, maar in
-ocr page 426-
420
werkelijk beoefende verachting van diezelfde punten,
die voor den regel zijn, wat dunne draden zijn,
die verscheidene stukken stof aan elkander hechten, —
wie verzekert u dan, dat gij niet ongevoelig tot het
bedrijven eener doodzonde zult geleid worden? Wij
zullen het u later zeggen: het is van trap tot trap
dat men, vooral in het klooster, in den afgrond
nederdaalt.
2. De duivel stelt ons gerust door ons te misleiden
omtrent den aard der overtredingen, waaraan wij ons
overgeven, en de verzachtingen, die wij ons veroorloven.
Hij zal u niet zeggen: Versterf u niet; maar:
Deze versterving is schadelijk voor uwe gezondheid, en
gij zijt verplicht, u voor uwe gemeente te sparen; loat
goed kan men doen als men ziek is ?
Hij zal u niet zeggen: Laat uw gebed achter; maar:
liet gebed, zooals men liet nu doet, is lastig, is voor
u onmogelijk; met de communauteit is het voor u te
vermoeiend; het koorgebed zal u hoofdpijn veroorzaken;
in de kapel is het te toarm of te koud; het tocht er
zoo
, dat gij er den dood zondt halen!
Hij zal u niet zeggen: Gij moet uitgestort zijn;
maar: Op uwen leeftijd kunt gij zoo niet handelen;
gij kunt de houding, den gang dier oude zusters niet
navolgen: gij hebt vroolijkheid en afleiding noodig,
anders wordt het huis zoo akelig als een kerkhof!
Hij zal u niet zeggen: Gij moet niet zedig zijn;
maar: Er is geen kioaad in hetgeen gij doet; het
is mal zoo scrupuleus te zijn; waar men geen kwaad
zoekt, is geen kwaad!
Hij zal u niet zeggen: Overtreed de gehoorzaam-
heid en de liefde;
maar: Het is maar een woordje
ter loops gezegd; het toas maar lichte spot, eene kleine
kwaad sprekendheid, die niet verder gaat
, een oogenblik
-ocr page 427-
421
van drift! gij bemint toch uwe Overste, uwe zusters;
(jij ivenscht haar geen kwaad, dit is meer dan genoeg!
Leef dus altijd in die kinderlijke vrees, die gaaf
van den H. Geest, welke u waakzaam en bescheiden
zal maken, waardoor gij getrouw aan het gebed zult
zijn, nederig eene berisping zult ontvangen, krachtig
aan alle bekoringen zult wederstaan, voorzichtig alle
zinsbedrog zult onderscheiden en alle gevaren zult
vermijden, waarvan wij nu de voornaamste gaan
aanduiden.
I.
Gevaren voortspruitende uit het geheugen,
de verbeelding, het oordeel.
Deze gevaren kunnen voorkomen uit uw geheugen,
uit uwe verbeelding, uit uw oordeel, die, wanneer
zij niet door het gebed, de waakzaamheid en de
versterving bewaakt worden, van tijd tot tijd eene
gisting ondergaan, die een teeder geweten bevreesd
maakt; — het, is uit deze gisting, dat, zoo zij
niet in het begin overmeesterd wordt, die kwade
geesten ontstaan, waarvan wij het kenmerk reeds in
het eerste deel van dit werk aangetoond hebben, onder
welke men deze vier, terecht als plagen van Commu-
nauteiten
gebrandmerkt, bijzonder onderscheidt.
1. De geest van uitgestortheid, die gevoed wordt
door de ijdele woorden, die men in huis zegt uit
lichtzinnigheid, praatzucht, uit verveling, of op de
spreekkamers gedurende die lange uren, waarin men
al de vrucht van het gebed verliest en waar men
altijd iets van den inwendigen geest achterlaat. De
uitgestortheid wordt ook gevoed door ijdele gedachten,
-ocr page 428-
422
die in den geest komen en gaan als de wolken in
de lucht, die ons als belegeren gedurende het gebed,
de meditatie, het goddelijk Officie, het bezoek aan
het H. Sacrament, en waarvan men zich niet kan
ontlasten, omdat zij in ons als gehuisvest schijnen.
2.     De geest van icereldgezindheid, onderhouden
door de gewoonte van de zaken te beschouwen en
te beoordeelen bij het licht der wereld, als of het
geloof voor ons geen licht had, dat, als het eenig
ware licht, onzen voorkeur verdient. — Zoo beschouwt
men de personen, en men vergeet dengene, dien zij
voorstellen; men ziet in eene gebeurtenis het treurige
of het troostelijke, doch men vergeet dat zij een
uitvloeisel is van den wil van God, en dat hare uit-
werkselen iete goddelijks, iets nuttigs voor onze
zaligheid bevatten ; men denkt aan het tegenwoordige,
men vergeet de eeuwigheid, en men zegt niet: wat
zal mij dit baten voor den Hemel?
Die geest wordt onderhouden door de voortdurende
begeerte van gezien, bewierookt, gewaardeerd, ge-
prezen te worden, van eervolle bedieningen te be-
kleeden, — door de gewoonte van alles wat ons kan
verkleinen en vernederen, ver van ons te verwijderen.
3.     De geest van nieuwsgierigheid, onderhouden
door de nieuwstijdingen van buiten, door duizend
verschillende wijzen gehoord, hetzij door de portier-
sters, die men behendig ondervraagt, hetzij op de
spreekkamer vernomen en uitgevischt; onderhouden
door de nieuwstijdingen van binnen, verkregen door
het bespieden van al de handelingen en bewegingen
der Overste en der Zusters; men weet, wie op de
spreekkamer geweest is, en hoelang; men weet, welke
zuster deze of gene oefening niet heeft bijgewoond,
omdat de Overste haar of zij de Overste moest
-ocr page 429-
423
spreken; men weet, welke brieven ontvangen zijn,
en voor wie; — naar het beoordeelen der gebaren
van eenige zusters, die met elkander spraken, raadt
men wat zij gezegd hebben, en men vertelt dit over
als eene stellige zaak; men spreekt over al degenen,
die met het huis in betrekking staan, over de geeste-
telijke Overheid, vooral over deu biechtvader, dien
men rechts en links prijst of afkeurt.
4, De geest van afkeuring, onderhouden door het
overdreven denkbeeld, dat eene zuster zich vormt
omtrent haar verstand en hare eigenwaarde, — alles
ziende, alles onderzoekende, en verlangende, dat hare
denkwijze voor wet worde aangenomen. — Alles treedt
voor hare rechtbank, waarin de zachtmoedige, de
nederige, de welwillende Jezus geene zitting heeft,
hare Overste, haar biechtvader, de zusters, die eenige
bediening bekleeden, de zieken, de leekezusters ....
en voor haren rechterstoel vindt niemand genade.
II.
GeVAUEN DIE VOOIU\'SPKUITEN UIT HET HART.
1. Deze gevaren kunnen voortspruiten uit uw hart,
dat zich zoo moeielijk kan losmaken van aardsche
genegenheden; en wij spreken hier slechts van wettige
genegenheden, door God daargesteld, doch waaraau
het hart verzaakt heeft en waarmede het nochtans
zich te veel bezig houdt, en waarvan het nog al de
zoetheid wil smaken. Wij spreken hier vooral van
de bloedverwanten, die, te zeer volgens de natuur
bemind,
veel kwaad aan eene religieuze kunnen
toebrengen.
Neen, men moet gewis noch vader, noch moeder,
noch zusters, noch broeders vergeten; want het
-ocr page 430-
424
nakomen der evangelische raden vernietigt het vierde
gebod niet, en de woorden, waardoor Jezus aanzet,
zijn vader en zijne moeder te verlaten om Hem te
volgen,
en ons leert dat: tvie zijn vader of zijne
moeder meer bemint dan Hem, zijner niet waardig
is
, beteekenen niet dat men hen uit hart en gedach-
ten moet wisschen. Bij haar intreden in het klooster
heeft de religieuze zich verbonden, hare ouders op
eene meer bovennatuurlijke wijze dan vroeger lief
te hebben, dat wil zeggen, door zich op de eerste
plaats met hunne eeuwige, — en in het geheel
niet, of althans slechts op de tweede plaats met
hunne tijdelijke zaken bezig te houden; — en buiten
groote uitzonderingen, zooalsbijv. eene uiterste armoede,
waarin het werk hunner dochter in hun onderhoud
zou moeten voorzien, of eene zware ziekte, waarin
hunne dochter alleen hen zou kunnen oppassen, —
moet de religieuze zich niet over hunne zaken be-
kommeren; nog minder mag zij haren raad, haar
gevoelen geven , zich tot invloedrijke personen wenden ,
hare broeders of zusters eene plaats trachten te be-
zorgen, rechts en links briefwisseling voor hen voeren.
Als eene religieuze zoover gaat,
zegt de H. Theresia,
is hare ziel zeer ziek. Een hart, dat aldus over-
meesterd is, vindt geen vrede meer; het behoort
niet aan de gemeente, het is tot zijne bloedverwanten
teruggekeerd; het betreurt vaak, ze verlaten te hebben.
Het vindt daarin een voortdurend onderwerp van
verstrooidheid, en vaak begint men aldus zijne roe-
ping te verliezen.
Och, laat toch, volgens het krachtig woord van
Jezus-Christus, de dooden de dooden begraven!
Laat ons onze ouders teeder beminnen, innig lief-
hebben, laat ons deelnemen in hun lijden; maar
-ocr page 431-
425
leeren wij hun vooral voordeel trekken uit de be-
proevingen, die God hun overzendt.
2. Deze gevaren kunnen nog voortkomen uit ons
eigen hart, dat zich, helaas, zoo gemakkelijk, zoo
sterk, zoo hartstochtelijk somtijds, hecht aan eene
zuster, een kind, eene zieke, aan een of ander
persoon, die ons eenige belangstelling toont; en ver-
meenende niet zonder eene dergelijke liefde te kunnen
leven, zoekt het hart steeds te beminnen en bemind
te worden.
Ach, dat arme hart! wanneer het na vele moeite
en vele teleurstelling eindelijk zoover gekomen is
(volgens eigene meening ten minste), zich aan alle
aardsche schepselen en elke bijzondere vriendschap
onthecht te hebben, gaat het zich weder schadeloos
stellen door de gehechtheid aan een vogel, een huis-
dier, waarvan men niet scheiden kan en dat men
zelfs beweent, als het sterft! Indien zulke gehechtheid
aan dieren afkeuring verdient in wereldsche personen,
hoeveel te meer is dit het geval in eene Bruid van
Jezus-Christus!
III.
Gevaren voortspruitende uit den wil.
Deze gevaren kunnen voortspruiten uit de lafheid
van den wil, die altijd dobberend tusschen plicht
en genot, steeds zoekt naar de grenslijn, waar de
plicht eindigt en de fout begint, om zich alles wat
niet rechtstreeks zonde is, te veroorlooven. — Hoe kan
die wil anders dan van tijd tot tijd bezwijken, als hij
door den hartstocht wordt voortgestuwd, hij die zoo
traag en lafhartig is, om de gedachten en de gevoelens
-ocr page 432-
426
"te verwijderen, die hem bij het gebed bestormen,
om de genegenheden die, hoewel niet zondig, toch
gevaarlijk zijn, te vluchten?
IV.
Gevaren voortspruitende uit de zinnen.
Deze gevaren kunnen voortspruiten uit de zinnen,
die onderdrukt schijnen, doch door eene nietigheid
worden opgewekt; die dood schijnen, doch door een
woord, eene herinnering als geëlectriseerd worden.
O vertrouw dien vrede niet, waarin uwe zinnen u
sedert eenige maanden laten voortleven; zeg niet:
Ik ben zoo gelukkig, ivant niets maakt meer indruk
op mij:
en veroorloof u, op die ongevoeligheid, welke
slechts oppervlakkig is, vertrouwende, die lichtzinnige,
aangename, misschien eenigszins weieldscke lectuur
niet, welke u gedachten kan inboezemen, die u een
weerzin voor uwe roeping zouden kunnen geven; —
vermijd die uitwendige vriendschapsbetuigingen, die
in u gevoelens gaan opwekken, welke tot kwade
begeerten geleiden; — veroorloof u die vrijheid in
geheel uwe houding, in uwe blikken niet, die eene
menigte gedachten in uwe ziel zullen doen ingaan,
welke gij er slechts met groote moeite uitdrijven zult.
De zintuigen sterven nooit; zij sluimeren slechts.
V.
Gevaren voortspruitende uit den Regel
EN UIT UWE BEDIENING.
Deze gevaren kunnen ontstaan:
1. Door het nakomen zelfs uwer regelen, waar-
van de gewoonte sleurgang wordt.
-ocr page 433-
427
2.     Door uwe bediening, die gij in kleine zaken
zoudt kunnen veronachtzamen.
3.     Door uw geheel religieus leven, dat u tot last
wordt, omdat gij langzamerhand de eerste vurigheid
hebt verloren en in eenen staat van lauwheid verkeert.
Beschouwen wij vluchtig deze drie ziekten der ziel,
waaraan gij bloot staat: de sleurgang, de onacht-
zaamheid, de lauwheid.
1. De sleurgang.
De sleurgang is: zich in de gemeente bewegen gelijk
eene machine, die voortgestuwd wordt; zij komt,
gaat, beweegt zich vooruit of achteruit, naarmate zij
voortgedreven wordt. Er zijn zielen in de gemeente
die zoo handelen; krachteloos uit zich-zelven, laten
zij zich door traagheid en onachtzaamheid overmees-
teren, en terwijl de regel aan de gemeente eene
gelijke beweging mededeelt, volgen zij den stroom;
zij gaan naar het gebed, naar de getijden, naar het
werk, omdat men er heen gaat. — Zij handelen zonder
nadenken, zonder doel, zonder ondei-zoek; — is de
oefening volbracht, gaan zij naar eene andere, naar
eene derde, ziedaar alles! Haar leven is een machine-
leven, een sleurgang; wellicht noemen zij het een
welgeregeld leven, doch dit is niet waar, een wei-
geregeld leven is een onderworpen, een nauwkeurig
leven, strevende naar een bepaald, gekend, verlangd
en verheven doel, en de uitwendige regelmatigheid
is slechts het middel om dit doel te bereiken. Deze
levenswijze heeft zeker hare verschillende trappen,
maar op alle trappen veroorzaakt zij aan de ziel
een onberekenbaar nadeel; zij vernietigt volkomen
den religieuzen geest en de godsvrucht,
— zij belet
de vrucht der IIII. Sacramenten van biecht en Com-
-ocr page 434-
428
munie, — zij beneemt de verdiensten van elk goed
werk met eene goede meening in staat van genade
verricht, en van al het lijden om Gods liefde ver-
dragen.
— Zij doet de ziel wegkwijnen door gebrek
aan voedsel.
Schud u dan los, o gij die dezen weg volgt! Dit
leven is het leven niet van eene christelijke ziel,
ja zelfs het leven niet van een redelijk schepsel. —
Zeg voor elke oefening, die gij gaat beginnen, met
een kalm en vreedzaam gemoed: Ik ga deze zaak,
op deze wijze, om deze beweegreden, met deze meening
verrichten
, en ik wil daarmede God behagen!
2. De onachtzaamheid in kleine zaken.
Men noemt kleine zaken diezelfde oefeningen en
voorschriften, die elk oogenblik van den dag weder-
keeren, wier naleving slechts weinig tijd vordert
en wier overtreding in zich-zelve van zeer weinig
gewicht is. Die kleine zaken vindt men in de dag-
orde;
opstaan op het eerste teeken, — getrouwheid
om zich te begeven waar de klok ons roept, —
vaardigheid om een begonnen werk te staken, zoodra
de gehoorzaamheid het vraagt, — liever langzaam
dan haastig de trappen op te klimmen of af te dalen, —
al de gebeden, op dit of dat uur voorgeschreven,
nauwkeurig te verrichten.
Die kleine zaken vindt men in de houding, die
eischt, dat men steeds de oogen nedergeslagen houde, —
die de wijze voorschrijft van te zitten, handen en
voeten te plaatsen, — te knielen, te staan of te bidden, —
de wijze, waarop men den brevier moet houden, —
het ceremonieel te volgen in het koor, het kapittel,
de openbare schuldbelijdenis, — de wijze van eenig
kleedingstuk te dragen, — zich op deze of gene wijze
-ocr page 435-
429
te kleeden. Men vindt ze in de cel ten opzichte dei-
orde, die daar behoort te heersenen, der voorwerpen
die er behooren te zijn, in de eetzaal, omtrent het
oogenblik, waarop men de servet moet ontvouwen,
de wijze waarop men de zaken, die men noodig heeft,
moet plaatsen.
Men vindt ze in de wederzijdsche betrekkingen van
liefde en welwillendheid;
de wijze van elkander aan
te spreken, te schrijven; een verzoek tot de Overste
te richten.
Men vindt ze in den vriendschappelijken omgang,
welke verbiedt elkander bij de hand te vatten, —
zich met twee af te zonderen gedurende de recreatie, —
den tijd bepaalt, waarop men naar de spreekkamer
mag gaan, hoelang men er moet blijven, hoe men
zich daar moet gedragen.
Al deze oefeningen zijn klein; het zijn onzichtbare
draadjes, doch zij vereenigen de paarlen van een
halssnoer; het zijn slechts draden, doch zij hechten
verscheidene stukken stof aan elkander, en deze vormen
een geheel! Eén draad doorsnijden beteekent weinig,
doch het is het begin eener losscheuring, die als
zij niet weerhouden wordt, tot eene algemeene
ontbinding voert.
De onachtzaamheid in kleine zaken wordt in de
hand des duivels een middel tot verleiding. Wel
wacht hij zich, de religieuze, die hij van haren plicht
af wil trekken, zware fouten, voorbedachte onge-
hoorzaamheid of zware overtredingen der armoede
voor te stellen; hij zal haar slechts verleiden tot eenige
kleine overtreding van den regel, tot eene kleine
verzachting van haar moeielijk en pijnlijk leven, door
de gedachte het is soo\'n kleine zaak; en aldus zal hij
haar allengs tot traagheid, tot onregelmatigheid, tot
-ocr page 436-
430
tegenspraak verleiden. Want de duivel kent beter
dan wij het gewiekt van deze uitspraak der heilige
Schrift: Hij die de kleine zaken versmaadt, zal allengs
vallen
(Ecci.i XIX, 1); en dit woord van Jezus-Christus:
Hij die in kleine zaken onrechtig is, zal ook in de
groote onrechtig zijn.
(Luc. XVI, 10.)
De onachtzaamheid in zaken, die noodzakelijk tot kleine
fouten
geleidt, al zoude zij ook eene religieuze niet
tot zware zonden brengen, verkoelt in haar hart de
liefde tot God, welke alleen haar de vreugde van
den staat, dien zij omhelsd heeft, kan doen smaken; —
zij doet haar die f eederheid van geweten verliezen, die
hare ziel als met een dubbelen muur omsloot en haar
voor menigen val behoedde. Zij versterkt de kwade
neigingen,
die ieder onzer in zijne ziel gevoelt; en
deze neigingen slepen haar ten laatste mede, zonder
dat zij het zelve merkt. — Zij doet haar, om zoo te
zeggen, met God afrekenen, zich houdende aan hetgeen
zij het voornaamste noemt; op zijne beurt trekt God
zich terug. Gij meet uwe hulde, uwe gehoorzaamheid,
uwe getrouwheid af; en God meet zijne bescherming,
zijne liefde af. Gij weigert aan God, wat gij zegt,
niet volstrekt schuldig te zijn; en God zal u die
bijzondere hulp weigeren, welke uwe zwakheid zoo
noodig heeft in het uur der bekoring, en die buiten-
gewone genaden, aan de vrienden zijns Harten voor-
behouden.
De onachtzaamheid in de kleine zaken veroorzaakt
kleine wonden in uw hart, in uwen geest, in uwe
zinnen; kleine wonden, wel is waar, maar steeds in
aantal toenemende, dreigen zij de kiem van het geestelijk
leven aan te tasten en uit te doven. Let wel op
deze trappen: De rechtvaardige wordt onachtzaam
en verzwakt, de genade vermindert, de zondige mensch
-ocr page 437-
431
wordt sterher, de religieus kioijnt, de christen ver-
dioijnt.
Schud u dan wakker, onachtzame ziel; o wist gij
toch eens wel, wat gij zoudt kunnen winnen, als
gij getrouw waart in die dagelijksche kleine zaken,
die voor u ongemerkt voorbij gaan!
1. Gij verheerlijkt God, die in u eene getrouwe
en toegenegene dienstmaagd ziet die zijnen wil ver-
vult met liefde tot in de kleinste zaken van het
dagelijksch leven. Want men moet wel eene groote
liefde hebben, om nauwkeurig getrouw te zijn in alles,
om aan eene begeerte, door God uitgedrukt, eene
wettige voldoening of een begonnen werk op te offeren,
en aldus bij het eerste teeken der klok een werk te
verlaten, dat ons bevalt, eene zuster wier gesprek ons
behaagt, een boek, dat ons boeit, zelfs een begonnen
brief, een half gevormden zin, ja een half geschreven
woord af te breken.
Wel moet men God beminnen, om Hem elk oogen-
blik van den dag, en dat gedurende zijn geheele
leven, zijnen wil, zijne ledematen, zijne krachten,
zijne neigingen te slachtofferen; want dit vraagt eene
heldhaftige ziel.
De getrouwheid in kleine zaken kan slechts voort-
komen uit den geest van ijver, die geene enkele ge-
legenheid laat voorbijgaan om God te behagen en
te vereeren, — uit den geest van zelfverloochening,
die zich verleent tot dat verborgen leven, tot die
menigvuldige offers, die veel aan de natuur kosten
en niets aan de ijdelheid geven, — uit den geest van
dankbaarheid,
die, getroffen door de goedheid Gods
ten haren opzichte, Hem ook altijd meer en meer
zoekt te geven, — uit den geest van dankbaarheid, die,
het oneindig verschil overwegende tusschen datgene
-ocr page 438-
432
wat het scbepsel vermag en wat God verdient, door
de vurigheid der liefde en de nauwkeurigste getrouwheid
de zwakheid van haar vermogen zoekt aan te vullen, —
uit den geest van kracht en edelmoedigheid eindelijk,
die door eene bestendige oplettendheid op de kleine
zaken van al de dagen, van al de uren, van al de
minuten, even zoovele offers wil maken, om den God
aan wien zij zich geschonken heeft, te verheerlijken.
2. Gij maakt u heilig, en dat op de zekerste
en onfeilbaarste wijze, omdat gij alles uit liefde tot
God doet. — ü neen gewis, het is de ijdelheid, het is
de eigenliefde niet, die u nauwgezet maakt in kleine
zaken; het is de liefde tot God alleen, want Hij alleen
ziet en waardeert wat gij doet, en de moeite, die het
u kost. Daarenboven weet gij, dat eene daad nooit
waarlijk groot en vooral niet verdienstelijk ter zaligheid
is door den glans, die haar omgeeft, maar door de
meening, loaarmede men ze verricht,
— door de be-
xoeging der genade, die ze ingeeft
, — door de goed-
keuring , die God er aan hecht en door de loaarde, die
Hij zich gewaardigt daaraan te geven.
Wees dan getrouw, o gij goede dienstmaagd des
Heeren, en eens zal God, uw meester, tot u zeggen:
»Ik heb alles geteld, en ik ga alles beloonen; uwe
offers waren licht, maar gij hebt ze vermenigvuldigd;
zij hadden weinig waarde in de oogen der menschen,
maar uwe liefde en uwe volharding hebben ze mijner
waardig gemaakt. Treed binnen in de vreugde uws
Heeren."
3. De lauwheid.
I. De lauwheid, die het bijna onvermijdelijk gevolg
is der onachtzaamheid in kleine zaken, is een gebrek
aan moed, aan kracht, aan ijver, aan goeden wil
vooral, in de vervulling onzer plichten.
-ocr page 439-
433
Het is de toestand eener religieuze, die zeker eene
goede religieuze wil zijn, die zelfs zeer verwonderd zou
zijn, als men haar zegde dat zij het niet is, maar
die zich niet de geringste moeite geeft om het te
worden. Zij is als door eene slepende ziekte aan-
getast, of beter gezegd, door een soort van geestelijke
verdooviug, die haar ongevoelig laat voor de onder-
wijzingen , de voorbeelden, de waarschuwingen en
vermaningen.
Hare ziel is het veld van den luiaard, in de grootste
wanorde en geheel bedekt met distels en doornen, —
de onvruchtbare vijgeboom, die slechts bladeren voort-
brengt, — de openbare weg, waarop het onkruid de
ingevingen der genade, de wroeging van het geweten,
de goede voorbeelden van anderen verstikt, — het
standbeeld eindelijk, dat ooren heeft, doch niet hoort,
oogeu, doch niet ziet, een mond, maar die niet bidt,
een hart, maar dat niet klopt voor haren hemelschen
Bruidegom! Ziehier het portret, dat Cassianus schetst
van den religieus, die in lauwheid verkeert.
»Hij vreest en haat de retraite, hij verveelt zich
in zijne cel; hij veracht zijne broeders, werkt met
traagheid, en heeft noch vrees noch onrust omtrent
zijne nalatigheid in zijne godsdienstplichten; hij is
een slaaf der zinnelijkheid, stort zich uit, houdt zich
met wereldsche zaken bezig; hij bemint ijdele ge-
sprekken, ontvangt met weerzin den goeden raad, dien
men hem geeft, en zoekt uitvluchten om dien niet te
moeten opvolgen; hij verdraagt met moeite het juk
der regeltucht, behoudt eene ongeregelde genegenheid
voor zijn huis, zijne goederen, zijne bloedverwanten.
en veroorlooft zich gevaarlijke gemeenzaamheden."
Van tijd tot tijd ondergaat de lauwe religieuze een
28
-ocr page 440-
434
schok, die haar tot God schijnt terug te voeren, bijv.
bij eene retraite, bij den dood eener medezuster, als
het huis met eene besmettelijke ziekte bedreigd wordt...
Maar die schok is slechts van korten duur; zij keert
weder spoedig tot haren vorigen toestand terug. —
In alle geval, zegt zij, doe ik geene zware zonden;
en zelfs als zij te biechten gaat, vindt zij zich nauwelijks
aan eenige bepaalde fout schuldig; verstrooiing in
het gebed, een weinig traagheid bij het icerk
, Meine
overtredingen tegen de liefde;
verder ziet zij niets;
zij wordt niet bekoord, zij is niet ongerust. En
geen wonder, de duivel behoeft haar niet naar den
afgrond te stooten, zij gaat er van zelve naar toe.
II. Treurig, zeer treurig is deze toestand, nog
treuriger dan de staat van doodzonde. Gave God,
zegt de H. Geest tot de lauwe ziel, gave God dat
gij geheel koud waart!
Eene doodzonde, welke u tot
den grond zou vernederen en u de hel onder uwe
voeten geopend zou doen zien, zou u schrik aanjagen
en u, althans door de vrees, terugvoeren tot den
God, van wien gij u verwijderd hebt; maar uwe
lauwheid laat u onverschillig bij de gedachte der
eeuwige verdoemenis, ongevoelig voor de vermaningen
die uwe godvruchtige medezusters treffen; de lauwheid
zegt u, — en gij neemt die woorden zonder de minste
ontroering aan: Dit is niet voorul — Uwe lauwheid
heeft aan God deze woorden doen zeggen, welke de
menschelijke tong nauwelijks zou durven uitspreken:
Jk ga u uitwerpen.... O hoe walgelijk moet uw toestand
zijn, daar God, die de zondaars met zorgvuldigheid
opspoort, ze met teederheid ontvangt, als een vriend
aan hunne tafel gaat nederzitten, ze zelfs omhelst,
gelijk Hij Judas omhelsde, van u, lauwe ziel, zulk
een afkeer gevoelt, dat Hij, trots zijne liefde, u niet
-ocr page 441-
435
kan verdragen, u wil uitwerpen als een voedsel, dat
de maag drukt!
Bestudeer vluchtig de uitwerkselen der lauwheid.
1.     Zij is het begin eener bijna ongeneesbare
geestelijke ziekte.
Om van eene ziekte te kunnen ge-
nezen, is het noodzakelijk, dat men den aard en
den graad daarvan kenne, dat men haar ten minste
gevoele, en de lauwe ziel gelooft niet dat zij lauw
is, zij vertoornt zich, als men haar zegt, dat zij het
wezen kan; ook hield de H. Bernardus zich overtuigd,
dat de bekeering van een loereldling, hoe slecht ook
van leven, minder moeielijk toas, dan die van een
laincen religieus.
2.     Zij stelt ons in onmiddelijk gevaar, in doodzonde
te vallen en,
wat nog erger is, in doodzonde voort
te leven.
Daar de lauwe religieuze lichtelijk en bijna
zonder gewetenswroeging eene menigte dagelijksche
zonden bedrijft, gevoelt zij langzamerhand de vreeze
van God te vergrammen, verminderen. Weldra komt
zij zoover, dat zij hare verbeelding vermaakt met
zinnelijke gedachten, die weldra onzuivere gedachten
worden, dat zij vermetel genoeg is, om te aarzelen
tusschen het toestemmen of het verwerpen der be-
koring: dit is wel toegestaan, dat is niet verboden....
en als de twijfel komt, of zij al dan niet toe-
gestemd of er behagen in genomen heeft, weet zy
duizend uitvluchten te vinden om hare fouten te
verschoonen. Ach, luister naar die onfeilbare uit-
spraak: Wie het gevaar bemint, zal er in omkomen;
wie kleine fouten minacht, zal in groote vallen.
3.     Zij stelt ons bloot aan een onchristelijken dood.
De dood, zeggen de Heiligen, is de weerklank van het
leven, en het zou een groot wonder zijn, zoo men,
na in lauwheid geleefd te hebben, in vurigheid stierf.
-ocr page 442-
436
Bij het naderen van den dood gevoelt de lauwe
religieuze niet het minste verlangen naar den hemel,
de aarde omknelt haar met duizend banden, zij heeft
slechts ééne gedachte: genezen. — En als het uur
der bediening aanbreekt, als zij begrijpt dat er geen
hoop meer is, o ja, dan bidt zij, dan beveelt zij zich
aan de H. Maagd, aan haren Engelbewaarder, zij
vernedert zich, zij vraagt vergeving, zij smeekt hare
zusters voor haar te bidden, zij offert edelmoedig
haar leven op; doch hoezeer moet de herimiering
aan hare lauwheid, aan haar gebrek aan zelfopoffering
haar vertrouwen verzwakken! — En voor Gods aan-
schijn, voor dien God, dien gij zoo slecht gediend hebt
die u nochtans bemint, daar flij u nog ter elfder uur
uwe dwaling laat erkennen en betreuren, arme zuster,
welk eene beschaming, welke wroeging, en welk eene
smartvolle boete in de vlammen van het vagevuur!
III. Schud u dan wakker, zeggen wij u ten derden
male, o religieuze ziel, die u door de lauwheid hebt
laten overmeesteren! — Het is door de onachtzaamheid
in kleine zaken, dat de kwaal in u ontsproten is;
wees dan getrouw, getrouw tot in het kleinste aan
alle punten van den regel; het is door de traagheid
in uw werk, door uwe nalatigheid in het vervullen
uwer dagelijksche plichten, het is door uw gebrek
aan onderwerping, aan eerbied jegens uwe Overste,
dat de kwaal in u ontsproten is; wordt dan weder
werkzaam, onderworpen, eerbiedig, gehoorzaam;
vraag verlof tot voor de kleinste zaken, veroorloof
u niet de minste vrijheid, al moet gij gedurende
eenigen tijd u het grootste geweld aandoen.
Bid vooral. Bid veel, anders zult gij niets vermogen;
wees openhartig, wees oprecht ten opzichte van uwe
-ocr page 443-
437
Overste en uwen biechtvader; deel hun uw besluit
mede; verzoek hen u krachtdadig te helpen, en
geef hun getrouw rekenschap van uwe pogingen,
uw hervallen, uwen moed of uwe traagheid. Straf
u-zelve bij de minste overtreding, behandel u-zelve
als een weerspannig, luimig, eigenzinnig kind, dat
men u tot verbetering heeft toevertrouwd.
IV. Het is wellicht noodzakelijk, hier de teekeven
der lauwheid nauwkeurig aan ie wijzen.
Sommige
vreesachtige zielen beangstigen zich lichtelijk; omdat
zij geen moed, noch smaak tot het goede gevoelen,
verraeenen zij, in lauwheid te leven, en zijn bang
van God. Ziehier eenige juiste kenteekenen.
1.     Verstrooid zijn in het gebed, doch die ver-
strooiing betreuren en middelen aanwenden om ze te
voorkomen en te verminderen, is geene lauwheid.
Walg en tegenzin voor het gebed gevoelen, vele
dorheid ondervinden bij de H. Communie, zich ver-
velen in de meditatie, maar noch gebed, noch com-
munie , noch meditatie achterlaten , dit alles verrichten
op en gedurende den voorgeschreven tijd, en zich
niet verbitteren, omdat men zoo weinig voortgang
maakt, is geene lauwheid.
In fouten vallen, zelfs spoedig na de biecht, doch
er onmiddelijk berouw over gevoelen, zich tot drift
en ongeduld laten vervoeren, doch zich daarover
vernederen en bestraffen, baatzucht, ijdelheid, traagheid
gevoelen, doch er tegen in werken, is geene lamvheid.
Dit alles is strijd, het is leven, het is de weg, die
ten hemel voert.
2.     Zijne gebeden door eigen schuld, door walging,
door onachtzaamheid slecht verrichten, ze zonder
gewetenswroeging geheel achterlaten, is een begin
van lamvheid.
-ocr page 444-
438
Boeken lezen die niet geschikt zijn ora te onder-
richten , te verlichten, te treffen en tot God te voeren,
maar die slechts ten doel hebben ons te vermaken
en den tijd te korten, — zijn geweten terloops onder-
zoeken, zouder zich te willen leeren kennen en zouder
zich te willen verbeteren, — biechteu zonder juistheid,
zonder berouw, zouder voornemen zich te beteren, —
communiceeren zouder bijzondere voorbereiding, omdat
het de gewone dag is, omdat anderen gaan, omdat
men niet anders durft, — den dag, waarop men de
H. Communie ontvangen heeft, doorbrengen zonder
aan het geluk dat men \'s morgens gehad heeft, te
denken: dit alles zijn bewijzen eener toenemende
lauwheid.
Gaarne nieuwstijdingen hooren, — zich aan uitge-
stortheid overgeven, — aan zijne oogen en tong vrijen
teugel vieren, — een weerzin gevoelen voor hetgeen
God aangaat, en zich er niet over bekommeren, —
aan niets gebrek willen hebben, — niet willen lij-
den, — zicli ongeduldig maken bij den minsten tegen-
spoed,— kleine fouten bedrijven en de vernedering
daaraan verbonden meer vreezen, dan de beleediging
die men God aaudoet, — geene rekening houden met
de inspraken der genade, noch met de vermaningen
der Oversten; dit zijn bewijzen, dat men in lauwheid
verkeert.
Begrijpt gij, na het lezen dezer bladzijden, niet beter
deze woorden, waarmede wij dit artikel aanvingen?
Wees nooit zonder die kinderlijke vrees, die gave van
den H. Geest, die u waakzaam zal maken , bescheiden,
schroomvallig,
— getrouw aan het gebed, — nederig bij
het ontvangen eener berisping,
— sterk om de verleiding
te xoeerst.aan
, — voorzichtig om alle zinsbedrog te
onderscheiden en alle gevaar te vermijden.
-ocr page 445-
439
ZESDE ARTIKEL.
Zinsbedrog omtrent de eigenwaarde.
Zij zijn talrijk, de begoochelingen omtrent onze
eigenwaarde!
Noch ondervinding, noch teleurstelling
verdrijven die ooit geheel, en zij tergen ons tot op
ons doodsbed!
In de woestijn, ver van alle blikken der menschen
verwijderd, luistert de kluizenaar nog met zelfbehageu
naar de inblazing: Ik ben toch iets ivaardf — leeft
hij met een gezel, al ware deze zijn Overste, verrast
hem nog de gedachte: Ik ben toch zoo goed als hij. —
Gelukkig als hij nog niet met den Phariseër van het
Evangelie zegt: Ik dank U, mijn God, dat ik niet
ben, als het overige der menschen
, die onrechtvaar-
digen
, dieven en zinnelijke menschen zijn, zelfs niet
als degene
, die bij mij is.
Arme, arme menschelijke natuur! Hoor de uitspraak
van Hem wiens woord onfeilbaar is: Zonder mij kunt
gij niets doen
(Joa. XV, 5). Hoeveel zegt dat woordje
Niets! Als gij alles zult gedaan hebben wat u bevolen
is, zegt: Wij zijn onnutte dienaars, wij hebben gedaan
toat ivij moeten doen.
(Luc. XVII, 10). Hoor den
H. Paulus, de woorden zijns Meesters uitleggende:
Wat hebt gij dat gij niet ontvangen hebt? en als gij
het ontvangen hebt
, loaarom verheft gij u, als haddet
gij het niet ontvangen.
(I Coit. IV, 7)?
Hoor den H. Joannes van het Kruis, van zich-
zelven, van u, van alle menschen sprekende volgens
het licht, dat hij in eene zijner overwegingen had
ontvangen:
-ocr page 446-
440
Het niet beschouwt niets.
Het niet maakt op niets
aanspraak.
Het niet vindt smaak in
niets.
Het niet keurt niets af.
Het niet wordt door niets
gekwetst.
Het niet benijdt niets.
Het niet deelt in niets.
Het niet ondersteunt niets.
Het niet is aan niets
gehecht.
Het niet wordt door niets
ontsticht.
Het niet beijvert niets.
Het niet oordeelt of ver-
oordeelt niets.
Het niet vreest niets.
Het niet verlangt niets.
Het niet schroomt niets.
Het niet vertoornt zich
over niets.
Ik ben niets.
Ik kan niets.
Ik ben goed voor niets.
Ik verdien niets.
Men is mij niets schuldig.
Het niet heeft niets noodig.
Het niet kan niets.
Het niet is goed voor niets.
Het niet is niets waardig.
Het niet beklaagt zich
over niets.
Het niet beleedigt zich
over niets.
Het niet verwondert zich
over niets.
Het niet ontstelt zich over
niets
Het niet is tot niets ge-
schikt.
Het niet betracht niets.
Het niet vraagt niets.
Het niet stelt zich met
niets tevreden.
Hoor den H. Franciscus van Sales van diegenen
sprekend, die van God verstand, schoonheid en talent
ontvangen hebben: »Helaas, al zijn de muilezels met
de kostbare meubelen van den vorst beladen, zijn
zij toch slechts lompe en vuile dieren! En in een
brief aan de H. Joanna Franc, van Chantal van zich-
zelven sprekende, zegt hij: »Als gij mij wel kendet,
zoudt gij zeggen: Ziedaar een riet, waarop God wil,
dat ik steune; ik ben veilig, omdat God het wil,
maar het riet deugt niets."
-ocr page 447-
441
»Men verheft het goede door mijne prediking be-
werkt," zegt hij elders, »maar, helaas, ik ben als een
voorsnijder, die alles aan anderen voordient en niets
voor zich houdt, — als eene luit, die doof is voor
hare eigene akkoorden, — als eene ladder, die anderen
doet stijgen, waar zij-zelve niet heengaat, — als de
uithangborden die den reiziger uitnoodigen tot rust
en genot, en zelven in wind en regen blijven hangen."
Hoor de Navolging van Jezus- Christus, die u zegt
bij uw intreden in het klooster: »Gij zijt niet hier
gekomen om te bevelen, maar om te gehoorzamen,
niet om gediend te worden, maar om te dienen.
Gedenk, dat gij geroepen zijt tot werken en niet
tot ledigheid of tot het verrichten van beuzelarijen.
De ziel moet hier beproefd worden als het goud in
de smeltkroes. Niemand kan hier blijven, als hij uit
liefde tot God niet in vernedering wil leven. Wilt
gij iets nuttigs leeren: Zoek onbekend en voor niets
geacht te icorden."
Ziedaar gezonde begrippen van eigenwaarde: Niets
uit ons-zelven; alles wordt ons door God geleend.
—
Zich verhoovaardigen, zich verheffen is een leugen,
een diefstal
»Als men u prijst," zegde de H. Catharina van
Genua, »dan besef wel, dat men niet van u, maar
van de gaven van den Heer spreekt."
Is een aarden vat, al ware het met edelsteeneu
gevuld, daarom iets meer dan aarde en slijk? —
Kan iemand, die van aalmoezen en geleend goed
leeft, trotsch zijn op hetgeen hij bezit?
O hoe waar is dit woord: om nederig te zijn is
het voldoende
, gezond verstand te hebben; en hoe
waar was dit woord van P. Lacordaire: de nederigheid
is eene groote mate gezond verstand.
-ocr page 448-
442
Al de heiligen waren overtuigd, dat zij slechts
"verachting verdienden ; en hoewel allen de gevoelens
hunner eigene zwakheid en nietigheid niet openlijk
verkondigd hebbeu, zoo hebben toch allen gedacht
wat de H. Vincentius tot zijne priesters zegde:
Indien gij mijne ellende hendel, zoudt gij mij uit de
Congregatie drijven
, icelke ik lot last en tot schande
verstrek."
Wij gaan nu aantoonen:
1.     Het uihverksel der zinsbegoochelingen omtrent
de eigenwaarde.
2.     De (jeneesmiddelen daartegen.
I.
tyïitwcz&scten van -f»et z>in$ve>dzoa
onvtzcnt de eiqcnwaazde.
De uitwerkselen dezer zinsbegoocheling, die de
vrucht van den hoogmoed is, zijn talrijk; zij zijn
zeer nadeelig voor de ziel, welke zij afschuwelijk
maken in Gods oogen
, zegt de H. Basilius; en voor
trien,
voegt de H. Giegorius er bij, zij zijn als eene
pest, die al toat in haar is, bederft:
zij zijn zeer
nadeelig voor de gemeente, waarin zij verwarring
en verdeeldheid zaaien en den geest van liefde ver-
nietigen.
Ziehier de vluchtige opsomming der voornaamste
uitwerkselen:
1. Zich boven andereu stellen, — ze verachten,
ze uitwendig versmaden en hun bij elke gelegenheid
deze verachting doen gevoelen.
Zich vasthouden aan zijne denkbeelden, — met
-ocr page 449-
443
allen over alles redetwistende, — nooit bekennen, dat
men ongelijk gehad heeft, al is men in zijn hart
overtuigd, dat men zich werkelijk vergist heeft.
3.     Alles afkeuren wat in huis gezegd of gedaan
wordt: eene verandering, eene herstelling, een raad....
Het is genoeg, dat ons gevoelen niet gevraagd is,
om al wat gedaan wordt, af te keureu.
4.     Veel van zich-zelven spreken om een com-
pliment te bedelen of zijne meerderheid te doen
gelden. Het woordje Ik zweeft altijd op de lippen
eener hoovaardige religieuze, altijd spreekt zij over
zich-zelce, over hare familie, hare vrienden in de wereld,
altijd haar-zelve of de haren tot in de wolken verheffen-
de, — die zij verontschuldigt, die zij volmaakt vindt.
5.     De aanmerkingen met tegenzin, met een be-
leedigeud zwijgen, met gebaren van verachting ont-
vangen, — driftig en bits antwoorden, om zich te
rechtvaardigen, —- met trotsch opgeheven hoofd heen-
gaan en met de noodige overdrijving alles aan anderen
gaan overdragen.
6.     Eene medezuster, die beter dan wij in haar
werk slaagt, benijden, haar den lof, die men haar
geeft, misgunnen; naijverig zijn op de godsvrucht,
die zij toont en werkelijk bezit, op de genadeu, die
God haar geeft en het vertrouwen haar door hare
Oversten betoond; — zich, althans inwendig, ver-
heugen, als men die medezuster benijd, vernederd
ziet, door een bitter verwijt, door de werkeloosheid
Avaarin God haar plaatst.
7.     Uit menschelijk opzicht vreezen van god-
vruchtig, nauwgezet, vooral gehoorzaam te schijnen; —
of juist omgekeerd, om zich te doen bewonderen en
benijden , de nauwgezetste, de werkzaamste, de god-
vruchtigste van allen willen schijnen.
-ocr page 450-
444
8 Niet vaardig, nocli gewillig gehoorzamen, omdat
men zijne Oversten niet acht, zeggende, dat zij niet
op de hoogte van haar standpunt zijn, — omdat men
oordeelt, dat het voorzichtiger en wijzer is hare bevelen
te overtreden dan ze te volgen , — omdat men zich een
zeker voorkomen van onafhankelijkheid wil geven, —
omdat men zijne vrijheid bemint.
9.     Zoeken zich te laten gelden door de kinder-
achtige zorg, waarmede men zijne kleederen schikt, —
door voorwerpen van pracht die men draagt, (jouden
horloge
, schoone medaille, fijnen bril, boek verguld op
snede
, — door de wijze van te gaan, te spreken, te
bidden, in alles, door alles de oogen zoekende te
trekken.
10.     Zich ongeduldig maken bij den minsten tegen-
spoed , zich vertoornen over alles wat tegen onze
zienswijze aandruischt, — tegen eene Overste, die eene
vraag weigert, — tegen den biechtvader, die een offer
vraagt, dat men niet brengen wil, — tegen eene
medezuster, die niet handelt zooals wij het zouden
wenschen, die het ongeluk heeft gehad ons tegen
te spreken, — tegen de personen, die ons toevertrouwd
zijn, omdat zij niet doen wat wij zeggen en gelijk wij
het zeggen.
11.     Nieuwsgierig zijn naar zaken, die ons niet
aangaan: Wat doet die zuster ? Met wie is zij in de
spreekkamer ? Waarom is zij door de Overste geroepen ?
Wat hebben die zusters daar elkander te zeggen ?
Trachten alle kleine geheimen van het huis te
doorgronden om ze te kunnen uitbazuinen, en den
naam te hebben van goed op de hoogte te zijn.
12.     Zich altijd bij elke aanmerking verontschul-
digen, hetzij door de Overste, door den biecht-
vader, of door eene andere zuster gemaakt, — nooit
-ocr page 451-
445
ongelijk willen hebben, — zich beklagen dat rnen
het altijd op ons gemunt heeft, dat men ons niets,
en anderen, die veel schuldiger dan wij zjjn, alles
door de vingeren ziet, — zich ten minste beroepen
op de goede meeniugen, die men gehad heeft en die,
zegt men, door God gekend zijnde, voldoende zijn
om ons in onze oogen te rechtvaardigen en te troosten.
13.     Schijnheilig zijn, dat wil zeggen, zich in het
geheim overgeven aan driften, die men aan zich-zelve
niet kan ontveinzen, ze verbergen onder den schijn
van deugd. — Dit is de laagste graad, waartoe de
hoogmoed ons brengt.
14.     Zich uiterst teergevoelig toonen, — in bijna
alle woorden en handelingen van anderen beleedi-
gingen zien, ons aangedaan of ons voorbereid; — alles
wat men ons zegt, voor ons doet, kwalijk nemen, —
zich verbitterende om een woord, dat men toevallig
hoort, eene manier die ons hindert, zich boos ma-
kende , zich vertoornende, zich tot drift latende
vervoeren.
15.     Zich ergerende, omdat alles in anderen niet is
gelijk men wenscht; zich over ieder beklagende,—
aan de eene haar vreemd karakter, — aan de andere
haar trotsch voorkomen, — aan eene derde haar
droevig humeur, — aan eene vierde hare uitgelaten
vroolijkheid verwijtende, altijd de splinter zien in het
oog oneer medezuster en nooit den balk in het onze.
1G. Niemand iets toegeven, omdat men zich altijd
geraakt gevoelt, door alles wat tegen gaat: een woord
in de recreatie ontsnapt, door ons als eene beleediging
opgenomen, — eene weigering, die wij als een smaad
beschouwen, — eene tegenspraak, die men niet kan
dulden, — eene onbeleefdheid, die men niet licht
zal vergeten.
-ocr page 452-
446
17.     Voortdurend ontevreden zijn over allen, over
alles. Men is onbillijk jegens ons, — men waardeert
"ons niet, — men gebruikt ons niet, — men vraagt
ons nooit raad ...
18.     Zijn verdriet, zijne ongesteldheid, zijne raoeie-
lijkhedeu overdrijven ; ieder doet ons lijden, de Overste,
de biechtvader, onze medezusters, het weder, de
ziekelijkheid, de gevorderde leeftijd!..... en niemand
heeft medelijden met ons lijden; men laat ons ter
zijde, men vergeet ons, men verlaat ons, en nochtans
heeft men zulk eene behandeling niet verdiend! —
O als men het geweten hadde!.....
19.     Iedereen wantrouwen en er groot op gaan,
dit gebrek van nederigheid toeschrijvende aan het
doorzicht van onzen geest, die ons geleerd heeft,
hoe weinig oprechtheid, rechtzinnigheid en open-
hartigheid men in de gemeenten vindt. — Waren
allen zooals zij! zeggen die hoovaardige geesten; —
zij gaan recht door zee, maar de andereu bedriegen
en verraden, daarom houden zij .alles maar voor zich!
20.     Na eene opmerking, eene weigering, eene
berisping, blijven pruilen. — Geheele dagen blijven
loopen met een zuur gezicht, zonder een enkel woord
te zeggen; aan allen die ons met goedheid toespreken,
met een stroef, koel, norsch gelaat slechts toevoegen:
Laat mij met vrede, ik weet tvel wat ik doen zal. —
Al die vertooningen van kwaden luim zijn vertoo-
ningen van grooten hoogmoed.
21.     Met overdrijving en gemaaktheid spreken over
hetgeen men te doen heeft, — over de vermoeienis,
die men ondervindt, — men heeft nauwelijks tijd
om adem te scheppen, — over de weinige hulp en
verlichting, die men ondervindt, — herhalende dat
men zulk een aanhoudend werken niet lang uit zal
-ocr page 453-
447
houden; en alle vermaningen omtrent onnauwkeurig-
heid en elk verzoek om eenigen dienst te bewijzen,
beantwoorden met een: Jk heb geen tijd!
22.    Meer eischen dan anderen, zoo in betrekking
tot het voedsel, de kleeding, als ten opzichte der
bijzondere dispensatiën, waartoe men zijne bediening
en zijn werk laat gelden; zijnen onderhoorigen, jon-
gere zusters, of die met ons werken, op eenen harden,
gebiedenden, bitsen toon bevelen geven.
23.     Zich somtijds beschuldigen, om anderen te ver-
plichten ons te prijzen; alle mogelijk kwaad in iets
dat wij gedaan hebben, opsommen om door anderen
te doen zeggen, dat het uitnemend goed gedaan is; —
met aandrang vragen, dat men ons onze gebreken
en fouten onder het oog brenge, en zich lichtgeraakt
en boos toonen tegen degene, die eenvoudig genoeg
is ze ons te zeggen; — men noemt dit nederigheid
met een haakje.
24.     Naar alle zijden goeden raad geven, maar
nooit oprecht raad vragen; — den raad, dien men
ons geeft, misachten, en het zeer vreemd en vrij
vinden, dat men ons raad geeft.
25.    Met weerzin en weerbarstigheid eene berisping
aannemen, onder voorwendsel, dat ze moed en hoop
beneemt, dat men geen kind of novice meer is,
en dat het geweten genoeg is, om religieuzen van
ondervinding te leiden.
Wij sluiten hier deze reeds zoo lange lijst der
aanmatigingen van den hoogmoed; doch wie onzer
kan, als hij zijn hart wel doorgrondt, er nog niet
een of ander bij voegen?
-ocr page 454-
448
II.
"S)e acneesmiddetcn tecje-w net z>iw>^(>e^^ocL
omtzcnt de ciy&nwaazdc.
I. Het beste geneesmiddel, het algemeen genees-
ïuiddel voor alle kwalen der ziel, zonder hetwelk
trouwens alle andere geneesmiddelen slechts van voor-
bijgaande kracht en geheel nutteloos voor den hemel
zijn, is het dagelijksch gebed om God de nederigheid
te vragen,
het gebed vereenigd met het overwegen
van onze eigene nietigheid. Lees in Gods tegen-
woordigheid de volgende bladzijde en laat ze diep
in uwe ziel dringen:
In welken toestand ik mij ook thans moge bevinden,
weet ik, wat ik morgen, dezen avond misschien, zal
zijn? Hoe weing is er mij noodig om in eene dood-
zonde te vallen? eene hevige bekoring, die mij wellicht
reeds nabij is, waarbij ik vergeet, mijn toevlucht tot God
te nemen....
O als ik u vergat, o mijn God! en zonder
eene bijzondere genade zou ik U kunnen vergeten!
O hoeveel ligt er opgesloten in dit woord van den
H. Philippus van Neri: Wantrouic mij, o Heer, want
als gij mij verlaat, zou ik u verraden!
Al ben ik in staat van genade, kan ik lichtelijk
vallen, en zoo diep vallen, dat ik mij verlaag tot de
allergrootste wandaden. Het geloof leert mij deze
waarheden, en de ondervinding, helaas! bevestigt ze
maar al te dikwijls.
Wie zou ooit geloofd hebben, datSalomon, de wijsste
aller menschen, de dwaasheid zoover zon kunnen
drijven, dat hij de schandelijkste afgoden aanbad? —
Wie zou ooit geloofd hebben, dat David, die zoo
-ocr page 455-
449
wijze, zoo godvreezende koning, üavid aan wien God
zijne geheimen had toevertrouwd, bij een enkelen oog-
slag op een ongeoorloofd voorwerp ineene schandelijke
misdaad zou vallen, een moordenaar zou worden en
een geheel jaar zou voortleven zonder zelfs te denken
dat hij een zondaar was? — Wie zou gezegd hebben,
dat de H. Petrus, na met zooveel oprechtheid, duizend-
maal zijne liefde en trouw bezworen te hebben, zoo diep
kon vallen van zijn goddelijken Meester te verlooche-
nen en zijne ontrouw door meineed te bevestigen?
O hoe waar is dit woord van den H. Augustinus:
Er is geene misdaad ooit door eenig schepsel bedreven,
die ik niet kan bedrijven, als God mij een oogenblik
aan mijne eigene kracht overlaat!
En God kan mij
verlaten om mij voor mijne ongetrouwheden te straffen!
Ik hang als aan een draad boven den afgrond der
afschuwelijkste zonden en der zwaarste straffen. En
ik zou zoo dwaas zijn mijne zusters te misachten, mij te
beklagen over eene kleine beleediging, ik die misschien
O                                                                     O O\'
in het naaste oogenblik niet meer waardig zal zijn
in haar gezelschap te leven!
Mijn God, mijn God, verlaat mij niet!
II. Het tweede geneesmiddel tegen het zinsbedrog
omtrent de eigenwaarde is de gewoonte van na te denken
over de natuur en de uitwerkselen der ootmoedigheid.
Wij zullen vluchtig aanduiden:
1°. De natuur en den grondslag der ootmoedigheid.
2°. De uitioerkselen der ootmoedigheid.
3°. De straf der fouten tegen de ootmoedigheid.
4°. De hoedanigheden der ootmoedigheid.
1°. Natuur en grondslag der ootmoedigheid..
1. De ootmoedigheid is eene deugd, die ons ons-
zelven doet kennen, gelijk wij zijn in de orde der
29
-ocr page 456-
450
natuur en in de orde der genade, en ons ons-zelven
doet beschouwen als de achting, den eerbied, de
goedkeuring der menscheu onwaardig.
De ootmoedigheid is de rechtzinnigheid eener op-
rechte ziel, die niet wil, begeert noch bemint dan
waarheid, zelfs dan als de waarheid haar verootmoedigt.
2. De ootmoedigheid is gegrondvest: a. Op onze
hoedanigheid van schepsel
, welke een oneindigen
afstand daarstelt tusschen de grootheid van God en
onze laagheid, tusschen de macht van God en onze
volstrekte onmacht. — Deze hoedanigheid toont ons
de waarheid dezer woorden, welke de leer van den
H. Joannes van het Kruis bevatten: Ik ben niets, —
ik heb niets, — ik kan niets. — Den geest, dien God
mij heeft gegeven, kan Hij terugnemen; mijne ledematen,
mijne zintuigen , mijne natuurlijke en bovennatuurlijke
goederen kan God, die ze mij gegeven heeft, mij ook
ontnemen, en dat zonder de minste onrechtvaardigheid.
b. Op onze hoedanigheid van zondaars. — Door
de zonden hebben wij ons verlaagd, beneden het ver-
achtelijkste wat er bestaat, zelfs beueden het slijk,
dat ten minste boven ons die eer heeft, nooit tegen
God te zijn opgestaan. Wie ernstig nadenkt, heeft
geene moeite om zijne nietigheid te erkennen; en men
begrijpt, dat de H. Thomas van Aquineu in waarheid
heeft kunnen zeggen, dat hij nooit een gevoel van
ijdel welbehagen had gehad.
2°. Uitwerkselen der ootmoedigheid.
1. De ootmoedigheid legt den grondslag voor alle
andere deugden. 7A^
is de eerste en onontbeerlijke
gesteltenis om alle zaken wel te doen, om te bidden,
te communiceer tn, te gehoorzamen, liefderijk en toege-
negen te zijn.
De hoogmoed verwekt haat voor het
-ocr page 457-
451
gezag, afschuiu van de onderwerping, verachting van
het gewone leven, eigenbaat, schijnheiligheid.
2.     De ootmoedigheid is de specerij, die alle deugden
tegen bederf bewaart.
De hoogmoed is het venijn dat ze vergiftigt en bederft,
hij bederft de goede werkeu, reeds voor dat zij verricht
worden; hij bederft ze, terwijl men ze doet; liij bedelft
ze, nadat zij gedaan zijn. fn eene ziel door den hoog-
moed beheerscht, verliezen de schoonste daden haren
glans, de schitterendste deugden hare verdiensten.
3.     De ootmoedigheid trekt het oog en het hart van
God.
— God bemint de waarheid, en daar de oot-
moedige ziel zich in het waar gevoelen plaatst van
wat zij is, van haar eigen niet, hare armoede, hare
ellende, beschouwt God haar met welgevallen en
overlaadt haar met zijne weldaden. — Hoor wat de
schrijver der Navolging van Jezus-Christus zegt,
wanneer hij spreekt van de teedere liefde, welke God
voor eene nederige ziel heeft.
» Als God haar in lijden ziet, vertroost Hij haar; —
als Hij haar gedompeld ziet in het gevoelen van haar
niet, nadert Hij haar, stort over haar stroomen van
liefde uit; en naarmate zij zich dieper vernedert,
verheft Hij haar meer tot de glorie; Hij openbaart
haar zijne geheimen en trekt haar zoetjes tot zich."
Als de ootmoedige ziel iets aan God vraagt, wordt
haar gebed steeds verhoord
(Eccl. XXXV, 21). Dan
zelfs als zij niet tot God kan spreken, als zij niet
bidden kan, vult de nederigheid het ontbrekende aan
en stelt haar schadeloos voor alles. God neemt haar
gebed als een volmaakt gebed aan.
(Juditii IX, 16).
Maria werd slechts boven alle schepselen uitver-
koren om Moeder Gods te zijn, omdat zij het nede-
rigste aller schepselen was.
-ocr page 458-
452
3°. Straf der fouten tegen de ootmoedigheid.
Het is vooral van den hoogmoed, dat men zeggen
kan: De zonde straft :ieh-zelve.
God straft de hoovaardigen door vernederingen,
die des te moeielijker te verduren vallen, als de
hoogmoed grooter geweest is; en gewoonlijk laat God
in zijne barmhartigheid toe, dat wij dezelfde verne-
deringen ondergaan, die wij anderen aangedaan hebben.
Wij zijn trotsch, hardvochtig, onbarmhartig geweest,
wij hebben verachting getoond voor medezusters, minder
begaafd dan icij,
gedrukt wellicht doorziekte, gebukt
onder den last der jaren.....de dag zal komen , waarop
wij levendig het gewicht der misachting en verstooting
zullen gevoelen! God zal, zonder iemands recht-
streeksche medewerking, toelaten dat onze medezusters
ons misachten of verstooten, dat onze Oversten zelve
ons vergeten en ons geheel ter zijde stellen.
Wij hebben uit hoogmoed onze medezusters vrijwillig
kwalijk beoordeeld
en in ons hart hebben wij, gelijk
de Phariseër, ons boven haar gesteld.
God zal toelaten,
dat wij aangevallen worden door hevige en zeer
vernederende bekoringen, die ons zullen dwingen te
erkennen, dat onze zusters beter zijn dan wij; —
God zal toelaten, dat onze Oversten ons ongunstig
beoordeelen, en alles wat wij doen en zeggen, slecht
vinden.... Ja vreeselijk zal de straf zijn der reli-
gieuzen, die zich voortdurend en vrijwillig hebben
overgegeven aan de overdreven achting voor zick-
zelven en de daaruit voortvloeiende misachting en
vrijwillige onverschilligheid voor hare zusters. God,
die hare ziel redden wil, zal geene geneesmiddelen
voor haar ontzien, en de geneesmiddelen der hoovaar-
digheid zijn zeer bitter.
-ocr page 459-
453
4°. Hoedanigheden der ootmoedigheid.
1. De ootmoedigheid moet rechtzinnig en oprecht
zijn
, dat wil zeggen, dat zij niet moet bestaan in
eenige woorden tot eigen vernedering gezegd, die
wij met zeer veel weerzin uit den mond van andereu
zouden hooren, noch in een gedrukt gelaat en gemaakte
manieren. — De nederigheid, die zich te veel vertoont
en zich om zoo te zeggen te kijk stelt, is daardoor
reeds verdacht.
»Ik noem die vertooning van gebaren, van buigingen,
geene nederigheid, wanneer ze, gelijk dit dikwijls
gebeurt, geschiedt zonder eenig inwendig gevoel van
zijne eigene nietigheid en de ware achting van den
evennaasten. Dit alles is eer eene vertooning van de
ootmoedigheid dan de ootmoedigheid zelve." (H. Frau-
i-iscus van Sales.)
Bij verscheidene van die karakters die, om zoo
te zeggen, met eene laag honig bedekt zijn, zult gij
somtijds dan een ijzeren vasthoudendheid, en dan
weder eene buitengewone lichtgeraaktheid ontdekken.
Zij zijn als sponsen, als men ze prijst, als stekel-
varkens, als men ze afkeurt of berispt. (Pr. W. Faber.)
De ootmoedigheid in woorden bestaat in veel kwaad
van zich-zelven te zeggen, doch zeer weinig kwaad
van zich-zelven te denken; in zich aan ieders voeten
te willen stellen, doch zeer ontevreden te zijn, als
men hen op hun woord vat. Het minste woord
verbittert die geesten, een klein bewijs van onver-
schilligheid is als eene pijl, die hen treft in het diepste
des harten.
»Ziehier mijn gevoelen, Philothea. Of zeggen wij
geene woorden van nederigheid, of zeggen wij die
met een inwendig gevoel, waardoor wij uieeuen wat
-ocr page 460-
454
wij zeggen. Slaan wij de oogen niet neder, zonder
tegelijk ons hart te vernederen. Nemen wij niet
den schijn aan van de laatsten te willen zijn,
zouder het werkelijk te willen zijn." (H. Franciscus
van Sales.)
2.     De ootmoedigheid moet eenvoudig zijn. Zij zal
dit kenmerk dragen, als zij geene buitensporigheid
begaat en geene buitengewone zaken doet. De
oefeningen van nederigheid moeten door bijzondere
omstandigheden gewijzigd worden, en vooral in ge-
meenteu moeten zij slechts met bijzondere machtiging
gedaan worden. Volbreng met een oprecht gevoel
uwer geringheid en strafwaardigheid de oefeningen
door uwen regel voorgeschreven, als bijv. de voeten
uwer zusters te kussen, op den grond geknield te
eten, doch doe dit alles niet meer dan voorgeschreven
wordt; maak voor u in het bijzonder geene oefeningen
van nederigheid; gij zoudt met u doen lachen en
de orde storen. De vernedering is nuttig als voorbeeld
en als geneesmiddel; maar de beoefening moet altijd
vergezeld gaan van den geest van bescheidenheid
en voorzichtigheid.
3.     De ootmoedigheid moet blijmoedig zijn. — Zij
bestaat dus niet in eene zekere treurigheid en zwaar-
moedigheid , waardoor wij alle zaken als door een
rouwfloers beschouwen; wat toch zou er dan worden
van den vrede, de blijdschap des harten, en de
geestelijke vreugde? — De ware ootmoediglieid heeft
een dubbelen blik; terwijl de eene gevestigd is op
onze geringheid en boosheid, is de andere gevestigd
op de barmhartigheid van God; die veel grooter is
dan onze ellende, op zijne goedheid, die veel machtiger
is dan onze zwakheid; en uit dien dubbelen blik
ontstaat iets dat men kan noemen den ernst van de
-ocr page 461-
455
verbannen ziel, vereenigd met de vreugde en het ver-
trouwen der gelukzaligen.
4. De ootmoedigheid moet bestendig zijn. — Zij
moet gedurende geheel ons leven beoefend worden;
want de hoogmoed geneest nooit volkomen. Ieder
christen moet de overtuiging met zich rond dragen,
dat hij slechts op aarde is, om zich te verootmoedigen:
men kan om bijzondere reden niet meer vasten, geeue
aalmoezen meer geven; maar men mag nooit ophouden,
zich te verootmoedigen; want de hoovaardigheid is
de laatste ondeugd, waarvan men zich ontdoet.
TIL Het derde geneesmiddel tegen de zinsbe-
goocheling omtrent de eigenwaarde is het beoefenen
der ootmoedigheid;
ziehier op welke wijze.
1.     Inwendig al wat glansrijk en grootsch is,
minachten, als lijnrecht strijdend tegen den geest van
Jezus-Christus, tegen den geest van nederigheid en
ootmoed.
2.     Daarentegen eene groote achting koesteren
voor alles wat arm en nederig is, als bijv. voor
arme menschen, armoedige huizen enz., omdat dit
alles meer overeenkomt met het armoedige leven
van Jezus-Christus.
3.     De kennis, de vriendschap, de gunst der rijke
en aanzienlijke personen niet zoeken; liever met de
armen dan met de grooten der aarde verkeeren; liever
aan de zaligheid der armen dan aan die der rijken
en machtigen werken, omdat het minder gevaar, meer
gemak en meer voordeel voor onze ziel bevat.
4.     Zich niet in schitterende bedieningen of zaken
dringen, waardoor men achting kan bejagen, zelfs
niet onder het voorwendsel van ijver, als ten miuste
de eer van God, de liefde of de gehoorzaamheid
ons dit niet oplegt.
-ocr page 462-
456
5.     Als men verplicht is, zich in eenige zaak te
mengen, altijd voor zich-zelve het lastigste en het
geringste kiezen, en trachten den goeden uitslag
aan anderen te doen toeschrijven.
6.     Zoo min mogelijk van zich-zelve spreken en
nooit tot eigen lof; nooit het goede vertellen wat
men doet, als dit niet noodzakelijk of stichtend is
voor onzen naasten.
7.     Nooit het goede doen om het oog der menschen
te trekken, noch om hun te behagen, zich hunne
achting te verwerven, doch alleen om God te behagen.
8.     Het goed, dat men doen kan, niet hoog achten;
altoos leven in de vrees, dat het verzuim der goede
meening, de begeeiien van aan de menschen te
behagen, de luim en eigenliefde zich in onze werken
zullen dringen en datgene afschuwelijk maken in
Gods oog, wat ons de achting en de goedkeuring der
menschen verschaft; en wanneer men zelfs gedaan
zou hebben, al wat men moet doen (en wie durft
zich vleien alles gedaan te hebbeu wat hij moest?)
zich nog volgens den raad van Jezus-Christus aanzien
als een onnuttig dienaar.
9.     Liever het goede doen, wat men in het ver-
borgen doen kan, dan het goede, dat in de oogen
der menschen schittert.
10.     Tevreden zijn met de weinige talenten ons
door God geschonken, tevreden met den weinigen
voorspoed, dien wij in ons werk, in onze bediening
hebben, wei overtuigd zijnde, dat wij God meer
verheerlijken door het omhelzen onzer nietigheid,
dan wij het zouden doen door den voorspoed, die
ons wellicht ijdel eu hoovaardig zou maken,
11.     Den lof zooveel mogelijk vermijden en zelfs
vreezen; dien ongaarne en met schaamte ontvangen,
-ocr page 463-
457
altijd vreezende, dat die ijdele lof wellicht al de
belooning is, die wij voor onze goede werken zullen
verkrijgen, dat zij ons de eeuwige beloouing zal
doen verliezen en dat de goedkeuring der meuschen,
zoo wij die zoeken en er behagen in scheppen, den
vloek van God over ons zal trekken.
12.     Hoe grooter de voorspoed is, dien God wel
aan onze goede werken geven wil, hoe dieper men
zich moet verootmoedigen, zich verwonderende dat
God, om zijne macbt te doen uitschijnen zich van
zulke zwakke werktuigen, als wij zijn, wil bedienen;
Hem er getrouw al de glorie van geven, zouder het
minste deeltje voor zich-zelve te behouden, zonder
er het minste behagen in te vinden, zich steeds de
woorden van Jezus-Christus tot zijne leerlingen herin-
nerende: »Verheugt u niet, omdat uwe goede werken
wel gelukken, maar omdat uwe namen in den hemel
staan opgeteekend."
13.     Als wij vernederd en veracht worden, moeten
wij, wel verre van ons te bedroeven en mismoedig
te worden, ons verheugen en onze nietigheid hoog-
schatten, daarin eenigszins eene rede tot blijdschap
vinden, omdat wij dan in een staat van gelijkvor-
migheid leven \'met den vernederden Godmensch.
IV. Ziehier, tot besluit, de raadgevingen door
P. Agricola gegeven aan eene religieuze, die hem
hare bekoringen van ijdelheid, van eigenliefde, en
ijdel zelfbehagen toevertrouwde.
1. Als de duivel der hoovaardij u zal ingeven, dat
gij meer geest, meer talent, meer doorzicht, meer
verstand, meer bekwaamheid, meer behendigheid hebt
dan anderen, dan zeg tot u-zelve: Helaas! komt
al het goede, dat er in mij kan gevonden worden,
niet van God? Heb ik dit alles niet van zijne goedheid
-ocr page 464-
458
ontvangen? Moet ik er God niet voor bedanken?
Is het niet alleeu tot zijne glorie en mijne zaligheid,
dat ik het moet gebruiken? Eu als ik in dit punt
te kort schiet, zal ik er dan niet eens rekenschap
van moeten preven in den das des oordeels, aan den
Oppersten Rechter, die mij dat alles gegeven heeft?
2.     Wanneer hij u zal ingeven dat gij beter en
verstandiger oordeelt, dat gij wijzer en beter spreekt,
dat gij met meer voorzichtigheid en bescheidenheid
handelt, dan zeg inwendig: Waar is mijn geest en
mijn verstand? Waariu doe ik dit bestaan, en wat
is mijne gewaande wijsheid? Dagelijks beleedig ik
God door gedachten en werken, en ik zou mij nog
iets laten voorstaan op mijne wijze van denken,
van spreken, van handelen !
3.     Als hij u de achting zal voorstellen, die men
voor u heeft, den eerbied, dien men u toedraagt,
de oplettendheid en de vriendschap, die men voor u
heeft, dan zeg tot u-zelve: Wat zal het mij baten,
aan de schepselen te behagen, als ik het ongeluk
heb, U te mishagen, o mijn God? Alles op aarde
is slechts ijdelheid, behalve God te beminnen en te
dienen! O als men mij eens wel kende!
4.     Als hij u wil inblazen, dat gij aan uwe ge-
meente, uwe kloosterorde, uwe familie, uwe bediening,
tot eer verstrekt, dan zeg inwendig: Niet het goede
dat ik in mij-zelve zie, zal mij rechtvaardigen, maar
de deugden, die ik zal beoefend, de plichten van
mijnen staat, die ik getrouw vervuld zal hebben. De
menschen oordeelen naar den schijn, maar God, die
harten en nieren doorgrondt, oordeelt naar waarheid.
5.     Als hij u wil verzekeren, dat gij rechtzinnig,
verdienstelijk, godsdienstig, rechtschapen zijt, zoo
bedenk, dat gij de hel verdiend hebt, dat gij uiet zonder
-ocr page 465-
459
fouten en onvolmaaktheden zijt, dat gij veel te weinig
liefde voor God en voor uwen evennaasten hebt.
G. Als hij u inblaast, dat gij van hooger geboorte
zijt, meer opvoeding, meer fijn gevoel, meer voor-
komen, meer bevalligheid, meer beleefdheid, meer
welgemanierdheid dan andereu hebt, zeg: Helaas!
al die voordeelen van de natuur en de fortuin dienen
dikwijls slechts om God te beleedigen, ons schuldig
te maken in zijne oogen, ons de genade en den
hemel te doen verliezen en de hel te doen verdienen.
Dit alles bevat even zoovele klippen, waarop mijne
zaligheid schipbreuk kan lijden.
7.     Als de duivel u zoekt te bedroeven, u te
verontrusten, u in te blazen, dat men u slecht
beloond, berispt, gelaakt, uw gedrag, uwe meening,
slecht uitgelegd heeft, zeg dan, Ik dank u, Heer,
dat gij mij behandelt zooals men uwe Apostelen en
uwe leerlingen behandeld heeft, en dat Gij mij de
belooning in het eeuwige leven voorbehoudt.
8.     Als hij u aanzet om uwen plicht en uwe goede
werken te doen om gezien en geprezen, voor eene
godvruchtige en deugdzame religieuze gehouden te
worden, zeg dan: Weg van mij, satan, ik wil geen
getuige dan God, ik wil slechts werken voor zijne
glorie, Hij is mijn laatst en eenig doel.
9.     Als men u zal toejuichen, zal prijzen, lof zal
toezwaaien , dan zeg: Niet aan mij, Heer, komt lof en
glorie toe, maar aan U alleen en aan uwen heiligen Naam.
10.     Als de duivel u aanzet, u met overdreven
netheid te kleeden, dan zeg inwendig: Eene christen
maagd moet geen ander sieraad zoeken dan het sieraad
der deugd; hare studie moet zijn, zich met Jezus-
Christus, met zijne nederigheid, zijn geduld, zijne
zedigheid, zijne zachtmoedigheid te bekleeden.
-ocr page 466-
460
ZEVENDE ARTIKEL.
Zinsbedrog omtrent de volmaaktheid.
De religieuze weet wel, dat zij geroepen is tot de
volmaaktheid, dat is om haar leven meer en meer ge-
Ujkoormig te maken aan het leven van Jezus-Christus,
—
en dat zij naar volmaaktheid moet streven.
Die verplichting bestaat voor eiken christen; zij
kan, zij durft dit niet loochenen. Zij weet wel, dat
zij slechts naar het klooster gegaan is, dat zij slechts
hare Geloften heeft uitgesproken om krachtiger hulp
en overvloediger middelen te vinden om de gelijk-
vormigheid met Jezus-Christus
te bereiken, —opdat
de regel, waaraan zij zich kwam onderwerpen, lang-
zamerhand hare natuurlijke onstandvastigheid zou
matigen en eindelijk zou bestendigen, — opdat de
Geloften, die zij uitsprak, haar innig aan God zouden
verbinden, en haar in de onmogelijkheid zouden
stellen van Hem niet te dienen.
Zij heeft begrepen, dat zij aldus door den regel
geleid, door hare Geloften weerhouden, door het
voorbeeld harer medezusters gesterkt, zuiverder sou
leven,
— zeldzamer zou vallen, — spoediger zou
opstaan
, — voorzichtiger zou wandelen, — door meer
genaden overladen zou worden,
— meer vrede zou
genieten
— met meer vertrouwen zon sterven, — in
den hemel eene schoortere kroon zou verdienen;
—
en het is om deze redenen, waarbij zich volgens
den bijzonderen trek der genade nog hoogere beweeg-
redenen voegden, als de ijver voor de eer van God
en de zaligheid der zielen
, dat zij zich door nauwere
banden dan die des Doopsels aan God heeft willen
verbinden, en dat zij religieuze is geworden.
-ocr page 467-
461
En religieuze zijnde heeft zij vast besloten, al de
verplichtingen na te komen, welke de volmaakte reli-
gieuze
vormen, dat wil zeggen, gelijk zij het zeer wel
begrepen heeft eene religieuze, aait wie niets ontbreekt.
Maar volmaakte religieuze is een onbepaald woord.
In de eerste jaren van het kloosterleven begrijpt men
die in eenen wellicht eeuigszins overdreven zin, die
eene wijze en verlichte leiding noodzakelijk maakt:
maar langzamerhand zoekt de duivel, als de religieuze
zich niet ootmoedig aan de leiding onderwerpt van
diegenen, die God over haar gesteld heeft, voordeel
te trekken uit de zwakheid van haren geest en zelfs
uit de vermoeienis harer zintuigen, en doet haar de
volmaaktheid
zien, niet op eene wijze, die geheel met
de waarheid in strijd is
, — men zou niet naar hem
luisteren, — maar op eene wijze, die niet geheel met
de icaarheid overeen komt.
De duivel weet zeer goed,
dat hij met de waarheid te verminderen of te over-
drijven
ten laatste de volmaaktheid geheel zal doen
vergeten, en ziedaar de bron der zinsbegoocheling,
die wij moeten bestrijden. Wij zullen in dit artikel
bespreken:
1.     De verschillende zinsbegoochelingen omtrent de vol-
maaktheid.
2.     De natuur der volmaaktheid.
3.     De noodzakelijkheid der volmaaktheid.
4.     De middelen om naar de volmaaktheid te trachten
en ze te bereiken.
5.     De teekenen, waaraan men kan erkennen, dat men
vordert op den iceg der volmaaktheid.
6.     De beoefening der volmaaktheid.
7.     De trappen der volmaaktheid.
3. De voornaamste listen, door den duivel gebruikt,
om ons van de volmaaktheid af te trekken.
-ocr page 468-
462
Wij vermeenen wel te doeu met eerst het :insbe-
drog omtrent de volmaaktheid
te leeren kennen; de
natuur der volmaaktheid
zal, ons erachtens, dan beter
begrepen worden.
I.
®Vcz&cfi li-tcndc o \'mï &cc|<ooc fve £i nacn
1. Zinsbedrog omtrent de natuur der volmaaktheid.
De volmaaktheid is voor eenige jonge, vurige,
onervaren zielen:
De rust der del, wier zouden vergeven zijn, en die
bemind wordt door dien God, voor wien zij alles zoo
edelmoedig heeft verlaten.
De kalmte der driften, die in de kloostermuren
niet meer door bare vernederende inblazingen komen
tergen.
De vreugde des harten bij het tabernakel en in de
zoete uitstorting van een altijd vurig gebed.
Het geluk van het huiselijk leven, in het gemeen-
schappelijk leven terug gevonden.
Zoo heeft men het gedroomd, alvorens in het
klooster te treden; en omdat meju, in de eerste
jaren van dat religieuze leven, dat men met de
heiligen het aardse h Paradijs noemde, de rust der
ziel en de vreugde des harten gesmaakt heeft, —
omdat men den opstand der zinnen niet meer gevoeld
-ocr page 469-
463
heeften meteenegroote getnakkelijkkeid Je bekoringen
des duivels wederstaan heeft, — heeft men wellicht
met eenige verwaandheid gezegd: Ik ben gelukkig,
niets kost mij moeite, ik word door Gods vaderhand
zoetjes naar den hemel geleid; en
men verbeeldde zich,
dat God tevreden was, omdat men het zelve was!
Bedrog, bedrog, mijne zuster; neen , de volmaakt-
heid, waarnaar gij streeft\', bestaat niet in dien vrede
van hart en ziel, dien gij ondervindt Die rust, die
kalmte, die vreugde zijn uw xoerk niet; gij gevoelt
ze, gij geniet ze, maar gij kunt u die niet geven,
en de volmaaktheid moet uw eigen werk zijn, door
de genade geholpen.
Die rust van hart en ziel zijn voorbijgaande, gelijk
alles op deze aarde; slechts in den hemel vindt men
den ongestoorden vrede, de bestendige liefde, het
onbewolkte licht, de onvermengde vreugde; en weldra
zult gij dit wellicht ten uwen koste ondervinden.
Allengs zal het gebed u vermoeien, de dagelijksche
oefeningen u door hare eentonigheid zwaar vallen
het karakter der personen, met wie gij moet omgaan,
zal minder aangenaam zijn, de tegenzin volgt op de
geestdrift. God trekt zich terug, de duivel tergt u
meer en meer, en als in u de deugd geene diepe wortelen
heeft geschoten, zult gij u vervelen, zult gij klagen,
zult gij berispt worden, zult gij mismoedig worden,
gij zult in verslapping, gij zult in zware fouten
vallen.
Het was dus de volmaaktheid niet, die staat van
zalige rust; — later deelen wij u de ware natuur der
volmaaktheid
mede.
-ocr page 470-
464
2. Zinsbedrog omtrent de kenteekenen der
volmaaktheid.
Talrijk zijn de begoochelingen, die ons de vol-
maaktheid toonen, waar zij niet is. Welke religieuze
gelooft niet zeer wel te doen, met zich over te geven
aan de beoefening der godvruchtige werken, waartoe
zij zich getrokken gevoelt? Tevreden te doen icat zij
gaarne doet
, denkt zij misschien, dat God dan alleen
van haar tevreden is?
1.     De eenen meten de volmaaktheid naar de lang-
durigheid der gebeden, het nauwkeurig volbrengen
der godvruchtige oefeningen
, het dikwijls ontvangen
der HU. Sacramenten.
— Zijn zij aan God haar tijd,
hare ledematen, hare vermogens niet verschuldigd?
en hoe kunnen zij Hem dit beter geven dan door
het gebed?
2.     De anderen doen de volmaaktheid bestaan in het
vasten, de onthouding, de boetpleging.
— Zijn zij
niet in het klooster getreden om zich te versterven,
zich te slachtofferen, hare eigene zonden en die van
anderen te boeten? en hoe kunnen zij beter boeten
en zich slachtofferen dan door het vleesch te onder-
drukken en zich elke voldoening te ontzeggen, die
niet volstrekt noodzakelijk is?
3.     Weer anderen zien de volmaaktheid in de
geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid.
Moeten zij niet doen gelijk Jezus, die slechts op de
wereld is gekomen om zijnen Vader te doen kennen
en de zondaars te redden? en hoe kan men beter
dit doel bereiken dan door kinderen te onderwijzen,
bedroefden te troosten, zich op te offeren voor zieken ?
4.     Anderen weder stellen de volmaaktheid in het
Terrichten van schitterende daden van geloof en liefde.
-ocr page 471-
465
Zij benijden den martelaars die tijden van vervol-
ging, waarin zij hun geloof te midden der hevigste
folteringen mochten verkondigen; — zij betreuren,
niet gelijk de Apostelen geroepen te zijn om het kruis
bij de heidenen te gaan planten; — zij zouden, in
haar hart althans, willen vernederd en gelasterd
worden, en gelijk deze of gene Heilige, wier leven
zij gelezen hebben, zouden zij zich gelukkig achten,
dit verbeelden zij zich althans, jaren lang op een
smartelijk ziekbed gekluisterd te zijn___
Bedrog, bedrog al wederom! Al die groote, edel-
moedige daden zijn middelen tot volmaaktheid, doch
de volmaaktheid zelve is het niet.
Men kan bidden, communiceeren, zich opofferen,
en nochtans God niet behagen. God, zegt de
H. Franciscus van Sales, ziet niet naar de menigte
der werken uit liefde tot Hem gedaan, maar naar
het vuur der liefde, waarmede wij die verrichten. —
En gij, eenvoudige zuster, in uwe eigene gemeente
nauwelijks gekend, die uwe dagen doorbrengt met
kleinen kinderen den Cathechismus te onderwijzen, —
gij, die in het verborgen uwer keuken, die aan
het ziekbed van een arme door niemand gezien wordt —
gij kunt, als gij wilt, aan God eene glorie bewijzen,
even verdienstelijk voor u als stierft gij als martelares.
Gij kunt u even goed en zelfs gemakkelijker heiligen,
omdat er minder gevaar voor u bestaat dan voor
uwe medezusters, die eene hoogere bediening be-
kleeden, — die in en buiten het huis schitteren door
haar verstand, hare talenten, hare aangename ma-
nieren , — die, om zoo te zeggen, de steunpilaren der
gemeente en de hoop der toekomst zijn.
Denk een oogenblik na; deze zuster bekleedt deze
•schitterende bediening, omdat God haar daarin ge-
30
-ocr page 472-
466
plaatst heeft; gij volbrengt dus beiden den wil van
God; — die zuster schittert slechts door een weinig
verstand, haar door God geleend; gij blijft onbekend,
omdat God het niet nuttig oordeelt u te geven wat
Hij haar geleend heeft: gij hebt minder te verant-
woorden, ziedaar alles. Diamanten, die men ons geleend
heeft, vermeerderen onze persoonlijke waarde niet.
Doe datgene goed, wat gij doen moet, gebruik voor
God, in uwe bediening, al de talenten, die Hij u heeft
gegeven, — en in het uur der vergelding, even
als degene die meer gebeden hebben, omdat zij
dit moesten doen, die meer geschitterd hebben,
omdat haar een werkkring aangewezen werd, die haar
meer aan de oogen blootstelde, — zult ge deze zelfde
woorden hooren: Welaan, gij goede en getrouwe
dienstmaagd
, treed binnen in de vreugde, des Heeren \'
3. Zinsbedrog omtrent de noodzakelijkheid
der volmaaktheid.
Niet openlijk, niet met hare medezusters zal de
religieuze de noodzakelijkheid der volmaaktheid in
twijfel trekken; neen, zij zal dit doen, als zij alleen
is, na de moederlijke vermaning eener Overste, die
haar allengs minder regelmatig, minder ingekeerd,
minder werkzaam ziet worden: na de wellicht strengere,
doch altijd vaderlijke waarschuwingen van den biecht-
vader, beangstigd door de verslapping van den reli-
gieuzen geest en bevreesd voor zwai-e fouten.
Niets gevaarlijker dan die oogenblikkeu van twee-
strijd met zich-zelve, als men eenigszins gekrenkt,
verbitterd, vernederd is. Dan doet de duivel eenige
woorden hooren, die ons eerst ontstellen, maar
die, als men ze ingang verleent, eindelijk den schijn
van waarheid aannemen.
-ocr page 473-
467
I. De religieuze staat is geen staat van volmaakt"
lieid
, daar men religieuze wordt om volmaakt te
worden; waarom vordert men dan, dat ik volmaakt zij ?
Neen, gij zijt niet verplicht om nu volmaakt te zijn;
Je Heer is te goed om zooveel van uwe zwakheid
te vorderen; Hij stelt zich met uwe begeerte eu uw
streven tevreden; maar Hij verplicht u om aan uwe
volmaaktheid te werken; uw Overste, uw biechtvader
vragen niet meer; en, zegt de H. Thomas, God
zelf zal u op den laatsten dag des oordeels niet
vragen, of gij volmaakt zijt, maar of gij alles wat
gij kunt, gedaan hebt om het te worden.
Welnu, gebruikt gij alle zorg om volmaakt te
worden, als gij u tevreden stelt, de geboden Gods en
de volstrekte verplichtingen uwer Geloften
na te komen,
als gij u geene moeite geelt om in den geest des
geloofs te wandelen, uw gebed en meditatie met zorg
te doen, nauwgezet, ingetogen en verstorven te leven?
Tracht gij met ernst volmaakt te worden, als gij
u in niets wilt versterven, als gij mort en tegenspreekt,
wanneer men u uwe fouten verwijt, als gij niet zoekt
te verbeteren, wat men u onder het oog brengt?
De gesteltenis, waarin gij verkeert, is zeer gevaarlijk;
ziehier wat zij doet veronderstellen:
1.   Dat gij slechts ten halve aan God toebehoort,
dat gij uw hart verdeelt tusschen God en uw gemak,
tusschen den Hemel en de aarde.
2.  Dat gij door uw gedrag en door uwe daden
eenigszins het offer van u-zelve, dat gij zoo geheel
en zoo edelmoedig gedaan hebt op den dag uwer
professie, terugneemt, en dat gij, om zoo te zeggen,
betreurt van zooveel aan God gegeven te hebben.
3.  Dat gij misbruik maakt van de genaden aan
uwe roeping verbonden en geen werk maakt van de
-ocr page 474-
468
uitnoodigiugen, de liefkozingen, de belooningeu van
Jezus-Ohristus.
4. Zeker is het niet noodig naar de volmaaktheid
te streven door al de daden, die zouden kunnen helpen
om ze te verkrijgen: het is genoeg daarnaar te stre-
ven door de beoefening der christelijke deugden, de
Geloften der H. Religie, en door het naleven der
Constitutiën uwer instelling; — maar als gij u weinig
bekommert om de middelen, die u aan de hand gegeven
worden, om u te helpen de deugd te beoefenen en uwe
geloften na te komen, is het dan niet te vreezen,
dat gij in zware zonden zult vallen ? Hij, die niet
rechtvaardig is in het kleine, zal ook in het grootere
niet rechtvaardig zijn.
(Luc XVI, 10)
Zeker is het genoeg om naar de volmaaktheid te
streven, dat men de zware zonden vermijdt: maar
om die te vermijden is het van groot belang ook
de kleine zonden zooveel mogelijk te vermijden.
Zeker zijn, volgens den H. Thomas, de herhaalde
overtredingen van den regel geene verachting van den
regel,
uit zich-zelven; doch zeer gemakkelijk zal
deze verachting allengs ontstaan, zoodat het ten
laatste moeielijk wordt al of niet te zeggen waar
zij bestaat of niet bestaat. Later spreken wij van de
noodzakelijkheid van naar de volmaaktheid te streven.
II. Maar al ga ik niet vooruit, zoo ga ik toch
niet achteruit.
Dit is een grove dwaling! — Zeker kan men niet
als leerstellig grondbeginsel vaststellen, dat stilstaan
achteruitgaan is;
er is een zeker leven noodig om
te midden van een stroom stil te kunnen blijven, en
dit leven kan genoeg zijn voor eene ziel, om niet allen
moed te verliezen; maar de leer van alle Heiligen, op
de ervaring gegrond is, dat stilstaan achteruitgaan is:
-ocr page 475-
469
1.     Omdat er in de wereld geen stilstand bestaat;
dit voorrecht behoort slechts aan God alleen, die altijd
dezelfde is, bij wien geen verandering bestaan kan.
2.     Omdat wij, ten kwade geneigd zijnde uit ons
/.elven, eene voortdurende hulp en eene groote op-
lettendheid noodiff hebben om niet te zondigen.
... i
Ons hart is eene vervloekte aarde, die uit zich-
zelve slechts onkruid voortbrengt; de driften over-
meesteren haar spoedig, als men ze niet telkens
nderdrnkt.
3.     Omdat, zegt de H. Gregorius, het met ons
in het geestelijk leven juist gaat als met een man
die midden in een snellen stroom zwemt; zoodra hij
zijne ledematen niet beweegt, wordt hij door den
stroom medegevoerd. De weg der volmaaktheid,
dien wij moeten bewandelen, is zoo tegenstrijdig
aan onze natuur, door de zonden bedorven, dat hij
die niet altijd zoekt vooruit te komen, door de on-
•ituimigheid zijner driften wordt niedegevoerd.
III. Maar de volmaaktheid is eene geheele inicendige
zaak; mijne Overste en mijn biechtvader kunnen niet
alles zien, wat er in mij omgaat.
De volmaaktheid is inwendig, dat is waar; maar
hare uitioerkselen vertoonen zich op meer of mindere
wijze naar buiten, en het is door hare uitwerkselen
dat uwe Oversten grondig kunnen oordeelen over uwe
vorderingen of uwe verslapping. Zij laten aan God
het oordeel over uw geweten, doch zeggen u dat
uw gedrag het gedrag eener goede religieuze niet is.
Ziehier, zoo gij wilt, nog eenige kenteekenen van
voortgang eener ziel in de volmaaktheid. Zoo gij
die in u bespeurt, dan loof er God voor; bespeurt
gij ze niet, zoo verneder u, en wees ootmoediger,
als gij berispt wordt.
-ocr page 476-
470
1.     Eene novice moet godsdienstiger, bedaarder,
zediger in haar handel en wandel en zachtmoediger
in haren omgang zijn, dan een wereldsch persoon.
Eene geprofeste religieuze moet meer ingekeerd,
meer inwendig zijn dan eene novice.
Eene religieuze, die sedert jaren geprofest is, moet
veel nauwkeuriger, veel geduldiger zijn, veel meer
met God vereenigd leven dan zij het bij hare Pro-
fessie was.
2.     Dat karakter, zoo trotsch en hoovaardig uit
de natuur, moet door den invloed der genade allengs
nederiger, ootmoediger, gedienstiger worden.
Die wil, die opbruiste bij het woord van onder-
werping alleen, moet allengs gehoorzamer en buig-
zamer worden.
Dat hart, met zoovele natuurlijke genegenheden,
moet op eene veel meer bovennatuurlijke wijze be-
minnen. en terzelfder tijd veel liefderijker voor allen
worden.
De driften over het algemeen moeten meer ver
storven worden, de gehoorzaamheid moet vaardiger,
de liefde zachtmoediger en zoetaardiger, de godsvrucht
levendiger en werkdadiger worden.
De pogingen, die men aanwendt om volmaakt te
worden
, brengen noodzakelijk deze uitwerkselen voort,
hoewel in grootere of kleinere mate. — Later zullen
wij nog andere teekenen opgeven, waaraan gij zult
kunnen zien, of gij voorgang doet in de volmaaktheid.
IV. Maar de Heiligen hadden ook hunne fouten;
men kan dus volmaakt zijn met fouten.
1. Ja zeker; men kan met fouten heilig zijn; men
kan den weg der volmaaktheid volgen zonder volmaakt
te zijn; want de volmaaktheid hier op aarde is minder
eene volkomen volmaaktheid, ontdaan van vrijwillige
-ocr page 477-
471
fouten, dan wel eene volmaaktheid van den ivü,
welke voldoende is, om op eene zoo volmaakte wijze
te handelen, als God het van de ziel wil. God laat
dikwijls gebreken aan de zielen, die met den grootsten
moed naar de volmaaktheid streven:
a.     Om ze aan den g-ing te houden, en haar te
beletten in verslapping te vallen, door een byna
voortdureuden strijd.
b.     Om ze in nederigheid te houden en haar te
beletten zich te verheffen over de bijzondere genaden,
die Hij haar geeft.
c.     Om haar gevoelens van liefde, van medelijden,
van barmhartigheid te geven voor diegenen harer
omgeving, die ook gebreken hebben.
Doch als men met gebreken heilig kan zijn, zoo
is dit slechts op voorwaarde, dat men ze met zorg
onderdrukke, en bijna onophoudelijk werke om ze
te verbeteren.
2. Men kan heilig zijn niet alleen met gebreken,
maar nog met vrijwillige onvolmaaktheden
, waarin
men somtijds valt, hetzij uit broosheid, of wel door
eene niet altijd verschoonbare onwetendheid; maar
men moet onophoudelijk strijden.
Het kan zelfs gebeuren, — wij hebben dit reeds
gezegd, —• dat eene heilige en volmaakte ziel in eene
dagelijksche zonde valt, zonder dat men zou kunnen
zeggen, dat zij niet volmaakt is. Dit is het gevoelen
van Benedictus XIV, die uitdrukkelijk zegt, dat eene
dagelijksche zonde, bij verrassing gedaan, de ware
heiligheid niet belet; hetgeen bevestigd wordt door
deze woorden van den H. Antonius: »Als het ge-
beurt, dat de Heiligen des Heeren somtijds vallen
als menschen, veeleer door de zwakheid der natuur
dan uit neiging tot de zonde, staan zij op om des
-ocr page 478-
472
te vuriger vooruit te snellen; en de schaamte over
liuune zwakheid zet hen aan tot een vurigen strijd,
zoodat hun val, wel verre van een beletsel tot hunnen
voortgang te zijn, hun een nieuwen ijver schijnt
gegeven te hebben. — Staat er daarenboven niet
geschreven, dat de rechtvaardige zevenmaal daags
valt?
De Heiligen kunnen somtijds vallen; maar zij
herstellen spoedig hunne fout, en vernederen zich
daarover, zoodat hun val hun, om zoo te zeggen,
tot voordeel strekt."
II.
I. Men noemt volmaakt, zegt de H. Thomas,
een wezen, waaraan niets ontbreekt, om te zijn wat
het zijn moet.
Een christen, dat is een nienschelijk schepsel door
het Doopsel aan Jezus-Christus toebehoorende en
daardoor verplicht om Jezus-Christus te kennen, te
dienen en te beminnen, zal volmaakt zijn, als hij
Jezus-Christus kent, dient en bemint zooveel hij kan.
Eene religieuze, dat is een christen, die door de
geloften, welke zij uit vrijen wil uitgesproken heeft,
aan haren wil, hare goederen, hare familie, aau de
vreugden, die zij in eigen gezin zou kunnen smaken,
verzaakt om getrouwer Jezus-Christus te dienen, om
Hem edelmoediger te beminnen, zal volmaakt zijn,
als zij de gehoorzaamheid, de zuiverheid, de armoede
betracht zooveel zij kan.
-ocr page 479-
473
De volmaaktheid bestaat dus voor de schepselen
hier op aarde in het streven naar het doel, waartoe
zij geschapen zijn, of dat zij volgens hunne natuur
zich hebben voorgesteld te bereiken. (*)
Welnu dit doel is, zich met God als met haar
laatste einde te vereenigen; de liefde is de band der
volmaaktheid
(Coloss. III, 14); en daar de zonde van
God verwijdert en de deugden ons nader tot God
brengen, moet men om tot deze vereenigiug te
geraken:
1°. Zich beijveren om elke zonde, zelfs de dagelijksche,
te vermijden.
2". Zich beijveren om de deugden te beoefenen.
3°. Zich beijveren om deze deugden in uitmuntenden
graad te bezitten.
Een enkel woord vat deze middelen samen: tracht
meen wil met den teil van God te vereenigen;
want
God wil, dat wij de zonde vermijden en de deugd
beoefenen
De vereenigiug van onzen wil met dien van God
doet ons in alles aan Hem gehoorzamen. Ziedaar
dus de volmaaktheid
, zij is daar geheel en daar alleen ;
en hoe inniger onze vereeuiging met God is, hoe
(*) De volmaaktheid bevat, volgens den H. Thomas, drie zaken. —
De eerste, dat men geene eukele fuut noch gebrek hebbe; want elke
fout en elk gebrek is strijdig tegen de volmaaktheid. — De tweede,
dat men alle deugdeu bezitte; want zij brengen bij tot de volmaukt-
heid. — De derde, dat men alle deugdeu in uitmuntenden graad
bezitte; want men zegt niet, dat ecne middelmatige deiyd volmaakt
is, even als men van een werk niet zegt, dat het volmaakt is, als
deszelfs doelen, al ontbreekt er geea enkel deel, middelmatig ziju.
Daarom is niemand op aarde volkomen volmaakt, omdat er niemand
is zonder gebreken, niemand die alle deugden in uitmuuteuden
graad bezit.
Daarom zeggen wij dan ook, dat de verplichting bestaat om naar
de volmaaktheid te streven,
eu niet om volmaakt te zijn.
-ocr page 480-
474
meer zij ons aanzet, niet alleen aan Gods geboden,
maar ook aan zijne raadgevingen en zijne minste
"wenken en begeerten gehoor te geven; des te grooter
in onze volmaaktheid
, des te nader brengt zij ons tot
ons einde. Wij gevoelen dit zoodanig, dat de enkele
gedachte van vereenigd te zijn met God, met dit
oneindig groot, oneindig goed, oneindig barmhartig,
machtig, eeuwig onveranderlijk wezen, en de begeerte
in beoefening gebracht van te willen wat Hij wil,
ons bedaart, ons doet berusten, ons gelukkig maakt, —
terwijl wij ongerust, gekweld, gejaagd zijn, zoo
vaak wij iets doen dat ons, ook zelfs maar een
oogenblik, van Hem afscheidt. Er ontbreekt ons iets,
wij zijn onvolmaakt.
De vereeniging van onzen wil met den wil van
God is besloten in het gebod van God te beminnen.
Beminnen is zich veréénigen, het is trachten om van
twee wezens slechts één te maken
, door den wil,
God beminnen boven al, zoodat men elke zware zonde
vermijdt
, is een begin van volmaaktheid. Het is het
gebod aan alle christenen gelijkelijk gegeven — God
beminnen boven al, zoodat men zelfs de kleinste zonde
vermijdt,
is een hoogere trap van volmaaktheid, maar
het is de volkomenheid der volmaaktheid nog niet,
daar dit een gebod is, dat alle menschen eenigszius
verplicht. — God beminnen boven al, zoodat men
alles vermijdt wat Hem mishaagt, om alles te doen
wat Hem aangenaam is, ziedaar de bijzondere en
volkomen volmaaktheid.
Naar deze moeten wij ver-
langen, moeten wij streven, en om deze te bereiken,
hebt gij, religieuzen, uwe HH. Geloften uitgesproken.
II. Deze leer is die van alle Heiligen.
De volmaaktheid, zegt de H. Vincentius a Paulo,
bestaat in ééne zaak, in het volbrengen van den wil
-ocr page 481-
475
van God. Indien het volgens de woorden van Onzen
Heer voldoende is om volmaakt te zijn, dat men
zieh-zelven verzake, zijn kruis opneme en Hem volge,
wie verzaakt zich-zelven meer, wie draagt beter zijn
kruis, wie volgt den Heer beter, dan hij, die zich
toelegt, niet zijn eigen wil, maar den wil van God
te volbrengen? Om heilig te worden moet men
zich slechts gewoon maken, in alles te willen wat
God icil.
»Het is ongelukkig, zegt de H. Franciscus van
Sales, dat wij altijd God willen dienen op onze manier
en niet op de zijne, volgens onzen wil en niet volgens
den zijne.
Als Hij wil dat wij ziek zijn, willen
wij gezond zijn; als Hij wil, dat wij Hem door ons
lijden dienen, willen wij Hem dienen door onze
werken; — als Hij wil, dat wij Hem dienen door de
liefde, willen wij de ootmoedigheid betrachten; als
Hij van ons gelatenheid en berusting in zijnen wil
vraagt, willen wij het gebed, de godsvrucht of eeuige
andere deugd; en dat niet, omdat de zaken, die wij
wenschen, aangenamer zijn aan God, maar omdat
zij meer naar onzen sniaak zijn. Dit is zeker het
grootste beletsel, dat wij aan onze volmaaktheid
kunnen stellen; want het valt niet te betwijfelen,
dat, zoo wij heilig willen worden naar onzen wil,
wij het nooit zullen worden. Om waarlijk heilig te
zijn, moet men heilig zijn volgens Gods wil."
III. Dit is de leer van Jezus-Christus, die ze
ons door woord en voorbeeld gepredikt heeft.
De vereeniging van. zijnen wil met den wil van God
vervulde zijn geheele leven, zij was zijn voedsel,
zij onderhield in Hem het leven van den God-Mensch.
Het eerste woord, dat Hij op deze wereld komende
uitsprak, was: Zie ik kom, o God! om Uwen xoil
-ocr page 482-
476
te volbrengen," als wilde Hij ons zeggen, dat daarin
voor Hem alles besloten lag.
Hoe, zegt Mgr. Gay, komt Hij dan niet werken,
prediken, lijden, sterven, de hel overwinnen, de
Kerk stichten en de wereld door zijn kruis redden ?
Dit is de taak Hem opgedragen. Hij weet dit; toen
zijne oogen zich openden, heeft Hij alles gezien,
en alles wat zijne oogen zagen, heeft zijn Hart
onmiddelijk omhelsd; Hij wil alles tot de letter vol-
brengen. Hij wil dit met een oprechten, liefdevollen,
krachtdadigen wil en in zijn Hart wordt alles even
snel volbracht als voorgesteld. Maar Hij wil dat
alles, omdat het de eeuwige wil zijns Vaders is. Zijn
wil alleen treft Hem en doet Hem besluiten; Hij ziet
al het overige, doch beschouwt slechts dezen tuil;
van dezen wil
alleen spreekt Hij, van dezen wil
alleen wil Hij afhangen. Die goddelijke wil is Hem
oorsprong, einde, beweegreden, licht, steun, woning,
voedsel, beloouing, alles in één woord.
Hij stelt zich er in, Hij schikt er zich naar, Hij
besluit er zich geheel in, en als Hij later zulke ver-
hevene, zulke ongehoorde, zulke bovenmeuschelijke
zaken zal doen, zal Hij nochtans slechts die eene
zeer eenvoudige zaak doen, welke de kleine kinderen
zelfs kunnen navolgen; Hij zal den wil doen van
den Hemelschen Vader,
Hij zal zich daaraan geheel
toewijden en zich geheel daaraan overgeven.
De volkomen overeenstemming van onzen wil met
den wil van God, ziedaar dus wat ons het naaste
bij Jezus-Christus en bijgevolg bij de volmaaktheid
brengt; en onze volmaaktheid zal des te grooter zijn,
naarmate onze overeenstemming met Gods wil inniger
zal wezen.
-ocr page 483-
477
III.
<êfCoodz>o,k,e,ii\\k,$\\e.xd van %\\,eX stz&ven
naaz
3e volmaahtn&id.
I.     Alle Christenen zijn verplicht naar de vol-
maaktheid te streven in eene zekere maat, over-
eenkomstig hunnen staat; want alllen zijn verplicht
God te beminnen, uit al hunne krachten en boven
alle zaken. Het is de wil Gods, dat gij volmaakt zijt,
schreef de H. Paulus aan de geloovigen. (I Thkss. IV, 3.)
Weest volmaakt, gelijk me hemelse/ie Vader volmaakt is,
zegde Jezus-Christus tot al degenen, die hem om-
ringden , en tot alle menschen (Mattii. V, 48). De
middelen, waardoor de wereldsche personen naar deze
noodzakelijke volmaaktheid moeten streven, zijn het
nauwkeurig naleven der geboden Gods en het getrouio
nakomen van de plichten van hunnen staat.
II.     De religieuzen zijn verplicht tot eene hoogere
volmaaktheid dan wereldsche personen, krachtens de
heiligheid van hunnen staat, door welken staat zij
zich verbinden, niet alleen de geboden Gods te
onderhouden, maar ook de Evangelische Raden na
te leven door de geloften van gehoorzaamheid, zuiver-
heid en armoede. Deze drie geloften voegen nieuwe
plichten bij die, waartoe zij als Christenen verbonden
zijn, en vormen ook voor hen plichten van staat,
die zij getrouio moeten naleven.
III.     De religieuzen zijn nochtans niet verplicht,
volmaakt te zijn; maar zooals wij reeds gezegd hebben,
zij moeten, zoodra zij door de Professie de verbin-
tenis hebben aangegaan, naar de volmaaktheid streven;
indien zij rechtstreeks of zijdelings verzaakten aan
-ocr page 484-
478
de meening, die zij bij hunne Professie hadden van
naar de volmaaktheid te streven, of indien zij den
wil daartoe niet behielden, zouden zij in staat van
zonde verkeeren; zij zouden de beloften schenden, bij
hunne Professie aangegaan.
IV. De religieuzen zijn niet verplicht naar de
volmaaktheid te streven door alle daden, welke kunnen
helpen die te verkrijgen, doch alleen door de be-
oefening der christelijke deugden en het naleven
harer HH. Geloften en Regelen. — Het zou eene
grove dwaling en eene aanleiding tot wanorde in de
gemeente zijn, indien eene religieuze zich verplicht
of getrokken gevoelde, alles te doen wat in de god-
vruchtige boeken wordt aangeraden, — alles na te
volgen wat de Heiligen gedaan hebben, — alle goed-
gekeurde devotiën te omhelzen, — in alle broeder-
schappen te treden en bet getal harer gebeden
steeds te vermeerderen. Hoe groot ook de vurigheid
eener religieuze zij, moet zij niets ondernemen wat
buiten of boven haren Regel is, zonder goedvinden
harer Overste, en in zekere gevallen zelfs van haren
biechtvader.
IV.
©e wijz>e-, waazoy> men naaz d&
volmaaktheid moet tzacnïcn.
De volmaaktheid door God opgelegd van naar de
volmaaktheid te trachten, doet van den kant van God
de middelen veronderstellen om tot de volmaaktheid
te komen;
— en deze middelen heeft God overvloedig
rond de religieuze geplaatst.
-ocr page 485-
479
De voorwerpen die zij ziet, de gesprekken, die zij
hoort, de voorbeelden, die zij onder het oog heeft,
alles brengt haar tot de volmaaktheid. Hare zusters
dienen haar tot stichting, hare Oversten houden haar
in haren plicht door hare waakzaamheid, geleiden
haar door haren raad, beletten haar door hare zorg-
vuldigheid in zonde te vallen, helpen haar opstaan
door hare zoete en wijze vermaningen. — De oefe-
ningen der gemeente wekken haar voortdurend op en
ondersteunen haar. O hoezeer moet zij God bedanken!
I.     Die middelen zijn voor haar vervat in het ge-
trouw naleven van den Regel.
De regel is voor elke
religieuze de openbaring van den wil van God, dien
wil, waarmede zij, wil zij volmaakt zijn, zich op het
innigste moet vereenigen.
Later zullen wij de voordeden beschouwen aan
het nakomen van den Regel gehecht, thans bepalen
wij ons tot dit woord van den H. Franciscus van
Sales: De voorbeschikking der religieuzen is gehecht
aan hare naleving der regelen. Het is,
voegt de
H. Liguori er bij, de kortste weg om tot de heiligheid
te geraken;
het is zelfs de eenige, want elke andere
weg geleidt niet naar het doel.
Vrij moge dus de religieuze zich zware boetple-
gingen opleggen, lange gebeden en andere oefeningen
van godsvrucht verrichten; indien zij dikwijls en als
uit gewoonte de kleinste punten van den Regel over-
treedt, zal zij geen den minsten voortgang op den
weg der volmaaktheid maken. Zij zal werken, bidden,
zich versterven; maar God zal het niet aannemen,
omdat Hij het niet. wilde, — op die ivijze niet wilde , —
of het op dit oogenblik niet wilde.
II.     De middelen door den Regel aangeboden zijn
gemakkelijk te kennen. — De religieuze behoeft niet
-ocr page 486-
480
te zoeken noch te vragen wat zij doen moet, zij
ziet het, zij weet het, zij kent het, elk oogenblik
van den dag geeft haar gelegenheid, nieuwe vorde-
ringen te maken.
Zij zijn juist bepaald. — De Regel laat niets aan
den willekeur; hij bepaalt, hij omhelst alles.
Zij zijn binnen het bereik van allen. — De Regel
is met maat en wijsheid opgesteld door persoueu
die de menschelijke zwakheid kenden; hij heeft ver-
zachtingen voor de zwakken en dispensatiën voor
degenen, die hem niet in zijn geheel kunnen naleven.
Zij zijn veilig. — De Regel heeft alle kloosterlingen,
die in den hemel zijn, geheiligd; en zekere Paus zegt
zelfs, dat hij geen ander mirakel zou vragen om een
kloosterling in de rei der Heiligen te plaatsen, dan
de verzekering zijner volmaakte getrouwheid aan al
de punten van den Regel.
Zij brengen vele vruchten van deugd voort. — Het
nakomen van den Regel sticht; het stelt aan geene
ijdele glorie bloot: het doet ons elk oogenblik de
zachtmoedigheid, het geduld beoefenen, aan eigen wil
verzaken
, de fouten van den evennaaste verdragen;
het doet ons elk oogenblik onwaardeerbare schatten
van genade en verdiensten verkrijgen. Dagelijks ziet
men in de religieuze communauteiten getrouwe en
vurige zielen, die, zonder iets buitengewoons te ver-
richten, door eene nauwkeurige naleving harer regelen
tot eene groote heiligheid geraken.
»Daarom," aldus besluit Pr Neveu, »kan men tot elke
religieuze zeggen, evenals Mozes zegde tot het volk
van Israël: De middelen, die ik u ter uwer heilig-
making aanbied, zijn niet boven uwe krachten, noch
zoover boven u verheven , dat gij ze niet kunt bereiken,
noch zoover verwijderd, dat gij ze niet kunt kennen,
-ocr page 487-
481
zij zijn voor uwe oogen , in uwe handen , in uwe regelen.
Om heilig te worden behoeft gij dus uwen Regel
slechts trouw na te komen.
V.
ffczkanen waataaw tnen 4aw cz&cnn&n,
oi men in
3e votmaakineid vozdezt.
Onder de teekenen, die de religieuze kunnen gerust-
stellen omtrent haren voortgang op den weg der
volmaaktheid zijn:
De eene geheel inwendig. — Eene religieuze mag
zonder vrees voor dwaling vertrouwen, dat zij op
den weg der volmaaktheid is, als zij in zich de begeerte
voelt vermeerderen om heiliger te worden, en dat
die begeerte gevestigd is op de kennis, die zij heeft
van de plichten van haren staat, en op de overtuiging,
dat hoe heiliger zij is, hoe meer zij God zal verheerlijken.
Als zij dagelijks tracht hare neigingen, hare eigen-
liefde , haar lastig karaker, hare zinnelijkheid, haren
geest van onafhankelijkheid te bestrijden, in de hoop
van daardoor zich meer waardig te maken van dien
God, aan wien zij zich geschonken heeft.
Als zij de oefeningen der gemeente godvruchtig,
naarstig, gaarne bijwoont; als zij zich gelukkig acht.
met hare zusters te leven, te bidden, met haar onder
Gods oog vereenigd te zijn.
31
-ocr page 488-
482
Als zij getrouw is aan de kleine punten van den
Regel, en de kleinste vrijwillige fout vermijdt met
de gedurige gedachte, daardoor aan God te willen
behagen en God tevreden te stellen.
Als zij zich niet ontstelt over de onvolmaaktheden
die zij dagelijks bedrijft, maar er zich eenvoudig over
vernedert; als zij vreedzaam de berispingen haar ge-
geven aanneemt, en, in plaats van den moed te
verliezen, haar kalm en werkzaam leven hervat.
II. De andere teekenen zijn uitwendig, doch kunnen
saamgevat worden in dit woord: de Heiligen beklagen
zich niet.
— Hoe dichter zij bij God komt, hoe
heiliger zij wordt, hoe beter de religieuze leert lijden
en tevreden zijn met allen en met alles.
Zij klaagt noch over het weder, noch over de
groote koude of warmte, en neemt gewillig al de
kleine verstervingen daaraan verbonden aan. Zij zal
niet klagen over eene slecht sluitende deur of venster;
zij verhardt zich niet tegen de smart, doch verdraagt
ze zonder bij ieder over den treurigen toestand harer
gezondheid te klagen.
Zij beklaagt zich niet over hare bediening, en welke
deze ook zij, is zij er tevreden mede, omdat God
door hare Overste ze haar heeft opgelegd. — Is de
bediening moeielijk? — zoo bemint zij ze dubbel,
omdat ze des te verdienstelijker is; is ze nederig f —
zoo bemint zij ze nog meer, omdat ze haar op hare
plaats houdt, ver van het oog der menschen. Nooit
hoort men haar zeggen: Ik ben voor die bediening
niet geschikt; zij strijdt tegen mijn smaak en mijne
neiging; zij valt mij te zwaar; zij belet mij te bidden.
..
Zij klaagt niet over hare Overste, omdat zij in
haar den persoon van Jezus-Christus ziet, en haie
bevelen, hare raadgevingen, hare vermaningen aan-
-ocr page 489-
483
neemt als van God komende. — Zij zegt niet, dat het
hare Overste mangelt aan voorzichtigheid, aan door-
zicht , aan bekwaamheid, aan ondervinding, dat zij
de lijn te strak houdt; ... neen, al wat zij doet, schijnt
haar goed. Zij klaagt niet over hare zusters.... Zij
verdraagt hare gebreken met een hart vol medelijden,
en denkt dat hare zusters haar ook moeten verdragen; —
zij verdraagt haar karakter, hoe lastig het ook moge
zijn, en toont nooit de moeite die zij zich aan moet
doen om goed, minzaam, voorkomend ten haren
opzichte te wezen; — zij verdraagt hare lichamelijke
gebreken, en bewijst haar alle diensten, die in haar
vermogen zijn. Zij klaagt noch over den levensregel
van het huis, noch over de wijze, waarop men haar
behandelt, in kleeding, in woning, in bedieningen
of bezigheden. »De zinnelijken, zegt een godvruchtig
schrijver, putten den kwaden geest in de eetzaal,
terwijl de Heiligen er den geest van versterving en
groote verdiensten voor den Hemel putten. De flei-
ligen vinden alles goed; en, wel verre van zich te
beklagen, verlangen en zoeken zij overal het slechtste
en geringste."
De goede religieuze leeft in een bijna aankoudeuden
vrede, en die vrede maakt haar minzaam, vriendelijk,
voorkomend, doet haar eenvoudig al de kleine ver-
lichtingen, die men haar aanbiedt, aannemen, en maakt
haar dankbaar voor al wat men voor haar doet.
Zij leeft ook in eene bijna voortdurende vreugde
en tevredenheid; want de heilige vreugde en te-
vredenheid in den dienst van God is een bewijs van
oprechte deugd en heiligheid; en de H. Bonaventura
vreest niet te bevestigen, dat de geestelijke vreugde
een bewijs is, dat de heiligmakende genade in eene
ziel woont. De ontevredenheid, het verdriet, de
-ocr page 490-
484
klachten, de treurigheid daarentegen zijn een slecht
teeken; en als gij eene religieuze ziet door deze
geestelijke ziekte aangetast, dan beklaag haar en bid
voor haar....
VI.
Ocicnina SW votwxaakïXx&id.
Daar de middelen om de volmaaktheid te verkrijgen,
bestaan in eene getrouice naleving der regelen, en
daar de regelen al ome dagelijksche oefeningen omhelzen.
moet men zich vooral toeleggen om elk dezer oefe-
ningen wel te doen. Wij zullen dus aantoonen:
1.     De regels om de dagelijksche werken xeel te doen.
2.     De toepassing dezer regels op elk onzer dage-
lijksche oefeningen.
A.
Regels om onze aveuken wel te doen.
Willen wij dat onze werken verdienstelijk voor den
hemel zijn, zoo moeten wij ze doen.
1. Met een zuiver geweten.
Is ons geweten met eene doodzonde bezwaard, dan
zijn al onze werken, zelfs de heiligste, zouder ver-
diensten in Gods oog, zonder waarde voor den hemel.
Welk een verlies voor ons, die den geheelen dag
werken! Deze werken, zoo zij wezenlijk goed in
-ocr page 491-
485
zich-zelven zijn, zijn niet geheel onnuttig; zij zetten
God, die toch zoo gaarne gebruik maakt van elke
gelegenheid, die wij zijne barmhartigheid aanbieden,
aan, om ons de genaden van bekeering te verleenen,
en bereiden ons gemoed tot oprecht berouw; — doch
het zijn onvruchtbare werken , doode werken , waar-
voor wij nooit eenige belooning te hopen hebben.
O, trachten wij dan steeds iu staat van genade
te zijn! Hoe volmaakter wij dien staat beleven, hoe
meer verdiensten onze goede werken zullen hebben,
hoe meer glorie zij aan God zullen geven! Zoodra
wij ons, al is het slechts aan eene dagelijksche
zonde, schuldig gemaakt hebben, moeten wij ons
vernederen, en de fout uitwisschen door de middelen
die de H. Kerk ons zoo overvloedig ter beschikking
stelt, als het kruisteeken godvruchtig met gewijd water
gemaakt, eene akte van liefde tol God met ecu oprecht
gevoel van berouw, van onderwerping, van toewijding
gebeden;.....en mochten wij, wat God verhoede, eene
doodzonde bedreven hebben, vragen wij dan zoodra
mogelijk verlof om te mogen biechten, en leggen
wij ons vooral nooit ter ruste zonder eene akte van
oprecht berouw.
2. Met eene zuivere meening.
Het is de meening, die waarde geeft aan onze
kleinste werken; als men die verricht voor God, als
men ze opoffert aan God, deelt men hun iets goddelijks
mede, en God maakt ze zijner waardig door ze aan
te nemen. O, wat is de dag, dien men God toewijdt,
een welbesteede dag! welke eer bewijst aan God
die dienstmaagd, die alles doet wat Hij wil, zoo als
Hij het wil, en die Hem al wat zij doet, met liefde
aanbiedt!
-ocr page 492-
486
Als men handelt uit luim, uit neiging, uit gewoonte,
uit eigen wil, uit mensehelijk opzicht, uit schijnhei-
ligheid
, uit praalvertoon, uit eigenbelang, werkt meu
zonder eenige verdiensten voor den hemel; het is
dikwijls werken tot bezwaar van het geweten.
3. Met orde en nauwgezetheid.
Orde en deugd zijn twee woorden, die bijna dezelfde
zaak beteekenen. Hoe goed de zaak ook zij, die
gij doet, als gij ze niet met orde doet, doet gij ze
niet gelijk het behoort.
Het humeur geleidt de dieren, de rede bestuurt
den mensch; het Evangelie den christen, de Regel
de religieuze, de orde alle wezens.
De orde. vormt het paradijs, de wanorde de hel.
De rede wil somtijds, dat men van de voorge-
schreven orde afwijke, doch dit is slechts om eene
volmaakter orde te volgen die ons wordt voorge-
schreven door noodzakelijkheid, door ziekte, door de
gehoorzaamheid.
De nauwgezetheid ondersteunt de orde. Zij bestaat
in het verrichten van al de werken, ons door onzen
plicht opgelegd, op den tijd, op de plaats, op de
wijze,
die ons voorgeschreven worden.
Indien wij onze werken niet met orde en nauw-
gezetheid verrichten, ontaarden wij die, om zoo te
spreken; wij maken ten minste, dat ze onvolmaakte
werken
zijn, en verminderen op die wijze meer of
minder de waarde, die zij kunnen hebben.
4. Met vurigheid.
1. Met vurigheid handelen is moedig en vaardig
handelen, juist niet met smaak, met genoegen, met
natuurlijke, gevoelige vurigheid.
-ocr page 493-
487
De vurigheid gaat wel gewoonlijk vergezeld met
dien gevoeligen smaak, doch zij is daarvan niet onaf-
scheidelijk. Alen kan zeer vurig zijn, en eene natuurlijke
walging gevoelen, een grooten weerzin hebben voor
hetgeen men doet, en er slechts last en dorheid in
vinden. De vurigheid bestaat vooral in den wil, zij
doet ons handelen ondanks allen tegenstrijd; en
juist dan is zij beter gevestigd en meer verdienstelijk,
daar wij slechts uit plichtgevoel handelen.
2. Met vurigheid handelen is niets ten halve ver-
richten , niets doen met die onachtzaamheid, die de
vrucht van de lichtzinnigheid en traagheid, en de
geesel van het religieuze leven is. Als men zoo handelt,
zegde eene heilige religieuze, durft men een weinig,
maar men durft niet genoeg. Men zou wel iets willen
doen om het geweten te doen zwijgen, doch het mag
niet veel kosten. Alles wordt ter nauwernood, ten
halve, slordig, uit gewoonte gedaan. Men zoekt in
niets de volmaaktheid. Niets draagt den stempel van
het voltooide, het goed afgewerkte. Men sleept zich
voort in plaats van te gaan; men stelt zich voor, in
plaats van te handelen; men maakt plannen, in plaats
van ze uit te voeren; men raakt den plicht met den
vinger aan, in plaats van hem met beide handen te
vatten; men mijmert, in plaats van te mediteeren;
men mompelt, in plaats van te bidden.
5. Met volharding.
Dat wil zeggen met aanhoudendheid, — tot het einde
toe doen wat geboden wordt, — het dagelijks doen als het
dagelijks voorgeschreven is,—de laatste regel eener blad-
zijde zoo goed schrijven als de eerste, den laatsten steek
eener naad zoo goed doen als den eerste, — de laatste
minuut van den dag even goed besteden als de eerste.
-ocr page 494-
488
Niets valt rnoeielijker dan die bestendigheid in het
werken; de eentonigheid veroorzaakt zoo licht tegen-
zin ; de vermoeienis veroorzaakt zoo licht verslapping.
Men moet, wel is waar, soms rusten; maar men
moet ook dagelijks zijn moed aanvuren en den blik
ten Hemel slaan.
B.
Toepassing der regels om al onze werken weltedoen.
Wij willen hier slechts vluchtig de meening aan-
stippeu, die wij bij alle werken moeten maken, en
de oefeningen, die wij moeten verrichten om den
wil van God des te beter te volbrengen, om op die
wijze tot de volmaaktheid te geraken, waartoe wij
krachtens onzen roep verplicht zijn.
Het opstaan.
Vaardigheid, — zedigheid, — eerste gedachte voor
God, — opoffering van zich-zelve, — blijdschap van
weder eenen dag voor God te mogen werken. Mond-
gebed of nadenken over de stof der meditatie, terwijl
men zich kleedt.
De meditatie.
Zich daartoe met hart en ziel begeven: men gaat
zich aan God opofferen; men gaat naar God luisteren;
men gaat Gods bevel vernemen; — eerbiedige hou-
ding; —• kalmte; — vrede; — den geest terugroepen,
als hij afwijkt; — voorzien wat er dien dag bijzonders
gebeuren kan, — zich reeds te voren onderwerpen
aan al wat God zal toelaten.
-ocr page 495-
489
Het mondgebed.
Altijd eenigszins langzaam en ruet nadenken, hetzij
kort of lang; — het kruisteekeu vooral eerbiedig
maken, in den geest van geloof; — geen enkel
gebed nit traagheid verzuimen; — zich niet ontstel-
len, als gehoorzaamheid of liefde verplichten een
deel daarvan achter te laten.
De H. Mis.
Zich vereenigen met den priester, zich de geheimen
van het lijden of van den Rozenkrans voorstellen, —
altijd eene geestelijke Communie doen; — in het
H. Misoffer steeds kracht putten om den dag heilig
door te brengen.
Het werk.
Hoe moeielijk het ook zij, geschiede het door den
geest van gehoorzaamheid, — onder het oog van God,
wiens wil wij vervullen, —met orde, met zorg, met
volharding, — somtijds in den geest van boetvaardig-
heid of liefde, — in vereeniging met Jezus en Maria,
die ook zoowel als wij gewerkt hebben.
De maaltijden.
Ingekeerdheid bij het gebed vóór en na het eten, —
oplettendheid bij de lezing, — de overhaasting be-
dwingen, — nemen wat voorgesteld wordt, — zin-
delijkheid uit deugd, — voorkomendheid en zorg voor
anderen, — kleine verstervingen in datgene wat
onzen smaak streelt, — geene zonderlingheden.
-ocr page 496-
490
De ontspanning.
Met de gemeente, — beleefdheid, — welvoegelijk-
heid in woorden en handelingen, — vroolijkkeid,—
minzaamheid, — verdraagzaambeid, het vermijden van
allen twist en pralerij, — niets ten kwade opnemen, —
zich volgaarne voor allen en tot alles schikken, —
niet trachten den boventoon te voeren, doch altijd
gereed zijn om anderen genoegen te doen en te ver-
maken , — God niet uit het oog verliezen, eenige
deugdoefeningen verrichten, — op het eerste teeken
de recreatie eindigen.
Des avonds.
Diepe stilte, — eer langzaam dan spoedig naar
bovengaan, — zich zoodra mogelijk te bed begeven,—
den slaap afwachten in dezelfde gesteltenis en met
dezelfde gevoelens, waarmede wij voor Gods troon
zouden willen verschijnen.
De Biecht en de H. Communie.
Altijd het oog rechtstreeks op God, God die ons
gaat vergeven, God die zich aan ons gaat mede-
deelen, — voor alles en vooral nederigheid en dank-
baarheid;
— zich \'s avonds te voren voorbereiden,
bij het bidden van het Rozenhoedje of het goddelijk
Officie; — door hetzelfde gebed God bedanken, —
de vrucht der Biecht en H. Communie getrouwelijk
bewaren, zich bij elke Communie eene bijzondere
meening voorstellen. .
-ocr page 497-
491
In verveling, moeielijkheid en
tegenspoed.
Alles in vrede verdragen, boe smartelijk het moge
vallen; — God laat het toe, God zendt dit alles
soms rechtstreeks, — lijden bezit altijd eene heilig-
makende kracht. — Ongevoelig zijn is niet mogelijk;
onderworpen , gelaten , geduldig zijn is altijd mogelijk
aan eene ziel, die met God vereenigd leeft; — een
dag, waarop alles voor den wind gaat, is de beste
voor den Hemel niet.
De openbare boetplegingen en straffen.
Deze worden in het kapittel, — voor eenige toeval-
lige fout, — of door de Overste opgelegd ; het kruisgebed
herinnert aan de smartelijke kruisiging en het gebed
van Jezus:—de voeten der zusters kussen herinnert
ons Jezus de voeten zijner Apostelen, zelfs van Judas,
wasschende; — den grond kussen herinnert ons Jezus
ter aarde nedergebogen in den hof van Olijven; —
zich aan de deur van de eetzaal of de kapel neder-
leggen,
terwijl de gemeente uit of ingaat, herinnert
ons Jezus die, met de zonden der menschen beladen,
zich diep voor zijnen Vader vernedert. — Al deze
boetplegingen verrichten met nauwkeurigheid, een-
voudigheid, in den geest des geloofs.
Naastenliefde.
Zacht, — medelijdend, — gedienstig, — voorko-
mend, — niet overbrengen , — niet kwaadspreken, —
niet spotten, — alles van allen verdragen, — trachten
niemand tot last te verstrekken, — zich weten te
-ocr page 498-
492
vernederen om eenvoudig een dienst te bewijzen en
aan te nemen, — edelmoedig vergeven, — nooit
wrok of afkeer in het hart bewaren.
Gehoorzaamheid.
Aan allen die eenig gezag uitoefenen, — zonder
onderscheid, — zonder dralen,— zonder tegenspraak,—
zonder morren.
Zuiverheid.
Niet vreesachtig, maar voorzichtig, — de zinnen
bewaken, — zich geene vrijheden veroorloven, — de
gevaren vluchten in onzen omgang met onze zusters,—
met onze bloedverwanten, — in de spreekkamer, —
ten opzichte van ons-zelven, als wij alleen zijn.
Armoede.
Zelfs voor de kleinste zaken verlof vragen, — alles
leeren ontberen, wat niet volstrekt noodzakelijk is,
en in dit noodzakelijke eer te weinig dan te veel, —
trachten in alles eenvoudig, doch in niets zonderling
te zijn.
Vereeniging met God.
Ons gewoon maken, aan Gods tegenwoordigheid
te denken; God bij ons, met ons, in ons, — God
beschouwen bij en in ieder onzer zusters, —• Hem
zien in onze Oversten, — in onze kinderen, in onze
zieken; — vooral Jezus-Christus in het H. Tabernakel
beschouwen, en daarom voortdurenden eerbied, voort-
durenden vrede, voortdurende vreugde.
-ocr page 499-
493
O, hoe gelukkig is de ziel, die aldus al de uren
van den dag besteedt, en met de vroeger geleerde
nieening de werken verricht, die hare uren vervullen !
hoevele verdiensten, zelfs in hare kleinste werken!
hoe verheerlijkt zij God, hoevele genaden trekt zij
neder over de gemeente, over de stad, waarin de
gemeente gevestigd is, over de geheele H. Kerk.
In die uren, wanneer uw moed dreigt te bezwijken,
moet gij, om uwe vurigheid op te wekken en uwe
traagheid af te schudden, laugzaam de volgende
bemerkingen lezen.
Waarom heb ik de toereld verlaten ? Was het niet,
omdat ik gevoelde dat ik traag was in het naleven
mijner plichten, daar niets mij in bedwang hield? —
omdat ik ernstige reden had, mijne verbeelding, die
door niets weerhouden werd, mijn hart, dat de wereld
bekoorde, mijne zintuigen, die mij langzamerhand
medesleepten, te mistrouwen? — omdat ik, in één
woord, vreesde mij te verdoemen ? — En zou ik hier in
dezelfde vrees willen leven ? En die vrees zou gegrond
zijn, indien ik den Regel veronachtzaamde, die mij
dwingt de plichten van mijnen staat na te komen,
indien ik mij weinig moeite gaf om gehoorzaam,
nauwgezet, godsdienstig te zijn, mijne verbeelding te
beperken, mijne zinnen te weerhouden, in één rooord
de zoo nuttige, werkdadige, krachtige hulpmiddelen
te gebruiken, die ik in de gemeente ben komen zoeken.
En als ik niet heiliger en beter wil worden, dan
ik in de wereld zou geweest zijn, was het dan de
moeite waardig, mijne ouders, mijne familie mijne
goederen en die toekomst, die mij aaulachte, te ver-
laten? — Moest ik daarom mijne familie een offer
doen brengen, eene droefheid aandoen, waarvan zij
nog de bitterheid gevoelen? Moest ik daarom ver-
-ocr page 500-
494
zaken aan mijne vrijheid, om mij te onderwerpen aan
eenen regel, die toch altijd veel kost, mijn kalm en
rustig leven ruilen tegen een leven van gedurigen
strijd, en dat, hoe onvolmaakter ik ben, mij des
te zwaarder zal vallen?
VII.
Pater Grasset heeft door krachtige en levendige
beelden de verschillende trappen van volmaaktheid
voorgesteld, die ons tot de vereeniging met God kunnen
brengen, tot dien voorsmaak van de eeuwige en
zalige vereeniging, die het geluk des Hemels uitmaakt.
Eerste Trap: Men moet zijn als een Pelgrim.
De religieus moet zich op aarde beschouwen als
een pelgrim, die naar zijn dierbaar vaderland, den
Hemel terugreist; deze hoedanigheid geeft de Prins
der Apostelen aan alle Christenen.
De pelgrim gebruikt alle zaken slechts ter loops;
hij hecht zich niet aan zijne verblijfplaats; — hij
maakt geene onkosten, om ze te versieren en te
verrijken, wel wetende dat hij haar binnen weinige
dagen weder moet verlaten.
De pelgrim gaat altijd vlijtig voort, vooral als de
dagen kort en de wegen slecht zijn. »Ga met groote
schreden vooruit op den weg der volmaaktheid;
-ocr page 501-
495
want de tijd is kort, de dood nadert, de zon gaat
onder en de wegen zijn gevaarlijk."
Tweede Trap : Men moet als een Gekruisigde zijn.
Een religieus moet meer zijn dan een pelgrim op
aarde; hij moet zijn als een gekruisigde. Zij, die aan
Jezus-Christus behooren,
zegt de H. Paulus, hebben
hun vleesch met hunne ondeugden en ongeregelde
neigingen gekruisigd.
Welnu, gekruisigd zijn betee-
kent, volgens den H. Bernardus, datgene wat de
wereld kruis noemt, als geluk, datgene wat de
wereld geluk noemt, als een kruis beschouwen.
Gekruisigd zijn is van de nood eene deugd en
eene deugd van den nood maken. Het is zich zoo
vast hechten aan God door de nagelen van vrees,
van hoop en van liefde, dat niets ons ooit van zijnen
dienst kan aftrekken. De gekruisigde kan op elk
voorstel hem gedaan, dat hem van zijn plicht zou
aftrekken, steeds antwoorden: Ik kan niet.
De pelgrim kan gaan waar hij wil, hij kan naar
welgevallen vooruit- of teruggaan; de gekruisigde is
beroofd van het gebruik zijner ledematen, hij moet
blijven waar God hem geplaatst heeft, en hij moet
daar met liefde blijven.
Derde Trap: Men moet zijn als een Doode.
De religieus moet nog meer dan een gekruisigde zijn.
Hij, die aan het kruis hangt, ziet nog wat vóór hem
is, hij hoort wat gezegd wordt, hij heeft het gebruik
zijner zintuigen nog. — Om volmaakt te zijn, moet
de religieus dood zijn aan het zinnelijk leven.
Een doode ziet niet meer, hoort niet meer, smaakt.
-ocr page 502-
496
niet meer, vreest niet meer, verlangt niet meer. Slaat
men hem, beleedigt men hem, trekt men hem iu
stukken, hij voelt het kwaad niet, dat men hem
doet, hij voelt zich niet beleedigd.
Het is op aarde niet mogelijk ongevoelig te zijn;
maar met de hulp der genade, en door een aanhoudend
streven wordt het mogelijk zich te versterven, tegen
zijne driften te strijden, ze te onderdrukken, aan
zijne zintuigen slechts het noodzakelijke toe te staan,
in de hand van God te zijn als een lijk, dat geene
andere beweging kent dan die, welke men het geeft.
Vierde Trap: Men moet als begraven zijn.
De religieus moet nog meer zijn dan dood; hij
moet als begraven zijn. Een doode wordt nog gezien;
men bewijst hem nog eer, men begraaft hem soms
met praal en pracht; maar als hij eenmaal begraven
is, gaat zijne gedachtenis langzamerhand voorbij,
en wordt hij geheel vergeten.
De religieus moet ook zoo ver komen, dat hij
als begraven, dat is, onbekend, misacht, vergeten,
verlaten is. Hij moet gaarne leven zonder eer, zonder
glorie, zonder genoegen; hij moet rechtstreeks de
verachting en de oneer niet zoeken, doch als God
hem deze beproeving overzendt, moet hij die in
vrede, met moed, met standvastigheid, met dank-
baarheid aanvaarden.
Vijfde Trap: Men moet zijn als veroordeeld
tot de duisternis.
Dit is de hoogste trap van volmaaktheid, waarop
wij geheel van God afhangen, waardoor wij leven in
eene volkomen berooving van alle geestelijke zaken,
door een uitwerksel van den goddelijken wil ten
-ocr page 503-
497
onzen opzichte, zonder licht, zonder troost, zonder
steun; dit is de berooving der gevoelige tegenwoor-
digheid van God, de ballingschap des harten, en
somtijds het overlaten aan al de krachten der helle.
Wij zullen het u in de volgende bladzijden zeggen,
arme zwaar beproefde ziel, blijf in vrede, innig gehecht
aan God, die nooit zijne schepselen verlaat, en zeker
degenen niet die Hij zoozeer als u bemint; — wantrouw
niet, mor niet, slechts nog een weinig geduld!..—
uw Zaligmaker is drie dagen in de duisternis van
het graf gebleven, doch toen sloeg voor Hem het
uur der glorierijke verrijzenis; ook voor u zal het
uur der verrijzenis aanbreken en zij zal glansrijk
zijn als die van Jezus-Christus.
VIII.
£k>ten van den di^ivct om ons van dc
votmaaktne-id Kz vziwiyd&z&n.
De voornaamste listen, waarvan de duivel zich be-
dient, om ons van de volmaaktheid af te trekken, zijn:
1. De godvruchtige overdrijving in het gedrag.
De duivel zet de religieuze zielen, die naar de
volmaaktheid trachten, aan, om zich aan uitwendige
versterving
over te geven, hetzij boetpleging of haren
kleederen
boven of buiten de toelating van den Regel, —
hetzij berooving van slaap om meer te kunnen bidden, —
een bed, dat men hard en ongemakkelijk maakt, —
32
-ocr page 504-
498
vermindering van voedsel.... De duivel doet haar
smaak vinden in die oefeningen, en sluit haar den
mond, opdat zij er haren biechtvader niet van zouden
spreken, onder voorwendsel, dat zij niet durven en
dat dit niet noodig is.
De ijver en het genoegen, dat zij stellen in die
verstervingen buiten den Regel, keeren haar af van
meer gewichtige verstervingen, welke plicht haar
opleggen, — van de oplettendheid om hare gebreken
te verbeteren, — zoetaardig in hare woorden, een-
voudig in hare handelingen, gehoorzaam aan de
bevelen harer oversten, vrij van alle gehechtheid
aan eigen oordeel te zijn.
Als de religieuze, die aldus overdrijft, een vurig
karakter bezit, als zij hoovaardig van natuur is, wordt
deze bekoring zeer gevaarlijk. Zij zal die levenswijze,
welke noch door voorzichtigheid, noch door oot-
ruoedigheid, noch door gehoorzaamheid geregeld wordt,
niet lang uithouden; en wat zij nu te veel doet, zal
zij weldra te weinig doen; en van heel die opéén-
stapeling van werktuigelijke en hoovaardige verster-
vingen zal haar niets overblijven dan eene verbitterde
eigenliefde, eene traagheid, die alle werk vermoeiend
vindt, of eene verzwakte gezondheid, die belet te werken.
2. De onvoorzichtige voornemens.
Wie onzer heeft, vooral na eene goede retraite,
geene Rchoone voornemens gemaakt? Wie heeft niet
voorgenomen, heilig te worden, dadelijk heilig te zijn ?
wie wilde niet haar gedrag geheel hervormen?
Het was te schoon en te volmaakt, en daarom
waren wij na weinige dagen moede en werden wjj
weder wat wij te voren waren.
-ocr page 505-
499
Xeeiu niet te veel gelijk. Tel uwe voornemens niet,
doch weeg ze; kies de voornaamste, de vruchtbaarste,
de noodzakelijkste: doe ze door uw Overste of Biecht-
vader goedkeuren en houd u letterlijk aan hunne
voorschriften.
Eén besluit bij elke retraite is veel, als wij er
getrouw aan zijn; als wij elk jaar één gebrek of
ééne fout uitroeiden, zegt de Navolging van Jezus-
Christus, zouden wij spoedig heilig zijn.
3. Het afwachten van eenen anderen toestand,
alvorens icij aan onze volmaaktheid gaan werken.
In de wereld maakt de duivel vele personen wijs
dat, — hadden zij deze zorg, dezen kommer, deze
bekoring niet, als hunne omstandigheden veranderden,
als zij met die personen niet behoefden om te gaan , —
zij edelmoedig aan hare volmaaktheid zouden gaan
werken.
De duivel blaast dezelfde gedachten in aan vele
religieuzen; zij beelden zich in dat, werden zij niet
door deze bediening verstrooid, stonden zij niet
onder deze Overste, waren zij niet verplicht met die
zuster te werken die haar tegenstaat,.... zij veel
godsdienstiger, braver, volmaakter zouden zijn.
Gij bedriegt u, arme ziel! Ten eerste is het niet
over eene maand, overeene week, dat gij moet beginnen,
maar heden, maar in dit uur zelfs; en daarbij zijn
uwe bediening, uw toestand, uwe bezigheden, uwe
omgeving, uwe beproevingen juist de middelen, welke
God u ter uwer volmaking toezendt.
Er is geen sprake van de zaken te veranderen,
maar u van de bestaande te bedienen, als van zoo
vele sporten der ladder, waarmede gij tot God moet
-ocr page 506-
500
opklimmen, de bladzijde, die gij op dit oogenblik
leest, de bezigheid, die daarop gaat volgen, het werk
dat gij uit gehoorzaamheid gaat verrichten, den om-
gang met die zuster, welke reeds op u staat te wachten,
ziedaar wat gij te doen hebt; — o geef daaraan toch
de meeniug en de volmaaktheid, die God van u verlangt!
Wellicht zal het werk, dat gij onderneemt, slecht
uitvallen, misschien zult gij onverdiend vernederd,
onrechtvaardig berispt worden; ziedaar eene schoone
gelegenheid om God alleen te zoeken, uw hart te
onthechten, uwe eigenliefde te ontwortelen.
Mogelijk is die zuster, waarmede de gehoorzaamheid
u verplicht te werken, de genade waarvan de Voor-
zienigheid zich wil bedienen om u te heiligen; met
haar werkende, om en door haar lijdende, zachtmoedig
en nederig van harte met haar omgaande, zult gij
den verborgen schat der volmaaktheid vinden.
O zeg dan niet: Ik zal beginnen, ah ik hier oj
daar zal zijn;
doch zeg: Ik begin dadelijk; ik begin
door datgene, wat ik in dit oogenblik te doen heb!
-ocr page 507-
501
üer«l© verj>liclitiii{j «lei* Religieuze.
Zijden.
De dagen van mijn pelgrimstocht zijn van honderd
dertig jaren
, zegde de Aartsvader Jacob tot den
Koning van Egypte, die dagen zijn kort en ongelukkig
geweest.
(Gen. XLVII, 9.)
Deze woorden vormen de kortste en getrouwste
beschrijving van het menschelijk leven. Wij komen
ter wereld om te lijden, en van de wieg tot het
graf is het leven voor allen, min of meer, slechts
een zwaardere of lichtere rouw, — een leerschool
van lijden,
— eene aanhoudende worsteling met de
smart. Lang leven
, zegt de H. Augustinus, is langer
gepijnigd worden.
En dat lijden, en die smarten, en die pijnen
drukken zonder onderscheid op alle menschen; de
mensch, uit de vrouw geboren, zegt de H. Schrift,
leeft weinige dagen en is met eene menigte ellenden
vervuld. (Job XIV, 1.)
Wij  zullen aantoonen:
1°.    De noodzakelijkheid van het lijden.
2°.    De natuur en de oorzaak van het lijden.
3°.    De verschillende vormen van het lijden.
4°.    De wijze waarop men het lijden moet verdragen.
5°.    De uitwerkselen van het lijden.
-ocr page 508-
502
l8te HOOFDSTUK.
>.\'<><hI/.;iKi-1 ijlvli. i<l van liet ly<U-n.
I.
De noodzakelijkheid van het lijden is, voor alle
menschen in het algemeen, gegrond op onze natuur,
welke tot straf der erfzonde gevoelig is geworden
voor de smart, en tot lijden is veroordeeld.
De mensch werd niet geschapen om te lijden. Het
was om gelukkig te zijn, dat God hem op de aarde
plaatste; en van dat geluk, dat hij eeuige dagen
heeft gesmaakt, behield hij eene zoo zoete herinne-
ring, dat het streven om dat geluk te bereiken en
weder te bezitten, de drijfveer is geworden van al
zijne daden, de onoverwinnelijke neiging zijner ziel,
het gedurig streven van zijn bestaau. Helaas! hij
ontmoet slechts het beeld van dat geluk, hij gevoelt
slechts hier en daar en als ter loops deszelfs onuit-
sprekelijke zoetheid.
Het is omdat de mensch tegen God is opgestaan,
omdat God, als straf voor de zonde, de aarde ver-
vloekt heeft en dit verpletterend vonnis over den
mensch uitsprak: Gij zult uw brood eten in het
zweet mos aanschijns.
(Gen. III, 10); en van dit
oogenblik tot nu toe leeft de mensch als banneling
en sleept de keten zijner vervloeking.
Het lijden is, even als de dood, door de zonde
ontstaan. Beide zijn de straf der zonde; het leven
is slechts een hospitaal, waarin wij allen geplaatst
worden, zegt de H. Franciscus van Sales; als wij
-ocr page 509-
503
niet meer te lijden zullen hebben, zullen wij het
verlaten, evenals men een zieke, die genezen is,
het hospitaal doet verlaten; en onze genezing kan
slechts door het lijden bewerkt worden.
Schik alle zakeu naar uwen wil, zegt de Navolging
van Christus; gij zult ondervinden, dat er overal
en .altijd, hetzij met of tegen uwen wil, iets te lijden
valt; overal zult gij kruisen vinden, hetzij in droef-
heid van den geest, hetzij in lichamelijke smarten.
Het kruis staat altijd voor u; het verwacht u overal.
Keer u naar boven, naar beneden, naar binnen,
naar buiten, overal zult gij het vinden. Overal zult
gij het geduldig moeten dragen, als gij den vrede
des harten, het eeuwige leven wilt vinden.
O, als gij een blik terug slaat op die weinige
dagen, verloopen van af uwe wieg tot het huidig
oogenbük, gij vooral, o religieuzen, wier leven in
het algemeen, veel meer dan dat van anderen, zoo
stil, zoo vreedzaam, zoo eentonig geweest is, moet
gij dan niet bekennen, dat er weinige bladzijden zijn
van het boek uws leveus, dat nochtans met zooveel
teedere zorg omringd, met zooveel oprechte genegen-
heid omgeven was, waar niet onder een of anderen
vorm, eene of andere uitdrukking te lezen staat,
die onder duizend verschillende schakeeringen eene
zelfde zaak uitdrukt? Lijden!
De H. Geest vat in twee woorden het leven van
den mensch op aarde samen, labor et dolor, — wer-
ken en lijden; en Hij geeft daarvan de reden, straf
en boete.
-ocr page 510-
504
II.
De noodzakelijkheid van het lijden rust voor alle
menschen in het algemeen op hunne persoonlijke
zonden, die zij noodzakelijk moeten hoeten.
Elke zonde is eene beleediging God aangedaan,
door Hem ongehoorzaam te zijn en een schepsel of
eigen voldoening boven zijnen wil te stellen; God,
de rechtvaardigheid en de heiligheid bij uitmuntend-
heid, is aan zich-zelven verschuldigd, dat de beleedi-
ging hersteld worde;
en daar elke zonde een genot
is van den geest, van het hart of van de zinnen,
dat men zoekt ondanks den Wil van God, zoo moet
ook dit genot geboet worden door eene straf van den
geest, van het hart of van de zintuigen
, die de ge-
schonden orde herstelle.
Het lijden wordt ons door God toegezonden, en
door de zonde veroorzaakt.
Het lijden volgt de zonde, gelijk de schaduw het
lichaam, zegt Mgr. de Ségur. Somtijds volgt het
niet onmiddelijk, somtijds schijnt het in deze wereld
kwijtgescholden; doch vroeg of laat zal het komen,
en des te verschrikkelijker, naarmate het langer
getoefd heeft.
Door een oprecht berouw over de zonde en de
absolutie herkrijgt de inen.sch zijne onschuld, doch
hij krijgt daarom geene volkomen kwijtschelding der
straffen; zoo iemand beweert, dat de geheele straf te
gelijk met de zonde altijd door God kwijtgescholden
ivordt, dat hij vervloekt zij,
zegt de Kerkvergadering
van Trente. Van daar het leerstuk der voldoening,
van daar de herstellende straf, waarvan wij gaan
spreken.
-ocr page 511-
505
Wellicht zonden wij ons inbeelden, dat wij zonder
oorzaak moeten lijden. Treden wij dan in ons zelven;
doorzoeken wij, door Gods licht bestraald, de geheim-
ste schuilhoeken van ons hart. Zoodra een ongeluk
ons treft, moeten wij in ons-zelveu treden, en wij
zullen weldra erkennen, dat wij rechtvaardig gestraft
worden. Want waar is de niensch, die ooit in volle
waarheid kan zeggen, dat hij niet gezondigd heeft ? —
De menschelijke gerechtigheid kan somtijds een on-
schuldige treffen, de gerechtigheid Gods nooit. Yoor
geheel het menschelijk geslacht, zoowel als voor ieder
mensch, is doorgaans het kioaad eene straf. Maar
onthouden wij dit wel; voor ieder mensch wordt
elke straf, in dit leven, zoozoel door de liefde als
door de rechtvaardigheid opgelegd
(de Maistre). God
is altijd onze Vader, bijzonder als Hij ons kastijdt;
en Hij neemt nooit het besluit den zondaar voor
eeuwig te straffen, dan wanneer Hij hem hardnekkig
in de zonde ziet volharden.
III.
De noodzakelijkheid van het lijden is gegrond voor
alle menschen in het algemeen op de noodzake-
lijkheid van te strijden, reeds in het vorig hoofd-
stuk aangetoond.
Strijden is 1°. voorzorg nemen, dat wil zeggen waken
op onze zintuigen en onze geestvermogens, beletten
dat uitwendige voorwerpen ze uit hun plicht trekken;
en 2°. worstelen tegen onze neigingen, om hare on-
stuimigheid te bedaren en ze binnen de grenzen,
door Gods wet voorgeschreven, te houden; onder dit
oogpunt beschouwd, is het onmogelijk, niet te lijden.
-ocr page 512-
506
Onze zinnen, onze neigingen, de duivel zijn te
machtige en te woedende vijanden om zich niet
over onzen strijd te verbitteren, en de kracht waar-
mede wij hen bestrijden, niet te weerstaan, en wij
zijn te zwak om de uitwerkselen van den weerstand
niet zeer te gevoelen, te weten om te lijden.
Als de H. Paulus ons zegt: Bekleedt u met de
wapenen van\'God, om u te kunnen verdedigen tegen
de hinderlagen des duivels; want wij moeten niet
strijden tegen vleeseh en bloed, maar tegen de over-
heden en kroelden, tegen de vorsten der wereld, tegen
de kwade geesten in de lucht verspreid.
(Eph. VI, 11,12) :
kondigt Hij ons dien voortdurenden strijd aan, en
het lijden als noodzakelijk gevolg van dezen strijd.
IV.
De noodzakelijkheid van het lijden is gegrond, op
de verplichting van den Hemel te verdienen.
De Hemel is het Koninkrijk, dat wij moeten ver-
overen; Jezus-Christus heeft ons uitdrukkelijk gezegd:
Het rijk der Hemelen lijdt geweld, en de geweldigen
alleen nemen het in.
(Matth. XI, 12). Welnu, beteekent
dat geweld, dat zich uitstrekt over alle tijdperken
des levens, het lijden niet dat daarvan het natuurlijk
gevolg is en in alle standen en tijdperken des levens
ons lot is?
Geen ander middel om den Hemel te veroveren.
Wie in het strijdperk komt, zegt de H Paulus,
wordt niet gekroond, tenzij hij wettig gestreden hebbe
(H. Tim. II, 5). » Vrees dan niet, het kruis te om-
helzen en te dragen,"
voegt de Navolging hierbij.
»Het kruis is de zaligheid, het leven. Het kruis is
het bolwerk onzer zaligheid. Het kruis is de bron
-ocr page 513-
507
der hemelsche zoetheid; het is de kracht der ziel en
de vreugde van den geest. Het kruis is de deugd
bij uitnemendheid, het is de volmaaktheid der heiligheid.
Zonder het kruis geene zaligheid, zonder het kruis
geene hoop op het eeuwig leven."
V.
De noodzakelijkheid van het lijden is gegrond
voor alle menschen in het algemeen en voor de
religieuzen in het bijzonder op de verplichting
van gelijkvormig te worden aan Jezus-Christus.
Ieder Christen is een andere Jezus-Christus. —•
Geen Christen zal in den Hemel worden toegelaten,
dan voor zoover er eene zekere gelijkvormigheid
bestaat tusschen zijn leven en het leven van Jezus-
Christus. Om deze gelijkvormigheid mogelijk te
maken, heeft Jezus-Christus dertig jaren op aarde
doorgebracht, een verborgen leven lijdende, aan alle
menschen het voorbeeld gevende van de eenvoudigste
deugden, allen aanzettende Hem na te volgen volgens
hun stand, en aan ons, die Hij geroepen heeft om
inniger met Hem vereenigd te leven, geheel bijzon-
derlijk vragende, zijn Verlossingswerk, waarvoor Hij
op aarde gekomen is, voort te zetten.
Welnu, het is door het lijden en het kruis, dat
Jezus de wereld verlost heeft; en het is door het
lijden en het kruis, dat wij zijn werk kunnen voort-
zetten, wij allen, die de eer hebben door Hem gekozen
te zijn gelijk andere Apostelen; welke dan ook de
zending zij, die wij op aarde te vervullen hebben;
eene zending van gedurig gebed, van verkondiging
van Gods woord, van opoffering en verzachting van
het lijden van anderen; welken naam wij dan ook
-ocr page 514-
508
mogen dragen, zij het priester, kloosterling, missionaris,
religieuze.
Hoor dit woord des Meesters rechtstreeks
tot ons gericht: Voorwaar, voorwaar, ik zeg het u,
als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft,
blijft hij alleen; maar als hij sterft, brengt .hij vele
vruchten voort
(Joa. XII, 24,, 25). Deze vergelijking
drukt duidelijk de gedachte van den goddelijkeu Meester
uit; maar om elke verkeerde uitlegging onmogelijk
te maken, haast Hij zich er dezen uitleg bij te voegen:
Wie zijn leven bemint, zal het verliezen; en wie het
in dit leven haat, bewaart het voor de eeuwigheid.
Dat hij die mij dient, mij volge; en waar ik ben
(en weldra zal Hij Calvarië beklimmen), daar zal ook
mijn dienaar zijn
(lis. 25, 26).
Op geene duidelijker wijze kan Jezus-Christus ons
zeggen, dat wij de zielen door geene andere middelen
kunnen redden dan door die, welke Hij zelf in oefening
gebracht heeft. En hoe krachtig zijn woord, hoe
verdienstelijk zijne werken, hoe machtig zijn gebed
ook geweest zijn, zoo wordt de zaligheid der zielen
toch bijzonder toegeschreven aan zijn lijden en zijnen
dood,
zoo door Hem-zelven als door zijne Profeten
en Apostelen. Wij hebben onze genezing in zijne
loonden gevonden
, zegt Isaias (LUI, 5). Hij heeft
onze zonden in zijn lichaam op het hout gedragen,
zeg de H. Petrus, opdat wij, dood aan de zonden,
voor de rechtvaardigheid leven
(I Petiu II, 24) Er is
geene vergeving zonder bloedvergieting,
zegt de H.
Paulus tot de Hebreeuwen, terwijl hij hun op Jezus
den gekruisigde wees (Hebr. IX, 22).
Met veel meer kracht spreekt de goddelijke Meester
zelf, als Hij ons verklaart, dat om het eeuwige
leven binnen te treden, Hij, ons Hoofd, heeft moeten
lijden wat Hij geleden heeft (Luca: XXIV, 26).
-ocr page 515-
509
VI.
De noodzakelijkheid van het lijden is voor de
religieuzen in het bijzonder gegrond op de ver-
plichting van
, naar aanleiding harer Geloften,
slachtoffers te zijn.
I. »Jezus-Christus, het goddelijk hoofd van Zijn
geheimzinnig lichaam, de H Kerk, vereenigt zich,
om zoo te zeggen," zegt P. Lyonnais, s> met elk zijner
ledematen onder een der bijzondere kenmerken van
zijn leven.
In den eenvoudig geloovige zet Hij zijn verborgen
leven, en, om zoo te zeggen, zijn huiselijk leven te
Nazareth voort.
In den priester zet Hij zijn openbaar leven en
zijne bediening als offeraar voort.
In den religieus zet Hij zijn leven en bediening
als slachtoffer voort.
Als een goddelijke stam, als een goddelijke wijn-
gaard, deelt zich aldus het leven van Christus mede,
en vormt drie innig vereenigde takken, welke zich
op hunne beurt uitbreidende, het goddelijk leven
van Christus tot den laatsten en dunsten tak van
dien geheimzinnigen boom voortzetten.
De eerste tak is het leven van Christus in de
geloovigen voortgezet, het christelijk leven.
De tweede is het leven van Christus als leeraar
en priester, het priesterlijk leven.
De derde is het leven van Christus als gehoorzaam
en gekruisigd slachtoffer in de religieuzen voortgezet,
het religieuze leven.\'\'
Elke religieus, welke ook zijne bediening zij, is
door het feit zijner religieuze professie alleen, wettig
-ocr page 516-
510
gezonden, en bestemd om op aarde het offer van
Jezus-Christus voort te zetten als een slachtoffer, ver-
eenigd met het goddelijk Slachtoffer van Calvarië
voor de zaligheid der wereld.
»Men noemt religieuzen," zegtde H.Thomas, »dege-
nen, die zich geheel toewijden aan den dienst van God
en zich aan God als slachtoffers aanbieden. En wel
mag de religieuze staat beschouwd worden als een offer
waarbij men aan God zich-zelven opoffert met alles wat
men bezit. Men offert aan God het bezit van alle
aardsche goederen
door de gelofte van vrijwillige
armoede, — men offert Hem het bezit van zijn eigen
lichaam
door de gelofte van onthouding, — men offert
Hem eindelijk het bezit zijner ziel door de gehoorzaam-
heid, waardoor men zijn eigen wil ten offer brengt "
De religieus is dus, krachtens zijne roeping, een
slachtoffer; en het woord slachtoffer beteekent; aan
het lijden, aan het offer gewijd.
De H. Franciscus
van Öales zegde dit duidelijk in een brief aan eene
jonge religieuze: In den geest ligt gij nu op het
gewijd altaar, om er opgeofferd, geslacht, en zelfs
door het vuur verteerd te worden!.... Reeds zijt gij
dood voor de wereld en de wereld is dood voor u. Dit
is reeds één deel van het brandoffer; doch er blijven
nog twee te doen overig; het ééne is het bereiden
van het offer, uw hart onthechtende van zich-zelven,
en al die kleine banden afsnijdende, waarmede natuur
en wereld u binden; het tweede is uwe eigenliefde
tot asch te verbranden en uwe geheele ziel in hemelsch
liefdevuur te ontsteken.
Verwacht u dus meer dan iemand, o religieuze
zielen, aan het lijden, niet alleen om het noodzakelijk
gevolg der ontberingen, u door uwe geloften opgelegd,
maar om den uitdrukkelijken wil van God, die in u
-ocr page 517-
511
bet lijdende leven van zijnen Zoon Jezus-Christus
wil voortzetten.
II.     Bedenk dat het slachtoffer niet meer voor
zich-zelveu leeft, maar voor Hem, die het offer aan-
vaard heeft, en wiens eerherstel deszelfs eenig streven
moet uitmaken. Daar de zonden, waarmede het zich
beladen heeft, het alle recht onwaardig maken,
beklaagt het zich nimmer dat men het verongelijkt.
Daar het zich aan de goddelijke rechtvaardigheid heeft
overgeleverd, zoekt het zich slechts lijdelijk aan de
werking van God over te laten en, om zoo te zeggen,
de speelbal van zijnen wil, en bijgevolg dien van alle,
zelfs van de geringste schepselen te zijn ; het ontvangt
met liefde alle slagen die het treffen; de zwaarste
zijn in zijn oog de beste, en als het uur van lijden
slaat, is het altijd bereid. — Het offer is in een
gedurigen staat van eene kalme, vreedzame, onder-
worpen
, edelmoedige berusting. En het slachtoffer
verwacht en neemt het lijden niet alleen aan, maar
zelfs vraagt het dit eenvoudiglijk. Eene edelmoedige
ziel, een jong meisje, biedt in lSfiG haar leven aan
God in plaats van dat van Pius IX, en God roept
haar tot zich. Mgr. de Ségur vraagt bij zijne eerste
Mis aan God het smartvolste lijden, waarmede hij
zijne bediening kan voortzetten, en God berooft hem
van het gebruik zijner oogen. Dergelijke edelmoedige
beden geven zeker groote eer aan God, doch eischen
eene bijzondere genade en vooral onderwerping aan
onzen geestelijken bestuurder.
III.     Die staat van slachtoffer is zoo groot, zoo
edelmoedig! Het vrijwillig slachtoffer is een samen-
weefsel van kracht en liefde: en de ziel, welke die
kracht en liefde in hoogen graad bezit, zegt een
religieus, beslist soms bij.God over het lot van eene
-ocr page 518-
512
geheele natie. Zij is, zegt Lodewijk van Blois,
in één uur nuttiger aan de Kerk dan anderen, wie zij
ook mogen zijn, in verscheidene jaren.
Gevoel u dus gelukkig van tot slachtoffer gekozen te
zijn, gelukkig van te mogen lijden, gelukkig van het
werk vau Jezus-Clmstus te mogen voortzetten. De wet
van het christendom vraagt, zegt de Abt Ribet, dat
het herstel van den gevallen mensch door het vrij-
willig lijden bewerkt worde. Jezus-Christus heeft
zijnen Vader verheerlijkt en den mensch vrij gekocht
door het lijden; en het is door het lijden, dat Hij
in de menschen zijne herstelling en zijn Verlossing-
werk wil voortzetten.
VII.
De noodzakelijkheid van te lijden is voor eenige
zielen gegrond op de keuze
, die God in zijne goed-
heid van haar als bijzondere slachtoffers ge-
maakt heeft.
God, zegt P. Lyonard, kiest zich, uit oogmerken
Hem bekend, bijzondere slachtoffers uit; en deelt
hun tot zaligheid hunner broeders eene ruime mate
toe van het lijden van zijnen goddelijken Zoon, en
bijgevolg van zijnen titel en bediening van slachtoffer.
Wanneer men de jaarboeken der fl. Kerk naleest,
is het gemakkelijk deze bewering door talrijke feiten
te staven. In alle tijden heeft God zich vurige zielen
uitverkoren om er slachtoffers van te maken, die
aangenaam zijn in zijne oogen; op hen heeft Hij
de slagen doen vallen, welke zijne gerechtigheid, hetzij
aan eene natie, hetzij zelfs aan zijne H. Kerk voor-
behield, wegens de ongetrouwheid zijner kinderen.
Op die wijze had Hij op het onschuldig slachtoffer
-ocr page 519-
513
van Calvarië, op zijnen welbeminden Zoon, de slagen
doen vallen, die zijne rechtvaardige verbolgenheid
aan de schuldige menschheid voorbehield.
Het is onmogelijk, de teedere liefde uit te druk-
ken, die God de Vader toedraagt aan die zielen, aan
welke Hij een bijzonderen trek van gelijkenis geeft
met zijnen goddelijken Zoon. Om haar genoegen te
doen, zijn er geene mirakelen van genade, welke Hij
niet bereid is op hare gebeden toe te staan, vooral
als zij Hem die aanbieden vereenigd met de tranen,
het bloed, den doodstrijd van Jezus, alsook met hare
eigene tranen en eigen zielsangst! Eu als God zich
in alle standen der maatschappij slachtoffers kiest,
zoo is het echter zeker, dat Hij die bijzonder uitkiest
in de religieuze gemeenten, welke door een Bisschop
met zooveel juistheid genoemd worden: de bliksem-
afleiders, die de bliksemstralen der goddelijke gerech-
tigheid van de schuldigen afwenden en op haar eigen
hoofd ontvangen.
VIII.
De noodzakelijkheid van te lijden is voor eenige
zielen in het bijzonder gegrond, op de bijzondere
liefde, welke God haar toedraagt.
God kastijdt degenen, die Ilij bemint (Hebr. XII, 6).
Ziedaar een woord dat eeuwiglijk de ergernis van
den zinnelijken mensch zal uitmaken. Hij zal nooit
de liefde, die slaat en pijnigt, kunnen begrijpen; en
toch is het de liefde van den Vader, die, ondanks
de tranen van zijn kind, het zieke lidmaat afzet om
aan dit geliefde wezen het leven te behouden; — het
is de liefde der moeder, die niet aarzelt hare dochter
33
-ocr page 520-
514
eene smartelijke operatie te doen ondergaan, om dat-
gene wat haar misvormt, te doen verdwijnen.
Wij zullen hier niet spreken over die verschrikkelijke
beproevingen, welke slechts het deel van zeer weinige
zielen zijn. Wij zullen alleen een punt oplichten van
dien sluier, die zelfs vele godgewijde zielen verblindt,
en haar de teederste liefde toonen in die beproevingen,
welke in den dienst van eenen zoo goeden Vader
geleden, haar eene werkelijke tegenspraak schijnen.
1. Het is eene algemeene wet, dat degene, dien
God bemint, moet beproefd worden
Het is de wet van het oude Testament: Omdat
gij aan God aangenaam waart,
zegde de Engel
tot Tobias, was het noodig dat gij beproefd werdet
(Tobias XII, 13).
Het is de wet van het Nieuwe Testament. De
leerling is niet meer dan de meester, en de slaaf niet
meer dan zijn heer. Het is den leerling genoeg, dat
hij behandeld wordt gelijk zijn meester; enden slaaf,
dat hij behandeld wordt gelijk zijn heer. Als zij den
vader des huisgezins Beëlzebub genoemd hebben, hoeveel
te meer zijne dienaren
(Matth. X, 24, 25)?
Het is de wet door de Apostelen gepredikt: Allen
die godvruvhtiq in Christus loillen leven, zidlen vervolgd
toorden
(II Tim. III, 12).
Het is de wet door de Leeraars verkondigd, saam-
gevat in dit woord van Bossuet: God heeft besloten de
Heiligen te bedroeven.
Bedriegen wij ons dus niet. Elke ziel, die edel-
moedig het besluit maakt van de deugd te omhelzen,
moet zich aan de beproeving verwachten. Mijn zoon,
zegt de H Geest, als gij in den dienst van God treedt,
wees dan, standvastig in de gerechtigheid en de vreeze,
en bereid moe ziel voor de beproeving
(Eccli. II, 1.)
-ocr page 521-
515
2. Deze wet is het uitvloeisel eener geheel god-
delijke liefde. Als God eenige bevoorrechte zielen
gedurende haur verblijf op aarde heiliger, Hem meer
waardig, meer met Hem veréénigd wil zien, begint
Hij die innige vereeuiging van zijne natuur met hare
natuur met haar door beproevingen te zuiveren ; gelijk
zij eens door de vlammen van het Vagevuur zouden
moeten gezuiverd worden.
Gelijk de zielen, die hare lichamen verlaten, al-
vorens zij geschikt zijn tot de eeuwige glorie, in het
vagevuur geheel gezuiverd moeten worden, en aldus
waardig worden de eeuwige glorie binnen te gaan,
aldus, zegt de H. Theresia, moeten de zielen, alvorens
tot eene innige vereeuiging met God te kunnen geraken
,
gewoonlijk groote beproevingen ondergaan, ten einde zij,
aldus gezuiverd, de vereeniging met God waardig mogen
worden.
— Zij lijden eenigszins de pijnen des vagevuurs.
En dan vereenigt God zich reeds op deze aarde
zoo innig met de aldus beproefde zielen, dat deze
staat voor haar een hemel wordt. Zij smaken God,
zegt P. Surin, en genieten een geluk, dat zich niet
laat begrijpen. » O welk een geluk te lijden en zonder
ophouden te lijden", schreef de gelukzalige Margaretha-
Maria. »Niets kan mij behagen dan het kruis van
mijn Zaligmaker, een kruis gelijk het zijne, een
zwaar, schandelijk kruis, zonder verzachting, zonder
troost. Dat andereu hun troost op Thabor zoeken,
ik voor mij wil slechts lijden en niets dan lijden."
»0 welk een geluk in stilte te kunnen lijden, en
op het kruis te mogen sterven te midden van alle
beproevingen naar ziel en lichaam!"
En zoodra die zielen, die niets meer te boeten
hebben, van hare lichamen gescheiden zijn, gaan zij
zich met de vurigste liefde werpen in het Hart van
-ocr page 522-
516
God, dat zich onmiddelijk voor haar opent en haar
voor alle eeuwigheid opneemt.
Het is eene uitgelezen genade, die God haar be-
wezen heeft en die wij zullen begrijpen bij het over-
wegen der uitwerkselen van het lijden.
Daarenboven verlangen wij in den hemel te komen
en moeten dus noodzakelijk hier of hiernamaals in het
vagevuur lijden.
— Onze eigene zonden daargelaten,
zijn er in ons nog zooveel sporen van de erfzonde
overgebleven, dat wij wel eene gevoelige loutering
noodig hebben.
IX.
De noodzakelijkheid van het lijden is bijzonder voor
de religieuze gegrond op de verplichting van de
liefde
, die zij God toedraagt, in alle zuiverheid
te bewaren.
God beminnen, bebben wij gezegd, is de groote
verplichting der religieuze, welke trouwens geheel
met hare natuur overeenkomt. Het is de liefde
Gods, die haar de broosheid aller aardsche liefde
getoond heeft, en haar heeft doen zien, hoe weinig
deze beantwoordde aan de behoefte van altijd te
beminnen en zich op te offeren uit liefde; deze over-
tuiging heeft haar geleid tot God, die de zuivere, de
ware, de volkomene, de eeuwige liefde is.
Zij heeft den sluier aangenomen om altijd maagd te
blijven en steeds meer en meer te beminnen; en zij
vermeende daardoor niets bewonderenswaardigs, niets
heldhaftigs te doen; want zij gehoorzaamde aan den
indruk der genade, welke geheel overeenstemde met
hare natuur.
-ocr page 523-
517
De liejde en het offer, vereenigden zich bij haar in
dezelfde gedachte, omdat de ware liefde het volkomen
vergeten is van zich-zelven om zich alleen met het.
beminde voorwerp bezig te houden en de gesteltenis van
alles op te offeren wat het zal verlangen
De liefde
voor haar was de zelfverloochening; zij is slechts
in het klooster gekomen om te beminnen, aan zich-
zelve te verzaken, zich op te offeren.
Dit gaat zoo ver dat de ziel, als zij zich te ge-
lukkig gevoelde, zou beven door de vrees, dat zij niet
genoeg bemint of althans hare liefde niet genoeg kan
betuigen; zij meent, dat men moet lijden om zeker
te zijn, dat men zich opgeofferd heeft; het minder
reine hart wil in zijne liefde genieten, het zuivere
hart wil slechts lijden. De ware liefde heeft steeds
honger en dorst naar lijden; zij vreest met reden,
dat de zuiverste vreugde haar bederve, ontzenuwe,
vermindere; de liefde vreest die vreugde bijna evenzeer
als anderen de zonde vreezen Er moge overdrijving
in bestaan; maar zij zoekt bovenal hare onschuld te
bewaren. Om wél te beminnen, moet men zeer rein
van harte zijn, en de zuiverheid bewaart haren glans
slechts volkomen in het midden der beproevingen.
Het is de lelie tusschen de doornen. Geen hart wordt
beter bewaard dan het hart, dat door het lijden
omringd is.
De ziel verslijt spoedig in te groot genot; slechts
in den hemel zal zij dit kunnen verdragen; omdat
zij daar sterker zal zijn; zij vermoeit zich ook,
maar welke edelmoedige ziel heeft het ooit vermoeid,
door hare teedere liefde te lijden ? welk hart beklaagt
zich, zich steeds te moeten opofferen? Men zegt
genoeg, als er sprake is van vreugde; doch nooit
zegt men genoeg, als er sprake is van eene opofferende
-ocr page 524-
518
genegenheid. Het lijden voedt, verheft, verlevendigt
en heiligt de liefde.
Lijdt dan gaarne de smarten, die God u overzendt.
Zij zijn vooru, God toegewijde zielen, wat de stormen
zijn voor de golven der zee; zij houden u zuiver en
geven u de zoete voldoening van te kunnen gevoelen,
dat gij God bemint!
Qdc HOOFDSTUK.
Natuur on oorzaak van het lij<l<*n.
I.     Lijden in het algemeen is al wat een pijnlijk
gevoel doet ontstaan of ondervinden.
Het is lichamelijk of geestelijk, naarmate het lichaam
of ziel aantast; maar het lijden moge in de ziel of
in het lichaam rusten, ons geheele wezen ondervindt
daarvan de pijnlijke uitwerkselen.
II.     Het lijden komt altijd van God, hetzij recht-
streeks door Hem gezonden, of door Hem toegelaten,
en naar onze kracht afgemeten.
Men zegt, dat het rechtstreeks van God komt,
als God zonder tweede oorzaak op het lichaam of de
ziel werkt; het is voor het lichaam bijv. eene ziekte,
zonder bekende oorzaak; voor de ziel, voor den geest,
voorliet hart
een toestand van verveling, van dorheid,
van verlatenheid, van ongerustheid, van gedurige
vrees, van vreeselijke en aanhoudende bekoring.
Men zegt, dat het op indirecte wijze van God komt,
als Hij aan de schepselen de macht of zelfs het gebod
geeft, ons eenig lijden te doen ondergaan; doch dan
-ocr page 525-
519
weten wij ook, dat, hoe verbitterd die schepselen
ook tegen ons mogen zijn, God haar grenzen gesteld
heeft, die zij niet mogen overschrijden, —• dat Hij
de macht der smart meet naar de kracht, die Hij
ons gegeven heeft, — en de langdurigheid van de
smart
naar den graad van volmaaktheid, dien Hij
ons wil doen bereiken.
Het lijden kan ons dus met Gods toelating aan-
gedaan worden:
1. Door den duivel, wien God toestaat ons te
bekoren, ons zelfs uitwendig te kwellen; van wien
God zich bedient om ons te beproeven en door de
smart te heiligen, gelijk wij dit in de geschiedenis
van Job zien. De mensch is slechts door de inblazing
des duivels in zonde gevallen, en God heeft hem
gestraft door hem in zekere mate aan de macht des
duivels over te laten. De duivel is eenigermate de
algemeene bewerker van ons lijden.
»Het zou te ver voeren," zegt Mgr. deSégur, »hier
in kleine bijzonderheden uit te leggen, hoe alle kwaad
op deze aarde, hoe alle wanorde, welke de natuur
ontstelt, hoe alle verwoestingen, van welken aard
dan ook, het gevolg zijn van dien vervloekten, van
dien grooten geest, dien God bestemd heeft om als
de algemeene bestuurder te zijn van de geheele stof-
felijke wereld. Die wanorde, die omwentelingen kunnen
van God, die de oneindige orde in zich-zelve is, niet
komen; zij komen ook niet van de goede engelen,
de bedienaars van vrede, orde en leven; zij komen
niet uit de stoffelijke elementen, welke uit zich-zelven
noch macht, noch beweging bezitten; zij komen
dus uit de geheime en verfoeilijke macht, die men
duivel noemt en die de schoone orde der natuur
omverwerpt, zonder ze te kunnen vernietigen.
-ocr page 526-
520
Aldus werpt, op duizenderlei wijzen, door de ge-
leerden secondaire oorzaken genoemd, de vader van
alle kwaad hier en daar den dampkring dooréén,
en veroorzaakt storm, onweder, hagelslag en orkanen
met al derzelver treurige gevolgen; zoo vergiftigt
hij deze en gene plant, bezielt deze en gene dier-
soorten met zijne woede, alleen om den niensch en
de andere schepselen van God kwaad te doen. Zoo
laat God toe, dat bij in de lucht kleine insekten,
voor het ongewapend oog nauw zichtbaar, opwekt,
die op de aarde die vreeselijke ziekten verspreiden,
bekend onder den naam van pest, cholera, typhus,
koortsen van allerlei soort, die zoovele slachtoffers
ten grave voeren.
De geneeskunde en de wetenschap bevestigen het
bestaan dezer ziekten; zij bestrijden en weerhouden-
soms de verwoestende plaag door de middelen,
waarin zich de barmhartige en genezende hand van
God en de heilige Engelen verbergt; maar het geloof
alleen dringt door tot de onzichtbare oorzaak dezer
rampen en toont ons, verborgen gelijk het den hel-
schen geest past, den vijand van God en der menschen,
den vader van alle kwaad, den afscbuwelijken duivel.
Al de rampen, die wij hier te lijden hebben, keeren
tot hem, als tot hare bron, terug."
Het lijden kan nog bewerkt worden:
2. Door ome Overste en onzen biechtvader, voor
wie wij somtijds een afkeer gevoelen, waarvoor geene
reden bestaat, dien wij met geweld moeten bestrijden,
zoo dikwijls wij tot hen gaan, — voor wie wij voorin-
genomenheid gevoelen, — die onze verbeelding, door
den duivel opgewonden en bedrogen, ons voorstelt als
onbillijk jegens ons, als genegen voor iedereen, behalve
voor ons. Ook kan God toelaten, dat onze oversten
-ocr page 527-
521
I
tegen ons ingenomen zijn, ons ongunstig beoordeelenr
ons schuldig gelooven, ons streng oordeelen.
3.     Door onze medezusters, hetzij vrijwillig, hetzij
vooral en bijna altijd onvrijwillig door haar karakter,
dat geheel tegenstrijdig is aan het onze, door hare
zienswijze, door haar soms beperkt oordeel, door een
natuurlijken afkeer, dien zij voor ons hebbeu, door
hare godsvrucht zelfs, die voor ons eene oorzaak van
kleine beproevingen kan zijn, door het veeleischende
van hare natuur, die wij ondragelijk vinden.
4.     Door onze bediening, die geheel tegenstrijdig
kan zijn met onze neigingen, onzen aanleg, onze
gezondheid.
5.     Door ons gestel, dat teeder, zwak, gevoelig,
ziekelijk kan zijn.
6 Door ons karakter, dat teergevoelig, licht-
geraakt, achterdochtig, afgunstig, onafhankelijk,
veranderlijk, driftig zijn kan.
7.     Door onze vrienden, die ons vergeten, verlaten,
verachten, verraden en somtijds lasteren.
8.    Door de dagelijksvhe voorvallen des levens, die
telkens voor ons eene oorzaak zijn van onrust, tegen-
spoed, kwelling, ontbering, vernedering.
9.     Door ouderdom of gebrekkelijkheid, die ver-
zwakking der ledematen, der zintuigen of des geestes
veroorzaken, —onze werkzaamheid belemmeren,—-
ons tot een voorwerp van medelijden, van verachting,
van walging voor onze medezusters maken, — onze
Oversten verplichten om ons elke bediening te ont-
nemen, ons ter zijde te stellen, ons, gelijk wij het
met een gevoel van bitterheid zeggen, als uitschot te
behandelen.
-ocr page 528-
522
3<Je HOOFDSTUK.
"Vei-seliillencle vormen van liet Lij<l«-n.
Wij gaan de verschillende vormen van het lijden
foestudeeren, en zullen spreken:
1.     Over de dorheid en angstvalligheid der ziel.
2.     Over de vernederingen.
3.     Over de bekoringen.
4.     Over de ziekten en de gebreken den lichaam»,
5.     Over den gewetensangst.
I.
•5d)e 2c&4ei3 en any$tvaiti<$fie>id dez &ict.
1. Het is gewoonlijk door het onttrekken van den
gevoeligen troost,
dat God zijne vrienden begint te
beproeven. — Moet Hij dan de ziel, die zich zoo vurig
aan zijnen dienst heeit toegewijd, niet gewoon maken
om Hem te beminnen en niet slechts de vreugde en
den troost,
die Hij schenkt? Moet de ziel, die de
oneindige volmaaktheid van God kent en zoo levendig
zijne goedheid voor haar ondervonden heeft, Hem niet
meer dienen uit dankbaarheid dan uit eigenbelang\'?
Zeker vraagt God niet, dat de ziel, die Hem dient,
de gedachte aan de belooning, beloofd aan die Hem
-ocr page 529-
523
getrouw blijven, geheel uitsluite; maar Hij wil om
zich-zelven meer gediend en bemind worden dan om
de belooning. God verdient bemind en gediend te
worden, al zou Hij geene belooning beloven.
Daarom trekt God, na eene ziel door geestelijken
troost en inwendige zoetheid getrokken te hebben,
zich somtijds terug en plaatst haar eenigen tijd
tegenover het plichtbesef, dat zich zonder den minsten
troost aan haar voorstelt.
De geestelijke schrijvers noemen de uitwerking dezer
beproeving neukt, een naam, welke den toestand der
ziel volkomen uitdrukt. Niets gelijkt beter op den
heldeven dag dan die staat van troost; dan schijnt
er licht in overvloed; de weg, dien wij doorloopen
moeten, is duidelijk afgebakend, de ziel weet waar
zij gaat, de vreugde, die haar overstelpt, schijnt haar
zelfs vleugelen te geven om haar te doen vliegen op
den weg van volmaaktheid ;.... maar laat de nacht eens
komen, laat die goddelijke vreugde, die het hart ver-
voert, eens verdwijnen, welk eene vreemde, welk eene
droevige verandering ziet men dan! De oogen der
ziel, gisteren zoo helder, schijnen door een sluier
bedekt; die geest, die zich zoo gaarne met God
bezig hield, vindt niets meer dat hem boeit; dat hart,
zoo brandend van liefde, gevoelt niets meer; de walging
neemt de plaats in der vurigheid, welke het bezielde,
voor al wat goed is; zij ziet alom slechts duisternis
en schrikbeelden; zij is bang van God.
II. Hoor, wat de Heiligen ons omtrent dien
toestand zeggen.
»Er zijn oogenblikken," zegt de H. Theresia, » waar-
op ik niet den minsten geestelijken troost ontwaar.
Dan verdwijnt het verleden zoodanig uit mijn geheugen,
dat het mij toeschijnt, dat ik gedurende mijn geheele
-ocr page 530-
524
leven niets goeds verricht heb. Alles schijnt mij een
droom, mijn lichamelijk lijden drukt mij neder, mijn
verstand wordt verduisterd, ik denk niet meer aan God
en weet niet meer waar ik ben Neem ik een boek,
dan begrijp ik geen woord van wat ik lees; ik zie
mijzelve met onvolmaaktheden bedekt, zonder eenige
liefde voor de deugd, en al de liefde, die ik vroeger
tot het lijden had, wordt zoo zwak, dat ik, zoo komt
het mij voor, aan de minste bekoring niet zou kunnen
weerstaan, dat ik tot niets deug, dat ik voor de
kleinste moeielijkkeid terug deins, dat ik al degenen
bedrieg, die eeue goede meening van mij hebben. Dan
zou ik mij ergens willen verbergen, waar niemand
mij kan zien; en de eenige genade, die God mij geeft,
is, dat ik Hem niet meer dan anders beleedig, en
de gedachte dat ik, wel verre van Hem te vragen
mij van die kwelling te verlossen, bereid ben om
tot het einde mijns levens die vreeselijke beproeving
te verduren, als dit zijn wil is. Ik onderwerp mij
volgaarne aan zijnen wil, en bid Hem slechts mij
bij te staan, opdat ik Hem niet beleedige."
»Hoe vreeselijk, roept de gelukzalige Seb. Valfré uit,
is de benauwdheid van een hart, dat gedompeld wordt
in de geestelijke dorheid en duisternis, dat er zich
niet van kan losmaken, en niet door zijn geestelijken
leidsman begrepen wordt, hetzij omdat deze geene
ondervinding heeft, hetzij omdat God hem het noodige
licht niet geeft om den treuiïgen toestand van zijn peni-
tent te zien! Want God laat soms de aldus beproefde
ziel in zulk eene volkomen verlatenheid, dat zij aan-
stonds tot een staat van zekere wanhoop geraakt,
en niet meer weet, waarheen, tot wien zich keeren;
zij kan zeggen, dat dit het oogenblik van duisternis
is, maar van zulk eene diepe duisternis, dat zij geene
-ocr page 531-
525
gedachte heeft, noch meent te kunnen hebben dau
deze: al xcat ik zeg, al toat ik doe, al toat ik onder-
neem
, is verloren. Als zij zich in die vreeselijke
oogenblikken niet aan Gods wil onderwerpt, als zi]
niet met onderwerping het oogenblik der kalme be-
rusting afwacht, als zij na den winter der trooste-
loosheid niet hoopt op de lente der vertroosting,
o God! clan is er voor haar slechts één middel, te
weten: niet te wantrouwen: op de hulp des Heeren
te rekenen en de barmhartigheid Gods af te wachten,
welke Hij haar op den door Hem bestemden tijd zal
doen ondervinden."
Hoor, welke vreeselijke inwendige marteling de
H. Alphonsus op het einde zijns levens ondervond.
God, die hem wilde beproeven als het goud in de
smeltkroes, onderwierp hem , in de laatste jaren zijns
levens, aan de bitterste beproevingen, die men kan
uitdenken. Er bestaat een lijden, dat voor de zielen
die aan God gehecht zijn, oneindig smartelijker valt
dan de dood, dit is de gedurige vrees van te zondigen,
eene vreeselijke bekoring tot het kwade en de smart-
volle angst van ver van God verwijderd te leven.
God liet toe dat zijn dienaar die alle ondervond.
Zijn verstand was beneveld, en hij zelf, te midden
der diepste duisternis aan zich-zelven overgelaten,
zag overal slechts zonde, gelegenheid en gevaar tot
zondigen; en altijd onzeker, of hij God niet beleedigd
had of ging beleedigen, leefde de goede grijsaard
in eeuen voortdurenden doodsangst. Hij, die duizenden
zielen bestierd had, die haar met een enkel woord
had weten te troosten, kon toen zich-zelven niet
meer bestieren. Alles verontrustte hem, alles boe-
zemde hem vrees in, en elke vrees was voor hem een
onoverkomelijke berg.
-ocr page 532-
526
Uit dezen angst ontstond bij onzen Heilige eene
groote vrees voor zijne zaligheid. »\\Vie weet," sprak
hij al weeneude, »of ik in staat van genade ben, of
ik mijne ziel zal redden." En zich tot het kruisbeeld
keerende, riep hij al weenende uit: » Mijn Jezus, laat
niet toe, dat ik verloren ga!" En niet wetende, of
hij zich al dan niet schuldig gemaakt had, herhaalde
hij dikwijls al weenende: »0 Heer, laat mij niet in
de hel vallen; want men bemint daar niet meer."
Eens dat men hem vraagde, hoe hij zich bevond,
antwoordde hij: »Ik bevind mij onder de roede dei-
goddelijke gerechtigheid." Eu zich naar het kruis-
beeld keerende, riep hij uit: »0 Heer, kastijd mij,
kastijd mij naar verdiensten, maar verwerp mij niet
van uw aanschijn "
Behalve deze gewetensangsten bad hij tegen allerlei
gevaarlijke bekoriugen te strijden. De opstand zijner
driften, de ijdele gedachten, de verwaandheid en de
ongeloovigheid deden hem beurtelings den oorlog aan.
Doch zoo alle bekoringen voor hein eene groote
kwelling waren, zoo waren het vooral die, welke de
heilige deugd aanrandden, welke hem een waren
marteldood deden ondergaan. »Ik ben tachtig jaren
oud, zegde hij eens, en nog is het vuur der jeugd
in mij niet uitgebhischt. Hij had zulk een zwaren
strijd te leveren, dat hij somtijds \'s nachts uitriep:
»Mijn Jezus, laat mij liever sterven dan U te ver-
grammen. O Maria, zoo gij mij niet helpt, zal ik
dieper dan Judas vallen." Zijn eeuige troost zou
het gebed geweest zijn, maar gewoonlijk vond hij
er geen troost meer in. »Ik spreek tot God, zegde
hij eens tot zijnen biechtvader, en het is mij of Hij
elk woord verwerpt. Ik zeg: Mijn God, ik bemin
U, en ik hoor mij antwoorden: »het is niet waar!"
-ocr page 533-
527
Twee zaken schitterden gedurende dien tijd van
beproeving, naar het zeggen van zijn biechtvader,
in hem uit: eene volkomen gehoorzaamheid en eene
volmaakte overgevin^ aan Gods wil. Hij had zulk
een vertrouwen in de gehoorzaamheid, dat hij, wijl
hij zjjn biechtvader niet altijd bij zich kon houden,
of hem geen last wilde aandoen, door een bediende
of door den broeder, die hem bediende , hem zijne
moeielijkheden of gewetensaugsten liet mededeelen.
Hij vond groote verlichting in zich aldus aan de
goddelijke barmhartigheid toe te vertrouwen, want
hij zegde zelf tot zijn zielbestierder: »Mijn eenige
toevlucht in mijne angsten is mij geheel in de hand
Gods te stellen; ik vind daarin vrede en verlichting.
Ik vertrouw, dat Jezus-Claistus, slechts naar zijne
goedheid luisterende, mij niet in de hel zal storten."
II. Wat moet men doen in zulk een treurigen
en drukkenden toestand? — Zijn regelmatig en onder-
worpen leven voortzetten, — zich des noods slepen
naar het gebed, de meditatie, de H. Communie,
het werk, maar niets vrijwillig achterlaten; — onze
lippen dwingen om akten van Geloof, Hoop, Liefde en
Berouw uitte spreken, die het hart niet schijnt te willen
gevoelen; — tot God, met al de kracht van zijnen
wil, dat zoo liefdevol woord van den H. Franciscus
van Sales richten: Als ik u in het ander leven niet
zal mogen beminnen, wil ik U ten minste in dit leven
beminnen,
— en bovenal blindelings gehoorzamen aan
deu priester, wien God de zorg onzer ziel heeft
toevertrouwd.
Intusschen is het nuttig te weten, dat de dorheden
niet altijd eeue beproeving van God zijn; zij kunnen
voortkomen:
1. Uit eenige geheime gehechtheid, die het Hart
-ocr page 534-
528
van den goeden Meester bedroeft en zijnen vertrou-
welijken omgang met de ziel belemmert O gij, die
lijdt en klaagt, daal in het diepste uws harten; en
zoo daar eeuige gedachte of gehechtheid de plaats
Tan God inneemt, dan wees edelmoedig; jaag dat
alles uit uw hart en houd God, God alleen daarin.
2. Uit eene geheel lichamelijke oorzaak en een
zwaarmoedig en neerslachtig gestel. Deel eenvoudig
uwen toestand aan uwen zielbestierder mede, en volg
zijn raad in alles.
IL
3)e ve-zn&d&ziny.
I. De vernedering is een smartelijk lijden; God
spaart het zijnen vrienden niet en die Heiligen, die
voor ons met recht voorbeelden zijn van zachtmoe-
digheid, van zuiverheid, van ijver, van nederigheid,
bijv. een II. Franciscus van Sales, een H Franciscus
Regis, een II. Joannes van het Kruis, eene H. Theresia,
de Gel. Pater Claver, de Gel Margaretha-Maria,
en zoovele anderen, o hoe heeft God in zijne liefde
hen gezuiverd door de smartelijke beproeving der
belastering, der verachting, der verlatenheid, der druk-
kendste verstooting !
Wij willen zelfs, om enkele zielen
niet te ergeren, niet treden in de uiteenzetting der
vernederingen, welke de Heiligen hebben moeten
ondergaan!
De vernedering is zeker de straf of het genees-
middel van den hoogmoed, die zoo diep in ons hart
-ocr page 535-
529
geworteld is; maar zij is ook een krachtig middel
om ons van de schepselen te onthechten en ons
God alleen te doen zoeken. O als wij gevoelen, dat
wij bij allen verstooten worden, als wij ons misacht
zien door onze beste vrienden, die ons zouden moeten
beschermen, tot wie zullen wij dan gaan, zoo niet
tot God, tot God, die nog altijd een oogslag van
barmhartigheid en medelijden heeft, zelfs voor de
misdadigste ziel, wanneer zij zich nederig tot Hem
keert, tot God, die met zooveel goedheid de armen
opent voor de verlaten ziel, die Hem roept?
Toen de Gel. Henrikus Suzo eens in zijne cel zich
overgaf aan den vrede en de zoetheid van het gebed,
hoorde hij de stem van een kind, die hem van buiten
toeriep: » Henrikus, kom dit zien." — De gelukzalige
gaat naar het venster en zoekt het kind, wiens zoete
stem hem in het diepste zijner ziel getroffen had.
Hij ziet niemand, doch hij ontwaart in een hoek van
den tuin een hondje, dat met een stuk oud linnen
speelde; dan eens verscheurde hij het met zijne tanden,
dan wierp hij het in de lucht en ving het weder in
zijn bek op, dan weder sleepte hij het in het slijk en
vertrapte het. Henrikus keerde in zijne cel terug
zonder te kunnen begrijpen, wat dit beduidde. Maar
de engel, die hem geroepen had, deed het hem
verstaan. » Henrikus, zegde hij hem, hebt gij gezien,
wat de hond met dien lap gedaan heeft? Die vod
zift 9Vi
de houd beteekent uwe vrienden en broeders,
die tegen u gaan opstaan, en voortaan zult gij hun
speelbal zijn!" De gelukzalige boog het hoofd ter
aarde, nam uit goeder harte al de beproevingen aan
die de Heer hem bereiden zou, en bedankte Hem
duizendmaal, hem den tijd gegeven te hebben om
zich tot den strijd te bereiden.
34
-ocr page 536-
530
Gij ook zijt gewaarschuwd, o religieuze ziel; gij
wordt bijzonder door God bemind, bereid u dus tot
de vernedering.
II. Van waar ka» die vernedering komen ? Ziedaar
eene gewichtige en kiesche vraag.
Die vernederingen zullen u van alle kanten toege-
bracht worden; gij zult vernederd worden door God,
door uwe Overste, door uwe vrienden, door uwen :iel-
bestierder, door alle schepselen
eindelijk. Maar vrees
niet; God zal met u zijn, en met God zult gij altijd
de kracht hebben, om niet te bezwijken, en de genade,
om uit die zware beproeving voordeel te trekken.
1. God.
God vernedert eene ziel door toe te laten, dat
zij door vergetelheid, lichtzinnigheid, losheid van
geheugen, en door geheel onvrijwillige dwaling, uit- ,
wendige fouten
bedrijft, welke dan eens de orde in
huis zullen storen, de oefeningen zullen vertragen,
of haar zelfs werkelijk ongehoorzaam zullen doen
zijn, en dat ten aanzien van iedereen; daaruit volgen
noodzakelijk openbare of geheime berispingen ; — van
daar den naam van lichtzinnigheid en uitgestortheid,
uitwendig ten volle verdiend; — van daar langza-
merhand het weinig gewicht, dat men hecht aan wat
zij zegt, en allengs die vergetelheid en verlatenheid,
waaraan men haar overlevert.
2. De Oversten.
Als de Oversten eene religieuze herhaaldelijk de
zelfde fouten zien bedrijven, zullen zij langzamerhand
eene ongunstige meening van haar opvatten. Zeker
zijn de fouten bedreven door de religieuze, die God
in de nederigheid wil oefenen, meer in het oog
springend dan zondig; de wil alleen bepaalt de boos-
-ocr page 537-
531
aardigheid der zonde, en haar wil is meer dan ooit
met God vereenigd; maar de Oversten kunnen slechts
oordeelen naar datgene wat uitwendig is. God alleen
dringt door in het geheim der harten; en zoo gebeurt
het, dat zij met de beste bedoeling der wereld door
eene bijzondere toelating van God, die arme ziel op
alle mogelijke wijzen kwellen, haar dan eens van
dwaling, dan weder van kwaden wil beschuldigen.
Daar zij haar verblind meenen te zijn omtrent hare
fouten, berispen zij haar scherp, hopende haar op die
wijze de oogen te openen; dan, ziende dat zij door
gestrengheid niets winnen, beginnen zij, om zoo te
zeggen, aan de verbetering te wanhopen eener ziel
waarop zij vroeger gebouwd hadden, en behandelen
haar als een voortaan onbruikbaar wezen.
Intusschen nemen de Oversten zulk een gestrengen
maatregel niet, zonder daarover eene levendige droef-
heid te gevoelen, en het zien daarvan is natuurlijk voor
de aldus gepijnigde ziel eene vermeerdering van lijden,
Zij bemint hare Oversten; er is geen ofïer, dat zij
niet bereid is voor hen te brengen; en zij gevoelt,
dat zij voor hen een voorwerp van verdriet is. Wat
zal men doen in zulk eene wreede beproeving? Als
het hart alleen het gewicht zijner droefheid niet meer
dragen kan, is het natuurlijk dat men eenigen troost
bij zijne vrienden gaat zoeken. Maar, helaas! door
het toelaten der goddelijke Voorzienigheid vindt men
ook daar slechts bitterheid en teleurstelling.
De kleingeestige en hoovaardige zielen, gelijk er
zich soms in de gemeenten bevinden, zouden misbruik
kunnen maken van hetgeen in dit hoofdstuk gezegd
is, en in een staat van volmaaktheid meenen te zijn,
alleen omdat zij door hare Overste berispt of bestraft
worden; zij moeten wel bedenken;
-ocr page 538-
532
1.     Dat de zielen, die aldus door God beproefd
worden, in die vernedering en terzijdestelling, niet
eene enkele beproeving van God zien, maar eene
werkelijke straf, die zij verdiend hebben, hetzij voor
tegenwoordige, hetzij voor vroegere fouten.
2.     Dat de Oversten, als zij met gestrengheid
handelen, altijd eene fout meenen te moeten straffen,
het karakter te moeten buigen, eene ongehoorzaam-
heid meenen te moeten doen boeten. God kan
toelaten, dat zij overdrijven, dat zij zich bedriegen;
God kan zelf.? toelaten, dat zij door een gevoel van
afkeer handelen; maar de ziel, die door hunne
dwaling, hunne overdrijving of hun karakter lijdt,
lijdt dit in stilte, beschouwt zich nooit als slachtoffer,
noch als eene dier uitverkoren zielen, die God door
die beproevingen heiligt, maar vernedert zich steeds
meer voor degenen, die haar besturen. — Het morren
belet meestal de vrucht eener beproeving, die God
ons overzendt.
3. De vrienden.
Ook de vrienden trekken zich, door goddelijk toe-
laten, terug van die arme ziel, die God wil beproeven
om haar tot zich te trekken. Waarin ligt de oorzaak
dezer verlatenheid? Zij is geheel goddelijk, en wordt
langzamerhand bewerkt. Die arme ziel blijft liefdevol
en goed, maar wordt allengs vreesachtiger en meer
terughoudend; wellicht laat God eenige onvoorzichtig-
heden toe en de vriendschap, die men haar toedroeg,
vernauwt allengs; daarop volgt de onverschilligheid,
het vergeten, wellicht de argwaan.
» Diezelfde ziel," zegt P. Grou, »die kort geleden
voor eene heilige gehouden werd door eene geheele
gemeente, ziet zich ineens door argwaan omgeven;
-ocr page 539-
533
men verliest de goede meening. die men van haar
koesterde; men beschouwt haar als eene schijnheilige;
hare onschuldigste woorden worden ten slechtste
uitgelegd; hare heiligste daden worden als misdadig
uitgekreten, men verlaat haar, men vlucht haar, hare
vrienden zelfs en innigste vertrouwelingen keeren
zich tegen haar."
» Wat deze bevoorrechte ziel het hardste valt," zegt
de H. Theresia, »is dat hare vrienden zich van haar
verwijderen, en juist degenen zijn, welke de belee-
digendste gesprekken omtrent haar voeren....."
»Ik ken iemand," schrijft dezelfde Heilige, en
zij spreekt hier van zich-zelve, »die zoover gekomen
was, dat zij vreesde geen biechtvader te vinden, die
hare biecht wilde hooren; zooveel kwaad had men
van haar gezegd."
•w-r
Wij, die zoo gelukkig zouden geweest zijn met
eene H. Theresia, eene H. Angela de Foligno, een
H. Petrus van Alcantara te leven, kunnen ons slechts
met moeite een denkbeeld maken van de verlatenheid
en verontachtzaming, waarin zij door Gods toelaten
een geruimen tijd hebben doorgebracht. O, als wij
dezelfde smart moeten lijden, vereenigen wij ons
dan gelijk zij met Jezus, die verraden, die verlaten
werd door de zijnen; verdragen wij alles in vrede,
en gaan wij in stilte voor het Tabernakel, door onze
tranen, ontferming en genade afsmeeken.
4. De Biechtvader.
De biechtvader verlaat ons nooit; als geestelijke
vader, is hij het beeld van de goddelijke goedheid
op aarde en God geeft hem een deel zijner vaderschap.
Neen, hij zal zich niet van u terugtrekken, al zou
iedereen u verlaten; maar God zal toelaten, of dat gij
-ocr page 540-
534
ten zijnen opzichte eene vreesachtigheid gevoelt, die
alle openhartigheid belet, of dat gij meent, dat hij
tegen u vooringenomen is, of wel dat hij u niets zal
zeggen. Hij, die u vroeger zoo goed begreep, die in
uw geweten las als in een geopend boek, ziet er nu
niets meer
in; en zoodra hij u niet meer verstaat,
wat kan hij doen, al is zijne liefdevolle belangstelling
voor uwe ziel ook nog zoo groot? Voor u bidden en
zwijgen.
Ja, dit is eene wreede beproeving. 0 blijf
klein, blijf nederig, beklaag u vooral niet, mor niet,
deel uw lijden niet aan iedereen mede; doe geene
verwijten, maar beschuldig u eenvoudig over uwe
fouten en onvolmaaktheden; volg zoo goed mogelijk de
raadgevingen, die men u geeft, al schijnen zij volkomen
nutteloos voor uwe ziel, en wacht geduldig. God zal
komen
, als de beproeving hare zending volbracht heeft.
5. De schepselen in het algemeen.
Er komt somtijds een uur, waarop het ons toeschijnt,
dat de wetten der wereld omgekeerd zijn, ten opzichte
van de zielen, die God bijzonder wil beproeven. Niets
gelukt haar. De eenvoudigste zaken zijn voor haar
met moeielijkhedeu bezet; de minste zaak, die zij
ondernemen, stoot op onoverkomelijke hinderpalen:
alles, wat zij aanraken, breekt in hare hand; en die
altijd ongelukkige uitslag, van datgene zelfs, waarvan
de gewone voorzichtigheid een gelukkigen uitval ver-
wachtte, brengt ten laatste in haar zulk eene vrees-
achtigheid voort, dat zij bijna niets durven zeggen,
noch ondernemen.
Zeker zijn dit geene gewone toestanden; doch wij
vertrouwen , dat met Gods hulp deze bladzijden zullen
dienen, om eenige zielen gerust te stellen, door haar
eene beproeving te doen zien, in datgene wat de duivel
-ocr page 541-
535
haar wellicht voorstelde als een bewijs dat zij door
God verlaten zijn.
III. Hoe moeten wij ons gedragen als wij be-
schuldigd worden?
1.     Ons niet verontschuldigen in de kleine dage-
lijksche aanmerkingen, omtrent onze achteloosheid,
onze ordeloosheid, onze onregelmatigheid. — Ons ook
niet verontschuldigen bij eene openbare berisping. —
Laten wij de vernedering in onze ziel haar werk van
zuivering en volmaking voltrekken. Doch wanneer
het ons toeschijnt, dat er gewichtige beweegreden
bestaan om ons niet ongehoord te doen veroordeelen,
zoo vragen wij eerst raad, en spreken wij niet alvorens
de kalmte en de vrijheid des harten terug bekomen
te hebben. — Vooral nooit eene verontschuldiging
verzinnen. — 0 hoeveel wijzer en heiliger is het,
naar het voorbeeld van zoovele valschelijk beschul-
digde Heiligen en van den H. Franciscus van Sales
onder anderen, aan God de zorg over te laten ons
vrij te spreken
, onder het gewield van den laster en
den argwaan
, ons leven kalm en vreedzaam voort te
zetten
, en te zeggen: God is de meester van mijnen
goeden naam: als Hij ziet dat deze mij noodig is,
zal Hij mij dien loedergeven.
2.    Over de ontvangen vernederingen alleen spreken
met zijnen zielbestierder, om te leeren, hoe men ze
moet verdragen. Nooit een woord van afkeuring
noch afkeer zeggen aan het adres van degenen, welke
ons die aandoen. De troost des Hemels daalt neder in
de stilzwijgendheid der ziel, aan den voet des altaars,
in het gebed. God alleen tot trooster zoeken, is het
hart winnen van dien barmhartigen Vader, en zijne
innigste liefdebewijzen over zich trekken. — Trouwens
de troost der menschen is meer dan onmachtig om
-ocr page 542-
536
het hart te verlichten; hij laat eene leemte; hij
bezoedelt de genegenheid; hij opent de deur voor
vele fouten. — De hemelsche troost daarentegen gaat
vergezeld van de ootmoedigheid, de liefde, de gehoor-
zaamheid, de versterving, het geduld, den onver-
stoorbaren vrede. Ik heb tot den Heer geroepen, zegt
David, en Hij heeft mij verhoord. (Ps. LXXVI, 1).
3. Als gij beschuldigd wordt van eene fout, die
gij werkelijk bedreven bebt, zegt de H. Gregorius,
dan verneder u diep; wordt gij ten onrechte beschul-
digd, zoo betuig bedaard uwe onschuld; waut gij zijtdit
aan de waarheid en algemeene stichting verschuldigd;
gaat men echter voort u te beschuldigen, zoo ontstel
u niet, plaats uwen goeden naam in Gods hand; gij
kunt dien niet beter verzekeren. — Overtuig u wel
van dit woord van den H. Franciscus van Sales,
Het lijden en de droefheid zonder vernedering blazen
het hart dikwijls op, in plaats van het ootmoedig te
maken.
III.
De bekoring is eigenlijk alles wat ons tot de zonde
aanlokt.
Zij wordt veroorzaakt door de ons ingeboren neiging
tot het kwaad, — de boosaardigheid des duivels, —
de verleiding der schepselen, — de kwade voorbeelden.
Voor eene ziel, die God werkelijk bemint, is die
staat van bekoring, zoo zij hevig of langdurig is,
een zwaar lijden. Zij gevoelt zich met eene somtijds
bijna onweerstaanbare macht tot het kwaad getrokken;
het komt haar soms voor, als wilde, als deed zij
-ocr page 543-
537
zelfs het kwaad, en nochtans gevoelt zij dat zij in
den grond des harten God bemint, God niet wil
beleedigen, liever duizendmaal wil sterven dan Hem
te vergrammen; maar alles is verward; zij kan zich-
zelve geene rekenschap geven, of zij God al dan niet
beleedigd heeft; dan wordt het leven haar tot last;
zij verlangt te sterven, zij vraagt om van dit lichaam
des doods bevrijd te worden;.... en God antwoordt
haar gelijk aan den H. Paulus: Mijne genade is u
genoeg.
O ja, die staat van bekoring is eene zeer
smartelijke beproeving.
Wij zullen aantoonen:
1.     De redenen, waarom God de behoring toelaat.
2.     De verschillende soorten van bekoringen.
3.     Hoe men zich ten opzichte der bekoringen behoort
te gedragen.
I. Waarom laat God de bekoring toe?
De meesters van het geestelijk leven wijzen vijf
verschillende redenen aan, waarom God eene ziel,
die Hem dierbaar is, aan de bekoring overlaat.
1.     Om haar te beproeven. Als de ziel in vrede
is, weet men niet, of hare getrouwheid deugd is of
• uit natuurlijke neiging en karakter voortspruit; maar
als zij, door den duivel aangevallen, in het goede
volhardt, toont zij duidelijk dat zij alles uit deugd
en liefde tot God verricht.
2.     Om haar te vernederen. De deugd van oot-
moedigheid wordt nooit beter verkregen dan langs
den weg der bekoringen. Als eene ziel door langdurige
en hevige bekoringen wordt aangevallen, als zij zich
op het punt ziet te bezwijken, dan gevoelt zij hare
eigene zwakheid en houdt zich in de nederigheid y
-ocr page 544-
538
omdat zij gevoelt, dat zij voortdurend de hulp van
God noodig heeft; zij zoekt dan God met meer zorg
dan ooit, en wandelt met voorzichtigheid, om zich
niet bloot te stellen aan het gevaar van jammerlijk
te vallen.
3.     Om haar te zuiveren van hare zonden en on-
volmaaktheden, en haar op die wijze schooner en
aangenamer in zijne oogen te maken. »Even als eene
zee, door den storm beroerd, al het onreine, dat zij
ontvangen heeft, ver van zich weg werpt, zegt Gerson,
zoo zuivert zich de ziel, door de bekoringen beproefd,
van al de onvolmaaktheden, waarmede zij zich gedu-
rende de kalmte beladen heeft."
4.     Om haar in de deugd te versterken. Eene ziel,
die, vreezende van onder de bekoring te bezwijken,
de zonde verfoeit, hare goede voornemens vermenig-
vuldigt, haar vleesch versterft, den Heer tracht te
verzoenen door vurige gebeden en de oefening der
heldhaftigste deugden, die zij in gewone omstandig-
heden nooit beoefend zou hebben, versterkt en bevestigt
zich in de deugd. De H. Paulus bad vuriglijk den
Heer, hem te verlossen van den prikkel des vleesches,
die hem zoo wreedelijk kwelde »Mijne genade is u
genoeg, antwoordde hem de Heer, want de kracht
is in zwakheid voleindigd."
5.     Om hare verdiensten en eeuwige belooning te
vergrooten.
Zoo dikwijls eene ziel over eene bekoring
zegeviert, verkrijgt zij eene vermeerdering van genade,
waardoor zij hiernamaals eene vermeerdering van glorie
verkrijgt; hoe meer ik dus den duivel overwin, hoe
meer kronen ik mij voor de eeuwigheid verwerf. De
Heer zegde tot de H. Mechtildis: » Zoovele bekoringen
als eene zwaar beproefde ziel met mijne genade overwint,
zoovele paarlen vlecht zij rond mijn hoofd."
-ocr page 545-
539
II. Verschillende soorten van bekoringen.
Wij kiezen slechts die, welke de religieuze zielen
het pijnlijkst kwellen.
1. Bekoringen tegen het geloof.
Deze bekoringen zijn zeer pijnlijk en zeer ontmoedi-
gend. Zij benemen aau de godsvrucht alle bekoor-
lijkheid, aan het gebed allen troost; zij zoeken ons
van God en vooral van de H Communie te verwijderen.
Daarom moet men ze krachtig bestrijden en, volgens
den raad van den biechtvader, wien men die altijd
moet blootleggen, er steeds tegen in handelen in alle
omstandigheden. Doordring u wel van de overtuiging
dat Gods woord onfeilbaar is, dat het niet kan be-
driegen en dat uwe denk- of zienswijze aan de wer-
kelijkkeid der zaken niets zal afdoen. Daar Jezus-
Christus gezegd heeft dat Hij in het H. Sacrament
des Altaars tegenwoordig is, zoo is.Hij daar waar-
achtig tegenwoordig; en al uwe gevoelens en rede-
neeringen kunnen niets tegen de waarheid en de
onfeilbaarheid van zijn woord. Als het u toeschijnt,
dat gij geen geloof hebt, moet gij juist handelen, alsof
gij veel geloof hadt.
Grootere heiligen dan gij werden tegen het geloof
bekoord. De H. Hugo, bisschop van Grenoble, werd
gedurende een geruimen tijd bekoord door godlaste-
ringen tegen de voorzienigheid. Hij deelde dit mede
aan den H. Gregorius VII, die hem gerust stelde, en hem
zegde dat God dit slechts tot zijn welzijn toeliet.
De H. Maria Magdalena van Pazzi werd zoodanig door
deze bekoring gekweld, dat het medelijden inboezemde.
»Bidt voor mij," zegde zij dikwijls tot de religieuzen
-ocr page 546-
540
van haar klooster, »dat ik God niet lastere." Deze
kwelling duurde vijf jaren.
De fl. Franciscus van Sales had, gedurende eene
zijner ziekten, eene zoo hevige en zoo gevaarlijke be-
koring tegen het H. Sacrament des Altaars te bestrijden,
dat hij nooit heeft willen zeggen, waarin zij bestond,
uit vreeze van zwakke zielen te doen wankelen.
De H. Vincentius van Paulo had met bekoringen
van dezelfde soort te kampen; en aan datgene wat
hij deed om ze door zijne werken te logenstraffen,
hebben wij zoovele heerlijke instellingen te danken.
Dagelijks drukte hij zijn geloof uit in zijne werken,
en antwoordde door daden op de valsche redeneeringen
van den bekoorder. Dit moeten wij in dergelijke
omstandigheden navolgen. Wij moeten niet twisten;
wij moeten bidden, korte eenvoudige akten verwekken
en goede werken verrichten.
2. Bekoring tegen de zuiverheid.
Als deze bekoring niet door onvoorzichtigheid in
het leven wordt geroepen, zal zij de ziel niet meer
schaden dan elke andere bekoring. De gewone voor-
zorgen van zedigheid, versterving der zinnen , vlucht
der gelegenheid tot zonde, openhartigheid, geloof en
eenvoudigheid in de biecht, eenmaal aangewend zijnde,
zal de ziel, in plaats van zich door dien toestand
te bezoedelen, meer kieschheid, meer wantrouwen,
meer nederigheid er door verkrijgen, en bijgevolg
zal zij verder dan ooit verwijderd zijn van fouten
van dien aard, en dichter dan ooit bij het Hart van
God, die de nederigen, de kleinen, die zich-zelven
mistrouwen en alle vertrouwen op Hem stellen, bemint.
»Waar waart gij, Heer, terwijl zoovele afschuwelijk-
heden in mijne verbeelding woelden?" vraagde de
-ocr page 547-
541
H. Catharina van Siena aan God. — »Mijne dochter,
ik was in uw hart," antwoordde haar die goede
Meester. — Zoo gaat het eveneens met de zielen
die in deze bekoring getrouw blijven. De godsvrucht
tot de H. Maagd, de zorg om met eenvoudig geloof
de gewijde medailles te dragen, zijn bewonderens-
waardige hulpmiddelen in dezen toestand.
3. Bekoring van hoogmoed.
De duivel bekoort door hoogmoed de religieuze
zielen niet op dezelfde wijze als de wereldsche zielen;
doch het valt moeielijk te beslissen in welk geval de
overwinning moeielijker te behalen valt. In den hoog-
moed der godvreezende zielen sluipt iets zoo fijns en
verleidends, dat men er slechts door de bijzondere
goedheid van God aan kan ontsnappen. Uit dat soort
van hoovaardij komt het vermetel oordeel van den
evennaaste, hardheid en gestrengheid, een lastige
en slechtgeplaatste ijver, eene groote neiging om zich
te beklagen, een geheim genoegen in het aanhooren
van het kwaadspreken, het zelfvertrouwen, een on-
voorzichtig en vermetel verlangen naar buitengewone
toestanden der ziel, en al de dwalingen, welke een
dergelijk verlangen gewoonlijk vergezellen. Zoodra
men twijfelt, of men in dezen toestand verkeert, moet
men er zich diep over vernederen in het gebed, en
in de oogenblikken van ingekeerdheid; men moet
zich oefenen in vernederende werken, zijne fouten
zonder eenige bewimpeling bekennen, eenige vernede-
ringen in daden of woorden zoeken, doch altijd volgens
den raad van den biechtvader; want de dwalingen
der eigenliefde zouden ons ook hier nadeelig kunnen
zijn. Nooit dan bij groote noodzakelijkheid moet men
van zich-zelve spreken, noch zijne meening opdringen.
-ocr page 548-
542
4. Bekoring van wanhoop.
Als deze bekoring tot eene zekere hoogste stijgt, is
zij verschrikkelijk en oefent zelfs op het lichaam een
verderfelijkeu invloed nit, gelijk men het leest in de
geschiedenis van den H. Franciscus van Sales als student
te Parijs. Men weet, door welk heldhaftig besluit
hij met de hulp der heilige Maagd daarover zegevierde.
Als God u aan deze vreeselijke bekoring mocht onder-
werpen, als het u schijnt, dat voor u alles verloren
is, dat gij zeker verdoemd zijt, dat gij in doodzonde
leeft, dat gij van God, van de H. Maagd, van allen
verlaten zijt,.... o dan, smeek ik u, geef u niet aan
vertwijfeling over; kniel neder aan den voet van het
tabernakel, en zeg tot Jezus, naar het voorbeeld van
Job: Al eoudt Gij mij dooden, nog zou ik in U hopen;
zeg Hem ook, in den geest van den H Franciscus van
Sales: Als ik Udan moet haten in alle eeuwigheid, laat
mij Udan thans ten minste betuigen, hoezeerik Ubemin f
Heeft men deze bekoring overwonnen, dan wordt
de ziel vervuld met de zuivei-ste liefde, het helderste
licht en de rijkste genade. De meest ingewortelde
gebreken worden daardoor uitgeroeid, de natuur sterft
en maakt plaats voor het geloof, en die dagen en jaren
van afgrijselijken angst brengen een voorsmaak
des hemels voort, welke de woorden der menschelijke
taal niet bij macbte zijn uit te drukken.
De middelen om deze bekoring te bestrijden zijn
eene groote getrouwheid aan onze oefeningen van gods-
vrucht, het ijverig naderen tot de HH. Sacramenten,
al zou men ook, even als de H. Maria Magdalena van
Pazzi, zich naar de Communiebank moeten slepen, en
eindelijk de nederigheid en de godsvrucht tot de heilige
Maagd Maria.
-ocr page 549-
543
III. Hoe men zich tijdens de bekoringen
BEHOORT TE GEDRAGEN.
1.    Vraag aan God niet dat Hij u van de bekoring
verlosse, doch vraag Hem slechts de genade van
onder de bekoring niet te bezwijken; hij, die den
strijd weigert, verzaakt aan de kroon. Geef u, wat
den strijd betreft, geheel aan God over. Hij zal niet
toelaten, dat gij boven uwe krachten beproefd wordt,
en wanneer gij gedurende den strijd slechts het oog
tot Hem keert, zal Hij met en voor u strijden.
2.     »Laat den wind waaien," zegt de H. Franciscus
van Sales; »en wees verzekerd, dat alle bekoringen der
hel eenen geest, die ze niet bemint, niet kunnen
bezoedelen. »Er ligt in den grond der ziel een nog
dieperen grond, waarin de duivel niet kan doordringen,
daar God zich dien heeft voorbehouden; het is zijn
heiligdom. De duivel woelt, maakt veel gedruisch,
verwart de verbeelding, vermoeit de zinnen; maar in
dat verheven deel der ziel heerscht vrede, want God
woont daar. »De duivel moge mijne zintuigen en
mijne verbeelding ontroeren, hij kan dat oudanks
mij-zelven," zegde een Heilige: » maar mijn wil behoort
mij, hij vermag niets daarop; hij mag mij zoo dikwijls
hij wil zeggen, dat ik het kwade wil, ik zal altijd
antwoorden: neen "
3.     Gij vreest, u schuldig gemaakt te hebben,
omdat gij den indruk met de toestemming verwart
en dat gij, den lijdenden toestand uwer verbeelding
houdende voor eeue handeling van uwen wil, meent
aan de bekoring toegestemd te hebben, omdat gij ze
levendig gevoeld hebt. Wees gerust, onze verbeelding
werkt gewoonlijk buiten de grenzen van onze macht. —
-ocr page 550-
544
De H. Hieronymus was naar de woestijn vertrokken;
hij had de vlucht genomen om de ergernis der wereld
niet meer te aanschouwen, en nog spiegelde zijne
verbeelding hem de lichtzinnigheden der romeinsche
vrouwen voor; hij tuchtigde zijn lichaam en gelijk de
H. Paulus bracht hij het onder eene harde slavernij,
en nog folterde het vuur der begeerlijkheid zijn hart.
Te midden van dien vreeselijken strijd leed hij, doch
zondigde niet; hij werd gekweld, doch hij was niet
schuldig, en de smart, die hij gevoelde, was een
bewijs zijner vurige liefde tot God.
4. Doordring u wel van dit leerstuk, dat uwe ziel
zal geruststellen, als de vrees van doodelijk gezondigd
te hebben haar komt aanvallen. Voor eene doodzonde
zijn drie omstandigheden noodzakelijk:
Dat de stof zwaar zij.
Dat de geest volkomen kennis hebbe van het schul-
dige der daad, die men bedrijft — of het verzuim,
dat men zich toelaat — of het gevaar der gelegen-
heid, waaraan men zich blootstelt
Dat de wil vrijelijk toestemme en een schuldige
voorkeur geve aan de verboden zaak, het schuldig
verzuim of de gevaarlijke gelegenheid.
Indien eene dezer omstandigheden ontbreekt, is
het geene doodzonde.
De volkomen gerustheid kan en mag niet anders
komen dan door de gehoorzaamheid; gij moet dus
eenvoudig en oprecht den staat van uw geweten
aan uwen zielbestierder mededeelen; en wanneer hij,
na u gehoord te hebben, gesproken heeft, moet gij
u aan zijn woord houden, er met eene onwankelbare
gerustheid op vertrouwen en elke vrees ter zijde
zetten van of niet wel begrepen te zijn of u niet
wel uitgedrukt te hebben.
-ocr page 551-
545
5.     De toestand uwer ziel, hoe gekweld en gepijnigd
zij ook moge worden, kan in drie woorden worden
uitgedrukt: of ik ben zeker schuldig, en ik beschuldig
mij over mijne fout; — of ik ben zeker niet schuldig; —
of ik weet zelve niet of ik al dan niet schuldig ben;
ik heb geworsteld
, ik heb gestreden, en beschuldig mij,
voor zoover God mij schuldig kent.
— Alles wat gij
zoudt kunnen zeggen, laat zich hierin samenvatten!
Bedenk dat voor de zielen, die oprecht aan God
willen toebehooren, het voorname punt in de biecht
niet is veel uit te leggen, maar zeer nederig te zijn
en oprecht de minste gelegenheden tot zonde te
willen vermijden
6.     Wat moet gij bij een verlichten en verstandigen
biechtvader zoeken ? De genade van het II. Sacrament
en eene leiding volgens de plannen van God, ten opzichte
moer ziel.
Deze twee gewichtige punten ontbreken nooit; doch
zij voldoen niet altijd uwe natuur, die zoo gretig de
voldoening zoekt. Uwe ziel zou verlost willen zijn
van het gewicht, dat op haar drukt; — zij zou een
steun willen vinden, die haar uit hare ellenden, zoo
van buiten als van binnen, optrok. — Zij zou op
den weg ten Hemel gedragen willen worden, om
elke vermoeienis en elke hinderpaal te vermijden.
Wel mogen wij hier dit woord, zoo rijk in toepassing,
aanhalen: Als het zoo ging, waar bleef dan het
marieldom des levens?
In het algemeen is het de zending van den ziel-
bestierder, de ziel te verlichten, haar zoo goed mogelijk
tot God te geleiden
en, volgens de uitdrukking van
Bossuet, haar slechts naar God te doen ademe?i.
Meer nioogt gij hem niet vragen.
35
-ocr page 552-
546
IV.
©e (sie&ten en de. tictiamctijkz (^zkt&k&w.
§ 1. DE ZIEKTEN.
De ziekte is eene oorzaak van scbrik voor de
wereldlingen: voor de religieuze zou zij eene oorzaak
van vreugde moeten wezen.
De ziekte is eene gansch bijzondere liefdegift van
God.
Hoor eens wat eene ziel zegde, die diep door-
drongen was van deze waarheid: »0 koe verheug
ik mij met den H. Paulus in mijn lijden, in mijne
smarten, in mijne ziekte, daar het God is, die ze
mij overzendt!
»Ik heb ze lief, omdat zij mij houden in eene
voortdurende nederigheid en afhankelijkheid, en mij
van het leven onthechten.
»Ik heb ze lief, omdat zij mij gelegenheid geven
om aan God mijne liefde en mijne getrouwheid te
bewijzen.
»lk heb ze lief en vereer ze als sacramenten, die
de genade in mijn hart storten, — mij zuiveren van
mijne zonden, — mij met een schat vaii verdiensten
verrijken, — mij naar de volmaaktheid geleiden, —
mij dichter bij den Hemel brengen, — mij opofferen
voor Gods glorie, — mij tot het slachtoffer zijner
grootheid en liefde maken, — mij met Jezus ver-
eenigen en mij aan Hem gelijkvormig maken "
Eene andere heilige ziel schreef: »Als ik het leger
van een zieke nader, overmeestert een gevoel van
eerbied mijn hart. Op die lijdensspoude zie ik meer
dan een broeder, meer dan een vriend in smart en
-ocr page 553-
547
nood; ik zie daar eene ziel, die de Heer ter zijde heeft
gelegd om haar met eigen hand te vormen, en omdat
Hij haar iets, en mij door haar iets, te zeggen heeft."
Iu de ziekte vertoont zich Gods vaderhand op
eene meer zichtbare wijze dan in ander lijden.
Wij zullen aantoonen:
1°. De voordeelen der ziekte.
2°. Het zinsbedrog in de ziekte.
3°. Hoe men tijdens de ziekte moet handelen.
I. Voordeelen der ziekten.
1. De ziekte boet voor de zonden. — Zij doet
nu wat het vagevuur eens zal doen, als wij op het
oogenblik van onzen dood die volmaakte liefde tot
God niet bezitten, die ons van smetten zuivert, doch
op aarde zoo zeldzaam gevonden wordt; de ziekte
doet, niettegenstaande al hare kwelling, dit met eeue
zoetheid, met eene gematigdheid, die de pijnen van
hiernamaals niet zullen hebben — O hoeveel lichter
is het te lijden op het ziekbed, dan in het vuur zijne
zonden te moeten boeten! — en hoevele jaren in het
vagevuur kunnen afgeboet worden, dank aan Gods
oneindige barmhartigheid, door eenige dagen ziekte,
als men geduldig, gelaten, met Gods wil vereenigd
lijdt! De ziekte is een vagevuur van barmhartigheid!
Door de ziekte boeten wij beter voor onze schulden
dan door alle ander lijden; want de ziekte besluit
alle andere verstervingen; zij werkt tegelijk op het
lichaam en op den geest; zij pijnigt de ledematen;
zij doet al de zintuigen lijden; zij berooft ons van
voedsel en van slaap; zij overlaadt ons met verveling,
met vrees, met onrust, plaatst ons somtijds volkomen
onder de afhankelijkheid van anderen, en voegt er
-ocr page 554-
548
sorus nog het verdriet bij van veracht, verlaten,
vergeten te worden.
2.     De ziekte geeft ons eene bijna zekere hoop op
onze zaligheid.
— Er is bijna geen krachtiger middel
om eene ziel zalig te maken, omdat zij bijna alle
gelegenheden tot zondigen verwijdert en de middelen
aan de hand geeft om alle deugden te oefenen. O hoe
weinig behoeft eene zieke te doen om heilig te worden!
Zij moet eenvoudig erkennen, dat het de hand
God is, die haar treft en rechtvaardiglijk treft; Hem
wel de genezing vragen en de aangewezen middelen
gebruiken, maar zich liefdevol aan den goddelijken
wil onderwerpen, en haar lijden vereeuigen met het
lijden van Jezus-Christus.
Verscheidene Heiligen hebben hun leven in voort-
durend lijden doorgebracht; zij konden noch lange
gebeden spreken, noch een regel volgen , noch groote
werken verrichten; zij waren gehoorzaam en onder-
worpeu, zij leden met liefde en beschouwden hun
kruisbeeld. Is dit wel moeielijk? En daar wij het
lijden moeten doorstaan, verlichten wij het dan niet,
als wij het in geduld en vrede dragen ?
3.     I>e ziekte maakt ons eenigszins gelijkvormig
aan Jezus-Christus.
— O arme zieke, schrijf toch
uwen toestand niet toe aan de lucht, aan de wisseling:
der jaargetijden, aan dezen of genen invloed; o sla
het oog omhoog! Het is God, die door eene bijzondere
liefde u gelijk wil maken aan zijnen Zoon Jezus.
Het is God, die van u een heerlijk kruisbeeld wil
maken. De wonden, die u overdekken, de smartvolle
bewerkingen, die gij wellicht ondergaan moet, de
pijnen, die u ineen doen krimpen, zijn de werktuigen
waarvan God zich bedient, om op uw lichaam het
beeld van zijnen Zoon Jezus af te drukken.
-ocr page 555-
549
O welk een schoon denkbeeld! De beeldhouwer,
die een kruisbeeld wil maken, bewerkt naar alle
zijden het hout, dat hij zich gekozen heeft. Hij geeft
rechts en links zware hamerslagen; hij slaat groote
splinters weg, hij laat geen enkel deeltje vrij en
door woelt alles met zijn beitel; zoo beitelden de beulen
de martelaren; zoo vormt de ziekte het lichaam. Zij
geeft groote slagen op het hoofd van den zieke, zij
verscheurt zijne ingewanden, zij kluistert hem handen
en voeten; zij verplettert hem de borst, en de zieke
kan, met het oog op het kruisbeeld, met den
II. Paulus zeggen: Ik draag de teekenen der toonden
van mijn Zaligmaker in mijn lichaam;
ik ben het
beeld van zijne smart, de uitdrukking van zijn lijden;
ik sterf dagelijks, en mijn leven is een lang marte-
laarschap ter zijner liefde geleden.
4. De ziekte is een offer. — Zij maakt van het
lichaam der geduldige zieke een heilig brandoffer
dat langzamerhand verteert en verbrandt. Zij offert
zich aldus voor hare eigene zonden en voor de zonden
van anderen.
In een huisgezin of eene gemeente is eene zieke,
die in vrede en met liefde lijdt, — een zieke, die haren
staat als slachtoffer wel begrijpt, voor al degenen
met wie zij door de banden des bloeds, der vriendschap
of der godsvrucht vereenigd is, — een zoenoffer en een
behoedmiddel.
Zij is als een gedurig gebed, dat
overvloedige genaden aftrekt, welke zonder haar niet
zouden gegeven worden. Gezegend de huizen, welke
heilige zieken bevatten!
Het lijdend lichaam is het slachtoffer, dat zich ondanks
zijne tranen in vrede, in liefde, in onderwerping
aan God aanbiedt; het ziekbed waarop het ligt
uitgestrekt, is het altaar, waarop het geplaatst is; de
-ocr page 556-
550
koorts is het vuur, dat het verteert; de smart is de
beul, die het offer doodt; elke zieke kan dus in alle
waarheid zeggen: Ik voltrek in mijn lichaam tcat
aan het lijden van Jezus ontbreekt
(Col. I, 24), ik
ben een zijner ledematen; ik ben met Hem gekruist.
O dat niemand mij lastig valle; want ik draag de merken
van. den Heer Jezus in mijn lichaam
(Gal VI, 17.)
5. De ziekte is een martelaarschap. — De zieke,
zoo zij geduldig is in hare smart, bewijst God de
grootste glorie, waartoe een schepsel in staat is. Som-
tijds lijdt zij even hevige pijnen en lijdt zij langer dan
de martelaars; en als zij met liefde en dankbaarheid
lijdt, dwingt zij allen die haar zien , hetzelfde te zeggen
wat eertijds de heidenen zegden van de martelaars:
De God der Christenen moet een goede Meester zijn,
daar zijne dienaren zich zoo gelukkig gevoelen, voor
Hem te mogen lijden en sterven!
Door hare gelatenheid, door haren bestendigen
glimlach, te midden der smarten, door hare zacht-
moedigheid en liefde, verkondigt de zieke rondom
zich Gods goedheid , brengt hulde aan zijne grootheid,
predikt den overvloed zijner barmhartigheid, de glorie
zijner godheid, de wijsheid zijner voorzienigheid; zij
kan niet redeneeren, maar zij kan lijden en sterven.
O welk een troost gevoelt de zieke, wanneer zij
zeggen kan: Ik lijd, omdat God het wil en ik lijd
voor God; ik offer mij op, om God te verheerlijken,
ik sterf om God te gehoorzamen, ik voltrek wat aan
het lijden van Gods Zoon ontbreekt, ik voldoe aan
zijn verlangen, ik volg zijn voorbeeld, ik neem deel
in zijne liefde, ik bewijs Hem de grootste getrouwheid,
die Hem bewezen kan worden; ik ben een martelaar,
een gekruisigde; ik ben geslachtofferd, en dat alles
maakt mij gelukkig, omdat het mij deel geeft aan
-ocr page 557-
551
het lijden van mijnen Zaligmaker en ik Hem aldus
mijne dankbaarheid kan betuigen!
G. De ziekte is een schat van verdiensten voor
degenen, die de zieke oppassen.
— Zij kunnen door hunne
liefde oneindige verdiensten vergaderen. O hoe troost
mij de moeite
, zegde de H. Franciscus van Sales in
zijne ziekte, die deze goede menschen met mij hebben;
door hunne diensten en hunne liefdadigheid winnen
zij den Hemel!
Immers het bezoeken en het verzorgen der zieken
is een der voornaamste werken van barmhartigheid,
en heeft zulk eene groote waardein Gods oogen, dat het
eene der beweegredenen uit zal maken iii het vonnis,
dat God in den jongsten dag zal uitspreken, en dat
Hij ons nu reeds te voren doet kennen, ten einde
het dan slechts te kunnen toepassen: Ik was ziek,
en gij hebt mij bezocht!
— Ja, het is Jezus die
in deze kamer ziek ligt, Jezus die op dat leger rust,
Jezus, dien gij bezoekt en verzorgt; Jezus moet uw
bezoek en uwe zorgen voldoen; en hoe rijk, hoe
heerlijk zal die voldoening wezen!
II. Zinsbedrog omtrent de ziekte.
De duivel kan, zonder wederstand, de zieken niet
in het genot laten van al die voordeelen; en zeker
zal hij de religieuzen, die God door ziekte bezoekt,
niet onmiddelijk tot klagen, tot morren, tot verbit-
tering brengen; maar hij verwekt eene menigte
voorwendselen, ten einde in hare oogen de boven-
natuurlijke voordeelen
van haren toestand te vermin-
deren, hare verveling te vermeerderen, en het is
daarom dat de Schrijver der Navolging van Jezus-
Christus zegt: Weinige menschen worden door de
ziekte beter!
-ocr page 558-
552
1.     De eigenliefde blaast aan de zieke in, dat zij, tot
last aan hare omgeving zijnde, vurig moet wenschen,
dat zij spoedig verlost worde van de zorg, die zij
voor haar moeten dragen; niet voor zich-zelve verlangt
zij het zoo levendig, zoo ongeduldig soms, maar
voor die arme zusters, die zich afslaven en zich
dood werken; — alsof God dit alles niet wist, alsof
de zaligheid der ziekenverpleegsters niet gehecht was
aan de zorg, die zij aan de zieken bewijzen!
2.     De eigenliefde blaast aan de zieke in, dat de
onmogelijkheid, waarin zij zich bevindt om hare
plichten te vervullen, haar nutteloos voor de gemeente
maakt: — alsof eene gemeente beter beschermd en
beter gediend kon worden dan door het kruis dat
Jezus-Christus er zelf in plaatst, alsof het liefdevol
en onderworpen gebed eener zieke niet evenveel
voordeel doet aan het huis, als een aanhoudend werken
het zou kunnen aanbrengen. — De zieke heeft, zoowel
als de gezonde, eene zending te vervullen: hare eigene
heiliging en de heiliging van anderen. De middelen,
welke zij daartoe in het werk moet stellen, zijn
haar lijden, hare vervelint/, hare verlatenheid. Dit
zijn de gereedschappen van haar werk, en als zij die
wel gebruikt, zal zij eenmaal zien, in de weegschaal
der eeuwigheid, dat hare dagen, van eene schijnbare
nutteloosheid voor hare gemeente, ruimschoots opwegen
tegen den arbeid, dien zij verricht zou hebben.
8. De eigenliefde blaast aan de zieke in, dat het
voor haar veel nuttiger zou zijn, te kunnen bidden
en de gemeente te volgen, dan te lijden: — alsof
datgene wat God wil, niet het beste ware. Men is
aan God aangenaam door datgene wat men heeft,
en niet door hetgeen men niet heeft.
4. De eigenliefde blaast aan de zieke in, dat zij moet
-ocr page 559-
553
vreezen hare zusters te ontstichten door de klach-
ten, haar door haar lijden afgeperst: — als wisten de
zusters niet dat de onderwerping niets gemeens heeft
met het natuurlijk gevoel. De smart perste de
H. Catharina van Genua soms hartverscheurende
kreten af, en God bediende zich van hare natuurlijke
gevoeligheid, om voor haar zelve de heldhaftigheid
harer deugd te verbergen De Gel. Henrikus Suzo,
wiens boetplegingen ons doen sidderen, gevoelde
somtijds zulke hevige pijnen, dat men zijne kreten
tot in de straat kon hooren.
Antwoord bij elke gedachte, die uwe onderwerping
kan verminderen: Hoe goed i» God, mij te willen
beproeven! Ik wil al wat Hij wil, voor zoolang
Hij het wil!
III. Hoe behoort men zich in ziekte te gedragen?
1. Met betrekking tot de godsvrucht.
Breng uwe zaken met God in orde: biecht zoodra
gij kunt; niets geeft zooveel rust, zelfs ten opzichte
van het lichamelijk lijden, dan de vrede der ziel en
de verééniging met God.
Ontvang de H. Communie, zoodra men het u
aanbiedt; vraag die, indien gij kunt; verlang die,
als gij ze niet kunt vragen.
Laat de gebeden van den Regel, zoodra men het
u zegt; maar omring u met godvruchtige voorwerpen,
die u aan God doen denken; — meer schietgebeden
en korte verzuchtingen dan lange gebeden, — meer
inwendige onderwerping dan woorden; — het Fiat,
het God zij geloofd, het Alleluia moeten steeds op
uwe lippen zweven. Indien gij kunt, zoo bid een
-ocr page 560-
554
tientje van uwen Rozenkrans, zoo dikwijls gij de
klok hoort slaan; op die wijze zult gij zonder groote
vermoeienis dagelijks uwen Rozenkrans kunnen bidden
en uwen dag in vereeniging met God doorbrengen. —
Zoo gij dit niet kunt, dan kus ten minste uw kruis
elk uur. — Eene zieke religieuze moet haar kruisbeeld
en haren Rozenkrans steeds binnen hfiar bereik hebben;
het is eene godvruchtige gewoonte den Rozenkrans
om den arm te hebben.
Zoo dit het gebruik is, moet gij gaarne zien dat
de zuster, die u verpleegt, op de uren der gebeden
Tan de gemeente haren Rozenkrans hardop voor uw
bed komt bidden of hare geestelijke lezing doet. —
Gij kunt u ten minste met de gebeden der commu-
nauteit vereenigen.
2. Ten opzichte der geneesmiddelen.
Neem alle geneesmiddelen, die u gegeven worden,
en overwin den afkeer, die zij u wellicht inboezemen,
om u aldus met Jezus te vereenigen, die met gal en
edik gelaafd werd. — Wees echter eenvoudig en
ootmoedig genoeg, om uwen afkeer te kennen te geven
en die zaken te vragen, die gij meent noodig te
hebben, als ook uwe begeerte uit te drukken, zoodra
men u er naar vraagt. Jezus op het kruis zegde
ook: Ik heb dorst!
Verwacht geduldig van Gods goedheid de uitwerking
der geneesmiddelen af; en ontstel u niet, indien uwe
genezing niet zoo spoedig volgt, als gij dit wenscht.
Wees altijd goedaardig voor degenen, die tot u
komen, dankbaar voor de diensten, die men u bewijst,
geduldig in de smarten, door het verbinden uwer won-
den veroorzaakt, of wanneer de zusters, die u dienen, u
lang laten wachten, alvorens u te helpen of te verzorgen.
-ocr page 561-
555
§ 2. DE LICHAMELIJKE GEBREKEN.
»Tusschen de ziekten en de lichamelijke gebreken,"
zegt Mgr. de Ségur, » bestaat dit onderscheid, dat de
eerste meer of minder langdurig zijn, terwijl de
laatste eeneu blijvenden toestand vormen. Een
gebrek is gewoonlijk minder pijnlijk, dan eene ziekte,
doch door deszelfs aanhoudendheid is het gewoonlijk
mocielijker te verdragen. In de beproeving der
ziekte is het ongeduld het meeste te vreezen: bij
een gebrek is het veeleer de moedeloosheid, de
droefheid en een soort sleurgang, waardoor wij het
kruis op onverdienstelijke wijze dragen, zonder te
bidden,\'zonder ons te heiligen."
Er zijn gebreken en ziekelijkheden van allerlei
soort, en men weet waarlijk niet, welke de lastigste zijn.
Het is als bij het fluweel rood, groen, blauw, zwart,
jjaars; elke kleur is zoo schoon, dat men niet weet,
welke men zal kiezen. De blinden, de dooven, de
stommen, de lammen en zooveel meer anderen, die
wij niet behoeven te noemen , zijn gebrekkigen, waar-
mede alle wel geplaatste harten medelijden gevoelen.
Elk gebrek valt hard, zeer hard dikwijls, en
somtijds wordt het nog moeielijker te verdragen,
omdat men niet kan nalaten, zich bij elke gelegenheid
te vergelijken met degenen, welke dit gebrek niet
hebben, of ook nog door die duizend kleine onaan-
genaamheden, waaraan men niet kan ontsnappen,
als men niet kan zien, niet kan hooren, als men
stamelt, als men misvormd is, in één woord als men
gebrekkig is.
Geen toestand is zoo verdienstelijk als deze. Het
is een offer van alle oogenblikken; en al is die toestand
ook niet pijnlijk, zoo plaatst hij den lijdende in een
-ocr page 562-
556
gedwongen staat van zelfopoffering, van versterving,
van boetvaardigheid, waaraan het voldoende is,
zich op zeer gewone wijze te onderwerpen, om veel
bij God te verdienen. Als men dezen toestand met
een levendig geloof en eene oprechte liefde omhelst,
laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat deze heilig
en zelfs zeer gemakkelijk heilig maakt. Ja, zeer
gemakkelijk; want het is voldoende, uit goeder harte
zijn »Fiat, God zij geloofd" uit te spreken en van den
nood eene deugd te maken.
Het is hierom, dat zeer ijverige zielen soms zoo
ver gaan, de lichaamsgebreken te begeeren en, wel
verre van zich te bedroeven als God haar die over-
zendt, ze als liefdegiften ontvangen. Ik heb in het
Seminarie van den H. Sulpitius een heiligen Overste
gekend, die op het punt stond het gezicht te verliezen.
»Dit is eene groote genade," zegde hij mij, »en eene
schoone bezoeking van onzen Heer! doch ik hoop,
dat het daarbij niet zal blijven en dat Hij, na mij
het gezicht benomen te hebben, mij ook het gehoor
zal ontnemen. Hoe goed zou het zijn, door niets
meer van God afgetrokken te worden!"
En de heilige man glimlachte bij deze woorden.
Hij werd niet verhoord; hij herkreeg het gebruik
zijner oogen en behield ook het gehoor, doch zijne
heilige begeerte was niettemin zeer verdienstelijk in
Gods oog.
Zonder zulk een hoogen trap van volmaaktheid
te kunnen bereiken, moet gij, arme gebrekkige,
trachten, uw voortdurend offer door het gebed en
door de zachtmoedigheid te heiligen. Zorg steeds,
in staat van genade te zijn; zoo niet, dan zijn uwe
kostbare verdiensten verloren voor de eeuwigheid.
Van welken aard uw gebrek ook zij, het is eene
-ocr page 563-
557
<»roote genade, en des te verdienstelijker, naarmate
het u meer doet lijden; vergeet dit nooit. Beklaag
u niet over datgene, waarvoor gij God moet bedanken;
uw toestand is als een wagen, die u voortrijdt, en
ondanks zijn onaangenaam stooten en vermoeienden
gang, u regelrecht ten Hemel voert. Uw toestand
verplicht u tot eene boetvaardigheid, die gij wellicht
den moed niet gehad zoudt hebben, u-zelve op te
leggen, en bereidt u een heerlijk loon in den Hemel.
Het is een groote splinter van het heilig Kruis;
vereer dien en schat hem naar waarde . .
Verheug u niet te zeer, als hij u ontnomen wordt.
Men verhaalt, dat de H Antonius, bisschop van
Teruane, in zij ne laatste levensjaren blind was geworden.
Niettegenstaande zijne blindheid ging hij voort al
de bezigheden zijner heilige bediening te vervullen.
Bij de plechtige overbrenging van den H. Vedastus,
en door deszelfs aanraking, herkreeg hij op eens het
gezicht. In zijne plaats zou ieder ander zich zeer
verheugd hebben; doch de heilige bisschop, die alles
met het oog des geloofs beschouwde, begon te schreien,
beklaagde zich bij God en den al te goeden Heilige,
en bad zoo goed, dat hij na de plechtigheid weder
even blind was als te voren. O indien al degenen
die door lichaamsgebreken bezocht worden, met den
zelfden geest bezield waren, hoevele heiligen zouden
bloeien in dat groote bloemperk der heilige Kerk!
-ocr page 564-
558
V.
Wij zullen aantoonen:
1°. De natuur van den geioetensangst.
2°. De uitwerkselen van de gewetensangsten.
3°. De verschillende soorten van gewetensangsten.
4°. De geneesmiddelen tegen de gewetensangsten.
I De NATUUJt VAN DE GEWETENSANGSTEN.
Volgens de zedeleer beschouwd, verstaat men door
gewetensangst een of ongegronden of slechts licht-
gegronden twijfel, die soms den schijn der overtuiging
aanneemt, en de ziel met droefheid, vrees en verwarring
vervult. Eenige personen beschouwen dezen toestand
bijna als eene deugd, en verwarren dien met teederheid
van geioeten;
dit is eene dwaling; de gewetensangst
is een der gevaarlijkste gebreken; en de geleerde en
godvruchtige Gerson heeft gezegd, dat een angstig
geioeten de ziel meer schaadt, dan een te ruim geweten.
Zonder hier het beeld eener angstvallige ziel te
willen schetsen, geven wij als kenteekenen aan: dat
zij dikwijls zonder rede van gevoelen verandert, omtrent
dezelfde zaak, die zij dan .als onschuldig, dan als
verboden beschouwt; — dat zij zich hecht aan de
kleinste omstandigheden, en altijd nieuwe tracht te
vinden; — dat zij altijd met groote onrust en verwar-
ring handelt; — dat zij zeer vasthoudend is aan hare
meeningen; en eindelijk dat zij vele zielbestuurders
raadpleegt, doch zonder zich door eenige reden te laten
gerust stellen en zouder ooit eenigen raad te volgen.
-ocr page 565-
559
II. Uitwerkselen van de angstvallingheid
VAN GEWETEN.
Zij vervalscht het oordeel, — verstoort den vrede
der ziel, — verwekt mistrouwen ten opzichte van
iedereen en vooral ten opzichte van God, dien men
slechts als een dwingeland beschouwt, — verwijdert
van de HH. Sacramenten, — maakt belachelijk, —
belet de werkzaamheid bij den arbeid, —• ondermijnt
ten laatste de gezondheid van lichaam en ziel. Hoevele
ongelukkigen zijn met gewetensangst begonnen en
met krankzinnigheid geëindigd! Hoeveel grooter nog
is het aantal ongelukkigen, die met gewetensaugst
begonnen en met een zondig leven eindigden!
III. Verschillende soorten van gewetensangsten.
1. De eene worden door God gezonden; niet
rechtstreeks, want God kan de oorsprong niet zijn
van verkeerde denkbeelden en dwalingen; doch in
dien zin, dat God, door zijn licht te onttrekken,
in de ziel eene vreeselijke duisternis daarstelt.
God handelt aldus om de ziel in ootmoed te houden,
haar geduld, hare gehoorzaamheid te beproeven, haar
aan eigen oordeel te leeren verzaken. Het is eene
allerzwaarste beproeving. De H. Bonaventura, de
H. Ignatius, de H. Theresia en eene menigte andere
TT • •
Heiligen hebben die gedurende vele jaren moeten lijden.
Een ervaren zielbestierder ziet spoedig of de ge-
wetensaDgst van God komt; de ziel wordt gekweld,
doch leeft steeds in vrede, wel verzekerd dat God
haar niet zal verlaten; de ziel lijdt hevigen angst,
doch zij is altijd geduldig, zij klaagt en mort niet;
zij legt hare twijfelingen bloot, doch onderwerpt zich
-ocr page 566-
560
altijd; zij gevoelt een lievigen tegenzin om te gehoor-
zamen, doch haar wil overheerscht dien tegenzin, en
zij gehoorzaamt altijd.
En wanneer God het doel, dat Hij zich voorstelde,
te weten: de ziel te zuiveren en grondige deugd in
haar te vestigen, bereikt heeft, toont Hij haar zijne
liefde en verheugt de zoo zwaar beproefde ziel, door
een stroom van het zoetste, het helderste licht.
2.     De andere komen uit het karakter der persoon
zelve, en deze zijn het moeielijkst uit te roeien.
Dit zijn schroomvallige, sombere, zwaarmoedige
geesten,
die bij den minsten schijn van zonde, met
angst en vrees vervuld worden, — halsstarrige, hard-
nekkige
geesten, die nooit een opgevat denkbeeld willen
loslaten, — zwakke geesten, waarop alles indruk maakt
en die zich vooreene beuzeliug ontstellen, — bekrompen
geesten,
die de zaken éénzijdig en gewoonlijk langs
de meest verschrikkende zijde beschouwen, — verwarde
geesten,
die niets met juistheid omvatten, — onwetende
geesten,
die slechts oppervlakkig gestudeerd hebben
en zich inbeelden alles te weten, — verblinde geesten,
die zien wat niet bestaat, — verkeerde verbeeldingen,
die altijd geneigd zijn te overdrijven.
Die arme zielen zijn zeer te beklagen, want daar
zij in zich de bron harer angstvalligheid, harer vrees
en harer buitensporigheid dragen, is hare genezing
uiterst moeilijk. — Dikwijls is haar een geneesheer
dringend noodzakelijk! en niet altijd zijn zij voor
God schuldig, door al die handelingen, die ons zoo
onredelijk toeschijnen.
3.     De derde eindelijk komen van den duivel. —
Dit zijn de gevaarlijkste; en indien de angstvalligheid,
die uit het gestel voorkomt, tot krankzinnigheid voert,
zoo geleidt deze laatste tot de misdaad. De duivel
-ocr page 567-
561
tracht liet geweten eener angstvallige ziel in te krimpen
door haar voor te stellen, dat zij hare vroegere zonden
slecht gebiecht heeft, en dat deze bijgevolg niet ver-
geven zijn; — door haar eene overdreven vrees voor
de goddelijke rechtvaardigheid in te boezemen, en
haar te doen gelooven, dat zij zondigt in al wat zij
doet. — Zijn doel is haar het gebed lastig, het gebruik
der HH. Sacramenten verschrikkelijk, het juk des
Heeren onverdragelijk te maken, haar in wanhoop
te storten en de deugd te doen verlaten.
Somtijds slaagt hij hierin, wanneer die arme zielen
zich beangstigen, zich in zich-zelven terugtrekken
en niet over haar lijden durven spreken; doch als
zij slechts ootmoedig en vertrouwelijk, zij het dan
ook schroomvallig en onvolkomen, zeggen wat haar
drukt, vast besloten te doen wat men haar zal zeggen,
als zij werkelijk, ondanks alle schrikbeelden, gehoor-
zaruen aan het juiste en verlicht antwoord van haren
biechtvader, zal die bekoring haar niet schaden; God
zal toelaten dat zij spoedig voorbij ga, en de ziel
zal ootmoediger en voorzichtiger worden.
Doch hebben die zielen gedurende een geruimen
tijd in eene zekere traagheid geleefd, en in eene
misachting der kleine punten van den regel, die zij
zich-zelven misschien ontveinsden, doch die niettemin
bestond, dan werpt de duivel, voordeel trekkende uit
haren bekrompen geest en hare neiging tot hoogmoed,
ile verwarring in dat verleden, waarvan hij het
gewicht overdrijft, hij bekoort ze door hoogmoed,
door zinnelijkheid, en daar die zielen gewoon zijn
slechts ter loops te biechten, weten zij niet wat te
zeggen; zij drukken zich slecht uit, verwarren zich
in hare eigen woorden, zij nemen de opmerkingen,
lie men haar maakt, kwalijk op; zij redetwisten, —
36
-ocr page 568-
562
zij klagen dat men haar niet verstaat; zij zijn hardnekkig,
zij spreken slechts over het verleden, zonder voorzorg
te nemen voor het tegenwoordige; zij gaan voort in
haar traag, ongeregeld leven en geven zich niet de
minste zorg om de zonden tegen de gehoorzaamheid
en de liefde te vermijden. — Zij verontrusten zich
omtrent ingebeelde zonden, omtrent verstrooiing
gedurende de Mis van verplichting, omtrent een haar
gegeven gebod van vleesch te gebruiken op dagen
van onthouding, en zij maken zich geen bezwaar te
morren, kwaad te spreken, het stilzwijgen te breken.
Deze angstvalligen zijn het meest te beklagen en zij
zijn het talrijkst. — God kan nog glorie trekken uit
de gewetensangsten, die uit het gestel voortkomen,
doch deze laatsten beleedigen Hem maar al te dikwijls.
IV. Middelen tegen de gewetensangsten.
1. Het eenige middel, niet om de angstvallige
ziel te genezen
, maar om haar te redden, is de ge-
hoorzaamheid aan haren biechtvader.
God is de waarheid zelf; en daar God van zijne
bedienaars sprekende, gezegd heeft: Die u hoort,
hoort mij,
zoo zal God de ziel niet veroordeelen,
als zij Hem op den jongsten da\'g kan antwoorden:
Ik heb deze zaak gedaan oj gene achtergelaten, omdat
mijn biechtvader het mij geboden heeft.
Gehoorzaam dan, o arme, wreed gepijnigde ziel,
omtrent het getal uwer gebeden, — den tijd daartoe
te besteden, — de wijze van ze te verrichten, — de
aandacht daartoe noodig, — omtrent het verbod van
ze te herhalen of opnieuw te beginnen; — omtrent
de gebeden, die gij volstrekt moet bekorten. —
Gehoorzaam in nimmer op het vorige terug te
komen, — de wijze van uwe zonden op deze of gene
-ocr page 569-
563
wijze te belijden, — in het verbod op eene reeds
gebiechte zonde terug te komen, zelfs al schijnt het
u toe dat gij ze slecht gebiecht hebt, — omtrent
die zonden, welke gij zegt vergeten te hebben, —
omtrent uw onderzoek van geweten.
Gehoorzaam aan uwen biechtvader ten opzichte
uwer Coramuniën, — de boeken, die hij u verbiedt
te lezen, — de personen, wier omgang hij u verbiedt, —
de deugdoefeningen, die hij u oplegt, — gehoorzaam
in alles, omtrent plaats, tijd, wijze.
Gehoorzaam aan uwen biechtvader, aan hem, dien
de Voorzienigheid of het geestelijk gezag met uwe
leiding belast heeft. Verlaat hem niet uit luim,
ontevredenheid, verbittering of moedeloosheid. Zoek
in het algemeen niet zooveel raad, de menigvuldige
uitspraken zijn veeleer een beletsel voor den vrede
der ziel dan een licht om haar te geleiden Wees
niet overdreven; laat u vrij een goed woord zeggen,
als God u de gelegenheid aanbiedt, maar houd u
als grondregel aan éénzelfde leiding vast.
2.     Een tweede middel, dat de gehoorzaamheid
krachtig steunt, is een aanhoudende, vlijtige, ja
overkropte werkzaamheid.
Men heeft geeu tijd om
adem te scheppen, veel minder om veel te denken.
3.     Daar het vooral de biecht is, die verwarring
en ontsteltenis werpt in de ziel der angstvalligen,
schrijven wij hier een paar bladzijden over uit de
Geestelijke Raadgevingen, welke zeer geschikt zijn
om haar gerust te stellen.
Over eenige moeielijkheden omtrent de Biecht.
Bemerk hier, dat de biecht eene uitvinding van
liefde is van het H. Hart van Jezus. Daar niets aan
-ocr page 570-
564
de ziel meer heil aanbrengt, stelt de duivel alles in
het werk om die bron van leven te vergiftigen; en
hij bedient zich daartoe eerst van ons-zelven, en
daarna komt hij, de duivel in eigen persoon.
Hij bedient zich van ons-zelven door ons in te
blazen 1. dat het eene zeer moeielijke zaak is eene
goede biecht te spreken. Dit is niet waar. Als men
niet wil, ja, dan is het niet alleen zeer rooeielijk,
maar het is onmogelijk eene goede biecht te spreken.
Doch met een goeden wil is het zeer gemakkelijk,
en den goeden wil hebben wij, als wij slechts willen.
Als gij te biechten gaat, doet gij dit met goeden wil,
er is derhalve niets ongemakkelijks in de biecht.
2. De duivel bedient zich nog van ons-zelven
om ons van de biecht te verwijderen, door ons over-
dreven denkbeelden in te boezemen, omtrent de vol-
maaktheid, waarmede wij die biecht moeten spreken,
voorwendende dat wij die nooit kunnen bereiken.
Hier geldt de regel van te doen wat wij verplicht
zijn. Zoek niet eene zeer goede biecht te doen; stel
u tevreden met eene goede biecht te spreken, dan
zal zij voor u nog eene zeer goede zijn. Vergeet
nooit, dat het beter vaak de vijand is van het goede!
De moeielijkheid der biecht, en de volmaaktheid;
waarmede men biechten wil, zijn twee wezenlijke
hinderpalen, die men moet trachten te overwinnen.
Wanneer de ziel aldus verward is door buitensporige
gedachten, overvalt haar de duivel. Hij vischt te
gaarne introebel water, om de gelegenheid te laten
ontsnappen, en hij heeft zoovele middelen om tot
zijn doel te komen.
De duisternis verspreidt zich; begunstigd door die
wolk, die de waarheid des Hemels verbergt en de
ziel tot in den diepsten afgrond ontroert, vermag hij
-ocr page 571-
565
alles. Dat is zijn uur, hoe wel zal hg er partij van
trekken! Vandaag kan ik niet biechten, zegt men;
mijne vorige biechten zijn ook niet goed; waarom
zou ik nogmaals te biechten gaan ? Ik zou eene
generale biecht behooren te doen, die mg veel tijd
zou kosten. Onmogelijk. — Men heeft mij gezegd,
geloof ik (men weet het zeker) dat ik geene generale
biecht meer moest doen, en ik wil niet ongehoorzaam
zijn.
— Maar waarom heeft men daaraan niet eerst
gedacht? Men heeft een vol uur verloren in de
kwellingen, die men zich door zijn gebrek aan geloof,
aan edelmoedigheid, aan vertrouwen op den hals heeft
gehaald. Ten laatste besluit men dan toch te gaan
biechten. De wil is waarlijk goed, hoewel de ver-
warring ons belet, dit te gevoelen. Zoo juist wilde
men uit augst niet biechten; men gaat biechten, omdat
het moet zijn, doch men beschouwt die inspraak als
een valsch licht. De duivel komt terug in deze ver-
warring en ontsteltenis: »Ik heb, zegt men, eene
slechte biecht gedaan, dit is zeker. •— Hoe kan ik
nu te Communie gaan? Men verlangt het, en ik
kan niet. Als ik niet ga, ben ik ongehoorzaam."
Men ontvangt de H. Communie in een ontsteld hart.
Wel brengt zij voordeel aan de ziel aan, doch zeker
niet in dier mate, als zij doen zou, iudien de ziel
edelmoedig, door de gehoorzaamheid, welke ons nooit
bedriegen kan, heenstapte over al die ijdele vrees,
welke de duivel in haar verwekt. Nog zegt men:
»Als men mij kende!" Men kent u beter dan gij
u-zelve kent. En wat maakt u dat gebrek van
keunis in den priester? Het is genoeg, dat gij den
wil hebt gehad, u te doen kennen, God zal in het
overige voorzien. Is het niet genoeg, dat de priester
D genoegzaam kent om u te kunnen ontslaan van
-ocr page 572-
566
uwe zonden? Nu, deze kennis ontbreekt hem nooit! —
Als men zich door valsche denkbeelden heen en
weder laat slingeren, vindt men noch rust, noch
vrede, noch zoetheid in den dienst van God. Wat
zal men doen, om al die moeielijkheden te overwin-
nen? De biecht moet u aangenaam en niet moeielijk,
en zeker niet zeer moeielijk zijn. Gij zult dit weldra
gevoelen, als gij ter goedertrouw te biechten gaat.
Hoevele geleerde en geestige dames heb ik gekend,
die niet zoo goed wisten te biechten als hare een-
voudigste dienstboden! Hoe komt dit? Omdat zij
haar verstand mede brachten, terwijl er slechts een-
voud, ootmoed, en het vergeten van zich-zelven
noodig is.
4dc HOOFDSTUK.
Hoe men liet lijden ver«1rajyeii moet.
Daar het lijden door God overgezonden of toegelaten
wordt, is er maar ééne redelijke en christelijke wijze
van het te verdragen: dit is het met onderwerping
aan te nemen.
God is Opper/teer, en heeft dus het recht te doen
wat Hij wil.
God is almachtig; wat Hij wil, zal gebeuren, hoe
groot de weerstand der schepselen ook moge zijn.
God is oneindig wijs; wat Hij wil, is derhalve de
vrucht zijner wijsheid en kan slechts waardige en
nuttige uitwerkselen hebben.
-ocr page 573-
567
God is oneindig goed, oneindig beminnelijk; wat
Hij wil, is derhalve altijd een uitwerksel zijner
barmhartigheid en liefde.
Daarom is de volkomen, geheele, liefdevolle onder-
werping
in alle voorvallen en omstandigheden des
levens de wijsste en heiligste handelwijze, en God
beschouwt die in zijne goedheid als de meest ver-
dieustelijke daad.
»De bewoner der heilige stad, zegt deH. Augustinus,
draagt in zijn hart een voortdurend Fiat en Amen.
Hij wil al zijne moeielijkheden, en geen enkelen
troost, waarvan hij beroofd is. Vraag hem, wat hij
verlangt, en hij zal u antwoorden: Juist datgene
u-at ik heb."
I.
Het eerste, het onvergelijkelijk voorbeeld der vol-
maakte onderwerping en gehoorzaamheid, waarop
zich steeds onze blikken moeten vestigen, is Jezus-
Christus in zijn lijden.
Van de ééue zijde zien wij in Hem de zwakheden,
den weerzin, den angst der menschelijke natuur.
Dat deze kelk, zoo het. mogelijk is, pan mij ga! Mijne
ziel is bedroefd tot den dood
(Matth. XXVI, 38, 39).
Mijn God , mijn God! waarom hebt gij mij verlaten !
(Matth. XXVI, 46) Met onze natuur nam Hij ook die
zwakheid, die verveling, die walging, die droefheid,
-ocr page 574-
568
dien zielsangst, die benauwdheid op zich, welke wij in
de moeielijke oogenblikken van ons leven ondervinden.
Maar Hij heeft ons die droefheid slechts doen zien,
om ons het voorbeeld te geven van eene volmaakte
onderwerping aan de besluiten der goddelijke Voor-
zieuigheid, Hij, die slechts uit den hemel gedaald is
om den wil te doen van zijnen hemelschen Vader,
die nooit eene stroobreedte afweek van dien goddelijken
wil, die van af de kribbe tot het Consummcitum est
van het kruis, niets anders gedaan heeft dan den
goddelijken wil vervullen. Aan liet hoofd van het
boek staat van mij geschreven : dat ik uwen teil, o God,
volbrengt;
(Hkbii. X, 7). Ik ben uit den Hemel gekomen,
niet om mijnen wil te volbrengen
, maar den Wil van
Hein, die mij gezonden heeft
(Joa. VI, 38). Mijn
voedsel is het volbrengen van den Wil van Hem die
mij gezonden heeft
(Joa. IV, 34). Mijn Vader, dat
niet mijn , maar uw teil geschiede
(Luc.e XXII, 42).
Bij het verlies van al wat hij bezat, riep Job
uit (I 21): De Heer heeft gegeven, de Heer heeft
ontnomen, dat de Naam des Heeren gezegend worde!
»Een enkel God zij geloofd in tegenspoed," zegt
de H. Joaunes van Avila, »is beter dan duizend
God zij gedankt in voorspoed!"
Toen David uit Jeruzalem trok, begon een bloed-
verwant van Safll hem met steenen te werpen en
braakte vervloekingen over hem uit. Abisaï, een
zijner officieren, over dit gedrag verontwaardigd,
wilde zich op hem werpen en hem het hoofd met
zijn zwaard afslaan. Maar David hield hem terug
en zegde hem: Laat hem vervloeken; want de Heer
heeft verordend, dat hij David vervloeke; en wie durft
vragen, roaarom Hij zulks gedaan heeft ? Laat hem
vervloeken volgens
\'s Heeren verordening. Wellicht zal
-ocr page 575-
569
de Heer mijne kwelling aanzien, en mij voor deze heden-
daagsche vervloeking vergelden
(IIReg. XVI, 10, 11,12).
De H. Gertrudis had eene groote godsvrucht tot
de derde vraag van het gebed des Heeren. Zij her-
haalde dit verscheidene malen: » Uw teil geschiede,
mo ivil geschiede
"
Eens dat zij aldus bad, verscheen haar de goddelijke
Zaligmaker in de ééne hand de gezondheid, in de
andere de ziekte dragende, en zegde haar: »Kies,
mijne dochter, wat u het beste bevalt."
Wat zal
Gertrudis kiezen? De gezondheid zekerlijk? Neen.
De ziekte dan? Ook niet. Niet wetende, wat voor
haar het beste, noch wat haren goddelijken Meester
het aangenaamst was, herhaalde zij weder: » Uw teil
geschiede, Heer, en niet de mijne."
De H. Franciscus van Assisië werd eens aangevallen
door eeue ziekte, die hein hevige pijnen veroorzaakte.
Een zijner broeders, een zeer eenvoudig man, zegde
hem: » Vader, bid God, dat Hij u toch wat zachter
behandele; want mij dunkt, dat zijne hand te zwaar
op u drukt." De Heilige slaakte een luiden kreet en
antwoordde hem: »Mijn broeder, als ik niet wist,
dat uw gezegde voortkomt uit uwe eenvoudigheid,
die geen kwaad bedoelt, zou ik van dit oogenblik
af een afschrik van uwe woorden hebben, daar gij
vermetel genoeg zijt, om de plannen van God over
mij te durven afkeuren. »Hoe zwak hij ook door zijne
langdurige en hevige ziekte ware, wierp hij zich na
die woorden van zijn armoedig leger op den harden
grond, met gevaar al de beenderen zijns \'lichaams
te breken; en den grond kussende, riep hij uit: »Ik
dank u, o mijn God, voor al de smarten, die Gij
mij hebt gelieven te zenden; geef mij, zoo Gij wilt,,
nog honderdmaal meer; ik zal die met vreugde aan-
-ocr page 576-
570
vaarden, omdat het vervullen van uwen heiligen wil
de zoetste, de grootste aller vertroostingen is."
De H. Gertrudis beklom eens een heuvel, zij
struikelde en viel in een kuil, waarin zij den dood
had kunnen vinden. Toen zij opstond zegde zij tot
Onzen Heer: »Mijn Jezus, welk een geluk, zoo
die val voor mij het middel geweest ware om spoe-
diger tot U te komen!" Hare zusters vraagden haar
verwonderd, of zij dan niet vreesde te sterven, zonder
de HH. Sacramenten der Kerk te ontvangen. Zij
antwoordde haar: »Tk verlang, wel is waar, uit
ganscher harte bij dien laatsten overtocht de HH. Sa-
crameuten te mogen ontvangen; doch nog meer veilang
ik, dat de heilige wil van God moge volbracht worden,
wel overtuigd, dat de beste gesteltenis, waarin men
zich kan bevinden, is zich te onderwerpen aan wat
God toil
Welke dan ook de dood zij, waardoor Hij
mij zal gelieven tot zich te roepen, is het die dood
dien ik verlang, wel overtuigd zijnde, dat hij beter
voor mij is, dan alles wat ik kan begeeren."
Pater Ravignan zegde in ééne zijner laatste ziekten:
»Die inwendige gesteltenis, waartoe Onze Heer mij
door eene zijner grootste genaden gedurig schijnt
terug te willen brengen en uitsluitend van mij schijnt
te verlangen, is tevreden van Hem te zijn en mij
over alles in Hem te verheugen,
over het lijden dat
Hij mij zendt, — over de onrust, de onzekerheid
waarin Hij mij laat, — over de beterschap in mijn
toestand, — over de verlichtingen mij aangebracht, —
in e\'én woord, in eene blinde en kinderlijke ovei\'geving
mij te verheugen, tevreden van God te zijn : omtrent
het verleden en deszelfs drukkende herinneringen, het
werpende in den bodemloozen afgrond der barmbar-
tigheid Gods; omtrent het huidig oogenblik en de
-ocr page 577-
571
toekomst, geene vrees noch zorg daarover voedende.
Dit is de vrede en de vreugde in het geloof, dit is
sterven met genoegen, dit is leven niet eene kinderlijke
onderwerping; en ziedaar de aangenaamste gesteltenis
aan het Hart van Jezus. O mijn God, o mijn goede
Zaligmaker, geef, behoud mij die tevredenheid, die
volkomen overgeving, opdat ik daardoor in u wone:
God in mij en ik in Hem!
*Er bestaat eene inwendige gesteltenis, zegde de
O o                          \'o
zelfde religieus nog, die wij gewoonlijk niet hebben
en die nochtans zoo noodzakelijk is, dit is God en
alles wat van Hem komt, ten goede nemen.
Ons
arm hart heeft in zijn binnenste een grond van
bitterheid, die alles, zelfs al wat van God komt, doet
verzuren. Vandaar die ontsteltenis, dat onaangenaam
humeur, dat strenge oordeel, die liefdelooze over-
draging, die moeielijkkeden van allerlei aard. Wat
beteekent God en al wat van God komt, ten goede
nemen?
Op deze vraag antwoordt dit schoone woord:
Denk wel van God En toch valt ons dit moeielijk;
wij gaan niet met God, om als met personen, wier
goedheid wij ondervonden hebben. Al wat ons van
hen zou komen, zouden wij gaarne ontvangen, in
de overtuiging dat menschen, die zoo goed voor
ons zijn, ons niet anders dan goede zaden kunnen
zenden."
Ziedaar hoe de Heiligen spreken; hoeveel heiliger
zouden wij zijn, indien wij meer hunne gevoelens
aannamen.
-ocr page 578-
572
II.
Zegt somtijds, arme verlaten zielen: Ik ben op-
dit oogenblik op de plaats, waar God mij hebben
wil; in dien staat, in dien toestand, waarin God
mij voor alle eeuwigheid hebben wil; en Hij geeft
mij de genade om mijn lijden verdienstelijk te maken.
Mogelijk zal ik morgen evenzeer of meer moeten
lijden, maar zijne genade zal aan mijn lijden geëveu-
redigd worden; al konde ik, zou ik geene minuut
het lijden, dat God in mij zien wilt, willen verkorten.
God weet alles, — God ziet allen, — Hij weet wat
ik lijd , Hij telt, Hij weegt, Hij meet mijne lijdensuren
van dezen dag. Hij heeft die van gisteren geteld en
gewogen, Hij ziet ook mijne tranen, mijne smarten,
mijne gelatenheid; o, Hij zou mij niet laten lijden,
als het niet voor mijn welzijn ware!
God denkt aan mij! Hij rust hier, Hij beschouwt
mij met liefde; — zijne hand drukt op mij, maar Hij
geeft mij de kracht om de smart in vrede en met
vreugde aan te nemen. — O ja, mijn God, ik beu
tevreden, dan zelfs als de zucht mijnen lippen ont-
snapt!
God is Meester, een goede, een wijze, een machtige
Meester! Neen, ik wil noch mijne ziel, noch mijn
lichaam, noch mijne zintuigen, noch mijn leven, aan
zijne wijsheid, zijnen wil, zijne werking onttrekken.
Ik verlaat mij geheel op Hem. Hij alleen kan hier
en hiernamaals mijn geluk uitmaken! Hij alleen kan
mijn hart voldoen! — Heb ik eene gevaarlijke wonde,
Jezus is de geneesheer, die mij genezen kan. Kwelt
-ocr page 579-
573
mij de koorts, Jezus is de fontein, die mij zal ver-
frisscheu. — Vrees en beef ik van schrik, Jezus is
de kracht, die mij kan beschermen — Voel ik mij
bezwijken, Jezus is het leven Heb ik honger, Jezus
is het voedsel, dat mij kracht zal geven. Houd moed
dan, mijne ziel, Jezus zal komen!
Heere Jezus, ik roep U ter hulp, in het vaste
vertrouwen, dat ik door U het beste geneesmiddel
voor mijn tegenwoordigen toestand zal verkrijgen!
Ik verwacht dit van uwe almogendheid, ik hoop
het van uwe goedheid!
Wellicht, lieve Jezus, is deze beproeving, waaronder
ik zucht, het geneesmiddel van kwalen, waarvan ik
mij onbewust ben; o dan vraag ik U eene nog
krachtiger overtuiging, dat uva heilige toil mijn opperste
goed is voor tijd en eeuwigheid!
O ja, ik aanbid
dien goddelijken wil! Arm en verlaten, vlucht ik
tot U; en kalm, tevreden en vertrouwelijk hecht
ik mij voor tijd en eeuwigheid aan U. De dag van
gisteren is verdwenen met al mijn kommer en ver-
driet. — Waar zijn mijne smarten van gisteren? —
Verdwenen! — Waar zullen mijne smarten van heden-
morgen zijn ? — Verdwenen! En er zal een dag
komen, waarop er geene smart, geen lijden, geen
kommer meer zal zijn! En die dag, waarvoor geen
morgen meer aanbreekt,
gaat weldra komen, ik ver-
wacht dien in vertrouwen op U, o mijn Jezus!
-ocr page 580-
574
5\',e HOOFDSTUK.
XJitwerlcselon van hot 1 ij<l.-n.
Het lijden uit zich-zelveis hard, moeielijk, pijnigend.
De zondaars op deze aarde en de verdoemden in de
hel vooral, gevoelen deszelfs vreeselijke uitwerkselen.
Maar door een wonder zijner goddelijke barmhartig-
heid heeft God begeerd, dat het lijden langs pijnlijke
wegen heerlijke uitwerkselen zou teweeg brengen in
welbereide zielen, dat is in die zielen. die het lijden
ontvangen als een hemelbode, die in naam van God
eene zending vau barmhartigheid komt vervullen.
De christelijke taal heeft een heerlijk woord, als
zij van het lijden spreekt. Zij noemt dit het bezoek
van den goeden God;
nu God bezoekt ons nooit dan
met de handen vol genade!
Het lijden, zegt Mgr. Gay, verzoent, vormt en
hervormt.
I.
3fet iijdcn v&z&o&nt.
De boete of verzoening is eene te groote zaak,
voegt deze groote schrijver er bij, om niet veel
andere zaken te bevatten.
Boeten in den christelijken zin, beteekent voldoen,
dat is aan dengene, dien men het ongeluk had te
-ocr page 581-
575
beleedigen, alle reden ontnemen om vertoornd te blijven
en den beleediger in ongenade te houden. De smart
biedt eene genoegdoening aan: genoeg om de zonde
in onze ziel te verdelgen, — genoeg om den goddelijken
vloek, dien wij verdiend hebben, in zegen te ver-
anderen , — genoeg om Gods afwezigheid in tegen-
woordiglieid, om Gods toorn in teederheid, Gods
afkeer in liefde te veranderen — genoeg, in één woord,
om God de wapenen uit de hand te doen vallen en het
Hem als onmogelijk te maken ons niet te vergeven
Boeten, verzoenen in christelijken zin is zuiveren,
is de vlekken uitwisschen en de afzichtelijkheid, welke
de zonde ongelukkiglijk in de zondige ziel heeft
voortgebracht, doen verdwijnen. Die zondige ziel
is duister en als ondoorschijnend; zij heelt hare
zuiverheid, hare helderheid, hare doorschijnendheid,
haar licht, haar zoeten glans, hare jeugd, hare ge-
zondheid, hare kracht, hare schoonheid, hare reinheid,
hare heiligheid verloren, welke haar maakte tot den
spiegel en bijgevolg tot het beeld van God; omdat
zij door het beeld van God terug te geven Hem
geleek, zoodat, indien zij plotseling uit deze wereld
scheidde, zij onmiddelijk God zou zien en zich in
zijne armen zou werpen Dit alles heeft zij verloren,
zoodra de zonde haar is komen bezoedelen; welnu
de christelijke smart is voor haar een Doopsel dat,
dank aan het bloed door Jezus-Christus voor haar
vergoten, haar afwascht, zuivert en hare eerste
schoonheid wedergeeft.
Boeten in christelijken zin is herstellen, dat is alles
en ook de ziel zelve opbeuren en in den eersten staat
terugbrengen. — Het lijden is als de geleider der genade,
die met en door hetzelve werkt; en die genade bewerkt
in de ziel eene opstanding, eene verjeugdiging, eene
-ocr page 582-
576
herleving van alle zaken; en als die inwendige lier-
stelling heeft plaats gehad, wordt alles ons gunstig.
De Engelbewaarder nadert de ziel dichter, de H. Maagd
beschermt en helpt haar gaarne, de geheele schep-
ping lacht haar toe, nn zij geweend heeft. Zij gevoelt
iets van hetgeen de verloren zoon heeft moeten
gevoelen, toen hij in het hem weder geopend huis
zijns vaders alles op zijne plaats vond. De smart
is eeue zoo machtige smeltkroes, dat de schuldige
vaak grooter uit zijne zonde opstaat, indien hij van
zijne treurige ervaring partij weet te trekken. Zeker,
zegt de Eerw. P. Caussette, is de onschuld verkieselijk
boven de boetvaardigheid; maar eene ootmoedige en
•vurige boetvaardigheid is beter, dan de vermetele en
verslapte onschuld.
Boeten in christelijken zin beteekent betalen, dat
is: den schuldeischer het volle bedrag ter hand stellen
van de schuld door de fout aangegaan, en van hem
«ene volledige kwijtschelding erlangen De zonde is
eene schuld, die wij bij God hebben; wij waren
Hem onzen tijd, onze zintuigen, ons verstand, ons
geheugen, ons hart schuldig; wij hebben dat alles
aan anderen gegeven, verlokt door het min of meer
schuldige genot, dat ons beloofd was — Om in den
Hemel te kunnen ontvangen worden, moeten wij al die
schulden betalen; die voldoening zou in het vagevuur
moeten geschieden, en wij weten hoe vreeselijk de
vlammen zijn, welke de goddelijke rechtvaardigheid
moeten verzoenen. God heeft nu in zijne barmhartigheid
aan de christelijke smart op aarde dezelfde macht
gegeven, als aan de vlammen van het vagevuur.
Boeten in christelijken zin beteekent ontbinden, —
dat is al de banden losmaken, die den schuldenaar
bonden en hem zijne volkomen vrijheid wedergeven.
-ocr page 583-
577
Hoevele banden binden ons ver van God! Hoevele
moeielijk te verbreken gewoonten hielden onzen wil
en vooral ons hart ver van God! O als de smart
met haar verslindend vuur, met hare nijpende foltering
daarover heenstrijkt, dan breken die banden, en de
ziel vrij, gelukkig, en door liefde vervoerd, stijgt tot
God. O hoevele dankliederen moeten in den Hemel
weergalraeuv oor het lijden! Hoevele Heiligen, thans
in den Hemel, zouden in de hel zijn, ware het lijden
hen niet met kracht aan hun zondig leven komen
ontrukken.
II.
Jfet tijde-n votmt.
Het lijden is een tweede noviciaat voor de religieuze
ziel; het herstelt wat in het eerste noviciaat niet goed
geweest is; het voltooit en volmaakt dit, zoo het
aan alle voorwaarden heeft beantwoord.
Jn dit tweede noviciaat vormt de smart de reli-
gieuze; zij is hare meesteres en oefent haar onder
het oog van God; en zoo de ziel gewillig is, hoe
voordeelig zal haar dan deze proeftijd wezen! Het
is een gestrenger noviciaat dan het eerste, maar het
doel, dat het zich voorstelt, is ook grooter en ver-
heveuer; het eerste vormde voor de Professie; het
tweede vormt voor den Hemel.
Het lijden, — die meesteres rechtstreeks door God
gezonden, — verlicht het verstand, — het hart, —
den wil der religieuze. In hare cel, voor haar kruis-
37
-ocr page 584-
578
beeld, dat in die trage uren van den dag, de nog
tragere van den nacht. Laar eenig gezelschap uit-
maakt, ziet de zieke, de diep vernederde of de helaas!
onbillijk verrtooten religieuze helder en duidelijk, dat zij
geen geduld, geen ootmoed, geen onderwerping genoeg
heeft; zij ziet geheel anders dan zij het tot dusverre
zag, de noodzakelijkheid van het leven des geloofs
en den geest des gebeds, — de grootheid van den
Regel, — de glorie, de vreugde, de voorbeelden der
gehoorzaamheid, der zuiverheid, der armoede, —
de noodzakelijkheid der zelfopoffering, der liefde,
der vurigheid.
Zij begrijpt de ijdelheid, de broosheid der bijzondere
vriendschappen, waaraan zij zich zoo gemakkelijk en
zoo vurig heeft overgegeven, — de beuzelachtigheid
van die gevoelens van ijdelheid, waarmede zij haren
geest voedde
Zij ziet de traagheid, waarmede zij hare plichten
vervuld, de geringe oprechtheid der voorwendselen,
waar door zij zich van den Regel deed ontslaan.
En naarmate het lijden een licht is, dat haar
bestraalt, is het ook een vuur, dat brandt, om haar
te zuiveren, haar buigzaam te maken, de genade te
helpen, die haar tot eene heilige wil vormen; en door
de ziekte, verveling of vernedering, dringende tot
de verborgenste schuilhoeken van haar hart, is het
lijden de meesteres, die het verleden doet boeten en
de toekomst bestuurt; de meesteres, die zich weet te
doen verstaan en te doen gehoorzamen! En de ziel
buicrt zich onder hare bewerking; zij vraagt vergeving,
zij belooft beterschap, zij vernedert zich, zij bidt,
in één woord, zij wordt gevormd.
Hoe vele religieuzen zijn er aan wie, om groote
heiligen
te worden, slechts een dieperen indruk van
-ocr page 585-
579
het Kruis van Jezus-Christus ontbrak; want de ziel is
gelijk aan de aarde, zij moet doorploegd worden,
wil zij vele vruchten voortbrengen.
III.
Jfet 1-U.dett fxczvozmk.
I. Het lijden heeft ten doel, de zondige ziel in
eene heilige ziel te hervormen
, door haar langs den
weg der vernedering te brengen tot de kennis der
oppermacht van God, tot de onderwerping aan zijnen
wil, tot de gehoorzaamheid aan zijne bevelen. —
Gewoonlijk, zegt een christelijk wijsgeer, geleidt
het lijden het menschelijk geslacht tot op den drempel
der genade; in de natuur vormt zij den mensch,
in den mensch den heilige; en men mag zeggen,
dat al wie zalig geworden is, dit aan het lijden te
danken heeft.
Uit betreft den mensch in het algemeen; wat de
religieuze betreft, haar hervormt het lijden zoodanig
dat het van haar een anderen Jezus-Christus maakt.
Deze hervorming geschiedt door de pijnen, die het haar
doet doorstaan, gelijkvormig aan de pijnen van Jezus-
Christus , — door de gevoelens van onderwerping, die
het haar doet vormen, gelijk aan de gevoelens van
Jezus-Christus, — door de liefde vooral, die het in
haar hart verwekt voor Jezus-Christus, die door haar
lijden haar met zich op de innigste wijze vereenigt.
Het lijden brengt tusschen den volmaakten Christen,
dus natuurlijk de religieuze, en Jezus-Christus een
-ocr page 586-
580
soort van veréénzelving langs den weg van het mede-
gevoel ; zij ondergaan uit medegevoel hetzelfde lijden,
zij lijden door en met elkander. De religieuze deelt
in het lijden van Jezus, Jezus deelt in het lijden der
religieuze. Zij worden vereenigd door de banden
van het medelijden. — Niets veréénigt nauwer twee
zielen dan het ondergaan van hetzelfde lijden.
De Christen zal zelfs geen flauw denkbeeld hebben
van de hevigheid der smarten van den Verlosser, als hij
zelf de folteriug en het zielsverdriet van het ongeluk
nooit gekend heeft. — Is hij zelf nooit gelasterd
geworden, nooit zal hij den smaad, de vernedering
van Jezus begrijpen. — Is hij zelf nooit gepijnigd
in zijne menschelijke genegenheden, nooit zal hij de
wouden van het lijdend Hart van Jezus begrijpen. —
Is hij nooit arm, ziek, vervolgd, met den dood
bedreigd geweest, dan is het Evangelie voor hem
eene doode letter, en hij begrijpt het lijden van het
Kruis niet.
Maar het lijden, waarin hij zelf als slachtoffer
optreedt, is als een fakkel, welks licht het lijden van
Christus bestraalt eu zich in al deszelfs vreeselijke,
afschuwelijke, hartverscheurende werkelijkheid doet
verstaan en gevoelen .. En als hij dan begrijpt, dat
het uit liefde tot hem is, dat Jezus-Christus dat alles
heeft gedaan en geleden, dan wil hij uit wederliefde
ook voor en met Jezus lijden. Hij zoekt het lijden
met zooveel drift als anderen het genoegen, en wat
hij bijzonder door het gebed zoekt te verwerven, is
de overeenstemming van zijnen wil met den wil van
Jezus-Christus.
— Of lijden of sterven! lijden en nooit
sterven om altijd te lijden.
Ziedaar de kreet zijns
harten, het doel van geheel zijn leven; want daar
hij zijn wil nog niet in de eeuwige gelukzaligheid
-ocr page 587-
581
met den wil van God kan vereenigen, weet hij dat
zij elkander slechts kunnen ontmoeten op het gebied
der smart.
De smart is de onderlinge eindpaal van
den wil van God en den wil des menschen; het is
het eenigst mogelijk vereenigingspunt!... .
De smart is werkdadig vereenigend in dien zin, dat
zij tusschen God en de ziel eene vereeniging vormt
van geheimziunio medegevoel. Door de smart deelt
de lijdende meusch in het lijden van den gekruisigden
Godmensch, en deze deelt in de smart van den lijdenden
mensch Na de persoonlijke vereeniging met God,
waartoe de menschheid vau Christus alleen is toege-
laten, ken ik geeue nauwere en innigere vereeniging
dan die van het lijden door het lijden. Men moet
heminnen om deze dingen te kunuen verstaan.
II. Indien het lijden de religieuze hervormt in
een anderen Jezus-Christus door de gevoelens van
afhankelijkheid, van boetvaardigheid, van liefdevolle
onderwerping,
welke het in hare ziel te weeg brengt, —
zoo hervormt het haar ook door de gevoelens van
medelijden, van zoetaardigheid, van barmhartigheid,
welke het haar inboezemt voor haren evennaasten.
Niemand weet beter medelijden te hebben dan zij
die veel geleden bebben; wie niet geleden heeft, toat
weet hij?
Wat weet hij van zielsangst, van de folteringen
van den geest? — Hij noemt het overspanning der
verbeeldingskracht.
Wat weet hij van de kwellende pijniging van het
hart? Hij noemt het overdreven gevoel of zwakbeid
van inborst.
Wat weet hij van het lichamelijk lijden? — Hij
kan het niet ontkennen, maar hij verzorgt het zonder
mededoogen, en wordt moede indien het lang duurt.
-ocr page 588-
582
Hij kan niet weenen met de weenenden; hij kan
slechts spreken, doch troosten kan hij niet.
Er is altijd eene leemte in de zielen, wier lijdens-
kelk niet bitter genoeg geweest is; en eene religieuze
die haar rijkelijk deel niet gehad heeft aan de smarten
van Jezus-Christus, komt zeldzaam tot die onder-
scheiding van het oprecht medelijden, dat gaarne
zich-zelven vergeet, om in het ongeluk van anderen
te deeleu.
Zij, die God bestemt om de troostende engelen
van anderen te zijn, oefent Hij in de harde leerschool
van het lijden en wellicht van het lijden zonder troost.
III. De smart hervormt nog de uit hare natuur
vreesachtige, schroomvallige religieuze, die soms zucht,
zoo weinig voor de glorie van God te kunnen doen,
en maakt haar de Troosteres der lijdende zielen.
Wij hebben gesproken van den staal van slachtoffer
voor de strijdende Kerk,
waarin God de religieuze
plaatst; beschouwen wij haar uu als slachtoffer voor
de lijdende Kerk.
Als gij op het kruis hangt, zegde Pater Caussette,
betreedt God uwen Kalvarieberg om de verdiensten
die gij over hebt, in te zamelen, en Hij dekt met
uwen overvloed het te kort der zielen in het vagevuur.
O gij, arme, zieke, gebrekkige zuster, afgeslaafd,
tot eene volkomen werkeloosheid veroordeeld, die
zucht, omdat gij u nutteloos gevoelt, bedenk dat het
heter is martelaar dan apostel te zijn, dat het beter
is de dood en dan de levenden te redden; want, zegt
de H. Thomas, de levenden kunnen hunne eigene
zaligheid nog bewerken, doch voor de dooden is de
dag geëindigd; zij leven in dien noodlottigen nacht,
waarin geen werken meer mogelijk is.
-ocr page 589-
583
Offer dan uwe lijdensuren voor de zielen in het
vagevuur op. Elk dier ureu, met liefde ontvangen,
niet geduld verdragen, met edelmoedigheid opgeofferd,
zal als een verfrisschende dauw nedervallen in dat
verblijf, waarin zoovele zielen naar verlossingsmachten.
Gij weet wel dat deze liefde elke andere liefde bevat.
Liefde jegens God; want daar God er zijn geluk
in vindt, dat zijn Paradijs vele Zaligen bevat, zoo
behaagt men aan zijne liefde, als men zijne recht-
vaardigheid verbidt, ten gunste der vrienden, waarvan
Hij gescheiden is.
Eene zeer apostolische liefde; want er is iets vol-
maakters dan de zeeën over te steken om de zielen
der heidenen tot God te brengen, te weten aan
gene zijde van de grenzen der zichtbare wereld Hem
zielen te gaan winnen, die iu de genade bevestigd
zijn en Hem aangenamer zijn dan de zielen der
heidenen.
Eene edelmoedige liefde; want zij geeft aan de
ongelukkigste armen van het menschelijk gezin.
Liefde voor de zielen; want als gij op die wijze
met die arme gefolterde zielen de verdiensten van
uw kruis deelt, wordt gij de ziekenverpleegsters van
het treurigst verblijf, waar ooit de smart hare hart-
verscheurende kreten deed hooren.
Liefde voor de gevangenen; want voor den prijs
van eenige tranen geeft gij de vrijheid weder aan de
gevangenen, die zooveel tranen gestort hebben. —
Liefde voor de bannelingen; want gij verkrijgt voor
de kinderen des Hemels, die op vreemden bodem
schreien, de zoete gastvrijheid des Hemels. En om
die liefdedaad te bewijzen, behoeft gij in den staat,
waarin gij u bevindt noch te werken, noch ontbering
te lijden: gij behoeft slechts van uwen overvloed te geven.
-ocr page 590-
584
IV.     Neemt dan het lijden aan, o zielen door God
geroepen tot de groote eer van Hem toegewijd te
leven en zijn werk van barmhartigheid en liefde te
mogen voortzetten; neemt het lijden aan, onder welken
vorm het zich ook aanbiede, als het grootste bewijs
van liefde, dat gij uwen God kunt geven, als het
grootste geluk, dat u kan overkomen
»Gij weet niet," schreef de H. Franciscus van Sales,
»wat de engelen ons benijden: Zeker niets anders
dan voor God (e kunnen lijden: want zij hebben nooit
voor Hem geleden."
Wat kunnen die engelen des Hemels aan God en
aan degenen, die zij liefhebben, aanbieden ? Hunne
hulde en gebeden? Wij ook, en daarenboven nog
goedwillig aangenomen en liefdevol opgeofferde smar-
ten, waardoor wij de grootste hulde, die ons mogelijk
is, bewijzen aan de goddelijke wijsheid, aan wie
wij de volle vrijheid overlaten van te handelen,
erkennende, dat zij alles doet met rechtvaardigheid,
maat en gewicht; hierdoor toonen wij het grootst
mogelijk vertrouwen aan de goddelijke liefde, ons
zonder voorbehoud overgevende aan alles wat zij
noodig acht in en rondom ons te doen.
V.     Laat ons tot besluit u het bewonderenswaardig
woord mededeelen eener gasthuiszuster.
Zij ging sterven aan een kanker, die haar vreeselijk
deed lijden. Eens schreef de geneesheer haar een
drank voor, die morphine bevatte: Heer Dokter, zegde
zij, ik heb nooit aanmerkingen gemaakt omtrent de
middelen, die mij werden voorgeschreven, doch ver-
oorloof mij u te vragen: moet het drankje dat u mij
voorschrijft, mijn toestand verbeteren of mijn leven
verlengen ? In dat geval zal ik het gebruiken. Doch
indien, zooals ik veronderstel, dit middel geen ander
-ocr page 591-
585
doel heeft dan de pijnen te verminderen en te stillen r
sta mij dan toe, er geen gebruik van te maken. Ik
heb slechts weinig tijd meer te leven; ontneem mij
de gelegenheid niet om te verdienen
, en laat mij mijn
lijden in zijn geheel..... De geneesheer, tot wien zij
deze woorden zegde, had zeer weinig godsdienst. Hij
stond als verslagen, doch kon zijne bewondering
en aandoening niet verbergen; de tranen kwamen
hem in de oogen.
Zeker is deze liefde tot het lijden zeldzamer dan de
ondenoerping en het geduld, waarvan zij de volmaking
en de verheven en bovenmenschelijke bekoring
uitmaakt. Dit is slechts raad, terwijl de beide andere
deugden, die voorafgaan en haar bereiden, eene
strenge verplichting zijn voor alle christenen. Doch
de beste, de uitverkoren zielen maken ook hier, gelijk
bij de andere deugden, geen onderscheid tusschen
den raad en het gebod Deze zielen bewonen steeds
de kruin der bergen, en wilt gij ze herkennen, allen
onderscheiden zich door dit onmiskenbaar en on-
feilbaar teeken: de liefde tot het lijden.
-ocr page 592-
586
VieWle vei*i»liclitiiigjj «Ier ï-elijjienjee.
§cfooozz>ame-n.
Eene der grootste genaden, waarvoor ik den Heer
moet bedanken, zegde de H. Theresia, is mij de
begeerte
te hebben gegeven om gehoorzaam te zijn.
Hoe zoet, hoe sterk, hoe machtig is de troost, mij
door de beoefening dezer deugd geschonken!
Er is geene enkele religieuze, die, op een of
anderen dag, in haar hart dat gevoel van dankbaarheid,
van vreugde, van vrede niet heeft voelen opwellen,
bij de gedachte dat, — hetzij stil in hare cel, —
bezig met haar werk, — ingekeerd in het gebed, —
vroolijk en onbezorgd in de recreatie, of lijdende en
schijnbaar nutteloos voor allen, — zij altijd, dank
aa?i de gehoorzaamheid,
zoetjes wordt voortgestuwd
door eene onfeilbare, sterke kracht naar dien Hemel
waarnaar zij verzucht, naar dien Hemel, waar zij allen
zal wedervinden, die zij op aarde heeft lief gehad,
naar dien Hemel alwaar haar Vader, haar Meester,
haar Bruidegom, voor wien zij alles heeft verlaten,
Jezus-Christus, haar verwacht om haar eeuwig gelukkig
te maken.
Indien men in het religieuze leven steeds van de
gehoorzaamheid
sprak om haar,te verheffen, om haar
verdienstelijker, vaardiger, hartelijker, eerbiediger,
algemeener te maken, o dan zou alle verdriet verzacht,
alle lijden dragelijk worden, en ons geheele leven
zou in vrede en vreugde daarheen vlieden!
Is toch een klooster wel iets anders dan een vaartuig,
waarin wij, reizigers, slechts korten tijd vertoeven?
Elk uur brengt ons dichter en veiliger bij de haven.
-ocr page 593-
587
Wat maken dan enkele schokken, die weldra zullen
ophouden, enkele smarten die weldra zullen ver-
dwijnen ?
Wat den wereldling beangstigt, is de onzekerheid
van de aankomst.
Wij. door de gehoorzaamheid geleid,
wij zijn verzekerd in de haven te zullen aanlanden.
O hoe zoet en troostend is dus onze verplichting
van te gehoorzamen!
Wij hebben reeds de hoedanigheden der gehoor-
zaamheid
, en het zinsbedrog, waardoor de duivel ons
tegen deze deugd zoekt te bekoren, aangetoond, en
zullen nu slechts spreken over:
1.     De natuur der gehoorzaamheid.
2.     De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid
3.     De kracht en toeldaden der gehoorzaamheid.
4.     Het geluk der gehoorzaamheid.
l9te HOOFDSTUK.
Natuur «Ier $£elloor:eaamhei«"l.
I. De gehoorzaamheid, die in het algemeen de
onderwerping aan den wil van een ander is,
wordt
door den H. Thomas aldus omschreven: de gehoor-
zaamheid is eene zedelijke deugd, toelke den wil van
den onderdaan vaardig maakt om het bevel van den
Overste te volbrengen.
Alle gezag komt van God. Het is dus aan Hem
alleen,
dat men gehoorzaamt in den persoon van den
•
-ocr page 594-
588
Overste; het kind aan zijn vader, de onderdaan aan
den vorst, de christen aan de Kerk gehoorzamen aan
God,
eu onafhankelijk van hunnen wil worden zij
daartoe verplicht doorliet natuurlijk, doorhetmensche-
lijk,
door het goddelijk recht.
II.     De religieuze gehoorzaamheid is diezelfde deugd,
die aan God doet gehoorzamen in den persoon van
den Overste, die beveelt, en aan ivien men zich vrijelijk
heeft onderworpen.
— De religieus, vrij geboren
voor zoover het de religieuze gehoorzaamheid betreft,
neemt vrijwillig het juk des Heeren op zich, en onder-
werpt zich uit liefde tot God aan de gehoorzaamheid,
aan zijn Overste
III.     De Gelofte der religieuze gehoorzaamheid is:
eene gelofte aan God. gedaan van Hem te gehoorzamen
in den persoon van den wettig aangestelden Overste,
in alles wat overeenkomt met de regelen en strekt tot
het doel der instelling.
1. Het is eene gelofte aan God gedaan. De
mensch verbindt zich, God neemt die verbintenis
aan: zijn wil is vereenigd met zijnen Schepper door
een nieuwen band, dien hij in volle vrijheid heeft
vastgeknoopt. Dit is een band van liefde.
2 Hem te gehoorzamen in den persoon van zijn
Overste.
Inderdaad, men belooft niet rechtstreeks aan
een mensch te gehoorzamen, maar aan God, toten deze
mensch voorstelt.
Aan een mensch als mensch gehoor-
zamen is of zwakheid of laagheid van ziel; maar aan
een mensch gehoorzamen, die voor mij de plaats
van God bekleedt, die wettig als zoodanig is aan-
gesteld, volgens de regelen, goedgekeurd door de
H. Kerk, als tolk van den Goddelijken wil, dit is
zieh verheffen, dit is heerschen.
•
-ocr page 595-
589
3.     In alles wat overeen komt met de Regelen en
strekt tot bevordering van het doel der instelling.
Dit
is het doel der gelofte van gehoorzaamheid: het
gezag der Oversten is ingesteld om de regelen te
doen naleven, en de religieuzen vooruit te doen
gaan op den weg der volmaaktheid volgens de regelen
der instelling.
4.     Volgens onze Gelofte van gehoorzaamheid zijn
wij alleen verplicht, ons aan den Overste te onder-
werpen; de deugd van gehoorzaamheid
vraagt zelfs
niet meer uit zich-zelve; doch om volmaakt beoefend
te worden, vraagt deze deugd ons nog de onder-
toerping aan onze gelijken
, aan onze minderen, in
alles wat niet tegen onze verplichtingen strijdt, vooral
in het ondersteunen hunner zwakheid en in het
bewijzen eener voorkomende en hartelijke liefde. —
Zeker zou het voor het loelzijn der gemeente en het
ivelslagen van deze of gene zaak
vau zeer weinig
belang zijn, of zij geschiedt volgens hare of volgens
uwe zienswijze; maar de verzaking aan uwen eigen
wil of aan uwe denkwijze is van groot belang voor
uwe volmaaktheid. Zich voegen om God naar al
wat geen kwaad is, volgens den wil en de verlangens
van anderen, is deze woorden van den Prins der
Apostelen nakomen: Hebt voor alles wederzijds eene
voortdurende liefde voor elkander.
(I Petri IV, 8.)
De volmaakte gehoorzaamheid vraagt dagelijks wezen-
lijke of zware offers; maar hoe kostbaar zijn die
offers! Zij hebben de macht de menigte onzer
zonden te bedekken en ons daarvan de vergiffenis
te verwerven.
-ocr page 596-
590
S\'1c HOOFDSTUK.
IV<K>«ly.:iK<-lijK li«ï< I «lor ^clioorza:! tnli<-ï< I.
I.
De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is voor
ieder in het algemeen gegrond op het gezag van
God, die gebiedt.
God is de opperste meester van alle schepselen;
hun bestaan en hun behoud hangen volkomen van
Hem af; het is dus billijk, dat zij ook hun gedrag
volkomen van Hem doen afhangen en zich in alles
aan zijnen goddelijken wil onderwerpen. God moest
die onderwerping van zijne schepselen eischen. De
wil van God wordt ons hier beneden geopenbaard
door diegenen, welke Hij daarvoor gesteld heeft en
die wij onze Oversten noemen. Hun weerstaan, zegt
de H. Paulus, is aan God weerstaan, is opstaan
tegen de orde hier op aarde gevestigd, gelijk Jezus-
Christus ons leert, wanneer Hij tot zijne Apostelen
zegt: Wie u hoort, hoort rnij; wie u veracht, ver-
acht mij.
(Luc/E X, 16.)
Even als de afgezanten van een vorst in zijnen
naam spreken en handelen, zoo spreken en handelen
de Oversten in naam Gods. Al wat zij ons gebieden,
zegt de H. Bernardus, moeten wij met eerbied en
onderwerping aannemen. God heeft tusschen zich-
zelven en ons dat bemiddelend gezag geplaatst; en
evenals Hij zich bedient van de zon om ons te
verwarmen, van de HH. Sacramenten om ons te
heiligen, zoo bedient Hij zich van onze Oversten,
om ons te geleiden en te besturen.
-ocr page 597-
591
II.
De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond
op onze natuur, welke uit haren aard aflianke-
lijk is.
De mensch kan niet alleen leven; hij heeft voor
zijn lichaam, voor zijn verstand, voor zijn hart, voor
zijn geheele leven bijna al de wezens der schepping
noodig; en het is slechts door deze onderlinge samen-
werking tusschen de schepselen, dat de vrede, de
orde, en zelfs het leven op aarde kunnen heersenen.
De wanorde zou alom noodzakelijk volgen op het
verbreken dezer wet, en volgens de woorden van het
Evangelie heerschen verwarring en droefheid daar,
waar zij overtreden wordt. Daarom overweegt en
betracht de rechtvaardige de gehoorzaamheid, be-
denkende dat hij, die in waardigheid verheven is,
nog anderen boven zich heeft, en dat er boven hen
nog een Meester gesteld is, die aan allen gebiedt.
III.
De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond
op de leer en het voorbeeld van Jezus-Christus.
Geheel het leven van den Zaligmaker zouden wij
hier moeten schetsen; want Jezus, onze Meester,
heeft werkelijk niets anders gedaan dan gehoorzamen
en leer en gehoorzamen.
— De H. Paulus heeft deze
gedachte met eene bewonderenswaardige kracht uit-
gedrukt Alhoewel Hij de Zoon van God icas, zegt
hij, leerde Hij uit dat wat Hij deed, de gehoor-
zaamheid.
(Hebii. V, 8.) Zeker een God kan niet
-ocr page 598-
592
gehoorzamen; Hij, oneindig machtig, oneindig wijs,
kan noch wet noch raad van eenig wezen ontvangen;
en toch heeft Hij toegestaan dat men Hem bevelen
gaf, dat men Hem geleidde; Hij is deze lessen onder
de menschen komen leeren; Hij heeft die lessen zoo-
danig begrepen en bemind, dat zijn geheele leven
kan saamgevat worden in deze drie woorden: Hij
toas onderdanig.
Bewandel dan met den H. Bernardus de twee
Statiën, waarmede het leven vau Jezus begint en
eindigt; en vraag u-zelve, even als hij: Wie is Hij
die gehoorzaamt?
— Aan wie gehoorzaamt Hij? —
Hoe lang heeft Hij gehoorzaamd? — Hoe ver heeft
Hij gehoorzaamd?
— Het was niet alleen aan de
H. Maagd Maria en den H. Joseph, dat Hij ge-
boorzaamde; die gehoorzaamheid was zoet; Zij be-
minden Hem zoo teederlijk; maar Hij gehoorzaamde
ook aan Pilatus, die Hem onrechtvaardig veroor-
deelde, aan de beulen die Hem folterden; want Hij
zag in hen de werktuigen van de gerechtigheid zijns
Vaders. Zoudt gij dan neen durven zeggen, als u
iets geboden wordt?
Hoor nog dien Meester, die u zegt, dat al wie
den ivil van zijnen vader doet
, langs welken weg hem
die ook geopenbaard worde, voor Hem een broeder,
eene zuster
is, Hem zoo dierbaar is als zijne moeder
(Matth. XII, 50). Hoor Hem nog: zoo iemand mij
bemint, Hij zal mijn woord onderhouden
, hij zal
mijne bevelen nakomen, en mijn Vader zal hem be-
minnen
, en wij zidlen tot Hem komen, en wij zullen
onze tooning in hem vestigen.
(Joa. XIV, 23).
Men moet geen leerling van Jezus-Christus willen
zijn, men moet aan zijne liefde verzaken, of wel
men moet gehoorzamen.
-ocr page 599-
593
IV.
De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond,
vooral voor de religieuzen op de verbintenis, die
zij door hare heilige Geloften hebben aangegaan.
De gehoorzaamheid omvat al deze verbintenissen;
en in eenige religieuze Orden, zooals de Karthuizers
en Benedictijnen, doet men alleen de Gelofte van
gehoorzaamheid.
Deze Gelofte, zegt de H. Thomas, is de gewich-
tigste en voornaamste der religieuze Geloften, omdat
zij alle andere in zich besluit en in geen andere
besloten kan worden; want, hoewel eene religieuze
zich door bijzondere Geloften verbindt de armoede en
de zuiverheid te betrachten, zijn die twee Geloften,
nog begrepen in de Gelofte van gehoorzaamheid,
waardoor zij zich in het algemeen verplicht, om alles
te doen wat haar zal voorgeschreven worden.
V.
De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond
op de zwakheid van onzen wil.
De heiligheid hangt af van onzen wil. De wil
der religieuze is zeker goed, vurig, oprecht op den
dag harer Professie; doch dat zij niet te zeer op
zich-zelve rekene.....
1. De menschelijke wil is uit zijne natuur ver-
anderlijk
, gemakkelijk te verzwakken en af te keeren;
de gehoorzaamhein alleen kan dien weerhouden,
aansporen en met gelijken tred doen voortgaan. De
religieuzen van goeden wil is onthecht van alles, van
38
-ocr page 600-
594
goederen, van eerbewijzing, van genoegen; doch
er blijft baar nog iets te doen over, dat is zich
onthechten van haar eigen wil, om zich aan den ood-
delijken ivil te hechten,
hetgeen de gehoorzaamheid
alleen kan doen.
2. De menschelijke wil wordt gemakkelijk verblind.
Wie zal tot gids dienen, als men besluiten moet omtrent
de waarde van deze of gene daad, over deze of gene
beslissing, die men te nemen heeft? Zal het de
inwendige leiding van den Heiligen Geest zijn?
Zeker is diegene gelukkig, die God zelf geleidt; dit
is de volmaaktste, de zoetste, de sterkste leiding; doch
het is ook die, welke het meest onderhevig is aan
het zinsbedrog van den eigen- of van den kwaden
geest. Zal het eene inwendige stem, eene openbaring
zijn ?
Hoe kan men voor zeker weten, dat dit de
stem van God is, dat deze openbaring niet de vrucht
is der verbeelding? De gehoorzaamheid alleen geeft
eene bepaalde zekerheid in al die omstandigheden,
waarin de ziel zich kan bevinden.
VI.
De noodzakelijkheid der gehoorzaamheid is gegrond
op de onmogelijkheid, van zonder haar in eene
gemeente de orde te doen heerschen en te handhaven.
Elk zedelijk lichaam moet, zoowel als elk stoffelijk
lichaam, een middenpunt hebben. waaraan zich de
verschillende ledematen, welke dit lichaam samen-
stellen , vasthechten.
In een zedelijk lichaam heet dit middenpunt het
gezag;
en de gehoorzaamheid is als de band , welke het
lichaam aan het middenpunt bindt en het doet leven
-ocr page 601-
595
en werken. Neem de gehoorzaamheid uit den staat
of uit het leger, en weldra zal noch het eene noch
liet andere meer bestaan. Eveneens zou het gaan
met eene gemeente, wier leden niet zouden willen
gehoorzamen.
In de eenheid berust de schoonheid, de kracht en
het leven; buiten de eenheid is het tvanorde, onmacht,
het is de dood. Eene gemeente heeft dus slechts in
dusverre èn schoonheid èn kracht èn leven, als bij
haar het beginsel der eenheid bestaat, voortvloeiende
uit de gehoorzaamheid der onderdanen aan de plaat-
selijke oversten, van de plaatselijke aan de algemeene
oversten. Voor elke gemeente ligt het onfeilbaar onder-
pand voor haar behoud, haar grondslag, haar sluitsteen,
hare samenhoudende kracht in de gehoorzaamheid.
Maar hoe machtig wordt een huis met de gehoor-
zaamheid van al deszelfs leden! Hoe nuttig wordt
het werk, dat daar geschiedt voor allen! ieder heeft
zijne bediening, en daar deze bediening aan ieder lid
wordt aangewezen volgens zijne geschiktheid, en
elk der leden die uit deugd gaarne heeft aangenomen,
zoo vervult hij die met ijver, doet slechts wat hij te
doen heeft; hij doet dit goed, omdat hij kan en wil;
hieruit vloeit op het einde van den dag eene verbazende
som van werk voort, waarvan ieder voordeel trekt,
en die, wel verre van vermoeienis te veroorzaken,
slechts rust en vrede achterlaat.
-ocr page 602-
59G
3dc HOOFDSTUK.
Ki-iicli< en weldaden der gfelioor-
y.ji.-i in li<-ï<l.
I.
De gehoorzaamheid verheft de ziel tot God.
De gehoorzaamheid maakt den mensch tot kind
van God, tot erfgenaam van Jezus-Chi\'istus. Jezus
zelf leert ons de nauwe vereeniging kennen, welke
de ziel door de gehoorzaamheid met Hem sluit: Al
wie den icil gedaan zal hebben van mijnen Vader,
die in den Hemel is
, zegt Hij, die is mijn broeder,
mijne zuster, en mijne moeder.
(MaTTH. XII, 50).
Hoe vreemd dit woord ook moge klinken, laat het
zich lichtelijk begrijpen. Aan God gehoorzamen is
zich ontdoen van zijn eigen geest, van zijne eigene
gevoelens, van zijn eigen wil, om zich te bekleeden
met den geest, de gevoelens, den wil van God;
het is, zooals Clemens van Alexandrië het zoo kracht-
vol uitdrukt, een God zijn met ons vleesch bekleed.
Niemand heeft dit wellicht beter begrepen dan de
H. Ignatius, de heilige Stichter van het Gezelschap
van Jezus, hij, dien men den grooten Heilige der
gehoorzaamheid noemt.
De gehoorzame religieus, schreef hij, verheft zich
boven de menschelijke natuur tot den hoogsten graad
van glorie en waardigheid. De banden zijner eigene
natuur verbrekende, vereenigt hij zich door vaste
-ocr page 603-
597
banden en op de innigste wijze met God, liet opperste
goed, met wiens natuur hij zich omkleedt; en daar
God gewoon is de ziel des menschen te vervullen,
naarmate Hij die ledig vindt van al wat zich tegen zijne
uitstorting verzet, te weten van den eigen wil. vnlgt
hieruit, dat al wie tot die volmaakte gehoorzaamheid
komt, het recht heeft met het woord van den Apostel,
dat men het formulier der heiligheid noemen kan , te
zeggen: Ik leef, niet meer ik, maar Christus leeft in mij.
II.
De gehoorzaamheid belet de zonde.
1. De gehoorzaamheid voorkomt de zonde, door
ons te verlossen van onzen eigen wil, die bron van
al onze fouten. De kracht van den duivel berust
vooral in onzen eigen wil, dien hij ons door alle
middelen zoekt te doen volgen. — Onze kracht daaren-
tegeu ligt in den wil van God, waarop wij steunen
en die ons onwankelbaar staande houdt.
Daar onze wil blind en tot het kwaad geneigd is,
zegt Bourdaloue, moet hij een gids hebbeu, die hem
geleidt, en een breidel, die hem onder bed wans; houdt.
Nu, de gehoorzaamheid is voor hem en het een en
het ander, door hem vast te binden aan den gocl-
ilelijken wil. Door dezen altijd goeden, altijd heiligen
wil geleid, ben ik veilig, omdat ik niet kan atdwa-
len, zoolang ik den weg volg, waarop God mij roept.
2 De gehoorzaamheid doet de ziel zegepralen.
T)e qehoorzame, zegt de H Geest, zal van overwinning
"pieken
(Prov. XXI, 28).
Overwinning over de kwade gewoonten. — De H. Au-
gustinus beklaagt zich in zijne •» Belijdenissen", dat
-ocr page 604-
598
vervuld met gebreken als hij was, hij geene enkele
liefderijke hand gevonden heeft, die hem hielp om zich
daarvan te ontmaken. Een ijverig Overste zou hem
niet zonder raad, zonder berisping, zonder bestraffing
gelaten hebben; en zoo hij dan gehoorzaamd hadde,
hoevele zonden zou hij vermeden, hoevele verdiensten
vergaderd hebben!
Overwinning over den duivel. — De tegenwoor-
digheid en vooral het woord van een Overste maakt op
den duivel denzelfden indruk, als de tegenwoordigheid
en het woord van God. De eerste gedachte, die hij
opwekt in de ziel, die hij wil medesiepen, is: Men
zal er niets van weten. — Zeg liet niet.
— Zeg niet alles. —
De gehoorzaamheid is voor de religieuze, wat de engel
Raphaël voor Tobias was; zij lijdt haar door het leven.
en brengt haar veilig terug in haar vaderland, in den
Hemel; zij verwijdert of verdelgt de vijanden, die zij
ontmoet; zij geleidt, beschermt haar, zij voorziet haar
van het noodige, zoodat de religieuze, als zij in den
Hemel komt, tot God zal kunnen zeggen: De ge-
hoorzaamheid heeft mij tot U gebracht.
Overwinning over de bekoringen. — De onder-
vinding leert ons , dat eene eenvoudig ontdekte bekoriivj
geen gevaar oplevert. — Of zij verdwijnt spoedig, of
zij toont zich zoo kleingeestig, zoo onredelijk, zoo
schandelijk, — gelijk zij het trouwens altijd is, —
dat men haar veracht en zeer gemakkelijk overwint.
Overwinning over God zeloen. — Indien, zegt de
H. Liguori, op den dag des oordeels Jezus-Christus u
rekenschap zou vragen, over hetgeen gij uit gehoor-
zaamheid aan uwen zielbestierder gedaan hebt, zoo
zeg Hem : Heer, ik heb het gedaan om , zooals Gij mij
bevolen hebt, aan uwen plaatsbekleeder te gehoorzamen.
en Jezus-Christus zal u niet kunnen veroordeelen. —
-ocr page 605-
599
Indien Hij u zou vragen, waarom gij geeue strengere
boetvaardigheid, geene langere gebeden gedaan hebt,
waarom gij dit of dat goed werk hebt verzuimd, zeg
Hem, indien gij uit gehoorzaamheid hebt gehandeld:
lieer,omdat Gij zelf het mij door mijne. Oversten geboden
hebt;
Jezus-Christus zal u niet kunnen veroordeelen,
en beter nog, Hij zal u beloonen.
III.
De gehoorzaamheid verheft, verrijkt, vergoddelijkt
al ome daden.
1.     Eene gehoorzame ziel is altijd zeker, dat zij
Gods wil volbrengt. Veronderstellen wij een oogen-
blik, dat door eene toelating der bijzondere goedheid
Gods onze Engelbewaarder onder menschelijke ge-
daante ons in alle omstandigheden kwame zeggen:
God wil deze zaak nu, op deze wijze, ik ben bij u,
om u bij te staan;
zouden wij dan niet gaarne en
vaardig alles doen, wat hij ons zou zeggen?
Welnu, de gehoorzaamheid is die engel; en als wij
doen wat de gehoorzaamheid ons gebiedt, zijn wij
even zeker, dat wij den wil Gods volbrengen, als Jezus
te Nazareth, als de Apostelen door Jezus-Christus
onderwezen.
2.     Eene gehoorzame ziel geeft aan al hare daden
eene wondervolle waarde in Gods oog. De kleinste
zaken, uit gehoorzaamheid verricht, hebben eene on-
eindige waarde in Gods oog, terwijl de grootste zonder
de gehoorzaamheid in zijne oogen niets zijn. Matig
eten en drinken
met de gehoorzaamheid is een groot en
verdienstelijk werk voor God; op water en brood vasten
gedurende een geheel jaar zonder gehoorzaamheid
-ocr page 606-
600
is niets in zijne oogen. — Een eenvoudig voorwerp
reinigen
, eene kamer vegen uit gehoorzaamheid is
groot in God oog; zonder gehoorzaamheid de geheele
wereld doorloopen
, om het Evangelie te verkondigen
is niets in zijn oog.
Wat is datgene wat wij groot noemen, in Gods
oog? Wat in onze oogen dat kaartenhuis is, dat een
kind opbouwt, waarin het een levendig belang stelt,
waarop het zoo trotseh is, en waarop wij nauwelijks
eeu blik werpen. In Gods oog zijn onze grootsche
ondernemingen, onze reusachtige werken nog minder
dan het kaartenhuis. Het is de liefde, die waarde
geeft aan eene of andere daad, en beminnen en ge-
lioorzamen is dezelfde zaak
Beminnen is den wil Gods zoeken te ontdekken,
en trachten dien te volbrengen, en het is die goddelijke
wil, die alles tot eene bovennatuurlijke orde verheft.
Hij veredelt de meest gewone, hij heiligt de onver-
schilligste, hij verheft de heiligste handelingen in waarde
en verdiensten. Hij bezit het geheim om alles wat een
schepsel op aarde doen kan, heilig, geestelijk, God
welgevallig, verdienstelijk te maken. Alles wat hij,
hetzij binnen, hetzij buiten, aanraakt, neemt leven
en een onsterfelijk leven aan.
3. Eene gehoorzame ziel komt onfeilbaar en in
korten tijd tot eene volmaakte heiligheid.
De eerste reden wordt getrokken uit de natuur
der heiligheid of volmaaktheid zelve: Heilig zijn is
niets anders dan Gods wil volbrengen.
Welnu, eene
gehoorzame ziel verlangt, zoekt, doet niets, dan wat
God wil; zij staat op als God wil, zij gaat slapen
als God wil, zij werkt, zij bidt, zij rust als God
dit wil..... Zij moet dus noodzakelijk en in korten
tijd heilig worden.
-ocr page 607-
601
De tweede reden won/t getrokken uit God. —
God bemint eene gehoorzame ziel -— Het kind dat
gehoorzaamt, wordt bemind; — dat het beste gehoor-
zaamt, wordt het meeste bemind. — God handelt
met de ziel, gelijk eene moeder met haar kind; —
God bestuurt, geleidt, beschermt, verzorgt haar —
Hel en wereld mogen tegen haar samenspannen, zij
staat onder de bescherming van eeu oneindig wijzen,
oneindig goeden, machtigen, barmhartigen God,
zij kan gerust leven en sterven.
IV.
De gehoorzaamheid is de moeder, de steun, de
bewaakster , de volmaking aller deugden.
Zonder de gehoorzaamheid hebben al onze werken,
al zijn zij goed in zich-zelven, volstrekt geene waarde
in Gods oog. Zonder de gehoorzaamheid, zegt een
geestelijk schrijver, is de liefde valsch en door God
veroordeeld, de marteldood zelfs is Hem niet aan-
genaam. Men mishaagt aan God, als men Hem op
eene andere wijze bemint dan Hij wil bemind worden.
Zouder de gehoorzaamheid is er altijd eenige opstand,
en de opstand is de zonde.
» De gehoorzaamheid, zegt de H. Augustinus uit-
drukkelijk, is de moeder en de oorsprong aller deugden.
Zij doet ze alle ontkiemen, en zelfs verandert zij
in deugd wat dit te voren niet was. Men kan op
volstrekte wijze niet zeggen, dat zij de grootste aller
deugden
is; maar zij veronderstelt ze alle, doet ze
alle beoefenen, en volmaakt ze alle. Zij doet ons het
geloof
beoefenen door ons God te toonen in den persoon
van den Overste. Zij doet ons de hoop beoefenen
-ocr page 608-
602
door ons vrede en raad en leiding te doen wachten
van de leiding van een Overste, waarop zij vertrouwt
gelijk op liet woord van God zelf. Zij doet ons de
liefde
beoefenen in datgene wat zij bovennatuurlijks
heeft, doordien men den Overste eerbiedigt en bemint,
niet door hetgeen zij in hem ziet, maar om God,
dien hij vertegenwoordigt, en door zich met ijver
€n edelmoedigheid toe te wijden, aan die werken
van barmhartigheid of zelfopoffering, die de Overste
vraagt. Zij doet de nederigheid beoefenen door het
oordeel zelf aan het oordeel van den Overste te
onderwerpen. Zij doet de voorzichtigheid oefenen,
omdat men nooit handelt dan volgens het woord
van den Overste, dat men als onfeilbaar voor de
zaligheid zijner ziel beschouwt."
Het hoofd buigen voor de Oppermajesteit van God
is gehoorzamen. — Vreezen den God van barm-
hartigheid te beleedigen en de kastijding van den
Oppersten Rechter op zich te trekken, is gehoorzamen.
In zijn geest vurige verzuchtingen tot den God van
liefde voeden , is gehoorzamen. — Zijne gaven storten
in de hand van den arme, troost in de harten der
bedroefden, is gehoorzamen, want dit alles wordt
geboden
Hoe machtig, hoe vruchtbaar, hoe heerlijk is de
•deugd van gehoorzaamheid!
Hoe zou men zich daarover verwonderen? het was
de groote deugd van Jezus zelf: Hij wan onderdanig!
-ocr page 609-
603
4de HOOFDSTUK.
Gelulc «Ier g^oliooi\'zaaiiilieicl.
Men kan van de gehoorzaamheid zeggen, wat de
H Geest zegt van de wijsheid: Alle goederen zijn
mij met haar geworden
(Sap. Vil, 11).
De gehoorzaamheid geeft licht aan den geest; de
geest weet waar hij moet gaan, wat hij moet doen.
Zij geeft hem zekerheid; en de geest weet dat hij
met haar zich nooit bedriegt, nooit afwijkt, en dat
zoo hij een oogenblik zijn gids verlatende, een ver-
keerden weg insloeg, hij hem steeds bereid zal vinden
om hem weder op den rechten weg te brengen.
De gehoorzaamheid geeft aan het hart rust in de
genegenheid.
Hij aan wien de religiens gehoorzaamt,
is God; hij gehoorzaamt, omdat hij bemint, en God
bemint op zijne beurt dat onderworpen, vaardig,
toegenegen hart; en daar God altijd even schoon, even
goed, even beminnelijk, even barmhartig, even recht-
vaardig is, zal het hart nooit ophouden, Hem op
zijne beurt te beminnen, en de vrede zal steeds in
dat hart blijven wonen.
De gehoorzaamheid geeft aan den wil de kracht
en de standvastigheid; de wil steunt op God, en
daar God onwrikbaar is, deelt hij in die eeuwige
onveranderlijkheid. Hij wil slechts wat God wil, en
daar God altijd datgene wil wat goed en schoon is,
leeft de religieuze ziel gelukkig in het midden van
dien luchtkriug van orde, van licht en schoonheid.
Bepalen wij juist wat wij gezegd hebben, om het
geluk der gehoorzaamheid beter te doen begrijpen.
-ocr page 610-
604
I
Is de gehoorzaamheid de orde, de vervulling van
Gods wil, de band, die ons aan God hecht, de liefde die
onzen wil tot God richt, en de liefde, die Gods wil tot
ons trekt, — dan vloeit hieruit voort, als noodzakelijke
gevolgtrekking, dat de gehoorzaamheid is: ons opperste
goed, onze vrede, onze veiligheid, onze rust, ons
geluk, in één woord, onze hemel op deze aarde.
II.
Toont de gehoorzaamheid ons God in onze Oversten,
God oneindig rechtvaardig, oneindig barmhartig, ou-
eindig medelijdend en goed, en zet zij ons aan, om
God en al wat God doet, te beminnen, vermits gelijk
wij reeds zegden, gehoorzamen en beminnen dezelfde
zaak is,
— zoo vloeit hieruit voort, als noodzakelijke
gevolgtrekking, dat al wat onze Oversten ons zeggen,
als wat zij ten onzen opzichte doen, zooals eene
waarschuwing, eene berisping, eene bestraffing, eene
weigering, al mogen ons deze ook onbillijk schijnen,
—
ons niet mag ontstellen, omdat God het recht heeft
te doen wat Hij doet, en dat hetgeen Hij doet, steeds
nuttig en goed is voor onze ziel.
De gehoorzaamheid stilt de ontroering des harten,
door het te hechten aan den onwrikbaren wil van
God; zij weerhoudt de ontsteltenis in den geest,
door eene menigte gedachten, voortgebracht door
deze enkele gedachte! God wil hel!
III.
De gehoorzaamheid de vrucht der liefde zijnde,
trekt, als zij oprecht is, ten laatste altijd ook de
liefde tot zich, en vestigt aldus tusschen Overste
-ocr page 611-
605
en onderdaan die onderlinge betrekking van gebod
en gehoorzaamheid, die niets anders dan eene onder-
linge betrekking van genegenheid en welwillendheid
is. Hoe toch zou eene Overste eene zuster niet lief-
hebben, die altijd vaardigen gereed is, om elk bevel,
van welken aard het ook zijn moge, vroolijk en
minzaam te volbrengen? Hoe zou zij voor haar niet
meer voorkomend, zachtmoedig, moederlijk zijn? —
hoe zou eene zuster, op die wijze behandeld, hare
Overste niet beminnen? hoe zou zij niet zoeken,
haar in alles genoegen te doen? — Een huis, waar
de gehoorzaamheid aldus begrepen werd, zou waarlijk
een Paradijs zijn.
IV.
De gehoorzaamheid stelt den wil van den onderdaan
in de handen van den Overste, die er eenmaal reken-
schap van zal geven aan God. Welk eene gerust-
heid voor den onderdaan! De gehoorzaamheid, zegt
de H. Joannes Climacus, is een leven zonder kommer,
een overtocht zonder gevaar, eene reis al sluimerend
volbracht. — Onder de gehoorzaamheid leven is zijn
last plaatsen op de schouders van een ander, is zich
in deszelfs armen door den stroom zoetjes naar de
eeuwigheid laten voortdrijven.
— Het is vooral bij
onzen dood, in dat uur, waarop de duivel tracht
ons tot wanhoop te brengen door de gedachte aan
onze vroegere fouten, dat de gehoorzaamheid ons
den grootsten troost zal verschaffen. Gelukkig de
ziel, die kan zeggen: Wat zou God in mij kunnen
veroordeelen. daar ik steeds zijn wil, in den wil van
mijne Oversten heb volbracht? Zeker heb ik mij
vele fouten te verwijten in mijn vroeger leven, maar
-ocr page 612-
606
het offer dat ik God zoo dikwijls heb gedaan van
geheel mijn bestaan, zal, zoo vertrouw ik, alles
hebben uitgewischt. Jezus, mijn Zaligmaker, heeft
gezegd, dat veel verbeven wordt aan dengene, die
veel bemind heeft;
en ik heb mijn Jezus veel bemind,
daar ik uit liefde tot Hem zoovele jaren aan eigen
wil en eigen oordeel verzaakt heb, om mij geheel
naar zijnen wil, mij door mijne Oversten geopen-
baard, te schikken. Neen, neen, mijn God! Gij zult
degene, die u steeds gehoorzaamd heeft, niet verstooten.
V.
Kunnen wij na deze overwegingen niet met P. Giraud
zeggen: »De gehoorzaamheid is voor de religieuze
eene moeder, eene voedster, eene vriendin, eene be-
schermster, eene machtige middelares!
Eene moeder Zij heeft haar ontvaugen in het reli-
gieuze leven; zij heeft haar in haren boezem gedragen
gedurende haar noviciaat; zij heeft haar het leven
geschonken op den gelukkigen dag harer H. Professie;
zij zal haar vergezellen gedurende haar geheele leven;
zij zal aan hare stervenssponde staan en haar met de
hand geleiden tot den eeuwigen Opperheer
Eene voedster. De gehoorzaamheid heeft haar door
de melk vau haren goeden raad, van hare aanmoedi-
gingen doen groot worden in dat leven, dat zij haar
als moeder gegeven heeft.
Eene vriendin. De gehoorzaamheid troost haar, als
zij weent, ondersteunt haar, als zij bekoord wordt,
heft haar op, als zij valt.
Eene beschermster. De gehoorzaamheid bewaart haar
voor al de gevaren, welke de duivel op haren weg
vermenigvuldigt, verwijdert van haar de eigenliefde,
-ocr page 613-
607
de moedeloosheid, de onstandvastigheid, de vermetel-
heid; en wordt zij door deze vijanden aangevallen,
dan komt de gehoorzaamheid haar ter hulp om ze te
overwinnen, en door haar zegeviert de religieuze altijd.
Eene machtige middelares De gehoorzaamheid stemt
hare Oversten gunstig voor haar, als zij in fouten
gevallen is; zij maakt ze toegevend voor hare ver-
keerdheden, hare fouten, hare onvolmaaktheden. —
Als de gehoorzaamheid de getrouwe gezellin eener
religieuze is geworden, dan deelt zij haar hare op-
rechtheid, hare beminnelijkheid mede, maakt haar
voor elke bediening geschikt, doet haar door een
ieder beminnen, omringt haar met een luchtkring
van vrede en geluk."
Hoe schoon, hoe aantrekkelijk, hoe nuttig is de
deugd van gehoorzaamheid!
Zij is die heilige zuster, die over mij waakt, de
waarborg mijner ziel, mijner deugd, mijner volhar-
ding, mijner zaligheid eindelijk, en vraagt mij slechts
te blijven in het vaartuig door haar bestuurd.
Met haar kan ik in vrede leven, in vrede werken,
in vrede slapen Met haar geene vrees, geen angst,
geene ontroering.
Eenmaal in de haven aangeland, zal zij ten mijnen
beste spi-eken, zij zal voor mij antwoorden, mij met
hare genaden en deugden versieren. O goddelijke
gehoorzaamheid, gezellin van Jezus-Christus, ik geef
mij aan u over Ik verlaat mij op u. Laat mij uw
leerling, uwe zuster, uw kind zijn.
-ocr page 614-
608
Vyfïle verplichting1 «Ier Religieuze.
cBi33en.
Onder al de boeken die-ik geschreven heb, zegt
de H Alphonsus, geloof ik geen nuttiger te hebben
geschreven dan dat: Over het groote Middel van het
gebed;
en zoo ik kon, zou ik er zoovele exemplaren
van willen doen drukken, als er menschen op de
wereld zijn, ten einde aan ieder een te kunnen
geven, en hun aldus de noodzakelijkheid te doen
begrijpen, waarin wij allen zijn van te moeten bid-
den om zalig te kunnen worden..... Ik zeg dit, ik
herhaal het en zal het mijn geheele leven herhalen:
de zaak der zaligheid hangt van het gebed af; en
ik verlang, dat alle schrijvers in hunne werken,
alle predikers in hunne sermonen, alle biechtvaders
in hunne biechtstoelen zullen drukken op de nood-
zakelijkheid van het gebed, en onophoudelijk zullen
herhalen: »Bidt, bidt, bidt, houdt nooit op te
bidden."
Het is reeds lang geleden sedert deze gloeiende
woorden van een Heilige, die Jezus-Christus en zijne
heilige Moeder zoo teederlijk beminde, onder onze
oogen kwamen; sedert dien tijd zijn zij nooit uit
ons geheugen gewischt; en door deze woorden be-
zield, beschrijven wij deze laatste verplichting der
religieuze.
Mogen deze bladzijden diepen indruk op u maken
en u tot het gebed aanzetten!
Ontvang ze eerbiedig wegens het groote onderwerp,
dat zij behandelen; lees ze met kalmte, doch met
gretigheid. Wij zeggen a met den H. Joannes
-ocr page 615-
609
Chrysostomus: »Wij gaan u geleiden naar de bron
van alle goed. Wij gaan u een schat aanwijzen, waar
gij in alle behoefte kunt komen putten, welke zij
ook mogen zijn. Wij gaan u een gemakkelijken weg
aantoonen, besproeid door een stroom van zegening,
een weg, die u recht ten hemel zal voeren."
»In deze bladzijden," voegen wij hier met den
H. Augustinus bij, ligt heel het geheim onzer voor-
beschikking. Bidt, of gij wordt niet zalig. Bidt goed,
en gij zult zeker zalig worden. Geheel het Evangelie
is opgesloten in deze weinige woorden: Die goed
weet te bidden
, zal goed weten te leven.
Wij  gaan hier aantoonen:
1°.    De natuur van het gebed.
2°.    De noodzakelijkheid van het gebed.
3°.    Het voorschrift van het gebed.
4°.    De kracht en het vermogen van het gebed.
5°.    De hoedanigheden van het gebed,
6°.    De uitwerkselen van het gebed.
7°.    De voornaamste wijzen van het gebed.
8°.    Het leven van gebed.
39
-ocr page 616-
610
l»tc HOOFDSTUK.
Natuur van liet gg&bdlm
I. Het gebed is eene verheffing onzer ziel tot God.
Het voorname Joel van het gebed, zegt de H. Thomas,
is de mensch met God te vereenigen.
1.     Om deze vereeniging te bewerken, doet het
gebed eenigermate den oneindigen afstand verdwijnen,
die den mensch afscheidt van God; het verheft den
mensch tot God,
opdat hij met Hem zou kunnen
spreken, niet door eene stoffelijke nadering, daar wg
in God zijn, ons bewegen en leven, maar door eene
toenadering door den geest en het hart, door eene
verheffing der ziel tot God, die zich gewaardigt naar
haar te luisteren.
2.     Om deze vereeniging te bewerken, drukt het
gebed altijd, op eene meer of minder rechtstreeksche
wijze, de begeerte uit, welke de ziel gevoelt, nader
bij God te komen, nooit meer van Hem gescheiden
te worden, met Hem in de innigste vereeniging en
nauwste vriendschap te leven. Eene zaak heb ik den
Heer gevraagd, en ik zal die zonder ophouden vragen,
in het huis des Heeren te mogen wonen, al de dagen
mijns levens
(Psalm XXVI, 7).
II. Hoe zinrijk is dit woord: Het gebed is eene
verheffing der ziel tot God!
Het is de vlucht der ziel
naar de bron des levens, het is het streven van het
hart
dat, vermoeid van de schokken des aardschen
levens, in hoogere luchtstreken eene rustplaats zoekt. —
Het is de goddelijke honger van een wezen, dat op
aarde geen voedsel vindt. — Het is de terugkeer der
duive,
die niet weet, waar zich neder te zetten, en
-ocr page 617-
611
eeiie woning komt zoeken in de arke, die zij verlaten
heeft. — Het is een c/esprek der ziel, een innig onderhoud
des harten
met den besten der vaders, de teederste
der moeders, den toegenegenste aller vrienden. —
En, aldus begrepen, wordt het de kracht, de steun,
de balsem, het geluk van het leven; het is het lied
des vaderlands, dat men aanheft en waarvan men
de eerste woorden op aarde stamelt. l,Mgr. Landrit).
Het gebed is die goddelijke veerkracht, die de geheele
aarde in beweging brengt en tot God voert. Het is,
voegt Mgr. de Ségur er bij, de edelste bezigheid van
den meusch hier op aarde, zij adelt, zij verheft, zij
maakt al onze andere bezigheden een redelijk wezen
waardig. — Het hart vereenigt zich met den God van
oneindige goedheid, van oneindige volmaaktheid,
van oneindige liefde, die het alleen voldoen kan. —
Het gebed is het gesprek van het kind met zijnen
vader, het vertrouwelijk onderhoud van den vriend
met zijnen vriend, het smeeken van den zwakken,
ellendigen zondaar om barmhartigheid, het danklied
van den zondaar, wiens schuld vergeven is.
lil. Een ander kenmerk van het gebed, dat uit
het eerste voorvloeit, is dat men bidt, zoo dikwijls
de ziel zich godvruchtig tot God verheft, door welke
gedachte zij ook gedreven worde.
De ziel bidt, zoo dikwijls zij zich in aanbidding
stelt, — zij bidt, als zij eene verkeerde neiging of een
ongeoorloofd genoegen opoffert, — zij bidt, als zij de
goddelijke volmaaktheid bewondert, — zij bidt, als
zij God dankt, — zij bidt, als zij zich aanbiedt om
God te dienen, — zij bidt vooral dan, als zij hare
ellende blootlegt en zich van deze ellende juist een
titel maakt om van zijne Oppermajesteit medelijden
en hulp af te smeeken.
-ocr page 618-
612
Die ellende der ziel is zoo diep, de behoefte, die
wij aan God hebben, is zoo groot, zoo aanhoudend,
zoo algemeen, dat bidden en vragen eene zelfde zaak
schijnt te zijn.
Zoolang onze tong één woord tot God kan stamelen,
of slechts den naam Jezus kan uitspreken , — zoolang
onze oogen zich ten Hemel kunnen verheffen, —
zoolang ons hart eene bede kan vormen, een zucht
kan slaken, is dit woord, die zucht een gebed; —
al wij tot God opzien, is die blik een gebed; —
als wij dien zucht, die klacht tot God opzenden, is
het een gebed; — en wij zullen vertroost worden,
omdat God getroffen is, en God zal ons antwoorden.
Door het gebed onderhouden wij dus met God een
heilig verkeer van lof, van dank, van liefde, van
offerande, van smeeking. Het gebed is eene genade,
waarvoor wij God nooit genoeg kunnen bedanken,
en tevens eene der rijkste bronnen van genade.
IV. Het gebed is of geheel inwendig, als het hart
alleen bidt zonder de hulp van woorden of gebaren;
of wel het is mondgebed, wanneer het hart zich bedient
van de woorden om het gebed uit te drukken; de
stem geeft alsdan de gevoelens van het hart terug.
Onder welken vorm ook, maakt het gevoel des harten
altijd het voorname deel van het gebed uit. Er bestaat
geen gebed, als het hart er geen deel aan neemt.
-ocr page 619-
613
J3d0 HOOFDSTUK.
De noortziilcolylsliei*! van het jyebert.
1.
De nood zakelijkheid van het gebed is gegrond voor
alle rnenschen in het algemeen en voor de christenen
in het bijzonder op hunne hoedanigheid van schepsel.
Een schepsel is een wezen dat, uit zich-zelven
niets zijnde en niets bezittende, alles van zijn Schepper
heeft ontvangen, en van Hem afhangt in alles, wat
het bezit, voor alles wat het noodig kan hebben,
en zelfs voor zijn bestaan; — de mensch nu is het
schepsel van God, de mensch is alles aan God ver-
schuldigd; hij hangt geheel van God af voor het
stoffelijk leven, voor het redelijk leven, en voor het
leven der genade of bovennatuurlijk leven.
Het voedsel, noodig om deze drie soorten van levens
te onderhouden, kan de mensch niet in zich-zelven
vinden. Hij moet dit zoeken daar, waar God het tot
zijn gebruik heeft nedergelegd, te weten in de wereld
der lichamen, het voedsel van het stoffelijk leven, —
in de wereld der kennissen, het voedsel van het redelijk
leven, — in de bovennatuurlijke wereld, het voedsel
der genade. Maar dit voedsel komt zich niet van
zelf aanbieden en zich aan hem geven; hij moet dit
zoeken, hij moet werken, hij moet vragen, in één
woord, hij moet bidden om het te verkrijgen.
Het bovennatuurlijk voedsel, dat zijne ziel moet
voeden, het eenige, waarvan hier sprake is, heeft
-ocr page 620-
614
God aan niemand toevertrouwd, doch dit aan zich-
zelven voorbehouden, het is slechts bij God te vinden;
en zoo de mensen dit begeert, is het noodzakelijk,
dat hij door het verlangen zijner ziel, tot God opstijge,
om het te zoeken... ., dat hij bidde.
Wij zijn de bedelaars van God, zegt de H. Augustinus;
wij leven van zijne aalmoezen en wij moeten ons
onophoudelijk plaatsen aan de deur van den Vader
van barmhartigheid, om die hulp te vragen, die ons
noodig is, om de zonde te vermijden en de deugd te
oefenen.
De mensch is een wezen, dat uit zich-zeluen behoeften
heeft. God is een wezen, dat aan niets behoefte heeft.
Met uitzondering der eerste genade, die wij zonder
onze medewerking verkrijgen, en die niet van het
gebed afhangt, wijl zij de grondslag van het gebed
zelf is, leert ons het geloof, dat het gebed het krachtig
en algemeen middel is
, dat God heeft gekozen om ons
met zijne gaven te verrijken.
Het gebed is de sleutel
van Gods schatkamer. Het is het kanaal, waardoor
Hij al zijne zegeningen op ons uitstort; het gebed
is de ademtocht onzer ziel en even noodzakelijk tot
ons bovennatuurlijk, als de lucht voor ons natuur-
lijk leven
Behalve de kinderen in de wateren des doopsels
herboren en vóór de jaren van verstand gestorven,
zijn alle Heiligen slechts door het gebed zalig geworden:
en omgekeerd zijn ook de verdoemden na die jaren
verloren, omdat zij niet gebeden hebben.
Wij moeten, zegt de H. Chrysostomus, leven in de
overtuiging, dat niet bidden gelijk staat met het
verliezen van Gods genade, welke het leven onzer
ziel is.
-ocr page 621-
615
II.
De nood zakelijkheid van het gehed is gegrond roor
alle menschen in het algemeen, op de onmogelijkheid
waarin zij verkeeren,
1. van aan den duivel te
weerstaan
, 2 van het minste goed te verrichten,
3. van in het gebed te volharden tot het einde toe.
1. Onmogelijkheid van zonder het gebed den duivel
te weerstaan.
— De ziel wordt onophoudelijk door
den duivel aangevallen; haatdragend uit zijne natuur
en vooral afgunstig op het schepsel dat, beneden hem
geplaatst in de orde der schepping, door God bemind
en tot het eeuwig geluk is voorbestemd, plaagt,
kwelt, bekoort hij het onophoudelijk.
Wie onzer heeft die bijna onweerstaanbare neiging
tot het kwaad niet gevoeld? Wie onzer heeft geene
uren doorleefd, waarin men zich aan den rand des
afgronds waande? Wat doen in dergelijke oogen-
blikken? O bidden, bidden! Bij die noodkreet tot
God, komt Hij tot ons volgens zijne belofte en Hij
blijft altijd overwinnaar. God kan ons niet in de
noodzakelijkheid plaatsen van Hem te beleedigen,
Hij gebiedt het onmogelijke niet. De rede en het
geloofgetuigen het, en de H. Kerk heeft het plechtig
verklaard bij het Concilie van Trente, dat, als God
ons gebiedt, Hij ons oplegt, te doen wat wij kun-
nen, en te vragen wat wij niet kunnen.
Om de bekoringen te kunnen overwinnen, heeft
de ziel licht noodig om het gevaar te zien, — voorzorg
om de verrassing te vermijden,
—kracht om de aanvallen
af te keeren.
— Dit alles zal zij nooit in zicb-zelve
vinden, en altijd zal zij moeten zeggen: »Ik weet
dat ik uit mij-zelve niet zuiver kan leven";
en als zij
-ocr page 622-
616
zich tot God keert, zal zij zegevieren, doch zij moet
het vragen, zij moet bidden.
2.     Onmogelijkheid van iets goeds te doen, zonder
het gebed
Zonder de genade kunnen wij geene enkele
verdienstelijke gedachte voor den hemel, zelfs geene
enkele bovennatuurlijke gedachte der deugd vormen;
immers van ons-zelven zijn toij niet bekioaam iets te
bedenken, als uit ons-zelven
(II Cor III, 5).
Met nog meer reden kunnen wij dat goede niet
verlangen, noch begeeren, noch minder besluiten het
om God te beoefenen.
Jezus-Christus zegt ons op de
uitdrukkelijkste wijze: Zonder mij kunt gij niets doen
(Joa. XV, 5); zelfs om eene goede gedachte te vormen
hebben wij zijne genade noodig Het is God, die het
willen en het volbrengen bewerkt
(Philipp. II, 13); Hij
geeft ons niet alleen het goede in, maar werkt het
zelf in ons uit, door ons de noodige bovennatuurlijke
kracht te geven, om het in oefening te brengen, die
kracht, die ons bekwaam maakt aan ons-zelven te
verzaken, onze driften te overwinnen, de deugd te
beoefenen, die hemelsche kracht, gewoonlijk slechts
gegeven aan de zielen, die bidden. Dit is de eerste
voorwaarde door den Zaligmaker gesteld, die ons
volstrekt niets schuldig is. In zijne barmhartigheid
ons zijne genade geven willende, was Hij vrij daarvoor
elke voorwaarde te stellen, die Hn zou willen; doch
Hij wil slechts, dat wij Hem die zouden vragen:
Vraagt, en gij zult verkrijgen (Joa. XVI, 24).
3.     Onmogelijkheid van, zonder het gebed, in het
goede te volharden.
God, zoo zegden wij, geeft de
eerste genaden, zooals den roep tot het geloof, tot
de boetvaardigheid, zelfs aan hen, die niet bidden;
maar de andere genaden, die noodzakelijk zijn ter
zaligheid, en vooral de volharding tot het einde, zegt
-ocr page 623-
617
Je H. Aug\'ustinus, worden slechts verleend aan de
zielen, die bidden
Hoewel het bewezen is, zegt deze Kerkleeraar,
dat God ons door Zijne barmhartigheid en genade
heeft voorkomen, is het ook bewezen, dat Hij de
groote genade der volharding tot het einde slechts
verleent aan degenen, die daarom bidden; en of-
schoon God die niet verschuldigd is aan de verdiensten
zijner Heiligen, weigert Hij die nooit aan de gebeden
zijner dienaars. Waaruit de godgeleerden besluiten
met den H. Basilius, den H Joannes Chrysostomus
en den H. Thomas, dat het gebed voor de volwas-
senen een noodzakelijk middel is. Hij derhalve, die
niet bidt, kan niet zalig worden, hij gaat verloren.
III.
De noodzakelijkheid des gebeds is voor de zondige
zielen gegrond op de onmogelijkheid, ivaarin zij
verkeeren
, van uit eigen kracht uit hare zonden
op te staan, niettegenstaande huren goeden wil.
De zonde is een keten, die de pogingen van den
goeden wil kluistert; zij is een gewicht, dat de wil
aan de aarde vasthecht en haar belet tot God te
stijgen; zij is een band, die den wil boeit en hem als
onder tooverkracht, ondanks zich-zelven, terug houdt.
Nu, zegt de H. Augustinus, wij hebben ons-zelven
niet kunnen boeien, en wij kunnen ook zelf onze
kluisters niet verbreken. De rede toont ons wel al
het harde der slavernij, waarin wij zuchten; maar
hare stem is zeer zwak, als de stem van het genoegen
zich in den grond van ons hart doet hooren.
Wij hebben eene kracht noodig, die ons losmaakt
-ocr page 624-
618
en ons optrekt, en die kracht is Gods genade. Neen,
geene verlossing, geene zaligheid zonder de genade;
maar door eene noodzakelijke gevolgtrekking, geene
zaligheid zonder het gebed,
omdat het geloof ons
leert, dat het gebed het krachtig en het gewone
middel is , waaraan God zijne genade verbindt Zonder
gebed geene genade, geene zaligheid; dus als gij niet
bidt, gaat gij onvermijdelijk verloren.
Op den dag des oordeels, zegt de H. Alphonsus,
zal er geene verontschuldiging bestaan voor dengene,
die in de zonde sterft. Hij kan niet zeggen, dat hij
de kracht niet had, om aan de hevigheid der bekoring te
\'CD                                                                O
wederstaau; want Jezus-Christus zou hem antwoorden:
Als gij de kracht niet hadt, icaarom hebt gij die niet
gevraagd, daar ik ze u zou hebben gegeven ?
— en toen
gij in de zonde vielt, icaarom hebt gij u niet tot mij
gekeerd, daar ik u verlost zou hebben?
Men kan zeggen tot ieder, die zich door de zonde
laat medesiepen: Ik ben verzekerd, dat gij de genade
niet vraagt van niet te zondigen, of wel, dat gij ze
slecht vraagt, of ze niet genoeg vraagt;
en uw geweten
zal u hetzelfde zeggen.
IV.
De noodzakelijkheid van het gebed is voor de religieuze
vooral gegrond op de onmogelijkheid van zonder
gebed hare religieuze plichten na te komen.
I. De religieuze moet God beminnen; nu God
beminnen is Hem ons hart geven door de toegene-
genheid, opgewekt door zijne goddelijke schoonheid
eii barmhartigheid, — ons versta?td door de aanbidding
en eerbied, opgewekt door de goddelijke grootheid, —
-ocr page 625-
619
onzen wil door de vervulling zijner geboden, opgewekt
door de goddelijke wijsheid, — al onze zintuigen , onze
handen, om Hem in zijne kinderen te dienen, — onze
voeten om te gaan, waar Hij ons zal zenden, — onze
stem vooral, om Hem te doen kennen, Hem te be-
danken, Hem te loven; — welnu, dat alles geschiedt
door, of beter nog, dat alles is het gebed.
De religieuze moet strijden, en hoe hardnekkiger,
hoe machtiger, hoe listiger, hoe behendiger de dui-
velen zijn, hoe meer zij de goddelijke hulp noodig
heeft om hare zwakheid, hare lafheid, hare oner-
varenheid ter hulp te komen. Deze hulp kan zij
slechts door het gebed, bekomen.
Zij moet lijden, lijden in vrede, lijden met gelatenheid,
lijden met liefde en dankbaarheid; en — de menschelijke
natuur siddert voor het lijden; die kalme en liefde-
volle berusting verkrijgt ze slechts door eene goddelijke
hulp, welke slechts aan het gebed verleend wordt.
Daarom wordt de religieuze staat een staat van
gebed,
en de religieuzen mensehen van gebed genoemd.
Het gebed is het leven der religieuze. De H. Kerk
vei trouwt hun dat gebed, datde menschen niet kunnen,
noch willen volbrengen, en legt hun een bijna aan-
houdend gebed op Eene religieus, die niet zou bidden,
is niet denkbaar; en een klooster, waarin het gebed
niet als levensbeginsel beschouwd wordt, zou niet
kunnen bestaan. Een- man van gebed is tot alles
bekwaam; daarom, zegt rle H. Vincentius, is het
noodzakelijk, dat de missionarissen zich met bijzondere
genegenheid op die heilige oefening toeleggen, zonder
welke zij geene of zeer weinig vrucht van hunnen
arbeid zullen plukken. Met het gebed tot wapen
zullen zij de harten treffen en ze veeleer bekeeren, dan
door welsprekendheid en talent.
-ocr page 626-
620
II.     De religieuze moet meer dan iemand aan Jezus
gehoorzamen, dien meester aan wiens dienst zij zich
zoo edelmoedig heeft toegewijd; en wij zullen straks
zien, hoe uitdrukkelijk het voorschrift van het gebed
door Jezus is gegeven.
Door de liefde naars harten gedreven, moet zij ook
Jezus, den Bruidegom, dien zij zich gekozen heeft,
navolgen, en het leven van Jezus is een leven van
gebed. Hadde ooit iemand zich van dit gebod vrij
moeten achten, dan ware het Jezus geweest; Hij behoefde
niet te bidden, want Hij bezat in zijn aanbiddelijken
persoon al de schatten der wetenschap, der wijsheid;
der macht; en nochtans, na den geheelen dag aan
den moeielijken arbeid zijner zending te hebben
toegewijd, bracht Hij de nachten door in het gebed.
Het gedruisch der wereld vluchtende, begaf Hij zich
in de eenzaamheid of op de knain der bergeii om
met meer vrijheid te bidden. En, op den vooravond
van zijn lijden, te midden der hevigste benauwdheid;
begint Hij te bidden; het lijden vermeerdert, Hij
gaat voort met bidden; Hij bidt op het kruis, Hij
bidt overal.
Zeker werd Jezus bezield door de begeerte om te
boeten voor onze zonden, maar er ligt ook eene les
voor ons in besloten.
III.     En ligt die gedachte, om te voldoen voor de
zonden, ook niet besloten in de roeping der religieuze?
Wij hebben het reeds gezegd, toen wij van het lijden
spraken; doch het is al wederom het gebed, dat op
het lijden, gelijk op allen apostolischen arbeid den
goddelijken stempel drukt. Door het gebed stijgt het
lijden tot God op, door het gebed wordt het door
God aangenomen, die deszelfs heilzame vruchten over
de zielen uitstort. Noch het lijden, noch de prediking,
-ocr page 627-
G21
noch eenig ander goed werk kan nuttig zijn, zoo
het gebed daaraan de goddelijke macht niet mededeelt,
van zielen te bekeeren en tot God terug te voeren.
Het gebed is het apostolaat bij uitnemendheid der
kloosterlinge die noch onderwijzen, noch prediken
kan, en dit apostolaat overtreft alle andere en kan
door niets overtroffen worden.
Het apostolaat van het woord kan, even als dat
der liefdadigheid, zich terzelfder tijd slechts tot een
beperkt getal zielen uitstrekken. Het wordt beperkt
door de grenzen der tijden en plaatsen; maar het
apostolaat van het gebed overschrijdt alle grenzen,
zijne weldadige werking kan zich ten allen tijde aan
de uiterste palen der aarde doen gevoelen; het kan
zich uitstrekken tot het einde der eeuwen, het reikt
zoover als de goddelijke macht. Want, terwijl het
apostolaat van het woord het kanaal is, waardoor
God zijne genade aan de zielen mededeelt, bedient
het apostolaat des gebeds zich van God, als van
een almachtigen middelaar, om in de zielen de heilige
begeerten, door Hem ingegeven, uit te werken.
O religieuzen, bidt, bidt, bidt; en gij zult aan
den missionaris de welsprekendheid, aan de zuster van
liefde, aan de onderwijzende zuster hare kracht, hare
zachtmoedigheid, hare onwederstaanbare lieftalligheid
verkrijgen; gij zult het zijn, die de zielen zult treffen
en tot God geleiden.
Het nuttigste wezen op aarde is niet hij, die door
zijn fortuin, zijne krachten, zijne talenten medewerkt
aan het stoffelijk welzijn van eenige wezens gelijk hij; —
maar hij, die door het vuur zijner liefde den bliksem
belet van, even als eertijds Sodoma en Gomorrha,
geheele steden te verdelgen, vervuld met misdadigers,
godslasteraars, losbandigen, heiligschenners, boos-
-ocr page 628-
G22
doeners, wier zonden den Hemel tergen en zijne
wraak uitdagen; — hij, die pest, hongersnood en
al die vreeselijke rampen, welke wij maar al te zeer
verdiend hebben, afleidt; — hij, die aan de eeuwige
verdoemenis ceue menigte zielen onttrekt, die helaas,
zoo ver van God zijn afgedwaald; — hij, die werkt
aan de uitbreiding van het Kijk Gods op aarde, die
de keizerrijken en hunne Cesars redt, die aan de
volkeren den voorspoed van den tijd en de goederen
der eeuwigheid verzekert.
Dit alles is de vrucht van het gebed, omdat het
gebed de bescherming en den zegen van God aftrekt.
Een wel verricht gebed doet oneindig meer voor den
vrede en den voorspoed van een volk, dan het
schoonste stelsel van het fiuantiewezen en de schit-
terendste verovering.
O, indien gij kunt bidden, religieuzen, indien gij
kunt loven, danken, boeten, smeeken, welk een kost-
bare schat zijt gij dan voor eene stad, voor een rijk!
In het leven van zuster Maria van Valeria, die de
H. Franciscus van Sales eene levende relh/uie noemde,
wordt verhaald, dat hare gebeden dagelijks een onein-
dig getal zielen bekeerden. God zegde haar dikwijls:
»Om u, mijne dochter, zal ik zoo vele zondaars den
weg der boosheid doen verlaten in die stad, waar uu
eene retraite wordt gegeven. — Ik zal zoo vele reli-
gieuzen in dat klooster op den weg der volmaaktheid
brengen;" en in aller oogen waren het de predikers,
en de zielbestierders, die de eer dezer bekeeringen
verdienden, terwijl men ze verschuldigd was aan die
arme weduwe, die in haar kamertje onophoudelijk bad.
-ocr page 629-
623
Sde HOOFDSTUK.
Het voorschrift van hot {jebcrt.
Het gebed is uiet eeue oefening als raad of over-
verplichting aan eenige godvruchtige zielen aanbevolen;
het is eene volstrekt noodzakelijke verplichting.
Elk schepsel, dat een hart heeft dat kan beminnen,
of een geest, die kan bevatten, moet dat hart en
dien geest verheffen tot zijnen Schepper om Hem te
aanbidden, te danken, te beminnen, te verzoenen,
te roepen, te vragen.
1.     Het gebed is een uitdrukkelijk gebod. Bidt,
zegt Jezus-Christus, men moet bidden; en de woorden
die het gebod opleggen, zijn juist, duidelijk, en geven
een uitdrukkelijk gebod te kennen: Men moet bidden,
Jezus-Christus herhaalt het dikwijls. Hij wil dat men
vrage: Petite. — Hij wil dat men zoeke: Quwrite. —
Hij wil dat men kloppe: Pulsate. (Luc.e XI, 9.) —
De Apostelen, in de school van hunnen goddelijken
Meester onderricht, voeren dezelfde taal: Volhardt
in het gebed, wakende daarin met dankzegging: bidt
zonder ophouden,
zegt de H. Paulus. (Col. IV, 2;
I Tiiess. V, 17).
2.     Het gebed is een algemeen gebod.
Dit gebod is aan alle mensehen gegeven, van allen
leeftijd, van allen rang en stand. — A Hen moeten bidden,
in welke omstandigheden zij zich ook bevinden, welke
bediening zij ook uitoefenen: landbouwers, soldaten,
kooplieden, ambtenaars. — Allen moeten bidden, welke
ook hunne roeping zij: priesters, kloosterlingen,
huisvaders of huismoeders, ten einde zich-zelven en
anderen zalig te maken. — Allen moeten bidden,
-ocr page 630-
624
in welken toestand hunne ziel ook zij, de zondaars
om rechtvaardig te worden, de rechtvaardigen, om
te volharden en geene zondaars te worden.
Dit gebod is opgelegd voor alle tijden. — Men moet
altijd bidden en nooit ophouden,
zegt Jezus-Christus
(Lucas XVIII, 1), omdat wij op alle tijden de genade
noodig hebben, om het leven onzer ziel te onderhouden,
en dat deze genade slechts verkregen en onderhouden
wordt door het gebed. Als de ziel niet meer bidt, looft
zij God niet meer, zij dankt niet meer, zij vernedert
zich niet meer, zij smeekt niet meer, zij ontvangt
geene vergeving, noch licht, noch hulp meer; zij
leeft slechts een dierlijk leven, zij is voor God als
een lijk; en wordt zij in dezen toestand voor Gods
rechterstoel geroepen, dan wordt zij verstooten en
voor altijd verworpen. — Er zijn vooral drie oogen-
blikken, waarop het gebed van het grootste belang
is: 1°. als de ziel in staat van doodzonde is; 2°. als
zij door eene hevige bekoring tot zonde geleid wordt:
3°. als men in gevaar van sterven is.
Dit gebod is voor alle zaken gegeven. Indien gij
iets den Vader in mijnen naam zult vragen, zal Hij
het u geven,
zegt Jezus-Christus. (Joa. XVI, 23).
Wie zegt iets, zondert niets uit, noch de goederen
der ziel, noch de goederen des lichaams, noch de
goederen van het verstand; want dit alles hebben
wij noodig.
3 Het gebed is een gemakkelijk gebod. Men behoeft
noch het verstand in te spannen, noch het geheu-
gen te vermoeien, noch de bezigheden, die tot het
levensonderhoud noodzakelijk zijn, achter te laten; —
het behoort niet slechts tot het deel der rijken en
geleerden. — Het gebed wordt, wel is waar, in woorden
uitgedrukt; doch het is veel meer de kreet van een
-ocr page 631-
625
beminnend hart, van een smeekend hart; en wie toch
kan in het uur van droefheid en verlatenheid, niet
zeggen: Mijn God! En die kreet kan men tot God
stieren op elke minuut van den dag en van den nacht,
en God komt op dit roepen tot de ziel en luistert
naar haar, als ware zij alleen op de wereld.
Uit de woorden van Jezus-Christus en hetgeen wij
omtrent de noodzakelijkheid van het gebed gezegd
hebben, volgt, dat het gebed, voor ons eene behoefte
en een plicht zijnde, bijgevolg een noodzakelijk middel
is,
en dat hij, die niet bidt, al ware het mogelijk
dat hij geene andere fouten bedreef, daardoor zelfs
in een staat van verdoemenis zou verkeeren.
Maar het is niet mogelijk dat hij, die het gebed
verlaat of geheel verzuimt, in geene zware zouden
valt. De ondervinding leert, dat zulk een ongelukkige
zinnelijk wordt, geheel vervuld met aardsche, lage,
vleeschelijke lusten, zonder begeerte naar de hemel-
sp.he goederen, zonder smaak voor de deugd, zonder
kracht tegen de misdaad, zonder eeredienst, zonder
godsdienst, zonder God.
40
-ocr page 632-
626
4(1e HOOFDSTUK.
Kracht en vermogen ran liet gebed.
1.     Het gebed is de macht van God, gesteld in de
handen van den mensch.
Het is wellicht nog meer: het gebed is een wapen,
dat God den mensch in de hand geeft, opdat de mensch
Hem overwinne.
Herinner u de worsteling van Jacob
tegen den engel, of liever tegen God zelf, de zege-
praal van Jacob, en den naam, dien hij na deze over-
winning ontving: sterk tegen God. (Gen. XXXII, 28);
ziedaar onze naam, wanneer wij ons met het gebed
wapenen. Wij beheerschen, om zoo te zeggen, den
almachtigen God, die ons zegt, gelijk aan Mozes,
toen deze Hem bad, zijn volk niet te straffen: Laat mij
begaan, opdat mijne toorn nitbarste.
(Exodi XXXII, 10);
doch zich ten laatste altijd laat verbidden.
2.     Het gebed is in de orde der genade wat voor den
mensch in de orde der natuur de hand en den geest is.
De Voorzienigheid heeft ons, om ons te verdedigen
en in onze behoeften te voorzien, slechts handen
en verstand
gegeven, maar daarmede zijn wij sterker
dan alle dieren te samen, die wij overheerschen en
onderwerpen; sterker dan de natuur, die wij tot onze
behoeften en zelfs tot onze grillen doen dienen. —
Zoo zijn wij met de hulp van het gebed sterker dan
de duivelen, sterker dan onze driften, sterker dan
de natuur: het gebed is God in ons, met ons, God
door ons werkende: hoe zouden wij niet sterk zijn?
O, als ons gebed aanhoudend ware, dan zou ook
onze macht aanhoudend zijn; en met welk vertrou-
wen zouden wij ons bezield gevoelen!
-ocr page 633-
627
3. Het gebed vermag alles, — het vermag altijd, —
door liet gebed worden wij de werktuigen van God ;
en die altijd werkdadige macht, door Jezus-Christus
ons verzekerd, steunt op de hoedanigheden van God
en is onwrikbaar als Hij.
I.
TtiiX ae&cd is aivezmoaznd, omdat
êo3 acttoww is.
God is getrouw, zegt de H. Paulus. (I Coit. X, 13).
Wij kunnen ons dit oneindig heilig, oneindig wijs,
oneindig alvermogend Wezen niet anders voorstellen.
God kan geene lichtvaardige beloften doen; en als
God beloften doet, moet Hij die getrouw nakomen.
Elke andere gedachte zou ons tegenstaan; zij zou God
onwaardig zijn. Zien wij dus:
1°. De belofte, waardoor God zich verbindt, om
onze gebeden te verhooren.
2°. De omstandigheden, waarin die belofte gedaan
wordt.
1. De belofte van God.
Zij is zeer juist, zeer duidelijk: Vraagt, en u
:al gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klop
,
en u zal geopend worden. (Matth. VII, 7). Voorwaar,
voortvaar, ik zeg het u: indien gij den Vader iets in
mijnen naam zult gevraagd hebben, zal Mij het n
-ocr page 634-
628
geven. (Joa. XVI, 23). Tot dusverre hebt gij niets in
mijnen naam gevraagd; vraagt, en gij zult verkrijgen,
opdat uwe vreugde volkomen zij.
(Ibid. XXIV). Indien
gij, die slecht zijt, goede giften weet te geven aan uwe
kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader, die in den
Hemel is, goede dingen geven aan hen
, die er Hem
cm vragen.
(Matth. VII, 11).
2. Omstandigheden der belofte.
Om ze onbetwijfelbaar te maken, herhaalt Jezus-
Christus die op verschillende plaatsen van het H. Evan-
gelie. — Meer dan vijf honderd malen vindt men in
den Bijbel het feit vermeld van het verhoord gebed.
Om ze plechtiger te maken, doet Jezus-Christus ons
opmerken, dat Hij zijn woord verpandt: Voorwaar,
voorwaar, ik zeg het u.
(Joa. XVI, 23).
Om ze krachtiger te maken, biedt Jezus-Christus
aan, zelf al onze gebeden te verhooren: Al wat gij
den Vader in mijnen naam gevraagd zult hebben, ik
zal het volbrengen.
(Joa. XIV, 13).
Om ze uitgebreider te maken, verklaart Jezus-Christus,
dat Hij deze belofte doet aan alle menschen en voor
alle zaken: Zoo gij iets den Vader gevraagd zult
hebben, Hij zal het u geven; al wie vraagt, verkrijgt.
Hebben wij na zulk eene belofte het recht niet,
tot God te gaan, Hem, om zoo te zeggen, op de
proef te stellen en de vervulling zijner belofte te
eischen? God kan niet bedriegen, zegt de H. Augus-
tinus; en als Hij ons zijnen arm tot steun aanbiedt,
zal Hij dien niet terugtrekken op het oogenblik, dat
wij daarop willen rusten
Wij hebben alleen de woorden van Jezus-Christus
aangehaald, waarin Hij ons de hulp van zijnen Vader
belooft. Hoor nog eenige andere woorden uit het
-ocr page 635-
629
Oude Testament; elk dezer woorden zal de hoop in
het hart vermeerderen: Hij zal tot mij roepen en ik
zal hem verhooren
(Ps. XC, 15). Roep mij aan en ik
zal u verlossen
(Ps. XLIX, 16). Wie heeft den Heer
aangeroepen
, en is door Hem versmaad (Eccl. II, 12)?
Zoodra God uio geroep zal hooren, zal Hij u ant-
woorden
(Is. XXX, 19). Voor zij hun roepen geiindigd
hebben, zal ik hen hooren
(Is. LXV, 24).
Zeker zal men zich na deze woorden niet verwon-
deren, dat de ziel verkrijgt wat zij vraagt, maar
wel dat de kinderen Gods zoo dikwijls aan het ver-
mogen van het gebed twijfelen.
II.
3fet ac&zd i$ atv>e-Kmoa&nd, omdat
êo3 aocd is.
De goedheid, die zich toont door de grootmoe-
digheid, door het medelijden, door de barmhartigheid,
is eene der hoedanigheden van God, die Hij het liefst
doet uitschijnen, die welke, in al zijne werken met
den heldersten glans uitschijnt, die wier uitoefening
voor zijn Hart het zoetste is.
Men is God aangenaam, men bewijst Hem dienst,
om zoo te spreken, als men Hem gelegenheid geeft
om zijne goedheid, en voor.il zijne barmhartigheid
te doen uitschijnen. Zijne genaden rusten in zijne
handen, als een gewicht, dat Hem bezwaart; Hij vraagt
niet beter dan ze uit te storten. En wanneer die
-ocr page 636-
630
goedheid eene gelegenheid vindt, zich te doen gevoelen,
o hoe gaarne stort zij zich uit! En wanneer die
goedheid
wordt afgebeden, wanneer zij wordt afge-
smeekt door eene ziel, die er groote behoefte aan
gevoelt, o hoe gaarne vertoont zij zich, welke ook
de toestand der ziel zij! God, zegt de H. Gregorius
van Nazianze, ontvangt als eene weldaad onze bede,
om eenige zijner weldaden; Hij gevoelt meer vreugde
in het geven, dan wij kunnen gevoelen in het ont-
vangen zijner gaven.
Vraag Hem, Hij zal altijd geven, Hij zal alles
toestaan. Al hadde Hij niet beloofd te geven, zou
zijn Hart Hem nochtans beletten te weigeren.
God heeft in het hart des menschen een gevoel
van dat medelijden gestort, dat in ons altijd wordt
opgewekt door de ellende, de armoede, de verlatenheid ;
en, zegt Pater Lacordaire zoo schoon; kon het insect,
dat wij gereed staan te vertrappen, ons bidden, dan zon
dit gebed ons \'een overgroot mededoogen doen gevoelen;
u<ij zouden den moed niet hebben
, het te verdelgen.
Het medelijden, dat wij gevoelen voor elk lijdend
wezen, gevoelt God voor ons in een veel verhevener
graad: zijn Hart kan niet minder barmhartig, niet
minder medelijdend zijn, dan het onze.
In de H. Schriftuur schijnt God er eene eer in te
stellen, dat zijne barmhartigheid zijne werken over-
treft; indien Hij niet naar ons luisterde als wij bidden,
wij die met de weenenden kunnen weenen, wij die
ons zoo gaarne voor anderen opofferen, dan zouden
wij beter zijn dan Hij; doch vreezen wij niet, maar
luisteren wij naar zijne woorden; Welk mensch is er
onder u
, zegt Hij, die als zijn zoon hein een brood
vraagt
, hem een steen zal geven, of als hij een
visch vraagt, hem eene slang geven zal? lndieri gij,
-ocr page 637-
631
die slecht zijt, goede giften aan uwe kinderen weet
te geven
, hoeveel te meer zal uw Vader, die in den
Hemel is
, goede dingen geven aan degenen, die Hem
er om vragen?
(Matth. VII, 9, 10, 11). Zoo spreekt
onze God; Hij is goed; hoe zou Hij dns niet naar
onzen noodkreet luisteren?
III.
%eX cje-ta? is alve-zmoa&nd, oni3at
De belofte verplicht dengene, die ze doet; — de
goedheid
doet die belofte volbrengen; — de macht
maakt het mogelijk die begeerte des harten te ver-
wezenlijken, en dengene wien de belofte gedaan is,
ten volle tevreden te stellen.
God nu is het machtig Wezen, dat alles vermag,
Hoe groot zijne beloften ook zijn, Hij kan die vol-
brengen ; hoe uitgestrekt zijne verlangens ook zijn,
Hij kan ze verwezenlijken; daarom zegde de H. Paulus
met een gevoel van groote vreugde: Ik kan alles
in Hem, die mij versterkt
(Phillipp. IV, 13). Dit
woord moet altijd het onze zijn. Het gebed verheft
ons tot God, trekt God tot ons en maakt ons met
God tot meesters over de geheele natuur. Zie Mozes,
die de plagen van Egypte afbidt, om den hoogmoed
van Pharao te straffen, — Elias, die gebiedt aan de
droogte en den regen, — Jozue, die den dag verlengt,
en de muren van Jericho omver doet vallen.
-ocr page 638-
632
O welke vreugde, welke vrede, welk geluk ligt er
opgesloten in het herhalen dezer woorden van Jezus-
Christus: Gelooft dat gij, al wat gij biddende vraagt,
verkrijgen zult
(Marci XI, 24).
Geen de minste uitzondering! De kracht van het
gebed strekt zich tot alles uit. Lees deze schoone
bladzijde:
» Zouden het tijdelijke goederen zijn, waarom men bidt ?
Ik beken, dat het de laagste voorwerpen zijn, waarom
men bidden kan. Doch indien zij met de noodige
onderwerping gevraagd worden, en zij werkelijk tot
ons voordeel strekken, dat wil zeggen, indien zij
dienstig zijn tot onze zaligheid, het eenig goed waar-
naar alle andere goederen zich moeten meten, zal
het gebed ze verwerven. Het gebed stort soms on-
schadelijke welvaart in zuivere handen; ondersteunt
de deugdzame familiën, en behoudt ze in hunnen
stand; plaatst, onder de vorsten der volkeren, mannen
door geeue eerzucht voortgestuwd; siert de nederige
kruin met de stralen der glorie en der algemeene
hoogachting; brengt onverwachte hulp aan den arme,
die grootmoedig genoeg was, om de hulp der misdaad
te versmaden; — het is het gebed dat, door gelukkige
wentelingen der fortuin, de tranen der onschuld droogt,
en den voorspoed terugbrengt, te midden dergenen,
die deugdzaam genoeg waren, om de ontberingen
der armoede op christelijke wijze te verdragen.
Zou het hulp en troost zijn in lichamelijke kwalen, in
de kwellingen des harten
, waarom de bede tot God stijgt ?
Die hulp, die troost zullen niet geweigerd worden, in
zooverre die tot onze zaligheid kunnen dienen. O gij
allen, die in kwelling en droefheid verkeert, zegt ons
de Heer, venite ad me omnes, komt allen tot mij; deelt
mij uw smarten, uwe droefheid mede, vraagt mij om
-ocr page 639-
633
hulp, en gij zult ze verkrijgen, et ego rejiciom vost
en ik zal u verkwikken
(Matth. XI, 28).
Ziet gij daar die troostelooze moeder, op wier trekken
het lijden en de ontbering hun stempel gedrukt hebben ?
Hare arme kinderen schreien tot haar om een stuk
brood, dat zij hun niet geven kan. De droefheid
doorboort haar hart, eene gedachte van wanhoop
zweeft over hare ziel; maar zij is christen, zij werpt
zich op de knieën, zij doet hare vaderlooze kinderen
het gebed herhalen, tot den Vader in den hemel.
Met vereeuigde stem vragen zij het dagelijksch brood,
panem nostrum qitotidianum da nobis hodie. Zij staat
op met hoop in het hart, met troost op het gelaat;
en, met moed vervuld, begeeft zij zich aan het werk,
dat God zal zegenen, en het dagelijksch brood zal
in dat zwaarbeproefde gezin niet meer ontbreken,
God zal hen blijven beschermen.
Wie is die vrouw, die daar knielt op dat pas gedolven
graf, dat zij met hare tranen besproeit? Het is eene
moeder, die treurt op het graf van haren zoon, het
eenig voorwerp harer liefde op deze aarde Hare
smart is onuitsprekelijk groot, zoo groot als hare
liefde. Doch zij staat op met schitterend gelaat, een
straal van vreugde schittert op haar voorhoofd, in
haar gebed zag zij den hemel als geopend; het beeld
van haren zoon heeft zich aan haar vertoond met
licht omstraald; zij zag hem in het gezelschap der
engelen; hij heeft een blik op haar geslagen, een
blik vol liefde, die haar schijnt te zeggen, dat hij
haar altijd zal beminnen 6n dat hij haar uitnoodigt
om spoedig zijn geluk te komen deelen.
Zouden het de goederen der genade zijn, die uwc bede
afsmeekt?
O dan vertoont hare kracht zich in vollen
glans. Welke deugden volgen niet op haar spoor?
-ocr page 640-
634
Welke bekoringen jaagt zij niet op de vlucht? Welke
zonden, welke misdaden, welke driften weerstaan aan
hare slagen ? Zij verspreidt de begoocheling der harts-
tochten, zij verstompt de pijlen der wulpschheid, zij
verzacht de gestrengheid der boetvaardigheid. Dwaalt
het verstand af, zij voert het terug; is het hart op
het punt te bezwijken, zij ondersteunt het; verblindt
de eigenliefde, zij rukt haar den blinddoek af. Geen
struikelsteen op den weg der volmaaktheid, dien zij
niet verwijdert, geen valstrik, dien zij niet ontdekt,
geen afgrond, dien zij niet vervult. Voor de oogen
van eene ziel van gebed, spreidt de misdaad slechts
krachtelooze begoochelingen ten toon; hare hand
breekt den vergiftigden beker en laat het vergif
ontsnappen; onder bare schreden voelt zij steeds vaster
grond; en de wereld, die voor ieder ander slechts eene
aanhoudende bekoring en eene oorzaak is tot voort-
durenden val, wordt voor haar een tempel van vrede
en een veld van overwinning en zegepraal."
Verheugt u dan, gij vooral, Godgewijde zielen, en
om die lede meer door God bemind. Vraagt, o vraagt,
bidt, bidt! Als het gebed van den verloren zoon zoo
krachtvol is, hoe alvermogend zal dan het gebed zijn
van het kind des huizes, tot wien de Vader gezegd
heeft: Al wat ik heb, is het uwe.
-ocr page 641-
635
5de HOOFDSTUK.
Hoe<litnijjlie<leii van liet ti"<-I>e«l.
I.     God moet niet zonder onderscheid aan allen
de schatten zijner genade overgeven. Zijne goedheid
mocht Hem zijne wijsheid niet doen verloochenen.
Als meester zijner gaven, opent Hij zijne schatten
voor het gebed; doch zijne wijsheid eischt, dat het gebed
zich bij Hem aanbiede gelijk het schepsel, dat zich
zijner behoeften bewust is en tevens weet dat, wat het
vraagt, hem niet verschuldigd is; — het schepsel, dat
van de ééne zijde aangemoedigd wordt door de goedheid
van dengene tot wien het zich richt, doch dat ook
gevoelt dat het uit zich-zelven niets kan terug geven,
niets dan zijn dankbaar hart!
II.     Doch vrees niet, gij arme ziel, die bloost
over uwe fouten en armoede; de voorwaarden, door
de goddelijke wijsheid aan uw gebed gehecht, zijn,
dank aan de oneindige barmhartigheid van den besten
aller Vaders, zeer gemakkelijk, en liggen binnen
ieders bereik. God vraagt, om u te verhooren, slechts
datgene wat de mensehen in hunne onderlinge be-
trekkingen vragen; en Hij vraagt nog minder, omdat
Hij meer goedheid heeft.
III.     Ons gebed moet, om verhoord te kunnen
worden, geschieden met aandacht, — met nederig-
heid
, — met volharding, — in naam van Jezus-Christus.
-ocr page 642-
636
I.
fyVij. moeten wiet aandacht Viddevi.
De aandacht in het gebed bestaat hierin, dat onze
geest en ons hart doordrongen zijn, bf door de ge-
dachten en denkbeelden, die wij door onze woorden
uitdrukken,
— bf door de geduchte aan God tot wien
wij spreken.
Deze voorwaarde van het gebed vraagt zelfs het
gewoon gezond verstand.
De joden schrijven op den muur hunner Synagoog:
Het. gebed zonder aandacht is een lichaam zonder ziel;
en deze gedachte is juist. God wil niet alleen het
lichaam, Hij wil ook de ziel, en het is niet het
lichaam, dat vraagt, maar de ziel.
Hoe durft gij,
vraagt de H. Cypriauus, verwachten, dat God naar
u luistere, als gij-zelve niet luistert? — Hoe durft
gij verwachten, dat God aan u denke, als gij u
zelve vergeet?
De aandacht valt dikwijls moeielijk, wegens de
onbestendigheid van onzen geest. Men zou hierin
kunnen voorzien:
1.     Door zich eenige oogenblikken te voren tot het
gebed te bereiden. — Deze
raad geeft de H. Geest:
Bereid uwe ziel alvorens te bidden Door zich langzaam
naar de bidplaats te begeven; — indien dit in de kerk
is, godvruchtig gewijd water te nemen; zich bedaard
en zedig naar zijne plaats te begeven. — Door langzaam
het kruisteeken te maken, zich aldus als door een
luchtkring van vrede omringende, — en door elk woord
met zekeren ernst uit te spreken.
2.     Door zich geene te lange gebeden op te leggen. —
Als regel is het beter, als men bidt, den tijd, dien
-ocr page 643-
637
men tot het gebed wil besteden, te bepalen, dan
wel het getal gebeden, die men gedurende dezen
tijd wil bidden Een overhaast, gebrabbeld gebed kan
God niet aangenaam zijn. —Als men te zamen bidt,
of dat de gebeden door den Regel zijn voorgeschreven,
zooals bijv. het goddelijk Officie, is het goed van
tijd tot tijd een oogenblik te rusten, eene halve
seconde bijv., om zijn hart tot God te verheSen;
een blik op het tabernakel, op het kruisbeeld, op
een prentje in het boek zijn voldoende. — Het is
goed, eenige woorden der Getijden te bepalen, die
ons herinneren ons hart tot God te verheffen, bijv.
het woord Deus, dat zoo dikwijls voorkomt, het Gloria
Patril
het Deus in adjutorium, het Benedicamus
Domino.....
3. Door zich te doordringen van de beteekenis
der woorden
, wanneer die bekend is. Daarom zou
het zeer nuttig zijn, als men in de communauteiten
de voornaamste vormen en verzen, die het meest
in de Getijden voorkomen, en den algemeenen zin
der psalmen, die men dagelijks bidt, uitlegde. Dit
werk zou niet te veel inspanning eischen, en de
godsvrucht zeer bevorderen. — Door zich ten minste
te doordringen door eene der gedachten, die wij later
zullen opgeven bij de uitwerkselen van het gebed. —
Gelukkig de zielen, die hare gebeden niet opzeggen,
maar bidden! — De ziel, die bemint en hare liefde
wil betuigen, de ziel, die behoeftig is en wil vragen,
de ziel, die bedroefd is en troost zoekt, de ziel, die
op hare beurt troosten wil, zegt geen gebed op;
en dan zelfs als zij hare gebeden van buiten kent
of deze gelezen worden, gevoelt zij, dat zij bidt —
Niet de woorden maken het gebed, maar datgene
wat het hart in de woorden legt.
-ocr page 644-
638
4. Door kalm, doch ernstig de verstrooiingen te
verzetten,
die gedurende het gebed onzen geest van
God komen aftrekken. Deze kunnen volstrekt onvrij-
leillig
zijn, en geheel voortkomen uit de onbestendigheid
van onzen geest; zij kunnen vrijwillig zijn in hare
oorzaak en voortspruiten uit onze gewone uitgestort-
heid, uit onze groote bezorgdheid omtrent hetgeen
ons overkomt of wat wij te doen hebben; door het
gebrek aan onmiddelijke bereiding vóór het gebed.
Welke ook derzelver oorzaak zij, moeten wij ze zachtjes
verwijderen, door ons meer te doordringen van den
zin der woorden die wij uitspreken, of indien het
gedurende het inwendig gebed is, door met eene zekere
wilskracht eenige akten of woorden te richten tot
God, die naar ons luistert. — Een gebed gedurende
hetwelk de bekoringen, die ons kwellen, worden
verdreven, en zoo dikwijls verdreven worden als zij
terugkeeren, kan een moeielijk gebed en een gebed
zonder troost zijn, doch het is daarom geen gebed
zonder verdiensten.
II.
^C?ij mo&t&n <m<zX ootmozdiafoeid faiddcn.
Deze voorwaarde ligt zoodanig opgesloten in de
natuur van een biddend wezen, dat het nutteloos
schijnt daarop te drukken. Immers het is niet
moeielijk zich klein en gering te gevoelen, als men
denkt aan hetgeen men bij God komt doen.
-ocr page 645-
639
Men komt iets vragen; men is dus ledelaar.
Men komt zijne vergiffenis afsmeeken; men is dus
zondaar.
Men komt de genezing vragen van zie] of lichaam \'r
men is dus ziek.
Men komt bedanken; men is dus schuldenaar.
Men komt aanbidden; men is dus een wezen,
oneindig beneden dengene, dien men aanbidt, een
wezen, dat Hem alles verschuldigd is, dat Hij kan
verpletteren zonder het minste onrecht.
Deze ootmoedigheid moet in den grond des harten
liggen en de gedachten en woorden van het gebed
inboezemen. De gelijkenis van den Fariseër en den
Tollenaar geeft ons de duidelijkste les. Zij moet zich
ook kenmerken door de uitwendige houding van
dengene, die bidt.
Er bestaat zeker geen bepaald voorschrift voor de
houding in het gebed, behalve wanneer deze in openbare
gebeden wordt voorgeschreven; doch geknield bidden
drukt het beste de gevoelens van ootmoed uit, die
ons hart moeten vervullen; geknield vraagt men ver-
geving, geknield smeekt men om ontferming. — Ter
aarde gebogen
drukt nog beter de vernedering uit. De
staande houding drukt eerbied uit. — De zittende hou-
ding is meer huiselijk. — Men moet ziek of gedwongen
zijn het bed te houden, om in liggende houding te
bidden; doch het is altijd op het hart, dat God ziet,
want het is het hart, dat waarde aan het gebed geeft.
Dit gevoel onzer armoede, onzer zwakheid, onzer
ondankbaarheid, van al het afschuwelijke, dat de zonde
in onze ziel heeft gebracht, zet ons bijzonder aan
om onzen toevlucht te nemen tot de Heiligen en bovenal
tot de IJ. Maagd Maria, opdat zij onze gebeden aan
God zouden aanbieden.
Zij zijn de vrienden van God,
-ocr page 646-
640
zij hebben Hem gediend, Hem geëerd; en God die
zonder de minste onbillijkheid ons gebed kan ver-
stooten, kan niet anders dan naar hen luisteren, om
zijne liefde voor hen, en om hunne verdiensten, met
die van Jezus-Christus vereenigd. — Zij zijn goed,
zij zijn barmhartig, zij hebben ijver voor Gods glorie;
en om ons te helpen, onze ziel te redden, zullen zij
ons genaden van bekeering en volharding verwerven
Hoe ootmoediger wij zijn, hoe meer wij ons zelven
wantrouwen, hoe meer wij behoefte gevoelen van
de Heiligen te bidden, bij God voor ons te smeeken
•en onze middelaars te zijn.
III.
fyVij moe-tcn met vztfoouw&n bidden.
Het vertrouwen is de vaste overtuiging, dat God,
•die oneindig goed is
, ons de genaden zal toestaan, die
wij Hem zullen vragen.
Dit gevoel maakt den sterksteu
indruk op het Hart van God; dit gevoel vraagt Jezus-
Christus van al degenen in wier belang Hij een
mirakel doet; want het geloof in zijne Godheid
veronderstelt het vertrouwen in zijne almacht
Het vertrouwen is het gevoel van het beminnend
kind, ten opzichte zijns vaders, en God wordt gaarne
als vader bemind. In het H. Evangelie leert Hij ons,
Hem Vader te noemen; en op eene andere plaats
zegt Hij: Kan eene moeder haar kind vergeten f en
zoo zij het vergat, ik nochtans zal u niet vergeten
(Is. XLIX, 15).
-ocr page 647-
641
Het vertrouwen is het gevoel, dat altijd doel treft.
De onverschilligste voelt zich getrokken tot dengene,
die hem vertrouwen bewijst; de beleedigde zelfs
vergeet, door het vertrouwen, de beleediging hem
aangedaan. Wanneer men tot iemand zegt, ik heb
niemand dan u op deze wereld,
dan hangt men op
volstrekte wijze van hem af, dan verplicht men
hem ons te helpen, of wel men verplicht hem zich
als een boosaardig mensch te gedragen.
Wij moeten hier nochtans bijvoegen, dat dit ver-
trouwen op God omtrent de kracht onzer gebeden
niet zoo ver moet gaan, dat wij met de zekerheid van
geloof
vermeenen, dat wij noodzakelijk deze of gene
bijzondere genade, die wij afsmeeken, zullen ver-
krijgen , omdat wij zonder eene bijzondere openbaring
niet kunnen weten, of al de vereischten van het gebed
vervuld zijn, en of de gunst, die wij vragen, wer-
kelijk dienstig is tot onze zaligheid. Het vertrouwen,
dat tot een goed gebed vereischt wordt, is de over-
tuiging, dat onx gebed stellig verhoord zal worden
, als
wij eene wezenlijk goede zaak vragen en die vragen
gelijk het behoort.
IV.
De volharding is een gevolg van het vertrouwen,
Als ik zeker ben, dat ik verhoord zal worden, zet
ik mijn gebed voort, dan zelfs als ik mij verbeeld,
vergeten of verstooten te worden. — Als ik bemin,
als ik geloof, als ik vertrouw, dan volhard ik, dan
41
-ocr page 648-
642
wacht ik af. — Word ik moede, houd ik op te bidden,
dan bemin ik niet meer, dan geloof ik niet meer,
dan heb ik geen vertrouwen meer.
Indien ik in God, in zijne macht, in zijne wijsheid,
in zijne liefde vertrouw, dan geloof ik dat God goede
en billijke redenen heeft, als Hij mij nog niet verhoort;
wellicht bedroeft het mij, doch ik mor of klaag niet
en ik laat het gebed niet achter. — Ik heb het recht
niet aan God rekenschap te vragen, doch ik geloof
de redenen, die Hij heeft, te begrijpen: Hij wil mijne
liefde en mijn vertrouwen op de proef stellen; Hij
wil mij de genade, die ik vraag, doen waardeeren;
wat ik vraag, zou mij wellicht schadelijk zijn; God
weigert ons niet wat ons dienstig is, doch Hij geeft
het in zijn uur
Herinner u die plaats van het Evangelie, waar
Jezus spreekt van dengene, die des nachts drie brooden
aan zijn vriend komt vragen, die reeds ter ruste was
gegaan; deze weigert op te staan; de andere klopt
en blijft kloppen, hij houdt aan, hij vraagt; en zijn
vriend staat ten laatste op, om een einde aan zijne
lastigheid te maken, en geeft hem brood. Die vriend
is God. Vraagt, zegt Jezus-Christus, en u cal gegeven
worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal
geopend worden. Want al wie vraagt, verkrijgt; en
wie zoekt, vindt; en hem die klopt, zal worden ge-
opend
(Lues XI, 9, 10).
Herinner u nog die zoo treffende bladzijde der
Kananeesche vrouw.
Zij vraagt, zij smeekt; Jezus
antwoordt niets. Zij vraagt nog eens. Jezus verstoot
haar: Ik ben slechts tot de verloren schapen van het
huis van Israël gezonden.
Zij roept nog met meer
vertrouwen en liefde: Heer, help mij! Eeue nieuwe
nog pijnlijker, nog vernederender weigering dan de
-ocr page 649-
643
eerste: Het is niet goed, het brood der kinderen te
nemen en het voor de honden te werpen !
Eene nieuwe
akte van liefde en eene nog nederiger smeekbede,
een nog grooter vertrouweu: Het is waar, Heer, want
de hondjes eten de kruimels, die van de tafel hunner
meesters vallen.
— Nu is Jezus overwonnen. Hij opent
zijn Hart: O vrouw, gfoot is mu geloof; u geschiede
gelijk gij wilt
(Matth. XV, 22 en volg). Ziedaar het
gedrag, dat wij te houden hebben Houden wij nooit
op met God te bidden, nooit, nooit!
V.
fyVij mo&te-n viddzn in den naavn van
Deze voorwaarde wordt door Jezus-Christus zelf
opgelegd: Al wat gij den Vader in mijnen naam zult
gevraagd hebben, ik zal het volbrengen;
en dit is de
liechtste steun van ons vertrouwen.
In naam van Jezus-Christus bidden is met Hem
en door Hem bidden.
1. Ons gebed is, om zoo te zeggen, het onze
niet meer; Jezus schijnt ons te zeggen: Ik zie uwe
behoeften en uwe begeerten, arme ziel; laat rnjj
begaan, blijf getrouw met mij vereenigd; ik weet,
hoe men moet vragen, en ik zal voor u vragen. —
En Hij bidt in ons en voor ons, zijn geest zucht
onophoudelijk ten onzen gunste;
en moet Jezus niet
altijd verhoord worden?
-ocr page 650-
644
2. Ons gebed is geen gebed zonder waarde meer.
Wij komen niet met ledige banden tot God; als
loon der genade, die wij Hem vragen, bieden wij
Hem de verdiensten van zijnen goddelijken Zoon
Jezus-Christus, zijnen dood, zijn lijden, want dat alles
behoort ons; God kan dit offer niet weigeren en bij
gevolg onze gebeden niet versmaden; zijne liefde
voor Jezus-Christus en zijne rechtvaardigheid gedoogen
dit niet; want wij geven Hem meer, oneindig meer
dan wat wij vragen.
De H. Kerk begrijpt deze altijd werkdadige macht
vau het gebed in den naam van Jezus gedaan;
nooit richt zij een gebed tot God zonder te steunen
op de verdiensten van Jezus-Christus. Zij sluit hare
gebeden door de woorden: Per Dominum noslrum
Jesuvi Christum.
Ik vraag U in den naam en door
de verdiensten van Jezus-Christus. Somtijds roept
zij de voorspraak in der H. Maagd Maria en der
Heiligen; zij weet, dat Maria hare gebeden met de
onze vereenigen zal; zij weet, dat Maria machtig is
in den hemel; maar het is altijd op de verdiensten,
op de macht, op de alvermogende bemiddeling van
Jezus-Christus, dat zij hare hoop en de kracht harer
gebeden steunt
Bidden wij dan in , met, door Jezus-Christus. Ver-
eenigen wij elk onzer gebeden met het zijne; Hij zal
voor ons, in ons, met ons bidden. Hij zal voor ons
bidden, omdat Hij onze Middelaar is; Hij zal in ons
bidden, omdat Hij ons Hoofd is; Hij zal met ons
bidden , omdat Hij onze Opperpriester is — Elk gebed
in den naam van Jezus-Christus gedaan is, volgens
den H Augustinus, een soort van schuldbrief, onder-
teekend met het bloed van Jezus-Christus, dien God,
zijn Vader, niet weigeren kan.
-ocr page 651-
645
ede HOOFDSTUK.
XJitvrei\'Vcjsoleii van liet jyebe<l.
Om zelfs maar in het algemeen de uitwerkselen van
het gebed
aan te toouen, zou meu de onfeilbare blad-
zijden moeten overschrijven, welke de Heiligen hebbeu
gewijd aan deze genade aller genaden, gelijk zij die
allen beschouwen.
I.
tMa
e-meene GUtitwcikscizn.
Door het gebed, zeggen de Heiligen, wordt de
macht van God aan den mensch verleend; de uit-
werkselen van het gebed zijn de uitwerkselen van
Gods macht.
Door het gebed wordt de zwakke, de nedergedrukte
ziel opgebeurd, vertroost, versterkt; zij put nieuwe
kracht om te strijden en zich niet te laten overwinnen.
Door het gebed wordt de geest opgewekt; de
moed keert weder; de kracht wordt vernieuwd.
Door het gebed behoudt het zuiver hart zijne
reinheid; het schuldige hart leert blozen, berouw
gevoelen, zijne vlekken uitwisschen.
Door het gebed vestigt de mensch zijn steunpunt
iu God zelf, en kan allen weerstand uittarten.
-ocr page 652-
64G
Door het gebed dwingt de ruensch, dat zwakke
en broze wezen, den Hemel om zijne zaak te ver-
dedigen; hij verdwijnt en stelt God in zijne plaats, God
die zijue beden en verlangens moet verwezenlijken.
Door het gebed keert de mensch den goddelijken
toorn af en bevredigt zijne rechtvaardigheid; hij
behoedt de wereld voor de verdelging; hij sluit de
hel; hij opent den hemel....
II.
c6vjc\'on3e^e fylitww&ïcten van neX acved.
1.     Het gebed vereert God. — Het gebed is eene
oefening van godsvrucht, in de H. Scln-iftuur verge-
leken bij den wierook. Dat mijn gebed tot U opstijge,
zegt de Profeet, als een wierook. Als wij bidden,
getuigen wij onze afhankelijkheid van God. — Wij
erkennen Hem voor den Gever aller gaven, wij stellen
in Hem alleen geheel ons vertrouwen, — wij beschouwen
Hem als onze eenigste toevlucht, onze eenigste steun,
de eenige bron van ons behoud en zaligheid.
2.     Het gebed vertroost. — is iemand moer droevig,
zegt de H.\' Jacobus, dat hij bidde (Ei>. V, 1G). Het
gebed is de vereenising met Jezus, met Jezus ter
dood bedroefd in den hof van Olijven, met Jezus
verraden, verlaten, bespot, gegeeseld, gekruisigd! —
Het gebed is vooral Jezus, die ons troost, Jezus, die
de tranen droogt, Jezus, die met ons weent, Jezus, die
ons ten Hemel wijst....
3.     Het gebed verlicht — Het verspreidt de duis-
ternissen van den geest en geeft ons die kalmte en
-ocr page 653-
647
wijsheid, welke onze ondernemingen onfeilbaar doen
gelukken. Heer, zegde de Profeet, doe mij den weg
kennen
, dien ik moet bewandelen. Geheel het geheim
des levens ligt in dit gebed, zegt Mgr. Landriot:
zijn weg kennen is weten, wat men hier beneden moet
gelooven , wat men moet hopen en betrachten, wat
men moet doen, opdat dit leven werkelijk het voor-
portaal des hemels zij. Ziedaar wel de mensch en
zijn geheele leven. Maar God alleen kan iildus het
leven verlichten en het doordringen door die levendige
klaarheid, die den waren weg aantoont, omdat God
het zuivere licht is, dat niets kan verduisteren.
Bidden is God naderen, is zijn licht ontvangen, is
in deszelfs stralen wandelen.
4. Het gebed heeft eene beioorulerenswaardige
vruchtbaarheid.
»Ieder woord van mijn gebed langzaam en godvruchtig
uitgesproken,
vooral wanneer het een gebed der H. Kerk
is, is een straal, waarmede ik de uitwendige glorie van
God vermeerder, — en de engelen zien in den Hemel
God als door eene verrukkelijker schoonheid omgeven.
Ieder woord van mijn gebed, langzaam en god-
vruchtig uitgesproken
, is eene eerboete, waardoor ik
eene godslastering herstel.
Ieder woord van mijn gebed houdt eene straf des
hemels terug, door zich tusschen Gods rechtvaardigheid
en den zondaar te plaatsen.
Ieder woord trekt uit het Hart van Jezus eene bijzon-
dere genade af o ver de ziel eener zieltogende of o ver eene
ziel, die op het punt staat eene doodzonde te bedrijven.
Ieder woord verzacht het lijden eener ziel in het
vagevuur.
Ieder woord doet het Hart der H. Maagd Maria
met nieuwe vreugde trillen, want zij verheugt zich
-ocr page 654-
648
altijd, wanneer Zij haren Zoon geloofd, geëerd, be-
mind, verheerlijkt ziet.
Ieder woord van mijn gebed, langzaam en god-
vruchtig uitgesproken
, is als een stalen schakel, dien
ik rond mijne ziel vlecht, aldus een schild vormende
dat haar omringt en behoedt, niet tegen de slagen
en bekoringen, maar tegen de wonden, die haar
zouden verzwakken en doen sterven.
Daarom gevoel ik mij daarna versterkt, en ga ik
zonder vrees dien strijd te gemoet, dien ik alle uren
te leveren heb tegen de traagheid, den hoogmoed, de
begeerlijkheid, de zinnelijkheid, de baatzucht, het
tegenspreken.
Ieder xooord van mijn gebed, langzaam en god-
vruchtig uitgesproken
, is ook een beschermende schakel,
waarmede ik de ziel kan omringen van degenen,
die ik lief heb.
O welk eene vreugde, te mogen denken dat, terwijl
ik bid, ieder woord een schild gaat vormen rond mijn
vader, mijne moeder, mijne vrienden, wier bekoringen
en beproevingen daardoor minder wreedelijk zullen
gevoeld worden!
Ieder woord, is een druppel balsem, dien ik laat
vallen op een lijdend hart, op een hart, dat ik misschien
gewond heb en niet rechtstreeks vergeving durf vragen.
Hoe kalm en rustig durf ik hem glimlachend onder
de oogen treden; ik heb immers de wonde, die ik
geslagen had, weder genezen.
Ieder woord van mijn gebed is als eene gloeiende
en weldadige vonk, die zoetjes het hart doordringt van
dengene, met wien ik eene zaak te bespreken heb.
Daarna kan ik gerust tot hem naderen; onder den
goddelijken invloed, die hem buiten zijn weten door-
dringt, zal hij rechtvaardig, goedhartig, toegevend zijn.
-ocr page 655-
G49
Ieder woord van mijn gebed, langzaam en god-
vruchtig uitgesproken, is een stuk geld, dat mijn
engelbewaarder bij God brengt ter voldoening mijner
talrijke zonden; en hoe langer ik bid, hoe godvruchtiger,
hoe vuriger ik bid, hoe meer dit mijne schuld bij
God afkort... En na mijnen dood zal ik ze alle
bij God zien , al die woorden van mijn gebed, als
zoovele schitterende paarlen, die mijne onsterfelijke
kroon zullen vormen.
leder woord van mijn gebed, langzaam en god-
vruchtig uitgesproken, is als een geheimzinnig weefsel,
dat, ik weet niet hoe, doch ik weet het met zekerheid,
datgene wat gisteren in mijn werk verkeerd was,
gaat herstellen, — dat die uren bij elkander gaat
brengen, die ik door een schuldig tijdverlies gescheiden
had, — dat die twee harten gaat hereenigeu, die ik door
een onvoorzichtig woord van elkander vervreemd had.
Ieder woord van mijn gebed, langzaam en god-
vruchtig uitgesproken, is eene uitboezeming van liefde,
van hoop, van vreugde, van angst, die ik ten hemel
richt, waarop een ander woord, een woord uwer
liefde, o mijn God, zal antwoorden.
O gij, die uw hart getroffen gevoelt, wanneer
gij een ziek of beangstigd kind het woord moeder
hoort uitroepen, begrijpt gij dan niet, wat er omgaat
in het hart van uwen hemelschen Vader, als eene
bedroefde en liefdevolle ziel Hem toeroept: Mijn God!
5. Het gebed maakt ons gelukkig. Wij zouden
hier de Heiligen moetea laten spreken. Welke zalving
bevatten die bladzijden, welke zij geschreven hebben
over die innige vereenigiug, die het gebed tusschen
God en hunne ziel gevestigd had! Het is het kind
met zijne moeder, de arme, doch beminnende en
dankbare vriend met zijnen rijken en machtigen vriend.
-ocr page 656-
650
die hem met weldaden overlaadt, die nimmer moede
wordt te geven, terwijl de arme nooit moede wordt
te danken. — Het is de innigste, de vruchtbaarste,
de nauwste vereeniging, die tusschen twee zielen bestaan
kan. — Het is het vergeten der aarde, der wereld,
des lichaams, der smart, het vergeten van al wat
menschelijk is. — Het is de ontrukking aan al wat
aardsch is. — Het is het zien van God, het gevoelen
van God, de vrede van God, het genieten van God.
Wij voegen hier niets meer bij. Het geluk van het
gebed laat zich aantoonen, doch niet verhalen. Het
wordt gevoeld door die zielen, die zich als iu het gebed
hervormd hebben, die geheel gebed zijn. Gelukkig
zij! In de kloosters zijn het geene zeldzaamheden;
doch door hoeveel beproevingen zijn zij geleid, alvorens
zoover te komen!
7de HOOFDSTUK.
B\\jzon<lerste vormen van liet gebe«1<
I
Dit is het verhevenste aller gebeden, de zon der
geestelijke oefeningen,
gelijk de Heiligen dit noemen.
Het heiligdom, waar de heilige Mis wordt opgedragen,
is het vereenigingspunt van al de zielen, die God
komen loven , danken, aanbidden, om ontferming en
vergiffenis smeeken.
-ocr page 657-
651
Het altaar is de plaats, waarop de engelen die
smeekschriften, die dankbetuiging, die hulde neder-
leggen. — Het uur der H. Mis is het uur, waarop Jezus
nederdaalt, al die geschriften in handen neemt, met
zijn bloed onderteekent en aan zijnen hemelschen
Vader aanbiedt.
Het bijwonen der heilige Mis is het grootste
geluk des levens. Daar bidt Jezus; Hij vernedert
zich voor zijnen Vader, Hij aanbidt Hem; en wij
met deze vernedering en aanbidding vereenigd,
verschaffen aan God meer eer dan Hij in den Hemel
ontvangt door al de engelen en heiligen te zamen;
want deze zijn slechts schepselen en bijgevolg is
hunne hulde begrensd, terwijl in de H. Mis het
Jezus-Christus is. die zich vernedert, Jezus, wiens
verdiensten oneindige waarde hebben. 0 hoe zwak
en ellendig ik ook moge zijn, ben ik toch verzekerd,
dat ik gedurende de H. Mis de glorie van God
bevorder. Daar bidt Jezus; en zijn gebed voldoet
de rechtvaardigheid zijns Vaders, door onze zonden
vergramd; en wij, met dit zoenoffer vereenigd, geven
aan God door eene enkele H Mis meer voldoening
dan al de martelaren door hun bloed en al de
boetvaardigen door hunne gestrengheden. — Na eene
wel gehoorde Mis mag men gerust de H Absolutie
aan den priester gaan vragen; de H. Mis heeft ons
tot de vergiffenis bereid.
De H. Mis wischt onze zonden uit, niet gelijk
het Doopsel en de sacramenteele Absolutie, die
onmiddelijk aan wel bereide harten de genade terug-
geven , doch door ons werkelijke genade te verkrijgen,
die ons bereiden tot een heilig gebruik der middelen
van verzoening, ons door Gods barmhartigheid aan-
geboden. Dit deed eene ziel, die over hare zonden
-ocr page 658-
652
beangstigd was, deze woorden zeggen : Mijn God,
heb geduld tot morgen; als ik de II Mis zal ge-
hoord hebben
, zal ik niet meer vreezen , dat gij mij
in uioe gerechtigheid zult treffen.
Daar bidt Jezus, en zijn gebed dankt God voor
al het goede, voor al de weldaden aan de wereld
bewezen; wij vereenigen ons met die dankzegging,
en zijn zoo gelukkig, aan God een offer te kunnen
geven, dat oneindiglijk de waarde overtreft van al
wat Hij ons gegeven heeft en nog zou kunnen geven.
Na eene wel gehoorde Mis mag de ziel zeggen: Ik
heb God alles afbetaald.
En zij gevoelt zich gelukkig,
God te hebben kunnen danken; doch daar zij nog
elk oogenblik ontvangt, tracht zij ook voortdurend
te danken en zoekt zooveel mogelijk de H. Mis
bij te wonen.
Daar bidt Jezus, en zijn gebed wordt altijd verhoord.
Jezus beveelt onze belangen aan zijneu Vader; Hij
maakt zich onzen Middelaar; wij moeten ons slechts
met Hem vereenigen, Hem al onze begeerten en
verlangens, hoe groot zij ook zijn, toevertrouwen,
en.... in vrede afwachten. O indien wij wisten, dat
de Heilige Maagd hare gebeden met de onze vereenigt,
zouden wij dan de minste ongerustheid omtrent de
verhooring onzer gebedeu gevoelen? zouden wij ons
niet verzekerd houden, dat wij zouden verhoord
worden op dien tijd, die het nuttigst is voor onze
ziel? — Gedurende de H. Mis is het niet alleen Maria
die bidt en voor ons ten beste spreekt, maar Jezus.
Het gebed, dat wij gedurende de H Mis doen, is
geen louter menschelijk gebed; het is geheel door-
drongen , geheel vervuld met de heiligheid van Jezus;
het wordt een goddelijk gebed; want het is een en
hetzelfde gebed met dat van Jezus, den Zoon Gods.
-ocr page 659-
653
O zalig Misoffer, roept de H. Leonardus van Porto
Mauritio uit, o zalig Misoffer, bron van zooveel heil!
hoe zouden wij niet vurig verlangen dagelijks daarbij
tegenwoordig te zijn! — Als ik niet meer weet, hoe
eene bedroefde ziel te troosten, zeg ik haar: Ga
naar de II. Mis.
II.
De Kruisweg is het gebed, waaraan de meeste Aflaten
gehecht zijn, en dat ons tevens het levendigst al de
liefde en het lijden van het Hart van Jezus doet gevoelen.
De Kruisweg is het gebed, dat ons het beste kan
troosten, dat ons het beste leert de ondankbaarheid,
de vergetelheid, de onrechtvaardigheid der menschen
te verdragen; daarom wordt dit gebed zoo bemind
door degenen die lijden, wier hart door droefheid
verscheurd wordt.
De Kruisweg is het krachtigste gebed om de zondaars
op het pad der deugd terug te brengen, de lauwe
zielen op te wekken en aan te vuren, — de volmaakte
tot de heiligheid te brengen. Uit de wonden van
Jezus stroomt onophoudelijk eene kracht, welke zich
verspreidt over degenen, die ze met de meeste gods-
vrucht vereeren.— De oefening van den Kruisweg,
zegt de Grel. Leonardus a P. M., kan eene geheele
gemeente of parochie heilig maken.
De Kruisweg is een treffend beeld van ons leven.
Wij allen gaan naar een meer of minder verwijderd
-ocr page 660-
654
Calvarië. Bij de eerste Statie worden wij ter dood
veroordeeld; bij de laatste worden wij in het graf
gelegd. Tusschen die beide uitersten, hoeveel lijden,
hoeveel beproeving, hoeveel strijd, helaas! hoe menige
val! Dit zijn de tusschenstatiën van onzen pelgrims-
tocht. De verschillende Statiën van onzen Verlosser
leeren ons, hoe wij ons in de onze behooren te
gedragen , hoe wij moeten verdragen , gehoorzamen ,
opstaan, als wij vallen, zwijgen, als wij gehoond
worden. Zijn stilzwijgen spreekt tot ons, zijne smar-
teu verteederen ons, zijn geduld bedaart ons, zijne
liefde overwint ons. De religieuze zal, als zij slechts
wil, bij elke Statie lessen en aanmoediging vinden
voor eiken toestand harer ziel. Gelukkig de zielen,
die gaarne den Kruisweg volgen.
III.
Dit gebed is eene aaneenschakeling van oefeningen
van lof, van vertrouwen, van liefde, eene aanéén-
schakeling van verzuchtingen tot Maria gericht, tot
Maria, die glorierijke Moeder van God, die ons aller
Moeder is, en door God gesteld is tot toevlucht der
zondaars, tot bijzondere beschermster der religieuzen,
tot patrones van een zaligen dood.
Het Rozenhoedje is het gebed, boven alle gebeden
bemind door alle religieuzen. Zij gevoelen als door
een goddelijk instinkt, dat dit gebed, dat zich zoo
gemakkelijk laat bidden in alle tijden, in alle om-
standighedeu, in eiken toestand, — dat gebed, dat men
-ocr page 661-
655
kan verlengen, verkorten, afbreken, — dataltijd binnen
bet bereik ligt, om al de minuten te vullen tusschen
de verandering der werkzaamheden, of der plaatsen,
zij gevoelen dat dit gebed haar schild, haar toevlucht,
haar geluk uitmaakt. Daarom is er geene enkele reli-
gieuze, die niet dagelijks haar rozenhoedje bidt; vele
zelfs bidden dagelijks een rozenkrans.
De rozenkrans herinnert door deszelfs uitwendigen
vorm aan dien onzichtbare» keten, die ons aan Maria
en door Maria aan Jezus hecht; de religieuze draagt
haren Rozenkrans steeds zichtbaar voor aller oogen;
zij wil hem zien, hem toonen aan iedereen; zij wil,
dat de geheele wereld wete, dat zij Maria toebehoort.
Wij behoeven aan de religieuze geene liefde voor
haren Rozenkrans in te boezemen; zij bemint dien,
zooals wij reeds zegden, meer dan elk ander mond-
gebed: haar Rozenkrans en haar kruisbeeld vergezellen
haar altijd; zij wil die bij zich hebben des nachts,
zij wil die bij zich hebben op haar sterfbed, zij wil
die mede nemen in haar graf.
IV.
3fet \'Geöoe-fl aan net Jf. Saczament.
Is het noodig der religieuze het bezoek aan het
H. Sacrament
aan te bevelen?
Is zij dit dagelijksch bezoek niet verschuldigd aan
Jezus, die voor haar alles is, haar Bruidegom, haar
Vader, haar Broeder, haar Vriend, haar Middelaar
bij God?
-ocr page 662-
656
Tot wien zou zij gaan in hare moeielijkheden, in
haar lijden, haar gewetensangst, in den kommer door
hare bediening veroorzaakt, in de zielsangsten, die
zoo dikwijls haar leven komen bestormen? Tot wien
zou zij gaan dan tot Jezus? Wien kan zij haren
nood klagen zooals aan Jezus ? Wie kan haar troosten,
raden, verlichten , geleiden, versterken, beminnen
als Hij?
I. Het H. Sacrament is zeker voor alle geloovigen ,
doch bijzonder voor de religieuzen, de bron van alle
goed, van allen troost, van alle hoop!
Het H Sacrament is Jezus niet ons, bij ons, voor
ons levende; Jezus even machtig, even goed, even
barmhartig als in de dagen van zijn sterfelijk leven.
De Apostelen, de H. Maagd Maria zelfs hadden
niets meer dan wij. Maria zag, zij bezat haren Jezus
op eene onuitsprekelijke wijze; doch dezelfde Jezus
die hare vreugde uitmaakte, is ook de onze. Vragen
wij Maria, dat zij ons, gelijk eenige bevoorrechte
zielen, geheel doordringe door het heilig Sacrament
van liefde. Wanneer men, zegde eene dezer, Jezus
waarlijk bij zich heeft, Jezus wien men alles kan
toevertrouwen, alles vragen, dan kosten de deugd,
de moeielijkste oefeningen, de hartverscheurendste
opofferingen ons niets meer. Jezus is voor het hart
eene deelnemende Vriend, voor de ziel een Bruidegom,
die zich met alles belast; het is God in ons levende,
in ons werkende, alles voor ons doende.
Wij schrijven hier het gebed van den H. Thomas
van Aquinea
over, zoo vol kracht en zalving.
O Gij, die mij zoo teeder bemint, Jezus hier waarach-
tig tegenwoordig, verborgen God, hoor mijn smeeken.
Dat uw wil de mijne, mijne vurigste begeerte,
mijne liefde zij! Geef mij de genade, dien te zoeken
-ocr page 663-
657
te vinden en te vervullen. Toon mij uwe paden,
geleid mij op uwe wegen. Gij hebt uwe plannen
met mij, deel ze mij mede en geef mij de genade
die te volgen tot mijn jongsten snik. Geef dat ik,
onverschillig voor alles wat voorbij gaat, slechts U,
U alleen zoekende, alles beminne wat U toebehoort,
doch U vooral, o mijn God! Maak mij elke vreugde
bitter buiten U, elke begeerte onmogelijk buiten U,
elk werk voor U zoet, elke rust buiten U ondragelijk,
Dat ieder oogenblik mijne ziel hare vlucht tot U
neme; dat mijn leven slechts ééne akte van liefde
zij! Doe mij gevoelen, dat ieder werk dat U niet
vereert, een dood werk is. Dat mijne godsvrucht
geene gewoonte, maar een gedurig streven mijns
harten zij!
O Jezus, mijne zoetheid en mijn leven, geef dat
mijne nederigheid geene geveinsheid, mijne vreugde
geene uitgestortheid, mijne droefheid geene moede-
loosheid, mijne gestrengheid geene hardvochtigheid
zij! Geef dat ik spreke zonder omwegen, vreeze zonder
wanhoop, hope zonder vermetelheid, leve zonder
*met, berispe zouder drift, beminne zonder valschen
schijn, stichte zonder praalvertoon, gehoorzame zonder
tegenspraak, lijde zonder morren.
O Opperste Goedheid, o Jezus, ik vraag U een
hart, dat zoodanig door U vervuld zij, dat gezicht
noch gehoor het van U aftrekke; een getrouw en edel
hart, dat nooit wankele, zich nooit verlage; een
\'moverwinbaar hart, altijd gereed na eiken storm den
strijd te hervatten; een hart dat, altijd vrij, zich
nooit late verleiden, zich nooit verslave; een recht-
\'innig hart, dat nooit kromme wegen bewandele.
Ku mijn geest, o Heer, dat mijn geest U nimmer
niskenne, U met vurigheid zoeke, en U, de Opperste
42
-ocr page 664-
658
Wijsheid vinde; dat zijn onderhoud U niet mishage;
dat hij in kalmte en vertrouwen uw antwoord afwachte
en beruste op uw woord! Moge de boetvaardigheid
mij de doornen uwer kroon doen gevoelen! Moge
uwe genade hare gaven uitstorten op den weg van
mijn ballingschap! Moge de glorie mij in het vader-
land met uwe vreugde overstroomen. Amen.
II. Het H. Sacrament doet ons levendiger de
liefde van het H. Hart van Jezus gevoelen, en den
invloed, welke deze godsvrucht op het leven der
religieuze heeft.
Het is vooral in de tegenwoordigheid van Jezus,
dat men de kracht gevoelt der beloften, gedaan aan
de zielen, die Jezus heilig Hart zijn toegewijd.
Beloften gedurende het leven , die genade verzekeren
voor de groote zaak der zaligheid en zelfs voor het
welslagen der tijdelijke ondernemingen, — beloften
van vrede, van vreugde, van kracht, van troost, —
genaden van berouw en vergiffenis voor de zondaars,—
genaden van volmaaktheid en volharding voor de
godvruchtige zielen.
Beloften in het uur des doods. Jezus-Christus zegde
uitdrukkelijk, sprekende van de zielen aan zijn H. Hart
toegewijd: Ik zal haar een veilige toevlucht zijn,
vooral bij haren dood. Een toevlucht tegen den
duivel, die krachtige pogingen zal inspannen om
de ziel te verleiden en voor alle eeuwigheid in het
verderf te storten; — een toevlucht tegen de vree*
voor den dood en den angst voor de eeuwigheid,
die het offer van het leven, edelmoedig aan God
gebracht, zouden belemmeren, — een toevlucht tegen
de gestrengheid van Gods oordeelen.
Beloften na den dood. Zij verzekeren ons den hemel.
Zij, die deze godsvrucht zullen beoefenen en verspreiden,
-ocr page 665-
659
zegt Jezus-Christus nog tot de zalige Margaretha
Maria, culten haar vaam geschreven hebben in mijn
Hart, en hij zal er nooit uitgewisc/it worden.
Verlaat dus nooit het altaar, waar Jezus-Christus
rust, zouder het H. Hart van dien goeden en aan-
biddelijken Zaligmaker te hebben aanbeden, geloofd,
gezegend, gedankt en als eenig voorwerp uwer liefde
te hebben gekozen.
V.
5)e <je$e3en tot den It. &o&e,t.
De godsvrucht tot den H. Jozef volgt altijd de
godsvrucht der H. Maagd op den voet, gelijk deze
altijd de godsvrucht tot Jezus-Christus volgt.
Iedere religieuze gevoelt voor den H. Jozef een
bijzonder vertrouwen; zij begrijpt, en met goede
reden, dat hij, die Jezus en Maria beschermde en
met zooveel zorgvuldigheid voorzag in de behoeften
der H. Familie, ook haar zal beschermen en in hare
behoeften zal voorzien. Elke religieuze gemeente is
immers eene Heilige Familie.
Het beeld van dien Heilige heeft voor haar iets
zoo vaderlijks, zoo goed, zoo bemoedigend, dat zij
tot hem gaat als tot een hooggeachten Vader, en
hem al hare behoeften, zelfs hare tijdelijke behoeften
durft bloot te leggen. Gij zult dus ook den voedstervader
van Jezus bidden, dien zoo liefdevollen beschermer
-ocr page 666-
660
der H. Maagd. Het grootste voordeel der godsvrucht
tot den H. Jozef, zegt de H. Thomas, is dat zij
de liefde voor Jezus en Maria in ons vermeerdert.
Niemand heeft hem meer bemind, niemand verlangt
vuriger aller harten aan hunne zoete heerschappij
onderworpen te zien. Zoodra eene ziel zich aan den
H. Jozef overgeeft, geleidt hij haar tot Jezus en
Maria, en boezemt haar dezelfde gevoelens in,
als die, waarmede hij vervuld is.
VI.
©e SVLeditattc.
Wij  zullen hier aantoonen:
1°.    De natuur der meditatie.
2°.    De noodzakelijkheid der meditatie.
3°.     De uitwerkselen der meditatie.
4°.    De wij se van te mediteer en.
5°.    Aanmerking omtrent de verschillende trappen
van het gebed.
A.
Natuur der Meditatie.
Door de meditatie of het inwendig gebed verstaat
men den vriendschappelijken, innigen omgang met God,
waarin de ziel zich met God onderhoudt om Hem
hare hulde te bewijzen
, — hare behoeften aan Hem
mede te deelen
, — steeds beter te worden ter zijner eer.
-ocr page 667-
661
I.     De meditatie is bet innig verkeer met God.
Deze woorden toonen ons de grootheid, de verhevenheid
van het inwendig gebed. Dit gebed is het leven des
hemels.
In den bemel verkeeren de engelen en
heiligen vriendschappelijk met God, zij zien God, zij
beminnen God, zij worden niet moede Hem te zien,
te beminnen, Hem hunne liefde uit te drukken. Zij
zijn in een voortdurend gebed. Reeds op deze aarde
neemt de ziel deel in dit hemelsch leven, wanneer
zij het inwendig gebed doet. Het is dan of er niemand
meer in de wereld is dan God en zij, de ziel vergeet
ten minste voor eenige oogenblikken alle geschapen
wezens en God is haar genoeg. Zij leert het
hemelsch leven kennen God, in zijne barmhartige
toegevendheid, is altijd gereed ons te ontvangen. Wij
behoeven slechts te zeggen: Mijn God, en reeds is
Hij daar en luistert naar ons. Hoe goed is God,
niet waar? Hoe zouden wij ons bij Hem niet gelukkig
gevoelen? Hoe zouden wij, blozende over de gemak-
kelijkheid, waarmede wij toegang tot Hem vinden,
ons niet haasten, ons door eene oprechte akte van
berouw van onze fouten te zuiveren!
Begrijpen wij toch wel van het begin af deze
woorden: het inwendig gebed is een innig vriendschap-
pelijk verkeer met God;
het is het kind, dat tot zijn
Vader, de bruid, die tot haren Bruidegom, de vriend, die
tot zijnen Vriend, een bemind wezen uit liefde geschapen
tot den Schepper, die het boven alles lief heeft, spreekt:
innig vriendschappelijk verkeer, voegt de H. Theresia
er bij, waarbij de ziel zich met God alleen onderhoudt,
en niet moede wordt hare liefde te betuigen aan dengene
door wien zij weet, dat zij op hare beurt bemind wordt.
II.     De meditatie heeft ten doel, God onze hulde
te bewijzen.
-ocr page 668-
6G2
Onze eerste plicht aan God verschuldigd is de aan-
bidding.
Is het niet billijk, wanneer wij God naderen,
Hem te groeten door al de titels, die Hij ons wel
heeft willen doen kennen? Hij is ons licht, onze
trooster, onze kracht, onze steun, onze beschermer,
ons voedsel, ons leven. Al zouden wij slechts deze
titels langzaam achter elkander herhalen, zou dit
eene zeer godvruchtige, heilige, nuttige oefening zijn. —
J)it is de meditatie.
De tweede plicht, dien wij God schuldig zijn, is Hem te
loven.
Is het wederom niet billijk, God te loven, als wij
Hem naderen ? Hij is de opperste schoonheid, de opperste
wijsheid, de opperste heiligheid. Hij is de ouuitputhare
barmhartigheid, de goedheid, die zich nimmer verloo~
chent, Hij is onmeetbaar, Hij is alom tegenwoordig, Hij
ziet alles, Hij kent alles, hij onthoudt alles; Hij is
eeuicig, oneindig, Hij bezit alle volmaaktheden. — Al
zouden wij achter elk dezer volmaaktheden slechts
deze woorden van het Gloria in Excelcis herhalen:
Wij loven U, wij zegenen U, wij verheerlijken U:
zou dit reeds eene zeer nuttige, zeer godvruchtige
oefening zijn. — Dit is de meditatie.
De derde plicht aan God verschuldigd is de danh-
baarheid.
Is het al wederom niet billijk, als wij
tot God naderen, Hem te bedanken ? O werpen wij
een blik op onsgeheeleleven: genade van het H. Doopsel,
genade eener christelijke opvoeding, genade der eerste
H. Communie, genade van behoeding, genade van
bekeering, van roeping, — genade voor den geest,
voor het hart, voor de ziel, voor het lichaam; genade
voor onze ouders, voor allen, die ons dierbaar zijn,
al zouden wij niet anders doen dan , na het opsommen
dezer algeir.eene genaden, waarbij ieder nog zoovele
bijzondere zal kunnen voegen, telkens herhalen: »lk
-ocr page 669-
663
dank U, mijn God," dan zou deze oefening zeer
godvruchtig, zeer nuttig en heilig zijn. Dit is de
meditatie
De vierde plicht, dien wij aan God verschuldigd
zijn, is het offer van ons-celven. — Is het niet billijk,
als wij God naderen, ons te herinneren , dat wij door
onze geloften ons geheel aan Hem hebben opgedragen
om ons ter zijner beschikking te stellen, opdat Hij
met ons doe wat Hem behaagt?
Hij is mijn Meester; — Hij heeft dus het recht,
mij zooveel en zoolang te laten werken als Hij goedvindt.
Hij is mijn Geleider;— Hij heeft dus het recht,
mij te geleiden, waar Hij wil.
Hij is mijn Bestuurder; — Hij heeft dus het recht,
van mij te eischen, wat Hij zal willen.
Hij is mijn Vader; — Hij heeft dus het recht, mij
te geven en te weigeren, wat Hij zal willen.
Ik ben zijne dienstmaagd, zijne bruid, zijne dochter,
zijne slavin, zijn slachtoffer. Ik behoor Hem geheel
toe. Al zouden wij na al deze titels slechts herhalen,
Heer, zie mij hier, tot alles bereid; zou dit zeker
eene zeer godvruchtige, nuttige oefening zijn. Dit
is de meditatie.
III. De meditatie heeft ten doel, God, onze behoeften
te doen hennen.
— Welk een uitgestrekt veld van
behoeften vertoont zich voor onze oogen!
O mijne arme ziel, gij knielt daar voor uwen zoo
rijken en machtigen God, — voor uwen zoo barm-
hartigen en goeden Vader, — voor uwen zoo wijzen en
bekwamen geneesheer, — voor uwen zoo verlichten,
zoo voorzichtigen raadsman, — vraag, o vraag dan toch.
Vraag voor u, — uwe gemeente, — voor uwe fami-
lie, — voor uwe Overste, — voor uwe zusters, — voor
degenen, die u het dierbaarst zijn, — voor die u leed
-ocr page 670-
664
gedaan hebben, — vraag voor uwen biechtvader, —
voor de priesters, — voor de H. Kerk, — voor de
arme zondaars.
Bid God, datgene te herstellen wat uwe nalatig-
heid, uwe onvoorzichtigheid gisteren in wanorde heelt
gebracht, — die zusters tot u terug te voeren, die uw
gebrek aan minzaamheid en ootmoed van u verwijderd
heeft, — u ter hulp te komen in die bediening, die
u zoo zwaar valt, — u een weinig kracht, moed en
gezondheid te geven, — vraag aan God licht in deze
moeielijke zaak, meer vrede en meer ijver om meer
goed te kunnen doen. En naarmate gij vraagt, moet
ge ook beloven, beter te bidden, beter te werken,
beter te verdragen.
Zou het uur der meditatie ons niet zeer kort
toeschijnen, dan zelfs als wij niets deden, dan God
onze behoeften mededeelen?
IV. De meditatie heeft ten doel, ons heter te doen
worden voor Gods meerdere glorie.
Ziedaar het doel dat men zich moet voorstellen.
1.     Beter worden wil zeggen: zachtmoediger in
onze betrekkingen met onze omgeving, — vlijtiger in
het vervullen onzer plichten, — ijveriger om God te
doen kennen en beminnen, — geduldiger in het
aannemen van ons leven gelijk het is, met deszelfs
moeielijkheden en teleurstellingen, — meer vereenigd
met God, meer onderworpen aan zijnen heiligen Wil,
meer van liefde bezield voor het Heilig Sacrament
2.   Voor Gods meerdere glorie. Neen, niet om gezien,
niet om geacht, niet om gewaardeerd te worden,
zelfs niet om tevreden in zijn hart te zijn en den
vrede te bezitten, moet men trachten, steeds beter
te worden, maar om God te behagen, God te ge-
hoorzamen, God te doen beminnen en verheerlijken.
-ocr page 671-
665
En daarom moeten wij in die gelukkige oogenblikkerr
dat God ons gehoor gelieft te verleenen, onze onacht-
zaaniheid, onze moedeloosheid, onze fouten erkennen,
ons vernederen, vergeving vragen, en Gods icijsheid
bidden in ons te komen, Gods barmhartigheid in
ons te verblijven, Gods kracht in ons te werken.
Ziedaar de natuur der meditatie. — Is zij niet iets
groots, iets heiligs, iets zeer nuttigs?
15.
Noodzakelijkheid der Meditatie.
I. Voor alle mensc/ien in het algemeen is de
meditatie, op de voorgeschreven wijze en geregeld
verricht, niet volstrekt noodzakelijk ter zaligheid;
het gebed in het algemeen is voldoende, maar het
is nochtans waar, dat met het mondgebed alleen de
zaligheid moeielijker wordt.
De meditatie is een licht, dat ons de geboden Gods
duidelijk vertoont in derzelver omstandigheden, hoe
zwaar zij verplichten en welke hinderpalen zich tegen
het nakomen derzelve verheffen; — zij toont het af-
schuwelijke der zonde, en doet, om zoo te zeggen, de
gestrenge straffen reeds gevoelen die haar zijn voor-
behouden ; — zij toont de ijdelheid der ondermaan-
sche zaken, de schoonheid der deugd en hare eeuwige
belooning.
De meditatie is eene kracht, welke door de genade,
die zij op zich trekt, aan de verleiding der harts-
tochten doet wederstaan; — neiging tot onaf hankelijk-
heid, eerbejag, genot, haat, plichtverzuim. — Zonder
meditatie wordt men bijna noodzakelijk medegesleept.
De geheele aarde is verwoest, zegt de H. Geest, omdat
-ocr page 672-
660
niet» and nadenkt. Hetisnietnoodig,zegtdeH.Theresia,
dat de duivel degenen, die de meditatie verzuimen in
de hel stoot, zij gaan er van zelf in. » Hij die de eeuwige
waarheden niet ovenoeegt
," zegt de H. Alphonsus,
ukan zonder mirakel niet als christen leven."
II. Voor de personen, aan God toegewijd, is de
meditatie volstrekt noodzakelijk om haar in Gods
genade en in eene verdienstelijke vervulling harer
plichten te doen volharden. »l)oor het gebed, zegt
de H. Alphonsus, zijn de heiligen heilig geworden." —
Zonder het inwendig gebed, geen inwendig leven;
zonder inwendig leven, weinig of geen begrip der
goddelijke zaken, en dientengevolge verlies van tijd
en verdiensten, zwakheid der ziel, twijfelachtige ge-
woonten op den weg der heiligheid, volharding in de
fouten, gevoelige verslapping in de werken van ijver
en gehoorzaamheid, algemeeue verveling, berooving,
van den troost en de vreugde van het religieuze leven.
Het inwendig gebed geeft aan de religieuzen een
diep gevoel der heilige zaken, en als een geheime
erkenning der bovennatuurlijke dingen; zij zien in
de boeken, in de gebeurtenissen, in de personen,
dingen, die zij er vroeger niet in zagen en welke zij,
die geen inwendig gebed doen, er ook niet in zien.
Er is een merkelijk onderscheid in het leven eener
religieuze, die zich met alle zorg toelegt haar inwendig
gebed goed te doen; haar karakter wordt gewijzigd,
haar oordeel juister, hare woorden beter geplaatst.
God zal nooit iets goeds uitwerken door eene ziel
die niet gewoon is dagelijks niet Hem te verkeeren.
liet inwendig gebed nalaten, zegt de H. Theresia,
is de deur sluiten, waardoor Gods genade tot ons
komt; en als men deze deur sluit, weet ik niet hoe
die genade tot ons moet komen.
-ocr page 673-
667
Het leven der religieuzen, zegt de H. Liguori,
moet een leven van gebed zijn. Moeielijk, beter gezegd
volstrekt onmogelijk, kan eene religieuze, die het
inwendig gebed niet bemint, eene goede religieuze
zijn. Ziet gij dus eene lauwe religieuze, zoo zeg:
zij doet geen inwendig gebed; en gij zegt de waarheid.
De duivel tracht der religieuze den smaak voor de
meditatie te doen verliezen; als hij hierin slaagt, is
hij weldra meester van hare ziel.
JII. Indien men ons vraagde: wat is beter, het
inwendig gebed of de IJ. Communie?
zouden wij met
de geestelijke leeraars antwoorden: het inwendig
gebed.
— Dit antwoord, aldus gegeven in een werkje
door verscheidene bisschoppen goedgekeurd, wordt
op deze wijze bewezen:
Het gebed wordt door den H. Paulus voorgeschreven
als eene voorbereidende gesteltenis tot de H. Communie.
Dat de mensch zieh-zelven beproeve, zegt hij, alvorens
dit. brood te eten en dezen kelk te drinken;
en hoe
kunnen wij ons-zelven kennen, beproeven en onze
getrouwheid onderzoeken dan door het gebed?
Het gebed bereidt de ziel tot de H. Communie,
en bewaart de vrucht der H. Communie. Eene Com-
munie zonder voorbereiding en zonder eenige dank\'
zegging,
beide verricht in de ingekeerdheid van het
gebed, zal de ziel weing nut aanbrengen.
Nergens lezen wij in de H. Schrift: Communieeer
dikwijls en gij zult niet zondigen;
terwijl de H. Geest
uitdrukkelijk zegt: Bij al uwe xoerken gedenk uwe
uitersten
, en in eeuwigheid zult gij niet zondigen.
(Eccli VII, 40).
Het dikioijls eommuniceeren is een raad; — het
dikwijls bidden is een voorschrift: bidt zonder op-
houden;
— en het is zeer moeielijk wel te bidden,
-ocr page 674-
668
zonder ophouden te bidden, als het hart door goede
gedachten, als vruchten der meditatie, niet gevoed
wordt.
Het kost meer moeite, het inwendig gebed te doen
dan te communiceeren. — De H. Communie is eeue
uitwendige handeling, die de eigenliefde kan vleien
en de geestelijke ijdelheid kan voldoen, —het inwendig
gebed is een geheim onderhoud tusschen God en de
ziel, niets wordt daarvan gezien , niets trekt daarin
op ons de aandacht.
De H. Communie is uit zich-zelve eene vreugde
en een genoegen voor de ziel. Het inwendig gebed
is, vooral in het begin, eene onderwerping en een
dwang voor de ziel, en vereischt meer kracht. De
H. Communie kan ons wegens ziekte of andere rede
een tijd lang onmogelijk zijn, hetgeen nochtans geen
beletsel stelt aan de heiligheid. — Het inwendig gebed,
gedurende hetwelk de geestelijke Communie altijd kan
en moet geschieden, is altijd mogelijk, al ware het
slechts gedurende eenige oogenblikken.
De H. Communie veronderstelt niet altijd de deugd ;
men kan zich schuldig maken aan het lichaam en
bloed van Jezus-Christus. Het inwendig gebed dagelijks
verricht, bewijst dat men reeds deugdzaam is, of dat
men ten minste ernstig werkt om het te worden.
O religieuzen, weest dus getrouw aan uwe ver-
plichting en laat nooit het inwendig gebed na;
gedenkt dat, zoowel als eene verzuimde Communie,
eene verzuimde meditatie eene leemte laat in den dag
eener aan God toegewijde ziel.
-ocr page 675-
C69
C.
UlTWKllKSEI.EN DER MEDITATIE.
In het nadenken en de rust der meditatie worden
de groote zaken bereid met betrekking op de vol-
maaktheid der ziel en de glorie van God — Als men
met anderen over geestelijke zaken moet handelen,
zegt de H. Vincentius van Paulo, moet men er eerst
met God over spreken in het gebed, aldus zijn eigen
geest afleggende om zich met den H. Geest te ver-
vullen. Zij vooral, die iets willen ondernemen, moeten
voortdurend met God verkeeren. De H. Ignatius nam
geen enkel besluit, alvorens eerst God geraadpleegd
te hebben. De H. Thomas van Aquinea en de H. Bona-
ventura verklaarden, dat zij meer wetenschap in het
gebed, dan in de studie geput hadden. — Wacht een
oogenblik, ik ga raadplegen
, zegden de H. Vincentius
en zoovele anderen, als men hun raad vraagde, en
zij stelden zich in het gebed.
Het is in de meditatie, in dat gemeenzaam onder-
houd, dat zij dagelijks houdt met Dengene, dien zij
gekozen heeft om Hem eeuwig te beminnen, dat de
ziel die hemelsche lichtstralen ontvangt, welke haar
zoovele zaken leeren, aan anderen onbekend.
Daar leert zij, wat God is, wat Hij verdient, hoe
men Hem moet dienen en beminnen en hoe licht
in de schaal der eeuwigheid de vreugde, de grootheid,
de genoegens der aarde wegen.
Daar worden de groote en kleine offers gebracht;
daar vindt men den moed om ze te voltrekken en
het geloof om ze te bezielen. — Wat zoudt gij doen,
vraagde men den H. Ignatius, als men u kwam zeggen,
dat uwe Sociëteit ontbonden was? Ik zou gaan
-ocr page 676-
670
bidden, en een uur later zou ik er niet meer aau
denken, was het antwoord!....
Daar wordt de geest der liefde met hare heerlijke
uitvindingen, hare bewonderenswaardige scheppingen
vruchtbaar en krachtig. Elk liefdewerk, dat niet in
de meditatie gerijpt is, mislukt en blijft onvruchtbaar.
Daar vindt men zoete tranen, boet men zijne zonden
door de liefde; daar treft men, daar vermurwt men
het Hart van God, daar ontlokt men Hem woorden
van vergeving en barmhartigheid.
Daar vindt men voor alle goede werken en voor
de zaligheid der zielen geheimen en krachten, die al
de wetenschap en al het vermogen van het menschelijk
vernuft nooit zouden uitdenken.
Daar eindelijk leert de ziel zich-zelve kennen en
misachten, daar ontdekt zij in haar binnenste eene
menigte fouten, die, hoewel nauwelijks zichtbaar,
nochtans gevaarlijk zijn, daar bemerkt zij een groot
aantal onvolmaakte meeningen; daar bemerkt zij de
listen en ingevingen harer driften, die zich verborgen
onder het masker der deugd; daar put zij kracht
om te strijden, het geduld, de onthechting van zich-
zelve, moed\' en vreugde in de beproeving, middelen
om de bekoringen te overwinnen
Daar vooral bekeert zich de ziel. Zoo eene ziel in
het gebed volhardt, zegt de H. Theresia, houd ik mij
verzekerd, dat, tot welke zonde de duivel haar verleide,
God haar ten laatste tot de haven der zaligheid zal
voeren. Hij, die op den weg van het gebed niet
stilstaat, zal vroeg of laat aankomen.
-ocr page 677-
671
D.
Wijze van Mediteeben.
Bijna alle communauteiten hebben, ten minste ia
het algemeen eene methode of wijze van mediteeren
aangenomen, hetzij die van deu H. Ignatius, van den,
H. Franciscus van Sales of anderen. Die methode, ge-
durende het novicaat uitgelegd, wordt de methode
der gemeente, en elke zuster moet zich beijveren die
te volgen.
Maar is het eene strenge verplichting zich daaraan
te hechten? Neen; er komen dagen waarop zij hart
en geest ledig laat, dagen waarop zij ons tegenstaat;
en dan is het goed eene andere wijze te zoeken, die
ingang vindt in onzen geest en ons tot God voert.
Ziehier eenige gedachten, die de zielen in dagen
van wezenljjke dorheid kunnen helpen; doch als
andere gedachten meer in overeenkomst zijn met
de behoeften der ziel, is het beter die te volgen.
I.     De oefeningen, die wij hebben aangegeven bij
het uitleggen der natuur der meditatie, vormen den
grondslag voor een uitmuntend inwendig gebed; lang-
zaam herzegd, zullen zij het hart oprechte oefeningen
van liefde,
en den wil menig krachtig en ernstig
besluit
doen vormen. Herlees de bladzijde over de
natuur der meditatie;
als gij, voor het H. Sacrament
nedergeknield, regel voorregel volgt, wat daar aangeduid
wordt, zult gij u gewis gedrongen gevoelen om God
vuriger te beminnen en uwe plichten getrouwer te ver-
vullen; — en dit toch is het doel van elke meditatie.
II.     Neem uw rozenkrans in de hand, vooral in die
oogenblikken, dat de droefheid uwe ziel overmeestert,
en zeg tot Maria bij het eerste tientje: Maria, zeg
Jezus, dat ik Hem bemin;
bid langzaam het Onzer
-ocr page 678-
672
Vader, dan het Wees gegroet, en herhaal na elk Wees
gegroet
twee of drie malen: Maria, zeg Jezus, dat
ik Hem liefheb.
Om uwen geest niet te vermoeien door het lang-
durig herhalen van dezelfde woorden, moet gij voor
het tweede tientje zeggen: O Maria, bid toch dat
God mij niet verlate, ik heb dit zoo noodig..... En
herhaal dit na elk Wees gegroet. Ga zoo voort,
herhaal dit, vraag door Maria de barmhartigheid, de
vergeving, de hulp van Jezus; verzucht tot God met
Maria, roep God, offer u aan God op.
Hoe zou, nadat uwe lippen en uw hart aldus een
half uur gebeden hebben, uwe bede om vrede en
kracht niet verhoord worden?
III. Bid nog op uwen rozenkrans deze woorden
met aflaten verrijkt: Mijn Jezus, barmhartigheid!
en gij, Zoet Hart van Maria, wees mijne zaligheid;
en maak de meening daarbij om aldus te verwekken:
1.     Eene akte van geloof. — De barmhartigheid
van Jezus afsmeeken is gelooven en belijden, dat
Hij waarachtig God en waarachtig mensch is, dat
Hij geleden heeft en op het kruis gestorven is om
ons barmhartigheid en zaligheid te verwerven.
2.     Eene akte van hoop. — Als men zich tot Jezus
wendt, zoo is dit, omdat men het vaste vertrouwen
heeft van door zijne verdiensten barmhartigheid te
verkrijgen. — Hij heeft beloofd naar den zondaar te
luisteren; en die zondaar komt Hem zijne beloften
herinneren, en doet dit in verééniging met Maria.
«i. Eene akte van liefde. — Het is, omdat men Jezus
bemint, dat men Hem bidt, dat men tot Hem komt,
dat men Hem roept; en als men zijne barmhartigheid
afsmeekt, is dit vooral om niets te doen, dat strijdt
tegen de liefde, die men Hem toedraagt.
-ocr page 679-
673
4.   Eene akte van liefde tot den evennaasten. —
Het is goed zich eenige oogenblikken te stellen in de
plaats van dezen of genen persoon, dien men lief
heeft, die ver van God is afgedwaald, en voor hem
en in zijne plaats te zeggen: Mijn Jezus, barm-
hartigheid!
5.   Eene akte van berouw. — Het is onmogelijk,
aldus om barmhartigheid te smeeken, zonder berouw
over zijne zonden te gevoelen en het oprechte voor-
nemen te vormen zijn leven te beteren.
6.   Eene akte van smeeking. — Om barmhartigheid
roepen is erkennen, dat men niets heeft, niets kan,
dat men aan alles behoefte heeft, dat men alles vraagt.
7.   Eene akte van vertrouwen. — O ja, men vertrouwt
zich geheel aan de goddelijke barmhartigheid, en
door Maria geeft men zich aan haar over voor tijd
en eeuwigheid.
Een half uur aldus doorgebracht kan de ziel niet
ongevoelig laten.
IV. Wanneer gij wilt mediteeren over een woord
van Jezus-Christus, hetzij een voorschrift of eene
raadgeving,
— en houd zooveel mogelijk een woord
van Jezus voor oogen, — zoo verwek:
1.   Eene akte van geloof omtrent dit woord; Gij
hebt dit woord gesproken, o mijn God,..... in dien
tijd... en het is tot mij, dat Gij dit woord gericht hebt.....
Ik neem het aanbiddend aan.... Herhaal dit woord
langzaam, mogelijk zult gij er een licht in vinden,
dat gij er tot dusverre niet in gevonden hebt.
2.   Eene akte van berouw en ootmoedigheid. — Zeg
tot God: Ziedaar wel, o mijn God, wat Gij zoo lang
van mij vraagt, en ik heb het niet willen doen; ik
heb begonnen, doch was het weldra moede! Ik vraag
O vergiffenis voor deze traagheid. Vergeef mij ter
43
-ocr page 680-
674
uwer liefde! Herhaal dit gebed dikwijls en voeg
daarbij: Mijn Jezus, barmhartigheid! of een tientje
van uwen Rozenkrans in een gevoel van oprecht
berouw en leedwezen; en bid Maria, dat zij u de
vergeving verwerve van uwe nalatigheid in het luis-
teren naar Gods stem.
3.  Eene akte van smeeking. — Deze oefening is
de voornaamste. Al wat wij verkrijgen, zegt de
H. Alphonsus van Liguori, hangt af van de vraag:
Waartoe dient het hooren van Gods woord, de gedachte
der eeuwigheid en de andere middelen ter zaligheid,
als men de hulp van God niet vraagt, daar de Heer
verklaart, dat Hij zijne hulp slechts verleent aan den-
gene, die ze Hem vraagt? — Men moet dus aan
God de behoeften uitdrukken, die men heejt aan zijne
hulp om te doen wat Hij wil; de onmacht, waarin
men zich bevindt om dit alleen te doen; — met welk
doel
men dit doen wil: Gij ziet, Heer, dat ik doen
wil toat Gij wilt, omdat ik U bemin, omdat ik zalig
tuil worden;
— de beweegreden dezer vraag: O Heer,
geef mij de genade U te mogen gehoorzamen, Gij
zijt machtig, Gij wilt dit, want Gij zijt goed !
— Herhaal
dikwijls deze beden, en zeg eenig gebed tot de
H. Maagd, opdat zij met u bidde.
4.   Eene akte van vertrouwen en voornemen. — Vorm
zelve uwe gedachten, en zeg: Ik weet wel, dat gij
mij mijne bede wilt toestaan, maar het is billijk, dat
ik ook iets voor U doe; welnu
, heden zal ik deze
zaak, op dien tijd, voor dezen persoon doen. En
daarom offer ik Ü nu reeds mijn hart, mijne zintuigen
enz....
Bedien u van het gebedje: O mijne Vorstin, enz.
Deze wijze van bidden kan men gebruiken, wanneer
men een gebrek zoekt te overwinnen of eene deugd te
verkrijgen.
-ocr page 681-
675
Men kan ze toepassen op een geheim van liet leven
van Jezus of Maria,
tot zich-zelve zeggende: Jezus
xoil, Maria, wil, dat ik hen in deze zaak navolge.
..
V. Wij zullen nog eene wijze van ruediteeren
opgeven, die zich naar iedere methode voegt, en
door elke ziel, hoe moeielijk haar het inwendig
gebed ook valle, kan gebruikt worden.
Voorbereiding tot de Meditatie.
1.     Ernstig tot zich-zelve zeggen: Ik ga mij
aan God voorstellen.
De goede God verdient wel, dat ik Hem kom aau-
bidden, en Hem de eerste uren van den dag toewijd.
De goede God roept mij tot zich door mijnen Regel.
Als Hij mij roept, is dit, omdat God mij iets te zeggen
of te vragen heeft, en ik heb Hem ook iets te zeggen
en te vragen. God is zoo goed, mij te willen af-
wachten, te ontvangen, toe te spreken, naar mij te
luisteren, ondanks mijne fouten en ellenden Ik dank
U, mijn God; hier ben ik, Gij hebt mij geroepen;
uwe dienstmaagd luistert naar U.
2.     Ons geweten zuiveren door eene akte van
berouw, vooral voor de fouten van gisteren en de
zonden sedert de laatste biecht bedreven; — immers
men schikt zijne kleederen, alvorens degenen, die
men bemint en hoogacht, te gaan bezoeken.
3.     Zich vereenigen met de allerheiligste Maagd
Maria, den H. Jozef, den H. Engel-Bewaarder of de
Engelen des tabernakels, als men zich voor het H. Sa-
crament bevindt, of met de zielen in het Vagevuur,
of met de Engelen-Bewaarders onzer zusters, die
met ons in het gebed vereenigd zijn, of met al de
heilige zielen der geheele wereld, die op ditzelfde uur
-ocr page 682-
676
met ons bidden. — Men kan hierin veranderen of
eenvoudig zijne neiging volgen, of wel voor eiken dag
der week ziek eene andere verééniging vormen.
Stof der Meditatie.
Deze nauwkeurig bepalen. — Het is wellicht een
woord van Jezus-Christus, en wij moeten dit woord dan
beschouwen als bijzonder tot ons gericht Het is
wellicht eene deugd te verkrijgen of eene fout uit
te roeien; men moet dan tot zich-zelve zeggen: God
wil, dat ik deze zaak doe, dat ik die zaak vermijde.
—
Het is wellicht een geheim, dat men wil overdenken,
en men moet aanbidden, danken, vooral de praktische
zijde der zaak beschouwen: De goede God wil of de
H. Maagd wil, dat ik hen in deze omstandigheid navolge.
Oefening van het verstand.
Men overdenkt en herhaalt langzaam het onderwerp
der meditatie, om er de ziel mede te doordringen.
Men kan tot zich-zelve zeggen: Als ik deze zaak
doe, of als ik deze zaak vermijd:
1.     Zal God meer verheerlijkt worden.
2.     Zal mijn evennaaste meer gesticht worden.
3 Zal mijne ziel heiliger worden.
De ziel bemerkt spoedig op welke wijze zij dit
einde zal kunnen bereiken Deze drie bemerkingen
passen bij elk onderwerp, en men behoeft er slechts
eenige minuten op na te denken.
Oefening van genegenheid.
Dit is het voornaamste punt van de overweging. —
Hier moet men die oefeningen van geloof, van ootmoed,
van berouw, van smeeking, van offerande
verwekken
-ocr page 683-
677
waarvan wij reeds gesproken hebben. — Bekommer
u noch omtrent den langeren of korteren duur, noch
over het getal dier oefeningen. — Indien de eene u
met God vereenigd houdt, moet gij geene andere
verwekken. Herhaal ze zoo dikwijls gij wilt
Slot der Meditatie.
Bedank God u in zijne tegenwoordigheid geduld
te hebben en u die genaden, welke gij ontvangen
hebt, geschonken te hebben.
Vraag Hem vergeving voor den weinigen eerbied,
aandacht en liefde, die gij Hem wellicht betoond bebt.
Bid Hem u te zegenen en vertrek in gezelschap
van uwen Engelbewaarder.
E.
Aanmerkingen omtrent de verschillende trappen
van het inwendig gebed.
Wij vermeenen hier niet over de verschillende
trappen van het inwendig gebed
te moeten spreken;
de zielen, die God tot een inniger verkeer met Hem
roept, hebben over het algemeen meer behoefte aan
een wijzen ziel bestierder, dan aan eenige bladzijden
van een boek; en deze zouden in de handen van oner-
varen, zwakke zielen, die vol van zich-zelven zijn,
haar in noodlottige zinsbegoochelingen kunnen werpen.
Het ziusbedrog omtrent het inwendig gebed is
een der gevaarlijkste, en geleidt tot hoogmoed, tot
verachting der regelen, tot hoofdigheid, zelfs tot
ongehoorzaamheid aan de H. Kerk.
Verlaat dus uit eigen wil nooit de eenvoudigste
wijze van mediteeren, geef den voorkeur aan de wijze
-ocr page 684-
678
die u heiligt, boven die, welke u verheft; tracht altijd
oefeningen van liefde tot God en nederingheid te ver-
wekken, u aan zijnen wil, u door uwe Oversten
geopenbaard, te onderwerpen, en wacht rustig af. —
Als God eene ziel hooger wil doen klimmen, roept
Hij haar zelf, en doet Hij haar vaak buiten haar
weten hooger stijgen.
Vergeet vooral niet, dat de overweging, welke de
ziel verheft tot de hoogste trappen der beschouwing,
eene van die onvruchtbare genaden kan wezen, die,
hoewel door God ingestort, de ziel niet heiliger,
noch aangenamer aan God maken; eene dier gaven,
die somtijds de vrucht, de belooniug, het uitwerksel
der heiligheid kunnen zijn, doch nimmer de oorzaak
der heiligheid, noch de heiligheid zelve
zijn; terwijl
liet gewoon inwendig gebed door de oefening der
heldhaftige deugden, die zij de ziel doet betrachten,
eene vruchtbare bron is van al die genaden, die de
heiligheid bij God uitmaken.
Blijf dus getrouw, niettegenstaande de dorheden,
de verveling, niettegenstaande dat ontmoedigend
woord, dat de duivel u tot vervelens toe zal herhalen,
gelijk hij het aan zoovele Heiligen gedaan heeft:
» Waartoe toch dient mijne meditatie? ik tvord niet
beter, ik maak geene vorderingen.
Wees getrouw,
omdat de meditatie voor u een plicht is. God wil
het, de Regel eischt het, dit zij genoeg. Jk zal mij
naar het gebed begeven, ik zal er blijven, zoolang
ik moet, ik zal alles doen wat ik kan, en als de
tijd verstreken is, zal ik heen gaan en tot God kunnen
zeggen: Mijn God, ik heb weinig gebeden, maar ik
heb U gehoorzaamd; ik heb geleden, maar ik heb U
getoond, dat ik U wilde beminnen!
-ocr page 685-
679
VIT.
%cK yoddctijk officie.
Wij zullen aantoonen:
1°. De natuur en de verhevenheid van het goddelijk
Officie.
2°. De verplichting en de wijze van het goddelijk
Officie te bidden.
A.
De natuur en verhevenheid van het
goddelijk Officie.
I.     Het goddelijk Officie is een gebed, samen-
gesteld uit de psalmen, lofzangen en uittrekselen uit
de H. Schrift en heilige Kerkvaders, dat de H. Kerk
oplegt aan alle priesters en ordensgeestelijken.
Eenige religieuzen bidden het goddelijk Officie in
zijn geheel, andere bidden slechts het klein Officie
der H. Maagd
II.     Pit gebed wordt Officie of plicht genoemd,
omdat het aan de priesters of religieuzen als bijzondere
verplichting wordt opgelegd; het wordt goddelijk
Officie genoemd, omdat alles wat het bevat, goddelijk
is, omdat het goddelijke gesteltenissen eischt in
degenen, die het verrichten, ofwel, omdat het degenen
die het heiliglijk verrichten, vergoddelijkt.
III.     Na de H. Mis is het goddelijk Officie het
verhevenst gebed:
-ocr page 686-
680
1.     Om de woorden, waaruit het is samengesteld.
Grootendeels is het Gods woord; dat woord, dat
verlicht en troost, dat onderricht en versterkt, dat
aan de ziel het verstand, de kracht, het leven mededeelt
De oratiën vooral zijn samengesteld uit gedachten
vol zalving, vertrouwen en godsvrucht.
2.     Om het doel dat de H. Kerk zich heeft voor-
gesteld met het opleggen van het gebed. Dit is:
1.  Eene eereboete aan God gedaan. Op elk oogenblik
van den dag en den nacht wordt Gods heilige naam
door ellendige schepselen gelasterd. Dank aan het
goddelijk Officie, staan op elk uur van den dag en
den nacht daar tegenover God toegewijde schepselen,
om Hem te loven, te prijzen; zijne macht, zijne
grootheid, zijne barmhartigheid te verkondigen.
2.     Eene vergoeding voor de traagheid in liet gebed,
waaraan de geloovigen zich schuldig maken. In den
Hemel, in de zegevierende Kerk bidt men aanhoudend;
in het Vagevuur, in de strijdende Kerk bidt men
aanhoudend; en op aarde zou ook de strijdende Kerk
aanhoudend moeten bidden; want ieder schepsel moet
zijnen Schepperprijzen, loven, aanbidden. Het goddelijk
Officie is aan de priesters en religieuzen opgelegd,
opdat deze drievoudige lofzang der zegevierende, der
lijdende en der strijdende Kerk nimmer onderbroken
worde. — De menschen in de wereld, door hunne
aardsche belangen medegesleept, denken bijna niet
meer aan het gebed.
3.     Om de genade, die verleend tvordt aan degenen,
die het goddelijk Officie godvruchtig bidden.
— De
H. Josephus van Cupertino zegde eens tot een bisschop:
»Als uwe Hoogwaardigheid verkrijgen kan, dat uwe
priesters het goddelijk Officie aandachtig bidden en
godvruchtig het H. Misoffer opdragen, zullen die
-ocr page 687-
681
twee oefeningen voldoende zijn om geheel uwe pries—
terschaar te heiligen." Dit woord is gericht tot al
degenen, die het goddelijk Officie bidden, vooral tot
de religieuzen, die het gewoonlijk koorsgewijze ver-
richten.
1.     Het goddelijk Officie koorsgewijze verricht is
vooral dat vereenigd gebed, waaraan de bijzondere
belofte der tegenwoordigheid van Jezus gehecht is;
Daar waar twee of drie in mijn naam vergaderd
zijn
, ben ik in hun midden (Matth. XVIII, 20).
Hoe troostend is die gedachte, hoe moet zij ons
aanzetten om getrouw het koorgebed mede te doen!
Jezus is daar in het midden.
2.     Het goddelijk Officie, koorsgewijze gebeden,
verplicht dengene, die het verricht, tot eene edel-
moedige en krachtige opoffering van zijn geheel
bestaan: van zijne lippen, om de woorden uit te
spreken of te zingen; — van zijn hart, dat tracht
zich te vereenigeu met den zin der woordon, of zich
eerbiedig en liefdevol verheft tot den God, dien de
lippen vereeren; — van zijn lichaam, dat zich onder-
werpt aan talrijke Ceremoniën en altijd eene zedige
houding aanneemt.
B.
Verplichting en wijze van het goddelijk
Officie te bidden.
Omtrent de verplichting van het goddelijk Officie
zeggen wij hier slechts dit:
Voor de leden der communauteiten met enkele of
kleine Geloften, verplicht het goddelijk Officie niet op
zonde; er bestaat voor hen geeue andere verplichting
dan die van het nakomen hunner Constitutiën.
-ocr page 688-
682
Het gebed Aperi Domine, dat voor het Officie
gebeden wordt, moet men, hoewel men het in het
latijn bidt, van tijd tot tijd in het hollandsch bidden
buiten den tijd van het koorgebed, om zich te door-
dringen van de gevoelens, daarin opgesloten; — het
gebed Aperi Uomine bevat drie woorden welke ons
tot gids zullen dienen: Mijn God, zegt dit gebed,
geef dat ik mijn Officie bidde met eerbied, — met
aandacht,
— met godsvrucht: — digne, attente ac devote.
I. Met eeubikd.
De eerbied in het Officie bestaat in zich te houden
als onder het oog van God, van onzen H. Engel-
bewaarder, — van de Engelbewaarders van al onze
zusters, — van de engelen, die het tabernakel omringen,
als wij het Officie in de kapel bidden. — Die engelen
staan gereed om ons gebed op te vangen, gedaan
in naam der H. Kerk, en het aan God aan te bieden,
als ee.ne hulde van lof, van verzoening, van dank-
baarheid. — Als gij in het koor zijt, zegt Thomas
a Kempis, dan plaats Jezus aan uwe rechterhand,
Maria aan uwe linkerhand, en alle heiligen rondom
hen; beschouw al uwe zusters als engelen Gods, en
behoud de hoop, dat zij die op aarde met u zingen
of bidden, eens werkelijk met u in den Hemel
zullen zingen.
De eerbied in het Officie bestaat nog in zich te
voegen naar alle bestaande rubrieken en voorgeschreven
regelen, door te knielen, te staan, te zitten, het
hoofd te buigen aan het Gloria Palri, langzaam het
kruisteeken te maken bij het Deus in adjutorium,
door bij de sterretjes te midden van elk vers te
rusten, door, in één woord, niets te verzuimen van
-ocr page 689-
683
wat de H. Kerk met zulk eene nauwkeurige zorg
voorschrijft. — Elke ceremonie, welke betrekking
heeft op God, heeft iets groots en vraagt onzen
eerbied; daarom moet men die nauwkeurig bestudeeren
en trachten den zin te vatten. Daarom worden in
vele communauteiten Con/erentiën gehouden over het
goddelijk Officie,
over den zin van de meest gedrui-
kelijke psalmen, over de beteekenis der ceremoniën enz.
II. Met aandacht.
Wij hebben reeds gesproken over de aandacht in
het gebed, en handelen hier slechts over de aandacht
bij het goddelijk Officie.
a. Deze aandacht kan op verscheidene wijze bestaan.
1. De materieele of stoffelijke aandacht, die eischt
dat men de woorden goed uitspreke, ten einde aldus
de verplichting van het Officie te vervullen. — Zij
kan inwendig zijn, als zij, bij de zorg om de woorden
goed uit te spreken, tevens eene algemeene meening
voegt, om God te vereeren. Zij kan uitwendig zijn,
als zij zich tevreden stelt met elke uitwendige bezig-
heid, die vreemd is aan het bidden van het. Officie,
ter zijde te stellen.
2 De letterlijke aandacht zoekt den zin der woorden
te doorgronden. — Die aandacht is niet noodzakelijk;
zij helpt krachtig de godsvrucht ondersteunen, doch
de kennis der taal, waarin men bidt, is daartoe
noodzakelijk. Wij hebben reeds gezegd, hoe gemak-
kelijk men eenige bladzijden der H. Schriftuur verstaan
kan; bedien u van die kennis om uw hart te ver-
heffen, om God te roepen: Deus in adjutorium meum
intende;
— om Hem te loven: Gloria Patri; — om
Hem te aanroepen: Deus, Domine; — om Hem te
-ocr page 690-
684
danken: Benedicamus Domino, Deo gratias; — om
Hem de geloovige zielen aan te bevelen: Fidelium
anima
enz
3. De geestelijke aandacht, die zich vooral toelegt
om God te aanbidden, te loven, te danken, te smeeken.
Terwijl de lippen aandachtig de woorden uitspreken,
overweegt het hart de volmaaktheden van God, de
geheimen van het leven en bijzonder het lijden van
Jezus. — Deze aandacht is de volmaaktste, zij ligt
binnen het bereik van eiken geest, en hiertoe is de
kennis van het latijn niet noodzakelijk. Eeue reli-
gieuze behoeft zich dus niet te verontrusten, dat zij
de woorden van haar Officie niet verstaat; dat zij
zich trooste door de gedachte, dat zij niet minder
aangenaam is aan God, omdat zij Hem looft gelijk
Hij geloofd wil zijn, en doet wat de H. Kerk haar
voorschrijft.
b. De actueele aandacht, welke uitdrukkelijk zegt:
Ik ga mijn Officie bidden, ik wil het bidden gelijk
liet behoort
, is niet noodzakelijk. — De virtueele
aandacht, die bestaat in het algemeen besluit al zijne
gebeden godvruchtig te verrichten, en niet terugge-
nomen wordt, is voldoende; zij wordt zelfs actueel
door de zorg, die men heeft om vóór het Officie eenige
oogenblikken in zich-zelven te keeren. — De onvrij-
willige verstrooidheden, waaraan men wederstaat,
benemen de verdiensten niet van het gebed en kunnen
die zelfs vermeerderen; zij benemen ook niets aan
de godsvrucht; zij zijn dikwijls een prikkel om den
ijver op te wekken en de gedachte aan Gods tegen-
woordigheid te hernieuwen Er bestaat, zegt de
H. Franciscus van Sales, een groot onderscheid tusschen
gevoelen en toestemmen.
-ocr page 691-
685
III. Met godsvrucht.
De Godsvrucht is de wil, die zich tot God, tot
Gods liefde, tq,t de onderwerping aan Gods wil,
tot den dienst van God keert. Om het Officie wel te
verrichten en uit deze oefening al de vruchten van
zaligheid te trekken die zij voorbrengt, moeten deze
gedachten meer of min rechtstreeks ons hart vervullen.
Wij zullen ons daaraan gewoon maken, als wij voor
eiken dag der week eene bijzondere meening bepalen
of zelfs bij elk der verschillende uren. Deze god-
vruchtige gewoonte verkrijgt men zeer gemakkelijk.
\'s Zondags.
Het Officie bidden met de engelen en heiligen, die
voortdurend in den Hemel Gods lof zingen; — zich
eerbiedig in een gevoel van diepe aanbidding stellen;—
bidden dat God over de geheele aarde moge gekend
en bemind worden; — bijzonder de meening maken
van te willen voldoen voor de godslasteringen: —
bij elk Gloria Patri zijne meening vernieuwen.
\'s Maandags.
Het Officie bidden in vereeniging met de zielen in
het Vagevuur om hare verlossing te verkrijgen; —
voor zijnen geest zijne afgestorven ouders, broeders,
zusters, bloedverwanten terugroepen, — alsook onze
medezusters, — de priesters, die ons hebben geholpen
om het doel onzer roeping te verkrijgen. — Hebben
wij ons niets ten hunnen opzichte te verwijten? —
Zijn wij hun niets verschuldigd? — O bidden wij toch
godvruchtig voor hen. Hernieuwen wij onze meening bij
het einde van elk uur, als wij zeggen Fidelium anima fy c.
-ocr page 692-
686
\'s Dinsdags.
Bidden wij het Officie in vereeniging met onzen
Engel-bewaarder, die zich gelukkig gevoelt, met ons
te bidden, in vereeniging met de Engelbewaarders
van al onze zusters. O konden wij eens zien, met welke
ingekeerdheid die engelen bidden. — Vragen om
getrouwer de tegenwoordigheid Gods te gedenken,
getrouwer naar de inspraken van onzen H. Engel-
Bewaarder te luisteren; — bidden om nooit in de
bekoring te bezwijken; — onze meening telkens bij
het woord Deus of Dominus vernieuwen.
\'s Woensdags.
Het Officie bidden in vereeniging met den H. Jozef,
den beschermer van Jezus en Maria en van al de zielen,
die Jezus en Maria bijzonder zijn toegewijd; — vragen
om den geest van gehoorzaamheid, getrouwheid en
nauwgezetheid te verkrijgen. — De H. Jozef toch zal
gaarne de deugden in ons zien, die hij in Jezus zag. —
Vragen wij voor de kinderen of zieken ons toevertrouwd
de liefde, die hij voor het Kindje Jezus had.—Vernieuwen
wij deze meening aan het einde van eiken Psalm.
\'s Donderdags.
Bidden wij het Officie in vereeniging met de engelen
des tabernakels. — Bedanken wij Jezus-Christus, dat
Hij wel onder ons wil verblijven; vragen wij Hem
eene groote liefde voor het H. Sacrament en de
H. Communie, — vergiffenis voor onze gebrekkige
bereiding en dankzegging, — de noodige nederigheid
om wel te biechten, en een grooten eerbied voor
zijne tegenwoordigheid, zoo dikwijls wij de kapel
binnentreden. Vooral op de Communiedagen het Officie
-ocr page 693-
687
godvruchtig bidden; — zijne meening vernieuwen, zoo
dikwijls men liet Benedicamus Domino, Deo Gratias
uitspreekt.
\'s V r ij d a g s.
Het Officie bidden in vereeniging met het verlaten,
miskend, en toch zoo liefdevol Hart van Jezus.
Genade van bekeering vragen voor de zondaars; —
bijzondere genade voor het huis, waarin wij leven,
opdat de zuiverheid, de liefde, de gehoorzaamheid
daar immer mogen heerschen; — genade voor de
zieken, — genade voor allen. Het Hart van Jezus
is voor ons eene onuitputtelijke bron; het Officie, dat
wij bidden, zal die bron doen vloeien; — o, zijn wij
toch aandachtig en godvruchtig! — Hernieuwen wij
onze meening, zoo dikwijls men bidt Deus in adju-
torium meum intende
en Domine exaudi orationem meam.
\'s Zaterdags.
Het Officie bidden in vereeniging met de aller-
heiligste Maagd Maria, het bidden, alsof wij voor haar
geknield zaten, als zij bad; — met zulke gedachten
moet men wel metgodsvruchtbidden. En hoeveel hebbeu
wij Maria niet te zeggen en te vragen, terwijl onze
lippen de schoone woorden van het kerkelijk gebed
herhalen! Wij moeten Haar loven, Haar danken,
Haar gelukwenscheu, hare bescherming afsmeeken en
Haar onze liefde betuigen. Vernieuw uwe meening bij
elk Ave Maria, en bij de Antiphonen Haar toegewijd.
Wij geven hier nog eene andere wijze om het
goddelijk Officie op verdienstelijke wijze te bidden,
en die men, in het kort geschreven, steeds in het
brievier kan plaatsen, om zich de meeningen beter te.
herinneren.
-ocr page 694-
688
InTENTIËN BIJ HET LEZEN VAN HET GODDELIJK OFFICIE.
Metten.
Lauden.
Zich voorstellen; Den
z. v.
Jezus-Christus.
eeuwigen Vader.
Bedanken voor: De
B.
De verlossing.
Schepping.
Zich vereenigen met:
z. v.
De verguizingen
Den doodstrijd van
van Jezus.
Jezus.
Bidden voor: De heilige
B.
Vaderland en fa-
Kerk en onze familie.
milie.
Vragen: Den zoeten
V.
Nederigheid,
omgang met God.
Primen.
T e r t i ë n.
z. v. H. Hart van Jezus.
Z. V.
H. Geest.
b. H Sacrament.
B.
Heiligmaking.
z. v. Geeseling.
Z. V
Doornen kroon.
b. Congregatie en
B.
Medezusters.
Oversten.
v. Zuiverheid.
V.
Armoede.
Sexten.
Nonen.
z. v. Maria en Jozef.
Z. V.
HH. Apostelen en
Patronen.
b. H. Roeping.
B.
Bijzondere gunsten
z b. Veroordeeling van
Z.V.
Kruisiging.
Jezus.
b. Communauteit en
B.
Vrienden en toe-
Parochie.
vertrouwden.
v. Zachtmoedigheid.
V.
Gehoorzaamheid.
-ocr page 695-
689
Vespers.
Completen.
z. v.
HH. Engelen.
z. v.
Alle Heiligen.
li.
Gunsten.
B.
Weder waardighe-
den
Z V.
Dood van Jezus.
z. v.
Begrafenis van
li.
Zondaars.
Jezus.
V.
Liefde tot God en
B.
Geloovige zielen.
den naasten.
V.
Volharding.
VIII.
<3)e- \'fWUic^e (Bomm-unie.
De heilige Communie, dat wil zeggen de —Commune
Union
— of verééniging tusschen Jezus en de stel, is
wel bet grootste, het heiligste, het barmhartigste, het
liefdevolste dat ooit bestaan kon, na de verééniging
der Godheid met de Menschheid in de Menschwording
on na de Verlossing.
Het menschelijk verstand kan niets troostrijkere
uitdenken voor den mensch hier op aarde; de god-
delijke almacht kon niets liefdevollers daarstellen.
De H. Communie is de leerschool, de voorsmaak
van den Hemel, van het geluk, dat men daar geniet, van
de vreugde, waarmede men daar overstroomd wordt.
De H. Communie trekt alles aan wat rein is en
rein wil blijven , — wat liefderijk is en liefderijker wil
worden, — alles wat gevoel heeft voor hetgeen schoon,
44
-ocr page 696-
690
goed, edel, goddelijk is; en daarom gevoelen de
religieuzen zich vooral tot de H Communie getrokken;
zij hadden in de wereld wellicht even dikwijls kunnen
communiceeren, doch zij hadden daar niet, gelijk
binnen die gewijde muren, die haar van de wereld
scheiden, en onder de leiding van een regel, die haar
van alle stoffelijke bekommering ontheft, alleen voor
en door de H. Communie kunnen leven.
Dit heeft
haar getrokken, en zij richten tot de H. Communie,
gelijk de H. Kerk dit trouwens ook doet, al hare
gedachten en al hare daden, en vragen zich vóór elk
dezer af: zal zij mij helpen om te communiceeren?
zal zij mij niet beletten te communiceeren ?
Gelukkig de religieuzen, die verdienen dikwijls te
mogen communiceeren! Gelukkig zij die op haar sterf-
bed zich ten hemel zien voorgaan door die talrijke
levensdagen in de eenzaamheid doorgebracht, geheel
doordrongen en geheiligd door de heilige Communie.
Zien wij dus:
1.     De liefde der religieuze voor de II. Communie.
2.     De noodzakelijke vergunning voor de II Communie.
3.     Het veelvuldig ontvangen der H. Communie.
4.     De akten vóór en na de H. Communie.
A.
De LIEFDE DER RELIGIEUZE VOOR DE H. CoMMlWIE.
I. Moet iemand op aarde de heilige Communie
beminnen, zoo is dit, na den priester, voorzeker
de God toegewijde ziel, de religieuze.
Zij is slechts religieuze en kan slechts religieuze
blijven door de heilige Communie. *lk begrijp niet,
zegde in een hospitaal een luthersch vorst tot een
-ocr page 697-
691
katholiek, hoe het komt, dat uwe liefdezusters onze
diakonessen zoo ver overtreffen; niettegenstaande alle
aanmoedigingen, hebben zij noch die zelf opoffering, noch
die moederlijke zorg, noch die liefde voor de zieken,
noch dat vroolijk gelaat uwer Zusters."
— » Dat komt,
antwoordde de katholiek eenvoudig, omdat onze
Zusters communiceeren : bijna iederen dag ontvangen
zij Jezus-Christus, en Hij werkt in en door haar.\'\'\'\'
Elke religieuze in wie Jezus-Christus niet woont,
niet werkt, — en dit kan de H. Communie slechts
bewerken, — sleept zich voort onder het gewicht
harer Geloften, gelijk een galeislaaf zich voortsleept
onder het gewicht zijner ketenen.
Eene religieuze, die niet naar de heilige Communie
verlangt, die zich gemakkelijk van de heilige Communie
berooft, die niet tracht dikwijls te mogen commu-
ceeren, zal eene religieuze zijn, aan wie alles in den
levensstaat, dien zij omhelsd heeft, weldra zal tegen-
staan; eene religieuze, die geen harer plichten getrouw
zal volbrengen; zij kan niet beminnen, zij kan niet
strijden, zij kan niet lijden , zij kan niet gehoorzamen,
zij kan niet bidden.
Maar tegenwoordig is het getal klein dier arme
religieuzen, die zich door den geest van alle kwaad,
door den schijnheiligen en leugenachtigen duivel laten
beheerschen, die, wijl hij haar niet rechtstreeks in
zonde kan doen vallen, haar onder voorwendsel van
eerbied en o verdreven volmaaktheid zoekt te verwijderen
van die heilige Tafel, waar zij kracht, leven en vreugde
zouden putten. Hoe treurig zien zij er gewoonlijk uit!
altijd leest men iets ontevredens en gedwongens op
haar gelaat. De religieuzen, die zich uit eigen be-
wegiug van de heilige Tafel verwijderen, zijn wellicht
nauiogezet, maar met zekeren dwang; zij zijn ge-
-ocr page 698-
692
hoorzaam, doch slaafs gehoorzaam; zij zijn liefderijk,
maar niet minzaam, niet zachtaardig, niet toegevend
en vooral niet medelijdend; zij kunnen noch een-
voudig, noch voorkomend wezen; een vroolijk woord
ontsticht haar want.... Jezus, zachtmoedig en oot-
moedig van harte, woont niet in haar!..
II. De getrouwe religieuze bemint de heilige Com-
munie, omdat Jezus zelf haar uitnoodigt, haar zelfs
dringt, tot Hem te komeu. — Zij wordt getroffen, als
zij bij het lezen van het Evangelie Jezus hoort bevelen,
beloven, bedreigen;
Jezus die, om ons tot de H. Com-
munie te doen naderen, al de middelen gebruikt, die
wij-zelven gebruiken, als wij iemand willen overreden
om onzen wil te volbrengen. Zij wordt getroffen,
ja diep ontroerd, als zij, door ziekte of lichaamsgebreken
belet in de kapel te komen, Jezus in hare kleine, armoe-
dige cel ziet komen en wederkomen, zoo dikwijls zij
het wenscht en het haar wordt toegestaan.
De getrouwe religieuze bemint de heilige Communie,
omdat zij weet, dat eike Communie haar tof God verheft,
en dat de ware grootheid, waaruaar zij tracht, in
God alleen te vinden is. — Ja, hoe nader de ziel bij
God komt, hoe hooger zij zich verheft; en wanneer
is zij dichter bij God, dan na de H. Communie?
Zij maakt slechts één met Hem; elke tusschenruimte
tusschen Jezus en haar is verdwenen, en zij mag in
alle waarheid zeggen : Jezus icoont in mij en ik in Hem ;
ik ben het niet meer, die leeft, het is Jezus, die in mij
leeft; Hij heeft mij deel gegeven aan zijne goddelijke
natuur.
En in de oogen der engelen en der heiligen
wordt het kleinste, het geringste, het onbeduidendste
schepsel der aarde door de H. Communie oneindig
grooter dan al de grootste vernuften, dan al de
helden, die de wereld toejuicht en bewondert!
-ocr page 699-
693
De getrouwe religieuze bemint de heilige Communie,
omdat zij hare ziel verrijkt met de kostbaarste genade-
giften. — De H. Communie boezemt ootmoed in,
beschermt de zuiverheid, vestigt de zachtmoedigheid;
door haar wordt het geloof levendiger, de hoop sterker,
de liefde vuriger en edelmoediger. Vraag aan eene
ziel, die gecommuniceerd heeft, eene liefdedaad of
een offer, en gij zult zien of zij zal aarzelen. — Als
wij eene ziel konden zien na de H. Communie, welk
een verrukkelijk schouwspel zou onze blikken treffen !
Wij zouden eene bruid zien, met onschuld versierd en
schitterend van schoonheid, — eene koningin, bekroond
met deugden en omgeven door den glans der gaven
van den H. Geest, — een kind, in wiens hart niet
alleen de deugden" zouden schitteren, die de glorie der
Heiligen uitmaken, maar ook die menschelijke deugden,
welke liefde en bewondering opwekken. De heilige
Communie geeft ons Jezus; en is Jezus niet de
genade, de schoonheid, de beminnelijkheid, de zoet-
aardigheid bij uitnemendheid?
De getrouwe religieuze bemint de heilige Communie,
omdat zij haar al de schatten der wetenschap mededeelt,
die de hemelsche zaken doet verstaan en beminnen,
en die zelfs voor de aardsche zaken een bewonderens-
waardig doorzicht, eene buitengewone voorzichtigheid
en vooral een praktisch verstand mededeelt, dat
haar de misslagen doet vermijden, waarin de wijzen
dezer aarde vallen. — De heilige Communie is dik-
wijls eene bron van licht; de ongeletterdsten hebben
er vaak kennissen geput, ver verheven boven die
aller geleerden der wereld, en de HH. Kerkleeraars
hebben bekend, dat zij in de H. Communie, in dat innig
verkeer van Jezus met hunne ziel, waarheden geleerd
hadden, welke hunne boekeu hun nimmer getoond
-ocr page 700-
694
hadden — De H. Communie is eene bron van kracht,
van zuivere gedachte?!
, van wijzen raad en godvruchtige
gewoonten;
zij is vooral de groote troost in de uren
van verlatenheid, van droefheid, van lijden, en
bijzonder in de vreeselijke uren van zielsangst.
Het is bij de heilige Communie, dat men het
verrukkelijk woord verstaat: Ik ben het; vrees niet!
O, wie heeft den vrede niet voelen wederkeeren, wie
heeft geene tranen van vreugde gestort, Jezus weder-
gevonden te hebben?
De getrouwe religieuze bemint de H. Communie,
omdat zij door haar de bijzondere genade ontvangt,
vastgehecht aan het Vleesch van Jezus-Christus, aan
zijn Bloed, aan zijn Hart, aan zijnen Geënt, aan zijne
Ziel, aan zijne Godheid; want dat alles ontvangt zij
in de heilige Communie! —
Communiceeren is in gemeenschappelijk bezit treden
der goederen van twee personen, die onderling ver-
eenigd zijn door banden van vriendschap of belang
en elkander bij plechtig contract alles geven wat zij
bezitten; en is de heilige Communie geen contract
tusschen Jezus en de ziel? God geeft zich aan de
ziel, de ziel geeft zich aan God; God geeft zich
geheel, zich-zelven en al wat Hij bezit; de ziel
geeft zich aan God met al wat zij bezit. O welke
groote, welke verheven geheimen vertoonen zich voor
de oogen van ons geloof!
YLeiVleesch van Jezus-Christus, waaraan eene genade
van zuiverheid, van reinheid en heiligheid gehecht
is, vereenigt zich met het vleesch van degene die
communiceert, zegt Pr Avrillon, en deelt het die
genade van zuiverheid, van reinheid, van toewijding
mede, die het heiligt, — het aan den geest onderwerpt,—
deszelfs natuurlijke neiging naar zinnelijke genoegens
-ocr page 701-
695
en natuurlijken afkeer van boete en versterving weder-
houdt, — die het ondersteunt, behoudt en bewaart.
Het Bloed van Jezus-Christus, waaraan de genade
van verzoening gehecht is, vereenigt zich raet het
bloed dergene, die communiceert, voldoet voor haar
aan de gestrenge rechtvaardigheid en vereenigt zijne
verdiensten met de gebeden, die zij stort om vergiffenis
harer zonden te verkrijgen. — Dit goddelijk Bloed
ondersteunt haar in de taak, die zij te vervullen heeft,
en geeft haar sterkte om haren vijanden moedig het
hoofd te bieden.
Het Hart van Jezus, waaraan eene genade van
zalving en liefde gehecht is, vereenigt zich met het
hart van degene, die communiceert, en deelt haar een
levendig en vurig geloof mede, alsook eene vermeer-
dering van liefde, welke haar eene goddelijke vreugde
doet vinden in de moeielijkste zaken zelfs, die God
van hare getrouwheid vraagt.
De Geest van Jezus-Christus, waaraan eene genade
gehecht is van bovennatuurlijk licht, om ons veilig
op den weg der volmaaktheid te geleiden, vereenigt
zich met den geest van degene, die communiceert,
deelt haar dit licht mede; door de hulp dier stralen,
verlicht hij hare verblindheid, onderricht hare on-
wetendheid, — lost hare twijfeling op, — voert
haar van het dwaalspoor van haren eigenzin, hare
vooroordeelen terug, — maakt haar meer onder-
worpen aan de stem en de bevelen harer Oversten, —
geeft haar eindelijk eene volmaakte kennis van God
en van zich-zelve.
De heilige Ziel van Jezus, waaraan eene genade van
verlossing gehecht is, vereenigt zich met de ziel der-
gene, die communiceert,en hernieuwtten harer gunste,
zoo dikwijls zij waardig de H. Communie ontvangt,
-ocr page 702-
696
datgene wat slechts eenmaal op Kalvarië geschied is,
het offer dat de geheele wereld verlost heeft.
Het Leven van Jezus-Christus, waaraan de genade
van het inwendig en bovennatuurlijk leven gehecht
is, vereenigt zich met het leven dergene, die commu-
niceert, en deelt haar dat leven van genade en
vereeniging mede, waardoor hare ziel in Jezus leeft
en Jezus in haar.
De Godheid van Jezus, waaraan eene genade van
verheffing en gedaanteverandering gehecht is, vereenigt
zich met de natuur dergene, die communiceert, en
trekt haar als uit haar eigen bestaan, om in Gods
wezen over te gaan. Zij houdt op te zijn wat zij
is, om eenigszins deel te krijgen aan de goddelijke
natuur en gelukkig in God hervormd te worden.
Ziedaar de onuitsprekelijke mededeelingen tusschen
Jezus en de communiceerende ziel; ziedaar waarom
de getrouwe ziel de heilige Communie zoo bemint.
B.
De noodzakelijk k vergunning tot de H. Communie.
I.     De noodige vergunning tot de H. Communie
•wordt gegeven door den Regel, welke gewoonlijk
twee, somtijds drie communiën per week toestaat.
II.     De toelating om, buiten de dagen door den
Regel gesteld, te communiceereu is den gewonen
biechtvader
voorbehouden.
De Overste magdoorgaans geene Communie toestaan,
dan alleen in buitengewone gevallen, wanneer zij
de toestemming van den biechtvader mag veronder-
stellen en zijne meeniug ten gunstigste mag uitleggen.
In geen geval mag de Overste de heilige Communie
toestaan, als de biechtvader die geweigerd heeft.
-ocr page 703-
697
Even min als de Overste gewoonlijk eene heilige
Communie mjig toelaten buiten die door den Regel
toegestaan, mag de religieuze, die van haren biecht-
vader daartoe verlof heeft bekomen, daarvan gebruik
maken zonder toestemming der Overste, daar dit
stoornis en wanorde in de gemeente zou kuunen
veroorzaken.
De biechtvader heeft het recht aan de religieuze de
communie door den Regel toegestaan te onttrekken.
III. Voor zware misslagen in het openbaar geschied,
mag de Overste de H Communie aan eene religieuze
onttrekken, om de communauteit niet te ontstichten;
doch zij moet hierin met groote voorzichtigheid te
werk gaan.
C.
Het veelvuldig ontvangen der H. Communie.
(a.) Beweegreden tot het dikwijls ontvangen der-
heilige Communie.
De religieuze moet streven om dikwijls, ja dagelijks,
de H. Communie te mogen ontvangen. Zij, die daarnaar
niet zou trachten, zou tooneu, dat zij Jezus-Christus
niet genoeg bemint; en men zou van haar kunnen
zeggen, dat zij God zou doen betreuren, haar tot
het religieuze leven geroepen te hebben.
Naar het dagelijksch gebruik der IJ. Communie ver-
langen
is beantwoorden aan het verlangen van Jezus r
die, zooals wij reeds gezegd hebben, ons uitnoodigt,
dringt, vraagt, belooft, bedreigt; — het is gehoorzamen
aan het uitdrukkelijk verlangen der H. Kerk; — het
is de voorbeelden der Heiligen volgen; — het. is voor
zijne ziel het voedsel en het geneesmiddel trachten te
-ocr page 704-
698
verkrijgen, dat zij noodig heeft; — het ia de vurigste
begeerte vervullen vau een hart, dat voor God gescha-
peu is, dat naar God dorst, daar het slechts in het
klooster getreden is, om geheel aan God tebehooren; —
het is God verheerlijken, zooveel een schepsel Hem
kan verheerlijken, door Hem tot tabernakel te dienen,
en door, om zich daartoe waardig te maken, steeds
zuiver, gehoorzaam, godvruchtig, liefderijk te leven.
Communiceer dan dikwijls, zegt de H. Franciscus
van Sales, zoo dikwijls als gij dit met de toestemming
van uwen biechtvader doen moogt.
Communiceer dikwijls, om de krachten uwer ziel
te herstellen, en haar dat voedsel te geven, dat zij
behoeft om hare plichten op eene wijze te vervullen,
die verdienstelijk is voor den Hemel. Zonder de
veelvuldige Communie wordt de plicht, die altijd
eenigszins eentonig is, ten laatste zwaar en moeielijk;
hij wordt zonder opgewektheid, zonder vuur, zouder
voedsel voor den Hemel volbracht,
Communiceer dikwijls, om door de kracht van het
lichaam van Jezus-Christusuwe ellende, uwe geestelijke
.ziekten te herstellen en den waren levensgeest in u
op te wekken.
Communiceer dikwijls, om u van uwe dagelijksche
zouden te zuiveren. De heilige Communie, zegt het
Concilie van Trente, is een tegengift om ons van onze
dagelijksche zonden te verlossen,
— om ons te versterken
tegen het hervallen in de dagelijksche zonden. De
zonde is onze wond,
zegt de H. Ambrosius, het H. Sa-
crament is ons geneesmiddel; gij zondigt dagelijks
door
kleine zonden; wilt gij niet meer zondigen, dan com-
municeer dagelijks.
— Communiceer dikwijls, om in
u de begeerlijkheid te matigen en u voor doodzonde
te bewaren.
-ocr page 705-
C99
Communiceer dikwijls, om uwe vereeniging met
Jezus-Christus te onderhouden en te volmaken: Die
mijn vleesch eet, woont in mij en ik in hem.
Ons
vleesch is met het Vleesch van Jezus vereenigd, zegt
de H. Cyrillus, als twee stukken gesmolten was. Het
H. Sacrament ontwikkelt die vereeniging, gelijk het
aardsche voedsel de krachten van ons lichaam ont-
wikkelt; om de vereeniging uwer ziel met die uwer
medezusters te onderhouden: de heilige Communie
vernietigt de begeerlijkheid, die de bron is onzer
verdeeldheden, bezielt oim langzamerhand met den-
zelfden geest, hetzelfde hart, denzelfden wil, en
verplicht ons om in vrede met elkander te leven,
ten einde ons in staat te stellen dikwijls te mogen
communiceeren. De heilige Communie vernietigt
langzamerhand het eigenbelang, de afgunst, de
eigenliefde, de lichtgeraaktheid en al die gevoelens,
die zoo lichtelijk de harten verdeelen.
Communiceer dikwijls, om licht te verkrijgen:
Jezus-Christus is het licht, dat alle menschen verlicht,
die in deze wereld zijn gekomen
; — om u te helpen
in uwe moeielijkheden en opofferingen, — om u te
troosten en aan te moedigen, om eindelijk de vol-
maaktheid te bereiken: Jezus-Christus is de weg,
de waarheid en het leven.
(b ) Vereischten tot het dikwijls ontvangen
der heilige Communie.
I. Eiken Zondag communiceeren maakt de veel-
vuldige communie
niet uit. In de communauteiten
waar de Regel twee coramuniën toelaat, kan men nog
zeggen, dat dit voor eeue religieuze de veelvuldige
communie niet is; doch als er drie toegelaten worden,
-ocr page 706-
700
het hoogste getal dat de Regel mag toestaan, zou
dit als veelvuldige Communie beschouwd worden, en
men moet dan de vereischte gesteltenis daarvoor
vragen, zegt P. Meijnard.
II.     Om eene goede Communie te doen, en in
algemeenen zin de vruchten te verkrijgen, waarvoor
zij door Jezus-Christus is ingesteld, te weten om de
ziel te voeden en te versterken, moet de ziel vrij
zijn van doodzonde.
III.     Zal de heilige Communie deze vruchten ten
volle dragen, zooals de religieuzen dit vooral moeten
verlangen, dan moet de ziel:
1.   Vrij zijn van dagelijksche zonde; — en het is haar
gemakkelijk, zich vóór de communie te zuiveren van
alle dagelijksche fouten, welke zij bedreven heeft.
Zij kan dit door eeue akte van liefde of berouw, —
door het teeken van het heilig Kruis godvruchtig
met gewijd water te maken, met de meening zich
van hare zonden te zuiveren, — hetzij door zich met
dezelfde meening te veréénigen met den priester, die
aan den voet des Altaars het Confiteor bidt, — hetzij
door hare fouten te leggen bij de H. Hostie en Jezus
te bidden, ze te willen vergeven en gedurende de
H. Mis daarvoor te willen voldoen.
2.      Vrij van alle gehechtheid aan de dagelijksche
zonde.
Dit wil zeggen, dat zij elke vrijwillige fout
moet vermijden; dat, indien zij in die soorten van
fouten valt, dit meer door verrassing, dan vrijen
wil voortkomt, en dat zij gewoonlijk werke om alles
te vermijden, wat tot die zonden kan geleiden. Al
zou zij dikwijls in dagelijksche zonden vallen, zoo
moet haar dit niet van de heilige Communie ver-
wijderen, als zij er zich over vernedert, ze betreurt,
ze door meerdere getrouwheid zoekt te herstellen.
-ocr page 707-
701
De dagelijksche fouten, zegt Fénélon, moeten, wel
verre van ons de Communie te doen achterlaten, ons
aanzetten, om dikwijls dit groote geneesmiddel te
zoeken.
Het H Sacrament des Altaars is niet ingesteld
voor de engelen, die niet kunnen zondigen, maar
voor zondige, zwakke, onvolmaakte menschen; en
zij is het tegengift, dat ons zuivert van de dagelijksche
zonden
, en ons behoedt voor zwaren val (Conc. Trid.
Sess. XIII, Cap. Ilde Euch).
D.
Voor en na de H. Communie.
Wij geven hier geene bijzondere methode voor de
voorbereiding tot de H. Communie, noch voor de
dankzegging.
Het leven eener religieuze, dat geregeld, armoedig,
liefdadig, werkzaam, opgeruimd, aan alles en aan
allen onderworpen leven, is in zich-zelven eene voort-
durende voorbereiding, en wordt ook eene voort-
durende dankzegging. De H. Communie vormt geene
gebeurtenis in het leven der religieuze, het is slechts
een half uur van dat zoowel besteedde leven; doch
het is het half uur bij uitnemendheid, waarheen al
de vorige uren zich richten, en dat zijn invloed zal
doen gevoelen aan de uren, die gaan volgen.
Daarom maakt dan ook, naarmate dat het uur
nadert, de gedachte, ik ga cotnmuniceeren, ik ga
God in mijn hart ontvangen,
diepen indruk op de
ziel; en reeds bij het ontwaken, gedurende de meditatie
en de H. Mis, vervullen de treffendste beelden de ziel.
Hij komt, mijn Meester, om te zien, of alles in
zijn gebied in orde is, — of er geene wanorde, geene
-ocr page 708-
702
ontsteltenis heersclit, — of niemand, datgene wat Hij
gisteren daar geplaatst heeft, omver heeft geworpen,
of wel daar iets gebracht heeft dat Hem mishaagt...
Hij komt, mijn Vader, om mij een nieuw bewijs
zijner toegenegenheid te geven, mij te vragen, of ik
Hem altijd bemin, of ik steeds aan Hem denk, om
mijne beden, mijne zuchten, mijne klachten aan te
hooren. —
Hij komt, mijn Geneesheer, om zijne zieke te
bezoeken, de bekentenis harer onvoorzichtigheden,
de middelen, die zij heeft aangewend, de zwakheden,
waarin zij gevallen is, aan te hooren,.... om te zien,
of Hij haar moet genezen of nog laten lijden....
Hij komt, mijn Middelaar, mijn Jieschermer, mijn
Raadsman , mijn Gids.
Jezus is voor de ziel alles wat zij behoeft, alles
wat zij noodig heeft. Hoe zou men bij deze gedachte
niet als van zelve akten van geloof, van hoop, van
eerbied, van ootmoed, van aanbidding, van vreugde,
van verlangen in zich voelen opwellen, en wanneer
na de heilige Communie Jezus in u verblijft, o bid
dan zachtjes uw heiligen Engelbewaarder, Jezus niet
alleen te laten; bid Maria u ter hulp te komen en
zie.... Ja, het is wel uw Meester, uw Vader, uw
Geneesheer, uw Beschermer, uw Itaadsman, uw Vriend;..
aanbid Hem, bedank Hem, en offer u vooral aan
Hem op. Het schoonste en godvruchtigste gebed is
zeker dat van den H. Ignatius. Ontvang, Heer,
mijne vrijheid,
— mijn geheugen . mijn verstand, al
de genegenheden mijns harten;
— al wat ik heb, al
wat ik bezit, heb ik van u ontvangen; ik geef het
u weder, o Heer, en stel mij volkomen ter beschikking
van Uwen wil. Geef mij Uwe liefde, Uioe heilige
genade, en ik ben rijk genoeg en vraag niets meer!
-ocr page 709-
703
Ga zoetjes in vrede heen! zeg in uw hart: Ik
ga te midden mijner zusters den vrede, de zachtmoe-
digheid, de minzaamheid, de liefde van Jezus brengen\'
En bepaal eenige oogenblikken van den dag, waarop
gij tot u-zelve zegt: Dezen morgen heb ik Jezus
in mijn hart ontvangen.
89te HOOFDSTUK.
Het loven van jyel>e«l.
I. Het leven van gebed, dat leven in verééniging-
met
God, is eigenlijk het leven der religieuze.
Van gebed leven is onophoudelijk aan God denken
volgens het voorschrift van Jezus-Christus: Bid
zonder ophouden.
De ziel, die zich aau God heeft opgedragen door
de religieuze Geloften, wilde niet alleen, gelijk alle
schepselen, aan God toebehooren : maar zij trilde dichter
bij God zijn,
en het zich tot eene onmogelijkheid
maken, zich van Hem te verwijderen; zij wilde op
stoffelijke wijze met God vereenigd leven, door zijn
kleed te dragen, zijn werk te doen, zijn huis te
bewonen; maar bovenal wilde zij met Hem vereenigd
leven met hart en ziel, en deze verééniging maakt
haar hare religieuze plichten zoet en aangenaam.
Zij bemint God, en dien God, dien zij bemint,,
verlaat zij zelfs niet in gedachte. Aan Hem alleen
wil zij behagen, voor Hem alleen wil zij werken,.
om Hem alleen wil zij alle schepselen beminnen.
-ocr page 710-
704
Zij strijdt, doch alleen om zich niet te scheiden
•van haren God, van wien de duivel haar zoekt af te
trekken; en hoé hardnekkig, hoe langdurig die strijd
ook moge wezen, altijd zal zij dien met dezelfde
getrouwheid blijven voeren.
Zij lijdt, maar met vrede en vreugde onder het oog
van den God, die haar zelf dat lijden overzendt; en
zij omhelst haar kruis, omdat het haar meer gelijk-
vormig maakt aan den Meester, dien zij aanbidt.
Zij gehoorzaamt, en de gehoorzaamheid is haar een
zoete plicht, omdat zij daardoor dichter bij God komt;
het is God, die haar roept, die haar zendt, die haar
dit werk oplegt, en door de gehoorzaamheid blijft
zij steeds met Hem veréénigd.
II. Het leven van gebed, dat lenen van verinniging
met God,
laat zich samenvatten in deze weinige
woorden, welke trouwens geheel den inhoud van
dit boek uitmaken: denken als Jezus, — oordeelen als
Jezus,
— beminnen als Jezus, — handelen als Jezus.
De gedachten van Jezus waren allen tot God gericht.
De uitwendige zaken hielden Hem slechts bezig, voor
zoo ver zij tot God geleidden. Daaruit vloeide die
gedurige verééniging voort met God in de vermoeiendste
werkzaamheden zijner loopbaan, alsmede de geruak-
kelijkheid om van het werk tot het gebed over te
gaan, of beter gezegd, van aanhoudend te bidden.
De oordeelen van Jezus hadden geen anderen regel
dan de oordeelen van God. Er was in Hem als een
rechterstoel, waar God voorzat, en volgens zijn
goddelijk licht werden de zaken des levens, het
lijden, de vreugden, het werk geoordeeld.
De liefde van Jezus behoorde aan God alleen, en
had geen ander doel, dan aan zijnen Vader de Hem
verschuldigde eer te bewijzen , — de beleedigingen te
-ocr page 711-
705
herstellen, Hem door de schepselen aangedaan, —
zijnen wil in alles te vervullen, — Hem te doen
kennen, beminnen en dienen door al zijne schepse-
len; en om dit doel te bereiken was geen offer Hem
te zwaar.
Het leven van Jezus is een altijd werkzaam leven
geweest; maar die werkzaamheid ontsproot uit den
geest Gods, die Hem bezielde. Deze geest was de
ziel zijner ziel; Hij sprak, Hij bad, Hij werkte, Hij
onderrichtte, maar het was de geest Gods, die in
Hem sprak, bad, werkte, onderrichtte. Uit mij-zelven,
zegt Hij, doe ik niets. (Jo.v. VIII, 28). Wat ik u zeg,
zeg ik u niet uit mij-zelven; maar mijn Vader, die
in mij blijft, Hij doet de werken.
(Joa. XIV, 10.)
III. Het leven van gebed, van verééniging met
God, vindt zich geheel terug in de volgende bladzijde,
die wij in alle waarheid de dagorde der religieuze
mogen noemen.
Alles door Jezus, alles met Jezus.
Ik leef niet meer, maar Jezus leeft in mij.
Ik werk niet meer, maar Jezus werkt in mij.
Ik bemin niet meer, maar Jezus bemint in en door mij.
Ik moet dus al mijne daden verrichten, zooals Jezus
ze gedaan zou hebben.
Ik moet dus geen enkel oogenblik de tegenwoor-
digheid van Jezus uit het oog verliezen.
Jezus is mijn Helper, en doet de helft van hetgeen
ik moet doen.
Hij is mijn voorbeeld, en fluistert mij in, hoe Hij
dien plicht, mij opgelegd, zou vervullen.
Hij is mijn steun, Hij bemoedigt mij om de ver-
moeienis en de verveling te verdragen.
45
-ocr page 712-
706
Hij is mijne belooning, en telt elke minuut van
den tijd, dien ik in plichtsvervulling doorbreng, oui
mij voor elke minuut te beloonen.
Hij is mijn beschermer, Hij verwijdert den duivel,
terwijl ik bid of werk, Hij verwijdert van mij de kwaad-
willigen , of versterkt mij tegen hunne woorden, nooit
toelatende, dat ik boven mijne kracht beproefd worde.
O hoe teeder bemin ik Jezus!
In mijne recreatie denk ik aau zijne zachtmoedigheid,
zijne goedheid, zijn bestendigen glimlach. Hij verstoot
niemand, Hij veracht niemand. Hij is altijd dezelfde,
vol voorkomendheid, vol minzaamheid, nimmer on-
genegen tot dienstbetooning, — steeds verheugd zich
voor anderen te kunnen opofferen.
In mijne gesprekken spreek ik somtijds van Hem;
ik spreek ten minste in zijne tegenwoordigheid, opdat
niets onbeleefds, niets onbetamelijks, niets onvoor-
zichtigs mij ontsnappe. — Ik gevoel mij gelukkig, als ik
anderen kan aanzetten om Hem te beminnen; en word
ik naar de spreekkamer gezonden, dan zij mijne eerste
gedachte: Geef, o Heer, dat ik U moge doen beminnen!...
In mijne studiën denk ik aan de goedheid, waar-
mede Jezus zijne discipelen onderwees, hun uitleggende
wat zij niet begrepen; en ik stel mij voor, dat Hij
tot mij spreekt door de boeken, welke ik lees, Hij,
wien ik met eerbied en dankbaarheid aanhoor. Tk
roep Hem aan in moeielijkheden; — ik onderwerp
mij, als ik eenige vernedering onderga, of eenige
zwarigheid ontmoet; ik bedank Hem, als ik in een
of ander wel mag slagen; want het is Jezus, mijn
Meester, die mijn verstand verlicht heeft.
Bij mijne maaltijden denk ik aan zijne matigheid,
zijne soberheid, zijne versterving; met welke goedheid
Hij zelf zijne apostelen bediende, met welke liefde
-ocr page 713-
707
Hij mirakelen deed om de armen te voeden O hoe
gelukkig gevoel ik mij, als ik, daar en altijd, de
dienares mijner zusters mag zijn, wanneer ik mij
iets kan onttrekken, om het haar te geven!
In mijne gebeden stel ik mij dicht bij Jezus, en
hoor Hem tot mij zeggen: »Al wat gij den Vader in
mijnen naam zult vragen, zal Hij u geven;" en inge-
togen gelijk Hij, herhaal ik gaarne eenige der woorden,
die Jezus in zijn gebed uitsprak: »Vader, uw wil
geschiede, niet de mijne. Vader, geef ons heden ons
dagelijksch brood. Mijn Vader, mogen allen U kennen
en U verheerlijken!..." En ik beveel Hem mijne commu-
nauteit, mijne Overste, mijne medezusters, mijne familie,
en al degenen, die mij helpen om Hem te beminnen.
Bij mijn handwerk denk ik aan het werk, dat Jezus
verrichtte, wellicht hetzelfde als wat ik doe. Hij
deed alles wat Hem opgelegd werd, en Hij deed
het op volmaakte wijze. Hij verliet zijn werk, zoodra
men Hem riep, hervatte het of liet het weder rusten;
Hij beklaagde zich noch over den langen duur, noch
over de eentonigheid, noch over de moeielijkheid
van zijn werk; Hij, de Alwetende, schaamde zich
niet aan Maria, aan Jozef te vragen; »hoe moet ik
dit doen?" en getrouw hunnen raad te volgen.
In mijne moeielijklieden roep ik Hem en wacht.
Ik weet dat Hij bij mij is, en al zegt Hij niets, toch
vrees ik niet; Hij zal wel beletten, dat ik te zeer
gedrukt worde, dat de verveling te lang dure, dat de
bekoring te hevig worde voor mijne zwakke kracht.
Ik roep Hem aan, ik weet dat Hij zal komen, als
zijn uur daar is; en hoewel misschien met de tranen
in de oogen, met de zucht op de lippen, zet ik mijn
arbeid, mijn gebed, mijne levenswijze voort.
In de beproevingen en kruisen, mij door de Voor-
-ocr page 714-
708
zienigheid beschikt, stel ik mij dichter bij Jezus;
en vind ik Hem niet aan mijne zijde, dan ga ik Hem
zoeken..... Ik vind Hem in de armen der H. Maagd,
die mij zeker haar Kindje geeft, als ik godvruchtig
een tientje van mijn rozenkrans bid; —ik vind Hem
te midden der armen, die ik ga bezoeken, der kinderen
die ik moet onderrichten; ik vind Hem, als ik mij
edelmoediger toeleg op den plicht mij door de ge-
hoorzaamheid opgelegd; — ik vind Hem in het huisje
van Nazareth, aan zijn ruw kruis, en de kruisweg,
dien ik in de kapel ga bidden, geeft mij Jezus terug
met den vrede, de rust, de gelatenheid. Ik vind Hem
eindelijk in de H. Communie, en dan zeg ik tot Hem:
Heer, verlaat mij niet meer! verlaat mij niet meer!
In mijn slaap denk ik aan Jezus en zie Hem rustig
slapend, dan eens in de armen van Maria, dan in
de kribbe te Bethlehem, dan in het scheepje door
de golven geslingerd, en ik zeg tot Hem: O Jezus,
ik wil ook met U in vrede rusten; ik wil, dat mijn
hart steeds wake; ik wil, dat gedurende mijnen slaap
elke mijner ademhalingen een zucht van liefde zij;
ik wil, dat bij mijn ontwaken mijn eerste woord
zij: »Mijn Jezus, ik bemin U!"
O hoe zalig is een dag aldus met Jezus vereenigd
doorgebracht!
Gebed om het leven van vereeniging met Jezus te vragen.
Mijn Jezus, goddelijk voorbeeld, dat wij allen moeten
volgen, Jezus die zoo dikwijls in ons komt door de
H. Communie, Jezus zonder wiens hulp wij niets ver-
mogen, met wien wij alles kunnen, leef in mij nu en altijd.
Leef in mij nu om mij uwen zegen te geven, maar
een zegen, die de zonde van mij verwijderd houde,
die mij tegen de bekoring versterke, mij in de genade
-ocr page 715-
709
behoude, mij voor alle gevaar beware, mij in het
goede doe volharden.
Wees met mij in mijne gebeden, om mij de ver-
diensten der uwe en de heilige gesteltenis, waarmede
Gij gebeden hebt, mede te deelen; dat ik in U, door
U en met U verhoord worde in mijne beden, om
alles wat mij nuttig en noodzakelijk is.
Wees met mij in de H. Mis, om mij al de vruchten
daarvan voor mijne tijdelijke en geestelijke behoeften
toe te passen, om in mij het offer van mij-zelve te
bewerken, ten einde ik slechts één slachtoffer, één
zuiver en smetteloos offer met U worde.
Wees met mij bij mijn werk en de uitoefening
mijner bediening, om dit alles te zegenen, ten einde
ik mij voege naar den goddelijken wil, die verlangt,
dat ik mij volgens de gehoorzaamheid bezig houde.
Wees met mij in mijne twijfelingen, om mij met
voorzichtigheid en wijsheid datgene te doen kiezen
wat het meeste uwe glorie kan bevorderen.
Wees met mij in mijne maaltijden, om mij de
matigheid en de versterving te doen oefenen.
Wees met mij in mijne uitspanningen, om mij eene
zoete, vreedzame, stichtende blijdschap mede te deelen.
Wees met mij in mijne gesprekken, om mij op tijd
Ie doen zwijgen, en leg op mijne lippen woorden
van stichting, van goedheid, van kracht, van troost.
Wees met mij bij het lezen en studeeren, om my
uw licht mede te deelen, opdat mijn geest zonder
ijdelheid verlicht- en mijn hart versterkt worde.
Wees met mij in mijn lijden, mijne droefheid, mijne
vernederingen,
om mij troost, geduld en onderwerping
mede te deelen.
Wees met mij in voorspoed, om my dankbaarheid
en ootmoed te leeren.
-ocr page 716-
710
Wees met mij in alle gewone en buitengewone
omstandigheden,
waarin gij ziet, dat ik mij zou kunnen
bevinden, om mij van het kwade te verwijderen en
mij liet goede te doen betrachten, waartoe de gelegen-
heid zich aanbiedt.
Wees met mij als ik mij ter ruste begeef, om mij
in uw heilig Hart te verbergen en mij te zuiveren
van al het kwade, dat ik in den loop van den dag
mocht bedreven hebben; gedurende mijnen slaap, om
elke verbeelding, elk ongeval van mij te verwijderen,
dat mij zou kunnen schaden; bij mijn ontwaken, om
heilige gedachten in mijnen geest, heilige begeerten
in mijn hart te storten; bij mijn opstaan, om mij het
offer in te fluisteren, dat ik van mij-zelve moet brengen,
om mij den dag heilig te doen aanvangen en door-
brengen
Wees in mijn inwendig, om al deszelfs bewegingen
te regelen, in mijn uitwendig, opdat het stichtend
zij. Geef mij in alles en overal uwe hulp, om uwe
deugden na te volgen, opdat in mij de Hemelsche
Vader door U, o Heere Jezus, moge verheerlijkt
worden. O Jezus, gij zijt mijne eenige hoop; Jezus,
voor wien ik alles verlaten heb, kom in mij, blijf
in mij, leef in mij! Amen.
-A.. :ml ix o.
-ocr page 717-
HsTHIOTTZD.
EERSTE DEEL.
Bladz.
Natuur van den Religieuzen staat. . . 6
1« HOOFDSTUK..........      6
Onthecht ..........      7
Toegewijd..........      9
De ziel in betrekking tot God. ...    14
2e HOOFDSTUK..........    18
Over het bestuur........    18
Ten opzichte der Overste.....    22
Ten opzichte der Regeltucht ....    23
3« HOOFDSTUK..........    25
Over de personen, die den Religieuzen
Staat omhelsd hebben.....    25
Van den kant van God.....    25
Van den kant der H. Kerk ....    31
Voor de H. Professie......    31
Na de Professie........    34
Hoedanigheden eener goede Religieuze.    37
4e HOOFDSTUK..........    39
Wat den Religieuzen Staat uitmaakt .    39
Over de Geloften in het algemeen . .    40
Over de Kloostergeloften.....    41
-ocr page 718-
II                                            INHOUD
Bladz.
5e HOOFDSTUK..........    49
Voordeelen van den Religieuzen Staat.    49
Geluk van den Religieuzen Staat, uit
geheel raenschelijk oogpunt beschouwd    51
Eerebetoon en waardigheid ....    51
Goederen en Rijkdommen.....    54
Genot en Genoegen.......    55
Geluk van het Religieuze leven uit het
geestelijk oogpunt beschouwd ...    60
De Religieuze leeft met meer zuiverheid
en met meer verdiensten ....    62
De Religieuze valt zeldzamer ....    63
De Religieuze staat sneller op ...    64
De Religieuze wandelt voorzichtiger . .    65
De Religieuze ziel ontvangt meer genaden.    65
De Religieuze ziel geniet meer vrede .    66
De Religieuze sterft met meer vertrouwen    66
De Religieuze heeft korter Vagevuur .    67
De Religieuze ziel verwerft eene schoonere
kroon...........    68
6e HOOFDSTUK..........    71
Over de moeielijkheden die men in den
Religieuzen Staat kan aantreffen . .    71
7e HOOFDSTUK..........    78
Over de gebreken die den Religieuzen
geest kunnen vernietigen ....    78
Nalatigheid in de Godvruchtige Oefe-
ningen...........    81
Gebrek aan nauwkeurigheid.....    82
Gebrek aan voorkomendheid en beleefdheid    83
Gebrek aan stilzwijgendheid en ingekeerd-
heid............    84
Overdreven zorg voor de gezondheid. .    85
Overdreven of zonderlinge Godsvrucht .    87
-ocr page 719-
TNHOUD                                              III
Bladz.
De bijzondere Vriendschappen .... 88
Omgang met de wereld en begeerte naar
nieuwstijdingen........89
Welke geest kan zich in de gemeente
dringen?..........90
TWEEDE DEEL.
Verplichtingen van den Religieuzen Staat . 94
Eerste Verplichting der Religieuze.
BEMINNEN.......    97
le HOOFDSTUK..........    99
De Religieuze moet God beminnen . .    99
Artikel 1. Beweegredenen der liefde tot God    99
I. God verdient dat gij Hem bemint .    99
II. De goedheid van God eischt dat gij
Hem bemint.......  102
III. Uw titel van Religieuze verplicht
u God te beminnen.....  106
Artikel 2. Kenmerken der liefde Gods . . .  109
Artikel 3. Oefening der liefde Gods. . . .118
I. God beminnen is aan God denken.  119
II.
God beminnen is dikwijls tot God
spreken.........   123
III.  God beminnen is van Hem spreken
IV.   God beminnen is alles vermijden wat
Hem kan mishagen.....  129
-ocr page 720-
IV                                           INHOUD
Bladz.
1.  Gevolgen der dagelijksche zonden 131
2.   Voornaamste fouten, waaraan de
Religieuzen zich gemakkelijk
overgeven.......133
V. God beminnen is altijd doen wat
Hem behaagt.......137
IV. God beminnen is bij anderen ver-
nietigen, wat men weet aan God
te mishagen........139
IIV. God beminnen is niets willen, dan
wat God wil, en tevreden zijn
met alles wat God toelaat . . . 143
Vin. God beminnen is in alle zaken op
Hem vertrouwen......147
IX. God beminnen is verlangen om met
Hem vereenigd te zijn .... 150
X. God beminnen is Jezus in het Ta-
beruakel beminnen......159
IX. God beminnen is Maria beminnen . 165
Artikel 4. Belooning der liefde tot God . . 169
I. De vrede.........170
II. De zachtmoedigheid van inborst. . 173
2« HOOFDSTUK..........176
De Religieuze moet haar evennaasten beminnen.
Artikel 1. Beweegreden der naastenliefde . 176
I. God wil, dat wij den evennaaste
beminnen.........176
II. De evennaaste verdient, dat men
hem beminne.......181
III. Uw titel van religieuze verplicht u
uwen evennaaste te beminnen . 183
-ocr page 721-
INHOUD                                                   V
Bladz.
IV.  De vreeselijke straffen, waarmede zij
bedreigd worden, die het gebod
der liefde overtreden.....187
Artikel 2. Kenmerken der naastenliefde . . 189
I. Natuur der toewijding.....189
II. Doel, beweegreden, maat der naasten-
liefde..........191
III. Hoedanigheden der liefde .... 194
Artikel 3 Beoefening der naastenliefde . . 195
I. Den evennaasten beminnen is geen
dag voorbij laten gaan, zonder hem
eenigen dienst te bewijzen . . . 195
II. Den evennaasten beminnen is voor
de zaligheid zijner ziel en het wei-
zijn van zijn lichaam alles opofferen
wat men heeft.......198
III.  Den evennaasten beminnen is trach-
ten zich de zoogenaamde kleine
deugden eigen te maken, om hem
het leven aangenamer te maken. 204
IV.  Den evennaaste beminnen is geduldig
zijne gebreken verdragen . . . 212
V.  Den evennaaste beminnen is zijn
welzijn behartigen......215
VI. Den evennaaste beminnen is mede-
lijden met de lijdenden gevoelen. 217
VII. Den evennaaste beminnen is het
welzijn zijner ziel bevorderen . . 218
Oorzaak der fouten tegen de zusterlijke liefde.
I. De onverschilligheid......223
II. De baatzucht........228
III. De geest van eigendom .... 234
-ocr page 722-
VI                                            INHOUD
Bladz.
IV. De zinnelijkheid of bijzondere vriend-
schap ..........235
V. Laatste raadgevingen.....240
Artikel 4. Belooning der naastenliefde. . . 243
I. Het beoefenen der naastenliefde maakt
ons goedaardig ...         ... 245
II. Het beoefenen der naastenliefde maakt
ons gelukkig........246
III. Het beoefenen der liefde vereenigt
de harten. ...         .... 248
Gebed om goedheid en zelfopoffering te ver-
krijgen ............249
TWEEDE DEEL.
Verplichtingen van den Religieuzen Staat.
Tweede Gedeelte»
Strijden, — Lijden, — Gehoorzamen, — Bidden.
Tweede verplichting der Religieuze.
STRIJDEN.......253
le HOOFDSTUK ..........355
De noodzakelijkheid van dezen strijd.
I. Deze strijd is noodzakelijk voor alle
menschen......         . . 256
II. Deze strijd is vooral noodzakelijk
voor de Religieuze......260
-ocr page 723-
INHOUD                                       VII
Blad*.
2" HOOFDSTUK..........264
Hor moet men stiujden.
Eerste Afdeeling: Voorzorgen nemen . 265
I. Versterving der zintuigen .... 267
II. Versterving der neigingen. . . . 273
Tweede Afdeeling: Worstelen .... 281
3" HOOFDSTUK..........285
De vijanden, die men moet bestrijden.
Eerste Artikel.
Zinsbedrog omtrent den religieuzen geest.
I. De natuur van den religieuzen geest.    287
II. Beoefening van den religieuzen geest.    291
III. Hoedanig het zinsbedrog ons den
religieuzen geest voorstelt . . .    297
TV. Hoe het zinsbedrog den religieuzen
geest verwoest.......    303
Portret der Religieuze geleid door den Geest
van God, en der Religieuze geleid door
den geest der wereld.......    307
I. De Religieuze in haar inwendig leven    307
II. De Religieuze in haar uitwendig leven    312
III. De Religieuze in geheel haar gedrag    317
Tweede Artikel.
Zinsbedrog omtrent de gehoorzaamheid.
I. Hoedanigheid der gehoorzaamheid . 320
II. Bron der zinsbegoochelingen omtrent
de gehoorzaamheid......325
-ocr page 724-
VIII                                        INHOUD
Bladz.
III.  Natuur der zinsoegoochelingen om-
trent de gehoorzaamheid . . .    327
le Zinsbegoocheling......    327
2e Zinsbegoocheling......    330
3e Zinsbegoocheling......    334
4e Zinsbegoocheling......    343
5e Zinsbegoocheling......    344
6C Zinsbegoocheling......    345
IV.  Treurige gevolgen   der ongehoor-
zaamheid.........350
Derde Artikel.
Zinsbedroy omtrent de armoede.
I. Natuur der Gelofte van armoede . 357
II. Natuur van de deugd der armoede. 358
III.  Omvang der Gelofte en der deugd
van armoede.......360
IV.  Hoe zondigt men tegen de Gelofte
van armoede.......362
V.  Hoe zondigt men tegen de deugd
van armoede.......366
VI. Bron der zinsbegoocheling omtrent
de armoede........372
VII. Verschillende zinsbegoochelingen om-
trent de armoede......372
Vierde Artikel.
Zinsbêdrog omtrent de zuiverheid.
I. Natuur en omvang der deugd en
der Gelofte van zuiverheid . . . 384
II. Schoonheid en voordeelen der zui-
verheid..........388
-ocr page 725-
INHOUD
IX
Blad*.
III.  Voorzorgen om de zuiverheid te
bewaren.........390
IV.  Verschillende zinsbegoochelingen om-
trent de zuiverheid.....394
1.  Men gelooft de deugd van zuiverheid
te bezitten, omdat men geene nei-
ging voor het huwelijk gevoelt . 394
2.  Men gelooft de deugd van zuiverheid
te bezitten, omdat men geene be-
koringen tegen die deugd gevoelt. 397
3.  Men gelooft de deugd van zuiverheid
te bezitten, terwijl men eene tee-
dere genegenheid voedt voor eene
medezuster........398
4.  Men gelooft de deugd van zuiverheid
te bezitten, terwijl men zich we-
reldsche gemeenzaamheden veroor-
looft ..........400
5.  Men gelooft de deugd van zuiverheid
te bezitten, terwijl men zich alle
vrijheid in het lezen veroorlooft . 401
6.  Men gelooft de deugd van zuiverheid
te bezitten, zonder dat men de
versterving beoefent.....403
7.  Men vreest de zuiverheid verloren
te hebben, als men hevig bekoord
wordt..........406
8.  Men gelooft verplicht te zijn, de
bekoringen tegen de zuiverheid
rechtstreeks te bestrijden . . . 409
9.  Men gelooft de bekoringen tegen de
zuiverheid door bijzondere boet-
plegingen en vasten te moeten
bestrijden........411
-ocr page 726-
INHOUD
X
Bladz.
10.  Men gelooft zich geene enkele ge-
negenheid te mogen veroorloven
en zich zelfs niet aan zijne Com-
munauteit te mogen hechten . . 414
Vijfde Artikel.
Zinsbedrog omtrent de gevaren van
het religieuze leven.
I. Gevaren , voortspruitende uit het ge-
heugen , de verbeelding, het oordeel 421
11.  Gevaren, voortspruitende uit het hart 423
III.  Gevaren, voortspruitende uit den wil 425
IV.  Gevaren, voortspruitende uit de
zinnen..........426
V. Gevaren, voortspruitende uit den
Regel en de bediening .... 426
1.     De sleurgang......427
2.     De onachtzaamheid in kleine
zaken ,.......428
3.     De lauwheid......432
Zesde Artikel.
Zinsbedrog omtrent de eigenwaarde.
I. Uitwerkselen van het zinsbedrog om-
trent de eigenwaarde.....442
II. De geneesmiddelen tegen het zins-
bedrog omtrent de eigenwaarde . 448
Zevende Artikel.
Zinsbedrog omtrent de volmaaktheid.
1. Verschillende zinsbegoochelingen om-
trent de volmaaktheid .... 462
-ocr page 727-
INHOUD
XI
Bladz.
1.  Zinsbedrog omtrent de natuur
der volmaaktheid.....462
2.  Zinsbedrog omtrent de kentee-
kenen der volmaaktheid . . 464
3.  Zinsbedrog omtrent de noodza-
kelijkheid der volmaaktheid . 466
II. Natuur der volmaaktheid .... 472
III.  Noodzakelijkheid van het streven
naar de volmaaktheid.....477
IV.  De wijze waarop men naar de vol-
maaktheid moet trachten . . . 478
V. Teekenen waaraan men kan erken-
nen, of men in de volmaaktheid
vordert..........481
VI.  Oefeningen der volmaaktheid . . . 484
A.  Regels om onze werken wel te
doen.........484
B.  Toepassing der regels om al onze
werken wel te doen .... 488
VII.  Trappen der volmaaktheid. . . . 494
VIII. Listen van den duivel om ons van de
volmaaktheid te verwijderen . . 497
Derde verplichting der Religieuze.
LIJDEN........501
HOOFDSTUK....., .... 502
Noodzakelijkheid van het lijden.
I. De noodzakelijkheid van het lijden
is voor alle menschen in het alge-
meen gegrond op onze natuur, welke
tot straf der erfzonde gevoelig is
geworden voor de smart en tot
lijden is veroordeeld.....502
46
-ocr page 728-
XII                                                INHOUD
Bladz.
II. De noodzakelijkheid van het lijden
rust voor alle menschen in het
algemeen, op huune persoonlijke
zonden, die zij noodzakelijk moe-
ten boeten........504
III.  De noodzakelijkheid van het lijden
is gegrond, voor alle menschen in
het algemeen, op de noodzakelijk-
heid van te strijden, reeds in het
vorig hoofdstuk aangetoond . . 505
IV.   De noodzakelijkheid van het lijden
is gegrond op de verplichting van
den Hemel te verdienen . . , . 506
V. De noodzakelijkheid van het lijden
is gegrondvest, voor alle menschen
in het algemeen en voor de reli-
gieuzen in het bijzonder op de ver-
plichting van gelijkvormig te wor-
den aan Jezus-Christus .... 507
VI.   De noodzakelijkheid van het lijden
is voor de religieuzen in het bij-
zonder gegrond op de verplichting
van, naar aanleiding harer Geloften,
slachtoffers te zijn......509
VII.  De noodzakelijkheid van het lijden
is voor eenige zielen gegrond op
de keuze die God in zijne goed-
heid van haar als tot bijzondere
slachtoffers gemaakt heeft . . . 512
VI11. De noodzakelijkheid van het lijden
is voor eenige zielen in het bij-
zonder gegrond op de bijzondere
liefde, die God haar toedraagt. . 513
IX. De noodzakelijkheid van het lijden
-ocr page 729-
INHOUD                                        XIII
Bladz.
is bijzonder voor de religieuze ge-
grond op de verplichting van de
liefde, die zij God toedraagt, in
alle zuiverheid te bewaren . . . 516
2e HOOFDSTUK ...........518
Natuur en oorsaak van het lijden.
3« HOOFDSTUK..........522
Verschillende vormen van het lijden.
I. De dorheid en de angstvalligheid
der ziel.........    522
II. De vernedering.......    528
III.  De bekoringen........    536
1.  Waarom laat God de bekoring toe ? 537
2.   Verschillende soorten van beko-
ringen.........539
3.   Hoe men zich tijdens de bekorin-
ringen behoort te gedragen . . 543
IV.  De ziekten en de lichamelijke ge-
breken .........546
§ 1. De ziekten
I. Voordeden der ziekten.....    547
II. Zinsbedrog omtrent de ziekten . .    551
III. Hoe behoort men zich in ziekte te
gedragen.........    553
§ 2. Lichamelijke gebreken.
V. De gewetensangsten......558
1.   Natuur van de gevetensangsten . 558
2.  Uitwerkselen van de angstvallig-
heid van geweten.....559
-ocr page 730-
XIV                                        INHOUD
Bladz
3.  Verschillende soorten van gewe-
tensangsten.......    559
4.   Middelen tegen de gewetensangsten    562
4e HOOFDSTUK..........    566
Hoe men het lijden verdragen moet.
I. Voorbeelden ter navolging. . . .    567
II. De godvruchtige gedachten . . .    572
5e HOOFDSTUK..........    574
Uitwerkselen van het lijden.
1. Het lijden verzoent......    574
II. Het lijden vormt......    577
III. Het lijden hervormt.....    579
Vierde verplichting der Religieuze.
GEHOORZAMEN.....586
le HOOFDSTUK..........587
Natuur der gehoorzaamheid.
2e HOOFDSTUK......... . 590
Nood zakelijkheid der gehoorzaamheid.
I. De noodzakelijkheid der gehoorzaam-
heid is voor ieder in het algemeen
gegrond op het gezag van God,
die gebiedt........590
II. De noodzakelijkheid der gehoorzaam-
heid is gegrond op onze natuur,
welke uit haren aard afhankelijk is 591
-ocr page 731-
INHOUD                                          XV
Bladz.
III.   De noodzakelijkheid der gehoorzaam-
heid is gegrond op de leer en het
voorbeeld van Jezus-Christus . • 591
IV.  De noodzakelijkheid der gehoorzaam-
heid is gegrond vooral voor de
religieuzen op de verbintenis, welke
zij door hunne heilige Geloften
hebben aangegaan......593
V. De noodzakelijkheid der gehoorzaam-
heid is gegrond op de zwakheid
van onzen wil.......593
VI. De noodzakelijkheid der geboorzaam-
is gegrond op de onmogelijkheid
van zonder haar in eene gemeente
de orde te doen heerschen en te
handhaven........594
3e HOOFDSTUK..........596
Kracht en weldaden der gehoorzaamheid.
1. De gehoorzaamheid verheft de ziel
tot God........596
II.. De gehoorzaamheid belet de zonde
III.   De gehoorzaamheid verheft, verrijkt,
vergoddelijkt al onze daden . . 599
IV.  De gehoorzaamheid is de moeder,
de steun, de bewaak ster, de vol-
making van alle deugden . . . 601
4C HOOFDSTUK..........603
Geluk der gehoorzaamheid.
-ocr page 732-
INHOUD
XVI
Bladz.
Vijfde verplichting der Religieuze
RIDDEN........608
1« HOOFDSTUK..........610
Natuur van het bidden.
2e HOOFDSTUK..........613
De noodzakelijkheid van het gebed.
I. De noodzakelijkheid van het gebed
is gegrond voor alle menschen in
het algemeen en voor den christen
in het bijzonder op hunne hoeda-
nigheid van schepsel.....613
II. De noodzakelijkheid van het gebed
is gegrond voor alle menschen in
het algemeen op de onmogelijk-
heid waarin zij verkeeren, 1° van
aan den duivel te weerstaan , 2° van
het minste goed te verrichten, 3°
van in het goede te volharden tot
het einde toe.......615
III.   De noodzakelijkheid des gebeds is
voor de zondige zielen gegrond
op de onmogelijkheid, waarin zij
verkeeren, van uit eigen kracht
uit hare zonden op te staan, niet-
tegenstaande hareu goeden wil . 617
IV.  De noodzakelijkheid van het gebed
is voor de religieuze vooral gegrond
op de onmogelijkheid van hare reli-
gieuze plichten na te komen . . 618
3e HOOFDSTUK.........623
Het voorschrift van het gebed.
4e HOOFDSTUK..........026
-ocr page 733-
INHOUD                                       XVII
Bladz.
Kracht en vermogen van het gebed.
I. Het gebed is alvermogend; omdat
God getrouw is......    627
II. Het gebed is alvermogend, omdat
God goed is.......    629
III. Het gebed is alvermogend, omdat
God almachtig is......    631
5° HOOFDSTUK..........    635
Hoedanigheden va7i het gebed.
I. Wij moeten met aandacht bidden.    636
II. Wij moeten met ootmoedigheid bidden    638
III.  Wij moeten met vertrouwen bidden    640
IV.  Wij moeten bidden met volharding    641
V. Wij moeten bidden in den naam
van Jezus-Christus.....    643
6e HOOFDSTUK..........    645
Uitwerkselen van het gebed.
I. Algemeene uitwerkselen ....    645
II. Bijzondere uitwerkselen van het gebed    646
7" HOOFDSTUK..........    650
Bijzondere vormen van het gebed.
I. De Heilige Mis.......    650
II. De Kruisweg........    653
III.  Het Rozenhoedje......    654
IV.  Het bezoek aan het H. Sacrament    655
V.  De gebeden tot den H. Jozef . .    659
VI. De meditatie........
    660
A.     Natuur der meditatie . . .    660
B.     Noodzakelijkheid der meditatie    665
-ocr page 734-
XVIII                                      INHOUD
Bladz.
C. Uitwerkselen der meditatie . . 669
D.  Wijze der meditatie . . . . 671
Voorbereiding tot de meditatie 675
Stof of onderwerp de meditatie 676
E.  Aanmerkingen omtrent de ver-
schillende trappen van het in-
wendig gebed......677
VII. Het goddelijk Officie.....679
A.  De natuur en verhevenheid van het
goddelijk Officie ...... 679
B.  Verplichting en wijze van het god-
delijk Officie te bidden .... 681
Intentiën bij het lezen van het godde-
lijk Officie.........688
VIII. De Heilige Communie.....689
A.  De liefde der Religieuze voor de
Heilige Communie......690
B.   De noodzakelijke vergunning tot de
Heilige Communie......696
C.  Het veelvuldig ontvangen der H. Com-
munie..........    697
a. Beweegreden tot het dikwijls ont-
vangen der H Communie . .    697
b Vereischten tot het dikwijls ont-
vangen der H. Communie . .    699
D.  Voor en na de Heilige Communie    701
8" HOOFDSTUK..........703
Het leven van gebed.
Alles door Jezus, alles met Jezus . . 705
Gebed om aan God het leven van ver-
eeniging met Hem te vragen . . . 708
Einde van den inhoud.